diff options
Diffstat (limited to '43228-8.txt')
| -rw-r--r-- | 43228-8.txt | 15442 |
1 files changed, 0 insertions, 15442 deletions
diff --git a/43228-8.txt b/43228-8.txt deleted file mode 100644 index 40707ed..0000000 --- a/43228-8.txt +++ /dev/null @@ -1,15442 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Lotgevallen van een jeugdigen -natuuronderzoeker, by Lucien Biart - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker - -Author: Lucien Biart - -Translator: A. Nuyens - -Release Date: July 16, 2013 [EBook #43228] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LOTGEVALLEN VAN EEN JEUGDIGEN *** - - - - -Produced by The Online Distributed Proofreading Team at -http://www.pgdp.net - - - - - - +-----------------------------------------------------------------+ - | | - | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | - | | - | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | - | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | - | moderniseren. | - | | - | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | - | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | - | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | - | | - | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | - | _cursief_. | - | | - | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | - | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | - | accent, met/zonder afbreekstreepje, met/zonder extra spatie, | - | met c of k, alsmede het grote verschil in gebruik en weergave | - | van aanhalingstekens. De tekstuele verschillen tussen de | - | inhoudsopgave en de lopende tekst zijn ook behouden. | - | | - | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | - | aangebrachte correcties. | - | | - | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | - | e-boek op http://www.gutenberg.org/ | - | | - | Het origineel van dit e-boek is een vertaling vanuit het frans. | - | Een engelse vertaling is via Project Gutenberg beschikbaar | - | als e-boek no. 26009: http://www.gutenberg.org/ebooks/26009. | - | | - +-----------------------------------------------------------------+ - - - - -LOTGEVALLEN VAN EEN JEUGDIGEN NATUURONDERZOEKER. - - - - - LOTGEVALLEN - - VAN EEN - - JEUGDIGEN NATUURONDERZOEKER, - - DOOR - - LUCIEN BIART. - - - NAAR DEN TWAALFDEN DRUK VERTAALD EN VAN EENE INLEIDING VOORZIEN - - DOOR - - A. NUYENS. - - - UTRECHT. - J. G. BROESE. - - - - - SNELPERSDRUK VAN H. C. A. THIEME TE NIJMEGEN. - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - - Inleiding. - - - Een woord vooraf. 1 - - I. Wie wij zijn.--Gringalet.--Zonsopgang.--Het suikerriet. - --Halt. 6 - - II. De suiker.--Gringalet in de stroop.--Een idee van den - Encuerado.--Indiaansch avondmaal. 14 - - III. Het ontwaken.--Een Lilliput-wereld.--De Encuerado en - de flesschen.--Dood aan de distels!--De Indiaansche - kolenbranders. 22 - - IV. Eene moeielijke klimpartij.--De Geit.--De Indiaansche - vrouwen.--De tabak.--Het spel van den stier.--Lucien - wordt gewapend.--Intrede in de woestijn. 31 - - V. Het woud.--De raven.--Eerste bivak.--De eekhoorns.--De - kleine gids.--Een lofzang in de woestijn. 39 - - VI. De koffie.--De terpentijn.--De soeroekoes.--De - dennenaalden.--Drie vulkanen in 't gezicht.--De - roofkevers.--De schorpioenen.--De salamanders.--Een - alarm. 47 - - VII. De zalf van kattenoogen.--Het gordeldier.--Lucien en - de varenplant.--De ingestorte berg.--De specht.--De - basiliscus.--Een nieuw denkbeeld van den Encuerado. 57 - - VIII. Een feestmaal van gieren.--Het drakenbloed.--De - koraalslang.--De boschuil.--De Mexicaansche mollen.--De - toekans.--De duizendpooten.--De Encuerado kleermaker. - --Zonsondergang. 67 - - IX. De Zuidenwind.--De orkaan.--Een slechte nacht.--De - ontwortelde boom.--De salsaparilla.--Gringalet ontdekt - eene bron.--Bivak. 76 - - X. Het konijn.--De wilde aardappelen.--Een moeielijke weg. - --Een krater.--De ijzel.--De stroom.--Het jonge ree.-- - Cicaden.--De waterjuffers. 84 - - XI. Eene blauwe hagedis.--De goyavaboomen.--De waterval.--De - booze vrouw.--Nest gele slangen.--Een plantaardige helm. - --De ijsvogel.--De Troepialen.--Jacht op draaikevers.-- - De kikvorschlarven.--Eene verzameling wantsen. 93 - - XII. Een nabestaande van Gringalet.--Een gids op vier pooten. - --Inspectie.--De crocodil-schildpad.--De fazanten.--De - magnolia.--De muskaatboom.--Het blauwe gras.--De rups. 103 - - XIII. Het Kruidje-roer-mij-niet.--Gringalet en het - stekelvarken.--De Mexicaansche cameleon.--Wouw en - valk.--Een dubbelkopslang.--Eene raadsvergadering van - kalkoenen. 113 - - XIV. Een vuurbol.--De lantaarns van Onzen-lieven-Heer.--Het - stinkdier.--De jalappe.--Eene luchtreis.--De orchideeën. - --Bivak bij den ingang van eene grot.--Gringalet en de - kevers.--Termietennesten. 121 - - XV. Eene nieuwe soort fakkels.--Eerste blik in de grot.--De - lichtkevers.--De gothische zaal.--Stalactieten en - Stalagmieten.--Een Chichimeesch kerkhof.--De Indische - Notenboom.--De buidelrat en hare jongen. 134 - - XVI. De aardnoten.--Een maaltijd van wilde katten.--Een - nieuwe tocht in de grot.--De vleermuizen.--Opgravingen - in een graf. 145 - - XVII. Geforceerde marsch.--De zwemvogels.--De kruisdragende - bloemen.--Plantaardige zeep.--Een schotel van den - Encuerado.--De schermdragende bloemen.--De bloedzuiger. - --De onverwachte gast. 153 - - XVIII. Wilde dahlia's.--Een betreurenswaardig ongeval.--De - wolfsmelkboomen.--De waschrat.--De stroom.--De Encuerado - wordt hoedenmaker.--Een nieuw middel om booze geesten te - verdrijven.--De Anhinga. 162 - - XIX. Midden door de mieren.--Een troep hazen.--De zwarte - iguano.--Een ander land.--Herinneringen uit de jeugd.-- - De luchtspiegeling.--Een vuur in de vlakte. 172 - - XX. Mist en dauw.--Het Koude Land.--Windhoozen en - dwarlwinden.--De Barbarijsche vijgen.--Kaarscactussen. - --De viznaga.--Teleurgestelde hoop.--Don Benito - Coyotepec 180 - - XXI. Blanken en Zwarten.--Wij worden timmerlieden.-- - De Encuerado predikant.--De waaierpalmen.--De - advocaatboom.--De koeskoes.--De gier.--Eene moeielijke - onderhandeling.--De Encuerado-bal-ondernemer. 190 - - XXII. De galwespen.--Een afgrond.--De kappers.--Een salade van - portulac.--De bedrogen jagers.--De grafmakende insecten. - --De zandkevers.--Cactus en Cochenielje. De Mexicaansche - wijn.--Afscheid van onze gastheeren. 200 - - XXIII. Op weg.--De vogelspin.--De kakkerlak.--Wezel en civet - kat.--De vliegende eekhoorn.--De dadelpruimenboom.--De - otter.--De Encuerado is gewond. 209 - - XXIV. Een moeielijk ambacht.--Wilde lindeboomen.--De duiven. - --Kersenboomen der Antillen.--De oorworm.--Slangen en - adders.--Het warme land. 218 - - XXV. De aard-eekhoorn.--Een muizennest.--Vliegenvogels - en Colibri's.--De Chachalaca.--De Cassieboom.--De - tlalcoyoten.--De krekels. 225 - - XXVI. Door het woud.--Geforceerde marsch.--De bromeliaceeën.-- - Eene fantastische beek.--De muskieten.--De marail.--Het - beloofde land.--Een tocht van apen. 233 - - XXVII. De Encuerado en de papegaaien.--Gringalet brengt een - gast mede.--De puma of Amerikaansche leeuw.--De rivier. - --De Palmboomen-villa.--Schildpadeieren.--De Ibis en de - Reigers. 242 - - XXVIII. Het Campèchehout.--De mieren aan den arbeid.--De - parasieten.--Tijgerkat en tamandua.--De vanielje.--De - roode lepelaars en de kuifreigers.--Een apenstreek.-- - Verdwaald. 252 - - XXIX. Een nachtelijk bezoek.--Val van een boom.--Een droevige - nacht.--Versnelde marsch.--De apen.--De zweepslang.-- - Meester Job.--Met den schrik vrij. 261 - - XXX. Het onweer.--Het maken van een vlot.--De hertslang.--De - horzels.--Vaarwel aan de Palmboomen-Villa.--De Parra - jacana en Gallinula.--De ratelslang.--Een wilde kat.--De - aras. 269 - - XXXI. De steltvogels.--De verdreven jagers.--De pecaris.--De - Jaguars.--Het vlot blijft steken.--De tepoxoslang. 277 - - XXXII. De Ibis.--De kaaimans.--De draaiers.--Een tweegevecht - van den Encuerado.--De wilde stieren. 285 - - XXXIII. De koning der gieren.--De pinolillas.--Een schrik van - den Encuerado.--De Tapirs.--Afscheid van de rivier.--De - prooi van den leeuw.--Een slechte nacht. 294 - - XXXIV. Vertrek.--De Savanne.--De draagbaar.--Verdwijning van - den Encuerado.--Wij laten Jaunet en Verdet in de - steek.--Meester Job wordt ter dood veroordeeld. 302 - - XXXV. De dorst.--Terugkeer van den Encuerado.--Een kleine - zwerftocht.--Jaunet, Verdet en Rougette.--Jacht op wilde - paarden.--Een monster.--Laatste avontuur.--Het gematigde - Land. 310 - - XXXVI. Thuiskomst. 319 - - - - -INLEIDING. - - -Het zij mij vergund dit werkje door eenige bemerkingen bij ouders, -onderwijzers en al diegenen, welke voor de jeugd nuttige, aangename en -gezonde lectuur verlangen, in te leiden. - -In de laatste veertig jaren heeft er een geheele ommekeer plaats gehad -in de lectuur voor de jeugd. De moraliseerende, vaak droge en weinig -aantrekkelijke kinderboeken, zooals de ouderen van dagen die in hunne -jeugd ter lezing kregen, hebben plaats gemaakt voor een genre, dat zeer -zeker veel meer in den smaak van het jonge volkje valt. De vroegere -kinderboeken, waarin bijna altijd een brave Hendrik ten tooneele werd -gevoerd en als navolgenswaardig voorbeeld werd aangeprezen, konden in -den regel niet bevallen en zij misten bovendien geheel en al het doel, -dat de schrijvers er mede beoogden. Het beeld, dat men der jeugd in die -werken voor oogen stelde, was een valsch beeld en in stede dat de knaap -zich aangetrokken gevoelde tot het idealistisch wezen, dat men hem -voortooverde, werkte zooveel deugd, zooveel volmaaktheid ontmoedigend. -Zelfs de stijl van die boeken toonde maar al te dikwijls aan, dat de -schrijvers, door het schilderen van onware en onbestaanbare personen, -zichzelven een dwang hadden opgelegd, die alle frischheid, alle -levendigheid van voorstelling uitsloot. Stijfheid, vervelendheid, -houterigheid waren dan ook bij die persproducten schering en inslag. - -Langzamerhand kwam er evenwel in de kinderliteratuur eene gunstige -verandering. Het natuurlijke, het ongekunstelde kwamen in de plaats van -het onnatuurlijke en het gedwongene. Gouverneur en Dr. Heije brachten in -proza, zoowel als in poëzie, de kinderlectuur in geheel andere banen, -en ook het buitenland bracht in goed geslaagde vertalingen, een rijk -contingent van aangename uitspanning voor den geest aan. - -Evenwel verviel men toch ook weer dikwijls tot het tegenovergesteld -uiterste. Het droge, ongenietbare werd maar al te veel vervangen door -het fantastische en evenzeer onware. Zoo werden bijv. de werken van -Gustave Aimard door duizenden en duizenden verslonden en brachten -misschien evenveel jeugdige hoofden in de war. De onmogelijke -heldenfeiten van de hoofdpersonen uit Aimard, werkten even nadeelig -op de jeugdige hersenen, als de rooverromans uit eene gelukkig -lang vervlogene periode het op de oudere hersenen deden, die hun -geestesvoedsel in de huur-leesbibliotheken zochten. Het zal steeds een -der grootste verdiensten van den Franschen uitgever en schrijver Hetzel -blijven, dat hij, zoowel door zijne pen als door zijne industrie, -waaraan hij de beste auteurs wist te verbinden, aan de jeugd van -zijn land in de naar hem genoemde Collection Hetzel, een rijken schat -van kinderliteratuur heeft geschonken, zooals geen ander land die -weet aan te wijzen. Aan zijn helder doorzicht, aan zijne nauwkeurige -kennis van de eischen des tijds, hebben wij vooral eene nieuwe soort -kinderliteratuur, de wetenschappelijke, te danken. Elk gebied van -wetenschap is bijv. in zijne collectie vertegenwoordigd, en wel in -zoo groote verscheidenheid, dat de jeugd van elken leeftijd daar iets -nuttigs, iets boeiends en tevens leerrijks kan vinden. Jean Macé, -met zijn _Geschiedenis van een hapje brood_; Viollet le Duc met de -_Geschiedenis van een huis_; Flammarion op het gebied der Hemelkennis, -Jules Verne met zijne wonderreizen, Van Bruijssel en andere op het -gebied van Natuurlijke Historie, en honderden anderen hebben hunne -kennis en hun talent dienstbaar gesteld aan de literatuur voor de jeugd. -Wetenschap en kunst, reizen en ontdekkingen, letterkunde en -geschiedenis, alles is op ruime schaal voorhanden. - -Geen literatuur is dan ook, volgens mijne meening, beter voor de jeugd -geschikt dan deze. Genot en kennis, uitspanning en leering gaan daar -hand aan hand en terwijl de wonderen der vreemde landen, de verrassingen -der wetenschap voortdurend boeien en de belangstelling gaande houden, -wordt de kring der kennis steeds meer en meer uitgebreid en tevens de -geest op eene niet vermoeiende en uitputtende wijze bezig gehouden en -tot eene heilzame inspanning gedwongen. - -Vooral wordt door dergelijke lectuur het groote kwaad vermeden wat, -volgens mij, in de werken als die van Aimard schuilde, nl. dit, dat, -om de ontknooping van een of ander tafereel of wel van het gansche -verhaal te weten, er met zulk eene zenuwachtige, koortsachtige haast -werd gelezen, neen werd verslonden, dat het langzaam, met nadenken lezen -eene onmogelijkheid werd en de knaap later maar al te zeer bleek niet -meer tot ernstige lectuur, tot studie, in staat te zijn. - -Onder de reeds aangehaalde Fransche schrijvers voor de jeugd, neemt -Lucien Biart eene goede plaats in. Ik heb met veel genoegen kennis -gemaakt met het werk, waarvan ik hierbij de vertaling aanbied. Dat het -in Frankrijk reeds den twaalfden druk beleefde, bewijst wel hoezeer het -in den smaak van de jeugd van dat land viel. - -In den aangenaamsten vorm, waar zoowel de meest vroolijke en -potsierlijke, als de ernstigste en gevaarlijkste avonturen elkander -afwisselen en de spanning gaande houden, leert de schrijver ons een -gedeelte van Mexico kennen. Bergen en vlakten, bosschen en prairieën, -de plantenwereld en het dierenrijk, de inwoners en hunne gewoonten, de -voortbrengselen van den grond en het klimaat, alles wat ons een land in -den uitgebreidsten zin des woords kan leeren kennen, weet de schrijver -op de meest bevattelijke en toch strikt wetenschappelijke wijze mede te -deelen, terwijl bovendien alles vermeden is, wat ook maar op eenigerlei -wijze aanstoot aan wien dan ook, zou kunnen geven. Werken als het -onderhavige kunnen dan ook niet genoeg aanbevolen worden. Zij bieden -naast uitspanning, voedsel voor den geest aan, vermeerderen de kennis, -verruimen den gezichteinder en brengen wezenlijk veel bij, om de studie -en de opvoeding gemakkelijk te maken. De inhoudstafel van dit boek, -die wij hier laten volgen, moge een denkbeeld geven van de rijke -afwisseling, die er in aangeboden wordt. - -Moge het velen jongelieden eene aangename en nuttige uitspanning zijn. - - A. NUYENS. - - - - -EEN WOORD VOORAF. - - -Den dag, voor dat ik een mijner gewone tochten zou ondernemen, was ik -bezig mijne wapenen, insektendoozen en al mijne reisbenoodigdheden -in orde te brengen, toen mijn oudste zoon, een kereltje van negen -jaren, mij met dat vleiend voorkomen naderde, dat de kinderen weten -aantenemen, als zij een gunst van ons willen verwerven,--onweerstaanbare -staatsmans-kunst, die de vaders en moeders op zoovele nadeelige -verdragen te staan komt. - ---Gaat u weer zoo'n lange reis ondernemen als die van de vorige maand? -vroeg hij mij. - ---Een nog veel langere, want ons aanstaand vertrek naar Europa maakt, -dat ik mijne verzamelingen zoo spoedig mogelijk voltallig wensch te -hebben. Zult ge, gedurende mijne afwezigheid braaf zijn, uw mama niet -te veel plagen en aan mij denken? - ---Ik zou veel liever niet aan u willen denken. - ---Zoudt ge dan willen, dat ik in Orizava bleef? - ---Oh! neen; ik zou u willen zien vertrekken en.... met u meêgaan. - ---Hoe komt je dat in de gedachte? lieve Hemel! wij zouden nauwelijks op -weg zijn, of ge zoudt over warmte, dorst en vermoeidheid klagen. - ---Dat hebt u mis, vadertje! Als u mij meêneemt, zal ik u van veel dienst -zijn. Kan ik geen hout zoeken, vuur aanmaken en op het gebraad passen? -Zonder er nog bij te voegen, dat ik vlinders en insekten voor uwe en -mijne verzamelingen zou vangen. - ---Ja, maar de eerste doorn de beste, die uw hand of been zou schrammen, -zou u doen schreien. - ---O! Pa! ik beloof u dat ik niet zal schreien, dan wanneer ik mij niet -kan inhouden. - -Dit antwoord dwong mij een glimlach af. - ---Dat is dus afgesproken, ik ga met u meê, riep Lucien uit. - ---Zoudt ge het niet eerst uwe moeder vragen? Als zij er geen bezwaar in -ziet, zou ik..." - -Het kind liep hard weg, zonder het einde van mijn volzin af te wachten. - -Ik ging voort met mijne wapens schoon te maken. Reeds bepleitte ik bij -mij zelven de zaak van den jeugdigen reiziger. Ik dacht er aan hoe ik, -nauwelijks zeven jaar oud, te voet, met mijn vader groote afstanden -aflegde en hoe ik aan deze vroegtijdige gewoonte van veel te loopen -het te danken had, dat ik reizen kon doen, waarvan de gevaren en de -vermoeienissen anderen, die sterker waren dan ik, afschrikten. Ik zeide -nog bij mij zelven, dat het misschien nuttig kon zijn, eer wij Mexico -verlieten, op de verbeelding van het kind indruk te maken door het zien -van de grootsche tooneelen van de natuur onder de keerkringen en dat -het goed zou zijn als hij de herinnering bewaarde aan het heerlijke -land, waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Ik bedacht verder dat de -Encuerado, een brave Indiaan, die mij reeds sedert zoovele jaren diende, -dol veel van zijn jongen meester hield en even goed als ik over hem -zou weten te waken. Maar stelde ik mij van een anderen kant niet aan -het gevaar bloot om bij mijn zoon mijn lust tot reizen en tot een -avontuurlijk leven op te wekken, dat wel mijn kennis had vermeerderd -maar niet mijn fortuin? En toch, welken heilzamen invloed oefent een -strijd van alle uren tegen de moeielijkheden van een ongebaanden weg, -niet op den geest uit! De ziel en het lichaam van mijn zoon zouden -beiden bij dezen tocht, dien ik naar verkiezing langer of korter zou -kunnen maken, winnen. - -Terwijl ik zóó, zonder het bijna te weten, de pleitbezorger van Lucien -werd, zag ik hem terugkeeren, zijne moeder bij de hand houdende. - ---Wat is dat toch met die reisgeschiedenis, waaraan nog slechts mijne -toestemming ontbreekt? vroeg mijne vrouw mij. - ---En de mijne, haastte ik mij er bij te voegen. - ---Maar waarom zoudt ge hem niet meenemen, mijn vriend? De Encuerado -heeft mij beloofd, dat hij hem niet uit het oog zal verliezen. - ---Wat, neemt gij zijn partij op? - ---Hij zou zoo gaarne met u meê willen gaan. - -Ik dacht een minuut na, die Lucien een eeuw toescheen; eindelijk pakte -ik hem bij zijn oor en sprak: - ---Welnu het zij zoo; laat men zijn kleêren maar gereed maken, want wij -zullen overmorgen, bij het krieken van den dag, vertrekken. - -Ik dacht, dat Lucien gek van blijdschap werd. Terwijl hij het huis -van het eene einde tot het andere doorliep, bracht hij alle meiden en -knechts op den been. Hij wou slobkousen, laarzen, een weitasch, een -sabel, een mes, insektendoozen, kortom een heele wereld hebben. Hij liet -door den Encuerado, die bijna even blij was, een gemakkelijken, stevigen -en lichten reisstok maken. Van af dat oogenblik zag men in de kamers en -op de binnenpleinen voortdurend den jongen reiziger, die heen liep, weer -terug kwam, klauterde, alles, zooals hij zeide, om zich te gewennen aan -de vermoeienissen van lange marschen. Toen men ging eten veroordeelde -hij zich zelven tot water en brood, teneinde zijn maag voortebereiden -op de magere tafel van het bivak. - -Ik moest dezen ijver wat intoomen en aan dat in gisting verkeerende -hoofd wat koelbloedigheid aanbevelen. - -De dag voor het vertrek brak aan. Verscheidene mijner vrienden kwamen -mij bezoeken. Het ventje vertelde hun al de groote daden, die hij van -plan was ten uitvoer te brengen. Bij voorbaat vertrapte hij reeds de -koppen der schorpioenen, met zijn sabel kloof hij boomen en hakte hij -slangen aan stukken. Hij dacht hersenschimmige middelen uit om vuur te -maken. - -»Als ik op de rotsen val, zal ik om mijn schrammen lachen en als wij -tijgers ontmoeten...." - -Zijn krijgshaftige houding voltooide op welsprekende wijze den zin. - -Een oogenblik hield hij met zijn gesnap op en hij zou met zijn sabel -zeker de toehoorders wel tot stilzwijgen hebben willen brengen, die, als -uit een mond, mijn voornemen laakten. Een kind van negen jaar met zich -in de bosschen en Savannes sleepen, het blootstellen aan de onbekende -gevaren eener woeste wereld, aan de vermoeienissen, aan regen, aan -ziekten! dat was de Voorzienigheid tarten en misschien luchthartig het -leven, of althans de gezondheid van het kind in gevaar brengen. Deze -algemeene afkeuring bracht mijn besluit aan 't wankelen. - ---O vader, riep Lucien uit, zijn handen samenvoegende, zoudt ge voor de -eerste maal uw woord tegenover mij breken! - ---Neen, antwoordde ik, nu niet en nooit. Ik verlang bovendien, dat gij -een man wordt. Ga nu rusten. Gij moet morgenochtend om vier uur op zijn. - -Men meende dat ik half gek was, maar ik bekommerde er mij verder niet -om. - -Ik had van mijn voorgenomen tocht kennis gegeven aan mijn vriend, Frans -Sumichrast, een geleerden Zwitser, wel bekend door zijne ontdekkingen -in de natuurlijke historie en in wiens gezelschap ik verscheidene reizen -had gemaakt. Tegen tien uur in den avond begon ik reeds te denken dat -mijn brief verloren was geraakt, toen een slag met den klopper de deur -deed dreunen en weldra herkende ik de vroolijke stem van mijn vriend. -Hij was expres van Cordova gekomen om zich bij de karavaan aan te -sluiten. Ik deelde hem mijn vrees en twijfel betreffende Lucien mede. -Hij nam ook de partij voor den jeugdigen reiziger op; kon men ook wel -iets anders verwachten van een landgenoot van Töpffer? - ---Kom eens hier, riep hij Lucien toe, die, half ontkleed, de deur op een -kier open deed. - -De knaap liep op hem toe en door mijn vriend, wiens lichaam de -gemiddelde lengte te boven ging, van den grond opgetild zijnde, omhelsde -hij hem als een bondgenoot. - ---Op uw leeftijd, sprak Sumichrast, had ik, met den ransel op den rug, -reeds geheel Zwitserland doorkruist en getracht beerenbiefstuk te eten. -Ik zeg dat ge u als een man zult gedragen, heb ik daarin ongelijk? - ---O neen, mijnheer Sumichrast. - ---Zoudt ge kunnen leven zonder eten of drinken? - ---Ik zal doen, wat u doet. - ---Mooi zoo! ga nu slapen; als ge woord houdt, zijt ge, als we over een -maand terugkeeren, zes voet groot geworden. - -Den volgenden dag beklaagde Lucien, die reeds voor dag en voor dauw op -en geheel tot de reis uitgerust was, zich over onze langzaamheid. Hij -was gekleed in een blauw linnen kiel en een broek van dezelfde stof, -zijn Mexicaansche deken (sarapé) was om het lichaam gerold, aan den -lijfriem droeg hij een scherpe sabel om de slingerplanten door te hakken -en over den schouder aan een riem een weitasch, waarin zich een mes, een -beker en eenig schoon goed bevonden. De hoed met breede randen, dien hij -op had, gaf hem een vastberaden uiterlijk. Ik vergeet nog de veldflesch -en den beruchten reisstok, die gedurende twee dagen op alle vloeren -had weerklonken. Eindelijk kwam ook José-Maria, een halfbloed Indiaan, -vroeger tijgerjager van beroep, wien duizenden, te zamen doorgestane -gevaren voor altijd aan mijn persoon verbonden hadden, voor den dag. Hij -was gekleed in een leeren kiel en broek, die zijne gansche uitrusting -uitmaakten en waaraan hij den naam van »den Encuerado"[1] te danken -had. De brave Indiaan, een avontuurlijke natuur, kon zijne blijdschap -niet verbergen bij de gedachte, dat hij het kind, dat hij gewiegd had, -meê in de bosschen mocht nemen. Hij droeg op zijn rug de mand die -de noodzakelijkste levensbehoeften: koffie, zout, peper, gedroogde -maïskoeken enz. bevatte. Het zusje en de jongere broeder van Lucien -waren uit hun bed gekomen en draaiden om ons heen; de eerste scheen -droevig en onrustig, de andere was niet zeer tevreden en preutelde; -hij beweerde, dat hij ook groot genoeg was om meê te gaan. - -[1] Encuerado beteekent in 't Spaansch tegelijkertijd naakt en in leer - gekleed. - -Toen het beslissende uur naderde, zag de arme moeder zich den moed -ontzinken en zij had spijt dat zij hare toestemming had gegeven. Bij het -zien der tranen welke zijn vertrek te voorschijn riep, betoonde Lucien -zich heldhaftig; hij wierp stok en hoed ver van zich en riep, terwijl -hij haar omhelsde:--Als gij schreit, moeder, ga ik niet mee. - ---Welnu, dan ga ik in zijne plaats meê, sprak zijn broeder Emile, die -haastig den stok opraapte en naar de deur ging, zonder zich veel over -zijn meer dan luchtige morgenkleeding te bekommeren. - ---Neen, neen, kindlief, ik wil u niet van zulk een groot genoegen -berooven. - -De goede moeder omhelsde haar kind en beval hem ons door hare blikken -nogmaals aan. - -Ik troonde mijn kleinen reismakker mede. Op het voorplein komende, -moest ik al mijn gezag te hulp roepen om Emile hoed en stok te doen -teruggeven. Zoodra dit gebeurd was, omhelsden de kinderen elkaar tot -afscheid. - -Eindelijk waren wij dan de deur uit en het geraas van onze voetstappen -onderbrak alleen de stilte der stad Orizava. Wij aanvaardden den eersten -dagmarsch van een reis van wetenschappelijke ontdekkingen, waarvan men -mij den geschiedschrijver heeft genoemd. - - - - -I. - -WIE WIJ ZIJN.--GRINGALET.--ZONSOPKOMST.--HET SUIKERRIET.--HALT. - - -Het was den 20 April 1864. Op den kerktoren van het klooster van St. -Jozef van Genade had het juist vier uur geslagen toen wij in de groote -straat kwamen, die tot buiten de stad geleidt. - -Sumichrast opende den marsch. Groot van gestalte, breed van schouders, -met een hoog voorhoofd, vertoonde hij, niettegenstaande zijne blauwe -oogen en blonde haren, het beeld der sterkte. Ik liet hem altijd vooraan -gaan, als wij op onze tochten indruk op de verbeelding der Indianen -wilden maken. Daar mijn metgezel een uitstekend vogelkundige was, -gevoelde hij zich slechts thuis te midden der bosschen en betreurde hij -het, dat hij niet als Indiaan geboren was. Een weinig droefgeestig, -zonder evenwel somber te zijn, vergeleek ik hem, ook om zijn -behendigheid in 't schieten en zijn stillen lach, met Bas-de-Cuir[2], -maar een geleerde Bas-de-Cuir en een man van de wereld. Zijn ernst -schrikte Lucien, die hem sedert lang kende, volstrekt niet af. - -[2] Een personage uit de werken van Aimard. - -Lucien, die, evenals alle kinderen, graag alles naäapt, was reeds -vroegtijdig begonnen met het aanleggen van eene verzameling insekten -en dit was voldoende geweest om hem eene bepaalde voorliefde voor de -natuurlijke geschiedenis in te boezemen. Voor zijn leeftijd vrij klein, -met zwarte oogen onder de krullende blonde haren, was hij ernstig en -nadenkend en zeer begeerig om te leeren. Zijn verstandigheid behaagde -aan Sumichrast, die er dikwijls vermaak in vond met hem te redetwisten -en die hem dan, opgebeurd door zijn snedige uitvallen, Zonnestraal -noemde. - -Achter den knaap liep de Encuerado, een halfbloed Indiaan met een -beenderig gelaat, zwarte en beweeglijke oogen, dik en overvloedig haar; -een mengsel van geslepenheid, kinderlijkheid, goedheid, oprechtheid en -koppigheid. Sedert ik hem in het Warme Land had ontmoet, dat wil zeggen -bijna twaalf jaar geleden, was hij zoowel mijn vriend als mijn dienaar -geworden. In de stad gevoelde hij zich ongelukkig; opgevoed te midden -der eenzaamheid, roemde hij zelfs hare onaangename zijden. - ---Hoe jammer dat het nacht is, sprak Julien, die door Sumichrast bij de -hand werd gehouden. - ---Waarom spijt het u, dat het geen dag is? vroeg ik hem. - ---Wel! omdat iedereen nu slaapt en mijn vriendjes mij nu niet kunnen -zien voorbijgaan met mijn sabel, mijn veldflesch en mijn weitasch. - ---Hm! en zoudt ge dan denken dat uw uitrusting uw makkers jaloersch zou -maken? Dat is nog al een mooie gedachte. - ---Neen vader, 't is waar, ik zou wel gezien willen worden, maar ik zou -niemand verdriet willen veroorzaken. - -Wij trokken langs den voet van den Borrego, dien door het gevecht van -zestig Franschen tegen duizend Mexicanen zoo beroemd geworden berg. -Terwijl wij zoo den straatweg volgden en door de duisternis een beetje -op goed geluk af voortmarcheerende, de zoogenaamde poort van Angostura -bereikten, vloog eensklaps een hond voor ons uit, die evenwel spoedig op -zijn schreden terugkeerde, vroolijk tegen ons blafte en ons allerlei -liefkoozingen bewees. - -'t Was Gringalet, een groote windhond, sierlijk maar gespierd van -vorm, de vriend van mijn zoon en door den Encuerado met de zuigflesch -grootgebracht. Op den dag van zijn geboorte wees geworden, had Gringalet -in den Indiaan den zorgvuldigsten voedstervader gevonden; drie maal per -dag had hij zijn pleegkind aan een met melk gevulde flesch laten zuigen, -het dier was aan de zijden van zijn jongen meester groot geworden; het -had hem--dit spreekt van zelf--meer dan een stuk koek uit de handen -gesnapt, maar daarom betoonde het ook een groote voorliefde voor Julien, -voor zijn voedstervader en voor de flesch. Ik was eerst boos op het arme -dier dat, zonder broodzak en zonder mondbehoeften, zich bij de karavaan -aansloot en wilde het terug jagen. Maar Gringalet zocht zijn toevlucht -bij Julien; met de ooren in den nek en een poot omhoog, zag hij mij met -zulke zachte en smeekende blikken aan, dat ik den moed niet had hem weg -te sturen. Sumichrast en de Encuerado sprongen voor het arme dier, dat -kwispelstaartend en op den buik zich voort slepende, voor mijn voeten -ging liggen, in de bres. Lucien, die bang was, dat ik zijn lieveling ruw -zou behandelen, bedekte zijn gelaat met beide handen. Ik was overwonnen. - ---Komaan, dan zullen we Gringalet maar meê nemen riep ik uit. - -Ik haalde den hond aan, die, begrijpende dat zijne zaak gewonnen was, -met de dolste sprongen over den weg begon te rennen. Bij Lucien kwamen -de waterlanders te voorschijn, hoeveel moeite hij ook deed om ze tegen -te houden. Ik wendde het hoofd af, ten einde niet verplicht te zijn -hem te herinneren aan de belofte, bij den aanvang van de reis gedaan. -Trouwens, hoezeer ik ook verlangde dat hij moedig zou weten te weerstaan -aan lichamelijke pijnen, wilde ik toch in zijn hart de bron zoowel van -onze zoetste genoegens als van onze zwaarste zorgen, de gevoeligheid, -niet doen verdrogen. De poorten van de stad waren nog gesloten. Voor de -woning van den wachter gekomen, klopte ik op het venster, om den ouden -man, die ons de vrijheid moest geven, wakker te maken. - ---Zou hij ons niet opendoen? Moeten wij weer terugkeeren? Zouden wij van -daag niet vertrekken, mijnheer Sumichrast? vroeg de knaap. - ---Wees gerust, antwoordde Sumichrast, de wachter is oud, wij storen hem, -zonder daartoe het recht te hebben, en dat maakt hem wat knorrig. 't Is -wel goed levendig te zijn, maar men moet ook weten geduld te oefenen. - -Eindelijk kwam de poortwachter te voorschijn; de kettingen vielen een -voor een neer, de zware boom draaide op zijn grendels, en Lucien sprong -het eerst den grooten weg op. De hemel was zonder sterren, de morgendauw -deed ons verstijven; wij ondervonden dat onverklaarbare, onbehagelijke -gevoel dat zich onder de keerkringen van den reiziger meester maakt op -het oogenblik als het licht voor de duisternis in de plaats komt. Ik nam -Lucien bij de hand, uit vrees dat hij soms in een kuil zou vallen. Hij -rilde, maar durfde niet klagen, zijne uitrusting hinderde hem in het -loopen. Ik verhaastte den pas om hem wat warmer te doen worden. Op dit -oogenblik betreurde hij wellicht zijn bedje en dacht hij aan den kop -chocolade, dien zijne moeder hem dikwijls bracht, als hij pas de oogen -open had; maar hij sprak er toch niet over. - -Voorbij het dorp del Ingenio vertraagde een sterke Zuidenwind, die het -stof van den weg naar ons toejoeg, onzen marsch. Om ons heen bogen -de boomen onder den storm en de breede bladeren van de bananenboomen -vlogen, tot reepen gescheurd, in 't rond. Wij hielden rechtsaan en -trokken eene prairie over. De Encuerado vroeg om eens adem te mogen -scheppen; want de vracht, die hij droeg, woog minstens tachtig pond; -maar even als die van Esopus, zou zij bij elken maaltijd lichter worden. -Een onmetelijk rotsblok, eeuwen geleden van de omringende bergen -losgescheurd, vergunde ons om, tegen den wind beschut, uit te rusten. -Bijna op hetzelfde oogenblik omzoomde een purperen rand den hemel naar -den kant van het Oosten; de dageraad kondigde zijn komst aan. - ---Kom eens hier, riep ik Lucien toe. Ziet ge daar die streep licht, die -zou doen gelooven, dat de gezichteinder in brand staat? Midden uit die -streep zal de zon straks eensklaps te voorschijn komen. Op dit oogenblik -is het voor de volkeren van Europa, reeds bijna middag; daarentegen zal -het bij hen nacht zijn, als ons horloge op drie uur zal staan en wij -onder den gloed van een smoorheete lucht met moeite voorwaarts zullen -gaan. De roode streep wordt zienderwijs breeder, maar zij wordt ook -bleeker; men zou nu meenen, dat het een gouden nevel is. Keer u nu eens -om en zie eens naar de bergtoppen. - -De knaap uitte een kreet van verrassing; ofschoon wij nog in de donkerte -waren, schenen de toppen van de Cordilleras in vuur te staan. - ---Begrijpt ge dit verschijnsel? vroeg Sumichrast. - ---Ja zeker, want ik weet dat de aarde rond is en dat de berg, die hooger -is dan wij, de zon het eerste ziet. - ---Goed geantwoord, zeide Sumichrast, terwijl hij hem omhelsde. - -De dag brak aan. Een brandende bol rees van uit den grond op; het oog -kon er nog ongestraft in staren; maar na een paar minuten kwam het -gesternte hooger en overstroomde ons met licht. Onmiddellijk hieven de -vogels hun morgenlied aan; de arenden rezen van alle toppen omhoog en -kwamen om onze hoofden zweven. De zonnestralen glinsterden tusschen de -dauwdruppels; het gras der prairie scheen als met diamanten overdekt. -Zwarte gieren, die nog hooger stegen dan de arenden en haviken, -beschreven in de blauwe lucht in hun majestueuze vlucht onmetelijke -kringen. Op de struiken spreidden de insekten hunne gazen vleugelen uit -en vlogen weg; zij wilden geen minuut verliezen, want zij hebben soms -slechts een morgenstond tijds om geboren te worden, te leven en te -sterven. - ---O, riep Lucien uit, als wij weer thuis zijn, zal ik mama vertellen -hoe mooi het opgaan der zon is, opdat zij het ook aan mijn broertjes -en zusjes late zien. - -Ik was verplicht hem aan eene bewondering te ontrukken, die ik zelf -deelde. Iedereen nam zijne vracht op. Nu gevoelden wij ons, trots den -wind, vlug en wel te moede. Gringalet, die over den terugkeer van het -licht even verheugd was al wij, liep om Lucien heen; hij blafte, sprong -over slooten, rende en huppelde en rolde zich in het zand, met een -uitbundigheid, die ons verbaasde. Onze kleine reismakker volgde in den -beginne dat dwaze loopen na, zoodat ik hem wat ter neer moest zetten. -Wij waren voornemens om zes of zeven mijlen op dezen eersten dag -afteleggen, zoodat wij wel moesten toezien, dat Julien zich niet -nutteloos vermoeide. - ---Ge gaat te schielijk of te langzaam, zeide Sumichrast; reizigers en -soldaten moeten in een geregelden pas loopen, zoodat zij zonder te veel -vermoeidheid van de eene rustplaats tot de andere kunnen komen. Komaan, -in 't gelid; goed zoo. Voorwaarts, marsch! - -Lucien regelde zijn stap op dien van zijn onderwijzer. Het was aardig om -te zien, hoe hij een gang wilde beproeven, die geheel in tegenstelling -met zijn grootte was. - ---Halt! riep Sumichrast. Wat koekoek! denkt ge dan, dat uw beenen -evenlang als de mijne zijn? Dat voorrecht kan u misschien over een jaar -of tien ten deel vallen. Nu moet ge op eene natuurlijke wijze, zonder -inspanning en zonder overhaasting loopen. Een, twee, drie, goed zoo! Ga -nu zoo voort, zonder u om mij te bekommeren; daar gij mijn pas niet kunt -maken, zal ik den uwen nemen. - -Daar wij een reis van driehonderd mijlen in 't verschiet hadden, was het -een vereischte, dat wij het kind aan een geregelden gang gewenden. Na -verschillende proefnemingen, werd overeengekomen dat wij den gewonen pas -zouden aannemen; zoo doende kon Lucien ons bij houden door twee passen -te doen tegen wij een. - -Wij richtten ons nu naar de hoogten heen. Ons plan was om de Cordilleras -in te gaan, den vulkaan van Orizava om te trekken, dan weer in de -savannen af te dalen, dan in schuinsch linksche richting te gaan, -ten einde de zee te bereiken; van daar zouden wij de prairieën en de -bosschen van het Warme Land doortrekken om zoo weer door de bergen van -Songolica op ons uitgangspunt terug te komen. Dit vertegenwoordigde -in rechte lijn een reis van honderd vijftig mijlen of minstens van -driehonderd mijlen, als men de bochten die wij zouden moeten maken, -meerekende. Wij waren van plan om op deze lange reis van tijd tot tijd -de gastvrijheid in de Indianendorpen, die wij in onze nabijheid zouden -vinden, in te roepen en als het niet anders kon, in de open lucht te -slapen en te kampeeren. - -[Illustratie: De Encuerado nam zijn _machete_ en sneed een prachtigen - stengel af. (blz. 11).] - -Tegen elf uur in den ochtend werd de warmte drukkend en Lucien vroeg, -wanneer het tijd was om te ontbijten. Wij trokken op dit oogenblik -juist door een plantage, ja ik mag wel zeggen een bosch van suikerriet. -De stengels, die bijna twee meter lengte hadden, waren nu eens -geelachtig, dan weer met blauw geaderd. Deze laatste soort zal zeker de -voorkeur boven de andere verkrijgen; ofschoon minder dik geeft zij een -veel zekerder opbrengst. De Encuerado nam zijn _machete_ (een korte -sabel, die den bewoners van het Warme Land onontbeerlijk is), sneed een -prachtigen stengel af, schilde dien en bood er ons eenige stukken van -aan. Het suikerriet is verbazend hard, men moet het geheel en al fijn -hakken om de cellen, die het suikerhoudende vocht bevatten, en dat men -er anders onmogelijk uit zou kunnen persen, te verbreken. Mijne makkers -begonnen het merg te kauwen en Gringalet scheen er niet minder op -verlekkerd dan zij. - -Niet ver van het veld met suikerriet was een troep Indianen bezig -een andere plantage te ontginnen. De grond was met asch bedekt. De -meesterknecht verklaarde ons dat, als men het riet oogst, men het eerst -van de lange bladeren ontdoet, die op den grond blijven liggen. Onder -den invloed der tropische zon zijn deze bladeren in acht dagen droog en -geel geworden; men steekt ze dan in brand, en de asch dient tot mest. -Vijf of zes Asteken bewerken dezen oogenschijnlijk onvruchtbaren grond, -met een ploeg van zeer eenvoudig maaksel, namelijk een paal die op twee -houten schijven, die wielen zonder spaken vormen, gedragen en door twee -ossen, door een juk aan elkander verbonden, getrokken werd. - -Sumichrast nam den knaap bij de hand en zeide: »'t Is goed, dat men de -geschiedenis kent van hetgeen men eet. In 't latijn heet het suikerriet -_saccharum officinalis_, dat wil zeggen suiker uit de apotheken, omdat -het product van deze plant zoo zeldzaam was, dat men het slechts bij de -apothekers verkocht. De plant zelf, zegt men, dat uit Indië komt. Zooals -gij ziet, is het een bundel wortels, die van zes tot twintig stengels -voortbrengt, die met meer of minder dicht bijelkander staande knoopen -zijn voorzien, waarvan het aantal ook zeer afwisselt. De meest gezochte -soort, het zoogenaamde riet van Taïti, heeft paarse strepen. De plant, -die ge daar voor u ziet, is zeer opmerkenswaardig van grootte, want zij -is zeker vier meter hoog. - ---Het gelijkt wel wat op maïsplanten, zeide Lucien. - ---Met dit onderscheid, dat de maïs slechts een scheut geeft. Ha, zie -eens, die Indiaan gaat met zijn machete de mooie plant, die ik u -aanwees, afhakken. Met een enkelen houw snijdt hij de plant schuins door -en zoo dicht bij den grond als maar mogelijk is. Hij ontdoet haar van -de bladeren en met een tweeden houw van zijn hakmes, snijdt hij er den -groenen kruin af, die als voeder voor het vee zal dienen; nu verdeelt -hij haar in stukken, zorg dragende steeds tusschen de knoopen te -snijden, want hij wil haar gebruiken om een nieuw veld te bezaaien. - ---Bezaaien, herhaalde Lucien? Zijn die knoopen dan zaden? - ---Neen, meester Zonnestraal; maar het zaad van het suikerriet ontwikkelt -zich te langzaam; het heeft vier jaar noodig om een plant te vormen, -die wat kan opbrengen. En daar de snuiters van uwe soort nog al talrijk -zijn en veel confituren en koekjes verbruiken, moest men wel een middel -uitdenken om spoediger de opgegeten suiker te vervangen. Dit middel nu -heeft men gevonden. Ieder dezer stukken wordt in den grond gestopt, en -de knoop, die boven den grond bladeren zal voortbrengen, zal in den -grond wortels geven. Zoo groot als hij nu is, zal hij schielijk groeien -en na een jaar of hoogstens achttien maanden, zal hij, dank zij de zon, -een twaalftal stengels voortbrengen, even fraai als hij zelf is. - -Gedurende dit onderhoud was de Encuerado, wien zijn vracht het stilstaan -moeielijk maakte, doorgegaan en men moest hard loopen om hem in te -halen. - -Onder het loopen door zag de knaap nog, hoe het stuk suikerriet, dat -men onder zijn oogen had afgesneden, onder den grond werd gestopt. -Weldra vertoonde eene pas aangelegde plantage, waar de jonge scheuten, -gelijk aan die van een opkomend grasperk, den grond met een groen kleed -bedekten, zich aan hunne oogen. Sumichrast groef den grond een weinig op -en liet zijn opgetogen leerling een stuk van den stengel zien, die reeds -met blaadjes en worteltjes voorzien was. - -Eensklaps werd ik bij het omdraaien van een pad door een heer te paard -gegroet: het was de rentmeester van de plantage die wij doortrokken. - ---Heila! don[3] Luciano, waar gaat gij aldus uitgerust heen? riep de -nieuw aangekomene mij toe. - -[3] Don = Mijnheer. - ---Een bezoek brengen aan de bosschen van de Cordilleras, antwoordde ik. - ---De Hemel sta mij bij! En gaat de Senorito[4] met u meê? - -[4] Senorito = Jongeheer. - ---Wel zeker. Dat God u behoede en tot weerzien, Antonio. - ---Tot weerzien? Bij de ziel van mijn vader, dat woord zult ge eerst -straks mogen zeggen. De huishoudster heeft eieren en gebraden boonen en -ik moet nog ergens een paar flesschen Spaanschen wijn hebben, die wij op -uwe gelukkige reis zullen ledigen, als gij tenminste de gastvrijheid van -een arm man niet versmaadt. - -Daar wij nog nuchter waren, pasten wij wel op om zulk eene hartelijke -uitnoodiging van de hand te wijzen. De rentmeester wilde den jongen -reiziger met alle geweld voor zich op het paard nemen, en deze wilde -niets liever. - ---Drommels, drommels! riep Sumichrast uit, gij gaat hem bij het begin -van de reis al bederven. - ---Dat is een halve mijl minder voor zijn arme beentjes, antwoordde -Antonio. En zijn paard de sporen gevende rende hij weg, ten einde de -noodige bevelen voor het ontbijt te geven. - -Gringalet, die geheel verbijsterd was zijn meester zoo te zien weggaan, -hief zijn schranderen kop naar ons omhoog, scheen ons te ondervragen, -stak de ooren op, alsof hij naar de steeds onduidelijker wordende -stappen van het paard luisterde, hief eindelijk een klagend gehuil aan -en liep uit al zijn macht de beide ruiters achterna. - -Daar het mij verwonderde den Encuerado niet meer te zien, keek ik -om, denkende dat hij achter was gebleven, en wel spoedig zou komen, -toen Sumichrast eensklaps begon te lachen. Bij den draai van den weg -bemerkte ik den ruiter met den hond naast zich, en den Indiaan die, -niettegenstaande zijn vracht, naast het paard voortdraafde, zonder zich -voorbij te laten rijden. - -Dit heldenstukje van mijn knecht verbaasde mij niet zeer, want ik geloof -niet dat er op de wereld onvermoeibaarder loopers zijn dan de Mexicanen. -Om twaalf uur, juist toen de klok de werklieden terugriep, kwam ik op -het binnenplein van de fabriek aan, waar ik mijn kleinen reisgezel reeds -op den grond zag zitten. Met zijn hond naast zich, beschouwde hij met -verrukking eenige eenden, die in een modderigen poel rondplasten. - - - - -II. - -DE SUIKER.--GRINGALET IN DE STROOP.--EEN IDEE VAN DEN -ENCUERADO.--INDIAANSCH AVONDMAAL. - - -Het ontbijt was, dank zij den Spaanschen wijn, dien onze gastheer -beloofd had, zeer opgewekt. De Indiaansche werklieden, hunne vrouwen en -kinderen, verzamelden zich vol nieuwsgierigheid voor de vensters van het -huis. Lucien was in de wolken, want die nieuwsgierigheid gold vooral -hem. Gringalet, die door zijn natuurgenooten uit de fabriek veel minder -hartelijk was ontvangen dan wij, verliet zijn meester niet en toonde te -pas of te onpas zijn tanden. - -Alvorens wij vertrokken, wilde Sumichrast aan zijn leerling laten zien -hoe de suiker gemaakt wordt. Hij geleidde hem eerst naar een molen, die -onder een ruim afdak was geplaatst. Daar werd het riet, dat door een -Indiaan tusschen de rollen werd gestoken, door twee houten cilinders, -die om een spil draaiden, welke door middel van een as, door twee aan -een juk gekoppelde ossen in beweging werd gebracht, fijn gemalen. Het -werktuig steunde en scheen uit elkander te zullen springen door de -kracht, welke de twee sterke dieren, die men door gebaren en door de -stem aanwakkerde, er op uitoefenden. Lucien zag dat de stengels, die in -stukken van een meter, schuins waren afgesneden, door de twee rollen -gegrepen en platgeperst werden. Na deze machtige drukking te hebben -ondergaan, kwamen zij bijna geheel droog van onder de rollen te -voorschijn, terwijl het suikerachtige sap in een grooten bak liep, die -uit een boomstam gemaakt was. Zoodra de bak vol was, werd er een groote -klep geopend, niet ongelijk aan die, welke gebruikt worden om het water -uit de badkuipen te laten wegvloeien; het troebele en drabbige sap liep -door een goot, vanwaar het in een steenen vergaarbak kwam. Bij dit -neervallen liep het door de mazen van een zak, die uit aloë-vezels was -gemaakt en werd daarin zoo goed en zoo kwaad als 't kon gefiltreerd. -Daarna bracht men het in verbazend groote koperen ketels, die op een -groot fornuis stonden. De gekneusde suikerrietstengels, die in de zon -spoedig droogden, werden gebruikt om het vuur te onderhouden, dat het -sap, waarvan men ze beroofd had, aan 't koken moest brengen. - -Bij den zak van aloë-vezels, waarin zich zonder ophouden het afval van -het riet ophoopte, bevond zich een knaap van ongeveer twaalf jaren, -wiens werk het was telkens den zak te ledigen. Lucien trok mij aan mijn -kleeren, om er mij opmerkzaam op te maken dat de knaap slechts één arm -had. - ---Waar hebt ge uw linkerarm verloren, pobrecito[5]? vroeg ik. - -[5] Pobrecito = arme jongen. - ---Tusschen de rollen, die het riet fijn malen, senor.[6] - -[6] Senor = mijnheer. - ---Was 't uw schuld? - ---Helaas, ja! Vader, die bij de machine werkte en dien ik hielp door de -ossen aan te sporen, had mij verboden om dicht bij de rollen te komen. -Eens verwijderde hij zich eenige oogenblikken; ik wilde op mijn eigen -houtje een stengel fijn malen; maar mijn vinger werd gegrepen en mijn -arm verpletterd. - ---Dat was een verschrikkelijke straf voor uwe ongehoorzaamheid. - ---Veel verschrikkelijker dan gij wel denkt, mijn goede mijnheer; mijn -vader is zes maanden geleden gestorven; ik heb veel broers, en als ik -mijn beide armen had, kon ik minstens een kwart piaster daags verdienen -en mijne moeder helpen. - ---En hoeveel verdient ge nu, met van den ochtend tot den avond op dien -zak te passen? - ---Een medio![7] - -[7] Vijftien cents. - -Ik zag Lucien eens aan, die mij in de armen vloog. - ---Ik zal altijd gehoorzaam zijn, riep hij geheel ontroerd uit; maar mag -ik nu dien armen jongen mijn beurs geven? - ---Geef hem een piaster, mijn kind; wij kunnen nog meer ongelukkigen -ontmoeten, en wij moeten wat overhouden om dezen ook te kunnen helpen. - ---O, mijn jongeheer, riep de arme verminkte knaap uit, terwijl hij met -bewondering het geldstuk beschouwde, dat voor hem zestien dagen werks -vertegenwoordigde, wat zullen we goed voor u bidden!" - -Daarna haastte hij zich om den zak, die bijna overliep, weer te ledigen. - -De wijze van bewerking, die in de fabriek, welke wij bezochten -gevolgd werd, was uiterst eenvoudig en oorspronkelijk. De Europeesche -fabrikanten gebruiken ijzeren cilinders, die door stoom of water in -beweging worden gebracht en zuig- en perspompen, die het sap zeer snel -naar de ketels brengen, waar het door gisting geklaard moet worden. - -Maar om een goed denkbeeld te krijgen van de verschillende bewerkingen, -die de winning van suiker eischt, was de hacienda[8] van Antonio, waar -alle bewerkingen open en bloot plaats hadden, veel te verkiezen boven -die, welke de nieuwere nijverheid van verbeterde werktuigen heeft -voorzien. - -[8] Hacienda = hoeve. - -Toen de jonge bezoeker dat dikke, modderige, door talrijke brokken -stengel verontreinigde vocht zag, dat men zoo voor zijn oogen met een -reusachtige schuimspaan rondroerde, had hij moeite om te gelooven, dat -men er ooit die mooie witte kristallen, die hij zoo gaarne knabbelde, -uit kon gewinnen. - ---Maar waar is dan toch de suiker? vroeg hij. - ---Daar, voor u, antwoordde Sumichrast. Het suikerriet bevat, evenals -alle gewassen, een zekere hoeveelheid water, waarin de suiker zich in -opgelosten toestand bevindt; het is voldoende er dit water aan te -onttrekken om de prismatische kristallen te doen ontstaan. Zie, de -inhoud van dezen ketel begint te koken, er komt een zwartachtig schuim -op, dat men er zorgvuldig afschept, want na twee of drie dagen, als het -gegist heeft, zal men er door distillatie den brandewijn of _tafia_ -uithalen, waarvan de Encuerado zooveel houdt. De nevel, die boven den -ketel opstijgt, bewijst dat het sap begint te klaren; nog eenige -oogenblikken en het zal in stroop veranderd zijn en als het koud wordt, -kristalliseeren. Wij zullen de uitkomsten van deze laatste bewerking -eens gaan zien. - -Wij kwamen onder eene ruime galerij, waar vormen van gebakken aarde, -die de gedaante van omgekeerde suikerbrooden hadden, op een rei op een -stelling van balken stonden, die vrij wel op flesschenrekken geleken. De -werklieden goten de kokende siroop in deze vormen, die vooraf nat waren -gemaakt. Een weinig verder toonde men ons het kooksel van den vorigen -dag, dat reeds begon te kristalliseeren, welke geheimzinnige arbeid der -natuur door een Indiaan, die het vocht langzaam schudde, werd bevorderd. -Uit een vorm, die aan het onderste einde open was, vloeide een dik -vocht, waaraan men den naam van _melasse_ geeft en die gebruikt wordt -om er rum en peperkoek van te maken. De bodem of de voet van het -suikerbrood scheen nu geel en kleverig te zijn.--Terwijl wij een -donkeren gang doorgingen, bemerkte Lucien twee bijna halfnaakte -werklieden, die bezig waren om klei aan te mengen en er zoo eene soort -van pap van te maken. - ---Wat een knoeiboeltje! riep hij vol overtuiging uit; wat zou mama wel -zeggen als zij hier was, zij heeft mijn broertje en zusje laatst nog zoo -beknord! - ---Wat hadden zij dan uitgevoerd? - ---Zij hadden slijk gemaakt om er een stad van te bouwen en een grooten -kleibak in den grooten gang van het huis. - ---En welke rol hebt gij daarbij gespeeld? - ---Ik was de bouwmeester, maar ik heb evengoed knorren gehad als de -anderen. - ---Dat wil ik graag gelooven, zei Sumichrast, die zijn ernst niet kon -bewaren; maar laten wij die werklieden eens volgen, dan zult gij zien, -dat zij niet voor hun plezier slijk maken. - -Lucien zag tot zijne groote verwondering, dat het ledige gedeelte der -vormen, waaruit men de stroop had laten loopen, met de zwarte vloeistof -gevuld werd. - ---Dat zijn verloren suikerbrooden! riep hij uit. - ---Integendeel, ze zullen nu wit worden. Het water, dat de brij bevat, -zal langzamerhand doorsijpelen en de stroop, die de kristallen omgeeft, -voor zich uitdrijven, en deze veelvuldig herhaalde bewerking levert die -sponsachtige suikerpap op, waarvan de groote korrels nog den smaak van -het riet behouden, maar waarvan de Europeanen, gewoon aan de fraaie -voortbrengselen van hunne raffinaderijen, niet houden. - -Er bleef nog slechts over om de droogstoven te bezichtigen, waar de -opgestapelde suikerbrooden droogden en op een kooper wachtten. - -Terwijl wij op onze schreden terugkeerden, vielen wij bijna in een -grooten, met den grond gelijk liggenden en openstaanden vergaarbak -vol stroop, waarvan de schuimende oppervlakte op eene bedriegelijke -wijze op den ongelijken en glibberigen bodem van de fabriek geleek. -De ongelukkige Gringalet behoedde ons, ten zijnen koste, voor dit -ongeval. Rusteloos als al zijne soortgenooten, ging hij, links en rechts -snuffelende, vooruit, alsof men hem gelast had een verloren voorwerp -terug te zoeken--eensklaps schoot hij door onze beenen door om ons -vooruit te komen en verdween plotseling in het dikke vocht. Ik haalde er -hem dadelijk uit en haastte mij hem naar buiten te brengen. Nauwelijks -stond hij weer op zijn pooten, of hij rolde zich in alle richtingen -rond en stond toen op, vol hout- en stroostoppeltjes, en geen vorm van -hond meer vertoonende. Ik riep hem naar de poel, maar het arme dier was -geheel uit het veld geslagen en verblind en scheen mij niet te hooren. -Men behoeft niet te vragen of de werklieden in een algemeen geschater -uitbarstten! Alleen Lucien, die meende dat zijn hond zou sterven, volgde -hem wanhopig. Het dier, zonder twijfel hem willende geruststellen, liep -naar zijn meester toe, sprong liefkoozend tegen hem op en bedekte hem -van het hoofd tot de voeten met de strooperige massa. Daar ik het -ongeval niet had kunnen beletten, nam ik de beste partij en lachte er -om als de anderen. - -Terwijl de Encuerado den hond wiesch, maakte de huishoudster de kleeren -van Lucien schoon. Daarop vervolgden wij onzen weg. - -Don Antonio beklaagde ons, als een echte Mexicaan, dat wij, evenals de -Indianen, te voet gingen; hij beklaagde vooral onzen kleinen reismakker -en beschuldigde ons van wreedheid. - ---Hij moet leeren zich van zijne voeten te bedienen, daarvoor heeft de -goede God ze hem gegeven, antwoordde Sumichrast, die er vermaak in vond -den rentmeester het hoofd te bieden. - ---Maar waar dienen de paarden dan toe? - ---Om zich den hals te breken. Bovendien zijn er te veel -gebrekkelijkheden in het leven, dat men zich nog vrijwillig die van een -paard behoeft te geven. - ---Het paard een gebrek? - ---Wel zeker, vooral bij menschen van uwe soort, want gij zoudt het -evenmin zonder een rijdier kunnen stellen als een kreupele zonder -krukken. - -Don Antonio floot tusschen zijn tanden zonder te antwoorden, maakte zijn -paard los, nam Lucien voor zich op het zadel en vergezelde ons meer dan -een uur ver. Daar zijn plicht hem eindelijk naar de hoeve terugriep, -drukte hij ons de handen en wendde den teugel. Wij konden hem niet meer -zien, toen nog zijne stem, die ons eene goede reis wenschte, tot ons -doordrong. - -Wij moesten eene prairie[9] doortrekken; de warmte was verstikkend en -wij liepen naast elkander voort zonder een woord te wisselen. De gang -van Lucien werd bemoeielijkt door zijne weitasch en zijne veldflesch, -die, trots al zijne pogingen, steeds naar voren kwamen. Eensklaps -bemerkte ik, dat hij zich van dat lastig tuig bevrijd had. - -[9] Prairie = groote, uitgestrekte grasvlakte. - ---Hola, riep ik uit, waar is uw voorraad gebleven? - ---De Encuerado heeft ze willen dragen. - ---De Encuerado heeft reeds een last te dragen, die zwaar genoeg is, -vriendje, en ge moet u aan uwe eigene vracht gewennen. Na eenige dagen -zal het u evenwel niet meer hinderen, dank zij de gewoonte, die dikwijls -gemakkelijk maakt wat eerst onmogelijk scheen. - ---Senor, sprak de Encuerado, Chanito (dien naam was hij gewoon aan -Lucien te geven) is vermoeid; 't is voor den eersten keer, dat hij -reist; ik zal hem zijne weitasch morgen teruggeven. - ---'t Is beter, dat hij er zich reeds van heden af aan gewent. Geef hem -zijne vracht, die in evenredigheid met zijne krachten is, terug, anders -zal ik hem moeten beknorren. - -De Indiaan preutelde alvorens te gehoorzamen; daarna nam hij den knaap -bij de hand, bleef een weinig achter en ik hoorde hem fluisteren: - ---Als ge niet meer kunt loopen, Chanito, moet ge het maar zeggen, dan -zal ik u op mijnen korf zetten. - ---Ja, dat moest ge eens probeeren, sprak ik, mij omkeerende, dan stuur -ik u met hem naar huis terug. - ---Mijne schouders behooren mij toe, antwoordde de Indiaan in allen -ernst, en als ik uwe bagage maar draag, mag ik ze gebruiken zooals mij -goeddunkt. - -Bij het hooren van deze redeneering proestte Sumichrast van 't lachen, -ik stapte schielijk vooruit om het niet eveneens te doen. Ik was evenwel -bevreesd, dat Lucien vanaf den eersten dag te veel op de goedheid van -den Encuerado zou leeren rekenen; ik was dus zeer blijde toen ik hoorde, -dat hij herhaalde malen het aanbod van de hand wees om boven op den -korf te klimmen, in welk denkbeeld de goede Indiaan, met zijne gewone -koppigheid, die ik sinds lang kende, bleef volharden. Zekerlijk in de -meening verkeerende, dat zijne waardigheid op het spel stond met het -bewijs te leveren, dat hij nog zwaarder vracht kon dragen, nam hij -Gringalet, die met de tong uit den bek hem op de hielen volgde, beet, -plaatste hem op zijne mars, en den Indiaanschen draf aannemende, -liep hij ons als een zegevierend veldheer voorbij. Gringalet, geheel -verbaasd, wilde eerst uit de mars springen en jankte van angst; maar -weldra ging hij zonder veel omslag liggen, tot groot genoegen van mijn -zoon, wien dit tooneel zeer vermaakte. - -De vlakte, die wij doortrokken, scheen geen einde te nemen. - ---Het geeft ons niet veel of wij al loopen, sprak Lucien, wij komen niet -vooruit. - ---Dat hebt gij gelukkig mis, antwoordde Sumichrast. Zie maar eens recht -voor u, en gij zult zien dat de boomen, die straks nog in elkander -schenen te versmelten, zich nu vrij van elkander vertoonen. - ---Bedoelt u het bosch, dat wij van hier bemerken? - ---Gij ziet eenige boomen, die in dat gedeelte van de vlakte verspreid -staan, voor een bosch aan. - ---Vergist mijnheer Sumichrast zich niet, vader? - ---Neen, mijn jongen, maar meer geoefenden dan gij zouden er zich door -laten bedriegen; op een afstand gezien, schijnt het alsof de voorwerpen -dicht opeen staan. Toen wij, bijvoorbeeld, dezen morgen den grooten weg -volgden, herhaaldet gij zonder ophouden, dat hij in een punt uitliep; -maar gij hebt u kunnen overtuigen dat uwe oogen u bedrogen hebben. -Hetzelfde is nu het geval; die boomen zullen hoe langer zoo meer van -elkander komen, hoe meer wij zullen naderen en gij zult zeer verwonderd -staan, als gij strak zult zien, hoe ver zij van elkander verwijderd -zijn. Hetzelfde gezichtsbedrog bieden ons de sterren aan, die millioenen -mijlen van elkander verwijderd zijn en die toch zoozeer den hemel -opvullen, dat uw broer Emile, een avond of wat geleden het betreurde, -niet groot genoeg te zijn om er een handvol van te kunnen nemen. - ---En vergeet nooit, voegde Sumichrast er bij, dat het gezicht en de -verbeelding dikwijls samenspannen om ons te bedriegen. - ---Zooals in de fabel van de kameelen en de drijvende stokken. - ---Bravo! jonge geleerde. Kent gij die fabel dan? - ---Laatst op een avond in een slecht verlichte kamer komende, meende -ik een grooten grijzen man op een stoel te zien zitten en nam ik -schreeuwende de vlucht. Papa heeft mij toen bij de hand genomen en mij -naar het donkere vertrek teruggebracht en toen zag ik dat de reus, die -mij zooveel schrik had aangejaagd, niets anders was dan een broek, dien -men op een stoel had gehangen. Den volgenden dag heeft mama mij de fabel -van de kameelen geleerd. - -In 't voorbijgaan toonde ik Lucien een kleinen doornachtigen boom, een -soort mimosa, door de Indianen _huizachi_ genoemd, waarvan zij de peulen -gebruiken om stoffen zwart te verven en er eene inkt van vrij goede -hoedanigheid van te maken. Allengs kreeg de vlakte een minder eentonig -uiterlijk. Vlinders vlogen om ons heen en de jeugdige natuuronderzoeker -wilde beginnen er jacht op te maken. Ik moest zijn ijver intoomen, want -ik wilde onze spelden en doozen bewaren voor de zeldzamer soorten, die -wij hoopten te vinden, zoodra wij de bewoonde plaatsen achter den rug -zouden hebben. Eindelijk bereikte de karavaan, met hangende beenen, den -voet der bergen. - -Het was vijf uur; de avond naderde en men moest zonder toeven naar eene -schuilplaats omzien. Eene hut van bamboe vertoonde zich gelukkig aan -onze blikken. Een oude Indiaan, slechts in een ouden broek gekleed en -een hoed met gerafelde randen op, verwarmde zijne vermagerde ledematen -in de stralen der ondergaande zon. Bij onze nadering stond hij op en -bood ons gastvrijheid aan. Zijne gezellin, wier kleeding uit een linnen -hemd bestond met roode draden omboord, kwam op zijn geroep naar buiten, -en was vol verrukking over de lieftalligheid van den jongen blanken -reiziger, die geheel en al in hare gunst kwam, toen hij haar in hare -taal groette. Wij hadden een marsch van zeven mijlen afgelegd; mijn -zoon, 't is waar, had, dank zij het paard van don Antonio, minder -geloopen dan wij. - -Men diende ons rijst en boonen voor. Na afloop van dit eenvoudig maal, -dat met versch water werd gekruid, wilde ik Lucien overhalen om naast -ons op eene groote mat plaats te nemen, maar terwijl Sumichrast en ik -lui bleven liggen, ging de kleine drommel zien hoe de kippen van onze -gastvrouw op de takken van een dooden boom gingen zitten, om er den -nacht door te brengen, of doolde hij in gezelschap van den Encuerado -links en rechts rond. Deze vond in de hut eene guitaar met drie snaren, -en bleef er gedurende een uur hetzelfde deuntje op krassen, tot groote -vreugde van den knaap, maar niet tot ons genot. - -Eindelijk werden de dekens uitgerold en beval ik te gaan rusten. -Gringalet ging in de hut aan de voeten van zijn jongen meester liggen. -De Encuerado bleef liever in de open lucht slapen, gelukkig, naar hij -zeide, den hemel boven zijn hoofd te zien en te gevoelen dat de lucht in -zijn mond kwam zonder eerst door een muur te moeten gaan. - - - - -III. - -HET ONTWAKEN.--EEN LILLIPUTWERELD.--DE ENCUERADO EN DE FLESSCHEN.--DOOD -AAN DE DISTELS.--DE INDIAANSCHE KOLENBRANDERS. - - -Ik stond lang voor het aanbreken van den dag op en wekte mijne makkers. -Lucien wreef zich twee- of driemaal over de oogen en trachtte zich -rekenschap te geven van de plaats, waar hij zich bevond. Eindelijk wilde -hij zijn deken weer over zich trekken en maakte aanstalten om weer in te -slapen. - ---Kom, kom, luiaard, riep ik uit, hoort ge den haan niet kraaien? hij -zegt, dat wij reeds weer op weg moesten zijn. Zie eens om u en gij zult -bemerken, dat de vogels en de insecten reeds aan den arbeid zijn. - -De knaap stond geheel verstijfd op en rekte zich al geeuwende uit. - ---Oh, Papa, mijn geheele lichaam doet mij pijn, ik zal niet meer kunnen -gaan. - ---Stel je gerust, antwoordde ik, hem ondersteunende, gij gevoelt wat -vermoeidheid en stijfheid; maar uwe ledematen zullen spoedig hunne -veerkracht terug bekomen. Ga u een weinig bij het vuur van onze -gastvrouw, die een kop koffie voor ons gereed maakt, warmen. - -Het ventje verwijderde zich al hinkende. - ---Doen uw knieën en kuiten u ook zoo zeer als de mijne? vroeg hij aan -den Encuerado. - ---Neen, Chanito, wij hebben gisteren nog niet genoeg geloopen. - ---Wat, hebben wij niet genoeg geloopen? Papa zegt dat wij zeven mijlen -van Orizava verwijderd zijn. - ---Ja, dat is veel voor u, 't is zelfs te veel; daarom wilde ik u ook op -mijne mars plaatsen. Laat eens zien, waar hebt gij pijn? - ---Binnen in de knieën, de beenen en de armen. - ---Wacht eens, ik zal u genezen. - -De Encuerado legde Lucien daarop voor het vuur en begon hem op de -Indiaansche manier te wrijven en het geheele lichaam met kracht te -kneden. Daarna dwong hij hem met groote schreden te gaan en vervolgens -om te loopen, waarna hij hem een kop warme koffie gaf. Aldus versterkt -zijnde kreeg de knaap zijne opgeruimdheid weer en was hij de eerste, die -van vertrekken sprak. - -Ik gaf aan de oude luidjes, die ons zoo goed ontvangen hadden, eene -kleine belooning, en de karavaan begon haar tweeden dagmarsch; Gringalet -liep, met den neus in den wind, voorop. - -Toen de zon opkwam was de lucht met grijze wolken bedekt, die door een -stevigen noordenwind met kracht werden voortgedreven; maar dit weer, -hoewel droevig, zou onzen marsch begunstigen. Een kalkachtige berg rees -voor ons op; men moest de steile helling opklimmen en twintigmaal staan -blijven om adem te scheppen. Lucien, met naar den grond hangend hoofd, -zweette en blies om in het gelid te blijven. Eindelijk kwamen wij op den -top en konden wij uitrusten. - -Toen hij een blik naar omlaag wierp, zag de knaap een uitgestrekte -prairie, met struiken bezaaid, voor zich. Hij beschouwde in stilte het -panorama, dat zich voor zijn oogen ontrolde, maar zonder zich nauwkeurig -rekenschap te kunnen geven van hetgeen hij bemerkte. - ---Zie eens, wat zijn dat voor zwarte stippen, die daar in de vlakte -loopen, vroeg hij mij. - ---Dat zijn stieren, antwoordde ik. - ---Stieren! Maar zij zijn niet grooter dan Gringalet. - ---Ge weet toch reeds, dat men niet op den schijn moet vertrouwen; denk -maar eens aan de boomen van gisteren, die u toeschenen een bosch uit te -maken. - ---Maar als de stieren van deze hoogte gezien op schapen gelijken, moeten -de schapen, op haar beurt, op vliegen gelijken. - ---Gij kunt er u dadelijk van overtuigen; ik zie daar ginds een troep -geiten. - ---Dat kleine zwarte hoopje, dat als een mierennest dooreenkrioelt? - ---Juist; zie maar eens door mijn kijker. - ---Met den verrekijker gewapend, waarvan hij zich in den beginne vrij -onhandig bediende, uitte Lucien een kreet. - ---Ik zie ze, ik zie ze! Wat zijn ze lief, zij loopen en dringen zich -tegen elkander aan; een kleine jongen leidt ze. - ---'t Is zonder twijfel een man, dien de afstand kleiner maakt. - ---Oh, wat zou ik gaarne menschen willen zien. - ---Welnu, zie dan eens naar ginder aan den voet van dien boschachtigen -heuvel; de witte streep, die gij voor een bijna ongebaand pad zoudt -kunnen houden, is de groote weg; misschien kunt ge wel eene -Indianen-familie zien voorbij gaan. - -Lucien richtte den kijker eenige oogenblikken, zonder iets te bespeuren; -maar eensklaps uitte hij een nieuwen kreet. - ---Hebt gij menschen ontdekt? - ---Ja, menschen, paarden, muilezels; maar 't is het rijk van Lilliput! - ---Gij hebt gelijk, sprak Sumichrast. Wie weet of Docter Swift de wereld -niet van den top van een berg heeft gezien, toen hij het plan voor -Gulliver opvatte? - ---Papa, waarom heeft u mij nooit op den Borrego gebracht om mij die -kleine boomen, die kleine wegen, die kleine dieren te laten zien? 't -Is of men de groote speelgoeddoos van mijn zusje om heeft geworpen. - -Wij lachten hartelijk om deze vergelijking, die evenwel niet zonder -juistheid was, en ik ontrukte den jongen opmerker aan zijne beschouwing. -De top was weldra overschreden en wij begonnen af te dalen. Ik nam -Lucien bij de hand, want de helling was zoo scherp, dat men duizend -voorzorgen moest nemen om niet op de naakte rotsen te vallen. Herhaalde -malen gleed ik uit en schramde ik mijn armen aan de struiken. -Sumichrast, die op zijne beurt den knaap geleidde, verkeerde weldra in -denzelfden toestand als ik. Soms sleepte de helling ons mede en waren -wij verplicht hard te loopen; er bleef dan geene andere keus dan zich -te laten vallen, op gevaar van zich te verwonden; want eenmaal aan 't -loopen, zou men slechts stand hebben kunnen houden aan den voet van den -berg. Niettegenstaande zijne belofte van voorzichtig te zullen loopen -en zijne schreden te meten, weigerde ik Lucien aan zichzelven over te -laten. Eindelijk hadden wij tot onze groote voldoening reeds twee derden -van den weg zonder ongeval afgelegd toen de Encuerado, zijn evenwicht -verliezende, verscheidene buitelingen maakte; de mars en de drager -rolden om het hardst naar beneden en verdwenen in het kreupelhout. - ---Pas op Lucien, riep ik mijn reisgezel toe, die eenige passen voor mij -uitging. - -Vol ongerustheid volgde ik het spoor van den Encuerado. Ik verwachtte -den armen Indiaan geheel ontwricht en misschien dood te vinden en op -goed geluk uitte ik den verzamelkreet, waaraan hij gewoon was. Hij -antwoordde er bijna onmiddellijk op en zijne stem klonk niet onder mij, -maar aan mijne linkerhand. Ik kon mijn loop niet vroeger inhouden dan -toen ik een boschje kreupelhout ontmoette, waaraan ik mij vastklampte. -Daarna in schuine richting gaande, kwam ik weldra bij mijn braven -Indiaan, die reeds bezig was zijne vracht op te beuren. - ---Hebt gij niets gebroken? riep ik uit. - ---Neen, Tatita, alle flesschen zijn heel. - ---Maar gij, ongelukkige! - ---O! mijn neus en armen zijn wat ontveld en mijn lichaam is wat -gekneusd; maar er is geen enkele scheur in mijn vest of in mijn broek, -voegde hij er bij, terwijl hij een blik van welgevallen op zijn leeren -kleeding wierp. - ---Komaan, daar zijt gij goed afgekomen. - ---Oh Senor, wat is God toch goed! niettegenstaande de teenen hulsen, -hadden alle flesschen kunnen breken en ze zijn allen heel." - -Ik, voor mij, zag veeleer de hand van God in de wonderbare redding van -den Encuerado. Wat de mars aanbetreft, deze was door den Indiaan zoo -stevig ingepakt, dat ik er mij niet zeer over verwonderde dat onze -voorraad niets geleden had. - ---Laat uw verzamelkreet hooren, zeide ik tegen den Indiaan. Sumichrast, -die ons niet zien kan, moet wel denken dat gij dood zijt. - ---Chanito, hioe, hioe, hioe, Chanito! - ---Ohé, ohé, antwoordde Lucien. - -En bijna op het zelfde oogenblik verscheen hij, bleek en radeloos. Hij -liep op zijn vriend toe, wierp zich om zijn hals en drukte hem in zijn -armen; de goede Indiaan, die niet ontroerd was door zijn vreeselijken -val, scheen geroerd te zijn door dit blijk van genegenheid. - ---Het was maar voor de grap, zeide hij, gij zult mij wel andere toeren -zien uitvoeren." - ---Maar uw gezicht is vol bloed. - ---Dat is ook maar voor de grap! Wilt gij, dat ik het nog eens doe? - ---Neen, neen! riep de knaap uit, terwijl hij den Indiaan bij zijn kiel -greep. - -Ik verbond den Indiaan; mijn zoon troostte zich en wij dachten er aan om -onzen weg te vervolgen. - ---Hè, sprak Lucien spottend, op het oogenblik dat de Indiaan zijn mars -weer op den rug nam, als ik daar nu eens in was geweest! - ---Dan zou ik niet gevallen zijn, zeide de Indiaan met allen ernst. - ---In een oogenblik waren wij beneden aan den berg. Lucien maakte verrukt -een bokkesprong, waardoor ik ontdekte, dat zijn pantalon van achter een -vreeselijk gat had. - ---Dat is een mooi begin, zeide ik, waar hebt gij uw pantalon zoo -toegetakeld? - ---Dat is mijne schuld, antwoordde Sumichrast verlegen. Daar wij -spoediger beneden wilden zijn en ik voor een nieuwen val vreesde, heb ik -hem aangeraden om te gaan zitten en zich te laten glijden. Ik had de -zeer natuurlijke gevolgen van deze verkeerde handeling niet voorzien. - ---Maar Papa, wat doet dat er toe? sprak Lucien, men ziet het toch niet. - ---Als men naar mij had willen luisteren, viel de Encuerado in, dan zou -hij een leeren pantalon gehad hebben, waarin men zich den hals kan -breken zonder hem te beschadigen. Maar stel u maar gerust, Chanito, wij -zullen dat wel verstellen met de huid van den eersten eekhoorn, die -onder het schot van mijn geweer komt. - -Wij waren nu in eene donkere bergkloof, temidden van dicht kreupelhout; -voor ons verhief zich een met hout begroeide berg, dien wij moesten -overklimmen. Op de struiken volgden weldra reusachtige distels, die -ons noodzaakten om met de uiterste omzichtigheid te gaan. Deze lastige -planten werden zoo talrijk, dat wij gedwongen waren de machete in de -hand te nemen, om een doorgang te banen. De Encuerado, die zijne mars op -den grond had gezet, onderwees Lucien hoe hij zijne korte sabel moest -houden en behandelen en toonde hem aan, dat een houw van boven naar -beneden, als het wapen aan de hand ontsnapt of slechts een zwakken -tegenstand ontmoet, gevaarlijk kan worden voor hem, die het vast houdt. -Verrukt over deze les, opende onze jonge pionnier, door verscheidene -stengels te gelijk af te houwen, ons eene laan, meer nog dan een pad. -Eindelijk stonden de distels dunner gezaaid; Sumichrast ging voorop, -terwijl hij de laatste hinderpalen uit den weg ruimde en voerde ons in -het kreupelhout. - -Het uur voor het ontbijt was aangebroken; al voortgaande zochten wij met -den blik eene geschikte plaats voor eene halt, toen de afgemeten slagen -van eene bijl onze ooren troffen. Dit geraas verried de nabijheid van -houthakkers, die zeker wel een voorraad van maïskoeken en boonen zouden -hebben en ik besloot naar hen toe te gaan, ten einde onze mondbehoeften -te besparen. Na een uur van eene moeielijke klimmerij en terwijl wij -reeds wanhoopten den Indiaan te bereiken, wiens bijl wij niet meer -hoorden, riep Lucien uit: - ---Papa, zie, daar is vuur! - -Op hetzelfde oogenblik begon Gringalet woedend te blaffen, en eenige -verdere stappen brachten ons bij eene brandende kolenmijt. De -kolenbrander, die op ons bezoek niet bedacht was, had eene bijl met -langen steel genomen. De tegenwoordigheid van den knaap scheen hem -gerust te stellen. - ---Goeden dag, don José, sprak ik, mij van den naam bedienende, dien men -in Mexico aan alle Indianen geeft. - ---Dat God u in gezondheid beware, antwoordde hij in slecht Spaansch. - ---Moet gij alleen die mijt bewaken? - ---Neen, ik heb zes makkers. - ---Zoo; dat een uwer ons dan wat maïskoeken verkoope en ons wat water -geven. - ---Wij hebben noch water noch koeken. - ---Ik ben zeker dat gij beiden zult vinden, hernam ik, en stopte hem een -halven piaster in de hand. - -De Indiaan nam zijn strooien hoed af, krabbelde zich het hoofd en twee -vingers in de mond stekende deed hij een lang gefluit hooren. Bijna op -hetzelfde oogenblik werden de takken vaneen gedaan en een jongen van -ongeveer vijftien jaar, die voor eenig kleedingstuk een zwembroek aan -had, kwam te voorschijn en bleef als verlamd van schrik staan. - ---Loop naar de hut, vraag om koeken en piment en breng ze hier, zeide de -houthakker in de taal der Asteken. - ---Dat is niet noodig, antwoordde ik in hetzelfde taaleigen: Wij zullen -in de hut beter kunnen ontbijten. - -De houthakker zag mij met eene kinderlijke verwondering aan en nam mijne -hand om die op zijne borst te leggen. Ik sprak zijne taal, derhalve -moest ik een vriend zijn; dit gevoelen is eigen aan alle menschen, welke -overigens ook hunne maatschappelijke stelling moge zijn. - -Terwijl wij den jongen Indiaan op den voet volgden, kwamen wij na vijf -minuten gaans bij eene zeer oorspronkelijke woning. - ---Vier palen, die een dak ondersteunden, gevormd van takken met hunne -bladeren er aan. De houthakkers in Mexico maken slechts tijdelijke -schuilplaatsen; want zoodra het jaargetijde der regens nadert, verlaten -zij de bosschen. Eene jonge Indiaansche vrouw warmde voor ons een dozijn -van die koeken van maïsmeel, die men _tortillas_ noemt, en die de -inboorlingen in de plaats van brood eten. Ten slotte bracht zij ons een -kalebas vol boonen, welke de honger ons heerlijk deed smaken. - ---Waarom dient men ons niet eerst het vleesch voor? vroeg Lucien. - ---Omdat zij het niet hebben, antwoordde Sumichrast. - ---Hebben die Indianen geen vleesch? Arme menschen! Maar wat eten zij dan -'s middags? - ---Weet gij dan niet, dat de Indianen zich slechts drie of vier maal in -'t jaar op ossenvleesch vergasten en dat hun gewone maaltijd uit zwarte -boonen, rijst, piment en maïsmeel bestaat? Zijt gij ons middagmaal van -gister vergeten? - ---Ik dacht dat men, daar wij wat laat gekomen waren, het vleesch reeds -op had. Moeten wij gedurende de gansche reis van boonen leven? - ---Neen, onze maaltijden zullen niet zoo goed geregeld zijn als gij wel -schijnt te denken. Wij zullen vleesch op tafel hebben als de jacht goed -is geweest; een weinig rijst als zij slecht is, en boonen telkens als de -Voorzienigheid op onzen weg eene bewoonde hut zal plaatsen. - ---En zullen wij dan geen nagerecht hebben? vroeg de knaap met een koddig -gebaar. - ---Zeker, Chanito, antwoordde de Encuerado, er zal nog vandaag een -nagerecht zijn. Misschien niet zoo goed als dat, hetwelk de keukenmeid -thuis bereidt; maar 't is toch zoet, zie maar. - -De Indiaansche bracht een kalebas gevuld met water en een klein brood -zwarte suiker, dat ongeveer een half pond woog. - ---Wat is dat? - ---_Panela_, antwoordde de Indiaan. - ---De suiker der armen, sprak op zijne beurt Sumichrast; het sap van -suikerriet dat gij gister gezien hebt, houdt veel werklieden bezig, die -men vrij duur betaalt, omdat zij dag en nacht moeten werken, en dit -verhoogt den prijs van de witte suiker zeer. Er zijn nu suikerfabrieken, -waar men die kosten vermijdt. Men stelt zich tevreden met het sap -zoodanig te koken, dat het vast wordt als 't koud is, daarna giet -men het in een hollen boomstam, waarin gaten zijn in de gedaante van -afgeknotte kegels. Die zwarte suiker kost de helft minder dan de andere. - ---Dat geloof ik wel, sprak de knaap, zij bevat al het vuile schuim, dat -wij gister gezien hebben. - ---Dat maakt ze veel beter, Chanito, riep de Encuerado uit--er is meer -smaak aan. - -En een stuk van de _panela_ nemende, doopte hij het in het water van de -kalebas en zoog er met welbehagen aan. Lucien waagde het toen ook om van -dit nagerecht te proeven, waarvan de zoete smaak zijn afkeer weldra -overwon. - -Toen de maaltijd afgeloopen was, wilde Lucien weten hoe de houtskool -gemaakt werd. Sumichrast bracht hem bij een pas omgehakten eikenboom, -waarvan een Indiaan de kleine takken, door middel van een werktuig, dat -den vorm van een groot snoeimes had, in stukken van twee of drie duimen -afsneed. Een weinig verder waren twee mannen bezig om deze stukken hout -op een schoongemaakt stuk grond in cirkelvormige lagen op te stapelen. -Het gebouw had reeds twee meter in omtrek en ongeveer dezelfde hoogte, -ofschoon het nog maar half voltooid was, zooals Lucien kon opmerken toen -hij terug kwam bij den Indiaan, die de brandende mijt bewaakte. Daar -scheen het hout, met aarde bedekt, een van die landelijke, met riet -gedekte koepeltjes te vormen, zooals men er in sommige tuinen ziet. -Op den top danste eene blauwe vlam, die bewees dat de inwendige massa -brandde. De Indiaan draaide om de mijt heen en wierp natte aarde op de -openingen, die de vlam maakte. Want, zooals Sumichrast het zeer goed -uitdrukte, om houtskool van goede kwaliteit te bekomen, moet men het -hout in de oven bakken. - ---En als het vuur uitging? vroeg Lucien. - ---Dan moet het werk van voren af aan begonnen worden. - ---Maar als het nu eens aan een kant brandde? - ---Dan kreeg men een slecht, rookend goedje, half hout, half kool, dat -een zeer onaangenamen reuk zou geven. Het hout van de mijt, die wij hier -voor ons hebben, zal dezen avond nog geheel verkoold zijn; het vuur, dat -in 't midden is aangestoken, zoekt reeds langs alle kanten een uitweg. -Weldra zullen de Indianen de opening aan den top, waarboven dat blauwe -vlammetje danst, met aarde dicht stoppen. Dan gaat het vuur, van lucht -beroofd, eindelijk van zelf uit. Over acht dagen zal uwe mama wellicht -deze kool kopen, die gij hier hebt zien branden. - ---Maar als de kool bleef doorbranden? - ---Dan zou de Indiaan, tot zijn grooten spijt, niets dan asch vinden; -maar hij zal wel oppassen, dat hij de vrucht van zijn arbeid niet -verliest. Hij zal evenveel voorzorgen nemen om op te passen, dat het -vuur weer aangaat, als hij er nu neemt om te maken dat het niet uitgaat. - -Een weinig verder was een man bezig om biezen zakken met koud geworden -kool te vullen; daar hij meer dan een dag noodig had om de stad te -bereiken, omhulde hij zijn zakken met een soort van citroenkruid, -waarvan de doordringende reuk in Mexico de komst van een kolenbrander -aankondigt; dit is een voorzorgsmaatregel om de kool tegen het vocht te -vrijwaren. - ---Ik dacht niet, zeide Lucien, toen ik de Indianen vier kleine zakken -met houtskool op hun rug zag dragen, dat zij daarvoor in het bosch -hadden moeten leven, groote boomen moesten omhakken en gedurende -verscheidene nachten hunne mijten bewaken. - ---Evenmin, antwoordde ik, als de kleine jongens uit Europa, als zij -langs een suikerriet-plantage gaan, er aan denken, dat men zonder die -plant niet dat suikergoed zou kunnen maken, dat zoowel het gezicht als -den smaak streelt. - ---Maar, papa, heb ik u niet aan de Mexicanen hooren zeggen, dat men in -Europa suiker maakt uit beetwortelen? - ---Zeker, en als 't moest zou men er nog uit eene groote menigte andere -wortels, planten en vruchten kunnen trekken; maar de beetwortel of -suikerbiet alleen bevat er in voldoende hoeveelheid van om met voordeel -bewerkt te kunnen worden. - -Het uur van vertrekken naderde; ik maakte dan ook een einde aan de -nimmer ophoudende vragen van den jongen reiziger. Ik vernam van onzen -gastheer, dat als wij het pad bleven opklimmen, dat ons tot hen had -gevoerd, wij in minder dan twee uren aan eene hut, boven op eene -bergvlakte zouden komen. De Indianen vergaten evenwel, dat de kleine -beenen van Lucien onzen marsch konden vertragen. - - - - -IV. - -EENE MOEIELIJKE KLIMPARTIJ.--DE GEIT.--DE INDIAANSCHE VROUWEN.--DE -TABAK.--HET SPEL VAN DEN STIER.--LUCIEN WORDT GEWAPEND.--INTOCHT IN DE -WOESTIJN. - - -Wij trokken midden door jonge eiken; want de zijde van den berg, sedert -langen tijd door de Indianen tot hun voordeel aangewend, had allengs al -haar groote boomen zien verdwijnen. Het steile, ruwe en rotsachtige pad -scheen soms elke beklimming onmogelijk te maken; niettegenstaande de -berekende langzaamheid onzer schreden, moesten wij dikwijls blijven -stilstaan om adem te scheppen. Lucien volgde ons met een ijver, dien ik -dikwijls verplicht was te temperen. Het verwonderde hem dat hij geen -enkel levend wezen zag, zelfs geen enkele van die fraaie goudvliegen, -die in Mexico om alle struiken gonzen. Maar de wind blies uit het -Noorden, de zon bleef achter de wolken verborgen en de insecten bleven, -evenals de vogels, in hunne schuilplaatsen verscholen. Naar gelang wij -meer voorwaarts gingen, dwong het steile pad ons, om ons aan de struiken -vast te klampen. De Encuerado, door het gewicht van zijne vracht -bemoeielijkt, hielp zich met zijn handen en kon nauwelijks zijn -evenwicht bewaren. - -Weldra kon hij niet meer vooruit komen. Gelukkigerwijze hadden wij -klimpartijen als deze voorzien. Ik vertrouwde den knaap aan Sumichrast -toe, want op deze helling aan zichzelven overgelaten, zou hij kunnen -vallen en zich ernstig aan een wortelstronk of een rotshoek bezeeren. - -Ik drong in het kreupelhout en met mijn machete kapte ik een tak van -middelmatige dikte af, waarvan ik een der uiteinden in een punt -afsneed. Ik ontrolde toen een van die lange riemen, van een meter of -tien lengte en die men _lazo_ noemt; ik bevestigde dien aan mijn stok, -welken ik stevig in den grond stak. Met behulp van dezen riem, die hem -als trapleuning diende, wist hij zich naar boven op te hijschen. Tot -tienmaal toe moesten wij dit moeielijke werk herhalen. De weg, in plaats -van beter te worden, werd steeds onbegaanbaarder. Wij wisselden van -rollen, ik nam de mars op den rug, terwijl de Indiaan, van vermoeidheid -uitgeput, den riem vastmaakte. Ik was juist aan mijne derde opklimming -bezig, toen Sumichrast, die ons vooruit was gegaan om het terrein -te verkennen, boven ons te voorschijn kwam. Toen hij mij zoo zag -struikelen, en op de zij, op den neus, op de knieën zag vallen, om een -stap vooruit te komen, barstte mijn reisgezel in een luiden lach uit. Ik -had tijd noch lust om hem na te volgen en zijne ontijdige vroolijkheid -maakte mij een weinig kregelig. Eindelijk kreeg ik de paal beet, -uitgeput, geradbraakt, op 't punt om alle reizen naar den drommel te -wenschen. Sumichrast deelde ons mede, dat wij nog slechts een honderdtal -meters hadden af te leggen en nam de mand op den rug. Op mijne beurt -toeschouwer geworden, vergaf ik spoedig zijn aanval van vroolijkheid. -Niets toch was potsierlijker dan de wringingen, die hij deed, om het -evenwicht te bewaren. De Encuerado alleen bleef ernstig. Wat Lucien -betreft, deze bootste in zekeren zin de inspanning van Sumichrast na en -scheen er klaarblijkelijk onder te lijden. - ---Nu ziet ge eens, zoo sprak ik, dat de wandelingen niet altijd -gemakkelijk zijn in een land, waar geen gebaande wegen bestaan. - -Eindelijk kwamen wij uit dezen moeielijken pas. Gedurende dit tooneel -scheen Gringalet, die bedaard op zijn achterdeel was blijven zitten, -zich over onze inspanningen te verwonderen. Terwijl hij zijne ooren naar -alle kanten spitste, keek hij ons, met de wenkbrauwen knippend, aan. - -Misschien wenschte hij zich heimelijk geluk, dat hij op zijn gemak kon -springen en dartelen, waar ongelukkige tweevoeters het loopen zoo -moeielijk vonden. - -De boomen verdwenen. Evenals den vorigen dag betraden onze voeten een -granietachtigen bodem, die den bergkom uitmaakte; maar een kleine omweg -bracht ons op de bergvlakte, waar eene vrij sierlijk gebouwde hut stond. - -Drie kinderen namen op onze nadering de vlucht en twee magere honden -kwamen met weinig vriendschappelijke bewegingen om Gringalet draaien. -Eene geit, die bedaard het schaarsche gras afknabbelde, hief eensklaps -den kop op, maakte verscheidene sprongen en kwam toen met neergebogen -kop op Lucien toerennen. Daar ik niet vlug genoeg er bij kon komen, om -dezen onverwachten aanval af te weren, begon ik te schreeuwen, hopende -daardoor het beest te verschrikken; maar Gringalet, die vlugger was dan -ik, wierp zich voor den aanvaller en sloeg hem op de vlucht. - ---Waart ge bang? vroeg Sumichrast. - ---Een weinig, antwoordde Lucien, met het hoofd knikkende. - ---Maar gij hebt toch evenwel den vijand het hoofd geboden. - ---Als ik was gaan vluchten, zou de geit, die sneller loopt dan ik, mij -bereikt hebben. Ik wachtte haar af, om haar met mijn stok bang te maken -en de stooten met haar horens te ontwijken. - ---Gij hadt niet verstandiger kunnen handelen. Komaan, het ontbreekt u -niet aan koelbloedigheid en dat is eene kostbare hoedanigheid bij een -reiziger. - ---Dat is alles goed en wel, maar in 't vervolg zal ik toch voor de -geiten op mijn hoede zijn. En ik, die nogal dacht dat zij bang voor de -menschen waren. - ---Niet altijd, zooals gij tot uwe schade hadt kunnen ondervinden. -Bovendien, zoo vervolgde Sumichrast al lachende, beschouwde uwe vijandin -u misschien niet geheel en al als een mensch. Ik geloof evenwel, dat zij -meer dacht met u te spelen dan u te verwonden, want zij is gewoon -kinderen te zien. - -Gringalet kwam op dit oogenblik te voorschijn, met hangenden staart en -terneergeslagen uiterlijk, vervolgd door zijn broeders van het bergplat, -die huilden in plaats van te blaffen, zooals alle honden doen, die in de -eenzaamheid zijn opgegroeid. - -Op het geraas, door de bewakers van het huisje teweeggebracht, kwamen -twee Indiaansche vrouwen aanloopen, die, toen zij ons zagen, verbijsterd -bleven staan. De jongste, die niet onlief was, droeg een soort linnen -hemd en een stuk blauw wollen stof, dat om de heupen door een ceintuur, -met rood stiksel versierd, werd vastgehouden. Haar haren, tot strengels -gevlochten en op het voorhoofd teruggebracht, vormden eene soort van -diadeem. Hare gezellin droeg op eene dergelijke kleeding nog eene soort -van sluier, die, op het hoofd geplaatst, om haar neer viel als de mantel -eener non. - ---Dat God u beware, Maria, sprak ik tot de oudste. Wilt gij ons dezen -nacht gastvrijheid verleenen? - ---Ik kan u niets aanbieden. - ---Gij zult ons toch wel eene kip en wat eieren willen verkoopen. - ---Ik zou eerst moeten weten of mijn man gasten wil hebben. - ---Zou uw man weigeren zijn dak te leenen, om reizigers eene schuilplaats -aan te bieden? - -Zij dacht een oogenblik na en antwoordde toen: - ---Neen, hij is christen. Treedt binnen. - -De vrouw riep de kinderen, die een voor een hunne angstige hoofden -vertoonden en beval hun de honden weg te jagen. - -Wij ontdeden ons niet zonder voldoening van onze reisbenoodigdheden, -ter prooi aan eene vermoeidheid, die genoeg verklaarbaar is door de -inspanning, die onze klimmerij ons gekost had. De altijd even vlugge -Encuerado kwam de huishoudster ter hulp; hij blies het vuur aan, zette -de ketels gereed en overtuigde zich er van of zij zindelijk waren. De -vrouwen verzochten hem water te halen bij eene bron, die een honderdtal -meters van de hut verwijderd was. Hij ging heen, onder 't geleide der -kinderen van onze gastvrouw. Zijne gidsen, die het hoofd kaal geknipt -hadden en bijna naakt waren, hadden van bamboesriet stokpaarden gemaakt, -en gingen hem al dravende vooruit. - -Het bergplat werd, behalve aan den kant waar langs wij gekomen waren, -door hooge bergen beheerscht. De uit planken gebouwde en met riet -gedekte hut, scheen zindelijk onderhouden te worden. Achter de woning -strekte zich een moestuintje uit, waarin de fenkel, deze onmisbare -kruiderij voor de keuken der Asteken, in overvloed groeide; daar -tegenover zag men eene uitgestrekte tabakaanplanting en eene omheining, -waarbinnen geiten en varkens in de beste eendracht samenleefden. De -plaats scheen ons wat droevig toe; maar onder de keerkringen is het -ontbreken van de zon voldoende, om het heerlijkste landschap somber te -maken. - -Lucien wilde het tabaksveld bezichtigen. Elke stengel, ter hoogte van -meer dan een meter, verdeelde zich in takken, die met breede bladeren, -van eene donkergroene kleur, versierd waren en waarvan verscheidene aan -hun basis kleine oortjes hadden. De nu eens roode, dan weer geelachtige -bloemen, wezen op twee verschillende soorten; de scherpe reuk had niets -aangenaams. Lucien was niet weinig verbaasd toen hij hoorde, dat deze -fraaie plant tot dezelfde plantenfamilie behoort als de aardappel, de -tomaat, de eierplant en de piment. - ---Bij de oude Asteken, sprak Sumichrast, heette de tabak _pyciete_; -zij was het zinnebeeld der godin Cihuacohuatl of slang-vrouw.[10] -In de Mexicaansche godenleer werd deze godheid als de moeder der -eerste menschen beschouwd en in deze legende meenden de Europeesche -missionarissen gedeeltelijk de geschiedenis van Eva terug te vinden. -Tegenwoordig gaan de Indianen, die de dwalingen van het heidendom -verlaten hebben en den Christelijken godsdienst omhelsden, nog voort om -de plant, die eens aan hunne oude godin was toegewijd, te gebruiken -tegen den beet van vergiftige slangen. - -[10] In de taal der Asteken beteekent _cihuatl_ vrouw en _cohuatl_ - slang. - ---Daarom verbouwen zij dan ook zeker tabak? vroeg Lucien, want zij -rooken nooit. - ---Neen, maar zij verkoopen hun oogst aan de Kreolen, die daarentegen -bijna allen rooken. Men zegt, dat het woord _tabak_ voortkomt van het -eiland Tabago, waar de Spanjaarden deze plant ontdekten. - -Omstreeks 1560 werd zij door Jean Nicot in Frankrijk ingevoerd, die er -ook de peter van werd, want de geleerden noemen de tabak _Nicotiana_. 't -Is zeker, dat de tegenwoordige Mexicanen slechts sigaren en sigaretten -rooken. Zij kennen de pijp nog slechts sedert korten tijd en de -romanschrijvers, die zoo gaarne de Asteken voorstellen als de vredes- -of oorlogspijp of de pijp der raadsvergadering rookende, zullen u doen -glimlachen, als gij later hunne werken zult lezen. Gij zult u dan -herinneren, hoezeer de Franschen verbaasd stonden, toen zij, hier -komende, geen gesneden tabak konden krijgen, terwijl daarentegen de -Indianen zich verdrongen om te zien, hoe de rook van deze plant in -werktuigen van steen, aarde of porselein werd ingezogen. - ---Ik herinner mij zelfs, riep Lucien uit, dat de Encuerado eens de pijp -nam van een officier, die bij papa logeerde en er aan begon te rooken. -Als u toen zijn leelijke gezichten eens gezien hadt! - ---En wat gebeurde er toen? vroeg Sumichrast. - ---De pijp maakte hem misselijk. Papa, die van niets afwist, deed hem -toen een geneesmiddel nemen; maar de Encuerado heeft mij gezegd, dat het -geneesmiddel lang zoo leelijk niet was, als de pijp, die hij gerookt -had. - -De schuldige, die bij ons was gekomen, sloeg bij deze onverwachte -onthulling de oogen neer en mompelde op een toon van gezag: - ---De pijp is eene uitvinding van den duivel.[11] - -[11] Met het uitspreken van dezen banvloek stemde de Encuerado, zonder - het te weten, overeen met Jacobus I, koning van Schotland, die in - 1672 een boek tegen de rookers in 't licht gaf. - -Door mijn reisgezellen gevolgd, naderde ik het huisje, waarvan de -eigenaar naar ons toe kwam, om ons welkom te heeten. Onze gastvrouw -plaatste op eene mat een aarden schotel, die een kip met rijst bevatte. -De Indiaan, zijne vrouw en schoonzuster wilden ons bedienen. Lucien -noodigde de kinderen uit om onzen maaltijd te deelen; maar zij wilden -niet bij ons komen zitten en men moest hun stukjes van de kip -toesteken, die zij met gretigheid opaten. Aan het einde van het -middagmaal bracht een hunner ons een half dozijn bananen, die zeer -gaarne werden aangenomen; vervolgens ging de kleine bende, terwijl wij -de koffie gebruikten, een spelletje verstoppertje spelen. Tot mijne -groote voldoening zag ik dat Lucien, niettegenstaande den moeielijken -tocht, die ons vermoeid had, met evenveel vuur als zijn makkers liep en -sprong. - -Dit spelletje moede, haalden de kinderen een jongen bok en bootsten zij -een stierenjacht na. Het dier, dat zeer goed afgericht was, vervolgde -de loopers en wierp hen meer dan eens omver. Dit overkwam ook Lucien. -Gringalet wierp zich vol woede op het aardige dier; maar zijn meester, -die dadelijk weer op de been was, hield den ijver van zijn beschermer -in. Zooals wij het reeds bij het begin van ons vertrek hadden opgemerkt, -volgde de hond bij voorkeur zijn jongen meester en scheen zich tot taak -te hebben gesteld over zijne veiligheid te waken. - -Onze gastheer vertelde ons, dat hij in het dorp Tenejapa geboren en daar -ook getrouwd was; maar op zekeren dag met geweld voor het leger geprest -zijnde, was hij gedeserteerd en had hij zich op deze bergvlakte -gevestigd. - -Sedert zes jaren waren wij de eerste blanken, die hem bezochten. -Zijn velden brachten maïs, boonen en tabak op, die zijne vrouw en -schoonzuster tweemaal in 't jaar in Orizava verruilden voor de -voorwerpen, die voor de huishouding noodig waren. Hij gevoelde zich -gelukkig en roemde de bekoorlijkheid der groote bosschen en der -eenzaamheid. Hij preekte trouwens voor bekeerden. - -De nadering van den nacht kondigde zich aan door eene hevige koude, -waaraan wij niet meer gewoon waren. Ik riep Lucien terug, want ik wilde -niet, dat hij zich bovenmate zou vermoeien. Men leende ons matten, ieder -wikkelde zich in zijne dekens en ik sliep in onder het gesnork mijner -gezellen. - -Tegen twee uur in den morgen werd ik verstijfd wakker; Lucien was ook -door en door koud. Ik haastte mij om hem met mijn deken toe te dekken, -want op deze hoogte waren wij blootgesteld aan den wind, die van den -vulcaan van Citlatepetl woei, en de lucht zou eerst warm worden bij het -opgaan van de zon. Sumichrast kwam weldra bij mij; evenals ik, had hij -zijn deken aan den knaap afgestaan en hij liep naast mij op en neer, -zonder de koude te kunnen overwinnen. Ik ging wat klein hout zoeken om -vuur aan te maken. Ons heên en weêr loopen had onzen gastheer gewekt en -door zijne hulp konden wij ons weldra voor een knappend vuur neerzetten. -De Encuerado, die nauwelijks beschut was, sliep als een gelukzalige. -Eindelijk hernam de slaap, dank zij het vuur, zijne rechten en weldra -sliep ik opnieuw in. - -Toen ik de oogen opende, schitterde de zon aan een wolkenloozen hemel -en iedereen was overeind. Sumichrast onderzocht de wapens en de -schietbehoeften, want vanaf dezen dag moesten wij zelven in ons -onderhoud voorzien. Daar ik mij verwonderde, dat ik zoolang geslapen -had, verklaarde eene lichte stijfte in den rug mij dat spoedig en -herinnerde mij aan de moeielijke opstijging van den vorigen dag. Ik -beken, dat ik meer lust gevoelde om opnieuw te gaan liggen, dan op weg -te gaan; maar ik moest het voorbeeld geven en hielp dus mijne makkers -bij hunne voorbereidselen voor het vertrek. Men kent het gewaad van den -Encuerado en van Lucien. Dat van Sumichrast en het mijne bestonden uit -een pantalon van sterk linnen en van eene kiel van dezelfde stof. Als -wapens droegen wij een revolver, een machete en een geweer met dubbelen -loop; een weitasch, met kleine voorwerpen gevuld, hing aan onze zijde. -Wij onderzochten den inhoud van de mars, die de Encuerado op den -rug droeg en die hij met riemen op de borst en over het voorhoofd -bevestigde. Sumichrast nam daarop een lang pak er uit, dat hij bij het -begin van de reis er in had gedaan, en ontdeed het van het doek, dat -het eerste omhulsel uitmaakte. Zijn glimlachen en zijn geheimzinnig -uiterlijk brachten ons in spanning, eindelijk trok hij uit een papier -een licht jachtgeweer, dat hij Lucien over den schouder hing. - -De knaap kreeg eene kleur, beefde, verbleekte en zag ons angstig aan; -hij durfde nauwelijks aan de verwezenlijking van een zijner droomen -gelooven. De ontroering benam hem de spraak, hij wierp zich in de armen -van zijn vriend. Mijne verbazing was even groot als de zijne. Ik had er -ook wel aan gedacht om Lucien een wapen te geven; maar uit vrees voor -een ongeluk, had ik besloten het niet te doen. - -De Encuerado was niet minder verheugd dan zijn jonge vriend; hij begon -te dansen en Sumichrast te omhelzen. - ---Oh Chanito! die arme tijgers, hoeveel zullen wij er dooden, riep -de oude jager uit. Wat zullen wij mooie tapijten voor uwe mama -terugbrengen! Toe, laat mij uw geweer eens aanraken; men zou zeggen, -dat het bepaald voor u gemaakt is. Die arme tijgers! - -En de dwaze dans begon van voren af aan. - -Er werd overeengekomen, dat het geweer slechts door ons zou geladen -worden en dat Lucien slechts op onze aanwijzing zou schieten. Ik voegde -er bij, dat het geweer, bij de minste overtreding van deze overeenkomst, -in beslag zou genomen worden, en het ventje kende mijne standvastigheid. -Ik raadde hem, doch tevergeefs, aan, om het geweer weer in de mand te -leggen; maar dat was eene te zware opoffering en ik moest derhalve in -deze vermeerdering van last, die hij trouwens moedig droeg, toestemmen. - -Na een rijkelijk ontbijt werden de kompassen geregeld. Lucien nam -afscheid van zijne vriendjes van een dag; ik bedankte de vrouwen, -terwijl onze gastheer ons tot aan den top van den berg vergezelde. - -Wij bevonden ons in een circus, links en rechts door de begroeide toppen -beheerscht. Aan onze voeten spreidden zich de bergvlakten, die wij -doorgetrokken waren, uit; lager nog, was de nauwelijks zichtbare vlakte. -Achter ons gaapte een donkere, nauwe, steil-afgekapte afgrond, aan een -onmetelijke put gelijk. Boven ons de hemel van eene lichtblauwe kleur, -waarop de gieren zwarte stippels teekenden. - -Op den zoom van het woud wenschte onze gids, die ons met leedwezen -scheen te verlaten, ons goede reis. Sumichrast laadde het geweer van -Lucien en beval te vuren, om onze intrede in de woestenij te begroeten. -Het schot viel, de echo's herhaalden het beurtelings en vergrootten het; -eenige wilde stemmen antwoordden er met heesche kreten op en alles -verviel weer in de stilte. Na een laatsten blik op de vallei te hebben -geworpen, drong ik het eerst het woud in. Van af dit oogenblik konden -wij nog slechts op God en op ons zelven vertrouwen; want elke stap -voorwaarts verwijderde ons meer van de menschen. - - - - -V. - -HET WOUD.--DE RAVEN.--EERSTE BIVAK.--DE EEKHOORNS.--DE KLEINE GIDS.--EEN -LOFZANG IN DE WOESTIJN. - - -Wij bevonden ons op meer dan vijftienhonderd meter boven de oppervlakte -der zee, en de koelte van den Noordenwind overviel den knaap, die, -gewoon aan het klimaat van de gematigde luchtstreek, nooit iets -dergelijks gevoeld had. Uit instinct bracht hij zijn vingers aan den -mond om ze te verwarmen, daar hij niets begreep van hunne verstijving. -Maar zoodra de zon zekere hoogte had bereikt, dacht niemand er meer aan, -over de koude te klagen. - -De boomen begonnen dichter bijeen te staan. Verloren te midden der -eiken- en pijnboomen, scheen Lucien, die voor het eerst die reuzen zag, -welker levensjaren eeuwen telden, ten hoogste aangedaan. Hij twijfelde -bijna aan de werkelijkheid van het schouwspel, dat zijn blikken trof; -na van de hoogte van een berg de Lilliput-wereld aanschouwd te hebben, -vroeg hij ons, of niet een tegenovergesteld zinsbedrog hem op dit -oogenblik het rijk voortooverde der reuzen, waarvan zijne moeder hem de -wondervolle sprookjes had verteld. Een omgeworpen eik, dien wij op onzen -weg onmoetten, liet hem toe beter de grootte van die boomen te meten, -welker toppen den hemel schenen te raken. De eeuwenoude, zwarte, ruwe -stam, die op den bodem lag, waarin zijn val hem ten deele begraven had, -stak verscheidene voeten boven ons uit, terwijl gebroken en rondom -verspreide dikke takken een omvang hadden, gelijk aan onze hoogste -kastanjeboomen. Een geruisch van vleugelslagen deed ons het hoofd -opheffen, en twee paar buitengewoon groote raven namen hunne vlucht, -terwijl zij ons met een lang gekras begroetten. - ---Gaat heen, gaat heen, duivelskinderen! riep de Encuerado hen toe, gij -zult ons niet bang maken, wij zijn te goede christenen. - ---Tegen wien spreekt gij? vroeg Lucien, vol verbazing rondom zich -ziende. - ---Tegen de raven. - ---Meent gij dan, dat zij u zullen verstaan? - ---Of zij mij verstaan, Chanito? Die rekels hebben niets hard dan het -vleesch, en omdat zij een mooien zwarten rok dragen zooals die, waarin -uw papa zich bij feestelijke gelegenheden steekt, meenen zij dat hun -alles geoorloofd is. Maar als een hunner van avond om het vuur durft -dolen, dood ik hem en braad hem, zoo waar als ik de Encuerado ben. - -De knaap zette groote oogen op, want hij verbaasde zich altijd over de -hebbelijkheid van den Indiaan, die naar zijn humeur de kreten en de -bewegingen der dieren uitleggende, nooit naliet te antwoorden op de -denkbeeldige uitdagingen, die hij meende dat hem gedaan werden. Soms had -hij het zelfs tegen levenlooze voorwerpen. De gewezen tijgerjager had -zich die gewoonte ongetwijfeld eigen gemaakt in den tijd, toen hij, -alleen in de bosschen levende, toegaf aan die noodzakelijkheid van te -praten, aan die behoefte om zijne indrukken mede te deelen, die een -bewijs zijn voor de gezelligheid van den mensch. In elk geval was het -met eene kinderlijke goede trouw, dat hij zich met een blad of een vogel -onderhield. - -Vier uren lang togen wij, door de hitte overstelpt, door het woud. De -pijnboomen en eiken volgden elkander met eene eentonige regelmatigheid -op. Allengs liep het terrein meer af en de nieuwe gang, dien wij moesten -aannemen, verminderde onze vermoeidheid en maakte terzelfder tijd onzen -marsch sneller. Eindelijk kwamen wij in een dal. De plantengroei was -veranderd: hier en daar vertoonden zich wol- en gaiacboomen en lianen. - ---Halt! riep ik uit. - -Ik ontdeed mij van mijne uitrusting, welk voorbeeld door mijne makkers -met gretigheid gevolgd werd. De Encuerado, door zijn vriend geholpen, -begon onmiddellijk droge takken te zoeken, terwijl Sumichrast en ik het -gras over eene uitgestrektheid van verscheidene meters afmaaiden. - ---Is onze dagmarsch dan volbracht? vroeg Lucien. - ---Ja, antwoordde ik. Zijt gij niet vermoeid? - ---Niet te zeer; ik zou nog wel wat kunnen loopen. Hebben wij veel wegs -afgelegd? - ---Ongeveer vier mijlen. - ---En gaan we nu al rusten? Voor zoo'n beetje? Ik dacht, dat men op reis -tot aan den nacht doormarcheerde. - ---Drommels! zeide ik, terwijl ik hem bij zijn oor pakte, wat zijt gij -een onvermoeide looper! Maar vier mijlen zijn niet zoo weinig, als men -ze alle dagen opnieuw moet beginnen. Die langzaam gaat, gaat lang, zegt -een oud spreekwoord, dat wij letterlijk zullen volgen, want te zware -marschen zouden onze gezondheid spoedig benadeelen en dan kunt gij de -reis vaarwel zeggen. Om nu tot aan den nacht door te marcheeren, zulks -is alleen mogelijk als men zeker is een herberg te ontmoeten. Niemand -heeft er onder deze groote boomen aan gedacht, om onzen maaltijd te -bereiden, en ik veronderstel niet, dat gij lust gevoelt om van honger te -sterven. Misschien moeten wij nog wel een paar mijlen maken, alvorens -het wild te dooden, dat de hoofdschotel van ons middagmaal moet -uitmaken. - ---Aan dat alles had ik niet gedacht, antwoordde Lucien, terwijl hij het -hoofd met een uitdrukking van overtuiging schudde; maar wat zullen wij -van avond dan eten? - ---Ik weet er nog niets van; misschien een haas, misschien een vogel, -misschien ook wel een rat. - ---Een rat! Nu, van zulk een beest zal ik zekerlijk niet eten. - ---Ach! arme kleine, wacht maar eens tot de ware honger, waarvan gij -nog slechts den naam kent, uwe ingewanden kwelt, dan zult gij zien met -hoeveel lust men het eten verslindt, dat de Voorzienigheid ons toezendt, -onverschillig van welken aard het dan ook zijn moge. - ---Zal het dikwijls gebeuren, dat wij een dag zonder eten moeten -doorbrengen? - ---Ik hoop van niet, antwoordde ik, lachende om den toon van bezorgdheid -van Lucien, die geheel nadenkend bleef staan. - -Gedurende dit gesprek had de Encuerado, vlug als een aap, een pijnboom -beklommen en zijn machete bezaaide den grond met kleine twijgen. Wij, -van onzen kant, gingen ook aan den arbeid, maakten palen, die ik -met een steen, welke voor hamer dienst deed, in den grond sloeg. -Dooreengevlochten en met lianen[12] aaneen verbonden takken vormden een -horde, die, op de palen geplaatst, een dak uitmaakten. Door zijn kleinen -vriend geholpen, wien deze toebereidselen zeer vermaakten, vulde de -Encuerado de hut met bladeren en bedekte de takken met een laag droog -gras. Onder deze beschutting konden wij den regen, zooal niet de koude -trotseeren. - -[12] Liaan = Slingerplant. - -Het is mij onmogelijk de verrukking van Lucien te beschrijven. - -Dit huis--want hij wilde dezen eervollen naam wel geven aan de -vormelooze hut, waarin hij en Gringalet alleen recht op konden -staan--scheen hem een meesterstuk van bouwkunst toe en hij verbaasde -zich over de vlugheid, waarmede het was opgericht. Hij hielp den -Encuerado om den haard te plaatsen, zoodat hij nog slechts behoefde -aangestoken te worden. Met onze geweren gewapend gingen wij er op uit -om ons middagmaal te zoeken. - -Toen hij zag, dat wij onze bagage achterlieten, riep Lucien uit: - ---Maar als er nu eens iemand kwam, die onzen voorraad stal? - ---Duivels! riep Sumichrast uit--de Encuerado antwoordde altijd met een -kruis te maken, op deze geliefkoosde uitdrukking van mijn metgezel--gij -denkt toch aan alles.--Maar voor zulk een ongeluk behoeven wij niet te -vreezen; het is zeer waarschijnlijk, dat wij geheel alleen in het woud -zijn; of als er zich nog anderen dan wij bevinden, zou er al een -wonderdadig toeval noodig zijn, om ze juist bij ons bivak te brengen. - ---Zijn wij dan niet op een weg? - ---'t Is een weg, als ge dat zoo wilt; maar dien wij alleen gebaand -hebben; men zal onze schuilplaats niet ontdekken, tenzij men ons op den -voet gevolgd heeft. - -De knaap schudde met een twijfelachtig gebaar het hoofd; het denkbeeld -van de woestijn leert men eerst na langen tijd begrijpen. Ik herinner -mij dat ik zelf, toen ik mijne eerste uitstappen in deze eenzame streken -deed, telkens dacht eene hut te zullen ontmoeten of een menschelijk -gelaat te zien, hetzij bij het uitkomen uit een woud, hetzij bij het -volgen van een der paden, die de stieren in de Savanne banen. Vooral -des nachts, als ik door slapeloosheid gekweld werd, dacht ik in de -verwijderde geruchten, die mijn oor troffen, het gekraai van een haan, -het blaffen van een hond of het refrein van een bekend lied te hooren. - ---Maar als niemand ons bivak kan ontdekken, hoe zullen wij zelven dan -doen om het terug te vinden? hernam Lucien, terwijl hij een blik -achterwaarts wierp. - ---Op eene even eenvoudige als moeilijke wijze: Wij zullen achter -elkander loopen, en de laatste zal in de boomen en heesters een kerf -maken. Dit middel om den weg terug te vinden, is veel zekerder dan de -keisteentjes van klein Duimpje. - ---Zal ik vooruit loopen? - ---Neen, die plaats komt rechtens toe aan den besten schutter, want wij -moeten het wild, dat wij zouden kunnen ontmoeten, niet laten ontsnappen. -Zoolang gij nog niet weet, hoe gij u van uw geweer moet bedienen, zult -gij de achterhoede uitmaken. - -Deze rol scheen Lucien, die dadelijk zijn sabel trok en ons op kleinen -afstand volgde, overal aan de boomen kerven gevende, die ons op den -terugweg moesten geleiden, niet te mishagen. - -Hij kweet zich met zooveel ijver van zijne taak, dat zijne krachten -weldra uitgeput moesten zijn. De Encuerado wees hem hoe hij zich zonder -veel inspanning van zijn wapen moest bedienen en de takken kon inkerven, -zonder zijn gang te vertragen. - -Wij kwamen op een dier opene plaatsen uit, die men dikwijls te midden -der maagdelijke wouden ontmoet, zonder dat men de mogelijke oorzaak kon -verklaren, welke de boomen belet daar te groeien. Daar zich geen enkel -levend wezen vertoonde, kwam ik met Sumichrast overeen om den Encuerado -en Lucien op de loer achter te laten, terwijl wij ons elk naar een kant -zouden richten, zoo echter, dat wij aan het andere einde van de vlakte -weer bij elkander zouden komen. Toen Gringalet zag, dat wij van elkander -afgingen, wist hij eerst niet, welke partij te kiezen; hij liep van den -een naar den ander en overlaadde ons met liefkoozingen, terwijl hij -klagend huilde. Eindelijk volgde hij mij, maar nauwelijks had ik een -honderdtal meters afgelegd, of hij bleef staan om na te denken. Hij -meende zeker dat hij iets had vergeten, want hij verdween vol haast. - -Ik liep sedert een half uur onder het loof, met gespannen oog en oor en -den vinger aan den trekker, zonder het geringste wild te ontdekken. Mijn -makker scheen niet veel gelukkiger dan ik, toen eensklaps een schot -weergalmde. - -Op hetzelfde oogenblik bemerkte ik Sumichrast, die mij een troep -eekhoorns, welke de open vlakte doortrokken, aanwees. - ---Hebt gij er een gedood? vroeg ik. - ---Ja, maar hij is tusschen twee takken blijven hangen, op meer dan -twintig meters boven den grond; dat is een verloren schot kruit. - -Wij volgden met angst de sprongen van de bevallige diertjes, welker rust -wij verstoord hadden; zij waren op het punt van in het woud te -verdwijnen. - ---Slaapt de Encuerado? riep ik vol ergernis uit. - -Twee opeenvolgende schoten gaven mij antwoord en bijna op hetzelfde -oogenblik kwamen Gringalet, de Encuerado en Lucien uit het bosch. Na -eenige minuten zoekens stak de knaap de armen omhoog en toonde ons twee -eekhoorns. Wij versnelden den pas; de Indiaan nam het wild over en sloeg -den weg naar het bivak in, terwijl Lucien ons tegemoet liep. - ---Papa, papa! mijn geweer heeft een eekhoorn gedood! riep hij ons -geheel buiten adem toe. O, mijnheer Sumichrast, ga hem eens zien, hij is -geheel grijs met een staart, die op een pluim gelijkt. - ---Hebt gij hem wel geschoten? vroeg ik. - ---Ik heb geschoten, maar de Encuerado hield mijn geweer. Wij hebben in -den hoop geschoten, want er waren er veel. Als gij hen eens hadt zien -springen! Die, welken ik geschoten heb, klom op dien boom daar; hij viel -als een steen neer. De Encuerado zegt, dat hij den tijd niet heeft gehad -om te lijden." - -De arme jongen had zijn leerproef in het jagersvak gedaan, en zijn -hart was een weinig vol, ofschoon hij fier was, zulk een bewijs van -behendigheid te hebben gegeven. Sumichrast haastte zich, hem geluk te -wenschen. Ofschoon ik de voorzichtigheid van den Encuerado kende, stelde -ik mij toch voor hem te berispen, al was het maar om het kruit te doen -besparen, en hem te waarschuwen tegen eene te groote begeerte om den -knaap te laten schieten. - ---Komaan, zeide ik tot Lucien, die zijn geweer aan zijne borst drukte, -wees onze wegwijzer om het kampement terug te vinden. Gij hebt den weg -gebaand, zorg nu dat gij ons niet laat verdolen. - -Onze kleine gids bracht ons met eene zekerheid naar ons punt van uitgang -terug, zooals ik geenszins verwacht had. - ---De aandacht der kinderen wordt licht afgetrokken, sprak Sumichrast; -hoe verklaart gij het, dat Lucien het gemaakte spoor zoo goed gevolgd -heeft. - ---Misschien omdat het gedeeltelijk zijn werk was, gaf ik ten antwoord. - ---En ook omdat ik klein ben, viel de knaap met een klein spottend lachje -in, ik zie den grond dichterbij dan u, bijna zooals Gringalet, die zoo -goed zijn weg weet terug te vinden. Gij ziet wel, papa, dat klein zijn -toch ergens goed voor is en dat ik u van dienst kan zijn. - -Onnoodig te vragen of deze pleitreden tegen de grootte ons vermaakte. - ---Zoo beschouwd zou ik er nog spijt over moeten hebben, dat ik uw broer -Emile niet heb meegenomen, zijne geringere grootte zou hem nog spoediger -een spoor doen terugvinden dan u. - ---Wel zeker. Herinnert gij u niet, dat hij, bij onze wandelingen op den -Borrego, dikwijls insecten heeft ontdekt, die gij niet gezien hadt. - -Ik was nu geheel en al geslagen. - -Wij gingen bij den haard zitten, waarvoor de beide eekhoorns braadden. -De Encuerado ving het vet in een pan op en begoot ze er van tijd tot -tijd mede. - -Het vleesch van den eekhoorn gelijkt door de kleur en den smaak op dat -van den haas; onze jeugdige reisgezel at er dan ook met goeden eetlust -van. Gedroogde maïskoeken, die men _totopo_ noemt, vervingen het brood -en ieder onzer kreeg zijn afgepast deel er van. Van het vleesch kon een -ieder naar hartelust bekomen. - -Gringalet maakte ons ongerust; wij hadden hem de helft van een eekhoorn -gegeven, maar in plaats van er in te smullen, vond hij beter er met -woede overheen te rollen. Het arme dier at slechts eenige stukjes -_totopo_. Hij moest zich toch gewennen om wild te eten, want onze -maïskoeken waren te kostbaar om ze hem te geven. Ieder onzer goot een -weinig water uit zijne veldflesch in een kalebas, die hem tot voerbak -diende. Aldus op rantsoen gesteld, moest de arme Gringalet wel spijt -gevoelen, dat hij ons gevolgd was. De zon ging zienderwijs onder. - ---Welnu, vroeg Sumichrast aan Lucien, wat zegt gij nu van het -rattevleesch. - ---Dat zal ik u zeggen, als ik er van zal gegeten hebben. - ---Hoe, ziet gij dan niet dat de eekhoorn en de rat twee zeer nastaande -verwanten zijn, dat zij beiden tot de familie der knaagdieren behooren? - ---'t Is waar, dat ze wel wat op elkander gelijken, zeide de knaap met -een koddig gebaar. - ---Vooral de soort, die voor ons middagmaal heeft gediend en die door de -geleerden nog niet gerangschikt is. Zie eens. Zijn haar is zwart op den -rug, grijs aan de zijden en wit onder den buik; de ooren zijn naakt in -plaats van die lange haarborsteltjes te hebben, die aan de eekhoorns van -Europa zulk een levendig uiterlijk geven. - ---Eten de eekhoorns dan ook vleesch? - ---Neen, zij vergenoegen zich met eikels en hazelnoten, waarvan zij voor -den winter een grooten voorraad opdoen. - ---Dan gelijkt het vleesch van den eekhoorn niet op dat van de rat, die -een allesetend dier is, riep Lucien zegevierend uit. - -De overtuigde en gerustgestelde toon van den jongen geleerde, perste -ons een glimlach af, maar bijna op 't zelfde oogenblik gebood ik -stilte, want een geraas van bewogen takken, dat onze opmerkzaamheid had -getrokken, werd hoe langer zoo duidelijker. Gringalet wilde blaffen, -maar de Encuerado greep hem om den snuit en bedekte hem met zijn deken. -Een troep knagers, zonder twijfel dezelfden, die wij een paar uur te -voren verjaagd hadden, verscheen onder het uiten van kleine kreten. Zij -sprongen van tak tot tak, zonder zich om den afstand te bekommeren, wij -zagen hen loopen, elkander vervolgen, zich nu eens boven, dan weer -onder tot aan de uiteinden der dunste takken vooruitwagen. Twee of drie -daalden langs den boom af, die vlak tegenover ons stond. Zij liepen als -met kleine sprongen, hielden in, klommen weer op om dan weer naar omlaag -te dalen. Beneden gekomen gingen zij op hun achterdeel zitten en zich -van hun voorpooten als van handen bedienende, wreven zij zich met -zulke potsierlijke bewegingen over den neus, dat Lucien zich niet kon -weerhouden om te praten en ons deelgenoot van zijne bewondering te -maken. - -Op het voor hen zoo vreemde geluid eener menschelijke stem, namen de -bevallige diertjes de vlucht, maar toch niet zoo vlug of het geweer van -Sumichrast verwondde er een. De eekhoorn bleef aan den boom geklemd, -waarop hij getroffen werd en viel daarna op den grond. Hij had evenwel -nog de kracht om zich op te richten en den jager te bijten, die hem te -schielijk wilde oprapen. De Encuerado ontdeed hem dadelijk van de huid, -om hem voor ons ontbijt van den volgenden ochtend te bewaren. - -De zon verdween; kreten van dieren weerklonken en de nacht kwam, met -zich de volkomene stilte der woestijn brengende. De Encuerado hief een -langen lofzang aan en weldra paarde Lucien zijne stem aan die van den -jager. Het gezang was eenvoudig en eentonig; maar er lag iets roerends -in den lof van God te hooren zingen door dat kind en dien Indiaan, -beiden even eenvoudig van hart. De lofzang eindigde met een gebed, -dat Sumichrast en ik staande en met ongedekt hoofd aanhoorden en vol -overtuiging herhaalde mijn vriend het _amen_ van den Encuerado: God is -groot! - -Na den haard van nieuw hout voorzien te hebben, dat het vuur gedurende -den nacht moest onderhouden, ging men naast elkander onder de hut -liggen. De wind zuchtte zachtkens in het gebladerte, en onder dien -afgemeten ademtocht brachten de pijnboomen dat zwaarmoedig geluid voort, -hetwelk, tot bedriegens toe, gelijkt op het geklots van de op het strand -wegstervende golven. Door daar veel over te denken, gevoelde mijn slaap -er de terugwerking van, want ik droomde dat ik op zee was en dat het -schip, hetwelk mij voerde, op de zilveren golven dobberde. - - - - -VI. - -DE KOFFIE.--DE TERPENTIJNBOOM.--DE SOEROEKOES.--DE DENNENNAALDEN.--DRIE -VULKANEN IN 'T ZICHT.--DE LOOPKEVERS.--DE SCHORPIOENEN.--DE -SALAMANDERS.--EEN ALARM. - - -Toen ik de oogen opende, bemerkte ik den Encuerado, die de koffie -gereedmaakte, terwijl mijn zoon, voor het vuur gehurkt, een menigte -droge takken om den ketel stapelde, op gevaar af van hem om te werpen. - ---Hoe nu, Lucien, 't is nog geen dag en reeds op! Hebt gij niet goed -geslapen? - ---O ja, papa, antwoordde hij, mij omhelzende, maar de Encuerado heeft -Gringalet wakker gemaakt, die toen op mij is komen liggen en daardoor -ben ik wakker geworden. Daar ik geen slaap meer had ben ik opgestaan, om -voor het vuur te zorgen. - ---En gij kwijt u goed van die taak. Het water gonst reeds, en de -Encuerado zal moeite hebben om den ketel van 't vuur te krijgen zonder -zijne vingers te branden. - -Maar de Indiaan had twee groene takken gesneden en bediende zich daarvan -om den koffieketel, waarin hij tegelijkertijd de koffie en de suiker -deed, van het vuur te nemen. - ---Waar is de filtreer? vroeg Lucien. - ---Denkt gij dan, dat wij in de stad zijn? antwoordde ik. Waarom vraagt -gij ook niet een kop en schoteltje. - ---Maar wij zullen dat zwarte en dikke sap nooit kunnen drinken! - ---Wees maar gerust, Chanito, riep de Indiaan uit, we zullen er wel een -beter aanzien aan geven. En zijn veldflesch nemende, goot hij een -weinig koud water op het mengsel, dat aanstonds helder werd. - ---Ga nu Sumichrast wekken, zeide ik tot Lucien. De knaap naderde onzen -reismakker, die nauwelijks zichtbaar was door de bladeren, die hem tot -deken en tevens tot oorkussen dienden. - ---Hola, hola, mijnheer Sumichrast! de soep staat op tafel. - ---De soep, herhaalde Sumichrast, terwijl hij zich de oogen uitwreef. O, -kleine aap, ge hebt een schoonen droom verstoord: ik had uwen leeftijd -en doorliep opnieuw de bergen van mijn vaderland. - -Het is goed na een overvloedigen maaltijd een kop mokka te genieten; -maar wat men er ook van zeggen moge, de koffie dunkt mij nog beter des -morgens om vijf uur, als men den nacht onder den blooten hemel heeft -doorgebracht. - -De dag brak aan. Het was een heerlijk schouwspel het woud zoo -trapsgewijze licht te zien worden en de stammen zich vergulden onder de -schuine stralen der zon. Eer wij ons op weg begaven, onderzocht een -onzer met alle nauwkeurigheid het terrein, waarop wij gekampeerd hadden, -teneinde geen dier kleine voorwerpen te vergeten, waarvan het verlies -onherstelbaar zou geweest zijn. Ik merkte toen op, dat de mars van den -Encuerado versierd was met de vellen der drie eekhoorns, die op deze -wijze zachtjes aan moesten drogen. - -Wij hadden zoo ongeveer een uur gemarcheerd, zonder eenig ander voorval, -dan het ontmoeten van verschillende vogels, toen de zwaarmoedige stem -van de _Soeroekoe_ onze ooren trof. Het geluid van dezen vogel heeft -veel overeenkomst met den kreet dien de Mexicaansche ossendrijvers -doen hooren, als zij de, aan hunne hoede toevertrouwde dieren, -bijeenverzamelen; vandaar zijn Spaansche naam van _vaquero_ -(ossendrijver). - -Wij begonnen de jacht en in minder dan een half uur waren wij in 't -bezit van een mannetje en een wijfje. Lucien kon niet genoeg de fraaie -vogels met gelen bek, welke gebogen was als die der roofvogels, -bewonderen. Vooral het mannetje was prachtig; de veeren op den kop en -van den rug hadden een goudgroenen weerschijn, terwijl de randen der -vleugels en de buik, met het zuiverste karmijn getint, tusschen twee -zwarte strepen, die tot aan den staart doorliepen, uitkwamen. - ---Zullen wij veel van die vogels in het bosch vinden, mijnheer -Sumichrast? vroeg Lucien. - ---Neen, meester Zonnestraal; zij zijn vrij zeldzaam, wij zullen dan ook -de huid van dien, welken wij gedood hebben, zorgvuldig bewaren. - ---Is het vleesch goed? - ---Uitstekend, en meer dan een lekkerbek zou er zijn maal mee willen -doen. Gij zult er trouwens, als wij gaan eten, over kunnen oordeelen en -gij zult zeker wel nooit menschen ontmoeten die, evenals gij, _trogon -massena_ hebben gegeten. - ---Dat is toch zeker geen verwante van de rat? vroeg de knaap spottend. - ---Neen, hij behoort tot de familie der klimvogels, dat wil zeggen tot de -orde van die vogels, wier pooten twee teenen naar voor en twee naar -achter hebben, zooals uwe vrienden, de papegaaien. - -Na de huid van de Soeroekoes goed bereid en het vleesch zorgvuldig -ingepakt te hebben, vervolgden wij onzen weg. - -Het terrein werd rotsachtig en de helling steiler. Ik koesterde een -oogenblik de hoop dat wij onder in een ravijn eene bron zouden vinden; -maar weldra moesten wij, tot onze groote spijt, opnieuw klimmen en de -wolboomen en eiken achter ons laten, om niet anders dan reusachtige -denneboomen te ontmoeten. De naalden,[13] die den grond bedekten, -maakten dezen zoo glibberig, dat wij soms voor één pas vooruit er twee -achteruit maakten. De eene val volgde op den anderen, maar er was geen -gevaar bij. Soms rolden wij, alsof het afgesproken werk was, alle vier -tegelijk en ieder lachte om het ongeval van zijn buurman, die op zijn -beurt ook pleizier had in dat van den anderen. Lucien kwam op den inval -om zich vast te houden aan den staart van Gringalet, die alleen zich -ongestraft op dit moeielijk terrein kon wagen. Dit gelukte in den -beginne nog al, maar op eens maakte de hond zich door een plotselingen -ruk vrij en de knaap rolde als een bal voort, aldus verliezende wat hij -gewonnen had. Hij stond zeer verstoord op zijn hond op en voorspelde -dezen, tot straf voor zijn verraad, ook een val. - -[13] Aldus noemt men de smalle en puntige bladeren van den denneboom, - die daarom ook naaldboom of naaldgewas genoemd wordt. - -Die ongelukkige naalden dwongen ons om andermaal het werk met de paal en -den _lazo_ te herhalen; want de Encuerado deed tevergeefs zijn best om -ons te volgen. - -»Begrijpt gij nu iets van die verwenschte boomen? preutelde de Indiaan; -konden zij hunne bladeren niet houden? Waarom groeien zij niet in de -vlakte, in plaats van goede Christenmenschen water en bloed te doen -zweeten op een bodem, die van zich zelf reeds moeielijk genoeg is? - ---De goede God heeft ze hier doen groeien, antwoordde de knaap. - ---Volstrekt niet, Chanito; de goede God heeft ze geschapen; maar de -drommel heeft ze op deze hoogten gezaaid. Ik heb op de hoogvlakte -gereisd en daar ontmoet men dennebosschen, een bewijs, dat deze zich -uit boosaardigheid hier op deze helling hebben geplaatst. - -Gelukkigerwijze nam Lucien maar half de verzekeringen van den Indiaan -aan; hij haastte zich dus ook mij te ondervragen. - -»De dennen," antwoordde ik, zijn boomen uit het Noorden, die slechts -goed in een koud klimaat en in een dorren grond ontwikkelen. Als de -Encuerado de geschiedenis zijner voorvaderen kende, zou hij u betere -inlichtingen over deze boomen hebben kunnen geven; dan zou hij weten, -dat zij in de godenleer der Asteken, aan de moeder der goden, aan de -godin Matlacueye, gewijd waren, die, door eene zonderlinge overeenkomst, -de rol speelt van de Cybele der Grieken, voor wie ook de den de -bevoorrechte boom was." - -Op dit oogenblik kwamen wij langs een reus van het woud, die door een -windstoot was omvergeworpen en uit welks stam door drie of vier spleten -eene doorschijnende hars druppelde. Lucien wilde een dezer fraaie -tranen, die hij meende dat hard waren, nemen, maar zijn vingers kleefden -aaneen. - -»Ik dacht, zeide hij, dat men de terpentijn verkreeg door de takken van -den den fijn te stampen, zoo als men met de stengels van het suikerriet -doet. - ---Dan ziet ge nu, dat ge 't mis hadt," antwoordde ik. De Indianen die de -bosschen in exploitatie brengen, vergenoegen zich met een voet boven den -grond eene insnijding in de boomen te maken; de hars begint er spoedig -uit te vloeien en vult allengs de vaten, die men er onder geplaatst -heeft, om haar op te vangen. Zoodra de boom niets meer oplevert, hakt -men hem om, ten einde er takkenbossen van te maken, die men aan de -huismoeders in de stad of wel aan de Indianen der vlakten verkoopt, wier -arme woningen geene andere verlichting kennen dan het rookerig schijnsel -van een dennetak. - -Ik moest mijne verklaringen hier afbreken, ten einde Sumichrast en den -Encuerado te hulp te komen, die beiden, niettegenstaande den _lazo_, -uitgleden en den moed begonnen te verliezen. Wij konden slechts een -weinig vooruit komen door allerlei zigzaglijnen te beschrijven en wij -hadden twee uren noodig om een afstand van een kwartier uurs af te -leggen. - -Wij waren zoo ver gekomen, dat wij onze schreden door onze vallen konden -tellen, toen de zoom van het woud zich aan ons vertoonde. De rotsgrond -scheen ons zacht om te loopen; hij liet ons althans toe om in rechte -lijn voorwaarts te gaan en zonder moeite een nieuwen top te bereiken. - -Daar wachtte ons een wonderschoon schouwspel. Wij beheerschten daar -alle omringende bergruggen. Aan onze linkerhand verhief zich, reusachtig -en plechtstatig, de piek van Orizava of Citlatepetl, dat wil zeggen de -sterreberg, ter hoogte van 5295 meters. Lucien kon niet gelooven dat het -dezelfde vulkaan was, waarvan hij elken morgen den top kon zien. - -»Hij heeft een geheel anderen vorm, zeide hij. - ---De berg is niet veranderd, maar wel het gezichtspunt, antwoordde -Sumichrast. - ---Hij schijnt hooger te zijn. - ---Dat komt, omdat onze marsch er ons dichter bij heeft gebracht. Van -hier onderkent men het schoone woud, dat zijn voet omringt; hooger op -staan de pijnboomen dunner en verdwijnen allengs; hooger nog, wat daar -in de zon schittert, zijn de ijsvelden, eindelijk bekroont de eeuwige -sneeuw den krater, dien Doignon, een Franschman, het eerst in 1847 -bezocht. - ---De Popocatepetl, de Istaccihualt, somde de Encuerado flegmatisch op. - -Werkelijk vertoonden de beide vulkanen, waarvan de Indiaan de namen -had genoemd, zich achter ons. Dit gezicht alleen was voldoende om ons -schadeloos te stellen voor onze klimmerij; wij konden beurtelings de -drie hoogste vulkanen van Mexico bewonderen. Onze kleine reismakker kon -ze niet genoeg beschouwen. - ---Waar is de Popocatepetl? vroeg hij. - ---Daar ginds; het is die groote kegel, die zich aan onze rechterhand -bevindt," antwoordde ik. - ---De kleinste van de drie. - ---Integendeel; hij meet niet minder dan 3400 meters. Dias Ordas, een der -kapiteins van Fernando Cortes, heeft hem het eerst beklommen. Zijn naam -beteekent »rookende berg." - ---Ja, en ik weet dat Istaccihualt beteekent »witte vrouw", maar ik ken -de hoogte van dien berg niet. - ---Hij verheft zich 4786 meters boven het vlak der zee. - ---Maar hoe heeft men hem dan kunnen meten? - ---In de eerste plaats door wiskunstige berekeningen, en vervolgens, -als men hem heeft beklommen, met behulp van den barometer, waarvan de -kwikkolom daalt, naarmate men hooger komt, omdat de luchtlaag, die op -den bol van het werktuig drukt, minder en minder zwaar wordt. - -De Encuerado bevestigde mijn gezegde door zulk eene overtuigende -hoofdbeweging, dat Lucien wel moest denken, dat hij in staat was om een -berg te meten. - -Ik vergat den tijd bij het aanschouwen van het prachtvolle panorama, -dat zich voor onze oogen ontrolde. Rondom ons een rotsachtige, -vulcanische bodem, met veelkleurige mossen bedekt; een weinig lager -verborg het gebladerte der eeuwenoude boomen den grond; verderop een -reeks van nu eens dorre, dan weder met somber groen bekleede bergruggen. -Aan den horizon en verloren in een doorschijnenden nevel, staken de twee -vulkanen van het bergvlak tegen den blauwen hemel af, en tegenover ons -die andere reus, die ons in zekeren zin door zijn schaduw beschutte en -waarvan de zeelieden op veertig mijlen in zee, den eeuwig besneeuwden -top ontdekken. - -Ik gaf met weerzin het teeken tot het vertrek. De dennenaalden kwamen -weer te voorschijn en ging het opklimmen moeilijk, het dalen ging te -vlug. In plaats van voorover, vielen wij nu achterover. Gringalet, die -door onze dwaze bewegingen in goed humeur was geraakt, of wel te veel -op zich zelven vertrouwde, maakte even eens eene buiteling, tot groot -vermaak van zijn jongen meester, die hem dit ongeval voorspeld had. De -Encuerado, vermoeid als hij was, kwam op het denkbeeld om zijne mars te -sleepen, welk plan hij ook ten uitvoer bracht, zonder haar te veel te -beschadigen en zonder de flesschen in gevaar te brengen; zoo glad was de -grond. - -Eindelijk kwamen wij weer aan de eikeboomen; daarna, altijd -afdalende, aan den tropischen plantengroei. De merels beurden door -hun afwisselenden zang onzen marsch op; talrijke insekten, kevers en -vliegen, kwamen vroolijk om ons gonzen. In minder dan een uur waren wij -van den herfst in de lente gekomen, na den winter van nabij gezien te -hebben. Weldra dwongen de slingerplanten ons, om ons met den machete een -weg te banen, maar hoe groot was niet onze vreugde, toen wij beneden in -eene ravijn eene beek ontdekten omgeven door angelika en waterkers. - -Onze hut was, dank zij den overvloed van bouwstoffen, spoedig opgericht. -Terwijl de Encuerado den maaltijd gereed maakte, ging ik een half -verrotten boomstam, die op den grond lag, onderzoeken. Eene menigte -insekten, van sierlijke vormen en met metaalblauwen glans, namen de -vlucht; zij behoorden tot de talrijke familie der loopkevers, die -roofzuchtige torren, welke men zoowel in Europa als in Amerika aantreft. - ---Waarom vliegen zij niet weg, in plaats van te loopen en zich te laten -vallen? vroeg Lucien. - ---Omdat zij niet vlug in 't vliegen zijn, maar des te sneller loopen, -antwoordde ik. - ---Ai; die, welken ik gevangen heb, maakt mijne vingers nat, en het is -juist of mij dat brandt. - ---Gij hebt gelijk; maar stel u gerust, dat branden heeft geen gevaar. -Een groot aantal loopkevers zoeken zich te verdedigen, als zij voelen -dat zij gepakt worden, door een bijtend vocht uit te spuiten; andere -doen een knal hooren, door rook gevolgd, waarvan zij den naam van -_bombardeerkevers_ hebben gekregen. - ---Wat eten zij dan onder die schors, waar zij zoo treurig moeten leven? - ---Larven en rupsen; zij zijn bijgevolg meer nuttig dan schadelijk. - ---In welke orde van insecten moet men ze rangschikken? - ---In die van de schildvleugelige of _caleopteren_, omdat zij vier -vleugels hebben, waarvan de bovenste, dekschilden genaamd, meer of min -hard zijn, en dus hun naam rechtvaardigen, daar zij tot dekschild dienen -voor de twee andere, die vliezig zijn en overdwars worden toegevouwen. -Gij weet, dat de meikever ook een schildvleugelig insect is. - -Een nieuw stuk schors, dat schielijk werd opgetild, liet ons twee -schorpioenen met dikken buik en bijna onzichtbaren kop zien, die zich er -toe bepaalden hun staart op te lichten, welke uit zes afdeelingen of -segmenten bestaat, waarvan de laatste in een zeer fijnen haak uitloopt. - -»O, wat leelijke dieren!" riep Lucien, achteruitwijkende; zonder hun -lichte kleur zou men ze voor kreeften houden, waarvan de kop verwijderd -is. - ---Ja, als men ze van niet te nabij beschouwt. Gij zult misschien niet -weinig verwonderd zijn als gij verneemt, dat zij verwanten van de -spinnen zijn. - ---Dat had ik nooit gedacht. Maar zijn zij dood, dat zij zoo onbeweeglijk -blijven? - ---Die, welke tot deze soort behooren, zijn langzaam en lui. Wij zullen -er onder alle boomschorsen aantreffen; ik waarschuw u dan ook nu reeds, -om voor hun steek op uwe hoede te zijn. - ---Zou ik er dood van gaan? - ---Dat niet, maar gij zoudt er eene zeer pijnlijke opzwelling van -krijgen; en 't is beter die te voorkomen. - ---Ik zou nu bijna geene schors meer durven aanraken. - ---Zeg dan maar ook uwe verzamelingen vaarwel. De voorzichtigheid is eene -goede hoedanigheid, maar zij moet niet in bangheid ontaarden. - -Terwijl ik de insecten naderbij beschouwde, bemerkte ik dat een der -schorpioenen, een wijfje, vier of vijf jongen op den rug droeg. Dit -gezicht vermaakte Lucien zeer, vooral toen hij zag, dat het dier -zwaarvallig begon te loopen. - -»Ziet ge, Chanito, sprak de Encuerado, die bij ons was gekomen--een -bewijs dat de keuken geen onmiddellijk toezicht behoefde--zoodra de mama -der schorpioenen hun geen eten meer zal geven, zullen zij haar zelf -opeten. - ---Is dat waar? vroeg Lucien verbaasd. - ---Al dooden de jongen hun moeder ook niet, zij zullen zich in elk geval -aan haar lijk verzadigen, antwoordde ik. - -Gij zult meer dan eens in de gelegenheid zijn om dit feit waar te nemen, -want deze spinsoort is in de gematigde landstreek zeer talrijk. - ---»O!" riep Lucien uit, ik had wel gelijk, toen ik het leelijke beesten -noemde. - -Toen de Indiaan een nieuw stuk boomschors oplichtte, ontdekte hij een -salamander, die zich op onbeholpen wijze zocht te verbergen. - -»Gij kunt hem gerust aanvatten, er is niets van te vreezen, zeide ik tot -Lucien, die achteruit was geweken. - ---Maar 't is een schorpioen! - ---De vrees benevelt uw gezicht; 't is een salamander, een tweeslachtig -dier, van de familie der kikvorschen. De schorpioen heeft acht pooten, -terwijl de salamander, die veeleer op eene hagedis gelijkt, er slechts -vier heeft. - ---Is hij niet vergiftig? - ---Wel neen, Chanito. De Indianen (men had eens moeten hooren met welke -minachting de Encuerado dien naam uitsprak) zijn er bang voor; vroeger -was ik er ook bevreesd voor, maar uw papa heeft mij geleerd ze zonder -vrees aan te vatten. - -En de jager legde den salamander op de hand van den knaap, die uitriep: - -»Hij is ijskoud en glibberig! - ---Dat kan niet anders, de salamander is, evenals de visch, een -koudbloedig dier. Het slijmerig vocht, dat de salamanders uitscheiden, -kan hen eenige oogenblikken tegen het vuur beschutten, door hetzelfde -verschijnsel, dat ons toelaat de vochtige hand in gesmolten ijzer te -steken, zonder haar te verbranden.[14] Men heeft dan ook beweerd, dat -deze batrachiers[15] te midden der vlammen kunnen leven. De dichters -hebben van hunnen kant die arme, bijna blinde en buitengewoon -vreesachtige dieren, als zinnebeeld van de dapperheid aangenomen, wat -de natuurkundigen doet lachen." - -[14] Dank zij de bolvormige gedaante van het water, die door den Heer - Bouchigny werd ontdekt. - -[15] Batrachiers is de soortnaam der kikvorschen, salamanders enz. - -Ik ging voort in gezelschap van Sumichrast den reusachtigen boom te -onderzoeken, die, half verrot door de vochtigheid van den grond, ons -zeer fraaie exemplaren van verschillende insecten opleverde. - -Eensklaps drong de smeekende stem van Lucien tot ons door; ik liep naar -hem toe. Hij trachtte den Encuerado tegen te houden, die den salamander -had genomen en zijne onbrandbaarheid op de proef wilde stellen. - -»Maar, Chanito, ik zal hem niet lang op de kolen laten liggen en uw papa -zegt, dat het dien dieren vrijwel onverschillig is. - -Lucien wilde in die wreede proefneming niet toestemmen en bracht zelf -den salamander op den boomstam terug, waar wij hem gevonden hadden. - -De dag was aan 't afnemen, toen wij naar den haard terugkeerden; een -verlokkende geur steeg uit de braadpan op, waarin een handvol rijst en -een der soeroekoes kookte, terwijl de andere voor het vuur braadde. Het -was een merkwaardige maaltijd; eerst eene heerlijke soep, waarvan Lucien -twee borden vol at; daarna kwam het overblijfsel van onzen eekhoorn -en eindelijk de lekker gebraden vogel, dien de Encuerado op een laag -waterkers voordiende. Water was er in overvloed en men mag over mijne -bewering lachen, als men wil, de dischgenooten maakten er een overmatig -gebruik van. - -Een kop koffie bracht onze voldoening ten top; daarna werd de tafel aan -Gringalet overgelaten, die zelfs den ketel uitlikte. Lucien, viel, naast -ons liggende, weldra in slaap. - -Een akelig gehuil van onzen viervoetigen reisgezel deed ons verschrikt -opspringen. Wij grepen naar onze wapenen. De hond, met hangende ooren, -den staart tusschen de pooten, onrustigen blik en den snuit in den wind, -deed opnieuw zijn gehuil hooren, waarop het scherpe en lang aanhoudende -geschreeuw van de _Coyoten_, de wolfsjacals van Mexico, antwoordde. - -»Die hondenkinderen! denken zij dan, dat zij ons zullen bang maken? riep -de Encuerado uit. En terwijl wij het vuur weer aanwakkerden, verdween -hij in de duisternis. - -»Zijn dat wolven, mijnheer Sumichrast? vroeg Lucien. - ---Ja, mijn vriend, Amerikaansche wolven. - ---Maar zij zullen den Encuerado opeten en ons aanvallen? - ---Stel u maar gerust; moed is hun gebrek niet. Als zij niet uitgehongerd -zijn, zullen zij zich niet in onze nabijheid wagen. - -Daar viel een schot. Het woud scheen te sidderen, het geschreeuw van -enkele vogels weerklonk, en terwijl de echo's met geraas den klank van -de losbranding herhaalden, begon Gringalet te blaffen, hetwelk opnieuw -begroet werd door de schrille kreten van de Coyoten. Eindelijk keerde -de, voor een oogenblik gestoorde stilte terug en het woud hernam zijn -plechtig stilzwijgen. - - - - -VII. - -DE ZALF VAN KATTENOOGEN.--HET GORDELDIER.--LUCIEN EN DE VARENPLANT.--DE -INGESTORTE BERG.--DE SPECHT.--DE BASILISCUS.--EEN NIEUW DENKBEELD VAN -DEN ENCUERADO. - - -Gringalet, die het alarm had gemaakt, was ook de eerste om weer in te -slapen. Wat mij aangaat, ik wachtte met zekere ongerustheid op den -terugkeer van den Encuerado. Toen de Indiaan na een kwartier uurs niet -verscheen, begon ik te gelooven dat hij, door de duisternis misleid, -zich van het bivak had verwijderd, in plaats van het te naderen. Na -hem twee of driemaal geroepen te hebben, zonder antwoord te ontvangen, -maakte ik mij gereed om mijn geweer af te schieten, opdat het geluid van -de losbranding hem op den weg zou brengen, toen zijn keelgeluid mijn oor -bereikte. - ---Hoe komt het bij je op, om op zulk een uur een geheel nutteloos wild -te vervolgen! riep ik uit, toen ik hem te voorschijn zag komen. - ---Ik wilde aan die schreeuwers een les geven, heer. - ---Hebt gij er dan een gedood? - ---Ik heb hem slechts een kogel in 't lijf kunnen jagen, en heb hem toen -vervolgd. - ---Op gevaar af van in een kloof te vallen. Zoo ver ik weet kunt gij toch -des nachts niet zien. - ---Niet veel, en dat is uwe schuld, hernam de Encuerado op een toon van -verwijt. - ---Wat! is dat mijne schuld! - ---Herhaalde malen hebben de brujos (toovenaars) mij een zalf aangeboden, -bestaande uit de oogen van katten, maar zij wilden mij te duur -verkoopen. - -Gij weet nu veel meer dan de toovenaars, en als gij mij de woorden hadt -willen leeren, die men moet uitspreken om aan de zalf haar kracht te -verleenen, zou ik sedert lang des nachts kunnen zien, wat u, zoowel als -mij, van groot nut zou zijn. - -Dat was een oud sprookje, en al wat ik den Indiaan zou hebben gezegd -over mijne onmacht om hem oogen te geven, die de duisternis kunnen -doorboren, zou hem niet overtuigd hebben. Ik vergenoegde mij dus met hem -aan te sporen om te gaan slapen. - -Het was reeds helder dag, toen Sumichrast mij wekte. De beek, die wij -konden overspringen, kabbelde nu eens over de keien of gleed zwijgend en -als in slaap gedompeld over het zand van de bedding. De planten, die de -beide oevers omzoomden, strengelden zusterlijk hare takken dooreen en -hare bloemen schenen elkander hare geuren te ruilen. Van de takken der -groote boomen hingen witte mossen naar omlaag, wat hen op reusachtige -grijsaards deed gelijken; de zon vergulde de stammen met hare opkomende -stralen en uit de toppen der boomen steeg de zachte lofzang, door de -zangvogels gekweeld, ten hemel. Onze oogen, aan de betrekkelijk dorre -streken, die wij den vorigen dag doorgetrokken waren, gewoon, rustten -met welgevallen op dit lachende en grootsche tooneel; wij ondervonden te -midden van deze kalme en weelderige natuur, een werkelijk welbehagen. -Met leedwezen maakten wij aanstalten om op te breken. - -»Als wij eens na den middag vertrokken?" zei Sumichrast. - ---En als wij nu eens eerst morgen verder gingen?.... hernam ik. - -Deze ondervragingen beantwoordden zoo wel aan het algemeen verlangen, -dat onze reisbagage in een oogwenk weer op den grond lag. Ons eerste -werk was een bad te nemen; toen kwamen wij op de gedachte om ons goed te -wasschen. Lucien, door den Encuerado geholpen, die, daar hij een leeren -gewaad op het bloote lichaam droeg, niets voor zichzelven te wasschen -had, lachte hartelijk toen hij ons zoo in bleekers veranderd zag, en -bracht het er van zijn kant, niet al te slecht af. Daarna belastte hij -zich er mede om Gringalet een bad te geven, wiens wit en zwart gevlekt -gewaad wel een sopje noodig had. Ongelukkigerwijze ging hij, zoodra hij -uit het water kwam, in het zand rollen en kwam toen naar zijn -teleurgestelden meester huppelen. - -Wij doolden links en rechts rond, in de hoop van nog eenige insecten te -vinden, toen Gringalet de ooren opstak en zijn tanden liet zien. Een -geraas van dorre bladeren trok onze aandacht op eene steilte tegenover -ons en waar wij een gordeldier zich zagen verpoozen. - -Gewoonlijk gaan deze dieren des nachts uit, om zich te vermaken en hun -voedsel te zoeken. Dat, hetwelk wij zoo op den vollen dag aantroffen, -had de grootte van een flink konijn. Zijn ooren, die de gedaante van een -peperhuisje hadden, oprichtende, stak hij zijn puntigen snuit omhoog, om -beter in de takken te kunnen snuffelen. De kop, die buitengewoon klein -was, gaf het een potsierlijk uiterlijk. Eensklaps begon het den grond -met zijne voorpooten, die met vreeselijke nagels gewapend zijn, om te -krabben; van tijd tot tijd stak het den puntigen neus in de holte, die -het gegraven had. Ik was de beek overgetrokken en naderde het dier -behoedzaam, toen ik zag, dat het met zijn arbeid ophield, den kop vol -onrust liet hangen en, snel als het weerlicht, zich tot een bal oprolde -en van de steilte liet vallen. Het kwam juist voor mijne voeten terecht, -zoodat ik het slechts behoefde op te rapen. Gringalet, die boven op het -taluut verscheen, gaf mij de uitlegging van deze overhaaste vlucht. - -Ik vervoegde mij met mijn gevangene, die niet de minste poging deed om -zich te verdedigen of te ontsnappen bij mijne makkers. Lucien onderzocht -met belangstelling de dwarse schubben, die den rug van het gordeldier -bedekten, welks rooskleurige huid als 't ware doorschijnend scheen. Hij -vernam dat dit weerlooze dier, hetwelk zich met insecten en wortels -voedt, tot de orde der tandeloozen behoort, eene klasse zoogdieren, -welker tandstelsel onvolledig is. - -»Maar," zeide hij, »ik heb wel eens platen gezien, waar de gordeldieren -zijn afgebeeld met een pantser uit kleine vierkante stukjes bestaande. - ---Dat is eene andere soort, die eveneens in Mexico voorkomt, antwoordde -Sumichrast. - -Toen er over gesproken werd om het dier dood te maken, verzette Lucien -er zich uit alle macht tegen. Hij vroeg om het levend meê te mogen nemen -of het weer in vrijheid te stellen, beiden onaannemelijke voorstellen. -Gringalet maakte een einde aan de woordenwisseling door het gordeldier, -dat de Encuerado aan een poot had vastgebonden, te wurgen. De knaap, -woedend en droevig tevens, wilde den hond slaan en verbaasde zich over -zijne wreedheid. - -»Hij heeft aan zijn instinct gehoorzaamd, zeide Sumichrast. - ---Een mooi instinct, antwoordde Lucien schreiende, een arm dier te -dooden, dat niemand kwaad doet! - ---Hij heeft ons de moeite bespaard het zelf te dooden. De menschen en -de vleeschetende dieren zouden niet kunnen bestaan, als zij niet andere -dieren opofferden. Hebt gij gister niet een eekhoorn gedood? En gij hebt -uw aandeel ook niet geweigerd van de mooie vogels, welker veeren u zoo -verrukt hadden. - ---Ja, maar ik heb den eekhoorn niet met mijne tanden gedood. Dat maakte -een groot verschil. - ---Voor u, dat is mogelijk; maar voor den eekhoorn? Nu, als de -gelegenheid zich weer aanbiedt, moet gij uw geweer eens aan Gringalet -leenen. - -Lucien glimlachte door zijn tranen heen en zijne verontwaardiging -bedaarde allengs. Zeker, of men eene kip den hals omdraait of door een -geweerschot doodt, de einduitslag blijft volkomen dezelfde, en toch -heb ik nooit tot het eerste kunnen besluiten. Lucien echter, die eene -vrouwelijke teergevoeligheid bezat, werd meer dan eens boos op den -Encuerado, die moeielijk aan de bekoring kon weerstaan om op het wild, -dat onder zijn bereik kwam, te schieten, onverschillig of het van nut -kon zijn of niet. Wij hadden goed hem er over onderhanden te nemen; hij -beweerde dat, als God aan den mensch de wet had opgelegd om te dooden, -ten einde zich te voeden, hij hem ook beveelt de schadelijke dieren te -vernietigen, die de bondgenooten van den Booze zijn. Ongelukkigerwijze -waren alle dieren, met uitzondering van honden en paarden, in de oogen -van den Encuerado schadelijk. - -Met het geweer over den schouder, klommen wij den loop der beek op, -meestal genoodzaakt om een weg door een warboel van planten te banen. Ik -bespeurde een mooien boomvaren, waarvan de nog niet ontwikkelde bladeren -den vorm van een bisschopsstaf hadden. Lucien merkte op, dat deze struik -een zonderling uiterlijk had. - -»Gij hebt gelijk, antwoordde ik hem. Jussieu heeft de planten in drie -groote orden ingedeeld: de nietlobbige, de eenlobbige en de tweelobbige. -De varens zijn nietlobbige planten; zij hebben geen zichtbare bloemen; -zij zijn verwant aan de wieren en de paddestoelen. Zij verkrijgen alleen -onder de keerkringen de afmetingen van die, welke gij hier voor oogen -hebt; in de koude luchtstreken, gaat hunne grootte nauwelijks eenige -voeten te boven. De varens maakten bijna den eenigen plantengroei uit -van de eerste wereld en in de venen vindt men dikwijls de indrukselen -van reusachtige soorten, welke nu verdwenen zijn. Daar hij nieuwsgierig -was om de stengels in den vorm van een bisschopsstaf van naderbij te -bezichtigen, liet Lucien ons vooruitgaan en kroop onder de varenplant. -Daar de bladeren van dezen struik van onder met lange doorns gewapend -zijn, voelde hij zich tegengehouden, toen hij zich bij ons wilde -vervoegen. Zijne pogingen dienden slechts om hem nog meer vast te -maken. Hij riep mij met eene angstige stem, en niet wetende wat hem -overkomen was, haastte ik mij om naar hem toe te gaan. - -Ik vond hem druk bezig met zich te weeren tegen de doorns, die zijne -handen en gelaat schramden. De Encuerado had zijne mars neergezet om -schielijker te kunnen gaan, en liep den verschrikten Sumichrast voorbij. - -Ik haastte mij den knaap te bevrijden, wiens handen en gelaat vol lange -schrammen waren. - -»Waarom hebt gij er niet aan gedacht, dat gij, door u zoo te weer te -stellen, u nog meer verwardet. - ---Ik zag dat gij u verwijderdet, en ik wist niet wat mij tegen hield en -werd toen bang; maar ik schrei niet, papa, en toch steken ze erg, die -varendoorns. - -De Encuerado stroopte de mouwen van zijn buis op, nam zijn kapmes en -liep op den struik toe. - -Schaamt gij u niet, riep hij uit, om een kind aan te vallen? - -'t Is wel noodig aan zijn top bisschopsstaven te dragen, als men zich -zoo beneemt! Probeer eens om mijn kleed beet te nemen! Ik wist wel, dat -ge dat niet zoudt durven! Maar dat doet er niet toe, ik zal je voor je -boosheid straffen. - -De arme plant werd, helaas! weldra tot rede gebracht; in een oogwenk -bleven er nog slechts de stukken van over. Na een uur gemarcheerd te -hebben kwam het hoofd van de kolonne onverwachts bij een stuk van een -ingestorten berg. Het was een grootsch schouwspel; de opgehoopte en op -elkander gestapelde rotsen hadden in haar val de omliggende boomen -verpletterd. Wij hadden een niet te ontwarren menigte opeengehoopte -stammen, reusachtige wortels, en hangende rotsen, die elk oogenblik -konden neerstorten, voor ons. Het onheil moest eerst kortelings gebeurd -zijn, want hier en daar vertoonde een tak nog zijn groene pluim en het -gras had nog niet den tijd gehad de groote scheur op te vullen. De wilde -grootheid van dat tooneel vervulde Lucien met zooveel verbazing, dat hij -met zijn gesnap ophield. Wij voegden ons stilzwijgend bij Sumichrast, -die zich te midden der rotsen had begeven; het werd toen duidelijk, -dat een waterstroom door de instorting was opgevuld. Het water liep met -een dof geraas onder ons. Aan onze linkerhand, aan den voet van den -ingestorten berg, strekte zich eene groote watervlakte uit, door een -kom omgeven, die men zou zeggen, dat door menschenhanden gemaakt was. - -Rondom ons bleef alles stil en eenzaam. En toch hadden de omringende -struiken meer dan één gast moeten herbergen, maar de vogels hadden, -door de instorting verschrikt, de vlucht genomen. - -»Hoe is die groote berg kunnen instorten?" vroeg Lucien. - ---Daarover kan men slechts gissingen maken, antwoordde Sumichrast; -misschien heeft de beek den voet der rotsen ondermijnd en zoo het -evenwicht verstoord; wellicht heeft eene spleet allengs eene voldoende -hoeveelheid water laten indringen om deze massa mede te sleepen. - ---Het geraas moet zeker wel zeer groot geweest zijn? - ---Verschrikkelijk en de schok moet den grond op verscheidene mijlen in -'t rond hebben doen schudden. - ---Hebt gij wel ooit een berg zien instorten? - ---Ja, vijf jaar geleden, in gezelschap van uw papa. Een geheel bosch -verdween voor onze oogen door eene instorting, die vier of vijf hutten -van Indianen overstelpte. - -Over een jaar zal deze naakte zijde weer met een dichten plantengroei -bedekt zijn; het mos zal deze witachtige rots als met een tapijt omgeven -en de beek zal haar loop weer hernomen hebben. Als het toeval ons weer -op deze plaats terugbracht, zouden wij moeite hebben om onder de bloemen -en bladeren het tooneel van verwoesting terug te vinden, waarvan wij de -herinnering met ons meê zullen dragen." - -Ik trok de beek over ten einde het bivak van de tegenovergestelde zijde, -die wij gevolgd waren, te bereiken. - -Eensklaps trof een geluid als dat van een hamer, die op een boomstam -slaat, onze aandacht. - -»Gij hebt gezegd, dat er niemand in het bosch was!" riep Lucien uit. - ---Stil, dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde de Encuerado. - -En iedereen sloop onder de struiken, om den gevederden werkman, die ons -zijne tegenwoordigheid verried, te naderen. Tien minuten verliepen; de -specht, een zeer wantrouwende vogel, scheen zich verwijderd te hebben, -wij wilden reeds onze vervolging opgeven, toen drie slagen, met -regelmatige tusschenpoozen gegeven, bijna boven ons weerklonken. - -De _carpintero_ (schrijnwerker) had zeer schitterende gele oogen; de -roode veeren van zijn kop staken tegen de schors van een eik af, terwijl -het zwarte lichaam met witte veeren gestreept was. Hij klom met veel -vlugheid langs een stam op, steunde op de staartpennen en sloeg opnieuw -drie vérklinkende slagen, waarna hij dadelijk aan den anderen kant van -den stam ging zien. - -»Lomperd, mompelde de Encuerado, hij denkt dat hij een boom, die dikker -is dan ik, met zijn drie slagen kan doorboren! Komaan, hij zal opgegeten -worden. - -En hij schoot op den vogel, dien hij raakte. - -»Is 't waar, papa, dat de specht dien dikken boom wilde doorboren?" - ---Neen, mijn jongen; dat is eene volksmeening, die door niets -gerechtvaardigd wordt; de specht klopt tegen den boom met het doel om de -insekten, die onder de schors verborgen zijn, te verschrikken, en om -zich meester te kunnen maken van de vluchtenden, voert hij de beweging -uit, welke de Encuerado zoo verkeerd heeft uitgelegd. - -Sumichrast deed Lucien opmerken dat de specht, met behulp van zijn -kegelvormigen bek desnoods de schorsen kan oplichten, waaronder hij zijn -voedsel vindt; dat zijne, met naar achter gebogen doorntjes bezette -tong, zeer geeigend is om de larven te grijpen en dat eindelijk de -stijve en veerkrachtige staartpennen hem een zeer nuttig steunpunt -aanbieden, bij de uitoefening van zijn vermoeienden arbeid. - -»Gij hebt dikwijls tegenover mij gelijk," sprak de Encuerado, maar gij -moogt het zoo dikwijls herhalen als gij wilt, dat de spechten de boomen -niet uithollen, ik heb het zelf gezien. - ---Gij hebt tot op zeker punt gelijk, antwoordde Sumichrast; sommige -soorten maken hun nest in doode boomstammen, die zij gemakkelijker met -hun bek kunnen bewerken. Maar om een gat in een gezonden boom te maken, -dat is eene andere vraag. - -Terwijl de Encuerado den _tatoe_ of het gordeldier en de specht, die -voor ons middagmaal moesten dienen, gereed maakte, volgden wij den -benedenloop der beek, welker aangename frischheid ons aantrok. Eensklaps -wees Lucien ons een basiliscus aan, die op een steen zat, en waarvan een -zonnestraal ons de gele, groene en roode tinten liet bewonderen. - -Deze soort leguaan, die in niets op den fabelachtigen basiliscus der -Grieken gelijkt, hief zich bij onze nadering op, blies zijn keel vol -lucht en schudde den vliezigen kam, die zijn kop versierde, heên en -weêr. Zijn goudkleurig oog scheen den horizon te ondervragen; zonder -twijfel had hij ons bemerkt; zijn slap lichaam werd stijf en met een -vluggen sprong stortte hij zich in de beek. Het sierlijke kruipdier -zwom met opgerichte borst en de achterpooten zweepten de golfjes als -roeiriemen. - -Weldra verdween het, tot groot verdriet van Lucien, die het van naderbij -had willen beschouwen. - -Bij het vuur teruggekeerd, zetten wij onze bagage gereed voor het -vertrek van den volgenden dag. - -Daar het nog een uur dag bleef, bleef Lucien bij den Encuerado, en ging -ik met Sumichrast den weg verkennen, dien wij voornemens waren te -volgen. - -De zon ging onder en wij naderden langzaam het bivak, toen de klagende -stem van Gringalet onze ooren trof. Ik versnelde den pas, want de hond -huilde alsof hij iemand verloren had. Hijgende kwam ik bij de hut. Alles -was in orde; maar Lucien en de Encuerado waren verdwenen. Ik zag mijn -makker vol angst aan. - -»De Encuerado zal eene wandeling zijn gaan maken en hij zal vertrokken -zijn zonder den hond, die waarschijnlijk sliep, zeide Sumichrast. - -Ik liet een roepkreet hooren. Hoe groot was niet mijne verwondering, -toen ik hoorde dat men boven mijn hoofd er op antwoordde. Mijn zoon -en de Encuerado bevonden zich dertig voet boven den grond, in het -gebladerte van een dikken boom verborgen. Mijn eerste beweging was om -den Indiaan eene goede uitbranding te geven. - ---Breng hem niet in de war, zeide Sumichrast, hij heeft al zijne -koelbloedigheid noodig om naar omlaag te komen. - -Ten prooi aan een gemakkelijk te begrijpen angst, volgde ik alle -bewegingen van Lucien, dien de bladeren mij dikwijls beletten te zien. - -Doe maar zachtjes aan, sprak de Encuerado. Zet uw voet daar neer. Goed -zoo. Vat nu dezen tak en laat u glijden. Wees maar niet bevreesd, ik zal -u niet loslaten. Wat zal uw papa fier en tevreden zijn, als hij weet dat -gij zoo hoog geklommen zijt! - -De Indiaan vergiste zich; ik was noch fier, noch tevreden. De stam van -den boom had vijf of zes voet omvang; de eerste takken groeiden twee of -drie meter boven den grond en ik kan mij niet begrijpen, hoe de knaap er -aan had kunnen komen. Wat den aap betreft, die Encuerado genoemd wordt, -ik wist dat er geen hinderpaal bestond, die dezen kon tegenhouden. - -Ik moet bekennen dat ik, bij het zien van de behendigheid en de -koelbloedigheid van den jongen kunstenmaker, mijn toorn voelde bedaren. -'t Is waar, Sumichrast riep mijne herinneringen te voorschijn en wilde -met mij wedden dat ik, onder minder zorgvuldig toezicht dan dat van den -Encuerado, meer dan eens in den top van een populier was geklommen. -Eindelijk bereikten de twee gymnasten de onderste bladeren, en ademde ik -vrijer. - ---Vader, riep de knaap mij toe, wij zijn tot boven in den top geklommen; -er is daar een nest en een eekhoorngat. - ---Zijt gij gek geworden? viel ik hem in de rede, terwijl ik mij tot den -Indiaan richtte. - ---Gek! herhaalde deze met eene bewonderenswaardige naïveteit, waarom? - ---Kondt gij een niet wat minder hoogen boom uitzoeken? - ---Wilt gij dan niet, dat Chanito leert klimmen? Bovendien heeft mevrouw -hem aan mij toevertrouwd. - ---Wilt gij hem daarom aan 't gevaar blootstellen van zijn beenderen te -breken? - ---Ik ben geen kind, antwoordde de Indiaan fier, terwijl hij op een tak -ging staan. - ---Komaan, 't is nu genoeg met die gymnastiek, kom maar naar omlaag. -God weet, hoe ge dat zult aanleggen. Ik had mijn volzin nauwelijks -geëindigd, of Lucien kwam op den grond neer, ondersteund door den lazo, -dien de Encuerado hem onder de armen had gebonden. Na tot op de eerste -takken te zijn geklommen, terwijl hij een der uiteinden van den riem -vasthield, had de Indiaan hetzelfde middel gebruikt om den knaap naar -zich toe te hijschen. - ---Wat ge gedaan hebt, is niet redelijk; men begint niet met op een wild -paard te rijden. Lucien kan niet in de boomen klimmen, zeide ik hem, -toen hij op zijne beurt beneden was. - ---Lucien kan even goed klimmen als ik, hernam de schuldige; hij heeft -nooit een oranjeappel uit uw tuin gegeten, dien hij niet zelf geplukt -had. - ---Daar hoor ik wat nieuws, zeide ik, mijn zoon aanziende, die eene kleur -kreeg. In elk geval zijn oranjeboomen geen wolboomen en gij steldet hem -aan 't gevaar bloot dood te vallen. - ---Neen, ik hield hem vast. Gij weet wel, dat als Chanito door mijne -schuld kwam te sterven, ik voor hem dood zou zijn. - ---Maar dat zou hem niet in 't leven terugbrengen. De reis biedt reeds -gevaren genoeg aan, zonder dat men ze tot zijn vermaak behoeft te -vermeerderen; ik wil u heelhuids en gezond in Orizava terugbrengen; -herhaal zulke klimpartijen derhalve niet meer." - -Na aldus mijne strafpredikatie gehouden te hebben, keerde ik hem de -hielen toe, want met den Encuerado kwam men nooit aan 't laatste woord. -Ik was er evenwel van overtuigd, dat hij het waagstuk, dat mij zoo -mishaagd had, niet opnieuw zou doen, en dat was al wat ik wilde. - -Bij het avondmaal betoonde Gringalet niet den minsten afkeer voor het -vleesch van den _tatoe_, waarvan de smaak Lucien aan dien van het -speenvarken herinnerde. - ---Zijn de tatoes zeldzaam? vroeg hij. Men verkoopt ze nooit op de markt. - ---Zij zijn integendeel zeer algemeen, antwoordde Sumichrast, en de -Indianen vergasten zich er op, telkens als zij die dieren, welke hunne -kleine tuinen verwoesten, kunnen meester worden. - ---Wat wil die naam van tatoe toch zeggen? - ---Het is een woord, dat in Paraguaya gebruikt wordt, maar waarvan ik de -beteekenis niet ken. De Asteken noemen het dier _ayotachitl_, dat wil -zeggen, Kalebas-Konijn: - -Konijn, wegens de ooren; Kalebas, omdat het de gewoonte heeft zich als -een bal op te rollen en zoo aan den vorm van deze vrucht herinnert." - -De Encuerado was ingeslapen. Lucien ging eveneens onder de hut en ik -zag hoe Sumichrast vol zorg de bladeren, die ons tot matras dienden, te -recht lei, terwijl hij zelf zich op goed geluk af neervlijde. Minder tot -slapen geneigd dan mijne makkers, zag ik hen beurtelings aan, zooals zij -daar sliepen en dacht ik aan het toeval, dat, na ons uit verschillende -rassen en onder verschillende luchtstreken te hebben doen geboren -worden, ons hier onder een zelfde dak en te midden van deze eenzaamheid -had gebracht. Wij konden allen op elkander rekenen, want in onze vorige -reizen was onze wederzijdsche vriendschap op de proef gesteld. Door -de wijze waarop Lucien de vermoeienis doorstond, verheugde ik mij, dat -ik hem _onder de hoede van zulke bewakers had meêgenomen_. Toen ik in -de hut ging om ook te gaan slapen, maakte ik Gringalet wakker, die, -alvorens opnieuw naast zijn meester te gaan liggen, dezen de handen -likte: dat was een vertrouwde vriend te meer; »de hond, het beste, wat -er in den mensch is," zooals Charlet zich uitdrukte. - - - - -VIII. - -EEN FEESTMAAL VAN GIEREN.--HET DRAKENBLOED.--DE KORAAL-SLANG.--DE -BOSCHUIL.--DE MEXICAANSCHE MOLLEN.--DE TOEKANS OF PEPERVOGELS.--DE -SCOLOPENDERS.--DE ENCUERADO KLEERMAKER.--ZONSONDERGANG. - - -Met het aanbreken van den dag vertrokken, liepen wij zwijgend voort, -nu eens klimmende, dan weer dalende, beurtelings dicht begroeide en -opene plaatsen doortrekkende, toen een troep gieren onze aandacht trok. -Een afzichtelijk schouwspel vertoonde zich aan onze blikken. Een -coyote--zonder twijfel die, welken de Encuerado den vorigen dag gewond -had--lag half verslonden op den grond en een vijftigtal gieren kwamen -beurt om beurt een stuk vleesch van het lijk afscheuren. - -»Wat afschuwelijke dieren!" riep Lucien uit. »Hoe is 't mogelijk dat de -stank hen niet afschrikt?" - ---»'t Is juist die stank, die hen aantrekt, antwoordde ik; als zij -zoo in de lucht zweven en den gezichteinder met hun lichtgeel oog -doorvorschen, zoekt hun fijne reuk in de lucht naar de uitwasemingen, -welke de rottende lichamen, waarmede zij zich voeden, van zich geven." - -De zwarte gieren zijn zoo talrijk in de steden van Mexico, waar zij heel -vertrouwelijk in de straten leven, dat onze kleine reisgezel ze sedert -lang kende; maar hij was nooit bij hunne gemeenschappelijke maaltijden -tegenwoordig geweest. Het gezicht van die naakte, zwarte, gerimpelde -halzen, die in het kreng van het dier dompelden, vervulde hem met -walging. - -»Bah!" riep hij uit; »wat vieze vogels!" - ---Wat wilt gij! Zij gehoorzamen aan hun instinct; gij zult in 't -vervolg beter de beteekenis van roofvogels vatten, onder welken naam -de natuurkundigen de gieren, arenden, valken, uilen en boschuilen -samenvatten. Gij weet dat de wetenschap, die de zeden der vogels -beschrijft, _ornithologie_ of vogelkunde wordt genoemd. Cuvier, die -groote rangschikker, verdeelt het gevederde volkje in zes orden: -roofvogels, vinkvogels, klimvogels, hoendervogels, steltenloopers en -zwemvogels. Om alle verwarring te voorkomen, heeft men de orden weer in -familiën, de familiën in geslachten, de geslachten in soorten en de -soorten in stammen verdeeld. - ---Maar hoe kan men daaruit wijs worden? - ---Door sommige eigenaardige kenmerken, die tot uitgangspunt dienen. De -roofvogels, bij voorbeeld, hebben kromme bekken en nagels, tot aan de -knieën of tot aan de pooten bevederde beenen, drie teenen naar voren en -één naar achteren staande; de nagels van den duim en den middelsten -vinger zijn sterker dan die van de andere vingers. De gieren, die gij -daar voor u ziet, de eenigen, die in troepen leven, behooren tot het -geslacht catharte.[16] - -[16] Van het Grieksche woord _cathartes_, dat "ik zuiver" beteekent. - Werkelijk helpt deze vogel om de straten der steden, waarvan de - reiniging niet goed geregeld is, te zuiveren. - -Zie eens, daar zijn er, die zich op een afstand houden. Men zou zeggen, -dat zij bang zijn. - -Dat zijn de verzadigden; zij verteren nu, en als geen gevaar hen tot -vluchten dwingt, blijven zij onbeweeglijk zitten, tot de zon ondergaat. - ---Vallen zij nooit levende dieren aan? - ---Zeer zelden; zij zijn lafhartig en schijnen niet van versch vleesch te -houden. - -Wij hadden reeds sedert lang het afschuwelijk gezelschap achter ons -gelaten, toen Lucien eensklaps uitriep: - -»O, Papa, daar is een boom, die bloedt! - ---Dat is een _pterocarpus_, dat wil zeggen een gewas, waarvan de -vruchten weefsels bezitten, die op vogelvleugels gelijken. Het roode -sap, dat uit de schors vloeit, is het _drakenbloed_, aldus door de oude -Grieken genoemd, die het een fabelachtigen oorsprong toeschrijven. De -_bloedboom_--zooals de Indianen hem noemen--is een verwante van de -asperges en de lelies, en de gom, die hij uitzweet, wordt gebruikt tegen -den buikloop. - -De Encuerado maakte eenige stukken van het kostbare voortbrengsel los; -daarna doopte hij zijne vingers in de nog vloeibare druppels, om er de -beenen en pooten van Gringalet meê in te smeeren, die zoo in 't bezit -kwam van roode laarzen. Bij slot van rekening kon deze bewerking slechts -nuttig voor het dier zijn, want het drakenbloed, dat rijk aan looistof -is, zou de weefsels toehalen; maar het eerste gevoel scheen het dier -lastig te vallen en hij liep verder, de pooten op een allerkoddigste -manier oplichtende. - -»Gringalet loopt juist als de Encuerado, toen hij op zekeren dag zijn -mooie blauwe schoenen heeft willen aantrekken, hernam Lucien lachende. - ---Heeft de Encuerado blauwe schoenen aangehad? riep Sumichrast uit. - ---Ja, laatst hadden wij menschen te eten en mama had aan Chema[17] -gezegd, dat hij zich zoo net mogelijk moest kleeden. Hij is toen -dadelijk een paar schoenen gaan koopen, die hij in een winkel gezien -had, en toen men aan tafel ging, kwam hij met zijn mooie schoenen aan en -een witte das om. - -[17] Verkleinwoord van José-Maria. - ---Een das! herhaalde Sumichrast, die van de eene verbazing in de andere -viel. - ---Ja, eene werkelijke das. Daar hij nooit anders dan sandalen had -gedragen, kon hij niet anders loopen, dan door de voeten op te heffen, -zooals Gringalet doet. Mama raadde hem aan, zijn gewoon schoeisel aan -te doen, doch hij wilde niet; maar hij werd er wel voor gestraft, want -hij deed een verkeerden stap en brak een stapel borden. Na dit ongeluk -kon hij er pas toe besluiten om zijn schoenen uit te doen; maar daar -hij er niet geheel en al van kon scheiden, hing hij ze om zijn hals -en vervolgde hij met deze mooie versiering trotsch zijn dienst. - -Het avontuur was maar al te waar en Sumichrast kon zijn lachen niet -inhouden. - -»Waarom hingt ge die schoenen om uw hals, in plaats van ze in een hoek -te zetten? vroeg hij den Indiaan. - ---Dat heb ik gedaan, toen iedereen wist dat ze van mij waren, antwoordde -hij. - -Ons kamp werd opgeslagen bij den ingang van eene nieuwe lichting in 't -woud. De Encuerado had vijf of zes vinken geschoten, ons middagmaal was -dus verzekerd. Nauwelijks hadden wij onzen arbeid als bouwmeesters -voltooid, of Lucien, die ronddoolde, overal de steenen en boomstronken -oplichtende om nieuwe insekten te vinden, riep mij met luid geschreeuw. -Toen ik bij hem was gekomen bemerkte ik, diep in een gat, een -koraalslang, die ongeveer een meter lang was. Op zich zelve gerold, -hield het kruipdier zich onbeweeglijk en ik bewonderde zijne prachtige, -roode huid, die op gelijke afstanden door glinsterend zwarte banden -doorsneden was. De Encuerado sneed spoedig een tak af, die in een vork -uitliep en hield daarmede de slang tegen den grond gedrukt. De gevangene -wikkelde zich dadelijk los; de kronkels ontrolden zich en de dreigende -kop werd zichtbaar. Gringalet blafte vol woede, maar dorst toch niet -naderbij komen. De Indiaan trok zijn sabel--het vooruitzicht op een -onverwachten schotel maakte hem vroolijk. - -Slangenvleesch is een Indiaansche kost. Vóór de verovering van -Mexico door de Spanjaarden, kwam zelfs de ratelslang bij plechtige -feestelijkheden op tafel. Descorides[18] beschreef het vleesch -van adders als versterkend en het kwam voor in de theriac, dat -wondergeneesmiddel onzer voorvaderen, hetwelk een der voornaamste -voorwerpen uitmaakte van den Venetiaanschen handel. Niettegenstaande -al deze voorbeelden werd de schotel, dien de Encuerado voorstelde, -met algemeene stemmen verworpen. - -[18] Een beroemd Grieksch geneesheer uit de eerste eeuw der Christelijke - jaartelling. - -Na de slang den kop te hebben afgehouwen, gingen wij op onderzoek uit. -Terwijl wij een troep eekhoorns vervolgden, kwamen wij weer aan den rand -der lichting terug, zonder ze te hebben kunnen naderen. Niet ver van -de vlakte bespeurde Sumichrast een kleinen rosachtigen boschuil, die -eensklaps in een gat verdween, dat in den voet van een ouden boom -uitgehold was. Ieder hield zich gedurende een tiental minuten doodstil, -ten einde de gangen van den jagenden vogel na te gaan. Eindelijk kwam -hij geheel onverwacht weer te voorschijn, onbeweeglijk voor den ingang -van zijn schuilplaats; recht op de beenen staande, geleek hij op een -schildwacht, die in zijn schilderhuis op post staat. Plotseling begon -hij te beven, het lichaam boog langzaam naar voren, zijn groote gele -oogen knipten herhaalde malen dicht, daarna met de snelheid van een pijl -langs den grond scherende, wierp hij zich in het hooge gras. - -Spoedig kwam hij met opstaande veeren en klapwiekend terug, in zijn bek -een muisje houdende, dat hij in zijne onderaardsche woning bracht. -Het was de soort boschuil, die men _athene hypogoea_ noemt en welke -veelvuldig in de savannen wordt aangetroffen. Hij jaagt bij dag zoowel -als bij nacht. - -»Een vreemde vogel, zeide Lucien; hij joeg mij met zijn oogen, die vuur -schoten en zijn krommen bek vrees aan. - ---Hij maakt iedereen beangst, Chanito, antwoordde de Encuerado, en als -hij zich des nachts bij eene hut gaat nederzetten en zijn naargeestig -geschreeuw doet hooren, voorspelt hij den spoedigen dood van een van -hen, die naar hem luisteren. - ---O, dat is niet waar, hernam Lucien, want er was een uil in een gat van -den muur van onzen tuin, en papa heeft nooit gewild dat men hem verjoeg. -En toch maakte hij er geen kwaad uit om alle avonden te schreeuwen. - ---Uw papa weet altijd de kwade invloeden te bezweren. Bovendien was de -vogel in den muur een steenuil. - ---In Europa, zoowel als in Amerika, worden de boschuilen en hunne -verwanten; de steenuilen, kerkuilen, de buizerds, al te maal -nachtroofvogels, door het volk als vogels van slechte voorbeteekenis -beschouwd, hernam Sumichrast op zijne beurt. Hun vreemd gelaat, hunne -geheimzinnige gewoonten wekken een afkeer op, die soms in vrees -overgaat. Men doet evenwel verkeerd ze te vreezen; in werkelijkheid is -de droefgeestige jager, dien gij zoo juist gezien hebt, even als alle -van zijne soort, meer nuttig dan schadelijk voor den mensch, want hij -vernietigt een groot aantal kleine zoogdieren, zooals springmuizen, -spitsmuizen, zevenslapers en veldmuizen, die de oogsten verwoesten. Gij -weet zeker wel dat de uil, bij de oude Grieken, de vogel van Minerva -was; in de oogen der Asteken vertegenwoordigde hij de godin van het -kwaad. - -Op korten afstand van de plaats, waar de muizeneter verdwenen was, zag -men de groote gaten, welke de _tuza's_,[19] door de landbouwers zeer -gevreesde Mexicaansche mollen, graven. Dit dier bereikt de grootte van -een jonge kat, leeft in troepen en werkt op eene, voor de reizigers zeer -gevaarlijke wijze den grond om, waar hij zich gevestigd heeft, want -dezen voelen den grond eensklaps onder zich instorten. De Encuerado, -die zeer verlekkerd was op het vleesch der _tuza's_, waarvan de vroeger -Mexicaansche markten altijd voorzien waren, plaatste zich in hinderlaag, -in de hoop er een te dooden. Nauwelijks waren vijf minuten verloopen of -er klonk een schot en kwam de jager terug, een vrij leelijk dier, met -donkerbruin haar, korte pooten en bijna onzichtbare ooren en oogen in de -hand houdende. De bek was met zeer groote snijtanden gewapend en aan -weerszijde van de kaken bevond zich een ruime zak, die met aarde gevuld -was. Lucien verklaarde, dat hij nooit het vleesch van zulk een dier zou -aanraken, en liet reeds bij voorbaat zijn aandeel aan den Encuerado -over. - -[19] _Saccophorus mexicanus_, meer op een rat dan op een mol gelijkende; - daar zij aan de wangen een grooten zak hebben, worden zij - _Saccophorus_, zakdragers, genoemd. - -Onze aandacht werd opnieuw naar het woud getrokken door het geschreeuw -van vijf of zes _toekans_ (pepereters) en nogmaals gingen wij op de -jacht. Deze klimvogels zijn buitengewoon wantrouwend en hunne grillige -vlucht brengt den vervolger ieder oogenblik van streek. Het gelukte mij -evenwel er een van te schieten; de andere namen, onder een toornig -geschreeuw, de vlucht. - -»Hoe kan hij het gewicht van zulk een grooten bek dragen? vroeg Lucien, -die den vogel, wiens fraaie groene en gele veeren zijn bewondering -opwekten, had opgeraapt. - ---Daarin heeft de natuur voorzien; de groote bek, die u zoo zwaar -toeschijnt, bestaat uit een zeer licht, sponsachtig weefsel, antwoordde -ik. - ---Is hetgeen hij eet dan zoo hard? - ---Integendeel; zijn buigzame bek kan niets fijn maken, en hij voedt -zich met niets anders dan vleezige vruchten, die hij vrij onbeholpen -openmaakt. Als wij dicht genoeg bij hem hadden kunnen komen, zoudt gij -gezien hebben, dat hij bessen plukt, die in de hoogte gooit, om ze -daarna in zijn wijden bek op te vangen. - ---Maar waartoe dient dan zulk een groote bek? - ---Daar kan ik u geen antwoord op geven, want de natuurkundigen, wien -deze vraag even veel belang inboezemt, hebben er nog geen verklaring van -weten te geven. - ---Ik ben dus geleerder dan zij, sprak de Encuerado op een professoralen -toon. - ---Weet gij waarom de toekans zulk een grooten bek hebben? - ---'t Is de wijsheid van den Schepper, die hem hun zoo gegeven heeft. - -Daar twijfelen wij geen oogenblik aan, hernam Sumichrast lachende, maar -waarom heeft Hij hem dien gegeven? - ---Omdat die gebrande en tot poeder gestampte bek het eenige werkzame -middel tegen de vallende ziekte is. De toekans zijn lang niet algemeen -en als hun bek nu niet grooter was dan die van andere vogels van hunne -grootte, zou men nooit het geneesmiddel in voldoende hoeveelheid kunnen -bekomen." - -De verklaring van den Encuerado was bij slot van rekening evenveel -waard, als onze twijfelingen. Ik herinnerde mij inderdaad, dat de -Indianen een groot geheim maken van zeker poeder tegen de vallende -ziekte, en dat het niets bijzonders is, den kop van een toekan tegen -den muur eener hut te zien hangen, als voorbehoedmiddel tegen den -St.-Vitusdans. - -In plaats van uit te rusten doolde Lucien langs alle kanten rond, -boombasten en steenen opheffende, met den ijver van een nieuweling -in de insektenkunde. Na de ontmoeting met de koraalslang, nam hij -alle voorzorgen, die mij gerust konden stellen, want men weet nooit -in welke gesteldheid men het dier zal vinden, welks rust men komt -storen. De knaap riep mij: hij had een nest scolopenders, gewoonlijk -duizendpooten genoemd, ontdekt en durfde er niet aan te raken. De -verraste duizendpooten rolden zich op, en hunne bleekblauwe kleur -verminderde een weinig den afkeer, dien zij gewoonlijk inboezemen. -Het was niet zonder eenige aarzeling, dat Lucien, door Sumichrast -aangemoedigd, er een op de palm van zijne hand plaatste; het insekt -ontrolde een voor een zijne geledingen, waarvan elk voorzien was van -twee paar pooten, die in haakjes eindigden, en begon toen met een -langzaamheid te loopen, die den kleinen nieuwsgierige teleurstelde. - -»Waartoe dient het toch vier en veertig pooten te hebben, riep hij uit, -als men veel langzamer gaat dan een loopkever, die er slechts zes heeft? - -Alleen de Encuerado was in staat dit geheim op te lossen; maar hij -bewaarde het stilzwijgen. - ---Zijn die beesten vergiftig, Mijnheer Sumichrast? - ---Men zegt het; doch alleen enkele soorten--die, welke gij nu gadeslaat, -kunnen bij voorbeeld ongestraft aangeraakt worden. - ---Zie, daar is een kleine scolopender, die slechts twaalf pooten heeft. - -Dat komt omdat die pas uit het ei gekomen is; naargelang zij ouder -worden, neemt ook het aantal ringen en pooten toe. Dat is een van de -bijzonderheden van de duizendpooten. - ---Wat zijn die ringen hard! men zou zeggen, dat het een pantser is. - ---Dat is er ook werkelijk een; de scolopenders vormen, als 't ware, de -afscheiding tusschen de insecten en de schaaldieren. Zij zijn na aan de -kreeften verwant. - ---Zie eens, papa, ik heb daar een chocolaadkleurigen worm gevonden, die -ook duizend pooten heeft. - ---Dat is geen worm, maar een julus, een neefje van de duizendpooten. -Kaak hem maar niet te veel aan, want hij zou aan uwe vingers een vuilen -reuk mededeelen." - -Wij hervatten onzen marsch naar het kampement, waarheen Lucien en de -Encuerado ons voorgingen. De lucht was warm, zonder verstikkend te zijn; -de zon zond ons hare stralen, die door het gebladerte getemperd werden, -in schuinsche richting toe; de vogels zongen, en deze dag kon, even als -de vorige, onder de minst vermoeiende van onze reis geteld worden. Wij -waren te midden van het Gematigde Land, omringd door witte en zwarte -eiken, wolboomen, ceders, olmen en gaiacboomen. De slingerplanten -groeiden slechts van afstand tot afstand, als 't ware alleen om hare -tegenwoordigheid aan te kondigen, en de muskieten, die in het Warme Land -zoo talrijk zijn, maakten het ons niet al te lastig. De ver van elkander -verwijderde boomen veroorloofden ons op ons gemak rond te loopen; wij -waren wel in een maagdelijk woud, maar nog te hoog boven de vlakte, -dan dat wij te worstelen hadden tegen het onontwarbaar net van een -tropischen plantengroei. - -De tuza, door rijst omringd, werd voorgediend. - -Al is het uiterlijke van dit dier ook onaangenaam, zijn vleesch heeft -evenwel een heerlijken smaak. Ik gaf er een boutje van aan Lucien om -af te kluiven; hij vond het zoo lekker, dat hij zijn kalebas, die voor -bord diende, opnieuw bijhield. Sumichrast vertelde hem toen, dat hij -aan den mol smulde, ofschoon hij meende dat hij een lijster at; hij -stond verstomd, maar tastte toch moedig zijne tweede portie aan. Na den -maaltijd haalde de Encuerado uit een zakje van agavevezel eene naald en -eene els te voorschijn en begon de broek, die eenige dagen te voren zoo -gehavend was, te herstellen. Twee eekhoornvellen waren den nauwgezetten -kleermaker, die ook de knieën met de ondoordringbare stof voerde, ter -nauwernood voldoende. - -Lucien, die over deze oplapperij verrukt was, wilde dadelijk zijn -verstelde pantalon beproeven. Hij draaide, liep, bukte en was gelukkig -over het geratel, dat de droge huiden veroorzaakten. Gringalet, die -scheen te slapen, kwam plotseling met eene zichtbare verwondering naar -zijn meester toe. Met uitgestrekten hals, schitterende oogen en hangende -ooren, gereed desnoods den terugtocht aan te nemen, waagde de hond het -aan het werk van den Encuerado te snuffelen, schudde veelbeteekenend den -kop en niesde. Hij hervatte twee of driemaal deze handelwijze en scheen -zeer nadenkend te zijn. - -»Hij heeft er verstand van en vindt, dat het niet al te slecht genaaid -is, sprak de Encuerado met voldoening. - -Maar na eene nauwkeuriger kennismaking begon het beest eensklaps te -blaffen en vatte de met zooveel moeite bijeengebrachte stukken beet en -trachtte ze te verscheuren. - -»De lomperd meent, dat de eekhoorn leeft!" riep de Indiaan uit. - -Twintig maal weggejaagd, kwam Gringalet telkens weer tot den aanval -terug, en dat wel met zooveel ijver, dat hij een nieuwe scheur in de -pantalon maakte. Toen werd de Encuerado boos en de gestrafte hond ging -bij het vuur liggen, maar niet zonder de tanden te laten zien aan de -zonderlinge voering, die hem zoo mishaagde. - -De zon ging onder. Haar gouden stralen, die door de takken speelden, -schenen een voor een naar den hemel terug te stijgen, en allengs omhulde -de duisternis het gansche woud. Reeds hadden wij een groep rondom -het bivak gevormd, toen eene rooskleurige tint de toppen der boomen -verlichtte en tot onder het loof doordrong. Daar dit zonderlinge -lichteffect bleef aanhouden, keerden wij naar de lichting terug, ten -einde het beter waar te nemen. De hemel scheen als in vuur te staan; een -breede, schitterende straalbundel schoot uit het Oosten voort; twee of -drie bloedkleurige wolken vluchtten met veel snelheid. Het schitterende -licht werd hoe langer zoo levendiger, maar zonder te stralen en zonder -de minste verblinding te veroorzaken. Eenige vogelstemmen lieten zich -hooren en enkele valken, die naar hun nest terugkeerden, hielden een -oogenblik hunne vlucht in, en bleven besluiteloos in de ruimte -rondzweven. - -»De wind zal morgen met veel geweld blazen, sprak de Encuerado; ik heb -de lucht nog eens zoo in vuur gezien en twee dagen later wierp een -verschrikkelijke orkaan de meeste hutten van mijn dorp om. - ---Wij zullen er wel met een Zuidenwind afkomen even als die, welke het -ons op den dag van ons vertrek zoo lastig maakte," antwoordde -Sumichrast. - -Te recht of ten onrechte schreef ik dit verschijnsel aan den stand der -wolken toe. De sterkte van het licht nam nog toe, 't was als of het een -enkele bliksemstraal was. De nacht nam weer de overhand en alleen het -schijnsel van het vuur geleidde ons naar onze schuilplaats. - - - - -IX. - -DE ZUIDENWIND.--DE ORKAAN.--EEN SLECHTE NACHT.--DE ONTWORTELDE -BOOM.--DE SALSAPARILLE.--GRINGALET ONTDEKT EENE BRON.--BIVAK. - - -De voorspelling van den Encuerado scheen zich te zullen verwezenlijken. -Tegen drie uur in den ochtend maakte een dof geraas ons wakker; de -boomen sidderden; toen nam het geluid af en verdween, om weldra met -meer geweld weer los te breken. Ik verhaastte zooveel mogelijk het -gereedmaken van de koffie; de tusschenpoozende windvlagen verspreidden -twee of driemaal de brandende stukken hout van den haard, waarvan de -warme asch ons bijna blind maakte. Dit ongeval hadden wij te wijten aan -de nabijheid der lichting, vanwaar de wind woedend en toomeloos naar ons -toe kwam. - -Nauwelijks was de dag aangebroken of ik voerde, ongerust over den -toestand van den dampkring, mijne makkers onder de boomen. De ruw -dooreen geschudde hooge toppen wierpen eene hagelbui van kleine takjes -en doode bladeren op ons. Het geraas van de tegen elkander slaande -takken maakte ons doof; wij liepen treurig en zwijgend voort, geen enkel -insect, geen vogel bespeurende en zeer ongerust over ons middagmaal. - -Tegen den middag ging de wind liggen; stroomen van warmte, die van uit -den grond schenen op te komen, verstikten ons. Lucien sprak geen woord; -maar in spijt van onze waarschuwingen bracht hij herhaalde malen zijne -veldflesch aan de lippen, welke handelwijze zijne dorst nog slechts kon -vermeerderen. Gringalet volgde ons met hangende ooren en staart stap -voor stap, zonder als naar gewoonte te springen. Ik geloof, dat wij -op dat oogenblik de eenige wezens waren, die onder deze, in een oven -veranderde schaduwen, in beweging waren. - -Het ontmoeten van eenige rotsen deed ons besluiten den pas te -versnellen, want wij rekenden er op, dat wij eene beek zouden ontmoeten. -IJdele hoop;--de rotsen verdwenen en maakten plaats voor een doolhof -van boomen. Als er wat gras geweest was, dan zouden wij zeker er toe -zijn overgegaan, om onze hut op te slaan, zoozeer bemoeielijkte de -droge warmte, die door den Zuidenwind werd aangevoerd, onzen marsch. - -Andermaal vertoonden zich rotsen, maar zoo groot en zoo dicht tegen -elkander, dat zij de nabijheid van een berg aankondigden. - -»Aio, Aio Chanito! riep de Indiaan verheugd uit, vooruit, vooruit! wij -komen aan den eindpaal onzer kwellingen." - -De knaap glimlachte en nam den versnelden pas achter zijn gids -aan, terwijl Sumichrast zijn stappen langer maakte, zoodat hij mij -vooruitkwam. Weldra kwam ik in 't gevolg mijner makkers op eene dorre -vlakte, tegenover een steilen wand uit. - -Na een weinig adem te hebben geschept, gaf ik als mijne meening te -kennen, dat wij de vermoeidheid moesten overwinnen en den berg -opklimmen; maar niemand maakte aanstalte om op te staan. - -Mijn arme Lucien lag hijgende, met drogen mond, bloedende lippen en -hoogrood gezicht op de steenen; hij had gedacht, dat de dagtaak voltooid -was. Zoodra hij evenwel zag, dat wij weer op marsch gingen, stond hij op -en volgde ons zonder eene enkele klacht te uiten. Ik wilde zijne vracht -verlichten; maar hij weigerde heldhaftig en regelde zijn pas naar dien -van den Encuerado. Gringalet liet zijn tong buitengewoon lang hangen en -ging onophoudelijk zitten--dat was zonder twijfel zijne manier om te -getuigen, dat hij gaarne een verandering in de lengte van den weg zou -hebben voorgeslagen. - -»Wij hebben ongelijk gehad over de schaduw te klagen, sprak Sumichrast; -hier, op deze opene vlakte, is de warmte nog ondraaglijker dan onder de -boomen. De zon steekt alsof hare stralen van naaldepunten voorzien -waren. - ---Niet drinken, Chanito, niet drinken!.. riep de Encuerado Lucien toe. - -De arme jongen liet zijne veldflesch weer langs zijne zijde hangen en -sloeg zulk een bedroefden blik op mij, dat ik hem in mijne armen sloot. - -»Laat ons stil houden, sprak mijn vriend, terwijl hij onder een -reusachtig rotsblok ging zitten, ik verklaar mij overwonnen." - -Het was eene groote verlichting voor ons, toen wij voelden dat wij -zaten en van onze vracht ontlast waren; maar in plaats van ons, als -naar gewoonte, te haasten om hout te sprokkelen, den haard gereed te -maken en eene hut te bouwen, bleven wij onbeweeglijk zitten en zonder -een woord te wisselen den horizon aanstaren. Aan onze voeten strekte -zich, zoover wij zien konden, de toppen van een onmetelijk bosch uit. -Wij hadden den vulkaan van Orizava achter ons gelaten; aan onze -rechterhand staken de zwarte uitsnijdingen van de toppen van de -Cordilleras tegen de roode lucht af; beneden ons vlogen eenige uruba- of -raafgieren rond, de eenige levende wezens, die wij sedert den vorigen -dag gezien hadden. - -Het was ongeveer vier uur; een brandende wind zweepte ons gelaat en -gaf hetzelfde gevoel, dat men ondervindt, als men voor een heeten oven -staat, waarvan de mond plotseling geopend wordt. De Zuidenwind begon op -nieuw te blazen. Weldra volgden dan ook de windstooten elkander op, en -de top van het woud golfde als eene vloeibare vlakte. - -Ik poogde tevergeefs te worstelen tegen de zenuwachtige neergedruktheid, -die zich van mij had meester gemaakt. Met brandende oogen, gekloven -lippen en een zwaar hoofd, dacht geen onzer er aan te eten; alleen de -dorst maakte het ons lastig en wij moesten Lucien bewaken, ten einde hem -te beletten zijne veldflesch ledig te drinken. Wij lieten hem op een -stukje maïskoek knabbelen, dat hij, met evenveel moeite als wij, kon -doorslikken; daarna zagen wij, achter de rots beschut, vol angst hoe de -reuzen, die ons omringden, bogen en den grond met hunne dikke takken -veegden. - -De zon ging bleek en zonder stralen onder, en als verzonken in -geelachtige wolken, die niet veel goeds voorspelden. De wind hijgde en -blies bij stooten. Een oogenblik van verpoozing liet ons toe in alle -haast wat kruiden bijeen te garen; daarop zagen wij, naast elkander -gezeten, een somberen, droevigen nacht zonder sterren naderen. Eene -betrekkelijke koelte kwam een oogenblik onze uitgeputte longen wat -verlichting brengen. Lucien sliep in; Sumichrast en de Encuerado poogden -zijn voorbeeld te volgen; Gringalet, die bij hen neergekropen was, -scheen bevreesd te zijn om zich van ons te verwijderen. Weldra was -ik nog maar alleen wakker. Welk een nacht! tegen negen uur barstten -de windvlagen met een ongehoord geweld los; zonder onze steenen -schuilplaats zouden wij opgenomen zijn geworden. Uit het woud rees een -geraas op, gelijk aan dat der opgezweepte golven tegen het strand; de -takken braken met een geluid, dat aan onophoudelijke losbrandingen -deed denken, en woest voortgejaagde bladeren bedekten ons met hunne -overblijfselen. Van tijd tot tijd vervulde een dof, onverklaarbaar en -steeds toenemend geraas mijne ziel met schrik. Ik leende vol angst met -ingehouden adem het oor; het geraas scheen vol ongekende gevaren te -naderen; daarna hoorde men eensklaps een scheuren, dat alle andere -geluiden overheerschte, gevolgd door schokken en een gekraak, dat door -de echo's werd weerkaatst; het was een eeuwenoude boom die, door den -orkaan overwonnen, neerviel. Dan weer zou men gezegd hebben, dat eene -menigte menschen in die duisternis, waar het oog niet kon doorboren, met -elkander worstelden; men hoorde de wanluidende kreeten van het gevecht, -de klagende stem der gewonden; dan deed een verschrikkelijke schok de -aarde beven en overstemde dien onmetelijken doodskreet. - -Toen, ik beken het, betreurde ik het bitterlijk, dat ik Lucien had -meêgenomen: ik herinnerde mij dat men mij de gevaren, waarmede de toorn -der natuur ons nu bedreigde, had voorspeld. Bij het hooren van die -onheilspellende geluiden van den storm, in die duisternis, die op zich -zelf reeds een gevaar was, gevoelde ik dat mijn voornemen begon te -wankelen, en ik dacht er ernstig aan den volgenden dag den terugweg naar -Orizava in te slaan. - -Tegen middernacht bedaarde de storm een weinig en gaf ik aan de -vermoeidheid toe. - -Maar nauwelijks had ik de oogen gesloten, of ik sprong plotseling op, -verbijsterd alsof honderd donderslagen te gelijk weerklonken. De -duisternis bleef altijd even diep, de wind was nog toegenomen en -nauwelijks zweeg de echo van een neergevallen boom of een andere -woudreus waggelde, om op zijne beurt neer te storten. Mijn makkers waren -allen wakker geworden. - ---Wat is dat, mijnheer Sumichrast? vroeg Lucien heel zachtjes. - ---Een orkaan, mijn vriend. - ---Men zou zeggen, dat een reus al schreeuwende en fluitende en op zijn -doortocht alle boomen brekende, door het woud rent. - ---Als het dat nog maar was! antwoordde Sumichrast, maar 't is erger, 't -is de zuidenwind, de sirocco van de Mexicaansche kusten. - ---Zou hij ons meesleuren? - ---Ik hoop van neen, dank zij de rots, die ons beschut. - -Een boom stortte in onze nabijheid om, en zijn val overdekte ons met -stof. Tegen elkander aangedrukt, ondervonden wij telkens een nieuwen -schrik. Wij durfden elkander onze indrukken niet mededeelen, uit vrees -van onzen kleinen makker, die zich tegen mij aandrukte nog meer te -beangstigen. Te midden van deze algemeene verwoesting zou een tak, -door een windvlaag meegevoerd, voldoende geweest zijn om ons als -zandkorreltjes weg te vegen. Ik was van meer dan een orkaan getuige -geweest, maar die, van dezen afgrijselijken nacht, overtrof alles wat -men zich kan voorstellen. - -Eindelijk brak de dag aan; de zon kwam als bestoven op en verlichtte -de onheilen van dezen verschrikkelijken nacht. Overal lagen gebroken, -ontwortelde en half aan de slingerplanten, die in de takken verward -waren, hangende boomen, op den grond of slingerden heen en weer, even -als die reusachtige krijgstuigen, welke de ouden _stormrammen_ noemden. -Lucien bleef sprakeloos voor het schouwspel, dat zich aan zijne blikken -vertoonde. Een gekraak weerklonk; een waggelende woudreus helde langzaam -over, beschreef een snellen boog en verbrijzelde zijne takken tegen den -grond: tien seconden hadden het werk van eeuwen vernietigd. - -De Encuerado wilde een pas of tien buiten de rots doen, maar door een -windvlaag overvallen, had hij nog slechts den tijd om zich op den -grond te werpen. Er moest een besluit genomen worden; er viel niet aan -te denken om vuur aan te maken en toch gevoelden wij, na het vasten -van den vorigen dag en na een slapeloozen nacht, de behoefte aan een -versterkenden drank. Onmerkbaar werden de windvlagen minder veelvuldig, -maar zonder nog iets in kracht te verliezen. Eene diepe stilte volgde -bij wijlen op de duizend geluiden van den storm, de bladeren bleven -onbeweeglijk, men zou hebben kunnen meenen, dat de orkaan bedaard was. -Plotseling kwam het verschrikkelijk geraas op nieuw op, een onzichtbare -ademtocht ging voorbij en overdekte de aarde andermaal met verbrijzelde -takken. - -Wij begonnen een weinig stoutmoediger te worden, toen een -verschrikkelijk gekraak zich plotseling boven onze hoofden deed hooren; -een reusachtige pijnboom, die honderd voet boven ons op den berg stond, -waggelde, stortte neer en rolde met een vreeselijk geraas de helling af. -De Encuerado had, snel als de bliksem, Lucien beetgenomen en ging met -hem langs de rots op den grond liggen; ik had nauwelijks den tijd om hem -na te volgen. De terneergeworpen reus daalde met snelle sprongen naar -beneden, alles wat hij op zijn doortocht ontmoette verbrijzelende en -rotsstukken achter zich meesleepende. Hij stiet tegen onze schuilplaats, -die een dof geluid gaf maar toch den schok weerstond, overschreed met -een grooten sprong den hinderpaal en rolde den berg af, waarvan wij -slechts halverwege waren, terwijl een stortvloed van steenen ons dreigde -te verpletteren. - -Ik stond geheel ontdaan op. Het gevaar was zeer ernstig geweest. -Het reusachtige blok, waaraan wij ons behoud te danken hadden, was -verscheidene strepen voortgeschoven. Als dit geval in den nacht ware -gebeurd, zou de angst ons onze schuilplaats hebben doen verlaten en dan -waren wij verloren geweest. Ik dankte eerst God en toen den Encuerado, -die, het dichtst bij Lucien zijnde, zich gehaast had dezen met zijn -lichaam te beschermen. De knaap viel hem om den hals. - -»Ik zal aan Mama vertellen, dat gij mij het leven hebt gered," riep hij -uit, hem omhelzende. - -De Encuerado wilde antwoorden; maar ontroerd door de liefkoozingen van -zijn lieveling, kon hij hem slechts in zijne armen drukken, terwijl twee -tranen langs zijne wangen rolden. - -»Uwe Heerschap is wel goed zich zooveel moeite te geven om ons hare -kracht te laten zien," zeide de Indiaan, den wind toesprekende om -zijne ontroering te verbergen; »wat een fraai mirakel om een pijnboom -te ontwortelen, die bijna van ouderdom gestorven was en hem langs de -helling van een berg af te rollen! Ik zou met mijn machete evenveel -kunnen doen, als ik er lust toe had. Ja, blaas maar, blaas maar, en gooi -ons nog maar eens een boom op den rug, opdat wij wel verzekerd zouden -zijn dat de Booze uw meester is." - -Niettegenstaande al den ernst van het oogenblik, was Gringalet de -eenige, die dit gesprek zonder glimlachen aanhoorde; hij wreef zelfs met -zijn neus tegen het been van den redenaar, als om zijne instemming met -diens redevoering te betoonen. - -De orkaan bedaarde; maar hij kon tegen den avond weer in kracht -verdubbelen; het verstand raadde ons derhalve aan van de kalmte gebruik -te maken, om ons te verwijderen. De Encuerado nam zijne mars op en goed -rondziende, ging hij ons op den berg voor. Ik hield Lucien bij de hand; -want het stond te vreezen, dat een waggelende boom plotseling weer zou -neerstorten en onzen weg schoonvegen. De warmte, die ons bij voortduring -lastig viel, maakte onzen marsch zeer moeielijk. De lippen van onzen -kleinen reisgezel waren geheel en al gebarsten; hij kon met moeite -spreken. De dorst kwelde ons; men moest haar evenwel verduren, en het -weinigje water, wat in onze veldflesschen was, besparen. Wij bereikten -de plaats, waar, een uur te voren, de boom had gestaan, die ons met -den ondergang had bedreigd. Een onmetelijk, gapend gat, liet ons de -afgescheurde wortels van den reus zien; de aarde was reeds opgedroogd. -Weldra was de helling weer met hout begroeid. Wij kwamen met veel -moeite, uitgeput, hijgende en uitgehongerd vooruit, want sedert den -vorigen dag hadden wij niets dan maïskoeken gegeten. Onze roode en -opgezwollen oogen maakten ons onkenbaar. - ---Vader, ik ben erg vermoeid, sprak Lucien zacht. - ---Wij ook, lieve jongen; maar moed gehouden, laat ons nog wat -doorloopen, ons leven is er meê gemoeid. - ---Ik heb dorst, vader, en het water in mijne veldflesch is lauw. - ---'t Is beter dat gij niet drinkt; want twee of drie teugen water -gedurende het loopen genomen, maken de huiduitwasemingen gemakkelijker -en vermeerderen de dorst, in plaats van haar te stillen. - -De kleine jongen zuchtte en zocht eene toevlucht bij zijn vriend, die -hem aanraadde op een keisteentje te zuigen, een middeltje om de dorst te -bedriegen, door de speekselafscheiding op te wekken. - -Niettegenstaande al onze inspanningen, kwamen wij slechts weinig vooruit -en een overvloedig zweet putte ons nog meer uit. Gelukkig toonde alles -het einde van den storm aan. De Encuerado ging vooruit, zigzaglijnen -beschrijvende, als iemand die eene gedachte in 't hoofd heeft en met den -neus in den wind naar iets snuffelt. Ik zag hem zich eensklaps van zijne -vracht ontdoen, onder het struikgewas verdwijnen en weldra terugkomen, -de handen vol met eene soort van moerbeziën, de vruchten van de -salsaparillaplant, welker zuurachtige smaak Lucien weer wat opfrischte. -De gangen van den Encuerado waren alzoo opgehelderd. Wij volgden den -Indiaan. Hij had een boschje van deze struiken gezien, maar ons, uit -vrees voor teleurstelling, eerst zijne ontdekking verborgen. Ik kan -onmogelijk zeggen, hoeveel genoegen ons deze, zoo onverwacht gevonden -bessen, deden. De struik, die kruipende en doornachtige stengels had, -groeide in overvloed op de steile helling. Daar Gringalet geen deel kon -nemen aan onze smulpartij, gaf Sumichrast hem een kalebas met water, dat -hij gretig opslurpte. - -Wij hervatten, dank zij deze zoo ter goeder uur gevonden wijnachtige -bessen, met meer moed onzen marsch. De Encuerado vulde zijne muts met -de gevonden vruchten, en liep moedig blootshoofds vooruit. Een half uur -klimmens voerde ons buiten het woud. Ik bemerkte dat Gringalet verdwenen -was; ik riep hem herhaalde malen en nu kwam hij met opgeheven staart -en vochtigen snuit van onder een boschje struikgewas te voorschijn. -Sumichrast ging op ontdekking uit en riep ons met vroolijke stem toe: - -»Eene bron!" - -Men liep, wie er het eerst komen zou. Onder een dicht boschje van -Salsaparille ving onze reisgezel in zijne naast elkander geplaatste -handen een dun straaltje helder water op, dat tusschen twee rotsen -doorsijpelde. Hij begoot met welgevallen zijn gelaat en armen; ieder -onzer volgde deze heilzame wasschingen na. Ik spoorde vervolgens tot -het vertrek aan; de onheilspellende geluiden van den orkaan gonsden -nog in mijne ooren, en er bevond zich in onze nabijheid geene enkele -schuilplaats. Na onze veldflesschen gevuld te hebben, hervatten wij -onze opstijging, opgebeurd door de gesprekken van den Encuerado, die -Gringalet met zijne vondst gelukwenschte en hem eene heele reeks lekkere -maaltijden beloofde. - -Lucien had een weinig van zijne opgeruimdheid teruggekregen; hij -zocht beziën of plukte de geelachtige bloemen van de Salsaparille en -onderzocht de plant, waarvan hij de vezelachtige wortels kende, die de -Indianen op de markten verkochten. - -Het uur, waarop wij vreesden dat de windvlagen weer met verdubbeld -geweld zouden losbreken, naderde, het werd dus zaak naar eene -schuilplaats uit te zien. De mossen en vlechten bedekten de rotsen met -een veelkleurig kleed en naar gelang wij hooger kwamen, verlichtte een -frisschere lucht onze longen. Ten slotte eindigde onze klimmerij op eene -bergvlakte, waar hier en daar een korte, door den wind en de stormen -gebogen boom groeide. Tegenover ons, maar ver genoeg om er niets van te -vreezen te hebben, verhieven zich nieuwe toppen. Er bleef ons nu nog -slechts over om eene plaats voor het bivak te vinden. - -Sumichrast bleef bij drie reusachtige steenen staan, die zoodanig -geplaatst waren, dat zij tusschen elkander eene ruimte overlieten, -groot genoeg om er als in eene vesting te kampeeren. Daar konden wij -de windvlagen trotseeren; maar de toestand van den dampkring liet ons -hopen, dat wij niets meer van den orkaan te vreezen hadden. Wij gingen -er allen op uit om brandstof te zoeken en weldra verheugde een groot -vuur ons door zijn schijnsel, maar herinnerde ons tevens, dat wij niets -te braden hadden. - -De zon zond ons, bij haar ondergaan, de schitterende lichtbundels harer -laatste stralen toe. De hemel was blauw, de lucht frisch--ik had mijn -denkbeeld om terug te keeren laten varen.--De nacht brak aan en een -fijne regen zuiverde den dampkring en de vochtige grond wasemde gezonde -geuren uit. Door de vermoeidheid overmand en in onze dekens gewikkeld, -vielen wij weldra in een diepen slaap. - - - - -X. - -HET KONIJN.--DE WILDE AARDAPPELEN.--EEN MOEIELIJKE WEG.--EEN KRATER.--DE -IJZEL.--DE STROOM.--HET JONGE REE.--DE CICADEN.--DE WATERJUFFERS. - - -Toen ik den volgenden morgen de oogen opende, schitterde de zon aan -een azuren hemel. Ik wakkerde het vuur wat aan en verwijderde mij, het -geweer op den schouder, om een of ander stuk wild te schieten, ten -einde mijne makkers bij het ontwaken te verrassen. Ik marcheerde sedert -ongeveer een kwartier in de heidestruiken, die mij aan het geboorteland -herinnerden, toen een te veel vertrouwend konijn onder het bereik van -mijn geweer kwam huppelen. - -Bij mijn terugkeer werd ik als een zegevierend veldheer begroet. Ik vond -allen op en om den haard vergaderd. Iedereen was vlug en wel te moede. -De verschrikkelijke beproevingen van den vorigen dag schenen vergeten te -zijn. Lucien had, niettegenstaande zijne gebarstene lippen, al zijne -opgeruimdheid teruggekregen. De Encuerado maakte zich van het konijn -meester, dat in een oogwenk gestroopt was en op de gloeiende kolen lag. - -»Welnu, wat zegt ge wel van de orkanen?" vroeg Sumichrast aan Lucien, -die toezag hoe hij zijn geweer schoonmaakte. - ---Ik had nooit gedacht dat de wind, die onzichtbaar is, zulke groote -boomen kon ontwortelen en meesleuren, als die, welke over ons heen -gesprongen is. - ---Waart gij erg bang? - ---Een weinig, maar gij ook; want gij waart bleek. - ---Dat komt omdat het gevaar nog veel grooter was dan gij wel gedacht -hebt. De ontwortelde boom, die, zooals gij het uitdruktet, over ons -heen is gesprongen, had in zijn ongelijke sprongen op den voet van den -rots kunnen neervallen, die omverwerpen en ons verpletteren. - ---Is de wind dan sterker in de bosschen dan in de steden? - ---Neen, want de windvlagen van gisteren zullen zeker geheele dorpen -vernield hebben. 't Was een van die tropische orkanen die, gelukkig, -slechts met zeer groote tusschenpoozen losbarsten. Meer dan een Indiaan -is nu aan 't werk om zijne verwoeste hut weer op te richten. Lucien, -geheel nadenkend geworden, was aan den voet van een boom gaan zitten en -toen ik langs hem ging, zag ik dat hij tranen in de oogen had. - -»Wat scheelt er toch aan?" riep ik uit. - ---Ik denk aan Mama en mijne broertjes; mijnheer Sumichrast zegt dat de -storm geheele dorpen moet vernield hebben; wat zal er van hen geworden -zijn? - ---Stel u gerust, mijn jongen. Steenen muren bieden, Goddank, weerstand -aan den wind. Overigens zal men dezen orkaan niet in Orizava gevoeld -hebben. In elk geval zou Mama eer over ons bezorgd moeten zijn; want zij -weet dat wij midden in het woud moeten zijn." - -Ik omhelsde mijn kleinen Lucien en stelde hem zoo goed mogelijk gerust, -daarin geholpen door den Encuerado, die hem meenam om op het gebraad te -passen. - -De _tochtli_ of het Mexicaansche konijn, welks beeld in den kalender der -Asteken het eerste jaar van eene eeuw verbeeldde, verschilt, naar ik -meen, van onze Europeesche soorten, ofschoon het ten naastebij hetzelfde -haar en dezelfde gewoonten heeft. - -»Herkent gij de familie van het dier, dat voor ons ontbijt zal dienen?" -vroeg Sumichrast zijn leerling. - ---Ja, 't is een knaagdier. - ---Bravo! maar waaraan herkent gij dat? - ---Aan zijne kaak, die geen hoektanden heeft en aan zijne groote -snijtanden en aan zijne achterpooten, die grooter dan de voorpooten -zijn. - ---Komaan, gij hebt een goed geheugen. Gij dient nog te weten dat het -konijn, die naaste verwante van de haas, in Europa beschouwd wordt als -uit Afrika afkomstig te zijn. De Asteken offerden eertijds groote -hoeveelheden van deze dieren aan de godin Centeutl, de Céres der -Mexicaansche godenleer, en de edelen droegen mantels uit konijnenhaar, -met katoen vermengd, geweven. Hazenvleesch willen de Indianen over het -algemeen niet eten, voorgevende dat de haas zich met lijken voedt, van -welke dwaling men nog niet geslaagd is hen te genezen. - -Wij deden eer aan ons wild als gasten, die zich weten schadeloos -te stellen voor een gedwongen vasten; daarna zette de karavaan -zich zonder dralen weer in beweging. Op de overvloedige en dichte -Salsaparillestruiken volgden gedrongene heesters. Hoe meer wij evenwel -den berg naderden, des te krachtiger vertoonde zich ook de plantengroei; -de punten der rotsen staken niet meer van alle kanten boven de teelaarde -uit. Hier en daar vlogen tangaras met zwarten rug, gelen buik en -violetblauwe keel, en een aantal andere veelkleurige vogels, allen tot -de talrijke familie der vinkvogels behoorende, rond. Wij waren op 't -punt de helling op te gaan, toen de Encuerado, aan wiens scherp oog -niets ontsnapte, uitriep: - -»Aardappelen!" - -Lucien liep op den Indiaan toe, wiens machete reeds den grond om eene -kleine, kruidachtige plant met ovale bladeren, die overdekt waren -met groene, weeke bessen, omwoelde. Weldra kwamen kleine, gerimpelde -knollen, welke onze vingers zonder veel moeite fijn drukten, te -voorschijn. Er vertoonden zich verscheidene struiken van de kostbare -vrucht, die Europa aan Amerika te danken heeft, en de Encuerado beloofde -aan Gringalet de weelde van een schotel gebraden aardappelen. - -Onze afdaling voerde ons weldra te midden van rotsen, die aan den -chaos herinnerden. Onophoudelijk dwong eene hindernis ons te springen, -te glijden, een langen omweg te maken, ten einde verder te kunnen -gaan. Overigens werd de temperatuur frisscher waardoor de marsch minder -moeielijk werd gemaakt. Geen boomen, geen struiken, geen heesters meer; -hier en daar een weinig gras of eene zwakke plant, die, van uit de holte -van eene rots gele bloemen naar de zon uitstrekte en waarvan de wind de -bladeren meevoerde. - -De wisselvalligheid van onzen weg voerde ons nogmaals op het bergvlak. -Alle kammen, die wij bespeurden, waren kaal; eene diepe stilte heerschte -om ons. Ik bleef staan om adem te halen. - -Het tooneel, dat wij voor ons hadden, trof door zijne strenge grootheid. -Sumichrast dacht aan de bergen van Zwitserland, die hij zoo dikwijls -doorkruist had, plukte bloemen af, die hem vreemd schenen aan de -keerkringen en zocht zich hare namen te herinneren. Twee vlinders vlogen -spelende over ons heen. - -»Dat is eene soort van de Alpen!" riep mijn vriend uit. Het terrein -liet hem niet toe de wispelturige insecten lang te vervolgen; hij bleef -een oogenblik over den met scherpe punten bezaaiden afgrond gebukt, en -volgde met het oog de gevleugelde bloemen, die hem een vluchtig beeld -van het vaderland hadden gebracht. Een doolhof van rotsen voerde ons -voor een bijna loodrechten muur, van meer dan tweehonderd voet hoogte. -Deze onverwachte hinderpaal sloeg ons uit het veld. Langs welken kant -nu een doortocht te zoeken? Het onderzoek van het terrein deed ons -besluiten links af te slaan; deze richting scheen ons de meest zekere. -Van tijd tot tijd werd de muur wat lager; wij beproefden evenwel -tevergeefs hem over te klimmen, door ons aan de uitstekende punten -vast te klemmen. Eene gelukkiger poging bracht ons bijna, maar niet -zonder moeite, aan het doel, soms hing de rots over, dan klom ik op -de schouders van Sumichrast en als ik er in slaagde een platform te -bereiken, heesch ik Lucien aan den riem op, daarna Gringalet, die zich -gaarne tot deze handeling leende en vervolgens Sumichrast en den -Encuerado. - -Eindelijk was men de verschrikkelijke hinderpaal te boven; aan den -anderen kant was de grond bezaaid met vulkanische steenen. - -Wij liepen, ofschoon het reeds vier uur was, maar altijd door, in de -hoop een boom of struik te ontmoeten, aan welks voet wij ons bivak -zouden kunnen opslaan. De Encuerado zette een oogenblik zijne mars neer, -om eene rots, in den vorm van eene naald te beklimmen, en waarvan de -zonderlinge stand aan den beroemden scheeven toren van Pisa herinnerde. -Op den top gekomen, riep de Indiaan ons toe dat hij een groep boomen -bespeurde. De koude begon ons lastig te vallen; wij moesten hout hebben -om een haard te kunnen oprichten en vonden dus den moed om nog verder te -marcheeren. De afgelegde afstand was niet zeer groot; maar de hellingen, -de omwegen, de klimming hadden ons vermoeid. Allengs werden de rotsen -zeldzamer en minder opeengedrongen; eene uitgestrekte vlakte, een weinig -in den vorm van trechter uitgehold, hier en daar met kleine heesters -begroeid, vertoonde zich onverwacht aan onze blikken. Op den achtergrond -zagen wij een dichte groep pijnboomen en eene glinsterende oppervlakte, -die een meer bleek te zijn; eene heerlijke oase, in dit sombere -landschap verborgen. - -Het werd hoog tijd dat wij onder dak kwamen, want wij klappertandden -van de koude. Op een boom geklommen hakte de Encuerado de noodige -bouwstoffen voor het oprichten der hut af, terwijl Lucien van de -heesters alle doode takken brak, in welken arbeid ik hem spoedig hielp. -De ondergaande zon verraste ons, toen wij juist met ons werk gereed -waren. Het water van het meer nam eene zwarte kleur aan, de bergkammen -naar den kant van het Westen, teekenden op de lucht zonderlinge -uitsnijdingen af en de wind deed uit de denneboomen een plechtigen -en ernstigen lofzang opstijgen, aan welke bijzonderheid deze soort -ongetwijfeld den naam van _pinus religiosus_ (heilige denneboom) te -danken heeft. Naarmate de zonnestralen verdwenen en de duisternis -den hemel bedekte, werd ook de stilte dieper. Eensklaps verdwenen de -laatste lichtschemeringen; de duisternis liet ons ter prooi aan eene -dier aandoeningen, welke alleen zij kunnen begrijpen, die zich in de -tegenwoordigheid van de groote natuurtooneelen hebben bevonden. - -Lucien ondervond, zonder het te weten, de dubbele majesteit van de -duisternis en de eenzaamheid; hij bleef stilzwijgen, en liet zijn -blik van den hemel tot de aarde dwalen. De sterren kwamen schitterend -en in ontelbare menigte op, en weerkaatsten zich op de onbeweeglijke -vlakte van het meer. Eensklaps scheen een lichtstraal over het water -te zweven, barstte toen als een vuurpijl uiteen en verbreedde zich tot -lichtbundels; het was de glans van onzen haard, dien de Encuerado had -aangestoken. - -Eene levendige en bijtende koude had zich van ons meester gemaakt; onze -dekens waren niet meer voldoende om ons tegen den wind te beschutten. -Gelukkig hadden wij eene voldoende hoeveelheid brandstof verzameld, om -het bivakvuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden. Onze maaltijd -was zuinig, maar vroolijk. Gringalet, Lucien en de Encuerado kropen de -een na den ander onder de dennenbladeren; Sumichrast volgde weldra hun -voorbeeld; ik bleef alleen op, daar ik geen de minste neiging gevoelde -om te slapen. - -Welk eene tegenstelling! Den vorigen dag, op hetzelfde uur, werden -wij verdoofd door den ontketenden wind; het woud zond aan de echo's -vreeselijke geluiden toe; wij, arme atomen, onder een waggelenden -steen beschut, ademden hijgende eene brandende lucht in. Nauwelijks -waren vierentwintig uren verloopen of onze schreden hadden ons op een -granietgrond gevoerd, waar de koude ons hinderde; nu was het niet meer -het geraas, maar de stilte, die in mijne ziel de droomerijen der -eenzaamheid opwekte. - -De morgenstond vond ons op, verstijfd van koude en nauwelijks in staat -om de lippen te bewegen. De Encuerado wakkerde het vuur van den haard -wat op, ten einde ons spoedig de koffie gereed te maken. Eene eerste -lichtschemering werd zichtbaar; de grond, met een lijkkleed van ijzel -bedekt, glinsterde. Lucien, die dit verschijnsel voor de eerste maal -zag, kon het niet genoeg bewonderen. Sumichrast verklaarde hem dat -de dauwdroppelen, die in de warme streken elken morgen op het gras -schitteren, op deze hoogte bevriezen en die doorschijnende naalden -vormden, welke de lichtbreking wit doet schijnen. - -De stralen der zon verwarmden ons niet, ik bespoedigde dan ook de -toebereidselen tot het vertrek. Na den oever van het meer langs te -zijn gegaan, begaf de kleine karavaan zich opnieuw tusschen de rotsen. -De top, dien zij overtrok was, daar viel niet aan te twijfelen, de -krater van een uitgebranden vulkaan. Ik wierp een laatsten blik op -de onmetelijke, door bergkammen omgeven baai, alvorens tusschen de -reusachtige steenen, die eertijds door den vulkaan waren uitgebraakt -een nieuwen tocht te beginnen, die even moeilijk zou zijn als die van -den vorigen dag. Meer dan eens gebeurde het, dat wij blind liepen en -ontmoedigd gingen zitten. - -Ik onderzocht een laatste maal den horizon; onze voeten betraden den -hoogsten top van de Cordilleras; voor ons, en zoover het oog reikte, -verhieven zich met hout begroeide bergpieken, waarvan de hoogte -trapsgewijze verminderde. Eindelijk zouden wij dan weer de tropische -natuur terugvinden en langzamerhand de vlakken en bosschen van het warme -Land bereiken. De weg scheen recht en gemakkelijk te zijn; maar hoeveel -valleien moesten doorgetrokken, hoeveel hinderpalen nog niet overwonnen -worden eer wij de verwachte grens bereikten! - -De afdaling geschiedde langs een reuzentrap, waarvan elke trede zeven -tot acht voet hoogte kan gehad hebben. Lucien en Gringalet maakten -meermalen aan den riem hangende, de reis; maar wij kwamen zonder ongeval -alle hinderpalen te boven. Ik kan niet zeggen met hoeveel genoegen ik de -pijnboomen terugzag. Wij zochten tevergeefs om ons naar de sporen van -den orkaan, deze zijde van den berg was van den geesel bevrijd gebleven. - -De helling werd zacht, onze marsch sneller en weldra vertoonden zich -enkele eiken. Een onbestemd geluid deed ons luisteren, en de Encuerado, -die meer gewoon was dan wij, om op een afstand over de geluiden te -oordeelen, kondigde ons een bergstroom aan. Eekhoorns brachten de takken -langs onzen weg in beweging, de pepereters schenen ons uit te dagen, -maar wij wilden het water bereiken. Weldra omringden ons eike- en -berkeboomen, daarna wolboomen en _ahuehuetes_. Het terrein werd vlakker -en na minder dan een half uur bracht de Encuerado ons op den rand van -eene onmetelijke bergkloof, waarin een woelig water bruischte. De steile -oever werd spoedig zachter en het bivak opgeslagen. Terwijl wij takken -afkapten legde Sumichrast een vinger op zijn mond en greep zijn geweer. -Een licht geraas deed zich onder de struiken hooren en onze reismakker -verdween. - -Wij luisterden met ingehouden adem, toen de schreeuw van den uil -weerklonk: dat was een roepkreet en de Encuerado gleed op zijne beurt -onder de struiken. - -»Waarom heeft mijnheer Sumichrast den Encuerado geroepen?" vroeg Lucien -mij zachtjes. - ---Zonder twijfel omdat hij een wildspoor ontdekt heeft. - -Nauwelijks had ik mijn volzin geëindigd, of een geritsel van droge -bladeren trok mijne aandacht. Een blauwe vos ging met hangenden staart -en vurigen blik langs mij heen. Ik schoot, doch zonder het dier te -raken, dat zich onder de boomen verloor, door Gringalet vervolgd. Bijna -op hetzelfde oogenblik kondigde eene losbranding mij aan, dat de -Encuerado geschoten had. - -Lucien was zeer ontstemd, dat ik den vos gemist had; ik, voor mij, -betreurde het, dat ik een lading kruit had vermorst en misschien op -onhandige wijze het wild op de vlucht had gedreven, dat mijne makkers -vervolgden. Ik zette daarop mijn arbeid van houtkappen voort, en beval -Lucien vuur te slaan en den haard aan te steken. Dank zij de lessen van -den Encuerado, kweet hij er zich behendiger van dan ik verwacht had. - -Een roepkreet van Sumichrast, waarop Lucien antwoordde, bracht den -teleurgestelden jager weer bij ons. - -»Op welk dier hebt gij geschoten?" riep hij mij toe. - ---Op een vos, dien ik gemist heb; waart gij soms bezig hem te vervolgen? - ---Neen; ik had eene ree en haar jong gezien, maar ik kon er niet -bijkomen. - ---En de Encuerado? - ---Die zal wel een vogel geschoten hebben, om niet met leege handen terug -te komen. - ---Chanito, hioe! hioe! Chanito! - ---Ohe, ohe! antwoordde de knaap. - -Weldra kwam de Encuerado terug, een jonge ree op zijne schouders -dragende. - -»Wat een lief diertje!" riep Lucien uit, »waarom hebt gij het niet -levend gevangen?" - ---Omdat alleen een kogel even hard kan loopen, Chanito. - ---En de moeder? vroeg Sumichrast. - ---Daar heb ik niet bij kunnen komen; wij hebben daar trouwens ook meer -vleesch dan wij voor vandaag en morgen noodig hebben. - -Lucien was het jonge hert genaderd; het was altijd een zijner wenschen -geweest om een dezer dieren levend te bezitten. Hij bezag de fijne -beenen en den spitsen snuit van het arme dier, welks met gelijkmatige -witte vlekken bezaaide bruingele rug met den leeftijd van kleur -verandert. - -»Laat eens hooren, meester Zonnestraal, waaronder zoudt gij dat zoogdier -rangschikken?" vroeg Sumichrast aan Lucien. - ---Het gelijkt op geen van al die soorten, welke ik ken. - ---Kom, kom! En de geiten, de koeien en de schapen dan. 't Is een -herkauwer, een dier dat drie of vier magen heeft. De onderkaak bezit -acht snijtanden, terwijl de bovenkaak alleen voorzien is van een soort -kussentjes of eeltplaten. - ---Dat is waar, zeide Lucien, na den bek van het jonge ree geopend te -hebben. - ---Alle herkauwers slikken eerst hun voedsel door, dat in een eerste maag -komt; daarna brengen zij het weer in den mond terug om het opnieuw te -kauwen; dat noemt men _herkauwen_. Gij hebt zeker meer dan eens eene -koe of een schaap onbeweeglijk en voortdurend kauwende in de zon zien -liggen. - ---Ja wel, antwoordde Lucien, en de Encuerado heeft mij altijd verzekerd, -dat zij dan bitter gras hadden gegeten. - ---Zijne verklaring heeft evenveel waarde als die van de Mexicanen, die -zeggen dat een dier, dat herkauwt, de krant leest. Wat deze orde van -dieren nog kenmerkt, zijn hun gespleten hoeven. - ---En dat zij horens hebben! - ---Niet allen; de kameel, het lama en de steenbok bijvoorbeeld, hebben er -geene." - -Nu moest men nog beslissen hoe onze ree gereedgemaakt zou worden. Na -eene kleine beraadslaging werd besloten vrij spel aan den Encuerado -te laten, waarna ik onder in de bergkloof afdaalde. Na de steenen -en schorsen te hebben opgelicht, ontdekte ik verschillende soorten -loopkevers. Lucien ving op een struik eenige insekten van zonderlinge -vormen; Sumichrast herkende daarin bij den eersten oogopslag -_tettigonna's_ of walsvormige cicaden. - ---Dat zijn _hemipteren_ of halfvleugelige insecten, zeide hij, en -derhalve verwanten van de wantsen en krekels; deze insecten hebben -noch boven-, noch onderkaken; hun mond wordt gevormd door een geleden -zuigbek, die langs de borst wordt gelegd en dien gij duidelijk kunt -zien. Het geslacht der cicaden is vrij talrijk en de twee soorten, die -gij gevonden hebt, zijn aan Mexico eigen. - ---Hier is er een, die op eene kip gelijkt en een andere, die den vorm -van een bootje heeft. - ---Gij hebt gelijk en ge zult er nog wel met veel zonderlinger vormen -ontmoeten. - -Terwijl hij de diertjes, welker uiterlijk hem zoo boeide, op de hand -liet loopen, zag Lucien ze eensklaps opspringen en verdwijnen; hij wilde -naar de heesters, waarop hij ze gevangen had, terugkeeren, toen zijne -aandacht afgetrokken werd door een zeer groote waterjuffer, die men in -Mexico gewoonlijk _Duivelspaarden_ en in Frankrijk _juffers_[20] noemt. -Na eenig rondvliegen ging het fraaie insect op eene plant zitten en viel -weldra onder het net van den jongen jager. De gevangene had groenachtige -oogen, een geel lichaam en zwart en rood geteekende vleugels. Het boog -zijn spitsen buik naar binnen, alsof het de hand, die het gevangen -hield, wilde steken en bewoog zijne vleugels met een metaalachtig -geluid. Uit den bek hing een half verslonden muskiet en ofschoon zelf -gehavend, vervolgde het zijn maaltijd, tot groote verbazing van mijn -zoon, die niet dacht, de gewoonten van den tijger terug te vinden bij -een insect van zulken sierlijken vorm en oogenschijnlijk zoo -onschadelijk. - -»Dat is een huidvleugelige of adervleugelige of _neuroptere_, aldus -genoemd naar de netvormige aderen, die gij op de vleugels, ten getale -van vier, kunt zien. Dit insect leeft eerst, in de gedaante van larve, -in het water; in dien toestand--waarin het een jaar verblijft--gelijkt -het op wat gij in de hand hebt, alleen zijn de vleugels slechts door -knopjes aangeduid, die bij elke huidverwisseling groeien en langer -worden. Die knopjes dienen als 't ware tot koker voor de fraaie gazen -vleugels, die de neuropteren en vooral de waterjuffers kenmerken. - ---Hoe, leven de waterjuffers eerst in 't water, evenals de visschen? - ---Ja, en zij toonen zich daar niet minder vraatzuchtig dan het volkomen -insect. De larve wordt pop en verslindt met gulzigheid hagedissen en -kleine visschen; na korter of langer tijd, al naar de soorten, komt zij -uit het water, door langs een rietstengel op te klimmen en blijft daar -een tijdlang onbeweeglijk aan de zonnestralen blootgesteld; eensklaps -springt de huid, die den kop bedekt, open en de met zwart, blauw of -groen gekleurde waterjuffer neemt haar vlucht, en stort zich op de -eerste vlieg of den eersten vlinder, dien zij ontmoet." - -De kreet van den Encuerado onderbrak mijne les. Dat was de etensklok. - -[20] In ons land noemt men ze glazenmakers en waterjuffers. - - - - -XI. - -EENE BLAUWE HAGEDIS.--DE INDIAANSCHE PEREBOOMEN.--DE BOOZE -VROUW.--NEST GELE SLANGEN.--EEN PLANTAARDIGE HELM.--DE IJSVOGEL.--DE -TROEPIALEN.--JACHT OP DRAAIKEVERS.--DE KIKVORSCHENLARVE.--EENE -VERZAMELING WANTSEN. - -Op de onveranderlijke rijstsoep der groote dagen volgden de op den -vuurgloed gebraden reebouten, omgeven door aardappelen. De kostelijke -knolvrucht, in den wilden staat verzameld, herinnert slechts in de verte -aan den smaak van den gekweekten aardappel. In plaats van meelachtig -is zij week, doorschijnend en bijna zonder smaak. Dit nam evenwel niet -weg, dat wij er in smulden en alle eer bewezen aan het wildbraad, dat -de Encuerado goed met piment had ingewreven om den geur er van te -vermeerderen. - -Terwijl wij eene sigaar rookten, die Sumichrast, naar gelang de -omstandigheden, de rust-, raad-, of spijsverteringspijp noemde, keerde -Lucien naar den struik terug, waarop hij de cicaden had gevonden, deed -er een grooten voorraad van op en vond nog eene derde soort, die de -gedaante van een triangel had met twee aan de basis zittende hoorns. Hij -liep naar ons toe om ons deze miniatuurstieren te laten zien en poogde -daarop, met een langen stok als hefboom gewapend, een grooten met mos -overdekten boomstronk op te heffen. Hij slaagde er niet zonder veel -moeite in, en zag toen tusschen den wortel verborgen, een fraaie -hagedis met groenachtigen rug en azuurblauwe keel en zijden, welke -verscheidenheid ons nog onbekend was. Het diertje, waarschijnlijk door -het licht verblind, liet zich pakken, boog daarop den kop omlaag en -beet den knaap in den vinger, die haar toen liet vallen. De Encuerado -pakte de vluchteling evenwel weer beet. - -»Weet gij niet, dat de hagedissen geen kwaad doen? vroeg Sumichrast aan -Lucien. - ---Daarom bijten ze dan zeker, hernam de knaap, zijne hand schuddende. - ---Ja, antwoordde de natuurkundige, maar stel u gerust, hare beet is -nooit vergiftig. - -De nacht kwam. Eene menigte insecten begonnen om het vuur te dwarrelen -en verbrandden zich de vleugels alsof het niets ware. Sumichrast -verzamelde op deze wijze verschillende nachtvlinders. Lucien wilde de -oorzaak kennen, die zooveel arme beestjes tot de vlam aantrok. Twee of -drie groote kevers kwamen, in plaats van zooals de andere insecten om -het vuur heen te vliegen, met groot geraas aansnorren en wierpen zich op -de gloeiende kolen. - ---Zie eens waartoe de onbezonnenheid voert, sprak Sumichrast. Als wij -van af ons vertrek maar voort waren geloopen, zonder voor onze voeten te -zien, zouden wij lang op den bodem van een afgrond liggen. - ---Maar de kevers en vlinders vliegen uit vrije verkiezing in de vlam, -antwoordde de Encuerado op zijn onverstoorbaren redeneertrant. - ---Maar zij weten niet dat zij brandt, hernam ik. - ---Dat is waar, mompelde de Indiaan op een medelijdenden toon, de arme -drommels kunnen geen vuur maken. - -De vermoeidheid deed ons onze gemakkelijke jacht opgeven en wij sliepen -onder eene zoele lucht in, die ons te aangenamer was, als wij aan het -lijden van den vorigen nacht dachten. - -Onze slaap werd onderbroken door het herhaalde geroep van eene schaar -sierlijke vinkvogels, door de Mexicanen »wekkers" (_despertadores_) -geheeten. De dag vertoonde zich ternauwernood en in spijt van de -voorspelling van den Encuerado had het niet geregend. De glans van het -opnieuw aangewakkerde haardvuur verdreef onze gevederde buren, maar dank -zij hun geschreeuw vond de eerste zonnestraal ons geheel voor de reis -gereed. Op het punt zijnde van te vertrekken, ontstond er eene nieuwe -woordenwisseling. Wij moesten over het ravijn en door den stroom. - -De Encuerado zeide, dat wij de rivier op, een waadbare plek moesten -zoeken en dat was ook mijne meening. Sumichrast hield daarentegen -staande, dat wij veel meer kans hadden de oevers lager te zien worden, -als wij de tegenovergestelde richting volgden; zijne meening hield de -overhand en hij wees ons den weg, terwijl hij met zijn machete een pad -door het struikgewas baande. - -Daar wij hardnekkig den rand van het ravijn volgden, kwamen wij slechts -met buitengewoon veel moeite vooruit. Het geraas van den stroom, die -grooter scheen te worden, trok ons naar het woud, waar de afwezigheid -van gras en kreupelhout ons toeliet vlugger te loopen. - -De boomen begonnen dunner te staan en wij kwamen weer in het struikgewas -terecht, om eindelijk op eene vlakte uit te komen, die vol met -Indiaansche pereboomen stond. Deze struiken leverden ons eene menigte -nog groene vruchten op, waarop wij allen zeer verlekkerd waren. De -Encuerado maakte van dezen onverwachten oogst gebruik, om de ledige -plaatsen in zijne mars aan te vullen. De wilde goyavaboom of Indiaansche -pereboom is eene soort van myrth, die in het Gematigde Land overal in 't -wild groeit en eene hoogte van verscheidene meters bereikt. De vruchten, -die zelden rijp worden zonder door de vogels en insecten aangevreten te -zijn, hebben een smeltend, suikerachtig en zeer geurig vleesch, vol -pitten; men beschouwt ze als koortsverdrijvend en samentrekkend. De -gekweekte struik verandert van uiterlijk; de takken worden lang en komen -vol met bladeren, die aan den onderkant zilverachtig zijn en de vruchten -bereiken de grootte van een citroen, waarvan zij ook den vorm en de -kleur hebben. - -Lucien, die van struik tot struik ging om de mooiste vruchten te -plukken, bewees ons, dat de lessen van zijn leermeester niet tevergeefs -waren geweest en dat hij goed in de boomen wist te klimmen. - -Iedereen nam zijne vracht, waarvan hij zich een oogenblik ontdaan had, -weder op; maar toen de Encuerado zijne mars weer op den rug wilde nemen, -kon hij haar onmogelijk opheffen. Ik hielp hem en raadde hem aan ten -minste de helft van zijn oogst achter te laten, doch hij wilde mijn raad -niet opvolgen. Maar bij de eerste schreden, die hij deed, waggelde hij -als iemand, die dronken is en viel hij onder zijne last neer, terwijl de -goyavavruchten over den grond rolden. - -Ons gelach kwetste de eigenliefde van den goeden Indiaan. - -»Arme Jose-Marie!" riep hij uit, met ten hemel geheven handen. »Je wordt -oud. Wat een schande! niet eens meer een handje vol goyava's te kunnen -dragen. In je jonge jaren zouden drie zulke manden vol nog niet zwaar -genoeg zijn geweest om je knieën te doen buigen als een oud paard. Arme -Jose-Marie." - -De Encuerado overdreef wel een weinig zijne vroegere kracht, in elk -geval viel het hem zwaar om een groot gedeelte van de vruchten, die hij -verzameld had, achter te laten en ons aandringen vermeerderde nog zijne -teleurstelling. Om hem te troosten moest ik hem in herinnering brengen, -dat de goyavavruchten in vierentwintig uren bedorven zijn en dat zijne -mars er meer bevatte, dan wij konden opeten. - -Sumichrast ging ons een twintigtal passen vooruit; eensklaps bleef hij -staan en deinsde achteruit. Toen ik bij hem was, peilden mijne blikken -een ontzaglijken afgrond, op welks bodem de rivier zich met groot geraas -uitstortte. Het water hoopte zich eerst zwijgend en als slapende in een -groot bekken op, wierp zich vervolgens tegen eene onmetelijke rots, om -dan weer loeiende en schuimende in twee takken te voorschijn te komen, -die, na zich vereenigd te hebben, duizenden watervallen vormden. De lust -bekroop ons om in den afgrond af te dalen, ten einde dit wonderschoon -tafereel van alle kanten te kunnen beschouwen. - -Alvorens in het struikgewas te dringen, legden wij de doozen en -weitasschen af, want de onderneming vereischte al onze vlugheid. -Zoolang men zich aan de planten en heesters kon vastklampen, scheen het -neerdalen slechts een kinderspel; maar weldra betraden onze voeten een -rooden ijzerhoudenden grond, die door eene afstorting geheel kaal was -geworden. Sumichrast waagde zich het eerst op dit gevaarlijk terrein, -dat bij den derden pas onder hem instortte. Hij rolde de helling af, -klampte zich instinctmatig aan de eerste takken de beste, die hij -grijpen kon vast, welke hij onmiddellijk, onder het uiten van een kreet -weer los liet. Gelukkig hield een heester hem boven den afgrond tegen. -Ik sloeg mijn hakken diep in den lossen bodem, om mijn vriend hulp te -bieden, die, het gelaat door pijn samengetrokken, zijne rechter hand, -welke reeds geheel rood, opgezwollen en met witte blaren bedekt was, -naar mij ophief. De tak, dien hij in zijn val had vastgegrepen, behoorde -aan eene reusachtige brandnetel, die de Indianen _mala mujer_, booze -vrouw, noemen. Deze plant groeit slechts op vochtige oevers,--uit -boosaardigheid, zeide de Encuerado, ten einde eene kwade poets te -spelen aan den reiziger, naar wien hare verraderlijke groene stengels -en behaarde bladeren zich uitstrekken. - -Het lijden van Sumichrast bedroefde ons, want wij kenden bij eigen -ondervinding de ondragelijke branding, welke de steken van de »booze -vrouw" veroorzaken. - -[Illustratie: Een struik hield hem boven den afgrond tegen. (blz. 96).] - -De Encuerado nam Lucien onder zijne hoede, terwijl ik den gewonde hielp -vooruitkomen. Wij wonnen, zonder te veel hindernissen, een weinig -terrein; maar weldra verhief zich een bosch van brandnetels voor ons. -Sumichrast en Lucien gingen zitten, terwijl ik, door den Encuerado -geholpen, met behulp van de machete een nauw en bochtig pad baande op -een bodem, waarvan de grillige slingeringen meer dan eens onzen arbeid -nutteloos maakten; eindelijk bereikte ik _ahuéhuétés_ met een somber -gebladerte,--wij waren bijna de moeielijkheid te boven. - -Ik keerde naar mijne gezellen terug; de stengels van de brandnetels op -eenige duimen boven den grond afgesneden, dienden ons tot steunpunten. -De altijd te goed vertrouwende Encuerado struikelde, zoodat zijn wang -met een blad in aanraking kwam. Dit was genoeg om hem bijna onherkenbaar -te maken. Alhoewel ik hem beklaagde, kon ik mij toch niet inhouden om te -lachen over de gezichten, die het branden, door de vreeselijke stekels -veroorzaakt, hem deed trekken. Het was een optrekken van den neus en een -bewegen van de kaken, die Sumichrast zijn eigen lijden deden vergeten. -Gringalet, den staart omhoog geheven, scheen het gevaar te trotseeren; -ik merkte evenwel op dat hij, door zijn instinct gedreven, vermeed op de -bladeren te trappen, waarmede het pad bezaaid was. - -Onder de ahuéhuétés, eene soort van cypres, vertoonden zich vijf of -zes slangen, die bijna onmiddellijk verdwenen. Eene enkele, ongeveer -anderhalven meter lang, hield aan den voet van een boom in en wierp een -vertoornden blik op ons. Gringalet liep woedend en blaffend om het -kruipdier rond, dat, op zijn staart opgericht, zijn kop als eene pijl -naar voren wierp. Zijne huid, van eene fraaie, goudgele kleur, met -groenachtige punten bezaaid en met twee, bijna onzichtbare overlangsche -zwarte strepen geteekend, wekte onze bewondering op. De Encuerado -riep den hond terug, de slang rolde zich op, draaide den kop in alle -richtingen rond en bewoog hare zwarte en gevorkte tong snel heen en -weer. Eensklaps strekte zij zich op den bodem uit en schoof een vogel, -dien wij eerst niet hadden opgemerkt en welke nog stuiptrekte, voor zich -uit; daarna opende zij den bek en sloot dien herhaalde malen;--men zou -gezegd hebben, dat zij geeuwde. Plotseling slikte de afschuwelijke en -buitenmate opgesperde muil den kop van den vogel in en de slang bleef -onbeweeglijk liggen, alsof deze eerste inspanning haar had uitgeput. De -prooi was klein, in verhouding tot de grootte van de slang en twee of -drie slikkingen zouden haar hebben doen verdwijnen; maar de Encuerado -had voor beginsel, dat de kruipdieren in 't algemeen kwaaddoende dieren -zijn; hij trok derhalve zijne machete, liep op de slang toe, die, den -vogel wegwerpende, met een ruw geschuifel de vlucht nam. - -»Is dat dan een ratelslang?" vroeg Lucien verwonderd. - ---Neen, 't is eene gladde slang, dat wil zeggen een niet giftig -kruipdier. De Indianen noemen deze de _gele slang_ en vreezen haar ten -onrechte. Zij klimt met eene buitengewone behendigheid tegen de boomen -op om er de vogels tot in hunne nesten op te zoeken. De beelden van den -oorlogsgod der Asteken, den verschrikkelijken Huitzilipochtli, aan wien -men duizenden menschen offerde, hadden het hoofd met eene gele slang -omgeven en alles doet ons gelooven, dat het dier, hetwelk wij zoo even -zagen, hetzelfde is, wat de Indianen hebben willen verbeelden." - -Een weinig verder meende Lucien eene lange witte slang op het gras te -zien liggen. Gringalet, stoutmoediger dan gewoonlijk, greep het dier en -bracht het in zijn bek aan. Het was slechts de huid eener slang. Lucien -vernam toen, dat alle leden dezer familie eens per jaar verhuiden, en -dat zij reeds uit hun omhulsels uit eene scheede kruipen, waarop men tot -zelfs de schubben der oogen terugvindt. - -Wij zetten onze afdaling voort en de Encuerado, die voorop was gegaan, -kwam eensklaps terug met een grooten plantaardigen helm op het hoofd. Ik -herkende de reusachtige bloem eener plant, die ik reeds op de bergen van -Songolica had aangetroffen. Niets is prachtiger dan deze bloem, die vóór -hare ontluiking den vorm heeft van een eend op het water. In één ochtend -gaat de groote bloemkelk open en verandert in een met een helmkam -versierden helm, waarvan het binnenste als met paars fluweel bekleed, de -oogen verblindt. Het zaad van deze slingerplant, waarvan de Indiaansche -naam mij ontgaan is, is plat en als een hart uitgesneden en draagt op -een der kanten een volkomen zuiver geteekend Maltheser kruis. - -Sumichrast vergat een oogenblik zijn lijden, om dit wonder te -beschouwen, en Lucien, die een tweede uitgekomene bloem had gevonden, -wist niets vluggers te doen, dan er zich het hoofd mede te bedekken. -Maar de vuile en doordringende geur, door de prachtige bloemkelk -uitgewasemd, maakte ons onpasselijk, en ik beval Lucien zijn gevaarlijk -hoofddeksel weg te werpen. - -Nog eenige stappen en wij kwamen op den bodem van het ravijn, waar de -eerste zorg van Sumichrast en van den Encuerado was om hun blaren af te -wasschen. Ik ging met Lucien op eene rots zitten, die aan eenen kant -door den stroom bespoeld werd, ten einde het prachtige tooneel voor mij, -te aanschouwen. - -Men stelle zich een onmetelijken berg voor, als door de hand van -een reus geopend, en op de geweldig vaneengeweken wanden, een mantel -van groen met duizend tinten. Omlaag, als om de groote kloof te -ondersteunen, een wonderlijke ophooping van rotsen met grijze en -zwarte kleuren, waartusschen zich de kruin van een boom verhief, welks -bladeren met bloemen waren opgeluisterd. Midden uit den geopenden -berg kwam, als uit eene onzichtbare spelonk, een breede stroom met -doorschijnend, stil en oogenschijnlijk onbeweeglijk water, dat op eene -rots neerstortte, waarvan het midden als de steven van een schip -vooruitstak. Alsof hij door den schok woedend en door het geraas dol was -geworden, sprong de in schuim veranderde stroom vol toorn op en viel, -door de zwarte punt der rots in twee kolommen gescheiden, weer neer, en -wierp zich dan vol snelheid langs eene reusachtige trap, die hij scheen -te willen verwoesten, naar omlaag. Dan nam een nieuw bekken, als eene -schelp uitgehold, het vermoeide water weer op en stortte het zachtjes in -een met groen omzoomden kom uit. De bedaarde stroom hernam zijn loop, -stiet opnieuw tegen de steenen, die hij had meegesleept en bereikte -zoo, van val tot val en van vlakte tot vlakte gaande, de valleien, die -zich meer dan drie duizend voet onder ons bevonden. Deze Niagara, in -verkleinde afmeting, bracht mij in herinnering, dat toen ik een jaar te -voren, in het Warme Land de omstreken van Tuxtla onderzocht, mijn paard -mij bij den waterval van den Ingenio had gevoerd--welke waterval onder -de meest beroemde zou gerekend worden, zoo niet een woestijn den toegang -zoo moeielijk maakte. - -Onze beide makkers, wier lijden door de aanraking met het water wat -bedaard was, kwamen naast ons zitten. Ik kon niet zeggen, welk trotsch -genot wij ondervonden toen wij ons, in die wilde omgeving, voor -dien onbekenden waterval bevonden, waarvan wij misschien de eerste -aanschouwers waren. Achter ons schenen de zijden der bergen zich te -vereenigen en het stroombed nauwer te maken. De zon baadde dit gedeelte, -met groote hoornen omzoomd, waarop ijsvogels vlogen, in eene zee van -licht. Een dezer vogels kwam dicht bij ons zitten; hij had eene witte -keel, de bovenzijden der vleugels waren zwart en de veeren van den kop -donkergroen. Dik, ineengedrongen en met een korten staart, geleek hij, -zooals Lucien opmerkte, op een slecht geteekenden vogel; weldra hernam -hij zijne hortende vlucht, schoor over de oppervlakte van het water, -dook er met eene ongehoorde snelheid in en verdween, terwijl hij de -kronkelingen van het ravijn volgde. - -Lucien wees mij op een reusachtigen wilg, waarvan de over den stroom -hangende takken aan hunne punten groote vruchten, in den vorm van -kalebassen schenen te dragen. Ik herkende eene kolonie van die fraaie -gele, met zwart gevlekte vogels[21], waaraan de Mexicanen den naam van -_colandres_ geven. Ten einde Lucien van zijne vergissing te overtuigen, -wierp de Encuerado een grooten steen in den boom. De steen viel van tak -tot tak, en deed een honderdtal vogels uit hunne nesten komen. Het was -in den beginne een vreeselijk geweld van kleine kreten; maar toen het -geraas over was, schoven de vogels als 't ware over het water, om in -hunne onbereikbare woningen terug te keeren. Eenige bleven op den boom -zitten en kweelden een lied, den nachtegaal waardig. - -[21] Waarschijnlijk eene soort troepiaal of misschien de Baltimorevogel. - (N. v. d. V.) - -Wij volgden het ravijn, in de hoop een minder steilen oever te vinden -dan die, welken wij gevolgd waren en een lange omweg bracht ons bij een -rustig water, dat over een bed van zand stroomde. De zon scheen met -vollen glans op de doorschijnende oppervlakte en dicht bij den oever -wemelde het van honderden draaikevers. Lucien, die slechts terloops hun -vorm kon zien, zoo snel waren hunne ronddraaiende bewegingen, hield ze -voor vliegen, die op het water liepen. - ---Het zijn kevers, zeide Sumichrast. - ---Waarom draaien zij dan zoo? - ---Om hun voedsel te zoeken, want het zijn roofkevers en zij hebben veel -voedsel noodig. In Frankrijk noemt men ze gewoonlijk _draaiers_ of -_watervlooien_[22]. - -[22] Ook in ons land worden ze veelvuldig aldus genoemd. - -Lucien wilde een draaikever vangen, maar het gelukte hem niet; de -Encuerado en Sumichrast, voor wie dit zeer goed was, hielpen hem weldra. -Ik had eerst veel schik in de nuttelooze pogingen van mijne gezellen, -en daar ik dacht behendiger dan zij te zijn, lag ik weldra bij hen. -Daar lagen we dan alle vier met de hand in 't water, onbeweeglijk, met -ingehouden adem, ten einde des te beter onze aandacht op de draaikevers -te kunnen vestigen. De draaikevers kwamen in opeengedrongen massa, -draaiden als een levend mozaïek, gingen van rechts naar links, van voor -naar achter, maar hoe vlug wij ook de ondergedompelde hand naar boven -brachten, het mocht ons niet gelukken er een enkelen te vangen. - -Een uur ging met dat spelletje voorbij en ik geloof niet dat wij het -zouden opgegeven hebben, als niet de zon had opgehouden den oever te -verlichten en de draaikevers uit onze nabijheid had verdreven. Lucien -zag niet zonder spijt, dat zij naar het midden trokken en de Encuerado, -woedend dat hij door zulk een vluggen troep was beetgenomen, zwoer dat -hij den eersten den besten, dien hij zou tegenkomen, zou vangen. Wij -waren reeds ver weg, als de Indiaan nog bezig was hen met steenen te -werpen en voor gekken uit te schelden, wat in zijn mond eene groote -beleediging beteekende. - -Een twintigtal kikvorschlarven, die in een waterplas zwommen, werden -door Lucien voor visschen aangezien. - ---Dat zijn kikvorschen, zeide ik hem. - ---Waar zijn dan hunne pooten? vroeg hij. - ---Onder die bruine huid, die hun het uiterlijk van visschen geeft, -en die, als het uur der gedaanteverwisseling zal aangebroken zijn, -op den rug zal opensplijten, om doortocht aan den jongen kikvorsch te -verleenen. Ziehier eens de larve, die ik gevangen heb; men kan de pooten -door de doorschijnende huid zien. Vandaag nog visch, dat wil zeggen -door kieuwen--die kleine kwabjes die gij aan weerszijden van den kop -ziet--ademende, zal hij morgen batrachier[23], en een tweeslachtig dier -zijn en loopen en springen, en dat stomme wezen zal zijne buren door -zijn nachtelijk gekwaak vervelen. De Tolteken, dat groote volk, hetwelk -voor de Asteken in Mexico leefde, telden een kikvorsch onder hunne -goden. Terwijl ik de kikvorschlarve weer in de waterplas zette, die -zonder twijfel door een wassen van den stroom ontstaan was, bemerkte -ik eenige witte insecten, die, onophoudelijk in beweging, zich door -hortende sprongen boven het water verhieven, om er aanstonds weer in te -vallen. Lucien, over hunne zonderlinge beweging verwonderd, riep uit: - -[23] Orde waartoe de kikvorschen, padden enz. behooren. - ---Maar ze loopen op den rug! - ---Gij hebt gelijk, het zijn waterwantsen en van de familie der -tettigonen of cicaden, derhalve hemipteren of halfvleugelige insecten. - -Gelukkiger dan bij zijne jacht op de draaikevers, slaagde de jonge -natuuronderzoeker er in om twee of drie waterwantsen te vangen. - ---Maar waartoe dienen hunne vleugels? vroeg hij. - ---Wel, om te vliegen en van woonplaats te veranderen. - ---Wat! Kunnen de waterwantsen dan vliegen, loopen en zwemmen? - ---En ik ben er zeker van, dat ze 's nachts kunnen zien, voegde de -Encuerado er bij, die, men zal het zich herinneren, dit voorrecht aan de -dieren benijdde. - ---Wij dienen het wel aan te nemen, antwoordde ik lachende, want zij -kiezen altijd den nacht uit om te reizen. Pas op dat gij u niet laat -steken, want de waterwants bijt even vinnig als haar zusters de hout- en -bedwantsen. - -Een weinig verder bleef Lucien voor een grasachtig gewas staan, dat van -boven tot beneden met ronde, platte, zwart met rood gestippelde insecten -bedekt was, wat het op een ingelegd meubelstuk deed gelijken. Vol trots -over zijne ontdekking, vatte hij er twee of drie aan; maar toen hij -bemerkte, dat hun week lichaam tusschen zijne vingers meegaf, liet hij -ze vol afkeer vallen. - -»Hé! Wat zijn dat voor beesten?" - ---Dat zijn houtwantsen, antwoordde Sumichrast, maar nog in den staat van -larven; zij hebben nog geen vleugels. - -»Van waar komt die reuk, die mijne vingers verpest?" - ---Als men ze aanraakt, zweeten zij een geelachtig vocht, van eene zeer -doordringende reuk, uit. - -Lucien ging spoedig zijne handen wasschen; maar hoe hij ze ook wreef, de -reuk bleef en scheen hem zeer te hinderen. Ik maakte daaruit de -gevolgtrekking, dat de houtwantsen slechts in geringe hoeveelheid deel -van zijne verzameling zullen uitmaken. - -Na een vrij langen uitstap op den bodem van het ravijn, moesten wij -weer ons punt van uitgang opzoeken; de eenige kant, waar de oever -toegankelijk was. Wij vonden den waterval terug, badende in het licht. -De groote bovenste vlakte geleek op een blok azuur, terwijl de kleine -watervallen flonkerden, alsof zij diamanten meevoerden. Boven ons, in -een rooskleurigen nevel, teekende zich flauwtjes een regenboog af. - -Ik ontrukte mijne gezellen aan dit wonderschoon schouwspel. - -Er had zich geen wild vertoond; maar er bevond zich nog een groot stuk -van het jonge ree in de mars. Sumichrast had nog altijd pijn en de -Encuerado scheen verkouden te zijn. Nu moesten wij weer naar omhoog -stijgen en onder duizend voorzorgen trokken wij de plaats door, waar -wij de slangen hadden gezien. Ik weet niet hoe wij met onze opstijging -zouden klaargekomen zijn, als de Encuerado niet op de gedachte was -gekomen om takken af te snijden, die voor stokken dienden. Vooral wilde -ik Lucien de pijn besparen, die de aanraking met de »booze vrouw" -veroorzaakt en met eene zucht van verlichting zag ik hem gezond en wel -boven op den oever. - - - - -XII. - -EEN NABESTAANDE VAN GRINGALET.--EEN GIDS OP VIER POOTEN.--DE -INSPECTIE.--DE CROCODIL-SCHILDPAD.--DE FAZANTEN.--DE MAGNOLIA.--DE -MUSKAATBOOM.--HET BLAUWE GRAS.--DE RUPS. - - -De zon ging onder; het was dus het raadzaamst, dat wij ons bivak van -den vorigen dag weer gingen opzoeken en het opsporen van den overgang, -dien wij dezen dag tevergeefs hadden gezocht, tot den volgenden dag -uitstelden. Trouwens het gezicht van den waterval had ons voldoende -schadeloos gesteld voor deze nuttelooze wandeling; toen dit besluit -genomen was, keerden wij weer terug onder het peuzelen van onze -goyava-vruchten. - -De karavaan trok dus opnieuw en op goed geluk het bosch in, zonder zich -te ver van den stroom te verwijderen. Het scheen ons twee of driemalen -toe, alsof wij den plek bereikt hadden, waar wij den oever hadden -verlaten; maar wij kwamen weldra weer in onontwarbaar kreupelhout -terecht. De tijd ging voorbij en ik meende dat wij het doel reeds -voorbij waren. Zooals het in dergelijke vallen meestal gebeurt, waren de -gevoelens verdeeld. Een vos, die zich onder het bereik van het geweer -vertoonde, brak de woordenwisseling af; ik schoot op het dier, dat -neerviel. Het wilde, op het geblaf van Gringalet, opnieuw opstaan, -opende bij onze nadering zijn met witte tanden gewapenden bek, schoot -uit zijne gele en schitterende oogen een kwaadaardigen blik op ons en -viel levenloos neer. Het was een prachtig dier, in alle opzichten gelijk -aan zijne soortgenooten in Europa. - -Door een zonderling toeval liet een raaf boven ons een vreeselijk -gekras hooren, op het oogenblik dat de vos stierf. - -»Ziedaar een raaf, die ons bedankt, dat wij hem van meester vos bevrijd -hebben," sprak Sumichrast tot Lucien. - -De knaap lachte om de scherts. Niettegenstaande onze raadgevingen, wilde -de Encuerado het dier, waarvan hij de huid wilde bewaren, stroopen. -Gelukkig was hij in dat soort van werk zeer vlug; het duurde dan ook -niet lang of de schoone pels rustte op zijn arm, in afwachting dat zij -de buitenzijde van de mars zou versieren, om te drogen. - -»Ik hoop dat gij de verwantschap van meester vos reeds zult herkend -hebben," sprak Sumichrast tot Lucien. - ---Ja, door de kleur en den vorm gelijkt hij op den coyoot. - ---Gij hebt gelijk, maar de coyoot en hij zijn neefjes van Gringalet. - ---Dat zou ik niet gezegd hebben; Gringalet heeft kort haar, hij is zwart -en wit gevlekt en heeft grijze oogen. - ---Dat zijn bijkomende kenmerken; Gringalet is de type van de -vleeschetende dieren, welke de natuurkundigen teenloopers of -_digitigraden_ noemen. - ---Is Gringalet een teenlooper? sprak Lucien lachend. - ---Wel zeker, dat wil zeggen dat hij op de teenen en niet op de voetzolen -loopt, juist zooals meester vos, wiens tandstelsel volkomen gelijk is -aan dat van Gringalet. Het voornaamste verschil dat tusschen beiden -bestaat, is, dat de vos oogen heeft, welke ingericht zijn om des nachts -te kunnen zien, welke eigenschap Gringalet niet in denzelfden graad -bezit. - ---Bestaan er wilde honden? - ---'t Is waarschijnlijk, alhoewel het punt betwist wordt. Maar de hond, -die metgezel van den mensch, is in den staat van huisdier zoozeer -gewijzigd, dat wij moeite zouden hebben om hem in den wilden staat te -herkennen. In elk geval zijn de coyoot, de vos en de wolf slechts -soorten van wilde honden. - -Wij kwamen andermaal in het kreupelhout terecht zonder een spoor van -onzen doortocht te kunnen vinden. Het werd hoog tijd dat wij ons -uitgangspunt terugvonden. Ik merkte op dat Gringalet, in plaats van om -ons heen te huppelen, zooals zijne gewoonte was, zonder ophouden achter -bleef, de ooren opstak en een klagend gehuil deed hooren. - -»Drommels," riep ik uit, »als wij Gringalet eens voor gids namen?" - -Zoodra het dier zijn naam hoorde, kwam het naar mij toe. Ik streelde -het. - -»Komaan, zeg eens tegen uw hond, dat hij ons naar het bivak brengt," -sprak ik tot Lucien. - ---Naar het bivak! naar het bivak! riep de knaap uit, terwijl hij het -dier aanhaalde. - -Gringalet snoof, alsof hij het werkelijk begrepen had, de lucht op -en ging vooraan. Mij dacht, dat hij ons langs een langen omweg -achteruit voerde. Niettegenstaande de Encuerado onophoudelijk van de -goyava-vruchten at, boog hij toch onder zijne vracht, Sumichrast, wiens -hand al meer en meer opzwol, schertste nog maar bij tusschenpoozen. -Lucien, hoewel vermoeid, liep steeds door, telkens zijn hond -toeroepende: - -»Naar 't bivak! naar 't bivak!" - -Allengs werd het geraas van den stroom duidelijker; onze gids begaf -zich onder het kreupelhout. Terwijl wij de takken, die ons den weg -versperden, afhakten, bleef Gringalet, met opstaande ooren en een -opgeheven poot wachten. Eindelijk vertoonde zich de hut, door onze -vreugdekreten en het geblaf van den hond begroet, dien iedereen als om -strijd liefkoosde. - -Een vreemd iets; ik zag met aandoening de plaats van het kampement -terug, waaraan ik een eeuwig vaarwel dacht gezegd te hebben. Die half -uitgedoofde stukken hout, dat afdak, door ons opgericht, maakten op mij -de uitwerking als van eene vondst. Sumichrast verklaarde denzelfden -indruk te hebben ontvangen. Lucien, op zijne beurt ondervraagd zijnde, -verklaarde dat zijne eerste beweging was geweest een Indiaan in de hut -te zoeken. - -Maar Gringalet? Had hij ons dan begrepen? Zij, die de slimheid van de -honden op de proef hebben gesteld, zullen er niet aan twijfelen. Het -woord _bivak_, sedert ons vertrek ontelbare malen herhaald, heeft het -oor en het geheugen van het dier zoodanig moeten treffen, dat het voor -hem dezelfde beteekenis verkreeg als rust en maaltijd. - -Den volgenden morgen waren wij bij het aanbreken van den dag reeds -op weg, en volgden wij langzaam den loop der rivier opwaarts. De nog -altijd pijnlijke hand van Sumichrast liet hem nog niet toe, zich van -zijn geweer te bedienen; de Encuerado, alhoewel voor vier-en-twintig -uuren misvormd, behield evenwel het volle gebruik zijner ledematen. -De pasbeginnende reiziger is zonder ophouden aan zulke ongevallen -blootgesteld. Te midden eener onbekende natuur verplaatst, geeft hij toe -aan de behoefte om een blad af te trekken, een tak te schudden, eene -bloem te plukken; maar de straf volgt spoedig en soms verschrikkelijk; -uren van angst doen soms voor de onschuldige afgetrokkenheid van eene -seconde boeten. De gevaren zijn in het midden der wilde wereld zoo -talrijk, dat er meer moed toe behoort dan men gewoonlijk meent, om ze -te durven onderstaan. Iedere ontdekker moet zich op zware beproevingen -voorbereiden. Allengs komt de ondervinding te hulp aan hem, die -geestkracht genoeg bezit om vol te houden. Hij leert met een oogopslag -den boom herkennen, dien men moet vermijden, het gras, waarop men niet -treden moet, de slingerplant, waarvan men de aanraking moet ontwijken, -de vrucht, die men niet moet proeven. Daarna wordt het beheerschte -lichaam gehard en gaat, zonder te klagen, daarheen, waar de ziel -het voert. Men staat elk oogenblik verbaasd over de sterkte van dat -armzalig omhulsel van vleesch, dat door een val gekneusd, door de -takken gezweept, door de doorns verscheurd, door de insecten verslonden -wordt en dat toch elken dag voortgaat met den dood, onder zijne -afschrikwekkendste gedaanten--vergif, venijn, duizelingen, -slapeloosheid, honger en dorst--te trotseeren. - -Ik had mijne reisgezellen in oogenschouw genomen en deze overwegingen -waren door mijne kortstondige inspectie bij mij opgekomen. Sumichrast, -groot van gestalte, met breede schouders, tegelijkertijd zachte maar -geestkrachtige trekken, een arm in een draagband, de kleeren aan -flarden, had zes of zeven schrammen in 't gelaat. Met de linkerhand -op een stok steunende, liep hij een weinig gebogen, met opgezwollen -hals, het hemd op de borst open, zwart en door de zon gebrand onder -zijn blonde haren. Achter hem, het geweer aan den draagriem over den -schouder, ook een weinig gebogen, met stevigen en vastberaden stap, het -voorhoofd met schrammen doorploegd, de handen gekwetst, vertoonde Lucien -zijne door insectensteken doorploegde borst. Toen hij mij voorbijging, -glimlachte hij, nam zijn hoed af, waaruit zijne goudblonde lokken -ontsnapten, en liet een vroolijk vivat hooren. Gringalet, nu verzoend -met de eekhoornvellen, liep naast zijn jongen meester. Eindelijk sloot -de Encuerado, met bloote armen en voeten en met goyava-vruchten beladen, -den marsch. De brave Indiaan trachtte, toen hij mij voorbijging, zijn -strooien hoed op te lichten, zijn gelaat helderde op en zijn glimlach -toonde mij een rij tanden, die waardiglijk met die van Gringalet konden -wedijveren. Voldaan over mijne inspectie, nam ik mijn geweer opnieuw op -den schouder, om de voorhoede weer in te nemen en mijne rol van -wegwijzer te vervullen. - -Langzamerhand werden de oevers van het ravijn met hout bedekt en de -afdaling liep zonder ongeval ten einde. - -Ik liep vervolgens den oever langs om eene doorwaadbare plek te -vinden. Eindelijk veroorloofde eene bocht, waar het water kalm en stil -voortvloeide, ons om zonder ongeval de rivier over te steken. Ik stelde -toen voor halt te houden. In onze nabijheid verhieven zich hooge rotsen, -met mos bedekt, die het water, bij zijn was, moest bespoelen; voor ons -was een zacht hellende dam, met gras begroeid,--eene weide aan den oever -van een meer. - -Wij bestegen den dam, toen een voorwerp, dat wij niet goed konden -onderscheiden, zich aan den zoom van het woud vertoonde, als 't ware -over het gras rolde en naar ons toe kwam. Het was een reusachtige -schildpad, maar een schildpad, die in snelheid met eene haas had kunnen -wedijveren. De Encuerado wilde haar den weg versperren, maar werd -omvergeworpen. Sumichrast, zijne pijnlijke hand vergetende, gaf het dier -een slag met zijn geweerkolf, zonder andere uitkomst evenwel, dan dat -hij den gang van het dier wat vertraagde. De Indiaan, woedend over zijn -ongeval, ontdeed zich van zijne last en kwam met de looppas aanstormen; -door onze vereenigde pogingen slaagden wij er in het dier, op twintig -voet van de rivier, op den rug te krijgen. - -Lucien, die door deze worsteling en door de grootte van de schildpad -een weinig verschrikt was, naderde nu om haar te bezichtigen. Ik hield -hem op een afstand van het dier, dat zijne groote pooten, die met -verschrikkelijke klauwen gewapend waren, woedend heen en weer sloeg, -terwijl het zijn bek, een soort van hoornachtigen snavel, dreigend -opensperde. - -»Het is een _galapago_, zeide de Encuerado, en slechts goed om gedood te -worden. - -De chelonier,[24] dien de geleerden alligator- of crocodil-schildpad -noemen, mat minstens een meter van den kop tot aan den staart. Deze -laatste, alleen bijna zoo lang als het overige lichaam, droeg eene -driedubbele rij van schubachtige stekels, die als tanden er in waren -geplant. De grijze, ruwe en geschubde huid van het kruipdier vormde -in den hals kussens van een afstootend uiterlijk, men zou ze voor -ziekelijke uitwassen hebben gehouden. Het afzichtelijke dier keerde ons -zijn gapenden bek toe. De schildpadvisschers zijn zeer bevreesd voor de -_galapagos_, die, vlugger dan de gewone schildpadden, met hunne scherpe -nagels of hoornachtige kaken vreeselijke wonden toebrengen. Men zegt, -dat het vleesch ongezond en taai is, maar ik geloof dat dit alleen -vooroordeel is. - -[24] Cheloniers is de wetenschappelijke naam, dien men aan de familie - der schildpadden geeft. (N. v. d. V.) - -Op het punt van te vertrekken, wilde de Encuerado het kruipdier den -kop afhouwen. Sumichrast verzette zich tegen dezen nutteloozen moord -en dacht er zelfs aan om de schildpad weer op haar pooten te zetten. -De Indiaan wilde voor dat goede werk zijne hulp niet verleenen; hij -beweerde, dat een ratelslang en een galapago in 't leven laten, -op hetzelfde neerkwam. Tot twee of driemalen toe had het dier ons -medelijden bijna met een beet beloond; want zoodra naderden wij niet, of -het draaide zich op zijn rugschild rond. Wij wilden het juist aan zijn -lot overlaten, toen het zich, door het terrein geholpen, weer op den -buik bevond, en nauwelijks was het omgekeerd of het kwam op Lucien los. - -De groote kussens van den hals, die zich ontplooiden, brachten den -kop meer naar voren; door een enkelen houw met zijn machete sloeg de -Encuerado den aanvaller den kop af. Toen vertoonde zich een vreemd -verschijnsel, dat een sterken indruk op ons maakte. Terwijl Gringalet -woedend tegen den kop tekeer ging, gingen de pooten voort met zich te -bewegen en sleepten den romp mede, die weldra onder het water verdween. -Al hadden wij ook dikwijls schildpadden wonden zien overleven, die men -zou meenen dat doodelijk moesten zijn, zoo stonden wij nu toch verstomd -over de kracht van het zenuwstelsel, die zich bij dit dier voordeed. - -»Komaan, beste vriend, tracht nu eens zonder kop te zwemmen en pas op -dat je je huis niet tegen de rotsen stuk slaat!" riep de Indiaan uit. -»Wat! de vader redt je het leven en je wilt zijn zoon verwonden! Gij -hadt mij niet gezien of ge dacht er niet aan dat ik ook bijten kon. - -Goede reis en houd je goed." - -Men ziet het, de Indiaan was geen edelmoedige vijand; maar hij had reden -om zich over de galapagos te beklagen, die hem eens, toen hij aan 't -baden was, bijna eene hand hadden afgebeten. - -De met gras begroeide oever bracht ons weldra in het diepe woud. Wij -marcheerden sedert een uur door een doolhof van reusachtige boomen, op -een kalen en vetten grond--want slechts bij het naderen der lichtingen -wordt de aarde met gras bedekt,--toen de Encuerado den schreeuw van een -fazant hoorde. - -»Laat ons naar links afslaan, om dichter bij het wild te komen," sprak -Sumichrast zachtjes, »en laat ons vooral de bladeren niet in beweging -brengen." - -»Wij zijn op den goeden weg," mompelde de Encuerado, »luistert.... ik -sta er borg voor, dat gij hem voor uw maaltijd zult hebben." - -De Indiaan zette zijne vracht neer, waarvan Sumichrast en Lucien de -bewaking op zich namen, terwijl ik hem volgende achter de boomen -verdween. Weldra ging mijn makker mij vooruit en bootste den -roepschreeuw van de vogels, die wij vervolgden, na, ten einde hen aan -te sporen om zelven te schreeuwen en ons zoodoende hunne schuilplaats -te ontdekken. De nabootsing werd zoo volkomen, dat ik met den neus in -den wind, voortliep, om onverwacht op den Encuerado te vallen, die in -hinderlaag lag; zulk eene misrekening overkwam mij nogal dikwijls, zelfs -met Sumichrast, die bijna even goed als de Indiaan, de geluiden der -verschillende dieren wist na te bootsen. Een laatste schreeuw lokte op -honderd pas van ons een antwoord uit en in den top van een niet hoogen -eik zaten drie groote fazanten met een zwart gebronsd gevederte. -Ineengedoken en achter de boomen voortkruipende, kwam ik bij den -Encuerado, het oog steeds gevestigd op de vogels, die, op de dikke -takken gezeten, onrustig hun halzen uitrekten en schenen te luisteren. -Twee geweerschoten knalden tegelijkertijd; een der vogels viel voor -onze voeten neer, de twee anderen vlogen weg; maar terwijl de eene zich -boven de boomtoppen verhief, moest de andere, die gewond was, zijn -makker alleen laten wegvliegen. Ik vervolgde hem zoo snel mogelijk -en beschouwde hem reeds als eene zekere buit. De arme vogel kwam op -den grond terecht en trachtte tevergeefs te loopen. Een vijftig pas -scheidden mij er nauwelijks van, toen een tijgerkat met donker vel te -voorschijn sprong, den fazant beetpakte en er mede verdween, eer ik -den tijd had om van mijne verbazing te bekomen. De strooper werd door -den Encuerado, die van mijne misrekening getuige was, voor schelm en -afzetter uitgescholden. - -Lucien beschouwde den fazant, die bijna zoo groot als een kalkoen was, -maar wiens donker gevederte volstrekt niet beantwoordde aan de fraaie -voorstelling, die hij er zich van gemaakt had. Hij vond den kop te klein -voor het lichaam van den vogel, wiens naakte en wratachtige wangen, -zooals hij zeide, er uitzagen alsof het dier twee pleisters van een -schildpadhuid droeg:--welke opmerking niet van juistheid ontbloot was. -Zoover mij bekend is, bezit Mexico geene enkele der fraaie, veelkleurige -soorten uit Azië en Afrika.[25] - -[25] Eigenlijke fazanten bezit Mexico niet; de door Biart vermelde vogel - is waarschijnlijk een Hoko-hoen of een op de Penelope-hoenders - gelijkende vogel geweest (_N. v. d. V._) - -Tegen twee uur in den middag maakte Lucien de opmerking, dat de boomen -dunner begonnen te staan, wat op eene lichting of op den voet van een -berg duidde. Sumichrast vroeg hem, als belooning voor zijne goede -opmerking, dat hij als wegverkenner zou vooruitgaan. Trots op deze -zending, waarnaar hij altijd hunkerde, bracht onze jeugdige gids ons op -eene opene plek, die op korten afstand een grooten, met hout begroeiden -wal liet zien. - -»Halt!" riep ik uit. - -De geweerkolven vielen op dit bevel op den grond; de hut werd opgebouwd -en de Encuerado maakte het wild klaar, dat, al waren de kleuren ook niet -schitterend, daarom geen minder geurig gebraad opleverde dan zijne -verwanten uit Europa. - -Sumichrast, die door zijne pijnlijke hand nog altijd tot werkeloosheid -veroordeeld was, bleef bij den Indiaan, terwijl ik, in gezelschap van -Lucien en Gringalet, de omgeving van onze woning ging verkennen. Bij -de eerste schrede zagen wij reeds een _Yoloxochitl_, eene soort van -Magnolia. Ik riep den Encuerado, die dadelijk in den boom klom om -ons eenige van de fraaie, welriekende bloemen te plukken, welke van -buiten roodachtig wit en van binnen geel van kleur zijn, en waarvan de -bloembladen, eer zij uitkomen, den vorm van een hart hebben en bij het -opengaan eene prachtige ster vertoonen. De Indiaan bleef niet in gebreke -ons te herinneren, dat een aftreksel van de glinsterende bladeren van -de Yoloxochitl een middel tegen buikloop is; dat haar bloemen, zooals -de vorm aanduidt, dienen om hartkloppingen te doen bedaren en dat -de schors, wat hare koortsdrijvende eigenschappen aanbetreft, met -die van den Kinaboom kan wedijveren. Een weinig verder zagen wij -een muskaatboom, een heestergewas van ongeveer drie meter hoogte en -volgeladen met nauwelijks gezette vruchten. In Mexico oogst men geen -muskaatnoten, trouwens is de boom, die ze voortbrengt, vrij zeldzaam. -Evenwel verbruiken de Indianen eene ongeloofelijke hoeveelheid -muskaatnoten uit de Molukken, hetzij als geneesmiddel, hetzij om de -spijzen te kruiden; de muskaatnoot, de kamfer en de duivelsdrek zijn de -drie voornaamste geneesmiddelen der Indianen. Ik toonde vervolgens aan -mijn kleinen reisgezel eene plant, die men het _blauwe gras_ noemt, en -waarvan de bladeren het water, waarin men ze dompelt, met eene fraaie -blauwe kleur tinten. Men verbouwt in Mexico eene verscheidenheid van dit -gewas om er de kleurende zelfstandigheid, gewoonlijk _indigo_ genoemd, -uit te trekken. - ---Maar hoe legt men het aan, vroeg Lucien, om uit een grasgewas die -donkerblauwe steenen te halen, welke ik op de markt heb zien verkoopen? - ---Ongeveer half Maart, antwoordde ik, oogst men de nieuwe bladeren van -den indigostruik, een heester tot de familie der leguminosen, peul- of -hulsplanten behoorende, en men stampt ze in een boomstronk, die als een -mortier is uitgehold, fijn. - -Het sap, dat deze bladeren, die aan eene sterke drukking onderworpen -worden, opleveren, is groenachtig, soms zelfs kleurloos, het wordt eerst -blauw tengevolge eener gisting in de open lucht. De Indianen laten het -dan in groote ketels kooken; het water verdampt en de indigo slaat in -den vorm van een week en lijmachtig deeg neer, dat men dan aan de zon -blootstelt, om het te doen drogen." - -Toen ik bij den voet van den berg gekomen was, zag ik, dat het ons -onmogelijk zou zijn dien den volgenden dag te beklimmen, zoo steil was -de helling. Ik ging op een omgevallen boomstam zitten, toen ik eensklaps -getroffen werd door een zeer sterke rozengeur. Lucien ontdekte onder -de schors van den boom vijf of zes fraaie kevers, van een azuurblauwe -kleur en met roode pooten, die in de zandachtige streken van Tehuacan -veelvuldig aangetroffen worden en waarvan de dames uit die omgeving zich -bedienen om het linnengoed welriekend te maken. Verrukt over zijne -vondst, vervolgde Lucien zijne opsporingen, in de hoop zich een grooter -aantal van deze fraaie insecten te kunnen verschaffen, die hij voor -zijne moeder wilde meenemen. Hij was gaan knielen en werkte met allen -ijver, toen hij mij met den vinger eene groote rups aanwees, welke over -het gras kroop en naar hem toekwam. - -De rups, van eene smaragdgroene kleur, droeg op den rug eene rij kleine, -regelmatig geplaatste boompjes. De stam en de takken, van een levendig -rood, eindigden in vertwijgde punten, van dezelfde kleur als het lichaam -van het dier. - ---Wat een zonderling dier! riep Lucien uit. Men zou zeggen, dat het een -tuin op zijn rug draagt; waartoe dienen het die struiken? - ---Dat weet men niet, en de vlinder, die uit deze rups zal ontstaan, zal -geen enkel spoor behouden van die zonderling geplaatste haren. - ---Zal er van die rups een vlinder komen? - ---Wel zeker, alle schubvleugelige insecten, waartoe de vlinders -behooren, leggen eieren waaruit rupsen komen, die meestal den boom of de -plant opeten, waarop zij uitgekomen zijn. Zoodra zij de grootte, die zij -hebben moeten, bereikt hebben, spinnen zij een omhulsel of cocon van -meer of minder goede zijde, waarin zij zich opsluiten. Zij dragen dan -den naam van poppen. In dezen cocon vormt zich de vlinder, wit of zwart, -geel of groenachtig; hij blijft in zijn cocon ingebakerd als een kind in -de luiers. In de lente wordt de zijden gevangenis doorgeknaagd en weldra -ziet men er een prachtigen vlinder uitkomen, die met zijn slurf het sap -der bloemen zuigt. Kendet gij dan al die gedaanteverwisselingen niet? - ---Ik dacht, dat zij alleen bij de zijdewormen plaats hadden. - ---Dan weet ge nu beter; alle rupsen en alle vlinders ondergaan die, maar -er zijn veel rupsen, die niet zulke kostbare cocons weten te spinnen als -de zijdeworm; eenige graven zich in de aarde; andere verbergen zich in -een blad, waarvan zij de randen als een peperhuisje omkrullen, dat hen -voor den snavel der vogels beschermt, anderen graven eindelijk eene -woning in een boomstam en bekleeden die met eene meer of minder fraaie -zijde, waarin de pop het uur afwacht, waarop zij, van eene armzalige -rups, die met zuignappen gewapende pooten heeft, herleven zal met vier -in de heerlijkste kleuren schitterende vleugels." - -Het onderwerp was onuitputtelijk, maar ik stelde mijne verdere -uitleggingen tot een anderen dag uit. Bovendien riep de Encuerado ons -met luid geschreeuw. - - - - -XIII. - -HET KRUIDJE-ROER-ME-NIET.--GRINGALET EN HET STEKELVARKEN.--DE -MEXICAANSCHE CAMELEON.--WOUW EN VALK.--EENE DUBBELKOPSLANG.--EENE -RAADSVERGADERING VAN KALKOENEN. - - -Gringalet was de eenige van ons, die den fazant versmaadde. Daar -wij onzen reismakker niet nuchter konden laten, gaf ik hem een stuk -maïskoek, waarvan de Encuerado eene lekkere brij maakte, want hij wilde -zijn woord, dat hij Gringalet had gegeven, toen deze de bron ontdekte, -houden. - -Lucien, die op het gras zat, vermaakte zich met de planten, die onder -het bereik van zijn reisstok waren, aan te raken. Eensklaps zag hij -dat de bladeren en de takken van een kleinen struik, die hij maar even -aanraakte, zich sloten, zooals de baleinen van een zonnescherm, door -eene onzichtbare veer bewogen, het zouden kunnen doen:--het plantje was -een kruidje-roer-me-niet. - -Hij riep ons, om ons de verklaring van dit verschijnsel te vragen; wij -plaatsten ons rondom den struik, die met doornen gewapend en ongeveer -een meter hoog was, en waarvan de fijn uitgesneden bladeren van een -zacht groen, tuiltjes rooskleurige bloemen ten halve verborgen. De -takjes, die door den stok waren aangeraakt, naderden tot den moederstam, -en de kleine, ovale, teere en op hunne stengels opgerichte blaadjes -drukten zich tegen elkander aan. Na verloop van vijf minuten openden de -aangeraakte blaadjes zich opnieuw, als waren zij van hun schrik bekomen. - -Het duurde evenwel niet lang, want Lucien vond er vermaak in met zijne -vingers over de blaadjes te gaan, die onmiddellijk weer toevouwden, -alsof zij door die lichte aanraking beleedigd waren. De Indianen noemen -het kruidje-roer-mij-niet »de beschaamde." De plant groeit zelden -alleen. Een enkele slag op den stam was voldoende om oogenblikkelijk -alle takken, die dan als door een gevoel van schaamte bezield schenen te -zijn, te doen buigen. Toen de zon onderging, vouwden de plantjes uit -eigen beweging hare teedere blaadjes toe, die slechts op den vollen dag -ontluiken. - -Het eerste wat Lucien deed, zoodra hij wakker werd, was naar de struiken -te loopen, die den vorigen dag zijne aandacht zoozeer hadden getrokken. -Met dauw overladen, schenen zij als te slapen en ontplooiden zij hunne -bladeren slechts bij den eersten zonnestraal. Alvorens op weg te -gaan beproefde de jonge natuuronderzoeker nogmaals de buitengewone -gevoeligheid der plant, en Sumichrast vertelde hem, dat zij eene -verwante is van den boom, die de Arabische gom oplevert. - -De wang van den Encuerado was minder opgezwollen en Sumichrast kon zich -weer van zijne hand bedienen, hoewel zij hem nog pijn deed. De berg voor -ons, die te steil was om beklommen te kunnen worden, bracht ons in eene -groote verlegenheid. - -»Laat ons links afgaan, zeide Sumichrast, terwijl hij onder het -houtgewas op een vochtigen, met gras begroeiden bodem voortliep. - -Tegen den middag en terwijl de Encuerado al brommende verklaarde -dat wij rechts hadden moeten houden, trad de kleine troep het bosch -binnen. Eene ongelijke helling voerde ons op een top, die hoogstens een -twintigtal schreden breed was en in minder dan een half uur bracht de -tegenovergestelde zijde ons midden in eene verrukkelijke vallei. - -»Hela! meester Zonnestraal," riep Sumichrast, die mij de hut hielp -bouwen, uit, »vergeet gij dan dat gij belast zijt met voor het vuur te -zorgen?" - ---Neen, antwoordde Lucien, die verdiept scheen in de beschouwing van -een dooden tak, maar ik wilde een insect vangen, dat, evenals wij, eene -verzameling van voorwerpen der natuurlijke historie schijnt te willen -bijeenbrengen, want ik heb in zijn nest spinnen, vliegen en kleine -wormen gevonden. - ---Dat is een doodgraver-kever, zeide Sumichrast, hij verzamelt om zijne -eieren heen het voedsel, dat de jongen, als zij zullen geboren worden, -moeten verslinden; die kleine dieren zijn vol voorzorgen; laten wij ze -navolgen en voor het oogenblik aan onszelven denken. - -Toen de haard gereed was, trokken wij licht gewapend uit om de omgeving -van ons bivak te onderzoeken. De bergen beheerschten ons van alle -kanten; de vlakte, die de vallei uitmaakte, had nauwelijks een kwart -mijl uitgestrektheid. Eene aangename koelte en de nabijheid van een -groot aantal vogels gaven ons hoop, dat wij eene bron zouden ontmoeten, -wier aanwezigheid dit stukje aarde in een waar Paradijs zou herschapen -hebben. Onze opsporingen leidden tot niets meer, dan het vinden van een -groenachtigen poel, door een reusachtige rots overschut, dien het warme -saisoen spoedig zou doen uitdrogen. - -Het geblaf van Gringalet trok onze aandacht op het woud, waar ik een -Mexicaansch stekelvarken op een heester zag zitten. Het dier, dat op -zijne achterste pooten zat, keek ons verbaasd aan. Na een oogenblik -gestoord te zijn geweest, scheen het ons geheel en al te vergeten, trok -met zijne nagels een stuk schors af en likte het ontbloote gedeelte, -dat zonder twijfel met insecten bedekt was, af. Na dezelfde handeling -herhaalde malen te hebben vernieuwd, naderde het dier tot op het -uiterste einde van den tak, greep dien met zijn grijpstaart en raakte, -door zijne zwaarte meegesleept, den grond. Zijn groot zwart oog, dat -buitengewoon zacht was, stond wijd open en zijn neus bewoog zich als -die van een konijn of een haas. Het was juist op 't punt zich te -verwijderen, toen de Encuerado tot ons leedwezen er een schot op loste. -Het arme dier rolde op den grond, drukte zijne pooten als eene hand -op de wonde en rolde zich aan den voet van den boom ineen. Gringalet -schoot er op toe om het te bijten, maar hij deinsde weldra onder een -pijnlijk gehuil terug; hij kwam bij ons met den neus vol pennen van -het stekelvarken, die niet veel langer dan twee duim, maar zeer scherp -waren. De arme hond wreef zijn neus over den grond om zijn pijn te -verlichten, maar verergerde daardoor zijn lijden des te meer. Lucien -liep op hem toe en slaagde er in een vijftiental stekels, die diep -ingedrongen waren, uit zijn neus te halen. - -»Waar is toch je verstand gebleven? vroeg de Encuerado aan Gringalet, -terwijl hij hem neus en snuit afwiesch. Zoo maar in een stekelvarken te -willen bijten! Waarlijk, ik had gedacht dat je slimmer waart. 't Is wel -goed moedig te zijn, maar ik raad je toch aan om je in de bosschen van -het Warme Land wat minder onbezonnen te gedragen, als je ten minste niet -door een tijger verscheurd of door een miereneter gewurgd wilt worden. - -Na de redevoering van den Encuerado aangehoord te hebben, beknorde -Lucien hem, omdat hij op het arme dier geschoten had en kwam toen bij -ons bij het doode stekelvarken. Dit had de grootte van een jongen vos, -en voorpooten, die vier lange, met klauwen gewapende teenen droegen. -Dit knaagdier is zeer langzaam in zijne bewegingen, geheel en al -onschadelijk en verspreidt een walgelijken muskusreuk rondom zich. Het -leeft van vruchten, wortels en insecten, klimt met behendigheid op de -boomen, waarbij het zich van zijn grijpstaart bedient en vlucht zelden -bij de nadering van den jager, die trouwens dit nutteloos wild -versmaadt. - -De Encuerado herinnerde ons dat wij reeds twaalf dagen op marsch waren -en dat het de eerste zondag van de Meimaand was. Wij zouden dien dag -rustdag hebben gehouden, als onze ochtendjacht wat voordeeliger was -geweest; maar als wij ons niet met enkele rijst wilden vergenoegen, -moesten wij wel zorgen voor een vogel of een zoogdier in den pot. - -Daar begonnen _chibicoyos_ (kalkoenen) te schreeuwen; de Encuerado -vertrok alleen in de aangewezen richting, want deze hoendervogels zijn -moeielijk nabij te komen. In weerwil van ons roepen, volgde Gringalet -den Indiaan op de hielen. - -Lucien klom op de rots, die over den poel hing, gaf mij een teeken om -bij hem te komen en zeide toen zachtjes: - -»Zie eens, vader, wat daar een zonderling dier zit." - -Ik klom ook op de rots en vond op het rotsvlak een Mexicaanschen -Cameleon, eene soort hagedis van ronden vorm, de bruine huid bezaaid -met gele vlekken, die in het licht telkens veranderen. Lucien wilde het -sierlijke kruipdier vangen, maar het gleed tusschen zijne beenen door en -verdween, de lucht met zijn staart zweepende, onder de rots. - -De Mexicaansche Cameleon leeft alleen in de bosschen en te midden der -rotsen. Hij houdt zich vooral gaarne op in eikenbosschen, waar de -donkere kleur van zijn lichaam versmelt met die der doode bladeren, -zoodat hij met goeden uitslag hinderlagen kan leggen aan de insecten, -waarmede hij zich voedt. Sumichrast, wien het gelukt was een Cameleon -tam te maken, vertelde ons, dat de keel van dit kruipdier op den dag wit -was, maar des nachts eene donkere kleur aannam, dat het zich gaarne liet -streelen en dat het zoo vertrouwelijk was geworden, dat het de vliegen, -welke men het voorhield, uit de vingers aannam. De Indianen, die voor -het levende dier bang zijn, dragen het gedroogde lichaam als een -behoedmiddel tegen het kwade oog. - -Boven van onzen waarnemingspost zagen wij naar de fraaie vogels, die -van tijd tot tijd de vlakte overtrokken, toen Sumichrast onverwacht -een schot loste. Hij had een fraaien ekster gezien met een aschblauw -lichaam, eene kuif op den kop en om wiens witte keel een band van -zwart fluweel scheen te loopen, weshalve hij van de Indianen den naam -van _Commandeur-vogel_ heeft gekregen. Lucien klom de rots af om den -vogel op te rapen, toen een groote wouw op den ekster stortte, hem in -zijne sterke klauwen pakte en er mee wegvloog. De schutter wilde den -onbeschaamden strooper straffen, maar een valk, ter grootte eener vuist, -vertoonde zich op zijne beurt, beschreef snel twee of drie kringen en -liet zich toen op den wouw vallen. Deze ontweek den aanval en steeg -hooger op, terwijl zijn tegenpartij een schreeuw van woede deed hooren -en bijna op den grond terecht kwam. Maar zich opnieuw in schuine -richting en met eene ongeloofelijke snelheid verheffende, kwam hij een -tweede maal boven zijn vijand, wiens vlucht door den angst verflauwd -werd, en stortte andermaal als een weerlicht op hem neer. Vleugels -klapwiekten, eenige veeren vlogen in 't rond en de prooi viel in den val -door den valk gevolgd. De wouw, overwonnen door een tegenstander, die -vijfmaal kleiner was, beschreef groote kringen in de lucht en verdween. -De overwinnaar, die op twintig passen van ons zat, met vurige oogen, den -klauw op zijne prooi, prachtig in zijn toorn en zijne stoutmoedigheid, -dreigde ons met zijn blikken. Sumichrast liet hem, als belooning voor -zijn moed, zijne prooi over. De valk, over onze aanwezigheid niet zeer -gerust, sloeg de klauwen, die voor zijne gestalte zeer groot waren, in -zijne prooi, sloeg met de vleugels, verhief zich eerst met moeite, doch -weldra met zekerder vlucht naar gelang hij hooger steeg, en bracht toen -zijne buit achter de boomen in veiligheid. - -Lucien, die in de vlakte al de wisselingen van dit gevecht had -aanschouwd, kwam weer bij ons. - -»Waarom heeft die groote vogel zich laten overwinnen door zulk een -kleinen tegenstander?" vroeg hij Sumichrast. - ---Omdat hij lafhartig is. - ---Maar alle twee hadden hetzelfde gevederte en dezelfde vormen; ik dacht -dat de laatst gekomene een jong van den anderen was. - ---De laatst aangekomene is een valk en de andere een wouw. Zij behooren -inderdaad tot dezelfde familie; maar de valk is de edelste en de -moedigste, terwijl de wouw misschien de lafhartigste van alle roofvogels -is. Men bediende zich vroeger van valken voor de jacht; want, zooals gij -gezien hebt, vreest hij volstrekt niet om veel grootere tegenstanders -aan te vallen. - -Bovendien leert hij gehoorzamen. - ---Maar de arenden zijn toch sterker dan de valken? - ---De arenden zijn roofvogels, die den goeden naam niet verdienen, welken -de dichters getracht hebben hun te geven; alhoewel zij veel sterker -zijn, betoonen zij veel minder moed dan de valken en vallen zij slechts -dieren van geringe grootte aan. - ---Maar de arend is toch wel de koning der vogels; hij kan de zon toch -in 't gelaat zien. - ---Ja, dank zij een vlies, dat over den oogappel kan getrokken worden. -Bij alle volkeren vertegenwoordigt de arend het zinnebeeld van kracht en -moed; dat neemt evenwel niet weg, dat de valk in veel hooger mate dan -hij de laatste dezer eigenschappen bezit; voor de vogelkundigen is hij -de koning der vogels. Zooals gij weet, verbeelden de Mexicanen op hunne -vlag een arend, die op een cactus zittende, eene slang verslindt. - ---Is dat ook als zinnebeeld van kracht en moed? - ---Neen; toen de Asteken, die men meent, dat uit het Noorden van Amerika -hun oorsprong hebben, in Mexico (dat toen den naam van Anahuac droeg) -aankwamen, zwierven zij langen tijd rond, alvorens zich te vestigen. -Eens ontdekten zij bij een meer eene cactus, die op een rots groeide, -en op de cactus een arend. Door een orakel geleid, bouwden zij op die -plaats eene stad, welke eerst den naam van Tenochtitlan[26] en later -dien van Mexico droeg. - -[26] Steen en cactus. - -Mijne geschiedkundige les werd onderbroken door eene verwijderde -losbranding. Sedert lang reeds zwegen de Chibicoyos, en wij verwachtten -dat wij eenigen aan onzen reisgezel, die in zijne vervolging eenen -grooten omweg had moeten maken, althans te oordeelen naar de richting -waaruit zijn schot klonk, zouden zien verschijnen. Gelukkig maakte de -gesteldheid van het terrein, dat hij onmogelijk kon verdwalen; maar al -hadden wij ook vertrouwen in zijne kennis, toch vreesden wij voor zijn -jachtijver. - -Wij bleven op de loer staan, hopende dat het toeval ons een of ander -stuk wild zou toevoeren. Eensklaps bewoog het gras aan onze rechterhand -en de golvingen verrieden de aanwezigheid van een kruipdier. Weldra -zagen wij dan ook eene slang, die de Indianen, evenals weleer de -Grieken, slang met twee koppen noemen, zich naar den poel begeven. De -amphisbena[27], die anderhalf voet lang was, had een, aan het uiteinde -opgezwollen staart, wat haar een vreemd uiterlijk en een zonderlinge -beweging gaf. De met breede schubben bedekte huid had een blauwen -weerschijn. Zij kroop langzaam voort en hield telkens stil, als om in -den grond te pikken, maar in werkelijkheid om er de mieren en insecten -op te slikken. Deze zonderlinge slang trok zeer de aandacht van Lucien -en Sumichrast ried hem aan zijn geweer er op te lossen, ten einde haar -van naderbij te kunnen beschouwen. Hij behoefde zijn raad geen twee maal -te herhalen; de jeugdige jager, die reeds goed met zijn wapen begon -om te gaan, legde aan; het schot viel en de slang verdween, omhoog -springende, in het gras. Zij was geraakt en een ieder haastte zich de -rots af te dalen, in de hoop haar dood te vinden. Ons zoeken leidde tot -niets; het kruipdier had zich in een of ander gat verscholen, waaruit -wij tevergeefs zouden getracht hebben het te verwijderen. - -[27] Amphisbena is de naam der wroetslangen, waartoe ook de - dubbelkopslang behoort. Zij vormen den overgang tusschen de - hagedissen enz. en de slangen; bij sommige soorten treft men nog - zeer korte pooten aan. (N. v. d. V.) - -Daar vertoonde zich Gringalet, die weldra door den Encuerado gevolgd -werd. Toen de Indiaan ons bemerkte, liet hij een verschrikkelijk hioe! -hioe! hooren; zijn hoed vloog in de lucht en hij wierp een zwaar -voorwerp dreunend op den grond neer en begon toen te dansen. Zijne -zonderlinge bewegingen deden ons schateren van 't lachen en Lucien liep -op den Indiaan toe, die nu zijn dansen veranderde in buitelingen, op het -gras den kunstenmaker vertoonende. - -»Een kalkoen!" riep hij ons toe. - -De zware vogel met goudgroen gevederte ging van hand tot hand. - -»Oh, Chanito! riep de Indiaan uit, als gij met mij meê waart gegaan, -zoudt gij er een ganschen troep van gezien hebben! Ik had die leelijke -chibicoyos vervolgd zonder ze zelfs te zien en ik was aan den voet -van een boom gaan rusten, toen Gringalet de ooren opstak, naar den -anderen kant van den berg liep en begon te blaffen, alsof hij een -tweede stekelvarken zag. Ik ging op mijne beurt naar omlaag en daar -weerklonken van alle kanten _gloe-gloes_; baas Gringalet was midden in -eene raadsvergadering van kalkoenen gevallen." - ---Eene raadsvergadering van kalkoenen? herhaalde Lucien. - ---Ja, Chanito, de kalkoenen houden ook raad; zij reizen gewoonlijk bij -troepen en te voet, ofschoon zij zeer goed kunnen vliegen om eene rivier -over te trekken of te vluchten. Als nu een hunner aan de anderen een -bericht wil mededeelen, laat hij een schreeuw hooren en zijne makkers -vormen een kring om hem. - ---En dan? - ---De predikant, hervatte de Encuerado zonder de minste oneerbiedige -bedoeling, buigt den hals, richt dien weder op, steekt de veeren van -zijn bef op en spreidt de pennen van zijn staart als een waaier uit; -daarna begint hij tot de vergadering te spreken, die de vleugels opent, -een rad slaat en met goedkeurende _gloe-gloes_ antwoordt. - -De Indiaan, door het vuur van zijn verhaal medegesleept, voegde de -gebaren bij de woorden, draaide in de rondte, boog zijn armen rond en -bracht zijn kin op de borst om de beweging van de vogels, die hij -beschreef, na te bootsen. - -»Maar wat zeggen zij dan?" vroeg Lucien slim. - ---Dat hangt er van af, hernam de Indiaan, aan zijn voorhoofd -krabbelende. De troep, door Gringalet verrast, heeft zeker gezegd: -Wat is dat voor een dier?--Een hond, zal de geleerdste geantwoord -hebben.--Vrienden, laat ons de vlucht nemen. De honden zijn altijd -vergezeld van menschen, en de menschen van geweren.--Een geweer! Wat is -dat voor een ding?--Een ding, dat _poem_ doet! en de kalkoenen doodt. -Daarop kwam Gringalet; dat was een dringen en een vluchten en een -wegbergen; maar de Encuerado heeft den tijd gehad om _poem!_ te doen -en dien mooien _totole_ te dooden. - -Men behoeft niet te vragen of dit verhaal onze vroolijkheid gaande -maakte. Terwijl wij naar het bivak terugkeerden, vertelde Sumichrast -aan Lucien, dat de kalkoen uit Amerika voortkomt, dat de Jezuïeten -hem naar Europa overbrachten, waar hij goed gedijde. In den tammen -staat is het gevederte van den kalkoen veel van kleur veranderd; het -is rood, wit, grijs en zwart geworden. Maar wat hij niet verloren -heeft, is zijne gewoonte om in troepen te gaan en zijn vormloos nest -in de struiken te maken, dat de jongen den tweeden dag nadat zij -uitgekomen zijn, verlaten. Eindelijk wordt de Asteeksche naam van den -kalkoen--totole--door de Indianen toegepast op domme en laffe menschen. - -Lucien vertelde op zijne beurt aan den Encuerado de geschiedenis van den -ekster en van de slang. - -»Hebt gij een maquizcoatl, een slang met twee koppen, gedood!" riep de -Indiaan uit. - ---Ik heb haar hoogstens gewond, daar zij ontsnapt is; maar zij had -slechts één kop. - ---Dan hebt gij haar niet goed aangezien; ik ben er zeker van, dat zij -zich niet heeft behoeven om te keeren om te vluchten. - ---Ik heb haar omhoog zien springen, dat is al. - ---Hebt gij wel onder de steenen gezocht? Laat ons terugkeeren; de huid -van de maquizcoatl geeft den blinden het gezicht weer. Waarom hebt gij -haar laten ontsnappen? - ---Wij zullen er wel eene andere vinden. - ---Men vindt ze niet als men wil,--zij zijn zeldzaam, hernam de Indiaan, -het hoofd schuddende. - -En terwijl de kalkoen voor het vuur braadde, ging de Encuerado door -Lucien vergezeld, het gat van de tweekopslang opzoeken. - - - - -XIV. - -EEN VUURBOL.--DE LANTAARNS VAN ONZEN-LIEVEN-HEER.--HET STINKDIER.--DE -JALAPPE.--EENE LUCHTREIS.--DE ORCHIDEEËN.--BIVAK BIJ DEN INGANG VAN EENE -GROT.--GRINGALET EN DE KEVERS.--EEN TERMIETENNEST. - - -De zon verliet ons weldra en wij bleven bij het vuur zitten praten. -Eindelijk nam de Encuerado Lucien mede naar de rots en hief daar een der -bijna niet eindigende lofzangen aan, waarvan zijn geheugen ruim voorzien -was. Ons vuur verlichtte den grooten steen met zijn rood schijnsel; men -zou het voor een reusachtig voetstuk gehouden hebben, met twee bronzen -beelden er op. Een reiziger, die onverwacht de vallei zou binnengekomen -zijn, ware voor deze spookachtige verschijning teruggedeinsd; indien een -of ander roofdier in den omtrek ronddoolde, zouden onze reusachtige -schaduwen voldoende geweest zijn, om het op de vlucht te drijven. - -Wij dachten er reeds aan om Lucien terug te roepen, ten einde ons onder -de hut ter ruste te begeven, toen de Encuerado ons riep. Naar den kant -van het Oosten, boven den top der bergen, schitterde eene groote -lichtende schijf. De maan was ternauwernood in haar eerste kwartier en -bovendien scheen de bol, die den vorm eener ellips aannam, zich voort te -bewegen. Werkelijk daalde zij langzaam langs de boschachtige bergruggen. -Lucien en de Encuerado overlaadden ons met vragen, waarop wij niet -wisten te antwoorden. De roode ellips, die geen stralen vertoonde, nam -hare richting naar ons toe. - -»Wat is dat?" riep Sumichrast uit. - ---»Een vuurbol!" riep ik uit, door eene plotselinge gedachte getroffen. - ---Als ik mijn geweer had, zou ik er op goed geluk af op schieten, sprak -de Encuerado en wilde schielijk zijn wapen krijgen. - -»Blijf hier," sprak ik; »die bol bevat misschien den bliksem, en men -moet dien niet nutteloos naar zich toe trekken." Op hetzelfde oogenblik -ging de meteoor ons voorbij; wij hadden ons met het gelaat op den grond -geworpen, daar wij het onbekende vreesden. Toen ik het waagde op te -staan, was hij reeds ver weg, maar scheen toch onbeweeglijk te zijn. Uit -zijn middenpunt schoten onophoudelijk in beweging zijnde stralen; het -licht, dat van binnen wit was, nam aan de randen eerst gele, dan roode -en eindelijk blauwe tinten aan. Een bliksemstraal van eene buitengewone -sterkte verblindde ons eensklaps; eene verschrikkelijke ontploffing, -door alle echo's herhaald, maakte ons bijna doof; daarna verviel alles -weer in stilte en in duisternis. - -Terwijl wij naar het bivak terugkeerden, bestormden Lucien en de -Encuerado ons met vragen. - -»Wat zijn toch vuurbollen?" vroeg de knaap. - ---Volgens het zeggen der geleerden, antwoordde Sumichrast, zijn het -brokstukken van planeten, die in de ruimte dwalen en die, onverwacht in -ons planetenstelsel getrokken, aan de aantrekkingskracht onzer aarde -gehoorzamen en krachtens de wet der zwaartekracht op hare oppervlakte -neervallen. - ---Maar waaruit bestaan zij dan? - ---Gewoonlijk uit zwavel, chroom en ijzer. Het verschijnsel der vallende -sterren staat in nauw verband met dat der vuurbollen en de neergeworpen -brokstukken heeten aëroliden. - ---Wilt gij ons wijsmaken, dat er steenen van den hemel regenen? vroeg de -Encuerado. - ---Zeker, en als ik mij niet vergis heeft men in uw land de grootste -bekende aërolide gevonden, want zij weegt niet minder dan vijfduizend -kilo's. Morgen zullen wij gaan zoeken naar die, welke aan het einde der -vallei moet neergevallen zijn. - ---Geven die steenen dan licht? hernam de Indiaan. - ---Neen, maar door de snelheid van den val ontbranden zij. - ---En vanwaar kwam de vuurbol, die langs ons heenging? - ---Van de maan, van de sterren, misschien wel van de zon. - -De Encuerado kneep zijne oogen half dicht en begon te lachen, om hetgeen -hij dacht dat eene scherts was. Hij lachte zelfs zoo hartelijk, dat -zijne vroolijkheid zich aan ons mededeelde. - -»Wat denkt gij dan, dat de zon en de maan zijn?" vroeg Lucien hem. - ---De lantaarns van Onzen-lieven-Heer, antwoordde de Indiaan vol ernst. - -Gewoon aan de kinderlijke onwetendheid van zijn vriend, maar die altijd -willende bestrijden, trachtte onze kleine reismakker hem ons -planetenstelsel duidelijk te maken. De grootte, die hij de sterren -toeschreef, vermaakte den Indiaan zeer. Toen eindelijk de jonge -sterrenkundige meende de overwinning te hebben behaald, omhelsde zijn -tegenspreker hem en zeide: - -»Uw vertelseltje is heel mooi! Och, wat zou ik 'n plezier hebben, als ik -al die fraaie geschiedenissen in de boeken kon lezen." - ---Dàt 'n vertelseltje! riep Lucien verontwaardigd uit. - ---Drommels, wat anders. Te willen beweren, dat de aarde een bol is, die -rondwandelt, en dat er sterren zijn, grooter dan zij! Ik heb meer dan -één nacht doorgebracht met er naar te kijken, en het zijn wel degelijk -lantaarns, hoor! - ---Maar als gij ze dan hebt gadegeslagen, viel Sumichrast hem in de rede, -dan moet ge ook opgemerkt hebben, dat zij van plaats veranderen. - ---Omdat de Engelen niet altijd dezelfde aansteken en omdat de goede God -rijk genoeg is... - ---Kom, laat ons gaan slapen, riep ik uit, om een einde te maken aan eene -woordenwisseling, die ik bij ondervinding wist, dat slechts op eene -nederlaag van Sumichrast en Lucien kon uitloopen. - -Den volgenden morgen was mijn eerste werk mijne metgezellen meê te nemen -om naar den vuurbol te zoeken. De vuurbol was bijna over ons heengegaan -en ik geloofde zeker er de brokstukken van te zullen vinden. Na een uur -van nutteloos ronddolen, moest ik wel aannemen, dat onze oogen zich in -den afstand vergist hadden. De Encuerado liet wel eenige ongeloovige -lachjes hooren, bij het vernemen van mijne gissingen en die van -Sumichrast, maar hij was edelmoedig genoeg om geen misbruik te maken -van de meerdere sterrenkundige wetenschap, die hij meende te bezitten. - -Toen het uur van het vertrek was aangebroken, trok ik opnieuw de vallei -door en daarna den berg beklimmende, voerde ik mijne makkers op een -bergvlak. - -Ik volgde zooveel mogelijk den vermeenden weg van den vuurbol. Reeds -drong de Encuerado het bosch binnen, toen Sumichrast aan zijne -rechterhand een afgebroken boom bemerkte. Ik snelde de helling af, -en weldra bevond ik dat de grond op eene uitgestrektheid van twintig -meter bezaaid was met zwarte of groene opgezwollen steenen, waarvan -verscheidene op ijzersintels geleken. - -Ongetwijfeld had de getroffen boom de uitbarsting van den meteoor -veroorzaakt en was onder den schok bezweken. - -»Dat zijn de stukken van een lantaarn," zeide Lucien tot den Encuerado, -die een grooten steen met metaalachtigen glans had opgeraapt. - -De Indiaan schudde het hoofd zonder te antwoorden. Die omgeworpen boom, -die zwartgebrande stam, dat verdorde en als 't ware verbrande gras, -die steenen, zoo vreemd van uiterlijk, wierpen klaarblijkelijk zijne -theorieën omver. Ieder onzer vermeerderde zijne vracht met een aërolide -en daarop het bergvlak weer bereikende, trokken wij het bosch in. - -Een geweerschot van Sumichrast maakte dezen voor den geheelen dag -gelukkig; hij had een kruisbek van groenachtige kleur, in Europa nog -onbekend, geschoten. - -»Wat een vreemde vogel! riep Lucien uit. Hoe kan hij met zulk een -scheeven bek eten?" - ---Zijn bek, antwoordde Sumichrast lachende, is geschikt voor zijn soort -van voedsel. Deze kruisbek, dien wij hier bij toeval aantreffen--want -men vindt hem gewoonlijk slechts op den top der bergen--voedt zich -met wortels, bladknoppen en dennezaden. Met zijne twee sterke, en -zoo zonderling geplaatste kaken, knijpt hij, als met eene schaar, de -uiteinden der takjes af, die een vogel met spitsen bek nauwelijks zou -kunnen beschadigen. - ---God denkt aan alles, mompelde de Encuerado, die de huid van den vogel -hielp bereiden; ik heb altijd gedacht dat die arme dieren verminkt -waren. - -Tegen den middag voerde de weg ons bij toeval diep in eene nauwe vallei, -te midden van eene menigte heesters, die ons uitnoodigden daar ons bivak -op te slaan. In een oogwenk was de grond van takken gezuiverd en de hut -opgericht. Nauwelijks waren wij gezeten om wat adem te scheppen, of een -licht geruisch in het kreupelhout trok onze aandacht; een dier met -gepluimden staart sprong van een heester. Gringalet ging er op los, maar -een verpestende stank deed hem terugdeinzen en ons bijna stikken. Een -Zorilla[28], wiens vormen en kleur aan de eekhoorns herinneren, had de -lucht van ons bivak vergiftigd. - -[28] _Surilho_ of stinkdier. - -Er bleef ons niets anders over dan te vertrekken, want de stank zou -deze plaats verscheidene dagen onbewoonbaar maken. De Encuerado kon -geen scheldwoorden genoeg vinden, om ze het dier naar den kop te -werpen; eigenlijk had dit niet anders gedaan dan gebruik gemaakt van de -verdedigingsmiddelen, waarmede de natuur het begiftigd heeft. Iedereen -nam zijne vracht droevig op, niet zonder een teleurgestelden blik op -de hut te hebben geworpen. Sumichrast opende den marsch en bleef niet -staan, voor hij uitgeput aan den ingang van een grot was gekomen. - -Nog geheel onpasselijk door den stank, dien de Zorilla had verspreid en -ons niet andermaal aan een soortgelijk ongeval willende blootstellen, -was onze eerste zorg, alvorens de hut op te richten, om de struiken en -heesters goed te doorzoeken. - -Eenige vogels, die wij onderweg gedood hadden, bespaarden ons de moeite -eener verdere jacht, iedereen begon zich derhalve met zijne kleerkast -bezig te houden. Vooral onze schoenen riepen hard om hulp. Sumichrast -wierp zich op als meester-schoenlapper. Ik zag niet zonder eenige vrees, -hoe hij met onervaren hand in het reserve stuk leer, dat wij bezaten, -ging snijden. De sandalen van den Encuerado gaven hem op ons veel voor, -hij had slechts een zool en een riem noodig om een schoeisel voor zijn -voet te vinden. Ongelukkigerwijze gaf de gevoeligheid van onze huid meer -dan eens aan Sumichrast reden, om zich te beklagen, dat hij niet als -Indiaan geboren was. - -De altijd vindingrijke Encuerado vond evenwel het middel om op oude -zolen stukken van de vossehuid te lappen en voor Lucien een paar -laarsjes te maken, die even sterk als weinig sierlijk waren. Hij -beloofde er voor ons ook zulke te zullen maken, en Sumichrast, die zich -tamelijk wel van zijn lapwerk gekweten had, benoemde hem tot den gewonen -en buitengewonen sandaalmaker van onze Majesteiten. - -Den volgenden morgen drongen wij met het aanbreken van den dag eene -nauwe bergkloof in, waar wij onmogelijk naast elkander konden gaan. Den -ganschen ochtend liepen wij tusschen twee muren, met mos, varens en -orchideeën begroeid. De vochtige bodem onderhield rondom ons eene zeer -aangename frischheid, maar de doortocht, door omgeworpen boomstammen -versperd, maakte den marsch zeer moeielijk. - -De kloof liep zoo lang voort, dat ik werkelijk bevreesd begon te worden, -en ik vroeg mijzelven af, of wij niet in een doodloopenden weg waren. -De loodrechte wanden maakten de minste afwijking onmogelijk; boven ons -kruisten de takken der boomen zich en verborgen zij de lucht. Geen -enkele vogel vervroolijkte door zijn gezang deze eenzaamheid en de -varenplanten werden zoo talrijk, dat men gemeend zou hebben in een -hoekje van de oorspronkelijke wereld te zijn; om de vergelijking nog -meer te rechtvaardigen, zagen wij bij onze nadering talrijke kruipdieren -vluchten, die ons tot de grootste omzichtigheid aanspoorden. - -Met zijn machete in de hand klom Lucien met de meeste behendigheid -op de omgevallen stammen, die ons den weg versperden. Weldra zakten -onze voeten in een vloeibaar slijk en ik ontdekte een dun straaltje -kristalhelder water, dat tusschen twee rotsen doorzijpelde. De kloof -werd nog nauwer; als zich op dit oogenblik een wild dier vertoond had, -zouden wij hem den doortocht hebben moeten betwisten. Eene soortgelijke -ontmoeting behoorde niet tot de onmogelijkheden en tot zijn grooten -spijt moest Lucien naar de achterhoede gaan. De ruimte werd een weinig -breeder, het terrein werd meer open en de kleine kolonne kou sneller -vooruitkomen. Wij liepen zwijgend tusschen deze granieten muren, van een -streng en indrukwekkend uiterlijk voort, in de hoop dat zij eensklaps -wijder zouden worden en op eene vlakte konden uitkomen. Bij elke schrede -stelde eene nieuwe bocht onze verwachting te leur en als ooit een -doorgang den naam van Duivelskloof verdiende, dan was het wel de -eindelooze spleet, die wij zoo langen tijd reeds volgden. Bij alle -hoogten dreigden overhangende rotsen neer te storten, meer dan een vulde -zelfs het nauwe pad. Eindelijk liet eene laatste bocht ons eene lichting -zien; maar onze vreugde was van korten duur; een loodrechte afgrond -gaapte voor onze voeten. - -Wij keken elkander onthutst aan; wij waren gevangen! Links en rechts een -muur van meer dan honderd voet hoog en onmogelijk over te komen; voor -ons een afgrond met loodrechte wanden. Wat te doen? Sumichrast ontstak -de raadspijp, terwijl de Encuerado, zich aan de rotsen vastklampende, -den afgrond met de oogen peilde. - -Wij zaten bij een slingerplant met dunne takken, koordvormige, rood -gekleurde bladeren, die hier en daar eene violetblauwe bloemkelk -verborgen. Ik herkende de plant, die de jalappe voortbrengt en door de -Indianen _talonpable_ genoemd wordt. Ik deed haar Lucien opmerken, die -weldra twee of drie peervormige wortels uitgegraven had. De jalappe, die -haar naam aan de stad Jalappe, van waar men haar vroeger naar Vera-Cruz -uitvoerde, ontleend heeft, groeit in 't wild op alle bergen van het -Gematigde Land. Ongelukkigerwijze verwoesten de Indianen de plant, door -alle knollen uit te graven, en het tijdstip is niet ver meer verwijderd -waarop dit, in Europa zoo veelvuldig gebruikt purgeermiddel, geheel -ontbreken zal, zooals gebeurd is met den Kinaboom, dien men vernietigd -heeft, zonder aan de toekomst te denken. - -Ik naderde den afgrond en bemerkte den Encuerado, die, meer dan twintig -voet beneden mij, met de vlugheid van een aap over den gladden bodem -kroop. Ik beval hem bij ons te komen; maar hij kon niet terug en bleef -onbeweeglijk in eene vrij hachelijke stelling. Sumichrast haastte -zich een lazo te brengen, dien ik onzen koenen reisgezel toewierp; maar -in plaats van naar boven te klimmen, liet hij zich vier of vijf voet -lager glijden en ging schrijlings op den stam van een boom zitten, die -schuins gegroeid was en riep ons toe den lazo los te laten. Na den lazo -om een sterken tak geknoopt te hebben, verdween hij. - -[Illustratie: Toen liet Sumichrast zich tot den boom afglijden. (blz. - 127).] - -Spoedig vertoonde hij zich weer, ging opnieuw op den boomstam zitten, -om welken hij den lazo gerold had en berichtte ons, dat wij onze -nederdaling zonder veel gevaar ten uitvoer konden brengen. Sumichrast -maakte een tweeden lazo gereed. - -»Hoe zullen wij hem vastmaken? vroeg Lucien. Er zijn geen dikke takken -op den rand." - ---De riem is lang en ik zie daar een heester met vrij stevige takken. - ---Maar dan is de lazo verloren, niemand zal naar boven kunnen klimmen om -hem los te maken. - ---Drommels! drommels! herhaalde Sumichrast verscheidene malen, meester -Zonnestraal heeft gelijk. - -En ieder onzer trachtte de moeielijkheid op te lossen, door meer of -minder uitvoerbare middelen voor te stellen. - -»Ik heb het gevonden!" riep ik met minstens evenveel voldoening uit, -als Archimedes, toen hij uit het bad kwam. Mijn machete nemende, maakte -ik twee palen van gemiddelde dikte, die ik dicht bij elkander, op drie -pas van den afgrond in den bodem stak. Terwijl Sumichrast met een -geïmproviseerd heiblok dit werk nog meer bevestigde, kapte ik een tak -van ongeveer een voet lengte af, in 't midden waarvan ik den lazo stevig -vastknoopte en dien ik dwars achter mijne palen plaatste. Ik berekende -dat, als wij eenmaal de plaats zouden bereikt hebben, waar zich de -Encuerado bevond, het voldoende zou zijn aan den lazo eene sterk -golvende beweging te geven, om den tak los te maken. Toen deze -voorbereidselen afgeloopen waren, ging de mars zich bij hem, die haar -gewoonlijk droeg, vervoegen. Toen liet Sumichrast, de zwaarste onder -ons, zich tot den zoo gelukkig geplaatsten boom afglijden. De palen -gaven slechts eenige strepen mee. Zijne nederdaling voortzettende, -verdween mijn makker spoedig onder den Indiaan; daarna kwam de beurt aan -onzen voorraad, die dit tweede gedeelte van de reis er goed afbracht. - -Het ongeduld van Lucien was buitengewoon groot; deze luchtreis bekoorde -hem. - -»Nu uwe beurt," sprak ik, zoodra ik den riem weer had opgehaald. - ---Wilt u me vastbinden? vroeg hij geheel teleurgesteld. - ---Hoe denkt gij dan naar beneden te komen? - ---Door mij aan den lazo vast te houden, zooals de Encuerado en mijnheer -Sumichrast. - ---Uw vuisten zijn daar nog niet sterk genoeg voor, er valt niet aan te -denken, ik wil mij niet aan 't gevaar blootstellen u in den afgrond te -zien vallen. - ---Och, vadertje, laat mij het beproeven. - ---Volstrekt niet, want als de proefneming mislukte, zoudt gij niet meer -in de gelegenheid zijn haar te hernieuwen. - -Lucien liet zich, niet zonder een weinig spijtigheid te betoonen, -vastbinden, terwijl zijn verbaasde hond om hem stond te blaffen. - -»Geduld maar! Geduld maar! sprak ik tot hem; je beurt zal ook wel komen, -dan zal je zoo blij niet zijn." - -De riem gleed langzaam af en weldra was de knaap tusschen de takken van -den boom. Daar bond de Encuerado hem met dezelfde zorgvuldigheid en niet -minder stevige knoopen, opnieuw vast. Over den afgrond gebogen, hoorde -ik Sumichrast den Encuerado bevelen den riem met meer of minder snelheid -te laten vieren. Toen ik zag dat hij behouden was aangekomen, gevoelde -ik mij van eene groote zorg bevrijd; ik begon Gringalet, die niet -ophield met janken, sedert zijn meester verdwenen was, vast te binden. - -Niettegenstaande zijn angst liet ik den hond in de lucht bengelen; hij -spartelde, huilde, en ontsnapte bijna aan de handen van den Encuerado, -die hem, terwijl hij hem lager liet zakken, het nuttelooze van zijn -geschreeuw en het gevaarlijke van zijn spartelen onder 't oog bracht. Na -de palen en den dwarsstok nog eens goed onderzocht en mij overtuigd te -hebben dat niets vergeten was, gleed ik op mijne beurt naar beneden. Ik -schudde daarop den riem, dien ik gelukkig los kreeg. Onder mij bemerkte -ik Sumichrast en Lucien, op een nauwen voorsprong zittende, welke langs -eene rotsachtige helling naar den voet van den berg voerde. Ik vervoegde -mij bij hen, door den Encuerado gevolgd. - -Wij hadden het dwarshout tusschen twee stevige takken bevestigd; ditmaal -schudde ik lang aan den riem zonder dien los te kunnen krijgen. Mijne -nuttelooze pogingen moede, wilde ik het reeds opgeven, toen het stuk -hout eensklaps meegaf en mij bijna dood had geslagen. Sumichrast en -Lucien waren vooruitgegaan. - -De marsch werd bezwaarlijk, en het was niet altijd gemakkelijk om -op die, nu eens gladde, dan weer hobbelige rotsen zijn evenwicht te -bewaren. Wij liepen tusschen twee heggen van Orchideeën door, eene soort -vetplanten, waarvan Mexico duizenden soorten bezit; bijna bij elke -schrede staan blijvende om de eene of andere van deze fraaie planten -te bewonderen, die zoo zonderling van vorm zijn en zulke schitterende -bloemen hebben, gewoonlijk echter zonder geur. De Encuerado wees -ons verscheidene planten van de lynx-bloem, die door de Indianen -»slangenbloem" wordt genoemd, en wier vijf, met gele punten bezaaide -bloembladen, met rose, violet en wit gemarmerd zijn. Iets verder -herinnerde eene andere bloem, de _oceloxochitl_, tijgerbloem, door hare -kleur aan de huid van het dier, waar de Indianen haar den naam van -hebben gegeven. Hier en daar eene bloem plukkende, was Lucien weldra in -'t bezit van een ruiker, zooals de rijkste plantenkassen er hem geen -zouden hebben kunnen leveren; hij zou den naam van al die fraaie planten -wel hebben willen kennen, maar hij moest zich nu tevreden stellen met -te vernemen, dat, met uitzondering van de vanielje en de Orchidee, die -haar naam aan de geheele familie heeft gegeven, en wier gedroogde -knollen onder den naam van _salep_ bekend zijn, geene enkele van het -schitterende legioen der Orchideeën, iets voor de kunsten noch voor de -nijverheid oplevert. - -Wij hadden den voet van den berg bereikt: reeds groeiden eenige struiken -om ons, toen eene onmetelijke rotsmassa ons tot een omweg dwong. - -Ik ging voorop en een onvrijwillig uitglijden bracht mij voor den ingang -van eene grot. Op mijn geroep ijlden mijne makkers naar mij toe; ik deed -twee of drie schreden onder het gewelf, onder welks beschutting wij den -nacht besloten door te brengen. - -Terwijl ik, door Lucien geholpen, hout verzamelde, ruimde de Encuerado -den grond op en hakte Sumichrast een paar struiken om, die ons het -vrije uitzicht belemmerden. Ik beval den Indiaan het vuur aan te maken, -waarvan de rook ons zou helpen den ingang van de grot te vinden; daarna -moest men er op uit om voor het maal te zorgen. - -Toen ik in de vlakte was gekomen, kon ik beter oordeelen over -het kunststuk, dat wij volbracht hadden. Tot op de hoogte der grot -ongeveer, struiken en kreupelhout; hooger op de Orchideeën, wier -levendig gekleurde bloemen en opaalgroene bladeren, sterk op de zwart -en grijs getinte rotsen afstaken; hooger nog een rechte, gladde, -onoverkoombare muur, daarna de kloof waardoor wij gekomen waren. -Sumichrast voerde ons door het struikgewas naar de bosschen, waar de met -welriekende bloemen bedekte broodboomen verkondigden, dat wij het Warme -Land en een anderen plantengroei naderden. Weldra verhief een groote -magonie-boom--_swietenia mahogoni_--met talrijke twijgen en donkergroene -bladeren, zich voor onze oogen; een weinig verder versmoorde een -omgevallen wolboom vijf of zes struiken. De wolboom--_eriodendron -anfractuosum_--door de Indianen _pochotl_ geheeten, is een der grootste -bekende boomen; de peulvormige vruchten bevatten een zijdeachtig dons, -dat de zonderlinge eigenschap bezit van in de zon op te zwellen. - -Ik was juist bezig Lucien op deze bijzonderheid opmerkzaam te -maken, toen een vreeselijk gegons zich deed hooren. Een honderdtal -Hercules-kevers, die uit een struik waren opgevlogen, kwamen met kracht -tegen de takken van den boom terecht. Een er van viel ons voor de -voeten. Lucien wilde hem tegen den grond houden, maar het dier worstelde -zich los en vervolgde zijn weg. - ---Och! riep de knaap uit, die kever is sterker dan ik. - ---Hij draagt ook niet voor niets den naam van _Hercules_, antwoordde -Sumichrast lachende. Zoo als gij ondervindt is zijne kracht even -opmerkenswaardig als zijne grootte. 't Is een inwoner van Brazilië, dien -men slechts nu en dan eens in Mexico aantreft. - ---En reist hij altijd in troepen? - ---Neen, het geval is zelfs zeldzaam genoeg, om er aanteekening van te -houden. - ---'t Is of ik een reuk van snuif in den neus krijg, sprak Lucien, -niezende. - ---Drommels! Drommels! 't Zijn de kevers, welke dien van zich geven, -hernam Sumichrast. Dat is nog eene bijzonderheid, die ik aanteekenen -moet. - ---Zie eens, Papa! hoe ze aan elkander gaan hangen en zoo een grooten -tros vormen. Bijten zij niet met die groote kaken? - ---Wat gij voor hunne kaken aanziet, zijn hunne horens, maar de -plaatsing er van verontschuldigt uwe vergissing. Merk wel op, dat het -bovengedeelte van het lichaam van het insect zwart en glanzend is, -terwijl de dekschilden van een grijsachtig groen en met donkere puntjes -gestippeld zijn. - ---Daar is er een, die geen horens heeft. - ---Dat is een wijfje, hetwelk een plaatsje opzoekt, waar het haar eieren -kan leggen! - -Wij sloegen met veel nieuwsgierigheid het gaan en komen der kolonie -gade, die door onze tegenwoordigheid volstrekt niet beangst scheen, toen -Gringalet, die ook aan 't niezen geraakte, eensklaps klagend begon te -janken. De Encuerado had hem drie of vier kevers op den rug gezet, die -hunne, met dubbele haken gewapende pooten, in de huid van hun rijdier -sloegen. De Indiaan, zelf verbaasd over het gevolg zijner proefneming, -haastte zich den armen hond, die zich over den grond rolde, ter hulp te -komen; hij kreeg hem te pakken, maar had veel moeite om hem van zijne -lastige ruiters te bevrijden. Een hunner klampte zich zelfs aan de hand -van den grappenmaker vast, wiens vreemde gezichten ons zeer vermaakten. -Als hij een poot van het insect losmaakte, vond dit altijd gelegenheid -om zich met een anderen, het had er zes, vast te haken. Boos, omdat hij -met zulk een tegenstander moest worstelen, trok de Encuerado met een ruk -het dier los, zoodat het bloed uit zijne koperkleurige hand parelde. -Altijd tot wraakneming bereid, dreigde hij den geheelen troep te -vernietigen; maar terwijl ik over zijn booze luim lachte, belette ik -hem toch zulk een nutteloozen moord te begaan. - -»Ziet me die mooie heeren eens aan, riep hij uit. Omdat men zegt dat -het Herculessen zijn, meenen zij de vingers van hun evennaaste te mogen -verscheuren? Lummels, wier neus langer dan hun lichaam is, en die -Gringalet met blaffen op de vlucht kan krijgen! - ---Pak ze, pak ze dan!" riep hij den hond toe. - -Maar deze vluchtte met hangenden staart en de ooren in den nek, in -plaats van aan te vallen, en ik merkte dat van dien dag af, het -geringste gegons van een insect voldoende was, om hem onrustig te maken. - -Sumichrast, die een der kevers had gegrepen, bedekte dezen met een -steen, die, beider verhouding in aanmerking genomen, hem had moeten -verpletteren; maar de Hercules op zes pooten sleepte, tot groote -verwondering van Lucien, zijne vracht bijna zonder inspanning voort. -Weldra hernamen de kevers een voor een hunne vlucht, en kwamen zij om -ons zweven. Wij moesten nog eens terugwijken, uit vrees dat een, -misschien, zijn buitengewoon lange horens in onze oogen zou steken. - -Gringalet nam den terugtocht aan. Lucien ging zitten, om op zijn -gemak te kunnen lachen, want de Encuerado had, in plaats van zich te -verwijderen, zijne machete getrokken, nam eene uitdagende houding aan, -en zijne vijanden uitscheldende, als een held uit Homerus, daagde hij ze -uit om hem te naderen. - -Eindelijk ging de weer vereenigde troep aan het uiteinde van een tak van -den wolboom hangen, voor welken boom de Hercules-kever eene bijzondere -voorkeur schijnt te hebben. - -Wij hadden onzen maaltijd geheel vergeten; wij gingen dus, ieder een -kant uit, op de jacht. Ik ging, door Lucien en Gringalet gevolgd, -langs den zoom van het woud. Zoo liepen wij ongeveer een uur, zonder -iets gevonden te hebben, toen vier patrijzen met aschkleurigen buik, -bruingele vleugels en een kuifje op den kop, op vijftig pas afstand van -ons opvlogen, om een weinig verder neer te strijken. - -Toen zij goed onder schot waren, beval ik Lucien terzelfder tijd als ik -te schieten en twee dezer vogels, die de geleerden Sonini-patrijzen -noemen, kwamen in ons bezit. Deze fraaie hoendervogels worden zelden in -Mexico aangetroffen, althans in dat gedeelte waar wij ons bevonden. - -Ik sloeg den weg naar het bivak in, dezen keer het woud binnen -dringende. - -»Oh! Papa, wat eene groote spons!" riep Lucien eensklaps uit. - -Eene vormelooze, poreuse, geelachtige massa verhief zich aan onze -rechterhand, drie of vier voet boven den grond. Ik herkende het nest van -den termiet, dien de Mexicanen _Comejen_ noemen. - -»Dat is een nest van witte mieren," zeide ik tot Lucien; »het zijn -insecten van de orde der adervleugeligen en verwanten van de -waterjuffers." - ---Maar waar zijn ze dan? - ---Dat zal ik u laten zien. - -Ik schopte met den voet tegen de sponsachtige massa, en oogenblikkelijk -kwamen er eene menigte insecten uit, die zeer op mieren geleken en naar -alle kanten rondliepen, als om de oorzaak te zoeken van het geraas, dat -hen gestoord had. Lucien wilde ze meer van nabij bezichtigen. - -»Pas op, de termieten, die gij nu ziet, zijn slechts weerlooze -arbeidsters; maar spoedig zullen de soldaten verschijnen, en als dezen -bij u kunnen komen, zullen ze u tot bloedens toe bijten. - -Lucien keek mij eens aan, denkende dat ik schertste. - -»Ik spreek in allen ernst, haastte ik mij er bij te voegen; de -termieten, zoowel als de bijen en mieren, waarop zij op 't eerste -gezicht veel gelijken, leven in gezelschap en bouwen nesten, die nog -veel grooter zijn dan dat, hetwelk gij hier voor u ziet. Dit nest, zeer -regelmatig in celletjes verdeeld, bevat een koning, eene koningin, -werklieden en soldaten. De werklieden zijn bekwame bouwmeesters, die -zich belasten met het bouwen, onderhouden en zoo noodig vergrooten van -de zonderlinge woning, die gij voor eene spons hebt aangezien. - -»De soldaten hebben niets anders te doen dan te strijden tegen den -vijand, wie hij ook zijn moge, die den vrede van de kolonie zou komen -verstoren." - -»Maar ik zie duizenden gaten; heeft elke termiet dan eene afzonderlijke -kamer?" - -»Ten naasten bij: er is in de eerste plaats eene kamer voor de koningin, -die de grootste is; dan eene voor den koning; dan de kinderkamer, waar -de werksters de eieren inbrengen, welke de koningin dag en nacht legt. - ---Wat zou ik dat alles eens gaarne willen zien!" - -Overtuigd dat het voorbeeld beter is dan de duidelijkste verklaring, -sloeg ik opnieuw op het nest. - -De werksters, die reeds bijna allen verdwenen waren, keerden -onmiddellijk terug, om de bedreigde plek te onderzoeken. Ik streek met -veel geraas mijne machete links en rechts er over, en in een oogwenk -scheen de geheele oppervlakte te leven. Toen bepaalde ik mij er toe, om -slechts op één punt met mijn geraas voort te gaan en weldra zag ik de -soldaten, aan hun grooten kop herkenbaar, te voorschijn komen; eindelijk -sloeg ik een stuk van het gebouw af, en legde zoodoende eene menigte -witte puntjes bloot: dat waren de eieren, welke de werksters met veel -overhaasting naar het binnenste van het gebouw in veiligheid brachten. - -Na zoodoende alles in rep en roer gebracht te hebben, haastte ik mij -Lucien mee te trekken, want de soldaten bedekten reeds den grond, en ik -kende te goed de felheid hunner beten, om er mij willens en wetens aan -bloot te stellen. - -»Maar ik heb de koningin niet gezien," riep mijn kleine makker uit. - ---Zij bevindt zich in het middelste gedeelte van het gebouw, en is in -eene cel ingemetseld, waaruit zij onmogelijk zou kunnen ontsnappen, -want de omvang van haar lichaam is gelijk aan dien van twintig of -dertig werksters. Sumichrast, die de termieten veel heeft waargenomen, -beweert, dat eene koningin ongeveer tachtigduizend eieren per dag legt. -Nauwelijks zijn de kleine termieten geboren, of ze worden naar ruime -kamers gebracht, waar ze gevoed worden, tot ze sterk genoeg zijn om -zelven te arbeiden. Tegen het regenseizoen worden er eenige witte mieren -geboren, die vier vleugels hebben, zoodat ze verderop nieuwe kolonies -kunnen stichten; maar die vleugels zijn van korten duur; het is gebeurd, -dat ik er gansche hoopen van heb ontmoet, waarvan ik mij de aanwezigheid -niet kon verklaren. - -»En hoe bouwen de termieten hunne woningen? - -»Die, welke wij gezien hebben, schijnt gebouwd te zijn van aarde, -doorweekt met eene soort gom, welke het insect door den mond afscheidt. -Over het algemeen hebben de onderaardsche gangen van een termietennest -gewelven, die schijnen te bestaan uit hout, dat door eene of andere -kleverige stof stevig is gemaakt. Deze insecten zijn, evenals de mieren, -allesetend en als dezen dragen zij zorg in hunne magazijnen een -overvloedigen voorraad op te stapelen." - -Wij begonnen den berg te beklimmen, en toen ik naar boven keek, was ik -geheel verwonderd mijne twee makkers reeds bij het vuur te zien zitten. - - - - -XV. - -EENE NIEUWE SOORT FAKKELS.--EERSTE BLIK IN DE GROT.--DE LICHTKEVERS.--DE -GOTHISCHE ZAAL.--STALACTIETEN EN STALAGMIETEN.--EEN KERKHOF DER -CHICHIMETEN.--DE INDISCHE NOTENBOOM.--DE BUIDELRAT EN HARE JONGEN. - - -Lucien was met de twee patrijzen vooruitgegaan; toen ik op mijne beurt -bij het vuur aangekomen was, vond ik er een grooten mol die voor het -vuur gebraden werd, en waarvan Sumichrast het vet zeer zorgvuldig -opving. - -»Hoe hebt ge dat dier gedood? vroeg ik mijnen makker, ik heb u niet -hooren schieten. - -»De Encuerado heeft het met een slag met de geweerkolf gedood; -terzelfder tijd hebben uwe twee geweerschoten ons naar de grot doen -terugkeeren. - -»En met welk doel verzamelt gij dat vet? Moet dat misschien een of -anderen schotel voorspellen? - -»Neen; maar ik ben van plan de grot te onderzoeken en met dat vet zullen -wij eene lamp maken, waarvan het licht ons van veel nut kan zijn. - -Ik juichte het denkbeeld van Sumichrast toe, en daar hij eene gansche -kolonie mollen had ontdekt, stelde ik voor, om er na het middagmaal -eenigen te gaan vangen, ten einde zóó het aantal lampen te vermeerderen. -Bovendien hoopte ik op die wandeling wel een harsachtigen boom te -ontmoeten, waarvan de takken als fakkels dienst zouden kunnen doen. -Lucien kon zijne blijdschap nauwelijks bedwingen, en zou wel zonder -uitstel in de grot hebben willen doordringen. Hij gunde zich nauwelijks -den tijd om te eten en beknorde den Encuerado over zijne langzaamheid, -eene indirecte manier om ons ook tot meer spoed aan te sporen. - -Nadat wij opnieuw het woud bereikt hadden, gingen wij een denne- of -pijnboom opzoeken, waarvan de met hars gevulde takken ons zouden -veroorloven de mollen te sparen. Toen Lucien ons die beide boomen hoorde -noemen, vroeg hij, waarin zij van elkander verschilden. - -»De sparreboom, zeide Sumichrast, groeit gewoonlijk op hooge bergen, -binnen in het vasteland, terwijl de denneboom op de oevers groeit, -waarvan hij het beweeglijke zand op den duur vast en vruchtbaar -maakt. Deze twee boomen behooren tot de familie der conifeeren of -kegeldragenden. Zij verschillen slechts door hunne vruchten; de -kegelvruchten van den denneboom worden gevormd uit de in hout verouderde -schubben van den kelk en bevatten een zaad, dat door eene vliesachtigen -vleugel omgeven wordt. De kegels van den spar zijn dun, taai, niet -houtachtig, en deze laatste eigenschap helpt de plantenkundigen vooral -in hunne rangschikking." - -De geleerde uitlegging van Sumichrast liet veel te wenschen over. Ik -maakte dit op uit de talrijke vragen van Lucien, maar zonder een -exemplaar der beide boomen voor oogen te hebben, was het ook moeielijk -hun verschillend kenmerk beter te verklaren. - -Na eene lange, vruchtelooze wandeling, bleven wij voor een gaiacboom -met donkergroen gebladerte, en hooger dan die, welken wij tot dusverre -ontmoet hadden, staan. Ik wist, dat hij eene hars bevatte, dat vooral -door de Engelschen als tandmiddel wordt gebruikt; maar de hardheid van -het hout, dat onze wapens stomp zou gemaakt hebben, deed ons besluiten -verder te gaan. - -Een weinig verder ontdekte de Encuerado een amberboom, een boom, vooral -kostbaar door den balsem, die uit de ingekerfde takken vloeit en die -door de Indianen, bij wijze van wierook, gebrand wordt. Hij klom langs -den kwastigen stam van den reuzenboom op en hakte er takken af, die -Sumichrast in kleine stukken verdeelde, nadat ik ze van de bladeren -ontdaan had. Dit werk werd door het naderen van den avond onderbroken en -met een zwaren takkenbos beladen, trokken wij naar den haard terug. - -Nauwelijks waren wij daar aangekomen, of ik gaf Lucien de voldoening, -van eene onzer fakkels te mogen beproeven. De tak ontbrandde al -knetterend, en bij onze eerste schreden in het gewelf namen vier of -vijf vleermuizen met een licht gepiep de vlucht. Ik hield Lucien bij de -hand en weldra kon hij nog maar alleen rechtop loopen. Wij bevonden ons -in eene ruime zaal, waarvan het gewelf in koepelvorm, te lager werd, -naarmate wij verder voortschreden. Een hoopje roodachtige aarde in een -hoek, trok de aandacht van Sumichrast, die er eenige fossiele beenderen -in hoopte te vinden. Om onzen reisgezel geschaard, moesten wij, bij het -schijnsel van de fakkels, die een dikken, onwelriekenden rook gaven, -een groep van eene fantastische uitwerking hebben gemaakt. Er verliep -meer dan een halfuur, zonder dat onze opgravingen tot de geringste -ontdekking leidden. De Encuerado, die onder het gewelf en den grond was -doorgekropen, liet eensklaps een kreet van verrassing hooren; hij was -bijna in een soort van put gevallen. - -In een oogwenk lag ik plat op den buik, en kroop ik in de richting van -den Indiaan voort; Lucien kon, dank zij zijne geringe grootte, op handen -en voeten kruipen; het kostte hem dan ook niet veel moeite om vooruit -te komen. Weldra peilden onze oogen de diepte van de uitgraving; de -brandende overblijfselen vielen op een hoop steenen, ter diepte van -vier of vijf meters. De Encuerado slingerde eene fakkel, waarvan het -weifelend licht ons aan de linkerzijde eene groote opening liet zien, de -ruimte in. Gelukkig over deze ontdekking, namen wij den terugtocht aan, -en stelden wij de verdere onderzoeking tot den volgenden morgen uit. - -De nacht was duister en gedurende onze afwezigheid was het vuur bijna -geheel uitgegaan. Boven ons scheen een boom, waarvan wij nauwelijks den -vorm konden onderscheiden, met sterretjes bedekt te zijn. Lucien zette -groote oogen op, want hij begreep niets van dit verschijnsel, dat teweeg -werd gebracht door honderden lichtkevers, die van weerszijden van de -borst eene gele vlek hebben, welke in de duisternis lichtgevend wordt. - -Niets is aardiger, dan die duizenden glinsterende puntjes te zien omhoog -gaan, te zien neerdalen en elkander met eene ongekende snelheid te zien -kruisen; men zou gezegd hebben, dat het een boom met vurige bloemen was, -die door den wind werd heên en weêr geslingerd. De Encuerado naderde met -een _Cucuyo_, die zijne hand met een groenachtigen glans verlichtte. -Lucien nam hem in de hand: de twee lichtgevende vlekken schenen hem twee -groote oogen te zijn. Eensklaps gaf het insect een duw aan de vingers -van den knaap, die ons heel verbaasd aankeek. »Deze kevers," zeide -Sumichrast, »behooren tot de snelkevers of _elateriden_. Elater is een -Grieksch woord, dat veerkrachtig beteekent, en de _Cucuyo_ heeft u -bewezen, dat hij den familienaam verdient, dien de geleerden er aan -gegeven hebben. Beziet hun lichaamsbouw eens goed; de hoeken van het -borststuk verlengen zich in scherpe punten; boven eindigt het middelste -gedeelte van de borst eveneens in eene punt, welke het dier, naar -willekeur, in de holte duwt, die zich onder het tweede paar pooten -bevindt. Met eene speld, die door dezen natuurlijken ring gestoken -wordt, bevestigen de vrouwen uit het volk, in het warme land, den -snelkever, zonder hem te verwonden, in hun haar. - -Leg hem nu eens op den rug. - ---Hij houdt zich dood! riep Lucien uit. - ---Ja, zooals veel andere insecten doen, die hun pooten samentrekken en -zich laten vallen, om zóó den mensch, als hij ze wil grijpen, te -misleiden. - ---O, wat springt hij! - ---Dat is ook het eenige middel, wat hij bezit, om weer overeind te -komen, als hij bij toeval op zijn rug is gevallen. Zie eens, hij steekt -de punt, waarin zijne borst uitloopt, tegen den rand van het lager -liggende gat; dan heft hij eensklaps den kop op. Paf... paf... men zou -zeggen dat het eene veer is, die losspringt. Bij de eerste poging is het -hem niet gelukt; maar nu... zie, hij is reeds op de beenen, en vliegt -zelfs al weg!" - -De eerste beweging van Lucien was, om de _Cucuyo_, wiens weg door de -lichtende vlekken werd aangewezen, achterna te loopen; maar het uur om -te gaan rusten was reeds lang verstreken, en iedereen zocht zich zoo -goed mogelijk onder dak te brengen, om over den ontdekkingstocht van den -volgenden dag te droomen. - -De aanbrekende dag vond ons reeds op en door een kop koffie versterkt. -De muskieten hadden het ons den ganschen nacht lastig gemaakt; dat waren -nog slechts de voorloopers van de legioenen, wier aanvallen wij later te -verduren zouden hebben. Lucien, die vol ongeduld was, verloor den ingang -van de grot geen oogenblik uit het oog, en volgde met spanning al onze -bewegingen. Een holle steen, dien de Encuerado gevonden had, werd met -vet gevuld, een stukje linnen diende voor wiek, en onze nieuwerwetsche -lamp brandde al knetterende. - -Toen ik de takken uitdeelde, die ons tot fakkels moesten dienen, -bemerkte ik, dat zich een geelachtige, doorschijnende traan aan elk -der uiteinden gevormd had. Deze hars heeft, door hare kleur en haar -reuk, aan den boom, die haar voortbrengt, den naam van _liquidambar_ -(vloeibare amber) doen geven. Eindelijk drong ik, door mijne makkers -gevolgd, in de grot door; de Encuerado zette de lamp op den rand der put -neer, en de vleermuizen, die wij reeds den vorigen dag gestoord hadden, -begonnen zwijgend rond te fladderen. - -Voorafgegaan door Sumichrast, waagde ik mij op den bodem der diepte. Een -nauwe gang voerde ons in eene ruime zaal, waarvan de duisternis ons -eerst belette de uitgestrektheid te peilen. Terwijl mijn vriend het -terrein onderzocht, keerde ik op mijne schreden terug, en weldra kwam -Lucien, aan een riem bengelende, bij ons. Dank zij de behendigheid van -den Indiaan, kwam ook de lamp brandende beneden, eindelijk verscheen de -Encuerado op zijne beurt. Lucien liet niet de minste vrees blijken; ik -moest zelfs zijn ijver intoomen. Door den nauwen gang te volgen, kwamen -wij weer bij Sumichrast, en het geleek wel op eene spookachtige -verschijning, zooals hij daar stond, de fakkel boven zijn hoofd -zwaaiende, om de duisternis, die ons omringde, te doorboren. - -Nadat de lamp aan den ingang van den gang was neêrgezet, nam ieder onzer -eene fakkel, en ging het, schrede voor schrede, voorwaarts. Sumichrast -en de Indiaan volgden den linkerwand, terwijl ik den rechterwand langs -liep, mijn zoon aan de hand geleidende. Onze fakkels gaven slechts een -onzeker licht en lieten niet meer dan drie schreden vooruit zien. Een -weinig verder bedekten afgevallen steenen den grond; alvorens mij op dit -moeielijk terrein te wagen, wierp ik een blik op mijne makkers. Zij -waren verdwenen; maar de lamp die rustig aan den ingang, boven mij, -brandde, wees het punt aan, vanwaar zij vertrokken waren. Ik riep--een -vreeselijk geraas weerklonk. Lucien kwam schielijk dichter tegen mij -aan. - -»Dat is de echo, die ons het antwoord van Sumichrast en den Encuerado -overbrengt," haastte ik mij hem te zeggen. »Zij zijn in eene andere -zaal. Roep ze ook eens." - -De stem van den knaap klonk eenigszins ontroerd. Oogenblikkelijk schenen -de sombere gewelven zijne woorden te herhalen, en het geraas werd -grooter, hoe meer het zich verwijderde, alsof duizenden personen -elkander een orderwoord toeriepen. Een vreeselijk »hioe, hioe!" -overstemde dat geraas, en reeds vertoonde zich het gelaat van den -Encuerado aan onze linkerhand, als de echo nog het roepen herhaalde. - -»Kom eens gauw naar de mooie kerk zien. Eene kerk van diamanten, -Chanito!" - -Ik naderde den ingang van eene schuine galerij, op wier helling ik mij, -den Encuerado volgende, begaf. Allengs verwijderden de muren zich van -elkander, en ik bevond mij in eene onmetelijke zaal, versierd met -stalactieten, waar Sumichrast zijne brandende fakkel neerzette. - -De Encuerado had gelijk; men zou gemeend hebben in eene gothieke zaal te -zijn. Men kan zich onmogelijk eene vreemder, zonderlinger en grilliger -bouwstijl uitdenken. - -Nooit heeft een schilder van een toovertooneel, schitterender effecten -uitgedacht. Honderden kolommen daalden van het gewelf neer, om zich -in den grond vast te zetten. Het was eene bewonderenswaardige -dooreenmengeling van spitsbogen, roosvensters, boomen en reusachtige -bloemkorven. Hier en daar beelden, door de natuur gebijteld; Lucien -merkte vooral eene vrouw op, met een langen sluier bedekt en die haar -arm boven het hoofd omboog; geen bijtel van een beeldhouwer had haar -levendiger kunnen voortbrengen; dan weer waren het wanstaltige -dierenmuilen, monsterachtige koppen, geheele dieren, als 't ware in -dreigende houdingen versteend. Het gezichtsbedrog werd grooter of -kleiner naargelang het lichtspel, en meer dan een half geziene boom -verdween als een droom in dit tooverpaleis. - -Terwijl wij zoo onzen weg vervolgden, raakten lange naalden, die van het -gewelf afdaalden, onze hoofden. - -»Dat zijn stalactieten," sprak ik tot den verrukten Lucien. »Het -regenwater, dat door den berg sijpelt, lost op zijn doortocht de -kalkbestanddeelen, die hij bevat, op, en brengt, als het verdampt, die -fraaie afzetsels voort, die gij daar voor oogen hebt. - ---Daar is eene naald, die uit den grond opstijgt. - ---Dat is een stalagmiet; die groeit van beneden naar omhoog, en niet van -boven naar beneden, zooals de stalactieten, welke bovendien met eene -buis doorboord zijn. Sla uwe oogen eens op en zie naar die fraaie naald, -aan wier uiteinde een druppel water glinstert. Door haar eigen zwaarte -meegesleept, valt die vloeibare parel, welke reeds eene lichte laag -kalk op de stalactiet heeft afgezet, op de stalagmiet, waarvan de top -afgerond is. Langzamerhand zullen de twee naalden tot elkander komen, -en eene kolom te meer in de grot vormen, welke met den tijd eindelijk -geheel gevuld zal zijn. - ---Groeien de steenen dan in 't water?" vroeg Lucien, met een nadenkend -gelaat. - ---Dat wil zeggen, dat het water kalkachtige bestanddeelen in opgelosten -toestand bevat; zoodra het water verdampt is, vormt de steen zich weer. - ---»Als men het zoo neemt," sprak de Encuerado op zijne beurt, »zouden de -keisteenen in de rivieren smelten." - ---Dat gebeurt ook; maar ze smelten, wel te verstaan, niet zoo -gemakkelijk als suiker. Herinnert gij u niet dat de Rio Blanco, (witte -rivier) bijna melkwitte golven voortstuwt, die eene witachtige laag -afzetten, op de met haar in aanraking blijvende takken en bladeren? - ---Dat is waar," antwoordde de Indiaan, die dikwijls de versteeningen had -bewonderd, waarmede de twee oevers van de Witte Rivier bedekt zijn. - ---»Maar het water, dat hier valt, is helder," bracht Lucien er tegen in, -terwijl hij met zijn fakkel een natuurlijk waterbekken naderde. - ---Het bevat niettemin opgeloste kalkzouten, zooals trouwens alle -wateren en vooral het bronwater. Daarom maken de huisvrouwen er geen -gebruik van, omdat het de zeep niet kan oplossen en de groenten, die men -er in kookt, hard maakt. - ---Begrijpt gij dat? vroeg de Encuerado aan Lucien. - ---Ja, een weinig. - ---Gij zijt wel te benijden. Gister vielen de steenen van de zon of de -maan, en dwaalden, geheel in vuur, rond; nu worden zij door het water -gemaakt. Morgen zal Tata Sumichrast ons vertellen, dat zij van den wind -komen." - -De Indiaan ging boos weg; wij volgden hem lachende, hoe langer zoo -meer verrukt over het schouwspel, dat zich aan onze blikken vertoonde. -Ongelukkig verlichtten onze fakkels slechts op zeer gebrekkige wijze, en -de zware rook, dien zij afwierpen, maakten de bogen en gewelven zwart. -Een groote gladde steen versperde ons eensklaps den weg, en noodzaakte -ons te kruipen. Ik ging voorop, en in een nauwen gang voortloopende, -bereikte ik eene soort van klein kamertje. Ik uitte een kreet van -verbazing; vijf of zes regelmatig geplaatste doodshoofden schenen hunne -ledige oogholten op mij te vestigen. - -»O! vader," sprak Lucien, mij bij mijne kleeren vasthoudende, »zijn wij -dan op een kerkhof?" - ---Ja, mijn vriend; ik meen een kerkhof te herkennen van de Chichimeken. -Dit volk, dat vóór de Tolteken en Asteken in Mexico woonde, had de -gewoonte zijne dooden in spelonken te begraven. - -Sumichrast onderzocht nieuwsgierig een doodshoofd, dat hij had -opgeraapt, en waarvan de witte en voltallige tanden aantoonden, dat het -had toebehoord aan een, op jeugdigen leeftijd gestorven man. Eenige -schreden verder lagen vijf of zes andere schedels op den grond, omgeven -door fijne stalactieten; zij schenen ons door de staven van eene -gevangenis aan te staren. - -Deze schedels lagen daar misschien meer dan duizend jaren in hunne -nissen, die klaarblijkelijk uitgegraven waren om ze te bewaren. De bodem -van de grot had zich naderhand opgehoogd. Hoeveel licht kon hij over de -oude geschiedenis van Mexico doen opgaan! De Encuerado verbrak zonder -moeite eene eerste laag kalkgrond en legde eene soort leemaarde bloot, -waaruit hij een klein potje van gebakken aarde haalde. Ik ging op mijne -beurt aan 't graven; mijne vingers ontmoetten een hard voorwerp;--het -was een steenen beeldje. Ik had nauwelijks mijne vondst losgemaakt, of -de arm van Lucien verving den mijnen, en bracht, tot groote vreugde van -den knaap, eene fantastische schildpad naar boven, waarvan de staart -tot fluitje diende. Door deze vondsten aangemoedigd, waren wij gaan -knielen, om de kalkkorst over eene groote uitgestrektheid los te breken; -maar onze fakkels begonnen te verbleeken, en het was in de nauwe, met -rook gevulde ruimte niet meer uit te houden. Sumichrast klaagde over -suizingen in de ooren; ik gevoelde mij zelven onwel en met weerzin gaf -ik het teeken tot het vertrek. - -De lamp, die uitgegaan was, vervulde de eerste zaal met een stinkenden -walm, die onze onpasselijkheid nog deed toenemen. De Encuerado en Lucien -verlieten het eerst de spelonk, waaruit ik bijna op hetzelfde oogenblik -als Sumichrast te voorschijn trad, en toen ik bij den ingang der grot -kwam, werd ik bijna verblind door de stralen der zon. - -Een algemeen gelach weerklonk; wij zagen er allen uit als negers of -schoorsteenvegers. Er viel niet aan te denken om ons te wasschen, de -inhoud van onze veldflesschen was te kostbaar, en zou ook niet voldoende -geweest zijn. Daar de grot water bevatte, bood de Encuerado aan, zich op -te offeren, maar de rook, die uit de put opsteeg, maakte mij ongerust, -en ik verzette mij, voor het oogenblik, tegen het afdalen van den -Indiaan. - -Wij stonden verbaasd over den langen duur van onzen onderzoekingstocht, -die niet minder dan vier uren had beloopen. 't Is waar, de gesteldheid -van den bodem had ons gedwongen dien bij elke schrede te peilen. - -Ofschoon wij besloten hadden onzen weg te vervolgen, zoodra wij uit de -grot zouden zijn, deden de vermoeidheid en de begeerte om nog eenmaal de -wonderbare gewelven, die ons zoo bekoord hadden, te bezoeken, ons onze -verdere reis tot den volgenden morgen uit stellen. - -Na een uur rustens gingen wij uit, om iets voor het middagmaal op te -sporen. - -Ik onderzocht vol nieuwsgierigheid den omtrek van ons kampement. De -aanwezigheid der doodshoofden in de grot bewees, dat een stam Indianen -de omstreken bewoond had; maar de Chichimeken bouwden slechts hutten, en -de tijd had alle sporen van hun verblijf aldaar vernietigd. - -Ik kan niet zeggen, met welk eene voldoening ik de bosschen, het groen, -de insecten, de bloemen en de zon terugzag. Het inwendige van grotten -stemt den mensch tot zwaarmoedigheid, ongetwijfeld door de stilte en de -duisternis; want de fraaie zaal der stalactieten had op zich zelve niets -droevigs. - -Zij maakte een diepen indruk op den geest van Lucien; hij werd niet -moede ons te ondervragen. - -»Deze natuurlijke holten," zeide Sumichrast hem, »komen veelvuldig -in gipsbergen, maar veelvuldiger nog in vulkanische en kalkachtige -massa's voor. Eenige, die zoo oud zijn als de wereld, dagteekenen van de -eerste opheffingen van de oppervlakte van den aardbol, toen de vloeibare -stof, die den kern der aarde uitmaakt, de nauwelijks vast geworden korst -ophief, om zich naar buiten te kunnen uitstorten en de bergketenen te -vormen. - ---Is het binnenste der aarde dan vloeibaar geweest? - ---Zij is het nog, zooals de vulkanen dat aantoonen; maar de tijd -der groote verschijnselen is voorbij. De vloeibare massa is op de -oppervlakte steviger geworden, naarmate zij meer afkoelde; daarna is het -water deze korst, waarvan de dikte zeer gering is in verhouding tot de -massa onzer aarde, komen veranderen en bewoonbaar maken. - ---Maar waaruit bestaat die gesmolten stof, die onder onze voeten brandt? - ---Uit de grondstoffen, die gij om u ziet; graniet, porfier, bazalt, -die men daarom vulkanische of vuurrotsen noemt, in tegenstelling met -de _neptunische_, zooals het gips, het pleister, de leem, waarvan de -opeenhooping aan het water wordt toegeschreven. - -Die wetenschap wordt de _geologie_ of kennis der aarde genoemd, waarvan -de studie u wellicht later zal aanlokken. - ---Kunnen alle vulkanische steenen dan smelten? - ---Ja, maar op voorwaarde, dat zij aan eene hitte worden blootgesteld, -zoo groot, als die van den kern der aarde, en die eene hevigheid -bereikt, waarvoor onze verbeelding terugdeinst. Om nu op de grotten -terug te komen, zijn er eenige, die haar ontstaan te danken hebben aan -de oplossende kracht van het water. Zoo kan de bron, die wij uit den -ingestorten berg hebben zien ontspringen, op een gegeven tijdstip -uitdrogen of van richting veranderen, en aan de nieuwsgierigheid van -toekomstige reizigers zalen te zien geven, die allengs door stalactieten -gevuld zullen worden. - -Ons geologisch gesprek werd door een uitroep van den Encuerado -onderbroken, die een Indischen notenboom ontdekt had, welken de -Mexicanen »boom van St. Ignatius" noemen en waarvan de bruine vruchten -met eene houtachtige schors, die den vorm van kleine meloenen hebben, -heen en weer slingerden en met een droog gedruisch tegen elkander -aansloegen. De Encuerado vertelde aan Lucien, dat die vruchten eensklaps -met een sterken knal openspringen, en dat de platte boonen, die zij -bevatten, een in zijne provincie veel gebruikt purgeermiddel zijn. -De Indiaan had er bij kunnen voegen, dat de zaden van den Indischen -notenboom--de _hura crepitans_ der geleerden--purgeeren op de manier -der vergiften, en dat meer dan een van zijne landgenooten gestorven is, -omdat hij het drankje had ingenomen, door de oude misteeksche vrouwen er -uit bereid. - -Sumichrast voerde ons naar het woud, waar de hooge boomen ons -beschutten. Na een vrij langen marsch, waarop wij slechts eksters -ontmoetten, zeide ik tot den Encuerado, dat hij ons naar het molsveld -moest terugvoeren. Eensklaps beval onze reismakker stil te zijn; aan -onze linkerhand vertoonde zich eene buidelrat met vijf jongen. Het dier -naderde onverschillig een boom van middelmatige dikte, waar het, met -behulp van zijn grijpstaart, opklom. De beangstigde jongen verdrongen -zich onder een klagend gepiep aan den voet van den boom. De buidelrat -daalde daarop weer naar beneden; nauwelijks was zij aan den voet van den -boom gekomen of hare familie stortte zich hals over kop in den buidel -der moeder. Aldus beladen, klom het diertje weer langzaam tegen den boom -op, en ging bedaard op een der eerste takken zitten. De jongen, die -rosachtig haar hadden, en van welken wij niets dan den spitsen neus en -de zwarte oogjes konden zien, schenen ons boven van een balkon aan te -zien. Een hunner waagde zich naar buiten en ging op de takken wandelen, -en weldra had de kleine bende zich naar alle kanten verspreid. Even als -in de fabel, beval Sumichrast Lucien om in de handen te klappen, terwijl -ik den Encuerado verbood op het arme dier te schieten. Door het geklap -verschrikt, vluchtten de kleinen naar hunne moeder, die hare lange -ooren oprichtte en ons eene dubbele rij witte tanden liet zien. Een -onvoorzichtige viel, door zijne overhaasting om den beschermenden buidel -te bereiken, naar beneden. In een oogwenk was de buidelrat bij hem, -terwijl zij ons met haar bek dreigde; zoodra haar schat voltallig was, -verdween zij er mede in het kreupelhout. - -»Waarom hebt gij mij verboden om op de _tlacuache_ te schieten?" vroeg -de Encuerado mij. - -»Waartoe dient het een arm dier te dooden, dat ons van geen nut kan -zijn? - ---Gij weet wel, dat dat arme dier op de zolders komt, de kippen en -levensmiddelen opeet, zonder nog te spreken van het geraas, dat de -jongen maken. - ---Ja; maar deze is geheel onschuldig aan al die misdaden, zij leeft te -ver van de steden." - -Dit tooneel had Lucien zeer vermaakt. Ik vertelde hem, dat de -buidelratten, de Kangaroes en verschillende andere zoogdieren, waarvan -de wijfjes een zak of buidel bezitten, om de jongen in te verbergen, om -die reden buideldieren of _marsupialen_ genoemd worden. - -De buidelrat is in Mexico zeer algemeen. Haar lange, spitse en zeer -sterk gespleten snuit, is met twee en vijftig vervaarlijke tanden -gewapend, ofschoon het dier zich slechts met eieren, insecten en vogels -voedt. Bij de soorten, welke geen buikzak hebben, klimmen de jongen, -zoodra zij loopen kunnen, op den rug hunner moeder, en klampen zich -met hunne grijpstaartjes aan den staart der moeder vast, die te -dien einde naar voren wordt gebogen. Dit instinct is misschien nog -opmerkenswaardiger dan dat, hetwelk hen aandrijft, om in den buidel der -moeder eene schuilplaats te zoeken. - -De tijd ging voorbij; wij moesten noodzakelijk naar het mollenveld -terug, en de Encuerado beloofde, dat hij eene goede jacht zou maken, -zonder een schot te lossen. - - - - -XVI. - -DE AARDNOTEN.--EEN MAALTIJD VAN WILDE KATTEN.--NIEUWE TOCHT IN DE -GROT.--DE VLEERMUIZEN.--OPGRAVINGEN IN EEN GRAF. - - -Wij liepen midden door het kreupelhout voort, in de hoop een of ander -stuk smakelijker wild op te jagen dan de toeza's, toen onze voeten -verwarden in de vezelige en kruipende takken van de aardnoot. Ofschoon -de stengels nog met witte bloemen bedekt waren, wroette de Encuerado -toch den grond om, waarin de vruchten zich verbergen, om geheel rijp -te worden, en verzamelde er eenige van. De _tlalcacahuatl_, dien de -plantenkundigen onder de familie der peulvruchten rangschikken en -_arachide_ noemen, brengt geelachtige en gerimpelde peulen voort, waarin -zich twee of drie amandels bevinden, welke men eet, na ze in de schil -boven het vuur geroosterd te hebben. De smaak heeft veel weg van dien -van de kastanje. De arachide, tegenwoordig veel in Europa verbouwd, -levert eene olie op, die niet gemakkelijk rans wordt en waarvan de -Spanjaarden zich bedienen voor de zeepbereiding. - -Lucien en de Encuerado waren over deze vondst meer verheugd dan wij, -want zij hielden veel van deze aardnoten, welke, bij gelegenheid van de -godsdienstige feesten, aan den ingang der kerken in Mexico bij gansche -stapels verkocht worden. - -De zon begon onder te gaan; de honger gebood ons wat meer haast -te maken; ik geleidde derhalve mijne makkers naar het mollenveld. -Nauwelijks hadden wij onzen marsch hervat, of vijf of zes konijnen -kwamen, zeer onvoorzichtig, bijna tusschen onze beenen loopen. Lucien -was zoo gelukkig er een te schieten, terwijl Sumichrast een tweede -doodde, en de Encuerado ging, met deze buit beladen, naar den haard -terug. - -Door dit buitenkansje over ons middagmaal gerust gesteld zijnde, -vervolgde ik mijne wandeling tot aan het begin eener lichting in 't -bosch, waar de grond, met gaten overdekt, de woonplaatsen der mollen -deed herkennen. Wij gingen elk in de schaduw van een boom zitten. Het -toeval had mij onder een ijzerhoutboom, waarvan de stam de best geharde -bijl weerstand biedt, doen plaats nemen. Tegenover mij verhief zich een -_tepehuage_, een soort van mahonieboom met donker gebladerte, die vroeg -of laat een groot handelsartikel tusschen Europa en Mexico zal worden, -want het fraaie roode, met zwart geaderde hout, maakt hem zeer geschikt -voor het vervaardigen van fijne meubelen. - -Gringalet was den Indiaan gevolgd. Ik beval Lucien stilte aan, opdat -wij de handelingen der mollen, die met het ondergaan der zon uit hunne -gaten komen, konden gadeslaan. Werkelijk kwam een, daarna twee, drie, -vervolgens twintig _toeza's_ te voorschijn; in minder dan een kwartier -telde ik er over de honderd, die den grond omwoelden, speelden en -vochten, onder het uiten van scherpe kreten. Lucien had er veel vermaak -in, ze zoo op hun achterdeel te zien zitten, om wortels of schors af -te knabbelen. Met een enkel geweerschot zouden wij onzen voorraad vet -verdubbeld kunnen hebben; maar dat zou kruit vermorsen zijn geweest. -Vreezende, dat wij voor de verleiding zouden bezwijken, meende ik het -teeken tot vertrek te geven, toen ik eene groote ongerustheid bij de -bende, wier spelen ons zoo zeer had vermaakt, opmerkte. Alle mollen, -deftig op hun achterlijf gezeten, schudden hunne groote koppen heen en -weer, lieten hunne lange, gele snijtanden zien, en schenen de lucht in -te snuiven. Eensklaps ijlden allen op hunne holen toe. Een _jaguarete_ -had hen verschrikt, door midden tusschen hen in te springen. De nieuw -aangekomene, eene soort wilde kat van eene zwarte kleur, sloeg twee of -drie slachtoffers tegen den grond, en liet een soort van gemauw hooren. - -Op dit geroep kwamen twee jongen te voorschijn, die tegelijk op den -eersten mol den besten aanvielen. Ieder hunner greep de prooi van zijn -kant aan, spuwde, op de manier der katten en sloeg er met de nagels in. -De moeder, verplicht om door een veelbeteekenend geknor de orde te -herstellen, gaf ieder harer verscheurende kinderen eene prooi, ging -toen liggen en geeuwde verscheidene keeren, terwijl haar jongen de arme -knaagdieren begonnen te verscheuren. Toen deze verzadigd waren, verslond -zij met gulzigheid wat overbleef, zonder het derde dier, waar de jonge -roofdieren onophoudelijk om rondliepen, een oogenblik uit het oog te -verliezen. Zoodra zij er te dicht bij kwamen, liet zij dadelijk haar -geknor hooren, en de jongen schenen zeer goed te weten, wat die -moederlijke waarschuwing beteekende, want zij gingen plat op den grond -liggen, en kropen met hangenden kop achteruit. Toen haar maal geëindigd -was, nam de _jaguarete_ den onaangetasten mol in haar bek en verwijderde -zich, zonder ons bemerkt te hebben. - -»Wat zegt gij van die kleine veelvraten?" vroeg Sumichrast aan Lucien. - ---Dat zij allerliefst zijn, met hun zwart en glanzend vel; zij ge lijken -op groote katten. - ---De katten zijn er ook neefjes van. - ---Vallen de _jaguareten_ ook menschen aan? - ---Neen; als wij evenwel hare jongen hadden willen aanraken, zou zij zich -op ons geworpen hebben. - ---Om ons op te eten?" vroeg Lucien, groote oogen opzettende. - ---In de eerste plaats om ons te bijten en met hare nagels te -verscheuren. In 't algemeen zijn alle wilde dieren of vleeschetende -dieren, zooals de geleerden ze noemen, altijd te duchten, en hoe gering -ook hunne grootte moge zijn, men moet ze nooit uittarten. Als wij lijf -aan lijf tegen de jaguarete moesten vechten, is het zeer waarschijnlijk, -dat wij meer gehavend uit den strijd zouden komen dan zij. - -Ik voerde meester en leerling naar den voet van den berg terug. De nacht -viel in; gelukkig toonde het vuur, door den Encuerado aangestoken, -ons den weg naar onze schuilplaats. Wij vonden er vermaak in, om uit -de verte te zien, hoe de Indiaan om het vuur liep, deftig tegenover -Gringalet ging zitten, met wien hij zeker praatte, want hij zwaaide -met de armen en streek met de hand over den rug van het goede dier. -Plotseling stond de hond op, stak zijne ooren in de hoogte, en liep op -ons toe, terwijl de Encuerado een vlammend stuk hout boven zijn hoofd -hield, om onzen weg te verlichten. - -Bij het aanbreken van den dag werden wij door de stem van den Indiaan -gewekt. De grauwe lucht dreigde ons met een van die fijne regens, die -eeuwig schijnen te zullen duren. Sumichrast sneed eenige, van bladeren -voorziene takjes af, waarmede hij ons voorging, alvorens wij de grot -binnen trokken. - -»Waar moeten die takken toe dienen?" vroeg Lucien verwonderd. - ---Tata Sumichrast wil vleermuizen vangen, Chanito. - ---Om ze op te eten? - ---O neen! maar misschien zouden ze toch wel goed smaken. - ---Het vleesch smaakt overheerlijk," viel Sumichrast hem in de rede; -»vooral de vleugel is een fijn boutje, dat ik u ten zeerste -aanbeveel..." - -Maar mijn metgezel kon zich niet goed houden, toen hij het verschrikte -gelaat van Lucien zag, zoodat zijne scherts mislukte. - -De Encuerado verdween al tastende in de grot; aan den ingang geplaatst, -hielden wij ons gereed, om onze verzameling te vermeerderen. Twee -_Chéiropteren_--een Grieksche naam, die handvleugeligen beteekent en -door de geleerden aan de vleermuizen is gegeven--vielen door onze -takken. Lucien raakte ze met niet al te veel weerzin aan, en de vorm van -hun bek verbaasde hem nog meer dan hunne vleugels. Die, welke hij dan -ook onderzocht, had in 't midden gespleten en als 't ware omgekrulde -lippen; de andere, met een platten neus en nog afzichtelijker gelaat, -had in plaats van ooren, twee gaten, waarin de zwarte, schitterende -oogen lagen; bovendien was het vlies der vleugels zoo dun en -doorschijnend, dat men zou meenen, het bij de minste inspanning te zien -scheuren. Het arme dier kwam langzamerhand weer bij, liet zijne fijne en -scherpe tanden zien en sleepte zich over den grond voort. Sumichrast nam -het op en haakte het met den klauw, waarin de voorarm eindigt, vast, om -Lucien te laten zien, op welke wijze zij zich aan de muren der grotten, -die altijd vol oneffenheden zijn, vastklampen. Eensklaps liet de -vleermuis zich vallen, en verdween in de sombere diepte, die voor haar -gaapte. - -De vleermuis, die een onvolmaakt wezen is, heeft langen tijd de -nieuwsgierigheid der natuurkundigen gaande gemaakt. La Fontaine laat -haar reeds het bekende versje zeggen: »Ik ben een vogel, zie maar naar -mijne vleugels; maar ik ben ook eene muis en leve de ratten;" en de -geleerden beschreven haar als een vogel, die haren in plaats van veeren, -en tanden in plaats van een snavel heeft. Geoffroi Saint-Hilaire heeft -het eerst geleerd, dat de vleugels van de vleermuis niet anders zijn dan -eene buitengewone verlenging van de vingers van het dier, die onderling -door een vlies, van een bewonderenswaardig weefsel, verbonden zijn. -Ik wees Lucien andermaal op de wijsheid van den Schepper, en op de -eenvoudige middelen, die Hij gebruikt, om de wezens, die het heelal -bevolken, in 't oneindige af te wisselen. - -»Dat is de eerste keer," riep de Encuerado verontwaardigd uit, »dat men -den duivel gebruikt om den goeden God te loven." - -»De vleermuizen hebben niets met uw duivel gemeens," zeide Sumichrast; -het zijn slechts dieren, die een weinig zonderlinger zijn dan de andere. - -»O, Tata Sumichrast, hebt gij dan hun vleugels nooit goed bekeken? -De Satan, die op het schoone beeld in de kerk van Orizava, door -Sint-Michiel onder den voet wordt getreden, heeft ze precies hetzelfde. -En wat nu de grotten aanbetreft, wie weet niet, dat het de monden van de -hel zijn? - -»Laat ons dan in de hel gaan!" riep Lucien, die de bijgeloovigheid van -zijn vriend niet deelde, uit. - -Toegerust zooals den vorigen dag, daalden wij in de put neer, en den -linker wand volgende, kwamen wij achtereenvolgens in eene ruime zaal, -waar het water als een aanhoudende regen naar beneden viel. Zeer -belastigd door die ijskoude druppels, welke door onze kleeren drongen, -ried ik Sumichrast aan terug te keeren; maar in plaats van er gevolg aan -te geven, drong hij in een bochtigen gang door. Ik sloot den marsch, -en volgde met de oogen mijne makkers, die klommen of daalden, al naar -gelang de oneffenheden van den grond. Soms moest men wel ophouden, om -over een steen of een waterplas te komen. - -Eindelijk zag ik, dat mijne makkers weer overeind stonden, wij waren in -eene zaal gekomen, die zoo ruim was, dat wij onze fakkels te vergeefs -omhoog hielden, om het bovenste gewelf te kunnen verlichten. Honderden -vleermuizen omringden ons; Lucien vertrok geen spier, en als hij ze zoo, -gelijk groote vlinders om zijne fakkel zag zweven, zonder die aan te -raken, stond hij verbaasd over de zekerheid van hunne vlucht. Verdoofd -door het gekrijsch van deze geheimzinnige dieren, stelde ik op nieuw -voor om terug te keeren; maar Sumichrast drong er op aan om verder te -gaan. Hij vindt het weinig waarschijnlijk, dat de vleermuizen, die des -nachts hun voedsel in 't veld gaan zoeken, om naar buiten te komen -den nauwen weg zouden volgen, die ons hier had gebracht. Er moest dus -een tweede ingang bestaan. Mijn makker en de Encuerado gingen op de -ontdekking uit, want ik durfde mij, in gezelschap van mijn zoon, niet -verder op dezen glibberigen grond wagen. De twee verkenners klommen -groote, opeengestapelde rotsen over, kwamen verscheidene meters boven -ons, en verdwenen plotseling. - -De vleermuizen kwamen allen naar ons toe, en dreven de vrijmoedigheid -zoo ver, dat zij ons met hunne vleugels raakten. Mijne voorzichtigheid -mishaagde aan Lucien, die stoutmoedig was geworden. Na verloop van vijf -minuten riep de stem van Sumichrast mij, en ik richtte mij naar de hoop -steenen, vroeger door mijne gezellen beklommen. - -De opstijging was moeielijk; niettegenstaande zijn tegenspartelen wilde -ik de hand van Lucien niet loslaten. Ik had wel gelijk gehad; hij gleed -eensklaps uit, ik liet mijn fakkel vallen en daar lagen wij in eene -volslagene duisternis op de puinhoopen. - -»Pas op, dat ge geen beweging maakt," riep ik uit, »ge weet niet, welke -afgronden ons kunnen omringen." - -»Wat is het donker! Men zou zeggen, dat de duisternis een lichaam -heeft, dat zij op mijn oogen drukt." - -»Dat komt, omdat wij op eene diepte zijn, waar het licht, zelfs niet -door terugkaatsing, binnendringt. Even als u, komt het mij voor, alsof -men mij een doek op de oogen legt. Roep den Encuerado." - -Het gewelf weerkaatste den naam van den Indiaan, die onmiddellijk -antwoordde. - -De vleermuizen hadden hunne vlucht vertraagd; ter nauwernood hoorden -wij nog eenig zacht gepiep; maar daar blonk een zwak licht, en het -geraas begon opnieuw. Lucien deelde zijn vriend ons ongeval mede; deze -wilde zich haasten, en rolde zelf verscheidene malen over de steenen. -Eindelijk toch verscheen hij, stak onze fakkels aan, en ging ons op -den gevaarlijken bodem voor. Toen wij de instorting over waren, kwamen -wij in eene zaal met stalactieten opgeluisterd; in het midden daarvan -flikkerden de toortsen van Sumichrast. Mijn reisgezel stapelde al het -hout, dat wij nog hadden, op elkander en stak het aan. De muren van de -grot schitterden, alsof zij met kristallen sterren bedekt waren. Van -den bodem, van het gewelf, van de muren kaatsten duizenden diamanten -veelkleurige straalbundels terug. Het zou minder verrukte toeschouwers -dan wij waren, verblind hebben. Maar weldra noodzaakte een dikke en -bijtende rook ons om heen te gaan, en eenige schreden door een gang, -brachten ons midden in eene onmetelijke zaal, die door eene natuurlijke -ronde opening verlicht werd. - -Ik begroette den hemel met vreugde; toen ik den grond onderzocht, bevond -ik, dat hij bedekt was met brokstukken van gebakken aarde. - -Ik begon een groot gat te graven, en het duurde niet lang of er kwam -eene laag van vochtige kolen te voorschijn. De Encuerado ging eenige -takken afsnijden, waaraan de, tot een punt gevormde uiteinden, ons het -werk veel vergemakkelijkten. Na twee uren van onverpoosden arbeid, waren -wij er in geslaagd een weinig meer dan een vierkanten meter van eene -vochtige, zwarte vette aarde, bloot te leggen. - -Ik was uitgeput, en niettegenstaande mijne nieuwsgierigheid ten hoogste -was opgewekt, moest ik Sumichrast buiten de grot volgen, om een weinig -frissche lucht in te ademen. Gringalet, die alleen in het bivak was -achtergebleven, huilde van tijd tot tijd; ik riep hem, en van rots tot -rots springende, was hij spoedig bij ons. Er viel eene fijne regen; -geheel vervuld van mijne uitgravingen, was ik blijde, dat de toestand -van de lucht tot voorwendsel kon dienen, om het vertrek tot den -volgenden dag uit te stellen. Nauwelijks hadden mijne makkers een -weinig adem geschept of ik riep hen weer tot den arbeid terug. Hoe -grooter het gat werd, dat de Encuerado groef, des te meer opgewonden -werd hij, en meende hij goud te bespeuren. - -Volgens de meening van elken Indiaan toch, verbergen de spelonken en -grotten ongehoorde schatten, die door de natuur gevormd of er door -den mensch verborgen zijn, en altijd door een boozen geest bewaakt -worden, die wel zijne schatten laat zien, maar niet toelaat dat men ze -medeneemt. - -»Lach niet, Tatita," zeide mij de Indiaan, »en vooral niet in dit -oogenblik. - -En hij vertelde ons dat een zijner vrienden, die eens zijne kudde op de -bergen hoedde, zich in het kreupelhout begeven had om eene zijner geiten -op te zoeken. Het dier vluchtte steeds verder en voerde hem bij den -ingang eener grot. De Indiaan aarzelde eerst, maar ontdeed zich toen van -al zijne kleeren, om des te zekerder te zijn, dat hij geen ijzer bij -zich had, en drong daarop in de grot binnen. Hij deinsde echter terug, -verblind door het zien van vijftig uiteengevallen kisten, waar het -gemunte goud uitstroomde. In plaats van partij te trekken van zulk een -buitenkansje, en zich het bezit van zulk een schat te verzekeren, door -een van de op den grond gevallen munten meê te nemen, was de ongelukkige -zoo hard hij kon naar zijn dorp teruggekeerd, om zijne ontdekking aan -zijne vrienden mede te deelen. Op denzelfden avond gingen zij, vijf in -getal, en van rieten schoppen voorzien op weg, met het doel om de schat -in veiligheid te brengen. Men kampeerde in den omtrek van de grot, en de -nacht werd doorgebracht met flesschen brandewijn op de gezondheid van -den goeden geest te ledigen. Bij het aanbreken van den dag volgde men -den gids op den voet; men klom, men daalde, zonder evenwel de plaats -terug te vinden, waar de even geziene schatten zich nog bevinden. - -»Kon hij den weg niet meer terug vinden?" vroeg Lucien, wien dit verhaal -veel belang inboezemde. - ---Neen, Chanito! want de grot was voor hem voor altijd onzichtbaar -geworden. - ---Onzichtbaar! en waarom? - ---Omdat hij ijzer bij zich had gehouden. - ---Maar ge hebt ons gezegd, dat hij naakt was," hernam Sumichrast. - ---Hij had zijn vuurslag in de hand gehouden!" - -De treurige toon, waarop de Encuerado dezen laatsten volzin had -uitgesproken, ontlokte zelfs aan Lucien een glimlach. - -Ik ging de grot weer binnen, en na de reeds bloot gelegde laag kolen -zorgvuldig verwijderd te hebben, vond ik eene kleine urn van gebakken -steen, met asch gevuld. De urn droeg op eene der zijden eene grijnzende -figuur, en bevatte eene schelp, zoogenaamde Jacobs-schelp, en den -schedel van een vogel. - -Door een langen leertijd aan dergelijke ontdekkingen gewoon geraakt, -twijfelde ik niet, of er zou zich weldra een schedel voor onze oogen -vertoonen. Werkelijk kwam er een schedel te voorschijn, daarna wervels -en scheenbeenderen; toen pijlspitsen in vuursteen, en ten slotte -gebroken figuurtjes. Ongelukkigerwijze konden wij er niet aan denken om -deze schatten mede te nemen; ik gaf dezen ondankbaren arbeid derhalve -op. Onze eerste zorg was om den lazo los te maken, en zoodra het maal -was afgeloopen, hield men zich bezig om de bagage in orde te brengen, -ten einde den volgenden morgen gereed te zijn om te vertrekken. - - - - -XVII. - -EEN GEFORCEERDE MARSCH.--DE ZWEMVOGELS.--DE KRUISDRAGENDE -BLOEMEN.--PLANTAARDIGE ZEEP.--EEN SCHOTEL VAN DEN ENCUERADO.--DE -SCHERMDRAGENDE BLOEMEN.--DE BLOEDZUIGER.--EEN ONVERWACHTE GAST. - - -De regen bleef bijna den ganschen nacht doorvallen, en tegen vier uur -in den morgen werd ik bibberend wakker. Het was Hemelvaartsdag, en -alvorens hij het vuur aanstak, hief de Encuerado een gezang aan en sprak -een gebed uit. De koffie versterkte ons een weinig, en ieder nam zijne -vracht op, om den voet van den berg te bereiken. Alvorens ik in het woud -trok, wierp ik nog een blik op de nauwelijks doorzochte grot, waar -zoovele geologische wetenswaardigheden bedolven bleven. - -De zon vertoonde zich slechts bij tusschenpoozen door de grijze wolken, -die door den Oostenwind met kracht werden voortgedreven. De grond, -doorweekt door een regen, die reeds vier-en-twintig uren aanhield, -maakte onzen marsch zeer moeielijk. Een ijzerhoudende en glibberige -klei deed ons telkens vallen. Dit moeielijke terrein voerde onze kwade -luim ten top, en besmeurde onze kleeren met groote roode vlekken; ik -voor mij, verwenschte inwendig het reizen en vooral den regen. - -Bij het verlaten van dit akelig ravijn, rolde Gringalet, die -ongetwijfeld een wildspoor geroken had, zich woedend over den grond. -Wij waren reeds ver toen hij bij ons terug kwam, overdekt met eene laag -rooden oker, die hem het zonderlingste uiterlijk gaf, wat men zich -slechts kan voorstellen. Het goede dier liep van links naar rechts, -sprong en blafte, als of hij zich ten taak had gesteld ons te vermaken. -Hij slaagde er ook in, en onze stap werd vlugger. Eene kleine vlakte, -waar de zon ons met hare stralen overstroomde, bracht onze goede luim -weer terug; onze kleeren droogden op en met de vochtigheid vervloog ook -het onaangename gevoel, waaraan wij ten prooi waren. - -Wij waren op het punt andermaal onder de hoornen te gaan, toen de -Encuerado staan bleef. - -»Wat beweegt zich daar?" vroeg hij. - ---Herten," antwoordde ik, na door mijn kijker gezien te hebben. - -Iedereen ging zich achter de heesters verbergen, in de hoop dat een der -fraaie dieren onder het bereik van een kogel zou komen. De Encuerado -wilde herhaalde malen de vlakte omtrekken, maar ik verzette er mij -tegen; de afstand was te groot. Een uur vervloog met naar de dieren te -zien, die graasden, dartelden, elkander likten, zonder dat een enkele -zich in onze nabijheid waagde. Ongeduldig over deze rol, trad Sumichrast -uit zijn schuilhoek te voorschijn, en zoodra zij hem zagen, namen de -herten de vlucht. Eigenlijk was deze halt niet nutteloos geweest; dank -zij de hitte van de zon, was de grond meer begaanbaar geworden, en al -neuriënde nam mijn vriend de taak op zich, ons verder te voeren. - -De tijd voor het opslaan van het bivak was sedert lang voorbij en nog -liepen wij door. Wij gingen over een vlakken bodem, die niet veel goeds -voorspelde; het water uit de grot, waarmede wij onze veldflesschen -gevuld hadden, had zulk een flauwen smaak, dat wij vurig verlangden eene -bron te ontmoeten. - -Daar ik den horizon niet kon onderzoeken, gelastte ik den Encuerado in -een zeer hoogen boom te klimmen. De Indiaan bereikte den hoogsten tak, -liet zijne oogen overal rondgaan en kwam vrij treurig naar beneden, want -hij had niets bespeurd. De vermoeidheid dwong ons halt te houden. De hut -werd gebouwd, het vuur aangestoken, en de pot met water en rijst gevuld. -Geen onzer bezat den moed om op de jacht uit te gaan. De nacht brak -trouwens aan, en Lucien begon te slapen. Een uur na het ondergaan der -zon lagen wij naast elkander; de Encuerado had zijne aardnoten vergeten, -en was ingeslapen, zonder het aangevangen gezang te kunnen ten einde -brengen. - -Ik werd wakker door het geschreeuw der zevenkleurige tangaras, eene -soort vliegensnappers[29], die in troepen leven. Lucien beklaagde zich, -even als wij, over een weinig stijfte in de gewrichten, een gevolg van -onzen te langen marsch van den vorigen dag. De karavaan ging hinkende -op weg, maar de aanwezigheid der vogels kondigde de nabijheid van een -ravijn aan. Langzamerhand verdween de verdooving uit onze ledematen, -wij trokken langs eene zachte helling naar omlaag, en de plantengroei -nam een meer tropisch karakter aan. Onder het voortloopen merkte ik -eenige peperstruiken op, daarna kwamen er heesters, waaruit duizenden -kardinalen opvlogen. Door deze fraaie vogels met hun rood gevederte -geleid, kwam ik onverwacht aan den oever eener beek, die zonder geraas -over een bed van wit zand voortvloeide. - -[29] De Tangaras zijn hoofdzakelijk vruchtenetende vogels. (N. v. d. V.) - -In een oogwenk verhief de haard zijne vlammen hemelwaarts. Vlinders, -waterjuffers en vogels vlogen om de bloeiende struiken. Het was een -waar concert van gegons en gekweel, een licht windje speelde door het -gebladerte en verfrischte de lucht. Aan ons geluk ontbrak nog slechts -een stuk wild. Nauwelijks waren wij gaan zitten om wat adem te scheppen, -of eene vlucht eenden streek dicht bij ons neer. Een pletonsvuur -verwelkomde hen, en vier slachtoffers bedekten den grond met hunne -witte, bruine en blauwe veeren. - -»Dat zijn de eerste zwemvogels, die wij ontmoeten," sprak Sumichrast. -»'t Zal niet lang duren of wij plassen in de moerassen." - ---Aan welke vogels zijn de eenden verwant?" vroeg Lucien. - ---Aan de zwanen en ganzen, meester Zonnestraal," antwoordde mijn vriend. -»Alle vogels van deze orde hebben, zooals de naam van _palmipeden_[30], -dien de natuurkundigen er aan geven, aanduidt, de teenen door een -zwemvlies verbonden. De eenden, waarvan men in Mexico een groot aantal -verscheidenheden kent, hebben een platten snavel; hun korte en naar -achter geplaatste beenen maken dat zij waggelend loopen, maar met des -te meer gemakkelijkheid zwemmen. - -[30] Van _palma_ handpalm en _pes_ voet. De door een zwemvlies verbonden - teenen van den voet, doet dezen op een handpalm gelijken, vandaar - de naam. (N. v. d. V.) - ---Maar hoe kunnen zij met zulke voeten op de boomen zitten? - ---De eenden gaan niet op boomen zitten, zij brengen den dag door met in -het water te plassen, en slapen achter het riet verborgen. - ---Dan moeten zij altijd nat zijn. - ---Toch niet; de natuur heeft de veeren van de zwemvogels met een soort -olieachtig vernis overdekt, dat ze ondoordringbaar voor water maakt. -De eenden vereenigen zich tot groote vluchten, vliegen met groote -gemakkelijkheid, en gaan, al naar de jaargetijden, van het eene gewest -in het andere over. Zij zijn zoo talrijk op de wateren, die de stad -Mexico omringen, dat de jagers ze aan de Indianen overlaten." - -Terwijl de Encuerado het middagmaal gereed maakte, nam ik mijne makkers -mee naar den oever der beek. Weldra ontdekten wij waterkers, eene -gelukkige vondst voor reizigers, wien het vleesch begint te vervelen. -Lucien onderzocht de witte kruisvormige bloemen van de kostbare -plant, welke vorm aan de geheele familie den naam van kruisbloemigen -(_cruciferen_) heeft verschaft; deze gewassen bevatten eene scherpe en -vluchtige olie, die haar tegen de scheurbuik doet gebruiken. De kool -(_brassica oleracea_), de raap (_br. rapae_), de radijs (_raphanus -sativus_) en de mosterd (_sinapis alba_), zijn bladen, wortels of zaden -van kruisbloemige planten. Bij deze lijst zou men nog kunnen voegen de -rammenas en de colza, waarvan het zaad eene goede lampolie oplevert, de -steenraket of zangerskruid, een volksgeneesmiddel, in Frankrijk tegen -de verkoudheid aangewend, de herdersbeurs, waarvan de Mexicanen een -afkooksel maken om wonden mede te wasschen, het _lepidum piscidium_, -door de inboorlingen van Oceania gebruikt om de visschen te verdooven, -ten einde zich er gemakkelijker meester van te kunnen maken. - ---Gij vergeet het lepelblad, zoo nuttig voor de zeevarenden, ter -bestrijding van de scheurbuik," voegde Sumichrast mij toe. - ---Gij hebt gelijk, maar ik geloof dat ik er genoeg van gezegd heb, om -meester Zonnestraal de kruisdragende planten niet meer te doen vergeten. - -Eenige schreden verder deinsde Lucien, die een heester genaderd was -om insecten, die onder de bladeren verborgen konden zijn, te zoeken, -verbaasd terug, toen hij zag dat de heester bedekt was met fraaie -boomkikvorschen (_hyla viridis_). In plaats van in het water te gaan, -vluchtten zij het bosch in. Sumichrast verklaarde aan den jongen jager, -dat de boomkikvorschen, waarvan de teenen in slijmachtige schijven -eindigen, zich door deze inrichting aan de bladeren en zelfs aan gladde -voorwerpen kunnen vasthouden. - -»In Europa," voegde hij er bij, »doet men ze in flesschen, die half met -water gevuld zijn, en de boeren beweren dat het dier goed of slecht weer -voorspelt, naar gelang het buiten het water blijft of er zich indompelt. -De boomkikvorsch, evenals hare zuster, de waterkikvorsch, begraaft zich -des winters in het slijk en blijft daar in verdoofden toestand. Deze -soort van slaap, die haar in de koude luchtstreken voor den honger moet -vrijwaren, moet in Mexico, waar zij altijd haar voedsel vindt, eene -andere oorzaak hebben. De huid van den boomkikvorsch scheidt een vergif -af. - ---Kom eens hier," riep Lucien eensklaps, »daar staat een appelboom. - -Ik liep naar hem toe, en vond er een heester van ongeveer vier meter -hoogte, bedekt met geelachtige, roodgevlekte vruchten, zooals de -api-appeltjes. Ik herkende den boom, dien de Mexicanen zeepboom noemen. -De ontdekking kwam goed van pas en Sumichrast hielp ons de vruchten te -verzamelen, die ons in staat zouden stellen, om onze kleeren eens goed -te wasschen. Lucien wilde de kleine appels, die doorschijnend zijn als -vruchten van was, proeven, maar de samentrekkende smaak beviel hem niet, -zoodat hij ze vol afkeer weg wierp. - -Een kwartier later lagen wij op den boord der beek geknield, en wieschen -wij om 't best ons linnengoed. De vruchten van den zeepboom geven een -overvloedig schuim, en de wasch laat niets te wenschen over. In het -Gematigde Land vervangt een wortel, _amoli_ genoemd, de zeep; in het -Warme Land bedient men zich van een knolgewas, _amolito_ geheeten, in -het land der Misteken of de provincie Oajaca vinden de arme lieden eene -natuurlijke zeep in de schors van de _quillaja saponaria_, een boom uit -de familie der roosachtige gewassen. - -Europa bezit ook eene plantaardige zeep, de Saponaria of het Zeepkruid, -een klein plantje, dat aan de anjelieren verwant is en waarvan de roode -bloempjes langs de kanten van sloten staan. De huisvrouwen bedienen er -zich van om zijden stoffen te wasschen, en de verlepte kleuren weer -helder te maken. - -Uitgerust en opgefrischt, gingen wij bij het vuur liggen, met een stuk -gebraad met waterkers en eene eend met rijst, door piment gekruid, in 't -verschiet. Bij het eerste hapje trok ik een leelijk gezicht, waaraan -Sumichrast, door eene soortgelijke betuiging, beantwoordde. De rijst had -een ongenietbaren aromatischen smaak. De Encuerado zag ons zegevierend -aan. - -»Wat drommel hebt ge toch in het eten gedaan?" riep ik uit. - ---Niet waar, Tatita, dat is lekker? - ---'t Is afschuwelijk, ge hebt ons vergeven. - -Ik had den reuk van eene soort van koriander, waarmede de Indianen, -als zij er toe in de gelegenheid zijn, hunne spijzen kruiden, herkend. -Sumichrast was, evenals ik, in de eerste beet blijven steken; Lucien -evenwel, die een weinig de voorkeur van den Encuerado voor _de culantro_ -deelde, smulde. Ons maal bestond derhalve slechts uit een gerecht; ik -liet aan de twee vrienden de in rijst gekookte eend over en vergenoegde -mij met het gebraad. - -De Indiaan, die meende dat wij liever de versche plant hadden dan de -andere, die door het kooken veel van haar geur verloren had, bood ons er -eenige stengels van aan. Hij was evenwel slechts ten halve schuldig; wij -aten dikwijls met genoegen van zijne nationale keuken en onze tegenzin -voor de kruiderij, die door zijne landgenooten het meest op prijs wordt -gesteld, mocht hem dan ook met het volste recht verbazen. - -Gringalet raakte de gekookte rijst met de punt van de tanden aan en -rolde zich woedend over de takjes koriander, die op den grond waren -blijven liggen, waardoor zijn fraai toilet wel wat bedorven werd. Ik -nam mijne makkers mede naar den oever der beek, en bracht ze weldra te -midden van een geheel boschje van het stinkende gewas. Ik nam de vlucht. -Sumichrast, moediger dan ik, gunde zich den tijd om aan Lucien te -verklaren, dat deze talrijke familie, die men schermdragende planten -(_umbelliferae_) noemt, omdat de bloemen als een scherm (_umbella_) -geplaatst zijn, de selderie, de peterselie, den wortel, de pastinake, -de anijs, de angelica en twintig andere planten omvat, waarvan de reuk -alleen voldoende is om de verwantschap te herkennen. Door insnijdingen -te maken in de stengels van twee schermdragende planten, verkrijgen de -inboorlingen den opoponax en het galbanum, twee gomsoorten, waarvan zij -pleisters maken tegen de maagpijn. - -De Assa-foetida of het duivelsdrek, waarvan de reuk zooveel -aantrekkelijks heeft voor de Indianen der beide halfronden, is ook een -voortbrengsel van een schermdragend gewas. - -Dicht bij het water gezeten, zagen wij, dat eene kleine baai zich -met visschen vulde. Lucien ging het vlindernet halen en de Encuerado -trachtte ze er mee te vangen. Hij kreeg evenwel maar vier of vijf -kleine vischjes, die hij weer in het water wierp, benevens een anderen -visch, van een aanhangsel aan den staart voorzien, waar wij met al -onze wetenschap niet uit wijs konden worden. Ik beschouwde hem langen -tijd; het lichaam, dat eene bruine kleur had, door twee gele strepen -geteekend, was doorschijnend. Ik zou aan eene afwijking van den gewonen -vorm gedacht hebben, ware het niet dat verscheidene, geheel gelijke -voorwerpen, op dezelfde plaats rondzwommen. Ik wierp het half doode dier -weer in 't water, het zonk, kwam weer naar boven, bewoog zich een weinig -en was op 't punt weer weg te zwemmen, toen een dikke bloedzuiger zich -aan zijne zijde vasthechtte. - -Sumichrast ving het vischje opnieuw op en pakte den bloedzuiger, eene -geelachtige soort en van gemiddelde grootte, vast. - -»Onder welke dieren zoudt gij dezen rangschikken? vroeg hij aan Lucien. - ---Onder de kruipdieren, waarop hij in 't klein gelijkt. - ---Dan zoudt ge u vergissen; hij behoort tot de anneliden of geringde -dieren. Merk wel op, dat het lichaam uit ringen gevormd is, zooals dat -van den aardworm. De bloedzuiger heeft aan elk der uiteinden van het -lichaam eene zuignap, waardoor hij zich stevig aan de voorwerpen, welke -hij ontmoet, kan vastzuigen. Eene dezer zuignappen, die van den kop, -welken hij op 't oogenblik lang uitstrekt, is van binnen van drie -scherpe tanden voorzien, die hem in staat stellen om de huid te -doorboren van het dier, waaruit hij het bloed wil zuigen. Al zwemt de -bloedzuiger ook met veel snelheid en golvend, zooals de slangen, zoo -merkt gij toch op, dat hij op uwe hand alle levendigheid verloren heeft. -Hij kan niet vooruitkomen, dan door zijne twee uiteinden bijeen te -brengen en de tijd, dien hij daartoe noodig heeft, veroorlooft hem -buiten het water slechts langzaam vooruit te komen. - ---In mijn land," zeide de Encuerado, »vangt men de bloedzuigers in de -moerassen. Zij, die zich op deze vangst toeleggen, wroeten in het slijk -en komen er dan gewoonlijk uit, het lichaam geheel met bloedzuigers -bedekt. - ---Laten zij zich dan steken? - ---Neen, Chanito, althans niet vrijwillig, want de steek van deze -bloedzuigers laat eene jeukte na, die minstens vier-en-twintig uren -duurt. - ---Daarom hebben rijke lieden er ook niets op tegen, om de Europeesche -bloedzuigers, die niet dezelfde onaangename eigenschap hebben, duur te -betalen," antwoordde ik. - -De zon begon lager te staan; honderden vogels verzamelden zich op den -oever der beek. Gele, blauwe, groene en roode vleugels zwierden in alle -richtingen door de lucht. Wij keerden naar het bivak terug, telkens -staan blijvende om de groote verscheidenheid in gevederte en gezang -te bewonderen. Daar waren goudvinken van een violetkleurig zwart, -met oranjen buik en den kop en wangen met blauwe veertjes versierd; -dikbekken, met goudkleurige keel; meesjes met azuurblauw en wit getooid, -welke de Mexicanen primeveren (eerstelingen van de lente) noemen. Een -troepje _centzontles_--duizendstemmen--kweelden liederen, die een -nachtegaal waardig zouden zijn. - -De zon, achter gouden wolken verborgen, overgoot de boomen en struiken -met een zacht licht. Allengs zwegen de stemmen; de beek alleen murmelde, -terwijl vogels over ons heen vlogen om de bergen te bereiken. Het werd -duister in 't Oosten; de sterren begonnen éen voor éen aan den donkeren -hemel te schitteren, en levende vonken glinsterden in de struiken. De -nacht was reeds aangebroken en nog meende ik een geruisch van vleugels, -gebladerte en stemmen te hooren; onbestemde geruchten, die het oor -bekooren, terwijl het oog overal stralen ziet, die den geest tot God -verheffen. - -Ik sliep reeds meer dan twee uren, toen het geblaf van Gringalet mij -plotseling deed opspringen. Ik was even spoedig als mijne makkers, die -verontrust waren door eene beweging in het gebladerte, op de been. Het -werd weer stil en ik begon reeds aan een valsch alarm van den hond te -denken, die evenwel niet ophield met grommen. Ik wilde opnieuw gaan -liggen, toen Sumichrast mij zijne hand op den schouder legde; de kop van -eene monsterachtige slang gleed over den grond, en het lichaam, dat -ongeveer vijf meters lengte had, ontrolde zich langzaam voor den haard. - -Ik herkende de zwarte slang der suikerplantages, alleen te vreezen om -hare grootte, en die de planters op hunne velden lokken, welke zij van -schadelijke knaagdieren zuivert. De nabijheid van zulk een gast had -niets opbeurends, want degene onzer, dien hij in zijne kronkels had -genomen, zou zonder veel moeite plat gedrukt zijn. Wij wisten niet al -te goed wat te doen; terugtrekken zou wellicht den vijand aanlokken -zijn en als wij schoten, zonder hem doodelijk te verwonden, zou onze -onhandigheid ons aan de grootste gevaren bloot stellen. Ik hield -Gringalet tegen, want het zien daarvan kon de lust van de slang -opwekken, terwijl de Encuerado zonder geraas de hut verliet. De slang -hief den kop op en haalde hare ringen nauwer aan, sloeg haar flikkerend -oog, waarin de vlam van het vuur weerkaatste, rond, en wendde zich naar -onzen kant toe. Sumichrast maakte zich gereed te schieten, toen een -schot weerklonk; ik meende een vreemden, onmogelijk te omschrijven kreet -te hooren, daarna stortte het dak van de hut onder vreeselijke schokken -ineen. - -Er ontstond een oogenblik van verwarring; de gewonde slang was over -ons heengegaan. Ik maakte mij zoo spoedig mogelijk uit de takken los, -terwijl ik den verbaasden Lucien beschermde en achteruit trok. Toen ik -mij omkeerde, zag ik Sumichrast naar den Encuerado toegaan, die, nog met -zijn machete in de hand, de slang in drie stukken had gehouwen. Het ware -gevaarlijk geweest deze stukken, die over den bebloeden grond wentelden, -en waarvan er een in den haard terecht kwam en dien uitwierp, te -naderen. De jager stelde alle pogingen in 't werk om de afgesneden -deelen te beletten weer bij elkander te komen; hij meende, zooals -trouwens alle Indianen doen, dat de brokstukken van het dier zich van -zelf weer tot een geheel vereenigen. Ik beken, dat men geneigd zou -zijn aan dit volksbijgeloof waarde te hechten, als men ziet, hoe twee -gedeelten van eene slang zich ineenrollen, tegen elkander wrijven, zich -omkronkelen, alsof een geheim instinct het dier aanspoorde om eene -verbinding te zoeken, welke het leven er aan moest teruggeven. - -Door hunne blinde bewegingen verdwenen de brokstukken van de zwarte -slang eindelijk in het struikgewas. Ik onderzocht Gringalet van kop tot -teen; onze waakzame reismakker had, even als wij, eenige kleine -kneuzingen van weinig beteekenis. - -»Drommels, drommels! riep Sumichrast. Wij hebben ons niet zeer moedig -gedragen. In plaats van ons bang te maken, hadden wij stilletjes moeten -blijven liggen, de slang zou ons niet aangevallen hebben en ons dak zou -ons nog beschutten. - -»Eind goed al goed, hernam ik lachende; maar ik moet toestemmen dat wij -aan meester Zonnestraal, die in 't vervolg voor alle slangen bevreesd -zal zijn, een beter voorbeeld hadden kunnen geven. - -Toch niet, zeide Lucien, als ik ze maar niet alleen tegenkom. En met de -zorgeloosheid aan zijne jaren eigen, sliep hij weer in. Alvorens dit -voorbeeld te volgen, wakkerde de Encuerado het vuur wat aan en maakte -hij een compliment aan Gringalet, die hem in 't gezicht likte. Deze -vrijmoedigheid haalde hem eene les in de beleefdheid op den hals, -waarvan ik het einde niet hoorde. - - - - -XVIII. - -WILDE DAHLIA'S.--EEN BETREURENSWAARDIG ONGEVAL.--DE WOLFSMELKBOOMEN.--DE -WASCHRAT.--DE STROOM.--DE ENCUERADO HOEDENMAKER.--NIEUW MIDDEL OM BOOZE -GEESTEN TE VERDRIJVEN.--DE ANHINGA. - - -Den volgenden dag, die de negentiende was na ons vertrek uit Orizava, -vergeleek men de Kompassen en werd de reisroute veranderd. Tot nu toe -hadden wij in de richting van het Noord-Oosten langs de provinciën -Puebla en Veracruz geloopen, maar zonder evenwel de Cordilleras te -verlaten, welker wouden en talrijke valleien nog niet onderzocht zijn. -Naar de berekeningen van Sumichrast en ook de mijne moesten wij op dit -oogenblik op de hoogte van de provincie Mexico zijn en wij kwamen -overeen dat wij ons naar het Westen zouden richten, alsof wij op de -hoofdstad van Mexico afgingen. - -»Waarom blijven wij niet voorwaarts gaan?" vroeg Lucien. - ---»Omdat onze reis eenmaal een einde moet hebben," antwoordde ik; »tot -nu toe zijn wij getrokken door wat men het Gematigde Land noemt. Van -heden af zullen wij op het Koude Land toegaan en binnen twee of drie -dagen zullen wij woningen aantreffen. - ---Zullen wij dan weer menschen zien? - ---Ik hoop het. Mishaagt die gedachte u dan? - -Neen; maar het zal mij zoo vreemd voorkomen, als ik weer menschen en -woningen zie. - ---»Drommels, drommels!" riep Sumichrast uit, »gij zijt zoo waar reeds -een wilde geworden." - ---Ik vind het zoo aangenaam te voet te reizen, dat ik wel zou willen, -dat de reis nog lang duurde.... maar op voorwaarde, dat ik Mama van tijd -tot tijd eens mag omhelzen. - ---»Arme Zonnestraal," sprak Sumichrast, »als ik er aan denk dat gij het -volgend jaar op eene kostschool zult zijn; dan eerst zult gij aan ons -leven van nu denken." - ---Maar als het vacantie is, papa, en u weer eene reis onderneemt, dan -mag ik toch weer mee, daar ik toch goed kan loopen. - ---Alvorens aan eene andere reis te denken, zullen wij eerst die, welke -wij nu ondernomen hebben, ten einde brengen. Gij schijnt te vergeten, -dat wij het moeielijkste gedeelte van onze taak nog volbrengen moeten. - ---Het Koude Land doortrekken? - ---Neen, dat zullen wij slechts terloops zien; maar het Warme Land -belooft ons meer dan ééne kwelling. - ---»Bah!" sprak Lucien, terwijl hij mij omhelsde, »het Warme Land is -bijna mijn land; ik zal er mij zoo goed houden, dat u aan Mama zult -kunnen zeggen, dat ik een man ben." - -De zon schitterde reeds toen ik het teeken tot vertrek gaf. Wij -verlieten nooit zonder leedwezen de bivaks, die wij bij een waterstroom -hadden opgeslagen. Meestal kostte het ons moeite ons van die gastvrije -schuilplaatsen los te rukken, om ons weer op weg naar het onbekende te -begeven. Een kwartier uurs verliep met op den Encuerado te wachten, die -met alle geweld de stukken van de zwarte slang wilde terugvinden; daarna -nog een tweede met het vullen van onze veldflesschen, het landschap te -beschouwen en de vlucht der vogels met het oog te volgen. Sumichrast -opperde het denkbeeld dat het, na zulk een slechten nacht, niet kwaad -zou zijn als wij een beteren, temidden van zulk een verrukkelijk oord -doorbrachten. - -»Welzeker," riep ik uit, »de weekelijkheid zal over de geestkracht, de -lafheid over den moed zegevieren! Laten wij ons als Romeinen van het -tweede keizerrijk gedragen. Laten wij morgen, overmorgen maar eerst -vertrekken! Laat ons het gedenkwaardig verblijf te Capua vergeten! O! -zoon van Helvetia, wat zou de schim van Willem Tell wel zeggen, als hij -u hooren kon?" - -Mijn makker verwijderde zich met groote schreden, Lucien en -den Encuerado, die verbaasd stond over mijne gebaren en mijn -declamatorischen toon, met zich mede voerende. Toen ik de kleine -karavaan bereikt had, wenschte ik haar geluk over haar ijver, en ik -verklaarde dat Willem Tell, Guatimatzin en Napoleon tevreden konden -zijn. - -De beek wees den weg aan, dien wij volgen moesten; wij gingen langs hare -oevers, beschut door de heesters en opgevroolijkt door de vogels, die -er langs vlogen. Sumichrast wees ons dahlia's aan, de bloem die geheel -volmaakt zou zijn, als zij geur bezat. Uit Mexico oorspronkelijk, -vanwaar zij in Europa werd ingevoerd, bereikt de dahlia eene hoogte van -ongeveer een meter en brengt zij enkele, bleekgele bloemen voort. Door -de kweeking heeft men dubbele bloemen verkregen, die duizenden tinten -vertoonen en een sieraad van onze tuinen zijn. Veel Mexicanen, die voor -veel geld dahlia's in Frankrijk en in Holland koopen, weten zelfs niet, -dat de plant uit hun land afkomstig is. - -De gekookte en gezouten knollen van de dahlia worden door de Indianen -gegeten; 't is een melig, flauw en weinig gezocht voedsel. De wilde -aardappel, 't is waar, is al niet veel beter en wie weet of de kweeking, -na onze tuinen met deze heerlijke plant verrijkt te hebben, onze tafel -niet den een of anderen tijd met de sappig geworden knollen der dahlia's -zal begiftigen. - -De beek beschreef talrijke kronkelingen en onze begeerte om haar niet te -verlaten, bracht ons herhaalde malen van onzen weg af; eindelijk liep -zij naar links; ik groette haar als een vriend, van wien men noode -afscheid neemt, maar in de hoop dat haar grillige loop haar weer op -onzen weg zou voeren. - -Onze marsch ging nu naar omhoog; nu eens trokken wij door lichtingen, -dan weer door boschjes. Eensklaps opende zich voor ons eene uitgestrekte -prairie en Sumichrast voerde ons door hooge, witachtige planten. Na -verloop van een kwartier uurs begon onze gids te niezen, Lucien volgde -zijn voorbeeld, daarna kwam de beurt aan den Encuerado, vervolgens ook -aan mij en aan Gringalet. Deze opeenvolgende uitbarstingen werden door -lachen en veelvuldige »God zegene je" begroet; maar eene levendige -prikkeling in de keel en aan de oogen vergezelde weldra het niezen. - -»Drommels, drommels!" riep mijn vriend uit, »wat beteekent die -misplaatste grap?" - -Ik sloeg de oogen rondom mij; wij waren omringd door wolfsmelkplanten en -onze zorgeloosheid had ons dit ongeval op den hals gehaald. - -De lust tot lachen verging ons; wij hadden het midden der vlakte -bereikt; het was te laat om terug te keeren. Al hoestende, traanoogende -en niezende voerde ik mijne gezellen door de verwenschte planten, -waarbij ik opmerkte, dat zij elken anderen plantengroei verstikten. -Reeds was mij eens in het Warme Land dergelijk ongeval overkomen en -ik vreesde voor de gevolgen van zulke eene wezenlijke vergiftiging. -Sumichrast en Lucien bloedden uit den neus; ik versnelde den pas nog -meer. Eindelijk drongen wij, met roode en opgezwollen oogen en een -gevoel in de keel, alsof zij door eene ijzeren hand werd toegeknepen, -het bosch in. Onze eerste zorg was ons gelaat wat te betten en de keel -te gorgelen, zonder ook den ongelukkigen Gringalet te vergeten, die van -dat alles niets begreep en zijn snuit over den grond wreef. - -De Encuerado bromde tusschen zijne tanden en wilde de wolfsmelkplanten -vernietigen. Ik had veel moeite om hem te beletten den oorlog te -beginnen tegen de planten, die ons in zulk een erbarmelijken toestand -hadden gebracht; zich van zijne mars ontdaan hebbende, bood hij aan ons -te wreken en keerde hij elk oogenblik naar het noodlottige veld terug. -Hij wilde het in brand steken; dat was het onmogelijke beproeven. Hij -moest zich dus met scheldwoorden vergenoegen; ze waren kort maar -krachtig, want de toestand van zijne keel veroorloofde hem nauwelijks te -spreken. - -Ter prooi aan een onverdraaglijk onaangenaam gevoel, drongen wij het -woud in, een weinig op goed geluk voortloopende, in de hoop, dat wij -eene bron zouden ontmoeten. Eindelijk werd het terrein vlak; vervolgens -voerde eene steile helling ons in de bedding van een opgedroogden -stroom; eenige schreden verder brachten ons bij een plas groenachtig -water--het manna in de woestijn. - -Onze gezichten waren opgezwollen, de oogleden brandden, de mond was -droog en het niezen wilde maar geen einde nemen; dien dag werd er noch -over eene hut noch over een haard gesproken. Door de koorts verteerd, -strekte een ieder zich in de schaduw uit en zocht in den slaap een -weinig verlichting voor zijn lijden. - -Lucien, die zeer terneergeslagen was, verdroeg zijn lijden met een moed, -die mij aandeed. Ik droeg zorg zijne oogen van tijd tot tijd uit te -wasschen en hem te drinken te geven. - -Hij sliep in; maar hij had, evenals wij, een gevoel, alsof zijn hoofd te -zwaar voor zijne schouders was geworden. - -Toen de zon onderging, maakte ik den Indiaan wakker. - -Onze gezichten bleven opzwellen; de Encuerado zag mij verwonderd aan -en sliep weer in. Er moest vuur aangemaakt en koffie gezet worden; -maar ik geloof niet, dat het ons een van allen mogelijk zou geweest -zijn te eten. Met een langzaamheid en eene linkschheid, die ik niet kon -overwinnen, gelukte het mij eindelijk eenige droge takken bijeen te -rapen en het water aan 't koken te brengen. Toen riep ik mijne gezellen; -zij dronken, zonder eenig besef te hebben van den dienst, dien ik hun -bewees, en vielen toen weer in een zwaren slaap. - -De zon kondigde minstens tien uur aan, toen Lucien, het voorbeeld -gevende, ons overreedde om op te staan. - -Met zulk een opgezwollen en pijnlijk gelaat konden wij er niet aan -denken op weg te gaan. Sumichrast deelde zijn leerling eenige korte -bijzonderheden mede over de wolfsmelkboomen, waarvan vele Afrikaansche -soorten in hunne groeiwijze op reusachtige cactussen gelijken. De -planten van deze familie, kruiden, struiken of heesters, bevatten een -melkachtig, scherp en vergiftig sap. - -Eene verscheidenheid, welke men slechts zelden in Mexico aantreft, maar -die men zegt, dat in Brazilië zeer algemeen is, is de phosphoriseerende -wolfsmelkplant,--die des nachts licht geeft. De mancenilla, in welks sap -de vroegere Caraïben de pijlpunten dompelden, welke zij vergiftig wilden -maken, behoorde tot deze plantenorde; maar de reizigers en later de -dichters, zijn veel te ver gegaan met te beweren, dat het voldoende was -in zijne schaduw te gaan liggen, om den eeuwigen slaap in te gaan. - -Het melksap van de wolfsmelkplanten (eupharbiaceeën) wordt soms in de -geneeskunde gebruikt en de olie uit de zaden van den wonderboom is een -wormafdrijvend purgeermiddel, hetwelk de kinderen zelfs maar al te goed -kennen. - -"Dat is eene mooie familie," riep de Encuerado uit, die een afschuw -van de wonderolie had; »zoo beschouwd, zijn alle leden giftmengers en -moordenaars." - ---»Behalve de manioc, welke de tapioccae oplevert, waarvan gij zooveel -houdt," antwoordde ik. - ---»Is de manioc een verwante van de wolfsmelkboomen?" sprak de Indiaan, -met een twijfelachtig gelaat. - ---Zeer zeker, en wanneer zij, die haar verzamelen, niet de voorzorg -namen haar in zeer ruim water af te wasschen, zoudt gij er niet van -kunnen eten, zonder uw leven er bij in te schieten. - ---»Wel nu," zeide de Encuerado, vol overtuiging, »de duivel van mijnheer -Sumichrast mag van mijnentwege de geheele familie halen en de tapiocca -op den koop toe, ik zal er mij niet over beklagen. - -In den namiddag verklaarden Sumichrast en Lucien, dat zij honger hadden; -dat was een goed teeken. Ik nam mijn geweer, dat mij wel honderd pond -scheen te wegen, en door mijne makkers gevolgd, ging ik strompelend den -loop van de stroombedding op. - -Wij ontmoetten verschillende waterpoelen en daarna van de bergen -losgescheurde en zonderling op elkander gestapelde rotsen. Ik klom bij -den oever op, van plan om mij met het eerste stuk wild, dat zich zou -voordoen, te vergenoegen. Ik zag evenwel niet anders dan koningstoccoms, -met zwart, geel en rood gevederte; maar die vogels waren te vlug, dan -dat ik er aan denken kon ze te vervolgen. Een eekhoorn liet zich echter -schieten; 't was wel een schraal maal voor vijf hongerige magen. - -Sumichrast, die vooruit was gegaan, bleef staan en gaf ons een teeken om -stil te zijn. Mijne oogen drongen op het bed van den stroom en bij een -met water gevuld gat zag ik een _tejor_ of waschrat. Het dier, dat een -grijs met zwart gestreept vel bezat, had een spitsen snuit als die van -de buidelrat; het was op zijn achterdeel gezeten, dompelde zijne pooten -in het water en wreef ze tegen elkander aan. De Encuerado schoot, de -rat sprong op en weldra kon Lucien hare prachtige huid en haar fraaien -staart bewonderen. Het dier was bezig eene hagedis te wasschen, alvorens -haar te verslinden, aan welke onverklaarbare gewoonte het zijn bijnaam -te danken heeft. - -De _tejor_ (_procyon lotor_) wordt veel in Mexico aangetroffen. Hij -behoort tot de familie der beren, maar is veel kleiner en veel vlugger; -hij is vleeschetend en tevens insektenetend. Hij klimt met veel gemak -op de boomen, en als hij zijn verblijf dicht bij eene woning heeft -opgeslagen, vernietigt hij in korten tijd al het pluimgedierte. De -_tejor_ wordt zonder veel moeite tam gemaakt, loopt zijn meester te -gemoet en zoekt zijne liefkoozingen; evenwel bijt hij, evenals de -eekhoorn, waarop hij door zijne levendigheid gelijkt, onverwacht de hand -die hem voedt. Het vleesch van den procyon is blank, zacht en malsch. - -De Encuerado had dahliabollen verzameld en onder de asch gebraden; daar -dit voedsel ons niet smaakte, misschien omdat onze ontstoken keel ons -niet toeliet de fijnheid er van te erkennen, gaf ik het aan Gringalet, -die er zich aan te goed deed. - -De nacht brak aan, de hemel bedekte zich met grauwe wolken, die hevig -werden voortgedreven, ofschoon de boomen om ons heen onbeweeglijk -bleven. - -Het was te laat om eene hut te bouwen en evenals den vorigen nacht -strekte ieder zich op goed geluk op een bed van droog mos uit. - -Ik werd stijf van koude wakker; er blonk geene enkele ster aan den -hemel. Er bleef mij van de onpasselijkheid, door de wolfsmelkplanten -veroorzaakt, nog slechts een weinig zwaarte in het hoofd en eene lichte -ontsteking in de keel over. Ik trachtte weer in te slapen en viel in -eene soort van pijnlijke soezerij. Ik meende roofvogels te hooren -schreeuwen en in het bosch een geloei te vernemen. Ik stond op om die -nachtmerrie te verdrijven; maar ik droomde niet, de dag brak aan, de -vogels namen onder wild gekrijsch de vlucht, een dof geraas, gelijk aan -dat van den wind, die de boomen van het woud doet schudden, klonk zonder -ophouden in mijne ooren. Ik riep Sumichrast en den Encuerado; deze -laatste riep vol schrik uit: - -»De stroom!" - -Lucien opnemende, droeg ik hem op mijne armen weg, terwijl de Indiaan -in alle haast de over den grond verspreide voorwerpen bijeenzocht. Ik -bereikte door mijne beide makkers en Gringalet gevolgd, den dam. Lucien, -in zijn slaap gestoord, had den tijd niet om te vragen wat er aan de -hand was. Een woedend geraas maakte ons bijna doof; een geelachtige -watermassa ging ons voorbij; ik zag een mijner dekens drijven en bijna -terzelfder tijd vielen de rotsen in als door eene onzichtbare macht -voortgesleept, en stieten tegen elkander aan, onder den drang van een -vloeibare lawine. - -Een minuut later en het ware met ons gedaan geweest, of althans met ons -goed en onze wapenen, zonder welke onze toestand zeer hachelijk zou -geworden zijn. - -Onze hoeden dreven met de deken weg; dit verlies was ons zeer -onaangenaam, want geen onzer, behalve de Encuerado, kon onder de stralen -eener tropische zon blootshoofds loopen. Het ontmoeten van een palmboom -zou ons er over getroost hebben, want de Indiaan kon, evenals al zijne -landgenooten, stroo en riet vlechten. Inmiddels bedekte ieder zich het -hoofd met de breede bladeren van eene plant, die op de oevers der -stroomende wateren groeit en waarvan de Indiaansche vrouwen zich soms -bij wijze van zonnescherm bedienen. - -Wij wisten bij ondervinding met welke snelheid de rivieren soms -overstroomen. - -Een maand later, tegen het tijdstip van de regelmatig terugkeerende -regenbuien, zouden wij het nooit gewaagd hebben midden in eene -stroombedding te kampeeren. Wij hadden den vorigen dag evenwel -opgemerkt, dat de lucht vol grauwe wolken werd, wat ons op onze hoede -had moeten doen zijn. - -De woedende stroom ging voort, zonder moeite ontzaglijke steenblokken -meesleepende; maar de waterhoogte vermeerderde niet en toonde aan, dat -hij even spoedig weer zou opdrogen als hij gezwollen was. De Encuerado -moest zich met een slijkerig water vergenoegen om de koffie te koken; -maar als wij onze kieskeurigheid van beschaafde menschen hadden willen -behouden, zouden wij de reis hebben moeten opgeven! Een ander ongeval -hield ons trouwens bezig; het overgebleven gedeelte van de waschrat, dat -voor ons ontbijt had moeten dienen, was, evenals onze zak rijst door den -stroom meegesleurd. - -Wij gingen, weinig opgebeurd door deze reeks tegenspoeden, op weg. - -Alle ongesteldheid was gelukkig verdwenen; maar wij bleven de -wolfsmelkboomen en den stroom een kwaad hart toedragen. Een lange -marsch, gedurende welken wij nog den loop van de onverwacht ontstane -rivier verscheidene malen verloren en weer teruggevonden hadden, bracht -ons eindelijk aan een heuvel, aan welks voet een uitgestrekt moeras -lag. De Encuerado die, bij gebrek aan wild, hier en daar wat riet had -uitgetrokken, begon dadelijk hoeden voor ons te vlechten. - -Terwijl ik hem in gezelschap van Lucien achterliet, ging ik met -Sumichrast uit om eenig wild op te sporen. - -Toen wij van onze nuttelooze wandeling terugkwamen, vond ik mijn zoon -reeds in 't bezit van een hoofddeksel in den vorm van een trechter; de -Encuerado bood er mij ook een aan, die, naar het zeggen van mijn vriend, -mij op een Chinees deed gelijken. Nadat ik een weinig uitgerust was, -wilde ik opnieuw op de jacht gaan. Het geraas van den stroom scheen de -vogels verdreven te hebben. Er vertoonde zich ternauwernood nu en dan -een muschvogel, die het schot kruit, dat hij gekost zou hebben, niet -waard was. Ik vertrok opnieuw in gezelschap van Sumichrast, die op zijne -beurt een mooien punthoed op had gekregen. - -Deze nieuwe loop putte ons geheel uit, zonder ons een anderen buit op te -leveren dan een tangara, waarvan het schitterend gevederte onzen honger -niet kon doen bedaren. De Encuerado en Lucien bemerkten ons, midden in -het moeras staande; de jonge visscher liep op ons toe met zijn nieuw -hoofddeksel in de hand; in zijne haast vergat hij, dat de bodem van een -moeras bijna altijd glibberig is en ik zag hem plat op zijn buik op eene -laag waterplanten vallen. Met één sprong was de Encuerado bij hem en -hielp hem overeind; maar in plaats van zich over zijn val te bekommeren, -sloeg Lucien zijne bedroefde oogen naar den Indiaan op. - -Zijn hoed bevatte een gedeelte van de visch, die zij met het vlindernet -hadden gevangen en waarvan meer dan een derde in het modderige water van -het moeras verdwenen was. - -»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast, om het bedrukte gelaat van den -visscher lachende, »wij zijn bepaald betooverd." - -Deze scherts werd door den Encuerado voor ernst opgenomen; hij sloeg -zich voor het voorhoofd, alsof hij plotseling eene ingeving had -gekregen. - -»Dat is de geest van de grot!" riep hij uit. O! die rekel, en dat na -alles wat hij mij te danken heeft en de voorzorg, die ik genomen heb. - ---»Welke voorzorg?" vroeg Lucien. - ---Ik heb zeven witte keisteentjes opgeraapt en er een mooi kruis mee -geteekend. - ---Wat heeft hij met dat kruis te maken? - ---Hoe, Chanito, hij weet dat wij christenen zijn en durft ons aanvallen! -Wacht een beetje! Ik zal hem den boozen geest, dien hij in mijn lichaam -heeft gezonden, terugsturen en spoedig ook. - -En tegen een boom leunende met zijn hoofd omlaag en de beenen in de -lucht, begon de Encuerado als een bezetene met de beenen te spartelen. -Nu eens viel hij links, dan weer rechts, maar na elken val stond hij op -om dadelijk zijne houding van clown weer aan te nemen. Bij het zien van -die lichaamsverwringingen kon geen onzer zijn ernst bewaren. - -Lucien lachte dat de tranen hem over de wangen liepen, te meer nog daar -de Indiaan, als om het tooneel nog grappiger te maken, zijn gebaren deed -vergezeld gaan van scheldwoorden aan het adres van den geest van de -grot. - -Eindelijk beval ik hem zijne natuurlijke houding weer aan te nemen en -zich stil te houden. - -»Denkt gij, dat hij vertrokken zal zijn?" vroeg hij met een -onverstoorbaren ernst. - ---»Zeker," antwoordde ik; »op de wijze waarop gij hem geschud hebt, moet -hij wel door den mond of de ooren naar buiten zijn gegaan." - ---Nu uwe beurt, Chanito! - -Lucien, die verrukt was dat hij ook die kunsten eens zou mogen uithalen, -poogde herhaalde malen zich op het hoofd in evenwicht te houden, maar -door zijn lachen beheerscht, vond hij de kracht niet om zich op te -heffen. Hoe meer de Encuerado hem toeriep, dat hij den ernst moest -bewaren, die voor het welslagen van de bewerking noodig was, des te -onweerstaanbaarder werd het lachen. De goede Indiaan, die meende dat -een geest bepaald een lichaam moest verlaten, dat met het hoofd omlaag -is geplaatst, vatte de beenen van zijn jongen meester vast en schudde -hem als een zak, dien men ledigen wil. Sumichrast maakte een einde aan -de geestverdrijving, door te verklaren dat de geest op de vlucht was -gegaan. Toen naderde de Encuerado mijn metgezel en stelde dezen voor ook -hem te helpen, zooals hij Lucien had gedaan. - -»Nu is het genoeg," sprak ik, zoodra het lachen mij toeliet te spreken. -»Sumichrast en ik bezitten een ander middel om geesten te verdrijven." - -De Encuerado zag mij met bewondering aan, meer dan ooit overtuigd dat -mijne macht die van de toovenaars van zijn land ver te boven ging. - -Wij waren den haard genaderd; Lucien herhaalde vol ernst de woorden van -den Indiaan aan 't adres van den booze, toen Gringalet begon te huilen. - -De Encuerado had het arme dier bij zijne achterste pooten gevat en -schudde hem met den kop omlaag, heen en weer. - -»'t Is voor uw bestwil," zeide hij. »Begrijpt gij dan niet, dat de -geest, dien gij in het lijf hebt, u tot de eene of andere dwaasheid zou -verleiden?" - -Lucien vloog zijn trouwen vriend te hulp, die eindelijk door den Indiaan -werd losgelaten. Weinig erkentelijk voor de goede bedoelingen van den -Encuerado te zijnen opzichte, bleef Gringalet boos op hem en gedurende -een dag of drie naderde hij hem slechts met wantrouwen. - -Na dit tooneel hield de zorg voor het middagmaal ons geheel bezig. -Als de jacht goed was geweest, zou zij ons het vet geleverd hebben om -onzen visch te bakken. Terwijl wij zoo over ons weinig geluk klaagden, -bemerkte ik een troep vogels, die op de manier der eenden vlogen; zij -beschreven een grooten kring en zetten zich op den top van een boom -neer. De Encuerado schoot en een vogel viel naar beneden. Het door den -Indiaan gedoode wild was een _anhinga_[31], een der zonderlingste -zwemvogels, die men maar zien kan. Men stelle zich een vogel voor met -het lichaam van eene zeer groote eend, den hals eener zwaan, met een -rechten, puntigen snavel, die langer dan de kop is, met van zwemvliezen -voorziene pooten en groote, sterk bevederde vleugels. De anhinga duikt -en zwemt met dezelfde kracht, zwemt onder het water, zit op boomen en -zoekt den hoogsten top uit om er zijn nest op te bouwen. - -[31] _Anhingo Levallantii_, de Amerikaansche verwante van den - Slangenhalsvogel (_Plotus Levallantii_ of _melanagaster_). - (Noot v. d. V.) - -Het vleesch van de anhinga is weinig gezocht; men beweert, dat het hard -en taai is. Stemde de honger mij tot toegevendheid? Ik weet het niet; -maar ik vond, dat het even malsch was als van de eend. Het vet van den -vogel, dat zorgvuldig werd opgevangen, diende om de visschen te bakken. -Deze, ik moet het bekennen, kwamen ons minder sappig voor dan het zwarte -vleesch van den zwemvogel. Smaakte deze een weinig naar visch, de andere -smaakten grondig; evenwel ging het gansche menu naar binnen. - -Toen de nacht aanbrak, teekende de maan den omtrek der boomen tegen den -blauwen hemel af en de Encuerado, blijde te weten dat hij onttooverd -was, vergastte ons op een nog niet gehoorden lofzang, die er niet weinig -toe bijbracht om ons te doen inslapen. - - - - -XIX. - -MIDDEN DOOR DE MIEREN.--EEN TROEP HAZEN.--DE ZWARTE IGUANO.--EEN ANDER -LAND.--HERINNERINGEN UIT DE KINDSHEID.--DE LUCHTSPIEGELING.--EEN VUUR IN -DE VLAKTE. - - -Tegen tien uur in den morgen waren wij reeds verscheidene heuvels -overgetrokken en volgden wij een nauwe, met varenplanten bekleede kloof. -Lucien opende den marsch, door den Encuerado op den voet gevolgd; -hij bracht ons allengs op eene rotstrap, die in het regenseizoen -ongetwijfeld tot afvoer van het water diende. De steile weg dwong ons -herhaalde malen tot stilstaan, teneinde adem te scheppen. De heesters -kruisten hunne takken boven onze hoofden en zonden ons hunne welriekende -geuren toe; maar Sumichrast, die door zijne lengte gedwongen was om half -gebukt te loopen, herhaalde van tijd tot tijd zijn geliefkoosden -uitroep. - -De jonge gids, verlangende een minder moeielijk pad te bereiken, had -zijn weg onverpoosd vervolgd. Ik hoorde hem den Encuerado roepen en -weldra zag ik hem onbeweeglijk midden in de kloof staan en naar zijne -voeten zien, alsof een onzichtbare hinderpaal hem den weg versperde. -Toen ik bij hem gekomen was, begreep ik zijne verlegenheid; de grond was -bedekt met roode mieren; men kon onmogelijk voortgaan zonder ze bij -honderden te vertrappen, een onvrijwillige moord, dien men niet kan -bedrijven zonder zich aan pijnlijke beten bloot te stellen. - -De Encuerado stroopte de halffladderende pijpen van zijn leeren broek op -en wierp zich midden in den vijand, maar het steile terrein veroorloofde -hem niet den levenden stroom zoo spoedig over te komen, als hij gehoopt -had. Deze poging, die op een effen grond slechts kinderspel zou geweest -zijn, werd op eene helling gevaarlijk. Tot overmaat van ramp gleed de -Indiaan uit en lag nu, plat op den buik, midden tusschen de mieren. Hij -stond op, overdekt met de nijdige dieren; aan den overkant der kolonne -gekomen, kleedde hij zich haastig uit, teneinde zich te ontdoen van de -duizenden tegenstanders, welker venijnige kaken in zijn vleesch drongen. - -Door den val van den Indiaan in de war gebracht, verspreidde de bende -zich en verbreedde zij hare gelederen; nieuwe regimenten rukten aan, -hoopten zich op en hieven hunne dreigende koppen omhoog. Ik wilde mijn -zoon niet aan de kwelling hunner beten blootstellen; ik nam hem op mijn -rug en ging op mijne beurt voorwaarts. De vracht vertraagde mijn loop -zoozeer, dat ik mieren tot aan mijn hals toe had, toen ik bij den -Encuerado was aangekomen. Ik zette Lucien op den grond, want ik hield -het niet langer uit; ik ging toch te zijner hulp en bevrijdde hem van -zijn vijanden, op gevaar af van mij nog meer te laten bijten. Door den -Encuerado geholpen, bevrijdde ik den knaap van zijn vijanden; hij had -niet veel letsel bekomen, hoogstens een twintigtal beten. De woedende -Indiaan rukte graszoden uit, die hij naar den vijand slingerde. De reeds -vertoornde insekten verspreidden zich nu nog meer en bedekten eene -oppervlakte, dubbel zoo groot als die, welke zij eerst besloegen. Ik -dacht aan mijn vriend, die een weinig lager stond adem te scheppen en -toomde den toorn van den Encuerado in. - -Sumichrast naderde; verwonderd over onze luchtige kleeding, opende hij -een paar verbaasde oogen, ging eenige schreden voorwaarts en liet toen -zulk een vervaarlijk »drommels, drommels!" hooren, dat wij in een -schaterlach uitbarstten, waarin hij evenwel volstrekt niet deelde: hij -was dan ook den Rubicon nog niet overgetrokken. - -Zonder met onze bewegingen op te houden, om het jeuken tegen te gaan, -overlaadden wij hem met allerlei raadgevingen. Hij wilde uit het ravijn -gaan, door tegen den wand op te klimmen--moeite te vergeefs, de helling -was te steil. Hij sneed een tak met bladeren af en veegde den grond -schoon; maar het pad werd even spoedig weer gevuld als het geopend -is. Sumichrast ging peinzend zitten, Gringalet, dien dit tooneel -verwonderde, ging naar hem toe; ons geschreeuw doet hem midden in den -mierenhoop stilstaan, maar hij bleef er niet lang. - -Terwijl de Encuerado en Lucien den armen hond ontlastten van den vijand, -dien hij zoo dwaaslijk had uitgetart, trok Sumichrast de helsche kolonne -met eene stoicynsche gelatenheid door. Een kwartier uurs later zetten -wij onze opstijging voort, als mannen van ondervinding redekavelende -over de beten der mieren en het gevoel, dat zij te weeg brengen. - -Met Lucien aan 't hoofd bereikten wij eindelijk eene naakte bergvlakte -en trokken tusschen ontzaglijke rotsblokken door. Sumichrast sloeg een -uitgedroogd geultje in, en hij, die zich straks zoo beklaagde dat hij in -gebukte houding moest loopen, noodzaakte ons nu op handen en voeten te -gaan; Lucien gaf hem dan ook met woeker de schimpscheuten terug, die hij -van hem ontvangen had. Eene laatste krachtige inspanning bracht ons op -een bergrug; wij gingen onder struikgewas door om eensklaps op eene -zandige vlakte terecht te komen, te midden van een vijftigtal hazen, -die eerst de vlucht namen, nadat Lucien en de Encuerado er twee gedood -hadden. - -Om drie uur in den namiddag voerde ik mijne makkers nog altijd door de -vlakte; de temperatuur was zacht en een licht windje maakte, dat wij -zonder te veel vermoeidheid de brandende zonnestralen verduurden. Wij -werden nog slechts omringd door eenige magere struiken, die op een -witachtigen bodem groeiden. Sumichrast stelde voor zonder schuilplaats -te kampeeren. Een vuur van droog gras zou voldoende zijn om onzen slaap -te beschermen; maar voor de keuken was hout noodig. Ieder ging in eene -verschillende richting om hout te sprokkelen en de zon was reeds onder -eer de kok in staat was om het wild gereed te maken. - -Den volgenden morgen verguldde de zon eensklaps de vlakte met een -fraaie gouden kleur. Roofvogels zweefden in de lucht en bij onze eerste -schreden begon Gringalet reeds jacht op de hazen te maken. Deze dieren, -die gewoonlijk zoo vreesachtig zijn, zagen ons met eene bedaarde -nieuwsgierigheid, die ons zeer verwonderde, voorbijtrekken. Wij zagen -ze bij hunne legers met opgerichte ooren en onbeweeglijk zitten, hunne -groote zwarte oogen wijd geopend. Bij deze gelegenheid verzekerde de -Encuerado ons, dat de haas nooit de oogen toe doet,--zelfs niet om te -slapen. - -Aan het einde van de vlakte versperde een zandheuvel ons den weg en de -warmte begon het ons lastig te maken. De weerkaatsing vooral deed de -oogen pijnlijk aan. Onze voeten woelden wolken van stof op. Lucien, die -een onvermoeibare looper was geworden, was ons gewoonlijk vooruit en -won veel weg op ons, terwijl wij bleven staan om adem te scheppen. Wij -hadden bijna den top van den heuvel bereikt, terwijl hij ons reeds vier -of vijf honderd pas voor was, toen ik zag dat hij zijn geweer aanlegde -en schoot. Ik liep op hem toe, terwijl hij verder den top beklom en -daarop verdween, mij toeroepende dat hij een draak had gedood. - -Ik vond den jongen jager terug; hij stond voor een prachtigen iguano -(_cyclura acanthura_), die inderdaad op het fabelachtige dier gelijkt, -dat ons door de dichters beschreven is. De huid van den fraaien Sauriër -had een zilvergrijzen weerschijn, die vooral op den rugkam zeer -duidelijk was. Het dier stierf juist, toen de Encuerado bij ons kwam, -die zich de handen wrijvende uitriep: - -»Dat is een _guachi-chevé_, wat zullen wij een lekker avondmaal hebben." - ---»Hebt gij er dan al meer gezien?" vroeg Lucien. - ---Dat is een dier uit mijn land, Chanito; het is zeer overvloedig in de -vlakten, die naar den Stillen Oceaan afdalen. Die dieren kunnen leven -zonder te eten; men bewaart ze soms twee maanden met vastgebonden pooten -en dichtgenaaiden bek. - ---Met dicht genaaiden bek! - ---Ja, Chanito, om te beletten dat zij mager worden. Op uw leeftijd en -tegen de vasten, ging ik met mijne broers op de iguanojacht. Wij zochten -bij voorkeur de lage gronden op, die in den regentijd onder water staan. -Daar vonden wij in holle boomen of in gaten, die zij in het vochtige -slijk hadden gemaakt, de zwarte iguano, die wij bij den staart er -uittrokken. - ---Bijten zij dan niet? - ---Oh, ja. Chanito, zij bijten zeer goed en krabben nog beter; wij -droegen dan ook wel zorg ze bij den hals te vatten en de pooten en kaken -vast te binden; soms vervolgden wij ze op de boomen; maar dan lieten de -iguano's zich zonder gevaar van een hoogte van twintig of dertig voet -vallen en ontsnapten ons meestal. - -Sumichrast vulde deze inlichtingen aan, door den jongen -natuuronderzoeker mede te deelen, dat de iguano--een verwante van de -hagedis--tot een meter lang wordt; dat het wijfje twintig à dertig -eieren legt, die door de inlandsche lekkerbekken zeer gezocht zijn en -dat de groene soort--_iguana rhinolopha_--een dunnen en platten staart -heeft en veel beter zwemt dan de zwarte, welks met stekels bezette -staart minder tot zwemmen geschikt is. Het ontmoeten van een groenen -iguano kondigt dan ook bijna altijd de nabijheid van een waterstroom -aan, terwijl men weet dat de zwarte iguano, die zeer bevreesd voor de -crocodillen is, zich van de rivieren verwijderd houdt. - -Lucien wilde eerst zelf het wild dragen; maar onder het gewicht van -zijn draak bezwijkende, gaf hij het spoedig aan den Encuerado over. Er -vertoonde zich weer een nieuwe heuvel; de grond werd bij elke schrede -dorder; ternauwernood groeide hier en daar een klein grasgewas met -blauwe bloempjes. Toen de tweede top bereikt was, ontplooide zich eene -grenzenlooze vlakte voor onze oogen;--wij waren op het middelste -bergvlak van Mexico, in het Koude Land en op 2.500 meter boven de -oppervlakte der zee. - -Welk eene verandering! Op een witten grond, die zoo licht en droog was, -dat het minste windje dien medevoerde, verhieven zich hier en daar -vijf of zes bijna bladerlooze boomen en vervolgens eenige doornachtige -met stof bedekte struiken; een weinig verder verbaasden reusachtige -cactussen ons door hun zonderlingen bouw. De zon, door het zand -teruggekaatst, vermoeide het gezicht. Ik richtte den marsch eenigszins -naar rechts, waar zich een weinig groen vertoonde en onze tent van -bladeren werd onder Peruaansche peperstruiken opgericht. - -»Wat een leelijk land!" riep Lucien uit. "Zijn wij dan niet meer in -Mexico?" - ---»Zeker," antwoordde ik; »maar wij zijn op het groote bergvlak, bijna -op de hoogte van Mexico en Puebla." - ---Moeten wij die groote vlakte overtrekken? Ik zie er noch dieren noch -vogels, men zou zeggen, dat de boomen dorst hebben. - ---Gij hebt meer gelijk dan gij misschien wel denkt, want het regent hier -niet meer dan viermaal in 't jaar. En toch is deze grond, die op het -eerste gezicht zoo dor schijnt, uitstekend ter bebouwing geschikt. Hij -brengt koren, gerst, aardappelen, peren, appelen, kersen, perziken, -druiven, in één woord, alle Europeesche vruchten voort, die in de -gematigde luchtstreek niet kunnen groeien, omdat de warmte ze te spoedig -doet ontwikkelen. Eindelijk groeit op dit bergvlak de _maguey_,--_agave -mexicana_, eene wonderbare plant, die aan de Mexicanen evenveel diensten -bewijst als de cocospalm aan de bewoners van Afrika. - -De Encuerado was onder een peperstruik neergehurkt en zijne blikken -dwaalden over den onmetelijken horizon. Wij bevonden ons toch op de -hoogte van _zijn_ land en hij kon meenen, dat hij in de nabijheid van -zijn dorp was. - -»Waar denkt ge zoo aan?" vroeg ik, terwijl ik hem op den schouder -klopte. - ---Oh, Tatita, waarom hebt gij mij gestoord? Hier ben ik even geleerd -als gij, en ik zou u op mijne beurt de namen kunnen noemen van al -de bloemen, welke hare hoofdjes naar mij toeneigen, alsof zij mij -herkenden. Ik heb dikwijls in deze vlakte rondgedoold; ik heb die -struiken, die boomen, die planten reeds vroeger gezien... Gij lacht, -Chanito. Welnu! gij zult het zien! laat Tatita het maar gerust zeggen, -als ik de waarheid niet spreek.--»Zie hier," sprak de Indiaan, terwijl -hij opstond en een plantje met dunne en witachtige bladeren uittrok, -dit is de _alfilerillo_, dien de moeders aan de kinderen geven, om ze -van de keelpijn te genezen. De boomen, welke ons overschaduwen, zijn de -valsche peperboomen, die men tevergeefs in het Warme Land zou zoeken; -hunne fraaie roode trossen zullen vruchten opleveren, die hier verloren -gaan, maar die evenwel dienen om de buikpijn te doen bedaren. Zie, -Chanito, dat is een _mizquitl_, een doornachtige boom, waarop wij gom -zullen vinden. Wat heb ik u gezegd? Ziedaar reeds drie stukken; gij -kunt ze zuigen; eerst zullen ze u wel bitter toeschijnen, maar ge zult -spoedig aan den smaak gewennen. Tatita, gij hebt mij in mijn land -teruggebracht. - ---Wij zijn op dezelfde lijn, het is dus geen wonder, dat gij hier -denzelfden plantengroei aantreft als dien, te midden waarvan gij zijt -opgegroeid! - -De Indiaan bleef peinzend; Sumichrast en ik zagen hem met -nieuwsgierigheid aan en Lucien, verwonderd hem zoo ontroerd te zien, -bleef geheel ongerust bij hem staan. - ---»Daar is het Engelenkruid," hernam de Encuerado eensklaps. »Wat was -mijne moeder verheugd, toen ik haar een takje van dit gras had -meegebracht." - ---»Welke eigenschappen heeft het dan?" vroeg ik. - ---»Het verschaft droomen, die ons ten hemel voeren; het is dat zeldzame -bloempje, dat het kind Jezus in de vlakten van Bethlehem ging plukken. -Ziet ge, Chanito, zonder uwe tegenwoordigheid zouden wij dat plantje, -dat de moeders uit mijn land zoo verheugd maakt, niet gevonden hebben. - -De Indiaan verviel weer in zijne droomerij, nu eens zijn blik over den -ruimen gezichteinder latende dwalen, dan weer het gras, dat aan zijne -voeten groeide, uittrekkende. »Er ontbreekt nog maar een latania aan, om -het landschap volkomen te maken," sprak hij. - -Na verloop van een oogenblik liep hij naar de struiken toe en knielde -neer; hij had een bundeltje van die gele vergeet-mij-nietjes gevonden, -die men in zijn land het »doodenbloempje" noemt. Weldra hoorde ik hem -snikken. - -»Oh, Chema, wat scheelt er toch aan?" riep Lucien uit, terwijl hij op -zijn vriend toeijlde. - -De Indiaan stond op en nam den knaap in zijne armen. »Ik had eene -moeder, ik had broers, ik had een Vaderland," sprak hij; »en deze -bloemen herinneren mij, dat zij, die ik lief heb gehad, in het graf -slapen." - ---»Houdt gij dan niet veel van mij?" hernam Lucien, hem omhelzende. - -Als eenig antwoord drukte de Encuerado hem zoo vast tegen zijne borst, -dat hij hem een lichten kreet ontlokte; daarna droeg hij hem naar het -bivak. - -Dit tooneel had ons ontroerd; met langzame schreden en zonder een woord -te wisselen gingen wij, mijn vriend en ik, naast elkander voort. »O! -macht van den dorpstoren en van de herinneringen der jeugd!" dacht ik, -»welk paleis zal ooit zooveel waarde hebben als het ouderlijk dak; -welk geluk zal ooit dat der eerste kinderjaren evenaren? De herder, -die groot-vizier is geworden, zal altijd in eene kist het ruwe kleed -bewaren, waaronder hij meende ongelukkig te zijn. O roem! o fortuin! -hebben de machtigste opkomelingen wel ooit hunne jeugd kunnen vergeten? -en dacht Napoleon, toen hij beheerscher der wereld was geworden, nooit -aan de tafel, zonder tafellaken, die zijne moeder met vijgen en olijven -bedekte? - -De honger bracht mij tot meer prozaïsche gedachten. Het blanke en -sappige vleesch van den Iguano was eene smullerij zoowel voor Gringalet -als voor ons. Het maal duurde langer dan naar gewoonte; wij waren over -het vaderland aan 't praten geraakt en dat onderwerp was onuitputtelijk. -Ik herinnerde mijn vriend er aan, dat hij een paar dagen te voren -even ontroerd was geweest als de Indiaan, toen hij twee vlinders zag -verdwijnen, die hij meende tot eene soort uit zijn land te behooren en -ik stelde deze herinnering tegenover het plan, dat hij zoo dikwijls had -geuit, om midden in de eenzaamheid te gaan wonen, teneinde daar onbekend -te leven en te sterven. - -Op het groote bergvlak blijft de zon een weinig langer schijnen dan in -de warme gewesten. Hoe meer de zon de aarde naderde, des te meer begon -de hemel in eene purperen tint te gloeien en aan onze rechterhand zag ik -de oneffenheden van de Cordilleras uit het land van den Encuerado, zich -afteekenen. Allengs nam de witachtige grond een doorschijnend uiterlijk -aan; onze misleide oogen waanden eene onmetelijke watervlakte te zien, -waarboven overstroomde boomen hunne groene koppen uitstaken. - -De maan kwam op, en verre van een einde aan de luchtspiegeling te maken, -deed zij het gezichtsbedrog nog duidelijker voorkomen. Ik besloot den -heuvel af te dalen, ten einde Lucien van deze zonderlinge dwaling onzer -zintuigen te overtuigen. - -»Ik heb wel gezien dat de vlakte droog is," sprak hij, zich omkeerende, -»maar hoe meer wij het bivak naderen, des te meer zou men zeggen, dat -het water achter ons stijgt." - ---»De luchtlagen zijn ongelijk verwarmd," antwoordde ik, »en hare -weerkaatsing, die de lichtstralen doet afwijken, keert eendeels de -voorwerpen, die de vlakte bedekken, om en toont ons ze anderdeels veel -hooger dan ze werkelijk zijn. - ---Maar wij zien water, waar het toch niet is. - ---Telt gij den hemel dan voor niets? 't Is de hemel, die, omgekeerd -zijnde, zich aan onze voeten als een spiegel vertoont. Maar de lucht -koelt af en gij kunt waarnemen, dat het verschijnsel langzaam verdwijnt, -alsof eene onzichtbare hand deze denkbeeldige watervlakte tot aan de -grenzen van den horizon terugschoof. - -Terwijl onze blikken, op het vlak gevestigd, de uitwerkselen van de -luchtspiegeling in al hunne bijzonderheden volgden, flikkerde er -plotseling een verwijderd licht op. Luide kreten begroetten dit -onbekende bivak; vervolgens verloor een ieder, de oogen op het -onbeweeglijk schijnsel gevestigd, zich in eindelooze gissingen. Wij -verwachtten er eerst den volgenden dag woningen te ontmoeten, en het -woord _land_, na eene lange reis aan boord van een schip uitgesproken, -had geen dieperen indruk op ons kunnen maken, dan het zien van dat -lichtend stipje. Niet dan nadat wij het hadden zien uitgaan, dachten wij -er aan te gaan rusten. De lucht werd koel, en toch stak de Encuerado -het vuur, dat ons zou kunnen verraden, niet meer aan. Helaas! sedert -twintig dagen hadden wij geen enkel menschelijk wezen ontmoet, en na -de vreugde van onze gelijken terug te zien, was ons tweede gevoel dat -van wantrouwen; van alle wezens is de wilde mensch zeker wel de minst -menschelijke. - - - - -XX. - -MIST EN DAUW.--HET KOUDE LAND.--HOOZEN EN WERVELWINDEN.--DE BARBARIJSCHE -VIJGEN.--DE KAARSCACTUSSEN.--DE VIZNAGA.--TELEURGESTELDE HOOP.--DON -BENITO COYOTEPEC. - - -De zon kondigde hare komst nog niet aan en reeds waren wij overeind -en gereed om op weg te gaan. Wij rilden van kou, want op het hooge -bergvlak, hetwelk wij bereikt hadden en dat de inwoners der lagere -streken met den naam van het Koude Land bestempelen, zijn de -ochtendstonden zeer koud. Op de diepe duisternis volgde een vaag -schemerlicht, en daarna kwam een lichte nevel op, die ons als een -stortregen doornat maakte. - -»Wat is dat nu?" riep Lucien uit, »het heeft niet geregend en toch zijn -wij nat." - ---Dat is de dauw, Chanito, hij is in het Warme Land bijna even -overvloedig als de mist. - ---Zijn mist en dauw dan niet hetzelfde? - ---»Niet geheel en al," antwoordde ik; »de dauw is gewoonlijk weldoende -en valt alleen des morgens, terwijl de Mexicanen zeer bevreesd zijn voor -de mist, die na het ondergaan der zon komt en aanvallen van koorts -verwekt. - ---Maar vanwaar komt dat water? - ---Uit de lucht, die er altijd eene zekere hoeveelheid van bevat, en dat -zij op den grond, de planten en steenen afzet, naar gelang deze door de -uitstralingen kouder worden. - -Op dit oogenblik werd onze aandacht getrokken door eenen eersten straal, -die, eene dunne wolk doorborende, de vlakte als een lichtgevende pijl -overtrok. De horizon, die tot dusverre zichtbaar was geweest, bedekte -zich met een vlokachtigen nevel, die zich trapsgewijze tot onze voeten -uitstrekte. De nu vrij geworden zon steeg boven de toppen uit en haar -levendig licht overstroomde den hemel. Allengs verdunde de nevel, de -boomen vertoonden van verre hunne ronde toppen, terwijl zich hier en -daar groote scheuren in den half doorschijnenden sluier openden, die -even spoedig verdween als hij op was gekomen. - -De kijker ging van hand tot hand en ieder zocht de hut te ontdekken, -waarvan de haard ons gister zijn schijnsel had toegezonden. Het zoeken -was vergeefsch, de weerkaatsing van het licht verblindde ons en beperkte -het vergezicht; maar eenmaal de hoogte genomen zijnde, konden wij zonder -vrees voorwaarts gaan; wij moesten, volgens onze berekening, den -volgenden dag op zijn laatst woningen ontmoeten. - -Gringalet liet zijne tong hangen; hij vond het loopen op dezen -salpeterachtigen grond, waar de Mimosa's de stralen der zon tusschen -hare wijd uiteenstaande bladeren temperden, moeielijk. Welk een -tegenstelling met de heerlijke streken, die wij tot nu toe doorloopen -hadden. - -»Uw land is niet zoo mooi als het mijne," sprak Lucien tot den -Encuerado. - ---Mijn land is mooier dan dat, waar wij nu doortrekken, Chanito; in de -eerste plaats heeft het bergen en bosschen en het regent er ook soms. - ---Zullen wij nu sneeuw zien vallen, nu wij in het Koude Land zijn? - ---»Neen," antwoordde Sumichrast glimlachende, »gij zult geene sneeuw -zien vallen dan het volgende jaar, als gij in Frankrijk zult zijn. -De winters in het Koude Land van Mexico herinneren meer aan onze -Europeesche lentes; maar toch bereiken zij nooit eene temperatuur, die -de tropische vruchten doet rijpen; het Koude Land verdient slechts zijn -naam als men zijn klimaat vergelijkt met dat van het Warme of het -Gematigde Land. - ---Ik vind, dat men het slecht genoemd heeft: want op dit oogenblik is -het bijna even warm, als op den dag, toen de Zuidenwind zoo hard gewaaid -heeft. Gringalet schijnt als ik te denken,--hij laat zijne tong nog -langer hangen dan naar gewoonte. - ---»Drommels! drommels!" riep Sumichrast uit, »de opmerking van meester -Zonnestraal duidt aan, dat hij een waarnemer van de eerste soort zal -worden. Gij hebt honderdmaal gelijk," vervolgde hij, terwijl hij zijne -hand op den schouder van den knaap legde; »in de vlakten van het Koude -Land is de warmte nog lastiger dan zelfs in het Warme Land, waar een -voortdurend zweeten aan de te felle steken van de zon tegenstand biedt. -Een marsch van eenige dagen onder dit klimaat zou onze huid zwarter -maken dan het geheele overige gedeelte van de reis." - -Mijn makker bleef eensklaps staan, en wees ons met den vinger den -gezichteinder aan. - ---Rook! riep Lucien uit. - ---»Neen, Chanito," antwoordde de Encuerado, »'t is een _tornado_." Ik -had eerst dezelfde gedachte als mijn zoon, toen ik eene dunne kolom slof -tot aan de wolken zag opstijgen. Het was echter slechts een dwarlwind, -die na een oogenblik verdween. - ---»De wind waait toch niet," hernam Lucien; »hoe kan het stof zoo hoog -stijgen? - ---»Gij moogt u met recht verwonderen; want geen enkele geleerde heeft de -werkelijke oorzaak van dit verschijnsel verklaard," gaf ik ten antwoord. - ---Zouden wij meê gesleurd worden, als wij ons in een dezer dwarlwinden -bevonden. - ---Neen, Chanito, de _tornado_ zou ons alleen omwerpen. - ---Hebt gij dit dan wel eens beproefd? - ---Ja, als ik met de kinderen van mijn dorp speelde en er in onze -nabijheid een _tornado_ kwam, vonden wij er pleizier in om er doorheen -te loopen. - -Op honderd schreden van ons, zonder dat het minste windje de lucht -bewoog, dwarrelde het zand en steeg het snel naar omhoog. Het gedraai -was duizelingwekkend en had slechts op eene uitgestrektheid van ongeveer -een voet plaats. Zonder merkbare oorzaak ontstaan, verdween het -verschijnsel even zoo, en het stof viel naar gelang de zwaarte met meer -of minder snelheid neer. - -Lucien verging van begeerte om door een dezer _tornado's_ te loopen; -maar zij vertoonden zich altijd buiten ons bereik. - -»Zou men er eindelijk niet in slagen om eene verklaring te vinden voor -de hoozen en typhons," vroeg Sumichrast, »als men dit verschijnsel, dat -zich bijna onophoudelijk op de groote bergvlakten van Mexico voordoet, -bestudeerde? De dwarlwinden zijn toch niet anders dan hoozen in 't -klein. - ---»Een hoos? wat is dat?" vroeg Lucien. - ---Een meteorologisch verschijnsel, gelijk aan dat, wat gij nu gezien -hebt, maar duizendmaal aanzienlijker; want het rukt boomen uit en neemt -de woningen mee, die het op zijn doortocht ontmoet. - ---Hebt gij er wel eens eene gezien, papa? - ---Eenmaal slechts, op zee. De Engelsche pakketboot, waarop ik mij -bevond, had juist de haven van Sint-Thomas verlaten; wij waren nog -dwars voor het eiland; er woei eene lichte bries; de lucht bleef helder, -het water golfde zonder te schuimen, toen de zee recht tegenover ons -over eene groote uitgestrektheid in beweging begon te komen; eene -ontzaglijke waterzuil verhief zich snel en vormde eene donkere en -onheilspellende wolk. Na verloop van een kwartier uurs bleef het -verschrikkelijke verschijnsel, dat zich gelukkig van ons af bewoog, -onbeweeglijk. De wolk, die voortdurend opzwol, werd zienderweg -grooter en nam eene donkerblauwe tint aan, terwijl de waterkolom, -die haar voedde, donkergrijs afstak. Een dof gerommel, gelijk aan een -verwijderden donderslag, deed zich zonder ophouden hooren. De waterzuil -brak onverwacht in 't midden door, een gedeelte van het vocht viel -met een verschrikkelijken plons in de zee terug en een overvloedige -regen overstroomde ons. Een half uur later voeren wij weer onder een -wolkeloozen hemel en op een sluimerenden Oceaan. - ---»En wat zou er gebeurd zijn, als de hoos het vaartuig had bereikt?" -vroeg Lucien. - ---Dan zouden wij waarschijnlijk verzwolgen zijn geworden. - ---Wat zult ge bang geweest zijn, Tatita! - ---»Zeker, en ik was niet de eenige; de officieren en matrozen volgden -den loop van de hoos met zichtbaren angst." - -Zoo pratende hadden wij ons te midden der raketcactussen--_cactus -opuntia_,--gewoonlijk _Barbarijsche vijgen_ genoemd, begeven. Deze -planten, met gele bloemen bedekt, zouden eene maand later met -vreugdekreten begroet zijn geworden; dan zou elke stengel ons eene van -die waterachtige vruchten hebben aangeboden, waarop de Kreolen zoo -verlekkerd zijn. Lucien bleef voor een paar van deze planten staan, -welker grootte wel in staat was zijne verwondering op te wekken. -Sumichrast maakte van dit onderzoek gebruik, om hem te vertellen dat -de cactussen--een Grieksch woord dat doornig beteekent--uit Amerika -voortkomen; dat zij in droge en zandachtige bodems groeien en doorns in -plaats van bladeren dragen. - -»Gij vergeet te zeggen," voegde de Encuerado er bij, »dat de laatste -scheuten van den _tunero_ onder de asch gebakken, ons dezen avond eenen -heerlijken schotel zullen opleveren. - -Een weinig verder werden de Barbarijsche vijgen vervangen door eene -soort, kaarscactussen genoemd, (_cactus cereus_ der geleerden). -Verscheidene dezer planten groeiden alleen staande tot eene hoogte van -drie of vier meter: anderen hadden twee of drie geledingen, wat hun een -nog zonderlinger uiterlijk gaf. Eene derde soort, die langs den grond -kruipt, maakte onzen marsch zeer moeielijk en dwong ons telkens om -wijdbeens te stappen. Niettegenstaande onze voorzorgen gebeurde het -meer dan eens, dat wij ons vel aan de scherpe stekels, die ons van alle -kanten bedreigden, openscheurden. - -Ik plaatste mij opnieuw aan 't hoofd van de kolonne; want tusschen de -kaarscactussen als 't ware bekneld, konden wij niet op één gelid loopen. -Ik beklom een heuveltje, vanwaar mijne blikken den ruimen gezichteinder -doorzochten. Nooit en in geen enkel land ter wereld kan zulk eene -grondige verandering zich in zoo weinig uren voordoen. Geen boomen, -geen heesters, geen struiken meer. Overal schenen de cactussen, die -twintig verschillende vormen aannamen,--ronde, rechte, kegelvormige, -platte--er vermaak in te vinden door hun zonderling uiterlijk de -verbeelding te trotseeren. Nu eens wedijverden naast elkander staande -kaarscactussen, wie de hoogste zou zijn en bereikten soms eene lengte -van acht tot tien meter, terwijl de jonge scheuten eene borstwering of -een dier ondoordringbare heggen schenen te vormen, waarmede de Indianen -van het bergvlak hunne woningen omringen. Verderop spreidden groote -bollen, die met rooskleurige, hoornachtige en doorschijnende doornen -waren bezet, hunne ronde vormen ten toon, van een gewas niets dan de -kleur hebbende. Hier en daar vormde eene kruipende soort groote bundels, -waaruit met scherpe punten gewapende stengels kwamen; men zou gezegd -hebben eene honderdkoppige hydra te zien. - -»Zou men niet meenen in eene dier Hollandsche plantenhuizen te zijn -overgeplaatst, opgevuld met vetplanten met gouden bloemen?" zeide -Sumichrast. - ---Ja, antwoordde ik, maar dan zou men zich moeten verbeelden dat men ze -door de lens van een microscoop beschouwt. - -Wat zou een Parijzenaar wel van deze viznaga zeggen? - -De plant, die ik bedoelde, had minstens eene hoogte van twee meter bij -een omtrek van drie of vier meter. - -»Toen ik herder was," sprak de Encuerado, »voerde ik mijne geiten in de -vlakten waar de viznaga's groeien. Met behulp van mijne machete hakte ik -eene der zijden in en dan begonnen mijne geiten onmiddellijk het merg, -dat er in zit, op te eten. Zoo holden zij er allengs een gat in uit, -waarin twee of drie harer gemakkelijk te gelijk konden staan, en deze -schuilplaats beschutte mij voor de stralen van de zon en de koelte van -den nacht. - ---»Och!" riep Lucien vol geestdrift uit, »als wij op dit veld moeten -kampeeren, moeten wij een huis in de viznaga uithollen. - -Ik onderzocht opnieuw den gezichteinder; niets verried de nabijheid van -menschen. Overal spreidden de cactussen hunne verschillende bloemen uit, -maar bijna alle waren geel of rood. Boven ons een hemel van vuur, die -slechts door gieren doorkruist werd; op den grond honderden hagedissen, -met levendige, hortende bewegingen. - -Ik sloeg opnieuw den weg tusschen de cactussen in, door de hitte -uitgeput, en het hoofd vermoeid door de weerkaatsing van het licht, -sleepten wij ons op onze beenen voort. - -Ik begon te vreezen, dat wij reeds voorbij de plek waren, waar wij den -vorigen avond het licht hadden zien schitteren. - -Het oplettende oog van den Encuerado ontdekte op een cactus opgedroogde -sporen van inkervingen. - -De Indiaan ging als verkenner voorop, door Lucien gevolgd. - -»Een pad," riep deze eensklaps uit. - ---»Een mimosa," zeide Sumichrast, die door zijne hooge gestalte boven -ons uitstak. - ---»Eene hut," mompelde de Encuerado, staan blijvende en een vinger op -den mond leggende. - -Wij wisselden een blik; daarna, voorovergebogen naar het punt, door -onzen makker aangewezen, onderzocht ieder onzer een dak van gras, -waarvan men slechts den top kon zien. - -Ik onderzocht vlug mijne wapens en schreed met omzichtigheid voorwaarts, -weldra door Sumichrast gevolgd. Lucien, de Encuerado en Gringalet -vormden de achterhoede. - -Wij waren ontroerd; de gedachte dat wij onze gelijken zouden weerzien, -deed onze harten kloppen; maar zouden wij vrienden of vijanden -ontmoeten? - -Het pad werd breeder; wij waren nauwelijks tweehonderd schreden van de -hut verwijderd en verwonderden ons zeer dat de honden, die gewoonlijk om -de hutten der inboorlingen zwerven, niet blaften. Sumichrast, die -vooruit was gegaan, keerde terug. - -»Deze stilte schijnt mij niets goeds te voorspellen," sprak hij; »laten -wij oppassen, dat wij niet in eene hinderlaag vallen; ik ben er -volstrekt niet op gesteld om gekneveld te worden." - -Terwijl wij het pad aan onze linkerhand lieten liggen, drongen wij tot -groote verbazing van Lucien weer onder de cactussen door. - -»Zijn wij dan in een land van wilden?" vroeg hij mij. - ---»Misschien, en dat noodzaakt ons voorzichtig te zijn," gaf ik ten -antwoord. - ---Zou men ons kwaad doen? - ---Het gezicht van onze wapens alleen zou de begeerlijkheid der Indianen -kunnen opwekken; hier, waar zij niemand rekenschap hebben te geven, zou -niets hun beletten ons uit te schudden en naakt weg te zenden. - ---Zijn het dan geen christenen? - ---»Zeker, Chanito, zij moeten het zijn, maar de booze weet ieder mensch -te verleiden," mompelde de Indiaan. - -En na zich van zijne mars ontdaan te hebben, verdween hij al kruipende. - -Onder andere omstandigheden zou het angstige gelaat van Lucien, toen -hij ons zooveel voorzorgen zag nemen, om eene menschelijke woning te -naderen, ons vermaakt hebben; maar verre van te lachen, leenden wij aan -het minste gerucht het oor. - -Daar klonk het hioe, hioe! van den Encuerado; ik hielp mijn vriend om -onze bagage te dragen, terwijl Lucien vooruitliep.--De hut was leeg. - -Na verloop van een uur, dat de knaap had gebruikt om rondom de hut, wier -muren uit gedroogde leem bestonden, te dolen, gaf ik het teeken tot -vertrek. De Indiaan ging voorop, het nog zichtbare spoor van een pad -volgende. Het huisje, dat nauwelijks groot genoeg was om drie personen -te bevatten, geleek meer op eene schuilplaats dan op eene woning; naar -het beweren van den Encuerado, die in zulke zaken een goed zegsman was, -moest het bij een grooter gebouw behooren. Na een vrij langen marsch -kruiste een tweede pad datgene, dat wij volgden; de indrukken van bloote -voeten waren er in zichtbaar--'t waren voeten van vrouwen en kinderen. - -De Encuerado voerde ons naar links; de cactussen ruimden hunne plaats -voor Mimosa's in; maar onze oogen ondervroegen tevergeefs den horizon; -de onmetelijke witte vlakte, door de zon met licht overgoten, strekte -zich uit zoo ver uit als het oog reikte. - -Dit vooruitzicht bekoelde onzen ijver; aangespoord door het licht, dat -wij den vorigen avond bemerkt hadden, liepen wij van den morgen af, in -de hoop eene woning te ontmoeten. Wij hadden nauwelijks gegeten en met -de moedeloosheid deden ook de honger en de dorst zich gevoelen. Lucien -stelde voor een viznaga uit te hollen, in welk voorstel hij door den -Encuerado ondersteund werd, die hem verzekerde dat men zich zelfs de -weelde van een venster kon veroorloven en met alle roofdieren spotten, -door den ingang met kaarscactussen te versperren. Men begrijpt hoezeer -het denkbeeld om binnen eene plant te kampeeren, onzen jongen reisgezel -moest toelachen. Misschien zouden wij hem geholpen hebben om zijn wensch -tot werkelijkheid te maken, had niet het blaffen van een hond onze -aandacht getrokken. - -De marsch werd met moed hervat; eene kleine helling bracht ons bij -boomvarens, welke verandering in den plantengroei ons van goede -voorbeteekenis scheen. Terwijl wij maar altijd het pad volgden, hield de -Encuerado stand op eene hoogte, vanwaar men eene kleine, groene vallei -overzag, die door een beekje doorsneden werd; tot mijne groote vreugde -telde ik tot zelfs zes hutten van waaierpalm. - -Dit gezicht verdreef onze vermoeidheid als bij tooverslag en Sumichrast -daalde met groote schreden de helling af; nu en dan kraaide een haan, -klokte een kalkoen of blafte een hond en ik kan niet zeggen, welke -heerlijke gewaarwordingen die geluiden bij ons opwekten. Hoe meer wij -naderden, des te meer ontnamen de heesters, die den weg omzoomden, ons -het gezicht op de hutten. Daar klonk een gehinnik, en een man op een -ongezadeld mager paard gezeten, verscheen op honderd schreden van ons. - -»Halt!" riep ik mijnen makkers toe. - -En mijn geweer op den rug dragende en met mijn punthoed in de hand ging -ik alleen naar den ruiter toe, die eensklaps zijn paard had ingehouden. - -»Ave Maria!" sprak ik, naar hem toegaande. - ---»Dat haar naam gezegend zij," antwoordde de ruiter, zijn hoed -afnemende, waaruit de grijze haren te voorschijn kwamen. - ---Spreekt mijn vader Spaansch? - ---Een weinig. - ---Is hij het hoofd van zijn dorp? - ---Wat wilt gij? - ---Water en een dak. - ---Gij zijt niet alleen? in wiens naam komt gij? - ---Wij zijn reizigers en doortrekken de bosschen om planten en dieren te -zoeken, die genezen kunnen. - ---Zijt gij gewapend? - ---Wij hebben een kind te beschermen en de dieren van het woud zijn -wreed. - ---Spreekt gij de waarheid? - -Ik riep Lucien, die voor den grijsaard zijn hoofd ontblootte en hem -groette. - -»Mijn kind, dat God van u een heilige make." - ---Zijn wij uwe gasten? - ---»Ja, gij zijt de gasten van Coyotepec; komt mede." - -Sumichrast en de Encuerado naderden op hunne beurt den ruiter, die -afsteeg en ons den weg wees. Hij onderhield zich met den Encuerado in de -taal der Misteken, welk taaleigen alleen Lucien, die het nog jong zijnde -van zijn vriend geleerd had, verstond. Te oordeelen naar de wijze waarop -de grijsaard ons bekeek, raadde ik, dat de Encuerado ons voorstelde als -bekwame blanke toovenaars. - -Coyotepec--steenen chacal--kon ongeveer zeventig jaren oud zijn. Hij was -in dit ravijn geboren, dat hij, ik weet niet waarom, _mond van den berg_ -noemde. Nog jong door een zijner ooms naar Puebla gebracht zijnde, -verliet hij reeds spoedig de groote stad om de hut van zijn vader -weer op te zetten en voor hem bestond het gansche heelal uit zijn -grondgebied. Zijne zes kinderen, die allen gehuwd waren, woonden bij -hem en de kleine kolonie telde niet minder dan een dertigtal personen. -Het was een Indiaan van het ras der Tlascaliers, van eene middelmatige -gestalte, eene bruine gelaatskleur, sterk en vlug als een man van -veertig jaar. Hij droeg een hoed van palmboomstroo en zijne kleeding -bestond uit eene soort van wit linnen jas, om het middel vastgebonden en -een katoenen broek, die nauwelijks de knieën bedekte. - -»Welke is de naastbijzijnde stad?" vroeg Sumichrast. - ---Puebla. - ---Hoever is dat van hier? - ---Acht dagen marsch. - -Daar de gewone marsch van een Indiaan tien mijlen per dag is, -vertegenwoordigde de afstand ongeveer tachtig mijlen. - -De grijsaard kon ons geene andere aardrijkskundige inlichtingen geven; -hij kende den naam van Orizava en Tehuacan, maar hij had die steden -nooit bezocht, en kende den afstand niet, die ons er van verwijderde. -Sedert veertig jaren waren wij, met uitzondering van de bloedverwanten -van zijne schoonzonen en schoondochters, die hem eens per jaar kwamen -bezoeken, de eersten die zijne eenzaamheid verstoorden. - -Wij trokken de beek over een boomstam over en onze gids hield voor eene -hut stil. Vier bijna naakte kinderen, waarvan het oudste tien jaar kon -zijn, beschouwden ons met eene grappige nieuwsgierigheid. Nooit hadden -zij nog een blanke gezien, en ofschoon onze door de zon gebronsde huid -deze eigenschap zeer verminderde, was hunne nieuwsgierigheid zeer -natuurlijk. Eene jonge vrouw, wier kleeding uit een om de heupen gerold -stuk stof bestond, begroette ons in gebroken Spaansch en heette ons -welkom. De grijsaard stelde ons aan zijn oudsten zoon voor, die -omstreeks veertig jaar oud kon zijn en Torribio heette. Minder eenvoudig -in zijne kleeding dan zijn vader, droeg hij een broek, die op de zijden -open en met zilveren knoopjes versierd was, een katoenen hemd en een -vilten hoed met verlakt leer overtrokken. De kleine kolonie verzamelde -cochenielje, die de oudste zoon in Puebla ging verkoopen; vandaar zijne -meer beschaafde kleeding. De grijsaard noodigde ons ten slotte uit -zijne hut binnen te gaan, waarheen een groot gedeelte der familie zich -ook begaf. - -Hij riep zijne vrouw, een klein besje, in een lang katoenen gewaad -gekleed; vervolgens sprak hij, op zijne kinderen en kleinkinderen -wijzende: - -»Gij zijt mijne gasten! dit huis is het uwe en ziedaar uwe -dienstknechten en dienstmaagden." - - - - -XXI. - -BLANKEN EN ZWARTEN.--WIJ WORDEN SCHRIJNWERKERS.--DE ENCUERADO -GAAT PREEKEN.--DE WAAIERPALMEN.--DE ADVOCAATBOOM.--DE KOESKOES.--DE -GIER.--EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.--DE ENCUERADO BAL-ONDERNEMER. - - -De woning, zoo edelmoedig te onzer beschikking gesteld, was eene ruime -loods, door wanden van bamboe in drie vertrekken verdeeld. Op den grond -uitgespreide matten dienden voor bed; het verdere huisraad bestond uit -twee bankjes. De Encuerado veegde eene der kamers uit en richtte voor -ons eene slaapstede in, veel zachter dan wij sedert een twintigtal dagen -hadden gebruikt. Een troep kinderen van beider kunne, in 't kleed der -onschuld gehuld, maakte een kring om ons en volgde onze bewegingen met -verbaasde blikken. Ik heb nog vergeten te gewagen van een half dozijn -honden, bij welke de tegenwoordigheid van Gringalet in den beginne eene -soort van razernij had opgewekt; maar weldra vergenoegden zij zich nog -maar met brommen, als de indringer in hunne nabijheid kwam. - -Toen ons goed in de loods was gebracht, ging ik op eenige schreden van -de hut op eene hoogte zitten, van waar men de beek overzag. Sumichrast -vervoegde zich bij mij, met eene uit tabaksbladeren gerolde sigaar -in den mond. Langzamerhand begon de zon lager te staan, de kinderen -begonnen in onze nabijheid te spelen en plasten in het kristalheldere -water. Ik spoorde Lucien, die van begeerte verging om eveneens te -doen, aan hen na te volgen. Nauwelijks had hij zich ontkleed, of de -jonge Indianen, die hem met eene zichtbare nieuwsgierigheid hadden -aangestaard, barstten in lachen uit en kakelden onder elkander als -jonge papegaaien. - -»Waarom lachen zij toch zoo hard, als zij mij aanzien?" vroeg Lucien aan -den Encuerado. - ---Om uwe blanke huid; wat wilt gij er aan doen? Zij hebben er nooit eene -van die kleur gezien. - ---Vinden zij die dan zoo belachelijk? vroeg Sumichrast op zijne beurt. - ---»Een beetje," hernam de Indiaan, »maar maak u daar niet ongerust over, -Chanito; 't is in elk geval uwe schuld niet. - -Ons lachen paarde zich toen aan dat der jonge Indianen en was oorzaak, -dat er zich tusschen Sumichrast en mij een lang gesprek ontspon. De -Encuerado, dien wij meenden dat ons om onze blanke huid benijdde, -beklaagde ons dus, evenals hij door de Nubiërs beklaagd zou worden, -omdat hij slechts eene koperkleurige huid bezat. - -»Maar," sprak Lucien, die bij ons was gekomen op het oogenblik toen het -gesprek begon, »waarom hebben niet alle menschen dezelfde kleur? Waar -ligt dat aan, mijnheer Sumichrast." - ---Aan den invloed van het licht, dat het pigment meer of minder kleurt, -mijn vriend. - ---Het pigment. - ---Ja, eene bruine zelfstandigheid, die zich onder de huid bevindt en die -haar eene meer of minder donkere tint verleent. - ---Dan hebben de Europeanen zeker geen pigment? - ---Zij bezitten het, evenals alle andere menschenrassen; slechts is het -bij hen niet over het gansche lichaam verspreid. De bruine vlekken of -zomersproeten, die het gelaat en de handen van sommige personen -bedekken, worden voortgebracht door het pigment, dat door de huid -heenkomt. - ---»Beteekent dat dan dat de negers in Europa wit zouden worden," gaf -Lucien ten antwoord. - ---»Neen," antwoordde ik lachende, »de zon schijnt in Europa even goed -als in Amerika, en hare inwerking, hoe zwak die ook zijn moge, is -voldoende om het pigment donker te kleuren." - ---»Maar als men hen in de schaduw grootbracht," riep de Encuerado uit. - ---Daartoe zou eene volkomen duisternis gevorderd worden en dat is -onmogelijk. - -Op dit oogenblik riep onze gastheer ons. Op eene kreupele tafel, met een -klein katoenen tafellaken gedekt, dampte eene magere soep van maïskoeken -en tomaten, waaraan iedereen eer bewees. Deze schotel werd opgevolgd -door eene kip, toebereid met eene saus van piment en in 't vet gebraden -bruine boonen; daarna spreidden pataten--_Convolvulus batata_--de -levendige kleuren van hun meelachtig vleesch ten toon, te midden van -eene siroop, waarvan de Encuerado en Lucien smulden. Een groote kom -koffie voerde onze tevredenheid ten top. In plaats van brood aten wij -versch bereide maïskoeken. Misschien had nooit een maaltijd ons zoo -heerlijk toegeschenen. Het wild, dat sedert ons vertrek ons gewoon -voedsel uitmaakte, begon ons te vervelen; wij vergastten ons het meest -aan de boonen en aan de koeken, welke men _tortillas_ noemt. - -Toen de maaltijd geëindigd was, nam Lucien zijne plaats in 't midden der -kinderen weer in, die, op den oever der beek gezeten, bladeren van den -waaierpalm vlochten. - -Een hunner maakte een sprinkhaan, die zeer goed geslaagd mocht heeten, -en de jongens, verrukt over den lof van hunnen gast, wedijverden in -vindingrijkheid. Zij schonken hem een stier, eene kip, een korfje en -andere voorwerpen, die zeer aardig waren, vooral wat de gebruikte stof -en de bekwaamheid der uitvoering betreft. - -Lucien was over deze geschenken verrukt. Daar hij vond, dat onze -bewondering de zijne niet evenaarde, wendde hij zich tot den Encuerado, -die als een kenner zijn oordeel uitsprak over de voorwerpen, die men hem -vertoonde. - -»Kunt gij dan ook de bladeren van den waaierpalm vlechten? - ---Ja, Chanito, ik kan ook sprinkhanen, paarden en zelfs vogels maken. - ---En gij hebt er nooit een voor mij gevlochten. - ---Daarin vergist gij u; toen ge nog klein waart, maakte ik uwe wieg er -vol mee. Als u dat vermaak kan doen, zal ik u leeren er zelf te -vlechten. - -Bij het aanbreken van den nacht verdwenen de kinderen, en onze gastheer -kwam ons goeden nacht wenschen. Ik sprak hem over het vuur, dat wij den -vorigen dag gezien hadden. - -»Dat is Juan," zeide hij. - ---Wie is dat, Juan? - ---De oudste van mijne kleinzonen; hij bewaakt in de vlakte een troep -geiten, die ons toebehoort. - -Den volgenden morgen werd ik gewekt door de stem van den grijsaard en ik -stond terzelfder tijd als Sumichrast nog geheel droomerig op; zoo goed -had ik geslapen. Lucien en de Encuerado, die eerder wakker waren dan ik, -hadden reeds, door de jongste kinderen geleid, het ravijn onderzocht; de -oudste waren reeds naar hunne krachten aan den arbeid, hetzij om hout te -sprokkelen of om op het veld te werken. - -Onze eerste zorg bestond in het uitpakken der insecten en vogelhuiden, -die wij sedert ons vertrek bereid hadden. De geheele kolonie omringde -ons en de Hemel weet hoeveel vragen ons gedaan werden. Tot onzen grooten -spijt konden wij slechts de merkwaardigste van onze vondsten bewaren. -Tot dusverre hadden de huiden in de mars de plaats ingenomen van de -verbruikte levensmiddelen; maar toen ik de lijst van onze schatten -opmaakte, begreep ik, dat, als wij onzen voorraad vernieuwd zouden -hebben, de Encuerado onmogelijk met zulk eene vermeerdering zou kunnen -loopen. Wij begonnen derhalve een groot getal voorwerpen, onder talrijke -uitroepingen van leedwezen, ter zijde te leggen, toen het mij eensklaps -inviel om Coyotepec over de jaarlijksche reis van zijn zoon te -ondervragen. - -»Hij vertrekt binnen een veertien dagen," antwoordde de oude man. - ---Alleen? - ---Neen, hij neemt drie van de grootste jongens en zes ezels mede. - ---Zijn de ezels beladen? - ---Ja, maar de jongens vertrekken met ledige handen. - -Na verloop van een uur (want een Indiaan neemt nooit overhaast een -besluit) kwam ik met mijn gastheer overeen, dat hij twee kisten, waarin -wij onze schatten zouden bergen, naar Puebla zou doen overbrengen en dat -zijn zoon zijne reis eenige dagen zou vervroegen. - -Dit buitenkansje maakte ons weer opgeruimd; het zou ons in staat stellen -onze verzamelingen te bewaren, in plaats van er een gedeelte van langs -den weg te werpen, zooals wij reeds dikwijls hadden moeten doen. - -Wij moesten kisten hebben, maar Coyotepec bezat noch zaag, noch hamer, -noch spijkers. Hij stond mij eenige ruwe planken af en zoo waren wij in -schrijnwerkers veranderd. - -De Encuerado en Sumichrast maakten het hout met een houthakkersbijl -gelijk en ik vervaardigde houten pennen. Wij werkten zonder ophouden tot -den volgenden avond door. Een weinig voor het ondergaan der zon hadden -wij twee groote en vrij lichte doozen gereed, een werk dat veel -moeielijker is dan men wel denkt, eer men er aan begint. - -De volgende dag, Pinksterzondag, vond ons vol bewondering voor onzen -arbeid staan. De Encuerado had juist gedaan met het vlechten van eenige -matten, die de kisten omhullen moesten, teneinde den inhoud voor vocht -te vrijwaren. Tegen elf uur verzamelde de familie van onzen gastheer -zich voor de woning; de vrouwen en jonge meisjes waren gekleed in roode -en blauwe jurken, de borst was bedekt met een hemdje van geborduurd -katoen, de jonge knapen hadden eene soort van kiel zonder mouwen aan. -De oude vrouw verscheen het laatst, zij droeg om den hals een snoer -paarlen van groote waarde. De vrouwen hadden sieraden van ruw koraal en -de vingers waren bedekt met zilveren ringen. - -»Wij vereenigen ons des Zondags op het uur der godsdienstoefeningen om -gezamenlijk ons gebed te doen en God te danken, die de vruchten aan de -takken der boomen hangt en ons in gezondheid bewaart," sprak Coyotepec. - ---Wij zijn Christenen als gij," antwoordde ik. - -Iedereen ging knielen, de grijsaard bad eene litanie en vervolgens een -aantal Ave Maria's. Een der jonge meisjes zong vervolgens een lofzang, -waarvan het refrein door de aanwezigen in koor herhaald werd. Nauwelijks -had de zangster haar lied geëindigd of de in geestdrift geraakte -Encuerado verzocht het gehoor niet op te staan en hief toen een zijner -geliefkoosde lofzangen aan. Hij hield ons zoo een half uur in de zon, -toen ik, vermoeid van het knielen, hem een teeken gaf om op te houden. -Vergeefsche moeite, mijn dienaar scheen mij niet te bemerken; zijn -gebaren en kreten nog vermeerderende, herhaalde hij, tot driemaal toe, -hetzelfde vers. - -»Amen!" riep ik, opstaande, uit. - -Men volgde mijn voorbeeld en vrij geworden verwijderde ik mij, terwijl -de Indianen den Encuerado omringden om hem geluk te wenschen. - -Ik had nog geen bezoek gebracht aan het ravijn, dat te midden van het -Koude Land de voortbrengselen van het Warme Land bevatte. Ik riep -Sumichrast en Lucien, en geleid door Torribio den ezeldrijver, die elk -jaar de reis naar Puebla onderneemt, ging ik den loop der beek op. De -Encuerado, daartoe door de vergadering uitgenoodigd, dreunde een nieuwen -lofzang op. - -Onze gids geleidde ons eerst naar zijne hut, die door latanias of -waaierpalmen omgeven was. Deze fraaie boom, tot de familie der palmen -behoorende, heeft een zonderling en tevens aangenaam voorkomen. Uit den -top ontspringen lange bladstelen, aan welker uiteinde een breed blad -slingert, dat eerst opgevouwen is, maar later, als het zich opent, -op een met punten bezetten waaier gelijkt. De Indianen snijden deze -bladeren aan reepen, om er matten, _petates_ genaamd, van te maken, die -in Mexico een groot handelsartikel zijn. Bovendien worden zij gebruikt -om er korfjes, bezems, blaasbalgen en een aantal andere voorwerpen van -te maken.[32] - -[32] Deze plant of althans een naaste verwante ervan, de _Latania - borbonica_ (_Livistonia sinensis_), is een der beste en fraaiste - kamerplanten, die wij hebben. De bladeren ontwikkelen zich juist, - zooals Biart het hier beschrijft (Noot v. d. V.) - -De hut van Torribio bestond slechts uit een enkel vertrek; de haard was -buiten onder een afdak; deze woning van de allereenvoudigste soort had -noch stoelen, noch tafels, noch banken; Sumichrast bewonderde dezen -eenvoud, dien ik een weinig te landelijk vond; maar mijn vriend vond, -terwijl hij het leven der beschaafde menschen, voor wie de weelde eene -menigte behoeften heeft in 't leven geroepen, vergeleek met dat van deze -lieden, die alles weten te ontberen, dat het geluk slechts voor hen -bestaat. - -Nauwelijks waren wij de hut uit of ik bemerkte aan mijne linkerhand een -prachtigen advokaatboom--_persea gratissima_--waarvan de vrucht een moes -geeft, dat de naam van plantaardige boter draagt. De advokaatvrucht -_ahuacate_ der Indianen, heeft den vorm van eene groote peer; het -vleesch, van eene lichtgroene kleur, is boterig, met een aangenamen -smaak, die aan alle tongen behaagt. Men eet haar ontoebereid of wel -toebereid met zout, olie en azijn; Gringalet was er evenzeer op -verlekkerd als zijn jonge meester. - -»Heeft de advokaatboom dan geen verwanten?" vroeg Lucien glimlachende. - ---Zeer zeker; hij behoort tot de familie der laurierboomen, waarvan geen -enkel ander lid eetbare vruchten oplevert; zijne verwanten zijn evenwel -van groot belang voor het huishoudelijk gebruik. In de eerste plaats -hebben wij den edellaurier--_laurus nobilis_--waarvan de bladeren in de -keuken onmisbaar zijn, en welks vruchten eene olie opleveren, die in de -geneeskunde aangewend wordt. Vervolgens komt de kamferboom--_laurus -camphora_--uit welks bladeren men den kamfer trekt; dan hebben wij den -kaneelboom--_laurus cinnamomum_--waarvan de bast de kaneel oplevert, en -eindelijk den sassafras, waarvan het aromatisch hout zeer geprezen wordt -als zweetverwekkend geneesmiddel. - -Onze gids voerde ons door een veld met Turksche tarwe of maïs. Dit -kostbare grasgewas, dat Europa aan Amerika te danken heeft, vervangt bij -de Asteken het koren. Zij maken er hun gewoon brood of tortillas van, -een soort pannekoeken, welke vooral de Indiaansche vrouwen uitstekend -weten te bereiden. Voor zij geheel rijp is wordt de maïs gekookt of -geroosterd gegeten; in Mexico vervangt zij de gerst en de haver als -voedsel voor paarden en hoornvee. - -Toen Torribio in zijne beplanting was binnengegaan brak hij eenige -stengels door, zonder ze evenwel van den hoofdstam te scheiden. - -»Waarom worden die arme planten zoo geknakt? Ze zullen zoo dood gaan," -riep Lucien uit. - ---Ja, maar in de eerste plaats omdat het jaarlijksche planten zijn -en onze gids verhaast hun dood maar met enkele dagen; bovendien zijn -de aren, die hij afbreekt, rijp en zullen ze aan den stengel, die ze -draagt, drogen. Deze methode, die even eenvoudig als afdoende is, kan -slechts aangewend worden in landen, waar de winter in werkelijkheid -slechts eene lente is." - -Achter het maïsveld bevond zich eene haag, overdekt met lange goudgele -vezels. Deze vezels, die geheel en al zonder bladeren waren, omgaven de -struiken als met een dikken mantel. - -»Wat is dat toch voor eene zonderlinge plant?" vroeg Lucien. - ---Een _Sacatlaxcale_, antwoordde Torribio. - ---Een soort koeskoes," hernam Sumichrast; eene plant uit de familie der -_convolvulaceeën_ of winden. In Europa vernietigt men de daar bestaande -soort, die zich om de planten slingert en ze verstikt; hier laat men de -_Sacatlaxcale_ groeien, want men weet er goed gebruik van te maken. - ---Wat kan men dan toch wel met die teere stengeltjes, die onder mijn -vingers breken, doen? - -Men kneust ze en droogt ze in de zon, hernam Torribio. Als men nu iets -zwart of geel wil verven, behoeft men ze slechts met ijzer of aluin te -koken." - -Terwijl wij de oevers van het ravijn afklommen, kon Lucien niet nalaten -van zulk eene fraaie gelegenheid gebruik te maken om zich de hand mooi -geel te verven. Toen wij op eene zekere hoogte waren aangekomen, -strekten wij ons op het gras uit. Met een enkelen oogopslag overzagen -wij de oase. De beek kronkelde voort, overschaduwd door de groene -boomen; hier en daar ontdekte men tusschen boschjes waaierpalmen de -onregelmatig verspreide hutten. Mijne blikken zochten de hut van onzen -gastheer op, en door mijn kijker zag ik den Encuerado nog altijd aan 't -preeken. Hij had zeker gedaan met zingen, want zijne toehoorders zaten -op den grond gehurkt om hem. - -Lucien had den kijker genomen en nu merkte ik op, dat Torribio zeer -verlangend was om er ook eens door te zien. Ik zeide dus aan Lucien, dat -hij hem dien zou leenen. Toen onze gids zag, dat de boomen nader bij hem -kwamen, wist hij zich eerst geen rekenschap van dat gezichtsverschijnsel -te geven. Ik richtte de glazen zoo, dat hij de groep voor de hut -kon zien; nooit heeft een menschelijk gelaat zulk eene verwondering -uitgedrukt. De Indiaan, die geheel verbazing was, verloor weldra al -zijne deftigheid. Telkens als het hem gelukte eene hut te ontdekken, -gaf hij zich nauwelijks den tijd haar te onderzoeken, maar rolde hij -zich over den grond en schaterde van 't lachen. Twee of drie malen -stak ik de hand uit om mijn kijker weer in mijn bezit te nemen; maar -Torribio drukte hem aan zijne borst, als een kind, hetwelk men een stuk -speelgoed wil ontnemen. Eindelijk gaf hij hem terug en het speet mij -waarlijk dat ik er geen tweeden had, om hem dien te kunnen schenken. - -Sumichrast ging voorop, om het ravijn om te loopen. Plotseling namen -de vogels, die op den oever der beek keuvelden, de vlucht; in de lucht -zweefde een havik. De vogel schoot naar omlaag en kwam onder het bereik -van onze geweren; er viel een schot en de getroffen vogel viel, al -ronddraaiende, op twintig schreden afstand neer. Lucien ging hem -opzoeken. - -»'t Is een valk," riep hij ons toe. - ---Gij hebt gelijk," antwoordde Sumichrast; »'t is de havik van Cayenne, -herkenbaar aan zijn met aschkleurige veertjes bedekten kop, aan zijn -bruin lichaam en aan de zwarte staartpennen. - -»Gaat u hem afstroopen? - ---Zeker, mijn beste Zonnestraal; in de eerste plaats is deze roofvogel -niet zeer algemeen en bovendien moeten wij, gedurende de enkele dagen, -die wij hier zullen vertoeven, er voor zorgen dat de kisten, die wij met -zooveel moeite gemaakt hebben, vol komen." - -Op dit oogenblik ging een goudvink met rood, wit en bruin gevederte in -onze nabijheid zitten. - -'t Is de _pyrrhula telasco_, sprak mijn vriend, eene soort, die door den -beroemden ornitholoog Lesson ontdekt is op zijne reis naar Lima. Och, -als wij maar niet zoo zuinig op ons kruit moesten zijn.... - ---Ik heb kruit," mompelde Torribio. - ---Hebt gij kruit?" riep ik uit, »wilt gij er ons van verkoopen? - ---Neen," antwoordde de Indiaan kortweg. - ---Waarom niet?" hernam ik. »Zijt gij dan een jager? Ge gaat toch immers -weldra naar Puebla en dan kunt ge uwen voorraad weer vernieuwen. - ---Ik verkoop mijn kruit niet. - ---'t Is goed, dan zullen wij er maar niet meer over spreken. - -Een boom, die van den eenen oever tot den anderen was gegooid, diende -als brug over de beek. Weldra hield de zon op het ravijn te vergulden. -Wij bevonden ons tegenover de woning van den ouden man, waarbij eene hut -stond, gelijk aan die van onzen gids. De hemel had eene bleekblauwe -kleur; wij zagen even de eentonige vlakte, bezaaid met sombere -cactussen, terwijl boven ons zich die frissche oase ontplooide, die door -de groote tegenstelling nog bekoorlijker scheen. De vogels zongen in -de struiken en vlogen de een vóór en de andere ná weg om den boom te -bereiken, in wier takken zij misschien geboren waren. Er woei een lauw -koeltje; ik stond op om te vertrekken. - -»Ik heb kruit," herhaalde eensklaps Torribio. - ---Maar ik weet ook, dat gij het niet verkoopen wilt. - ---Neen, dat wil ik ook niet. - ---Het kruit behoort mij reeds toe," dacht ik, en na een twintigtal -schreden gedaan te hebben, hervatte ik: - ---Als uw kruit van goede hoedanigheid is, zal ik het niet van u koopen; -neen, ik weet dat een man slechts een woord heeft. Evenwel, als gij -wildet, zou ik u een ruil voorslaan. - ---Wat zoudt gij mij dan wel willen geven?" antwoordde Torribio, met -eene gemaakte onverschilligheid; »ik heb uwe vogels niet noodig en -mijn geweer is zoo goed als het uwe, al is het ook niet zoo mooi. - ---Dat is waar ook, laat ons er niet meer over spreken. - -En ik volgde steeds mijn gids, die zeer langzaam liep. - -Hij keerde zich nogmaals om. - -»De tooverglazen," bracht hij er met moeite uit. - ---»Komaan, eindelijk zijn wij er!" mompelde Sumichrast. - ---Dat is afgedaan; als uw kruit althans goed is. - ---»Zoudt gij ze me geven?" riep de Indiaan uit, wiens oogen schitterden. - ---Mannen hebben slechts éen woord. - -Torribio versnelde zijne schreden zoozeer, dat Lucien ons hard loopende -moest bij houden. Toen wij de beek over waren bracht onze gids ons weer -in zijne hut en toonde ons vier bussen Amerikaansch kruit, en in goeden -staat, benevens vijf of zes pond verschillende soorten van jachthagel. - -Deze vondst verheugde mij buitengewoon; maar ik hield mij even bedaard -als mijn gastheer, die op den grond neerhurkte en zijn kin op de knieën -liet rusten. - -»Daar hebt gij den kijker," sprak ik. - -Zijn trekken bleven onwrikbaar; maar zijne oogen flikkerden en zijne -hand beefde een weinig, toen hij het voorwerp zijner begeerte vasthield. -Ik legde hem uit, hoe hij er zich van moest bedienen en hoe hij het -instrument moest schoonmaken; daarna ging ik, beladen met de kostbare -bussen en gevolgd door mijne metgezellen, naar de hut van Coyotepec -terug. - -»Waarom heeft Torribio niet dadelijk gezegd, dat hij zijn kruit tegen -den kijker wilde ruilen?" vroeg Lucien. - ---Omdat een Indiaan zooveel mogelijk zijne begeerten en hartstochten -verbergt. - ---Maar u, waarom heeft u hem dan niet terstond het instrument -aangeboden? - ---»Als ik mij te begeerig had getoond, zou hij den ruil misschien -geweigerd hebben, en een Indiaan komt zeer moeielijk op het eens -uitgesproken woord terug." - -Ik riep den Encuerado, die verbluft stond toen hij zag, dat onze -jachtmunitie verdriedubbeld was. Lucien vertelde hem den koop, dien ik -met Torribio gedaan had. - -»De kijker diende tot niet heel veel," sprak de Indiaan, »terwijl dit -kruit ons toelaat menig mooi schot te doen, zonder dat je er een verwijt -van wordt gemaakt." Nauwelijks was het middagmaal afgeloopen of ik -hoorde de tonen van een guitaar; na des morgens zijne toehoorders -gesticht te hebben, had mijn dienaar ze door een zeer behendige -toespraak weten te overtuigen, dat de dag met een bal moest besloten -worden. Het voorplein van de woning van den grijsaard kon, goed -aangeveegd zijnde, uitstekend voor balzaal dienen. Twee knetterende -haarden vervingen de lusters en de waskaarsen. Weldra vertoonden de -vrouwen zich in groot toilet, dat wil zeggen, de haren vol bloemen. De -_Jarabe_, het volkslied, weerklonk; dansers en danseressen trippelden op -de maat af; Lucien, die zich bij de kinderen had aangesloten, wilde aan -de kleine Indiaansche meisjes de polka en de mazurka leeren; Sumichrast -lachte, dat hij schaterde. Het werd nog erger toen wij onze blikken op -den Encuerado sloegen; nog nooit had ik hem zulke kuitenflikkers zien -slaan. Hij zong, kraste op den guitaar en sprong ter zelfder tijd. -Tegen tien uur nam ik Lucien mee om hem te noodzaken zich ter ruste te -begeven. Hij sliep in, niettegenstaande al het geraas van den guitaar en -het zingen. - -Ik spreidde de houten van het vuur uiteen en raadde iedereen aan om -te gaan rusten. Men kuste mijne handen, omhelsde mij zelfs, maar -gehoorzaamde ook en de kleine vallei viel weldra in diepe stilte. Toen -ik bij mijn bed kwam, snurkte de Encuerado, met het hoofd op den rug van -Gringalet rustende, reeds. - - - - -XXII. - -DE GALWESPEN.--EEN AFGROND.--DE KAPPERS.--SALADE VAN PORTULAC.--DE -BEDROGEN JAGERS.--GRAFGRAVENDE INSECTEN.--DE ZANDKEVERS.--CACTUS EN -COCHENIELJE. DE MEXICAANSCHE WIJN.--AFSCHEID VAN ONZEN GASTHEER. - - -Zoodra de morgenstond aanbrak riep ik Sumichrast en Lucien. De Encuerado -sliep zoo rustig na zijne heldendaden van den vorigen dag, dat ik zijn -slaap eerbiedigde. Mijn plan was den geheelen dag te gaan jagen, ten -einde de ledige ruimte in de kisten, welke Torribio naar Puebla zou -brengen, te vullen. Ik voerde mijne gezellen naar het benedengedeelte -van de vallei; alles sliep nog in de hutten en Gringalet kon met -opgerichten staart voorbij zijne soortgenooten gaan. - -Na verloop van twintig minuten bevonden wij ons in een nauw pad, omzoomd -met _guapaques_--(_ostrya mexicana_)--een boom behoorende tot de familie -der cupuliferen of beker dragende boomen, en die door zijn uiterlijk aan -onzen eik, zijn verwante, herinnert. - -»Zie eens, papa," riep Lucien uit; »men zou zeggen dat die bladeren met -vruchten beladen zijn.» - ---Dat zijn uitwassen, veroorzaakt door het steken van een insect, tot de -orde der huidvleugeligen (_hymenoptera_) behoorende en hetwelk de -geleerden _cynips_ noemen. - ---Hoe kan een insect die fraaie, ronde, met stekels bezette balletjes -maken? - ---De buik van de _cynips_ of galwesp bevat een hollen angel, waarvan -de kanten gewapend zijn met tandjes, die de gedaante van eene pijlpunt -hebben. Het insect bedient zich van dat werktuig om in de planten, waar -aan het zijne eieren toevertrouwt, te steken; de uittreding van het sap -veroorzaakt die wratten, die men vooral aan rozelaars, vijgeboomen en -eiken opmerkt. Een der galwespen van den eikenboom geeft het ontstaan -aan de galnoten, eene zelfstandigheid, die zeer rijk aan looistof is en -waarvan men zich bedient bij de bereiding van schrijfinkt. - ---Als een van die insecten mij in de hand stak, zouden er dan ook zulke -bollen ontstaan?" vroeg Lucien. - ---De galwespen hebben het slechts op planten voorzien," hernam mijn -vriend; »maar zij hebben neven--de sluipwespen bij voorbeeld,--die hunne -eieren in de lichamen van sommige rupsen leggen. Zoodra de larven -uitgekomen zijn, beginnen zij aan het dier, dat ze draagt, te knagen, -zonder het evenwel te dooden. - ---'t Is gelukkig, dat die dieren ons sparen. - ---Er zijn er ook ten onzen gerieve: denkt gij dan niet aan de -_moyocuile_, die vlieg, die zoo goed hare familie onder onze huid weet -te herbergen; zonder nog te spreken van de _niqua_, die onder onze -nagels een huis graaft, dat zij met eieren opvult? - ---En de schurftmijt," hernam ik, een heel klein diertje, dat eene zeer -leelijke en lastige ziekte veroorzaakt. - -Ik had van Coyotepec vernomen, dat het ravijn op ongeveer drie mijlen -van zijne woning plotseling eindigt en dat het water der beek zich daar -in een afgrond verliest. Ik richtte mij dan naar dat punt, nu eens -voorafgegaan, dan weer gevolgd door Gringalet, die er vermaak in vond de -kleine rivier over te zwemmen en in het gras te rollen. - -Het kronkelige pad voerde ons in een grooten door groen omzoomden -trechter; na een honderd schreden kwam men aan rotsen, in den vorm van -pyramiden en ondersteund door de reusachtige wortels van een kleinen -boom met schaarsch gebladerte. Het water gleed zonder geraas over de -steenen en verdween onder een laag gewelf, dat achter lischplanten met -gele en roode bloemen verborgen was. - -Lucien, over den afgrond gebogen, wilde weten waar dat water bleef. - -»Misschien wordt het opgeslorpt door de zandige bodems, waarop het -valt," zeide ik; »misschien komt het weer in de valleien te voorschijn, -waar het terrein even laag wordt als zijne bedding." - ---Gebeurt het dikwijls dat de beken zoo onder den grond gaan? - ---Ja; vooral in Mexico, waar die onderaardsche monden, den naam van -_Sumidero_ dragen. Dicht bij Chiquihuite, ongeveer vijf mijlen van den -weg, die van Vera-Cruz naar Cordova voert, verdwijnt eene breede rivier -in een grot, die meer dan een mijl lengte heeft. - ---Wat zou ik zulk een fraai schouwspel gaarne willen zien. - ---Uw wensch zal vervuld worden, als wij niet te veel in het Warme Land -verdwalen. - -Sumichrast had ons verlaten om in de struiken te kruipen. Er viel een -schot en de jager keerde terug, een prachtige vogel, wiens rood -gevederte gouden en purperen weerschijnen had, in de hand houdend. - -»Dat is een fraai heer, dien hebben wij nog niet ontmoet," riep Lucien -uit. - ---Het is de prachtigste onder de vinkvogels van Amerika," gaf ik ten -antwoord, »'t is de _ampelis pompadora_[33]; maar zijn schitterend -gewaad duurt niet lang. Binnen weinige dagen zouden die veeren, die zoo -levendig schitteren, uitgevallen zijn en vervangen worden door een dof -en donker gewaad. Deze rui, die veel vogels eigen is, heeft meer dan -eens de ornithologen op een dwaalspoor gebracht, daar zij als eene -nieuwe soort beschouwden wat slechts een voorwerp was, dat door eene -verandering in het gevederte onkenbaar was geworden. - -[33] De pracht- of Pompadoer-kotinga. Wat Biart hier zegt is - gedeeltelijk onjuist. De veeren vallen niet uit, maar veranderen - van kleur. Men kan dit verschijnsel waarnemen bij een aantal - buitenlandsche volière-vogels, zooals de verschillende wevervogels - en de Widah-vinken. Tegen den broeitijd wordt het gewoonlijk - grijsbruine gevederte allengs geel, oranje, blauw of rood, - naar gelang der soort. Men noemt dit 't prachtgewaad of - bruiloftsgewaad. Tegen den winter verdwijnen deze schitterende - kleuren opnieuw om voor het eenvoudige winterkleed plaats te - maken. (N. v. d. B.) - -Een lang vertoeven bij den _Sumidero_ stelde ons in 't bezit van een -twaaftal vogels van verschillende soorten, onder andere verschillende -Tangaras, die alleen aan Amerika eigen zijn, en van een paar fraaie -koekoeks van eene geelachtig bruine kleur en met een waaiervormigen -staart, die op deze plaats op den trek waren. - -»Waarom?" zoo vroeg Lucien, »zegt gij dikwijls, dat een vogel uit -Brazilië, uit Guyana of uit Peru is, terwijl gij hem toch in Mexico -vindt? - ---Omdat veel vogels op sommige tijdstippen van het jaar trekken," -antwoordde mijn vriend, »en men ze op groote afstanden aantreft van -de landen, waar ze geboren zijn. Deze fraaie merel, bijvoorbeeld, -verschijnt slechts tegen de lente in Mexico, weshalve men hem den naam -van _primavera_, eerste van de lente, heeft gegeven. - ---Zie toch eens die fraaie gele bloemen, papa, zij verbergen zoo -volkomen den stam van den boom, dat men zou meenen, dat hij ze -voortbrengt. - ---Dat zijn de bloemen van den _tropoeolum_ of wilden kapper, die zijn -naam te danken heeft aan het in den vorm van een monnikskap verlengde -kelkblad. De kapper is in Europa aangekweekt, waar men de in azijn -ingelegde vruchten eet en met de bloemen de sla toebereidt. - ---Kennen de Mexicanen ze dan niet? ik heb er bij hen nooit op tafel -gezien. - ---Dat is waar, en toch zou de prikkelende smaak van de bloemen van den -_tropoeolum_ hun wel behagen; misschien vinden zij dat de smaak te flauw -is, omdat zij te veel gewoon zijn aan het piment. - ---»Gij hebt de kruiderijen, ik de salade," riep mijn vriend eensklaps -uit. - -Hij liet ons een handvol planten zien, die men portulak noemt. - -Deze plant, die in alle vochtige bodems in overvloed groeit, geeft roode -bloemen, die zich des avonds sluiten, om des morgens opnieuw open te -gaan. Ik verzamelde de vleezige bladen, terwijl Sumichrast, die een -plant vol met zaad had gezien, aan Lucien de ronde gleuf (_portula_), -die zij bezitten, toonde en waaraan de plant haar familienaam van -_portulaceeën_ (portulakken) te danken heeft. - -Maïskoeken en onze salade verschaften ons een landelijk ontbijt, dat aan -den oever der beek werd voorgediend. Lucien smulde in dit eenvoudige -maal en ik moest zijn eetlust, die door de prikkelende bloemen nog werd -opgewekt, matigen. - -Toen onze maaltijd afgeloopen was, poogde Sumichrast tegen den wal op te -klimmen; maar de grond zakte telkens onder hem in en hij viel twee- of -driemaal op zijn neus. Ik liet Lucien aan zijn lot over, want het vallen -leverde niet het minste gevaar op. Minder zwaar dan wij, bereikte hij -zonder moeite den bovenkant van de vlakte en lachte zeer oneerbiedig -over onze pogingen. - -»Pas op je ooren," riep mijn vriend hem toe; »als ik bij je kom zullen -ze mij tot steunmiddel dienen. - -Aldus schertsende zocht hij tevergeefs naar een beter beklimbare plek; -wij maakten ons boos en onze onmacht vermaakte Lucien. Eindelijk ontdeed -ik mij van mijn geweer en weitasch en zoo opgelicht gelukte het mij -eindelijk naar boven te komen. - -»Dat is alles goed en wel," sprak Sumichrast, zich vastklampende en -waggelende, »maar hoe zal ik nu bij u komen, nu ik twee geweren en twee -weitasschen te dragen heb. - ---»Wacht een weinig!" riep Lucien uit. - -En naar de helling ijlende verdween hij weldra. Ik hoorde hem spoedig -daarop met zijne machete een tak afkappen en kort daarna kwam hij weer -met een bamboestengel boven. - -»Wij zullen mijnheer Sumichrast visschen;" zeide hij, nog geheel buiten -adem. - -Op den wal zittende stak ik mijn vriend den stok toe; hij pakte hem vast -en won zoo wat terrein en bracht allengs ons jachtgereedschap omhoog. -Na mij geweren en weitasschen te hebben aangereikt kwam hij zelf ook -bij ons. In plaats van meester Zonnestraal bij zijne ooren te pakken, -omhelsde hij hem, om hem voor zijn uitmuntend denkbeeld te bedanken. - -Het ravijn liep ongeveer tweehonderd passen verder ten einde en -wij bevonden ons te midden der cactussen. Lucien deed zijn best om -hagedissen te vangen; maar Gringalet, die zeker dacht heel slim te doen, -liep altijd voor hem uit en verjoeg zoo de diertjes. Toch slaagde de -jonge jager er in om eene mooie groene hagedis te vangen, een _Anolis_, -die, driester dan de gewone hagedissen, in de vingers, die haar vast -hielden, zocht te bijten, en de keelhuid, die doorschijnend is als een -vlindervleugel, vol toorn opblies. - -Eensklaps begon Gringalet onrustig te blaffen; een scherp gefluit -antwoordde er op en daarna de stem van den jakhals. Ik riep den hond -terug en met den vinger aan den trekker van mijn geweer, ging ik -voorzichtig voorwaarts, mijn vriend op den voet volgende en Lucien -bevelende naast mij te blijven. Onze stille gang verraste eenige -gladslangen, die in de zon lagen te slapen. Daar weerklonk het -geroep van den nachtuil. Ik wisselde met mijn reisgezel een blik van -verwondering; het was noch het uur, noch de plaats om dien vogel te -ontmoeten. Een nieuw gejank en een nieuw blaffen deden zich hooren; maar -ditmaal zoo dicht bij, dat ik staan bleef. Gringalet sprong voorwaarts -en daar verschenen vier kinderen, die Gringalet cactusbladeren als een -schild voorhielden. - -»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast, »als ik mij niet vergis zijn dat -de uil, de jakhals en de hond, die ons zoozeer in spanning hebben -gehouden." - -Mijn reisgezel vergiste zich niet; de jonge Indianen brachten -levensmiddelen aan hun ouderen broeder, die belast was met het hoeden -van een troep geiten; en om de eentonigheid van den weg wat te verkorten -hadden zij zich vermaakt met het geluid van verschillende dieren zoo -volmaakt na te bootsen, dat wij er door misleid werden. - -Tegen drie uren verliet mijn vriend, die de vogels, welke bij gedood -had, wilde bereiden, ons om de woning van Coyotepec te bereiken. Ik -vervolgde mijne wandeling in gezelschap van Lucien en bleef staan bij -het lijk van eene muis, welke eenige doodgravers bezig waren te -begraven. - -De insecten, vijf in getal, groeven de aarde om de muis op, ten einde -die er onder te stoppen. De doodgravers, die zoo druk aan 't werk waren, -hadden eene taak ondernomen, die zij niet in minder dan vierentwintig -uren ten einde konden brengen; twee der aardwerkers lichtten het lijk -aan eene zijde op, terwijl de andere met hunne pooten de aarde er -onderuit haalden. De kleine mijnwerkers haalden zonder tusschenpoozen -den grond onder hunne prooi uit. - -»Welk doel hebben zij toch met die muis te willen begraven?" vroeg -Lucien mij. - ---Zij denken aan hunne kinderen. Zij zullen hunne eieren onder het -begraven dier leggen en als de larven geboren worden zullen deze zich -voeden met de overblijfselen van het lijk, in welks nabijheid de -voorzorg der ouders hen geplaatst heeft." - -Ik stoorde de ijverige doodgravers, die, tot hun ongeluk, tot eene niet -veel verspreide soort behoorden. Hun voelsprieten, die den knotsvorm -vertoonden, eindigden plotseling in een knopje en hun dekvleugels, die -schitterend zwart waren, werden door eene gele streep doorsneden. Ik -mocht den grond en de prooi zooveel omkeeren als ik wilde, ik vond er -maar vier. - -Op een pad, dat de nabijheid van het dal aankondigde, vertoonden zich -zandkevers. Lucien maakte er jacht op, maar de vlugheid der insecten -stelde zijne pogingen te leur. - -»Wat zijn die vliegen slim," riep hij uit, »ik kan er geene enkele -vangen." - ---Dat zijn geen vliegen maar kevers en verwant met de loopkevers. Geef -mij uw net. - -Lucien wilde nog eens beproeven om een zandkever te vangen en hij kreeg -er inderdaad twee. De schoone metaalglans van hunne bruine, met gele -puntjes bezaaide dekschilden bekoorden hem, maar de insecten ontsnapten, -na hem gebeten te hebben. - -»Welke kaken," zeide hij, zijn vinger schuddende; »gelukkig dat die -beestjes maar heel klein zijn. Leven de zandkevers dan niet in 't -bosch?" - ---Zij vertoeven bij voorkeur op droge en zandige plaatsen; zij loopen en -vliegen zeer snel; maar het is niet moeielijk ze te vangen, want, zooals -gij ziet, vallen zij weer spoedig op den grond. Deze fraaie kever bezit -eene buitengewone vraatzucht; daar is er een, die eene groote vlieg -heeft gevangen en die hij bezig is te verscheuren. De grillige vlucht -van een hertskever voerde ons op den rand van het ravijn: terwijl wij -het pad, dat talrijke door struikgewas beschaduwde zigzaglijnen vormde, -volgden, kwamen wij voor eene hut terecht. Voor de deur was eene jonge -vrouw, die ik als eene der danseressen van den vorigen avond herkende, -bezig een stuk katoen te weven. Het weefgetouw, dat de schering bevatte -en aan den eenen kant aan een boomstam was bevestigd en aan den anderen -kant om het middel van de arbeidster was gerold, was tegelijkertijd -eenvoudig en samengesteld, zooals alle oorspronkelijke gereedschappen. -Lucien zag met nieuwsgierigheid toe, en ziende hoe de weefster telkens -de kleur van haar garen veranderde, begreep hij hoe de Indiaansche -vrouwen beneden om hare rokken die zonderlinge teekeningen vervaardigen, -die hare verbeelding uitdenkt. - -Tegenover de hut groeiden _nopales_-cactussen. - -»Kijk die planten, waarvan het zien den Encuerado zeker zou aandoen, -want men vindt ze overal in zijn land, eens goed aan, sprak ik tot -Lucien. »De talrijke bruine puntjes, die gij op de bladeren bemerkt, -zijn halfvleugelige insecten van de familie der galwespen, cochenieljes, -zooals men ze gewoonlijk noemt. Zij hebben geen vleugels en leven op -kosten van de cactussen, waaruit zij met hun zuigsnuit het sap zuigen. -Alleen de mannetjes kunnen zich bewegen, de wijfjes zijn veroordeeld -om te sterven, waar zij geboren zijn. Op een gegeven oogenblik zullen -die kleine insecten duizenden eieren leggen en hun lichaam zal met een -wolachtig mos bedekt worden, dat tot beschutting voor de jonggeborenen -moet dienen. Men oogst de cochenielje als zij rijp is, om eene -uitdrukking der Indianen te bezigen, door de plant met een lang, -buigzaam mes af te schrappen, waarna de insecten levend in een ketel met -kokend water worden gedompeld. Zoodra ze dood zijn worden zij er uit -gehaald om in de zon te drogen. Die kleine korreltjes bedekken zich -nu met een zilverkleurig huidje en worden dan in zakken van geitevel -ingepakt en naar Europa verzonden, waar men ze gebruikt om stoffen -te verven en carmijn te maken, dat zulke fraaie rose kleuren aan het -suikergoed geeft." - -Een weinig verder bevond ik mij tegenover een _maguey_--_agave -mexicana_--eene soort aloë, waaruit men de _pulque_ bereidt. De maguey -bloeit alle vijfentwintig of dertig jaren en de steel, die de bloemkroon -moet dragen, groeit in twee maanden ongeveer vijf à zes meters. Deze -steel draagt niet minder dan vier à vijfduizend bloemen aan zijn top en -de plant verteert al hare kracht met ze voort te brengen, want zij -sterft spoedig daarop. - -In de plantages van de vlakten van Apam, waar de maguey op groote schaal -wordt gekweekt, belet men het bloeien. Zoodra de kegelvormige knop, -waar de stengel uit voortkomt, zich vertoont, snijdt men dien af en men -graaft er met een grooten lepel eene cilindervormige holte in uit, die -vijftien of twintig centimeters diep is. In deze holte hoopt zich het -sap op; men schept het er twee of driemaal daags met eene langwerpige -kalebas, waarvan de Indianen zich in plaats van hevel bedienen, uit. Men -berekent dat eene krachtige plant in vierentwintig uur ongeveer drie -liters van een suikerachtig vocht--_agua miel_--zonder reuk en van een -zuurzoeten smaak moet leveren. - -Het agua miel wordt in ossenhuiden, die bij wijze van troggen op vier -paaltjes zijn geplaatst, opgevangen. Er bezinkt eene witachtige stof, -de vloeistof gist en na verloop van tweeenzeventig uren levert men het -aan de liefhebbers, onder welken men een groot aantal Europeanen kan -rekenen, af. Een Maguey-plant kan gedurende twee of drie maanden bewerkt -worden. - -De _pulque_ is een dronkenmakende drank, waarvan de smaak afwisselt naar -mate van den graad van gisting; men kan hem vergelijken bij een goeden -appel- of perewijn; men zegt, dat degenen die er veel van gebruiken, vet -worden. - -Ik bereikte de hut van Coyotepec, waar Lucien reeds voor mij was -aangekomen. Sumichrast had zijn werk af, en de Encuerado, te midden van -een hoop gedroogde bladeren van den waaierpalm gezeten, bood mij een -prachtigen hoed met breede randen aan. - -De twee volgende dagen werden met jagen doorgebracht; weldra waren onze -kisten vol en dichtgemaakt. Ik verklaarde aan Torribio, die met het -aanbreken van den dag op reis dacht te gaan, op welke manier hij ze -behandelen moest; vervolgens gaf ik hem brieven mede, die onze spoedige -thuiskomst meldden. Lucien had aan zijne lieve Mama en zijn zusje -Hortense geschreven en hij moest zijn brief wel twintigmaal opnieuw -openen om er de _post-scriptum's_ bij te voegen, die de Encuerado hem -voorzegde. - -Reeds des avonds namen wij afscheid van onzen gastheer. Door zijne -welwillendheid hadden wij onzen voorraad rijst, koffie, suiker en -maïskoeken vernieuwd. In plaats van zwarte peper, namen wij roode piment -mede, maar de kostbaarste koop bestond in het kruit en de hagel, die wij -tegen den verrekijker hadden ingeruild. - -Vrijdagmorgen vernam ik, dat Torribio reeds op weg naar Puebla was. -Hij was tegen middernacht op reis gegaan, teneinde de vlakte niet op -het warmste van den dag te moeten doortrekken. Ik verhaastte ons eigen -vertrek. Wij hadden goede hoeden, onze kleeren, met zacht leer versteld, -gaven ons het uiterlijk van zindelijke bedelaars, waar wij ons evenwel -weinig het hoofd om braken. Mijne schoenen en die van Sumichrast, stevig -en bijna netjes opgelapt, waren evenveel waard als nieuwe en Lucien -bezat nog een paar reserve-sandalen. Gringalet blafte vroolijk bij het -zien van de toebereidselen, die wij maakten. - -De kleine kolonie, die zich in gelid had geschaard om ons te zien -vertrekken, begroette ons met hare zegewenschen. Ik drukte de handen, -die mij werden toegestoken en vergezeld door den kindertroep, die den -jongen reiziger omringde, begon ik het pad op te klimmen, dat ons in -deze gastvrije oase had gevoerd. Op den top van den oever aangekomen, -zwaaide ik met mijn hoed om Coyotepec opnieuw te groeten; de Encuerado -schoot bij wijze van afscheidsgroet zijn geweer af en wij drongen den -doolhof van cactussen in, ons in rechte lijn naar het Oosten richtende. - - - - -XXIII. - -OP WEG!--DE VOGELSPIN.--EEN KAKKERLAK.--WEZEL- EN CIVETKAT.--DE -VLIEGENDE EEKHOORN.--DE DADELPRUIMENBOOM.--DE OTTER.--DE ENCUERADO WORDT -GEWOND. - - -Drie dagen van een moeielijken marsch brachten ons te midden van het -Gematigde Land. Wij trokken ditmaal de Cordilleras in de breedte over, -klimmende, dalende, op de toppen rillende, en groote druppels zweetende -in de nauwe en donkere dalen, waar het toeval van den marsch ons bracht. -De vulkaan van Orizava vertoonde van tijd tot tijd zijn scherpen kegel, -wat ons zeer hielp om onze richting te bepalen. Vier dagen nadat wij -Coyotepec verlaten hadden, sloegen wij ons bivak aan den voet van een -berg bij een rivier met helder en ijskoud water op. - -Terwijl de Encuerado den vuurhaard gereedmaakte, ontdekte Lucien onder -een grooten steen eene buitengewoon dikke, zwarte en harige spin, met -pooten die met dubbele haken gewapend waren. - -»Dat is een tarentella, nietwaar mijnheer Sumichrast?" - ---Neen, vriendje, dat is de vogelspin, aldus geheeten omdat zij, naar -men zegt, de nesten der vliegenvogels aanvalt en de jongen er van -verslindt. - ---Kan ik haar pakken? - ---Niet met de handen; haar beet is gevaarlijk. - ---Men zou zeggen, dat zij ons met die twee groote oogen, die dicht bij -haar bek staan, aanziet. - ---Zij ziet zonder twijfel naar ons; bedreig haar eens met dit takje, en -gij zult zien dat zij zich ter verdediging gereed maakt. - -De groote spin stak hare voorste pooten in de lucht en uit haar mond -kwamen twee zwarte, gladde haken. Na een oogenblik geaarzeld te -hebben, wierp zij zich onverwacht op het stukje hout, dat Lucien, -achteruitdeinzende, vallen liet, terwijl de Encuerado het afschuwelijke -dier verdreef. - -Een tiental stappen verder vond de jeugdige natuuronderzoeker eene -tweede spin en overstelpte mij met vragen. Ik kon hem niets dan eenige -algemeenheden over deze zonderlinge klassen van dieren mededeelen. - -»Maar, papa, wij ontmoeten bij elke schrede groene, zwarte, gele, -goudkleurige spinnen; zijn er dan zoo veel soorten?" - ---Er zijn er zoo vele, dat men ze niet alle kent; ik geloof zelfs, -dat die van Mexico nooit beschreven zijn. Men zou ze trouwens op de -plaats-zelve moeten bestudeeren; want het weeke lichaam der spinnen -verliest door het drogen zijn vorm en men kan ze slechts bewaren door -middelen, die een reiziger niet altijd onder zijn bereik heeft. - ---»Ik heb er evenwel in mijne doos, die niet al te zeer gehavend zijn," -hernam de knaap. - -En hij liet mij verschillende dieren met een driehoekigen buik zien, die -bruine puntjes vertoonden en vol stekels zaten. Ik ried hem aan er zich -van te ontdoen, daar hij dezelfde soorten in de omstreken van Orizava -kon vinden. - -Onderweg verscheurde ik eenige draden van een licht web, dat tusschen -twee heesters was uitgespannen en waarvan de bezitster--eene grijze -spin--onmiddellijk te voorschijn kwam om in haast de schade, die ik -onvrijwillig had aangericht, te herstellen. - -»Waar haalt zij toch dien draad vandaan, die zoo dun is dat men hem -ternauwernood ziet?" vroeg Lucien. - ---Uit vier bewaarplaatsen, die onder aan den buik gelegen en met eene -gomachtige stof opgevuld zijn, welke hard wordt, zoodra zij aan de lucht -is blootgesteld. Deze bewaarplaatsen, welke de natuuronderzoekers -spintepeltjes noemen, zijn met ongeveer een duizendtal gaatjes -doorboord. Uit elk dezer gaatjes komt een draad, die voor het ongewapend -oog onzichtbaar is, omdat men er duizend noodig heeft om den draad te -vormen, dien de spin op het oogenblik te voorschijn brengt. - ---Wat spijt het mij nu, dat ik niet een groot aantal van deze insecten -verzameld heb; wij hebben er zulke zonderlinge ontmoet. - ---In de eerste plaats zijn de spinnen geen insecten; zij hebben -longen en een hart, terwijl de insecten door luchtbuizen of tracheeën -ademen.[34] Bovendien hebben de insecten voelsprieten en ondergaan zij -gedaanteverwisselingen, wat niet bij de spinnen plaats heeft. Gij zult u -zeker nog wel herinneren, dat zij aan den schorpioen verwant is. - -[34] De tracheeën of luchtbuizen zijn twee vaten, die aan weerskanten - langs het lichaam zijn geplaatst en van vertakkingen zijn voorzien; - zij dienen om de lucht op te vangen en zich door het lichaam te - verspreiden. - ---Ja, maar de schorpioenen kunnen niet spinnen. - ---Die kunst verstaan ook niet alle spinnen; zoo leeft bijvoorbeeld die -soort met gouden weerschijn, waarover gij zooeven spraakt, op planten en -zij zou zeer in verlegenheid zijn, als het ongeluk haar overkwam van in -het web harer spinnende zuster te vallen. - ---Eten de spinnen elkander dan op? - ---Zonder de minste aarzeling; de schorpioenen doen het ook; dat is eene -familiekwaal. - ---Dan verwondert het mij niet meer, dat de spinnen over 't algemeen zoo -leelijk zijn. - ---Al waren zij ook nog zoo mooi, dan zou dat nog niets aan hare -geaardheid afdoen. Maar zij hebben bovendien ook hare goede -eigenschappen--het geduld, bijvoorbeeld, en de vastberadenheid. De arme -spin, die gij daar ziet, zweet, om zoo te zeggen, water en bloed, om -eene prooi te vangen, die haar telkens ontsnapt. Nu eens verscheurt -de wind het met zooveel moeite gesponnen weefsel; dan weer vliegt een -groote kever, als een echte wildzang, door het web. En toch wordt -het beestje niet ontmoedigd; het herstelt zijn val en terwijl het -onbeweeglijk het wild bespiedt, dat voor zijn onderhoud noodzakelijk is, -gebeurt het maar al te dikwijls, dat het in den snavel van een vogel -wordt weggevoerd. - ---En u, mijnheer Sumichrast, weet u niets over de spinnen? - ---Zeker, meester Zonnestraal, veel anecdoten; zoo zegt men, dat men -ze tam kan maken en dat zij dan tusschen de vingers de vliegen komen -weghalen, die men haar voorhoudt; men verzekert zelfs, dat zij zich zeer -dankbaar betoonen tegenover hen, die zoo in haar voedsel voorzien, wat -mij eenigszins met die onaangename dieren verzoent. Ik moet u nog zeggen -dat er eene soort bestaat, waarover uw papa niet gesproken heeft, -de waterspin, die eene duikerklok vervaardigt, welke zij met een -bewonderenswaardig instinct met lucht vult en met draadjes tusschen de -waterplanten ophangt. - ---Dat zal toch wel niet zijn om vliegen te vangen, veronderstel ik? - ---Neen, zij voeden zich met larven, muggen en eendagsvliegen. De -beroemde sterrekundige Lalande at uit pralerij eene kelderspin op; men -beweert dat de Indianen uit de provincie Honduras ook van spinnen -smullen.[35] - -[35] Men heeft ook van onze beroemde landgenoote Anna Maria Schuurmans - gezegd, dat zij spinnen at. - (N. v. d. V.) - -De Encuerado had op zijne beurt ook iets over de spinnen mede te -deelen. Hij vertelde ons dat als een paard den voet op een vogelspin -zet, de hoef binnen acht dagen afvalt en niet meer aangroeit. Hij -beloofde bovendien aan Lucien dat, zoodra wij het Warme Land zouden -bereikt hebben, hij hem de beroemde kristallen spin zou laten zien, die -in duizend stukken breekt, als men onhandig genoeg is haar te laten -vallen. - -»Chema," riep Lucien eensklaps uit, »kom eens naar die groote -_coucaratcha_ zien! Ik dacht dat die insecten alleen in de huizen -leefden. Wat sleept zij toch achter zich aan?" - ---»Een klein doosje, waarin hare eieren vervat zijn," antwoordde ik. In -drie of vier dagen zal dat doosje aan de zijde opengaan en er zullen een -twintigtal jonge kakkerlakken uitkomen. - ---Heet de _coucaratcha_ kakkerlak? - ---Kakkerlak of zwarte tor. Voor de geleerden is het een rechtvleugelig -insect, voor de creolen een vuil dier, dat in de laden van alle meubelen -binnendringt en er ongeveer dezelfde verwoestingen aanricht als de -muizen. Des nachts loopen de kakkerlakken, die een letterkundigen smaak -schijnen te hebben, in groot aantal in de kamers rond, knagen aan het -papier en drinken de inkt uit. - ---Zij wachten daartoe niet eens den nacht af," riep Lucien uit; »zij -hebben meermalen de onbeschaamdheid zoo ver gedreven, dat zij in mijn -inktkoker hunnen dorst leschten, terwijl ik bezig was mijn schoolwerk af -te maken. Ik ken bruine en groene kakkerlakken, maar de Encuerado heeft -laatst volgehouden dat er ook witte zijn. - ---De Encuerado heeft gelijk, antwoordde ik; ik heb er ook wel eens van -die kleur gevangen en opgesloten, maar na verloop van vierentwintig -uren waren zij roestrood geworden, zooals hunne geheele familie. Dit -verschijnsel bewijst, dat de kakkerlakken van huid verwisselen, eene -eigenaardigheid die zij met verschillende dieren gemeen hebben, zooals -de groote spin, welke uw vriend straks heeft weggejaagd. - -Ik ontrukte Lucien aan zijne entomologische studiën om hem meê onder de -boomen te nemen, ten einde den hoofdschotel voor ons middagmaal op te -zoeken. Wij stieten eerst op een _Cacamizli_ of kattefret[36], een soort -van wezel van een wreed uiterlijk, die ons met een scherpen schreeuw -verwelkomde. Gringalet begon het dier onmiddellijk te vervolgen en -bleef slechts stand houden bij den ingang van het hol van het dier. -De cacamizli nestelt zich, evenals de wezel, waarvan hij slechts in -grootte verschilt, op de zolders der woningen, waar hij zich des -nachts aan de luidruchtigste beweging overgeeft. In de voorwijken van -verschillende steden van Mexico staat meer dan één huis ledig, omdat -men meent dat het door spoken bezocht wordt, terwijl het eenvoudiglijk -bevolkt is met wezels en buidelratten. - -[36] Bassario astuta. Biart noemt het hier bedoelde dier _cacomiste_, - een verbastering van het _cacamizli_ der Mexicanen. - (N. v. d. V.) - -[Illustratie: Op tien passen van ons af, viel een dier naar beneden. - (blz. 213).] - -»Opgepast!" riep de Encuerado eensklaps uit. - -Een civetkat, een roofdier dat wel een weinig op een Angora-kat -gelijkt, liep hard voor ons weg. Gringalet, wien het verveelde om op -de wezel te wachten, kruiste zich met het dier en begon het dadelijk, -niettegenstaande ons roepen, te vervolgen. De civetkat bleef eensklaps -staan, wroette met haar scherpe nagels den grond om en verspreidde toen -zulk een stank om zich, dat de hond dadelijk den terugtocht aannam. - -De Encuerado vervolgde zijn marsch en geleidde ons zonder geraas te -maken en met den vinger aan den trekker. Plotseling bukte hij om beter -te kunnen hooren. - -»Een quimichpatlan," zeide hij zachtjes. - ---Een »vliegende rat", herhaalde ik aan Sumichrast. - -Lucien wilde spreken; ik wees met den vinger op den Indiaan, die, den -neus in den wind en half achter een dooden boomstam verborgen, den -top van een ebbenhoutboom onderzocht. Op hetzelfde oogenblik legde de -Encuerado aan en gaf vuur; hij had goed gemikt,--op tien pas afstands -van ons viel een dier neer, dat in zijne stuipachtige bewegingen een -vlies had uitgespannen, dat de pooten onderling verbond en het als met -een mantel omgaf. - -Lucien raapte het dier op, dat meer algemeen bekend is onder den naam -van _vliegenden eekhoorn_. Daar men ze zelden alleen aantreft gingen -mijne beide gezellen opnieuw op de jacht en doodden er een tweeden. - -»Moeten wij die dieren eten?" vroeg Lucien. - ---Waarom niet!" antwoordde ik. »Het zijn eekhoorns, en al waren het ook -ratten, zooals de Mexicanen beweren, dan zou hun vleesch er niet minder -smakelijk om zijn." - ---Kunnen die eekhoorns lang vliegen? - ---In werkelijkheid vliegen zij niet; maar het vlies, dat hunne vier -pooten verbindt, houdt hen als een valscherm in de lucht en vermindert -het gevaar van hunne verbazende sprongen. - ---Loopen zij even vlug als de eekhoorns? - ---Daar scheelt veel aan; zij komen zelfs niet op den grond; maar hunne -vlugheid op de boomen maakt, dat zij hunne familie geen oneer aandoen. - ---»Ik dacht, dat de vleermuis het eenige vliegende zoogdier was," -hervatte Lucien. - ---»Wij hebben nog de phalangista," zeide mijn vriend, »een dier dat tot -de orde der buideldieren behoort en in Australië wordt aangetroffen; het -gelijkt op de buidelrat. Men zegt dat het zich als het een mensch ziet, -aan den staart laat hangen en geen beweging durft maken. Dit sprookje -past goed bij dat van den Encuerado over de kristallen spin. - -De Indiaan begaf zich in rechte lijn naar het bivak, terwijl ik mijne -twee metgezellen weer naar den stroom terugbracht; onderweg hadden wij -nog gelegenheid eene prachtigen dadelpruimenboom te bewonderen. Eén -daarvan was beladen met bruine, van binnen witachtige vruchten, die een -vrij aangenamen zuurzoeten smaak hebben. Ik plukte er in haast een half -dozijn van, wetende dat het eene smullerij voor mijn bediende zou zijn. - -Terwijl wij zoo onzen weg vervolgden, zagen wij dat de oevers van den -stroom trapsgewijze lager werden en weldra vertoonde zich een meer, dat -heerlijk omgeven was met cypressen, populieren, elken, ebbenhout- en -styraxboomen, aan onze oogen. - -Ik ging op eene rots zitten, vanwaar mijne oogen op het blauwe en -doorschijnende water rustten; Sumichrast en Lucien kwamen naast mij -zitten. Verrukt over de lachende majesteit van dit onbekende plekje -der wereld, bleven wij sprakeloos zitten. Vogels zweefden door den -wolkenloozen hemel, kwamen in onze nabijheid zitten, kweelden een -oogenblik, en vlogen verder, na ons den tijd te hebben gegeven om de -rijke kleuren van hun gevederte te bewonderen. Op het onbeweeglijke -water liepen duizenden insecten met lange pooten en doorschijnende -vleugels, die eene onzichtbare kracht over de effene vlakte deed -glijden. Soms verscheen een waterjuffer met een azuurblauw en purper -lichaam, en alles vluchtte voor dien vijand, als een troep musschen voor -een sperwer. Een vlinder met gouden en perlemoeren vleugels kwam onder -het bereik van het vraatzuchtige insect. Meer dan één vreeselijk gevecht -werd onder onze oogen tusschen de kleinste schepsels geleverd; eindelijk -vond de waterjuffer, die den vlinder bijna overwonnen had, een graf in -de maag van een vogel. - -Wij wilden ons juist verwijderen, toen het water tot in de diepte in -beroering scheen gebracht te worden, en terwijl op de oppervlakte -vliegen en muggen met hun spel ongestoord voortgingen, vluchtten de -visschen vol spoed en schenen hun angst aan de waterslangen mede te -deelen. Een schildpad, die den terugtocht nutteloos scheen te oordeelen, -trok haar kop en pooten binnen haar schaal terug. Bijna op hetzelfde -oogenblik hield een dier, dat krachtig zwom, bij het kruipdier stil om -het te beruiken en vervolgde toen zijn weg. - ---Zijn er dan ook water-buidelratten? vroeg Lucien. - ---»Dat is een otter," antwoordde ik zacht. - -Terwijl wij zonder geraas de rots afdaalden, volgde ik Sumichrast naar -den waterkant, naar eene plek, waar het dier aan land scheen te willen -komen. Een uur verliep evenwel in vruchteloos wachten. - -Mijn vriend stelde voor in de haast te gaan eten en daarna weer onzen -post bij de rots in te nemen. Eenige minuten waren voldoende om bij den -Encuerado terug te zijn; want zonder het te weten hadden wij ons bivak -op nauwelijks vier geweerschoten afstands van het meer opgeslagen. De -Indiaan sprong van vreugde, toen hij de nabijheid vernam van wat hij een -waterhond noemde. - -»Ge moogt me een ezel noemen," zeide hij tegen Gringalet, terwijl hij -hem streelde, »als ik je morgen ochtend geen bout van je broer vóór -ontbijt breng." - ---Zijn de otters dan werkelijk verwanten van Gringalet?" vroeg Lucien -mij. - ---»Ja," antwoordde ik; »volgens Cuvier zijn het teenloopers. Overigens -laat de otter zich zoo tam maken als een hond en men richt hem af om -visch te vangen, dien hij te gereeder weet te krijgen, daar hij niets -anders dan visch eet." - -De vliegende eekhoorn werd noch goed, noch kwaad bevonden; maar de -Encuerado smulde van de dadelpruimen, wat niet belette dat hij het eerst -gereed was. Lucien, altijd even ongeduldig, knorde op Sumichrast, die -smakelijk zijn koffie dronk. - -»Drommels, drommels! meester Zonnestraal," riep hij vroolijk uit, »gij -vergeet dat ik een Zwitser ben en half een Indiaan ben geworden, en dat -ik aan de Franschen de onbezonnenheid en de voortvarendheid overlaat." - ---Moet ik mijn aandeel in het compliment nemen?" vroeg ik glimlachende. - ---»Ge zult moeten bekennen," antwoordde mijn vriend, »dat wij een -tamelijk volledig geheel vormen en dat, alles wel overwogen, mijne -langzaamheid ons meer dan één middagmaal heeft bezorgd, waarvan uw -Fransch ongeduld ons zou beroofd hebben. - ---En gij zult, op uwe beurt, moeten bekennen, dat mijne voortvarendheid -ons meer dan één ontbijt heeft verschaft, dat uwe langzaamheid ons zou -hebben doen verliezen. - ---Drommels, drommels! dan is het uit met mijne meerderheid; we zullen -dan maar zeggen, dat alles om 't best is. - ---»Toch niet," riep Lucien uit; »terwijl wij praten gaan de otters -slapen, zonder ons goeden nacht te wenschen. - ---Dat hebt ge mis, Chanito; de waterhonden gaan juist des nachts aan 't -werk. - -Tien minuten later stonden wij op nieuw bij de rots op den uitkijk. De -Encuerado wilde ons niet volgen en ik liet hem handelen zooals hij zelf -verkoos. De zon was op punt van onder te gaan en achter ons teekenden -de boomen hunne donkere schaduwen tegen een oranjekleurigen hemel af, -terwijl honderden vogels te gelijk babbelden. De schemering bedekte den -horizon en overal heerschte eene plechtige stilte. Allengs begonnen de -sterren te schitteren en steeg de maan boven de boomen. Haar wit licht -drong door het gebladerte en verleende het fantastische vormen, die aan -een bovennatuurlijke wereld deden denken. Naar gelang het gesternte -hooger steeg, verspreidde het ook meer licht en ik ken geen prachtiger -schouwspel dan die nachten onder de keerkringen, die helderder, zachter -en geheimzinniger zijn dan de zoo geroemde nachten der koude landen. - -Een schot brak de mijmering af, waaraan ik mij had overgeleverd en het -hioe! hioe! van den Encuerado riep ons. De Indiaan draafde langs den -voet der rots, door den getrouwen Gringalet gevolgd. Een pijnlijke kreet -deed mij schrikken; Sumichrast verdween als een pijl uit den boog, -terwijl ik den loop van Lucien bespoedigde. Ik hoorde een groot geraas -van stemmen, bijna door het razend geblaf van den hond overheerscht; ik -vond mijn vriend, die de keel van een otter, dien Gringalet woedend -beet, tusschen zijne handen dichtkneep. De Encuerado, op den grond -gezeten, drukte vol angst zijn rechterarm; hij was door het dier, dat -hij te overijld had willen vatten, gebeten. Het was nu de tijd niet om -verwijtingen te doen; ik troonde mijn dienaar in allerijl naar het bivak -mede; hij troostte Lucien, die in stilte schreide. - -Het onderzoek van de beet stelde mij gerust; ik was eerst bang voor eene -verscheuring, maar die bestond niet. Ik verbond den gekwetste, wat hem -zeer verlichtte. - -»Oh! Tatita," sprak hij, »'t gaat nu beter, veel beter; maar toen die -rakker mijn arm beet pakte, dacht ik dat ik flauw zou vallen." - ---»God geve dat dit ongeval je wat voorzichtiger moge maken," gaf ik ten -antwoord; »hoe kondet gij het ook in uw hoofd krijgen om een gewond dier -te naderen, als ge weet dat het zulke scherpe tanden heeft als de -otter?" - ---Hij wilde in 't water springen en dan zou hij verloren zijn geweest; -toen heeft hij zich dood gehouden. - ---Dat wil zeggen, dat hij het gunstige oogenblik bespiedde om zich op u -te werpen. - ---Gij hebt misschien gelijk, Tatita, ik zag hem naar de rivier gaan; -toen heb ik geschoten en ben naar hem toegeloopen. Nadat het dier -getracht had te vluchten, is het zonder beweging neergevallen. Ik heb er -mij overheen gebukt en voelde toen dadelijk zijne tanden. De pijn was -zoo hevig, dat ik de kracht niet had om er meê te worstelen; gelukkig is -Tata Sumichrast toen gekomen, zonder nog Gringalet mee te rekenen, die -uit al zijne macht beet, maar niet op een zulke goede plaats als de -otter, anders zou hij mij wel spoedig hebben losgelaten." - -Mijn vriend stroopte het wild de huid af en stak het onmiddellijk aan -het spit. Lucien onderzocht het dier met zijn opgekrulden snuit met -breede neusgaten, en zwart en glad haar en de pooten van zwemvliezen -voorzien, zooals de eenden en de Nieuw-Foundlanderhonden. Zoodra het -gebraad goed gaar was omwikkelde ik het, om het voor de insecten te -beschermen, waarna wij ons te ruste begaven. Ik voorzag wel dat de -Indiaan den volgenden dag zijne mars niet zou kunnen dragen, en dat de -noodzakelijkheid om hem te vervangen, mijn geduld en dat van Sumichrast -op de proef zou stellen, want wij konden er niet toe besluiten ons -oponthoud te rekken. De slaap overviel ons, zonder dat dit gewichtig -vraagstuk eene oplossing had gekregen. - - - - -XXIV. - -EEN MOEIELIJK AMBACHT.--WILDE LINDEBOOMEN. DE DUIVEN.--KERSEN VAN DE -ANTILLEN.--DE OORWORM. SLANGEN EN ADDERS.--HET WARME LAND. - - -»Hoe gaat het met den arm?" vroeg ik den Encuerado, die reeds op was -toen ik wakker werd. - ---»Vrij goed, Tatita, maar ik moet hem niet te veel bewegen; want dan -heb ik een gevoel, alsof die verwenschte waterhond mij nog tusschen -zijne tanden heeft." - -Ik verbond den gewonde, die niet nalaten kon den otter opnieuw met -scheldwoorden te overladen; ik dwong hem zich rustig te houden en -bereidde zelf de koffie. Sumichrast en Lucien werden nu ook wakker; er -werd tot het vertrek besloten, het regenseizoen naderde en beval ons ons -te haasten. - -De Encuerado wilde, niettegenstaande onze tegenwerpingen, zijne mars -opnemen; hij beurde zijne vracht op, maar viel weer neer en werd geheel -bleek. - -»Geen koppigheid," zeide ik hem: »gij zijt nu overtuigd, dat uwe -pogingen nutteloos zijn. Ik zal onze bagage dragen totdat uw arm genezen -is." - ---Ik kan niets beters doen dan maar naar huis gaan; mijn geweer schijnt -mij zelfs te zwaar toe. - ---Als ge nu maar geen dwaasheden begaat, zult ge over drie dagen je -vracht weer kunnen dragen en je van je geweer bedienen. - -Ik nam de riemen van de mars op en volgde mijne makkers voet voor -voet. Het gebrek aan gewoonte verdriedubbelde de vracht, die ik op de -schouders droeg. De Indiaan overlaadde mij met raadgevingen en maakte -mij boos door telkens op te merken, dat ik de mand minder gemakkelijk -droeg dan hij. Ik zond hem, om er van af te zijn, naar de voorhoede. Na -verloop van een half uur was ik geheel uitgeput en loste Sumichrast mij -af. Veel sterker dan ik zijnde, ging mijn makker met den looppas vooruit -en verwierf de loftuigingen van den Encuerado. Maar zijn ijver bedaarde -al zeer spoedig, want de kracht kan niet dan onvolkomen de gewoonte -vervangen. De mars, waarvan het gewicht mijn dienaar niet belet had om -de steilste paden op te klimmen en zelfs niet om hard te loopen, als het -noodig was, deed ons bezwijken. - -Ik nam haar op mijne beurt weer op den rug; mijne taak werd hoe langer -zoo moeielijker, want wij gingen onder het geboomte door en telkens -bleef ik in de takken verward steken. Ten slotte werd toch half -lachende, half preutelende een weg afgelegd van ongeveer drie uren, en -de otter, de oorzaak van al het leed, boette door onze gretige beten -voor de vermoeienis, die hij ons berokkende. - -De Encuerado, die van zijne jeugd af aan gewoon was eene vracht op -zijn rug te gevoelen, beklaagde zich over het ongemak hetwelk men -ondervindt als men onbeladen loopt. Dat was geene overdrijving; niets -was meer gewoon dan de Indianen van de markt, waar zij hunne waren -hebben afgeleverd, te zien terugkeeren met de mars vol steenen of takken -als tegenwicht, zonder hetwelk hun gang langzaam en moeilijk zou zijn. -Eindelijk hadden wij nog een uur afgelegd, maar de Hemel weet ten koste -van hoeveel inspanning; de hut werd aan den voet van een heuvel, te -midden van ebbenhout-, wol-, en eikeboomen opgericht. De Encuerado -ging bij den haard zitten, terwijl ik in gezelschap van mijn vriend en -Lucien den heuvel opklom. De boomen, die den top bekroonden, waren -lindeboomen--_tilia sylvestris_--de type van de boomen van denzelfden -naam, die in Europa zoo algemeen verspreid zijn en waar de kweeking ze -zoozeer veranderd heeft, dat zij niet meer tot dezelfde soort als hunne -verwanten in de maagdelijke wouden schijnen te behooren. Het hout van -den lindeboom wordt door de Indianen zeer gezocht voor de vervaardiging -van die kleine mandolinen--xaranas--, die bij duizenden in Mexico -verkocht worden. In Europa wordt de schors van dezen boom gebruikt tot -het vervaardigen van puttouwen en de kool, die zijn hout oplevert, wordt -boven elk andere verkozen voor de vervaardiging van het buskruit. Weinig -gewassen zijn dan van meer algemeen nut; het gebladerte, van een fraai -groen, maakt hem zeer geschikt voor de versiering van tuinen; de -geelachtige bloemen, bij iedereen onder den naam van lindebloesem -bekend, bevatten eene vluchtige olie, die haar krampstillende -eigenschappen verleent. Het zachte en lichte hout wordt door de -beeldhouwers gebruikt; de olieachtige zaden worden als surrogaat van -de cacao aangewend en de Lithauers maken uit het sap een op wijn -gelijkenden drank, die samentrekkende eigenschappen bezit. - -Het bekende gekoer van duiven trok onze aandacht; ik gleed onder de -boomen door en joeg spoedig een troep fraaie duiven op de vlucht, van -eene mooie donkere aschblauwe kleur, den staart met eene zwarte streep -overtrokken en met parelgrijze stuurpennen; de geleerden noemen ze -Zenaïde-duiven. Ik schoot er twee; Sumichrast, die beter geplaatst was, -raakte er drie; dat was meer dan wij voor ons middagmaal noodig hadden. - -Het waren de eerste duiven, die wij gedood hadden, en Lucien zocht -tevergeefs hare verwantschap vast te stellen. - -»Het zijn geen vinkvogels, noch minder zwemvogels," zeide hij, »en de -klimvogels hebben anders gevormde pooten. - ---»Uwe twijfelingen zijn zeer natuurlijk," viel mijn vriend hem in de -rede; »de ornithologen-zelve zijn in 't onzekere. Zij rangschikken de -duiven evenwel onder de hoendervogels en beschouwen ze als den schakel, -die dezen met de vinkvogels verbindt. - ---Waarom heeft men er geene afzonderlijke orde van gemaakt? - ---Bravo, meester Zonnestraal! maar uw uitmuntend denkbeeld is reeds -geopperd geworden; verscheidene natuuronderzoekers tellen ook een orde -van de _colombíden_ of duifachtige vogels. Wat gij evenwel dient te -weten, is, dat de duiven den geheelen aardbol bewonen; dat er witte, -blauwe, roode, groene en bruine zijn; soms zijn die tinten te zamen -versmolten en verhoogen zij nog de schoonheid van deze lieve vogels. De -duif, het zinnebeeld der zachtmoedigheid en der onschuld, laat zich zeer -licht tam maken, zij heeft eene zware maar volhardende vlucht en in veel -landen heeft men ze afgericht om berichten over te brengen. - -Lucien bleef geheel in nadenken verzonken. - -»Als ik dat geweten had, zou ik een paar duiven hebben medegebracht en -dan zou mijne lieve Mama reeds lang bericht van ons ontvangen hebben." - -Sumichrast, die om de betrekking van opperkeukenmeester had gevraagd, -die open was gevallen door de wonde van den Encuerado, ging beladen met -de opbrengst van onze jacht, naar het kamp terug. Ik volgde den zoom -van het woud, in gezelschap van Lucien, die het eerst een kerseboom -der Antillen--_malpighia glabra_--ontdekte. De roode, vleezige en -zuurachtige vruchten vielen zeer in onzen smaak en de knaap klom in den -boom om er eene goeden voorraad van te plukken en blijde bij de gedachte -aan de verrassing, die hij zijnen beiden vrienden bereidde. Toen het -plukken gedaan was, onderzocht ik den boomstam. Een haastig afgerukt -stuk schors bracht een groot aantal zoogenaamde oorwormen te voorschijn. - -»Wat mooie kevers!" zeide Lucien. - ---»Dat zijn rechtvleugelige insecten of _orthopteren_," haastte ik mij -hem te onderrichten, »zij behooren tot eene familie, die zeer aan de -kakkerlakken verwant is. De oorwormen worden ten onrechte gevreesd; de -soort tang, waarin hun staart uitloopt, is geheel en al onschadelijk." - ---Zie eens, papa, wat is het lichaam van dien oorworm met eene menigte -witte puntjes overdekt. - ---Dat is een wijfje, dat hare eieren zoo uitbroedt; maar zie eens hier. - ---Acht, tien, twaalf jongen; wat zijn ze aardig! Men zou zeggen dat zij -zich laten geleiden door dien grooten oorworm, die zich bij elke schrede -omkeert. Mooi zoo, zij blijven staan en de kleinen verzamelen zich om -hem. - ---»Zeg om haar, want het is eene moeder en hare kinderen; de zoo -geprezene hen zorgt niet beter voor haar kroost dan dit arme insect." - -Ik kon Lucien niet zonder moeite van het beschouwen der oorwormen -afrukken; het gesis van eene slang, die ik van onder een steen verjoeg, -bracht hem weer bij mij. Ik had nog juist den tijd om de slang te -pakken, die zich met kracht om mijn arm kronkelde. De knaap zag mij, -stom van verbazing, met angstigen blik aan. - -»Vader", riep hij uit, vol schrik op mij toeschietende. - ---Stel u gerust; dit arme kruipdier kan zich niet verdedigen, en het is -zoo klein, dat men het gerust in de handen kan nemen. - ---Maar het zal u met zijn angel steken. - ---Het heeft geen anderen angel dan zijne tong, wier aanraking geen -gevaar oplevert. Komaan, neem de slang ook eens aan. - -De knaap aarzelde in den beginne; maar allengs werd hij stoutmoediger en -liet de slang toe zich om zijn arm te kronkelen. Toen hij bij den haard -was gekomen, liet hij haar aan den Encuerado zien, die van schrik -achteruitsprong, want volgens hem waren alle kruipende dieren vergiftig. -Alle aansporingen van Lucien, om hem ook de slang te doen vastnemen, -waren vruchteloos. - -»Ik zal het niet doen voor gij mij de woorden zult herhaald hebben, die -gij uitgesproken hebt, om onkwetsbaar te worden." - ---»Ik ben niet meer onkwetsbaar dan gij," hervatte Lucien lachende. »De -slang is onschadelijk en papa heeft mij wel op het hart gedrukt nooit -eene slang aan te raken, alvorens hem te hebben geraadpleegd. - ---En hebt gij dan geen enkel woord gezegd voor gij haar aanpaktet. - ---Neen; papa had haar in zijne handen en heeft haar om zijn arm -gekronkeld. - ---»Nu begrijp ik het," mompelde de Indiaan; »de slang is betooverd." - -Gringalet, die even wantrouwend was als de Indiaan, ging op de vlucht, -toen hij de slang zich bewegen zag. - -Ik beval mijn zoon de slang de vrijheid weer terug te geven; de Indiaan -trok zijn machete, maar ik zette haar zelf in een struik, zoodat hij -haar geen leed kon doen. - -De nieuwe keukenmeester overtrof zichzelven; hij zette ons eene soep van -maïs, gebraden duiven en een rijstetaart voor, die wel niet mooi van -vorm, maar heerlijk van smaak was. De kersen voltooiden dit vorstelijk -maal, en de rustpijp werd begeleid door een kop warme koffie. Toen de -nacht daalde ging Sumichrast, door Lucien over de gewoonten der slangen -ondervraagd, stilletjes slapen; ik wachtte niet lang met zijn voorbeeld -te volgen, want de zwaarte van de mars had mij meer vermoeid, dan mijne -eigenliefde het wel wilde bekennen. - -Den volgenden dag vond de opgaande zon ons reeds op weg. De wonde van -den Encuerado, die reeds veel minder pijnlijk was, veroorloofde hem -weer, zich van zijn geweer te bedienen en zonder mijn uitdrukkelijk -verbod zou hij zijne vracht opnieuw hebben opgenomen. Op den top van -den heuvel gekomen, voerde hij ons op eene helling en de karavaan -hield slechts halt in een somber en vochtig dal, op den rand van een -groenachtigen poel. Na eene kleine rust, die wij gebruikten om onze -veldflesschen te vullen en een tatoe te dooden, haastten wij ons deze -plaats te ontvluchten, waar de lucht door vergiftige uitwasemingen -verpest scheen te zijn. Toen de tegenovergestelde helling afgelegd was, -begaf ik mij onder de pijnboomen, terwijl ik mijn vriend, die de mars -droeg, aanmoedigde en Lucien schelmsch tot een wedloop uitdaagde. - -»Dat is niet edelmoedig van je," zeide ik tot den kleinen schelm; »wat -zou er van ons zijn geworden als Sumichrast zich niet de moeite gaf den -korf te dragen." - ---Mij spijt slechts één ding," antwoordde de knaap, »en dat is, dat: ik -niet sterk genoeg ben om u te helpen. Als ik mijnheer Sumichrast zoo -plaag, dan doe ik het omdat mijne plagerijen hem vermaken--zij maken dat -hij zijne vracht vergeet en dus lichter loopt." - ---»Kom bij me, dat ik u omhelze," riep mijn vriend uit; »gij hebt -honderdmaal gelijk. Ik dacht ook, dat gij slechts een luim -opvolgdet, zonder om mij te denken." - -Eene nieuwe daling putte ons volkomen uit en Sumichrast zwoer dat hij -tot de volgende dag de mars vaarwel zeide. Ik nam haar nu op, maar na -verloop van weinig tijds deed ik denzelfden eed als mijn vriend, en -het bivak werd opgeslagen. Terwijl mijne gezellen zich met de keuken -bezighielden steeg ik de hoogte op; ik had haar nauwelijks twee of drie -honderd meters doorloopen of ik riep allen bij mij,--het Warme Land lag -aan mijne voeten. In den beginne doorvorschte een ieder zwijgend het -onmetelijke panorama, dat zich voor onze oogen ontrolde. Wij bevonden -ons op eene der tegenhellingen der Cordilleras. Het toeval was ons -gunstig geweest; eenige honderden meters verder zouden de boomen ons -niet veroorloofd hebben dit wonderschoone vergezicht te bewonderen. -Boven ons rotsen met mos en orchideeën bekleed, een ruime, rotsachtige, -steile bodem; daarna een woud van eikeboomen, welker roode bladeren -reeds door de zon geroosterd waren. Lager op, eene lange prairie bezaaid -met groene struiken en omzoomd door een bosch, waarvan de hooge toppen -zich, zoover het gezicht reikte, uitstrekten. Aan de rechterhand -kondigde eene breede gele en schitterende ruimte eene savanne aan en aan -onze zijde vormden nu eens naakte, dan weer met boomen begroeide hoogten -een grooten halven cirkel. - ---»Het beloofde land!" riep Sumichrast eindelijk uit. - ---»Het tijgerland!" hervatte de Encuerado. - ---»Het land der muskieten en van den dorst," voegde ik er bij. - -Lucien alleen bleef zwijgen; het Warme Land was voor hem het lang -gedroomde land. In het Gematigde Land geboren en groot gebracht, moesten -die bodem van vuur en die wouden, welker schoonheden en gevaren wij -voortdurend zoo geroemd hadden, zijn ideaal zijn. Hij dacht zonder -twijfel aan de leeuwen, de tijgers, de krokodillen, de wilde paarden en -stieren, de savannen en palmboomen, waarover de Encuerado nooit moede -werd te spreken. Hij verheugde zich er over dat land te mogen zien, zoo -gevreesd door Creolen en Europeanen; die ondoorzochte wereld, waarvan de -gele koorts den toegang verbiedt. - -De kok vergat zich zoozeer in zijne bewondering, dat het middagmaal -slechts uit dikke soep en aangebrand vleesch bestond. Nauwelijks was -de koffie op of wij begaven ons, zonder dat er afspraak over geweest -was, naar het uiterste punt van de hoogvlakte. Daar zagen wij hoe de -schaduwen zich langzamerhand over de savanne uitstrekten; hoe het groen -der bladeren donkerder tinten aannam en hoe de zon de lichte wolken, -die aan den blauwen hemel verschenen waren, met gouden weerschijn -verlichtte. De nacht kwam op zijne beurt zijn geheimzinnigen sluier over -de onmetelijke vlakten, die wij moesten doortrekken, uitspreiden. Eer de -dag verdwenen was, teekende zich nog in de verte een besneeuwd hoekje -van den vulcaan van Orizava af; ik dacht aan de wezens, zoo dierbaar aan -mijn hart, die, achter die bergen, op mij wachtende, de dagen telden; ik -tilde Lucien op en omhelsde hem. Gringalet blafte om ook zijn aandeel in -de liefkoozingen te vragen, en door hem geleid kwam de kleine troep weer -aan het bivak, om een welverdiende rust te genieten. - - - - -XXV. - -DE AARD-EEKHOORN.--EEN MUIZENNEST.--VLIEGENVOGELS EN COLIBRI'S.--DE -CHACHALACA.--DE CASSIEBOOM.--DE TLALCOYOTE.--DE KREKELS. - - -Een geweerschot deed mij verschrikt ontwaken; de dag brak aan. De -Encuerado toonde mij een grooten eekhoorn met grijzen rug en witten -buik, eene soort die niet op de boomen klimt en daarom door de Mexicanen -aard-eekhoorn (_amohli_) genoemd wordt. Dit dier, dat in holen onder -den grond woont, bezit de bevalligheid en levendigheid van zijne -soortgenooten, maar men kan het niet tam maken. Het loopt meestal bij -talrijke benden, nadert de woningen en verslindt in één nacht de zaden, -die door de landbouwers aan den bodem worden toevertrouwd. Dezen doen -het dan ook een onverbiddelijken oorlog aan. - -Op het oogenblik, dat wij ons op weg wilden begeven, maakte de -Encuerado, wiens wonde reeds dicht was gegaan, zich van de mars meester. -Ik liet hem haar dragen, op voorwaarde dat hij mij zou waarschuwen als -hij vermoeid zou zijn. Ik ging voorop, Lucien bij de hand houdende en de -rotsachtige helling werd zonder ongeval afgelegd. De dunne en ver -uiteenstaande eiken leverden ons een gemakkelijken doorgang over een -bodem, bedekt met dorre bladeren, die onder de voeten knapten. - -»Zou men niet zeggen, dat men in Europa was?" riep Sumichrast, stil -blijvende staan, mij toe. - ---Ja," antwoordde ik, »het is of de herfstwind reeds over de geel -geworden bladeren heeft gewaaid. - ---Ik bemerk daar een dooden boom; ik ben zeker dat, als wij de schors -onderzoeken, wij er insecten uit ons land zullen vinden." - -De hoop van mijn vriend werd niet verwezenlijkt; zijne onderzoekingen -hadden geen ander gevolg, dan dat zij de rust stoorden van twee muizen -met zeer spitse snuitjes, waarvan de eene vluchtte, terwijl de andere -een nest met vijf jongen trachtte te beschermen, die op zeer fijn -plantaardig dons lagen. Lucien beschouwde met belangstelling de jonge -zoogdiertjes, plaatste de schors zooveel mogelijk in de oorspronkelijke -ligging, en vervoegde zich voorbij het bosch bij ons. Eene helling, die -zoo steil was, dat wij ternauwernood ons evenwicht konden bewaren, -bracht ons te midden van struiken met dubbele dorens, die Lucien niet -zonder reden bij stierenhorens in 't klein vergeleek. Eindelijk werd de -grond meer effen, ik wendde rechtsaf en kwam op eene, met bosschen -omringde vlakte uit. - -Sumichrast nam den draagkorf op; Lucien en de Encuerado gingen voorop. -In plaats van effen te zijn, zooals wij, op een afstand gezien, gedacht -hadden, verborg het terrein talrijke plooien, waarin onze gidsen elk -oogenblik verdwenen, honderden kardinalen met rood gevederte en zwarten -halsband opjagende. Een troep parkieten viel dicht bij Lucien neer, maar -hervatte onmiddellijk zijne hortende vlucht. Eensklaps gaf de Encuerado -vuur en zijn leerling schoot toe om aan Gringalet een fraaien geel, -blauw, groen en rood gekleurden papegaai te ontrukken, waarvan de makker -onder een angstig geschreeuw de vlucht nam. Wij waren wel degelijk in -het Warme Land. - -Eerst na een vermoeienden marsch scheen het bosch eindelijk naderbij te -komen. Het zweet parelde op onze voorhoofden; ik nam op mijne beurt den -zoo onontbeerlijken en toch zoo duizend maal verwenschten korf op den -rug. Ik hield aan den voet van een virginischen cederboom stil, ongeveer -op vijfhonderd meter van het bosch; ik behoefde mijn »halt" niet -tweemaal te herhalen. - -Iedereen ging hout zoeken en in minder dan een half uur werd de voorraad -voor een nacht voldoende geoordeeld. De Encuerado richtte den haard op; -daarna gingen wij licht gewapend uit om een herkenningstocht te doen. - -"En de hut!" riep Lucien uit. - ---»De tijd der hutten is voorbij," antwoordde Sumichrast. - ---Moeten wij zonder beschutting slapen? - ---Ja, behalve op de dagen als het regent, die, naar ik hoop, zeldzaam -zullen zijn. Wij zijn in het Warme Land en voortaan zullen wij, in -plaats van eene beschutting noodig te hebben, zoowel des nachts als over -dag de frissche lucht opzoeken. - -Lucien schudde het hoofd en nam zijn geweer op om ons te vergezellen. -Ik voerde hem naar het bosch, waar eene menigte planten een -onontwarbaar net vormden. De lianen, aan de boomen vastgeklemd, -slingerden zich als guirlandes van den eenen top tot den anderen en -lieten loten afhangen, die zich met hunne bijwortels in den grond -inplantten. Andere soorten omslingerden deze natuurlijke steunpilaren en -bedekten ze zoo met haar gebladerte, dat dezelfde stengel tegelijkertijd -bloemen van verschillende kleuren voortbracht. Hier en daar vertoonden -varenplanten hare gevingerde bladeren; puntvarens hechtten hare behaarde -wortels aan de takken en groote horzels, met zwart en geel gewaad, -kropen in dezen muur van groen of kwamen er met luid gegons uit. - -»De boomen en de planten schijnen mij hier grooter toe dan op de -bergen," merkte Lucien op. - ---»Gij vergist u niet," antwoordde Sumichrast, »de plantengroei van het -Warme Land is nog veel krachtiger dan die van het Gematigde Land; gij -zult er nog beter over kunnen oordeelen naargelang wij meer voorwaarts -gaan. - ---Hebt gij dat groote insect gezien, dat al gonzende voor ons uitvloog? - ---Zeker, mijn beste Zonnestraal; dat is een vliegenvogeltje. - ---»Een vliegenvogeltje!" riep de knaap uit, terwijl hij zijn vlindernet -opendeed. - -En weg ging hij, den vluchteling achterna. De vlugge vogel beschreef -duizend bochten en bleef steeds buiten het bereik van den jongen jager, -die plotseling voor een heester stand hield. Toen ik bij hem was -gekomen, vond ik hem verdiept in de beschouwing van drie kleine nestjes, -die op gevorkte takjes geplaatst waren, en van binnen bekleed met groene -en gele boommossen. - -»Hij is daar," sprak Lucien zachtjes. - -Ik tilde den kleinen weetgraag stilletjes op; twee wijfjes vlogen op en -hij kon in elk nestje een paar eitjes van eene groenachtige kleur en -niet grooter dan eene erwt zien. - ---Als u mij een weinig dichterbij bracht, kon ik die eitjes krijgen. - ---Waartoe zou dat dienen, mijn vriend? Beschouw ze op uw gemak, maar -beroof die lieve vogeltjes niet van hetgeen hun het dierbaarst is. - ---»Daar is er een, dat zich niet bewogen heeft," hernam Lucien. - ---Misschien zijn zijne jongen reeds uitgekomen. - ---Het geheele lichaam schittert; men zou zeggen, dat het terzelfder tijd -blauw, groen en goudkleurig is. Hij ziet mij aan en staat op; daar zit -hij op een boom. Als gij dat eens kondet zien, papa! er bewegen zich -twee jongen in het nestje. - -Ik zette mijn zoon op den grond, opdat hij den Encuerado, die hem riep, -zou kunnen antwoorden. De Indiaan had een nest van vliegenvogeltjes -ontdekt en bracht het aan den tak, dien hij had afgesneden. Het -sierlijke bouwwerk, een wonder van teerheid, was van binnen met het -zijdeachtige dons van eene plant bekleed. Twee nog kale jongen en -nauwelijks zoo groot als eene hazelnoot, openden hunne snaveltjes om -voedsel te vragen. Ik beval den Indiaan den tak weer aan den boom te -bevestigen, waarvan hij hem had afgesneden en hem zoo stevig vast te -maken, dat hij niet kon vallen. Ik volgde hem zelfs om het werk na te -gaan. Nauwelijks naderden wij den struik of de moeder kwam om den -Indiaan vliegen en ging met kloppend hartje op haar kroost zitten. - -»Gij zijt een braaf vogeltje!" riep de Indiaan uit, »en ik vraag u wel -vergiffenis, dat ik uw huis heb meêgenomen. Wees niet bang, ik ben de -Encuerado en men kan op mij vertrouwen. Beef dus maar niet; ik zou mij -zelven liever verwonden, dan u eenig kwaad te doen. Zie zoo, nu is -het weer stevig vast gemaakt en gij kunt in vrede verder leven. Uw -kindertjes kunnen getuigen, dat ik ze niet gekweld heb, ik wilde ze maar -alleen aan Chanito laten zien. Tot wederzien, senor _huitzitzilin_; gij -zijt een braaf vogeltje, dat zeg ik u." - -En de Indiaan verwijderde zich, terwijl hij het moedige vogeltje met -zulk een gezwaai met zijn hoed begroette, dat het arme diertje zeker wel -zal gedacht hebben, dat zijn laatste uur gekomen was. - -»Behooren de vliegenvogeltjes tot de orde der vinkvogels, mijnheer -Sumichrast?" vroeg Lucien. - ---Ja, tot de dunsnavelige vinkvogels. Zij vormen met de colibri's, die -vliegenvogeltjes met gebogen snavels zijn, de familie der trochilideeën. - ---En waarmede voeden zij zich? - ---Met den nektar der bloemen en kleine insecten. - -Zie eens hier; daar komt er een al gonzende aangevlogen; zijne vleugels -bewegen zich zoo snel, dat me ze niet kan onderscheiden. Laat ons zeer -stil zijn; ik zie een tak, die zoo vol met blauwe klokken is, dat -hij er zeker wel door aangetrokken zal worden. Zie, de vlucht wordt -onbeweeglijk; hij houdt boven de bloemkelk stil; hij steekt er den kop -in, zonder dat de vleugels ophouden in beweging te blijven; de gespleten -tong heeft het sap, dat in het honigbakje van de bloem verborgen was, -reeds uitgepompt, hij keert naar zijne jongen terug, die hem met -geopenden snavel zullen ontvangen, ten einde hun aandeel van den honig -te krijgen. - ---»Dat zijn heel aardige vogels!" sprak de Encuerado tot Lucien. Over -drie maanden, dat wil zeggen in October, zullen zij gaan slapen, om in -April weer wakker te worden. - ---Is dat waar, Papa? - ---Ik geloof eerder, dat deze vogels verhuizen. - ---»Laten wij Chanito geen dwalingen leeren," sprak de Encuerado, een -mijner gewone gezegden herhalende; »de _huitzitzilins_ verhuizen niet, -maar zij slapen." - ---Dit feit is mij door zooveel Indianen verteld, die gewoon zijn in de -bosschen te leven," zeide mijn vriend mij, »dat ik geneigd ben er geloof -aan te slaan." - ---Maar zeggen zij ook niet hetzelfde van de vleermuizen en de -zwaluwen?[37] En toch weten wij, dat zij van luchtstreek veranderen. - -[37] De vraag of enkele zwaluwen in onze streken, die verhinderd zijn - geworden te verhuizen, niet in eene soort van winterslaap vallen, - is nog niet opgelost. Het schijnt althans zeker, dat men in - Duitschland zwaluwen in holle boomen in winterslaap heeft - gevonden. - (N. v. d. V.) - ---Ja, maar zij beweren ze slapende gevonden te hebben. In elk geval is -het zeker, dat zij gedurende den winter verdwijnen. - -Het geklok van een hoendervogel, dien de Indianen _chachalaca_ noemen, -onderbrak het gesprek en mijn beide makkers slopen behoedzaam naar een -boom met zwartachtig gebladerte, die op weinig afstands van den zoom van -het woud stond. De vogels, die zeer wantrouwend van aard zijn, zwegen; -daar viel een schot en ik zag drie chachalacas wegvliegen en in het -bosch verdwijnen. Ik naderde den stam, dien de Indiaan beklom, want de -getroffen vogel was tusschen de takken blijven hangen. - -»Zie eens wat lange stokken daar bij dien boom neerhangen!" riep Lucien -uit. - ---»Dat is een met peulen behangen cassieboom," antwoordde mijn vriend, -»hij is verwant aan de erwten en boonen." - ---»Kan men de schil eten?" vroeg de knaap, die een der op den grond -gevallen peulen had opgeraapt. - ---Ge moogt van het zwarte moes, hetwelk de zaden omgeeft en een -zoetachtigen smaak heeft, proeven; maar eet er niet te veel van, want -het is purgeerend en wordt als zoodanig in Europa gebruikt. De Encuerado -liet den zwaren vogel, door Sumichrast gedood, voor onze voeten vallen. -Zoo groot als eene kip, het lichaam bedekt met grijze veeren, zou deze -fraaie vogel met blauwe pooten en snavel, gemakkelijk tot hofvogel -kunnen gekweekt worden. Zijn geluid, een soort van geklok, maakt den -jager op hem opmerkzaam, evenwel weet hij hem gewoonlijk te ontsnappen. -De Encuerado ging naar het bivak terug en Sumichrast voerde ons naar den -rand van een met struiken versperd en door vijf of zes groote boomen -overschaduwd ravijn. - -Wij rustten zoo een oogenblik stilzwijgend, maar het oog steeds geopend, -toen drie jonge vossen, van de soort, die de Indianen _tlalcoyote_ -noemen, elkander vervolgende, kwamen aangeloopen, weldra door een -vierden gevolgd; de moeder, dubbel zoo groot als de Europeesche vos, -kwam op hare beurt te voorschijn. Zij vestigde hare vurige oogen op -ons en liet een dof gejank hooren om hare jongen terug te roepen. - -»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast; »dat canaille wil ons aan haar -jongen geven. - -Ik stak mijne machete in den grond, ten einde haar onder mijn bereik te -hebben. Het beest ging op den buik liggen, gereed om zich op ons te -werpen. - -»Ja, ja, schoone dame, waag er u maar eens aan," mompelde mijn vriend, -den Encuerado nabootsende. - -De tlalcoyote liet een scherpen schreeuw hooren en bijna terzelfder tijd -kwam een tweede dier zich bij haar vervoegen. - -»Schiet niet voor ik het bevel geef," sprak ik tot Lucien, wiens houding -niets te wenschen overliet. - ---»Gij het mannetje," riep Sumichrast mij toe; »maar laten wij niet tot -de worsteling uitdagen." - -Toen zij ons overeind zagen staan, verdwenen de verbaasde roofdieren -plotseling. Sumichrast daalde in het ravijn neer en riep mij toen; -tusschen het gras zag ik den ingang van een hol, rondom met witte -beenderen bezaaid. Twee schreden verder en op dezelfde lijn, vertoonde -zich de kop van een der dieren, welks oogen als die eener kat -glinsterden, aan de opening van een tweede hol. Ik wierp het dier een -steen toe, dat, in plaats van te vluchten, den neus optrok en ons zijn -scherpe tanden liet zien. - -Daar wij er volstrekt niet op gesteld waren om de vossen te -trotseeren, ging ik met Lucien, die gedurende dit tooneel eene groote -koelbloedigheid had doen blijken, naar de vlakte terug. Ik was daar zeer -over tevreden, want ik wenschte vooral hem te harden, en ik vreesde dat -het ongeval van den Encuerado met den otter een kwaden indruk op hem had -gemaakt. - -»Hebben die groote vossen u niet erg bevreesd gemaakt?" vroeg mijn -vriend hem, toen hij zich weer bij ons vervoegde. - ---Een weinig, vooral hunne oogen, die bliksemstralen schenen uit te -schieten. - ---En wat zoudt gij gedaan hebben, als zij op ons toe waren gesprongen? - -Ik zou zoo goed mogelijk gemikt en dan geschoten hebben, maar de vossen -zijn moediger dan ik gedacht had. - ---»Zij wilden hunne jongen beschermen, en de nabijheid van hun hol heeft -hen stoutmoedig gemaakt." - -Toen de Encuerado vernam, dat er tlalcoyoten in de nabijheid waren, -maakte hij nog een tweeden vuurhaard voor den nacht gereed. Reeds begon -het Oosten bleeke tinten aan te nemen en terwijl wij aten zagen wij -verschillende paren papegaaien ver over onze hoofden vliegen en zich -naar het bosch begeven. De vliegenvogeltjes gonsden overal. Troepen -kardinalen en blauwe musschen vlogen van den eenen struik naar den -anderen. Als zij te dicht bij het bivak neerstreken, verzocht de -Encuerado hen in zeer beleefde woorden een weinig verder te gaan, en als -zij weigerden zette hij zijne beleefdheid kracht bij door een zacht naar -hen toegeworpen steen, die zelden zijn uitwerking miste. De zon ging -onder, de bergen staken somber tegen den rooskleurigen hemel af en de -pijnboomen vertoonden hunne vormen op de hooge bergtoppen. De krekels -hieven hun gezang aan. - -»Drommels, drommels!" riep mijn vriend uit, »dat is nog eentoniger dan -een lofzang van den Encuerado. - ---»Vanwaar komt dat vreemde geluid?" vroeg Lucien, »men zou zeggen, dat -duizend van die kleine trommels, welke de Indianen maken, bespeeld -worden." - ---»Dat zijn krekels," antwoordde ik, »een insect dat in Europa bijna den -geheelen zomer, en in het Warme Land bijna het geheele jaar zingt." - ---Zijn zij dan zoo groot, dat zij zoo hard zingen? - ---Zij zijn bijna zoo groot als mijn duim; maar daar komt de Encuerado er -reeds met een aan. - ---Wat een kop en wat groote oogen! Hij heeft een snuit. - ---Wel zeker, evenals alle halfvleugeligen, zooals ik dat gezegd heb bij -gelegenheid van de tettigonen. Maar de krekel brengt dat scherp geluid, -dat hem tot zinnebeeld der slechte dichters heeft gemaakt, niet met zijn -snuit voort. Het mannetje maakt het door de twee veerkrachtige vliezen, -die onder zijn fraaie glaskleurige vleugels zitten, en roept daardoor -het wijfje. Dit laatste geeft geen geluid. - ---»Waar hebt gij dien krekel gevonden?" vroeg Lucien zijn vriend. - ---Op een boom, Chanito! men vindt ze altijd op boomen. - ---Ja," antwoordde ik, »en het wijfje boort met een priem, waarin haar -buik eindigt, een gat in de takken, om er hare eieren in te leggen. Als -de larven uitkomen, laten zij zich op den grond glijden en kruipen daar -in ten einde hare gedaanteverwisselingen te ondergaan. - ---»Ach! Chanito," sprak de Indiaan, die het dier, dat zich nu stilhield, -weer teruggenomen had, »als gij eens wist hoe lekker de krekels smaken!" - ---Hoe, lekker smaken? Hebt gij ze dan wel eens gegeten? - ---Ja, in mijn land. - ---»Daar behoeft gij u niet over te verwonderen," sprak Sumichrast tot -Lucien; »de oude Grieken vonden het ook eene lekkernij en aten bij -voorkeur de wijfjes op het tijdstip als zij vol met eieren waren." - -De maan kwam op; ik kan niet zeggen, welke wonderlijke lichtuitwerkselen -hare stralen op de bergen te voorschijn riepen. De Encuerado had het -tweede vuur aangestoken en nam Gringalet terzijde ten einde hem te -waarschuwen, dat hij niet buiten den door het vuur verlichten kring -moest gaan wandelen, want dat de tlalcoyoten, die zonder twijfel den -nacht zouden doorbrengen niet om het bivak te sluipen, veel van -hondenvleesch houden. Als om deze goede raadgevingen klem bij te -zetten, weerklonk een lang gejank en Gringalet meende verplicht te -zijn er met een verschrikkelijk gehuil op te moeten antwoorden. - -»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast, »willen die heeren hunne stem -voegen bij het concert, dat de krekels en de muskieten ons geven?" - -Lucien, die reeds was gaan liggen, stond weer op. - -»En mijn papegaai," riep hij. - ---Slaap maar gerust, Chanito, antwoordde de Indiaan; hij is gebraden; -wij zullen hem morgen bij het ontbijt opeten. - -Dit antwoord en het teleurgestelde gezicht van Lucien deed ons lachen. -De Encuerado had door te veel ijver gezondigd; niet wetende dat -Sumichrast de huid wilde bereiden, had hij hem gebraden. Ten einde zijne -misdaad zooveel mogelijk goed te maken, beloofde hij zijn lieveling -honderden papegaaien van allerlei kleuren. Ik sliep in en droomde van -een bosch vol opgezette ara's en parkieten. - - - - -XXVI. - -MIDDEN DOOR HET WOUD.--GEFORCEERDE MARSCH.--DE BROMELIACEEËN.--EENE -FANTASTISCHE BEEK.--DE MUSKIETEN.--DE MARAIL.--HET BELOOFDE LAND.--EEN -TOCHT VAN APEN. - - -Het geblaf van Gringalet, het gejank der vossen, de warmte, het sjilpen -der krekels en bovenal het steken der muskieten hadden meermalen onzen -slaap gestoord. Tegen vijf uur verrees de zon schitterend en werd -begroet door de kardinalen, de chachalacas en de papegaaien. Lucien -haastte zich, bij het hooren van die ongewone geluiden, op te staan, -en zijn blik bleef langen tijd gevestigd op den muur van groen, die -den toegang van het woud scheen te verbieden. Een wolk groote en -veelkleurige vlinders trok een wijl zijne aandacht, maar weldra werd die -afgeleid door de vliegenvogeltjes, met hunne smaragdgroene, purpere en -azuurblauwe vederen. - -Een vraag, die reeds den vorigen dag behandeld was, hield ons opnieuw -bezig.--Moesten wij den zoom van het woud volgen of er dadelijk in -doordringen? Ons levensonderhoud, dat ons in het Gematigde Land weinig -zorg baarde, werd, zoolang wij geen bron ontdekten, eene zaak van -aanbelang. Met uitzondering van Lucien, wisten wij allen welk een -vreeselijke vijand de dorst is, en ik wilde tot geen prijs mijn -dierbaren kleinen reismakker aan zijne kwellingen bloot stellen. De -Encuerado, die sedert den vorigen dag de vlucht der vogels gadesloeg, -was van gevoelen dat men het woud in rechte lijn moest doortrekken. -Volgens hem waren niet meer dan twee dagen van een flinken marsch -voldoende, om eene beek te bereiken, die ons tot eene rivier zou voeren, -dat wil zeggen tot den overvloed. Sumichrast deelde zijn gevoelen. -Ik, van mijn kant, ried eerder aan de Cordilleras te volgen; deze weg -maakte onzen tocht wel is waar langer en stelde ons bloot in vlakten -zonder wild terecht te komen, en hoewel men beter honger dan dorst kan -verdragen, had die toch ook niets aantrekkelijks. Het grootste bezwaar -dat mijn plan aanbood was, dat het ons na zware beproevingen in de -bergen kon terugvoeren en onze reis derhalve ten halve volbracht zou -laten. Ik gaf dus toe, zonder evenwel overtuigd te zijn dat wij de -wijste partij kozen. Lucien huppelde van blijdschap. - -De Encuerado, wiens arm geheel genezen was, nam zijne vracht op en -Sumichrast begon de slingerplanten uit te hakken ten einde ons een -doorgang te banen. Ik loste hem van tijd tot tijd in dezen zwaren arbeid -af en Lucien maakte van de oogenblikken dat wij adem schepten gebruik, -om op zijne beurt te velde te trekken tegen den rijken plantengroei, -dien de natuur bij den ingang der maagdelijke wouden plaatst, als -om aan te duiden, dat daar eene onbekende wereld te veroveren is. -Ongelukkigerwijze maakte zijne geringe grootte zijn arbeid nutteloos; -maar hij nam in elk geval zijn aandeel in het werk. - -Eindelijk waren wij den dichten muur doorgeworsteld en bevonden wij ons -in een halfduister, onder reusachtige boomen. - -»Zijn wij niet meer in een maagdelijk woud?" vroeg Lucien. - ---»Wij treden er integendeel pas binnen," antwoordde ik. - ---Maar de grond is kaal; men ziet er geen slingerplanten en die boomen -schijnen op een lijntje te zijn geplaatst. - ---Wat dacht gij dan hier te zullen aantreffen? - ---Door elkander gegroeide boomen, vogels, apen, tijgers. - ---Die menagerie zal later wel komen. Wat nu de dooreengegroeide planten -aanbelangt, als het woud daarmede opgevuld was, zou men er niet in -kunnen doordringen. De grond is kaal omdat de boomen zulke zware kronen -hebben, dat zij geen zonnestraal laten doordringen, en omdat de planten -in de schaduw verflensen en sterven; maar telkens als wij aan eene open -plek zullen komen, zult gij zien dat de grond met planten en struiken -bedekt is. - ---Dan zijn de bosschen van het Gematigde Land mooier dan die van het -Warme Land. - ---»Gij oordeelt te voorbarig," antwoordde Sumichrast, »wacht maar eens -tot wij langs een rivier zullen loopen." - ---»'t Kan zijn," mompelde mijn zoon, terwijl hij het hoofd schudde en -zich tot zijn vriend wendde; »maar de bosschen, die wij doorgetrokken -zijn, waren levendiger. 't Is hier zoo stil en de takken groeien zoo -hoog, dat men meenen zou in eene kerk te zijn. - -De opmerking van den knaap was niet ongegrond. Onder die hooge -gewelven, terwijl men den zwarten grond betreedt, waar de -planten-overblijfselen van wellicht vijf of zesduizend jaren zijn -opgehoopt; in die halve schemering, welke nauwelijks door een dun -zonnestraaltje, dat nu en dan door het gebladerte doorgluurt, wordt -verlicht, gevoelt men zich door eene onbepaalde droefgeestigheid -overmand. De altijd begrensde gezichteinder, de stilte--want de vogels -wagen zich slechts zelden in dien oceaan van groen--vervullen den geest -met sombere gedachten, en bewijzen dat de ziel, evenzeer als het lichaam -behoefte heeft aan licht om zich wel te gevoelen. Eene hitte als van een -oven maakte ons sprakeloos. De boomen volgden elkander met eene doodsche -eentonigheid op, nu eens elkanders zwarte stammen kruisende, dan weer -in lange lanen voortloopende. De vochtige grond verdoofde het geluid -onzer voetstappen en behield er de indrukken van. Boven ons, op eene -duizelingwekkende hoogte, ontplooiden zich de takken en hun somber -gebladerte verborg geheel en al den hemel. Lucien liep purperrood en -zweetende achter mij aan. Ik moedigde hem van tijd tot tijd aan en ried -hem voortdurend niet te drinken; in de eerste plaats omdat wij zuinig op -het water moesten zijn en ten tweede om den dorst niet op te wekken. - -»Dan zullen wij maar nooit meer drinken," zeide hij. - ---Wel zeker, Chanito, als wij kampeeren zal ik dadelijk de koffie gereed -maken; dan moet gij uw kom met kleine teugjes uitdrinken en een kwartier -daarna is uw dorst geheel over. - -Dat wij er dan maar spoedig komen!" - -Op dit oogenblik, en als ik slechts naar mijn hart geluisterd had, zou -ik onmiddellijk het teeken tot rusten gegeven hebben; maar de rede en de -ondervinding hielpen mij er weerstand aan te bieden. 't Was beter, dat -ik Lucien in den beginne een weinig zag lijden dan dat wij ons zouden -blootstellen aan een nutteloos naberouw, door eenige uren te verliezen, -vooral als het water, waarnaar wij op goed geluk zochten, niet zoo -spoedig gevonden werd. Evenals de Wandelende Jood moesten wij zonder -ophouden doorloopen en zoo spoedig als mogelijk het onherbergzame woud, -waarin wij ons gewaagd hadden, doortrekken en niet afwachten tot honger -en dorst ons al onze krachten ontnomen zouden hebben om ons daarna met -eene gebiedende stem het verschrikkelijke woord: loop! toe te roepen. - -Het terrein werd golvend; ik versnelde den pas; misschien zouden wij -vinden, waarnaar wij zoozeer verlangden. Eene opene plek, die ons een -zonnestraal liet zien, beurde ons wat op; er vertoonde zich gras, daarna -twee of drie struiken en slingerplanten. Ik riep Lucien en wees hem -eene plant _timbirichis_, de _bromelia pinquin_ der plantenkundigen. - -De lichtroode vruchten van de planten stonden regelmatig in een kring -van groene bladen. Lucien, die neergeknield was, trachtte ze te plukken. - -»Trek de middelste er uit, Chanito!" riep de Encuerado, »men kan ze -anders niet los krijgen." - -De knaap vatte de middelste bes, die meegaf, en evenals de steenen -van een gewelf, waaruit men den sluitsteen zou wegnemen, vielen alle -vruchten af. Onder haar dikke huid bevond zich een wit, smeltend en -zuurachtig moes, dat de dorst leschte. Ik ried mijn zoon aan niet meer -dan twee of drie vruchten te eten. Eene tweede plant, die wij een weinig -verder ontmoetten, voerde onze vreugde ten top. - -De Voorzienigheid kon geen kostbaarder plant op onzen weg geplaatst -hebben, want de honderden kegelvormige vruchten, die wij bezaten, -stelden ons in staat om gedurende verscheidene dagen de dorst het hoofd -te bieden. De marsch werd nu met minder zware schreden voortgezet, en -Lucien, die weer opgevroolijkt was, bleef moedig aan mijne zijde. - -»Wel nu!" sprak ik, »moet gij nu niet toestemmen, dat de ongerepte -wouden ook hunne goede zijde hebben? Hoe vondt gij de vruchten van de -timbirichis?" - ---Uitstekend! Tot welke familie behooren zij toch? - ---Het zijn verwanten van den ananas, derhalve bromeliaceeën. - ---Maar de ananas is eene groote vrucht, die geheel alleen op haar -stengel groeit. - ---Ja, als men alleen naar den schijn oordeelt; in werkelijkheid -bestaat zij uit eene vereeniging van aan elkander gegroeide bessen. De -aardbezie, die tot de familie der rozen behoort, verkeert in hetzelfde -geval, en veel lieden, die eene aardbezie proeven, weten volstrekt niet -dat zij dertig of veertig vruchten eten! - -Een uur lang werd er geen enkel woord gewisseld; badende in 't zweet -gingen wij verder, met moeite eene gloeiende lucht inademende. - -»Men zou zeggen, dat daar eene open plek is," zeide Lucien eensklaps, -naar links wijzende. - ---»Gij hebt gelijk, vooruit, vooruit." - -Vijf minuten later bevonden wij ons in een lichtkring, door de zon -overstroomd en te midden van een warboel van boomvarens en hoog gras. De -boomen, die meer van elkander stonden, lieten reusachtige lianen tot den -grond afdalen en het geluid der chachalacas klonk in onze ooren. - -Terwijl ik den grond ruim maakte, namen Sumichrast en de Encuerado -plaats in de struiken. Ik gaf Gringalet, wiens tong op eene -welsprekende wijze buiten zijn bek hing en die met minachting aan de -timbirichis rook, wat water. Twee schoten knalden terzelfder tijd en de -jagers kwamen met zulk een teleurgesteld gelaat terug, dat ik begreep, -dat zij mis geschoten hadden. Ik schertste er mede en beweerde dat droge -maïskoeken evenveel waard waren als de vetste kalkoen. Ik sprak met -zooveel ernst, dat mijne makkers warm werden en het levendigste gesprek -kruidde ons maal. Ik verklaarde dat het lauwe water onzer veldflesschen -in smaak de zuiverste bron overtrof en dat de zure timbirichi de -uitstekendste vrucht is. Langzamerhand gaf ik evenwel toe, en toen -wij gingen slapen was ik geheel bekeerd. Maar ik had mijne medegasten -vermaakt en eene scherts had de plaats van het gebraad ingenomen. - -De nacht ging zonder ander ongeval voorbij, dan de aanhoudende beten der -muskieten. De ongelukkige Gringalet maakte ons herhaalde malen wakker -door zich tegen ons aan te drukken, ten einde de pijnlijke steken te -ontvluchten, waaronder wij evenveel leden als hij. - -Bij het aanbreken van den dag gaf ik het teeken tot vertrek, en de dag -ging om, zonder dat de minste opening in 't woud ons eenige hoop gaf. -Ik bewonderde Lucien, die, hoewel hij zeer onder den dorst en de -vermoeienis leed, slechts nu en dan een droevigen blik op mij sloeg, -zonder eene enkele klacht te uiten. Twee of driemaal poogde ik hem op te -beuren; de arme kleine schudde dan zijne lastige vracht en glimlachte -op zulk eene pijnlijke wijze, dat ik hem gansch aangedaan omhelsde. -De Encuerado, die bijna onder zijne vracht neerviel, hijgde zwaar -en verklaarde van tijd tot tijd dat hij de rivier en den reuk der -krokodillen rook. Deze kleine fopperij deed den pas versnellen; maar -weldra hervatten wij zwijgend en terneergeslagen onzen marsch. Eindelijk -dwong de vermoeidheid ons stil te houden; Lucien en de Encuerado sliepen -in, zonder aan het avondeten te denken. Ik stelde Sumichrast voor zoo -spoedig mogelijk den weg naar de bergen weer in te slaan. - -»Nog één dag," zeide mijn vriend mij; »wij hebben nog ongeveer vier -flesschen water, en al moesten wij ook aan Lucien en Gringalet er een -ruim gedeelte van geven, dan kunnen wij nog vierentwintig uren er aan -wagen." - -Den volgenden morgen doodde de Encuerado, toen wij op punt stonden van -te vertrekken, een chachalaca. Het vuur werd dadelijk weer aangestoken -en dit wild, met een slokje cognac bespoeld, gaf ons een gedeelte onzer -krachten terug. - -Tegen den middag, en toen de hitte op het hevigst was, veranderde de -grond van aanzien, de hoornen begonnen dunner te staan en onze -geestkracht verdubbelde. - -»Komaan, meester Zonnestraal," sprak Sumichrast, »versnel den pas -alsjeblieft een weinig; hoort gij het murmelen eener beek niet?" - ---Gij vertelt mij dat reeds drie dagen lang; noch ik noch Gringalet -gelooven iets van uwe beek. - ---Hoe zult gij het dan aanleggen als wij de Savannen moeten doortrekken? - ---»Zooals nu; ik zal loopen zonder te drinken, ten einde den dorst niet -op te wekken," antwoordde spottend de knaap, die zich slechts met moeite -door onze bewijsgronden liet overreden. - ---Drommels, drommels! nu nog spotternij? Ik dacht dat gij zieker waart. -Komaan, de geest is nog goed en ik zal later kunnen getuigen, dat gij u -als een man gedragen hebt. Wat zeggen de beenen? - ---Dat zij gaarne zouden rusten. - ---Zoudt gij te Orizava willen zijn? - ---Ik zou eerst eene beek, een krokodil en een tijger willen zien. - ---»Gij zijt veeleischender dan ik," sprak ik op mijne beurt, »ik zou met -de beek al tevreden zijn. - ---»Gevoelt gij niet, dat de muskieten van het Warme Land harder steken -dan die van het Gematigde Land?" hernam de knaap, zich tot den Encuerado -wendende. - ---Neen, Chanito, die rekels geven elkander niets toe, zij behooren tot -dezelfde familie, zooals uw papa zegt. - ---Dan zijn zij talrijker, 't is ieder oogenblik een nieuwe steek. - ---Klaag nog maar niet, Chanito; gij zult eens zien als wij de beek -zullen gevonden hebben. - ---Wat zal er dan gebeuren? - ---Dan zullen wij den mond niet kunnen openen zonder eenige van die -bloedzuigers in te slikken. - -Weet gij wat muskieten zijn, Chanito? - ---Ja, papa heeft het mij gisteren gezegd; het zijn tweevleugelige -insecten; verwanten van de vliegen. Hun snuit is eene scheede, die zes -mesjes bevat, waarmede zij door onze huid steken, om zich vol bloed te -zuigen. - ---Maar waar komen die hongerlijders toch vandaan? - ---Uit het water, waarin het insect zijne eieren legt. Gij kent die -kleine wormpjes wel, die in de poelen onophoudelijk rijzen en dalen; dat -zijn de larven van de muskieten. - ---»Hm, hm!" mompelde de Indiaan, »in 't vervolg zal ik mij niet lang -bedenken om zooveel van die mooie heeren op 't droge te brengen als ik -kan." De muskiet, die vreeselijke geesel van het Gematigde en het Warme -Land, maakt die streken ontoegankelijk voor de bewoners van het Koude -Land. Men gewent niet aan die steken, die het lichaam met groote roode -puisten bedekken, koorts en slapeloosheid verwekken en hen, die er onder -lijden, doen gelijken op personen, die pas van de pokken hersteld zijn. - -Wij marcheerden opnieuw zwijgend voort; de warmte had onze keel -uitgedroogd. Plotseling troffen vreemde kreten onze ooren. - -»Het geklok van een marail!"[38] riep Sumichrast uit. De Encuerado zette -zijne vracht neer en mijne beide gezellen gingen op de jacht. Na verloop -van een kwartier uurs kwamen zij terug, ieder beladen met een vogel met -een bruin met witte vlekken geteekend gevederte en bijna zoo groot als -een kalkoen. Het waren inderdaad marails, fraaie hoendervogels, die men -alleen in de bosschen der Nieuwe Wereld aantreft. - -[38] Waarschijnlijk wordt hier de Pauw-kalkoen bedoeld. - -»Drommels, drommels!" riep Sumichrast uit, »nu hebben wij te eten; maar -deze vogel, die zich gewoonlijk ver van waterstroomen ophoudt, vermaant -ons zuinig met den inhoud onzer veldflesschen om te gaan. - -Vijfhonderd schreden verder bemerkte ik met mos begroeide steenen en -eene onmetelijke, als een toren overeind staande rots. Wij groetten den -colossus, zonder ons op te houden en versnelden den pas. Maar allengs -werd het klimmen en dalen veelvuldiger. Gringalet stak telkens zijn neus -in de hoogte om de lucht in te snuiven en de hoop, dat wij eindelijk uit -dit bosch zouden komen, dreef ons met een ongeëvenaarden ijver, die nog -aangevuurd werd door de hoop, dat wij de zoolang begeerde rivier zouden -bespeuren, vooruit. Lucien gevoelde zich ook aangewakkerd en liep met -gloeiende wangen en schitterende oogen mede. - ---»Gras! bloemen! Vooruit, vooruit!" riep Sumichrast. - ---Vooruit! herhaalde Lucien. - -De minder dicht opeen staande groote boomen lieten de zonnestralen -doordringen en de lianen vielen als bloemslingers naar omlaag. Twee -of drie struiken werden, even als de rots, in 't voorbijgaan gegroet. -De klimplanten, de varens, de paullinia's groeiden wild dooreen en -dwongen ons onze machete's te trekken. Eene vrij steile helling, die -met koortsachtige haast beklommen werd, voerde ons op eene hoogvlakte. -Tegenover ons opende zich eene prairie, met kreupelhout doorzaaid en -omzoomd door een bosch van palmen, laurier-, sapote- en acajoeboomen, -waaruit de gezangen der vogels, overheerscht door het krijschen der -papegaaien, opstegen. - -Wij waren hijgend, uitgeput, drijvend van 't zweet, en ik stelde voor -op deze hoogte te kampeeren. De zon begon trouwens te dalen; wij hadden -juist nog den tijd om de benoodigde hoeveelheid hout voor het vuur -bijeen te zoeken. Toen dit werk was afgeloopen, ging ik met Lucien -op een vooruitstekend punt zitten. De bergen van het Gematigde Land -teekenden zich aan den gezichteinder af; wij waren er minstens reeds -vijftien uren van verwijderd. Onze blik daalde vervolgens op den top -van het woud, dat wij doorgetrokken waren. De eentonigheid van zijn -donkergroen gebladerte gaf er een zeer doodsch aanzien aan. En terwijl -duizenden vogels aan onze voeten om de ceder- en styraxboomen vlogen, -waagde geen der gevederde gasten zich in die eenzaamheid, waarvan wij de -ongastvrije uitgestrektheid hadden leeren kennen. - -»Ik zie onder ons noch beek, noch rivier," sprak Lucien. - ---»Geduld maar," antwoordde Sumichrast, die bij ons was komen zitten. -»De vogels, die voor u heen vliegen, kunnen niet zonder drinken blijven -en hun aantal wijst er op, dat er veel vruchten in dit bosch zijn." - ---Hioe, hioe, Chanito! - ---»Ohe, Ohe!" antwoordde Lucien, terwijl hij naar den kant van het hem -bekende geluid heenijlde. - -Ik zag de twee vrienden van den heuvel dalen, de Encuerado droeg zijne -groote veldflesch. - -»Zou hij water gevonden hebben?" sprak ik tot mijn makker, en ik ging -naar den haard toe, waar de marails onder de bewaking van Gringalet -braadden. - -Ik ging verder, terwijl Sumichrast het oog op de bradende vogels hield, -en kwam bij den Indiaan, op het oogenblik dat hij de bloem van eene -fraaie plant met scharlakenroode bladeren, die als woekerplant op den -stam eener magnolia groeide, omboog. Ongeveer een glas vol helder water -vloeide in de kalebas, die ik ophield. - -»Behoeft men dan maar die plant te drukken, om er water uit te krijgen," -vroeg Lucien zeer verbaasd. - ---»'t Is voldoende dat men haar scheef houdt," antwoordde ik; »zij -bewaart dezen kostbaren schat van dauw tusschen hare scheedevormige -bladeren, en aan haar hebben de Encuerado en ik het te danken, dat wij -op eene onzer reizen niet van dorst zijn omgekomen. - ---Waarom groeit zij niet in alle bosschen? - ---Als zij overal groeide zou een der grootste hinderpalen, die den -toegang tot de ongerepte wouden belet, niet meer bestaan. - ---En hoe heet deze plant? - ---De Creolen kennen haar onder den naam van Paaschbloem, 't is een -bromeliacee. - ---Dan levert zij ook eene eetbare vrucht op? - ---Neen; maar desnoods zouden deze fraaie roode bladeren kunnen dienen om -den honger te stillen. - -Wij klommen den heuvel weer op, toen een dof geraas, dat uit den zoom -van het woud opsteeg, tot ons kwam. Een glimlach van den Encuerado liet -ons de dubbele rij van zijne witte tanden zien. »Ziedaar eens," zeide -hij tot Lucien, naar een hoek van het woud wijzende, van waar de vogels -de vlucht schenen te nemen. - -Eene heele bende apen stoeide te midden der slingerplanten. - -»Laten wij ze wat dichter bij gaan zien," riep Lucien luide. - ---'t Is te laat, Chanito; ze komen drinken en gaan dan slapen, maar we -zullen er morgen een eten; ons avondeten wacht ons nu. - -Wij eindigden ons avondmaal; de zon ging onder, wij zagen de papegaaien -bij paren voorbijgaan en de parkieten op de heesters vliegen, toen een -vreeselijk gebrul ons deed opspringen. - -»O, wat een vreeselijke kreet," riep Lucien uit. - ---Een tijger!" sprak de Encuerado, wiens oogen flikkerden. - -De Koning der Amerikaansche wouden begroette opnieuw de ondergaande zon. -Gringalet drukte zich, met hangenden staart, tegen ons aan; er werd een -tweede haard opgericht en wij gingen slapen met de zorgeloosheid, die de -gewoonte van de grootste gevaren geeft. - - - - -XXVII. - -DE ENCUERADO EN DE PAPEGAAIEN.--GRINGALET BRENGT EEN GAST -MEDE.--DE PUMA OF AMERIKAANSCHE LEEUW.--DE RIVIER.--DE -PALMBOOMEN-VILLA.--SCHILDPADEIEREN.--DE IBIS EN DE REIGERS. - - -De papegaaien, die men hoorde babbelen, dienden ons tot wekkers. De zon -rees rood en glansloos op; onmiddellijk werd hare verschijning door een -concert begroet. De chachalacas lieten hun diep geklok hooren, en vogels -van allerlei soort begonnen om ons heen te vliegen. Lucien, die met de -maagdelijke wouden verzoend was, kon niet genoeg de verscheidenheid van -boomen, heesters en struiken en het oneindig aantal gevederde bewoners, -die ze bevolkten, bewonderen. Wij daalden langzaam in de vlakte af; de -warmte drukte reeds op ons en het was onmogelijk lange marschen te doen. - -Eene vlucht gekuifde kardinalen dartelde om ons en zette zich op eene -magnolia neer, die daardoor als met purpere bloemen bedekt scheen. Een -weinig verder begroetten papegaaitjes, die weinig grooter waren dan -eene musch, ons met hun luidruchtig geschreeuw. Na verscheidene malen -het hoofd opgericht en de schouders te hebben opgetrokken, bleef de -Encuerado eindelijk staan om hen te antwoorden. - -»Kom haar dan halen," riep hij uit, »kom haar dan halen, en toont dat -gij meer kunt dan een man." - ---Wat biedt ge den papegaaien toch aan?" vroeg Lucien. - ---Ze spotten met mijne mars, Chanito; een troep luiaards is het, die -allen te zamen nog niet in staat zouden zijn haar te bewegen!" - -Sumichrast drong in het woud door en sloeg met zijne machete de lianen -weg, om ons een pad te banen. In minder dan een uur waren wij vijf of -zes opene plekken doorgetrokken. Eensklaps bemerkte ik, dat Gringalet -verdwenen was. Ik riep hem en een verwijderd geblaf gaf mij antwoord. - -»Zou hij eene rivier ontdekt hebben?" vroeg Sumichrast. - -Ik ging in de richting van waar het geluid van onzen viervoetigen makker -kwam; eensklaps kwam hij woedend blaffende uit het kreupelhout, vervolgd -door een jongen puma, die, zoodra hij mij zag, staan bleef. Sumichrast -snelde toe, waarop het roofdier in het bosch verdween. - -»Waar heb je dien kameraad toch vandaan gehaald, Gringalet?" vroeg de -Encuerado hem vol ernst. »Stel maar niet te veel vertrouwen in die mooie -kennissen; het zou je terdege kunnen opbreken; de leeuwen kunnen niet -liefkoozen of zij moeten iets breken. - ---Was dat dan een leeuw?" vroeg Lucien. - ---Ja, maar een Amerikaansche leeuw of puma,--de _felis puma_ der -geleerden. - ---Wat zou ik hem gaarne hebben willen zien! Had hij manen? - ---Neen, de puma heeft geen manen. - -Wij trokken juist opnieuw eene opene plaats door, toen Gringalet ons -tusschen de beenen liep. Ik keerde mij om--de leeuw was ons in stilte -gevolgd. - -»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast, "zou die knaap ons willen -bewijzen, dat de puma vaak menschen aanvalt." - -De Encuerado, die zich van zijne mars ontdaan had, had reeds op het dier -aangelegd. - -»Schiet niet!" riep ik hem gebiedend toe. - -De puma kwam niet verder; hij doorboorde ons als 't ware met zijne gele -oogen; zijn staart sloeg met een gelijkmatigen tact tegen zijne zijden; -hij geeuwde, toonde ons eene rij vreeselijke tanden en ging eensklaps, -als om te spelen, op den grond liggen. - -Lucien kon op zijn gemak de fraaie bruingele kleur van het roofdier, -welks ooren en staart aan de uiteinden zwart getint waren, beschouwen. -Het dier keek ons met zulk een bedaarden en zachten blik aan, dat het -tot de karavaan scheen te behooren; het dreef de vertrouwelijkheid zelfs -zoover, dat het onder onze oogen zijn toilet begon te maken, door zijn -pooten te likken en er dan mede over zijn snuit te wrijven. - -Ik gaf bevel den marsch te vervolgen; de Encuerado gehoorzaamde met -tegenzin. Ik plaatste Lucien, die blijde was het fraaie dier van zoo -nabij gezien te hebben, in 't midden van den troep. - -»Als men den leeuw niet eet, eet hij u," herhaalde de Indiaan; »al -hadden wij hem ook maar gewond, dan zou hij toch aan zijne soort verteld -hebben, dat het niet raadzaam is in de nabijheid van ons vuur te komen." - ---Welnu, als hij terugkomt, moogt gij schieten. - ---Ha! 't Is zijne eigene schuld!" riep de Encuerado; »houd stil Tata -Sumichrast; houd uw geweer gereed, Chanito, gij moogt het eerst -schieten." - -Wij waren in een groep gaan staan en mijne blikken zochten tevergeefs -naar het roofdier. - -»De rekel is ons vooruitgegaan," hernam de jager. - -»Wij zullen hem ook eens vreemd laten opzien! Kom hier, Chanito, maar -niet hard loopen en niet omzien. Ziet gij dien boom daar voor ons uit? -Zie eens wat vreemde vrucht hij draagt." - ---De leeuw!" riep de knaap uit. - ---Drommels, drommels!" mompelde Sumichrast, »zitten er ons dan twee -puma's op de hielen. - ---Neen, neen, Tata Sumichrast, 't is dezelfde. Mik tusschen de oogen, -Chanito, vuur, vuur!" - -Twee schoten knalden bijna terzelfder tijd en het dier viel op den -grond, zonder een geluid te geven. - -»Niet zoo gauw, Chanito," vervolgde de Indiaan, »dat is geen waterhond; -laten wij eerst eens te weten komen of de vijand wel dood is, voor en -aleer wij ons onder zijn bereik wagen." - -Gringalet waagde het, om al blaffende om het dier te draaien, ik hield -mij gereed om te schieten, terwijl mijne gezellen voorzichtig naderden. -De puma, in het voorhoofd getroffen, ademde niet meer. Hij was bijna een -meter lang en zijn haar, dat op sommige plaatsen nog gekroesd was, -verried zijne jeugd. De Indiaan hief den zwaren kop van het roofdier op. - -»Komaan," zeide hij, »gij verdiendet als een dappere te sterven. Gij -zijt de eerste van uw ras, die zich zoo dicht bij mijn geweer gewaagd -heeft. Woudt gij dan Chanito verscheuren?" - ---Ik geloof veeleer dat hij het op Gringalet gemunt had," antwoordde -mijn vriend; »hoe jammer, dat men die fraaie katten niet tam kan maken!" - ---Katten!" herhaalde Lucien. - ---Zeker; zelfs de groote Afrikaansche leeuw is niet anders dan de -grootste en sterkste kat. Wist gij dat niet?" - ---Ik meende dat de leeuw een op zich-zelf-staand dier was; maar is hij -wel de koning der zoogdieren?" - ---Hij gaat met recht voor het sterkste roofdier door; zijn kop, dien -hij opgeheven draagt en zijne fraaie manen geven hem een koninklijk -voorkomen. Maar ik weet niet op welken grond zijn naam van -edelmoedigheid berust; ik geloof, dat de beroemde leeuw van Androcles -pas een goed maal naar binnen had, toen hij zijn weldoener spaarde." - -Wij konden er niet aan denken de prooi van zijne huid te ontdoen; de -vliegen vielen reeds met geheele zwermen op het nog warme lichaam neder. -De Encuerado wilde Lucien de eer geven, den leeuw gedood te hebben; maar -hoe verlangend de knaap ook was om zulk een heldenstuk te volbrengen, -toch verklaarde hij zelf, dat zijn kogel een verkeerden weg was -ingeslagen. - -Ik bleef bij een locust (_hymenaea_) staan, een boom tot de familie -der hulsdragende behoorende, waarvan de peulen een suikerachtig moes -bevatten en welks stam een zeer gezochte hars laat uitvloeien, die door -de Indianen tegen maagpijn wordt aangewend. Een weinig verder scheen een -_huaje_ den Encuerado, die evenals zijne landgenooten, verlekkerd was -op de in de platte peulen verborgen zaden, te verlokken. De walgelijke -reuk van deze vrucht maakte mij onpasselijk; gelukkig ging mijn bediende -voorbij. Sumichrast, die vooropging, moest ons een doortocht door een -warnet van cobea's met purpere bloemen banen. Ik hielp hem in dat werk, -en toen wij de hinderpaal te boven waren, kwamen wij eensklaps in eene -kleine vlakte uit, in wier midden zich een boschje palmboomen verhief. -Gringalet verdween aan onze linkerhand en kwam weldra met een natten -snuit terug. Lucien, die ons vooruit was, ontdekte het eerst eene -breede, diepe rivier, die langzaam voortvloeide. Op het zien daarvan -maakte de Encuerado drie buitelingen en hief een lofzang aan; onze -dankzeggingen, hoewel minder luidruchtig dan de zijne, waren er niet -minder welgemeend om. Naar zijn loop te oordeelen moesten wij reeds -van af den morgen langs de rivier zijn gegaan en Gringalet had zonder -twijfel den puma ontmoet, toen hij zijne dorst ging lesschen. De Indiaan -sloeg het bivak tusschen de palmboomen op, en ik haastte mij den oever -van het water te bereiken. Twee papegaaien, die onder het schot van mijn -geweer kwamen, werden in den pot gedaan, waar de rijst reeds in kookte. -'t Was een zuinig maal, maar uitgeput van vermoeidheid als wij waren en -bezwijkende onder de hitte, gaven wij aan een bad de voorkeur boven al -het wild der wereld. - -Lucien plaste gedurende twee uren in het water en ik kan niet zeggen -hoezeer dit langdurige bad ons herstelde. Ik kwam er geheel frisch en -hersteld uit; het bad had het jeuken, door het steken der insecten -veroorzaakt, doen ophouden. Het vleesch der papegaaien scheen ons hard -en taai toe, maar ieder gebruikte, zonder zich te beklagen, het hem -toekomende deel; daarna, en zoodra de zon wat daalde, stelde ik voor -eene wandeling te maken om onze kampplaats, die door Lucien reeds met -den naam van _Palmboomen-villa_ was gedoopt. - -Bij de eerste schreden, die wij deden, trok een heester met dun -gebladerte mijne aandacht. Ik wees hem Lucien aan als zijnde de -_Siphonia-elastica_ of caoutchouc-boom. - -»En hoe verkrijgt men daaruit den caoutchouc?" vroeg hij mij. - ---Men maakt eene insnijding in den stam van den boom en na verloop van -eenige uren druppelt de caoutchouc er van zelf uit. - ---Als ik dan vandaag eenige sneden in den bast deed, zou ik dan morgen -een elastieken bal hebben? - ---Althans de stof om er een van te maken. - -Lucien toog dadelijk aan 't werk en daar hij zijne machete reeds met -veel handigheid wist te gebruiken, had hij spoedig eene spleet van -ongeveer vijftig centimeter lengte in den boom gemaakt. - ---Tot welke familie behoort de siphonia?" vroeg de Encuerado, die ook de -gewoonte had aangenomen van ons te ondervragen. - ---Tot die van de wolfsmelkboomen," antwoordde Sumichrast. - ---Een wolfsmelkboom! en duldt gij dan dat Chanito hem nadert? - ---Deze soort is niet gevaarlijk. - ---Wij zullen er maar half vertrouwen in stellen," mompelde de Indiaan; -en met twee sabelhouwen had hij een kruis aan den voet van den boom -gemaakt. - -Ik richtte mij nu naar den stam van een palmboom, die half verrot op den -grond lag; ik vond er groote snuitkevers, die de Indianen _dronkaards_ -noemen, omdat zij in de plaatsen dringen, waar de palmwijn bewaard -wordt; het lichaam was van een fraai fluweelachtig blauwzwart, met -grijze plekken bezaaid en de lengte van hun snuit vermaakte Lucien zeer. -De snuitkevers zijn in Mexico niet minder algemeen dan in Europa en eene -bijzondere soort, die vooral de maïs aantast, maakt dat men deze -graansoort onmogelijk van 't eene jaar in 't andere kan bewaren. - -Eene vondst, die den jongen natuuronderzoeker vooral veel genoegen deed, -was die van een fraai met de sprinkhanen overeenkomend insect en -behoorende tot de orde, die de geleerden _Manti_ (spookjes) noemen, en -dat men op 't eerste gezicht voor een stuk van eene plant had kunnen -houden. - -Het zonderlinge dier, dat buitengewoon groote oogen en een smal en lang -lichaam had, hief zijn eerste paar pooten omhoog en voegde ze zamen -als om te bidden weshalve de verwante soort in Europa den naam van -_Godaanbidster_--mante religiosa--heeft verkregen. Toen Lucien met een -grashalmpje bij het zonderlinge dier kwam, wierp het er zich met eene -soort woede op en zoodra men het losliet draaide het insect er mee rond -als een ervaren schermmeester op den stok; daarna nam het dadelijk weer -zijne biddende houding aan. Dank zij de verscheidenheid van planten, -verkreeg ik eene groote verzameling insecten. Mijne doos werd verrijkt -met prachtige metaalglanzende goudkevers, snelkevers met zwart en geel -gestreept lichaam, glimkevers met lichtgevenden buik; dan nog met -prachtkevers, vooral de aan Mexico eigene soort, waarvan de schitterend -groene dekschilden met zwarte stippels bezaaid zijn. - -Er woei eene kleine koelte en de peulen van de cassieboomen, die tegen -elkander stieten, brachten een vreemdsoortig geluid voort. Wij gingen -met langzame schreden naar ons bivak onder de palmboomen terug, de oogen -geheel afgetrokken door de insecten en de vogels, wier schitterende -kleuren de bladeren versierden, op welke alle tinten van groen zich -harmonisch vereenigden. Niets is in staat om de wilde grootheid van -het ons omringende schouwspel weer te geven. Wij konden ons verplaatst -wanen in een dier wondertuinen, waarover de Arabische vertellers zoo -gaarne spreken. Een gebrul herinnerde ons er aan, dat ons vuur uitging. -Eindelijk gaf ik het teeken om te gaan slapen. Wij waren van plan om -drie of vier dagen op deze plaats, die voor onze opsporingen zoo -gewichtig was, te vertoeven. - -»Niemand zal zeggen, dat wij misbruik gemaakt hebben van ons recht om -uit te rusten," sprak mijn vriend; »wij hebben vandaag den 20 April; wij -zijn dus twee-en-veertig dagen op weg." - -Den volgenden morgen ging ik met het aanbreken van den dag met -Sumichrast op ontdekking uit, Lucien in een diepen slaap achterlatende. -Tegen elf uur kwamen wij terug, beladen met een twaalftal vogels, -waaronder zich een specht bevond van een geelachtig groene kleur en -met een kuif vuurroode veeren, en een tacco (_cuculus vetulus_), eene -soort van koekoek, die zich met hagedissen en jonge slangen voedt. -Gedurende onze afwezigheid had de Encuerado drie palmboomen omgehouwen, -waarvan hij de stammen aan het onderste gedeelte uitholde, om er het -suikerachtige sap van den boom in op te vangen. Met behulp van lianen -vlocht hij van vijf groote stammen een soort van palissaden-omheining, -waartusschen wij, voor elke overrompeling beveiligd, gerust konden -slapen. Lucien had een papegaaiennest ontdekt en er twee jonge groen, -rood en geel gekleurde vogels uitgehaald, die zich uitstekend schenen te -schikken in de zorgen, die de knaap hen bewees. - -»Wat wilt gij met die arme weezen doen?" vroeg ik. - ---Ze voor mijn broertje en zusje medenemen. De Encuerado zegt, dat zij -wel op den rand van de mand zullen blijven zitten. - ---En wat zult ge ze te eten geven? - ---Vruchten en zelfs vleesch. Mijnheer Sumichrast heeft mij gisteren -gezegd, dat de papegaaien alles eten wat men hun geeft. Ik heb ze reeds -een naam gegeven; ze zullen Verdet en Jaunet heeten. - ---Zij zullen meer dan eens onder het bereik van Gringalet komen, zijt -gij wel zeker dat hij ze niets zal doen? - ---De Encuerado heeft hem de les reeds opgelezen." - ---Dan vrees ik wel, dat Verdet en Jaunet nog eens treurig aan hun einde -zullen komen." - -Terwijl wij uitrustten gingen Lucien en zijn vriend den caoutchoucboom -opzoeken. De knaap kwam geheel teleurgesteld terug. - -»Uw gomelastiek deugt niet," zeide hij tot Sumichrast, terwijl hij hem -een dik en wit vocht liet zien, dat hij van den boom had gehaald. - ---En waarom dat, als ik u vragen mag? - ---Omdat de gomelastiek zwart en droog moet zijn. - ---Als het oud wordt zal het die twee eigenschappen wel bekomen. -De caoutchouc loopt uit den boom in den vorm van eene melkachtige -vloeistof, gelijk aan die, waarmede gij nu uwe vingers vuil maakt." - -Tegen drie uur, toen de zon loodrecht boven onze hoofden stond, voerde -ik mijne makkers onder het dichte hout, om den loop der rivier te -onderzoeken. Weldra moesten wij ons met de machete een weg banen en -verscheidene slangen namen sissend de vlucht. Langzamerhand werd de -oever der rivier begroeid met boschbessen, begonia's en cederboomen en -kwam ik op een zandachtig strand, waar vijf of zes schildpadden schenen -te slapen. Niettegenstaande de door ons genomen voorzorgen, bereikten -de dieren de rivier. De Encuerado ontdekte twee hoopjes zand, waarvan -het eene, dat nog onvoltooid was, een twintigtal eieren bevatte, die -zoo groot als eene noot en met een witachtig huidje omgeven waren. Een -weinig verder vond Lucien eene kleine roode schilpad, die niet grooter -was dan een rijksdaalder. Daar hij van den Encuerado vernam, dat zij -verscheidene dagen zonder eten kan leven, besloot hij haar mee te nemen -en gaf hij haar den naam van Rougette. - -Gringalet begon te grommen; een damhert vertoonde tusschen de takken -zijn verschrikt gelaat. Iedereen verborg zich zoo goed hij kon en toen -het sierlijke dier nader kwam, schoot Sumichrast het morsdood. Ik liet -den Encuerado den jager helpen om het wild te stroopen en ging in -gezelschap van Lucien verder. De rivier werd langzamerhand breeder, -totdat ik mij geheel onverwacht tegenover eene onmetelijke overstroomde -vlakte bevond, waarboven heele zwermen eenden vlogen. - -Ik ging op den grond zitten, ten einde op mijn gemak het ruime meer -te kunnen overzien, welks oevers met koningspalmen, waarvan de -stam onderaan zwart en bovenaan fraai groen is, omzoomd waren. De -verschijning van een vischarend met witachtig gevederte dreef de -zwemvogels als bij tooverslag op de vlucht; verscheidene verborgen zich -tusschen het riet, maar de roofvogel vloog verder, zonder, naar het -scheen, acht te slaan op een wild, dat zijner onwaardig was. Plotseling -streek op twintig pas afstands van ons een Mexicaansche Ibis[39] neêr, -ging in de rivier en bleef daar onbeweeglijk staan. - -[39] Tantalus Mexicanus. Ik vertaal dit met Mexicaansche Ibis, tot welke - familie de Tantalus behoort. - (N. v. d. V). - -»O papa! wat een vreemde vogel is dat! men zou zeggen dat hij een kalen -kop heeft. - ---Daarin vergist gij u niet; deze vogel wordt door de Indianen -_galambao_ genoemd. - ---Hij is bijna zoo groot als ik. - ---Ziet ge niet dat hij op stelten loopt?" antwoordde ik lachend. »'t Is -een broertje van den ooievaar. - ---Wij hebben nog geen vogels van deze soort ontmoet. - ---De steltloopers bezoeken slechts de boorden van moerassen of de oevers -van groote rivieren. Men herkent de vogels van deze orde aan hunne hooge -beenen, die beneden de knie geheel zonder veeren zijn, zoodat zij in -niet te diepe waters kunnen visschen. - ---Gaat die _galambao_ visschen? - ---De Ibis en bijna alle steltloopers hebben geen ander middel van -bestaan. - -Maar zou men niet zeggen dat hij slaapt, als hij daar zoo staat, zijn -grooten bek op de borst latende rusten. - ---Wee den visch die eveneens zou denken als gij. Hebt gij zijne beweging -opgemerkt? Hij heeft zijn kop met de snelheid van den bliksem in het -water gedompeld en gij kunt zijne prooi in zijn bek zien. Hij slaat -zijne korte met zwarte veeren omzoomde vleugels uit om weg te vliegen; -hij gaat zeker de opbrengst van zijne vangst met zijne jongen deelen. - ---Zie eens wat een mooie blauwe vogel, met een kuif op den kop. - ---Dat is de _Ardea-Agami_, een steltvogel tot het geslacht der reigers -behoorende. Maar zie daar een troep van deze laatsten met een prachtig -gevederte, zoo wit als hermelijn,--dat zijn zijdereigers--_ardea -candidissima_. Zij vliegen in groote vluchten en scheiden later om -afzonderlijk te gaan visschen. - -Deze vogels hebben een droefgeestig en ernstig uiterlijk; nauwelijks -laten zij nu en dan eens een klagend en wild geschreeuw hooren. - -Wij bleven de steltloopers, die droefgeestig op de heesters zaten, -beschouwen, tot dat het _hioe! hioe!_ van den Encuerado aankondigde, dat -mijne gezellen zich gereed maakten om naar den haard terug te keeren. - -Ik geleidde Lucien door het bosch terug en beantwoordde zijne vragen -over de steltloopers, toen het geraas, door eene bende apen veroorzaakt, -tot ons doordrong. - -Een twintigtal kalkoenen, die zonder twijfel door het geraas verschrikt -waren, kwamen tusschen onze beenen geloopen. Ik liet de arme vogels in -vrede heengaan, want wij hadden reeds meer vleeschvoorraad dan wij -konden gebruiken. Lucien stond verbaasd over het groot aantal levende -wezens, die ons omringden en die levendigheid trof hem te meer, als hij -haar vergeleek bij de doodsche eenzaamheid in het groote woud, dat wij -doorgetrokken waren. - -»In het Warme Land," zeide ik hem, »zijn de oevers der wateren altijd -vruchtbaar en de bewoners van vlakte en bosch komen er bij elkander. - ---Maar waarom bewonen de Mexicanen dat zoo afwisselende en fraaie Warme -Land niet? - ---Omdat een draak den toegang verbiedt tot deze streken, waar de natuur -hare rijkste schatten zoo kwistig rondspreidt. - ---Een draak? - ---Ja, de gele koorts. Eene vreeselijke ziekte, die het bloed bederft en -hare slachtoffers onder de sterksten schijnt uit te zoeken. Alleen de -neger kan op dezen brandenden grond werken, waar de Indiaan-zelve -spoedig onder de moeraskoortsen bezwijkt. - ---Zouden wij ook die koortsen kunnen krijgen? - ---Wij zouden in groot gevaar verkeeren, als wij ons door het -regenseizoen lieten overvallen. - ---Wat zit die boom vol met vruchten," riep Lucien, mij in de rede -vallende, uit. - ---Dat zijn Mexicaansche mispelen.--Wij zullen er morgen wat van komen -plukken. Er groeien nog zes of zeven soorten sapotéas in de maagdelijke -wouden. De fraaie boomen van deze soort brengen meer of minder gezochte -vruchten voort. Die, welke uwe aandacht heeft getrokken, de _sapota -achras_, is vooral beroemd. Zijne vruchten worden voor de gezondste -uit de keerkringlanden gehouden en uit zijn stam vloeit die witte gom, -_chicle_ geheeten, welke de bewoners van het warme en van het gematigde -land zoo gaarne kauwen." - -De nacht overviel ons, terwijl wij een bout van het door den Encuerado -gebraden damhert aten. Gebrul herinnerde ons er aan dat wij door wilde -dieren omringd waren; maar onze twee vuren en de door den Indiaan -gemaakte afsluiting, waren voldoende om ons gerust te stellen; wij -sliepen in, maar sprongen meermalen verschrikt wakker, zoo vreeselijk -was het geraas rondom ons. - - - - -XXVIII. - -HET CAMPÈCHE-HOUT.--DE MIEREN AAN DEN ARBEID.--PARASIETACHTIGE -INSECTEN.--TIJGERKAT EN TAMANDUA.--DE VANIELJE.--ROOSKLEURIGE LEPELAARS -EN KUIFREIGERS.--EEN APENSTREEK.--VERDWAALD. - - -De zon vond ons reeds overeind. Onze eerste zorg was ons te ontdoen -van het overschot van het vleesch van den vorigen dag; een nacht onder -dit brandende klimaat was voldoende geweest om het in bederf te doen -overgaan. Daarna hield de Encuerado zich bezig vischlijnen langs de -rivier uit te zetten. Toen de maag met een kop koffie gevuld was, ging -de karavaan, worstelende tegen de hitte, de muskieten en de horzels, op -jacht. - -De Indiaan geleidde ons door het woud. Elke schrede, die wij zetten, -was voor Lucien eene nieuwe oorzaak van bewondering. Zijn vriend toonde -hem een grooten boom van de familie der leguminosen, en toen hij door -een slag met de machete een stuk bast van den stam had gehouwen, -liet hij hem het bloedroode hout zien. Het was de _haematoxylon_ of -campèche-boom, die in Europa zooveel gebruikt wordt om stoffen zwart of -paarsch te verven en die van den Brazilie-boom verschilt door de dikte -der takken en een zeer merkbaren reuk van viooltjes. Bijna alle schepen, -die naar Mexico komen, lossen hunne waren te Vera-Cruz en begeven zich -dan naar de Campèche-baai, waar deze boom bij iedere schrede wordt -aangetroffen. - -Tusschen deze reuzen groeide een klein boompje van dezelfde familie, -door de geleerden _myroxylon_ genoemd en dat eene zwartachtige hars met -sterken vanielje-reuk uitzweet, welke bekend is onder den naam van -Peru-balsem. - -Terwijl de Indiaan een vogel met purper gevederte vervolgde, bracht hij -ons bij een groot mierennest. De kolonie scheen het zeer druk te hebben, -ik haastte mij Lucien er vandaan te halen, daar ik hem niet aan de beten -der insecten wilde blootstellen. - ---De mieren zijn verwanten van de termieten, is 't niet, mijnheer -Sumichrast? - ---Neen, best Zonnestraaltje, de mieren zijn aan de bijen verwant en -behooren derhalve tot de orde der huidvleugeligen of _hymenoptera_. Er -zijn mannelijke en vrouwelijke mieren bij en werksters. De mannelijke en -vrouwelijke worden met vleugels geboren, maar als zij eieren gaan leggen -trekken deze laatsten-zelven hare vleugels af en nemen zij deel aan den -arbeid der werksters, die belast zijn met het bouwen der woning, het -voeden der jongen en het verzamelen van de levensmiddelen, welke voor de -kolonie noodig zijn. - ---Zie daar eens! men zou zeggen, dat het gras loopt. - ---Dat zijn mieren, die een boom van zijne bladeren beroofd hebben om -ze in hunne voorraadschuren op te stapelen; wat wel een nuttelooze -voorzorg is, want zij vallen gedurende de maanden die met den winter -overeenkomen, in eene soort van slaap." - -Lucien naderde de kolonie, die in twee tegenovergestelde stroomen -verdeeld was; de eene ging met plantendeelen beladen, de andere met -ledige kaken. Niets was belangwekkender dan het schouwspel van die -duizenden kleine wezens, die in eene volmaakte orde liepen, ieder een -last dragende of voortslepende, vijf of zesmaal grooter dan het zelf -was. Lucien volgde hun spoor, de kolonne ging het bosch in en klom op -een sapote, waarvan de onderste takken, reeds geheel van bladeren -ontbloot, er uitzagen als die van een dooden boom. Op alle hoogten -stroomde het van mieren en men zag bijna onder zijne oogen het groen aan -den boom verminderen. - ---Hoeveel dagen zullen zij wel noodig hebben om de bladeren van dien -zwaren boom weg te voeren?" vroeg Lucien. - ---Hunne taak zal dezen avond reeds af zijn. - ---En dan zullen zij morgen zeker een anderen boom aanvallen? - ---Neen; zij zullen verscheidene dagen zoek brengen met een anderen boom -in het bosch uit te kiezen. Ik troonde den jongen natuuronderzoeker, die -gaarne den geheelen dag zou hebben willen toezien hoe de mieren haar -last vervoerden, hoe zij twintigmaal omvielen zonder hem los te laten, -hoe zij elkander hielpen om dien weer in evenwicht te brengen en opnieuw -hun marsch in eene bewonderenswaardige orde voortzetten. Gringalet, die -vol vertrouwen eenige schreden achter ons was gaan liggen, had niet -bemerkt dat zich heimelijk vijanden naar zijn kant begeven hadden en -stond nu huilend op. - ---Zult ge dan nooit voorzichtig worden?" riep de Encuerado hem toe. -»Men moet wel zoo onnoozel zijn als een pas geboren kind, om langs een -mierennest te gaan liggen! Dat is de tweede keer, dat zulk een ongeval -je overkomt en toch zijt gij geen beest...." - -Hier bleef de raadgever plotseling steken, trok een leelijk gezicht, -lichtte de beenen hoog op en liep met groote schrede verder; toen ging -hij op den grond zitten om de mieren te vangen, die langs zijn leeren -broek opklauterden. Ik kon mij niet inhouden om in een schaterlach uit -te barsten. - -»Zie nu eens, Gringalet heeft zijne huid vol puistjes!" riep Lucien die -den hond aanhaalde, uit. - ---»Dat zijn parasieten," sprak Sumichrast. »Het zijn teken. Men moet -Gringalet er elken avond van ontlasten. - ---Maar ze laten niet los. - ---Trek ze maar met geweld er af; hun mond is een zuignap, voorzien van -twee haken, die, als zij eenmaal in de huid zijn doorgedrongen, niet -gemakkelijk loslaten. - ---Wat zijn ze leelijk met die twee dicht bij den kop geplaatste pooten; -hier is er een, die geheel plat is. - ---Dat komt omdat hij zijn maal nog niet begonnen is. - ---Haakt de teek zich alleen aan honden vast? - ---Dat wil zeggen, dat de hond eene hem eigene soort heeft; andere komen -voor op vogels, op runderen, op schapen enz. - ---Heeft de mensch geen parasieten? - ---Helaas, ja, en er zijn er bij, die men nauwelijks durft noemen. - -Wij hadden onzen marsch hervat. Een nieuwe opene plek voerde ons naar -een veld, dat geheel en al door de mollen doorwroet was. Een weinig -verder trok de Encuerado Lucien mede, uitroepende: »Een guïro! een -guïro!" - -Ik kwam bij hen, terwijl zij voor een klein boompje met een licht -en weinig overvloedig gebladerte en vol groote vruchten van eene -geelachtige kleur stonden. Het was de _crescentia-cujete_, die op alle, -door de zon beschenen plaatsen groeit. De ronde vrucht bevat een -zuurachtig moes, dat vrij aangenaam van smaak is. - -Uit het dichte omhulsel, dat dit moes omgeeft, maakt men een aantal -voorwerpen voor huiselijk gebruik, zooals doozen, kammen, borden, lepels -en zelfs hoofdkapjes voor de kinderen. - -Sumichrast ging nu vooruit en bracht ons bij het meer, waarvan ik hem -den vorigen dag gesproken had. Wij hadden nauwelijks een honderd passen -gedaan of hij bleef staan. Een fraaie wilde kat, met getijgerde huid, -kroop voort, de oogen op de hooge takken gevestigd houdende. Bij onze -nadering nam zij de vlucht. De Encuerado vatte mijn arm en vestigde -mijne aandacht op een groot dier, dat zich tusschen de takken bewoog. - -»'t Is een aap!" sprak Lucien zacht. - ---'t Is een beer! antwoordde de Encuerado. - -Het dier daalde langzaam naar beneden en wij konden het slechts -weinig zien. Eindelijk had het de onderste takken bereikt; het was -een _tamandua_[40] of kleine miereneter, hij bleef een oogenblik -onbeweeglijk staan, bewoog zijn buitengewoon langen snuit en stak zijn -platte tong uit, die met een kleverige stof bedekt is en dient om de -mieren te vangen, waarmede hij zich voedt. Eindelijk gleed de _beer_ -zooals de Indianen hem noemen, langs den stam, waarin zijn groote -klauwen met geraas vasthaakten, terwijl zijn grijpstaart met kracht -tegen den stam aandrukte. - -[40] Tamandua tetradactyla. De vijfteenige mierenbeer. (N. v. d. V.) - -Lucien drukte zich, bij het zien van dit wanstaltig wezen, dat slechts -een vijftig schreden van ons af was, vol angst tegen mij aan. Sumichrast -had den haan van zijn geweer overgehaald, op het geluid, hierdoor -veroorzaakt, draaide de miereneter zijn kop om en wilde vluchten, maar -bevond zich plotseling tegenover den Encuerado. Hij richtte zich op zijn -achterpooten op, hief den neus omhoog en stak zijn voorpooten uit om den -onvoorzichtigen, die hem zou durven naderen te omvatten. - -Het was een zonderling schouwspel, het dier zoo in eene verdedigende -houding te zien. Eensklaps knalde een schot; de tamandua kruiste zijn -pooten over elkander en viel, als door den bliksem getroffen, neer. -Vroeger was de Encuerado eens bijna door een miereneter gewurgd -geworden. Vandaar zijn onverzoenlijke haat tegen het gansche ras; ik -zou dan ook vergeefs getracht hebben hem te beletten te schieten. - -»Nader niet, Tata Sumichrast," riep de Encuerado, »gij weet dat die -kerels een taai leven hebben, en ik draag op mijne huid nog de indrukken -van zijne nagels. Laat ik hem eerst eens met de punt van mijn machete -kittelen." - ---Waart gij bang?" vroeg ik Lucien. - ---Ja, ik had niet het minste denkbeeld van zulk een leelijk dier." - ---De leelijkheid bewijst juist niet, dat het boosaardig is," voegde -Sumichrast hem toe, »hij valt niemand aan en gebruikt zijne kracht -slechts ter zijner verdediging. Ik hoop, dat gij er een tandarm[41] dier -in zult herkend hebben en een verwante van de tatoes." - -[41] Tandarmen of _Edentata_ noemt men een orde van zoogdieren, die geen - of slechts weinige tanden bezitten. Tot de eerste behooren de - mierenberen. - ---Eet hij niets anders dan mieren? - ---Mieren en andere insecten. Hij klimt op de boomen en zijn grijpstaart -onderscheidt hem van zijn broeder, den grooten mierenbeer, die den grond -niet verlaat; hij eet meer insecten dan mieren. - ---Maar hoeveel heeft hij er wel noodig om genoeg te hebben? - ---Duizenden en duizenden, en hij zou van honger omkomen als hij ze een -voor een moest vatten; maar met zijne lange tong schept hij er honderden -tegelijk op. - ---Dat is een vreemd maal. - ---Weet gij dan niet dat sommige Indianen ook miereneters zijn? In het -Koude Land, bijvoorbeeld, bereidt men de spijzen met de eieren van de -roode mieren en eene kleinere soort scheidt een suikerachtig vocht uit, -waarop de kinderen zeer verlekkerd zijn. - ---Ik ken die mieren!" riep de Encuerado uit. »Men zuigt ze als -suikergoed en als wij er ontmoeten zult gij zien, Chanito, dat de -miereneters nog zulk een slechten smaak niet hebben." - -Ik haastte mij mij bij mijn vriend te vervoegen, die zich een weg baande -door de takken van eene soort van kolokwint, met wit en groen gemarmerde -vruchten. Ik moest Lucien beletten de vruchten, die voor vergiftig -gehouden worden, aan te raken. Even te voren had ik vanielje ontdekt en -weldra voerde Sumichrast ons onder een prieel van deze Orchidee, die met -lange groene peulen beladen was. - -»Is die vanielje dan nog niet rijp? Zij ruikt niet." - ---Zeker is zij rijp, Chanito; gij behoeft ze slechts te laten drogen, -dan wordt zij zwart en begint lekker te ruiken. - ---Wat zijn dat mooie groene bladen! Bestaat er slechts eene soort van -vanielje? - ---Er zijn twee of drie soorten," antwoordde de Encuerado. »Deze, waarvan -de stengel zigzagsgewijze opklimt en die witte bloemen heeft, wordt het -duurst verkocht. Men droogt de peulen door ze elken dag een uur aan de -zon bloot te stellen en daarna in wol te wikkelen. Zie, daar zijn groote -zwarte peulen, maar die weinig waarde hebben. Wij zullen nog wel eene -derde soort tegenkomen, waarvan de reuk zoo weinig beteekent, dat -Gringalet er zich over heen zou rollen." - -Aan den oever van het meer wachtte ons eene nieuwe verrassing. De -rechteroever was bedekt met zilverreigers en de linkeroever met -_lepelaars_, wier gevederte een zachtroode kleur had. - -»Wat prachtige vogels!" riep Lucien uit. - ---Zie dat gij er een schiet; uwe mama zal blij zijn die prachtige veeren -te bezitten. - -De knaap legde langzaam aan en schoot. Een der vogels viel; zijn -kameraden, verbaasd, maar niet verschrikt, lieten een ruw geschreeuw -hooren. - -»Wat een zonderlinge bek," sprak de jonge jager, zijne prooi, welke -Gringalet was gaan halen, nauwkeurig beschouwende. - ---Daaraan hebben deze steltloopers hun naam van lepelaars te danken. - ---Kan men hem eten? - ---Een weinig taai; maar als men honger heeft!... - -Sumichrast bracht een vinger op zijne lippen; er kwamen twee kleine -reigers, die zich dicht bij ons neerzetten. - -»Komaan, meester Zonnestraal," sprak Sumichrast, »schiet op den vogel -links, terwijl ik op den rechtschen zal aanleggen. Het zijn kuifreigers -en als gij knap zijt, zal uwe zuster fraaie veeren hebben om het haar op -te sieren. Opgelet: een, twee, vuur!" - -De twee schoten knalden bijna terzelfder tijd en de steltloopers -vielen op den grond. Deze dubbele losbranding joeg de lepelaars en -zilverreigers op de vlucht... en het meer bleef eenzaam. Maar twee -kuifreigers, die bij het begin van den hals drie of vier buitengewoon -fijne veeren droegen, verrijkten onze verzameling. - -Ik sloeg den weg naar de Palmboomen-villa wederom in. De Encuerado ging -vooruit om zijne vischlijnen op te halen en ik zag er een grooten visch, -_bobo_ genaamd, en aan de Europeesche karpers gelijk, aan spartelen. Een -tweede lijn hield een _bagro_, die de Indiaan, zonder ons te raadplegen, -wegwierp, want zijne landgenooten beschouwden het vleesch van dezen -visch als gevaarlijk, indien men het, alvorens er van te eten, niet met -azijn begoten heeft. - -De Encuerado begaf zich, voldaan over zijne vangst, naar het vuur, -terwijl wij op den oever der rivier bleven zitten. Nauwelijks was hij -verdwenen of een reeks hioes, hioes! weerklonken, begeleid van het -geblaf van Gringalet. Het was een gedraaf, wie het eerst in de prairie -zou komen; de Indiaan spoedde zich zooveel hij kon om de Villa te -bereiken, die door een troep apen overvallen was, welke nu hun best -deden om het woud te bereiken. - -»Schelmen, schreeuwers, leegloopers!" riep de Indiaan hun na; »laat maar -een van jelui mij afwachten, als hij durft! Laat maar éen Gringalet -durven afwachten." - -De hond, die vlugger dan de apen liep, kreeg er twee of drie tusschen -zijne tanden te pakken, waarvoor hij echter evenveel muilperen terug -ontving. De Encuerado, die zijn visch de vluchtelingen achterna had -gegooid, hield niet op met schelden, vóórdat de vlugge stroopers -verdwenen waren. - -De toorn van den Indiaan brak met verdubbelde hevigheid los, toen hij -bemerkte, dat de apen in zijne mars aan 't snuffelen waren geweest. Wij -waren juist bijtijds gekomen, want hunne duivelsche nieuwsgierigheid -had ons duur te staan kunnen komen. De grond was bezaaid met maïskoeken -en de kruitbussen en insectenflesschen, die hier en daar verspreid -lagen, toonden aan, dat de apen ze hadden willen openen. De wanorde werd -spoedig hersteld, maar terwijl de Encuerado den visch gereed maakte, -zwoer hij zich te zullen wreken. - -Toen de _bobo_, naar behooren gebraden, op breede bladeren was -voorgediend, verdween de Indiaan met de kalebassen, die bij ons voor -glazen dienden; ik begreep, dat hij ons op een beker palmwijn wilde -vergasten. - -Helaas! wij hoorden hem opnieuw vol toorn grommen; de bakken, die hij -met zooveel moeite had uitgehold en zoo goed had dichtgemaakt, waren -ledig; de apen hadden het zoete vocht opgedronken. De wanhopige kok -wilde zich in het bosch begeven en alles vermoorden, wat hij zou -tegenkomen. Het gelukte mij hem tot bedaren te brengen; maar ik -beklaagde reeds bij voorbaat den troep apen, die zich het eerst onder -het bereik van zijn wapen zou bevinden. - -De hitte werd drukkend en Sumichrast viel in slaap. Tegen half vier uur -vertrok ik in gezelschap van Lucien en wendde ik mij naar het woud, dat -tegenover de rivier was gelegen, met het doel om insecten te verzamelen. -Nauwelijks waren wij in het bosch doorgedrongen of vijf à zes toekans -(pepereters) met rooden bek en witte en gele veeren namen de vlucht, en -wij hun achterna. De wantrouwige klimvogels lokten mij ver weg; ik gaf -de vervolging op om twee prachtige soeroekoes met lange staarten, wier -geschreeuw mij scheen uit te dagen, achterna te gaan. Ik hield uit -medelijden met Lucien, die in deze nieuwe jacht even vurig was als ik, -stil. Na een oogenblik rustens zag ik, dat de zonnestralen reeds in -schuine richting naar mij toekwamen; ik stond op, maar nauwelijks had ik -een paar schreden gedaan of eene rilling overviel mij,--ik had vergeten -kerven in de boomstammen te maken. - -»Zijn wij verdwaald?" vroeg de knaap vol ongerustheid. - ---»Neen," antwoordde ik, »laat ons voortgaan." - -Ik hield weldra stil; de dag neigde ten ondergang en het woud nam een -doodsch uiterlijk aan. Ik aarzelde twee of drie malen, welke richting ik -in zou slaan en Lucien overstelpte mij met vragen. - -»Wij zijn te ver gegaan," zeide ik, »en misschien zullen wij dezen avond -de Palmboomen-villa niet meer kunnen bereiken. Ik zal eens schieten om -de aandacht van den Encuerado te trekken." - -Mijn schot knalde; ik luisterde met te meer angst toe, daar ik bemerkte, -dat ik nog slechts drie patronen bezat. Lucien, die evenals ik zonder -weitasch was uitgegaan, had niet anders dan de lading, die op zijn -geweer zat. - -»Schiet ook eens," zeide ik hem, »opdat de Encuerado begrijpe, dat wij -hem roepen." - -Ik luisterde opnieuw met ingehouden adem toe, en ik meende het geluid -van een ver verwijderde losbranding te vernemen. Wij liepen snel door; -maar de nacht brak aan. - -»Wij zullen zonder avondeten gaan slapen," sprak ik met eene -opgeruimdheid, die evenwel ver van mij was. »Als wij nog verder gingen -zouden wij kunnen verdwalen." - ---Waarom heeft de Encuerado niet geantwoord? - ---Hij meent zeker, dat wij aan 't jagen zijn. Komaan, aan 't werk! Wij -moeten hout hebben. - -Ik had sedert lang de gewoonte aangenomen, om mijn vuurslag altijd aan -een kettinkje om den hals te dragen en mij er nooit van te ontdoen. Dat -was nu voor ons een groot geluk. Zoolang als men in een bosch vuur kan -aanmaken, is men slechts half verdwaald. Slechts uitgegaan zijnde om -eene kleine wandeling te doen, had ik noch veldflesch, noch mes bij mij, -en ik had slechts bij toeval een stuk of drie patronen meêgenomen. - -Ik richtte het vuur in een halven kring om een boom op. De -zwaarmoedigste voorgevoelens overvielen mij, maar ik veinsde toch de -grootste onverschilligheid, ten einde mijn lieven, jongen reismakker -niet te beangstigen. Allen bijeen en met den reservevoorraad uit de -mars, konden wij ons op goed geluk ergens wagen; maar wat moest ik -alleen, zonder levensmiddelen en niet meer dan vijf ladingen kruit -bezittende, beginnen? Ik sidderde als ik dacht aan de kwellingen en den -vreeselijken doodstrijd, welke den knaap misschien te wachten stonden. -Met den rug tegen den boom zittende ondersteunde ik Lucien, wiens hoofd -op mijn knie rustte. Er woei eene sterke bries en het geraas, door de -takken veroorzaakt, moest mij beletten het roepen mijner vrienden te -hooren, die, ik twijfelde er niet aan, het woud doorliepen om ons te -zoeken. Wij konden niet ver van de Palmboomen-villa af zijn en ik moest -mij telkens verzetten tegen mijne neiging om te schieten. - -Tegen middernacht ging de wind liggen; ik sloot de oogen om des te beter -het minste geluid te kunnen opvangen. Herhaalde malen meende ik als 't -ware de laatste trillingen van een dof geraas te vernemen; maar -eindelijk schreef ik dat toe aan een uitwerksel van mijne opgewonden -verbeelding. - -Eensklaps deed een vervaarlijk gebrul de lucht daveren, zoodat Lucien -ontwaakte. - -»Wat is er? Is Chema daar? - ---Neen, mijn kind; daar heeft een tijger gebruld. - ---Zou hij naar ons toe komen? - ---Ik hoop dat hij zijne nachtelijke jacht zal vervolgen; in elk geval -zijn wij achter ons vuur voor zijne klauwen beveiligd." - -Ik plaatste Lucien tegen den boom en maakte mij tot schieten gereed; op -vijftig schreden van ons vertoonde zich de kop met de glinsterende oogen -van een prachtigen jaguar. - - - - -XXIX. - -NACHTELIJK BEZOEK.--VAL VAN EEN BOOM.--EEN DROEVIGE NACHT.--VERSNELDE -MARSCH.--DE APEN.--DE ZWEEPSLANG.--MEESTER JOB.--MET DEN SCHRIK VRIJ. - - -Na ons een oogenblik aangekeken te hebben, begon het dier gluiperig om -ons heen te kruipen, nu eens achter de boomen verdwijnende, dan weer te -voorschijn komende. - -Ik haastte mij het vuur grooter te maken en ging toen weer naast Lucien -zitten, die, het geweer in de hand, den vijand moedig in de oogen keek. - -»Wat zou de Encuerado blij zijn als hij hier was," sprak hij, »hij -verlangt er zoo naar een tijger te dooden." - ---Deze zal zeker wel niet de laatste zijn, dien wij hier zullen -ontmoeten," antwoordde ik; »maar pas vooral op, dat gij niet schiet." - ---Zou het beest zich dan op ons werpen? - ---Het zou veeleer vluchten; maar wij zullen morgen ons kruit wel noodig -hebben. - -Het roofdier bleef gedurende een uur om ons heen sluipen, knorde van -tijd tot tijd, sprong op als om zich te verwijderen en kwam dan -onverwacht weer te voorschijn. Eindelijk ging het op twintig pas afstand -van het vuur zitten, strekte zich op den grond uit en rolde rond als -om te spelen; maar bij de minste beweging die wij maakten, stond het -snel op, legde zijne ooren in den nek en opende halverwege zijn -verschrikkelijken muil. Plotseling weerklonk een vreeselijk geraas, -gevolgd door een veelvuldig geknetter, als van veel losbrandingen; -daarop volgde een oorverdoovend geraas van gebroken takken, terwijl een -vreeselijke schok den grond deed dreunen. Lucien drukte zich verschrikt -tegen mij aan. - -»Hoe!" sprak ik, »herkent gij dan niet meer het geraas, dat een -neervallende boom maakt?" - ---O vader! Sedert den dag van den orkaan heb ik iets dergelijks niet -gehoord. - ---Dat is waar; maar gij zult aan zulk een ongeval wel gewoon raken; bij -den eersten storm den besten zal de wind meer dan één van die eeuwenoude -reuzen omverwerpen. - ---De tijger is ook geschrokken, want hij heeft de vlucht genomen. - -En werkelijk vertoonde onze vreeselijke buurman zich niet meer. - -»Tracht nog wat te slapen, arme kleine, want wij zullen morgen misschien -veel moeten loopen." - -Ik leunde mijn hoofd tegen dat van den knaap, die spoedig in mijn armen -in slaap viel. Het woud had zijne plechtige stilte hernomen, welke nog -slechts verstoord werd door den verren val van een tweeden woudreus, die -door de insecten of door den tijd ondermijnd was. - -Mijn toestand zou mij veel minder verontrust hebben, als ik mijne -weitasch vol schietvoorraad bij mij had gehad. Ik twijfelde er volstrekt -niet aan of Sumichrast en de Encuerado zochten naar ons; maar ik kende -zoo goed het gevaar van op goed geluk in deze onmetelijke wouden rond -te dolen, waar men telkens op zijn uitgangspunt terugkomt, terwijl -men meent voorwaarts te gaan, dat tegen wil en dank de somberste -voorgevoelens zich van mij meester maakten. De opkomende zon kon mij -misschien een herkenningsteeken geven, maar mijne makkers konden -misschien op hetzelfde oogenblik eene tegenovergestelde richting van -de mijne inslaan en in dat geval zouden onze wederkeerige pogingen -niets uitwerken dan den afstand, die ons scheidde, te vergrooten. - -Tegen den ochtend dutte ik in, door vermoeidheid uitgeput en door den -slaap overmand. Ik droomde dat wij aan het einde van onze reis waren en -Orizava naderden. Het was nacht, de Encuerado leidde ons en het gelui -der klokken weerklonk in de duisternis. Ik bemerkte een licht, daarna -mijne woning en voor de geopende vensters de blonde kopjes mijner -kinderen. Ik beknorde den Indiaan, omdat hij te langzaam liep. Ik liep -nu vooruit, de klokken bengelden steeds door, maar het betooverde huis -veranderde telkens van plaats. Ik deed eene poging om hard te gaan -loopen en werd wakker; een dun lichtstraaltje kondigde den morgenstond -aan. - -Ik wilde Lucien op den grond zetten, waardoor hij de oogen opende, mij -toelachte en omhelsde. Zijn verbaasde blikken dwaalden om het vuur rond. - -»Zijn wij dan nog altijd verdwaald?" vroeg hij mij. - ---»Ik hoop, dat wij maar een weinig van den weg zijn geraakt," -antwoordde ik. »Gevoelt gij u sterk genoeg om te loopen?" - ---»'t Zal wel moeten," antwoordde hij, vlug opstaande. - -De zon verlichtte ons en gedurende een kwartier uurs bleef ik met ter -zijde hangend hoofd staan, hopende het geluid van een schot te hooren. - -»De Encuerado slaapt nog," zeide ik tot Lucien, »hij zal zich gister erg -vermoeid hebben met naar ons te zoeken." - -Een uur verging in vergeefsch wachten. Meer dan eens had ik den haan van -mijn geweer overgehaald, om het telkens weer af te zetten. - ---Waarom schiet u niet, vadertje? - ---Om niet nutteloos mijne patronen te verbruiken. Gij begrijpt wel dat -Sumichrast en de Encuerado van tijd tot tijd zullen schieten om ons te -roepen, en als het geluid van hunne schoten niet tot ons komt, zullen -zij ons ook niet kunnen hooren. - -Na het terrein onderzocht te hebben, ging ik langzaam voorwaarts, alles -weer voor mijn geest brengende, wat de ondervinding mij geleerd had. -Boomstammen, schors, mos, grashalmen, alles werd onderzocht; maar al de -inlichtingen, welke deze kenteekenen mij konden geven, konden nuttig -zijn als men een bekend punt, eene rivier of een berg wilde terugvinden, -waar men soms eerst aankomt na een omweg van vijf of zes mijlen, maar -zij waren geheel onnut om dat onmerkbaar stipje terug te vinden, dat wij -Palmboomen-villa noemden, en waarvan wij misschien nauwelijks een paar -mijlen verwijderd waren. - -Ik volgde zooveel mogelijk ons spoor van den vorigen dag, vond hier en -daar eenige indrukken van onze voeten, trilde bij het minste geraas en -leende het oor aan het geringste geluid. Bromeliaceeën gaven ons genoeg -water om onzen dorst te lesschen, maar om er bij te komen moest ik in -de boomen klimmen en de hemel weet ten koste van hoeveel inspanning en -tijdverlies. Ik wilde niet schieten dan op een wild dat het waard was; -het gering aantal patronen dat ik bezat, maakte mij het meest ongerust. -Plotseling hoorde ik het gekloek van de chachalacas; het was ongeveer -twaalf uur. - -»Ik begin honger te krijgen," zeide Lucien, het hoofd schuddende. - ---Ik ook, lieve jongen; maar als wij de chachalacas vervolgen, zouden ze -ons wellicht weer achteruitvoeren. - ---»Goeloegoeloe! goeloegoeloe! Schaamt gij u niet," sprak mijn jonge -metgezel, den toon van den Encuerado nabootsende, »schaamt gij u niet -ons te tarten, als wij met een leegen buik loopen en niet op jacht -kunnen gaan? Kom, kom! zoo gedragen fatsoenlijke vogels zich niet." - -Ik omhelsde den lieven jongen, wiens vroolijkheid mij een glimlach -afdwong, en ik spoorde hem aan moedig verder te gaan. De lianen begonnen -zich te vertoonen; terwijl zij zoo hunne slingers van den eenen boom -naar den anderen wierpen, gaven zij aan het woud, door het zoo op -te sieren, een feestelijk aanzien. Soms wortelden zij in den bodem -en klommen dan weer langs een stam op, dien zij met hun bladeren -overdekten. Deze kenteekenen van eene nabij zijnde opene plaats -verlevendigden mijne hoop. - -De vogels zongen, ik versnelde den pas, ik wilde er een schieten, die -groot genoeg was om mijn honger en dien van mijn wakkeren, kleinen -metgezel te stillen. - -Niettegenstaande al mijne pogingen om hem mijn angst te verbergen, kon -hem die toch niet geheel ontgaan; maar zijn gesnap, dat nog vroolijker -was dan naar gewoonte, rechtvaardigde den bijnaam van Zonnestraal, dien -Sumichrast hem gegeven had. - -»Wees niet zoo treurig," sprak hij eensklaps, »en wees het vooral niet -om mij; komaan, ik weet het wel, wij zijn verdwaald; maar ik ben bij u -en niet bevreesd; wij zullen den weg wel terugvinden." - -De arme jongen vermoedde niet, dat de dood ons reeds als zijne prooi -beschouwde;--dat na een langere of kortere worsteling de honger, -de dorst of de uitputting ons aan den voet van een boom zou doen -neerzinken. Hij zeide, niet te begrijpen hoe ik hem zoo dwaas in dien -doolhof had gevoerd, waaruit wij zoo veel moeite zouden hebben ons te -bevrijden. Maar ik verweet het mij-zelven. Als ik alleen was geweest, -zou ik meer vastberadenheid hebben bezeten. Ik gevoelde soms, dat de -moed mij ontzonk en tranen bevochtigden mijne oogen; maar ik deed eene -uiterste poging om die droevige gedachten te verbannen en ik zwoer dat -ik tot het laatste zou volhouden, met het geloof en de geestkracht, die -de redding moeten aanbrengen. - -»De Encuerado zal ons wel terug weten te vinden," sprak Lucien met -zooveel overtuiging, dat zijn vertrouwen ook het mijne werd. - ---Ja," riep ik uit, »Sumichrast en de Encuerado zullen ons wel weten te -vinden en zij zullen liever sterven dan ons aan ons lot over te laten. -Bovendien zal God niet gedoogen..." Ik dorst mijne gedachte niet -overluid te voltooien. - -De marsch werd met nieuwen moed voortgezet. - -»Drommels, drommels!" riep Lucien eensklaps uit, 't is of daar ginds -takken bewogen worden. - ---»'t Is een aap, sprak ik, hij behoort zeker tot de bende, die gister -de villa heeft geplunderd." - -[Illustratie: Een jong aapje bleef op drie meter boven den grond hangen. - (Blz. 265).] - -Ik begon het dier te vervolgen dat, van tak tot tak springende, met -ons scheen te willen spotten. Het liet eensklaps een keelgeluid hooren, -waarop twintig stemmen antwoordden en de heen-en-weer slingerende lianen -lieten ons eenige apen zien van de soort die men »_Ateles Belzebut_" -noemt, en die in alle denkbare houdingen aan de planten hingen. Ik -verborg mij achter een boom en beval Lucien stil te zijn. De apen, die -aan hun grijpstaart hingen, slingerden zich van de eene plant naar de -andere, kruisten zich, vervolgden elkander, lieten bij een soort van -lachen hunne tanden zien en maakten met hunne lippen een geluid, zooals -de koetsiers met den mond maken om hunne paarden aan te wakkeren. De -vlugge dieren verwijderden zich twee of drie malen, maar zij kwamen zoo -dicht bij mij terug, dat ik kon schieten. Ik geloof niet, dat ik ooit -met meer opmerkzaamheid gemikt heb. Het schot viel en de bende nam onder -een vreeselijk geschreeuw de vlucht. Het dier, waarop ik gemikt had, was -slechts gewond; aan een liaan geklemd, zag het ons met zijn zwarte oogen -aan, waarvan de leden allengs dicht vielen. Ik wilde een tweede schot -lossen, toen het arme dier naar omlaag gleed en levenloos voor mijne -voeten neerviel. Een jong aapje, hetwelk wij niet bemerkt hadden, bleef -op drie meter boven den grond hangen en liet een klagend geschrei -hooren. - -Het hart bloedde mij, maar het leven van mijn zoon hing er van af. - -Ik liep naar mijne prooi toe, vreezende dat zij mij nog zou ontsnappen; -maar zij was wel terdege dood. - -Eer een kwartier verloopen was, braadde het gestroopte dier voor een -groot vuur. Ik had slechts den romp en de bouten bewaard, ten einde -Lucien niet te verschrikken door het zien van een gestroopten aap. -Terwijl ik op het gebraad paste, riep mijn kleine metgezel den jongen -ateles, die niet ophield te klagen. - -»Vader, laat mij op den boom klimmen om het arme dier te bevrijden?" - ---'t Is groot genoeg om te vluchten en het zou u kunnen bijten. - ---Welnu, ik zie het liever vluchten dan het zoo te hooren schreeuwen. -'t Is of het schreit." - -Ik ging zelf aan de lianen hangen, overtuigd dat deze handelwijze den -jongen aap zou verschrikken. Bij den tweeden greep liet ik mij evenwel -op den grond glijden: ik bemerkte eene groote slang, die, in hare -schuilplaats gestoord, een oogenblik boven mijn hoofd bleef slingeren; -het was de zweepslang, wier beet zeer vergiftig is. Tot mijn geluk liet -de slang zich vallen en verdween in de struiken. Ik hervatte mijne -klimmerij en de jonge aap deed niet anders dan zijne tanden laten zien. -Toen ik bij hem was gekomen, trachtte ik hem te grijpen. Hij was zeker -door de vrees verlamd, want ik kon hem zonder tegenstand op mijn -schouder zetten. Hij klemde zich aan mijne haren vast en rolde zijn -staart om mijn hals; ik klom naar beneden, niet zonder vrees van een -beet in mijn oor te krijgen. Maar dat gebeurde evenwel niet; de tanden -van het arme dier klapperden van angst, en ik zette hem bij het vuur -neer, waar zijn geklaag opnieuw begon. Ik bond hem met een zeer buigzame -liaan, die ik om zijn middel deed, aan een struik vast. - -Het zwarte en taaie vleesch van den aap was opgegeten en drie -bromeliaceeën leverden ons voldoende water op om onzen dorst te -lesschen. Ik stelde Lucien voor den tocht voort te zetten. - -»Wij zullen onzen gevangene meênemen," zeide hij. - ---Zeker, hij zal ons goed te pas komen, als wij hedenavond onze vrienden -nog niet terug hebben gevonden. - ---Neen! riep de knaap uit, neen! al zouden wij dan ook tot morgen niet -eten. - -Ik versnelde den pas, op mijn schouder den nieuwen makker dragende, -die dadelijk den naam van meester Job had gekregen. Eene opene plaats -deed mijne hoop weer verlevendigen. Ik gaf mij nauwelijks de moeite om -gele sapotes, eene soort met flauwen smaak, die wij nog niet hadden -aangetroffen, te plukken; maar toen wij de opene plaats over waren, -vertoonde het woud met zijn doolhof zich op nieuw voor ons. - -Ik moest allengs mijn gang verminderen, want Lucien was vermoeid. Ik nam -hem in mijne armen, waar hij insliep; zelf ook uitgeput, legde ik mijn -dierbaren last aan den voet van een boom neer. Job sliep op zijn schoot. - -Mijne gedachten werden somber. De stilte, die om mij heerschte, zeide -mij dat ik mij van mijne makkers verwijderde, en ik vroeg mij niet -zonder angst af, of ik mijn zoon niet in den dood voerde. De afgelegde -weg had ons sedert lang bij de villa moeten terugvoeren; maar in een -woud kan men niet in de rechte lijn gaan; wat te doen? - -Na verloop van een half uur wekte ik Lucien, die mij toelachte. Hij -liep eerst moeielijk, daar hij nog wat stijf van zijn slaapje was. Ik -onderzocht met meer zorg dan ooit den grond en de schors der boomen, die -mij op den weg zouden kunnen helpen. Met den dood in 't hart zag ik de -zon dalen; de knaap, door vermoeidheid uitgeput, zag mij met betraande -oogen aan. Ik bleef staan, de arme jongen ging voor mijne voeten liggen -en sliep opnieuw in. - -Mijn gespannen oor meende in de verte het geluid van een schot te -hooren; ik stond op; was het soms niet een boom, die omviel? Of -beteekende het een roepen van mijne gezellen? Ik nam mijn geweer op, -maar aarzelde nog mijn voorlaatsten patroon te verschieten! De haan viel -neer; ik volgde met angst het geluid, dat zonder echo in de verte -wegstierf! Lucien bewoog zich niet. - -»Sta op, sta op!" riep ik uit. - -Een dof gerol dreunde door de lucht, ik brandde vol haast mijn laatste -schot af, en met gesloten oogen, open mond en opgesperde neusgaten, -vergetende te ademhalen, luisterde ik toe. Minuten, eeuwen verliepen, -zonder dat iets de stilte verbrak. Lucien zag mij ontsteld aan. - -Ik kneep met kracht mijn wapen, wanhopig zoo mijn laatste schot verspild -te hebben, toen eene nieuwe losbranding, maar nu duidelijk en trillend, -weerklonk. - ---Dat is de Encuerado!" riep Lucien uit. - ---»De Encuerado!" - -Ik omhelsde den knaap als waanzinnig. - -»Antwoord uw vriend!" riep ik uit, »uw geweer is nog in een der loopen -geladen." - -Lucien vuurde; op hetzelfde oogenblik bijna klonk een schot uit het -geweer van Sumichrast. Onze vrienden kwamen naar ons toe. - -»Laat ons schreeuwen om hun te wijzen waar wij zijn," sprak ik tot mijn -zoon, »want wij hebben geen kruit meer." - ---Ohé, ohé, ohé! - ---Hioe, hioe, hioe... Chanito! antwoordde eene stem in de verte. - -Op hetzelfde oogenblik kwam Gringalet als eene pijl naar ons toe en -wierp zich op zijn meester. Na ons met liefkoozingen overladen te -hebben, ging hij weer heen. Tien minuten later vloog de Indiaan op den -knaap toe en rolde met hem al snikkende over den grond, terwijl ik -Sumichrast, zonder een woord te kunnen spreken, omhelsde. - -Het woedend geblaf van Gringalet gaf aan onze ontroering afleiding; -de hond draaide rondom den ongelukkigen Job, die aan een boom was -vastgebonden. Nadat de vrede gesloten en de arme wees was voorgesteld, -hield de Encuerado zich met het oprichten van den haard bezig, want wij -moesten op deze plaats kampeeren. Sumichrast vertelde, dat wij meer dan -twee mijlen van de Palmboomen-villa verwijderd waren. Sedert den vorigen -dag en tot driemaal toe, waren zij naar het bivak teruggekeerd, in de -hoop ons terug te vinden. - -De pogingen onzer makkers om ons terug te vinden, waren vruchteloos -geweest en Gringalet zelf, die er op uitgezonden was, doorsnuffelde -tevergeefs de struiken. Dat komt omdat men ons rechts zocht, terwijl wij -links liepen; want Sumichrast kon niet denken, dat wij de rivier den rug -toekeerden. - -De Encuerado haalde de levensmiddelen voor den dag, waaraan een ieder -eer deed. Meester Job werd onder een grooten tak geplaatst en een diepe -slaap maakte zich weldra van ons meester. - - - - -XXX. - -HET ONWEER.--HET BOUWEN VAN EEN VLOT.--DE HERTSLANG.--VAARWEL AAN DE -PALMBOOMEN-VILLA.--DE HORZELS.--PARRA JACANA, GALLINULA.--DE -RATELSLANG.--DE WILDE KAT.--DE ARAS.-- - - -Mijne makkers sliepen nog toen ik wakker werd; de hemel was met lichte -wolken bedekt, de lucht snikheet en toch vertoonde de zon zich slechts -bij tusschenpoozen. De karavaan was eerst tegen negen uur gereed om te -vertrekken: Meester Job, die reeds minder wild was, klom zelf op mijn -schouder. De Encuerado sprong en zong, terwijl hij Lucien aan de hand -hield. Wij bereikten niet voor twaalf uur de Palmboomen-villa. Toen zij -ons zagen, begonnen Verdet en Jaunet hard te schreeuwen; Rougette -wandelde met eene deftige langzaamheid tusschen de overblijfselen van -maïskoeken. - -De vogels zwegen; geen blaadje bewoog en de hemel werd naar het Oosten -steeds duisterder. Een bliksemstraal flikkerde, de wind deed de boomen -buigen, de donder ratelde en een stortregen zette de vlakte rondom -ons kampement onder water. Wij hadden, dank zij de voorzorgen van -den Encuerado, eene schuilplaats; om ons reisgoed gezeten, waren wij -gelukkig bij de gedachte hoezeer die regen, als hij den vorigen dag -ware gevallen, onzen toestand zou verergerd hebben. - -Ik kende te goed het klimaat om niet de beteekenis van dit eerste onweer -te begrijpen; het was de voorbode van de regelmatig terugkeerende -regens, welke gedurende drie maanden over het Warme en het Gematigde -Land zouden losbarsten, de lage gedeelten in moerassen en de rivieren -in onoverkoombare hinderpalen veranderen, den grond doorweeken en het -loopen onmogelijk maken. Wij besloten onmiddellijk tot het bouwen van -een dier vlotten, welke de Indianen _balsas_ noemen, om zoo, den loop -der rivier volgende, de Savannen te bereiken. - -Tegen drie uur brak de zon door en de lucht werd wederom met insecten -en vogels bevolkt. Ons eerste werk was eene geschikte plaats voor het -bouwen van ons vlot uit te zoeken. De vangst van eene schildpad bracht -ons in goede luim en terwijl zij op een zacht vuur braadde, begon de -Encuerado een der palmboomen, die door de apen geledigd waren, te -kappen, welk voorbeeld een ieder zich haastte na te volgen. Toen de -nacht aanbrak, hadden wij reeds acht blokken ter lengte van twee meter; -dit werk vertegenwoordigde ongeveer de helft van onze taak. - -De zon vond ons den volgenden morgen reeds aan den arbeid en de -Encuerado ging met Lucien uit, om buigzame lianen te zoeken, die dienen -moesten om de stukken van het vlot onderling te verbinden. Toen onze -makkers bij ons terugkwamen, was Sumichrast juist bezig den laatsten -stam vierkant af te hakken. Lucien droeg, behalve de om zijn lijf -gerolde lianen, aan zijn stok nog het lijk van een hertslang--_atropos -mexicanus_--een zeer gevaarlijke soort, die zijn Indiaanschen naam van -_mazacoalt_ te danken heeft aan de schubben van den kop, die boven de -wenkbrauwen in den vorm van kleine horentjes overeind staan. De slang, -die ongeveer zestig centimeters lang en van eene grijze kleur was, -opende een verschrikkelijken muil, die, naar ik meen, zoo wijd open -stond tengevolge van de slagen, die de Encuerado haar had toegebracht. - -Sumichrast stelde, na buitengewone voorzorgen genomen te hebben, zijn -leerling in staat de gifttanden te onderzoeken, waarmede de slangen het -vreeselijke gift, hetwelk de natuur aan enkele soorten heeft gegeven, in -het lichaam brengen. - -»Als de slang bijt," zeide mijn vriend, »drukken de tanden een klein -blaasje, dat aan den onderkant er van gelegen is, te zamen en het gift -dringt in de wonde." - -Onze natuuronderzoeker maakte zijne uitlegging duidelijk door op eenen -der tanden te drukken, aan welks uiteinde een bijna onmerkbaar -druppeltje van een groenachtig vocht parelde. - -»Hoe komt het dat de slang zichzelve niet vergiftigt?" vroeg Lucien. - -»In de eerste plaats kauwt de slang hare prooi niet en dan is het venijn -alleen dan gevaarlijk, als het in den bloedsomloop komt; daardoor komt -het dat de mensch, mits hij geene wonde in de spijsverteringsbuis heeft, -ongestraft dit gift kan innemen, waarvan eene geringe hoeveelheid, in de -aderen gebracht, binnen eenige minuten den dood tengevolge zou hebben." - -Dadelijk na den maaltijd, die uit de schildpad en een palmkool bestond, -waarvan de smaak aan dien van gebraden artisjokken herinnert, gaf ik het -voorbeeld om aan het werk te gaan. In minder dan twee uren bevonden de -bouwstoffen voor het vlot zich op den oever der rivier. - -Sumichrast en de Encuerado begaven zich zonder dralen in het water en -begonnen het samenvoegen van het vaartuig, dat ons naar de vlakten zou -voeren. Ik ging met Lucien bossen droog gras zoeken, welke dienen -moesten om de _balsa_ te kalfateren. Een weinig vóór zonsondergang -manoeuvreerde de Encuerado reeds met behulp van een langen stok, die -gaffelsgewijze was uitgesneden, met het schip, dat ons, naar wij -hoopten, zoude vervoeren. Daar de proef naar genoegen was uitgevallen, -werd het vlot vastgemeerd en ieder ging bij de villa liggen, ten einde -wat uit te rusten. - -De papegaaien vlogen door elkander in de lucht en snapten om het -hardst; Jaunet en Verdet antwoordden op hun gebabbel en sloegen met -hun nog niet geheel bevederde vleugels. Gringalet leefde in vrij goede -verstandhouding met de beide broeders; Lucien had zelfs een paar malen -beproefd ze op zijn rug te zetten, hopende dat hij hun rijdier zou -willen zijn. Maar de hond bewoog zich niet of de papegaaien sloegen -hunne nagels in zijn vel, om zich in evenwicht te houden, en de aldus -gespoorde Gringalet begon dan over den grond te rollen. Meer dan eens -had hij zijn ruiters bijna verpletterd. Wat meester Job aangaat, was de -Encuerado er evenwel niet door zijne bemiddeling in kunnen slagen om hem -een vredesverdrag met den hond te doen sluiten; zij maten elkander met -den blik, gromden, lieten de tanden zien, maar bepaalden zich toch met -eene verdedigende houding aan te nemen. - -Toen wij wilden gaan slapen, bood de Encuerado ons een beker palmwijn -aan, die ons heerlijk smaakte, ofschoon hij wel wat zoet was. De bakken, -die door de apen geplunderd waren, bevatten groote, witte larven, -waarvan de Indiaan den smaak zeer prees. Ik beval hem echter den -voorraad, dien hij zeide opgedaan te hebben, weg te werpen en er onder -geen voorwendsel van bij ons voedsel te mengen. Zonder dit uitdrukkelijk -bevel zou onze kok niet nagelaten hebben ons schildpad voor te dienen, -met larven uit de palmboomen toebereid. - -Den volgenden morgen, het was een zondag, werd ik gewekt door de stem -van den Encuerado, die een lofzang aanhief. Onze bagage, goed ingepakt, -lag reeds op het vlot. Verdet en Jaunet, op den rand van de draagmand -gezeten, lieten onophoudelijk hun geschreeuw hooren, terwijl meester Job -bang voor het water scheen te zijn. Rougette, stil en somber als altijd, -scheen diep bedroefd te zijn bij het verlaten van den geboortegrond. -Toen eindelijk alles zoo goed mogelijk geplaatst scheen te zijn, nam de -Encuerado, tot aan het middel naakt, aan het achtereinde als stuurman -plaats. De Palmboomen-villa werd met een vreeselijk hoera vaarwel -gezegd, zoodat onze menagerie er van verschrikte; ik wierp een laatsten -blik op het woud, waar ik zulke verschrikkelijke uren had doorgebracht; -daarna werd het vlot losgemaakt en dreef het langzaam met den stroom -mede. - -De vreugde van Lucien zou volkomen geweest zijn, als ik hem had willen -toestaan de luchtige kleeding van zijn vriend na te volgen, maar zijne -huid zou niet tegen de brandende zon bestand zijn geweest, zoodat ik -dezen gril moest tegengaan. Weldra dreef het vlot op de lagune, die -overdekt was met zwemvogels en steltloopers, welke zich nauwelijks -bewogen, toen wij hun voorbijgingen. Wij moesten op goed geluk de -overstroomde vlakte oversteken, om den loop der rivier te vinden. De -stuurman moest zelfs van zijn duwboom gebruik maken, want de strooming -werd onmerkbaar. Eindelijk wezen de waaierpalmen ons den weg en weldra -gleed ons vaartuig opnieuw tusschen de oevers door, die omzoomd waren -met boomen, waarvan de hooge toppen ons door hunne schaduw beschutten. - -Eene diepe stilte omringde ons en tegenover die majesteit der natuur -bleven ook wij sprakeloos. De rivier vloeide als eene effene vlakte en -langzaam voort. IJsvogels en levendig gekleurde _manakins_[42] vlogen, -elkander kruisende, van den eenen oever naar den anderen. De lianen -daalden van de toppen der boomen tot op het water neer, vliegenvogeltjes -en colibrietjes vlogen om de bloemkelken en spreidden hun in duizend -tinten schitterend metaalkleurig gevederte ten toon. Van tijd tot tijd -versperde een overhangende boom ons den weg; wij hurkten dan op het -vlot ineen en stieten dan tegen de takken, die op ons neerhingen; de -troepialen, wier in de lucht zwevende nesten wij onwillekeurig schudden, -vervolgden ons met hunne scherpe kreten. Eene verwarde menigte planten, -die zich om de stammen slingerden, belette ons dikwijls in het woud -te zien; maar plotseling liet dan weer eene opene plaats ons toe een -blik in zijne diepten te slaan, waar de boomen nu eens regelmatig op -rijen, dan weer aaneengedrongen groeiden, zoodat hunne takken in -elkander verwarden. Ebbenhout-, peper- en palmboomen wisselden met de -boomvarens, de magnolia's, de jeneverboomen, witte eiken en wilgen -af. Hier en daar teekende eene zonnestraal op de schaduw een breeden -lichtkring, binnen welken tienduizenden van waterinsecten, muggen, -waterjuffers en vlinders in de lucht speelden of op het verlichte water -liepen. - -[42] Manakins (_Pipridae_) ook fluweelvogels geheeten, zijn in Midden- - en Zuid-Amerika voorkomende vogeltjes, die veel met onze meezen - overeenkomen. - (N. v. d. B.) - -Gringalet en meester Job, weinig gevoelig voor de schoonheden der -natuur, waren ingeslapen; Jaunet en Verdet, op den rand der mars -gezeten, lieten nu en dan onverstaanbare volzinnen hooren, waarop de -Encuerado zich evenwel haastte te antwoorden. Eindelijk werd de -onbeweeglijkheid, waartoe wij veroordeeld waren en die nog verergerd -werd door het steken der muskieten, geholpen door eene soort groote -vliegen met groene oogen, eene marteling. - -»Dat zijn horzels," zeide Sumichrast tot Lucien, »bloeddorstige, -tweevleugelige insecten, die van het eene einde der wereld tot het -andere alle zoogdieren kwellen. - ---Hun steek doet meer pijn dan die der muskieten," antwoordde de knaap, -op wiens hand een bloeddruppel parelde. - ---Dat komt omdat hun slurf gewapend is met mesjes, die bestemd zijn om -de huid van stieren en paarden te doorboren. - ---Bacarapataca, riep Jaunet. - ---Ja zeker, antwoordde de Encuerado, de steek van de horzels is minder -onaangenaam dan die der _garapatas_. - ---Bacapalataca, zei Verdet, op zijne beurt. - -»_Saca la pata_ (geef een pootje)," vertaalde de Indiaan, »gij hebt nog -gelijk, dat kunstje zullen Chanito en ik u wel eens leeren." - -Lucien lachte hartelijk om de verklaring, welke de Indiaan van het -gebabbel der papegaaien gaf en over den ernst en de beleefdheid, -waarmede hij hen antwoordde. Hij trachtte de beide vogels de namen van -zijn broertje en zusje te leeren naspreken. De papegaaien leenden, met -opgeheven poot en overhangend kopje aandachtig het oor aan de, door den -knaap herhaalde woorden; maar zij trokken nog niet veel vrucht uit zijne -lessen. - -De rivier overstroomde, evenals alle waterstroomen, die de hand van -den mensch niet heeft geleid, de lage landen en vormde nu en dan -uitgestrekte lagunen. Wij verloren dan, evenals bij ons vertrek, veel -tijd, om haar loop terug te vinden. Bij eene dezer opsporingen ontdekte -ik zulk eene schilderachtige baai, dat ik eene halt voorstelde. -Tegenover ons opende zich eene vrij diepe opene plaats, door hooge -palmboomen omzoomd. Het vlot, door den Encuerado met kracht door de -waterplanten voortgestuwd, landde en ik sprong aan den oever om het vast -te meeren. - -Verdet en Jaunet, met de mand aan wal gebracht, gaven door luid -geschreeuw hunne vreugde te kennen. Gringalet, wien de Encuerado -onverwacht een duwtje had gegeven, nam een bad en meester Job, den -staart om den hals van zijn jongen meester gerold en zich aan diens haar -vasthoudende, werd in de schaduw gebracht en naast Rougette, die zich in -haar schaal terugtrok, vastgebonden. - -Nauwelijks hadden wij ons ingericht of twee jacana's[43], door de -Mexicanen _Viuda's_ geheeten, streken bij ons neder en vlogen toen met -lichte beweging op de drijvende planten om de zaden en insecten er af -te pikken. Twee schoten brachten ze in ons bezit en Gringalet bracht de -twee steltloopers, die een rosachtig gevederte hadden, wier snavel een -vleeschachtigen uitwas had en waarvan de vleugeleinden in een scherpen -spoor eindigden, een voor een bij ons. De jacht leverde geen al te best -middagmaal op, want met uitzondering van de kleinere soorten--zooals -snippen, waterrallen en plevieren--hebben de moerasvogels een taai -en weinig smakelijk vleesch. Gelukkig wist Gringalet een vogel van -lichtbruine kleur, met fraaie parelgrijze veeren aan den hals en die den -naam van hoen van Montezuma draagt, machtig te worden. Dit schoone stuk -verwierf hem van den kant van den Encuerado verscheidene krachtige -handdrukken, waarmee hij evenwel weinig ingenomen scheen te zijn. - -[43] _Parra jacana_, in Zuid-Amerika zeer algemeen, behoort tot de - spoorvleugelige moerasvogels. (N. v. d. V.) - -Eene wandeling rondom de opene plaats bracht ons bij een boschje -orleanboomen, _bixa orellana_, een klein boompje, welks zaden eene -fraaie gele kleurstof opleveren, waarvan men zich in Europa bedient om -zijde te verven. Daar Sumichrast Lucien had verteld dat de wilden vuur -maken door twee droge takken van dezen boom tegen elkander te wrijven, -haastte de knaap zich er eenige van te verzamelen. Een weinig naar -achteren vond ik een brijappelboom, _diospyros abtusifolia_, waarvan de -vruchten zeker wel in den smaak van onze menagerie zouden vallen. Een -omgeworpen boom lokte ons naar het woud en op den vochtigen en zwarten -bodem bemerkte Lucien het eerst eene prachtige ratelslang, die verdoofd -scheen te zijn. Sumichrast schoot zijn geweer op het kruipdier af, dat -opsprong, om echter weer dood neer te vallen. Oogenblikkelijk weerklonk -in verschillende richtingen een gesis en drie of vier slangen van -dezelfde familie namen de vlucht, eene door drie jongen gevolgd. Een -aanval vreezende, had ik mijne machete gevat, en ik durfde mij eerst -bewegen, toen het geluid verdwenen was. De door mijn vriend gedoode -slang was meer dan een meter lang, haar huid was met zwarte, bruine en -grijze vlekken gemarmerd; de platte en driehoekige kop had een wreed -uiterlijk. Lucien hieuw met één slag van zijne machete de beweegbare -ratels, die aan de slang haar naam van ratelslang gegeven hebben, af. -Die hoornachtige staartuiteinden, zeven in getal, zouden den Encuerado -zeer verblijden, want evenals al zijne landgenooten schreef hij hun -wonderdadige eigenschappen toe--onder anderen van de guitaren te kunnen -stemmen en te beletten, dat de snaren er van breken. - -Ik naderde den omgevallen boom niet dan met de uiterste voorzichtigheid, -uit vrees dat er soms weer eene andere slang uit zou te voorschijn -komen. Ik ontdekte slechts een reusachtigen salamander en zeer groote -kevers, wier kaken met sterke knijpers gewapend waren. Lucien verrijkte -van zijn kant zijne collectie met eenige nieuwe soorten roofkevers. Een -door den Indiaan gelost schot bracht ons naar het bivak terug; onze -makker had eene wilde kat, door de Indiaan _ocotchotly_[44] genoemd, -gedood. - -[44] Ozelot (_Felis pardalis_). - -»Ziet gij dat mooie dier, Chanito," riep de Encuerado, die met zijne -hand over het rosse, met zwarte vlekken geteekende vel van zijne buit -streek. »Als het een hert of een wild zwijn heeft gedood, begraaft hij -het onder de bladeren, klimt op den naastbijstaanden boom en begint te -klagen, totdat de andere roofdieren naderbij komen. Als deze verzadigd -zijn, klimt hij naar beneden, en verslindt, wat zij hebben overgelaten. - ---En waarom roept hij die gasten dan? vroeg ik. - ---Heb ik u dan niet gezegd, dat zijne tong vergiftig is? Als hij het -eerst at, zou hij zijn vergif aan het vleesch mededeelen en de dieren, -welke zich met de overblijfselen verzadigden, zouden sterven." - -Deze fabel, door Hernandez medegedeeld en nu nog door de Indianen -herhaald, moet haar oorsprong in eene nog niet waargenomen gewoonte van -het dier hebben.[45] - -[45] Wellicht hierin, dat de ozelot, volgens sommige schrijvers, zeer - bloeddorstig is en zelfs, als hij verzadigd is, nog doodt, alleen - om het bloed uit te zuigen, waarna hij zijne prooi verder - onaangeroerd laat liggen. (N. v. d. B.) - -Na het middagmaal en terwijl Lucien zich naar zijne pleeglingen begaf om -hun de brijappelen te brengen, zag ik de ongelukkige Rougette tusschen -de pooten van meester Job, die haar omkeerde, berook, op den grond -zette, of halsstarrig zijne vingers binnen in de schaal stak, welke -aardigheden er niet toe bijbrachten om het melancholische dier op te -vroolijken. Op raad van den Encuerado stak de knaap eenige takken in den -kant van het water en plaatste de schildpad in dit miniatuur-park. - -De zon ging onder en de papegaaien vlogen paarsgewijze om ons. Jaunet -en Verdet klapwiekten en snapten met hunne grootere broeders. Een troep -flamingo's kwam bij ons zitten en eene vlucht eenden draaide in de lucht -rond en scheen te aarzelen om neer te strijken. Eensklaps streken twee -ara's, de grootste en fraaiste soort papegaaien, op den top van een -palmboom neer. Sumichrast en de Encuerado verdwenen in het kreupelhout, -terwijl ik met Lucien de bewegingen van de fraaie vogels volgde, wier -staart tweemaal zoolang als het lichaam was. De klimvogels, door de -Indianen _huacamayas_ genoemd, hadden hunne slaapplaats ingenomen, toen -ik zag dat zij blijkbaar ongerust werden. Zij klapwiekten en herhaalden -telkens hun ruw geschreeuw van »ara", waaraan zij hun naam ontleenen. -Een dubbele losbranding weerklonk, de vogels vielen, de flamingo's en -eenden sloegen met hunne vleugels. - -Lucien, die de _huacamayas_, wier gele, groene en roode veeren een -harmonisch geheel vormden, van nabij beschouwde, zou Verdet en Jaunet -gaarne voor een paar jongen van deze soort geruild hebben. Hij liet een -der ara's aan meester Job zien, die hem onder het trekken van allerlei -gezichten betastte en er eindelijk op ging zitten. - -De nacht verraste Lucien, terwijl hij zijne vogels nog de namen van -Hortense en Emile voorzegde. Gringalet ging tot onze groote verbazing -naast meester Job liggen, die hem bevrijdde van de teken, welke zich -in zijn haar genesteld hadden; daarna begonnen de twee vrienden -naast elkander te snurken. Tegen negen uur, terwijl ik het vuur wat -aanwakkerde, deed Jaunet een oog open en babbelde eenige woorden; maar -de Encuerado sliep te vast om er op te antwoorden. - - - - -XXXI. - -DE STELTVOGEL.--DE JAGERS VERJAAGD.--DE PECARIS.--HET VLOT BLIJFT -STEKEN.--DE TEPOXOSLANG. - - -Ik stond den volgenden morgen nat van den dauw op. Gringalet, die in -gedachten verzonken zat, keek naar de slapers, terwijl meester Job om -hem draaide, hem bij de ooren nam en zelfs zijn staart om het lichaam -van zijn nieuwen vriend rolde. Jaunet en Verdet schommelden met -opgezette veeren en in stilte heên en weêr. Zoodra de zon opkwam bracht -ik ze aan den oever der rivier, waar zij, tot groote voldoening van hun -jongen meester, die hun telkens de namen voorzegde, welke hij hen wilde -leeren uitspreken, uit eigen beweging een bad namen. Rougette stak haar -kop buiten hare woning en scheen wat minder zwaarmoedig, ik liet haar, -tot aan het uur van het vertrek, aan hare gedachten over. - -Terwijl de Encuerado de koffie bereidde, keek ik naar de flamingo's, die -een voor een opvlogen, om zich aan den oever der rivier of in de lagunen -neer te zetten. Een steltvogel, met buitengewoon lange beenen, en zoo -dun, dat men ze op een korten afstand nauwelijks zien kon, kwam zich bij -het riet neerzetten. Lucien kon bij het zien van den vogel, die men zou -zeggen dat in de lucht zweefde, eene uitroeping van verbazing niet -weerhouden. - -»Dat is de _himantopus mexicanus_, de Mexicaansche strandruiter," zeide -ik hem, »de type van de familie der steltloopers. Hij leeft voornamelijk -aan den oever der zee, waar hij zich met wormen en schelpdieren voedt. - ---Wat een gekke loop," riep de knaap uit; »ik dacht eerst dat hij geen -pooten had. - ---Hij heeft integendeel te veel pooten, daar zijn loop er door -bemoeielijkt schijnt te worden." - -De vogel bleef buiten schot, en zette bovendien weldra zijne vlucht -voort. Toen het ontbijt was afgeloopen, werden bagage en menagerie weer -op het vlot gebracht; ik stond juist op 't punt er op te gaan, toen -een geluid van gebroken takken onze aandacht naar het woud trok, waar -twee pecaris, eene soort kleine wilde varkens, elkander vervolgende, -uitkwamen. De Encuerado, zoo onverwacht overvallen, schoot op een der -dieren zonder het te dooden; nu begon de jacht. Maar nauwelijks hadden -wij een paar honderd passen afgelegd, of de Indiaan, die voorop ging, -keerde om, roepende: - -»Naar het vlot, naar het vlot!" - -Een geraas, gelijk aan den galop van een troep paarden, deed den grond -dreunen. Ik greep Lucien bij de hand en sleepte hem in den looppas mede. -Een troep pecaris vervolgde ons. Mijn beide makkers bleven staan om te -schieten, terwijl ik het vlot bereikte, waar ik Lucien in veiligheid -bracht. De kleine wilde varkens, meer dan honderd in getal, kwamen -opeengedrongen en woedend aanrennen. Van nabij bestookt sprong -Sumichrast op het vlot, dat bijna omsloeg, terwijl de Encuerado langs -den oever liep. - -»Snijd het meertouw los en steek van wal!" riep hij mij toe, terwijl hij -zich onder het dichte struikgewas begaf. - -Een gedeelte der pecaris zette hem achterna; de andere, opeengehoopt en -elkander verdringende, maakten ons bijna doof door hun geknor. Ik sneed -het touw door en nam den duwboom ter hand; de woedende dieren gingen het -water in, waarover ik mij echter weinig bekommerde; ik richtte het vlot -naar den begroeiden oever, waar ik hoopte den Encuerado te voorschijn te -zien komen. - -Lucien, beangstigd door het geschreeuw der dieren, die den oever -overdekten, begreep dat zijn vriend in gevaar was; bleek en vol angst -dorst hij nauwelijks ademhalen. Wij hoorden de takken breken, den grond -dreunen en Gringalet zonder ophouden huilen. De troep, die Sumichrast op -de hielen had gezeten, voegde zich nu bij dien, waarvoor de Encuerado -vluchtte. Ik deed het vlot den rechter oever naderen, vanwaar het geraas -zich deed hooren. - -»Hioe, hioe, Chanito! - ---Ohé, ohé! antwoordde ik. - -Ik wilde aan wal springen, toen de Encuerado door Gringalet gevolgd, -zich vertoonde en het water inging, zijn geweer boven het hoofd -houdende. De pecaris kwamen nu ook voor den dag; Gringalet, keerde, met -vurige oogen en opstaande haren zich tegen hen en een der dieren, dat -verblind van woede op hem losstormde, viel in 't water. Ik riep den -hond, die eindelijk besloot te gehoorzamen; het was niet meer dan tijd -ook. - -In plaats van naar ons te komen, ging de Encuerado naar den pecari toe, -die weer den oever trachtte te bereiken; hij pakte hem bij een oor en -bracht hem, door Gringalet geholpen, die achter het wild zwom en het -telkens trachtte te bijten, naar het vlot. - -»Schiet uw geweer tegen den kop van dien armen drommel af," zeide de -Encuerado tot Sumichrast. Mijn makker gehoorzaamde. - -»Lala!" hernam de Indiaan, bij een laatste stuiptrekking van het dier, -dat zich weldra niet meer bewoog. - -»Neem Gringalet bij u, Tatita; als hij 't in zijn kop kreeg om naar de -pecaris terug te keeren, was hij verloren." - -Ik vatte den hond beet, die meester Job en de papegaaien goed -besproeide. - -»Ja, ja, vriendjes, schreeuwt nu maar!" riep de Indiaan de wilde varkens -toe, »'t komt te laat om ons nog bang te maken. Hel een weinig naar -rechts over, Tatita, opdat ik met mijn gast er op kan komen. Wees maar -niet bang, Chanito, wij zullen niet omslaan." - -Nauwelijks was de Encuerado met zijn buit op het vlot gekomen of meester -Job verschrok zoo, dat hij bijna in de rivier viel; hij zocht zijne -toevlucht bij Gringalet, die hem zijn tanden liet zien. Verdet en Jaunet -keuvelden samen, maar niemand antwoordde hen. - -De twee troepen pecaris, op den oever weer bijeengekomen, hielden niet -met hun schel geknor op; maar wij waren buiten hun bereik. Ik gaf het -vlot een flinken stoot, zoodat het weldra door den stroom werd -medegevoerd. - -»Drommels, drommels!" riep Sumichrast met eene zucht van verlichting -uit, »daar zijn we de dans goed ontsprongen. - ---Maar wie zou ook denken dat die vlegels in zoo'n groot aantal waren?" -sprak de Encuerado, terwijl hij een schop tegen het lijk van zijn vijand -gaf. »Gewoonlijk kondigen zij hunne komst door zulk een geraas aan, dat -hunne stilte mij bedrogen heeft. - ---Zijn de pecaris dan roofdieren?" vroeg Lucien. - ---Ja, Chanito, als dat ten minste roofdier heet te zijn, als men zijns -gelijken opeet. Als een onzer door de bende omver was geworpen, zou er -op dit oogenblik niet veel meer dan de beenderen van hem overblijven. En -Gringalet ging ze te lijf, zonder daar in 't minst aan te denken. - ---Zijn zij dan even wreed als de tijgers? - ---Hm! Ik geloof, Chanito, dat het gelukkig is, dat de tijgers niet in -troepen loopen; wel genomen zijn ze niet veel beter dan de pecaris. - ---'t Is een wild zwijn, nietwaar mijnheer Sumichrast? - ---Hij behoort tot de orde der dikhuidigen en is derhalve een broer van -het varken," antwoordde mijn vriend. »Het wilde zwijn leeft alleen, -terwijl de pecaris in meer of minder talrijke troepen leven, zoodat zij, -niettegenstaande hunne geringe grootte, zeer te duchten zijn. - ---Hoe, geringe grootte! deze is grooter dan Gringalet. - ---De wilde zwijnen zijn tweemaal zoo groot. Eene bijzonderheid, welke de -_coyomeles_, zooals de Indianen uit Mexico hen noemen, kenmerkt, is, dat -zij drie teenen aan de achterpooten en vier aan de voorpooten hebben. -Bovendien hebben zij maar een bewijsje van staart en hunne borstels zijn -met zwart en wit gestippeld. - -»Chema," viel Lucien in, »gaat gij den pecari stroopen, omdat gij uw mes -zoo scherpt." - ---Neen, Chanito, ik ga hem slechts gereedmaken; kijk er maar niet naar; -'t is evenmin aangenaam om te zien als om te doen, maar 't moet -geschieden. En met eene vlugge beweging gaf hij eene snede in den rug -van het dier. - -»Als gij mij niet in de rede waart gevallen," hernam Sumichrast, »zoudt -gij nu reeds weten dat de _sus torquatus_, zooals de geleerden den -pecari noemen, bij de lendenen een open zak heeft, waaruit een -vuilriekende stof komt; om die bijzonderheid hebben de geleerden de -pecaris tot een bijzonder geslacht gerekend." - -Meester Job, die altijd angstig was, hield zijn oogen toe, teneinde het -wild niet te zien, dat de Encuerado met zijn deken bedekte om de vliegen -er af te houden, die zeker door den reuk werden aangetrokken. Het vlot -vervolgde kalmpjes zijn loop; evenals den vorigen dag verlevendigden de -kolibries de oevers en liepen de eendagsvliegen over het sluimerende -water. Soms werden de heesters bevolkt met lepelaars en reigers, en in -de diepte eener baai zagen wij een naaktkoppigen Mexicaanschen Ibis -onbeweeglijk en staaroogend staan, alsof hij in diepe overweging -verzonken was. Nachtegalen, waarvan Mexico honderden soorten heeft, -wachtten den nacht niet af, om ons door hunne welluidende stemmen te -bekooren. Hier en daar zaten basilisken op de boomstammen, bliezen hun -keel op en schudden hun vliezigen helmkam of staken de rivier over, als -wilden zij hun naam van _pasario's_ (rivier-overstekers) rechtvaardigen. -Een groene iguano, door vorm en grootte aan een draak gelijk, ontkwam -aan het schot, hetwelk de Encuerado er op loste. De echo herhaalde de -losbranding, waarop woeste kreten antwoordden. Vervolgens dreef het vlot -over eene uitgestrekte lagune; kraanvogels, reigers, lepelaars, wulpen, -waterhoenders, waterrallen en kieviten schenen hier hunne bijeenkomsten -te houden. Zonderling genoeg gaven deze vogels in hunne onnoozelheid -zich nauwelijks de moeite van zich te verwijderen, ten einde ons door te -laten; wij hadden als 't ware het aardsche paradijs teruggevonden. - -De Encuerado voer langs den zoom van het meer om den loop der rivier -terug te vinden. Er verliep meer dan een uur met valsche manoeuvres, -totdat het vlot eindelijk op eene lage plek bleef vastzitten. Daar de -Encuerado zijn boom gebroken had, zonder dat het hem gelukte ons vlot te -brengen, sprong ik, door Sumichrast gevolgd, in 't water. Ten einde een -omweg van meer dan een half uur te voorkomen, spanden wij ons, door -middel van onze riemen, voor ons vaartuig om het over een kleiachtig -slib voort te trekken. Ofschoon dit werkje ons minder aangenaam was, -vermaakte het Lucien, die, midden op het vlot gezeten, hetwelk in eene -slede veranderd was, onzen ijver aanwakkerde en om eene zweep vroeg. De -lust om ons te helpen ontbrak hem niet; maar ik wilde het niet toestaan, -uit vrees dat hij in dit moeras een dier koortsen zou opdoen, waaraan -elke reiziger in het warme land zijne schatting moet betalen. Eindelijk -dreef het vlot weer op diep water. Daar vertoonde zich een zandige -oever, met boomen omzoomd; ik loste met Sumichrast de bagage; Lucien -stelde den haard op en de Encuerado sneed den pecari in stukken, waarvan -men evenwel slechts de bouten kon eten. Ik stelde eene wandeling onder -de boomen voor, in de hoop er vruchten aan te treffen en vertrok in -gezelschap van Sumichrast. Bij onze eerste schreden ontdekte ik reeds -kinaboomen, klein van stuk, maar die vroeg of laat een belangrijken -handelstak tusschen Mexico en Europa zullen uitmaken. Mijn makker -op den voet volgende, bereikten wij eene opene plaats, bedekt met -palmboomen, brijappelboomen en roode ebbenhoutboomen, door de Mexicanen -_granadilles_ geheeten. Ik verzamelde eenige vruchten en ging toen naast -mijn vriend zitten, die een boomstam van de schors ontdeed. - -Eensklaps vertoonde zich een troep herten, die bedaard begonnen te -grazen. De eerste beweging van Sumichrast was zijn geweer aan te leggen; -maar een dezer sierlijke dieren te verwonden zou een nuttelooze moord -zijn geweest, want de pecari was voor onzen maaltijd voldoende. De zon -begon laag te staan; ik dacht er aan naar het bivak terug te keeren, -waarheen het verwijderde _hioe, hioe!_ van den Encuerado ons riep. Daar -ik de herten, die zeker van plan waren den nacht op die plaats door te -brengen, niet verjagen wilde, volgde ik den stillen gang van mijn makker -na. Onze menschlievendheid ware ons bijna duur te staan gekomen. Een -_tepoxo_slang[46] (_Botrops atrox_), een verbazend groot dier, waarvan -het venijn niet minder gevaarlijk is dan dat van de ratelslang, ontrolde -zijne kronkels bijna tusschen onze beenen en ik zag, dat zij haar wijden -muil naar de heup van mijn vriend richtte. Gelukkig had ik mijne machete -in de hand, en met een slag met den achterkant sloeg ik haar neer. De -onthoofde romp sloeg zoo geweldig tegen mijne kuiten, dat ik moest gaan -zitten en hinkende, maar ditmaal in de struiken slaande, ging ik den -Encuerado mijn ongeval mededeelen. - -[46] Soort lansslang, _Lataria_ geheeten, (N. v. d. B.) wordt van 1.40 - tot 1.80 meter lang. - -Meester Job betoonde zich zeer dankbaar voor de vruchten, welke ik voor -hem had meêgenomen; Verdet en Jaunet smulden in de brijappelen. De door -den Indiaan gebraden ham werd zoo goed en zoo malsch bevonden, dat -Sumichrast voorstelde den kok eene belooning te geven. - -»Meent gij dat, Tatita?" - ---Zeker is 't gemeend," antwoordde ik, »wilt ge dat wij u in zegepraal -ronddragen, dat wij driemaal ter uwer eer hoera roepen of dat wij een -getuigschrift onderteekenen?" - ---Als 't u hetzelfde is," sprak de Indiaan, terwijl hij zijne witte -tanden liet zien, »zou ik liever een klein druppeltje cognac willen -hebben." - -Ik schonk hem een goeden borrel in en men dronk op zijne gezondheid en -op het goede einde van de reis. - -Toen de zon onderging en de vogels boven onze hoofden vlogen om hunne -slaapplaatsen te bereiken, begonnen Jaunet en Verdet dat onbestemd -gesnap, dat, op een afstand gehoord, zou doen meenen, dat twee personen -halfluid met elkander praten. Ik ging een bezoek brengen aan Rougette, -die, aan den oever der rivier gekampeerd, haar kop buiten hare schaal -stak, zonder er minder droefgeestig dan naar gewoonte uit te zien. Ik -kwam bij het bivak terug, waar de Encuerado bezig was een lijfband voor -meester Job te maken; daar op de bladeren uitgestrekt en terwijl ik zag -hoe de sterren een voor een den hemel versierden, viel ik in slaap onder -de namen van Hortense en Emile, welke Lucien zijne leerlingen vol geduld -voorpraatte. - -Een gebrul deed mij wakker springen; ik deed de oogen open en zag -Lucien, met het geweer in de hand, bij Sumichrast neêrgehurkt. Meester -Job schreeuwde van angst, en Gringalet, door mijn vriend tegengehouden, -bromde, zonder te kunnen blaffen. Op den oever, op een vijftigtal meters -afstand, onderscheidde ik een langen, gelen vorm en twee vurige oogen. -Een tweede gebrul leerde mij den naam van den nachtelijken bezoeker -kennen, dien ik in mijn droom meende gehoord te hebben. - -»En de Encuerado?" vroeg ik aan mijn makker. - -»Hij kruipt naar dien kant uit. - -Een geweerschot sneed mij het woord af, het dier brulde op nieuw en -wierp zich in de struiken. Een geraas als van eene worsteling deed zich -hooren; daarop verscheen de tijger andermaal en beschreef, van woede -huilende, verscheidene kringen. Een laatste sprong bracht hem tot op -twintig schreden van den haard; hij viel om niet meer op te staan. - -»Hioe, hioe, Chanito." - -Dit roepen ontlastte mij van eene drukking, welke mij belette adem te -halen. Lucien bezat nauwelijks de kracht om te antwoorden. - -Gringalet, die los was gekomen, liep naar het zware roofdier toe en -bleef op een afstand blaffen. De Indiaan kwam, met het geweer op den -schouder, naderbij. - -»Uwe Heerlijkheid zal mij dit recht laten wedervaren," sprak hij, over -het lijk van zijn vijand gebogen, »dat zij zeer dicht bij het hart -getroffen is. Zij zou den kogel zelfs tusschen beide oogen ontvangen -hebben, als zij het gewaagd had naar mijn kant heên te zien... Schreit -gij, Chanito!" riep de Encuerado uit, van toon veranderende. »Waart gij -dan bang!" - ---Zeker was ik dat; de tijger liep naar den kant toe waar gij waart. - ---Maar wat zou dat? 't Is toch mijn beroep om die groote katten te -dooden. Niet waar, Tatita, dat dier hoorde mij toe en ik ben nog de -tijgerjager? - ---Ja, sprak ik. Maar laten wij de tijgers met rust en dat zij het ons -ook doen, en gaan wij slapen. - -Ik vond meester Job onder mijne deken verscholen; hij stelde zich gerust -zoodra hij bemerkte dat Gringalet naast hem ging liggen. Wij wilden weer -gaan liggen, toen het gebrul van een tijger opnieuw de lucht deed -dreunen. - -»Drommels!" vroeg mijn vriend, zou dat beest weer levend zijn geworden. - ---Neen, Tatita Sumichrast; maar mijn tijger is een tijgerin en haar -gemaal komt mij nieuws van haar vragen. - -Ik beval den Indiaan zich niet te bewegen. - -»Laat hem zijn gang gaan," sprak mijn makker, »hij zou u toch niet -gehoorzamen." - -Een half uur verliep, de diepste stilte heerschte en wij luisterden naar -het minste geritsel der bladeren. Het geluid van eene losbranding kwam -tot ons en vijf minuten later begroetten wij het zegevierende _hioe, -hioe!_ met onze bravo's, terwijl de Encuerado van 't water druipende, -zich voor het vuur droogde. - -»Ik moest de rivier overzwemmen", zeide hij; »maar ditmaal heeft zijne -Heerlijkheid den kogel tusschen beide oogen. - ---Gij zijt een dappere kerel," sprak Sumichrast, hem de hand reikende. -Lucien vloog hem om den hals. - -»Wat zal ik lekker slapen," sprak de Indiaan. - - - - -XXXII. - -DE JAGUARS.--DE IBIS.--DE KAAIMANS.--DE DRAAIERS.--EEN TWEEGEVECHT VAN -DEN ENCUERADO.--DE WILDE STIEREN. - - -Meester Job, Gringalet, Jaunet en Verdet hadden reeds de oogen open, -toen ik bij het aanbreken van den dag eveneens wakker werd. Lucien stond -juist op toen ik mij gereed maakte om naar den oever der rivier te gaan -en vergezelde mij. Ik bewonderde in 't voorbijgaan de wijfjesjaguar, -door den Encuerado geschoten. Een weinig verder vonden wij het mannetje -(_Felís onza_) waarvan de bruingele huid zwart gevlekt was; hij mat niet -minder dan anderhalven meter; de breedte van de met scherpe nagels -gewapende klauwen verbaasde den jongen natuuronderzoeker, die het -betreurde dat ik niet een dier tijgers gedood had,--dit spijtgevoel -legde een nieuw bewijs af van zijne bewondering voor den dader van dit -dubbel heldenstuk. Een sierlijke vogel met langen, gebogen snavel streek -op den oever neer; Lucien's oog viel op de fraaie bronskleur van den -steltlooper; ik vertelde hem dat het een Ibis was. - -»De vogel van de Egyptenaren, die slangen verslindt?" - ---Een van zijne verwanten", antwoordde ik. »De Ibissen voeden zich over -'t algemeen met wormen, schelpdieren en zelfs waterplanten; misschien -eten zij ook wel waterslangen; maar of zij zich nu uitsluitend met -kruipdieren voeden, of ze stelselmatig vernietigen, dat is eene andere -vraag." Ik kwam weer bij het bivak terug, waar ik mijne makkers -reeds op de been vond. - -Verdet babbelde. »Ja, mijnheer Verdet, van nacht twee tijgers gedood," -antwoordde de Encuerado hem. »'t Is lang geleden, dat mij zulk een -buitenkansje is te beurt gevallen. - ---Baparalaca, sprak Jaunet. - -Zeker, zeker, men kan hem _por aca_ (van hieraf) zien," antwoordde de -Indiaan levendig; »maar als gij slechts met één oog hadt geslapen, -zooals elke fatsoenlijke papegaai moet doen, zoudt gij de twee schoten -van mijn geweer gehoord hebben. Neem deze woorden ter harte, en gij ook, -meester Job, want uwe scheeve gezichten beletten niet, dat ik twee -tijgers heb gedood." - -Toen de koffie gedronken was, sloeg iedereen zijn mouwen om en begon -men de prachtige dieren, die in ons bezit waren gekomen, de huid af -te stroopen. Dit moeielijke werk nam den geheelen morgen in beslag. -Nauwelijks waren wij er mede gereed, of ik bracht onze bagage aan boord -van het vlot, dat zich weldra van den oever verwijderde. Lucien viel het -in dat Rougette op het strand was vergeten en hij verzocht ons haar niet -achter te laten. - -Een flinke duw met den boom bracht ons naar het punt van vertrek terug -en de droefgeestige Ariane hernam hare plaats in de pan, die haar tot -woning diende, zonder de geringste ontroering te doen blijken. - -De lianen en struiken, die de oevers omgaven, groeiden nu nog van -afstand tot afstand. Het vlot gleed tusschen varens en palmboomen door. -Naargelang de plantengroei minder afwisselend werd, verdwenen ook de -insecten en de vogels. Het woud verkreeg een zeer ernstig karakter. -Onze blikken drongen onder de door palmboomen gevormde gewelven door -en verloren zich in hunne duistere diepten. De muskieten en horzels -plaagden ons nog meer dan naar gewoonte en de warmte drukte ons neer. -Wij gleden stil en lusteloos verder. Die verlaten oever, die boomen met -breede, door geen windje bewogen bladeren, die naakte bodem, dat zwarte -water, hetwelk zonder de minste beweging voortvloeide, vervulden de ziel -met eene onbestemde droefheid. Ik merkte herhaalde malen op, dat -tegenover die eenzaamheid vol majesteit, een onverklaarbaar gevoel ons -overzacht deed spreken. - -Het rustuur had sedert lang geslagen, maar niemand stelde voor aan wal -te gaan. Wij dachten aan de groote bosschen, welke wij den vorigen dag -doorgetrokken waren en gingen vooruit, met de hoop de bezielde wereld -terug te zullen vinden. De Encuerado, duwde ons, met zijn boom gewapend, -die soms den bodem der rivier bereikte, met kracht vooruit; maar -veelvuldige bochten vertraagden onzen gang en de nacht dreigde ons te -overvallen. Eindelijk lieten de minder dicht opeen staande palmboomen -een weinig licht doordringen en de rivier trad buiten het bosch om zich -in eene vlakte te storten, waarna het vlot onder een priëel van lianen -doorgleed. - -Onze eerste zorg was om de tijgervellen op den warmen bodem uit te -spannen; eenige paaltjes, te voren in den grond gestoken, maakten het -werk gemakkelijk. Terwijl ik den Encuerado hielp gingen Sumichrast en -Lucien uit, om iets voor het middagmaal op te sporen. Het vuur brandde -reeds sedert lang, toen uit de verte een schot weerklonk. De Encuerado -had twee vischlijnen uitgezet, maar duizenden kleine vischjes verslonden -het aas, dat hij aan zijne haken had bevestigd en noodzaakten hem het -telkens te vernieuwen. - -»Ziet ge me dan voor een gans aan, dat ik u voeden moet?" riep hij -toornig uit. »Dat zullen wij eens zien." - -En het vlindernet nemende, dat uit sterk linnen was vervaardigd, ving -mijn makker in een oogwenk eene menigte bakvischjes, aan welke hij zijne -spotternijen niet spaarde. - -Sumichrast kwam terug, met een groenen iguano beladen; Lucien trok aan -een strik een jongen krokodil van ongeveer twintig centimeter lengte, -voort. - -»Zie eens, mijnheer de Encuerado," riep de knaap zijn vriend toe, -»hier heb ik een krokodil, alligator of kaaiman, een verwante van de -hagedissen en een vijand van de menschen. Dit lieve diertje heeft holle -en ongelijke kiezen, zoodat het zijne prooi niet kan kauwen. Het voedt -zich met visschen, otters, kalveren en eene menigte andere dieren. 't Is -een tweeslachtig dier, mijnheer de Encuerado, een wezen, dat evenals de -kippen eieren legt, maar ze in het zand begraaft, waar de zon zich met -het uitbroeden belast; een dier dat zooveel van den mensch houdt, dat -het hem opeet, als het hem beet kan krijgen. - ---Pas op, dat gij u niet laat bijten," riep ik mijn zoon toe; »hoe hebt -gij dien jongen kaaiman kunnen vangen? - ---Ik heb hem vervolgd, want ik dacht dat het eene groote hagedis was; -mijnheer Sumichrast riep mij toe, dat ik hem niet moest aanraken en -heeft hem toen deze liaan om den hals gebonden." - ---Ik hoop toch niet, dat gij er aan denkt om hem meê te nemen?" - ---Neen, 't is een te slechte kameraad; hij wil altijd bijten. Ik zal hem -eens aan meester Job laten zien en de vrijheid weergeven." - -Als men er meester Job naar gevraagd had, zou hij, denk ik, voor de eer -van de kennismaking bedankt hebben. Hij deinsde op het zien van den -jongen kaaiman terug en zocht te vergeefs zich te verbergen. Jaunet en -Verdet wisselden eenige woorden en klapwiekten, wat gewoonlijk hun eenig -hulpmiddel was. Rougette trok verontwaardigd al hare uiteinden in hare -schaal terug en bleef als versteend. De sauriër werd daarna op den oever -van de rivier gebracht; maar in plaats van er in te springen, zooals de -knaap verwacht had, beschreef hij een halven cirkel en ging het bosch -weer in. - -»Kunnen de jonge krokodillen dan niet zwemmen?" vroeg Lucien verbaasd. - ---Ja wel, Chanito; maar zij gaan niet in 't water voor en aleer zij in -staat zijn zich te verdedigen." - ---Tegen wien?" - ---Tegen de groote mannetjes, die zich gaarne met hun kinderen voeden." - -Dit staaltje uit de zeden der krokodillen was niet geschikt om den -jongen natuuronderzoeker met de dieren te verzoenen, waaraan het -monstertje, hetwelk hij zooeven weg had gebracht, hem even leelijk als -kwaadaardig toescheen. - -»Och dan!" riep hij uit, »hoe hebt gij uwe pan zoo spoedig met visch -kunnen vullen?" - ---Als gij er bij waart geweest, zoudt ge pret hebben gehad, Chanito." -Ik had twee vischlijnen, goed van aas voorzien, uitgezet en die kleine -heeren, met hun zilveren kleed, zijn gekomen om het aas er af te -snoepen, zoodat ik het wel tienmaal heb moeten vernieuwen, want ik wilde -een _bobo_ vangen, en dacht volstrekt niet aan hen. Maar eensklaps zag -ik ze lachen.... - ---Hebben de visschen gelachen?" - ---Ja, Chanito, met hun staart; op die manier," voegde de Indiaan er bij, -met zijne hand eene beweging makende als de zwemmende vischjes doen. -Eerst lette ik er niet op; maar toen begonnen ze te dansen, te springen -en mij lomperd te noemen.... - ---De visschen zijn stom!" - ---Hebt gij dan nooit gehoord, hoe zij het water met hunne vinnen -slaan?... Nu springen zij nog, maar nu lach ik en noem ik ze lomperds." - -De zorgen, die de maaltijd vereischte, maakte aan dit verhaal een einde. -De visschen, welke met het vet van de iguano gebakken waren, werden zeer -geprezen; het blanke en malsche vleesch van den Sauriër werd niet minder -goed gevonden, want het wildbraad begon ons tegen te staan. - -Den volgenden morgen, een weinig voor het aanbreken van den dag, voerde -de wind ons een walgelijken reuk van muskus toe. Ongetwijfeld zouden wij -een met krokodillen bevolkt moeras door te trekken hebben. Nauwelijks -was de zon op, of ik zag op den oever, tien passen slechts van het vlot, -drie monsters lui uitgestrekt liggen. Ik wekte Lucien, die, bij het zien -der reusachtige dieren, eene beweging van schrik niet kon weerhouden. -Zij waren van vijf tot zes meter lang, het lichaam was bruin en met -bulten bedekt, en de muil tot aan de oogen gespleten; een hunner, -die zijne kaken wijd opengesperd had, liet zijne holle tanden zien. -Ik nam den knaap bij de hand om hem tot bij de amphibieën te brengen; -eerst wilde hij niet; het uiterlijk dezer monsters boezemde hem een -onoverwinbaren afkeer in. - -»Ik mag nog liever een tijger," zeide hij; »zijn gebrul is vreeselijk, -maar hij is niet zoo afschuwelijk." - -Ik overreedde mijn kleinen metgezel om zijn afkeer te overwinnen en -mij te vergezellen. Ik bleef op dertig schreden van de kaaimans staan, -die toen teeken van leven begonnen te geven en langzaam in 't water -dompelden. Lucien herademde; de voorwereldlijke vorm van deze -tweeslachtige dieren boezemde hem een onwillekeurigen angst in. - -Het vlot dreef op nieuw verder en de met lianen, kinaboomen en -Amerikaansche lotusboomen versierde oevers hernamen hun lachend en -tevens wild uiterlijk. Wij zouden veel gevaar geloopen hebben midden -in de moerassen, die wij moesten doortrekken, te verdwalen, zonder de -kennis van den Encuerado, die ons spoedig weer op den goeden weg bracht. -Eindelijk werd de rivier weer nauwer en herkreeg zij hare gewone diepte. - -»Zie eens daar, mijnheer Sumichrast," riep Lucien uit, »men zou zeggen -dat er oogen op het water drijven." - ---Daarin hebt gij u niet vergist; dat zijn oogen van krokodillen." - -De knaap drukte zich tegen mij aan; ik trachtte hem gerust te stellen, -maar die sombere oogen, die in alle richtingen zich vertoonden en de -bewegingen van het vlot volgden, maakten hem buitengewoon ongerust. - -Soms kwam een krokodil dwars voor ons vaartuig liggen. - -»Ga door," riep de Encuerado, »al weet gij ook dat uw huid onkwetsbaar -is, dan is dat nog geen reden om u hier als heer en meester op te -werpen. Ik ken wel een naadje in je rok, waar mijn kogel eene opening -zou weten te vinden. Wees maar niet bang, Chanito; zij zullen ons niet -aanvallen." - -Soms waren de lage oevers overdekt met deze monsters, die met wijd -geopenden muil naar de zon toegekeerd lagen. Sommige gleden in het water -en kwamen om het vlot dolen; maar het grootste aantal bleef onbeweeglijk -en verwaardigde zich niet van plaats te veranderen. De vrees van Lucien -bedaarde allengs; maar nadat hij zoo zeer gewenscht had kaaimans te -zien, begon hij er zich nu over te beklagen, dat hij er te veel zag. -»Zij zijn hier de baas," zeide mijn vriend hem; »zij groeien en -vermenigvuldigen zich ongestoord. De rivier bevat visch genoeg om hen -te voeden, en zonder twijfel gaan zij nu en dan wel in het bosch op de -jacht. Zie daar eens naar dien, welke de landtong opklimt, hij draait -met moeite om zich zelven; men zou zeggen, dat hij geen ledematen heeft -en kruipt. Dat komt omdat zijn lichaam geen gewrichten heeft en hij zich -niet anders dan met het geheele lichaam kan bewegen. Men heeft derhalve -wel gelijk als men zegt, dat men aan een krokodil kan ontsnappen, door -op zijne schreden terug te keeren; men behoeft slechts een korten draai -te nemen." - -Bij de horzels en muskieten, welke ons reeds kwelden, kwamen zich nu nog -andere tweevleugelige insecten, _radadores_ (draaiers) genoemd, voegen. -Die bloedzuigers hadden het vooral op de handen voorzien en als bewijs -dat zij er op geweest waren, lieten zij op de huid een druppeltje bloed -achter. Lucien, die reeds tweemaal gestoken was, vond eerst vermaak in -de vlugheid dezer insecten; maar weldra vond hij, dat zij te veel -misbruik van hun angel maakten. - -Tot dusverre was de rivier bijna even hoog geweest als de bodem langs -hare oevers, wat de vorming van de talrijke moerassen, waarover ik -gesproken heb, verklaart. Nu begonnen de oevers echter allengs hooger te -worden en dreef het vlot onder een gewelf van groen door. De Encuerado -moest neerhurken om er onder door te komen; hij ging weer overeind staan -om Lucien een boom aan te wijzen, geheel met papegaaien overdekt, die -ons met hun geschreeuw begroetten, waarop de Indiaan niet in gebreke -bleef pittig te antwoorden. Terwijl al onze aandacht door deze -vermakelijke woordenwisseling gaande werd gehouden, had niemand erg in -een dikken tak, die onze hoofden aanraakte en onzen stuurman omverwierp. -In plaats van naar ons toe te zwemmen, zoodra hij boven water kwam, zwom -de Encuerado naar den oever. Wij waren reeds een eind ver eer ik het -vlot stil kon doen houden en de hemel weet hoeveel moeite het mij kostte -om tegen den stroom op te komen. - -Met zijne machete in de hand trok de Indiaan van leer tegen den boom, -die de oorzaak van zijn ongeval was. - -»Zoo! overvalt gij de menschen zoo verraderlijk, om ze in 't water te -smijten," riep hij uit; »dat is nog al een slimme zet en dat voor een -honderdjarigen grijsaard! Maar dat zult ge vooreerst niet weer doen, dat -zweer ik je. - ---Als gij dien reus omver wilt werpen," riep mijn vriend hem toe, -»kunnen wij wel gaan kampeeren; gij hebt er minstens acht dagen werk -aan. - ---Hoogstens voor tien minuten, Tatita Sumichrast; men zal niet kunnen -zeggen, dat die groote lummel mij den hals zal gebroken hebben, om er -later met de papegaaien, die hem die aardigheid zeker hebben aangeraden, -over te lachen." - -Door de kerven, die hij in den stam had gemaakt, kon de Encuerado tot -aan den eersten tak klimmen; maar door zijne te groote haast gleed hij -naar omlaag en kwam nog eens in 't water terecht. Nu kende zijn toorn -geen grenzen. - -»Lach maar, lach maar!" riep hij, »wij zullen wel zien wie het hardst -zal lachen. - -En opnieuw naar boven klimmende ging hij op den tak zitten, welke hem -had omgeworpen; wij hoorden hem pruttelen zonder zijne woorden te -verstaan, terwijl hij uit alle macht er op loshakte. Ik wilde het vlot -dichterbij brengen, om met hem te kunnen spreken; eensklaps weerklonk -een gekraak en de Indiaan en de tak vielen tegelijkertijd in de rivier. - -Op dit geraas begonnen de papegaaien te schreeuwen en namen de vlucht; -de zware tak gleed langs ons heen en had ons bijna meegesleept. Onze -makker klom op het vlot en lachte zoo hartelijk over de nederlaag van -den boom en den schrik der papegaaien, dat hij zijne vroolijkheid aan -Lucien mededeelde. Bij slot van rekening had hij eenen grooten bult op -zijn voorhoofd en gevoelde hij zich geheel uitgeput. Ik verbond hem, -waarop hij slapen ging met dien rustigen slaap van een kind, dat door -een boozen bui vermoeid is geworden. - -Gedurende twee uren bestuurde ik ons vaartuig; daarna hernam de -Encuerado zwijgend zijne gewone post. Eensklaps bewogen zich de -bladeren; de grond dreunde en tusschen de lianen werd de kop van een -wilden stier zichtbaar. Het dier zag ons met woeste blikken aan, stiet -een dof gebrul uit en verdween daarop. - -Het zien van dezen nieuwen gast verkondigde ons de nabijheid der -Savannen; wij verwachtten om bij elke kronkeling van de rivier uit het -bosch te komen. De boomen werden kleiner en het struikgewas talrijker en -plotseling ontplooide zich voor onze oogen eene onmetelijke vlakte, -welke de rivier doorsneed. Wij zouden juist den laatsten struik -voorbijgaan, toen de Encuerado eensklaps het vlot achteruitduwde. Ik -stond op en zag eene kudde stieren, welke zich naar de plek begaven, die -wij juist wilden oversteken. - -»Drommels, drommels!" riep Sumichrast uit, »dat is veel zeldzamer -schouwspel dan dat van de krokodillen; laten wij meester Zonnestraal zoo -plaatsen, dat hij goed zien kan." - -De Encuerado, die naar de prairie was gegaan, riep ons. Ik vond hem bij -den stam van een grooten wilg staan; zonder een oogenblik te verliezen -namen Lucien, Sumichrast en ik tusschen de takken plaats. Gringalet -werd ook naar omhoog geheschen, maar de Indiaan ging te water en zwom -naar een alleenstaanden boom tegenover ons. - -»Wij zullen heden avond gebraden runderhaas eten," riep hij ons toe en -hij maakte tusschen de takken zulke dwaze sprongen, dat ik andermaal -voor een val vreesde. - -De stieren naderden. De grond beefde onder hunne hoeven en hun geloei -maakte ons doof. Een hunner, een prachtig dier, met zwart en wit -gevlekte huid, liep met opgeheven hoorns en onrustigen blik voorop. De -troep, die nu eens draafde en dan weer stil stond om te grazen, volgde -zijn onstuimigen aanvoerder; de kaaimans, als door het geraas ontwaakt, -verzamelden zich bij het begin van de Savanne en de op het water -drijvende oogen werden steeds talrijker. - -De wilde troep bleef op vijftig schreden van de rivier halt houden; de -zwartbonte stier ging alleen vooruit, dronk langzaam en wierp zich toen -in de rivier; hij bereikte den overkant en keerde zich dan om. Daarop -hernam de geheele troep, waarboven een wolk horzels zweefde, den draf, -om zich bij den aanvoerder te vervoegen. De verschrikkelijke dieren, -ongeveer vijfhonderd in getal, wierpen zich in het water, verdrongen -elkander en stieten een afschuwelijk geloei uit. In minder dan een -kwartier uurs bleven er aan onzen kant niet meer dan vijf of zes stieren -over, die schenen te aarzelen om zich in 't water te begeven. Plotseling -knalde een schot, een der dieren stiet tegen den boom waarop wij zaten; -een bloedstroom gutste uit zijne borst. Hij draaide rond, loeide en het -zware lichaam stortte neer. Ik wierp een blik naar den Encuerado, die, -tot op de onderste takken afgedaald, zijne gymnastische toeren hervatte. -De jonge stieren, door het geweerschot en den val van een hunner -verschrikt, besloten eindelijk om de rivier over te steken; een blijft -staan om te drinken; de muil van een krokodil vat hem bij den snuit en -sleept hem mede. Een tweede verdwijnt midden in de rivier en een der -aanvoerende stieren begint eensklaps te worstelen en bereikt, geheel met -bloed overdekt, den oever. De door de horzels gekwelde troep hervatte -daarop zijn woedenden loop en verdween in de verte. - -Ik wilde naar beneden dalen, toen een welbekend gejank zich deed hooren; -een twaalftal jakhalzen naderde reeds het door den Encuerado gedoode -dier. Een schot van Sumichrast verwondde een der stroopers; de anderen, -voorzichtig geworden, hielden zich op een afstand. De Indiaan snelde -toe om de opbrengst van zijne jacht te beschermen en sneed het dier in -stukken, terwijl hij met de coyoten een gesprek voerde. - -»Weest dan toch zoo goed te wachten," sprak hij bij elk gejank; »ik heb -het dier gedood; 't is dus niet meer dan billijk, dat ik mij het eerst -bedien." - -Gedurende dit tooneel hadden wij meester Job en de papegaaien uit het -oog verloren; ik vond ze in de zon zitten en half slapende. Zij lieten -eene zekere blijdschap merken toen zij ons terugzagen. Toen het etensuur -daar was, zette de Encuerado ons een stuk haas, hersenen, tong en nieren -van het rund voor. Lucien was verbaasd toen hij vernam dat deze dieren, -door de Spanjaarden uit Europa naar Amerika overgebracht, zich, evenals -de paarden zoo zeer vermenigvuldigd hebben, dat zij nu de Savanne bij -troepen van dertig- en veertigduizend stuks doorloopen. - -Tegen den avond begon in de verte een onweer te grollen en talrijke -bliksemstralen verblindden ons. Wij hadden een afdak gemaakt, voor 't -geval dat de regen naar ons zou toekomen. Gelukkig bleven wij er van -verschoond; maar het was eene nieuwe waarschuwing om onze reis te -verkorten. - - - - -XXXIII. - -DE KONING DER GIEREN.--DE PINOLILLAS.--ANGST VAN DEN ENCUERADO.--DE -TAPIR.--AFSCHEID VAN DE RIVIER.--DE PROOI VAN DEN LEEUW.--EEN SLECHTE -NACHT. - - -Den volgenden morgen vertrok de Encuerado alleen op het vlot; wij -hadden besloten de Savanne te voet door te trekken, om zoodoende voor -een paar uur aan de insecten te ontsnappen, die van onze gedwongen -onbeweeglijkheid gebruik maakten om ons op hun gemak het bloed af te -tappen. Lucien en Gringalet trachtten den Indiaan te volgen, maar deze -werkte zoo goed met zijn boom, dat het vlot als een renpaard -vooruitschoot en hen spoedig vermoeide. - -Troepen zwarte gieren zweefden in de lucht en richtten zich naar een -niet ver van de rivier gelegen punt. Daar de nieuwsgierigheid ons in die -richting heentrok, bleef Lucien, die vooruit was geloopen, eensklaps -staan; ik ging schielijk naar hem toe en in een groot gat met steile -wanden en ongeveer twaalf meters breed, bemerkte ik verscheidene -honderden der afzichtelijke vogels met naakten hals, die elkander het -lijk van een stier betwistten. - -Ik stond op 't punt mij te verwijderen, toen de gieren, die door onze -tegenwoordigheid nauwelijks beangst waren, eensklaps eene levendige -vrees te kennen gaven, hunne prooi in den steek lieten en een wijden -kring vormden. In de lucht had zich een nieuwe gast vertoond, die boven -ons rondvloog. Hij streek zwaar neder en sloeg zijne witte met zwart -omzoomde vleugels toe. De nieuw aangekomene was de _sarcaramphus papa_ -der geleerden, de koning der gieren of koningsgier, een broeder van den -condor. - -De koning der gieren, zooals de Indianen hem noemen, had een zwarten -staart en witte vleugels. De hals was versierd met een kraag van -parelgrijze veertjes en het bovengedeelte van den kop gestreept met -een donker, in regelmatige rijën geplaatst dons; de wangen waren met -levendige kleuren getint, die het witte oog prachtig omlijstten. Zijn -geelachtige bek, van middelmatige grootte, droeg een vleezig uitwas in -den vorm van een klaverblad, waarvan de ornithologen zich tevergeefs -het nut zoeken te verklaren. De prachtige roofvogel wierp een -heerschzuchtigen blik om zich, naderde de prooi en begon zich te -verzadigen. Onophoudelijk kwamen nieuwe gasten aan, die op een afstand -bleven zitten. Gringalet, die met moeite werd tegengehouden, blafte uit -alle macht, zonder dat de vogels er in 't minst acht op sloegen. - -Eindelijk vloog de koningsgier weg; de hongere gasten, door de kracht -van den machtigen tegenstander, wien zij, als bij instinct, den eersten -rang inruimden, in bedwang gehouden, wierpen zich allen te gelijk op den -stier, die onder hun opeengedrongen gelederen verdween. Er ontstonden -tweegevechten, de gebogen snavels botsten met kracht tegen elkander aan -en de slaande vleugels brachten zware verwondingen toe. Ik gaf het -teeken om te vertrekken. - -Wij liepen niet minder dan twee uren eer wij het woud bereikten; wij -hadden ons in den afstand vergist en de wandeling was in een moeielijken -marsch veranderd. Ik vond den Encuerado slapende en meester Job bezig -met de schildpadeieren te ledigen, die onder zijn bereik waren gebleven. -Gringalet nam zijn deel van de door den aap gereedgemaakten struif, -terwijl Sumichrast een kijkje nam in den pot, waarin de schilpad kookte -en ik den Encuerado wakker maakte. Men bevond dat de schilpad goed van -gaarte was; maar toen de Encuerado de verwoesting zag, die onder de -eieren was aangericht, waarin hij gemeend had te zullen smullen, wilde -hij meester Job voor zijne straf een bad geven. Iedereen sprong voor den -schuldige in de bres; onze toegeeflijkheid vond, naar ik vermeen, hare -oorzaak wel wat in de schilpadeieren zelven, waarvan het onstolbaar wit -en zanderig geel ons gehemelte weinig konden bekoren. Gelukkig kon de -Encuerado niet lang boos blijven; hij schonk meester Job vergiffenis, -die tot driemaal toe het moest aanhooren, en dat nog wel voor getuigen, -dat hij zonder hoop op genade een bad zou krijgen, zoodra hij opnieuw -misbruik van vertrouwen zou plegen. - -Eer wij ons weer op het vlot inscheepten, moesten wij onze kleeren -reinigen van honderden _pinolillas_, die wij in Savanne hadden opgedaan -en welke het ons nu lastig begonnen te maken. Deze zwarte insecten, -kleiner dan vlooien, hoopen zich aan de uiteinden der planken op en zijn -gereed zich op het eerste dier het beste te werpen, dat er bij ongeluk -tegenaanstoot. De met haakjes gewapende pooten dringen dan in het -vleesch door en hun hongerige en vergiftige snuit zuigt met kracht het -bloed uit. Het was een zwaar werk om deze lastige parasieten, die hunnen -slachtoffers eene jeukte veroorzaken, welke met het ondergaan der zon -geregeld terugkeert, te verwijderen. - -Tegen vijf uur in den namiddag landde het vlot in eene, door palmboomen -overschaduwde baai. De Encuerado haastte zich om de tijgervellen uit te -spannen en daar de nacht aanbrak, stelden wij ons tevreden met hetgeen -van onze schilpad was overgebleven. De Indiaan, die weinig geloopen had, -nam zijn geweer en liep de rivier langs. Na verloop van een kwartier -uurs kwam hij bleek en geheel ontdaan aanloopen. - ---Zijt gij door eene slang gebeten? riep ik uit. - ---Neen, Tatita," antwoordde hij, geheel buiten adem, »er is mij iets -veel ergers overkomen. Ik heb hem gezien! - ---Wien? - ---Den _ante-burro_," mompelde de Indiaan, een kruis makende. - -De door den Encuerado te kennen gegeven vrees was voor Lucien zoo iets -geheel nieuws, dat hij groote oogen opzette. Hij had meer dan eens -over den _ante_ hooren spreken, een dier zoo groot als een ezel, met -zonderlinge vormen, en dat zich slechts laat zien aan hen, wien hij een -kwaden streek wil spelen. - -»Stel u maar gerust," zeide ik tot den Indiaan; »als gij den ante-burro -gezien hebt, zullen wij hem morgen doodschieten. - ---Men kan den duivel niet doodschieten, Tatita. - ---Met gewone kogels niet; maar wel met die, welke Sumichrast weet te -maken. - -Mijne nieuwsgierigheid was opgewekt; het zeldzame en wantrouwende dier, -waarvan de Indianen als 't ware een fabelachtig wezen hebben gemaakt, is -niet anders dan de tapir, dien ik nog nooit ontmoet had. De Encuerado, -die zoo ontsteld was, dat hij nauwelijks kon eten, vertelde ons, dat hij -den oever van de rivier gevolgd was, die zich op ongeveer vijfhonderd -meters van de plaats, waar wij gekampeerd waren, in eene breedere en -diepere rivier uitstort. Op eene dikke graszode gezeten, zag hij naar de -uitgestrekte bruisende watervlakte, toen de ante-burro eensklaps, als -een los paard springende, op het grasperk was verschenen. - -»En hebt gij er niet op geschoten?" riep mijn vriend uit. - ---Ik heb de vlucht genomen," antwoordde de tijgerjager. - -Sumichrast deelde aan Lucien mede, dat de tapir een verwante is van -de pecaris, dat zijn neus in een niet grijpende slurf eindigt en dat -hij in de eenzaamste bosschen in de nabijheid van waterstroomen leeft. -Hij liet niet na zijn leerling te wijzen op het nadeelige van het -bijgeloof, dat een der vormen der onwetendheid is; zoo beefde dan ook -de Encuerado, dien wij den vorigen dag tijgers, krokodillen en stieren -het hoofd hadden zien bieden, bij de enkele gedachte van zich tegenover -een weerloos plantenetend dier te zien, waaraan zijne verbeelding -fantastische vormen en afmetingen gaf. Hij wilde niet gaan slapen; bij -het geringste geritsel der bladeren meende hij zijn vijand weer te zien. -In plaats van zijne dwaling te bestrijden--wat tot geen uitslag zou -gevoerd hebben--wilde ik hem doen gelooven, dat mijne macht die van den -ante-burro overtrof. - -»Zou ik anders Lucien wel aan 't gevaar blootstellen in zijne nabijheid -te gaan slapen!" - -Sumichrast overhandigde den Indiaan twee kogels, en verzekerde hem, dat -hij slechts behoefde te mikken om daarmede het dier te treffen. Allengs -begon de Encuerado zich gerust te stellen; de gedachte dat hij den -duivel onder zijne vreeselijkste gedaante zou kunnen dooden, prikkelde -zijne eigenliefde, en hij sliep in, zonder twijfel droomende over het -heldenstuk van den volgenden dag. - -Bij het aanbreken van den dag waren wij reeds aan de samenvloeiing der -beide rivieren gekomen; voor ons strekte zich eene prairie, met zwaar -gras bedekt, uit, en als de tapir gedurende den nacht niet verzadigd was -geworden, zou hij zonder twijfel terugkeeren. Sumichrast en Lucien namen -naar links, dicht bij de rivier plaats, terwijl ik achter een boomstam, -bij den ingang van het woud, naast mijn bediende post vatte. - -Er verliep meer dan een uur. Fraaie vogels kwamen dicht bij ons -neervliegen en drie chachalacas gingen boven onze hoofden zitten. Ik -begon te gelooven dat wij de huid van den tapir wat te vroeg verkocht -hadden, want wij waren overeengekomen dat mijn vriend alleen eene -verdedigende houding zou bewaren opdat de Encuerado zich kon overtuigen, -dat men een ante-burro kan dooden. Eensklaps week het riet vaneen en -twee dikhuiden vertoonden zich op het grasveld. De Encuerado maakte een -aantal kruisjes. - -»Schiet," sprak ik met zachte stem en mik op het voorhoofd. Het schot -viel en de tapirs sloegen op de vlucht; een hunner viel echter op den -grond eer hij het water bereikt had en liet een dof geknor hooren; hij -was dood toen ik bij hem kwam. - -De Encuerado onderzocht het lijk, hetwelk ongeveer een meter lang was; -wat de grootte, die hij aan het dier toeschreef, aanmerkelijk -verminderde. - -»Gij hebt den duivel gedood," zeide Lucien hem, die op zijne beurt den -zonderlingen dikhuid onderzocht. - ---Ja, Chanito, met behulp van den betooverden kogel; maar de duivel is -zoo dom niet, hij zal weer in het lichaam van een anderen ante-burro -herleven." - -Daar de Encuerado bepaald weigerde den tapir aan te raken, nam -Sumichrast op zich om van het dier, welks vleesch wij wilden proeven, -enkele stukken af te snijden. Al onze pogingen om den Encuerado van -zijne dwaling te overtuigen, waren vruchteloos. Zijn vindingrijke geest -verwrong al onze bewijsgronden. Dat de tapir niet grooter was, dat hij -zich had laten treffen, dat de kogel hem geraakt had, kwam omdat wij -tooverwoorden kenden, om de kunstenarijen van den duivel onschadelijk te -maken; maar willen staande houden dat de satan niet in het lichaam van -den ante-burro huist, dat de door den duivel bezetene zich niet naar -willekeur kon opblazen, dat hij dengenen, dien hij kan bereiken, niet -met den dood treft,--evengoed zou men het bestaan der Engelen kunnen -loochenen! - -Al gevoelde de jager zich voor het oogenblik ook bij machte om nog een -anderen tapir te trotseeren, dan, hij verheelde het niet, zou hij, in -zijne hoedanigheid van Christen, de vlucht nemen voor een nieuwen -ante-burro, als zijn tweede kogel verschoten was. - -Het vleesch van den dikhuid had wel wat weg van dat van den pecari, -maar met een minder merkbaren wildsmaak. Tegen den middag werden de -tijgervellen opgenomen en weldra dreef het vlot opnieuw op de beide -vereenigde rivieren. Wij hadden er eerst aan gedacht om de golf van -Mexico te bereiken, maar het te ver gevorderde jaargetijde stond dezen -tocht niet toe. Tegen den avond verduisterde een nieuw onweer den -horizon; de regen viel met geweld neder, terwijl de donder in de verte -ratelde. Opeengedrongen in eene in haast opgeslagen hut, aangevallen -door duizende insecten, die wij trachtten te verdrijven door te rooken, -besloten wij, dat het vlot den volgenden dag zijne reis alleen naar de -zee zou vervolgen en dat wij den tocht in den vorm van een hoefijzer -zouden besluiten met tot ons punt van uitgang terug te keeren. Lucien -ontroerde bij de gedachte dat hij zijne moeder, broertjes en zusjes zou -terugzien; de Encuerado die te vroolijker werd, naarmate hij zich meer -van de verblijfplaats der tapirs verwijderde, deelde het nieuws aan -Gringalet mede, die met blaffen antwoordde. - -De volgende dag werd besteed met het in orde brengen van de bagage. -Jaunet en Verdet zouden de reis op de mars doen en meester Job nu eens -op den schouder van Sumichrast, dan weder op den mijnen. Eenige in de -braadpan gelegde bladeren waren voldoende voor de genoegzaamheid van de -zwaarmoedige Rougette. - -In den schemeravond vervroolijkten duizenden vogels ons bivak. De -Encuerado sneed het meertouw van het vlot door, bedankte het vaartuig -voor de diensten, die het ons bewezen had en wenschte het eene goede -reis. Terwijl ik het zwakke vaartuig den stroom af zag zakken, gingen -twee reigers er zich op neerzetten en met deze gevederde bemanning -beladen verdween het uit 't gezicht. Bij het aanbreken van den dag was -iedereen op de been; de tapirrivier, zooals Lucien haar gedoopt had, -werd met drie hoera's begroet en de kleine troep volgde Sumichrast, die -meester Job droeg, op den voet. Jaunet en Verdet van voren naar achter -heen en weer geschud, trokken een droevig gezicht. Tevergeefs beschreef -de Encuerado hun de wonderen der stad, waarheen men hen voerde, de arme -vogels bleven stil alsof zij de zeeziekte hadden. Wij trokken een groot -bosch door, waarna de kleine troep op eene uitgestrekte vlakte kwam. -De warmte overstelpte ons en onze vracht drukte vreeselijk op onze -schouders. Dat kwam doordien acht dagen rust ons reeds verweekelijkt -hadden en meester Job, die toch niets woog, moest het dikwijls -aanhooren, dat zijne zwaarte hem verweten werd. - -Na de prairie kwam een doodsch en stil bosch van palmboomen. Mijn vriend -nam de voorhoede en geleidde ons door de eenvormige stammen. Slangen -en raven, en dan enkele _sacuas_, een soort vogel met bruin en zwart -gevederte en gelen staart, waren de eenige levende wezens, welke wij -op onzen weg ontmoetten. De muskieten kwelden ons bijna evenveel als -op de oevers der rivier; eindelijk moesten wij, door de vermoeidheid -overwonnen, kampeeren; ons middagmaal bestond slechts uit maïskoeken; -maar onze papegaaien en meester Job vergastten zich op kleine -cocosnooten, die men _coyoles_ noemt. - -Bij het aanbreken van den dag gaf ik het teeken tot vertrek, en geleidde -ik, op mijne beurt, de karavaan. Wij moesten verscheidene open plaatsen -en daarna eene kleine savanne doortrekken, waar het hooge gras onzen -marsch vertraagde. De plantengroei nam weer eene andere gedaante aan, -de styrax- en ebbenhoutboomen vertoonden zich opnieuw en eene menigte -parkieten maakten door hun gesnap Jaunet en Verdet wakker. Een damhert -vluchtte voor ons en eene kleine beek versperde ons den weg. - -Toen het bivak was opgericht bemerkte de Encuerado eene kreeft, waarna -hij met Lucien op de schaaldieren jacht maakte. Ik volgde met Sumichrast -het spoor van het damhert; nauwelijks hadden wij een afstand van -vijfhonderd schreden doorloopen, of een heuvel verhief zich voor ons. -Ik beklom hem en mijne blikken verloren zich in eene savanne, die zich -uitstrekte zoover het oog reikte en waarvan het hooge gras op een rijpen -korenoogst geleek. Sumichrast, die halverwege was blijven staan, riep -mij, door het geluid van den uil na te bootsen; ik ging zonder geraas -naar hem toe en mijn makker toonde mij tusschen de boomen een damhert, -dat rustig graasde en hetwelk zijn besluiteloos heen en weer loopen -zeker in onze nabijheid zou brengen. Ik ging naast mijn vriend op den -loer staan, vol bezorgdheid het gaan en komen van het sierlijke dier -bespiedende; het hief tot tweemaal toe den kop op en gaf blijken van -eene onbestemde ongerustheid. - -Vreezende dat het ons zou ontvluchten, wilde Sumichrast schieten, toen -het hert opsprong en onder het gewicht van een leeuw ineenzakte. Ik -schoot mijn geweer af; het roofdier brulde, sleepte zijne prooi een -twintig schreden voort en verdween toen. - -Op het hooren van mijn schot kwam de Encuerado, door Lucien gevolgd, -aanloopen, en begon onmiddellijk eenige stukken van het dier af te -snijden, terwijl Sumichrast en ik den omtrek goed in 't oog hielden, uit -vrees dat de woeste jager mocht terugkeeren. Hij, van zijn kant, had ons -in 't oog gehouden; want nauwelijks hadden wij de overblijfselen van het -hert laten liggen of hij brulde en kwam terug om bezit van zijn aandeel -te nemen. Dit wildbraad en een dertigtal kleine kreeften, door de twee -vrienden gevangen, troostten onze magen over het magere maal van den -vorigen dag. - -Van den top van den heuvel woonden wij het ondergaan der zon bij; eene -stevige koelte bracht het hooge gras in beweging en deed het als eene -vloeibare vlakte golven. Aan onze rechterhand teekenden de Cordilleras -hunne blauwe lijnen af, en de vulkaan van Orizava, waaromheen wij een -grooten boog beschreven hadden, vertoonde zich in het Westen. Van nu af -moest de berg ons tot kompas dienen; maar de onmetelijke savanne, die -zich voor ons uitstrekte, maakte mij voor mijn jongen metgezel bevreesd. - -»Moeten wij die groote vlakte doortrekken?" vroeg hij. - ---Ja, beste Zonnestraal, dat is de kortste weg om Orizava te bereiken. - ---Maar hoe moeten wij door dat gras komen, dat hooger dan u is. - ---Daar ligt de moeielijkheid niet; ten koste van een weinig arbeid, zal -het ons wel een doortocht verleenen. - ---Hoeveel uren hebben wij wel noodig om die savanne door te trekken? - ---Hoeveel uren! gij bedoelt zeker minstens drie of vier dagen. - ---Hm!" gaf mijn arme, lieve jongen ten antwoord. - -De koelte nam toe; groote zwarte wolken stapelden zich boven ons op; -snelle bliksemstralen doorkliefden de lucht. Zware regendruppels -ratelden op de bladeren, zoodat wij ons haastten in de hut terug te -keeren. Een donderslag weerklonk, en de regen, door den wind opgezweept, -maakte ons onder ons afdak nog nat. Weldra ontstond er een vreeselijk -geraas; de wind deed de boomen buigen, de bliksemschichten volgden -elkander zonder tusschenpoozen op en verblindden ons door hun rood of -blauw licht. Jaunet en Verdet sliepen niet meer en meester Job liet -zekere ongerustheid blijken. - -Het vuur was uitgegaan en het water stroomde over den grond. Slechts de -Encuerado kon te midden van het geraas der ontketende elementen en op -een drassig geworden grond slapen. Eindelijk verwijderde de donder zich; -maar de regen bleef gedurende vier uren onophoudelijk vallen. Wij waren -nat tot op de huid en Lucien klappertandde, niettegenstaande Sumichrast -en ik hem tusschen ons beiden beschut hadden. De wolken openden zich -evenwel en eenige sterren begonnen te schitteren. - -Tegen middernacht hernam de opgehelderde lucht hare azuurblauwe tint en -de maan verlichtte flauwtjes het bosch. De Encuerado, die wakker was -gemaakt, hielp ons het vuur weer in orde brengen, maakte een kop koffie -gereed, en allen gingen wij slapen, na eerst andere kleeren te hebben -aangetrokken en den versterkenden drank te hebben genoten. - - - - -XXXIV. - -VERTREK.--DE SAVANNE.--DE DRAAGBAAR.--VERDWIJNING VAN DEN -ENCUERADO.--WIJ LATEN JAUNET EN VERDET AAN HUN LOT OVER.--MEESTER JOB -WORDT TER DOOD VEROORDEELD. - - -De Encuerado liet ons een gat in den dag slapen. Het den vorigen dag -gedoode wild, door de roofdieren half afgeknaagd, gaf reeds een weinig -aanlokkelijken geur af; maar de Indiaan was op de kreeftenvangst gegaan -en de opbrengst was voldoende om ons te verzadigen. Nu werd de moeilijke -vraag over het vertrek opgeworpen. Sumichrast wilde eene schuinsche -richting inslaan, om te trachten prairieën te bereiken waar het gras -minder hoog was dan dat, hetwelk wij voor oogen hadden en waar de -aanwezigheid van heesters den marsch minder eentonig zou maken. De -Encuerado was van een tegenovergesteld gevoelen; volgens hem moesten -wij maar flinkweg de Savanne in de geheele lengte doortrekken; dat was -wel een moeielijke marsch van drie of vier dagen het hoofd bieden, maar -men zou althans het doel bereiken, want over het algemeen worden de -prairieën van 't Noorden naar 't Zuiden smaller. Ik deelde het gevoelen -van den Indiaan en onze bewijsgronden overtuigden onzen metgezel. - -Zoo zonder beschutting en beladen als wij waren onder de stralen van een -loodrecht staande zon te loopen, zou eene zinneloosheid zijn geweest. Ik -besloot derhalve dat wij eerst tegen den avond zouden opbreken en dat -wij slechts des nachts zouden reizen. Lucien was daarover in de wolken. - -De Encuerado maakte lange staken, die, in den grond gestoken zijnde, -dienen moesten om de huiden op te doen rusten en zoo eene soort van -tent te vormen. De bagage werd gelijkelijk verdeeld en alle nuttelooze -ballast weggedaan; ik telde onze maïskoeken, die ons eenig voedsel -zouden uitmaken. Zonder ons al te zeer op rantsoen te moeten stellen, -hadden wij gelukkig nog voor acht dagen levensmiddelen. Het water maakte -ons het meest bezorgd. De waterflesschen werden tot aan den hals gevuld -en luchtdicht gesloten. De Encuerado stelde toen voor nog wat kreeften -te vangen; die dieren hebben een taai leven en vijf of zes dozijnen -waren voldoende om ons twee of drie maaltijden te verschaffen. - -Het voorstel van den Encuerado werd met algemeene stemmen aangenomen; -hij bracht ons op den oever der beek, op een plek, waar hij 's morgens -stukken vleesch had neergeworpen. De kreeften hadden zich in menigte -om dit lokaas verzameld; Lucien en zijn vriend vingen er eene groote -hoeveelheid van. Een tatoe, door Sumichrast gedood, kwam in den pot, -waar de rijst reeds kookte; daarna ging men in de schaduw liggen om zich -tot den eersten dagmarsch voor te bereiden. - -Tegen vier uur werden wij door den Encuerado geroepen. Het middagmaal -werd zeer vroolijk gebruikt; men sprak over niets anders dan over de -thuiskomst; het was, alsof wij reeds aan ons einddoel waren. Ik bood -den gasten een druppeltje cognac aan, dat op mijne gezondheid gedronken -werd--welke beleefdheid ik moest beantwoorden door opnieuw de kostbare -flesch te ontkurken. Als men ons zoo over de doorgestane beproevingen -hoorde praten, zou men een oogenblik hebben kunnen meenen, dat Orizava -achter den heuvel lag, welke boven de beek uitstak. De ondergaande zon -riep ons tot de werkelijkheid terug. Iedereen nam zijne vracht op en -Sumichrast trad het eerst tusschen het hooge gras, van nabij door Lucien -gevolgd. - -»Welnu, meester Zonnestraal, nu zijt gij even goed verborgen achter deze -dorre halmen als in een woud. Zijn uw laarzen goed ingesmeerd? Gij weet -dat wij gedurende een paar weken door deze vlakten moeten marcheeren." - -»Waar zijn dan de wilde stieren en paarden?" - ---God geve, dat wij ze spoedig mogen ontmoeten; in de eerste plaats -omdat zij ons den weg naar de poelen en rivier zullen wijzen, waar zij -hunnen dorst lesschen en ten tweede, omdat zij ons, zoo noodig, eene -goede schotel zouden bezorgen. - ---Valt er dan in de Savannen niets te jagen? - ---Niet als het gras zoo hoog is. De dieren wagen zich niet in deze -eenzaamheid, tenzij een boschje hen mocht aantrekken. - ---En de vogels? - ---Die zullen niet te voorschijn komen voor en aleer het gras kort bij -den grond zal groeien, uitgezonderd de roofvogels, die misschien boven -ons zullen zweven als boven eene prooi. - -Gringalet, die verplicht was in het pad te blijven, dat door Sumichrast -gemaakt was, scheen geheel teleurgesteld, dat hij niet als naar gewoonte -links en rechts kon rondspringen. Ik merkte op dat hij van tijd tot tijd -jankte en achterwege bleef. - -»Is de Encuerado dan aan 't hoofd van den troep?" vroeg ik mijn vriend. - ---Neen, ik open den marsch. - ---Ohé! Ohé! riep ik. - ---Hioe, hioe, antwoordde in de verte de stem van den Indiaan, die na -vijf minuten weer bij ons was en door Gringalet met liefkoozingen werd -overladen. - ---Zijt gij van plan om te verdwalen? Wat is er gebeurd? - ---Niets, Tatita niets; dat wil zeggen, dat gij 't wel zult zien...., als -'t lukken wil... - ---Wat? - ---Dat zult gij wel zien," hernam de Indiaan, knipoogende en bij -zich-zelven lachende. - -Hij ging nu weer achter Lucien loopen. - -Gedurende meer dan een uur werd er geen woord gewisseld; wij liepen -in een halfdonker voort en onze stemmen, waarmede wij beurt om beurt -Gringalet riepen, bewezen ons, dat wij allen bijeen waren. De maan kwam -uit de wolken te voorschijn; maar verloren tusschen het reusachtig gras, -liet de beperkte horizon ons niet toe, de wonderbare lichteffecten, die -zij moest voortbrengen, te aanschouwen. - -Jaunet en Verdet werden twee- of driemaal wakker en begonnen te -keuvelen; zij werden zoo luidruchtig dat Sumichrast zich omkeerde. - -»Wat drommel vertellen uwe papegaaien toch?" vroeg hij den Indiaan. - ---Ik heb het maar half verstaan," antwoordde de Encuerado »maar wat -zouden zij anders kunnen zeggen, dan dat wij moesten slapen, in plaats -van in de maneschijn te wandelen? - ---En zegt gij hun dan niets terug? - ---Waartoe zou dat dienen? Ik heb hun gisteren alles aan 't verstand -gebracht,--des te erger voor hen als zij 't niet begrepen hebben." - -De marsch werd voortgezet; meester Job, die op mijn arm sliep opende -slechts de oogen om van plaats te veranderen. - -[Illustratie: Lucien begon hen opnieuw de namen van Hortense en Emile - voor te zeggen. (blz. 305)] - -»Sla een weinig rechts af! Tatita Sumichrast," riep de Encuerado -eensklaps uit. - ---Waarom dat? - ---Zie maar eens achter u. - -Ik keek om, en in de verte bemerkte ik het schijnsel van een groot vuur. -De Indiaan had van onzen slaap gebruik gemaakt om op den top van den -heuvel eene groote houtmijt op te richten en bij het vertrek was hij in -gebreke gebleven haar in brand te steken. Lucien zag, op den schouder -van Sumichrast gezeten, een zwaren rook ten hemel stijgen; plotseling -schoten heldere vlammen te voorschijn en weerkaatsten zich, zonderling -genoeg voor ons, als op de oppervlakte van een meer. Onze marsch werd, -dank zij dit richtpunt, zekerder; maar allengs verminderde het vuur en -weldra zagen wij niet meer dan eene rookzuil die, daar er geen wind was, -recht omhoog steeg. - -Wij marcheerden zonder ophouden gedurende meer dan vijf uren; ik stelde -eene halt voor. Wij behoefden ons slechts op het gras uit te strekken -om een zacht bed te vinden, en Lucien sliep spoedig in. Lang voor het -aanbreken van den dag wekte de Indiaan ons, en na goed zijne richting -te hebben genomen, voerde hij ons aan. Niettegenstaande de half geuite -klachten van Lucien, werd de marsch met kracht hervat. Bij den eersten -zonnestraal klom ik op de schouders van Sumichrast, om den horizon te -onderzoeken. Rechts bespeurde ik de blauwachtige, door den vulcaan -beheerschte bergen; en verder om ons heen eene effene vlakte, die -door den morgenwind bewogen werd. De in den grond gestoken staken -ondersteunden de aaneen bevestigde tijgervellen. Er werd eene groote -oppervlakte ruim gemaakt en een in den grond gemaakt gat diende voor -haard. Onze kreeften waren goed versch gebleven. Terwijl de Encuerado -ze in het gat roosterde, bewaakte ik met Sumichrast de richting van de -vlam, want voor onze veiligheid moesten wij zorg dragen de Savanne niet -in brand te steken. Door onze waakzaamheid gelukte het ons het vuur -binnen zijne perken te houden, maar de half verkoolde kreeften smaakten -zoo naar den rook, dat ik dacht, dat wij ze niet zouden kunnen eten. Een -weinig piment hielp evenwel om ze door te slikken, en toen het uur van -rusten daar was, werd het vuur zorgvuldig uitgedoofd. - -Ik werd tegen den middag wakker, half geblakerd door de zon, die de -schaduw had verplaatst. Ik schudde mijne makkers wakker, opdat zij van -plaats zouden veranderen, en Lucien, die de opvoeding zijner papegaaien -niet wilde verwaarloozen, begon hun opnieuw de namen van Hortense en -Emile voor te zeggen. De warmte deed ons bijna stikken en ik raadde den -knaap aan, opnieuw te gaan slapen. - -Bij het ondergaan der zon vatte de Encuerado zijne mars weer op en nam -de voorhoede in. Deze tweede nacht ging evenals de eerste voorbij en -wij hadden minstens acht mijlen afgelegd. Lucien kon niet meer, zoodat -wij een weinig voor het aanbreken van den dag moesten kampeeren. De -gerookte kreeften maakten andermaal onzen maaltijd uit; Jaunet en Verdet -beklaagden zich, naar het zeggen van den Encuerado, dat zij niets anders -dan palmnoten te knabbelen kregen. Meester Job nam zonder tegenstand de -kreeften aan en peuzelde ze op, zonder ze van de schaal te ontdoen. - -De derde nachtmarsch, door vijf of zes halten onderbroken, werd tot den -ochtendstond voortgezet. - -Bij de eerste schemering onderzocht ik opnieuw den gezichteinder;--nog -altijd de blauwachtige bergen aan de rechterhand, en verder overal de -eenzame, doodsche vlakte. Dien dag moest men zich met maïskoeken -tevreden stellen; maar de hoop, dat wij eindelijk het bosch zouden -bereiken, beurde zelfs onzen kleinen reisgezel op. »Nog een nacht," -herhaalden Sumichrast en de Encuerado, »en rust en overvloed wachten -ons." - -De vierde marsch was veel moeielijker, vooral voor den armen Lucien, -die soms hinkte. »Wij zullen spoedig boomboschjes en kudden ontmoeten," -sprak Sumichrast tot hem; »'t is onze laatste beproeving. Na zoo dapper -de groote wouden doortrokken te zijn, zult gij u toch zeker niet door de -savannen willen laten overwinnen." - ---»Neen," antwoordde de wakkere knaap; »ik zou zelfs vlugger willen -vooruitkomen als ik kon; ik weet dat ik mijne lieve moeder zal weerzien; -maar mijne voeten doen zoo'n pijn." - ---He, Chanito, gij hadt niet gedacht dat de savannen zoo groot waren? - ---»Noch zoo droevig," antwoordde Lucien. - -De dag brak aan. Ik peilde opnieuw den gezichteinder, zonder iets anders -te zien dan hemel en gras. »Ik vrees, dat wij op een verkeerden weg -zijn," sprak ik tot den Encuerado, »God geve, dat wij niet gedurende -drie dagen op goed geluk af ronddraaien." - ---Neen, Tatita, de vulkaan is altijd rechts. - ---»Op den afstand, waarop wij er ons van bevinden, kunnen wij twintig -mijlen afwijken, zonder er erg in te hebben." - -De Indiaan klom op zijne mars en onderzocht nauwkeurig de gedaante van -de bergen. - -»Wij zijn op den goeden weg," sprak hij met overtuiging, »de savanne is -lang, dat is alles." - -De verzekering van den Encuerado stelde mij slechts ten halve gerust. -De voeten van Lucien kwamen vol blaren; hij kon niet langer de groote -marschen volhouden, die wij verplicht waren te doen. Dat loopen in de -eenzaamheid en de duisternis vermoeide hem buitengewoon. Een weinig voor -het aanbreken van den nacht, maakte ik den armen jongen wakker en nam -hem bij de hand; hij kon zijne voeten nauwelijks neerzetten. Eensklaps -bemerkte ik, dat hij schreide; ik nam hem op mijne armen en daar viel -hij in slaap. - -Het was nauwelijks tien uur in den avond; ik kon er niet toe besluiten -een nacht te verliezen en onder de stralen van een rechtstaande zon -konden wij niet op den dag marcheeren. De Encuerado maakte met behulp -van de riemen en staken, die dienden om onze tent te ondersteunen, een -draagstoel van eene nieuwe soort, waarop wij den knaap lieten zitten. -Sumichrast vatte de stokken, teneinde mij onzen lieven reismakker te -helpen dragen. Dien nacht verrichtten mijn vriend en ik wonderen, wij -moesten honderdmaal stilstaan, om de verdooving uit onze armen te -verdrijven, maar wij hadden verscheidene mijlen afgelegd. De dageraad -brak nauwelijks aan, of ik ondervroeg weer den gezichteinder:--helaas! -er was niets veranderd; ik bemerkte slechts troepen zwarte gieren en -hunne tegenwoordigheid scheen mij niets goeds te voorspellen. - -Sumichrast, die de staken in den grond had geslagen, om de tijgerhuiden -er over te hangen, wierp zijn machete naar den kant van de mars toe. Bij -het neervallen stiet de punt van het wapen tegen de reserve-waterflesch, -die barstte, zoodat de inhoud er uitvloeide. De Encuerado uitte een -kreet en zag ons met vertwijfeling aan,--dit ongeval maakte onzen -toestand bijna wanhopig. Sumichrast ging met het hoofd in de handen -zitten en scheen zoo terneergeslagen, dat ik hem trachtte op te -beuren.--Ik ging naast Lucien liggen, wiens voeten hoe langer zoo meer -opzwollen; na eene korte rust genomen te hebben, stelde ik voor den weg -te hervatten en de zonnestralen te trotseeren; maar deze onzinnige -onderneming moesten wij weldra opgeven. - -Bij de eerste schaduw de beste nam de knaap weer op de draagbaar plaats. -Treurig omdat hij zich niet op de been kon houden, leed hij onder onze -inspanning en omhelsde hij ons telkens, als wij staan bleven om adem -te scheppen. Wij drukten hem in onze armen en omhelsden hem; deze -liefkoozingen hernieuwden onzen moed. Niettemin was deze nacht nog -moeielijker dan de vorige; de dorst kwelde ons, en het voedsel, waartoe -wij veroordeeld waren, herstelde slechts ten deele de verloren krachten. -Evenals den vorigen dag, werd de gezichteinder met koortsachtigen angst -onderzocht en ook nu nog bespeurden onze blikken niets dan de -uitgestrekte vlakte. - -Wij hielden raad; helaas! er bestond slechts één redmiddel om uit onzen -toestand te geraken: n.l. loopen. - -»Zullen wij dan verplicht zijn meester Job op te eten!" had de Encuerado -gevraagd. - -Lucien had zijne armen naar het ongelukkige dier uitgestrekt, als om het -te beschermen. Ik had het voorstel van den Indiaan ook verworpen; maar -ik moest bij mij zelven bekennen, dat wij binnen vier en twintig uren -tot dat uiterste zouden gedwongen zijn. - -Het was de 21 Juni, juist twee maanden nadat wij Orizava hadden verlaten -en op het punt waren van thuis te komen. Toen wij meenden van alle -ernstige ongevallen bevrijd te zijn, kwam die eindelooze savanne hare -woeste vlakte voor ons uitbreiden. Wij werden zichtbaar mager en het -water, dat ons overbleef, werd druppelsgewijze door Lucien opgedronken. -Nog één dag, en onze maïskoeken zouden op zijn en wat hielp ons onze -rijst zonder water? De vermoeidheid overwon onze bezorgdheid en wij -sliepen in. - -Ik werd tegen vier uur in den middag wakker; ik klom op de mars om de -ruimte te overzien en riep daarna den Encuerado. Weldra voegden de -stemmen van Sumichrast en Lucien zich bij de mijne, om den naam van den -Indiaan te herhalen,--vergeefsche moeite, ons schreeuwen bleef zonder -antwoord. Ik klom op de schouders van Sumichrast; voor mij was het gras -door eene voor doormidden gesneden. Dat was de weg, dien onze makker -zich gebaand had, die, wij konden er niet meer aan twijfelen, van onzen -slaap gebruik had gemaakt om zich met Gringalet te verwijderen. - -»Dat is onmogelijk!" riep ik uit, op eene zwijgende ondervraging van -mijn vriend antwoordende; »neen, de Encuerado kan ons niet in den steek -hebben gelaten!" - -De geheele nacht ging in wachten voorbij, de Indiaan had zijn geweer -meegenomen en ik begon te vreezen dat hij, bij het zoeken naar een buit, -in de vlakte verdwaald was geraakt. Wij luisterden zonder ophouden toe; -ik schoot herhaalde malen mijn revolver af; maar de knal stierf zonder -echo weg. De dag brak aan. - -Gedurende twee uren beschreef ik groote kringen om ons kamp, vreezende -dat de Encuerado misschien in een gat kon gevallen zijn; maar in dat -geval zou het blaffen van Gringalet ons gewaarschuwd hebben. Een vlug -besluit was onvermijdelijk. Lucien, die twee dagen had uitgerust, moest, -het kostte wat het wilde, loopen. De bagage werd op goed geluk af op -eenen hoop bijeengezet; ik gaf Jaunet en Verdet de vrijheid, en liet -den armen vogels den zak rijst, dien wij niet konden medenemen. Daarna -maakten wij ons, met onze geweren en helaas! bijna ledige veldflesschen -beladen, gereed om ons te verwijderen, zonder dat wij den moed hadden -Lucien, die meende dat wij zijn vriend te gemoet gingen, uit de dwaling -te helpen. Na den horizon onderzocht te hebben, plaatste ik meester Job -op mijn schouder en opende ik voor mijne makkers den weg. - - - - -XXXV. - -DE DORST.--TERUGKEER VAN DEN ENCUERADO.--DE KLEINE ZWERFTOCHT.--JAUNET, -VERDET EN ROUGETTE.--JACHT OP WILDE PAARDEN.--EEN MONSTER.--LAATSTE -AVONTUUR.--HET GEMATIGDE LAND. - - -De onderneming bleek boven onze krachten te zijn; hijgende, stikkende, -door den dorst gekweld, betreurde ik het, dat wij niet gedurende den -nacht gemarcheerd hadden. Wat zouden wij niet gegeven hebben voor een -dier onweders, die ons acht dagen te voren zoo hinderlijk waren geweest? -Maar het uitzicht van den hemel ontnam ons zelfs deze laatste hoop. - -In den namiddag deelde ik eenige stukken maïskoek uit en moest men zich -met een slokje water tevredenstellen. Lucien klaagde niet meer; maar de -vermoeidheid en zijne pijnlijke voeten verwekten verschijnselen van -koorts, waarover ik mij ongerust begon te maken. - -»Ik heb dorst", herhaalde hij zonder ophouden; »mijne voeten doen erg -zeer; maar ik zou genezen zijn, als ik kon drinken." - -Herhaalde malen reikte mijn vriend hem zijne veldflesch over,--dan was -zijne marteling een weinig minder, doch zij keerde weldra terug. De -nacht naderde en wij maakten ons gereed tot een wanhopigen marsch. Een -slokje cognac verschafte ons schijnbaar kracht, waarvan ik besloot -gebruik te maken. Nog vóór de zon onderging, nam ik Lucien op mijne -schouders en ging ik vooruit. Ik moest twintigmaal stil blijven staan -om adem te scheppen en twintigmaal werd de marsch weer hervat. Lucien -volgde ons nu en dan hinkende. Tegen tien uur waren onze krachten -uitgeput doch gelukkig vertoonde zich een goed voorteeken: het gras werd -minder hoog. - -»Wij zijn gered!" riep ik uit. - ---Drommels, drommels!" antwoordde Sumichrast met zijne gewone -koelbloedigheid, »'t werd tijd." - -Na eene vrij lange rust maakte ik mij gereed om Lucien te wekken, toen -ik een dof geluid meende te hooren. Ik schoot op goed geluk mijn geweer -af; maar het schot stierf zonder echo weg,--wij hadden ons vergist. - -De arme Lucien stond op en zijn eerste woord was ons wat water te -vragen; ik gaf hem eenige druppels met cognac vermengd. - -»Wat zou mama bedroefd zijn," zeide hij »als zij wist dat wij geen water -hebben." - ---»Dat is mijne schuld," riep Sumichrast uit, zijn gelaat met de handen -bedekkende. - ---»'t Gaat al beter, ik heb geen dorst meer," sprak de knaap, die naar -Sumichrast toeijlde en hem omhelsde. »Komt, laat ons loopen; gij zult -zien dat ik bijna niet meer hink." - ---»Gij hebt gelijk, op weg!" herhaalde Sumichrast. Hij beurde Lucien met -kracht op en begon met vaste schreden te loopen. Ik nam meester Job op, -die zeker wel verbaasd over deze nachtelijke reizen moet geweest zijn. - -Eensklaps weerklonk een dof geluid; ditmaal hadden wij ons niet vergist. -Ik bleef staan om beter te kunnen luisteren; een schot deed de lucht -trillen. - -»De Encuerado!" riep ik uit. - -Ik omhelsde Lucien herhaalde malen, Sumichrast schoot zijn geweer af en -een nieuwe losbranding beantwoordde zijn schot. Ik had, op mijne beurt, -de oogen vol tranen. - -Het geraas naderde; men hoorde het galoppeeren van een paard, een bekend -blaffen weerklonk. - -»Gringalet," sprak Lucien. - ---Hioe.... hioe... hioe... Chanito!.... - -Onze ontroering liet ons nauwelijks toe antwoord te geven op het roepen -van den Indiaan, die van zijn paard sprong en op den knaap toeliep, -wiens hoofd hij tegen zijne borst drukte. Gringalet ging geheel uitgeput -op den grond liggen, na met zijn neus tegen onze beenen gewreven te -hebben. - -Ik naderde den Encuerado, toen zijne oogen zich eensklaps sloten; hij -sloeg zijne armen uit en viel als levenloos neder. Ik ijlde op hem toe -en ontrukte hem zijne veldflesch; zij was vol! Door Sumichrast geholpen, -goot ik eenige druppels cognac tusschen zijne opeengeklemde tanden. -Langzamerhand kwam hij weer bij kennis en zag ons verbaasd aan. - -»Drink," zeide ik hem. - -Hij bracht de flesch aan zijne lippen en riep uit: - -»'t Is voor Chanito." - -Ieder dronk op zijne beurt; daarop gaf de Indiaan ons een stuk -geroosterd vleesch. Ik droeg zorg de porties te verdeelen. - -»Eet gij op uw gemak," sprak ik tot den Encuerado. - ---O, ik heb even goed honger als gij; sedert ik u verlaten heb, heb ik -noch gegeten noch gedronken. - -De bezwijming van den braven Indiaan week nu. Ik zag hem met -verwondering aan. - -»Als ik gegeten of gedronken had, zou ik hebben willen slapen," -antwoordde hij op den eenvoudigsten toon van de wereld, »en wat zou er -dan van u geworden zijn? Maar honger en dorst hebben mij zóó geprikkeld, -dat ik geen oogenblik verloren heb." - -»Dat is krankzinnigheid," riep ik uit. - -»Eene heldhaftige krankzinnigheid," herhaalde Sumichrast, de hand van -den Indiaan drukkende. - -»Neen," sprak hij, »gij moet mij niet voor krankzinnig aanzien, ik heb -naar mijne beste weten gehandeld." - ---»Groot kind," hervatte ik, »gij hadt uwe krachten moeten herstellen; -als zij u verlaten hadden, wat zou er dan van ons worden! - -De Encuerado hoorde mij niet meer; hij was in een diepen slaap gevallen. - -Wij volgden zijn voorbeeld. - -Bij ons ontwaken besteeg de Encuerado zijn paard, een jongen -appelgrijzen schimmel met somber en vurig oog, dat hij liet zwenken, -nam Lucien vóór zich en ontlastte mij van meester Job. Toen de voor -volgende, die wij op onzen marsch in het gras gemaakt hadden, voerde -onze gids ons naar onze bagage terug, die wij dachten dat door Jaunet en -Verdet wel verlaten zou zijn. - -»Wij hebben veel naar je gezocht," zeide Lucien tot zijn vriend »en -wij waren zeer bedroefd over je vertrek. Papa vreesde eerst dat je een -ongeluk was overkomen; maar Gringalet was bij je." - ---Waarom zijt gij vertrokken zonder ons te waarschuwen? vroeg -Sumichrast. - ---Omdat gij mij belet zoudt hebben mijn plan te volgen. Toen wij zijn -gaan liggen, hield ik mij alsof ik sliep; maar ik dacht er aan, dat onze -voorraad weldra op zou zijn, dat Chanito weldra niet meer in staat zou -zijn te loopen en dat die drommelsche mand onzen marsch zou vertragen. -Ik was overtuigd, dat wij spoedig bosschen en kudden moesten ontmoeten. -Ik ben niet bang voor de zon; ge waart dan ook nauwelijks ingeslapen of -ik ben naar de flesch cognac gegaan en heb er twee of drie slokken -uitgenomen... - -Bij deze bekentenis zag de Indiaan mij angstig aan. - -»Gij hadt de geheele flesch meê moeten nemen," riep ik uit; »gij wist -wel dat wij er nog een hadden. Maar vertel verder." - ---De cognac is een goede raadgever, Tatita; hij zeide mij: ga, ga -dadelijk. Toen heb ik mijne flesch en mijn geweer genomen en heb ik -Gringalet zachtjes geroepen. Eenmaal buiten het bereik van uwe ooren, -heb ik den looppas aangenomen, zooals gij dat noemt. Als gij de tong -van Gringalet eens gezien hadt, Chanito, hij had eenen dorst!... - ---»En gij dan?" - ---Ik ook; maar om te kunnen drinken, moest ik eerst loopen; ik had -evenwel veel lust wat te rusten; maar dan dacht ik aan u en liep nog -eens zoo hard. - -Ik drukte de hand van mijn wakkeren dienaar, wiens oog van voldoening -schitterde. - -»Zonder te weten hoe, struikelde ik," zoo vervolgde hij, »en het scheen -mij toe, alsof ik insliep. Toen ik de oogen weer opende, was de zon -verdwenen en Gringalet likte mij het gelaat. Ik stond half verdoofd -op... dat kwam van den cognac. - ---»Dat kwam van uitputting," zeide ik. - ---Ik heb den cognac goed aangesproken, Chanito; Gringalet zou u kunnen -vertellen, hoe ik hem de waarheid heb gezegd. Ik hervatte mijn loop; -mijn gezicht verduisterde; maar de koelte van den nacht frischte mij -weer op. Ik zag groote zwarte vormen voor mij en ik wreef in mijne oogen -om ze te verdrijven, maar hoe meer ik wreef, des te grooter werden de -vormen; het waren boomen, ik heb den eersten, dien ik ontmoette, omhelsd -en ik begon te schreien, altijd zonder te weten waarom." - -De knaap drukte zich ontroerd tegen den ruiter aan. - -»Wat een mooie boom, Chanito! Op den stam groeide een Paaschbloem; ik -dronk een slokje water en gaf het overige aan Gringalet, ik ben gaan -zitten om den dag af te wachten, want ik sliep staande.... - ---»Arme Chema!" murmelde de knaap. - ---De zon begon zich reeds te vertoonen, toen ik wakker werd. Ik begaf -mij onder de boomen en in minder dan een kwartier was ik het bosch -doorgeloopen; ik bemerkte toen een groot meer, paarden en stieren.... - -»En waart gij toen aan het eind van uw lijden?" vroeg Sumichrast. - ---Ja, oogenschijnlijk; maar, ziet gij, de ante-burro wilde zich wreken; -mijne krachten begaven mij en mijne verstijfde beenen konden nauwelijks -eene beweging maken. Ik heb meer dan vier uur noodig gehad, om dezen -drommel te vangen," vervolgde de Indiaan, zijn paard een slag gevende, -zoodat het opsprong. - ---Het kwam van honger, dorst en vermoeidheid. - ---En waarom zou ik honger en dorst hebben gehad, als 't niet door den -ante-burro kwam? Denkt gij dan dat Tata Sumichrast, zonder dat -verwenschte dier ooit de veldflesch zou gebroken hebben? Wij zullen in -'t vervolg die _crustaceeën_[47] met vrede laten, want zij behooren tot -de familie des duivels. - -[47] Crustacee = schaaldier. - -»Vertel verder," zeide ik, niet zonder te glimlachen om het woord -_crustacee_, dat zoo zonderling door den Indiaan werd toegepast. - ---Ik slaagde er eindelijk in dit veulen, dat aan zijn dij het merk van -den eigenaar draagt, aan mijn lazo te krijgen. Eerst was het weerbarstig -en droeg mij als de wind tusschen de stieren; maar ik werd boos en het -herkende mij als zijn meester. Een kalf, dat om ons kwam snuffelen, -verschafte mij eenen bout. Toen het vleesch gebraden was, hernam ik den -weg, dien ik eerst gevolgd was, met zooveel snelheid, dat Gringalet zich -er meermalen over beklaagde. - ---Zijt gij dan naar het bivak teruggekeerd? - ---Ja, en ik heb daar Jaunet en Verdet gezien, die zich vol rijst hadden -gegeten en om drinken vroegen. - ---Wat? waren de papegaaien dan niet weggevlogen? - ---Neen, Tatita; en ik verzeker u, dat zij goed vastgebonden zijn. Uit -hunne verwarde uitleggingen ben ik te weten gekomen, dat gij op weg naar -de bosschen waart. Ik ben toen uw spoor gevolgd, heb mijn geweer -afgeschoten, waarop het uwe geantwoord heeft. - ---Arme Chema, weet gij wel dat het pijn doet, honger en dorst te moeten -lijden? sprak Lucien met eenen zucht. - ---Waarom hebt gij meester Job niet opgegeten? - ---»Hij was veroordeeld," sprak ik, »uw terugkeer redt zijn leven." - -Lucien zag ons verontwaardigd aan; maar wij waren bij onze bagage -gekomen en de beide papegaaien begroetten ons met een luidruchtig -geschreeuw. Rougette, die wij gedurende al onze beproevingen vergeten -waren, werd uit haar braadpan te voorschijn gehaald en in een kalabas -gezet, waarin de Indiaan een weinig water had geschonken. De kleine -schilpad stak toen haar neus buiten het venster harer woning. - -De lucht bedekte zich met lichte wolkjes en dit buitenkansje deed ons -besluiten onmiddellijk te vertrekken. Lucien, die op het paard, dat door -de vermoeidheid gedwee was geworden, geklommen was, droeg meester Job -en de twee tijgervellen. Daar Gringalet slechts met moeite liep, ging -hij den aap op het paard gezelschap houden. Wij bereikten het bosch -eerst tegen middernacht: een groot vuur werd aangestoken en ik sliep in, -den hemel dankende, die had toegestaan, dat de Encuerado nog bijtijds -bij ons kwam. Ik werd den volgenden dag laat wakker; een prachtige -chachalaca braadde reeds voor het vuur, en Lucien, die reeds een bad had -genomen, ging voort met het onderrichten der papegaaien. Ik ging mij op -mijne beurt in den poel dompelen, dien de Encuerado met den naam van -meer had bestempeld en de dag werd verder bij het vuur doorgebracht. Wij -waren mager geworden; maar onze gezondheid was goed en Lucien verheugde -zich dat hij geen pijn meer had, niettegenstaande zijne gekwetste -voeten. - -Den volgenden morgen, nadat wij met een stuk kalfsvleesch en eene -uitstekende rijstsoep ontbeten hadden, vergezelde Lucien ons naar den -zoom van het boschje; hij steunde op twee stokken, die zijn vriend -voor hem gesneden had. De Encuerado ging op jacht om ons rijdieren te -bezorgen. Nadat de vlugge Indiaan den loopenden strik van zijn lazo had -gereedgemaakt, ging hij in galop naar een troep paarden toe, die in de -verte aan 't grazen waren; de riem viel over een prachtig dier, dat zich -tevergeefs verzette. Het omverwerpen, de oogen verbinden en op den neus -een klem zetten, was het werk van een oogenblik. Nadat hij aan den -staart van het dier een zwaren tak had gebonden, die zijn loop moest -vertragen, reed de Encuerado eensklaps op den gevangene weg, die door -het gewicht van den tak werd uitgeput. In minder dan een uur bracht de -ruiter het getemd en met zweet overdekt terug. Des avonds waren wij in -'t bezit van vijf paarden; maar wij waren uitgeput van vermoeienis. - -Twee dagen verliepen met het oefenen onzer rijdieren om ze minder -weerbarstig te maken. Onze levensmiddelen verminderden langzamerhand, -maar wij waren van onze ongevallen hersteld en de voeten van Lucien -begonnen te genezen. Het werd hoog tijd om te vertrekken. Bij het -aanbreken van den nacht wierp ik een laatsten blik op de onmetelijke -vlakte, waar wij bijna den dood hadden gevonden. Bij de hut teruggekomen -bleef ik verwonderd staan; ik had hooren blaffen, ofschoon Gringalet -stil naast ons liep. De Encuerado kroop vooruit; eensklaps zag ik dat -hij ging zitten en het uitschaterde van 't lachen: de blaffer was geen -andere dan Verdet, wien Jaunet, maar met minder talent, antwoordde. -Lucien was in de wolken en streelde zijne beide lievelingen; hij zeide -hun met meer ijver dan ooit de twee namen voor, die hij hun wilde -leeren; maar ofschoon zij hun gele oogen half toe deden en met diepe -aandacht hun kopjes overhelden, konden de twee vogels maar niet aan 't -praten komen. - -Een vreeselijk onweer overviel ons in 't midden van den nacht. Gelukkig -waren wij goed beschut, zoodat de stroomen water ons niet hinderlijk -werden. Bij het aanbreken van den dag werd de draagmand op het grijze -paard bevestigd en de Encuerado, die het paard van Lucien bij den -teugel hield, opende den marsch. Jaunet en Verdet, die terdeeg dooreen -werden geschud, schreeuwden zoo hard zij konden en begonnen tot groote -verbazing van Gringalet te blaffen. Meester Job verborg zich en Rougette -boette in de braadpan de drie gelukkige dagen, die zij in den poel had -doorgebracht. De kleine ruitertroep trok in galop vlakten en bosschen -door. De altijd blauwachtige, maar nu naar 't scheen hoogere bergen, -bevonden zich vlak tegenover ons en de vulkaan vertoonde ons zijn -scherpste punt. Eene kudde wilde paarden, door een prachtig bruin -dier aangevoerd, omringde ons eensklaps en sprong meer dan een uur om -ons heên; daarop kwamen stieren, die ons vervolgden. Andere kudden -vergenoegden zich met ons na te kijken; zij hadden op den rug eene -menigte maden-pikkers[48], die met hunne snavels in het haar wroetten, -om er de parasieten uit te halen. Wij trokken nog een groot bosch door -en weldra vlamde onze haard dicht bij eene beek. - -[48] Soort spreeuwvogel. - -Ik ging in gezelschap van Sumichrast op jacht. Wij liepen langs eene -opene plaats, toen een groot geraas uit het kreupelhout klonk. Ik maakte -mijn geweer gereed en bijna op hetzelfde oogenblik zag ik tusschen het -gebladerte een monsterachtigen kop. Ik week achteruit tot bij mijn -makker. - -»Wat is er toch? gij zijt gansch bleek!" - ---»Ik ben bang," antwoordde ik; »ik geloof dat ik nu den wezenlijken -ante-burro gezien heb." - ---Drommels, drommels! Zullen wij een tot dus verre onbekend dier -ontdekken! - -Het geraas in het kreupelhout bleef aanhouden. - -»Pas op," riep ik mijn makker toe, »ik verzeker u dat ik nooit zoo'n kop -gezien heb." - -Op dit oogenblik deinsde ook Sumichrast achteruit, maar weldra barstten -wij in lachen uit. Het dier, dat er werkelijk monsterachtig uitzag en -ons zoo verschrikt had, was een paard zonder ooren. Niets is meer -algemeen dan wilde paarden te zien met neerliggende en onbeweeglijke -ooren, die inwendig door de insecten zijn uitgevreten; maar ik zag voor -het eerst een dier, dat geheel zonder ooren was, en men kan er zich geen -denkbeeld van vormen, welk een zonderling uiterlijk het dan heeft. - -De tweede marschdag stelde ons geduld op de proef; wij moesten -modderachtige moerassen doortrekken, waar onze rijdieren tot aan den -buik inzakten; ik weet niet hoe wij er te voet door zouden gekomen zijn. -De vaste grond kwam weer te voorschijn. Wolken vliegen overvielen ons; -zij hadden het vooral op onze rijdieren gemunt. - -Wij dorsten ternauwernood mond en oogen openen en Gringalet huilde als -een razende. Die bloedzuigers vergezelden ons meer dan een uur; zoodra -zij ons niet meer vervolgden, werd het bivak opgeslagen. - -De bergen kwamen naderbij; wij verwachtten elk oogenblik eene hoeve of -eene Indiaansche hut te ontmoeten. Toen de nacht kwam, verkondigde geen -enkel licht ons de nabijheid eener woning. - -Eindelijk, in den namiddag van den derden dag, terwijl wij voor twee -stieren die vreeselijk met elkander vochten, uit den weg wilden gaan, -kwam een ruiter aanrennen. Deze bleef besluiteloos staan en wendde -vervolgens, na zijn geweer op ons te hebben afgeschoten den teugel. - -»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast. - -De Encuerado hief zijn geweer op, maar ik belette hem te schieten. - -Wij spoorden onze paarden aan, er slechts aan denkende een hacienda -te bereiken, toen een tweede schot weerklonk en een kogel langs onze -ooren vloog. Nu zette de Indiaan den verrader achterna, die in galop -wegvluchtte. Niettegenstaande mijn geschreeuw vuurde de Encuerado en de -ruiter stortte op den grond. - -»Dood hem niet!" riep ik mijn dienaar toe. - -»Neen, Tatita, ik heb slechts op zijn paard gemikt. De koeherder was met -één sprong op de been, en vluchtte wat hij kon. Maar de Encuerado zette -hem achterna en greep hem weldra bij zijn kraag. - -'t Was een jongmensch van nauwelijks zeventien jaar. »Wie zijt gij?" -riep ik hem toe. - ---Joce Antonio, een dienaar van God; doe mij geen kwaad! - ---Waarom hebt gij op ons geschoten? - ---Ik heb u voor paardendieven aangezien. - -Toen de jonge man Sumichrast zag naderen, verdubbelde zijn angst. Dat -komt omdat wij ons zelven geen rekenschap wisten te geven van het vreemd -uiterlijk, dat onze gelapte kleeren en onze verwonde gezichten ons -gaven. - -»Van waar komt gij?" - ---Van de hoeve van Sopilote, bij Amatlan. - ---Hoeveel mijlen zijn wij nog van het dorp verwijderd? - ---Zes... Waarlijk ik zag u voor dieven aan, doet mij geen leed. - ---Gij zoudt evenwel eene kastijding verdienen, want uwe kogels hadden -ons kunnen verwonden of dit kind dooden. - ---»De eigenaar van de hoeve van Sopilote is mijn vriend," voegde -Sumichrast er bij, »en ik beloof u, dat hij u zal weten te straffen." - -Ik beval den Encuerado den jongen man los te laten, die het dadelijk -op een loopen zette. - -Toen de nacht viel, bevonden wij ons aan den voet der bergen en het -lag slechts aan ons, om den grooten weg van Vera-Cruz naar Mexico in -te slaan. Onze paarden kregen hunne vrijheid terug, begeleid door de -plichtplegingen en dankzeggingen van den Encuerado. De goede dieren -waren eerst besluiteloos en bleven een oogenblik met den neus in den -wind staan. Een hunner hinnikte en schoot vooruit; weldra hoorden wij -het geluid hunner hoeven niet meer over den grond weerklinken. - - - - -XXXVI. - -THUISKOMST. - - -Twaalf mijlen scheidden ons nauwelijks van Orizava, en wij vergingen -van ongeduld om thuis te komen. Lucien, die geheel hersteld was, beklom -het eerst den berg. De vogels zongen, de insecten gonsden, de bloemen -ontloken met een feestgelaat; allengs trokken alle voortbrengselen van -het Gematigde Land langs onze oogen heen. Als wij nu pas vertrokken, -zouden wij de bananen-, koffie-, oranje- en citroenboomen bewonderd -hebben, maar nu wenschte iedereen vleugels te hebben, om spoediger thuis -te zijn. Bergen, bosschen, valleien werden met eene koortsachtige haast -over- en doorgetrokken en de nacht alleen kon ons noodzaken rust te -nemen. Jaunet en Verdet hadden gedurende een groot gedeelte van den -weg de twee namen gestameld, welke hun jonge meester hun geleerd had. - -Om drie uur in den morgen verweet Lucien ons reeds dat wij zoo langzaam -waren. Wij ontmoetten eene Indiaansche hut; ons verwilderd uiterlijk -maakte de bewoners eerst bevreesd. Langzamerhand stelden zij zich echter -gerust en onthaalden ons op gebraden boonen en _tasojo_, in de zon -gedroogd ossenvleesch. De Encuerado verlichtte zijne mars met wat van -onzen voorraad overbleef en schonk het onzen gastheer; daarna begon hij, -tot aan het laatste oogenblik de gebaande wegen versmadende, een heuvel -te beklimmen. - -»O! mama, lieve mama," riep Lucien uit; »als zij eens wist, hoe dicht -wij in hare nabijheid zijn." - -En hij liep met zooveel vuur vooruit, dat wij hem met moeite konden -volgen. - -»Drommels, drommels!" herhaalde Sumichrast, »zijt gij dan het -spreekwoord vergeten: Wie langzaam gaat, gaat zeker! uwe overijling zou -ons in een ravijn kunnen doen storten; laten wij, als 't u belieft, zien -dat wij heelhuids aankomen." - -De knaap hield zich in; maar weldra liep hij weer met Gringalet vooruit, -die eveneens blijde scheen te zijn en begon te begrijpen dat hij weldra -zijn hok en zijn voerschotel zou terugvinden. - -Eensklaps groetten eenige houthakkers mij bij mijn naam. Verrukt over -de verhalen van den Encuerado, begeleidden zij ons meer dan een uur. -Zij zagen Lucien vol bewondering aan, en deze zou er zeker hoovaardig -door geworden zijn, als niet de gedachte dat hij weldra zijne moeder, -broertjes en zusjes zou omhelzen, elke andere gedachte overheerscht had. -De Indianen verlieten ons aan den voet van den berg, den laatsten dien -wij nog over te trekken hadden en waarvan de steile helling onzen ijver -temperde. - -»Emile, Emile, Emile," riep Jaunet. - ---Hortense, Hortense! antwoordde Verdet. - ---»Zij kunnen u nog niet hooren," zeide de Encuerado hun, »maar dezen -avond zult gij kennis met hen maken. Maar ge zult, hoop ik, niet -vergeten, dat ik, als gij hen ooit bijt, verplicht zal zijn jelui -ook te bijten en mijne tanden zijn wel zoo goed als jelui bek." - -Lucien kwam het eerst op het bergvlak en de vulcaan van Orizava -vertoonde zich vlak vóór ons. Nog eenige schreden en onze oogen staarden -op eene onmetelijke vallei,--Orizava strekte zich voor onze voeten uit. - -De jonge reiziger beschouwde de stad, waarin hij geboren was; hij -gevoelde niet eens dat de tranen onwillekeurig langs zijne wangen -vloeiden; hij strekte de armen uit en snikte. - -»Ik schrei omdat ik zoo gelukkig ben," zeide hij tot zijn vriend, die -hem wilde troosten. - -Wij deelden trouwens allen zijne ontroering. Het was de 5 Juli, ik riep -de verschillende voorvallen van onze reis, die zeven en zeventig dagen -geduurd had, en gedurende welke wij meer dan driehonderd mijlen hadden -afgelegd, in mijn geheugen terug. Nu wij de haven bereikten, was ik -blijde de reis te hebben ondernomen. Ik dankte God voor Zijne blijkbare -bescherming en voor het laatst gaf ik het teeken tot het vertrek. - -Naar gelang wij afdaalden, vertoonde de stad zich ook duidelijker. De -Encuerado somde de kerken en straten op; eindelijk ontdekte Lucien ons -huis, dat door een prachtigen oranjeboom gemakkelijk te herkennen was. -De Borrego, badende in het zonlicht, droeg op zijn top de Fransche vlag. -Om aan het ongeduld van den knaap te voldoen, die zoo spoedig mogelijk -thuis wilde zijn, voerde Sumichrast ons in een steil ravijn. De karavaan -bereikte de vallei juist op het oogenblik dat de klokken den _Angelus_ -luidden. - -De zon ging onder en de duisternis omgaf ons. Ieder oogenblik gingen ons -Indianen voorbij en hier en daar werden de lichten reeds aangestoken. -De _Rio Bianco_ versperde ons den weg; maar hier en daar vergunden -verspreide rotsblokken ons haar bijna droogvoets over te trekken. -Gringalet begon te blaffen en verdween eensklaps als eene pijl. Twintig -minuten later trokken wij Orizava door de achterafgelegen straten -binnen, teneinde niet te veel volk op onze hielen te krijgen. De -beweging in de stad kwam ons zeer vreemd voor. Op vijftig schreden -afstands van mijne woning namen Lucien en de Encuerado den looppas aan; -zij vonden het geheele huisgezin op den drempel; Gringalet had onze -komst aangekondigd. - -Toen ik op den binnenhof kwam, vond ik Lucien en zijne moeder in -elkanders armen schreien; Emile, Hortense en Amelie draaiden rondom de -mand, waarop Jaunet en Verdet zaten. In een hoek bemerkte ik de kisten, -welke ik aan Torribio had toevertrouwd. - -Met welk een geluk nam ik nu weer in een goeden armstoel en te midden -der mijnen plaats! Men vond, dat Lucien groot was geworden; maar zijne -bruine tint, zijne magerte en de litteekens waarmede hij overdekt was, -legden getuigenis af van de zware beproevingen, die hij ondergaan had. - -De Encuerado ging tegen den post van de deur van het salon staan en -krulde de breede randen van zijn hoed, op gevaar af van ze te misvormen, -rond. - -»Zonder hem zouden wij omgekomen zijn!" zeide ik tot mijne vrouw. - -De brave Indiaan kuste de hand zijner meesteres. - -»Och! Senora," riep hij met tranen in de oogen uit, »wat is Chanito -moedig geweest; als gij u de moeite wilt geven meester Job te -ondervragen, zal hij er u wel een woordje over zeggen; hij heeft hem -gezien, in de bosschen zoowel als in de Savanne." - -Mijne kinderen kwamen de zaal binnenstormen; zij hadden de mand -doorgesnuffeld en kibbelden nu om de arme Rougette, die in het -waterbekken in den tuin werd gebracht. - -Jaunet en Verdet, op de leuning van een stoel gezeten, herhaalden als om -strijd de namen van Hortense en Emile; de beide kinderen verbleekten van -genoegen en verbazing. - -»Gij ziet nu wel, dat ik ook met u had kunnen meegaan," riep Emile met -eene zonderlinge bewijsvoering uit, »de papegaaien kennen mij zelfs." - ---Neen, geen reizen meer," sprak mijne vrouw; »ik wil mij niet meer aan -zulke langdurige ongerustheid bloot stellen. - ---Bah! Bah!" antwoordde Sumichrast; »gij zult meester Zonnestraal nog -wel eens een klein tochtje toestaan." - -Op het zelfde oogenblik kwam meester Job, die zich door Gringalet liet -voorstellen, vol ernst op het tapijt plaats nemen en liet zich aanhalen. - -Hoe gelukkig was ik niet, nu ik mij weer aan tafel bevond, omringd door -al de wezens, die mijn hart zoo dierbaar zijn! De Encuerado juichte -Lucien toe, die zijne moeder telkens deed ontroeren door zijn verhaal -van de voornaamste voorvallen van onze reis. - -»Als het mijne beurt wordt om meê in de bosschen te gaan," sprak Emile, -die in een tijgerhuid gewikkeld binnen kwam, »dan zal ik..." - -Hij kon zijn volzin niet voltooien, daar hij verplicht was zijn -zegeteeken te verdedigen tegen zijn zusje Amelie, die beweerde dat de -tijgerhuid groot genoeg voor hen beiden was. - -»Niet waar, mama, u laat mij nog wel eens met papa meegaan?" vroeg -Lucien. »Onze verzameling is nog niet voltallig. Den een of anderen tijd -zullen wij haar toch moeten aanvullen." - -In die vraag vond men den jongen natuuronderzoeker terug. Onverzadigbaar -te zijn is het lot van den verzamelaar. - -De arme moeder schudde met het hoofd en omhelsde hem, zonder te -antwoorden. Maar uit dat stilzwijgen kon men opmaken, dat zij haar kind -niet gaarne aan de gevaren van eene nieuwe reis zou blootstellen. - - - - - +------------------------------------------------------------+ - | | - | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | - | | - | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | - | | - | Bron (B:) -- Correctie (C:) | - | | - | B: 15 | - | C: 14 | - | B: ontwaken.--Een Liliput-wereld.--De | - | C: ontwaken.--Een Lilliput-wereld.--De | - | B: 23 | - | C: 22 | - | B: 821 | - | C: 121 | - | B: lichtkevers--De gothische | - | C: lichtkevers.--De gothische | - | B: | - | C: 162 | - | B: Coyotopec | - | C: Coyotepec | - | B: XII. De galwespen.--Een | - | C: XXII. De galwespen.--Een | - | B: dadelpruimenboom--De | - | C: dadelpruimenboom.--De | - | B: nachtelijk bezoek--Val van een | - | C: nachtelijk bezoek.--Val van een | - | B: de Palmboomen-Villa--De Parra | - | C: de Palmboomen-Villa.--De Parra | - | B: 299 | - | C: 269 | - | B: Ibis.--De kaaimans--De | - | C: Ibis.--De kaaimans.--De | - | B: gieren.--De pinolillas--Een | - | C: gieren.--De pinolillas.--Een | - | B: den Encuerado--Een kleine | - | C: den Encuerado.--Een kleine | - | B: zijn? Kan ik geen hout zoeken, | - | C: zijn. Kan ik geen hout zoeken, | - | B: zijn mexicaansche deken (sarapé) | - | C: zijn Mexicaansche deken (sarapé) | - | B: beteekent in t Spaansch tegelijkertijd | - | C: beteekent in 't Spaansch tegelijkertijd | - | B: ZIJN.--GRINGALET.--ZONSOPKOMST. HET | - | C: ZIJN.--GRINGALET.--ZONSOPKOMST.--HET | - | B: Gringalet maar mêe nemen riep | - | C: Gringalet maar meê nemen riep | - | B: een sterke Zuidewind, die het | - | C: een sterke Zuidenwind, die het | - | B: --O riep Lucien uit, als | - | C: --O, riep Lucien uit, als | - | B: spoediger de opgegete suiker te | - | C: spoediger de opgegeten suiker te | - | B: de hut eene guitar] met drie snaren, | - | C: de hut eene guitaar met drie snaren, | - | B: daarom wilde ik u ok op | - | C: daarom wilde ik u ook op | - | B: flammetje danst, met aarde dicht | - | C: vlammetje danst, met aarde dicht | - | B: betraden onze voeters een | - | C: betraden onze voeten een | - | B: dan vijftienhonderd mijlen boven de | - | C: dan vijftienhonderd meter boven de | - | B: over eene uitgestrekheid van verscheidene | - | C: over eene uitgestrektheid van verscheidene | - | B: de beide eekhorens braadden. | - | C: de beide eekhoorns braadden. | - | B: dat Sumichrost en ik staande en | - | C: dat Sumichrast en ik staande en | - | B: huid van de Toerokoes goed bereid en | - | C: huid van de Soeroekoes goed bereid en | - | B: van Orizava of Citlapetle, dat | - | C: van Orizava of Citlatepetl, dat | - | B: is de Popocatepettl? vroeg hij. | - | C: is de Popocatepetl? vroeg hij. | - | B: langzaam en lui. | - | | - | Wij zullen | - | C: langzaam en lui. Wij zullen | - | B: ge, Chanita, sprak de Encuerado, | - | C: ge, Chanito, sprak de Encuerado, | - | B: --Toen de Indiaan een nieuw stuk boomschors oplichte, | - | C: Toen de Indiaan een nieuw stuk boomschors oplichtte, | - | B: gerust aanvatten," er is niets | - | C: gerust aanvatten, er is niets | - | B: niet anders," de salamander is, evenals | - | C: niet anders, de salamander is, evenals | - | B: een der soerokoes kookte, terwijl | - | C: een der soeroekoes kookte, terwijl | - | B: afgebeeld met een panter uit kleine | - | C: afgebeeld met een pantser uit kleine | - | B: beweerde dat. als God aan den | - | C: beweerde dat, als God aan den | - | B: zich tegengehouden, hoe hij zich bij | - | C: zich tegengehouden, toen hij zich bij | - | B: er niet aangedacht, dat gij | - | C: er niet aan gedacht, dat gij | - | B: door eene instorting die, vier of | - | C: door eene instorting, die vier of | - | B: --Stil," dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde | - | C: --Stil, dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde | - | B: scheen zich verwijderd te hebben," | - | C: scheen zich verwijderd te hebben, | - | B: Indiaan vergistte zich; ik was | - | C: Indiaan vergiste zich; ik was | - | B: geeindigd, of Lucien kwam op | - | C: geëindigd, of Lucien kwam op | - | B: Zijn de tatoes zeldzaam? | - | C: --Zijn de tatoes zeldzaam? | - | B: verwoesten, kunnen meester worden | - | C: verwoesten, kunnen meester worden. | - | B: hoe Sumichrait vol zorg de bladeren, | - | C: hoe Sumichrast vol zorg de bladeren, | - | B: zooals Gringelet doet. Mama raadde | - | C: zooals Gringalet doet. Mama raadde | - | B: invloeden te bezweren. | - | | - | Bovendien was de vogel | - | C: invloeden te bezweren. Bovendien was de vogel | - | B: _tuza's_,[19], door de landbouwers | - | C: _tuza's_,[19] door de landbouwers | - | B: gevreesde mexicaansche mollen, graven. | - | C: gevreesde Mexicaansche mollen, graven. | - | B: gescheeuw, de vlucht. | - | C: geschreeuw, de vlucht. | - | B: had een nest scolenpenders, gewoonlijk | - | C: had een nest scolopenders, gewoonlijk | - | B: dien zij gewoonlijk inboezemenen. | - | C: dien zij gewoonlijk inboezemen. | - | B: ceders, olmen en guaiacboomen. De | - | C: ceders, olmen en gaiacboomen. De | - | B: SLECHTE NACHT. DE ONTWORTELDE | - | C: SLECHTE NACHT.--DE ONTWORTELDE | - | B: SALSAPARILLE. GRINGALET ONTDEKT EENE | - | C: SALSAPARILLE.--GRINGALET ONTDEKT EENE | - | B: Cordillera's tegen de roode | - | C: Cordilleras tegen de roode | - | B: wanluidende kreeten van hct gevecht, | - | C: wanluidende kreeten van het gevecht, | - | B: die ons beschut. Een boom stortte | - | C: die ons beschut. | - | | - | Een boom stortte | - | B: deze algemeene verwoes, ting zou een tak, | - | C: deze algemeene verwoesting zou een tak, | - | B: was van mee- dan een orkaan | - | C: was van meer dan een orkaan | - | B: de Indiaan ons, toe dat hij een groep | - | C: de Indiaan ons toe dat hij een groep | - | B: ondergaande zon verrastte ons, toen wij | - | C: ondergaande zon verraste ons, toen wij | - | B: den vulkaan ware uigebraakt | - | C: den vulkaan waren uitgebraakt | - | B: wel, anwoordde Lucien, en de | - | C: wel, antwoordde Lucien, en de | - | B: adervleugelige of _neurophtere_, aldus | - | C: adervleugelige of _neuroptere_, aldus | - | B: kwaad doen? »vroeg Sumichrast aan | - | C: kwaad doen? vroeg Sumichrast aan | - | B: De wilde gayavaboom of Indiaansche | - | C: De wilde goyavaboom of Indiaansche | - | B: gayavavruchten over den grond rolden. | - | C: goyavavruchten over den grond rolden. | - | B: handje vol gayava's te kunnen | - | C: handje vol goyava's te kunnen | - | B: dat de gayavavruchten in vierentwintig | - | C: dat de goyavavruchten in vierentwintig | - | B: welke hij ommiddellijk, onder het | - | C: welke hij onmiddellijk, onder het | - | B: zeide de Encuerado en slechts goed om | - | C: zeide de Encuerado, en slechts goed om | - | B: ook dikwijls schilpadden wonden zien | - | C: ook dikwijls schildpadden wonden zien | - | B: soorten uit Azië en Afrika[25] | - | C: soorten uit Azië en Afrika.[25] | - | B: die den fezant versmaadde. | - | C: die den fazant versmaadde. | - | B: de Encuerado aan Gringolet, | - | C: de Encuerado aan Gringalet, | - | B: Gewoonlijk uit zwavel, chroom | - | C: --Gewoonlijk uit zwavel, chroom | - | B: werk mijne metgezellen mêe te nemen | - | C: werk mijne metgezellen meê te nemen | - | B: een inwoner van Brazilie, dien | - | C: een inwoner van Brazilië, dien | - | B: bleven wij voor een gayacboom | - | C: bleven wij voor een gaiacboom | - | B: Morgen zal Tato Sumichrast ons vertellen, | - | C: Morgen zal Tata Sumichrast ons vertellen, | - | B: massa's. Eenige, die zoo oud zijn | - | C: massa's voor. Eenige, die zoo oud zijn | - | B: van St. Ignatius noemen" en waarvan de | - | C: van St. Ignatius" noemen en waarvan de | - | B: of _marsupialen_ genoemd worden | - | C: of _marsupialen_ genoemd worden. | - | B: holen toe. Een _jaquarete_ | - | C: holen toe. Een _jaguarete_ | - | B: ze toch wel goed smaken, | - | C: ze toch wel goed smaken. | - | B: oneffenheden zijn, vastklampen, Eensklaps liet de | - | C: oneffenheden zijn, vastklampen. Eensklaps liet de | - | B: vinden?" vroeg Luciën, wien dit verhaal | - | C: vinden?" vroeg Lucien, wien dit verhaal | - | B: brengen, | - | C: brengen. | - | B: waar, Tatito, dat is lekker? | - | C: waar, Tatita, dat is lekker? | - | B: betalen." antwoordde ik. | - | C: betalen," antwoordde ik. | - | B: XIX | - | C: XIX. | - | B: zijn weg overpoosd vervolgd. Ik | - | C: zijn weg onverpoosd vervolgd. Ik | - | B: men kon onmogeiijk voortgaan zonder ze bij | - | C: men kon onmogelijk voortgaan zonder ze bij | - | B: huid van den fraaien Saurier | - | C: huid van den fraaien Sauriër | - | B: --Een metereologisch verschijnsel, gelijk | - | C: --Een meteorologisch verschijnsel, gelijk | - | B: weinig uren voordoen. Geen boomen. | - | C: weinig uren voordoen. Geen boomen, | - | B: »Een pad,,' riep deze eensklaps uit. | - | C: »Een pad," riep deze eensklaps uit. | - | B: --Wij wisselden een blik; daarna, | - | C: Wij wisselden een blik; daarna, | - | B: gasten van Coyotopec; komt mede." | - | C: gasten van Coyotepec; komt mede." | - | B: Coyotopec--steenen chacal--kon ongeveer | - | C: Coyotepec--steenen chacal--kon ongeveer | - | B: WORDEN SCHRIJNWERKERS. DE ENCUERADO | - | C: WORDEN SCHRIJNWERKERS.--DE ENCUERADO | - | B: WAAIERPALMEN. DE ADVOCAATBOOM.--DE | - | C: WAAIERPALMEN.--DE ADVOCAATBOOM.--DE | - | B: GIER. EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.--DE | - | C: GIER.--EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.--DE | - | B: magere soep van maiskoeken | - | C: magere soep van maïskoeken | - | B: borbonica_. (_Livistonia sinensis_), is een | - | C: borbonica_ (_Livistonia sinensis_), is een | - | B: XV. | - | C: XXII. | - | B: Deze fraaie meerl, bijvoorbeeld, | - | C: Deze fraaie merel, bijvoorbeeld, | - | B: voorbrengt. | - | C: voortbrengt. | - | B: Onze stille gang verrastte eenige | - | C: Onze stille gang verraste eenige | - | B: Al waren zij ook nog zoo mooi, | - | C: --Al waren zij ook nog zoo mooi, | - | B: bruine en groene kakkerlakkken, maar | - | C: bruine en groene kakkerlakken, maar | - | B: (N. v. d. V. | - | C: (N. v. d. V.) | - | B: --Een »vliegende rat" herhaalde | - | C: --Een »vliegende rat", herhaalde | - | B: deelen. Een schilpad, die den terugtocht | - | C: deelen. Een schildpad, die den terugtocht | - | B: »Oh! Tatita, sprak hij," »'t | - | C: »Oh! Tatita," sprak hij, »'t | - | B: --Maar het het zal u met zijn | - | C: --Maar het zal u met zijn | - | B: ik zag drie chachalaca's wegvliegen en | - | C: ik zag drie chachalacas wegvliegen en | - | B: spoedig gevonden werd Evenals de Wandelende | - | C: spoedig gevonden werd. Evenals de Wandelende | - | B: middelste er uit, Chanito" riep de Encuerado, | - | C: middelste er uit, Chanito!" riep de Encuerado, | - | B: maar niet, Clanito; gij zult eens | - | C: maar niet, Chanito; gij zult eens | - | B: werd het klinmen en dalen veelvuldiger. | - | C: werd het klimmen en dalen veelvuldiger. | - | B: --»Gednld maar," antwoordde Sumichrast, | - | C: --»Geduld maar," antwoordde Sumichrast, | - | B: bromelacee. | - | C: bromeliacee. | - | B: toekomenende deel; daarna, en | - | C: toekomende deel; daarna, en | - | B: wolfsmelkboomen," antwoordde Sumichast. | - | C: wolfsmelkboomen," antwoordde Sumichrast. | - | B: »en met twee sabelhouwen | - | C: en met twee sabelhouwen | - | B: gemaakt." | - | C: gemaakt. | - | B: die de geleerde _Manti_ (spookjes) | - | C: die de geleerden _Manti_ (spookjes) | - | B: waarover de arabische vertellers zoo | - | C: waarover de Arabische vertellers zoo | - | B: Tamantua tetradactyla. De vijfteenige mierenbeer | - | C: Tamandua tetradactyla. De vijfteenige mierenbeer. | - | B: plotseling tegenover den Encurado. Hij | - | C: plotseling tegenover den Encuerado. Hij | - | B: knalde een schot; de tamadua kruiste | - | C: knalde een schot; de tamandua kruiste | - | B: »Nader niet. Tata Sumichrast," | - | C: »Nader niet, Tata Sumichrast," | - | B: Gringolet er zich over heen | - | C: Gringalet er zich over heen | - | B: twee prachtige koeroekoes met lange | - | C: twee prachtige soeroekoes met lange | - | B: eens," »zeide ik hem, opdat de | - | C: eens," zeide ik hem, »opdat de | - | B: gedurende een kwartieruurs bleef ik met | - | C: gedurende een kwartier uurs bleef ik met | - | B: geluid. Bromelaceeën gaven ons genoeg | - | C: geluid. Bromeliaceeën gaven ons genoeg | - | B: »den toon van den Encuerado nabootsende, schaamt | - | C: den toon van den Encuerado nabootsende, »schaamt | - | B: hij eensklaps, en wees het vooral | - | C: hij eensklaps, »en wees het vooral | - | B: om mij; »komaan, ik weet het | - | C: om mij; komaan, ik weet het | - | B: »'t Is of het schreit." | - | C: 't Is of het schreit." | - | B: bromelaceeën leverden ons voldoende | - | C: bromeliaceeën leverden ons voldoende | - | B: Chanito! antwooordde eene stem in | - | C: Chanito! antwoordde eene stem in | - | B: ons door hunne schaduw beschutten, | - | C: ons door hunne schaduw beschutten. | - | B: overeenkomen | - | C: overeenkomen. | - | B: onaangeroerd laat liggen (N. v. d. B). | - | C: onaangeroerd laat liggen. (N. v. d. B.) | - | B: zette, of halstarrig zijne vingers | - | C: zette, of halsstarrig zijne vingers | - | B: bijbrachten om het melancolische dier op te | - | C: bijbrachten om het melancholische dier op te | - | B: plaatste de schilpad in dit | - | C: plaatste de schildpad in dit | - | B: daar in 't minst aan te denken | - | C: daar in 't minst aan te denken. | - | B: vogel van de Egytenaren, die | - | C: vogel van de Egyptenaren, die | - | B: vraag. Ik kwam weer bij het bivak | - | C: vraag." Ik kwam weer bij het bivak | - | B: --Baparalaca, sprak Jaunnet. | - | C: --Baparalaca, sprak Jaunet. | - | B: pret hebben gehad," Chanito. | - | C: pret hebben gehad, Chanito." | - | B: de visschen gelachen!" | - | C: de visschen gelachen?" | - | B: aan de oogen gespieten; een hunner, | - | C: aan de oogen gespleten; een hunner, | - | B: eerstwilde hij niet; het uiterlijk | - | C: eerst wilde hij niet; het uiterlijk | - | B: on overwinbaren afkeer in. | - | C: onoverwinbaren afkeer in. | - | B: De door de horsels gekwelde troep | - | C: De door de horzels gekwelde troep | - | B: TAPIR--AFSCHEID VAN DE RIVIER.--DE | - | C: TAPIR.--AFSCHEID VAN DE RIVIER.--DE | - | B: met de schilpadeieren te ledigen, die | - | C: met de schildpadeieren te ledigen, die | - | B: dat men een anto-burro kan dooden. | - | C: dat men een ante-burro kan dooden. | - | B: de vulkaan van Orizaba, waaromheen wij | - | C: de vulkaan van Orizava, waaromheen wij | - | B: kortste weg om Orizaba te bereiken. | - | C: kortste weg om Orizava te bereiken. | - | B: prairiën van 't Noorden naar | - | C: prairieën van 't Noorden naar | - | B: hebben kunnen meenen, dat Orizaba | - | C: hebben kunnen meenen, dat Orizava | - | B: ondervroeg weer den gezichtseinder:--helaas! | - | C: ondervroeg weer den gezichteinder:--helaas! | - | B: DE DORST--TERUGKEER VAN | - | C: DE DORST.--TERUGKEER VAN | - | B: KLEINE ZWERFTOCHT--JAUNET, | - | C: KLEINE ZWERFTOCHT.--JAUNET, | - | B: AVONTUUR--HET GEMATIGDE LAND. | - | C: AVONTUUR.--HET GEMATIGDE LAND. | - | B: koelbloedigheid, «'t werd tijd." | - | C: koelbloedigheid, »'t werd tijd." | - | B: Sumichrast toeeilde en hem omhelsde. | - | C: Sumichrast toeijlde en hem omhelsde. | - | B: «Drink," zeide ik hem. | - | C: »Drink," zeide ik hem. | - | B: kwam een ruiter aanrennen, Deze bleef | - | C: kwam een ruiter aanrennen. Deze bleef | - | B: Ik beval den Encueredo den jongen | - | C: Ik beval den Encuerado den jongen | - | | - +------------------------------------------------------------+ - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Lotgevallen van een jeugdigen -natuuronderzoeker, by Lucien Biart - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LOTGEVALLEN VAN EEN JEUGDIGEN *** - -***** This file should be named 43228-8.txt or 43228-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/3/2/2/43228/ - -Produced by The Online Distributed Proofreading Team at -http://www.pgdp.net - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
