summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/43228-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '43228-8.txt')
-rw-r--r--43228-8.txt15442
1 files changed, 0 insertions, 15442 deletions
diff --git a/43228-8.txt b/43228-8.txt
deleted file mode 100644
index 40707ed..0000000
--- a/43228-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,15442 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Lotgevallen van een jeugdigen
-natuuronderzoeker, by Lucien Biart
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-
-Title: Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker
-
-Author: Lucien Biart
-
-Translator: A. Nuyens
-
-Release Date: July 16, 2013 [EBook #43228]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LOTGEVALLEN VAN EEN JEUGDIGEN ***
-
-
-
-
-Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
-http://www.pgdp.net
-
-
-
-
-
- +-----------------------------------------------------------------+
- | |
- | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
- | |
- | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
- | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
- | moderniseren. |
- | |
- | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
- | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
- | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
- | |
- | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
- | _cursief_. |
- | |
- | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
- | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
- | accent, met/zonder afbreekstreepje, met/zonder extra spatie, |
- | met c of k, alsmede het grote verschil in gebruik en weergave |
- | van aanhalingstekens. De tekstuele verschillen tussen de |
- | inhoudsopgave en de lopende tekst zijn ook behouden. |
- | |
- | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
- | aangebrachte correcties. |
- | |
- | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
- | e-boek op http://www.gutenberg.org/ |
- | |
- | Het origineel van dit e-boek is een vertaling vanuit het frans. |
- | Een engelse vertaling is via Project Gutenberg beschikbaar |
- | als e-boek no. 26009: http://www.gutenberg.org/ebooks/26009. |
- | |
- +-----------------------------------------------------------------+
-
-
-
-
-LOTGEVALLEN VAN EEN JEUGDIGEN NATUURONDERZOEKER.
-
-
-
-
- LOTGEVALLEN
-
- VAN EEN
-
- JEUGDIGEN NATUURONDERZOEKER,
-
- DOOR
-
- LUCIEN BIART.
-
-
- NAAR DEN TWAALFDEN DRUK VERTAALD EN VAN EENE INLEIDING VOORZIEN
-
- DOOR
-
- A. NUYENS.
-
-
- UTRECHT.
- J. G. BROESE.
-
-
-
-
- SNELPERSDRUK VAN H. C. A. THIEME TE NIJMEGEN.
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
-
- Inleiding.
-
-
- Een woord vooraf. 1
-
- I. Wie wij zijn.--Gringalet.--Zonsopgang.--Het suikerriet.
- --Halt. 6
-
- II. De suiker.--Gringalet in de stroop.--Een idee van den
- Encuerado.--Indiaansch avondmaal. 14
-
- III. Het ontwaken.--Een Lilliput-wereld.--De Encuerado en
- de flesschen.--Dood aan de distels!--De Indiaansche
- kolenbranders. 22
-
- IV. Eene moeielijke klimpartij.--De Geit.--De Indiaansche
- vrouwen.--De tabak.--Het spel van den stier.--Lucien
- wordt gewapend.--Intrede in de woestijn. 31
-
- V. Het woud.--De raven.--Eerste bivak.--De eekhoorns.--De
- kleine gids.--Een lofzang in de woestijn. 39
-
- VI. De koffie.--De terpentijn.--De soeroekoes.--De
- dennenaalden.--Drie vulkanen in 't gezicht.--De
- roofkevers.--De schorpioenen.--De salamanders.--Een
- alarm. 47
-
- VII. De zalf van kattenoogen.--Het gordeldier.--Lucien en
- de varenplant.--De ingestorte berg.--De specht.--De
- basiliscus.--Een nieuw denkbeeld van den Encuerado. 57
-
- VIII. Een feestmaal van gieren.--Het drakenbloed.--De
- koraalslang.--De boschuil.--De Mexicaansche mollen.--De
- toekans.--De duizendpooten.--De Encuerado kleermaker.
- --Zonsondergang. 67
-
- IX. De Zuidenwind.--De orkaan.--Een slechte nacht.--De
- ontwortelde boom.--De salsaparilla.--Gringalet ontdekt
- eene bron.--Bivak. 76
-
- X. Het konijn.--De wilde aardappelen.--Een moeielijke weg.
- --Een krater.--De ijzel.--De stroom.--Het jonge ree.--
- Cicaden.--De waterjuffers. 84
-
- XI. Eene blauwe hagedis.--De goyavaboomen.--De waterval.--De
- booze vrouw.--Nest gele slangen.--Een plantaardige helm.
- --De ijsvogel.--De Troepialen.--Jacht op draaikevers.--
- De kikvorschlarven.--Eene verzameling wantsen. 93
-
- XII. Een nabestaande van Gringalet.--Een gids op vier pooten.
- --Inspectie.--De crocodil-schildpad.--De fazanten.--De
- magnolia.--De muskaatboom.--Het blauwe gras.--De rups. 103
-
- XIII. Het Kruidje-roer-mij-niet.--Gringalet en het
- stekelvarken.--De Mexicaansche cameleon.--Wouw en
- valk.--Een dubbelkopslang.--Eene raadsvergadering van
- kalkoenen. 113
-
- XIV. Een vuurbol.--De lantaarns van Onzen-lieven-Heer.--Het
- stinkdier.--De jalappe.--Eene luchtreis.--De orchideeën.
- --Bivak bij den ingang van eene grot.--Gringalet en de
- kevers.--Termietennesten. 121
-
- XV. Eene nieuwe soort fakkels.--Eerste blik in de grot.--De
- lichtkevers.--De gothische zaal.--Stalactieten en
- Stalagmieten.--Een Chichimeesch kerkhof.--De Indische
- Notenboom.--De buidelrat en hare jongen. 134
-
- XVI. De aardnoten.--Een maaltijd van wilde katten.--Een
- nieuwe tocht in de grot.--De vleermuizen.--Opgravingen
- in een graf. 145
-
- XVII. Geforceerde marsch.--De zwemvogels.--De kruisdragende
- bloemen.--Plantaardige zeep.--Een schotel van den
- Encuerado.--De schermdragende bloemen.--De bloedzuiger.
- --De onverwachte gast. 153
-
- XVIII. Wilde dahlia's.--Een betreurenswaardig ongeval.--De
- wolfsmelkboomen.--De waschrat.--De stroom.--De Encuerado
- wordt hoedenmaker.--Een nieuw middel om booze geesten te
- verdrijven.--De Anhinga. 162
-
- XIX. Midden door de mieren.--Een troep hazen.--De zwarte
- iguano.--Een ander land.--Herinneringen uit de jeugd.--
- De luchtspiegeling.--Een vuur in de vlakte. 172
-
- XX. Mist en dauw.--Het Koude Land.--Windhoozen en
- dwarlwinden.--De Barbarijsche vijgen.--Kaarscactussen.
- --De viznaga.--Teleurgestelde hoop.--Don Benito
- Coyotepec 180
-
- XXI. Blanken en Zwarten.--Wij worden timmerlieden.--
- De Encuerado predikant.--De waaierpalmen.--De
- advocaatboom.--De koeskoes.--De gier.--Eene moeielijke
- onderhandeling.--De Encuerado-bal-ondernemer. 190
-
- XXII. De galwespen.--Een afgrond.--De kappers.--Een salade van
- portulac.--De bedrogen jagers.--De grafmakende insecten.
- --De zandkevers.--Cactus en Cochenielje. De Mexicaansche
- wijn.--Afscheid van onze gastheeren. 200
-
- XXIII. Op weg.--De vogelspin.--De kakkerlak.--Wezel en civet
- kat.--De vliegende eekhoorn.--De dadelpruimenboom.--De
- otter.--De Encuerado is gewond. 209
-
- XXIV. Een moeielijk ambacht.--Wilde lindeboomen.--De duiven.
- --Kersenboomen der Antillen.--De oorworm.--Slangen en
- adders.--Het warme land. 218
-
- XXV. De aard-eekhoorn.--Een muizennest.--Vliegenvogels
- en Colibri's.--De Chachalaca.--De Cassieboom.--De
- tlalcoyoten.--De krekels. 225
-
- XXVI. Door het woud.--Geforceerde marsch.--De bromeliaceeën.--
- Eene fantastische beek.--De muskieten.--De marail.--Het
- beloofde land.--Een tocht van apen. 233
-
- XXVII. De Encuerado en de papegaaien.--Gringalet brengt een
- gast mede.--De puma of Amerikaansche leeuw.--De rivier.
- --De Palmboomen-villa.--Schildpadeieren.--De Ibis en de
- Reigers. 242
-
- XXVIII. Het Campèchehout.--De mieren aan den arbeid.--De
- parasieten.--Tijgerkat en tamandua.--De vanielje.--De
- roode lepelaars en de kuifreigers.--Een apenstreek.--
- Verdwaald. 252
-
- XXIX. Een nachtelijk bezoek.--Val van een boom.--Een droevige
- nacht.--Versnelde marsch.--De apen.--De zweepslang.--
- Meester Job.--Met den schrik vrij. 261
-
- XXX. Het onweer.--Het maken van een vlot.--De hertslang.--De
- horzels.--Vaarwel aan de Palmboomen-Villa.--De Parra
- jacana en Gallinula.--De ratelslang.--Een wilde kat.--De
- aras. 269
-
- XXXI. De steltvogels.--De verdreven jagers.--De pecaris.--De
- Jaguars.--Het vlot blijft steken.--De tepoxoslang. 277
-
- XXXII. De Ibis.--De kaaimans.--De draaiers.--Een tweegevecht
- van den Encuerado.--De wilde stieren. 285
-
- XXXIII. De koning der gieren.--De pinolillas.--Een schrik van
- den Encuerado.--De Tapirs.--Afscheid van de rivier.--De
- prooi van den leeuw.--Een slechte nacht. 294
-
- XXXIV. Vertrek.--De Savanne.--De draagbaar.--Verdwijning van
- den Encuerado.--Wij laten Jaunet en Verdet in de
- steek.--Meester Job wordt ter dood veroordeeld. 302
-
- XXXV. De dorst.--Terugkeer van den Encuerado.--Een kleine
- zwerftocht.--Jaunet, Verdet en Rougette.--Jacht op wilde
- paarden.--Een monster.--Laatste avontuur.--Het gematigde
- Land. 310
-
- XXXVI. Thuiskomst. 319
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
-
-Het zij mij vergund dit werkje door eenige bemerkingen bij ouders,
-onderwijzers en al diegenen, welke voor de jeugd nuttige, aangename en
-gezonde lectuur verlangen, in te leiden.
-
-In de laatste veertig jaren heeft er een geheele ommekeer plaats gehad
-in de lectuur voor de jeugd. De moraliseerende, vaak droge en weinig
-aantrekkelijke kinderboeken, zooals de ouderen van dagen die in hunne
-jeugd ter lezing kregen, hebben plaats gemaakt voor een genre, dat zeer
-zeker veel meer in den smaak van het jonge volkje valt. De vroegere
-kinderboeken, waarin bijna altijd een brave Hendrik ten tooneele werd
-gevoerd en als navolgenswaardig voorbeeld werd aangeprezen, konden in
-den regel niet bevallen en zij misten bovendien geheel en al het doel,
-dat de schrijvers er mede beoogden. Het beeld, dat men der jeugd in die
-werken voor oogen stelde, was een valsch beeld en in stede dat de knaap
-zich aangetrokken gevoelde tot het idealistisch wezen, dat men hem
-voortooverde, werkte zooveel deugd, zooveel volmaaktheid ontmoedigend.
-Zelfs de stijl van die boeken toonde maar al te dikwijls aan, dat de
-schrijvers, door het schilderen van onware en onbestaanbare personen,
-zichzelven een dwang hadden opgelegd, die alle frischheid, alle
-levendigheid van voorstelling uitsloot. Stijfheid, vervelendheid,
-houterigheid waren dan ook bij die persproducten schering en inslag.
-
-Langzamerhand kwam er evenwel in de kinderliteratuur eene gunstige
-verandering. Het natuurlijke, het ongekunstelde kwamen in de plaats van
-het onnatuurlijke en het gedwongene. Gouverneur en Dr. Heije brachten in
-proza, zoowel als in poëzie, de kinderlectuur in geheel andere banen,
-en ook het buitenland bracht in goed geslaagde vertalingen, een rijk
-contingent van aangename uitspanning voor den geest aan.
-
-Evenwel verviel men toch ook weer dikwijls tot het tegenovergesteld
-uiterste. Het droge, ongenietbare werd maar al te veel vervangen door
-het fantastische en evenzeer onware. Zoo werden bijv. de werken van
-Gustave Aimard door duizenden en duizenden verslonden en brachten
-misschien evenveel jeugdige hoofden in de war. De onmogelijke
-heldenfeiten van de hoofdpersonen uit Aimard, werkten even nadeelig
-op de jeugdige hersenen, als de rooverromans uit eene gelukkig
-lang vervlogene periode het op de oudere hersenen deden, die hun
-geestesvoedsel in de huur-leesbibliotheken zochten. Het zal steeds een
-der grootste verdiensten van den Franschen uitgever en schrijver Hetzel
-blijven, dat hij, zoowel door zijne pen als door zijne industrie,
-waaraan hij de beste auteurs wist te verbinden, aan de jeugd van
-zijn land in de naar hem genoemde Collection Hetzel, een rijken schat
-van kinderliteratuur heeft geschonken, zooals geen ander land die
-weet aan te wijzen. Aan zijn helder doorzicht, aan zijne nauwkeurige
-kennis van de eischen des tijds, hebben wij vooral eene nieuwe soort
-kinderliteratuur, de wetenschappelijke, te danken. Elk gebied van
-wetenschap is bijv. in zijne collectie vertegenwoordigd, en wel in
-zoo groote verscheidenheid, dat de jeugd van elken leeftijd daar iets
-nuttigs, iets boeiends en tevens leerrijks kan vinden. Jean Macé,
-met zijn _Geschiedenis van een hapje brood_; Viollet le Duc met de
-_Geschiedenis van een huis_; Flammarion op het gebied der Hemelkennis,
-Jules Verne met zijne wonderreizen, Van Bruijssel en andere op het
-gebied van Natuurlijke Historie, en honderden anderen hebben hunne
-kennis en hun talent dienstbaar gesteld aan de literatuur voor de jeugd.
-Wetenschap en kunst, reizen en ontdekkingen, letterkunde en
-geschiedenis, alles is op ruime schaal voorhanden.
-
-Geen literatuur is dan ook, volgens mijne meening, beter voor de jeugd
-geschikt dan deze. Genot en kennis, uitspanning en leering gaan daar
-hand aan hand en terwijl de wonderen der vreemde landen, de verrassingen
-der wetenschap voortdurend boeien en de belangstelling gaande houden,
-wordt de kring der kennis steeds meer en meer uitgebreid en tevens de
-geest op eene niet vermoeiende en uitputtende wijze bezig gehouden en
-tot eene heilzame inspanning gedwongen.
-
-Vooral wordt door dergelijke lectuur het groote kwaad vermeden wat,
-volgens mij, in de werken als die van Aimard schuilde, nl. dit, dat,
-om de ontknooping van een of ander tafereel of wel van het gansche
-verhaal te weten, er met zulk eene zenuwachtige, koortsachtige haast
-werd gelezen, neen werd verslonden, dat het langzaam, met nadenken lezen
-eene onmogelijkheid werd en de knaap later maar al te zeer bleek niet
-meer tot ernstige lectuur, tot studie, in staat te zijn.
-
-Onder de reeds aangehaalde Fransche schrijvers voor de jeugd, neemt
-Lucien Biart eene goede plaats in. Ik heb met veel genoegen kennis
-gemaakt met het werk, waarvan ik hierbij de vertaling aanbied. Dat het
-in Frankrijk reeds den twaalfden druk beleefde, bewijst wel hoezeer het
-in den smaak van de jeugd van dat land viel.
-
-In den aangenaamsten vorm, waar zoowel de meest vroolijke en
-potsierlijke, als de ernstigste en gevaarlijkste avonturen elkander
-afwisselen en de spanning gaande houden, leert de schrijver ons een
-gedeelte van Mexico kennen. Bergen en vlakten, bosschen en prairieën,
-de plantenwereld en het dierenrijk, de inwoners en hunne gewoonten, de
-voortbrengselen van den grond en het klimaat, alles wat ons een land in
-den uitgebreidsten zin des woords kan leeren kennen, weet de schrijver
-op de meest bevattelijke en toch strikt wetenschappelijke wijze mede te
-deelen, terwijl bovendien alles vermeden is, wat ook maar op eenigerlei
-wijze aanstoot aan wien dan ook, zou kunnen geven. Werken als het
-onderhavige kunnen dan ook niet genoeg aanbevolen worden. Zij bieden
-naast uitspanning, voedsel voor den geest aan, vermeerderen de kennis,
-verruimen den gezichteinder en brengen wezenlijk veel bij, om de studie
-en de opvoeding gemakkelijk te maken. De inhoudstafel van dit boek,
-die wij hier laten volgen, moge een denkbeeld geven van de rijke
-afwisseling, die er in aangeboden wordt.
-
-Moge het velen jongelieden eene aangename en nuttige uitspanning zijn.
-
- A. NUYENS.
-
-
-
-
-EEN WOORD VOORAF.
-
-
-Den dag, voor dat ik een mijner gewone tochten zou ondernemen, was ik
-bezig mijne wapenen, insektendoozen en al mijne reisbenoodigdheden
-in orde te brengen, toen mijn oudste zoon, een kereltje van negen
-jaren, mij met dat vleiend voorkomen naderde, dat de kinderen weten
-aantenemen, als zij een gunst van ons willen verwerven,--onweerstaanbare
-staatsmans-kunst, die de vaders en moeders op zoovele nadeelige
-verdragen te staan komt.
-
---Gaat u weer zoo'n lange reis ondernemen als die van de vorige maand?
-vroeg hij mij.
-
---Een nog veel langere, want ons aanstaand vertrek naar Europa maakt,
-dat ik mijne verzamelingen zoo spoedig mogelijk voltallig wensch te
-hebben. Zult ge, gedurende mijne afwezigheid braaf zijn, uw mama niet
-te veel plagen en aan mij denken?
-
---Ik zou veel liever niet aan u willen denken.
-
---Zoudt ge dan willen, dat ik in Orizava bleef?
-
---Oh! neen; ik zou u willen zien vertrekken en.... met u meêgaan.
-
---Hoe komt je dat in de gedachte? lieve Hemel! wij zouden nauwelijks op
-weg zijn, of ge zoudt over warmte, dorst en vermoeidheid klagen.
-
---Dat hebt u mis, vadertje! Als u mij meêneemt, zal ik u van veel dienst
-zijn. Kan ik geen hout zoeken, vuur aanmaken en op het gebraad passen?
-Zonder er nog bij te voegen, dat ik vlinders en insekten voor uwe en
-mijne verzamelingen zou vangen.
-
---Ja, maar de eerste doorn de beste, die uw hand of been zou schrammen,
-zou u doen schreien.
-
---O! Pa! ik beloof u dat ik niet zal schreien, dan wanneer ik mij niet
-kan inhouden.
-
-Dit antwoord dwong mij een glimlach af.
-
---Dat is dus afgesproken, ik ga met u meê, riep Lucien uit.
-
---Zoudt ge het niet eerst uwe moeder vragen? Als zij er geen bezwaar in
-ziet, zou ik..."
-
-Het kind liep hard weg, zonder het einde van mijn volzin af te wachten.
-
-Ik ging voort met mijne wapens schoon te maken. Reeds bepleitte ik bij
-mij zelven de zaak van den jeugdigen reiziger. Ik dacht er aan hoe ik,
-nauwelijks zeven jaar oud, te voet, met mijn vader groote afstanden
-aflegde en hoe ik aan deze vroegtijdige gewoonte van veel te loopen
-het te danken had, dat ik reizen kon doen, waarvan de gevaren en de
-vermoeienissen anderen, die sterker waren dan ik, afschrikten. Ik zeide
-nog bij mij zelven, dat het misschien nuttig kon zijn, eer wij Mexico
-verlieten, op de verbeelding van het kind indruk te maken door het zien
-van de grootsche tooneelen van de natuur onder de keerkringen en dat
-het goed zou zijn als hij de herinnering bewaarde aan het heerlijke
-land, waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Ik bedacht verder dat de
-Encuerado, een brave Indiaan, die mij reeds sedert zoovele jaren diende,
-dol veel van zijn jongen meester hield en even goed als ik over hem
-zou weten te waken. Maar stelde ik mij van een anderen kant niet aan
-het gevaar bloot om bij mijn zoon mijn lust tot reizen en tot een
-avontuurlijk leven op te wekken, dat wel mijn kennis had vermeerderd
-maar niet mijn fortuin? En toch, welken heilzamen invloed oefent een
-strijd van alle uren tegen de moeielijkheden van een ongebaanden weg,
-niet op den geest uit! De ziel en het lichaam van mijn zoon zouden
-beiden bij dezen tocht, dien ik naar verkiezing langer of korter zou
-kunnen maken, winnen.
-
-Terwijl ik zóó, zonder het bijna te weten, de pleitbezorger van Lucien
-werd, zag ik hem terugkeeren, zijne moeder bij de hand houdende.
-
---Wat is dat toch met die reisgeschiedenis, waaraan nog slechts mijne
-toestemming ontbreekt? vroeg mijne vrouw mij.
-
---En de mijne, haastte ik mij er bij te voegen.
-
---Maar waarom zoudt ge hem niet meenemen, mijn vriend? De Encuerado
-heeft mij beloofd, dat hij hem niet uit het oog zal verliezen.
-
---Wat, neemt gij zijn partij op?
-
---Hij zou zoo gaarne met u meê willen gaan.
-
-Ik dacht een minuut na, die Lucien een eeuw toescheen; eindelijk pakte
-ik hem bij zijn oor en sprak:
-
---Welnu het zij zoo; laat men zijn kleêren maar gereed maken, want wij
-zullen overmorgen, bij het krieken van den dag, vertrekken.
-
-Ik dacht, dat Lucien gek van blijdschap werd. Terwijl hij het huis
-van het eene einde tot het andere doorliep, bracht hij alle meiden en
-knechts op den been. Hij wou slobkousen, laarzen, een weitasch, een
-sabel, een mes, insektendoozen, kortom een heele wereld hebben. Hij liet
-door den Encuerado, die bijna even blij was, een gemakkelijken, stevigen
-en lichten reisstok maken. Van af dat oogenblik zag men in de kamers en
-op de binnenpleinen voortdurend den jongen reiziger, die heen liep, weer
-terug kwam, klauterde, alles, zooals hij zeide, om zich te gewennen aan
-de vermoeienissen van lange marschen. Toen men ging eten veroordeelde
-hij zich zelven tot water en brood, teneinde zijn maag voortebereiden
-op de magere tafel van het bivak.
-
-Ik moest dezen ijver wat intoomen en aan dat in gisting verkeerende
-hoofd wat koelbloedigheid aanbevelen.
-
-De dag voor het vertrek brak aan. Verscheidene mijner vrienden kwamen
-mij bezoeken. Het ventje vertelde hun al de groote daden, die hij van
-plan was ten uitvoer te brengen. Bij voorbaat vertrapte hij reeds de
-koppen der schorpioenen, met zijn sabel kloof hij boomen en hakte hij
-slangen aan stukken. Hij dacht hersenschimmige middelen uit om vuur te
-maken.
-
-»Als ik op de rotsen val, zal ik om mijn schrammen lachen en als wij
-tijgers ontmoeten...."
-
-Zijn krijgshaftige houding voltooide op welsprekende wijze den zin.
-
-Een oogenblik hield hij met zijn gesnap op en hij zou met zijn sabel
-zeker de toehoorders wel tot stilzwijgen hebben willen brengen, die, als
-uit een mond, mijn voornemen laakten. Een kind van negen jaar met zich
-in de bosschen en Savannes sleepen, het blootstellen aan de onbekende
-gevaren eener woeste wereld, aan de vermoeienissen, aan regen, aan
-ziekten! dat was de Voorzienigheid tarten en misschien luchthartig het
-leven, of althans de gezondheid van het kind in gevaar brengen. Deze
-algemeene afkeuring bracht mijn besluit aan 't wankelen.
-
---O vader, riep Lucien uit, zijn handen samenvoegende, zoudt ge voor de
-eerste maal uw woord tegenover mij breken!
-
---Neen, antwoordde ik, nu niet en nooit. Ik verlang bovendien, dat gij
-een man wordt. Ga nu rusten. Gij moet morgenochtend om vier uur op zijn.
-
-Men meende dat ik half gek was, maar ik bekommerde er mij verder niet
-om.
-
-Ik had van mijn voorgenomen tocht kennis gegeven aan mijn vriend, Frans
-Sumichrast, een geleerden Zwitser, wel bekend door zijne ontdekkingen
-in de natuurlijke historie en in wiens gezelschap ik verscheidene reizen
-had gemaakt. Tegen tien uur in den avond begon ik reeds te denken dat
-mijn brief verloren was geraakt, toen een slag met den klopper de deur
-deed dreunen en weldra herkende ik de vroolijke stem van mijn vriend.
-Hij was expres van Cordova gekomen om zich bij de karavaan aan te
-sluiten. Ik deelde hem mijn vrees en twijfel betreffende Lucien mede.
-Hij nam ook de partij voor den jeugdigen reiziger op; kon men ook wel
-iets anders verwachten van een landgenoot van Töpffer?
-
---Kom eens hier, riep hij Lucien toe, die, half ontkleed, de deur op een
-kier open deed.
-
-De knaap liep op hem toe en door mijn vriend, wiens lichaam de
-gemiddelde lengte te boven ging, van den grond opgetild zijnde, omhelsde
-hij hem als een bondgenoot.
-
---Op uw leeftijd, sprak Sumichrast, had ik, met den ransel op den rug,
-reeds geheel Zwitserland doorkruist en getracht beerenbiefstuk te eten.
-Ik zeg dat ge u als een man zult gedragen, heb ik daarin ongelijk?
-
---O neen, mijnheer Sumichrast.
-
---Zoudt ge kunnen leven zonder eten of drinken?
-
---Ik zal doen, wat u doet.
-
---Mooi zoo! ga nu slapen; als ge woord houdt, zijt ge, als we over een
-maand terugkeeren, zes voet groot geworden.
-
-Den volgenden dag beklaagde Lucien, die reeds voor dag en voor dauw op
-en geheel tot de reis uitgerust was, zich over onze langzaamheid. Hij
-was gekleed in een blauw linnen kiel en een broek van dezelfde stof,
-zijn Mexicaansche deken (sarapé) was om het lichaam gerold, aan den
-lijfriem droeg hij een scherpe sabel om de slingerplanten door te hakken
-en over den schouder aan een riem een weitasch, waarin zich een mes, een
-beker en eenig schoon goed bevonden. De hoed met breede randen, dien hij
-op had, gaf hem een vastberaden uiterlijk. Ik vergeet nog de veldflesch
-en den beruchten reisstok, die gedurende twee dagen op alle vloeren
-had weerklonken. Eindelijk kwam ook José-Maria, een halfbloed Indiaan,
-vroeger tijgerjager van beroep, wien duizenden, te zamen doorgestane
-gevaren voor altijd aan mijn persoon verbonden hadden, voor den dag. Hij
-was gekleed in een leeren kiel en broek, die zijne gansche uitrusting
-uitmaakten en waaraan hij den naam van »den Encuerado"[1] te danken
-had. De brave Indiaan, een avontuurlijke natuur, kon zijne blijdschap
-niet verbergen bij de gedachte, dat hij het kind, dat hij gewiegd had,
-meê in de bosschen mocht nemen. Hij droeg op zijn rug de mand die
-de noodzakelijkste levensbehoeften: koffie, zout, peper, gedroogde
-maïskoeken enz. bevatte. Het zusje en de jongere broeder van Lucien
-waren uit hun bed gekomen en draaiden om ons heen; de eerste scheen
-droevig en onrustig, de andere was niet zeer tevreden en preutelde;
-hij beweerde, dat hij ook groot genoeg was om meê te gaan.
-
-[1] Encuerado beteekent in 't Spaansch tegelijkertijd naakt en in leer
- gekleed.
-
-Toen het beslissende uur naderde, zag de arme moeder zich den moed
-ontzinken en zij had spijt dat zij hare toestemming had gegeven. Bij het
-zien der tranen welke zijn vertrek te voorschijn riep, betoonde Lucien
-zich heldhaftig; hij wierp stok en hoed ver van zich en riep, terwijl
-hij haar omhelsde:--Als gij schreit, moeder, ga ik niet mee.
-
---Welnu, dan ga ik in zijne plaats meê, sprak zijn broeder Emile, die
-haastig den stok opraapte en naar de deur ging, zonder zich veel over
-zijn meer dan luchtige morgenkleeding te bekommeren.
-
---Neen, neen, kindlief, ik wil u niet van zulk een groot genoegen
-berooven.
-
-De goede moeder omhelsde haar kind en beval hem ons door hare blikken
-nogmaals aan.
-
-Ik troonde mijn kleinen reismakker mede. Op het voorplein komende,
-moest ik al mijn gezag te hulp roepen om Emile hoed en stok te doen
-teruggeven. Zoodra dit gebeurd was, omhelsden de kinderen elkaar tot
-afscheid.
-
-Eindelijk waren wij dan de deur uit en het geraas van onze voetstappen
-onderbrak alleen de stilte der stad Orizava. Wij aanvaardden den eersten
-dagmarsch van een reis van wetenschappelijke ontdekkingen, waarvan men
-mij den geschiedschrijver heeft genoemd.
-
-
-
-
-I.
-
-WIE WIJ ZIJN.--GRINGALET.--ZONSOPKOMST.--HET SUIKERRIET.--HALT.
-
-
-Het was den 20 April 1864. Op den kerktoren van het klooster van St.
-Jozef van Genade had het juist vier uur geslagen toen wij in de groote
-straat kwamen, die tot buiten de stad geleidt.
-
-Sumichrast opende den marsch. Groot van gestalte, breed van schouders,
-met een hoog voorhoofd, vertoonde hij, niettegenstaande zijne blauwe
-oogen en blonde haren, het beeld der sterkte. Ik liet hem altijd vooraan
-gaan, als wij op onze tochten indruk op de verbeelding der Indianen
-wilden maken. Daar mijn metgezel een uitstekend vogelkundige was,
-gevoelde hij zich slechts thuis te midden der bosschen en betreurde hij
-het, dat hij niet als Indiaan geboren was. Een weinig droefgeestig,
-zonder evenwel somber te zijn, vergeleek ik hem, ook om zijn
-behendigheid in 't schieten en zijn stillen lach, met Bas-de-Cuir[2],
-maar een geleerde Bas-de-Cuir en een man van de wereld. Zijn ernst
-schrikte Lucien, die hem sedert lang kende, volstrekt niet af.
-
-[2] Een personage uit de werken van Aimard.
-
-Lucien, die, evenals alle kinderen, graag alles naäapt, was reeds
-vroegtijdig begonnen met het aanleggen van eene verzameling insekten
-en dit was voldoende geweest om hem eene bepaalde voorliefde voor de
-natuurlijke geschiedenis in te boezemen. Voor zijn leeftijd vrij klein,
-met zwarte oogen onder de krullende blonde haren, was hij ernstig en
-nadenkend en zeer begeerig om te leeren. Zijn verstandigheid behaagde
-aan Sumichrast, die er dikwijls vermaak in vond met hem te redetwisten
-en die hem dan, opgebeurd door zijn snedige uitvallen, Zonnestraal
-noemde.
-
-Achter den knaap liep de Encuerado, een halfbloed Indiaan met een
-beenderig gelaat, zwarte en beweeglijke oogen, dik en overvloedig haar;
-een mengsel van geslepenheid, kinderlijkheid, goedheid, oprechtheid en
-koppigheid. Sedert ik hem in het Warme Land had ontmoet, dat wil zeggen
-bijna twaalf jaar geleden, was hij zoowel mijn vriend als mijn dienaar
-geworden. In de stad gevoelde hij zich ongelukkig; opgevoed te midden
-der eenzaamheid, roemde hij zelfs hare onaangename zijden.
-
---Hoe jammer dat het nacht is, sprak Julien, die door Sumichrast bij de
-hand werd gehouden.
-
---Waarom spijt het u, dat het geen dag is? vroeg ik hem.
-
---Wel! omdat iedereen nu slaapt en mijn vriendjes mij nu niet kunnen
-zien voorbijgaan met mijn sabel, mijn veldflesch en mijn weitasch.
-
---Hm! en zoudt ge dan denken dat uw uitrusting uw makkers jaloersch zou
-maken? Dat is nog al een mooie gedachte.
-
---Neen vader, 't is waar, ik zou wel gezien willen worden, maar ik zou
-niemand verdriet willen veroorzaken.
-
-Wij trokken langs den voet van den Borrego, dien door het gevecht van
-zestig Franschen tegen duizend Mexicanen zoo beroemd geworden berg.
-Terwijl wij zoo den straatweg volgden en door de duisternis een beetje
-op goed geluk af voortmarcheerende, de zoogenaamde poort van Angostura
-bereikten, vloog eensklaps een hond voor ons uit, die evenwel spoedig op
-zijn schreden terugkeerde, vroolijk tegen ons blafte en ons allerlei
-liefkoozingen bewees.
-
-'t Was Gringalet, een groote windhond, sierlijk maar gespierd van
-vorm, de vriend van mijn zoon en door den Encuerado met de zuigflesch
-grootgebracht. Op den dag van zijn geboorte wees geworden, had Gringalet
-in den Indiaan den zorgvuldigsten voedstervader gevonden; drie maal per
-dag had hij zijn pleegkind aan een met melk gevulde flesch laten zuigen,
-het dier was aan de zijden van zijn jongen meester groot geworden; het
-had hem--dit spreekt van zelf--meer dan een stuk koek uit de handen
-gesnapt, maar daarom betoonde het ook een groote voorliefde voor Julien,
-voor zijn voedstervader en voor de flesch. Ik was eerst boos op het arme
-dier dat, zonder broodzak en zonder mondbehoeften, zich bij de karavaan
-aansloot en wilde het terug jagen. Maar Gringalet zocht zijn toevlucht
-bij Julien; met de ooren in den nek en een poot omhoog, zag hij mij met
-zulke zachte en smeekende blikken aan, dat ik den moed niet had hem weg
-te sturen. Sumichrast en de Encuerado sprongen voor het arme dier, dat
-kwispelstaartend en op den buik zich voort slepende, voor mijn voeten
-ging liggen, in de bres. Lucien, die bang was, dat ik zijn lieveling ruw
-zou behandelen, bedekte zijn gelaat met beide handen. Ik was overwonnen.
-
---Komaan, dan zullen we Gringalet maar meê nemen riep ik uit.
-
-Ik haalde den hond aan, die, begrijpende dat zijne zaak gewonnen was,
-met de dolste sprongen over den weg begon te rennen. Bij Lucien kwamen
-de waterlanders te voorschijn, hoeveel moeite hij ook deed om ze tegen
-te houden. Ik wendde het hoofd af, ten einde niet verplicht te zijn
-hem te herinneren aan de belofte, bij den aanvang van de reis gedaan.
-Trouwens, hoezeer ik ook verlangde dat hij moedig zou weten te weerstaan
-aan lichamelijke pijnen, wilde ik toch in zijn hart de bron zoowel van
-onze zoetste genoegens als van onze zwaarste zorgen, de gevoeligheid,
-niet doen verdrogen. De poorten van de stad waren nog gesloten. Voor de
-woning van den wachter gekomen, klopte ik op het venster, om den ouden
-man, die ons de vrijheid moest geven, wakker te maken.
-
---Zou hij ons niet opendoen? Moeten wij weer terugkeeren? Zouden wij van
-daag niet vertrekken, mijnheer Sumichrast? vroeg de knaap.
-
---Wees gerust, antwoordde Sumichrast, de wachter is oud, wij storen hem,
-zonder daartoe het recht te hebben, en dat maakt hem wat knorrig. 't Is
-wel goed levendig te zijn, maar men moet ook weten geduld te oefenen.
-
-Eindelijk kwam de poortwachter te voorschijn; de kettingen vielen een
-voor een neer, de zware boom draaide op zijn grendels, en Lucien sprong
-het eerst den grooten weg op. De hemel was zonder sterren, de morgendauw
-deed ons verstijven; wij ondervonden dat onverklaarbare, onbehagelijke
-gevoel dat zich onder de keerkringen van den reiziger meester maakt op
-het oogenblik als het licht voor de duisternis in de plaats komt. Ik nam
-Lucien bij de hand, uit vrees dat hij soms in een kuil zou vallen. Hij
-rilde, maar durfde niet klagen, zijne uitrusting hinderde hem in het
-loopen. Ik verhaastte den pas om hem wat warmer te doen worden. Op dit
-oogenblik betreurde hij wellicht zijn bedje en dacht hij aan den kop
-chocolade, dien zijne moeder hem dikwijls bracht, als hij pas de oogen
-open had; maar hij sprak er toch niet over.
-
-Voorbij het dorp del Ingenio vertraagde een sterke Zuidenwind, die het
-stof van den weg naar ons toejoeg, onzen marsch. Om ons heen bogen
-de boomen onder den storm en de breede bladeren van de bananenboomen
-vlogen, tot reepen gescheurd, in 't rond. Wij hielden rechtsaan en
-trokken eene prairie over. De Encuerado vroeg om eens adem te mogen
-scheppen; want de vracht, die hij droeg, woog minstens tachtig pond;
-maar even als die van Esopus, zou zij bij elken maaltijd lichter worden.
-Een onmetelijk rotsblok, eeuwen geleden van de omringende bergen
-losgescheurd, vergunde ons om, tegen den wind beschut, uit te rusten.
-Bijna op hetzelfde oogenblik omzoomde een purperen rand den hemel naar
-den kant van het Oosten; de dageraad kondigde zijn komst aan.
-
---Kom eens hier, riep ik Lucien toe. Ziet ge daar die streep licht, die
-zou doen gelooven, dat de gezichteinder in brand staat? Midden uit die
-streep zal de zon straks eensklaps te voorschijn komen. Op dit oogenblik
-is het voor de volkeren van Europa, reeds bijna middag; daarentegen zal
-het bij hen nacht zijn, als ons horloge op drie uur zal staan en wij
-onder den gloed van een smoorheete lucht met moeite voorwaarts zullen
-gaan. De roode streep wordt zienderwijs breeder, maar zij wordt ook
-bleeker; men zou nu meenen, dat het een gouden nevel is. Keer u nu eens
-om en zie eens naar de bergtoppen.
-
-De knaap uitte een kreet van verrassing; ofschoon wij nog in de donkerte
-waren, schenen de toppen van de Cordilleras in vuur te staan.
-
---Begrijpt ge dit verschijnsel? vroeg Sumichrast.
-
---Ja zeker, want ik weet dat de aarde rond is en dat de berg, die hooger
-is dan wij, de zon het eerste ziet.
-
---Goed geantwoord, zeide Sumichrast, terwijl hij hem omhelsde.
-
-De dag brak aan. Een brandende bol rees van uit den grond op; het oog
-kon er nog ongestraft in staren; maar na een paar minuten kwam het
-gesternte hooger en overstroomde ons met licht. Onmiddellijk hieven de
-vogels hun morgenlied aan; de arenden rezen van alle toppen omhoog en
-kwamen om onze hoofden zweven. De zonnestralen glinsterden tusschen de
-dauwdruppels; het gras der prairie scheen als met diamanten overdekt.
-Zwarte gieren, die nog hooger stegen dan de arenden en haviken,
-beschreven in de blauwe lucht in hun majestueuze vlucht onmetelijke
-kringen. Op de struiken spreidden de insekten hunne gazen vleugelen uit
-en vlogen weg; zij wilden geen minuut verliezen, want zij hebben soms
-slechts een morgenstond tijds om geboren te worden, te leven en te
-sterven.
-
---O, riep Lucien uit, als wij weer thuis zijn, zal ik mama vertellen
-hoe mooi het opgaan der zon is, opdat zij het ook aan mijn broertjes
-en zusjes late zien.
-
-Ik was verplicht hem aan eene bewondering te ontrukken, die ik zelf
-deelde. Iedereen nam zijne vracht op. Nu gevoelden wij ons, trots den
-wind, vlug en wel te moede. Gringalet, die over den terugkeer van het
-licht even verheugd was al wij, liep om Lucien heen; hij blafte, sprong
-over slooten, rende en huppelde en rolde zich in het zand, met een
-uitbundigheid, die ons verbaasde. Onze kleine reismakker volgde in den
-beginne dat dwaze loopen na, zoodat ik hem wat ter neer moest zetten.
-Wij waren voornemens om zes of zeven mijlen op dezen eersten dag
-afteleggen, zoodat wij wel moesten toezien, dat Julien zich niet
-nutteloos vermoeide.
-
---Ge gaat te schielijk of te langzaam, zeide Sumichrast; reizigers en
-soldaten moeten in een geregelden pas loopen, zoodat zij zonder te veel
-vermoeidheid van de eene rustplaats tot de andere kunnen komen. Komaan,
-in 't gelid; goed zoo. Voorwaarts, marsch!
-
-Lucien regelde zijn stap op dien van zijn onderwijzer. Het was aardig om
-te zien, hoe hij een gang wilde beproeven, die geheel in tegenstelling
-met zijn grootte was.
-
---Halt! riep Sumichrast. Wat koekoek! denkt ge dan, dat uw beenen
-evenlang als de mijne zijn? Dat voorrecht kan u misschien over een jaar
-of tien ten deel vallen. Nu moet ge op eene natuurlijke wijze, zonder
-inspanning en zonder overhaasting loopen. Een, twee, drie, goed zoo! Ga
-nu zoo voort, zonder u om mij te bekommeren; daar gij mijn pas niet kunt
-maken, zal ik den uwen nemen.
-
-Daar wij een reis van driehonderd mijlen in 't verschiet hadden, was het
-een vereischte, dat wij het kind aan een geregelden gang gewenden. Na
-verschillende proefnemingen, werd overeengekomen dat wij den gewonen pas
-zouden aannemen; zoo doende kon Lucien ons bij houden door twee passen
-te doen tegen wij een.
-
-Wij richtten ons nu naar de hoogten heen. Ons plan was om de Cordilleras
-in te gaan, den vulkaan van Orizava om te trekken, dan weer in de
-savannen af te dalen, dan in schuinsch linksche richting te gaan,
-ten einde de zee te bereiken; van daar zouden wij de prairieën en de
-bosschen van het Warme Land doortrekken om zoo weer door de bergen van
-Songolica op ons uitgangspunt terug te komen. Dit vertegenwoordigde
-in rechte lijn een reis van honderd vijftig mijlen of minstens van
-driehonderd mijlen, als men de bochten die wij zouden moeten maken,
-meerekende. Wij waren van plan om op deze lange reis van tijd tot tijd
-de gastvrijheid in de Indianendorpen, die wij in onze nabijheid zouden
-vinden, in te roepen en als het niet anders kon, in de open lucht te
-slapen en te kampeeren.
-
-[Illustratie: De Encuerado nam zijn _machete_ en sneed een prachtigen
- stengel af. (blz. 11).]
-
-Tegen elf uur in den ochtend werd de warmte drukkend en Lucien vroeg,
-wanneer het tijd was om te ontbijten. Wij trokken op dit oogenblik
-juist door een plantage, ja ik mag wel zeggen een bosch van suikerriet.
-De stengels, die bijna twee meter lengte hadden, waren nu eens
-geelachtig, dan weer met blauw geaderd. Deze laatste soort zal zeker de
-voorkeur boven de andere verkrijgen; ofschoon minder dik geeft zij een
-veel zekerder opbrengst. De Encuerado nam zijn _machete_ (een korte
-sabel, die den bewoners van het Warme Land onontbeerlijk is), sneed een
-prachtigen stengel af, schilde dien en bood er ons eenige stukken van
-aan. Het suikerriet is verbazend hard, men moet het geheel en al fijn
-hakken om de cellen, die het suikerhoudende vocht bevatten, en dat men
-er anders onmogelijk uit zou kunnen persen, te verbreken. Mijne makkers
-begonnen het merg te kauwen en Gringalet scheen er niet minder op
-verlekkerd dan zij.
-
-Niet ver van het veld met suikerriet was een troep Indianen bezig
-een andere plantage te ontginnen. De grond was met asch bedekt. De
-meesterknecht verklaarde ons dat, als men het riet oogst, men het eerst
-van de lange bladeren ontdoet, die op den grond blijven liggen. Onder
-den invloed der tropische zon zijn deze bladeren in acht dagen droog en
-geel geworden; men steekt ze dan in brand, en de asch dient tot mest.
-Vijf of zes Asteken bewerken dezen oogenschijnlijk onvruchtbaren grond,
-met een ploeg van zeer eenvoudig maaksel, namelijk een paal die op twee
-houten schijven, die wielen zonder spaken vormen, gedragen en door twee
-ossen, door een juk aan elkander verbonden, getrokken werd.
-
-Sumichrast nam den knaap bij de hand en zeide: »'t Is goed, dat men de
-geschiedenis kent van hetgeen men eet. In 't latijn heet het suikerriet
-_saccharum officinalis_, dat wil zeggen suiker uit de apotheken, omdat
-het product van deze plant zoo zeldzaam was, dat men het slechts bij de
-apothekers verkocht. De plant zelf, zegt men, dat uit Indië komt. Zooals
-gij ziet, is het een bundel wortels, die van zes tot twintig stengels
-voortbrengt, die met meer of minder dicht bijelkander staande knoopen
-zijn voorzien, waarvan het aantal ook zeer afwisselt. De meest gezochte
-soort, het zoogenaamde riet van Taïti, heeft paarse strepen. De plant,
-die ge daar voor u ziet, is zeer opmerkenswaardig van grootte, want zij
-is zeker vier meter hoog.
-
---Het gelijkt wel wat op maïsplanten, zeide Lucien.
-
---Met dit onderscheid, dat de maïs slechts een scheut geeft. Ha, zie
-eens, die Indiaan gaat met zijn machete de mooie plant, die ik u
-aanwees, afhakken. Met een enkelen houw snijdt hij de plant schuins door
-en zoo dicht bij den grond als maar mogelijk is. Hij ontdoet haar van
-de bladeren en met een tweeden houw van zijn hakmes, snijdt hij er den
-groenen kruin af, die als voeder voor het vee zal dienen; nu verdeelt
-hij haar in stukken, zorg dragende steeds tusschen de knoopen te
-snijden, want hij wil haar gebruiken om een nieuw veld te bezaaien.
-
---Bezaaien, herhaalde Lucien? Zijn die knoopen dan zaden?
-
---Neen, meester Zonnestraal; maar het zaad van het suikerriet ontwikkelt
-zich te langzaam; het heeft vier jaar noodig om een plant te vormen,
-die wat kan opbrengen. En daar de snuiters van uwe soort nog al talrijk
-zijn en veel confituren en koekjes verbruiken, moest men wel een middel
-uitdenken om spoediger de opgegeten suiker te vervangen. Dit middel nu
-heeft men gevonden. Ieder dezer stukken wordt in den grond gestopt, en
-de knoop, die boven den grond bladeren zal voortbrengen, zal in den
-grond wortels geven. Zoo groot als hij nu is, zal hij schielijk groeien
-en na een jaar of hoogstens achttien maanden, zal hij, dank zij de zon,
-een twaalftal stengels voortbrengen, even fraai als hij zelf is.
-
-Gedurende dit onderhoud was de Encuerado, wien zijn vracht het stilstaan
-moeielijk maakte, doorgegaan en men moest hard loopen om hem in te
-halen.
-
-Onder het loopen door zag de knaap nog, hoe het stuk suikerriet, dat
-men onder zijn oogen had afgesneden, onder den grond werd gestopt.
-Weldra vertoonde eene pas aangelegde plantage, waar de jonge scheuten,
-gelijk aan die van een opkomend grasperk, den grond met een groen kleed
-bedekten, zich aan hunne oogen. Sumichrast groef den grond een weinig op
-en liet zijn opgetogen leerling een stuk van den stengel zien, die reeds
-met blaadjes en worteltjes voorzien was.
-
-Eensklaps werd ik bij het omdraaien van een pad door een heer te paard
-gegroet: het was de rentmeester van de plantage die wij doortrokken.
-
---Heila! don[3] Luciano, waar gaat gij aldus uitgerust heen? riep de
-nieuw aangekomene mij toe.
-
-[3] Don = Mijnheer.
-
---Een bezoek brengen aan de bosschen van de Cordilleras, antwoordde ik.
-
---De Hemel sta mij bij! En gaat de Senorito[4] met u meê?
-
-[4] Senorito = Jongeheer.
-
---Wel zeker. Dat God u behoede en tot weerzien, Antonio.
-
---Tot weerzien? Bij de ziel van mijn vader, dat woord zult ge eerst
-straks mogen zeggen. De huishoudster heeft eieren en gebraden boonen en
-ik moet nog ergens een paar flesschen Spaanschen wijn hebben, die wij op
-uwe gelukkige reis zullen ledigen, als gij tenminste de gastvrijheid van
-een arm man niet versmaadt.
-
-Daar wij nog nuchter waren, pasten wij wel op om zulk eene hartelijke
-uitnoodiging van de hand te wijzen. De rentmeester wilde den jongen
-reiziger met alle geweld voor zich op het paard nemen, en deze wilde
-niets liever.
-
---Drommels, drommels! riep Sumichrast uit, gij gaat hem bij het begin
-van de reis al bederven.
-
---Dat is een halve mijl minder voor zijn arme beentjes, antwoordde
-Antonio. En zijn paard de sporen gevende rende hij weg, ten einde de
-noodige bevelen voor het ontbijt te geven.
-
-Gringalet, die geheel verbijsterd was zijn meester zoo te zien weggaan,
-hief zijn schranderen kop naar ons omhoog, scheen ons te ondervragen,
-stak de ooren op, alsof hij naar de steeds onduidelijker wordende
-stappen van het paard luisterde, hief eindelijk een klagend gehuil aan
-en liep uit al zijn macht de beide ruiters achterna.
-
-Daar het mij verwonderde den Encuerado niet meer te zien, keek ik
-om, denkende dat hij achter was gebleven, en wel spoedig zou komen,
-toen Sumichrast eensklaps begon te lachen. Bij den draai van den weg
-bemerkte ik den ruiter met den hond naast zich, en den Indiaan die,
-niettegenstaande zijn vracht, naast het paard voortdraafde, zonder zich
-voorbij te laten rijden.
-
-Dit heldenstukje van mijn knecht verbaasde mij niet zeer, want ik geloof
-niet dat er op de wereld onvermoeibaarder loopers zijn dan de Mexicanen.
-Om twaalf uur, juist toen de klok de werklieden terugriep, kwam ik op
-het binnenplein van de fabriek aan, waar ik mijn kleinen reisgezel reeds
-op den grond zag zitten. Met zijn hond naast zich, beschouwde hij met
-verrukking eenige eenden, die in een modderigen poel rondplasten.
-
-
-
-
-II.
-
-DE SUIKER.--GRINGALET IN DE STROOP.--EEN IDEE VAN DEN
-ENCUERADO.--INDIAANSCH AVONDMAAL.
-
-
-Het ontbijt was, dank zij den Spaanschen wijn, dien onze gastheer
-beloofd had, zeer opgewekt. De Indiaansche werklieden, hunne vrouwen en
-kinderen, verzamelden zich vol nieuwsgierigheid voor de vensters van het
-huis. Lucien was in de wolken, want die nieuwsgierigheid gold vooral
-hem. Gringalet, die door zijn natuurgenooten uit de fabriek veel minder
-hartelijk was ontvangen dan wij, verliet zijn meester niet en toonde te
-pas of te onpas zijn tanden.
-
-Alvorens wij vertrokken, wilde Sumichrast aan zijn leerling laten zien
-hoe de suiker gemaakt wordt. Hij geleidde hem eerst naar een molen, die
-onder een ruim afdak was geplaatst. Daar werd het riet, dat door een
-Indiaan tusschen de rollen werd gestoken, door twee houten cilinders,
-die om een spil draaiden, welke door middel van een as, door twee aan
-een juk gekoppelde ossen in beweging werd gebracht, fijn gemalen. Het
-werktuig steunde en scheen uit elkander te zullen springen door de
-kracht, welke de twee sterke dieren, die men door gebaren en door de
-stem aanwakkerde, er op uitoefenden. Lucien zag dat de stengels, die in
-stukken van een meter, schuins waren afgesneden, door de twee rollen
-gegrepen en platgeperst werden. Na deze machtige drukking te hebben
-ondergaan, kwamen zij bijna geheel droog van onder de rollen te
-voorschijn, terwijl het suikerachtige sap in een grooten bak liep, die
-uit een boomstam gemaakt was. Zoodra de bak vol was, werd er een groote
-klep geopend, niet ongelijk aan die, welke gebruikt worden om het water
-uit de badkuipen te laten wegvloeien; het troebele en drabbige sap liep
-door een goot, vanwaar het in een steenen vergaarbak kwam. Bij dit
-neervallen liep het door de mazen van een zak, die uit aloë-vezels was
-gemaakt en werd daarin zoo goed en zoo kwaad als 't kon gefiltreerd.
-Daarna bracht men het in verbazend groote koperen ketels, die op een
-groot fornuis stonden. De gekneusde suikerrietstengels, die in de zon
-spoedig droogden, werden gebruikt om het vuur te onderhouden, dat het
-sap, waarvan men ze beroofd had, aan 't koken moest brengen.
-
-Bij den zak van aloë-vezels, waarin zich zonder ophouden het afval van
-het riet ophoopte, bevond zich een knaap van ongeveer twaalf jaren,
-wiens werk het was telkens den zak te ledigen. Lucien trok mij aan mijn
-kleeren, om er mij opmerkzaam op te maken dat de knaap slechts één arm
-had.
-
---Waar hebt ge uw linkerarm verloren, pobrecito[5]? vroeg ik.
-
-[5] Pobrecito = arme jongen.
-
---Tusschen de rollen, die het riet fijn malen, senor.[6]
-
-[6] Senor = mijnheer.
-
---Was 't uw schuld?
-
---Helaas, ja! Vader, die bij de machine werkte en dien ik hielp door de
-ossen aan te sporen, had mij verboden om dicht bij de rollen te komen.
-Eens verwijderde hij zich eenige oogenblikken; ik wilde op mijn eigen
-houtje een stengel fijn malen; maar mijn vinger werd gegrepen en mijn
-arm verpletterd.
-
---Dat was een verschrikkelijke straf voor uwe ongehoorzaamheid.
-
---Veel verschrikkelijker dan gij wel denkt, mijn goede mijnheer; mijn
-vader is zes maanden geleden gestorven; ik heb veel broers, en als ik
-mijn beide armen had, kon ik minstens een kwart piaster daags verdienen
-en mijne moeder helpen.
-
---En hoeveel verdient ge nu, met van den ochtend tot den avond op dien
-zak te passen?
-
---Een medio![7]
-
-[7] Vijftien cents.
-
-Ik zag Lucien eens aan, die mij in de armen vloog.
-
---Ik zal altijd gehoorzaam zijn, riep hij geheel ontroerd uit; maar mag
-ik nu dien armen jongen mijn beurs geven?
-
---Geef hem een piaster, mijn kind; wij kunnen nog meer ongelukkigen
-ontmoeten, en wij moeten wat overhouden om dezen ook te kunnen helpen.
-
---O, mijn jongeheer, riep de arme verminkte knaap uit, terwijl hij met
-bewondering het geldstuk beschouwde, dat voor hem zestien dagen werks
-vertegenwoordigde, wat zullen we goed voor u bidden!"
-
-Daarna haastte hij zich om den zak, die bijna overliep, weer te ledigen.
-
-De wijze van bewerking, die in de fabriek, welke wij bezochten
-gevolgd werd, was uiterst eenvoudig en oorspronkelijk. De Europeesche
-fabrikanten gebruiken ijzeren cilinders, die door stoom of water in
-beweging worden gebracht en zuig- en perspompen, die het sap zeer snel
-naar de ketels brengen, waar het door gisting geklaard moet worden.
-
-Maar om een goed denkbeeld te krijgen van de verschillende bewerkingen,
-die de winning van suiker eischt, was de hacienda[8] van Antonio, waar
-alle bewerkingen open en bloot plaats hadden, veel te verkiezen boven
-die, welke de nieuwere nijverheid van verbeterde werktuigen heeft
-voorzien.
-
-[8] Hacienda = hoeve.
-
-Toen de jonge bezoeker dat dikke, modderige, door talrijke brokken
-stengel verontreinigde vocht zag, dat men zoo voor zijn oogen met een
-reusachtige schuimspaan rondroerde, had hij moeite om te gelooven, dat
-men er ooit die mooie witte kristallen, die hij zoo gaarne knabbelde,
-uit kon gewinnen.
-
---Maar waar is dan toch de suiker? vroeg hij.
-
---Daar, voor u, antwoordde Sumichrast. Het suikerriet bevat, evenals
-alle gewassen, een zekere hoeveelheid water, waarin de suiker zich in
-opgelosten toestand bevindt; het is voldoende er dit water aan te
-onttrekken om de prismatische kristallen te doen ontstaan. Zie, de
-inhoud van dezen ketel begint te koken, er komt een zwartachtig schuim
-op, dat men er zorgvuldig afschept, want na twee of drie dagen, als het
-gegist heeft, zal men er door distillatie den brandewijn of _tafia_
-uithalen, waarvan de Encuerado zooveel houdt. De nevel, die boven den
-ketel opstijgt, bewijst dat het sap begint te klaren; nog eenige
-oogenblikken en het zal in stroop veranderd zijn en als het koud wordt,
-kristalliseeren. Wij zullen de uitkomsten van deze laatste bewerking
-eens gaan zien.
-
-Wij kwamen onder eene ruime galerij, waar vormen van gebakken aarde,
-die de gedaante van omgekeerde suikerbrooden hadden, op een rei op een
-stelling van balken stonden, die vrij wel op flesschenrekken geleken. De
-werklieden goten de kokende siroop in deze vormen, die vooraf nat waren
-gemaakt. Een weinig verder toonde men ons het kooksel van den vorigen
-dag, dat reeds begon te kristalliseeren, welke geheimzinnige arbeid der
-natuur door een Indiaan, die het vocht langzaam schudde, werd bevorderd.
-Uit een vorm, die aan het onderste einde open was, vloeide een dik
-vocht, waaraan men den naam van _melasse_ geeft en die gebruikt wordt
-om er rum en peperkoek van te maken. De bodem of de voet van het
-suikerbrood scheen nu geel en kleverig te zijn.--Terwijl wij een
-donkeren gang doorgingen, bemerkte Lucien twee bijna halfnaakte
-werklieden, die bezig waren om klei aan te mengen en er zoo eene soort
-van pap van te maken.
-
---Wat een knoeiboeltje! riep hij vol overtuiging uit; wat zou mama wel
-zeggen als zij hier was, zij heeft mijn broertje en zusje laatst nog zoo
-beknord!
-
---Wat hadden zij dan uitgevoerd?
-
---Zij hadden slijk gemaakt om er een stad van te bouwen en een grooten
-kleibak in den grooten gang van het huis.
-
---En welke rol hebt gij daarbij gespeeld?
-
---Ik was de bouwmeester, maar ik heb evengoed knorren gehad als de
-anderen.
-
---Dat wil ik graag gelooven, zei Sumichrast, die zijn ernst niet kon
-bewaren; maar laten wij die werklieden eens volgen, dan zult gij zien,
-dat zij niet voor hun plezier slijk maken.
-
-Lucien zag tot zijne groote verwondering, dat het ledige gedeelte der
-vormen, waaruit men de stroop had laten loopen, met de zwarte vloeistof
-gevuld werd.
-
---Dat zijn verloren suikerbrooden! riep hij uit.
-
---Integendeel, ze zullen nu wit worden. Het water, dat de brij bevat,
-zal langzamerhand doorsijpelen en de stroop, die de kristallen omgeeft,
-voor zich uitdrijven, en deze veelvuldig herhaalde bewerking levert die
-sponsachtige suikerpap op, waarvan de groote korrels nog den smaak van
-het riet behouden, maar waarvan de Europeanen, gewoon aan de fraaie
-voortbrengselen van hunne raffinaderijen, niet houden.
-
-Er bleef nog slechts over om de droogstoven te bezichtigen, waar de
-opgestapelde suikerbrooden droogden en op een kooper wachtten.
-
-Terwijl wij op onze schreden terugkeerden, vielen wij bijna in een
-grooten, met den grond gelijk liggenden en openstaanden vergaarbak
-vol stroop, waarvan de schuimende oppervlakte op eene bedriegelijke
-wijze op den ongelijken en glibberigen bodem van de fabriek geleek.
-De ongelukkige Gringalet behoedde ons, ten zijnen koste, voor dit
-ongeval. Rusteloos als al zijne soortgenooten, ging hij, links en rechts
-snuffelende, vooruit, alsof men hem gelast had een verloren voorwerp
-terug te zoeken--eensklaps schoot hij door onze beenen door om ons
-vooruit te komen en verdween plotseling in het dikke vocht. Ik haalde er
-hem dadelijk uit en haastte mij hem naar buiten te brengen. Nauwelijks
-stond hij weer op zijn pooten, of hij rolde zich in alle richtingen
-rond en stond toen op, vol hout- en stroostoppeltjes, en geen vorm van
-hond meer vertoonende. Ik riep hem naar de poel, maar het arme dier was
-geheel uit het veld geslagen en verblind en scheen mij niet te hooren.
-Men behoeft niet te vragen of de werklieden in een algemeen geschater
-uitbarstten! Alleen Lucien, die meende dat zijn hond zou sterven, volgde
-hem wanhopig. Het dier, zonder twijfel hem willende geruststellen, liep
-naar zijn meester toe, sprong liefkoozend tegen hem op en bedekte hem
-van het hoofd tot de voeten met de strooperige massa. Daar ik het
-ongeval niet had kunnen beletten, nam ik de beste partij en lachte er
-om als de anderen.
-
-Terwijl de Encuerado den hond wiesch, maakte de huishoudster de kleeren
-van Lucien schoon. Daarop vervolgden wij onzen weg.
-
-Don Antonio beklaagde ons, als een echte Mexicaan, dat wij, evenals de
-Indianen, te voet gingen; hij beklaagde vooral onzen kleinen reismakker
-en beschuldigde ons van wreedheid.
-
---Hij moet leeren zich van zijne voeten te bedienen, daarvoor heeft de
-goede God ze hem gegeven, antwoordde Sumichrast, die er vermaak in vond
-den rentmeester het hoofd te bieden.
-
---Maar waar dienen de paarden dan toe?
-
---Om zich den hals te breken. Bovendien zijn er te veel
-gebrekkelijkheden in het leven, dat men zich nog vrijwillig die van een
-paard behoeft te geven.
-
---Het paard een gebrek?
-
---Wel zeker, vooral bij menschen van uwe soort, want gij zoudt het
-evenmin zonder een rijdier kunnen stellen als een kreupele zonder
-krukken.
-
-Don Antonio floot tusschen zijn tanden zonder te antwoorden, maakte zijn
-paard los, nam Lucien voor zich op het zadel en vergezelde ons meer dan
-een uur ver. Daar zijn plicht hem eindelijk naar de hoeve terugriep,
-drukte hij ons de handen en wendde den teugel. Wij konden hem niet meer
-zien, toen nog zijne stem, die ons eene goede reis wenschte, tot ons
-doordrong.
-
-Wij moesten eene prairie[9] doortrekken; de warmte was verstikkend en
-wij liepen naast elkander voort zonder een woord te wisselen. De gang
-van Lucien werd bemoeielijkt door zijne weitasch en zijne veldflesch,
-die, trots al zijne pogingen, steeds naar voren kwamen. Eensklaps
-bemerkte ik, dat hij zich van dat lastig tuig bevrijd had.
-
-[9] Prairie = groote, uitgestrekte grasvlakte.
-
---Hola, riep ik uit, waar is uw voorraad gebleven?
-
---De Encuerado heeft ze willen dragen.
-
---De Encuerado heeft reeds een last te dragen, die zwaar genoeg is,
-vriendje, en ge moet u aan uwe eigene vracht gewennen. Na eenige dagen
-zal het u evenwel niet meer hinderen, dank zij de gewoonte, die dikwijls
-gemakkelijk maakt wat eerst onmogelijk scheen.
-
---Senor, sprak de Encuerado, Chanito (dien naam was hij gewoon aan
-Lucien te geven) is vermoeid; 't is voor den eersten keer, dat hij
-reist; ik zal hem zijne weitasch morgen teruggeven.
-
---'t Is beter, dat hij er zich reeds van heden af aan gewent. Geef hem
-zijne vracht, die in evenredigheid met zijne krachten is, terug, anders
-zal ik hem moeten beknorren.
-
-De Indiaan preutelde alvorens te gehoorzamen; daarna nam hij den knaap
-bij de hand, bleef een weinig achter en ik hoorde hem fluisteren:
-
---Als ge niet meer kunt loopen, Chanito, moet ge het maar zeggen, dan
-zal ik u op mijnen korf zetten.
-
---Ja, dat moest ge eens probeeren, sprak ik, mij omkeerende, dan stuur
-ik u met hem naar huis terug.
-
---Mijne schouders behooren mij toe, antwoordde de Indiaan in allen
-ernst, en als ik uwe bagage maar draag, mag ik ze gebruiken zooals mij
-goeddunkt.
-
-Bij het hooren van deze redeneering proestte Sumichrast van 't lachen,
-ik stapte schielijk vooruit om het niet eveneens te doen. Ik was evenwel
-bevreesd, dat Lucien vanaf den eersten dag te veel op de goedheid van
-den Encuerado zou leeren rekenen; ik was dus zeer blijde toen ik hoorde,
-dat hij herhaalde malen het aanbod van de hand wees om boven op den
-korf te klimmen, in welk denkbeeld de goede Indiaan, met zijne gewone
-koppigheid, die ik sinds lang kende, bleef volharden. Zekerlijk in de
-meening verkeerende, dat zijne waardigheid op het spel stond met het
-bewijs te leveren, dat hij nog zwaarder vracht kon dragen, nam hij
-Gringalet, die met de tong uit den bek hem op de hielen volgde, beet,
-plaatste hem op zijne mars, en den Indiaanschen draf aannemende,
-liep hij ons als een zegevierend veldheer voorbij. Gringalet, geheel
-verbaasd, wilde eerst uit de mars springen en jankte van angst; maar
-weldra ging hij zonder veel omslag liggen, tot groot genoegen van mijn
-zoon, wien dit tooneel zeer vermaakte.
-
-De vlakte, die wij doortrokken, scheen geen einde te nemen.
-
---Het geeft ons niet veel of wij al loopen, sprak Lucien, wij komen niet
-vooruit.
-
---Dat hebt gij gelukkig mis, antwoordde Sumichrast. Zie maar eens recht
-voor u, en gij zult zien dat de boomen, die straks nog in elkander
-schenen te versmelten, zich nu vrij van elkander vertoonen.
-
---Bedoelt u het bosch, dat wij van hier bemerken?
-
---Gij ziet eenige boomen, die in dat gedeelte van de vlakte verspreid
-staan, voor een bosch aan.
-
---Vergist mijnheer Sumichrast zich niet, vader?
-
---Neen, mijn jongen, maar meer geoefenden dan gij zouden er zich door
-laten bedriegen; op een afstand gezien, schijnt het alsof de voorwerpen
-dicht opeen staan. Toen wij, bijvoorbeeld, dezen morgen den grooten weg
-volgden, herhaaldet gij zonder ophouden, dat hij in een punt uitliep;
-maar gij hebt u kunnen overtuigen dat uwe oogen u bedrogen hebben.
-Hetzelfde is nu het geval; die boomen zullen hoe langer zoo meer van
-elkander komen, hoe meer wij zullen naderen en gij zult zeer verwonderd
-staan, als gij strak zult zien, hoe ver zij van elkander verwijderd
-zijn. Hetzelfde gezichtsbedrog bieden ons de sterren aan, die millioenen
-mijlen van elkander verwijderd zijn en die toch zoozeer den hemel
-opvullen, dat uw broer Emile, een avond of wat geleden het betreurde,
-niet groot genoeg te zijn om er een handvol van te kunnen nemen.
-
---En vergeet nooit, voegde Sumichrast er bij, dat het gezicht en de
-verbeelding dikwijls samenspannen om ons te bedriegen.
-
---Zooals in de fabel van de kameelen en de drijvende stokken.
-
---Bravo! jonge geleerde. Kent gij die fabel dan?
-
---Laatst op een avond in een slecht verlichte kamer komende, meende
-ik een grooten grijzen man op een stoel te zien zitten en nam ik
-schreeuwende de vlucht. Papa heeft mij toen bij de hand genomen en mij
-naar het donkere vertrek teruggebracht en toen zag ik dat de reus, die
-mij zooveel schrik had aangejaagd, niets anders was dan een broek, dien
-men op een stoel had gehangen. Den volgenden dag heeft mama mij de fabel
-van de kameelen geleerd.
-
-In 't voorbijgaan toonde ik Lucien een kleinen doornachtigen boom, een
-soort mimosa, door de Indianen _huizachi_ genoemd, waarvan zij de peulen
-gebruiken om stoffen zwart te verven en er eene inkt van vrij goede
-hoedanigheid van te maken. Allengs kreeg de vlakte een minder eentonig
-uiterlijk. Vlinders vlogen om ons heen en de jeugdige natuuronderzoeker
-wilde beginnen er jacht op te maken. Ik moest zijn ijver intoomen, want
-ik wilde onze spelden en doozen bewaren voor de zeldzamer soorten, die
-wij hoopten te vinden, zoodra wij de bewoonde plaatsen achter den rug
-zouden hebben. Eindelijk bereikte de karavaan, met hangende beenen, den
-voet der bergen.
-
-Het was vijf uur; de avond naderde en men moest zonder toeven naar eene
-schuilplaats omzien. Eene hut van bamboe vertoonde zich gelukkig aan
-onze blikken. Een oude Indiaan, slechts in een ouden broek gekleed en
-een hoed met gerafelde randen op, verwarmde zijne vermagerde ledematen
-in de stralen der ondergaande zon. Bij onze nadering stond hij op en
-bood ons gastvrijheid aan. Zijne gezellin, wier kleeding uit een linnen
-hemd bestond met roode draden omboord, kwam op zijn geroep naar buiten,
-en was vol verrukking over de lieftalligheid van den jongen blanken
-reiziger, die geheel en al in hare gunst kwam, toen hij haar in hare
-taal groette. Wij hadden een marsch van zeven mijlen afgelegd; mijn
-zoon, 't is waar, had, dank zij het paard van don Antonio, minder
-geloopen dan wij.
-
-Men diende ons rijst en boonen voor. Na afloop van dit eenvoudig maal,
-dat met versch water werd gekruid, wilde ik Lucien overhalen om naast
-ons op eene groote mat plaats te nemen, maar terwijl Sumichrast en ik
-lui bleven liggen, ging de kleine drommel zien hoe de kippen van onze
-gastvrouw op de takken van een dooden boom gingen zitten, om er den
-nacht door te brengen, of doolde hij in gezelschap van den Encuerado
-links en rechts rond. Deze vond in de hut eene guitaar met drie snaren,
-en bleef er gedurende een uur hetzelfde deuntje op krassen, tot groote
-vreugde van den knaap, maar niet tot ons genot.
-
-Eindelijk werden de dekens uitgerold en beval ik te gaan rusten.
-Gringalet ging in de hut aan de voeten van zijn jongen meester liggen.
-De Encuerado bleef liever in de open lucht slapen, gelukkig, naar hij
-zeide, den hemel boven zijn hoofd te zien en te gevoelen dat de lucht in
-zijn mond kwam zonder eerst door een muur te moeten gaan.
-
-
-
-
-III.
-
-HET ONTWAKEN.--EEN LILLIPUTWERELD.--DE ENCUERADO EN DE FLESSCHEN.--DOOD
-AAN DE DISTELS.--DE INDIAANSCHE KOLENBRANDERS.
-
-
-Ik stond lang voor het aanbreken van den dag op en wekte mijne makkers.
-Lucien wreef zich twee- of driemaal over de oogen en trachtte zich
-rekenschap te geven van de plaats, waar hij zich bevond. Eindelijk wilde
-hij zijn deken weer over zich trekken en maakte aanstalten om weer in te
-slapen.
-
---Kom, kom, luiaard, riep ik uit, hoort ge den haan niet kraaien? hij
-zegt, dat wij reeds weer op weg moesten zijn. Zie eens om u en gij zult
-bemerken, dat de vogels en de insecten reeds aan den arbeid zijn.
-
-De knaap stond geheel verstijfd op en rekte zich al geeuwende uit.
-
---Oh, Papa, mijn geheele lichaam doet mij pijn, ik zal niet meer kunnen
-gaan.
-
---Stel je gerust, antwoordde ik, hem ondersteunende, gij gevoelt wat
-vermoeidheid en stijfheid; maar uwe ledematen zullen spoedig hunne
-veerkracht terug bekomen. Ga u een weinig bij het vuur van onze
-gastvrouw, die een kop koffie voor ons gereed maakt, warmen.
-
-Het ventje verwijderde zich al hinkende.
-
---Doen uw knieën en kuiten u ook zoo zeer als de mijne? vroeg hij aan
-den Encuerado.
-
---Neen, Chanito, wij hebben gisteren nog niet genoeg geloopen.
-
---Wat, hebben wij niet genoeg geloopen? Papa zegt dat wij zeven mijlen
-van Orizava verwijderd zijn.
-
---Ja, dat is veel voor u, 't is zelfs te veel; daarom wilde ik u ook op
-mijne mars plaatsen. Laat eens zien, waar hebt gij pijn?
-
---Binnen in de knieën, de beenen en de armen.
-
---Wacht eens, ik zal u genezen.
-
-De Encuerado legde Lucien daarop voor het vuur en begon hem op de
-Indiaansche manier te wrijven en het geheele lichaam met kracht te
-kneden. Daarna dwong hij hem met groote schreden te gaan en vervolgens
-om te loopen, waarna hij hem een kop warme koffie gaf. Aldus versterkt
-zijnde kreeg de knaap zijne opgeruimdheid weer en was hij de eerste, die
-van vertrekken sprak.
-
-Ik gaf aan de oude luidjes, die ons zoo goed ontvangen hadden, eene
-kleine belooning, en de karavaan begon haar tweeden dagmarsch; Gringalet
-liep, met den neus in den wind, voorop.
-
-Toen de zon opkwam was de lucht met grijze wolken bedekt, die door een
-stevigen noordenwind met kracht werden voortgedreven; maar dit weer,
-hoewel droevig, zou onzen marsch begunstigen. Een kalkachtige berg rees
-voor ons op; men moest de steile helling opklimmen en twintigmaal staan
-blijven om adem te scheppen. Lucien, met naar den grond hangend hoofd,
-zweette en blies om in het gelid te blijven. Eindelijk kwamen wij op den
-top en konden wij uitrusten.
-
-Toen hij een blik naar omlaag wierp, zag de knaap een uitgestrekte
-prairie, met struiken bezaaid, voor zich. Hij beschouwde in stilte het
-panorama, dat zich voor zijn oogen ontrolde, maar zonder zich nauwkeurig
-rekenschap te kunnen geven van hetgeen hij bemerkte.
-
---Zie eens, wat zijn dat voor zwarte stippen, die daar in de vlakte
-loopen, vroeg hij mij.
-
---Dat zijn stieren, antwoordde ik.
-
---Stieren! Maar zij zijn niet grooter dan Gringalet.
-
---Ge weet toch reeds, dat men niet op den schijn moet vertrouwen; denk
-maar eens aan de boomen van gisteren, die u toeschenen een bosch uit te
-maken.
-
---Maar als de stieren van deze hoogte gezien op schapen gelijken, moeten
-de schapen, op haar beurt, op vliegen gelijken.
-
---Gij kunt er u dadelijk van overtuigen; ik zie daar ginds een troep
-geiten.
-
---Dat kleine zwarte hoopje, dat als een mierennest dooreenkrioelt?
-
---Juist; zie maar eens door mijn kijker.
-
---Met den verrekijker gewapend, waarvan hij zich in den beginne vrij
-onhandig bediende, uitte Lucien een kreet.
-
---Ik zie ze, ik zie ze! Wat zijn ze lief, zij loopen en dringen zich
-tegen elkander aan; een kleine jongen leidt ze.
-
---'t Is zonder twijfel een man, dien de afstand kleiner maakt.
-
---Oh, wat zou ik gaarne menschen willen zien.
-
---Welnu, zie dan eens naar ginder aan den voet van dien boschachtigen
-heuvel; de witte streep, die gij voor een bijna ongebaand pad zoudt
-kunnen houden, is de groote weg; misschien kunt ge wel eene
-Indianen-familie zien voorbij gaan.
-
-Lucien richtte den kijker eenige oogenblikken, zonder iets te bespeuren;
-maar eensklaps uitte hij een nieuwen kreet.
-
---Hebt gij menschen ontdekt?
-
---Ja, menschen, paarden, muilezels; maar 't is het rijk van Lilliput!
-
---Gij hebt gelijk, sprak Sumichrast. Wie weet of Docter Swift de wereld
-niet van den top van een berg heeft gezien, toen hij het plan voor
-Gulliver opvatte?
-
---Papa, waarom heeft u mij nooit op den Borrego gebracht om mij die
-kleine boomen, die kleine wegen, die kleine dieren te laten zien? 't
-Is of men de groote speelgoeddoos van mijn zusje om heeft geworpen.
-
-Wij lachten hartelijk om deze vergelijking, die evenwel niet zonder
-juistheid was, en ik ontrukte den jongen opmerker aan zijne beschouwing.
-De top was weldra overschreden en wij begonnen af te dalen. Ik nam
-Lucien bij de hand, want de helling was zoo scherp, dat men duizend
-voorzorgen moest nemen om niet op de naakte rotsen te vallen. Herhaalde
-malen gleed ik uit en schramde ik mijn armen aan de struiken.
-Sumichrast, die op zijne beurt den knaap geleidde, verkeerde weldra in
-denzelfden toestand als ik. Soms sleepte de helling ons mede en waren
-wij verplicht hard te loopen; er bleef dan geene andere keus dan zich
-te laten vallen, op gevaar van zich te verwonden; want eenmaal aan 't
-loopen, zou men slechts stand hebben kunnen houden aan den voet van den
-berg. Niettegenstaande zijne belofte van voorzichtig te zullen loopen
-en zijne schreden te meten, weigerde ik Lucien aan zichzelven over te
-laten. Eindelijk hadden wij tot onze groote voldoening reeds twee derden
-van den weg zonder ongeval afgelegd toen de Encuerado, zijn evenwicht
-verliezende, verscheidene buitelingen maakte; de mars en de drager
-rolden om het hardst naar beneden en verdwenen in het kreupelhout.
-
---Pas op Lucien, riep ik mijn reisgezel toe, die eenige passen voor mij
-uitging.
-
-Vol ongerustheid volgde ik het spoor van den Encuerado. Ik verwachtte
-den armen Indiaan geheel ontwricht en misschien dood te vinden en op
-goed geluk uitte ik den verzamelkreet, waaraan hij gewoon was. Hij
-antwoordde er bijna onmiddellijk op en zijne stem klonk niet onder mij,
-maar aan mijne linkerhand. Ik kon mijn loop niet vroeger inhouden dan
-toen ik een boschje kreupelhout ontmoette, waaraan ik mij vastklampte.
-Daarna in schuine richting gaande, kwam ik weldra bij mijn braven
-Indiaan, die reeds bezig was zijne vracht op te beuren.
-
---Hebt gij niets gebroken? riep ik uit.
-
---Neen, Tatita, alle flesschen zijn heel.
-
---Maar gij, ongelukkige!
-
---O! mijn neus en armen zijn wat ontveld en mijn lichaam is wat
-gekneusd; maar er is geen enkele scheur in mijn vest of in mijn broek,
-voegde hij er bij, terwijl hij een blik van welgevallen op zijn leeren
-kleeding wierp.
-
---Komaan, daar zijt gij goed afgekomen.
-
---Oh Senor, wat is God toch goed! niettegenstaande de teenen hulsen,
-hadden alle flesschen kunnen breken en ze zijn allen heel."
-
-Ik, voor mij, zag veeleer de hand van God in de wonderbare redding van
-den Encuerado. Wat de mars aanbetreft, deze was door den Indiaan zoo
-stevig ingepakt, dat ik er mij niet zeer over verwonderde dat onze
-voorraad niets geleden had.
-
---Laat uw verzamelkreet hooren, zeide ik tegen den Indiaan. Sumichrast,
-die ons niet zien kan, moet wel denken dat gij dood zijt.
-
---Chanito, hioe, hioe, hioe, Chanito!
-
---Ohé, ohé, antwoordde Lucien.
-
-En bijna op het zelfde oogenblik verscheen hij, bleek en radeloos. Hij
-liep op zijn vriend toe, wierp zich om zijn hals en drukte hem in zijn
-armen; de goede Indiaan, die niet ontroerd was door zijn vreeselijken
-val, scheen geroerd te zijn door dit blijk van genegenheid.
-
---Het was maar voor de grap, zeide hij, gij zult mij wel andere toeren
-zien uitvoeren."
-
---Maar uw gezicht is vol bloed.
-
---Dat is ook maar voor de grap! Wilt gij, dat ik het nog eens doe?
-
---Neen, neen! riep de knaap uit, terwijl hij den Indiaan bij zijn kiel
-greep.
-
-Ik verbond den Indiaan; mijn zoon troostte zich en wij dachten er aan om
-onzen weg te vervolgen.
-
---Hè, sprak Lucien spottend, op het oogenblik dat de Indiaan zijn mars
-weer op den rug nam, als ik daar nu eens in was geweest!
-
---Dan zou ik niet gevallen zijn, zeide de Indiaan met allen ernst.
-
---In een oogenblik waren wij beneden aan den berg. Lucien maakte verrukt
-een bokkesprong, waardoor ik ontdekte, dat zijn pantalon van achter een
-vreeselijk gat had.
-
---Dat is een mooi begin, zeide ik, waar hebt gij uw pantalon zoo
-toegetakeld?
-
---Dat is mijne schuld, antwoordde Sumichrast verlegen. Daar wij
-spoediger beneden wilden zijn en ik voor een nieuwen val vreesde, heb ik
-hem aangeraden om te gaan zitten en zich te laten glijden. Ik had de
-zeer natuurlijke gevolgen van deze verkeerde handeling niet voorzien.
-
---Maar Papa, wat doet dat er toe? sprak Lucien, men ziet het toch niet.
-
---Als men naar mij had willen luisteren, viel de Encuerado in, dan zou
-hij een leeren pantalon gehad hebben, waarin men zich den hals kan
-breken zonder hem te beschadigen. Maar stel u maar gerust, Chanito, wij
-zullen dat wel verstellen met de huid van den eersten eekhoorn, die
-onder het schot van mijn geweer komt.
-
-Wij waren nu in eene donkere bergkloof, temidden van dicht kreupelhout;
-voor ons verhief zich een met hout begroeide berg, dien wij moesten
-overklimmen. Op de struiken volgden weldra reusachtige distels, die
-ons noodzaakten om met de uiterste omzichtigheid te gaan. Deze lastige
-planten werden zoo talrijk, dat wij gedwongen waren de machete in de
-hand te nemen, om een doorgang te banen. De Encuerado, die zijne mars op
-den grond had gezet, onderwees Lucien hoe hij zijne korte sabel moest
-houden en behandelen en toonde hem aan, dat een houw van boven naar
-beneden, als het wapen aan de hand ontsnapt of slechts een zwakken
-tegenstand ontmoet, gevaarlijk kan worden voor hem, die het vast houdt.
-Verrukt over deze les, opende onze jonge pionnier, door verscheidene
-stengels te gelijk af te houwen, ons eene laan, meer nog dan een pad.
-Eindelijk stonden de distels dunner gezaaid; Sumichrast ging voorop,
-terwijl hij de laatste hinderpalen uit den weg ruimde en voerde ons in
-het kreupelhout.
-
-Het uur voor het ontbijt was aangebroken; al voortgaande zochten wij met
-den blik eene geschikte plaats voor eene halt, toen de afgemeten slagen
-van eene bijl onze ooren troffen. Dit geraas verried de nabijheid van
-houthakkers, die zeker wel een voorraad van maïskoeken en boonen zouden
-hebben en ik besloot naar hen toe te gaan, ten einde onze mondbehoeften
-te besparen. Na een uur van eene moeielijke klimmerij en terwijl wij
-reeds wanhoopten den Indiaan te bereiken, wiens bijl wij niet meer
-hoorden, riep Lucien uit:
-
---Papa, zie, daar is vuur!
-
-Op hetzelfde oogenblik begon Gringalet woedend te blaffen, en eenige
-verdere stappen brachten ons bij eene brandende kolenmijt. De
-kolenbrander, die op ons bezoek niet bedacht was, had eene bijl met
-langen steel genomen. De tegenwoordigheid van den knaap scheen hem
-gerust te stellen.
-
---Goeden dag, don José, sprak ik, mij van den naam bedienende, dien men
-in Mexico aan alle Indianen geeft.
-
---Dat God u in gezondheid beware, antwoordde hij in slecht Spaansch.
-
---Moet gij alleen die mijt bewaken?
-
---Neen, ik heb zes makkers.
-
---Zoo; dat een uwer ons dan wat maïskoeken verkoope en ons wat water
-geven.
-
---Wij hebben noch water noch koeken.
-
---Ik ben zeker dat gij beiden zult vinden, hernam ik, en stopte hem een
-halven piaster in de hand.
-
-De Indiaan nam zijn strooien hoed af, krabbelde zich het hoofd en twee
-vingers in de mond stekende deed hij een lang gefluit hooren. Bijna op
-hetzelfde oogenblik werden de takken vaneen gedaan en een jongen van
-ongeveer vijftien jaar, die voor eenig kleedingstuk een zwembroek aan
-had, kwam te voorschijn en bleef als verlamd van schrik staan.
-
---Loop naar de hut, vraag om koeken en piment en breng ze hier, zeide de
-houthakker in de taal der Asteken.
-
---Dat is niet noodig, antwoordde ik in hetzelfde taaleigen: Wij zullen
-in de hut beter kunnen ontbijten.
-
-De houthakker zag mij met eene kinderlijke verwondering aan en nam mijne
-hand om die op zijne borst te leggen. Ik sprak zijne taal, derhalve
-moest ik een vriend zijn; dit gevoelen is eigen aan alle menschen, welke
-overigens ook hunne maatschappelijke stelling moge zijn.
-
-Terwijl wij den jongen Indiaan op den voet volgden, kwamen wij na vijf
-minuten gaans bij eene zeer oorspronkelijke woning.
-
---Vier palen, die een dak ondersteunden, gevormd van takken met hunne
-bladeren er aan. De houthakkers in Mexico maken slechts tijdelijke
-schuilplaatsen; want zoodra het jaargetijde der regens nadert, verlaten
-zij de bosschen. Eene jonge Indiaansche vrouw warmde voor ons een dozijn
-van die koeken van maïsmeel, die men _tortillas_ noemt, en die de
-inboorlingen in de plaats van brood eten. Ten slotte bracht zij ons een
-kalebas vol boonen, welke de honger ons heerlijk deed smaken.
-
---Waarom dient men ons niet eerst het vleesch voor? vroeg Lucien.
-
---Omdat zij het niet hebben, antwoordde Sumichrast.
-
---Hebben die Indianen geen vleesch? Arme menschen! Maar wat eten zij dan
-'s middags?
-
---Weet gij dan niet, dat de Indianen zich slechts drie of vier maal in
-'t jaar op ossenvleesch vergasten en dat hun gewone maaltijd uit zwarte
-boonen, rijst, piment en maïsmeel bestaat? Zijt gij ons middagmaal van
-gister vergeten?
-
---Ik dacht dat men, daar wij wat laat gekomen waren, het vleesch reeds
-op had. Moeten wij gedurende de gansche reis van boonen leven?
-
---Neen, onze maaltijden zullen niet zoo goed geregeld zijn als gij wel
-schijnt te denken. Wij zullen vleesch op tafel hebben als de jacht goed
-is geweest; een weinig rijst als zij slecht is, en boonen telkens als de
-Voorzienigheid op onzen weg eene bewoonde hut zal plaatsen.
-
---En zullen wij dan geen nagerecht hebben? vroeg de knaap met een koddig
-gebaar.
-
---Zeker, Chanito, antwoordde de Encuerado, er zal nog vandaag een
-nagerecht zijn. Misschien niet zoo goed als dat, hetwelk de keukenmeid
-thuis bereidt; maar 't is toch zoet, zie maar.
-
-De Indiaansche bracht een kalebas gevuld met water en een klein brood
-zwarte suiker, dat ongeveer een half pond woog.
-
---Wat is dat?
-
---_Panela_, antwoordde de Indiaan.
-
---De suiker der armen, sprak op zijne beurt Sumichrast; het sap van
-suikerriet dat gij gister gezien hebt, houdt veel werklieden bezig, die
-men vrij duur betaalt, omdat zij dag en nacht moeten werken, en dit
-verhoogt den prijs van de witte suiker zeer. Er zijn nu suikerfabrieken,
-waar men die kosten vermijdt. Men stelt zich tevreden met het sap
-zoodanig te koken, dat het vast wordt als 't koud is, daarna giet
-men het in een hollen boomstam, waarin gaten zijn in de gedaante van
-afgeknotte kegels. Die zwarte suiker kost de helft minder dan de andere.
-
---Dat geloof ik wel, sprak de knaap, zij bevat al het vuile schuim, dat
-wij gister gezien hebben.
-
---Dat maakt ze veel beter, Chanito, riep de Encuerado uit--er is meer
-smaak aan.
-
-En een stuk van de _panela_ nemende, doopte hij het in het water van de
-kalebas en zoog er met welbehagen aan. Lucien waagde het toen ook om van
-dit nagerecht te proeven, waarvan de zoete smaak zijn afkeer weldra
-overwon.
-
-Toen de maaltijd afgeloopen was, wilde Lucien weten hoe de houtskool
-gemaakt werd. Sumichrast bracht hem bij een pas omgehakten eikenboom,
-waarvan een Indiaan de kleine takken, door middel van een werktuig, dat
-den vorm van een groot snoeimes had, in stukken van twee of drie duimen
-afsneed. Een weinig verder waren twee mannen bezig om deze stukken hout
-op een schoongemaakt stuk grond in cirkelvormige lagen op te stapelen.
-Het gebouw had reeds twee meter in omtrek en ongeveer dezelfde hoogte,
-ofschoon het nog maar half voltooid was, zooals Lucien kon opmerken toen
-hij terug kwam bij den Indiaan, die de brandende mijt bewaakte. Daar
-scheen het hout, met aarde bedekt, een van die landelijke, met riet
-gedekte koepeltjes te vormen, zooals men er in sommige tuinen ziet.
-Op den top danste eene blauwe vlam, die bewees dat de inwendige massa
-brandde. De Indiaan draaide om de mijt heen en wierp natte aarde op de
-openingen, die de vlam maakte. Want, zooals Sumichrast het zeer goed
-uitdrukte, om houtskool van goede kwaliteit te bekomen, moet men het
-hout in de oven bakken.
-
---En als het vuur uitging? vroeg Lucien.
-
---Dan moet het werk van voren af aan begonnen worden.
-
---Maar als het nu eens aan een kant brandde?
-
---Dan kreeg men een slecht, rookend goedje, half hout, half kool, dat
-een zeer onaangenamen reuk zou geven. Het hout van de mijt, die wij hier
-voor ons hebben, zal dezen avond nog geheel verkoold zijn; het vuur, dat
-in 't midden is aangestoken, zoekt reeds langs alle kanten een uitweg.
-Weldra zullen de Indianen de opening aan den top, waarboven dat blauwe
-vlammetje danst, met aarde dicht stoppen. Dan gaat het vuur, van lucht
-beroofd, eindelijk van zelf uit. Over acht dagen zal uwe mama wellicht
-deze kool kopen, die gij hier hebt zien branden.
-
---Maar als de kool bleef doorbranden?
-
---Dan zou de Indiaan, tot zijn grooten spijt, niets dan asch vinden;
-maar hij zal wel oppassen, dat hij de vrucht van zijn arbeid niet
-verliest. Hij zal evenveel voorzorgen nemen om op te passen, dat het
-vuur weer aangaat, als hij er nu neemt om te maken dat het niet uitgaat.
-
-Een weinig verder was een man bezig om biezen zakken met koud geworden
-kool te vullen; daar hij meer dan een dag noodig had om de stad te
-bereiken, omhulde hij zijn zakken met een soort van citroenkruid,
-waarvan de doordringende reuk in Mexico de komst van een kolenbrander
-aankondigt; dit is een voorzorgsmaatregel om de kool tegen het vocht te
-vrijwaren.
-
---Ik dacht niet, zeide Lucien, toen ik de Indianen vier kleine zakken
-met houtskool op hun rug zag dragen, dat zij daarvoor in het bosch
-hadden moeten leven, groote boomen moesten omhakken en gedurende
-verscheidene nachten hunne mijten bewaken.
-
---Evenmin, antwoordde ik, als de kleine jongens uit Europa, als zij
-langs een suikerriet-plantage gaan, er aan denken, dat men zonder die
-plant niet dat suikergoed zou kunnen maken, dat zoowel het gezicht als
-den smaak streelt.
-
---Maar, papa, heb ik u niet aan de Mexicanen hooren zeggen, dat men in
-Europa suiker maakt uit beetwortelen?
-
---Zeker, en als 't moest zou men er nog uit eene groote menigte andere
-wortels, planten en vruchten kunnen trekken; maar de beetwortel of
-suikerbiet alleen bevat er in voldoende hoeveelheid van om met voordeel
-bewerkt te kunnen worden.
-
-Het uur van vertrekken naderde; ik maakte dan ook een einde aan de
-nimmer ophoudende vragen van den jongen reiziger. Ik vernam van onzen
-gastheer, dat als wij het pad bleven opklimmen, dat ons tot hen had
-gevoerd, wij in minder dan twee uren aan eene hut, boven op eene
-bergvlakte zouden komen. De Indianen vergaten evenwel, dat de kleine
-beenen van Lucien onzen marsch konden vertragen.
-
-
-
-
-IV.
-
-EENE MOEIELIJKE KLIMPARTIJ.--DE GEIT.--DE INDIAANSCHE VROUWEN.--DE
-TABAK.--HET SPEL VAN DEN STIER.--LUCIEN WORDT GEWAPEND.--INTOCHT IN DE
-WOESTIJN.
-
-
-Wij trokken midden door jonge eiken; want de zijde van den berg, sedert
-langen tijd door de Indianen tot hun voordeel aangewend, had allengs al
-haar groote boomen zien verdwijnen. Het steile, ruwe en rotsachtige pad
-scheen soms elke beklimming onmogelijk te maken; niettegenstaande de
-berekende langzaamheid onzer schreden, moesten wij dikwijls blijven
-stilstaan om adem te scheppen. Lucien volgde ons met een ijver, dien ik
-dikwijls verplicht was te temperen. Het verwonderde hem dat hij geen
-enkel levend wezen zag, zelfs geen enkele van die fraaie goudvliegen,
-die in Mexico om alle struiken gonzen. Maar de wind blies uit het
-Noorden, de zon bleef achter de wolken verborgen en de insecten bleven,
-evenals de vogels, in hunne schuilplaatsen verscholen. Naar gelang wij
-meer voorwaarts gingen, dwong het steile pad ons, om ons aan de struiken
-vast te klampen. De Encuerado, door het gewicht van zijne vracht
-bemoeielijkt, hielp zich met zijn handen en kon nauwelijks zijn
-evenwicht bewaren.
-
-Weldra kon hij niet meer vooruit komen. Gelukkigerwijze hadden wij
-klimpartijen als deze voorzien. Ik vertrouwde den knaap aan Sumichrast
-toe, want op deze helling aan zichzelven overgelaten, zou hij kunnen
-vallen en zich ernstig aan een wortelstronk of een rotshoek bezeeren.
-
-Ik drong in het kreupelhout en met mijn machete kapte ik een tak van
-middelmatige dikte af, waarvan ik een der uiteinden in een punt
-afsneed. Ik ontrolde toen een van die lange riemen, van een meter of
-tien lengte en die men _lazo_ noemt; ik bevestigde dien aan mijn stok,
-welken ik stevig in den grond stak. Met behulp van dezen riem, die hem
-als trapleuning diende, wist hij zich naar boven op te hijschen. Tot
-tienmaal toe moesten wij dit moeielijke werk herhalen. De weg, in plaats
-van beter te worden, werd steeds onbegaanbaarder. Wij wisselden van
-rollen, ik nam de mars op den rug, terwijl de Indiaan, van vermoeidheid
-uitgeput, den riem vastmaakte. Ik was juist aan mijne derde opklimming
-bezig, toen Sumichrast, die ons vooruit was gegaan om het terrein
-te verkennen, boven ons te voorschijn kwam. Toen hij mij zoo zag
-struikelen, en op de zij, op den neus, op de knieën zag vallen, om een
-stap vooruit te komen, barstte mijn reisgezel in een luiden lach uit. Ik
-had tijd noch lust om hem na te volgen en zijne ontijdige vroolijkheid
-maakte mij een weinig kregelig. Eindelijk kreeg ik de paal beet,
-uitgeput, geradbraakt, op 't punt om alle reizen naar den drommel te
-wenschen. Sumichrast deelde ons mede, dat wij nog slechts een honderdtal
-meters hadden af te leggen en nam de mand op den rug. Op mijne beurt
-toeschouwer geworden, vergaf ik spoedig zijn aanval van vroolijkheid.
-Niets toch was potsierlijker dan de wringingen, die hij deed, om het
-evenwicht te bewaren. De Encuerado alleen bleef ernstig. Wat Lucien
-betreft, deze bootste in zekeren zin de inspanning van Sumichrast na en
-scheen er klaarblijkelijk onder te lijden.
-
---Nu ziet ge eens, zoo sprak ik, dat de wandelingen niet altijd
-gemakkelijk zijn in een land, waar geen gebaande wegen bestaan.
-
-Eindelijk kwamen wij uit dezen moeielijken pas. Gedurende dit tooneel
-scheen Gringalet, die bedaard op zijn achterdeel was blijven zitten,
-zich over onze inspanningen te verwonderen. Terwijl hij zijne ooren naar
-alle kanten spitste, keek hij ons, met de wenkbrauwen knippend, aan.
-
-Misschien wenschte hij zich heimelijk geluk, dat hij op zijn gemak kon
-springen en dartelen, waar ongelukkige tweevoeters het loopen zoo
-moeielijk vonden.
-
-De boomen verdwenen. Evenals den vorigen dag betraden onze voeten een
-granietachtigen bodem, die den bergkom uitmaakte; maar een kleine omweg
-bracht ons op de bergvlakte, waar eene vrij sierlijk gebouwde hut stond.
-
-Drie kinderen namen op onze nadering de vlucht en twee magere honden
-kwamen met weinig vriendschappelijke bewegingen om Gringalet draaien.
-Eene geit, die bedaard het schaarsche gras afknabbelde, hief eensklaps
-den kop op, maakte verscheidene sprongen en kwam toen met neergebogen
-kop op Lucien toerennen. Daar ik niet vlug genoeg er bij kon komen, om
-dezen onverwachten aanval af te weren, begon ik te schreeuwen, hopende
-daardoor het beest te verschrikken; maar Gringalet, die vlugger was dan
-ik, wierp zich voor den aanvaller en sloeg hem op de vlucht.
-
---Waart ge bang? vroeg Sumichrast.
-
---Een weinig, antwoordde Lucien, met het hoofd knikkende.
-
---Maar gij hebt toch evenwel den vijand het hoofd geboden.
-
---Als ik was gaan vluchten, zou de geit, die sneller loopt dan ik, mij
-bereikt hebben. Ik wachtte haar af, om haar met mijn stok bang te maken
-en de stooten met haar horens te ontwijken.
-
---Gij hadt niet verstandiger kunnen handelen. Komaan, het ontbreekt u
-niet aan koelbloedigheid en dat is eene kostbare hoedanigheid bij een
-reiziger.
-
---Dat is alles goed en wel, maar in 't vervolg zal ik toch voor de
-geiten op mijn hoede zijn. En ik, die nogal dacht dat zij bang voor de
-menschen waren.
-
---Niet altijd, zooals gij tot uwe schade hadt kunnen ondervinden.
-Bovendien, zoo vervolgde Sumichrast al lachende, beschouwde uwe vijandin
-u misschien niet geheel en al als een mensch. Ik geloof evenwel, dat zij
-meer dacht met u te spelen dan u te verwonden, want zij is gewoon
-kinderen te zien.
-
-Gringalet kwam op dit oogenblik te voorschijn, met hangenden staart en
-terneergeslagen uiterlijk, vervolgd door zijn broeders van het bergplat,
-die huilden in plaats van te blaffen, zooals alle honden doen, die in de
-eenzaamheid zijn opgegroeid.
-
-Op het geraas, door de bewakers van het huisje teweeggebracht, kwamen
-twee Indiaansche vrouwen aanloopen, die, toen zij ons zagen, verbijsterd
-bleven staan. De jongste, die niet onlief was, droeg een soort linnen
-hemd en een stuk blauw wollen stof, dat om de heupen door een ceintuur,
-met rood stiksel versierd, werd vastgehouden. Haar haren, tot strengels
-gevlochten en op het voorhoofd teruggebracht, vormden eene soort van
-diadeem. Hare gezellin droeg op eene dergelijke kleeding nog eene soort
-van sluier, die, op het hoofd geplaatst, om haar neer viel als de mantel
-eener non.
-
---Dat God u beware, Maria, sprak ik tot de oudste. Wilt gij ons dezen
-nacht gastvrijheid verleenen?
-
---Ik kan u niets aanbieden.
-
---Gij zult ons toch wel eene kip en wat eieren willen verkoopen.
-
---Ik zou eerst moeten weten of mijn man gasten wil hebben.
-
---Zou uw man weigeren zijn dak te leenen, om reizigers eene schuilplaats
-aan te bieden?
-
-Zij dacht een oogenblik na en antwoordde toen:
-
---Neen, hij is christen. Treedt binnen.
-
-De vrouw riep de kinderen, die een voor een hunne angstige hoofden
-vertoonden en beval hun de honden weg te jagen.
-
-Wij ontdeden ons niet zonder voldoening van onze reisbenoodigdheden,
-ter prooi aan eene vermoeidheid, die genoeg verklaarbaar is door de
-inspanning, die onze klimmerij ons gekost had. De altijd even vlugge
-Encuerado kwam de huishoudster ter hulp; hij blies het vuur aan, zette
-de ketels gereed en overtuigde zich er van of zij zindelijk waren. De
-vrouwen verzochten hem water te halen bij eene bron, die een honderdtal
-meters van de hut verwijderd was. Hij ging heen, onder 't geleide der
-kinderen van onze gastvrouw. Zijne gidsen, die het hoofd kaal geknipt
-hadden en bijna naakt waren, hadden van bamboesriet stokpaarden gemaakt,
-en gingen hem al dravende vooruit.
-
-Het bergplat werd, behalve aan den kant waar langs wij gekomen waren,
-door hooge bergen beheerscht. De uit planken gebouwde en met riet
-gedekte hut, scheen zindelijk onderhouden te worden. Achter de woning
-strekte zich een moestuintje uit, waarin de fenkel, deze onmisbare
-kruiderij voor de keuken der Asteken, in overvloed groeide; daar
-tegenover zag men eene uitgestrekte tabakaanplanting en eene omheining,
-waarbinnen geiten en varkens in de beste eendracht samenleefden. De
-plaats scheen ons wat droevig toe; maar onder de keerkringen is het
-ontbreken van de zon voldoende, om het heerlijkste landschap somber te
-maken.
-
-Lucien wilde het tabaksveld bezichtigen. Elke stengel, ter hoogte van
-meer dan een meter, verdeelde zich in takken, die met breede bladeren,
-van eene donkergroene kleur, versierd waren en waarvan verscheidene aan
-hun basis kleine oortjes hadden. De nu eens roode, dan weer geelachtige
-bloemen, wezen op twee verschillende soorten; de scherpe reuk had niets
-aangenaams. Lucien was niet weinig verbaasd toen hij hoorde, dat deze
-fraaie plant tot dezelfde plantenfamilie behoort als de aardappel, de
-tomaat, de eierplant en de piment.
-
---Bij de oude Asteken, sprak Sumichrast, heette de tabak _pyciete_;
-zij was het zinnebeeld der godin Cihuacohuatl of slang-vrouw.[10]
-In de Mexicaansche godenleer werd deze godheid als de moeder der
-eerste menschen beschouwd en in deze legende meenden de Europeesche
-missionarissen gedeeltelijk de geschiedenis van Eva terug te vinden.
-Tegenwoordig gaan de Indianen, die de dwalingen van het heidendom
-verlaten hebben en den Christelijken godsdienst omhelsden, nog voort om
-de plant, die eens aan hunne oude godin was toegewijd, te gebruiken
-tegen den beet van vergiftige slangen.
-
-[10] In de taal der Asteken beteekent _cihuatl_ vrouw en _cohuatl_
- slang.
-
---Daarom verbouwen zij dan ook zeker tabak? vroeg Lucien, want zij
-rooken nooit.
-
---Neen, maar zij verkoopen hun oogst aan de Kreolen, die daarentegen
-bijna allen rooken. Men zegt, dat het woord _tabak_ voortkomt van het
-eiland Tabago, waar de Spanjaarden deze plant ontdekten.
-
-Omstreeks 1560 werd zij door Jean Nicot in Frankrijk ingevoerd, die er
-ook de peter van werd, want de geleerden noemen de tabak _Nicotiana_. 't
-Is zeker, dat de tegenwoordige Mexicanen slechts sigaren en sigaretten
-rooken. Zij kennen de pijp nog slechts sedert korten tijd en de
-romanschrijvers, die zoo gaarne de Asteken voorstellen als de vredes-
-of oorlogspijp of de pijp der raadsvergadering rookende, zullen u doen
-glimlachen, als gij later hunne werken zult lezen. Gij zult u dan
-herinneren, hoezeer de Franschen verbaasd stonden, toen zij, hier
-komende, geen gesneden tabak konden krijgen, terwijl daarentegen de
-Indianen zich verdrongen om te zien, hoe de rook van deze plant in
-werktuigen van steen, aarde of porselein werd ingezogen.
-
---Ik herinner mij zelfs, riep Lucien uit, dat de Encuerado eens de pijp
-nam van een officier, die bij papa logeerde en er aan begon te rooken.
-Als u toen zijn leelijke gezichten eens gezien hadt!
-
---En wat gebeurde er toen? vroeg Sumichrast.
-
---De pijp maakte hem misselijk. Papa, die van niets afwist, deed hem
-toen een geneesmiddel nemen; maar de Encuerado heeft mij gezegd, dat het
-geneesmiddel lang zoo leelijk niet was, als de pijp, die hij gerookt
-had.
-
-De schuldige, die bij ons was gekomen, sloeg bij deze onverwachte
-onthulling de oogen neer en mompelde op een toon van gezag:
-
---De pijp is eene uitvinding van den duivel.[11]
-
-[11] Met het uitspreken van dezen banvloek stemde de Encuerado, zonder
- het te weten, overeen met Jacobus I, koning van Schotland, die in
- 1672 een boek tegen de rookers in 't licht gaf.
-
-Door mijn reisgezellen gevolgd, naderde ik het huisje, waarvan de
-eigenaar naar ons toe kwam, om ons welkom te heeten. Onze gastvrouw
-plaatste op eene mat een aarden schotel, die een kip met rijst bevatte.
-De Indiaan, zijne vrouw en schoonzuster wilden ons bedienen. Lucien
-noodigde de kinderen uit om onzen maaltijd te deelen; maar zij wilden
-niet bij ons komen zitten en men moest hun stukjes van de kip
-toesteken, die zij met gretigheid opaten. Aan het einde van het
-middagmaal bracht een hunner ons een half dozijn bananen, die zeer
-gaarne werden aangenomen; vervolgens ging de kleine bende, terwijl wij
-de koffie gebruikten, een spelletje verstoppertje spelen. Tot mijne
-groote voldoening zag ik dat Lucien, niettegenstaande den moeielijken
-tocht, die ons vermoeid had, met evenveel vuur als zijn makkers liep en
-sprong.
-
-Dit spelletje moede, haalden de kinderen een jongen bok en bootsten zij
-een stierenjacht na. Het dier, dat zeer goed afgericht was, vervolgde
-de loopers en wierp hen meer dan eens omver. Dit overkwam ook Lucien.
-Gringalet wierp zich vol woede op het aardige dier; maar zijn meester,
-die dadelijk weer op de been was, hield den ijver van zijn beschermer
-in. Zooals wij het reeds bij het begin van ons vertrek hadden opgemerkt,
-volgde de hond bij voorkeur zijn jongen meester en scheen zich tot taak
-te hebben gesteld over zijne veiligheid te waken.
-
-Onze gastheer vertelde ons, dat hij in het dorp Tenejapa geboren en daar
-ook getrouwd was; maar op zekeren dag met geweld voor het leger geprest
-zijnde, was hij gedeserteerd en had hij zich op deze bergvlakte
-gevestigd.
-
-Sedert zes jaren waren wij de eerste blanken, die hem bezochten.
-Zijn velden brachten maïs, boonen en tabak op, die zijne vrouw en
-schoonzuster tweemaal in 't jaar in Orizava verruilden voor de
-voorwerpen, die voor de huishouding noodig waren. Hij gevoelde zich
-gelukkig en roemde de bekoorlijkheid der groote bosschen en der
-eenzaamheid. Hij preekte trouwens voor bekeerden.
-
-De nadering van den nacht kondigde zich aan door eene hevige koude,
-waaraan wij niet meer gewoon waren. Ik riep Lucien terug, want ik wilde
-niet, dat hij zich bovenmate zou vermoeien. Men leende ons matten, ieder
-wikkelde zich in zijne dekens en ik sliep in onder het gesnork mijner
-gezellen.
-
-Tegen twee uur in den morgen werd ik verstijfd wakker; Lucien was ook
-door en door koud. Ik haastte mij om hem met mijn deken toe te dekken,
-want op deze hoogte waren wij blootgesteld aan den wind, die van den
-vulcaan van Citlatepetl woei, en de lucht zou eerst warm worden bij het
-opgaan van de zon. Sumichrast kwam weldra bij mij; evenals ik, had hij
-zijn deken aan den knaap afgestaan en hij liep naast mij op en neer,
-zonder de koude te kunnen overwinnen. Ik ging wat klein hout zoeken om
-vuur aan te maken. Ons heên en weêr loopen had onzen gastheer gewekt en
-door zijne hulp konden wij ons weldra voor een knappend vuur neerzetten.
-De Encuerado, die nauwelijks beschut was, sliep als een gelukzalige.
-Eindelijk hernam de slaap, dank zij het vuur, zijne rechten en weldra
-sliep ik opnieuw in.
-
-Toen ik de oogen opende, schitterde de zon aan een wolkenloozen hemel
-en iedereen was overeind. Sumichrast onderzocht de wapens en de
-schietbehoeften, want vanaf dezen dag moesten wij zelven in ons
-onderhoud voorzien. Daar ik mij verwonderde, dat ik zoolang geslapen
-had, verklaarde eene lichte stijfte in den rug mij dat spoedig en
-herinnerde mij aan de moeielijke opstijging van den vorigen dag. Ik
-beken, dat ik meer lust gevoelde om opnieuw te gaan liggen, dan op weg
-te gaan; maar ik moest het voorbeeld geven en hielp dus mijne makkers
-bij hunne voorbereidselen voor het vertrek. Men kent het gewaad van den
-Encuerado en van Lucien. Dat van Sumichrast en het mijne bestonden uit
-een pantalon van sterk linnen en van eene kiel van dezelfde stof. Als
-wapens droegen wij een revolver, een machete en een geweer met dubbelen
-loop; een weitasch, met kleine voorwerpen gevuld, hing aan onze zijde.
-Wij onderzochten den inhoud van de mars, die de Encuerado op den
-rug droeg en die hij met riemen op de borst en over het voorhoofd
-bevestigde. Sumichrast nam daarop een lang pak er uit, dat hij bij het
-begin van de reis er in had gedaan, en ontdeed het van het doek, dat
-het eerste omhulsel uitmaakte. Zijn glimlachen en zijn geheimzinnig
-uiterlijk brachten ons in spanning, eindelijk trok hij uit een papier
-een licht jachtgeweer, dat hij Lucien over den schouder hing.
-
-De knaap kreeg eene kleur, beefde, verbleekte en zag ons angstig aan;
-hij durfde nauwelijks aan de verwezenlijking van een zijner droomen
-gelooven. De ontroering benam hem de spraak, hij wierp zich in de armen
-van zijn vriend. Mijne verbazing was even groot als de zijne. Ik had er
-ook wel aan gedacht om Lucien een wapen te geven; maar uit vrees voor
-een ongeluk, had ik besloten het niet te doen.
-
-De Encuerado was niet minder verheugd dan zijn jonge vriend; hij begon
-te dansen en Sumichrast te omhelzen.
-
---Oh Chanito! die arme tijgers, hoeveel zullen wij er dooden, riep
-de oude jager uit. Wat zullen wij mooie tapijten voor uwe mama
-terugbrengen! Toe, laat mij uw geweer eens aanraken; men zou zeggen,
-dat het bepaald voor u gemaakt is. Die arme tijgers!
-
-En de dwaze dans begon van voren af aan.
-
-Er werd overeengekomen, dat het geweer slechts door ons zou geladen
-worden en dat Lucien slechts op onze aanwijzing zou schieten. Ik voegde
-er bij, dat het geweer, bij de minste overtreding van deze overeenkomst,
-in beslag zou genomen worden, en het ventje kende mijne standvastigheid.
-Ik raadde hem, doch tevergeefs, aan, om het geweer weer in de mand te
-leggen; maar dat was eene te zware opoffering en ik moest derhalve in
-deze vermeerdering van last, die hij trouwens moedig droeg, toestemmen.
-
-Na een rijkelijk ontbijt werden de kompassen geregeld. Lucien nam
-afscheid van zijne vriendjes van een dag; ik bedankte de vrouwen,
-terwijl onze gastheer ons tot aan den top van den berg vergezelde.
-
-Wij bevonden ons in een circus, links en rechts door de begroeide toppen
-beheerscht. Aan onze voeten spreidden zich de bergvlakten, die wij
-doorgetrokken waren, uit; lager nog, was de nauwelijks zichtbare vlakte.
-Achter ons gaapte een donkere, nauwe, steil-afgekapte afgrond, aan een
-onmetelijke put gelijk. Boven ons de hemel van eene lichtblauwe kleur,
-waarop de gieren zwarte stippels teekenden.
-
-Op den zoom van het woud wenschte onze gids, die ons met leedwezen
-scheen te verlaten, ons goede reis. Sumichrast laadde het geweer van
-Lucien en beval te vuren, om onze intrede in de woestenij te begroeten.
-Het schot viel, de echo's herhaalden het beurtelings en vergrootten het;
-eenige wilde stemmen antwoordden er met heesche kreten op en alles
-verviel weer in de stilte. Na een laatsten blik op de vallei te hebben
-geworpen, drong ik het eerst het woud in. Van af dit oogenblik konden
-wij nog slechts op God en op ons zelven vertrouwen; want elke stap
-voorwaarts verwijderde ons meer van de menschen.
-
-
-
-
-V.
-
-HET WOUD.--DE RAVEN.--EERSTE BIVAK.--DE EEKHOORNS.--DE KLEINE GIDS.--EEN
-LOFZANG IN DE WOESTIJN.
-
-
-Wij bevonden ons op meer dan vijftienhonderd meter boven de oppervlakte
-der zee, en de koelte van den Noordenwind overviel den knaap, die,
-gewoon aan het klimaat van de gematigde luchtstreek, nooit iets
-dergelijks gevoeld had. Uit instinct bracht hij zijn vingers aan den
-mond om ze te verwarmen, daar hij niets begreep van hunne verstijving.
-Maar zoodra de zon zekere hoogte had bereikt, dacht niemand er meer aan,
-over de koude te klagen.
-
-De boomen begonnen dichter bijeen te staan. Verloren te midden der
-eiken- en pijnboomen, scheen Lucien, die voor het eerst die reuzen zag,
-welker levensjaren eeuwen telden, ten hoogste aangedaan. Hij twijfelde
-bijna aan de werkelijkheid van het schouwspel, dat zijn blikken trof;
-na van de hoogte van een berg de Lilliput-wereld aanschouwd te hebben,
-vroeg hij ons, of niet een tegenovergesteld zinsbedrog hem op dit
-oogenblik het rijk voortooverde der reuzen, waarvan zijne moeder hem de
-wondervolle sprookjes had verteld. Een omgeworpen eik, dien wij op onzen
-weg onmoetten, liet hem toe beter de grootte van die boomen te meten,
-welker toppen den hemel schenen te raken. De eeuwenoude, zwarte, ruwe
-stam, die op den bodem lag, waarin zijn val hem ten deele begraven had,
-stak verscheidene voeten boven ons uit, terwijl gebroken en rondom
-verspreide dikke takken een omvang hadden, gelijk aan onze hoogste
-kastanjeboomen. Een geruisch van vleugelslagen deed ons het hoofd
-opheffen, en twee paar buitengewoon groote raven namen hunne vlucht,
-terwijl zij ons met een lang gekras begroetten.
-
---Gaat heen, gaat heen, duivelskinderen! riep de Encuerado hen toe, gij
-zult ons niet bang maken, wij zijn te goede christenen.
-
---Tegen wien spreekt gij? vroeg Lucien, vol verbazing rondom zich
-ziende.
-
---Tegen de raven.
-
---Meent gij dan, dat zij u zullen verstaan?
-
---Of zij mij verstaan, Chanito? Die rekels hebben niets hard dan het
-vleesch, en omdat zij een mooien zwarten rok dragen zooals die, waarin
-uw papa zich bij feestelijke gelegenheden steekt, meenen zij dat hun
-alles geoorloofd is. Maar als een hunner van avond om het vuur durft
-dolen, dood ik hem en braad hem, zoo waar als ik de Encuerado ben.
-
-De knaap zette groote oogen op, want hij verbaasde zich altijd over de
-hebbelijkheid van den Indiaan, die naar zijn humeur de kreten en de
-bewegingen der dieren uitleggende, nooit naliet te antwoorden op de
-denkbeeldige uitdagingen, die hij meende dat hem gedaan werden. Soms had
-hij het zelfs tegen levenlooze voorwerpen. De gewezen tijgerjager had
-zich die gewoonte ongetwijfeld eigen gemaakt in den tijd, toen hij,
-alleen in de bosschen levende, toegaf aan die noodzakelijkheid van te
-praten, aan die behoefte om zijne indrukken mede te deelen, die een
-bewijs zijn voor de gezelligheid van den mensch. In elk geval was het
-met eene kinderlijke goede trouw, dat hij zich met een blad of een vogel
-onderhield.
-
-Vier uren lang togen wij, door de hitte overstelpt, door het woud. De
-pijnboomen en eiken volgden elkander met eene eentonige regelmatigheid
-op. Allengs liep het terrein meer af en de nieuwe gang, dien wij moesten
-aannemen, verminderde onze vermoeidheid en maakte terzelfder tijd onzen
-marsch sneller. Eindelijk kwamen wij in een dal. De plantengroei was
-veranderd: hier en daar vertoonden zich wol- en gaiacboomen en lianen.
-
---Halt! riep ik uit.
-
-Ik ontdeed mij van mijne uitrusting, welk voorbeeld door mijne makkers
-met gretigheid gevolgd werd. De Encuerado, door zijn vriend geholpen,
-begon onmiddellijk droge takken te zoeken, terwijl Sumichrast en ik het
-gras over eene uitgestrektheid van verscheidene meters afmaaiden.
-
---Is onze dagmarsch dan volbracht? vroeg Lucien.
-
---Ja, antwoordde ik. Zijt gij niet vermoeid?
-
---Niet te zeer; ik zou nog wel wat kunnen loopen. Hebben wij veel wegs
-afgelegd?
-
---Ongeveer vier mijlen.
-
---En gaan we nu al rusten? Voor zoo'n beetje? Ik dacht, dat men op reis
-tot aan den nacht doormarcheerde.
-
---Drommels! zeide ik, terwijl ik hem bij zijn oor pakte, wat zijt gij
-een onvermoeide looper! Maar vier mijlen zijn niet zoo weinig, als men
-ze alle dagen opnieuw moet beginnen. Die langzaam gaat, gaat lang, zegt
-een oud spreekwoord, dat wij letterlijk zullen volgen, want te zware
-marschen zouden onze gezondheid spoedig benadeelen en dan kunt gij de
-reis vaarwel zeggen. Om nu tot aan den nacht door te marcheeren, zulks
-is alleen mogelijk als men zeker is een herberg te ontmoeten. Niemand
-heeft er onder deze groote boomen aan gedacht, om onzen maaltijd te
-bereiden, en ik veronderstel niet, dat gij lust gevoelt om van honger te
-sterven. Misschien moeten wij nog wel een paar mijlen maken, alvorens
-het wild te dooden, dat de hoofdschotel van ons middagmaal moet
-uitmaken.
-
---Aan dat alles had ik niet gedacht, antwoordde Lucien, terwijl hij het
-hoofd met een uitdrukking van overtuiging schudde; maar wat zullen wij
-van avond dan eten?
-
---Ik weet er nog niets van; misschien een haas, misschien een vogel,
-misschien ook wel een rat.
-
---Een rat! Nu, van zulk een beest zal ik zekerlijk niet eten.
-
---Ach! arme kleine, wacht maar eens tot de ware honger, waarvan gij
-nog slechts den naam kent, uwe ingewanden kwelt, dan zult gij zien met
-hoeveel lust men het eten verslindt, dat de Voorzienigheid ons toezendt,
-onverschillig van welken aard het dan ook zijn moge.
-
---Zal het dikwijls gebeuren, dat wij een dag zonder eten moeten
-doorbrengen?
-
---Ik hoop van niet, antwoordde ik, lachende om den toon van bezorgdheid
-van Lucien, die geheel nadenkend bleef staan.
-
-Gedurende dit gesprek had de Encuerado, vlug als een aap, een pijnboom
-beklommen en zijn machete bezaaide den grond met kleine twijgen. Wij,
-van onzen kant, gingen ook aan den arbeid, maakten palen, die ik
-met een steen, welke voor hamer dienst deed, in den grond sloeg.
-Dooreengevlochten en met lianen[12] aaneen verbonden takken vormden een
-horde, die, op de palen geplaatst, een dak uitmaakten. Door zijn kleinen
-vriend geholpen, wien deze toebereidselen zeer vermaakten, vulde de
-Encuerado de hut met bladeren en bedekte de takken met een laag droog
-gras. Onder deze beschutting konden wij den regen, zooal niet de koude
-trotseeren.
-
-[12] Liaan = Slingerplant.
-
-Het is mij onmogelijk de verrukking van Lucien te beschrijven.
-
-Dit huis--want hij wilde dezen eervollen naam wel geven aan de
-vormelooze hut, waarin hij en Gringalet alleen recht op konden
-staan--scheen hem een meesterstuk van bouwkunst toe en hij verbaasde
-zich over de vlugheid, waarmede het was opgericht. Hij hielp den
-Encuerado om den haard te plaatsen, zoodat hij nog slechts behoefde
-aangestoken te worden. Met onze geweren gewapend gingen wij er op uit
-om ons middagmaal te zoeken.
-
-Toen hij zag, dat wij onze bagage achterlieten, riep Lucien uit:
-
---Maar als er nu eens iemand kwam, die onzen voorraad stal?
-
---Duivels! riep Sumichrast uit--de Encuerado antwoordde altijd met een
-kruis te maken, op deze geliefkoosde uitdrukking van mijn metgezel--gij
-denkt toch aan alles.--Maar voor zulk een ongeluk behoeven wij niet te
-vreezen; het is zeer waarschijnlijk, dat wij geheel alleen in het woud
-zijn; of als er zich nog anderen dan wij bevinden, zou er al een
-wonderdadig toeval noodig zijn, om ze juist bij ons bivak te brengen.
-
---Zijn wij dan niet op een weg?
-
---'t Is een weg, als ge dat zoo wilt; maar dien wij alleen gebaand
-hebben; men zal onze schuilplaats niet ontdekken, tenzij men ons op den
-voet gevolgd heeft.
-
-De knaap schudde met een twijfelachtig gebaar het hoofd; het denkbeeld
-van de woestijn leert men eerst na langen tijd begrijpen. Ik herinner
-mij dat ik zelf, toen ik mijne eerste uitstappen in deze eenzame streken
-deed, telkens dacht eene hut te zullen ontmoeten of een menschelijk
-gelaat te zien, hetzij bij het uitkomen uit een woud, hetzij bij het
-volgen van een der paden, die de stieren in de Savanne banen. Vooral
-des nachts, als ik door slapeloosheid gekweld werd, dacht ik in de
-verwijderde geruchten, die mijn oor troffen, het gekraai van een haan,
-het blaffen van een hond of het refrein van een bekend lied te hooren.
-
---Maar als niemand ons bivak kan ontdekken, hoe zullen wij zelven dan
-doen om het terug te vinden? hernam Lucien, terwijl hij een blik
-achterwaarts wierp.
-
---Op eene even eenvoudige als moeilijke wijze: Wij zullen achter
-elkander loopen, en de laatste zal in de boomen en heesters een kerf
-maken. Dit middel om den weg terug te vinden, is veel zekerder dan de
-keisteentjes van klein Duimpje.
-
---Zal ik vooruit loopen?
-
---Neen, die plaats komt rechtens toe aan den besten schutter, want wij
-moeten het wild, dat wij zouden kunnen ontmoeten, niet laten ontsnappen.
-Zoolang gij nog niet weet, hoe gij u van uw geweer moet bedienen, zult
-gij de achterhoede uitmaken.
-
-Deze rol scheen Lucien, die dadelijk zijn sabel trok en ons op kleinen
-afstand volgde, overal aan de boomen kerven gevende, die ons op den
-terugweg moesten geleiden, niet te mishagen.
-
-Hij kweet zich met zooveel ijver van zijne taak, dat zijne krachten
-weldra uitgeput moesten zijn. De Encuerado wees hem hoe hij zich zonder
-veel inspanning van zijn wapen moest bedienen en de takken kon inkerven,
-zonder zijn gang te vertragen.
-
-Wij kwamen op een dier opene plaatsen uit, die men dikwijls te midden
-der maagdelijke wouden ontmoet, zonder dat men de mogelijke oorzaak kon
-verklaren, welke de boomen belet daar te groeien. Daar zich geen enkel
-levend wezen vertoonde, kwam ik met Sumichrast overeen om den Encuerado
-en Lucien op de loer achter te laten, terwijl wij ons elk naar een kant
-zouden richten, zoo echter, dat wij aan het andere einde van de vlakte
-weer bij elkander zouden komen. Toen Gringalet zag, dat wij van elkander
-afgingen, wist hij eerst niet, welke partij te kiezen; hij liep van den
-een naar den ander en overlaadde ons met liefkoozingen, terwijl hij
-klagend huilde. Eindelijk volgde hij mij, maar nauwelijks had ik een
-honderdtal meters afgelegd, of hij bleef staan om na te denken. Hij
-meende zeker dat hij iets had vergeten, want hij verdween vol haast.
-
-Ik liep sedert een half uur onder het loof, met gespannen oog en oor en
-den vinger aan den trekker, zonder het geringste wild te ontdekken. Mijn
-makker scheen niet veel gelukkiger dan ik, toen eensklaps een schot
-weergalmde.
-
-Op hetzelfde oogenblik bemerkte ik Sumichrast, die mij een troep
-eekhoorns, welke de open vlakte doortrokken, aanwees.
-
---Hebt gij er een gedood? vroeg ik.
-
---Ja, maar hij is tusschen twee takken blijven hangen, op meer dan
-twintig meters boven den grond; dat is een verloren schot kruit.
-
-Wij volgden met angst de sprongen van de bevallige diertjes, welker rust
-wij verstoord hadden; zij waren op het punt van in het woud te
-verdwijnen.
-
---Slaapt de Encuerado? riep ik vol ergernis uit.
-
-Twee opeenvolgende schoten gaven mij antwoord en bijna op hetzelfde
-oogenblik kwamen Gringalet, de Encuerado en Lucien uit het bosch. Na
-eenige minuten zoekens stak de knaap de armen omhoog en toonde ons twee
-eekhoorns. Wij versnelden den pas; de Indiaan nam het wild over en sloeg
-den weg naar het bivak in, terwijl Lucien ons tegemoet liep.
-
---Papa, papa! mijn geweer heeft een eekhoorn gedood! riep hij ons
-geheel buiten adem toe. O, mijnheer Sumichrast, ga hem eens zien, hij is
-geheel grijs met een staart, die op een pluim gelijkt.
-
---Hebt gij hem wel geschoten? vroeg ik.
-
---Ik heb geschoten, maar de Encuerado hield mijn geweer. Wij hebben in
-den hoop geschoten, want er waren er veel. Als gij hen eens hadt zien
-springen! Die, welken ik geschoten heb, klom op dien boom daar; hij viel
-als een steen neer. De Encuerado zegt, dat hij den tijd niet heeft gehad
-om te lijden."
-
-De arme jongen had zijn leerproef in het jagersvak gedaan, en zijn
-hart was een weinig vol, ofschoon hij fier was, zulk een bewijs van
-behendigheid te hebben gegeven. Sumichrast haastte zich, hem geluk te
-wenschen. Ofschoon ik de voorzichtigheid van den Encuerado kende, stelde
-ik mij toch voor hem te berispen, al was het maar om het kruit te doen
-besparen, en hem te waarschuwen tegen eene te groote begeerte om den
-knaap te laten schieten.
-
---Komaan, zeide ik tot Lucien, die zijn geweer aan zijne borst drukte,
-wees onze wegwijzer om het kampement terug te vinden. Gij hebt den weg
-gebaand, zorg nu dat gij ons niet laat verdolen.
-
-Onze kleine gids bracht ons met eene zekerheid naar ons punt van uitgang
-terug, zooals ik geenszins verwacht had.
-
---De aandacht der kinderen wordt licht afgetrokken, sprak Sumichrast;
-hoe verklaart gij het, dat Lucien het gemaakte spoor zoo goed gevolgd
-heeft.
-
---Misschien omdat het gedeeltelijk zijn werk was, gaf ik ten antwoord.
-
---En ook omdat ik klein ben, viel de knaap met een klein spottend lachje
-in, ik zie den grond dichterbij dan u, bijna zooals Gringalet, die zoo
-goed zijn weg weet terug te vinden. Gij ziet wel, papa, dat klein zijn
-toch ergens goed voor is en dat ik u van dienst kan zijn.
-
-Onnoodig te vragen of deze pleitreden tegen de grootte ons vermaakte.
-
---Zoo beschouwd zou ik er nog spijt over moeten hebben, dat ik uw broer
-Emile niet heb meegenomen, zijne geringere grootte zou hem nog spoediger
-een spoor doen terugvinden dan u.
-
---Wel zeker. Herinnert gij u niet, dat hij, bij onze wandelingen op den
-Borrego, dikwijls insecten heeft ontdekt, die gij niet gezien hadt.
-
-Ik was nu geheel en al geslagen.
-
-Wij gingen bij den haard zitten, waarvoor de beide eekhoorns braadden.
-De Encuerado ving het vet in een pan op en begoot ze er van tijd tot
-tijd mede.
-
-Het vleesch van den eekhoorn gelijkt door de kleur en den smaak op dat
-van den haas; onze jeugdige reisgezel at er dan ook met goeden eetlust
-van. Gedroogde maïskoeken, die men _totopo_ noemt, vervingen het brood
-en ieder onzer kreeg zijn afgepast deel er van. Van het vleesch kon een
-ieder naar hartelust bekomen.
-
-Gringalet maakte ons ongerust; wij hadden hem de helft van een eekhoorn
-gegeven, maar in plaats van er in te smullen, vond hij beter er met
-woede overheen te rollen. Het arme dier at slechts eenige stukjes
-_totopo_. Hij moest zich toch gewennen om wild te eten, want onze
-maïskoeken waren te kostbaar om ze hem te geven. Ieder onzer goot een
-weinig water uit zijne veldflesch in een kalebas, die hem tot voerbak
-diende. Aldus op rantsoen gesteld, moest de arme Gringalet wel spijt
-gevoelen, dat hij ons gevolgd was. De zon ging zienderwijs onder.
-
---Welnu, vroeg Sumichrast aan Lucien, wat zegt gij nu van het
-rattevleesch.
-
---Dat zal ik u zeggen, als ik er van zal gegeten hebben.
-
---Hoe, ziet gij dan niet dat de eekhoorn en de rat twee zeer nastaande
-verwanten zijn, dat zij beiden tot de familie der knaagdieren behooren?
-
---'t Is waar, dat ze wel wat op elkander gelijken, zeide de knaap met
-een koddig gebaar.
-
---Vooral de soort, die voor ons middagmaal heeft gediend en die door de
-geleerden nog niet gerangschikt is. Zie eens. Zijn haar is zwart op den
-rug, grijs aan de zijden en wit onder den buik; de ooren zijn naakt in
-plaats van die lange haarborsteltjes te hebben, die aan de eekhoorns van
-Europa zulk een levendig uiterlijk geven.
-
---Eten de eekhoorns dan ook vleesch?
-
---Neen, zij vergenoegen zich met eikels en hazelnoten, waarvan zij voor
-den winter een grooten voorraad opdoen.
-
---Dan gelijkt het vleesch van den eekhoorn niet op dat van de rat, die
-een allesetend dier is, riep Lucien zegevierend uit.
-
-De overtuigde en gerustgestelde toon van den jongen geleerde, perste
-ons een glimlach af, maar bijna op 't zelfde oogenblik gebood ik
-stilte, want een geraas van bewogen takken, dat onze opmerkzaamheid had
-getrokken, werd hoe langer zoo duidelijker. Gringalet wilde blaffen,
-maar de Encuerado greep hem om den snuit en bedekte hem met zijn deken.
-Een troep knagers, zonder twijfel dezelfden, die wij een paar uur te
-voren verjaagd hadden, verscheen onder het uiten van kleine kreten. Zij
-sprongen van tak tot tak, zonder zich om den afstand te bekommeren, wij
-zagen hen loopen, elkander vervolgen, zich nu eens boven, dan weer
-onder tot aan de uiteinden der dunste takken vooruitwagen. Twee of drie
-daalden langs den boom af, die vlak tegenover ons stond. Zij liepen als
-met kleine sprongen, hielden in, klommen weer op om dan weer naar omlaag
-te dalen. Beneden gekomen gingen zij op hun achterdeel zitten en zich
-van hun voorpooten als van handen bedienende, wreven zij zich met
-zulke potsierlijke bewegingen over den neus, dat Lucien zich niet kon
-weerhouden om te praten en ons deelgenoot van zijne bewondering te
-maken.
-
-Op het voor hen zoo vreemde geluid eener menschelijke stem, namen de
-bevallige diertjes de vlucht, maar toch niet zoo vlug of het geweer van
-Sumichrast verwondde er een. De eekhoorn bleef aan den boom geklemd,
-waarop hij getroffen werd en viel daarna op den grond. Hij had evenwel
-nog de kracht om zich op te richten en den jager te bijten, die hem te
-schielijk wilde oprapen. De Encuerado ontdeed hem dadelijk van de huid,
-om hem voor ons ontbijt van den volgenden ochtend te bewaren.
-
-De zon verdween; kreten van dieren weerklonken en de nacht kwam, met
-zich de volkomene stilte der woestijn brengende. De Encuerado hief een
-langen lofzang aan en weldra paarde Lucien zijne stem aan die van den
-jager. Het gezang was eenvoudig en eentonig; maar er lag iets roerends
-in den lof van God te hooren zingen door dat kind en dien Indiaan,
-beiden even eenvoudig van hart. De lofzang eindigde met een gebed,
-dat Sumichrast en ik staande en met ongedekt hoofd aanhoorden en vol
-overtuiging herhaalde mijn vriend het _amen_ van den Encuerado: God is
-groot!
-
-Na den haard van nieuw hout voorzien te hebben, dat het vuur gedurende
-den nacht moest onderhouden, ging men naast elkander onder de hut
-liggen. De wind zuchtte zachtkens in het gebladerte, en onder dien
-afgemeten ademtocht brachten de pijnboomen dat zwaarmoedig geluid voort,
-hetwelk, tot bedriegens toe, gelijkt op het geklots van de op het strand
-wegstervende golven. Door daar veel over te denken, gevoelde mijn slaap
-er de terugwerking van, want ik droomde dat ik op zee was en dat het
-schip, hetwelk mij voerde, op de zilveren golven dobberde.
-
-
-
-
-VI.
-
-DE KOFFIE.--DE TERPENTIJNBOOM.--DE SOEROEKOES.--DE DENNENNAALDEN.--DRIE
-VULKANEN IN 'T ZICHT.--DE LOOPKEVERS.--DE SCHORPIOENEN.--DE
-SALAMANDERS.--EEN ALARM.
-
-
-Toen ik de oogen opende, bemerkte ik den Encuerado, die de koffie
-gereedmaakte, terwijl mijn zoon, voor het vuur gehurkt, een menigte
-droge takken om den ketel stapelde, op gevaar af van hem om te werpen.
-
---Hoe nu, Lucien, 't is nog geen dag en reeds op! Hebt gij niet goed
-geslapen?
-
---O ja, papa, antwoordde hij, mij omhelzende, maar de Encuerado heeft
-Gringalet wakker gemaakt, die toen op mij is komen liggen en daardoor
-ben ik wakker geworden. Daar ik geen slaap meer had ben ik opgestaan, om
-voor het vuur te zorgen.
-
---En gij kwijt u goed van die taak. Het water gonst reeds, en de
-Encuerado zal moeite hebben om den ketel van 't vuur te krijgen zonder
-zijne vingers te branden.
-
-Maar de Indiaan had twee groene takken gesneden en bediende zich daarvan
-om den koffieketel, waarin hij tegelijkertijd de koffie en de suiker
-deed, van het vuur te nemen.
-
---Waar is de filtreer? vroeg Lucien.
-
---Denkt gij dan, dat wij in de stad zijn? antwoordde ik. Waarom vraagt
-gij ook niet een kop en schoteltje.
-
---Maar wij zullen dat zwarte en dikke sap nooit kunnen drinken!
-
---Wees maar gerust, Chanito, riep de Indiaan uit, we zullen er wel een
-beter aanzien aan geven. En zijn veldflesch nemende, goot hij een
-weinig koud water op het mengsel, dat aanstonds helder werd.
-
---Ga nu Sumichrast wekken, zeide ik tot Lucien. De knaap naderde onzen
-reismakker, die nauwelijks zichtbaar was door de bladeren, die hem tot
-deken en tevens tot oorkussen dienden.
-
---Hola, hola, mijnheer Sumichrast! de soep staat op tafel.
-
---De soep, herhaalde Sumichrast, terwijl hij zich de oogen uitwreef. O,
-kleine aap, ge hebt een schoonen droom verstoord: ik had uwen leeftijd
-en doorliep opnieuw de bergen van mijn vaderland.
-
-Het is goed na een overvloedigen maaltijd een kop mokka te genieten;
-maar wat men er ook van zeggen moge, de koffie dunkt mij nog beter des
-morgens om vijf uur, als men den nacht onder den blooten hemel heeft
-doorgebracht.
-
-De dag brak aan. Het was een heerlijk schouwspel het woud zoo
-trapsgewijze licht te zien worden en de stammen zich vergulden onder de
-schuine stralen der zon. Eer wij ons op weg begaven, onderzocht een
-onzer met alle nauwkeurigheid het terrein, waarop wij gekampeerd hadden,
-teneinde geen dier kleine voorwerpen te vergeten, waarvan het verlies
-onherstelbaar zou geweest zijn. Ik merkte toen op, dat de mars van den
-Encuerado versierd was met de vellen der drie eekhoorns, die op deze
-wijze zachtjes aan moesten drogen.
-
-Wij hadden zoo ongeveer een uur gemarcheerd, zonder eenig ander voorval,
-dan het ontmoeten van verschillende vogels, toen de zwaarmoedige stem
-van de _Soeroekoe_ onze ooren trof. Het geluid van dezen vogel heeft
-veel overeenkomst met den kreet dien de Mexicaansche ossendrijvers
-doen hooren, als zij de, aan hunne hoede toevertrouwde dieren,
-bijeenverzamelen; vandaar zijn Spaansche naam van _vaquero_
-(ossendrijver).
-
-Wij begonnen de jacht en in minder dan een half uur waren wij in 't
-bezit van een mannetje en een wijfje. Lucien kon niet genoeg de fraaie
-vogels met gelen bek, welke gebogen was als die der roofvogels,
-bewonderen. Vooral het mannetje was prachtig; de veeren op den kop en
-van den rug hadden een goudgroenen weerschijn, terwijl de randen der
-vleugels en de buik, met het zuiverste karmijn getint, tusschen twee
-zwarte strepen, die tot aan den staart doorliepen, uitkwamen.
-
---Zullen wij veel van die vogels in het bosch vinden, mijnheer
-Sumichrast? vroeg Lucien.
-
---Neen, meester Zonnestraal; zij zijn vrij zeldzaam, wij zullen dan ook
-de huid van dien, welken wij gedood hebben, zorgvuldig bewaren.
-
---Is het vleesch goed?
-
---Uitstekend, en meer dan een lekkerbek zou er zijn maal mee willen
-doen. Gij zult er trouwens, als wij gaan eten, over kunnen oordeelen en
-gij zult zeker wel nooit menschen ontmoeten die, evenals gij, _trogon
-massena_ hebben gegeten.
-
---Dat is toch zeker geen verwante van de rat? vroeg de knaap spottend.
-
---Neen, hij behoort tot de familie der klimvogels, dat wil zeggen tot de
-orde van die vogels, wier pooten twee teenen naar voor en twee naar
-achter hebben, zooals uwe vrienden, de papegaaien.
-
-Na de huid van de Soeroekoes goed bereid en het vleesch zorgvuldig
-ingepakt te hebben, vervolgden wij onzen weg.
-
-Het terrein werd rotsachtig en de helling steiler. Ik koesterde een
-oogenblik de hoop dat wij onder in een ravijn eene bron zouden vinden;
-maar weldra moesten wij, tot onze groote spijt, opnieuw klimmen en de
-wolboomen en eiken achter ons laten, om niet anders dan reusachtige
-denneboomen te ontmoeten. De naalden,[13] die den grond bedekten,
-maakten dezen zoo glibberig, dat wij soms voor één pas vooruit er twee
-achteruit maakten. De eene val volgde op den anderen, maar er was geen
-gevaar bij. Soms rolden wij, alsof het afgesproken werk was, alle vier
-tegelijk en ieder lachte om het ongeval van zijn buurman, die op zijn
-beurt ook pleizier had in dat van den anderen. Lucien kwam op den inval
-om zich vast te houden aan den staart van Gringalet, die alleen zich
-ongestraft op dit moeielijk terrein kon wagen. Dit gelukte in den
-beginne nog al, maar op eens maakte de hond zich door een plotselingen
-ruk vrij en de knaap rolde als een bal voort, aldus verliezende wat hij
-gewonnen had. Hij stond zeer verstoord op zijn hond op en voorspelde
-dezen, tot straf voor zijn verraad, ook een val.
-
-[13] Aldus noemt men de smalle en puntige bladeren van den denneboom,
- die daarom ook naaldboom of naaldgewas genoemd wordt.
-
-Die ongelukkige naalden dwongen ons om andermaal het werk met de paal en
-den _lazo_ te herhalen; want de Encuerado deed tevergeefs zijn best om
-ons te volgen.
-
-»Begrijpt gij nu iets van die verwenschte boomen? preutelde de Indiaan;
-konden zij hunne bladeren niet houden? Waarom groeien zij niet in de
-vlakte, in plaats van goede Christenmenschen water en bloed te doen
-zweeten op een bodem, die van zich zelf reeds moeielijk genoeg is?
-
---De goede God heeft ze hier doen groeien, antwoordde de knaap.
-
---Volstrekt niet, Chanito; de goede God heeft ze geschapen; maar de
-drommel heeft ze op deze hoogten gezaaid. Ik heb op de hoogvlakte
-gereisd en daar ontmoet men dennebosschen, een bewijs, dat deze zich
-uit boosaardigheid hier op deze helling hebben geplaatst.
-
-Gelukkigerwijze nam Lucien maar half de verzekeringen van den Indiaan
-aan; hij haastte zich dus ook mij te ondervragen.
-
-»De dennen," antwoordde ik, zijn boomen uit het Noorden, die slechts
-goed in een koud klimaat en in een dorren grond ontwikkelen. Als de
-Encuerado de geschiedenis zijner voorvaderen kende, zou hij u betere
-inlichtingen over deze boomen hebben kunnen geven; dan zou hij weten,
-dat zij in de godenleer der Asteken, aan de moeder der goden, aan de
-godin Matlacueye, gewijd waren, die, door eene zonderlinge overeenkomst,
-de rol speelt van de Cybele der Grieken, voor wie ook de den de
-bevoorrechte boom was."
-
-Op dit oogenblik kwamen wij langs een reus van het woud, die door een
-windstoot was omvergeworpen en uit welks stam door drie of vier spleten
-eene doorschijnende hars druppelde. Lucien wilde een dezer fraaie
-tranen, die hij meende dat hard waren, nemen, maar zijn vingers kleefden
-aaneen.
-
-»Ik dacht, zeide hij, dat men de terpentijn verkreeg door de takken van
-den den fijn te stampen, zoo als men met de stengels van het suikerriet
-doet.
-
---Dan ziet ge nu, dat ge 't mis hadt," antwoordde ik. De Indianen die de
-bosschen in exploitatie brengen, vergenoegen zich met een voet boven den
-grond eene insnijding in de boomen te maken; de hars begint er spoedig
-uit te vloeien en vult allengs de vaten, die men er onder geplaatst
-heeft, om haar op te vangen. Zoodra de boom niets meer oplevert, hakt
-men hem om, ten einde er takkenbossen van te maken, die men aan de
-huismoeders in de stad of wel aan de Indianen der vlakten verkoopt, wier
-arme woningen geene andere verlichting kennen dan het rookerig schijnsel
-van een dennetak.
-
-Ik moest mijne verklaringen hier afbreken, ten einde Sumichrast en den
-Encuerado te hulp te komen, die beiden, niettegenstaande den _lazo_,
-uitgleden en den moed begonnen te verliezen. Wij konden slechts een
-weinig vooruit komen door allerlei zigzaglijnen te beschrijven en wij
-hadden twee uren noodig om een afstand van een kwartier uurs af te
-leggen.
-
-Wij waren zoo ver gekomen, dat wij onze schreden door onze vallen konden
-tellen, toen de zoom van het woud zich aan ons vertoonde. De rotsgrond
-scheen ons zacht om te loopen; hij liet ons althans toe om in rechte
-lijn voorwaarts te gaan en zonder moeite een nieuwen top te bereiken.
-
-Daar wachtte ons een wonderschoon schouwspel. Wij beheerschten daar
-alle omringende bergruggen. Aan onze linkerhand verhief zich, reusachtig
-en plechtstatig, de piek van Orizava of Citlatepetl, dat wil zeggen de
-sterreberg, ter hoogte van 5295 meters. Lucien kon niet gelooven dat het
-dezelfde vulkaan was, waarvan hij elken morgen den top kon zien.
-
-»Hij heeft een geheel anderen vorm, zeide hij.
-
---De berg is niet veranderd, maar wel het gezichtspunt, antwoordde
-Sumichrast.
-
---Hij schijnt hooger te zijn.
-
---Dat komt, omdat onze marsch er ons dichter bij heeft gebracht. Van
-hier onderkent men het schoone woud, dat zijn voet omringt; hooger op
-staan de pijnboomen dunner en verdwijnen allengs; hooger nog, wat daar
-in de zon schittert, zijn de ijsvelden, eindelijk bekroont de eeuwige
-sneeuw den krater, dien Doignon, een Franschman, het eerst in 1847
-bezocht.
-
---De Popocatepetl, de Istaccihualt, somde de Encuerado flegmatisch op.
-
-Werkelijk vertoonden de beide vulkanen, waarvan de Indiaan de namen
-had genoemd, zich achter ons. Dit gezicht alleen was voldoende om ons
-schadeloos te stellen voor onze klimmerij; wij konden beurtelings de
-drie hoogste vulkanen van Mexico bewonderen. Onze kleine reismakker kon
-ze niet genoeg beschouwen.
-
---Waar is de Popocatepetl? vroeg hij.
-
---Daar ginds; het is die groote kegel, die zich aan onze rechterhand
-bevindt," antwoordde ik.
-
---De kleinste van de drie.
-
---Integendeel; hij meet niet minder dan 3400 meters. Dias Ordas, een der
-kapiteins van Fernando Cortes, heeft hem het eerst beklommen. Zijn naam
-beteekent »rookende berg."
-
---Ja, en ik weet dat Istaccihualt beteekent »witte vrouw", maar ik ken
-de hoogte van dien berg niet.
-
---Hij verheft zich 4786 meters boven het vlak der zee.
-
---Maar hoe heeft men hem dan kunnen meten?
-
---In de eerste plaats door wiskunstige berekeningen, en vervolgens,
-als men hem heeft beklommen, met behulp van den barometer, waarvan de
-kwikkolom daalt, naarmate men hooger komt, omdat de luchtlaag, die op
-den bol van het werktuig drukt, minder en minder zwaar wordt.
-
-De Encuerado bevestigde mijn gezegde door zulk eene overtuigende
-hoofdbeweging, dat Lucien wel moest denken, dat hij in staat was om een
-berg te meten.
-
-Ik vergat den tijd bij het aanschouwen van het prachtvolle panorama,
-dat zich voor onze oogen ontrolde. Rondom ons een rotsachtige,
-vulcanische bodem, met veelkleurige mossen bedekt; een weinig lager
-verborg het gebladerte der eeuwenoude boomen den grond; verderop een
-reeks van nu eens dorre, dan weder met somber groen bekleede bergruggen.
-Aan den horizon en verloren in een doorschijnenden nevel, staken de twee
-vulkanen van het bergvlak tegen den blauwen hemel af, en tegenover ons
-die andere reus, die ons in zekeren zin door zijn schaduw beschutte en
-waarvan de zeelieden op veertig mijlen in zee, den eeuwig besneeuwden
-top ontdekken.
-
-Ik gaf met weerzin het teeken tot het vertrek. De dennenaalden kwamen
-weer te voorschijn en ging het opklimmen moeilijk, het dalen ging te
-vlug. In plaats van voorover, vielen wij nu achterover. Gringalet, die
-door onze dwaze bewegingen in goed humeur was geraakt, of wel te veel
-op zich zelven vertrouwde, maakte even eens eene buiteling, tot groot
-vermaak van zijn jongen meester, die hem dit ongeval voorspeld had. De
-Encuerado, vermoeid als hij was, kwam op het denkbeeld om zijne mars te
-sleepen, welk plan hij ook ten uitvoer bracht, zonder haar te veel te
-beschadigen en zonder de flesschen in gevaar te brengen; zoo glad was de
-grond.
-
-Eindelijk kwamen wij weer aan de eikeboomen; daarna, altijd
-afdalende, aan den tropischen plantengroei. De merels beurden door
-hun afwisselenden zang onzen marsch op; talrijke insekten, kevers en
-vliegen, kwamen vroolijk om ons gonzen. In minder dan een uur waren wij
-van den herfst in de lente gekomen, na den winter van nabij gezien te
-hebben. Weldra dwongen de slingerplanten ons, om ons met den machete een
-weg te banen, maar hoe groot was niet onze vreugde, toen wij beneden in
-eene ravijn eene beek ontdekten omgeven door angelika en waterkers.
-
-Onze hut was, dank zij den overvloed van bouwstoffen, spoedig opgericht.
-Terwijl de Encuerado den maaltijd gereed maakte, ging ik een half
-verrotten boomstam, die op den grond lag, onderzoeken. Eene menigte
-insekten, van sierlijke vormen en met metaalblauwen glans, namen de
-vlucht; zij behoorden tot de talrijke familie der loopkevers, die
-roofzuchtige torren, welke men zoowel in Europa als in Amerika aantreft.
-
---Waarom vliegen zij niet weg, in plaats van te loopen en zich te laten
-vallen? vroeg Lucien.
-
---Omdat zij niet vlug in 't vliegen zijn, maar des te sneller loopen,
-antwoordde ik.
-
---Ai; die, welken ik gevangen heb, maakt mijne vingers nat, en het is
-juist of mij dat brandt.
-
---Gij hebt gelijk; maar stel u gerust, dat branden heeft geen gevaar.
-Een groot aantal loopkevers zoeken zich te verdedigen, als zij voelen
-dat zij gepakt worden, door een bijtend vocht uit te spuiten; andere
-doen een knal hooren, door rook gevolgd, waarvan zij den naam van
-_bombardeerkevers_ hebben gekregen.
-
---Wat eten zij dan onder die schors, waar zij zoo treurig moeten leven?
-
---Larven en rupsen; zij zijn bijgevolg meer nuttig dan schadelijk.
-
---In welke orde van insecten moet men ze rangschikken?
-
---In die van de schildvleugelige of _caleopteren_, omdat zij vier
-vleugels hebben, waarvan de bovenste, dekschilden genaamd, meer of min
-hard zijn, en dus hun naam rechtvaardigen, daar zij tot dekschild dienen
-voor de twee andere, die vliezig zijn en overdwars worden toegevouwen.
-Gij weet, dat de meikever ook een schildvleugelig insect is.
-
-Een nieuw stuk schors, dat schielijk werd opgetild, liet ons twee
-schorpioenen met dikken buik en bijna onzichtbaren kop zien, die zich er
-toe bepaalden hun staart op te lichten, welke uit zes afdeelingen of
-segmenten bestaat, waarvan de laatste in een zeer fijnen haak uitloopt.
-
-»O, wat leelijke dieren!" riep Lucien, achteruitwijkende; zonder hun
-lichte kleur zou men ze voor kreeften houden, waarvan de kop verwijderd
-is.
-
---Ja, als men ze van niet te nabij beschouwt. Gij zult misschien niet
-weinig verwonderd zijn als gij verneemt, dat zij verwanten van de
-spinnen zijn.
-
---Dat had ik nooit gedacht. Maar zijn zij dood, dat zij zoo onbeweeglijk
-blijven?
-
---Die, welke tot deze soort behooren, zijn langzaam en lui. Wij zullen
-er onder alle boomschorsen aantreffen; ik waarschuw u dan ook nu reeds,
-om voor hun steek op uwe hoede te zijn.
-
---Zou ik er dood van gaan?
-
---Dat niet, maar gij zoudt er eene zeer pijnlijke opzwelling van
-krijgen; en 't is beter die te voorkomen.
-
---Ik zou nu bijna geene schors meer durven aanraken.
-
---Zeg dan maar ook uwe verzamelingen vaarwel. De voorzichtigheid is eene
-goede hoedanigheid, maar zij moet niet in bangheid ontaarden.
-
-Terwijl ik de insecten naderbij beschouwde, bemerkte ik dat een der
-schorpioenen, een wijfje, vier of vijf jongen op den rug droeg. Dit
-gezicht vermaakte Lucien zeer, vooral toen hij zag, dat het dier
-zwaarvallig begon te loopen.
-
-»Ziet ge, Chanito, sprak de Encuerado, die bij ons was gekomen--een
-bewijs dat de keuken geen onmiddellijk toezicht behoefde--zoodra de mama
-der schorpioenen hun geen eten meer zal geven, zullen zij haar zelf
-opeten.
-
---Is dat waar? vroeg Lucien verbaasd.
-
---Al dooden de jongen hun moeder ook niet, zij zullen zich in elk geval
-aan haar lijk verzadigen, antwoordde ik.
-
-Gij zult meer dan eens in de gelegenheid zijn om dit feit waar te nemen,
-want deze spinsoort is in de gematigde landstreek zeer talrijk.
-
---»O!" riep Lucien uit, ik had wel gelijk, toen ik het leelijke beesten
-noemde.
-
-Toen de Indiaan een nieuw stuk boomschors oplichtte, ontdekte hij een
-salamander, die zich op onbeholpen wijze zocht te verbergen.
-
-»Gij kunt hem gerust aanvatten, er is niets van te vreezen, zeide ik tot
-Lucien, die achteruit was geweken.
-
---Maar 't is een schorpioen!
-
---De vrees benevelt uw gezicht; 't is een salamander, een tweeslachtig
-dier, van de familie der kikvorschen. De schorpioen heeft acht pooten,
-terwijl de salamander, die veeleer op eene hagedis gelijkt, er slechts
-vier heeft.
-
---Is hij niet vergiftig?
-
---Wel neen, Chanito. De Indianen (men had eens moeten hooren met welke
-minachting de Encuerado dien naam uitsprak) zijn er bang voor; vroeger
-was ik er ook bevreesd voor, maar uw papa heeft mij geleerd ze zonder
-vrees aan te vatten.
-
-En de jager legde den salamander op de hand van den knaap, die uitriep:
-
-»Hij is ijskoud en glibberig!
-
---Dat kan niet anders, de salamander is, evenals de visch, een
-koudbloedig dier. Het slijmerig vocht, dat de salamanders uitscheiden,
-kan hen eenige oogenblikken tegen het vuur beschutten, door hetzelfde
-verschijnsel, dat ons toelaat de vochtige hand in gesmolten ijzer te
-steken, zonder haar te verbranden.[14] Men heeft dan ook beweerd, dat
-deze batrachiers[15] te midden der vlammen kunnen leven. De dichters
-hebben van hunnen kant die arme, bijna blinde en buitengewoon
-vreesachtige dieren, als zinnebeeld van de dapperheid aangenomen, wat
-de natuurkundigen doet lachen."
-
-[14] Dank zij de bolvormige gedaante van het water, die door den Heer
- Bouchigny werd ontdekt.
-
-[15] Batrachiers is de soortnaam der kikvorschen, salamanders enz.
-
-Ik ging voort in gezelschap van Sumichrast den reusachtigen boom te
-onderzoeken, die, half verrot door de vochtigheid van den grond, ons
-zeer fraaie exemplaren van verschillende insecten opleverde.
-
-Eensklaps drong de smeekende stem van Lucien tot ons door; ik liep naar
-hem toe. Hij trachtte den Encuerado tegen te houden, die den salamander
-had genomen en zijne onbrandbaarheid op de proef wilde stellen.
-
-»Maar, Chanito, ik zal hem niet lang op de kolen laten liggen en uw papa
-zegt, dat het dien dieren vrijwel onverschillig is.
-
-Lucien wilde in die wreede proefneming niet toestemmen en bracht zelf
-den salamander op den boomstam terug, waar wij hem gevonden hadden.
-
-De dag was aan 't afnemen, toen wij naar den haard terugkeerden; een
-verlokkende geur steeg uit de braadpan op, waarin een handvol rijst en
-een der soeroekoes kookte, terwijl de andere voor het vuur braadde. Het
-was een merkwaardige maaltijd; eerst eene heerlijke soep, waarvan Lucien
-twee borden vol at; daarna kwam het overblijfsel van onzen eekhoorn
-en eindelijk de lekker gebraden vogel, dien de Encuerado op een laag
-waterkers voordiende. Water was er in overvloed en men mag over mijne
-bewering lachen, als men wil, de dischgenooten maakten er een overmatig
-gebruik van.
-
-Een kop koffie bracht onze voldoening ten top; daarna werd de tafel aan
-Gringalet overgelaten, die zelfs den ketel uitlikte. Lucien, viel, naast
-ons liggende, weldra in slaap.
-
-Een akelig gehuil van onzen viervoetigen reisgezel deed ons verschrikt
-opspringen. Wij grepen naar onze wapenen. De hond, met hangende ooren,
-den staart tusschen de pooten, onrustigen blik en den snuit in den wind,
-deed opnieuw zijn gehuil hooren, waarop het scherpe en lang aanhoudende
-geschreeuw van de _Coyoten_, de wolfsjacals van Mexico, antwoordde.
-
-»Die hondenkinderen! denken zij dan, dat zij ons zullen bang maken? riep
-de Encuerado uit. En terwijl wij het vuur weer aanwakkerden, verdween
-hij in de duisternis.
-
-»Zijn dat wolven, mijnheer Sumichrast? vroeg Lucien.
-
---Ja, mijn vriend, Amerikaansche wolven.
-
---Maar zij zullen den Encuerado opeten en ons aanvallen?
-
---Stel u maar gerust; moed is hun gebrek niet. Als zij niet uitgehongerd
-zijn, zullen zij zich niet in onze nabijheid wagen.
-
-Daar viel een schot. Het woud scheen te sidderen, het geschreeuw van
-enkele vogels weerklonk, en terwijl de echo's met geraas den klank van
-de losbranding herhaalden, begon Gringalet te blaffen, hetwelk opnieuw
-begroet werd door de schrille kreten van de Coyoten. Eindelijk keerde
-de, voor een oogenblik gestoorde stilte terug en het woud hernam zijn
-plechtig stilzwijgen.
-
-
-
-
-VII.
-
-DE ZALF VAN KATTENOOGEN.--HET GORDELDIER.--LUCIEN EN DE VARENPLANT.--DE
-INGESTORTE BERG.--DE SPECHT.--DE BASILISCUS.--EEN NIEUW DENKBEELD VAN
-DEN ENCUERADO.
-
-
-Gringalet, die het alarm had gemaakt, was ook de eerste om weer in te
-slapen. Wat mij aangaat, ik wachtte met zekere ongerustheid op den
-terugkeer van den Encuerado. Toen de Indiaan na een kwartier uurs niet
-verscheen, begon ik te gelooven dat hij, door de duisternis misleid,
-zich van het bivak had verwijderd, in plaats van het te naderen. Na
-hem twee of driemaal geroepen te hebben, zonder antwoord te ontvangen,
-maakte ik mij gereed om mijn geweer af te schieten, opdat het geluid van
-de losbranding hem op den weg zou brengen, toen zijn keelgeluid mijn oor
-bereikte.
-
---Hoe komt het bij je op, om op zulk een uur een geheel nutteloos wild
-te vervolgen! riep ik uit, toen ik hem te voorschijn zag komen.
-
---Ik wilde aan die schreeuwers een les geven, heer.
-
---Hebt gij er dan een gedood?
-
---Ik heb hem slechts een kogel in 't lijf kunnen jagen, en heb hem toen
-vervolgd.
-
---Op gevaar af van in een kloof te vallen. Zoo ver ik weet kunt gij toch
-des nachts niet zien.
-
---Niet veel, en dat is uwe schuld, hernam de Encuerado op een toon van
-verwijt.
-
---Wat! is dat mijne schuld!
-
---Herhaalde malen hebben de brujos (toovenaars) mij een zalf aangeboden,
-bestaande uit de oogen van katten, maar zij wilden mij te duur
-verkoopen.
-
-Gij weet nu veel meer dan de toovenaars, en als gij mij de woorden hadt
-willen leeren, die men moet uitspreken om aan de zalf haar kracht te
-verleenen, zou ik sedert lang des nachts kunnen zien, wat u, zoowel als
-mij, van groot nut zou zijn.
-
-Dat was een oud sprookje, en al wat ik den Indiaan zou hebben gezegd
-over mijne onmacht om hem oogen te geven, die de duisternis kunnen
-doorboren, zou hem niet overtuigd hebben. Ik vergenoegde mij dus met hem
-aan te sporen om te gaan slapen.
-
-Het was reeds helder dag, toen Sumichrast mij wekte. De beek, die wij
-konden overspringen, kabbelde nu eens over de keien of gleed zwijgend en
-als in slaap gedompeld over het zand van de bedding. De planten, die de
-beide oevers omzoomden, strengelden zusterlijk hare takken dooreen en
-hare bloemen schenen elkander hare geuren te ruilen. Van de takken der
-groote boomen hingen witte mossen naar omlaag, wat hen op reusachtige
-grijsaards deed gelijken; de zon vergulde de stammen met hare opkomende
-stralen en uit de toppen der boomen steeg de zachte lofzang, door de
-zangvogels gekweeld, ten hemel. Onze oogen, aan de betrekkelijk dorre
-streken, die wij den vorigen dag doorgetrokken waren, gewoon, rustten
-met welgevallen op dit lachende en grootsche tooneel; wij ondervonden te
-midden van deze kalme en weelderige natuur, een werkelijk welbehagen.
-Met leedwezen maakten wij aanstalten om op te breken.
-
-»Als wij eens na den middag vertrokken?" zei Sumichrast.
-
---En als wij nu eens eerst morgen verder gingen?.... hernam ik.
-
-Deze ondervragingen beantwoordden zoo wel aan het algemeen verlangen,
-dat onze reisbagage in een oogwenk weer op den grond lag. Ons eerste
-werk was een bad te nemen; toen kwamen wij op de gedachte om ons goed te
-wasschen. Lucien, door den Encuerado geholpen, die, daar hij een leeren
-gewaad op het bloote lichaam droeg, niets voor zichzelven te wasschen
-had, lachte hartelijk toen hij ons zoo in bleekers veranderd zag, en
-bracht het er van zijn kant, niet al te slecht af. Daarna belastte hij
-zich er mede om Gringalet een bad te geven, wiens wit en zwart gevlekt
-gewaad wel een sopje noodig had. Ongelukkigerwijze ging hij, zoodra hij
-uit het water kwam, in het zand rollen en kwam toen naar zijn
-teleurgestelden meester huppelen.
-
-Wij doolden links en rechts rond, in de hoop van nog eenige insecten te
-vinden, toen Gringalet de ooren opstak en zijn tanden liet zien. Een
-geraas van dorre bladeren trok onze aandacht op eene steilte tegenover
-ons en waar wij een gordeldier zich zagen verpoozen.
-
-Gewoonlijk gaan deze dieren des nachts uit, om zich te vermaken en hun
-voedsel te zoeken. Dat, hetwelk wij zoo op den vollen dag aantroffen,
-had de grootte van een flink konijn. Zijn ooren, die de gedaante van een
-peperhuisje hadden, oprichtende, stak hij zijn puntigen snuit omhoog, om
-beter in de takken te kunnen snuffelen. De kop, die buitengewoon klein
-was, gaf het een potsierlijk uiterlijk. Eensklaps begon het den grond
-met zijne voorpooten, die met vreeselijke nagels gewapend zijn, om te
-krabben; van tijd tot tijd stak het den puntigen neus in de holte, die
-het gegraven had. Ik was de beek overgetrokken en naderde het dier
-behoedzaam, toen ik zag, dat het met zijn arbeid ophield, den kop vol
-onrust liet hangen en, snel als het weerlicht, zich tot een bal oprolde
-en van de steilte liet vallen. Het kwam juist voor mijne voeten terecht,
-zoodat ik het slechts behoefde op te rapen. Gringalet, die boven op het
-taluut verscheen, gaf mij de uitlegging van deze overhaaste vlucht.
-
-Ik vervoegde mij met mijn gevangene, die niet de minste poging deed om
-zich te verdedigen of te ontsnappen bij mijne makkers. Lucien onderzocht
-met belangstelling de dwarse schubben, die den rug van het gordeldier
-bedekten, welks rooskleurige huid als 't ware doorschijnend scheen. Hij
-vernam dat dit weerlooze dier, hetwelk zich met insecten en wortels
-voedt, tot de orde der tandeloozen behoort, eene klasse zoogdieren,
-welker tandstelsel onvolledig is.
-
-»Maar," zeide hij, »ik heb wel eens platen gezien, waar de gordeldieren
-zijn afgebeeld met een pantser uit kleine vierkante stukjes bestaande.
-
---Dat is eene andere soort, die eveneens in Mexico voorkomt, antwoordde
-Sumichrast.
-
-Toen er over gesproken werd om het dier dood te maken, verzette Lucien
-er zich uit alle macht tegen. Hij vroeg om het levend meê te mogen nemen
-of het weer in vrijheid te stellen, beiden onaannemelijke voorstellen.
-Gringalet maakte een einde aan de woordenwisseling door het gordeldier,
-dat de Encuerado aan een poot had vastgebonden, te wurgen. De knaap,
-woedend en droevig tevens, wilde den hond slaan en verbaasde zich over
-zijne wreedheid.
-
-»Hij heeft aan zijn instinct gehoorzaamd, zeide Sumichrast.
-
---Een mooi instinct, antwoordde Lucien schreiende, een arm dier te
-dooden, dat niemand kwaad doet!
-
---Hij heeft ons de moeite bespaard het zelf te dooden. De menschen en
-de vleeschetende dieren zouden niet kunnen bestaan, als zij niet andere
-dieren opofferden. Hebt gij gister niet een eekhoorn gedood? En gij hebt
-uw aandeel ook niet geweigerd van de mooie vogels, welker veeren u zoo
-verrukt hadden.
-
---Ja, maar ik heb den eekhoorn niet met mijne tanden gedood. Dat maakte
-een groot verschil.
-
---Voor u, dat is mogelijk; maar voor den eekhoorn? Nu, als de
-gelegenheid zich weer aanbiedt, moet gij uw geweer eens aan Gringalet
-leenen.
-
-Lucien glimlachte door zijn tranen heen en zijne verontwaardiging
-bedaarde allengs. Zeker, of men eene kip den hals omdraait of door een
-geweerschot doodt, de einduitslag blijft volkomen dezelfde, en toch
-heb ik nooit tot het eerste kunnen besluiten. Lucien echter, die eene
-vrouwelijke teergevoeligheid bezat, werd meer dan eens boos op den
-Encuerado, die moeielijk aan de bekoring kon weerstaan om op het wild,
-dat onder zijn bereik kwam, te schieten, onverschillig of het van nut
-kon zijn of niet. Wij hadden goed hem er over onderhanden te nemen; hij
-beweerde dat, als God aan den mensch de wet had opgelegd om te dooden,
-ten einde zich te voeden, hij hem ook beveelt de schadelijke dieren te
-vernietigen, die de bondgenooten van den Booze zijn. Ongelukkigerwijze
-waren alle dieren, met uitzondering van honden en paarden, in de oogen
-van den Encuerado schadelijk.
-
-Met het geweer over den schouder, klommen wij den loop der beek op,
-meestal genoodzaakt om een weg door een warboel van planten te banen. Ik
-bespeurde een mooien boomvaren, waarvan de nog niet ontwikkelde bladeren
-den vorm van een bisschopsstaf hadden. Lucien merkte op, dat deze struik
-een zonderling uiterlijk had.
-
-»Gij hebt gelijk, antwoordde ik hem. Jussieu heeft de planten in drie
-groote orden ingedeeld: de nietlobbige, de eenlobbige en de tweelobbige.
-De varens zijn nietlobbige planten; zij hebben geen zichtbare bloemen;
-zij zijn verwant aan de wieren en de paddestoelen. Zij verkrijgen alleen
-onder de keerkringen de afmetingen van die, welke gij hier voor oogen
-hebt; in de koude luchtstreken, gaat hunne grootte nauwelijks eenige
-voeten te boven. De varens maakten bijna den eenigen plantengroei uit
-van de eerste wereld en in de venen vindt men dikwijls de indrukselen
-van reusachtige soorten, welke nu verdwenen zijn. Daar hij nieuwsgierig
-was om de stengels in den vorm van een bisschopsstaf van naderbij te
-bezichtigen, liet Lucien ons vooruitgaan en kroop onder de varenplant.
-Daar de bladeren van dezen struik van onder met lange doorns gewapend
-zijn, voelde hij zich tegengehouden, toen hij zich bij ons wilde
-vervoegen. Zijne pogingen dienden slechts om hem nog meer vast te
-maken. Hij riep mij met eene angstige stem, en niet wetende wat hem
-overkomen was, haastte ik mij om naar hem toe te gaan.
-
-Ik vond hem druk bezig met zich te weeren tegen de doorns, die zijne
-handen en gelaat schramden. De Encuerado had zijne mars neergezet om
-schielijker te kunnen gaan, en liep den verschrikten Sumichrast voorbij.
-
-Ik haastte mij den knaap te bevrijden, wiens handen en gelaat vol lange
-schrammen waren.
-
-»Waarom hebt gij er niet aan gedacht, dat gij, door u zoo te weer te
-stellen, u nog meer verwardet.
-
---Ik zag dat gij u verwijderdet, en ik wist niet wat mij tegen hield en
-werd toen bang; maar ik schrei niet, papa, en toch steken ze erg, die
-varendoorns.
-
-De Encuerado stroopte de mouwen van zijn buis op, nam zijn kapmes en
-liep op den struik toe.
-
-Schaamt gij u niet, riep hij uit, om een kind aan te vallen?
-
-'t Is wel noodig aan zijn top bisschopsstaven te dragen, als men zich
-zoo beneemt! Probeer eens om mijn kleed beet te nemen! Ik wist wel, dat
-ge dat niet zoudt durven! Maar dat doet er niet toe, ik zal je voor je
-boosheid straffen.
-
-De arme plant werd, helaas! weldra tot rede gebracht; in een oogwenk
-bleven er nog slechts de stukken van over. Na een uur gemarcheerd te
-hebben kwam het hoofd van de kolonne onverwachts bij een stuk van een
-ingestorten berg. Het was een grootsch schouwspel; de opgehoopte en op
-elkander gestapelde rotsen hadden in haar val de omliggende boomen
-verpletterd. Wij hadden een niet te ontwarren menigte opeengehoopte
-stammen, reusachtige wortels, en hangende rotsen, die elk oogenblik
-konden neerstorten, voor ons. Het onheil moest eerst kortelings gebeurd
-zijn, want hier en daar vertoonde een tak nog zijn groene pluim en het
-gras had nog niet den tijd gehad de groote scheur op te vullen. De wilde
-grootheid van dat tooneel vervulde Lucien met zooveel verbazing, dat hij
-met zijn gesnap ophield. Wij voegden ons stilzwijgend bij Sumichrast,
-die zich te midden der rotsen had begeven; het werd toen duidelijk,
-dat een waterstroom door de instorting was opgevuld. Het water liep met
-een dof geraas onder ons. Aan onze linkerhand, aan den voet van den
-ingestorten berg, strekte zich eene groote watervlakte uit, door een
-kom omgeven, die men zou zeggen, dat door menschenhanden gemaakt was.
-
-Rondom ons bleef alles stil en eenzaam. En toch hadden de omringende
-struiken meer dan één gast moeten herbergen, maar de vogels hadden,
-door de instorting verschrikt, de vlucht genomen.
-
-»Hoe is die groote berg kunnen instorten?" vroeg Lucien.
-
---Daarover kan men slechts gissingen maken, antwoordde Sumichrast;
-misschien heeft de beek den voet der rotsen ondermijnd en zoo het
-evenwicht verstoord; wellicht heeft eene spleet allengs eene voldoende
-hoeveelheid water laten indringen om deze massa mede te sleepen.
-
---Het geraas moet zeker wel zeer groot geweest zijn?
-
---Verschrikkelijk en de schok moet den grond op verscheidene mijlen in
-'t rond hebben doen schudden.
-
---Hebt gij wel ooit een berg zien instorten?
-
---Ja, vijf jaar geleden, in gezelschap van uw papa. Een geheel bosch
-verdween voor onze oogen door eene instorting, die vier of vijf hutten
-van Indianen overstelpte.
-
-Over een jaar zal deze naakte zijde weer met een dichten plantengroei
-bedekt zijn; het mos zal deze witachtige rots als met een tapijt omgeven
-en de beek zal haar loop weer hernomen hebben. Als het toeval ons weer
-op deze plaats terugbracht, zouden wij moeite hebben om onder de bloemen
-en bladeren het tooneel van verwoesting terug te vinden, waarvan wij de
-herinnering met ons meê zullen dragen."
-
-Ik trok de beek over ten einde het bivak van de tegenovergestelde zijde,
-die wij gevolgd waren, te bereiken.
-
-Eensklaps trof een geluid als dat van een hamer, die op een boomstam
-slaat, onze aandacht.
-
-»Gij hebt gezegd, dat er niemand in het bosch was!" riep Lucien uit.
-
---Stil, dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde de Encuerado.
-
-En iedereen sloop onder de struiken, om den gevederden werkman, die ons
-zijne tegenwoordigheid verried, te naderen. Tien minuten verliepen; de
-specht, een zeer wantrouwende vogel, scheen zich verwijderd te hebben,
-wij wilden reeds onze vervolging opgeven, toen drie slagen, met
-regelmatige tusschenpoozen gegeven, bijna boven ons weerklonken.
-
-De _carpintero_ (schrijnwerker) had zeer schitterende gele oogen; de
-roode veeren van zijn kop staken tegen de schors van een eik af, terwijl
-het zwarte lichaam met witte veeren gestreept was. Hij klom met veel
-vlugheid langs een stam op, steunde op de staartpennen en sloeg opnieuw
-drie vérklinkende slagen, waarna hij dadelijk aan den anderen kant van
-den stam ging zien.
-
-»Lomperd, mompelde de Encuerado, hij denkt dat hij een boom, die dikker
-is dan ik, met zijn drie slagen kan doorboren! Komaan, hij zal opgegeten
-worden.
-
-En hij schoot op den vogel, dien hij raakte.
-
-»Is 't waar, papa, dat de specht dien dikken boom wilde doorboren?"
-
---Neen, mijn jongen; dat is eene volksmeening, die door niets
-gerechtvaardigd wordt; de specht klopt tegen den boom met het doel om de
-insekten, die onder de schors verborgen zijn, te verschrikken, en om
-zich meester te kunnen maken van de vluchtenden, voert hij de beweging
-uit, welke de Encuerado zoo verkeerd heeft uitgelegd.
-
-Sumichrast deed Lucien opmerken dat de specht, met behulp van zijn
-kegelvormigen bek desnoods de schorsen kan oplichten, waaronder hij zijn
-voedsel vindt; dat zijne, met naar achter gebogen doorntjes bezette
-tong, zeer geeigend is om de larven te grijpen en dat eindelijk de
-stijve en veerkrachtige staartpennen hem een zeer nuttig steunpunt
-aanbieden, bij de uitoefening van zijn vermoeienden arbeid.
-
-»Gij hebt dikwijls tegenover mij gelijk," sprak de Encuerado, maar gij
-moogt het zoo dikwijls herhalen als gij wilt, dat de spechten de boomen
-niet uithollen, ik heb het zelf gezien.
-
---Gij hebt tot op zeker punt gelijk, antwoordde Sumichrast; sommige
-soorten maken hun nest in doode boomstammen, die zij gemakkelijker met
-hun bek kunnen bewerken. Maar om een gat in een gezonden boom te maken,
-dat is eene andere vraag.
-
-Terwijl de Encuerado den _tatoe_ of het gordeldier en de specht, die
-voor ons middagmaal moesten dienen, gereed maakte, volgden wij den
-benedenloop der beek, welker aangename frischheid ons aantrok. Eensklaps
-wees Lucien ons een basiliscus aan, die op een steen zat, en waarvan een
-zonnestraal ons de gele, groene en roode tinten liet bewonderen.
-
-Deze soort leguaan, die in niets op den fabelachtigen basiliscus der
-Grieken gelijkt, hief zich bij onze nadering op, blies zijn keel vol
-lucht en schudde den vliezigen kam, die zijn kop versierde, heên en
-weêr. Zijn goudkleurig oog scheen den horizon te ondervragen; zonder
-twijfel had hij ons bemerkt; zijn slap lichaam werd stijf en met een
-vluggen sprong stortte hij zich in de beek. Het sierlijke kruipdier
-zwom met opgerichte borst en de achterpooten zweepten de golfjes als
-roeiriemen.
-
-Weldra verdween het, tot groot verdriet van Lucien, die het van naderbij
-had willen beschouwen.
-
-Bij het vuur teruggekeerd, zetten wij onze bagage gereed voor het
-vertrek van den volgenden dag.
-
-Daar het nog een uur dag bleef, bleef Lucien bij den Encuerado, en ging
-ik met Sumichrast den weg verkennen, dien wij voornemens waren te
-volgen.
-
-De zon ging onder en wij naderden langzaam het bivak, toen de klagende
-stem van Gringalet onze ooren trof. Ik versnelde den pas, want de hond
-huilde alsof hij iemand verloren had. Hijgende kwam ik bij de hut. Alles
-was in orde; maar Lucien en de Encuerado waren verdwenen. Ik zag mijn
-makker vol angst aan.
-
-»De Encuerado zal eene wandeling zijn gaan maken en hij zal vertrokken
-zijn zonder den hond, die waarschijnlijk sliep, zeide Sumichrast.
-
-Ik liet een roepkreet hooren. Hoe groot was niet mijne verwondering,
-toen ik hoorde dat men boven mijn hoofd er op antwoordde. Mijn zoon
-en de Encuerado bevonden zich dertig voet boven den grond, in het
-gebladerte van een dikken boom verborgen. Mijn eerste beweging was om
-den Indiaan eene goede uitbranding te geven.
-
---Breng hem niet in de war, zeide Sumichrast, hij heeft al zijne
-koelbloedigheid noodig om naar omlaag te komen.
-
-Ten prooi aan een gemakkelijk te begrijpen angst, volgde ik alle
-bewegingen van Lucien, dien de bladeren mij dikwijls beletten te zien.
-
-Doe maar zachtjes aan, sprak de Encuerado. Zet uw voet daar neer. Goed
-zoo. Vat nu dezen tak en laat u glijden. Wees maar niet bevreesd, ik zal
-u niet loslaten. Wat zal uw papa fier en tevreden zijn, als hij weet dat
-gij zoo hoog geklommen zijt!
-
-De Indiaan vergiste zich; ik was noch fier, noch tevreden. De stam van
-den boom had vijf of zes voet omvang; de eerste takken groeiden twee of
-drie meter boven den grond en ik kan mij niet begrijpen, hoe de knaap er
-aan had kunnen komen. Wat den aap betreft, die Encuerado genoemd wordt,
-ik wist dat er geen hinderpaal bestond, die dezen kon tegenhouden.
-
-Ik moet bekennen dat ik, bij het zien van de behendigheid en de
-koelbloedigheid van den jongen kunstenmaker, mijn toorn voelde bedaren.
-'t Is waar, Sumichrast riep mijne herinneringen te voorschijn en wilde
-met mij wedden dat ik, onder minder zorgvuldig toezicht dan dat van den
-Encuerado, meer dan eens in den top van een populier was geklommen.
-Eindelijk bereikten de twee gymnasten de onderste bladeren, en ademde ik
-vrijer.
-
---Vader, riep de knaap mij toe, wij zijn tot boven in den top geklommen;
-er is daar een nest en een eekhoorngat.
-
---Zijt gij gek geworden? viel ik hem in de rede, terwijl ik mij tot den
-Indiaan richtte.
-
---Gek! herhaalde deze met eene bewonderenswaardige naïveteit, waarom?
-
---Kondt gij een niet wat minder hoogen boom uitzoeken?
-
---Wilt gij dan niet, dat Chanito leert klimmen? Bovendien heeft mevrouw
-hem aan mij toevertrouwd.
-
---Wilt gij hem daarom aan 't gevaar blootstellen van zijn beenderen te
-breken?
-
---Ik ben geen kind, antwoordde de Indiaan fier, terwijl hij op een tak
-ging staan.
-
---Komaan, 't is nu genoeg met die gymnastiek, kom maar naar omlaag.
-God weet, hoe ge dat zult aanleggen. Ik had mijn volzin nauwelijks
-geëindigd, of Lucien kwam op den grond neer, ondersteund door den lazo,
-dien de Encuerado hem onder de armen had gebonden. Na tot op de eerste
-takken te zijn geklommen, terwijl hij een der uiteinden van den riem
-vasthield, had de Indiaan hetzelfde middel gebruikt om den knaap naar
-zich toe te hijschen.
-
---Wat ge gedaan hebt, is niet redelijk; men begint niet met op een wild
-paard te rijden. Lucien kan niet in de boomen klimmen, zeide ik hem,
-toen hij op zijne beurt beneden was.
-
---Lucien kan even goed klimmen als ik, hernam de schuldige; hij heeft
-nooit een oranjeappel uit uw tuin gegeten, dien hij niet zelf geplukt
-had.
-
---Daar hoor ik wat nieuws, zeide ik, mijn zoon aanziende, die eene kleur
-kreeg. In elk geval zijn oranjeboomen geen wolboomen en gij steldet hem
-aan 't gevaar bloot dood te vallen.
-
---Neen, ik hield hem vast. Gij weet wel, dat als Chanito door mijne
-schuld kwam te sterven, ik voor hem dood zou zijn.
-
---Maar dat zou hem niet in 't leven terugbrengen. De reis biedt reeds
-gevaren genoeg aan, zonder dat men ze tot zijn vermaak behoeft te
-vermeerderen; ik wil u heelhuids en gezond in Orizava terugbrengen;
-herhaal zulke klimpartijen derhalve niet meer."
-
-Na aldus mijne strafpredikatie gehouden te hebben, keerde ik hem de
-hielen toe, want met den Encuerado kwam men nooit aan 't laatste woord.
-Ik was er evenwel van overtuigd, dat hij het waagstuk, dat mij zoo
-mishaagd had, niet opnieuw zou doen, en dat was al wat ik wilde.
-
-Bij het avondmaal betoonde Gringalet niet den minsten afkeer voor het
-vleesch van den _tatoe_, waarvan de smaak Lucien aan dien van het
-speenvarken herinnerde.
-
---Zijn de tatoes zeldzaam? vroeg hij. Men verkoopt ze nooit op de markt.
-
---Zij zijn integendeel zeer algemeen, antwoordde Sumichrast, en de
-Indianen vergasten zich er op, telkens als zij die dieren, welke hunne
-kleine tuinen verwoesten, kunnen meester worden.
-
---Wat wil die naam van tatoe toch zeggen?
-
---Het is een woord, dat in Paraguaya gebruikt wordt, maar waarvan ik de
-beteekenis niet ken. De Asteken noemen het dier _ayotachitl_, dat wil
-zeggen, Kalebas-Konijn:
-
-Konijn, wegens de ooren; Kalebas, omdat het de gewoonte heeft zich als
-een bal op te rollen en zoo aan den vorm van deze vrucht herinnert."
-
-De Encuerado was ingeslapen. Lucien ging eveneens onder de hut en ik
-zag hoe Sumichrast vol zorg de bladeren, die ons tot matras dienden, te
-recht lei, terwijl hij zelf zich op goed geluk af neervlijde. Minder tot
-slapen geneigd dan mijne makkers, zag ik hen beurtelings aan, zooals zij
-daar sliepen en dacht ik aan het toeval, dat, na ons uit verschillende
-rassen en onder verschillende luchtstreken te hebben doen geboren
-worden, ons hier onder een zelfde dak en te midden van deze eenzaamheid
-had gebracht. Wij konden allen op elkander rekenen, want in onze vorige
-reizen was onze wederzijdsche vriendschap op de proef gesteld. Door
-de wijze waarop Lucien de vermoeienis doorstond, verheugde ik mij, dat
-ik hem _onder de hoede van zulke bewakers had meêgenomen_. Toen ik in
-de hut ging om ook te gaan slapen, maakte ik Gringalet wakker, die,
-alvorens opnieuw naast zijn meester te gaan liggen, dezen de handen
-likte: dat was een vertrouwde vriend te meer; »de hond, het beste, wat
-er in den mensch is," zooals Charlet zich uitdrukte.
-
-
-
-
-VIII.
-
-EEN FEESTMAAL VAN GIEREN.--HET DRAKENBLOED.--DE KORAAL-SLANG.--DE
-BOSCHUIL.--DE MEXICAANSCHE MOLLEN.--DE TOEKANS OF PEPERVOGELS.--DE
-SCOLOPENDERS.--DE ENCUERADO KLEERMAKER.--ZONSONDERGANG.
-
-
-Met het aanbreken van den dag vertrokken, liepen wij zwijgend voort,
-nu eens klimmende, dan weer dalende, beurtelings dicht begroeide en
-opene plaatsen doortrekkende, toen een troep gieren onze aandacht trok.
-Een afzichtelijk schouwspel vertoonde zich aan onze blikken. Een
-coyote--zonder twijfel die, welken de Encuerado den vorigen dag gewond
-had--lag half verslonden op den grond en een vijftigtal gieren kwamen
-beurt om beurt een stuk vleesch van het lijk afscheuren.
-
-»Wat afschuwelijke dieren!" riep Lucien uit. »Hoe is 't mogelijk dat de
-stank hen niet afschrikt?"
-
---»'t Is juist die stank, die hen aantrekt, antwoordde ik; als zij
-zoo in de lucht zweven en den gezichteinder met hun lichtgeel oog
-doorvorschen, zoekt hun fijne reuk in de lucht naar de uitwasemingen,
-welke de rottende lichamen, waarmede zij zich voeden, van zich geven."
-
-De zwarte gieren zijn zoo talrijk in de steden van Mexico, waar zij heel
-vertrouwelijk in de straten leven, dat onze kleine reisgezel ze sedert
-lang kende; maar hij was nooit bij hunne gemeenschappelijke maaltijden
-tegenwoordig geweest. Het gezicht van die naakte, zwarte, gerimpelde
-halzen, die in het kreng van het dier dompelden, vervulde hem met
-walging.
-
-»Bah!" riep hij uit; »wat vieze vogels!"
-
---Wat wilt gij! Zij gehoorzamen aan hun instinct; gij zult in 't
-vervolg beter de beteekenis van roofvogels vatten, onder welken naam
-de natuurkundigen de gieren, arenden, valken, uilen en boschuilen
-samenvatten. Gij weet dat de wetenschap, die de zeden der vogels
-beschrijft, _ornithologie_ of vogelkunde wordt genoemd. Cuvier, die
-groote rangschikker, verdeelt het gevederde volkje in zes orden:
-roofvogels, vinkvogels, klimvogels, hoendervogels, steltenloopers en
-zwemvogels. Om alle verwarring te voorkomen, heeft men de orden weer in
-familiën, de familiën in geslachten, de geslachten in soorten en de
-soorten in stammen verdeeld.
-
---Maar hoe kan men daaruit wijs worden?
-
---Door sommige eigenaardige kenmerken, die tot uitgangspunt dienen. De
-roofvogels, bij voorbeeld, hebben kromme bekken en nagels, tot aan de
-knieën of tot aan de pooten bevederde beenen, drie teenen naar voren en
-één naar achteren staande; de nagels van den duim en den middelsten
-vinger zijn sterker dan die van de andere vingers. De gieren, die gij
-daar voor u ziet, de eenigen, die in troepen leven, behooren tot het
-geslacht catharte.[16]
-
-[16] Van het Grieksche woord _cathartes_, dat "ik zuiver" beteekent.
- Werkelijk helpt deze vogel om de straten der steden, waarvan de
- reiniging niet goed geregeld is, te zuiveren.
-
-Zie eens, daar zijn er, die zich op een afstand houden. Men zou zeggen,
-dat zij bang zijn.
-
-Dat zijn de verzadigden; zij verteren nu, en als geen gevaar hen tot
-vluchten dwingt, blijven zij onbeweeglijk zitten, tot de zon ondergaat.
-
---Vallen zij nooit levende dieren aan?
-
---Zeer zelden; zij zijn lafhartig en schijnen niet van versch vleesch te
-houden.
-
-Wij hadden reeds sedert lang het afschuwelijk gezelschap achter ons
-gelaten, toen Lucien eensklaps uitriep:
-
-»O, Papa, daar is een boom, die bloedt!
-
---Dat is een _pterocarpus_, dat wil zeggen een gewas, waarvan de
-vruchten weefsels bezitten, die op vogelvleugels gelijken. Het roode
-sap, dat uit de schors vloeit, is het _drakenbloed_, aldus door de oude
-Grieken genoemd, die het een fabelachtigen oorsprong toeschrijven. De
-_bloedboom_--zooals de Indianen hem noemen--is een verwante van de
-asperges en de lelies, en de gom, die hij uitzweet, wordt gebruikt tegen
-den buikloop.
-
-De Encuerado maakte eenige stukken van het kostbare voortbrengsel los;
-daarna doopte hij zijne vingers in de nog vloeibare druppels, om er de
-beenen en pooten van Gringalet meê in te smeeren, die zoo in 't bezit
-kwam van roode laarzen. Bij slot van rekening kon deze bewerking slechts
-nuttig voor het dier zijn, want het drakenbloed, dat rijk aan looistof
-is, zou de weefsels toehalen; maar het eerste gevoel scheen het dier
-lastig te vallen en hij liep verder, de pooten op een allerkoddigste
-manier oplichtende.
-
-»Gringalet loopt juist als de Encuerado, toen hij op zekeren dag zijn
-mooie blauwe schoenen heeft willen aantrekken, hernam Lucien lachende.
-
---Heeft de Encuerado blauwe schoenen aangehad? riep Sumichrast uit.
-
---Ja, laatst hadden wij menschen te eten en mama had aan Chema[17]
-gezegd, dat hij zich zoo net mogelijk moest kleeden. Hij is toen
-dadelijk een paar schoenen gaan koopen, die hij in een winkel gezien
-had, en toen men aan tafel ging, kwam hij met zijn mooie schoenen aan en
-een witte das om.
-
-[17] Verkleinwoord van José-Maria.
-
---Een das! herhaalde Sumichrast, die van de eene verbazing in de andere
-viel.
-
---Ja, eene werkelijke das. Daar hij nooit anders dan sandalen had
-gedragen, kon hij niet anders loopen, dan door de voeten op te heffen,
-zooals Gringalet doet. Mama raadde hem aan, zijn gewoon schoeisel aan
-te doen, doch hij wilde niet; maar hij werd er wel voor gestraft, want
-hij deed een verkeerden stap en brak een stapel borden. Na dit ongeluk
-kon hij er pas toe besluiten om zijn schoenen uit te doen; maar daar
-hij er niet geheel en al van kon scheiden, hing hij ze om zijn hals
-en vervolgde hij met deze mooie versiering trotsch zijn dienst.
-
-Het avontuur was maar al te waar en Sumichrast kon zijn lachen niet
-inhouden.
-
-»Waarom hingt ge die schoenen om uw hals, in plaats van ze in een hoek
-te zetten? vroeg hij den Indiaan.
-
---Dat heb ik gedaan, toen iedereen wist dat ze van mij waren, antwoordde
-hij.
-
-Ons kamp werd opgeslagen bij den ingang van eene nieuwe lichting in 't
-woud. De Encuerado had vijf of zes vinken geschoten, ons middagmaal was
-dus verzekerd. Nauwelijks hadden wij onzen arbeid als bouwmeesters
-voltooid, of Lucien, die ronddoolde, overal de steenen en boomstronken
-oplichtende om nieuwe insekten te vinden, riep mij met luid geschreeuw.
-Toen ik bij hem was gekomen bemerkte ik, diep in een gat, een
-koraalslang, die ongeveer een meter lang was. Op zich zelve gerold,
-hield het kruipdier zich onbeweeglijk en ik bewonderde zijne prachtige,
-roode huid, die op gelijke afstanden door glinsterend zwarte banden
-doorsneden was. De Encuerado sneed spoedig een tak af, die in een vork
-uitliep en hield daarmede de slang tegen den grond gedrukt. De gevangene
-wikkelde zich dadelijk los; de kronkels ontrolden zich en de dreigende
-kop werd zichtbaar. Gringalet blafte vol woede, maar dorst toch niet
-naderbij komen. De Indiaan trok zijn sabel--het vooruitzicht op een
-onverwachten schotel maakte hem vroolijk.
-
-Slangenvleesch is een Indiaansche kost. Vóór de verovering van
-Mexico door de Spanjaarden, kwam zelfs de ratelslang bij plechtige
-feestelijkheden op tafel. Descorides[18] beschreef het vleesch
-van adders als versterkend en het kwam voor in de theriac, dat
-wondergeneesmiddel onzer voorvaderen, hetwelk een der voornaamste
-voorwerpen uitmaakte van den Venetiaanschen handel. Niettegenstaande
-al deze voorbeelden werd de schotel, dien de Encuerado voorstelde,
-met algemeene stemmen verworpen.
-
-[18] Een beroemd Grieksch geneesheer uit de eerste eeuw der Christelijke
- jaartelling.
-
-Na de slang den kop te hebben afgehouwen, gingen wij op onderzoek uit.
-Terwijl wij een troep eekhoorns vervolgden, kwamen wij weer aan den rand
-der lichting terug, zonder ze te hebben kunnen naderen. Niet ver van
-de vlakte bespeurde Sumichrast een kleinen rosachtigen boschuil, die
-eensklaps in een gat verdween, dat in den voet van een ouden boom
-uitgehold was. Ieder hield zich gedurende een tiental minuten doodstil,
-ten einde de gangen van den jagenden vogel na te gaan. Eindelijk kwam
-hij geheel onverwacht weer te voorschijn, onbeweeglijk voor den ingang
-van zijn schuilplaats; recht op de beenen staande, geleek hij op een
-schildwacht, die in zijn schilderhuis op post staat. Plotseling begon
-hij te beven, het lichaam boog langzaam naar voren, zijn groote gele
-oogen knipten herhaalde malen dicht, daarna met de snelheid van een pijl
-langs den grond scherende, wierp hij zich in het hooge gras.
-
-Spoedig kwam hij met opstaande veeren en klapwiekend terug, in zijn bek
-een muisje houdende, dat hij in zijne onderaardsche woning bracht.
-Het was de soort boschuil, die men _athene hypogoea_ noemt en welke
-veelvuldig in de savannen wordt aangetroffen. Hij jaagt bij dag zoowel
-als bij nacht.
-
-»Een vreemde vogel, zeide Lucien; hij joeg mij met zijn oogen, die vuur
-schoten en zijn krommen bek vrees aan.
-
---Hij maakt iedereen beangst, Chanito, antwoordde de Encuerado, en als
-hij zich des nachts bij eene hut gaat nederzetten en zijn naargeestig
-geschreeuw doet hooren, voorspelt hij den spoedigen dood van een van
-hen, die naar hem luisteren.
-
---O, dat is niet waar, hernam Lucien, want er was een uil in een gat van
-den muur van onzen tuin, en papa heeft nooit gewild dat men hem verjoeg.
-En toch maakte hij er geen kwaad uit om alle avonden te schreeuwen.
-
---Uw papa weet altijd de kwade invloeden te bezweren. Bovendien was de
-vogel in den muur een steenuil.
-
---In Europa, zoowel als in Amerika, worden de boschuilen en hunne
-verwanten; de steenuilen, kerkuilen, de buizerds, al te maal
-nachtroofvogels, door het volk als vogels van slechte voorbeteekenis
-beschouwd, hernam Sumichrast op zijne beurt. Hun vreemd gelaat, hunne
-geheimzinnige gewoonten wekken een afkeer op, die soms in vrees
-overgaat. Men doet evenwel verkeerd ze te vreezen; in werkelijkheid is
-de droefgeestige jager, dien gij zoo juist gezien hebt, even als alle
-van zijne soort, meer nuttig dan schadelijk voor den mensch, want hij
-vernietigt een groot aantal kleine zoogdieren, zooals springmuizen,
-spitsmuizen, zevenslapers en veldmuizen, die de oogsten verwoesten. Gij
-weet zeker wel dat de uil, bij de oude Grieken, de vogel van Minerva
-was; in de oogen der Asteken vertegenwoordigde hij de godin van het
-kwaad.
-
-Op korten afstand van de plaats, waar de muizeneter verdwenen was, zag
-men de groote gaten, welke de _tuza's_,[19] door de landbouwers zeer
-gevreesde Mexicaansche mollen, graven. Dit dier bereikt de grootte van
-een jonge kat, leeft in troepen en werkt op eene, voor de reizigers zeer
-gevaarlijke wijze den grond om, waar hij zich gevestigd heeft, want
-dezen voelen den grond eensklaps onder zich instorten. De Encuerado,
-die zeer verlekkerd was op het vleesch der _tuza's_, waarvan de vroeger
-Mexicaansche markten altijd voorzien waren, plaatste zich in hinderlaag,
-in de hoop er een te dooden. Nauwelijks waren vijf minuten verloopen of
-er klonk een schot en kwam de jager terug, een vrij leelijk dier, met
-donkerbruin haar, korte pooten en bijna onzichtbare ooren en oogen in de
-hand houdende. De bek was met zeer groote snijtanden gewapend en aan
-weerszijde van de kaken bevond zich een ruime zak, die met aarde gevuld
-was. Lucien verklaarde, dat hij nooit het vleesch van zulk een dier zou
-aanraken, en liet reeds bij voorbaat zijn aandeel aan den Encuerado
-over.
-
-[19] _Saccophorus mexicanus_, meer op een rat dan op een mol gelijkende;
- daar zij aan de wangen een grooten zak hebben, worden zij
- _Saccophorus_, zakdragers, genoemd.
-
-Onze aandacht werd opnieuw naar het woud getrokken door het geschreeuw
-van vijf of zes _toekans_ (pepereters) en nogmaals gingen wij op de
-jacht. Deze klimvogels zijn buitengewoon wantrouwend en hunne grillige
-vlucht brengt den vervolger ieder oogenblik van streek. Het gelukte mij
-evenwel er een van te schieten; de andere namen, onder een toornig
-geschreeuw, de vlucht.
-
-»Hoe kan hij het gewicht van zulk een grooten bek dragen? vroeg Lucien,
-die den vogel, wiens fraaie groene en gele veeren zijn bewondering
-opwekten, had opgeraapt.
-
---Daarin heeft de natuur voorzien; de groote bek, die u zoo zwaar
-toeschijnt, bestaat uit een zeer licht, sponsachtig weefsel, antwoordde
-ik.
-
---Is hetgeen hij eet dan zoo hard?
-
---Integendeel; zijn buigzame bek kan niets fijn maken, en hij voedt
-zich met niets anders dan vleezige vruchten, die hij vrij onbeholpen
-openmaakt. Als wij dicht genoeg bij hem hadden kunnen komen, zoudt gij
-gezien hebben, dat hij bessen plukt, die in de hoogte gooit, om ze
-daarna in zijn wijden bek op te vangen.
-
---Maar waartoe dient dan zulk een groote bek?
-
---Daar kan ik u geen antwoord op geven, want de natuurkundigen, wien
-deze vraag even veel belang inboezemt, hebben er nog geen verklaring van
-weten te geven.
-
---Ik ben dus geleerder dan zij, sprak de Encuerado op een professoralen
-toon.
-
---Weet gij waarom de toekans zulk een grooten bek hebben?
-
---'t Is de wijsheid van den Schepper, die hem hun zoo gegeven heeft.
-
-Daar twijfelen wij geen oogenblik aan, hernam Sumichrast lachende, maar
-waarom heeft Hij hem dien gegeven?
-
---Omdat die gebrande en tot poeder gestampte bek het eenige werkzame
-middel tegen de vallende ziekte is. De toekans zijn lang niet algemeen
-en als hun bek nu niet grooter was dan die van andere vogels van hunne
-grootte, zou men nooit het geneesmiddel in voldoende hoeveelheid kunnen
-bekomen."
-
-De verklaring van den Encuerado was bij slot van rekening evenveel
-waard, als onze twijfelingen. Ik herinnerde mij inderdaad, dat de
-Indianen een groot geheim maken van zeker poeder tegen de vallende
-ziekte, en dat het niets bijzonders is, den kop van een toekan tegen
-den muur eener hut te zien hangen, als voorbehoedmiddel tegen den
-St.-Vitusdans.
-
-In plaats van uit te rusten doolde Lucien langs alle kanten rond,
-boombasten en steenen opheffende, met den ijver van een nieuweling
-in de insektenkunde. Na de ontmoeting met de koraalslang, nam hij
-alle voorzorgen, die mij gerust konden stellen, want men weet nooit
-in welke gesteldheid men het dier zal vinden, welks rust men komt
-storen. De knaap riep mij: hij had een nest scolopenders, gewoonlijk
-duizendpooten genoemd, ontdekt en durfde er niet aan te raken. De
-verraste duizendpooten rolden zich op, en hunne bleekblauwe kleur
-verminderde een weinig den afkeer, dien zij gewoonlijk inboezemen.
-Het was niet zonder eenige aarzeling, dat Lucien, door Sumichrast
-aangemoedigd, er een op de palm van zijne hand plaatste; het insekt
-ontrolde een voor een zijne geledingen, waarvan elk voorzien was van
-twee paar pooten, die in haakjes eindigden, en begon toen met een
-langzaamheid te loopen, die den kleinen nieuwsgierige teleurstelde.
-
-»Waartoe dient het toch vier en veertig pooten te hebben, riep hij uit,
-als men veel langzamer gaat dan een loopkever, die er slechts zes heeft?
-
-Alleen de Encuerado was in staat dit geheim op te lossen; maar hij
-bewaarde het stilzwijgen.
-
---Zijn die beesten vergiftig, Mijnheer Sumichrast?
-
---Men zegt het; doch alleen enkele soorten--die, welke gij nu gadeslaat,
-kunnen bij voorbeeld ongestraft aangeraakt worden.
-
---Zie, daar is een kleine scolopender, die slechts twaalf pooten heeft.
-
-Dat komt omdat die pas uit het ei gekomen is; naargelang zij ouder
-worden, neemt ook het aantal ringen en pooten toe. Dat is een van de
-bijzonderheden van de duizendpooten.
-
---Wat zijn die ringen hard! men zou zeggen, dat het een pantser is.
-
---Dat is er ook werkelijk een; de scolopenders vormen, als 't ware, de
-afscheiding tusschen de insecten en de schaaldieren. Zij zijn na aan de
-kreeften verwant.
-
---Zie eens, papa, ik heb daar een chocolaadkleurigen worm gevonden, die
-ook duizend pooten heeft.
-
---Dat is geen worm, maar een julus, een neefje van de duizendpooten.
-Kaak hem maar niet te veel aan, want hij zou aan uwe vingers een vuilen
-reuk mededeelen."
-
-Wij hervatten onzen marsch naar het kampement, waarheen Lucien en de
-Encuerado ons voorgingen. De lucht was warm, zonder verstikkend te zijn;
-de zon zond ons hare stralen, die door het gebladerte getemperd werden,
-in schuinsche richting toe; de vogels zongen, en deze dag kon, even als
-de vorige, onder de minst vermoeiende van onze reis geteld worden. Wij
-waren te midden van het Gematigde Land, omringd door witte en zwarte
-eiken, wolboomen, ceders, olmen en gaiacboomen. De slingerplanten
-groeiden slechts van afstand tot afstand, als 't ware alleen om hare
-tegenwoordigheid aan te kondigen, en de muskieten, die in het Warme Land
-zoo talrijk zijn, maakten het ons niet al te lastig. De ver van elkander
-verwijderde boomen veroorloofden ons op ons gemak rond te loopen; wij
-waren wel in een maagdelijk woud, maar nog te hoog boven de vlakte,
-dan dat wij te worstelen hadden tegen het onontwarbaar net van een
-tropischen plantengroei.
-
-De tuza, door rijst omringd, werd voorgediend.
-
-Al is het uiterlijke van dit dier ook onaangenaam, zijn vleesch heeft
-evenwel een heerlijken smaak. Ik gaf er een boutje van aan Lucien om
-af te kluiven; hij vond het zoo lekker, dat hij zijn kalebas, die voor
-bord diende, opnieuw bijhield. Sumichrast vertelde hem toen, dat hij
-aan den mol smulde, ofschoon hij meende dat hij een lijster at; hij
-stond verstomd, maar tastte toch moedig zijne tweede portie aan. Na den
-maaltijd haalde de Encuerado uit een zakje van agavevezel eene naald en
-eene els te voorschijn en begon de broek, die eenige dagen te voren zoo
-gehavend was, te herstellen. Twee eekhoornvellen waren den nauwgezetten
-kleermaker, die ook de knieën met de ondoordringbare stof voerde, ter
-nauwernood voldoende.
-
-Lucien, die over deze oplapperij verrukt was, wilde dadelijk zijn
-verstelde pantalon beproeven. Hij draaide, liep, bukte en was gelukkig
-over het geratel, dat de droge huiden veroorzaakten. Gringalet, die
-scheen te slapen, kwam plotseling met eene zichtbare verwondering naar
-zijn meester toe. Met uitgestrekten hals, schitterende oogen en hangende
-ooren, gereed desnoods den terugtocht aan te nemen, waagde de hond het
-aan het werk van den Encuerado te snuffelen, schudde veelbeteekenend den
-kop en niesde. Hij hervatte twee of driemaal deze handelwijze en scheen
-zeer nadenkend te zijn.
-
-»Hij heeft er verstand van en vindt, dat het niet al te slecht genaaid
-is, sprak de Encuerado met voldoening.
-
-Maar na eene nauwkeuriger kennismaking begon het beest eensklaps te
-blaffen en vatte de met zooveel moeite bijeengebrachte stukken beet en
-trachtte ze te verscheuren.
-
-»De lomperd meent, dat de eekhoorn leeft!" riep de Indiaan uit.
-
-Twintig maal weggejaagd, kwam Gringalet telkens weer tot den aanval
-terug, en dat wel met zooveel ijver, dat hij een nieuwe scheur in de
-pantalon maakte. Toen werd de Encuerado boos en de gestrafte hond ging
-bij het vuur liggen, maar niet zonder de tanden te laten zien aan de
-zonderlinge voering, die hem zoo mishaagde.
-
-De zon ging onder. Haar gouden stralen, die door de takken speelden,
-schenen een voor een naar den hemel terug te stijgen, en allengs omhulde
-de duisternis het gansche woud. Reeds hadden wij een groep rondom
-het bivak gevormd, toen eene rooskleurige tint de toppen der boomen
-verlichtte en tot onder het loof doordrong. Daar dit zonderlinge
-lichteffect bleef aanhouden, keerden wij naar de lichting terug, ten
-einde het beter waar te nemen. De hemel scheen als in vuur te staan; een
-breede, schitterende straalbundel schoot uit het Oosten voort; twee of
-drie bloedkleurige wolken vluchtten met veel snelheid. Het schitterende
-licht werd hoe langer zoo levendiger, maar zonder te stralen en zonder
-de minste verblinding te veroorzaken. Eenige vogelstemmen lieten zich
-hooren en enkele valken, die naar hun nest terugkeerden, hielden een
-oogenblik hunne vlucht in, en bleven besluiteloos in de ruimte
-rondzweven.
-
-»De wind zal morgen met veel geweld blazen, sprak de Encuerado; ik heb
-de lucht nog eens zoo in vuur gezien en twee dagen later wierp een
-verschrikkelijke orkaan de meeste hutten van mijn dorp om.
-
---Wij zullen er wel met een Zuidenwind afkomen even als die, welke het
-ons op den dag van ons vertrek zoo lastig maakte," antwoordde
-Sumichrast.
-
-Te recht of ten onrechte schreef ik dit verschijnsel aan den stand der
-wolken toe. De sterkte van het licht nam nog toe, 't was als of het een
-enkele bliksemstraal was. De nacht nam weer de overhand en alleen het
-schijnsel van het vuur geleidde ons naar onze schuilplaats.
-
-
-
-
-IX.
-
-DE ZUIDENWIND.--DE ORKAAN.--EEN SLECHTE NACHT.--DE ONTWORTELDE
-BOOM.--DE SALSAPARILLE.--GRINGALET ONTDEKT EENE BRON.--BIVAK.
-
-
-De voorspelling van den Encuerado scheen zich te zullen verwezenlijken.
-Tegen drie uur in den ochtend maakte een dof geraas ons wakker; de
-boomen sidderden; toen nam het geluid af en verdween, om weldra met
-meer geweld weer los te breken. Ik verhaastte zooveel mogelijk het
-gereedmaken van de koffie; de tusschenpoozende windvlagen verspreidden
-twee of driemaal de brandende stukken hout van den haard, waarvan de
-warme asch ons bijna blind maakte. Dit ongeval hadden wij te wijten aan
-de nabijheid der lichting, vanwaar de wind woedend en toomeloos naar ons
-toe kwam.
-
-Nauwelijks was de dag aangebroken of ik voerde, ongerust over den
-toestand van den dampkring, mijne makkers onder de boomen. De ruw
-dooreen geschudde hooge toppen wierpen eene hagelbui van kleine takjes
-en doode bladeren op ons. Het geraas van de tegen elkander slaande
-takken maakte ons doof; wij liepen treurig en zwijgend voort, geen enkel
-insect, geen vogel bespeurende en zeer ongerust over ons middagmaal.
-
-Tegen den middag ging de wind liggen; stroomen van warmte, die van uit
-den grond schenen op te komen, verstikten ons. Lucien sprak geen woord;
-maar in spijt van onze waarschuwingen bracht hij herhaalde malen zijne
-veldflesch aan de lippen, welke handelwijze zijne dorst nog slechts kon
-vermeerderen. Gringalet volgde ons met hangende ooren en staart stap
-voor stap, zonder als naar gewoonte te springen. Ik geloof, dat wij
-op dat oogenblik de eenige wezens waren, die onder deze, in een oven
-veranderde schaduwen, in beweging waren.
-
-Het ontmoeten van eenige rotsen deed ons besluiten den pas te
-versnellen, want wij rekenden er op, dat wij eene beek zouden ontmoeten.
-IJdele hoop;--de rotsen verdwenen en maakten plaats voor een doolhof
-van boomen. Als er wat gras geweest was, dan zouden wij zeker er toe
-zijn overgegaan, om onze hut op te slaan, zoozeer bemoeielijkte de
-droge warmte, die door den Zuidenwind werd aangevoerd, onzen marsch.
-
-Andermaal vertoonden zich rotsen, maar zoo groot en zoo dicht tegen
-elkander, dat zij de nabijheid van een berg aankondigden.
-
-»Aio, Aio Chanito! riep de Indiaan verheugd uit, vooruit, vooruit! wij
-komen aan den eindpaal onzer kwellingen."
-
-De knaap glimlachte en nam den versnelden pas achter zijn gids
-aan, terwijl Sumichrast zijn stappen langer maakte, zoodat hij mij
-vooruitkwam. Weldra kwam ik in 't gevolg mijner makkers op eene dorre
-vlakte, tegenover een steilen wand uit.
-
-Na een weinig adem te hebben geschept, gaf ik als mijne meening te
-kennen, dat wij de vermoeidheid moesten overwinnen en den berg
-opklimmen; maar niemand maakte aanstalte om op te staan.
-
-Mijn arme Lucien lag hijgende, met drogen mond, bloedende lippen en
-hoogrood gezicht op de steenen; hij had gedacht, dat de dagtaak voltooid
-was. Zoodra hij evenwel zag, dat wij weer op marsch gingen, stond hij op
-en volgde ons zonder eene enkele klacht te uiten. Ik wilde zijne vracht
-verlichten; maar hij weigerde heldhaftig en regelde zijn pas naar dien
-van den Encuerado. Gringalet liet zijn tong buitengewoon lang hangen en
-ging onophoudelijk zitten--dat was zonder twijfel zijne manier om te
-getuigen, dat hij gaarne een verandering in de lengte van den weg zou
-hebben voorgeslagen.
-
-»Wij hebben ongelijk gehad over de schaduw te klagen, sprak Sumichrast;
-hier, op deze opene vlakte, is de warmte nog ondraaglijker dan onder de
-boomen. De zon steekt alsof hare stralen van naaldepunten voorzien
-waren.
-
---Niet drinken, Chanito, niet drinken!.. riep de Encuerado Lucien toe.
-
-De arme jongen liet zijne veldflesch weer langs zijne zijde hangen en
-sloeg zulk een bedroefden blik op mij, dat ik hem in mijne armen sloot.
-
-»Laat ons stil houden, sprak mijn vriend, terwijl hij onder een
-reusachtig rotsblok ging zitten, ik verklaar mij overwonnen."
-
-Het was eene groote verlichting voor ons, toen wij voelden dat wij
-zaten en van onze vracht ontlast waren; maar in plaats van ons, als
-naar gewoonte, te haasten om hout te sprokkelen, den haard gereed te
-maken en eene hut te bouwen, bleven wij onbeweeglijk zitten en zonder
-een woord te wisselen den horizon aanstaren. Aan onze voeten strekte
-zich, zoover wij zien konden, de toppen van een onmetelijk bosch uit.
-Wij hadden den vulkaan van Orizava achter ons gelaten; aan onze
-rechterhand staken de zwarte uitsnijdingen van de toppen van de
-Cordilleras tegen de roode lucht af; beneden ons vlogen eenige uruba- of
-raafgieren rond, de eenige levende wezens, die wij sedert den vorigen
-dag gezien hadden.
-
-Het was ongeveer vier uur; een brandende wind zweepte ons gelaat en
-gaf hetzelfde gevoel, dat men ondervindt, als men voor een heeten oven
-staat, waarvan de mond plotseling geopend wordt. De Zuidenwind begon op
-nieuw te blazen. Weldra volgden dan ook de windstooten elkander op, en
-de top van het woud golfde als eene vloeibare vlakte.
-
-Ik poogde tevergeefs te worstelen tegen de zenuwachtige neergedruktheid,
-die zich van mij had meester gemaakt. Met brandende oogen, gekloven
-lippen en een zwaar hoofd, dacht geen onzer er aan te eten; alleen de
-dorst maakte het ons lastig en wij moesten Lucien bewaken, ten einde hem
-te beletten zijne veldflesch ledig te drinken. Wij lieten hem op een
-stukje maïskoek knabbelen, dat hij, met evenveel moeite als wij, kon
-doorslikken; daarna zagen wij, achter de rots beschut, vol angst hoe de
-reuzen, die ons omringden, bogen en den grond met hunne dikke takken
-veegden.
-
-De zon ging bleek en zonder stralen onder, en als verzonken in
-geelachtige wolken, die niet veel goeds voorspelden. De wind hijgde en
-blies bij stooten. Een oogenblik van verpoozing liet ons toe in alle
-haast wat kruiden bijeen te garen; daarop zagen wij, naast elkander
-gezeten, een somberen, droevigen nacht zonder sterren naderen. Eene
-betrekkelijke koelte kwam een oogenblik onze uitgeputte longen wat
-verlichting brengen. Lucien sliep in; Sumichrast en de Encuerado poogden
-zijn voorbeeld te volgen; Gringalet, die bij hen neergekropen was,
-scheen bevreesd te zijn om zich van ons te verwijderen. Weldra was
-ik nog maar alleen wakker. Welk een nacht! tegen negen uur barstten
-de windvlagen met een ongehoord geweld los; zonder onze steenen
-schuilplaats zouden wij opgenomen zijn geworden. Uit het woud rees een
-geraas op, gelijk aan dat der opgezweepte golven tegen het strand; de
-takken braken met een geluid, dat aan onophoudelijke losbrandingen
-deed denken, en woest voortgejaagde bladeren bedekten ons met hunne
-overblijfselen. Van tijd tot tijd vervulde een dof, onverklaarbaar en
-steeds toenemend geraas mijne ziel met schrik. Ik leende vol angst met
-ingehouden adem het oor; het geraas scheen vol ongekende gevaren te
-naderen; daarna hoorde men eensklaps een scheuren, dat alle andere
-geluiden overheerschte, gevolgd door schokken en een gekraak, dat door
-de echo's werd weerkaatst; het was een eeuwenoude boom die, door den
-orkaan overwonnen, neerviel. Dan weer zou men gezegd hebben, dat eene
-menigte menschen in die duisternis, waar het oog niet kon doorboren, met
-elkander worstelden; men hoorde de wanluidende kreeten van het gevecht,
-de klagende stem der gewonden; dan deed een verschrikkelijke schok de
-aarde beven en overstemde dien onmetelijken doodskreet.
-
-Toen, ik beken het, betreurde ik het bitterlijk, dat ik Lucien had
-meêgenomen: ik herinnerde mij dat men mij de gevaren, waarmede de toorn
-der natuur ons nu bedreigde, had voorspeld. Bij het hooren van die
-onheilspellende geluiden van den storm, in die duisternis, die op zich
-zelf reeds een gevaar was, gevoelde ik dat mijn voornemen begon te
-wankelen, en ik dacht er ernstig aan den volgenden dag den terugweg naar
-Orizava in te slaan.
-
-Tegen middernacht bedaarde de storm een weinig en gaf ik aan de
-vermoeidheid toe.
-
-Maar nauwelijks had ik de oogen gesloten, of ik sprong plotseling op,
-verbijsterd alsof honderd donderslagen te gelijk weerklonken. De
-duisternis bleef altijd even diep, de wind was nog toegenomen en
-nauwelijks zweeg de echo van een neergevallen boom of een andere
-woudreus waggelde, om op zijne beurt neer te storten. Mijn makkers waren
-allen wakker geworden.
-
---Wat is dat, mijnheer Sumichrast? vroeg Lucien heel zachtjes.
-
---Een orkaan, mijn vriend.
-
---Men zou zeggen, dat een reus al schreeuwende en fluitende en op zijn
-doortocht alle boomen brekende, door het woud rent.
-
---Als het dat nog maar was! antwoordde Sumichrast, maar 't is erger, 't
-is de zuidenwind, de sirocco van de Mexicaansche kusten.
-
---Zou hij ons meesleuren?
-
---Ik hoop van neen, dank zij de rots, die ons beschut.
-
-Een boom stortte in onze nabijheid om, en zijn val overdekte ons met
-stof. Tegen elkander aangedrukt, ondervonden wij telkens een nieuwen
-schrik. Wij durfden elkander onze indrukken niet mededeelen, uit vrees
-van onzen kleinen makker, die zich tegen mij aandrukte nog meer te
-beangstigen. Te midden van deze algemeene verwoesting zou een tak,
-door een windvlaag meegevoerd, voldoende geweest zijn om ons als
-zandkorreltjes weg te vegen. Ik was van meer dan een orkaan getuige
-geweest, maar die, van dezen afgrijselijken nacht, overtrof alles wat
-men zich kan voorstellen.
-
-Eindelijk brak de dag aan; de zon kwam als bestoven op en verlichtte
-de onheilen van dezen verschrikkelijken nacht. Overal lagen gebroken,
-ontwortelde en half aan de slingerplanten, die in de takken verward
-waren, hangende boomen, op den grond of slingerden heen en weer, even
-als die reusachtige krijgstuigen, welke de ouden _stormrammen_ noemden.
-Lucien bleef sprakeloos voor het schouwspel, dat zich aan zijne blikken
-vertoonde. Een gekraak weerklonk; een waggelende woudreus helde langzaam
-over, beschreef een snellen boog en verbrijzelde zijne takken tegen den
-grond: tien seconden hadden het werk van eeuwen vernietigd.
-
-De Encuerado wilde een pas of tien buiten de rots doen, maar door een
-windvlaag overvallen, had hij nog slechts den tijd om zich op den
-grond te werpen. Er moest een besluit genomen worden; er viel niet aan
-te denken om vuur aan te maken en toch gevoelden wij, na het vasten
-van den vorigen dag en na een slapeloozen nacht, de behoefte aan een
-versterkenden drank. Onmerkbaar werden de windvlagen minder veelvuldig,
-maar zonder nog iets in kracht te verliezen. Eene diepe stilte volgde
-bij wijlen op de duizend geluiden van den storm, de bladeren bleven
-onbeweeglijk, men zou hebben kunnen meenen, dat de orkaan bedaard was.
-Plotseling kwam het verschrikkelijk geraas op nieuw op, een onzichtbare
-ademtocht ging voorbij en overdekte de aarde andermaal met verbrijzelde
-takken.
-
-Wij begonnen een weinig stoutmoediger te worden, toen een
-verschrikkelijk gekraak zich plotseling boven onze hoofden deed hooren;
-een reusachtige pijnboom, die honderd voet boven ons op den berg stond,
-waggelde, stortte neer en rolde met een vreeselijk geraas de helling af.
-De Encuerado had, snel als de bliksem, Lucien beetgenomen en ging met
-hem langs de rots op den grond liggen; ik had nauwelijks den tijd om hem
-na te volgen. De terneergeworpen reus daalde met snelle sprongen naar
-beneden, alles wat hij op zijn doortocht ontmoette verbrijzelende en
-rotsstukken achter zich meesleepende. Hij stiet tegen onze schuilplaats,
-die een dof geluid gaf maar toch den schok weerstond, overschreed met
-een grooten sprong den hinderpaal en rolde den berg af, waarvan wij
-slechts halverwege waren, terwijl een stortvloed van steenen ons dreigde
-te verpletteren.
-
-Ik stond geheel ontdaan op. Het gevaar was zeer ernstig geweest.
-Het reusachtige blok, waaraan wij ons behoud te danken hadden, was
-verscheidene strepen voortgeschoven. Als dit geval in den nacht ware
-gebeurd, zou de angst ons onze schuilplaats hebben doen verlaten en dan
-waren wij verloren geweest. Ik dankte eerst God en toen den Encuerado,
-die, het dichtst bij Lucien zijnde, zich gehaast had dezen met zijn
-lichaam te beschermen. De knaap viel hem om den hals.
-
-»Ik zal aan Mama vertellen, dat gij mij het leven hebt gered," riep hij
-uit, hem omhelzende.
-
-De Encuerado wilde antwoorden; maar ontroerd door de liefkoozingen van
-zijn lieveling, kon hij hem slechts in zijne armen drukken, terwijl twee
-tranen langs zijne wangen rolden.
-
-»Uwe Heerschap is wel goed zich zooveel moeite te geven om ons hare
-kracht te laten zien," zeide de Indiaan, den wind toesprekende om
-zijne ontroering te verbergen; »wat een fraai mirakel om een pijnboom
-te ontwortelen, die bijna van ouderdom gestorven was en hem langs de
-helling van een berg af te rollen! Ik zou met mijn machete evenveel
-kunnen doen, als ik er lust toe had. Ja, blaas maar, blaas maar, en gooi
-ons nog maar eens een boom op den rug, opdat wij wel verzekerd zouden
-zijn dat de Booze uw meester is."
-
-Niettegenstaande al den ernst van het oogenblik, was Gringalet de
-eenige, die dit gesprek zonder glimlachen aanhoorde; hij wreef zelfs met
-zijn neus tegen het been van den redenaar, als om zijne instemming met
-diens redevoering te betoonen.
-
-De orkaan bedaarde; maar hij kon tegen den avond weer in kracht
-verdubbelen; het verstand raadde ons derhalve aan van de kalmte gebruik
-te maken, om ons te verwijderen. De Encuerado nam zijne mars op en goed
-rondziende, ging hij ons op den berg voor. Ik hield Lucien bij de hand;
-want het stond te vreezen, dat een waggelende boom plotseling weer zou
-neerstorten en onzen weg schoonvegen. De warmte, die ons bij voortduring
-lastig viel, maakte onzen marsch zeer moeielijk. De lippen van onzen
-kleinen reisgezel waren geheel en al gebarsten; hij kon met moeite
-spreken. De dorst kwelde ons; men moest haar evenwel verduren, en het
-weinigje water, wat in onze veldflesschen was, besparen. Wij bereikten
-de plaats, waar, een uur te voren, de boom had gestaan, die ons met
-den ondergang had bedreigd. Een onmetelijk, gapend gat, liet ons de
-afgescheurde wortels van den reus zien; de aarde was reeds opgedroogd.
-Weldra was de helling weer met hout begroeid. Wij kwamen met veel
-moeite, uitgeput, hijgende en uitgehongerd vooruit, want sedert den
-vorigen dag hadden wij niets dan maïskoeken gegeten. Onze roode en
-opgezwollen oogen maakten ons onkenbaar.
-
---Vader, ik ben erg vermoeid, sprak Lucien zacht.
-
---Wij ook, lieve jongen; maar moed gehouden, laat ons nog wat
-doorloopen, ons leven is er meê gemoeid.
-
---Ik heb dorst, vader, en het water in mijne veldflesch is lauw.
-
---'t Is beter dat gij niet drinkt; want twee of drie teugen water
-gedurende het loopen genomen, maken de huiduitwasemingen gemakkelijker
-en vermeerderen de dorst, in plaats van haar te stillen.
-
-De kleine jongen zuchtte en zocht eene toevlucht bij zijn vriend, die
-hem aanraadde op een keisteentje te zuigen, een middeltje om de dorst te
-bedriegen, door de speekselafscheiding op te wekken.
-
-Niettegenstaande al onze inspanningen, kwamen wij slechts weinig vooruit
-en een overvloedig zweet putte ons nog meer uit. Gelukkig toonde alles
-het einde van den storm aan. De Encuerado ging vooruit, zigzaglijnen
-beschrijvende, als iemand die eene gedachte in 't hoofd heeft en met den
-neus in den wind naar iets snuffelt. Ik zag hem zich eensklaps van zijne
-vracht ontdoen, onder het struikgewas verdwijnen en weldra terugkomen,
-de handen vol met eene soort van moerbeziën, de vruchten van de
-salsaparillaplant, welker zuurachtige smaak Lucien weer wat opfrischte.
-De gangen van den Encuerado waren alzoo opgehelderd. Wij volgden den
-Indiaan. Hij had een boschje van deze struiken gezien, maar ons, uit
-vrees voor teleurstelling, eerst zijne ontdekking verborgen. Ik kan
-onmogelijk zeggen, hoeveel genoegen ons deze, zoo onverwacht gevonden
-bessen, deden. De struik, die kruipende en doornachtige stengels had,
-groeide in overvloed op de steile helling. Daar Gringalet geen deel kon
-nemen aan onze smulpartij, gaf Sumichrast hem een kalebas met water, dat
-hij gretig opslurpte.
-
-Wij hervatten, dank zij deze zoo ter goeder uur gevonden wijnachtige
-bessen, met meer moed onzen marsch. De Encuerado vulde zijne muts met
-de gevonden vruchten, en liep moedig blootshoofds vooruit. Een half uur
-klimmens voerde ons buiten het woud. Ik bemerkte dat Gringalet verdwenen
-was; ik riep hem herhaalde malen en nu kwam hij met opgeheven staart
-en vochtigen snuit van onder een boschje struikgewas te voorschijn.
-Sumichrast ging op ontdekking uit en riep ons met vroolijke stem toe:
-
-»Eene bron!"
-
-Men liep, wie er het eerst komen zou. Onder een dicht boschje van
-Salsaparille ving onze reisgezel in zijne naast elkander geplaatste
-handen een dun straaltje helder water op, dat tusschen twee rotsen
-doorsijpelde. Hij begoot met welgevallen zijn gelaat en armen; ieder
-onzer volgde deze heilzame wasschingen na. Ik spoorde vervolgens tot
-het vertrek aan; de onheilspellende geluiden van den orkaan gonsden
-nog in mijne ooren, en er bevond zich in onze nabijheid geene enkele
-schuilplaats. Na onze veldflesschen gevuld te hebben, hervatten wij
-onze opstijging, opgebeurd door de gesprekken van den Encuerado, die
-Gringalet met zijne vondst gelukwenschte en hem eene heele reeks lekkere
-maaltijden beloofde.
-
-Lucien had een weinig van zijne opgeruimdheid teruggekregen; hij
-zocht beziën of plukte de geelachtige bloemen van de Salsaparille en
-onderzocht de plant, waarvan hij de vezelachtige wortels kende, die de
-Indianen op de markten verkochten.
-
-Het uur, waarop wij vreesden dat de windvlagen weer met verdubbeld
-geweld zouden losbreken, naderde, het werd dus zaak naar eene
-schuilplaats uit te zien. De mossen en vlechten bedekten de rotsen met
-een veelkleurig kleed en naar gelang wij hooger kwamen, verlichtte een
-frisschere lucht onze longen. Ten slotte eindigde onze klimmerij op eene
-bergvlakte, waar hier en daar een korte, door den wind en de stormen
-gebogen boom groeide. Tegenover ons, maar ver genoeg om er niets van te
-vreezen te hebben, verhieven zich nieuwe toppen. Er bleef ons nu nog
-slechts over om eene plaats voor het bivak te vinden.
-
-Sumichrast bleef bij drie reusachtige steenen staan, die zoodanig
-geplaatst waren, dat zij tusschen elkander eene ruimte overlieten,
-groot genoeg om er als in eene vesting te kampeeren. Daar konden wij
-de windvlagen trotseeren; maar de toestand van den dampkring liet ons
-hopen, dat wij niets meer van den orkaan te vreezen hadden. Wij gingen
-er allen op uit om brandstof te zoeken en weldra verheugde een groot
-vuur ons door zijn schijnsel, maar herinnerde ons tevens, dat wij niets
-te braden hadden.
-
-De zon zond ons, bij haar ondergaan, de schitterende lichtbundels harer
-laatste stralen toe. De hemel was blauw, de lucht frisch--ik had mijn
-denkbeeld om terug te keeren laten varen.--De nacht brak aan en een
-fijne regen zuiverde den dampkring en de vochtige grond wasemde gezonde
-geuren uit. Door de vermoeidheid overmand en in onze dekens gewikkeld,
-vielen wij weldra in een diepen slaap.
-
-
-
-
-X.
-
-HET KONIJN.--DE WILDE AARDAPPELEN.--EEN MOEIELIJKE WEG.--EEN KRATER.--DE
-IJZEL.--DE STROOM.--HET JONGE REE.--DE CICADEN.--DE WATERJUFFERS.
-
-
-Toen ik den volgenden morgen de oogen opende, schitterde de zon aan
-een azuren hemel. Ik wakkerde het vuur wat aan en verwijderde mij, het
-geweer op den schouder, om een of ander stuk wild te schieten, ten
-einde mijne makkers bij het ontwaken te verrassen. Ik marcheerde sedert
-ongeveer een kwartier in de heidestruiken, die mij aan het geboorteland
-herinnerden, toen een te veel vertrouwend konijn onder het bereik van
-mijn geweer kwam huppelen.
-
-Bij mijn terugkeer werd ik als een zegevierend veldheer begroet. Ik vond
-allen op en om den haard vergaderd. Iedereen was vlug en wel te moede.
-De verschrikkelijke beproevingen van den vorigen dag schenen vergeten te
-zijn. Lucien had, niettegenstaande zijne gebarstene lippen, al zijne
-opgeruimdheid teruggekregen. De Encuerado maakte zich van het konijn
-meester, dat in een oogwenk gestroopt was en op de gloeiende kolen lag.
-
-»Welnu, wat zegt ge wel van de orkanen?" vroeg Sumichrast aan Lucien,
-die toezag hoe hij zijn geweer schoonmaakte.
-
---Ik had nooit gedacht dat de wind, die onzichtbaar is, zulke groote
-boomen kon ontwortelen en meesleuren, als die, welke over ons heen
-gesprongen is.
-
---Waart gij erg bang?
-
---Een weinig, maar gij ook; want gij waart bleek.
-
---Dat komt omdat het gevaar nog veel grooter was dan gij wel gedacht
-hebt. De ontwortelde boom, die, zooals gij het uitdruktet, over ons
-heen is gesprongen, had in zijn ongelijke sprongen op den voet van den
-rots kunnen neervallen, die omverwerpen en ons verpletteren.
-
---Is de wind dan sterker in de bosschen dan in de steden?
-
---Neen, want de windvlagen van gisteren zullen zeker geheele dorpen
-vernield hebben. 't Was een van die tropische orkanen die, gelukkig,
-slechts met zeer groote tusschenpoozen losbarsten. Meer dan een Indiaan
-is nu aan 't werk om zijne verwoeste hut weer op te richten. Lucien,
-geheel nadenkend geworden, was aan den voet van een boom gaan zitten en
-toen ik langs hem ging, zag ik dat hij tranen in de oogen had.
-
-»Wat scheelt er toch aan?" riep ik uit.
-
---Ik denk aan Mama en mijne broertjes; mijnheer Sumichrast zegt dat de
-storm geheele dorpen moet vernield hebben; wat zal er van hen geworden
-zijn?
-
---Stel u gerust, mijn jongen. Steenen muren bieden, Goddank, weerstand
-aan den wind. Overigens zal men dezen orkaan niet in Orizava gevoeld
-hebben. In elk geval zou Mama eer over ons bezorgd moeten zijn; want zij
-weet dat wij midden in het woud moeten zijn."
-
-Ik omhelsde mijn kleinen Lucien en stelde hem zoo goed mogelijk gerust,
-daarin geholpen door den Encuerado, die hem meenam om op het gebraad te
-passen.
-
-De _tochtli_ of het Mexicaansche konijn, welks beeld in den kalender der
-Asteken het eerste jaar van eene eeuw verbeeldde, verschilt, naar ik
-meen, van onze Europeesche soorten, ofschoon het ten naastebij hetzelfde
-haar en dezelfde gewoonten heeft.
-
-»Herkent gij de familie van het dier, dat voor ons ontbijt zal dienen?"
-vroeg Sumichrast zijn leerling.
-
---Ja, 't is een knaagdier.
-
---Bravo! maar waaraan herkent gij dat?
-
---Aan zijne kaak, die geen hoektanden heeft en aan zijne groote
-snijtanden en aan zijne achterpooten, die grooter dan de voorpooten
-zijn.
-
---Komaan, gij hebt een goed geheugen. Gij dient nog te weten dat het
-konijn, die naaste verwante van de haas, in Europa beschouwd wordt als
-uit Afrika afkomstig te zijn. De Asteken offerden eertijds groote
-hoeveelheden van deze dieren aan de godin Centeutl, de Céres der
-Mexicaansche godenleer, en de edelen droegen mantels uit konijnenhaar,
-met katoen vermengd, geweven. Hazenvleesch willen de Indianen over het
-algemeen niet eten, voorgevende dat de haas zich met lijken voedt, van
-welke dwaling men nog niet geslaagd is hen te genezen.
-
-Wij deden eer aan ons wild als gasten, die zich weten schadeloos
-te stellen voor een gedwongen vasten; daarna zette de karavaan
-zich zonder dralen weer in beweging. Op de overvloedige en dichte
-Salsaparillestruiken volgden gedrongene heesters. Hoe meer wij evenwel
-den berg naderden, des te krachtiger vertoonde zich ook de plantengroei;
-de punten der rotsen staken niet meer van alle kanten boven de teelaarde
-uit. Hier en daar vlogen tangaras met zwarten rug, gelen buik en
-violetblauwe keel, en een aantal andere veelkleurige vogels, allen tot
-de talrijke familie der vinkvogels behoorende, rond. Wij waren op 't
-punt de helling op te gaan, toen de Encuerado, aan wiens scherp oog
-niets ontsnapte, uitriep:
-
-»Aardappelen!"
-
-Lucien liep op den Indiaan toe, wiens machete reeds den grond om eene
-kleine, kruidachtige plant met ovale bladeren, die overdekt waren
-met groene, weeke bessen, omwoelde. Weldra kwamen kleine, gerimpelde
-knollen, welke onze vingers zonder veel moeite fijn drukten, te
-voorschijn. Er vertoonden zich verscheidene struiken van de kostbare
-vrucht, die Europa aan Amerika te danken heeft, en de Encuerado beloofde
-aan Gringalet de weelde van een schotel gebraden aardappelen.
-
-Onze afdaling voerde ons weldra te midden van rotsen, die aan den
-chaos herinnerden. Onophoudelijk dwong eene hindernis ons te springen,
-te glijden, een langen omweg te maken, ten einde verder te kunnen
-gaan. Overigens werd de temperatuur frisscher waardoor de marsch minder
-moeielijk werd gemaakt. Geen boomen, geen struiken, geen heesters meer;
-hier en daar een weinig gras of eene zwakke plant, die, van uit de holte
-van eene rots gele bloemen naar de zon uitstrekte en waarvan de wind de
-bladeren meevoerde.
-
-De wisselvalligheid van onzen weg voerde ons nogmaals op het bergvlak.
-Alle kammen, die wij bespeurden, waren kaal; eene diepe stilte heerschte
-om ons. Ik bleef staan om adem te halen.
-
-Het tooneel, dat wij voor ons hadden, trof door zijne strenge grootheid.
-Sumichrast dacht aan de bergen van Zwitserland, die hij zoo dikwijls
-doorkruist had, plukte bloemen af, die hem vreemd schenen aan de
-keerkringen en zocht zich hare namen te herinneren. Twee vlinders vlogen
-spelende over ons heen.
-
-»Dat is eene soort van de Alpen!" riep mijn vriend uit. Het terrein
-liet hem niet toe de wispelturige insecten lang te vervolgen; hij bleef
-een oogenblik over den met scherpe punten bezaaiden afgrond gebukt, en
-volgde met het oog de gevleugelde bloemen, die hem een vluchtig beeld
-van het vaderland hadden gebracht. Een doolhof van rotsen voerde ons
-voor een bijna loodrechten muur, van meer dan tweehonderd voet hoogte.
-Deze onverwachte hinderpaal sloeg ons uit het veld. Langs welken kant
-nu een doortocht te zoeken? Het onderzoek van het terrein deed ons
-besluiten links af te slaan; deze richting scheen ons de meest zekere.
-Van tijd tot tijd werd de muur wat lager; wij beproefden evenwel
-tevergeefs hem over te klimmen, door ons aan de uitstekende punten
-vast te klemmen. Eene gelukkiger poging bracht ons bijna, maar niet
-zonder moeite, aan het doel, soms hing de rots over, dan klom ik op
-de schouders van Sumichrast en als ik er in slaagde een platform te
-bereiken, heesch ik Lucien aan den riem op, daarna Gringalet, die zich
-gaarne tot deze handeling leende en vervolgens Sumichrast en den
-Encuerado.
-
-Eindelijk was men de verschrikkelijke hinderpaal te boven; aan den
-anderen kant was de grond bezaaid met vulkanische steenen.
-
-Wij liepen, ofschoon het reeds vier uur was, maar altijd door, in de
-hoop een boom of struik te ontmoeten, aan welks voet wij ons bivak
-zouden kunnen opslaan. De Encuerado zette een oogenblik zijne mars neer,
-om eene rots, in den vorm van eene naald te beklimmen, en waarvan de
-zonderlinge stand aan den beroemden scheeven toren van Pisa herinnerde.
-Op den top gekomen, riep de Indiaan ons toe dat hij een groep boomen
-bespeurde. De koude begon ons lastig te vallen; wij moesten hout hebben
-om een haard te kunnen oprichten en vonden dus den moed om nog verder te
-marcheeren. De afgelegde afstand was niet zeer groot; maar de hellingen,
-de omwegen, de klimming hadden ons vermoeid. Allengs werden de rotsen
-zeldzamer en minder opeengedrongen; eene uitgestrekte vlakte, een weinig
-in den vorm van trechter uitgehold, hier en daar met kleine heesters
-begroeid, vertoonde zich onverwacht aan onze blikken. Op den achtergrond
-zagen wij een dichte groep pijnboomen en eene glinsterende oppervlakte,
-die een meer bleek te zijn; eene heerlijke oase, in dit sombere
-landschap verborgen.
-
-Het werd hoog tijd dat wij onder dak kwamen, want wij klappertandden
-van de koude. Op een boom geklommen hakte de Encuerado de noodige
-bouwstoffen voor het oprichten der hut af, terwijl Lucien van de
-heesters alle doode takken brak, in welken arbeid ik hem spoedig hielp.
-De ondergaande zon verraste ons, toen wij juist met ons werk gereed
-waren. Het water van het meer nam eene zwarte kleur aan, de bergkammen
-naar den kant van het Westen, teekenden op de lucht zonderlinge
-uitsnijdingen af en de wind deed uit de denneboomen een plechtigen
-en ernstigen lofzang opstijgen, aan welke bijzonderheid deze soort
-ongetwijfeld den naam van _pinus religiosus_ (heilige denneboom) te
-danken heeft. Naarmate de zonnestralen verdwenen en de duisternis
-den hemel bedekte, werd ook de stilte dieper. Eensklaps verdwenen de
-laatste lichtschemeringen; de duisternis liet ons ter prooi aan eene
-dier aandoeningen, welke alleen zij kunnen begrijpen, die zich in de
-tegenwoordigheid van de groote natuurtooneelen hebben bevonden.
-
-Lucien ondervond, zonder het te weten, de dubbele majesteit van de
-duisternis en de eenzaamheid; hij bleef stilzwijgen, en liet zijn
-blik van den hemel tot de aarde dwalen. De sterren kwamen schitterend
-en in ontelbare menigte op, en weerkaatsten zich op de onbeweeglijke
-vlakte van het meer. Eensklaps scheen een lichtstraal over het water
-te zweven, barstte toen als een vuurpijl uiteen en verbreedde zich tot
-lichtbundels; het was de glans van onzen haard, dien de Encuerado had
-aangestoken.
-
-Eene levendige en bijtende koude had zich van ons meester gemaakt; onze
-dekens waren niet meer voldoende om ons tegen den wind te beschutten.
-Gelukkig hadden wij eene voldoende hoeveelheid brandstof verzameld, om
-het bivakvuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden. Onze maaltijd
-was zuinig, maar vroolijk. Gringalet, Lucien en de Encuerado kropen de
-een na den ander onder de dennenbladeren; Sumichrast volgde weldra hun
-voorbeeld; ik bleef alleen op, daar ik geen de minste neiging gevoelde
-om te slapen.
-
-Welk eene tegenstelling! Den vorigen dag, op hetzelfde uur, werden
-wij verdoofd door den ontketenden wind; het woud zond aan de echo's
-vreeselijke geluiden toe; wij, arme atomen, onder een waggelenden
-steen beschut, ademden hijgende eene brandende lucht in. Nauwelijks
-waren vierentwintig uren verloopen of onze schreden hadden ons op een
-granietgrond gevoerd, waar de koude ons hinderde; nu was het niet meer
-het geraas, maar de stilte, die in mijne ziel de droomerijen der
-eenzaamheid opwekte.
-
-De morgenstond vond ons op, verstijfd van koude en nauwelijks in staat
-om de lippen te bewegen. De Encuerado wakkerde het vuur van den haard
-wat op, ten einde ons spoedig de koffie gereed te maken. Eene eerste
-lichtschemering werd zichtbaar; de grond, met een lijkkleed van ijzel
-bedekt, glinsterde. Lucien, die dit verschijnsel voor de eerste maal
-zag, kon het niet genoeg bewonderen. Sumichrast verklaarde hem dat
-de dauwdroppelen, die in de warme streken elken morgen op het gras
-schitteren, op deze hoogte bevriezen en die doorschijnende naalden
-vormden, welke de lichtbreking wit doet schijnen.
-
-De stralen der zon verwarmden ons niet, ik bespoedigde dan ook de
-toebereidselen tot het vertrek. Na den oever van het meer langs te
-zijn gegaan, begaf de kleine karavaan zich opnieuw tusschen de rotsen.
-De top, dien zij overtrok was, daar viel niet aan te twijfelen, de
-krater van een uitgebranden vulkaan. Ik wierp een laatsten blik op
-de onmetelijke, door bergkammen omgeven baai, alvorens tusschen de
-reusachtige steenen, die eertijds door den vulkaan waren uitgebraakt
-een nieuwen tocht te beginnen, die even moeilijk zou zijn als die van
-den vorigen dag. Meer dan eens gebeurde het, dat wij blind liepen en
-ontmoedigd gingen zitten.
-
-Ik onderzocht een laatste maal den horizon; onze voeten betraden den
-hoogsten top van de Cordilleras; voor ons, en zoover het oog reikte,
-verhieven zich met hout begroeide bergpieken, waarvan de hoogte
-trapsgewijze verminderde. Eindelijk zouden wij dan weer de tropische
-natuur terugvinden en langzamerhand de vlakken en bosschen van het warme
-Land bereiken. De weg scheen recht en gemakkelijk te zijn; maar hoeveel
-valleien moesten doorgetrokken, hoeveel hinderpalen nog niet overwonnen
-worden eer wij de verwachte grens bereikten!
-
-De afdaling geschiedde langs een reuzentrap, waarvan elke trede zeven
-tot acht voet hoogte kan gehad hebben. Lucien en Gringalet maakten
-meermalen aan den riem hangende, de reis; maar wij kwamen zonder ongeval
-alle hinderpalen te boven. Ik kan niet zeggen met hoeveel genoegen ik de
-pijnboomen terugzag. Wij zochten tevergeefs om ons naar de sporen van
-den orkaan, deze zijde van den berg was van den geesel bevrijd gebleven.
-
-De helling werd zacht, onze marsch sneller en weldra vertoonden zich
-enkele eiken. Een onbestemd geluid deed ons luisteren, en de Encuerado,
-die meer gewoon was dan wij, om op een afstand over de geluiden te
-oordeelen, kondigde ons een bergstroom aan. Eekhoorns brachten de takken
-langs onzen weg in beweging, de pepereters schenen ons uit te dagen,
-maar wij wilden het water bereiken. Weldra omringden ons eike- en
-berkeboomen, daarna wolboomen en _ahuehuetes_. Het terrein werd vlakker
-en na minder dan een half uur bracht de Encuerado ons op den rand van
-eene onmetelijke bergkloof, waarin een woelig water bruischte. De steile
-oever werd spoedig zachter en het bivak opgeslagen. Terwijl wij takken
-afkapten legde Sumichrast een vinger op zijn mond en greep zijn geweer.
-Een licht geraas deed zich onder de struiken hooren en onze reismakker
-verdween.
-
-Wij luisterden met ingehouden adem, toen de schreeuw van den uil
-weerklonk: dat was een roepkreet en de Encuerado gleed op zijne beurt
-onder de struiken.
-
-»Waarom heeft mijnheer Sumichrast den Encuerado geroepen?" vroeg Lucien
-mij zachtjes.
-
---Zonder twijfel omdat hij een wildspoor ontdekt heeft.
-
-Nauwelijks had ik mijn volzin geëindigd, of een geritsel van droge
-bladeren trok mijne aandacht. Een blauwe vos ging met hangenden staart
-en vurigen blik langs mij heen. Ik schoot, doch zonder het dier te
-raken, dat zich onder de boomen verloor, door Gringalet vervolgd. Bijna
-op hetzelfde oogenblik kondigde eene losbranding mij aan, dat de
-Encuerado geschoten had.
-
-Lucien was zeer ontstemd, dat ik den vos gemist had; ik, voor mij,
-betreurde het, dat ik een lading kruit had vermorst en misschien op
-onhandige wijze het wild op de vlucht had gedreven, dat mijne makkers
-vervolgden. Ik zette daarop mijn arbeid van houtkappen voort, en beval
-Lucien vuur te slaan en den haard aan te steken. Dank zij de lessen van
-den Encuerado, kweet hij er zich behendiger van dan ik verwacht had.
-
-Een roepkreet van Sumichrast, waarop Lucien antwoordde, bracht den
-teleurgestelden jager weer bij ons.
-
-»Op welk dier hebt gij geschoten?" riep hij mij toe.
-
---Op een vos, dien ik gemist heb; waart gij soms bezig hem te vervolgen?
-
---Neen; ik had eene ree en haar jong gezien, maar ik kon er niet
-bijkomen.
-
---En de Encuerado?
-
---Die zal wel een vogel geschoten hebben, om niet met leege handen terug
-te komen.
-
---Chanito, hioe! hioe! Chanito!
-
---Ohe, ohe! antwoordde de knaap.
-
-Weldra kwam de Encuerado terug, een jonge ree op zijne schouders
-dragende.
-
-»Wat een lief diertje!" riep Lucien uit, »waarom hebt gij het niet
-levend gevangen?"
-
---Omdat alleen een kogel even hard kan loopen, Chanito.
-
---En de moeder? vroeg Sumichrast.
-
---Daar heb ik niet bij kunnen komen; wij hebben daar trouwens ook meer
-vleesch dan wij voor vandaag en morgen noodig hebben.
-
-Lucien was het jonge hert genaderd; het was altijd een zijner wenschen
-geweest om een dezer dieren levend te bezitten. Hij bezag de fijne
-beenen en den spitsen snuit van het arme dier, welks met gelijkmatige
-witte vlekken bezaaide bruingele rug met den leeftijd van kleur
-verandert.
-
-»Laat eens hooren, meester Zonnestraal, waaronder zoudt gij dat zoogdier
-rangschikken?" vroeg Sumichrast aan Lucien.
-
---Het gelijkt op geen van al die soorten, welke ik ken.
-
---Kom, kom! En de geiten, de koeien en de schapen dan. 't Is een
-herkauwer, een dier dat drie of vier magen heeft. De onderkaak bezit
-acht snijtanden, terwijl de bovenkaak alleen voorzien is van een soort
-kussentjes of eeltplaten.
-
---Dat is waar, zeide Lucien, na den bek van het jonge ree geopend te
-hebben.
-
---Alle herkauwers slikken eerst hun voedsel door, dat in een eerste maag
-komt; daarna brengen zij het weer in den mond terug om het opnieuw te
-kauwen; dat noemt men _herkauwen_. Gij hebt zeker meer dan eens eene
-koe of een schaap onbeweeglijk en voortdurend kauwende in de zon zien
-liggen.
-
---Ja wel, antwoordde Lucien, en de Encuerado heeft mij altijd verzekerd,
-dat zij dan bitter gras hadden gegeten.
-
---Zijne verklaring heeft evenveel waarde als die van de Mexicanen, die
-zeggen dat een dier, dat herkauwt, de krant leest. Wat deze orde van
-dieren nog kenmerkt, zijn hun gespleten hoeven.
-
---En dat zij horens hebben!
-
---Niet allen; de kameel, het lama en de steenbok bijvoorbeeld, hebben er
-geene."
-
-Nu moest men nog beslissen hoe onze ree gereedgemaakt zou worden. Na
-eene kleine beraadslaging werd besloten vrij spel aan den Encuerado
-te laten, waarna ik onder in de bergkloof afdaalde. Na de steenen
-en schorsen te hebben opgelicht, ontdekte ik verschillende soorten
-loopkevers. Lucien ving op een struik eenige insekten van zonderlinge
-vormen; Sumichrast herkende daarin bij den eersten oogopslag
-_tettigonna's_ of walsvormige cicaden.
-
---Dat zijn _hemipteren_ of halfvleugelige insecten, zeide hij, en
-derhalve verwanten van de wantsen en krekels; deze insecten hebben
-noch boven-, noch onderkaken; hun mond wordt gevormd door een geleden
-zuigbek, die langs de borst wordt gelegd en dien gij duidelijk kunt
-zien. Het geslacht der cicaden is vrij talrijk en de twee soorten, die
-gij gevonden hebt, zijn aan Mexico eigen.
-
---Hier is er een, die op eene kip gelijkt en een andere, die den vorm
-van een bootje heeft.
-
---Gij hebt gelijk en ge zult er nog wel met veel zonderlinger vormen
-ontmoeten.
-
-Terwijl hij de diertjes, welker uiterlijk hem zoo boeide, op de hand
-liet loopen, zag Lucien ze eensklaps opspringen en verdwijnen; hij wilde
-naar de heesters, waarop hij ze gevangen had, terugkeeren, toen zijne
-aandacht afgetrokken werd door een zeer groote waterjuffer, die men in
-Mexico gewoonlijk _Duivelspaarden_ en in Frankrijk _juffers_[20] noemt.
-Na eenig rondvliegen ging het fraaie insect op eene plant zitten en viel
-weldra onder het net van den jongen jager. De gevangene had groenachtige
-oogen, een geel lichaam en zwart en rood geteekende vleugels. Het boog
-zijn spitsen buik naar binnen, alsof het de hand, die het gevangen
-hield, wilde steken en bewoog zijne vleugels met een metaalachtig
-geluid. Uit den bek hing een half verslonden muskiet en ofschoon zelf
-gehavend, vervolgde het zijn maaltijd, tot groote verbazing van mijn
-zoon, die niet dacht, de gewoonten van den tijger terug te vinden bij
-een insect van zulken sierlijken vorm en oogenschijnlijk zoo
-onschadelijk.
-
-»Dat is een huidvleugelige of adervleugelige of _neuroptere_, aldus
-genoemd naar de netvormige aderen, die gij op de vleugels, ten getale
-van vier, kunt zien. Dit insect leeft eerst, in de gedaante van larve,
-in het water; in dien toestand--waarin het een jaar verblijft--gelijkt
-het op wat gij in de hand hebt, alleen zijn de vleugels slechts door
-knopjes aangeduid, die bij elke huidverwisseling groeien en langer
-worden. Die knopjes dienen als 't ware tot koker voor de fraaie gazen
-vleugels, die de neuropteren en vooral de waterjuffers kenmerken.
-
---Hoe, leven de waterjuffers eerst in 't water, evenals de visschen?
-
---Ja, en zij toonen zich daar niet minder vraatzuchtig dan het volkomen
-insect. De larve wordt pop en verslindt met gulzigheid hagedissen en
-kleine visschen; na korter of langer tijd, al naar de soorten, komt zij
-uit het water, door langs een rietstengel op te klimmen en blijft daar
-een tijdlang onbeweeglijk aan de zonnestralen blootgesteld; eensklaps
-springt de huid, die den kop bedekt, open en de met zwart, blauw of
-groen gekleurde waterjuffer neemt haar vlucht, en stort zich op de
-eerste vlieg of den eersten vlinder, dien zij ontmoet."
-
-De kreet van den Encuerado onderbrak mijne les. Dat was de etensklok.
-
-[20] In ons land noemt men ze glazenmakers en waterjuffers.
-
-
-
-
-XI.
-
-EENE BLAUWE HAGEDIS.--DE INDIAANSCHE PEREBOOMEN.--DE BOOZE
-VROUW.--NEST GELE SLANGEN.--EEN PLANTAARDIGE HELM.--DE IJSVOGEL.--DE
-TROEPIALEN.--JACHT OP DRAAIKEVERS.--DE KIKVORSCHENLARVE.--EENE
-VERZAMELING WANTSEN.
-
-Op de onveranderlijke rijstsoep der groote dagen volgden de op den
-vuurgloed gebraden reebouten, omgeven door aardappelen. De kostelijke
-knolvrucht, in den wilden staat verzameld, herinnert slechts in de verte
-aan den smaak van den gekweekten aardappel. In plaats van meelachtig
-is zij week, doorschijnend en bijna zonder smaak. Dit nam evenwel niet
-weg, dat wij er in smulden en alle eer bewezen aan het wildbraad, dat
-de Encuerado goed met piment had ingewreven om den geur er van te
-vermeerderen.
-
-Terwijl wij eene sigaar rookten, die Sumichrast, naar gelang de
-omstandigheden, de rust-, raad-, of spijsverteringspijp noemde, keerde
-Lucien naar den struik terug, waarop hij de cicaden had gevonden, deed
-er een grooten voorraad van op en vond nog eene derde soort, die de
-gedaante van een triangel had met twee aan de basis zittende hoorns. Hij
-liep naar ons toe om ons deze miniatuurstieren te laten zien en poogde
-daarop, met een langen stok als hefboom gewapend, een grooten met mos
-overdekten boomstronk op te heffen. Hij slaagde er niet zonder veel
-moeite in, en zag toen tusschen den wortel verborgen, een fraaie
-hagedis met groenachtigen rug en azuurblauwe keel en zijden, welke
-verscheidenheid ons nog onbekend was. Het diertje, waarschijnlijk door
-het licht verblind, liet zich pakken, boog daarop den kop omlaag en
-beet den knaap in den vinger, die haar toen liet vallen. De Encuerado
-pakte de vluchteling evenwel weer beet.
-
-»Weet gij niet, dat de hagedissen geen kwaad doen? vroeg Sumichrast aan
-Lucien.
-
---Daarom bijten ze dan zeker, hernam de knaap, zijne hand schuddende.
-
---Ja, antwoordde de natuurkundige, maar stel u gerust, hare beet is
-nooit vergiftig.
-
-De nacht kwam. Eene menigte insecten begonnen om het vuur te dwarrelen
-en verbrandden zich de vleugels alsof het niets ware. Sumichrast
-verzamelde op deze wijze verschillende nachtvlinders. Lucien wilde de
-oorzaak kennen, die zooveel arme beestjes tot de vlam aantrok. Twee of
-drie groote kevers kwamen, in plaats van zooals de andere insecten om
-het vuur heen te vliegen, met groot geraas aansnorren en wierpen zich op
-de gloeiende kolen.
-
---Zie eens waartoe de onbezonnenheid voert, sprak Sumichrast. Als wij
-van af ons vertrek maar voort waren geloopen, zonder voor onze voeten te
-zien, zouden wij lang op den bodem van een afgrond liggen.
-
---Maar de kevers en vlinders vliegen uit vrije verkiezing in de vlam,
-antwoordde de Encuerado op zijn onverstoorbaren redeneertrant.
-
---Maar zij weten niet dat zij brandt, hernam ik.
-
---Dat is waar, mompelde de Indiaan op een medelijdenden toon, de arme
-drommels kunnen geen vuur maken.
-
-De vermoeidheid deed ons onze gemakkelijke jacht opgeven en wij sliepen
-onder eene zoele lucht in, die ons te aangenamer was, als wij aan het
-lijden van den vorigen nacht dachten.
-
-Onze slaap werd onderbroken door het herhaalde geroep van eene schaar
-sierlijke vinkvogels, door de Mexicanen »wekkers" (_despertadores_)
-geheeten. De dag vertoonde zich ternauwernood en in spijt van de
-voorspelling van den Encuerado had het niet geregend. De glans van het
-opnieuw aangewakkerde haardvuur verdreef onze gevederde buren, maar dank
-zij hun geschreeuw vond de eerste zonnestraal ons geheel voor de reis
-gereed. Op het punt zijnde van te vertrekken, ontstond er eene nieuwe
-woordenwisseling. Wij moesten over het ravijn en door den stroom.
-
-De Encuerado zeide, dat wij de rivier op, een waadbare plek moesten
-zoeken en dat was ook mijne meening. Sumichrast hield daarentegen
-staande, dat wij veel meer kans hadden de oevers lager te zien worden,
-als wij de tegenovergestelde richting volgden; zijne meening hield de
-overhand en hij wees ons den weg, terwijl hij met zijn machete een pad
-door het struikgewas baande.
-
-Daar wij hardnekkig den rand van het ravijn volgden, kwamen wij slechts
-met buitengewoon veel moeite vooruit. Het geraas van den stroom, die
-grooter scheen te worden, trok ons naar het woud, waar de afwezigheid
-van gras en kreupelhout ons toeliet vlugger te loopen.
-
-De boomen begonnen dunner te staan en wij kwamen weer in het struikgewas
-terecht, om eindelijk op eene vlakte uit te komen, die vol met
-Indiaansche pereboomen stond. Deze struiken leverden ons eene menigte
-nog groene vruchten op, waarop wij allen zeer verlekkerd waren. De
-Encuerado maakte van dezen onverwachten oogst gebruik, om de ledige
-plaatsen in zijne mars aan te vullen. De wilde goyavaboom of Indiaansche
-pereboom is eene soort van myrth, die in het Gematigde Land overal in 't
-wild groeit en eene hoogte van verscheidene meters bereikt. De vruchten,
-die zelden rijp worden zonder door de vogels en insecten aangevreten te
-zijn, hebben een smeltend, suikerachtig en zeer geurig vleesch, vol
-pitten; men beschouwt ze als koortsverdrijvend en samentrekkend. De
-gekweekte struik verandert van uiterlijk; de takken worden lang en komen
-vol met bladeren, die aan den onderkant zilverachtig zijn en de vruchten
-bereiken de grootte van een citroen, waarvan zij ook den vorm en de
-kleur hebben.
-
-Lucien, die van struik tot struik ging om de mooiste vruchten te
-plukken, bewees ons, dat de lessen van zijn leermeester niet tevergeefs
-waren geweest en dat hij goed in de boomen wist te klimmen.
-
-Iedereen nam zijne vracht, waarvan hij zich een oogenblik ontdaan had,
-weder op; maar toen de Encuerado zijne mars weer op den rug wilde nemen,
-kon hij haar onmogelijk opheffen. Ik hielp hem en raadde hem aan ten
-minste de helft van zijn oogst achter te laten, doch hij wilde mijn raad
-niet opvolgen. Maar bij de eerste schreden, die hij deed, waggelde hij
-als iemand, die dronken is en viel hij onder zijne last neer, terwijl de
-goyavavruchten over den grond rolden.
-
-Ons gelach kwetste de eigenliefde van den goeden Indiaan.
-
-»Arme Jose-Marie!" riep hij uit, met ten hemel geheven handen. »Je wordt
-oud. Wat een schande! niet eens meer een handje vol goyava's te kunnen
-dragen. In je jonge jaren zouden drie zulke manden vol nog niet zwaar
-genoeg zijn geweest om je knieën te doen buigen als een oud paard. Arme
-Jose-Marie."
-
-De Encuerado overdreef wel een weinig zijne vroegere kracht, in elk
-geval viel het hem zwaar om een groot gedeelte van de vruchten, die hij
-verzameld had, achter te laten en ons aandringen vermeerderde nog zijne
-teleurstelling. Om hem te troosten moest ik hem in herinnering brengen,
-dat de goyavavruchten in vierentwintig uren bedorven zijn en dat zijne
-mars er meer bevatte, dan wij konden opeten.
-
-Sumichrast ging ons een twintigtal passen vooruit; eensklaps bleef hij
-staan en deinsde achteruit. Toen ik bij hem was, peilden mijne blikken
-een ontzaglijken afgrond, op welks bodem de rivier zich met groot geraas
-uitstortte. Het water hoopte zich eerst zwijgend en als slapende in een
-groot bekken op, wierp zich vervolgens tegen eene onmetelijke rots, om
-dan weer loeiende en schuimende in twee takken te voorschijn te komen,
-die, na zich vereenigd te hebben, duizenden watervallen vormden. De lust
-bekroop ons om in den afgrond af te dalen, ten einde dit wonderschoon
-tafereel van alle kanten te kunnen beschouwen.
-
-Alvorens in het struikgewas te dringen, legden wij de doozen en
-weitasschen af, want de onderneming vereischte al onze vlugheid.
-Zoolang men zich aan de planten en heesters kon vastklampen, scheen het
-neerdalen slechts een kinderspel; maar weldra betraden onze voeten een
-rooden ijzerhoudenden grond, die door eene afstorting geheel kaal was
-geworden. Sumichrast waagde zich het eerst op dit gevaarlijk terrein,
-dat bij den derden pas onder hem instortte. Hij rolde de helling af,
-klampte zich instinctmatig aan de eerste takken de beste, die hij
-grijpen kon vast, welke hij onmiddellijk, onder het uiten van een kreet
-weer los liet. Gelukkig hield een heester hem boven den afgrond tegen.
-Ik sloeg mijn hakken diep in den lossen bodem, om mijn vriend hulp te
-bieden, die, het gelaat door pijn samengetrokken, zijne rechter hand,
-welke reeds geheel rood, opgezwollen en met witte blaren bedekt was,
-naar mij ophief. De tak, dien hij in zijn val had vastgegrepen, behoorde
-aan eene reusachtige brandnetel, die de Indianen _mala mujer_, booze
-vrouw, noemen. Deze plant groeit slechts op vochtige oevers,--uit
-boosaardigheid, zeide de Encuerado, ten einde eene kwade poets te
-spelen aan den reiziger, naar wien hare verraderlijke groene stengels
-en behaarde bladeren zich uitstrekken.
-
-Het lijden van Sumichrast bedroefde ons, want wij kenden bij eigen
-ondervinding de ondragelijke branding, welke de steken van de »booze
-vrouw" veroorzaken.
-
-[Illustratie: Een struik hield hem boven den afgrond tegen. (blz. 96).]
-
-De Encuerado nam Lucien onder zijne hoede, terwijl ik den gewonde hielp
-vooruitkomen. Wij wonnen, zonder te veel hindernissen, een weinig
-terrein; maar weldra verhief zich een bosch van brandnetels voor ons.
-Sumichrast en Lucien gingen zitten, terwijl ik, door den Encuerado
-geholpen, met behulp van de machete een nauw en bochtig pad baande op
-een bodem, waarvan de grillige slingeringen meer dan eens onzen arbeid
-nutteloos maakten; eindelijk bereikte ik _ahuéhuétés_ met een somber
-gebladerte,--wij waren bijna de moeielijkheid te boven.
-
-Ik keerde naar mijne gezellen terug; de stengels van de brandnetels op
-eenige duimen boven den grond afgesneden, dienden ons tot steunpunten.
-De altijd te goed vertrouwende Encuerado struikelde, zoodat zijn wang
-met een blad in aanraking kwam. Dit was genoeg om hem bijna onherkenbaar
-te maken. Alhoewel ik hem beklaagde, kon ik mij toch niet inhouden om te
-lachen over de gezichten, die het branden, door de vreeselijke stekels
-veroorzaakt, hem deed trekken. Het was een optrekken van den neus en een
-bewegen van de kaken, die Sumichrast zijn eigen lijden deden vergeten.
-Gringalet, den staart omhoog geheven, scheen het gevaar te trotseeren;
-ik merkte evenwel op dat hij, door zijn instinct gedreven, vermeed op de
-bladeren te trappen, waarmede het pad bezaaid was.
-
-Onder de ahuéhuétés, eene soort van cypres, vertoonden zich vijf of
-zes slangen, die bijna onmiddellijk verdwenen. Eene enkele, ongeveer
-anderhalven meter lang, hield aan den voet van een boom in en wierp een
-vertoornden blik op ons. Gringalet liep woedend en blaffend om het
-kruipdier rond, dat, op zijn staart opgericht, zijn kop als eene pijl
-naar voren wierp. Zijne huid, van eene fraaie, goudgele kleur, met
-groenachtige punten bezaaid en met twee, bijna onzichtbare overlangsche
-zwarte strepen geteekend, wekte onze bewondering op. De Encuerado
-riep den hond terug, de slang rolde zich op, draaide den kop in alle
-richtingen rond en bewoog hare zwarte en gevorkte tong snel heen en
-weer. Eensklaps strekte zij zich op den bodem uit en schoof een vogel,
-dien wij eerst niet hadden opgemerkt en welke nog stuiptrekte, voor zich
-uit; daarna opende zij den bek en sloot dien herhaalde malen;--men zou
-gezegd hebben, dat zij geeuwde. Plotseling slikte de afschuwelijke en
-buitenmate opgesperde muil den kop van den vogel in en de slang bleef
-onbeweeglijk liggen, alsof deze eerste inspanning haar had uitgeput. De
-prooi was klein, in verhouding tot de grootte van de slang en twee of
-drie slikkingen zouden haar hebben doen verdwijnen; maar de Encuerado
-had voor beginsel, dat de kruipdieren in 't algemeen kwaaddoende dieren
-zijn; hij trok derhalve zijne machete, liep op de slang toe, die, den
-vogel wegwerpende, met een ruw geschuifel de vlucht nam.
-
-»Is dat dan een ratelslang?" vroeg Lucien verwonderd.
-
---Neen, 't is eene gladde slang, dat wil zeggen een niet giftig
-kruipdier. De Indianen noemen deze de _gele slang_ en vreezen haar ten
-onrechte. Zij klimt met eene buitengewone behendigheid tegen de boomen
-op om er de vogels tot in hunne nesten op te zoeken. De beelden van den
-oorlogsgod der Asteken, den verschrikkelijken Huitzilipochtli, aan wien
-men duizenden menschen offerde, hadden het hoofd met eene gele slang
-omgeven en alles doet ons gelooven, dat het dier, hetwelk wij zoo even
-zagen, hetzelfde is, wat de Indianen hebben willen verbeelden."
-
-Een weinig verder meende Lucien eene lange witte slang op het gras te
-zien liggen. Gringalet, stoutmoediger dan gewoonlijk, greep het dier en
-bracht het in zijn bek aan. Het was slechts de huid eener slang. Lucien
-vernam toen, dat alle leden dezer familie eens per jaar verhuiden, en
-dat zij reeds uit hun omhulsels uit eene scheede kruipen, waarop men tot
-zelfs de schubben der oogen terugvindt.
-
-Wij zetten onze afdaling voort en de Encuerado, die voorop was gegaan,
-kwam eensklaps terug met een grooten plantaardigen helm op het hoofd. Ik
-herkende de reusachtige bloem eener plant, die ik reeds op de bergen van
-Songolica had aangetroffen. Niets is prachtiger dan deze bloem, die vóór
-hare ontluiking den vorm heeft van een eend op het water. In één ochtend
-gaat de groote bloemkelk open en verandert in een met een helmkam
-versierden helm, waarvan het binnenste als met paars fluweel bekleed, de
-oogen verblindt. Het zaad van deze slingerplant, waarvan de Indiaansche
-naam mij ontgaan is, is plat en als een hart uitgesneden en draagt op
-een der kanten een volkomen zuiver geteekend Maltheser kruis.
-
-Sumichrast vergat een oogenblik zijn lijden, om dit wonder te
-beschouwen, en Lucien, die een tweede uitgekomene bloem had gevonden,
-wist niets vluggers te doen, dan er zich het hoofd mede te bedekken.
-Maar de vuile en doordringende geur, door de prachtige bloemkelk
-uitgewasemd, maakte ons onpasselijk, en ik beval Lucien zijn gevaarlijk
-hoofddeksel weg te werpen.
-
-Nog eenige stappen en wij kwamen op den bodem van het ravijn, waar de
-eerste zorg van Sumichrast en van den Encuerado was om hun blaren af te
-wasschen. Ik ging met Lucien op eene rots zitten, die aan eenen kant
-door den stroom bespoeld werd, ten einde het prachtige tooneel voor mij,
-te aanschouwen.
-
-Men stelle zich een onmetelijken berg voor, als door de hand van
-een reus geopend, en op de geweldig vaneengeweken wanden, een mantel
-van groen met duizend tinten. Omlaag, als om de groote kloof te
-ondersteunen, een wonderlijke ophooping van rotsen met grijze en
-zwarte kleuren, waartusschen zich de kruin van een boom verhief, welks
-bladeren met bloemen waren opgeluisterd. Midden uit den geopenden
-berg kwam, als uit eene onzichtbare spelonk, een breede stroom met
-doorschijnend, stil en oogenschijnlijk onbeweeglijk water, dat op eene
-rots neerstortte, waarvan het midden als de steven van een schip
-vooruitstak. Alsof hij door den schok woedend en door het geraas dol was
-geworden, sprong de in schuim veranderde stroom vol toorn op en viel,
-door de zwarte punt der rots in twee kolommen gescheiden, weer neer, en
-wierp zich dan vol snelheid langs eene reusachtige trap, die hij scheen
-te willen verwoesten, naar omlaag. Dan nam een nieuw bekken, als eene
-schelp uitgehold, het vermoeide water weer op en stortte het zachtjes in
-een met groen omzoomden kom uit. De bedaarde stroom hernam zijn loop,
-stiet opnieuw tegen de steenen, die hij had meegesleept en bereikte
-zoo, van val tot val en van vlakte tot vlakte gaande, de valleien, die
-zich meer dan drie duizend voet onder ons bevonden. Deze Niagara, in
-verkleinde afmeting, bracht mij in herinnering, dat toen ik een jaar te
-voren, in het Warme Land de omstreken van Tuxtla onderzocht, mijn paard
-mij bij den waterval van den Ingenio had gevoerd--welke waterval onder
-de meest beroemde zou gerekend worden, zoo niet een woestijn den toegang
-zoo moeielijk maakte.
-
-Onze beide makkers, wier lijden door de aanraking met het water wat
-bedaard was, kwamen naast ons zitten. Ik kon niet zeggen, welk trotsch
-genot wij ondervonden toen wij ons, in die wilde omgeving, voor
-dien onbekenden waterval bevonden, waarvan wij misschien de eerste
-aanschouwers waren. Achter ons schenen de zijden der bergen zich te
-vereenigen en het stroombed nauwer te maken. De zon baadde dit gedeelte,
-met groote hoornen omzoomd, waarop ijsvogels vlogen, in eene zee van
-licht. Een dezer vogels kwam dicht bij ons zitten; hij had eene witte
-keel, de bovenzijden der vleugels waren zwart en de veeren van den kop
-donkergroen. Dik, ineengedrongen en met een korten staart, geleek hij,
-zooals Lucien opmerkte, op een slecht geteekenden vogel; weldra hernam
-hij zijne hortende vlucht, schoor over de oppervlakte van het water,
-dook er met eene ongehoorde snelheid in en verdween, terwijl hij de
-kronkelingen van het ravijn volgde.
-
-Lucien wees mij op een reusachtigen wilg, waarvan de over den stroom
-hangende takken aan hunne punten groote vruchten, in den vorm van
-kalebassen schenen te dragen. Ik herkende eene kolonie van die fraaie
-gele, met zwart gevlekte vogels[21], waaraan de Mexicanen den naam van
-_colandres_ geven. Ten einde Lucien van zijne vergissing te overtuigen,
-wierp de Encuerado een grooten steen in den boom. De steen viel van tak
-tot tak, en deed een honderdtal vogels uit hunne nesten komen. Het was
-in den beginne een vreeselijk geweld van kleine kreten; maar toen het
-geraas over was, schoven de vogels als 't ware over het water, om in
-hunne onbereikbare woningen terug te keeren. Eenige bleven op den boom
-zitten en kweelden een lied, den nachtegaal waardig.
-
-[21] Waarschijnlijk eene soort troepiaal of misschien de Baltimorevogel.
- (N. v. d. V.)
-
-Wij volgden het ravijn, in de hoop een minder steilen oever te vinden
-dan die, welken wij gevolgd waren en een lange omweg bracht ons bij een
-rustig water, dat over een bed van zand stroomde. De zon scheen met
-vollen glans op de doorschijnende oppervlakte en dicht bij den oever
-wemelde het van honderden draaikevers. Lucien, die slechts terloops hun
-vorm kon zien, zoo snel waren hunne ronddraaiende bewegingen, hield ze
-voor vliegen, die op het water liepen.
-
---Het zijn kevers, zeide Sumichrast.
-
---Waarom draaien zij dan zoo?
-
---Om hun voedsel te zoeken, want het zijn roofkevers en zij hebben veel
-voedsel noodig. In Frankrijk noemt men ze gewoonlijk _draaiers_ of
-_watervlooien_[22].
-
-[22] Ook in ons land worden ze veelvuldig aldus genoemd.
-
-Lucien wilde een draaikever vangen, maar het gelukte hem niet; de
-Encuerado en Sumichrast, voor wie dit zeer goed was, hielpen hem weldra.
-Ik had eerst veel schik in de nuttelooze pogingen van mijne gezellen,
-en daar ik dacht behendiger dan zij te zijn, lag ik weldra bij hen.
-Daar lagen we dan alle vier met de hand in 't water, onbeweeglijk, met
-ingehouden adem, ten einde des te beter onze aandacht op de draaikevers
-te kunnen vestigen. De draaikevers kwamen in opeengedrongen massa,
-draaiden als een levend mozaïek, gingen van rechts naar links, van voor
-naar achter, maar hoe vlug wij ook de ondergedompelde hand naar boven
-brachten, het mocht ons niet gelukken er een enkelen te vangen.
-
-Een uur ging met dat spelletje voorbij en ik geloof niet dat wij het
-zouden opgegeven hebben, als niet de zon had opgehouden den oever te
-verlichten en de draaikevers uit onze nabijheid had verdreven. Lucien
-zag niet zonder spijt, dat zij naar het midden trokken en de Encuerado,
-woedend dat hij door zulk een vluggen troep was beetgenomen, zwoer dat
-hij den eersten den besten, dien hij zou tegenkomen, zou vangen. Wij
-waren reeds ver weg, als de Indiaan nog bezig was hen met steenen te
-werpen en voor gekken uit te schelden, wat in zijn mond eene groote
-beleediging beteekende.
-
-Een twintigtal kikvorschlarven, die in een waterplas zwommen, werden
-door Lucien voor visschen aangezien.
-
---Dat zijn kikvorschen, zeide ik hem.
-
---Waar zijn dan hunne pooten? vroeg hij.
-
---Onder die bruine huid, die hun het uiterlijk van visschen geeft,
-en die, als het uur der gedaanteverwisseling zal aangebroken zijn,
-op den rug zal opensplijten, om doortocht aan den jongen kikvorsch te
-verleenen. Ziehier eens de larve, die ik gevangen heb; men kan de pooten
-door de doorschijnende huid zien. Vandaag nog visch, dat wil zeggen
-door kieuwen--die kleine kwabjes die gij aan weerszijden van den kop
-ziet--ademende, zal hij morgen batrachier[23], en een tweeslachtig dier
-zijn en loopen en springen, en dat stomme wezen zal zijne buren door
-zijn nachtelijk gekwaak vervelen. De Tolteken, dat groote volk, hetwelk
-voor de Asteken in Mexico leefde, telden een kikvorsch onder hunne
-goden. Terwijl ik de kikvorschlarve weer in de waterplas zette, die
-zonder twijfel door een wassen van den stroom ontstaan was, bemerkte
-ik eenige witte insecten, die, onophoudelijk in beweging, zich door
-hortende sprongen boven het water verhieven, om er aanstonds weer in te
-vallen. Lucien, over hunne zonderlinge beweging verwonderd, riep uit:
-
-[23] Orde waartoe de kikvorschen, padden enz. behooren.
-
---Maar ze loopen op den rug!
-
---Gij hebt gelijk, het zijn waterwantsen en van de familie der
-tettigonen of cicaden, derhalve hemipteren of halfvleugelige insecten.
-
-Gelukkiger dan bij zijne jacht op de draaikevers, slaagde de jonge
-natuuronderzoeker er in om twee of drie waterwantsen te vangen.
-
---Maar waartoe dienen hunne vleugels? vroeg hij.
-
---Wel, om te vliegen en van woonplaats te veranderen.
-
---Wat! Kunnen de waterwantsen dan vliegen, loopen en zwemmen?
-
---En ik ben er zeker van, dat ze 's nachts kunnen zien, voegde de
-Encuerado er bij, die, men zal het zich herinneren, dit voorrecht aan de
-dieren benijdde.
-
---Wij dienen het wel aan te nemen, antwoordde ik lachende, want zij
-kiezen altijd den nacht uit om te reizen. Pas op dat gij u niet laat
-steken, want de waterwants bijt even vinnig als haar zusters de hout- en
-bedwantsen.
-
-Een weinig verder bleef Lucien voor een grasachtig gewas staan, dat van
-boven tot beneden met ronde, platte, zwart met rood gestippelde insecten
-bedekt was, wat het op een ingelegd meubelstuk deed gelijken. Vol trots
-over zijne ontdekking, vatte hij er twee of drie aan; maar toen hij
-bemerkte, dat hun week lichaam tusschen zijne vingers meegaf, liet hij
-ze vol afkeer vallen.
-
-»Hé! Wat zijn dat voor beesten?"
-
---Dat zijn houtwantsen, antwoordde Sumichrast, maar nog in den staat van
-larven; zij hebben nog geen vleugels.
-
-»Van waar komt die reuk, die mijne vingers verpest?"
-
---Als men ze aanraakt, zweeten zij een geelachtig vocht, van eene zeer
-doordringende reuk, uit.
-
-Lucien ging spoedig zijne handen wasschen; maar hoe hij ze ook wreef, de
-reuk bleef en scheen hem zeer te hinderen. Ik maakte daaruit de
-gevolgtrekking, dat de houtwantsen slechts in geringe hoeveelheid deel
-van zijne verzameling zullen uitmaken.
-
-Na een vrij langen uitstap op den bodem van het ravijn, moesten wij
-weer ons punt van uitgang opzoeken; de eenige kant, waar de oever
-toegankelijk was. Wij vonden den waterval terug, badende in het licht.
-De groote bovenste vlakte geleek op een blok azuur, terwijl de kleine
-watervallen flonkerden, alsof zij diamanten meevoerden. Boven ons, in
-een rooskleurigen nevel, teekende zich flauwtjes een regenboog af.
-
-Ik ontrukte mijne gezellen aan dit wonderschoon schouwspel.
-
-Er had zich geen wild vertoond; maar er bevond zich nog een groot stuk
-van het jonge ree in de mars. Sumichrast had nog altijd pijn en de
-Encuerado scheen verkouden te zijn. Nu moesten wij weer naar omhoog
-stijgen en onder duizend voorzorgen trokken wij de plaats door, waar
-wij de slangen hadden gezien. Ik weet niet hoe wij met onze opstijging
-zouden klaargekomen zijn, als de Encuerado niet op de gedachte was
-gekomen om takken af te snijden, die voor stokken dienden. Vooral wilde
-ik Lucien de pijn besparen, die de aanraking met de »booze vrouw"
-veroorzaakt en met eene zucht van verlichting zag ik hem gezond en wel
-boven op den oever.
-
-
-
-
-XII.
-
-EEN NABESTAANDE VAN GRINGALET.--EEN GIDS OP VIER POOTEN.--DE
-INSPECTIE.--DE CROCODIL-SCHILDPAD.--DE FAZANTEN.--DE MAGNOLIA.--DE
-MUSKAATBOOM.--HET BLAUWE GRAS.--DE RUPS.
-
-
-De zon ging onder; het was dus het raadzaamst, dat wij ons bivak van
-den vorigen dag weer gingen opzoeken en het opsporen van den overgang,
-dien wij dezen dag tevergeefs hadden gezocht, tot den volgenden dag
-uitstelden. Trouwens het gezicht van den waterval had ons voldoende
-schadeloos gesteld voor deze nuttelooze wandeling; toen dit besluit
-genomen was, keerden wij weer terug onder het peuzelen van onze
-goyava-vruchten.
-
-De karavaan trok dus opnieuw en op goed geluk het bosch in, zonder zich
-te ver van den stroom te verwijderen. Het scheen ons twee of driemalen
-toe, alsof wij den plek bereikt hadden, waar wij den oever hadden
-verlaten; maar wij kwamen weldra weer in onontwarbaar kreupelhout
-terecht. De tijd ging voorbij en ik meende dat wij het doel reeds
-voorbij waren. Zooals het in dergelijke vallen meestal gebeurt, waren de
-gevoelens verdeeld. Een vos, die zich onder het bereik van het geweer
-vertoonde, brak de woordenwisseling af; ik schoot op het dier, dat
-neerviel. Het wilde, op het geblaf van Gringalet, opnieuw opstaan,
-opende bij onze nadering zijn met witte tanden gewapenden bek, schoot
-uit zijne gele en schitterende oogen een kwaadaardigen blik op ons en
-viel levenloos neer. Het was een prachtig dier, in alle opzichten gelijk
-aan zijne soortgenooten in Europa.
-
-Door een zonderling toeval liet een raaf boven ons een vreeselijk
-gekras hooren, op het oogenblik dat de vos stierf.
-
-»Ziedaar een raaf, die ons bedankt, dat wij hem van meester vos bevrijd
-hebben," sprak Sumichrast tot Lucien.
-
-De knaap lachte om de scherts. Niettegenstaande onze raadgevingen, wilde
-de Encuerado het dier, waarvan hij de huid wilde bewaren, stroopen.
-Gelukkig was hij in dat soort van werk zeer vlug; het duurde dan ook
-niet lang of de schoone pels rustte op zijn arm, in afwachting dat zij
-de buitenzijde van de mars zou versieren, om te drogen.
-
-»Ik hoop dat gij de verwantschap van meester vos reeds zult herkend
-hebben," sprak Sumichrast tot Lucien.
-
---Ja, door de kleur en den vorm gelijkt hij op den coyoot.
-
---Gij hebt gelijk, maar de coyoot en hij zijn neefjes van Gringalet.
-
---Dat zou ik niet gezegd hebben; Gringalet heeft kort haar, hij is zwart
-en wit gevlekt en heeft grijze oogen.
-
---Dat zijn bijkomende kenmerken; Gringalet is de type van de
-vleeschetende dieren, welke de natuurkundigen teenloopers of
-_digitigraden_ noemen.
-
---Is Gringalet een teenlooper? sprak Lucien lachend.
-
---Wel zeker, dat wil zeggen dat hij op de teenen en niet op de voetzolen
-loopt, juist zooals meester vos, wiens tandstelsel volkomen gelijk is
-aan dat van Gringalet. Het voornaamste verschil dat tusschen beiden
-bestaat, is, dat de vos oogen heeft, welke ingericht zijn om des nachts
-te kunnen zien, welke eigenschap Gringalet niet in denzelfden graad
-bezit.
-
---Bestaan er wilde honden?
-
---'t Is waarschijnlijk, alhoewel het punt betwist wordt. Maar de hond,
-die metgezel van den mensch, is in den staat van huisdier zoozeer
-gewijzigd, dat wij moeite zouden hebben om hem in den wilden staat te
-herkennen. In elk geval zijn de coyoot, de vos en de wolf slechts
-soorten van wilde honden.
-
-Wij kwamen andermaal in het kreupelhout terecht zonder een spoor van
-onzen doortocht te kunnen vinden. Het werd hoog tijd dat wij ons
-uitgangspunt terugvonden. Ik merkte op dat Gringalet, in plaats van om
-ons heen te huppelen, zooals zijne gewoonte was, zonder ophouden achter
-bleef, de ooren opstak en een klagend gehuil deed hooren.
-
-»Drommels," riep ik uit, »als wij Gringalet eens voor gids namen?"
-
-Zoodra het dier zijn naam hoorde, kwam het naar mij toe. Ik streelde
-het.
-
-»Komaan, zeg eens tegen uw hond, dat hij ons naar het bivak brengt,"
-sprak ik tot Lucien.
-
---Naar het bivak! naar het bivak! riep de knaap uit, terwijl hij het
-dier aanhaalde.
-
-Gringalet snoof, alsof hij het werkelijk begrepen had, de lucht op
-en ging vooraan. Mij dacht, dat hij ons langs een langen omweg
-achteruit voerde. Niettegenstaande de Encuerado onophoudelijk van de
-goyava-vruchten at, boog hij toch onder zijne vracht, Sumichrast, wiens
-hand al meer en meer opzwol, schertste nog maar bij tusschenpoozen.
-Lucien, hoewel vermoeid, liep steeds door, telkens zijn hond
-toeroepende:
-
-»Naar 't bivak! naar 't bivak!"
-
-Allengs werd het geraas van den stroom duidelijker; onze gids begaf
-zich onder het kreupelhout. Terwijl wij de takken, die ons den weg
-versperden, afhakten, bleef Gringalet, met opstaande ooren en een
-opgeheven poot wachten. Eindelijk vertoonde zich de hut, door onze
-vreugdekreten en het geblaf van den hond begroet, dien iedereen als om
-strijd liefkoosde.
-
-Een vreemd iets; ik zag met aandoening de plaats van het kampement
-terug, waaraan ik een eeuwig vaarwel dacht gezegd te hebben. Die half
-uitgedoofde stukken hout, dat afdak, door ons opgericht, maakten op mij
-de uitwerking als van eene vondst. Sumichrast verklaarde denzelfden
-indruk te hebben ontvangen. Lucien, op zijne beurt ondervraagd zijnde,
-verklaarde dat zijne eerste beweging was geweest een Indiaan in de hut
-te zoeken.
-
-Maar Gringalet? Had hij ons dan begrepen? Zij, die de slimheid van de
-honden op de proef hebben gesteld, zullen er niet aan twijfelen. Het
-woord _bivak_, sedert ons vertrek ontelbare malen herhaald, heeft het
-oor en het geheugen van het dier zoodanig moeten treffen, dat het voor
-hem dezelfde beteekenis verkreeg als rust en maaltijd.
-
-Den volgenden morgen waren wij bij het aanbreken van den dag reeds
-op weg, en volgden wij langzaam den loop der rivier opwaarts. De nog
-altijd pijnlijke hand van Sumichrast liet hem nog niet toe, zich van
-zijn geweer te bedienen; de Encuerado, alhoewel voor vier-en-twintig
-uuren misvormd, behield evenwel het volle gebruik zijner ledematen.
-De pasbeginnende reiziger is zonder ophouden aan zulke ongevallen
-blootgesteld. Te midden eener onbekende natuur verplaatst, geeft hij toe
-aan de behoefte om een blad af te trekken, een tak te schudden, eene
-bloem te plukken; maar de straf volgt spoedig en soms verschrikkelijk;
-uren van angst doen soms voor de onschuldige afgetrokkenheid van eene
-seconde boeten. De gevaren zijn in het midden der wilde wereld zoo
-talrijk, dat er meer moed toe behoort dan men gewoonlijk meent, om ze
-te durven onderstaan. Iedere ontdekker moet zich op zware beproevingen
-voorbereiden. Allengs komt de ondervinding te hulp aan hem, die
-geestkracht genoeg bezit om vol te houden. Hij leert met een oogopslag
-den boom herkennen, dien men moet vermijden, het gras, waarop men niet
-treden moet, de slingerplant, waarvan men de aanraking moet ontwijken,
-de vrucht, die men niet moet proeven. Daarna wordt het beheerschte
-lichaam gehard en gaat, zonder te klagen, daarheen, waar de ziel
-het voert. Men staat elk oogenblik verbaasd over de sterkte van dat
-armzalig omhulsel van vleesch, dat door een val gekneusd, door de
-takken gezweept, door de doorns verscheurd, door de insecten verslonden
-wordt en dat toch elken dag voortgaat met den dood, onder zijne
-afschrikwekkendste gedaanten--vergif, venijn, duizelingen,
-slapeloosheid, honger en dorst--te trotseeren.
-
-Ik had mijne reisgezellen in oogenschouw genomen en deze overwegingen
-waren door mijne kortstondige inspectie bij mij opgekomen. Sumichrast,
-groot van gestalte, met breede schouders, tegelijkertijd zachte maar
-geestkrachtige trekken, een arm in een draagband, de kleeren aan
-flarden, had zes of zeven schrammen in 't gelaat. Met de linkerhand
-op een stok steunende, liep hij een weinig gebogen, met opgezwollen
-hals, het hemd op de borst open, zwart en door de zon gebrand onder
-zijn blonde haren. Achter hem, het geweer aan den draagriem over den
-schouder, ook een weinig gebogen, met stevigen en vastberaden stap, het
-voorhoofd met schrammen doorploegd, de handen gekwetst, vertoonde Lucien
-zijne door insectensteken doorploegde borst. Toen hij mij voorbijging,
-glimlachte hij, nam zijn hoed af, waaruit zijne goudblonde lokken
-ontsnapten, en liet een vroolijk vivat hooren. Gringalet, nu verzoend
-met de eekhoornvellen, liep naast zijn jongen meester. Eindelijk sloot
-de Encuerado, met bloote armen en voeten en met goyava-vruchten beladen,
-den marsch. De brave Indiaan trachtte, toen hij mij voorbijging, zijn
-strooien hoed op te lichten, zijn gelaat helderde op en zijn glimlach
-toonde mij een rij tanden, die waardiglijk met die van Gringalet konden
-wedijveren. Voldaan over mijne inspectie, nam ik mijn geweer opnieuw op
-den schouder, om de voorhoede weer in te nemen en mijne rol van
-wegwijzer te vervullen.
-
-Langzamerhand werden de oevers van het ravijn met hout bedekt en de
-afdaling liep zonder ongeval ten einde.
-
-Ik liep vervolgens den oever langs om eene doorwaadbare plek te
-vinden. Eindelijk veroorloofde eene bocht, waar het water kalm en stil
-voortvloeide, ons om zonder ongeval de rivier over te steken. Ik stelde
-toen voor halt te houden. In onze nabijheid verhieven zich hooge rotsen,
-met mos bedekt, die het water, bij zijn was, moest bespoelen; voor ons
-was een zacht hellende dam, met gras begroeid,--eene weide aan den oever
-van een meer.
-
-Wij bestegen den dam, toen een voorwerp, dat wij niet goed konden
-onderscheiden, zich aan den zoom van het woud vertoonde, als 't ware
-over het gras rolde en naar ons toe kwam. Het was een reusachtige
-schildpad, maar een schildpad, die in snelheid met eene haas had kunnen
-wedijveren. De Encuerado wilde haar den weg versperren, maar werd
-omvergeworpen. Sumichrast, zijne pijnlijke hand vergetende, gaf het dier
-een slag met zijn geweerkolf, zonder andere uitkomst evenwel, dan dat
-hij den gang van het dier wat vertraagde. De Indiaan, woedend over zijn
-ongeval, ontdeed zich van zijne last en kwam met de looppas aanstormen;
-door onze vereenigde pogingen slaagden wij er in het dier, op twintig
-voet van de rivier, op den rug te krijgen.
-
-Lucien, die door deze worsteling en door de grootte van de schildpad
-een weinig verschrikt was, naderde nu om haar te bezichtigen. Ik hield
-hem op een afstand van het dier, dat zijne groote pooten, die met
-verschrikkelijke klauwen gewapend waren, woedend heen en weer sloeg,
-terwijl het zijn bek, een soort van hoornachtigen snavel, dreigend
-opensperde.
-
-»Het is een _galapago_, zeide de Encuerado, en slechts goed om gedood te
-worden.
-
-De chelonier,[24] dien de geleerden alligator- of crocodil-schildpad
-noemen, mat minstens een meter van den kop tot aan den staart. Deze
-laatste, alleen bijna zoo lang als het overige lichaam, droeg eene
-driedubbele rij van schubachtige stekels, die als tanden er in waren
-geplant. De grijze, ruwe en geschubde huid van het kruipdier vormde
-in den hals kussens van een afstootend uiterlijk, men zou ze voor
-ziekelijke uitwassen hebben gehouden. Het afzichtelijke dier keerde ons
-zijn gapenden bek toe. De schildpadvisschers zijn zeer bevreesd voor de
-_galapagos_, die, vlugger dan de gewone schildpadden, met hunne scherpe
-nagels of hoornachtige kaken vreeselijke wonden toebrengen. Men zegt,
-dat het vleesch ongezond en taai is, maar ik geloof dat dit alleen
-vooroordeel is.
-
-[24] Cheloniers is de wetenschappelijke naam, dien men aan de familie
- der schildpadden geeft. (N. v. d. V.)
-
-Op het punt van te vertrekken, wilde de Encuerado het kruipdier den
-kop afhouwen. Sumichrast verzette zich tegen dezen nutteloozen moord
-en dacht er zelfs aan om de schildpad weer op haar pooten te zetten.
-De Indiaan wilde voor dat goede werk zijne hulp niet verleenen; hij
-beweerde, dat een ratelslang en een galapago in 't leven laten,
-op hetzelfde neerkwam. Tot twee of driemalen toe had het dier ons
-medelijden bijna met een beet beloond; want zoodra naderden wij niet, of
-het draaide zich op zijn rugschild rond. Wij wilden het juist aan zijn
-lot overlaten, toen het zich, door het terrein geholpen, weer op den
-buik bevond, en nauwelijks was het omgekeerd of het kwam op Lucien los.
-
-De groote kussens van den hals, die zich ontplooiden, brachten den
-kop meer naar voren; door een enkelen houw met zijn machete sloeg de
-Encuerado den aanvaller den kop af. Toen vertoonde zich een vreemd
-verschijnsel, dat een sterken indruk op ons maakte. Terwijl Gringalet
-woedend tegen den kop tekeer ging, gingen de pooten voort met zich te
-bewegen en sleepten den romp mede, die weldra onder het water verdween.
-Al hadden wij ook dikwijls schildpadden wonden zien overleven, die men
-zou meenen dat doodelijk moesten zijn, zoo stonden wij nu toch verstomd
-over de kracht van het zenuwstelsel, die zich bij dit dier voordeed.
-
-»Komaan, beste vriend, tracht nu eens zonder kop te zwemmen en pas op
-dat je je huis niet tegen de rotsen stuk slaat!" riep de Indiaan uit.
-»Wat! de vader redt je het leven en je wilt zijn zoon verwonden! Gij
-hadt mij niet gezien of ge dacht er niet aan dat ik ook bijten kon.
-
-Goede reis en houd je goed."
-
-Men ziet het, de Indiaan was geen edelmoedige vijand; maar hij had reden
-om zich over de galapagos te beklagen, die hem eens, toen hij aan 't
-baden was, bijna eene hand hadden afgebeten.
-
-De met gras begroeide oever bracht ons weldra in het diepe woud. Wij
-marcheerden sedert een uur door een doolhof van reusachtige boomen, op
-een kalen en vetten grond--want slechts bij het naderen der lichtingen
-wordt de aarde met gras bedekt,--toen de Encuerado den schreeuw van een
-fazant hoorde.
-
-»Laat ons naar links afslaan, om dichter bij het wild te komen," sprak
-Sumichrast zachtjes, »en laat ons vooral de bladeren niet in beweging
-brengen."
-
-»Wij zijn op den goeden weg," mompelde de Encuerado, »luistert.... ik
-sta er borg voor, dat gij hem voor uw maaltijd zult hebben."
-
-De Indiaan zette zijne vracht neer, waarvan Sumichrast en Lucien de
-bewaking op zich namen, terwijl ik hem volgende achter de boomen
-verdween. Weldra ging mijn makker mij vooruit en bootste den
-roepschreeuw van de vogels, die wij vervolgden, na, ten einde hen aan
-te sporen om zelven te schreeuwen en ons zoodoende hunne schuilplaats
-te ontdekken. De nabootsing werd zoo volkomen, dat ik met den neus in
-den wind, voortliep, om onverwacht op den Encuerado te vallen, die in
-hinderlaag lag; zulk eene misrekening overkwam mij nogal dikwijls, zelfs
-met Sumichrast, die bijna even goed als de Indiaan, de geluiden der
-verschillende dieren wist na te bootsen. Een laatste schreeuw lokte op
-honderd pas van ons een antwoord uit en in den top van een niet hoogen
-eik zaten drie groote fazanten met een zwart gebronsd gevederte.
-Ineengedoken en achter de boomen voortkruipende, kwam ik bij den
-Encuerado, het oog steeds gevestigd op de vogels, die, op de dikke
-takken gezeten, onrustig hun halzen uitrekten en schenen te luisteren.
-Twee geweerschoten knalden tegelijkertijd; een der vogels viel voor
-onze voeten neer, de twee anderen vlogen weg; maar terwijl de eene zich
-boven de boomtoppen verhief, moest de andere, die gewond was, zijn
-makker alleen laten wegvliegen. Ik vervolgde hem zoo snel mogelijk
-en beschouwde hem reeds als eene zekere buit. De arme vogel kwam op
-den grond terecht en trachtte tevergeefs te loopen. Een vijftig pas
-scheidden mij er nauwelijks van, toen een tijgerkat met donker vel te
-voorschijn sprong, den fazant beetpakte en er mede verdween, eer ik
-den tijd had om van mijne verbazing te bekomen. De strooper werd door
-den Encuerado, die van mijne misrekening getuige was, voor schelm en
-afzetter uitgescholden.
-
-Lucien beschouwde den fazant, die bijna zoo groot als een kalkoen was,
-maar wiens donker gevederte volstrekt niet beantwoordde aan de fraaie
-voorstelling, die hij er zich van gemaakt had. Hij vond den kop te klein
-voor het lichaam van den vogel, wiens naakte en wratachtige wangen,
-zooals hij zeide, er uitzagen alsof het dier twee pleisters van een
-schildpadhuid droeg:--welke opmerking niet van juistheid ontbloot was.
-Zoover mij bekend is, bezit Mexico geene enkele der fraaie, veelkleurige
-soorten uit Azië en Afrika.[25]
-
-[25] Eigenlijke fazanten bezit Mexico niet; de door Biart vermelde vogel
- is waarschijnlijk een Hoko-hoen of een op de Penelope-hoenders
- gelijkende vogel geweest (_N. v. d. V._)
-
-Tegen twee uur in den middag maakte Lucien de opmerking, dat de boomen
-dunner begonnen te staan, wat op eene lichting of op den voet van een
-berg duidde. Sumichrast vroeg hem, als belooning voor zijne goede
-opmerking, dat hij als wegverkenner zou vooruitgaan. Trots op deze
-zending, waarnaar hij altijd hunkerde, bracht onze jeugdige gids ons op
-eene opene plek, die op korten afstand een grooten, met hout begroeiden
-wal liet zien.
-
-»Halt!" riep ik uit.
-
-De geweerkolven vielen op dit bevel op den grond; de hut werd opgebouwd
-en de Encuerado maakte het wild klaar, dat, al waren de kleuren ook niet
-schitterend, daarom geen minder geurig gebraad opleverde dan zijne
-verwanten uit Europa.
-
-Sumichrast, die door zijne pijnlijke hand nog altijd tot werkeloosheid
-veroordeeld was, bleef bij den Indiaan, terwijl ik, in gezelschap van
-Lucien en Gringalet, de omgeving van onze woning ging verkennen. Bij
-de eerste schrede zagen wij reeds een _Yoloxochitl_, eene soort van
-Magnolia. Ik riep den Encuerado, die dadelijk in den boom klom om
-ons eenige van de fraaie, welriekende bloemen te plukken, welke van
-buiten roodachtig wit en van binnen geel van kleur zijn, en waarvan de
-bloembladen, eer zij uitkomen, den vorm van een hart hebben en bij het
-opengaan eene prachtige ster vertoonen. De Indiaan bleef niet in gebreke
-ons te herinneren, dat een aftreksel van de glinsterende bladeren van
-de Yoloxochitl een middel tegen buikloop is; dat haar bloemen, zooals
-de vorm aanduidt, dienen om hartkloppingen te doen bedaren en dat
-de schors, wat hare koortsdrijvende eigenschappen aanbetreft, met
-die van den Kinaboom kan wedijveren. Een weinig verder zagen wij
-een muskaatboom, een heestergewas van ongeveer drie meter hoogte en
-volgeladen met nauwelijks gezette vruchten. In Mexico oogst men geen
-muskaatnoten, trouwens is de boom, die ze voortbrengt, vrij zeldzaam.
-Evenwel verbruiken de Indianen eene ongeloofelijke hoeveelheid
-muskaatnoten uit de Molukken, hetzij als geneesmiddel, hetzij om de
-spijzen te kruiden; de muskaatnoot, de kamfer en de duivelsdrek zijn de
-drie voornaamste geneesmiddelen der Indianen. Ik toonde vervolgens aan
-mijn kleinen reisgezel eene plant, die men het _blauwe gras_ noemt, en
-waarvan de bladeren het water, waarin men ze dompelt, met eene fraaie
-blauwe kleur tinten. Men verbouwt in Mexico eene verscheidenheid van dit
-gewas om er de kleurende zelfstandigheid, gewoonlijk _indigo_ genoemd,
-uit te trekken.
-
---Maar hoe legt men het aan, vroeg Lucien, om uit een grasgewas die
-donkerblauwe steenen te halen, welke ik op de markt heb zien verkoopen?
-
---Ongeveer half Maart, antwoordde ik, oogst men de nieuwe bladeren van
-den indigostruik, een heester tot de familie der leguminosen, peul- of
-hulsplanten behoorende, en men stampt ze in een boomstronk, die als een
-mortier is uitgehold, fijn.
-
-Het sap, dat deze bladeren, die aan eene sterke drukking onderworpen
-worden, opleveren, is groenachtig, soms zelfs kleurloos, het wordt eerst
-blauw tengevolge eener gisting in de open lucht. De Indianen laten het
-dan in groote ketels kooken; het water verdampt en de indigo slaat in
-den vorm van een week en lijmachtig deeg neer, dat men dan aan de zon
-blootstelt, om het te doen drogen."
-
-Toen ik bij den voet van den berg gekomen was, zag ik, dat het ons
-onmogelijk zou zijn dien den volgenden dag te beklimmen, zoo steil was
-de helling. Ik ging op een omgevallen boomstam zitten, toen ik eensklaps
-getroffen werd door een zeer sterke rozengeur. Lucien ontdekte onder
-de schors van den boom vijf of zes fraaie kevers, van een azuurblauwe
-kleur en met roode pooten, die in de zandachtige streken van Tehuacan
-veelvuldig aangetroffen worden en waarvan de dames uit die omgeving zich
-bedienen om het linnengoed welriekend te maken. Verrukt over zijne
-vondst, vervolgde Lucien zijne opsporingen, in de hoop zich een grooter
-aantal van deze fraaie insecten te kunnen verschaffen, die hij voor
-zijne moeder wilde meenemen. Hij was gaan knielen en werkte met allen
-ijver, toen hij mij met den vinger eene groote rups aanwees, welke over
-het gras kroop en naar hem toekwam.
-
-De rups, van eene smaragdgroene kleur, droeg op den rug eene rij kleine,
-regelmatig geplaatste boompjes. De stam en de takken, van een levendig
-rood, eindigden in vertwijgde punten, van dezelfde kleur als het lichaam
-van het dier.
-
---Wat een zonderling dier! riep Lucien uit. Men zou zeggen, dat het een
-tuin op zijn rug draagt; waartoe dienen het die struiken?
-
---Dat weet men niet, en de vlinder, die uit deze rups zal ontstaan, zal
-geen enkel spoor behouden van die zonderling geplaatste haren.
-
---Zal er van die rups een vlinder komen?
-
---Wel zeker, alle schubvleugelige insecten, waartoe de vlinders
-behooren, leggen eieren waaruit rupsen komen, die meestal den boom of de
-plant opeten, waarop zij uitgekomen zijn. Zoodra zij de grootte, die zij
-hebben moeten, bereikt hebben, spinnen zij een omhulsel of cocon van
-meer of minder goede zijde, waarin zij zich opsluiten. Zij dragen dan
-den naam van poppen. In dezen cocon vormt zich de vlinder, wit of zwart,
-geel of groenachtig; hij blijft in zijn cocon ingebakerd als een kind in
-de luiers. In de lente wordt de zijden gevangenis doorgeknaagd en weldra
-ziet men er een prachtigen vlinder uitkomen, die met zijn slurf het sap
-der bloemen zuigt. Kendet gij dan al die gedaanteverwisselingen niet?
-
---Ik dacht, dat zij alleen bij de zijdewormen plaats hadden.
-
---Dan weet ge nu beter; alle rupsen en alle vlinders ondergaan die, maar
-er zijn veel rupsen, die niet zulke kostbare cocons weten te spinnen als
-de zijdeworm; eenige graven zich in de aarde; andere verbergen zich in
-een blad, waarvan zij de randen als een peperhuisje omkrullen, dat hen
-voor den snavel der vogels beschermt, anderen graven eindelijk eene
-woning in een boomstam en bekleeden die met eene meer of minder fraaie
-zijde, waarin de pop het uur afwacht, waarop zij, van eene armzalige
-rups, die met zuignappen gewapende pooten heeft, herleven zal met vier
-in de heerlijkste kleuren schitterende vleugels."
-
-Het onderwerp was onuitputtelijk, maar ik stelde mijne verdere
-uitleggingen tot een anderen dag uit. Bovendien riep de Encuerado ons
-met luid geschreeuw.
-
-
-
-
-XIII.
-
-HET KRUIDJE-ROER-ME-NIET.--GRINGALET EN HET STEKELVARKEN.--DE
-MEXICAANSCHE CAMELEON.--WOUW EN VALK.--EENE DUBBELKOPSLANG.--EENE
-RAADSVERGADERING VAN KALKOENEN.
-
-
-Gringalet was de eenige van ons, die den fazant versmaadde. Daar
-wij onzen reismakker niet nuchter konden laten, gaf ik hem een stuk
-maïskoek, waarvan de Encuerado eene lekkere brij maakte, want hij wilde
-zijn woord, dat hij Gringalet had gegeven, toen deze de bron ontdekte,
-houden.
-
-Lucien, die op het gras zat, vermaakte zich met de planten, die onder
-het bereik van zijn reisstok waren, aan te raken. Eensklaps zag hij
-dat de bladeren en de takken van een kleinen struik, die hij maar even
-aanraakte, zich sloten, zooals de baleinen van een zonnescherm, door
-eene onzichtbare veer bewogen, het zouden kunnen doen:--het plantje was
-een kruidje-roer-me-niet.
-
-Hij riep ons, om ons de verklaring van dit verschijnsel te vragen; wij
-plaatsten ons rondom den struik, die met doornen gewapend en ongeveer
-een meter hoog was, en waarvan de fijn uitgesneden bladeren van een
-zacht groen, tuiltjes rooskleurige bloemen ten halve verborgen. De
-takjes, die door den stok waren aangeraakt, naderden tot den moederstam,
-en de kleine, ovale, teere en op hunne stengels opgerichte blaadjes
-drukten zich tegen elkander aan. Na verloop van vijf minuten openden de
-aangeraakte blaadjes zich opnieuw, als waren zij van hun schrik bekomen.
-
-Het duurde evenwel niet lang, want Lucien vond er vermaak in met zijne
-vingers over de blaadjes te gaan, die onmiddellijk weer toevouwden,
-alsof zij door die lichte aanraking beleedigd waren. De Indianen noemen
-het kruidje-roer-mij-niet »de beschaamde." De plant groeit zelden
-alleen. Een enkele slag op den stam was voldoende om oogenblikkelijk
-alle takken, die dan als door een gevoel van schaamte bezield schenen te
-zijn, te doen buigen. Toen de zon onderging, vouwden de plantjes uit
-eigen beweging hare teedere blaadjes toe, die slechts op den vollen dag
-ontluiken.
-
-Het eerste wat Lucien deed, zoodra hij wakker werd, was naar de struiken
-te loopen, die den vorigen dag zijne aandacht zoozeer hadden getrokken.
-Met dauw overladen, schenen zij als te slapen en ontplooiden zij hunne
-bladeren slechts bij den eersten zonnestraal. Alvorens op weg te
-gaan beproefde de jonge natuuronderzoeker nogmaals de buitengewone
-gevoeligheid der plant, en Sumichrast vertelde hem, dat zij eene
-verwante is van den boom, die de Arabische gom oplevert.
-
-De wang van den Encuerado was minder opgezwollen en Sumichrast kon zich
-weer van zijne hand bedienen, hoewel zij hem nog pijn deed. De berg voor
-ons, die te steil was om beklommen te kunnen worden, bracht ons in eene
-groote verlegenheid.
-
-»Laat ons links afgaan, zeide Sumichrast, terwijl hij onder het
-houtgewas op een vochtigen, met gras begroeiden bodem voortliep.
-
-Tegen den middag en terwijl de Encuerado al brommende verklaarde
-dat wij rechts hadden moeten houden, trad de kleine troep het bosch
-binnen. Eene ongelijke helling voerde ons op een top, die hoogstens een
-twintigtal schreden breed was en in minder dan een half uur bracht de
-tegenovergestelde zijde ons midden in eene verrukkelijke vallei.
-
-»Hela! meester Zonnestraal," riep Sumichrast, die mij de hut hielp
-bouwen, uit, »vergeet gij dan dat gij belast zijt met voor het vuur te
-zorgen?"
-
---Neen, antwoordde Lucien, die verdiept scheen in de beschouwing van
-een dooden tak, maar ik wilde een insect vangen, dat, evenals wij, eene
-verzameling van voorwerpen der natuurlijke historie schijnt te willen
-bijeenbrengen, want ik heb in zijn nest spinnen, vliegen en kleine
-wormen gevonden.
-
---Dat is een doodgraver-kever, zeide Sumichrast, hij verzamelt om zijne
-eieren heen het voedsel, dat de jongen, als zij zullen geboren worden,
-moeten verslinden; die kleine dieren zijn vol voorzorgen; laten wij ze
-navolgen en voor het oogenblik aan onszelven denken.
-
-Toen de haard gereed was, trokken wij licht gewapend uit om de omgeving
-van ons bivak te onderzoeken. De bergen beheerschten ons van alle
-kanten; de vlakte, die de vallei uitmaakte, had nauwelijks een kwart
-mijl uitgestrektheid. Eene aangename koelte en de nabijheid van een
-groot aantal vogels gaven ons hoop, dat wij eene bron zouden ontmoeten,
-wier aanwezigheid dit stukje aarde in een waar Paradijs zou herschapen
-hebben. Onze opsporingen leidden tot niets meer, dan het vinden van een
-groenachtigen poel, door een reusachtige rots overschut, dien het warme
-saisoen spoedig zou doen uitdrogen.
-
-Het geblaf van Gringalet trok onze aandacht op het woud, waar ik een
-Mexicaansch stekelvarken op een heester zag zitten. Het dier, dat op
-zijne achterste pooten zat, keek ons verbaasd aan. Na een oogenblik
-gestoord te zijn geweest, scheen het ons geheel en al te vergeten, trok
-met zijne nagels een stuk schors af en likte het ontbloote gedeelte,
-dat zonder twijfel met insecten bedekt was, af. Na dezelfde handeling
-herhaalde malen te hebben vernieuwd, naderde het dier tot op het
-uiterste einde van den tak, greep dien met zijn grijpstaart en raakte,
-door zijne zwaarte meegesleept, den grond. Zijn groot zwart oog, dat
-buitengewoon zacht was, stond wijd open en zijn neus bewoog zich als
-die van een konijn of een haas. Het was juist op 't punt zich te
-verwijderen, toen de Encuerado tot ons leedwezen er een schot op loste.
-Het arme dier rolde op den grond, drukte zijne pooten als eene hand
-op de wonde en rolde zich aan den voet van den boom ineen. Gringalet
-schoot er op toe om het te bijten, maar hij deinsde weldra onder een
-pijnlijk gehuil terug; hij kwam bij ons met den neus vol pennen van
-het stekelvarken, die niet veel langer dan twee duim, maar zeer scherp
-waren. De arme hond wreef zijn neus over den grond om zijn pijn te
-verlichten, maar verergerde daardoor zijn lijden des te meer. Lucien
-liep op hem toe en slaagde er in een vijftiental stekels, die diep
-ingedrongen waren, uit zijn neus te halen.
-
-»Waar is toch je verstand gebleven? vroeg de Encuerado aan Gringalet,
-terwijl hij hem neus en snuit afwiesch. Zoo maar in een stekelvarken te
-willen bijten! Waarlijk, ik had gedacht dat je slimmer waart. 't Is wel
-goed moedig te zijn, maar ik raad je toch aan om je in de bosschen van
-het Warme Land wat minder onbezonnen te gedragen, als je ten minste niet
-door een tijger verscheurd of door een miereneter gewurgd wilt worden.
-
-Na de redevoering van den Encuerado aangehoord te hebben, beknorde
-Lucien hem, omdat hij op het arme dier geschoten had en kwam toen bij
-ons bij het doode stekelvarken. Dit had de grootte van een jongen vos,
-en voorpooten, die vier lange, met klauwen gewapende teenen droegen.
-Dit knaagdier is zeer langzaam in zijne bewegingen, geheel en al
-onschadelijk en verspreidt een walgelijken muskusreuk rondom zich. Het
-leeft van vruchten, wortels en insecten, klimt met behendigheid op de
-boomen, waarbij het zich van zijn grijpstaart bedient en vlucht zelden
-bij de nadering van den jager, die trouwens dit nutteloos wild
-versmaadt.
-
-De Encuerado herinnerde ons dat wij reeds twaalf dagen op marsch waren
-en dat het de eerste zondag van de Meimaand was. Wij zouden dien dag
-rustdag hebben gehouden, als onze ochtendjacht wat voordeeliger was
-geweest; maar als wij ons niet met enkele rijst wilden vergenoegen,
-moesten wij wel zorgen voor een vogel of een zoogdier in den pot.
-
-Daar begonnen _chibicoyos_ (kalkoenen) te schreeuwen; de Encuerado
-vertrok alleen in de aangewezen richting, want deze hoendervogels zijn
-moeielijk nabij te komen. In weerwil van ons roepen, volgde Gringalet
-den Indiaan op de hielen.
-
-Lucien klom op de rots, die over den poel hing, gaf mij een teeken om
-bij hem te komen en zeide toen zachtjes:
-
-»Zie eens, vader, wat daar een zonderling dier zit."
-
-Ik klom ook op de rots en vond op het rotsvlak een Mexicaanschen
-Cameleon, eene soort hagedis van ronden vorm, de bruine huid bezaaid
-met gele vlekken, die in het licht telkens veranderen. Lucien wilde het
-sierlijke kruipdier vangen, maar het gleed tusschen zijne beenen door en
-verdween, de lucht met zijn staart zweepende, onder de rots.
-
-De Mexicaansche Cameleon leeft alleen in de bosschen en te midden der
-rotsen. Hij houdt zich vooral gaarne op in eikenbosschen, waar de
-donkere kleur van zijn lichaam versmelt met die der doode bladeren,
-zoodat hij met goeden uitslag hinderlagen kan leggen aan de insecten,
-waarmede hij zich voedt. Sumichrast, wien het gelukt was een Cameleon
-tam te maken, vertelde ons, dat de keel van dit kruipdier op den dag wit
-was, maar des nachts eene donkere kleur aannam, dat het zich gaarne liet
-streelen en dat het zoo vertrouwelijk was geworden, dat het de vliegen,
-welke men het voorhield, uit de vingers aannam. De Indianen, die voor
-het levende dier bang zijn, dragen het gedroogde lichaam als een
-behoedmiddel tegen het kwade oog.
-
-Boven van onzen waarnemingspost zagen wij naar de fraaie vogels, die
-van tijd tot tijd de vlakte overtrokken, toen Sumichrast onverwacht
-een schot loste. Hij had een fraaien ekster gezien met een aschblauw
-lichaam, eene kuif op den kop en om wiens witte keel een band van
-zwart fluweel scheen te loopen, weshalve hij van de Indianen den naam
-van _Commandeur-vogel_ heeft gekregen. Lucien klom de rots af om den
-vogel op te rapen, toen een groote wouw op den ekster stortte, hem in
-zijne sterke klauwen pakte en er mee wegvloog. De schutter wilde den
-onbeschaamden strooper straffen, maar een valk, ter grootte eener vuist,
-vertoonde zich op zijne beurt, beschreef snel twee of drie kringen en
-liet zich toen op den wouw vallen. Deze ontweek den aanval en steeg
-hooger op, terwijl zijn tegenpartij een schreeuw van woede deed hooren
-en bijna op den grond terecht kwam. Maar zich opnieuw in schuine
-richting en met eene ongeloofelijke snelheid verheffende, kwam hij een
-tweede maal boven zijn vijand, wiens vlucht door den angst verflauwd
-werd, en stortte andermaal als een weerlicht op hem neer. Vleugels
-klapwiekten, eenige veeren vlogen in 't rond en de prooi viel in den val
-door den valk gevolgd. De wouw, overwonnen door een tegenstander, die
-vijfmaal kleiner was, beschreef groote kringen in de lucht en verdween.
-De overwinnaar, die op twintig passen van ons zat, met vurige oogen, den
-klauw op zijne prooi, prachtig in zijn toorn en zijne stoutmoedigheid,
-dreigde ons met zijn blikken. Sumichrast liet hem, als belooning voor
-zijn moed, zijne prooi over. De valk, over onze aanwezigheid niet zeer
-gerust, sloeg de klauwen, die voor zijne gestalte zeer groot waren, in
-zijne prooi, sloeg met de vleugels, verhief zich eerst met moeite, doch
-weldra met zekerder vlucht naar gelang hij hooger steeg, en bracht toen
-zijne buit achter de boomen in veiligheid.
-
-Lucien, die in de vlakte al de wisselingen van dit gevecht had
-aanschouwd, kwam weer bij ons.
-
-»Waarom heeft die groote vogel zich laten overwinnen door zulk een
-kleinen tegenstander?" vroeg hij Sumichrast.
-
---Omdat hij lafhartig is.
-
---Maar alle twee hadden hetzelfde gevederte en dezelfde vormen; ik dacht
-dat de laatst gekomene een jong van den anderen was.
-
---De laatst aangekomene is een valk en de andere een wouw. Zij behooren
-inderdaad tot dezelfde familie; maar de valk is de edelste en de
-moedigste, terwijl de wouw misschien de lafhartigste van alle roofvogels
-is. Men bediende zich vroeger van valken voor de jacht; want, zooals gij
-gezien hebt, vreest hij volstrekt niet om veel grootere tegenstanders
-aan te vallen.
-
-Bovendien leert hij gehoorzamen.
-
---Maar de arenden zijn toch sterker dan de valken?
-
---De arenden zijn roofvogels, die den goeden naam niet verdienen, welken
-de dichters getracht hebben hun te geven; alhoewel zij veel sterker
-zijn, betoonen zij veel minder moed dan de valken en vallen zij slechts
-dieren van geringe grootte aan.
-
---Maar de arend is toch wel de koning der vogels; hij kan de zon toch
-in 't gelaat zien.
-
---Ja, dank zij een vlies, dat over den oogappel kan getrokken worden.
-Bij alle volkeren vertegenwoordigt de arend het zinnebeeld van kracht en
-moed; dat neemt evenwel niet weg, dat de valk in veel hooger mate dan
-hij de laatste dezer eigenschappen bezit; voor de vogelkundigen is hij
-de koning der vogels. Zooals gij weet, verbeelden de Mexicanen op hunne
-vlag een arend, die op een cactus zittende, eene slang verslindt.
-
---Is dat ook als zinnebeeld van kracht en moed?
-
---Neen; toen de Asteken, die men meent, dat uit het Noorden van Amerika
-hun oorsprong hebben, in Mexico (dat toen den naam van Anahuac droeg)
-aankwamen, zwierven zij langen tijd rond, alvorens zich te vestigen.
-Eens ontdekten zij bij een meer eene cactus, die op een rots groeide,
-en op de cactus een arend. Door een orakel geleid, bouwden zij op die
-plaats eene stad, welke eerst den naam van Tenochtitlan[26] en later
-dien van Mexico droeg.
-
-[26] Steen en cactus.
-
-Mijne geschiedkundige les werd onderbroken door eene verwijderde
-losbranding. Sedert lang reeds zwegen de Chibicoyos, en wij verwachtten
-dat wij eenigen aan onzen reisgezel, die in zijne vervolging eenen
-grooten omweg had moeten maken, althans te oordeelen naar de richting
-waaruit zijn schot klonk, zouden zien verschijnen. Gelukkig maakte de
-gesteldheid van het terrein, dat hij onmogelijk kon verdwalen; maar al
-hadden wij ook vertrouwen in zijne kennis, toch vreesden wij voor zijn
-jachtijver.
-
-Wij bleven op de loer staan, hopende dat het toeval ons een of ander
-stuk wild zou toevoeren. Eensklaps bewoog het gras aan onze rechterhand
-en de golvingen verrieden de aanwezigheid van een kruipdier. Weldra
-zagen wij dan ook eene slang, die de Indianen, evenals weleer de
-Grieken, slang met twee koppen noemen, zich naar den poel begeven. De
-amphisbena[27], die anderhalf voet lang was, had een, aan het uiteinde
-opgezwollen staart, wat haar een vreemd uiterlijk en een zonderlinge
-beweging gaf. De met breede schubben bedekte huid had een blauwen
-weerschijn. Zij kroop langzaam voort en hield telkens stil, als om in
-den grond te pikken, maar in werkelijkheid om er de mieren en insecten
-op te slikken. Deze zonderlinge slang trok zeer de aandacht van Lucien
-en Sumichrast ried hem aan zijn geweer er op te lossen, ten einde haar
-van naderbij te kunnen beschouwen. Hij behoefde zijn raad geen twee maal
-te herhalen; de jeugdige jager, die reeds goed met zijn wapen begon
-om te gaan, legde aan; het schot viel en de slang verdween, omhoog
-springende, in het gras. Zij was geraakt en een ieder haastte zich de
-rots af te dalen, in de hoop haar dood te vinden. Ons zoeken leidde tot
-niets; het kruipdier had zich in een of ander gat verscholen, waaruit
-wij tevergeefs zouden getracht hebben het te verwijderen.
-
-[27] Amphisbena is de naam der wroetslangen, waartoe ook de
- dubbelkopslang behoort. Zij vormen den overgang tusschen de
- hagedissen enz. en de slangen; bij sommige soorten treft men nog
- zeer korte pooten aan. (N. v. d. V.)
-
-Daar vertoonde zich Gringalet, die weldra door den Encuerado gevolgd
-werd. Toen de Indiaan ons bemerkte, liet hij een verschrikkelijk hioe!
-hioe! hooren; zijn hoed vloog in de lucht en hij wierp een zwaar
-voorwerp dreunend op den grond neer en begon toen te dansen. Zijne
-zonderlinge bewegingen deden ons schateren van 't lachen en Lucien liep
-op den Indiaan toe, die nu zijn dansen veranderde in buitelingen, op het
-gras den kunstenmaker vertoonende.
-
-»Een kalkoen!" riep hij ons toe.
-
-De zware vogel met goudgroen gevederte ging van hand tot hand.
-
-»Oh, Chanito! riep de Indiaan uit, als gij met mij meê waart gegaan,
-zoudt gij er een ganschen troep van gezien hebben! Ik had die leelijke
-chibicoyos vervolgd zonder ze zelfs te zien en ik was aan den voet
-van een boom gaan rusten, toen Gringalet de ooren opstak, naar den
-anderen kant van den berg liep en begon te blaffen, alsof hij een
-tweede stekelvarken zag. Ik ging op mijne beurt naar omlaag en daar
-weerklonken van alle kanten _gloe-gloes_; baas Gringalet was midden in
-eene raadsvergadering van kalkoenen gevallen."
-
---Eene raadsvergadering van kalkoenen? herhaalde Lucien.
-
---Ja, Chanito, de kalkoenen houden ook raad; zij reizen gewoonlijk bij
-troepen en te voet, ofschoon zij zeer goed kunnen vliegen om eene rivier
-over te trekken of te vluchten. Als nu een hunner aan de anderen een
-bericht wil mededeelen, laat hij een schreeuw hooren en zijne makkers
-vormen een kring om hem.
-
---En dan?
-
---De predikant, hervatte de Encuerado zonder de minste oneerbiedige
-bedoeling, buigt den hals, richt dien weder op, steekt de veeren van
-zijn bef op en spreidt de pennen van zijn staart als een waaier uit;
-daarna begint hij tot de vergadering te spreken, die de vleugels opent,
-een rad slaat en met goedkeurende _gloe-gloes_ antwoordt.
-
-De Indiaan, door het vuur van zijn verhaal medegesleept, voegde de
-gebaren bij de woorden, draaide in de rondte, boog zijn armen rond en
-bracht zijn kin op de borst om de beweging van de vogels, die hij
-beschreef, na te bootsen.
-
-»Maar wat zeggen zij dan?" vroeg Lucien slim.
-
---Dat hangt er van af, hernam de Indiaan, aan zijn voorhoofd
-krabbelende. De troep, door Gringalet verrast, heeft zeker gezegd:
-Wat is dat voor een dier?--Een hond, zal de geleerdste geantwoord
-hebben.--Vrienden, laat ons de vlucht nemen. De honden zijn altijd
-vergezeld van menschen, en de menschen van geweren.--Een geweer! Wat is
-dat voor een ding?--Een ding, dat _poem_ doet! en de kalkoenen doodt.
-Daarop kwam Gringalet; dat was een dringen en een vluchten en een
-wegbergen; maar de Encuerado heeft den tijd gehad om _poem!_ te doen
-en dien mooien _totole_ te dooden.
-
-Men behoeft niet te vragen of dit verhaal onze vroolijkheid gaande
-maakte. Terwijl wij naar het bivak terugkeerden, vertelde Sumichrast
-aan Lucien, dat de kalkoen uit Amerika voortkomt, dat de Jezuïeten
-hem naar Europa overbrachten, waar hij goed gedijde. In den tammen
-staat is het gevederte van den kalkoen veel van kleur veranderd; het
-is rood, wit, grijs en zwart geworden. Maar wat hij niet verloren
-heeft, is zijne gewoonte om in troepen te gaan en zijn vormloos nest
-in de struiken te maken, dat de jongen den tweeden dag nadat zij
-uitgekomen zijn, verlaten. Eindelijk wordt de Asteeksche naam van den
-kalkoen--totole--door de Indianen toegepast op domme en laffe menschen.
-
-Lucien vertelde op zijne beurt aan den Encuerado de geschiedenis van den
-ekster en van de slang.
-
-»Hebt gij een maquizcoatl, een slang met twee koppen, gedood!" riep de
-Indiaan uit.
-
---Ik heb haar hoogstens gewond, daar zij ontsnapt is; maar zij had
-slechts één kop.
-
---Dan hebt gij haar niet goed aangezien; ik ben er zeker van, dat zij
-zich niet heeft behoeven om te keeren om te vluchten.
-
---Ik heb haar omhoog zien springen, dat is al.
-
---Hebt gij wel onder de steenen gezocht? Laat ons terugkeeren; de huid
-van de maquizcoatl geeft den blinden het gezicht weer. Waarom hebt gij
-haar laten ontsnappen?
-
---Wij zullen er wel eene andere vinden.
-
---Men vindt ze niet als men wil,--zij zijn zeldzaam, hernam de Indiaan,
-het hoofd schuddende.
-
-En terwijl de kalkoen voor het vuur braadde, ging de Encuerado door
-Lucien vergezeld, het gat van de tweekopslang opzoeken.
-
-
-
-
-XIV.
-
-EEN VUURBOL.--DE LANTAARNS VAN ONZEN-LIEVEN-HEER.--HET STINKDIER.--DE
-JALAPPE.--EENE LUCHTREIS.--DE ORCHIDEEËN.--BIVAK BIJ DEN INGANG VAN EENE
-GROT.--GRINGALET EN DE KEVERS.--EEN TERMIETENNEST.
-
-
-De zon verliet ons weldra en wij bleven bij het vuur zitten praten.
-Eindelijk nam de Encuerado Lucien mede naar de rots en hief daar een der
-bijna niet eindigende lofzangen aan, waarvan zijn geheugen ruim voorzien
-was. Ons vuur verlichtte den grooten steen met zijn rood schijnsel; men
-zou het voor een reusachtig voetstuk gehouden hebben, met twee bronzen
-beelden er op. Een reiziger, die onverwacht de vallei zou binnengekomen
-zijn, ware voor deze spookachtige verschijning teruggedeinsd; indien een
-of ander roofdier in den omtrek ronddoolde, zouden onze reusachtige
-schaduwen voldoende geweest zijn, om het op de vlucht te drijven.
-
-Wij dachten er reeds aan om Lucien terug te roepen, ten einde ons onder
-de hut ter ruste te begeven, toen de Encuerado ons riep. Naar den kant
-van het Oosten, boven den top der bergen, schitterde eene groote
-lichtende schijf. De maan was ternauwernood in haar eerste kwartier en
-bovendien scheen de bol, die den vorm eener ellips aannam, zich voort te
-bewegen. Werkelijk daalde zij langzaam langs de boschachtige bergruggen.
-Lucien en de Encuerado overlaadden ons met vragen, waarop wij niet
-wisten te antwoorden. De roode ellips, die geen stralen vertoonde, nam
-hare richting naar ons toe.
-
-»Wat is dat?" riep Sumichrast uit.
-
---»Een vuurbol!" riep ik uit, door eene plotselinge gedachte getroffen.
-
---Als ik mijn geweer had, zou ik er op goed geluk af op schieten, sprak
-de Encuerado en wilde schielijk zijn wapen krijgen.
-
-»Blijf hier," sprak ik; »die bol bevat misschien den bliksem, en men
-moet dien niet nutteloos naar zich toe trekken." Op hetzelfde oogenblik
-ging de meteoor ons voorbij; wij hadden ons met het gelaat op den grond
-geworpen, daar wij het onbekende vreesden. Toen ik het waagde op te
-staan, was hij reeds ver weg, maar scheen toch onbeweeglijk te zijn. Uit
-zijn middenpunt schoten onophoudelijk in beweging zijnde stralen; het
-licht, dat van binnen wit was, nam aan de randen eerst gele, dan roode
-en eindelijk blauwe tinten aan. Een bliksemstraal van eene buitengewone
-sterkte verblindde ons eensklaps; eene verschrikkelijke ontploffing,
-door alle echo's herhaald, maakte ons bijna doof; daarna verviel alles
-weer in stilte en in duisternis.
-
-Terwijl wij naar het bivak terugkeerden, bestormden Lucien en de
-Encuerado ons met vragen.
-
-»Wat zijn toch vuurbollen?" vroeg de knaap.
-
---Volgens het zeggen der geleerden, antwoordde Sumichrast, zijn het
-brokstukken van planeten, die in de ruimte dwalen en die, onverwacht in
-ons planetenstelsel getrokken, aan de aantrekkingskracht onzer aarde
-gehoorzamen en krachtens de wet der zwaartekracht op hare oppervlakte
-neervallen.
-
---Maar waaruit bestaan zij dan?
-
---Gewoonlijk uit zwavel, chroom en ijzer. Het verschijnsel der vallende
-sterren staat in nauw verband met dat der vuurbollen en de neergeworpen
-brokstukken heeten aëroliden.
-
---Wilt gij ons wijsmaken, dat er steenen van den hemel regenen? vroeg de
-Encuerado.
-
---Zeker, en als ik mij niet vergis heeft men in uw land de grootste
-bekende aërolide gevonden, want zij weegt niet minder dan vijfduizend
-kilo's. Morgen zullen wij gaan zoeken naar die, welke aan het einde der
-vallei moet neergevallen zijn.
-
---Geven die steenen dan licht? hernam de Indiaan.
-
---Neen, maar door de snelheid van den val ontbranden zij.
-
---En vanwaar kwam de vuurbol, die langs ons heenging?
-
---Van de maan, van de sterren, misschien wel van de zon.
-
-De Encuerado kneep zijne oogen half dicht en begon te lachen, om hetgeen
-hij dacht dat eene scherts was. Hij lachte zelfs zoo hartelijk, dat
-zijne vroolijkheid zich aan ons mededeelde.
-
-»Wat denkt gij dan, dat de zon en de maan zijn?" vroeg Lucien hem.
-
---De lantaarns van Onzen-lieven-Heer, antwoordde de Indiaan vol ernst.
-
-Gewoon aan de kinderlijke onwetendheid van zijn vriend, maar die altijd
-willende bestrijden, trachtte onze kleine reismakker hem ons
-planetenstelsel duidelijk te maken. De grootte, die hij de sterren
-toeschreef, vermaakte den Indiaan zeer. Toen eindelijk de jonge
-sterrenkundige meende de overwinning te hebben behaald, omhelsde zijn
-tegenspreker hem en zeide:
-
-»Uw vertelseltje is heel mooi! Och, wat zou ik 'n plezier hebben, als ik
-al die fraaie geschiedenissen in de boeken kon lezen."
-
---Dàt 'n vertelseltje! riep Lucien verontwaardigd uit.
-
---Drommels, wat anders. Te willen beweren, dat de aarde een bol is, die
-rondwandelt, en dat er sterren zijn, grooter dan zij! Ik heb meer dan
-één nacht doorgebracht met er naar te kijken, en het zijn wel degelijk
-lantaarns, hoor!
-
---Maar als gij ze dan hebt gadegeslagen, viel Sumichrast hem in de rede,
-dan moet ge ook opgemerkt hebben, dat zij van plaats veranderen.
-
---Omdat de Engelen niet altijd dezelfde aansteken en omdat de goede God
-rijk genoeg is...
-
---Kom, laat ons gaan slapen, riep ik uit, om een einde te maken aan eene
-woordenwisseling, die ik bij ondervinding wist, dat slechts op eene
-nederlaag van Sumichrast en Lucien kon uitloopen.
-
-Den volgenden morgen was mijn eerste werk mijne metgezellen meê te nemen
-om naar den vuurbol te zoeken. De vuurbol was bijna over ons heengegaan
-en ik geloofde zeker er de brokstukken van te zullen vinden. Na een uur
-van nutteloos ronddolen, moest ik wel aannemen, dat onze oogen zich in
-den afstand vergist hadden. De Encuerado liet wel eenige ongeloovige
-lachjes hooren, bij het vernemen van mijne gissingen en die van
-Sumichrast, maar hij was edelmoedig genoeg om geen misbruik te maken
-van de meerdere sterrenkundige wetenschap, die hij meende te bezitten.
-
-Toen het uur van het vertrek was aangebroken, trok ik opnieuw de vallei
-door en daarna den berg beklimmende, voerde ik mijne makkers op een
-bergvlak.
-
-Ik volgde zooveel mogelijk den vermeenden weg van den vuurbol. Reeds
-drong de Encuerado het bosch binnen, toen Sumichrast aan zijne
-rechterhand een afgebroken boom bemerkte. Ik snelde de helling af,
-en weldra bevond ik dat de grond op eene uitgestrektheid van twintig
-meter bezaaid was met zwarte of groene opgezwollen steenen, waarvan
-verscheidene op ijzersintels geleken.
-
-Ongetwijfeld had de getroffen boom de uitbarsting van den meteoor
-veroorzaakt en was onder den schok bezweken.
-
-»Dat zijn de stukken van een lantaarn," zeide Lucien tot den Encuerado,
-die een grooten steen met metaalachtigen glans had opgeraapt.
-
-De Indiaan schudde het hoofd zonder te antwoorden. Die omgeworpen boom,
-die zwartgebrande stam, dat verdorde en als 't ware verbrande gras,
-die steenen, zoo vreemd van uiterlijk, wierpen klaarblijkelijk zijne
-theorieën omver. Ieder onzer vermeerderde zijne vracht met een aërolide
-en daarop het bergvlak weer bereikende, trokken wij het bosch in.
-
-Een geweerschot van Sumichrast maakte dezen voor den geheelen dag
-gelukkig; hij had een kruisbek van groenachtige kleur, in Europa nog
-onbekend, geschoten.
-
-»Wat een vreemde vogel! riep Lucien uit. Hoe kan hij met zulk een
-scheeven bek eten?"
-
---Zijn bek, antwoordde Sumichrast lachende, is geschikt voor zijn soort
-van voedsel. Deze kruisbek, dien wij hier bij toeval aantreffen--want
-men vindt hem gewoonlijk slechts op den top der bergen--voedt zich
-met wortels, bladknoppen en dennezaden. Met zijne twee sterke, en
-zoo zonderling geplaatste kaken, knijpt hij, als met eene schaar, de
-uiteinden der takjes af, die een vogel met spitsen bek nauwelijks zou
-kunnen beschadigen.
-
---God denkt aan alles, mompelde de Encuerado, die de huid van den vogel
-hielp bereiden; ik heb altijd gedacht dat die arme dieren verminkt
-waren.
-
-Tegen den middag voerde de weg ons bij toeval diep in eene nauwe vallei,
-te midden van eene menigte heesters, die ons uitnoodigden daar ons bivak
-op te slaan. In een oogwenk was de grond van takken gezuiverd en de hut
-opgericht. Nauwelijks waren wij gezeten om wat adem te scheppen, of een
-licht geruisch in het kreupelhout trok onze aandacht; een dier met
-gepluimden staart sprong van een heester. Gringalet ging er op los, maar
-een verpestende stank deed hem terugdeinzen en ons bijna stikken. Een
-Zorilla[28], wiens vormen en kleur aan de eekhoorns herinneren, had de
-lucht van ons bivak vergiftigd.
-
-[28] _Surilho_ of stinkdier.
-
-Er bleef ons niets anders over dan te vertrekken, want de stank zou
-deze plaats verscheidene dagen onbewoonbaar maken. De Encuerado kon
-geen scheldwoorden genoeg vinden, om ze het dier naar den kop te
-werpen; eigenlijk had dit niet anders gedaan dan gebruik gemaakt van de
-verdedigingsmiddelen, waarmede de natuur het begiftigd heeft. Iedereen
-nam zijne vracht droevig op, niet zonder een teleurgestelden blik op
-de hut te hebben geworpen. Sumichrast opende den marsch en bleef niet
-staan, voor hij uitgeput aan den ingang van een grot was gekomen.
-
-Nog geheel onpasselijk door den stank, dien de Zorilla had verspreid en
-ons niet andermaal aan een soortgelijk ongeval willende blootstellen,
-was onze eerste zorg, alvorens de hut op te richten, om de struiken en
-heesters goed te doorzoeken.
-
-Eenige vogels, die wij onderweg gedood hadden, bespaarden ons de moeite
-eener verdere jacht, iedereen begon zich derhalve met zijne kleerkast
-bezig te houden. Vooral onze schoenen riepen hard om hulp. Sumichrast
-wierp zich op als meester-schoenlapper. Ik zag niet zonder eenige vrees,
-hoe hij met onervaren hand in het reserve stuk leer, dat wij bezaten,
-ging snijden. De sandalen van den Encuerado gaven hem op ons veel voor,
-hij had slechts een zool en een riem noodig om een schoeisel voor zijn
-voet te vinden. Ongelukkigerwijze gaf de gevoeligheid van onze huid meer
-dan eens aan Sumichrast reden, om zich te beklagen, dat hij niet als
-Indiaan geboren was.
-
-De altijd vindingrijke Encuerado vond evenwel het middel om op oude
-zolen stukken van de vossehuid te lappen en voor Lucien een paar
-laarsjes te maken, die even sterk als weinig sierlijk waren. Hij
-beloofde er voor ons ook zulke te zullen maken, en Sumichrast, die zich
-tamelijk wel van zijn lapwerk gekweten had, benoemde hem tot den gewonen
-en buitengewonen sandaalmaker van onze Majesteiten.
-
-Den volgenden morgen drongen wij met het aanbreken van den dag eene
-nauwe bergkloof in, waar wij onmogelijk naast elkander konden gaan. Den
-ganschen ochtend liepen wij tusschen twee muren, met mos, varens en
-orchideeën begroeid. De vochtige bodem onderhield rondom ons eene zeer
-aangename frischheid, maar de doortocht, door omgeworpen boomstammen
-versperd, maakte den marsch zeer moeielijk.
-
-De kloof liep zoo lang voort, dat ik werkelijk bevreesd begon te worden,
-en ik vroeg mijzelven af, of wij niet in een doodloopenden weg waren.
-De loodrechte wanden maakten de minste afwijking onmogelijk; boven ons
-kruisten de takken der boomen zich en verborgen zij de lucht. Geen
-enkele vogel vervroolijkte door zijn gezang deze eenzaamheid en de
-varenplanten werden zoo talrijk, dat men gemeend zou hebben in een
-hoekje van de oorspronkelijke wereld te zijn; om de vergelijking nog
-meer te rechtvaardigen, zagen wij bij onze nadering talrijke kruipdieren
-vluchten, die ons tot de grootste omzichtigheid aanspoorden.
-
-Met zijn machete in de hand klom Lucien met de meeste behendigheid
-op de omgevallen stammen, die ons den weg versperden. Weldra zakten
-onze voeten in een vloeibaar slijk en ik ontdekte een dun straaltje
-kristalhelder water, dat tusschen twee rotsen doorzijpelde. De kloof
-werd nog nauwer; als zich op dit oogenblik een wild dier vertoond had,
-zouden wij hem den doortocht hebben moeten betwisten. Eene soortgelijke
-ontmoeting behoorde niet tot de onmogelijkheden en tot zijn grooten
-spijt moest Lucien naar de achterhoede gaan. De ruimte werd een weinig
-breeder, het terrein werd meer open en de kleine kolonne kou sneller
-vooruitkomen. Wij liepen zwijgend tusschen deze granieten muren, van een
-streng en indrukwekkend uiterlijk voort, in de hoop dat zij eensklaps
-wijder zouden worden en op eene vlakte konden uitkomen. Bij elke schrede
-stelde eene nieuwe bocht onze verwachting te leur en als ooit een
-doorgang den naam van Duivelskloof verdiende, dan was het wel de
-eindelooze spleet, die wij zoo langen tijd reeds volgden. Bij alle
-hoogten dreigden overhangende rotsen neer te storten, meer dan een vulde
-zelfs het nauwe pad. Eindelijk liet eene laatste bocht ons eene lichting
-zien; maar onze vreugde was van korten duur; een loodrechte afgrond
-gaapte voor onze voeten.
-
-Wij keken elkander onthutst aan; wij waren gevangen! Links en rechts een
-muur van meer dan honderd voet hoog en onmogelijk over te komen; voor
-ons een afgrond met loodrechte wanden. Wat te doen? Sumichrast ontstak
-de raadspijp, terwijl de Encuerado, zich aan de rotsen vastklampende,
-den afgrond met de oogen peilde.
-
-Wij zaten bij een slingerplant met dunne takken, koordvormige, rood
-gekleurde bladeren, die hier en daar eene violetblauwe bloemkelk
-verborgen. Ik herkende de plant, die de jalappe voortbrengt en door de
-Indianen _talonpable_ genoemd wordt. Ik deed haar Lucien opmerken, die
-weldra twee of drie peervormige wortels uitgegraven had. De jalappe, die
-haar naam aan de stad Jalappe, van waar men haar vroeger naar Vera-Cruz
-uitvoerde, ontleend heeft, groeit in 't wild op alle bergen van het
-Gematigde Land. Ongelukkigerwijze verwoesten de Indianen de plant, door
-alle knollen uit te graven, en het tijdstip is niet ver meer verwijderd
-waarop dit, in Europa zoo veelvuldig gebruikt purgeermiddel, geheel
-ontbreken zal, zooals gebeurd is met den Kinaboom, dien men vernietigd
-heeft, zonder aan de toekomst te denken.
-
-Ik naderde den afgrond en bemerkte den Encuerado, die, meer dan twintig
-voet beneden mij, met de vlugheid van een aap over den gladden bodem
-kroop. Ik beval hem bij ons te komen; maar hij kon niet terug en bleef
-onbeweeglijk in eene vrij hachelijke stelling. Sumichrast haastte
-zich een lazo te brengen, dien ik onzen koenen reisgezel toewierp; maar
-in plaats van naar boven te klimmen, liet hij zich vier of vijf voet
-lager glijden en ging schrijlings op den stam van een boom zitten, die
-schuins gegroeid was en riep ons toe den lazo los te laten. Na den lazo
-om een sterken tak geknoopt te hebben, verdween hij.
-
-[Illustratie: Toen liet Sumichrast zich tot den boom afglijden. (blz.
- 127).]
-
-Spoedig vertoonde hij zich weer, ging opnieuw op den boomstam zitten,
-om welken hij den lazo gerold had en berichtte ons, dat wij onze
-nederdaling zonder veel gevaar ten uitvoer konden brengen. Sumichrast
-maakte een tweeden lazo gereed.
-
-»Hoe zullen wij hem vastmaken? vroeg Lucien. Er zijn geen dikke takken
-op den rand."
-
---De riem is lang en ik zie daar een heester met vrij stevige takken.
-
---Maar dan is de lazo verloren, niemand zal naar boven kunnen klimmen om
-hem los te maken.
-
---Drommels! drommels! herhaalde Sumichrast verscheidene malen, meester
-Zonnestraal heeft gelijk.
-
-En ieder onzer trachtte de moeielijkheid op te lossen, door meer of
-minder uitvoerbare middelen voor te stellen.
-
-»Ik heb het gevonden!" riep ik met minstens evenveel voldoening uit,
-als Archimedes, toen hij uit het bad kwam. Mijn machete nemende, maakte
-ik twee palen van gemiddelde dikte, die ik dicht bij elkander, op drie
-pas van den afgrond in den bodem stak. Terwijl Sumichrast met een
-geïmproviseerd heiblok dit werk nog meer bevestigde, kapte ik een tak
-van ongeveer een voet lengte af, in 't midden waarvan ik den lazo stevig
-vastknoopte en dien ik dwars achter mijne palen plaatste. Ik berekende
-dat, als wij eenmaal de plaats zouden bereikt hebben, waar zich de
-Encuerado bevond, het voldoende zou zijn aan den lazo eene sterk
-golvende beweging te geven, om den tak los te maken. Toen deze
-voorbereidselen afgeloopen waren, ging de mars zich bij hem, die haar
-gewoonlijk droeg, vervoegen. Toen liet Sumichrast, de zwaarste onder
-ons, zich tot den zoo gelukkig geplaatsten boom afglijden. De palen
-gaven slechts eenige strepen mee. Zijne nederdaling voortzettende,
-verdween mijn makker spoedig onder den Indiaan; daarna kwam de beurt aan
-onzen voorraad, die dit tweede gedeelte van de reis er goed afbracht.
-
-Het ongeduld van Lucien was buitengewoon groot; deze luchtreis bekoorde
-hem.
-
-»Nu uwe beurt," sprak ik, zoodra ik den riem weer had opgehaald.
-
---Wilt u me vastbinden? vroeg hij geheel teleurgesteld.
-
---Hoe denkt gij dan naar beneden te komen?
-
---Door mij aan den lazo vast te houden, zooals de Encuerado en mijnheer
-Sumichrast.
-
---Uw vuisten zijn daar nog niet sterk genoeg voor, er valt niet aan te
-denken, ik wil mij niet aan 't gevaar blootstellen u in den afgrond te
-zien vallen.
-
---Och, vadertje, laat mij het beproeven.
-
---Volstrekt niet, want als de proefneming mislukte, zoudt gij niet meer
-in de gelegenheid zijn haar te hernieuwen.
-
-Lucien liet zich, niet zonder een weinig spijtigheid te betoonen,
-vastbinden, terwijl zijn verbaasde hond om hem stond te blaffen.
-
-»Geduld maar! Geduld maar! sprak ik tot hem; je beurt zal ook wel komen,
-dan zal je zoo blij niet zijn."
-
-De riem gleed langzaam af en weldra was de knaap tusschen de takken van
-den boom. Daar bond de Encuerado hem met dezelfde zorgvuldigheid en niet
-minder stevige knoopen, opnieuw vast. Over den afgrond gebogen, hoorde
-ik Sumichrast den Encuerado bevelen den riem met meer of minder snelheid
-te laten vieren. Toen ik zag dat hij behouden was aangekomen, gevoelde
-ik mij van eene groote zorg bevrijd; ik begon Gringalet, die niet
-ophield met janken, sedert zijn meester verdwenen was, vast te binden.
-
-Niettegenstaande zijn angst liet ik den hond in de lucht bengelen; hij
-spartelde, huilde, en ontsnapte bijna aan de handen van den Encuerado,
-die hem, terwijl hij hem lager liet zakken, het nuttelooze van zijn
-geschreeuw en het gevaarlijke van zijn spartelen onder 't oog bracht. Na
-de palen en den dwarsstok nog eens goed onderzocht en mij overtuigd te
-hebben dat niets vergeten was, gleed ik op mijne beurt naar beneden. Ik
-schudde daarop den riem, dien ik gelukkig los kreeg. Onder mij bemerkte
-ik Sumichrast en Lucien, op een nauwen voorsprong zittende, welke langs
-eene rotsachtige helling naar den voet van den berg voerde. Ik vervoegde
-mij bij hen, door den Encuerado gevolgd.
-
-Wij hadden het dwarshout tusschen twee stevige takken bevestigd; ditmaal
-schudde ik lang aan den riem zonder dien los te kunnen krijgen. Mijne
-nuttelooze pogingen moede, wilde ik het reeds opgeven, toen het stuk
-hout eensklaps meegaf en mij bijna dood had geslagen. Sumichrast en
-Lucien waren vooruitgegaan.
-
-De marsch werd bezwaarlijk, en het was niet altijd gemakkelijk om
-op die, nu eens gladde, dan weer hobbelige rotsen zijn evenwicht te
-bewaren. Wij liepen tusschen twee heggen van Orchideeën door, eene soort
-vetplanten, waarvan Mexico duizenden soorten bezit; bijna bij elke
-schrede staan blijvende om de eene of andere van deze fraaie planten
-te bewonderen, die zoo zonderling van vorm zijn en zulke schitterende
-bloemen hebben, gewoonlijk echter zonder geur. De Encuerado wees
-ons verscheidene planten van de lynx-bloem, die door de Indianen
-»slangenbloem" wordt genoemd, en wier vijf, met gele punten bezaaide
-bloembladen, met rose, violet en wit gemarmerd zijn. Iets verder
-herinnerde eene andere bloem, de _oceloxochitl_, tijgerbloem, door hare
-kleur aan de huid van het dier, waar de Indianen haar den naam van
-hebben gegeven. Hier en daar eene bloem plukkende, was Lucien weldra in
-'t bezit van een ruiker, zooals de rijkste plantenkassen er hem geen
-zouden hebben kunnen leveren; hij zou den naam van al die fraaie planten
-wel hebben willen kennen, maar hij moest zich nu tevreden stellen met
-te vernemen, dat, met uitzondering van de vanielje en de Orchidee, die
-haar naam aan de geheele familie heeft gegeven, en wier gedroogde
-knollen onder den naam van _salep_ bekend zijn, geene enkele van het
-schitterende legioen der Orchideeën, iets voor de kunsten noch voor de
-nijverheid oplevert.
-
-Wij hadden den voet van den berg bereikt: reeds groeiden eenige struiken
-om ons, toen eene onmetelijke rotsmassa ons tot een omweg dwong.
-
-Ik ging voorop en een onvrijwillig uitglijden bracht mij voor den ingang
-van eene grot. Op mijn geroep ijlden mijne makkers naar mij toe; ik deed
-twee of drie schreden onder het gewelf, onder welks beschutting wij den
-nacht besloten door te brengen.
-
-Terwijl ik, door Lucien geholpen, hout verzamelde, ruimde de Encuerado
-den grond op en hakte Sumichrast een paar struiken om, die ons het
-vrije uitzicht belemmerden. Ik beval den Indiaan het vuur aan te maken,
-waarvan de rook ons zou helpen den ingang van de grot te vinden; daarna
-moest men er op uit om voor het maal te zorgen.
-
-Toen ik in de vlakte was gekomen, kon ik beter oordeelen over
-het kunststuk, dat wij volbracht hadden. Tot op de hoogte der grot
-ongeveer, struiken en kreupelhout; hooger op de Orchideeën, wier
-levendig gekleurde bloemen en opaalgroene bladeren, sterk op de zwart
-en grijs getinte rotsen afstaken; hooger nog een rechte, gladde,
-onoverkoombare muur, daarna de kloof waardoor wij gekomen waren.
-Sumichrast voerde ons door het struikgewas naar de bosschen, waar de met
-welriekende bloemen bedekte broodboomen verkondigden, dat wij het Warme
-Land en een anderen plantengroei naderden. Weldra verhief een groote
-magonie-boom--_swietenia mahogoni_--met talrijke twijgen en donkergroene
-bladeren, zich voor onze oogen; een weinig verder versmoorde een
-omgevallen wolboom vijf of zes struiken. De wolboom--_eriodendron
-anfractuosum_--door de Indianen _pochotl_ geheeten, is een der grootste
-bekende boomen; de peulvormige vruchten bevatten een zijdeachtig dons,
-dat de zonderlinge eigenschap bezit van in de zon op te zwellen.
-
-Ik was juist bezig Lucien op deze bijzonderheid opmerkzaam te
-maken, toen een vreeselijk gegons zich deed hooren. Een honderdtal
-Hercules-kevers, die uit een struik waren opgevlogen, kwamen met kracht
-tegen de takken van den boom terecht. Een er van viel ons voor de
-voeten. Lucien wilde hem tegen den grond houden, maar het dier worstelde
-zich los en vervolgde zijn weg.
-
---Och! riep de knaap uit, die kever is sterker dan ik.
-
---Hij draagt ook niet voor niets den naam van _Hercules_, antwoordde
-Sumichrast lachende. Zoo als gij ondervindt is zijne kracht even
-opmerkenswaardig als zijne grootte. 't Is een inwoner van Brazilië, dien
-men slechts nu en dan eens in Mexico aantreft.
-
---En reist hij altijd in troepen?
-
---Neen, het geval is zelfs zeldzaam genoeg, om er aanteekening van te
-houden.
-
---'t Is of ik een reuk van snuif in den neus krijg, sprak Lucien,
-niezende.
-
---Drommels! Drommels! 't Zijn de kevers, welke dien van zich geven,
-hernam Sumichrast. Dat is nog eene bijzonderheid, die ik aanteekenen
-moet.
-
---Zie eens, Papa! hoe ze aan elkander gaan hangen en zoo een grooten
-tros vormen. Bijten zij niet met die groote kaken?
-
---Wat gij voor hunne kaken aanziet, zijn hunne horens, maar de
-plaatsing er van verontschuldigt uwe vergissing. Merk wel op, dat het
-bovengedeelte van het lichaam van het insect zwart en glanzend is,
-terwijl de dekschilden van een grijsachtig groen en met donkere puntjes
-gestippeld zijn.
-
---Daar is er een, die geen horens heeft.
-
---Dat is een wijfje, hetwelk een plaatsje opzoekt, waar het haar eieren
-kan leggen!
-
-Wij sloegen met veel nieuwsgierigheid het gaan en komen der kolonie
-gade, die door onze tegenwoordigheid volstrekt niet beangst scheen, toen
-Gringalet, die ook aan 't niezen geraakte, eensklaps klagend begon te
-janken. De Encuerado had hem drie of vier kevers op den rug gezet, die
-hunne, met dubbele haken gewapende pooten, in de huid van hun rijdier
-sloegen. De Indiaan, zelf verbaasd over het gevolg zijner proefneming,
-haastte zich den armen hond, die zich over den grond rolde, ter hulp te
-komen; hij kreeg hem te pakken, maar had veel moeite om hem van zijne
-lastige ruiters te bevrijden. Een hunner klampte zich zelfs aan de hand
-van den grappenmaker vast, wiens vreemde gezichten ons zeer vermaakten.
-Als hij een poot van het insect losmaakte, vond dit altijd gelegenheid
-om zich met een anderen, het had er zes, vast te haken. Boos, omdat hij
-met zulk een tegenstander moest worstelen, trok de Encuerado met een ruk
-het dier los, zoodat het bloed uit zijne koperkleurige hand parelde.
-Altijd tot wraakneming bereid, dreigde hij den geheelen troep te
-vernietigen; maar terwijl ik over zijn booze luim lachte, belette ik
-hem toch zulk een nutteloozen moord te begaan.
-
-»Ziet me die mooie heeren eens aan, riep hij uit. Omdat men zegt dat
-het Herculessen zijn, meenen zij de vingers van hun evennaaste te mogen
-verscheuren? Lummels, wier neus langer dan hun lichaam is, en die
-Gringalet met blaffen op de vlucht kan krijgen!
-
---Pak ze, pak ze dan!" riep hij den hond toe.
-
-Maar deze vluchtte met hangenden staart en de ooren in den nek, in
-plaats van aan te vallen, en ik merkte dat van dien dag af, het
-geringste gegons van een insect voldoende was, om hem onrustig te maken.
-
-Sumichrast, die een der kevers had gegrepen, bedekte dezen met een
-steen, die, beider verhouding in aanmerking genomen, hem had moeten
-verpletteren; maar de Hercules op zes pooten sleepte, tot groote
-verwondering van Lucien, zijne vracht bijna zonder inspanning voort.
-Weldra hernamen de kevers een voor een hunne vlucht, en kwamen zij om
-ons zweven. Wij moesten nog eens terugwijken, uit vrees dat een,
-misschien, zijn buitengewoon lange horens in onze oogen zou steken.
-
-Gringalet nam den terugtocht aan. Lucien ging zitten, om op zijn
-gemak te kunnen lachen, want de Encuerado had, in plaats van zich te
-verwijderen, zijne machete getrokken, nam eene uitdagende houding aan,
-en zijne vijanden uitscheldende, als een held uit Homerus, daagde hij ze
-uit om hem te naderen.
-
-Eindelijk ging de weer vereenigde troep aan het uiteinde van een tak van
-den wolboom hangen, voor welken boom de Hercules-kever eene bijzondere
-voorkeur schijnt te hebben.
-
-Wij hadden onzen maaltijd geheel vergeten; wij gingen dus, ieder een
-kant uit, op de jacht. Ik ging, door Lucien en Gringalet gevolgd,
-langs den zoom van het woud. Zoo liepen wij ongeveer een uur, zonder
-iets gevonden te hebben, toen vier patrijzen met aschkleurigen buik,
-bruingele vleugels en een kuifje op den kop, op vijftig pas afstand van
-ons opvlogen, om een weinig verder neer te strijken.
-
-Toen zij goed onder schot waren, beval ik Lucien terzelfder tijd als ik
-te schieten en twee dezer vogels, die de geleerden Sonini-patrijzen
-noemen, kwamen in ons bezit. Deze fraaie hoendervogels worden zelden in
-Mexico aangetroffen, althans in dat gedeelte waar wij ons bevonden.
-
-Ik sloeg den weg naar het bivak in, dezen keer het woud binnen
-dringende.
-
-»Oh! Papa, wat eene groote spons!" riep Lucien eensklaps uit.
-
-Eene vormelooze, poreuse, geelachtige massa verhief zich aan onze
-rechterhand, drie of vier voet boven den grond. Ik herkende het nest van
-den termiet, dien de Mexicanen _Comejen_ noemen.
-
-»Dat is een nest van witte mieren," zeide ik tot Lucien; »het zijn
-insecten van de orde der adervleugeligen en verwanten van de
-waterjuffers."
-
---Maar waar zijn ze dan?
-
---Dat zal ik u laten zien.
-
-Ik schopte met den voet tegen de sponsachtige massa, en oogenblikkelijk
-kwamen er eene menigte insecten uit, die zeer op mieren geleken en naar
-alle kanten rondliepen, als om de oorzaak te zoeken van het geraas, dat
-hen gestoord had. Lucien wilde ze meer van nabij bezichtigen.
-
-»Pas op, de termieten, die gij nu ziet, zijn slechts weerlooze
-arbeidsters; maar spoedig zullen de soldaten verschijnen, en als dezen
-bij u kunnen komen, zullen ze u tot bloedens toe bijten.
-
-Lucien keek mij eens aan, denkende dat ik schertste.
-
-»Ik spreek in allen ernst, haastte ik mij er bij te voegen; de
-termieten, zoowel als de bijen en mieren, waarop zij op 't eerste
-gezicht veel gelijken, leven in gezelschap en bouwen nesten, die nog
-veel grooter zijn dan dat, hetwelk gij hier voor u ziet. Dit nest, zeer
-regelmatig in celletjes verdeeld, bevat een koning, eene koningin,
-werklieden en soldaten. De werklieden zijn bekwame bouwmeesters, die
-zich belasten met het bouwen, onderhouden en zoo noodig vergrooten van
-de zonderlinge woning, die gij voor eene spons hebt aangezien.
-
-»De soldaten hebben niets anders te doen dan te strijden tegen den
-vijand, wie hij ook zijn moge, die den vrede van de kolonie zou komen
-verstoren."
-
-»Maar ik zie duizenden gaten; heeft elke termiet dan eene afzonderlijke
-kamer?"
-
-»Ten naasten bij: er is in de eerste plaats eene kamer voor de koningin,
-die de grootste is; dan eene voor den koning; dan de kinderkamer, waar
-de werksters de eieren inbrengen, welke de koningin dag en nacht legt.
-
---Wat zou ik dat alles eens gaarne willen zien!"
-
-Overtuigd dat het voorbeeld beter is dan de duidelijkste verklaring,
-sloeg ik opnieuw op het nest.
-
-De werksters, die reeds bijna allen verdwenen waren, keerden
-onmiddellijk terug, om de bedreigde plek te onderzoeken. Ik streek met
-veel geraas mijne machete links en rechts er over, en in een oogwenk
-scheen de geheele oppervlakte te leven. Toen bepaalde ik mij er toe, om
-slechts op één punt met mijn geraas voort te gaan en weldra zag ik de
-soldaten, aan hun grooten kop herkenbaar, te voorschijn komen; eindelijk
-sloeg ik een stuk van het gebouw af, en legde zoodoende eene menigte
-witte puntjes bloot: dat waren de eieren, welke de werksters met veel
-overhaasting naar het binnenste van het gebouw in veiligheid brachten.
-
-Na zoodoende alles in rep en roer gebracht te hebben, haastte ik mij
-Lucien mee te trekken, want de soldaten bedekten reeds den grond, en ik
-kende te goed de felheid hunner beten, om er mij willens en wetens aan
-bloot te stellen.
-
-»Maar ik heb de koningin niet gezien," riep mijn kleine makker uit.
-
---Zij bevindt zich in het middelste gedeelte van het gebouw, en is in
-eene cel ingemetseld, waaruit zij onmogelijk zou kunnen ontsnappen,
-want de omvang van haar lichaam is gelijk aan dien van twintig of
-dertig werksters. Sumichrast, die de termieten veel heeft waargenomen,
-beweert, dat eene koningin ongeveer tachtigduizend eieren per dag legt.
-Nauwelijks zijn de kleine termieten geboren, of ze worden naar ruime
-kamers gebracht, waar ze gevoed worden, tot ze sterk genoeg zijn om
-zelven te arbeiden. Tegen het regenseizoen worden er eenige witte mieren
-geboren, die vier vleugels hebben, zoodat ze verderop nieuwe kolonies
-kunnen stichten; maar die vleugels zijn van korten duur; het is gebeurd,
-dat ik er gansche hoopen van heb ontmoet, waarvan ik mij de aanwezigheid
-niet kon verklaren.
-
-»En hoe bouwen de termieten hunne woningen?
-
-»Die, welke wij gezien hebben, schijnt gebouwd te zijn van aarde,
-doorweekt met eene soort gom, welke het insect door den mond afscheidt.
-Over het algemeen hebben de onderaardsche gangen van een termietennest
-gewelven, die schijnen te bestaan uit hout, dat door eene of andere
-kleverige stof stevig is gemaakt. Deze insecten zijn, evenals de mieren,
-allesetend en als dezen dragen zij zorg in hunne magazijnen een
-overvloedigen voorraad op te stapelen."
-
-Wij begonnen den berg te beklimmen, en toen ik naar boven keek, was ik
-geheel verwonderd mijne twee makkers reeds bij het vuur te zien zitten.
-
-
-
-
-XV.
-
-EENE NIEUWE SOORT FAKKELS.--EERSTE BLIK IN DE GROT.--DE LICHTKEVERS.--DE
-GOTHISCHE ZAAL.--STALACTIETEN EN STALAGMIETEN.--EEN KERKHOF DER
-CHICHIMETEN.--DE INDISCHE NOTENBOOM.--DE BUIDELRAT EN HARE JONGEN.
-
-
-Lucien was met de twee patrijzen vooruitgegaan; toen ik op mijne beurt
-bij het vuur aangekomen was, vond ik er een grooten mol die voor het
-vuur gebraden werd, en waarvan Sumichrast het vet zeer zorgvuldig
-opving.
-
-»Hoe hebt ge dat dier gedood? vroeg ik mijnen makker, ik heb u niet
-hooren schieten.
-
-»De Encuerado heeft het met een slag met de geweerkolf gedood;
-terzelfder tijd hebben uwe twee geweerschoten ons naar de grot doen
-terugkeeren.
-
-»En met welk doel verzamelt gij dat vet? Moet dat misschien een of
-anderen schotel voorspellen?
-
-»Neen; maar ik ben van plan de grot te onderzoeken en met dat vet zullen
-wij eene lamp maken, waarvan het licht ons van veel nut kan zijn.
-
-Ik juichte het denkbeeld van Sumichrast toe, en daar hij eene gansche
-kolonie mollen had ontdekt, stelde ik voor, om er na het middagmaal
-eenigen te gaan vangen, ten einde zóó het aantal lampen te vermeerderen.
-Bovendien hoopte ik op die wandeling wel een harsachtigen boom te
-ontmoeten, waarvan de takken als fakkels dienst zouden kunnen doen.
-Lucien kon zijne blijdschap nauwelijks bedwingen, en zou wel zonder
-uitstel in de grot hebben willen doordringen. Hij gunde zich nauwelijks
-den tijd om te eten en beknorde den Encuerado over zijne langzaamheid,
-eene indirecte manier om ons ook tot meer spoed aan te sporen.
-
-Nadat wij opnieuw het woud bereikt hadden, gingen wij een denne- of
-pijnboom opzoeken, waarvan de met hars gevulde takken ons zouden
-veroorloven de mollen te sparen. Toen Lucien ons die beide boomen hoorde
-noemen, vroeg hij, waarin zij van elkander verschilden.
-
-»De sparreboom, zeide Sumichrast, groeit gewoonlijk op hooge bergen,
-binnen in het vasteland, terwijl de denneboom op de oevers groeit,
-waarvan hij het beweeglijke zand op den duur vast en vruchtbaar
-maakt. Deze twee boomen behooren tot de familie der conifeeren of
-kegeldragenden. Zij verschillen slechts door hunne vruchten; de
-kegelvruchten van den denneboom worden gevormd uit de in hout verouderde
-schubben van den kelk en bevatten een zaad, dat door eene vliesachtigen
-vleugel omgeven wordt. De kegels van den spar zijn dun, taai, niet
-houtachtig, en deze laatste eigenschap helpt de plantenkundigen vooral
-in hunne rangschikking."
-
-De geleerde uitlegging van Sumichrast liet veel te wenschen over. Ik
-maakte dit op uit de talrijke vragen van Lucien, maar zonder een
-exemplaar der beide boomen voor oogen te hebben, was het ook moeielijk
-hun verschillend kenmerk beter te verklaren.
-
-Na eene lange, vruchtelooze wandeling, bleven wij voor een gaiacboom
-met donkergroen gebladerte, en hooger dan die, welken wij tot dusverre
-ontmoet hadden, staan. Ik wist, dat hij eene hars bevatte, dat vooral
-door de Engelschen als tandmiddel wordt gebruikt; maar de hardheid van
-het hout, dat onze wapens stomp zou gemaakt hebben, deed ons besluiten
-verder te gaan.
-
-Een weinig verder ontdekte de Encuerado een amberboom, een boom, vooral
-kostbaar door den balsem, die uit de ingekerfde takken vloeit en die
-door de Indianen, bij wijze van wierook, gebrand wordt. Hij klom langs
-den kwastigen stam van den reuzenboom op en hakte er takken af, die
-Sumichrast in kleine stukken verdeelde, nadat ik ze van de bladeren
-ontdaan had. Dit werk werd door het naderen van den avond onderbroken en
-met een zwaren takkenbos beladen, trokken wij naar den haard terug.
-
-Nauwelijks waren wij daar aangekomen, of ik gaf Lucien de voldoening,
-van eene onzer fakkels te mogen beproeven. De tak ontbrandde al
-knetterend, en bij onze eerste schreden in het gewelf namen vier of
-vijf vleermuizen met een licht gepiep de vlucht. Ik hield Lucien bij de
-hand en weldra kon hij nog maar alleen rechtop loopen. Wij bevonden ons
-in eene ruime zaal, waarvan het gewelf in koepelvorm, te lager werd,
-naarmate wij verder voortschreden. Een hoopje roodachtige aarde in een
-hoek, trok de aandacht van Sumichrast, die er eenige fossiele beenderen
-in hoopte te vinden. Om onzen reisgezel geschaard, moesten wij, bij het
-schijnsel van de fakkels, die een dikken, onwelriekenden rook gaven,
-een groep van eene fantastische uitwerking hebben gemaakt. Er verliep
-meer dan een halfuur, zonder dat onze opgravingen tot de geringste
-ontdekking leidden. De Encuerado, die onder het gewelf en den grond was
-doorgekropen, liet eensklaps een kreet van verrassing hooren; hij was
-bijna in een soort van put gevallen.
-
-In een oogwenk lag ik plat op den buik, en kroop ik in de richting van
-den Indiaan voort; Lucien kon, dank zij zijne geringe grootte, op handen
-en voeten kruipen; het kostte hem dan ook niet veel moeite om vooruit
-te komen. Weldra peilden onze oogen de diepte van de uitgraving; de
-brandende overblijfselen vielen op een hoop steenen, ter diepte van
-vier of vijf meters. De Encuerado slingerde eene fakkel, waarvan het
-weifelend licht ons aan de linkerzijde eene groote opening liet zien, de
-ruimte in. Gelukkig over deze ontdekking, namen wij den terugtocht aan,
-en stelden wij de verdere onderzoeking tot den volgenden morgen uit.
-
-De nacht was duister en gedurende onze afwezigheid was het vuur bijna
-geheel uitgegaan. Boven ons scheen een boom, waarvan wij nauwelijks den
-vorm konden onderscheiden, met sterretjes bedekt te zijn. Lucien zette
-groote oogen op, want hij begreep niets van dit verschijnsel, dat teweeg
-werd gebracht door honderden lichtkevers, die van weerszijden van de
-borst eene gele vlek hebben, welke in de duisternis lichtgevend wordt.
-
-Niets is aardiger, dan die duizenden glinsterende puntjes te zien omhoog
-gaan, te zien neerdalen en elkander met eene ongekende snelheid te zien
-kruisen; men zou gezegd hebben, dat het een boom met vurige bloemen was,
-die door den wind werd heên en weêr geslingerd. De Encuerado naderde met
-een _Cucuyo_, die zijne hand met een groenachtigen glans verlichtte.
-Lucien nam hem in de hand: de twee lichtgevende vlekken schenen hem twee
-groote oogen te zijn. Eensklaps gaf het insect een duw aan de vingers
-van den knaap, die ons heel verbaasd aankeek. »Deze kevers," zeide
-Sumichrast, »behooren tot de snelkevers of _elateriden_. Elater is een
-Grieksch woord, dat veerkrachtig beteekent, en de _Cucuyo_ heeft u
-bewezen, dat hij den familienaam verdient, dien de geleerden er aan
-gegeven hebben. Beziet hun lichaamsbouw eens goed; de hoeken van het
-borststuk verlengen zich in scherpe punten; boven eindigt het middelste
-gedeelte van de borst eveneens in eene punt, welke het dier, naar
-willekeur, in de holte duwt, die zich onder het tweede paar pooten
-bevindt. Met eene speld, die door dezen natuurlijken ring gestoken
-wordt, bevestigen de vrouwen uit het volk, in het warme land, den
-snelkever, zonder hem te verwonden, in hun haar.
-
-Leg hem nu eens op den rug.
-
---Hij houdt zich dood! riep Lucien uit.
-
---Ja, zooals veel andere insecten doen, die hun pooten samentrekken en
-zich laten vallen, om zóó den mensch, als hij ze wil grijpen, te
-misleiden.
-
---O, wat springt hij!
-
---Dat is ook het eenige middel, wat hij bezit, om weer overeind te
-komen, als hij bij toeval op zijn rug is gevallen. Zie eens, hij steekt
-de punt, waarin zijne borst uitloopt, tegen den rand van het lager
-liggende gat; dan heft hij eensklaps den kop op. Paf... paf... men zou
-zeggen dat het eene veer is, die losspringt. Bij de eerste poging is het
-hem niet gelukt; maar nu... zie, hij is reeds op de beenen, en vliegt
-zelfs al weg!"
-
-De eerste beweging van Lucien was, om de _Cucuyo_, wiens weg door de
-lichtende vlekken werd aangewezen, achterna te loopen; maar het uur om
-te gaan rusten was reeds lang verstreken, en iedereen zocht zich zoo
-goed mogelijk onder dak te brengen, om over den ontdekkingstocht van den
-volgenden dag te droomen.
-
-De aanbrekende dag vond ons reeds op en door een kop koffie versterkt.
-De muskieten hadden het ons den ganschen nacht lastig gemaakt; dat waren
-nog slechts de voorloopers van de legioenen, wier aanvallen wij later te
-verduren zouden hebben. Lucien, die vol ongeduld was, verloor den ingang
-van de grot geen oogenblik uit het oog, en volgde met spanning al onze
-bewegingen. Een holle steen, dien de Encuerado gevonden had, werd met
-vet gevuld, een stukje linnen diende voor wiek, en onze nieuwerwetsche
-lamp brandde al knetterende.
-
-Toen ik de takken uitdeelde, die ons tot fakkels moesten dienen,
-bemerkte ik, dat zich een geelachtige, doorschijnende traan aan elk
-der uiteinden gevormd had. Deze hars heeft, door hare kleur en haar
-reuk, aan den boom, die haar voortbrengt, den naam van _liquidambar_
-(vloeibare amber) doen geven. Eindelijk drong ik, door mijne makkers
-gevolgd, in de grot door; de Encuerado zette de lamp op den rand der put
-neer, en de vleermuizen, die wij reeds den vorigen dag gestoord hadden,
-begonnen zwijgend rond te fladderen.
-
-Voorafgegaan door Sumichrast, waagde ik mij op den bodem der diepte. Een
-nauwe gang voerde ons in eene ruime zaal, waarvan de duisternis ons
-eerst belette de uitgestrektheid te peilen. Terwijl mijn vriend het
-terrein onderzocht, keerde ik op mijne schreden terug, en weldra kwam
-Lucien, aan een riem bengelende, bij ons. Dank zij de behendigheid van
-den Indiaan, kwam ook de lamp brandende beneden, eindelijk verscheen de
-Encuerado op zijne beurt. Lucien liet niet de minste vrees blijken; ik
-moest zelfs zijn ijver intoomen. Door den nauwen gang te volgen, kwamen
-wij weer bij Sumichrast, en het geleek wel op eene spookachtige
-verschijning, zooals hij daar stond, de fakkel boven zijn hoofd
-zwaaiende, om de duisternis, die ons omringde, te doorboren.
-
-Nadat de lamp aan den ingang van den gang was neêrgezet, nam ieder onzer
-eene fakkel, en ging het, schrede voor schrede, voorwaarts. Sumichrast
-en de Indiaan volgden den linkerwand, terwijl ik den rechterwand langs
-liep, mijn zoon aan de hand geleidende. Onze fakkels gaven slechts een
-onzeker licht en lieten niet meer dan drie schreden vooruit zien. Een
-weinig verder bedekten afgevallen steenen den grond; alvorens mij op dit
-moeielijk terrein te wagen, wierp ik een blik op mijne makkers. Zij
-waren verdwenen; maar de lamp die rustig aan den ingang, boven mij,
-brandde, wees het punt aan, vanwaar zij vertrokken waren. Ik riep--een
-vreeselijk geraas weerklonk. Lucien kwam schielijk dichter tegen mij
-aan.
-
-»Dat is de echo, die ons het antwoord van Sumichrast en den Encuerado
-overbrengt," haastte ik mij hem te zeggen. »Zij zijn in eene andere
-zaal. Roep ze ook eens."
-
-De stem van den knaap klonk eenigszins ontroerd. Oogenblikkelijk schenen
-de sombere gewelven zijne woorden te herhalen, en het geraas werd
-grooter, hoe meer het zich verwijderde, alsof duizenden personen
-elkander een orderwoord toeriepen. Een vreeselijk »hioe, hioe!"
-overstemde dat geraas, en reeds vertoonde zich het gelaat van den
-Encuerado aan onze linkerhand, als de echo nog het roepen herhaalde.
-
-»Kom eens gauw naar de mooie kerk zien. Eene kerk van diamanten,
-Chanito!"
-
-Ik naderde den ingang van eene schuine galerij, op wier helling ik mij,
-den Encuerado volgende, begaf. Allengs verwijderden de muren zich van
-elkander, en ik bevond mij in eene onmetelijke zaal, versierd met
-stalactieten, waar Sumichrast zijne brandende fakkel neerzette.
-
-De Encuerado had gelijk; men zou gemeend hebben in eene gothieke zaal te
-zijn. Men kan zich onmogelijk eene vreemder, zonderlinger en grilliger
-bouwstijl uitdenken.
-
-Nooit heeft een schilder van een toovertooneel, schitterender effecten
-uitgedacht. Honderden kolommen daalden van het gewelf neer, om zich
-in den grond vast te zetten. Het was eene bewonderenswaardige
-dooreenmengeling van spitsbogen, roosvensters, boomen en reusachtige
-bloemkorven. Hier en daar beelden, door de natuur gebijteld; Lucien
-merkte vooral eene vrouw op, met een langen sluier bedekt en die haar
-arm boven het hoofd omboog; geen bijtel van een beeldhouwer had haar
-levendiger kunnen voortbrengen; dan weer waren het wanstaltige
-dierenmuilen, monsterachtige koppen, geheele dieren, als 't ware in
-dreigende houdingen versteend. Het gezichtsbedrog werd grooter of
-kleiner naargelang het lichtspel, en meer dan een half geziene boom
-verdween als een droom in dit tooverpaleis.
-
-Terwijl wij zoo onzen weg vervolgden, raakten lange naalden, die van het
-gewelf afdaalden, onze hoofden.
-
-»Dat zijn stalactieten," sprak ik tot den verrukten Lucien. »Het
-regenwater, dat door den berg sijpelt, lost op zijn doortocht de
-kalkbestanddeelen, die hij bevat, op, en brengt, als het verdampt, die
-fraaie afzetsels voort, die gij daar voor oogen hebt.
-
---Daar is eene naald, die uit den grond opstijgt.
-
---Dat is een stalagmiet; die groeit van beneden naar omhoog, en niet van
-boven naar beneden, zooals de stalactieten, welke bovendien met eene
-buis doorboord zijn. Sla uwe oogen eens op en zie naar die fraaie naald,
-aan wier uiteinde een druppel water glinstert. Door haar eigen zwaarte
-meegesleept, valt die vloeibare parel, welke reeds eene lichte laag
-kalk op de stalactiet heeft afgezet, op de stalagmiet, waarvan de top
-afgerond is. Langzamerhand zullen de twee naalden tot elkander komen,
-en eene kolom te meer in de grot vormen, welke met den tijd eindelijk
-geheel gevuld zal zijn.
-
---Groeien de steenen dan in 't water?" vroeg Lucien, met een nadenkend
-gelaat.
-
---Dat wil zeggen, dat het water kalkachtige bestanddeelen in opgelosten
-toestand bevat; zoodra het water verdampt is, vormt de steen zich weer.
-
---»Als men het zoo neemt," sprak de Encuerado op zijne beurt, »zouden de
-keisteenen in de rivieren smelten."
-
---Dat gebeurt ook; maar ze smelten, wel te verstaan, niet zoo
-gemakkelijk als suiker. Herinnert gij u niet dat de Rio Blanco, (witte
-rivier) bijna melkwitte golven voortstuwt, die eene witachtige laag
-afzetten, op de met haar in aanraking blijvende takken en bladeren?
-
---Dat is waar," antwoordde de Indiaan, die dikwijls de versteeningen had
-bewonderd, waarmede de twee oevers van de Witte Rivier bedekt zijn.
-
---»Maar het water, dat hier valt, is helder," bracht Lucien er tegen in,
-terwijl hij met zijn fakkel een natuurlijk waterbekken naderde.
-
---Het bevat niettemin opgeloste kalkzouten, zooals trouwens alle
-wateren en vooral het bronwater. Daarom maken de huisvrouwen er geen
-gebruik van, omdat het de zeep niet kan oplossen en de groenten, die men
-er in kookt, hard maakt.
-
---Begrijpt gij dat? vroeg de Encuerado aan Lucien.
-
---Ja, een weinig.
-
---Gij zijt wel te benijden. Gister vielen de steenen van de zon of de
-maan, en dwaalden, geheel in vuur, rond; nu worden zij door het water
-gemaakt. Morgen zal Tata Sumichrast ons vertellen, dat zij van den wind
-komen."
-
-De Indiaan ging boos weg; wij volgden hem lachende, hoe langer zoo
-meer verrukt over het schouwspel, dat zich aan onze blikken vertoonde.
-Ongelukkig verlichtten onze fakkels slechts op zeer gebrekkige wijze, en
-de zware rook, dien zij afwierpen, maakten de bogen en gewelven zwart.
-Een groote gladde steen versperde ons eensklaps den weg, en noodzaakte
-ons te kruipen. Ik ging voorop, en in een nauwen gang voortloopende,
-bereikte ik eene soort van klein kamertje. Ik uitte een kreet van
-verbazing; vijf of zes regelmatig geplaatste doodshoofden schenen hunne
-ledige oogholten op mij te vestigen.
-
-»O! vader," sprak Lucien, mij bij mijne kleeren vasthoudende, »zijn wij
-dan op een kerkhof?"
-
---Ja, mijn vriend; ik meen een kerkhof te herkennen van de Chichimeken.
-Dit volk, dat vóór de Tolteken en Asteken in Mexico woonde, had de
-gewoonte zijne dooden in spelonken te begraven.
-
-Sumichrast onderzocht nieuwsgierig een doodshoofd, dat hij had
-opgeraapt, en waarvan de witte en voltallige tanden aantoonden, dat het
-had toebehoord aan een, op jeugdigen leeftijd gestorven man. Eenige
-schreden verder lagen vijf of zes andere schedels op den grond, omgeven
-door fijne stalactieten; zij schenen ons door de staven van eene
-gevangenis aan te staren.
-
-Deze schedels lagen daar misschien meer dan duizend jaren in hunne
-nissen, die klaarblijkelijk uitgegraven waren om ze te bewaren. De bodem
-van de grot had zich naderhand opgehoogd. Hoeveel licht kon hij over de
-oude geschiedenis van Mexico doen opgaan! De Encuerado verbrak zonder
-moeite eene eerste laag kalkgrond en legde eene soort leemaarde bloot,
-waaruit hij een klein potje van gebakken aarde haalde. Ik ging op mijne
-beurt aan 't graven; mijne vingers ontmoetten een hard voorwerp;--het
-was een steenen beeldje. Ik had nauwelijks mijne vondst losgemaakt, of
-de arm van Lucien verving den mijnen, en bracht, tot groote vreugde van
-den knaap, eene fantastische schildpad naar boven, waarvan de staart
-tot fluitje diende. Door deze vondsten aangemoedigd, waren wij gaan
-knielen, om de kalkkorst over eene groote uitgestrektheid los te breken;
-maar onze fakkels begonnen te verbleeken, en het was in de nauwe, met
-rook gevulde ruimte niet meer uit te houden. Sumichrast klaagde over
-suizingen in de ooren; ik gevoelde mij zelven onwel en met weerzin gaf
-ik het teeken tot het vertrek.
-
-De lamp, die uitgegaan was, vervulde de eerste zaal met een stinkenden
-walm, die onze onpasselijkheid nog deed toenemen. De Encuerado en Lucien
-verlieten het eerst de spelonk, waaruit ik bijna op hetzelfde oogenblik
-als Sumichrast te voorschijn trad, en toen ik bij den ingang der grot
-kwam, werd ik bijna verblind door de stralen der zon.
-
-Een algemeen gelach weerklonk; wij zagen er allen uit als negers of
-schoorsteenvegers. Er viel niet aan te denken om ons te wasschen, de
-inhoud van onze veldflesschen was te kostbaar, en zou ook niet voldoende
-geweest zijn. Daar de grot water bevatte, bood de Encuerado aan, zich op
-te offeren, maar de rook, die uit de put opsteeg, maakte mij ongerust,
-en ik verzette mij, voor het oogenblik, tegen het afdalen van den
-Indiaan.
-
-Wij stonden verbaasd over den langen duur van onzen onderzoekingstocht,
-die niet minder dan vier uren had beloopen. 't Is waar, de gesteldheid
-van den bodem had ons gedwongen dien bij elke schrede te peilen.
-
-Ofschoon wij besloten hadden onzen weg te vervolgen, zoodra wij uit de
-grot zouden zijn, deden de vermoeidheid en de begeerte om nog eenmaal de
-wonderbare gewelven, die ons zoo bekoord hadden, te bezoeken, ons onze
-verdere reis tot den volgenden morgen uit stellen.
-
-Na een uur rustens gingen wij uit, om iets voor het middagmaal op te
-sporen.
-
-Ik onderzocht vol nieuwsgierigheid den omtrek van ons kampement. De
-aanwezigheid der doodshoofden in de grot bewees, dat een stam Indianen
-de omstreken bewoond had; maar de Chichimeken bouwden slechts hutten, en
-de tijd had alle sporen van hun verblijf aldaar vernietigd.
-
-Ik kan niet zeggen, met welk eene voldoening ik de bosschen, het groen,
-de insecten, de bloemen en de zon terugzag. Het inwendige van grotten
-stemt den mensch tot zwaarmoedigheid, ongetwijfeld door de stilte en de
-duisternis; want de fraaie zaal der stalactieten had op zich zelve niets
-droevigs.
-
-Zij maakte een diepen indruk op den geest van Lucien; hij werd niet
-moede ons te ondervragen.
-
-»Deze natuurlijke holten," zeide Sumichrast hem, »komen veelvuldig
-in gipsbergen, maar veelvuldiger nog in vulkanische en kalkachtige
-massa's voor. Eenige, die zoo oud zijn als de wereld, dagteekenen van de
-eerste opheffingen van de oppervlakte van den aardbol, toen de vloeibare
-stof, die den kern der aarde uitmaakt, de nauwelijks vast geworden korst
-ophief, om zich naar buiten te kunnen uitstorten en de bergketenen te
-vormen.
-
---Is het binnenste der aarde dan vloeibaar geweest?
-
---Zij is het nog, zooals de vulkanen dat aantoonen; maar de tijd
-der groote verschijnselen is voorbij. De vloeibare massa is op de
-oppervlakte steviger geworden, naarmate zij meer afkoelde; daarna is het
-water deze korst, waarvan de dikte zeer gering is in verhouding tot de
-massa onzer aarde, komen veranderen en bewoonbaar maken.
-
---Maar waaruit bestaat die gesmolten stof, die onder onze voeten brandt?
-
---Uit de grondstoffen, die gij om u ziet; graniet, porfier, bazalt,
-die men daarom vulkanische of vuurrotsen noemt, in tegenstelling met
-de _neptunische_, zooals het gips, het pleister, de leem, waarvan de
-opeenhooping aan het water wordt toegeschreven.
-
-Die wetenschap wordt de _geologie_ of kennis der aarde genoemd, waarvan
-de studie u wellicht later zal aanlokken.
-
---Kunnen alle vulkanische steenen dan smelten?
-
---Ja, maar op voorwaarde, dat zij aan eene hitte worden blootgesteld,
-zoo groot, als die van den kern der aarde, en die eene hevigheid
-bereikt, waarvoor onze verbeelding terugdeinst. Om nu op de grotten
-terug te komen, zijn er eenige, die haar ontstaan te danken hebben aan
-de oplossende kracht van het water. Zoo kan de bron, die wij uit den
-ingestorten berg hebben zien ontspringen, op een gegeven tijdstip
-uitdrogen of van richting veranderen, en aan de nieuwsgierigheid van
-toekomstige reizigers zalen te zien geven, die allengs door stalactieten
-gevuld zullen worden.
-
-Ons geologisch gesprek werd door een uitroep van den Encuerado
-onderbroken, die een Indischen notenboom ontdekt had, welken de
-Mexicanen »boom van St. Ignatius" noemen en waarvan de bruine vruchten
-met eene houtachtige schors, die den vorm van kleine meloenen hebben,
-heen en weer slingerden en met een droog gedruisch tegen elkander
-aansloegen. De Encuerado vertelde aan Lucien, dat die vruchten eensklaps
-met een sterken knal openspringen, en dat de platte boonen, die zij
-bevatten, een in zijne provincie veel gebruikt purgeermiddel zijn.
-De Indiaan had er bij kunnen voegen, dat de zaden van den Indischen
-notenboom--de _hura crepitans_ der geleerden--purgeeren op de manier
-der vergiften, en dat meer dan een van zijne landgenooten gestorven is,
-omdat hij het drankje had ingenomen, door de oude misteeksche vrouwen er
-uit bereid.
-
-Sumichrast voerde ons naar het woud, waar de hooge boomen ons
-beschutten. Na een vrij langen marsch, waarop wij slechts eksters
-ontmoetten, zeide ik tot den Encuerado, dat hij ons naar het molsveld
-moest terugvoeren. Eensklaps beval onze reismakker stil te zijn; aan
-onze linkerhand vertoonde zich eene buidelrat met vijf jongen. Het dier
-naderde onverschillig een boom van middelmatige dikte, waar het, met
-behulp van zijn grijpstaart, opklom. De beangstigde jongen verdrongen
-zich onder een klagend gepiep aan den voet van den boom. De buidelrat
-daalde daarop weer naar beneden; nauwelijks was zij aan den voet van den
-boom gekomen of hare familie stortte zich hals over kop in den buidel
-der moeder. Aldus beladen, klom het diertje weer langzaam tegen den boom
-op, en ging bedaard op een der eerste takken zitten. De jongen, die
-rosachtig haar hadden, en van welken wij niets dan den spitsen neus en
-de zwarte oogjes konden zien, schenen ons boven van een balkon aan te
-zien. Een hunner waagde zich naar buiten en ging op de takken wandelen,
-en weldra had de kleine bende zich naar alle kanten verspreid. Even als
-in de fabel, beval Sumichrast Lucien om in de handen te klappen, terwijl
-ik den Encuerado verbood op het arme dier te schieten. Door het geklap
-verschrikt, vluchtten de kleinen naar hunne moeder, die hare lange
-ooren oprichtte en ons eene dubbele rij witte tanden liet zien. Een
-onvoorzichtige viel, door zijne overhaasting om den beschermenden buidel
-te bereiken, naar beneden. In een oogwenk was de buidelrat bij hem,
-terwijl zij ons met haar bek dreigde; zoodra haar schat voltallig was,
-verdween zij er mede in het kreupelhout.
-
-»Waarom hebt gij mij verboden om op de _tlacuache_ te schieten?" vroeg
-de Encuerado mij.
-
-»Waartoe dient het een arm dier te dooden, dat ons van geen nut kan
-zijn?
-
---Gij weet wel, dat dat arme dier op de zolders komt, de kippen en
-levensmiddelen opeet, zonder nog te spreken van het geraas, dat de
-jongen maken.
-
---Ja; maar deze is geheel onschuldig aan al die misdaden, zij leeft te
-ver van de steden."
-
-Dit tooneel had Lucien zeer vermaakt. Ik vertelde hem, dat de
-buidelratten, de Kangaroes en verschillende andere zoogdieren, waarvan
-de wijfjes een zak of buidel bezitten, om de jongen in te verbergen, om
-die reden buideldieren of _marsupialen_ genoemd worden.
-
-De buidelrat is in Mexico zeer algemeen. Haar lange, spitse en zeer
-sterk gespleten snuit, is met twee en vijftig vervaarlijke tanden
-gewapend, ofschoon het dier zich slechts met eieren, insecten en vogels
-voedt. Bij de soorten, welke geen buikzak hebben, klimmen de jongen,
-zoodra zij loopen kunnen, op den rug hunner moeder, en klampen zich
-met hunne grijpstaartjes aan den staart der moeder vast, die te
-dien einde naar voren wordt gebogen. Dit instinct is misschien nog
-opmerkenswaardiger dan dat, hetwelk hen aandrijft, om in den buidel der
-moeder eene schuilplaats te zoeken.
-
-De tijd ging voorbij; wij moesten noodzakelijk naar het mollenveld
-terug, en de Encuerado beloofde, dat hij eene goede jacht zou maken,
-zonder een schot te lossen.
-
-
-
-
-XVI.
-
-DE AARDNOTEN.--EEN MAALTIJD VAN WILDE KATTEN.--NIEUWE TOCHT IN DE
-GROT.--DE VLEERMUIZEN.--OPGRAVINGEN IN EEN GRAF.
-
-
-Wij liepen midden door het kreupelhout voort, in de hoop een of ander
-stuk smakelijker wild op te jagen dan de toeza's, toen onze voeten
-verwarden in de vezelige en kruipende takken van de aardnoot. Ofschoon
-de stengels nog met witte bloemen bedekt waren, wroette de Encuerado
-toch den grond om, waarin de vruchten zich verbergen, om geheel rijp
-te worden, en verzamelde er eenige van. De _tlalcacahuatl_, dien de
-plantenkundigen onder de familie der peulvruchten rangschikken en
-_arachide_ noemen, brengt geelachtige en gerimpelde peulen voort, waarin
-zich twee of drie amandels bevinden, welke men eet, na ze in de schil
-boven het vuur geroosterd te hebben. De smaak heeft veel weg van dien
-van de kastanje. De arachide, tegenwoordig veel in Europa verbouwd,
-levert eene olie op, die niet gemakkelijk rans wordt en waarvan de
-Spanjaarden zich bedienen voor de zeepbereiding.
-
-Lucien en de Encuerado waren over deze vondst meer verheugd dan wij,
-want zij hielden veel van deze aardnoten, welke, bij gelegenheid van de
-godsdienstige feesten, aan den ingang der kerken in Mexico bij gansche
-stapels verkocht worden.
-
-De zon begon onder te gaan; de honger gebood ons wat meer haast
-te maken; ik geleidde derhalve mijne makkers naar het mollenveld.
-Nauwelijks hadden wij onzen marsch hervat, of vijf of zes konijnen
-kwamen, zeer onvoorzichtig, bijna tusschen onze beenen loopen. Lucien
-was zoo gelukkig er een te schieten, terwijl Sumichrast een tweede
-doodde, en de Encuerado ging, met deze buit beladen, naar den haard
-terug.
-
-Door dit buitenkansje over ons middagmaal gerust gesteld zijnde,
-vervolgde ik mijne wandeling tot aan het begin eener lichting in 't
-bosch, waar de grond, met gaten overdekt, de woonplaatsen der mollen
-deed herkennen. Wij gingen elk in de schaduw van een boom zitten. Het
-toeval had mij onder een ijzerhoutboom, waarvan de stam de best geharde
-bijl weerstand biedt, doen plaats nemen. Tegenover mij verhief zich een
-_tepehuage_, een soort van mahonieboom met donker gebladerte, die vroeg
-of laat een groot handelsartikel tusschen Europa en Mexico zal worden,
-want het fraaie roode, met zwart geaderde hout, maakt hem zeer geschikt
-voor het vervaardigen van fijne meubelen.
-
-Gringalet was den Indiaan gevolgd. Ik beval Lucien stilte aan, opdat
-wij de handelingen der mollen, die met het ondergaan der zon uit hunne
-gaten komen, konden gadeslaan. Werkelijk kwam een, daarna twee, drie,
-vervolgens twintig _toeza's_ te voorschijn; in minder dan een kwartier
-telde ik er over de honderd, die den grond omwoelden, speelden en
-vochten, onder het uiten van scherpe kreten. Lucien had er veel vermaak
-in, ze zoo op hun achterdeel te zien zitten, om wortels of schors af
-te knabbelen. Met een enkel geweerschot zouden wij onzen voorraad vet
-verdubbeld kunnen hebben; maar dat zou kruit vermorsen zijn geweest.
-Vreezende, dat wij voor de verleiding zouden bezwijken, meende ik het
-teeken tot vertrek te geven, toen ik eene groote ongerustheid bij de
-bende, wier spelen ons zoo zeer had vermaakt, opmerkte. Alle mollen,
-deftig op hun achterlijf gezeten, schudden hunne groote koppen heen en
-weer, lieten hunne lange, gele snijtanden zien, en schenen de lucht in
-te snuiven. Eensklaps ijlden allen op hunne holen toe. Een _jaguarete_
-had hen verschrikt, door midden tusschen hen in te springen. De nieuw
-aangekomene, eene soort wilde kat van eene zwarte kleur, sloeg twee of
-drie slachtoffers tegen den grond, en liet een soort van gemauw hooren.
-
-Op dit geroep kwamen twee jongen te voorschijn, die tegelijk op den
-eersten mol den besten aanvielen. Ieder hunner greep de prooi van zijn
-kant aan, spuwde, op de manier der katten en sloeg er met de nagels in.
-De moeder, verplicht om door een veelbeteekenend geknor de orde te
-herstellen, gaf ieder harer verscheurende kinderen eene prooi, ging
-toen liggen en geeuwde verscheidene keeren, terwijl haar jongen de arme
-knaagdieren begonnen te verscheuren. Toen deze verzadigd waren, verslond
-zij met gulzigheid wat overbleef, zonder het derde dier, waar de jonge
-roofdieren onophoudelijk om rondliepen, een oogenblik uit het oog te
-verliezen. Zoodra zij er te dicht bij kwamen, liet zij dadelijk haar
-geknor hooren, en de jongen schenen zeer goed te weten, wat die
-moederlijke waarschuwing beteekende, want zij gingen plat op den grond
-liggen, en kropen met hangenden kop achteruit. Toen haar maal geëindigd
-was, nam de _jaguarete_ den onaangetasten mol in haar bek en verwijderde
-zich, zonder ons bemerkt te hebben.
-
-»Wat zegt gij van die kleine veelvraten?" vroeg Sumichrast aan Lucien.
-
---Dat zij allerliefst zijn, met hun zwart en glanzend vel; zij ge lijken
-op groote katten.
-
---De katten zijn er ook neefjes van.
-
---Vallen de _jaguareten_ ook menschen aan?
-
---Neen; als wij evenwel hare jongen hadden willen aanraken, zou zij zich
-op ons geworpen hebben.
-
---Om ons op te eten?" vroeg Lucien, groote oogen opzettende.
-
---In de eerste plaats om ons te bijten en met hare nagels te
-verscheuren. In 't algemeen zijn alle wilde dieren of vleeschetende
-dieren, zooals de geleerden ze noemen, altijd te duchten, en hoe gering
-ook hunne grootte moge zijn, men moet ze nooit uittarten. Als wij lijf
-aan lijf tegen de jaguarete moesten vechten, is het zeer waarschijnlijk,
-dat wij meer gehavend uit den strijd zouden komen dan zij.
-
-Ik voerde meester en leerling naar den voet van den berg terug. De nacht
-viel in; gelukkig toonde het vuur, door den Encuerado aangestoken,
-ons den weg naar onze schuilplaats. Wij vonden er vermaak in, om uit
-de verte te zien, hoe de Indiaan om het vuur liep, deftig tegenover
-Gringalet ging zitten, met wien hij zeker praatte, want hij zwaaide
-met de armen en streek met de hand over den rug van het goede dier.
-Plotseling stond de hond op, stak zijne ooren in de hoogte, en liep op
-ons toe, terwijl de Encuerado een vlammend stuk hout boven zijn hoofd
-hield, om onzen weg te verlichten.
-
-Bij het aanbreken van den dag werden wij door de stem van den Indiaan
-gewekt. De grauwe lucht dreigde ons met een van die fijne regens, die
-eeuwig schijnen te zullen duren. Sumichrast sneed eenige, van bladeren
-voorziene takjes af, waarmede hij ons voorging, alvorens wij de grot
-binnen trokken.
-
-»Waar moeten die takken toe dienen?" vroeg Lucien verwonderd.
-
---Tata Sumichrast wil vleermuizen vangen, Chanito.
-
---Om ze op te eten?
-
---O neen! maar misschien zouden ze toch wel goed smaken.
-
---Het vleesch smaakt overheerlijk," viel Sumichrast hem in de rede;
-»vooral de vleugel is een fijn boutje, dat ik u ten zeerste
-aanbeveel..."
-
-Maar mijn metgezel kon zich niet goed houden, toen hij het verschrikte
-gelaat van Lucien zag, zoodat zijne scherts mislukte.
-
-De Encuerado verdween al tastende in de grot; aan den ingang geplaatst,
-hielden wij ons gereed, om onze verzameling te vermeerderen. Twee
-_Chéiropteren_--een Grieksche naam, die handvleugeligen beteekent en
-door de geleerden aan de vleermuizen is gegeven--vielen door onze
-takken. Lucien raakte ze met niet al te veel weerzin aan, en de vorm van
-hun bek verbaasde hem nog meer dan hunne vleugels. Die, welke hij dan
-ook onderzocht, had in 't midden gespleten en als 't ware omgekrulde
-lippen; de andere, met een platten neus en nog afzichtelijker gelaat,
-had in plaats van ooren, twee gaten, waarin de zwarte, schitterende
-oogen lagen; bovendien was het vlies der vleugels zoo dun en
-doorschijnend, dat men zou meenen, het bij de minste inspanning te zien
-scheuren. Het arme dier kwam langzamerhand weer bij, liet zijne fijne en
-scherpe tanden zien en sleepte zich over den grond voort. Sumichrast nam
-het op en haakte het met den klauw, waarin de voorarm eindigt, vast, om
-Lucien te laten zien, op welke wijze zij zich aan de muren der grotten,
-die altijd vol oneffenheden zijn, vastklampen. Eensklaps liet de
-vleermuis zich vallen, en verdween in de sombere diepte, die voor haar
-gaapte.
-
-De vleermuis, die een onvolmaakt wezen is, heeft langen tijd de
-nieuwsgierigheid der natuurkundigen gaande gemaakt. La Fontaine laat
-haar reeds het bekende versje zeggen: »Ik ben een vogel, zie maar naar
-mijne vleugels; maar ik ben ook eene muis en leve de ratten;" en de
-geleerden beschreven haar als een vogel, die haren in plaats van veeren,
-en tanden in plaats van een snavel heeft. Geoffroi Saint-Hilaire heeft
-het eerst geleerd, dat de vleugels van de vleermuis niet anders zijn dan
-eene buitengewone verlenging van de vingers van het dier, die onderling
-door een vlies, van een bewonderenswaardig weefsel, verbonden zijn.
-Ik wees Lucien andermaal op de wijsheid van den Schepper, en op de
-eenvoudige middelen, die Hij gebruikt, om de wezens, die het heelal
-bevolken, in 't oneindige af te wisselen.
-
-»Dat is de eerste keer," riep de Encuerado verontwaardigd uit, »dat men
-den duivel gebruikt om den goeden God te loven."
-
-»De vleermuizen hebben niets met uw duivel gemeens," zeide Sumichrast;
-het zijn slechts dieren, die een weinig zonderlinger zijn dan de andere.
-
-»O, Tata Sumichrast, hebt gij dan hun vleugels nooit goed bekeken?
-De Satan, die op het schoone beeld in de kerk van Orizava, door
-Sint-Michiel onder den voet wordt getreden, heeft ze precies hetzelfde.
-En wat nu de grotten aanbetreft, wie weet niet, dat het de monden van de
-hel zijn?
-
-»Laat ons dan in de hel gaan!" riep Lucien, die de bijgeloovigheid van
-zijn vriend niet deelde, uit.
-
-Toegerust zooals den vorigen dag, daalden wij in de put neer, en den
-linker wand volgende, kwamen wij achtereenvolgens in eene ruime zaal,
-waar het water als een aanhoudende regen naar beneden viel. Zeer
-belastigd door die ijskoude druppels, welke door onze kleeren drongen,
-ried ik Sumichrast aan terug te keeren; maar in plaats van er gevolg aan
-te geven, drong hij in een bochtigen gang door. Ik sloot den marsch,
-en volgde met de oogen mijne makkers, die klommen of daalden, al naar
-gelang de oneffenheden van den grond. Soms moest men wel ophouden, om
-over een steen of een waterplas te komen.
-
-Eindelijk zag ik, dat mijne makkers weer overeind stonden, wij waren in
-eene zaal gekomen, die zoo ruim was, dat wij onze fakkels te vergeefs
-omhoog hielden, om het bovenste gewelf te kunnen verlichten. Honderden
-vleermuizen omringden ons; Lucien vertrok geen spier, en als hij ze zoo,
-gelijk groote vlinders om zijne fakkel zag zweven, zonder die aan te
-raken, stond hij verbaasd over de zekerheid van hunne vlucht. Verdoofd
-door het gekrijsch van deze geheimzinnige dieren, stelde ik op nieuw
-voor om terug te keeren; maar Sumichrast drong er op aan om verder te
-gaan. Hij vindt het weinig waarschijnlijk, dat de vleermuizen, die des
-nachts hun voedsel in 't veld gaan zoeken, om naar buiten te komen
-den nauwen weg zouden volgen, die ons hier had gebracht. Er moest dus
-een tweede ingang bestaan. Mijn makker en de Encuerado gingen op de
-ontdekking uit, want ik durfde mij, in gezelschap van mijn zoon, niet
-verder op dezen glibberigen grond wagen. De twee verkenners klommen
-groote, opeengestapelde rotsen over, kwamen verscheidene meters boven
-ons, en verdwenen plotseling.
-
-De vleermuizen kwamen allen naar ons toe, en dreven de vrijmoedigheid
-zoo ver, dat zij ons met hunne vleugels raakten. Mijne voorzichtigheid
-mishaagde aan Lucien, die stoutmoedig was geworden. Na verloop van vijf
-minuten riep de stem van Sumichrast mij, en ik richtte mij naar de hoop
-steenen, vroeger door mijne gezellen beklommen.
-
-De opstijging was moeielijk; niettegenstaande zijn tegenspartelen wilde
-ik de hand van Lucien niet loslaten. Ik had wel gelijk gehad; hij gleed
-eensklaps uit, ik liet mijn fakkel vallen en daar lagen wij in eene
-volslagene duisternis op de puinhoopen.
-
-»Pas op, dat ge geen beweging maakt," riep ik uit, »ge weet niet, welke
-afgronden ons kunnen omringen."
-
-»Wat is het donker! Men zou zeggen, dat de duisternis een lichaam
-heeft, dat zij op mijn oogen drukt."
-
-»Dat komt, omdat wij op eene diepte zijn, waar het licht, zelfs niet
-door terugkaatsing, binnendringt. Even als u, komt het mij voor, alsof
-men mij een doek op de oogen legt. Roep den Encuerado."
-
-Het gewelf weerkaatste den naam van den Indiaan, die onmiddellijk
-antwoordde.
-
-De vleermuizen hadden hunne vlucht vertraagd; ter nauwernood hoorden
-wij nog eenig zacht gepiep; maar daar blonk een zwak licht, en het
-geraas begon opnieuw. Lucien deelde zijn vriend ons ongeval mede; deze
-wilde zich haasten, en rolde zelf verscheidene malen over de steenen.
-Eindelijk toch verscheen hij, stak onze fakkels aan, en ging ons op
-den gevaarlijken bodem voor. Toen wij de instorting over waren, kwamen
-wij in eene zaal met stalactieten opgeluisterd; in het midden daarvan
-flikkerden de toortsen van Sumichrast. Mijn reisgezel stapelde al het
-hout, dat wij nog hadden, op elkander en stak het aan. De muren van de
-grot schitterden, alsof zij met kristallen sterren bedekt waren. Van
-den bodem, van het gewelf, van de muren kaatsten duizenden diamanten
-veelkleurige straalbundels terug. Het zou minder verrukte toeschouwers
-dan wij waren, verblind hebben. Maar weldra noodzaakte een dikke en
-bijtende rook ons om heen te gaan, en eenige schreden door een gang,
-brachten ons midden in eene onmetelijke zaal, die door eene natuurlijke
-ronde opening verlicht werd.
-
-Ik begroette den hemel met vreugde; toen ik den grond onderzocht, bevond
-ik, dat hij bedekt was met brokstukken van gebakken aarde.
-
-Ik begon een groot gat te graven, en het duurde niet lang of er kwam
-eene laag van vochtige kolen te voorschijn. De Encuerado ging eenige
-takken afsnijden, waaraan de, tot een punt gevormde uiteinden, ons het
-werk veel vergemakkelijkten. Na twee uren van onverpoosden arbeid, waren
-wij er in geslaagd een weinig meer dan een vierkanten meter van eene
-vochtige, zwarte vette aarde, bloot te leggen.
-
-Ik was uitgeput, en niettegenstaande mijne nieuwsgierigheid ten hoogste
-was opgewekt, moest ik Sumichrast buiten de grot volgen, om een weinig
-frissche lucht in te ademen. Gringalet, die alleen in het bivak was
-achtergebleven, huilde van tijd tot tijd; ik riep hem, en van rots tot
-rots springende, was hij spoedig bij ons. Er viel eene fijne regen;
-geheel vervuld van mijne uitgravingen, was ik blijde, dat de toestand
-van de lucht tot voorwendsel kon dienen, om het vertrek tot den
-volgenden dag uit te stellen. Nauwelijks hadden mijne makkers een
-weinig adem geschept of ik riep hen weer tot den arbeid terug. Hoe
-grooter het gat werd, dat de Encuerado groef, des te meer opgewonden
-werd hij, en meende hij goud te bespeuren.
-
-Volgens de meening van elken Indiaan toch, verbergen de spelonken en
-grotten ongehoorde schatten, die door de natuur gevormd of er door
-den mensch verborgen zijn, en altijd door een boozen geest bewaakt
-worden, die wel zijne schatten laat zien, maar niet toelaat dat men ze
-medeneemt.
-
-»Lach niet, Tatita," zeide mij de Indiaan, »en vooral niet in dit
-oogenblik.
-
-En hij vertelde ons dat een zijner vrienden, die eens zijne kudde op de
-bergen hoedde, zich in het kreupelhout begeven had om eene zijner geiten
-op te zoeken. Het dier vluchtte steeds verder en voerde hem bij den
-ingang eener grot. De Indiaan aarzelde eerst, maar ontdeed zich toen van
-al zijne kleeren, om des te zekerder te zijn, dat hij geen ijzer bij
-zich had, en drong daarop in de grot binnen. Hij deinsde echter terug,
-verblind door het zien van vijftig uiteengevallen kisten, waar het
-gemunte goud uitstroomde. In plaats van partij te trekken van zulk een
-buitenkansje, en zich het bezit van zulk een schat te verzekeren, door
-een van de op den grond gevallen munten meê te nemen, was de ongelukkige
-zoo hard hij kon naar zijn dorp teruggekeerd, om zijne ontdekking aan
-zijne vrienden mede te deelen. Op denzelfden avond gingen zij, vijf in
-getal, en van rieten schoppen voorzien op weg, met het doel om de schat
-in veiligheid te brengen. Men kampeerde in den omtrek van de grot, en de
-nacht werd doorgebracht met flesschen brandewijn op de gezondheid van
-den goeden geest te ledigen. Bij het aanbreken van den dag volgde men
-den gids op den voet; men klom, men daalde, zonder evenwel de plaats
-terug te vinden, waar de even geziene schatten zich nog bevinden.
-
-»Kon hij den weg niet meer terug vinden?" vroeg Lucien, wien dit verhaal
-veel belang inboezemde.
-
---Neen, Chanito! want de grot was voor hem voor altijd onzichtbaar
-geworden.
-
---Onzichtbaar! en waarom?
-
---Omdat hij ijzer bij zich had gehouden.
-
---Maar ge hebt ons gezegd, dat hij naakt was," hernam Sumichrast.
-
---Hij had zijn vuurslag in de hand gehouden!"
-
-De treurige toon, waarop de Encuerado dezen laatsten volzin had
-uitgesproken, ontlokte zelfs aan Lucien een glimlach.
-
-Ik ging de grot weer binnen, en na de reeds bloot gelegde laag kolen
-zorgvuldig verwijderd te hebben, vond ik eene kleine urn van gebakken
-steen, met asch gevuld. De urn droeg op eene der zijden eene grijnzende
-figuur, en bevatte eene schelp, zoogenaamde Jacobs-schelp, en den
-schedel van een vogel.
-
-Door een langen leertijd aan dergelijke ontdekkingen gewoon geraakt,
-twijfelde ik niet, of er zou zich weldra een schedel voor onze oogen
-vertoonen. Werkelijk kwam er een schedel te voorschijn, daarna wervels
-en scheenbeenderen; toen pijlspitsen in vuursteen, en ten slotte
-gebroken figuurtjes. Ongelukkigerwijze konden wij er niet aan denken om
-deze schatten mede te nemen; ik gaf dezen ondankbaren arbeid derhalve
-op. Onze eerste zorg was om den lazo los te maken, en zoodra het maal
-was afgeloopen, hield men zich bezig om de bagage in orde te brengen,
-ten einde den volgenden morgen gereed te zijn om te vertrekken.
-
-
-
-
-XVII.
-
-EEN GEFORCEERDE MARSCH.--DE ZWEMVOGELS.--DE KRUISDRAGENDE
-BLOEMEN.--PLANTAARDIGE ZEEP.--EEN SCHOTEL VAN DEN ENCUERADO.--DE
-SCHERMDRAGENDE BLOEMEN.--DE BLOEDZUIGER.--EEN ONVERWACHTE GAST.
-
-
-De regen bleef bijna den ganschen nacht doorvallen, en tegen vier uur
-in den morgen werd ik bibberend wakker. Het was Hemelvaartsdag, en
-alvorens hij het vuur aanstak, hief de Encuerado een gezang aan en sprak
-een gebed uit. De koffie versterkte ons een weinig, en ieder nam zijne
-vracht op, om den voet van den berg te bereiken. Alvorens ik in het woud
-trok, wierp ik nog een blik op de nauwelijks doorzochte grot, waar
-zoovele geologische wetenswaardigheden bedolven bleven.
-
-De zon vertoonde zich slechts bij tusschenpoozen door de grijze wolken,
-die door den Oostenwind met kracht werden voortgedreven. De grond,
-doorweekt door een regen, die reeds vier-en-twintig uren aanhield,
-maakte onzen marsch zeer moeielijk. Een ijzerhoudende en glibberige
-klei deed ons telkens vallen. Dit moeielijke terrein voerde onze kwade
-luim ten top, en besmeurde onze kleeren met groote roode vlekken; ik
-voor mij, verwenschte inwendig het reizen en vooral den regen.
-
-Bij het verlaten van dit akelig ravijn, rolde Gringalet, die
-ongetwijfeld een wildspoor geroken had, zich woedend over den grond.
-Wij waren reeds ver toen hij bij ons terug kwam, overdekt met eene laag
-rooden oker, die hem het zonderlingste uiterlijk gaf, wat men zich
-slechts kan voorstellen. Het goede dier liep van links naar rechts,
-sprong en blafte, als of hij zich ten taak had gesteld ons te vermaken.
-Hij slaagde er ook in, en onze stap werd vlugger. Eene kleine vlakte,
-waar de zon ons met hare stralen overstroomde, bracht onze goede luim
-weer terug; onze kleeren droogden op en met de vochtigheid vervloog ook
-het onaangename gevoel, waaraan wij ten prooi waren.
-
-Wij waren op het punt andermaal onder de hoornen te gaan, toen de
-Encuerado staan bleef.
-
-»Wat beweegt zich daar?" vroeg hij.
-
---Herten," antwoordde ik, na door mijn kijker gezien te hebben.
-
-Iedereen ging zich achter de heesters verbergen, in de hoop dat een der
-fraaie dieren onder het bereik van een kogel zou komen. De Encuerado
-wilde herhaalde malen de vlakte omtrekken, maar ik verzette er mij
-tegen; de afstand was te groot. Een uur vervloog met naar de dieren te
-zien, die graasden, dartelden, elkander likten, zonder dat een enkele
-zich in onze nabijheid waagde. Ongeduldig over deze rol, trad Sumichrast
-uit zijn schuilhoek te voorschijn, en zoodra zij hem zagen, namen de
-herten de vlucht. Eigenlijk was deze halt niet nutteloos geweest; dank
-zij de hitte van de zon, was de grond meer begaanbaar geworden, en al
-neuriënde nam mijn vriend de taak op zich, ons verder te voeren.
-
-De tijd voor het opslaan van het bivak was sedert lang voorbij en nog
-liepen wij door. Wij gingen over een vlakken bodem, die niet veel goeds
-voorspelde; het water uit de grot, waarmede wij onze veldflesschen
-gevuld hadden, had zulk een flauwen smaak, dat wij vurig verlangden eene
-bron te ontmoeten.
-
-Daar ik den horizon niet kon onderzoeken, gelastte ik den Encuerado in
-een zeer hoogen boom te klimmen. De Indiaan bereikte den hoogsten tak,
-liet zijne oogen overal rondgaan en kwam vrij treurig naar beneden, want
-hij had niets bespeurd. De vermoeidheid dwong ons halt te houden. De hut
-werd gebouwd, het vuur aangestoken, en de pot met water en rijst gevuld.
-Geen onzer bezat den moed om op de jacht uit te gaan. De nacht brak
-trouwens aan, en Lucien begon te slapen. Een uur na het ondergaan der
-zon lagen wij naast elkander; de Encuerado had zijne aardnoten vergeten,
-en was ingeslapen, zonder het aangevangen gezang te kunnen ten einde
-brengen.
-
-Ik werd wakker door het geschreeuw der zevenkleurige tangaras, eene
-soort vliegensnappers[29], die in troepen leven. Lucien beklaagde zich,
-even als wij, over een weinig stijfte in de gewrichten, een gevolg van
-onzen te langen marsch van den vorigen dag. De karavaan ging hinkende
-op weg, maar de aanwezigheid der vogels kondigde de nabijheid van een
-ravijn aan. Langzamerhand verdween de verdooving uit onze ledematen,
-wij trokken langs eene zachte helling naar omlaag, en de plantengroei
-nam een meer tropisch karakter aan. Onder het voortloopen merkte ik
-eenige peperstruiken op, daarna kwamen er heesters, waaruit duizenden
-kardinalen opvlogen. Door deze fraaie vogels met hun rood gevederte
-geleid, kwam ik onverwacht aan den oever eener beek, die zonder geraas
-over een bed van wit zand voortvloeide.
-
-[29] De Tangaras zijn hoofdzakelijk vruchtenetende vogels. (N. v. d. V.)
-
-In een oogwenk verhief de haard zijne vlammen hemelwaarts. Vlinders,
-waterjuffers en vogels vlogen om de bloeiende struiken. Het was een
-waar concert van gegons en gekweel, een licht windje speelde door het
-gebladerte en verfrischte de lucht. Aan ons geluk ontbrak nog slechts
-een stuk wild. Nauwelijks waren wij gaan zitten om wat adem te scheppen,
-of eene vlucht eenden streek dicht bij ons neer. Een pletonsvuur
-verwelkomde hen, en vier slachtoffers bedekten den grond met hunne
-witte, bruine en blauwe veeren.
-
-»Dat zijn de eerste zwemvogels, die wij ontmoeten," sprak Sumichrast.
-»'t Zal niet lang duren of wij plassen in de moerassen."
-
---Aan welke vogels zijn de eenden verwant?" vroeg Lucien.
-
---Aan de zwanen en ganzen, meester Zonnestraal," antwoordde mijn vriend.
-»Alle vogels van deze orde hebben, zooals de naam van _palmipeden_[30],
-dien de natuurkundigen er aan geven, aanduidt, de teenen door een
-zwemvlies verbonden. De eenden, waarvan men in Mexico een groot aantal
-verscheidenheden kent, hebben een platten snavel; hun korte en naar
-achter geplaatste beenen maken dat zij waggelend loopen, maar met des
-te meer gemakkelijkheid zwemmen.
-
-[30] Van _palma_ handpalm en _pes_ voet. De door een zwemvlies verbonden
- teenen van den voet, doet dezen op een handpalm gelijken, vandaar
- de naam. (N. v. d. V.)
-
---Maar hoe kunnen zij met zulke voeten op de boomen zitten?
-
---De eenden gaan niet op boomen zitten, zij brengen den dag door met in
-het water te plassen, en slapen achter het riet verborgen.
-
---Dan moeten zij altijd nat zijn.
-
---Toch niet; de natuur heeft de veeren van de zwemvogels met een soort
-olieachtig vernis overdekt, dat ze ondoordringbaar voor water maakt.
-De eenden vereenigen zich tot groote vluchten, vliegen met groote
-gemakkelijkheid, en gaan, al naar de jaargetijden, van het eene gewest
-in het andere over. Zij zijn zoo talrijk op de wateren, die de stad
-Mexico omringen, dat de jagers ze aan de Indianen overlaten."
-
-Terwijl de Encuerado het middagmaal gereed maakte, nam ik mijne makkers
-mee naar den oever der beek. Weldra ontdekten wij waterkers, eene
-gelukkige vondst voor reizigers, wien het vleesch begint te vervelen.
-Lucien onderzocht de witte kruisvormige bloemen van de kostbare
-plant, welke vorm aan de geheele familie den naam van kruisbloemigen
-(_cruciferen_) heeft verschaft; deze gewassen bevatten eene scherpe en
-vluchtige olie, die haar tegen de scheurbuik doet gebruiken. De kool
-(_brassica oleracea_), de raap (_br. rapae_), de radijs (_raphanus
-sativus_) en de mosterd (_sinapis alba_), zijn bladen, wortels of zaden
-van kruisbloemige planten. Bij deze lijst zou men nog kunnen voegen de
-rammenas en de colza, waarvan het zaad eene goede lampolie oplevert, de
-steenraket of zangerskruid, een volksgeneesmiddel, in Frankrijk tegen
-de verkoudheid aangewend, de herdersbeurs, waarvan de Mexicanen een
-afkooksel maken om wonden mede te wasschen, het _lepidum piscidium_,
-door de inboorlingen van Oceania gebruikt om de visschen te verdooven,
-ten einde zich er gemakkelijker meester van te kunnen maken.
-
---Gij vergeet het lepelblad, zoo nuttig voor de zeevarenden, ter
-bestrijding van de scheurbuik," voegde Sumichrast mij toe.
-
---Gij hebt gelijk, maar ik geloof dat ik er genoeg van gezegd heb, om
-meester Zonnestraal de kruisdragende planten niet meer te doen vergeten.
-
-Eenige schreden verder deinsde Lucien, die een heester genaderd was
-om insecten, die onder de bladeren verborgen konden zijn, te zoeken,
-verbaasd terug, toen hij zag dat de heester bedekt was met fraaie
-boomkikvorschen (_hyla viridis_). In plaats van in het water te gaan,
-vluchtten zij het bosch in. Sumichrast verklaarde aan den jongen jager,
-dat de boomkikvorschen, waarvan de teenen in slijmachtige schijven
-eindigen, zich door deze inrichting aan de bladeren en zelfs aan gladde
-voorwerpen kunnen vasthouden.
-
-»In Europa," voegde hij er bij, »doet men ze in flesschen, die half met
-water gevuld zijn, en de boeren beweren dat het dier goed of slecht weer
-voorspelt, naar gelang het buiten het water blijft of er zich indompelt.
-De boomkikvorsch, evenals hare zuster, de waterkikvorsch, begraaft zich
-des winters in het slijk en blijft daar in verdoofden toestand. Deze
-soort van slaap, die haar in de koude luchtstreken voor den honger moet
-vrijwaren, moet in Mexico, waar zij altijd haar voedsel vindt, eene
-andere oorzaak hebben. De huid van den boomkikvorsch scheidt een vergif
-af.
-
---Kom eens hier," riep Lucien eensklaps, »daar staat een appelboom.
-
-Ik liep naar hem toe, en vond er een heester van ongeveer vier meter
-hoogte, bedekt met geelachtige, roodgevlekte vruchten, zooals de
-api-appeltjes. Ik herkende den boom, dien de Mexicanen zeepboom noemen.
-De ontdekking kwam goed van pas en Sumichrast hielp ons de vruchten te
-verzamelen, die ons in staat zouden stellen, om onze kleeren eens goed
-te wasschen. Lucien wilde de kleine appels, die doorschijnend zijn als
-vruchten van was, proeven, maar de samentrekkende smaak beviel hem niet,
-zoodat hij ze vol afkeer weg wierp.
-
-Een kwartier later lagen wij op den boord der beek geknield, en wieschen
-wij om 't best ons linnengoed. De vruchten van den zeepboom geven een
-overvloedig schuim, en de wasch laat niets te wenschen over. In het
-Gematigde Land vervangt een wortel, _amoli_ genoemd, de zeep; in het
-Warme Land bedient men zich van een knolgewas, _amolito_ geheeten, in
-het land der Misteken of de provincie Oajaca vinden de arme lieden eene
-natuurlijke zeep in de schors van de _quillaja saponaria_, een boom uit
-de familie der roosachtige gewassen.
-
-Europa bezit ook eene plantaardige zeep, de Saponaria of het Zeepkruid,
-een klein plantje, dat aan de anjelieren verwant is en waarvan de roode
-bloempjes langs de kanten van sloten staan. De huisvrouwen bedienen er
-zich van om zijden stoffen te wasschen, en de verlepte kleuren weer
-helder te maken.
-
-Uitgerust en opgefrischt, gingen wij bij het vuur liggen, met een stuk
-gebraad met waterkers en eene eend met rijst, door piment gekruid, in 't
-verschiet. Bij het eerste hapje trok ik een leelijk gezicht, waaraan
-Sumichrast, door eene soortgelijke betuiging, beantwoordde. De rijst had
-een ongenietbaren aromatischen smaak. De Encuerado zag ons zegevierend
-aan.
-
-»Wat drommel hebt ge toch in het eten gedaan?" riep ik uit.
-
---Niet waar, Tatita, dat is lekker?
-
---'t Is afschuwelijk, ge hebt ons vergeven.
-
-Ik had den reuk van eene soort van koriander, waarmede de Indianen,
-als zij er toe in de gelegenheid zijn, hunne spijzen kruiden, herkend.
-Sumichrast was, evenals ik, in de eerste beet blijven steken; Lucien
-evenwel, die een weinig de voorkeur van den Encuerado voor _de culantro_
-deelde, smulde. Ons maal bestond derhalve slechts uit een gerecht; ik
-liet aan de twee vrienden de in rijst gekookte eend over en vergenoegde
-mij met het gebraad.
-
-De Indiaan, die meende dat wij liever de versche plant hadden dan de
-andere, die door het kooken veel van haar geur verloren had, bood ons er
-eenige stengels van aan. Hij was evenwel slechts ten halve schuldig; wij
-aten dikwijls met genoegen van zijne nationale keuken en onze tegenzin
-voor de kruiderij, die door zijne landgenooten het meest op prijs wordt
-gesteld, mocht hem dan ook met het volste recht verbazen.
-
-Gringalet raakte de gekookte rijst met de punt van de tanden aan en
-rolde zich woedend over de takjes koriander, die op den grond waren
-blijven liggen, waardoor zijn fraai toilet wel wat bedorven werd. Ik
-nam mijne makkers mede naar den oever der beek, en bracht ze weldra te
-midden van een geheel boschje van het stinkende gewas. Ik nam de vlucht.
-Sumichrast, moediger dan ik, gunde zich den tijd om aan Lucien te
-verklaren, dat deze talrijke familie, die men schermdragende planten
-(_umbelliferae_) noemt, omdat de bloemen als een scherm (_umbella_)
-geplaatst zijn, de selderie, de peterselie, den wortel, de pastinake,
-de anijs, de angelica en twintig andere planten omvat, waarvan de reuk
-alleen voldoende is om de verwantschap te herkennen. Door insnijdingen
-te maken in de stengels van twee schermdragende planten, verkrijgen de
-inboorlingen den opoponax en het galbanum, twee gomsoorten, waarvan zij
-pleisters maken tegen de maagpijn.
-
-De Assa-foetida of het duivelsdrek, waarvan de reuk zooveel
-aantrekkelijks heeft voor de Indianen der beide halfronden, is ook een
-voortbrengsel van een schermdragend gewas.
-
-Dicht bij het water gezeten, zagen wij, dat eene kleine baai zich
-met visschen vulde. Lucien ging het vlindernet halen en de Encuerado
-trachtte ze er mee te vangen. Hij kreeg evenwel maar vier of vijf
-kleine vischjes, die hij weer in het water wierp, benevens een anderen
-visch, van een aanhangsel aan den staart voorzien, waar wij met al
-onze wetenschap niet uit wijs konden worden. Ik beschouwde hem langen
-tijd; het lichaam, dat eene bruine kleur had, door twee gele strepen
-geteekend, was doorschijnend. Ik zou aan eene afwijking van den gewonen
-vorm gedacht hebben, ware het niet dat verscheidene, geheel gelijke
-voorwerpen, op dezelfde plaats rondzwommen. Ik wierp het half doode dier
-weer in 't water, het zonk, kwam weer naar boven, bewoog zich een weinig
-en was op 't punt weer weg te zwemmen, toen een dikke bloedzuiger zich
-aan zijne zijde vasthechtte.
-
-Sumichrast ving het vischje opnieuw op en pakte den bloedzuiger, eene
-geelachtige soort en van gemiddelde grootte, vast.
-
-»Onder welke dieren zoudt gij dezen rangschikken? vroeg hij aan Lucien.
-
---Onder de kruipdieren, waarop hij in 't klein gelijkt.
-
---Dan zoudt ge u vergissen; hij behoort tot de anneliden of geringde
-dieren. Merk wel op, dat het lichaam uit ringen gevormd is, zooals dat
-van den aardworm. De bloedzuiger heeft aan elk der uiteinden van het
-lichaam eene zuignap, waardoor hij zich stevig aan de voorwerpen, welke
-hij ontmoet, kan vastzuigen. Eene dezer zuignappen, die van den kop,
-welken hij op 't oogenblik lang uitstrekt, is van binnen van drie
-scherpe tanden voorzien, die hem in staat stellen om de huid te
-doorboren van het dier, waaruit hij het bloed wil zuigen. Al zwemt de
-bloedzuiger ook met veel snelheid en golvend, zooals de slangen, zoo
-merkt gij toch op, dat hij op uwe hand alle levendigheid verloren heeft.
-Hij kan niet vooruitkomen, dan door zijne twee uiteinden bijeen te
-brengen en de tijd, dien hij daartoe noodig heeft, veroorlooft hem
-buiten het water slechts langzaam vooruit te komen.
-
---In mijn land," zeide de Encuerado, »vangt men de bloedzuigers in de
-moerassen. Zij, die zich op deze vangst toeleggen, wroeten in het slijk
-en komen er dan gewoonlijk uit, het lichaam geheel met bloedzuigers
-bedekt.
-
---Laten zij zich dan steken?
-
---Neen, Chanito, althans niet vrijwillig, want de steek van deze
-bloedzuigers laat eene jeukte na, die minstens vier-en-twintig uren
-duurt.
-
---Daarom hebben rijke lieden er ook niets op tegen, om de Europeesche
-bloedzuigers, die niet dezelfde onaangename eigenschap hebben, duur te
-betalen," antwoordde ik.
-
-De zon begon lager te staan; honderden vogels verzamelden zich op den
-oever der beek. Gele, blauwe, groene en roode vleugels zwierden in alle
-richtingen door de lucht. Wij keerden naar het bivak terug, telkens
-staan blijvende om de groote verscheidenheid in gevederte en gezang
-te bewonderen. Daar waren goudvinken van een violetkleurig zwart,
-met oranjen buik en den kop en wangen met blauwe veertjes versierd;
-dikbekken, met goudkleurige keel; meesjes met azuurblauw en wit getooid,
-welke de Mexicanen primeveren (eerstelingen van de lente) noemen. Een
-troepje _centzontles_--duizendstemmen--kweelden liederen, die een
-nachtegaal waardig zouden zijn.
-
-De zon, achter gouden wolken verborgen, overgoot de boomen en struiken
-met een zacht licht. Allengs zwegen de stemmen; de beek alleen murmelde,
-terwijl vogels over ons heen vlogen om de bergen te bereiken. Het werd
-duister in 't Oosten; de sterren begonnen éen voor éen aan den donkeren
-hemel te schitteren, en levende vonken glinsterden in de struiken. De
-nacht was reeds aangebroken en nog meende ik een geruisch van vleugels,
-gebladerte en stemmen te hooren; onbestemde geruchten, die het oor
-bekooren, terwijl het oog overal stralen ziet, die den geest tot God
-verheffen.
-
-Ik sliep reeds meer dan twee uren, toen het geblaf van Gringalet mij
-plotseling deed opspringen. Ik was even spoedig als mijne makkers, die
-verontrust waren door eene beweging in het gebladerte, op de been. Het
-werd weer stil en ik begon reeds aan een valsch alarm van den hond te
-denken, die evenwel niet ophield met grommen. Ik wilde opnieuw gaan
-liggen, toen Sumichrast mij zijne hand op den schouder legde; de kop van
-eene monsterachtige slang gleed over den grond, en het lichaam, dat
-ongeveer vijf meters lengte had, ontrolde zich langzaam voor den haard.
-
-Ik herkende de zwarte slang der suikerplantages, alleen te vreezen om
-hare grootte, en die de planters op hunne velden lokken, welke zij van
-schadelijke knaagdieren zuivert. De nabijheid van zulk een gast had
-niets opbeurends, want degene onzer, dien hij in zijne kronkels had
-genomen, zou zonder veel moeite plat gedrukt zijn. Wij wisten niet al
-te goed wat te doen; terugtrekken zou wellicht den vijand aanlokken
-zijn en als wij schoten, zonder hem doodelijk te verwonden, zou onze
-onhandigheid ons aan de grootste gevaren bloot stellen. Ik hield
-Gringalet tegen, want het zien daarvan kon de lust van de slang
-opwekken, terwijl de Encuerado zonder geraas de hut verliet. De slang
-hief den kop op en haalde hare ringen nauwer aan, sloeg haar flikkerend
-oog, waarin de vlam van het vuur weerkaatste, rond, en wendde zich naar
-onzen kant toe. Sumichrast maakte zich gereed te schieten, toen een
-schot weerklonk; ik meende een vreemden, onmogelijk te omschrijven kreet
-te hooren, daarna stortte het dak van de hut onder vreeselijke schokken
-ineen.
-
-Er ontstond een oogenblik van verwarring; de gewonde slang was over
-ons heengegaan. Ik maakte mij zoo spoedig mogelijk uit de takken los,
-terwijl ik den verbaasden Lucien beschermde en achteruit trok. Toen ik
-mij omkeerde, zag ik Sumichrast naar den Encuerado toegaan, die, nog met
-zijn machete in de hand, de slang in drie stukken had gehouwen. Het ware
-gevaarlijk geweest deze stukken, die over den bebloeden grond wentelden,
-en waarvan er een in den haard terecht kwam en dien uitwierp, te
-naderen. De jager stelde alle pogingen in 't werk om de afgesneden
-deelen te beletten weer bij elkander te komen; hij meende, zooals
-trouwens alle Indianen doen, dat de brokstukken van het dier zich van
-zelf weer tot een geheel vereenigen. Ik beken, dat men geneigd zou
-zijn aan dit volksbijgeloof waarde te hechten, als men ziet, hoe twee
-gedeelten van eene slang zich ineenrollen, tegen elkander wrijven, zich
-omkronkelen, alsof een geheim instinct het dier aanspoorde om eene
-verbinding te zoeken, welke het leven er aan moest teruggeven.
-
-Door hunne blinde bewegingen verdwenen de brokstukken van de zwarte
-slang eindelijk in het struikgewas. Ik onderzocht Gringalet van kop tot
-teen; onze waakzame reismakker had, even als wij, eenige kleine
-kneuzingen van weinig beteekenis.
-
-»Drommels, drommels! riep Sumichrast. Wij hebben ons niet zeer moedig
-gedragen. In plaats van ons bang te maken, hadden wij stilletjes moeten
-blijven liggen, de slang zou ons niet aangevallen hebben en ons dak zou
-ons nog beschutten.
-
-»Eind goed al goed, hernam ik lachende; maar ik moet toestemmen dat wij
-aan meester Zonnestraal, die in 't vervolg voor alle slangen bevreesd
-zal zijn, een beter voorbeeld hadden kunnen geven.
-
-Toch niet, zeide Lucien, als ik ze maar niet alleen tegenkom. En met de
-zorgeloosheid aan zijne jaren eigen, sliep hij weer in. Alvorens dit
-voorbeeld te volgen, wakkerde de Encuerado het vuur wat aan en maakte
-hij een compliment aan Gringalet, die hem in 't gezicht likte. Deze
-vrijmoedigheid haalde hem eene les in de beleefdheid op den hals,
-waarvan ik het einde niet hoorde.
-
-
-
-
-XVIII.
-
-WILDE DAHLIA'S.--EEN BETREURENSWAARDIG ONGEVAL.--DE WOLFSMELKBOOMEN.--DE
-WASCHRAT.--DE STROOM.--DE ENCUERADO HOEDENMAKER.--NIEUW MIDDEL OM BOOZE
-GEESTEN TE VERDRIJVEN.--DE ANHINGA.
-
-
-Den volgenden dag, die de negentiende was na ons vertrek uit Orizava,
-vergeleek men de Kompassen en werd de reisroute veranderd. Tot nu toe
-hadden wij in de richting van het Noord-Oosten langs de provinciën
-Puebla en Veracruz geloopen, maar zonder evenwel de Cordilleras te
-verlaten, welker wouden en talrijke valleien nog niet onderzocht zijn.
-Naar de berekeningen van Sumichrast en ook de mijne moesten wij op dit
-oogenblik op de hoogte van de provincie Mexico zijn en wij kwamen
-overeen dat wij ons naar het Westen zouden richten, alsof wij op de
-hoofdstad van Mexico afgingen.
-
-»Waarom blijven wij niet voorwaarts gaan?" vroeg Lucien.
-
---»Omdat onze reis eenmaal een einde moet hebben," antwoordde ik; »tot
-nu toe zijn wij getrokken door wat men het Gematigde Land noemt. Van
-heden af zullen wij op het Koude Land toegaan en binnen twee of drie
-dagen zullen wij woningen aantreffen.
-
---Zullen wij dan weer menschen zien?
-
---Ik hoop het. Mishaagt die gedachte u dan?
-
-Neen; maar het zal mij zoo vreemd voorkomen, als ik weer menschen en
-woningen zie.
-
---»Drommels, drommels!" riep Sumichrast uit, »gij zijt zoo waar reeds
-een wilde geworden."
-
---Ik vind het zoo aangenaam te voet te reizen, dat ik wel zou willen,
-dat de reis nog lang duurde.... maar op voorwaarde, dat ik Mama van tijd
-tot tijd eens mag omhelzen.
-
---»Arme Zonnestraal," sprak Sumichrast, »als ik er aan denk dat gij het
-volgend jaar op eene kostschool zult zijn; dan eerst zult gij aan ons
-leven van nu denken."
-
---Maar als het vacantie is, papa, en u weer eene reis onderneemt, dan
-mag ik toch weer mee, daar ik toch goed kan loopen.
-
---Alvorens aan eene andere reis te denken, zullen wij eerst die, welke
-wij nu ondernomen hebben, ten einde brengen. Gij schijnt te vergeten,
-dat wij het moeielijkste gedeelte van onze taak nog volbrengen moeten.
-
---Het Koude Land doortrekken?
-
---Neen, dat zullen wij slechts terloops zien; maar het Warme Land
-belooft ons meer dan ééne kwelling.
-
---»Bah!" sprak Lucien, terwijl hij mij omhelsde, »het Warme Land is
-bijna mijn land; ik zal er mij zoo goed houden, dat u aan Mama zult
-kunnen zeggen, dat ik een man ben."
-
-De zon schitterde reeds toen ik het teeken tot vertrek gaf. Wij
-verlieten nooit zonder leedwezen de bivaks, die wij bij een waterstroom
-hadden opgeslagen. Meestal kostte het ons moeite ons van die gastvrije
-schuilplaatsen los te rukken, om ons weer op weg naar het onbekende te
-begeven. Een kwartier uurs verliep met op den Encuerado te wachten, die
-met alle geweld de stukken van de zwarte slang wilde terugvinden; daarna
-nog een tweede met het vullen van onze veldflesschen, het landschap te
-beschouwen en de vlucht der vogels met het oog te volgen. Sumichrast
-opperde het denkbeeld dat het, na zulk een slechten nacht, niet kwaad
-zou zijn als wij een beteren, temidden van zulk een verrukkelijk oord
-doorbrachten.
-
-»Welzeker," riep ik uit, »de weekelijkheid zal over de geestkracht, de
-lafheid over den moed zegevieren! Laten wij ons als Romeinen van het
-tweede keizerrijk gedragen. Laten wij morgen, overmorgen maar eerst
-vertrekken! Laat ons het gedenkwaardig verblijf te Capua vergeten! O!
-zoon van Helvetia, wat zou de schim van Willem Tell wel zeggen, als hij
-u hooren kon?"
-
-Mijn makker verwijderde zich met groote schreden, Lucien en
-den Encuerado, die verbaasd stond over mijne gebaren en mijn
-declamatorischen toon, met zich mede voerende. Toen ik de kleine
-karavaan bereikt had, wenschte ik haar geluk over haar ijver, en ik
-verklaarde dat Willem Tell, Guatimatzin en Napoleon tevreden konden
-zijn.
-
-De beek wees den weg aan, dien wij volgen moesten; wij gingen langs hare
-oevers, beschut door de heesters en opgevroolijkt door de vogels, die
-er langs vlogen. Sumichrast wees ons dahlia's aan, de bloem die geheel
-volmaakt zou zijn, als zij geur bezat. Uit Mexico oorspronkelijk,
-vanwaar zij in Europa werd ingevoerd, bereikt de dahlia eene hoogte van
-ongeveer een meter en brengt zij enkele, bleekgele bloemen voort. Door
-de kweeking heeft men dubbele bloemen verkregen, die duizenden tinten
-vertoonen en een sieraad van onze tuinen zijn. Veel Mexicanen, die voor
-veel geld dahlia's in Frankrijk en in Holland koopen, weten zelfs niet,
-dat de plant uit hun land afkomstig is.
-
-De gekookte en gezouten knollen van de dahlia worden door de Indianen
-gegeten; 't is een melig, flauw en weinig gezocht voedsel. De wilde
-aardappel, 't is waar, is al niet veel beter en wie weet of de kweeking,
-na onze tuinen met deze heerlijke plant verrijkt te hebben, onze tafel
-niet den een of anderen tijd met de sappig geworden knollen der dahlia's
-zal begiftigen.
-
-De beek beschreef talrijke kronkelingen en onze begeerte om haar niet te
-verlaten, bracht ons herhaalde malen van onzen weg af; eindelijk liep
-zij naar links; ik groette haar als een vriend, van wien men noode
-afscheid neemt, maar in de hoop dat haar grillige loop haar weer op
-onzen weg zou voeren.
-
-Onze marsch ging nu naar omhoog; nu eens trokken wij door lichtingen,
-dan weer door boschjes. Eensklaps opende zich voor ons eene uitgestrekte
-prairie en Sumichrast voerde ons door hooge, witachtige planten. Na
-verloop van een kwartier uurs begon onze gids te niezen, Lucien volgde
-zijn voorbeeld, daarna kwam de beurt aan den Encuerado, vervolgens ook
-aan mij en aan Gringalet. Deze opeenvolgende uitbarstingen werden door
-lachen en veelvuldige »God zegene je" begroet; maar eene levendige
-prikkeling in de keel en aan de oogen vergezelde weldra het niezen.
-
-»Drommels, drommels!" riep mijn vriend uit, »wat beteekent die
-misplaatste grap?"
-
-Ik sloeg de oogen rondom mij; wij waren omringd door wolfsmelkplanten en
-onze zorgeloosheid had ons dit ongeval op den hals gehaald.
-
-De lust tot lachen verging ons; wij hadden het midden der vlakte
-bereikt; het was te laat om terug te keeren. Al hoestende, traanoogende
-en niezende voerde ik mijne gezellen door de verwenschte planten,
-waarbij ik opmerkte, dat zij elken anderen plantengroei verstikten.
-Reeds was mij eens in het Warme Land dergelijk ongeval overkomen en
-ik vreesde voor de gevolgen van zulke eene wezenlijke vergiftiging.
-Sumichrast en Lucien bloedden uit den neus; ik versnelde den pas nog
-meer. Eindelijk drongen wij, met roode en opgezwollen oogen en een
-gevoel in de keel, alsof zij door eene ijzeren hand werd toegeknepen,
-het bosch in. Onze eerste zorg was ons gelaat wat te betten en de keel
-te gorgelen, zonder ook den ongelukkigen Gringalet te vergeten, die van
-dat alles niets begreep en zijn snuit over den grond wreef.
-
-De Encuerado bromde tusschen zijne tanden en wilde de wolfsmelkplanten
-vernietigen. Ik had veel moeite om hem te beletten den oorlog te
-beginnen tegen de planten, die ons in zulk een erbarmelijken toestand
-hadden gebracht; zich van zijne mars ontdaan hebbende, bood hij aan ons
-te wreken en keerde hij elk oogenblik naar het noodlottige veld terug.
-Hij wilde het in brand steken; dat was het onmogelijke beproeven. Hij
-moest zich dus met scheldwoorden vergenoegen; ze waren kort maar
-krachtig, want de toestand van zijne keel veroorloofde hem nauwelijks te
-spreken.
-
-Ter prooi aan een onverdraaglijk onaangenaam gevoel, drongen wij het
-woud in, een weinig op goed geluk voortloopende, in de hoop, dat wij
-eene bron zouden ontmoeten. Eindelijk werd het terrein vlak; vervolgens
-voerde eene steile helling ons in de bedding van een opgedroogden
-stroom; eenige schreden verder brachten ons bij een plas groenachtig
-water--het manna in de woestijn.
-
-Onze gezichten waren opgezwollen, de oogleden brandden, de mond was
-droog en het niezen wilde maar geen einde nemen; dien dag werd er noch
-over eene hut noch over een haard gesproken. Door de koorts verteerd,
-strekte een ieder zich in de schaduw uit en zocht in den slaap een
-weinig verlichting voor zijn lijden.
-
-Lucien, die zeer terneergeslagen was, verdroeg zijn lijden met een moed,
-die mij aandeed. Ik droeg zorg zijne oogen van tijd tot tijd uit te
-wasschen en hem te drinken te geven.
-
-Hij sliep in; maar hij had, evenals wij, een gevoel, alsof zijn hoofd te
-zwaar voor zijne schouders was geworden.
-
-Toen de zon onderging, maakte ik den Indiaan wakker.
-
-Onze gezichten bleven opzwellen; de Encuerado zag mij verwonderd aan
-en sliep weer in. Er moest vuur aangemaakt en koffie gezet worden;
-maar ik geloof niet, dat het ons een van allen mogelijk zou geweest
-zijn te eten. Met een langzaamheid en eene linkschheid, die ik niet kon
-overwinnen, gelukte het mij eindelijk eenige droge takken bijeen te
-rapen en het water aan 't koken te brengen. Toen riep ik mijne gezellen;
-zij dronken, zonder eenig besef te hebben van den dienst, dien ik hun
-bewees, en vielen toen weer in een zwaren slaap.
-
-De zon kondigde minstens tien uur aan, toen Lucien, het voorbeeld
-gevende, ons overreedde om op te staan.
-
-Met zulk een opgezwollen en pijnlijk gelaat konden wij er niet aan
-denken op weg te gaan. Sumichrast deelde zijn leerling eenige korte
-bijzonderheden mede over de wolfsmelkboomen, waarvan vele Afrikaansche
-soorten in hunne groeiwijze op reusachtige cactussen gelijken. De
-planten van deze familie, kruiden, struiken of heesters, bevatten een
-melkachtig, scherp en vergiftig sap.
-
-Eene verscheidenheid, welke men slechts zelden in Mexico aantreft, maar
-die men zegt, dat in Brazilië zeer algemeen is, is de phosphoriseerende
-wolfsmelkplant,--die des nachts licht geeft. De mancenilla, in welks sap
-de vroegere Caraïben de pijlpunten dompelden, welke zij vergiftig wilden
-maken, behoorde tot deze plantenorde; maar de reizigers en later de
-dichters, zijn veel te ver gegaan met te beweren, dat het voldoende was
-in zijne schaduw te gaan liggen, om den eeuwigen slaap in te gaan.
-
-Het melksap van de wolfsmelkplanten (eupharbiaceeën) wordt soms in de
-geneeskunde gebruikt en de olie uit de zaden van den wonderboom is een
-wormafdrijvend purgeermiddel, hetwelk de kinderen zelfs maar al te goed
-kennen.
-
-"Dat is eene mooie familie," riep de Encuerado uit, die een afschuw
-van de wonderolie had; »zoo beschouwd, zijn alle leden giftmengers en
-moordenaars."
-
---»Behalve de manioc, welke de tapioccae oplevert, waarvan gij zooveel
-houdt," antwoordde ik.
-
---»Is de manioc een verwante van de wolfsmelkboomen?" sprak de Indiaan,
-met een twijfelachtig gelaat.
-
---Zeer zeker, en wanneer zij, die haar verzamelen, niet de voorzorg
-namen haar in zeer ruim water af te wasschen, zoudt gij er niet van
-kunnen eten, zonder uw leven er bij in te schieten.
-
---»Wel nu," zeide de Encuerado, vol overtuiging, »de duivel van mijnheer
-Sumichrast mag van mijnentwege de geheele familie halen en de tapiocca
-op den koop toe, ik zal er mij niet over beklagen.
-
-In den namiddag verklaarden Sumichrast en Lucien, dat zij honger hadden;
-dat was een goed teeken. Ik nam mijn geweer, dat mij wel honderd pond
-scheen te wegen, en door mijne makkers gevolgd, ging ik strompelend den
-loop van de stroombedding op.
-
-Wij ontmoetten verschillende waterpoelen en daarna van de bergen
-losgescheurde en zonderling op elkander gestapelde rotsen. Ik klom bij
-den oever op, van plan om mij met het eerste stuk wild, dat zich zou
-voordoen, te vergenoegen. Ik zag evenwel niet anders dan koningstoccoms,
-met zwart, geel en rood gevederte; maar die vogels waren te vlug, dan
-dat ik er aan denken kon ze te vervolgen. Een eekhoorn liet zich echter
-schieten; 't was wel een schraal maal voor vijf hongerige magen.
-
-Sumichrast, die vooruit was gegaan, bleef staan en gaf ons een teeken om
-stil te zijn. Mijne oogen drongen op het bed van den stroom en bij een
-met water gevuld gat zag ik een _tejor_ of waschrat. Het dier, dat een
-grijs met zwart gestreept vel bezat, had een spitsen snuit als die van
-de buidelrat; het was op zijn achterdeel gezeten, dompelde zijne pooten
-in het water en wreef ze tegen elkander aan. De Encuerado schoot, de
-rat sprong op en weldra kon Lucien hare prachtige huid en haar fraaien
-staart bewonderen. Het dier was bezig eene hagedis te wasschen, alvorens
-haar te verslinden, aan welke onverklaarbare gewoonte het zijn bijnaam
-te danken heeft.
-
-De _tejor_ (_procyon lotor_) wordt veel in Mexico aangetroffen. Hij
-behoort tot de familie der beren, maar is veel kleiner en veel vlugger;
-hij is vleeschetend en tevens insektenetend. Hij klimt met veel gemak
-op de boomen, en als hij zijn verblijf dicht bij eene woning heeft
-opgeslagen, vernietigt hij in korten tijd al het pluimgedierte. De
-_tejor_ wordt zonder veel moeite tam gemaakt, loopt zijn meester te
-gemoet en zoekt zijne liefkoozingen; evenwel bijt hij, evenals de
-eekhoorn, waarop hij door zijne levendigheid gelijkt, onverwacht de hand
-die hem voedt. Het vleesch van den procyon is blank, zacht en malsch.
-
-De Encuerado had dahliabollen verzameld en onder de asch gebraden; daar
-dit voedsel ons niet smaakte, misschien omdat onze ontstoken keel ons
-niet toeliet de fijnheid er van te erkennen, gaf ik het aan Gringalet,
-die er zich aan te goed deed.
-
-De nacht brak aan, de hemel bedekte zich met grauwe wolken, die hevig
-werden voortgedreven, ofschoon de boomen om ons heen onbeweeglijk
-bleven.
-
-Het was te laat om eene hut te bouwen en evenals den vorigen nacht
-strekte ieder zich op goed geluk op een bed van droog mos uit.
-
-Ik werd stijf van koude wakker; er blonk geene enkele ster aan den
-hemel. Er bleef mij van de onpasselijkheid, door de wolfsmelkplanten
-veroorzaakt, nog slechts een weinig zwaarte in het hoofd en eene lichte
-ontsteking in de keel over. Ik trachtte weer in te slapen en viel in
-eene soort van pijnlijke soezerij. Ik meende roofvogels te hooren
-schreeuwen en in het bosch een geloei te vernemen. Ik stond op om die
-nachtmerrie te verdrijven; maar ik droomde niet, de dag brak aan, de
-vogels namen onder wild gekrijsch de vlucht, een dof geraas, gelijk aan
-dat van den wind, die de boomen van het woud doet schudden, klonk zonder
-ophouden in mijne ooren. Ik riep Sumichrast en den Encuerado; deze
-laatste riep vol schrik uit:
-
-»De stroom!"
-
-Lucien opnemende, droeg ik hem op mijne armen weg, terwijl de Indiaan
-in alle haast de over den grond verspreide voorwerpen bijeenzocht. Ik
-bereikte door mijne beide makkers en Gringalet gevolgd, den dam. Lucien,
-in zijn slaap gestoord, had den tijd niet om te vragen wat er aan de
-hand was. Een woedend geraas maakte ons bijna doof; een geelachtige
-watermassa ging ons voorbij; ik zag een mijner dekens drijven en bijna
-terzelfder tijd vielen de rotsen in als door eene onzichtbare macht
-voortgesleept, en stieten tegen elkander aan, onder den drang van een
-vloeibare lawine.
-
-Een minuut later en het ware met ons gedaan geweest, of althans met ons
-goed en onze wapenen, zonder welke onze toestand zeer hachelijk zou
-geworden zijn.
-
-Onze hoeden dreven met de deken weg; dit verlies was ons zeer
-onaangenaam, want geen onzer, behalve de Encuerado, kon onder de stralen
-eener tropische zon blootshoofds loopen. Het ontmoeten van een palmboom
-zou ons er over getroost hebben, want de Indiaan kon, evenals al zijne
-landgenooten, stroo en riet vlechten. Inmiddels bedekte ieder zich het
-hoofd met de breede bladeren van eene plant, die op de oevers der
-stroomende wateren groeit en waarvan de Indiaansche vrouwen zich soms
-bij wijze van zonnescherm bedienen.
-
-Wij wisten bij ondervinding met welke snelheid de rivieren soms
-overstroomen.
-
-Een maand later, tegen het tijdstip van de regelmatig terugkeerende
-regenbuien, zouden wij het nooit gewaagd hebben midden in eene
-stroombedding te kampeeren. Wij hadden den vorigen dag evenwel
-opgemerkt, dat de lucht vol grauwe wolken werd, wat ons op onze hoede
-had moeten doen zijn.
-
-De woedende stroom ging voort, zonder moeite ontzaglijke steenblokken
-meesleepende; maar de waterhoogte vermeerderde niet en toonde aan, dat
-hij even spoedig weer zou opdrogen als hij gezwollen was. De Encuerado
-moest zich met een slijkerig water vergenoegen om de koffie te koken;
-maar als wij onze kieskeurigheid van beschaafde menschen hadden willen
-behouden, zouden wij de reis hebben moeten opgeven! Een ander ongeval
-hield ons trouwens bezig; het overgebleven gedeelte van de waschrat, dat
-voor ons ontbijt had moeten dienen, was, evenals onze zak rijst door den
-stroom meegesleurd.
-
-Wij gingen, weinig opgebeurd door deze reeks tegenspoeden, op weg.
-
-Alle ongesteldheid was gelukkig verdwenen; maar wij bleven de
-wolfsmelkboomen en den stroom een kwaad hart toedragen. Een lange
-marsch, gedurende welken wij nog den loop van de onverwacht ontstane
-rivier verscheidene malen verloren en weer teruggevonden hadden, bracht
-ons eindelijk aan een heuvel, aan welks voet een uitgestrekt moeras
-lag. De Encuerado die, bij gebrek aan wild, hier en daar wat riet had
-uitgetrokken, begon dadelijk hoeden voor ons te vlechten.
-
-Terwijl ik hem in gezelschap van Lucien achterliet, ging ik met
-Sumichrast uit om eenig wild op te sporen.
-
-Toen wij van onze nuttelooze wandeling terugkwamen, vond ik mijn zoon
-reeds in 't bezit van een hoofddeksel in den vorm van een trechter; de
-Encuerado bood er mij ook een aan, die, naar het zeggen van mijn vriend,
-mij op een Chinees deed gelijken. Nadat ik een weinig uitgerust was,
-wilde ik opnieuw op de jacht gaan. Het geraas van den stroom scheen de
-vogels verdreven te hebben. Er vertoonde zich ternauwernood nu en dan
-een muschvogel, die het schot kruit, dat hij gekost zou hebben, niet
-waard was. Ik vertrok opnieuw in gezelschap van Sumichrast, die op zijne
-beurt een mooien punthoed op had gekregen.
-
-Deze nieuwe loop putte ons geheel uit, zonder ons een anderen buit op te
-leveren dan een tangara, waarvan het schitterend gevederte onzen honger
-niet kon doen bedaren. De Encuerado en Lucien bemerkten ons, midden in
-het moeras staande; de jonge visscher liep op ons toe met zijn nieuw
-hoofddeksel in de hand; in zijne haast vergat hij, dat de bodem van een
-moeras bijna altijd glibberig is en ik zag hem plat op zijn buik op eene
-laag waterplanten vallen. Met één sprong was de Encuerado bij hem en
-hielp hem overeind; maar in plaats van zich over zijn val te bekommeren,
-sloeg Lucien zijne bedroefde oogen naar den Indiaan op.
-
-Zijn hoed bevatte een gedeelte van de visch, die zij met het vlindernet
-hadden gevangen en waarvan meer dan een derde in het modderige water van
-het moeras verdwenen was.
-
-»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast, om het bedrukte gelaat van den
-visscher lachende, »wij zijn bepaald betooverd."
-
-Deze scherts werd door den Encuerado voor ernst opgenomen; hij sloeg
-zich voor het voorhoofd, alsof hij plotseling eene ingeving had
-gekregen.
-
-»Dat is de geest van de grot!" riep hij uit. O! die rekel, en dat na
-alles wat hij mij te danken heeft en de voorzorg, die ik genomen heb.
-
---»Welke voorzorg?" vroeg Lucien.
-
---Ik heb zeven witte keisteentjes opgeraapt en er een mooi kruis mee
-geteekend.
-
---Wat heeft hij met dat kruis te maken?
-
---Hoe, Chanito, hij weet dat wij christenen zijn en durft ons aanvallen!
-Wacht een beetje! Ik zal hem den boozen geest, dien hij in mijn lichaam
-heeft gezonden, terugsturen en spoedig ook.
-
-En tegen een boom leunende met zijn hoofd omlaag en de beenen in de
-lucht, begon de Encuerado als een bezetene met de beenen te spartelen.
-Nu eens viel hij links, dan weer rechts, maar na elken val stond hij op
-om dadelijk zijne houding van clown weer aan te nemen. Bij het zien van
-die lichaamsverwringingen kon geen onzer zijn ernst bewaren.
-
-Lucien lachte dat de tranen hem over de wangen liepen, te meer nog daar
-de Indiaan, als om het tooneel nog grappiger te maken, zijn gebaren deed
-vergezeld gaan van scheldwoorden aan het adres van den geest van de
-grot.
-
-Eindelijk beval ik hem zijne natuurlijke houding weer aan te nemen en
-zich stil te houden.
-
-»Denkt gij, dat hij vertrokken zal zijn?" vroeg hij met een
-onverstoorbaren ernst.
-
---»Zeker," antwoordde ik; »op de wijze waarop gij hem geschud hebt, moet
-hij wel door den mond of de ooren naar buiten zijn gegaan."
-
---Nu uwe beurt, Chanito!
-
-Lucien, die verrukt was dat hij ook die kunsten eens zou mogen uithalen,
-poogde herhaalde malen zich op het hoofd in evenwicht te houden, maar
-door zijn lachen beheerscht, vond hij de kracht niet om zich op te
-heffen. Hoe meer de Encuerado hem toeriep, dat hij den ernst moest
-bewaren, die voor het welslagen van de bewerking noodig was, des te
-onweerstaanbaarder werd het lachen. De goede Indiaan, die meende dat
-een geest bepaald een lichaam moest verlaten, dat met het hoofd omlaag
-is geplaatst, vatte de beenen van zijn jongen meester vast en schudde
-hem als een zak, dien men ledigen wil. Sumichrast maakte een einde aan
-de geestverdrijving, door te verklaren dat de geest op de vlucht was
-gegaan. Toen naderde de Encuerado mijn metgezel en stelde dezen voor ook
-hem te helpen, zooals hij Lucien had gedaan.
-
-»Nu is het genoeg," sprak ik, zoodra het lachen mij toeliet te spreken.
-»Sumichrast en ik bezitten een ander middel om geesten te verdrijven."
-
-De Encuerado zag mij met bewondering aan, meer dan ooit overtuigd dat
-mijne macht die van de toovenaars van zijn land ver te boven ging.
-
-Wij waren den haard genaderd; Lucien herhaalde vol ernst de woorden van
-den Indiaan aan 't adres van den booze, toen Gringalet begon te huilen.
-
-De Encuerado had het arme dier bij zijne achterste pooten gevat en
-schudde hem met den kop omlaag, heen en weer.
-
-»'t Is voor uw bestwil," zeide hij. »Begrijpt gij dan niet, dat de
-geest, dien gij in het lijf hebt, u tot de eene of andere dwaasheid zou
-verleiden?"
-
-Lucien vloog zijn trouwen vriend te hulp, die eindelijk door den Indiaan
-werd losgelaten. Weinig erkentelijk voor de goede bedoelingen van den
-Encuerado te zijnen opzichte, bleef Gringalet boos op hem en gedurende
-een dag of drie naderde hij hem slechts met wantrouwen.
-
-Na dit tooneel hield de zorg voor het middagmaal ons geheel bezig.
-Als de jacht goed was geweest, zou zij ons het vet geleverd hebben om
-onzen visch te bakken. Terwijl wij zoo over ons weinig geluk klaagden,
-bemerkte ik een troep vogels, die op de manier der eenden vlogen; zij
-beschreven een grooten kring en zetten zich op den top van een boom
-neer. De Encuerado schoot en een vogel viel naar beneden. Het door den
-Indiaan gedoode wild was een _anhinga_[31], een der zonderlingste
-zwemvogels, die men maar zien kan. Men stelle zich een vogel voor met
-het lichaam van eene zeer groote eend, den hals eener zwaan, met een
-rechten, puntigen snavel, die langer dan de kop is, met van zwemvliezen
-voorziene pooten en groote, sterk bevederde vleugels. De anhinga duikt
-en zwemt met dezelfde kracht, zwemt onder het water, zit op boomen en
-zoekt den hoogsten top uit om er zijn nest op te bouwen.
-
-[31] _Anhingo Levallantii_, de Amerikaansche verwante van den
- Slangenhalsvogel (_Plotus Levallantii_ of _melanagaster_).
- (Noot v. d. V.)
-
-Het vleesch van de anhinga is weinig gezocht; men beweert, dat het hard
-en taai is. Stemde de honger mij tot toegevendheid? Ik weet het niet;
-maar ik vond, dat het even malsch was als van de eend. Het vet van den
-vogel, dat zorgvuldig werd opgevangen, diende om de visschen te bakken.
-Deze, ik moet het bekennen, kwamen ons minder sappig voor dan het zwarte
-vleesch van den zwemvogel. Smaakte deze een weinig naar visch, de andere
-smaakten grondig; evenwel ging het gansche menu naar binnen.
-
-Toen de nacht aanbrak, teekende de maan den omtrek der boomen tegen den
-blauwen hemel af en de Encuerado, blijde te weten dat hij onttooverd
-was, vergastte ons op een nog niet gehoorden lofzang, die er niet weinig
-toe bijbracht om ons te doen inslapen.
-
-
-
-
-XIX.
-
-MIDDEN DOOR DE MIEREN.--EEN TROEP HAZEN.--DE ZWARTE IGUANO.--EEN ANDER
-LAND.--HERINNERINGEN UIT DE KINDSHEID.--DE LUCHTSPIEGELING.--EEN VUUR IN
-DE VLAKTE.
-
-
-Tegen tien uur in den morgen waren wij reeds verscheidene heuvels
-overgetrokken en volgden wij een nauwe, met varenplanten bekleede kloof.
-Lucien opende den marsch, door den Encuerado op den voet gevolgd;
-hij bracht ons allengs op eene rotstrap, die in het regenseizoen
-ongetwijfeld tot afvoer van het water diende. De steile weg dwong ons
-herhaalde malen tot stilstaan, teneinde adem te scheppen. De heesters
-kruisten hunne takken boven onze hoofden en zonden ons hunne welriekende
-geuren toe; maar Sumichrast, die door zijne lengte gedwongen was om half
-gebukt te loopen, herhaalde van tijd tot tijd zijn geliefkoosden
-uitroep.
-
-De jonge gids, verlangende een minder moeielijk pad te bereiken, had
-zijn weg onverpoosd vervolgd. Ik hoorde hem den Encuerado roepen en
-weldra zag ik hem onbeweeglijk midden in de kloof staan en naar zijne
-voeten zien, alsof een onzichtbare hinderpaal hem den weg versperde.
-Toen ik bij hem gekomen was, begreep ik zijne verlegenheid; de grond was
-bedekt met roode mieren; men kon onmogelijk voortgaan zonder ze bij
-honderden te vertrappen, een onvrijwillige moord, dien men niet kan
-bedrijven zonder zich aan pijnlijke beten bloot te stellen.
-
-De Encuerado stroopte de halffladderende pijpen van zijn leeren broek op
-en wierp zich midden in den vijand, maar het steile terrein veroorloofde
-hem niet den levenden stroom zoo spoedig over te komen, als hij gehoopt
-had. Deze poging, die op een effen grond slechts kinderspel zou geweest
-zijn, werd op eene helling gevaarlijk. Tot overmaat van ramp gleed de
-Indiaan uit en lag nu, plat op den buik, midden tusschen de mieren. Hij
-stond op, overdekt met de nijdige dieren; aan den overkant der kolonne
-gekomen, kleedde hij zich haastig uit, teneinde zich te ontdoen van de
-duizenden tegenstanders, welker venijnige kaken in zijn vleesch drongen.
-
-Door den val van den Indiaan in de war gebracht, verspreidde de bende
-zich en verbreedde zij hare gelederen; nieuwe regimenten rukten aan,
-hoopten zich op en hieven hunne dreigende koppen omhoog. Ik wilde mijn
-zoon niet aan de kwelling hunner beten blootstellen; ik nam hem op mijn
-rug en ging op mijne beurt voorwaarts. De vracht vertraagde mijn loop
-zoozeer, dat ik mieren tot aan mijn hals toe had, toen ik bij den
-Encuerado was aangekomen. Ik zette Lucien op den grond, want ik hield
-het niet langer uit; ik ging toch te zijner hulp en bevrijdde hem van
-zijn vijanden, op gevaar af van mij nog meer te laten bijten. Door den
-Encuerado geholpen, bevrijdde ik den knaap van zijn vijanden; hij had
-niet veel letsel bekomen, hoogstens een twintigtal beten. De woedende
-Indiaan rukte graszoden uit, die hij naar den vijand slingerde. De reeds
-vertoornde insekten verspreidden zich nu nog meer en bedekten eene
-oppervlakte, dubbel zoo groot als die, welke zij eerst besloegen. Ik
-dacht aan mijn vriend, die een weinig lager stond adem te scheppen en
-toomde den toorn van den Encuerado in.
-
-Sumichrast naderde; verwonderd over onze luchtige kleeding, opende hij
-een paar verbaasde oogen, ging eenige schreden voorwaarts en liet toen
-zulk een vervaarlijk »drommels, drommels!" hooren, dat wij in een
-schaterlach uitbarstten, waarin hij evenwel volstrekt niet deelde: hij
-was dan ook den Rubicon nog niet overgetrokken.
-
-Zonder met onze bewegingen op te houden, om het jeuken tegen te gaan,
-overlaadden wij hem met allerlei raadgevingen. Hij wilde uit het ravijn
-gaan, door tegen den wand op te klimmen--moeite te vergeefs, de helling
-was te steil. Hij sneed een tak met bladeren af en veegde den grond
-schoon; maar het pad werd even spoedig weer gevuld als het geopend
-is. Sumichrast ging peinzend zitten, Gringalet, dien dit tooneel
-verwonderde, ging naar hem toe; ons geschreeuw doet hem midden in den
-mierenhoop stilstaan, maar hij bleef er niet lang.
-
-Terwijl de Encuerado en Lucien den armen hond ontlastten van den vijand,
-dien hij zoo dwaaslijk had uitgetart, trok Sumichrast de helsche kolonne
-met eene stoicynsche gelatenheid door. Een kwartier uurs later zetten
-wij onze opstijging voort, als mannen van ondervinding redekavelende
-over de beten der mieren en het gevoel, dat zij te weeg brengen.
-
-Met Lucien aan 't hoofd bereikten wij eindelijk eene naakte bergvlakte
-en trokken tusschen ontzaglijke rotsblokken door. Sumichrast sloeg een
-uitgedroogd geultje in, en hij, die zich straks zoo beklaagde dat hij in
-gebukte houding moest loopen, noodzaakte ons nu op handen en voeten te
-gaan; Lucien gaf hem dan ook met woeker de schimpscheuten terug, die hij
-van hem ontvangen had. Eene laatste krachtige inspanning bracht ons op
-een bergrug; wij gingen onder struikgewas door om eensklaps op eene
-zandige vlakte terecht te komen, te midden van een vijftigtal hazen,
-die eerst de vlucht namen, nadat Lucien en de Encuerado er twee gedood
-hadden.
-
-Om drie uur in den namiddag voerde ik mijne makkers nog altijd door de
-vlakte; de temperatuur was zacht en een licht windje maakte, dat wij
-zonder te veel vermoeidheid de brandende zonnestralen verduurden. Wij
-werden nog slechts omringd door eenige magere struiken, die op een
-witachtigen bodem groeiden. Sumichrast stelde voor zonder schuilplaats
-te kampeeren. Een vuur van droog gras zou voldoende zijn om onzen slaap
-te beschermen; maar voor de keuken was hout noodig. Ieder ging in eene
-verschillende richting om hout te sprokkelen en de zon was reeds onder
-eer de kok in staat was om het wild gereed te maken.
-
-Den volgenden morgen verguldde de zon eensklaps de vlakte met een
-fraaie gouden kleur. Roofvogels zweefden in de lucht en bij onze eerste
-schreden begon Gringalet reeds jacht op de hazen te maken. Deze dieren,
-die gewoonlijk zoo vreesachtig zijn, zagen ons met eene bedaarde
-nieuwsgierigheid, die ons zeer verwonderde, voorbijtrekken. Wij zagen
-ze bij hunne legers met opgerichte ooren en onbeweeglijk zitten, hunne
-groote zwarte oogen wijd geopend. Bij deze gelegenheid verzekerde de
-Encuerado ons, dat de haas nooit de oogen toe doet,--zelfs niet om te
-slapen.
-
-Aan het einde van de vlakte versperde een zandheuvel ons den weg en de
-warmte begon het ons lastig te maken. De weerkaatsing vooral deed de
-oogen pijnlijk aan. Onze voeten woelden wolken van stof op. Lucien, die
-een onvermoeibare looper was geworden, was ons gewoonlijk vooruit en
-won veel weg op ons, terwijl wij bleven staan om adem te scheppen. Wij
-hadden bijna den top van den heuvel bereikt, terwijl hij ons reeds vier
-of vijf honderd pas voor was, toen ik zag dat hij zijn geweer aanlegde
-en schoot. Ik liep op hem toe, terwijl hij verder den top beklom en
-daarop verdween, mij toeroepende dat hij een draak had gedood.
-
-Ik vond den jongen jager terug; hij stond voor een prachtigen iguano
-(_cyclura acanthura_), die inderdaad op het fabelachtige dier gelijkt,
-dat ons door de dichters beschreven is. De huid van den fraaien Sauriër
-had een zilvergrijzen weerschijn, die vooral op den rugkam zeer
-duidelijk was. Het dier stierf juist, toen de Encuerado bij ons kwam,
-die zich de handen wrijvende uitriep:
-
-»Dat is een _guachi-chevé_, wat zullen wij een lekker avondmaal hebben."
-
---»Hebt gij er dan al meer gezien?" vroeg Lucien.
-
---Dat is een dier uit mijn land, Chanito; het is zeer overvloedig in de
-vlakten, die naar den Stillen Oceaan afdalen. Die dieren kunnen leven
-zonder te eten; men bewaart ze soms twee maanden met vastgebonden pooten
-en dichtgenaaiden bek.
-
---Met dicht genaaiden bek!
-
---Ja, Chanito, om te beletten dat zij mager worden. Op uw leeftijd en
-tegen de vasten, ging ik met mijne broers op de iguanojacht. Wij zochten
-bij voorkeur de lage gronden op, die in den regentijd onder water staan.
-Daar vonden wij in holle boomen of in gaten, die zij in het vochtige
-slijk hadden gemaakt, de zwarte iguano, die wij bij den staart er
-uittrokken.
-
---Bijten zij dan niet?
-
---Oh, ja. Chanito, zij bijten zeer goed en krabben nog beter; wij
-droegen dan ook wel zorg ze bij den hals te vatten en de pooten en kaken
-vast te binden; soms vervolgden wij ze op de boomen; maar dan lieten de
-iguano's zich zonder gevaar van een hoogte van twintig of dertig voet
-vallen en ontsnapten ons meestal.
-
-Sumichrast vulde deze inlichtingen aan, door den jongen
-natuuronderzoeker mede te deelen, dat de iguano--een verwante van de
-hagedis--tot een meter lang wordt; dat het wijfje twintig à dertig
-eieren legt, die door de inlandsche lekkerbekken zeer gezocht zijn en
-dat de groene soort--_iguana rhinolopha_--een dunnen en platten staart
-heeft en veel beter zwemt dan de zwarte, welks met stekels bezette
-staart minder tot zwemmen geschikt is. Het ontmoeten van een groenen
-iguano kondigt dan ook bijna altijd de nabijheid van een waterstroom
-aan, terwijl men weet dat de zwarte iguano, die zeer bevreesd voor de
-crocodillen is, zich van de rivieren verwijderd houdt.
-
-Lucien wilde eerst zelf het wild dragen; maar onder het gewicht van
-zijn draak bezwijkende, gaf hij het spoedig aan den Encuerado over. Er
-vertoonde zich weer een nieuwe heuvel; de grond werd bij elke schrede
-dorder; ternauwernood groeide hier en daar een klein grasgewas met
-blauwe bloempjes. Toen de tweede top bereikt was, ontplooide zich eene
-grenzenlooze vlakte voor onze oogen;--wij waren op het middelste
-bergvlak van Mexico, in het Koude Land en op 2.500 meter boven de
-oppervlakte der zee.
-
-Welk eene verandering! Op een witten grond, die zoo licht en droog was,
-dat het minste windje dien medevoerde, verhieven zich hier en daar
-vijf of zes bijna bladerlooze boomen en vervolgens eenige doornachtige
-met stof bedekte struiken; een weinig verder verbaasden reusachtige
-cactussen ons door hun zonderlingen bouw. De zon, door het zand
-teruggekaatst, vermoeide het gezicht. Ik richtte den marsch eenigszins
-naar rechts, waar zich een weinig groen vertoonde en onze tent van
-bladeren werd onder Peruaansche peperstruiken opgericht.
-
-»Wat een leelijk land!" riep Lucien uit. "Zijn wij dan niet meer in
-Mexico?"
-
---»Zeker," antwoordde ik; »maar wij zijn op het groote bergvlak, bijna
-op de hoogte van Mexico en Puebla."
-
---Moeten wij die groote vlakte overtrekken? Ik zie er noch dieren noch
-vogels, men zou zeggen, dat de boomen dorst hebben.
-
---Gij hebt meer gelijk dan gij misschien wel denkt, want het regent hier
-niet meer dan viermaal in 't jaar. En toch is deze grond, die op het
-eerste gezicht zoo dor schijnt, uitstekend ter bebouwing geschikt. Hij
-brengt koren, gerst, aardappelen, peren, appelen, kersen, perziken,
-druiven, in één woord, alle Europeesche vruchten voort, die in de
-gematigde luchtstreek niet kunnen groeien, omdat de warmte ze te spoedig
-doet ontwikkelen. Eindelijk groeit op dit bergvlak de _maguey_,--_agave
-mexicana_, eene wonderbare plant, die aan de Mexicanen evenveel diensten
-bewijst als de cocospalm aan de bewoners van Afrika.
-
-De Encuerado was onder een peperstruik neergehurkt en zijne blikken
-dwaalden over den onmetelijken horizon. Wij bevonden ons toch op de
-hoogte van _zijn_ land en hij kon meenen, dat hij in de nabijheid van
-zijn dorp was.
-
-»Waar denkt ge zoo aan?" vroeg ik, terwijl ik hem op den schouder
-klopte.
-
---Oh, Tatita, waarom hebt gij mij gestoord? Hier ben ik even geleerd
-als gij, en ik zou u op mijne beurt de namen kunnen noemen van al
-de bloemen, welke hare hoofdjes naar mij toeneigen, alsof zij mij
-herkenden. Ik heb dikwijls in deze vlakte rondgedoold; ik heb die
-struiken, die boomen, die planten reeds vroeger gezien... Gij lacht,
-Chanito. Welnu! gij zult het zien! laat Tatita het maar gerust zeggen,
-als ik de waarheid niet spreek.--»Zie hier," sprak de Indiaan, terwijl
-hij opstond en een plantje met dunne en witachtige bladeren uittrok,
-dit is de _alfilerillo_, dien de moeders aan de kinderen geven, om ze
-van de keelpijn te genezen. De boomen, welke ons overschaduwen, zijn de
-valsche peperboomen, die men tevergeefs in het Warme Land zou zoeken;
-hunne fraaie roode trossen zullen vruchten opleveren, die hier verloren
-gaan, maar die evenwel dienen om de buikpijn te doen bedaren. Zie,
-Chanito, dat is een _mizquitl_, een doornachtige boom, waarop wij gom
-zullen vinden. Wat heb ik u gezegd? Ziedaar reeds drie stukken; gij
-kunt ze zuigen; eerst zullen ze u wel bitter toeschijnen, maar ge zult
-spoedig aan den smaak gewennen. Tatita, gij hebt mij in mijn land
-teruggebracht.
-
---Wij zijn op dezelfde lijn, het is dus geen wonder, dat gij hier
-denzelfden plantengroei aantreft als dien, te midden waarvan gij zijt
-opgegroeid!
-
-De Indiaan bleef peinzend; Sumichrast en ik zagen hem met
-nieuwsgierigheid aan en Lucien, verwonderd hem zoo ontroerd te zien,
-bleef geheel ongerust bij hem staan.
-
---»Daar is het Engelenkruid," hernam de Encuerado eensklaps. »Wat was
-mijne moeder verheugd, toen ik haar een takje van dit gras had
-meegebracht."
-
---»Welke eigenschappen heeft het dan?" vroeg ik.
-
---»Het verschaft droomen, die ons ten hemel voeren; het is dat zeldzame
-bloempje, dat het kind Jezus in de vlakten van Bethlehem ging plukken.
-Ziet ge, Chanito, zonder uwe tegenwoordigheid zouden wij dat plantje,
-dat de moeders uit mijn land zoo verheugd maakt, niet gevonden hebben.
-
-De Indiaan verviel weer in zijne droomerij, nu eens zijn blik over den
-ruimen gezichteinder latende dwalen, dan weer het gras, dat aan zijne
-voeten groeide, uittrekkende. »Er ontbreekt nog maar een latania aan, om
-het landschap volkomen te maken," sprak hij.
-
-Na verloop van een oogenblik liep hij naar de struiken toe en knielde
-neer; hij had een bundeltje van die gele vergeet-mij-nietjes gevonden,
-die men in zijn land het »doodenbloempje" noemt. Weldra hoorde ik hem
-snikken.
-
-»Oh, Chema, wat scheelt er toch aan?" riep Lucien uit, terwijl hij op
-zijn vriend toeijlde.
-
-De Indiaan stond op en nam den knaap in zijne armen. »Ik had eene
-moeder, ik had broers, ik had een Vaderland," sprak hij; »en deze
-bloemen herinneren mij, dat zij, die ik lief heb gehad, in het graf
-slapen."
-
---»Houdt gij dan niet veel van mij?" hernam Lucien, hem omhelzende.
-
-Als eenig antwoord drukte de Encuerado hem zoo vast tegen zijne borst,
-dat hij hem een lichten kreet ontlokte; daarna droeg hij hem naar het
-bivak.
-
-Dit tooneel had ons ontroerd; met langzame schreden en zonder een woord
-te wisselen gingen wij, mijn vriend en ik, naast elkander voort. »O!
-macht van den dorpstoren en van de herinneringen der jeugd!" dacht ik,
-»welk paleis zal ooit zooveel waarde hebben als het ouderlijk dak;
-welk geluk zal ooit dat der eerste kinderjaren evenaren? De herder,
-die groot-vizier is geworden, zal altijd in eene kist het ruwe kleed
-bewaren, waaronder hij meende ongelukkig te zijn. O roem! o fortuin!
-hebben de machtigste opkomelingen wel ooit hunne jeugd kunnen vergeten?
-en dacht Napoleon, toen hij beheerscher der wereld was geworden, nooit
-aan de tafel, zonder tafellaken, die zijne moeder met vijgen en olijven
-bedekte?
-
-De honger bracht mij tot meer prozaïsche gedachten. Het blanke en
-sappige vleesch van den Iguano was eene smullerij zoowel voor Gringalet
-als voor ons. Het maal duurde langer dan naar gewoonte; wij waren over
-het vaderland aan 't praten geraakt en dat onderwerp was onuitputtelijk.
-Ik herinnerde mijn vriend er aan, dat hij een paar dagen te voren
-even ontroerd was geweest als de Indiaan, toen hij twee vlinders zag
-verdwijnen, die hij meende tot eene soort uit zijn land te behooren en
-ik stelde deze herinnering tegenover het plan, dat hij zoo dikwijls had
-geuit, om midden in de eenzaamheid te gaan wonen, teneinde daar onbekend
-te leven en te sterven.
-
-Op het groote bergvlak blijft de zon een weinig langer schijnen dan in
-de warme gewesten. Hoe meer de zon de aarde naderde, des te meer begon
-de hemel in eene purperen tint te gloeien en aan onze rechterhand zag ik
-de oneffenheden van de Cordilleras uit het land van den Encuerado, zich
-afteekenen. Allengs nam de witachtige grond een doorschijnend uiterlijk
-aan; onze misleide oogen waanden eene onmetelijke watervlakte te zien,
-waarboven overstroomde boomen hunne groene koppen uitstaken.
-
-De maan kwam op, en verre van een einde aan de luchtspiegeling te maken,
-deed zij het gezichtsbedrog nog duidelijker voorkomen. Ik besloot den
-heuvel af te dalen, ten einde Lucien van deze zonderlinge dwaling onzer
-zintuigen te overtuigen.
-
-»Ik heb wel gezien dat de vlakte droog is," sprak hij, zich omkeerende,
-»maar hoe meer wij het bivak naderen, des te meer zou men zeggen, dat
-het water achter ons stijgt."
-
---»De luchtlagen zijn ongelijk verwarmd," antwoordde ik, »en hare
-weerkaatsing, die de lichtstralen doet afwijken, keert eendeels de
-voorwerpen, die de vlakte bedekken, om en toont ons ze anderdeels veel
-hooger dan ze werkelijk zijn.
-
---Maar wij zien water, waar het toch niet is.
-
---Telt gij den hemel dan voor niets? 't Is de hemel, die, omgekeerd
-zijnde, zich aan onze voeten als een spiegel vertoont. Maar de lucht
-koelt af en gij kunt waarnemen, dat het verschijnsel langzaam verdwijnt,
-alsof eene onzichtbare hand deze denkbeeldige watervlakte tot aan de
-grenzen van den horizon terugschoof.
-
-Terwijl onze blikken, op het vlak gevestigd, de uitwerkselen van de
-luchtspiegeling in al hunne bijzonderheden volgden, flikkerde er
-plotseling een verwijderd licht op. Luide kreten begroetten dit
-onbekende bivak; vervolgens verloor een ieder, de oogen op het
-onbeweeglijk schijnsel gevestigd, zich in eindelooze gissingen. Wij
-verwachtten er eerst den volgenden dag woningen te ontmoeten, en het
-woord _land_, na eene lange reis aan boord van een schip uitgesproken,
-had geen dieperen indruk op ons kunnen maken, dan het zien van dat
-lichtend stipje. Niet dan nadat wij het hadden zien uitgaan, dachten wij
-er aan te gaan rusten. De lucht werd koel, en toch stak de Encuerado
-het vuur, dat ons zou kunnen verraden, niet meer aan. Helaas! sedert
-twintig dagen hadden wij geen enkel menschelijk wezen ontmoet, en na
-de vreugde van onze gelijken terug te zien, was ons tweede gevoel dat
-van wantrouwen; van alle wezens is de wilde mensch zeker wel de minst
-menschelijke.
-
-
-
-
-XX.
-
-MIST EN DAUW.--HET KOUDE LAND.--HOOZEN EN WERVELWINDEN.--DE BARBARIJSCHE
-VIJGEN.--DE KAARSCACTUSSEN.--DE VIZNAGA.--TELEURGESTELDE HOOP.--DON
-BENITO COYOTEPEC.
-
-
-De zon kondigde hare komst nog niet aan en reeds waren wij overeind
-en gereed om op weg te gaan. Wij rilden van kou, want op het hooge
-bergvlak, hetwelk wij bereikt hadden en dat de inwoners der lagere
-streken met den naam van het Koude Land bestempelen, zijn de
-ochtendstonden zeer koud. Op de diepe duisternis volgde een vaag
-schemerlicht, en daarna kwam een lichte nevel op, die ons als een
-stortregen doornat maakte.
-
-»Wat is dat nu?" riep Lucien uit, »het heeft niet geregend en toch zijn
-wij nat."
-
---Dat is de dauw, Chanito, hij is in het Warme Land bijna even
-overvloedig als de mist.
-
---Zijn mist en dauw dan niet hetzelfde?
-
---»Niet geheel en al," antwoordde ik; »de dauw is gewoonlijk weldoende
-en valt alleen des morgens, terwijl de Mexicanen zeer bevreesd zijn voor
-de mist, die na het ondergaan der zon komt en aanvallen van koorts
-verwekt.
-
---Maar vanwaar komt dat water?
-
---Uit de lucht, die er altijd eene zekere hoeveelheid van bevat, en dat
-zij op den grond, de planten en steenen afzet, naar gelang deze door de
-uitstralingen kouder worden.
-
-Op dit oogenblik werd onze aandacht getrokken door eenen eersten straal,
-die, eene dunne wolk doorborende, de vlakte als een lichtgevende pijl
-overtrok. De horizon, die tot dusverre zichtbaar was geweest, bedekte
-zich met een vlokachtigen nevel, die zich trapsgewijze tot onze voeten
-uitstrekte. De nu vrij geworden zon steeg boven de toppen uit en haar
-levendig licht overstroomde den hemel. Allengs verdunde de nevel, de
-boomen vertoonden van verre hunne ronde toppen, terwijl zich hier en
-daar groote scheuren in den half doorschijnenden sluier openden, die
-even spoedig verdween als hij op was gekomen.
-
-De kijker ging van hand tot hand en ieder zocht de hut te ontdekken,
-waarvan de haard ons gister zijn schijnsel had toegezonden. Het zoeken
-was vergeefsch, de weerkaatsing van het licht verblindde ons en beperkte
-het vergezicht; maar eenmaal de hoogte genomen zijnde, konden wij zonder
-vrees voorwaarts gaan; wij moesten, volgens onze berekening, den
-volgenden dag op zijn laatst woningen ontmoeten.
-
-Gringalet liet zijne tong hangen; hij vond het loopen op dezen
-salpeterachtigen grond, waar de Mimosa's de stralen der zon tusschen
-hare wijd uiteenstaande bladeren temperden, moeielijk. Welk een
-tegenstelling met de heerlijke streken, die wij tot nu toe doorloopen
-hadden.
-
-»Uw land is niet zoo mooi als het mijne," sprak Lucien tot den
-Encuerado.
-
---Mijn land is mooier dan dat, waar wij nu doortrekken, Chanito; in de
-eerste plaats heeft het bergen en bosschen en het regent er ook soms.
-
---Zullen wij nu sneeuw zien vallen, nu wij in het Koude Land zijn?
-
---»Neen," antwoordde Sumichrast glimlachende, »gij zult geene sneeuw
-zien vallen dan het volgende jaar, als gij in Frankrijk zult zijn.
-De winters in het Koude Land van Mexico herinneren meer aan onze
-Europeesche lentes; maar toch bereiken zij nooit eene temperatuur, die
-de tropische vruchten doet rijpen; het Koude Land verdient slechts zijn
-naam als men zijn klimaat vergelijkt met dat van het Warme of het
-Gematigde Land.
-
---Ik vind, dat men het slecht genoemd heeft: want op dit oogenblik is
-het bijna even warm, als op den dag, toen de Zuidenwind zoo hard gewaaid
-heeft. Gringalet schijnt als ik te denken,--hij laat zijne tong nog
-langer hangen dan naar gewoonte.
-
---»Drommels! drommels!" riep Sumichrast uit, »de opmerking van meester
-Zonnestraal duidt aan, dat hij een waarnemer van de eerste soort zal
-worden. Gij hebt honderdmaal gelijk," vervolgde hij, terwijl hij zijne
-hand op den schouder van den knaap legde; »in de vlakten van het Koude
-Land is de warmte nog lastiger dan zelfs in het Warme Land, waar een
-voortdurend zweeten aan de te felle steken van de zon tegenstand biedt.
-Een marsch van eenige dagen onder dit klimaat zou onze huid zwarter
-maken dan het geheele overige gedeelte van de reis."
-
-Mijn makker bleef eensklaps staan, en wees ons met den vinger den
-gezichteinder aan.
-
---Rook! riep Lucien uit.
-
---»Neen, Chanito," antwoordde de Encuerado, »'t is een _tornado_." Ik
-had eerst dezelfde gedachte als mijn zoon, toen ik eene dunne kolom slof
-tot aan de wolken zag opstijgen. Het was echter slechts een dwarlwind,
-die na een oogenblik verdween.
-
---»De wind waait toch niet," hernam Lucien; »hoe kan het stof zoo hoog
-stijgen?
-
---»Gij moogt u met recht verwonderen; want geen enkele geleerde heeft de
-werkelijke oorzaak van dit verschijnsel verklaard," gaf ik ten antwoord.
-
---Zouden wij meê gesleurd worden, als wij ons in een dezer dwarlwinden
-bevonden.
-
---Neen, Chanito, de _tornado_ zou ons alleen omwerpen.
-
---Hebt gij dit dan wel eens beproefd?
-
---Ja, als ik met de kinderen van mijn dorp speelde en er in onze
-nabijheid een _tornado_ kwam, vonden wij er pleizier in om er doorheen
-te loopen.
-
-Op honderd schreden van ons, zonder dat het minste windje de lucht
-bewoog, dwarrelde het zand en steeg het snel naar omhoog. Het gedraai
-was duizelingwekkend en had slechts op eene uitgestrektheid van ongeveer
-een voet plaats. Zonder merkbare oorzaak ontstaan, verdween het
-verschijnsel even zoo, en het stof viel naar gelang de zwaarte met meer
-of minder snelheid neer.
-
-Lucien verging van begeerte om door een dezer _tornado's_ te loopen;
-maar zij vertoonden zich altijd buiten ons bereik.
-
-»Zou men er eindelijk niet in slagen om eene verklaring te vinden voor
-de hoozen en typhons," vroeg Sumichrast, »als men dit verschijnsel, dat
-zich bijna onophoudelijk op de groote bergvlakten van Mexico voordoet,
-bestudeerde? De dwarlwinden zijn toch niet anders dan hoozen in 't
-klein.
-
---»Een hoos? wat is dat?" vroeg Lucien.
-
---Een meteorologisch verschijnsel, gelijk aan dat, wat gij nu gezien
-hebt, maar duizendmaal aanzienlijker; want het rukt boomen uit en neemt
-de woningen mee, die het op zijn doortocht ontmoet.
-
---Hebt gij er wel eens eene gezien, papa?
-
---Eenmaal slechts, op zee. De Engelsche pakketboot, waarop ik mij
-bevond, had juist de haven van Sint-Thomas verlaten; wij waren nog
-dwars voor het eiland; er woei eene lichte bries; de lucht bleef helder,
-het water golfde zonder te schuimen, toen de zee recht tegenover ons
-over eene groote uitgestrektheid in beweging begon te komen; eene
-ontzaglijke waterzuil verhief zich snel en vormde eene donkere en
-onheilspellende wolk. Na verloop van een kwartier uurs bleef het
-verschrikkelijke verschijnsel, dat zich gelukkig van ons af bewoog,
-onbeweeglijk. De wolk, die voortdurend opzwol, werd zienderweg
-grooter en nam eene donkerblauwe tint aan, terwijl de waterkolom,
-die haar voedde, donkergrijs afstak. Een dof gerommel, gelijk aan een
-verwijderden donderslag, deed zich zonder ophouden hooren. De waterzuil
-brak onverwacht in 't midden door, een gedeelte van het vocht viel
-met een verschrikkelijken plons in de zee terug en een overvloedige
-regen overstroomde ons. Een half uur later voeren wij weer onder een
-wolkeloozen hemel en op een sluimerenden Oceaan.
-
---»En wat zou er gebeurd zijn, als de hoos het vaartuig had bereikt?"
-vroeg Lucien.
-
---Dan zouden wij waarschijnlijk verzwolgen zijn geworden.
-
---Wat zult ge bang geweest zijn, Tatita!
-
---»Zeker, en ik was niet de eenige; de officieren en matrozen volgden
-den loop van de hoos met zichtbaren angst."
-
-Zoo pratende hadden wij ons te midden der raketcactussen--_cactus
-opuntia_,--gewoonlijk _Barbarijsche vijgen_ genoemd, begeven. Deze
-planten, met gele bloemen bedekt, zouden eene maand later met
-vreugdekreten begroet zijn geworden; dan zou elke stengel ons eene van
-die waterachtige vruchten hebben aangeboden, waarop de Kreolen zoo
-verlekkerd zijn. Lucien bleef voor een paar van deze planten staan,
-welker grootte wel in staat was zijne verwondering op te wekken.
-Sumichrast maakte van dit onderzoek gebruik, om hem te vertellen dat
-de cactussen--een Grieksch woord dat doornig beteekent--uit Amerika
-voortkomen; dat zij in droge en zandachtige bodems groeien en doorns in
-plaats van bladeren dragen.
-
-»Gij vergeet te zeggen," voegde de Encuerado er bij, »dat de laatste
-scheuten van den _tunero_ onder de asch gebakken, ons dezen avond eenen
-heerlijken schotel zullen opleveren.
-
-Een weinig verder werden de Barbarijsche vijgen vervangen door eene
-soort, kaarscactussen genoemd, (_cactus cereus_ der geleerden).
-Verscheidene dezer planten groeiden alleen staande tot eene hoogte van
-drie of vier meter: anderen hadden twee of drie geledingen, wat hun een
-nog zonderlinger uiterlijk gaf. Eene derde soort, die langs den grond
-kruipt, maakte onzen marsch zeer moeielijk en dwong ons telkens om
-wijdbeens te stappen. Niettegenstaande onze voorzorgen gebeurde het
-meer dan eens, dat wij ons vel aan de scherpe stekels, die ons van alle
-kanten bedreigden, openscheurden.
-
-Ik plaatste mij opnieuw aan 't hoofd van de kolonne; want tusschen de
-kaarscactussen als 't ware bekneld, konden wij niet op één gelid loopen.
-Ik beklom een heuveltje, vanwaar mijne blikken den ruimen gezichteinder
-doorzochten. Nooit en in geen enkel land ter wereld kan zulk eene
-grondige verandering zich in zoo weinig uren voordoen. Geen boomen,
-geen heesters, geen struiken meer. Overal schenen de cactussen, die
-twintig verschillende vormen aannamen,--ronde, rechte, kegelvormige,
-platte--er vermaak in te vinden door hun zonderling uiterlijk de
-verbeelding te trotseeren. Nu eens wedijverden naast elkander staande
-kaarscactussen, wie de hoogste zou zijn en bereikten soms eene lengte
-van acht tot tien meter, terwijl de jonge scheuten eene borstwering of
-een dier ondoordringbare heggen schenen te vormen, waarmede de Indianen
-van het bergvlak hunne woningen omringen. Verderop spreidden groote
-bollen, die met rooskleurige, hoornachtige en doorschijnende doornen
-waren bezet, hunne ronde vormen ten toon, van een gewas niets dan de
-kleur hebbende. Hier en daar vormde eene kruipende soort groote bundels,
-waaruit met scherpe punten gewapende stengels kwamen; men zou gezegd
-hebben eene honderdkoppige hydra te zien.
-
-»Zou men niet meenen in eene dier Hollandsche plantenhuizen te zijn
-overgeplaatst, opgevuld met vetplanten met gouden bloemen?" zeide
-Sumichrast.
-
---Ja, antwoordde ik, maar dan zou men zich moeten verbeelden dat men ze
-door de lens van een microscoop beschouwt.
-
-Wat zou een Parijzenaar wel van deze viznaga zeggen?
-
-De plant, die ik bedoelde, had minstens eene hoogte van twee meter bij
-een omtrek van drie of vier meter.
-
-»Toen ik herder was," sprak de Encuerado, »voerde ik mijne geiten in de
-vlakten waar de viznaga's groeien. Met behulp van mijne machete hakte ik
-eene der zijden in en dan begonnen mijne geiten onmiddellijk het merg,
-dat er in zit, op te eten. Zoo holden zij er allengs een gat in uit,
-waarin twee of drie harer gemakkelijk te gelijk konden staan, en deze
-schuilplaats beschutte mij voor de stralen van de zon en de koelte van
-den nacht.
-
---»Och!" riep Lucien vol geestdrift uit, »als wij op dit veld moeten
-kampeeren, moeten wij een huis in de viznaga uithollen.
-
-Ik onderzocht opnieuw den gezichteinder; niets verried de nabijheid van
-menschen. Overal spreidden de cactussen hunne verschillende bloemen uit,
-maar bijna alle waren geel of rood. Boven ons een hemel van vuur, die
-slechts door gieren doorkruist werd; op den grond honderden hagedissen,
-met levendige, hortende bewegingen.
-
-Ik sloeg opnieuw den weg tusschen de cactussen in, door de hitte
-uitgeput, en het hoofd vermoeid door de weerkaatsing van het licht,
-sleepten wij ons op onze beenen voort.
-
-Ik begon te vreezen, dat wij reeds voorbij de plek waren, waar wij den
-vorigen avond het licht hadden zien schitteren.
-
-Het oplettende oog van den Encuerado ontdekte op een cactus opgedroogde
-sporen van inkervingen.
-
-De Indiaan ging als verkenner voorop, door Lucien gevolgd.
-
-»Een pad," riep deze eensklaps uit.
-
---»Een mimosa," zeide Sumichrast, die door zijne hooge gestalte boven
-ons uitstak.
-
---»Eene hut," mompelde de Encuerado, staan blijvende en een vinger op
-den mond leggende.
-
-Wij wisselden een blik; daarna, voorovergebogen naar het punt, door
-onzen makker aangewezen, onderzocht ieder onzer een dak van gras,
-waarvan men slechts den top kon zien.
-
-Ik onderzocht vlug mijne wapens en schreed met omzichtigheid voorwaarts,
-weldra door Sumichrast gevolgd. Lucien, de Encuerado en Gringalet
-vormden de achterhoede.
-
-Wij waren ontroerd; de gedachte dat wij onze gelijken zouden weerzien,
-deed onze harten kloppen; maar zouden wij vrienden of vijanden
-ontmoeten?
-
-Het pad werd breeder; wij waren nauwelijks tweehonderd schreden van de
-hut verwijderd en verwonderden ons zeer dat de honden, die gewoonlijk om
-de hutten der inboorlingen zwerven, niet blaften. Sumichrast, die
-vooruit was gegaan, keerde terug.
-
-»Deze stilte schijnt mij niets goeds te voorspellen," sprak hij; »laten
-wij oppassen, dat wij niet in eene hinderlaag vallen; ik ben er
-volstrekt niet op gesteld om gekneveld te worden."
-
-Terwijl wij het pad aan onze linkerhand lieten liggen, drongen wij tot
-groote verbazing van Lucien weer onder de cactussen door.
-
-»Zijn wij dan in een land van wilden?" vroeg hij mij.
-
---»Misschien, en dat noodzaakt ons voorzichtig te zijn," gaf ik ten
-antwoord.
-
---Zou men ons kwaad doen?
-
---Het gezicht van onze wapens alleen zou de begeerlijkheid der Indianen
-kunnen opwekken; hier, waar zij niemand rekenschap hebben te geven, zou
-niets hun beletten ons uit te schudden en naakt weg te zenden.
-
---Zijn het dan geen christenen?
-
---»Zeker, Chanito, zij moeten het zijn, maar de booze weet ieder mensch
-te verleiden," mompelde de Indiaan.
-
-En na zich van zijne mars ontdaan te hebben, verdween hij al kruipende.
-
-Onder andere omstandigheden zou het angstige gelaat van Lucien, toen
-hij ons zooveel voorzorgen zag nemen, om eene menschelijke woning te
-naderen, ons vermaakt hebben; maar verre van te lachen, leenden wij aan
-het minste gerucht het oor.
-
-Daar klonk het hioe, hioe! van den Encuerado; ik hielp mijn vriend om
-onze bagage te dragen, terwijl Lucien vooruitliep.--De hut was leeg.
-
-Na verloop van een uur, dat de knaap had gebruikt om rondom de hut, wier
-muren uit gedroogde leem bestonden, te dolen, gaf ik het teeken tot
-vertrek. De Indiaan ging voorop, het nog zichtbare spoor van een pad
-volgende. Het huisje, dat nauwelijks groot genoeg was om drie personen
-te bevatten, geleek meer op eene schuilplaats dan op eene woning; naar
-het beweren van den Encuerado, die in zulke zaken een goed zegsman was,
-moest het bij een grooter gebouw behooren. Na een vrij langen marsch
-kruiste een tweede pad datgene, dat wij volgden; de indrukken van bloote
-voeten waren er in zichtbaar--'t waren voeten van vrouwen en kinderen.
-
-De Encuerado voerde ons naar links; de cactussen ruimden hunne plaats
-voor Mimosa's in; maar onze oogen ondervroegen tevergeefs den horizon;
-de onmetelijke witte vlakte, door de zon met licht overgoten, strekte
-zich uit zoo ver uit als het oog reikte.
-
-Dit vooruitzicht bekoelde onzen ijver; aangespoord door het licht, dat
-wij den vorigen avond bemerkt hadden, liepen wij van den morgen af, in
-de hoop eene woning te ontmoeten. Wij hadden nauwelijks gegeten en met
-de moedeloosheid deden ook de honger en de dorst zich gevoelen. Lucien
-stelde voor een viznaga uit te hollen, in welk voorstel hij door den
-Encuerado ondersteund werd, die hem verzekerde dat men zich zelfs de
-weelde van een venster kon veroorloven en met alle roofdieren spotten,
-door den ingang met kaarscactussen te versperren. Men begrijpt hoezeer
-het denkbeeld om binnen eene plant te kampeeren, onzen jongen reisgezel
-moest toelachen. Misschien zouden wij hem geholpen hebben om zijn wensch
-tot werkelijkheid te maken, had niet het blaffen van een hond onze
-aandacht getrokken.
-
-De marsch werd met moed hervat; eene kleine helling bracht ons bij
-boomvarens, welke verandering in den plantengroei ons van goede
-voorbeteekenis scheen. Terwijl wij maar altijd het pad volgden, hield de
-Encuerado stand op eene hoogte, vanwaar men eene kleine, groene vallei
-overzag, die door een beekje doorsneden werd; tot mijne groote vreugde
-telde ik tot zelfs zes hutten van waaierpalm.
-
-Dit gezicht verdreef onze vermoeidheid als bij tooverslag en Sumichrast
-daalde met groote schreden de helling af; nu en dan kraaide een haan,
-klokte een kalkoen of blafte een hond en ik kan niet zeggen, welke
-heerlijke gewaarwordingen die geluiden bij ons opwekten. Hoe meer wij
-naderden, des te meer ontnamen de heesters, die den weg omzoomden, ons
-het gezicht op de hutten. Daar klonk een gehinnik, en een man op een
-ongezadeld mager paard gezeten, verscheen op honderd schreden van ons.
-
-»Halt!" riep ik mijnen makkers toe.
-
-En mijn geweer op den rug dragende en met mijn punthoed in de hand ging
-ik alleen naar den ruiter toe, die eensklaps zijn paard had ingehouden.
-
-»Ave Maria!" sprak ik, naar hem toegaande.
-
---»Dat haar naam gezegend zij," antwoordde de ruiter, zijn hoed
-afnemende, waaruit de grijze haren te voorschijn kwamen.
-
---Spreekt mijn vader Spaansch?
-
---Een weinig.
-
---Is hij het hoofd van zijn dorp?
-
---Wat wilt gij?
-
---Water en een dak.
-
---Gij zijt niet alleen? in wiens naam komt gij?
-
---Wij zijn reizigers en doortrekken de bosschen om planten en dieren te
-zoeken, die genezen kunnen.
-
---Zijt gij gewapend?
-
---Wij hebben een kind te beschermen en de dieren van het woud zijn
-wreed.
-
---Spreekt gij de waarheid?
-
-Ik riep Lucien, die voor den grijsaard zijn hoofd ontblootte en hem
-groette.
-
-»Mijn kind, dat God van u een heilige make."
-
---Zijn wij uwe gasten?
-
---»Ja, gij zijt de gasten van Coyotepec; komt mede."
-
-Sumichrast en de Encuerado naderden op hunne beurt den ruiter, die
-afsteeg en ons den weg wees. Hij onderhield zich met den Encuerado in de
-taal der Misteken, welk taaleigen alleen Lucien, die het nog jong zijnde
-van zijn vriend geleerd had, verstond. Te oordeelen naar de wijze waarop
-de grijsaard ons bekeek, raadde ik, dat de Encuerado ons voorstelde als
-bekwame blanke toovenaars.
-
-Coyotepec--steenen chacal--kon ongeveer zeventig jaren oud zijn. Hij was
-in dit ravijn geboren, dat hij, ik weet niet waarom, _mond van den berg_
-noemde. Nog jong door een zijner ooms naar Puebla gebracht zijnde,
-verliet hij reeds spoedig de groote stad om de hut van zijn vader
-weer op te zetten en voor hem bestond het gansche heelal uit zijn
-grondgebied. Zijne zes kinderen, die allen gehuwd waren, woonden bij
-hem en de kleine kolonie telde niet minder dan een dertigtal personen.
-Het was een Indiaan van het ras der Tlascaliers, van eene middelmatige
-gestalte, eene bruine gelaatskleur, sterk en vlug als een man van
-veertig jaar. Hij droeg een hoed van palmboomstroo en zijne kleeding
-bestond uit eene soort van wit linnen jas, om het middel vastgebonden en
-een katoenen broek, die nauwelijks de knieën bedekte.
-
-»Welke is de naastbijzijnde stad?" vroeg Sumichrast.
-
---Puebla.
-
---Hoever is dat van hier?
-
---Acht dagen marsch.
-
-Daar de gewone marsch van een Indiaan tien mijlen per dag is,
-vertegenwoordigde de afstand ongeveer tachtig mijlen.
-
-De grijsaard kon ons geene andere aardrijkskundige inlichtingen geven;
-hij kende den naam van Orizava en Tehuacan, maar hij had die steden
-nooit bezocht, en kende den afstand niet, die ons er van verwijderde.
-Sedert veertig jaren waren wij, met uitzondering van de bloedverwanten
-van zijne schoonzonen en schoondochters, die hem eens per jaar kwamen
-bezoeken, de eersten die zijne eenzaamheid verstoorden.
-
-Wij trokken de beek over een boomstam over en onze gids hield voor eene
-hut stil. Vier bijna naakte kinderen, waarvan het oudste tien jaar kon
-zijn, beschouwden ons met eene grappige nieuwsgierigheid. Nooit hadden
-zij nog een blanke gezien, en ofschoon onze door de zon gebronsde huid
-deze eigenschap zeer verminderde, was hunne nieuwsgierigheid zeer
-natuurlijk. Eene jonge vrouw, wier kleeding uit een om de heupen gerold
-stuk stof bestond, begroette ons in gebroken Spaansch en heette ons
-welkom. De grijsaard stelde ons aan zijn oudsten zoon voor, die
-omstreeks veertig jaar oud kon zijn en Torribio heette. Minder eenvoudig
-in zijne kleeding dan zijn vader, droeg hij een broek, die op de zijden
-open en met zilveren knoopjes versierd was, een katoenen hemd en een
-vilten hoed met verlakt leer overtrokken. De kleine kolonie verzamelde
-cochenielje, die de oudste zoon in Puebla ging verkoopen; vandaar zijne
-meer beschaafde kleeding. De grijsaard noodigde ons ten slotte uit
-zijne hut binnen te gaan, waarheen een groot gedeelte der familie zich
-ook begaf.
-
-Hij riep zijne vrouw, een klein besje, in een lang katoenen gewaad
-gekleed; vervolgens sprak hij, op zijne kinderen en kleinkinderen
-wijzende:
-
-»Gij zijt mijne gasten! dit huis is het uwe en ziedaar uwe
-dienstknechten en dienstmaagden."
-
-
-
-
-XXI.
-
-BLANKEN EN ZWARTEN.--WIJ WORDEN SCHRIJNWERKERS.--DE ENCUERADO
-GAAT PREEKEN.--DE WAAIERPALMEN.--DE ADVOCAATBOOM.--DE KOESKOES.--DE
-GIER.--EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.--DE ENCUERADO BAL-ONDERNEMER.
-
-
-De woning, zoo edelmoedig te onzer beschikking gesteld, was eene ruime
-loods, door wanden van bamboe in drie vertrekken verdeeld. Op den grond
-uitgespreide matten dienden voor bed; het verdere huisraad bestond uit
-twee bankjes. De Encuerado veegde eene der kamers uit en richtte voor
-ons eene slaapstede in, veel zachter dan wij sedert een twintigtal dagen
-hadden gebruikt. Een troep kinderen van beider kunne, in 't kleed der
-onschuld gehuld, maakte een kring om ons en volgde onze bewegingen met
-verbaasde blikken. Ik heb nog vergeten te gewagen van een half dozijn
-honden, bij welke de tegenwoordigheid van Gringalet in den beginne eene
-soort van razernij had opgewekt; maar weldra vergenoegden zij zich nog
-maar met brommen, als de indringer in hunne nabijheid kwam.
-
-Toen ons goed in de loods was gebracht, ging ik op eenige schreden van
-de hut op eene hoogte zitten, van waar men de beek overzag. Sumichrast
-vervoegde zich bij mij, met eene uit tabaksbladeren gerolde sigaar
-in den mond. Langzamerhand begon de zon lager te staan, de kinderen
-begonnen in onze nabijheid te spelen en plasten in het kristalheldere
-water. Ik spoorde Lucien, die van begeerte verging om eveneens te
-doen, aan hen na te volgen. Nauwelijks had hij zich ontkleed, of de
-jonge Indianen, die hem met eene zichtbare nieuwsgierigheid hadden
-aangestaard, barstten in lachen uit en kakelden onder elkander als
-jonge papegaaien.
-
-»Waarom lachen zij toch zoo hard, als zij mij aanzien?" vroeg Lucien aan
-den Encuerado.
-
---Om uwe blanke huid; wat wilt gij er aan doen? Zij hebben er nooit eene
-van die kleur gezien.
-
---Vinden zij die dan zoo belachelijk? vroeg Sumichrast op zijne beurt.
-
---»Een beetje," hernam de Indiaan, »maar maak u daar niet ongerust over,
-Chanito; 't is in elk geval uwe schuld niet.
-
-Ons lachen paarde zich toen aan dat der jonge Indianen en was oorzaak,
-dat er zich tusschen Sumichrast en mij een lang gesprek ontspon. De
-Encuerado, dien wij meenden dat ons om onze blanke huid benijdde,
-beklaagde ons dus, evenals hij door de Nubiërs beklaagd zou worden,
-omdat hij slechts eene koperkleurige huid bezat.
-
-»Maar," sprak Lucien, die bij ons was gekomen op het oogenblik toen het
-gesprek begon, »waarom hebben niet alle menschen dezelfde kleur? Waar
-ligt dat aan, mijnheer Sumichrast."
-
---Aan den invloed van het licht, dat het pigment meer of minder kleurt,
-mijn vriend.
-
---Het pigment.
-
---Ja, eene bruine zelfstandigheid, die zich onder de huid bevindt en die
-haar eene meer of minder donkere tint verleent.
-
---Dan hebben de Europeanen zeker geen pigment?
-
---Zij bezitten het, evenals alle andere menschenrassen; slechts is het
-bij hen niet over het gansche lichaam verspreid. De bruine vlekken of
-zomersproeten, die het gelaat en de handen van sommige personen
-bedekken, worden voortgebracht door het pigment, dat door de huid
-heenkomt.
-
---»Beteekent dat dan dat de negers in Europa wit zouden worden," gaf
-Lucien ten antwoord.
-
---»Neen," antwoordde ik lachende, »de zon schijnt in Europa even goed
-als in Amerika, en hare inwerking, hoe zwak die ook zijn moge, is
-voldoende om het pigment donker te kleuren."
-
---»Maar als men hen in de schaduw grootbracht," riep de Encuerado uit.
-
---Daartoe zou eene volkomen duisternis gevorderd worden en dat is
-onmogelijk.
-
-Op dit oogenblik riep onze gastheer ons. Op eene kreupele tafel, met een
-klein katoenen tafellaken gedekt, dampte eene magere soep van maïskoeken
-en tomaten, waaraan iedereen eer bewees. Deze schotel werd opgevolgd
-door eene kip, toebereid met eene saus van piment en in 't vet gebraden
-bruine boonen; daarna spreidden pataten--_Convolvulus batata_--de
-levendige kleuren van hun meelachtig vleesch ten toon, te midden van
-eene siroop, waarvan de Encuerado en Lucien smulden. Een groote kom
-koffie voerde onze tevredenheid ten top. In plaats van brood aten wij
-versch bereide maïskoeken. Misschien had nooit een maaltijd ons zoo
-heerlijk toegeschenen. Het wild, dat sedert ons vertrek ons gewoon
-voedsel uitmaakte, begon ons te vervelen; wij vergastten ons het meest
-aan de boonen en aan de koeken, welke men _tortillas_ noemt.
-
-Toen de maaltijd geëindigd was, nam Lucien zijne plaats in 't midden der
-kinderen weer in, die, op den oever der beek gezeten, bladeren van den
-waaierpalm vlochten.
-
-Een hunner maakte een sprinkhaan, die zeer goed geslaagd mocht heeten,
-en de jongens, verrukt over den lof van hunnen gast, wedijverden in
-vindingrijkheid. Zij schonken hem een stier, eene kip, een korfje en
-andere voorwerpen, die zeer aardig waren, vooral wat de gebruikte stof
-en de bekwaamheid der uitvoering betreft.
-
-Lucien was over deze geschenken verrukt. Daar hij vond, dat onze
-bewondering de zijne niet evenaarde, wendde hij zich tot den Encuerado,
-die als een kenner zijn oordeel uitsprak over de voorwerpen, die men hem
-vertoonde.
-
-»Kunt gij dan ook de bladeren van den waaierpalm vlechten?
-
---Ja, Chanito, ik kan ook sprinkhanen, paarden en zelfs vogels maken.
-
---En gij hebt er nooit een voor mij gevlochten.
-
---Daarin vergist gij u; toen ge nog klein waart, maakte ik uwe wieg er
-vol mee. Als u dat vermaak kan doen, zal ik u leeren er zelf te
-vlechten.
-
-Bij het aanbreken van den nacht verdwenen de kinderen, en onze gastheer
-kwam ons goeden nacht wenschen. Ik sprak hem over het vuur, dat wij den
-vorigen dag gezien hadden.
-
-»Dat is Juan," zeide hij.
-
---Wie is dat, Juan?
-
---De oudste van mijne kleinzonen; hij bewaakt in de vlakte een troep
-geiten, die ons toebehoort.
-
-Den volgenden morgen werd ik gewekt door de stem van den grijsaard en ik
-stond terzelfder tijd als Sumichrast nog geheel droomerig op; zoo goed
-had ik geslapen. Lucien en de Encuerado, die eerder wakker waren dan ik,
-hadden reeds, door de jongste kinderen geleid, het ravijn onderzocht; de
-oudste waren reeds naar hunne krachten aan den arbeid, hetzij om hout te
-sprokkelen of om op het veld te werken.
-
-Onze eerste zorg bestond in het uitpakken der insecten en vogelhuiden,
-die wij sedert ons vertrek bereid hadden. De geheele kolonie omringde
-ons en de Hemel weet hoeveel vragen ons gedaan werden. Tot onzen grooten
-spijt konden wij slechts de merkwaardigste van onze vondsten bewaren.
-Tot dusverre hadden de huiden in de mars de plaats ingenomen van de
-verbruikte levensmiddelen; maar toen ik de lijst van onze schatten
-opmaakte, begreep ik, dat, als wij onzen voorraad vernieuwd zouden
-hebben, de Encuerado onmogelijk met zulk eene vermeerdering zou kunnen
-loopen. Wij begonnen derhalve een groot getal voorwerpen, onder talrijke
-uitroepingen van leedwezen, ter zijde te leggen, toen het mij eensklaps
-inviel om Coyotepec over de jaarlijksche reis van zijn zoon te
-ondervragen.
-
-»Hij vertrekt binnen een veertien dagen," antwoordde de oude man.
-
---Alleen?
-
---Neen, hij neemt drie van de grootste jongens en zes ezels mede.
-
---Zijn de ezels beladen?
-
---Ja, maar de jongens vertrekken met ledige handen.
-
-Na verloop van een uur (want een Indiaan neemt nooit overhaast een
-besluit) kwam ik met mijn gastheer overeen, dat hij twee kisten, waarin
-wij onze schatten zouden bergen, naar Puebla zou doen overbrengen en dat
-zijn zoon zijne reis eenige dagen zou vervroegen.
-
-Dit buitenkansje maakte ons weer opgeruimd; het zou ons in staat stellen
-onze verzamelingen te bewaren, in plaats van er een gedeelte van langs
-den weg te werpen, zooals wij reeds dikwijls hadden moeten doen.
-
-Wij moesten kisten hebben, maar Coyotepec bezat noch zaag, noch hamer,
-noch spijkers. Hij stond mij eenige ruwe planken af en zoo waren wij in
-schrijnwerkers veranderd.
-
-De Encuerado en Sumichrast maakten het hout met een houthakkersbijl
-gelijk en ik vervaardigde houten pennen. Wij werkten zonder ophouden tot
-den volgenden avond door. Een weinig voor het ondergaan der zon hadden
-wij twee groote en vrij lichte doozen gereed, een werk dat veel
-moeielijker is dan men wel denkt, eer men er aan begint.
-
-De volgende dag, Pinksterzondag, vond ons vol bewondering voor onzen
-arbeid staan. De Encuerado had juist gedaan met het vlechten van eenige
-matten, die de kisten omhullen moesten, teneinde den inhoud voor vocht
-te vrijwaren. Tegen elf uur verzamelde de familie van onzen gastheer
-zich voor de woning; de vrouwen en jonge meisjes waren gekleed in roode
-en blauwe jurken, de borst was bedekt met een hemdje van geborduurd
-katoen, de jonge knapen hadden eene soort van kiel zonder mouwen aan.
-De oude vrouw verscheen het laatst, zij droeg om den hals een snoer
-paarlen van groote waarde. De vrouwen hadden sieraden van ruw koraal en
-de vingers waren bedekt met zilveren ringen.
-
-»Wij vereenigen ons des Zondags op het uur der godsdienstoefeningen om
-gezamenlijk ons gebed te doen en God te danken, die de vruchten aan de
-takken der boomen hangt en ons in gezondheid bewaart," sprak Coyotepec.
-
---Wij zijn Christenen als gij," antwoordde ik.
-
-Iedereen ging knielen, de grijsaard bad eene litanie en vervolgens een
-aantal Ave Maria's. Een der jonge meisjes zong vervolgens een lofzang,
-waarvan het refrein door de aanwezigen in koor herhaald werd. Nauwelijks
-had de zangster haar lied geëindigd of de in geestdrift geraakte
-Encuerado verzocht het gehoor niet op te staan en hief toen een zijner
-geliefkoosde lofzangen aan. Hij hield ons zoo een half uur in de zon,
-toen ik, vermoeid van het knielen, hem een teeken gaf om op te houden.
-Vergeefsche moeite, mijn dienaar scheen mij niet te bemerken; zijn
-gebaren en kreten nog vermeerderende, herhaalde hij, tot driemaal toe,
-hetzelfde vers.
-
-»Amen!" riep ik, opstaande, uit.
-
-Men volgde mijn voorbeeld en vrij geworden verwijderde ik mij, terwijl
-de Indianen den Encuerado omringden om hem geluk te wenschen.
-
-Ik had nog geen bezoek gebracht aan het ravijn, dat te midden van het
-Koude Land de voortbrengselen van het Warme Land bevatte. Ik riep
-Sumichrast en Lucien, en geleid door Torribio den ezeldrijver, die elk
-jaar de reis naar Puebla onderneemt, ging ik den loop der beek op. De
-Encuerado, daartoe door de vergadering uitgenoodigd, dreunde een nieuwen
-lofzang op.
-
-Onze gids geleidde ons eerst naar zijne hut, die door latanias of
-waaierpalmen omgeven was. Deze fraaie boom, tot de familie der palmen
-behoorende, heeft een zonderling en tevens aangenaam voorkomen. Uit den
-top ontspringen lange bladstelen, aan welker uiteinde een breed blad
-slingert, dat eerst opgevouwen is, maar later, als het zich opent,
-op een met punten bezetten waaier gelijkt. De Indianen snijden deze
-bladeren aan reepen, om er matten, _petates_ genaamd, van te maken, die
-in Mexico een groot handelsartikel zijn. Bovendien worden zij gebruikt
-om er korfjes, bezems, blaasbalgen en een aantal andere voorwerpen van
-te maken.[32]
-
-[32] Deze plant of althans een naaste verwante ervan, de _Latania
- borbonica_ (_Livistonia sinensis_), is een der beste en fraaiste
- kamerplanten, die wij hebben. De bladeren ontwikkelen zich juist,
- zooals Biart het hier beschrijft (Noot v. d. V.)
-
-De hut van Torribio bestond slechts uit een enkel vertrek; de haard was
-buiten onder een afdak; deze woning van de allereenvoudigste soort had
-noch stoelen, noch tafels, noch banken; Sumichrast bewonderde dezen
-eenvoud, dien ik een weinig te landelijk vond; maar mijn vriend vond,
-terwijl hij het leven der beschaafde menschen, voor wie de weelde eene
-menigte behoeften heeft in 't leven geroepen, vergeleek met dat van deze
-lieden, die alles weten te ontberen, dat het geluk slechts voor hen
-bestaat.
-
-Nauwelijks waren wij de hut uit of ik bemerkte aan mijne linkerhand een
-prachtigen advokaatboom--_persea gratissima_--waarvan de vrucht een moes
-geeft, dat de naam van plantaardige boter draagt. De advokaatvrucht
-_ahuacate_ der Indianen, heeft den vorm van eene groote peer; het
-vleesch, van eene lichtgroene kleur, is boterig, met een aangenamen
-smaak, die aan alle tongen behaagt. Men eet haar ontoebereid of wel
-toebereid met zout, olie en azijn; Gringalet was er evenzeer op
-verlekkerd als zijn jonge meester.
-
-»Heeft de advokaatboom dan geen verwanten?" vroeg Lucien glimlachende.
-
---Zeer zeker; hij behoort tot de familie der laurierboomen, waarvan geen
-enkel ander lid eetbare vruchten oplevert; zijne verwanten zijn evenwel
-van groot belang voor het huishoudelijk gebruik. In de eerste plaats
-hebben wij den edellaurier--_laurus nobilis_--waarvan de bladeren in de
-keuken onmisbaar zijn, en welks vruchten eene olie opleveren, die in de
-geneeskunde aangewend wordt. Vervolgens komt de kamferboom--_laurus
-camphora_--uit welks bladeren men den kamfer trekt; dan hebben wij den
-kaneelboom--_laurus cinnamomum_--waarvan de bast de kaneel oplevert, en
-eindelijk den sassafras, waarvan het aromatisch hout zeer geprezen wordt
-als zweetverwekkend geneesmiddel.
-
-Onze gids voerde ons door een veld met Turksche tarwe of maïs. Dit
-kostbare grasgewas, dat Europa aan Amerika te danken heeft, vervangt bij
-de Asteken het koren. Zij maken er hun gewoon brood of tortillas van,
-een soort pannekoeken, welke vooral de Indiaansche vrouwen uitstekend
-weten te bereiden. Voor zij geheel rijp is wordt de maïs gekookt of
-geroosterd gegeten; in Mexico vervangt zij de gerst en de haver als
-voedsel voor paarden en hoornvee.
-
-Toen Torribio in zijne beplanting was binnengegaan brak hij eenige
-stengels door, zonder ze evenwel van den hoofdstam te scheiden.
-
-»Waarom worden die arme planten zoo geknakt? Ze zullen zoo dood gaan,"
-riep Lucien uit.
-
---Ja, maar in de eerste plaats omdat het jaarlijksche planten zijn
-en onze gids verhaast hun dood maar met enkele dagen; bovendien zijn
-de aren, die hij afbreekt, rijp en zullen ze aan den stengel, die ze
-draagt, drogen. Deze methode, die even eenvoudig als afdoende is, kan
-slechts aangewend worden in landen, waar de winter in werkelijkheid
-slechts eene lente is."
-
-Achter het maïsveld bevond zich eene haag, overdekt met lange goudgele
-vezels. Deze vezels, die geheel en al zonder bladeren waren, omgaven de
-struiken als met een dikken mantel.
-
-»Wat is dat toch voor eene zonderlinge plant?" vroeg Lucien.
-
---Een _Sacatlaxcale_, antwoordde Torribio.
-
---Een soort koeskoes," hernam Sumichrast; eene plant uit de familie der
-_convolvulaceeën_ of winden. In Europa vernietigt men de daar bestaande
-soort, die zich om de planten slingert en ze verstikt; hier laat men de
-_Sacatlaxcale_ groeien, want men weet er goed gebruik van te maken.
-
---Wat kan men dan toch wel met die teere stengeltjes, die onder mijn
-vingers breken, doen?
-
-Men kneust ze en droogt ze in de zon, hernam Torribio. Als men nu iets
-zwart of geel wil verven, behoeft men ze slechts met ijzer of aluin te
-koken."
-
-Terwijl wij de oevers van het ravijn afklommen, kon Lucien niet nalaten
-van zulk eene fraaie gelegenheid gebruik te maken om zich de hand mooi
-geel te verven. Toen wij op eene zekere hoogte waren aangekomen,
-strekten wij ons op het gras uit. Met een enkelen oogopslag overzagen
-wij de oase. De beek kronkelde voort, overschaduwd door de groene
-boomen; hier en daar ontdekte men tusschen boschjes waaierpalmen de
-onregelmatig verspreide hutten. Mijne blikken zochten de hut van onzen
-gastheer op, en door mijn kijker zag ik den Encuerado nog altijd aan 't
-preeken. Hij had zeker gedaan met zingen, want zijne toehoorders zaten
-op den grond gehurkt om hem.
-
-Lucien had den kijker genomen en nu merkte ik op, dat Torribio zeer
-verlangend was om er ook eens door te zien. Ik zeide dus aan Lucien, dat
-hij hem dien zou leenen. Toen onze gids zag, dat de boomen nader bij hem
-kwamen, wist hij zich eerst geen rekenschap van dat gezichtsverschijnsel
-te geven. Ik richtte de glazen zoo, dat hij de groep voor de hut
-kon zien; nooit heeft een menschelijk gelaat zulk eene verwondering
-uitgedrukt. De Indiaan, die geheel verbazing was, verloor weldra al
-zijne deftigheid. Telkens als het hem gelukte eene hut te ontdekken,
-gaf hij zich nauwelijks den tijd haar te onderzoeken, maar rolde hij
-zich over den grond en schaterde van 't lachen. Twee of drie malen
-stak ik de hand uit om mijn kijker weer in mijn bezit te nemen; maar
-Torribio drukte hem aan zijne borst, als een kind, hetwelk men een stuk
-speelgoed wil ontnemen. Eindelijk gaf hij hem terug en het speet mij
-waarlijk dat ik er geen tweeden had, om hem dien te kunnen schenken.
-
-Sumichrast ging voorop, om het ravijn om te loopen. Plotseling namen
-de vogels, die op den oever der beek keuvelden, de vlucht; in de lucht
-zweefde een havik. De vogel schoot naar omlaag en kwam onder het bereik
-van onze geweren; er viel een schot en de getroffen vogel viel, al
-ronddraaiende, op twintig schreden afstand neer. Lucien ging hem
-opzoeken.
-
-»'t Is een valk," riep hij ons toe.
-
---Gij hebt gelijk," antwoordde Sumichrast; »'t is de havik van Cayenne,
-herkenbaar aan zijn met aschkleurige veertjes bedekten kop, aan zijn
-bruin lichaam en aan de zwarte staartpennen.
-
-»Gaat u hem afstroopen?
-
---Zeker, mijn beste Zonnestraal; in de eerste plaats is deze roofvogel
-niet zeer algemeen en bovendien moeten wij, gedurende de enkele dagen,
-die wij hier zullen vertoeven, er voor zorgen dat de kisten, die wij met
-zooveel moeite gemaakt hebben, vol komen."
-
-Op dit oogenblik ging een goudvink met rood, wit en bruin gevederte in
-onze nabijheid zitten.
-
-'t Is de _pyrrhula telasco_, sprak mijn vriend, eene soort, die door den
-beroemden ornitholoog Lesson ontdekt is op zijne reis naar Lima. Och,
-als wij maar niet zoo zuinig op ons kruit moesten zijn....
-
---Ik heb kruit," mompelde Torribio.
-
---Hebt gij kruit?" riep ik uit, »wilt gij er ons van verkoopen?
-
---Neen," antwoordde de Indiaan kortweg.
-
---Waarom niet?" hernam ik. »Zijt gij dan een jager? Ge gaat toch immers
-weldra naar Puebla en dan kunt ge uwen voorraad weer vernieuwen.
-
---Ik verkoop mijn kruit niet.
-
---'t Is goed, dan zullen wij er maar niet meer over spreken.
-
-Een boom, die van den eenen oever tot den anderen was gegooid, diende
-als brug over de beek. Weldra hield de zon op het ravijn te vergulden.
-Wij bevonden ons tegenover de woning van den ouden man, waarbij eene hut
-stond, gelijk aan die van onzen gids. De hemel had eene bleekblauwe
-kleur; wij zagen even de eentonige vlakte, bezaaid met sombere
-cactussen, terwijl boven ons zich die frissche oase ontplooide, die door
-de groote tegenstelling nog bekoorlijker scheen. De vogels zongen in
-de struiken en vlogen de een vóór en de andere ná weg om den boom te
-bereiken, in wier takken zij misschien geboren waren. Er woei een lauw
-koeltje; ik stond op om te vertrekken.
-
-»Ik heb kruit," herhaalde eensklaps Torribio.
-
---Maar ik weet ook, dat gij het niet verkoopen wilt.
-
---Neen, dat wil ik ook niet.
-
---Het kruit behoort mij reeds toe," dacht ik, en na een twintigtal
-schreden gedaan te hebben, hervatte ik:
-
---Als uw kruit van goede hoedanigheid is, zal ik het niet van u koopen;
-neen, ik weet dat een man slechts een woord heeft. Evenwel, als gij
-wildet, zou ik u een ruil voorslaan.
-
---Wat zoudt gij mij dan wel willen geven?" antwoordde Torribio, met
-eene gemaakte onverschilligheid; »ik heb uwe vogels niet noodig en
-mijn geweer is zoo goed als het uwe, al is het ook niet zoo mooi.
-
---Dat is waar ook, laat ons er niet meer over spreken.
-
-En ik volgde steeds mijn gids, die zeer langzaam liep.
-
-Hij keerde zich nogmaals om.
-
-»De tooverglazen," bracht hij er met moeite uit.
-
---»Komaan, eindelijk zijn wij er!" mompelde Sumichrast.
-
---Dat is afgedaan; als uw kruit althans goed is.
-
---»Zoudt gij ze me geven?" riep de Indiaan uit, wiens oogen schitterden.
-
---Mannen hebben slechts éen woord.
-
-Torribio versnelde zijne schreden zoozeer, dat Lucien ons hard loopende
-moest bij houden. Toen wij de beek over waren bracht onze gids ons weer
-in zijne hut en toonde ons vier bussen Amerikaansch kruit, en in goeden
-staat, benevens vijf of zes pond verschillende soorten van jachthagel.
-
-Deze vondst verheugde mij buitengewoon; maar ik hield mij even bedaard
-als mijn gastheer, die op den grond neerhurkte en zijn kin op de knieën
-liet rusten.
-
-»Daar hebt gij den kijker," sprak ik.
-
-Zijn trekken bleven onwrikbaar; maar zijne oogen flikkerden en zijne
-hand beefde een weinig, toen hij het voorwerp zijner begeerte vasthield.
-Ik legde hem uit, hoe hij er zich van moest bedienen en hoe hij het
-instrument moest schoonmaken; daarna ging ik, beladen met de kostbare
-bussen en gevolgd door mijne metgezellen, naar de hut van Coyotepec
-terug.
-
-»Waarom heeft Torribio niet dadelijk gezegd, dat hij zijn kruit tegen
-den kijker wilde ruilen?" vroeg Lucien.
-
---Omdat een Indiaan zooveel mogelijk zijne begeerten en hartstochten
-verbergt.
-
---Maar u, waarom heeft u hem dan niet terstond het instrument
-aangeboden?
-
---»Als ik mij te begeerig had getoond, zou hij den ruil misschien
-geweigerd hebben, en een Indiaan komt zeer moeielijk op het eens
-uitgesproken woord terug."
-
-Ik riep den Encuerado, die verbluft stond toen hij zag, dat onze
-jachtmunitie verdriedubbeld was. Lucien vertelde hem den koop, dien ik
-met Torribio gedaan had.
-
-»De kijker diende tot niet heel veel," sprak de Indiaan, »terwijl dit
-kruit ons toelaat menig mooi schot te doen, zonder dat je er een verwijt
-van wordt gemaakt." Nauwelijks was het middagmaal afgeloopen of ik
-hoorde de tonen van een guitaar; na des morgens zijne toehoorders
-gesticht te hebben, had mijn dienaar ze door een zeer behendige
-toespraak weten te overtuigen, dat de dag met een bal moest besloten
-worden. Het voorplein van de woning van den grijsaard kon, goed
-aangeveegd zijnde, uitstekend voor balzaal dienen. Twee knetterende
-haarden vervingen de lusters en de waskaarsen. Weldra vertoonden de
-vrouwen zich in groot toilet, dat wil zeggen, de haren vol bloemen. De
-_Jarabe_, het volkslied, weerklonk; dansers en danseressen trippelden op
-de maat af; Lucien, die zich bij de kinderen had aangesloten, wilde aan
-de kleine Indiaansche meisjes de polka en de mazurka leeren; Sumichrast
-lachte, dat hij schaterde. Het werd nog erger toen wij onze blikken op
-den Encuerado sloegen; nog nooit had ik hem zulke kuitenflikkers zien
-slaan. Hij zong, kraste op den guitaar en sprong ter zelfder tijd.
-Tegen tien uur nam ik Lucien mee om hem te noodzaken zich ter ruste te
-begeven. Hij sliep in, niettegenstaande al het geraas van den guitaar en
-het zingen.
-
-Ik spreidde de houten van het vuur uiteen en raadde iedereen aan om
-te gaan rusten. Men kuste mijne handen, omhelsde mij zelfs, maar
-gehoorzaamde ook en de kleine vallei viel weldra in diepe stilte. Toen
-ik bij mijn bed kwam, snurkte de Encuerado, met het hoofd op den rug van
-Gringalet rustende, reeds.
-
-
-
-
-XXII.
-
-DE GALWESPEN.--EEN AFGROND.--DE KAPPERS.--SALADE VAN PORTULAC.--DE
-BEDROGEN JAGERS.--GRAFGRAVENDE INSECTEN.--DE ZANDKEVERS.--CACTUS EN
-COCHENIELJE. DE MEXICAANSCHE WIJN.--AFSCHEID VAN ONZEN GASTHEER.
-
-
-Zoodra de morgenstond aanbrak riep ik Sumichrast en Lucien. De Encuerado
-sliep zoo rustig na zijne heldendaden van den vorigen dag, dat ik zijn
-slaap eerbiedigde. Mijn plan was den geheelen dag te gaan jagen, ten
-einde de ledige ruimte in de kisten, welke Torribio naar Puebla zou
-brengen, te vullen. Ik voerde mijne gezellen naar het benedengedeelte
-van de vallei; alles sliep nog in de hutten en Gringalet kon met
-opgerichten staart voorbij zijne soortgenooten gaan.
-
-Na verloop van twintig minuten bevonden wij ons in een nauw pad, omzoomd
-met _guapaques_--(_ostrya mexicana_)--een boom behoorende tot de familie
-der cupuliferen of beker dragende boomen, en die door zijn uiterlijk aan
-onzen eik, zijn verwante, herinnert.
-
-»Zie eens, papa," riep Lucien uit; »men zou zeggen dat die bladeren met
-vruchten beladen zijn.»
-
---Dat zijn uitwassen, veroorzaakt door het steken van een insect, tot de
-orde der huidvleugeligen (_hymenoptera_) behoorende en hetwelk de
-geleerden _cynips_ noemen.
-
---Hoe kan een insect die fraaie, ronde, met stekels bezette balletjes
-maken?
-
---De buik van de _cynips_ of galwesp bevat een hollen angel, waarvan
-de kanten gewapend zijn met tandjes, die de gedaante van eene pijlpunt
-hebben. Het insect bedient zich van dat werktuig om in de planten, waar
-aan het zijne eieren toevertrouwt, te steken; de uittreding van het sap
-veroorzaakt die wratten, die men vooral aan rozelaars, vijgeboomen en
-eiken opmerkt. Een der galwespen van den eikenboom geeft het ontstaan
-aan de galnoten, eene zelfstandigheid, die zeer rijk aan looistof is en
-waarvan men zich bedient bij de bereiding van schrijfinkt.
-
---Als een van die insecten mij in de hand stak, zouden er dan ook zulke
-bollen ontstaan?" vroeg Lucien.
-
---De galwespen hebben het slechts op planten voorzien," hernam mijn
-vriend; »maar zij hebben neven--de sluipwespen bij voorbeeld,--die hunne
-eieren in de lichamen van sommige rupsen leggen. Zoodra de larven
-uitgekomen zijn, beginnen zij aan het dier, dat ze draagt, te knagen,
-zonder het evenwel te dooden.
-
---'t Is gelukkig, dat die dieren ons sparen.
-
---Er zijn er ook ten onzen gerieve: denkt gij dan niet aan de
-_moyocuile_, die vlieg, die zoo goed hare familie onder onze huid weet
-te herbergen; zonder nog te spreken van de _niqua_, die onder onze
-nagels een huis graaft, dat zij met eieren opvult?
-
---En de schurftmijt," hernam ik, een heel klein diertje, dat eene zeer
-leelijke en lastige ziekte veroorzaakt.
-
-Ik had van Coyotepec vernomen, dat het ravijn op ongeveer drie mijlen
-van zijne woning plotseling eindigt en dat het water der beek zich daar
-in een afgrond verliest. Ik richtte mij dan naar dat punt, nu eens
-voorafgegaan, dan weer gevolgd door Gringalet, die er vermaak in vond de
-kleine rivier over te zwemmen en in het gras te rollen.
-
-Het kronkelige pad voerde ons in een grooten door groen omzoomden
-trechter; na een honderd schreden kwam men aan rotsen, in den vorm van
-pyramiden en ondersteund door de reusachtige wortels van een kleinen
-boom met schaarsch gebladerte. Het water gleed zonder geraas over de
-steenen en verdween onder een laag gewelf, dat achter lischplanten met
-gele en roode bloemen verborgen was.
-
-Lucien, over den afgrond gebogen, wilde weten waar dat water bleef.
-
-»Misschien wordt het opgeslorpt door de zandige bodems, waarop het
-valt," zeide ik; »misschien komt het weer in de valleien te voorschijn,
-waar het terrein even laag wordt als zijne bedding."
-
---Gebeurt het dikwijls dat de beken zoo onder den grond gaan?
-
---Ja; vooral in Mexico, waar die onderaardsche monden, den naam van
-_Sumidero_ dragen. Dicht bij Chiquihuite, ongeveer vijf mijlen van den
-weg, die van Vera-Cruz naar Cordova voert, verdwijnt eene breede rivier
-in een grot, die meer dan een mijl lengte heeft.
-
---Wat zou ik zulk een fraai schouwspel gaarne willen zien.
-
---Uw wensch zal vervuld worden, als wij niet te veel in het Warme Land
-verdwalen.
-
-Sumichrast had ons verlaten om in de struiken te kruipen. Er viel een
-schot en de jager keerde terug, een prachtige vogel, wiens rood
-gevederte gouden en purperen weerschijnen had, in de hand houdend.
-
-»Dat is een fraai heer, dien hebben wij nog niet ontmoet," riep Lucien
-uit.
-
---Het is de prachtigste onder de vinkvogels van Amerika," gaf ik ten
-antwoord, »'t is de _ampelis pompadora_[33]; maar zijn schitterend
-gewaad duurt niet lang. Binnen weinige dagen zouden die veeren, die zoo
-levendig schitteren, uitgevallen zijn en vervangen worden door een dof
-en donker gewaad. Deze rui, die veel vogels eigen is, heeft meer dan
-eens de ornithologen op een dwaalspoor gebracht, daar zij als eene
-nieuwe soort beschouwden wat slechts een voorwerp was, dat door eene
-verandering in het gevederte onkenbaar was geworden.
-
-[33] De pracht- of Pompadoer-kotinga. Wat Biart hier zegt is
- gedeeltelijk onjuist. De veeren vallen niet uit, maar veranderen
- van kleur. Men kan dit verschijnsel waarnemen bij een aantal
- buitenlandsche volière-vogels, zooals de verschillende wevervogels
- en de Widah-vinken. Tegen den broeitijd wordt het gewoonlijk
- grijsbruine gevederte allengs geel, oranje, blauw of rood,
- naar gelang der soort. Men noemt dit 't prachtgewaad of
- bruiloftsgewaad. Tegen den winter verdwijnen deze schitterende
- kleuren opnieuw om voor het eenvoudige winterkleed plaats te
- maken. (N. v. d. B.)
-
-Een lang vertoeven bij den _Sumidero_ stelde ons in 't bezit van een
-twaaftal vogels van verschillende soorten, onder andere verschillende
-Tangaras, die alleen aan Amerika eigen zijn, en van een paar fraaie
-koekoeks van eene geelachtig bruine kleur en met een waaiervormigen
-staart, die op deze plaats op den trek waren.
-
-»Waarom?" zoo vroeg Lucien, »zegt gij dikwijls, dat een vogel uit
-Brazilië, uit Guyana of uit Peru is, terwijl gij hem toch in Mexico
-vindt?
-
---Omdat veel vogels op sommige tijdstippen van het jaar trekken,"
-antwoordde mijn vriend, »en men ze op groote afstanden aantreft van
-de landen, waar ze geboren zijn. Deze fraaie merel, bijvoorbeeld,
-verschijnt slechts tegen de lente in Mexico, weshalve men hem den naam
-van _primavera_, eerste van de lente, heeft gegeven.
-
---Zie toch eens die fraaie gele bloemen, papa, zij verbergen zoo
-volkomen den stam van den boom, dat men zou meenen, dat hij ze
-voortbrengt.
-
---Dat zijn de bloemen van den _tropoeolum_ of wilden kapper, die zijn
-naam te danken heeft aan het in den vorm van een monnikskap verlengde
-kelkblad. De kapper is in Europa aangekweekt, waar men de in azijn
-ingelegde vruchten eet en met de bloemen de sla toebereidt.
-
---Kennen de Mexicanen ze dan niet? ik heb er bij hen nooit op tafel
-gezien.
-
---Dat is waar, en toch zou de prikkelende smaak van de bloemen van den
-_tropoeolum_ hun wel behagen; misschien vinden zij dat de smaak te flauw
-is, omdat zij te veel gewoon zijn aan het piment.
-
---»Gij hebt de kruiderijen, ik de salade," riep mijn vriend eensklaps
-uit.
-
-Hij liet ons een handvol planten zien, die men portulak noemt.
-
-Deze plant, die in alle vochtige bodems in overvloed groeit, geeft roode
-bloemen, die zich des avonds sluiten, om des morgens opnieuw open te
-gaan. Ik verzamelde de vleezige bladen, terwijl Sumichrast, die een
-plant vol met zaad had gezien, aan Lucien de ronde gleuf (_portula_),
-die zij bezitten, toonde en waaraan de plant haar familienaam van
-_portulaceeën_ (portulakken) te danken heeft.
-
-Maïskoeken en onze salade verschaften ons een landelijk ontbijt, dat aan
-den oever der beek werd voorgediend. Lucien smulde in dit eenvoudige
-maal en ik moest zijn eetlust, die door de prikkelende bloemen nog werd
-opgewekt, matigen.
-
-Toen onze maaltijd afgeloopen was, poogde Sumichrast tegen den wal op te
-klimmen; maar de grond zakte telkens onder hem in en hij viel twee- of
-driemaal op zijn neus. Ik liet Lucien aan zijn lot over, want het vallen
-leverde niet het minste gevaar op. Minder zwaar dan wij, bereikte hij
-zonder moeite den bovenkant van de vlakte en lachte zeer oneerbiedig
-over onze pogingen.
-
-»Pas op je ooren," riep mijn vriend hem toe; »als ik bij je kom zullen
-ze mij tot steunmiddel dienen.
-
-Aldus schertsende zocht hij tevergeefs naar een beter beklimbare plek;
-wij maakten ons boos en onze onmacht vermaakte Lucien. Eindelijk ontdeed
-ik mij van mijn geweer en weitasch en zoo opgelicht gelukte het mij
-eindelijk naar boven te komen.
-
-»Dat is alles goed en wel," sprak Sumichrast, zich vastklampende en
-waggelende, »maar hoe zal ik nu bij u komen, nu ik twee geweren en twee
-weitasschen te dragen heb.
-
---»Wacht een weinig!" riep Lucien uit.
-
-En naar de helling ijlende verdween hij weldra. Ik hoorde hem spoedig
-daarop met zijne machete een tak afkappen en kort daarna kwam hij weer
-met een bamboestengel boven.
-
-»Wij zullen mijnheer Sumichrast visschen;" zeide hij, nog geheel buiten
-adem.
-
-Op den wal zittende stak ik mijn vriend den stok toe; hij pakte hem vast
-en won zoo wat terrein en bracht allengs ons jachtgereedschap omhoog.
-Na mij geweren en weitasschen te hebben aangereikt kwam hij zelf ook
-bij ons. In plaats van meester Zonnestraal bij zijne ooren te pakken,
-omhelsde hij hem, om hem voor zijn uitmuntend denkbeeld te bedanken.
-
-Het ravijn liep ongeveer tweehonderd passen verder ten einde en
-wij bevonden ons te midden der cactussen. Lucien deed zijn best om
-hagedissen te vangen; maar Gringalet, die zeker dacht heel slim te doen,
-liep altijd voor hem uit en verjoeg zoo de diertjes. Toch slaagde de
-jonge jager er in om eene mooie groene hagedis te vangen, een _Anolis_,
-die, driester dan de gewone hagedissen, in de vingers, die haar vast
-hielden, zocht te bijten, en de keelhuid, die doorschijnend is als een
-vlindervleugel, vol toorn opblies.
-
-Eensklaps begon Gringalet onrustig te blaffen; een scherp gefluit
-antwoordde er op en daarna de stem van den jakhals. Ik riep den hond
-terug en met den vinger aan den trekker van mijn geweer, ging ik
-voorzichtig voorwaarts, mijn vriend op den voet volgende en Lucien
-bevelende naast mij te blijven. Onze stille gang verraste eenige
-gladslangen, die in de zon lagen te slapen. Daar weerklonk het
-geroep van den nachtuil. Ik wisselde met mijn reisgezel een blik van
-verwondering; het was noch het uur, noch de plaats om dien vogel te
-ontmoeten. Een nieuw gejank en een nieuw blaffen deden zich hooren; maar
-ditmaal zoo dicht bij, dat ik staan bleef. Gringalet sprong voorwaarts
-en daar verschenen vier kinderen, die Gringalet cactusbladeren als een
-schild voorhielden.
-
-»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast, »als ik mij niet vergis zijn dat
-de uil, de jakhals en de hond, die ons zoozeer in spanning hebben
-gehouden."
-
-Mijn reisgezel vergiste zich niet; de jonge Indianen brachten
-levensmiddelen aan hun ouderen broeder, die belast was met het hoeden
-van een troep geiten; en om de eentonigheid van den weg wat te verkorten
-hadden zij zich vermaakt met het geluid van verschillende dieren zoo
-volmaakt na te bootsen, dat wij er door misleid werden.
-
-Tegen drie uren verliet mijn vriend, die de vogels, welke bij gedood
-had, wilde bereiden, ons om de woning van Coyotepec te bereiken. Ik
-vervolgde mijne wandeling in gezelschap van Lucien en bleef staan bij
-het lijk van eene muis, welke eenige doodgravers bezig waren te
-begraven.
-
-De insecten, vijf in getal, groeven de aarde om de muis op, ten einde
-die er onder te stoppen. De doodgravers, die zoo druk aan 't werk waren,
-hadden eene taak ondernomen, die zij niet in minder dan vierentwintig
-uren ten einde konden brengen; twee der aardwerkers lichtten het lijk
-aan eene zijde op, terwijl de andere met hunne pooten de aarde er
-onderuit haalden. De kleine mijnwerkers haalden zonder tusschenpoozen
-den grond onder hunne prooi uit.
-
-»Welk doel hebben zij toch met die muis te willen begraven?" vroeg
-Lucien mij.
-
---Zij denken aan hunne kinderen. Zij zullen hunne eieren onder het
-begraven dier leggen en als de larven geboren worden zullen deze zich
-voeden met de overblijfselen van het lijk, in welks nabijheid de
-voorzorg der ouders hen geplaatst heeft."
-
-Ik stoorde de ijverige doodgravers, die, tot hun ongeluk, tot eene niet
-veel verspreide soort behoorden. Hun voelsprieten, die den knotsvorm
-vertoonden, eindigden plotseling in een knopje en hun dekvleugels, die
-schitterend zwart waren, werden door eene gele streep doorsneden. Ik
-mocht den grond en de prooi zooveel omkeeren als ik wilde, ik vond er
-maar vier.
-
-Op een pad, dat de nabijheid van het dal aankondigde, vertoonden zich
-zandkevers. Lucien maakte er jacht op, maar de vlugheid der insecten
-stelde zijne pogingen te leur.
-
-»Wat zijn die vliegen slim," riep hij uit, »ik kan er geene enkele
-vangen."
-
---Dat zijn geen vliegen maar kevers en verwant met de loopkevers. Geef
-mij uw net.
-
-Lucien wilde nog eens beproeven om een zandkever te vangen en hij kreeg
-er inderdaad twee. De schoone metaalglans van hunne bruine, met gele
-puntjes bezaaide dekschilden bekoorden hem, maar de insecten ontsnapten,
-na hem gebeten te hebben.
-
-»Welke kaken," zeide hij, zijn vinger schuddende; »gelukkig dat die
-beestjes maar heel klein zijn. Leven de zandkevers dan niet in 't
-bosch?"
-
---Zij vertoeven bij voorkeur op droge en zandige plaatsen; zij loopen en
-vliegen zeer snel; maar het is niet moeielijk ze te vangen, want, zooals
-gij ziet, vallen zij weer spoedig op den grond. Deze fraaie kever bezit
-eene buitengewone vraatzucht; daar is er een, die eene groote vlieg
-heeft gevangen en die hij bezig is te verscheuren. De grillige vlucht
-van een hertskever voerde ons op den rand van het ravijn: terwijl wij
-het pad, dat talrijke door struikgewas beschaduwde zigzaglijnen vormde,
-volgden, kwamen wij voor eene hut terecht. Voor de deur was eene jonge
-vrouw, die ik als eene der danseressen van den vorigen avond herkende,
-bezig een stuk katoen te weven. Het weefgetouw, dat de schering bevatte
-en aan den eenen kant aan een boomstam was bevestigd en aan den anderen
-kant om het middel van de arbeidster was gerold, was tegelijkertijd
-eenvoudig en samengesteld, zooals alle oorspronkelijke gereedschappen.
-Lucien zag met nieuwsgierigheid toe, en ziende hoe de weefster telkens
-de kleur van haar garen veranderde, begreep hij hoe de Indiaansche
-vrouwen beneden om hare rokken die zonderlinge teekeningen vervaardigen,
-die hare verbeelding uitdenkt.
-
-Tegenover de hut groeiden _nopales_-cactussen.
-
-»Kijk die planten, waarvan het zien den Encuerado zeker zou aandoen,
-want men vindt ze overal in zijn land, eens goed aan, sprak ik tot
-Lucien. »De talrijke bruine puntjes, die gij op de bladeren bemerkt,
-zijn halfvleugelige insecten van de familie der galwespen, cochenieljes,
-zooals men ze gewoonlijk noemt. Zij hebben geen vleugels en leven op
-kosten van de cactussen, waaruit zij met hun zuigsnuit het sap zuigen.
-Alleen de mannetjes kunnen zich bewegen, de wijfjes zijn veroordeeld
-om te sterven, waar zij geboren zijn. Op een gegeven oogenblik zullen
-die kleine insecten duizenden eieren leggen en hun lichaam zal met een
-wolachtig mos bedekt worden, dat tot beschutting voor de jonggeborenen
-moet dienen. Men oogst de cochenielje als zij rijp is, om eene
-uitdrukking der Indianen te bezigen, door de plant met een lang,
-buigzaam mes af te schrappen, waarna de insecten levend in een ketel met
-kokend water worden gedompeld. Zoodra ze dood zijn worden zij er uit
-gehaald om in de zon te drogen. Die kleine korreltjes bedekken zich
-nu met een zilverkleurig huidje en worden dan in zakken van geitevel
-ingepakt en naar Europa verzonden, waar men ze gebruikt om stoffen
-te verven en carmijn te maken, dat zulke fraaie rose kleuren aan het
-suikergoed geeft."
-
-Een weinig verder bevond ik mij tegenover een _maguey_--_agave
-mexicana_--eene soort aloë, waaruit men de _pulque_ bereidt. De maguey
-bloeit alle vijfentwintig of dertig jaren en de steel, die de bloemkroon
-moet dragen, groeit in twee maanden ongeveer vijf à zes meters. Deze
-steel draagt niet minder dan vier à vijfduizend bloemen aan zijn top en
-de plant verteert al hare kracht met ze voort te brengen, want zij
-sterft spoedig daarop.
-
-In de plantages van de vlakten van Apam, waar de maguey op groote schaal
-wordt gekweekt, belet men het bloeien. Zoodra de kegelvormige knop,
-waar de stengel uit voortkomt, zich vertoont, snijdt men dien af en men
-graaft er met een grooten lepel eene cilindervormige holte in uit, die
-vijftien of twintig centimeters diep is. In deze holte hoopt zich het
-sap op; men schept het er twee of driemaal daags met eene langwerpige
-kalebas, waarvan de Indianen zich in plaats van hevel bedienen, uit. Men
-berekent dat eene krachtige plant in vierentwintig uur ongeveer drie
-liters van een suikerachtig vocht--_agua miel_--zonder reuk en van een
-zuurzoeten smaak moet leveren.
-
-Het agua miel wordt in ossenhuiden, die bij wijze van troggen op vier
-paaltjes zijn geplaatst, opgevangen. Er bezinkt eene witachtige stof,
-de vloeistof gist en na verloop van tweeenzeventig uren levert men het
-aan de liefhebbers, onder welken men een groot aantal Europeanen kan
-rekenen, af. Een Maguey-plant kan gedurende twee of drie maanden bewerkt
-worden.
-
-De _pulque_ is een dronkenmakende drank, waarvan de smaak afwisselt naar
-mate van den graad van gisting; men kan hem vergelijken bij een goeden
-appel- of perewijn; men zegt, dat degenen die er veel van gebruiken, vet
-worden.
-
-Ik bereikte de hut van Coyotepec, waar Lucien reeds voor mij was
-aangekomen. Sumichrast had zijn werk af, en de Encuerado, te midden van
-een hoop gedroogde bladeren van den waaierpalm gezeten, bood mij een
-prachtigen hoed met breede randen aan.
-
-De twee volgende dagen werden met jagen doorgebracht; weldra waren onze
-kisten vol en dichtgemaakt. Ik verklaarde aan Torribio, die met het
-aanbreken van den dag op reis dacht te gaan, op welke manier hij ze
-behandelen moest; vervolgens gaf ik hem brieven mede, die onze spoedige
-thuiskomst meldden. Lucien had aan zijne lieve Mama en zijn zusje
-Hortense geschreven en hij moest zijn brief wel twintigmaal opnieuw
-openen om er de _post-scriptum's_ bij te voegen, die de Encuerado hem
-voorzegde.
-
-Reeds des avonds namen wij afscheid van onzen gastheer. Door zijne
-welwillendheid hadden wij onzen voorraad rijst, koffie, suiker en
-maïskoeken vernieuwd. In plaats van zwarte peper, namen wij roode piment
-mede, maar de kostbaarste koop bestond in het kruit en de hagel, die wij
-tegen den verrekijker hadden ingeruild.
-
-Vrijdagmorgen vernam ik, dat Torribio reeds op weg naar Puebla was.
-Hij was tegen middernacht op reis gegaan, teneinde de vlakte niet op
-het warmste van den dag te moeten doortrekken. Ik verhaastte ons eigen
-vertrek. Wij hadden goede hoeden, onze kleeren, met zacht leer versteld,
-gaven ons het uiterlijk van zindelijke bedelaars, waar wij ons evenwel
-weinig het hoofd om braken. Mijne schoenen en die van Sumichrast, stevig
-en bijna netjes opgelapt, waren evenveel waard als nieuwe en Lucien
-bezat nog een paar reserve-sandalen. Gringalet blafte vroolijk bij het
-zien van de toebereidselen, die wij maakten.
-
-De kleine kolonie, die zich in gelid had geschaard om ons te zien
-vertrekken, begroette ons met hare zegewenschen. Ik drukte de handen,
-die mij werden toegestoken en vergezeld door den kindertroep, die den
-jongen reiziger omringde, begon ik het pad op te klimmen, dat ons in
-deze gastvrije oase had gevoerd. Op den top van den oever aangekomen,
-zwaaide ik met mijn hoed om Coyotepec opnieuw te groeten; de Encuerado
-schoot bij wijze van afscheidsgroet zijn geweer af en wij drongen den
-doolhof van cactussen in, ons in rechte lijn naar het Oosten richtende.
-
-
-
-
-XXIII.
-
-OP WEG!--DE VOGELSPIN.--EEN KAKKERLAK.--WEZEL- EN CIVETKAT.--DE
-VLIEGENDE EEKHOORN.--DE DADELPRUIMENBOOM.--DE OTTER.--DE ENCUERADO WORDT
-GEWOND.
-
-
-Drie dagen van een moeielijken marsch brachten ons te midden van het
-Gematigde Land. Wij trokken ditmaal de Cordilleras in de breedte over,
-klimmende, dalende, op de toppen rillende, en groote druppels zweetende
-in de nauwe en donkere dalen, waar het toeval van den marsch ons bracht.
-De vulkaan van Orizava vertoonde van tijd tot tijd zijn scherpen kegel,
-wat ons zeer hielp om onze richting te bepalen. Vier dagen nadat wij
-Coyotepec verlaten hadden, sloegen wij ons bivak aan den voet van een
-berg bij een rivier met helder en ijskoud water op.
-
-Terwijl de Encuerado den vuurhaard gereedmaakte, ontdekte Lucien onder
-een grooten steen eene buitengewoon dikke, zwarte en harige spin, met
-pooten die met dubbele haken gewapend waren.
-
-»Dat is een tarentella, nietwaar mijnheer Sumichrast?"
-
---Neen, vriendje, dat is de vogelspin, aldus geheeten omdat zij, naar
-men zegt, de nesten der vliegenvogels aanvalt en de jongen er van
-verslindt.
-
---Kan ik haar pakken?
-
---Niet met de handen; haar beet is gevaarlijk.
-
---Men zou zeggen, dat zij ons met die twee groote oogen, die dicht bij
-haar bek staan, aanziet.
-
---Zij ziet zonder twijfel naar ons; bedreig haar eens met dit takje, en
-gij zult zien dat zij zich ter verdediging gereed maakt.
-
-De groote spin stak hare voorste pooten in de lucht en uit haar mond
-kwamen twee zwarte, gladde haken. Na een oogenblik geaarzeld te
-hebben, wierp zij zich onverwacht op het stukje hout, dat Lucien,
-achteruitdeinzende, vallen liet, terwijl de Encuerado het afschuwelijke
-dier verdreef.
-
-Een tiental stappen verder vond de jeugdige natuuronderzoeker eene
-tweede spin en overstelpte mij met vragen. Ik kon hem niets dan eenige
-algemeenheden over deze zonderlinge klassen van dieren mededeelen.
-
-»Maar, papa, wij ontmoeten bij elke schrede groene, zwarte, gele,
-goudkleurige spinnen; zijn er dan zoo veel soorten?"
-
---Er zijn er zoo vele, dat men ze niet alle kent; ik geloof zelfs,
-dat die van Mexico nooit beschreven zijn. Men zou ze trouwens op de
-plaats-zelve moeten bestudeeren; want het weeke lichaam der spinnen
-verliest door het drogen zijn vorm en men kan ze slechts bewaren door
-middelen, die een reiziger niet altijd onder zijn bereik heeft.
-
---»Ik heb er evenwel in mijne doos, die niet al te zeer gehavend zijn,"
-hernam de knaap.
-
-En hij liet mij verschillende dieren met een driehoekigen buik zien, die
-bruine puntjes vertoonden en vol stekels zaten. Ik ried hem aan er zich
-van te ontdoen, daar hij dezelfde soorten in de omstreken van Orizava
-kon vinden.
-
-Onderweg verscheurde ik eenige draden van een licht web, dat tusschen
-twee heesters was uitgespannen en waarvan de bezitster--eene grijze
-spin--onmiddellijk te voorschijn kwam om in haast de schade, die ik
-onvrijwillig had aangericht, te herstellen.
-
-»Waar haalt zij toch dien draad vandaan, die zoo dun is dat men hem
-ternauwernood ziet?" vroeg Lucien.
-
---Uit vier bewaarplaatsen, die onder aan den buik gelegen en met eene
-gomachtige stof opgevuld zijn, welke hard wordt, zoodra zij aan de lucht
-is blootgesteld. Deze bewaarplaatsen, welke de natuuronderzoekers
-spintepeltjes noemen, zijn met ongeveer een duizendtal gaatjes
-doorboord. Uit elk dezer gaatjes komt een draad, die voor het ongewapend
-oog onzichtbaar is, omdat men er duizend noodig heeft om den draad te
-vormen, dien de spin op het oogenblik te voorschijn brengt.
-
---Wat spijt het mij nu, dat ik niet een groot aantal van deze insecten
-verzameld heb; wij hebben er zulke zonderlinge ontmoet.
-
---In de eerste plaats zijn de spinnen geen insecten; zij hebben
-longen en een hart, terwijl de insecten door luchtbuizen of tracheeën
-ademen.[34] Bovendien hebben de insecten voelsprieten en ondergaan zij
-gedaanteverwisselingen, wat niet bij de spinnen plaats heeft. Gij zult u
-zeker nog wel herinneren, dat zij aan den schorpioen verwant is.
-
-[34] De tracheeën of luchtbuizen zijn twee vaten, die aan weerskanten
- langs het lichaam zijn geplaatst en van vertakkingen zijn voorzien;
- zij dienen om de lucht op te vangen en zich door het lichaam te
- verspreiden.
-
---Ja, maar de schorpioenen kunnen niet spinnen.
-
---Die kunst verstaan ook niet alle spinnen; zoo leeft bijvoorbeeld die
-soort met gouden weerschijn, waarover gij zooeven spraakt, op planten en
-zij zou zeer in verlegenheid zijn, als het ongeluk haar overkwam van in
-het web harer spinnende zuster te vallen.
-
---Eten de spinnen elkander dan op?
-
---Zonder de minste aarzeling; de schorpioenen doen het ook; dat is eene
-familiekwaal.
-
---Dan verwondert het mij niet meer, dat de spinnen over 't algemeen zoo
-leelijk zijn.
-
---Al waren zij ook nog zoo mooi, dan zou dat nog niets aan hare
-geaardheid afdoen. Maar zij hebben bovendien ook hare goede
-eigenschappen--het geduld, bijvoorbeeld, en de vastberadenheid. De arme
-spin, die gij daar ziet, zweet, om zoo te zeggen, water en bloed, om
-eene prooi te vangen, die haar telkens ontsnapt. Nu eens verscheurt
-de wind het met zooveel moeite gesponnen weefsel; dan weer vliegt een
-groote kever, als een echte wildzang, door het web. En toch wordt
-het beestje niet ontmoedigd; het herstelt zijn val en terwijl het
-onbeweeglijk het wild bespiedt, dat voor zijn onderhoud noodzakelijk is,
-gebeurt het maar al te dikwijls, dat het in den snavel van een vogel
-wordt weggevoerd.
-
---En u, mijnheer Sumichrast, weet u niets over de spinnen?
-
---Zeker, meester Zonnestraal, veel anecdoten; zoo zegt men, dat men
-ze tam kan maken en dat zij dan tusschen de vingers de vliegen komen
-weghalen, die men haar voorhoudt; men verzekert zelfs, dat zij zich zeer
-dankbaar betoonen tegenover hen, die zoo in haar voedsel voorzien, wat
-mij eenigszins met die onaangename dieren verzoent. Ik moet u nog zeggen
-dat er eene soort bestaat, waarover uw papa niet gesproken heeft,
-de waterspin, die eene duikerklok vervaardigt, welke zij met een
-bewonderenswaardig instinct met lucht vult en met draadjes tusschen de
-waterplanten ophangt.
-
---Dat zal toch wel niet zijn om vliegen te vangen, veronderstel ik?
-
---Neen, zij voeden zich met larven, muggen en eendagsvliegen. De
-beroemde sterrekundige Lalande at uit pralerij eene kelderspin op; men
-beweert dat de Indianen uit de provincie Honduras ook van spinnen
-smullen.[35]
-
-[35] Men heeft ook van onze beroemde landgenoote Anna Maria Schuurmans
- gezegd, dat zij spinnen at.
- (N. v. d. V.)
-
-De Encuerado had op zijne beurt ook iets over de spinnen mede te
-deelen. Hij vertelde ons dat als een paard den voet op een vogelspin
-zet, de hoef binnen acht dagen afvalt en niet meer aangroeit. Hij
-beloofde bovendien aan Lucien dat, zoodra wij het Warme Land zouden
-bereikt hebben, hij hem de beroemde kristallen spin zou laten zien, die
-in duizend stukken breekt, als men onhandig genoeg is haar te laten
-vallen.
-
-»Chema," riep Lucien eensklaps uit, »kom eens naar die groote
-_coucaratcha_ zien! Ik dacht dat die insecten alleen in de huizen
-leefden. Wat sleept zij toch achter zich aan?"
-
---»Een klein doosje, waarin hare eieren vervat zijn," antwoordde ik. In
-drie of vier dagen zal dat doosje aan de zijde opengaan en er zullen een
-twintigtal jonge kakkerlakken uitkomen.
-
---Heet de _coucaratcha_ kakkerlak?
-
---Kakkerlak of zwarte tor. Voor de geleerden is het een rechtvleugelig
-insect, voor de creolen een vuil dier, dat in de laden van alle meubelen
-binnendringt en er ongeveer dezelfde verwoestingen aanricht als de
-muizen. Des nachts loopen de kakkerlakken, die een letterkundigen smaak
-schijnen te hebben, in groot aantal in de kamers rond, knagen aan het
-papier en drinken de inkt uit.
-
---Zij wachten daartoe niet eens den nacht af," riep Lucien uit; »zij
-hebben meermalen de onbeschaamdheid zoo ver gedreven, dat zij in mijn
-inktkoker hunnen dorst leschten, terwijl ik bezig was mijn schoolwerk af
-te maken. Ik ken bruine en groene kakkerlakken, maar de Encuerado heeft
-laatst volgehouden dat er ook witte zijn.
-
---De Encuerado heeft gelijk, antwoordde ik; ik heb er ook wel eens van
-die kleur gevangen en opgesloten, maar na verloop van vierentwintig
-uren waren zij roestrood geworden, zooals hunne geheele familie. Dit
-verschijnsel bewijst, dat de kakkerlakken van huid verwisselen, eene
-eigenaardigheid die zij met verschillende dieren gemeen hebben, zooals
-de groote spin, welke uw vriend straks heeft weggejaagd.
-
-Ik ontrukte Lucien aan zijne entomologische studiën om hem meê onder de
-boomen te nemen, ten einde den hoofdschotel voor ons middagmaal op te
-zoeken. Wij stieten eerst op een _Cacamizli_ of kattefret[36], een soort
-van wezel van een wreed uiterlijk, die ons met een scherpen schreeuw
-verwelkomde. Gringalet begon het dier onmiddellijk te vervolgen en
-bleef slechts stand houden bij den ingang van het hol van het dier.
-De cacamizli nestelt zich, evenals de wezel, waarvan hij slechts in
-grootte verschilt, op de zolders der woningen, waar hij zich des
-nachts aan de luidruchtigste beweging overgeeft. In de voorwijken van
-verschillende steden van Mexico staat meer dan één huis ledig, omdat
-men meent dat het door spoken bezocht wordt, terwijl het eenvoudiglijk
-bevolkt is met wezels en buidelratten.
-
-[36] Bassario astuta. Biart noemt het hier bedoelde dier _cacomiste_,
- een verbastering van het _cacamizli_ der Mexicanen.
- (N. v. d. V.)
-
-[Illustratie: Op tien passen van ons af, viel een dier naar beneden.
- (blz. 213).]
-
-»Opgepast!" riep de Encuerado eensklaps uit.
-
-Een civetkat, een roofdier dat wel een weinig op een Angora-kat
-gelijkt, liep hard voor ons weg. Gringalet, wien het verveelde om op
-de wezel te wachten, kruiste zich met het dier en begon het dadelijk,
-niettegenstaande ons roepen, te vervolgen. De civetkat bleef eensklaps
-staan, wroette met haar scherpe nagels den grond om en verspreidde toen
-zulk een stank om zich, dat de hond dadelijk den terugtocht aannam.
-
-De Encuerado vervolgde zijn marsch en geleidde ons zonder geraas te
-maken en met den vinger aan den trekker. Plotseling bukte hij om beter
-te kunnen hooren.
-
-»Een quimichpatlan," zeide hij zachtjes.
-
---Een »vliegende rat", herhaalde ik aan Sumichrast.
-
-Lucien wilde spreken; ik wees met den vinger op den Indiaan, die, den
-neus in den wind en half achter een dooden boomstam verborgen, den
-top van een ebbenhoutboom onderzocht. Op hetzelfde oogenblik legde de
-Encuerado aan en gaf vuur; hij had goed gemikt,--op tien pas afstands
-van ons viel een dier neer, dat in zijne stuipachtige bewegingen een
-vlies had uitgespannen, dat de pooten onderling verbond en het als met
-een mantel omgaf.
-
-Lucien raapte het dier op, dat meer algemeen bekend is onder den naam
-van _vliegenden eekhoorn_. Daar men ze zelden alleen aantreft gingen
-mijne beide gezellen opnieuw op de jacht en doodden er een tweeden.
-
-»Moeten wij die dieren eten?" vroeg Lucien.
-
---Waarom niet!" antwoordde ik. »Het zijn eekhoorns, en al waren het ook
-ratten, zooals de Mexicanen beweren, dan zou hun vleesch er niet minder
-smakelijk om zijn."
-
---Kunnen die eekhoorns lang vliegen?
-
---In werkelijkheid vliegen zij niet; maar het vlies, dat hunne vier
-pooten verbindt, houdt hen als een valscherm in de lucht en vermindert
-het gevaar van hunne verbazende sprongen.
-
---Loopen zij even vlug als de eekhoorns?
-
---Daar scheelt veel aan; zij komen zelfs niet op den grond; maar hunne
-vlugheid op de boomen maakt, dat zij hunne familie geen oneer aandoen.
-
---»Ik dacht, dat de vleermuis het eenige vliegende zoogdier was,"
-hervatte Lucien.
-
---»Wij hebben nog de phalangista," zeide mijn vriend, »een dier dat tot
-de orde der buideldieren behoort en in Australië wordt aangetroffen; het
-gelijkt op de buidelrat. Men zegt dat het zich als het een mensch ziet,
-aan den staart laat hangen en geen beweging durft maken. Dit sprookje
-past goed bij dat van den Encuerado over de kristallen spin.
-
-De Indiaan begaf zich in rechte lijn naar het bivak, terwijl ik mijne
-twee metgezellen weer naar den stroom terugbracht; onderweg hadden wij
-nog gelegenheid eene prachtigen dadelpruimenboom te bewonderen. Eén
-daarvan was beladen met bruine, van binnen witachtige vruchten, die een
-vrij aangenamen zuurzoeten smaak hebben. Ik plukte er in haast een half
-dozijn van, wetende dat het eene smullerij voor mijn bediende zou zijn.
-
-Terwijl wij zoo onzen weg vervolgden, zagen wij dat de oevers van den
-stroom trapsgewijze lager werden en weldra vertoonde zich een meer, dat
-heerlijk omgeven was met cypressen, populieren, elken, ebbenhout- en
-styraxboomen, aan onze oogen.
-
-Ik ging op eene rots zitten, vanwaar mijne oogen op het blauwe en
-doorschijnende water rustten; Sumichrast en Lucien kwamen naast mij
-zitten. Verrukt over de lachende majesteit van dit onbekende plekje
-der wereld, bleven wij sprakeloos zitten. Vogels zweefden door den
-wolkenloozen hemel, kwamen in onze nabijheid zitten, kweelden een
-oogenblik, en vlogen verder, na ons den tijd te hebben gegeven om de
-rijke kleuren van hun gevederte te bewonderen. Op het onbeweeglijke
-water liepen duizenden insecten met lange pooten en doorschijnende
-vleugels, die eene onzichtbare kracht over de effene vlakte deed
-glijden. Soms verscheen een waterjuffer met een azuurblauw en purper
-lichaam, en alles vluchtte voor dien vijand, als een troep musschen voor
-een sperwer. Een vlinder met gouden en perlemoeren vleugels kwam onder
-het bereik van het vraatzuchtige insect. Meer dan één vreeselijk gevecht
-werd onder onze oogen tusschen de kleinste schepsels geleverd; eindelijk
-vond de waterjuffer, die den vlinder bijna overwonnen had, een graf in
-de maag van een vogel.
-
-Wij wilden ons juist verwijderen, toen het water tot in de diepte in
-beroering scheen gebracht te worden, en terwijl op de oppervlakte
-vliegen en muggen met hun spel ongestoord voortgingen, vluchtten de
-visschen vol spoed en schenen hun angst aan de waterslangen mede te
-deelen. Een schildpad, die den terugtocht nutteloos scheen te oordeelen,
-trok haar kop en pooten binnen haar schaal terug. Bijna op hetzelfde
-oogenblik hield een dier, dat krachtig zwom, bij het kruipdier stil om
-het te beruiken en vervolgde toen zijn weg.
-
---Zijn er dan ook water-buidelratten? vroeg Lucien.
-
---»Dat is een otter," antwoordde ik zacht.
-
-Terwijl wij zonder geraas de rots afdaalden, volgde ik Sumichrast naar
-den waterkant, naar eene plek, waar het dier aan land scheen te willen
-komen. Een uur verliep evenwel in vruchteloos wachten.
-
-Mijn vriend stelde voor in de haast te gaan eten en daarna weer onzen
-post bij de rots in te nemen. Eenige minuten waren voldoende om bij den
-Encuerado terug te zijn; want zonder het te weten hadden wij ons bivak
-op nauwelijks vier geweerschoten afstands van het meer opgeslagen. De
-Indiaan sprong van vreugde, toen hij de nabijheid vernam van wat hij een
-waterhond noemde.
-
-»Ge moogt me een ezel noemen," zeide hij tegen Gringalet, terwijl hij
-hem streelde, »als ik je morgen ochtend geen bout van je broer vóór
-ontbijt breng."
-
---Zijn de otters dan werkelijk verwanten van Gringalet?" vroeg Lucien
-mij.
-
---»Ja," antwoordde ik; »volgens Cuvier zijn het teenloopers. Overigens
-laat de otter zich zoo tam maken als een hond en men richt hem af om
-visch te vangen, dien hij te gereeder weet te krijgen, daar hij niets
-anders dan visch eet."
-
-De vliegende eekhoorn werd noch goed, noch kwaad bevonden; maar de
-Encuerado smulde van de dadelpruimen, wat niet belette dat hij het eerst
-gereed was. Lucien, altijd even ongeduldig, knorde op Sumichrast, die
-smakelijk zijn koffie dronk.
-
-»Drommels, drommels! meester Zonnestraal," riep hij vroolijk uit, »gij
-vergeet dat ik een Zwitser ben en half een Indiaan ben geworden, en dat
-ik aan de Franschen de onbezonnenheid en de voortvarendheid overlaat."
-
---Moet ik mijn aandeel in het compliment nemen?" vroeg ik glimlachende.
-
---»Ge zult moeten bekennen," antwoordde mijn vriend, »dat wij een
-tamelijk volledig geheel vormen en dat, alles wel overwogen, mijne
-langzaamheid ons meer dan één middagmaal heeft bezorgd, waarvan uw
-Fransch ongeduld ons zou beroofd hebben.
-
---En gij zult, op uwe beurt, moeten bekennen, dat mijne voortvarendheid
-ons meer dan één ontbijt heeft verschaft, dat uwe langzaamheid ons zou
-hebben doen verliezen.
-
---Drommels, drommels! dan is het uit met mijne meerderheid; we zullen
-dan maar zeggen, dat alles om 't best is.
-
---»Toch niet," riep Lucien uit; »terwijl wij praten gaan de otters
-slapen, zonder ons goeden nacht te wenschen.
-
---Dat hebt ge mis, Chanito; de waterhonden gaan juist des nachts aan 't
-werk.
-
-Tien minuten later stonden wij op nieuw bij de rots op den uitkijk. De
-Encuerado wilde ons niet volgen en ik liet hem handelen zooals hij zelf
-verkoos. De zon was op punt van onder te gaan en achter ons teekenden
-de boomen hunne donkere schaduwen tegen een oranjekleurigen hemel af,
-terwijl honderden vogels te gelijk babbelden. De schemering bedekte den
-horizon en overal heerschte eene plechtige stilte. Allengs begonnen de
-sterren te schitteren en steeg de maan boven de boomen. Haar wit licht
-drong door het gebladerte en verleende het fantastische vormen, die aan
-een bovennatuurlijke wereld deden denken. Naar gelang het gesternte
-hooger steeg, verspreidde het ook meer licht en ik ken geen prachtiger
-schouwspel dan die nachten onder de keerkringen, die helderder, zachter
-en geheimzinniger zijn dan de zoo geroemde nachten der koude landen.
-
-Een schot brak de mijmering af, waaraan ik mij had overgeleverd en het
-hioe! hioe! van den Encuerado riep ons. De Indiaan draafde langs den
-voet der rots, door den getrouwen Gringalet gevolgd. Een pijnlijke kreet
-deed mij schrikken; Sumichrast verdween als een pijl uit den boog,
-terwijl ik den loop van Lucien bespoedigde. Ik hoorde een groot geraas
-van stemmen, bijna door het razend geblaf van den hond overheerscht; ik
-vond mijn vriend, die de keel van een otter, dien Gringalet woedend
-beet, tusschen zijne handen dichtkneep. De Encuerado, op den grond
-gezeten, drukte vol angst zijn rechterarm; hij was door het dier, dat
-hij te overijld had willen vatten, gebeten. Het was nu de tijd niet om
-verwijtingen te doen; ik troonde mijn dienaar in allerijl naar het bivak
-mede; hij troostte Lucien, die in stilte schreide.
-
-Het onderzoek van de beet stelde mij gerust; ik was eerst bang voor eene
-verscheuring, maar die bestond niet. Ik verbond den gekwetste, wat hem
-zeer verlichtte.
-
-»Oh! Tatita," sprak hij, »'t gaat nu beter, veel beter; maar toen die
-rakker mijn arm beet pakte, dacht ik dat ik flauw zou vallen."
-
---»God geve dat dit ongeval je wat voorzichtiger moge maken," gaf ik ten
-antwoord; »hoe kondet gij het ook in uw hoofd krijgen om een gewond dier
-te naderen, als ge weet dat het zulke scherpe tanden heeft als de
-otter?"
-
---Hij wilde in 't water springen en dan zou hij verloren zijn geweest;
-toen heeft hij zich dood gehouden.
-
---Dat wil zeggen, dat hij het gunstige oogenblik bespiedde om zich op u
-te werpen.
-
---Gij hebt misschien gelijk, Tatita, ik zag hem naar de rivier gaan;
-toen heb ik geschoten en ben naar hem toegeloopen. Nadat het dier
-getracht had te vluchten, is het zonder beweging neergevallen. Ik heb er
-mij overheen gebukt en voelde toen dadelijk zijne tanden. De pijn was
-zoo hevig, dat ik de kracht niet had om er meê te worstelen; gelukkig is
-Tata Sumichrast toen gekomen, zonder nog Gringalet mee te rekenen, die
-uit al zijne macht beet, maar niet op een zulke goede plaats als de
-otter, anders zou hij mij wel spoedig hebben losgelaten."
-
-Mijn vriend stroopte het wild de huid af en stak het onmiddellijk aan
-het spit. Lucien onderzocht het dier met zijn opgekrulden snuit met
-breede neusgaten, en zwart en glad haar en de pooten van zwemvliezen
-voorzien, zooals de eenden en de Nieuw-Foundlanderhonden. Zoodra het
-gebraad goed gaar was omwikkelde ik het, om het voor de insecten te
-beschermen, waarna wij ons te ruste begaven. Ik voorzag wel dat de
-Indiaan den volgenden dag zijne mars niet zou kunnen dragen, en dat de
-noodzakelijkheid om hem te vervangen, mijn geduld en dat van Sumichrast
-op de proef zou stellen, want wij konden er niet toe besluiten ons
-oponthoud te rekken. De slaap overviel ons, zonder dat dit gewichtig
-vraagstuk eene oplossing had gekregen.
-
-
-
-
-XXIV.
-
-EEN MOEIELIJK AMBACHT.--WILDE LINDEBOOMEN. DE DUIVEN.--KERSEN VAN DE
-ANTILLEN.--DE OORWORM. SLANGEN EN ADDERS.--HET WARME LAND.
-
-
-»Hoe gaat het met den arm?" vroeg ik den Encuerado, die reeds op was
-toen ik wakker werd.
-
---»Vrij goed, Tatita, maar ik moet hem niet te veel bewegen; want dan
-heb ik een gevoel, alsof die verwenschte waterhond mij nog tusschen
-zijne tanden heeft."
-
-Ik verbond den gewonde, die niet nalaten kon den otter opnieuw met
-scheldwoorden te overladen; ik dwong hem zich rustig te houden en
-bereidde zelf de koffie. Sumichrast en Lucien werden nu ook wakker; er
-werd tot het vertrek besloten, het regenseizoen naderde en beval ons ons
-te haasten.
-
-De Encuerado wilde, niettegenstaande onze tegenwerpingen, zijne mars
-opnemen; hij beurde zijne vracht op, maar viel weer neer en werd geheel
-bleek.
-
-»Geen koppigheid," zeide ik hem: »gij zijt nu overtuigd, dat uwe
-pogingen nutteloos zijn. Ik zal onze bagage dragen totdat uw arm genezen
-is."
-
---Ik kan niets beters doen dan maar naar huis gaan; mijn geweer schijnt
-mij zelfs te zwaar toe.
-
---Als ge nu maar geen dwaasheden begaat, zult ge over drie dagen je
-vracht weer kunnen dragen en je van je geweer bedienen.
-
-Ik nam de riemen van de mars op en volgde mijne makkers voet voor
-voet. Het gebrek aan gewoonte verdriedubbelde de vracht, die ik op de
-schouders droeg. De Indiaan overlaadde mij met raadgevingen en maakte
-mij boos door telkens op te merken, dat ik de mand minder gemakkelijk
-droeg dan hij. Ik zond hem, om er van af te zijn, naar de voorhoede. Na
-verloop van een half uur was ik geheel uitgeput en loste Sumichrast mij
-af. Veel sterker dan ik zijnde, ging mijn makker met den looppas vooruit
-en verwierf de loftuigingen van den Encuerado. Maar zijn ijver bedaarde
-al zeer spoedig, want de kracht kan niet dan onvolkomen de gewoonte
-vervangen. De mars, waarvan het gewicht mijn dienaar niet belet had om
-de steilste paden op te klimmen en zelfs niet om hard te loopen, als het
-noodig was, deed ons bezwijken.
-
-Ik nam haar op mijne beurt weer op den rug; mijne taak werd hoe langer
-zoo moeielijker, want wij gingen onder het geboomte door en telkens
-bleef ik in de takken verward steken. Ten slotte werd toch half
-lachende, half preutelende een weg afgelegd van ongeveer drie uren, en
-de otter, de oorzaak van al het leed, boette door onze gretige beten
-voor de vermoeienis, die hij ons berokkende.
-
-De Encuerado, die van zijne jeugd af aan gewoon was eene vracht op
-zijn rug te gevoelen, beklaagde zich over het ongemak hetwelk men
-ondervindt als men onbeladen loopt. Dat was geene overdrijving; niets
-was meer gewoon dan de Indianen van de markt, waar zij hunne waren
-hebben afgeleverd, te zien terugkeeren met de mars vol steenen of takken
-als tegenwicht, zonder hetwelk hun gang langzaam en moeilijk zou zijn.
-Eindelijk hadden wij nog een uur afgelegd, maar de Hemel weet ten koste
-van hoeveel inspanning; de hut werd aan den voet van een heuvel, te
-midden van ebbenhout-, wol-, en eikeboomen opgericht. De Encuerado
-ging bij den haard zitten, terwijl ik in gezelschap van mijn vriend en
-Lucien den heuvel opklom. De boomen, die den top bekroonden, waren
-lindeboomen--_tilia sylvestris_--de type van de boomen van denzelfden
-naam, die in Europa zoo algemeen verspreid zijn en waar de kweeking ze
-zoozeer veranderd heeft, dat zij niet meer tot dezelfde soort als hunne
-verwanten in de maagdelijke wouden schijnen te behooren. Het hout van
-den lindeboom wordt door de Indianen zeer gezocht voor de vervaardiging
-van die kleine mandolinen--xaranas--, die bij duizenden in Mexico
-verkocht worden. In Europa wordt de schors van dezen boom gebruikt tot
-het vervaardigen van puttouwen en de kool, die zijn hout oplevert, wordt
-boven elk andere verkozen voor de vervaardiging van het buskruit. Weinig
-gewassen zijn dan van meer algemeen nut; het gebladerte, van een fraai
-groen, maakt hem zeer geschikt voor de versiering van tuinen; de
-geelachtige bloemen, bij iedereen onder den naam van lindebloesem
-bekend, bevatten eene vluchtige olie, die haar krampstillende
-eigenschappen verleent. Het zachte en lichte hout wordt door de
-beeldhouwers gebruikt; de olieachtige zaden worden als surrogaat van
-de cacao aangewend en de Lithauers maken uit het sap een op wijn
-gelijkenden drank, die samentrekkende eigenschappen bezit.
-
-Het bekende gekoer van duiven trok onze aandacht; ik gleed onder de
-boomen door en joeg spoedig een troep fraaie duiven op de vlucht, van
-eene mooie donkere aschblauwe kleur, den staart met eene zwarte streep
-overtrokken en met parelgrijze stuurpennen; de geleerden noemen ze
-Zenaïde-duiven. Ik schoot er twee; Sumichrast, die beter geplaatst was,
-raakte er drie; dat was meer dan wij voor ons middagmaal noodig hadden.
-
-Het waren de eerste duiven, die wij gedood hadden, en Lucien zocht
-tevergeefs hare verwantschap vast te stellen.
-
-»Het zijn geen vinkvogels, noch minder zwemvogels," zeide hij, »en de
-klimvogels hebben anders gevormde pooten.
-
---»Uwe twijfelingen zijn zeer natuurlijk," viel mijn vriend hem in de
-rede; »de ornithologen-zelve zijn in 't onzekere. Zij rangschikken de
-duiven evenwel onder de hoendervogels en beschouwen ze als den schakel,
-die dezen met de vinkvogels verbindt.
-
---Waarom heeft men er geene afzonderlijke orde van gemaakt?
-
---Bravo, meester Zonnestraal! maar uw uitmuntend denkbeeld is reeds
-geopperd geworden; verscheidene natuuronderzoekers tellen ook een orde
-van de _colombíden_ of duifachtige vogels. Wat gij evenwel dient te
-weten, is, dat de duiven den geheelen aardbol bewonen; dat er witte,
-blauwe, roode, groene en bruine zijn; soms zijn die tinten te zamen
-versmolten en verhoogen zij nog de schoonheid van deze lieve vogels. De
-duif, het zinnebeeld der zachtmoedigheid en der onschuld, laat zich zeer
-licht tam maken, zij heeft eene zware maar volhardende vlucht en in veel
-landen heeft men ze afgericht om berichten over te brengen.
-
-Lucien bleef geheel in nadenken verzonken.
-
-»Als ik dat geweten had, zou ik een paar duiven hebben medegebracht en
-dan zou mijne lieve Mama reeds lang bericht van ons ontvangen hebben."
-
-Sumichrast, die om de betrekking van opperkeukenmeester had gevraagd,
-die open was gevallen door de wonde van den Encuerado, ging beladen met
-de opbrengst van onze jacht, naar het kamp terug. Ik volgde den zoom
-van het woud, in gezelschap van Lucien, die het eerst een kerseboom
-der Antillen--_malpighia glabra_--ontdekte. De roode, vleezige en
-zuurachtige vruchten vielen zeer in onzen smaak en de knaap klom in den
-boom om er eene goeden voorraad van te plukken en blijde bij de gedachte
-aan de verrassing, die hij zijnen beiden vrienden bereidde. Toen het
-plukken gedaan was, onderzocht ik den boomstam. Een haastig afgerukt
-stuk schors bracht een groot aantal zoogenaamde oorwormen te voorschijn.
-
-»Wat mooie kevers!" zeide Lucien.
-
---»Dat zijn rechtvleugelige insecten of _orthopteren_," haastte ik mij
-hem te onderrichten, »zij behooren tot eene familie, die zeer aan de
-kakkerlakken verwant is. De oorwormen worden ten onrechte gevreesd; de
-soort tang, waarin hun staart uitloopt, is geheel en al onschadelijk."
-
---Zie eens, papa, wat is het lichaam van dien oorworm met eene menigte
-witte puntjes overdekt.
-
---Dat is een wijfje, dat hare eieren zoo uitbroedt; maar zie eens hier.
-
---Acht, tien, twaalf jongen; wat zijn ze aardig! Men zou zeggen dat zij
-zich laten geleiden door dien grooten oorworm, die zich bij elke schrede
-omkeert. Mooi zoo, zij blijven staan en de kleinen verzamelen zich om
-hem.
-
---»Zeg om haar, want het is eene moeder en hare kinderen; de zoo
-geprezene hen zorgt niet beter voor haar kroost dan dit arme insect."
-
-Ik kon Lucien niet zonder moeite van het beschouwen der oorwormen
-afrukken; het gesis van eene slang, die ik van onder een steen verjoeg,
-bracht hem weer bij mij. Ik had nog juist den tijd om de slang te
-pakken, die zich met kracht om mijn arm kronkelde. De knaap zag mij,
-stom van verbazing, met angstigen blik aan.
-
-»Vader", riep hij uit, vol schrik op mij toeschietende.
-
---Stel u gerust; dit arme kruipdier kan zich niet verdedigen, en het is
-zoo klein, dat men het gerust in de handen kan nemen.
-
---Maar het zal u met zijn angel steken.
-
---Het heeft geen anderen angel dan zijne tong, wier aanraking geen
-gevaar oplevert. Komaan, neem de slang ook eens aan.
-
-De knaap aarzelde in den beginne; maar allengs werd hij stoutmoediger en
-liet de slang toe zich om zijn arm te kronkelen. Toen hij bij den haard
-was gekomen, liet hij haar aan den Encuerado zien, die van schrik
-achteruitsprong, want volgens hem waren alle kruipende dieren vergiftig.
-Alle aansporingen van Lucien, om hem ook de slang te doen vastnemen,
-waren vruchteloos.
-
-»Ik zal het niet doen voor gij mij de woorden zult herhaald hebben, die
-gij uitgesproken hebt, om onkwetsbaar te worden."
-
---»Ik ben niet meer onkwetsbaar dan gij," hervatte Lucien lachende. »De
-slang is onschadelijk en papa heeft mij wel op het hart gedrukt nooit
-eene slang aan te raken, alvorens hem te hebben geraadpleegd.
-
---En hebt gij dan geen enkel woord gezegd voor gij haar aanpaktet.
-
---Neen; papa had haar in zijne handen en heeft haar om zijn arm
-gekronkeld.
-
---»Nu begrijp ik het," mompelde de Indiaan; »de slang is betooverd."
-
-Gringalet, die even wantrouwend was als de Indiaan, ging op de vlucht,
-toen hij de slang zich bewegen zag.
-
-Ik beval mijn zoon de slang de vrijheid weer terug te geven; de Indiaan
-trok zijn machete, maar ik zette haar zelf in een struik, zoodat hij
-haar geen leed kon doen.
-
-De nieuwe keukenmeester overtrof zichzelven; hij zette ons eene soep van
-maïs, gebraden duiven en een rijstetaart voor, die wel niet mooi van
-vorm, maar heerlijk van smaak was. De kersen voltooiden dit vorstelijk
-maal, en de rustpijp werd begeleid door een kop warme koffie. Toen de
-nacht daalde ging Sumichrast, door Lucien over de gewoonten der slangen
-ondervraagd, stilletjes slapen; ik wachtte niet lang met zijn voorbeeld
-te volgen, want de zwaarte van de mars had mij meer vermoeid, dan mijne
-eigenliefde het wel wilde bekennen.
-
-Den volgenden dag vond de opgaande zon ons reeds op weg. De wonde van
-den Encuerado, die reeds veel minder pijnlijk was, veroorloofde hem
-weer, zich van zijn geweer te bedienen en zonder mijn uitdrukkelijk
-verbod zou hij zijne vracht opnieuw hebben opgenomen. Op den top van
-den heuvel gekomen, voerde hij ons op eene helling en de karavaan
-hield slechts halt in een somber en vochtig dal, op den rand van een
-groenachtigen poel. Na eene kleine rust, die wij gebruikten om onze
-veldflesschen te vullen en een tatoe te dooden, haastten wij ons deze
-plaats te ontvluchten, waar de lucht door vergiftige uitwasemingen
-verpest scheen te zijn. Toen de tegenovergestelde helling afgelegd was,
-begaf ik mij onder de pijnboomen, terwijl ik mijn vriend, die de mars
-droeg, aanmoedigde en Lucien schelmsch tot een wedloop uitdaagde.
-
-»Dat is niet edelmoedig van je," zeide ik tot den kleinen schelm; »wat
-zou er van ons zijn geworden als Sumichrast zich niet de moeite gaf den
-korf te dragen."
-
---Mij spijt slechts één ding," antwoordde de knaap, »en dat is, dat: ik
-niet sterk genoeg ben om u te helpen. Als ik mijnheer Sumichrast zoo
-plaag, dan doe ik het omdat mijne plagerijen hem vermaken--zij maken dat
-hij zijne vracht vergeet en dus lichter loopt."
-
---»Kom bij me, dat ik u omhelze," riep mijn vriend uit; »gij hebt
-honderdmaal gelijk. Ik dacht ook, dat gij slechts een luim
-opvolgdet, zonder om mij te denken."
-
-Eene nieuwe daling putte ons volkomen uit en Sumichrast zwoer dat hij
-tot de volgende dag de mars vaarwel zeide. Ik nam haar nu op, maar na
-verloop van weinig tijds deed ik denzelfden eed als mijn vriend, en
-het bivak werd opgeslagen. Terwijl mijne gezellen zich met de keuken
-bezighielden steeg ik de hoogte op; ik had haar nauwelijks twee of drie
-honderd meters doorloopen of ik riep allen bij mij,--het Warme Land lag
-aan mijne voeten. In den beginne doorvorschte een ieder zwijgend het
-onmetelijke panorama, dat zich voor onze oogen ontrolde. Wij bevonden
-ons op eene der tegenhellingen der Cordilleras. Het toeval was ons
-gunstig geweest; eenige honderden meters verder zouden de boomen ons
-niet veroorloofd hebben dit wonderschoone vergezicht te bewonderen.
-Boven ons rotsen met mos en orchideeën bekleed, een ruime, rotsachtige,
-steile bodem; daarna een woud van eikeboomen, welker roode bladeren
-reeds door de zon geroosterd waren. Lager op, eene lange prairie bezaaid
-met groene struiken en omzoomd door een bosch, waarvan de hooge toppen
-zich, zoover het gezicht reikte, uitstrekten. Aan de rechterhand
-kondigde eene breede gele en schitterende ruimte eene savanne aan en aan
-onze zijde vormden nu eens naakte, dan weer met boomen begroeide hoogten
-een grooten halven cirkel.
-
---»Het beloofde land!" riep Sumichrast eindelijk uit.
-
---»Het tijgerland!" hervatte de Encuerado.
-
---»Het land der muskieten en van den dorst," voegde ik er bij.
-
-Lucien alleen bleef zwijgen; het Warme Land was voor hem het lang
-gedroomde land. In het Gematigde Land geboren en groot gebracht, moesten
-die bodem van vuur en die wouden, welker schoonheden en gevaren wij
-voortdurend zoo geroemd hadden, zijn ideaal zijn. Hij dacht zonder
-twijfel aan de leeuwen, de tijgers, de krokodillen, de wilde paarden en
-stieren, de savannen en palmboomen, waarover de Encuerado nooit moede
-werd te spreken. Hij verheugde zich er over dat land te mogen zien, zoo
-gevreesd door Creolen en Europeanen; die ondoorzochte wereld, waarvan de
-gele koorts den toegang verbiedt.
-
-De kok vergat zich zoozeer in zijne bewondering, dat het middagmaal
-slechts uit dikke soep en aangebrand vleesch bestond. Nauwelijks was
-de koffie op of wij begaven ons, zonder dat er afspraak over geweest
-was, naar het uiterste punt van de hoogvlakte. Daar zagen wij hoe de
-schaduwen zich langzamerhand over de savanne uitstrekten; hoe het groen
-der bladeren donkerder tinten aannam en hoe de zon de lichte wolken,
-die aan den blauwen hemel verschenen waren, met gouden weerschijn
-verlichtte. De nacht kwam op zijne beurt zijn geheimzinnigen sluier over
-de onmetelijke vlakten, die wij moesten doortrekken, uitspreiden. Eer de
-dag verdwenen was, teekende zich nog in de verte een besneeuwd hoekje
-van den vulcaan van Orizava af; ik dacht aan de wezens, zoo dierbaar aan
-mijn hart, die, achter die bergen, op mij wachtende, de dagen telden; ik
-tilde Lucien op en omhelsde hem. Gringalet blafte om ook zijn aandeel in
-de liefkoozingen te vragen, en door hem geleid kwam de kleine troep weer
-aan het bivak, om een welverdiende rust te genieten.
-
-
-
-
-XXV.
-
-DE AARD-EEKHOORN.--EEN MUIZENNEST.--VLIEGENVOGELS EN COLIBRI'S.--DE
-CHACHALACA.--DE CASSIEBOOM.--DE TLALCOYOTE.--DE KREKELS.
-
-
-Een geweerschot deed mij verschrikt ontwaken; de dag brak aan. De
-Encuerado toonde mij een grooten eekhoorn met grijzen rug en witten
-buik, eene soort die niet op de boomen klimt en daarom door de Mexicanen
-aard-eekhoorn (_amohli_) genoemd wordt. Dit dier, dat in holen onder
-den grond woont, bezit de bevalligheid en levendigheid van zijne
-soortgenooten, maar men kan het niet tam maken. Het loopt meestal bij
-talrijke benden, nadert de woningen en verslindt in één nacht de zaden,
-die door de landbouwers aan den bodem worden toevertrouwd. Dezen doen
-het dan ook een onverbiddelijken oorlog aan.
-
-Op het oogenblik, dat wij ons op weg wilden begeven, maakte de
-Encuerado, wiens wonde reeds dicht was gegaan, zich van de mars meester.
-Ik liet hem haar dragen, op voorwaarde dat hij mij zou waarschuwen als
-hij vermoeid zou zijn. Ik ging voorop, Lucien bij de hand houdende en de
-rotsachtige helling werd zonder ongeval afgelegd. De dunne en ver
-uiteenstaande eiken leverden ons een gemakkelijken doorgang over een
-bodem, bedekt met dorre bladeren, die onder de voeten knapten.
-
-»Zou men niet zeggen, dat men in Europa was?" riep Sumichrast, stil
-blijvende staan, mij toe.
-
---Ja," antwoordde ik, »het is of de herfstwind reeds over de geel
-geworden bladeren heeft gewaaid.
-
---Ik bemerk daar een dooden boom; ik ben zeker dat, als wij de schors
-onderzoeken, wij er insecten uit ons land zullen vinden."
-
-De hoop van mijn vriend werd niet verwezenlijkt; zijne onderzoekingen
-hadden geen ander gevolg, dan dat zij de rust stoorden van twee muizen
-met zeer spitse snuitjes, waarvan de eene vluchtte, terwijl de andere
-een nest met vijf jongen trachtte te beschermen, die op zeer fijn
-plantaardig dons lagen. Lucien beschouwde met belangstelling de jonge
-zoogdiertjes, plaatste de schors zooveel mogelijk in de oorspronkelijke
-ligging, en vervoegde zich voorbij het bosch bij ons. Eene helling, die
-zoo steil was, dat wij ternauwernood ons evenwicht konden bewaren,
-bracht ons te midden van struiken met dubbele dorens, die Lucien niet
-zonder reden bij stierenhorens in 't klein vergeleek. Eindelijk werd de
-grond meer effen, ik wendde rechtsaf en kwam op eene, met bosschen
-omringde vlakte uit.
-
-Sumichrast nam den draagkorf op; Lucien en de Encuerado gingen voorop.
-In plaats van effen te zijn, zooals wij, op een afstand gezien, gedacht
-hadden, verborg het terrein talrijke plooien, waarin onze gidsen elk
-oogenblik verdwenen, honderden kardinalen met rood gevederte en zwarten
-halsband opjagende. Een troep parkieten viel dicht bij Lucien neer, maar
-hervatte onmiddellijk zijne hortende vlucht. Eensklaps gaf de Encuerado
-vuur en zijn leerling schoot toe om aan Gringalet een fraaien geel,
-blauw, groen en rood gekleurden papegaai te ontrukken, waarvan de makker
-onder een angstig geschreeuw de vlucht nam. Wij waren wel degelijk in
-het Warme Land.
-
-Eerst na een vermoeienden marsch scheen het bosch eindelijk naderbij te
-komen. Het zweet parelde op onze voorhoofden; ik nam op mijne beurt den
-zoo onontbeerlijken en toch zoo duizend maal verwenschten korf op den
-rug. Ik hield aan den voet van een virginischen cederboom stil, ongeveer
-op vijfhonderd meter van het bosch; ik behoefde mijn »halt" niet
-tweemaal te herhalen.
-
-Iedereen ging hout zoeken en in minder dan een half uur werd de voorraad
-voor een nacht voldoende geoordeeld. De Encuerado richtte den haard op;
-daarna gingen wij licht gewapend uit om een herkenningstocht te doen.
-
-"En de hut!" riep Lucien uit.
-
---»De tijd der hutten is voorbij," antwoordde Sumichrast.
-
---Moeten wij zonder beschutting slapen?
-
---Ja, behalve op de dagen als het regent, die, naar ik hoop, zeldzaam
-zullen zijn. Wij zijn in het Warme Land en voortaan zullen wij, in
-plaats van eene beschutting noodig te hebben, zoowel des nachts als over
-dag de frissche lucht opzoeken.
-
-Lucien schudde het hoofd en nam zijn geweer op om ons te vergezellen.
-Ik voerde hem naar het bosch, waar eene menigte planten een
-onontwarbaar net vormden. De lianen, aan de boomen vastgeklemd,
-slingerden zich als guirlandes van den eenen top tot den anderen en
-lieten loten afhangen, die zich met hunne bijwortels in den grond
-inplantten. Andere soorten omslingerden deze natuurlijke steunpilaren en
-bedekten ze zoo met haar gebladerte, dat dezelfde stengel tegelijkertijd
-bloemen van verschillende kleuren voortbracht. Hier en daar vertoonden
-varenplanten hare gevingerde bladeren; puntvarens hechtten hare behaarde
-wortels aan de takken en groote horzels, met zwart en geel gewaad,
-kropen in dezen muur van groen of kwamen er met luid gegons uit.
-
-»De boomen en de planten schijnen mij hier grooter toe dan op de
-bergen," merkte Lucien op.
-
---»Gij vergist u niet," antwoordde Sumichrast, »de plantengroei van het
-Warme Land is nog veel krachtiger dan die van het Gematigde Land; gij
-zult er nog beter over kunnen oordeelen naargelang wij meer voorwaarts
-gaan.
-
---Hebt gij dat groote insect gezien, dat al gonzende voor ons uitvloog?
-
---Zeker, mijn beste Zonnestraal; dat is een vliegenvogeltje.
-
---»Een vliegenvogeltje!" riep de knaap uit, terwijl hij zijn vlindernet
-opendeed.
-
-En weg ging hij, den vluchteling achterna. De vlugge vogel beschreef
-duizend bochten en bleef steeds buiten het bereik van den jongen jager,
-die plotseling voor een heester stand hield. Toen ik bij hem was
-gekomen, vond ik hem verdiept in de beschouwing van drie kleine nestjes,
-die op gevorkte takjes geplaatst waren, en van binnen bekleed met groene
-en gele boommossen.
-
-»Hij is daar," sprak Lucien zachtjes.
-
-Ik tilde den kleinen weetgraag stilletjes op; twee wijfjes vlogen op en
-hij kon in elk nestje een paar eitjes van eene groenachtige kleur en
-niet grooter dan eene erwt zien.
-
---Als u mij een weinig dichterbij bracht, kon ik die eitjes krijgen.
-
---Waartoe zou dat dienen, mijn vriend? Beschouw ze op uw gemak, maar
-beroof die lieve vogeltjes niet van hetgeen hun het dierbaarst is.
-
---»Daar is er een, dat zich niet bewogen heeft," hernam Lucien.
-
---Misschien zijn zijne jongen reeds uitgekomen.
-
---Het geheele lichaam schittert; men zou zeggen, dat het terzelfder tijd
-blauw, groen en goudkleurig is. Hij ziet mij aan en staat op; daar zit
-hij op een boom. Als gij dat eens kondet zien, papa! er bewegen zich
-twee jongen in het nestje.
-
-Ik zette mijn zoon op den grond, opdat hij den Encuerado, die hem riep,
-zou kunnen antwoorden. De Indiaan had een nest van vliegenvogeltjes
-ontdekt en bracht het aan den tak, dien hij had afgesneden. Het
-sierlijke bouwwerk, een wonder van teerheid, was van binnen met het
-zijdeachtige dons van eene plant bekleed. Twee nog kale jongen en
-nauwelijks zoo groot als eene hazelnoot, openden hunne snaveltjes om
-voedsel te vragen. Ik beval den Indiaan den tak weer aan den boom te
-bevestigen, waarvan hij hem had afgesneden en hem zoo stevig vast te
-maken, dat hij niet kon vallen. Ik volgde hem zelfs om het werk na te
-gaan. Nauwelijks naderden wij den struik of de moeder kwam om den
-Indiaan vliegen en ging met kloppend hartje op haar kroost zitten.
-
-»Gij zijt een braaf vogeltje!" riep de Indiaan uit, »en ik vraag u wel
-vergiffenis, dat ik uw huis heb meêgenomen. Wees niet bang, ik ben de
-Encuerado en men kan op mij vertrouwen. Beef dus maar niet; ik zou mij
-zelven liever verwonden, dan u eenig kwaad te doen. Zie zoo, nu is
-het weer stevig vast gemaakt en gij kunt in vrede verder leven. Uw
-kindertjes kunnen getuigen, dat ik ze niet gekweld heb, ik wilde ze maar
-alleen aan Chanito laten zien. Tot wederzien, senor _huitzitzilin_; gij
-zijt een braaf vogeltje, dat zeg ik u."
-
-En de Indiaan verwijderde zich, terwijl hij het moedige vogeltje met
-zulk een gezwaai met zijn hoed begroette, dat het arme diertje zeker wel
-zal gedacht hebben, dat zijn laatste uur gekomen was.
-
-»Behooren de vliegenvogeltjes tot de orde der vinkvogels, mijnheer
-Sumichrast?" vroeg Lucien.
-
---Ja, tot de dunsnavelige vinkvogels. Zij vormen met de colibri's, die
-vliegenvogeltjes met gebogen snavels zijn, de familie der trochilideeën.
-
---En waarmede voeden zij zich?
-
---Met den nektar der bloemen en kleine insecten.
-
-Zie eens hier; daar komt er een al gonzende aangevlogen; zijne vleugels
-bewegen zich zoo snel, dat me ze niet kan onderscheiden. Laat ons zeer
-stil zijn; ik zie een tak, die zoo vol met blauwe klokken is, dat
-hij er zeker wel door aangetrokken zal worden. Zie, de vlucht wordt
-onbeweeglijk; hij houdt boven de bloemkelk stil; hij steekt er den kop
-in, zonder dat de vleugels ophouden in beweging te blijven; de gespleten
-tong heeft het sap, dat in het honigbakje van de bloem verborgen was,
-reeds uitgepompt, hij keert naar zijne jongen terug, die hem met
-geopenden snavel zullen ontvangen, ten einde hun aandeel van den honig
-te krijgen.
-
---»Dat zijn heel aardige vogels!" sprak de Encuerado tot Lucien. Over
-drie maanden, dat wil zeggen in October, zullen zij gaan slapen, om in
-April weer wakker te worden.
-
---Is dat waar, Papa?
-
---Ik geloof eerder, dat deze vogels verhuizen.
-
---»Laten wij Chanito geen dwalingen leeren," sprak de Encuerado, een
-mijner gewone gezegden herhalende; »de _huitzitzilins_ verhuizen niet,
-maar zij slapen."
-
---Dit feit is mij door zooveel Indianen verteld, die gewoon zijn in de
-bosschen te leven," zeide mijn vriend mij, »dat ik geneigd ben er geloof
-aan te slaan."
-
---Maar zeggen zij ook niet hetzelfde van de vleermuizen en de
-zwaluwen?[37] En toch weten wij, dat zij van luchtstreek veranderen.
-
-[37] De vraag of enkele zwaluwen in onze streken, die verhinderd zijn
- geworden te verhuizen, niet in eene soort van winterslaap vallen,
- is nog niet opgelost. Het schijnt althans zeker, dat men in
- Duitschland zwaluwen in holle boomen in winterslaap heeft
- gevonden.
- (N. v. d. V.)
-
---Ja, maar zij beweren ze slapende gevonden te hebben. In elk geval is
-het zeker, dat zij gedurende den winter verdwijnen.
-
-Het geklok van een hoendervogel, dien de Indianen _chachalaca_ noemen,
-onderbrak het gesprek en mijn beide makkers slopen behoedzaam naar een
-boom met zwartachtig gebladerte, die op weinig afstands van den zoom van
-het woud stond. De vogels, die zeer wantrouwend van aard zijn, zwegen;
-daar viel een schot en ik zag drie chachalacas wegvliegen en in het
-bosch verdwijnen. Ik naderde den stam, dien de Indiaan beklom, want de
-getroffen vogel was tusschen de takken blijven hangen.
-
-»Zie eens wat lange stokken daar bij dien boom neerhangen!" riep Lucien
-uit.
-
---»Dat is een met peulen behangen cassieboom," antwoordde mijn vriend,
-»hij is verwant aan de erwten en boonen."
-
---»Kan men de schil eten?" vroeg de knaap, die een der op den grond
-gevallen peulen had opgeraapt.
-
---Ge moogt van het zwarte moes, hetwelk de zaden omgeeft en een
-zoetachtigen smaak heeft, proeven; maar eet er niet te veel van, want
-het is purgeerend en wordt als zoodanig in Europa gebruikt. De Encuerado
-liet den zwaren vogel, door Sumichrast gedood, voor onze voeten vallen.
-Zoo groot als eene kip, het lichaam bedekt met grijze veeren, zou deze
-fraaie vogel met blauwe pooten en snavel, gemakkelijk tot hofvogel
-kunnen gekweekt worden. Zijn geluid, een soort van geklok, maakt den
-jager op hem opmerkzaam, evenwel weet hij hem gewoonlijk te ontsnappen.
-De Encuerado ging naar het bivak terug en Sumichrast voerde ons naar den
-rand van een met struiken versperd en door vijf of zes groote boomen
-overschaduwd ravijn.
-
-Wij rustten zoo een oogenblik stilzwijgend, maar het oog steeds geopend,
-toen drie jonge vossen, van de soort, die de Indianen _tlalcoyote_
-noemen, elkander vervolgende, kwamen aangeloopen, weldra door een
-vierden gevolgd; de moeder, dubbel zoo groot als de Europeesche vos,
-kwam op hare beurt te voorschijn. Zij vestigde hare vurige oogen op
-ons en liet een dof gejank hooren om hare jongen terug te roepen.
-
-»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast; »dat canaille wil ons aan haar
-jongen geven.
-
-Ik stak mijne machete in den grond, ten einde haar onder mijn bereik te
-hebben. Het beest ging op den buik liggen, gereed om zich op ons te
-werpen.
-
-»Ja, ja, schoone dame, waag er u maar eens aan," mompelde mijn vriend,
-den Encuerado nabootsende.
-
-De tlalcoyote liet een scherpen schreeuw hooren en bijna terzelfder tijd
-kwam een tweede dier zich bij haar vervoegen.
-
-»Schiet niet voor ik het bevel geef," sprak ik tot Lucien, wiens houding
-niets te wenschen overliet.
-
---»Gij het mannetje," riep Sumichrast mij toe; »maar laten wij niet tot
-de worsteling uitdagen."
-
-Toen zij ons overeind zagen staan, verdwenen de verbaasde roofdieren
-plotseling. Sumichrast daalde in het ravijn neer en riep mij toen;
-tusschen het gras zag ik den ingang van een hol, rondom met witte
-beenderen bezaaid. Twee schreden verder en op dezelfde lijn, vertoonde
-zich de kop van een der dieren, welks oogen als die eener kat
-glinsterden, aan de opening van een tweede hol. Ik wierp het dier een
-steen toe, dat, in plaats van te vluchten, den neus optrok en ons zijn
-scherpe tanden liet zien.
-
-Daar wij er volstrekt niet op gesteld waren om de vossen te
-trotseeren, ging ik met Lucien, die gedurende dit tooneel eene groote
-koelbloedigheid had doen blijken, naar de vlakte terug. Ik was daar zeer
-over tevreden, want ik wenschte vooral hem te harden, en ik vreesde dat
-het ongeval van den Encuerado met den otter een kwaden indruk op hem had
-gemaakt.
-
-»Hebben die groote vossen u niet erg bevreesd gemaakt?" vroeg mijn
-vriend hem, toen hij zich weer bij ons vervoegde.
-
---Een weinig, vooral hunne oogen, die bliksemstralen schenen uit te
-schieten.
-
---En wat zoudt gij gedaan hebben, als zij op ons toe waren gesprongen?
-
-Ik zou zoo goed mogelijk gemikt en dan geschoten hebben, maar de vossen
-zijn moediger dan ik gedacht had.
-
---»Zij wilden hunne jongen beschermen, en de nabijheid van hun hol heeft
-hen stoutmoedig gemaakt."
-
-Toen de Encuerado vernam, dat er tlalcoyoten in de nabijheid waren,
-maakte hij nog een tweeden vuurhaard voor den nacht gereed. Reeds begon
-het Oosten bleeke tinten aan te nemen en terwijl wij aten zagen wij
-verschillende paren papegaaien ver over onze hoofden vliegen en zich
-naar het bosch begeven. De vliegenvogeltjes gonsden overal. Troepen
-kardinalen en blauwe musschen vlogen van den eenen struik naar den
-anderen. Als zij te dicht bij het bivak neerstreken, verzocht de
-Encuerado hen in zeer beleefde woorden een weinig verder te gaan, en als
-zij weigerden zette hij zijne beleefdheid kracht bij door een zacht naar
-hen toegeworpen steen, die zelden zijn uitwerking miste. De zon ging
-onder, de bergen staken somber tegen den rooskleurigen hemel af en de
-pijnboomen vertoonden hunne vormen op de hooge bergtoppen. De krekels
-hieven hun gezang aan.
-
-»Drommels, drommels!" riep mijn vriend uit, »dat is nog eentoniger dan
-een lofzang van den Encuerado.
-
---»Vanwaar komt dat vreemde geluid?" vroeg Lucien, »men zou zeggen, dat
-duizend van die kleine trommels, welke de Indianen maken, bespeeld
-worden."
-
---»Dat zijn krekels," antwoordde ik, »een insect dat in Europa bijna den
-geheelen zomer, en in het Warme Land bijna het geheele jaar zingt."
-
---Zijn zij dan zoo groot, dat zij zoo hard zingen?
-
---Zij zijn bijna zoo groot als mijn duim; maar daar komt de Encuerado er
-reeds met een aan.
-
---Wat een kop en wat groote oogen! Hij heeft een snuit.
-
---Wel zeker, evenals alle halfvleugeligen, zooals ik dat gezegd heb bij
-gelegenheid van de tettigonen. Maar de krekel brengt dat scherp geluid,
-dat hem tot zinnebeeld der slechte dichters heeft gemaakt, niet met zijn
-snuit voort. Het mannetje maakt het door de twee veerkrachtige vliezen,
-die onder zijn fraaie glaskleurige vleugels zitten, en roept daardoor
-het wijfje. Dit laatste geeft geen geluid.
-
---»Waar hebt gij dien krekel gevonden?" vroeg Lucien zijn vriend.
-
---Op een boom, Chanito! men vindt ze altijd op boomen.
-
---Ja," antwoordde ik, »en het wijfje boort met een priem, waarin haar
-buik eindigt, een gat in de takken, om er hare eieren in te leggen. Als
-de larven uitkomen, laten zij zich op den grond glijden en kruipen daar
-in ten einde hare gedaanteverwisselingen te ondergaan.
-
---»Ach! Chanito," sprak de Indiaan, die het dier, dat zich nu stilhield,
-weer teruggenomen had, »als gij eens wist hoe lekker de krekels smaken!"
-
---Hoe, lekker smaken? Hebt gij ze dan wel eens gegeten?
-
---Ja, in mijn land.
-
---»Daar behoeft gij u niet over te verwonderen," sprak Sumichrast tot
-Lucien; »de oude Grieken vonden het ook eene lekkernij en aten bij
-voorkeur de wijfjes op het tijdstip als zij vol met eieren waren."
-
-De maan kwam op; ik kan niet zeggen, welke wonderlijke lichtuitwerkselen
-hare stralen op de bergen te voorschijn riepen. De Encuerado had het
-tweede vuur aangestoken en nam Gringalet terzijde ten einde hem te
-waarschuwen, dat hij niet buiten den door het vuur verlichten kring
-moest gaan wandelen, want dat de tlalcoyoten, die zonder twijfel den
-nacht zouden doorbrengen niet om het bivak te sluipen, veel van
-hondenvleesch houden. Als om deze goede raadgevingen klem bij te
-zetten, weerklonk een lang gejank en Gringalet meende verplicht te
-zijn er met een verschrikkelijk gehuil op te moeten antwoorden.
-
-»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast, »willen die heeren hunne stem
-voegen bij het concert, dat de krekels en de muskieten ons geven?"
-
-Lucien, die reeds was gaan liggen, stond weer op.
-
-»En mijn papegaai," riep hij.
-
---Slaap maar gerust, Chanito, antwoordde de Indiaan; hij is gebraden;
-wij zullen hem morgen bij het ontbijt opeten.
-
-Dit antwoord en het teleurgestelde gezicht van Lucien deed ons lachen.
-De Encuerado had door te veel ijver gezondigd; niet wetende dat
-Sumichrast de huid wilde bereiden, had hij hem gebraden. Ten einde zijne
-misdaad zooveel mogelijk goed te maken, beloofde hij zijn lieveling
-honderden papegaaien van allerlei kleuren. Ik sliep in en droomde van
-een bosch vol opgezette ara's en parkieten.
-
-
-
-
-XXVI.
-
-MIDDEN DOOR HET WOUD.--GEFORCEERDE MARSCH.--DE BROMELIACEEËN.--EENE
-FANTASTISCHE BEEK.--DE MUSKIETEN.--DE MARAIL.--HET BELOOFDE LAND.--EEN
-TOCHT VAN APEN.
-
-
-Het geblaf van Gringalet, het gejank der vossen, de warmte, het sjilpen
-der krekels en bovenal het steken der muskieten hadden meermalen onzen
-slaap gestoord. Tegen vijf uur verrees de zon schitterend en werd
-begroet door de kardinalen, de chachalacas en de papegaaien. Lucien
-haastte zich, bij het hooren van die ongewone geluiden, op te staan,
-en zijn blik bleef langen tijd gevestigd op den muur van groen, die
-den toegang van het woud scheen te verbieden. Een wolk groote en
-veelkleurige vlinders trok een wijl zijne aandacht, maar weldra werd die
-afgeleid door de vliegenvogeltjes, met hunne smaragdgroene, purpere en
-azuurblauwe vederen.
-
-Een vraag, die reeds den vorigen dag behandeld was, hield ons opnieuw
-bezig.--Moesten wij den zoom van het woud volgen of er dadelijk in
-doordringen? Ons levensonderhoud, dat ons in het Gematigde Land weinig
-zorg baarde, werd, zoolang wij geen bron ontdekten, eene zaak van
-aanbelang. Met uitzondering van Lucien, wisten wij allen welk een
-vreeselijke vijand de dorst is, en ik wilde tot geen prijs mijn
-dierbaren kleinen reismakker aan zijne kwellingen bloot stellen. De
-Encuerado, die sedert den vorigen dag de vlucht der vogels gadesloeg,
-was van gevoelen dat men het woud in rechte lijn moest doortrekken.
-Volgens hem waren niet meer dan twee dagen van een flinken marsch
-voldoende, om eene beek te bereiken, die ons tot eene rivier zou voeren,
-dat wil zeggen tot den overvloed. Sumichrast deelde zijn gevoelen.
-Ik, van mijn kant, ried eerder aan de Cordilleras te volgen; deze weg
-maakte onzen tocht wel is waar langer en stelde ons bloot in vlakten
-zonder wild terecht te komen, en hoewel men beter honger dan dorst kan
-verdragen, had die toch ook niets aantrekkelijks. Het grootste bezwaar
-dat mijn plan aanbood was, dat het ons na zware beproevingen in de
-bergen kon terugvoeren en onze reis derhalve ten halve volbracht zou
-laten. Ik gaf dus toe, zonder evenwel overtuigd te zijn dat wij de
-wijste partij kozen. Lucien huppelde van blijdschap.
-
-De Encuerado, wiens arm geheel genezen was, nam zijne vracht op en
-Sumichrast begon de slingerplanten uit te hakken ten einde ons een
-doorgang te banen. Ik loste hem van tijd tot tijd in dezen zwaren arbeid
-af en Lucien maakte van de oogenblikken dat wij adem schepten gebruik,
-om op zijne beurt te velde te trekken tegen den rijken plantengroei,
-dien de natuur bij den ingang der maagdelijke wouden plaatst, als
-om aan te duiden, dat daar eene onbekende wereld te veroveren is.
-Ongelukkigerwijze maakte zijne geringe grootte zijn arbeid nutteloos;
-maar hij nam in elk geval zijn aandeel in het werk.
-
-Eindelijk waren wij den dichten muur doorgeworsteld en bevonden wij ons
-in een halfduister, onder reusachtige boomen.
-
-»Zijn wij niet meer in een maagdelijk woud?" vroeg Lucien.
-
---»Wij treden er integendeel pas binnen," antwoordde ik.
-
---Maar de grond is kaal; men ziet er geen slingerplanten en die boomen
-schijnen op een lijntje te zijn geplaatst.
-
---Wat dacht gij dan hier te zullen aantreffen?
-
---Door elkander gegroeide boomen, vogels, apen, tijgers.
-
---Die menagerie zal later wel komen. Wat nu de dooreengegroeide planten
-aanbelangt, als het woud daarmede opgevuld was, zou men er niet in
-kunnen doordringen. De grond is kaal omdat de boomen zulke zware kronen
-hebben, dat zij geen zonnestraal laten doordringen, en omdat de planten
-in de schaduw verflensen en sterven; maar telkens als wij aan eene open
-plek zullen komen, zult gij zien dat de grond met planten en struiken
-bedekt is.
-
---Dan zijn de bosschen van het Gematigde Land mooier dan die van het
-Warme Land.
-
---»Gij oordeelt te voorbarig," antwoordde Sumichrast, »wacht maar eens
-tot wij langs een rivier zullen loopen."
-
---»'t Kan zijn," mompelde mijn zoon, terwijl hij het hoofd schudde en
-zich tot zijn vriend wendde; »maar de bosschen, die wij doorgetrokken
-zijn, waren levendiger. 't Is hier zoo stil en de takken groeien zoo
-hoog, dat men meenen zou in eene kerk te zijn.
-
-De opmerking van den knaap was niet ongegrond. Onder die hooge
-gewelven, terwijl men den zwarten grond betreedt, waar de
-planten-overblijfselen van wellicht vijf of zesduizend jaren zijn
-opgehoopt; in die halve schemering, welke nauwelijks door een dun
-zonnestraaltje, dat nu en dan door het gebladerte doorgluurt, wordt
-verlicht, gevoelt men zich door eene onbepaalde droefgeestigheid
-overmand. De altijd begrensde gezichteinder, de stilte--want de vogels
-wagen zich slechts zelden in dien oceaan van groen--vervullen den geest
-met sombere gedachten, en bewijzen dat de ziel, evenzeer als het lichaam
-behoefte heeft aan licht om zich wel te gevoelen. Eene hitte als van een
-oven maakte ons sprakeloos. De boomen volgden elkander met eene doodsche
-eentonigheid op, nu eens elkanders zwarte stammen kruisende, dan weer
-in lange lanen voortloopende. De vochtige grond verdoofde het geluid
-onzer voetstappen en behield er de indrukken van. Boven ons, op eene
-duizelingwekkende hoogte, ontplooiden zich de takken en hun somber
-gebladerte verborg geheel en al den hemel. Lucien liep purperrood en
-zweetende achter mij aan. Ik moedigde hem van tijd tot tijd aan en ried
-hem voortdurend niet te drinken; in de eerste plaats omdat wij zuinig op
-het water moesten zijn en ten tweede om den dorst niet op te wekken.
-
-»Dan zullen wij maar nooit meer drinken," zeide hij.
-
---Wel zeker, Chanito, als wij kampeeren zal ik dadelijk de koffie gereed
-maken; dan moet gij uw kom met kleine teugjes uitdrinken en een kwartier
-daarna is uw dorst geheel over.
-
-Dat wij er dan maar spoedig komen!"
-
-Op dit oogenblik, en als ik slechts naar mijn hart geluisterd had, zou
-ik onmiddellijk het teeken tot rusten gegeven hebben; maar de rede en de
-ondervinding hielpen mij er weerstand aan te bieden. 't Was beter, dat
-ik Lucien in den beginne een weinig zag lijden dan dat wij ons zouden
-blootstellen aan een nutteloos naberouw, door eenige uren te verliezen,
-vooral als het water, waarnaar wij op goed geluk zochten, niet zoo
-spoedig gevonden werd. Evenals de Wandelende Jood moesten wij zonder
-ophouden doorloopen en zoo spoedig als mogelijk het onherbergzame woud,
-waarin wij ons gewaagd hadden, doortrekken en niet afwachten tot honger
-en dorst ons al onze krachten ontnomen zouden hebben om ons daarna met
-eene gebiedende stem het verschrikkelijke woord: loop! toe te roepen.
-
-Het terrein werd golvend; ik versnelde den pas; misschien zouden wij
-vinden, waarnaar wij zoozeer verlangden. Eene opene plek, die ons een
-zonnestraal liet zien, beurde ons wat op; er vertoonde zich gras, daarna
-twee of drie struiken en slingerplanten. Ik riep Lucien en wees hem
-eene plant _timbirichis_, de _bromelia pinquin_ der plantenkundigen.
-
-De lichtroode vruchten van de planten stonden regelmatig in een kring
-van groene bladen. Lucien, die neergeknield was, trachtte ze te plukken.
-
-»Trek de middelste er uit, Chanito!" riep de Encuerado, »men kan ze
-anders niet los krijgen."
-
-De knaap vatte de middelste bes, die meegaf, en evenals de steenen
-van een gewelf, waaruit men den sluitsteen zou wegnemen, vielen alle
-vruchten af. Onder haar dikke huid bevond zich een wit, smeltend en
-zuurachtig moes, dat de dorst leschte. Ik ried mijn zoon aan niet meer
-dan twee of drie vruchten te eten. Eene tweede plant, die wij een weinig
-verder ontmoetten, voerde onze vreugde ten top.
-
-De Voorzienigheid kon geen kostbaarder plant op onzen weg geplaatst
-hebben, want de honderden kegelvormige vruchten, die wij bezaten,
-stelden ons in staat om gedurende verscheidene dagen de dorst het hoofd
-te bieden. De marsch werd nu met minder zware schreden voortgezet, en
-Lucien, die weer opgevroolijkt was, bleef moedig aan mijne zijde.
-
-»Wel nu!" sprak ik, »moet gij nu niet toestemmen, dat de ongerepte
-wouden ook hunne goede zijde hebben? Hoe vondt gij de vruchten van de
-timbirichis?"
-
---Uitstekend! Tot welke familie behooren zij toch?
-
---Het zijn verwanten van den ananas, derhalve bromeliaceeën.
-
---Maar de ananas is eene groote vrucht, die geheel alleen op haar
-stengel groeit.
-
---Ja, als men alleen naar den schijn oordeelt; in werkelijkheid
-bestaat zij uit eene vereeniging van aan elkander gegroeide bessen. De
-aardbezie, die tot de familie der rozen behoort, verkeert in hetzelfde
-geval, en veel lieden, die eene aardbezie proeven, weten volstrekt niet
-dat zij dertig of veertig vruchten eten!
-
-Een uur lang werd er geen enkel woord gewisseld; badende in 't zweet
-gingen wij verder, met moeite eene gloeiende lucht inademende.
-
-»Men zou zeggen, dat daar eene open plek is," zeide Lucien eensklaps,
-naar links wijzende.
-
---»Gij hebt gelijk, vooruit, vooruit."
-
-Vijf minuten later bevonden wij ons in een lichtkring, door de zon
-overstroomd en te midden van een warboel van boomvarens en hoog gras. De
-boomen, die meer van elkander stonden, lieten reusachtige lianen tot den
-grond afdalen en het geluid der chachalacas klonk in onze ooren.
-
-Terwijl ik den grond ruim maakte, namen Sumichrast en de Encuerado
-plaats in de struiken. Ik gaf Gringalet, wiens tong op eene
-welsprekende wijze buiten zijn bek hing en die met minachting aan de
-timbirichis rook, wat water. Twee schoten knalden terzelfder tijd en de
-jagers kwamen met zulk een teleurgesteld gelaat terug, dat ik begreep,
-dat zij mis geschoten hadden. Ik schertste er mede en beweerde dat droge
-maïskoeken evenveel waard waren als de vetste kalkoen. Ik sprak met
-zooveel ernst, dat mijne makkers warm werden en het levendigste gesprek
-kruidde ons maal. Ik verklaarde dat het lauwe water onzer veldflesschen
-in smaak de zuiverste bron overtrof en dat de zure timbirichi de
-uitstekendste vrucht is. Langzamerhand gaf ik evenwel toe, en toen
-wij gingen slapen was ik geheel bekeerd. Maar ik had mijne medegasten
-vermaakt en eene scherts had de plaats van het gebraad ingenomen.
-
-De nacht ging zonder ander ongeval voorbij, dan de aanhoudende beten der
-muskieten. De ongelukkige Gringalet maakte ons herhaalde malen wakker
-door zich tegen ons aan te drukken, ten einde de pijnlijke steken te
-ontvluchten, waaronder wij evenveel leden als hij.
-
-Bij het aanbreken van den dag gaf ik het teeken tot vertrek, en de dag
-ging om, zonder dat de minste opening in 't woud ons eenige hoop gaf.
-Ik bewonderde Lucien, die, hoewel hij zeer onder den dorst en de
-vermoeienis leed, slechts nu en dan een droevigen blik op mij sloeg,
-zonder eene enkele klacht te uiten. Twee of driemaal poogde ik hem op te
-beuren; de arme kleine schudde dan zijne lastige vracht en glimlachte
-op zulk eene pijnlijke wijze, dat ik hem gansch aangedaan omhelsde.
-De Encuerado, die bijna onder zijne vracht neerviel, hijgde zwaar
-en verklaarde van tijd tot tijd dat hij de rivier en den reuk der
-krokodillen rook. Deze kleine fopperij deed den pas versnellen; maar
-weldra hervatten wij zwijgend en terneergeslagen onzen marsch. Eindelijk
-dwong de vermoeidheid ons stil te houden; Lucien en de Encuerado sliepen
-in, zonder aan het avondeten te denken. Ik stelde Sumichrast voor zoo
-spoedig mogelijk den weg naar de bergen weer in te slaan.
-
-»Nog één dag," zeide mijn vriend mij; »wij hebben nog ongeveer vier
-flesschen water, en al moesten wij ook aan Lucien en Gringalet er een
-ruim gedeelte van geven, dan kunnen wij nog vierentwintig uren er aan
-wagen."
-
-Den volgenden morgen doodde de Encuerado, toen wij op punt stonden van
-te vertrekken, een chachalaca. Het vuur werd dadelijk weer aangestoken
-en dit wild, met een slokje cognac bespoeld, gaf ons een gedeelte onzer
-krachten terug.
-
-Tegen den middag, en toen de hitte op het hevigst was, veranderde de
-grond van aanzien, de hoornen begonnen dunner te staan en onze
-geestkracht verdubbelde.
-
-»Komaan, meester Zonnestraal," sprak Sumichrast, »versnel den pas
-alsjeblieft een weinig; hoort gij het murmelen eener beek niet?"
-
---Gij vertelt mij dat reeds drie dagen lang; noch ik noch Gringalet
-gelooven iets van uwe beek.
-
---Hoe zult gij het dan aanleggen als wij de Savannen moeten doortrekken?
-
---»Zooals nu; ik zal loopen zonder te drinken, ten einde den dorst niet
-op te wekken," antwoordde spottend de knaap, die zich slechts met moeite
-door onze bewijsgronden liet overreden.
-
---Drommels, drommels! nu nog spotternij? Ik dacht dat gij zieker waart.
-Komaan, de geest is nog goed en ik zal later kunnen getuigen, dat gij u
-als een man gedragen hebt. Wat zeggen de beenen?
-
---Dat zij gaarne zouden rusten.
-
---Zoudt gij te Orizava willen zijn?
-
---Ik zou eerst eene beek, een krokodil en een tijger willen zien.
-
---»Gij zijt veeleischender dan ik," sprak ik op mijne beurt, »ik zou met
-de beek al tevreden zijn.
-
---»Gevoelt gij niet, dat de muskieten van het Warme Land harder steken
-dan die van het Gematigde Land?" hernam de knaap, zich tot den Encuerado
-wendende.
-
---Neen, Chanito, die rekels geven elkander niets toe, zij behooren tot
-dezelfde familie, zooals uw papa zegt.
-
---Dan zijn zij talrijker, 't is ieder oogenblik een nieuwe steek.
-
---Klaag nog maar niet, Chanito; gij zult eens zien als wij de beek
-zullen gevonden hebben.
-
---Wat zal er dan gebeuren?
-
---Dan zullen wij den mond niet kunnen openen zonder eenige van die
-bloedzuigers in te slikken.
-
-Weet gij wat muskieten zijn, Chanito?
-
---Ja, papa heeft het mij gisteren gezegd; het zijn tweevleugelige
-insecten; verwanten van de vliegen. Hun snuit is eene scheede, die zes
-mesjes bevat, waarmede zij door onze huid steken, om zich vol bloed te
-zuigen.
-
---Maar waar komen die hongerlijders toch vandaan?
-
---Uit het water, waarin het insect zijne eieren legt. Gij kent die
-kleine wormpjes wel, die in de poelen onophoudelijk rijzen en dalen; dat
-zijn de larven van de muskieten.
-
---»Hm, hm!" mompelde de Indiaan, »in 't vervolg zal ik mij niet lang
-bedenken om zooveel van die mooie heeren op 't droge te brengen als ik
-kan." De muskiet, die vreeselijke geesel van het Gematigde en het Warme
-Land, maakt die streken ontoegankelijk voor de bewoners van het Koude
-Land. Men gewent niet aan die steken, die het lichaam met groote roode
-puisten bedekken, koorts en slapeloosheid verwekken en hen, die er onder
-lijden, doen gelijken op personen, die pas van de pokken hersteld zijn.
-
-Wij marcheerden opnieuw zwijgend voort; de warmte had onze keel
-uitgedroogd. Plotseling troffen vreemde kreten onze ooren.
-
-»Het geklok van een marail!"[38] riep Sumichrast uit. De Encuerado zette
-zijne vracht neer en mijne beide gezellen gingen op de jacht. Na verloop
-van een kwartier uurs kwamen zij terug, ieder beladen met een vogel met
-een bruin met witte vlekken geteekend gevederte en bijna zoo groot als
-een kalkoen. Het waren inderdaad marails, fraaie hoendervogels, die men
-alleen in de bosschen der Nieuwe Wereld aantreft.
-
-[38] Waarschijnlijk wordt hier de Pauw-kalkoen bedoeld.
-
-»Drommels, drommels!" riep Sumichrast uit, »nu hebben wij te eten; maar
-deze vogel, die zich gewoonlijk ver van waterstroomen ophoudt, vermaant
-ons zuinig met den inhoud onzer veldflesschen om te gaan.
-
-Vijfhonderd schreden verder bemerkte ik met mos begroeide steenen en
-eene onmetelijke, als een toren overeind staande rots. Wij groetten den
-colossus, zonder ons op te houden en versnelden den pas. Maar allengs
-werd het klimmen en dalen veelvuldiger. Gringalet stak telkens zijn neus
-in de hoogte om de lucht in te snuiven en de hoop, dat wij eindelijk uit
-dit bosch zouden komen, dreef ons met een ongeëvenaarden ijver, die nog
-aangevuurd werd door de hoop, dat wij de zoolang begeerde rivier zouden
-bespeuren, vooruit. Lucien gevoelde zich ook aangewakkerd en liep met
-gloeiende wangen en schitterende oogen mede.
-
---»Gras! bloemen! Vooruit, vooruit!" riep Sumichrast.
-
---Vooruit! herhaalde Lucien.
-
-De minder dicht opeen staande groote boomen lieten de zonnestralen
-doordringen en de lianen vielen als bloemslingers naar omlaag. Twee
-of drie struiken werden, even als de rots, in 't voorbijgaan gegroet.
-De klimplanten, de varens, de paullinia's groeiden wild dooreen en
-dwongen ons onze machete's te trekken. Eene vrij steile helling, die
-met koortsachtige haast beklommen werd, voerde ons op eene hoogvlakte.
-Tegenover ons opende zich eene prairie, met kreupelhout doorzaaid en
-omzoomd door een bosch van palmen, laurier-, sapote- en acajoeboomen,
-waaruit de gezangen der vogels, overheerscht door het krijschen der
-papegaaien, opstegen.
-
-Wij waren hijgend, uitgeput, drijvend van 't zweet, en ik stelde voor
-op deze hoogte te kampeeren. De zon begon trouwens te dalen; wij hadden
-juist nog den tijd om de benoodigde hoeveelheid hout voor het vuur
-bijeen te zoeken. Toen dit werk was afgeloopen, ging ik met Lucien
-op een vooruitstekend punt zitten. De bergen van het Gematigde Land
-teekenden zich aan den gezichteinder af; wij waren er minstens reeds
-vijftien uren van verwijderd. Onze blik daalde vervolgens op den top
-van het woud, dat wij doorgetrokken waren. De eentonigheid van zijn
-donkergroen gebladerte gaf er een zeer doodsch aanzien aan. En terwijl
-duizenden vogels aan onze voeten om de ceder- en styraxboomen vlogen,
-waagde geen der gevederde gasten zich in die eenzaamheid, waarvan wij de
-ongastvrije uitgestrektheid hadden leeren kennen.
-
-»Ik zie onder ons noch beek, noch rivier," sprak Lucien.
-
---»Geduld maar," antwoordde Sumichrast, die bij ons was komen zitten.
-»De vogels, die voor u heen vliegen, kunnen niet zonder drinken blijven
-en hun aantal wijst er op, dat er veel vruchten in dit bosch zijn."
-
---Hioe, hioe, Chanito!
-
---»Ohe, Ohe!" antwoordde Lucien, terwijl hij naar den kant van het hem
-bekende geluid heenijlde.
-
-Ik zag de twee vrienden van den heuvel dalen, de Encuerado droeg zijne
-groote veldflesch.
-
-»Zou hij water gevonden hebben?" sprak ik tot mijn makker, en ik ging
-naar den haard toe, waar de marails onder de bewaking van Gringalet
-braadden.
-
-Ik ging verder, terwijl Sumichrast het oog op de bradende vogels hield,
-en kwam bij den Indiaan, op het oogenblik dat hij de bloem van eene
-fraaie plant met scharlakenroode bladeren, die als woekerplant op den
-stam eener magnolia groeide, omboog. Ongeveer een glas vol helder water
-vloeide in de kalebas, die ik ophield.
-
-»Behoeft men dan maar die plant te drukken, om er water uit te krijgen,"
-vroeg Lucien zeer verbaasd.
-
---»'t Is voldoende dat men haar scheef houdt," antwoordde ik; »zij
-bewaart dezen kostbaren schat van dauw tusschen hare scheedevormige
-bladeren, en aan haar hebben de Encuerado en ik het te danken, dat wij
-op eene onzer reizen niet van dorst zijn omgekomen.
-
---Waarom groeit zij niet in alle bosschen?
-
---Als zij overal groeide zou een der grootste hinderpalen, die den
-toegang tot de ongerepte wouden belet, niet meer bestaan.
-
---En hoe heet deze plant?
-
---De Creolen kennen haar onder den naam van Paaschbloem, 't is een
-bromeliacee.
-
---Dan levert zij ook eene eetbare vrucht op?
-
---Neen; maar desnoods zouden deze fraaie roode bladeren kunnen dienen om
-den honger te stillen.
-
-Wij klommen den heuvel weer op, toen een dof geraas, dat uit den zoom
-van het woud opsteeg, tot ons kwam. Een glimlach van den Encuerado liet
-ons de dubbele rij van zijne witte tanden zien. »Ziedaar eens," zeide
-hij tot Lucien, naar een hoek van het woud wijzende, van waar de vogels
-de vlucht schenen te nemen.
-
-Eene heele bende apen stoeide te midden der slingerplanten.
-
-»Laten wij ze wat dichter bij gaan zien," riep Lucien luide.
-
---'t Is te laat, Chanito; ze komen drinken en gaan dan slapen, maar we
-zullen er morgen een eten; ons avondeten wacht ons nu.
-
-Wij eindigden ons avondmaal; de zon ging onder, wij zagen de papegaaien
-bij paren voorbijgaan en de parkieten op de heesters vliegen, toen een
-vreeselijk gebrul ons deed opspringen.
-
-»O, wat een vreeselijke kreet," riep Lucien uit.
-
---Een tijger!" sprak de Encuerado, wiens oogen flikkerden.
-
-De Koning der Amerikaansche wouden begroette opnieuw de ondergaande zon.
-Gringalet drukte zich, met hangenden staart, tegen ons aan; er werd een
-tweede haard opgericht en wij gingen slapen met de zorgeloosheid, die de
-gewoonte van de grootste gevaren geeft.
-
-
-
-
-XXVII.
-
-DE ENCUERADO EN DE PAPEGAAIEN.--GRINGALET BRENGT EEN GAST
-MEDE.--DE PUMA OF AMERIKAANSCHE LEEUW.--DE RIVIER.--DE
-PALMBOOMEN-VILLA.--SCHILDPADEIEREN.--DE IBIS EN DE REIGERS.
-
-
-De papegaaien, die men hoorde babbelen, dienden ons tot wekkers. De zon
-rees rood en glansloos op; onmiddellijk werd hare verschijning door een
-concert begroet. De chachalacas lieten hun diep geklok hooren, en vogels
-van allerlei soort begonnen om ons heen te vliegen. Lucien, die met de
-maagdelijke wouden verzoend was, kon niet genoeg de verscheidenheid van
-boomen, heesters en struiken en het oneindig aantal gevederde bewoners,
-die ze bevolkten, bewonderen. Wij daalden langzaam in de vlakte af; de
-warmte drukte reeds op ons en het was onmogelijk lange marschen te doen.
-
-Eene vlucht gekuifde kardinalen dartelde om ons en zette zich op eene
-magnolia neer, die daardoor als met purpere bloemen bedekt scheen. Een
-weinig verder begroetten papegaaitjes, die weinig grooter waren dan
-eene musch, ons met hun luidruchtig geschreeuw. Na verscheidene malen
-het hoofd opgericht en de schouders te hebben opgetrokken, bleef de
-Encuerado eindelijk staan om hen te antwoorden.
-
-»Kom haar dan halen," riep hij uit, »kom haar dan halen, en toont dat
-gij meer kunt dan een man."
-
---Wat biedt ge den papegaaien toch aan?" vroeg Lucien.
-
---Ze spotten met mijne mars, Chanito; een troep luiaards is het, die
-allen te zamen nog niet in staat zouden zijn haar te bewegen!"
-
-Sumichrast drong in het woud door en sloeg met zijne machete de lianen
-weg, om ons een pad te banen. In minder dan een uur waren wij vijf of
-zes opene plekken doorgetrokken. Eensklaps bemerkte ik, dat Gringalet
-verdwenen was. Ik riep hem en een verwijderd geblaf gaf mij antwoord.
-
-»Zou hij eene rivier ontdekt hebben?" vroeg Sumichrast.
-
-Ik ging in de richting van waar het geluid van onzen viervoetigen makker
-kwam; eensklaps kwam hij woedend blaffende uit het kreupelhout, vervolgd
-door een jongen puma, die, zoodra hij mij zag, staan bleef. Sumichrast
-snelde toe, waarop het roofdier in het bosch verdween.
-
-»Waar heb je dien kameraad toch vandaan gehaald, Gringalet?" vroeg de
-Encuerado hem vol ernst. »Stel maar niet te veel vertrouwen in die mooie
-kennissen; het zou je terdege kunnen opbreken; de leeuwen kunnen niet
-liefkoozen of zij moeten iets breken.
-
---Was dat dan een leeuw?" vroeg Lucien.
-
---Ja, maar een Amerikaansche leeuw of puma,--de _felis puma_ der
-geleerden.
-
---Wat zou ik hem gaarne hebben willen zien! Had hij manen?
-
---Neen, de puma heeft geen manen.
-
-Wij trokken juist opnieuw eene opene plaats door, toen Gringalet ons
-tusschen de beenen liep. Ik keerde mij om--de leeuw was ons in stilte
-gevolgd.
-
-»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast, "zou die knaap ons willen
-bewijzen, dat de puma vaak menschen aanvalt."
-
-De Encuerado, die zich van zijne mars ontdaan had, had reeds op het dier
-aangelegd.
-
-»Schiet niet!" riep ik hem gebiedend toe.
-
-De puma kwam niet verder; hij doorboorde ons als 't ware met zijne gele
-oogen; zijn staart sloeg met een gelijkmatigen tact tegen zijne zijden;
-hij geeuwde, toonde ons eene rij vreeselijke tanden en ging eensklaps,
-als om te spelen, op den grond liggen.
-
-Lucien kon op zijn gemak de fraaie bruingele kleur van het roofdier,
-welks ooren en staart aan de uiteinden zwart getint waren, beschouwen.
-Het dier keek ons met zulk een bedaarden en zachten blik aan, dat het
-tot de karavaan scheen te behooren; het dreef de vertrouwelijkheid zelfs
-zoover, dat het onder onze oogen zijn toilet begon te maken, door zijn
-pooten te likken en er dan mede over zijn snuit te wrijven.
-
-Ik gaf bevel den marsch te vervolgen; de Encuerado gehoorzaamde met
-tegenzin. Ik plaatste Lucien, die blijde was het fraaie dier van zoo
-nabij gezien te hebben, in 't midden van den troep.
-
-»Als men den leeuw niet eet, eet hij u," herhaalde de Indiaan; »al
-hadden wij hem ook maar gewond, dan zou hij toch aan zijne soort verteld
-hebben, dat het niet raadzaam is in de nabijheid van ons vuur te komen."
-
---Welnu, als hij terugkomt, moogt gij schieten.
-
---Ha! 't Is zijne eigene schuld!" riep de Encuerado; »houd stil Tata
-Sumichrast; houd uw geweer gereed, Chanito, gij moogt het eerst
-schieten."
-
-Wij waren in een groep gaan staan en mijne blikken zochten tevergeefs
-naar het roofdier.
-
-»De rekel is ons vooruitgegaan," hernam de jager.
-
-»Wij zullen hem ook eens vreemd laten opzien! Kom hier, Chanito, maar
-niet hard loopen en niet omzien. Ziet gij dien boom daar voor ons uit?
-Zie eens wat vreemde vrucht hij draagt."
-
---De leeuw!" riep de knaap uit.
-
---Drommels, drommels!" mompelde Sumichrast, »zitten er ons dan twee
-puma's op de hielen.
-
---Neen, neen, Tata Sumichrast, 't is dezelfde. Mik tusschen de oogen,
-Chanito, vuur, vuur!"
-
-Twee schoten knalden bijna terzelfder tijd en het dier viel op den
-grond, zonder een geluid te geven.
-
-»Niet zoo gauw, Chanito," vervolgde de Indiaan, »dat is geen waterhond;
-laten wij eerst eens te weten komen of de vijand wel dood is, voor en
-aleer wij ons onder zijn bereik wagen."
-
-Gringalet waagde het, om al blaffende om het dier te draaien, ik hield
-mij gereed om te schieten, terwijl mijne gezellen voorzichtig naderden.
-De puma, in het voorhoofd getroffen, ademde niet meer. Hij was bijna een
-meter lang en zijn haar, dat op sommige plaatsen nog gekroesd was,
-verried zijne jeugd. De Indiaan hief den zwaren kop van het roofdier op.
-
-»Komaan," zeide hij, »gij verdiendet als een dappere te sterven. Gij
-zijt de eerste van uw ras, die zich zoo dicht bij mijn geweer gewaagd
-heeft. Woudt gij dan Chanito verscheuren?"
-
---Ik geloof veeleer dat hij het op Gringalet gemunt had," antwoordde
-mijn vriend; »hoe jammer, dat men die fraaie katten niet tam kan maken!"
-
---Katten!" herhaalde Lucien.
-
---Zeker; zelfs de groote Afrikaansche leeuw is niet anders dan de
-grootste en sterkste kat. Wist gij dat niet?"
-
---Ik meende dat de leeuw een op zich-zelf-staand dier was; maar is hij
-wel de koning der zoogdieren?"
-
---Hij gaat met recht voor het sterkste roofdier door; zijn kop, dien
-hij opgeheven draagt en zijne fraaie manen geven hem een koninklijk
-voorkomen. Maar ik weet niet op welken grond zijn naam van
-edelmoedigheid berust; ik geloof, dat de beroemde leeuw van Androcles
-pas een goed maal naar binnen had, toen hij zijn weldoener spaarde."
-
-Wij konden er niet aan denken de prooi van zijne huid te ontdoen; de
-vliegen vielen reeds met geheele zwermen op het nog warme lichaam neder.
-De Encuerado wilde Lucien de eer geven, den leeuw gedood te hebben; maar
-hoe verlangend de knaap ook was om zulk een heldenstuk te volbrengen,
-toch verklaarde hij zelf, dat zijn kogel een verkeerden weg was
-ingeslagen.
-
-Ik bleef bij een locust (_hymenaea_) staan, een boom tot de familie
-der hulsdragende behoorende, waarvan de peulen een suikerachtig moes
-bevatten en welks stam een zeer gezochte hars laat uitvloeien, die door
-de Indianen tegen maagpijn wordt aangewend. Een weinig verder scheen een
-_huaje_ den Encuerado, die evenals zijne landgenooten, verlekkerd was
-op de in de platte peulen verborgen zaden, te verlokken. De walgelijke
-reuk van deze vrucht maakte mij onpasselijk; gelukkig ging mijn bediende
-voorbij. Sumichrast, die vooropging, moest ons een doortocht door een
-warnet van cobea's met purpere bloemen banen. Ik hielp hem in dat werk,
-en toen wij de hinderpaal te boven waren, kwamen wij eensklaps in eene
-kleine vlakte uit, in wier midden zich een boschje palmboomen verhief.
-Gringalet verdween aan onze linkerhand en kwam weldra met een natten
-snuit terug. Lucien, die ons vooruit was, ontdekte het eerst eene
-breede, diepe rivier, die langzaam voortvloeide. Op het zien daarvan
-maakte de Encuerado drie buitelingen en hief een lofzang aan; onze
-dankzeggingen, hoewel minder luidruchtig dan de zijne, waren er niet
-minder welgemeend om. Naar zijn loop te oordeelen moesten wij reeds
-van af den morgen langs de rivier zijn gegaan en Gringalet had zonder
-twijfel den puma ontmoet, toen hij zijne dorst ging lesschen. De Indiaan
-sloeg het bivak tusschen de palmboomen op, en ik haastte mij den oever
-van het water te bereiken. Twee papegaaien, die onder het schot van mijn
-geweer kwamen, werden in den pot gedaan, waar de rijst reeds in kookte.
-'t Was een zuinig maal, maar uitgeput van vermoeidheid als wij waren en
-bezwijkende onder de hitte, gaven wij aan een bad de voorkeur boven al
-het wild der wereld.
-
-Lucien plaste gedurende twee uren in het water en ik kan niet zeggen
-hoezeer dit langdurige bad ons herstelde. Ik kwam er geheel frisch en
-hersteld uit; het bad had het jeuken, door het steken der insecten
-veroorzaakt, doen ophouden. Het vleesch der papegaaien scheen ons hard
-en taai toe, maar ieder gebruikte, zonder zich te beklagen, het hem
-toekomende deel; daarna, en zoodra de zon wat daalde, stelde ik voor
-eene wandeling te maken om onze kampplaats, die door Lucien reeds met
-den naam van _Palmboomen-villa_ was gedoopt.
-
-Bij de eerste schreden, die wij deden, trok een heester met dun
-gebladerte mijne aandacht. Ik wees hem Lucien aan als zijnde de
-_Siphonia-elastica_ of caoutchouc-boom.
-
-»En hoe verkrijgt men daaruit den caoutchouc?" vroeg hij mij.
-
---Men maakt eene insnijding in den stam van den boom en na verloop van
-eenige uren druppelt de caoutchouc er van zelf uit.
-
---Als ik dan vandaag eenige sneden in den bast deed, zou ik dan morgen
-een elastieken bal hebben?
-
---Althans de stof om er een van te maken.
-
-Lucien toog dadelijk aan 't werk en daar hij zijne machete reeds met
-veel handigheid wist te gebruiken, had hij spoedig eene spleet van
-ongeveer vijftig centimeter lengte in den boom gemaakt.
-
---Tot welke familie behoort de siphonia?" vroeg de Encuerado, die ook de
-gewoonte had aangenomen van ons te ondervragen.
-
---Tot die van de wolfsmelkboomen," antwoordde Sumichrast.
-
---Een wolfsmelkboom! en duldt gij dan dat Chanito hem nadert?
-
---Deze soort is niet gevaarlijk.
-
---Wij zullen er maar half vertrouwen in stellen," mompelde de Indiaan;
-en met twee sabelhouwen had hij een kruis aan den voet van den boom
-gemaakt.
-
-Ik richtte mij nu naar den stam van een palmboom, die half verrot op den
-grond lag; ik vond er groote snuitkevers, die de Indianen _dronkaards_
-noemen, omdat zij in de plaatsen dringen, waar de palmwijn bewaard
-wordt; het lichaam was van een fraai fluweelachtig blauwzwart, met
-grijze plekken bezaaid en de lengte van hun snuit vermaakte Lucien zeer.
-De snuitkevers zijn in Mexico niet minder algemeen dan in Europa en eene
-bijzondere soort, die vooral de maïs aantast, maakt dat men deze
-graansoort onmogelijk van 't eene jaar in 't andere kan bewaren.
-
-Eene vondst, die den jongen natuuronderzoeker vooral veel genoegen deed,
-was die van een fraai met de sprinkhanen overeenkomend insect en
-behoorende tot de orde, die de geleerden _Manti_ (spookjes) noemen, en
-dat men op 't eerste gezicht voor een stuk van eene plant had kunnen
-houden.
-
-Het zonderlinge dier, dat buitengewoon groote oogen en een smal en lang
-lichaam had, hief zijn eerste paar pooten omhoog en voegde ze zamen
-als om te bidden weshalve de verwante soort in Europa den naam van
-_Godaanbidster_--mante religiosa--heeft verkregen. Toen Lucien met een
-grashalmpje bij het zonderlinge dier kwam, wierp het er zich met eene
-soort woede op en zoodra men het losliet draaide het insect er mee rond
-als een ervaren schermmeester op den stok; daarna nam het dadelijk weer
-zijne biddende houding aan. Dank zij de verscheidenheid van planten,
-verkreeg ik eene groote verzameling insecten. Mijne doos werd verrijkt
-met prachtige metaalglanzende goudkevers, snelkevers met zwart en geel
-gestreept lichaam, glimkevers met lichtgevenden buik; dan nog met
-prachtkevers, vooral de aan Mexico eigene soort, waarvan de schitterend
-groene dekschilden met zwarte stippels bezaaid zijn.
-
-Er woei eene kleine koelte en de peulen van de cassieboomen, die tegen
-elkander stieten, brachten een vreemdsoortig geluid voort. Wij gingen
-met langzame schreden naar ons bivak onder de palmboomen terug, de oogen
-geheel afgetrokken door de insecten en de vogels, wier schitterende
-kleuren de bladeren versierden, op welke alle tinten van groen zich
-harmonisch vereenigden. Niets is in staat om de wilde grootheid van
-het ons omringende schouwspel weer te geven. Wij konden ons verplaatst
-wanen in een dier wondertuinen, waarover de Arabische vertellers zoo
-gaarne spreken. Een gebrul herinnerde ons er aan, dat ons vuur uitging.
-Eindelijk gaf ik het teeken om te gaan slapen. Wij waren van plan om
-drie of vier dagen op deze plaats, die voor onze opsporingen zoo
-gewichtig was, te vertoeven.
-
-»Niemand zal zeggen, dat wij misbruik gemaakt hebben van ons recht om
-uit te rusten," sprak mijn vriend; »wij hebben vandaag den 20 April; wij
-zijn dus twee-en-veertig dagen op weg."
-
-Den volgenden morgen ging ik met het aanbreken van den dag met
-Sumichrast op ontdekking uit, Lucien in een diepen slaap achterlatende.
-Tegen elf uur kwamen wij terug, beladen met een twaalftal vogels,
-waaronder zich een specht bevond van een geelachtig groene kleur en
-met een kuif vuurroode veeren, en een tacco (_cuculus vetulus_), eene
-soort van koekoek, die zich met hagedissen en jonge slangen voedt.
-Gedurende onze afwezigheid had de Encuerado drie palmboomen omgehouwen,
-waarvan hij de stammen aan het onderste gedeelte uitholde, om er het
-suikerachtige sap van den boom in op te vangen. Met behulp van lianen
-vlocht hij van vijf groote stammen een soort van palissaden-omheining,
-waartusschen wij, voor elke overrompeling beveiligd, gerust konden
-slapen. Lucien had een papegaaiennest ontdekt en er twee jonge groen,
-rood en geel gekleurde vogels uitgehaald, die zich uitstekend schenen te
-schikken in de zorgen, die de knaap hen bewees.
-
-»Wat wilt gij met die arme weezen doen?" vroeg ik.
-
---Ze voor mijn broertje en zusje medenemen. De Encuerado zegt, dat zij
-wel op den rand van de mand zullen blijven zitten.
-
---En wat zult ge ze te eten geven?
-
---Vruchten en zelfs vleesch. Mijnheer Sumichrast heeft mij gisteren
-gezegd, dat de papegaaien alles eten wat men hun geeft. Ik heb ze reeds
-een naam gegeven; ze zullen Verdet en Jaunet heeten.
-
---Zij zullen meer dan eens onder het bereik van Gringalet komen, zijt
-gij wel zeker dat hij ze niets zal doen?
-
---De Encuerado heeft hem de les reeds opgelezen."
-
---Dan vrees ik wel, dat Verdet en Jaunet nog eens treurig aan hun einde
-zullen komen."
-
-Terwijl wij uitrustten gingen Lucien en zijn vriend den caoutchoucboom
-opzoeken. De knaap kwam geheel teleurgesteld terug.
-
-»Uw gomelastiek deugt niet," zeide hij tot Sumichrast, terwijl hij hem
-een dik en wit vocht liet zien, dat hij van den boom had gehaald.
-
---En waarom dat, als ik u vragen mag?
-
---Omdat de gomelastiek zwart en droog moet zijn.
-
---Als het oud wordt zal het die twee eigenschappen wel bekomen.
-De caoutchouc loopt uit den boom in den vorm van eene melkachtige
-vloeistof, gelijk aan die, waarmede gij nu uwe vingers vuil maakt."
-
-Tegen drie uur, toen de zon loodrecht boven onze hoofden stond, voerde
-ik mijne makkers onder het dichte hout, om den loop der rivier te
-onderzoeken. Weldra moesten wij ons met de machete een weg banen en
-verscheidene slangen namen sissend de vlucht. Langzamerhand werd de
-oever der rivier begroeid met boschbessen, begonia's en cederboomen en
-kwam ik op een zandachtig strand, waar vijf of zes schildpadden schenen
-te slapen. Niettegenstaande de door ons genomen voorzorgen, bereikten
-de dieren de rivier. De Encuerado ontdekte twee hoopjes zand, waarvan
-het eene, dat nog onvoltooid was, een twintigtal eieren bevatte, die
-zoo groot als eene noot en met een witachtig huidje omgeven waren. Een
-weinig verder vond Lucien eene kleine roode schilpad, die niet grooter
-was dan een rijksdaalder. Daar hij van den Encuerado vernam, dat zij
-verscheidene dagen zonder eten kan leven, besloot hij haar mee te nemen
-en gaf hij haar den naam van Rougette.
-
-Gringalet begon te grommen; een damhert vertoonde tusschen de takken
-zijn verschrikt gelaat. Iedereen verborg zich zoo goed hij kon en toen
-het sierlijke dier nader kwam, schoot Sumichrast het morsdood. Ik liet
-den Encuerado den jager helpen om het wild te stroopen en ging in
-gezelschap van Lucien verder. De rivier werd langzamerhand breeder,
-totdat ik mij geheel onverwacht tegenover eene onmetelijke overstroomde
-vlakte bevond, waarboven heele zwermen eenden vlogen.
-
-Ik ging op den grond zitten, ten einde op mijn gemak het ruime meer
-te kunnen overzien, welks oevers met koningspalmen, waarvan de
-stam onderaan zwart en bovenaan fraai groen is, omzoomd waren. De
-verschijning van een vischarend met witachtig gevederte dreef de
-zwemvogels als bij tooverslag op de vlucht; verscheidene verborgen zich
-tusschen het riet, maar de roofvogel vloog verder, zonder, naar het
-scheen, acht te slaan op een wild, dat zijner onwaardig was. Plotseling
-streek op twintig pas afstands van ons een Mexicaansche Ibis[39] neêr,
-ging in de rivier en bleef daar onbeweeglijk staan.
-
-[39] Tantalus Mexicanus. Ik vertaal dit met Mexicaansche Ibis, tot welke
- familie de Tantalus behoort.
- (N. v. d. V).
-
-»O papa! wat een vreemde vogel is dat! men zou zeggen dat hij een kalen
-kop heeft.
-
---Daarin vergist gij u niet; deze vogel wordt door de Indianen
-_galambao_ genoemd.
-
---Hij is bijna zoo groot als ik.
-
---Ziet ge niet dat hij op stelten loopt?" antwoordde ik lachend. »'t Is
-een broertje van den ooievaar.
-
---Wij hebben nog geen vogels van deze soort ontmoet.
-
---De steltloopers bezoeken slechts de boorden van moerassen of de oevers
-van groote rivieren. Men herkent de vogels van deze orde aan hunne hooge
-beenen, die beneden de knie geheel zonder veeren zijn, zoodat zij in
-niet te diepe waters kunnen visschen.
-
---Gaat die _galambao_ visschen?
-
---De Ibis en bijna alle steltloopers hebben geen ander middel van
-bestaan.
-
-Maar zou men niet zeggen dat hij slaapt, als hij daar zoo staat, zijn
-grooten bek op de borst latende rusten.
-
---Wee den visch die eveneens zou denken als gij. Hebt gij zijne beweging
-opgemerkt? Hij heeft zijn kop met de snelheid van den bliksem in het
-water gedompeld en gij kunt zijne prooi in zijn bek zien. Hij slaat
-zijne korte met zwarte veeren omzoomde vleugels uit om weg te vliegen;
-hij gaat zeker de opbrengst van zijne vangst met zijne jongen deelen.
-
---Zie eens wat een mooie blauwe vogel, met een kuif op den kop.
-
---Dat is de _Ardea-Agami_, een steltvogel tot het geslacht der reigers
-behoorende. Maar zie daar een troep van deze laatsten met een prachtig
-gevederte, zoo wit als hermelijn,--dat zijn zijdereigers--_ardea
-candidissima_. Zij vliegen in groote vluchten en scheiden later om
-afzonderlijk te gaan visschen.
-
-Deze vogels hebben een droefgeestig en ernstig uiterlijk; nauwelijks
-laten zij nu en dan eens een klagend en wild geschreeuw hooren.
-
-Wij bleven de steltloopers, die droefgeestig op de heesters zaten,
-beschouwen, tot dat het _hioe! hioe!_ van den Encuerado aankondigde, dat
-mijne gezellen zich gereed maakten om naar den haard terug te keeren.
-
-Ik geleidde Lucien door het bosch terug en beantwoordde zijne vragen
-over de steltloopers, toen het geraas, door eene bende apen veroorzaakt,
-tot ons doordrong.
-
-Een twintigtal kalkoenen, die zonder twijfel door het geraas verschrikt
-waren, kwamen tusschen onze beenen geloopen. Ik liet de arme vogels in
-vrede heengaan, want wij hadden reeds meer vleeschvoorraad dan wij
-konden gebruiken. Lucien stond verbaasd over het groot aantal levende
-wezens, die ons omringden en die levendigheid trof hem te meer, als hij
-haar vergeleek bij de doodsche eenzaamheid in het groote woud, dat wij
-doorgetrokken waren.
-
-»In het Warme Land," zeide ik hem, »zijn de oevers der wateren altijd
-vruchtbaar en de bewoners van vlakte en bosch komen er bij elkander.
-
---Maar waarom bewonen de Mexicanen dat zoo afwisselende en fraaie Warme
-Land niet?
-
---Omdat een draak den toegang verbiedt tot deze streken, waar de natuur
-hare rijkste schatten zoo kwistig rondspreidt.
-
---Een draak?
-
---Ja, de gele koorts. Eene vreeselijke ziekte, die het bloed bederft en
-hare slachtoffers onder de sterksten schijnt uit te zoeken. Alleen de
-neger kan op dezen brandenden grond werken, waar de Indiaan-zelve
-spoedig onder de moeraskoortsen bezwijkt.
-
---Zouden wij ook die koortsen kunnen krijgen?
-
---Wij zouden in groot gevaar verkeeren, als wij ons door het
-regenseizoen lieten overvallen.
-
---Wat zit die boom vol met vruchten," riep Lucien, mij in de rede
-vallende, uit.
-
---Dat zijn Mexicaansche mispelen.--Wij zullen er morgen wat van komen
-plukken. Er groeien nog zes of zeven soorten sapotéas in de maagdelijke
-wouden. De fraaie boomen van deze soort brengen meer of minder gezochte
-vruchten voort. Die, welke uwe aandacht heeft getrokken, de _sapota
-achras_, is vooral beroemd. Zijne vruchten worden voor de gezondste
-uit de keerkringlanden gehouden en uit zijn stam vloeit die witte gom,
-_chicle_ geheeten, welke de bewoners van het warme en van het gematigde
-land zoo gaarne kauwen."
-
-De nacht overviel ons, terwijl wij een bout van het door den Encuerado
-gebraden damhert aten. Gebrul herinnerde ons er aan dat wij door wilde
-dieren omringd waren; maar onze twee vuren en de door den Indiaan
-gemaakte afsluiting, waren voldoende om ons gerust te stellen; wij
-sliepen in, maar sprongen meermalen verschrikt wakker, zoo vreeselijk
-was het geraas rondom ons.
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-HET CAMPÈCHE-HOUT.--DE MIEREN AAN DEN ARBEID.--PARASIETACHTIGE
-INSECTEN.--TIJGERKAT EN TAMANDUA.--DE VANIELJE.--ROOSKLEURIGE LEPELAARS
-EN KUIFREIGERS.--EEN APENSTREEK.--VERDWAALD.
-
-
-De zon vond ons reeds overeind. Onze eerste zorg was ons te ontdoen
-van het overschot van het vleesch van den vorigen dag; een nacht onder
-dit brandende klimaat was voldoende geweest om het in bederf te doen
-overgaan. Daarna hield de Encuerado zich bezig vischlijnen langs de
-rivier uit te zetten. Toen de maag met een kop koffie gevuld was, ging
-de karavaan, worstelende tegen de hitte, de muskieten en de horzels, op
-jacht.
-
-De Indiaan geleidde ons door het woud. Elke schrede, die wij zetten,
-was voor Lucien eene nieuwe oorzaak van bewondering. Zijn vriend toonde
-hem een grooten boom van de familie der leguminosen, en toen hij door
-een slag met de machete een stuk bast van den stam had gehouwen,
-liet hij hem het bloedroode hout zien. Het was de _haematoxylon_ of
-campèche-boom, die in Europa zooveel gebruikt wordt om stoffen zwart of
-paarsch te verven en die van den Brazilie-boom verschilt door de dikte
-der takken en een zeer merkbaren reuk van viooltjes. Bijna alle schepen,
-die naar Mexico komen, lossen hunne waren te Vera-Cruz en begeven zich
-dan naar de Campèche-baai, waar deze boom bij iedere schrede wordt
-aangetroffen.
-
-Tusschen deze reuzen groeide een klein boompje van dezelfde familie,
-door de geleerden _myroxylon_ genoemd en dat eene zwartachtige hars met
-sterken vanielje-reuk uitzweet, welke bekend is onder den naam van
-Peru-balsem.
-
-Terwijl de Indiaan een vogel met purper gevederte vervolgde, bracht hij
-ons bij een groot mierennest. De kolonie scheen het zeer druk te hebben,
-ik haastte mij Lucien er vandaan te halen, daar ik hem niet aan de beten
-der insecten wilde blootstellen.
-
---De mieren zijn verwanten van de termieten, is 't niet, mijnheer
-Sumichrast?
-
---Neen, best Zonnestraaltje, de mieren zijn aan de bijen verwant en
-behooren derhalve tot de orde der huidvleugeligen of _hymenoptera_. Er
-zijn mannelijke en vrouwelijke mieren bij en werksters. De mannelijke en
-vrouwelijke worden met vleugels geboren, maar als zij eieren gaan leggen
-trekken deze laatsten-zelven hare vleugels af en nemen zij deel aan den
-arbeid der werksters, die belast zijn met het bouwen der woning, het
-voeden der jongen en het verzamelen van de levensmiddelen, welke voor de
-kolonie noodig zijn.
-
---Zie daar eens! men zou zeggen, dat het gras loopt.
-
---Dat zijn mieren, die een boom van zijne bladeren beroofd hebben om
-ze in hunne voorraadschuren op te stapelen; wat wel een nuttelooze
-voorzorg is, want zij vallen gedurende de maanden die met den winter
-overeenkomen, in eene soort van slaap."
-
-Lucien naderde de kolonie, die in twee tegenovergestelde stroomen
-verdeeld was; de eene ging met plantendeelen beladen, de andere met
-ledige kaken. Niets was belangwekkender dan het schouwspel van die
-duizenden kleine wezens, die in eene volmaakte orde liepen, ieder een
-last dragende of voortslepende, vijf of zesmaal grooter dan het zelf
-was. Lucien volgde hun spoor, de kolonne ging het bosch in en klom op
-een sapote, waarvan de onderste takken, reeds geheel van bladeren
-ontbloot, er uitzagen als die van een dooden boom. Op alle hoogten
-stroomde het van mieren en men zag bijna onder zijne oogen het groen aan
-den boom verminderen.
-
---Hoeveel dagen zullen zij wel noodig hebben om de bladeren van dien
-zwaren boom weg te voeren?" vroeg Lucien.
-
---Hunne taak zal dezen avond reeds af zijn.
-
---En dan zullen zij morgen zeker een anderen boom aanvallen?
-
---Neen; zij zullen verscheidene dagen zoek brengen met een anderen boom
-in het bosch uit te kiezen. Ik troonde den jongen natuuronderzoeker, die
-gaarne den geheelen dag zou hebben willen toezien hoe de mieren haar
-last vervoerden, hoe zij twintigmaal omvielen zonder hem los te laten,
-hoe zij elkander hielpen om dien weer in evenwicht te brengen en opnieuw
-hun marsch in eene bewonderenswaardige orde voortzetten. Gringalet, die
-vol vertrouwen eenige schreden achter ons was gaan liggen, had niet
-bemerkt dat zich heimelijk vijanden naar zijn kant begeven hadden en
-stond nu huilend op.
-
---Zult ge dan nooit voorzichtig worden?" riep de Encuerado hem toe.
-»Men moet wel zoo onnoozel zijn als een pas geboren kind, om langs een
-mierennest te gaan liggen! Dat is de tweede keer, dat zulk een ongeval
-je overkomt en toch zijt gij geen beest...."
-
-Hier bleef de raadgever plotseling steken, trok een leelijk gezicht,
-lichtte de beenen hoog op en liep met groote schrede verder; toen ging
-hij op den grond zitten om de mieren te vangen, die langs zijn leeren
-broek opklauterden. Ik kon mij niet inhouden om in een schaterlach uit
-te barsten.
-
-»Zie nu eens, Gringalet heeft zijne huid vol puistjes!" riep Lucien die
-den hond aanhaalde, uit.
-
---»Dat zijn parasieten," sprak Sumichrast. »Het zijn teken. Men moet
-Gringalet er elken avond van ontlasten.
-
---Maar ze laten niet los.
-
---Trek ze maar met geweld er af; hun mond is een zuignap, voorzien van
-twee haken, die, als zij eenmaal in de huid zijn doorgedrongen, niet
-gemakkelijk loslaten.
-
---Wat zijn ze leelijk met die twee dicht bij den kop geplaatste pooten;
-hier is er een, die geheel plat is.
-
---Dat komt omdat hij zijn maal nog niet begonnen is.
-
---Haakt de teek zich alleen aan honden vast?
-
---Dat wil zeggen, dat de hond eene hem eigene soort heeft; andere komen
-voor op vogels, op runderen, op schapen enz.
-
---Heeft de mensch geen parasieten?
-
---Helaas, ja, en er zijn er bij, die men nauwelijks durft noemen.
-
-Wij hadden onzen marsch hervat. Een nieuwe opene plek voerde ons naar
-een veld, dat geheel en al door de mollen doorwroet was. Een weinig
-verder trok de Encuerado Lucien mede, uitroepende: »Een guïro! een
-guïro!"
-
-Ik kwam bij hen, terwijl zij voor een klein boompje met een licht
-en weinig overvloedig gebladerte en vol groote vruchten van eene
-geelachtige kleur stonden. Het was de _crescentia-cujete_, die op alle,
-door de zon beschenen plaatsen groeit. De ronde vrucht bevat een
-zuurachtig moes, dat vrij aangenaam van smaak is.
-
-Uit het dichte omhulsel, dat dit moes omgeeft, maakt men een aantal
-voorwerpen voor huiselijk gebruik, zooals doozen, kammen, borden, lepels
-en zelfs hoofdkapjes voor de kinderen.
-
-Sumichrast ging nu vooruit en bracht ons bij het meer, waarvan ik hem
-den vorigen dag gesproken had. Wij hadden nauwelijks een honderd passen
-gedaan of hij bleef staan. Een fraaie wilde kat, met getijgerde huid,
-kroop voort, de oogen op de hooge takken gevestigd houdende. Bij onze
-nadering nam zij de vlucht. De Encuerado vatte mijn arm en vestigde
-mijne aandacht op een groot dier, dat zich tusschen de takken bewoog.
-
-»'t Is een aap!" sprak Lucien zacht.
-
---'t Is een beer! antwoordde de Encuerado.
-
-Het dier daalde langzaam naar beneden en wij konden het slechts
-weinig zien. Eindelijk had het de onderste takken bereikt; het was
-een _tamandua_[40] of kleine miereneter, hij bleef een oogenblik
-onbeweeglijk staan, bewoog zijn buitengewoon langen snuit en stak zijn
-platte tong uit, die met een kleverige stof bedekt is en dient om de
-mieren te vangen, waarmede hij zich voedt. Eindelijk gleed de _beer_
-zooals de Indianen hem noemen, langs den stam, waarin zijn groote
-klauwen met geraas vasthaakten, terwijl zijn grijpstaart met kracht
-tegen den stam aandrukte.
-
-[40] Tamandua tetradactyla. De vijfteenige mierenbeer. (N. v. d. V.)
-
-Lucien drukte zich, bij het zien van dit wanstaltig wezen, dat slechts
-een vijftig schreden van ons af was, vol angst tegen mij aan. Sumichrast
-had den haan van zijn geweer overgehaald, op het geluid, hierdoor
-veroorzaakt, draaide de miereneter zijn kop om en wilde vluchten, maar
-bevond zich plotseling tegenover den Encuerado. Hij richtte zich op zijn
-achterpooten op, hief den neus omhoog en stak zijn voorpooten uit om den
-onvoorzichtigen, die hem zou durven naderen te omvatten.
-
-Het was een zonderling schouwspel, het dier zoo in eene verdedigende
-houding te zien. Eensklaps knalde een schot; de tamandua kruiste zijn
-pooten over elkander en viel, als door den bliksem getroffen, neer.
-Vroeger was de Encuerado eens bijna door een miereneter gewurgd
-geworden. Vandaar zijn onverzoenlijke haat tegen het gansche ras; ik
-zou dan ook vergeefs getracht hebben hem te beletten te schieten.
-
-»Nader niet, Tata Sumichrast," riep de Encuerado, »gij weet dat die
-kerels een taai leven hebben, en ik draag op mijne huid nog de indrukken
-van zijne nagels. Laat ik hem eerst eens met de punt van mijn machete
-kittelen."
-
---Waart gij bang?" vroeg ik Lucien.
-
---Ja, ik had niet het minste denkbeeld van zulk een leelijk dier."
-
---De leelijkheid bewijst juist niet, dat het boosaardig is," voegde
-Sumichrast hem toe, »hij valt niemand aan en gebruikt zijne kracht
-slechts ter zijner verdediging. Ik hoop, dat gij er een tandarm[41] dier
-in zult herkend hebben en een verwante van de tatoes."
-
-[41] Tandarmen of _Edentata_ noemt men een orde van zoogdieren, die geen
- of slechts weinige tanden bezitten. Tot de eerste behooren de
- mierenberen.
-
---Eet hij niets anders dan mieren?
-
---Mieren en andere insecten. Hij klimt op de boomen en zijn grijpstaart
-onderscheidt hem van zijn broeder, den grooten mierenbeer, die den grond
-niet verlaat; hij eet meer insecten dan mieren.
-
---Maar hoeveel heeft hij er wel noodig om genoeg te hebben?
-
---Duizenden en duizenden, en hij zou van honger omkomen als hij ze een
-voor een moest vatten; maar met zijne lange tong schept hij er honderden
-tegelijk op.
-
---Dat is een vreemd maal.
-
---Weet gij dan niet dat sommige Indianen ook miereneters zijn? In het
-Koude Land, bijvoorbeeld, bereidt men de spijzen met de eieren van de
-roode mieren en eene kleinere soort scheidt een suikerachtig vocht uit,
-waarop de kinderen zeer verlekkerd zijn.
-
---Ik ken die mieren!" riep de Encuerado uit. »Men zuigt ze als
-suikergoed en als wij er ontmoeten zult gij zien, Chanito, dat de
-miereneters nog zulk een slechten smaak niet hebben."
-
-Ik haastte mij mij bij mijn vriend te vervoegen, die zich een weg baande
-door de takken van eene soort van kolokwint, met wit en groen gemarmerde
-vruchten. Ik moest Lucien beletten de vruchten, die voor vergiftig
-gehouden worden, aan te raken. Even te voren had ik vanielje ontdekt en
-weldra voerde Sumichrast ons onder een prieel van deze Orchidee, die met
-lange groene peulen beladen was.
-
-»Is die vanielje dan nog niet rijp? Zij ruikt niet."
-
---Zeker is zij rijp, Chanito; gij behoeft ze slechts te laten drogen,
-dan wordt zij zwart en begint lekker te ruiken.
-
---Wat zijn dat mooie groene bladen! Bestaat er slechts eene soort van
-vanielje?
-
---Er zijn twee of drie soorten," antwoordde de Encuerado. »Deze, waarvan
-de stengel zigzagsgewijze opklimt en die witte bloemen heeft, wordt het
-duurst verkocht. Men droogt de peulen door ze elken dag een uur aan de
-zon bloot te stellen en daarna in wol te wikkelen. Zie, daar zijn groote
-zwarte peulen, maar die weinig waarde hebben. Wij zullen nog wel eene
-derde soort tegenkomen, waarvan de reuk zoo weinig beteekent, dat
-Gringalet er zich over heen zou rollen."
-
-Aan den oever van het meer wachtte ons eene nieuwe verrassing. De
-rechteroever was bedekt met zilverreigers en de linkeroever met
-_lepelaars_, wier gevederte een zachtroode kleur had.
-
-»Wat prachtige vogels!" riep Lucien uit.
-
---Zie dat gij er een schiet; uwe mama zal blij zijn die prachtige veeren
-te bezitten.
-
-De knaap legde langzaam aan en schoot. Een der vogels viel; zijn
-kameraden, verbaasd, maar niet verschrikt, lieten een ruw geschreeuw
-hooren.
-
-»Wat een zonderlinge bek," sprak de jonge jager, zijne prooi, welke
-Gringalet was gaan halen, nauwkeurig beschouwende.
-
---Daaraan hebben deze steltloopers hun naam van lepelaars te danken.
-
---Kan men hem eten?
-
---Een weinig taai; maar als men honger heeft!...
-
-Sumichrast bracht een vinger op zijne lippen; er kwamen twee kleine
-reigers, die zich dicht bij ons neerzetten.
-
-»Komaan, meester Zonnestraal," sprak Sumichrast, »schiet op den vogel
-links, terwijl ik op den rechtschen zal aanleggen. Het zijn kuifreigers
-en als gij knap zijt, zal uwe zuster fraaie veeren hebben om het haar op
-te sieren. Opgelet: een, twee, vuur!"
-
-De twee schoten knalden bijna terzelfder tijd en de steltloopers
-vielen op den grond. Deze dubbele losbranding joeg de lepelaars en
-zilverreigers op de vlucht... en het meer bleef eenzaam. Maar twee
-kuifreigers, die bij het begin van den hals drie of vier buitengewoon
-fijne veeren droegen, verrijkten onze verzameling.
-
-Ik sloeg den weg naar de Palmboomen-villa wederom in. De Encuerado ging
-vooruit om zijne vischlijnen op te halen en ik zag er een grooten visch,
-_bobo_ genaamd, en aan de Europeesche karpers gelijk, aan spartelen. Een
-tweede lijn hield een _bagro_, die de Indiaan, zonder ons te raadplegen,
-wegwierp, want zijne landgenooten beschouwden het vleesch van dezen
-visch als gevaarlijk, indien men het, alvorens er van te eten, niet met
-azijn begoten heeft.
-
-De Encuerado begaf zich, voldaan over zijne vangst, naar het vuur,
-terwijl wij op den oever der rivier bleven zitten. Nauwelijks was hij
-verdwenen of een reeks hioes, hioes! weerklonken, begeleid van het
-geblaf van Gringalet. Het was een gedraaf, wie het eerst in de prairie
-zou komen; de Indiaan spoedde zich zooveel hij kon om de Villa te
-bereiken, die door een troep apen overvallen was, welke nu hun best
-deden om het woud te bereiken.
-
-»Schelmen, schreeuwers, leegloopers!" riep de Indiaan hun na; »laat maar
-een van jelui mij afwachten, als hij durft! Laat maar éen Gringalet
-durven afwachten."
-
-De hond, die vlugger dan de apen liep, kreeg er twee of drie tusschen
-zijne tanden te pakken, waarvoor hij echter evenveel muilperen terug
-ontving. De Encuerado, die zijn visch de vluchtelingen achterna had
-gegooid, hield niet op met schelden, vóórdat de vlugge stroopers
-verdwenen waren.
-
-De toorn van den Indiaan brak met verdubbelde hevigheid los, toen hij
-bemerkte, dat de apen in zijne mars aan 't snuffelen waren geweest. Wij
-waren juist bijtijds gekomen, want hunne duivelsche nieuwsgierigheid
-had ons duur te staan kunnen komen. De grond was bezaaid met maïskoeken
-en de kruitbussen en insectenflesschen, die hier en daar verspreid
-lagen, toonden aan, dat de apen ze hadden willen openen. De wanorde werd
-spoedig hersteld, maar terwijl de Encuerado den visch gereed maakte,
-zwoer hij zich te zullen wreken.
-
-Toen de _bobo_, naar behooren gebraden, op breede bladeren was
-voorgediend, verdween de Indiaan met de kalebassen, die bij ons voor
-glazen dienden; ik begreep, dat hij ons op een beker palmwijn wilde
-vergasten.
-
-Helaas! wij hoorden hem opnieuw vol toorn grommen; de bakken, die hij
-met zooveel moeite had uitgehold en zoo goed had dichtgemaakt, waren
-ledig; de apen hadden het zoete vocht opgedronken. De wanhopige kok
-wilde zich in het bosch begeven en alles vermoorden, wat hij zou
-tegenkomen. Het gelukte mij hem tot bedaren te brengen; maar ik
-beklaagde reeds bij voorbaat den troep apen, die zich het eerst onder
-het bereik van zijn wapen zou bevinden.
-
-De hitte werd drukkend en Sumichrast viel in slaap. Tegen half vier uur
-vertrok ik in gezelschap van Lucien en wendde ik mij naar het woud, dat
-tegenover de rivier was gelegen, met het doel om insecten te verzamelen.
-Nauwelijks waren wij in het bosch doorgedrongen of vijf à zes toekans
-(pepereters) met rooden bek en witte en gele veeren namen de vlucht, en
-wij hun achterna. De wantrouwige klimvogels lokten mij ver weg; ik gaf
-de vervolging op om twee prachtige soeroekoes met lange staarten, wier
-geschreeuw mij scheen uit te dagen, achterna te gaan. Ik hield uit
-medelijden met Lucien, die in deze nieuwe jacht even vurig was als ik,
-stil. Na een oogenblik rustens zag ik, dat de zonnestralen reeds in
-schuine richting naar mij toekwamen; ik stond op, maar nauwelijks had ik
-een paar schreden gedaan of eene rilling overviel mij,--ik had vergeten
-kerven in de boomstammen te maken.
-
-»Zijn wij verdwaald?" vroeg de knaap vol ongerustheid.
-
---»Neen," antwoordde ik, »laat ons voortgaan."
-
-Ik hield weldra stil; de dag neigde ten ondergang en het woud nam een
-doodsch uiterlijk aan. Ik aarzelde twee of drie malen, welke richting ik
-in zou slaan en Lucien overstelpte mij met vragen.
-
-»Wij zijn te ver gegaan," zeide ik, »en misschien zullen wij dezen avond
-de Palmboomen-villa niet meer kunnen bereiken. Ik zal eens schieten om
-de aandacht van den Encuerado te trekken."
-
-Mijn schot knalde; ik luisterde met te meer angst toe, daar ik bemerkte,
-dat ik nog slechts drie patronen bezat. Lucien, die evenals ik zonder
-weitasch was uitgegaan, had niet anders dan de lading, die op zijn
-geweer zat.
-
-»Schiet ook eens," zeide ik hem, »opdat de Encuerado begrijpe, dat wij
-hem roepen."
-
-Ik luisterde opnieuw met ingehouden adem toe, en ik meende het geluid
-van een ver verwijderde losbranding te vernemen. Wij liepen snel door;
-maar de nacht brak aan.
-
-»Wij zullen zonder avondeten gaan slapen," sprak ik met eene
-opgeruimdheid, die evenwel ver van mij was. »Als wij nog verder gingen
-zouden wij kunnen verdwalen."
-
---Waarom heeft de Encuerado niet geantwoord?
-
---Hij meent zeker, dat wij aan 't jagen zijn. Komaan, aan 't werk! Wij
-moeten hout hebben.
-
-Ik had sedert lang de gewoonte aangenomen, om mijn vuurslag altijd aan
-een kettinkje om den hals te dragen en mij er nooit van te ontdoen. Dat
-was nu voor ons een groot geluk. Zoolang als men in een bosch vuur kan
-aanmaken, is men slechts half verdwaald. Slechts uitgegaan zijnde om
-eene kleine wandeling te doen, had ik noch veldflesch, noch mes bij mij,
-en ik had slechts bij toeval een stuk of drie patronen meêgenomen.
-
-Ik richtte het vuur in een halven kring om een boom op. De
-zwaarmoedigste voorgevoelens overvielen mij, maar ik veinsde toch de
-grootste onverschilligheid, ten einde mijn lieven, jongen reismakker
-niet te beangstigen. Allen bijeen en met den reservevoorraad uit de
-mars, konden wij ons op goed geluk ergens wagen; maar wat moest ik
-alleen, zonder levensmiddelen en niet meer dan vijf ladingen kruit
-bezittende, beginnen? Ik sidderde als ik dacht aan de kwellingen en den
-vreeselijken doodstrijd, welke den knaap misschien te wachten stonden.
-Met den rug tegen den boom zittende ondersteunde ik Lucien, wiens hoofd
-op mijn knie rustte. Er woei eene sterke bries en het geraas, door de
-takken veroorzaakt, moest mij beletten het roepen mijner vrienden te
-hooren, die, ik twijfelde er niet aan, het woud doorliepen om ons te
-zoeken. Wij konden niet ver van de Palmboomen-villa af zijn en ik moest
-mij telkens verzetten tegen mijne neiging om te schieten.
-
-Tegen middernacht ging de wind liggen; ik sloot de oogen om des te beter
-het minste geluid te kunnen opvangen. Herhaalde malen meende ik als 't
-ware de laatste trillingen van een dof geraas te vernemen; maar
-eindelijk schreef ik dat toe aan een uitwerksel van mijne opgewonden
-verbeelding.
-
-Eensklaps deed een vervaarlijk gebrul de lucht daveren, zoodat Lucien
-ontwaakte.
-
-»Wat is er? Is Chema daar?
-
---Neen, mijn kind; daar heeft een tijger gebruld.
-
---Zou hij naar ons toe komen?
-
---Ik hoop dat hij zijne nachtelijke jacht zal vervolgen; in elk geval
-zijn wij achter ons vuur voor zijne klauwen beveiligd."
-
-Ik plaatste Lucien tegen den boom en maakte mij tot schieten gereed; op
-vijftig schreden van ons vertoonde zich de kop met de glinsterende oogen
-van een prachtigen jaguar.
-
-
-
-
-XXIX.
-
-NACHTELIJK BEZOEK.--VAL VAN EEN BOOM.--EEN DROEVIGE NACHT.--VERSNELDE
-MARSCH.--DE APEN.--DE ZWEEPSLANG.--MEESTER JOB.--MET DEN SCHRIK VRIJ.
-
-
-Na ons een oogenblik aangekeken te hebben, begon het dier gluiperig om
-ons heen te kruipen, nu eens achter de boomen verdwijnende, dan weer te
-voorschijn komende.
-
-Ik haastte mij het vuur grooter te maken en ging toen weer naast Lucien
-zitten, die, het geweer in de hand, den vijand moedig in de oogen keek.
-
-»Wat zou de Encuerado blij zijn als hij hier was," sprak hij, »hij
-verlangt er zoo naar een tijger te dooden."
-
---Deze zal zeker wel niet de laatste zijn, dien wij hier zullen
-ontmoeten," antwoordde ik; »maar pas vooral op, dat gij niet schiet."
-
---Zou het beest zich dan op ons werpen?
-
---Het zou veeleer vluchten; maar wij zullen morgen ons kruit wel noodig
-hebben.
-
-Het roofdier bleef gedurende een uur om ons heen sluipen, knorde van
-tijd tot tijd, sprong op als om zich te verwijderen en kwam dan
-onverwacht weer te voorschijn. Eindelijk ging het op twintig pas afstand
-van het vuur zitten, strekte zich op den grond uit en rolde rond als
-om te spelen; maar bij de minste beweging die wij maakten, stond het
-snel op, legde zijne ooren in den nek en opende halverwege zijn
-verschrikkelijken muil. Plotseling weerklonk een vreeselijk geraas,
-gevolgd door een veelvuldig geknetter, als van veel losbrandingen;
-daarop volgde een oorverdoovend geraas van gebroken takken, terwijl een
-vreeselijke schok den grond deed dreunen. Lucien drukte zich verschrikt
-tegen mij aan.
-
-»Hoe!" sprak ik, »herkent gij dan niet meer het geraas, dat een
-neervallende boom maakt?"
-
---O vader! Sedert den dag van den orkaan heb ik iets dergelijks niet
-gehoord.
-
---Dat is waar; maar gij zult aan zulk een ongeval wel gewoon raken; bij
-den eersten storm den besten zal de wind meer dan één van die eeuwenoude
-reuzen omverwerpen.
-
---De tijger is ook geschrokken, want hij heeft de vlucht genomen.
-
-En werkelijk vertoonde onze vreeselijke buurman zich niet meer.
-
-»Tracht nog wat te slapen, arme kleine, want wij zullen morgen misschien
-veel moeten loopen."
-
-Ik leunde mijn hoofd tegen dat van den knaap, die spoedig in mijn armen
-in slaap viel. Het woud had zijne plechtige stilte hernomen, welke nog
-slechts verstoord werd door den verren val van een tweeden woudreus, die
-door de insecten of door den tijd ondermijnd was.
-
-Mijn toestand zou mij veel minder verontrust hebben, als ik mijne
-weitasch vol schietvoorraad bij mij had gehad. Ik twijfelde er volstrekt
-niet aan of Sumichrast en de Encuerado zochten naar ons; maar ik kende
-zoo goed het gevaar van op goed geluk in deze onmetelijke wouden rond
-te dolen, waar men telkens op zijn uitgangspunt terugkomt, terwijl
-men meent voorwaarts te gaan, dat tegen wil en dank de somberste
-voorgevoelens zich van mij meester maakten. De opkomende zon kon mij
-misschien een herkenningsteeken geven, maar mijne makkers konden
-misschien op hetzelfde oogenblik eene tegenovergestelde richting van
-de mijne inslaan en in dat geval zouden onze wederkeerige pogingen
-niets uitwerken dan den afstand, die ons scheidde, te vergrooten.
-
-Tegen den ochtend dutte ik in, door vermoeidheid uitgeput en door den
-slaap overmand. Ik droomde dat wij aan het einde van onze reis waren en
-Orizava naderden. Het was nacht, de Encuerado leidde ons en het gelui
-der klokken weerklonk in de duisternis. Ik bemerkte een licht, daarna
-mijne woning en voor de geopende vensters de blonde kopjes mijner
-kinderen. Ik beknorde den Indiaan, omdat hij te langzaam liep. Ik liep
-nu vooruit, de klokken bengelden steeds door, maar het betooverde huis
-veranderde telkens van plaats. Ik deed eene poging om hard te gaan
-loopen en werd wakker; een dun lichtstraaltje kondigde den morgenstond
-aan.
-
-Ik wilde Lucien op den grond zetten, waardoor hij de oogen opende, mij
-toelachte en omhelsde. Zijn verbaasde blikken dwaalden om het vuur rond.
-
-»Zijn wij dan nog altijd verdwaald?" vroeg hij mij.
-
---»Ik hoop, dat wij maar een weinig van den weg zijn geraakt,"
-antwoordde ik. »Gevoelt gij u sterk genoeg om te loopen?"
-
---»'t Zal wel moeten," antwoordde hij, vlug opstaande.
-
-De zon verlichtte ons en gedurende een kwartier uurs bleef ik met ter
-zijde hangend hoofd staan, hopende het geluid van een schot te hooren.
-
-»De Encuerado slaapt nog," zeide ik tot Lucien, »hij zal zich gister erg
-vermoeid hebben met naar ons te zoeken."
-
-Een uur verging in vergeefsch wachten. Meer dan eens had ik den haan van
-mijn geweer overgehaald, om het telkens weer af te zetten.
-
---Waarom schiet u niet, vadertje?
-
---Om niet nutteloos mijne patronen te verbruiken. Gij begrijpt wel dat
-Sumichrast en de Encuerado van tijd tot tijd zullen schieten om ons te
-roepen, en als het geluid van hunne schoten niet tot ons komt, zullen
-zij ons ook niet kunnen hooren.
-
-Na het terrein onderzocht te hebben, ging ik langzaam voorwaarts, alles
-weer voor mijn geest brengende, wat de ondervinding mij geleerd had.
-Boomstammen, schors, mos, grashalmen, alles werd onderzocht; maar al de
-inlichtingen, welke deze kenteekenen mij konden geven, konden nuttig
-zijn als men een bekend punt, eene rivier of een berg wilde terugvinden,
-waar men soms eerst aankomt na een omweg van vijf of zes mijlen, maar
-zij waren geheel onnut om dat onmerkbaar stipje terug te vinden, dat wij
-Palmboomen-villa noemden, en waarvan wij misschien nauwelijks een paar
-mijlen verwijderd waren.
-
-Ik volgde zooveel mogelijk ons spoor van den vorigen dag, vond hier en
-daar eenige indrukken van onze voeten, trilde bij het minste geraas en
-leende het oor aan het geringste geluid. Bromeliaceeën gaven ons genoeg
-water om onzen dorst te lesschen, maar om er bij te komen moest ik in
-de boomen klimmen en de hemel weet ten koste van hoeveel inspanning en
-tijdverlies. Ik wilde niet schieten dan op een wild dat het waard was;
-het gering aantal patronen dat ik bezat, maakte mij het meest ongerust.
-Plotseling hoorde ik het gekloek van de chachalacas; het was ongeveer
-twaalf uur.
-
-»Ik begin honger te krijgen," zeide Lucien, het hoofd schuddende.
-
---Ik ook, lieve jongen; maar als wij de chachalacas vervolgen, zouden ze
-ons wellicht weer achteruitvoeren.
-
---»Goeloegoeloe! goeloegoeloe! Schaamt gij u niet," sprak mijn jonge
-metgezel, den toon van den Encuerado nabootsende, »schaamt gij u niet
-ons te tarten, als wij met een leegen buik loopen en niet op jacht
-kunnen gaan? Kom, kom! zoo gedragen fatsoenlijke vogels zich niet."
-
-Ik omhelsde den lieven jongen, wiens vroolijkheid mij een glimlach
-afdwong, en ik spoorde hem aan moedig verder te gaan. De lianen begonnen
-zich te vertoonen; terwijl zij zoo hunne slingers van den eenen boom
-naar den anderen wierpen, gaven zij aan het woud, door het zoo op
-te sieren, een feestelijk aanzien. Soms wortelden zij in den bodem
-en klommen dan weer langs een stam op, dien zij met hun bladeren
-overdekten. Deze kenteekenen van eene nabij zijnde opene plaats
-verlevendigden mijne hoop.
-
-De vogels zongen, ik versnelde den pas, ik wilde er een schieten, die
-groot genoeg was om mijn honger en dien van mijn wakkeren, kleinen
-metgezel te stillen.
-
-Niettegenstaande al mijne pogingen om hem mijn angst te verbergen, kon
-hem die toch niet geheel ontgaan; maar zijn gesnap, dat nog vroolijker
-was dan naar gewoonte, rechtvaardigde den bijnaam van Zonnestraal, dien
-Sumichrast hem gegeven had.
-
-»Wees niet zoo treurig," sprak hij eensklaps, »en wees het vooral niet
-om mij; komaan, ik weet het wel, wij zijn verdwaald; maar ik ben bij u
-en niet bevreesd; wij zullen den weg wel terugvinden."
-
-De arme jongen vermoedde niet, dat de dood ons reeds als zijne prooi
-beschouwde;--dat na een langere of kortere worsteling de honger,
-de dorst of de uitputting ons aan den voet van een boom zou doen
-neerzinken. Hij zeide, niet te begrijpen hoe ik hem zoo dwaas in dien
-doolhof had gevoerd, waaruit wij zoo veel moeite zouden hebben ons te
-bevrijden. Maar ik verweet het mij-zelven. Als ik alleen was geweest,
-zou ik meer vastberadenheid hebben bezeten. Ik gevoelde soms, dat de
-moed mij ontzonk en tranen bevochtigden mijne oogen; maar ik deed eene
-uiterste poging om die droevige gedachten te verbannen en ik zwoer dat
-ik tot het laatste zou volhouden, met het geloof en de geestkracht, die
-de redding moeten aanbrengen.
-
-»De Encuerado zal ons wel terug weten te vinden," sprak Lucien met
-zooveel overtuiging, dat zijn vertrouwen ook het mijne werd.
-
---Ja," riep ik uit, »Sumichrast en de Encuerado zullen ons wel weten te
-vinden en zij zullen liever sterven dan ons aan ons lot over te laten.
-Bovendien zal God niet gedoogen..." Ik dorst mijne gedachte niet
-overluid te voltooien.
-
-De marsch werd met nieuwen moed voortgezet.
-
-»Drommels, drommels!" riep Lucien eensklaps uit, 't is of daar ginds
-takken bewogen worden.
-
---»'t Is een aap, sprak ik, hij behoort zeker tot de bende, die gister
-de villa heeft geplunderd."
-
-[Illustratie: Een jong aapje bleef op drie meter boven den grond hangen.
- (Blz. 265).]
-
-Ik begon het dier te vervolgen dat, van tak tot tak springende, met
-ons scheen te willen spotten. Het liet eensklaps een keelgeluid hooren,
-waarop twintig stemmen antwoordden en de heen-en-weer slingerende lianen
-lieten ons eenige apen zien van de soort die men »_Ateles Belzebut_"
-noemt, en die in alle denkbare houdingen aan de planten hingen. Ik
-verborg mij achter een boom en beval Lucien stil te zijn. De apen, die
-aan hun grijpstaart hingen, slingerden zich van de eene plant naar de
-andere, kruisten zich, vervolgden elkander, lieten bij een soort van
-lachen hunne tanden zien en maakten met hunne lippen een geluid, zooals
-de koetsiers met den mond maken om hunne paarden aan te wakkeren. De
-vlugge dieren verwijderden zich twee of drie malen, maar zij kwamen zoo
-dicht bij mij terug, dat ik kon schieten. Ik geloof niet, dat ik ooit
-met meer opmerkzaamheid gemikt heb. Het schot viel en de bende nam onder
-een vreeselijk geschreeuw de vlucht. Het dier, waarop ik gemikt had, was
-slechts gewond; aan een liaan geklemd, zag het ons met zijn zwarte oogen
-aan, waarvan de leden allengs dicht vielen. Ik wilde een tweede schot
-lossen, toen het arme dier naar omlaag gleed en levenloos voor mijne
-voeten neerviel. Een jong aapje, hetwelk wij niet bemerkt hadden, bleef
-op drie meter boven den grond hangen en liet een klagend geschrei
-hooren.
-
-Het hart bloedde mij, maar het leven van mijn zoon hing er van af.
-
-Ik liep naar mijne prooi toe, vreezende dat zij mij nog zou ontsnappen;
-maar zij was wel terdege dood.
-
-Eer een kwartier verloopen was, braadde het gestroopte dier voor een
-groot vuur. Ik had slechts den romp en de bouten bewaard, ten einde
-Lucien niet te verschrikken door het zien van een gestroopten aap.
-Terwijl ik op het gebraad paste, riep mijn kleine metgezel den jongen
-ateles, die niet ophield te klagen.
-
-»Vader, laat mij op den boom klimmen om het arme dier te bevrijden?"
-
---'t Is groot genoeg om te vluchten en het zou u kunnen bijten.
-
---Welnu, ik zie het liever vluchten dan het zoo te hooren schreeuwen.
-'t Is of het schreit."
-
-Ik ging zelf aan de lianen hangen, overtuigd dat deze handelwijze den
-jongen aap zou verschrikken. Bij den tweeden greep liet ik mij evenwel
-op den grond glijden: ik bemerkte eene groote slang, die, in hare
-schuilplaats gestoord, een oogenblik boven mijn hoofd bleef slingeren;
-het was de zweepslang, wier beet zeer vergiftig is. Tot mijn geluk liet
-de slang zich vallen en verdween in de struiken. Ik hervatte mijne
-klimmerij en de jonge aap deed niet anders dan zijne tanden laten zien.
-Toen ik bij hem was gekomen, trachtte ik hem te grijpen. Hij was zeker
-door de vrees verlamd, want ik kon hem zonder tegenstand op mijn
-schouder zetten. Hij klemde zich aan mijne haren vast en rolde zijn
-staart om mijn hals; ik klom naar beneden, niet zonder vrees van een
-beet in mijn oor te krijgen. Maar dat gebeurde evenwel niet; de tanden
-van het arme dier klapperden van angst, en ik zette hem bij het vuur
-neer, waar zijn geklaag opnieuw begon. Ik bond hem met een zeer buigzame
-liaan, die ik om zijn middel deed, aan een struik vast.
-
-Het zwarte en taaie vleesch van den aap was opgegeten en drie
-bromeliaceeën leverden ons voldoende water op om onzen dorst te
-lesschen. Ik stelde Lucien voor den tocht voort te zetten.
-
-»Wij zullen onzen gevangene meênemen," zeide hij.
-
---Zeker, hij zal ons goed te pas komen, als wij hedenavond onze vrienden
-nog niet terug hebben gevonden.
-
---Neen! riep de knaap uit, neen! al zouden wij dan ook tot morgen niet
-eten.
-
-Ik versnelde den pas, op mijn schouder den nieuwen makker dragende,
-die dadelijk den naam van meester Job had gekregen. Eene opene plaats
-deed mijne hoop weer verlevendigen. Ik gaf mij nauwelijks de moeite om
-gele sapotes, eene soort met flauwen smaak, die wij nog niet hadden
-aangetroffen, te plukken; maar toen wij de opene plaats over waren,
-vertoonde het woud met zijn doolhof zich op nieuw voor ons.
-
-Ik moest allengs mijn gang verminderen, want Lucien was vermoeid. Ik nam
-hem in mijne armen, waar hij insliep; zelf ook uitgeput, legde ik mijn
-dierbaren last aan den voet van een boom neer. Job sliep op zijn schoot.
-
-Mijne gedachten werden somber. De stilte, die om mij heerschte, zeide
-mij dat ik mij van mijne makkers verwijderde, en ik vroeg mij niet
-zonder angst af, of ik mijn zoon niet in den dood voerde. De afgelegde
-weg had ons sedert lang bij de villa moeten terugvoeren; maar in een
-woud kan men niet in de rechte lijn gaan; wat te doen?
-
-Na verloop van een half uur wekte ik Lucien, die mij toelachte. Hij
-liep eerst moeielijk, daar hij nog wat stijf van zijn slaapje was. Ik
-onderzocht met meer zorg dan ooit den grond en de schors der boomen, die
-mij op den weg zouden kunnen helpen. Met den dood in 't hart zag ik de
-zon dalen; de knaap, door vermoeidheid uitgeput, zag mij met betraande
-oogen aan. Ik bleef staan, de arme jongen ging voor mijne voeten liggen
-en sliep opnieuw in.
-
-Mijn gespannen oor meende in de verte het geluid van een schot te
-hooren; ik stond op; was het soms niet een boom, die omviel? Of
-beteekende het een roepen van mijne gezellen? Ik nam mijn geweer op,
-maar aarzelde nog mijn voorlaatsten patroon te verschieten! De haan viel
-neer; ik volgde met angst het geluid, dat zonder echo in de verte
-wegstierf! Lucien bewoog zich niet.
-
-»Sta op, sta op!" riep ik uit.
-
-Een dof gerol dreunde door de lucht, ik brandde vol haast mijn laatste
-schot af, en met gesloten oogen, open mond en opgesperde neusgaten,
-vergetende te ademhalen, luisterde ik toe. Minuten, eeuwen verliepen,
-zonder dat iets de stilte verbrak. Lucien zag mij ontsteld aan.
-
-Ik kneep met kracht mijn wapen, wanhopig zoo mijn laatste schot verspild
-te hebben, toen eene nieuwe losbranding, maar nu duidelijk en trillend,
-weerklonk.
-
---Dat is de Encuerado!" riep Lucien uit.
-
---»De Encuerado!"
-
-Ik omhelsde den knaap als waanzinnig.
-
-»Antwoord uw vriend!" riep ik uit, »uw geweer is nog in een der loopen
-geladen."
-
-Lucien vuurde; op hetzelfde oogenblik bijna klonk een schot uit het
-geweer van Sumichrast. Onze vrienden kwamen naar ons toe.
-
-»Laat ons schreeuwen om hun te wijzen waar wij zijn," sprak ik tot mijn
-zoon, »want wij hebben geen kruit meer."
-
---Ohé, ohé, ohé!
-
---Hioe, hioe, hioe... Chanito! antwoordde eene stem in de verte.
-
-Op hetzelfde oogenblik kwam Gringalet als eene pijl naar ons toe en
-wierp zich op zijn meester. Na ons met liefkoozingen overladen te
-hebben, ging hij weer heen. Tien minuten later vloog de Indiaan op den
-knaap toe en rolde met hem al snikkende over den grond, terwijl ik
-Sumichrast, zonder een woord te kunnen spreken, omhelsde.
-
-Het woedend geblaf van Gringalet gaf aan onze ontroering afleiding;
-de hond draaide rondom den ongelukkigen Job, die aan een boom was
-vastgebonden. Nadat de vrede gesloten en de arme wees was voorgesteld,
-hield de Encuerado zich met het oprichten van den haard bezig, want wij
-moesten op deze plaats kampeeren. Sumichrast vertelde, dat wij meer dan
-twee mijlen van de Palmboomen-villa verwijderd waren. Sedert den vorigen
-dag en tot driemaal toe, waren zij naar het bivak teruggekeerd, in de
-hoop ons terug te vinden.
-
-De pogingen onzer makkers om ons terug te vinden, waren vruchteloos
-geweest en Gringalet zelf, die er op uitgezonden was, doorsnuffelde
-tevergeefs de struiken. Dat komt omdat men ons rechts zocht, terwijl wij
-links liepen; want Sumichrast kon niet denken, dat wij de rivier den rug
-toekeerden.
-
-De Encuerado haalde de levensmiddelen voor den dag, waaraan een ieder
-eer deed. Meester Job werd onder een grooten tak geplaatst en een diepe
-slaap maakte zich weldra van ons meester.
-
-
-
-
-XXX.
-
-HET ONWEER.--HET BOUWEN VAN EEN VLOT.--DE HERTSLANG.--VAARWEL AAN DE
-PALMBOOMEN-VILLA.--DE HORZELS.--PARRA JACANA, GALLINULA.--DE
-RATELSLANG.--DE WILDE KAT.--DE ARAS.--
-
-
-Mijne makkers sliepen nog toen ik wakker werd; de hemel was met lichte
-wolken bedekt, de lucht snikheet en toch vertoonde de zon zich slechts
-bij tusschenpoozen. De karavaan was eerst tegen negen uur gereed om te
-vertrekken: Meester Job, die reeds minder wild was, klom zelf op mijn
-schouder. De Encuerado sprong en zong, terwijl hij Lucien aan de hand
-hield. Wij bereikten niet voor twaalf uur de Palmboomen-villa. Toen zij
-ons zagen, begonnen Verdet en Jaunet hard te schreeuwen; Rougette
-wandelde met eene deftige langzaamheid tusschen de overblijfselen van
-maïskoeken.
-
-De vogels zwegen; geen blaadje bewoog en de hemel werd naar het Oosten
-steeds duisterder. Een bliksemstraal flikkerde, de wind deed de boomen
-buigen, de donder ratelde en een stortregen zette de vlakte rondom
-ons kampement onder water. Wij hadden, dank zij de voorzorgen van
-den Encuerado, eene schuilplaats; om ons reisgoed gezeten, waren wij
-gelukkig bij de gedachte hoezeer die regen, als hij den vorigen dag
-ware gevallen, onzen toestand zou verergerd hebben.
-
-Ik kende te goed het klimaat om niet de beteekenis van dit eerste onweer
-te begrijpen; het was de voorbode van de regelmatig terugkeerende
-regens, welke gedurende drie maanden over het Warme en het Gematigde
-Land zouden losbarsten, de lage gedeelten in moerassen en de rivieren
-in onoverkoombare hinderpalen veranderen, den grond doorweeken en het
-loopen onmogelijk maken. Wij besloten onmiddellijk tot het bouwen van
-een dier vlotten, welke de Indianen _balsas_ noemen, om zoo, den loop
-der rivier volgende, de Savannen te bereiken.
-
-Tegen drie uur brak de zon door en de lucht werd wederom met insecten
-en vogels bevolkt. Ons eerste werk was eene geschikte plaats voor het
-bouwen van ons vlot uit te zoeken. De vangst van eene schildpad bracht
-ons in goede luim en terwijl zij op een zacht vuur braadde, begon de
-Encuerado een der palmboomen, die door de apen geledigd waren, te
-kappen, welk voorbeeld een ieder zich haastte na te volgen. Toen de
-nacht aanbrak, hadden wij reeds acht blokken ter lengte van twee meter;
-dit werk vertegenwoordigde ongeveer de helft van onze taak.
-
-De zon vond ons den volgenden morgen reeds aan den arbeid en de
-Encuerado ging met Lucien uit, om buigzame lianen te zoeken, die dienen
-moesten om de stukken van het vlot onderling te verbinden. Toen onze
-makkers bij ons terugkwamen, was Sumichrast juist bezig den laatsten
-stam vierkant af te hakken. Lucien droeg, behalve de om zijn lijf
-gerolde lianen, aan zijn stok nog het lijk van een hertslang--_atropos
-mexicanus_--een zeer gevaarlijke soort, die zijn Indiaanschen naam van
-_mazacoalt_ te danken heeft aan de schubben van den kop, die boven de
-wenkbrauwen in den vorm van kleine horentjes overeind staan. De slang,
-die ongeveer zestig centimeters lang en van eene grijze kleur was,
-opende een verschrikkelijken muil, die, naar ik meen, zoo wijd open
-stond tengevolge van de slagen, die de Encuerado haar had toegebracht.
-
-Sumichrast stelde, na buitengewone voorzorgen genomen te hebben, zijn
-leerling in staat de gifttanden te onderzoeken, waarmede de slangen het
-vreeselijke gift, hetwelk de natuur aan enkele soorten heeft gegeven, in
-het lichaam brengen.
-
-»Als de slang bijt," zeide mijn vriend, »drukken de tanden een klein
-blaasje, dat aan den onderkant er van gelegen is, te zamen en het gift
-dringt in de wonde."
-
-Onze natuuronderzoeker maakte zijne uitlegging duidelijk door op eenen
-der tanden te drukken, aan welks uiteinde een bijna onmerkbaar
-druppeltje van een groenachtig vocht parelde.
-
-»Hoe komt het dat de slang zichzelve niet vergiftigt?" vroeg Lucien.
-
-»In de eerste plaats kauwt de slang hare prooi niet en dan is het venijn
-alleen dan gevaarlijk, als het in den bloedsomloop komt; daardoor komt
-het dat de mensch, mits hij geene wonde in de spijsverteringsbuis heeft,
-ongestraft dit gift kan innemen, waarvan eene geringe hoeveelheid, in de
-aderen gebracht, binnen eenige minuten den dood tengevolge zou hebben."
-
-Dadelijk na den maaltijd, die uit de schildpad en een palmkool bestond,
-waarvan de smaak aan dien van gebraden artisjokken herinnert, gaf ik het
-voorbeeld om aan het werk te gaan. In minder dan twee uren bevonden de
-bouwstoffen voor het vlot zich op den oever der rivier.
-
-Sumichrast en de Encuerado begaven zich zonder dralen in het water en
-begonnen het samenvoegen van het vaartuig, dat ons naar de vlakten zou
-voeren. Ik ging met Lucien bossen droog gras zoeken, welke dienen
-moesten om de _balsa_ te kalfateren. Een weinig vóór zonsondergang
-manoeuvreerde de Encuerado reeds met behulp van een langen stok, die
-gaffelsgewijze was uitgesneden, met het schip, dat ons, naar wij
-hoopten, zoude vervoeren. Daar de proef naar genoegen was uitgevallen,
-werd het vlot vastgemeerd en ieder ging bij de villa liggen, ten einde
-wat uit te rusten.
-
-De papegaaien vlogen door elkander in de lucht en snapten om het
-hardst; Jaunet en Verdet antwoordden op hun gebabbel en sloegen met
-hun nog niet geheel bevederde vleugels. Gringalet leefde in vrij goede
-verstandhouding met de beide broeders; Lucien had zelfs een paar malen
-beproefd ze op zijn rug te zetten, hopende dat hij hun rijdier zou
-willen zijn. Maar de hond bewoog zich niet of de papegaaien sloegen
-hunne nagels in zijn vel, om zich in evenwicht te houden, en de aldus
-gespoorde Gringalet begon dan over den grond te rollen. Meer dan eens
-had hij zijn ruiters bijna verpletterd. Wat meester Job aangaat, was de
-Encuerado er evenwel niet door zijne bemiddeling in kunnen slagen om hem
-een vredesverdrag met den hond te doen sluiten; zij maten elkander met
-den blik, gromden, lieten de tanden zien, maar bepaalden zich toch met
-eene verdedigende houding aan te nemen.
-
-Toen wij wilden gaan slapen, bood de Encuerado ons een beker palmwijn
-aan, die ons heerlijk smaakte, ofschoon hij wel wat zoet was. De bakken,
-die door de apen geplunderd waren, bevatten groote, witte larven,
-waarvan de Indiaan den smaak zeer prees. Ik beval hem echter den
-voorraad, dien hij zeide opgedaan te hebben, weg te werpen en er onder
-geen voorwendsel van bij ons voedsel te mengen. Zonder dit uitdrukkelijk
-bevel zou onze kok niet nagelaten hebben ons schildpad voor te dienen,
-met larven uit de palmboomen toebereid.
-
-Den volgenden morgen, het was een zondag, werd ik gewekt door de stem
-van den Encuerado, die een lofzang aanhief. Onze bagage, goed ingepakt,
-lag reeds op het vlot. Verdet en Jaunet, op den rand van de draagmand
-gezeten, lieten onophoudelijk hun geschreeuw hooren, terwijl meester Job
-bang voor het water scheen te zijn. Rougette, stil en somber als altijd,
-scheen diep bedroefd te zijn bij het verlaten van den geboortegrond.
-Toen eindelijk alles zoo goed mogelijk geplaatst scheen te zijn, nam de
-Encuerado, tot aan het middel naakt, aan het achtereinde als stuurman
-plaats. De Palmboomen-villa werd met een vreeselijk hoera vaarwel
-gezegd, zoodat onze menagerie er van verschrikte; ik wierp een laatsten
-blik op het woud, waar ik zulke verschrikkelijke uren had doorgebracht;
-daarna werd het vlot losgemaakt en dreef het langzaam met den stroom
-mede.
-
-De vreugde van Lucien zou volkomen geweest zijn, als ik hem had willen
-toestaan de luchtige kleeding van zijn vriend na te volgen, maar zijne
-huid zou niet tegen de brandende zon bestand zijn geweest, zoodat ik
-dezen gril moest tegengaan. Weldra dreef het vlot op de lagune, die
-overdekt was met zwemvogels en steltloopers, welke zich nauwelijks
-bewogen, toen wij hun voorbijgingen. Wij moesten op goed geluk de
-overstroomde vlakte oversteken, om den loop der rivier te vinden. De
-stuurman moest zelfs van zijn duwboom gebruik maken, want de strooming
-werd onmerkbaar. Eindelijk wezen de waaierpalmen ons den weg en weldra
-gleed ons vaartuig opnieuw tusschen de oevers door, die omzoomd waren
-met boomen, waarvan de hooge toppen ons door hunne schaduw beschutten.
-
-Eene diepe stilte omringde ons en tegenover die majesteit der natuur
-bleven ook wij sprakeloos. De rivier vloeide als eene effene vlakte en
-langzaam voort. IJsvogels en levendig gekleurde _manakins_[42] vlogen,
-elkander kruisende, van den eenen oever naar den anderen. De lianen
-daalden van de toppen der boomen tot op het water neer, vliegenvogeltjes
-en colibrietjes vlogen om de bloemkelken en spreidden hun in duizend
-tinten schitterend metaalkleurig gevederte ten toon. Van tijd tot tijd
-versperde een overhangende boom ons den weg; wij hurkten dan op het
-vlot ineen en stieten dan tegen de takken, die op ons neerhingen; de
-troepialen, wier in de lucht zwevende nesten wij onwillekeurig schudden,
-vervolgden ons met hunne scherpe kreten. Eene verwarde menigte planten,
-die zich om de stammen slingerden, belette ons dikwijls in het woud
-te zien; maar plotseling liet dan weer eene opene plaats ons toe een
-blik in zijne diepten te slaan, waar de boomen nu eens regelmatig op
-rijen, dan weer aaneengedrongen groeiden, zoodat hunne takken in
-elkander verwarden. Ebbenhout-, peper- en palmboomen wisselden met de
-boomvarens, de magnolia's, de jeneverboomen, witte eiken en wilgen
-af. Hier en daar teekende eene zonnestraal op de schaduw een breeden
-lichtkring, binnen welken tienduizenden van waterinsecten, muggen,
-waterjuffers en vlinders in de lucht speelden of op het verlichte water
-liepen.
-
-[42] Manakins (_Pipridae_) ook fluweelvogels geheeten, zijn in Midden-
- en Zuid-Amerika voorkomende vogeltjes, die veel met onze meezen
- overeenkomen.
- (N. v. d. B.)
-
-Gringalet en meester Job, weinig gevoelig voor de schoonheden der
-natuur, waren ingeslapen; Jaunet en Verdet, op den rand der mars
-gezeten, lieten nu en dan onverstaanbare volzinnen hooren, waarop de
-Encuerado zich evenwel haastte te antwoorden. Eindelijk werd de
-onbeweeglijkheid, waartoe wij veroordeeld waren en die nog verergerd
-werd door het steken der muskieten, geholpen door eene soort groote
-vliegen met groene oogen, eene marteling.
-
-»Dat zijn horzels," zeide Sumichrast tot Lucien, »bloeddorstige,
-tweevleugelige insecten, die van het eene einde der wereld tot het
-andere alle zoogdieren kwellen.
-
---Hun steek doet meer pijn dan die der muskieten," antwoordde de knaap,
-op wiens hand een bloeddruppel parelde.
-
---Dat komt omdat hun slurf gewapend is met mesjes, die bestemd zijn om
-de huid van stieren en paarden te doorboren.
-
---Bacarapataca, riep Jaunet.
-
---Ja zeker, antwoordde de Encuerado, de steek van de horzels is minder
-onaangenaam dan die der _garapatas_.
-
---Bacapalataca, zei Verdet, op zijne beurt.
-
-»_Saca la pata_ (geef een pootje)," vertaalde de Indiaan, »gij hebt nog
-gelijk, dat kunstje zullen Chanito en ik u wel eens leeren."
-
-Lucien lachte hartelijk om de verklaring, welke de Indiaan van het
-gebabbel der papegaaien gaf en over den ernst en de beleefdheid,
-waarmede hij hen antwoordde. Hij trachtte de beide vogels de namen van
-zijn broertje en zusje te leeren naspreken. De papegaaien leenden, met
-opgeheven poot en overhangend kopje aandachtig het oor aan de, door den
-knaap herhaalde woorden; maar zij trokken nog niet veel vrucht uit zijne
-lessen.
-
-De rivier overstroomde, evenals alle waterstroomen, die de hand van
-den mensch niet heeft geleid, de lage landen en vormde nu en dan
-uitgestrekte lagunen. Wij verloren dan, evenals bij ons vertrek, veel
-tijd, om haar loop terug te vinden. Bij eene dezer opsporingen ontdekte
-ik zulk eene schilderachtige baai, dat ik eene halt voorstelde.
-Tegenover ons opende zich eene vrij diepe opene plaats, door hooge
-palmboomen omzoomd. Het vlot, door den Encuerado met kracht door de
-waterplanten voortgestuwd, landde en ik sprong aan den oever om het vast
-te meeren.
-
-Verdet en Jaunet, met de mand aan wal gebracht, gaven door luid
-geschreeuw hunne vreugde te kennen. Gringalet, wien de Encuerado
-onverwacht een duwtje had gegeven, nam een bad en meester Job, den
-staart om den hals van zijn jongen meester gerold en zich aan diens haar
-vasthoudende, werd in de schaduw gebracht en naast Rougette, die zich in
-haar schaal terugtrok, vastgebonden.
-
-Nauwelijks hadden wij ons ingericht of twee jacana's[43], door de
-Mexicanen _Viuda's_ geheeten, streken bij ons neder en vlogen toen met
-lichte beweging op de drijvende planten om de zaden en insecten er af
-te pikken. Twee schoten brachten ze in ons bezit en Gringalet bracht de
-twee steltloopers, die een rosachtig gevederte hadden, wier snavel een
-vleeschachtigen uitwas had en waarvan de vleugeleinden in een scherpen
-spoor eindigden, een voor een bij ons. De jacht leverde geen al te best
-middagmaal op, want met uitzondering van de kleinere soorten--zooals
-snippen, waterrallen en plevieren--hebben de moerasvogels een taai
-en weinig smakelijk vleesch. Gelukkig wist Gringalet een vogel van
-lichtbruine kleur, met fraaie parelgrijze veeren aan den hals en die den
-naam van hoen van Montezuma draagt, machtig te worden. Dit schoone stuk
-verwierf hem van den kant van den Encuerado verscheidene krachtige
-handdrukken, waarmee hij evenwel weinig ingenomen scheen te zijn.
-
-[43] _Parra jacana_, in Zuid-Amerika zeer algemeen, behoort tot de
- spoorvleugelige moerasvogels. (N. v. d. V.)
-
-Eene wandeling rondom de opene plaats bracht ons bij een boschje
-orleanboomen, _bixa orellana_, een klein boompje, welks zaden eene
-fraaie gele kleurstof opleveren, waarvan men zich in Europa bedient om
-zijde te verven. Daar Sumichrast Lucien had verteld dat de wilden vuur
-maken door twee droge takken van dezen boom tegen elkander te wrijven,
-haastte de knaap zich er eenige van te verzamelen. Een weinig naar
-achteren vond ik een brijappelboom, _diospyros abtusifolia_, waarvan de
-vruchten zeker wel in den smaak van onze menagerie zouden vallen. Een
-omgeworpen boom lokte ons naar het woud en op den vochtigen en zwarten
-bodem bemerkte Lucien het eerst eene prachtige ratelslang, die verdoofd
-scheen te zijn. Sumichrast schoot zijn geweer op het kruipdier af, dat
-opsprong, om echter weer dood neer te vallen. Oogenblikkelijk weerklonk
-in verschillende richtingen een gesis en drie of vier slangen van
-dezelfde familie namen de vlucht, eene door drie jongen gevolgd. Een
-aanval vreezende, had ik mijne machete gevat, en ik durfde mij eerst
-bewegen, toen het geluid verdwenen was. De door mijn vriend gedoode
-slang was meer dan een meter lang, haar huid was met zwarte, bruine en
-grijze vlekken gemarmerd; de platte en driehoekige kop had een wreed
-uiterlijk. Lucien hieuw met één slag van zijne machete de beweegbare
-ratels, die aan de slang haar naam van ratelslang gegeven hebben, af.
-Die hoornachtige staartuiteinden, zeven in getal, zouden den Encuerado
-zeer verblijden, want evenals al zijne landgenooten schreef hij hun
-wonderdadige eigenschappen toe--onder anderen van de guitaren te kunnen
-stemmen en te beletten, dat de snaren er van breken.
-
-Ik naderde den omgevallen boom niet dan met de uiterste voorzichtigheid,
-uit vrees dat er soms weer eene andere slang uit zou te voorschijn
-komen. Ik ontdekte slechts een reusachtigen salamander en zeer groote
-kevers, wier kaken met sterke knijpers gewapend waren. Lucien verrijkte
-van zijn kant zijne collectie met eenige nieuwe soorten roofkevers. Een
-door den Indiaan gelost schot bracht ons naar het bivak terug; onze
-makker had eene wilde kat, door de Indiaan _ocotchotly_[44] genoemd,
-gedood.
-
-[44] Ozelot (_Felis pardalis_).
-
-»Ziet gij dat mooie dier, Chanito," riep de Encuerado, die met zijne
-hand over het rosse, met zwarte vlekken geteekende vel van zijne buit
-streek. »Als het een hert of een wild zwijn heeft gedood, begraaft hij
-het onder de bladeren, klimt op den naastbijstaanden boom en begint te
-klagen, totdat de andere roofdieren naderbij komen. Als deze verzadigd
-zijn, klimt hij naar beneden, en verslindt, wat zij hebben overgelaten.
-
---En waarom roept hij die gasten dan? vroeg ik.
-
---Heb ik u dan niet gezegd, dat zijne tong vergiftig is? Als hij het
-eerst at, zou hij zijn vergif aan het vleesch mededeelen en de dieren,
-welke zich met de overblijfselen verzadigden, zouden sterven."
-
-Deze fabel, door Hernandez medegedeeld en nu nog door de Indianen
-herhaald, moet haar oorsprong in eene nog niet waargenomen gewoonte van
-het dier hebben.[45]
-
-[45] Wellicht hierin, dat de ozelot, volgens sommige schrijvers, zeer
- bloeddorstig is en zelfs, als hij verzadigd is, nog doodt, alleen
- om het bloed uit te zuigen, waarna hij zijne prooi verder
- onaangeroerd laat liggen. (N. v. d. B.)
-
-Na het middagmaal en terwijl Lucien zich naar zijne pleeglingen begaf om
-hun de brijappelen te brengen, zag ik de ongelukkige Rougette tusschen
-de pooten van meester Job, die haar omkeerde, berook, op den grond
-zette, of halsstarrig zijne vingers binnen in de schaal stak, welke
-aardigheden er niet toe bijbrachten om het melancholische dier op te
-vroolijken. Op raad van den Encuerado stak de knaap eenige takken in den
-kant van het water en plaatste de schildpad in dit miniatuur-park.
-
-De zon ging onder en de papegaaien vlogen paarsgewijze om ons. Jaunet
-en Verdet klapwiekten en snapten met hunne grootere broeders. Een troep
-flamingo's kwam bij ons zitten en eene vlucht eenden draaide in de lucht
-rond en scheen te aarzelen om neer te strijken. Eensklaps streken twee
-ara's, de grootste en fraaiste soort papegaaien, op den top van een
-palmboom neer. Sumichrast en de Encuerado verdwenen in het kreupelhout,
-terwijl ik met Lucien de bewegingen van de fraaie vogels volgde, wier
-staart tweemaal zoolang als het lichaam was. De klimvogels, door de
-Indianen _huacamayas_ genoemd, hadden hunne slaapplaats ingenomen, toen
-ik zag dat zij blijkbaar ongerust werden. Zij klapwiekten en herhaalden
-telkens hun ruw geschreeuw van »ara", waaraan zij hun naam ontleenen.
-Een dubbele losbranding weerklonk, de vogels vielen, de flamingo's en
-eenden sloegen met hunne vleugels.
-
-Lucien, die de _huacamayas_, wier gele, groene en roode veeren een
-harmonisch geheel vormden, van nabij beschouwde, zou Verdet en Jaunet
-gaarne voor een paar jongen van deze soort geruild hebben. Hij liet een
-der ara's aan meester Job zien, die hem onder het trekken van allerlei
-gezichten betastte en er eindelijk op ging zitten.
-
-De nacht verraste Lucien, terwijl hij zijne vogels nog de namen van
-Hortense en Emile voorzegde. Gringalet ging tot onze groote verbazing
-naast meester Job liggen, die hem bevrijdde van de teken, welke zich
-in zijn haar genesteld hadden; daarna begonnen de twee vrienden
-naast elkander te snurken. Tegen negen uur, terwijl ik het vuur wat
-aanwakkerde, deed Jaunet een oog open en babbelde eenige woorden; maar
-de Encuerado sliep te vast om er op te antwoorden.
-
-
-
-
-XXXI.
-
-DE STELTVOGEL.--DE JAGERS VERJAAGD.--DE PECARIS.--HET VLOT BLIJFT
-STEKEN.--DE TEPOXOSLANG.
-
-
-Ik stond den volgenden morgen nat van den dauw op. Gringalet, die in
-gedachten verzonken zat, keek naar de slapers, terwijl meester Job om
-hem draaide, hem bij de ooren nam en zelfs zijn staart om het lichaam
-van zijn nieuwen vriend rolde. Jaunet en Verdet schommelden met
-opgezette veeren en in stilte heên en weêr. Zoodra de zon opkwam bracht
-ik ze aan den oever der rivier, waar zij, tot groote voldoening van hun
-jongen meester, die hun telkens de namen voorzegde, welke hij hen wilde
-leeren uitspreken, uit eigen beweging een bad namen. Rougette stak haar
-kop buiten hare woning en scheen wat minder zwaarmoedig, ik liet haar,
-tot aan het uur van het vertrek, aan hare gedachten over.
-
-Terwijl de Encuerado de koffie bereidde, keek ik naar de flamingo's, die
-een voor een opvlogen, om zich aan den oever der rivier of in de lagunen
-neer te zetten. Een steltvogel, met buitengewoon lange beenen, en zoo
-dun, dat men ze op een korten afstand nauwelijks zien kon, kwam zich bij
-het riet neerzetten. Lucien kon bij het zien van den vogel, die men zou
-zeggen dat in de lucht zweefde, eene uitroeping van verbazing niet
-weerhouden.
-
-»Dat is de _himantopus mexicanus_, de Mexicaansche strandruiter," zeide
-ik hem, »de type van de familie der steltloopers. Hij leeft voornamelijk
-aan den oever der zee, waar hij zich met wormen en schelpdieren voedt.
-
---Wat een gekke loop," riep de knaap uit; »ik dacht eerst dat hij geen
-pooten had.
-
---Hij heeft integendeel te veel pooten, daar zijn loop er door
-bemoeielijkt schijnt te worden."
-
-De vogel bleef buiten schot, en zette bovendien weldra zijne vlucht
-voort. Toen het ontbijt was afgeloopen, werden bagage en menagerie weer
-op het vlot gebracht; ik stond juist op 't punt er op te gaan, toen
-een geluid van gebroken takken onze aandacht naar het woud trok, waar
-twee pecaris, eene soort kleine wilde varkens, elkander vervolgende,
-uitkwamen. De Encuerado, zoo onverwacht overvallen, schoot op een der
-dieren zonder het te dooden; nu begon de jacht. Maar nauwelijks hadden
-wij een paar honderd passen afgelegd, of de Indiaan, die voorop ging,
-keerde om, roepende:
-
-»Naar het vlot, naar het vlot!"
-
-Een geraas, gelijk aan den galop van een troep paarden, deed den grond
-dreunen. Ik greep Lucien bij de hand en sleepte hem in den looppas mede.
-Een troep pecaris vervolgde ons. Mijn beide makkers bleven staan om te
-schieten, terwijl ik het vlot bereikte, waar ik Lucien in veiligheid
-bracht. De kleine wilde varkens, meer dan honderd in getal, kwamen
-opeengedrongen en woedend aanrennen. Van nabij bestookt sprong
-Sumichrast op het vlot, dat bijna omsloeg, terwijl de Encuerado langs
-den oever liep.
-
-»Snijd het meertouw los en steek van wal!" riep hij mij toe, terwijl hij
-zich onder het dichte struikgewas begaf.
-
-Een gedeelte der pecaris zette hem achterna; de andere, opeengehoopt en
-elkander verdringende, maakten ons bijna doof door hun geknor. Ik sneed
-het touw door en nam den duwboom ter hand; de woedende dieren gingen het
-water in, waarover ik mij echter weinig bekommerde; ik richtte het vlot
-naar den begroeiden oever, waar ik hoopte den Encuerado te voorschijn te
-zien komen.
-
-Lucien, beangstigd door het geschreeuw der dieren, die den oever
-overdekten, begreep dat zijn vriend in gevaar was; bleek en vol angst
-dorst hij nauwelijks ademhalen. Wij hoorden de takken breken, den grond
-dreunen en Gringalet zonder ophouden huilen. De troep, die Sumichrast op
-de hielen had gezeten, voegde zich nu bij dien, waarvoor de Encuerado
-vluchtte. Ik deed het vlot den rechter oever naderen, vanwaar het geraas
-zich deed hooren.
-
-»Hioe, hioe, Chanito!
-
---Ohé, ohé! antwoordde ik.
-
-Ik wilde aan wal springen, toen de Encuerado door Gringalet gevolgd,
-zich vertoonde en het water inging, zijn geweer boven het hoofd
-houdende. De pecaris kwamen nu ook voor den dag; Gringalet, keerde, met
-vurige oogen en opstaande haren zich tegen hen en een der dieren, dat
-verblind van woede op hem losstormde, viel in 't water. Ik riep den
-hond, die eindelijk besloot te gehoorzamen; het was niet meer dan tijd
-ook.
-
-In plaats van naar ons te komen, ging de Encuerado naar den pecari toe,
-die weer den oever trachtte te bereiken; hij pakte hem bij een oor en
-bracht hem, door Gringalet geholpen, die achter het wild zwom en het
-telkens trachtte te bijten, naar het vlot.
-
-»Schiet uw geweer tegen den kop van dien armen drommel af," zeide de
-Encuerado tot Sumichrast. Mijn makker gehoorzaamde.
-
-»Lala!" hernam de Indiaan, bij een laatste stuiptrekking van het dier,
-dat zich weldra niet meer bewoog.
-
-»Neem Gringalet bij u, Tatita; als hij 't in zijn kop kreeg om naar de
-pecaris terug te keeren, was hij verloren."
-
-Ik vatte den hond beet, die meester Job en de papegaaien goed
-besproeide.
-
-»Ja, ja, vriendjes, schreeuwt nu maar!" riep de Indiaan de wilde varkens
-toe, »'t komt te laat om ons nog bang te maken. Hel een weinig naar
-rechts over, Tatita, opdat ik met mijn gast er op kan komen. Wees maar
-niet bang, Chanito, wij zullen niet omslaan."
-
-Nauwelijks was de Encuerado met zijn buit op het vlot gekomen of meester
-Job verschrok zoo, dat hij bijna in de rivier viel; hij zocht zijne
-toevlucht bij Gringalet, die hem zijn tanden liet zien. Verdet en Jaunet
-keuvelden samen, maar niemand antwoordde hen.
-
-De twee troepen pecaris, op den oever weer bijeengekomen, hielden niet
-met hun schel geknor op; maar wij waren buiten hun bereik. Ik gaf het
-vlot een flinken stoot, zoodat het weldra door den stroom werd
-medegevoerd.
-
-»Drommels, drommels!" riep Sumichrast met eene zucht van verlichting
-uit, »daar zijn we de dans goed ontsprongen.
-
---Maar wie zou ook denken dat die vlegels in zoo'n groot aantal waren?"
-sprak de Encuerado, terwijl hij een schop tegen het lijk van zijn vijand
-gaf. »Gewoonlijk kondigen zij hunne komst door zulk een geraas aan, dat
-hunne stilte mij bedrogen heeft.
-
---Zijn de pecaris dan roofdieren?" vroeg Lucien.
-
---Ja, Chanito, als dat ten minste roofdier heet te zijn, als men zijns
-gelijken opeet. Als een onzer door de bende omver was geworpen, zou er
-op dit oogenblik niet veel meer dan de beenderen van hem overblijven. En
-Gringalet ging ze te lijf, zonder daar in 't minst aan te denken.
-
---Zijn zij dan even wreed als de tijgers?
-
---Hm! Ik geloof, Chanito, dat het gelukkig is, dat de tijgers niet in
-troepen loopen; wel genomen zijn ze niet veel beter dan de pecaris.
-
---'t Is een wild zwijn, nietwaar mijnheer Sumichrast?
-
---Hij behoort tot de orde der dikhuidigen en is derhalve een broer van
-het varken," antwoordde mijn vriend. »Het wilde zwijn leeft alleen,
-terwijl de pecaris in meer of minder talrijke troepen leven, zoodat zij,
-niettegenstaande hunne geringe grootte, zeer te duchten zijn.
-
---Hoe, geringe grootte! deze is grooter dan Gringalet.
-
---De wilde zwijnen zijn tweemaal zoo groot. Eene bijzonderheid, welke de
-_coyomeles_, zooals de Indianen uit Mexico hen noemen, kenmerkt, is, dat
-zij drie teenen aan de achterpooten en vier aan de voorpooten hebben.
-Bovendien hebben zij maar een bewijsje van staart en hunne borstels zijn
-met zwart en wit gestippeld.
-
-»Chema," viel Lucien in, »gaat gij den pecari stroopen, omdat gij uw mes
-zoo scherpt."
-
---Neen, Chanito, ik ga hem slechts gereedmaken; kijk er maar niet naar;
-'t is evenmin aangenaam om te zien als om te doen, maar 't moet
-geschieden. En met eene vlugge beweging gaf hij eene snede in den rug
-van het dier.
-
-»Als gij mij niet in de rede waart gevallen," hernam Sumichrast, »zoudt
-gij nu reeds weten dat de _sus torquatus_, zooals de geleerden den
-pecari noemen, bij de lendenen een open zak heeft, waaruit een
-vuilriekende stof komt; om die bijzonderheid hebben de geleerden de
-pecaris tot een bijzonder geslacht gerekend."
-
-Meester Job, die altijd angstig was, hield zijn oogen toe, teneinde het
-wild niet te zien, dat de Encuerado met zijn deken bedekte om de vliegen
-er af te houden, die zeker door den reuk werden aangetrokken. Het vlot
-vervolgde kalmpjes zijn loop; evenals den vorigen dag verlevendigden de
-kolibries de oevers en liepen de eendagsvliegen over het sluimerende
-water. Soms werden de heesters bevolkt met lepelaars en reigers, en in
-de diepte eener baai zagen wij een naaktkoppigen Mexicaanschen Ibis
-onbeweeglijk en staaroogend staan, alsof hij in diepe overweging
-verzonken was. Nachtegalen, waarvan Mexico honderden soorten heeft,
-wachtten den nacht niet af, om ons door hunne welluidende stemmen te
-bekooren. Hier en daar zaten basilisken op de boomstammen, bliezen hun
-keel op en schudden hun vliezigen helmkam of staken de rivier over, als
-wilden zij hun naam van _pasario's_ (rivier-overstekers) rechtvaardigen.
-Een groene iguano, door vorm en grootte aan een draak gelijk, ontkwam
-aan het schot, hetwelk de Encuerado er op loste. De echo herhaalde de
-losbranding, waarop woeste kreten antwoordden. Vervolgens dreef het vlot
-over eene uitgestrekte lagune; kraanvogels, reigers, lepelaars, wulpen,
-waterhoenders, waterrallen en kieviten schenen hier hunne bijeenkomsten
-te houden. Zonderling genoeg gaven deze vogels in hunne onnoozelheid
-zich nauwelijks de moeite van zich te verwijderen, ten einde ons door te
-laten; wij hadden als 't ware het aardsche paradijs teruggevonden.
-
-De Encuerado voer langs den zoom van het meer om den loop der rivier
-terug te vinden. Er verliep meer dan een uur met valsche manoeuvres,
-totdat het vlot eindelijk op eene lage plek bleef vastzitten. Daar de
-Encuerado zijn boom gebroken had, zonder dat het hem gelukte ons vlot te
-brengen, sprong ik, door Sumichrast gevolgd, in 't water. Ten einde een
-omweg van meer dan een half uur te voorkomen, spanden wij ons, door
-middel van onze riemen, voor ons vaartuig om het over een kleiachtig
-slib voort te trekken. Ofschoon dit werkje ons minder aangenaam was,
-vermaakte het Lucien, die, midden op het vlot gezeten, hetwelk in eene
-slede veranderd was, onzen ijver aanwakkerde en om eene zweep vroeg. De
-lust om ons te helpen ontbrak hem niet; maar ik wilde het niet toestaan,
-uit vrees dat hij in dit moeras een dier koortsen zou opdoen, waaraan
-elke reiziger in het warme land zijne schatting moet betalen. Eindelijk
-dreef het vlot weer op diep water. Daar vertoonde zich een zandige
-oever, met boomen omzoomd; ik loste met Sumichrast de bagage; Lucien
-stelde den haard op en de Encuerado sneed den pecari in stukken, waarvan
-men evenwel slechts de bouten kon eten. Ik stelde eene wandeling onder
-de boomen voor, in de hoop er vruchten aan te treffen en vertrok in
-gezelschap van Sumichrast. Bij onze eerste schreden ontdekte ik reeds
-kinaboomen, klein van stuk, maar die vroeg of laat een belangrijken
-handelstak tusschen Mexico en Europa zullen uitmaken. Mijn makker
-op den voet volgende, bereikten wij eene opene plaats, bedekt met
-palmboomen, brijappelboomen en roode ebbenhoutboomen, door de Mexicanen
-_granadilles_ geheeten. Ik verzamelde eenige vruchten en ging toen naast
-mijn vriend zitten, die een boomstam van de schors ontdeed.
-
-Eensklaps vertoonde zich een troep herten, die bedaard begonnen te
-grazen. De eerste beweging van Sumichrast was zijn geweer aan te leggen;
-maar een dezer sierlijke dieren te verwonden zou een nuttelooze moord
-zijn geweest, want de pecari was voor onzen maaltijd voldoende. De zon
-begon laag te staan; ik dacht er aan naar het bivak terug te keeren,
-waarheen het verwijderde _hioe, hioe!_ van den Encuerado ons riep. Daar
-ik de herten, die zeker van plan waren den nacht op die plaats door te
-brengen, niet verjagen wilde, volgde ik den stillen gang van mijn makker
-na. Onze menschlievendheid ware ons bijna duur te staan gekomen. Een
-_tepoxo_slang[46] (_Botrops atrox_), een verbazend groot dier, waarvan
-het venijn niet minder gevaarlijk is dan dat van de ratelslang, ontrolde
-zijne kronkels bijna tusschen onze beenen en ik zag, dat zij haar wijden
-muil naar de heup van mijn vriend richtte. Gelukkig had ik mijne machete
-in de hand, en met een slag met den achterkant sloeg ik haar neer. De
-onthoofde romp sloeg zoo geweldig tegen mijne kuiten, dat ik moest gaan
-zitten en hinkende, maar ditmaal in de struiken slaande, ging ik den
-Encuerado mijn ongeval mededeelen.
-
-[46] Soort lansslang, _Lataria_ geheeten, (N. v. d. B.) wordt van 1.40
- tot 1.80 meter lang.
-
-Meester Job betoonde zich zeer dankbaar voor de vruchten, welke ik voor
-hem had meêgenomen; Verdet en Jaunet smulden in de brijappelen. De door
-den Indiaan gebraden ham werd zoo goed en zoo malsch bevonden, dat
-Sumichrast voorstelde den kok eene belooning te geven.
-
-»Meent gij dat, Tatita?"
-
---Zeker is 't gemeend," antwoordde ik, »wilt ge dat wij u in zegepraal
-ronddragen, dat wij driemaal ter uwer eer hoera roepen of dat wij een
-getuigschrift onderteekenen?"
-
---Als 't u hetzelfde is," sprak de Indiaan, terwijl hij zijne witte
-tanden liet zien, »zou ik liever een klein druppeltje cognac willen
-hebben."
-
-Ik schonk hem een goeden borrel in en men dronk op zijne gezondheid en
-op het goede einde van de reis.
-
-Toen de zon onderging en de vogels boven onze hoofden vlogen om hunne
-slaapplaatsen te bereiken, begonnen Jaunet en Verdet dat onbestemd
-gesnap, dat, op een afstand gehoord, zou doen meenen, dat twee personen
-halfluid met elkander praten. Ik ging een bezoek brengen aan Rougette,
-die, aan den oever der rivier gekampeerd, haar kop buiten hare schaal
-stak, zonder er minder droefgeestig dan naar gewoonte uit te zien. Ik
-kwam bij het bivak terug, waar de Encuerado bezig was een lijfband voor
-meester Job te maken; daar op de bladeren uitgestrekt en terwijl ik zag
-hoe de sterren een voor een den hemel versierden, viel ik in slaap onder
-de namen van Hortense en Emile, welke Lucien zijne leerlingen vol geduld
-voorpraatte.
-
-Een gebrul deed mij wakker springen; ik deed de oogen open en zag
-Lucien, met het geweer in de hand, bij Sumichrast neêrgehurkt. Meester
-Job schreeuwde van angst, en Gringalet, door mijn vriend tegengehouden,
-bromde, zonder te kunnen blaffen. Op den oever, op een vijftigtal meters
-afstand, onderscheidde ik een langen, gelen vorm en twee vurige oogen.
-Een tweede gebrul leerde mij den naam van den nachtelijken bezoeker
-kennen, dien ik in mijn droom meende gehoord te hebben.
-
-»En de Encuerado?" vroeg ik aan mijn makker.
-
-»Hij kruipt naar dien kant uit.
-
-Een geweerschot sneed mij het woord af, het dier brulde op nieuw en
-wierp zich in de struiken. Een geraas als van eene worsteling deed zich
-hooren; daarop verscheen de tijger andermaal en beschreef, van woede
-huilende, verscheidene kringen. Een laatste sprong bracht hem tot op
-twintig schreden van den haard; hij viel om niet meer op te staan.
-
-»Hioe, hioe, Chanito."
-
-Dit roepen ontlastte mij van eene drukking, welke mij belette adem te
-halen. Lucien bezat nauwelijks de kracht om te antwoorden.
-
-Gringalet, die los was gekomen, liep naar het zware roofdier toe en
-bleef op een afstand blaffen. De Indiaan kwam, met het geweer op den
-schouder, naderbij.
-
-»Uwe Heerlijkheid zal mij dit recht laten wedervaren," sprak hij, over
-het lijk van zijn vijand gebogen, »dat zij zeer dicht bij het hart
-getroffen is. Zij zou den kogel zelfs tusschen beide oogen ontvangen
-hebben, als zij het gewaagd had naar mijn kant heên te zien... Schreit
-gij, Chanito!" riep de Encuerado uit, van toon veranderende. »Waart gij
-dan bang!"
-
---Zeker was ik dat; de tijger liep naar den kant toe waar gij waart.
-
---Maar wat zou dat? 't Is toch mijn beroep om die groote katten te
-dooden. Niet waar, Tatita, dat dier hoorde mij toe en ik ben nog de
-tijgerjager?
-
---Ja, sprak ik. Maar laten wij de tijgers met rust en dat zij het ons
-ook doen, en gaan wij slapen.
-
-Ik vond meester Job onder mijne deken verscholen; hij stelde zich gerust
-zoodra hij bemerkte dat Gringalet naast hem ging liggen. Wij wilden weer
-gaan liggen, toen het gebrul van een tijger opnieuw de lucht deed
-dreunen.
-
-»Drommels!" vroeg mijn vriend, zou dat beest weer levend zijn geworden.
-
---Neen, Tatita Sumichrast; maar mijn tijger is een tijgerin en haar
-gemaal komt mij nieuws van haar vragen.
-
-Ik beval den Indiaan zich niet te bewegen.
-
-»Laat hem zijn gang gaan," sprak mijn makker, »hij zou u toch niet
-gehoorzamen."
-
-Een half uur verliep, de diepste stilte heerschte en wij luisterden naar
-het minste geritsel der bladeren. Het geluid van eene losbranding kwam
-tot ons en vijf minuten later begroetten wij het zegevierende _hioe,
-hioe!_ met onze bravo's, terwijl de Encuerado van 't water druipende,
-zich voor het vuur droogde.
-
-»Ik moest de rivier overzwemmen", zeide hij; »maar ditmaal heeft zijne
-Heerlijkheid den kogel tusschen beide oogen.
-
---Gij zijt een dappere kerel," sprak Sumichrast, hem de hand reikende.
-Lucien vloog hem om den hals.
-
-»Wat zal ik lekker slapen," sprak de Indiaan.
-
-
-
-
-XXXII.
-
-DE JAGUARS.--DE IBIS.--DE KAAIMANS.--DE DRAAIERS.--EEN TWEEGEVECHT VAN
-DEN ENCUERADO.--DE WILDE STIEREN.
-
-
-Meester Job, Gringalet, Jaunet en Verdet hadden reeds de oogen open,
-toen ik bij het aanbreken van den dag eveneens wakker werd. Lucien stond
-juist op toen ik mij gereed maakte om naar den oever der rivier te gaan
-en vergezelde mij. Ik bewonderde in 't voorbijgaan de wijfjesjaguar,
-door den Encuerado geschoten. Een weinig verder vonden wij het mannetje
-(_Felís onza_) waarvan de bruingele huid zwart gevlekt was; hij mat niet
-minder dan anderhalven meter; de breedte van de met scherpe nagels
-gewapende klauwen verbaasde den jongen natuuronderzoeker, die het
-betreurde dat ik niet een dier tijgers gedood had,--dit spijtgevoel
-legde een nieuw bewijs af van zijne bewondering voor den dader van dit
-dubbel heldenstuk. Een sierlijke vogel met langen, gebogen snavel streek
-op den oever neer; Lucien's oog viel op de fraaie bronskleur van den
-steltlooper; ik vertelde hem dat het een Ibis was.
-
-»De vogel van de Egyptenaren, die slangen verslindt?"
-
---Een van zijne verwanten", antwoordde ik. »De Ibissen voeden zich over
-'t algemeen met wormen, schelpdieren en zelfs waterplanten; misschien
-eten zij ook wel waterslangen; maar of zij zich nu uitsluitend met
-kruipdieren voeden, of ze stelselmatig vernietigen, dat is eene andere
-vraag." Ik kwam weer bij het bivak terug, waar ik mijne makkers
-reeds op de been vond.
-
-Verdet babbelde. »Ja, mijnheer Verdet, van nacht twee tijgers gedood,"
-antwoordde de Encuerado hem. »'t Is lang geleden, dat mij zulk een
-buitenkansje is te beurt gevallen.
-
---Baparalaca, sprak Jaunet.
-
-Zeker, zeker, men kan hem _por aca_ (van hieraf) zien," antwoordde de
-Indiaan levendig; »maar als gij slechts met één oog hadt geslapen,
-zooals elke fatsoenlijke papegaai moet doen, zoudt gij de twee schoten
-van mijn geweer gehoord hebben. Neem deze woorden ter harte, en gij ook,
-meester Job, want uwe scheeve gezichten beletten niet, dat ik twee
-tijgers heb gedood."
-
-Toen de koffie gedronken was, sloeg iedereen zijn mouwen om en begon
-men de prachtige dieren, die in ons bezit waren gekomen, de huid af
-te stroopen. Dit moeielijke werk nam den geheelen morgen in beslag.
-Nauwelijks waren wij er mede gereed, of ik bracht onze bagage aan boord
-van het vlot, dat zich weldra van den oever verwijderde. Lucien viel het
-in dat Rougette op het strand was vergeten en hij verzocht ons haar niet
-achter te laten.
-
-Een flinke duw met den boom bracht ons naar het punt van vertrek terug
-en de droefgeestige Ariane hernam hare plaats in de pan, die haar tot
-woning diende, zonder de geringste ontroering te doen blijken.
-
-De lianen en struiken, die de oevers omgaven, groeiden nu nog van
-afstand tot afstand. Het vlot gleed tusschen varens en palmboomen door.
-Naargelang de plantengroei minder afwisselend werd, verdwenen ook de
-insecten en de vogels. Het woud verkreeg een zeer ernstig karakter.
-Onze blikken drongen onder de door palmboomen gevormde gewelven door
-en verloren zich in hunne duistere diepten. De muskieten en horzels
-plaagden ons nog meer dan naar gewoonte en de warmte drukte ons neer.
-Wij gleden stil en lusteloos verder. Die verlaten oever, die boomen met
-breede, door geen windje bewogen bladeren, die naakte bodem, dat zwarte
-water, hetwelk zonder de minste beweging voortvloeide, vervulden de ziel
-met eene onbestemde droefheid. Ik merkte herhaalde malen op, dat
-tegenover die eenzaamheid vol majesteit, een onverklaarbaar gevoel ons
-overzacht deed spreken.
-
-Het rustuur had sedert lang geslagen, maar niemand stelde voor aan wal
-te gaan. Wij dachten aan de groote bosschen, welke wij den vorigen dag
-doorgetrokken waren en gingen vooruit, met de hoop de bezielde wereld
-terug te zullen vinden. De Encuerado, duwde ons, met zijn boom gewapend,
-die soms den bodem der rivier bereikte, met kracht vooruit; maar
-veelvuldige bochten vertraagden onzen gang en de nacht dreigde ons te
-overvallen. Eindelijk lieten de minder dicht opeen staande palmboomen
-een weinig licht doordringen en de rivier trad buiten het bosch om zich
-in eene vlakte te storten, waarna het vlot onder een priëel van lianen
-doorgleed.
-
-Onze eerste zorg was om de tijgervellen op den warmen bodem uit te
-spannen; eenige paaltjes, te voren in den grond gestoken, maakten het
-werk gemakkelijk. Terwijl ik den Encuerado hielp gingen Sumichrast en
-Lucien uit, om iets voor het middagmaal op te sporen. Het vuur brandde
-reeds sedert lang, toen uit de verte een schot weerklonk. De Encuerado
-had twee vischlijnen uitgezet, maar duizenden kleine vischjes verslonden
-het aas, dat hij aan zijne haken had bevestigd en noodzaakten hem het
-telkens te vernieuwen.
-
-»Ziet ge me dan voor een gans aan, dat ik u voeden moet?" riep hij
-toornig uit. »Dat zullen wij eens zien."
-
-En het vlindernet nemende, dat uit sterk linnen was vervaardigd, ving
-mijn makker in een oogwenk eene menigte bakvischjes, aan welke hij zijne
-spotternijen niet spaarde.
-
-Sumichrast kwam terug, met een groenen iguano beladen; Lucien trok aan
-een strik een jongen krokodil van ongeveer twintig centimeter lengte,
-voort.
-
-»Zie eens, mijnheer de Encuerado," riep de knaap zijn vriend toe,
-»hier heb ik een krokodil, alligator of kaaiman, een verwante van de
-hagedissen en een vijand van de menschen. Dit lieve diertje heeft holle
-en ongelijke kiezen, zoodat het zijne prooi niet kan kauwen. Het voedt
-zich met visschen, otters, kalveren en eene menigte andere dieren. 't Is
-een tweeslachtig dier, mijnheer de Encuerado, een wezen, dat evenals de
-kippen eieren legt, maar ze in het zand begraaft, waar de zon zich met
-het uitbroeden belast; een dier dat zooveel van den mensch houdt, dat
-het hem opeet, als het hem beet kan krijgen.
-
---Pas op, dat gij u niet laat bijten," riep ik mijn zoon toe; »hoe hebt
-gij dien jongen kaaiman kunnen vangen?
-
---Ik heb hem vervolgd, want ik dacht dat het eene groote hagedis was;
-mijnheer Sumichrast riep mij toe, dat ik hem niet moest aanraken en
-heeft hem toen deze liaan om den hals gebonden."
-
---Ik hoop toch niet, dat gij er aan denkt om hem meê te nemen?"
-
---Neen, 't is een te slechte kameraad; hij wil altijd bijten. Ik zal hem
-eens aan meester Job laten zien en de vrijheid weergeven."
-
-Als men er meester Job naar gevraagd had, zou hij, denk ik, voor de eer
-van de kennismaking bedankt hebben. Hij deinsde op het zien van den
-jongen kaaiman terug en zocht te vergeefs zich te verbergen. Jaunet en
-Verdet wisselden eenige woorden en klapwiekten, wat gewoonlijk hun eenig
-hulpmiddel was. Rougette trok verontwaardigd al hare uiteinden in hare
-schaal terug en bleef als versteend. De sauriër werd daarna op den oever
-van de rivier gebracht; maar in plaats van er in te springen, zooals de
-knaap verwacht had, beschreef hij een halven cirkel en ging het bosch
-weer in.
-
-»Kunnen de jonge krokodillen dan niet zwemmen?" vroeg Lucien verbaasd.
-
---Ja wel, Chanito; maar zij gaan niet in 't water voor en aleer zij in
-staat zijn zich te verdedigen."
-
---Tegen wien?"
-
---Tegen de groote mannetjes, die zich gaarne met hun kinderen voeden."
-
-Dit staaltje uit de zeden der krokodillen was niet geschikt om den
-jongen natuuronderzoeker met de dieren te verzoenen, waaraan het
-monstertje, hetwelk hij zooeven weg had gebracht, hem even leelijk als
-kwaadaardig toescheen.
-
-»Och dan!" riep hij uit, »hoe hebt gij uwe pan zoo spoedig met visch
-kunnen vullen?"
-
---Als gij er bij waart geweest, zoudt ge pret hebben gehad, Chanito."
-Ik had twee vischlijnen, goed van aas voorzien, uitgezet en die kleine
-heeren, met hun zilveren kleed, zijn gekomen om het aas er af te
-snoepen, zoodat ik het wel tienmaal heb moeten vernieuwen, want ik wilde
-een _bobo_ vangen, en dacht volstrekt niet aan hen. Maar eensklaps zag
-ik ze lachen....
-
---Hebben de visschen gelachen?"
-
---Ja, Chanito, met hun staart; op die manier," voegde de Indiaan er bij,
-met zijne hand eene beweging makende als de zwemmende vischjes doen.
-Eerst lette ik er niet op; maar toen begonnen ze te dansen, te springen
-en mij lomperd te noemen....
-
---De visschen zijn stom!"
-
---Hebt gij dan nooit gehoord, hoe zij het water met hunne vinnen
-slaan?... Nu springen zij nog, maar nu lach ik en noem ik ze lomperds."
-
-De zorgen, die de maaltijd vereischte, maakte aan dit verhaal een einde.
-De visschen, welke met het vet van de iguano gebakken waren, werden zeer
-geprezen; het blanke en malsche vleesch van den Sauriër werd niet minder
-goed gevonden, want het wildbraad begon ons tegen te staan.
-
-Den volgenden morgen, een weinig voor het aanbreken van den dag, voerde
-de wind ons een walgelijken reuk van muskus toe. Ongetwijfeld zouden wij
-een met krokodillen bevolkt moeras door te trekken hebben. Nauwelijks
-was de zon op, of ik zag op den oever, tien passen slechts van het vlot,
-drie monsters lui uitgestrekt liggen. Ik wekte Lucien, die, bij het zien
-der reusachtige dieren, eene beweging van schrik niet kon weerhouden.
-Zij waren van vijf tot zes meter lang, het lichaam was bruin en met
-bulten bedekt, en de muil tot aan de oogen gespleten; een hunner,
-die zijne kaken wijd opengesperd had, liet zijne holle tanden zien.
-Ik nam den knaap bij de hand om hem tot bij de amphibieën te brengen;
-eerst wilde hij niet; het uiterlijk dezer monsters boezemde hem een
-onoverwinbaren afkeer in.
-
-»Ik mag nog liever een tijger," zeide hij; »zijn gebrul is vreeselijk,
-maar hij is niet zoo afschuwelijk."
-
-Ik overreedde mijn kleinen metgezel om zijn afkeer te overwinnen en
-mij te vergezellen. Ik bleef op dertig schreden van de kaaimans staan,
-die toen teeken van leven begonnen te geven en langzaam in 't water
-dompelden. Lucien herademde; de voorwereldlijke vorm van deze
-tweeslachtige dieren boezemde hem een onwillekeurigen angst in.
-
-Het vlot dreef op nieuw verder en de met lianen, kinaboomen en
-Amerikaansche lotusboomen versierde oevers hernamen hun lachend en
-tevens wild uiterlijk. Wij zouden veel gevaar geloopen hebben midden
-in de moerassen, die wij moesten doortrekken, te verdwalen, zonder de
-kennis van den Encuerado, die ons spoedig weer op den goeden weg bracht.
-Eindelijk werd de rivier weer nauwer en herkreeg zij hare gewone diepte.
-
-»Zie eens daar, mijnheer Sumichrast," riep Lucien uit, »men zou zeggen
-dat er oogen op het water drijven."
-
---Daarin hebt gij u niet vergist; dat zijn oogen van krokodillen."
-
-De knaap drukte zich tegen mij aan; ik trachtte hem gerust te stellen,
-maar die sombere oogen, die in alle richtingen zich vertoonden en de
-bewegingen van het vlot volgden, maakten hem buitengewoon ongerust.
-
-Soms kwam een krokodil dwars voor ons vaartuig liggen.
-
-»Ga door," riep de Encuerado, »al weet gij ook dat uw huid onkwetsbaar
-is, dan is dat nog geen reden om u hier als heer en meester op te
-werpen. Ik ken wel een naadje in je rok, waar mijn kogel eene opening
-zou weten te vinden. Wees maar niet bang, Chanito; zij zullen ons niet
-aanvallen."
-
-Soms waren de lage oevers overdekt met deze monsters, die met wijd
-geopenden muil naar de zon toegekeerd lagen. Sommige gleden in het water
-en kwamen om het vlot dolen; maar het grootste aantal bleef onbeweeglijk
-en verwaardigde zich niet van plaats te veranderen. De vrees van Lucien
-bedaarde allengs; maar nadat hij zoo zeer gewenscht had kaaimans te
-zien, begon hij er zich nu over te beklagen, dat hij er te veel zag.
-»Zij zijn hier de baas," zeide mijn vriend hem; »zij groeien en
-vermenigvuldigen zich ongestoord. De rivier bevat visch genoeg om hen
-te voeden, en zonder twijfel gaan zij nu en dan wel in het bosch op de
-jacht. Zie daar eens naar dien, welke de landtong opklimt, hij draait
-met moeite om zich zelven; men zou zeggen, dat hij geen ledematen heeft
-en kruipt. Dat komt omdat zijn lichaam geen gewrichten heeft en hij zich
-niet anders dan met het geheele lichaam kan bewegen. Men heeft derhalve
-wel gelijk als men zegt, dat men aan een krokodil kan ontsnappen, door
-op zijne schreden terug te keeren; men behoeft slechts een korten draai
-te nemen."
-
-Bij de horzels en muskieten, welke ons reeds kwelden, kwamen zich nu nog
-andere tweevleugelige insecten, _radadores_ (draaiers) genoemd, voegen.
-Die bloedzuigers hadden het vooral op de handen voorzien en als bewijs
-dat zij er op geweest waren, lieten zij op de huid een druppeltje bloed
-achter. Lucien, die reeds tweemaal gestoken was, vond eerst vermaak in
-de vlugheid dezer insecten; maar weldra vond hij, dat zij te veel
-misbruik van hun angel maakten.
-
-Tot dusverre was de rivier bijna even hoog geweest als de bodem langs
-hare oevers, wat de vorming van de talrijke moerassen, waarover ik
-gesproken heb, verklaart. Nu begonnen de oevers echter allengs hooger te
-worden en dreef het vlot onder een gewelf van groen door. De Encuerado
-moest neerhurken om er onder door te komen; hij ging weer overeind staan
-om Lucien een boom aan te wijzen, geheel met papegaaien overdekt, die
-ons met hun geschreeuw begroetten, waarop de Indiaan niet in gebreke
-bleef pittig te antwoorden. Terwijl al onze aandacht door deze
-vermakelijke woordenwisseling gaande werd gehouden, had niemand erg in
-een dikken tak, die onze hoofden aanraakte en onzen stuurman omverwierp.
-In plaats van naar ons toe te zwemmen, zoodra hij boven water kwam, zwom
-de Encuerado naar den oever. Wij waren reeds een eind ver eer ik het
-vlot stil kon doen houden en de hemel weet hoeveel moeite het mij kostte
-om tegen den stroom op te komen.
-
-Met zijne machete in de hand trok de Indiaan van leer tegen den boom,
-die de oorzaak van zijn ongeval was.
-
-»Zoo! overvalt gij de menschen zoo verraderlijk, om ze in 't water te
-smijten," riep hij uit; »dat is nog al een slimme zet en dat voor een
-honderdjarigen grijsaard! Maar dat zult ge vooreerst niet weer doen, dat
-zweer ik je.
-
---Als gij dien reus omver wilt werpen," riep mijn vriend hem toe,
-»kunnen wij wel gaan kampeeren; gij hebt er minstens acht dagen werk
-aan.
-
---Hoogstens voor tien minuten, Tatita Sumichrast; men zal niet kunnen
-zeggen, dat die groote lummel mij den hals zal gebroken hebben, om er
-later met de papegaaien, die hem die aardigheid zeker hebben aangeraden,
-over te lachen."
-
-Door de kerven, die hij in den stam had gemaakt, kon de Encuerado tot
-aan den eersten tak klimmen; maar door zijne te groote haast gleed hij
-naar omlaag en kwam nog eens in 't water terecht. Nu kende zijn toorn
-geen grenzen.
-
-»Lach maar, lach maar!" riep hij, »wij zullen wel zien wie het hardst
-zal lachen.
-
-En opnieuw naar boven klimmende ging hij op den tak zitten, welke hem
-had omgeworpen; wij hoorden hem pruttelen zonder zijne woorden te
-verstaan, terwijl hij uit alle macht er op loshakte. Ik wilde het vlot
-dichterbij brengen, om met hem te kunnen spreken; eensklaps weerklonk
-een gekraak en de Indiaan en de tak vielen tegelijkertijd in de rivier.
-
-Op dit geraas begonnen de papegaaien te schreeuwen en namen de vlucht;
-de zware tak gleed langs ons heen en had ons bijna meegesleept. Onze
-makker klom op het vlot en lachte zoo hartelijk over de nederlaag van
-den boom en den schrik der papegaaien, dat hij zijne vroolijkheid aan
-Lucien mededeelde. Bij slot van rekening had hij eenen grooten bult op
-zijn voorhoofd en gevoelde hij zich geheel uitgeput. Ik verbond hem,
-waarop hij slapen ging met dien rustigen slaap van een kind, dat door
-een boozen bui vermoeid is geworden.
-
-Gedurende twee uren bestuurde ik ons vaartuig; daarna hernam de
-Encuerado zwijgend zijne gewone post. Eensklaps bewogen zich de
-bladeren; de grond dreunde en tusschen de lianen werd de kop van een
-wilden stier zichtbaar. Het dier zag ons met woeste blikken aan, stiet
-een dof gebrul uit en verdween daarop.
-
-Het zien van dezen nieuwen gast verkondigde ons de nabijheid der
-Savannen; wij verwachtten om bij elke kronkeling van de rivier uit het
-bosch te komen. De boomen werden kleiner en het struikgewas talrijker en
-plotseling ontplooide zich voor onze oogen eene onmetelijke vlakte,
-welke de rivier doorsneed. Wij zouden juist den laatsten struik
-voorbijgaan, toen de Encuerado eensklaps het vlot achteruitduwde. Ik
-stond op en zag eene kudde stieren, welke zich naar de plek begaven, die
-wij juist wilden oversteken.
-
-»Drommels, drommels!" riep Sumichrast uit, »dat is veel zeldzamer
-schouwspel dan dat van de krokodillen; laten wij meester Zonnestraal zoo
-plaatsen, dat hij goed zien kan."
-
-De Encuerado, die naar de prairie was gegaan, riep ons. Ik vond hem bij
-den stam van een grooten wilg staan; zonder een oogenblik te verliezen
-namen Lucien, Sumichrast en ik tusschen de takken plaats. Gringalet
-werd ook naar omhoog geheschen, maar de Indiaan ging te water en zwom
-naar een alleenstaanden boom tegenover ons.
-
-»Wij zullen heden avond gebraden runderhaas eten," riep hij ons toe en
-hij maakte tusschen de takken zulke dwaze sprongen, dat ik andermaal
-voor een val vreesde.
-
-De stieren naderden. De grond beefde onder hunne hoeven en hun geloei
-maakte ons doof. Een hunner, een prachtig dier, met zwart en wit
-gevlekte huid, liep met opgeheven hoorns en onrustigen blik voorop. De
-troep, die nu eens draafde en dan weer stil stond om te grazen, volgde
-zijn onstuimigen aanvoerder; de kaaimans, als door het geraas ontwaakt,
-verzamelden zich bij het begin van de Savanne en de op het water
-drijvende oogen werden steeds talrijker.
-
-De wilde troep bleef op vijftig schreden van de rivier halt houden; de
-zwartbonte stier ging alleen vooruit, dronk langzaam en wierp zich toen
-in de rivier; hij bereikte den overkant en keerde zich dan om. Daarop
-hernam de geheele troep, waarboven een wolk horzels zweefde, den draf,
-om zich bij den aanvoerder te vervoegen. De verschrikkelijke dieren,
-ongeveer vijfhonderd in getal, wierpen zich in het water, verdrongen
-elkander en stieten een afschuwelijk geloei uit. In minder dan een
-kwartier uurs bleven er aan onzen kant niet meer dan vijf of zes stieren
-over, die schenen te aarzelen om zich in 't water te begeven. Plotseling
-knalde een schot, een der dieren stiet tegen den boom waarop wij zaten;
-een bloedstroom gutste uit zijne borst. Hij draaide rond, loeide en het
-zware lichaam stortte neer. Ik wierp een blik naar den Encuerado, die,
-tot op de onderste takken afgedaald, zijne gymnastische toeren hervatte.
-De jonge stieren, door het geweerschot en den val van een hunner
-verschrikt, besloten eindelijk om de rivier over te steken; een blijft
-staan om te drinken; de muil van een krokodil vat hem bij den snuit en
-sleept hem mede. Een tweede verdwijnt midden in de rivier en een der
-aanvoerende stieren begint eensklaps te worstelen en bereikt, geheel met
-bloed overdekt, den oever. De door de horzels gekwelde troep hervatte
-daarop zijn woedenden loop en verdween in de verte.
-
-Ik wilde naar beneden dalen, toen een welbekend gejank zich deed hooren;
-een twaalftal jakhalzen naderde reeds het door den Encuerado gedoode
-dier. Een schot van Sumichrast verwondde een der stroopers; de anderen,
-voorzichtig geworden, hielden zich op een afstand. De Indiaan snelde
-toe om de opbrengst van zijne jacht te beschermen en sneed het dier in
-stukken, terwijl hij met de coyoten een gesprek voerde.
-
-»Weest dan toch zoo goed te wachten," sprak hij bij elk gejank; »ik heb
-het dier gedood; 't is dus niet meer dan billijk, dat ik mij het eerst
-bedien."
-
-Gedurende dit tooneel hadden wij meester Job en de papegaaien uit het
-oog verloren; ik vond ze in de zon zitten en half slapende. Zij lieten
-eene zekere blijdschap merken toen zij ons terugzagen. Toen het etensuur
-daar was, zette de Encuerado ons een stuk haas, hersenen, tong en nieren
-van het rund voor. Lucien was verbaasd toen hij vernam dat deze dieren,
-door de Spanjaarden uit Europa naar Amerika overgebracht, zich, evenals
-de paarden zoo zeer vermenigvuldigd hebben, dat zij nu de Savanne bij
-troepen van dertig- en veertigduizend stuks doorloopen.
-
-Tegen den avond begon in de verte een onweer te grollen en talrijke
-bliksemstralen verblindden ons. Wij hadden een afdak gemaakt, voor 't
-geval dat de regen naar ons zou toekomen. Gelukkig bleven wij er van
-verschoond; maar het was eene nieuwe waarschuwing om onze reis te
-verkorten.
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-DE KONING DER GIEREN.--DE PINOLILLAS.--ANGST VAN DEN ENCUERADO.--DE
-TAPIR.--AFSCHEID VAN DE RIVIER.--DE PROOI VAN DEN LEEUW.--EEN SLECHTE
-NACHT.
-
-
-Den volgenden morgen vertrok de Encuerado alleen op het vlot; wij
-hadden besloten de Savanne te voet door te trekken, om zoodoende voor
-een paar uur aan de insecten te ontsnappen, die van onze gedwongen
-onbeweeglijkheid gebruik maakten om ons op hun gemak het bloed af te
-tappen. Lucien en Gringalet trachtten den Indiaan te volgen, maar deze
-werkte zoo goed met zijn boom, dat het vlot als een renpaard
-vooruitschoot en hen spoedig vermoeide.
-
-Troepen zwarte gieren zweefden in de lucht en richtten zich naar een
-niet ver van de rivier gelegen punt. Daar de nieuwsgierigheid ons in die
-richting heentrok, bleef Lucien, die vooruit was geloopen, eensklaps
-staan; ik ging schielijk naar hem toe en in een groot gat met steile
-wanden en ongeveer twaalf meters breed, bemerkte ik verscheidene
-honderden der afzichtelijke vogels met naakten hals, die elkander het
-lijk van een stier betwistten.
-
-Ik stond op 't punt mij te verwijderen, toen de gieren, die door onze
-tegenwoordigheid nauwelijks beangst waren, eensklaps eene levendige
-vrees te kennen gaven, hunne prooi in den steek lieten en een wijden
-kring vormden. In de lucht had zich een nieuwe gast vertoond, die boven
-ons rondvloog. Hij streek zwaar neder en sloeg zijne witte met zwart
-omzoomde vleugels toe. De nieuw aangekomene was de _sarcaramphus papa_
-der geleerden, de koning der gieren of koningsgier, een broeder van den
-condor.
-
-De koning der gieren, zooals de Indianen hem noemen, had een zwarten
-staart en witte vleugels. De hals was versierd met een kraag van
-parelgrijze veertjes en het bovengedeelte van den kop gestreept met
-een donker, in regelmatige rijën geplaatst dons; de wangen waren met
-levendige kleuren getint, die het witte oog prachtig omlijstten. Zijn
-geelachtige bek, van middelmatige grootte, droeg een vleezig uitwas in
-den vorm van een klaverblad, waarvan de ornithologen zich tevergeefs
-het nut zoeken te verklaren. De prachtige roofvogel wierp een
-heerschzuchtigen blik om zich, naderde de prooi en begon zich te
-verzadigen. Onophoudelijk kwamen nieuwe gasten aan, die op een afstand
-bleven zitten. Gringalet, die met moeite werd tegengehouden, blafte uit
-alle macht, zonder dat de vogels er in 't minst acht op sloegen.
-
-Eindelijk vloog de koningsgier weg; de hongere gasten, door de kracht
-van den machtigen tegenstander, wien zij, als bij instinct, den eersten
-rang inruimden, in bedwang gehouden, wierpen zich allen te gelijk op den
-stier, die onder hun opeengedrongen gelederen verdween. Er ontstonden
-tweegevechten, de gebogen snavels botsten met kracht tegen elkander aan
-en de slaande vleugels brachten zware verwondingen toe. Ik gaf het
-teeken om te vertrekken.
-
-Wij liepen niet minder dan twee uren eer wij het woud bereikten; wij
-hadden ons in den afstand vergist en de wandeling was in een moeielijken
-marsch veranderd. Ik vond den Encuerado slapende en meester Job bezig
-met de schildpadeieren te ledigen, die onder zijn bereik waren gebleven.
-Gringalet nam zijn deel van de door den aap gereedgemaakten struif,
-terwijl Sumichrast een kijkje nam in den pot, waarin de schilpad kookte
-en ik den Encuerado wakker maakte. Men bevond dat de schilpad goed van
-gaarte was; maar toen de Encuerado de verwoesting zag, die onder de
-eieren was aangericht, waarin hij gemeend had te zullen smullen, wilde
-hij meester Job voor zijne straf een bad geven. Iedereen sprong voor den
-schuldige in de bres; onze toegeeflijkheid vond, naar ik vermeen, hare
-oorzaak wel wat in de schilpadeieren zelven, waarvan het onstolbaar wit
-en zanderig geel ons gehemelte weinig konden bekoren. Gelukkig kon de
-Encuerado niet lang boos blijven; hij schonk meester Job vergiffenis,
-die tot driemaal toe het moest aanhooren, en dat nog wel voor getuigen,
-dat hij zonder hoop op genade een bad zou krijgen, zoodra hij opnieuw
-misbruik van vertrouwen zou plegen.
-
-Eer wij ons weer op het vlot inscheepten, moesten wij onze kleeren
-reinigen van honderden _pinolillas_, die wij in Savanne hadden opgedaan
-en welke het ons nu lastig begonnen te maken. Deze zwarte insecten,
-kleiner dan vlooien, hoopen zich aan de uiteinden der planken op en zijn
-gereed zich op het eerste dier het beste te werpen, dat er bij ongeluk
-tegenaanstoot. De met haakjes gewapende pooten dringen dan in het
-vleesch door en hun hongerige en vergiftige snuit zuigt met kracht het
-bloed uit. Het was een zwaar werk om deze lastige parasieten, die hunnen
-slachtoffers eene jeukte veroorzaken, welke met het ondergaan der zon
-geregeld terugkeert, te verwijderen.
-
-Tegen vijf uur in den namiddag landde het vlot in eene, door palmboomen
-overschaduwde baai. De Encuerado haastte zich om de tijgervellen uit te
-spannen en daar de nacht aanbrak, stelden wij ons tevreden met hetgeen
-van onze schilpad was overgebleven. De Indiaan, die weinig geloopen had,
-nam zijn geweer en liep de rivier langs. Na verloop van een kwartier
-uurs kwam hij bleek en geheel ontdaan aanloopen.
-
---Zijt gij door eene slang gebeten? riep ik uit.
-
---Neen, Tatita," antwoordde hij, geheel buiten adem, »er is mij iets
-veel ergers overkomen. Ik heb hem gezien!
-
---Wien?
-
---Den _ante-burro_," mompelde de Indiaan, een kruis makende.
-
-De door den Encuerado te kennen gegeven vrees was voor Lucien zoo iets
-geheel nieuws, dat hij groote oogen opzette. Hij had meer dan eens
-over den _ante_ hooren spreken, een dier zoo groot als een ezel, met
-zonderlinge vormen, en dat zich slechts laat zien aan hen, wien hij een
-kwaden streek wil spelen.
-
-»Stel u maar gerust," zeide ik tot den Indiaan; »als gij den ante-burro
-gezien hebt, zullen wij hem morgen doodschieten.
-
---Men kan den duivel niet doodschieten, Tatita.
-
---Met gewone kogels niet; maar wel met die, welke Sumichrast weet te
-maken.
-
-Mijne nieuwsgierigheid was opgewekt; het zeldzame en wantrouwende dier,
-waarvan de Indianen als 't ware een fabelachtig wezen hebben gemaakt, is
-niet anders dan de tapir, dien ik nog nooit ontmoet had. De Encuerado,
-die zoo ontsteld was, dat hij nauwelijks kon eten, vertelde ons, dat hij
-den oever van de rivier gevolgd was, die zich op ongeveer vijfhonderd
-meters van de plaats, waar wij gekampeerd waren, in eene breedere en
-diepere rivier uitstort. Op eene dikke graszode gezeten, zag hij naar de
-uitgestrekte bruisende watervlakte, toen de ante-burro eensklaps, als
-een los paard springende, op het grasperk was verschenen.
-
-»En hebt gij er niet op geschoten?" riep mijn vriend uit.
-
---Ik heb de vlucht genomen," antwoordde de tijgerjager.
-
-Sumichrast deelde aan Lucien mede, dat de tapir een verwante is van
-de pecaris, dat zijn neus in een niet grijpende slurf eindigt en dat
-hij in de eenzaamste bosschen in de nabijheid van waterstroomen leeft.
-Hij liet niet na zijn leerling te wijzen op het nadeelige van het
-bijgeloof, dat een der vormen der onwetendheid is; zoo beefde dan ook
-de Encuerado, dien wij den vorigen dag tijgers, krokodillen en stieren
-het hoofd hadden zien bieden, bij de enkele gedachte van zich tegenover
-een weerloos plantenetend dier te zien, waaraan zijne verbeelding
-fantastische vormen en afmetingen gaf. Hij wilde niet gaan slapen; bij
-het geringste geritsel der bladeren meende hij zijn vijand weer te zien.
-In plaats van zijne dwaling te bestrijden--wat tot geen uitslag zou
-gevoerd hebben--wilde ik hem doen gelooven, dat mijne macht die van den
-ante-burro overtrof.
-
-»Zou ik anders Lucien wel aan 't gevaar blootstellen in zijne nabijheid
-te gaan slapen!"
-
-Sumichrast overhandigde den Indiaan twee kogels, en verzekerde hem, dat
-hij slechts behoefde te mikken om daarmede het dier te treffen. Allengs
-begon de Encuerado zich gerust te stellen; de gedachte dat hij den
-duivel onder zijne vreeselijkste gedaante zou kunnen dooden, prikkelde
-zijne eigenliefde, en hij sliep in, zonder twijfel droomende over het
-heldenstuk van den volgenden dag.
-
-Bij het aanbreken van den dag waren wij reeds aan de samenvloeiing der
-beide rivieren gekomen; voor ons strekte zich eene prairie, met zwaar
-gras bedekt, uit, en als de tapir gedurende den nacht niet verzadigd was
-geworden, zou hij zonder twijfel terugkeeren. Sumichrast en Lucien namen
-naar links, dicht bij de rivier plaats, terwijl ik achter een boomstam,
-bij den ingang van het woud, naast mijn bediende post vatte.
-
-Er verliep meer dan een uur. Fraaie vogels kwamen dicht bij ons
-neervliegen en drie chachalacas gingen boven onze hoofden zitten. Ik
-begon te gelooven dat wij de huid van den tapir wat te vroeg verkocht
-hadden, want wij waren overeengekomen dat mijn vriend alleen eene
-verdedigende houding zou bewaren opdat de Encuerado zich kon overtuigen,
-dat men een ante-burro kan dooden. Eensklaps week het riet vaneen en
-twee dikhuiden vertoonden zich op het grasveld. De Encuerado maakte een
-aantal kruisjes.
-
-»Schiet," sprak ik met zachte stem en mik op het voorhoofd. Het schot
-viel en de tapirs sloegen op de vlucht; een hunner viel echter op den
-grond eer hij het water bereikt had en liet een dof geknor hooren; hij
-was dood toen ik bij hem kwam.
-
-De Encuerado onderzocht het lijk, hetwelk ongeveer een meter lang was;
-wat de grootte, die hij aan het dier toeschreef, aanmerkelijk
-verminderde.
-
-»Gij hebt den duivel gedood," zeide Lucien hem, die op zijne beurt den
-zonderlingen dikhuid onderzocht.
-
---Ja, Chanito, met behulp van den betooverden kogel; maar de duivel is
-zoo dom niet, hij zal weer in het lichaam van een anderen ante-burro
-herleven."
-
-Daar de Encuerado bepaald weigerde den tapir aan te raken, nam
-Sumichrast op zich om van het dier, welks vleesch wij wilden proeven,
-enkele stukken af te snijden. Al onze pogingen om den Encuerado van
-zijne dwaling te overtuigen, waren vruchteloos. Zijn vindingrijke geest
-verwrong al onze bewijsgronden. Dat de tapir niet grooter was, dat hij
-zich had laten treffen, dat de kogel hem geraakt had, kwam omdat wij
-tooverwoorden kenden, om de kunstenarijen van den duivel onschadelijk te
-maken; maar willen staande houden dat de satan niet in het lichaam van
-den ante-burro huist, dat de door den duivel bezetene zich niet naar
-willekeur kon opblazen, dat hij dengenen, dien hij kan bereiken, niet
-met den dood treft,--evengoed zou men het bestaan der Engelen kunnen
-loochenen!
-
-Al gevoelde de jager zich voor het oogenblik ook bij machte om nog een
-anderen tapir te trotseeren, dan, hij verheelde het niet, zou hij, in
-zijne hoedanigheid van Christen, de vlucht nemen voor een nieuwen
-ante-burro, als zijn tweede kogel verschoten was.
-
-Het vleesch van den dikhuid had wel wat weg van dat van den pecari,
-maar met een minder merkbaren wildsmaak. Tegen den middag werden de
-tijgervellen opgenomen en weldra dreef het vlot opnieuw op de beide
-vereenigde rivieren. Wij hadden er eerst aan gedacht om de golf van
-Mexico te bereiken, maar het te ver gevorderde jaargetijde stond dezen
-tocht niet toe. Tegen den avond verduisterde een nieuw onweer den
-horizon; de regen viel met geweld neder, terwijl de donder in de verte
-ratelde. Opeengedrongen in eene in haast opgeslagen hut, aangevallen
-door duizende insecten, die wij trachtten te verdrijven door te rooken,
-besloten wij, dat het vlot den volgenden dag zijne reis alleen naar de
-zee zou vervolgen en dat wij den tocht in den vorm van een hoefijzer
-zouden besluiten met tot ons punt van uitgang terug te keeren. Lucien
-ontroerde bij de gedachte dat hij zijne moeder, broertjes en zusjes zou
-terugzien; de Encuerado die te vroolijker werd, naarmate hij zich meer
-van de verblijfplaats der tapirs verwijderde, deelde het nieuws aan
-Gringalet mede, die met blaffen antwoordde.
-
-De volgende dag werd besteed met het in orde brengen van de bagage.
-Jaunet en Verdet zouden de reis op de mars doen en meester Job nu eens
-op den schouder van Sumichrast, dan weder op den mijnen. Eenige in de
-braadpan gelegde bladeren waren voldoende voor de genoegzaamheid van de
-zwaarmoedige Rougette.
-
-In den schemeravond vervroolijkten duizenden vogels ons bivak. De
-Encuerado sneed het meertouw van het vlot door, bedankte het vaartuig
-voor de diensten, die het ons bewezen had en wenschte het eene goede
-reis. Terwijl ik het zwakke vaartuig den stroom af zag zakken, gingen
-twee reigers er zich op neerzetten en met deze gevederde bemanning
-beladen verdween het uit 't gezicht. Bij het aanbreken van den dag was
-iedereen op de been; de tapirrivier, zooals Lucien haar gedoopt had,
-werd met drie hoera's begroet en de kleine troep volgde Sumichrast, die
-meester Job droeg, op den voet. Jaunet en Verdet van voren naar achter
-heen en weer geschud, trokken een droevig gezicht. Tevergeefs beschreef
-de Encuerado hun de wonderen der stad, waarheen men hen voerde, de arme
-vogels bleven stil alsof zij de zeeziekte hadden. Wij trokken een groot
-bosch door, waarna de kleine troep op eene uitgestrekte vlakte kwam.
-De warmte overstelpte ons en onze vracht drukte vreeselijk op onze
-schouders. Dat kwam doordien acht dagen rust ons reeds verweekelijkt
-hadden en meester Job, die toch niets woog, moest het dikwijls
-aanhooren, dat zijne zwaarte hem verweten werd.
-
-Na de prairie kwam een doodsch en stil bosch van palmboomen. Mijn vriend
-nam de voorhoede en geleidde ons door de eenvormige stammen. Slangen
-en raven, en dan enkele _sacuas_, een soort vogel met bruin en zwart
-gevederte en gelen staart, waren de eenige levende wezens, welke wij
-op onzen weg ontmoetten. De muskieten kwelden ons bijna evenveel als
-op de oevers der rivier; eindelijk moesten wij, door de vermoeidheid
-overwonnen, kampeeren; ons middagmaal bestond slechts uit maïskoeken;
-maar onze papegaaien en meester Job vergastten zich op kleine
-cocosnooten, die men _coyoles_ noemt.
-
-Bij het aanbreken van den dag gaf ik het teeken tot vertrek, en geleidde
-ik, op mijne beurt, de karavaan. Wij moesten verscheidene open plaatsen
-en daarna eene kleine savanne doortrekken, waar het hooge gras onzen
-marsch vertraagde. De plantengroei nam weer eene andere gedaante aan,
-de styrax- en ebbenhoutboomen vertoonden zich opnieuw en eene menigte
-parkieten maakten door hun gesnap Jaunet en Verdet wakker. Een damhert
-vluchtte voor ons en eene kleine beek versperde ons den weg.
-
-Toen het bivak was opgericht bemerkte de Encuerado eene kreeft, waarna
-hij met Lucien op de schaaldieren jacht maakte. Ik volgde met Sumichrast
-het spoor van het damhert; nauwelijks hadden wij een afstand van
-vijfhonderd schreden doorloopen, of een heuvel verhief zich voor ons.
-Ik beklom hem en mijne blikken verloren zich in eene savanne, die zich
-uitstrekte zoover het oog reikte en waarvan het hooge gras op een rijpen
-korenoogst geleek. Sumichrast, die halverwege was blijven staan, riep
-mij, door het geluid van den uil na te bootsen; ik ging zonder geraas
-naar hem toe en mijn makker toonde mij tusschen de boomen een damhert,
-dat rustig graasde en hetwelk zijn besluiteloos heen en weer loopen
-zeker in onze nabijheid zou brengen. Ik ging naast mijn vriend op den
-loer staan, vol bezorgdheid het gaan en komen van het sierlijke dier
-bespiedende; het hief tot tweemaal toe den kop op en gaf blijken van
-eene onbestemde ongerustheid.
-
-Vreezende dat het ons zou ontvluchten, wilde Sumichrast schieten, toen
-het hert opsprong en onder het gewicht van een leeuw ineenzakte. Ik
-schoot mijn geweer af; het roofdier brulde, sleepte zijne prooi een
-twintig schreden voort en verdween toen.
-
-Op het hooren van mijn schot kwam de Encuerado, door Lucien gevolgd,
-aanloopen, en begon onmiddellijk eenige stukken van het dier af te
-snijden, terwijl Sumichrast en ik den omtrek goed in 't oog hielden, uit
-vrees dat de woeste jager mocht terugkeeren. Hij, van zijn kant, had ons
-in 't oog gehouden; want nauwelijks hadden wij de overblijfselen van het
-hert laten liggen of hij brulde en kwam terug om bezit van zijn aandeel
-te nemen. Dit wildbraad en een dertigtal kleine kreeften, door de twee
-vrienden gevangen, troostten onze magen over het magere maal van den
-vorigen dag.
-
-Van den top van den heuvel woonden wij het ondergaan der zon bij; eene
-stevige koelte bracht het hooge gras in beweging en deed het als eene
-vloeibare vlakte golven. Aan onze rechterhand teekenden de Cordilleras
-hunne blauwe lijnen af, en de vulkaan van Orizava, waaromheen wij een
-grooten boog beschreven hadden, vertoonde zich in het Westen. Van nu af
-moest de berg ons tot kompas dienen; maar de onmetelijke savanne, die
-zich voor ons uitstrekte, maakte mij voor mijn jongen metgezel bevreesd.
-
-»Moeten wij die groote vlakte doortrekken?" vroeg hij.
-
---Ja, beste Zonnestraal, dat is de kortste weg om Orizava te bereiken.
-
---Maar hoe moeten wij door dat gras komen, dat hooger dan u is.
-
---Daar ligt de moeielijkheid niet; ten koste van een weinig arbeid, zal
-het ons wel een doortocht verleenen.
-
---Hoeveel uren hebben wij wel noodig om die savanne door te trekken?
-
---Hoeveel uren! gij bedoelt zeker minstens drie of vier dagen.
-
---Hm!" gaf mijn arme, lieve jongen ten antwoord.
-
-De koelte nam toe; groote zwarte wolken stapelden zich boven ons op;
-snelle bliksemstralen doorkliefden de lucht. Zware regendruppels
-ratelden op de bladeren, zoodat wij ons haastten in de hut terug te
-keeren. Een donderslag weerklonk, en de regen, door den wind opgezweept,
-maakte ons onder ons afdak nog nat. Weldra ontstond er een vreeselijk
-geraas; de wind deed de boomen buigen, de bliksemschichten volgden
-elkander zonder tusschenpoozen op en verblindden ons door hun rood of
-blauw licht. Jaunet en Verdet sliepen niet meer en meester Job liet
-zekere ongerustheid blijken.
-
-Het vuur was uitgegaan en het water stroomde over den grond. Slechts de
-Encuerado kon te midden van het geraas der ontketende elementen en op
-een drassig geworden grond slapen. Eindelijk verwijderde de donder zich;
-maar de regen bleef gedurende vier uren onophoudelijk vallen. Wij waren
-nat tot op de huid en Lucien klappertandde, niettegenstaande Sumichrast
-en ik hem tusschen ons beiden beschut hadden. De wolken openden zich
-evenwel en eenige sterren begonnen te schitteren.
-
-Tegen middernacht hernam de opgehelderde lucht hare azuurblauwe tint en
-de maan verlichtte flauwtjes het bosch. De Encuerado, die wakker was
-gemaakt, hielp ons het vuur weer in orde brengen, maakte een kop koffie
-gereed, en allen gingen wij slapen, na eerst andere kleeren te hebben
-aangetrokken en den versterkenden drank te hebben genoten.
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-VERTREK.--DE SAVANNE.--DE DRAAGBAAR.--VERDWIJNING VAN DEN
-ENCUERADO.--WIJ LATEN JAUNET EN VERDET AAN HUN LOT OVER.--MEESTER JOB
-WORDT TER DOOD VEROORDEELD.
-
-
-De Encuerado liet ons een gat in den dag slapen. Het den vorigen dag
-gedoode wild, door de roofdieren half afgeknaagd, gaf reeds een weinig
-aanlokkelijken geur af; maar de Indiaan was op de kreeftenvangst gegaan
-en de opbrengst was voldoende om ons te verzadigen. Nu werd de moeilijke
-vraag over het vertrek opgeworpen. Sumichrast wilde eene schuinsche
-richting inslaan, om te trachten prairieën te bereiken waar het gras
-minder hoog was dan dat, hetwelk wij voor oogen hadden en waar de
-aanwezigheid van heesters den marsch minder eentonig zou maken. De
-Encuerado was van een tegenovergesteld gevoelen; volgens hem moesten
-wij maar flinkweg de Savanne in de geheele lengte doortrekken; dat was
-wel een moeielijke marsch van drie of vier dagen het hoofd bieden, maar
-men zou althans het doel bereiken, want over het algemeen worden de
-prairieën van 't Noorden naar 't Zuiden smaller. Ik deelde het gevoelen
-van den Indiaan en onze bewijsgronden overtuigden onzen metgezel.
-
-Zoo zonder beschutting en beladen als wij waren onder de stralen van een
-loodrecht staande zon te loopen, zou eene zinneloosheid zijn geweest. Ik
-besloot derhalve dat wij eerst tegen den avond zouden opbreken en dat
-wij slechts des nachts zouden reizen. Lucien was daarover in de wolken.
-
-De Encuerado maakte lange staken, die, in den grond gestoken zijnde,
-dienen moesten om de huiden op te doen rusten en zoo eene soort van
-tent te vormen. De bagage werd gelijkelijk verdeeld en alle nuttelooze
-ballast weggedaan; ik telde onze maïskoeken, die ons eenig voedsel
-zouden uitmaken. Zonder ons al te zeer op rantsoen te moeten stellen,
-hadden wij gelukkig nog voor acht dagen levensmiddelen. Het water maakte
-ons het meest bezorgd. De waterflesschen werden tot aan den hals gevuld
-en luchtdicht gesloten. De Encuerado stelde toen voor nog wat kreeften
-te vangen; die dieren hebben een taai leven en vijf of zes dozijnen
-waren voldoende om ons twee of drie maaltijden te verschaffen.
-
-Het voorstel van den Encuerado werd met algemeene stemmen aangenomen;
-hij bracht ons op den oever der beek, op een plek, waar hij 's morgens
-stukken vleesch had neergeworpen. De kreeften hadden zich in menigte
-om dit lokaas verzameld; Lucien en zijn vriend vingen er eene groote
-hoeveelheid van. Een tatoe, door Sumichrast gedood, kwam in den pot,
-waar de rijst reeds kookte; daarna ging men in de schaduw liggen om zich
-tot den eersten dagmarsch voor te bereiden.
-
-Tegen vier uur werden wij door den Encuerado geroepen. Het middagmaal
-werd zeer vroolijk gebruikt; men sprak over niets anders dan over de
-thuiskomst; het was, alsof wij reeds aan ons einddoel waren. Ik bood
-den gasten een druppeltje cognac aan, dat op mijne gezondheid gedronken
-werd--welke beleefdheid ik moest beantwoorden door opnieuw de kostbare
-flesch te ontkurken. Als men ons zoo over de doorgestane beproevingen
-hoorde praten, zou men een oogenblik hebben kunnen meenen, dat Orizava
-achter den heuvel lag, welke boven de beek uitstak. De ondergaande zon
-riep ons tot de werkelijkheid terug. Iedereen nam zijne vracht op en
-Sumichrast trad het eerst tusschen het hooge gras, van nabij door Lucien
-gevolgd.
-
-»Welnu, meester Zonnestraal, nu zijt gij even goed verborgen achter deze
-dorre halmen als in een woud. Zijn uw laarzen goed ingesmeerd? Gij weet
-dat wij gedurende een paar weken door deze vlakten moeten marcheeren."
-
-»Waar zijn dan de wilde stieren en paarden?"
-
---God geve, dat wij ze spoedig mogen ontmoeten; in de eerste plaats
-omdat zij ons den weg naar de poelen en rivier zullen wijzen, waar zij
-hunnen dorst lesschen en ten tweede, omdat zij ons, zoo noodig, eene
-goede schotel zouden bezorgen.
-
---Valt er dan in de Savannen niets te jagen?
-
---Niet als het gras zoo hoog is. De dieren wagen zich niet in deze
-eenzaamheid, tenzij een boschje hen mocht aantrekken.
-
---En de vogels?
-
---Die zullen niet te voorschijn komen voor en aleer het gras kort bij
-den grond zal groeien, uitgezonderd de roofvogels, die misschien boven
-ons zullen zweven als boven eene prooi.
-
-Gringalet, die verplicht was in het pad te blijven, dat door Sumichrast
-gemaakt was, scheen geheel teleurgesteld, dat hij niet als naar gewoonte
-links en rechts kon rondspringen. Ik merkte op dat hij van tijd tot tijd
-jankte en achterwege bleef.
-
-»Is de Encuerado dan aan 't hoofd van den troep?" vroeg ik mijn vriend.
-
---Neen, ik open den marsch.
-
---Ohé! Ohé! riep ik.
-
---Hioe, hioe, antwoordde in de verte de stem van den Indiaan, die na
-vijf minuten weer bij ons was en door Gringalet met liefkoozingen werd
-overladen.
-
---Zijt gij van plan om te verdwalen? Wat is er gebeurd?
-
---Niets, Tatita niets; dat wil zeggen, dat gij 't wel zult zien...., als
-'t lukken wil...
-
---Wat?
-
---Dat zult gij wel zien," hernam de Indiaan, knipoogende en bij
-zich-zelven lachende.
-
-Hij ging nu weer achter Lucien loopen.
-
-Gedurende meer dan een uur werd er geen woord gewisseld; wij liepen
-in een halfdonker voort en onze stemmen, waarmede wij beurt om beurt
-Gringalet riepen, bewezen ons, dat wij allen bijeen waren. De maan kwam
-uit de wolken te voorschijn; maar verloren tusschen het reusachtig gras,
-liet de beperkte horizon ons niet toe, de wonderbare lichteffecten, die
-zij moest voortbrengen, te aanschouwen.
-
-Jaunet en Verdet werden twee- of driemaal wakker en begonnen te
-keuvelen; zij werden zoo luidruchtig dat Sumichrast zich omkeerde.
-
-»Wat drommel vertellen uwe papegaaien toch?" vroeg hij den Indiaan.
-
---Ik heb het maar half verstaan," antwoordde de Encuerado »maar wat
-zouden zij anders kunnen zeggen, dan dat wij moesten slapen, in plaats
-van in de maneschijn te wandelen?
-
---En zegt gij hun dan niets terug?
-
---Waartoe zou dat dienen? Ik heb hun gisteren alles aan 't verstand
-gebracht,--des te erger voor hen als zij 't niet begrepen hebben."
-
-De marsch werd voortgezet; meester Job, die op mijn arm sliep opende
-slechts de oogen om van plaats te veranderen.
-
-[Illustratie: Lucien begon hen opnieuw de namen van Hortense en Emile
- voor te zeggen. (blz. 305)]
-
-»Sla een weinig rechts af! Tatita Sumichrast," riep de Encuerado
-eensklaps uit.
-
---Waarom dat?
-
---Zie maar eens achter u.
-
-Ik keek om, en in de verte bemerkte ik het schijnsel van een groot vuur.
-De Indiaan had van onzen slaap gebruik gemaakt om op den top van den
-heuvel eene groote houtmijt op te richten en bij het vertrek was hij in
-gebreke gebleven haar in brand te steken. Lucien zag, op den schouder
-van Sumichrast gezeten, een zwaren rook ten hemel stijgen; plotseling
-schoten heldere vlammen te voorschijn en weerkaatsten zich, zonderling
-genoeg voor ons, als op de oppervlakte van een meer. Onze marsch werd,
-dank zij dit richtpunt, zekerder; maar allengs verminderde het vuur en
-weldra zagen wij niet meer dan eene rookzuil die, daar er geen wind was,
-recht omhoog steeg.
-
-Wij marcheerden zonder ophouden gedurende meer dan vijf uren; ik stelde
-eene halt voor. Wij behoefden ons slechts op het gras uit te strekken
-om een zacht bed te vinden, en Lucien sliep spoedig in. Lang voor het
-aanbreken van den dag wekte de Indiaan ons, en na goed zijne richting
-te hebben genomen, voerde hij ons aan. Niettegenstaande de half geuite
-klachten van Lucien, werd de marsch met kracht hervat. Bij den eersten
-zonnestraal klom ik op de schouders van Sumichrast, om den horizon te
-onderzoeken. Rechts bespeurde ik de blauwachtige, door den vulcaan
-beheerschte bergen; en verder om ons heen eene effene vlakte, die
-door den morgenwind bewogen werd. De in den grond gestoken staken
-ondersteunden de aaneen bevestigde tijgervellen. Er werd eene groote
-oppervlakte ruim gemaakt en een in den grond gemaakt gat diende voor
-haard. Onze kreeften waren goed versch gebleven. Terwijl de Encuerado
-ze in het gat roosterde, bewaakte ik met Sumichrast de richting van de
-vlam, want voor onze veiligheid moesten wij zorg dragen de Savanne niet
-in brand te steken. Door onze waakzaamheid gelukte het ons het vuur
-binnen zijne perken te houden, maar de half verkoolde kreeften smaakten
-zoo naar den rook, dat ik dacht, dat wij ze niet zouden kunnen eten. Een
-weinig piment hielp evenwel om ze door te slikken, en toen het uur van
-rusten daar was, werd het vuur zorgvuldig uitgedoofd.
-
-Ik werd tegen den middag wakker, half geblakerd door de zon, die de
-schaduw had verplaatst. Ik schudde mijne makkers wakker, opdat zij van
-plaats zouden veranderen, en Lucien, die de opvoeding zijner papegaaien
-niet wilde verwaarloozen, begon hun opnieuw de namen van Hortense en
-Emile voor te zeggen. De warmte deed ons bijna stikken en ik raadde den
-knaap aan, opnieuw te gaan slapen.
-
-Bij het ondergaan der zon vatte de Encuerado zijne mars weer op en nam
-de voorhoede in. Deze tweede nacht ging evenals de eerste voorbij en
-wij hadden minstens acht mijlen afgelegd. Lucien kon niet meer, zoodat
-wij een weinig voor het aanbreken van den dag moesten kampeeren. De
-gerookte kreeften maakten andermaal onzen maaltijd uit; Jaunet en Verdet
-beklaagden zich, naar het zeggen van den Encuerado, dat zij niets anders
-dan palmnoten te knabbelen kregen. Meester Job nam zonder tegenstand de
-kreeften aan en peuzelde ze op, zonder ze van de schaal te ontdoen.
-
-De derde nachtmarsch, door vijf of zes halten onderbroken, werd tot den
-ochtendstond voortgezet.
-
-Bij de eerste schemering onderzocht ik opnieuw den gezichteinder;--nog
-altijd de blauwachtige bergen aan de rechterhand, en verder overal de
-eenzame, doodsche vlakte. Dien dag moest men zich met maïskoeken
-tevreden stellen; maar de hoop, dat wij eindelijk het bosch zouden
-bereiken, beurde zelfs onzen kleinen reisgezel op. »Nog een nacht,"
-herhaalden Sumichrast en de Encuerado, »en rust en overvloed wachten
-ons."
-
-De vierde marsch was veel moeielijker, vooral voor den armen Lucien,
-die soms hinkte. »Wij zullen spoedig boomboschjes en kudden ontmoeten,"
-sprak Sumichrast tot hem; »'t is onze laatste beproeving. Na zoo dapper
-de groote wouden doortrokken te zijn, zult gij u toch zeker niet door de
-savannen willen laten overwinnen."
-
---»Neen," antwoordde de wakkere knaap; »ik zou zelfs vlugger willen
-vooruitkomen als ik kon; ik weet dat ik mijne lieve moeder zal weerzien;
-maar mijne voeten doen zoo'n pijn."
-
---He, Chanito, gij hadt niet gedacht dat de savannen zoo groot waren?
-
---»Noch zoo droevig," antwoordde Lucien.
-
-De dag brak aan. Ik peilde opnieuw den gezichteinder, zonder iets anders
-te zien dan hemel en gras. »Ik vrees, dat wij op een verkeerden weg
-zijn," sprak ik tot den Encuerado, »God geve, dat wij niet gedurende
-drie dagen op goed geluk af ronddraaien."
-
---Neen, Tatita, de vulkaan is altijd rechts.
-
---»Op den afstand, waarop wij er ons van bevinden, kunnen wij twintig
-mijlen afwijken, zonder er erg in te hebben."
-
-De Indiaan klom op zijne mars en onderzocht nauwkeurig de gedaante van
-de bergen.
-
-»Wij zijn op den goeden weg," sprak hij met overtuiging, »de savanne is
-lang, dat is alles."
-
-De verzekering van den Encuerado stelde mij slechts ten halve gerust.
-De voeten van Lucien kwamen vol blaren; hij kon niet langer de groote
-marschen volhouden, die wij verplicht waren te doen. Dat loopen in de
-eenzaamheid en de duisternis vermoeide hem buitengewoon. Een weinig voor
-het aanbreken van den nacht, maakte ik den armen jongen wakker en nam
-hem bij de hand; hij kon zijne voeten nauwelijks neerzetten. Eensklaps
-bemerkte ik, dat hij schreide; ik nam hem op mijne armen en daar viel
-hij in slaap.
-
-Het was nauwelijks tien uur in den avond; ik kon er niet toe besluiten
-een nacht te verliezen en onder de stralen van een rechtstaande zon
-konden wij niet op den dag marcheeren. De Encuerado maakte met behulp
-van de riemen en staken, die dienden om onze tent te ondersteunen, een
-draagstoel van eene nieuwe soort, waarop wij den knaap lieten zitten.
-Sumichrast vatte de stokken, teneinde mij onzen lieven reismakker te
-helpen dragen. Dien nacht verrichtten mijn vriend en ik wonderen, wij
-moesten honderdmaal stilstaan, om de verdooving uit onze armen te
-verdrijven, maar wij hadden verscheidene mijlen afgelegd. De dageraad
-brak nauwelijks aan, of ik ondervroeg weer den gezichteinder:--helaas!
-er was niets veranderd; ik bemerkte slechts troepen zwarte gieren en
-hunne tegenwoordigheid scheen mij niets goeds te voorspellen.
-
-Sumichrast, die de staken in den grond had geslagen, om de tijgerhuiden
-er over te hangen, wierp zijn machete naar den kant van de mars toe. Bij
-het neervallen stiet de punt van het wapen tegen de reserve-waterflesch,
-die barstte, zoodat de inhoud er uitvloeide. De Encuerado uitte een
-kreet en zag ons met vertwijfeling aan,--dit ongeval maakte onzen
-toestand bijna wanhopig. Sumichrast ging met het hoofd in de handen
-zitten en scheen zoo terneergeslagen, dat ik hem trachtte op te
-beuren.--Ik ging naast Lucien liggen, wiens voeten hoe langer zoo meer
-opzwollen; na eene korte rust genomen te hebben, stelde ik voor den weg
-te hervatten en de zonnestralen te trotseeren; maar deze onzinnige
-onderneming moesten wij weldra opgeven.
-
-Bij de eerste schaduw de beste nam de knaap weer op de draagbaar plaats.
-Treurig omdat hij zich niet op de been kon houden, leed hij onder onze
-inspanning en omhelsde hij ons telkens, als wij staan bleven om adem
-te scheppen. Wij drukten hem in onze armen en omhelsden hem; deze
-liefkoozingen hernieuwden onzen moed. Niettemin was deze nacht nog
-moeielijker dan de vorige; de dorst kwelde ons, en het voedsel, waartoe
-wij veroordeeld waren, herstelde slechts ten deele de verloren krachten.
-Evenals den vorigen dag, werd de gezichteinder met koortsachtigen angst
-onderzocht en ook nu nog bespeurden onze blikken niets dan de
-uitgestrekte vlakte.
-
-Wij hielden raad; helaas! er bestond slechts één redmiddel om uit onzen
-toestand te geraken: n.l. loopen.
-
-»Zullen wij dan verplicht zijn meester Job op te eten!" had de Encuerado
-gevraagd.
-
-Lucien had zijne armen naar het ongelukkige dier uitgestrekt, als om het
-te beschermen. Ik had het voorstel van den Indiaan ook verworpen; maar
-ik moest bij mij zelven bekennen, dat wij binnen vier en twintig uren
-tot dat uiterste zouden gedwongen zijn.
-
-Het was de 21 Juni, juist twee maanden nadat wij Orizava hadden verlaten
-en op het punt waren van thuis te komen. Toen wij meenden van alle
-ernstige ongevallen bevrijd te zijn, kwam die eindelooze savanne hare
-woeste vlakte voor ons uitbreiden. Wij werden zichtbaar mager en het
-water, dat ons overbleef, werd druppelsgewijze door Lucien opgedronken.
-Nog één dag, en onze maïskoeken zouden op zijn en wat hielp ons onze
-rijst zonder water? De vermoeidheid overwon onze bezorgdheid en wij
-sliepen in.
-
-Ik werd tegen vier uur in den middag wakker; ik klom op de mars om de
-ruimte te overzien en riep daarna den Encuerado. Weldra voegden de
-stemmen van Sumichrast en Lucien zich bij de mijne, om den naam van den
-Indiaan te herhalen,--vergeefsche moeite, ons schreeuwen bleef zonder
-antwoord. Ik klom op de schouders van Sumichrast; voor mij was het gras
-door eene voor doormidden gesneden. Dat was de weg, dien onze makker
-zich gebaand had, die, wij konden er niet meer aan twijfelen, van onzen
-slaap gebruik had gemaakt om zich met Gringalet te verwijderen.
-
-»Dat is onmogelijk!" riep ik uit, op eene zwijgende ondervraging van
-mijn vriend antwoordende; »neen, de Encuerado kan ons niet in den steek
-hebben gelaten!"
-
-De geheele nacht ging in wachten voorbij, de Indiaan had zijn geweer
-meegenomen en ik begon te vreezen dat hij, bij het zoeken naar een buit,
-in de vlakte verdwaald was geraakt. Wij luisterden zonder ophouden toe;
-ik schoot herhaalde malen mijn revolver af; maar de knal stierf zonder
-echo weg. De dag brak aan.
-
-Gedurende twee uren beschreef ik groote kringen om ons kamp, vreezende
-dat de Encuerado misschien in een gat kon gevallen zijn; maar in dat
-geval zou het blaffen van Gringalet ons gewaarschuwd hebben. Een vlug
-besluit was onvermijdelijk. Lucien, die twee dagen had uitgerust, moest,
-het kostte wat het wilde, loopen. De bagage werd op goed geluk af op
-eenen hoop bijeengezet; ik gaf Jaunet en Verdet de vrijheid, en liet
-den armen vogels den zak rijst, dien wij niet konden medenemen. Daarna
-maakten wij ons, met onze geweren en helaas! bijna ledige veldflesschen
-beladen, gereed om ons te verwijderen, zonder dat wij den moed hadden
-Lucien, die meende dat wij zijn vriend te gemoet gingen, uit de dwaling
-te helpen. Na den horizon onderzocht te hebben, plaatste ik meester Job
-op mijn schouder en opende ik voor mijne makkers den weg.
-
-
-
-
-XXXV.
-
-DE DORST.--TERUGKEER VAN DEN ENCUERADO.--DE KLEINE ZWERFTOCHT.--JAUNET,
-VERDET EN ROUGETTE.--JACHT OP WILDE PAARDEN.--EEN MONSTER.--LAATSTE
-AVONTUUR.--HET GEMATIGDE LAND.
-
-
-De onderneming bleek boven onze krachten te zijn; hijgende, stikkende,
-door den dorst gekweld, betreurde ik het, dat wij niet gedurende den
-nacht gemarcheerd hadden. Wat zouden wij niet gegeven hebben voor een
-dier onweders, die ons acht dagen te voren zoo hinderlijk waren geweest?
-Maar het uitzicht van den hemel ontnam ons zelfs deze laatste hoop.
-
-In den namiddag deelde ik eenige stukken maïskoek uit en moest men zich
-met een slokje water tevredenstellen. Lucien klaagde niet meer; maar de
-vermoeidheid en zijne pijnlijke voeten verwekten verschijnselen van
-koorts, waarover ik mij ongerust begon te maken.
-
-»Ik heb dorst", herhaalde hij zonder ophouden; »mijne voeten doen erg
-zeer; maar ik zou genezen zijn, als ik kon drinken."
-
-Herhaalde malen reikte mijn vriend hem zijne veldflesch over,--dan was
-zijne marteling een weinig minder, doch zij keerde weldra terug. De
-nacht naderde en wij maakten ons gereed tot een wanhopigen marsch. Een
-slokje cognac verschafte ons schijnbaar kracht, waarvan ik besloot
-gebruik te maken. Nog vóór de zon onderging, nam ik Lucien op mijne
-schouders en ging ik vooruit. Ik moest twintigmaal stil blijven staan
-om adem te scheppen en twintigmaal werd de marsch weer hervat. Lucien
-volgde ons nu en dan hinkende. Tegen tien uur waren onze krachten
-uitgeput doch gelukkig vertoonde zich een goed voorteeken: het gras werd
-minder hoog.
-
-»Wij zijn gered!" riep ik uit.
-
---Drommels, drommels!" antwoordde Sumichrast met zijne gewone
-koelbloedigheid, »'t werd tijd."
-
-Na eene vrij lange rust maakte ik mij gereed om Lucien te wekken, toen
-ik een dof geluid meende te hooren. Ik schoot op goed geluk mijn geweer
-af; maar het schot stierf zonder echo weg,--wij hadden ons vergist.
-
-De arme Lucien stond op en zijn eerste woord was ons wat water te
-vragen; ik gaf hem eenige druppels met cognac vermengd.
-
-»Wat zou mama bedroefd zijn," zeide hij »als zij wist dat wij geen water
-hebben."
-
---»Dat is mijne schuld," riep Sumichrast uit, zijn gelaat met de handen
-bedekkende.
-
---»'t Gaat al beter, ik heb geen dorst meer," sprak de knaap, die naar
-Sumichrast toeijlde en hem omhelsde. »Komt, laat ons loopen; gij zult
-zien dat ik bijna niet meer hink."
-
---»Gij hebt gelijk, op weg!" herhaalde Sumichrast. Hij beurde Lucien met
-kracht op en begon met vaste schreden te loopen. Ik nam meester Job op,
-die zeker wel verbaasd over deze nachtelijke reizen moet geweest zijn.
-
-Eensklaps weerklonk een dof geluid; ditmaal hadden wij ons niet vergist.
-Ik bleef staan om beter te kunnen luisteren; een schot deed de lucht
-trillen.
-
-»De Encuerado!" riep ik uit.
-
-Ik omhelsde Lucien herhaalde malen, Sumichrast schoot zijn geweer af en
-een nieuwe losbranding beantwoordde zijn schot. Ik had, op mijne beurt,
-de oogen vol tranen.
-
-Het geraas naderde; men hoorde het galoppeeren van een paard, een bekend
-blaffen weerklonk.
-
-»Gringalet," sprak Lucien.
-
---Hioe.... hioe... hioe... Chanito!....
-
-Onze ontroering liet ons nauwelijks toe antwoord te geven op het roepen
-van den Indiaan, die van zijn paard sprong en op den knaap toeliep,
-wiens hoofd hij tegen zijne borst drukte. Gringalet ging geheel uitgeput
-op den grond liggen, na met zijn neus tegen onze beenen gewreven te
-hebben.
-
-Ik naderde den Encuerado, toen zijne oogen zich eensklaps sloten; hij
-sloeg zijne armen uit en viel als levenloos neder. Ik ijlde op hem toe
-en ontrukte hem zijne veldflesch; zij was vol! Door Sumichrast geholpen,
-goot ik eenige druppels cognac tusschen zijne opeengeklemde tanden.
-Langzamerhand kwam hij weer bij kennis en zag ons verbaasd aan.
-
-»Drink," zeide ik hem.
-
-Hij bracht de flesch aan zijne lippen en riep uit:
-
-»'t Is voor Chanito."
-
-Ieder dronk op zijne beurt; daarop gaf de Indiaan ons een stuk
-geroosterd vleesch. Ik droeg zorg de porties te verdeelen.
-
-»Eet gij op uw gemak," sprak ik tot den Encuerado.
-
---O, ik heb even goed honger als gij; sedert ik u verlaten heb, heb ik
-noch gegeten noch gedronken.
-
-De bezwijming van den braven Indiaan week nu. Ik zag hem met
-verwondering aan.
-
-»Als ik gegeten of gedronken had, zou ik hebben willen slapen,"
-antwoordde hij op den eenvoudigsten toon van de wereld, »en wat zou er
-dan van u geworden zijn? Maar honger en dorst hebben mij zóó geprikkeld,
-dat ik geen oogenblik verloren heb."
-
-»Dat is krankzinnigheid," riep ik uit.
-
-»Eene heldhaftige krankzinnigheid," herhaalde Sumichrast, de hand van
-den Indiaan drukkende.
-
-»Neen," sprak hij, »gij moet mij niet voor krankzinnig aanzien, ik heb
-naar mijne beste weten gehandeld."
-
---»Groot kind," hervatte ik, »gij hadt uwe krachten moeten herstellen;
-als zij u verlaten hadden, wat zou er dan van ons worden!
-
-De Encuerado hoorde mij niet meer; hij was in een diepen slaap gevallen.
-
-Wij volgden zijn voorbeeld.
-
-Bij ons ontwaken besteeg de Encuerado zijn paard, een jongen
-appelgrijzen schimmel met somber en vurig oog, dat hij liet zwenken,
-nam Lucien vóór zich en ontlastte mij van meester Job. Toen de voor
-volgende, die wij op onzen marsch in het gras gemaakt hadden, voerde
-onze gids ons naar onze bagage terug, die wij dachten dat door Jaunet en
-Verdet wel verlaten zou zijn.
-
-»Wij hebben veel naar je gezocht," zeide Lucien tot zijn vriend »en
-wij waren zeer bedroefd over je vertrek. Papa vreesde eerst dat je een
-ongeluk was overkomen; maar Gringalet was bij je."
-
---Waarom zijt gij vertrokken zonder ons te waarschuwen? vroeg
-Sumichrast.
-
---Omdat gij mij belet zoudt hebben mijn plan te volgen. Toen wij zijn
-gaan liggen, hield ik mij alsof ik sliep; maar ik dacht er aan, dat onze
-voorraad weldra op zou zijn, dat Chanito weldra niet meer in staat zou
-zijn te loopen en dat die drommelsche mand onzen marsch zou vertragen.
-Ik was overtuigd, dat wij spoedig bosschen en kudden moesten ontmoeten.
-Ik ben niet bang voor de zon; ge waart dan ook nauwelijks ingeslapen of
-ik ben naar de flesch cognac gegaan en heb er twee of drie slokken
-uitgenomen...
-
-Bij deze bekentenis zag de Indiaan mij angstig aan.
-
-»Gij hadt de geheele flesch meê moeten nemen," riep ik uit; »gij wist
-wel dat wij er nog een hadden. Maar vertel verder."
-
---De cognac is een goede raadgever, Tatita; hij zeide mij: ga, ga
-dadelijk. Toen heb ik mijne flesch en mijn geweer genomen en heb ik
-Gringalet zachtjes geroepen. Eenmaal buiten het bereik van uwe ooren,
-heb ik den looppas aangenomen, zooals gij dat noemt. Als gij de tong
-van Gringalet eens gezien hadt, Chanito, hij had eenen dorst!...
-
---»En gij dan?"
-
---Ik ook; maar om te kunnen drinken, moest ik eerst loopen; ik had
-evenwel veel lust wat te rusten; maar dan dacht ik aan u en liep nog
-eens zoo hard.
-
-Ik drukte de hand van mijn wakkeren dienaar, wiens oog van voldoening
-schitterde.
-
-»Zonder te weten hoe, struikelde ik," zoo vervolgde hij, »en het scheen
-mij toe, alsof ik insliep. Toen ik de oogen weer opende, was de zon
-verdwenen en Gringalet likte mij het gelaat. Ik stond half verdoofd
-op... dat kwam van den cognac.
-
---»Dat kwam van uitputting," zeide ik.
-
---Ik heb den cognac goed aangesproken, Chanito; Gringalet zou u kunnen
-vertellen, hoe ik hem de waarheid heb gezegd. Ik hervatte mijn loop;
-mijn gezicht verduisterde; maar de koelte van den nacht frischte mij
-weer op. Ik zag groote zwarte vormen voor mij en ik wreef in mijne oogen
-om ze te verdrijven, maar hoe meer ik wreef, des te grooter werden de
-vormen; het waren boomen, ik heb den eersten, dien ik ontmoette, omhelsd
-en ik begon te schreien, altijd zonder te weten waarom."
-
-De knaap drukte zich ontroerd tegen den ruiter aan.
-
-»Wat een mooie boom, Chanito! Op den stam groeide een Paaschbloem; ik
-dronk een slokje water en gaf het overige aan Gringalet, ik ben gaan
-zitten om den dag af te wachten, want ik sliep staande....
-
---»Arme Chema!" murmelde de knaap.
-
---De zon begon zich reeds te vertoonen, toen ik wakker werd. Ik begaf
-mij onder de boomen en in minder dan een kwartier was ik het bosch
-doorgeloopen; ik bemerkte toen een groot meer, paarden en stieren....
-
-»En waart gij toen aan het eind van uw lijden?" vroeg Sumichrast.
-
---Ja, oogenschijnlijk; maar, ziet gij, de ante-burro wilde zich wreken;
-mijne krachten begaven mij en mijne verstijfde beenen konden nauwelijks
-eene beweging maken. Ik heb meer dan vier uur noodig gehad, om dezen
-drommel te vangen," vervolgde de Indiaan, zijn paard een slag gevende,
-zoodat het opsprong.
-
---Het kwam van honger, dorst en vermoeidheid.
-
---En waarom zou ik honger en dorst hebben gehad, als 't niet door den
-ante-burro kwam? Denkt gij dan dat Tata Sumichrast, zonder dat
-verwenschte dier ooit de veldflesch zou gebroken hebben? Wij zullen in
-'t vervolg die _crustaceeën_[47] met vrede laten, want zij behooren tot
-de familie des duivels.
-
-[47] Crustacee = schaaldier.
-
-»Vertel verder," zeide ik, niet zonder te glimlachen om het woord
-_crustacee_, dat zoo zonderling door den Indiaan werd toegepast.
-
---Ik slaagde er eindelijk in dit veulen, dat aan zijn dij het merk van
-den eigenaar draagt, aan mijn lazo te krijgen. Eerst was het weerbarstig
-en droeg mij als de wind tusschen de stieren; maar ik werd boos en het
-herkende mij als zijn meester. Een kalf, dat om ons kwam snuffelen,
-verschafte mij eenen bout. Toen het vleesch gebraden was, hernam ik den
-weg, dien ik eerst gevolgd was, met zooveel snelheid, dat Gringalet zich
-er meermalen over beklaagde.
-
---Zijt gij dan naar het bivak teruggekeerd?
-
---Ja, en ik heb daar Jaunet en Verdet gezien, die zich vol rijst hadden
-gegeten en om drinken vroegen.
-
---Wat? waren de papegaaien dan niet weggevlogen?
-
---Neen, Tatita; en ik verzeker u, dat zij goed vastgebonden zijn. Uit
-hunne verwarde uitleggingen ben ik te weten gekomen, dat gij op weg naar
-de bosschen waart. Ik ben toen uw spoor gevolgd, heb mijn geweer
-afgeschoten, waarop het uwe geantwoord heeft.
-
---Arme Chema, weet gij wel dat het pijn doet, honger en dorst te moeten
-lijden? sprak Lucien met eenen zucht.
-
---Waarom hebt gij meester Job niet opgegeten?
-
---»Hij was veroordeeld," sprak ik, »uw terugkeer redt zijn leven."
-
-Lucien zag ons verontwaardigd aan; maar wij waren bij onze bagage
-gekomen en de beide papegaaien begroetten ons met een luidruchtig
-geschreeuw. Rougette, die wij gedurende al onze beproevingen vergeten
-waren, werd uit haar braadpan te voorschijn gehaald en in een kalabas
-gezet, waarin de Indiaan een weinig water had geschonken. De kleine
-schilpad stak toen haar neus buiten het venster harer woning.
-
-De lucht bedekte zich met lichte wolkjes en dit buitenkansje deed ons
-besluiten onmiddellijk te vertrekken. Lucien, die op het paard, dat door
-de vermoeidheid gedwee was geworden, geklommen was, droeg meester Job
-en de twee tijgervellen. Daar Gringalet slechts met moeite liep, ging
-hij den aap op het paard gezelschap houden. Wij bereikten het bosch
-eerst tegen middernacht: een groot vuur werd aangestoken en ik sliep in,
-den hemel dankende, die had toegestaan, dat de Encuerado nog bijtijds
-bij ons kwam. Ik werd den volgenden dag laat wakker; een prachtige
-chachalaca braadde reeds voor het vuur, en Lucien, die reeds een bad had
-genomen, ging voort met het onderrichten der papegaaien. Ik ging mij op
-mijne beurt in den poel dompelen, dien de Encuerado met den naam van
-meer had bestempeld en de dag werd verder bij het vuur doorgebracht. Wij
-waren mager geworden; maar onze gezondheid was goed en Lucien verheugde
-zich dat hij geen pijn meer had, niettegenstaande zijne gekwetste
-voeten.
-
-Den volgenden morgen, nadat wij met een stuk kalfsvleesch en eene
-uitstekende rijstsoep ontbeten hadden, vergezelde Lucien ons naar den
-zoom van het boschje; hij steunde op twee stokken, die zijn vriend
-voor hem gesneden had. De Encuerado ging op jacht om ons rijdieren te
-bezorgen. Nadat de vlugge Indiaan den loopenden strik van zijn lazo had
-gereedgemaakt, ging hij in galop naar een troep paarden toe, die in de
-verte aan 't grazen waren; de riem viel over een prachtig dier, dat zich
-tevergeefs verzette. Het omverwerpen, de oogen verbinden en op den neus
-een klem zetten, was het werk van een oogenblik. Nadat hij aan den
-staart van het dier een zwaren tak had gebonden, die zijn loop moest
-vertragen, reed de Encuerado eensklaps op den gevangene weg, die door
-het gewicht van den tak werd uitgeput. In minder dan een uur bracht de
-ruiter het getemd en met zweet overdekt terug. Des avonds waren wij in
-'t bezit van vijf paarden; maar wij waren uitgeput van vermoeienis.
-
-Twee dagen verliepen met het oefenen onzer rijdieren om ze minder
-weerbarstig te maken. Onze levensmiddelen verminderden langzamerhand,
-maar wij waren van onze ongevallen hersteld en de voeten van Lucien
-begonnen te genezen. Het werd hoog tijd om te vertrekken. Bij het
-aanbreken van den nacht wierp ik een laatsten blik op de onmetelijke
-vlakte, waar wij bijna den dood hadden gevonden. Bij de hut teruggekomen
-bleef ik verwonderd staan; ik had hooren blaffen, ofschoon Gringalet
-stil naast ons liep. De Encuerado kroop vooruit; eensklaps zag ik dat
-hij ging zitten en het uitschaterde van 't lachen: de blaffer was geen
-andere dan Verdet, wien Jaunet, maar met minder talent, antwoordde.
-Lucien was in de wolken en streelde zijne beide lievelingen; hij zeide
-hun met meer ijver dan ooit de twee namen voor, die hij hun wilde
-leeren; maar ofschoon zij hun gele oogen half toe deden en met diepe
-aandacht hun kopjes overhelden, konden de twee vogels maar niet aan 't
-praten komen.
-
-Een vreeselijk onweer overviel ons in 't midden van den nacht. Gelukkig
-waren wij goed beschut, zoodat de stroomen water ons niet hinderlijk
-werden. Bij het aanbreken van den dag werd de draagmand op het grijze
-paard bevestigd en de Encuerado, die het paard van Lucien bij den
-teugel hield, opende den marsch. Jaunet en Verdet, die terdeeg dooreen
-werden geschud, schreeuwden zoo hard zij konden en begonnen tot groote
-verbazing van Gringalet te blaffen. Meester Job verborg zich en Rougette
-boette in de braadpan de drie gelukkige dagen, die zij in den poel had
-doorgebracht. De kleine ruitertroep trok in galop vlakten en bosschen
-door. De altijd blauwachtige, maar nu naar 't scheen hoogere bergen,
-bevonden zich vlak tegenover ons en de vulkaan vertoonde ons zijn
-scherpste punt. Eene kudde wilde paarden, door een prachtig bruin
-dier aangevoerd, omringde ons eensklaps en sprong meer dan een uur om
-ons heên; daarop kwamen stieren, die ons vervolgden. Andere kudden
-vergenoegden zich met ons na te kijken; zij hadden op den rug eene
-menigte maden-pikkers[48], die met hunne snavels in het haar wroetten,
-om er de parasieten uit te halen. Wij trokken nog een groot bosch door
-en weldra vlamde onze haard dicht bij eene beek.
-
-[48] Soort spreeuwvogel.
-
-Ik ging in gezelschap van Sumichrast op jacht. Wij liepen langs eene
-opene plaats, toen een groot geraas uit het kreupelhout klonk. Ik maakte
-mijn geweer gereed en bijna op hetzelfde oogenblik zag ik tusschen het
-gebladerte een monsterachtigen kop. Ik week achteruit tot bij mijn
-makker.
-
-»Wat is er toch? gij zijt gansch bleek!"
-
---»Ik ben bang," antwoordde ik; »ik geloof dat ik nu den wezenlijken
-ante-burro gezien heb."
-
---Drommels, drommels! Zullen wij een tot dus verre onbekend dier
-ontdekken!
-
-Het geraas in het kreupelhout bleef aanhouden.
-
-»Pas op," riep ik mijn makker toe, »ik verzeker u dat ik nooit zoo'n kop
-gezien heb."
-
-Op dit oogenblik deinsde ook Sumichrast achteruit, maar weldra barstten
-wij in lachen uit. Het dier, dat er werkelijk monsterachtig uitzag en
-ons zoo verschrikt had, was een paard zonder ooren. Niets is meer
-algemeen dan wilde paarden te zien met neerliggende en onbeweeglijke
-ooren, die inwendig door de insecten zijn uitgevreten; maar ik zag voor
-het eerst een dier, dat geheel zonder ooren was, en men kan er zich geen
-denkbeeld van vormen, welk een zonderling uiterlijk het dan heeft.
-
-De tweede marschdag stelde ons geduld op de proef; wij moesten
-modderachtige moerassen doortrekken, waar onze rijdieren tot aan den
-buik inzakten; ik weet niet hoe wij er te voet door zouden gekomen zijn.
-De vaste grond kwam weer te voorschijn. Wolken vliegen overvielen ons;
-zij hadden het vooral op onze rijdieren gemunt.
-
-Wij dorsten ternauwernood mond en oogen openen en Gringalet huilde als
-een razende. Die bloedzuigers vergezelden ons meer dan een uur; zoodra
-zij ons niet meer vervolgden, werd het bivak opgeslagen.
-
-De bergen kwamen naderbij; wij verwachtten elk oogenblik eene hoeve of
-eene Indiaansche hut te ontmoeten. Toen de nacht kwam, verkondigde geen
-enkel licht ons de nabijheid eener woning.
-
-Eindelijk, in den namiddag van den derden dag, terwijl wij voor twee
-stieren die vreeselijk met elkander vochten, uit den weg wilden gaan,
-kwam een ruiter aanrennen. Deze bleef besluiteloos staan en wendde
-vervolgens, na zijn geweer op ons te hebben afgeschoten den teugel.
-
-»Drommels, drommels!" sprak Sumichrast.
-
-De Encuerado hief zijn geweer op, maar ik belette hem te schieten.
-
-Wij spoorden onze paarden aan, er slechts aan denkende een hacienda
-te bereiken, toen een tweede schot weerklonk en een kogel langs onze
-ooren vloog. Nu zette de Indiaan den verrader achterna, die in galop
-wegvluchtte. Niettegenstaande mijn geschreeuw vuurde de Encuerado en de
-ruiter stortte op den grond.
-
-»Dood hem niet!" riep ik mijn dienaar toe.
-
-»Neen, Tatita, ik heb slechts op zijn paard gemikt. De koeherder was met
-één sprong op de been, en vluchtte wat hij kon. Maar de Encuerado zette
-hem achterna en greep hem weldra bij zijn kraag.
-
-'t Was een jongmensch van nauwelijks zeventien jaar. »Wie zijt gij?"
-riep ik hem toe.
-
---Joce Antonio, een dienaar van God; doe mij geen kwaad!
-
---Waarom hebt gij op ons geschoten?
-
---Ik heb u voor paardendieven aangezien.
-
-Toen de jonge man Sumichrast zag naderen, verdubbelde zijn angst. Dat
-komt omdat wij ons zelven geen rekenschap wisten te geven van het vreemd
-uiterlijk, dat onze gelapte kleeren en onze verwonde gezichten ons
-gaven.
-
-»Van waar komt gij?"
-
---Van de hoeve van Sopilote, bij Amatlan.
-
---Hoeveel mijlen zijn wij nog van het dorp verwijderd?
-
---Zes... Waarlijk ik zag u voor dieven aan, doet mij geen leed.
-
---Gij zoudt evenwel eene kastijding verdienen, want uwe kogels hadden
-ons kunnen verwonden of dit kind dooden.
-
---»De eigenaar van de hoeve van Sopilote is mijn vriend," voegde
-Sumichrast er bij, »en ik beloof u, dat hij u zal weten te straffen."
-
-Ik beval den Encuerado den jongen man los te laten, die het dadelijk
-op een loopen zette.
-
-Toen de nacht viel, bevonden wij ons aan den voet der bergen en het
-lag slechts aan ons, om den grooten weg van Vera-Cruz naar Mexico in
-te slaan. Onze paarden kregen hunne vrijheid terug, begeleid door de
-plichtplegingen en dankzeggingen van den Encuerado. De goede dieren
-waren eerst besluiteloos en bleven een oogenblik met den neus in den
-wind staan. Een hunner hinnikte en schoot vooruit; weldra hoorden wij
-het geluid hunner hoeven niet meer over den grond weerklinken.
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-THUISKOMST.
-
-
-Twaalf mijlen scheidden ons nauwelijks van Orizava, en wij vergingen
-van ongeduld om thuis te komen. Lucien, die geheel hersteld was, beklom
-het eerst den berg. De vogels zongen, de insecten gonsden, de bloemen
-ontloken met een feestgelaat; allengs trokken alle voortbrengselen van
-het Gematigde Land langs onze oogen heen. Als wij nu pas vertrokken,
-zouden wij de bananen-, koffie-, oranje- en citroenboomen bewonderd
-hebben, maar nu wenschte iedereen vleugels te hebben, om spoediger thuis
-te zijn. Bergen, bosschen, valleien werden met eene koortsachtige haast
-over- en doorgetrokken en de nacht alleen kon ons noodzaken rust te
-nemen. Jaunet en Verdet hadden gedurende een groot gedeelte van den
-weg de twee namen gestameld, welke hun jonge meester hun geleerd had.
-
-Om drie uur in den morgen verweet Lucien ons reeds dat wij zoo langzaam
-waren. Wij ontmoetten eene Indiaansche hut; ons verwilderd uiterlijk
-maakte de bewoners eerst bevreesd. Langzamerhand stelden zij zich echter
-gerust en onthaalden ons op gebraden boonen en _tasojo_, in de zon
-gedroogd ossenvleesch. De Encuerado verlichtte zijne mars met wat van
-onzen voorraad overbleef en schonk het onzen gastheer; daarna begon hij,
-tot aan het laatste oogenblik de gebaande wegen versmadende, een heuvel
-te beklimmen.
-
-»O! mama, lieve mama," riep Lucien uit; »als zij eens wist, hoe dicht
-wij in hare nabijheid zijn."
-
-En hij liep met zooveel vuur vooruit, dat wij hem met moeite konden
-volgen.
-
-»Drommels, drommels!" herhaalde Sumichrast, »zijt gij dan het
-spreekwoord vergeten: Wie langzaam gaat, gaat zeker! uwe overijling zou
-ons in een ravijn kunnen doen storten; laten wij, als 't u belieft, zien
-dat wij heelhuids aankomen."
-
-De knaap hield zich in; maar weldra liep hij weer met Gringalet vooruit,
-die eveneens blijde scheen te zijn en begon te begrijpen dat hij weldra
-zijn hok en zijn voerschotel zou terugvinden.
-
-Eensklaps groetten eenige houthakkers mij bij mijn naam. Verrukt over
-de verhalen van den Encuerado, begeleidden zij ons meer dan een uur.
-Zij zagen Lucien vol bewondering aan, en deze zou er zeker hoovaardig
-door geworden zijn, als niet de gedachte dat hij weldra zijne moeder,
-broertjes en zusjes zou omhelzen, elke andere gedachte overheerscht had.
-De Indianen verlieten ons aan den voet van den berg, den laatsten dien
-wij nog over te trekken hadden en waarvan de steile helling onzen ijver
-temperde.
-
-»Emile, Emile, Emile," riep Jaunet.
-
---Hortense, Hortense! antwoordde Verdet.
-
---»Zij kunnen u nog niet hooren," zeide de Encuerado hun, »maar dezen
-avond zult gij kennis met hen maken. Maar ge zult, hoop ik, niet
-vergeten, dat ik, als gij hen ooit bijt, verplicht zal zijn jelui
-ook te bijten en mijne tanden zijn wel zoo goed als jelui bek."
-
-Lucien kwam het eerst op het bergvlak en de vulcaan van Orizava
-vertoonde zich vlak vóór ons. Nog eenige schreden en onze oogen staarden
-op eene onmetelijke vallei,--Orizava strekte zich voor onze voeten uit.
-
-De jonge reiziger beschouwde de stad, waarin hij geboren was; hij
-gevoelde niet eens dat de tranen onwillekeurig langs zijne wangen
-vloeiden; hij strekte de armen uit en snikte.
-
-»Ik schrei omdat ik zoo gelukkig ben," zeide hij tot zijn vriend, die
-hem wilde troosten.
-
-Wij deelden trouwens allen zijne ontroering. Het was de 5 Juli, ik riep
-de verschillende voorvallen van onze reis, die zeven en zeventig dagen
-geduurd had, en gedurende welke wij meer dan driehonderd mijlen hadden
-afgelegd, in mijn geheugen terug. Nu wij de haven bereikten, was ik
-blijde de reis te hebben ondernomen. Ik dankte God voor Zijne blijkbare
-bescherming en voor het laatst gaf ik het teeken tot het vertrek.
-
-Naar gelang wij afdaalden, vertoonde de stad zich ook duidelijker. De
-Encuerado somde de kerken en straten op; eindelijk ontdekte Lucien ons
-huis, dat door een prachtigen oranjeboom gemakkelijk te herkennen was.
-De Borrego, badende in het zonlicht, droeg op zijn top de Fransche vlag.
-Om aan het ongeduld van den knaap te voldoen, die zoo spoedig mogelijk
-thuis wilde zijn, voerde Sumichrast ons in een steil ravijn. De karavaan
-bereikte de vallei juist op het oogenblik dat de klokken den _Angelus_
-luidden.
-
-De zon ging onder en de duisternis omgaf ons. Ieder oogenblik gingen ons
-Indianen voorbij en hier en daar werden de lichten reeds aangestoken.
-De _Rio Bianco_ versperde ons den weg; maar hier en daar vergunden
-verspreide rotsblokken ons haar bijna droogvoets over te trekken.
-Gringalet begon te blaffen en verdween eensklaps als eene pijl. Twintig
-minuten later trokken wij Orizava door de achterafgelegen straten
-binnen, teneinde niet te veel volk op onze hielen te krijgen. De
-beweging in de stad kwam ons zeer vreemd voor. Op vijftig schreden
-afstands van mijne woning namen Lucien en de Encuerado den looppas aan;
-zij vonden het geheele huisgezin op den drempel; Gringalet had onze
-komst aangekondigd.
-
-Toen ik op den binnenhof kwam, vond ik Lucien en zijne moeder in
-elkanders armen schreien; Emile, Hortense en Amelie draaiden rondom de
-mand, waarop Jaunet en Verdet zaten. In een hoek bemerkte ik de kisten,
-welke ik aan Torribio had toevertrouwd.
-
-Met welk een geluk nam ik nu weer in een goeden armstoel en te midden
-der mijnen plaats! Men vond, dat Lucien groot was geworden; maar zijne
-bruine tint, zijne magerte en de litteekens waarmede hij overdekt was,
-legden getuigenis af van de zware beproevingen, die hij ondergaan had.
-
-De Encuerado ging tegen den post van de deur van het salon staan en
-krulde de breede randen van zijn hoed, op gevaar af van ze te misvormen,
-rond.
-
-»Zonder hem zouden wij omgekomen zijn!" zeide ik tot mijne vrouw.
-
-De brave Indiaan kuste de hand zijner meesteres.
-
-»Och! Senora," riep hij met tranen in de oogen uit, »wat is Chanito
-moedig geweest; als gij u de moeite wilt geven meester Job te
-ondervragen, zal hij er u wel een woordje over zeggen; hij heeft hem
-gezien, in de bosschen zoowel als in de Savanne."
-
-Mijne kinderen kwamen de zaal binnenstormen; zij hadden de mand
-doorgesnuffeld en kibbelden nu om de arme Rougette, die in het
-waterbekken in den tuin werd gebracht.
-
-Jaunet en Verdet, op de leuning van een stoel gezeten, herhaalden als om
-strijd de namen van Hortense en Emile; de beide kinderen verbleekten van
-genoegen en verbazing.
-
-»Gij ziet nu wel, dat ik ook met u had kunnen meegaan," riep Emile met
-eene zonderlinge bewijsvoering uit, »de papegaaien kennen mij zelfs."
-
---Neen, geen reizen meer," sprak mijne vrouw; »ik wil mij niet meer aan
-zulke langdurige ongerustheid bloot stellen.
-
---Bah! Bah!" antwoordde Sumichrast; »gij zult meester Zonnestraal nog
-wel eens een klein tochtje toestaan."
-
-Op het zelfde oogenblik kwam meester Job, die zich door Gringalet liet
-voorstellen, vol ernst op het tapijt plaats nemen en liet zich aanhalen.
-
-Hoe gelukkig was ik niet, nu ik mij weer aan tafel bevond, omringd door
-al de wezens, die mijn hart zoo dierbaar zijn! De Encuerado juichte
-Lucien toe, die zijne moeder telkens deed ontroeren door zijn verhaal
-van de voornaamste voorvallen van onze reis.
-
-»Als het mijne beurt wordt om meê in de bosschen te gaan," sprak Emile,
-die in een tijgerhuid gewikkeld binnen kwam, »dan zal ik..."
-
-Hij kon zijn volzin niet voltooien, daar hij verplicht was zijn
-zegeteeken te verdedigen tegen zijn zusje Amelie, die beweerde dat de
-tijgerhuid groot genoeg voor hen beiden was.
-
-»Niet waar, mama, u laat mij nog wel eens met papa meegaan?" vroeg
-Lucien. »Onze verzameling is nog niet voltallig. Den een of anderen tijd
-zullen wij haar toch moeten aanvullen."
-
-In die vraag vond men den jongen natuuronderzoeker terug. Onverzadigbaar
-te zijn is het lot van den verzamelaar.
-
-De arme moeder schudde met het hoofd en omhelsde hem, zonder te
-antwoorden. Maar uit dat stilzwijgen kon men opmaken, dat zij haar kind
-niet gaarne aan de gevaren van eene nieuwe reis zou blootstellen.
-
-
-
-
- +------------------------------------------------------------+
- | |
- | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
- | |
- | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
- | |
- | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
- | |
- | B: 15 |
- | C: 14 |
- | B: ontwaken.--Een Liliput-wereld.--De |
- | C: ontwaken.--Een Lilliput-wereld.--De |
- | B: 23 |
- | C: 22 |
- | B: 821 |
- | C: 121 |
- | B: lichtkevers--De gothische |
- | C: lichtkevers.--De gothische |
- | B: |
- | C: 162 |
- | B: Coyotopec |
- | C: Coyotepec |
- | B: XII. De galwespen.--Een |
- | C: XXII. De galwespen.--Een |
- | B: dadelpruimenboom--De |
- | C: dadelpruimenboom.--De |
- | B: nachtelijk bezoek--Val van een |
- | C: nachtelijk bezoek.--Val van een |
- | B: de Palmboomen-Villa--De Parra |
- | C: de Palmboomen-Villa.--De Parra |
- | B: 299 |
- | C: 269 |
- | B: Ibis.--De kaaimans--De |
- | C: Ibis.--De kaaimans.--De |
- | B: gieren.--De pinolillas--Een |
- | C: gieren.--De pinolillas.--Een |
- | B: den Encuerado--Een kleine |
- | C: den Encuerado.--Een kleine |
- | B: zijn? Kan ik geen hout zoeken, |
- | C: zijn. Kan ik geen hout zoeken, |
- | B: zijn mexicaansche deken (sarapé) |
- | C: zijn Mexicaansche deken (sarapé) |
- | B: beteekent in t Spaansch tegelijkertijd |
- | C: beteekent in 't Spaansch tegelijkertijd |
- | B: ZIJN.--GRINGALET.--ZONSOPKOMST. HET |
- | C: ZIJN.--GRINGALET.--ZONSOPKOMST.--HET |
- | B: Gringalet maar mêe nemen riep |
- | C: Gringalet maar meê nemen riep |
- | B: een sterke Zuidewind, die het |
- | C: een sterke Zuidenwind, die het |
- | B: --O riep Lucien uit, als |
- | C: --O, riep Lucien uit, als |
- | B: spoediger de opgegete suiker te |
- | C: spoediger de opgegeten suiker te |
- | B: de hut eene guitar] met drie snaren, |
- | C: de hut eene guitaar met drie snaren, |
- | B: daarom wilde ik u ok op |
- | C: daarom wilde ik u ook op |
- | B: flammetje danst, met aarde dicht |
- | C: vlammetje danst, met aarde dicht |
- | B: betraden onze voeters een |
- | C: betraden onze voeten een |
- | B: dan vijftienhonderd mijlen boven de |
- | C: dan vijftienhonderd meter boven de |
- | B: over eene uitgestrekheid van verscheidene |
- | C: over eene uitgestrektheid van verscheidene |
- | B: de beide eekhorens braadden. |
- | C: de beide eekhoorns braadden. |
- | B: dat Sumichrost en ik staande en |
- | C: dat Sumichrast en ik staande en |
- | B: huid van de Toerokoes goed bereid en |
- | C: huid van de Soeroekoes goed bereid en |
- | B: van Orizava of Citlapetle, dat |
- | C: van Orizava of Citlatepetl, dat |
- | B: is de Popocatepettl? vroeg hij. |
- | C: is de Popocatepetl? vroeg hij. |
- | B: langzaam en lui. |
- | |
- | Wij zullen |
- | C: langzaam en lui. Wij zullen |
- | B: ge, Chanita, sprak de Encuerado, |
- | C: ge, Chanito, sprak de Encuerado, |
- | B: --Toen de Indiaan een nieuw stuk boomschors oplichte, |
- | C: Toen de Indiaan een nieuw stuk boomschors oplichtte, |
- | B: gerust aanvatten," er is niets |
- | C: gerust aanvatten, er is niets |
- | B: niet anders," de salamander is, evenals |
- | C: niet anders, de salamander is, evenals |
- | B: een der soerokoes kookte, terwijl |
- | C: een der soeroekoes kookte, terwijl |
- | B: afgebeeld met een panter uit kleine |
- | C: afgebeeld met een pantser uit kleine |
- | B: beweerde dat. als God aan den |
- | C: beweerde dat, als God aan den |
- | B: zich tegengehouden, hoe hij zich bij |
- | C: zich tegengehouden, toen hij zich bij |
- | B: er niet aangedacht, dat gij |
- | C: er niet aan gedacht, dat gij |
- | B: door eene instorting die, vier of |
- | C: door eene instorting, die vier of |
- | B: --Stil," dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde |
- | C: --Stil, dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde |
- | B: scheen zich verwijderd te hebben," |
- | C: scheen zich verwijderd te hebben, |
- | B: Indiaan vergistte zich; ik was |
- | C: Indiaan vergiste zich; ik was |
- | B: geeindigd, of Lucien kwam op |
- | C: geëindigd, of Lucien kwam op |
- | B: Zijn de tatoes zeldzaam? |
- | C: --Zijn de tatoes zeldzaam? |
- | B: verwoesten, kunnen meester worden |
- | C: verwoesten, kunnen meester worden. |
- | B: hoe Sumichrait vol zorg de bladeren, |
- | C: hoe Sumichrast vol zorg de bladeren, |
- | B: zooals Gringelet doet. Mama raadde |
- | C: zooals Gringalet doet. Mama raadde |
- | B: invloeden te bezweren. |
- | |
- | Bovendien was de vogel |
- | C: invloeden te bezweren. Bovendien was de vogel |
- | B: _tuza's_,[19], door de landbouwers |
- | C: _tuza's_,[19] door de landbouwers |
- | B: gevreesde mexicaansche mollen, graven. |
- | C: gevreesde Mexicaansche mollen, graven. |
- | B: gescheeuw, de vlucht. |
- | C: geschreeuw, de vlucht. |
- | B: had een nest scolenpenders, gewoonlijk |
- | C: had een nest scolopenders, gewoonlijk |
- | B: dien zij gewoonlijk inboezemenen. |
- | C: dien zij gewoonlijk inboezemen. |
- | B: ceders, olmen en guaiacboomen. De |
- | C: ceders, olmen en gaiacboomen. De |
- | B: SLECHTE NACHT. DE ONTWORTELDE |
- | C: SLECHTE NACHT.--DE ONTWORTELDE |
- | B: SALSAPARILLE. GRINGALET ONTDEKT EENE |
- | C: SALSAPARILLE.--GRINGALET ONTDEKT EENE |
- | B: Cordillera's tegen de roode |
- | C: Cordilleras tegen de roode |
- | B: wanluidende kreeten van hct gevecht, |
- | C: wanluidende kreeten van het gevecht, |
- | B: die ons beschut. Een boom stortte |
- | C: die ons beschut. |
- | |
- | Een boom stortte |
- | B: deze algemeene verwoes, ting zou een tak, |
- | C: deze algemeene verwoesting zou een tak, |
- | B: was van mee- dan een orkaan |
- | C: was van meer dan een orkaan |
- | B: de Indiaan ons, toe dat hij een groep |
- | C: de Indiaan ons toe dat hij een groep |
- | B: ondergaande zon verrastte ons, toen wij |
- | C: ondergaande zon verraste ons, toen wij |
- | B: den vulkaan ware uigebraakt |
- | C: den vulkaan waren uitgebraakt |
- | B: wel, anwoordde Lucien, en de |
- | C: wel, antwoordde Lucien, en de |
- | B: adervleugelige of _neurophtere_, aldus |
- | C: adervleugelige of _neuroptere_, aldus |
- | B: kwaad doen? »vroeg Sumichrast aan |
- | C: kwaad doen? vroeg Sumichrast aan |
- | B: De wilde gayavaboom of Indiaansche |
- | C: De wilde goyavaboom of Indiaansche |
- | B: gayavavruchten over den grond rolden. |
- | C: goyavavruchten over den grond rolden. |
- | B: handje vol gayava's te kunnen |
- | C: handje vol goyava's te kunnen |
- | B: dat de gayavavruchten in vierentwintig |
- | C: dat de goyavavruchten in vierentwintig |
- | B: welke hij ommiddellijk, onder het |
- | C: welke hij onmiddellijk, onder het |
- | B: zeide de Encuerado en slechts goed om |
- | C: zeide de Encuerado, en slechts goed om |
- | B: ook dikwijls schilpadden wonden zien |
- | C: ook dikwijls schildpadden wonden zien |
- | B: soorten uit Azië en Afrika[25] |
- | C: soorten uit Azië en Afrika.[25] |
- | B: die den fezant versmaadde. |
- | C: die den fazant versmaadde. |
- | B: de Encuerado aan Gringolet, |
- | C: de Encuerado aan Gringalet, |
- | B: Gewoonlijk uit zwavel, chroom |
- | C: --Gewoonlijk uit zwavel, chroom |
- | B: werk mijne metgezellen mêe te nemen |
- | C: werk mijne metgezellen meê te nemen |
- | B: een inwoner van Brazilie, dien |
- | C: een inwoner van Brazilië, dien |
- | B: bleven wij voor een gayacboom |
- | C: bleven wij voor een gaiacboom |
- | B: Morgen zal Tato Sumichrast ons vertellen, |
- | C: Morgen zal Tata Sumichrast ons vertellen, |
- | B: massa's. Eenige, die zoo oud zijn |
- | C: massa's voor. Eenige, die zoo oud zijn |
- | B: van St. Ignatius noemen" en waarvan de |
- | C: van St. Ignatius" noemen en waarvan de |
- | B: of _marsupialen_ genoemd worden |
- | C: of _marsupialen_ genoemd worden. |
- | B: holen toe. Een _jaquarete_ |
- | C: holen toe. Een _jaguarete_ |
- | B: ze toch wel goed smaken, |
- | C: ze toch wel goed smaken. |
- | B: oneffenheden zijn, vastklampen, Eensklaps liet de |
- | C: oneffenheden zijn, vastklampen. Eensklaps liet de |
- | B: vinden?" vroeg Luciën, wien dit verhaal |
- | C: vinden?" vroeg Lucien, wien dit verhaal |
- | B: brengen, |
- | C: brengen. |
- | B: waar, Tatito, dat is lekker? |
- | C: waar, Tatita, dat is lekker? |
- | B: betalen." antwoordde ik. |
- | C: betalen," antwoordde ik. |
- | B: XIX |
- | C: XIX. |
- | B: zijn weg overpoosd vervolgd. Ik |
- | C: zijn weg onverpoosd vervolgd. Ik |
- | B: men kon onmogeiijk voortgaan zonder ze bij |
- | C: men kon onmogelijk voortgaan zonder ze bij |
- | B: huid van den fraaien Saurier |
- | C: huid van den fraaien Sauriër |
- | B: --Een metereologisch verschijnsel, gelijk |
- | C: --Een meteorologisch verschijnsel, gelijk |
- | B: weinig uren voordoen. Geen boomen. |
- | C: weinig uren voordoen. Geen boomen, |
- | B: »Een pad,,' riep deze eensklaps uit. |
- | C: »Een pad," riep deze eensklaps uit. |
- | B: --Wij wisselden een blik; daarna, |
- | C: Wij wisselden een blik; daarna, |
- | B: gasten van Coyotopec; komt mede." |
- | C: gasten van Coyotepec; komt mede." |
- | B: Coyotopec--steenen chacal--kon ongeveer |
- | C: Coyotepec--steenen chacal--kon ongeveer |
- | B: WORDEN SCHRIJNWERKERS. DE ENCUERADO |
- | C: WORDEN SCHRIJNWERKERS.--DE ENCUERADO |
- | B: WAAIERPALMEN. DE ADVOCAATBOOM.--DE |
- | C: WAAIERPALMEN.--DE ADVOCAATBOOM.--DE |
- | B: GIER. EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.--DE |
- | C: GIER.--EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.--DE |
- | B: magere soep van maiskoeken |
- | C: magere soep van maïskoeken |
- | B: borbonica_. (_Livistonia sinensis_), is een |
- | C: borbonica_ (_Livistonia sinensis_), is een |
- | B: XV. |
- | C: XXII. |
- | B: Deze fraaie meerl, bijvoorbeeld, |
- | C: Deze fraaie merel, bijvoorbeeld, |
- | B: voorbrengt. |
- | C: voortbrengt. |
- | B: Onze stille gang verrastte eenige |
- | C: Onze stille gang verraste eenige |
- | B: Al waren zij ook nog zoo mooi, |
- | C: --Al waren zij ook nog zoo mooi, |
- | B: bruine en groene kakkerlakkken, maar |
- | C: bruine en groene kakkerlakken, maar |
- | B: (N. v. d. V. |
- | C: (N. v. d. V.) |
- | B: --Een »vliegende rat" herhaalde |
- | C: --Een »vliegende rat", herhaalde |
- | B: deelen. Een schilpad, die den terugtocht |
- | C: deelen. Een schildpad, die den terugtocht |
- | B: »Oh! Tatita, sprak hij," »'t |
- | C: »Oh! Tatita," sprak hij, »'t |
- | B: --Maar het het zal u met zijn |
- | C: --Maar het zal u met zijn |
- | B: ik zag drie chachalaca's wegvliegen en |
- | C: ik zag drie chachalacas wegvliegen en |
- | B: spoedig gevonden werd Evenals de Wandelende |
- | C: spoedig gevonden werd. Evenals de Wandelende |
- | B: middelste er uit, Chanito" riep de Encuerado, |
- | C: middelste er uit, Chanito!" riep de Encuerado, |
- | B: maar niet, Clanito; gij zult eens |
- | C: maar niet, Chanito; gij zult eens |
- | B: werd het klinmen en dalen veelvuldiger. |
- | C: werd het klimmen en dalen veelvuldiger. |
- | B: --»Gednld maar," antwoordde Sumichrast, |
- | C: --»Geduld maar," antwoordde Sumichrast, |
- | B: bromelacee. |
- | C: bromeliacee. |
- | B: toekomenende deel; daarna, en |
- | C: toekomende deel; daarna, en |
- | B: wolfsmelkboomen," antwoordde Sumichast. |
- | C: wolfsmelkboomen," antwoordde Sumichrast. |
- | B: »en met twee sabelhouwen |
- | C: en met twee sabelhouwen |
- | B: gemaakt." |
- | C: gemaakt. |
- | B: die de geleerde _Manti_ (spookjes) |
- | C: die de geleerden _Manti_ (spookjes) |
- | B: waarover de arabische vertellers zoo |
- | C: waarover de Arabische vertellers zoo |
- | B: Tamantua tetradactyla. De vijfteenige mierenbeer |
- | C: Tamandua tetradactyla. De vijfteenige mierenbeer. |
- | B: plotseling tegenover den Encurado. Hij |
- | C: plotseling tegenover den Encuerado. Hij |
- | B: knalde een schot; de tamadua kruiste |
- | C: knalde een schot; de tamandua kruiste |
- | B: »Nader niet. Tata Sumichrast," |
- | C: »Nader niet, Tata Sumichrast," |
- | B: Gringolet er zich over heen |
- | C: Gringalet er zich over heen |
- | B: twee prachtige koeroekoes met lange |
- | C: twee prachtige soeroekoes met lange |
- | B: eens," »zeide ik hem, opdat de |
- | C: eens," zeide ik hem, »opdat de |
- | B: gedurende een kwartieruurs bleef ik met |
- | C: gedurende een kwartier uurs bleef ik met |
- | B: geluid. Bromelaceeën gaven ons genoeg |
- | C: geluid. Bromeliaceeën gaven ons genoeg |
- | B: »den toon van den Encuerado nabootsende, schaamt |
- | C: den toon van den Encuerado nabootsende, »schaamt |
- | B: hij eensklaps, en wees het vooral |
- | C: hij eensklaps, »en wees het vooral |
- | B: om mij; »komaan, ik weet het |
- | C: om mij; komaan, ik weet het |
- | B: »'t Is of het schreit." |
- | C: 't Is of het schreit." |
- | B: bromelaceeën leverden ons voldoende |
- | C: bromeliaceeën leverden ons voldoende |
- | B: Chanito! antwooordde eene stem in |
- | C: Chanito! antwoordde eene stem in |
- | B: ons door hunne schaduw beschutten, |
- | C: ons door hunne schaduw beschutten. |
- | B: overeenkomen |
- | C: overeenkomen. |
- | B: onaangeroerd laat liggen (N. v. d. B). |
- | C: onaangeroerd laat liggen. (N. v. d. B.) |
- | B: zette, of halstarrig zijne vingers |
- | C: zette, of halsstarrig zijne vingers |
- | B: bijbrachten om het melancolische dier op te |
- | C: bijbrachten om het melancholische dier op te |
- | B: plaatste de schilpad in dit |
- | C: plaatste de schildpad in dit |
- | B: daar in 't minst aan te denken |
- | C: daar in 't minst aan te denken. |
- | B: vogel van de Egytenaren, die |
- | C: vogel van de Egyptenaren, die |
- | B: vraag. Ik kwam weer bij het bivak |
- | C: vraag." Ik kwam weer bij het bivak |
- | B: --Baparalaca, sprak Jaunnet. |
- | C: --Baparalaca, sprak Jaunet. |
- | B: pret hebben gehad," Chanito. |
- | C: pret hebben gehad, Chanito." |
- | B: de visschen gelachen!" |
- | C: de visschen gelachen?" |
- | B: aan de oogen gespieten; een hunner, |
- | C: aan de oogen gespleten; een hunner, |
- | B: eerstwilde hij niet; het uiterlijk |
- | C: eerst wilde hij niet; het uiterlijk |
- | B: on overwinbaren afkeer in. |
- | C: onoverwinbaren afkeer in. |
- | B: De door de horsels gekwelde troep |
- | C: De door de horzels gekwelde troep |
- | B: TAPIR--AFSCHEID VAN DE RIVIER.--DE |
- | C: TAPIR.--AFSCHEID VAN DE RIVIER.--DE |
- | B: met de schilpadeieren te ledigen, die |
- | C: met de schildpadeieren te ledigen, die |
- | B: dat men een anto-burro kan dooden. |
- | C: dat men een ante-burro kan dooden. |
- | B: de vulkaan van Orizaba, waaromheen wij |
- | C: de vulkaan van Orizava, waaromheen wij |
- | B: kortste weg om Orizaba te bereiken. |
- | C: kortste weg om Orizava te bereiken. |
- | B: prairiën van 't Noorden naar |
- | C: prairieën van 't Noorden naar |
- | B: hebben kunnen meenen, dat Orizaba |
- | C: hebben kunnen meenen, dat Orizava |
- | B: ondervroeg weer den gezichtseinder:--helaas! |
- | C: ondervroeg weer den gezichteinder:--helaas! |
- | B: DE DORST--TERUGKEER VAN |
- | C: DE DORST.--TERUGKEER VAN |
- | B: KLEINE ZWERFTOCHT--JAUNET, |
- | C: KLEINE ZWERFTOCHT.--JAUNET, |
- | B: AVONTUUR--HET GEMATIGDE LAND. |
- | C: AVONTUUR.--HET GEMATIGDE LAND. |
- | B: koelbloedigheid, «'t werd tijd." |
- | C: koelbloedigheid, »'t werd tijd." |
- | B: Sumichrast toeeilde en hem omhelsde. |
- | C: Sumichrast toeijlde en hem omhelsde. |
- | B: «Drink," zeide ik hem. |
- | C: »Drink," zeide ik hem. |
- | B: kwam een ruiter aanrennen, Deze bleef |
- | C: kwam een ruiter aanrennen. Deze bleef |
- | B: Ik beval den Encueredo den jongen |
- | C: Ik beval den Encuerado den jongen |
- | |
- +------------------------------------------------------------+
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Lotgevallen van een jeugdigen
-natuuronderzoeker, by Lucien Biart
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LOTGEVALLEN VAN EEN JEUGDIGEN ***
-
-***** This file should be named 43228-8.txt or 43228-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/4/3/2/2/43228/
-
-Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
-http://www.pgdp.net
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License available with this file or online at
- www.gutenberg.org/license.
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation information page at www.gutenberg.org
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at 809
-North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
-contact links and up to date contact information can be found at the
-Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.