diff options
Diffstat (limited to '42935-0.txt')
| -rw-r--r-- | 42935-0.txt | 24005 |
1 files changed, 24005 insertions, 0 deletions
diff --git a/42935-0.txt b/42935-0.txt new file mode 100644 index 0000000..a0224d6 --- /dev/null +++ b/42935-0.txt @@ -0,0 +1,24005 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42935 *** + + GEORGE EBERS + + DE NIJLBRUID + + IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT + + DOOR + Dr. H. C. ROGGE + + + + EERSTE DEEL + + TWEEDE DRUK + + AMSTERDAM + + VAN HOLKEMA & WARENDORF + + + + + + + +VOORREDE. + + +De "Nijl-bruid" behoeft geen voorrede. Alleen voor vakgenooten +merk ik op, dat ik op gezag van den hoogleeraar De Goeje besloten +heb bij mijn vermoeden te blijven, dat namelijk het woord Mukaukas +niet voor den naam, maar voor den titel gehouden moet worden van den +man, wien de Arabische bronnen, waarvan ik mij bediende, aanwijzen +als den persoon, die als Stadhouder van den Byzantijnschen Keizer +de hem toevertrouwde provincie overleverde aan de heerschappij der +Muzelmannen. Van Karabaceks onderzoekingen betreffende den Mukaukas, +heb ik helaas geen gebruik meer kunnen maken. + +Dat ik den ouden Horus Apollon (Horapollon) plaats in de zevende eeuw, +zal terecht de bevreemding wekken van ieder, die den schrijver van +de Hiëroglyphica voor denzelfden persoon houdt als den gelijknamigen +Egyptischen geleerde, die volgens Suidas onder Theodosius leefde, en +van wien reeds Stephanus van Byzantium tegen het einde der vijfde eeuw +gewag maakt. Doch eerstgenoemde lexicograaf Suidas telt de werken van +Horapollon, den grammaticus en den commentator van Grieksche dichters +op, zonder de Hiëroglyphica te noemen, waarop hier alles aankomt, +en alle andere oude schrijvers, die den naam Horapollon vermelden, +laten ons de vrijheid--gelijk ook C. Leemans, de beste beoordeelaar der +Hiëroglyphica toegeeft--om twee Horapollons aan te nemen, van welke de +tweede zeer goed eerst in de zevende eeuw geleefd kan hebben, daar in +zijn tijd de nauwkeurige kennis van het hiëroglyphen-schrift reeds veel +meer verloren moest zijn, dan wij dit mogen aannemen voor de vierde +eeuw na Christus, wanneer wij in aanmerking nemen, dat er nog zeer +goede hiëroglyphische opschriften uit den tijd van Decius, 250 jaren +na Christus, bewaard zijn gebleven. Wij kunnen moeilijk aannemen, +dat de Egyptische commentator van Grieksche dichters een vertaler +noodig heeft gehad, terwijl de Hiëroglyphica eerst door Philippus in +het Grieksch schijnt overgebracht te zijn. Onze combinatie, volgens +welke de schrijver, in het Egyptisch Horus (zoon van Isis) genaamd, +afkomstig was van het Isis-eiland Philae, waar de heidensch-Egyptische +eeredienst zich het langst staande hield, en waar nog tot in later +tijd eenige kennis van het hiëroglyphen-schrift bewaard bleef, houdt +rekening met de juiste verhoudingen in het door ons gekozen tijdperk. + + +Tutzing am Starnberger See + +1 Oct. 1886. Georg Ebers. + + + + + + + +EERSTE DEEL. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + +Er waren een paar jaren verloopen, sedert Egypte zich onderworpen +had aan de jeugdige maar met buitengewone kracht en snelheid zich +ontwikkelende macht der Arabieren. Het was aan eene kleine, goed +aangevoerde schare muzelmansche krijgslieden zonder veel moeite in +handen gevallen, en de schoone provincie, die nog kort geleden een +sieraad was van het Byzantijnsche keizerrijk, waar het christendom +zijne trouwste aanhangers vond, behoorde thans aan den Kalief Omar, +en moest er in berusten dat de halve maan zich overal naast het kruis +omhoog hief. + +Over het ongelukkige land was een zomer voorbijgegaan, zoo heet als +men in lang niet beleefd had, en hoewel men als naar gewoonte het +wassen van den Nijl den 17den Juni in "den nacht van den regendruppel" +met feestelijke toebereidselen had gevierd, tot dusverre werd de +verwachting der Egyptenaren bedrogen, en de stroom daalde al lager +en lager, in plaats van te stijgen. In deze bange dagen, den 10den +Juli van het jaar 643, trok een karavaan, die van het noorden kwam, +Memphis binnen. De kleine karavaan wekte dadelijk aller aandacht +in de ontvolkte, vervallen pyramidenstad, die zich in den vorm van +een kolossaal rietblad slechts in de lengte uitbreidde, daar hare +uitzetting in de breedte tusschen den Nijl en de Libysche woestijn +beperkt was. In vroeger jaren zouden de Memphieten het nauwelijks +der moeite waardig hebben geacht het hoofd op te heffen, wanneer +onafzienbare met handelswaren bevrachtte wagentreinen, vrachtkarren +met flinke jukossen bespannen, sierlijk uitgedoschte keizerlijke +ruiterdrommen of afzienbare processies de meer dan mijlenlange +hoofdstraat stoffeerden. + +Hij die als koopman op een dromedaris van uitgelezen ras vóor +de karavaan reed, was een magere muzelman, gehuld in een zijden +kleed. Een breede tulband bedekte zijn klein hoofd, en overschaduwde +voor een deel zijn fijnbesneden, oudachtig gelaat. De Egyptenaar, +die als gids op een stevigen ezel naast den koopman reed, zag telkens +en met blijkbaar welgevallen naar dit juist niet schoon gelaat, met +ingevallen wangen, dunnen ringbaard en grooten adelaarsneus, doch het +bevatte een paar heldere oogen waaruit vriendelijke bedachtzaamheid +en hartelijke welwillendheid straalden. Maar deze schrale oude heer, +op wiens gezicht smart en ziekten diepe sporen hadden achtergelaten, +wist ook te bevelen en zijn wil te doen eerbiedigen. Dit kon men zijn +fijnen, vastgesloten mond wel aanzien, en bleek ten overvloede uit de +stiptheid, waarmede die kloeke, gebaarde, tot aan de tanden gewapende +krijgslieden, die hem volgden, op zijne wenken gehoorzaamden. Zijn +Egyptische geleider, het hoofd van de hermeneuten of het gilde der +gidsen, een knorrige, bruine Memphiet, trok zich terug, wanneer hij +onvoorziens wat dicht kwam bij de op dromedarissen gezeten ruiters, +als vreesde hij een houw of stoot te zullen ontvangen, terwijl hij +den koopman Haschim, den eigenaar van de karavaan, zonder vrees te +woord stond, en praatziek, gelijk lieden van zijn stand, van alles +de verklaring gaf. + +"Wat zijt gij hier te Memphis goed te huis," zeide de Egyptenaar, +nadat de oude heer zijne verbazing te kennen had gegeven over den +treurigen ommekeer en den achteruitgang van de stad. + +"Dertig jaren geleden," antwoordde de koopman, "ben ik voor mijne zaken +vaak hier geweest. Hoevele huizen staan er leeg en zijn bouwvallig +geworden, waarin men toen voor grof geld nauwelijks een onderkomen +kon vinden! Overal ruïnen, waar men rondziet! Wie heeft deze schoone +kerk zoo jammerlijk vernield? Door mijne landgenooten, ik weet het +van den veldheer Amr zelven, is geen christelijk bedehuis aangevallen." + +"Het was de hoofdkerk van de Melchieten, de dienaars van den keizer," +zeide de gids als lag in die toevoeging tevens de verklaring van +het gebeurde. + +Doch de koopman had hiermede geen vrede, en vraagde daarom: "Nu, +wat kwaad is er dan in hunne leer gelegen?" + +"Wat kwaad?" herhaalde de Egyptenaar, terwijl zijne oogen van toorn +fonkelden; "wat kwaad? Zij verdeelen den goddelijken persoon des +Heilands en schrijven Hem verschillende naturen toe. Dit is niet +alles. Al die Grieken hier te lande hebben, voor de uwen aan dezen +gruwel een einde maakten, ons, de heeren des lands, als slaven +behandeld, steunende op de macht van den keizer. Zij dreven ons met +geweld in hunne kerken, en allen, die Egyptisch bloed in de aderen +hadden, werden als rebellen en melaatschen behandeld. Zij hebben ons +uitgelachen en verketterd, omdat wij geloofden aan de éene goddelijke +natuur van onzen Heiland." + +"En daarom," zeide de koopman, weder het woord nemende, "hebt gij, +zoodra wij de Grieken verdreven hadden, u onverdraagzamer getoond +jegens hen en hunne tempels, dan wij, die gij ongeloovigen scheldt, +ons gedroegen jegens u!" + +"Verdraagzaam, jegens hen?" hernam de Egyptenaar op minachtenden +toon, terwijl hij verstoord een blik sloeg op het half verwoeste +gebouw.--"Zij hebben geoogst wat zij gezaaid hadden, en wie thans in +Egypte--de Heiland zij geprezen!--niet aan uw eenigen God gelooft, +die gelooft in de éene natuur van onzen Heer Jezus Christus. Dat +Melchieten-rot hebt gij verdreven, daarna was het onze taak om de +handen te slaan aan de bedehuizen van hun erbarmelijken Heiland, +dien zij op de synode te Chalcedon--verdoemd mogen ze zijn!--van +zijne goddelijke waardigheid hebben beroofd." + +"Maar die Melchieten blijven toch altijd uwe geloofsgenooten; zij +zijn christenen," zeide de koopman. + +"Christenen?" herhaalde de gids, terwijl hij met minachting de +schouders ophaalde. "Ze mogen zichzelven daarvoor houden! Wat mij +betreft en allen hier te lande, groot en klein, wij zijn van meening +dat zij niet het minste recht hebben zich onze geloofsgenooten, zich +christenen te noemen. Vervloekt zijn ze allen, en zullen ze blijven +met hunne honderden ja duizenden duivelsche ketterijen, die onzen God +en Verlosser tot een ding zouden willen maken als dat godenbeeld aan +dien steenen deurpost. Van boven is het een koe en van onderen een +mensch; welk verstandig man, vraag ik u, kan zulk een tweeslachtig +monster aanbidden? Wij Jacobieten, Monophusieten, of hoe men ons +noemen wil, geven van de goddelijke natuur van onzen Heer en Heiland +geen tittel prijs, en als het eens uit is met het oude geloof, dan wil +ik een muzelman worden en mij bekeeren tot het geloof in uw grooten, +eenigen God. Want voordat ik de ketterij der Melchieten omhels laat +ik me liever met vrouw en kind in stukken houwen. Wie weet wat er +nog gebeuren zal! Wel beschouwd is het niet zoo onvoordeelig om tot +uw geloof over te gaan, want gij hebt de macht in handen en moogt +die behouden. Het is nu eenmaal ons lot door vreemden beheerscht +te worden, en wie betaalt niet liever den kleinen cijns aan den +wijzen en gezonden Kalief in Medina dan de grootere belasting aan het +Melchietisch en ziekelijk keizersgebroed in Konstantinopel? De Mukaukas +Georg is zeker geen slecht mensch; daar hij den tegenstand tegen u zoo +spoedig opgaf, is hij zeker van dezelfde meening geweest. Hij geeft +aan u, als rechtvaardige, vrome lieden, onze naburen, misschien wel +onze stamverwanten, de voorkeur--boven die Byzantijnsche ketters, +die menschenvillers en bloedhonden. Bovendien is de Mukaukas een +christen zoo goed als een onzer." + +De Arabier had den Memphiet, die door zijn ambt gedwongen werd +zichzelven het zwijgen op te leggen, opmerkzaam en soms met een +glimlach aangehoord. De Egyptenaar liet de karavaan nu een straatje +inslaan, dat naar de met den stroom evenwijdig loopende hoofdstraat +voerde, waarin eenige deftige huizen stonden, door tuinen omgeven. + +Zoodra de menschen en de dieren op den beter geplaveiden weg verder +trokken, zeide de koopman: "Ik heb den vader van den man, dien +gij daar noemdet, zeer goed gekend. Hij was een rijk en bovendien +welgezind man, en ook van zijn zoon vernam ik niets dan goeds. Mag +hij nog altijd den titel van stadhouder of--hoe zeidet gij daareven +ook?--van Mukaukas dragen?" + +"Zeker, meester!" antwoordde de hermeneut. "Er is in Egypte geen +ouder geslacht dan het zijne, en was de oude Menas reeds een rijk +man, Mukaukas Georg is het nog meer, door hetgeen hij geërfd heeft +en door het huwelijksgoed zijner vrouw. Wij kunnen geen verstandiger, +rechtschapener stadhouder begeeren! Hij ziet de ondergeschikte beambten +ook streng op de vingers; doch zoo spoedig als vroeger worden de zaken +toch niet meer afgedaan. Wel is hij niet veel ouder dan ik, en ik ben +bijna vijftig, maar hij komt zijne ziekte niet meer te boven, want +sedert maanden heeft niemand hem meer zien uitrijden. Zelfs wanneer +uw stadhouder hem zien wil, komt hij niet verder dan van de eene zijde +der straat naar de andere. Het is jammer van den man! En wie heeft dat +edele lichaam ondermijnd? De Melchieten-honden hebben het gedaan! Vraag +maar aan den Nijl zoo lang als hij is naar de oorzaak van ons ongeluk, +en gij zult overal hetzelfde antwoord krijgen. Waar de Griek, de +Melchiet zijn voet zette, daar was het uit met den groei van het gras!" + +"Maar den Mukaukas, den hoogsten beambte des keizers," begon de +Arabier te zeggen. + +Doch de ander viel hem in de rede, zeggende: "Meent gij dat hij voor +hen veilig was? Zeker, zij hebben zijn persoon niet durven aantasten, +maar wat hem overkwam was nog erger, want bij een opstand van de +Melchieten tegen de onzen--het was in Alexandrië, en de gestorven +Grieksche patriarch Cyrus had mede de hand in het spel,--zijn twee +zijner zonen, twee schoone jonge mannen, in den bloei hunner jaren +als dolle honden doodgeslagen; en dat, dat heeft hem geknakt." + +"Arme man!" zeide de Arabier met een zucht. "En hield hij geen andere +kinderen over?" + +"Ja, heer, nog éen zoon, en de weduwe van den oudsten. Deze is echter +na den dood van haar man in een klooster gegaan, doch haar kind, de +kleine Maria, die nu zoowat tien jaar oud zal zijn, heeft zij bij de +grootouders gelaten." + +"Dat is gelukkig," hernam de koopman, "dat zal wat zonneschijn in +huis gebracht hebben." + +"O zeker, heer! Toch ontbrak het ook thans niet aan reden tot +blijdschap. De eenig overgebleven zoon, hij heet Orion, is eergisteren +uit Konstantinopel teruggekeerd, waar hij lang vertoefde. Dat was me +een vreugde! De halve stad was als gek van opgewondenheid. Duizenden +zijn hem te gemoet gesneld, alsof hij de Heiland was, eerepoorten +hebben ze voor hem opgericht, zelfs de mijnen deden mee--er viel niet +aan te denken dat iemand zich daaraan kon onttrekken. Allen wilden den +zoon en erfgenaam van den grooten Mukaukas zien, de vrouwen natuurlijk +in de eerste plaats!" + +"Gij zegt dat op een manier, alsof de teruggekeerde zulk eene eer +niet waardig was," merkte de Arabier op. + +"Zooals men het op wil vatten," hernam de Egyptenaar, terwijl hij de +schouders ophaalde. "Hij is nu eenmaal de eenige zoon van den eersten +man in het land." + +"Laat het zich dan niet verwachten dat hij den vader gelijken zal?" + +"O, ja!" antwoordde de ander. "Mijn broeder, een geestelijke, die +aan het hoofd staat van onze groote school, is zijn leermeester +geweest, en deze zegt nog nooit zulk een schrandere kop ontmoet te +hebben als Orion. Alles woei hem zoo maar aan, en daarbij was hij +zoo vlijtig als het kind van een arme. Wij, zijne ouders, en zijne +vaderstad Memphis hadden, zooals Marcus meent, niet dan roem en eer +van hem te wachten. Doch ik zie ook de schaduwzijde, en ik zeg u dat +de vrouwen hem het hoofd op hol brengen en hem eindelijk ten gronde +zullen richten. Het is een mooie man, hij ziet er nog schooner uit +dan de oude heer in zijne jonge jaren, en daar trekt hij partij van, +en waar hij iets aanminnigs tegenkomt--en dat ontmoet hij overal op +zijn weg--." + +"Daar grijpt de jonge deugniet toe," zeide de muzelman lachend. "Nu, +als het niets anders is wat u beangst maakt, dan doet mij dit plezier +voor hem. Hij is jong, en zulke dingen komen terecht." + +"Neen, heer, neen! Zelfs mijn broeder--hij is thans in Alexandrië +en nog altijd blind en bespottelijk ingenomen met zijn vroegeren +leerling--ziet hierin eene gevaarlijke klip. Wanneer daarin geen +verandering komt, zal hij al verder en verder afwijken van de geboden +des Heeren en schade lijden aan zijne ziel, want de gevaren omringen +hem aan alle zijden als brullende leeuwen. De kostelijke gave der +schoonheid en die om anderen voor zich in te nemen zullen hem nog +in het verderf storten; waarlijk ik wensch het niet, maar ik vrees +het...." + +"Gij ziet het te donker in en oordeelt te hard," hernam de ander. "De +jeugd...." + +"Ook de jeugd," antwoordde de gids, "bij den christen ten minste, moet +zichzelve weten te beheerschen. Zoo iemand, dan ben ik geneigd den +schoonen jonkman het beste te gunnen. Laat ik er maar voor uitkomen: +als hij mij groet dan ben ik te moede als ware mij een geluk te beurt +gevallen, en zoo is het met ontelbare andere mannen in Memphis en +met de vrouwen bovenal. Maar desniettemin heeft reeds menigeen vele +bittere tranen over hem gestort. Doch, bij alle heiligen, als men van +den wolf spreekt, dan..... Ziet ge wel, daar is hij!.... Halt, wat +langzaam aan, mannen!--Het is wel de moeite waard voor een oogenblik +onzen gang wat in te houden." + +"Dat statige vierspan daar, bij die hooge tuinpoort, is dat van hem?" + +"Het zijn de Pannonische dravers, die hij heeft meegebracht, snel als +de bliksem en daarenboven.... Maar dáar.... zie! Ach, nu verliezen +wij ze achter dien tuinmuur juist uit het oog; doch gij moet ze op uw +hooge dromedaris nog kunnen zien. Dat kleine meisje daar naast hem, +is de dochter van de weduwe Susanna, de eigenares van dezen hof en +van dat fraaie paleis achter die boomen." + +"Eene heerlijke bezitting!" zeide de Arabier. + +"Dat zou ik ook denken," antwoordde de Memphiet. "De hof strekt zich +uit tot aan den Nijl; en hoe goed wordt alles onderhouden!" + +"Heeft hier niet vroeger de korenhandelaar Philammon gewoond?" vraagde +de koopman, als verlevendigden zich bij hem oude herinneringen. + +"Juist! híj was de echtgenoot van Susanna en moet reeds een vijftiger +geweest zijn, toen hij haar vrijdde. De kleine is hare eenige dochter, +de rijkste erfgename in de geheele provincie, maar niettegenstaande +zij reeds zestien jaren telt niet flink opgewassen; het kind van een +ouden vader, begrijpt ge? Toch is ze dartel en vroolijk, een lachduif +in menschelijke gedaante, en zoo vlug en bewegelijk! Hare huisgenooten +noemen haar het kwikstaartje." + +"Heel aardig en naar waarheid," hernam de koopman met welgevallen. "Ze +is klein, meer een kind dan een jong meisje, maar ik schep behagen in +dat aanvallige vroolijke schepseltje. De zoon van den Mukaukas--hoe +heet hij ook weer?" + +"Orion, heer," antwoordde de ander. + +"Drommels," zeide de ander meesmuilend, "ge hebt hem niet gevleid, +vriend! Een jongeling als dien Orion ziet men niet alle dagen! Welk +een lichaamsbouw! Wat staan die bruine lokken hem goed! Ja, ja, +zulk een jonkman wordt eerst door zijne eigene moeder vertroeteld, +en andere vrouwen volgen dan haar voorbeeld. Hij heeft een flink, +open gezicht, daar wat achter steekt. Maar hij had dien purperen rok +en dat gouden flikwerk in Konstantinopel moeten laten. Die dingen +zijn hier in deze sombere vervallen stad niet op hun plaats." + +Onder de laatste woorden porde de Memphiet zijn ezel wat aan, maar +de Arabier hield hem terug, want wat er achter den tuinmuur plaats +greep trok al te zeer zijne aandacht. Hij zag dat de schoone Orion +een wit hondje, een zeer fijn zijdharig beestje, dat naar het scheen +hem toebehoorde, het kleine meisje op den arm gaf; hij zag hoe zij +het kuste en hem een langen grashalm om den hals sloeg, als wilde zij +daarmede hem de maat nemen. De oude merkte verder op hoe ze beiden +ondeugend lachten, hoe ze elkander in de oogen zagen en eindelijk +afscheid namen. Daarna verhief zij zich op de teenen naar een vreemde +struik, aan welks top twee heerlijke roode klokjes bloeiden; zij +plukte ze haastig en reikte ze hem toe, terwijl een blosje hare wangen +overtoog. Daarbij weerde zij de hand, waarmede hij haar bij het reiken +naar de bloemen ondersteund had, met een zwaai van haar arm lachend +terug, en op haar frisch gezichtje las hij de innige blijdschap die +zij gevoelde, toen hij de plek, die zij met haar vingers had getroffen, +kuste en daarna ook de bloemen aan zijne lippen bracht. + +De oude heer zag dit alles met zooveel deelneming en vreugde aan, +als wekte het de liefelijkste herinneringen in zijn gemoed, en zijne +goedige oogen lachten toen Orion, niet minder schalksch en dartel als +zij, haar eenige woorden in het oor fluisterde, waarop zij de lange +grashalm uit haar gordel trok, hem haastig daarmede over het gezicht +streek, als wilde zij hem straffen, en vervolgens ijlings, snel als +eene ree, over gras en bloemperken naar het paleis vloog, zonder +zich te storen aan zijn herhaald roepen: "Katharina, allerliefste, +goede jonkvrouw Katharina!" + +Dat was een klein opwekkend avontuur geweest, en de oude Haschim hield +de herinnering er aan vast, en verkneukelde zich daarin nog altijd, +toen hij met de zijnen reeds een tamelijk eind wegs had afgelegd. Hij +was Orion, den zoon van den Mukaukas Georg, dankbaar voor dit liefelijk +schouwspel, en toen hij het vierspan in langzamen draf de karavaan +hoorde naderen, keek hij er naar om en hield het in het oog. + +Maar voordat de Pannonische rossen, den met allerlei in zilver +gedrevene figuren bedekte wagen en zijnen menner, die te zamen een +toonbeeld van buitengewone schoonheid en goeden smaak aanboden, hem +langzaam waren voorbijgereden, om daarna pijlsnel op de nu vrije straat +voorwaarts te rennen en in eene dichte stofwolk te verdwijnen, had +het gelaat van den koopman zijne vroolijke uitdrukking verloren. Er +lag iets diep weemoedigs in zijne stem, toen hij een der jonge +kameeldrijvers beval de bloemen, die achter hen in het stof lagen, +van den weg op te rapen en hem te brengen. + +Hij had gezien hoe de schoone jonge man met een blik en eene beweging, +als ware hij boos op zichzelven, de vriendelijke gave in het heete +stof op straat had geslingerd. + +"Uw broeder heeft gelijk," riep de oude den Memphiet toe. "Voor dezen +jongen man zijn de vrouwen eene gevaarlijke klip, en hij is het voor +haar, gelijk ik vrees.--Die arme kleine daar ginds!" + +"Dat kwikstaartje, meent ge?" vraagde de gids. "O, met haar kon het +licht meenens worden. De lieve moeders maken de zaak al klaar. Zij +zitten beiden in het goud, en waar duiven zijn vliegen duiven +toe. Godlof, de zon staat al boven de pyramiden! Laten uwe lieden +gindsche groote herberg binnengaan. De waard is een schappelijk man, +en men vindt bij hem ook schaduw." + +"Wat de beesten en de manschappen aangaat," antwoordde de koopman, +"mogen zij hier wat uitrusten. Ik, de aanvoerder van de karavaan +en nog eenige lieden, wij zullen ons wat versterken--en dan brengt +gij ons naar den stadhouder, met wien ik over een en ander spreken +moet. Het is niet vroeg meer..." + +"Wees daarover niet bezorgd!" hernam de Egyptenaar. "De +Mukaukas ontvangt op zulk een gloeiend heeten dag het liefst na +zonsondergang. Als gij wat met hem te doen hebt, zijt ge bij mij aan +het rechte kantoor. Laat eenige goudstukken vliegen, dan verschaf ik +u nog heden gehoor door den huismeester Sebek, mijn neef. Terwijl gij +hier wat uitrust, rijd ik naar het stadhouderlijk verblijf en breng +u dan bericht." + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + +De herberg, waarin de koopman Haschim met de karavaan zijn intrek +nam, lag op eene hooge plek aan den weg, van alle zijden omgeven +door palmen. Vóor de verwoesting van de heidensche oudheden in het +Nijldal was dit een tempel van Imhotep, den Egyptischen Aesculapius, +den vriendelijken god der geneeskunde, die ook in de doodenstad eene +afzonderlijke plaats voor zijne vereering had gehad. Deze lag half +verwoest, half in het woestijnzand begraven, toen een ondernemende +herbergier den bevalligen tempel met het daarbij behoorende heilige +bosch voor eene billijke som aankocht. Sedert was het gebouw van de +eene hand in de andere overgegaan, tegen de stevig gebouwde tempelzaal +had men een groot houten huis opgetrokken, bestemd voor het opnemen +van reizigers, en in het palmbosch, dat tot aan den slecht onderhouden +oeverdam reikte, verhieven zich stallen en zag men omheinde plaatsen, +bestemd voor kudden, die hierheen werden gedreven. Het geheel had +aldus het aanzien van een veemarkt, en werkelijk kwamen de slachters +en paardenkoopers der stad gaarne hierheen om te vinden wat zij +zochten. Daarentegen trok het palmbosch, een der weinigen dat in de +nabijheid der stad bewaard was gebleven, de burgers van Memphis aan, +om een luchtje te scheppen en zich in zijne schaduw te verkwikken. De +waard had vlak bij den stroom tafels en banken doen opstellen, en in +de kleine haven op zijn erf kon men booten huren. Iedereen die van +de stad een pleiziertochtje te water maakte, legde hier gaarne aan en +liet zich onder de palmen van Nesptah een verfrisschenden dronk geven. + +De twee rijen huizen welke deze plaats van bijeenkomst zoo voor +redelijke wezens als voor het redeloos vee vroeger van de groote +straat gescheiden hadden, en zich uitstrekten in de richting van +den Nijl, waren sedert lang ingestort en de waard had alles met +den grond gelijk gemaakt. Op dit oogenblik kon men zien hoe onder +de leiding van Arabische opzieners ettelijke arbeiders bezig waren, +om eene kolossale ruïne uit den tijd der Ptolomeën, die nauwelijks +tweehonderd schreden van het palmbosch verwijderd lag, af te breken +en de groote, zorgvuldig gehouwene kalksteen- en marmerblokken, +evenals de talrijke hooge zuilen die het dak van den Zeus-tempel te +Memphis gedragen hadden, in weerwil van de brandende middaghitte, +op ossenkarren te laden, om ze naar den dam en van daar op platte +booten naar den oostelijken Nijl-oever te brengen. + +Dáar bouwde Amr, de veldheer en plaatsvervanger van den Kalief +zijne nieuwe residentie. De tempels der oude goden werden daartoe +als steengroeven gebruikt, en men vond daarin niet alleen keurig +afgewerkte ornamenten van den hardsten steen, maar ook Grieksche +zuilen van verschillende bouworden in menigte, die allen aan gene zijde +van den stroom weder opgericht werden. De Arabieren versmaadden geen +enkel bouwmateriaal; zij gebruikten bij het optrekken hunner moskeeën +alle steenblokken en zuilen, onverschillig of ze van heidensche of +christelijke tempels afkomstig waren. + +In den herbergtempel van Imhotep waren de wanden en zolderingen +oorspronkelijk overal met godenbeelden en hiëroglyphische opschriften +bedekt geweest, maar de rook van het haardvuur had ze sedert lang +zwart gemaakt. Bovendien hadden de handen van geloofsijveraars ze +onophoudelijk geschonden, en over velen had men kalk gestreken, om +die plekken met christelijke symbolen en zeer wereldlijk gekrabbel in +Grieksche teekenen of in het volksschrift der Egyptenaars, te bedekken. + +In de groote tempelzaal van weleer gebruikte de Arabier met de zijnen +den maaltijd. Allen onthielden zich daarbij van wijn, met uitzondering +van den aanvoerder der karavaan, die eigenlijk geen muzelman was, +maar tot de Perzische secte der Masdakieten behoorde. + +Nadat de oude heer zich verzadigd had aan een afzonderlijk tafeltje, +riep hij dezen tot zich en beval hem de baal met het tapijt, vast +te binden op den draagstoel tusschen de beide groote lastkameelen, +maar zóo, dat hij gemakkelijk losgemaakt kon worden. + +"Dat is reeds geschied," antwoordde de Pers, een prachtige kerel, +groot en breed als een eik, met een kop door blonde haren als met +leeuwenmanen omlijst, terwijl hij zijn zwaren snorbaard afveegde. + +"Des te beter," antwoordde Haschim. "Kom met mij naar buiten!" + +Dit zeggende ging hij den Masdakiet voor in het palmbosch. + +De zon was inmiddels achter de pyramiden, de doodenstad en de +Libysche bergketen ter ruste gegaan, en haar schijnsel kleurde nog +slechts den oostelijken horizont en het naakte kalksteengebergte van +Babylon aan gene zijde van den stroom, met afwisselende verwen van +onbeschrijfelijke schoonheid. Het was als hadden alle soorten van +rozen, die de kunstigste hovenier in Arsinoë of Naukratis teelde, +van de goudgelen tot de purperen, en die schitteren met donkerrooden +naar het violet zweemenden glans, de kleuren geleverd, om de vlakke +zijden, de uitstekende punten en kloven van het gebergte, sneller +als zich laat denken, met tooverachtige tinten te overgieten. + +Den ouden heer zwol de borst bij dit gezicht en terwijl hij diep +adem haalde, legde hij zijne zachte hand op den reuzenarm van den +Pers en zeide: "Uw meester Masdak leert: het is Gods wil dat de eene +mensch niet meer of minder zijn eigendom mag noemen dan de andere, en +dat er geen rijken noch armen mogen zijn, want dat alle bezittingen +gemeengoed zijn. Zie nu eens met mij naar dezen kant. Wie dit nog +nimmer aanschouwde heeft nog niets gezien. Er is hier beneden niets dat +dit schouwspel in schoonheid overtreft. En wien behoort het? Dien armen +eenvoudigen Salech daar, dien wij uit genade halfnaakt de kameelen +laten nadraven, beschouwt dit evengoed als zijn eigendom als gij en ik +en de Kalief. God heeft ons ten opzichte van zijne groote werken allen +op éen lijn geplaatst, zooals uw meester begeert. Hoeveel schoons is +er toch, dat ons geslacht gemeenschappelijk bezit! Laten wij daarom +dankbaar zijn, Rustem, want waarlijk, het is niet weinig.--Met het +eigendom, dat de mensch zich verwerven of dat hij verliezen kan, is +het echter geheel anders gelegen. Wij staan allen in dezelfde loopbaan, +en wat gij begeert zou vereischen, dat men hun die hard loopen kunnen +lood aan de voeten bond, opdat de een den ander niet vooruit zou +snellen; dat zou zooveel zijn als.... Maar geven we thans onze oogen +den kost en laten wij ons liever wijden aan het prachtige schouwspel +daarginds! Kijk eens, wat er zooeven uitzag als deze purperkleurige +bloemkelk, dat worden nu robijnen; wat schitterde als een viooltje is +donker amethyst geworden. Alles wordt heerlijk omlijst door dien gulden +rand van lichte wolken. En dat alles is het mijne, is het uwe, is +het onze, zoolang oog en hart zich daaraan te goed doen en verkwikken." + +De Masdakiet barstte uit in een gullen, welluidenden lach en zeide: +"Ja meester, als ieder maar uwe oogen had! Waarlijk het ziet er daar +kleurig genoeg uit aan den hemel en tegen de bergen, en zulke roode +tinten neemt men bij ons zelden waar; maar wat hebben wij aan dat +betooverend gezicht? Gij ziet robijnen en amethysten daarginds, maar +ik?--De juweelen in uw tapijt zijn wat meer waard dan al dat gefonkel +aan den horizont! Gij moogt er over denken zoo ge wilt, maar voor dien +baal dáar gaf ik alle zonsondergangen op aarde present, en waarlijk +het zou mij niet berouwen!"--Wederom begon hij hartelijk te lachen, +waarna hij vervolgde: "Maar vadertje, gij zult er wel voor passen om +den koop te sluiten!--Wat ons Masdakieten aangaat, de goede tijd is +nog niet voor ons gekomen." + +"En als die nu eens aangebroken was en gij bezitter werdt van dat +tapijt?" + +"Dan verkocht ik het; ik voegde de opbrengst bij mijne spaarpenningen, +ik ging naar huis om daar land te koopen, ik nam een aardig wijfje +en begon kameelen en paarden te fokken." + +"Jawel, en dan zouden overmorgen de armen komen, die niets bespaarden +en slechte zaken maakten met dat avondrood; ieder zou een stuk van +uw land, een kameel en een veulen verlangen; gij zoudt nooit meer een +heerlijken zonsondergang te zien krijgen, en uwe lieve vrouw moest met +u door de wereld trekken, om u te helpen met anderen te deelen. Beste +Rustem, laat de dingen blijven zooals ze zijn. De Allerhoogste moge +uw braaf hart bewaren, dwaze dweeper, die ge zijt!" + +Terwijl de reus zich over den arm van zijn meester boog om hem dankbaar +te kussen, keerde de gids met een lang gezicht terug, want hij had te +veel beloofd. De Mukaukas Georg was,--een ongehoord geval--juist toen +hij voor den Arabier gehoor wilde vragen, in een gondel gedragen, +om met zijn zoon en de vrouwen van zijn huis een watertochtje te +maken. De terugkeer van Orion, zeide de huismeester, had den ouden +heer geheel verjongd. Haschim moest dus tot morgen wachten, en hij, +de gids zou hem raden in de stad te overnachten in de herberg van +Moschion, waar het hen aan niets zou ontbreken. + +Doch de koopman verkoos hier te blijven. Het oponthoud hinderde +hem niet, daar hij toch een Egyptischen arts wilde raadplegen over +eene oude kwaal. Een beter en geleerder als de beroemde Philippus, +zoo verzekerde de hermeneut, was er in het geheele land niet te +vinden. Het was hier buiten zoo schoon, en op de banken aan den oever +kon men de komeet waarnemen, die sedert eenige dagen zich aan den +hemel vertoonde en zeker slechte tijden profeteerde. De geheele stad +was als stom van verslagenheid, dat bemerkte men zeer goed hier in de +herberg van Nesptah, want anders, als de avondkoelte kwam, zat het er +op de banken en rondom de tafeltjes vol van bezoekers, die in bootjes +kwamen; maar wie durfde in deze dagen van angst aan uitspanning denken? + +De gids sprong weer op zijn ezel om den arts te halen, terwijl de oude +Haschim zich aan den arm van den Masdakiet naar de banken onder de +palmen begaf. Daar zat hij peinzend naar den sterrenhemel te staren, +terwijl zijn jongere metgezel droomde van zijn vaderland, waar hij +zonder het kostbare tapijt, en alleen van zijne spaarpenningen een stuk +weiland kocht en een huisje bouwde waarin hij zijn aardig vrouwtje zag +op en neer dribbelen. Zou ze er blond uitzien, of donkerbruin? Het +liefst had hij eene blonde.--Maar opeens ging zijn luchtkasteel in +rook op, want er naderde iets op den Nijl dat zijne aandacht trok, +en hem noopte er ook zijn meester opmerkzaam op te maken. + +Voor hen lag de stroom als een breede band van donker zilverbrocaat. De +wassende maan spiegelde zich in zijne nauw merkbaar bewogen +oppervlakte, en waar zijne wateren zich rimpelden, daar omzoomde hij de +toppen der kleine golven met een helderen glans. Uit de richting van de +doodenstad schoten vledermuizen door de nachtlucht en streken over den +Nijl heen als lichte, door den wind bewogen schaduwen. Slechts enkele +driehoekige zeilen zweefden als blanke reusachtige vogels over het +donkere water, doch uit het noorden, van de zijde der stad, naderde +op den stroom een groot gevaarte het palmbosch, met twee glanzende, +van verre flikkerende lichten. + +"Een statige boot, waarschijnlijk die van den Mukaukas Georg," zeide +de koopman, terwijl hij het vaartuig langzaam uit het midden der +rivier naar het boschje zag drijven. Onderwijl deed zich ook op den +landweg achter de herberg paardengetrappel hooren. Haschim keek om, +en zag fakkeldragers, die vóor een wagen liepen. + +"De kranke," vervolgde de oude, "zal zeker tot hier varen en dan +met een wagen naar huis rijden, om de nachtlucht op het water te +vermijden. Zonderling, daar ontmoet ik nu heden voor de tweede maal +zijn zoon, waarvan ieder den mond vol heeft." + +Spoedig naderde de staatsiegondel van den stadhouder het palmbosch. Het +was een groot, schoon vaartuig van cederhout, rijk met goud versierd +en met het beeld van Johannes, den beschermheilige der familie, op +de plecht. Aan den stralenkrans, die het hoofd van dit beeld omgaf, +hingen lampen, en groote lantaarnen verhieven zich daarnaast en aan +de achterzijde van de boot. Daar zat onder een baldakijn de Mukaukas +Georg en naast hem zijne gemalin Neforis. Tegenover hen zat hun zoon en +eene volwassene jonkvrouw, aan wier voeten een kind van tien jaar lag +neergehurkt, dat het vriendelijke kopje tegen haar liet rusten. Eene +meer bejaarde Griekin, de opvoedster van de kleine, was naast een +zeer groot man, den arts Philippus, gezeten op eene rustbank, die +niet meer door het baldakijn overhuifd werd. De heldere tonen van de +luit begeleidden de boot, en hij die met kunstvaardige hand de snaren +tokkelde was de onlangs teruggekeerde Orion. + +Het geheel bood een vriendelijken aanblik; gaf het schoonste beeld te +aanschouwen van eene aanzienlijke familie, wier leden door den band +der liefde waren verbonden. Doch wie was die statige jonkvrouw aan +de zijde van den jongen Orion? Blijkbaar wijdde hij aan haar al zijne +aandacht, en telkens wanneer zijne hand krachtig in de snaren greep, +zocht hij hare oogen; bijwijlen scheen het als speelde hij voor haar +alleen. Zulk eene onderscheiding scheen zij wel te verdienen, want +toen het vaartuig de kleine haven invoer en Haschim hare trekken kon +onderscheiden, stond hij verbaasd over hare edele, zuiver Grieksche +schoonheid. + +Thans stegen eenige rijkgekleede slaven, die met den wagen langs den +weg moesten gekomen zijn, in de boot, om den ziekelijken heer naar +het rijtuig te brengen, waarbij bleek dat de zetel waarin de lijdende +zat, van handvatsels voorzien was, die hen in staat stelden dezen op +te heffen en te dragen. Een groote, zwarte kerel greep den stoel aan +de achterzijde, en toen een ander zich gereedmaakte dezen van voren +aan te grijpen, drong Orion hem opzij, trad in zijne plaats, hief den +zetel met zijn vader op, en droeg dien over de landingsbrug, die het +vaartuig met den oever verbond, voorbij Haschim naar den wagen. De +jonge man verrichtte het werk van een drager met welgevallen, zonder +dat het hem inspanning kostte. Telkens keek hij vriendelijk naar zijn +vader om, en riep de andere vrouwen toe--alleen zijne moeder, die +den lijder zorgvuldig in doeken had gewikkeld, en de arts volgden den +kranke--dat zij uit zouden stappen en hem hier wachten; waarop hij bij +het licht der fakkels, die voor hem uitgedragen werden, verder ging. + +"Arme man!" dacht de koopman, terwijl hij den zieken Mukaukas +nakeek. "Maar het treurigste en zwaarste lot verwaait als een +morgennevel voor den wind, wanneer men een zoon heeft, die iemand +zoo vriendelijk wegdraagt." + +Het werd hem nu verklaarbaar, waarom Orion hedenmiddag de bloemen +had weggeworpen! ja, toen die jonkvrouw aan wal kwam, terwijl +het meisje haar zoo teeder aan den arm hing, moest hij bekennen, +dat de kleine dochter van de rijke weduwe Susanna bezwaarlijk den +toets der vergelijking kon doorstaan met deze hooge, koninklijke +verschijning. Welk eene gestalte had dit meisje, welk eene vorstelijke +houding, en wat klonk haar stem welluidend en lieflijk, toen zij het +kind de namen noemde van eenige sterrenbeelden, en op de komeet wees, +die juist opging. Haschim zat in 't donker, en kon ongezien waarnemen +wat er op de bank aan den oever, die door een der lantaarnen van het +schip beschenen werd, verder voorviel, en hij schepte behagen in deze +onverwachte afleiding, want alles wat den zoon van den Mukaukas betrof +wekte zijne deelneming en nieuwsgierigheid. Hij voelde zich getrokken +tot dien buitengewonen jongen man, over wien hij zich een oordeel +wilde vormen, en de aanblik van het mooie meisje daar op de bank +deed zijn oud hart goed. Dat kind was zeker Maria, de kleindochter +van den stadhouder. + +De wagen zette zich thans weer in beweging, hij rolde over den weg +voort en een oogenblik later keerde Orion tot de wachtenden terug. + +Arm, rijk dochtertje van de weduwe Susanna! Hoe geheel anders verkeerde +hij met deze schoone jonkvrouw dan met die kleine! zijne oogen hingen +als betooverd aan hare trekken; terwijl hij met haar sprak hield hij +nu en dan midden in zijn verhaal op; en wat hij zeide moest nu eens +ernstig en boeiend en dan weer geestig zijn; want niet alleen zij, +maar ook de opvoedster van de kleine luisterde met inspanning, en als +de jonkvrouw hartelijk lachte, klonk het welluidend en helder. Er +lag in haar wezen iets zoo voornaams, dat dergelijke uitingen van +gulle vroolijkheid verrasten en den indruk maakten als de geur van +een prachtige bloem, waarvan men tot dusver geloofde, dat zij alleen +geschapen was om het oog te behagen en niet ook de andere zintuigen +te streelen. En zij, tot wie alles gericht werd wat Orion zeide, +luisterde niet alleen aandachtig naar hem, maar de wijze waarop zij +het deed overtuigde den koopman, dat de verhaler zelf haar nog beter +beviel dan hetgeen hij zoo levendig wist mee te deelen. Wanneer dit +meisje het eens was met den zoon van den stadhouder, ja, dan zou het +een kostelijk paar zijn. + +Daar verscheen de waardin Taous, eene kloeke, lijvige Egyptische van +middelbaren leeftijd. Zij droeg zelve hare beroemde spritskoeken, +die zij juist eigenhandig gebakken had, benevens melk, druiven en +ander ooft op, en hare oogen glinsterden daarbij van vreugde en +gestreelde eerzucht; want de zoon van den grooten Mukaukas, de trots +der stad, die vroeger zoo vaak op watertochten met lustige gezellen, +meest Grieksche officieren, die helaas allen gevallen of uit het land +verdreven waren, niet enkel om de koeken aan een bezoek bij haar de +voorkeur had gegeven, deed haar nu de eer aan om zoo spoedig na zijne +terugkomst weer bij haar te komen. Haar radde tong stond niet stil, +terwijl zij vertelde, dat ook zij en haar man hem waren te gemoet +gegaan tot de eereboog bij de Menespoort, terwijl Emau met haar +jonkske hen hadden vergezeld. Emau was namelijk sedert getrouwd, +en zij had dezen eersten kleine "Orion" genoemd. + +Toen de jonge man daarop vroeg of Emau nog altijd zulk een aanvallig +schepseltje was en zoo op hare moeder geleek als vroeger, stak vrouw +Taous dreigend den vinger tegen hem op, vragende, terwijl zij op de +jonkvrouw wees, of de vroolijke vogel, wien zoo menigeen bij zijn +vertrek eene weemoedige zucht had nagezonden, eindelijk in een kooitje +zou gaan, en of misschien die schoone jonkvrouw daar... + +Maar Orion stuitte haar woordenvloed door te zeggen, dat hij nog zijn +eigen meester was, hoewel hij den strik reeds om zijn hals voelde. Het +schoone meisje kleurde daarop nog sterker dan bij de eerste vraag +der waardin, maar hij overwon spoedig zijne eigene verlegenheid en +verzekerde op luchtigen toon, dat het dochtertje van de brave Taous +eens het aardigste kind van Memphis was, en dat zij niet minder werd +gezocht dan de spritskoeken van hare voortreffelijke moeder. Vrouw +Taous mocht het jonge moedertje van hem groeten. + +De waardin ging daarop heen, geroerd en gestreeld door deze +woorden. Orion greep het snarenspeeltuig weer op, en terwijl de +vrouwen zich verkwikten, voldeed hij aan de uitnoodiging van de +jonkvrouw en zong op haar verlangen het lied van Alkaios met eene +welluidende doch zachte stem, onder meesterlijke begeleiding van de +luit. Het meisje hing met de oogen aan zijn mond, en het scheen dat +alleen om harentwil zijne hand in de snaren greep. Toen de tijd kwam +om op te breken en de vrouwen in het vaartuig stegen, ging hij in de +herberg om het gelag te betalen. Spoedig kwam hij alleen terug, en de +koopman zag hoe hij een doekje, dat de jonkvrouw op tafel had laten +liggen, opnam en haastig aan zijne lippen bracht, terwijl hij naar de +boot ging. Met de prachtige roode bloemen was het heden morgen minder +vriendelijk afgeloopen. Aan het meisje, dat daar op het water wegvoer, +behoorde het hart van den jongen man. Zijne zuster kon zij niet zijn; +maar in welke betrekking stond zij tot hem? + +De koopman zou er weldra achter komen, want de gids kwam terug +en lichtte hem in.--Zij was Paula, de dochter van Thomas, den +wijdberoemden Griekschen veldheer, die de stad Damascus zoo hardnekkig +en dapper tegen de krijgsmacht van den Islam verdedigd had. Zij was +de nicht van den Mukaukas Georg, maar niet zeer bemiddeld, eene arme +verwante des huizes, die men na het verdwijnen van haar vader--want +men had zelfs zijn lijk niet gevonden--in het stadhouderlijk verblijf +uit genade en barmhartigheid had opgenomen; dus eene Melchietische. De +hermeneut was haar reeds daarom weinig genegen, en hoewel hij tegen +hare schoonheid niets had in te brengen, zoo verzekerde hij toch +te weten, dat zij trotsch en vol inbeelding was, en de kunst niet +verstond om iemands liefde voor zich te winnen. Alleen dat kind, +die kleine Maria, was aan haar gehecht. Het was een publiek geheim, +dat zelfs de gemalin van haar oom, de brave Neforis, de trotsche +nicht niet lijden mocht en haar slechts duldde ter wille van den +kranken man. Wat kwam die Melchietische ook te Memphis doen, in een +oprecht Jacobietisch gezin? Elk woord van den gids ademde den wrevel, +die menschen van minder afkomst en zielenadel zoo licht doen blijken +jegens hen, die de bescherming genieten van hunne eigene weldoeners. + +Maar de schoone aristocratische dochter van een groot man had het +oude hart van den koopman gewonnen, en het oordeel van den Memphiet +wijzigde het zijne in geenen deele. Weldra zou hij ook steun vinden +voor zijne opvatting. De arts Philippus, dien de gids had geroepen, +was een dagelijksch bezoeker van het stadhouderlijk verblijf. Zijn +ernstig voorkomen boezemde den Arabier het grootste vertrouwen in, +en deze nu noemde Paula een dier heerlijke schepsels, welke de hemel +ter goeder ure heeft geschapen. Doch die daar boven troont scheen +zijn eigen meesterwerk vergeten te hebben, want sedert jaren leidde +zij een droevig leven. + +De arts kon den ouden heer het uitzicht geven op vermindering zijner +smarten. Beide mannen begrepen elkaar zoo goed, dat het reeds laat +in den nacht was, toen zij als goede vrienden scheidden. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + +Intusschen gleed de boot van den Mukaukas, door krachtige riemslagen +voortgedreven, rustig stroomopwaarts. Door hen die er in zaten werd +nu eens een zacht gesprek gevoerd, dan weer gezongen. De kleine Maria +was aan Paula's borst in slaap gevallen; de Grieksche opvoedster keek +het eene oogenblik naar de komeet, die haar angst aanjoeg, het andere +naar Orion, wiens schoonheid haar niet meer jeugdig gemoed verkwikte, +of naar de jonkvrouw, wie zij het voorrecht misgunde van door dezen +lieveling der goden aangebeden te worden. Het was eene heerlijke, +warme, stille nacht, en het maanlicht, dat de wateren der zee dwingt te +rijzen, doet ook den golfslag van het gevoel in de menschelijke borst +zwellen en stijgen. Wat Paula maar begeerde dat zong Orion, als ware +geen enkel lied hem vreemd van allen, die op de lier eens Griekschen +dichters weleer de thans zoo diep gezonken wereld in verrukking hadden +gebracht. Hoe langer zij voeren, des te helderder en schooner klonk +zijne stem, des te weeker en betooverender werd hare uitdrukking, +met des te vuriger verlangen wendde hij zich tot het hart van het +meisje. En zoo gaf Paula zich ten laatste aan deze zoete betoovering +gevangen, en toen hij de lier liet rusten en haar zachtkens vroeg: +of zijn vaderland in zulk eene nacht niet schoon mocht heeten? welk +lied het streelendst was voor haar? of zij begreep wat het voor hem +beteekende, dat hij haar in het ouderlijke huis had gevonden? liet +ook zij zich overhalen om hem op fluisterenden toon antwoord te geven. + +Onder de dichte kronen der boomen van den stillen tuin bracht hij +hare hand aan zijne lippen en bevende liet zij het toe.--Zware, +moeielijke jaren lagen achter haar. De arts had maar al te zeer +waarheid gesproken. Op de harde slagen van het noodlot waren voor +haar, de trotsche dochter van een grooten vader, allerlei pijnigende +vernederingen gevolgd. Het leven van de wel-is-waar niet arme maar toch +verlatene aanverwante, die uit goedhartigheid in het huis van een rijke +familie was opgenomen, was reeds lang voor haar een pad vol doornen +geworden. Doch sedert eergisteren was dat alles veranderd. Orion was +gekomen! Als een heerlijk geschenk van het lot hadden het ouderlijk +huis en de stad zijne terugkomst gevierd, en ook zij had rijkelijk +haar aandeel gehad van de feestvreugde. Hij had haar begroet, niet +als de verlatene verwante, maar als de schoone jonkvrouw van edele +geboorte. Het was alsof er een zonneschijn van hem uitging, die +doordrong tot haar hart, en haar het hoofd opnieuw deed oprichten als +eene bloem, die men weder onder den vrijen hemel plaatst, nadat zij +langen tijd licht en lucht heeft moeten ontberen. Zijn frissche geest, +zijn vroolijke levensmoed verkwikten haar hart; de achting die hij +haar bewees versterkte haar onderdrukt zelfvertrouwen, en vervulde +hare ziel met warmen dank. En wat deed het haar goed zich dankbaar, +innig dankbaar te mogen gevoelen! En nu, nu was de avond van heden +gekomen, de schoonste, de heerlijkste, die zij sedert jaren genoten +had. Hij had haar weder geleerd, wat zij bijna vergeten scheen, dat +zij nog jong, zoo schoon was, dat zij het recht had nog gelukkig te +zijn, geestdrift te gevoelen en te wekken, ja misschien ook lief te +hebben en bemind te worden. + +Zijn kus brandde nog op hare rechterhand, toen zij het koele vertrek +binnentrad, waar vrouw Neforis achter haar spinrokken, naast het +rustbed van haar kranken echtgenoot, die zich altijd laat naar bed +begaf, de terugkeerenden wachtte. Met een vol gemoed drukte Paula hare +lippen op de hand van haar oom, Orions vader. Mocht zij hem haar Orion +noemen? Daarop kuste zij--in hoelang was dat niet gebeurd!--ook hare +tante, zijne moeder, terwijl zij met de kleine Maria haar goeden nacht +wenschte. Neforis bleef koel, en terwijl zij hare verwondering over +deze hartelijkheid niet verheelde, sloeg zij een onderzoekenden blik +op Paula en haren zoon. Zeker vlogen haar daarbij allerlei gedachten +door het hoofd, maar zij achtte het geraden deze voorshands niet +uit te spreken. Als was er niets bijzonders gebeurd, liet zij de +meisjes heengaan, hield zij een oog op de lieden, die haar gemaal +naar het slaapvertrek droegen, gaf zij hem de witte pilletjes, die +hij gebruiken moest om te slapen, en schoof zij met onvermoeide zorg +de kussens zoolang terecht, tot hij naar zijn zin lag. Toen eerst, en +nadat zij zich overtuigd had dat een dienstknecht in het aangrenzende +vertrek waakte, verliet zij den kranke, en zocht zij haar zoon op. In +uitstel lag gevaar. + +De groote, stevige, een weinig gezette vrouw was in hare jeugd een +statig, slank meisje, eene deftige verschijning, maar haar nuchter +en onbewegelijk gelaat nooit in het oog vallend schoon geweest. De +jaren hadden dat gelaat echter weinig veranderd; het was thans +een goed, vol matronengezicht geworden, zonder veel uitdrukking, +dat door de langdurige en inspannende verpleging van den kranke +zijne kleur had verloren. Hare geboorte en de plaats die zij innam +gaven haar een gevoel van zelfstandigheid, zekere zelfbewustheid, +doch er lag daarbij niets innemends, niets aantrekkelijks in haar +wezen. Zij deelde niet in het leed en de vreugde van anderen, toch kon +zij zich uit zelfopoffering moeite en bezwaren getroosten, en haar +hart was in staat om voor anderen te ontblaken in hartstochtelijken +gloed. Evenwel die anderen moesten hare naaste betrekkingen zijn +en ook dezen alleen. Er was dan ook geen trouwer en zorgvuldiger +gade, geen teederder moeder te vinden, maar wilde men de liefde +die in haar leefde bij een gesternte vergelijken, dan reikten hare +korte stralen niet buiten de sfeer van hare naaste bloedverwanten, +en dezen verheugden zich natuurlijk dankbaar over het buitengewoon +geluk van te worden opgenomen in den engen cirkel van de genegenheid +dezer onvrijgevige ziel. + +Zij klopte nu aan Orions woonvertrek, en haar laat bezoek verraste hem +niet minder dan het hem genoegen deed. Zij kwam om iets gewichtigs +met hem te bespreken, en deed dit nu reeds, omdat de houding van +Paula en haar zoon haar drong haast te maken. Er was tusschen beiden +iets voorgevallen, en de nicht van haar gemaal stond verre buiten +den beperkten kring harer liefde. + +Zij leidde hare toespraak in met te zeggen, dat zij zoo niet kon +gaan slapen. Zij had een wensch op het hart en zijn vader deelde +daarin. Orion kon wel begrijpen wat zij meende; reeds gisteren had zij +er met hem over gesproken. Zijn vader was hem vriendelijk te gemoet +gekomen, had zijne schulden betaald zonder een woord van berisping, +en nu stond het aan hem voor goed te breken met zijne ongebondene +levenswijze van weleer en eene eigene huishouding op te zetten. De +bruid, dat wist hij wel, was gevonden. "Susanna," zeide zij, "is +reeds bij ons geweest. Hebt gij, booswicht, zooals zij zelve zegt, +hare Katharina heden morgen niet het hoofd geheel op hol gebracht?" + +"Helaas," haastte hij zich te zeggen op verdrietigen toon. "Het +aanhalen van vrouwen is eene gewoonte van mij geworden; doch het zal +hiermee van nu af uit zijn; het is beneden mij. Thans, lieve moeder, +thans gevoel ik...." + +"Dat de ernst des levens begint," vulde Neforis aan, "dat is ook de +bedoeling van den wensch, die mij tot u doet komen. Gij kent dien, en +ik weet niet wat gij er tegen zoudt kunnen aanvoeren. Kort en goed, +laat mij morgen de zaak met vrouw Susanna in orde brengen. Van de +genegenheid harer dochter zijt gij zeker, zij is de rijkste erfgename +van het land, goed opgevoed, en ik herhaal het: zij heeft u haar +hartje geschonken." + +"En zij mag het behouden!" zeide Orion lachend. + +"Ik bid u uwe vroolijkheid te bewaren voor een anderen tijd en +voor komischer onderwerpen," hernam de moeder, verstoord over +dit antwoord. "Ik meen het zeer ernstig als ik zeg: het meisje is +lief en goed, en zal voor u, zoo God wil, eene trouwe, teedere gade +zijn. Of hebt gij misschien uw hart in Konstantinopel gelaten? Heeft +wellicht de schoone verwante van den senator Justinus... Maar dit +is dwaasheid! Gij zelf kunt toch vooruit wel begrijpen, dat wij deze +luchthartige Griekin...." + +Opeens omhelsde Orion haar, en zeide op teederen toon: "Neen, +moedertje, neen! Konstantinopel ligt verre achter mij in grauwe +nevelen, aan gene zijde van het uiterste Thule; maar hier, hier vlak +bij, in het ouderlijk huis heb ik iets veel schooners en volmaakters +gevonden, als zij daar aan den Bosphorus ooit hebben gezien. Die +kleine past niet voor een zoon van ons groot, breedgeschouderd +geslacht. Ook onze toekomstige geslachten moeten zich in alle opzichten +fier verheffen boven het gemeene volk, en ik wil geen speelpopje +hebben tot gemalin, maar eene vrouw, zooals gijzelve in uwe jeugd +zijt geweest, een flinke, voorname, schoone vrouw. Mijn hart wordt +niet aangetrokken door eene elfenkoningin maar door eene waarlijk +koninklijke jonkvrouw. Wat behoef ik er nog veel woorden over te +verspillen: Paula, de kostelijke dochter van den edelen Thomas heb ik +uitverkoren. Heden avond is mij dit als door eene openbaring duidelijk +geworden. Ik bid u om uwen zegen over eene verbintenis met haar!" + +Vrouw Neforis had haar zoon tot zoover door laten spreken. Wat +zij gevreesd had te zullen hooren, had hij haar rond en open te +verstaan gegeven. Hoe lang had zij zich ingespannen om zich in te +houden! Maar nu was het ook uit met hare zelfbeheersching. Bevende +van kwaadheid viel zij hem in de rede en zeide, terwijl een donkere +blos hare wangen overtoog: "Zwijg, ga niet verder! De hemel beware +ons, dat hetgeen ik daar uit uw mond moest hooren iets meer zou zijn +dan een vluchtige, dwaze inval! Hebt gij dan gansch en al vergeten +wie en wat wij zijn? Weet gij dan niet dat het de geloofsgenooten +van deze Melchietin waren, die uw twee geliefde broeders, onze twee +bloeiende zonen ombrachten? Wat zijn wij in het oog van de Grieken, +de Orthodoxen? Maar onder de Egyptenaars, die de alleen zaligmakende +leer van Eutuches aanhangen, onder de Monophusieten zijn wij de +eersten, en wij willen dat blijven en ooren en harten sluiten voor +ketters en hun bijgeloof. De kleinzoon van Menas, een broeder van twee +martelaren voor ons heerlijk geloof, verloofd met eene Melchietin! Deze +gedachte is heiligschennis, is godslastering; ik vind daarvoor geen +zachter woorden. Voor ik, voor uw vader daarin toestemt, willen +wij liever kinderloos sterven. Om der wille van deze vluchtelinge, +die niets anders bezit dan haar bedelaarstrots en het saamgeraapte +overblijfsel van een vermogen, dat nooit met het onze vergeleken kan +worden, om deze ondankbare, die zich nauwelijks verwaardigt mij hare +weldoenster, uwe moeder--bij God, ik spreek de waarheid!--ook maar een +'goeden morgen' te zeggen, waarmede ik zelfs de slaven vriendelijk +begroet, om harentwil moet ik, moeten uwe ouders den zoon verliezen, +den eenige dien de genadige hemel ons nog tot onze vreugde gelaten +heeft? Neen, neen, neen! Dat kan niet! En gij, Orion, mijn beste +jongen, gij zijt uw leven lang een drieste knaap geweest, maar gij +zult den dwazen moed niet hebben deze koude schoone te beminnen, die +gij in twee dagen maar enkele uren hebt gezien, en uwe oude moeder, +die u vier-en-twintig jaren lang teeder aan het hart heeft gedrukt, +tot der dood te bedroeven, en uw vader, wiens dagen geteld zijn, +den korten tijd dien hij nog te leven heeft, te vergiftigen. Neen, +mijn lieve jongen, daartoe hebt gij den moed niet, kunt gij den +moed niet hebben. En mocht gij in eene noodlottige ure het wagen, +mocht gij het durven doen, dan--ik ben gedurende uw gansche leven +uwe teeder liefhebbende moeder geweest--dan, zoo waar God mij en uw +vader zal bijstaan in onze laatste ure, dan ruk ik de liefde voor +u uit mijn hart als eene schadelijke giftplant, dan zou ik, ook al +moest mijn hart er bij breken..." + +Maar Orion liet haar niet verder gaan. Hij trok de zenuwachtig +opgewondene vrouw, die zich reeds lang uit zijne armen had losgemaakt, +weder tot zich, legde zachtkens zijne hand op haren mond, kuste haar +op de beide oogen en fluisterde haar in het oor: "Neen, hij heeft +er den moed niet toe en zal dien ook bezwaarlijk vinden in zijn +leven." Daarop greep hij hare beide handen en vervolgde, terwijl hij +haar flink in het aangezicht zag: "Brrr! uw waaghals is nog nooit +zoo angstig te moede geweest als bij deze bedreigingen. Maar wat +hebt gij ook schrikkelijke woorden uitgesproken; en daar lagen u nog +erger op de tong! Moeder, moeder Neforis! Uw naam beteekent de goede, +maar hoe boos, hoe erg boos kunt gij toch zijn!" + +Daarop omhelsde hij de geliefde vrouw nog hartelijker; in een aanval +van overmoed, de terugwerking van den schrik dien zij hem zooeven +had aangejaagd, kuste hij hare haren, slapen en wangen driftig +achter elkander, en toen zij hem verliet had hij haar de vergunning +gegeven voor hem aanzoek te doen om de hand van de kleine Katharina, +daarbij echter de belofte ontvangen, dat dit nog niet morgen, op +zijn vroegst overmorgen zou geschieden. Hij achtte het eene groote +overwinning, dat hij dit uitstel had verkregen, en toen hij alleen was +en nadacht over hetgeen hij gedaan en aan zijne moeder toegestaan had, +bloedde zijn hart uit wonden, waarvan hij zelf de diepte nog niet +kon peilen. Toch verheugde hij zich Paula nog niet vaster aan zich +verbonden te hebben. Met zijne oogen had hij haar reeds veel gezegd, +maar het woord 'liefde' was nog niet over zijne lippen gekomen, en +daar hing toch alles van af. Het stond den neef toch vrij om eene +schoone verwante een handkus te geven. Zij was en bleef voor hem het +voorwerp zijner wenschen, maar om der wille van een meisje hoegenaamd, +al gold het Aphrodite zelve, of eene der Muzen of Gratiën, met zijne +ouders te breken, dat was hem ondenkbaar. Er waren nog ontelbare +mooie vrouwen voor hem op aarde, maar slechts éene moeder, en hoe +dikwijls had zijn hart niet voor vrouwen sneller geklopt, had hij niet +veroveringen gemaakt en van de bekoring van het oogenblik genoten, +maar ook daarna weder gemakkelijk en gewillig allen vergeten. + +Ditmaal echter scheen het hem dieper te hebben aangegrepen dan bij +vroegere gelegenheden, en zelfs die schoone Perzische slavin, om wier +wil hij, toen hij pas de school had verlaten, groote dwaasheden had +begaan, en de bekoorlijke Heliodora in Konstantinopel, aan wie hij +nog een aandenken schuldig was, hadden niet zulk een indruk op hem +gemaakt. Deze Paula prijs te geven, dat viel hem zwaar, maar het ging +niet anders. Morgen moest hij beproeven op een vriendschappelijken, +broederlijken voet met haar te geraken; want hij durfde niet hopen dat +zij zich, evenals die zachtaardige Heliodora, die in rang met haar +gelijk stond, alleen met zijne 'liefde' tevreden zou stellen. Hoe +schoon, hoe onuitsprekelijk heerlijk zou het toch geweest zijn aan +de zijde van deze schoone vrouw het leven door te zweven! Als hij +met haar door de hoofdstad reed, dan kon hij er zeker van zijn, dat +iedereen zou stilstaan en naar hen omzien. En als zij hem nu eens +waarlijk liefhad, en teeder de armen voor hem opende.... Ach waarom +had het grillige noodlot haar toch eene Melchietin gemaakt!--Doch het +kon wel zijn, helaas, dat er iets haperde aan haar eigen karakter; +anders had het haar toch moeten gelukken gedurende die twee jaren +de liefde te winnen van zijne voortreffelijke, teedere moeder, die +nu zulk een afkeer van haar had.--Alles wel beschouwd was het toch +goed, dat de zaken zoo geloopen waren. Doch Paula's beeld wilde niet +van hem wijken, het roofde hem den slaap en zijn verlangen naar haar +bezit kwam niet tot rust. + +Vrouw Neforis ging intusschen niet terstond naar haar gemaal +terug, maar tot Paula. Deze zaak moest nog heden in allen deele +worden afgedaan. Had zij kunnen verwachten dat de door haar behaalde +overwinning den kranke onverdeelde vreugde zou hebben bereid, dan ware +zij met de blijde boodschap naar hem toegesneld, want zij kende geen +hooger genot dan hem een gelukkig oogenblik te verschaffen. De Mukaukas +had echter noode in hare keuze toegestemd, want ook hem kwam Katharina +te klein voor en te kinderlijk voor den grooten zoon, die hem in +menig langdurig onderhoud, dat hij na zijn terugkeer met hem had, tot +vreugde van zijn ouderhart de onloochenbaarste bewijzen had gegeven, +dat zijn geest tot vollen wasdom was gekomen. Het "kwikstaartje", +aan wie hij alles schoons en goeds toewenschte, voldeed hem niet als +gade voor Orion. Paula was voor hem altijd eene lieve nicht geweest, +en vaak had het hem goed gedaan, als hij zich haar voorstelde aan +Orions zijde. Maar zij was eene Melchietin, en hij wist bovendien +hoe kwalijk zijne vrouw jegens haar gezind was. Zoo verkropte hij +dezen wensch om de trouwe verpleegster, die voor hem leefde, voelde +en dacht, niet te krenken. Vrouw Neforis wist of vermoedde dit alles +en zeide tot zichzelve, dat het hem de nachtrust zou kosten, wanneer +hij heden reeds vernam wat Orion haar toegestaan had. + +Met Paula stond het echter anders. Hoe eerder zij vernam dat zij +van haren zoon niets te wachten had, des te beter zou het voor haar +zijn. Aan den morgen van dezen dag hadden zij en Orion elkander +begroet als een paar verliefden, en zoo straks waren zij als bruid en +bruidegom van elkander gegaan. Zulk een ergerlijk schouwspel wilde +zij niet weder bijwonen, en daarom ging zij tot de Damasceensche, +om haar in vertrouwen mede te deelen hoe recht gelukkig zij was, +en welk eene vreugde haar zoon haar zooeven had bereid. Doch tot +overmorgen moest zij het zwijgen. + +Reeds dadelijk bij haar binnentreden had Paula uit de blijdschap die +uit hare oogen straalde het besluit getrokken, dat zij eene voor +haar pijnlijke boodschap kwam brengen, en zoo wist zij zichzelve +te beheerschen. Met het masker eener koele onverschilligheid liet +zij de uitstortingen van het blijde moederhart over zich heengaan en +wenschte zij de verloofden geluk; maar zij deed het met een schamperen +lach, die vrouw Neforis kwetste. Zij was anders niet boos van aard, +maar tegenover dit meisje veranderde hare natuur, en het was haar +niet ongevallig weder eens te doen blijken, dat Paula bescheidenheid +voegde bij de plaats die zij innam. Dat alles zeide zij tot zichzelve, +toen Paula's kamer achter haar gesloten was, maar wellicht had deze +vrouw, die toch zooveel goeds had, berouw gevoeld, wanneer het haar +vergund was geworden in de volgende ure in het hart te lezen van de +aan hare zorgen toevertrouwde wees. Slechts eenmaal barstte Paula +in hevig snikken uit, toen droogde zij spijtig hare tranen, staarde +lang somber voor zich en schudde daarbij vaak het schoone hoofd, als +ware haar iets ongehoords bejegend, dat zij niet vatten kon. Eindelijk +legde zij zich ter ruste met een smartelijken zucht, en terwijl zij te +vergeefs trachtte te slapen, en de kracht zocht om te bidden en stil +te berusten, scheen haar de tijd eene oneindige steppe toe, het noodlot +een gruwzaam jager, waarbij zij zelve het wild was dat hij vervolgde. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + +Den volgenden avond reed de koopman Haschim met een klein deel zijner +karavaan het stadhouderlijk verblijf binnen. Een vreemdeling zou het +eer voor de woning van een rijk grondbezitter dan voor de residentie +van een aanzienlijk staatsambtenaar gehouden hebben, want binnen het +uitgestrekte terrein, dat door de bijgebouwen aan drie zijden werd +ingesloten, dreef men thans na het ondergaan der zon groote kudden +runderen en schapen binnen, een vijftigtal paarden van edel ras kwam +samengekoppeld uit de zwemplaats en bruine en zwarte slaven droegen +naar een door horden omsloten zandige plek het avondvoeder voor een +kudde kameelen. + +Het woonhuis van den bezitter, buitengewoon groot in omvang, geleek +een sierlijk paleis uit den ouden tijd en was dus wel geschikt om +een stadhouder des keizers tot residentie te dienen. De Mukaukas +Georg, wien dit alles toebehoorde, had inderdaad dit ambt langen +tijd bekleed. Na de verovering des lands hadden de veroveraars hem +daarin bevestigd, en tegenwoordig leidde hij de aangelegenheden +zijner Egyptische landgenooten niet meer in naam van den keizer +te Konstantinopel, maar op gezag van den Kalief te Medina en zijn +veldheer Amr. De muzelmansche veroveraars hadden in hem een goedwillig +en verstandig vertegenwoordiger gevonden, en zijne geloofsgenooten +en stamverwanten gehoorzaamden hem als den voornaamsten en rijksten +heer hunner natie, als den zoon van een geslacht, wiens voorouderen +reeds bij de pharaonen in hooge eer stonden. + +Alleen het woonhuis van den Mukaukas was Grieksch of liever +Alexandrijnsch; de hoven en bijgebouwen, die zich daarbij aansloten, +hadden daarentegen geheel het aanzien als behoorden ze aan het +machtig opperhoofd van een grooten oosterschen stam, aan een Erpaha of +gouwvorst, zooals de voorouders van den Mukaukas in den heidenschen +tijd genoemd en als hoedanig zij aan het hof en onder het volk +geëerd werden. + +De gids had den koopman niet te veel verteld van het grondbezit +van dezen man. Zijne uitgestrekte landerijen waren in Opper- en +Neder-Egypte gelegen en werden bebouwd door eenige duizenden slaven +onder een aantal opzichters. Hier in Memphis was het middenpunt +van het bestuur van zijn bijzonder eigendom, en bij zijn eigen +rentmeesterskantoor sloten zich de schrijfvertrekken aan, die hij +als staatsbeambte noodig had. Goed onderhouden dammen en de breede +Nijlstraat, die op de haven uitliep, scheidden zijn uitgebreid terrein +te Memphis van den stroom, en langs den muur, die aan de noordzijde de +afsluiting vormde, liep een straatje. Hierop kwam de groote poort uit +die bij den dag wijd open stond om aan allen toegang te verleenen, +hetzij dienaars hetzij zaakgelastigden, die op het grondgebied +van den Mukaukas iets hadden uit te richten. De met Korinthische +marmeren zuilen versierde, altijd gesloten schoone hoofdpoort aan +de Nijlstraat, waardoor ook zij waren binnengekomen, die gisteren +het tochtje op de rivier hadden gedaan, werd alleen geopend voor de +familie en de hooggeplaatste bezoekers van den stadhouder. Bij de +dienstpoort in het straatje stond het wachthuis, dat door eene kleine +afdeeling Egyptische soldaten bewoond was, die hadden te waken voor +de persoonlijke veiligheid van den Mukaukas. + +Zoodra zich na de hitte van den dag eene verfrisschende koelte verhief +uit de richting van den stroom, kwam er leven op het terrein achter +deze dienstpoort. Uit alle woningen van het dienstpersoneel kwamen +mannen, vrouwen en meisjes te voorschijn, om de frissche avondlucht in +te ademen. Sommige dienstmaagden en slaven schepten water uit verbazend +groote steenen bakken en droegen het in sierlijk gevormde kannen +weg, terwijl de overige beambten des huizes in groepen stonden te +praten, te spelen en te zingen, om zich te ontspannen van vermoeiende +bezigheden. Uit het slavenkwartier, dat een tweeden hof omsloot, +klonk het gezang van geestelijke liederen, het tot den dans opwekkende +schrille en doffe geluid van dubbele fluiten en handtrommels, getwist +en gelach, het gillen van een meisje dat tot dansen werd gedwongen +en het geschreeuw van een door den opzichter gegeeselden slaaf, +alles verward dooreen. + +De poort voor het dienstpersoneel, die ter eere van den onlangs +teruggekeerden Orion nog rijk met bloemen en groene guirlandes versierd +was, stond ook thans wijd open, ten einde de schrijvers en boekhouders +gelegenheid te geven om uit te gaan, en de stedelingen, die hunne +vrienden in het stadhouderlijk paleis des avonds gaarne bezochten, +om binnen te komen. Want men vond daar steeds eenige hooger geplaatste +beambten van den Mukaukas bijeen, die van de jongste gebeurtenissen in +staat en kerk meer wisten dan andere lieden. Onder de houten galerij +vóor het huis van den hofmeester vereenigden zich dan ook weldra een +groot aantal mannen, die in druk gesprek geraakten. Ook zonder het +bier, dat de gastheer hun nog altijd op rekening van het welkomstfeest +voor den zoon zijns meesters liet aanbieden, beschouwden zij dit als +een bijzonder genot; want voor een Egyptenaar ging er niets boven +een twistgesprek, waarbij hij de pijlen van zijn geestigen spot op +aanzienlijke personen, die anders ongenaakbaar voor hem waren, alsmede +op andersdenkenden en vijanden des lands kon richten. Heden was er +ook zeker menig snedig woord, menige aardige scherts te hooren, want +het vroolijk gelach en de luide bijvalsbetuigingen in de voorgalerij +van den hofmeester schenen geen einde te nemen, en de bevelhebber der +wacht bij de poort sloeg nu en dan een afgunstigen en wreveligen blik +op het luidruchtig gezelschap, waaraan hij gaarne had deelgenomen, als +hij zijn post had durven verlaten. Maar daar stonden nog de gezadelde +paarden der boden, die op antwoord wachtten; daar kwamen af en toe +zaakgelastigden en lieden met verzoeken die wenschten toegelaten te +worden, en in het ruime voorvertrek van het stadhouderlijk paleis +waren nog vele personen bijeen, die den Mukaukas moesten spreken; want +geheel Memphis wist, dat de kranke stadhouder in de heetste maanden +alleen des avonds audiëntie verleende. De Egyptenaars stelden nog +weinig vertrouwen in de Arabische beambten, en iedereen trachtte te +voorkomen, dat hij naar de plaatsvervangers van den Mukaukas verwezen +werd; zoo verstandig en rechtvaardig als de oude heer was geen zijner +ambtenaren. Hoe de lijdende man kracht en tijd vond om ook dezen op +te vingers te zien, wist niemand te verklaren, maar het stond vast, +dat ieder besluit door hem werd nagezien. + +De audiëntietijd was voorbij, en de bezorgdheid, die het uitblijven +van de overstrooming en de komeet wekten, had de wachtkamer heden met +meer personen die wat te vragen hadden gevuld, dan gewoonlijk. De +vertegenwoordigers der steden en de dorpshoofden waren bij groepen +toegelaten; zij die over hunne eigene belangen te spreken hadden +kwamen een voor een, en de meesten waren bevredigd of althans met +goeden raad heengegaan. Alleen een landman, wiens rechtvaardige +zaak reeds lang op afdoening wachtte, was achtergebleven en hoopte, +omdat hij van zijne armoede eenige drachmen ten offer had gebracht +voor den persoon die hem moest aandienen, nog heden de vrucht te +oogsten van zijn geduldig wachten, toen de huismeester hem beval +morgen terug te komen en de hooge deuren, die tot de vertrekken van +den Mukaukas leidden, onderdanig opende voor den koopman Haschim, +dank zij de goudstukken, die hij van zijn neef den gids ontvangen +had. Doch de Arabier had den landman opgemerkt, en drong er op aan, +dat deze hem voor zou gaan. Zoo gebeurde het dan ook, en na eenige +oogenblikken keerde de boer tevreden terug en kuste Haschim dankbaar +de hand. De huismeester liet daarna den ouden heer met zijne lieden, +die hem eene zware baal achterna hadden gedragen, in een prachtig +voorvertrek wachten, en zijn geduld werd zeer op de proef gesteld, +eer de uitnoodiging tot hem kwam, om den stadhouder zijn koopwaar +te toonen. + +De Mukaukas had, nadat hij met een stillen wenk had goedgevonden den +braven koopman, die hem bijzonder was aanbevolen, later te ontvangen, +zijn rusttijd genomen, en zonder zich over den wachtende te bekommeren +verpoosde hij zich met het schaakspel. Hij lag op een divan, waarover +de gladde huid eener leeuwin was gespreid, terwijl zijne jeugdige +speelgenoote op een lagen zetel tegenover hem zat. De deuren aan +de Nijlzijde van het vertrek, waarin hij ook in liggende houding de +personen had ontvangen die ter audiëntie waren gekomen, stonden nu +half open, om de koelere maar altijd nog lauwe avondlucht binnen te +laten. Het groene velarium [1], dat overdag de zonnestralen belette om +door het in het midden geopende dak naar binnen te dringen, was nu op +zij geschoven, en maan en sterren schenen in het vertrek, dat geheel +beantwoordde aan zijne bestemming om in heete zomerdagen een dragelijk +toevluchtsoord te zijn. Want de wanden waren met koele, bonte tegels +bekleed, de bodem bestond uit een veelkleurig mozaïk van allerlei +figuren op een grond van verguld glas, en op het ronde middenstuk +van dezen kunstigen vloer verhief zich het voorwerp, dat eigenlijk +de frischheid aanbracht, een twee manslengten wijde schaal van bruin +met wit doorspikkeld porfier, waaruit een waterstraal opspoot, die +de geheele omgeving met fijne waterstof besproeide. Enkele zetels, +stoelen en kleine tafeltjes, allen van metaal, vormden het overige +ameublement van dit hoog, door vele lampen verlicht vertrek. Eene +zachte koelte drong door het open dak en de thans ontsloten deuren +binnen, bewoog even de vlammen der lampen en speelde met de bruine +lokken van Paula, die zich met geheel hare opmerkzaamheid aan het +schaakspel scheen te wijden. + +Orion, die achter haar stond, had reeds meermalen te vergeefs +moeite gedaan om hare aandacht te trekken. Thans bood hij zich +dienstvaardig aan om een doek voor haar te halen, opdat zij geen tocht +mocht vatten. Maar zij sloeg het kortweg en bepaald af, ofschoon +eene vochtige lucht van de rivierzijde binnendrong en zij reeds +meermalen haar peplos dichter om de borst had samengetrokken. Bij +deze afwijzing beet de jonge man zich op de lippen; hij toch wist +niet dat zijne moeder haar had medegedeeld, wat hij haar gisteren +had ingewilligd, en vond geene verklaring voor Paula's veranderde +gezindheid. Sedert den vroegen morgen had zij hem ijskoud bejegend en +zijne vragen ternauwernood met een koel "ja" of "neen" beantwoord, +en deze verhouding werd hem, den verwenden lieveling der vrouwen, +al meer en meer ondragelijk. Moeder had dus wel juist over haar +geoordeeld. Zij liet zich gansch en al beheerschen door hare luimen, +en thans deed zij ook hem haar trots gevoelen, waarvan hij vroeger +niets bespeurd had. Ja, deze koude behandeling grensde aan lompheid, +en hij was niet genegen zich dit langer te laten welgevallen. Bitter +verdrietig volgde hij elke beweging harer hand, elke buiging van haar +hoofd en de afwisselende uitdrukking van haar gelaat, maar hoe meer +hij zich in de beschouwing van deze trotsche jonkvrouw verdiepte, +des te schooner scheen zij hem toe, des te dieper indruk maakten die +volmaakte vormen op zijn gemoed en des te hooger steeg zijn vurig +verlangen, om haar weer zoo lachende, zoo echt vrouwelijk teeder te +zien als gisteren. Thans geleek zij slechts op een voortreffelijk +marmeren beeld, doch hij wist maar al te goed dat dit beeld ook eene +ziel had. Welk een heerlijke taak zou het zijn om dit schepseltje, dat +zoo geheel door hare dwaze luimen beheerscht werd, te leeren zichzelve +te beheerschen, en haar, al moest het met hardheid geschieden, te +wijzen op hetgeen eene vrouw, eene jonkvrouw bovenal betaamt. + +Onder deze afwisselende gewaarwordingen wijdde hij zijne aandacht meer +en meer uitsluitend aan Paula. Zijne moeder, die met vrouw Susanna op +tamelijken afstand van de spelenden op een rustbank zat, bespeurde +dit met toenemende ergernis; zij zocht hem door vragen en door hem +nu en dan eene kleinigheid te verzoeken, van haar af te trekken en +aan zijne kwalijk verholen gedachten eene andere richting te geven. + +Wie had gisteren morgen kunnen denken, dat haar lieveling haar +weldra zulk een verdriet, zooveel zorgen zou geven! Hij was +teruggekeerd als een zelfstandig man, die het leven in de groote +wereld heeft leeren kennen, juist zooals zijn vader en zij het +gewenscht hadden. Wel-is-waar had hij in de hoofdstad alles genoten, +wat het hart van een jongeling uit hoogen stand aantrekt, maar +desniettemin--en hierover vooral verblijdde zich zijn vader--was +hij frisch gebleven en ontvankelijk ook voor het kleinste. Van die +oververzadiging, die onverschilligheid voor de gewone genietingen des +levens, waartoe zoovele jongelieden van zijn stand vervielen, vertoonde +zich bij hem geen spoor. Hij kon met de kleine Maria nog altijd even +dartel spelen, zich over eene zeldzame bloem of een nieuw fraai paard +nog even hartelijk verheugen als voor zijn vertrek. Daarbij had hij +echter zulk een diepen blik geslagen in de staatkundige verhoudingen +van zijn tijd, in den toestand van het keizerrijk en het hof, in +het staatsbestuur en de verschijnselen op godsdienstig gebied, dat +het zijn vader een genot was hem te hooren spreken, en deze aan zijne +gade de verzekering kon geven, dat hij van den jongen man veel leerde, +en dat Orion op weg was een degelijk staatsman te worden, die thans +reeds kennis genoeg bezat om zijne plaats geheel te kunnen innemen. + +Toen de moeder haar echtgenoot de groote som had genoemd van de +schulden, die Orion in Konstantinopel had achtergelaten, greep de oude +heer met zekeren trots in zijn buidel. Hij verheugde er zich over, +dat de eenige hem overgebleven erfgenaam de kunst verstond om de groote +rijkdommen, die hem zelven meer tot last dan tot genot waren, evengoed +als hijzelf in zijne jeugd, te gebruiken, en zich te omgeven met een +glans, waarvan het schijnsel op hemzelven en zijn naam terugviel. "Bij +hem weet men," zeide de kranke, "waarvoor men zijne geldstukken laat +rollen. Zijne paarden kosten veel, maar hij weet er mee te overwinnen; +zijn optreden in de wereld verslindt aanzienlijke sommen, maar daarvoor +verschaft hij zich achting, waar hij zich ook vertoont. Hij brengt mij +een brief mede van den senator Justinus, en de waardige man erkent, +dat hij eene groote rol onder de voorname jongelieden van aanzienlijk +vermogen in de hoofdstad gespeeld heeft. Zulk een roem verwerft men +geenzins om niet, en ten slotte valt de rekening nog mee. Wat vraag +ik naar een honderd talenten meer of minder? En er ligt iets van +beteekenis in, dat hij den moed heeft gehad het ook niet te doen." + +Hij die zoo sprak was geen levenslustige grijsaard, maar een man wiens +gezondheid was geknakt, en die zich verheugde dat zijn zoon alles, +waarvan het genot hem sedert lang was ontzegd, nu blijde en volop +genieten kon. + +De vurige, pas de kinderschoenen ontwassen, hoogbegaafde jonkman, +dien hij met eenige bezorgdheid naar de keizerstad had gezonden, moest +dan toch in de hoofdstad een veel ingetogener leven hebben geleid, +dan men van hem verwacht had; daarvoor stonden hem borg de roode blos +op zijne een weinig gebruinde wangen, de kracht zijner spieren en de +dichtheid van zijne gladde doch met kunstvaardige hand gekroesde haren, +die in kort gesneden lokken, naar de mode van dien tijd, op zijn hoog +voorhoofd neerhingen, en hem ietwat deden gelijken op de beelden van +Antinous, den schoonen jongeling uit de dagen van keizer Hadrianus. + +De moeder moest zelve bekennen, dat de wedergekeerde er uitzag als +een toonbeeld van gezondheid. Niemand van de keizerlijke familie +kon rijker, zorgvuldiger en meer naar de mode gekleed zijn dan haar +lieveling; maar ook in het eenvoudigst gewaad zou hij een schoon, een +krachtig jonkman, de trots eener moeder zijn geweest. Toen hij zijne +vaderstad met de residentie verwisselde, was hij niet vrij geweest van +zeker iets, dat den knaap uit de provincie verried, maar thans was hij +vrij van alle onbeholpenheid en waar hij zich vertoonde, ook aan het +hof, kon hij zeker zijn onder de eersten met bijval te worden begroet. + +En wat had hij niet in die hoofdstad doorleefd! In de dertig maanden +van zijn verblijf aldaar waren de gebeurtenissen elkander zoo verbazend +snel opgevolgd, als had hij er een eeuw doorgebracht. Hoe grooter +prikkel, des te meer genot, dat was het wachtwoord van den tijd, en +ofschoon hij aan den Bosphorus in weelderige vermaken voor niemand +had ondergedaan, zoo waren al die gastmalen, die liefdesavonturen, +die wedstrijden met zijne eigene overwinnende vierspannen, van +welke genietingen hij zich niets had ontzegd, toch kinderspel +geweest in vergelijking met de zenuwachtige spanning, waarin hij +gebracht werd door de schrikkelijke gebeurtenissen, die zijne oogen +hadden aanschouwd. Wat een armzalig genot was dat wagenmennen in +Alexandrië! Wat deed het er toe of de paarden van Timon, van Ptolemeüs +of zijne eigene wonnen? Ook in den circus te Byzantium was het schoon +den krans te verwerven, maar daar waren nog andere dingen dan paarden +en wagens, die de gemoederen in beweging brachten! Daar was het om +kronen te doen, daar gold het het bloed en leven van duizenden! Wat +nam men voor indrukken mee uit de tempels in het Nijldal? Maar had men +den drempel van den Sophia-dom in Byzantium overschreden, dan kwam men +soms met bloedende wonden, ja, als een doode naar huis. Driemalen had +hij den scepter in andere handen zien overgaan; een keizer en eene +keizerin waren voor zijne oogen van het purper ontdaan en vermoord +geworden. Dáar kon men in die dagen eerst waarlijk genieten te midden +van tooneelen aangrijpend tot in merg en been. Wat het overige betreft, +ja ook aan het kleine had hij zijn hart opgehaald. Men had hem niet +ontvangen als andere Egyptenaars: half beschaafde philosophen, die +zich wijzen noemden en met geheimzinnige en aanmatigende deftigheid +optraden, astrologen, rhetoren, armzalige, maar vinnige en geestige +spotters, geneesheeren die met de wetenschap hunner vaderen pronkten, +fanatieke godgeleerden, die steeds gereed waren om bij elken +bitteren geloofsstrijd zich van andere wapenen dan van bewijzen en +dogmen te bedienen, droefgeestige, geestelijk zoowel als lichamelijk +verwaarloosde heremieten en kluizenaars, korenhandelaars en woekeraars, +met wie het gevaarlijk was zonder getuigen zaken te doen. Met al dit +volk had Orion niets uit te staan. Men had hem ontvangen als den +welopgevoeden, levenslustigen en geestigen zoon van den rijken en +voornamen stadhouder, den beroemden Mukaukas Georg, ja, als een soort +van gezant, en wat de rijkste jongelieden van de keizersstad zich +veroorloofden, dat mocht ook hij doen. Zijne beurs was niet minder +goed gespekt dan de hunne, zijne gezondheid en zijne veerkracht waren +wel twintigmaal sterker, en zijne paarden, die hijzelf bestuurde en +niet door betaalde agitatoren mennen liet, hadden driemaal de hunnen +geslagen. De "rijke Egyptenaar", de "nieuwe Antinous", de "schoone +Orion", zooals zij hem noemden, mocht bij geen feestmaal, bij geene +partij ontbreken. De eerste huizen der stad telden hem gaarne onder +hunne gasten, en in het paleis en de villa van den senator Justinus, +een vriend zijns vaders uit jonger jaren, verkeerde hij als een zoon +des huizes. Bij hem en zijne vriendelijke gade Martina leerde hij ook +de schoone Heliodora kennen, de weduwe van een neef des senators, en +de geheele stad had gewaagd van de teedere verhouding tusschen Orion +en het aanvallige jonge vrouwtje, wier strenge ingetogenheid niet +minder bewonderd werd dan heur blond haar en de groote edelgesteenten, +waarmede zij hare wel eenvoudige maar toch kostbare kleederen gaarne +opsierde. Reeds had menige schoone jonkvrouw uit Byzantium getracht +de gunst van den jongen Egyptenaar te verwerven, toen Heliodora ze +allen uit het veld had geslagen. Nochtans was het haar niet gelukt +Orion vast en op den duur aan zich te kluisteren, en toen hij zijne +moeder gisteren avond verzekerde, dat zij zijn hart niet bezat, +had hij de waarheid gesproken. + +Zijn gedrag in de residentie was wel niet onberispelijk geweest, maar +hij had zichzelven toch nimmer vergeten en de achting genoten niet +alleen van de metgezellen zijner feestgelagen, maar ook van waardige +en ernstige mannen, die hij in het huis van Justinus had leeren +kennen, en die zijn verstand en zijne weetgierigheid roemden. Hij +die als knaap een vlijtig scholier was geweest, liet ook hier geene +gelegenheid voorbijgaan om te leeren. Vooral had hij zich in de +keizersstad toegelegd op de verdere ontwikkeling van zijn aanleg voor +de muziek, en het daar tot eene buitengewone hoogte gebracht in gezang +en snarenspel. Gaarne zou hij langer in de hoofdstad gebleven zijn, +maar ten slotte werd hem de bodem te heet onder de voeten, en wel +om zijns vaders wil. Want de overtuiging dat deze er veel toe had +bijgedragen, om Egypte van het Byzantijnsche rijk los te maken en +het in handen te spelen van de gehaatte maar onweerstaanbare macht +der Arabieren, had in de aanzienlijkste kringen geloof gevonden, +sedert Cyrus, de afgezette en inmiddels reeds gestorven Melchietische +patriarch van Alexandrië, zich persoonlijk naar Konstantinopel had +begeven. Reeds was tot zijne gevangenneming besloten, toen de senator +Justinus en andere vrienden hem waarschuwingen hadden doen toekomen, +waaraan hij bijtijds gehoor had gegeven. + +De houding zijns vaders had Orion wel in ernstig gevaar gebracht, +maar hij was er niet verstoord over; integendeel, hij moest haar +in zijne ziel billijken. Immers was hij duizendmaal getuige geweest +van de verachting, waarmede de Grieken over de Egyptenaren, van den +haat en den afkeer waarmede de orthodoxen over het monophysitisch +geloof van zijn volk spraken. Het kostte hem moeite zijn toorn in te +houden, wanneer hij den spot en de smaadredenen moest aanhooren, die +aanzienlijke mannen en jongelieden, leeken en geestelijken over zijn +land en zijne stamgenooten uitstortten, zonder zich te storen aan zijne +tegenwoordigheid. Want zij hielden hem voor een der hunnen, voor een +Griek, wien al wat 'barbaarsch' was even stuitend en verachtelijk moest +voorkomen als hunzelven. Toch vloeide het bloed zijns volks door de +aderen van den 'nieuwen Antinous', die de Grieksche liederen zoo schoon +en met zulk een zuivere uitspraak wist voor te dragen. Elk smadelijk +woord dat tegen de zijnen was gericht wondde hem diep in het hart, elk +minachtend oordeel over zijn geloof riep den dag hem in het geheugen +terug, waarop de Melchieten zijne beide broeders hadden vermoord. + +Deze bloedige daden en ontelbare geweldenarijen, waarmede de Grieken de +andersdenkende Egyptenaars gekweld, beleedigd, doodgemarteld hadden, +waren nu gewroken, gewroken door zijn vader. Dat deed hem de borst +zwellen, dat maakte hem trotsch, en hij vergunde den ouden man diep +in zijne ziel te lezen, en wat deze daar vond verraste en verblijdde +hem tegelijk. Immers hij had gevreesd dat Orion zich in Konstantinopel +niet zou hebben kunnen onttrekken aan den onweerstaanbaren invloed van +den Griekschen geest, ja, hij had er zich soms bezorgd over gemaakt +hoe zijn eigen zoon het zou misbillijken, dat hij, hoewel gedwongen, +de hem toevertrouwde provincie aan de Arabische veroveraars overgegeven +en met hen vrede gesloten had. + +De Mukaukas gevoelde dat Orion eenstemmig met hem dacht, en nu en +dan wierp hij hem, van het schaakbord opziende, een teederen blik +toe. Vrouw Neforis deed inmiddels haar best om de moeder van de +toekomstige bruid haars zoons zoo goed mogelijk bezig te houden +en haar af te leiden, zoodat zij de vreemde houding van Orion niet +opmerkte. Dit scheen haar ook te gelukken, want vrouw Susanna luisterde +naar alles wat zij zeide. Dat zij echter daarbij een oog in het zeil +hield bleek uit de onverwachte vraag: "Zou de voorname nicht van uw +gemaal zich wel verwaardigen ons een woord toe te spreken?" + +"O neen," antwoordde Neforis op bitteren toon. "Ik hoop maar dat +zij spoedig andere lieden vindt, met wie zij zich liever genadig zal +inlaten. Ik zal haar den weg daartoe wel banen, daar kunt ge zeker +van zijn!" + +Zij bracht vervolgens het gesprek op Katharina en de weduwe vertelde, +dat haar zwager Chrusippos met zijne beide dochtertjes in Memphis +was. Morgen zouden ze weer vertrekken en haar kind had zich dus +aan die meisjes moeten wijden. "Zoo zit daar nu het arme schaap," +dus besloot zij op medelijdenden toon, "en moet die twee kleine +babbelaarsters bezig houden, terwijl zij smacht om hier te zijn." + +Orion had de laatste woorden gehoord; hij vraagde daarop naar de kleine +en zeide daarna op luchtigen toon: "zij heeft mij gisteren vroeg een +halsbandje beloofd voor dat witte beestje, dat ik als aandenken uit +Konstantinopel meebracht.--Foei, Maria! Gij moogt het arme diertje +niet kwellen." + +"Ja, laat den hond los!" voegde de weduwe er bij, terwijl zij zich +tot het kleindochtertje van den Mukaukas wendde, die het dier dwingen +wilde tegen zijn zin hare pop te kussen. "Maar weet ge wel, Orion, +dat die kleine keffer eigenlijk veel te sierlijk is voor zoo'n groot +heer als gij zijt? Geef het beestje present aan een aardig meisje, +daar is het beter op zijn plaats. Katharina is echter reeds bezig +aan den halsband. Ik mag het eigenlijk niet verklappen, maar op den +blauwen grond komen gouden sterren." + +"Omdat Orion een ster is," riep de kleine Maria, "stikt zij enkel +Orions." + +"Gelukkig is er maar één gesternte dat mijn naam draagt," merkte +Orion op. "Zeg dat, bid ik u, aan uwe dochter, vrouw Susa." + +De kleine klapte in de handen en riep lachende: "Hij wil geen ster +naast zich hebben!" + +Maar de weduwe haastte zich te zeggen: "Die kleine wijsneus! Ik +ken lieden die het zelfs niet lijden kunnen, wanneer men bij hen +eenige overeenkomst met anderen waarneemt. Gij moet u dit echter +laten welgevallen Orion!--Ja, gij had zooeven wel gelijk, Neforis, +voorhoofd en mond zijn als uit het gezicht zijns vaders gesneden!" + +Deze opmerking was zeer juist, toch kon men zich moeielijk twee +uiteenloopender menschen denken dan deze jongeling in de frischheid +der jeugd en die zwakke, oudachtige man op den divan, wien zelfs elk +der kleine bewegingen, die het spel medebracht, inspanning kostte. De +Mukaukas mocht eens op zijn zoon geleken hebben, maar dat was heel +lang geleden. Enkele grauwe vlokken haar bedekten thans slechts +ten halve zijn naakten schedel, en van zijne oogen, die voor dertig +jaren zoo helder schitteren mochten als die van Orion, was gewoonlijk +weinig en menigmaal niets te zien, want de zware oogleden vielen, +als hadden ze alle veerkracht verloren, voortdurend er overheen en +gaven het welgevormde doodsbleeke gelaat iets dat aan een uil deed +denken. Toch was hij niet gemelijk, maar veeleer vereenigden zich in +zijn gelaat smartelijke en vriendelijk welwillende trekken, die het +eene weemoedige uitdrukking verleenden. De mond en de slap neerhangende +wangen waren bewegingloos en als gestorven; de verlammende handen van +kommer, angst en zorg schenen daarover heen gegaan te zijn en hun spoor +daarop achtergelaten te hebben. Hij zag er uit als een doodvermoeid +man, die alleen nog leefde, omdat het noodlot hem de gunst ontzegde +van te sterven. Ja hij was door de zijnen reeds dikwijls voor een +lijk gehouden, als hij al te dikwijls in het doosje van bloedjaspis +had getast en te veel gebruikt had van de witte opiumpilletjes, van +welke hij er ook onder het schaakspel met lange tusschenpoozen telkens +een op de kleurlooze lippen legde. Langzaam en als sliep hij bijna +verplaatste hij met half geslotene oogen stuk voor stuk, en toch kon +zijne tegenpartij het niet tegen zulk een bedreven speler uithouden, en +was zij reeds ten derden male door hem geslagen, ofschoon de Mukaukas +zelf haar een goede speelster noemde. Men kon het haar hoog gewelfd +voorhoofd en hare donkerblauwe klare oogen aanzien, dat zij verstandig +kon denken en diep gevoelen. Maar zij scheen wel wat eigenzinnig te +zijn en geneigd tot tegenspraak, althans heden, want als Orion hare +aandacht vestigde op dezen of genen zet, volgde zij zelden zijn raad +en verschoof zij de kleine figuur met op elkaar geklemde lippen naar +haar eigen en zelden beter inzicht. Men bespeurde duidelijk dat het +haar hinderde door dezen raadsman te worden terecht gewezen. + +De wrevelige houding van het meisje zoowel als Orions ijverige pogingen +om haar in vriendelijker stemming te brengen, moesten door alle +aanwezigen worden opgemerkt, en daarom verheugde zich vrouw Neforis, +toen hij, die de bezoekers aandiende, nadat de Mukaukas de derde partij +had gewonnen en de op het bord overgebleven stukken met den rug van +zijn hand door elkaar wierp, zijn meester kwam herinneren aan den +Arabier, die buiten met toenemend ongeduld wachtte. In plaats van te +antwoorden gaf de Mukaukas een wenk, trok dan den langen kaftan van den +fijnsten wol wat vaster om het lijf, en wees naar het dak en de deuren +van het vertrek. Zijne familie had reeds lang die vochtige nachtlucht, +die het vertrek van de rivierzijde binnendrong, gehinderd, maar daar +zij wisten dat vader niets onaangenamer was dan de zomerhitte, hadden +zij allen gewillig den tocht verdragen. Orion riep nu de slaven en vóor +de vreemdelingen binnentraden, waren deuren en dakopening gesloten. + +Paula stond op, de Mukaukas bleef daartegen roerloos zitten en hield +de oogen voortdurend met zijne oogleden bedekt, doch hij moest toch +door eene onmerkbare opening kunnen waarnemen wat hem omgaf, want hij +wendde zich eerst tot haar en dan ook tot de andere vrouwen met te +zeggen: "Is het niet vreemd, anders zoeken ouden en kinderen de zon, +en de laatsten spelen, de eersten rusten gaarne in de hitte. Maar +ik.... Daar is mij jaren geleden iets overkomen, dat weet ge, en +toen is mij het bloed in de aderen gestold. Nu wil het niet meer +warm worden, en ik gevoel de tegenstelling tusschen de koude hier +binnen en de hitte daarbuiten zeer sterk, bijna smartelijk. Hoe meer +de jaren klimmen, des te liever laat men aan de jeugd over, wat ons +zelven eens goed deed. Het eenige wat wij oudjes ons niet gaarne laten +ontnemen is een aangenaam lichamelijk gevoel, en ik dank u dat gij +zoo geduldig draagt wat u hindert, en dat gij het mij zoo aangenaam +maakt. Een verschrikkelijke zomer! Gij, Paula, weet van den Libanon +wat ijs is. Vaak wensch ik mij een bed van sneeuw. Mijn hoogste wensch +zou zijn met de frissche koude éen te worden. De koele avondlucht, +die gij vreest, doet mij goed. De warmte der jeugd verzet zich tegen +alles wat kil is." + +Dit was de eerste maal sedert den aanvang van het spel, dat de Mukaukas +lang achtereen had gesproken. Orion liet hem eerbiedig uitspreken, +maar toen nam hij de vrijheid er lachende bij te voegen: "Er zijn +intusschen ook jeugdige menschenkinderen, die er een welbehagen in +vinden koel en koud te zijn. God weet om welke reden!" + +Hij zag daarbij haar, tegen wie deze woorden gericht waren, flink +in de oogen. Maar zwijgend en trotsch wendde zij zich van hem af, +en het was als trok er een donkere schaduw over hare schoone trekken. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + +Nadat den Arabier toegang verleend was tot den Mukaukas, spreidden +zijne dienaars een stuk tapijt voor den kranke uit. De reusachtige +Masdakiet was bij dit werk de hoofdpersoon. Maar zoodra de Mukaukas +den kolossalen man zag, met zijne verwilderde haren, die hem als +manen langs het hoofd hingen, met dien dolk en dien slachtbijl in zijn +gordel, riep hij angstig uit: "Voort, voort met dezen kerel, weg met +die wapens.... Ik wil het tapijt niet zien voor deze uit de voeten is!" + +De handen van den lijder beefden, en de koopman beval terstond zijn +trouwen Rustem, de onschuldigste ziel van de wereld, heen te gaan. De +stadhouder, wiens prikkelbaar zenuwgestel, na een moordaanslag door een +uit Egypte verbannen Griek tegen hem gepleegd, nu en dan onderhevig +was aan dergelijke aanvallen van angst, kwam echter spoedig weer tot +bedaren, en keek met bewondering naar het tapijt, waarom ook de zijnen +zich schaarden. Ieder stemde toe zoo iets nog nooit gezien te hebben, +en de levendige weduwe Susanna wilde hare dochter Katharina laten +roepen met de kinderen die bij haar op bezoek waren, doch omdat het +zoo laat en haar huis zoo ver van het stadhouderlijk verblijf gelegen +was, zag zij er van af. + +Vader en zoon hadden reeds van dit kunstwerk gehoord, hetwelk door het +overwinnend leger der Arabieren bij de verovering van het Perzische +rijk in het "witte slot", het koninklijk paleis der Sassaniden in de +residentie Madain buit was gemaakt. Zij wisten dat het oorspronkelijk +300 ellen lang en 60 breed was geweest en hadden met schrik vernomen, +dat de Kalief Omar, die altijd nog als een eenvoudig aanvoerder eener +karavaan leefde, zich kleedde en voedde, en op zulk een prachtstuk +met minachting neerzag, dit onschatbaar kunstwerk in stukken gesneden +en onder de strijdgenooten van den profeet verdeeld had. + +De koopman verklaarde nu, dat dit stuk tapijt het aandeel in den +buit geweest was van Ali, den schoonzoon van den profeet. Hij had +het kunstwerk in zijn geheel in Madain, waar het in de prachtige +troonzaal aan den wand hing, en later andermaal in Medina vóor de +verdeeling gezien. + +Alle aanwezigen verzochten nu dringend, dat hij eene beschrijving zou +geven van het ontbrekende gedeelte. Maar hij scheen niet op zijn gemak +te zijn; herhaaldelijk keek hij naar zijne naakte voeten, die op den +vochtigen mozaïekbodem nabij de fontein stonden; want overeenkomstig de +zeden zijns volks had hij zijne sandalen in het voorvertrek gelaten. De +stadhouder had de bewegingen van den ouden heer gevolgd, die zijne +hand vaak aan zijne lippen bracht, en een zijner slaven iets in het +oor gefluisterd, terwijl zijne vrouw, Orion en de weduwe, Haschim met +vragen bestormden. De slaaf was terstond daarop teruggekeerd en had +op bevel zijns meesters eene langwerpige strook tapijt voor de bruine, +welgevormde maar teedere naakte voeten van den Arabier uitgespreid. + +Terwijl dit geschiedde had er in de houding van den koopman eene +eigenaardige verandering plaats. Met eene waardigheid, door niemand +der aanwezigen verwacht van den man, die het vertrek zoo deemoedig was +binnengetreden en zijne kostbare koopwaar met welsprekende woorden +aangeprezen had, richtte hij zich op; zijn kalm, zachtmoedig gelaat +nam een uitdrukking aan van tevredenheid, om zijn mond speelde een +beminnelijk lachje, en zijne goedige oogen fonkelden als die van +een kind, dat men bijzonder pleizier aandoet. Daarna boog hij voor +den Mukaukas, terwijl hij met de vingertoppen zijner rechterhand het +voorhoofd, den mond en de borst aanraakte, om daarmee te kennen te +geven: "wat ik denk, spreek en gevoel is u gewijd," en zeide: "Heb +dank, zoon van Menas! Dit was eene daad een muzelman waardig!" + +"Een christen," verbeterde Orion haastig; doch zijn vader schudde +daarop even het hoofd en zeide met nadruk en langzaam: "Slechts +een mensch!" + +"Een mensch," herhaalde de koopman, waarop hij nadenkend liet volgen: +"Een mensch! ja, dat is waarlijk het hoogste, zoolang we zijn wat we +zijn moeten: evenbeelden van den eeuwigen God. Wie is barmhartiger +dan Hij, en ieder barmhartige uit eene vrouw geboren is Hem gelijk." + +"Wederom een christelijk woord," zeide Orion, hem in de rede +vallende. "Gij zijt een vreemde muzelman!" + +"En toch," hernam Haschim met kalme waardigheid, "komt dit woord +voor woord overeen met de leer van den besten der menschen, onzen +profeet. Ik behoor tot hen, die hem hier op aarde gekend hebben. De +geringste smart van den broeder vervulde zijn teergevoelig hart met +innig medelijden. Zijn voorschrift verlangt barmhartigheid ook voor +het boompje aan den weg, en noemt het doodzonde dit te schenden. Ieder +muzelman heeft dit voorschrift te volgen. Barmhartigheid te betoonen +heet in het boek van den profeet...." + +Hier werd de koopman plotseling en ruw gestuit, want Paula, die +tot hiertoe, tegen een der zuilen van den wand geleund, het tapijt +bewonderd en het gesprek zwijgend gevolgd had, liep met een paar +driftige schreden op den Arabier toe, wees, terwijl een hooge blos +hare wangen kleurde en hare oogen vlammen schoten, op hem en riep +met trillende stem, zonder zich te storen aan de verbazing en de +ontevredenheid der aanwezigen, noch om het hondje, dat vinnig tegen den +Arabier begon te keffen: "Gij, gij, de aanhanger van den leugenprofeet, +gij de gezel van den bloedhond Chalid, gij zoudt barmhartig zijn! Ik +ken u, ik weet wat gij in Syrië hebt uitgericht! Ik heb u en uwe +bloedlekkende vrouwen met deze oogen gezien en het schuim van woede +op uwe lippen! Hier sta ik als getuige tegen ulieden en roep u in +het aangezicht toe: Gij hebt in Damascus verdragen verbroken en de +slachtoffers van uw bedrog--mannen niet alleen maar ook weerlooze +vrouwen en teedere kinderen--met het zwaard vermoord en met de +handen geworgd. Gij, gij, een apostel der barmhartigheid! Hebt gij +dan niets van Abyla gehoord? Gij vriend van uw profeet, wat hadden u, +die zegt dat gij zelfs geen boom aan den weg zult deren, wat hadden u +die onschuldige lieden in Abyla gedaan, dat gij ze worgdet als wolven +die een schaapsstal binnendringen? En gij zoudt barmhartig zijn!" + +Het hartstochtelijke meisje, wien niemand barmhartigheid bewees, +wien dit woord als een smaad in de ziele had gegrepen, dat uren lang +gemarteld door een pijnigend gevoel van spijt, met moeite ingehouden, +thans zich verlicht gevoelde, nu het den vrijen loop kon laten aan +het wee dat hare ziel kwelde--het meisje barstte uit in een bitteren +lach en zwaaide met de hand, als wilde zij een bijenzwerm verdrijven. + +Welk eene vrouw! Orion hield de oogen met huivering en toch +vol geestdrift op haar gericht. Ja, zijne moeder had haar wel +doorgrond. Zoo lacht geen goed en teergevoelig meisje; maar zij was +toch groot, heerlijk, bewonderenswaardig in haar toorn. Zij deed hem +denken aan het beeld van de godin der wraak van Apelles' hand, dat +hij in Konstantinopel had gezien. Zijne moeder zag schouderophalend +de weduwe aan met een blik die zeide, dat zij elkander begrepen. Doch +ook zijn vader werd onrustig nu hij van dit tooneel getuige was. Hij +wist wat haar aandreef, doch hij begreep dat hij haar niet mocht laten +begaan en bracht het opgewonden meisje tot bezinning, door haar op +half verwijtenden half meewarigen toon eerst zacht, daarna luider en +strenger bij den naam te roepen. + +Toen verschrikte zij als eene slaapwandelaarster, die plotseling uit +hare halve sluimering ontwaakt, streek met de hand over hare oogen +en zeide, terwijl zij zich voor den stadhouder boog: "Vergeef mij, +oom! Het doet mij leed dat ik mij zoo liet medesleepen, maar ik +kon mij niet inhouden. Gij weet wat achter mij ligt, en als men mij +daaraan herinnert, als ik den lof moet hooren verkondigen van die +afschuwelijken, die mijn vader en mijn broeder...." + +Een luid snikken belette haar eensklaps verder te gaan, en de kleine +Maria drukte zich weenend tegen haar aan. Orion moest zich bedwingen om +niet naar haar toe te snellen en haar te omarmen. Hoe goed stond haar, +die zoo groot scheen, deze vrouwelijke zwakheid, hoe trok zij thans hem +aan! Maar Paula bleef niet lang in dien toestand, want reeds terwijl +de stadhouder haar met vriendelijke woorden geruststelde, werd zij hare +innerlijke ontroering meester, en zeide zacht, terwijl de tranen langs +hare wangen biggelden: "Laat mij, bid ik u, naar mijne kamer gaan." + +"Goeden nacht dan, kind!" zeide de Mukaukas hartelijk, en daarop +richtte zij na een zwijgenden groet aan de anderen, hare schreden naar +de deur. De muzelman hield haar echter terug, zeggende: "Ik weet wie +gij zijt, edele dochter van Thomas, en ik heb vernomen dat uw broeder +de bruidegom was, die naar Abyla was gekomen, om daar bruiloft te +vieren met de dochter van den prefect van Tripolis. Ach, dat ik, +terwijl ik op reis voor mijne zaken daar ter jaarmarkt ging, het zelf +moest beleven, zelf moest aanzien hoe eene waanzinnige bende van mijne +geloofsgenooten de vreedzame stad overviel. Arm, arm kind! Uw vader +was de grootste en wakkerste onder al onze vijanden. Hetzij hij nog +op aarde leeft of in den hemel, hij eert gewis ons zwaard, gelijk wij +het zijne. Maar uw broeder, die als bruidegom werd vermoord, hij heeft +stervende ons vervloekt, en gij zijt de erfgename van zijn toorn en +wanneer uwe verontwaardiging zich over mij, den muzelman, uitstort, +dan kan ik niet anders doen dan mij buigen en boeten voor de schuld +dergenen, die van mijn bloed zijn en wier geloof ik belijd. Ik weet +niets aan te voeren, edele jonkvrouw, neen niets, wat de daad van +Abyla verontschuldigen kan, en dáar, dáar was het mijne grijze haren +beschoren--geloof mij, meisje, het heeft mij pijn gedaan--mij over de +mijnen te schamen. De krijg, de herinnering aan menigen gesneuvelden +vriend, aan roof en plundering had de hartstochten ontbonden, en waar +deze de vleugels uitslaan, hetzij in den strijd om het mijn en dijn, +hetzij om andere goederen, heeft sedert Kaïn en Abel altijd en overal +hetzelfde plaats." + +Paula, die den ouden man tot dusverre roerloos had aangehoord, +schudde het hoofd en zeide bits: "Dat alles geeft mij mijn vader en +mijn broeder niet weder. Gij zelf ziet er uit als een zachtaardig man, +maar als gij even rechtvaardig zijt als goed, zoo overtuig u in het +vervolg eerst met wien gij spreekt, voor gij de barmhartigheid van +uwe geloofsgenooten roemt." + +Zij herhaalde daarop haar groet en verliet het vertrek. Orion ging +haar achterna; wat er ook van komen mocht, hij moest haar volgen. Doch +weinige oogenblikken later keerde hij terug, terwijl hij na een diepen +zucht de tanden vast op elkaar klemde. Hij had hare hand gegrepen, +haar alles te verstaan gegeven, wat een beminnend hart zeggen kan, +maar hoe scherp, hoe ijskoud was hij afgewezen, en met welk een +onverdragelijk verachtelijk gebaar had zij hem den rug toegekeerd! En +nu hij zich weder onder de zijnen bevond, hoorde hij nauwelijks hoe +zijn vader aan den ouden heer zijn leedwezen te kennen gaf, dat zulk +eene pijnlijke bejegening hem onder zijn dak was ten deel gevallen, +en hoe de Arabier verklaarde zeer goed te begrijpen, dat de weeze van +Thomas zich niet had kunnen inhouden. Het gebeurde te Abyla was door +niets te verontschuldigen. + +"Maar komt niet in elken strijd iets dergelijks voor?" zoo ging +de oude heer voort. "Ook de christen is niet altijd zichzelven +meester. Ook gijzelf hebt, zooals ik weet, twee bloeiende zonen +verloren, en wie waren de moordenaars? Het zijn christenen geweest, +uwe eigene geloofsgenooten...." + +"De bitterste vijanden van mijn eigen geloof," antwoordde de stadhouder +langzaam, en iedere syllabe weerlegde koel en uit de hoogte de meening +van den muzelman, alsof het geloof dergenen, die zijne kinderen +vermoord hadden, ook het zijne was, en daarbij openden zich zijne +oogen wijd en kregen het aanzien der harde, dof glanzende steenen, +welke zijne voorvaderen den zuilenbeelden als sterren om te zien +in het aangezicht zetten. Opeens sloten zij zich plotseling weder +en vervolgde hij op onverschilligen toon: "Hoe hoog schat gij uw +tapijt? Want ik heb lust het te koopen. Geef mij den naasten prijs op, +want afdingen stuit mij tegen de borst." + +"Ik wilde er vijfmaal-honderdduizend drachmen voor vragen," hernam +de koopman. "Met vierhonderdduizend zal ik tevreden zijn." + +De vrouw van den stadhouder sloeg bij deze som hare handen in elkaar, +waarschuwde haar gemaal door gebaren en schudde nog eens ontevreden +het hoofd, toen Orion, die bijzonder zijn best deed om te toonen, +dat ook hij zijn aandeel nam aan dezen buitengewonen koop, zeide: +"Driemaal-honderdduizend is het wel waard." + +"Viermaal-honderdduizend;" herhaalde de koopman kalm. "Uw vader heeft +verlangd den uitersten prijs te weten, en ik vraag niet meer dan +billijk is. De robijnen en granaten, die dezen druiventros vormen, +die paarlen hier in de mirten, die turkooizen in de bloeiende +vergeet-mij-nietjes, die diamanten daar boven, die als dauwdroppels +aan de grashalmen hangen, en de smaragden die den glans van het groen +der bladeren verhoogen--en vooral die eene reusachtige groote--hebben, +als men ze er af nam, eene zeer hooge waarde." + +"Waarom hebt gij ze dan niet uit het weefsel gesneden?" vroeg vrouw +Neforis. + +"Omdat ik het niet over mij verkrijgen kon," antwoordde de muzelman, +"dit edele werk te schenden. Ik verkoop het zooals het is, of in het +geheel niet." + +Bij deze woorden gaf de stadhouder zijn zoon een wenk, zonder +acht te geven op de afkeuring die zijne vrouw niet ophield te doen +blijken, liet zich een tafeltje geven, dat bij het schaakbord lag, +schreef eenige woorden daarop en zeide, terwijl hij het den koopman +overhandigde: "De koop is door ons gesloten. Morgen vroeg zal de +rentmeester Nilus op dit bewijs het bedrag voldoen." + +Orion geraakte opnieuw in geestdrift, en onder het uitroepen van +"heerlijk! heerlijk!" vloog hij naar zijn vader toe en kuste hij +hem onstuimig de hand. Daarna wendde hij zich tot zijne moeder, +wier oogen baadden in tranen van verdriet, beurde haar hoofd op, +kuste haar voorhoofd en zeide trotsch en gelukkig: "Zoo handelen wij +en de keizer." + +Hierop ging hij naar den muzelman, zeggende: "Als de vader de +grootmoedigste aller menschen is, dan zinkt de zoon er licht bij +weg. Hij is er niet minder om, waardige heer! Wat uw tapijt aangaat, +het mag kostbaarder zijn dan alle schatten van Kroisos, maar iets moet +gij ons nog op den koop toegeven, voor gij uwe kameelen met ons goud +belaadt: hoe heeft dit kunstwerk er uitgezien, vóor het verdeeld werd?" + +De muzelman, die het kostbare tafeltje kalm in zijn gordel had +geschoven, voldeed onverwijld aan deze uitnoodiging. "Gij kent," zoo +begon hij, "zijne oorspronkelijke verbazende lengte en breedte. De +zaal, welker wand met dit pronkstuk bedekt was, kon duizenden gasten +bevatten, terwijl aan beide zijden van den troon plaats was voor +honderden lijfwachten. Zooveel wevers, borduurders en juweliers als +er dagen in het jaar zijn, moeten een heel menschenleven aan dit +tapijt gewerkt hebben. Het ongeschonden weefsel stelde het paradijs +voor, zooals de Perzen zich dat denken, geheel vervuld met groene, +bloeiende en vruchtdragende boomen. Hier ziet gij nog een stuk van +de koele bron, die bezaaid met diamanten, saffieren en smaragden, +als men het behangsel van verre bekeek, er uitzag als glinsterend, +frisch water. Die paarlen hier zijn het witte schuim eener golf. Die +doorgesneden bladeren daarginds maakten deel uit van een rozestruik, +die aan Edens bron bloeide, voor de drup van den eersten regen de +wereld bevochtigde. Oorspronkelijk droeg hij enkel witte bloemen, +doch toen de ledematen der eerste vrouwen grooter blankheid vertoonden +dan zij, bloosden de witte bloemen van schaamte en sedert zijn er +ook roode rozen. Zoo vertellen de Perzen." + +"En wat was dit, ons stuk?" vroeg Orion verder. + +"Het heeft," antwoordde de koopman, terwijl hij den jongeling met +welgevallen aanzag, "behoord tot het middendeel van het tapijt. Aan +de linkerzijde zag men het Oordeel bij de brug Tschinvat. Men had +de verdoemden niet afgebeeld maar wel de gevleugelde Fravaschi, de +genieën, die volgens het geloof der Perzen iederen sterveling in zijne +eigene gestalte, met hem vereenigd maar toch niet onafscheidelijk +verbonden, als schutsgeesten door het leven geleiden. Men zag hen +voor zich, zooals zij in wilde vaart de verdoemde misdadigers, +de werktuigen van den zwarten Angramainjus, die men zich als eene +vluchtende schare voorstellen moest, vervolgden. Zegepralend trokken +de zalige, reine, waarachtige vrienden van den lichtgod Ahouramasda +zingend het bloeiende paradijs binnen, en aan hunne voeten zag men +hen, die niet geheel verdoemd maar ook niet ten volle zalig verklaard +konden worden, met gebogen hoofd, deemoedig en stil in een donker +woud verdwijnen. In behagelijke rust genoten de reinen de gaven van +het paradijs. Een priester der vuuraanbidders heeft mij dit alles +verklaard. Hier ziet gij een reusachtige druiventros, waarnaar een +gezaligde grijpt. Zijne hand bleef onbeschadigd, zooals gij ziet, +maar de arm is, helaas! doormidden gesneden. Van de bloemen- en +vruchtenkrans, die het geheel omlijst, bleef hier aan de bovenzijde +een prachtig stuk bewaard. De smaragd, die daar den bloemknop vormt, +hoe hoog schat gij dien steen wel?" + +"Een prachtig edelgesteente!" zeide Orion, "Zelfs Heliodora bezit +een dergelijke niet. Nu vader, wat mag die wel waard zijn?" + +"Veel, zeer veel," antwoordde deze, "en toch zou het geheele, +ongeschonden kunstwerk nog te gering zijn voor hem, wien ik het +heb toegedacht." + +"Den veldheer Amr?" vraagde Orion. + +"Neen, mijn kind," antwoordde de stadhouder op stelligen toon. "Den +hoogen, ondeelbaar goddelijken persoon van Jezus Christus en zijne +kerk." + +Bij deze woorden sloeg Orion teleurgesteld de oogen neder. De gedachte +stuitte hem tegen de borst, dat hij dezen heerlijken steen op een +reliquiënkistje in eene donkere kast zou zien verdwijnen. Hij zou er +veel vriendelijker bestemming aan hebben weten te geven. + +Doch zijn vader zoomin als zijne moeder bemerkten hoezeer hij ontstemd +was; want vrouw Neforis was naar het rustbed van haar gemaal gevlogen, +daarvóor op de knieën gezonken en fluisterde, terwijl zij de koude +fijne hand van den kranke met kussen overlaadde, zoo welgemoed, als +had dit besluit hare ziel van een zwaren last bevrijd: "Onze zielen, +onze zielen, Georg! Wacht maar--terwille van zulk een geschenk--zal +u alles vergeven worden en zult gij uwe zielsrust terug erlangen." + +De stadhouder haalde zwijgend de schouders op, liet het tapijt oprollen +en door Orion in het tablinum [2] wegsluiten. Ten laatste beval hij +den huismeester, dat hij den Arabier en zijne lieden voor dezen nacht +een kwartier zou aanwijzen. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + +Zielsangst en gewetenswroegingen waren het inderdaad geweest, die +den stadhouder hadden doen besluiten het tapijt te koopen, en het +zou hem daarom misschien verheugd hebben, wanneer het nog duurder was +geweest. Hoe grooter de gave, des te vaster mocht hij verwachten dat +hij, die het geschenk ontving, hem zijne genade en gunst niet zou +onthouden. Hij had wel reden om zich te verontrusten en zich af te +vragen of hij goed gehandeld had. Wraak te oefenen was geen christelijk +werk, maar ongestraft te laten wat de Melchieten hem hadden aangedaan, +terwijl zich de gelegenheid aanbood om het hun betaald te zetten, +dat had hij niet van zich kunnen verkrijgen. Maar welke vader zou +dit mogelijk zijn geweest, als men twee zijner bloeiende zonen +had vermoord? Deze vreeselijke slag had den hartader zijns levens +getroffen. Sedert had hij zijne lichaamskrachten langzaam voelen +afnemen, en ook dat gevoel van zwakheid, die aanvallen van angst, +die gebreken en smarten, welke hem meer en meer kwelden, meende hij +op rekening te mogen schrijven van de Melchietische geweldenaars. + +Het kwijnende leven van dezen man werd alleen staande gehouden door +zijne natuurlijke kracht en door zijn brandenden dorst naar wraak, +en de omstandigheden hadden hem in staat gesteld dezen laatsten op +eene wijze te stillen, die ten slotte hem, die anders vreedzaam van +aard was, al te zeer geschokt had. + +Het mocht dan niet door zijne schuld zijn, het was toch met zijne +medewerking, dat het Byzantijnsche rijk eene rijke provincie verloor, +die de keizer aan zijne hoede had toevertrouwd. Hij was er getuige +van dat de Grieken en allen die den naam van Melchieten droegen uit +Egypte werden verdreven, en dat zij, hoewel hij het gaarne verhinderd +had, op vele plaatsen door het opgeruide volk, hetwelk de muzelmannen +als bevrijders begroette, gelijk dolle honden werden doodgeslagen. Al +het kwaad, dat hij den moordenaars zijner kinderen, den verdrukkers +en uitzuigers van zijn volk had toegewenscht, was over hen gekomen +en zijne wraak maar al te volkomen geweest. Doch te midden van de +vreugde over deze onverwachte vervulling van een vurigen wensch, +dien hij jaren lang had gekoesterd, was de stem van zijn geweten +ontwaakt en had zich eene te voren ongekende angst van hem meester +gemaakt. Om als een held of een hervormer op te treden, daartoe +ontbrak het hem aan geestkracht. Wat de nieuwe veroveraars hadden +tot stand gebracht was van te veel beteekenis, de rampen die zij over +duizenden hadden gebracht waren te vreeselijk, het christelijk geloof, +dat hij zoo hoog stelde, was te zeer door hen in gevaar gebracht, +dan dat hij de gedachte rustig zou hebben kunnen verdragen hiervan de +oorzaak te zijn. De verantwoordelijkheid van dit alles was voor zijne +schouders te zwaar, en hoe vaak hij het zichzelven ook herhaalde, +dat hij de Arabieren niet in het land had geroepen, dat het hem +aan macht had ontbroken hen af te weren, zoo hoorde hij zich toch +van alle zijden aanwijzen als de man, die hun zijn vaderland had +overgeleverd. Van alle kanten zag hij zich bedreigd, en hij geloofde +hen die hem vertelden van sluipmoordenaars, welke de Byzantijnen tegen +hem hadden uitgezonden. Maar nog kwellender was zijne vrees voor den +toorn des hemels over hen, die een christelijk land aan de ongeloovigen +hadden overgeleverd. Het bewustzijn dat hij levenslang een weldenkend, +rechtvaardig man was geweest, kon hem van dezen angst niet verlossen, +en er was maar éen middel dat zijn gezonken moed staande hield, +namelijk de witte pilletjes, die hem sedert lang even onontbeerlijk +waren als lucht en water. + +De oude, zachtmoedige bisschop Plotinos van Memphis en zijn +geestelijkheid hadden voor alles vergeving. De patriarch Benjamin, +die gedurende zijne verbanning uit de woestijn op de Arabieren had +gewezen als verlossers van de tyrannie der Melchieten, was vooral +door zijn toedoen teruggeroepen en in zijn ambt hersteld. Hij had dus +op diens goedkeuring gehoopt; maar deze had hem als een verlorene, +eeuwig verdoemde bejegend, en hoewel hij, de Mukaukas, ook doorzag, +welke bijzondere bedoelingen de kerkvorst hierbij had, zoo geloofde +hij toch dat Benjamins herdersambt hem de macht verleende, voor elk +schaap zijner kudde de hemelpoort te sluiten. Hoe meer hij zag dat de +Arabieren zich in zijn vaderland vastnestelden, hoe verstandiger zij +daar alles inrichtten, hoe meer Egyptische christenen hij eindelijk +van het kruis tot de halve maan zag overgaan, des te grooter scheen +hem zijn schuld. En nu, na zich volledig gewroken te hebben, hetgeen +de Grieken "dubbel verraad" noemden, nu hem in plaats van de straf +Gods alles ten deel viel, wat de menschen geluk en gunst van het lot +noemen, bekroop den geloovigen man de vrees, dat dit de vergelding +des duivels was, omdat de vrede die hij zoo haastig met de muzelmannen +had gesloten, hem zoo vele christenzielen in de armen had gedreven. + +Twee groote erfenissen waren hem onverwacht ten deel gevallen. Zijne +schatgravers in de doodenstad hadden meer goud uit de oude heidensche +groeven opgedolven dan alle overigen te samen. De muzelmansche Kalief +en zijn plaatsvervanger hadden hem in zijn ambt gehandhaafd en bewezen +hem vriendschap en eer. De bouleuten [3] der stad hadden hem onder de +toejuiching van de geheele burgerij den bijnaam van den "rechtvaardige" +toegekend. Zijne goederen hadden nooit meer rente afgeworpen. Van de +weduwe van zijn vermoorden oudsten zoon kreeg hij uit het klooster +brieven, gewagende van het groot geluk dat zij gevonden had in +deze nieuwe levensbestemming, en haar dochtertje, zijn kleinkind, +groeide zoo voordeelig op, dat ook vreemden in het vroolijke kind +behagen schepten. Eindelijk hadden de talrijke brieven van zijn zoon +uit Konstantinopel hem bewezen, dat deze zich in alle opzichten +ontwikkelde en geen oogenblik zijne ouders vergat; want van alle +genietingen die hij smaakte, van alle overwinningen die hij behaalde, +had hij zich steeds beijverd uit eigen beweging dadelijk mededeeling +te doen. Ook in den vreemde bleef hij met vader en moeder voortleven +en hen beschouwen als het beste en liefste wat hij op aarde bezat. + +En Paula? Zij wist zijne gade niet voor zich in te nemen, maar hij +beschouwde hare tegenwoordigheid als eene goede beschikking, waaraan +hij--niet enkel bij het schaakspel--menig aangenaam uur te danken had. + +Dit alles kon wel een geschenk van den satan zijn, maar was dit +het geval, dan wilde hij, Georg de Mukaukas, den booze nu toonen, +dat hij niet hem maar den Heiland toebehoorde en op diens genade +hoopte. Hoe was zijne ziel met innige dankbaarheid vervuld jegens +den Allerhoogste voor den terugkeer van zulk een zoon! Al wat in hem +was drong hem dit gevoel uit te spreken, en zoo waren het zielsangst +en erkentelijkheid beide, die hem ertoe gebracht hadden zulk eene +groote som op te offeren, om aan de kerk van Christus een geschenk +te geven zonder weerga. Hij verbeeldde zich een krijgsgevangene te +zijn voor wien het losgeld wordt voldaan, toen hij het tafeltje met +de lastgeving tot betaling aan den koopman overhandigde; en nu men +hem ter ruste bracht en zijne gade niet ophield hem te danken voor +zijn vroom plan, gevoelde hij zich zoo verlicht en blijmoedig gestemd, +als in geen jaren het geval was geweest. + +In den regel hoorde hij Paula, die boven zijn slaapvertrek huisde, +heen en weer loopen; want zij ging laat te bed en verdiepte zich +gedurende de nachtelijke stilte misschien in zoete en smartelijke +herinneringen. Hoeveel had het bittere noodlot haar niet ontroofd: +een vader, een broeder, hare meeste bloedverwanten en vrienden, +allen tegelijk, allen door de hand der muzelmannen, aan wie hij zijn +vaderland had overgegeven zonder het te verdedigen! "Men hoort Paula +heden niet," zeide hij, naar boven ziende, als zocht hij iets. "Het +arme meisje zal zich na het gebeurde van zoo straks tijdig ter ruste +gelegd hebben." + +"Laat haar rusten," sprak vrouw Neforis, die ongaarne hare +blijmoedige stemming zag verstoren, terwijl zij onwillig de schouders +ophaalde. "Hoe heeft zij zich weer misdragen! Wij hebben zooeven veel +te veel over barmhartigheid gehoord; ik zal over de mijne niet roemen, +hoewel ik haar gaarne wil betoonen; bovendien is het mijn plicht eene +verlatene verwante van u goed te behandelen. Doch dit meisje--neen, zij +maakt het mij al te zwaar, en ik ben toch ook maar een mensch! Ik kan +niet vroolijk zijn als ik haar zie; komt zij het vertrek binnen, dan is +het mij als trad het ongeluk zelf over den drempel. En dan--gij hebt +voor zulke dingen geen oogen, maar Orion bemoeit zich met haar veel +meer dan goed is. Ik zou wel willen dat wij haar de deur uit hadden." + +"Neforis," zeide haar echtgenoot op een toon van zacht verwijt. Gaarne +had hij haar in sterker bewoordingen terecht gewezen, maar sedert +hij een slaaf van de opium was geworden, wilde het hem niet meer +gelukken, noch in kleine noch in groote dingen, zich krachtig tegen +haar te verzetten. + +Weldra lag de Mukaukas onrustig te dommelen, terwijl hij van tijd tot +tijd de oogen opende. Hij hoorde den zachten tred niet boven zijn +hoofd, waaraan hij sedert twee jaren gewoon was. Toch was zij, die +meestal de eerste helft van den nacht nog in beweging was, niet ter +ruste gegaan, gelijk hij meende. Na hetgeen er was voorgevallen had +zij wel met gloeiende wangen en brandende oogen haar kamer opgezocht, +maar de slavinnen, die weinig acht sloegen op een gast, die men +slechts scheen te dulden en die door de vrouw des huizes met den nek +werd aangezien, hadden het voorschrift om de luiken harer kamer na +zonsondergang te openen, ten einde de koelere avondlucht binnen te +laten, niet nagekomen, en thans vervulde eene bedwelmende, drukkende, +zwoele atmosfeer het vertrek. De houten blinden, ja zelfs de linnen +lakens op haar wollen rustbed voelden warm. Het water in haar aarden +kruik en ook de handdoek waarnaar zij greep waren lauw. Voor eene +Egyptische was dit niets ongewoons, maar de Damasceensche had elken +zomer in het schoone landhuis haars vaders, op de zonnige helling van +den Libanon, in schaduwrijke koelte doorgebracht, en heden scheen +de warmte haar overal ondragelijk toe. Buiten was het aangenaam, +dat had zij beneden gevoeld, en daarom stootte zij, zonder zich lang +te bedenken, de luiken open, omsluierde haar hoofd met een langen +donkeren doek, sloop de steile trap af en ging vervolgens door een +poortje voor het dienstpersoneel, dat haar bekend was, naar den +open hof. Daar haalde zij vrij adem en strekte de armen wijd uit, +als verlangde zij niets vuriger dan van hier weg te vliegen; doch +weldra liet zij ze zinken, terwijl zij rondom zich keek. + +Zij was niet enkel naar buiten gegaan om koelte te zoeken, neen, zij +verlangde bovenal haar onstuimig en beangst gemoed aan anderen lucht +te geven, en in de woningen der dienaren bevonden zich twee menschen, +van welken eene haar begreep, kende en liefhad, terwijl de ander aan +haar gehecht was als een trouwe hond, en zaken voor haar verrichtte, +die voor den stadhouder en zijn gezin een geheim moesten blijven. Een +van dezen was hare voedster, die haar naar Egypte was gevolgd, de +tweede was de vrijgelaten stalmeester van haar vader, die met zijn +halfvolwassen zoon de vrouwen had geleid en beschermd, toen zij na het +bloedbad van Abyla uit hun schuilhoek waren te voorschijn gekomen, en +na zich een tijdlang in een dal van den Libanon te hebben opgehouden, +niet beter hadden weten te doen, dan naar Egypte te vluchten, ten einde +zich daar onder de bescherming te stellen van den Mukaukas Georg, +wiens zuster de eerste gemalin haars vaders was geweest. Zijzelve +was gesproten uit den tweeden echt met eene aanzienlijke Syrische +jonkvrouw, eene bloedverwante van keizer Heraclius, die op jeugdigen +leeftijd kort na hare geboorte gestorven was. + +Sedert hare komst alhier waren beiden van haar gescheiden. De +vrouw van den stadhouder had in de voedster Perpetua terstond eene +buitengemeen kunstvaardige weefster gezien, en haar gebruikt om aan +het hoofd te staan van de huisslavinnen, die zich met het weefgetouw +bezighielden. De oude vrouw had zich gaarne met die taak belast, +ofschoon zij van geboorte eene vrije was; doch voor haar was er +alles aan gelegen in de nabijheid te blijven van haar dierbaar +pleegkind. Ook de stalmeester Hiram was met zijn zoon onder de +lieden van den Mukaukas opgenomen, allereerst om te zorgen voor de +vijf schoone paarden uit den stal haars vaders, die de vluchtenden +naar Egypte hadden medegebracht, vervolgens ook--want men had zijne +bekwaamheden spoedig ontdekt--om als veearts en bij het aankoopen +van paarden met zijn raad te kunnen dienen. + +Paula moest met beiden spreken en zij wist nauwkeurig waar zij +te vinden waren, maar zij kon hen niet bereiken zonder zich aan +onaangenaamheden bloot te stellen, want de vrije bedienden van den +Mukaukas, haar vriend, en nu na het sluiten van de poort ook de +soldaten van de wacht, zaten nog altijd in verschillende groepen bij +elkaar te praten, en zij gingen zeker vooreerst nog niet uit elkander, +want eenige slaven brachten daar juist aan de manschappen van de wacht +hun avondmaal. In den hof hield het komen en gaan nog niet op, want +ieder wien dit vrij stond genoot van de nachtelijke koelte. Alleen +de slaven behoorden hiertoe niet, daar zij terstond na het sluiten +van de poort voor het dienstpersoneel in hunne woningen gedreven +waren. Doch ook uit hun kwartier lieten zich nog stemmen vernemen. + +Met een kloppend hart zocht Paula alles, wat hare scherpe oogen en +ooren bereiken kon, op te vangen. De hooger stijgende maan verlichtte +de eene helft van den hof, de andere lag, zoover de schaduw van het +stadhouderlijk paleis reikte, in het donker. In het midden van den +eersten halven kring, waarin de vrije dienaars zich bijeen geplaatst +hadden, brandde een vuur, dat flikkerlichten wierp op hunne bruine +aangezichten, en wanneer het opnieuw met pijnappels gevoed werd hoog +opvlamde, en ook de donkere ruimte van de groote plaats voor haar +verlichtte. Dit vermeerderde de bezorgdheid van de luisterende, +die den hof moest oversteken en toch niet opgemerkt mocht worden; +want hoe natuurlijk en onschuldig alles ook was wat zij voorhad, +zoo wist zij toch dat de vrouw van haar oom aan haren nachtelijken +gang eene smadelijke uitlegging zou geven. + +In den beginne had Neforis haar gemaal opgewekt, Paula bij hare +nasporingen naar haren vader, van wiens dood niemand eenige zekerheid +kon geven, behulpzaam te zijn, doch de aanmoediging van de vrouw des +stadhouders was overbodig geweest, want hij had uit eigen beweging een +jaar lang alles gedaan, om bij christenen en muzelmannen omtrent het +leven of den dood van den verlorene berichten in te winnen. Sedert +de laatste maanden was echter iedere verdere bemoeiing in deze +zaak eerst door vrouw Neforis voor dwaas verklaard, en weldra had +haar onzelfstandige gemaal deze zienswijze gedeeld en den verdwenen +bloedverwant opgegeven. Van de goederen haars vaders had de Mukaukas +niet zonder persoonlijke opofferingen veel voor haar gered, de +grondbezittingen ten haren bate verkocht, uitstaande gelden zoo +mogelijk ingevorderd, en haar afrekening willen geven van alles wat +hij teruggekregen had. Maar zij achtte haar eigendom in zijne hand +wel bewaard, en zij stelde zich tevreden met de mededeeling, dat zij, +hoewel niet rijk in den zin van den Egyptischen Kroisos, toch een vrij +aanzienlijk vermogen bezat. Toen zij een en andermaal een deel ervan +vroeg, om de nasporingen voort te zetten, liet de Mukaukas haar het +verlangde terstond uitbetalen, doch voor de derdemaal weigerde hij +echter zeer bepaald aan haar wensch gehoor te geven, en wel met de +beste bedoeling. Hij verklaarde bij die gelegenheid haar kurios [4] +en natuurlijke voogd te zijn, en achtte zich verplicht haar te beletten +ter wille van een hersenschim--want anders was dat vruchteloos zoeken +toch sedert lang niet meer--een geheel vermogen te verkwisten dat +haar later welkom, ja wellicht van groot nut kon zijn. Wat hij tot +hiertoe uitgaf, had hij uit zijne eigene kas betaald. Zij erkende dit +als eene edele daad, maar zij drong toch telkens weder bij hem aan om +haar zin te doen, hoewel sedert lang te vergeefs; want onverbiddelijk +legde hij de hand op dat hem toevertrouwde goed, en schonk haar geen +enkele solidus meer om dat eenigst en dierbaarst doel van haar leven +te bereiken. + +Schijnbaar onderwierp zij zich, maar haar voornemen om er alles aan +te wagen, ten einde het spoor van den verdwenen vader te ontdekken +werd in haar vastberaden gemoed niet tot wankelen gebracht. Voor de +opbrengst van een parelsnoer, dat zij nog bezat, had haar trouwe +Hiram een verre reis ondernomen, en daarna een aantal boden naar +verschillende landstreken gezonden. Nu kon althans éen hunner zeer goed +met nieuwe berichten teruggekeerd zijn, en zij moest den vrijgelatene +spreken. Maar hoe hem ongezien te bereiken? Een poos lang tuurde en +luisterde zij, om een gunstig oogenblik tot het oversteken van den +hof waar te nemen. + +Daar viel een lichtstraal op een gelaat, het was dat van Hiram. Thans +barstte de vroolijke troep in luid gelach uit; zij nam haastig een +besluit, trok den hoofddoek vaster om haar hoofd, doorliep in allerijl +het in de schaduw liggende deel van den hof, en snelde in gebukte +houding door den maneschijn naar het slavenkwartier. Aan den ingang +ervan bleef zij ademloos en met een kloppend hart staan. Had men +haar opgemerkt? Neen! Geen roepstem weerklonk, geen schrede naderde, +de honden kenden haar allen; de wachters, die anders hier stonden, +hadden hunne posten verlaten en zaten met hunne gezellen bij het vuur. + +Het lange huis aan hare linkerzij was de weverij en op de +bovenverdieping woonde Perpetua, hare voedster. + +Voor alles diende zij ook hier omzichtig te handelen, want de gemalin +van den stadhouder kwam vaak op deze plaats, om bevelen te geven aan +de arbeidsters, om op den arbeid toe te zien en te beoordeelen wat er +gewerkt werd op de honderd weefgetouwen, die van 's morgens vroeg tot +'s avonds laat in beweging waren. Als men haar hier opmerkte, konden +de weefsters haar nachtelijk bezoek licht verraden. + +Zij waren nog niet ter ruste gegaan, want uit de groote, aan alle +zijden opene, alleen met een dak gedekte schuur, waar de kuipen +der ververs stonden klonk haar een luid gelach te gemoet. Ook dit +gedeelte van de dienstdoenden genoot na de gloeiend heeten dag van +de nachtelijke koelte. De meisjes hadden bovendien een vuur aangelegd. + +Paula moest hen in de maneschijn voorbijgaan, doch het rechte oogenblik +daartoe was nog niet gekomen, en zij bleef zoo dicht mogelijk bij +het strooien afdak, dat de groote aarden waterkruiken bedekte, die +hier geplaatst waren ten behoeve van de slavinnen. Dat afdak wierp +eene donkere driehoekige slagschaduw op den zandigen, helder door +het maanlicht verlichten grond, en deze maakte haar onzichtbaar voor +de oogen der weefsters, hoewel zij alles zag en hoorde wat er in de +schuur gebeurde. + +Een moeilijke, pijnlijke dag, die met een schrillen wanklank geëindigd +was, lag achter haar, en daarachter weder eene reeks van zalige uren, +die nieuw geluk schenen te voorspellen. Ze waren gevolgd op een +langen tijd van deemoediging, de nasleep van het smartelijk ongeluk, +dat haar had getroffen. Hoe zonnig en vroolijk was hare kindsheid +geweest, hoe kostelijk hare vroegste jeugd! Zij had jaren gekend, +waarin elke morgen haar tot nieuwe vreugde had gewekt, waarin zij +elken avond ter ruste ging met dankgebeden, die zoo natuurlijk en vrij +uit hare ziel opwelden als de geur uit de rozen stijgt. Vaak had zij +toen ongeloovig en verdrietig het schoone hoofdje geschud, wanneer de +aarde een jammerdal en het levenslot van den mensch beklagenswaardig +werden genoemd. Thans, ja thans wist zij het beter, en in vele eenzame +uren, in elken slapeloozen nacht vroeg zij zichzelve af, of het een +goed en liefderijk God kon zijn, die een kind deed geboren worden +en opwassen, en daarna vervulde met de schoonste verwachtingen, om +het vervolgens alles wat het lief had gekregen en wat het begeerlijk +achtte, ja zelfs de hoop te ontnemen. Maar de ongelukkige, die eene +godsdienstige opvoeding had gehad, geloofde nog altijd, en nog onlangs +scheen het wel als wilde de hemel haar geven, waarnaar haar warm +gemoed het meest verlangde, de liefde namelijk van een ander, dien +zij liefhebben kon en die hare liefde ten volle waardig was. En nu, +hoe was zij teleurgesteld! Daar stond zij in het troosteloos gevoel +van hare verlatenheid, en was haar toestand beklagenswaardig geweest +vóor de terugkomst van Orion, hij was het thans nog meer. Want van +eene vergetene was zij eene bedrogene geworden, zij, de dochter van +Thomas, de bloedverwante, de gast van de rijkste familie in het land; +en naast haar klonk in de ruw getimmerde smerige verversschuur, uit +de borst van armzalige slavinnen, die door de zweep van den opzichter +werden geregeerd, een zoo luid, levenslustig en jolig gelach, dat zij +er naar luisteren moest en het oog richten op deze jeugdige wezens, +die zulk een overvloed van blijmoedigheid schenen te bezitten dat er +de mond van overliep. + +Onder de met palmtakken gedekte wijde ruimte van de ververij waren +vele meisjes bijeen, aardige en leelijke, bruine en blanke, kleine +en groote, recht opgegroeide en anderen wier ruggen reeds gekromd +waren door den zwaren arbeid in de weefstoelen sedert hunne prille +jeugd. Allen waren nog jong, geen hunner telde meer dan achttien +jaren. De slaven waren een kapitaal, waarvan de arbeid die zij leverden +en de kinderen die zij kregen de renten vertegenwoordigden. Elk +onvrij meisje werd spoedig, nadat zij volwassen was, uitgehuwelijkt +aan een slaaf. In de weverij werkten vrouwen en meisjes, doch de +eersten sliepen in een eigen kwartier bij hunne mannen en kinderen; +de nog ongehuwde arbeidsters daarentegen overnachtten in slaapzalen, +die aan de werkplaatsen grensden. Thans was het hun rusttijd en hadden +zij zich in twee groepen verdeeld. De eene had zich geschaard rondom +een Egyptisch meisje, dat allerlei krabbels op eene tafel maakte, de +andere vermaakte zich met een eenvoudig spel, daarin bestaande, dat +ieder meisje op hare beurt den schoen over het hoofd wierp. Vloog deze +nu over zekere krijtstreep, waarnaar zij met den rug gekeerd stond, +dan beteekende dit, dat haar liefje weldra haar man zou worden; bleef +de schoen tusschen haar en de op den grond getrokken lijn liggen, +zonder deze te bereiken, dan moest zij nog wat geduld oefenen, of +werd zij verbonden met een lotgenoot, dien zij niet lijden mocht. + +Het meisje dat, wel door een twintig anderen omringd, op de tafel +krabbelde, moest de voorbeelden voor de weefsels afteekenen, en +bezat de gave, die zij van hare heidensche voorvaderen geërfd had, +om elk gelaat van ter zijde gezien met enkele strepen zoo weer te +geven, dat het, ofschoon de trekken wat komisch verwrongen waren, +gemakkelijk te herkennen was. Zij verrichtte dit kunstwerk met behulp +van een wastafeltje en een koperen stift, en gaf dan aan anderen te +raden wie zij bedoeld had. + +In den uitersten hoek van de schuur zat een meisje geheel alleen +neergehurkt, dat zwijgend voor zich keek. + +Paula overzag dat alles en begreep tevens wat er gebeurde, ofschoon +er geen samenhangende volzin gesproken werd en er niets te hooren was +dan een luid, hartelijk en onweerstaanbaar gelach. Wierp een meisje +den schoen ver genoeg, dan lachte de jonge bende uit volle borst, +en ieder riep vroolijk den naam van hem, dien zij aan hare gezellin +tot man wilden geven. Viel de schoen vóor de streep, dan ging het +nog luidruchtiger toe en riep men den naam uit van den oudsten en +onoogelijksten der slaven. Aan eene bruine Syrische was het niet gelukt +de grenslijn te bereiken, maar zij greep ondeugend het stuk krijt +en trok eene nieuwe lijn tusschen haar en den schoen, zoodat deze nu +toch achter eene streep kwam te liggen. Hierop steeg de vroolijkheid +ten top, want velen wierpen zich op de valsche streep om haar uit te +wisschen. Een overmoedig Nubisch kroeskopje smeet de schoen in de +lucht en ving haar weer op, terwijl anderen over deze aardige grap +bijna niet tot bedaren konden komen, en den naam luide uitriepen van +hem, om wiens wil hare gezellin met de fortuin een loopje had genomen. + +Het was of een vroolijk kaboutermannetje in de tochtige schuur +zijn kwartier had opgeslagen, want rondom de teekenares ging het +niet minder lustig toe dan bij het andere groepje. Werd een portret +herkend, dan hadden allen plezier; zoo niet, dan riepen de deernen +de namen van allerlei personen, die het voorstellen kon. Met welke +uitgelatene bijvalsbetuigingen werd de goedgelukte karikatuur van den +slavenopzichter beloond! Elk die het zag hield zich den buik vast +van lachen, en hoe dol en uitgelaten werden ze toen een meisje der +teekenares het tafeltje uit de handen rukte, en anderen haar op het +lijf vielen, om het veroverde weder machtig te worden. + +Paula had dit tooneel aanvankelijk met bevreemding en hoofdschuddend +aangezien. Hoe kon men zich met zulke nietige en onzinnige dingen +vermaken! Wel-is-waar, toen zij nog klein was, had zij ook om +nietswaardige dingen kunnen lachen, en waren deze volwassene meisjes +in onwetendheid en bekrompenheid van geest niet allen nog kinderen? De +muren van het stadhouderlijk verblijf omsloten hare gansche wereld, +haar blik reikte niet verder dan het tegenwoordig oogenblik, evenals +bij de kleinen en zoo konden zij ook lachen als dezen. "Het lot," +dacht Paula, "stelt haar nu schadeloos voor het ongeluk harer geboorte +en voor ontelbare zure dagen, en straks gaan zij moede en vroolijk +gestemd naar bed. Ik kan die arme schepseltjes benijden! Als ik het +doen kon, begaf ik mij onder hen en gevoelde mij nog eens een kind!" + +Zie daar was het geestig portret van den opzichter klaar, en een +klein dikkertje barstte boven alle anderen in zulk een uitbundig en +aanhoudend lachen uit, dat zoo natuurlijk uit de diepste diepte van +haar borst opwelde, dat Paula, die waarlijk niet hierheen was gegaan +om vroolijk te zijn, er door werd aangestoken, en of zij wilde of niet +meelachen moest. Kommer en ellende waren opeens vergeten, zij overwoog +en peinsde niet meer, en gedurende eenige oogenblikken gevoelde zij +niets dan dat zij lachte, hartelijk en onophoudelijk lachte, als een +jong en gezond menschenkind. Dit was zij inderdaad, en hoe goed deed +het haar een wijle zichzelve te vergeten! Zij zeide het wel niet, +maar zij voelde het en lachte nog steeds door toen de slavin, die +alleen in een hoek had gezeten, zich bij de anderen voegde om het +luidruchtig troepje wat toe te roepen, dat door Paula niet verstaan +werd, maar dat aan de dartelheid der anderen nieuw voedsel gaf. + +Het stille meisje met die slanke gestalte stond nu bij het +vuur. Paula had haar nog niet kunnen zien, thans bleek dat zij +verreweg de schoonste van allen was. Maar zij zag er niet vroolijk +uit en denkelijk had zij pijn, want zij droeg, als had zij kiespijn +een doek om het hoofd, die op den schedel over het zware blonde +haar was vastgeknoopt. Het gezicht van dat meisje bracht Paula tot +bezinning, en zoodra zij weder begon te denken, was het uit met de +vroolijkheid. Doch de slavinnen bleven in dezelfde stemming, hoewel +haar gelach niet meer zoo onschuldig en rein klonk als zooeven. Zij +hadden een voorwerp voor hare scherts gevonden, dat zij liever met +rust moesten laten. + +Het meisje met het verbonden hoofd was ook eene slavin des huizes, maar +eerst sedert kort en nadat het eenigen tijd bij twee oude slavenweduwen +handenarbeid had verricht, was zij bij de weefsters toegelaten. Eene +legerbende van Heraklius had haar aan de borst harer moeder na de +overwinning van Chosroes II uit Perzië naar Alexandrië gebracht, waar +beiden voor den Mukaukas gekocht werden. De Perzische vrouw stierf, +toen de kleine, die niet in slavernij geboren was, den leeftijd van +dertien jaren bereikt had. Het kind wies op tot een lieftallig meisje +met een lelieblanke huid en dik goudgeel haar, dat thans bij het licht +van het vuur heerlijk glansde. De jonge Orion had haar vóór hij op +reis ging opgemerkt, en bekoord door de schoonheid der jonge Perzische, +wenschte hij haar te bezitten. Gewetenlooze dienaars en beambten hadden +hem om strijd de behulpzame hand geboden, door haar naar een landhuis +van den Mukaukas aan gene zijde van den Nijl over te brengen; dáár had +hij haar ongestoord kunnen bezoeken, zoo vaak zijn hart begeerde. De +nauwelijks zestienjarige onervarene slavin, die niemand had om haar te +waarschuwen en te beschermen, had zich tegen den schoonen zoon haars +meesters niet durven of kunnen verzetten. Toen Orion luchthartig, +en nadat hij genoeg had van een meisje, hetwelk hem niet anders kon +aanbieden dan hare schoonheid, naar Konstantinopel was vertrokken, +vernam vrouw Neforis wat zij voor haren zoon was geweest, en beval +zij den overste van de slavenopzichters, dat hij de ongelukkige zou +beletten, om verder voor verleidster te spelen. De man had aan deze +opdracht voldaan, door aan de Perzische, volgens een oud gebruik, +de beide ooren te doen afsnijden. Na deze gruwzame straf verviel de +schoone verminkte tot zwaarmoedigheid en waanzin, en niettegenstaande +de kerkelijke exorcisten en andere duivelbanners vergeefsche moeite +deden om de demonen van den waanzin te verdrijven, bleef zij, wat zij +altijd geweest was, een gedienstig en vriendelijk schepsel, dat zich +onder hare vroegere opzichtsters en ook in de algemeene werkplaats +gedurende de uren van den arbeid stil en vlijtig betoonde. Alleen +wanneer zij niets te doen had kwam haar waanzin voor den dag, en deze +gaf de andere weefsters aanleiding om zich met haar te vermaken. + +Zij hadden thans Mandane naar het vuur getrokken en haar onder allerlei +dwaze betuigingen van eerbied uitgenoodigd, zich op haar troon, eene +ledige verfton, neer te zetten; zij toch verkeerde in den zonderlingen +waan, dat zij de vrouw was van den Mukaukas Georg. Lachend kwam elk +haar huldigen, verzocht haar om eene gunst, of vroeg haar naar de +gezondheid van haar gemaal en den staat harer bezittingen. Zeker +gevoel van betamelijkheid had deze arme onwetende schepsels lang +teruggehouden den naam van Orion voor haar uit te spreken, doch +heden liep eene negerin, een schraal boosaardig ding, naar haar toe +en vraagde met allerlei leelijke grimassen: "O gebiedster, hoe maakt +het uw zoontje Orion?" + +Het gelaat der waanzinnige vertrok niet bij deze vraag, maar zij +antwoordde ernstig: "Ik heb hem in Konstantinopel aan de dochter des +keizers uitgehuwelijkt." + +"Wel kijk eens," riep de zwarte, "welk een voornaam huwelijk! Weet ge +ook dat de jonge heer weer hier is? Hij zal zeker zijne hooge gemalin +aan u voorstellen, en dan zullen we purperen gewaden en kronen zien." + +Deze woorden deden de geesteskranke het bloed naar het hoofd +stijgen. Angstig drukte zij de handen tegen het verband om de +afgesneden ooren en vroeg: "Waarlijk? Is hij terug?" + +"Nog niet zoo lang," zeide eene andere goedige slavin, als om haar +te troosten. + +"Geloof haar niet," hernam de zwarte. "En als gij het nieuwste nieuwtje +wilt weten: gisteren avond is hij met de groote Damasceensche op den +Nijl gaan spelevaren. Mijn broeder, de bootsman, was bij de roeiers, +en hij was heel lief voor de jonkvrouw, dat verzeker ik u, heel lief.." + +"Mijn gemaal, de groote Mukaukas?" vroeg Mandane, terwijl zij hare +gedachte verzamelde. + +"Neen, uw zoontje Orion, die met des keizers dochter gehuwd is," +zeide de zwarte lachend. + +De waanzinnige stond op, keek met dwalende blikken rond en vroeg nog +eens aarzelend, als had zij de laatste woorden niet goed verstaan: +"Orion? De schoone Orion?" + +"Uw lieve zoontje, Orion!" riep de andere nog eens, en zoo luide, +alsof zij met eene doove te doen had. + +Daarop bracht de anders zoo zachtaardige slavin de eene hand aan +het verminkte oor, en sloeg met de andere haar kwelgeest zoo heftig +tegen de breede negerlippen, dat het klapte. Vervolgens begon zij te +schreeuwen en riep met eene gillende stem: "Mijn zoon, hebt ge gezegd, +mijn zoon Orion! Alsof ge het niet wist! Hij is mijn liefje geweest; +ja hij heeft mij gezegd dat hij het was, en daarom zijn zij gekomen en +hebben mij gebonden en mij de ooren--Maar ik, ik mag hem niet lijden; +ik zou, ik zou..." Daarbij balde zij de vuisten, knarste met hare +witte tanden en ging hijgend voort: "Waar is hij? Wilt ge het mij niet +zeggen? Wacht maar, wacht! O, ik ben zoo dom niet; ik weet het al, +ge hebt hem hier!--Waar is hij dan?--Orion, Orion, waar zijt gij?" + +Bij deze woorden vloog zij op, rende door de schuur, schoot van ieder +verfvat het deksel weg, en boog onder luid gelach der overigen diep +over den rand, als zocht zij hem daar. + +De meeste meisjes grinnikten van plezier over deze dwaze vertooning, +maar anderen stond dit blijkbaar niet aan. De smartelijke kreet van de +ongelukkige had haar pijn gedaan en zij trokken zich weder in groepen +terug. Reeds had een hunner een nieuw spel voorgesteld, toen eene +kleine, net gekleede vrouw de schuur binnentrad en riep, terwijl zij +in de vleezige handen klapte: "Ge hebt nu genoeg gelachen! Komaan, +bijtjes, naar bed! Morgen vroeg is de nacht voorbij en na zonsopgang +moeten de weefgetouwen weer klepperen. Komt, de eene hier, de andere +daarheen, net als de muizen, wanneer de kat ze overvalt! Gaat ge haast, +nachtvogels? Nu, gaat ge?" + +De meisjes hadden gehoorzaamheid geleerd, en terwijl zij hare +opzichtster voorbij ijlden naar de slaapzaal, spitste Perpetua, +eene vrouw, die de vijftig nauwelijks voorbij was en op wier gelaat +verstand en goedheid beide te lezen stonden, de ooren en luisterde +in de stilte van den nacht. Uit de richting van de watertent had zij +een eigenaardig, langgerekt, maar niet luid "Ohuio!" vernomen, en +dat teeken was haar goed bekend; want de prefect Thomas was gewoon op +deze wijze in zijn landhuis op den Libanon de in den tuin verspreide +huisgenooten saam te roepen. Thans maakte Paula er gebruik van, +om de voedster op hare nabijheid opmerkzaam te maken. + +Deze schudde echter bezorgd het hoofd. Wat bewoog haar lieve kind om +zoo laat in den avond tot haar te komen? Er moest wel iets bijzonders +zijn voorgevallen, en met tegenwoordigheid van geest, als altijd, +riep zij, om te kennen te geven dat Paula's roepstem haar niet ontgaan +was: "Haast je wat, meisjes! Zijt ge klaar? Ohuio! Komaan, Ohuio! Een, +twee, drie!" + +Daarop volgde zij de laatste slavinnen naar de slaapzaal, en toen zij +zich overtuigd had, dat er geen werd gemist behalve de waanzinnige, +vroeg zij waar deze zijn kon. Allen zeiden haar zooeven nog in de +schuur gezien te hebben. Perpetua wenschte de meisjes goeden nacht +en verliet ze, den schijn aannemende alsof zij de achtergeblevene +ging zoeken. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + +Paula ging de kamer binnen van hare voedster, die, nadat zij +vruchteloos een oogenblik naar de waanzinnige had omgezien, Mandane +niet zonder eenige gewetenswroeging aan haar lot overliet. + +In het vertrek van Perpetua hing eene keurig gepolijste koperen +lamp aan de zoldering, en deze kleine ruimte beantwoordde volkomen +aan hare bewoonster, want beiden waren helder en netjes, eenvoudig +en degelijk. Het bed van de voedster was omgeven door sneeuwwitte, +doorzichtige gordijnen tegen de muggen; boven het hoofdeinde der +legerstede was een kunstig gesneden crucifix geplaatst, en de zetels +waren allen met goede stoffen van allerlei kleur, afval uit de weverij, +overtrokken. Fijn gevlochten stroomatten bedekten den grond, en op de +vensterbanken evenals in een hoek van het vertrek, waar een van klei +geboetseerd beeld van den goeden herder op het beddetafeltje neerzag, +stonden bloemstruiken, die het eenvoudige vertrek met een aangenamen +geur vervulden. + +Nauw was de deur gesloten, of Perpetua zeide: "Maar mijn kind wat +hebt ge mij doen schrikken! Op zulk een laat uur!" + +"Ik moest komen," verzekerde Paula; "ik kon niet langer wachten." + +"Wat zie ik, tranen?" zeide de voedster met een zucht, terwijl hare +verstandige, kleine oogen ook vochtig begonnen te worden. "Arme ziel, +wat is er nu weer gebeurd?" + +Daarbij naderde zij de jonkvrouw, om haar te streelen; maar deze +vloog aan hare borst, sloeg hartstochtelijk beide armen om haar hals, +en barstte in een luid en smartelijk weenen uit. + +De kleine matrone liet haar eene poos begaan, daarna maakte zij zich +los uit hare omhelzing, droogde hare eigene tranen en die van hare +groote lieveling, die op hare gladde grijzende haren waren gevallen, +greep Paula met eene vaste hand bij de kin, keerde haar gelaat naar +zich toe en zeide vol deelneming maar op vasten toon: "Zoo, nu is het +genoeg! Ween wat mij betreft maar uit, want dat verlicht het hart, +maar vergeet niet dat het zoo laat is. Is het weder het oude lied: +heimwee, verdriet en dergelijken, of is er wat anders gebeurd?" + +"Helaas," antwoordde het meisje, en zij vervolgde hevig opgewonden, +terwijl zij haar doek in de handen verfrommelde: "Mijn geduld is ten +einde; ik kan het daar in huis niet meer uithouden; het gaat niet +langer zoo! Ik ben niet van steen, en als men 's avonds vreest voor +den nacht en 's morgens weer voor den dag, waaraan geen doorkomen +zal zijn, zóó ellendig, zóo onverdragelijk...." + +"Men dient toch redelijk te zijn, mijn hartje, en tot zichzelve +te zeggen, dat het verstandig is om van twee kwaden het minste te +kiezen. Wat ik u reeds zoo dikwijls in bedenking gaf, dat krijgt ge +nu opnieuw te hooren: Als wij dit veilig toevluchtsoord prijs geven +en ons werkelijk daarbuiten in den vreemde wagen, zullen we dan wat +beters vinden?" + +"Misschien slechts eene hut met eene bron onder een paar palmen! Ik +zou er mede tevreden zijn, als ik u maar behouden mocht en vrij was, +geheel vrij van die anderen!" + +"Wat is dat? Hoe heb ik 't nu met u?" prevelde de oude, terwijl zij +bedenkelijk het hoofd schudde. "Eergisteren waart ge geheel op uw +gemak; dus moet er zeker weer iets...." + +"Ja, dat is zoo, daar is ook wat gebeurd," viel het overprikkelde +meisje haar in de rede. "De zoon van oom--gij waart er bij, niet waar, +toen hij hier zijn intocht deed, en ik dacht, ja, ook ik heb geloofd, +dat hij zulk een ontvangst verdiende... Ik, Betta, ik.... Ach, heb +medelijden met mij, ik.... gij weet niet welk een onweerstaanbaren +invloed die man op een hart kan uitoefenen.... En ik--ik stelde +vertrouwen in zijne blikken, zijne woorden, zijn gezang en--ja, +alles moet mij maar van het hart--ook in zijne kus op deze hand! Ik, +ik... Maar dat alles was valsch, was gelogen, was een schandelijk +spel met een zwak eenvoudig hart; misschien nog iets ergers, iets +afschuwelijkers! Kortom, terwijl hij al zijne krachten inspande om +mij in zijne strikken te vangen--zelfs de slaven in de boot hebben +het opgemerkt--was hij op hetzelfde tijdstip--ik weet het van vrouw +Neforis, die het zeker vertelde om er mij mede te krenken--bezig +dat popje--gij kent haar wel--die kleine Katharina te vrijen. Zij is +zijne bruid, en intusschen waagt die onbeschaamde het zijn spel met +mij voort te zetten, heeft hij de brutaliteit..." + +Paula begon opnieuw luide te snikken; de oude vrouw wist ditmaal niet +hoe zij haar tot bedaren zou brengen en mompelde in zichzelve: "Ach, +'t is erg.... Moest ook dit er nog bijkomen?.... Lieve hemel!...." Maar +weldra kwam zij tot bezinning en zeide op vastberaden toon: "ja, +dat is een nieuw onverwacht ongeluk; maar wij hebben zwaarder en +nog gansch andere rampen te dragen gehad. Dus het hoofd omhoog, +en wat daar binnen nog pleiten mocht voor den verleider, dat moet +uitgerukt en vertreden worden. Uw trots zal u wel helpen, en als gij +eens weet wat die Orion voor een heer is, dan dankt gij God misschien, +dat het tusschen u niet verder kwam!"--Zij deelde haar nu alles mede, +wat zij wist van de waanzinnige Mandane en hoe Orion de oorzaak was +van haar ongeluk, en toen Paula duidelijk liet blijken hoezeer haar +dit schrik aanjoeg, voegde zij er bij: "Ja, mijn kind, hij is een +hartenbreker, een gewetenloos geluksverwoester, en het ware misschien +mijn plicht geweest u voor hem te waarschuwen; doch daar hij overigens +toch niet slecht is--hij heeft den broeder van de teekenares Hathor, +die ge wel kent, met eigen levensgevaar uit het water gehaald--en +ik bovendien bij zijne terugkomst meende, dat ge met hem althans op +een vriendelijken voet zoudt verkeeren, heb ik het gelaten.... En +dan... ik oude gekkin hield uw trotsch hart voor gepantserd, doch het +is toch ook maar een zwak meisjeshart als dat van anderen, en nu het +op een-en-twintigjarigen leeftijd voor het eerst de liefde van een +man beantwoordt...." + +Hier viel Paula haar in de rede, zeggende: "Ik bemin den bedrieger +niet meer, neen, ik haat hem, ik haat hem meer dan ik zeggen kan! En +ook de anderen! Van allen, allen heb ik een afkeer!" + +"Helaas, dat het zoo zijn moet!" zeide de voedster met een zucht. "Gij +hebt zeker een hard lot. Over hem, Orion, zullen we maar zwijgen, maar +zou het met de anderen niet beter kunnen worden, vraag ik mijzelve +dikwijls af? Als gij het hun zoo moeilijk niet gemaakt hadt, mijn +kind, dan zouden zij u nu moeten liefhebben, dat kan niet anders; +maar sedert ge hier in huis zijt gekomen, gevoeldet ge u ongelukkig en +hebt gij gewenscht, dat men u aan uzelve overliet, en zij, zij hebben +aan uw verlangen voldaan en nu vindt ge het moeielijk te dragen, dat +de toestand geworden is zooals gij die wildet. Ja, mijn kind, zoo is +het, gij moet mij niet tegenspreken. Wij moeten heden eens oprecht +met elkander spreken: wie kan liefde vinden, als hijzelf geen liefde +betoont en mismoedig anderen voorbijziet? Ja, als ieder de menschen +waarmede hij omgaat zelf maken kon! Het leven eischt gebiedend, dat +wij hen nemen zooals zij zijn, maar van deze waarheid, mijn hartje, +neen, daar zijt gij niet van doordrongen!" + +"Ik ben nu eenmaal zooals ik ben!" + +"Zeker, en van alle goeden zijt gij de beste; maar wie kan dat in +huis vermoeden? Elk mensch vertoont een zeker karakter. En gij? Is +het te verwonderen, dat zij in u altijd de ongelukkige zien? Ik zeg +het duizendmaal: het is God geklaagd dat gij zoo ongelukkig zijt. Maar +wien doet het genoegen altijd een somber gelaat te zien?" + +"Ik heb aan niemand daarginds nog ooit met een enkel woord geklaagd +wat ik lijd!" zeide Paula, terwijl zij zich trotsch oprichtte. + +"Juist, daar hebt gij het," antwoordde de voedster. "Zij namen u +op, en meenden dus zekere rechten te hebben op uw persoon en ook op +hetgeen u bekommerde. Misschien verlangden zij u te troosten, want +daarin ligt--geloof mij mijn kind--daarin ligt iets streelends. Wie +iemand medelijden betoont, die voelt er altijd bij, dat hijzelf het +beter heeft dan een ander. Ik ken het leven! Hebt gij nooit tot uzelve +gezegd, dat gij uwe bloedverwanten daarginds eene vreugde ontrooft, +ja hen misschien beleedigt, door uw hart voor hen te sluiten? Gij +gaat geheel op in uwe smart, die gij hun van verre toont, maar waar +het u pijn doet, dat verbergt gij zorgvuldig. Ieder goed mensch wil +gaarne heelen waar hij eene wonde ziet bloeden, maar uw geheele wezen +roept hun toe: 'Blijft waar gij zijt en laat mij met rust.'--Voor uw +oom tenminste waart ge goed." + +"En dat ben ik nog, en honderdmaal gevoelde ik een drang om hem alles +toe te vertrouwen, maar--" + +"Maar?" + +"Zie hem slechts aan, Betta, hoe marmerkoud, stijf en ongevoelig hij +daar ligt, meer dood dan levend. In den beginne zweefden mij vaak +vertrouwelijke woorden op de lippen...." + +"En thans?" + +"Thans ligt al dat smartelijke zoo verre achter mij! Ik geloof dat +ik het recht verloren heb hem te klagen wat mij neerdrukt." + +"Hm," liet Perpetua hooren, die hierop zoo dadelijk geen antwoord +wist. "Kom eens goed tot bezinning, meisjelief. Orion heeft reeds +dadelijk opgemerkt hoever men bij ons gaan kan. Gij kunt uw hoofdje +gerust omhoog houden en kalm rondom u zien. Verdraag wat niet te +veranderen is, en wanneer eene stem in mijn binnenste mij niet +bedriegt, dan zal hij, dien wij zoeken..." + +"Ook daarom ben ik tot u gekomen. Is er nog geen bode teruggekeerd?" + +"Ja! de kleine Nabateër," antwoordde de voedster met eenige aarzeling, +"en hij heeft ook... Maar om Godswil, mijn kind, vlei u toch niet +met ijdele hoop! Even na zonsondergang is Hiram bij mij geweest--" + +"Betta!" riep de jonkvrouw met verheffing van stem, terwijl zij +de voedster bij haar arm greep. "Wat is hij te weten gekomen, welk +bericht brengt hij?" + +"Niets, niets! Wil toch niet met het hoofd door den muur loopen! Wat +hij vernam is zoo goed als niets. Ik kon Hiram maar een enkel oogenblik +spreken. Morgen vroeg wil hij den man zelven bij mij brengen. Het +eenige wat hij mij zeide...." + +"Bij Christus' wonden, wat was het?" + +"Hij zeide dat de bode van een ouden kluizenaar had hooren spreken, +die eens een groot krijgsheld geweest was." + +"Mijn vader, mijn vader!" riep de jonkvrouw luide. "Hiram zit met de +anderen bij het vuur. Dadelijk, ja dadelijk moet ge hem hier brengen; +ik beveel het u, Perpetua, hoort gij!--O liefste, eenige Betta, +kom mede; wij moeten hem spreken!" + +"Geduld toch, mijn hartje, heb wat geduld!" zeide de oude vrouw +medelijdend. "Ach, lieve arme ziel, ach, het zal weer op niets +uitloopen, en als wij den verkeerden weg andermaal blijven volgen, +geeft het niets dan teleurstelling." + +"Dat doet er niet toe, gij gaat met mij mede!" + +"Naar het dienstpersoneel bij het vuur, en op dit uur? Dat zou wat +wezen! Maar... Evenwel... Wacht hier even meisje. Ja, zoo zal het wel +gaan. Ik zal Jozef wakker maken, Hirams jongen. Hij slaapt ginds bij +de paarden, en deze zal dan zijn vader roepen. Ach, dat ongeduld, dat +onstuimig en hartstochtelijk zieltje! Doe ik niet wat gij verlangt, +dan doet ge heden nacht geen oog dicht, en dwaalt morgen als een +droomende rond... Bedaar, bedaar maar, ik ga al." + +De oude vrouw had den hoofddoek reeds omgeslagen en ijlde naar +buiten. Paula zonk voor het kruisbeeld boven het bed op hare +knieën en bad innig, tot de voedster terugkwam. Weldra lieten zich +mannelijke voetstappen op de trap hooren en Hiram trad binnen. Hij +was een stevige vijftiger met twee goedige blauwe oogen in het grove +alledaagsche gezicht. Wie zijn breede borst zag, begreep dadelijk, +dat als hij ging spreken men eene krachtige basstem zou hooren; doch +Hiram stotterde van kindsbeen af en in zijn dagelijkschen omgang met +paarden had hij zich het gebruik van allerlei natuurgeluiden aangewend, +die hij met eene schrille stem uitstiet. Hij sprak ook niet gaarne. + +Toen hij tegenover de dochter van zijn weldoener en heer stond, boog +hij zich voor haar neder, zag haar met de trouwe oogen als die van +een jachthond, onderworpen en tevens teeder aan, en kuste eerst haar +gewaad, daarna de hand, waarmede zij hem wilde oprichten. + +Aan de met moeite uitgebrachte verzekering, hoe blijde hij was haar +weder te ontmoeten, maakte Paula goedhartig maar toch spoedig een +einde, en toen hij eindelijk begon te vertellen, sprak hij veel te +langzaam voor haar ongeduld. De Nabateër, die de hoopvolle tijding +had gebracht, zoo deelde hij mede, was niet ongenegen het gevonden +spoor verder te vervolgen; hij kon echter slechts tot morgen middag +wachten en had hooge eischen gesteld. + +"Alles kan hij krijgen, alles wat hij verlangt," haastte Paula zich +te zeggen. + +Hiram smeekte haar nochtans, meer met zijne blikken en onverstaanbare +uitroepen dan met duidelijke woorden, toch niet al te veel te +verwachten. De Nabateër Dousare, dus vulde hij de mededeeling van +de voedster aan, had van een kluizenaar te Raïthou aan de Roode zee +vernomen, dat een groot krijgsheld van Grieksche afkomst, sedert twee +jaren bij de vrome broeders op den heiligen berg Sinaï in alle stilte +een boetvaardig leven leidde. Zijn wereldlijke naam had de bode niet te +weten kunnen komen, maar onder de kluizenaars werd hij Paulus genoemd. + +"Paulus?" herhaalde het meisje, terwijl haar boezem zwoegde. "Een naam +die hem aan moeder herinnert en aan mij, ja, ook aan mij! Bovendien, +hij, de held van Damascus, heeft in de wereld Thomas geheeten, en +nu hij zeker gelooft dat ook ik om het leven ben gekomen, wijdt hij +zich geheel aan den dienst van God en Christus; even als Saulus, die +andere man van Damascus, noemt hij zich, nu hij de weg ter zaligheid +gevonden heeft, Paulus. O Betta, o Hiram, gij zult het zien, hij is +het, hij moet het zijn! Twijfelt gij nog?" + +De Syriër schudde bedenkelijk het hoofd en stootte een langgerekt +"Huust" uit. Perpetua sloeg de handen in elkaar en zeide op meewarigen +toon: "Heb ik het niet gedacht? Het vuur dat herders in den nacht +ontsteken om zich de handen te warmen houdt zij voor de opgaande zon, +wapengekletter voor den donder des Allerhoogsten! Hoeveel duizenden +heeten er Paulus! Bij alle heiligen, kindlief, blijf bedaard en poog +niet uit ijle nevelen u een feestkleed te weven! Bereid u voor op het +ergste, dan zijt gij tegen teleurstelling gewapend en behoudt gij het +recht om te hopen! Zeg haar toch, Hiram, zeg haar wat de bode verder +heeft bericht; want er is niets zekers, alles zweeft nog als stof in +de lucht." + +De vrijgelatene deelde nu mede, dat de Nabateër een man was op wien +men staat kon maken, veel geschikter om op zulke onderzoekingstochten +uit te gaan dan hijzelf, want deze verstond behalve zijne eigene +taal ook Egyptisch, Grieksch en Arameesch; desniettemin was het ook +hem niet mogelijk geweest te Tor, waar monniken uit het klooster op +den Sinaï zich hadden neergezet, iets naders omtrent den kluizenaar +Paulus te vernemen. Later had hij echter op den zeetocht naar Kolzoum +van monniken vernomen, dat er nog een tweede Sinaï was. Het klooster +dáar--en nu zette Perpetua het verhaal voort, dat den stotteraar het +zweet op het voorhoofd deed parelen--dat klooster in de oase aan den +voet van den spitsen, hemelhoogen berg was wegens de ketterij der +monniken gesloten geworden, doch in de kloven van dat berggevaarte +huisden nog altijd vele kluizenaars in een klein coenobium [5], +in lauren [6] en in enkele rotsholen, en Paulus kon wellicht tot +dezen behooren. Men was wel op den goeden weg en zij en Hiram +waren reeds besloten in deze richting verder te onderzoeken, maar +de voormalige krijgsman was toch waarschijnlijk een vreemde, en zij +beiden huiverden bij de gedachte haar bloot te stellen aan zulk eene +smartelijke ontgoocheling. + +Doch hier nam Paula het woord en zeide met blijde opgewektheid: +"En waarom zal mij ook niet eens wat anders ten deel vallen dan +teleurstelling?.. Wat geeft u den moed om mij de hoop te ontnemen, +waarmede dit arme hart zich voedt? Maar ik laat mij die hoop niet +ontrooven. Uw Paulus aan den voet van den Sinaï is de verlorene, ik +heb er een voorgevoel van. Als de laatste paarlen niet reeds verkocht +waren, dan moest de Nabateër... Maar wacht, zoo.... Wanneer kunt gij +vertrekken, Hiram?" + +"Voor over veer--veertien dagen in ge--geen geval," antwoordde +deze. "Ik--ik ben nu eenmaal in dienst van den sta--ad--stadhouder en +o--overmorgen zal in Ni--i--kou--juist--de groote pa--paardenma--markt +zijn. Voor den jongen hee--heer zijn daar nieuwe he--engsten te koop, +en onze veu--lens brrr...." + +"Ik zal er morgen bij oom op aandringen, dat hij u vrij laat," zeide +Paula. "Ja, ik werp mij aan zijne voeten..." + +"Hij zal hem niet loslaten," viel de voedster haar in de rede. "De +huismeester Sebek heeft hem vóor de audiëntie uit mijn naam alles +gezegd en getracht om Hiram vrij te krijgen." + +"En wat was het bescheid?" + +"Vrouw Neforis noemde de tijding een nieuw dwaallicht en de +meester stemde met haar in. Uw oom verbood Sebek daarna iets aan u +te verklappen en liet mij weten, dat hij na de paardenmarkt Hiram +misschien naar den Sinaï zou zenden. Heb dus geduld, mijn hartje! Wat +beteekenen veertien dagen, op zijn langst drie weken, en dan.... + +"Maar zoolang kan ik het niet uithouden!" riep Paula. "De Nabateër, +zegt gij, is hier, en bereid om te gaan?" + +"Ja, meesteres!" + +"Zoo nemen wij hem in dienst," zeide Paula vastbesloten. + +De voedster, die de zaak blijkbaar reeds ernstig met haar landsman +overlegd had, schudde treurig het hoofd en zeide: "Hij is ons te +duur!" Vervolgens verklaarde zij, dat de man die zoo veel talen +kende, reeds uitgenoodigd was eene karavaan naar Ktesiphon te +geleiden. Dat gaf hem brood voor een geheel jaar. Hij was niet +ongenegen de onderhandelingen met den koopman Hanno af te breken en +geheel Petreïsch Arabië voor haar te doorzoeken, maar op voorwaarde +dat hij tweeduizend drachmen ontving. + +"Tweeduizend drachmen?" herhaalde Paula, terwijl zij blozende en +terneergeslagen voor zich keek. Maar spoedig was zij zichzelve weer +meester, zij hief het hoofd op en zeide verstoord: "Hoe, durven +zij mij onthouden, wat mij toekomt? Weigert mijn oom mij, wat ik +vorderen mag en moet, dan gebeure wat ik niet vermijden kan en mij +om zijnentwil leed genoeg doen zal; dan geef ik mijne zaak in handen +van de rechters." + +"Van de rechters?" herhaalde de voedster lachende. "Om te klagen +hebt gij een kurros [7] noodig, en uw oom is de uwe. Voorts eer zij +een oordeel vellen, kan de bode reeds uit het verafgelegen Ktesiphon +terug zijn." + +De voedster smeekte haar nu nog eens om zich tot na den afloop der +paardenmarkt stil te houden; maar zij staarde als verslagen naar den +grond. Opeens verschrikte Perpetua en ook Hiram deed eene schrede +achterwaarts, want onverwacht riep zij luide en jubelend uit: "Vader +in den hemel, ik heb gevonden wat wij noodig hebben!" + +"Hoe, mijn kind, wat?" vraagde de voedster met de hand op het hart. + +Paula gaf haar geen uitsluitsel, maar wendde zich haastig tot den +Syriër zeggende: "Is de eerste binnenhof weer vrij? Zijn de lieden +uit elkander gegaan?" + +Het antwoord luidde bevestigend. De vrije dienstknechten waren met +Hiram tegelijk opgebroken. De heeren gingen nog wel zoo spoedig niet +uiteen, maar hen kon men gemakkelijk voorbijkomen. + +"Nu goed," sprak het meisje. "Gij, Hiram, gaat mij voor en wacht +op mij bij het dienstpoortje. Ik haal van mijne kamer iets wat +de vordering van den Nabateër wel tienvoudig kan dekken.--Zie mij +niet zoo angstig aan, Betta! Hij krijgt de groote smaragd uit het +halssieraad mijner moeder." + +De voedster sloeg de handen ineen en riep op droevigen, waarschuwenden +toon: "Kind, kind, dit heerlijke stuk, dit erfgoed der familie, +deze steen, die afkomstig is van den heiligen keizer Theodosius, +wilt gij dezen verkoopen, neen wegsmijten, niet om uw vader te redden +maar--ja, mijn kind, zoo is het!--maar alleen omdat gij geen geduld +hebt om twee ellendige weken te wachten?" + +"Dat is hard, dat is onbillijk geoordeeld, Betta!" hernam het meisje +op verwijtenden toon. "Het is om een maand te doen, en hoe alles hier +van den bode afhangt, weten wij allen. Hebt gij vergeten hoe Hiram de +geschiktheid juist van dezen man op den voorgrond stelde? En moet ik, +die zooveel jonger ben, u dan herinneren aan de onzekerheid van een's +menschen leven? Eén oogenblik beslist over leven en dood, en mijn +vader is een oud man, die reeds vóor de belegering met vele litteekens +bedekt was. Het kan hier gelden hem al of niet weer te zien." + +"Ja, ja," antwoordde de oude vrouw op zachten toon, "misschien hebt +gij gelijk, en als ik...." + +Maar Paula sloot haar den mond met een kus en beval daarop den Syriër +den steen van haar in ontvangst te nemen en morgenochtend zeer vroeg +aan den jood Gamaliël, een rijk en redelijk man, te verkoopen, maar +niet onder twaalfduizend drachmen. Als de goudsmid niet zooveel ineens +betalen kon, mocht Hiram zich voor het oogenblik met de tweeduizend +drachmen voor den bode tevreden stellen, om de rest later te ontvangen. + +De Syriër ging haar voor, en toen zij na een lang afscheid van de +voedster het vriendelijke vertrek verliet, had Hiram reeds aan haar +eerste bevel voldaan, door haar aan het dienstpoortje te wachten. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + +Zooals Hiram wel vermoedde, zaten de hoogere beambten nog altijd met +hunne vrienden bijeen, en ook de gids en de voornaamste begeleiders van +den koopman Haschim. Rustem de Masdakiet, alsmede diens secretaris en +tolk, hadden zich bij dit gezelschap aangesloten. De hier verzamelden +waren, uitgenomen de joodsche goudsmid Gamaliël en de lieden uit +het gevolg van den Arabier, allen christenen, en niet zonder eenigen +tegenzin hadden dezen de muzelmannen--de jood was sedert jaren een +welkom medelid van hun avondgezelschap--in hun kring opgenomen. Toch +had men het gedaan, en zelfs met zekeren ijver, omdat de heer bevolen +had hen goed te ontvangen en men met grond verwachten kon dat zij, die +van zooverre waren gekomen, veel nieuws te vertellen hadden. Daarin +had men zich echter bedrogen, want de tolk was zeer gesloten en de +Masdakiet sprak het Egyptisch in het geheel niet en het Grieksch maar +zeer slecht. Nadat men bij herhaling vruchteloos gepoogd had hen aan +het spreken te krijgen, sloeg men verder geen acht meer op hen en +liet men den secretaris van Orion aan het woord. + +Deze man had reeds gisteren veel nieuws van het keizerlijk hof +verteld, dat allen boeide; doch heden praatte hij uitvoeriger over de +schitterende levenswijze van zijn jongen meester in Konstantinopel, +wien hij derwaarts vergezelde. Hij beschreef de drie overwinningen, +die hij met zijne eigene paarden in de renbaan had behaald; schilderde +met levendige kleuren hoe deze zich bij een volksoploop, gevolgd door +slechts vijf vrienden, te midden van honderden verwoede opstandelingen, +een weg had gebaand uit het paleis naar de Sophia-kerk, en roemde +verder de veroveringen die Orion had gemaakt bij de schoone vrouwen +van de hoofdstad. "De koningin van allen," zeide hij met bijzondere +zelfvoldoening, "was Heliodora, geene fluitspeelster of een meisje +van dat slag, neen, eene rijke, voorname, deugdzame patricische +vrouw, de weduwe van Flavianus, een neef van den senator Justinus, +die aan de keizerlijke familie verwant is. Geheel Konstantinopel +sloeg begeerig het oog op deze partij; zelfs de groote Gratianus had +haar voor zich trachten te winnen, maar natuurlijk te vergeefs. In +geheel Egypte, zelfs in Alexandrië is er geen paleis gelijk het +hare. Dit stadhouderlijk verblijf--want de grootte doet er niet +toe--is daarbij vergeleken maar eene boerenwoning, eene armzalige +schuur. Bij eene volgende gelegenheid vertel ik u eens hoe het er +uitziet in dit weelderig kabinetje. Dag en nacht stonden er slaven +en vrijgelatenen voor de deur, die bloemen en vruchten, buitengewone +geschenken en roerende gedichten op welriekende, rooskleurige zijde +moesten overbrengen; doch hare gunst was niet te koopen, tot Orion +haar leerde kennen. Gij zult het niet willen gelooven, maar sedert +zij hem voor de eerste maal in de villa van Justinus ontmoet had, +was zij haar hart kwijt. Zij was er geweest, hoor, zij was weg, zij +was de zijne, zoo goed als die ring hier aan mijn vinger de mijne is!" + +De ijdele man wees bij deze woorden zijne toehoorders op den gouden met +een waarlijk kostbaren steen versierden ring, dien hij aan de mildheid +van zijn jongen meester te danken had, en vervolgde in geestdrift: +"Van nu aan zweefden de namen Orion en Heliodora op aller lippen, +en hoe vaak heb ik de menschen niet in verrukking gezien over de +schoonheid van dit goddelijk paar! In den circus, in het theater, +bij spelevaarten op den Bosphorus, overal zag men ze samen, en in +die akelige, bloedige dagen der snelle troonsverwisselingen leefden +zij met elkander als in een paradijs. Vaak haalde hij haar in zijnen, +zij hem in haren wagen af." + +"Houdt zulk een wijf ook paarden?" vroeg de opperstalmeester op een +toon van minachting. + +"Wijf?" riep de secretaris. "Eene aanzienlijke dame! Alleen glanzende +bruine paarden houdt zij, groote van Armenisch ras en kleine, vlugge +dieren van het eiland Sardinië, die in een vierspan als opgejaagde +vossen met den wagen daarheen jagen. Altijd droegen hare paarden +rosetten en fladderende linten aan de gouden hoofdstellen, en ik +verzeker u, haar voerman wist ze te mennen.--De geheele wereld dacht, +onze meester en die schoone weduwe zullen een echtpaar worden, en dat +er niets van gekomen is, ging die arme Heliodora--zij ziet er uit als +eene heilige en is zacht als een katje--bitter aan het hart; want ik +was bij het afscheid tegenwoordig, en het was om diep medelijden te +krijgen, zooveel tranen als zij stortte. Maar zij kon niet boos zijn +op haar afgod, dat weeke, teedere poesje; zij gaf hem tot aandenken +dat zijdharig hondje, dat gij gezien hebt. Ik geef er u mijn woord op +dat het een liefdepand was, want aan dat kleine beest hing haar hart +als aan een eigen kind. Doch het afscheid is ook hem zwaar gevallen, +zoo zwaar--maar ik ben geheimsecretaris, en het zou mij niet passen uit +de school te klappen. Bij het laatst vaarwel drukte hij dat hondje +aan het hart, en beloofde daarbij, dat hij haar wederkeerig een +aandenken zou zenden, dat haar bewijzen zou op hoe hoogen prijs hij +hare liefde stelde. Dat dit geen aalmoes zijn zal, daarop kan ieder +die mijn meester kent wel een duren eed zweren.--Zeg eens, Gamaliël, +is hij misschien reeds bij u geweest?" + +De aangesprokene, dezelfde wien Hiram Paula's smaragd te koop moest +aanbieden, was een rijk Alexandrijn, vroolijk van aard. Zoodra +hij na den inval der Saracenen begrepen had, dat het niet geraden +was in Alexandrië te blijven, terwijl ook het grootste deel zijner +geloofsgenooten de havenstad ontvluchtte, had hij zich naar Memphis +begeven, omdat hij daar op de bescherming van zijn machtigen +begunstiger, den Mukaukas Georg, mocht rekenen. Hij schudde op die +vraag ontkennend den grijzen kroeskop en blies een oogenblik later +den secretaris in het oor: "Wij hebben wat hij noodig heeft. Als +ge mij de koe brengt, krijgt gij het kalf, en zelfs een met twaalf +pooten.--Tevreden?" + +"Twaalf percent van de winst? Dat 's dus afgesproken!" antwoordde +de secretaris even zacht en met een sluw lachje, ten teeken dat hij +Gamaliël begreep, en toen een boekhouder hem wat later vroeg, waarom +Orion de schoone geliefde, die toch ook een aanzienlijken naam droeg, +niet als schoondochter mede naar huis had gebracht, antwoordde hij +dat zij eene Griekin en natuurlijk de Melchietische geloofsbelijdenis +toegedaan was. Die reden was afdoende voor de aanwezigen, en toen nu +eenmaal het gesprek op het geloof was gekomen, ontspon zich, gelijk +gewoonlijk op zulke gezellige avonden, een dispuut over dogmatische +vragen. Daarbij waagde een kanselarijbeambte de meening uit te spreken, +dat, wanneer het hier niet de zoon van den Mukaukas, bij wien van zoo +iets geen sprake kon zijn, maar een eenvoudig Jacobietisch burger en +zijne Melchietische geliefde gold, er toch wellicht een middenweg te +vinden was geweest. Beiden hadden dan maar moeten besluiten, ofschoon +hij voor zoo iets zou bedanken, de Monotheletische leer aan te nemen, +waarvoor het keizerlijke hof en ook de gestorven patriarch Cyrus van +Alexandrië warm hadden gestreden, welke leer rustte op het geloof, +dat Christus wel twee naturen had, maar dat in beiden maar éene +gemeenschappelijke wil woonde. Dit geloof splitste wel-is-waar de +natuur van den Heiland, maar handhaafde toch de eenheid in een bepaald +opzicht, waarop het toch voornamelijk aankwam. Zulk een kettersch +voorstel werd natuurlijk door de hier verzamelde Jacobieten luide +afgekeurd. Het verschil van meening kwam al duidelijker en scherper +uit, en weldra werd uit de vreedzame gedachtenwisseling een onstuimige +twist geboren, die met handtastelijkheden dreigde te eindigen. + +Reeds onder het begin van dit gesprek was het Paula gelukt om +onopgemerkt den hof over te steken. Zij wenkte Hiram zwijgend haar +te volgen; deze trok behoedzaam zijne schoenen uit, die hij onder +de steile trap voor het dienstpersoneel schoof, en stond eenige +oogenblikken later in het vertrek van de jonkvrouw. Zij deed haastig +hare kist open, nam daaruit het kostbaar met paarlen bezet halssieraad +en gaf dit den Syriër, met het verzoek om den grooten smaragd, die in +het midden hing, uit de gouden kas te lichten. De stevige handen van +den vrijgelatene verrichtten dezen arbeid spoedig en gemakkelijk met +behulp van een mes, en, terwijl hij den steen--die grooter was dan een +walnoot en nu, uit het half geopende gouden omhulsel genomen waarin +hij aan den keten had gehangen, vrij fonkelde en stralen schoot--in +de hand woog, herhaalde Paula nog eens alles omtrent den verkoop, +wat zij hem in tegenwoordigheid van de voedster gezegd had. + +Zoodra de trouwe man zijne lieve meesteres verlaten had, maakte zij +het zachte, maar toch dikke en lange haar los, en glimlachte daarbij +vol blijde hoop; doch zij was nog niet begonnen zich te ontkleeden, +toen er zacht werd aangeklopt. Zij verschrikte, snelde naar de deur, +grendelde deze toe en vraagde, op het ergste voorbereid: "Wie is daar?" + +"Hiram," luidde het zacht gefluisterde antwoord, en nadat zij de deur +weder geopend had, vernam zij, dat de huispoort inmiddels gesloten +was, en dat hij geen anderen weg kon vinden in het groote huis, +waarin hij zelden iets te doen had. + +Wat nu te beginnen? De Syriër kon niet wachten tot de poort weder +geopend werd, want hij moest morgen vroeg zijn last volvoeren, en +betrapte men hem en hield men hem maar een halven dag vast, dan nam +de Nabateër den anderen dienst aan. + +Spoedig was een besluit genomen; zij bond het haar weder op, sloeg een +doek om haar hoofd en zeide: "Kom mede; de maan schijnt nog altijd, +het zou gevaarlijk zijn eene lamp te gebruiken. Ik ga vooruit en +gij moet vlak achter mij blijven. Als er niemand meer in de keuken +is, kunnen wij ongezien in het viridarium [8] komen. Indien de +beambten in den hof nog bijeen zijn, dan staat de groote hofdeur +open, want velen hunner wonen toch in huis. In elk geval moet gij +door de voorhal. Uit het viridarium kan men den weg daarheen wel +niet missen. Maar wacht! vóor het tablinum [9] ligt de groote Beki, +de booze hond van Hermonthis. Hij kent u niet, want hij komt nooit +buiten's huis, maar mij volgt hij. Wanneer ik de hand omhoog hef, +blijft gij wat achter. In tegenwoordigheid zijner meesters is hij +rustig en onbekenden doet hij niets wanneer wij er bij zijn. Geen +woord worde van nu aan gewisseld. Worden wij ontdekt, dan kom ik voor +de waarheid uit, vindt men u alleen, dan kunt gij zeggen.... dan zegt +gij, dat gij op Orion hebt gewacht, om heel vroeg met hem te spreken +over de paardenmarkt in Nikou." + +"Er we--werd me dezen middag nog een--een he--hengst aangeboden." + +"Goed zoo; ge zijt dus in de voorhal gebleven, om met den heer te +spreken, vóor hij zou uitgaan. Over enkele uren zal het reeds gaan +schemeren. Maak nu ook voort." + +Haastig en met zekeren tred daalde Paula de trap af. Bij de onderste +trap nam Hiram zijne schoenen weder op en hield ze in de hand, +om geen tijd te verliezen, terwijl hij zijne meesteres op den voet +volgde. Zwijgend ging zij voort, tot zij in de tastbare duisternis aan +de keuken kwamen. Hier keerde zij zich om en fluisterde den Syriër toe: +"Is hier iemand, dan zeg ik dat ik gekomen ben om water te halen; is er +niemand, dan kuch ik even en volgt ge mij. De deur blijft in elk geval +open, zoodat ge hooren kunt wat er gebeurt. Als ik moet omkeeren, dan +loopt ge mij haastig vooruit langs den weg dien wij gekomen zijn. In +dat geval begeef ik mij naar mijne kamer en wacht gij daarvoor tot het +dag wordt en men de dienstpoort weder opent. Als men u mocht vinden, +laat dan aan mij over van uwe aanwezigheid de verklaring te geven. Ga +nu wat meer achteruit en verberg u daar in dien hoek." + +Dadelijk hierop opende zij met zachte hand de deur van de keuken. Daar +deze met geen dak gedekt was, werd de ruimte door het licht der +ondergaande maan en den glans der sterren beschenen. Zij bleek geheel +ledig te zijn; er lag alleen eene kat op de bank bij den grooten +haard en eenige vledermuizen fladderden met onhoorbaren vleugelslag +in de groote ruimte heen en weer. Onder het braadspit gloeiden nog, +als de oogen van loerende roofdieren, de glimmende kolen in de asch. + +Paula kuchte zacht en zoodra zij Hirams schreden achter haar hoorde, +zette zij met een van angst kloppend hart hare wandeling voort. Eerst +ging zij eenige trappen op, dan door een donkeren gang, waarin de +vledermuizen vlak langs haar hoofd scheerden, eindelijk moest de +breede van boven opene eetzaal dwars worden overgestoken. Deze kwam +uit in het viridarium, een vierkanten open hof, die langs de kanten +geplaveid was, terwijl de middenruimte door sierplanten en een +fontein werd ingenomen. Aan beide zijden verhief zich een vleugel +van het stadhouderlijk paleis. Het was stil en verkwikkend in deze +afgeslotene ruimte, overwelfd door den donkerblauwen hemel, die bezaaid +was met millioenen sterren. De maan naderde reeds den bovenrand van +de gegroefde lijst, die het dak van het gebouw kroonde. De groote +bladplanten in het midden van het viridarium wierpen wonderbare, +spookachtige schaduwen over de vochtige graszoden; het water van +de fontein plaste luider dan overdag, doch het eentonig geluid, +dat nu en dan door korte ongelijkmatige pauzen werd afgebroken, had +iets geruststellends. Het marmer der zuilen glinsterde als heldere +sneeuw, en dunne dampwolkjes, die van de vochtige zoden opstegen, +dwaalden, door den zachten nachtwind bewogen, als geesten in lange +golvende sleepgewaden in allerlei bochten zacht en statig heen en +weer. Nachtvlinders wiegden zich rondom en boven de plantengroepen +op en neer, en de geheele stille, verkwikkende ruimte was vervuld +door den zoeten geur van de lotusbloemen in het marmeren bekken van +de fontein, en van de bloesems der weelderige struikgewassen en der +saprijke tropische planten die haar omgaven. Op een anderen tijd zou +het een lust zijn geweest hier te toeven, rond te zien en zich over te +geven aan de stille betoovering van den nacht, doch de ziel van Paula +was thans voor dit heerlijk genot gesloten. De diepe stilte die haar +omgaf deed het opgewonden twistgesprek in den hof, dat in afgebroken +toongolven zijn weg hierheen vond, te bedenkelijker klinken, en met +bange zorg merkte zij op dat hier niet alles in orde was, want vóor het +tablinum, dat steeds door den hond of door een wachter bewaakt werd, +kon haar scherpziend oog noch dier noch mensch bespeuren. En--neen, +zij bedroog zich niet--de met brons beslagene deur ervan was open, +en het maanlicht glinsterde tegen het blanke metaal van den eenen +half aanstaanden vleugel. + +Zij bleef staan en Hiram achter haar deed desgelijks. Beiden luisterden +met zulk eene inspanning, dat de aderen hun op het voorhoofd zwollen, +want uit het tablinum, dat zij met een dertig schreden bereiken konden, +lieten zich enkele, niet goed te onderkennen, zachte geluiden vernemen, +die geheel overstemd werden door den wilden strijd daarbuiten. + +Er verliepen eenige lange, bange oogenblikken, tot de vleugel die +aanstond, opeens werd geopend, en een man daaruit te voorschijn +kwam. Het was Paula of haar het bloed in de aderen stolde, maar +haar oog hield niet op scherp te turen, en toen zij duidelijk gezien +had en vast overtuigd was, dat hij die den drempel van het tablinum +overschreed Orion was en geen ander, vloog de groote ruige hond van +Hermonthis haar voorbij, stak zijn neus in de lucht en schoot daarna +onder woest geblaf op de beide wachtenden toe. Bevende en met de tanden +op elkaar geklemd, maar altijd toch volkomen meesteres van zichzelve, +liet zij hem komen, riep Beki bij zijn naam op zachten, liefkoozenden +toon, en pakte, toen hij haar herkende en ophield te blaffen, het +beest bij zijn harigen kop, om het achter de ooren te krauwen, dat +het zoo gaarne had. Zij zelve en die haar vergezelde stonden achter +een pilaar in de donkere schaduw. Orion werd hen dus niet gewaar, +ook had het geblaf Paula's liefkoozend geroep overstemd. Toen de hond +zweeg en kwispelstaartend bij haar bleef staan, floot hij hem en het +waakzame gehoorzame dier ijlde zijn meester vroolijk te gemoet. "Ouwe, +domme kattenjager!" riep hij het beest toe en duwde het daarna weder +spelende van zich af. Daarop sloot hij de deur dicht en begaf zich +naar de gebouwen, die op den hof uitkwamen. + +"Om in zijne woning te komen moet hij langs dezen weg terugkeeren," +zeide Paula tot haren geleider, terwijl zij weder vrij adem +haalde. "Laten wij hier wachten. Maar nu ook geen oogenblik +verloren! Vooruit tot aan de deur van het tablinum! De hond herkent +mij nu van verre en zal niet dadelijk weder aanslaan." + +Hierop liepen beiden haastig verder, en toen zij gekomen waren bij +de deur, die achter breede posten in de donkere schaduw lag, vroeg +Paula haren geleider: "Hebt gij den man die hieruit kwam herkend?" + +"Onze heer Orion," luidde het antwoord. "Hij ke--keerde terug uit de +sta--ad, toen ik u voor--voorging." + +"Zoo?" vraagde zij schijnbaar onverschillig, staarde in den tuin, +terwijl zij tegen het koele metalen beslag van de deur stond gedrongen, +en begreep dat zij nu terug kon keeren. Maar ter rechter tijd dacht zij +aan den hond. In elk geval moest zij den vrijgelatene den eenvoudigen +weg beschrijven, dien hij van hier had in te slaan. Doch zoover kwam +zij niet, want uit de ruimte die de voorhal van het viridarium scheidde +hoorde men eerst de schelle stem eener vrouw en daarna de zwaardere +van een man, en nauwelijks hadden beiden eenige woorden gewisseld of +het woedend geblaf van den hond overstemde alles, en terstond daarop +trof haar luisterend oor eerst het gillen en schreeuwen uit den mond +eener vrouw en daarna een gedruisch als van een zwaar vallend voorwerp. + +Wat was daar gebeurd? Het moest iets vreeselijks, iets afgrijselijks +zijn, daar viel niet aan te twijfelen. Het vermoeden van Paula werd +weldra bevestigd, want door de deur aan de zijde van de plaats waar +de schrikkelijke gebeurtenis moest voorgevallen zijn, stormde Orion +naar buiten en vloog met den hond achter zich over de graszoden van +het viridarium, die als een heiligdom met zooveel zorg werden in orde +gehouden, en ijlde naar den vleugel van het huis aan de Nijlzijde, +waar zich zijne woning en die der familie bevond. + +"Nu is het tijd," sprak Paula, en ging den Syriër snel voor. + +Ademloos doorliep zij met haastigen tred de eerste ruimte en +overschreed den drempel van het niet overdekte voorhuis, maar zij +was nog niet in het midden gekomen, toen zij een schreeuw gaf, want +voor haar lag in het schijnsel der maan een roerloos lichaam lang +uitgestrekt op den harden marmeren vloer. + +"Vlucht, Hiram, vlucht!" riep zij den vrijgelatene toe. "De deur +staat maar aan, is open, ik zie het!" + +Dit zeggende knielde zij bij de levenlooze neder, hief haar hoofd op, +en zag--in het schoone, doodsbleeke gelaat van de waanzinnige Perzische +slavin! Zij voelde hoe het bloed, dat door het zware, blonde haar van +de ongelukkige heendrong, hare eigene hand bevochtigde, en eene rilling +voer haar door de leden. Maar zij overwon alle gevoel van ontzetting +en afkeer, en toen zij ook op den gescheurden peplos donkere vlekken +bemerkte, trok zij dit kleed weg en zag in de schoone blanke borst +van de ongelukkige de gapende wonden, die de gruwzame tanden van den +woedenden hond in het teere vleesch hadden gebeten. + +Paula's gemoed werd overmand door toorn, zoowel als door smart en +medelijden. Hij, wien zij gisteren nog gehouden had voor een toonbeeld +van mannelijke deugd, Orion, droeg de schuld van deze gruweldaad! Hij, +van wiens stouten moed, die zichzelven niet verschoonde, zij zooveel +had vernomen, hij was gevlucht als een lafaard, hij had het offer +in den steek gelaten, dat hij tweemaal ten gronde had gericht. Doch +er was hier wat anders te doen dan te klagen, zich boos te maken, +zich af te vragen, hoe in de ziel van denzelfden mensch naast zooveel +edels en schoons, zooveel wreedheid en boosaardigheid kon wonen. Hier +moest raad geschaft worden, zij moest trachten te redden, want Mandanes +boezem bewoog zich nog zacht onder hare bevende vingers. + +De vrijgelatene had een te goed hart, dan dat hij Paula en de verwonde +dadelijk zou hebben kunnen verlaten. Hij wierp de schoenen, die hij +nog altijd in de hand had, op den grond, tilde de bewustelooze op en +zette haar tegen een der zuilen van de gaanderij, die dezen voorhof +omgaf. Eerst op herhaald bevel zijner meesteres ijlde hij naar buiten. + +Paula keek hem na en zoodra zij de zware deur van het atrium hoorde +dichtvallen, riep zij, zonder acht te geven op haar eigen bedenkelijken +toestand, met zulk eene luide en gillende stem om hulp, dat het bij de +nachtelijke stilte in alle richtingen van het huis weerklonk, zoodat +weldra van hier en daar een slaaf, eene dienstmaagd, een beambte, +een kok, een wachter kwamen toeschieten. + +Het eerst van allen verscheen Orion, en wel zoo snel, dat hij zich op +haar geroep reeds op weg moest hebben bevonden. Het lichte nachtgewaad +dat hij droeg moest, dacht zij, den schandelijken belager zeker +het aanzien geven, als had hij juist zijn bed verlaten. Was hij het +werkelijk? Was deze man met die hoogroode kleur, met die starende +oogen, dat verwarde haar, die heesche stem dezelfde lieveling der +fortuin, wiens blijmoedig gelaat, wiens edele houding, wiens zonnige +blik, wiens hartroerend gezang haar gemoed hadden betooverd? Wat +beefden zijne handen, toen hij haar en de verwonde naderde, hoe gemaakt +en verlegen klonk zijne vraag wat hier gebeurd was, en hoe schuw keek +hij haar aan, toen hij verlangde te weten wat haar op dit late uur +naar het voorhuis voerde. Zij bleef hem het antwoord schuldig. Toen +echter spoedig daarop zijne moeder verscheen en op scherpen toon +dezelfde vraag tot haar richtte, antwoordde zij, die nog nooit een +leugen op de lippen had genomen, haastig en op stelligen toon: "Ik +kon niet slapen. Het geblaf van den hond en de jammerkreten drongen +mij naar beneden te gaan." + +"Dat noem ik zijne ooren te spitsen!" zeide Neforis, ongeloovig de +schouders ophalende. "In elk geval zou ik u raden in het vervolg bij +dergelijke aanleidingen wat minder spoedig bij de hand te zijn. Sedert +wanneer vertrouwt een meisje, als er moord wordt geroepen, op hare +eigene kracht?" + +"Gij hadt u ten minste wel mogen wapenen, schoone +heldendochter!" voegde Orion erbij. Maar hij had die woorden nauwelijks +geuit of hij gevoelde bitter berouw, want met welk een blik zag Paula +hem aan! Het ergerde haar zich door hem, juist door hem en op dit +oogenblik--het was voor de eerste maal--spottend, ja sarcastisch te +hooren toespreken en op zulk eene wijze aan haren vader herinnerd +te worden. Trotsch en op bijtenden toon gaf zij ten antwoord: "Het +dragen van wapenen laat ik over aan krijgslieden en moordenaars!" + +"Aan krijgslieden en moordenaars," herhaalde Orion, die deed +alsof hij den zin dezer woorden niet verstond, met een gedwongen +lach. Doch hij vervolgde op bitteren toon, begrijpende dat hij zich +verweren moest: "Waarlijk, dat klinkt als kwam het uit den mond van +een teergevoelig meisje! Maar ik bid u wat nader bij te komen en u +gerust te stellen. Deze treurige wond hier aan den schouder van het +arme ongelukkige schepseltje, dat mij, verzeker ik u, meer ter harte +gaat dan u, heeft een viervoetige moordenaar haar toegebracht, die +zijne wapenen van de natuur heeft. Ja, zoo is 't gebeurd! De ruige +Beki houdt de wacht voor het tablinum. Hoe het arme schepsel hier +gekomen is, weet ik niet, maar in elk geval heeft het beest haar +geroken en toen aangevallen." + +"Of ook niet," zeide opeens vrouw Neforis, terwijl zij een paar +mansschoenen opnam, die naast de gewonde op den grond lagen. + +Orion werd doodsbleek, nam zijne moeder het gevondene snel uit de +handen, en zou die schoenen het liefst door het open dak weggeslingerd +hebben. Hoe kwamen ze hier? Wien behoorden ze toe? Wie was dezen avond +hier geweest? Voor hij zich naar het tablinum begaf, had hij de deur +van het atrium gesloten, en later was hij teruggekeerd om haar voor de +lieden die daar buiten waren te openen. Eerst na dit gedaan te hebben +was hij door de waanzinnige overvallen, die hem reeds bij zijn eersten +gang door het atrium moest hebben opgewacht, maar toen misschien niet +den moed had gehad hem in den weg te treden. Toen zij daarna hem op +het lijf was gevallen, had de hond haar op den grond gesleurd, eer hij +het verhinderen kon. Ja, hij zou haar zeker dadelijk bijgesprongen +en geholpen hebben, wanneer hij daardoor niet zijn binnendringen in +het tablinum verraden had. Hij had tegenwoordigheid van geest genoeg +gehad om naar zijne kamer te ijlen, zijn nachtgewaad aan te schieten +en naar de plaats des onheils terug te keeren. Toen Paula begon te +roepen, was hij reeds op weg naar de gewonde, en met welk een gevoel! + +Zoo verward, zoo ontsteld, zoo diep ontevreden met zichzelven had +hij zich nog nooit gevoeld, en heden, tegenover Paula, was het +hem voor de eerste maal gebeurd, dat hij een medemensch niet in +de oogen kon zien. En dan deze schoenen! De eigenaar ervan moest +de waanzinnige begeleid hebben, en had deze hem het tablinum zien +binnengaan en verried hij wat hij, Orion, daar gedaan had, hoe zou +hij dan zijne ouders weder onder de oogen durven komen? Hij had niet +anders in den zin gehad dan eene grap, en nu was het zoo bitteren +ernst geworden! Doch het kostte wat het wilde, hij moest voorkomen +dat zijn nachtelijke gang ontdekt werd. Liever opnieuw onrecht, zelfs +het zwaarste, gepleegd, dan zijne eer te laten aantasten.--Maar wien +behoorden dan toch die schoenen? Opeens hield hij ze in de hoogte en +riep met luider stem tot de lieden, die waren toegesneld: "Behooren +deze zoolen ook aan een van ulieden, aan den deurwachter misschien?" + +Toen allen zwegen en de portier zijne vraag ontkennend beantwoordde, +bleef hij nadenkend staan en ging voort met trotschen blik en op +luchthartigen toon: "Dus heeft een inbreker, die hier overvallen +is, ze laten staan. Ons huisstempel staat op het leder, ze zijn in +onze werkplaats gemaakt, en zij rieken,--overtuig er u maar van, +Sebek!--ze rieken naar den stal. Neem ze mede, man, morgen vroeg +zullen we onderzoeken wie ons dit verdacht geschenk in het atrium +heeft neergelegd. Gij zijt het eerst hier ter plaatse geweest, +schoone Paula. Hebt gij geen man hier opgemerkt?" + +"Ja," antwoordde zij, terwijl zij hem vijandig en uitdagend aanzag. + +"En waar is hij heen gegaan?" + +"Als een vluchtende lafaard liep hij dwars door het viridarium, en +om haastiger weg te komen zelfs over de fraaie graszoden, en verdween +daarginds in de woonvertrekken." + +Orion beet zich bij deze woorden op de lippen en voelde een bitteren +haat bij zich opkomen tegen dit raadsel in vrouwengestalte, in welks +hand het scheen te liggen hem te vernietigen, welks oogen vlamden van +nijd en den wil verrieden om hem te wonden. Wat voerde zij tegen hem in +het schild? Hoe kon een mensch op aarde het wagen hem, die door groot +en klein verwend was, zóo aan te zien? Want in hare blikken lag niet +enkel weerzin, maar zelfs verachting. Wie ter wereld had het recht hem +iets te verwijten, dat grond kon geven tot zulk een gevoel? Nooit, +neen nooit was hij zoo vijandig bejegend en allerminst van de zijde +van een meisje. Hij zou dat hooghartige, ongevoelige, onrechtvaardige +schepsel, dat hem zulk eene onverdiende vernedering aandeed, nadat +hij getoond had hoe zijn hart voor haar klopte; dat hem, den man die +tallooze malen zijn moed had bewezen, thans dwong het te vreezen--hij +zou het hebben willen verpletteren, en hij moest zich geweld aandoen +om niet te vergeten dat zij eene vrouw was.--Wat had dit alles toch +te beteekenen? Welk een demon dreef hier zijn duivelsch spel? Wat +was er sedert een half uur in hem zoo veranderd, dat zijn geheele +karakter hem als omgekeerd voorkwam, en men hem zóo durfde bejegenen? + +Zijne moeder bemerkte dadelijk hoe de gelaatstrekken van haren +lieveling veranderden, toen Paula verzekerde dat een man zich +haastig begeven had naar de woonvertrekken. Zij verklaarde die +woorden op hare wijze en riep ernstig bezorgd: "Een inbreker is den +Nijlvleugel van het huis binnengedrongen, de kamer misschien waar uw +vader slaapt? Barmhartige God, als hier eens weder een verraderlijk +plan was gesmeed! Spoedig, Sebek, snel! Met gewapenden naar den +rivierkant! Het geheele huis moet van boven tot beneden doorzocht +worden! Misschien pakt ge den booswicht, die het grasperk heeft +vertreden. Ge moet hem--hij mag niet ontkomen!" + +De huismeester vloog weg, doch Paula beval den hovenier, die ook +was toegeschoten, met kloppend hart, terwijl hare blikken wederom de +oogen van den jongeling zochten, het voetspoor van den vluchteling, +dat nog merkbaar moest zijn in de natte zoden, met den gevonden schoen +te vergelijken. + +Wederom kromp Orion van schrik ineen, en terwijl hij zich naar het +viridarium begaf, zeide hij: "Dat is mijne zaak!" Toch schaamde hij +zich voor zichzelven, en had hij een gevoel alsof hem de keel werd +dichtgeschroefd. Hij beschouwde zich als een betrapten dief, als +een bedrieger, als een ellendig wezen, en begon te begrijpen dat hij +inderdaad niet meer was, die hij geweest was vóor dien noodlottigen +gang naar het tablinum. + +Paula zag hem na met een beklemd gemoed. Zou hij zoo diep gezonken +zijn, om zijne bevinding te loochenen en te verklaren, dat de breede +zool van den vrijgelatene paste in het spoor van zijn kleinen +welgebouwden voet? Zij haatte hem, maar zij smeekte toch dat hij +dit ten minste niet doen mocht, en toen hij terugkwam en verlegen +verklaarde, dat hij niet zeker was van zijne zaak, daar de schoen niet +juist in de platgetreden sporen scheen te passen, haalde zij weder +ruimer adem en begaf zij zich met den arts, die juist verschenen was, +naar de gewonde. + +Eer vrouw Neforis haar volgde, trok deze Orion tot zich en vroeg hem +bezorgd wat hem toch scheelde, daar hij er zoo bleek en ontdaan uitzag; +waarop hij bedremmeld antwoordde: "Het ongeval van het arme meisje," +en hij wees daarbij op Mandane, "gaat mij zoo aan het hart." + +"Arm, teergevoelig hart! Evenals toen ge nog een knaap waart!" hernam +de moeder om hem te troosten. Zij had tranen in zijne oogen zien +glinsteren, deze golden echter niet het Perzische meisje, maar iets +geheimzinnigs, waarvoor hijzelf geen naam kon vinden, dat hem in deze +ure ontnomen was en waarvan het verlies hem onuitsprekelijk smartte. + +Doch het gesprek tusschen moeder en zoon werd weldra afgebroken, +want het eerste onheil van dezen nacht werd terstond door een +ander gevolgd. De trouwe Perzische aanvoerder der karavaan, Rustem, +de bloeiende jonge man met zijne schoone kloeke gestalte, werd als +levenloos in den voorhof gedragen. Een woedende Jacobiet had hem, toen +hij met eenige spottende opmerkingen aan den geloofsstrijd deelnam, +met een stuk hout eene diepe, misschien doodelijke wond toegebracht. De +arts wijdde dadelijk zijne zorgen aan den ongelukkige, en velen uit +de met elkander fluisterende menigte, die zich door nieuwsgierigheid +of uit begeerte om te helpen in het ruime atrium verdrongen, ijlden in +allerlei richtingen, om de bevelen van den heelmeester uit te voeren. + +Zoodra hij de wond van den Masdakiet onderzocht had, zeide hij barsch: +"Een Egyptische slag, want hij is van achteren toegebracht.--Wat +doen toch al die lieden hier? Weg, gij allen, die hier niets te maken +hebt!--Allereerst hebben wij twee draagstoelen noodig. Vrouw Neforis +wijze ons twee vertrekken, een voor dat arme lieve schepsel daar, +en een voor dezen flinken knaap, met wien het echter spoedig gedaan +zal zijn, als er geen wonder gebeurt." + +"Aan de noordzijde van het viridarium," antwoordde Neforis, "zijn +twee vertrekken ter uwer beschikking." + +"Dáar niet!" hernam de arts. "Ik heb vertrekken noodig met frissche, +vrije lucht, vertrekken die op den Nijl uitzien." + +"Er zijn ook nog geschikte vertrekken op de verdieping voor de gasten, +waar de nicht van mijn gemaal woont. Meermalen zijn zieken uit de +familie daar verpleegd; maar zulke eenvoudige lieden--verstaat ge?" + +"Neen, ik ben doof aan dat oor," zeide de arts. + +"Nu ja, ik weet het wel," antwoordde Neforis met een lachje, "maar +die vertrekken zijn werkelijk pas nieuw ingericht voor aanzienlijke +gasten." + +"Voornamere dan deze doodelijke zieken zijn er moeielijk te vinden," +haastte Philippus zich te zeggen. "Zij staan dichter bij God en den +hemel dan gij, tot uw voordeel geloof ik. Heidaar mannen! Draag deze +kranken naar de verdieping voor de vreemdelingen." + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + +"Het is niet mogelijk, werkelijk niet mogelijk!" riep Orion opeens van +zijne schrijftafel opstaande. Wat hij gedaan had beschouwde hij als +een ongeluk, niet als eene schuld. Hij wist toch zelf niet, hoe hij +tot alles gekomen was. Ja, er waren demonen, booze, nijdige demonen, +en die moesten hem tot deze onzinnige daad gedreven hebben. + +Gisteren avond, nadat de koop van het tapijt was gesloten, had hij +op verzoek zijner moeder de weduwe Susanna naar huis gebracht. Daar +had hij den broeder van haar overleden man, den rijken Chrysippus van +Alexandrië, een vroolijk, levenslustig man aangetroffen, en toen het +gesprek gekomen was op het tapijt en het voornemen van den Mukaukas, +om het kunstwerk met al de heerlijke juweelen die het versierden aan +de kerk te schenken, had die oude heer de handen in elkaar geslagen, +in Orions afkeuring gedeeld en lachend uitgeroepen: "Ei wat, gij +zijt de zoon, en u komt in elk geval een deel van de edelgesteenten +toe! Niet waar, Katharina? Een diamantje of een opaaltje kan er toch +voor het aardsch geluk van den jongen wel afvallen, wanneer de vader +voor zijn hemelsch welzijn zorgt. Wees toch niet gek! De maag van de +kerk is vol genoeg, en waarachtig u komt ook een hapje toe!" Bij die +gelegenheid was er veel kostelijke wijn gedronken, en ten laatste +had de oude heer, om wat beweging te nemen in de koele nachtlucht, +Orion naar huis gebracht. Hij liet een draagstoel volgen, die hem +terug moest brengen, en langs den geheelen weg had hij den jonkman aan +het verstand gebracht, dat hij zijn vader moest bewegen toch niet den +geheelen schat in den muil der kerk te werpen, maar ten minste eenige +steenen voor een schooner doel aan hem over te laten. Hij had daarbij +braaf gelachen; Orion had Chrysippus in zijn ziel gelijk gegeven +en daarbij gedacht aan Heliodora, hare liefhebberij voor groote en +fraaie edelsteenen, en aan het aandenken dat hij haar nog schuldig +was. Evenwel lag het voor de hand dat vader noch moeder aan de kerk +éen steen zouden onthouden, maar haar het geheele geschenk wilden +wijden. Doch aan hem, den zoon, kwam inderdaad toch wel iets toe +van dien overvloed, en een schooner geschenk als die groote smaragd +liet zich niet denken. Ja, dien moest zij hebben en hoe blijde zou +zij er mee zijn! Hem kwam reeds de hoofdgedachte in den zin voor de +dichtregelen, waarmede hij haar dit geschenk wilde toezenden. + +Hij droeg den sleutel bij zich van het tablinum, waar het tapijt +lag, en toen hij bij zijne terugkomst de beambten nog rondom het +vuur zag zitten, sloot hij de deur van het woonhuis af, waarbij hem +eene zekere huivering overviel, die hij het laatst had gevoeld, toen +hij met zijne broeders tegen het ouderlijk verbod de vruchtboomen +had geplunderd. Bijna had hij zijn dwaas voornemen laten varen, en +terwijl hem in het tablinum andermaal die innerlijke angst bekroop, +stond hij reeds op het punt om terug te keeren, toen hij zich +Chrysippus en diens aansporing weder herinnerde. Het zou eene daad van +lafheid zijn geweest thans weg te loopen. Heliodora moest den grooten +smaragd hebben met zijne verzen erbij, de rest mocht zijn vader naar +welgevallen weggeven. Toen hij met zijn mes in de hand bij het tapijt +lag geknield, had die akelige angst van zooeven hem voor de derdemaal +overvallen, en als de groote smaragd hem niet bij den eersten greep +in de hand was gevallen, zou hij de baal stellig weder opgerold en +het tablinum onverrichter zake verlaten hebben. Doch de booze demon +had hem geholpen, hem het juweel terstond in de hand gespeeld, en +gezorgd dat twee messteken voldoende waren, om het uit het weefsel +te lichten. Zoodra het edelgesteente hem in de hand was gerold en +hij zijne zwaarte gevoeld had, was elke bezorgdheid van hem geweken +en had hij enkel met welgevallen gedacht aan het gelukken van dezen +kostelijken streek, dien hij morgen natuurlijk onder het zegel der +geheimhouding aan den ouden Chrysippus wilde mededeelen. + +Hoe geheel anders vertoonde zich nu, bij het nuchtere daglicht, deze +zijne overijlde waanzinnige daad; hoe zwaar was hij thans daarvoor +gestraft en welke gevolgen kon zij nog na zich sleepen? Zijn haat +tegen Paula groeide meer en meer aan; zij had zeker alles bespied +en zou zich niet ontzien, dat had zij gisteren avond getoond, hem te +verraden. Zij had hem openlijk den oorlog verklaard, en met fonkelende +oogen deed hij de gelofte, dat hij voor haar niet wijken zou. Hij kon +zich daarbij echter niet verheelen, dat hij haar nooit schooner had +gezien dan heden in de vroegte, toen zij dreigend met half loshangend +haar tegenover hem gestaan had. "Wij moeten elkander liefhebben of +haten," mompelde hij in zichzelven; "daartusschen ligt niets. Zij +heeft het laatste gekozen. Goed! Tot hiertoe had ik alleen met mannen +te strijden, maar ook dit koude, hooghartige, overmoedige meisje, +dat elke uiting van vriendelijkheid afwijst, is geene tegenpartij +om te versmaden. Het geldt hier mij te verweeren. Doet zij mij het +ergste aan, dan heeft zij niets beters van mij te wachten.--Doch wie +is de eigenaar van de schoenen geweest? Ik heb alles voorbereid om hem +uit te vinden. Het is schande, ja meer dan schande, dat men zichzelven +niet met opgeheven hoofd in den spiegel kan aanzien! Heliodora was een +lief schepsel, een engel van goedheid. Zij heeft mij innig liefgehad, +maar dat--dat--! Ook voor haar is dit offer te groot!" + +Na deze woorden sloeg hij zich met de vuist tegen het voorhoofd en +wierp zich op den divan neder. Hij begon zich vermoeid te gevoelen, +want hij had in meer dan dertig uren geen oog gesloten en heden +vroeg reeds allerlei in orde moeten brengen. Aan den huismeester +Sebek en den commandant der Egyptische wacht was bevel gegeven den +eigenaar der sandalen met behulp van de honden uit te vinden en te +grijpen. Vervolgens had hij getracht den Arabischen koopman Haschim +uit eigen beweging,--want zijn vader sliep gewoonlijk eerst tegen +den morgen in, en had zijn slaapvertrek nog niet verlaten,--wat neer +te zetten wegens de slechte bejegening Rustem, den aanvoerder der +karavaan, onder zijn dak aangedaan, hoewel met weinig gevolg. Ten derde +had de jonkman, die tegen de zwaarste lichamelijke en geestelijke +inspanningen opgewassen was, zijn verlangen bevredigd om voor de +schoone Heliodora te Konstantinopel eenige verzen te dichten. De +gedachte die hem gisteren inviel, voor hij het tablinum betrad, +had hij niet vergeten; het gelukte hem ook in zijne tegenwoordige +stemming haar in een gedicht over te brengen, dat aldus luidde: + + + Gaarne verbindt zich gelijk met gelijk, zoo zegt steeds het volk, + Hoe dan? Uw teeder gemoed siert zich met 't harde gesteent? + Maar hij is edel en schoon, een steen van onschatbare waarde. + Heerlijk trekt hij ons aan, zoo Heliodora ook gij, + Neem gij dus den smaragd en weet dat schittrender vuurgloed + Dan dit kleinood vervult, gloeit in de ziel van uw vriend. + + +Met vliegende stift waren deze regels neergeschreven, en daarbij +had hem, hij wist zelf niet waarom, het gevoel bezield, dat elk +woord een slag was in het aangezicht van Paula. Gisteren nacht was +hij voornemens geweest den kostbaren steen, op eene waardige wijze +in goud gevat, aan de schoone weduwe toe te zenden, maar heden +zou het een dolzinnig waagstuk zijn geweest het kleinood te laten +opmaken. Het moest onverwijld weggezonden worden, en hij had het +haastig en met eigen hand tegelijk met de dichtregelen ingepakt en ter +hand gesteld aan den chusaar, den dienaar van een paardenkooper te +Konstantinopel, door wien zijn Pannonisch vierspan naar Memphis was +overgebracht. Deze vertrouwde man, die in het geheel geen Egyptisch +en zeer weinig Grieksch verstond, had hij zooeven zelf weggezonden +en zich met een gevoel van voldoening naar huis begeven, toen diens +paard in het stof van den weg naar Alexandrië verdwenen was. Van de +havenstad staken herhaaldelijk schepen naar Konstantinopel in zee, +en de chusaar had bevel ontvangen op het eerste het beste plaats te +nemen. Hij had die verkeerde daad dus niet tevergeefs gedaan en toch +zou hij, als hij haar ongedaan had kunnen maken, bereid zijn geweest +een jaar van zijn leven prijs te geven. + +"Onmogelijk" en "verwenscht" waren de woorden, waarvan hij zich +bij het terugzien op den verloopen nacht en dezen morgen het meest +bediende. Wat had hij zich bij dezen zonnegloed moeten haasten en +jagen, en het gevoel, dat hij daarbij gedwongen was geweest alles in +het geheim te doen, scheen hem, die tot hiertoe niets verricht had +wat niet te rechtvaardigen zou zijn voor de oogen van rechtschapen +mannen, zoo vernederend, dat het zweet hem van het gloeiend voorhoofd +droop. Hij, Orion, moest als een dief voor ontdekking vreezen! Die +gedachte was onuitstaanbaar, en hij vreesde werkelijk voor de eerste +maal sedert hij de kinderschoenen ontwassen was. + +Zijne geluksster, die hem in de hoofdstad zoo vriendelijk had +beschenen, bleek hem in dit armzalig nest ontrouw geworden te zijn. Wat +had die Perzische, met wie hij eens wat had geliefkoosd--en welke +knaap van zijne jaren was er blind voor de schoonheid van aardige, +jonge huisslavinnen--toch in hare krankzinnige hersens gehaald, +dat zij hem als een woedend roofdier op het lijf was gevallen? Zij +was een lieftallig kind geweest, en tot zijn leedwezen, ja tot zijne +ergernis schandelijk verminkt geworden. Herstelde zij van het gebeurde, +en dat hoopte hij hartelijk, dan was het natuurlijk zijne zaak voor +haar te zorgen. Maar hoe? Als hij billijk was moest hij erkennen, dat +zij alle recht had om hem te haten.--Maar die Damasceensche? Hij had +haar niets dan vriendschap bewezen, en hoe duidelijk had zij hem toch +hare vijandschap getoond. Hij zag haar daar voor zich staan met dat +"moordenaar" op de bevende lippen. Dat woord had hem getroffen als +een lanssteek. Welk eene hatelijke, nietswaardige, onrechtvaardige +aanklacht lag er in dien uitroep! Zou hij zich dat ongestraft laten +aanleunen? + +Was zijzelve dan even schuldeloos als hoogmoedig en koud? Wat had +haar bewogen bij nacht naar het viridarium te gaan? Want daar moest +zij geweest zijn, vóor die ongelukkige hond Mandane had ter aarde +geworpen. Van eene vertrouwelijke samenkomst met den eigenaar der door +zijne moeder ontdekte schoenen, die aan een der lagere staldienaars +toebehoorden, kon geen sprake zijn. De liefde, dit moest hij erkennen +was hier bij uitzondering niet in het spel, doch toen hij tehuis +kwam had hij een man over den hof zien loopen, die geleek op haren +vrijgelatene, den paardrijder Hiram. Waarschijnlijk had zij met den +stotteraar eene samenkomst gehad, om, om... hier was maar éen ding +mogelijk.--Zij had plan om te vluchten uit zijn ouderlijk huis en +daarbij had zij de hulp van een man noodig. + +Dat haar het leven door zijne moeder juist niet aangenaam werd gemaakt, +had hij reeds in de eerste uren na zijne terugkomst opgemerkt, en toch +was zijn vader wellicht aan haar wensch te gemoet gekomen om een nieuw +verblijf voor haar te zoeken. Maar waarom haastte zij zoo om weg te +komen, waarom wilde zij vluchten? Op dat watertochtje en daarna bij den +terugkeer naar huis had hij er op willen zweren, dat zij hem liefhad, +en de herinnering aan die uren deed zijn gevoel voor haar weder zoo +krachtig spreken, dat zij de gedachte aan de wraak die hij nemen, +aan eene straf die hij haar toedienen wilde, geheel uitwischte. Daarop +kwam de kleine Katharina hem voor den geest, die zijne moeder bestemd +had voor zijne gade; en terwijl hij aan haar dacht glimlachte hij +even. Hij had in den keizerlijken tuin te Konstantinopel een vreemden +Indischen vogel gezien, klein van kop en lijf, maar met een verbazenden +staart, schitterende van zilver en parelglans. Dat was een beeld van +Katharina. Zijzelve was eenvoudig niets, maar als een staart sleepten +haar achterna, uitgestrekte grondbezittingen en enorme kapitalen, +en daarop alleen had zijne moeder het oog gericht. Maar had hij dan +nog meer noodig dan hij reeds bezat? Hoe rijk moest zijn vader wel +zijn, dat hij zulk eene verbazende som voor een offer aan de kerk kon +uitgeven, even onverschillig als men een bedelaar een aalmoes schenkt! + +Katharina en Paula! Ja, die kleine was een vroolijk aardig ding, maar +de dochter van Thomas... Welk eene tooverkracht lag er in hare oogen, +welk eene majesteit in haren gang, hoe--betooverend en welluidend +kon hare stem, ja hare stem--in-- + +Bij deze gedachte sliep hij in, door de warmte en vermoeidheid +overmand. In een droom zag hij Paula, rustende op een bed met rozen +bestrooid; het was echter geen peluw maar een blauwe zacht bewogen +waterstroom. Rondom haar ruischten wonderbare tonen, die het hart in +verrukking brachten. Hij wilde haar naderen maar plotseling schoot een +groote zwarte adelaar op haar neder, die hem met de breede vleugels +in het aangezicht sloeg en, terwijl hij half verblind de handen voor +zijne oogen bracht, de rozen van het rustbed der slapende wegpikte, +gelijk een haan graan en gerstkorrels. Hij werd boos, wierp zich op +den vogel en greep met de handen naar hem; doch zijn voet was als +in den grond vastgegroeid, en hoe meer hij zich inspande om zich +vrij te bewegen, des te krachtiger werd hij teruggehouden. Als een +waanzinnige worstelde hij tegen de kracht die hem vasthield tot zij +hem plotseling losliet. Hij voelde het nog toen hij tegelijkertijd +ontwaakte en de oogen opende, terwijl het zweet langs zijne slapen +gutste. Naast hem stond zijne moeder, die de handen op zijne voeten +gelegd had om hem te wekken. + +Zij zag er bleek en bezorgd uit en bad hem haar dadelijk te volgen naar +zijn vader, die zeer ongerust was en verlangde hem te spreken; waarop +zij hem haastig verliet. Terwijl hij vlug zijne haarlokken ordende en +zich de schoenen liet aanbinden, verdroot het hem dat hij, nog geheel +bevangen door zijn dwazen droom en maar half wakker, zijne moeder had +laten gaan, zonder onderzoek te doen naar de omstandigheden, die zulk +eene ongerustheid bij zijn vader hadden gewekt. Zouden zij betrekking +hebben op hetgeen er in den afgeloopen nacht was gebeurd? Maar neen, +als men hem in verdenking had gebracht, dan zou zijne moeder hem zeker +hiervan onderricht en gewaarschuwd hebben. Het moest iets anders +zijn. Misschien was de reusachtige aanvoerder van de karavaan des +ouden koopmans aan zijne wonde gestorven, en zijn vader zou hem over +den Nijl willen zenden naar den Arabischen regent van het Nijldal, +om dezen vergiffenis te vragen voor het vermoorden van een muzelman, +en dat wel in het stadhouderlijk paleis. Deze manslag kon inderdaad +bedenkelijke gevolgen na zich sleepen. Doch misschien gold het ook +gansch andere zaken. + +Zoodra hij zijne kamer had verlaten, drukte hem de bijzonder zwoele +lucht, die boven het huis broeide, en een pijnlijk gevoel als van +schaamte greep hem aan, toen hij het viridarium doorliep en een blik +wierp op het grasperk, waarin hij voor het aanlichten van den dag, +dank zij de kwalijk gemeende waarschuwing van de Damasceensche, elk +zijner voetsporen zorgvuldig had uitgewischt. Hoe laf, hoe gemeen +was dat alles! Het hoogste goed: de eer, de achting voor zichzelven, +het trotsche bewustzijn dat hij een brave kerel was, dat alles had +hij op het spel gezet en prijsgegeven voor niets! Hij had zich in +het aangezicht willen slaan of luide uitweenen als een kind, dat zijn +mooiste speelgoed gebroken heeft. Maar wat hielp dat alles? Aan het +gebeurde viel niets te veranderen, en hij had nu de oogen maar goed +open te houden om, hoe diep ook gezonken in zijne eigene schatting, +toch voor anderen nog te blijven die hij tot hiertoe geweest was. + +In de door gebouwen omgevene opene ruimten was het gloeiend heet, +geen mensch vertoonde zich, het huis was als uitgestorven; de bonte +vlaggestokken en hekwerken, evenals de ter eere van zijne tehuiskomst +opnieuw geverfde zuilen van de veranda, die nog altijd met guirlandes +en kransen getooid waren, verbreidden een onaangenamen geur van +smeltend lak, van drogend vernis en van verwelkte bloemen. De lucht +trilde, al voelde men ook geen ademtocht; dit scheen wel veroorzaakt +te worden door de brandende zonnestralen, die alles wat zij ontmoetten +als pijlen troffen. De boven de planten en bloemen zwevende kapellen +en insecten schenen Orion de vleugeltjes al trager te bewegen, en +de fontein in het middenstuk van het viridarium zich langzamer en +lager dan anders te verheffen. Alles rondom hem was heet, zwoel en +beklemmend, en de zelfstandige jonge man die op de handen gedragen, +sedert jaren het leven doorgevlogen was, beschermd door alle goede +geesten en door geen hinderpalen gestuit, gevoelde zich thans +belemmerd, beangstigd en als in de engte gedreven. + +In de koelere fonteinzaal zijns vaders schepte hij weder vrijer adem, +doch slechts voor een oogenblik; want weldra werd hij doodsbleek, +en moest hij al zijne krachten verzamelen om zijn vader kalm en op +gewone wijze een morgengroet te brengen. Daar lag voor den divan, +waarop de stadhouder zich als gewoonlijk had neergevleid, het Perzische +tapijt, en daarbij stonden zijne moeder en de Arabische koopman. De +huismeester Sebek wachtte op den achtergrond in deemoedige, voor zijn +ouden rug vrij pijnlijke houding de bevelen zijns meesters, die hem +anders nooit lang in deze houding liet staan. Orion bemerkte het en +gaf hem een wenk om zich op te richten. + +Diepe ernst lag er heden in de zachte trekken van den Arabier, en +uit zijne vriendelijke oogen sprak eene droeve bezorgdheid. Bij het +binnentreden van den jongeling, dien hij reeds in de vroegte ter loops +gesproken had, boog hij zich even. De stadhouder, die daar lag met +eene vale kleur en bleeke lippen, opende de oogen ter nauwernood bij +de begroeting van zijn zoon. Het was alsof er in het naaste vertrek +een lijkbaar stond, terwijl de rouwdragenden hier waren saamgekomen. + +Orion bemerkte op het half uitgerolde tapijt terstond de plek +waar het hoofdsieraad, de groote smaragd ontbrak, die--iets wat +niemand buiten hem weten kon--zich reeds op weg naar Konstantinopel +bevond. Zijn diefstal was dus ontdekt. Hoe vreeselijk, hoe noodlottig +kon deze gebeurtenis afloopen! "Moed, moed gehouden," zeide hij +tot zichzelven. "Als ge maar uwe tegenwoordigheid van geest niet +verliest! Wat is u een leven waard zonder eer? De oogen dus open en +alles er aan gewaagd! Orion!" + +Het gelukte hem spoedig geheel tot kalmte te komen en op een toon, +die maar weinig verschilde van zijne gewone manier van spreken, +zeide hij: "Wat ziet gij er allen bedrukt en verlegen uit! Het is +een onheil dat de hond het arme meisje zoo jammerlijk gebeten heeft, +en dat onze lieden zich zoo schandelijk hebben misdragen. Doch ik heb +het u zoo straks reeds gezegd, waardige heer, de schuldigen zullen +het aan lijf en leven boeten. Mijn vader laat het zeker aan u over +hen naar goedvinden te straffen. Gelukkig is onze arts Philippus, +niettegenstaande zijne jeugd, een tweede Hippokrates, dat verzeker ik +u! Hij naait den prachtigen kerel, den aanvoerder van uwe karavaan +meen ik, weder netjes aan elkaar, en wanneer er sprake is van eene +schadevergoeding, dan zal mijn vader, dat weet gij, niet afdingen..." + +"Ik bid u," dus viel de koopman hem in de rede, "om bij het onrecht, +dat mij in dit huis is aangedaan, niet nog beleedigingen te voegen. Er +is geen som te noemen, waarmede men mijn toorn over het vergoten bloed +van een vriend--want dat was Rustem voor mij--een vrije en wakkere +knaap, kan bezweren. Ik zal eischen dat de daders gestraft worden, +want bloed eischt bloed. Zoo denken wij er over, en hoewel uwe leer +het tegendeel gebiedt, gij handelt toch, zoover ik weet, niet anders +dan wij. Aan uw arts gun ik alle eer, maar het doet mij leed, ja, +het ergert mij te zien dat zulke dingen gebeuren in het huis van een +man, aan wien de Kalief het wel en wee der Egyptische christenen heeft +toevertrouwd. Gij, die u op uwe zachtmoedigheid beroemt, gij hebt een +braven, zij het ook eenvoudigen man, in vollen vrede doodgeslagen, +of waarschijnlijk voor zijn gansche leven ongelukkig gemaakt. Wat +uwe eerlijkheid betreft, ze schijnt mij...." + +"Wie waagt het haar aan te tasten?" vroeg Orion. + +"Hij, jonge heer," antwoordde de koopman met de kalmte van een man +op rijper jaren, "die de koopwaar gisteren door hem verkocht, heden +beroofd ziet van haar kostelijkst sieraad." + +"Men heeft heden nacht den grooten smaragd uit het tapijt gesneden," +voegde vrouw Neforis ter verklaring erbij. "Gij vergezeldet gisteren +avond de lieden die de baal wegdroegen, en liet haar onder uwe oogen +in het tablinum leggen." + +"In het kleed, waarin uwe eigene lieden het tapijt hebben gewikkeld," +zeide Orion. "De oude, brave Sebek daar was erbij. Wie heeft de +baal heden morgen vroeg van hare plaats genomen, hierheen gebracht +en uitgerold?" + +"Tot ons geluk kan ik verklaren," antwoordde de koopman, "uwe moeder +in eigen persoon, die man daar, uw huismeester als ik mij niet vergis, +en uwe eigene slaven." + +"Waarom liet men het tapijt niet waar het was?" vraagde Orion, +terwijl hij duidelijk de ontevredenheid liet blijken, die hem op dit +oogenblik vervulde. + +"Omdat ik," antwoordde de Arabier, "uw vader op goede gronden +verzekerde, dat de schoonheid van dit edele kunstwerk en de +kostbaarheid der steenen die het versieren, bij dag en in het zonlicht +nog veel beter gewaardeerd kunnen worden dan bij het schijnsel van +lampen." + +"Uw vader verlangde dit pas verworven stuk nog eens te zien," +vulde vrouw Neforis weder aan, "ook om den verkooper te vragen hoe +men de juweelen het best uit het tapijt zou kunnen losmaken, zonder +het weefsel zelf te bederven. Daarop ben ik met Sebek het tablinum +binnengegaan." + +"Maar ik heb den sleutel er van!" zeide Orion, terwijl hij in de +borstplooien van zijn gewaad tastte. + +"Dat hadden wij niet bedacht," vervolgde de vrouw des huizes. "Wij +konden er, helaas! ook zonder sleutel in, want het tablinum, stond +open." + +"Ik heb het gisteren avond toch gesloten; gij zijt erbij geweest, +Sebek!" + +"Ik heb reeds aan mijne meesteres gezegd," antwoordde de huismeester, +"dat ik mij zeer goed herinner het knippen van het stevige slot goed +gehoord te hebben." + +Orion haalde de schouders op, terwijl zijne moeder vervolgde: "Doch in +den nacht moet de metalen deur met een looper of een ander instrument +geopend zijn; want een gedeelte van het tapijt was uit het doek +getrokken waarin het gewikkeld was, en toen wij nader onderzochten +bleek, dat men den smaragd uit het weefsel had gereten." + +"Dat is schandelijk!" riep Orion. + +"Eene onwaardige daad!" voegde de stadhouder erbij, terwijl hij +zich driftig van zijn leger oprichtte. Groote onrust en martelende +angst hadden hem overvallen; want zijn Heer en Heiland, wien hij het +kostelijk juweel had toegedacht, scheen hem voor te gering of te zondig +te houden, om het uit zijne hand als een geschenk aan te nemen. Doch +mogelijk wilde de satan hem beletten met zulk eene kostelijke gave den +Allerhoogste te naderen. Menschelijke boosheid was in elk geval hier +mede in het spel en daarom vervolgde hij streng en ernstig: "Men zal de +zaak onderzoeken en in den naam van Jezus Christus, wien de steen reeds +toebehoorde, zal ik niet rusten, voor ik den dader in handen heb." + +"En in naam van Allah en de profeet," voegde de Arabier erbij, +"zal ik u daarin bijstaan, al moest ik den veldheer Amr, die de +vertegenwoordiger is van den verheven Kalief hier te lande, ter hulp +roepen. Men heeft zich hier een woord laten ontvallen, dat ik niet +vergeten kan of mag, en de toon waarop gij, jonge man, gesproken +hebt, scheen uit dezelfde bron te wellen; de oude vos, zoo zeide men, +heeft een onechten steen van verbazende grootte in het tapijt gezet +en dien laten stelen, opdat zijn bedrog niet aan den dag zou komen +als de goudsmid het juweel in het zonlicht onderzoekt. Dat was te +veel. Ik ben een eerlijk man, geëerde gastheer, ik wil het hier wel +bekennen, een rijk man bovendien, en wie aan mijn goeden naam, dien ik +gedurende mijn gansche leven ongeschonden heb bewaard, in mijne oude +dagen afbreuk zou willen doen, die zal tot zijne schade ondervinden, +dat den ouden Haschim grooter en machtiger vrienden ter zijde staan +dan u lief zullen zijn." + +Onder het uitspreken van deze bedreiging waren de zachte oogen van den +koopman vochtig geworden, want het griefde hem dat hij onrechtvaardig +werd verdacht, en dat hij den Mukaukas, wien hij achting toedroeg +en die zijn medelijden opwekte, zoo hard moest bejegenen. Uit den +toon zijner woorden viel op te maken, dat hij inderdaad een machtig +man was, die het uiterste op het spel zou zetten, en daarom haastte +Orion zich met warmte te zeggen: "Wie heeft het gewaagd zoo gering +over u te denken?" + +"Tot mijn spijt uwe eigene moeder," antwoordde de muzelman bedroefd, +waarbij hij op oostersche wijze treurig en ontevreden de schouders +hoog ophaalde. + +"Val er haar niet hard om," smeekte de Mukaukas. "God weet het, de +vrouwen zijn zachtaardiger van gemoed dan wij, en toch zijn zij eerder +geneigd kwaad te denken van hare medemenschen en de vijanden van haar +geloof. Daarentegen zijn zij ook voor het goede sneller ontvankelijk; +het haar eener vrouw is lang, maar haar verstand is kort, zegt het +spreekwoord." + +"Wat gij ons vrouwen al niet ten laste legt," hernam Neforis. "Scheld, +scheld maar op mij, als u dit verlichten kan." Daarna ging zij voort, +terwijl zij liefdevol het kussen voor haar man recht legde en hem +opnieuw een wit pilletje toestak: "Heden zal ik mij ook het ergste +laten welgevallen, want ik heb ongelijk. Ik heb u reeds vergeving +gevraagd, waardige Haschim, en ik doe het andermaal, ik doe het +van harte!" + +Bij deze woorden naderde zij den Arabier en gaf hem de hand; doch +deze nam haar slechts even aan om haar dadelijk weer los te laten, +zeggende: "Het valt mij niet zwaar te vergeven, maar het zou mij niet +mogelijk zijn onder u, en nergens ook maar een stofje op mijn reinen +en onbevlekten naam te laten kleven. Ik zal, zonder mij aan iets of +iemand te storen, deze zaak zonder verschooning onderzoeken. En nu nog +eene vraag: Die hond, die voor het tablinum lag, is een waakzaam dier, +dat van zich afbijt, niet waar?" + +"Hoe hij bijten kan, heeft hij heden aan de arme Perzische slavin +getoond, en zijne waakzaamheid is in het geheele huis bekend," +zeide Orion. + +"Maar ik," sprak vrouw Neforis, "bid u en zeker in ons aller naam, +waardige heer, ons met uwe ervaring te helpen. Ik zelve... Wacht +maar, wacht! Eene vrouw heeft ondanks haar lange haren en haar klein +verstand menigmaal een gelukkigen inval. De inbreker, dat is zoo +klaar als de dag, moet onder de huisgenooten schuilen, omdat de hond +hem niet heeft aangevallen. Aan Paula, de dochter van Thomas, die de +Perzische zoo wonderbaar snel ter hulp kwam, mag men niet denken...." + +Hier viel haar gemaal haar in de rede en riep haar knorrig toe: +"Dat meisje, vrouw, moet ge buiten spel houden!" + +"Alsof ik haar voor eene spitsboeve hield!" antwoordde Neforis geraakt, +terwijl zij de schouders ophaalde, waarop Orion zacht verwijtend +uitriep: "Maar moeder, bedenk toch...." + +Voor hij verder kon gaan vroeg de koopman: "Bedoelt gij de jonkvrouw, +die mij gisteren zoo hard bejegende?--Nu dan, voor hare onschuld +sta ik borg met mijn geheele vermogen. Dit schoone, hartstochtelijke +meisje kan zulk eene oneerlijke daad niet bedreven hebben." + +"Hartstochtelijk?" zeide Neforis lachend, "haar gemoed is koud en +hard als de gestolen smaragd; dat hebben wij ondervonden." + +"En toch," sprak Orion, "is zij tot eene laagheid niet in staat." + +"Wat kunnen mannen zich toch warm maken voor een paar schoone +oogen!" zeide de moeder. "Doch ik denk in de verte niet aan haar; +ik had wat anders op het oog. Er werden gisteren bij de verwonde een +paar mansschoenen gevonden. Hebt gij daarmede gedaan, Sebek, wat de +heer Orion u bevolen heeft?" + +"Terstond, vrouwe," antwoordde de huismeester, "en ik wacht reeds +lang op den bevelhebber van de wacht, Psamtik...." + +Hier werd hij gestoord, want de man van wien sprake was, die reeds +sedert twintig jaren de huiswacht van den Mukaukas commandeerde, +werd in de zaal gebracht en begon, nadat hij eenige voorloopige +vragen beantwoord had, bericht te geven van zijne bevinding met zoo +luide stem, dat het den stadhouder pijn deed en diens gemalin hem +moest verzoeken wat zachter te spreken. De speur- en dashonden waren +losgelaten, nadat men ze de zolen onder den neus had gehouden, en een +paar beesten hadden spoedig den weg naar de dienstpoort gevonden, +waar Hiram op Paula gewacht had. Vervolgens waren zij voor de trap +blijven staan, hadden daar links en rechts gesnuffeld en waren eenige +treden naar boven gesprongen. + +"En die trap leidt naar Paula's kamer," merkte Neforis schouderophalend +op. + +"Maar de dassen waren op een valsch spoor," haastte de bevelhebber +zich te zeggen. "Die giftige padden hadden nog onschuldige zielen in +verdenking kunnen brengen. De blaffers vlogen weldra allen te zamen +in den heerenstal naar onze edele rossen, en renden daar op en neer +als de satan, als hij eene verdoemde ziel op de hielen zit. Den knaap +van den vrijgelatene, die met de dochter van den grooten Thomas van +Damascus hier gekomen is, had de bende spoedig overhoop geworpen, en +in de woning van zijn vader ging het er eerst recht op los. Hemel en +aarde wat een geblaf, een gejank, een gebrul! In elken ouden lap hebben +zij de neuzen gestoken, en nu wisten wij waar het gat van den wijnzak +was. Het doet mij leed voor den man; hij is een vervloekte stotteraar, +maar als ruiter en paardenkenner komt hem alle eer toe. Aan Hiram +behooren de zolen, zoowaar ik twee oogen in mijn hoofd heb. Doch wij +hebben hem nog niet gevonden. Hij moet over den stroom zijn gegaan, +want er werd een bootje gemist, en daar waar het gelegen had, begon +het gehuil opnieuw. Als de ongeloovigen aan de overzijde hem niet in +bescherming nemen, dan krijgen wij hem zeker te pakken!" + +"Dan hebben wij den booswicht!" riep Orion, en hij haalde daarbij zoo +diep adem, alsof hem een pak van het hart was genomen. Daarna ging +hij voort op bevelenden toon, en zijne stem klonk daarbij zoo boos, +dat de blos, die zooeven zijne wangen had gekleurd, bezwaarlijk een +gevolg kon zijn van deze laatste goede tijding: "Indien hij twee uren +na den middag niet terug is, dan zet gij hem na met al uwe manschappen +en levert hem over. Mijn vader zal u een volmacht geven en dan zullen +de Arabieren daarginds u bijstaan. Misschien is de dief reeds eerder +in onze handen, en met hem de smaragd, wanneer het den schurk niet +gelukt het juweel te verstoppen of te verkoopen." Daarop daalde zijne +stem en vervolgde hij op meewarigen toon: "Jammer van den man! Wij +hebben geen beter paardenkenner in den stal! Ziedaar moeder, uw woord +weer bevestigd: om goed bediend te zijn, moet men spitsboeven koopen." + +"Eigenlijk," merkte vrouw Neforis nadenkend op, "behoort Hiram in +het geheel niet tot ons gezin. Hij is eene vrijgelatene van Thomas +en kwam met zijne dochter hierheen. Ieder roemt zijne bruikbaarheid +in den stal, en had deze inbraak niet plaats gehad, wij zouden hem +levenslang gehouden hebben. Als het meisje zich in het hoofd had +gezet ons te verlaten en hem mede te nemen, hadden wij hem niet kunnen +terughouden. Gij moogt zeggen wat gij wilt, mij lasteren en smaden, +ik bezit nu eenmaal niet wat gij verbeeldingskracht noemt en zie de +dingen naakt zooals zij zijn; maar een zekeren samenhang tusschen +het meisje en den dief moet er toch bestaan." + +"Gij zult eindelijk over deze dwaasheden zwijgen," voer haar +gemaal uit, en hij zou nog meer gezegd hebben, als niet op hetzelfde +oogenblik de aandiener gehoor had gevraagd voor den joodschen juwelier +Gamaliël. De man was gekomen om inlichting te geven omtrent den +verloren edelsteen. + +Op dit bericht werd Orion doodsbleek en keerde zich van den koopman af, +terwijl de Israëliet binnentrad, die den vorigen avond met de beambten +bij het vuur had gezeten. Onverwijld begon hij zijn bericht, en wel op +den hem eigenen vroolijken toon. Hij was zoo rijk, dat hem het verlies +dat hij stond te lijden niet schelen kon, en zoo eerlijk, dat hij zich +verblijdde gestolen goed aan den rechtmatigen bezitter terug te kunnen +geven. Heel vroeg in den morgen, zoo deelde hij mede, was de stalknecht +Hiram bij hem geweest, om hem een wonderbaar grooten en schoonen +smaragd te koop aan te bieden. De vrijgelatene had verzekerd, dat het +juweel behoorde tot de nalatenschap van den beroemden Thomas, zijn +vroegeren meester. Het had gezeten aan het hoofdstel van den hengst, +waarop de held van Damascus het laatst had gereden, en zóo was het in +zijn bezit gekomen. "Ik bood hem," ging de man voort, "wat mij billijk +scheen, en gaf hem tweeduizend drachmen als voorschot; hij verzocht +mij de rest voorloopig nog te bewaren. Ik ging op zijn voorstel in, +maar weldra bereikte een verdacht geluid mijn oor. Daar joegen me de +drijvers de speurhonden de stad in. God beware me, wat een gekef! Dat +vee stelde zich aan als wilde het mijn arme huis aan stukken blaffen, +gelijk de bazuinen, weet ge, de muren van Jericho omverbliezen. 'Wat +brengt ge voor nieuws?' vroeg ik den heer hondendrijver, en ziedaar, +mijne achterdocht was zoo echt geweest als de smaragd, en hier, heer +stadhouder, breng ik het steentje, en wijl ieder zuigeling in Memphis +reeds van de min hoort, als zij niet stom is, welk een rechtvaardig +man de groote Mukaukas Georg is, zult gij mij wel teruggeven wat ik +den stotterenden boef voorschoot. Gij maakt daarbij nog goede zaken, +edele heer, want ik verlang voor de twee uren, gedurende welke het +juweel mijn eigendom was, niet eens bewaargeld of interest." + +"Hier met den steen!" riep opeens de Arabier, wien de schertsende +toon van den jood begon te vervelen. Hij ontrukte hem den smaragd, +woog hem in de hand, bracht hem dicht onder de oogen, hield hem +daarna weder op een afstand, beklopte hem met een hamertje, dat hij +uit zijne borstzak haalde, paste hem in de opene plek van het tapijt, +en onderzocht den steen met scherpen, nu eens achterdochtigen dan +weer bevredigenden blik. + +Terwijl dit plaats had veranderde Orion herhaaldelijk van kleur en de +zweetdroppels parelden hem thans op het schoone bleeke aangezicht. Was +hier een wonder geschied? Hoe kon deze steen, die op weg was naar +Alexandrië, in handen van den jood gekomen zijn? Of zou de chusaar +het pakketje geopend en den inhoud aan Hiram en door dezen aan den +juwelier verkocht hebben? Hij moest weten wat er van was en terwijl +de Arabier den steen nog onderzocht, naderde hij den goudsmid en +vroeg: "Hebt gij stellig en zeker--het geldt hier de gevangenis of +de vrijheid--den steen van den Syrischen paardrijder Hiram gekocht +en van geen ander? Ik bedoel: kent gij den man zoo goed, dat hier +geen vergissing kan plaats hebben?" + +"God zal me liefhebben!" antwoordde de jood, terwijl hij een stap +terugtrad van Orion, die hem met fonkelende oogen aanstaarde. "Hoe +kan de jonge heer er aan twijfelen! Uw geëerde vader kent mij sedert +dertig jaren, en ik, ik zou den Damascener niet kennen? Wie anders +in Memphis kan zoo goed stotteren? Heeft hij me niet met uwe razende +hengsten de helft mijner kinderen bijna om het leven gebracht? Elk kind +toch, zeg ik, heeft hij me half dood gemaakt van schrik. Springlevend +zijn ze allen nog, God beware ze, maar gezonder zijn ze door dien +paardrijder niet geworden, want de frissche lucht doet de kinderen +goed, en uit vrees voor zijne gevaarlijke kunststukken, heeft mijne +lieve Rebecca ze in de kamer gehouden, tot hij weer tehuis was." + +"Alles goed!" zeide Orion, hem in de rede vallende, "op welk uur heeft +hij u den smaragd aangeboden. Zeg het precies! Bezin u goed! Wanneer +is het gebeurd? Gij zult het toch wel weten." + +"Adonai, hoe zou ik?" antwoordde de jood. "Maar wacht, heer, misschien +kan ik het toch zeggen. Bij deze hitte staan we op vóor de zon opgaat; +dan wordt het morgengebed gedaan, de soep gegeten en..." + +"Geen praatjes!" zeide Orion, ongeduldig. + +Doch Gamaliël ging voort, zonder zich van de wijs te laten +brengen. "Dan springt de kleine Ruth mij op den schoot en trekt me +de witte haartjes uit, die me telkens aan den neus groeien, en juist +toen het kind er mee bezig was en ik 'o weh' riep, had de zon de +steenen bank bereikt, waarop dit gebeurd is." + +"En wanneer bereiken de zonnestralen die bank?" vraagde Orion. + +"Juist twee uren na zonsopgang," antwoordde de jood, "namelijk in dit +jaargetij. Bewijs mij morgen vroeg de eer van bij mij te komen; het +zal u zeker niet berouwen, want gij zult schoone waren, beeldschoone +zelfs te zien krijgen--en kijk dan zelf naar de schaduw." + +"Twee uren na zonsopgang," prevelde Orion zacht binnen 's monds, +waarop hij met vernieuwde verbazing tot zichzelven zeide, dat hij wel +vier uren later het pakje aan den chusaar had toevertrouwd. Aan de +verklaring van den jood viel niet te twijfelen. Deze rijke, eerlijke +en vroolijke man loog niet, derhalve kon het door hem verzondene en +door Hiram verkochte kleinood in geen geval hetzelfde zijn. Maar hoe +dan alles te verklaren? Het was om het verstand te verliezen! En dan +niet te mogen spreken, terwijl reeds zijn zwijgen bedrog was, bedrog +jegens vader en moeder! Wanneer de ongelukkige stotteraar slechts wist +te ontkomen! Kreeg men hem in handen, dan--dan, genadige hemel! Maar +neen, het was niet denkbaar. Vooruit dan, volgehouden! In het uiterste +geval--de eer van honderd stalknechts kon toch op verre na niet opwegen +tegen die van Orion alleen--dan moest de man, hoe ontzettend het ook +was, dan moest hij prijsgegeven worden! Hij wilde en kon er altijd +voor zorgen, dat hij weder vrij kwam en zijn leven gespaard bleef. + +Intusschen was de koopman aan het einde van zijn onderzoek en toch +niet tot volle zekerheid gekomen. Orion had hem gaarne afgeleid, +want als de koopman allen twijfel varen liet en den teruggebrachten +steen als den gestolene erkende, was er veel gewonnen, en daarom +wendde hij zich weder tot hem met te zeggen: "Laat mij, bid ik u, +den smaragd nog eens zien; het zal toch wel niet mogelijk zijn een +tweeden te vinden, aan dezen geheel gelijk?" + +"Dat zou ik niet durven verzekeren," antwoordde de Arabier +ernstig. "Deze steen gelijkt dien uit het tapijt op een haar, doch hij +heeft hier eene kleine verhevenheid, die ik bij den smaragd nooit heb +opgemerkt. Ongetwijfeld werd hij nooit uit zijne omgeving losgemaakt, +en misschien heeft dit kleine knobbeltje op het weefsel gelegen; +en toch, toch--Zeg eens, goudsmid, gaf de dief u den smaragd geheel +naakt, zonder eenig omhulsel?" + +"Zoo naakt als Adam en Eva, voor zij den appel hadden gegeten," +antwoordde de jood. + +"Dat 's jammer, zeer jammer!" hernam de koopman. "Het komt mij voor +als ware de steen in het tapijt ook een weinig langer geweest. In +dit geval is het bijna dwaas en ondenkbaar dat er twijfel zou kunnen +bestaan, en toch vraag ik mijzelven: Zou dit werkelijk de steen zijn, +die in den bloemknop heeft gezeten?" + +"Maar om 's hemels wil," riep Orion, "de dubbelganger van zulk een +eenig juweel valt toch niet op hetzelfde oogenblik uit de lucht in +hetzelfde huis neder! Verblijden we ons, dat het verloren schaap is +wedergevonden. Ik zal het kleinood thans in de ijzeren kist sluiten, +vader, en zoodra gij den roover beet hebt, moet ik geroepen worden, +verstaat gij, Psamtik?" + +Hierop groette hij zijne ouders met een wenk, bood den Arabier de hand +en wel op eene wijze, die ieder goed moest doen en ook den ouden heer +opnieuw voor hem innam, en verliet het vertrek. + +De goede naam van den koopman was gered, doch de nauwgezette man +gevoelde zich verontrust door den twijfel, dien hij maar niet +onderdrukken kon. Toen hij van den Mukaukas afscheid wilde nemen, +was deze zoo diep in zijn kussen gezonken en hield hij de oogen zoo +vast gesloten, dat niemand weten kon of hij waakte of sliep, en zoo +verliet de Arabier hem zonder groet, daar hij hem in het laatste +geval niet wilde storen. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + +Paula had zich na de aandoeningen van den laatsten nacht met +een kloppend hart op het rustbed geworpen. Zij kon den slaap maar +niet vatten, en een paar uren na zonsopgang was zij opgestaan om de +vensterluiken te sluiten. Daarbij had zij naar buiten gekeken en gezien +hoe Hiram in een der booten van den Mukaukas was gesprongen en het +lichte vaartuig van den oever had gestooten. Zij durfde roepen noch +wenken, maar nadat de trouwe man midden op den stroom was gekomen, +had hij omgekeken, het gezicht naar haar venster gewend, haar in +het witte morgengewaad herkend, en den roeiriem hoog en sierlijk +in de hoogte gehouden. Dat kon alleen beteekenen dat hij zijn last +volvoerd en het kleinood verkocht had. Hij stak nu den Nijl over, +om den Nabateër aan te werven. + +Nadat zij de luiken gesloten en het vertrek duister gemaakt had, legde +zij zich nog eens neder, en nu deed de jeugd hare rechten gelden; +de zwaar vermoeide viel in een diepen slaap, die niet door droomen +werd verontrust. Toen zij ontwaakte, terwijl het zweet haar op het +voorhoofd parelde, was de zon nog maar weinig van de middaghoogte +verwijderd, moest er nog slechts een uur verloopen voor het tijdstip +van het ariston, het Grieksche ontbijt, dat gemeenschappelijk werd +gebruikt, evenals de hoofdmaaltijd, die tegen den avond volgde. Zij +was nog nooit daarbij gemist en haar uitblijven zou ditmaal opzien +baren. Evenals in alle voorname Egyptische huizen, zoo ging het ook +in dat van den Mukaukas meer Grieksch dan Egyptisch toe en dat niet +enkel ten aanzien van de maaltijden, maar ook in vele andere dingen, +inzonderheid de taal. Van den heer des huizes tot aan het jongste +lid van de familie sprak men onder elkander Grieksch en alleen met +de dienstboden Koptisch, de oude landtaal, waarin echter sedert lang +talrijke Helleensche woorden en spreekwijzen waren overgenomen. + +Het kleindochtertje van den stadhouder, de aardige tienjarige Maria, +had gemakkelijker Grieksch dan Koptisch zonder fouten leeren spreken, +maar bij Paula's komst had zij het nog zoover niet gebracht, dat +zij de taal der Hellenen zuiver schrijven kon. Deze hield veel van +kinderen, verlangde naar bezigheid en had daarom uit eigene beweging +de taak op zich genomen om de kleine in deze kunst te onderrichten, +over welken dienst hare familiebetrekkingen zich aanvankelijk schenen +te verheugen. Doch zeer spoedig ontstond er tusschen vrouw Neforis +en de nicht van haar gemaal de droevige verhouding, die zou blijven +bestaan, en thans had de eerste aan die lessen een einde gemaakt en +als grond voor deze beleedigende handelwijze aangevoerd, dat Paula haar +discipeltje geheele stukken had gedicteerd uit een Grieksch gebedenboek +van hare orthodoxe geloofsbelijdenis. Werkelijk was dit gebeurd, +maar zonder eenige bijbedoeling, en de stukken door haar uitgekozen, +behelsden enkel gedachten die ieder christen, onverschillig van welke +geloofsbelijdenis, het hart konden verheffen. + +De kleine was bij de machtspreuk harer grootmoeder in tranen +uitgebarsten, en hoewel Paula het zeer ernstig opnam met de lesuren, +had Maria de oudere vriendin hartelijk lief, met het dwepend +gevoel van een halfvolwassen meisje--want dat was eene tienjarige +in Egypte--hetwelk met al de hartstocht van haar gemoed zich hecht +aan eene schoone jonkvrouw, die in elk opzicht hare meerdere is. En +Paula's armen waren wijd geopend voor het kind, dat zonlicht bracht +in de sombere, kille levenslucht, die haar in het huis van haar oom +omgaf. Maar vrouw Neforis zag in de vurige liefde van het kind voor de +Melchietische bloedverwante iets overdrevens, iets ongezonds, ja iets +dat de geloofsovertuiging van het meisje in gevaar kon brengen, en het +scheen haar toe als had Maria onder den invloed der Damasceensche het +hart van haar afgewend, om dezen met meer teederheid aan te hangen. De +bewijzen lagen voor de hand, dat dit geen bloot vermoeden was, want +het kind, dat bijzonder gevoelig was op het punt van rechtvaardigheid, +kon het niet verdragen dat hare vriendin werd miskend, teruggezet, +zelfs vaak in het openbaar ongunstig en stellig valsch beoordeeld; +weshalve Maria zich verplicht achtte zoo veel in haar vermogen was +goed te maken, wat hare grootmoeder misdreef ten opzichte van eene +huisgenoote, die in haar oog volmaakt was. + +Neforis was nochtans niet de vrouw om zich deze houding van de kleine +te laten welgevallen. Maria was hare kleindochter, de eenige dochter +van haar overleden zoon, en niemand mocht zich plaatsen tusschen hen +beiden. Zoo verbood zij het meisje, Paula zonder bepaalden last op +hare kamer te bezoeken, en toen er eene Grieksche opvoedster voor +het kind in dienst was genomen, ontving deze de bijzondere opdracht +om hare kweekelinge zooveel mogelijk van de Damasceensche verwijderd +te houden. Dit alles gaf echter voedsel aan den hartstocht van het +kind, en hoewel de grootmoeder het telkens met teederheid tot zich +trok en Maria van hare zijde ook niet uit het oog verloor wat zij +aan deze verschuldigd was, toch wilde het tusschen beiden niet tot +warme toegenegenheid komen; en daarvan was Paula zeker de schuld, +zij het ook tegen haar zin, en alleen omdat zij hier woonde. Vrouw +Neforis gaf de nicht van haar gemaal zoowel openlijk als door +ontelbare bedekte toespelingen te voelen, dat zij de kleindochter van +haar vervreemdde, en dus bleef Paula niet anders over dan het kind, +waartoe zij zich zoozeer getrokken gevoelde, op een afstand te houden +en het alleen in buitengewone gevallen de volheid harer liefde te doen +gevoelen. Ten slotte had het leven haar zooveel verdriet opgeleverd, +dat het haar niet meer mogelijk was zich als vroeger eenvoudig aan +een onschuldig schepseltje over te geven, en kind met het kind te +zijn. Maria bespeurde dit wel en schreef de verandering, die er bij +Paula plaats had toe, aan het leed dat zij gevoelde over de harde +behandeling van hare grootmoeder. + +Voor etenstijd kon Maria het meest met hare vriendin alleen spreken, +want dan lette niemand op haar en grootmoeder had haar nog nooit +verboden de jonkvrouw aan tafel te noodigen. Een bezoek bij deze +vriendin was voor het kind het grootste genot, reeds omdat het verboden +was, maar niet minder omdat Paula zich op hare kamer geheel anders +vertoonde dan onder de overige huisgenooten; omdat zij haar kussen kon +en daarbij zeggen mocht hoe lief zij haar had. Daar vertelde het haar +ook al wat oorbaar was van hetgeen zich in haar kleinen levenskring +voordeed, doch haar de vertrouwde te maken van hare ongehoorzaamheid +of van onschuldige kinderstreken, daarvan werd het levenslustige en +soms overmoedige kind teruggehouden door de bewondering voor haar, +die in hare oogen zooveel grooter, edeler en voornamer was dan alle +andere menschen. + +Juist was Paula met haar toilet gereed, toen Maria, die anders met +eene vaart alsof ze een jongen was de vertrekken van hare grootmoeder +binnenstormde, bescheiden aan de deur klopte. Zij vloog haar niet +om den hals, gelijk zij bij de weduwe Susanna en haar speelziek +dochtertje Katharina deed, maar zij kuste alleen haar blanken arm +met innige teederheid en kleurde daarna tot over de ooren van geluk, +toen Paula zich naar haar nederboog, haar een kusje gaf op lippen, +haar en voorhoofd, en daarna hare vochtige, bloeiende wangen wat +afdroogde. Zij nam daarop Maria's kopje vriendelijk tusschen de handen +en zeide: "Wat ziet ge er uit wildzang!" + +Het aardige, aanvallige gezicht van de kleine zag inderdaad vuurrood +en hare oogen waren zoo gezwollen, alsof zij juist hard geweend had. + +"Het is zoo vreeselijk heet," antwoordde Maria. "Eudoxia"--zoo heette +hare Grieksche opvoedster--"zegt dat Egypte in den zomer een vurige +oven is, eene hel op aarde. Zij is doodziek van de hitte, ligt daar +als een visch op het zand, en het eenige goede daarvan is...." + +"Dat zij u heeft laten loopen en u geen les heeft gegeven?" + +Maria bevestigde dit door even met het hoofd te knikken, maar toen zij +hierop geene terechtwijzing ontving, wendde zij het kopje opzij, en zag +hare vriendin met groote schelmsche oogen ter sluiks in het aangezicht. + +"En toch hebt gij gehuild, en erg ook! Zoo'n groot meisje!" + +"Ik? Ik gehuild?" + +"Ja zeker, gehuild! Ik kan het aan uwe oogen zien. Wat is er gebeurd?" + +"Zult gij niet boos op mij zijn?" + +"Stellig niet!" + +"Nu dan. Eerst was het zoo prettig, zoo erg prettig, gij kunt het u +ternauwernood voorstellen, en de hitte hinderde mij niets; maar toen +die wilde jacht voorbij was wilde ik naar grootmoeder, en dat werd +mij verboden. In de fonteinzaal, weet ge, daar had wat bijzonders +plaats, en toen ze er allen weer uit waren, ben ik Orion in het +tablinum achterna geslopen. Daar liggen zulke wondermooie dingen; +en ik wilde hem een beetje aan het schrikken maken; wij hebben +meermalen met elkander grappen gemaakt. Eerst merkte hij niets, maar +toen hij zich nederboog over het tapijt, waaruit ze den edelsteen +hebben gekaapt--ik geloof dat hij de juweelen telde in dat oude, +versleten ding--vloog ik hem een-twee-drie op zijn rug dat hij er van +schrikte, geweldig schrikte, dat verzeker ik u. Toen is hij tegen mij +uitgevaren als een kemphaan, en... heeft hij mij een klap om de ooren +gegeven, ik zeg u een... ach, het brandt mij daar nog--en het werd mij +daarbij bont en blauw voor de oogen. Eerst was hij altijd zoo goed en +vriendelijk tegen mij en ook tegen u, en daarom--hij is bovendien mijn +oom--daarom mocht ik hem gaarne lijden. Maar een klap, een oorveeg, +zooals de kok aan zijn jongen bij het braadspit geeft, daarvoor ben +ik toch te groot, dat behoef ik me niet te laten welgevallen. Na +mijn laatsten verjaardag moeten alle slaven en beambten mij als +meesteres behandelen en voor mij buigen. En nu?.... Hier heeft hij +mij geslagen... Hoe durfde hij?" En wederom barstte zij in tranen uit +en ging snikkende voort: "Maar daarmede was het nog niet gedaan. Hij +heeft mij in het donkere tablinum opgesloten en mij daar..."--de +tranenvloed belette haar geregeld door te praten--"daar--daarin +laten zitten! Het was er zoo akelig en ik zat er misschien nog, als +ik geen stuk bladgoud had gevonden, en met mijn overgrootvader--het +zilveren beeld, weet ge, van Menas--er duchtig op had los geslagen +waarbij ik brand schreeuwde. Dat hoorde Sebek, die Orion haalde, en +toen heeft hij mij vrijgelaten en mij op allerlei wijze geliefkoosd +en gekust. Maar wat helpt mij dat, want grootvader zal boos zijn; +ik heb in mijn angst zijn zaligen vader den neus bijna plat geslagen." + +Paula had het kind nu eens ernstig dan weder lachend aangehoord; doch +toen het zweeg wischte zij het nog eens de oogen af en zeide: "Uw oom +is een man, waarmede gij niet moogt spelen als met uws gelijken. De +herinnering, die gij van hem gekregen hebt, is in elk geval wel wat +hard uitgevallen; maar Orion heeft getracht dat alles weer goed te +maken. Doch gij hebt van een wilde jacht gesproken, wat was dat?" + +Bij deze vraag helderden Maria's oogen plotseling weer op. In +een ommezien was al het leed dat haar weervaren was en zelfs de +platgeslagen neus van haar voorvader vergeten, en onder een vroolijk +schaterlachen, dat uit het diepst harer ziel kwam, zeide zij: "Ja, dat +hadt ge moeten zien! Daar zoudt ook gij plezier in gehad hebben. Zij +hebben den deugniet willen vangen, die den smaragd uit het tapijt heeft +getrokken. Hij had zijne schoenen verloren, die de honden onder den +neus werden gebracht, en nu braken ze los! Eerst vlogen ze hier naar +de trap, toen in den stal, daarna in de woning van den paardrijder; ik +er altijd bij, altijd de dassen en de andere keffers achterna. Daarop +hielden ze raad, en ten laatste ging het de poort uit de stad in. Ik +mag den hof niet verlaten, maar--gij moet er niet boos om zijn--het +was te plezierig. Ze renden de poort uit door het Hapistraatje, +over de Taanchplaats en eindelijk naar de goudsmedenstraat, en daar +stormde de geheele bende den winkel binnen van den jood Gamaliël, +dien grappigen man. Terwijl hij met de anderen sprak, bracht zijne +vrouw mij abrikozentaartjes, zoo lekker als ze bij ons niet zijn." + +"En hebben zij den man, dien ze vervolgden, gekregen?" vroeg Paula, +die onder het verhaal van het kind telkens van kleur verschoot. + +"Dat weet ik niet," antwoordde Maria verlegen; "er was eigenlijk +niemand, dien men achterna ging. De honden hielden de neuzen altijd +naar den grond, en wij liepen ze achterna." + +"Alleen om een ongelukkige te vangen, die met den diefstal niets te +maken heeft. Denk eens na, Maria; de schoenen gaven de honden de lucht, +en men liet ze los om den man te pakken, die ze gedragen heeft en nog +door geen rechter verhoord is. Men heeft ze in de voorzaal gevonden; +misschien liet hij ze daar toevallig liggen of bracht een ander ze +daarheen. Verplaats u nu eens in den toestand van zulk een onschuldig +mensch, een christen als wij, die men met jachthonden achterna zet +als een roofdier. Is dat niet verschrikkelijk? Een goed mensch moest +daarover niet lachen." + +Paula zeide dit met zooveel ernst en nadruk, zoo medelijdend, en hare +geheele houding deed zoo duidelijk blijken, hoe zeer het gebeurde haar +verontrustte, dat het kind haar bezorgd aankeek, met betraande oogen +naar haar toeliep en terwijl zij haar gelaat in haar kleed verborg, +uitriep: "Ik wist niet dat zij een arm mensch achternazaten, en als +u dat weder zoo verdrietig maakt, zou ik er niet bij hebben willen +zijn! Maar is het dan waarlijk zoo erg? Gij zijt zoo dikwijls bedroefd, +als wij anderen lachen." Daarbij zag zij met de groote vochtige oogen +tot Paula op. + +Deze drukte haar tegen zich aan, kuste haar hartelijk en zeide dan met +weemoedige vriendelijkheid: "Hoe gaarne zou ik vroolijk willen zijn +als gij! Maar ik heb te veel beleefd wat mij bedroefd maakt. Lach +maar en verheug u naar hartelust, waarlijk ik gun het u wel; doch +wat dien armen man aangaat, dien men achterna zette: ik vrees dat +het mijns vaders vrijgelatene is, de trouwste en eerlijkste mensch +ter wereld. Heeft men bij die vroolijke jachtpartij niemand uit den +goudsmidswinkel meegepakt?" + +Het kind schudde ontkennend het hoofd, vragende: "Zou het uw +stotterende Hiram, den paardrijder zijn, dien zij vervolgen?" + +"Ik vrees het." + +"Ja, ja," zeide de kleine. "Wacht eens... het... Ach God, het +zal u weer bedroeven, maar ik geloof.... ze zeiden de schoenen +hadden--ik lette er niet zoo op--ze hadden... Men sprak altijd van +een paardrijder, een vrijgelatene, een stotteraar." + +"Dan hebben zij zeker een onschuldige nagezeten," zeide Paula met +een zwaren zucht, terwijl zij zich weder aan hare kaptafel neerzette, +om haar toilet te voltooien. + +Terwijl hare handen zoo ijverig mogelijk in de weer waren, verzonk +zij in gedachten; zij gaf het kind maar halve antwoorden, en liet +het in haar open kist snuffelen. Maria haalde het van zijn sieraad +beroofd kleinood er uit en deed het om haar hals. + +Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt en Katharina, het +dochtertje van de weduwe Susanna trad de kamer binnen. Het meisje, +aan wie de gade van den Mukaukas haar volwassen zoon wilde uithuwen, +reikte Paula nauwelijks tot aan de schouders, maar zij zag er keurig +netjes uit; alles was in de puntjes, en zij had een frisch, vroolijk en +allerliefst gezichtje. Als zij lachte zag men hare kleine, sneeuwwitte +ver uit elkander staande tandjes glinsteren, en hare heldere oogjes +keken zoo lustig rond, als hadden ze in de wereld niets dan blijmoedige +dingen te zoeken of onschuldige grappen te verzinnen. Ook zij wilde +Paula tot vriendin hebben, maar zij jaagde dit doel niet na met zooveel +zelfverloochening en dweepte niet altijd met haar als Maria. Soms +betoonde Katharina haar zulk eene hartstochtelijke teederheid, dat de +oudere jonkvrouw haar intoomen moest; dan weder keerde zij deze met +trotschen weerzin, boos en grommend den ruw toe, omdat zij meende +door de Damasceensche koel bejegend of bij Maria achtergesteld te +zijn. Het lag wel-is-waar in Paula's hand om aan dat "boos zijn" +van het "kwikstaartje", dat gewoonlijk een grappigen bijsmaak had, +door een goed woord of een kus een einde te maken, doch zonder zulk +eene vriendelijke tusschenkomst zou Katharina in staat zijn geweest +tot aan haar laatsten snik aan die boosheid toe te geven. Heden viel +zij haar om den hals, en toen Paula op meer afgemeten toon dan anders +verzocht, te wachten tot zij eerst haar toilet voltooid zou hebben, +ging zij, zonder zich in het minst gevoelig te toonen, naar de kleine +Maria toe en nam haar het halssieraad uit de handen, om dit zichzelve +om te doen. Het keurig bewerkt en met paarlen bezet kleinood beviel +haar bij uitstek, alleen de ledige kas, waaruit Hiram den smaragd +met zijn mes had gelicht, bedierf den indruk van het geheel. Toch was +het nog een vorstelijk sieraad, en nadat zij ook een grooten waaier +van struisvederen uit de kist genomen had, vertoonde zij voor hare +kleine vriendin met grappige en stijve bewegingen, hoe de keizerin en +de prinsessen aan het hof buigen en hare onderdanen genadig groeten; +hetgeen veel stof tot lachen gaf. Toen Paula gekleed was, en zij +Katharina verzocht het halssieraad af te doen, bleef het ledige, door +Hiram wat verbogen bladgoud aan het fijne kantwerk van haar bovenkleed +hangen. Maria maakte den halsketen los, dien de Damasceensche daarna +weder in de kist borg. + +Terwijl Paula deze sloot vroeg zij Katharina, of zij Orion ook +ontmoet had. + +"Orion?" vraagde zij op een toon, als had niemand buiten haar het +recht naar hem te vragen. "Wij kwamen samen de trap op; hij wilde +naar de gewonden gaan kijken. Hebt gij hem wat te zeggen?" + +Daarbij kreeg zij een kleur en keek Paula wantrouwend aan, die echter +niets antwoordde dan "misschien," waarop zij liet volgen, terwijl +zij het koordje met den sleutel van de kist om haar hals hing: +"Komt meisjes, het is tijd om te ontbijten; ik ga heden niet mede +naar beneden." + +"Ach," zuchtte Maria teleurgesteld. "Grootvader is zeer ziek en +grootmoeder blijft bij hem, en komt gij ook niet, dan--dan moet ik +alleen met Eudoxia eten; want de wagen van Katharina staat te wachten, +en zij rijdt dadelijk weder naar huis. Ach toe, kom! Doe het mij ten +gevalle. Gij weet niet hoe knorrig die Eudoxia zijn kan, als het zoo +heet is." + +"Ga toch mede!" verzocht ook Katharina; "wat toch wilt ge langer +hierboven doen? Tegen den avond kom ik zeker met mijn moedertje weer." + +"Best," antwoordde Paula, "maar ik moet eerst naar de zieken." + +"Mag ik mede?" vroeg het kwikstaartje, de jonkvrouw vleiend over den +arm streelende. + +Doch Maria klapte in de handen en riep: "Zij wil alleen naar Orion, +want zij houdt zooveel van hem..." + +Katharina sloot het kind haastig den mond, doch als Paula haar +eenigszins gejaagd aan het verstand had gebracht, dat zij zeer +ernstige dingen met Orion te bespreken had, keerde Katharina haar +met eene haastige en trotsche beweging den rug toe en ging spijtig de +trap af, terwijl Maria zich langs de leuning liet afglijden. Weinige +dagen geleden zou het nauwelijks zestienjarige kwikstaartje haar zeer +gaarne op dezelfde wijze gevolgd zijn. + +Intusschen klopte Paula aan het eerste ziekenvertrek en betrad +het daarna even zacht toen de pleegzuster, eene non uit het +St. Katharina-klooster, de deur voor haar geopend had. + +Orion dien zij zocht, was hier geweest, maar had zich juist weder +verwijderd. + +In het eerste vertrek lag de verwonde aanvoerder van de karavaan, in +het tweede de waanzinnige. In eene aan het eerste vertrek grenzende +zaal, die voor hooge gasten bestemd en daarom met vorstelijke pracht +gemeubeld was, zaten twee mannen in druk gesprek, namelijk de Arabische +koopman en de arts Philippus, een zeer groote, grof gebouwde jonge +man van nauwelijks dertig jaren, wiens kleeding uit eene nette maar +grove stof bestond, zonder eenig sieraad. Hij had een verstandig +bleek gezicht, waarin twee zwarte goedige maar toch scherpe en +levendige oogen glinsterden. Zijne stevige kaakbeenderen stonden +te veel naar voren; het onderdeel van zijn aangezicht was klein, +leelijk en als ingedrukt, terwijl zijn hoog en breed voorhoofd den +kop van een denker vertoonde, en als een heerlijke koepel een niet +zeer fraai en onaanzienlijk gebouw kroonde. + +Deze man, die weinig aantrekkelijkheid bezat en toch door het sterk +sprekend karakter van zijne uitwendige verschijning moeielijk, +zelfs niet in een kring van personen van beteekenis, over het hoofd +gezien kon worden, was juist in een levendig gesprek gewikkeld met +den Arabier, die gedurende de kennismaking van deze twee dagen eene +bijzondere belangstelling had opgevat voor zijn persoon, iets wat +wederkeerig bij hem het geval scheen te zijn. Het laatst was thans +Orion het onderwerp van hun gesprek geweest, en de heelmeester +een onvermoeid arbeider, die niemand lijden mocht die werkeloos en +alleen voor zijn genot leefde, had den jonkman, bij alle waardeering +van zijn schitterenden aanleg en zijn welbesteeden leertijd, veel +harder beoordeeld dan de oude heer. Den arts was elk menschelijk +wezen heilig, en al wat een mensch naar lichaam of ziel dreigde te +benadeelen, moest naar zijn oordeel weggenomen worden. Het was hem +bekend welk eene ramp Orion over de ongelukkige Mandane had gebracht, +hoe lichtvaardig deze had gespeeld met de harten van andere vrouwen, +en dat maakte hem in zijne oogen tot een gevaarlijk en strafwaardig +medelid der samenleving. Voor hem was het leven eene plichtsvervulling, +en met arbeid verbonden, onverschillig welke, wanneer deze maar +het algemeen ten goede kwam, voldeed men aan deze roeping. Doch de +jonge heeren van het slag van Orion erkenden die verplichting niet +alleen niet, maar gebruikten het leven geheel en onverdeeld tot lage, +zelfzuchtige doeleinden. Voor den ouden muzelman daarentegen was het +leven een droom, waarvan ieder het schoonste deel, de jeugd, met een +ontvankelijk gemoed genieten moest, terwijl hij slechts had te zorgen +bij het ontwaken, hetwelk met den dood begon, te kunnen hopen op de +toelating tot het paradijs. Hoe weinig vermocht een mensch te doen +tegen het ijzeren geweld van het noodlot! Ook door ingespannen arbeid +kon dit niet bezworen worden, het kwam er maar op aan daar tegenover +het juiste standpunt in te nemen en het waardig onder de oogen te +zien. Orion's noodlot had zijne levensboot tot dusverre te licht +belast; bij schoon weder bewoog zij zich in de richting, waarheen +de wind haar dreef. Hijzelf had er voor gezorgd zijn vaartuig goed +uit te rusten, en wanneer het lot het eens zwaar belaadde en tegen +de klippen slingerde, dan eerst zou het blijken, wie en wat hij was; +hij, Haschim, geloofde zeker, dat hij dan zijn karakter voortreffelijk +zou toonen. Bij een schipbreuk blijkt wat een man waard is. + +Hier viel de arts hem in de rede om te bewijzen, dat niet het noodlot +den mensch beheerscht, maar de mensch zelf zijn levensschip stuurt, +doch Paula keek in de zaal en maakte hierdoor aan het onderhoud een +einde. De koopman boog eerbiedig, Philippus groette met achting, maar +tevens met eenige terughouding, gelijk men het van een zelfstandig +man als hij was verwachten kon. Sedert jaren was hij een dagelijksche +gast in het stadhouderlijk verblijf, en hoewel hij Paula in den beginne +weinig belangstelling had betoond, trok hij, sedert vrouw Neforis haar +koel bejegende, hare partij, zoo vaak dit voegzaam geschieden kon. De +gesprekken met hem, welker harde, scherpe toon haar aanvankelijk niet +aanstond, en die haar vaak zoo in de engte hadden gedreven, dat zij +het nauwelijks verdragen kon, waren haar echter sedert lang lief en +tot eene behoefte geworden. Zij hielden haren geest wakker in een +kring, die zich enkel bezighield met de kleine familieaangelegenheden +der in verval gekomen stad, of met dogmatische strijdpunten; want de +Mukaukas nam zelden deel aan het onderhoud der vrouwen. + +De arts onderhield zich nooit met haar over dagelijksche voorvallen, +maar sprak voor haar zijn oordeel uit over de meeningen van anderen, +of over ernstige levensvragen en boeken, die zij beiden kenden, +en wist zoo hare tegenspraak uit te lokken, waarop hij geéstig en +scherp antwoordde. Langzamerhand had zij zich gewend aan zijne stoute +denkbeelden en aan de openhartigheid waarmede hij, zonder zich aan +iets te storen, de waarheid uitsprak, en het begaafde meisje verkoos +thans het gesprek met hem boven elk ander onderhoud, daar zij erkend +had dat in dezen denker, in dit vat vol van alle wetenschap eene ware +kinderziel huisde, en dat hij daarbij eene mate van zelfverloochening +bezat zonder wederga. Aan de gemalin van haar oom mishaagde alles +wat zij deed, en zoo ook haar vertrouwelijken omgang met dezen man, +wiens uitwendig voorkomen waarlijk niets aantrekkelijks had voor +een jong meisje.--Eene aanzienlijke familie had een arts, om voor +de gezondheid harer leden te zorgen of om hen te genezen, en het +voegde den huisgenooten niet met hem als met iemand van denzelfden +stand vertrouwelijke gesprekken te voeren. Zij verweet Paula, die +zij vaak over haar trots berispte, dat zij zich tegenover Philippus +op eene ongepaste manier vernederde, doch het meest verdroot haar, +dat de Damasceensche op menig halfuur voor zich beslag legde, hetwelk +Philippus anders zou hebben gewijd aan haar gemaal, wiens persoon en +gezondheid voor haar boven alles gingen. + +De Arabier, dien zij gisteren zoo had aangevallen, herkende haar +terstond, en nadat de goede verstandhouding spoedig tusschen hen +hersteld was en Paula had toegegeven, dat het verkeerd van haar was een +enkel welgezind man voor het misdrijf van een geheel volk aansprakelijk +te maken, en Haschim weder geantwoord had, dat een rechtgevoelend hart +altijd het ware vindt, bracht zij het gesprek ook op haren vader, +en de arts deelde den Arabier mede, dat zij altijd nog niet moede +was den verlorene te zoeken. + +"Dat is veeleer mijne eenige levensroeping," zeide de jonkvrouw. + +"Ten onrechte, zou ik meenen," merkte de arts op, doch de koopman +weersprak hem, want er waren dingen, die een mensch te kostbaar zijn +om ze prijs te geven, ook wanneer de hoop om ze weer te vinden zoo +wankel en zwak werd als een verteerde stroohalm. + +"Dat ondervind ook ik," hernam Paula, "en hoe kunt gij, Philippus, +mij tegenspreken? Heb ik niet uit uw eigen mond gehoord, dat gij +bij uwe kranken de hoop niet opgeeft, tot de dood er een einde aan +maakt? Ik houd vast aan mijne verwachting, thans meer dan ooit, +en ik gevoel dat dit goed is. Mijne laatste gedachte, mijn laatste +sestersie wijd ik eraan om mijn vader te vinden, wat mijn oom en +zijne vrouw er ook van zeggen, hoe zij mij ook tegenspreken." + +"Maar eene jonkvrouw kan in dergelijke zaken bezwaarlijk de hulp +van een man ontberen," zeide de koopman. "Ik kom veel in de wereld, +spreek met allerlei vreemdelingen uit verre landen, en wilt gij mij +de eer bewijzen, kies mij dan tot uw helper, en vergun mij bij het +opsporen van den edelen verlorene uw bondgenoot te zijn." + +"Dank, innigen dank!" antwoordde Paula, terwijl zij blijmoedig en met +warmte de hand van den muzelman drukte. "Houd hem, dien ik verloren +heb, waarheen gij ook trekt, in gedachtenis. Ik ben een arm verlaten +meisje, maar als gij hem vindt..." + +"Dan zult gij weten, dat er ook onder de muzelmannen zijn die...." + +"Die gaarne barmhartigheid oefenen en verlatene vrouwen vriendelijk +ter hulp komen," vulde Paula aan. + +"En als Allah het zoo beschikt, met goed gevolg," ging de Arabier +voort. "Zoodra ik eenig spoor vind, zult gij van mij hooren, thans moet +ik echter aan gene zijde van den stroom naar den veldheer Amr. Ik ga +getroost, want ik weet dat mijn arme, brave Rustem in goede handen is, +vriend Philippus! Reeds dadelijk in Fostat zal het eerste onderzoek +beginnen, verlaat u daarop, mijne dochter!" + +"Dat doe ik," antwoordde Paula van blijdschap aangedaan. "Wanneer +zien wij elkaar weer?" + +"Morgen, op zijn allerlaatst overmorgen vroeg." + +Hierop ging het meisje naar hem toe en fluisterde hem in het oor: +"Wij hebben thans een spoor gevonden, heer, ja ik hoop, dat de bode +reeds onderweg is. Hebt gij nog even tijd mij aan te hooren?" + +"Eigenlijk moest ik reeds lang aan de overzijde van de rivier Zijn; +heden dus niet, maar zoo ik hoop morgen." Daarop reikte de Arabier +haar en den arts zijne hand en ging haastig heen. + +Paula bleef in gedachten staan; toen viel haar in, dat de vervolgde +Hiram zich aan de overzij bevond onder het bereik van de Arabische +macht, en dat de koopman misschien zich voor hem in de bres kon +stellen, wanneer zij hem openhartig alles mededeelde wat zij wist. Zij +stelde bijzonder vertrouwen in den ouden heer, wiens goedige en +deelnemende blik haar nog altijd voor oogen zweefde; en zonder verder +op den arts te letten, liep zij ijlings naar de deur van het eerste +ziekenvertrek. Daarnaast hing een crucifix, en de non lag daarvoor +nedergeknield, om voor den ongeloovigen kranke te bidden en den +goeden herder te smeeken zich ook te ontfermen over het schaap, +dat niet tot zijne kudde behoorde. + +De jonkvrouw waagde het niet de biddende te storen, die voor den +smallen uitgang lag, en zoo verliepen er eenige oogenblikken, tot de +arts hare groote onrust opmerkte, de zaal verliet, de non even op +den schouder tikte en haar zacht, maar recht vriendelijk verzocht: +"Eén oogenblik, lieve zuster! Uw vroom gebed wordt altijd gehoord, +maar deze jonkvrouw heeft haast." + +De non stond dadelijk op, ging ter zijde en zag Paula met een +onvriendelijken blik na, toen deze haastig de trap afging. + +Aan de hofpoort zocht het oog van de jonkvrouw den Arabier te +vergeefs. Zij ondervroeg daarop een slaaf en vernam, dat het paard +van den koopman hier lang had gewacht, dat hij zooeven de poort +was doorgerend en zeker reeds op de schipbrug zou zijn, die Memphis +met het eiland Roda en dit weder met het fort Babylon en het nieuw +ontstaande Fostat verbond. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + +Vol onrust en ontevreden op zichzelve klom Paula de trap weder +op. Was het de hitte van dezen dag, die haar zoo mat maakte en haar +de tegenwoordigheid van geest deed verliezen, waarover zij anders +beschikken kon? Zij begreep nu zelve niet waarom zij de gelegenheid +om bij Haschim voor den trouwen dienaar te pleiten niet terstond had +aangegrepen. Misschien had de koopman zich het lot van Hiram kunnen +aantrekken. De slaaf aan de poort had haar gezegd, dat men hem nog +niet in handen had gekregen; de tijd om iets voor hem te doen was +dus nog niet gekomen. Zij wilde het doen, wilde de boosheid harer +verwanten op zich laden, desnoods alles verraden wat zij in dien nacht +gezien had, om den trouwen dienaar te redden. Dat was haar plicht, +maar vóor zij het deed, vóor zij Orion zoo diep vernederde, wilde +zij hem waarschuwen. De gedachte hem van zulk eene ergerlijke daad te +moeten beschuldigen, kwelde haar niet minder dan de noodzakelijkheid +om zichzelve leed te berokkenen. Zij haatte hem, maar zij had liever +het schoonste kunstwerk aan stukken geslagen, dan hem gebrandmerkt, +hem wiens schoon en innemend beeld nog altijd hare ziel vervulde. + +In plaats van Maria aan het ontbijt op te zoeken of den afgematten +oom aan te bieden eene partij met hem te schaken, begaf zij zich weder +naar het ziekenvertrek. Eene ontmoeting met vrouw Neforis of met Orion +zou haar pijnlijk aangedaan, zelfs geërgerd hebben. In lang had zij +zich niet zoo vermoeid en afgemat gevoeld. Misschien zou een gesprek +met den arts haar wat opwekken. Na de afwisselende aandoeningen van +de laatste uren verlangde zij naar iets, wat het ook zijn mocht, +dat haar kon opbeuren en over iets anders doen denken. + +In het eerste ziekenvertrek vraagde de non haar koel wat zij verlangde +en wie haar verlof had gegeven om aan de verpleging deel te nemen. De +arts, die juist het verband om het hoofd van den Masdakiet opnieuw +bevochtigd had, wendde zich daarop tot de kloosterzuster en bracht haar +duidelijk aan het verstand, dat hij de jonkvrouw als helpster bij zich +wilde hebben, en wel bij de behandeling van beide kranken. Daarop ging +hij Paula voor in de zaal en zeide haar met eene zachte stem: "Voor +het oogenblik is alles in orde. Zetten wij ons hier een poosje neer." + +Zij nam nu plaats op den divan, hij op een zetel tegenover +haar. Philippus begon het gesprek met te zeggen: "Gij hebt zoo straks +den schoonen Orion gezocht, thans moet gij..." + +"Wat?" vroeg zij ernstig. "Gij moogt het wel weten: de zoon des huizes +staat mij niet nader dan zijne moeder. Met dat 'schoone Orion,' hebt +gij iets willen zeggen, dat ik niet weder verlang te hooren. Ik moet +hem echter nog heden over eene gewichtige aangelegenheid spreken." + +"Wat geeft mij dan de vreugde, u hier weder te zien? Eerlijk gezegd, +had ik niet op uwe terugkomst gehoopt." + +"En waarom niet?" + +"Vergun mij het antwoord schuldig te blijven. De menschen hooren niet +gaarne onaangename dingen. Als iemand onzer een ander voor niet geheel +gezond houdt...." + +"Wanneer dat op mij slaan moet," zeide het meisje, "kan ik u +verzekeren: het eenige wat mij in mijzelve nog bevalt is juist +mijne gezondheid. Spreek maar uit wat gij op 't hart hebt. Zeg wat +mij aangaat het ergste. Ik heb heden iets noodig wat mij opheft uit +dezen toestand van verslapping, zelfs wanneer het mij boos maakt." + +"Goed zoo," hernam Philippus; "doch ik begeef mij in een gevaarlijk +vaarwater.--Om uwe gezondheid, of wat men gewoonlijk zoo noemt, kan +elke visch u benijden; maar die hoogere gezondheid, die der ziel, +daarop, vrees ik, kunt gij niet roemen." + +"Dat begin is bedenkelijk," antwoordde het meisje. "Uit uw verwijt +schijnt te volgen, dat ik u of iemand anders onrecht heb aangedaan." + +"Was dat het geval maar!" zeide de arts. "Niets, niet het minste is +mij uwerzijds bejegend. Ik ben die ik ben, denkt gij voor uzelve en +wat geef ik om de anderen?" + +"Het is de vraag wat gij onder die anderen verstaat." + +"Niets minder dan allen, die u hier in huis, in deze stad, op deze +wereld tegenwoordig omringen. Zij zijn voor u lucht en nog minder dan +dit; want de lucht is een stof, wier kracht zeilen vult en schepen +tegen den stroom opstuwt, welker afwisselende natuur op de gunstige +of ongunstige gesteldheid van ons lichaam inwerkt...." + +"Ik heb mijne wereld hierbinnen," hernam Paula, terwijl zij de hand +op het hart legde. + +"Zeer juist! De geheele schepping kan daar eene plaats vinden; +want wat men gemeenlijk een menschenhart noemt, hoeveel kan dat +niet omvatten! Hoe meer men meent dat het in zich bevatten kan, +des te gewilliger neemt het alles op. Het is gevaarlijk het slot +ervan te laten roesten, want als dat gebeurt en men wil het openen, +dan helpt geen rukken en trekken meer. En dan... maar ik wil u niet +kwetsen... gij hebt u gewend altijd op het verledene terug te zien...." + +"Wat verblijdends ligt er dan vóor mij? Uwe berisping is hard en +bovendien niet rechtvaardig. Hoe weet gij toch in welke richting +ik zie?" + +"Omdat ik u met het oog van een vriend heb gevolgd. Waarlijk Paula, +gij hebt verleerd om u heen en vooruit te zien. Wat achter u ligt, +wat voor u verloren ging, dat is de wereld waarin gij leeft. Ik heb +u eens op een afgebrokkelden papyrusrol van mijn ouden pleegvader +Horus Apollon een heidenschen demon getoond, die vooruit loopt, +terwijl de kop hem zoo op den hals zit, dat het geheele gezicht en +de oogen achterwaarts zien." + +"Dat herinner ik mij zeer goed." + +"Nu, gij gelijkt reeds lang op zulk een demon. Alles vloeit, zegt +Herakleitos, en gij zijt gedwongen met den grooten stroom voort te +zwemmen. Of wilt gij een ander beeld: gij moet op het pad des levens +voorwaarts loopen naar het doel dat allen nastreven. Doch uw oog +ziet daarbij achterwaarts, waar het zich vermeit in eene schoone, +rijke ouderlijke woning, in de liefde en teederheid van zoovelen, +en in een gelukkig maar helaas vervlogen bestaan. Daarbij treedt gij +voorwaarts, en wat moet nu het gevolg zijn?" + +"Dat ik struikel, denkt gij, en val...." + +Het verwijt van den arts had Paula te dieper getroffen, naarmate +zij zich minder verhelen kon, dat het veel waarheid bevatte. Zij +was gekomen om zich wat te laten opbeuren, maar nu vergalde deze +aanklacht zelfs haar blij gevoel van gezondheid. Waarom liet zij +zich door dezen toch nog geenzins bedaagden man in het verhoor nemen +als een schoolmeisje? Als dat zoo voort ging, dan zou hij moeten +hooren... Doch nu volgde zijn antwoord; dat verfrischte haar weder en +bevestigde haar in de overtuiging, dat hij voor haar een waarachtig +welmeenend vriend was. + +"Dat misschien niet," luidde zijn wederwoord, "omdat--omdat--nu ja, +de voorzienigheid heeft u gezegend met de schoonste evenredigheid, +en als de dochter van een held schrijdt gij met zelfbewustzijn +voorwaarts. Vergeten we niet, dat ik van uwe ziel spreek, en deze +handhaaft hare aangeborene fierheid onder zooveel dat klein en laag +bij den grond is." + +"Waarom moet ik dan vreezen achterwaarts te zien, wat mij zoo goed +doet?" vroeg zij opgewekt, den arts opnieuw vertrouwelijk in het +aangezicht ziende. + +"Omdat gij op die manier anderen licht op den voet trapt! Dat doet +pijn, zij worden boos op u, en zij leeren u, die inderdaad meer liefde +gevoelt dan zij allen, knorrig te zijn!" + +"Dat is niet zoo, want ik ben mij bewust zoolang ik leef geen mensch +met opzet bedroefd of beleedigd te hebben." + +"Dat weet ik, maar onbewust is het duizendmaal gebeurd." + +"Dan zou het beste zijn, dat ik ze allen voor goed ontvluchtte." + +"Neen, duizendmaal neen! Wie zich terugtrekt uit zijne omgeving en +zich in de eenzaamheid opsluit, meent iets verdienstelijks te doen en +zich te plaatsen boven een bestaan dat hij veracht. Denk er maar eens +goed over na. De zelfzucht, de eigenliefde drijft hem in een grot of +kluis; in elk geval bereikt hij niet wat hij voor zijn geluk houdt, en +verzuimt hij de voornaamste plichten jegens de menschheid, of zeggen +wij liever jegens de samenleving waartoe wij behooren. Zij is een +groot lichaam en ieder mensch op zichzelven moet zich beschouwen als +een deel ervan, moet trachten het te dienen en nuttig te zijn, en als +het noodig blijkt zich bereid toonen daarvoor een offer te brengen. De +zwaarste mogen niet te zwaar zijn. Maar wie zich terugtrekt, maar +gij--neen, hoor mij, bid ik u, ten einde, want ik waag het misschien +niet voor de tweede maal om mij aan het gevaar bloot te stellen u te +vertoornen--gij wilt een lichaam op uzelve zijn. Wat Paula beleefd +en bezeten heeft, dat houdt zij in de schatkamer harer herinneringen +achter slot en grendel verborgen. Wat Paula is, dat meent zij juist +te moeten zijn; en voor wie? Wederom alleen voor diezelfde Paula. Zij +heeft groot leed ondervonden en daarvan leeft hare ziel; maar dat +voedsel is verwerpelijk, is ongezond, is slecht." + +Zij wilde opstaan, maar vol ijver en geheel overtuigd dat hij dit +gesprek niet mocht laten afbreken, boog hij zich naar haar toe, +raakte even haar arm aan, als wilde hij haar op den divan vasthouden +en ging zonder zich van zijn stuk te laten brengen voort: "Gij voedt +u met het oude leed. Heel goed! Honderdmaal heb ik gezien, dat de +smart veredelen kan. Zij kan wakkere zielen in staat stellen om het +lijden van anderen dieper te gevoelen, zij kan in hen het verlangen +wekken, om het leed van anderen door blijmoedige zelfopoffering te +lenigen. Wie smart en beproevingen bij ervaring kent, die geniet +voorspoed en geluk met dubbele vreugde; de lijdende leert ook het +geringste levensgenot te waardeeren. Maar gij? Reeds lang heb ik mij +trachten aan te gorden, om het u te zeggen--gij trekt uit de smart +geen voordeel, omdat gij haar in uzelve opsluit, als kostbare zaden, +die men in een zilveren doos bij zich draagt. Men moet ze aan de +aarde toevertrouwen, opdat ze ontkiemen en vruchten dragen. Doch +ik wil niet berispen, ik verlang alleen te raden als uw trouwste +en beste vriend. Leer u toch een lid te gevoelen van het lichaam, +waaraan het lot u nu eenmaal heeft toegevoegd, het moge u bevallen +of niet. Wees erop bedacht aan dat lichaam de diensten te bewijzen, +waartoe uw aanleg u in staat stelt. Gij zult wel ontdekken in welk +opzicht gij dat doen kunt; het zal u gelukken iets voor dat lichaam te +zijn, en dan opent gij de doos en met verbazing en blijdschap zult gij +waarnemen, dat de zaadkorrel, die gij in de aarde strooit, opschiet, +dat hij bloeit en vruchten geeft, waaruit brood gemaakt kan worden +of artsenij voor u en anderen! Laat dan, gelijk in den bijbel staat, +de dooden hunne dooden begraven, en wijd aan de levenden de rijke +krachten, de schoone gaven, die als het erfdeel van een aanzienlijken +vader en eene edele moeder, ja, van eene eerbiedwaardige rij van +voorvaderen op de waardige kleindochter zijn overgegaan. Dan zult +gij wedervinden wat gij verloren hebt: de vreugde namelijk over een +bestaan, dat wij mogen genieten, waarmede wij ons voordeel hebben +te doen, omdat het ons eene verplichting oplegt, die wij maar eens +in staat zijn te vervullen. De goede voorzienigheid heeft u boven +duizenden met gaven toegerust om bemind te worden, en wanneer gij +niet vergeet, dat gij haar daarvoor dank schuldig zijt, dan zullen +de harten, die zeker niet aangetrokken worden door een boom, welke +zich kunstmatig omgeeft met afwerende stekels of de twijgen laat +hangen gelijk de treurwilgen aan den Nijl, zich voor u openen, en +gij zult een nieuw leven beginnen, gelukkig voor uzelve en gelukkig +voor anderen. Gij zult een doodsch en eenzaam bestaan, dat gij hier +voortsleept tot niemands vreugde en allerminst tot uwe eigene, +veranderen in een vruchtbaar leven, dat uzelve voldoening geeft, +dat als het zonlicht geluk en zegen rondom zich verspreidt. Wanneer +gij hier gekomen zijt om deze beklagenswaardige zieken te verplegen, +dan hebt gij reeds de eerste schrede gezet op den nieuwen weg tot uw +waarachtig geluk, dien ik u wijzen wil. Ik had u hier niet verwacht, +maar ik ben u dankbaar dat gij gekomen zijt, omdat ik weet dat het +binnentreden door deze deur u op den weg kan brengen tot eene nieuw +ontwaakte levenslust, wanneer gij vastbesloten zijt dien weg te +betreden. Dan zoudt gij, goddank, gered zijn!" + +Na deze woorden stond de arts op, en terwijl hij de zweetparelen +van zijn voorhoofd droogde, zag hij angstig naar Paula, die zwaar +ademhaalde, en zoo ontsteld en besluiteloos, als hij haar nog nooit +gezien had, op hare plaats was blijven zitten. Zij liet haar voorhoofd +op hare hand rusten en staarde zwijgend in haar schoot, als worstelde +zij tegen een gevoel van smart. De jonge man sloeg de armen over +elkander als een arbeider, wiens handen verstijven in den kouden +wintertijd, en zeide pijnlijk bewogen: "Ja, ik heb het uitgesproken +en gevoel er geen berouw over dat het gebeurd is, maar wat ik vreesde, +dat zie ik nu gebeuren. Ik zal de beste vreugde moeten verliezen, die +mij verkwikte bij mijn dagelijkschen arbeid. Het is een schoon gebod: +Plato lief te hebben, maar meer nog dan Plato de waarheid; doch wie het +opvolgt moet er op voorbereid zijn, dat die waarheid de vrienden uit +de onaangename nabijheid van den armen apostel der waarheid wegjaagt." + +Dit hoorende rees Paula op, en gehoor gevende aan de inspraak van haar +edel gemoed, stak zij den arts hartelijk de rechterhand toe. Hij greep +haar met beide handen, drukte haar zoo stevig, dat het der jonkvrouw +bijna pijn deed, en sprak met vochtige van blijdschap stralende oogen: +"Dat had ik gehoopt; dat is goed, dat is edel! Mocht ik toch uw broeder +zijn, voortreffelijk meisje! Komaan, zoo onder ééne verpleging, dan +kan dat arme, waanzinnige, zwaar gewonde, schoone schepseltje daar +onder de uwe genezen!" + +"Ik kom," antwoordde zij met warmte, en daar lag iets gezonds, +iets opwekkends in haar wezen, toen zij naar het ziekenvertrek +toeliep. Doch halverwege veranderde de uitdrukking van haar gelaat, +en na een oogenblik nadenken deed zij de vraag: "Aangenomen dat wij +haar doen herstellen: waartoe zal dit goed voor haar zijn?" + +"Daarvoor, dat zij ademt en het zonlicht mag genieten," antwoordde +de arts, "dat zij u dankbaar kan zijn en eindelijk weder voor hare +samenleving doen kan wat zij vermag, dat zij, alles saamgenomen,--dat +zij leeft! Want te leven--mocht gij het met mij gevoelen en +ervaren!--te leven is toch het hoogste." + +Paula zag den man, die met zooveel geestdrift had gesproken, verbaasd +in het leelijk aangezicht. Welk eene blijdschap straalde haar daaruit +tegen! Niemand had op dit oogenblik durven beweren, dat het niet fraai +was en alle aantrekkelijkheid ontbeerde. Hij geloofde aan hetgeen +hij met zooveel warmte had gezegd, en toch was het in tegenspraak +met de zienswijze, die hij nog gisteren was toegedaan en zoo vaak had +verdedigd, dat namelijk het leven op zichzelf beschouwd een ellendig +ding is voor ieder, die het niet krachtig weet aan te grijpen om er +iets goeds van te maken. Op dit oogenblik was het voor hem werkelijk +het hoogste. + +De jonkvrouw ging hem voor en zijn oog hing aan haar als dat van +den vromen pelgrim aan het heiligenbeeld, waarheen hij met doorwonde +voeten ter bedevaart ging over berg en dal. Zij naderden thans het bed +van de kranke. De non ging voor hem uit den weg en maakte hare eigene +gevolgtrekkingen over de verandering in het voorkomen van den arts, +en de zalige, kinderlijke blijdschap, waarmede hij Paula verklaarde +waarin het gevaar voor de kranke lag, welk plan hij gemaakt had om +het arme schepseltje te redden, hoe zij de compressen moest maken en +de geneesmiddelen toedienen, en hoe noodig het was, zoolang de koorts +aanhield, met de schijnvoorstellingen van de waanzinnige mede te gaan +en te doen alsof het verstandige denkbeelden waren. + +Ten laatste moest hij zich verwijderen om andere kranken te +bezoeken. Paula bleef aan het hoofdeinde van het ziekbed zitten en keek +de ongelukkige in het aangezicht. Wat was zij schoon! En deze roos +had Orion als knaap gebroken en smadelijk vertreden! Dit meisje had +zeker hetzelfde voor hem gevoeld als zij. En thans? Zou zij niets meer +voor hem voelen dan haat, of zou haar hart zich, evenals haar eigen, +ondanks toorn en minachting, toch niet geheel vrij hebben kunnen maken +van de betoovering, waarin hij het eenmaal had gevangen? Doch wat was +dit eene zwakke gevoeligheid! Zijne vijandin wilde en moest zij zijn! + +En nu sloeg zij nadenkend een blik op dat ijdele, ledige leven, +hetwelk zij sedert eenige jaren had geleid. De arts had waarlijk den +vinger op den wond gelegd; ja, hij was eer te zacht dan te streng +geweest. Zij wilde thans beginnen hare kracht nuttig te gebruiken; +maar hoe, op welke wijze, hier onder deze menschen? Hoe straalde het +gelaat van den armen Philippus van blijdschap, toen zij hem de hand +had geboden, en hoe medeslepend was de stroom zijner woorden! "Hoe +onjuist," dacht zij, "is toch de spreuk: het lichaam is de spiegel der +ziel. Als dat opging moest Philippus er uitzien als Orion, en Orion +als Philippus." Maar zou dan het hart van den eerste geheel verdorven +zijn? Neen, dat was niet mogelijk, en alles in haar verzette zich +tegen deze opvatting. Zij moest hem liefhebben of haten, hier was +geen middenweg; maar beide gewaarwordingen worstelden en streden tegen +elkander op pijnlijke wijze. De arts wilde een broeder voor haar zijn +en bij de gedachte daaraan moest zij glimlachen. Zij zou misschien +rustig en tevreden met hem, hare Betta en zijn ouden geleerden +vriend en huisgenoot, van wien hij haar dikwijls verteld had, kunnen +samenwonen, hem volgen bij zijne studiën, hem helpen bij zijn beroep +en met hem vele wetenswaardige dingen bespreken. Zulk een leven, dat +moest zij erkennen, zou duizendmaal te verkiezen zijn boven dat in +de nabijheid van vrouw Neforis. Zij had een vriend in hem gevonden, +en dat zij hem gaarne als zoodanig beschouwen wilde, daarin lag zeker +de eerste vervulling zijner belofte, want het toonde dat haar hart nog +altijd bereid was om zich voor dat van een ander vriendelijk te openen. + +Te midden van al deze overwegingen vervulde haar nog altijd de +bezorgdheid voor den bedreigden Hiram, en daarbij drukte haar +loodzwaar de overweging dat, als het tusschen haar en Orion tot +het uiterste kwam, het gedaan was met haar verblijf in het huis +van den stadhouder. Hoe vaak had zij niets vuriger gewenscht dan +deze omgeving te kunnen verlaten, maar heden zag zij er tegen op, +want te scheiden van den oom sloot tevens in voor goed afscheid te +nemen van diens zoon. Zij haatte hem, maar hem geheel uit het oog te +verliezen, dat zou haar bitter zwaar vallen. Philippus te volgen om +hem als eene zuster ter zijde te staan, dat scheen haar ondenkbaar +en ten eene male verkeerd. + +Onder al deze overwegingen luisterde zij naar de ademhaling der kranke +en behandelde haar naar het voorschrift van den arts, wiens terugkomst +zij met verlangen te gemoet zag. Doch in zijne plaats kwam de non bij +het bed, legde de hand op het voorhoofd van het zieke meisje, voelde +haar den pols en fluisterde haar vriendelijk toe, zonder op Paula +acht te geven: "Goed zoo, mijn kind, maar slapen, altijd slapen! Hoe +zij toch zoo rusten kan! Moge het zoo blijven! Het hoofd is koeler +geworden; Philippus zou zeker zeggen: bijna geen koorts meer! God +zij gedankt, het ergste gevaar is zeker voorbij." + +"O, hoe verheugt mij dit!" zeide de jonkvrouw, en in die woorden lag +zooveel oprechtheid en warmte, dat de non haar toeknikte en haar van +nu aan de kranke gerust en gewillig overliet. + +In lang had Paula zich niet zoo gelukkig gevoeld. Het kwam haar voor, +alsof hare tegenwoordigheid eene goede uitwerking had op de kranke, +als ware Mandane door hare korte verpleging reeds op den drempel van +een nieuw leven gekomen. Paula, die zich nog kort geleden voor een door +het noodlot vervolgd schepsel hield, herademde bij de gedachte, dat +zij ook geluk kon aanbrengen. Vroolijk en met oprechte teederheid zag +zij Mandane in het meer dan lieftallige gelaat, schikte het verband, +dat wat verschoven was, zorgvuldig over de verminkte ooren en drukte +zacht een kus op hare lange zijden wimpers. De Damasceensche begon +aan de verstandige non meer en meer te bevallen, en toen het uur voor +het gebed weder daar was, nam zij Paula, de wees in het vreemde huis, +de Griekin die overeenkomstig Gods ondoorgrondelijk raadsbesluit +buiten haar zaligmakend geloof was geboren, mede daarin op. + +Eindelijk keerde Philippus terug, verheugde zich over het blijmoedige +uitzicht van zijne nieuwe vriendin en bevestigde, dat Mandane onder +hare behandeling het ergste gevaar te boven was gekomen, en haar +toestand allen grond gaf om te verwachten, dat zij langzaam, zoo hij +hoopte geheel zou herstellen. + +Nadat Paula het compres ververscht had, waarbij hij haar met opzet +de handen vrij liet, zeide hij opgewekt: "Wat hebt gij deze dingen +spoedig aangeleerd! Ziedaar, het meisje slaapt alweer, de liefdezuster +waakt en wij kunnen onze patiënte voor het oogenblik niet van dienst +zijn, want eene zachte sluimering is voor haar beter dan eten of +drinken. Bij ons beiden, ten minste bij mij, is het anders. Er moeten +nog wel twee uren verloopen voor den grooten maaltijd, mijn ontbijt +staat daarginds nog onaangeroerd, en met het uwe zal het wel niet +anders gelegen zijn, wees dus mijn gast. Zij sturen altijd zooveel, +dat men zes scheepssjouwers er mee verzadigen kan." + +Dit voorstel was Paula niet onwelkom, want de honger had reeds lang +bij haar aangeklopt. Aan de non werd opgedragen spoedig nog een paar +borden te halen, aan bokalen was overigens geen gebrek, en zoo zaten +de nieuwe vrienden weldra etende tegenover elkander, ieder aan zijn +tafeltje. Hij sneed de eend voor en de gebradene kwartels, diende haar +van de salade en de dampende artisjokken, die de non op verlangen van +den kok, wiens eenig knaapje de arts had gered, mede boven gebracht +had, wees op de kleine pasteitjes, de vruchten en koeken, die ook +nog daar waren, vervulde de rol van schenker, en terwijl zij het zich +goed lieten smaken, ontspon zich tusschen hen een levendig gesprek. + +Paula vroeg heden voor het eerst naar de jeugd van Philippus, en hij +begon met een tafereel op te hangen van zijn tegenwoordig leven, +dat hij met den ouden wonderlijken Isis-dienaar en onderzoeker +Horus Apollon deelde, schilderde zijn ingespannen arbeid overdag en +zijne stille studiën des nachts, en wist dit alles zoo geestig op +te sieren, dat zij vaak luide moest lachen. Maar weldra kreeg zijn +verhaal eene weemoedige tint, toen hij haar mededeelde hoe vroeg +hij vader en moeder had verloren, zoodat hij, zonder bloedverwanten, +op eigen voeten moest staan met niet anders dan een armzalig geërfd +kapitaaltje. Want zijn vader was een taalgeleerde geweest, die uit +Athene naar Alexandrië was geroepen, en hij had zich gedwongen gezien +zichzelven een weg door het leven te banen, dat er voor hem uitzag als +een verwilderd bosch van papyrusriet en biezen. Ieder uur van zijn +leven moest aan den arbeid worden besteed, en zulk een leelijke, +lange Goliath als hij was, had niet zoo gemakkelijk beschermers +gevonden, die hem voorthielpen. Aan de hoogescholen te Alexandrië, +Athene en Caesarea had hij door onderricht te geven en door het +bereiden van geneesmiddelen uit planten, die hij zelf had gezocht, +zich in het leven trachten te houden met water in plaats van wijn, +met brood en vruchten in plaats van kwartels en pasteien. Toch had +hij menig goed vriend gevonden, maar zich eene vriendin te verwerven, +dat ging niet gemakkelijk met een gezicht als het zijne. + +"Zoo ben ik dan wel de eerste?" vroeg Paula, die oprechte achting +gevoelde voor den man, die zich door zijne eigene kracht had opgewerkt +tot de hooge plaats, welke hij sedert lang niet enkel te Memphis maar +onder alle Egyptische heelmeesters innam. + +Hij knikte toestemmend en met zulk een zalig lachje, dat het haar +was als viel er een zonnestraal in hare ziel. + +Hij bemerkte het terstond, hief zijn beker op en zeide tot haar met +hoogroode wangen: "Wat anderen vroeg ten deel valt, heb ik eerst later +verworven, maar daarvoor vind ik ook eene vriendin zonder weerga." + +"Ik hoop althans dat zij nog niet zoo slecht is, als gij haar zooeven +hebt geteekend. Als onzen vriendschapsbond maar niet een spoedig +einde bedreigt!" + +"Oho," riep de arts; "elke bloeddruppel in deze aderen..." + +"Zoudt gij bereid zijn voor mij te plengen," vulde Paula aan met +een pathetisch gebaar, dat zij den eersten speler in de tragedie +op het theater te Damascus had afgezien. "Maar wees niet bezorgd, +er is geen sprake van leven of dood. Hoogstens jagen ze mij uit dit +huis en uit Memphis." + +"U?" vroeg Philippus opeens met schrik. "Wie zou dat durven wagen?" + +"Zij, voor wie ik zoo zonderling vreemd bleef, gelijk gij straks zoo +treffend hebt geschilderd. En hebben zij hun zin gekregen, dan, mijn +beste nieuwe vriend, zal het ons gaan als den geleerden Dionusios +van Kurene." + +"Van Kurene?" + +"Ja! Ik heb dat verhaal van mijn vader. Toen deze Dionusios zijn +zoon naar Athene op de hoogeschool zond, zette hij zich neder om een +boek voor hem te schrijven over alles wat een student op de academie +doen en laten moet. Hij wijdde zich aan dezen arbeid met allen ijver, +en toen hij na vier jaren onder het laatste blad van de rol schreef: +'zoo is dan dit boek gelukkig ten einde,' keerde de jongeling, voor +wiens studie dit werk een leiddraad moest zijn, als een volmaakt +geleerde naar Kurene terug." + +"En zoo hadden wij onze vriendschap gesloten...." + +"En alles voor een vaster verbond in de toekomst voorbereid, om weldra +uit elkander te gaan." + +Plotseling sloeg Philippus met de vuist op het tafeltje, dat voor de +rustbank stond, en riep: "Dat zal ik weten te beletten! Doch wilt ge +mij in vertrouwen mededeelen, wat er tusschen u en die hier beneden +weder heeft plaats gehad?" + +"Gij zult het tijdig genoeg vernemen." + +"En wie denkt, dat men u zonder komplimenten den stoel voor de deur +kan zetten, en dat daarmee ook alles tusschen ons uit is, die zou zich +kunnen vergissen!" hernam de arts, terwijl zijne oogen fonkelden van +toorn. "Ik heb hier in huis ook een woordje mee te spreken, en zoo +ver zijn wij nog lang niet, zoo ver zal het stellig niet komen. Gij +moet hen verlaten, ja, dat moet gij, maar alleen vrijwillig en met +opgerichten hoofde.." + +Daar werd de deur van het eerste ziekenvertrek driftig geopend en +een oogenblik later stond Orion op den drempel van de aangrenzende +zaal, zag beiden, die zooeven hun maal geëindigd hadden, met groote +bevreemding aan en zeide somber: "Ik zie dat ik u stoor." + +"Volstrekt niet," antwoordde de arts. Doch de jongeling begreep +dat het laf en te dezer plaatse weinig voegzaam zou zijn, indien +hij aan een aanval van ijverzucht lucht gaf, en antwoordde lachend: +"Ik wenschte dat het mij geoorloofd was geweest als derde aan dit +sumposion deel te nemen!" + +"Wij hadden aan elkander volkomen genoeg," antwoordde de arts. + +"Hij zou van de zaligheid zeker zijn, die aan alle leerstukken van +de kerk zoo gemakkelijk gelooven kon als aan deze bewering," zeide +Orion, lachend. "Ik ben anders geen spelbreker, geëerde vrienden, maar +ditmaal, het doet mij oprecht leed, moet ik toch een rustverstoorder +zijn. Het betreft," en nu gevoelde hij zich weder in staat den +schertsenden toon te laten varen, die zoo slecht te rijmen was met +zijne stemming--"het betreft eene zeer gewichtige zaak. Het geldt +niemand minder dan uw vrijgelatene, mijne schoone jonkvrouw." + +"Is Hiram terug?" vroeg Paula, en zij gevoelde daarbij dat zij +bleek werd. + +"Zij hebben hem opgebracht," hernam Orion. "Mijn vader heeft de +rechters terstond doen samenroepen. De gerechtigheid heeft bij ons +vlugge beenen, het doet mij leed voor den man, doch ik kan niet +verhinderen dat het recht zijn loop heeft. Ik moet u verzoeken bij +het verhoor tegenwoordig te zijn als men u roept." + +"Men zal de volle waarheid vernemen," antwoordde Paula op vasten +strengen toon. + +"Natuurlijk," hernam Orion. Daarop wendde hij zich tot den arts. "U, +voortreffelijke arts, zou ik willen verzoeken mijne verwante en +mij een oogenblik alleen te laten. Ik heb haar een raad te geven, +die haar zeker voordeelig kan zijn." + +Philippus zag zijne vriendin vragend aan, zij antwoordde echter +luide en beslist: "Ik heb met u geene geheimen, wat ik vernemen moet, +mag ook deze hooren." + +Orion haalde de schouders op en deed als wilde hij heengaan; doch +voor den drempel keerde hij zich om en zeide gejaagd, vol werkelijke +bezorgdheid: "Wanneer gij mij niet hooren wilt om uwentwil, zoo doe +het, hoe kwalijk ge mij ook gezind zijt, omdat ik u smeek mij deze +gunst niet te ontzeggen. Hier staat het leven van een mensch op +het spel en het geluk, de zielsrust van een ander.--Zeg niet neen, +ik vraag niets onbillijks, Philippus! Vervul mijn wensch en laat ons +eenige oogenblikken alleen." + +Andermaal vroegen de oogen van den arts aan de jonkvrouw wat te doen, +en ditmaal antwoordde zij: "Ga!" waarop haar vriend zich dadelijk +verwijderde. + +Terstond daarop sloot Orion de deur en zeide, terwijl zijne borst +hijgde: "Wat heb ik u toch gedaan, Paula, dat ge mij sedert gisteren +vliedt als een melaatsche, dat gij het er op toelegt mij in het +verderf te storten?" + +"Ik wil mij voor het leven van een trouw dienaar in de bres stellen, +meer niets," antwoordde zij gelaten. + +"Op het gevaar af mij ongelukkig te maken?" vroeg Orion bitter. + +"Ja, op dit gevaar af, als gij den vloekwaardigen moed hebt uwe eigene +schuld op de schouders te laden van dezen eerlijken man." + +"Gij hebt mij in den afgeloopen nacht bespied!" + +"Alleen het toeval heeft gewild, dat ik u uit het tablinum..." + +"Ik onderzoek thans niet wat u zoo laat daarheen voerde," zeide de +jongeling haar in de rede vallende. "Want het stuit mij tegen de +borst van u iets anders dan het beste, het reinste te gelooven. Maar +gij? Wat hebt gij anders van mij ondervonden dan vriendschap, ja--het +zou dwaasheid zijn hier iets te verbergen--dan wat een minnaar zijne +geliefde....." + +"Zijne geliefde?" viel Paula verstoord in. "Een minnaar, durft gij te +zeggen, gij die hand en hart aan eene andere hadt geschonken, gij...." + +"Wie heeft u dat gezegd?" vroeg Orion verslagen. + +"Uwe eigene moeder." + +"Dat! dat is het dus!" riep de jongeling, terwijl hij de handen +krampachtig in elkander wrong. "Nu eerst versta ik, begrijp +ik.... Maar wacht... Als het dat is wat u aandrijft om mij te haten, +mij te vervolgen, dan moet gij mij liefhebben, dan hebt gij mij lief, +meisje, en dan, gij fiere, eenige jonkvrouw..." + +Bij deze woorden had hij de hand naar haar uitgestoken, maar zij stiet +hem terug en sprak met bevende stem: "Vergis u niet! Ik behoor niet +tot de zwakke lammeren, voor wie gij uwe gaven en voorrechten misbruikt +hebt, en die zich beijverden u de handen te kussen. Ik ben de dochter +van Thomas, en de bruidegom van een ander die mij op den weg ter +bruiloft nog zou willen omarmen, die zal tot zijne schade ondervinden +dat er vrouwen zijn, die zijne waanzinnige wenschen afwijzen en den +smaad haar toegedacht weten te straffen. Ga nu tot uwe rechters! Gij +valsche aanklager, noemt mijn Hiram; maar ik noem u, u, den zoon van +dit huis den dief. Laten wij zien wien zij gelooven zullen!" + +"Mij!" hernam Orion en zijne oogen begonnen een niet minder toornigen +en verterenden gloed te vertoonen dan de hare. "Mij, den zoon van den +Mukaukas! O, dat gij geene vrouw waart! Ik zou u op de knieën willen +werpen en dwingen mij om vergeving te vragen. Hoe durft gij het wagen +op een man, wiens wandel tot dusver zoo vlekkeloos rein was als uw +blank gewaad, met den vinger te wijzen, alsof hij een nietswaardige +was? Ja, ik ben in het tablinum gegaan, ik heb den smaragd uit het +tapijt gerukt, maar het is in eene overmoedige luim geschied en in de +overtuiging dat het goed mijns vaders ook het mijne is. Daarna heb ik +den steen weggeslingerd, om aan de zonderlinge liefhebberij van een +vluchtigen inval te voldoen. Vervloekt zij de ure waarin het geschied +is, niet om de daad zelve, maar om de gevolgen, die zij na zich sleepen +kan door uw waanzinnigen haat. IJverzucht, kleingeestige onwaardige +ijverzucht is het die hem deed ontstaan! En tegen wien is hij gericht?" + +"Tegen niemand, ook niet tegen uwe bruid Katharina," zeide Paula +met gedwongene kalmte. "Wat zijt gij nog voor mij, dat ik, om u eene +deemoediging te besparen, het leven van den braafsten man op het spel +zou zetten? Het blijft daarbij: de rechters mogen beslissen." + +"Neen, dat zullen zij niet!" herhaalde Orion met kracht, "ten minste +niet in uw zin! Wees gewaarschuwd, pas op dat gij mij niet tot het +uiterste drijft! Nog zie ik in u de vrouw die ik liefhad, nog bied +ik mij aan om te doen wat in mijn vermogen is, om ook voor u alles +ten beste te keeren..." + +"Voor mij? Ben ook ik dan bestemd uw schuld mede te dragen?" + +"Hebt gij zoo straks beneden het geblaf der honden vernomen?" + +"Ik hoorde honden keffen." + +"Welnu, de vrijgelatene is opgebracht, de jachthonden hebben hem +door hun reuk gevonden en werden toen in huis en in de nabijheid van +het tablinum gebracht, de honden zijn niet van den drempel geweken, +en de lieden hebben daar later op den wit marmeren dorpel aan het +rechter einde, de sporen van eens mans voet in het stof ontdekt. Die +voet was op eene bijzondere wijze gevormd; in plaats van vijf teenen +waren er maar drie te herkennen. Uw Hiram werd binnen gebracht en bij +hem werden evenveel teenen gevonden als op het marmer, niet minder en +niet meer. In den stal uws vaders heeft eene hengst hem vroeger op +den voet getrapt en de arts hem twee zijner teenen moeten wegnemen; +dat heeft men met moeite uit den stotteraar gekregen. Aan de andere +zijde van den dorpel was een kleiner spoor; de honden mochten er +weinig acht op geven, ik heb het opgemerkt en stellig uitgemaakt--hoe, +behoeft gij niet te weten--dat gij het geweest zijt, die daar hebt +gestaan. Hij, die geen recht heeft ons huis te betreden, is in dezen +nacht ons tablinum, onze schatkamer binnengedrongen. Verplaats u +in het gemoed van de rechters! Hoe zwaar kan wel tegenover zulke +daadzaken het enkele woord van eene jonkvrouw wegen, van wie ieder +weet dat zij het met mijne moeder alles behalve eens is, en die alles +op het spel moet zetten om haar dienaar te redden." + +"Dit alles doet er niets toe," zeide Paula. "Maar Hiram heeft den steen +niet gestolen. Gij zelf weet het al te goed wie het gedaan heeft. De +smaragd, dien hij verkocht, was mijn eigendom, en al gelijken die +beide steenen zoo op elkander, dat zelfs de verkooper....." + +"Ja, ja, hij kon ze niet onderscheiden. Booze demonen zijn bij dit +alles in het spel, duivelsche, helsche geesten. Mijn verstand zou er +bij stilstaan, als het leven niet zoo vol van wonderen was. Gijzelve +zijt wel het grootste wonder! Hebt gij den Syriër gelast den smaragd +te koop te bieden, om met het geld uit dit huis te vluchten?--Gij +zwijgt? Dus heb ik het geraden. Wat geeft gij om mijn vader! Mijne +moeder hebt gij niet lief, en den zoon--Paula, Paula, misschien +doet gij hem toch onrecht!--Gij haat hem, het is u een lust hem +te benadeelen." + +"Noch u, noch niemand anders wil ik kwaad doen," antwoordde het meisje, +"en uw vermoeden is valsch. Uw vader ontzegt mij de hulpmiddelen om +den mijnen te zoeken...." + +"En gij hebt u geld willen verschaffen, om verder onderzoek te doen +naar den sedert lang gestorvene. Zelfs mijne moeder stemt toe, dat +gij de waarheid liefhebt. Heeft zij gelijk en schept gij er waarlijk +geen behagen in mij in het verderf te storten, hoor dan naar mij, +volg mijn raad, vervul mijne bede! Ik vraag niet te veel." + +"Spreek dan!" + +"Weet gij wat de eer voor een man beteekent? Behoef ik u te zeggen dat +ik een verloren, een geschandvlekt man ben, wanneer ik om deze daad +van de meest hersenlooze lichtzinnigheid door de rechters van mijn +eigen huis word veroordeeld? Het kan mijn vader het leven kosten, +als hij verneemt dat het 'schuldig' over mij wordt uitgesproken, en +ik--ik--wat er van mij worden zal als dat geschieden moet, dat kan +ik niet indenken.... Ik.... God, God, behoed mij voor waanzin! Maar +bedaard, bedaard, de tijd dringt.... Hoe anders staat het met uw +dienaar; hij schijnt reeds nu bereid de schuld op zich te nemen, +want hoe men hem ook ondervraagt, hij bewaart het stilzwijgen. Doe +hetzelfde, en leggen de rechters bijzonderen nadruk op het onderhoud, +dat gij dien nacht met den Syriër hebt gehad--de honden hebben zijn +spoor gevonden op uwe trap--spreek dan het vermoeden uit, dat de trouwe +man zich van den smaragd kan hebben meester gemaakt, ten einde aan +uw verlangen te voldoen tot het doen van verdere nasporingen naar uw +vader, zijn geliefden meester. Kunt gij besluiten dit zware offer te +brengen--helaas, dat ik het vragen moet!--dan zweer ik u bij alles +wat mij heilig is, bij uzelve en bij het hoofd mijns vaders, dat ik +Hiram uiterlijk binnen drie dagen, ongeslagen en ongefolterd, met een +vorstelijk geschenk uit de gevangenis ontsla, en dat ikzelf hem den +weg zal banen om te vluchten waarheen hij wil, of als gij dit begeert, +om verder te zoeken naar uw overleden vader.--Zwijg dus, houd u gelaten +op den achtergrond, dat is alles wat ik verlang, en dat ik woord zal +houden, daaraan ten minste, niet waar, daaraan twijfelt gij niet?" + +Diep bewogen had zij hem aangehoord. Zij had medelijden, innig +medelijden met hem, zooals hij daar smeekend en door gewetenswroeging +gemarteld voor haar stond, als een misdadiger die nog maar altijd niet +begrijpen kon dat hij het was, en die bouwde op het vertrouwen, dat +hij gisteren nog gerechtigd was van iedereen te vorderen. Hij stond +daar voor haar als een schoone, trotsche boom, waarin de bliksem was +geslagen en die nu waggelend en met gespleten stam bij een volgend +onweder ter aarde moet vallen, als de hovenier hem niet stut. Het +liefst zou zij alles wat haar door hem aangedaan was vergeten en zijne +hand vriendelijk gegrepen hebben om hem te troosten, maar haar diep +gekrenkte trots deed haar de koele ontwijkende houding bewaren, die +zij tot hiertoe tegenover hem had kunnen aannemen. Aarzelend en met +afgemeten woorden stemde zij toe te zullen zwijgen, zoolang hij woord +hield. Niet zoozeer om zijn maar om zijns vaders wil was zij bereid +zich tot medeplichtige te maken. Doch daarmede was alles tusschen +hen uit, en zij zou de ure zegenen, die haar voor eeuwig van hem en +de zijnen zou scheiden. + +Dit laatste gedeelte van haar antwoord klonk bijzonder hard en +afwijzend, en zij moest op zulk een toon spreken om niet te verraden +hoe diep zijn ongeluk en het ondergaan van den zonneschijn in zijn +persoon, die ook een wijle haar gemoed zoo zalig had verwarmd, haar +aangreep; doch voor hem was het of in die woorden, waaruit ergerlijke +minachting en vijandige gezindheid schenen te spreken, een ijskoude +wind hem tegenwoei. Hij had moeite om zichzelven meester te blijven, +ten einde niet andermaal zich te laten medesleepen tot een heftigen +uitval. Het deed hem bijna leed haar zijn geheim toevertrouwd, haar +om genade gebeden, aan de zaak niet haar loop gelaten en haar, als +het tot een uiterste was gekomen, met zich in het verderf gesleurd te +hebben. Liever wilde hij eer en rust prijsgeven, dan zich andermaal te +verootmoedigen voor deze vijandin zonder erbarmen, met zulk een ijskoud +hart. Op dit oogenblik haatte hij haar werkelijk, en hij wenschte wel +met haar een tweegevecht te kunnen aangaan, om haar trots te breken en +de verwonnene om genade smeekende aan zijne voeten te zien. Terwijl +het bloed hem naar het aangezicht steeg, bracht hij met moeite ten +laatste deze woorden uit: "Van u te scheiden, van u, is voor ons +allen het beste. Houd u gereed, weldra zullen de rechters u roepen." + +"Goed," luidde het antwoord, "ik zwijg, en gij zorgt voor de redding +van den Syriër; ik heb uw woord!" + +"En zoolang gij het uwe getrouw blijft, zal ik het houden; anders," +luidde het van zijne van woede trillende lippen, "anders strijd tot +met het staal!" + +"Tot met het staal!" herhaalde zij met fonkelende oogen. "Nog eens +zeg ik u, ik heb bewijzen dat de smaragd, dien men bij Hiram heeft +gevonden, aan mij behoort; bij alle heiligen, die heb ik!" + +"Des te beter voor u," hernam hij op somberen toon, "wee over ons +beiden, als gij mij dwingt te vergeten dat gij eene vrouw zijt!" Daarop +verliet hij met haastige schreden de zaal. + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + +Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het +was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er +van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw, +die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen, +de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens +ergens gelezen: "Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander +weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van +zijn gewaad." Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere +die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht +had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de +grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen +noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te +straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een +veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen +hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren +kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan; +als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte, +was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de +sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze +zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs +den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde +niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met +onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed +gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. "De gouden munt +der liefde," zeide hij tot zichzelven, "heeft twee zijden: teeder +verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde, +maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen +zijn, wanneer men haar laat klinken geeft zij toch maar éen toon, +en die toon ligt ook in hare beleedigende taal." + +Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig, +want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem. + +Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten, +was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan +zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers +Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen +van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten +den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George +boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in +Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie +vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude +bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des +huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was, +eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George +was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool +door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd +van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om +zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds +een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder +in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden. + +De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en +rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof, +dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond +uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt +van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon +was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid +had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd +Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar +heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen +en het onderzoek te leiden. + +De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het +slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als +teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet +zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling +op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden +gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak +in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van +den Arabischen koopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion, +indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem +de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig +heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou +billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot, +maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees +het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter +gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem +voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne +geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte +en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering +uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij +beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan +hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus--aldus beginnen moest. + +Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe +Hiram te redden en Paula's naam liefst geheel buiten de zaak te +houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor +den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den +rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de +weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen, +en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen, +dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres, +en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den +smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was +het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de +dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht +wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk! + +Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden +deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het +tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen +bewaard werden, en haar daar tot nader order goed te bewaken. De toon +waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster +niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod, +om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig +in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit +gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op +zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne +neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank +uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld. + +Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks +de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was +de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor +de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der +zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten +en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen +toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord, +schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar +nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij, +om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze +zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster +duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de +langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht, +goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen +had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had +zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en +het eenige wat hij ondernemen kon om Paula's verraad onschadelijk te +maken, het was--hij kon het niet loochenen--het was wel ongehoord en +stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde +en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon +onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een +kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen +van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette +om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het +voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen +en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de +arena verbrijzelen! + +Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den +deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt +bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem +om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion +was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen, +en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in +diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk +afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd, +had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het +zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in +Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen +van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden +voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en +van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos +thans fluks de zoodanigen uit, die hij meende noodig te hebben. Op +de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij +gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag +vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de +borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap. + +"Voorwaarts, altijd voorwaarts!" riep hij zichzelven toe, toen +hij Paula's kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de +knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben +gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer +was gegaan om dezen ruiker te brengen. + +"Voorwaarts, steeds voorwaarts!" dacht hij altijd, terwijl hij +de scharnieren losschroefde, waarmede het deksel aan de kist was +verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar +het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken, +want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te +vernielen. Daar lichtte hij het deksel en--als ondersteunden hem +vriendelijke machten--bij den eersten greep in de kist hield hij de +halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing +aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te +steken was het werk van een oogenblik. + +Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het "voorwaarts" nog zoo +luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar, +die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben +overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had. "Neen, +dat, dat..." + +Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd, +eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze +ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij +haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen +te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit +kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit +den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in +Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen +bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een +half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde +Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem +dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het +armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde, +maar het weder aanschroeven van de scharnieren vorderde meer tijd, +want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam, +waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller +klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot +kalme overweging te dwingen. + +Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de +lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde +zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het +noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke +zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de +hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was, +vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende, +en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof, +die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar +den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder +acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw +hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter +terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen. + +Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester +Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader, +maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te +bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen +hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote +woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde +zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit +de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd +was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief +afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in +bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van +Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording +aan te voeren wat hij vermocht. + +Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te +brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven +te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne +rechtvaardiging in het midden willen brengen. + +Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp +het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters +keerende: "Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons +huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare +voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is +om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt +laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de +verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden, +om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde +gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenige wat haar +uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet +verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van +een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht +te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk +is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of +heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste +van den vrijgelatene aanvoerde?" + +"Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling +gedaan," antwoordde de rentmeester, "maar ik vermag haar toch niet +zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed +zou zijn de vrouw te laten voorkomen." + +"Men brenge haar voor," beval Orion, terwijl hij over de hoofden der +rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde. + +Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude +vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd +binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan, +omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om +zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen, +door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had +laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman +helaas in verdenking was gekomen. + +Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters +gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen +tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had +Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor +hem op tafel lag, en zeide driftig en verstoord: "Dus zou een steen, +die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen, +verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in +het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een +dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage +nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven +dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord +'bakersprookjes' in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het +midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag +men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide, +maar zijn geloofsgenoot Gamaliël"--waarbij hij zich tot den juwelier +wendde, die op de bank der getuigen zat,--"zeker niet, en nog minder +mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft +zich vernederd om met behulp van deze kunstenares in het weven dit +sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde +ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te +redden van gevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak +in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?" + +De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor +hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit +zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid +tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in +de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van +geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid +had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten, +zou dit ten overvloede kunnen bewijzen. + +Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres +te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk +was geworden, en zeide tot den rentmeester: "Geleid haar, Nilus! Een +dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve +voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud +kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want +niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u, +heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is +zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken +maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng +haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan +eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt." + +Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de +rechtzaal met haastige, rustelooze schreden. Maar eens bleef hij voor +de rechters staan, zeggende: "Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd +gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik +zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te +verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank +op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van...." Hij +ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en +zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort. + +"Hij is nog een nieuweling," dachten de rechters, die zijne groote +gejaagdheid opmerkten, "anders zou hij zich de dwaze poging om een +aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door +zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen." + +Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen +van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging +en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgens noodigde hij Nilus +uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van +de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne +meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen +smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk +aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te +goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij +de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal +door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij--en +hier verhief hij zijne stem--zou het passender gevonden hebben, +en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond, +wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten +gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn +geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij +hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar +afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben; +want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben. + +De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten, +en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd, +volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken +te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze +aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar +in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest +in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan; +maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij +zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van +zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche +getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij +niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig +hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De +strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik +gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord +van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed +kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem +te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor +eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid, +en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder +toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die +strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de +halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare +overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak, +doch meer beangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor +het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover +zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen +lijf en leven te beschermen. + +Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds +wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten +verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar, +die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had +gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den +redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met +Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen, +dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te +onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen. + +Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij +doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de +aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote +rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende +nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen +gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen, +alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula +echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen +sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en +daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware +dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: "Open de +kist!," toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed +harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen, +het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien +omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk +was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem, +maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar, +en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig +in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij +bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja, +vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen, +door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen +en gebroken om genade smeekt. + +Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde +de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij +hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een +akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou +gewenscht hebben zoo iets nooit meer te hooren.--Daar wierp zij het +halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: "Schandelijk, +laaghartig!" trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast; +want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het +punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te +ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik +zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef +staan en de hand op zijn hart drukte.--En deze laaghartige daad, +die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een +glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte, +tot welk een ontzettend einde kon zij leiden? + +Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een +zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij +der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de +bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank +zitting had, uitriep: "Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de +heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het +aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen, +'de gouden ezel' geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas, +wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden +halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding"--en hij wees +hierbij op den gesneden steen--"dat groene duivenei gezeten hebben?" + +"Nergens," antwoordde de jood. "De edele jonkvrouw...." + +Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de +rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle +zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens +bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend +de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere +halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij +gesproken had. + +Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier +een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd +toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat +zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en +dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had, +dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij +zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal +neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken +wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van +de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord +gezeten te zijn; en het was haar als streed zij met hem om te winnen, +niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van +het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven. + +Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen--wat +er ook van komen mocht--niet alles. Liever wilde zij de nederlaag +lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in +het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen +en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat +zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot +had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde +zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in +geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles +doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen +was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem +plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat +zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar +woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen, +er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde, +eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen. + +Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich +tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten +uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging, +nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in +het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de +uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde, +des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond +treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden +roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald. + +Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den +schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe +oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust, +dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht +te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel +genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren, +legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl +zij de rechter omhoog hief: "Gij zijt het offer van een afschuwelijk +bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om +mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er +uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar +kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader +verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen, daar hij +uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees, +naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren, +niets dan de waarheid en deze ten volle..." + +"Spreek!" riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus +en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over +het hoofd zag. "Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in +plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik +wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat +ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd +aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne +oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij, +hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten, +waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats +waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te +bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus' wonden, zooeven +voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man, +de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig +met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te +storten. Gamaliël," en daarbij wendde zij zich tot den juwelier, +"hoe Gamaliël, schat gij den onyx?" + +De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide +dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: "Ja, +schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde, +zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van +Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen +rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten, +al moest ik ze borgen." + +Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters +niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: "De wonderen vermenigvuldigen +zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen +klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende +demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag +men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?" + +Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon +te laten varen en antwoordde met bevende stem: "Waarschijnlijk uw +medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden..." + +Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af, +door te zeggen: "Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb +ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste +vijandschap...." + +"Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!" riep zij +diep verontwaardigd. "En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad +betichtte...." + +"Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen +dit huis," hernam hij dreigend. "Neem u in acht meisje! Kan uwe +verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept, +opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt.." + +"O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen +verwachten," sprak zij, hem luid in de rede vallende. "Ik heb geheel +andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg." + +Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: "Dat kind, +welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!" + +"En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna," +haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van +hare overwinning. "Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw, +dat weet gij! Doch," en nu keerde zij zich weder tot de rechters, +"van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij +recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om +haar te hooren." + +Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard +te blijven: "De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige +kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring +voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch +beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare +getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind +van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de +plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen; +en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen." + +Paulas' poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten +stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige +geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars +vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en +buiten zichzelve riep zij: "Neen, duizendmaal neen! Een ellendige +booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer +binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het +slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend." + +"Dat kan onderzocht worden," zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker +van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der +rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken. + +Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkste +beambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas, +wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere +instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging +dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste +orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook +de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen +worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten +en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben. + +Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór +hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden, +in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid +te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar +onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was, +ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden. + +De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden +hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte +zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon +huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en +grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan +en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling +der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van +haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote +vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare +zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk +een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan +vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist +te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de +lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte +voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina +werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad +gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding +van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een +anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen +gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat +was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij +beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is, +ook tot wat ongelooflijk schijnt. + +Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag +door een heerlijken, lauwen avond vervangen. De Mukaukas had zijn +vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de +weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in +de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje +schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten +sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht +aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen, +die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met +de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen. + +"Hoe is het afgeloopen?" riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit +zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in +de zitting niet alles glad van stapel was geloopen. + +"Ongehoorde dingen zijn er gebeurd," was zijn antwoord. "Paula vecht +als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders...." + +"Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen," hernam Neforis. + +"Neen, neen, moeder," ging Orion met gejaagdheid voort. "Maar zij heeft +een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt +haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te +werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal +van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten. Daar +komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid +de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker +braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar, +doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren +stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend, +en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist +zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een +halssieraad getoond te hebben." + +"Getoond?" riep het kwikstaartje. "Ze heeft ons dat afgenomen, niet +waar Maria?" + +"Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen," antwoordde +de kleine. + +"En verlangt zij," vroeg vrouw Neforis verstoord, "dat onze meisjes +voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor +hare hoogheid?" + +"Dat verlangt zij," bevestigde Orion. "Maar Maria's uitspraak geldt +niet bij de rechters...." + +"En ook al ware het anders," hernam zijne moeder; "het kind mag in +geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden." + +"Omdat ik voor Paula spreken zou!" riep Maria, terwijl zij driftig +van haar zetel opsprong. + +"Gij zult uw mond houden!" riep de grootmoeder haar toe. + +"En wat Katharina betreft," zeide de weduwe, "het komt niet bij mij +op, haar voor al die heeren ten toon te stellen." + +"Heeren!" zeide het meisje. "Mannen zijn het, kleine beambten en +dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!" + +"Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje," +zeide Orion lachende, "want gij zijt goddank geen kind meer, en +het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de +tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne +bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles +leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij +slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij +vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij +moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en +de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij +gebeuren zal." + +Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden, +en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den +eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn; +zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan +haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen +te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster +en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam +te zijn en het paartje alleen te laten trekken. + +Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den +stadhouder fluisterde de weduwe toe: "Heden voor het gerecht, en zeer +spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk." + +Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan, +of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg, +dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In +tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om +de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe +de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer +terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem +dwong het jonge schepseltje, dat nu--de teerling rolde al--zijne +vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien +hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar +overmorgen om Katharina's hand te zullen vragen, had hij gehoopt +in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar te kunnen bewijzen, +dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu--welk een +spot van het noodlot!--zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist +het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De +vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als +eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was, +haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden, +maar het moest gebeuren, en met een herhaald "voorwaarts" besloot hij +tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm, +zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht +te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet +mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar +te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts! + +Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen +greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte, +de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide +handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen. + +"Maar, Orion," zeide zij schuchter, doch liet hem begaan. + +"Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner +ziel!" zeide hij op vleienden toon, "wanneer uw hartje zoo hevig klopt +als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren." + +"Ja het klopt al," zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje +opzij hield. + +"Maar het mijne doet het toch sterker," antwoordde hij met een zucht, +terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust +wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te +doen stikken. + +Maar zij antwoordde blij te moe: "Ja, waarlijk, dat bonst..." + +"Zij mogen het daar ginds ook vernemen," antwoordde hij met een +gedwongen lachje. "Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten +gekeken heeft?" + +"Natuurlijk," antwoordde zij zacht. "Zoo vroolijk als sedert uwe +terugkomst heb ik haar zelden gezien." + +"En gij, kleine tooveres?" + +"Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En +uwe ouders..." + +"Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst +gevoeld hebt." + +"Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?" + +"Zou dat niet kunnen?" vroeg hij, haar arm vaster in den +zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke +verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met +gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjes +hooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk +zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van +het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke +bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden +geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en +deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof, +op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven +hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de +lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat +hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in +ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige, +bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als +waren ze innig en oprecht gemeend. + +De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en +gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde +zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde +vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds +na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere +minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en +zeide luid en driftig: "O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is +het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle +vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm, +gij mijne eenige, mijn alles!" + +Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over +het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij +hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: "Na deze hemelsche +zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe +afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig +stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend, +een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!" + +Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den +zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te +gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting +aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij +voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas +schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn +geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was +zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had +hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven, +als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem +maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen. + +Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op +den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon: +"O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet +jaloersch maakt, hoort ge!" + +"Klein gekkinnetje!" antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te +stellen liet hij erop volgen: "Zij is als de koele maan, en gij zijt +de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten +aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den +lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten +zal en al zijne vreugde." + +"Ja, dat willen wij!" juichte zij, meenende den horizont harer toekomst +in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen. + +"Goede hemel," dus brak hij als verrast dit onderhoud af. "Het licht +schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door +hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu +eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag, +waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?" + +"Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk +verbogen stuk bladgoud." + +"Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig +gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas +besloten was?" + +"Neen, waarlijk niet!" + +"Ja toch, klein wijsneusje!" + +"Neen, mijn lieve!" en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen +vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. "Wat gesneden +steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling +ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn +toekomstigen man zullen toebehooren." + +"Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen +kunnen zetten." + +"Neen, neen," antwoordde zij vroolijk, "geef mij later maar een kastje, +want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn, +neen niet anders dan uw hart!" + +"Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief, +wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster +van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft +hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!" + +"Maar Orion!" + +"Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later +zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij +uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula +toe te geven en haar tot mijne bondgenoote te maken.--Hier zijn wij +er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien +steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar +ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets +anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor +de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één, +en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de +andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen, +dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders +dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en +door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen +eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in +dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij +mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is +het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet +anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden +middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden +steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!" + +"Moet ik dat getuigen voor al die rechters?" vroeg Katharina met een +bedenkelijk gezicht. + +"Dat moet gij doen, vriendelijke engel!" hernam Orion teeder. "Zoudt +gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede +knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent +alleen gelijk te hebben? Neen, neen, als er maar een vonkje liefde +voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te +verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben..." + +"Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan +hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud..." + +"Dat zal u later alles omstandig verklaard worden," voegde hij haar +haastig toe. + +"Toe, doe het nu dadelijk..." + +"Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang +op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!" + +"Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken, +wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg..." + +"Dat waar is," zoo drong hij verder aan, "en waarmede gij mij toonen +kunt, hoezeer ge mij liefhebt." + +"Wat is dat verschrikkelijk!" zeide zij angstig. "Bind mij ten minste +den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen..." + +"Als de struisvogel," zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan +haar verlangen voldeed. "Indien gij er werkelijk anders over denkt +dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!" + +"Uw liefste!" zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp +haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde +hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: "Laat eens zien +of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!--Kom nu, +in weinige oogenblikken is alles gedaan." + +Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal +binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters +deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts +had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare +moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had +afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich +neer te zetten. + +Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal +van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine +omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te +ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles +in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren +wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de +edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend +van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het +haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade +kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor, +maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en +onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij +tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan +te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot +zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen, +alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde +zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren, +toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde, +de overste van Memphis had uitgeroepen: "Welk een buitengewoon +mooi paar!" Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer, +lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en +kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar +sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen +Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden +rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een +kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij +heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen, +willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de reden dat +Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad, +telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had +gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn, +en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was, +Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en +wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen +aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van +deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij +zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden +steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een +oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien +dan de groote wonderschoone oogen van Orion? + +Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen +hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent +zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets +leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht +zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat +hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij +te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken, +om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde +om haar naar de rechtzaal te voeren. + +Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier +zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas +halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg +of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm: "Deze kan het +geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden +achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar +enkele oogenblikken in mijne handen." + +Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling +van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen, +antwoordde zij ontwijkend: "Ik mag zulke heidensche voorstellingen +niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden." + +Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar +te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op +het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een +dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht +werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort, +want toen deze haar waarschuwend toeriep: "Gij legt nadruk op uwe +getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere +te geven. Bedenk wat er van uwe uitspraak afhangt; dat bezweer ik u, +kind," viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord, +met hartstochtelijke gejaagdheid: "Ik ben geen kind meer, ook niet +voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!" + +Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens +stellig: "Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen." + +"Gij schandelijke leugenaartser!" riep de voedster, zichzelve niet +meer meester, haar in het aangezicht. + +Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten +naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te +beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te +barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang +op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua +wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de +Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit +goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist +weder naar hare kamer te dragen. + +Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de +keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide: +"Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn +keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit +halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik +het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen, +werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik +niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram"--en hier wees zij op +den vrijgelatene--"is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde +gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een +rechtvaardigen vader, die daar...." Dit roepende wees zij op Orion; +doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen: +"Genoeg!" + +Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: "Ik zal doen +wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat +ik verzwijg. En nu nog een woord!" Daarop ging zij naar hem toe en +fluisterde hem in het oor: "Ik heb de overwinning op mijzelve behaald, +om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig +mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle +ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!" + +Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel +nog even staan en zeide tot Katharina: "U, kind, want meer zijt gij +nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen +met onbeschrijfelijke smarten beloonen." + +Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden +de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige +neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen +weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet, +tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op +dezen moeielijken dag overkomen was. + +Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren +en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij +onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had +dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot +morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij +haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine +Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina +naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug. + +Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak +en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort +bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd +ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had +er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis +op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn +wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij +had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het +slijk geraakt en moest hij daarin stikken. + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + +Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in +den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het +rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en +zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit +schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode +rechters en valsche getuigen te verlaten. + +Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in +het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet +Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een +nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig +naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide, +dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in +zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de +kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en +schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden, +als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver +klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die +niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband +opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet +Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het +lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim +op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok +hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus +geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non +twee stevige slaven te halen. + +Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke +worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen +omkneld, en met eene kracht, die men wel den grooten, grof gebouwden, +maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben +toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen +verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem, +dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne +bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde +zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle +krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze +was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden +den aanvoerder der karavaan verzwakt. + +Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de +dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend +hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde +van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag +hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige +vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke +schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen +glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te +worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht +dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van +zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien +zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots, +iets van een held te zien. + +Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde +dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe +hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te +binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen +stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek, +trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de +kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van +den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den +vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de +ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen +terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed +sprong of zich op zijde wierp. Philippus naar adem hijgende schreef +nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna +naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode, +gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop +hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag +zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met +geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten +den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts +met eigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den +karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden. + +Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers +wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder +was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde +de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat +hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula's hoop deelde, +dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer +zou kunnen plaats hebben. + +Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden +uitte, waarop de arts zeide: "Op het ziekbed leert men de menschen +kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een +moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten +aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige, +maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand." + +"Wat geeft u dat vertrouwen?" + +"Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of +gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn +dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen +hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn." + +"Zeker niet," antwoordde Paula op stelligen toon. "Want gij zijt sterk, +Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden." + +"Gij?" lachte de arts. "Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig +hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust +zou nu goed doen!" + +Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan +dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met +moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen +zeide hij welgemoed: "Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk +zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed +en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap +en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet +doorbrengt met slecht te leven. Nochtans voel ik die worsteling nog +in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie +bekers zouden mij wel goed doen." + +Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste +lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem +in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het +was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn +uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht, +toen er gerucht ontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw +Neforis verscheen. + +De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed +van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen +haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen, +wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den +arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen +kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken, +de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was, +en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders +op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit +de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden +Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had, +niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den +stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien +als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat +gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den +wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje +in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te +bezweren, de trap opgegaan. + +Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp +daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die +gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een +streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist +zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met +halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat +alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden, +zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste +te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had +kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer +in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten +die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te +bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag +met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even +had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen. + +Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen +van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide +zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag +dat men haar onwaardig verdacht: "Uwe bedoeling is gemakkelijk te +doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet +de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt +ingenomen, gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien +mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu +van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats, +van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis, +dat gij en uw zoon--het moet mij eens van het hart--mij thans tot +een hel gemaakt hebben." + +"Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is..." riep de matrone naar +adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig +bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd +overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. "Dat is.... duizendmaal, +ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een +antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter +behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu..." + +Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula +nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe +minachting: "En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig +ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met +alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan +bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn +trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt +staat hem gruwelijk te vermoorden." + +"En waar men u...." duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe, +dat hare kalmte bewaarde, "waar men u veel te zachtmoedig voor het +lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard +heeft! Om een inbreker te redden hebt gij--het is ongehoord!--hebt +gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig +rechter..." + +"Dat is hij!" riep Paula toornig. "En nog meer! Dat kind dat gij zelve +voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid +om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou +ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was, +en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde." + +"Hem sparen, sparen!" herhaalde Neforis op honenden toon. "Gij +zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont, +verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen +te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd +hebt..." + +"Dat zal uwe eigene kleindochter," sprak de arts, haar in de rede +vallende, "wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor +de geheele wereld bevestigen moeten." + +Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten +zichzelve van woede: "Zoo staan dus de zaken! Het heiligen +ziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt; +en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was, +sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad +en schande te overladen!" Daarop zette zij de linkerhand met het +reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: "Zoo zult gij dan uw zin +hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig +schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind, +dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want +ik--ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten--ik haat +u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en +brengt ongeluk over mij en ons allen;--bovendien ik heb de smaragden +die wij bezitten te lief..." + +Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van +haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een +centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en +op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met +te zeggen: "Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig; +gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien +komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien..." + +"Ik?" viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de +rede. "Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man, +dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij +mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel +niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld +beschimpt en tot vertwijfeling brengt.--Ja, zie mij maar verbaasd +aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het +bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort +uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het +hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt +doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit +uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons +knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen +van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij +zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest +of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem +staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid +is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van +dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien, +tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt." + +Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zoo +onherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel +hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting +prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij +uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste, +openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer, +dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te +verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn +verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts +van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van +de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar +ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast +overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn, +zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot +een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg +moet gaan. + +Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering +gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: "Maar +wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien +in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen +huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn +gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang +verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan +om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem +opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere +vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en +feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden +en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar +zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik +alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille +van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij +de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien +de vriendschap op, omdat, omdat,--hoe noemdet gij het--omdat mij het +verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben +moet om u..." + +"Het heet de gezindheid," hielp haar de arts, die medelijden +kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had +opgemerkt. "Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk +eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil +kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid +van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede +gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt, +dan zullen op den jongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar +de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij +geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid, +die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam...." + +"Ook dat nog!" zeide Neforis. + +"Deze krankheid," vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te +laten brengen, "de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin +zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart +gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om +ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te +handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt, +om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een +weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat, +om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt +berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging +heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt." + +Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd +had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij +in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de +woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan +de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken. + +De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren +strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben; +dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke +onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek +met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen +doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde +zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij, +was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou +zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de +hand reiken; zou zij in... + +Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp, +wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek +en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan +het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik, +als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter +van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging, +die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker- +en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten +toon te zeggen: "Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik +anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ook gij nooit, zelfs +in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige, +dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen, +maar gij--maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed, +dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan." + +Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone +gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was +heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden +afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts +een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde +zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar +met gloeiende wangen: "Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn +van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt +gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom, +die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen." + +"Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer +dringend te blijven," zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. "Georg +laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is." + +"Vaak was hij als een vader voor mij," hernam Paula, en nu werd ook +haar oog vochtig. "Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot +het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga." + +"En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?" + +"Dan zal het toch tevergeefs zijn." + +Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in +oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen, +doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds +morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten. + +"Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf," zeide +Neforis, "een tehuis, dat voegt aan uw stand?" + +"Dat zal mijne zaak zijn," zeide de arts. "Geloof mij, edele vrouw, +voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning +betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans +voorloopig te Memphis te blijven." + +"Bij ons," zeide daarop Neforis, "alleen bij ons is haar natuurlijk +tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan +beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven." + +Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet +meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht +gebood die te volgen. + +Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: "O +God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht +te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen, +daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe +het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich +verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit +huis, met Memphis verbindt." + +"Met Memphis?" vroeg de arts. + +"Ja," antwoordde Paula opgewekt. "Ik wil weg, ver van hier, uit +de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië +terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij +van hier voert." + +"En ik, uw vriend?" vroeg Philippus weder. + +"De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart." + +De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had; +na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: "En waar en hoe zal +de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï +werkelijk uw vader erkent?" + +Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al +zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om +in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd +worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles +wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de +omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden +worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden +voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en +den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere +dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en +van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen +verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste +vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis +van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang +uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der +dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te +ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht +haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij +haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen, +zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken +van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met +wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te +volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te +gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering van den arts, +dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten +te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne +zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen, +wanneer zij hem liet roepen. + +Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in +het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: "Zoo zal dan morgen +voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat +het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt." + +"Voor mij," antwoordde de arts bewogen, "is dat nieuwe leven reeds +gisteren aangevangen." + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + +In den voormiddag van den volgenden dag zat de kleine Maria op een +laag rieten stoeltje onder dezelfde sykomoren, die gisteren het jonge +en korte liefdesgeluk van het kwikstaartje hadden overschaduwd. Naast +haar had de opvoedster Eudoxia plaats genomen, onder wier opzicht zij +uit een Griekschen catechismus de tien geboden moest afschrijven. De +leerares was door de toenemende hitte en den bloemengeur rondom +zich ingedommeld en hare leerlinge liet de schrijfstift rusten. Met +bekreten oogen staarde zij op de schelpen, die over het pad gestrooid +lagen, en gebruikte hare lange liniaal eerst om er in te woelen, +vervolgens om de woorden "Paula" en "Paula Maria's geliefde" met +groote beginletters erin te griffelen. Een kapelletje alleen, dat de +bewegingen van het stokje volgde, bracht nu en dan een vriendelijken +trek op haar gezichtje, waarvan de droeve geest der bekommernis +gelukkig de vroolijkheid nog niet geheel had kunnen verjagen. Toch +deed het hartje haar pijn. Even stil als in hare omgeving was het +in den geheelen tuin en ook in huis; want vóor zonsopgang was de +toestand van grootvader veel ernstiger geworden, en elk gedruisch +moest uit zijne nabijheid worden geweerd. + +Maria dacht juist aan den armen kranke, hoe zwaar hij lijden moest +en hoezeer het ook hem pijn zou doen van Paula te scheiden, toen zij +in de laan Katharina zag aankomen. De zestienjarige deed heden haar +bijnaam van kwikstaartje weinig eer aan, want hare kleine voetjes +sleepten door het schelpzand; haar kopje hing van vermoeidheid +voorover, en als een der duizende kleine insecten, die zich in de +zonnige morgenlucht wiegden, haar te nabij kwam, sloeg zij knorrig +naar het beestje met haar waaier. + +Toen zij bij Maria was gekomen riep zij haar het gewone "Verblijd +u!" toe, doch de kleine beantwoordde dezen groet met een onwillig +hoofdknikje, keerde haar vervolgens den rug toe en ging voort met in +de schelpen te schrijven. + +Katharina lette echter nog niet op deze koele ontvangst, maar ging +voort op deelnemenden toon: "Het moet met uw armen grootvader niet +best gesteld zijn." + +Maria haalde de schouders op. + +"Men zegt zelfs dat hij zeer bedenkelijk ziek is; ik heb Philippus +zelf gesproken." + +"Zoo?" zeide Maria, zonder de oudere vriendin aan te zien, terwijl +zij hare bezigheid voortzette. + +"Orion is bij hem," ging Katharina voort. "En Paula, wil zij het +stadhouderlijk paleis werkelijk verlaten?" + +Het meisje knikte zwijgend met het hoofd, terwijl er opnieuw tranen +in hare oogen welden. Het kwikstaartje merkte nu op, dat de kleine +er treurig uitzag en haar met opzet niet te woord stond. Op een +ander tijdstip zou zij zich dit weinig hebben aangetrokken, maar +heden hinderde haar dat zwijgen, ja het werd haar te benauwend, en +daarom plaatste zij zich tegenover Maria, die de liniaal rusteloos +heen en weer bewoog, en zeide luid en gekrenkt: "Het schijnt wel dat +ik sedert gisteren in ongenade ben gevallen. Nu dat moet gij weten, +maar zulk eene onfatsoenlijke bejegening, dat zeg ik u, laat ik mij +niet welgevallen." + +De opvoedster, die wakker was geworden door de schelle stem van +Katharina, had de laatste woorden verstaan, en terwijl zij eene +waardige houding aannam, vroeg zij op strengen toon: "Hoe heeft men +zich jegens lieve gasten te gedragen, Maria?" + +"Die zie ik hier niet," antwoordde het kind, spijtig de lip +optrekkende. + +"Maar ik wel," zeide de opvoedster. "Gij gedraagt u als het dochtertje +van een barbaar, niet als een Helleensch opgevoed meisje. Katharina +is geen kind meer, al verwaardigt zij zich menigmaal om met u te +spelen. Kom, ga dadelijk tot haar en vraag haar vergiffenis voor dit +onbetaamlijk woord." + +"Ik?" vroeg het kind, en in die vraag lag zeer duidelijk opgesloten, +dat zij aan dit bevel niet dacht te voldoen. Daarna sprong zij op en +zeide met fonkelende oogen: "Wij zijn geene Griekinnen, gij noch ik, +en als gij het nog eens hooren wilt: Zij is, neen zij is niet meer +mijne lieve gast, mijne vriendin; neen, wij hebben niets, volstrekt +niets meer met elkaar te maken!" + +"Zijt ge gek geworden?" riep Eudoxia, en haar lang gezicht kreeg eene +dreigende uitdrukking, terwijl zij ondanks de toenemende warmte van +den dag uit haar diepen zetel oprees en zich gereed maakte naar hare +leerling toe te gaan, ten einde haar met geweld te dwingen vergeving +te vragen. Doch Maria was vlugger dan de bejaarde Griekin en vloog +gezwind als eene gazel de laan af naar den stroom. + +Eudoxia beproefde haar te volgen, doch de hitte verlamde weldra +hare schreden; toen zij uitgeput en hijgend bleef staan, zag zij hoe +Katharina, die nu opeens weder het oude kwikstaartje was geworden, +haar voorbij vloog en het kind met eene snelheid volgde, dat zij +ervan huiverde. + +Maria merkte spoedig op dat zij alleen door Katharina gevolgd werd, +matigde haar loop en wachtte in de schaduw de verstooten vriendin af. + +Weldra stond Katharina met vuurroode wangen tegenover haar, +greep hare beide handjes en zeide boos: "Wat hebt gij daarginds +gezegd? Gij... Gij... Wist ik niet wat eigenzinnig wijsneusje ge zijt, +dan zou ik in staat zijn..." + +"Dan zoudt gij in staat zijn mij valsch te beschuldigen! Maar nu zult +ge me loslaten, of ik bijt u!" En toen Katharina op deze bedreiging +hare handjes losliet, ging zij nog heftiger voort: "O, o, ik ken u +sedert gisteren! En als ge het nog eens hooren wilt: ik bedank voor +zulk eene vriendin! Gij moest u schamen en diep in den grond zinken +voor de zonde die gij begaan hebt. Ik ben pas tien jaren maar eer +ik zoo iets deed, liet ik mij liever in dat heete hok opsluiten met +de arme Perpetua, liet ik liever mij dood maken, gelijk gij van plan +zijt--foei, 't is schande!--het den armen eerlijken ruiter Hiram te +laten doen!" + +Katharina's blozende wangen verbleekten bij deze woorden en daar zij +niets hiertegen inbrengen kon, wierp zij het hoofdje in den nek en +antwoordde zoo trotsch en bedaard als zij maar kon: "Wat weet zulk een +kind van dingen, waarover zelfs groote menschen zich het hoofd breken?" + +"Groote menschen!" lachte Maria, die nauwelijks drie vingerbreedten +kleiner was dan hare tegenpartij. "Groei eerst flink uit de kluiten en +noem u dan groot! Over twee jaren komt gij juist tot aan mijne oogen." + +Nu steeg het driftige Egyptische meisje het bloed naar het hoofd, +en zij gaf het kind met de vlakke hand een klap in het gezicht. Maria +bleef als verstijfd voor haar staan, en nadat zij enkele oogenblikken +zonder eenig geluid te geven de oogen naar den grond had geslagen, +keerde zij Katharina den rug toe, en ging zwijgende naar de +schaduwrijke laan terug. + +Katharina volgde haar met betraande oogen. Zij gevoelde dat Maria +het recht had af te keuren wat zij gisteren gedaan had, want zijzelve +had er niet van kunnen slapen en was meer en meer tot de overtuiging +gekomen, dat zij slecht, ja onvergeeflijk gehandeld had. Thans had zij +zich weder aan iets onverantwoordelijks schuldig gemaakt. Zij gevoelde +dat zij het kind verdriet had gedaan en dat deed haar oprecht leed. Als +eene dienstmaagd volgde zij Maria zwijgende op een afstand. Gaarne had +zij haar bij haar kleedje teruggehouden, haar goede woordjes gegeven, +haar zelfs om vergeving gebeden, en toen zij de plaats naderde, +waar de opvoedster zich weder als het ongelukkige slachtoffer van +de Egyptische hitte in den gemakkelijken stoel had neergevlijd, +riep zij Maria bij haar naam. + +Het kind weigerde haar aan te hooren, waarop zij haar de hand op +de schouder legde en op deemoedigen, ja, smeekenden toon zeide: +"Vergeef me dat ik mijzelve zoover heb vergeten; maar wat kan ik er +tegen doen dat ik klein ben. Gij weet het, wanneer iemand daarmee +den spot drijft..." + +"Dan wordt gij boos en slaat," antwoordde het meisje en liep weder +door. "Gisteren had ik misschien nog om zoo'n oorveeg gelachen, want +het is de eerste niet geweest, of misschien had ik er een teruggegeven; +maar heden--het was mij zoo even," en hier voer haar onwillekeurig +eene rilling door de leden, "zoo even was het mij alsof de leelijke +hand van eene zwarte slavin mij over het gezicht was gegaan. Gij zijt +ook niet meer die gij geweest zijt; gij zet uwe voeten heel anders +neer en ziet er--dat verzeker ik u--in het geheel niet zoo netjes en +vroolijk meer uit als vroeger. Ik weet ook waarom: Gij hebt gisteren +avond eene groote zonde begaan." + +"Maar lieve schatje," zeide de andere op smeekenden toon, "gij moet +niet zoo hard zijn. Wellicht heb ik voor de rechters niet alles gezegd +wat ik wist, doch Orion, die mij zoo liefheeft, en wiens vrouwtje ik +toch worden zal..." + +"Hij heeft u tot die zonde verleid," hernam de kleine. "Ja, ook hij is +goed en vroolijk en vriendelijk geweest tot gisteren, maar sedert... O +die ongelukkige dag!" + +Hier viel de opvoedster Eudoxia haar in de rede, om haar met een vloed +van verwijten te overladen en haar eindelijk te bevelen weder aan haar +werk te gaan. Het kind deed zonder tegenspraak wat haar gezegd werd, +doch het had nauwelijks het wastafeltje voor zich gelegd of Katharina +was weer aan hare zijde en fluisterde haar in het oor, dat Orion +zeker gezegd had wat hij voor waarheid hield, en dat zij werkelijk +in twijfel had verkeerd of een gesneden steen met een gouden rug, +dan wel een ledig stuk bladgoud aan Paulas keten had gehangen. + +Opeens keerde Maria zich naar haar toe, zag haar flink in de oogen +en zeide, om niet door Eudoxia verstaan te worden in hare Egyptische +moedertaal, waarvan de Griekin het beneden zich had geacht ook maar +een enkel woord te leeren: "Een armzalig aan den rand omgebogen +stuk bladgoud heeft aan de keten gehangen, dat ten overvloede nog +aan uw kleed bleef haken. Ik zie het nog voor mij! En als gij voor +de rechters hebt gezegd, dat het een onyx is geweest, dan hebt gij +gelogen. Daar zie maar, dat zijn de wetten die de goede God zelf op +den heiligen berg Sinaï heeft gegeven, hier staat het geschreven: +'Gij zult geen valsche getuigenis geven tegen uw naaste', en wie dat +gebod overtreedt, heeft de presbyter mij geleerd, die maakt zich aan +eene doodzonde schuldig, waarvoor geen vergeving is op aarde noch in +den hemel, dan alleen door zware boete en door de bijzondere genade +van onzen Verlosser. Zoo staat er geschreven, en hebt gij werkelijk +voor de rechters kunnen verklaren wat valsch is en onwaar, en wat +anderen in het verderf moet storten?" + +De jeugdige aangeklaagde, in verwarring gebracht, keek bedremmeld +naar den grond en zeide aarzelende: "Orion heeft het zoo stellig en +zeker beweerd en dan--ik weet zelve niet hoe het zoo gekomen is--maar +ik werd zoo boos op haar, zoo... Ik zou haar hebben kunnen vermoorden!" + +"Wie?" vroeg Maria verbaasd. + +"Dat weet gij wel, Paula!" + +"Haar?" vroeg Maria, en wederom welden er tranen in hare groote +oogen. "Hoe is het mogelijk! Hebt gij haar niet even lief gehad als +ik? Hebt gij niet menigmaal als eene klis aan haar gehangen?" + +"Ja, dat heb ik. Doch voor de rechters was zij zoo afgrijselijk +trotsch, en dan... Maar dat alles kunt gij, geloof mij, Maria!.. kunt +gij wezenlijk en waarlijk nog niet verstaan..." + +"Niet?" vroeg het kind, de armen over elkander kruisende. "Voor hoe +onnoozel ziet ge mij dan wel aan? Gij zijt op Orion verzot,--en hij +is ook een man zooals er weinigen zijn--verliefd tot over de ooren, +en daar Paula er naast u als eene koningin uitziet en veel grooter +en schooner is dan gij, en Orion--ja, ik heb het wel opgemerkt--tot +gisteren duizendmaal meer werk maakte van haar dan van u, zijt gij +ijverzuchtig en nijdig op haar geworden. O, ik weet alles! Ik weet ook +dat alle vrouwen verliefd op hem worden, dat zij Mandane om zijnentwil +de ooren hebben afgesneden, en dat zijn schatje in Konstantinopel hem +dat witte hondje gegeven heeft. De slavinnen vertellen mij alles wat +zij weten en wat ik maar hooren wil. Gij hebt wel reden om op Paula +jaloersch te zijn, want als zij het erop aan wilde leggen, lieve God, +hoe spoedig zou Orion u zelfs niet meer aanzien! Zij is het schoonste, +verstandigste, beste meisje op de geheele aarde, en waarom zou zij +niet trotsch zijn? Het valsche getuigenis dat gij gegeven hebt, zal +den armen Hiram het leven kosten. De goede Heiland moge het u eens +vergeven! Dat is uwe zaak en dat gaat mij niet aan, maar dat Paula om +uwentwil het huis verlaat, dat ik haar nooit, nooit weder zal zien, +ik geloof niet dat ik u dit ooit vergeven kan, doch ik wil er God +om bidden." + +Hierop barstte zij uit in snikken en tranen; de opvoedster stond +reeds op, om aan dat gebabbel, waarvan zij geen woord verstond en +dat haar daarom hinderde en verontrustte, een eind te maken, toen +het kwikstaartje zich voor het kind op de knieën wierp, het met +beide armen omvatte en evenzeer onder een vloed van tranen uitriep: +"Maria, lieve Marietje, [10] vergeef mij. O als gij wist wat ik al heb +uitgestaan voor ik hier kwam. Vergeef mij, Maria, wees weder goed op +mij, Marietje! Zeker, zeker, gij zijt veel beter dan ik. Goede Heiland, +waartoe ben ik gisteren avond gekomen, en dat door hem, door hem dien +ieder mensch liefhebben moet, door Orion alleen! Geloof mij, ik weet +nog niet eens waarom hij mij tot deze zonde verleid heeft. Maar ik +moet beproeven niet meer goed op hem te zijn, hem geheel te vergeten, +hoewel, hoewel... Denk eens, dat hij mij zijn bruidje heeft genoemd; +maar nu hij mij zoo bedrogen heeft, mag ik het nu nog wagen zijne vrouw +te worden? Het heeft mij den geheelen nacht geen rust gelaten. Ik +heb hem lief, gij weet niet hoe innig, maar ik kan toch zijne vrouw +niet worden; ik ga liever in een klooster, of werp mij in den Nijl, +en dat alles wil ik nog heden aan mijne moeder zeggen." + +De Griekin had het meisje verbaasd aangekeken en het was inderdaad +een vreemd gezicht deze jonkvrouw voor dit kind geknield te zien. Zij +luisterde naar den tintelenden stroom van voor haar onverstaanbare +woorden en overwoog hoe zij hare kweekelinge, desnoods met hulp van +hare grootmoeder, ertoe brengen zou, om fatsoenlijke Grieksche vormen +aan te nemen. Daar kwam Paula de laan in. De slaven, die haar met +enkele kisten en pakken op een groote berrie gevolgd waren, liepen +door naar den Nijl, waar de boot gereed lag, die haar naar het nieuwe +verblijf zou overbrengen. + +Zwijgend en onopgemerkt liet zij de oogen een tijdlang rusten op +dat roerend tafereel der beide meisjes, van welke de eene de andere +omkneld hield, en ving de laatste woorden op van dat lieftallig jonge +schepseltje, hetwelk haar zooveel leed had berokkend. Zij vermoedde +alleen wat hier voorgevallen was doch het stuitte haar tegen de borst +langer te luisteren en daarom riep zij Maria. Toen deze opvloog en +met onverdeelde, onstuimige teederheid haar om den hals vloog, bedekte +zij haar kopje en haar aangezicht met kusjes. Daarna maakte zij zich +los uit de omarming van het kind en zeide zacht met betraande oogen: +"Vaarwel mijne lieveling! Over weinige oogenblikken behoor ik niet +meer tot de uwen, en een ander, een vreemd huis zal mij opnemen. Blijf +mij liefhebben en vergeet mij niet; weet dat gij op aarde geen trouwer +vriendin hebt dan mij." + +De tranen rolden Maria opnieuw langs de wangen en het kind bezwoer +haar niet te gaan, haar niet te verlaten. Doch Paula sloeg deze bede +af, geroerd en verbaasd, dat zij aan deze plaats, waar zij zoo weinig +liefde had gezaaid, toch zooveel warme liefde had geoogst. Vervolgens +reikte zij de opvoedster de hand tot afscheid en toen zij zich +tot Katharina wendde, om ook haar, de moordenares van haar geluk, +vaarwel te zeggen, hoe zwaar het haar ook viel, zonk het kwikstaartje, +badende in tranen van berouw, aan hare voeten, bedekte hare knieën +en handen met kussen en bekende dat zij schuldig was aan de grootste +misdaad. Maar Paula liet haar niet uitspreken, kuste haar op het +voorhoofd en zeide, dat zij begreep hoe zij tot deze zonde gekomen was, +en evenals Maria zou trachten haar te vergeven. + +Bij de met vele roeiers bemande boot van den stadhouder, waarheen +de meisjes haar vergezelden, vond zij Orion. Hij had dezen morgen +tweemaal tevergeefs getracht gehoor bij haar te vinden en zag er bleek +en ontdaan uit. Met een heerlijken bloemruiker in de hand groette hij +Maria en zijn bruidje vluchtig, en merkte niet eens op dat Katharina +zwijgend en aarzelend wedergroette. Daarop naderde hij Paula, deelde +haar in stilte mede dat Hiram gered was, en bezwoer haar, zoo zij +voor zichzelve op vergeving harer zonden hoopte, hem slechts enkele +oogenblikken gehoor te geven. Toen zij echter met een stilzwijgend +schouderophalen dit verzoek weigerde en naar de boot ging, strekte +hij zijne hand uit om haar te helpen; doch met opzet wendde zij haar +blik terzijde en reikte den arts hare rechterhand. + +Orion sprong haar in de boot na en fluisterde haar met bevende stem in +het oor: "Een ellendige, een ongelukkige smeekt u om genade. Gisteren +was ik waanzinnig. Ik heb u lief, ja ik heb u lief, meisje, hoe--dat +zult ondervinden!" + +"Genoeg!" riep zij luide, hem belettende verder te gaan, rechtop +staande in de waggelende boot. + +Philippus steunde haar terwijl zij zich nederzette, doch Orion legde +den ruiker in haar schoot en zeide, zoodat allen het hooren konden: +"Uw vertrek zal mijn vader zeer smartelijk aandoen. Hij is zoo ziek, +dat wij u niet mochten toestaan van hem afscheid te nemen. Hebt gij +hem nog iets te zeggen...." + +"Dan kies ik mij een anderen bode," zeide zij met straffen blik. + +"En als hij vraagt naar de oorzaak van uw plotseling vertrek?" + +"Dan zullen uwe moeder en Philippus hem het antwoord geven." + +"Maar hij was uw voogd, en ik weet, uw vermogen..." + +"Is bij hem veilig bewaard." + +"En bevestigt zich wat de arts vreest?" + +"Dan eisch ik het op door mijn nieuwen kurios." + +"Gij zult het ook zonder dezen ontvangen. Weet gij dan niet van +erbarmen, van vergeving?" + +Tot antwoord wierp zij den ruiker, dien hij haar gegeven had, in +het water, waarop Orion aan land sprong, hij woelde, zonder op de +aanwezigen te letten, met de hand door het haar, en drukte die daarna +tegen zijn gloeiend voorhoofd. + +De boot stak van wal, de roeiers haalden de riemen krachtig aan. Orion +staarde haar na en zijn boezem zwoegde onder diepe ademhalingen, +tot eene kleine hand de zijne greep en Maria's teedere kinderstem +hem toeriep: "Wees bedaard, oom! Ik weet wel wat u kwelt." + +"Wat weet gij?" vroeg hij norsch. + +"Gij hebt er berouw van dat gij en Katharina gisteren avond tegen +haar en den ongelukkigen Hiram..." + +"Dwaasheid!" riep hij op heftigen toon. "Waar is Katharina?" + +"Ik moest u zeggen, dat zij u heden niet zien kon. Zij heeft u zoo +lief, maar, weet gij, zij gevoelt zoo bitter berouw." + +"Dat kan zij zich besparen," voer de jonkman uit. "Als er een schuld +te boeten is, zoo rust dit op mij, en dat martelt mij dood. Maar dat +alles... haal mij de satan, wat gaat dit een kind aan! Maak dat ge +weg komt! Eudoxia breng het meisje bij haar werk!" + +Daarop nam hij het kopje van de kleine tusschen zijne handen, kuste +haar met onstuimige teederheid op het voorhoofd, en gaf haar daarop +aan de opvoedster over, die bereidwillig de kleine met zich voorttrok. + +Zoodra Orion zag dat hij alleen was, leunde hij zich tegen een boom +en begon te stenen als een gewond wild. Zijn hart deed hem pijn of +het moest bersten. "Weg, weg!" riep hij. "Verspeeld, verloren, het +beste wat ik had op aarde!" Hij legde zijne handen tegen den boom +en drukte zijn voorhoofd erop tot het hem pijn deed. Hij wist geen +raad van smart en gramschap tegen zichzelven. Het was hem of hij in +dronkenschap zijn eigen huis in brand had gestoken. Hoe dat alles had +kunnen gebeuren, hij wist het zelf niet meer. Na zijn nachtelijken rit +had hij den rentmeester Nilus laten wekken en hem opgedragen Hiram +heimelijk los te laten. Maar eerst door het zien van zijn door een +beroerte getroffen vader, was hij geheel tot bezinning gekomen. De +ontzettende ernst van den dood had hem aan die legerstede vlak in het +aangezicht gezien, en het was hem geweest als kon hij den geliefden man +niet uit het leven zien scheiden, voor hij zich met Paula verzoend, +voor hij vergiffenis ontvangen had van haar, die zijn vader zoo lief +was, voor hij haar bij diens sponde had gebracht om zijn zegen af te +smeeken over haar en zichzelven. + +Tweemalen was hij uit het ziekenvertrek naar hare kamer gesneld, om +haar te laten verzoeken hem gehoor te verleenen, maar vruchteloos; +en hoe ontzettend was nu dit afscheid geweest! Hard, onverbiddelijk, +gruwzaam had zij hem bejegend, en wanneer hij zich hare houding, haar +wezen voor den geest bracht, zooals die waren voor deze breuk, moest +hij erkennen dat er in hare handelwijze iets onnatuurlijks was. Deze +onmenschelijke hardheid, neen niet het hart had haar voorgeschreven +aan de schoone vrouw, wier genegenheid hij had bezeten en die nu +zijne bloemen in het water had geslingerd; veeleer was het volgens een +welberekend plan, dat zij hem dus haar toorn had doen gevoelen. Waarom +had zij, de door en door gekrenkte, niet aan de rechters verraden, +dat zij hem had betrapt, toen hij den smaragd roofde? Nog was niet +alles verloren en vrijer ademhalende ging hij naar huis terug, waar +de plicht en de zorg voor zijn vader hem riepen. Daar dreef zijn +ruiker op den stroom. "De haat heeft hem weggeworpen," dacht hij, +"doch voor hij verdwijnt in zee zullen er zich nog vele bloemen in +openen, die nog knoppen waren toen zij ze wegwierp. Een ander dan +mij kan zij niet liefhebben, dat voel, dat weet ik. Sedert wij voor +het eerst elkander in de oogen zagen, was het lot voor ons beider +harten beslist. Wat zij in mij haat is mijne waanzinnige misdaad, +wat haar allereerst van mij vervreemdde was haar billijke toorn, +omdat ik Katharina het hof maakte. Maar die misdaad is een droom +in mijn leven geweest, die niet zal terugkeeren; en wat Katharina +aangaat--eens heb ik ten opzichte van haar gezondigd, maar ik wil +daarmede niet voortgaan mijn heele leven lang. Ik heb straffeloos +zooveel met de liefde kunnen spelen, dat ik eindelijk haar macht te +gering schatte. Lachende gaf ik mijne liefde prijs voor den wensch +mijner moeder, en daaruit, daaruit alleen zijn al die schrikkelijke +dingen voortgekomen. Maar neen, neen, alles is nog niet verloren! Paula +zal mij hooren, en wanneer zij ziet wat er in mijn gemoed omgaat, +wanneer ik haar alles beleden heb, het goede zoowel als het kwade, +wanneer zij eens weet dat mijn hart op een dwaalspoor is geweest en +nu tot haar wederkeert, die mij geleerd heeft, dat de liefde geen +scherts is, maar diepe ernst, die den ganschen mensch beheerscht, +dan zal alles--alles een anderen keer nemen." + +Bij deze gedachte verhelderde zich zijn gelaat, waarop eene edele +verrukking stond te lezen, en voortgaande dacht hij verder: "Mag ik +haar de mijne noemen, dan weet ik dat alles zich in mij zal ontwikkelen +wat ik groots van mijne voorvaderen heb geërfd. Toen moeder mij straks +aan vaders ziekbed riep, zeide zij: 'Kom Orion, het leven wordt ernstig +voor mij en u en ons huis, vader....' Ja, ernstig wordt het, wat ook de +uitkomst zij van deze dingen. Paula te winnen, haar te verzoenen, haar +tot mij weder te brengen, aan hare zijde groote daden te verrichten +mijner waardig, dat is een levensdoel zooals ik het noodig heb. Met +haar, ja zeker, éen met haar kan ik het bereiken, zonder haar of met +het gulden speelgoed Katharina zou de ouderdom mij niets brengen dan +oververzadiging, ontnuchtering en teleurstelling, of om het bij zijn +christelijken naam te noemen: bitter berouw. Gelijk Anteos nieuwe +kracht won, zoo vaak hij de moeder aarde aanraakte, ja, vader, zoo +voel ik mijn vermogen aangroeien, als ik maar aan haar denk. Paula +is het heil, de eer, de andere het verderf, de vernietiging mijner +toekomst. Arme lieve vader, gij zult, gij moet dezen slag overleven, +om alles vervuld te zien, wat gij van uw zoon zoo blijmoedig hebt +verwacht. Paula is u altijd lief geweest, misschien zult gij het +zijn die haar verzoent en tot mij brengt, en hoe dierbaar zal zij u +worden en, zoo God wil, ook mijne moeder, wanneer gij haar aan mijne +zijde ziet arbeiden als sieraad van dit huis, deze stad, dit land, +als eene koningin en als zegenverspreidende schutsengel van uw zoon!" + +Opgewekt en gedragen door deze gedachten had hij het viridarium +bereikt. Daar wachtte de huismeester Sebek zijn jongen meester en +zeide zacht: "De heer slaapt nog, zooals de arts voorspeld heeft, +maar zijn gelaat... Ach, of Philippus toch weder terug ware!" + +"Hebt gij den wagen met den harddraver naar het Caeciliaklooster +gezonden?" vroeg Orion haastig, en toen Sebek een toestemmend antwoord +gaf en in het huis verdween, zonk de jonge man, door smart overmand, +naast eene zuil waaraan een crucifix hing op de knieën en verhief +hart en handen tot een innig gebed. + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + + +De arts had Paula haar nieuwe verblijf binnengeleid en haar spoedig +bekend gemaakt met hen, die haar voortaan beschermen en haar een +aangenaam leven bereiden zouden. Slechts weinige oogenblikken +was het hem vergund zich aan haar en hare huisgenooten te wijden, +want nauwelijks had hij haar in de met bloemen rijk versierde ruime +vertrekken gevoerd, die haar tot verblijf waren aangewezen, toen twee +boden tegelijk werden aangemeld, die verlangden hem te spreken. Zij +wist hoe bedenkelijk de toestand van haar oom was, en met het dreigend +verlies van dezen man voor oogen werd haar eerst recht duidelijk +wat zij in hem bezeten had. Hare eerste gezellin was dus de smart, +die door het behagelijke van de nieuwe, luchtige, schoone woning des +te scherper uitkwam. + +Van de boden was de éen een jonge Arabier, die van de overzijde +des Nijls kwam en aan Philippus een brief van den koopman Haschim +overhandigde. De oude heer deelde hem daarin mede, dat hij tengevolge +van een zwaren val van zijn oudsten zoon zich gedwongen zag terstond +naar Dschidda aan de Roode zee op te breken. Hij bad Philippus verder +te zorgen voor zijn gewonden karavaan-aanvoerder, die hem na aan het +hart lag, en dezen, wanneer hij dat goedkeurde, uit het stadhouderlijk +paleis te laten vertrekken, om hem op eene stillere plaats geheel te +doen herstellen. De zaak van de edele dochter van Thomas zou hij niet +uit het oog verliezen. Een buidel met goudstukken overladen begeleidde +dit schrijven. + +De tweede bode moest Philippus onverwijld op den wagen met den +harddraver naar den ernstig zieken Mukaukas terugbrengen. Onverwijld +gaf hij aan deze roepstem gehoor en het vlugge dier, dat door den +menner niet ontzien werd, bracht hem snel naar het paleis. Een +enkele blik op den lijder deed hem zien dat het begin van het einde +was gekomen, doch getrouw aan zijn beginsel om de hoop nooit op te +geven, eer het hart van den lijder ophield te kloppen, richtte hij, +zonder acht te geven op Orion, die aan het hoofdeinde van het bed op +zijne knieën lag, de bewustelooze wat op, wenkte de in het verplegen +van zieken zeer bedrevene diakones, legde nieuwe compressen op het +voorhoofd en in den nek van den door eene beroerte getroffen man, +en deed hem eene aderlating. + +Met moeite sloeg de Mukaukas de zware oogleden op, keek angstig in +alle richtingen, en toen hij zijn zoon, die geknield bleef liggen, +zijne in tranen badende gade en den arts herkend had, stamelde hij +onduidelijk en dof, want zijne half verlamde tong weigerde hem den +dienst: "Twee pilletjes, Philippus!" + +De arts voldeed zonder tegenspraak aan deze bede van den stervende, +die nu de oogen weder sloot, doch om ze weldra opnieuw te openen en +met dezelfde inspanning als zoo even en tegelijk met hetzelfde helder +bewustzijn te stamelen: "Het loopt ten einde! De zegen der kerk... De +bisschop, Orion!" + +De jonge man verliet terstond het vertrek om den prelaat, die reeds +met twee diakenen, een exorcist en een misdienaar voor het dragen +van het noodige kerkgereedschap, in het viridarium wachtte, bij den +kranke te brengen. Deze liet zich kalm en gelaten het laatste avondmaal +toedienen, zag en hoorde naar den exorcist, die met handbewegingen en +vrome spreuken den duivel bande en de booze geesten uitdreef. Doch hij +was niet meer bij machte den wijn en het volgens Jacobietisch gebruik +daarmede vermengde brood door te slikken. Orion deed het in zijne +plaats, en daarbij prevelde de stervende met een glimlach: "U bid ik +allen zegen toe, mijn jongen! De Heer, zoo schijnt het, weigert mij +zijn kostbaar bloed, en toch--toch--laat ik het nog eens beproeven." + +Ditmaal gelukte het hem wat wijn en eenige broodkruimels door te +krijgen. De bisschop Plotinos, een zachtmoedig grijsaard met een +schoon, eerwaardig uiterlijk, troostte hem nu en vroeg hem of hij +boetvaardig stierf in het vaste geloof in de genade van zijn Heer en +Heiland, of hij berouw had over zijne zonden en zijn vijanden vergaf. + +De kranke deed zijn best om even met het hoofd te knikken en te +stamelen: "Ook de Melchieten, die mijne kinderen vermoord hebben, +ook het hoofd onzer kerk, den patriarch, die liefst door mij liet +volbrengen, wat hijzelf te gevaarlijk achtte. Dat... dat... Maar +Plotinos--gij eerwaardig en wijs dienaar des Heeren--antwoord mij naar +uwe beste overtuiging: Mag ik ook op mijn sterfbed nog gelooven, dat +het geen misdaad is geweest, toen ik vrede sloot met de Arabieren, +die de Grieken verdreven; mag ik de Melchieten ook in deze ure nog +houden voor belijders van een ander geloof?" + +De grijze prelaat, wiens rug nog niet door ouderdom was gekromd, +richtte zich op in al zijne lengte, en zijne zachte trekken namen +eene hoog ernstige uitdrukking aan toen hij zeide: "Gij kent de +woorden, die op de Synode van Ephesus gesproken zijn en die in de +borst van elken recht geaarden Jacobiet als in marmer en metaal +gegrift moeten staan. Mogen zij, die Christus verdeelen,--en dat +doen de Melchieten--met het zwaard door midden gedeeld, mogen zij in +stukken gehouwen, mogen zij levend verbrand worden! Zulk een vloek +heeft nog geen hoofd der kerk over de muzelmannen, de aanbidders van +den eenigen God uitgesproken!" + +De lijder haalde nu diep adem, doch spoedig daarop zeide hij +fluisterend: "Toch hebben de patriarch Benjamin en Johannes van Nikou +mijne ziel beangst gemaakt. Ook gij, Plotinos, draagt den kromstaf en +ik wil u wel bekennen: uwe ambtsbroeders, de herders der Jacobietische +kudde, hebben mij ontelbare dagen en nachten in vrees en wroeging doen +doorleven, zoodat ik er bijna toe kwam hen te vloeken. Maar voor het +nacht werd verlichtte de Heer mijne ziel en ik vergaf hen; en daarom +bid ik hen door u om hunne vergeving en hun zegen..--De kerk heeft +in deze laatste jaren niet dan met weerzin de deur voor mij geopend, +maar welke knecht kan boos zijn op zijn meester, van wien hij alle +genade verwacht! Zoo hoor mij dan. Als een getrouw en geloovig dienaar +der kerk sluit ik de oogen, en om dit te bewijzen wil ik haar naar +vermogen begiftigen, wil ik haar versieren met rijke, kostbare gaven, +wil ik... Doch ik... ik kan niet verder. Spreek gij in mijne plaats, +Orion. Gij weet het... de edelgesteenten... het tapijt..." + +De zoon deed den bisschop nu opening van de rijke schenking van +onschatbare juweelen, die zijn vader aan de kerk had toegedacht. De +stervende wenschte voor de grafkapel van zijne voorvaderen in de +Doodenstad ingezegend en daarna in de Johanneskerk te Alexandrië +naast zijn vader begraven te worden. Voor de gebeden, die voor hem +gedaan zouden worden, had hij in zijn testament eene afzonderlijke +som bepaald. De geestelijken vernamen dit alles met welgevallen, +verleenden hem geheele absolutie, zonder eenig voorbehoud, zegenden +hem toen met bijzondere warmte en verlieten daarna het vertrek. + +Philippus haalde vrijer adem, toen de geestelijken vertrokken waren, +vernieuwde meermalen de compressen, terwijl de stervende langen tijd +zwijgend en met gesloten oogen bleef liggen. Daarna wreef hij ze, en +alsof de levensgeest weder ontwaakte, hief hij het hoofd met behulp van +den arts een weinig omhoog, sloeg de oogleden weder op en zeide: "Haal +den ring van mijn vinger, Orion, en draag dien met eere. Waar is de +kleine Maria? Waar is Paula? Ook van hen verlang ik afscheid te nemen." + +De jonkman en zijne moeder zagen elkander verlegen aan, doch de laatste +bezon zich spoedig en zeide: "Wij hebben Maria reeds laten halen; +maar Paula,--gij weet dat zij zich bij ons niet tehuis gevoelde--en +sedert het gebeurde van gisteren..." + +"Nu?" vroeg de kranke. + +"Heeft zij ons huis overhaast verlaten, en--dit moogt gij erbij +weten--is in vrede van mij gescheiden. Doch zij is nog in Memphis +en heeft zeer liefderijk over u gesproken, en u willen zien en nog +vele groeten aan u opgedragen. En wanneer gij erop gesteld zijt haar +te zien..." + +De kranke beproefde met het hoofd te knikken, doch tevergeefs, hij +stond er ook niet op haar te laten roepen, doch een diepe weemoed +verspreidde zich langzaam over zijne trekken, en zacht ruischte het van +zijne lippen: "De dochter van Thomas! Edeler en schooner dan allen!" + +"Edeler en schooner dan allen!" herhaalde Orion luid met eene zware +stem, die trilde van oprechte aandoening, waarop hij den arts en +de diakones verzocht hem eenige oogenblikken alleen te laten met +zijne ouders. + +Zoodra de vreemden zich verwijderd hadden, zeide de jonkman zacht +en met geestdrift aan het oor van den kranke. "Gij hebt het rechte +woord gesproken, vader, zij is beter en edeler, zij is schooner en +denkt verhevener dan iedere andere jonkvrouw. Ik heb haar lief en +wil niets onbeproefd laten om haar hart te winnen.--God, God! Goede +hemel! Dat verheugt u, dat vindt gij goed, vader? Liefste beste vader, +ik kan het u aanzien!" + +"Ja, ja, ja," stamelde de kranke; hij richtte zijne geelachtige +oogen, waarin zich groote bloedaderen vertoonden, naar boven, en +prevelde verder met groote inspanning: "Zegen, mijn zegen, over u +en Paula...! Dat moet gij haar herhalen. Had zij den ouden man iets +vroeger haar vertrouwen geschonken, dan zou de vrijgelatene in ons +huis geen dief zijn geworden.--Eene brave ziel; wat heeft zij voor den +armen man gestreden! Ik wil alles later nog eens uitvoeriger hooren, +als mijne krachten het toelaten. Waarom is zij nu niet hier?" + +"Zij had u zoo gaarne vaarwel gezegd," antwoordde Neforis, "maar +gij sliept...." + +"Had dat gaan dan zoo'n haast?" vroeg haar gemaal met een bitteren +lach. "Is misschien ook vrees voor den smaragd hier in het spel? Maar +hoe kon ik boos op haar zijn? Hiram heeft zeker zonder haar voorkennis +gehandeld, niet waar? Nu, ik wist het! Ach dat schoon, lieftallig +gezicht! Dat nog eens weer te mogen zien! De troost mijner oogen, mijn +tegenpartij aan het schaakbord! Trouw hart! Hoe hing het aan den vader, +voor wien het alles wilde opofferen! Maar gij, gij, mijne oude... Doch +thans geen verwijt! Gij, moeder, gij mijne Neforis... dank, duizendmaal +dank voor zooveel liefde en goedheid. Welke geheimzinnige tooverbanden +knoopt toch zulk eene christelijke echt! Merk het op, Orion! En gij, +moeder--het beangstigt mij--doe gij het meisje niet weder smart +aan. Zeg--het maakt mijn einde licht--zeg, dat gij den bond zegent: +Paula, Orion, wij beiden, beiden... Ik durfde het vroeger niet... Wat +kunnen wij beiden beters wenschen?" + +De matrone vouwde de handen samen en zeide snikkende: "Alles, alles +wat gij maar wenscht. Maar vader, maar Orion, ons geloof en--lieve +Heiland!--die arme kleine Katharina!" + +"Katharina?" herhaalde de stervende, en een medelijdende +glimlach zweefde over zijne slappe lippen. "Onze jongen en dat +kwik... kwik... Gij weet, wat ik bedoel." + +Daarop verhelderden zich zijne oogen, en zacht, maar zoo opgewekt, +als was de dood nog verre, zeide hij: "Georg, de zoon van den Mukaukas +heet ik, ik ben de groote Mukaukas; en ons geslacht: krachtige mannen +zijn het, trotsch van aard, allen, allen; mijn vader, mijn oom, onze +gestorven zonen en hier onze Orion--enkel palmen en eiken! En nu zulk +eene dwerg, zulk een niets dan een rijsje aan den ouden, grooten, +heerlijken stam! Wat daaruit geboren wordt, o--o--beklagenswaardige +schepseltjes! Maar Paula--die ceder van den Libanon--Paula, zij +verjongt dat oude, groote geslacht." + +"Maar het geloof, het geloof!" zeide Neforis met een zucht. "En gij, +Orion, weet gij dan, hoe zij over u denkt?" + +"Ja, en neen; zwijg daarover in deze ure," smeekte de diep bewogen +jongeling. "O, vader, als ik weet dat uw zegen...." + +"Het geloof, het geloof," haastte de Mukaukas zich te zeggen met +gebrokene stem. + +"Ik bewaar het mijne!" zeide Orion, terwijl hij de hand zijns vaders +aan zijne lippen bracht. "Denk u en stel u het voor, hoe Paula en +ik dit huis bewonen, en hoe een nieuw geslacht daarin opwast, den +grooten Mukaukas en zijne vaderen waardig!" + +"Ik zie het, ik zie het," stamelde de kranke, waarop hij als levenloos +in zijn kussen achterover zonk. + +Onverwijld werd de arts geroepen en tegelijk met dezen kwam de +kleine Maria weenende de kamer binnen. De vernieuwde pogingen van den +arts om het leven te wekken bleven niet zonder gevolg; de stervende +opende nogmaals de oogen en zeide meer verstaanbaar en krachtiger +dan te voren: "Het riekt hier naar muskus--dat is de geur, die den +doodsengel voorafgaat." + +Daarna bleef hij lang zwijgend en roerloos liggen. Zijne oogen +waren gesloten, maar zijn gerimpeld voorhoofd bewees, dat hij met +inspanning nadacht. Eindelijk haalde hij weder dieper adem en sprak +nauw verstaanbaar: "Zoo was het, zoo is het: De Griek heeft de mijnen +willekeurig als honden, als slaven behandeld; ook de muzelman is een +vreemdeling, maar hij handelt rechtvaardig. Aan wat gebeurd is, kan +ik niets veranderen, maar het is goed, goed zooals het geloopen is!" + +Hij herhaalde dat "goed" nog eenige malen, waarop eene huivering hem +overviel en hij klaagde: "Mijne voeten zijn zoo koud, maar laat het +blijven, ik houd van de koelte." + +De arts en de diakones maakten zich terstond gereed om hout te +verhitten, ten einde zijne voeten te verwarmen. De kranke zag hen +dankbaar na en vervolgde: "Bij de kerk, in Gods huis, heb ik vaak +de heerlijkste verkoeling gevonden, en thans maakt zij mij door +hare vergeving het sterven gemakkelijk. Gij, mijn zoon, blijf haar +trouw. Een lid van ons huis mag geen afvallige worden. Het nieuwe +geloof--met eene onbegrijpelijke macht onderwerpt het rijk aan +rijk--eer- en winzucht drijft het duizenden in de armen. Maar wij, +wij blijven Jezus Christus trouw en wij zijn geen verraders! Had +ik, ik de Mukaukas, willen doen wat de Kalief van mij verlangde, +dan zou ik als een vorst, met purper bekleed in zijn naam dit land +regeeren. Hoevelen zijn er tot de muzelmannen overgeloopen! De +verzoeking zal ook tot u komen, en hun geloof bezit veel wat de +groote menigte aantrekt. Zij stellen zich een paradijs voor met +onuitsprekelijk bekoorlijke genietingen, maar, nietwaar mijn zoon, +wij zien elkander in onzen hemel weder?" + +"Ja, ja, ja, vader!" riep de jonkman. "Ik blijf christen, ik sta vast +en trouw..." + +"Genoeg, het is goed!" viel de kranke hem in de rede. Hij wilde er +met opzet niet aan herinnerd worden, dat zijn zoon eene Melchietin +tot vrouw begeerde en vervolgde haastig: "Paula... Maar niets meer +daarover... Het geloof... Blijf het uwe trouw... Anders... Overigens, +mijn kind, zoek uw eigen weg; gij zijt... wandelt op den rechten, en +omdat, juist omdat ik dit weet sterf ik zoo gerust. Voor uw tijdelijk +welzijn heb ik rijkelijk gezorgd. Een goed echtgenoot en liefhebbend +vader--nietwaar mijn Heiland! nietwaar Neforis?--ben ik geweest. En +wat mijn beste, zekerste troost is--vele, vele jaren lang heb ik recht +gesproken in dit land en niet eene enkele maal--gij mijn schild en +trooster, gij zijt mijn getuige!--was ik--o, dat doet goed!--was ik +willens en wetens een onrechtvaardig rechter. De arme en de rijke, de +machtige en de hulpelooze weduwe, ze waren voor mij allen gelijk. Wie +zou gewaagd hebben..." + +Hier hield hij op, en terwijl zijne oogen onbestemd door het vertrek +dwaalden, ontmoetten zij de kleine Maria, die tegenover Orion aan de +andere zijde van het hoofdeinde voor het sterfbed op de knieën was +gezonken. De man, die gereed stond van de aarde te scheiden en juist +de slotsom opmaakte van een langdurig werkzaam leven, hield opeens +zijne gedachten in, en zoodra het kind zag, dat hij zich tevergeefs +inspande om het stramme hoofd naar haar toe te keeren wierp zij zich +met hartstochtelijke, smartelijke opgewondenheid op den stervende, +kuste hem zonder vrees voor den starenden blik zijner oogen en de +verandering van kleur op zijn bemind gelaat, zijn mond en zijne wangen +en zeide: "Grootvader, lieve grootvadertje, verlaat ons toch niet, +o ik bid u, blijf bij ons!" + +Om zijne droge lippen scheen een glimlach te spelen, en al de +teederheid, die hem over dit jonge lieflijke rozenknopje vervulde, +wilde hij in zijne woorden leggen; doch hij kon slechts klankloos +stamelen: "Maria, mijn lieveling! Om uwentwil zou ik nog gaarne lang +leven, zeer lang; maar die andere wereld... ik sta, sta op den drempel, +het afscheid... ik moet afscheid nemen." + +"Neen, neen, ik wil bidden, o zoo innig bidden, tot gij beter wordt," +riep het kind. + +"Neen," was zijn antwoord. "De Heiland heeft mijne hand reeds +gegrepen. Vaarwel, nog eens vaarwel! Hebt gij uwe Paula... hebt +gij haar--ik zie haar niet--hebt gij haar niet medegebracht, +hartje? Zij... is zij knorrig van ons weggeloopen? Als zij maar +wist... Uwe Paula heeft ons toch onrecht gedaan." + +Het meisje, vervuld van de schrikkelijke dingen, waartegen haar +oprecht gemoed in verzet kwam, die haar den vorigen avond, den +ganschen nacht en den geheelen morgen geen oogenblik rust hadden +gelaten, bracht haar kopje dicht bij het hoofd van den ouden, besten, +meest geliefden vriend. Jarenlang was hij haar tot een vader geweest, +en nu zou hij sterven, haar voor altijd verlaten! Maar zij kon hem +niet zien heengaan met een verkeerd oordeel over de vriendin, aan wie +zij gehecht was met al de liefde van een warm kinderhart, en daarom +riep zij hem met eene gedempte stem, maar toch met aandrang in het +oor: "Dit eene, grootvader, moet gij nog weten, vóor de Heiland u in +zijne hemelsche zaligheid opneemt. Paula heeft de waarheid gezegd, en +nooit, ook niet ter wille van haren Hiram gelogen. Een stukje bladgoud, +geen gesneden steen, hing er gisteren middag aan haar halssieraad. Wat +Orion ook zegt, ik heb het gezien en mij niet vergist, zoowaar ik u en +mijn armen vader daarboven hoop weer te zien. En Katharina, zij is zoo +straks ook tot inkeer gekomen en heeft mij beleden, dat zij een groote +zonde begaan en een valsch getuigenis voor de rechters afgelegd heeft, +om den zin te doen van haar lieven Orion. Ik weet niet, wat Hiram +haar heeft aangedaan, maar op het getuigenis van Katharina hebben de +rechters hem ter dood veroordeeld, en Paula--dit moet gij weten--heeft +met den diefstal van den smaragd niets, volstrekt niets uit te staan." + +Orion was veroordeeld in zijne geknielde houding elk woord, dat die +kleine met zooveel vuur den vader influisterde, te hooren, en ieder +woord trof zijn hart als een dolksteek. Herhaaldelijk had hij de +handen over het bed willen slaan en haar voor de oogen zijns vaders +op den grond willen werpen, doch bij de smart en de verrassing, +die hem gansch en al verlamden vond hij zelfs de kracht niet haar +met een enkel woord in de rede te vallen. Het gesprokene was geuit; +als verpletterd klemde hij zich vast aan den rand van het bed, en +toen zijn vader zich tot hem wendde en rochelend met moeite vroeg: +"Zoo heeft het gerecht, ons eigen gerechtshof een valsch oordeel +geveld?" knikte hij verslagen met het hoofd. + +Hierop stamelde de stervende nog onduidelijker en zonder samenhang +de vraag: "Steen.... uit het tapijt.... Gij... misschien.... Hebt +gij... hebt gij, gij zelf den smaragd.... Ik kan niet...." + +Orion hielp zijn vader, die tevergeefs worstelde om het onzalige woord +uit te spreken en antwoordde deemoedig en zacht, want hij had liever +met den heengaande willen sterven dan hem in deze ure voor te liegen: +"Ik, vader, heb den steen weggenomen, maar zoo waarachtig als ik u +en mijne moeder liefheb, de eerste lichtvaardige daad mijns levens, +die zulke ontzettende gevolgen na zich moest slepen, zal...." + +"Ook de laatste zijn," had hij er willen bijvoegen, maar reeds toen +hem dat "ik heb den steen weggenomen" over de lippen was gekomen, +begon de stervende over zijn gansche lichaam te beven, er kwam eene +akelige verandering in den blik zijner oogen en nog voor de zoon +zijne gelofte had afgelegd, richtte de ongelukkige vader zich met eene +buitengewone krachtsinspanning op, en riep den bleeken, luid snikkenden +en naar adem hijgenden jonkman toe, zoo haastig als zijne zware, bijna +verlamde tong het toeliet, met een gorgelende van toorn bevende stem: +"Gij! Gij! De smaad van het oude, smettelooze gerechtshof! Gij! Weg van +hier! De laatste kleinzoon van Menas een roover, een onrechtvaardig +rechter, een vervalscher van een getuigenis! Kon ik u nog met deze +handen.... Gij... Gij.... Weg van mij, knaap!" + +Na deze onstuimige uitbarsting zonk Georg, de zachtmoedige en +rechtvaardige Mukaukas, achterover in zijn kussen; zijne bloederige +oogen staarden ongesloten in de ruimte; de geopende mond scheen telkens +en telkens weder al zachter en zachter dat "knaap" te herhalen; de +gezwollen handen trokken zich krampachtig samen in het dunne dek, +dat over hem gespreid lag; een vreemd, schel geluid kwam over zijne +bleeke lippen; de laatste krachten begaven hem en het ontzielde +lichaam van den waardigen stadhouder zonk aan Orions zijde ineen, +als een gevelde palmboom. + +Als razend, met verwilderde haren en vuurroode oogen richtte Orion +zich op, schudde het lijk als wilde hij het dwingen te herleven, om +zijne gelofte te vernieuwen, de tranen van zijn berouw te zien, hem +te vergeven en de verschrikkelijke woorden terug te nemen, waarmede +hij scheidende hem, den veelgeliefden, verwenden zoon, had verstooten. + +Onder deze wilde uitingen van zijne vertwijfeling keerde de arts terug, +wierp een blik op het verwrongen gelaat van den afgestorvene, legde +zijne hand op de plaats van het hart en zeide, terwijl hij de kleine +Maria van de legerstede wegtroonde, ernstig en weemoedig: "Deze brave +en rechtvaardige man heeft opgehouden onder de levenden te wandelen." + +Orion slaakte een bangen kreet en stootte Maria van zich af, +die hem genaderd was, omdat zij, hoe jong ook, gevoelde, dat zij +onbedacht het schrikkelijkst oordeel over haar oom had gebracht, +en dat het nu haar plicht was hem liefde te bewijzen. Daarop liep +het kind naar hare grootmoeder, maar ook deze duwde haar opzij, en +viel bij den vertwijfelden zoon op de knieën om met hem te weenen +en den ontroostbaren, van wien zij nog weinige oogenblikken geleden +de beste troost voor zichzelve had verwacht, met warme woorden op te +beuren. Doch de moederlijke toespraak scheen geen weerklank te vinden +in zijn gebroken gemoed. + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + + +De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk +oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken +lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten, +want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had +bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou +heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar +onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in +de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter, +haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de +achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had, +wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van +haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der +zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke +gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen. + +Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang, +een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan, +en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan +wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar +hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing +als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren +innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid +van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond, +dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop +zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde--zij zelve +noemde het diepen afkeer--maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet +toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven. + +Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenoote opgenomen en +het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en +zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met +fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo +keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen +had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te +zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een +of ander lichamelijk gebrek. + +Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde +straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal +en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van +de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis +met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting +lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel +noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt +bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen +en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen +verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten +planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje +gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was; +want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken, +en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van +Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar +orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl +alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de +stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven, +niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters, +een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen, +maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde +missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde +de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen +van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze +voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde +bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven, +tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was--die het coenobium +insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had--aan +den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan. + +De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van +al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets +in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde +vaderstad te onttrekken, ten einde ze den rijken muzelman in handen +te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was +deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar +niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook +meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder +vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig +opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres +gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad +Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot +een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand. + +De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door +de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het +klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen, +overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte +bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste +wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en +eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk +opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon +geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was, +en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het +eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam, +dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de +Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus +den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche +vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde, +een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen +uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was, +terwijl het woord "christelijk" uitdrukkelijk in de oorkonde stond, +het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd, +dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk +moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den +Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen +had gevonden, tot openbare vijandschap geworden. + +Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was +de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest +betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door de vensters van +hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat, +de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille +klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van +Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op +zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen het aantal +klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar +oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep +bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van +dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja, +hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige +droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de +borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven +bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het +hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande, +en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren. + +Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De +dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en +hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste +ure van den afgestorvene. + +"Bij al dezen jammer," dus besloot de arts, "heb ik toch iets goeds +opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer +dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn +nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten +en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch." + +"Niet?" vroeg Paula haastig. "Zoo heeft hij dan ook u misleid?" + +"Misleid?" vroeg de arts. "Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb +helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel +roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger +wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens +aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste +akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen +wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar 't om het mijn +en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en +groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen +het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn +open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw +over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene +breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig +zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd." + +"Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn," hernam Paula, +"dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te +ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen, +dat zij zich verslagen toonen en tranen storten." + +"Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid," vervolgde de arts, "maar +het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in +het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij +anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons +doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder +dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht, +waartoe we ons anders moeten rekenen." + +"En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover, +den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?" vroeg +Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden. + +"Wel zie nu eens!" zeide de arts lachend. "Net als alle andere +vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even +nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon +van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar--en dit stel ik reeds +hoog--hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar +is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme, +ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik +anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik +tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat +vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen, +en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik +Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van +geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was." + +"Comediespel!" riep Paula, haar vriend in de rede vallende. + +"Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan +toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor +zijne moeder en de kleine Maria." + +"Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij +de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende, +levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne +ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met +goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds +en groots in hem was heeft hij verloren, alles!" + +Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De +toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare +zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd +en zeide: "Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij +mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek +ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen +gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht. Ik +heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel +moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!" + +"Homeros noemde reeds Egypte het gifland," zeide Paula, "en het +is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd +heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de +wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen." + +"Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze +in den mensch gerijpt zijn," zeide de arts lachend, "en zij leeren +mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en +verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog +niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij +u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders +en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken +geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft +voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger +en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk +eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te +verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen +voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik +kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der +bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de +veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen +viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar +ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige +wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen +hij een kind was.--Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem +anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten +erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe +spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt: +daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als +bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol +hoop met den Romein Horatius: 'Nil desperandum!' het zou onrecht zijn, +indien wij hem geheel wilden opgeven." + +Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte +kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille +van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in +zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander +onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren +van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam +aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige +oogenblikken later lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe +vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en +weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad +overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had +gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten. + +Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon +zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij, +in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had +de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer +genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige +jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar, +Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren +had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze +geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een +vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters +hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had +hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet +alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den +rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke +geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste +hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De +groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd +geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van +den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was +zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon +geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een +bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula +er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder +gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje +zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en +weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen, +om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het +Caecilia-klooster gegaan. + +Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua +het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: "Gij hebt reeds +iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch +veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond +der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend +door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te +worden; en hoe ras heeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig +en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette +zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij +hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris +een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in +den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds +hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer +in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen." + +"En misschien doet gij het haar ten gevalle," zeide de arts, die +sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden +voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen +verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets +in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig +en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren, +sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel +hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging +een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede +zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard, +welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij +was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn +ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had +juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd, +dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had +van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij, +die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk +opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den +menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd. + +Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en +gevoelde dat die volzin: 'misschien doet gij het haar ten gevalle', +eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer +zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen +het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij +den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs +wilde krenken, zeide zij vriendelijk: "Ik wil de bedoeling van uwe +zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke +en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon +van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders; +wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!" + +"Zoo denk ook ik er over," zeide de arts. "Overigens verzoek ik u mijn +'misschien' te vergeten. Ik ben een man van het tegenwoordige en geen +profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in +het werk zal stellen, om--het koste wat het wil--" + +"Welnu?" + +"Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart +te treffen, u...." + +"Dat hij het beproeve!" sprak Paula, terwijl zij de rechterhand +dreigend ophief. + +"En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel +tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting +van alle weldenkenden weet te verwerven...." + +"Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan +heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten +ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere +gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die +gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne +handelwijze veranderd, maar ook--antwoord mij oprecht--ook hetgeen +wij onder 'gezindheid' verstaan?" + +"Ook deze," antwoordde haar de arts met diepen ernst, "ook deze +kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne +muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als +een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting +onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk +wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij +het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan +wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin +de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven +en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling +past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden +om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft +zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat +hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd +vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst +en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend +vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde, +dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien +te hooren, dan houd ik hem voor gered." + +"En hoe luidt dat woord, die raad?" vroeg Paula in spanning. + +"In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid +ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te +vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en +zijne gaven, en hoe beter het hem gelukt die aan te wenden tot heil +en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam, +des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder +zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de +dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst +te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den +avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende +levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te +onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt +hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een +dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem +zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien +wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt." + +"Zien wij toe," herhaalde Paula, "en laten wij wenschen dat hij een +raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte +bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij +zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden +verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand +zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het +einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor +mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou +kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt +Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit +huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend +en redder!" + +Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare +greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij +blijmoedig: "Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover, +en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man..." + +"Niet verder, neen, neen, Philippus!" sprak Paula, hem met angstige +opgewondenheid in de rede vallende. "Laat ons als vrienden, als +broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven." + +"Als broeder en zuster?" herhaalde hij dof en met een weemoedig +lachje. "O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch--laat mij +uitspreken--ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde +ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar +nog.... Maar man, man...." en hier drukte hij de vuist tegen zijn +voorhoofd--"hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet +meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige +bloem, waarnaar gij streeft...." + +Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden +terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl +zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: "Niet zoo, +Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem +die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit +haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid, +zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat +spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo +kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik +niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?" + +"Vriendschap, vriendschap!" herhaalde hij heftig, zijne hand uit de +hare rukkend. "Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere +gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der +bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar, +zijn verdediger en--het koste wat het wil--zal het blijven, zoolang +gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den +bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien." + +Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe +smartelijke zielsangst: "Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort, +hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der +betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener +jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe +bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer +gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap +afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en +mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik +mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan +aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting +waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor +elkander gevoelen." + +De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna +niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl +Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam. + +De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog +niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen, +de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen +hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde +daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn +jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden +vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste +gedeelte van haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening +uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag +harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en +het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven +kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij +was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad +te leven. + +De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart +angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat +hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig +gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op +zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te +verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben, +en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar +ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene +schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar +wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd +het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven, +mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch +Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich +bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens +hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden, +dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg +moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon. + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + + +Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken +teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de +kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats +verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag +met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar +haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij +onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner +ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere +gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van +alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het +gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare +macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt +en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid +bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot +een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij +met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich +nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend +aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch +telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel +of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde +hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om +hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte, +zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis +van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis! + +Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en +het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en +bittere klachten. Omstreeks middernacht--er waren eerst twaalf uren +verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en +toch kwam het hem voor als waren het even zoovele dagen geweest--wierp +hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling +zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak +in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den +nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van +zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde, +om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem +enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden. + +Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd +gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om +zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato +daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging +een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur--het was +geen zinsbedrog, geene begoocheling--de deur van zijn vertrek werd +zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met +zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer +door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende +hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria. + +Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht, +maar barsch riep hij haar toe: "Wat moet dat? Wat wilt gij?" + +Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen +smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter: "Ik hoorde u +steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb +aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik--ja ik moest...." + +Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion +riep haar toe: "Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen, +ik wil trachten wat zachter te klagen." + +Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat +het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd, +rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria +bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht +weenende: "Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat +gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch +zeggen, ik moet..." + +Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht +naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen +het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en +zijn voorhoofd. + +Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er +met hem gebeurde, maar het was hem als werd er iets in zijn binnenste +week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen +van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn +aangezicht bevochtigden. + +Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte +hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide: "Wat gloeien uwe +handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht +stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden." + +Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij +deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij +afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk: +"Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij +hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga +nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal +gaan.--Nu, gaat ge?" + +"Neen, neen," antwoordde zij ernstig. "Gij moet mij laten uitspreken, +anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in 't geheel niet +aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een +schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat +gij--maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel +niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half +hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt, +en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor +een dievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk +een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten, +dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen +om grootvader maar ook om Paula, dat ik--ach Orion, de barmhartige +Heiland is mijn getuige--dat ik... En al had ik het moeten besterven +ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!" + +"Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt," zeide +de jonkman, terwijl hij diep adem haalde. "Ziet gij, meisje; de arme +broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is +niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan +haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan +gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op +je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote, +geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het +leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld, +en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo, +daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar +bed om te slapen." + +Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zij dankte hem +met warmte en vroeg daarna met heldere oogen: "Dus is het waar? Gij +hebt Paula zoo lief?" Doch hier hield zij eensklaps op en zeide: +"En de kleine Katharina..." + +"Spreek daar niet over, kind," zeide hij met een zucht, "en neem er een +les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig +iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er +wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg +waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben +ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste +kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene +zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook +Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen +genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een +benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen +worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter +rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!" + +"O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij +denkt," riep de tienjarige hem toe. "En wanneer gij Paula inderdaad +zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt +zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula +zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet +boos op mij zijn als ik het u zeg?" + +"Spreek maar gekkinnetje!" + +"Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk +gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene +enkele maal iets gedaan hebt--dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft +grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven +lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom +schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon +uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan." + +"Hij heeft mij gevloekt," riep Orion op doffen toon. + +"Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad +heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed +weggejaagd." + +"Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?" + +"O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn, +maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde +van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem +alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven, +wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en +ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar--gij zult het +wel zien..... Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God, +zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd +vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke +ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis +heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt +zeker niet in vergelijking met de hare." + +De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van +smart doorploegden akker van 's jonkmans ziel als zaadkorrels, en +waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder +was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na. + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + + +De inzegening van het lijk van den Mukaukas Georg had den daarop +volgenden dag plaats gehad. Sedert de geestelijkheid de voormalige +heidensche balseming verboden had en in den tijd der Antonijnen ook +de lijkenverbranding had opgehouden, moesten de gestorvenen spoedig +na het overlijden ter aarde besteld worden; alleen de aanzienlijken +werden een weinig gebalsemd en in kerken of kapellen bijgezet, +waaraan zij schenkingen hadden gedaan. Overeenkomstig zijn uitersten +wil moest het lijk van den Mukaukas Georg naar Alexandrië gebracht +en aldaar in de kerk van den heiligen Johannes naast dat van zijn +vader worden bijgezet, doch de duif die den brief had overgebracht, +waarin den patriarch werd kennis gegeven van den dood des stadhouders, +was teruggekomen met het bevel, dat er bezwaren bestonden om aan +deze begeerte van den overledene te voldoen, en dat men zijn lijk +voorloopig in het familiegraf te Memphis moest bijzetten. + +Sedert menschenheugenis was daar zulk eene lijkstatie niet +gezien. Zelfs de muzelmansche gouverneur van het land, de groote +veldheer Amr, was met zijne voornaamste legeraanvoerders en +burgerlijke beambten van genen oever van den Nijl overgekomen, om +den hooggeschatten en rechtvaardigen stadhouder de laatste eer te +bewijzen. Hunne gespierde bruine gestalten en schoone karakteristieke +aangezichten, hunne gouden met edelsteenen bezette helmen en +pantserhemden, afkomstig uit den krijgsbuit na den vernielenden strijd +tegen het Perzische rijk en Syrië, hunne prachtige, kostbaar opgetuigde +paarden en het gebiedende en trotsche van hunne houding hadden op de +menigte een diepen indruk teweeggebracht. Statig en langzaam waren +zij verschenen, om zich daarna te verwijderen als een onweerswolk +door den stormwind voortgezweept. Van het kerkhof waren zij langs de +Nijlstraat en vervolgens over de schipbrug teruggedraafd, zoodat de +grond onder hen dreunde. Uit de witte stofwolken, die hen omgaven, +kwamen oogverblindende, flikkerende bliksems te voorschijn, zoo vaak +de zonnestralen hun gouden wapenrusting troffen. Ja, aan deze ruiters, +van welken ieder wel een vorst geleek, kon het niet zwaar zijn gevallen +de machtigste rijken der wereld te vernietigen. + +Mannen zoowel als vrouwen, allen hadden deze ruiterij met zeker +ontzag bewonderd en wel het meest de heldengestalte en het schoone, +bruine, mannelijke gelaat van den veldheer Amr en den zoon van den +afgestorvene, die op bevel van den Arabier van af het stadhouderlijk +paleis aan zijne zijde reed, in een donker rouwgewaad op een +gitzwarten, vurigen hengst. De schoone jongeling en de kloeke, +krachtvolle man vormden een paar, waarvan de vrouwen ongaarne de +oogen afwendden, want beiden deden in edele houding niet voor elkaar +onder, beiden vertoonden dezelfde krachtige lichaamsbouw, beiden +waren even geschikt om hunne vurige paarden in bedwang te houden, +beiden schenen tot heerschen geboren. Op menig Memphiet maakte dat +op een langen, prachtigen hals rustende hoofd van den beroemden +overwinnaar in zoo vele veldslagen, zijn fijnbesneden gelaat met den +adelaarsneus en de zwarte, fonkelende oogen een dieper indruk dan +de meer gelijkmatige gelaatstrekken en dat schoone licht krullende +haar van den stadhouderszoon, den laatsten spruit van het oudste en +edelste geslacht in geheel Egypte. + +Vast en gebiedend keek de Arabier recht voor zich uit en ook de blik +van den jonkman dwaalde niet ter zijde af, alleen zag hij enkele +malen om, ten einde de deelnemende menigte te overzien. Toen hij +ook Paula ontdekte onder de vrouwen, die het lijk volgden, overtoog +een glans van vreugde zijn bleek gelaat, en zijne wangen bloosden +even. Het vooruit staren deed hem het voorhoofd rimpelen en gaf aan +zijne trekken eene onheilspellende uitdrukking, zoodat menig Memphiet +zacht tot zijn buurman zeide: "Uit dezen vroolijken, levenslustigen +jongen heer zal zeker een streng gebieder groeien." + +Wat hem hinderde was zijn begeleider zoo min als der menigte +ontgaan. Hij alleen wist dat de patriarch het overbrengen van het +stoffelijk overschot zijns vader naar Alexandrië verboden had; doch +iedereen merkte op, dat bij deze buitengewone begrafenis het grootste +gedeelte van de geestelijkheid van Memphis werd gemist. Alleen de +bisschop Plotinos liep met den geleerden en moedigen presbyter Johannes +en eenige koorknapen, die het crucifix droegen, psalm zingende vóor de +door zes vurige paarden getrokken slede, waarop de kostbare sarcophaag +naar oud gebruik naar het kerkhof werd gevoerd. Daar aangekomen stegen +allen van hunne paarden, en knapen op bloote voeten in dienst van de +Arabieren waren aanstonds bij de hand om de paarden te houden. De +bisschop sprak aan het graf een warm woord van waardeering, waarna +het magere en weinig plechtige gezang der koorknapen een armelijk +figuur maakte. Doch nauwelijks was dit geëindigd of de menigte viel +met duizenden stemmen in, en hief een klaagzang aan, die zoo luid en +indrukwekkend over het kerkhof klonk, als nog nimmer op deze plaats +was gehoord. De overige ceremoniën werden, daar de hiertoe noodige +geestelijken niet verschenen waren, spoedig en onvolledig volbracht. + +De veldheer Amr, wiens valkenoog niets ontging, merkte dadelijk op +wat hier ontbrak, en riep Orion zoo luid en openlijk toe, dat het +rondom gehoord kon worden: "De doode moet hier boeten voor hetgeen +de levende als verstandig man ten beste voor zijn land hand aan hand +met ons muzelmannen gedaan heeft." + +"Op bevel van den patriarch," antwoordde Orion met bevende stem, +terwijl de aderen op zijn voorhoofd van toorn hoog opzwollen. "Maar +bij de ziel van mijn vader," en bij deze woorden balde hij de vuist, +"als er een rechtvaardig God is, zal het Benjamin niet gelukken voor +den braafsten aller braven de hemelpoort te sluiten." + +"Wij dragen den sleutel tot den ingang van onzen hemel in onzen eigen +gordel," antwoordde de veldheer, terwijl hij met zelfvoldoening +lachend op zijne hooggewelfde borst sloeg en de jonkman met +welgevallen aanzag. "Kom Zaterdag bij mij, jonge vriend, ik wil met +u spreken! Tegen zonsondergang wacht ik u aan de overzijde in mijn +huis. Als ik tegen donker nog niet terug ben, wil dan op mij wachten." + +Daarbij greep Amr de manen van zijn hengst, waarbij Orion zich gereed +maakte om hem te helpen, doch de vijftigjarige veldheer voorkwam hem, +zwaaide zich behendig als een jongeling in het zadel en gaf daarmede +aan de zijnen het teeken om op te breken. + +Paula, die met vrouw Neforis het allernaast bij het open familiegraf +had gestaan, was geen woord ontgaan van het kort gesprek tusschen +beide mannen. Zooals hij daar gestaan had, doodsbleek, in kostbare, +maar eenvoudige, lang afhangende rouwkleederen gehuld, door een +heiligen mannelijken toorn aangegrepen, was het onmogelijk geweest +niet te erkennen, dat de laatste dagen een verbazenden invloed hadden +gehad op den afgedwaalden jonkman. Nadat Paula de bleeke, verslagene +stadhoudersweduwe, die met droge oogen alles had aangezien, naar +haren wagen had gebracht, en daarna met Perpetua alleen naar huis was +gegaan, had haar het beeld van den schoonen, verontwaardigden jonkman, +die den gespierden arm met die stevig gebalde vuist in de hoogte hief, +steeds voor oogen gestaan. Het was haar niet ontgaan dat hij haar, die +tegenover hem stond aan de geopende groeve, had opgemerkt, en het was +haar gelukt zijn blik te ontwijken; maar haar zwak hart klopte daarbij +zoo hevig, dat zij het nog voelde in hare borst, en het was haar niet +gelukt geheel en onverdeeld aan de geliefde afgestorvene te denken. + +Orion had tot dusverre noch haar vreedzaam verblijf opgezocht, noch +ook een bode gezonden om haar te brengen wat haar toekwam; en zij vond +dit natuurlijk, want niemand behoefde haar te zeggen wat er in deze +dagen van hem gevorderd werd. Doch was zij vóor de begrafenis vast +besloten geweest zijn bezoek af te wijzen, en had zij aan de voedster +reeds volmacht gegeven haar goed uit zijne hand in ontvangst te nemen, +zoo scheen haar zulk eene houding na de teraardebestelling van haar +oom niet voegzaam meer; ja, bij de gedachte aan den ontslapene achtte +zij het haar plicht Orion niet te weren, wanneer hij haar om vergeving +kwam vragen. Ook nog iets anders was zij haar oom schuldig. Zij wilde +het zijn, die zijn zoon in de geest van Philippus er op wees, dat het +leven als een plicht, als een dienst moest worden opgevat. Opende hij +zijn hart voor deze vermaning, dan... neen, ook dan moest alles uit +zijn tusschen hen, uit als het vuur van een uitgebrande houtmijt, +als de zeepbel die in de wind berst, als de toon die weggestorven +is--uit, geheel uit. En de vermaning die zij hem, tot wien zij eens +had opgezien, wilde geven? Wie gaf haar het recht hem dezen toe te +dienen? Zag hij er niet uit als een man, die zijn leven uit eigen +kracht weet te leiden en te besturen?--Haar hart dorstte naar hem, +alles wat in haar was verlangde hem weder te zien, zijn stem weder +te hooren, en deze begeerte, dit heimwee noemde zij plicht en bracht +zij in verband met den dank, dien zij den afgestorvene verschuldigd +was. Geheel door deze overwegingen en twijfelingen beheerscht, hoorde +zij nauwelijks wat de spraakzame Perpetua zeide, die naast haar liep. + +De oude vrouw had volstrekt geen vrede met zulk eene begrafenis; +want hoe geheel anders was het hier toegegaan dan gewoonlijk +te Memphis geschiedde bij eene teraardebestelling! Er waren geen +priesters bij geweest; terwijl anders de nabestaanden, gelijk overal +gebruikelijk was, het stoffelijk overschot te voet volgden, had men +hier een lijkstoet te paard, ruiters in rouwgewaad, en daaronder +de zoon van den overledene! Een krekelgegons van kwajongens aan de +groeve van zulk een doode, en dan dat onbetamelijk geschreeuw uit +duizend kelen van de volksmenigte, waarvan haar trommelvlies bijna +gesprongen was! Doch dit kon men de Memphieten nog vergeven, want +het was geschied ter eere van den afgestorvene! Deze gedachte trof +zelfs haar fijngevoelig hart en deed tranen in haar oogen wellen, +maar het wekte ook haar wrevel op; want zij had geringer lieden met +meer plechtigheid en met waardiger ceremoniën zien begraven, dan de +groote, goede Mukaukas Georg, die zulk eene belangrijke schenking +aan de kerk had gedaan. Ja, die Jakobieten! Zoo ondankbaar konden +zij alleen handelen, zulk een wandaad kon alleen hun kettersch hoofd +begaan! In het Caecilia-klooster wist ieder, van de abdis tot de +jongste novice, dat de patriarch den bisschop door een brief per +postduif verboden had zijne geestelijkheid aan de plechtigheid te +doen deelnemen. De brave Plotinos was zeer verstoord over dit bevel, +doch daar hij niet bij machte was zich hiertegen te verzetten, had hij +den lijkstoet althans persoonlijk vergezeld en den presbyter Johannes +niet verboden hem te volgen. De jonge heer Orion had er overigens +niet uitgezien, als ware hij voornemens zulk eene beleediging van zijn +vader ongestraft te laten. Doch wiens arm was zoo lang, dat die reikte +aan den stoel van den patriarch? Tenzij... Doch dat was onmogelijk; +bij de gedachte alleen voer haar een rilling door de leden. Maar +toch... Hoe genadig had die groote veldheer van gene zijde met hem +gesproken! Hemelsche vader, als hij maar niet als zoovele gewetenlooze +Egyptenaars het heilige geloof afzwoer en de zondige leer van den +Arabischen leugenprofeet aannam! Het was voor slechte mannen wel +verlokkend een half dozijn vrouwen in huis te mogen nemen, zonder +zich te bezondigen. Een heer als Orion kon ze wel onderhouden, want +de abdis had gezegd, dat de groote Mukaukas door de geheele wereld +wel voor een zeer rijk man was gehouden, maar dat het opperhoofd +van de stad zelfs ongerust was over den ongehoord grooten omvang van +zijne nalatenschap. Ja, ja, Gods wegen waren ondoorgrondelijk! Waarom +begroef hij den een onder een gouden regen, terwijl hij aan duizenden +armen te weinig gaf om hun honger te stillen? + +Deze ontboezemingen namen een einde, toen de vrouwen te huis waren, +en hier eerst kwam Paula's gemoed tot rust. Het moest uit zijn met +den hartstocht, hetzij deze haat of liefde heette, die haar nog altijd +wilde beheerschen; dan eerst zou zij de vrijheid en het stille geluk in +het schoone verblijf, dat zij aan de zorg van den arts te danken had, +recht genieten kunnen, wanneer alle betrekking tot Orion had opgehouden +en de laatste band verscheurd was, die haar aan het stadhouderlijk +paleis verbond. Kon zij meer begeeren dan het tegenwoordige haar +aanbood? Zij was werkelijk eene vreedzame haven binnengeloopen, waar +het haar aan niets ontbrak wat zij voor zich begeeren kon, na hetgeen +Philippus haar zoo ernstig op het hart had gedrukt. Hier waren goede +menschen, die haar begrepen, hier vond zij allerlei bezigheden, +die voor hare krachten berekend waren en beantwoordden aan hare +neigingen, en bovendien ruimschoots gelegenheid om liefde te betoonen +en wederliefde te ontvangen. Voorts lag in de nabijheid het klooster, +dat zij door eene schaduwrijke laan in weinige schreden bereiken kon, +en waar zij onder hare eigene geloofsgenooten evenals in hare kindsheid +dagelijks de godsdienstoefening kon bijwonen. Sedert lang verlangde zij +naar zulke spijze voor haar gemoed, en hoe overvloedig wist de abdis, +eene voorname patricische weduwe uit Konstantinopel, die hare ouders +gekend had, haar die te geven! Hoe gaarne vertelde die levendige oude +vrouw van de goedheid en vorstelijke schoonheid der jonggestorvene, +waaraan zij het leven te danken had! Zij kon haar bedrukt gemoed +ontlasten voor deze gevoelvolle matrone, die haar behandelde als eene +dierbare dochter, op hoogen leeftijd haar geschonken. + +En hare huisgenooten! Wat waren dat innig goede, merkwaardige en in +hun soort veelbeteekenende menschen! Zij had er nooit van gedroomd, +dat er hier op aarde nog zulke zonderlinge en tegelijk beminnelijke +schepsels gevonden werden. Daar was vooreerst de oude Rufinus, het +hoofd des huizes, een krachtige grijsaard met de frischheid der jeugd, +die er met zijne lange sneeuwwitte, zijden hoofd- en baardharen +uitzag half als de apostel Johannes in zijn ouderdom, en half als +een in den krijgsdienst vergrijsd legeraanvoeder. Hoe beminnelijk +was hij, hoe kinderlijk goed van hart, ondanks den barschen toon, +die hij soms kon aannemen! Wanneer hij in zijn verkeer met mannen tot +den strijd werd geprikkeld, toonde hij zich vroolijk en ondeugend, +als zijne inzichten in tegenspraak waren met de hunne. Tevredener +ziel, openhartiger gemoed had zij nog niet leeren kennen, en zij +gevoelde wel hoe het juist dezen man verontrusten en kwellen moest, +ten minste in éen opzicht dagelijks iets anders te moeten schijnen +dan hij was. Ook hij behoorde tot hare kerk, liet zijne vrouw en +dochter deelnemen aan de godsdienstoefening in het Caecilia-klooster, +en moest toch den schijn aannemen van een Koptisch Christen te zijn, +en het daarom voor lief nemen op zekere feestdagen met de zijnen de +kerk der Jacobieten te bezoeken, wier leelijke eeredienst hem zeer +tegen de borst stuitte. + +Het vermogen van Rufinus was voldoende om hem en de zijnen in staat +te stellen fatsoenlijk te leven; toch werkte hij op zijne manier van +'s morgens vroeg tot 's avonds laat. Daar echter zijne bezigheden +niet alleen niets inbrachten maar eischen deden aan zijne kas, begreep +ieder dat hij een bemiddeld man moest zijn; en deze omstandigheid zou +hem vervolging, verjaging en waarschijnlijk verbeurdverklaring zijner +goederen op den hals gehaald hebben, als een der verspieders van den +patriarch in hem een Melchiet herkend had. Hij moest dus voorzichtig +zijn, en als de oude man maar een kooper voor zijn huis en tuin had +kunnen vinden in eene stad, waar men tienmaal meer leegstaande dan +bewoonde huizen zag, dan zou hij reeds lang zijn opgebroken, om voor +zich en de zijnen een nieuw verblijf te zoeken. De arts Philippus had +den vriend, wiens bekwaamheid en rijpe ervaring hij zeer waardeerde, +uitgenoodigd naar Memphis te komen; hij toonde ook trouw zijn omgang +op prijs te stellen, en beide mannen steunden elkander bij den arbeid. + +De meeste oude lieden, die wat driftig zijn van aard maar wat +minder snel van begrip, bedienen zich van stopwoorden, bij wijze van +remschoen of rustpunt voor hunne gedachten. Zoo bediende Rufinus zich +bij voorkeur van twee volzinnen, waarvan de eene luidde: "Zoo waar de +mensch de maatstaf is aller dingen!" en de andere--met betrekking tot +zijn huis--: "zoo waar ik van die rommelzoo verlost wilde zijn!" Maar +'die rommelzoo' bestond uit een goed gebouwd, zeer ruim woonhuis met +een tuin, die alleen reeds wegens zijne ligging vlak aan den stroom in +vroeger tijd zeer duur verkocht was. Hijzelf had trouwens, kort voor +den inval der Arabieren in Egypte, huis en tuin voor een spotprijs +overgenomen en nog wel--zoo spoedig veranderden de tijden--van een +Jacobietisch christen, dien de toenmalige Melchietische patriarch +Cyrus tot eene overhaaste vlucht had gedwongen, omdat het hem gelukt +was de orthodoxe slaven in zijn dienst tot zijn geloof te bekeeren. + +De gade van Rufinus, een teer, zwak vrouwtje met een smal eenigzins +ingevallen gelaat, dat vroeger zeer aantrekkelijk en aanvallig geweest +moest zijn, had wel voor zijne dochter kunnen doorgaan, en zij was +ook werkelijk twintig jaren jonger dan hij. Men kon het haar aanzien, +dat zij zeer veel beproevingen in het leven had gehad, maar dat zij +ze geduldig gedragen en er haar voordeel mede gedaan had. De grootste +zorgen en angsten had haar rustelooze echtvriend haar bereid, hoewel +zij al hare krachten inspande om hem het leven aangenaam te maken. Zij +wist elke hinderpaal, iedere ongeriefelijkheid voor hem uit den weg te +ruimen, en met een buitengewoon instinct te gissen wat hem nuttig en +aangenaam kon zijn of vreugde kon verschaffen. De arts beweerde dat +de voorovergebogene houding van haar hoofd en de zoekende blik van +hare levendige, zwarte oogen een gevolg ervan waren, dat zij altijd +uitkeek naar den stroohalm, die Rufinus in gevaar kon brengen er zijn +vereelten wandelaarsvoet aan te stooten. + +Hare dochter Pulcheria werd, kortheidshalve, gewoonlijk Pul genoemd, +wanneer de oude man niet den voorkeur gaf aan den titel van "het +arme kind". In de verhouding van Rufinus tot zijne dochter lag iets +medelijdends, want zelden zag hij haar aan zonder zich af te vragen, +wat er van dat lieve wezentje wel worden moest, wanneer hij, die +zooveel ouder was, de oogen sluiten en zijne Johanna hem zeker +spoedig volgen zou; en Pulcheria, die hare moeder zoo voor haar +vader zag zorgen, dat haar zelve niets voor hem te doen overbleef, +beschouwde zich als het meest overbodige schepsel op aarde, dat ten +allen tijde bereid was voor hare ouders, voor de abdis, voor haar +geloof, voor den arts en thans ook voor Paula, ofschoon zij haar eerst +sedert twee dagen kende, het leven op te offeren. Toch was zij een +aardig, flink opgewassen meisje, met groote, schoone, opene oogen, +waarin iets dweepends lag, terwijl hare prachtige, rossig blonde +haren bijna haars gelijken niet hadden in Egypte. Haar vader was +sedert lang bekend met haar wensch om in het Caecilia-klooster als +novice en toekomstige krankenverpleegster te worden opgenomen, en +hoewel hijzelf uit innerlijken drang zijn gansche leven aan zulk eene +roeping wijdde, had hij haar verzoek reeds meer dan eenmaal bepaald +afgewezen; want hij zou weldra verzameld worden tot zijne vaderen, en +dan had moeder, zoolang zij hem overleefde, iemand anders noodig, om +liefderijk te verplegen. Thans verlangde Pul echter minder dan vroeger +om den sluier aan te nemen, want zij had in Paula iemand gevonden, +in wier tegenwoordigheid zij zich recht klein moest gevoelen, tegen +wie hare ziel, die naar het hoogste streefde en verlangde, zonder +nijd, geheel bevredigd en in verrukking kon opzien. Bovendien waren +er sedert eergisteren in haar eigen huis twee kranken opgenomen, die +zeer verpleging behoefden, namelijk Rustem, de gewonde Masdakiet, en de +Perzische slavin. Vrouw Neforis, die sedert de ontzettende ure, waarin +haar gemaal den laatsten adem had uitgeblazen, als verpletterd was, +zich uit het dagelijksch leven geheel had teruggetrokken en aan niets +anders dacht dan aan den afgestorvene, had de verdere behandeling van +de beide zieken buiten haar huis volgaarne aan den arts overgelaten. + +Op denzelfden avond, dat Paula hier haar intrek had genomen, had +de arts met zijne vrienden onderhandeld over de opname der nieuwe +gasten. Toen Philippus begon te spreken over de vergoeding, die voor +deze gastvrijheid betaald zou worden, had de oude Rufinus vol vuur +geantwoord: "Zij zijn mij allen welkom. Als zij wonden hebben, zullen +wij ze dwingen toe te groeien, is hun hoofd verdraaid, dan schroeven +wij het weer recht, ziet het er donker uit in hunne zielen, dan zullen +wij daarin een licht ontsteken. Als die schoone Damasceensche het bij +ons voor lief wil nemen, mag zij met haar oudje hier blijven, zoolang +het haar en ons behaagt. Wij hebben haar van harte welkom geheeten, +maar daarom hoort ge, moet ons het vaarwel zeggen evengoed vrijstaan +als haar. Men weet nooit wat men aan zulke voorname lui heeft, en zoo +waar ik van deze rommelzoo verlost wilde zijn, zou het mij op een +goeden dag wel eens in den zin kunnen komen, dit nest aan de uilen +en jakhalzen over te laten en mijn wandelstaf op te nemen. Gij kent +mij. Met die schadevergoeding zijn wij spoedig klaar. Daar achter +de kranken een volle buidel hangt en de gezonde tienmaal meer bezit +dan zij noodig heeft, mogen zij betalen. Bepaal gij het bedrag, maar +maak het schappelijk--dat meen ik ernstig--voor de vrouwen. Gij weet +waarvoor ik de mammon noodig heb, en het is ook goed als Johanna de +zilverstukken voor de huishouding niet zoo angstvallig behoeft om te +draaien. Waarschijnlijk zal de Damasceensche het aangenamer bij ons +vinden, als zij het hare bijdraagt voor eten en drinken. Het is ook +niet betamelijk dat de dochter van Thomas bij trekvogels als wij zijn +iederen avond naar bed gaat met een: 'ik ben u zeer verplicht'. Als +ieder het zijne inbrengt, dan staan wij op den voet van geven en +ontvangen, en wanneer de een den ander een bijzonder bewijs van +hartelijkheid geeft, dan behoeft dit niet onder 'dank je', ''t is +u gegund' en zoo meer begraven te worden; het behoudt zijn waarde, +en ieder geniet er van." + +"Amen," had de arts geantwoord, en Paula was recht gelukkig geweest +over de schikkingen van haar vriend. + +Reeds den volgenden dag had zij zich een lid van dit huis gevoeld, waar +zij toch uur aan uur dingen zag, die hare bevreemding moesten wekken. + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + + +Toen Paula na de begrafenis met Rufinus en de zijnen--de voedster +was er niet toe te brengen met hare meesteres aan dezelfde tafel +te eten--den maaltijd gebruikt had, ging zij met den ouden man en +Pul in den tuin wandelen. De zon daalde reeds ter westerkim, doch +hare laatste lichtstralen deden de kleuren der bloemen en den glans +der metaalachtige bladeren der zuidelijke planten, voor zoover de +zonnehitte en de droogte ze niet had doen verdorren, bijzonder goed +uitkomen. Een bonte bultos en een ezel brachten het scheprad in +beweging, waardoor het frissche water uit den Nijl werd uitgestort +in een grooten waterbak, waaruit het weder werd overgebracht in +kleine kanalen, die de verschillende perken bevochtigden. Dit werk +vereischte thans zeer veel moeite, want de stroom was tot zulk een laag +peil gedaald, dat het zelfs in den tijd van den laagsten waterstand +bezorgdheid moest wekken. De verschillende ruigharige vogels, die met +staafjes aan hunne pooten of droevig hangende koppen in kooien zaten, +die aan hooge masten vrij in de lucht zweefden, om veilig te zijn voor +de klauwen van katten en andere roofdieren, maakten zich gereed om te +gaan slapen, en Rufinus sprak tot elk diertje een vriendelijk woordje, +of floot het met de lippen een opwekkend wijsje toe. Aromatische geuren +en echt landelijke stilte omzweefden den tuin, alles, zelfs de rug van +den waterscheppenden neger en het wit en geel gevlekte vel van het rund +glinsterden met een lichten goudglans, en door het schaduwrijke boschje +van het Caecilia-klooster ruischte het reine gezang van het nonnenkoor. + +Pul luisterde er aandachtig naar, terwijl zij het hoofd naar dien kant +richtte en de armen over de borst kruiste; haar vader wees Paula op +haar en zeide zacht: "Daarheen trekt haar hart. Zij mag altijd haar +God voor oogen hebben, dat toch ligt in den aard der vrouw, doch +hier onder ons moet de leuze zijn: uit liefde voor den Allerhoogste +alles te zijn voor den naaste op aarde! Zou de rechtvaardige Vader +in den hemel wel verlangen, dat te zijner eer de broeder den broeder, +en in ons geval, het kind zijne ouders vergat?" + +"Zeker niet," antwoordde Paula. "Wat mij betreft, ik werd alleen +door de hoop op het wedervinden van mijn vader teruggehouden om den +sluier aan te nemen, en evenals uwe Pulcheria heb ook ik vaak met +verlangen gedacht aan den vrede des kloosters. Zie eens hoe vroom en +in heilige verrukking uwe dochter daar staat! Welk een lieflijk en +roerend gezicht! In mijn hart zag het er zoo donker en woest uit, doch +hier onder u komt er helderheid, en zoo ergens dan vind ik hier weder +wat ik daarginds verloor. Gelukkig kind! Is het niet, zooals zij daar +staat in het avondlicht, als straalde die vrome zin die haar vervult +van haar uit? Vreesde ik niet haar te storen en achtte ik mijzelve +daartoe waardig, hoe gaarne vereenigde ik dan mijn gebed met het hare." + +"Ongetwijfeld bekleedt gij daarin toch eene plaats," zeide de oude man, +lachend. "Op dit oogenblik draagt hare heilige Caecilia zeer zeker +uwe gelaatstrekken. Laten wij het haar vragen en gij zult het zien." + +"Neen, laat haar!" bad zij blozende en trok Rufinus met zich voort +naar eene andere zijde van den tuin. + +Weldra waren zij gekomen bij de plaats, waar eene hooge heg van +doornstruiken het grondgebied van Rufinus scheidde van dat der weduwe +Susanna. Hier spitste de oude heer zijne ooren en zeide knorrig: +"Zoo waar ik deze rommelzoo kwijt wilde zijn, daar snijden ze weer in +mijne heg. Reeds gisteren avond heb ik een der slaven van hiernaast +betrapt, terwijl hij bezig was in mijn struikgewas, maar ik kon dien +zwarten rekel door de doornen niet pakken. Het zal een kijkgat moeten +worden voor nieuwsgierigen en spionnen, want de patriarch weet zich +ook van vrouwvolk te bedienen. Maar ik zal ze! Loop, bid ik u, voort, +alsof gij niets gehoord en gezien hadt, inmiddels haal ik de zweep." + +De oude man liep nu op een drafje weg en Paula wilde hem volgen; +doch nauwelijks was hij verdwenen of zij werd door eene opening in +de heg aangeroepen met eene hooge, vrouwelijke stem, en zoodra zij +omkeek, vertoonde zich in de gisteren door eene manshand met geweld +uit elkaar gerukte struiken een aardig meisjeskopje, als een portret +door een groene krans omlijst. Ondanks de schemering herkende Paula +dat gezichtje, en toen Katharina het krullekopje verder naar voren +drong en haar smeekend toeriep: "Mag ik bij u komen en wilt gij mij +hooren?" werd haar dit vriendelijk toegestaan. + +Daarop wrong zich het kwikstaartje, zonder acht te geven op de +hulpvaardige hand die Paula haar toestak, zoo behendig door de +opening, dat men wel zien kon, het nog niet lang geleden moest zijn, +zij bij het spelen met Maria geleerd had, zulke hindernissen te boven +te komen. In een oogwenk stond zij weer op hare voetjes en breidde +de armen uit om de jonkvrouw te omhelzen; doch zij liet ze dadelijk +weer besluiteloos zinken en deed een paar schreden achterwaarts. + +Paula zag hare verlegenheid; zij ging het meisje tegemoet, kuste haar +op het voorhoofd en zeide op vroolijken toon: "Inbreekster! Waarom +komt gij niet door de geopende deur? Daar komt mijn gastheer reeds +met de Nijlpaardenzweep aan! Halt, wakkere Rufinus, halt; de bres die +men in uwe bloeiende heg heeft gemaakt, bedreigt niet u maar mij met +een aanval. Hier ziet gij de vijandelijke macht en het zou mij zeer +verwonderen als gij uwe gebuur daarin niet zoudt herkennen?" + +"Herkennen?" vroeg de oude heer, wiens toorn spoedig bezworen +was. "Kennen wij elkaar, jonkvrouwtje, ja of neen? Het is eene +openhartige vraag." + +"Wel zeker!" zeide Katharina. "Van den muggentoren heb ik u honderdmaal +gezien." + +"Daarbij zult gij minder plezier gehad hebben dan ik, oude man, +wanneer ik het geluk had u te ontmoeten. Een jaar zoowat geleden +zijn wij het meest met elkander in aanraking gekomen. Ik had toen +het genot u in mijn grooten perzikenboom te vinden, die zich heden +nog verstout tot over uw tuin te groeien." + +"Ik was toen nog een kind," hernam Katharina lachende, die zich zeer +goed herinnerde hoe de oude heer met zijn mooi wit hoofd, waarnaar +zij altijd met welgevallen keek, haar in zijn boom betrapt en haar +met eene vriendelijke buiging toegeroepen had, dat zij het zich goed +moest laten smaken. + +"Een kind," herhaalde Rufinus. "Maar thans zijn wij jonkvrouw geworden +en wagen we ons niet meer zoo hoog maar kruipen bescheiden door +'s buurmans heg." + +"Eigenlijk zijt gij elkaar dus vreemd?" vroeg Paula met +verbazing. "Hebt gij ook Pulcheria nooit ontmoet, Katharina?" + +"Of ik Pul ontmoet heb?" vroeg de andere. "O, ik zou haar zoo gaarne +hebben toegesproken. Want men moet van haar houden, reeds op het +gezicht. Ontelbare malen was ik op het punt, maar mijne moeder..." + +"Nu, wat heeft uwe moeder tegen de buren?" vroeg Rufinus. "Wij zijn +rustige lieden, zou ik meenen, die niemand iets in den weg leggen. + +"Neen, neen, God beware! Maar, ziet ge, moeder heeft nu eenmaal hare +eigene inzichten; gij zijt toch vreemdelingen, en daar men ulieden +zoo zelden in de kerk ziet..." + +"Daarom," hernam Rufinus lachend, "houdt zij ons natuurlijk voor +goddelooze menschen. Zeg haar nu dat zij dwaalt, en als de dochter van +Thomas uwe vriendin is en gij wilt haar bezoeken--maar fatsoenlijk door +de deur en niet door de heg, want die wordt morgen dichtgevlochten--dan +zult gij bevinden, dat wij veel te doen, veel te verplegen hebben: +enkel arme creaturen met menschenhuid of met vel en veeren, zooals +het uitkomt. Men dient toch ook den Heere God, wanneer men zijne +schepselen, die Hij allen lief heeft, op zijne wijze het leven +gemakkelijk maakt. Zeg dat aan uwe moeder, jonkvrouw kwikstaart, +en kom dan maar dikwijls terug." + +"Dank u vriendelijk! Maar oude heer, mag ik u eens vragen; hoe zijt +gij die leelijke bijnaam te weten gekomen? Ik heb er een hekel aan." + +"Van denzelfden," antwoordde Rufinus, "die u in het oor geblazen heeft +dat mijne Pulcheria 'Pul' heet." Hierop maakte hij eene buiging en +liet de meisjes alleen. + +"Een beste oude heer," zeide Katharina. "O, ik weet precies hoe +hij zijne dagen doorbrengt. En zijne aardige vrouw en die Pul, ik +ken ze allen! Hoe dikwijls heb ik ze van daarginds beluisterd; ik +zal u de plaats eens wijzen. Wij kunnen den geheelen tuin overzien, +alleen niet wat nabij het klooster, aan gene zijde van het huis of +daar achter die boomen gebeurt. Mijne moeder, ach, gij kent haar, +als zij eens niet hebben wil.... Maar die Pul, weet ge, zou eene +goede vriendin voor mij zijn." + +"Zeer zeker," antwoordde Paula. "Een meisje van uw leeftijd moet +grooter speelnooten kiezen dan de kleine Maria." + +"O, van haar moogt gij niets zeggen!" zeide het kwikstaartje met +warmte. "Wel is zij pas tien jaren oud, maar menig grooter meisje is +lang niet zoo verstandig en rechtvaardig als zij; dat heb ik in deze +laatste moeielijke dagen ondervonden." + +"Maar, arm kind," zuchtte Paula, met de hand over Katharina's lokken +strijkende. + +Opeens en als vanzelf gaf Katharina in een smartelijk snikken aan haar +gemoed lucht. Zij trachtte dit met alle geweld te onderdrukken, terwijl +Paula haar hartelijk toesprak, maar het wilde haar niet gelukken. Het +had haar zoo hevig aangegrepen, dat zij geen woord kon uitbrengen, +totdat Paula haar bij eene rustbank bracht onder eene breedgetakte +sykomore, haar met zacht geweld dwong zich naast haar neer te zetten, +haar aan de borst drukte als een ziek kind en haar moed en vertrouwen +insprak. + +Talrijke vogels gingen in het dichte loofwerk boven hen ter ruste; +uilen en vleermuizen begonnen hun nachtelijken rooftocht; het firmament +tooide zich met gouden en zilveren sterren; uit het westelijk gedeelte +der stad hoorde men het geblaf der jakhalzen, die in vervallen huizen +een onderkomen hadden gevonden, en nu op buit uitgingen; de vochtige +dauw begon in de lauwe avondlucht, zich neer te zetten op de bladeren, +het gras en de bloemen; de bloesems der boomen geurden sterker dan +overdag, en Paula gevoelde dat het tijd werd om eene beschutting te +zoeken voor de dampen, die uit den ondiepen stroom opstegen. Doch +zij wachtte geduldig tot de kleine alles in hare ziel had overgestort +wat haar neerdrukte, waarover zij berouw gevoelde, wat ze meende niet +meer goed te kunnen maken, en vervolgens wat haar was weervaren, wat +dreigde haar hart te zullen breken, en wat zij nu toch onderdrukken en +zich geheel uit het hoofd zetten wilde. Zij vertelde Paula, hoe Orion +haar gevrijd had, hoe zij hem liefhad, hoe de jaloezie jegens haar +heur arme hart had gemarteld, en hoe zij zich had laten verleiden om +voor de rechters zulk een valsche getuigenis af te leggen. Vervolgens +deelde zij Paula nog mede hoe Maria haar het eerst den afgrond had +getoond, die voor hare voeten gaapte. + +Op den namiddag na den dood van den Mukaukas was zij met hare +moeder naar het stadhouderlijk paleis gegaan, om met de vrienden +te treuren. Zij had eerst naar Maria gevraagd, maar was niet bij +haar toegelaten, omdat zij nog met de koorts te bed lag. Daarop had +zij in het koele vertrek willen gaan, waar zij de stem harer moeder +hoorde. Naar den toon te oordeelen was deze niet droevig gestemd, +maar hevig opgewonden en toornig, zoodat zij het minder passend had +geoordeeld de kamer binnen te gaan, waarom zij zich naar de opene +zuilengaanderij aan de Nijlzijde had begeven. Voor geen prijs verlangde +zij een ontmoeting met Orion, waarvoor zij zeer bevreesd was. Zoodra +zij echter naar buiten kwam, waar het nog helder was, had zij hem +daar gevonden. Maar hoe? Hij zat daar geheel in zichzelven verdiept, +in een zwart rouwgewaad, en met het hoofd voorovergebogen in zijne +handen. Hij had hare komst in de gaanderij niet opgemerkt, maar zij +had diep medelijden met hem gevoeld; want hoewel het nog heet was, +beefde hij over al zijn leden, en scheen er telkens eene huivering +door zijn gansche lichaam te gaan. Toen had zij hem bij den naam +geroepen om hem te troosten, waarop hij van schrik was ineengekrompen +en opgesprongen. Hij had zijn verwilderde haren uit het aangezicht +gestreken en zag er zoo bleek, zoo vol vertwijfeling uit, dat zij weder +bang voor hem geworden was en voor niets ter wereld de vertroostende +woorden zou hebben willen uitspreken, die zij reeds bedacht had. Zoo +hadden zij een tijdlang geen woord tot elkander gesproken, eindelijk +had hij als met geweld al zijne krachten verzameld, was hij langzaam en +met een plechtige waardigheid, zooals niemand zeker te voren bij hem +had opgemerkt naar haar toegekomen, had zijne hand op haar schouder +gelegd, haar een poos aangestaard met zijne rood bekreten oogen en +daarna met een diepen zucht de woorden geuit: "Rampzalig kind!" + +Dat klonk haar nog in de ooren, hij was van het hoofd tot de voeten +geheel anders geweest dan vroeger, alsof hij haar vreemd was. Ook zijn +stem klonk zonderling, veel dieper dan anders, toen hij op vasten, +kalmen toon had gezegd: "Kind, kind, wellicht heb ik velen in mijn +leven onbedacht leed gedaan, doch gij, gij hebt zeker het ergste +van mij ondervonden, want ik heb u, onschuldige, trouwe ziel, tot +mijn medeschuldige gemaakt. De groote zonde die wij begaan hebben, +komt alleen voor mijne rekening, en om harentwil ben ik gekastijd, +is mij een straf opgelegd, voor honderden, voor duizenden te zwaar +om te dragen!" + +"Daarop," zoo ging Katharina voort, "bedekte hij zijn gelaat weder met +beide handen, wierp hij zich op de rustbank, steunde en zuchtte. Weldra +sprong hij andermaal op en riep zoo hartstochtelijk en luid, als moest +ik het van angst en medelijden besterven: 'Vergeef mij, als gij kunt, +vergeef mij gansch en al! Dat moet gij doen! Ik kan niet zonder die +vergiffenis!'--Ik wilde toen naar hem toesnellen, hem omarmen en alles +vergeven, want ik had zoo zielsmedelijden met zijne bittere smart; doch +hij wees mij zonder hardheid of ruwheid maar ernstig terug en zeide, +dat het uit was met liefde en verloving tusschen ons. Ik was jong, en +het zou mij wel gelukken hem te vergeten, hij wilde een trouw vriend +blijven voor mij en mijne moeder; en hoe zwaarder het zijn mocht wat +wij van hem verlangden, met des te meer vreugde zou hij ons dienen. + +"Ik wilde hem antwoorden, maar haastig hield hij mij tegen om op +ernstigen, stelligen toon te vervolgen; 'Hoe zeer gij ook verdient +bemind te worden, ik kan u niet liefhebben zooals gij het waardig +zijt; want--het is mijn plicht u dit te zeggen--want ik heb eene +andere groote liefde in 't hart, mijne eerste en mijne laatste, en +al heb ik ook eens in mijn leven mij als een onwaardige gedragen, +ik wil dit niet andermaal doen. Liever wil ik uw toorn op mij laden +en u en mijzelven in deze ure pijn doen, dan dit onrecht nog langer +voort te zetten en u en die andere te bedriegen!' + +"Toen kon ik mij niet langer inhouden en diep ontroerd vroeg ik: +Paula? Doch hij bleef mij het antwoord schuldig, boog naar mij over, +raakte mijn voorhoofd aan met zijne lippen, zooals zijn vader mij +menigmaal gekust had, en liep toen snel den tuin in. + +"Daarop kwam mijne moeder, rood als een papaver en hijgende naar +mij toe, greep zwijgend mijn hand, trok mij achter haar in den wagen +en zeide daar, buiten zichzelve van boosheid--de toorn belette haar +zelfs te weenen--welk een smaad, welk eene ongehoorde behandeling, +hoe zal ik den moed hebben om u, onschuldig offerlam, te vertellen....? + +"En zoo zou zij zijn voortgegaan; ik liet haar echter niet uitspreken, +maar zeide terstond dat ik alles wist, waarbij het mij gelukte +volmaakt kalm te blijven. Te huis gekomen doorleefden wij pijnlijke +uren, en toen gisteren na de opening van het testament Nilus tot ons +kwam en mij het fraaie gouden doosje met de turkooizen en paarlen +overhandigde, dat mij altijd zoo had aangetrokken en daarbij vertelde +dat de goede Mukaukas Georg het in zijn uitersten wil met eigen hand +bestemd had voor mij, zijne vroolijke kleine Katharina, stond moeder +erop, hoezeer ik ook bedelde en smeekte, dat ik het niet aannemen +maar vrouw Neforis terugzenden zou. Ik kom natuurlijk niet meer in +het stadhouderlijk paleis; ja, mijne moeder spreekt ervan Memphis +te willen verlaten, om zich te Konstantinopel te vestigen of in eene +andere stad waar christenen heerschappij voeren. Ons goed en keurig +ingericht huis moet dan zeker weggeschonken worden, maar onze heerlijk +aangelegde uitgestrekte tuin zou men aan boeren kunnen verkoopen, +zegt moeder. Met het schoone paleis van Memnon is het anderhalf jaar +geleden ook zoo gegaan. Van den hof hebben zij een korenveld gemaakt, +en de prachtige benedenzalen met dat mozaïek en het beeldwerk zijn +thans smerige koe- en schaapstallen geworden, en in de vertrekken +van Hathor en Dorothea worden nu zwijnen gemest. Lieve God, die beide +meisjes zijn mijne beste vriendinnen geweest. Met Maria mag ik niet +meer verkeeren; moeder geeft geen mensch een vriendelijk woord, ook +mij ternauwernood, en mijne oude voedster is zoo doof als een kwartel. + +"Ben ik niet een arm, verlaten schepsel? En als gij, gij mij nu ook +terugwijst, wie is er dan in Memphis met wie ik vertrouwelijk spreken +kan? Maar, niet waar, zoo hard zult gij niet zijn? Lang zal het ook +niet duren want mijne moeder meent het ernstig met het heengaan. Gij +zijt ook ouder en zooveel ernstiger en verstandiger dan ik..." + +"Ik wil heel goed voor u zijn, mijn kind; maar tracht u bij Pulcheria +aan te sluiten!" + +"Zeer gaarne! Doch mijn moeder! Ik zou wel met mijzelve tevreden zijn, +wanneer niet... Gij hebt gehoord hoe Orion toen in de laan tot mij +gesproken heeft. Hij moet mij toch wel hebben mogen lijden! Wat +gaf hij mij toen aardige, teedere namen! Ach God, zoo kan toch +geen mensch jegens een ander zijn, als hij niet van hem weten +wil. Hij is zelf zoo rijk, mijn vermogen alleen kan hem toch niet +aangelokt hebben. En ziet hij er zoo uit, alsof hij zich een meisje +door zijne moeder klakkeloos zou laten opdringen? Hij is goed voor +mij geweest, altijd geloof ik, maar later heeft hij gedacht aan de +hooge plaats, die hij toch moest innemen, en mij daarvoor te klein, +te kinderachtig geoordeeld. Ach, wat heeft die ongelukkige kleinheid +mij al tranen gekost! Het kwikstaartje ben ik, en dat zal ik blijven; +uwe oude gastheer heeft mij ook al zoo genoemd, en wanneer een heer +als Orion zich een statiger vrouw wenscht, dan kan ik hem dit niet +euvel duiden. Die andere, die hij meent meer te kunnen liefhebben +dan mij is zeker groot, schoon, van vorstelijke gestalte als gij, en +dikwijls heb ik het mijzelve gezegd, dat zijne toekomstige gemalin +er moest uitzien als gij. Tusschen hem en mij is nu alles voorbij +en ik wil het gelaten dragen, maar ik moet daarbij kunnen denken dat +hij mij toch hij zijn terugkeer aanvallig en innemend heeft gevonden +en in zijn binnenste toch iets voor mij gevoeld heeft. Zoo is het, +ja zoo is het ook geweest! Doch toen heeft hij die andere gezien en +met haar kon ik mij niet meten. Zij was geheel en al de vrouw die +hij behoefde, en die andere, Paula, zijt gij, ja gij, zeer zeker, +eene inwendige stem zegt het mij. Ziet gij, ge moogt mij gelooven, +dat doet mij wel leed, maar het kan mij ook verblijden. Ieder ander +meisje, waaraan hij de hand reikt, zou ik kunnen haten, maar wanneer +gij die andere zijt, en gij zijne vrouw wordt..." + +"Dwaasheid," zeide Paula opeens op vasten toon. "Bedenk eens wel, +heeft Orion, toen hij u tot meineed verleidde, getoond mijn vriend +te zijn, of wel mijn bitterste, onverzoenlijkste vijand?" + +"Ja, toen voor de rechters ongetwijfeld!" antwoordde de kleine, +nadenkend het hoofdje latende zinken. Doch weldra richtte zij het +weer op, keek Paula vast en met fonkelende oogen in het aangezicht +en sprak ronduit zonder aarzelen: "En gij? Ondanks alles wat gij zegt +is hij zoo schoon, zoo verstandig, zoo mannelijk, dat het bijna niet +anders kan of: gij hebt hem lief!" + +Daarop liet Paula den arm los, waarmede zij Katharina hield omvat +en antwoordde openhartig: "Tot heden, bij de begrafenis, heb ik +hem gehaat en verafschuwd, maar bij het graf zijns vaders is hij +mij toegeschenen een ander mensch te zijn geworden, en het viel mij +gemakkelijk hem hierbinnen in stilte te vergeven." + +"Derhalve hebt gij hem niet lief?" vroeg Katharina, terwijl zij met +hare kleine vingers stevig den gevulden arm van de jonkvrouw greep. + +Paula voelde hoe ijzig koud hare hand was en verschrikte. + +De maan was sedert lang opgegaan, de sterren begonnen hooger en hooger +te stijgen en met een kort "kom!" stond zij op en zeide: "Het zal +wel geen uur van middernacht meer zijn; uwe moeder zal bezorgd over +u worden." + +"Een uur voor middernacht!" herhaalde de kleine verschrikt. "Goede +God, wal zal moeder knorren. Zij zit zeker nog evenals elken avond +met bisschop Plotinos aan het schaakspel. Vaarwel dan voor heden! Door +de heg ben ik het spoedigst te huis!" + +"Neen," zeide Paula bepaald, haar terughoudende; "gij zijt geen kind +meer, gij zijt eene jonkvrouw, en moet dat voelen en toonen. In plaats +van door de doornen te sluipen, gaat gij door de deur naar huis. Ik +geleid u met Rufinus en verklaar daar aan uwe moeder..." + +"Neen, neen!" riep Katharina haastig en angstig. "Zij is even boos +op u als op de anderen en heeft mij nog juist gisteren verboden..." + +"Mij op te zoeken?" vroeg Paula. "Zij gelooft..." + +"Om uwentwil heeft Orion... Ja, het liefst gaf zij u de schuld van +alles. Maar nu ik met u gesproken heb... Ziet gij het licht daar? Dat +komt uit haar woonvertrek." En voor Paula het beletten kon liep zij +naar de heg en schoof behendig als eene wezel door de opening in +de doornstruiken. + +Paula zag de kleine met gemengde aandoeningen na, en ging toen +spoedig naar huis en ter ruste. Het verhaal van Katharina weerde +geruimen tijd den slaap van hare sponde, en het vermoeden, ja de +zekerheid bijna dat zij het was, die eene "groote liefde" in het +hart van Orion had gewekt, liet haar geruimen tijd geen rust. En +als zij het werkelijk was? Ja, dan lag het in hare hand wraak te +nemen op den misdadiger en hem alle smarten te laten doorworstelen, +die hij hare arme ziel had doen lijden. Doch wie van beiden zou zulk +eene straf dieper wonden slaan, hem of haar? Opende de mededeeling +van de kleine ook niet voor haarzelve en haar smachtend gemoed eene +wereld van zaligheid? Maar neen, neen! Zich door dezelfde hand, +die haar zoo erbarmelijk had geslagen, ten hemel te laten heffen, +zou zelfvernedering zijn, ontrouw jegens haarzelve. + +Te midden van deze afwisselende gevoelens en gedachten overmande +haar de slaap, en in den vroegen morgenstond had zij een droom, +waaraan zij den ganschen dag met bange huivering bleef denken. Orion +was haar tegemoet gereden, bleek als de dood, in donker rouwgewaad, +stapvoets op zijn donker zwarten hengst, had haar die geen kracht +had om te ontvluchten, zonder haar aan te zien of iets te vragen, als +een kind in de hoogte getild, en vóor zich op den rug van het paard +gezet. Zij had al hare krachten ingespannen om zich los te maken en +weder op den grond te komen, maar hij had haar met beide armen als +tusschen ijzeren klemmen vastgehouden en haar verzet gebroken. Al +moest het haar het leven kosten, zij wilde zich aan deze omarming +ontworstelen, maar hoe heftiger zij zich weerde, des te vaster en +dichter trok de stomme, onbarmhartige ruiter haar tot zich. Voor +hen stuwde de stroom zijne rimpelende wateren voort; Orion scheen +dien niet op te merken en stuurde, zonder zijne lippen te bewegen, +den hengst gelaten naar den oever. Radeloos van angst en ontzetting +smeekte zij hem om den gang van het ros eene andere richting te geven, +maar hij luisterde niet naar haar en dreef het dier kalm midden in den +vloed. Toen klom haar angst tot het uiterste en terwijl het paard haar +dieper en dieper in het water drong, sloeg zij de armen vrijwillig om +den hals van den ruiter. Daarop week de doodskleur van zijn aangezicht, +zijne wangen kleurden, zijne lippen zochten en vonden de hare; en zij +gevoelde te midden van den gruwzaamsten doodsangst een bedwelmend +genot, zooals zij nog nooit had ondervonden. Zij had zoo eeuwig in +het verderf willen rijden, en het ging inderdaad al dieper en dieper +in het water; zij gevoelde hoe het zijne en hare borst bereikte, maar +zij stoorde er zich niet aan. Zij hadden nog geen woord gewisseld, +maar opeens werd zij gedwongen het stilzwijgen te verbreken, en als +moest het zoo zijn vroeg zij hem: "Ben ik die andere?" Daar braken van +alle zijden de golven tegen hen los, het paard werd in een maalstroom +getrokken, die met het dier, haar en Orion in de rondte draaide; een +gierende windvlaag floot door de lucht, en terstond daarop riepen +de schuimende golven, de bruisende maalstroom, de huilende orkaan, +alles, alles rondom hen als uit éen mond een luid, alles overstemmend +en verdoovend: "gij!" Alleen Orion bleef stom, en toen een draaikolk +het ros greep en naar beneden trok, sleurde een golf haar van zijne +borst, en zij zonk, zonk al dieper en stak hem smachtend de armen toe. + +Op dit oogenblik ontwaakte zij, terwijl het angstzweet haar op het +voorhoofd parelde, en hare voedster, die haar uit dezen angstigen +droom gewekt had zeide hoofdschuddend tot haar: "Kind, kind, wat was +dat? Gij hebt voortdurend, eerst in grooten angst en daarna teeder--ja +geloof mij, teeder--den naam van Orion uitgesproken." + + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +In de zindelijke vertrekken, die de vrouw van Rufinus had ingericht +voor hare kranke gasten, heerschte op den middag de vreedzaamste +rust. Door de zware groene gordijnen, die het zonlicht tegen hielden, +drong een zachte schemering naar binnen en de verpleegsters hadden +kort geleden den morgenmaaltijd gebruikt. Paula goot nieuwe druppels +op het verband van den Masdakiet en Pul was in het aangrenzend vertrek +met Mandane bezig, die zich stil, verstandig en zonder eenig spoor +van waanzin aan de voorschriften van den arts onderwierp. + +Paula verkeerde nog altijd onder den indruk van den afgeloopen +nacht. Zulk een onrust had zich van haar meester gemaakt, dat zij +geheel tegen haar gewoonte niet lang stil kon zitten, en als Pul +bij haar kwam, om haar dit of dat te vertellen, luisterde zij zoo +verstrooid en onverschillig toe, dat het bescheiden meisje uit vrees +van haar te storen, zich terugtrok bij hare kranke en dus geduldig +wachtte tot haar nieuwe afgod haar riep. + +Thomas' dochter had inderdaad wel reden om zich eenigszins beangst te +maken, want heden zou Orion, wanneer zij zich niet in alles bedroog, +zich bij haar aanmelden, teneinde haar vermogen over te brengen, +en terwijl zij gisteren op den terugweg van het kerkhof tot de +overtuiging was gekomen, dat zij hem afwijzen moest en wilde, zoo +had de groote ontroering, die het gevolg was van Katharina's verhaal +en van haren droom, haar te meer in die overtuiging bevestigd. Hare +voedster wachtte beneden op Orion en wel met de opdracht hem niet bij +haar maar bij Rufinus te brengen, die volgaarne op zich had genomen +als haar gevolmachtigde het geld, dat zij verwachtte, in ontvangst +te nemen. Want de arts had Paula niet verzwegen, dat hij zijn vriend +in het algemeen bekend had gemaakt met de omstandigheden, die haar +hadden doen besluiten het paleis van den stadhouder te verlaten, en +hem Orion doen kennen als een man, dien zij niet zonder grond ontweek. + +Tegen de tweede ure na den middag klom Paula's onrust zoo zeer, dat +zij nu en dan het ziekenvertrek, dat op den tuin uitzag, verliet om +uit de vensters van de voorzaal een blik te werpen in de Nijlstraat; +want hij kon evengoed van daar als van de andere zijde komen. Over +de bewaring van hare bezitting dacht zij niet, maar de vraag kwam +bij haar op, of zij niet te kort deed aan haar plicht, wanneer zij +zich onttrok aan de aandoeningen, die met het persoonlijk ontvangen +van den zoon haars ooms gepaard moesten gaan. Niemand was in staat +haar in dit geval te raden, ook Perpetua niet, want zelfs eene +moeder zou in deze aangelegenheid haar moeielijk hebben kunnen +begrijpen. Zij herkende zichzelve ternauwernood, want tot dusverre +had zij ook in de moeielijkste omstandigheden zonder lang overleg +en alleen geleid door een innerlijke stem, die haar nooit bedroog, +terstond geweten wat zij doen en laten moest, wat in een gegeven geval +recht of onrecht was. Doch heden was zij in haar eigen oog gelijk een +schommelend riet, een door den wind her- en derwaarts gedreven blad, +en zoo vaak zij de tanden op elkaar klemde en de handen samenkneep +om rustig na te denken, om kalm het "voor" en "tegen" te overwegen, +dwaalden hare gedachten toch weder af. De herinnering aan haar droom, +het beeld van Orion, zooals zij hem aan het graf zijns vaders had +gezien, Katharina's verhaal van "die andere", en de vreeselijke +straf die hij zou geleden hebben en zeker ook werkelijk geleden had, +dat alles doorkruiste hare gedachten als vogelzwermen op den Nijl, +wier vlucht haar vaak was als een fladderend gordijn tusschen haar +oog en wat het zocht aan genen oever van den stroom. + +In de derde namiddagure--zij was weder tot de kranken +teruggekeerd--meende zij hoefslagen in den tuin te hooren en ijlde +opnieuw naar het venster. Haar hart klopte niet heviger toen de +hond van Hermonthis in dien rampzaligen nacht op haar en Hiram +was toegevlogen, dan op dit oogenblik, daar zij het naderen van een +ruiter vernam, wiens gedaante niet zichtbaar was door het struikgewas +van den tuin. Dat moest Orion zijn; maar waarom sprong hij niet +uit het zadel? Neen, hij was het niet, want zijne hooge gestalte +zou zeker boven het niet al te hooge loof hebben uitgestoken. De +vrienden van haar gastheer kende zij nog niet, misschien was het +een van hen. Thans keerde het paard en sloeg het den weg in, die +tot den hoofdingang leidde. Daar ging haar gastheer den aangekomene +tegemoet en nu herkende zij niet Orion maar zijn kleinen schrijver, +die zich uit het zadel liet glijden van een haar goed bekend muildier, +de teugels aan een knaap toewierp, den oude heer iets overhandigde, +zich op eene rustbank neervlijde en daar geeuwend zijne beenen lang +uitstrekte. Terstond hierop zag zij Rufinus naar huis teruggaan. + +Had Orion deze bode opgedragen haar over te brengen wat haar +toekwam? Zij vond in deze manier van handelen iets beleedigends en het +bloed vloog haar naar het hoofd. Doch hier was wel geen sprake van +het overhandigen van haar vermogen, want haar gastheer droeg niets +zwaars maar iets kleins in de hand, het geleek wel, ja waarlijk het +was een rol. Daar kwam hij reeds de smalle trap op, en dadelijk vloog +zij hem in het portaal tegemoet en bloosde daarbij over zichzelve, +als deed ze onrecht. + +De oude heer merkte het op en zeide, terwijl hij haar den briefrol +overhandigde: "Gij behoeft niet bang te zijn, gij heldendochter! De +jonge heer is niet zelf gekomen; hij schijnt het verkieslijker te +vinden schriftelijk met u te onderhandelen, en zoo is het zeker voor +beide partijen het best." + +Paula knikte toestemmend, nam de rol in ontvangst, en keerde hem +den rug toe, terwijl zij het koord uit het waszegel trok, want zij +gevoelde dat zij bleek werd en dat hare vingers beefden. + +"De bode wacht op antwoord," zeide Rufinus, voor zij begon te +lezen. "Beneden sta ik elk oogenblik tot uw dienst gereed." Daarop +verliet hij haar. + +Paula ging in de ziekenkamer terug, en begon, leunende tegen de +gordijnen voor de vensteropening, in de hoogste spanning te lezen: + +"Orion, de zoon van den in God ontslapen Mukaukas Georg, brengt zijn +groet aan zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas van Damascus. + +"Menige brief aan u, die voor dezen geschreven werd, heb ik +vernietigd." Paula haalde ongeloovig de schouders op en las dan verder: +"Moge het mij in dit schrijven beter gelukken u te zeggen wat mij +voor uw heil en het mijne onvermijdelijk schijnt. Ik wil verzoeken +en raden te gelijk." + +"Hij mij raden?" lispelde het meisje, terwijl zij de lip optrok en +verder las: "Moge het aandenken aan den man, die u als een dochter +liefhad, en op zijn sterfbed niets vuriger gewenscht zou hebben +dan u--ofschoon hij afkeerig was van uw geloof--als dochter, als +gemalin van zijn zoon te kunnen zegenen; moge de herinnering aan +dezen rechtvaardige uw verbolgen en verontwaardigd gemoed tot bedaren +brengen, opdat deze woorden van den armste der armen,--want dat ben ik +thans Paula!--door u niet ongelezen blijven. Sta mij dit laatste toe, +wat ik van u verzoek, ja om der wille mijns vaders vorder." + +"Vorder?" herhaalde de jonkvrouw, en hare wangen gloeiden, er sprak +onwil uit den opslag harer oogen, en hare beide handen grepen reeds de +einden van het blad, als wilde zij het verscheuren. Doch de volgende +woorden; "Vrees niet," hielden haar terug van deze overijlde daad. Zij +streek het papyrus blad recht en las met toenemende opgewondenheid +verder: + +"Vrees niet, dat ik u naderen zal als een minnaar, als de man voor wien +er maar éene op aarde zijn kan om lief te hebben en geene andere. En +dat die eenige juist zij moest zijn, die ik zoo onuitsprekelijk +zwaar beleedigd heb, tegen wie ik verwoeder, onbarmhartiger en met +ergerlijker wapenen gestreden heb dan tegen een vijand onder mijn +eigen geslacht!" + +"Geene andere," prevelde de jonkvrouw in zichzelve, streek weder met +de hand over haar voorhoofd, en rondom hare lippen speelde een trek +van bevredigden trots toen zij verder las: "Ik zal u liefhebben, +zoolang een ademtocht deze arme ongelukkige borst beweegt." + +Wederom geraakte het papyrusblad in gevaar, doch het bleef ook ditmaal +ongeschonden en Paula's trekken namen eene stille, vriendelijke +uitdrukking aan, terwijl zij Orions duidelijk schrift verder las: +"Doch ik ben mij bewust door eigene schuld alle aanspraak verbeurd te +hebben op uwe achting, ja op uwe goede gezindheid jegens mij, en als de +eeuwige liefde geen wonder wrocht in uw hart, het hoogste aardsch geluk +voor altijd verspeeld te hebben. Gij zijt aan mij gewroken, want alleen +om uwentwil--hoort gij het?--om uwentwil heeft mijn innig geliefde, +stervende vader in maar al te zeer gerechtvaardigden toorn over den +ellendige, die den rechterstoel zijns vaders had geschandvlekt, den +zegen, dien hij reeds in al zijne volheid over mijn berouwvol hoofd +had uitgesproken, in vloek veranderd." + +Bij deze woorden verbleekte Paula. Dat was het dus waarover hij tot +Katharina had gesproken, wat hem naar het uiterlijk, misschien ook +innerlijk zoo wonderbaar veranderd had. En dit, ja dit droeg de stempel +der waarheid, dit kon niet gelogen zijn, en om harentwil had de vloek +van den vader het hoofd van den eigen zoon getroffen! Hoe was dit zoo +gebeurd? Had de arts het niet opgemerkt of het voor haar verzwegen +om het geheim van een ander te eerbiedigen? Arme, arme jonkman! Ja, +zij moest hem spreken! Zij kon geene rustige ure hebben voor zij +wist hoe haar oom, die teeder liefhebbende vader.... Maar verder, +spoedig verder: + +"Alleen zooals ik ben, als een gebroken man, te jong om mijzelven +geheel op te geven en daarom vast besloten alles aan te wenden wat mij +aan wilskracht, aan geest en achting voor mij zelven nog van mijne +voorvaderen overgebleven is, ten einde mij haar waardig te maken, +verschijn ik voor u en smeek u mij een kort gehoor te schenken! Geen +woord, geen blik zal u verraden, wat in mij woelt en dreigt mij ten +gronde te richten. + +"Wat nu volgt moogt gij niet ongelezen laten, want het handelt +over zaken, die voor u van hoog belang zijn. Allereerst zal u +worden ter hand gesteld wat de overledene van uw erfdeel gered +en door zijne vaderlijke voorzorg vermeerderd heeft. Het zal in +deze moeielijke tijden niet gemakkelijk zijn dit kapitaal zeker +en goed te beleggen. Bedenk, dat evenals de Arabieren gevolgd +zijn op de Byzantijnen, zoo kunnen de eersten weder plaats maken +voor de laatsten. Ook de ten onder gebrachte Perzen, de Avaren +of andere volken, wier namen zelfs tot nu toe in de geschiedenis +niet bekend waren, kunnen de opvolgers zijn van onze tegenwoordige +beheerschers, die een tiental jaren geleden voor een handvol woelige +kameelrijders, karavaan-aanvoerders en armzalige woestijnbewoners +werden aangezien. De plaatsing van uw vermogen zou zoo moeilijk +niet zijn, wanneer wij het, zooals vroeger hier de gewoonte was, +aan Alexandrijnsche groothandelaars toevertrouwden. Maar in die stad +valt het eene groote huis na het andere en men heeft daar volstrekt +geen zekerheid meer. Uwe bezittingen weg te bergen of in den grond +te begraven, gelijk de meeste Egyptenaars doen in deze moeielijke +tijden, is voor u niet geraden om dezelfde reden, die ons belet het +als rentegevend op bouwland te doen inschrijven in het kadaster; +want gij moet er ten allen tijde over kunnen beschikken, daar het +gebeuren kan dat gij verlangt met de uwen zoo spoedig mogelijk +Egypte te verlaten. Dit alles zijn zaken waarin eene vrouw niet is +ingewijd. Ik stel u derhalve voor deze aangelegenheid aan ons mannen +over te laten, den arts Philippus, uw gastheer Rufinus, die geroemd +wordt als een eerlijk oud man en onzen ervaren en stipten rentmeester +Nilus, dien gij kent als een onomkoopbaar rechter. + +"Ik stel u voor de behandeling van deze zaak morgen ten huize van +Rufinus te doen plaats hebben. Gij kunt er naar verkiezing al of niet +bij tegenwoordig zijn. Wanneer wij mannen het eens zijn, dan verzoek, +dan smeek ik u mij zonder getuigen gehoor te willen schenken. Ons +onderhoud zal in weinige oogenblikken zijn afgeloopen, en daarbij zal +maar over eene zaak gesproken worden, een ruil, waarbij aan u iets +wat gij verloren hebt en waaraan gij gehecht zijt wordt teruggegeven, +om daarvoor zoo ik hoop uwe volle achting of althans een verzoenend +woord terug te ontvangen. Dat heb ik noodig, Paula, geloof mij, ik heb +het noodig als lucht om te leven, als het mij gelukken zal het werk +door te zetten, dat ik aan mijzelven heb begonnen. Geef den bode, +als gij over u hebt kunnen verkrijgen dezen brief geheel te lezen, +een eenvoudig 'ja' als antwoord mede, om mij te verlossen uit eene +kwellende onzekerheid. Volgt dit niet, wat God verhoede voor ons +beiden, dan brengt Nilus u heden nog wat u toekomt. Hebt gij van +deze regels kennis genomen, dan verschijn ik morgen twee uren voor +den middag, om met den rentmeester aan de samenkomst deel te nemen, +waarvan ik gesproken heb. God beware u en geve uwe trotsche, edele +ziel zachtmoedig te zijn!" + +Paula haalde diep adem, liet de hand, waarin zij dit veelbeteekend +schrijven hield, zinken, en bleef langen tijd in ernstig nadenken +verdiept bij de vensterbank staan. Eindelijk riep zij Pulcheria, +verzocht haar om een poos op hare kranken te willen letten, en +toen deze haar daarop met hare heldere oogen dwepend aanzag en vol +deelneming vroeg, waarom zij zoo bleek was, kuste zij haar op mond +en oogen en zeide vriendelijk: "Goed, gelukkig kind!" Daarna begaf +zij zich naar hare vertrekken aan de andere zijde van de trap, en +herlas den brief andermaal. + +Ja dat was hij, dat was weder de oude Orion, zooals zij hem gekend +had van het oogenblik zijner terugkomst tot dien onvergetelijken +watertocht op den Nijl. Maar hij was een dichter en de natuur zelve +had het hem zoo gemakkelijk gemaakt, om onvoorbereide gemoederen te +verleiden in hem te gelooven. Doch neen! Deze volzinnen waren oprecht +gemeend. Philippus kende de menschen en Orion had een hart, ja een warm +hart! Met een vloek, door een geliefden vader met een brekend oog hem +in het aangezicht geslingerd, kon zelfs de meest verharde booswicht +niet spelen. En toen zij dat gedeelte van den brief herlas, waarin +hij uitsprak, dat hetgeen hij als onrechtvaardig rechter tegen haar +misdaan had, den zegen van den stervende in een vloek had verkeerd, +overviel haar eene kille huivering en moest zij bekennen, dat de +verhouding tusschen hen was omgekeerd, dat hem namelijk door haar een +zwaarder en ondragelijker lijden was aangedaan dan haar door hem. Zijn +bleek gelaat, zooals zij het op het kerkhof gezien had, kwam haar weer +levendig voor den geest, en als hij op dit oogenblik voor haar gestaan +had, dan zou zij naar hem zijn toegevlogen, hem vol deelneming de hand +toegestoken en hem verzekerd hebben, dat het nameloos wee, hetwelk +door haar over hem gekomen was, het diepste medelijden bij haar wekte. + +Heden morgen had de Masdakiet op haar vraag, of hij den hemel reeds +gebeden had hem spoedig te doen genezen, geantwoord: "De Perzen bidden +nooit om een enkel goed, maar altijd om het goede, want buiten de +hemelsche goden weet niemand wat den stervelingen dienstig is." Wat +was dat wijs. Zou hier niet het schrikkelijkste wat een zoon treffen +kan, de vloek zijns vaders, hem tot zegen kunnen zijn? Zeker was +het deze vloek die hem tot inkeer gebracht had, en hem den weg had +doen inslaan, dien hij thans bewandelde. Zij zag hem op dien goeden +weg, zij wilde aan zijne bekeering gelooven en deed het ook. In +zijn brief verklaarde hij dat hij haar lief had, vroeg hij zelfs +om hare hand. Gisteren zou dit haar toorn hebben doen ontvlammen, +heden vergaf zij hem gaarne, want den ongelukkige, den man die door +haar toedoen zulk een grievend leed had ondervonden, kon zij ook het +ergste vergeven. Haar hart klopte thans blijde in de hoop hem weder +te zien, ja het kwam haar voor als ware die gevierde, terugkeerende +jonkman, tot wien zij zich zoo onweerstaanbaar getrokken gevoelde, +door zijne zonde, zijne boete en zijn lijden gewassen en eerst nu +tot vollen mannelijken ernst gerijpt. En welk eene heerlijke taak, +dezen zoeker naar den rechten weg bij te staan, om dat te worden wat +hij zich voorgenomen had te zullen zijn. + +Voor de verstandige wijze, waarop hij zich haar uiterlijk welzijn +aantrok, verdiende hij gewis haar dank. Wat zou hij wel bedoeld +hebben met den ruil, dien hij haar voorsloeg? Die "groote liefde" +waarover hij tot Katharina had gesproken, was overal tusschen de +regels van den brief te lezen, en iedere vrouw vergeeft elken man, +al ware hij een zondaar en een verachtelijk mensch tegelijk, de +vermetelheid haar lief te hebben. Mocht hij toch met geheel zijn hart +aan haar hangen! Het hare, ja, dat was niet te loochenen, gevoelde zich +geweldig tot hem getrokken. Maar wat haar drong wilde zij geen liefde +noemen, het mocht alleen eene heilige begeerte zijn, om hem het hoogste +levensdoel te wijzen en hem daartoe blijmoedig den weg te banen. Den +bleeken zwarten ruiter, die haar in den droom omarmd had, wilde zij +niet met zich naar de diepte trekken, neen, zij wilde hem vroolijk +dragen naar de hoogste hoogte, die een sterk en edel man bereiken kan. + +Zoo dacht zij en bloosde daarbij. Spoedig was haar besluit genomen, zij +opende hare kist, haalde paryrusbladen, schrijfgereedschap en cachet +voor den dag, zette zich aan een kleine lezenaar, die Rufinus voor +haar bij het venster geplaatst had, ten einde aan hem te schrijven. In +haar ontwaakte een onweerstaanbaar, een brandend verlangen naar hem, +doch zij spande al hare krachten in om dit te beheerschen, en voelde +daarbij dat het haar onmogelijk zou zijn de rechte woorden te vinden +als zij hem schreef. Zoodra zij de bladen weer in de kist legde en +haar oog op het zegel viel, trof iets bijzonders hare aandacht; op den +ouden haar zoo welbekenden ring haars vaders viel haar de tusschen twee +gekruiste zwaarden zwevende ster op, misschien het Orionsgesternte, +dat omgeven was door het Grieksche randschrift: "Voor de deugd hebben +de onsterfelijke goden het zweet gezet", dat wilde zeggen: wie een +deugdzaam mensch wil worden, mag zweet noch moeite ontzien. + +Met een tevreden lachje sloot zij het deksel van de kist, want in die +spreuk bij de ster lag zeker een goed voorteeken. Tevens nam zij zich +voor, Orion over dit devies, hetwelk een harer voorvaderen aan den +ouden Hesiodos ontleend had, te spreken. Vervolgens snelde zij de trap +af, ging Rufinus, zijne vrouw en den arts in den tuin voorbij, wekte +den reeds lang vast ingeslapen schrijver en droeg hem op zijn meester +het 'ja' over te brengen, waarop hij wachtte. Doch vóór de bode het +muildier besteeg, verzocht zij hem nog een oogenblik te toeven en ging +naar de mannen terug, want zij was op de gedachte gekomen, dat zij in +haar ijver vergeten had met hen over Orions voorslag te spreken. Beiden +kwam het voor de beraadslaging vastgestelde uur gelegen. + +Terwijl Philippus den schrijver mededeelde, dat men zijn heer +morgen hier wachten zou, zag de oude man de jonkvrouw met onverholen +blijdschap in het aangezicht en zeide: "Wij hadden gevreesd, dat de +berichten uit het stadhouderlijk paleis uwe goede stemming zouden +bederven, maar goddank, gij ziet er uit als kwaamt gij zoo pas uit +een verfrisschend bad.--Wat denkt gij ervan Johanna? Een twintig jaren +geleden zou zulk eene huisgenoote u jaloersch hebben gemaakt: of is er +in uwe duivenziel geen plaats voor zulk eene afschuwelijke aandoening?" + +"Loop heen!" antwoordde de matrone lachende. "Alsof ik al die mooie +meisjes gezien had, die gij vagebond in de wijde wereld, ver van ons +hebt nagekeken!" + +"Neen oudje, doch zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, +hoe ver eene plaats ik mij ook denk, eene godin als deze heb ik +nergens aangetroffen." + +"En ik zeker niet in mijn slakkenhuis leventje," zeide vrouw Johanna +toestemmend, terwijl zij de heldere oogen met innig welgevallen op +Paula sloeg. + + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend +Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot +tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria, +die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie +geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen +elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier +de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht +zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo +aangenaam was. + +Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel +aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd +toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen +kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond +zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde +het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit +eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk +uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof +de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred +zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop +en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en +daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte +opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon. + +"En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in +de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt," voegde de arts +erbij, "en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt, +dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat +de lieden zich aanstellen als bezetenen." + +"Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood," +zeide Pulcheria uit volle overtuiging. + +"Dat heb ik ook altijd geloofd," voegde Paula erbij. + +"Geheel ten onrechte," antwoordde de arts. "Ontelbare bewijzen zijn +hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in +dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt +gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen, +vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds +meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren +wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!" + +"Ik ben tot uw dienst," antwoordde de oude, "doch ik had liever dat +die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten, +de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide." + +"Welk een wensch!" zeide Paula. "Menigmaal zegt gij dingen en zie ik +andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet +heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd..." + +"U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide +en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel." + +"Juist!" antwoordde Paula. "Er is wel geen grooter bewijs van +barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven +dragelijk maakt." + +"Maar daarom, denkt gij," zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in +de rede, "uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling +zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van +kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel +van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten- +en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit, +er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk +vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei +vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen +te leeren kennen." + +"En ze weer recht te maken," voegde de arts erbij. "Van zijne jeugd +af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven." + +"En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en +ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt," zeide de oude man, +dit toestemmende. "Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat +ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog +wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb +ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde +omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop, +en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen +verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!" + +"O, zeker!" zeide Paula. "Evengoed als ik Philippus versta als hij +mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet..." + +"Halt," hernam Rufinus lachend, "onze vriend zal zich wel wachten u +dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit +eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen +beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan +mijne kreupelen." + +"Zij zijn u zeker dankbaar," merkte Paula op. + +"Dankbaar?" vroeg de oude heer. "Dat komt wel eens voor, maar +erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij +weet nu genoeg, reeds om der wille van Philippus willen wij de rest +laten rusten." + +"Neen, neen," bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak, +zeide hij vroolijk: "Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort +maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de +maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?" + +"Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn +zooals zij ons toeschijnen." + +"Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar +lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals +ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten +dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf +van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan +een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken +pasklaar maken?" + +"Zeker niet!" + +"Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet +de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen +maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp +zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne +meetingen en de onze?" + +"En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat +geleid?" + +"Tot vele en groote," verzekerde de oude; doch de arts belette hem +verder te gaan door luide "Oho!" te roepen, en te verzekeren dat +zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen +wetten af te leiden. Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld +zeker belang.... + +Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd +ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren +opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten +mede te deelen. + +"Ik heb bevonden," antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij +zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek, "dat zij +niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen, +om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke +missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter +Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend +van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken +hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen, +den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit +getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde, +wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen +maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo +meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen +recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke +neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht, +en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in +eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens +een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens +op hem. Wanneer hij zich 's avonds bij onze lieden neerzet lachen ze +al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in +paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?" + +"Zeker!" antwoordde Paula. + +"En gij, Pul?" + +"Neen, vader." + +"Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel +betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox +zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden +wilde toeroepen: 'Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,' of wanneer +ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke +zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde +met te zeggen: 'onze wierook was bitter van louter zoetigheid.' Deze +paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen +vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?" + +"Ja zeker," antwoordde Paula. + +"En gij, Pul?" + +"Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig +zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen, +want dat kan een meisje hinderen." + +"Bravo, mijn recht kind!" zeide de oude lachend. "Doch daar staat +de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat +ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van +zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken, +wanneer ge mij dat wildet mededeelen?" + +De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch +met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik +en antwoordde toen: "Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken +en hem distels onder den neus geduwd." + +"Voortreffelijk!" riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep, +zeide de arts: "Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden, +maar--niet waar jonkvrouw Paula?--wij kennen ook lieden die recht +opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide +voorstellingen tot hunne beschikking hebben." + +Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn +geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen, +en daarna met warmte voort te gaan: "Ik roep u allen tot getuigen of +die lamme Baste--een harer beenen is veel korter dan het andere, en +wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt--haar +meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte +der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet +struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen +wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij +helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat +met de andere lieden in de open lucht had gezeten--het was omstreeks +den middag--gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan, +en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat +zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft, +moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf +der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?" + +"In dit geval hebt gij gelijk," antwoordde de arts; "toch ken ik +gebrekkigen..." + +Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte +er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: "Die +Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!" + +"Omdat zij ook in haar binnenste ziet," antwoordde Rufinus. "Zij +kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt +zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na +de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord +hadden, redetwistten..." + +"Heel goed," viel de arts in, "en het leven heeft sedert mijne +inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en +logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: 'Mens sana in corpore sano', +wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: 'Alleen in een gezond +lichaam kan eene gezonde ziel wonen'. Als wensch laat ik dit woord +gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk +te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte +van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare +stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en +eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden +niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en +evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen +worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid +aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele +zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de +laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke +onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam +omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al +zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een +gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt +eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen +groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals +toch met den mensch plaats heeft?" + +"Deze vergelijking gaat mank!" zeide de oude heer met geestdrift, +"en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak +met elkander komen..." + +"Gij zult vrede houden!" riep opeens vrouw Johanna haar man toe, +en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den +man af: "Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?" + +"De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd, +dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden," +antwoordde Rufinus, deftig buigende. + +Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide: +"hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo'n fraai +gedraaid antwoord..." + +"Hij ziet zijne kreupelen de kunst af," schertste Paula. "Maar nu komt +gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een +bedaagden wijze, en heeft mij--om der wille van Rufinus zeg ik niet +'overtuigd', maar 'meegesleept'. Ik ben u eerbied schuldig, en toch +zou ik willen weten hoeveel jaren gij...." + +"Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden," zeide de arts, nog +voor zij haar vraag voleindigd had. + +"Dat is een eerlijk antwoord," zeide vrouw Johanna, lachende. "Op uw +leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast." + +"Waarom?" vroeg Pulcheria. + +"Ach, daarom," antwoordde de moeder. "Er zijn meisjes die een dertiger +voor ouder aanzien dan hem lief is." + +"Domme schepsels," hernam Pul. "Zij zullen bezwaarlijk een jonkman +vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja +gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig, +meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?" + +"En minder leelijk in geen geval," voegde de arts erbij. + +Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt: +"Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft +in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren, +dat gij een deftig man zijt." + +Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve +verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den +arts: "Pulcheria's vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den +waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd +mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering +wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de +hoogeschool hebben bezocht?--Het duurt nog lang eer de maan, die zoo +helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus +zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot +genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe +gij hier te Memphis gekomen zijt." + +"Zijn levensloop?" zeide vrouw Johanna. "Wanneer hij ons die vertellen +wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt +de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een +leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal +een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot." + +"Mij roept mijn plicht," zeide de arts, en nadat hij van de anderen +vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste +dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus: + +"Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid +er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats +arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het +beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over +Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend +naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar +goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben, +en daar de schoone vreemdeling--want mijn vader was een man zooals er +weinigen meer zijn--haar goed beviel, werd zij om zijnentwil christin +en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over +gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch +tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man +toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij +zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden, +en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks +bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans, +geen varken zien slachten. Haar hart--moet ik zeggen 'helaas' of +'goddank'?--heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn +vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik +tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had +gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde +geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij +een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende, +leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op +te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen +en kwam in de school goed vooruit. + +"Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en +gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij +het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt, +louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst +begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep +natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster, +een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het +dier kon 'jij domkop', mijn naam en nog andere woorden roepen, en +hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst +hamerden en vijlden, daar fladderde het 't liefst heen en weer, en waar +het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen, +knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne +gezelligheid goed bekomen, maar op zekeren dag geraakte het in een +schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!" + +De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging +toen opnieuw voort: "De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo +medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden +den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje +voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de +ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd, +opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het +pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd, +en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar, het pootje +genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de +werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en +pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat +oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken +hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik +ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond +of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen, +ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan +hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een +patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien +eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog +voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken, +en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels, +die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de +barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering +bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet, +behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die +vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige +dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug! + +"De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven, +hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de +hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne +kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige +gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder +ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen, +en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets +werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als +ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met +lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene +oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet +een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen +de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad +noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid +geweest zou zijn hartelijk te lachen. + +"Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak +en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik +er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in +opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen +en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren +duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had de +troepen--allemaal Grieken--laten uitrukken, om de rust met geweld te +herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik +kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en +vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te +dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden, +zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig, +zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die +arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels--nog wel onze +geloofsgenooten--werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd +en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd +gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare +oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde, +gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat--die schoone jonge +vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen +ze mij bij nacht in den droom. + +"Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods, +een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep +ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen +uit haat, alleen--zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen +is--voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die +niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor +zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En +deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier +der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst, +waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te +vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de +menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen +in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die +zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden +zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis +waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die +zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem +zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die +in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en +daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop, +de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats +van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het +afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt. + +"De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen +en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen; +want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in +onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke +vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed +van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de +leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard, +zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke +goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap +en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke +leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte +Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan +om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met +den meesten ijver de fouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem +aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd +gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de +meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is +zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat +kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie +over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder. + +"Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een +ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te +heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd +en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn, +en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel +te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te +helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke +bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken +is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen! + +"Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte +te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere +grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote +levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het +oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn +aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel +aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land +te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat +als eene krankheid wordt beschouwd. Maar--zoo waarlijk de mensch de +maatstaf is aller dingen--tot heden is alle moeite om dat land te +vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht, +dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht +waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt. + +"Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel +dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed, +dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij +door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van +plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij 't wel gelooven, +Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo +vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met +deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon +verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten, +voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn, +geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de +Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging +niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk +gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van +breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als +in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk +samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later +echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De +trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en +sleepte ze mee naar de hoogeschool. De echtgenoot, de vader, de +grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen, +die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar +de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik +bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre +overtrof, en onze Philippus muntte uit boven allen. Ziedaar de reden, +edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren +studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor +den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht +maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak +lust het mij oudje, die het doel van Philippus zooveel eerder dan +hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen." + +Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich +van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: "Ware ik een +man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw +geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En +thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij +nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u, +had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart +wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene +moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind +zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden." + +"Gaarne, volgaarne!" riep de oude man, greep hare beide handen en ging +daarna opgewekt voort: "Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze +Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere, +menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.--Maar kom, +kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint, +zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde, +Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te +verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de +vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met +zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om +den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd +jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden--trekt +de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom--heden +maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk +christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel +aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen +vernietigd, maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en +naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den +bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen +en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook +die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend, +als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden, +en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja--zoo waar +de mensch de maatstaf is aller dingen--die beangstigde schepsels +daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het +wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche +dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!" + + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig +en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet +alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene +Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia +zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste +vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of +eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke +opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het +was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed +alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak +beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze +volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten +zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje +avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven +had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een +heftig of onvriendelijk woord. + +Sedert Orion's kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen +had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder +volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat +vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel +over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De +manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf +gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke, +bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna's +mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in +tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was +toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar +gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen +had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op, +tegen welker hoogte zij angstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het +verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie +Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis +van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een +brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend +gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht +gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van +teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen +het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk +geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken +en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na +Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen, +waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte, +moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds +bij elkander? + +Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een +lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit 'misschien' +martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te +maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van +haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat +deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam +kon zijn, zich midden onder de krokodillen van den Nijl werpen zou. De +jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende +jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op +voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van +den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester +Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare +goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van +het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan +zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne +moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in +het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig +betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen, +die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina +had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en +het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje +met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken +van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar +overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes, +en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak +van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbed en +elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post +behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen +zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen. + +Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar +buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van +Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang +haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion +in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben, +en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon +bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van 's buurmans huis +dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter +rechter tijd op de plaats te zijn. + +In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde, +omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine +duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een +briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte +om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk +ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de +vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat +de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl +bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een +bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke +plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt +kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden, +daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De +ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den +hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst +moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel +te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch +moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar +maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop +van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare +bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon +gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de +stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den +haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden +en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in +orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een +vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de +weer; want ieder meende door dezen dienstijver ter wille van den +patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en +daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat +zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste +dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend, +maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten +uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was +geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo +was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en +klein, alleen niet op hare dochter. + +Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan +wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in +den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij +enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een +ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer +verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de +trap opvloog die naar hare kamer geleidde: "Orion zal weldra komen, +vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer +hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd +genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik +mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De +voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor +het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden, +want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder +eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten +reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht." + +Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en +blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met +zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken +achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich +daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene +theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen +zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der +zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de +eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds +sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het +suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad +in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang +op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van +zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide +treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd +gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwen en eene schare van +halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend, +want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van +Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken +van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig +uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem +de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den +Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk +aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer. + +Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het +aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels, +en de man, waarom het haar vooral te doen was. Zoo schoon was Orion +haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad, +waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen, +deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn +overvloedig thans ongekruld haar hing in rijke kunstelooze golvingen +langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar +tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze +uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust +had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij +eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat +van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat +Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien, +en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij +zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en +deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar +zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij +in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het +liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in 's buurmans huis +tusschen Paula en Orion te werpen. + +Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel +beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel +van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis +van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als +was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets +dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met +zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen, +vlinders, bijen en kevers, wier gegons zij niet hoorde en die de +bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen +zeker, want er vertoonde zich niet éen, geen enkele brak met zijn +tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor +de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had +zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen +van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten +en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij +met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de +brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de +distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog +liet de slaapdronken voerman zijn "brrr!" hooren. + +Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te +beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een +zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen +worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en +de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere, +kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning +waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer +noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het +was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken, +en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol +boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen. + +Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het +middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De +patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar +geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden +sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood +de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen +eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet +zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai +geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den +peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij +zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het +slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden, +gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar +handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte, +en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve +buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar +op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch, +en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij +er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip, want terwijl zij de +medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door +slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca +legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de +wagen verliet den tuin. + +"Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe," dacht +Katharina. "Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde +verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den +stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!" + +Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield +tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van +hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions +zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiter te paard leidde +het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde, +prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: "Hij neemt haar +dus in elk geval niet dadelijk mee." + +Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula +uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe +zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet, +ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden +zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had +wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij +dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet +verloren. En hij?--Als een betooverde zag hij zijne geleidster +aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad +zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een +rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed +moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene +gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar +niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte +schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf +voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen. + +Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na +aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond, +dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande +spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de +heg onmerkbaar voortsloop. + +"Ik heb u zooveel te danken," waren de eerste woorden, die zij +uit Orions mond opving, "dat ik schroom u nog één ding te vragen; +maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de +kinderhand van Maria mij geslagen heeft, doch wat haar daartoe bewoog +was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u." + +"Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?" vroeg Paula. "Deze +wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen..." + +"Alleen?" vroeg Orion. + +"Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het +stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil." + +"Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk +kunnen verlaten. En--dit moet ik er bijvoegen--mijne moeder ontwijkt +het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet +doet en telkens opnieuw beangstigt." + +"Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?" + +"Bedenk toch eens," zeide Orion met een zucht, "wat mijne arme moeder +voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij +het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar +weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan, +door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis." + +"Dan moet men haar daaruit verwijderen," zeide Paula bewogen. "Zend +haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en +vertroostende geesten." + +"Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen...." + +"Doe dat!" haastte Paula zich te zeggen. "Hebt gij Pulcheria, de +dochter van mijn waardigen gastheer gezien?" + +"Ja, een eigenaardig lieftallig meisje." + +"Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel." + +"En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna +hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten." + +Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als +lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver +zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er +bij, op een toon van zacht verwijt: "Ook Katharina hebben de laatste +dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort +geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen." + +"Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich +af," antwoordde de ander. "Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel, +en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb +ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne +verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch +van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar +spreken wij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik +van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen, +wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!" + +De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan, +thans sloegen de beluisterden een pad in dat, maar even door enkele +boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden +van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij +verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon +de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan +deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere +was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene +verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar +als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te +worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten, +waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er +een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield +het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had +overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor +de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar +althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield +zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij +zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare +geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij +deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord +loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren +en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop +niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken +onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen +weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat +zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne +hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel. + +Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds +daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat +eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde +bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de +oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik, +want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra +zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren. + + + + + + +DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis +van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van +het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden +hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier +Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond +van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders +hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor +de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden +wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat +ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen, +wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest +staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke +bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het +andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus, +de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in +de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een +wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze +plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang +de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen +ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan den +muzelmanschen wisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd. + +Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder +er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming +gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar, +ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen, +en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen +van den rentmeester altijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch +het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion, +want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid +en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting, +had men haar met Orion alleen gelaten. + +Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van +den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon +van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare +voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had +hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust +had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot +meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij +bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had. + +Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de +borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk +de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij +haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn +eigenaardigen diepen toon gezegd: "Ziedaar uw eigendom! Neem het aan, +en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!" + +Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna +den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende +oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest +een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig +stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt +als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het +beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te +gering is voor hem die haar ontvangt. + +Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de +hand uitgestoken, en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het +verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld +en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor +haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens +voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo +bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige +wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden +deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden +voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een +drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van +het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar +aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een +groot monarch aan een harer voorouders had geschonken, en zij was +blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden +echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij +haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel +in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den +fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig +bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure +had bereid.--Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich +voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar +gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te +vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk +goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen, +dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een +mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die +daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen +voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over +hem geveld had, was honderd-, ja duizendmaal te hard geweest! Alleen +een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en +hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze +noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk +getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit, +als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het +almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne +groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen +blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker, +dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch +in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend +hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd +bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn! + +Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk +was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had +hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij +had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn +geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in +de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn +brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had +zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen; +toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar +gevoel meester geworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk +teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,--iets +dat hem vreemd in haar voorkwam en hem nog meer in verrukking +bracht dan hare grootheid en trots--met dreigend opgeheven vinger +toegeroepen: "Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas, +ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!" + +"Spreek niet zoo," had hij in zalige stemming geantwoord. "Zeg liever: +gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u +hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor +u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij +heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer, +misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij +beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in +het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig +stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn." + +"Om der wille van den afgestorvene," had zij hem sterk blozende +geantwoord, "gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over +het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar +plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te +ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij +het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje." + +"Spreek!" had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet +dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te +gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk +geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende +blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze +niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde +een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en +hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus +zijne levensopvatting noemde.--Deze was hem niet nieuw, ja zij was +in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn +toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting +over; "het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," dat was +als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor +de toekomst behulpzaam zou zijn. + +"En dit woord," zeide hij tot Paula, "zal mij bovendien lief zijn, +omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook +de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter +gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden +helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke +wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het +doel leiden, want den stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen, +die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is..." + +"Het is datgene wat gij uwe liefde noemt," sprak zij blozende hem in +de rede vallende. "Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven." + +"Gij wilt!" zeide hij met vuur. "Gij veroorlooft mij te hopen..." + +"Hopen, hopen!" haastte zij zich weder te zeggen, "intusschen..." + +"Intusschen," ging hij voort, "'dring thans niet verder aan', +wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij +weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld +verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb, +zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen +het zwijgen op, wil ik beproeven..." + +"Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen," hernam +Paula, "dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden +vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen +verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste +danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend +heeft. Wij willen te zamen dezen dag..." + +"Zegenen en onder de besten rekenen," viel Orion blijmoedig in, +en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had +afgeluisterd. + +Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd +hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest +blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den +veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen +hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou +laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te +doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan +lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist +hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook +aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens +schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne +beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden, +hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde +liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij +op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap +van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel. + +Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij +hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd +uit het Perzische tapijt gebleven was. + +Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien +naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en +op te maken tot een sieraad--waardig voor haar, die hij... + +Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond +en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: "Leugen, +vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid +gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets +onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula, +ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was +niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker +niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart +had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig +speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme +ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe +groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!" + +Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer +verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula +met warmte en blijmoedig tot hem zeide: "Ja, dat is de waarheid, +ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen +heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt, +en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!" + +Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende +stem: "En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga, +en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag +hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar, +als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan +op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?" + +"Zelfs met nog blijder vertrouwen," hernam Paula, waarbij zij hem +met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij +drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het +zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem. + +"Katharina, kindlief, Katharina!" zoo riep uit de richting van +het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het +kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over +het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, "die andere," +die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had, +en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel, +toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen +zag nastaren. + +Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging +Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine +bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden +was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna +weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet +aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf +van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook. + + + + + + +VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +In den namiddag gaf Orion gehoor aan de roepstem van den Arabischen +gebieder over Egypte. Op zijn edel ros reed hij over de schipbrug. Twee +jaren geleden zag men ter plaatse waar nu de nieuwe residentie Fostat +zich aansloot bij het oude fort Babylon niets anders dan akkers en +tuinen, maar als door een wonder was zij op bevel van Amr als uit +de aarde opgeschoten, en thans verhief zich in de straten en op +de pleinen reeds het eene huis naast het andere, de haven lag vol +schepen en booten, op de markt heerschte groote bedrijvigheid, en +waar gedurende het beleg der vesting Babylon de winkel van een kramer +stond, omgaven nu reeds lange dubbele zuilenrijen de ruime bidzaal +van eene moskee. Van Egyptenaars en Egyptisch leven was hier weinig +te zien; het was als had een demon een deel van Medina uit Arabië +aan den Nijl verplaatst. De menschen, de dieren, de huizen, de kramen +droegen den stempel van hun vaderland, ofschoon de gebouwen bewezen, +dat de bouwmeesters ook andere dingen hadden gezien in de door hen +veroverde beschaafde landen van Azië. Waar Orion een landsman zag, +stond deze als arbeider of rentmeester in dienst van den vreemdeling, +die hier zoo spoedig vasten voet had verkregen. + +Voor zijn vertrek naar Konstantinopel had daar, waar zich nu tegenover +de half voltooide moskee het woonhuis van Amr verhief, een palmentuin +van zijn vader gestaan. Waar thans honderden muzelmannen met den +tulband op het hoofd en in de kleederdracht van hun vaderland, die +reeds veel weelderiger was geworden door den in korten tijd geroofden +buit en het gemeenzaam verkeer met pronklievende natiën, zich heen en +weer bewogen, deels te voet, deels te paard, en lange rijen kameelen +gehouwen steenen droegen naar de bouwplaats, had hij weleer slechts +nu en dan een ossenwagen met knarsende raderen ontmoet, een ruiter +op een ezel of op den ongezadelden rug van een oud trekpaard, en van +tijd tot tijd ook eenige overmoedige Grieksche soldaten. In plaats +van de taal zijner voorouders en van de Grieksche overheerschers van +weleer vernam hij thans de harder en scherper klinkende van de zonen +der woestijn. Zonder den dienaar, die naast hem ging, zou hij zich +op zijn eigen vaderlijken grond niet hebben kunnen doen verstaan. + +Het huis van Amr was spoedig bereikt en een Egyptisch schrijver +deelde hem hier mede, dat zijn heer op de jacht was en hem niet in +de stad maar op den Lichtenburg ontvangen zou. In dit schoone gebouw, +oorspronkelijk opgetrokken voor den prefect des keizers op eene goed +gekozen plaats van het kalkgebergte, dat zich achter het fort Babylon +en de nieuw verrijzende stad verhief, had Amr thans zijne vrouwen, +kinderen en lievelingspaarden geherbergd, en om goede redenen hield hij +zich daar liever op dan in het huis in de stad, te midden van al die +voor den dienst bestemde vertrekken. Bovendien benam hier de nieuwe +moskee het uitzicht op den Nijl, terwijl men van den Lichtenburg ver +in de rondte kon zien. + +De zon neigde ten ondergang, toen Orion zijn doel bereikte; doch de +veldheer was nog niet van de jacht teruggekeerd en de poortwachter +verzocht hem wat te toeven. Den jongeling, die gewoon was door zijne +landgenooten als de erfgenaam van den eersten man des lands behandeld +te worden, steeg het bloed naar het hoofd, en het deed zijn Egyptisch +hart zeer, dat hij tegenover den Arabier zijn trots buigen en zijn +spijt verkroppen moest. Hij behoorde thans tot de onderworpenen, +en de gedachte dat éen woord uit zijn mond voldoende zou zijn, +om weder in de rij der heerschappij voerenden te worden opgenomen, +vatte opeens en met nadruk post in zijne ziel. Doch hij onderdrukte +haar met alle kracht en liet zich zwijgend naar het terras brengen, +dat door lange met wijngaardloof omrankte gaanderijen voor de +zonnehitte beschut werd. Hij nam plaats op eene der marmeren banken +bij de borstwering van dit groote tuinbalcon en liet zijn oog door de +ruimte weiden. Al wat hij daar zag was hem nauwkeurig bekend, immers +het was het tooneel zijner kindsheid en vroege jeugd. Dit tafereel +had zich wel honderdmaal voor zijne oogen uitgebreid, en toch maakte +het heden een gansch anderen indruk op hem dan vroeger. Zou er, vroeg +hij zich af, wel een vruchtbaarder, weelderiger land gevonden kunnen +worden dan het zijne? Hadden niet reeds de Grieksche dichters den Nijl +bezongen als de eerwaardigste aller rivieren? Had de groote Caesar het +ontdekken van zijn oorsprong niet zulk eene heerlijke taak geacht, +dat hij daarvoor, volgens zijne eigene uitspraak, de heerschappij +over de wereld zou hebben prijsgegeven? + +Eeuwenlang had van de opbrengst dezer uitgestrekte akkers het geluk +en het ongeluk afgehangen van de grootste steden der aarde, ja het +keizerlijk Rome en het machtig Konstantinopel hadden gebeefd bij +de vrees voor naderenden hongersnood, wanneer een mislukte oogst +de hoop van den landman verijdelde. Was er eene vlijtiger bevolking +van landbouwers te vinden, en bestond er voorheen wel eene wijzer en +kunstvaardiger? Als hij terugzag op de lotgevallen en daden der natiën, +dan zag hij in het verst verwijderd verschiet, daar waar het spoor +der geschiedenis nog bijna niet te herkennen is, als eerste en oudste +gedenkteekenen van het menschelijk scheppingsvermogen de reusachtige +sphinx liggen, dezelfde pyramiden staan, die als oudste kunstmonumenten +daarginds, aan gene zijde van den Nijl en zijne vervallene vaderstad +Memphis, aan den voet van het Lybische gebergte zich altijd nog +onveranderd, even grootsch en trotsch als weleer verhieven en eerbied +afdwongen. Hij was een nazaat dergenen, die deze onvergankelijke +kunstwerken hadden opgericht, wellicht vloeide in zijne aderen nog +een druppel van het bloed der pharaonen, die in deze reuzenmausoleën +eeuwige rust gezocht, wier grootere nakomelingen aan het hoofd +hunner legerscharen de halve wereld onderworpen en bewondering en +gehoorzaamheid afgedwongen hadden. Hij, die zich zoo vaak gevleid had +gevoeld, wanneer men--niet enkel met het oog op de taalverbastering, +die zijn tijd kenmerkte--zijn zuiver Grieksch en zijne innemende +Helleensche manieren prees, hij gevoelde zich hier op dit oogenblik +trotsch op zijne Egyptische afkomst. Ruimer ademhalende rustte zijn oog +op het westen en de ondergaande zon scheen hem de onschatbare waarde +van zijn vaderland prachtig te willen verduidelijken, terwijl zij, +haar wondervol licht uitgietende over het geheele landschap, de akkers, +den stroom, de palmbosschen, de daken der stad, ja zelfs het naakte +woestijngebergte en de pyramiden in louter goud veranderde. Thans ging +zij achter den keten der Libysche hoogten ter rust. De naakte, heldere +kalkrots glinsterde als lichtende ijskristallen, en het was alsof de +vuurbol in het hart van het gebergte wegsmolt, terwijl zij achter zijn +kam verdween, als verbonden die laatste opwaarts schietende stralen +het dal zijner geboorte door millioenen gouden draden met den hemel, +de woning der godheid, die het boven alle andere landen gezegend had. + +Dit heerlijk stukje grond en zijn volk van de overheerschers te +bevrijden, daaraan de macht en de grootheid weer te geven, die het +eens bezeten had; de halve maan te rukken van de tenten en gebouwen +daar beneden, in de plaats daarvan weer het kruis te planten, dat hem +van kindsbeen heilig was; den overmoed der muzelmannen te fnuiken aan +het hoofd van met geestdrift bezielde Egyptische mannen, en met dezen +het oosten te onderwerpen als die Sesostris, waarvan geschiedenis en +sage wisten te spreken, dat was eene taak, den kleinzoon van Menas, den +zoon van den grooten en rechtvaardigen Mukaukas Georg waardig. Tegen +zulk een plan zou Paula zich niet verzetten, ja zijne overprikkelde +verbeelding deed hem in haar aan zijne zijde eene tweede Zenobia zien, +bereid om zulk eene grootsche roeping te volgen, om te handelen, +hem bijstand te verleenen, te heerschen! + +Geheel onder den indruk van deze bespiegelingen in de toekomst, +had hij zijn blik afgewend van het glanzend schouwspel van dezen +zonsondergang en voor zich gestaard; daar stoorden de stemmen van +menschen op den weg in de onmiddellijke nabijheid van het terras +zijne hoogvliegende droomen. Hij keek naar beneden en zag aan zijne +voeten ongeveer een twintigtal Egyptische arbeiders, vrije, door +geene teekenen van slavernij onteerde lieden, die met weerzien en +toch zwijgend gehoorzamende daarheen trokken en aan geen tegenweer of +vluchten dachten, ofschoon éen enkele Arabier hen in ontzag hield. Dit +gezicht trof zijn in hooge mate opgewonden gemoed, als eene wolkbreuk +het glimmend vuur, als een hagelslag het jonge groene graanveld. Zijn +oog, dat zooeven nog vol geestdrift fonkelde, zag teleurgesteld en +met minachting op de ongelukkigen neer, wie hetzelfde bloed door de +aderen stroomde. Een trek van bitteren spot speelde om zijn mond, +want die schare vrijwillige slaven achtte hij zijn toorn niet waard, +en des te minder hoe levendiger hij zich voorstelde wat zijn volk +eenmaal was geweest en wat het nu was. Eigenlijk dacht hij er niet +over na, maar terwijl de duisternis viel, kwam in zijne herinnering +het eene tooneel na het andere op, waarbij Egyptenaars zich smadelijk +gedragen en bewezen hadden, dat zij de vrijheid niet verdienden en +gewoon waren als knechten te bukken. Gelijk thans éen Arabier zoo +waren vroeger drie Grieken voldoende geweest, om eene geheele schare +zijner landslieden in bedwang te houden. Op de landgoederen en aan +het hof zijns vaders had hij tallooze voorbeelden gezien van eene +bijna blijmoedige onderdanigheid van Egyptische boeren, dorpshoofden +en beambten, enkel vrijgeboren lieden. Hadden ook in Alexandrië en +Memphis zijne stamgenooten het juk der vreemde overheersching niet +gewillig gedragen, en het zich laten welgevallen overal, evenals waren +zij van minder soort en afkomst, door de Grieken in de schaduw gesteld +en vernederd te worden, als men maar niet raakte aan de instellingen +en spitsvondige geloofsartikelen van hun godsdienst?--Alleen in +het laatste geval had hij hen zien opstaan en hun bloed vergieten, +doch ook dan nog met groot misbaar en veel belovend vertoon. Reeds +de eerste nederlaag was beslissend en een handvol goed geoefende +strijders bleek voldoende om hen zulk eene te doen lijden. + +Voor dit volk, met dit volk en aan zijn hoofd iets groots te willen +ondernemen tegen een machtigen, stouten veroveraar zou waanzinnig +geweest zijn. Hem bleef niet anders over dan in dienst van den vijand +zijn volk mede te beheerschen en zijne beste krachten in te spannen, +om het lot zijner landgenooten dragelijker te maken. Daarom had ook +zijn wijze vader, een man van zooveel ervaring, het raadzamer gevonden, +om zijne landslieden van dienst te zijn als bemiddelaar tusschen hen +en de Arabieren op te treden, dan den muzelmannen een vruchteloozen +weerstand te bieden aan het hoofd der Byzantijnen. "Ellendig, ontaard +geslacht!" mompelde hij verstoord in zichzelven, terwijl hij overlegde +of hij den tuin verlaten en den overmoedigen Arabier toonen zou, +dat althans nog éen Egyptenaar den moed had om zich zijne minachting +niet te laten welgevallen, dan of hij ter wille van de goede zaak +blijven, zijn toorn onderdrukken en de rest afwachten zou. Neen, +zulk eene behandeling wilde en mocht hij, de zoon van den Mukaukas, +niet dulden. Hij wilde liever als rebel het leven laten of in de +wijde wereld gaan rondzwerven, om ver van zijne geboortegrond een +groot veld voor zijne werkzaamheid te zoeken, dan met den voet van +dezen vreemdeling op den vrijen nek. + +Midden in deze overpeinzingen werd hij gestoord door voetstappen +in zijne nabijheid, en toen hij omkeek zag hij lantaarnen, die al +schommelende juist naar hem toekwamen. Dat moesten boden zijn van Amr, +om hem te geleiden tot hun meester die dan, daarvan hield hij zich +overtuigd, zoo genadig zou zijn, vermoeid van de jacht hem op zijn +rustbed te ontvangen, en hem zeer uit de hoogte, als had hij met een +vrijgelatene te doen, zou vragen wat hij begeerde. + +Doch het waren niet enkel boden die kwamen, neen, de groote veldheer +zelf zocht hem op; de lampendragers moesten niet hem, Amr, maar "den +geliefden zoon van zijn gestorven vriend" voorlichten. De trotsche +plaatsvervanger van den Kalief was op dit oogenblik de voorkomende +gastheer, wien het gastrecht gebood den man, dien hij de hand had +gereikt om hem welkom te heeten, het verblijf onder zijn dak te +veraangenamen. In verstaanbaar Grieksch, dat hij reeds in zijne +jeugd geleerd had, toen hij eene karavaan naar Alexandrië geleidde, +verontschuldigde hij zich over zijn lang uitblijven, en sprak zijn +leedwezen uit Orion zulk een tijd te hebben laten wachten, hij berispte +zijne dienaars, die verzuimd hadden zijn gast in huis te brengen en +hem ververschingen aan te bieden. Op den weg door den tuin legde hij +zijn arm op den schouder van den jongeling, vertelde hem dat de leeuw +dien hij vervolgd had, hoewel door een zijner pijlen getroffen, hem +ontkomen was en voegde er dan opgewekt bij dat hij hoopte de schade +weer in te halen en in plaats van het ontsnapte roofdier heden een +nog edeler wild voor zich te winnen. + +Den jongeling bleef niet anders over dan zooveel hoffelijkheid met +beleefdheid te beantwoorden, en dat werd hem gemakkelijk gemaakt, want +de welluidende stem van den veldheer, die getuigde van ongeveinsde +hartelijkheid, alsmede diens natuurlijke en voorname houding, deden +hem goed, streelden hem, boezemden hem vertrouwen in, en namen hem +onwillekeurig in voor den man op rijper jaren, die tegelijk een +beroemd held was. + +In een helder verlichte, met kostbare Perzische tapijten behangen kamer +noodigde Amr zijn gast uit, om het eenvoudig jagersmaal met hem te +deelen en zich de Arabische gewoonten te laten welgevallen. En zoo nam +Orion plaats op de eene zijde van den divan, terwijl op de andere de +veldheer en zijn Wekil [11] Obada, een Goliath met het zwarte gelaat +van een Moor, naar de zeden huns volks meer hurkten dan zaten. De +donkerkleurige reus verstond, zooals Amr zijn gast mededeelde, geen +Grieksch en bracht slechts nu en dan iets in het midden, hetwelk de +veldheer, als hij het noodig oordeelde, voor Orion vertaalde, en dezen +beviel wat die zwarte tusschen het gesprek invlocht al even weinig als +zijne geheele houding en verschijning. Obada was in zijn kindsheid een +slaaf geweest en had zich door zijne eigene bekwaamheden weten op te +werken tot den hoogen rang, dien hij thans bekleedde. Het eten, dat hij +gulzig en op ruwe manier verslond, scheen hem geheel bezig te houden, +en toch moest hij, die geen Grieksch verstond, het gesprek zeer goed +kunnen volgen, gelijk bleek uit zijne opmerkingen. Wanneer hij opkeek +van de schotels, die op lage tafeltjes voor de spijzenden geplaatst +werden, om wat te zeggen, verdraaide hij zijne groote oogen zoo, +dat men alleen het wit ervan zag; richtte hij ze echter op Orion, dan +was het dezen of die kleine zwarte oogappels doordringende, brandende +stralen schoten, en zeiden dat hij hem zeer kwalijk gezind was. + +De tegenwoordigheid van dezen man van wiens onvrije geboorte--in +het oog van den aanzienlijken jonkman iets om hem te minachten--van +wiens wilde dapperheid en groote scherpzinnigheid hij gehoord had, +beangstigde hem, en al verstond hij niet wat Obada sprak, er lag +toch in den toon zijner woorden iets wat hem het bloed naar het +hoofd deed stijgen en hem meer dan eens aanleiding gaf de tanden op +elkaar te klemmen. Hoe meer de houding en de taal van den veldheer +hem weldadig aandeden en innamen voor zijn persoon, des te meer +afkeer kreeg hij van zijn onbehagelijken plaatsvervanger, en hij +voelde dat hij zich vollediger en vrijer zou hebben uitgesproken, +menige vraag doeltreffender zou hebben beantwoord, als hij met Amr +alleen was geweest. In den beginne liet de veldheer Orion vertellen +van zijn verblijf te Konstantinopel en van zijn vader, en scheen met +bijzonder genoegen naar de mededeelingen van den jonkman te luisteren, +tot Obada hem opeens in de rede viel om een vraag tot zijn meester +te richten. Deze beantwoordde haar snel in het Arabisch en gaf weldra +aan het gesprek eene andere wending. De Wekil had gewenscht te weten, +waarom Amr den Egyptischen melkbaard zoo lang liet zwetsen eer de +hoofdzaak was behandeld, waarom hij hem geroepen had, waarop de +veldheer geantwoord had, dat hij meent het meest onderhoudend te +zijn, wien men gelegenheid geeft om zichzelven te hooren spreken; +overigens was de jonge man goed op de hoogte en wat hij vertelde was +bovendien gewichtig. + +Terwijl de muzelmannen zich geheel van het drinken onthielden, werd +Orion op den voortreffelijksten wijn onthaald, doch hij dronk weinig, +en toen Amr eindelijk over de begrafenis zijns vaders begon te spreken, +aan de vijandelijke houding van den patriarch herinnerde en erbij +voegde, dat hij dezen heden morgen gesproken en zich verwonderd had, +hoe hij zoo lijnrecht tegenover zijn gestorven geloofsgenoot had +kunnen staan, die toch vroeger zijn vriend was geweest, nam Orion het +woord. Hij zette den veldheer duidelijk uiteen waarom de patriarch +eene zoo in het oogvallende vijandschap tegen zijn overleden vader +had aan den dag gelegd, die wijd en zijd was opgemerkt. Benjamin was +er thans alles aan gelegen voor de oogen der overige christenen zich +te zuiveren van het verwijt, dat hij een land, hetwelk den godsdienst +van den Heiland aanhing, had overgeleverd aan hen, die de christenen +"ongeloovigen" noemen; daarom had hij het erop toegelegd zijn vader +voor te stellen als den man wien eenig en alleen de schuld trof van +zijn geboortegrond aan de muzelmannen in handen te hebben gespeeld. + +"Juist, juist, dat begrijp ik," gaf Amr den jongeling ten +antwoord; en toen deze vervolgens mededeelde, dat het wegens het +Cæcilia-klooster,--welks goed recht de patriarch had willen bestrijden +door aan een oud, maar duidelijk document eene verkeerde uitlegging +te geven--tusschen den kerkvorst en den afgestorvene tot een openbare +vredebreuk was gekomen, wisselde de veldheer ras een blik met den +Wekil, en vroeg Orion: "Maar gij? Zijt gij voornemens u geduldig te +laten welgevallen wat deze onrustige grijsaard, die u zoowel als uw +vader kwalijk gezind is, tegen u en het aandenken van den waardigen +Mukaukas verkiest te doen?" + +"In geenen deele," antwoordde de jonkman trotsch. + +"Dat is goed," riep de veldheer, "dat had ik van u verwacht, doch +leer mij de wapenen kennen, waarmede gij, als Christen, den slimmen +en invloedrijken man denkt te trotseeren, aan wien gij u zoo als +ik weet--en dat niet alleen ten aanzien van het heil uwer zielen, +op genade of ongenade hebt overgegeven." + +"Ik ken ze zelf nog niet," antwoordde Orion, en keek voor zich toen +zijn oog den honenden blik van den Wekil ontmoette. + +Maar Amr stond op, ging naar hem toe en zeide: "Gij zult ook tevergeefs +daarnaar zoeken, jonge vriend! En al vondt gij ze, toch zoudt gij ze +niet kunnen gebruiken. Het is gemakkelijker op eene verlatene vrouw, +een aal of een vliegenden vogel los te slaan, dan op die buigzame, +zwakke, ongewapende langrokken, die liefde en vrede in den mond dragen, +hunne weerloosheid en lichamelijke onmacht als schild gebruiken en met +onzichtbare, vergiftige pijlen ieder treffen, op wien zij het voorzien +hebben. En tot de zoodanigen behoort gij in de eerste plaats, zoon +van den Mukaukas; ik weet het en raad u op uwe hoede te zijn. Denkt +gij er echter werkelijk over den smaad der nagedachtenis uws vaders +aangedaan mannelijk te wreken, dan kunt gij spoedig uw doel bereiken, +hoewel altijd onder eene voorwaarde." + +"Wijs mij het middel aan!" zeide Orion, en zijne oogen schoten vuur. + +"Kort en goed: word de onze!" + +"Daarvoor ben ik hier gekomen. Mijn geest en mijn arm zullen van +heden af behooren aan hen die mijn vaderland beheerschen, aan u, +aan ons gemeenschappelijk opperhoofd, den Kalief." + +"Ja salam! [12] Goed zoo!" riep Amr, terwijl hij zijne hand op +Orions schouder legde. "Er is geen God buiten God; en de uwe is de +onze, want hij heeft geen tweede naast zich. Gij zult als geloovig +muzelman weinig hebben prijs te geven, want uw Heer Jezus Christus +rekenen wij mede onder de geloovigen, en dat de laatste en de hoogste +onder hen Mohammed is, de ware profeet Gods, onze Heer Mohammed, moet +gij, moet ieder erkennen, die niet met opzet de oogen sluit voor de +gebeurtenissen, die onder zijne aanvoering en in zijn naam gebeurd +zijn. Uw eigen vader heeft toegestemd...." + +"Mijn vader?" + +"Hij heeft moeten toegeven, dat wij ernstiger, dieper, met meer +geestdrift van ons geloof doordrongen zijn dan gij, al zijne eigene +geloofsgenooten." + +"Dat weet ik." + +"En toen ik hem vertelde, hoe ik bevolen had in onze nieuwe moskee +den lezenaar van den koranvoorlezer weg te laten, omdat deze zoodra +hij die plaats beklimt boven de andere biddenden staat, heeft de +vreugde over deze mededeeling den vermoeiden man opgefrischt en hem +bewogen tot eene luide bijvalsbetuiging. Wij muzelmannen--dat was de +beteekenis van mijn bevel--willen allen gelijk zijn voor den eeuwigen, +barmhartigen God; de leider der gebeden mag zich boven de anderen +zelfs geen hoofdlengte verheffen, en de leer van den profeet toont +ieder den weg tot de vreugde van het paradijs; wij hebben om haar +te vinden, geen menschelijke gidsen noodig. Het geloof, onze wil ten +goede, onze daden, en geen sleutel in de hand eens priesters openen +of sluiten voor ons den hemel. Als een der onzen kan geen Benjamin u +de vreugde der aarde vergallen, kan geen patriarch u en uw vader het +recht op de zaligheid ontzeggen. Gij hebt eene goede keuze gedaan, +jonkman! Geef mij uwe hand, mijn nieuwe geloofsbroeder!" + +Daarop stak hij Orion in blijde ontroering zijne rechterhand toe. Doch +deze nam haar niet aan, maar deed een schrede achterwaarts en zeide +bezorgd: "Versta mij niet verkeerd, groote veldheer, hier is mijne +hand en ik ken geen hooger eer dan haar in de uwe te leggen, daarmede +op uw bevel het zwaard te zwaaien, haar te gebruiken in den dienst +van u en van mijn heer, den Kalief; maar ik mag de trouw aan mijn +geloof niet breken!" + +"Zoo laat u dan door Benjamin vertreden!" sprak Amr teleurgesteld +en met weerzin, terwijl hij eene minachtende beweging met de hand +maakte en zich tot den Wekil wendde, om dezen op een honenden uitroep +schouderophalend antwoord te geven. + +Orion zag beiden zwijgend en besluiteloos aan, doch weldra kwam hij +weder geheel tot zichzelven en zeide op den toon eener bescheidene en +dringende bede: "Luister naar mij, heer, en wijs niet af, wat ik in +staat ben u aan te bieden. Wat kan de overgang tot uw geloof mij anders +aanbrengen dan voordeel? En toch weersta ik deze groote verzoeking, +maar evenals mijn geloof zal ik ook mijn woord aan u weten te houden." + +"Tot de priester u dwingt het te breken," haastte de muzelman zich +er schamper bij te voegen. + +"Neen, neen!" zeide Orion. "Ik weet dat Benjamin mijn vijand is; +doch ik heb een dierbaren vader verloren en geloof aan een wederzien +hiernamaals." + +"Ik ook!" hernam de muzelman, "en er is maar éen paradijs en éene hel, +gelijk er maar éen God is." + +"Hoe komt gij aan die zekerheid?" + +"Door mijn geloof!" + +"Vergeef mij dan wanneer ik aan het mijne vasthoud en mijn vader in +dien hemel hoop weer te zien..." + +"Die, zooals gij dwazen meent, geene andere zielen opneemt dan de +uwe! En als die hemel nu eens enkel openstaat voor het onsterfelijk +deel der muzelmannen en voor de christenen gesloten blijft? Wat weet +gij dan wel van het paradijs? Ik ken uwe heilige geschriften: staat het +daarin geschreven? De algoede God heeft onzen profeet vergund een blik +daarin te slaan, en wat hem gegeven werd dáar te zien heeft hij zoo +geschilderd, als had de Allerhoogste zelf de schrijfstift bestuurd. De +muzelman weet wat hij van zijn hemel te wachten heeft... Gij, gij--uw +hel, die kent gij; het valt uw priesters gemakkelijker te vloeken +dan te zegenen! Wie maar een haar breed afwijkt van hunne leer, hem +duwen zij aanstonds naar de plaats der verdoemden: mij, de mijnen, de +Grieksche christenen en in de eerste plaats--geloof mij, jonkman--uw +vader en u!" + +"Wist ik maar dat ik hem daar zou wedervinden!" riep Orion uit, +terwijl hij zich op de borst sloeg. "Het zou mij waarlijk niet +afschrikken hem daar te volgen. Ik moet hem wedervinden, weerzien, +al ware het in de hel?" + +Bij deze woorden barstte de Wekil in luid gelach uit. Toen de veldheer +hem hierover zijne ontevredenheid betuigde, weerlegde de andere hem, +en nu ontspon zich tusschen beiden eene levendige woordenwisseling. + +De hoon van den zwarte had Orions toorn gewekt, en alles wat in hem +was, dreef hem aan om den onbeschaamden spotter het zwijgen op te +leggen. Doch met inspanning van al zijne wilskracht hield hij zich in, +tot Amr zich weder tot hem wendde en op een toon van gezag maar niet +onvriendelijk zeide: "Deze scherpzinnige man spreekt een vermoeden uit, +dat ook bij mij is opgekomen. Een jong, wereldschgezind christen als +gij geeft geluk en welzijn hier op aarde niet gemakkelijk prijs voor +de onzekere vreugde van uw paradijs; en als gij het toch doet en alles +wat een man het dierbaarst moet zijn: eer, tijdelijke bezittingen, +een ruim veld van werkzaamheid en wraak over uwe vijanden afwijst om de +ziel van een afgestorvene aan gene zijde des grafs weer te ontmoeten, +dan moeten hiervoor bijzondere gronden bestaan. Tracht uzelve gerust te +stellen en geloof mijne verzekering, dat gij mij bevalt en in mij een +ijverig beschermer, een stilzwijgend vriend zult vinden, wanneer gij +mij open en naar waarheid de beweegreden van uw besluit blootlegt. Er +is ook voor mij veel aan gelegen onze ontmoeting te maken tot eene +vruchtbare voor ons beiden. Stel dus vertrouwen in den ouderen man, +die een vriend van uw vader was, en spreek!" + +"In geen geval in tegenwoordigheid van dezen man," antwoordde Orion +met bevende stem. "Hij, die geen Grieksch heet te verstaan, volgt elk +mijner woorden met loerende oogen, ja hij heeft het durven wagen mij +uit te lachen, hij..." + +"Hij is even verstandig als dapper en mijn Wekil," dus wees Amr hem +terecht. "Gij zult hem moeten gehoorzamen, wanneer gij een der onzen +wilt worden, en--vergeet dit niet jonkman--ik heb u laten roepen, om +u voorwaarden te stellen, niet om ze mij te laten voorschrijven. Ik +schenk u gehoor als heer van dit land, als plaatsvervanger van Omar, +uw en mijn Kalief." + +"Zoo bid ik u mij te laten gaan; want voor dien man daar blijven mijn +hart en mijne lippen gesloten; ik voel dat hij mijn vijand is." + +"Pas op, dat hij het niet wordt!" zeide de veldheer, terwijl Obada +met minachting de schouders ophaalde. + +Orion begreep zijn gebaar, doch hoewel het hem ook ditmaal gelukte +zijne tegenwoordigheid van geest te bewaren, was hij toch niet zeker +meer van zichzelven, en daarom boog hij, zonder op den Wekil acht te +geven, eerbiedig en diep voor den stadhouder, en verzocht voor heden +hem te laten gaan. + +Amr, wien de houding van Obada niet ontgaan was, en die te fijngevoelig +was om niet te begrijpen wat er bij den jonkman omging, hield hem +wel niet terug, maar veranderde van toon en werd opnieuw weder de +voorkomende gastheer. Ja hij noodigde Orion zelfs uit, daar het reeds +laat geworden was, den nacht onder zijn dak door te brengen. Doch +Orion sloeg deze uitnoodiging hoffelijk af, en toen hij eindelijk +heenging--andermaal zonder den Wekil een blik waardig te achten--deed +Amr hem uitgeleide naar de voorzaal. Hier greep hij de hand van +den jonkman en zeide hem op zachten, vermanenden toon, doch vol +oprechte vaderlijke deelneming: "Neem u in acht voor dien zwarte, +wien gij mannelijk maar niet verstandig hebt getoond, dat gij hem +doorziet. Wat mij betreft, ik meen het waarlijk goed met u." + +"Dat geloof ik, dat weet ik," antwoordde Orion, wiens gekwetst gevoel +weldadig werd aangedaan door den warmen, diepen toon waarop de edele +Arabier hem toesprak, als drupte er balsem in zijne ziel. "En nu +wij alleen zijn, vertrouw ik u gaarne alles toe. Ik, heer, ik--mijn +vader--gij hebt hem gekend. In bittere verbolgenheid is hij--heeft +hij zijn eenigen zoon, voor hij de oogen sloot, den zegen onthouden." + +De herinnering aan die verschrikkelijke ure zijns levens greep hem zoo +zeer aan, dat hij eenige oogenblikken niet spreken kon; maar weldra +ging hij weder voort: "Eene enkele daad van misdadige lichtzinnigheid +had den stervende in toorn doen ontsteken, doch onder mijn leed +en berouw dacht ik na over het leven dat achter mij lag en bevond, +dat het ijdel geweest was. Wanneer ik nu hierheen gekomen ben met +een vol gemoed en in blij vertrouwen, om u alles wat ik aan geestes- +en lichaamsgaven bezit te kunnen aanbieden, dan geschiedde dit, heer, +omdat ik grootsche, verheven, moeilijke, als het zijn moet onmogelijke +daden wensch te verrichten, omdat ik in een woord verlang nuttig +werkzaam te zijn..." + +Amr liet hem niet verder gaan; hij legde zijn gespierden arm +op den schouder van den jonkman en zeide: "En omdat gij de ziel +van uw gestorven vader, dien rechtschapen man, toonen wilt dat +gij door een lichtvaardigen jongensstreek toch zijn zegen niet +onwaardig zijt geworden, omdat gij door wakkere daden hem dwingen +wilt de ontevredenheid in goedkeuring, de minachting in achting +te verkeeren..." + +"Ja, ja, daarom, heer, juist daarom!" viel Orion met groote geestdrift +den veldheer in de rede. + +Maar deze gaf hem dadelijk een wenk om wat zachter te spreken, als +vreesde hij dat iemand die hen beluisterde, hun gesprek op zou vangen, +en haastig fluisterde hij hem toe op een toon van warme toegenegenheid: +"En ik, ja ik zal uw helper zijn bij uw loffelijk streven. O, hoe doet +ge mij denken aan den zoon mijns harten, die gestruikeld was als gij, +en wien het vergund was alles, meer dan alles op het slachtveld door +den dood, den heldendood voor zijn geloof te boeten! Reken op mij, en +laat wat gij u hebt voorgenomen tot daad worden. In mij hebt gij een +helper gevonden. Ga thans, weldra zult gij weder van mij hooren. Nog +eens: terg den zwarte niet, neem u voor hem in acht, en als gij hem +weer ontmoet, toom dan uw trots in en neem den schijn aan, als zaagt +gij hem voor de eerste maal." + +Daarbij zag hij Orion aan met een weemoedigen blik, als deed het zien +van dezen jonkman eene dierbare herinnering in zijne ziel ontwaken, +hij kuste hem op het voorhoofd en zoodra de zoon van den Mukaukas de +voorzaal verlaten had, schoof hij het zware gordijn, dat deze van de +eetzaal scheidde haastig terug. Enkele schreden daarachter vond hij +den Wekil, die bezig scheen te zijn met den bandelier van zijn zwaard, +en riep dezen verstoord toe: "Ge luistert! Man van geest, man van +de daad, een held in den slag en in den raad, een leeuw, een slang +en een pad tegelijk; wanneer zult gij eindelijk al dat erbarmelijke +en kleine uit uwe ziel rukken? Wees wat gij geworden zijt, niet wat +gij waart, en herinner hem die u groot gemaakt heeft niet dagelijks, +dat gij uit een slavin zijt geboren." + +"Heer!" sprak de man, dien daar de les werd gelezen, knarsetandend, +terwijl het wit zijner oogen akelig afstak bij zijn donker gelaat. + +Doch Amr belette hem verder te gaan, liet zich niet van zijn stuk +brengen en vervolgde op streng vermanenden toon: "Ge hebt u tegenover +dezen jonkman als een gek, als een potsenmaker op de jaarmarkt, +als een onzinnige aangesteld." + +"Naar de hel met hem!" riep Obada. "Ik haat dat gouden gelukskind!" + +"Nijdigaard! Terg hem niet! Alles kan verkeeren en er zou een dag +kunnen komen, waarop gij reden hadt hem te vreezen." + +"Hem?" schreeuwde de andere. "Als een mug druk ik dien speelpop in +elkaar. Hij zal het ondervinden." + +"Eerst gij, en dan hij!" zeide Amr, dreigend. "Van u beiden is +hij voor ons van de meeste beteekenis, hij, het gelukskind, die +speelpop! Hebt gij het gehoord? Hebt gij het verstaan? Als gij hem +éen haar krenkt, kost u dat neus en ooren! Vergeet geen oogenblik, +dat gij enkel leeft, ten onrechte leeft, omdat twee paar lippen tot +heden gesloten blijven! Gij kent ze. De vindingrijke kop blijft niet +langer op uw hals, als het hun behaagt. Houdt hem vast, man; gij hebt +er maar éen op het spel te zetten! Het was noodig, mijnheer de Wekil, +u hieraan weder eens te herinneren!" + +De zwarte steende bij het hooren dezer woorden als een gewond dier +en bracht met moeite en doffe stem deze woorden uit: "Zoo beloont +men bewezen diensten; zoo dankt de muzelman zijn geloofsgenoot, +om der wille van een christenhond!" + +"Dank hebt gij ontvangen, meer dan genoeg," antwoordde Amr op kalmen +toon. "Gij weet wat gij beloofd hebt, eer ik u, roover, terwille van uw +helder hoofd en uw zwaard tot mijn Wekil heb gemaakt; gij weet wat ik +vergeten moest eer ik het deed, niet om uwentwil, maar voor de groote +zaak van den Islam. Verlangt ge te blijven die ge zijt, geef dan uwe +onstuimige driften prijs! Zijt gij daartoe niet bij machte, dan zend +ik u liever heden dan morgen naar het leger, en maakt gij het te erg, +gebonden en met het doodsoordeel in den gordel naar Medina terug." + +Onder deze woorden stiet de zwarte doffe geluiden uit; de veldheer ging +echter ongestoord voort: "Waarom gij dezen jongeling haat? Een kind +kan het doorzien. In den zoon en erfgenaam van den Mukaukas Georg +ziet gij den toekomstigen Mukaukas, terwijl gij den waanzinnigen +wensch koestert om zelf Mukaukas te worden." + +"En waarom moet die wensch waanzinnig zijn?" riep de ander met +eene krijschende stem, terwijl zijne lippen brandden. "U er buiten +gelaten--wie is hier verstandiger en sterker dan ik?" + +"Misschien geen muzelman; doch een Egyptenaar, een christen, en +niet gij of een ander geloovige zal den gestorvene in zijn ambt +opvolgen. Dit vordert de wijsheid en--zoo luidt het bevel van den +Kalief." + +"En gebiedt deze ook den schoongelokten aap zijne millioenen te laten?" + +"Verlangt gij daarnaar, onverzadelijke gierigaard, naar dat +geld? Drukt u nog niet zwaar genoeg, wat gij door hebzucht hebt +bijeengeschraapt! Goud, altijd meer goud, dat is het doel, het +walglijk doel uwer wenschen! Een vet hapje, die grondbezittingen van +den Mukaukas, zijne talenten goud, zijne edelgesteenten, slaven en +paarden; dat vind ik ook! Maar den barmhartigen God zij dank, wij +zijn geen dieven en roovers!" + +"Wie heeft de millioenen te voorschijn gehaald, die de Egyptenaar +Petrus onder den waterbak had verstopt, en hem zelven in het gras +doen bijten?" + +"Ik, ik! Maar alleen, zooals gij weet, om ze naar Medina te +zenden. Petrus had ze voor ons verborgen, eer wij hem terecht stelden; +de Mukaukas daarentegen en zijn zoon hebben alles wat zij bezitten +aangegeven tot op den laatsten dinar en den uitersten akker lands; +zij hebben de belasting stipt betaald, en dus blijft het hunne +hun eigendom, gelijk voor mij en u ons zwaard, ons paard, onze +vrouw. Waar zet uw nimmer verzadigde ziel u toch toe aan?--De hand van +den dolkgreep!--Geen koperstuk van hen daar ginds zal in uw hongerigen +muil vallen, zoowaar helpe mij de Almachtige! Gij werpt den zoon van +den Mukaukas niet andermaal een boozen blik toe! Stel mijn geduld niet +op te zware proef, anders,--houd uw kop maar vast!--anders hebt gij hem +weldra voor uwe voeten te zoeken. Wat ik daar zeide is gezegd. Goeden +nacht voor heden! Morgen vroeg zet gij in den divan uiteen, wat gij +ontworpen hebt ten aanzien van de nieuwe landindeeling. Mij wil dit +plan in zijn geheel en in zijne deelen niet best bevallen, en ik zal +ook nog andere ontwerpen laten uitwerken." + +Hierop keerde de veldheer den Wekil den rug toe, en zoodra de deur +zich achter hem gesloten had balde Obada de vuist, en dreigde woedend +zijn heer en bedwinger, die tot hiertoe verzwegen had, dat hij een +deel van eene bezending goud had gestolen, die Amr hem bevolen had +naar Medina te geleiden, en liep toen driftig, hijgend en snuivend +op en neer, tot de slaven kwamen om het tafelgereedschap weg te ruimen. + + + + + + +VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion +den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk +en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat +watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde +hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis, +de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim, +dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met +nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij +in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was, +en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht, +dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja, +misschien een vriend gevonden had. + +De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed, +zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het +ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met +de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan +het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen +stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden +man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen +tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het +aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de +heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de +afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over +hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde +vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en +uitrichten. "Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," deze +tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden +weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke +daden te kunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven, +om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden! + +Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus +gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping, +waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren +verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij +keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij +haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans +zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening, +zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar +Paula's voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid +naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht +niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig +daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan +het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte +eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het +vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van +hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn +van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust +door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek, +herkende hij duidelijk den arts Philippus. + +Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat +Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek +misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar +en den arts in eene woonkamer van Rufinus? + +Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met +uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas' +dochter en geene andere. + +Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene +bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden, +ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke +verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien +was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw +aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen +in te roepen. Zou hij Paula's hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou +dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders +te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar +hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen +moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij, +en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest +bracht, waarmede hij Paula heden morgen had aangezien. Ja, Philippus +had Paula lief! + +Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem, +die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om +dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen +dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula +verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan +vroeger gekleed had. "Daarin," dacht hij, "brengt een ernstig man +geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft." + +Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de +lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste +maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht, +waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet +dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden +morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion, +voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart +was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten +dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den +teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele, +vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en +een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder +de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion +moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed +hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te +doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een +cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij +het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij +het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om. + +Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere +bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde +uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog +helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde +het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien +het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn, +toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die +onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het +kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke +gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het +licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina +beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin, wiens gebaarde +apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes +voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader +echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en +kloekheid overtrof. + +Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van +Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl +hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel +niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk +daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam +de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula's +lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone, +levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich +nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van +hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw, +aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat +hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn +hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden +en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven, +dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan +het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde +als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare +waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar +te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en +zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf +om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van +vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de +lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel. + +Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn +dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was +opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard +naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om +ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij +dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver +gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg +iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen, +die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in +den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem +dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd +zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts +een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een +gelukkige uit. Met gebogen hoofd, als ging hij gebukt onder een last, +ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt +de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken +wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem +vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden. + +De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog +hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne +borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen, +waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn +weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand +die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij +het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een +gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel +afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote +aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de +stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd en de +benedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht +voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die +gewoonlijk te Alexandrië verblijf hield, maar bij zijne inspectiereis +zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren +hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de +nieuwe hoofdstad Fostat aan gene zijde van den stroom, en die van de +vervallen plaats was verbonden geworden met het stadhouderlijk ambt. De +senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te +sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken +in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had +gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken, +maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en +moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel +onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen. + +Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend +betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene +schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den +laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem +een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een +onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude +geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het +gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede +hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel, +en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de +sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de +schrijftafel plaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht, +terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van +het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef. + +Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den +teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het +stilstaan der klepperende raderen den molenaar. + +Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom +waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had +hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand, +waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren, +verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn +ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in +beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen, +weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte +was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede +kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast, +zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was +wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in +de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken, +die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe +scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan +zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien. Hiermede +was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen +schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over +zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand +op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen +dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende +schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange +borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand, +krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die +een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht +getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man +scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets +aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende +kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren +zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of +te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen +leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft +zien vallen. + +Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan +gene zijde van den katarakt in de nabijheid van den Isis-tempel, +dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche +eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden +uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en +"praefectus augustales" om strijd krijgslieden te voet en te paard +den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke +Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere +Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee +huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want +dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne +schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones +door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de +Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen. + +De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader +de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd +had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter +aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan, +het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te +sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers, +en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en +twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote +gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het +geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest, +waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen +tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door +keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide +onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop +die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en +wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër, +de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze +ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of, +zooals de oude meende aan de 'groote Isis' was het te danken, dat +zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude +opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus +niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk +in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier +zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan +in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met +vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië, +rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap +en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van +een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet +geheel was te loor gegaan. + +Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven +vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester +op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis, +waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde, +van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de +astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria +der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven +bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De +scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis +van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende +wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke +vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot +de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de +gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka +zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend. + +De arts Philippus was eenige jaren geleden aan het ziekbed van den +oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten +gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de +kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door +de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den +jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor +hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor +een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den +jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde +hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te +kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende +liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en +toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte +hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim +van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde +hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich +verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze, +geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling +had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had +ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam, +noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor +zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift +en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover +deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap +overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat +hij het Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen +vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het +samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende, +maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam +een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks +de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man. + +Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar +hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig +anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield +van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet +alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich +van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor +zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren, +welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner +aanbidders te voldoen. + +Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had, +zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms, +dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts +had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare +voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van +een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet +genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en +prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat, +immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig +einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de +stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld, +doch het lustte den grijsaard--en zijn vader had er van den aanvang +af evenzoo over gedacht--alle schuld op den prefect te laden; want +de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij +al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over +een dienaar onverschillig van welke godheid. + +Als Philippus Paula's groote gestalte, hare voorname houding, den +adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude +tegen hem uit en riep: "Zoo is dat 't! Pas op, knaap, wees op uwe +hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar +verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in +zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de +ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in +purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals +zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging +'klein' noemen, wordt door hen in 't stof geworpen en onder den voet +getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven +arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke +kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en +den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg, +gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt, +wegschop als de heete dagen van Maart komen." + +Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig +van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had, +en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen +Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de +grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd, +als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst +te zien: "Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar +kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe +gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed +en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als +de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet." + +Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts +weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn +warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van +Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen +niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het +vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid +geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar +plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende +hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed, +dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in +het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula +hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem +in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden +avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit +was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren +langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk +had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten +en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij +aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven +dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet +onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner +stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar +naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijke hoop in hem +ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan +om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats... + +Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van +de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste +woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe +hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit +alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn +plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene +moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar +een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden, +dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld +en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen +vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had +alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde +zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich +geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren +liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van +zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en +wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede +mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn +hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en +het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende +hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht +waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te +niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De +grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken +door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om +dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne +eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer +in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden. + +Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar +lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem +bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het +zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag +aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard +zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware +was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte +den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te +ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger +zijn werk te verlichten? + +Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van +den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld +en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het +verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de +schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren +staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel +met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene +andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide, +terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: "Het besluit van +het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!" + +"Niet geheel, want ik leef nog!" antwoordde de arts. + +"Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn," hernam de oude. Na +zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: "Wie niet hooren +wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas +was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister +van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men +was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is +het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken +had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en +verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te +verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?" + +"Ik weet het zelf maar al te goed," antwoordde Philippus. + +"Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen," gromde de oude. "Zoo +lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het +aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in +het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de +uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat +opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt +deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en +van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen +arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders +gebeurd is, heet het mij liegen!" + +"Kon ik dat maar!" zuchtte Philippus. "Gij hebt goed gezien, +verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is." + +"Dat klinkt duister," zeide de grijsaard gelaten. "Maar ik kan ook in +den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg, +om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij, +dat uwe dwaling een zoo 'gelukkig' en wat mij betreft een zoo 'spoedig' +einde heeft genomen; de aanleiding--zooals gewoonlijk eene vrouw--is +mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheid +van iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil +zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich +gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u, +dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen +weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne +tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid." + +Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote +vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef, +vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij +gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt +en hem daarna in hare woning ontboden had--om diep ontroerd, verbaasd +over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de +zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten +lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had +zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis +van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe +zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven +had wedergevonden. + +"En daarover," viel de grijsaard hem in de rede, "was zoo groote +vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten +vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen." + +"Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart +van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen, +verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor +mij ontsloten." + +"En waarom, met welk doel?" vroeg de oude met schrille stem. "Wil ik +het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo'n halve minnaar +is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs +geven willen." + +"Dat is niet waar!" haastte Philippus zich met afkeuring te +zeggen. "Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht, +mij--ik ben niet ijdel--mij als een broeder genegen is, en het niet +verdragen kon mijn gevoel voor haar--het zijn hare eigene woorden--ook +maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig, +en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag +ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare +zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke +teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede, +spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw, +die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo +bloot te leggen voor een man, van wien zij weet, dat hij haar bemint, +op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener, +zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat +om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare +handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon +ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met +betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te +blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders +van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende +hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik, +een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik +mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als +ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren +nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed +verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak +van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan +de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te +smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de +klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een +gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare +onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen +slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als +uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij 'knaap' en +'kind' noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader, +hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten, +hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken, +ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de +zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt +als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als +gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden, +of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap." + +Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de +handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van +zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen +ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en +buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: "En +zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de +dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze--hoe +zal ik haar noemen--verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij +dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd +heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde van een degelijk man--wat vraagt +zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het +zand! Daar komt reeds de vette wentelaar [13] aangezwommen, die zal +wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen +ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen, +die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoon lief +te hebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen +geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden +een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen, +van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho +op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het +lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe +een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!" + +"Toon het mij," antwoordde Philippus met zachte stem. "Ik verlang +niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne +zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot +eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar +en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel; +maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben +ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe +smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de +strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op +dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden." + +"Dan moet zij het zijn," riep de oude met schelle stem, "die plaats +maakt voor u." + +Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast +en op streng afkeurenden toon: "Wat bedoelt gij hiermede?" + +"Niets," antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders +ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort: "Memphis heeft in +elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische +deerne." Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud +had, sloeg met de hand op de borst en zeide: "Hier binnen is alles +in oproer, en ik kan thans helpen noch raden. Weldra begint het in +het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den +zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet +te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl +ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks +beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons +beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denken +aan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het +zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge +hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken; +maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij, +arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat--ik +ken u genoeg Philippus--dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!" + +Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond +van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een +oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan +Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de +oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra +hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel +en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend: +"Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de +wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar +de Amenthe [14] willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen, +de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de +pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn +smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te +leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het +mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap, +meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze +anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog +eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten +op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij +uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch +plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat +zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!--Heidaar Anubis!" + +Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was +blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl +deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar, +bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was, +hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens +verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit +te barsten. + + + + EINDE VAN HET EERSTE DEEL. + + + + + + + +TWEEDE DEEL. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + +Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig +slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was +vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij +hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het +krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was, +en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den +ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen +der dochter van Thomas. + +In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden +bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet +meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den +stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch, +bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de +oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe +residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was +daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg +opstond, "zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden +kon," om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig +met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe +knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem +vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag +niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht, +kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen, +geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne +vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem +sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De +Arabieren trokken voor alles hem aan. + +De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de +bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman +met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde, die naar de +straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de +onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den +koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten +op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene +uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking +met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers, +stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des +stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had +gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze +hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing +van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man, +hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde +male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het +was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te +doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn. + +Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis +wachtten hem gewichtige zaken. + +Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn +huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden, +en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven +nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar +veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als +uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal, +en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik +op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende +bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer +sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen +afgezonderd enkel in het slaapvertrek of in de koele fonteinzaal op, +welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest, +wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks +tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht +waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie +haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten, +die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal, +zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor +weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare +huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet +over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na +de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had +zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen +tot dien door vriendelijke herinneringen gewijden weemoed, waarin +vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te +boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde, +zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van +haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel +niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en +uiterlijk bestaan. + +Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis, +ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde, +had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen +maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden, +die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar +vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt, +om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek +gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van +dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en +toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem +blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne +verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid, +die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van +voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch +en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde, +was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij, +Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot, +zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans? + +Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die +haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte, +afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst +meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de +eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige, +dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij +herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te +brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een +oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in +de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de +verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige +herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en +het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk +het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman, +die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor +haar als besmet en geschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van +alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet +voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar +hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader +over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten, +wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij +hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde, +noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande +zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En +hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat +het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele +te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke +kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang +zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook +dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn +van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had +zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de +schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar +gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed +van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat +dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan. + +Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de +slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen, +was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist +in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven, +en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij +bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij +het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo +wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik +konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene +vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon +haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken, +wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte +zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan +menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde +verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd, +maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want +de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een +vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig +man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich +bediende en de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd, +dat zij haar gelatener hadden aangetroffen. + +Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had +afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg +banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen, +daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden +in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het +stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans +bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede, +ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot +haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen. + +"Wenscht zij dat?" vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan, +terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind +van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten +invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den +grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch +kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan, +kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor +de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht, +zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met +den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het +gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en +nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid. + +Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit +de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard +was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte +haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op +zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich +op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende, +ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep +voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende +stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe: +"Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is, +gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe +moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken." + +"In de werkkamer mijns vaders!" riep Orion den huismeester toe, terwijl +hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende +beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof. + +Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een +wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten +was, trad hij op Orion toe en zeide: "Andermaal breng ik u mijn +groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas, +den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van +mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der +aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een +zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst, +mijn kind, allereerst uwe hand!" + +Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne, +hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde +een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem +werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk +zijne ouders als "mijn kind" durfde aanspreken. Er viel niet aan te +denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden: +"Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet +ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een +vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende, +die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het +kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan." + +De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion +de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een +gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: "Het valt +den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te +vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden, +dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe +kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging +kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij +zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet--doch +daarover spreken wij later--wanneer niet--gij moet het maar dadelijk +hooren--wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar +bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn, +gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte +land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?" + +Daarop liet de kerkvorst zijne hand van 's jonkmans schouder +glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te +vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende +opgewondenheid: "Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn +vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger, +het spraakorgaan van hem voor wien wij allen niets zijn dan wormen +in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een +Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of +te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt, +als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen, +wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg +te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog +als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des +Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve +maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over +zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen +voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde, +overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe +ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?" + +"Ja!" antwoordde Orion op stelligen toon. + +"En ik heb hem liefgehad als mijn broeder," hernam de prelaat op +gemoedelijken toon. "Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar +bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt." + +"Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt," zeide Orion, "onthouden +wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij +vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft +ontvangen, zooals toch...." + +"Zooals toch uw vader!" viel de grijsaard hem in de rede. "Wel +hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste +aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem +eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is +dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?" + +"Omdat gij hem," antwoordde Orion somber, "in het oog van de geheele +wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de +voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft." + +"Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te +lezen!" zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een +spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid +getuigde. "Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van +Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den +vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan +niet in mijn recht zijn geweest?" + +"Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?" vroeg de jongeling +op zijn beurt. + +"Neen, mijn kind," antwoordde de bisschop, "de vijand is vanzelf +gekomen." + +"En gij," ging Orion voort, "hebt uit de woestijn, nadat de Grieken +u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden +komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop +te werpen en uit dit land te verjagen." + +"Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond," hernam de grijsaard, +terwijl hij deemoedig het hoofd boog. "En mij werden nog andere +dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde +in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees +voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het +huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander +drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd, +als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen +te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de +Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen." + +"Uwe voorspelling," hernam de jongeling, "heeft in elk geval een +diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en +der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder +ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten +troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te +haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna +geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders, +die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf +te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord, +dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het +Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen +vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij +het hooren?" + +"Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden." + +"Neen, neen!" riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den +lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel +daaruit te voorschijn en zeide: "Aldus luidt het gegeven antwoord!" + +Al lezende vervolgde hij: "De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid +machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel +als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is +dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen +geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te +keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning +in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de +poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld +niets te wenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel +en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en +vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik +zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal...." + +"En wat blijkt uit dit antwoord?" vroeg opeens de patriarch, de +schouders ophalende. + +"Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij--lees +maar verder--dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken." + +"Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij +grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden +niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het +recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche +paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften +wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen +op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere +zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze +Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten +en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad +gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze +Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in +zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar +ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen, +en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit +oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw +vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en +valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier +en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die +het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de +vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen +en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart +en zijne tong bezoedeld." + +"Bezoedeld?" herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen +gloeiden. "Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen +woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja +gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat +was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en +zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd, +die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar +en goed is in den vijand erkende." + +"En zij hadden gelijk," hernam de patriarch, "want zij waren nog niet +in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook +heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid +aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel +is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der +menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar +al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader +een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een +bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat--het heeft mij +heete tranen gekost--een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk +zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het--barmhartig God, schenk zijne +verleiders vergiffenis!--heeft het zijne verhouding geregeld. Vele +duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen +tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden +zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand +met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de +misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen +hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een +dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden, +die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld +waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een +einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand, +die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne +en met een gerust hart aanvaarden." + +Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam +hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen +verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het +aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van +den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij +bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den +achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man, +en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk +vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een +gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den +gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij +zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen +liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk +niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander +gevoelen. + +Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en +beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het +hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder, noch vrouw Susanna +aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij +als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe +had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de +noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis, +dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden +die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom +scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig +kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die +smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de +volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en +hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig +doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld +te betalen. + +Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in +bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat +hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van +dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met +alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef +dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar +den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend, +als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch. + +De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna +opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding +en zeide op strengen en ernstigen toon: "Ik ken u thans, zoon van +den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit +ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en +de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet +hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den +afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met +betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een +afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten +met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders, +dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en +uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en +ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk, +wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene +echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan +het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een +ongeloovigen ketter; gij rijdt--neen hoor mij verder!--rijdt naar de +overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm--gisteren is het +gebeurd--den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde, +zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste +van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van +zijn naam alleen, duizenden met zich afvallig maakt. Ik bezit den wil +en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij, +of het zal u met bloedige tranen berouwen." + +De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen; +doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd +geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan. + +Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: "Ik ben tot u +gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik +beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons +geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene, +die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf, +uit uw gemoed..." + +Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als +vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen +hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst +in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene +krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: "Nooit, +nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben, +dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben +aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig +belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den +goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de +liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik +vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij +als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst +en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft +liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen +van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen; +doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in +eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat...." + +"Genoeg!" dus brak de prelaat zijne woorden af. "Ik ga naar +Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang +geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle +kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis +met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over +uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is +dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij +later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die +vrouw tot betere gedachten gekomen--het staat u vrij de hand van elke +Jacobietische jonkvrouw te vragen--dan zal ik op een anderen toon met +u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats +van den vloek beloof ik u dan den zegen der kerk, de genade en de +vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des +grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde +moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus: +gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten +hebt dan ellende." + +"Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!" antwoordde Orion op +stelligen toon. + +"Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt, +dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd +te slingeren!" + +"Dat zal aan u staan," hernam Orion. "Maar gaat gij tot het uiterste +over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte +heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil, +dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde +van den stroom." + +"Waag het!" riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en +vasten stap het vertrek. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + +Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof +na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets +verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks +had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen, +waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig +had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van +en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen +man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van +den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde, +en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel +op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp +geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans +ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De +geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met +hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te +hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam, +waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was, +toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt +tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor, +ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de +beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop, +niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder, +ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets +van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen +tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met +innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij +bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven, +om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen. + +Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen, +en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren, +had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de +welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van +een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk +had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan, +en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne +verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd +zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch +stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich +ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam. + +Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne +onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium +vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame +gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor +het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden +tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de +marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke +kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van +keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard +in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze +beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: "Nog +altijd!" Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half +tot den geestelijke wendende: "Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht +geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een +christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter +draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden +geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten, +die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere +met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat +ons toekomt, anders--hierop doelt het zwaard--geldt het uw leven!" + +Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende: +"Als ik terugkom--en gij weet wat ik hiermede bedoel--dan zal het +mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door +deze beelden uit den tijd der afgoderij." + +"De waarheid en de gerechtigheid," antwoordde Orion met een gedempte +stem, "hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in +dit huis heerschappij gevoerd." + +"Het zou schooner en eervoller zijn," antwoordde de kerkvorst, "dat +gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis +de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke +deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen, +alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het +geloof en aan de andere de deemoed." + +Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van +de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen +en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en +slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met +zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de +heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over +de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder. + +Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al +de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt, +doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert +zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de +uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had +zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom +gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij +was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd, +die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader +ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het +godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere +dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar +wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam +zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde. + +Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld, +en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet +in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders +zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het +gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide +scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek +hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt +van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had +ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit +had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion, +dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de +vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor +hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den +Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen, dezen in +haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar +alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak +vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem, +en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest +hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te +verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde +zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak, +hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk +als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas +zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam +bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal +tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen +van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht +van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde +als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De +oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare +stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht. + +Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte +hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem +weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk +stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen, +en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij +hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter +den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein +marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende +menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander +afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich, +afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten +hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde +zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar +stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of +naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder +vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der +hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions +echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter +bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor +wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was, +volgaarne prijs geven. + +Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie, +dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en de priesters +de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige +hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun +vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw +wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De +oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen +Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde +stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige +hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar +hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen. + +De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en +daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen +achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen +en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang, +dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag +op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam +van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde, +door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den +regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal +niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert +eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel. + +Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek, +en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen, +in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij +meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat +hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel, +die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing +van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat +het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare +zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde +gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en +hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige +taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God +de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een +koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den +helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon +op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden +geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden +nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met +knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven, +die naar zijn afschuwelijk rijk voerde. In hun doodsangst en bij het +gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne +dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen +drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige +stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de +frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met +verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk +gehuil van den duivel in het oor, dat het gewelf der hel deed trillen, +en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop +hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren +gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet +door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden +opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden +gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt, +of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In +vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben, +was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde +de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen.... + +Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend +van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam +hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp +bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met +fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep +hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang +naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel, +en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep: +"Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die +vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere +is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij +en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar +buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees +vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en +op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der +zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd +rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot +ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is +in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de +Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel +dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam +te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware +is, te doen wat ik als goed en recht heb erkend, dat zij voortaan +het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn +hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik +terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij +bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als +mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid, +de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!" + +Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij +eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek +was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden +in het oor: "Heer, straf mij niet voor mijne misdaden." Daar viel +de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden +vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op +de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast +was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te +ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde +hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord "verlost" +kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der +wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen +van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des +te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen +wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen, +wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde +tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht +bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd +vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den +weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij +zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem +had dan hij. + +Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in +Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne +verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene +beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld, +kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser, +wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij +zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld, +dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook +hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen +kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te +verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit +den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijke vernederingen, +smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch +vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus +kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde +werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige +en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles +begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn, +Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf +als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet, +voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet +enkel om Paula's wil.... + +Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid +gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke +belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het +heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van +het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde +daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit +mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit +aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee +ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten +laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten, +en dronk ook dit, opdat er van den verlossenden drank niets verloren +zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling, +toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken +werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had +de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht +gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met +zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar +lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan +hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan +de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis +zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam +en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte +met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand +de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij +geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe, +dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en +zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer +inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + +Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te +rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe +Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op +eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna +vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon +bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de +geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite +gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde, +terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het +slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had +zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande +haar. + +Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem +een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant, +en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar +Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora, +die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den +juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige +geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den +diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug +te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van +al het noodige zou voorzien. + +Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het +middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin +Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet +verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht; +want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was +voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het, +dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om +haar vóor hem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar +luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij +vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den +dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk +eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken +op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer. + +Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met +zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was, +haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt +dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen +liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria +te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig +dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin +er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond, +om zelf naar de kleine kranke te gaan zien. + +Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem +bezwaarde, en terwijl hij Maria's kamer naderde, moest hij zichzelven +met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig +aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij +aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand +had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen +zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen +tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer +loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van +den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde +venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op +het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half +verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was. + +Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der +wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd +als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans +nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had +zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij +herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder, +dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak, +dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette. + +"Is grootmoeder bij u geweest?" luidde zijn eerste vraag, doch het +antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met het hoofd. Alle +nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook +de verwelkende ruiker. De andere, frissche, kwam niet van hem. Hij +deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te +zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in +verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien +ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde +zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder +intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen +de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: "ei, +wat is dat?" opnam, hem uit de verlegenheid redde. + +Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl +zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op +den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij +alles begreep, en vroeg zacht: "Was Katharina bij u? Zoo bindt de +hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is +zij misschien nog hier?" + +Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het +aangrenzend vertrek. + +"Maar om godswil kind," vroeg Orion met eene gedempte stem verder, +"wat wil zij hier nog doen?" + +"Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen," fluisterde het +kind. "Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij +mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet +langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik +'ja' gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij +een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht." + +"En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?" + +"Ja dan--wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens +wist, hoe dat..." + +Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de +beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over +de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek +keek: "Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij +heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te +blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand +zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog +niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In +elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk +gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij +bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij +weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats +van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht +morgen--denk eens aan!--ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoop +reeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven--is het niet +grappig?--pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd: +'het zal wel gaan!', en zoo moet het dus doorgezet worden." + +Een vloed van tranen goot zich over Maria's wangen uit; en hoewel +er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken +en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar +uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van +dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde +wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering +kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene +lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep +hij: "Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam..." + +Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer +open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: "Maar waarom +wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om +zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een +verrassing!" + +Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve +zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat +straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht, +toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof. + +De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was +niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene +buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen +en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets, +wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina's gezichtje nam +een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje, +en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof +aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van +honden hield. + +"Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid," antwoordde +Orion. + +"Wanneer zij het verdienen," antwoordde het kwikstaartje, zonder zich +lang te bedenken. + +Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de +jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje +lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en +daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid +had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt +had hoe laag de zon reeds aan den hemel stond: "Lieve hemel, wat is +het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist +worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur +van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?" + +Orion keek naar den stand der zon en zeide: "Het is heden +Sanutius-dag!" + +"Dat weet ik!" zeide Katharina. "Juist daarom had Anubis heden +middag vrij." + +"En om dezelfde reden," voegde Orion er bij, "is er in het kantoor +geen schepsel meer aan den arbeid." + +Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder +gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen +met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en +haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde, +loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid +wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang +met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken +moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij +er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige +wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt +buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar +mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg, +onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop +door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit +was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor +de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven, +en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand +weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden +gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: "Wat +drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?" + +Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het +doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig +te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet +waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning +gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar +vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het +kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van +belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een +openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig +haar zoon het meende met zijne verliefdheid op de Damasceensche; doch +was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan--daaraan twijfelde +zij niet--dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af +te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden +reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en +zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot +hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en +scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen +Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd, +kon zij maar éen antwoord geven: "Onweerstaanbaar verlangen naar de +kleine Maria." + +"Natuurlijk," sprak de ander, "doch ik zou u willen verzoeken om +aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe +moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken, +en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u +aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra +in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek +ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij +hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er +uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels- +en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke +indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat +zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en +dit huis, en gij--ik zeg het niet om u te krenken--hebt hem in den +afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige +dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en +mijn huis betreffen". + +Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op +welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en +het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had, +bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en +bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg, +om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: "Maak u niet bezorgd! Ik +zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik +had kunnen voorzien..." + +"Mij te ontmoeten?" + +"Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren +aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar +halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt +niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met +elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb +ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen +hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moeder Eva geërfd; maar +zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten +naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk, +mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij +het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt +gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij +nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker +zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet." + +"Uwe verwijten zijn rechtvaardig," antwoordde Orion somber. "Maar +meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den +dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en +ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en +ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom, +wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer +kon bestraft worden dan de mijne." + +"Zoo?" vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort, +terwijl zij met haar waaier speelde: "Maar gij ziet er waarlijk +alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste +'andere',--Paula, als ik goed raad--voor u te winnen...." + +"Zwijg daarover!" zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te +gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich +voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: "Het is dus zoo! Nu +weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe 'zwijg daarover' +groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet +meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij +alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is +nauwelijks een hoofd kleiner dan gij..." + +"En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?" haastte hij zich +te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij +inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst +was. "Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor +toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt +past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke +lieden op hooge paarden." + +"Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!" + +"Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien." + +Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts; +haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg +zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier +samenkneep: "Moet dat spot zijn?" + +"Stellig niet," antwoordde hij gelaten, "want ofschoon gij grond +genoeg hebt om op mij verstoord te zijn..." + +"Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet," +ging zij opgewonden voort, "ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik +geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat +en ik het recht heb iets van u te verlangen." + +"Doe het," hernam Orion, "ik ben tot uw dienst." + +Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: "Vooreerst: +hebt gij reeds verder verteld dat ik..." + +"Dat gij geluisterd heb? Neen--aan geen levende ziel." + +"En belooft ge mij het niet te zullen verraden?" + +"Gaarne!--Wat moet op dit 'vooreerst' nu in de tweede plaats volgen?" + +Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het +kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij +met neergeslagen oogen: "Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer +houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch, +al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.--De waarheid +wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor +ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo +zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar--verstaat +gij?--als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!" + +"Wat klinkt dat plechtig!" hernam Orion.--"Vergun mij echter op te +merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer +gij mij de zoodanigen.." + +"Neen, neen," antwoordde Katharina, "wat ik bedoel gaat u en mij +alleen aan." + +"Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn," zeide de +andere weder. "Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals +u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van +zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar +ik mij ter uwer beschikking stel..." + +"Ik dacht," zeide zij, hem lachende in de rede vallende, "dat gij er +allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een +deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid, +en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het +zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch, +en gij belooft mij daarentegen..." + +"De volle waarheid te zeggen." + +"Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?" + +"Zoo waar ik dit hoop!" + +"Dat is goed!" + +"Wat verlangt gij dan nu te hooren?" + +Zij schudde het hoofd en zeide angstig: "Nog niet, neen, neen, +zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt, en doe dan +de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een +woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet +een oogenblik gaan zitten." + +En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste +oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden, +terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats +genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op +onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde +Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem +bijzonder belangrijk. + +Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds +omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest +en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over +hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich +omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen +over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent +de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den +Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van +monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden, +naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en +omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren +de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in +huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan +de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme +lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die +zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers, +de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden, +had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen, +en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige +volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna +de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij +had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed +hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering +in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om +zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden, +en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste +Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster +naast het huis van Rufinus. Deze inrichting moest reeds binnen drie +dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit +moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in +koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassen +van den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres +zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk +eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad +had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven +Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had +afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters, +zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische +kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen +Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was +om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar +kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten +van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen, +wanneer men haar vrij liet. + +Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en +werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina, +wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische +geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving +van kettersche nonnen aan? + +Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte +ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot +van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel +tijd verbeuzeld te hebben: "Dat is in hoofdzaak alles." + +"Alles?" herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende. + +"Stellig en zeker alles," antwoordde zij angstvallig. "Wat ik +u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij +niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat +mij heengaan!" + +Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: "Vraag +maar, ik antwoord gaarne." + +"Gaarne?" herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. "Eigenlijk +moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet; +maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals +het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van +een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen, +God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik +het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best +besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk, +en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O, +ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad, +en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo +koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?" + +"Ik hoop het," antwoordde Orion ernstig, "hoe bitter de drank ook is +die gij mij reikt..." + +"Nu?" + +"Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat +ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik +althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan." + +"O neen!" zeide zij op minachtenden toon. "Zoover zullen onze wenschen +zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij +ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij, +volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd; +het was wel kort, maar--weet gij het ook?--het is zeer gewichtig voor +mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik +zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen, +en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen." + +"Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten," +antwoordde Orion. "Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen, +maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen +onzer moeders..." + +"Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En +hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in +de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje +genoemd? Hebt gij,"--en hier verhief zij hare stem en hare oogen +fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid--"hebt gij,--en ziehier +juist wat ik u vragen wilde en weten moet--hebt gij ook toen gelogen, +of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de +boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans--ik mag +haar naam niet noemen--als thans uwe 'andere'? De waarheid, Orion, +de volle waarheid, gij hebt het gezworen!" + +Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige, +vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog +altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een +bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen +hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van +haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren, +dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog +zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene +zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord, +waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin +nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk +een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende +jeugd en lieftalligheid! + +"Evenzoo lief als die 'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" bleef het +voortklinken in 's jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan +om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige, +jonge schepseltje misdreven had; maar dat "evenzoo lief als die +'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" gaven hem kracht standvastig +te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben +en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf +om hulp, zeggende: "Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend +als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor +u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen +vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag +alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen..." + +Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar +kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend +wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + +Orion was alleen en keek haar droevig na. Was dat de vloek zijns +vaders? Het scheen als moest ieder, die hem beminde, daarvoor smart +en ellende oogsten. Hij huiverde, doch zijn jeugdige moed en zijn +veerkracht waren sterk genoeg om deze pijnlijke gedachte te boven +te komen. Welk eene gelegenheid bood zich aan om zijne kracht te +toonen! Reeds onder het verhaal van Katharina had de kloeke jonkman, +die naar daden dorstte, zich tot taak gesteld om de kloosterzusters te +redden. Hoe grooter gevaren verbonden waren aan de oplossing van dit +vraagstuk, ja hoe onuitvoerbaarder dit scheen op het eerste gezicht, +des te meer was het hem thans welkom. + +Blijmoedig en strijdlustig wierp hij de deur achter zich dicht en ging +naar den hof. Het begon reeds duister te worden. De arts moest thans +bij Maria zijn en hij had het plan opgevat het kind met zijne hulp uit +de stadhouderlijke woning te verwijderen. Eerst wanneer hij wist dat +Maria bij Paula in het huis van Rufinus veilig geborgen was, kon hij +met een vrij gemoed datgene ondernemen en doorzetten, wat hem voor den +geest zweefde. "De wagen met den Perzischen draver voor!" riep hij op +de trap een slaaf toe, en een oogenblik later trad hij tegelijk met +de slavin, die brandende lampen bracht, de kamer van de kleine binnen. + +Noch het kind, noch Philippus merkte hem dadelijk op, en hij hoorde +hoe zij den arts, die haar pols tusschen zijne vingers hield, vroeg: +"Wat scheelt u toch heden? Mijn God"--het lamplicht viel juist helder +op zijn gelaat--"wat ziet gij er bleek en treurig uit! Wacht eens, +ik heb zoo straks een aardig kereltje van was gekneed...." + +Met dit knutselwerk wilde zij den man, die altijd zoo vriendelijk +tegen haar was, wat opvroolijken, doch terwijl zij zich voorover boog, +om het te grijpen, bemerkte zij haar oom en riep: "Philippus komt hier +om mij te genezen, doch hijzelf ziet er uit als had hij een drankje +noodig. Pas op, gij krijgt die bittere, bruine medicijn van gisteren, +dan zult gij eens proeven, wat leelijk smaakt!" + +Hoe vriendelijk deze uitroep ook gemeend was, geen van beide mannen, +die elkander zwijgend en met eene vormelijke buiging begroetten, +lette er op. Maar ook zonder de opmerking van het kind zou het +Orion zijn opgevallen, welke eene verandering er bij den arts sedert +gisteren had plaats gehad. Schijnbaar zonder acht te geven op hem die +was binnengekomen, deed hij Maria nog enkele korte vragen, verzocht +Eudoxia de vroegere voorschriften, ook verder in acht te nemen, en +bracht daarna haastig aan allen tegelijk een afscheidsgroet. Doch +Orion beantwoordde dien niet, maar vroeg met een liefdevollen blik +op de kleine: "Toch nog een enkel woord!" + +Dit gaf ook Philippus aanleiding weder naar het kind terug te keeren, +en toen daarop de oogen der mede minnaars elkander ontmoeten, wisten +zij, dat zij althans in éen opzicht het eens waren en hetzelfde +gevoelden. Het was den arts niet onbekend gebleven, hoe vriendelijk +de jonge man zich het lot van Maria had aangetrokken; en daarom volgde +hij hem zwijgend naar het vertrek, dat hij thans bewoonde en vroeger, +zooals Philippus wist, de woning van Paula was geweest. "Gij zijt in +dienst van uw, plicht," herhaalde hij zich telkens, om kalm te blijven +en ten minste in het algemeen goed te verstaan, wat de klankvolle stem +van dien schoonen jonkman tot hem zeide, wat hij hem als een smeekeling +voordroeg met eene warmte, waarvoor hij hem niet in staat had geacht. + +Philippus wist sedert lang, hoe de grootmoeder zich op +beklagenswaardige wijze van hare kleindochter had afgewend, en +vond Orions wensch, om het kind uit het stadhouderlijk paleis te +verwijderen, maar al te zeer gerechtvaardigd. Toen hij echter vernam, +dat zij aan Paulas hoede zou worden toevertrouwd, voer eene huivering +door al zijne leden en keek hij zoo somber voor zich, dat de ander +spoedig raadde wat er bij hem omging. Inderdaad, had de arts bij +zichzelven gezegd, dit kind moet den minnaar tot een voorwendsel +dienen, om meer bij zijn geliefde te kunnen komen, en reeds was +hij, niet bij machte om deze vrees te verkroppen, opgesprongen om +haar uit te spreken, toen Orion hem het woord van de lippen nam en +met neergeslagen oogen, bescheiden en oprecht zeide: "Om het kind, +alleen om Maria's wil--bij mijn zaligen vader..." + +De arts schudde somber het hoofd, trad zijn medeminnaar nader en +prevelde op doffen toon: "Terwille van dit kind ben ik in staat +veel te doen en veel te laten. Beter dan bij Rufinus en Paula kan +het nergens onder dak worden gebracht: doch wanneer ik zou moeten +denken," en hier verhief hij zijne stem en zijne oogen verkregen een +onheilspellenden, dreigenden gloed "wanneer ik zou moeten denken: +de heilige, bedreigde onschuld is slechts eene brug...." + +"Neen, neen!" haastte Orion zich met nadruk te zeggen. "Nog eens +geef ik u plechtig de verzekering, dat ik niets op het oog heb dan +de redding van het kind! En nu er toch zooveel gezegd is, komt het +op een woord meer of minder niet aan! Het huis van Rufinus staat +dag en nacht voor u open. Als alles gaat gelijk ik mij voorstel, dan +zal ik in den eersten tijd ver van hier van Memphis, van de dochter +van Thomas zijn. Er broeit iets schandelijks, een boevenplan meer +mag ik niet zeggen, en met gevaar van mijn leven wil ik trachten +dit te verijdelen. Dit ontneemt u het recht mij verder van dingen +te verdenken, die evenzeer tegen mijne natuur strijden als tegen +de uwe. Vergis ik mij niet, dan dingen wij beiden, gij en ik, naar +denzelfden prijs en zijn wij elkanders tegenstanders geworden, maar +waarom zou het kind daaronder lijden? Vergeet dit ter wille van Maria, +en dit vergeten zal uwe waarde slechts doen stijgen in hare oogen; +gij weet wie ik bedoel!" + +"Mijne waarde?" vroeg de ander op spottenden toon. "Hier beslist geen +waarde, maar hoe de blinde deerne van het geluk hare gaven daarheen +strooit, maar alleen hoe een neus, eene kin, een oog gevormd zijn, +alleen wat zich toevallig in het weeke was van een meisjeshart +afdrukt, onverschillig of het misdadig of edel is. Maar," riep hij, +als buiten zichzelven den ander toe, "maar ik mag vervloekt zijn +als ik weet hoe wij op deze dingen komen! Heeft mijne dwaasheid dan +met ontblooten boezem op straat rondgeloopen, om zich aan iedereen te +vertoonen? Hoe weet gij, wat ik gevoel? Heeft zij u wellicht over dien +belachelijken minnaar gesproken? Maar wat raakt het mij: gij weet nu +reeds, of zult het morgen wel vernemen, wie het hanengevecht gewonnen +heeft. Kijk mij maar aan! Zij die harten breken zien er anders uit +dan dit Thersites-gezicht tegenover u. Veel geluk met uw overwinning, +en het andere--daar het wel zoo zijn moet, tot morgen!" + +Hierop liep hij haastig naar de deur, doch Orion hield hem tegen, +smeekte hem zijn toorn althans voor dit oogenblik te vergeten, +bezwoer dat Paula hem met geen woord zijne neiging had verraden, +dat hij veeleer zelf door jaloezie was gekweld, toen hij Philippus +gisteren zoo laat bij haar had gezien, en bad hem bij al wat goed +was het onschuldige, lieve kind zijn bijstand niet te ontzeggen, +hij mocht dan met woorden hem mishandelen zooveel hij wilde, als dat +zijn gemoed verlichten kon. + +Het menschlievend hart van den arts bleef voor deze bede niet gesloten, +en toen hij eindelijk zich gereed maakte tot heengaan, in de blijde +maar tevens smartelijke overtuiging, dat zijn gelukkiger medeminnaar de +geliefde waardiger was geworden, had hij met Orion afgesproken, dat hij +vrouw Neforis, bij wie hij eene lichte graad van geestverbijstering +meende waar te nemen, zou voorschrijven het kind toe te vertrouwen +aan een met hem bevrienden arts in de nabijheid der stad, omdat de +lucht in de stadhouderlijke woning voor Maria gevaarlijk was. + +Zoodra Philippus het huis verlaten had, reed Orion naar Rufinus, +en toen hij met een paar woorden verklaarde dat iets ernstigs en +gewichtigs hem herwaarts deed komen, verzocht de grijsaard dat hij +hem zou volgen naar zijn werkkamer. Doch de jonkman hield hem hiervan +terug, ten einde met hem en de vrouwen eerst alles in orde te brengen, +wat de opneming van de kleine Maria betrof. + +"Zoo wordt langzamerhand het geheele stadhouderlijk huis in onzen +tuin geplant!" zeide Rufinus. "Ik heb er vrede mee; en gij, oudje, +wat zegt gij ervan?" + +"Dat ik het stellig goedvind," antwoordde zij. "Eigenlijk hebben gij +en ik hierin niets te zeggen; zij zal Paulas gast zijn." + +"Ware zij maar reeds hier," zeide de jonkvrouw; "want wie kan weten +of uwe moeder, Orion.... Er waait hier eene bedenkelijke Melchietische +wind." + +"Laat Philippus en mij daarvoor zorgen!" hernam hij. "Gij had eens +moeten zien hoe gelukkig het kind was!" + +Daarop nam hij Paula ter zijde en vroeg haar haastig: "Hoop ik niet +te veel? Behoort uw hart aan mij? Mag ik, bij wat er ook gebeure op +u rekenen, op u en uwe liefde?" + +"Ja, ja!" welde het op uit den diepsten grond van haar hart, waarop +hij, ruimer ademhalend, gerust en vroolijk den grijsaard volgde. + +In de goed verlichte werkkamer onderrichtte hij Rufinus, zonder +Katharinas naam te noemen, van den aanslag van den patriarch tegen +het Caecilia-klooster. Waarom bekommerde hij zich over het lot van +deze Melchietische nonnen? Maar na dien kerkgang, waarbij een licht +voor zijne ziel was opgegaan, beschouwde hij het als zijn plicht +voor al wat recht was in de bres te springen en tegen alles te velde +te trekken, wat hij voor nietswaardig hield. Hij wist bovendien, hoe +warm en beslist zijn vader juist voor dit klooster tegen den patriarch +partij had gekozen. Eindelijk had hij ook gehoord, hoe zijne geliefde +aan dat klooster en de zusters die het bewoonden gehecht was, en vol +blijden moed maakte hij zich gereed, om door kloeke daden een einde +te maken aan dat mijmeren over zichzelven en zijne kracht te toonen. + +De grijsaard hoorde hem aan met klimmende verbazing en schrik, en nadat +Orion zijne mededeelingen geëindigd had, stond hij radeloos op, de +handen wringende. Doch de jonkman sprak hem moed in en verklaarde, dat +hij niet gekomen was, om hem eene noodlottige tijding te brengen, maar +om met hem te overleggen hoe men de in gevaar verkeerende onschuldigen +redden zou. De grijze menschenvriend en zwerver spitste zijne ooren, en +evenals een oud strijdros voor den ploeg, wanneer het de trompet hoort +blazen, begint te steigeren en den hals trotsch en fier omhoog heft, +als onder het schitterend tuig van vroeger jaren, zoo richtte Rufinus +zich op in al zijne lengte. Zijne oude oogen begonnen te fonkelen, en +vol geestdrift en en verlangen om te handelen als een vurig jonkman +sprak hij: "Zoo is het goed, en ik ben mede van de partij, en dat +niet om te raden, neen, neen, met hoofd en hand en voet, ja met mijn +geheele lichaam! En gij, jonge man, gij! Ik heb het u van den beginne +wel aangezien, wat in u steekt, ondanks, ondanks... Maar, zoo waar de +mensch de maatstaf aller dingen is, hij die langs afgelegen paden en +omwegen in het rijk der deugd aanlandt, wordt daar dikwijls een beter +burger, dan wie midden in dat rijk ter wereld kwam.--Het is al laat, +doch het gebed voor den nacht is nog niet begonnen en ik zal de abdis +nog op vinden. Hebt gij een voorstel te doen?" + +"Ja! Overmorgenavond om dezen tijd." + +"Waarom niet dadelijk morgen?" vroeg de driftige grijsaard. + +"Omdat wij met al de voorbereidselen, die noodzakelijk gemaakt moeten +worden, in twaalf daguren niet klaar komen." + +"Goed, goed!" + +"Overmorgenavond zal dus eene groote boot--niet een van de onzen--aan +den oever van den kloostertuin gereed liggen. Ik begeleid de vrouwen +tot Dumiat aan zee. Nog dezen nacht zend ik een renbode daarheen en +laat door mijn neef Columella, den grootsten reeder der stad, voor +de vluchtenden een zeeschip uitrusten. Dat zal de nonnen brengen +waarheen de abdis zal bevelen." + +"Kostelijk, voortreffelijk!" riep de oude man in geestdrift. Hij greep +naar zijn hoed en zijn stok, en daarbij nam zijn van vreugde stralend +gelaat eene ernstige uitdrukking aan. Vol waardigheid trad hij naar +den verrasten jonkman toe, zag hem met vaderlijke vriendelijkheid +aan en zeide: "Ik weet wat uw huis door onze, door geloofsgenooten +dergenen wedervaren is, voor wie gij thans zoo kloekmoedig in de bres +wilt springen, en dat, jonge man, dat is edel, dat is groot! Bij u, +dien zij mij als een jongen wereldling met een ruim geweten hebben +afgeschilderd, moet ik voor de eerste maal vinden, wat ik onder de +vromen en deugdzamen van mijne jarenlange omzwervingen te vergeefs +heb gezocht: den wil namelijk, om met blijmoedige zelfopoffering, +den vijand, den andersdenkende uit groote gevaren te redden. Maar +gij zijt jong, Orion, en ik ben oud. Gij vindt voldoening in de +daad alleen, ik zie op de gevolgen. Weet gij wat u te wachten staat, +wanneer ontdekt wordt welk een bijstand gij verleent aan het wild, +dat de patriarch reeds meent in zijn net gevangen te hebben? Hebt gij +bedacht, dat Benjamin, de onverbiddelijkste en daarbij de machtigste +onder de Jacobietische geloofsbedrijvers, u dan als een doodvijand +vervolgen zal met al de verschrikkelijke middelen, waarover hij te +beschikken heeft?" + +"Dat heb ik overwogen," antwoordde Orion. + +Nu legde Rufinus de linkerhand op zijn schouder en de rechter op zijn +hoofd en zeide: "Zoo ontvang daarvoor bij voorbaat den zegen van een +oud man, ja van een vader." + +"Van een vader," herhaalde Orion zacht, terwijl een gevoel van vreugde +zijn lichaam en zijne ziel doortrilde, en ontroerd zonk hij aan de +borst van den grijsaard. + +Een oogenblik hielden zij elkander omvat, toen maakte Rufinus zich +uit zijne omarming los, om zich naar de abdis te spoeden. Orion hield +de vrouwen gezelschap, wier nieuwsgierigheid op het hoogst werd +gespannen, toen zij den grijsaard zagen verdwijnen door de poort, +die naar den kloostertuin leidde. Vrouw Johanna kon van innerlijke +onrust niet stilzitten, en Pul gaf verstrooide antwoorden, als Orion +en Paula, die elkander veel te zeggen en in te fluisteren hadden, +trachtten haar nu en dan in het gesprek te mengen. Eens slaakte zij +een diepen zucht en als hare vriendin haar vroeg: "Wat hebt gij, +mijn kind?" antwoordde zij met een beklemd gemoed: "Er moet iets +ernstigs op handen zijn, dat voel ik. Was Philippus maar hier!" + +"Wij zijn, goddank, allen wel," antwoordde Orion. + +"Ja, ja, den Heiland zij geloofd," antwoordde zij haastig, maar +zij dacht daarbij: "Gij denkt dat hij alleen goed is om zieken te +genezen, maar eerst als hij er is zal alles goed gaan en zich ten +beste schikken." + +Ieder begreep dat er iets buitengewoons, iets noodlottigs op handen +was, en toen de grijsaard eindelijk terugkeerde, bevestigde zijn +uiterlijk dit vermoeden. Stil en ernstig ontdeed hij zich van hoed en +staf, trok zijne vrouw hartelijk naar zich toe en zeide: "Het komt +er nu op aan ons moedig en verstandig te toonen, oudje; ik heb een +zwaren plicht op mij genomen." + +Vrouw Johanna was doodsbleek geworden, en terwijl zij zich vaster aan +haar man klemde en hem bad te spreken en haar niet langer te folteren, +beefde zij over haar gansche lichaam en biggelde dikke tranen langs +hare wangen. Zij vermoedde dat er iets was dat haar man weder ver van +haar en haar kind zou verwijderen, om andere menschen te dienen en +te helpen, en zij wist tevens dat zij hem niet tegenhouden kon. Maar +al had zij dit ook kunnen doen, zoo zou zij toch de kracht gevonden +hebben om hem niet te beletten zijn voornemen uit te voeren, daar +zij hem altijd begreep en met hem datgene als noodzakelijk voor zijn +inwendig geluk beschouwde, wat hem uit den engen kring van zijn huis +de wijde wereld indreef. + +Hij zag wat bij haar omging, en het deed hem leed, maar hij liet er +zich niet door van zijn stuk brengen. Hij die er naar streefde elk +krank dier te genezen, had er zich aan gewend haar, die hij het meeste +liefhad, om zijnentwil te zien lijden. Hij hield zich overtuigd, dat +het huwelijk den man niet beletten mocht zijne innerlijke roeping te +volgen, en in dezen verhevenen waan wist hij vaak voor zichzelven +en zijne vrouw te rechtvaardigen, waartoe hem voornamelijk de lust +om te zwerven en de begeerte om te handelen aandreven. Ook zonder +deze neiging zou hij voor zijne bedreigde buren het zijne hebben +gedaan, maar thans vervulde zij hem met nog meer lust om het schoone, +gevaarlijke reddingswerk te volvoeren. + +Het gruwzaam lot dat de arme zusters te wachten stond, en de gedachte +haar uit hunne nabijheid verbannen te zien, deed de vrouwen bitter +leed, en de mannen zagen vele tranen vloeien. Maar zij genoten ook +het verkwikkend schouwspel, drie vrouwelijke wezens op gelijke wijze +vast besloten te zien, om alles te wagen en hen, die zij liefhadden +alles te doen wagen, om eene daad te verhinderen, die haar met +weemoed en afgrijzen vervulde. Vrouw Johanna bracht er geen woord +tegen in toen haar echtgenoot verklaarde de vluchtende zusters te +willen begeleiden, en toen Rufinus met heldere oogen Orions overleg en +wakkere vastberadenheid prees, vloog Paula naar hem toe en reikte hem +vroolijk en trotsch beide handen. Het was den jonkman bij dit alles, +als schoot hij vleugelen aan, en deze onheilspellende avond werd voor +hem de gelukkigste zijns levens. + +De abdis had in het plan toegestemd en het nog op enkele punten +uitgebreid. Twee leekezusters en eene non zouden terugblijven. De beide +eersten moesten elkaar afwisselen bij de verpleging der kranken in +huis, als gewoonlijk de klokken luiden en zingen, opdat het opbreken +der anderen niet zou worden opgemerkt; vrouw Johanna, Paula en Pull +zouden haar daarin bijstaan. + +Toen de jonkman, het was reeds laat, wilde vertrekken, wierp Rufinus +de vraag op, of het onder gegeven omstandigheden wel aanging Maria in +zijn huis op te nemen; hijzelf twijfelde er aan. Ook vrouw Johanna was +deze zienswijze toegedaan, Paula verzekerde daarentegen, dat zij het +voor beter hield het kind bloot te stellen aan verwijderde gevaren, +waarvoor men nauwelijks beducht behoefde te zijn, dan het in de +stadhouderlijke woning naar lichaam en ziel te laten ondergaan. Pull +schaarde zich aan hare zijde, doch de meisjes moesten zich naar het +oordeel der anderen schikken. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + +De arts Philippus ijlde na zijn gesprek met Orion de stad door, +en lette daarbij zoo weinig op de lieden die hem tegenkwamen, en op +de processie, die met luid gezang hem voorbijtrok, om den hemel te +smeeken den Nijl eindelijk te doen stijgen, dat hij meer dan een +voorbijganger tegen het lijf liep en menigeen hem scheldwoorden +achterna gaf. Hij ging enkele huizen binnen, maar noch de kranken, +noch hunne huisgenooten herkenden in den barschen en gejaagden +man den arts en vriend, die anders de lijdenden zoo deelnemend en +met zooveel opbeurende warmte toesprak, de kinderen omhoog tilde, +hen een kus gaf of vroolijk met hen gekscheerde. Heden kon hij zelfs +volwassenen schrik en angst aanjagen. De aangename plicht was hem voor +de eerste maal een zware last, hij zag in elken lijder een kwelgeest, +die met anderen tegen zijne rust samenzweerde. Wat liefs ondervond +hij van de menschen, dat hij zich om hunnentwil het genot des levens +ontzegde en zich bij nacht den slaap liet ontrooven? Rufinus had +gelijk, in dezen tijd leefde de een alleen om den ander te kwellen, +hoe zelfzuchtiger men was, als met een bord voor het hoofd, zonder +links of rechts te zien, des te verder kon men het brengen! Dwaas die +hij was, zich door eens andermans leed in zijne rust te laten storen, +zichzelven in zijn wetenschappelijk onderzoek te laten belemmeren! + +Terwijl al zulke gedachten hem bestormden, betrad hij een net klein +huisje aan de haven, waar een braaf schipper, omgeven door zijne vrouw +en kinderen, op sterven lag. Dáar gevoelde hij zich eensklaps weer +de oude, dáar putte hij al zijn wetenschap uit om nog te genezen, +dáar openbaarde zich al de warme hartelijkheid van zijn gemoed, +en met een bloedend hart en een ledigen buidel verliet hij die +woning. Doch zoodra hij weer buiten was, keerde de vorige stemming +met verdubbelde bitterheid terug. Toch lag het voor de hand: ondanks +het stelligste voornemen om zich niet meer voor anderen op te offeren, +moest hij het toch doen! Deze drang was sterker dan hij. Evenmin als +een dronkaard het drinken, kon hij nalaten met de lijdenden te lijden, +het beste wat hij had te zaaien, om niets daarvoor te oogsten. Hij +was geschapen om alleen voor anderen alles te zijn; dat was zijn lot! + +Met gebogen hoofd trad hij de werkkamer van zijn ouden vriend weder +binnen, die evenals gisteren achter zijne rollen en drie lampen voor +zijne schrijftafel zat, waaronder een slaaf lag te snorken, om op +zijne bevelen te wachten. Met den welluidenden Griekschen groet: +"verheug u!" die heden klonk als een: "gij moogt wat mij aangaat +stikken!" wierp hij zijn bovengewaad af, en op den tegengroet +van den grijsaard en diens bezorgden uitroep: "Wat ziet gij er uit +Philippus!" antwoordde hij knorrig: "als iemand die een trap verdient +in plaats van een welkomstgroet; als een onnoozele, die zich weer +bij den neus liet nemen; als een hond, die de hand nog lekt van den +vlegel, die hem schandelijk geranseld heeft!" Daarop wierp hij zich +op zijn rustbed en vertelde Horus Appollon welk eene ontmoeting hij +had gehad met Orion. "En het dolste ervan is nog," dus besloot hij, +"dat die kerel mij bijna bevallen is, dat hij werkelijk op den weg +schijnt te zijn om een fatsoenlijk mensch te worden, dat ik niet +meer noodig heb hem in mijne verbeelding in den kalkoven te werpen, +bij de gedachte alleen, dat hij de hand naar Paula zou kunnen +uitstrekken. Maar"--en nu stond hij haastig op--"maar al help ik +hem ook, om het arme kind te verwijderen uit de nabijheid van dat +in de hersens gekrenkte oude wijf, Maria's arts kan en wil ik niet +blijven! Er loopen kwakzalvers genoeg rond in dit lijkennest, en uit +dezen mag zij er een kiezen. Ik.... ik...." + +"Gij zult de kleine verder behandelen," zeide Horus Apollon doodbedaard +hem in de rede vallende. + +"Om te beleven dat mijn hart dagelijks met netels geslagen +wordt?" zeide de arts driftig, terwijl hij met heftige gebaren den +grijsaard naderde. "Gelooft gij, dat ik lust heb om het liefje van +den stadhoudersknaap dagelijks te ontmoeten, mij vaak tweemaal per +dag de weerhaken laten omdraaien in mijne bloedige wond?" + +"Ik verwacht eene geheel andere werking van deze herhaalde bezoeken," +zeide de ander. "Gij zult u gewennen Paula aan te zien voor wat zij +sedert gisteren slechts voor u zijn kan: een aardig meisje, zooals +er in Egypte duizenden zijn, de bruid van een ander." + +"Ja, als dit hart een jachthond was, die gaat liggen als men 'koest' +roept!" hernam Philippus met een honenden lach. "Het blijft erbij, ik +moet weg, uit Memphis weg, of mijnentwege ook van deze erbarmelijke +aarde! Ik zou in hare nabijheid de rust--mijne kostelijke verlorene +zielrust!--kunnen wedervinden?" + +"En waarom zou u dat niet gelukken? Voor ieder is elk ding slechts dat +waarvoor hij het aanziet. Hoor eens naar mij. Ik had een werk voltooid +over den ouden en nieuwen kalender, en mijn leermeester verlangde, +dat ik daarover eene voordracht zou houden in het Museum--indien de +tegenwoordige school van woordenvitters te Alexandrië nog dien naam +verdient--doch ik durfde dit niet op mij nemen omdat ik vreesde dat +de tegenwoordigheid van zoovele geleerde toehoorders mij verlegen +zou maken. Mijn meester gaf mij den raad het er voor te houden, +dat mijn auditorium niet uit menschen, maar alleen uit koolstruiken +bestond. Dat vond ik slim bedacht; ik volgde den raad, en zoo kwam +ik over mijne verlegenheid heen en mijne rede vloeide als olie." + +"Een aardig verhaaltje," antwoordde Philippus, "maar ik zie niet +in...." + +"Gij moet, wil ik hiermede zeggen," voegde de oude hem haastig toe, +"die allervoortreffelijkste geliefde, zoo al niet tot een koolstruik, +dan toch in uwe gedachten tot een wezen maken, zooals er twaalf in een +dozijn gaan, een schepsel waarmede uw hart niets heeft te maken. Wil +dit eens ernstig en het zal u gelukken." + +"Als het hart een getal en de hartstocht kalendermakerij ware!" zeide +de arts. "Gij zijt een wijs man en uwe schriftrollen en tabellen +hebben u als wallen en muren tegen den hartstocht beveiligd." + +"Wie weet!" hernam de ander. "In elk geval zou die hartstocht mij nooit +hebben gedwongen, om der wille eene vrouw, die mijne liefde versmaadt, +mijn vriend en vader de weinige dagen wreedaardig te vergallen, die +hem nog vergund worden onder de zon te wandelen. Wilt ge mij beloven +niet meer over die vlucht uit Memphis en dergelijken onzin te bazelen?" + +"Leer mij eerst mijne veerkracht te meten." + +"Wilt gij ten minste beproeven die te oefenen?" + +"Ja, uit liefde voor u." + +"Belooft ge mij het arme, kleine meisje dat ik gaarne mag lijden +ondanks hare afkomst, verder te behandelen?" + +"Zoo lang ik kan uithouden dagelijks met haar te verkeeren...." + +"Gij weet wie ik bedoel...." + +"Ik houd u aan uw woord. Kom nu hier en laat ons nog een paar +hoofdstukken overzetten." + +Tot laat in den avond bleven de vrienden bij den arbeid samen en +toen de grijsaard alleen was, dacht hij: Zoo lang hij het kind van +nut kan zijn, gaat hij niet heen, inmiddels zal het mij wel gelukken +voor die vervloekte sirene eene put te graven. + + + +Orion had den volgenden morgen vroeg de handen vol werk. Voor de zon +opging, zond hij twee betrouwbare boden naar Dumiat en overhandigde aan +beiden een brief met de opdracht, om een zeilschip voor de vluchtenden +gereed te houden. De een zou drie uur later vertrekken dan de ander, +opdat het plan niet mislukken zou, wanneer een hunner een ongeluk +overkwam. Hijzelf ging het eerst naar de haven en het gelukte hem daar +spoedig eene goede, ruime Nijlboot uit Dumiat te huren. De kapitein, +een geschikt en betrouwbaar man, beloofde hem de afspraak geheim te +houden en morgen namiddag te zijner beschikking te zijn. Nadat hij +onderweg over alles had nagedacht, begaf hij zich terstond naar het +rentmeesterskantoor, om daar met hulp van Nilus een testament op te +maken, hetwelk den volgenden morgen in tegenwoordigheid van den notaris +en getuigen rechtsgeldigheid zou erlangen. Zijne moeder, de kleine +Maria en Paula benoemde hij tot zijne voornaamste erfgenamen. Verder +vermaakte hij als legaten vooreerst eene aanzienlijke som aan de +zieken- en weeshuizen des lands, alsmede aan de kerk, om voor het heil +zijner ziel te laten bidden, ten andere een aan "den rechtvaardigste +onder de rechters des huizes," den rentmeester Nilus. Ook de Griekin +Eudoxia, de opvoedster van Maria, werd bedacht en eindelijk gelastte +hij de vrijlating van alle huisslaven, en vermaakte hen, opdat zij +geen gebrek zouden lijden, een zijner grootste grondbezittingen in +Opper-Egypte, die zij als hun gemeenschappelijk eigendom moesten +bearbeiden. Voor de trouwe dienaars en vrijgelatenen der familie +vergrootte hij de rijke schenkingen, die zijn vader hun reeds +vermaakt had. + +Dit laatste werk had eenige uren in beslag genomen, en Nilus, die +alles in de juiste vormen goot en opteekende wat Orion dicteerde, +was diep bewogen en verbaasd over het doorzicht en de goedheid van den +jonkman, dien hij, sedert hij hem den rechterstoel had zien ontwijden, +voor een verloren mensch had gehouden. Uit de bepaling van Orion, +dat het testament geopend moest worden ingeval hij vier weken na +het opstellen ervan nog niet was teruggekeerd van eene reis, die +hij morgen zou aanvaarden, begreep de trouwe beambte, dat de laatste +telg van het huis, in welks dienst hij vergrijsd was, zich aan groote +gevaren dacht bloot te stellen. Doch uit bescheidenheid waagde hij +het niet iets te vragen, en zijn heer nam hem niet in zijn vertrouwen. + +Toen beide mannen de voorzaal betraden, stond daar de klerk Anubis, +de zoogbroeder en vriend van de kleine Katharina; doch Nilus sloeg +geen acht op hem. Terwijl hij Orion met vochtige oogen de hem ten +afscheid gebodene hand kuste en den jonkman beloofde morgen avond +voor zijn vertrek hem nog eens vaarwel te komen zeggen, opende de +jonge Anubis, die zich eerbiedig op een afstand had gehouden hoewel +hij zijne ooren spitste, gedienstig de zware met ijzer beslagene deur. + +Uitgeput en hongerig vroeg Orion naar zijne moeder, en toen hij hoorde +dat zij zich te bed had begeven, ging hij naar de eetzaal om wat te +gebruiken. Ofschoon het uur van het ontbijt pas was aangebroken, kon +men het der Griekin Eudoxia toch aanzien, dat zij hem met ongeduld +wachtte. Er was een nieuwtje dat haar geen rust liet, en Orion had +ternauwernood den drempel overschreden en haar begroet of zij riep +hem toe: "Weet gij het al? Hebt gij het vernomen?" + +Daarop begon zij, verblijd over zijne korte ontkenning, haastig te +vertellen, dat vrouw Neforis op verlangen van den arts, die er zoo +even geweest was, besloten had haar met hare kleindochter te zenden +naar een vriend van Philippus, waar de lucht beter was, en wel reeds +heden of op zijn laatst morgen. + +Bij deze mededeeling schrikte Orion onwillekeurig. Hij had niet +verwacht dat de arts zoo vroeg zou komen en nu was juist door dezen +beschikt, wat sedert gisteren avond niet meer raadzaam scheen. + +"Hoogst onaangenaam!" prevelde hij in zichzelven, terwijl een slaaf +hem een gebraden hoen en asperges diende. + +"Niet waar? En wellicht moeten wij ver buiten de stad!" antwoordde +zij met een smachtende blik, terwijl zij een lange asperge door de +tanden trok. + +Dit ziende en hoorende werd Orion te moede, alsof hij die oude gekkin +het goede gerecht misgunde, en het was op niet zeer vriendelijken toon +dat hij haar antwoordde: stad of land stonden in dit geval volkomen +gelijk, hier gold alleen de vraag wat het beste was voor de kleine. + +Toen hij haar mededeelde, dat hij morgen avond op reis ging gaf +Eudoxia een gil, liet van schrik een asperge in haar schoot vallen +en zeide op klagenden toon: "O dan, dan is alles voorbij!..." + +Maar hij voegde haar vermanend toe: "Dan vangt uw plicht eerst +recht aan, om u geheel aan het kind te wijden. Gij weet dat hare +eigene grootmoeder thans de tegenwoordigheid van Maria niet verdragen +kan. Schenk haar uwe liefde, gelijk gij reeds begonnen zijt te doen, +wees haar tot eene moeder, en als gij mij werkelijk genegen zijt, +toon het dan daardoor. Wat mij betreft zult gij ontwaren, dat ik u +hiervoor erkentelijk ben en dat niet enkel met woorden. Ga morgen +naar het rentmeesterskantoor, daar zal Nilus u het eenige geven, +waarmede ik thans mijne dankbaarheid toonen kan. Wijd nu gerust al +uwe kracht aan de verpleging van het kind; ik was er op bedacht voor +uwe ouderdom te zorgen." + +Midden onder de dankzeggingen, waarmede de Griekin hem overlaadde, +stond hij op en begaf hij zich naar zijne moeder. Zij rustte nog +altijd, maar hij liet zich ditmaal toch aanmelden, en zij ontving hem +gaarne, ja zij had zijn bezoek reeds verwacht. In haar slaapkamer, +die goed beschut was voor de brandende zonnehitte, rustte zij in eene +halfliggende houding op een divan, en openbaarde den zoon haar besluit +om den raad van den arts te volgen en het kind toe te vertrouwen +aan een zijner vrienden. Dat alles zeide zij op slaperigen, gelaten +toon, doch zoodra Orion haar tegensprak en verzocht de kleine nog in +de stadhouderlijke woning te houden, werd zij levendiger en onder de +uitroepen: "Wenscht gij dat? Kunt gij dat van mij vorderen?" scheen zij +hem verstoord met de oogen te meten. Daarna ging zij klagende voort: +"Alles verkeert thans. De ouderdom vergeet niet, maar de jeugd heeft +een zeer kort geheugen. Gij hebt reeds lang gansch andere dingen +in het hoofd dan ik; ik denk er nog altijd aan wie hem, wie mijn +dierbaren afgestorvene in het aangezicht van den geopenden hemel de +laatste oogenblikken op aarde tot eene hel maakte!" + +Een zacht snikken, zonder weenen, bracht hierop hare borst in eene +snelle, krampachtige beweging en Orion waagde het niet haar verder +te weerspreken. Met hartelijke woorden zocht hij haar tot rust te +brengen, en toen zij zich weder herstelde, deelde hij haar mede, +dat hij haar voor eenigen tijd dacht te verlaten, om naar het beheer +van hunne goederen te gaan zien. Deze mededeeling deed haar genoegen; +zij achtte het thans heerlijk alleen, geheel alleen en onopgemerkt +te zijn. De witte pilletjes gaven haar meer, verhieven hare stemming +beter dan elke omgang met menschen. Ze brachten haar in slapenden en +in wakenden toestand droomen, en deze waren duizendmaal schooner dan +het verlaten bestaan der werkelijkheid. Alles wat zij in het leven op +aarde verlangde was: geheel in herinneringen op te gaan, te bidden, +te droomen, zich te verplaatsen aan gene zijde des grafs te midden +van hare afgestorvenen, en bovendien te eten en te drinken, wat zij +dan ook gaarne en rijkelijk deed. + +Toen Orion op eene nadere vraag zijner moeder antwoordde, dat +hij eerst naar Delta dacht te gaan, betreurde zij dit; want in +Opper-Egypte zou hij zijne schoonzuster, de moeder der kleine Maria +kunnen bezoeken. Daarbij rees zij overeind, wreef met de hand over het +voorhoofd en wees op het tafeltje aan het hoofdeinde van den divan, +waar naast een beker met vruchtennat, fleschjes, doozen en andere +dingen, ook een schrijftafeltje en een briefrol lagen. Zij greep +naar de laatste, overhandigde haar aan Orion en zeide: "Een schrijven +van uw schoonzuster! Het is gisteren avond gekomen, en ik begon ook +het te lezen, maar het ving aan met eene weeklacht over uw vader, +en dat--gij weet het--voordat ik ging slapen--ik kon met den besten +wil niet verder lezen, kon het niet lijden! En heden... Eerst de kerk, +toen de arts en zijn eisch betreffende het kind. Ik heb nog geen moed +gehad verder te lezen. Wat kan mij een brief ook anders dan kwaad +brengen. Weet gij iets dat voor mij een bron van vreugde zou kunnen +zijn? Maar thans... Ik bid u, lees mij den brief voor; maar niet weer +dat over uw vader; dat bewaar ik voor later, voor mij alleen." + +Orion maakte het rolletje open en doorliep vluchtig met saamgetrokken +lippen de weeklacht der non over den afgestorvene. Elke volzin van den +brief der weduwe van den martelaar ademde wild fanatisme. Zij had in +het klooster gevonden wat zij zocht, zij verklaarde nu enkel in God en +in den God-Heiland te leven. Ook haar kind was voor haar slechts een +vreemd, jong schepseltje van God, en het gaf haar enkel vreugde er voor +te bidden. Toch achtte zij het haar plicht voor het zielenheil van het +kind te zorgen, en als het haar grootmoeder niet te zwaar viel van het +kind te scheiden, wenschte zij de kleine thans weder te zien. Zij was +kort geleden abdis van haar coenobium geworden, en niemand kon haar +beletten het kind bij zich te nemen. Doch zij vreesde dat overgroote +natuurlijke liefde haar weder aan de vleeschelijke wereld zou doen +hechten, waarmede zij voor eeuwig gebroken had, en daarom zou zij +Maria in een naburig klooster laten opvoeden, niet voor aardsche +ellende maar voor hemelsch geluk, niet tot levensgezellin van een +zondigen echtgenoot, maar tot eene reine bruid van Christus. + +Orion gevoelde eene koude rilling door zijne leden, terwijl hij dit +schrijven voorlas, en toen hij het rolletje neerlag en zijne moeder +zeide: "Misschien heeft zij gelijk, misschien is het reeds nu onze +plicht het kind niet naar den vriend van den arts maar naar het +klooster te zenden, en het op den eenigen weg te brengen, die zonder +gevaar of hindernis ten hemel leidt!"--zeide Orion tot zich zelven, +dat het zijn plicht was dit levenslustige kind voor zulk een lot te +bewaren. Hij verzocht daarom zijne moeder te bedenken, dat het er +in de eerste plaats op aan kwam voor de gezondheid van het kind te +zorgen. Hij zag nu ook in, dat zij zoo straks gelijk had. Zijn vader +had zich ook altijd naar de voorschriften van Philippus gedragen, +en reeds daarom was het haar plicht diens raad te volgen. + +Vrouw Neforis, die reeds eenigen tijd begeerig had gezien naar een +doosje dat naast haar stond, weersprak hem niet, en dienzelfden +avond bracht Orion de kleine Maria met hare opvoedster bij Rufinus, +die beiden, niettegenstaande zijne bedenkingen van gisteren, gaarne +opnam. Toen Maria dicht naast Paula's bed in het hare lag en de +jonkvrouw zich over haar heenboog, sloeg de kleine de armen om haar +hals, drukte het hoofdje tegen hare borst en voelde dat het daar +warm, zacht en veilig rustte. Maria weende, als ware zij uit kerker +en boeien verlost, en stortte al de smart en het lijden van haar diep +gewond hartje uit in de ziel harer vriendin. + +Deze hoorde onder alles Orions stem in den tuin en met onweerstaanbare +kracht gevoelde zij zich tot den geliefde getrokken, dien zij bij +zijne aankomst maar vluchtig begroet had. Maar zij kon het niet over +zich verkrijgen het kind van haar boezem te weren, het juist nu te +verlaten.--Doch neen, neen, zij moest hem zien! Alles wat in haar +was, dreef haar naar hem heen en toen Pul de kamer binnenkwam, legde +zij Maria's hand in die van het meisje en zeide: "Zoo, nu sluit gij +beiden vriendschap en blijft bij elkander tot ik terugkom en u wat +moois vertel. Gij hebt Orion zoo lief, mijn meisje; nu, over hem en +mij zal mijn geschiedenisje handelen." + +"Hij moest dadelijk weg," merkte Pul haastig op. "Op dit tafeltje +staat zijn groet. Hij verging bijna van ongeduld, en toen hij niet +langer wachten kon, schreef hij dit voor u op." + +Met een klagende uitroep nam Paula den brief in handen, dien zij op +hare kamer las. Hij had even smachtend als zij op hare komst gehoopt, +doch eindelijk kon hij niet langer toeven. Hoe anders, heette het +in dit schrijven aan zijne geliefde, had hij gehoopt dezen dag te +besluiten, dien hij gewijd had aan de redding harer vriendinnen! + +O, waarom, waarom had zij zich hier laten terughouden, waarom was zij +althans niet voor een oogenblik naar hem toegesneld, om hem voor zijne +goedheid en trouw te danken, en hem luid en open te hooren verklaren, +wat hij haar gisteren maar toegefluisterd had. Bedroefd en ontevreden +over zichzelve begaf zij zich naar het kind terug. + +Orion had inderdaad zijn vertrek niet langer kunnen uitstellen, want +hij had het noodig geacht den vertegenwoordiger van den Kalief kennis +te geven van zijne reis en van zijn strijd met den prelaat. Van alle +beweeggronden, die hem aandreven de nonnen te helpen, was 'wraak' +de eenige, dien de Arabier het best zou begrijpen. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + +Terwijl Orion over den stroom naar Fostat reed, begaf hem de vroolijke +stemming, die hem nog kort geleden had bezield. Had Paula hem althans +niet een klein deel kunnen en moeten wijden van het uur, dat zij aan +het kind had geschonken? Hij was afgescheept met een vriendelijken +handdruk en een dankbaren blik, toen zij hem welkom had geheeten. Zou +zij hem niet blijde tegemoet zijn gevlogen, wanneer de liefde, +waarvan zij hem gisteren de verzekering had gegeven, haar hart zoo +innig en vurig doortintelde als het zijne? Was de trotsche ziel van +deze jonkvrouw, die zijne moeder koud en ongenaakbaar noemde niet +vatbaar voor warme zichzelve vergetende overgave? Was er geen middel +om het heilige vuur, dat in hem ontvlamd was, ook in haar aan te +blazen? Allerlei twijfelingen en het bittere gevoel van teleurstelling +kwelden hem, en een menigte bedenkingen drongen zich aan hem op, die +verre van hem gebleven zouden zijn, wanneer hij bij het wederzien, +haar blijmoedig: "ik bemin u" vernomen had, en zijne lippen gewijd +waren door haar eersten kus. + +Ontstemd en verdrietig trad hij de woning van den veldheer binnen. In +de voorzaal ontmoette hij smeekelingen, die waren afgewezen, en met +een bitter lachje moest hij bekennen, dat hij zooeven op dezelfde +wijze onverrichter zake was weggezonden, weggezonden--en door wie? + +Hij liet zich aanmelden en zijne stemming verbeterde een weinig toen +hij terstond toegelaten en met voorbijgang van vele wachtenden in +de ontvangkamer van den veldheer gebracht werd. Deze ontving hem +met vaderlijke hartelijkheid; en toen hij hoorde dat Orion met den +patriarch in openbaren strijd was geraakt, werd hij opgewonden en +riep hij met uitgestrekte handen: "Neem mijne rechterhand, vriend, +ga tot den Islam over, en met deze linker maak ik u, in naam van mijn +heer den Kalief, ondanks uwe jeugd, tot opvolger van uw vader. Weg +met alle bedenkingen! Sla toe, spoedig, spoedig! Het kwelt mij Egypte +te moeten verlaten, terwijl ik weet dat Memphis geen stadhouder heeft." + +Een hooge blos kleurde Orions aangezicht. Zijns vaders opvolger! Hij, +de nieuwe Mukaukas! Hoe streelde dit zijne eerzucht, welke nieuwe wegen +openden zich tot werkzaamheid! Het schemerde hem voor de oogen en eene +geheimzinnige kracht drong hem zijn weldoener tegemoet te gaan, die hem +nog altijd zijne rechterhand toestak. Maar zijne levendige verbeelding +deed hem opeens het beeld van den Verlosser aanschouwen, met wien +hij in de kerk zwijgend een verbond had gesloten, hoe deze droevig +het zacht gelaat van hem scheen af te wenden. Hij herinnerde zich +wat hij beloofd had, alles was vergeten wat Paula hem had aangedaan, +hij greep wel is waar de hand van den veldheer, doch alleen om haar +aan zijne lippen te brengen en hem te danken. Vervolgens bad hij hem +met warmen, vriendelijken aandrang niet op hem te willen toornen, +wanneer hij standvastig bleef en in het geloof zijner voorvaderen en +van zijn vader volhardde. De veldheer werd niet boos, maar haastig en +niet met die blijmoedige hartelijkheid waarmede hij hem verwelkomd +had, waarschuwde Amr hem voor den patriarch op zijne hoede te zijn, +tegen wien hij niet bij machte was hem te beschermen, zoolang hij +volhield christen te blijven. + +Toen Orion hem daarop mededeelde, dat hij voor korten tijd dacht +op reis te gaan en thans gekomen was om afscheid te nemen, liet de +veldheer hierover zijn leedwezen blijken. Ook hij moest van hier +naar Medina, en dat wel reeds overmorgen. "Daar ik u," zeide hij, +"te jong achtte voor den hoogen post van uw vader, was ook ik erop +bedacht een moeielijke taak voor u te vinden, bij het volbrengen +waarvan gij zoudt kunnen toonen, dat ik geene te hooge verwachtingen +van u koesterde. Gij blijft volharden bij uw besluit, doch ik kan +onmogelijk aan een christen van uwe jaren het zóo gewichtig ambt van +stadhouder te Memphis toevertrouwen; ofschoon wij het met den jongen +muzelman gewaagd zouden hebben. Doch ik wil u de taak, die ik u had +toegedacht, ook thans niet onthouden. Gelukt het u die te volvoeren, +dan zal het goed zijn voor uzelven en ben ik voornemens van uw dienst +partij te trekken in het belang der geheele provincie. Wat toch dringt +mij thans van hier te gaan, waar mijne tegenwoordigheid bij honderd +nieuwe onvoltooide scheppingen zoo noodig zou zijn, wat anders dan de +zorg voor het welzijn van dit land, waar ik maar een vreemdeling ben, +terwijl gij het moet liefhebben als uw vaderland en den geboortegrond +van uwe familie. Ik ga naar Medina, omdat de Kalief in den brief die +daar ligt mij verwijt, dat ik uit een zoo rijk land als Egypte te +geringe sommen in de schatkist breng. En toch komt geen dinar van +uwe belasting in mijn eigen buidel. + +"Van die belasting houd ik honderd-vijftigduizend arbeiders op de been, +om de kanalen en waterwerken te herstellen, die mijne voorgangers, +de Byzantijnsche bloedzuigers, zoo schandelijk verwaarloosd hebben +en geheel lieten vervallen; daarvoor bouw en schep ik en strooi zaad +uit voor de toekomst. Dat kost geld! Dat verslindt het leeuwendeel +van de inkomsten. Ik begeef mij op weg, niet om mij te zuiveren van +beschuldigingen, maar om Omar te overreden mij ook voor het vervolg te +vergunnen niet als een roover huis te houden, maar het ware welzijn +der provincie niet uit het oog te verliezen. Ik doe het ongaarne om +ontelbare redenen, en gij, jonge man, zult, als uw vaderland u wat +waard is... Hebt gij het lief en wenscht gij uw geboortegrond het +beste toe?" + +"Van ganscher harte!" antwoordde de jonkman. + +"Welaan, dan moet gij thans, wanneer het eenigszins geschieden kan, +stil te huis blijven en u met alle kracht wijden aan het werk dat +ik u zal opgeven. Ik haat alle uitstel. Niet lang heen en weer +rijden en de paarden vermoeien, maar recht op den vijand los gaan, +dat is mijne grondstelling, en niet alleen in het veld. Neem die +les ter harte! Gij zult geen tijd te verliezen hebben, want wat ik +verlang is niet gemakkelijk. Gij moet, gesteund door uw kennis van +dit land en van zijne bewoners, alsmede met behulp van de lijsten +en aanteekeningen in de archieven van uw oud stadhouderlijkhuis, +waarover uw vader mij gesproken heeft, beproeven eene nieuwe indeeling +in districten te ontwerpen, waarbij gij inzonderheid zult hebben +te letten op hetgeen elk der districten zal kunnen opbrengen. Die +oude manier van belastingheffing deugt niet, dat ondervinden wij +dagelijks; gij zult speelruimte genoeg vinden voor verbeteringen van +allerlei aard. Werp al het bestaande omver, wanneer gij het noodig +acht. Ook anderen hebben hunne krachten beproefd aan eene indeeling +in districten en eene nieuwe wijze van belastingheffing. Het beste +ontwerp verdient de voorkeur en gij schijnt mij de man te zijn om +den prijs weg te dragen en u daarmede een schoon, ruim veld van +werkzaamheid voor de toekomst te openen. Als het geen verveling is, +of verlangen naar de genietingen van eene groote stad, waaraan gij +gewoon zijt, die u aandrijven dit treurige Memphis..." + +"Neen heer," verzekerde Orion haastig. "Wat ik mij voornam komt +mijzelven niet eens ten goede, en als ik mij niet vast verbonden +had, dan vatte ik reeds morgen die heerlijke arbeid met beide handen +aan. Dat gij eene goede oplossing van zulk een gewichtig vraagstuk van +mij verwacht, is het schoonste geschenk, dat mij ooit ten deel viel. Om +mij uw vertrouwen waardig te maken, keer ik zoo spoedig mogelijk terug +en zal al wat ik aan verstand en scherpzinnigheid, aan volharding en +vaderlandsliefde bezit, aan dit werk ten koste leggen. Ik ben een +vlijtig scholier geweest, en schande over mij, wanneer dat, wat ik +als jongeling, was, den man verhinderde, den knaap te overtreffen." + +"Goed gesproken," antwoordde de veldheer en stak Orion de hand +toe. "Doe uw best en gij zult ruimschoots gelegenheid vinden uwe +krachten te toonen. Onthoud mijne waarschuwing voor den patriarch +en den zwarten Wekil. Ik heb hier helaas niemand, die zijne plaats +vervullen kan uitgezonderd den wakkeren kadhi Othman, maar deze is +geen krijgsman en op zijne plaats onontbeerlijk. Obada moet mij dus +wel vervangen. Ontwijk hem en de Barmhartige zij met u..." + +Toen Orion op den terugweg de schipbrug achter zich had, zag hij eene +versierde Nijlboot, zooals er thans hier maar zelden een landde, in de +haven voor anker liggen en op de Nijlstraat kwam hij twee draagstoelen +tegen, gevolgd door lastdieren en dienaars. Dat alles zag er prachtig +en voornaam uit; op een andere tijd zou het hem nieuwsgierig gemaakt +hebben; doch heden stelde hij zich maar vluchtig de vraag, wie zij +wel zijn zouden, die waren aangekomen, waarop hij verder nadacht +over het werk door Amr hem opgedragen. Uit den diepsten grond zijns +harten verwenschte hij de ure, waarin hij zich verbonden had voor +vreemden in de bres te springen; want hij, die na zoo lang werkeloos +te zijn geweest er naar snakte zijne krachten te beproeven, die zich +plotseling en als door een wonder geroepen zag op den weg, dien hij +zelf zich had gekozen, gevoelde zich thans belemmerd en afgetrokken +van eene taak, die hij hoopte voortreffelijk te kunnen volvoeren, +en waarmede hij zijn vaderland eene dienst zou bewijzen. Eene taak +bovenal die hem aantrok als met honderd magneten. + +Nadat zijn testament den volgenden morgen rechtsgeldig was verklaard, +verzocht hij den rentmeester om een gesprek onder vier oogen. Hij was +tot de overtuiging gekomen, dat althans éen in dit huis en die eene +kon enkel Nilus zijn, kennis moest dragen van het plan dat hij ging +volvoeren. De rentmeester noodigde Orion dus uit hem te volgen naar +het impluvium van zijn bijzonder verblijf en deze uitnoodiging werd +door vele der aanwezige schrijvers vernomen, zonder dat zij zich in +hun arbeid lieten storen. Alleen de jongste van allen, een aardige +zestienjarige knaap, met een gebruind Egyptisch gelaat en verstandige +levendige gitzwarte oogen, die elk woord van den rentmeester en zijn +heer opmerkzaam gevolgd had stond zacht uit zijn neergehurkte houding +op, zoodra deze twee het kantoor verlaten hadden, en sloop ongemerkt +naar de voorzaal. Van daar ijlde hij naar de trapladder, die op de +duiventil uitkwam, waarvoor hij altijd zorg droeg; van het hooge +verblijf der gevleugelde boden liet hij zich haastig afzakken op het +dak van de benedenverdieping, en kroop op handen en voeten voorzichtig +tot aan het groote, opene vierkant, waardoor het impluvium licht en +lucht ontving. Vlug schoof hij met de hand het zeil een weinig opzij, +dat deze ruimte 'smiddags overschaduwde, en luisterde met inspanning +naar het gesprek, dat weldra beneden hem plaats had. + +Deze knaap was Anubis, de zoogbroeder van het kwikstaartje, en het +scheen wel dat hij in de kunst om luistervink te spelen bij zijne +geliefde meesteres niet achter stond, want opmerkzamer dan hij kon +niemand de ooren spitsen. Hij wist ook wel waarom hij zich op het dak +blootstelde aan de gloeiende pijlen van de onbarmhartige Afrikaansche +zomerzon; zijne aangebodene speelnoote, die zijn jong hartstochtelijk +gemoed geheel beheerschte, had hem een hartelijken kus beloofd, wanneer +hij haar nadere inlichtingen kon verschaffen omtrent de gevaarvolle +reis van Orion. Anubis had haar reeds gisteren avond mededeeld, wat +hij in de voorzaal van het rentmeesterskantoor had afgeluisterd; maar +het kwikstaartje was met deze algemeene aanwijzingen niet tevreden +geweest. Zij wilde duidelijk zien, nauwkeurig weten wat er op het +getouw werd gezet, en zij bedroog zich niet door te onderstellen, +dat juist het loon hetwelk zij den knaap had toegezegd, hem zou +aansporen om zelfs het onmogelijkste te beproeven. Anubis had echter +niet gedacht, dat hij zoo spoedig zijn doel zou bereiken, hoe stout +zijne verwachtingen ook waren, want nauwelijks was het hem gelukt het +zeil op zijde te schuiven, toen Orion begon den rentmeester opening +te geven van alles wat hij dacht te doen. + +Nadat deze zijne mededeelingen had geëindigd, wachtte de knaap het +antwoord van den rentmeester niet af, maar kroop, als bedwelmd door +den gelukkigen uitslag van zijn pogen en het uitzicht op het loon, +dat voor hem eene hemelsche zaligheid omvatte, naar de duiventil. Doch +hij kon den weg niet volgen waarlangs hij gekomen was, want bevond hij +zich weder in de voorzaal en trof een der andere beambten hem daar aan, +dan werd hij naar het schrijfvertrek verbannen. Hij kroop dus naar +de borstwering van het dak, die naar de zijde van de visschershaven +gekeerd was, boog er zich over heen en greep een gootpijp om zich +daarlangs te laten afglijden. Doch deze was helaas zeer oud en +verteerd, hetgeen niet was opgemerkt, omdat het te Memphis zoo zelden +regent; en nauwelijks volgde het lichaam van den knaap zijne handen, +of het halfvergane blik scheurde krakend van een. Met de brokken +van de gootpijp stortte de overmoedige jongen vier manshoogten naar +beneden; men hoorde op den geplaveiden vloer een zwaren, doffen slag en +jammerlijk gekerm, en kort daarna wist het geheele rentmeesterskantoor, +dat de arme, flinke duivenliefhebber Anubis bij de verpleging van +zijne diertjes van het dak was gevallen en zijn been gebroken had. De +beide mannen in het impluvium zouden eerst later het ongeval vernemen, +want er was bevel gegeven hen niet in hun onderhoud te storen. + +Nilus had de vertrouwelijke mededeelingen van zijn jongen meester +met toenemende verbazing, weerzin en schrik aangehoord, en toen +Orion had uitgesproken, met al de overredingskracht van een trouw +hart, dat zich bezorgt maakt voor het heil van lichaam en ziel van +een geliefd persoon, bij hem aangedrongen om van dit waagstuk af te +zien, waaruit voor hem niet anders kon volgen dan afkeuring, nadeel en +vervolging. Nilus was een Jacobiet van ganscher harte en de gedachte, +dat zijn jonge meester op het punt stond voor Melchietische nonnen +het uiterste te wagen en den toorn, ja den vloek van den patriarch op +zich te laden, kon hij niet verdragen. De welgemeende waarschuwingen en +smeekingen van den trouwen beambte bleven op Orion niet zonder invloed, +doch hij volhardde in zijn besluit en bracht Nilus aan het verstand, +dat hij Rufinus zijn woord had gegeven en daarom niet meer terug kon +treden, ofschoon hijzelf geen lust meer had in de volvoering van zijn +plan. Het stuitte hem tegen de borst, ja het was hem onmogelijk den +ouden braven man alleen deze gevaarlijke reis te doen ondernemen. + +Oprechte bezorgdheid maakt vindingrijk en nauwelijks had Orion +uitgesproken of Nilus deed hem een voorslag, die wel in staat was de +laatste bedenking van den jonkman op te heffen. De Grieksche opzichter +van de werf, Melampus, was een ijverig Melchiet, al durfde hij niet +openlijk voor zijn geloof uitkomen. Hij en zijne beide zonen, twee +frissche stevige scheepstimmerlieden, hadden reeds meermalen hunne +frissche, ondernemingszucht getoond, en Nilus twijfelde niet of zij +zouden maar al te gaarne aan een waagstuk deelnemen, dat de redding +van zoovele geloofszusters ten doel had. Zij moesten Orions plaats +vervangen en konden den ouden heer veel krachtiger ondersteunen +dan hij. + +De jongeling stemde met dezen voorslag in zooverre in, dat hij +degelijke hulp verwachtte van de wakkere handwerkslieden, die hij +zeer goed kende; hij wilde ze dus wel meenemen, maar daarom niet +van zijne eigene medewerking afzien. Hij moest eindelijk Nilus, +die zoo taai bleef volharden bij zijne vermaningen, het zwijgen +opleggen. Desniettemin ging de bezorgde man met hem naar de werf, en de +oude meester, een goedhartige reus, toonde zich zoo van harte bereid om +zijne hulp te verleenen tot het redden der nonnen, "als ware elk hunner +zijne eigene moeder". De jongens zouden het als een feest beschouwen, +dat zij aan zulk een waagstuk deel mochten nemen. Het bleek weldra +dat hij zich daarin niet bedroog, want nadat men hen in het geheim +had ingewijd, zwaaide de een vol geestdrift met zijne bijl, en de +ander sloeg zoo vroolijk met zijne stevige vuist in de linkerhand, +als zou hij ten dans gaan. Onverwijld stapte Orion met alle drie in +eene boot en liet zich naar het huis van Rufinus roeien, om hen aan +dezen voor te stellen, en zij bevielen den ouden man voortreffelijk. + +Orion bleef bij hem; hij had hem gisteren beloofd het ontbijt met hem +te gebruiken en dat stond gereed. Paula was reeds sedert een uur in +het klooster en kon, zooals vrouw Johanna verzekerde, elk oogenblik +terugkeeren. Men zette zich dus zonder haar aan tafel, de schotels +werden opgedragen, het maal liep ten einde en nog altijd was zij niet +terug. Orion had aanvankelijk zijne teleurstelling weten te verbergen, +maar eindelijk werd hij geheel door dit gevoel beheerscht, zoodat het +zijne gastvrouw moeite kostte, hem door vragen en wedervragen korte en +verstrooide antwoorden te ontlokken. Ook Rufinus werd bezorgd, maar +juist toen hij opstond om naar Paula te gaan uitzien, zag Pulcheria, +die aan het venster stond, haar komen en vloog met een vroolijk +"daar is zij!" naar buiten. + +Weder verliep de eene minuut na de andere, van een kwartier werd +het een halfuur, en Orion wachtte nog altijd te vergeefs op de +jonkvrouw. Zijne blijde verwachting had reeds lang voor ongeduld, +het ongeduld voor het gevoel van gekrenkte waardigheid en dit voor +spijt en bitterheid plaats gemaakt, toen Pulcheria eindelijk in hare +plaats het eetvertrek binnentrad en hem uit naam van Paula verzocht +in den tuin te komen. + +Buitengewoon lang was zij in het klooster opgehouden. Gelijk de +rook, die de ijmker in een bijenkorf laat trekken, had de treurmare +de stille, vrome zusters uit haar gewone rust opgeschrikt en allen +door elkander gejaagd. Zij moesten heden wat het meest van waarde was +bijeen pakken, en hoewel Orion gezegd had, dat maar een klein aantal +kisten en zakken in de boot plaats konden vinden, kwam de eene haar +bidstoeltje, de ander een groot heiligen beeld, een derden een koperen +vischketel, en een vierde, vijfde en zesde zelfs met de groote kast +met de gebeenten van den martelaar Ammonius aandragen, waaraan de +priesterkerk haren bijzonderen roep van heiligheid dankte. De abdis +had met al hare zeggingskracht en waardigheid tusschenbeide moeten +komen, om al dat overtollige terug te houden, en menige zuster, die +met hare dierbare maar al te omvangrijke bezitting werd afgewezen, +was weenende met haar schat afgetrokken. De overste van de nonnen +was eerst in de gelegenheid geweest zich geheel aan Paula te wijden, +nadat men een overzicht had kunnen nemen van de geheele bagage, +die zou worden medegevoerd. Zij had de jonkvrouw daarna naar haar +woonvertrek gebracht, dat met kostbare en degelijke voorwerpen keurig +versierd was, en haar met oprechte deelneming gelegenheid gegeven het +hart voor haar uit te storten. Wie deze twee te zamen had gezien, zou +licht hebben kunnen denken, dat een bekommerde dochter haar toevlucht +had gezocht aan het hart eener moeder, om raad bij haar in te winnen; +want de grijze abdis kon in hare jeugd veel gelijkenis hebben gehad +met de dochter van Thomas. De voorname en toch aanvallige houding der +jonkvrouw was alleen bij de matrone tot eene vorstelijke, nederbuigende +waardigheid geworden, en men kon het haar ernstig gesloten mond niet +meer aanzien, dat deze eens het aanminnig sieraad van haar gelaat +was geweest. Terwijl zij de mededeelingen van het meisje volgde, +veranderden hare rustige oogen telkens van uitdrukking, zij tintelden +enkel van fanatischen gloed, wanneer geloofsijver haar gemoed +vervulde. Zij kreeg van allerlei te hooren, want Paula beschouwde +dit onderhoud als eene biecht, en verzweeg voor hare moederlijke +en tegelijk priesterlijke vriendin niets van alles wat er in haar +uitwendig leven, in haar hoofd en hart was omgegaan, sedert zij het +huis van den Mukaukas had betreden. Zij hield niets in hare ziel +verborgen, trachtte niets te bemantelen of te vergoelijken, en toen +zij de mannelijke worsteling van haar geliefde schilderde om al den +ernst van het leven te begrijpen, werd zij door liefde en geestdrift +medegesleept ten einde zijn beeld, dat een oogenblik door eene donkere +schaduw verduisterd was, in des te helderder glans te laten schijnen. + +Nadat Paula ten laatste hare biecht geëindigd had, was de abdis een +tijd lang zwijgende blijven zitten. Toen had zij het meisje tot zich +getrokken en op liefderijken toon gevraagd: "En thans? Niet waar, +alles wat in u is dringt en drijft u om den hartstocht, die op +zoo bijzondere wijze zich van u meester heeft gemaakt, zijn loop +te laten, den geliefden man in de wijdgeopende armen te snellen, +u aan hem over te geven en te zeggen: 'Hier hebt ge mij, ik ben de +uwe! Haal den priester, dat hij ons zegene!'--Is het zoo, zie ik goed?" + +Paula had toestemmend geknikt met een blos op de wangen, doch de oude +vrouw had haar hoofd tegen haar borst gelegd en was op ernstigen toon +voortgegaan: "Ik zag hem toen hij met zijn vierspan mij voorbijreed, en +dacht daarbij aan menig beroemd beeldwerk van Grieksche heidenen. Hij +bezit schoonheid, geboorte, rijkdom, ja ook een geest van gaven, +kortom alles wat het hart van eene Paula winnen kan; en zij--dat zie +ik--geeft het hem gaarne." + +Wederom had het meisje haar toegeknikt, en daarop was de grijze abdis +met een stille zucht, en als kostte het haar groote moeite om zich +in het onvermijdelijke te schikken, voortgegaan: "Elke waarschuwing +zou dus ijdel zijn.--Hij is in elk geval niet van ons geloof, hij..." + +"Maar hoe hij dat hoogacht," zeide Paula, "dat toont hij, terwijl +hij voor u en de uwen vrijheid en leven op het spel zet." + +"Zeg: voor de geliefde," antwoordde de abdis. "Doch wij willen +dit onderwerp niet verder aanroeren, hoezeer het mij ook smart +mij de dochter van Thomas als de gemalin van een Jacobiet voor te +stellen.--Gij zult hem niet prijsgeven, en de Vader der liefde leidt +trouwe liefde langs wonderbare paden naar het beoogde doel, al gaat +het soms langs omwegen, door kloven en afgronden." + +Paula was haar om den hals gevallen, om haar dankbaar te kussen, doch +de abdis had het gelukkige meisje maar korten tijd laten begaan, en +haar daarna aan haar zijde doen neerzitten. Met Paulas rechterhand +in hare beide handen was zij toen overgaan op den toon van kalm +overleg. Zij en de zusters, zoo begon zij, waren Orion grooten dank +verschuldigd. Haar vurigste wensch was dat Paula als vrouw het hoogst +geluk op aarde zou vinden, doch daar zij om raad had gevraagd mocht +de abdis haar de oogen niet doen sluiten voor de gevaren die juist +dat geluk dreigden te ondermijnen. Achter haar, de abdis, lag een +lange reeks van allerlei ervaringen; zij had ontelbare jonge mannen +leeren kennen, die als groote zondaars door vader en moeder, door de +kerk en alle goede menschen waren opgegeven, en velen van dezen hadden +hun dag van Damascus gezien. Er was voor hen een keerpunt gekomen en +de verloren gewaande zonen waren uitnemende, vrome mannen geworden. + +Onder dit verhaal was Paula met van vreugde stralende oogen nog +dichter bij haar gekomen; doch de abdis had ontkennend het hoofd +geschud, en terwijl haar gelaat eene steeds klimmende geestdrift +verried, vervolgde zij op hoog ernstigen toon: "Intusschen mijn kind, +bij deze allen had de genade gewerkt, was het wonder geschiedt, +dat wij wedergeboorte noemen. Zij waren dezelfde gebleven naar het +vleesch en de grondtrekken van hun wezen, maar hunne verhouding tot +de wereld en tot het leven was eene geheel andere geworden. Wat hun +vroeger wenschelijk voorkwam dat werd thans door hen verafschuwd, +wat vroeger van waarde scheen was voor hen nietig, het nietige van +waarde geworden. Hadden zij vroeger alles tot hunne eigene wenschen +teruggebracht, thans beschouwden zij alles in het licht van God en +zijn wil. De oude neigingen waren dezelfde gebleven, doch zij lieten +zich binnen de perken houden door de nooit sluimerende erkentenis, +dat zij niet den weg baanden tot blijvende vreugde, maar tot eeuwig +verderf. Deze wedergeborenen leerden de wereld te verachten, en +in plaats van naar het stof was hun blik opwaarts naar den hemel +gericht. Wie van hen struikelde, hij werd door den nieuwen geest +die in hem werkte gedwongen het evenwicht weer te vinden, alvorens +geheel te vallen.--Doch Orion? Uw geliefde? Naar ik zie stapt hij +over zijne schuld heen en wacht hij eene verzoening met God van het +volbrengen eener waardige levenstaak in deze wereld. Niet alleen +is zijne gezindheid dezelfde gebleven, maar ook zijne betrekking +tot het leven en tot al de goederen, die het den kinderen dezer +wereld aanbiedt. Zinnelijke liefde drijft hem aan, te streven naar +wat hoog en groot is, met ernstigen wil tracht hij het te bereiken, +doch hij kan en zal struikelen over elken steen, dien de duivel hem +in den weg werpt, en het zal hem zwaar vallen weder op te staan; +want het ongeluk heeft hem niet wedergeboren tot een nieuw leven in +God. Juist zulke jonge mannen zag ik ontelbare malen terugzinken in +de zonde, waaraan zij zich ontworsteld hadden, en voor wij ons geheel +en al mogen toevertrouwen aan een man, die, al is het ook maar eens, +zoo ver is afgedwaald van de wegen Gods, en bij wien de genade hare +krachtige werking nog niet heeft getoond, is het noodig zijn gang en +zijne handelwijze langer dan enkele dagen na te gaan. Gevoelt gij u +gedrongen om vast te houden aan de neiging uws harten, werp u dan niet +eer in de geopende armen van den geliefde, geef niet eer het reine +heiligdom van lichaam en ziel aan hem over, word niet eer de zijne, +voor hij eerst zich geheel standvastig heeft getoond." + +"Maar ik geloof aan hem!" riep Paula onder een vloed van tranen. + +"Gij gelooft, omdat gij liefhebt," antwoordde de abdis. + +"En omdat hij het verdient." + +"Sedert hoe lang?" + +"En was hij niet een voortreffelijk jonkman vóor dien misstap?" + +"Dat is ook menig moordenaar geweest. Eén oogenblik was voldoende om +zoovelen als misdadigers uit de samenleving te verbannen." + +"Zijne omgeving draagt hem nog altijd op de handen." + +"Als den zoon van den Mukaukas." + +"En omdat hij door hetgeen hij is aller harten wint." + +"Ook het hart van den Allerhoogste?" + +"O moeder, moeder waarom meet gij hem naar den maatstaf uwer den hemel +gewijde ziel! Hoe weinig uitverkorenen worden de genade deelachtig, +waarvan gij spreekt!" + +"Wie als hij gezondigd heeft, moet er met inspanning naar streven." + +"Dat doet hij, moeder, op zijne wijze." + +"Die verkeerd is, verkeerd voor allen die zulke zonden hebben +begaan. Alles, waarnaar hij streeft, zijn wereldlijke goederen." + +"Neen, neen, hij staat vast in het geloof aan God en den Heiland. Hij +is geen bedrieger." + +"En toch gelooft hij zich van de boete ontslagen te kunnen rekenen." + +"Vergeeft de Heer ook niet alles, na oprecht berouw? En hij heeft +berouw gehad; hoe zwaar, hoe bitter zwaar heeft hij geleden!" + +"Zeg liever: de striemen gevoeld, die de gevolgen waren van zijne +ongerechtigheden. Er volgen nog meer, en hoe zal hij ze dragen? De +verzoeking loert van alle zijden en hoe zal hij aan haar ontkomen? Als +een waarschuwende moeder ben ik verplicht u toe te roepen: houd zijn +en uw hartstocht nog in bedwang; ga voort hem te beproeven en sta +hem niet eerder zelfs het kleinste toe, jonkvrouw, voordat hij..." + +"En tot wanneer, ja hoelang zal ik zoo onwaardig op wacht staan?" zeide +Paula, snikkende. "Is dat liefde, die niet vertrouwt, niet bereid is +ook saam te leven met hem, wiens schreden nog niet vast staan?" + +"Ja, mijn kind, ja," antwoordde de grijze abdis. "Alles te dulden, +alles te verdragen is de plicht der ware liefde en ook de uwe; +doch eerst dan zult gij uzelve en hem door den onverbrekelijksten +aller banden laten binden, wanneer hij die wankelde een wandelaar is +geworden, die met vasten stap voorwaarts schrijdt. Volg elk zijner +schreden, sta hem met trouwe zorg ter zijde, twijfel niet aan hem +als hij zich anders voordoet dan gij had verwacht, tracht met een +vroom gemoed hem de genade waardig te doen worden, maar geef hem niet +overijld, niet nu reeds het jawoord." + +Paula voegde zich niet gewillig naar deze vermaning, maar het kwaad +door Orion begaan, vervulde de abdis met groot wantrouwen. Zulk een +groot zondaar, wien de vloek eens vaders had getroffen had naar hare +overtuiging zich uit de wereld moeten terugtrekken, smachtende naar +genade en jagende naar de wedergeboorte in plaats van aan de zijde +van zulk eene bevoorrechte jonkvrouw als Paula, waaraan hij zoo innig +gehecht was, de zaligheid te zoeken, die zij enkel gunde aan hare +geloofsgenooten, aan wier wandel geen smet kleefde. Ja hoe gaarne +had zij, die na eene stormachtige jeugd midden in de wereld eerst in +het klooster zielsrust en waarachtig geluk had gevonden, het dierbaar +kind der vriendin als reine bruid van Christus aan hare zijde gezien, +misschien als hare opvolgster in de betrekking van abdis! Het vele +verdriet, dat zij zelf door de lichtzinnigheid van trouwelooze mannen +had ondervonden, had zij hare lieveling willen besparen, en daarom was +zij geen duimbreed afgeweken van den inhoud van haar goeden raad en +niet moede geworden de jonkvrouw met nadruk hoewel liefderijk op het +hart te drukken, dat zij zich daarnaar moest gedragen. Eindelijk had +Paula van haar afscheid genomen met de belofte, dat zij niet eer eene +verloving met Orion zou aangaan, vóor hij uit Dumiat was teruggekeerd +en de abdis haar schriftelijk had medegedeeld, welk oordeel zij zich +over hem gevormd had op de aanstaande vlucht. + +Zooveel tranen als bij dit onderhoud had de jonkvrouw, die zooveel +geestkracht bezat, niet geweend sedert de noodlottige mis van Abyla, +waarbij zij haar vader en broeder had verloren, en met een zeer beweend +gelaat en hevige hoofdpijn was zij op den gloeiend heeten middag door +de brandende zon weergekeerd naar het huis van Rufinus en hare oude +Betta. Deze had er zeer op aangedrongen dat Paula wat zou gaan liggen, +en toen zij geen gehoor vond, had zij haar tenminste overgehaald het +hoofd te verkoelen met water zoo frisch als het bij zulk eene hitte +te vinden was, en zich het haar door hare vaardige hand opnieuw te +laten opmaken. Hare overleden moeder vond bij deze middelen altijd +baat, als zij hoofdpijn had. + +Toen Paula eindelijk op een schaduwrijk plekje van den tuin tegenover +den geliefde stond, zagen beiden elkander schuchter en vreemd +aan. Hij was bleek en blijkbaar ontstemd, en hare rood bekreten +oogen en het gerimpeld voorhoofd, dat klopte en stak van pijn, +droegen er niet toe bij zijne stemming te verbeteren. Het stond aan +haar zich te verontschuldigen, en toen hij na zijn groet haar niet +dadelijk toesprak, zeide zij dan ook op zachten, innig smeekenden +toon: "Vergeef mij, dat ik zoo laat kom. Hoe lang hebt gij wel niet +moeten wachten! Maar het afscheid van mijne beste vriendin en tweede +moeder heeft mij zoo diep ontroerd, en was treuriger dan ik zeggen +kan. Toen ik terugkwam wist ik van de hevige hoofdpijn niet, waar ik +het zoeken zou, en thans.... Hoe gansch anders heb ik heden morgen +vroeg gehoopt u te zullen ontmoeten!" + +"Reeds gisteren," zeide hij somber, "bleef er geen tijd +voor mij over.--En heden,--gij waart er bij toen Rufinus mij +uitnoodigde--heden!--Ik maak geen hooge aanspraken, en mijn God, +hoe zou ik dit durven doen tegenover u? Maar geldt het niet ook +van mij afscheid te nemen, misschien voor altijd? Waarom moest aan +eene vriendin zooveel van uw tijd en uwe kracht worden afgestaan, +dat er maar een klein overschot bleef voor den vriend? Dat noem ik +niet billijk verdeelen." + +"Hoe zou ik het kunnen loochenen?" zeide zij droevig, "ja zeker, gij +hebt gelijk, maar ik kon gisteren avond het kind, terwijl het zijne +smart bij mij uitweende, niet terstond verlaten, en als gij wist +hoe zeer ik verschrikte, en hoe pijnlijk mijn hart werd aangedaan, +toen ik in plaats van u, een brief...." + +"Ik moest naar den veldheer aan de overzijde," zeide Orion, haar in de +rede vallende. "Dit avontuur dwingt mij hier veel achter te laten, en +ik ben niet meer de meest vrije van alle vrijen van weleer. Gedurende +dit pijnlijk ontbijt heb ik als op naalden gezeten. Maar spreken wij +daarover niet meer. Met een hart vervuld van blijmoedige hoop kwam +ik hierheen. En nu? Ziet gij, Paula, deze onderneming verscheurt +voor mij meer banden, en laadt meer op mijne schouders dan gij u +denken of weten kunt. Dat verklaar ik u later. Zij brengt mij in eene +allergevaarlijkste verhouding, en om tegen alles bestand te zijn, +om den frisschen moed, den blijden zin, die ik daarbij noodig heb, +te bewaren, moet ik van éen ding zeker zijn, waarvoor ik zelfs nog +gansch andere gevaren en moeiten als een vroolijk spel op mij zou +kunnen nemen, moet ik weten..." + +"Wilt gij weten," haastte zij zich te zeggen, "of mijn hart geheel +en al zich voor uwe liefde heeft ontsloten..." + +"Of ik," sprak hij met klimmende geestdrift, "trots al het zware +lijden, dat deze arme ziel drukt, gelukkiger kan zijn dan de zaligen +in den hemel. O, Paula, eenig aangebeden meisje, mag ik..." + +"Gij moogt," hernam zij luide en uit den diepsten grond harer +ziel. "Ik heb u lief, Orion, ik zal nooit, neen nooit meer ophouden +u van ganscher harte lief te hebben." + +Daar vloog hij naar haar toe, zichzelven niet meer meester omvatte hij +haar met beide armen, drukte haar aan zijn hart, zonder acht te geven +op de nabijheid van het huis, waar zoovele oogen hen konden zien, +en overlaadde haar met vurige kussen, tot zij zich losmaakte uit +zijne omarming en hem smeekend toeriep: "niet zoo, neen, bid ik u, +niet zoo en nu nog niet." + +"Nu, juist nu! Of wanneer anders?" vroeg hij onstuimig. "Doch hier, in +dezen tuin, daar hebt gij gelijk in, hier is de plaats niet voor twee +gelukkige menschenkinderen, die elkander gevonden hebben. Kom mede, +ga mij voor in huis, zoek ons daar een plaatsje, waar wij ongezien +en niet beluisterd alleen met ons geluk...." + +"Neen, neen!" zeide zij gejaagd, terwijl zij met de hand streek over +het pijnlijke voorhoofd. "Kom mede op de bank onder de sykomore, daar +zitten we in de schaduw, daar kunt ge mij alles zeggen en daar zult +gij ook nog eens hooren, hoe machtig de liefde mij heeft aangegrepen." + +Teleurgesteld en verwonderd keek hij haar aan, doch zij liep naar +de sykomore, zette zich daar neder en hij volgde haar langzaam. Zij +gaf hem een vriendelijken wenk zich naast haar neer te zetten, doch +hij bleef voor haar staan en zeide op doffen, treurigen toon: "Altijd +dezelfde, altijd die kalmte en koelheid... Is dat het ware Paula? Is +dat de machtige liefde waarvan gij spreekt? Moet dat het antwoord zijn +op de smachtende kreet van een harte ontgloeid in hartstochtelijke +liefde? Is dat alles wat liefde aan liefde betaalt, wat de bruid den +bruidegom verschuldigd is, die op het punt is haar te verlaten?" + +Zij zag hem hierop met grooten angst aan en zeide diep geroerd en +innig: "O Orion, Orion! Hebt gij dan niet gehoord, gezien, gevoeld +hoe zeer ik u liefheb? Gij moet het gevoelen, en is dit zoo, stel u +dan daarmede tevreden. Gij, eenig geliefde, ik bezweer het u! Stel u +er mede tevreden dat dit hart u behoort, dat uwe, ja uwe Paula--daar +is zij, ik, ik ben het--aan niets denken, voor niets zorgen, bidden +en smeeken wil dan voor u, ja voor u, thans mijn een en mijn alles." + +"Nu, kom dan met mij," zeide hij driftig, "en sta den verloofde toe, +waar hij recht op heeft!" + +"Neen, neen, niet verloofde, nog niet!" riep zij smeekende uit den +diepsten grond harer beangstigde ziel. "Ook in mijne aderen vloeit +warm bloed, dat mij naar u doet smachten, ook ik verlang in uwe +armen te snellen en mijn hoofd tegen het uwe te laten rusten, maar +uwe bruid--heden, reeds heden mag en kan ik het niet worden!" + +"En waarom niet? Laat mij weten waarom niet!" riep hij verstoord, +terwijl hij zijne gebalde vuist tegen de borst drukte. "Waarom wilt +gij mijne bruid niet zijn, als het waar is dat gij mij liefhebt? Waarom +verzint gij deze nieuwe, afschuwelijke foltering?" + +"Omdat de wijsheid mij geleerd heeft," hernam zij met jagenden boezem, +snel en zacht, als vreesde zij hare eigene woorden te hooren, "omdat +zij mij geleerd heeft dat de tijd daarvoor nog niet gekomen is. Ach, +Orion, gij weet nog niet het verlangen, de wenschen te beteugelen, +die in u branden; gij hebt al te spoedig vergeten, wat achter u, +wat achter ons ligt, welk een berg er overschreden moest worden, tot +wij zoover gekomen zijn dat wij elkander vinden, tot ik--ja liefste, +ik moet het uitspreken--in staat ben u zonder boosheid of haat in het +aangezicht te zien. Eene wonderbare geheimzinnige beschikking heeft het +gewild, en ook gij hebt trouw het uwe daaraan toegebracht, dat alles +geheel veranderd is, dat het zwarte nu wit is, dat de kille noordewind +heeft plaats gemaakt voor een heeten wind uit het zuiden. Zoo wordt +gif tot artsenij en vloek tot zegen! Uit hartstochtelijke haat is in +dit dwaze hart eene even geweldige liefde ontstaan. Maar uwe bruid, uwe +vrouw kan ik thans nog niet zijn. Noem het wat mij terughoudt lauwheid, +noem het eene eigenzinnige bedenking, noem het zooals gij wilt. Ik noem +het 'wijsheid' en prijs het, ofschoon het deze arme oogen ontelbare +bittere tranen gekost heeft, alvorens hart en zin besloten waren zich +te voegen naar de waarschuwende stem. En gij, houd vast aan dit éene: +wat er ook gebeure, dit hart zal aan niemand anders behooren--ik ben +de uwe met lijf en ziel!--Uwe bruid wil ik eerst worden als ik met +even blijmoedig vertrouwen als warme liefde u mag toeroepen: 'Gij +zijt overwinnaar gebleven, neem mij tot u, ik ben de uwe!' Dan zult +gij voelen en erkennen, dat Paulas liefde niet koeler, niet zwakker +is... O God, Orion, leer, leer mij verstaan! Gij moet het leeren om +mijnent- en om uwentwil! Mijn hoofd, genadige hemel, mijn hoofd!" + +Zij liet het hoofd zinken en drukte de beide handen tegen haar +gloeiend voorhoofd, maar hij legde bleek en huiverend de rechterhand +op haar schouder en zeide op afgemeten, drogen toon, als ware zijn +stem van haar klank beroofd: "De ingewijden verlangen dat hunne +leerlingen proeven ondergaan, alvorens zij de toegang verleenen tot +het mysterie. Wel zijn wij in Egypte, maar het komt mij toch vreemd +voor, als dit op de liefde wordt toegepast. Maar dat alles komt niet +uit uzelve. Wat gij 'wijsheid' noemt, is de stem der abdis uit het +klooster daarginds!" + +"De stem der bezonnenheid," hernam Paula zacht. "Het verlangen des +harten had deze luide overstemd, en ik dank het aan die vriendin." + +"Wat dankt gij haar?" vroeg de jonkman, diep verontwaardigd. "Om dezen +nietswaardigen dienst moest gij haar verwenschen, gelijk ik thans +doe. Kent zij mij eenigermate? Heeft zij ooit een woord uit dezen mond +vernomen? Als die neuswijze, die oververstandige beheerscheres der +nonnen wist hoe het er hier binnen uitziet, zou zij u anders hebben +geraden. Reeds als kind heeft men mij door vertrouwen en liefde er +toe gebracht het moeielijkste te volbrengen. Wat ik ook misdreven heb, +welwillend vertrouwen heb ik nooit geschonden. En wat u betreft, gij +wijze en bezonnene, zoo had ik, zalig door uwe liefde en alleen op +uwe goedkeuring bedacht, trotsch en gelukkig, dat ik ook uw laatsten +twijfel had overwonnen, voor u zon en sterren uit den hemel kunnen +halen en elke beproeving lachend in het aangezicht durven zien.--Maar +zoo, zoo! In plaats van mij te verheffen vernedert gij mij, stelt ge +mij voor mijzelven aan den schandpaal! Eén met u zou ik u vooruit +zijn geijld naar de sferen des lichts, waar de volmaaktheid woont; +maar zoo, zoo?--Welk eene taak, uwe koele liefde door goede daden +als met olijfboomenhout er toe te brengen om in vlam te geraken! Welk +eene bezigheid voor een man, zich voor zijne geliefde te onderwerpen +aan een proef! Dat is eene foltering, die mij tegen de borst stuit, +mij beleedigt, die ik niet kan verdragen, waartegen alles hier binnen +in verzet komt, waarvan gij zult en moet afzien, wanneer het waar is +wat ge mij zegt, dat gij mij lief hebt!" + +"Ik heb u lief, ja ik heb u lief!" riep zij buiten zichzelve van +aandoening, terwijl zij zijne handen greep. "Misschien hebt gij +gelijk. Ik ... mijn God, wat zal ik doen?--Vorder thans geen ja of +neen! Ik ben niet in staat om over het eenvoudigste te denken! Gij +ziet het, hoe ik lijd!" + +"Dat zie ik," antwoordde hij, terwijl hij medelijdend het oog sloeg +op haar bleek gelaat en zag hoe smartelijk zij het voorhoofd fronsde, +"en omdat het dan zoo zijn moet: tot heden avond! Zoek nu wat rust +en zorg voor uwe gezondheid,--maar dan..." + +"Dan, gedurende de vaart, op de vlucht," zeide Paula, "herhaalt +gij voor de abdis, wat gij mij zoo even hebt gezegd. Zij is eene +voortreffelijke vrouw; zij zal u leeren liefhebben en begrijpen, +dat weet ik. Ook het woord geeft zij u zeker terug..." + +"Welk woord?" + +"Dat ik haar gaf, niet eer de uwe te zullen worden..." + +"Voor dat ik de proef van de oningewijden heb doorstaan?" zeide +Orion gramstorig de schouders ophalend. "Ga nu wat rusten, ga! Wat de +schoonste ure van ons leven had moeten zijn, dat heeft eene vreemde +gemaakt tot eene droevige en onzalige. Gij zijt van uzelve, ik ben +van mij zelven niet zeker. Wat wij hier thans nog verder spreken, +daaruit kan voor u zoo min als voor mij iets goeds voortkomen. Ga +wat rusten, en vergeet in den slaap uwe smart. Wat mij betreft, +ik wil trachten te vergeten, ik wil... O, als gij wist hoe het hier +binnen uitziet! Vaarwel, tot een vriendelijker en gelukkiger weerzien, +ofschoon ik er nauwelijks op durf hopen." + +Hierop keerde hij haar ijlings den rug toe, zij echter liep hem +klagende na: "Orion, vergeet het niet, Orion, gij weet dat ik +u liefheb!" + +Doch hij hoorde haar niet meer, en liep zonder in het huis van Rufinus +terug te keeren, met haastige schreden de straat op. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + +Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan +neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat +was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor +zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene +derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden, +en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was +voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze +hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om +zijn verstand te verliezen.... Doch hij kon niet terug, hij had zich +tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig +avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres +van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in +tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw. + +Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn +kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de +edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg +hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een +bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was +gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en +gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar +het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht, +zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het +op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van +Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke +tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank, +langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht, +gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol +en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in +de snaren, dat hun geweldig trillen en ruischen deed denken aan de +weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel. + +Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met +dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde +oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld +had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den +drempel toe: "Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg +van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb +het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator +Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina, +zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te +bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht +zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat +hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg +laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde +zijn!" + +"Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!" zeide Orion, die de luit uit de +hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. "Waarachtig hij is +het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk +te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te +Memphis! Bij Zeus"--zoo zwoeren de christelijke jongelieden van +hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd--"bij Zeus, +ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij +zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het +nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar +mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de +gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor +de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige +kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf +terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten +aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed +zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er +ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat +in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!--Doch maak +nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,--of +neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat +ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem, +dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel." + +De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren +ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich +naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls en veel van de hartelijke +ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven +echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij +vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe +ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen; +doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om +zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad +om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden +te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet +kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de +overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de +verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel +toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw +Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam +en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste +kostelijke geschenken ontvingen. + +Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne +Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van +het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en +deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis +van dezen wenk: "twee uren voor middernacht wordt gij verwacht," +verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het +vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden, +wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te +moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder +zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis +onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond +nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten, +en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen +zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam. + +De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw, +dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de +stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte +de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin +en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het +geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra +hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk +had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk "welkom" toe, +en ging daarna snel in het vertrek terug. + +"Daar is hij," zeide hij tot zijne gade, die slechts met de +noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zich door +een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker +met vruchtensap aan de droge lippen bracht. + +"Wel komaan, dat is goed!" antwoordde de matrone en beval hare kamenier +zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden +kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig +vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den +divan was opgesprongen, en vroeg: "Wilt gij, dat hij u hier dadelijk +zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken +en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?" + +"Dat zal wel het beste zijn," antwoordde zij tot wie de vraag werd +gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij +angstvallig vervolgde: "Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud, +maar die dwaasheid, die dwaasheid..." + +"Neemt toe!" zeide de matrone lachende, "of wordt zij met de jaren +minder? Doch daar zal hij reeds zijn." + +De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw +Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de +richting wees, zeide zij: "Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve +God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!" + +Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste +begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien, +dat zij zich innig verheugden over dit wederzien. + +Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: "Mij ook een kus!" en +nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde +zij zuchtende: "O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw +beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen +tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als +boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!--Maar Syra, +Syra! Om godswil nog zoo'n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk +uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die +wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen +van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed +te zijn.--Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel +voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige, +aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen +er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig +staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië +gehoord!" + +Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar +voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming +over den dood van den Mukaukas bij de hare. Het was een aangenaam, +vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen, +die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis +verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met +hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen +van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd, +om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke +menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel, +die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne +bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare +waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte +dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke +gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een +gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig +leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit +aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen +hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker +dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het +versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen, +om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er +hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken; +en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan +het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen +kring bijzonder behagen schepten. + +De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora, +de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar +gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was +de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in +beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze +was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee +jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses +die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den +strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in +staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide +nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen +gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en +zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en +weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende +hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun +smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te +bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodora had +het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar +verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de +toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot +uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield +het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan, +want Heliodora had haar echtgenoot, den neef van den senator, tot +aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en +bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar, +die "het haar gedaan had," de gelegenheid had aangeboden om de jonge +weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en +te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen +de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina +eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de +geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen. + +Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht +ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een +Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere +geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen +inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan +den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden +in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige +vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat +inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen +opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize, +de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren +oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest +brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te +kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze "biddende", +moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar +was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame +gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen +en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en +voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude +Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te +bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond +in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin +kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet +altijd in den smaak van iedereen. + +Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren +bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en in Memphis de plagerij, +die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen +worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg +inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren +zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man +haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond, +bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen +eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond +toebereidselen gemaakt tot de verhuizing. + +Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht +Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een +der schitterendste en beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad +gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen +dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken +kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich +gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij +bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar +teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij +hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding +mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op +zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de +overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn, +maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat, +gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij +van hem verwachtten. + +De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was +der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een +onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam +als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven +naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk +een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand +aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte, +zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door +de muzelmannen veroverde land. + +Paulas naam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan +haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in +zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden +te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn, +sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en +zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed +hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest +verloopen. De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde +niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met +Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens +uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens +waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf +te brengen. + +De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide +mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: "Mijn +senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig +voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De +goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de +bevrijding van den jongen te zullen zorgen.--Luister naar mij, Orion, +en laat die dwaze streek varen." + +De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen, +toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk +hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want +Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en +Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De +verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke +slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van +het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar +nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen, +waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een +welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat +viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming. + +Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel +beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven +en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat +ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp +dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij +echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles +zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem +vroeg: "Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is," +antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen, +"helaas, ook dan!" + +"Dat zullen we zien," hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met +ernst vervolgde: "Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn +bijzonder karakter uitmaakt en wat hem goed staat: zoo hebt gij uw +beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te +blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is +juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees +u zelf, ook in dit geval!" + +"Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid +wanneer goedhartige vrouwen..." + +"Als oude vrienden u smeeken," verbeterde zij snel; doch voor zij +verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: "Lieve God, +man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed +van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als +stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu, +groote Sesostris"--zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur +was--"nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb +medegebracht. Eerst deze ring," en daarbij overhandigde zij hem een +kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid +bezet, "en dan--neen, neen, nog geen dank--en dan... Het ding is nogal +groot, en bovendien... Volg mij maar." Met deze woorden liep zij uit +de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van +de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had, +opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een +vluchtig: "Ziedaar, daar hebt gij het" over den drempel. + +Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de +ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte; +hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en +de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van +eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van +onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht. + +Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij +bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een +zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte +en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het +venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van +deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet +herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde +werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had +zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met +eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik +lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar +man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: "Alles is goed, +alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem +getroffen. Let op--daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd." + +"Mijn zegen erop," antwoordde de senator, "maar bruiloft of geen +bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt, +dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ik heb gezien dat +ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen, +en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne +te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op +het hart gedrukt...." + +"Dat zij hem vasthoudt?" zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij +nagelt hem hier vast, als het zijn moet." + +"Nu dat is goed!" hernam Justinus. "Maar vrouw, het past toch +inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen +zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor, +hare moederlijke patrones." + +"Lieve hemel!" antwoordde Martina. "In ons huis hebben zij ook geene +getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme, +verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het +wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen +ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier +nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets +eene bedevaart doe naar de heilige Agathe." + +"En ik slechts op één schoen!" verzekerde de senator, "want--alles +wat betamelijk is--dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen +te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te +zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe...." + +"Dadelijk, dadelijk!" antwoordde de matrone. "Maar eerst nog even +hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen +twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode +Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis, +de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij +de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht." + +"Ik ook," hernam Justinus. "Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens, +dan mag Dora van geluk spreken." + +"Dat zou ik meenen!" zeide vrouw Martina. "Maar hare villa behoeft +zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen, +dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses, +er het leven niet af brengt--want twee jaren als slaaf te dienen, +dat wil wat zeggen--dan zou ik in staat zijn...." + +"Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede +hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!" + +"Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij +zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde...." + +"Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans..." + +"Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden +te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij +teruggezonden worden." + +"In geen geval; maar Martina..." + +"Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen..." + +"Als hij maar hier blijft!" + +"Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?" + +"Dan zou ik wel een gek zijn!" zeide de senator lachend. "Krijg +ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde, +thans gaat ge, om naar beiden te zien!" + +Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de +weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne +schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof, +noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte, +noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen +was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid. + +Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar +aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid +was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door +zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten, +had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende +vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten, +ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde, +in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl +zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden, +om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde, +dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte +te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond +met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het +oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest. + +Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken, +waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare +waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen +zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene +magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem +weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist +dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo +wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een +hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige +liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstig allerlei +grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te +beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht, +het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om +zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij +haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die +vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige +ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo--hij kon het +zich niet ontveinzen--zoo 'vergood' te worden. En hoe aanminnig, +hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen +die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde +roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel +riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede +zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij +hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor +hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit. + +In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten +minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de +verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd, +of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke +stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde +dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat +zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was +het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken, +en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had +hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze +geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel +was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid. + +Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had +medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die +een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord +te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor +zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden, +waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en +hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht, +wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen +in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van +de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te +gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene +wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden +voor te vinden. De oude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij, +Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid, +zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar +en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij +hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er +bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen, +terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer, +licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk +geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon +heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis +gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet +mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn +naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus +zich van die taak kwijten zou. + +Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur +klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat +straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig +gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij +slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit, +dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst +der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om +zijne lippen speelde toch een ernstig lachje. + +Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek, +dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens +opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte, +de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en +hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was +gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het +huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet +te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust +noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan. + +De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina's voedster, +was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem +opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder +gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap +was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem +met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid +zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone, +voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets +buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waard was de oogen wijd te +open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk +paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden +van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte +in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame +eigenlijk de "andere" was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met +de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar +in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke +trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij +had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten +haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren, +die hij bedroog. + +"Hij blijft!" had Heliodora reeds van den drempel de matrone +toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig: +"Dat God het u loone!" + +Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht; +doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal, +en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan, +wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion: +"Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?" + +Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten +bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en +deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze--want +zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen--dat zij der +matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken +haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had, +zeide vrouw Martina: "Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas +uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!" + +"En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van +geheel Egypte," voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat +Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij +lachend voort: "mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch +wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet +bij elkander." + +Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf +hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus +te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten, +alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die +hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene +man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion +als een zoon te omarmen. + +Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten +bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden +morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij +haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan, +en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden +gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen +tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing +bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht +naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige +dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu +voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen, +en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen. + +Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk +op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen +dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten, +die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen +had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan +éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden +had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad, +en terwijl hij ze in het was grifte, had hij met ontevredenheid over +zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde, +was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een +einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen, +vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem +aan de jonge weduwe verbond. + +De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen +zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote +voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met +hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden +mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan +haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren +zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar, +zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij +naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had +het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne +moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het +dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een +weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de +arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder +alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter, +en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren +was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en +meer gelenigd. + +Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug, +maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij +alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het +Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige +Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich, +zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den +stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen, +ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen. + +Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot +zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel +als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor +beiden noodlottig worden zou. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + +De rentmeester Nilus had zich van zijn opdracht goed gekweten, +en Rufinus moest toegeven, dat Orion het zijne gedaan en de +voorbereidingen voor deze onderneming zoo voorzichtig en offervaardig +had uitgevoerd, dat zijne persoonlijke medewerking niet onontbeerlijk +scheen. Onder deze omstandigheden kon hij den jongeling nauwelijks +euvel duiden, dat hij zijn persoon ter beschikking stelde voor zijne +Byzantijnsche vrienden, maar zijn uitblijven verontrustte hem toch en +maakte hem gejaagd, minder om der wille van zich zelven en de goede +zaak als om Paula. Want het was noch hem noch zijne vrouw verborgen +gebleven, hoe haar hart tot den jonkman werd getrokken. Vrouw Johanna +ging het uitblijven van den jongen man nog nader ter harte dan hem, ja +zij had het liefst haar man geheel teruggehouden van de onderneming, +welker gevaren thans voor haar angstig gemoed vertiendubbeld +werden. Maar zij wist dat zij eerder den Nijl kon doen terugvloeien, +dan hem afbrengen van de belofte, die hij der abdis had gegeven, en +zoo dwong zij zichzelve althans oogenschijnlijk kalm te blijven. In +Paulas tegenwoordigheid verklaarde Rufinus, dat Orions uitblijven +gerechtvaardigd was en roemde zeer de vrijgevigheid waarmede hij +voor de Nijlboot en het zeeschip gezorgd, en de uitstekende mannen +die hij in zijne plaats gesteld had. Pulcheria verblijdde zich in de +onderneming haars vaders en het liefst ware zij meegegaan, om hem +te helpen hare dierbare nonnen te redden. De opzichter van de werf +was niet enkel met zijne zonen, maar met nog drie andere Grieksche +geloofsgenooten en handwerksgezellen verschenen, die bij den lagen +waterstand, waardoor de scheepvaart thans zeer beperkt was, zonder +werk rondliepen. Gaarne namen zij deel aan zulk eene goede zaak, +die bovendien beloofde winstgevend te zijn, daar Orion den ouden +meester rijkelijk van geld had voorzien. + +Met de koelte, die na zonsondergang inviel, was er verbetering +gekomen in Paulas toestand. Zij begreep waarlijk niet wat zij van +Orions uitblijven te denken had. Nu eens maakte zij zich angstig, +dan weder verheugde zij zich, want misschien bleef hij bewaard voor +groote gevaren. Zij had hem in de eerste dagen na zijn terugkeer uit +Konstantinopel de goedheid en de gastvrijheid van het senatorenpaar +hooren roemen, terwijl de Mukaukas, wien alle herinneringen aan +de hoofdstad dierbaar bleven, met hem instemde. Het moest hem lief +zijn juist aan deze vrienden zijn bijstand te verleenen, en Nilus, +die haar van ganscher harte was toegedaan, had bijzonderen nadruk +gelegd op Orions groet aan haar. Mogelijk kwam hij morgen, en hoe +meer zij terugdacht aan zijn woord, dat hij vriendelijk vertrouwen +nog nimmer bedrogen had, des te levendiger gevoelde zij zich gedrongen +om, in strijd met den raad der abdis elke bedenking te laten varen de +neiging haars harten te volgen en vol vertrouwen en zaligheid reeds +nu de zijne te worden. + +De afnemende maan was nog niet opgegaan en de nacht duister, toen de +nonnen begonnen op te breken. De groote Nijlboot kon, bij den lagen +stand van den stroom, alleen op tamelijken afstand van den oever, +bij den kloostertuin landen, en de zusters, die zich verkleed hadden +als Egyptische boerinnen, moesten een voor een aan boord gebracht +worden. Men wilde de abdis het laatst door het slikkige oeverwater +dragen en de oude opzichter van de werf had zich voorbehouden haar +dezen dienst te bewijzen. Vrouw Johanna, Pulcheria, de voedster en +ook de orthodoxe Grieksche opvoedster Eudoxia stonden rondom haar, +terwijl zij Paula bij het geven van den afscheidskus toefluisterde: +"God zegene u, mijn kind! Hij blijft nu bij u en dus zal het dubbel +noodig zijn aan uwe belofte indachtig te zijn," en toen Paula haar +fluisterende antwoordde: "Ik ben hem in de eerste plaats vriendelijk +vertrouwen schuldig," hernam de abdis: "En aan uzelve standvastigheid +en voorzichtigheid." + +Rufinus bleef het laatst aan den oever staan, terwijl zijne vrouw en +dochter hem omarmden. "Neem een voorbeeld aan dit arme kind!" zeide +de grijsaard tot zijne gade, terwijl hij haar innig aan zijn hart +drukte. "Zoo waarachtig de mensch de maatstaf is aller dingen, oudje, +zoo zeker moet het ditmaal best met mij afloopen, wanneer de eeuwige +liefde daarboven niet sluimert. Tot wederziens, allerbeste vrouw, en +wanneer uw dwazen man eenig kwaad overkomt, erken dan altijd dat hij +het zich op den hals haalde, om een paar dozijn onschuldige menschen +voor het ergste te vrijwaren. In elk geval blijf ik op den weg, dien +ik mij heb aangewezen. Maar waarom is mijn Philippus niet hier bij +het afscheid?" + +Vrouw Johanna begon bitter te weenen en zeide: "Dat, ook dat is +zoo treurig! Hoe komt het, dat hij zoo van ons vervreemdt en juist +nu?--Ach man, als gij mij lief hebt, neem dan Gibbus mede op reis?" + +"Ja, heer, neem mij mede," voegde de gebochelde hovenier er +bij. "Tegen den tijd dat wij terug zijn stijgt de Nijl zeker en +intusschen kunnen de bloemen ook zonder mijne hulp verdorren. Ik heb +heden nacht gedroomd, dat gij een roos hadt afgebroken van den bult +hierachter. Zij zat er midden op als de knop op het deksel van een +pot. Dat heeft wat te beteekenen, en laat ge mij achter, wat wordt +er dan van de roos, dat wil zeggen, wat goeds kan ik dan voor u doen?" + +"Draag dan, wat mij betreft, uw zonderling bloembed mede op het schip," +zeide de oude lachend. "Zijt gij nu tevreden, Johanna?" + +Nu omarmde hij haar en Pulcheria nog eens, en toen hem daarbij eene +traan uit het oog zijner vrouw op de hand viel, blies hij haar in +het oor: "Gij zijt de roos van mijn leven geweest, en zonder deze +geen heerlijk eden, geen paradijs." + +De groote Nijlboot stak van wal naar de diepere bedding van den stroom +en de duisternis onttrok hen weldra aan de oogen der achterblijvende +vrouwen. Het gelui der kloosterklok klonk de vluchtelingen achterna, +het waren Pulcheria en Paula die deze in beweging brachten. + +Geen windje woei er, zelfs het kleine zeil van het +stroomafwaartsvarende Nijlschip kon niet uitgezet worden, maar de +matrozen haalden de riemen aan met alle kracht en zoo gleed het +schip al verder en verder naar het noorden. De ervaren kapitein +stond met een boom op de plecht van de boot, om de diepte te peilen; +zijn ervaren broeder zat aan het roer. Het wenden van de boot ging +moeielijk bij dezen lagen waterstand, en ook de beste kenner van den +stroom kon gemakkelijk op onbekende ondiepten stooten, ontstaan door +nieuw slik, dat bij den geringen waterafvoer zich had vastgezet. Toen +de maan nauwelijks was opgegaan, zat het vaartuig dan ook eenige +stadiën onder Fostat vast, en de matrozen moesten te water, om het +onder luid gezang, met inspanning van al hunne krachten weer los te +wringen en vlot te krijgen. Zulk een oponthoud volgde meermalen tot +zij te Letopolis waren gekomen, waar zij bij de verdeeling van den +stroom, zoo mogelijk ongemerkt, de tolwachters voorbij moesten. Tegen +alle verwachting bleef het groote vaartuig onzichtbaar in de nevels, +die vóor zonsopgang van het watervlak opstegen. Zoowel de kapitein +als de manschappen, schreven dit toe aan de voorbidding van de vrome +zusters, en met nieuwen moed bezield stuurden zij het schip in den +Phatmetischen Nijlarm. + +Bij helder daglicht waren de ondiepten gemakkelijk te ontwijken, maar +hoe smal was de waterader, die anders in deze maand zoo verbazend kon +zwellen! De boschjes van papyrusriet aan den zoom van het stroombed +stonden hier en daar op drogen bodem en hun spichtig groen was voor +een deel in geelachtig stroo veranderd. Het weeke oeverslib was tot +eene steenachtige massa verhard, en een witachtige stof werd daarover +gestrooid door den zachten westenwind, die begon op te steken, zoodat +men een zeil kon spannen. Op vele plaatsen was de grond gebarsten +en diepe spleten liepen er door de zwartachtige oppervlakte, die +als dorstige kelen ten hemel gaapten, begeerig naar drenking. De +schepraderen stonden op drogen bodem bezijden den stroom, die zich +uit hunne nabijheid had teruggetrokken en de akkers, die nog kort +geleden door hen begoten waren zagen er uit als de dorschvloer, +waarop men de vruchten dorscht, die zij gedragen hebben. De dorpen +en palmboschjes waren gehuld in een dichten damp, waardoor de heete +zonnestralen schitterden met geelachtigen glans, en de wandelaars op +de hooge dammen langs den oever, sleepten met gebogen hoofden hunne +voeten voort door het zware stof van den weg. + +De zon goot meedoogenloos haar brandenden gloed van den wolkenloozen +hemel uit over de aarde, den stroom en de vluchtende nonnen, die witte +doeken over hunne hoofden hadden uitgespreid en in doffe gevoelloosheid +haar verder lot afwachtten. De aarden kruik met Nijlwater ging van +de eene hand in de andere over, doch hoe meer zij dronken, des te +hooger steeg het onaangenaam gevoel en het verlangen naar nieuwe +verfrissching. Op het etensuur keerden de schotels bijna onaangeroerd +naar de kleine kajuit terug. De abdis en Rufinus zochten de zusters +moed in te spreken, doch in den namiddag werd ook de grijze abdis +door een flauwte overvallen. In de kleine, bedompte kajuit, waarin +zij zich terugtrok, was het echter nog minder uit te houden dan op +het dek. Zoo verliep een lange, pijnlijke dag, de heetste die de +matrozen zich konden herinneren. Nochtans leden dezen er het minst +onder, hoewel zij met wonderbare volharding van den vroegen morgen +tot den laten avond aan de riemen zaten. + +Eindelijk volgde de avond op deze schrikkelijke namiddaguren. Toen zich +even voor zonsondergang een koeler windje verhief en de voorhoofden +verfrischte, waarop de zweetdroppels parelden, ontwaakten de +neergedrukte en gemartelde vrouwen tot een nieuw leven. Dat pijnlijk +gevoel van het oogenblik had hen zoo beheerscht, dat zij onvatbaar +waren voor vrees of hoop en geheel buiten staat, om over de toekomst +te peinzen. Maar thans begonnen zij te denken aan den langen weg, +dien zij hunne vervolgers vooruit waren. De avondmaaltijd smaakte de +hongerenden, de abdis onderhield zich vriendelijk met den wakkeren +opzichter van den scheepstimmerwerf en begon met Rufinus een ernstig +gesprek aan te knoopen over Paula en Orion. De wensch van de oude +vrouw, om Orion een proeftijd op te leggen, wilde den ouden heer niet +bevallen. Aan de zijde van zulk een geliefde zou hij ook zonder dat +de degelijke jonkman toonen te zijn, waarvoor hij hem hield, ondanks +zijn wegblijven. + +De gebochelde hovenier bracht met zijne grappen de jongere nonnen aan +het lachen, en na den maaltijd vereenigden de zusters zich tot een +gemeenschappelijk gebed. Ook de roeiers gevoelden zich krachtiger en +levenslustiger, en het was goed dat maar enkele onder de Grieksche +nonnen Egyptisch verstonden, want een grappenmaker onder de matrozen +begon een liedje te zingen op de schoonheid van zijn liefje, dat niet +voor vrouwenooren gemaakt was. + +Al pratende dachten de zusters aan die zij achterlieten en menigeen +sprak vol hoop over het wederzien, dat hun in het vaderland wachtte, +maar eene oudere non verbood hun dit; want het was zondig, Gods genade +vooruit te loopen, en waar men zijne hulp nog zoo noodig had, te +spreken, als had hij haar in zijne barmhartigheid reeds verleend. Zij +moesten beangst zijn en bidden, want zijzelve wist bij ervaring dat +een dreigend onheil dan alleen ten beste wordt gekeerd, wanneer men er +zeer voor gevreesd heeft. Daarop begon eene andere zuster te berekenen, +of de vervolgers haar te voet of te paard zouden inhalen, en daar dit +laatste haar zeer mogelijk voorkwam, klopte hare harten weder beangst. + +Doch daar ging de maan op en wat zich aan den zoom van den Nijlarm +verhief en zich in de gladde watervlakte weerspiegelde, nam weder +bepaalde vormen aan, en verloor daardoor het schrikaanjagende, dat de +gemoederen beklemde. Hoe verder zij voeren, des te dichter schenen +de papyrusboschjes langs den oever. Duizenden vogelen nestelden +daarin, maar zij sliepen allen, en eene diepe, tastbare duisternis +was zwijgend over het landschap uitgespreid. Als een reuzenlotus, +te midden van kleine, geurige lotusbloemen, die zij in glinsterende +blankheid nog overtrof, dreef het spiegelbeeld van de maan over het +donkere water. Het schip liet een lichtende streep achter zich, en na +elken riemslag schitterde het op den vloed en de zachte lichtstralen +weerspiegelden in glinsterende druppels. In de donzige pluimen van +de toppen der slanke papyrusstengels speelde het schijnsel der maan, +een dunne sluier als van fijn violet zilverbrokaat omhuifde de boomen, +en dagschuwe uilen vlogen met gelijkmatigen, onhoorbaren vleugelslag +van den eenen top naar den ander. + +De betoovering van dezen nacht bij maneschijn greep ook de zielen der +nonnen aan. Zij staakten hare gesprekken; doch toen zuster Martha, de +jonge nachtegaal van het klooster, een vroom gezang aanhief, volgden +de anderen haar ongenoodigd. De schertsende liederen der matrozen +verstomden, en zacht als het wandelend maanlicht omzweefden het stil +voortglijdende schip de psalmen en hymnen der maagdelijke zusters, +die de hulp des Allerhoogsten inriepen. Urenlang en, wijl de komeet +aan den hemel stond, met bijzonderen ijver, gaven zij zich over aan +de geruststellende zielsverheffende vreugde van het zingen; doch +langzamerhand verloren die stemmen haar kracht, en zacht, droomerig +vermoeid ging met den stillen loop van den stroom haar vreedzaam lied +zeewaarts. Ieder zag voor zich of richtte het oog dweepend nu eens ten +hemel, dan weder naar het tintelende water en de lotusbloemen aan zijne +oppervlakte. Niemand lette op den oever, ook de mannen niet, die door +het zacht gezang in slaap waren gewiegd of meer droomden dan waakten. + +De blik van den kapitein was op het bed van den stroom gericht, +toch bespeurde hij, toen de morgen niet ver meer was, aan den +oostelijken oever van tijd tot tijd bliksemende lichtstralen achter de +rietboschjes; toch was het of er nu en dan in het riet iets ruischte en +knakte. Zou er een jakhals in de dichte massa der woekerplanten zijn +gebroken, om het nest van een watervogel te overvallen, of zocht een +hyena zich door de rietstengels baan te breken? Die flikkerlichten, +dat knakken en nu weer die doffe slagen op den harden grond, dat +alles volgde de boot in dezen nacht als een haar onheilbrengende, +lichtende en hoorbare schaduw. + +Opeens verschrikte de aanvoerder en richtte hij zijn blik naar het +oosten. Wat was dat? Misschien weidde er eene kudde runderen op de +akkers achter het riet, mogelijk waren het twee stieren, die met de +horens tegen elkaar stieten. De vloed was zoo laag en zijne oevers +zoo hoog, dat men volstrekt niet kon waarnemen wat daar gebeurde. Maar +eene schelle stem riep hem en de gebochelde hovenier zeide op gedempten +toon: "Dáar, dáar... daar flikkert het weer, en... ik wil mijn eigen +neus opeten, als dat niet... daar weder... Barmhartige God, ik vergis +mij niet; het is paardengetrappel! En daar... dat was hinniken. Ik +ken het... daar begint het in het oosten te dagen. Bij alle heiligen, +wij worden vervolgd!" + +De kapitein zag met inspanning van al zijne zintuigen in de richting +van het oosten, en nadat hij een tijd lang gezwegen had, zeide hij +op zeer beslisten toon: "Ja!" + +"Zoo stelt de vogelaar een net voor een zwerm kwartels," zeide de +hovenier met een zucht; doch de ander gaf hem knorrig door een teeken +te verstaan, dat hij zwijgen zou en tuurde opmerkzaam rond. Daarna +beval hij den bultenaar Rufinus en de werklieden te wekken, en de +nonnen in de kajuit te brengen. + +"Zij zullen zich daar voelen als ingelegde dadels, die men in +doozen naar Rome stuurt," prevelde de hovenier in zichzelven, +terwijl hij Rufinus ging opzoeken. "Arme zielen, haar heilige moge +ze voor stikken bewaren! En ik, in waarheid, als vrouw Johanna niet +zulk een trouwe ziel was op twee beenen, en ik niet gezworen had +bij mijn meester te blijven, dan sprong ik nu in het water, om een +tijdlang de gastvrijheid van de flamingos en ooievaars in het riet +te genieten. Men moet zichzelven kunnen vernederen!" + +Terwijl hij zijn last volbracht, overlegde de kapitein met zijn broeder +aan het roer. Er was in de nabijheid geen brug en dat was goed. Als die +ruiters daar ginds vervolgers waren, dan moesten zij door het water, +om bij hen te komen, en nauwelijks drie stadiën stroomafwaarts werd het +rivierbed breeder en vloeide de stroom door eene moerassige streek. Het +eenige diepe vaarwater was aan den westelijken oever, en mannen te +paard, die daar heen komen wilden, stelden zich bloot aan het gevaar +om in het slib weg te zinken. Gelukte het hen tot zoo ver te komen, +dan was er veel gewonnen. Moedig en op ernstige dingen voorbereid, +spoorde de schipper de matrozen aan om alle krachten in te spannen, +en weldra dreef het vaartuig dicht langs den westelijken oever van +den vloed en was van de oostelijke door eene breede uitgestrektheid +slib gescheiden. + +Het begon nu te dagen en de oostelijke hemel verfde zich bloedig rood, +als wilde hij vooruit verkondigen, dat deze morgen bestemd was om +een geweldigen strijd en gapende wonden te zien. Het zaad van het +kwikstaartje begon te kiemen. De Wekil had op uitnoodiging van den +bisschop eene bende ruiters de nonnen achterna gezonden met het bevel, +de vluchtelingen naar Memphis terug te voeren en die haar begeleidden +gevangen te nemen. Daar de boot de tolwachten ongemerkt voorbijgekomen +was, hadden de ruiters zich moeten verdeelen, om ook langs den +anderen Nijloever te zoeken. Twaalf ruiters waren den Phatmetischen +arm gevolgd en deze waren naar alle berekening voldoende, om een paar +dozijn vrouwen en een hand vol matrozen, die waarschijnlijk wel geen +pogingen zouden doen, om zich te verweren, gevangen te nemen. De Wekil +had geen kennis gedragen van de aanwezigheid van den werfopzichter en +de zijnen. De vervolgers waren omstreeks den middag van den vorigen +dag opgebroken en hadden een paar uren voor het aanlichten van den +dag het schip in het gezicht gekregen. Doch hun aanvoerder achtte +het raadzaam den aanval eerst te ondernemen bij helderen zonneschijn, +opdat niemand ontvluchten mocht. Hij en zijne lieden waren Arabieren en +goed bekend met de richting van den Nijlarm, dien zij volgen moesten, +doch niet nauwkeurig met de eigenaardigheden ervan. + +Zoodra de morgenster was ondergegaan, verrichtten de muzelmannen +hun ochtendgebed en kwamen daarna achter de papyrusboschjes te +voorschijn. Hun aanvoerder bracht de handen als spreekbuis aan den +mond en riep de afvarenden toe, dat de boot moest stilhouden. Hij +kwam op last van den stadhouder en had bevel gekregen die naar +Fostat terug te voeren. De vluchtende schenen hem inderdaad te willen +gehoorzamen, want de roeiers hielden de riemen in. De kapitein had +in den spreker den aanvoerder van de veiligheidsbeambten in Fostat +herkend, een streng man, en eerst nu werd het hem duidelijk in welk +eene levensgevaarlijke onderneming hij zich had gestoken. Gewoon, +om zich naar de bevelen der overheid te voegen, hare beambten wel te +misleiden, maar haar zoo min als het noodlot te weerstaan, verklaarde +hij het voor waanzinnig, om weerstand te bieden; er bleef niets anders +over dan zich te onderwerpen. + +Doch Rufinus weersprak hem levendig en bracht hem aan het verstand, +dat dezelfde straf hem wachtte, hetzij hij de wapenen neerlegde of +zich verweerde; en de oude opzichter van de werf riep vol vuur hem +toe: "wij hebben uw boot gebouwd en ik ken u, Setnau; gij zult geen +Judas voor ons worden en wilt gij het toch zijn, dan vloeit hier op +dit dek christenbloed, voor wij de ongeloovigen de tanden toonen." + +Doldriftig, terwijl zijn zuidelijk bloed begon te koken, sloeg +de kapitein zich tegen borst en voorhoofd, schold zichzelven +een bedrogene, een verloren man, en beklaagde zijne arme vrouw en +kinderen. Doch Rufinus maakte aan dat razen een einde; hij had met de +abdis gesproken en drukte den ongelukkigen man op het hart, dat hij +van de ongeloovigen in geen geval genade had te wachten, maar dat hij +gemakkelijk op christelijken bodem voor zich en de zijnen een goed +en zeker heenkomen kon vinden. De abdis beloofde hem, dat zij hem +en zijne familie mede zou nemen op het zeeschip en aan land zetten, +waar hij het begeerde. + +Setnau dacht aan zijn broeder op Cyprus; doch het gold thans zijn huis +en tuin in Dumiat, waar thans aan een vijftal palmboomen de vruchten +rijpten, het gold, zijne nieuwe en stevige Nijlboot, waarmede hij voor +zich en de zijnen het brood verdiende, op te geven, en toen hij dit +den grijsaard voorhield, biggelden bittere tranen langs zijne bruine +wangen. Doch Rufinus verklaarde dat hij, wanneer het gelukte de nonnen +te redden, op schadeloosstelling aanspraak had. Hij kon dan zelf de +waarde van zijn have en goed opgeven, en men zou hem alle verlies uit +den kloosterschat, die in de zware kist aan boord was, niet alleen +vergoeden, maar hem bovendien nog eene mooie som uitbetalen voor al +wat hij had doorstaan. + +Hierop wisselde Setnau een veelbeteekenenden blik met zijn broeder, +die ongehuwd was, en nadat hem was toegezegd, dat ook deze eene +plaats op het zeeschip zou ontvangen, gaf hij den ouden man zijne +rechterhand. Daarop schudde hij zijne leden als had hij wat af te +werpen dat hem knelde, duwde het lederen kapje op zijn geschoren hoofd +vermetel opzij, richtte zich in al zijne lengte op en riep den Arabier, +die hem en andere Egyptenaars toch reeds meer dan eens met kwetsenden +trots bejegend had, op hoonenden toon toe, dat als hij iets van hem +hebben wilde, hij het kon komen halen. + +Het geduld der muzelmannen was al lang uitgeput, en na deze uitdaging +gaf de aanvoerder den zijnen een wenk en sprong hen vooruit in het +water. Maar weldra zonken de voorste paarden zoo diep in het slib, dat +het verder gaan onmogelijk bleek en het teeken moest worden gegeven +om terug te keeren. Daarbij steigerde een weerspannig paard en zijn +ruiter stikte in den modder. De verdedigers van het schip zagen hunne +vijanden met levendige gebaren raad houden, en de kapitein sprak de +vrees uit, dat zij het plan om de boot te nemen opgaven, maar naar +Dumiat rijden en hen daar, vereenigd met de Arabische bevolking van +die plaats, de vlucht afsnijden zouden. Doch hij had niet gerekend met +den krijgsmanstrots dezer mannen, die in ontelbare veldslagen gansch +andere hinderpalen te boven waren gekomen. De boot moest veroverd, +die er in waren moesten gevangen genomen en gestraft worden. + +Van het schip zag men hoe zes ruiters, en onder hen de bevelhebber, +van hunne paarden stegen en ze aan elkander koppelden, om daarna +met hunne slagbijlen drie hooge palmen te vellen, terwijl de vijf +anderen naar het zuiden draafden. Deze moesten zeker om het moeras +heengaan, om op een gunstiger plek den stroom over te steken, ten +einde het schip van de westzijde aan te vallen, terwijl de vijf +anderen op de palmstammen van de oostzijde zouden naderen. Aan den +rechter, oostelijken oever van den rivierarm, waar de Arabieren +het vlot maakten, lag droog akkerland, waardoor de weg naar Dumiat +liep; aan den anderen oever in de nabijheid waarvan het schip lag, +breidde het moeras zich zeer ver uit. Eene onafzienbare wildernis van +papyrusriet en biezen, dat de droogte en de zonnehitte van dit jaar +tot stroo hadden verdroogd, bedekte hier den op de meeste plaatsen +uitgedroogden en harden moerasgrond, en toen er uit het noordoosten +een krachtige morgenwind opstak, kwam de kapitein op een gelukkigen +inval. Door deze verdorde en verschroeide plantenmassa hadden zich de +vijf tegen hem afgezonden ruiters een weg te banen. Bracht men vuur +in dat stroo langs een zijkanaal, dat de vlammen verhinderde zich +noordwaarts uit te breiden, dan dreef de wind den ruiters de rook in +het aangezicht. Zij mochten van geluk spreken, als zij niet stikten +of gedwongen werden in den stroom te springen, terwijl zij reddeloos +verloren waren, wanneer de vlammen hen bij het moeras bereikten. + +Zoodra nu de scherpe oogen van den stuurman uit den top van den mast +de Arabieren een eind verder zuidwaarts den stroom zagen doorwaden, +werd het riet op verschillende plaatsen in brandgestoken en de vlammen +grepen snel en wild om zich heen. De morgenwind dreef ze zuidwaarts, +tegelijk met grijze rookwolken waarover de stralen der rijzende zon een +stroom van licht uitgoten. Als reusachtige gele en roode hagedissen +kropen, joegen en kronkelden zich de vlammen over den drogen bodem, +schoten hier op, en zonken daar neer. Zonder flikkering bij helderen +dag verslonden zij vraatzuchtig wat zij bereikten, en teekenden den weg +dien zij gegaan waren af door witachtig stof. Hun adem verhoogde de +hitte van den dag, die langzamerhand den middag naderde, en ofschoon +de rook, door den wind voortgezweept, naar het zuiden dreef, zoo +dwarrelden toch enkele wolkjes over de boot en benauwden de borst +van de nonnen en hare beschermers. + +Een groot Nijlschip kwam van Dumiat de rivier op en zag den smalle +waterweg door het andere versperd. De kapitein was een bloedverwant +van Setnau, en toen deze hem toeriep, dat het hier een strijd gold +met Arabische roovers, volgde deze zijn raad, wendde zijn vaartuig +met groote moeite en ging bij het naaste vlek voor anker, ten einde +andere van het noorden komende booten te waarschuwen, om niet in +dit gevaarlijk avontuur bekneld te raken. Die van het zuiden kwamen +afdrijven werden vooreerst door den rook en het vuur teruggehouden. + +De zes krijgslieden op den oosterlijken oever zagen met woede en +ontzetting den steeds toenemenden vuurgloed; doch zij hadden +de palmstammen reeds aan elkaar gebonden, en maakten zich +gereed met behulp van dit vlot de onbeschaamde weerspannigen de +verdiende tuchtiging te doen ondergaan. Maar dezen hadden ook +niet stil gezeten. Ieder man aan boord voerde wapenen en een der +scheepstimmerlieden was met een matroos uitgezonden om door het riet +te sluipen, verder noordwaarts den vloed over te steken, en als de +Arabieren den aanval begonnen hunne paarden af te maken, of zoo een +mocht beproeven langs den eenigen weg naar Dumiat te ontkomen, dezen +van het paard te halen. + +Daar hingen de zes aan het luchtig saamgevoegde vlot, waarop hunne +bogen en pijlkokers lagen. Zij stuwden het voor zich uit en het +bleek hun op het watervlak te kunnen dragen, terwijl hunne voeten den +slikkigen bodem maar even aanraakten. Het waren allen echte krijgers, +echte zonen der woestijn en van hun volk, kerels als had de natuur, +toen zij hen schiep, aan haar meesterwerk onder de gevleugelde +schepselen, den adelaar, gedacht. Scherp van blik, stevig en toch +fijn van beenderen, zonder overvloedige vleeschvorming aan de +gespierde ledematen, met bruine, scherp besneden, karakteristieke +aangezichten, waarbij niet enkel de gebogen neus aan den koning +der vogels herinnerde, bezaten zij ook den moed en den bloedigen +strijdlust en roofzucht van den adelaar. De magere, gespierde +linkerarm van ieder klemde zich vast aan het vlot, en met het ronde +schild in de rechterhand vingen zij, zoodra zij de boot op een +schot afstand genaderd waren, de pijlen op, die van daar hun werden +toegezonden. Woedend knarsten zij met hunne witte tanden, en ook +het kleinste ontging niet aan hun valkenoog. Zij waren uitgegaan om +te vallen, ook wanneer het schip in plaats van met een twintigtal +matrozen en handwerkslieden, door vijftig Egyptische soldaten +verdedigd werd. Het moedige hart gevoelde zich door het pantserhemd, +de schrandere sneldenkende kop door den metalen helm beschut, en met +minachting en vreugde bemerkten zij, hoe de pijlen met een matten klank +op hunne schilden afstieten. Het was de begeerten hunner ziel den dood +te brengen; den dood te ondergaan, daarvoor beefden zij niet terug, +want in het geopende paradijs zag hunne gloeiende verbeeldingskracht +weelderige vrouwen, die hen met wijd uitgespreide armen en volle +bokalen de vervulling beloofden van al hunne wenschen. + +Hun scherp oor verstond het zacht gefluister, waarmede de aanvoerder +zijne bevelen gaf, en toen zij ter zijde van het schip gekomen waren, +klemde éen zich vast aan het open venster van de kajuit, snel als +de wind sprong de aanvoerder op zijn schouder en vandaar op het dek +van het schip, nadat hij een matroos, die een bijl tegen hem zwaaide, +met een lans had doorboord. Een tweede Arabier volgde hem op den voet, +twee blanke kromsabels glinsterden in de zon, de schrille kreten van +het woedend krijgsgeschreeuw der muzelmannen doortrilden de lucht, +en als eerste offer van hun grimmigen strijdlust viel de kapitein, met +een wijdgeopende wond over voorhoofd en aangezicht, achterover op den +grond. Doch een oogenblik later stortte een zware ra op het hoofd van +den aanvoerder der muzelmannen neer en bracht hem ten val. De stuurman +had in zijne woede met dit wapen zijn gewonden broeder gewroken. + +Een akelig geschreeuw, vermengd met het gegil en gejammer der vrouwen, +vervulde het schip. De tweede muzelman verbreidde met den moed en de +kracht der vertwijfeling den dood om zich heen, en het gelukte nog +drie zijner strijdgenooten de boot te beklimmen; den laatste stieten +de aangevallenen in het water. Van de scheepstimmerlieden waren reeds +twee, van de matrozen vijf gevallen. Rufinus had zich bij den kapitein +neergezet, die hevig bloedde, maar misschien nog te redden was. Hij +legde linnen strooken over de groote, gapende wonden van den man, die +zoo straks nog bezorgd over vrouw en kind had gesproken, en dien hij +voor de zijnen behouden wilde. Daar suisde een sabelhouw op hemzelven +neder en uit zijn achterhoofd en rug stroomde het donkere bloed. Doch +ook zijn moordenaar ontging de wraak niet; de oude opzichter van de +werf velde hem met zijne zware bijl. + +Aan den oostelijken oever van den stroom maakten de uitgezonden +boden de paarden van de Arabieren af, om te verhinderen dat een die +ontkomen mocht naar Fostat zou vluchten of verder naar Dumiat rijden, +om het gebeurde te verraden. + +Aan boord van het schip werd het stiller en stiller. Alle vijf +de Arabieren lagen op het dek en de woedende matrozen maakten de +gewonden onder hen zonder erbarmen af. Een matroos, die in den mast +was gevlucht, had gezien dat de vijf andere ruiters, om het vuur te +ontkomen, juist ter plaatse van het moeras in den stroom gesprongen en +in het water verdwenen waren. Zoo had van de muzelmannen zelfs niet +één zich kunnen redden, die het lot en de poëzie zoo gaarne sparen, +om de schrikkelijke tijding te verkondigen. + +Langzamerhand waagden de vrouwen zich weder op het dek. Zij die +geoefend waren in de verpleging van kranken en gewonden schaarden +zich rondom de lijders en openden de artsenijkisten. Terwijl onder +leiding van den stuurman de vaart werd voortgezet, hadden allen +handen vol werk, en daar zij zich ijverig aan dezen arbeid wijdden, +verdroegen zij gemakkelijker de hitte van den dag. De lijken van de +vijf muzelmannen en acht christenen, waaronder zich twee der Grieksche +scheepstimmerlieden bevonden, werden in de nabijheid van een dorp, +van elkander gescheiden, aan den oever neergelegd, en de abdis +gaf den eenen een tafeltje in de hand, waarop zij de woorden had +geschreven: "Acht christenen, die uit noodweer als beschermers van +vrome vervolgden, dapper strijdende den dood hebben gevonden. Bidt +voor hen en begraaft hen, alsmede die anderen, die hen, gehoorzaam +aan het bevel van hun aanvoerder, het leven hebben benomen." + +Nadat Rufinus, wiens hoofd in den schoot van den hovenier rustte, +die hem met het scherm der abdis voor den zonnebrand beschutte, +weder tot bezinning was gekomen en rondgezien had, zeide hij met een +blik op den scheepskapitein, die naast hem lag zacht in zichzelven: +"Ik had ook eene vrouw en een lief kind te huis, en toch.... Hoe +smartelijk is dat! Het geeft niet of men zich aftobt, om zulk eene +smart te lenigen. Het eenige hier beneden wat werkelijk bestaat, +is niet de vreugde het is de smart, de ellendige lichamelijke smart, +en wanneer het bovendien daarbinnen dan nog bijt en brandt.... Water, +een teug water.... Hoe goed zou ik het nu kunnen hebben bij mijne +Johanna in onze schaduwrijke woning.... En toch, toch..... heelen, +redden, onverschillig, wie hulp behoeft.... Nog een teug.... wijn en +water, wanneer het mag, eerwaarde vrouw!" + +De abdis had bij de hand wat hij begeerde, bracht hem den beker +aan den mond, sprak hem vele hartelijke, vertroostende woorden van +dankbaarheid toe en vroeg hem wat zij, als zij ontkwamen, voor hem +en de zijnen doen kon. + +"Heb de mijnen lief," zeide hij zacht. "Pul zal nu zeker in het +klooster willen. Maar zij mag haar moeder niet verlaten. Johanna, +Johanna..." + +Meermalen herhaalde hij dien naam, alsof die welluidende klank zijn +oor en zijn hart streelde. Vervolgens schudde hij herhaaldelijk zijne +leden en prevelde: "Brrr! zoo'n koude huivering af en toe.... dat deugt +niet.... Die houw in mijn rug, die... Aan mijn hoofd doet het wel meer +pijn, maar die andere... 't Is leelijk, dat het links aankwam... Neen, +het is goed zoo; want had hij--zat het daar rechts, zoo... dan kon ik +niet schrijven, en ik wil, ik moet voor... het te laat is. Een tafeltje +en een schrijfstift! Dadelijk, dadelijk.... En als ik geschreven heb, +waardige vrouw, dan sluit gij het tafeltje goed, heel goed weg. Dat +belooft gij mij! Alleen hij mag het lezen, voor wien het bestemd +is.... Gij Gibbus! hoort gij, mijn Gibbus? Het is voor Philippus, den +arts Philippus, dien zult gij het brengen! Die droom van de roos op uw +bult.... Uit de ellende hier op aarde--verklaar ik het goed?--wassen +vrede en vreugde daarboven. Alzoo voor Philippus! En dan; te Dumiat +woont mijn oude schoolvriend, de arts Christodorus. Gij brengt mijn +lijk bij hem, Gibbus! Gij luistert toch? Hij moet het in een kist +met zand doen, om het voor bederf te bewaren, en te Alexandrië naast +mijne moeder begraven. Dan kunnen Johanna en het kind.... dan kunnen +ze mij bezoeken. Ik laat niet veel na. Wat dat alles kost...." + +"Dat is mijne zaak, de zaak van het klooster!" zeide de abdis. + +"Zoo erg is het nog niet gesteld," zeide de oude met een glimlach. "Wat +mij aangaat, dat betaal ik; het uwe behoort aan de armen, waardige +vrouw. Gij vindt hier in het taschje meer dan gij noodig hebt, +Gibbus! Maar nu.... spoedig, spoedig.... het tafeltje!" + +Toen hij het met de stift in de hand hield, dacht hij eerst een +tijdlang na en schreef toen met bevende vingers en met inspanning +van al zijne krachten. Hoe groot zijne smart was, kon men zien aan +zijn saamgetrokken mond en zijne pijnlijke blikken. Doch hij liet zich +daardoor niet afleiden, hoe vaak de hovenier en de abdis hem ook baden +de stift uit de hand te leggen. Eindelijk haalde hij vrijer adem, +sloot het dubbele tafeltje, overhandigde het aan de abdis en zeide: +"Zoo... Goed wegsluiten! Aan den arts Philippus. Aan hem alleen +eigenhandig; hoort ge, Gibbus?" + +Thans verloor hij zijn bewustzijn, doch nadat men zijn voorhoofd en de +wonden opnieuw verfrischt had, kwam hij weder bij en prevelde zacht: +"Ik heb van Johanna en het arme kind gedroomd. Zij brachten mij een +komisch masker. Wat zou dat wel beduiden? Dat ik mijn geheele leven +een nar was, omdat ik voor het leed van anderen mijzelven en de +mijnen vergat? Neen, neen! 'Zoo waar de mensch de maatstaf is aller +dingen,'--als dat zoo ware, dan zou dwaasheid het ware en rechte +zijn.--Ik, ik.... mijn wil, het doel waaraan mijn leven gewijd was...." + +Hier bleef hij steken, daarna richtte hij zich plotseling in de hoogte, +sloeg de heldere oogen naar boven en riep luide en blijmoedig: "O +gij, mijn barmhartige Heiland! Ja, ja! Thans zie ik het in.... Dank, +dank!.... Wat ik heb nagestreefd, waarvoor ik heb geleefd, daarvoor, +o mijn Verlosser, die de liefde zelve zijt, daarvoor laat gij--o hoe +genadig is dat, hoe doet het mij goed!--daarvoor laat ge mij sterven." + +Wederom verloor hij zijn bewustzijn; zijn hoofd begon heeter te +gloeien, zijn keel te rochelen, en over zijne droge lippen, die +zorgvuldige vrouwenhanden vaak bevochtigden kwamen telkens de namen +dergenen, die hij het meest lief had en onder hen ook die van Paula. Op +de vijfde namiddagure viel hij in den schoot van den bultenaar en had +uitgeleden. Een vriendelijk lachje breidde zich over zijne trekken +uit en het stille gelaat van den man, die zooveel had rondgezworven, +geleek in den dood dat van een kind. + +Den hovenier was het, als had hij zijn eigen vader verloren en zijne +radde tong bleef stom, tot hij met de geredde zusters te Dumiat kwam, +en den laatsten wensch van zijn heer vervulde. + +Het zeeschip der nonnen nam ook den verwonden bootskapitein Setnau, +zijne vrouw, zijne kinderen, zijn broeder, den stuurman en de in +leven gebleven scheepstimmerlieden aan boord. + +Terzelfder ure, dat Rufinus de oogen sloot, verscheen de +veiligheidswacht van Memphis onder aanvoering van bisschop Plotinos, +en legde in naam van den patriarch Benjamin en van de Jacobietische +kerk beslag op het Melchietisch Caecilia-klooster en al de bezittingen +van de zusters-ziekenverpleegsters. Den volgenden morgen reisde de +bisschop naar Opper-Egypte af, om den kerkvorst van zijn wedervaren +bericht te geven. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + +De arts Philippus stond haastig op van de rustbank, waarop hij naast +zijn ouden vriend het ontbijt had gebruikt. Voor den grijsaard stond +nog een half gevuld bord; hij had de spijzen minder haastig verslonden +dan de ander, en met een afkeurenden blik zag hij den man aan die +zooveel spoed maakte, dat hij den gemengden wijn staande door zijn +keel goot, bij het genot waarvan hij vroeger, na het einde van den +maaltijd, gaarne met Horus Apollon wat gepraat of een ernstig gesprek +gevoerd had. Dat was voor den grijsaard altijd de aangenaamste ure van +den dag geweest, maar thans gunde Philippus zich zelfs des avonds bij +het hoofdmaal nauwelijks den tijd, om zich behoorlijk te verzadigen. + +Ongetwijfeld werd niet alleen zijne, maar ook de krachtsinspanning van +alle andere artsen in dezen tijd gevorderd. Bijna drie weken waren er +verloopen sedert de verjaging der nonnen, en de ontzettende hitte van +dezen zomer was sedert nog toegenomen. In plaats van te stijgen, daalde +de stroom nog altijd lager; de uit Aethiopië komende duivenboden, +die men dagelijks met verlangen en spanning te gemoet zag, wisten ook +niets te melden van eene zwelling der wateren op den bovenloop van +den stroom. Het bijna stilstaande, brakke water aan den oever begon +thans door zijne onwelriekende uitdampingen zeer schadelijk te worden +voor de gezondheid der geheele bevolking, inzonderheid in de nabijheid +daarvan vertoonde de vloed eene roodachtige kleur, en het anders zoo +reine, smakelijke water in de leidingen was van allerlei plantaardige +bestanddeelen en vreemde lichamen bezwangerd, vuil en walchelijk om +te drinken. De geringe lieden gaven zich gewoonlijk de moeite niet om +het te zuiveren, en de meesten hunner werden aangetast door een nog +onbekende, doodelijke, aanstekelijke ziekte. Het aantal offers nam +toe met den dag en de groei van de komeet hield gelijken tred met de +stijgende ellende van de stad. Ieder bracht het luchtverschijnsel in +verband met dezen zomergloed, het uitblijven van den Nijl-was en het +verschijnen van de pest. Over deze omstandigheid hadden de arts en +zijn grijze vriend soms harde woorden met elkander; want Philippus +wilde aan het gesternte geen invloed toekennen op het menschelijk +leven, terwijl Horus Apollon er aan geloofde, en zijne zienswijze +door eene lange reeks van voorbeelden wist te bekrachtigen. Voor +zijn tegenstander hadden die voorbeelden geen kracht van bewijs; hij +verlangde deugdelijke gronden, doch evenals iedereen zoo leefde ook +hij onder den invloed van den angst voor eene aanstaande schrikkelijke +gebeurtenis, die de aarde en de menschheid bedreigde. + +Gelijk ieder gemoed in Memphis zich gedrukt en beklemd gevoelde +door zulke schrikbeelden van de naaste toekomst, en door den last +van het onheil, dat niet meer dreigde maar reeds begonnen was zijne +slagen uit te deelen, zoo lag op de wegen, de tuinen, de palmen en +sykomoren langs de straten eene zware massa grijs en alles verstikkend +stof. De hagen van tamarisken en ander struikgewas zagen er uit, als +uitgevreten muren van kleurlooze, ongebrande Nijltegels, zelfs in de +hoofdstraat omgaf den wandelaar eene dichte, grijze nevel, die door de +voetstappen werd opgejaagd. Reed er een wagen, draafde er een ruiter +door de heete straten, dan werden zij vervuld met grijze stofwolken, +die de voorbijgangers drongen mond en oogen te sluiten. De stad was +zoo stil, zoo ledig, zoo verlaten! Niemand verliet zijne woning tenzij +eene dringende noodzakelijkheid of vroomheid er hem toe aandreef. Elk +huis was een gloed uitstralende oven, en zelfs het bad gaf geene +verkwikking, omdat het water sedert lang niet meer koel was. Tot +overmaat van smart waren de rijpende dadels aan de boomen door eene +ziekte aangetast, zij vielen bij duizenden uit de spichtige bundels +onder de sierlijk gebogen bladerenkronen op den grond, en sedert +eergisteren begonnen er in toenemende hoeveelheid doode visschen +aan land te drijven. Ook onder de geschubde waterbewoners heerschte +eene doodelijke ziekte, en de arts verzekerde zijn vriend, dat dit +den mensch met nieuwe gevaren bedreigde, want wie zou den oever van +de doode visschen zuiveren, en hoe spoedig begonnen ze bij de hitte +te rotten. + +De grijsaard ontveinsde zich niet, dat de arts het in zulk een tijd +zwaar, zeer zwaar te verantwoorden had, wilde hij zijn beroep met alle +nauwgezetheid vervullen. Maar hij kende zijn Philippus en had hem nu +twee jaren geleden gedurende pestmaanden altijd frisch, vroolijk en +geestig gezien, en nog meer opgewekt door de groote inspanning, die +van hem gevorderd werd. Wat hem thans zoo geheel anders deed zijn, +wat zijne ziel vergiftigde, hem martelde en als onder een banvloek +deed zuchten, het was niet de bijna bovenmenschelijke zelfopoffering, +die zijn plicht van hem vorderde, maar alles was een gevolg van de +rampzalige afdwaling zijns harten, waarvan hij zich niet bevrijden +kon. Intusschen hield Philippus de belofte, die hij aan den ouden man +had gedaan. Dagelijks ging hij naar het huis van Rufinus, dagelijks +ontmoette hij daar Paula, en evenals de wonden van een verslagene +gaan bloeden, wanneer de oogen van zijn moordenaar op hem vallen, +zoo ontwaakte daar telkens de oude pijn, wanneer hij haar ontmoette en +gedwongen was met haar te spreken. Ook voor dezen kranke was het noodig +de grondoorzaak van het lijden weg te nemen, door de Damasceensche +uit zijn levenskring te verwijderen; de grijsaard beschouwde het als +zijne roeping, als zijn plicht dit te bewerken. + +De kleine Maria en de andere patiënten in het huis van Rufinus namen +in beterschap toe, maar er was nog veel wat eene sombere schaduw wierp +over deze verblijdende feiten. Vrouw Johanna en Pulcheria waren zeer +bezorgd over het lot van haar vader. Noch van hem noch van de nonnen +hadden zij sedert hun vertrek iets gehoord, en de verlatene gade en +hare dochter, die tot den arts opzagen als tot een goeden, trouwen, +alvermogenden beschermgeest, stortten voor Philippus al hare zorgen, +smarten en vrees uit. En haar angst klom te meer sedert reeds driemaal +Arabische beambten in haar huis waren gekomen, om onderzoek te doen +naar den man en vader en de plaats waar hij zich ophield. Al wat +de vrouwen zeiden werd opgeschreven, en vrouw Johanna, over wier +lippen nog nooit een leugen was gekomen, had zich gedwongen gezien +valsche opgaven te doen en te verklaren, dat haar man voor zaken naar +Alexandrië was gereisd, ja dat hij wellicht nog naar Syrië moest. Wat +beduidde dat uitvragen? Bleek daaruit niet dat men te Fostat kennis +droeg van Rufinus' aandeel in de ontvluchting der nonnen? + +Men was daar echter beter onderricht dan de vrouwen konden vermoeden, +doch hield geheim wat men wist; want het onderdrukte volk mocht +niet te weten komen, dat het een handvol Egyptenaars gelukt was eene +gansche bende Arabische krijgers te vernietigen, en alleen een onzeker +gerucht gaf de Memphieten eenige kennis van het gebeurde. De arts had +van Rufinus' plan eerst gehoord, toen men met de uitvoering reeds te +ver gegaan was, om haar nog tegen te houden, en thans kwelde hem de +gedachte, dat zijn beste, oude vriend en de zijnen in het ongeluk +gestort konden worden ter wille van die vreemde zusters. Want hij +had in het geheim vernomen, dat het tusschen de verdedigers der +vluchtelingen en de muzelmannen tot een strijd was gekomen, die aan +vele strijders van beide zijden het leven had gekost. + +En Paula? Had zij ten minste maar den indruk op hem gemaakt van +gelukkig te zijn! Doch zij was bleek geworden, en dat de naar lichaam +en ziel gezonde jonkvrouw hem thans niet te gemoet kwam met die +trotsche, vrije, zelfbewuste houding van weleer, het was niet door +de hitte, die alle schepselen neerdrukte, maar door eene smart die +haar inwendig verteerde, veroorzaakt door hem, aan wien zij gehecht +was met geheel haar hart, en die haar het vorstelijk geschenk harer +liefde vergold--op welk eene wijze! + +Philippus moest nog voortdurend bezoeken afleggen in de stadhouderlijke +woning, en reeds een veertien dagen geleden had hij begrepen wat de +oorzaak was van den vreemden toestand der weduwe van den Mukaukas. Zij +gebruikte het opium van haar gestorven gemaal en dat in onzinnige +hoeveelheden, en wist zich telkens nieuwen voorraad te verschaffen +door een tweeden arts. Door klachten en smeekingen was het haar +gelukt Philippus te bewegen haar niet aan haar lot over te laten, en +daarom bleef hij haar bezoeken, in de hoop haar althans in het genot +van het vergif te beperken. Ook de vrouw van den senator, Martina, +noodigde hem uit het stadhouderlijk paleis niet te vermijden. Zij +was wel niet ziek maar leed vreeselijk van de hitte en was gewoon +haren waarden, ouden huisarts dagelijks te ontvangen, zich door hem +nieuwtjes te laten vertellen, en nu en dan wat te klagen, wanneer in +haar overigens zeer gezond lichaam soms iets niet in orde was. Nochtans +liet Philippus, die handen vol werk had, zich met praatjes niet in, +maar zijne raadgevingen waren goed en hielpen haar den gloed van dezen +hemel beter te verdragen. De levendige, verstandige, openhartige, +vaak wel-is-waar zeer scherpe en kort aangebonden man beviel haar, en +hare natuurlijke, aangename manier van doen trok ook hem aan. Somwijlen +gelukte het vrouw Martina, haren "Hermes Trismegistus" die gewoonlijk, +"zoo verbazend ernstig was, als ware er niets grappigs meer op aarde," +een lachje af te dwingen en hem een antwoord te ontlokken, waaruit +bleek dat deze isegrim toch inderdaad een geestige kerel was en niet +verlegen, om den bal terug te kaatsen. + +Heliodora bezat weinig aantrekkelijks voor Philippus. Er bestond +wel-is-waar tusschen hare smeekende oogen en die van Rufinus' dochter +eene onmiskenbare overeenkomst, doch in de laatste lag zielsverlangen +naar de genade en de liefde Gods, in de eerste warme begeerte naar de +toegenegenheid van menschen, die haar bevielen. Deze vrouw was zeker +aanvallig, maar hare volgzaamheid, die geen eigen doel had, die zelfs +geen poging deed om eene eigene zienswijze te hebben, sprak niet tot +zijn gemoed, dat wist wat het wilde; ja het verdroot hem wanneer zij, +nadat hij haar had tegengesproken, zijn laatsten volzin herhaalde om, +beschaamd over hare eigene dwaasheid, met hem in te stemmen. Haar +gezelschap scheen ook de verstandige matrone, in wier eigen huis +het eene bezoek het andere volgde, en voor wie de begrippen "avond" +en "een onderhoudend gesprek in een talrijk gezelschap" van dezelfde +beteekenis waren, niet te voldoen, want zij noemde zelfs zijne korte +bezoeken oasen in haar Egyptisch woestijnleven, en die van de kleine +Katharina beschouwde zij als eene weldaad. + +Het kwikstaartje was haar dagelijksche gast geworden en bij deze hitte +was haar vroolijk, hoewel soms kwaadsprekend gebabbel voldoende, +om haar den tijd te korten. Katharinas moeder maakte geen bezwaren +tegen deze bezoeken, want Heliodora had haar in haar prachtigste +toilet bezocht, en haar met Katharina eene gastvrije ontvangst in de +hoofdstad aangeboden. Misschien ging zij daarheen, want te Memphis +bleef zij in geen geval, en dan was het een geluk door lieden als hare +nieuwe bekenden in de samenleving te worden binnengeleid. Natuurlijk +kreeg vrouw Martina ook veel van Paula te hooren, en hoewel dit zeer +partijdig gekleurd was en er niet dan tot haar nadeel werd gesproken, +zoo zou zij toch de dochter van den grooten en beroemden Thomas, +dien zij gekend had, gaarne persoonlijk ontmoet hebben. Overigens +vreesde zij van de Damasceensche, na alles wat zij vernomen had, niet +veel voor hare nicht. Zij moest buitengewoon schoon, maar hoogmoedig, +terugstootend, het tegendeel van beminnenswaardig zijn en daarbij eene +orthodoxe als Heliodora. Wat kon den 'grooten Sesostris' aanleiding +geven haar de voorkeur te schenken? + +Ook Katharina bood de matrone aan haar met de Damasceensche in kennis +te brengen; doch niets kon vrouw Martina bewegen, zich uit haar +voor de zonnehitte zoo goed mogelijk beschut verblijf naar buiten te +begeven. Zij liet het aan Heliodora over, die sedert lang éen hart +en éene ziel met de kleine was en in zooveel dingen zich naar haar +wil voegde, om haar van de schoone heldendochter te vertellen. Dit +kon gebeuren, want het kwikstaartje had de stoutheid gehad de beide +mededingsters samen te brengen en wel nadat zij elk afzonderlijk had +medegedeeld, wat zij van Orions betrekking tot de andere wist. Dat was +eene kostelijke grap, maar in éen opzicht bereikte zij daarmede toch +haar doel niet; want Paula liet door niets blijken dat zij leed aan +de ziekte der ijverzucht, die zij in haar wilde opwekken. Heliodora +was echter bedrukt en beangst van de Damasceensche teruggekeerd; +want deze had haar koel en met hoffelijke vormelijkheid ontvangen, +en ook in het vervolg was de jonge vrouw zich tegenover haar steeds +bewust gebleven, dat deze buitengewone jonkvrouw zeer wel in staat +was haar beeld in Orions hart te verdonkeren, ja het daaruit geheel +te verdringen. Evenals een gekwetste, al doet het hem pijn, de wond +bevoelt, om zich van den toestand te overtuigen, gevoelde zij zich vaak +getrokken tot Katharina, alleen om uit haar tuin de mededingster te +zien, of om zich bij haar te laten brengen, ofschoon haar dan altijd +eene koele ontvangst ten deel viel. + +Katharina had in den beginne medelijden gevoeld met de jonge vrouw, +in wie zij wat verstandelijke ontwikkeling betreft haar mindere +zag. Doch dit was ingevolge eene bepaalde aanleiding geheel voorbij, +en nu haatte zij ook deze jonge weduwe en gaf haar kleine steken zoo +vaak zij kon. Paula scheen echter niet te verwonden, en toch was er +geen leed dat Katharina haar niet gaarne zou hebben aangedaan, aan +wie zij de grootste vernedering in haar ongelukkig leven had te wijten. + +Hoe liet het zich verklaren, dat de Damasceensche in de schoone +Heliodora geene gevaarlijke mededingster zag? Zij meende, dat Orion +deze vrouw niet voor zoo langen tijd had kunnen verlaten, wanneer hij +werkelijk hare liefde beantwoordde. Om de Byzantijnsche te ontwijken +en voor haar, Paula, te blijven, wat hij voor haar was en zijn +moest, bevond hij zich met den senator thans verre van Memphis. Deze +Heliodora--eene stem in haar binnenste riep het haar toe--was de arme, +bedrogene vrouw, waarmede hij in de hoofdstad gespeeld en voor wie +hij dien noodlottigen diefstal van den smaragd begaan had. Bracht +het lot hem slechts tot haar terug, en schonk zij den teruggekeerde +wat hij begeerde en waarnaar hare eigene ziel zoo vurig verlangde, +dan was zij geheel en alleen de koningin van zijn hart, dan moest zij +dat zijn, hieraan viel niet te twijfelen. En wanneer zij in weerwil +daarvan bezorgd en bezwaard het hoofd liet hangen, dan geschiedde dit +niet uit vrees van hem te zullen verliezen, maar uit zorg voor haar +vader en haar ouden, besten vriend Rufinus en de zijnen, die geheel +en al de haren waren geworden. + +Zoo stonden de zaken, toen de arts Philippus den wijn na den maaltijd, +tot groot verdriet van zijn ouden vriend Horus Appollon, zwijgend +en haastig door zijn keel goot. Juist zette hij den beker neder, +toen de zwarte deurwachter een bultenaar aanmeldde, die den meester +terstond over eene gewichtige aangelegenheid begeerde te spreken. + +"Gewichtige aangelegenheid?" herhaalde de arts. "Geef mij bij mijne +eigene nog vier andere beenen of een instrument om den tijd te rekken, +dan wil ik nieuwe patiënten aannemen, anders niet! Zeg den knaap...." + +"Niets, niets van kranken, heer!" zeide de zwarte, hem in de rede +vallende. "Komt van heel ver, is de tuinman van den ouden Grieken-heer +Rufinus." + +Philippus verschrikte. Hij vermoedde welke tijding die bode bracht +en met een angstig kloppend hart, beval hij, hem binnen te brengen. + +Een blik op Gibbus zeide hem dat zijn vermoeden juist was geweest. De +arme kerel was nauwelijks te herkennen. Een dikke laag stof bedekte +hem van het hoofd tot de voeten en gaf hem het aanzien van een ouden +man, wiens hoofdhaar en baard vergrijsd waren. De sandalen hingen +gescheurd aan zijne voeten, in zijn met stof bestrooid gelaat had het +zweet diepe voren getrokken, en de tranen die hij vergoot, terwijl +de arts hem vragend de hand reikte, groeven nieuwe op zijne wangen. + +Op Philippus' bange langgerekte uitroep: "Dood?" gaf een zwijgend +hoofdknikje het antwoord, en toen de arts den hovenier, met beide +handen aan zijne slapen, toeriep: "Dood! Rufinus, mijn arme, oude +Rufinus dood! Maar hoe, om godswil, hoe is dat gekomen? Spreek, +spreek toch man!" toen wees Gibbus op den grijsaard en zeide met +nadruk: "Kom met mij naar buiten heer; geen derde moet...." + +Doch Philippus beduidde hem, dat hij die daar zat zijn ander ik was +en nu deelde de bultenaar mede, wat hij beleefd had en hoe zijn beste +heer gestorven was. + +Horus Apollon had bij dit bericht verbaasd en met afkeuring het +hoofd geschud, terwijl de arts menige vloek uitstiet. Doch men had +het verhaal van den ongeluksbode niet afgebroken, en eerst toen hij +geëindigd had zeide Philippus, met gebogen hoofd en vochtige oogen: +"Arme, trouwe, oude vriend, dat hij juist zoo moest sterven; hem, +die hier het beste achterlaat, heeft het getroffen, en ik--ik!" + +Daarbij slaakte hij een diepen zucht, maar de grijsaard wierp hem +een blik toe, die zeide, dat hij zulk een uitroep afkeurde en hem +beleedigde. + +Terwijl Philippus het tafeltje, dat de abdis zoo zorgvuldig mogelijk +gesloten had, ontzegelde en begon te lezen, vroeg Horus Apollon den +hovenier: "En de nonnen? Zijn zij allen ontkomen?" + +"Ja heer! Den volgenden morgen na onze aankomst te Dumiat stak een +triremis [15] met haar in zee." + +De oude prevelde half binnen'smonds: "De werkbijen gedood en de +hommels gered!" + +Maar Gibbus sprak hem tegen en roemde het moeitevol en arbeidzaam +leven der zusters, die ook hem eens hadden verpleegd. + +Intusschen had de arts het laatste schrijven van zijn vriend +gelezen. Vol inwendige onrust draaide hij het om en om, liep met +groote stappen de kamer op en neer en bleef eindelijk staan voor +den hovenier, terwijl hij hem toeriep: "En wat nu? wie zal hen die +tijding overbrengen?" + +"Gij, heer," antwoordde Gibbus, terwijl hij smeekend de handen naar +hem uitstrekte. + +"Ik, natuurlijk ik!" hernam de arts, zich op de lippen bijtende. "Wat +moeielijk, pijnlijk, schier ondragelijk is, komt zooals vanzelf spreekt +op mijn hoofd neer. Maar ik kan, ik mag, ik wil het niet doen! Heb +ik dan dat dolle avontuur verzonnen en op mijne rekening? Merkt gij +het op vader? Wat die knaap gekookt heeft, ik, ik--daar zorgt het +lot wel voor--ik krijg dat weder te vreten!" + +"'t Is zwaar, zeer zwaar, mijn kind!" antwoordde de oude. "Doch het +is uw plicht. Bedenk eens--wanneer hij, zooals hij daar voor ons +staat bij de vrouwen komt..." + +Opeens viel Philippus hem in de rede: "Neen, neen, dat gaat +niet! En gij, Gibbus, gij--heden is er weder een Arabier bij +vrouw Johanna geweest, en als zij--gij valt door uw uiterlijk +zeer in het oog--wanneer zij ook maar vermoeden dat gij uw heer +vergezeldet... Neen, man, uw trouw verdient beter loon! Zij zullen u +niet vangen! Ik maak u vrij van uw dienst bij de weduwe en wij--wat +denkt gij er van, vader?--Wij behouden hem bij ons." + +"Goed zoo!" antwoordde de grijsaard. "Eens moet de Nijl weder +stijgen. Blijf bij ons! Ik snak reeds lang naar zelfgekweekte +groenten." + +Maar de bultenaar nam zeer bescheiden dien voorslag niet aan en +verklaarde, dat hij tot zijne oude meesteres terug wilde keeren. Toen +de arts hem daarop nog eens onder het oog bracht aan welke gevaren hij +zich blootstelde, en de grijsaard zijne beweegredenen van dit besluit +wenschte te weten, zeide de hovenier: "Ik heb mijn heer beloofd bij +de vrouwen te blijven en nu er buiten mij geen vrij man in huis is, +zal ik hen alleen laten, om mijn erbarmelijk leven te redden? Dan +liever een kromsabel tegen mijn hals. Is de kop eraf, wat er dan +overblijft dat brokje schoonheid gun ik de schurken." + +Bij deze woorden, die hol en afgebroken uit een verdroogden mond te +voorschijn kwamen, vertrok de trouwe man zijn gelaat; men zag door +het stof zijne wangen verbleeken en Philippus moest hem steunen, +want de voeten weigerden hem den dienst. De lange wandeling door +de vreeselijke hitte had de krachten van den bultenaar uitgeput; +een dronk wijn bracht hem echter weldra weder bij en Horus Apollon +beval den slaaf hem mede te nemen naar de keuken en den kok zoo goed +mogelijk voor hem te doen zorgen. + +Zoodra beide geleerden alleen waren, zeide de grijsaard: "Die oude, +wakkere waaghals, die daar gestorven is, stelt u buitengewone eischen; +men kon het u aanzien bij het lezen." + +"Hier, lees!" antwoordde de arts, wederom door de kamer stappende, +terwijl de grijsaard het tafeltje ter hand nam. De beide zijden waren +met onregelmatige, golvend op en neer gaande schriftregels bedekt, +die aldus luidden: + +"Rufinus met den dood voor oogen, aan zijn geliefden Philippus. + +"De eene koude rilling volgt de andere, ik sterf zeker nog heden, +het gaat snel, het schrijven kost moeite. Als slechts het noodigste +gezegd wordt. Vooreerst: Johanna en het arme kind! Wees voor hen +zooveel gij kunt. Ik had meer voor hen zullen en kunnen zijn. Bescherm +hen als voogd en vriend. Zij hebben om van te leven en kunnen nog +anderen van het hare mededeelen. Mijn broeder Leonax bestuurt ons +vermogen, en hij is een eerlijk man. Johanna weet alles. Zeg haar en +het arme kind, dat ik hen duizendvoudig zegeningen en Johanna voor +zooveel goeds ontelbare dankzeggingen toezend. Gij, vriend: hoor +naar den oude! Maak uw hart los van Paula. Zij is niet voor u. Gij +weet het, de jonge Orion. Maar gij. Wat van de geboorte af op den +top stond, past slecht bij ons, die van onderen op naar de hoogte +zijn gekrabbeld. Wees haar vriend. Zij verdient het, maar laat het +daarmede genoeg zijn. Blijf gij niet alleen. Het schoonste, wat den +man ten deel kan vallen, brengt de vrouw in zijn leven. In den diepen +slaap vlecht zij vriendelijke droomen. Dat alles weet gij nog niet bij +ervaring. Ook uwe waardige, oude vriend, dien ik laat groeten, heeft +zich levenslang van de vrouwen teruggetrokken.--Voor u alleen. Dit +zegt een stervende. Laat ik u bekennen, dat het arme kind, onze Pul, +u houdt voor den volmaakste onder de mannen en u hoogschat gelijk geen +ander. Gij kent haar en ook Johanna. Betuig uw vriend: dat geen boos +woord ooit uit den mond komt van deze twee. Verre zij het van mij, u, +die het beeld van eene andere vrouw in uw hart draagt, te raden: tracht +dat kind voor u te winnen, zij is de vrouw die u past.--En dit voor u +beiden: vereenig u, ik geef maar een raad, vader en zoon, met moeder +en dochter, als goede trouwe huisgenooten en vrienden. Het zal beide +partijen niet berouwen. Dat heeft een stervende gezegd. Verder wil het +niet gaan. Gij, Philippus, zijt voogd over de vrouwen, een trouwe, +dat weet ik. Hetzelfde doel, dezelfde gezindheid, gij en ik, vele +heerlijke jaren... Zorg goed voor beiden, bid ik u, zorg er goed voor!" + +Deze laatste woorden waren elk op zichzelf en buiten den regel als +over het tafeltje heengestrooid, en het viel den grijsaard niet +gemakkelijk ze te lezen. Gelijk zoo straks de arts, zoo keek hij nu +verlegen en besluiteloos op dit onverwacht schrijven. + +"Welnu?" vroeg Philippus eindelijk. + +"Ja, wat nu?" antwoordde de ander schouderophalend. Daarop zwegen +beiden geruimen tijd, tot de oude man opstond en leunende op zijn +staf eveneens de kamer op en neer wandelde en half tegen zijn jongeren +vriend, half in zichzelven prevelde: "Twee stille, verstandige vrouwen; +er zijn, denk ik, maar weinige van dat soort. Wat hielp die kleine +mij eens aardig op van dien lagen zetel in den tuin!" Daarbij lachte +hij stil in zichzelven, hield Philippus, die naast hem liep, tegen +en zeide terwijl hij hem zacht op den arm tikte, met een luchtigen +toon, die hem anders vreemd was: "Een mensch moet toch alles eens +beproeven. Vrouwelijke verpleging voor men ten grave daalt! En het +is ook waar, dat zij beiden kijven noch babbelen?" + +"Dat zeker niet," antwoordde de arts. + +"En welk een 'maar' zal hierop volgen?" vroeg de grijsaard. "Laat ons +eens lichtzinnig zijn, broeder! Ware het geval niet zoo duivelsch +ernstig, het zou om te lachen zijn! Als we uitrusten, de jonge +tegenover mij, de oude tegenover u, zoontje! Beter gewassen linnen, +geen gat in de kleeren, geen stof op de boeken, een vriendelijk +'verblijd u!' elken morgen en aan den disch... Kijk die vruchten daar +eens op dat bord liggen! Als haver, dat men de paarden voorwerpt! Bij +den oude lagen ze zoo netjes geschikt, gelijk bij ons te huis op +Philae; de avonddisch was een klein kunstwerk, een smulletje ook voor +het oog. Die Pul schijnt er den slag van te hebben, evenals mijne +arme gestorvene zuster. En dan: als men wil opstaan, zoo'n klein, +vriendelijk, jong handje om je te steunen! Onze woning staat mij reeds +lang tegen. In het slaapvertrek vallen kalk en stof van de zoldering; +hier gapen overal spleten in den grond--ik ben er gisteren nog over +gestruikeld--en onze krenterige huisheeren, de heeren bouleuten, +zeggen: wat wij willen laten herstellen, dat kunnen we zelven doen; zij +hebben er geen sestersie voor over. Bij den armen, ouden Rufinus was +alles in den besten staat." De grijsaard begon luide te schaterlachen, +en zich in de handen wrijvende, ging hij voort: "Als we nu eens éen +lijn trokken Philippus? Als we den wensch van den stervende eens +vervulden? Groote, genadige Isis! Een goed werk zou het zeker zijn, +en ik heb mij op niet vele te beroemen. Met wat voorzichtigheid--wat +denkt ge--tot wederopzeggens hij de maand, zou men er ten slotte de +proef van kunnen nemen." + +Daarop werd hij weer ernstig, schudde het hoofd en zeide met +een bedenkelijk gezicht: "Neen, neen, men offert er zijne rust +bij op.... Een aardig droombeeld, maar het laat zich bezwaarlijk +uitvoeren." + +"In elk geval vooreerst niet," zeide de arts. "Zoolang het lot van +de Damasceensche niet beslist is, bid ik u dit alles te laten rusten." + +De oude man begon in zichzelven te vloeken en zeide toen, met een blik +van toorn en verontwaardiging: "Altijd en overal die patricische slang, +zij bederft alles! Doch wacht maar, wacht! Ik denk dat zij spoedig +voor ons uit den weg zal gaan, en dan... Neen, juist nu laat ik me +stellig niet ontnemen wat ons het leven kan veraangenamen, wat op +de weegschaal van het doodengericht mijn gewicht kan vergrooten. De +wensch van een stervende is heilig. Dat zeiden de vaderen reeds en zij +hadden gelijk. De wil van den oude geschiede. Ja, ja, ja! Nu staat het +vast! Zoodra alle bezwaren uit den weg geruimd zijn, vereenigen wij +onze huishouding met die der vrouwen. Ik wil het en heb het gezegd!" + +Daar kwam de hovenier weder binnen en de grijsaard riep hem toe: +"Hoor eens man, ten slotte komen wij toch bij elkaar; bijzonderheden +nader. Tot het donker wordt blijft gij bij mijn volkje; maar mondje +dicht, want het zijn allemaal luistervinken en babbelaars. Thans +brengt heer Philippus de treurmare over aan de ongelukkige weduwe, +en gij kunt dan van nacht met haar spreken. Daar beneden mag niets +in het oog vallends gebeuren, en wat uw heer overkomen is, zelfs +dat hij dood is, moet voor de geheele wereld een geheim blijven, +behalve voor ons en de zijnen." + +De hovenier wist wat er van zijn zwijgen afhing. Philippus keurde de +schikking van den grijsaard goed, doch vermeed met opzet, om over de +opneming der vrouwen te spreken. Toen hij ten laatste op weg ging, om +zich van zijne zware taak bij de weduwe te kwijten, riep Horus Apollon +hem toe: "Moed, moed, mijn zoon, en werp in het voorbijgaan een blik +in ons tuintje: het deed ons leed, toen die oude palm daar wegstierf, +en thans schiet uit zijn wortel een jong reeds groenend boompje op." + +"Sedert gisteren laat het de waaiers hangen en zal wel wegkwijnen," +antwoordde Philippus schouderophalend. + +"Begieten Gibbus!" riep daarop de oude. "Men moet het jonge palmpje +terstond begieten." + +"Gij hebt het water bij de hand," hernam de arts en hij stond reeds +op de trap, toen hij erbij voegde: "Als het met ieder zoo gesteld was!" + +"Met geduld en goeden wil kan men het zoover brengen," mompelde de +grijsaard. Toen hij alleen was prevelde hij hem knorrig achterna. "Weg +nu met dien verdorrenden ouden palmstronk, zijn vroeger leven, voor +zoover het verbonden is aan die patricische deerne! In het vuur er +mee! Hoe krijg ik haar in mijne macht? Hoe zal ik het overleggen, +ja hoe zal ik?" + +Daarop wierp hij zich in zijn leuningstoel en wreef zijn voorhoofd met +de vingertoppen. Hij was nog tot geen besluit gekomen, toen de zwarte +slaaf gehoor kwam vragen voor eenige bezoekers. Het waren de hoofden +van den senaat van Memphis, die men had afgezonden, om aan den oude +wijze raad te vragen. Zoo iemand, dan moest hij een middel vinden, om +het vreeselijk onheil, dat stad en land bedreigde, waartegen gebeden, +offeranden en processiën machteloos waren gebleken, af te wenden +of te verzachten. Zij waren besloten voor niets terug te deinzen, +ook al moest heidensche tooverij erbij in het spel komen. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + +In den jongstverloopen donkeren nacht was in Katharina het gevoel van +medelijden met Heliodora geheel uitgedoofd. Zij had haar in gezelschap +van hare kamenier en een ouden doofstommen stalslaaf heimelijk +begeleid naar eene waarzegster, die er te Memphis althans niet minder +gevonden werden dan toovenaars, alchimisten en scheikundigen. Men +had der jonge vrouw aangezegd, dat hare levenslijn opsteeg tot het +hoogste geluk en dat alle, zelfs de stoutste wenschen haars harten, +vervuld zouden worden. Met deze wenschen was het kwikstaartje maar +al te zeer vertrouwd, en de waarschijnlijkheid, dat deze werkelijk +de vervulling nabij waren, had hare jaloezie gaande gemaakt en haar +geleerd ook Heliodora te haten. + +De weduwe was in eenvoudige, maar kostbare gewaden bij de toovenares +gekomen. In plaats van een gouden haak had een knop haar peplos op +den schouder saamgehouden, die overeenkomstig hare liefhebberij voor +kostbare edelgesteenten uit een saffier van buitengewone grootte +bestond. Der waarzegster was deze terstond in het oog gevallen en +had haar doen zien, dat zij met eene aanzienlijke en rijke vrouw te +doen had. Zij had de eenvoudig gekleede Katharina voor eene juffrouw +van gezelschap of eene arme vriendin der voorname dame gehouden en +haar daarom slechts voorspeld, dat zij na eenige bezwaren te boven +gekomen te zijn een gelukkig leven zou leiden aan de zijde van een +niet zeer jongen echtgenoot, alsmede dat zij rijk met kinderen gezegend +zou worden. + +De zaak van deze vrouw scheen nogal wat op te brengen, want het +inwendige van haar huis stak zeer gunstig af bij de ellendige hutten, +die het overal omgaven in dit armelijk en berucht stadskwartier. Van +buiten onderscheidde het zich weinig van de aangrenzende woningen, +ja het werd met opzet verwaarloosd, om de overheden te bedriegen, +die op tooverij en de uitoefening van magische kunsten de doodstraf +hadden gesteld; maar de versiering van de kleine, opene zuilenzaal, +waarin zij hare bezweringen en voorspellingen pleegde te doen, had +niet weinig geld gekost. Aan de wanden hingen tapijten met magische +teekens; de zuilen waren met figuren beschilderd, die verbazing en +schrik moesten wekken; op kleine altaren rookten boven kolenbekkens +aarden potten en ketels van verschillende grootten, bekers, flesschen, +kannen, een rad, waarin een draaihals op en neer huppelde, wasfiguren +en daaronder mannen- en vrouwenbeelden met naalden in het hart, een +kooi met vleermuizen en glazen vol spinnen, kikvorschen, bloedzuigers, +kevers, schorpioenen, duizendpooten en andere afzichtelijke gedierten +stonden op voetstukken in de rondte, en aan eene der lange zijden +van de zaal liep eene korte lijnbaan, waarvan men zich bediende +bij zekere Thracische betoovering. Welriekende en scherpe dampen +vervulden de ruimte, en achter een gordijn, dat de muzikanten voor +het oog onzichtbaar maakte, liet zich het eentonig gezang van enkele +kinderstemmen, schellengeluid en doffe trommelslag hooren. + +De tooveres Medea kon nog niet ouder zijn dan ongeveer zes-en-veertig +jaren, toch paste zij zeer goed in deze omgeving, zoo overvloedig +rijk aan vreemde, betooverende, weerzin, angst- en schrikwekkende +dingen; want haar gelaat was bleek en zijne ongewone lengte werd nog +verhoogd door den hoog opgekamden, pikzwarten haarbos midden op den +schedel. Bij het einde van het eerste bezoek der vrouwen, waardoor +zij verrast was geworden en waarbij een en ander op dit toovertheater +ontbroken had, wat heden eene bijzondere uitwerking deed, had zij +Heliodora uitgenoodigd over drie dagen terug te keeren. De jonge vrouw +was deze uitnoodiging gevolgd en op den bepaalden tijd verschenen +in gezelschap van Katharina. Men kon Egypte, het land der tooverij +en der magische kunsten, toch niet verlaten, zonder de proef er van +genomen te hebben. Zoo oordeelde ook vrouw Martina, hoewel zij voor +zichzelve op die waarzegging niet gesteld was. Zij was met haar lot +tevreden, en stonden er veranderingen tot haar nadeel voor de deur, +dan wilde zij zich door eene goede waarzegster niet bij voorbaat +laten beangstigen. Door eene slechte bedrogen te worden was nog minder +aanlokkend. Buitengewoon geluk kon zij niet meer gebruiken, dat zou +haar gestoord hebben in hare rust. Maar voor het jonge volkje, lag +het leven nog open, en als het een kijkje in de toekomst wilde nemen, +was zij de laatste, om dit euvel te duiden. + +De jonge weduwe en het meisje betraden den drempel der tooveres in +zekere spanning, en van de twee was Katharina ditmaal wel het meest +ongerust, want in den namiddag had zij Philippus het huis van Rufinus +zien verlaten, terwijl spoedig daarop Arabische beambten het waren +binnengegaan. Vóor zonsondergang was Paula met betraande oogen in den +tuin verschenen, en toen een weinig later Pul met hare moeder bij haar +waren gekomen, was de Damasceensche vrouw Johanna om den hals gevallen, +en had zoo bitter geschreid, dat ook deze en hare dochter, "die altijd +de tranen spoedig bij de hand had", zich hadden laten meesleepen, +om met haar van droefheid te snikken. Daar was iets gewichtigs +voorgevallen, maar toen zij naar het huis van Rufinus was gegaan, +om wat naders te hooren, had de oude Betta, die altijd boos op haar +was haar kort en onheusch afgewezen. Verder hadden zij en Heliodora +op de straat eene zeer pijnlijke ontmoeting gehad, want de wagen van +vrouw Neforis, die hen aan de grens der doodenstad moest afzetten, +was onderweg door eene afdeeling Arabische ruiters aangehouden, +en zij hadden zich moeten laten welgevallen, dat de aanvoerder haar +allerlei vragen deed. + +Zoo betraden zij dan ditmaal het huis der "lokken Medea", gelijk de +tooveres in de wandeling werd genoemd, met een angstig kloppend hart, +doch zij werden met zulk eene onderdanige hoffelijkheid ontvangen, +dat zij spoedig tot bedaren kwamen, en ook de uiterst vreesachtige +Heliodora weldra weder vrijer begon te ademen. De waarzegster wist nu +ook wie Katharina was, en bewees de eenige dochter der rijke weduwe +meer achting. Heden stond de smalle sikkel der nieuwe maan aan den +hemel, en deze omstandigheid, verzekerde Medea, veroorloofde haar +klaarder te zien als in den tijd van den Punaneger, zooals zij den +nacht zonder maneschijn noemde. Haar zielsoog was bij het eerste bezoek +onder de inwerking van vijandige machten overvallen door Typhonische +duisternis. Terstond nadat de vrouwen waren vertrokken, had zij dit +begrepen; maar heden zag zij des te helderder. Haar innerlijk oog +was nu blank als een zilveren spiegel, zij had het gereinigd door +drie dagen te vasten, en haar kon geen stofje ontgaan. + +"Helpt," zoo ving zij aan, "Gij Horus-kinderen, helpt Hapi en +gij heilig drietal!"--"O gij schoonen, gij schoonen!" ging zij in +vervoering voort. "Honderden aanzienlijke vrouwen hebben mijne kunst +beproefd, doch zooveel gunst van het lot als boven de uwen, zag ik +nog nooit boven twee hoofden vereenigd. Hoort gij, hoe het borrelt +in de geluksketels? Daar worden de deksels opgestuwd. Buitengewoon, +buitengewoon!" + +Zij strekte om te bezweren de hand naar de beide ketels uit en +riep plechtig: "Overmaat van geluk, overvloed, overvloed, berstende +schuren. Zefa-ou, Metramao... Keer terug tot de ware vlakte, ware +hoogte, ware diepte, de juiste maat! Uwe el Meï--afmeter, afweger, +gebruik ze, Techouti, gebruik ze, dubbele Ibis!" + +Daarop beval zij beiden zich neer te zetten op sierlijke stoelen +tegenover de ketels, bond aan de ringvingers van ieder hunner den +"anoubischen draad", vroeg fluisterend en onder nauwelijks verstaanbare +bezweringen aan de weduwe en de jonkvrouw een haar, en nadat zij ze +beiden elk in een ketel had gelegd, riep zij met hartstochtelijken +ijver, en als hing van het kleinste verzuim het wel en wee harer +bezoeksters af: "De vinger met de anoubische draad op de plaats van het +hart gedrukt, de oogen op den ketel gericht en den damp, die opstijgt +tot de geesten des hemels, des lichts, tot den Groote in de hoogte!" + +De vrouwen volgden met een kloppend hart het gebod der tooveres, en +deze draaide plotseling met duizelingwekkende snelheid op de teenen +in het rond; daarbij vloog de haarbos op haar schedel omhoog en de +tooverstaf in hare wijd uitgestrekte rechterhand beschreef een wijden, +zuiveren cirkel. Als door een schrik aangegrepen, hield zij daarna +plotseling op te draaien; op hetzelfde oogenblik gingen de lampen uit, +en de zaal werd door niets verlicht dan door de sterren aan den hemel +en de glimmende kolen onder de ketels. De doffe muziek stierf weg, +maar eene nieuwe, sterker geur drong door het gordijn in de zaal. + +Medea wierp zich nu op de knieën, strekte de armen ten hemel, wierp +het hoofd met een alleen door haar uitvoerbaren snellen ruk zoover +terug, dat het geheele gelaat was gekeerd naar het firmament boven +haar, en haar blik, recht opwaarts ziende, de sterren waarnam. In +deze vreeselijke houding, met het blauwe hemelgewelf boven haar +hoofd, zong zij bezwering op bezwering met eene helder roerende, +smachtende stem. Haar borst welfde zich daarbij sterk omhoog, haar +haarbos stond niet meer op, maar was naar de vrouwen gekeerd, die +niet anders dachten dan dat deze den hemel aanroepende vrouw, door +de opstijging van het bloed achterover op den grond zou vallen. Doch +zij zong en bleef zingen, en hare witte tanden schitterden daarbij in +het sterrelicht, dat loodrecht op haar neerviel. Onder den overvloed +van demonische namen en magische woorden, die zij omhoog riep en liet +trillen door de lucht, deed zich uit de richting van het gordijn een +beangstigend, jammerend tweeledig rochelen, zuchten en klagen hooren; +het eene geluid scheen voort te komen uit de beklemde borst van een +door bitter lijden aangegrepen man, het andere was als het zacht, +half verstikt gekrijt van een kind, dat pijn lijdt. Het laatste +werd steeds luider en eindelijk hoorde men in het Egyptisch: "Water, +een slokje water!" + +De vrouw verliet opeens hare schrikkelijke houding, rees op en riep: +"De klacht der beroofden en armen, van wie genomen werd, om aan de +in overvloed badenden te geven, de noodkreet dergenen, die door het +lot werden geplunderd om u gaven te schenken, genoeg voor honderden." + +Na deze woorden, die zij op zalvenden toon in het Grieksch had +gesproken, keerde zij zich naar het gordijn en riep nu weder plechtig +in het Egyptisch terug: "Geef den dorstende te drinken, de gelukkigen +gunnen hem een dropje van hun overvloed. Geef den klagenden kinderdemon +den witten drank, om hem te vreden te stellen en te verdrijven. Laat +muziek klinken, om de klachten der jammerende geesten te overstemmen!" + +Daarna keerde zij zich naar Heliodora's ketel en zeide ernstig, +als volgde zij een hooger bevel: "Zeven goudstukken, om het werk te +voleindigen," en terwijl de jonge vrouw haar beurs voor den dag haalde, +de tooveres de lampen ontstak en de munten in de kokende vloeistof +wierp, zong zij onophoudelijk: "Rein, blinkend goud, zonlicht, in +de bergen verborgen. Heilige zeven, schaschef, schaschef! Heilige +zeven! Vereenigt u! Smelt samen." + +Zij goot hierop een dampende vloeistof, zoo zwart als inkt, uit +den ketel op een vlakken schotel, riep Heliodora aan hare zijde en +verklaarde haar wat haar oog op den blanken spiegel zag: het was +niets dan schoons, het gaf enkel hartverblijdende antwoorden op de +vragen der weduwe. Wat de tooveres zeide, moest het vertrouwen op hare +magische krachten versterken, want zij beschreef Orion zou nauwkeurig, +als zag zij hem in den inktspiegel voor zich en wel op reis met een +anderen heer. Maar daar kwam reeds zijn terugkeer op de blanke vlakte +te voorschijn, daar zag zij Heliodora aan de borst van den geliefde, +en nu welk een tafereel. Niet de bisschop van Memphis, maar een vreemde +legde hare en zijne hand in elkander voor het altaar in een grooten, +heerlijken dom en zegende hun verbond. + +Katharina, wie het gezang van Medea en wat daarop gevolgd was met vrees +had vervuld en in stilte deed huiveren, volgde ieder woord der tooveres +met angstige spanning. Wat de vrouw zeide, de wijze waarop zij Orion +beschreef, het was wonderbaarder dan alles wat zij ooit voor mogelijk +had gehouden. En de dom, waarin het verliefde paar getrouwd zou worden, +was de Sophia-kerk te Konstantinopel, waarvan zij veel gehoord had. Het +hart werd haar als toegeknepen, maar met hoeveel aandacht zij ook de +woorden van Medea volgde, haar scherp oor hoorde toch voortdurend +het treurig rochelen en klagen achter het gordijn, dat beangstigde +haar, beklemde haar adem, en een diep martelend gevoel van ellende +overweldigde hare ziel. Dien krijtenden kindergeest daar achter, +van welks geluk haar een deel ten goede gekomen zou zijn, had zij, +juist zij, zeker niets ontroofd, want wie was er thans ongelukkiger +dan zij? Alleen die schoone, smachtende, jonge vrouw daar had het lot +met gaven, genoeg voor ontelbare anderen, zoo kwistig overladen. O als +zij haar de eene na de andere had kunnen ontrooven, van den grooten +robijn af, dien zij heden droeg, tot de liefde van Orion toe! + +Bleek en overspannen gaf zij aan de roepstem der tooveres gehoor, +nadat ook zij zeven goudstukken geofferd had. Zij had daarvoor het +liefst eene moorddadige verwensching gekocht, om de gelukkige daar +er mede te verpletteren. Reeds begon de pikzwarte vloeistof in den +schotel te vloeien, waaruit een scherp riekende damp opsteeg, doch de +tooveres blies dezen opzij. Zoodra het donkere vocht een weinig was +afgekoeld en de oppervlakte niet meer troebel maar glad was, vroeg +Medea het meisje, wat zij het eerst begeerde te vernemen. Doch het +antwoord werd Katharina van de lippen genomen; een verschrikkelijk +geklop en gedreun deed plotseling het huis daveren, en met een luiden +gil liet de tooveres den schotel vallen, zoodat de inhoud omhoog +spatte, en lauwe, vuile druppels zich hechtten aan het kleed en de +armen van het meisje. Een onverwachte, ontzettende schrik bracht haar +geheel in verwarring, en Heliodora, die zelve nauwelijks op de been +kon blijven, moest haar steunen; want Katharina waggelde en dreigde +in elkaar te zakken. + +De tooveres was verdwenen; in de zaal bevonden zich alleen een half +volwassen knaap, een jonge man en een lang opgeschoten, schamel gekleed +Egyptisch meisje. In alle richtingen heen en weervliegende wierpen zij +de voorwerpen, die hier en daar stonden, in eene opening van den vloer, +waarvan zij het luik hadden weggetrokken, goten water op de kolen, +doofden de lampen uit en dreven de vrouwen met gemeene scheldwoorden +in een hoek van de zaal. Daarna klommen de knapen zoo vlug als katten +naar het open dak, en sprongen naar buiten. Daar weerklonk een schel +gefluit door het huis, en een oogenblik later stormde de tooveres de +zaal binnen, vatte de beide bevende vrouwen bij de schouders en riep +hun toe: "Om Christus' wil hebt medelijden! Het is om mijn leven te +doen. Op tooverij staat den dood. Ik heb mijn best voor u gedaan. Gij +zijt--hoort gij wat gij zeggen moet?--gij zijt uit barmhartigheid +gekomen om de kranken te verplegen." + +Daarop duwde zij beiden door het gordijn, waarachter nog altijd +klaagtonen werden gehoord, in een bedompt laag vertrek, en het +groote, magere meisje slenterde haar achterna. Daar lagen op armzalige +legersteden een oud man met donkere vlekken op zijne naakte borst en +zijn aangezicht, rillend over al zijne leden, en een vijfjarig kind, +welks hoogroode wangen van de koortshitte gloeiden. Heliodora dacht +in dit vertrek te stikken en Katharina klemde zich bevende aan haar +vast; doch de tooveres haalde hen van elkander zeggende: "Ieder voor +een bed; gij bij het kind, gij bij den oude!" + +Werktuigelijk volgden beiden de vrouw, die van angst buiten adem +was. Het kwikstaartje, dat zich nog nooit om eene kranke bekommerd +had, werd van afschuw vervuld en wendde de oogen van de lijders +af. De jonge vrouw, die vele, vele nachten aan de lijdenssponde +van een geliefde gewaakt had en goedhartig,--want dat was zij van +nature--haar lijdende slaven vaak met eigene hand hulp had verleend, +zag het kind medelijdend in het vriendelijke, gloeiende gelaat, +en veegde het met den doek de zweetpaarlen van het voorhoofd. + +Katharina huiverde bij alles wat zij zag, doch reeds werd hare +opmerkzaamheid door iets nieuws geboeid, want aan de andere zijde +van het huis hoorde men wapengekletter, de deur werd met geweld +opengestooten en de arts Philippus trad de kamer binnen. Hij beval +de veiligheidsbeambten, die hem vergezelden, buiten te wachten. Hij +verscheen op last der bouleuten, aan wie ter oore was gekomen, dat +zich door de pest aangetaste kranken bevonden in het huis van Medea, +en dat zij desniettemin voortging met bezoeken te ontvangen. Men +had reeds lang besloten haar de uitoefening van dit handwerk te +beletten; en heden was het bericht gekomen, dat zij in den avond +voorname bezoekers verwachtte. De beambten wilden haar op heeter daad +betrappen en de arts verlangde uit te maken, of haar huis tot de door +de ziekte aangetaste behoorde. In elk geval wenschte de senaat de +tooveres in de gevangenis ter zijner beschikking te hebben, hoewel +men aan Philippus van dit verlangen niets had medegedeeld. + +Zij die binnenkwamen, hadden in het minst niet verwacht deze gasten +hier te vinden. Met een afkeurend hoofdschudden keek de arts hen aan, +legde de tooveres het zwijgen op met een barsch: "dat alles zal wel +blijken," toen zij haastig verzekerde, dat deze edele dames gekomen +waren, om uit christelijke barmhartigheid de arme lijders te troosten +en te helpen, en bracht de onvrijwillige krankenverpleegsters +onverwijld naar buiten. Daar deelde hij haar mede in welk een +schrikkelijk gevaar zij zich door hare lichtzinnigheid gebracht hadden, +en gebood haar ten stelligste zich terstond naar huis te begeven, +dáar, ondanks het late uur, een bad voor zich gereed te laten maken +en van kleederen te verwisselen. + +Met knikkende knieën bereikten zij den wagen en nog voor deze zich +in beweging zette, barstte Heliodora in bittere tranen uit, terwijl +Katharina zich nijdig achterover in de kussens wierp en met een blik +op hare gezellin, die zoo geheel ontdaan was, dacht: "Het begin van het +ongehoord geluk, dat haar verspeld werd! Goed, als het zoo voortgaat." + +Het was alsof demonen, die het kwikstaartje welgezind waren dezen +wensch vernomen hadden; want toen de wagen voorbij het wachthuisje +den eersten hof van het stadhouderlijk verblijf wilde inrijden, werd +hij aangehouden door vreemde gewapenden, met bruine krijgshaftige +aangezichten, en moest hij eenige oogenblikken hier wachten tot een +Arabisch bevelhebber verscheen, die verlangde te weten wie zij waren +en wat zij begeerden. + +Zij antwoordden met bevende stem, waarop haar werd medegedeeld, dat +zoo even op last der Arabische regeering beslag was gelegd op het +stadhouderlijk paleis. Orion was van eene groote misdaad beschuldigd +en zijne gasten moesten morgen het huis verlaten. Katharina, die den +tolk kende, kreeg vergunning Heliodora naar de vrouw van den senator +te vergezellen, zich van den wagen te bedienen om terug te rijden en, +als zij dit begeerde, de Byzantijnsche met zich naar huis te nemen; +want in het stadhouderlijk verblijf zou het er in de eerste dagen +zeer oorlogzuchtig uitzien. + +Zij hielden nu te zamen raad. Het kwikstaartje drong er op aan, dat +Heliodora haar terstond naar hare moeder zou vergezellen, want zij +hield zich en hare gezellin voor verpest; en hoe zouden zij, in dit +door soldaten bezet gebouw, een bad kunnen nemen? De jonge vrouw kon +en durfde in dezen toestand niet bij vrouw Martina blijven. Morgen +moest ook de matrone bij Katharina komen; hare moeder, zeide zij, +zou zich bijzonder verheugen over zulke lieve gasten. + +De weduwe liet werktuigelijk alles met zich doen, en nadat vrouw +Martina gaarne had ingewilligd, om de uitnoodiging van hare "reddende +engel" te volgen, bracht de wagen beiden naar het huis der weduwe +Susanna. Deze was reeds lang te bed en hield zich vast overtuigd, +dat haar dochtertje in hare vriendelijke kamer lag te slapen en te +droomen. Katharina liet haar niet wekken en de badkamer was zoover +verwijderd van Susannas vertrekken, dat zij rustig doorsliep, terwijl +haar kind en hare nieuwe gast er gebruik van maakten. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + +Het was in de stadhouderlijke woning een ontzettende nacht. Vrouw +Martina vroeg zich af welke zonde zij begaan had, dat zij juist +uitverkoren was, getuige van zulk een ongeluk te zijn. En wat werd +er nu van hare huwelijksplannen? Eene verhuizing in deze ontzettende +hitte was zeker eene ware beproeving; maar zij had eenige malen uit het +eene verblijf naar het andere willen trekken en zich als een bal heen +en weer willen laten werpen, als zij daardoor haren lieven "grooten +Sesostris" uit dit verschrikkelijk gevaar had kunnen redden. Dit +alles was zeker het gevolg van die onzinnige, dolle geschiedenis +met de nonnen. En deze Arabieren! Zij namen maar wat hun behaagde, +en waren waarlijk in staat den zoon van den grooten Mukaukas uit te +plunderen en tot een bedelaar te maken. Eene fraaie geschiedenis! Nu +Heliodora had voor beiden genoeg, en zij en haar man behoefden haar +in hun testament niet te vergeten. Doch hier was misschien sprake +van geheel andere dingen: van leven of dood. + +Bij deze gedachte voer eene rilling haar door de leden en hare vrees +zweefde niet in de lucht. De zwarte Arabier, die tot haar gekomen +was, om met haar te onderhandelen en haar ten slotte toe te staan +tot morgen in de stadhouderlijke woning te blijven, had haar dit +juist door den tolk doen weten. Een ongehoord, afgrijselijk onheil, +waarvoor geen naam was te vinden! En zij daar midden in, gedwongen +alles mede te beleven! En haar man, haar arme Justinus. Hoe moest +hem dit alles ter harte gaan! Hare oogen werden niet droog, en voor +zij insliep bad zij recht vurig, dat hare heilige en de goede moeder +Gods dit alles tot een verblijdend einde mochten brengen. Met de +gedachte: "Welk een ongeluk!" sloot zij de oogen en in den vroegen +morgen ontwaakte zij daarmee weder. + +Toch was het ontzettendste, wat er in dezen noodlottigen nacht had +plaats gehad, niet tot hare ooren doorgedrongen. Eene schare Arabische +krijgslieden was bij het aanbreken van den nacht te voet, te paard en +in booten den Nijl overgestoken, en had, onder aanvoering van den Wekil +Obada, het stadhouderlijk paleis omsingeld. Nadat het stellig gebleken +was, dat Orion zich inderdaad op reis bevond, werd de rentmeester Nilus +gevangen genomen. Vervolgens hadden de zwarten in last de weduwe van +den Mukaukas van het gebeurde te onderrichten en haar aan te zeggen, +dat zij reeds morgen het huis moest verlaten. Dit moest geschieden, +omdat de Wekil met het eerwaardig verblijf van het oudste geslacht +in den lande iets zeer bijzonders in den zin had. + +Vrouw Neforis was nog wakker en hield zich in de fonteinzaal op, toen +de tolk, als voorlooper van Obada, zich bij haar liet aandienen. Hij +vond haar een weinig onthutst, want ofschoon zij niet meer in +staat was regelmatig te denken, en haar de invallende gedachten als +bliksemschichten door de hersens schoten, als zij haar geest moest +inspannen, zoo had zij toch bemerkt, dat er iets bijzonders in hare +woning plaats had. Maar zoowel de huismeester Sebek als hare kamenier +hadden hare vragen ontweken en daarop in zooverre geantwoord, dat +naar zij zeiden de plaatsvervanger van Amr gekomen was, om met den +jongen heer te spreken. Het scheen eene belangrijke zaak te gelden, +misschien eene valsche aanklacht. + +Orion, zoo berichtte de hermeneut, was aangeklaagd van eene onderneming +op het getouw te hebben gezet, die aan twaalf Arabische krijgers +het leven had gekost, en reeds de aanval op een enkelen muzelman van +de zijde eens Egyptenaars werd, gelijk zij wist, met den dood en de +verbeurdverklaring van het vermogen gestraft. Verder was haar zoon +van roof aangeklaagd. Aan het einde van zijne mededeeling, die vrouw +Neforis met strakke blikken, verbaasd en ten laatste als verpletterd +had aangehoord, vroeg de tolk gehoor voor den Wekil. + +"Nog niet dadelijk, nog eenige oogenblikken," luidde het met moeite +uitgebracht antwoord van de weduwe, want zij moest zich eerst door +het genot van haar arcanum versterken. Zoodra dit gebeurd was, toonde +zij zich bereid Obada te ontvangen. + +De zwarte vijand van haar zoon wenschte voor haar te verschijnen als +een mild en grootmoedig man, en deelde haar met vleiende onderdanigheid +mede, terwijl hij telkens zijne tanden liet glinsteren, dat zij +in den loop van den volgenden dag het huis verlaten moest, waarin +zij den langsten en gelukkigsten tijd haars levens doorgebracht +had. Op zijne verklaring, dat haar eigen vermogen niet aangetast zou +worden, en het haar vrijstond te Memphis te blijven of haar huis te +Alexandrië te betrekken, antwoordde zij gelaten, dat dit wel terecht +zou komen. Daarop vroeg zij, of de Arabieren haar zoon reeds in +handen hadden? + +"Dat juist niet," antwoordde de Wekil, "doch wij weten waar hij +schuilt, en morgen of overmorgen hebben wij den beklagenswaardigen +jongeling in onze macht." + +Bij de laatste woorden bemerkte de weduwe een glans van vergenoegen in +de oogen van den zwarte, die tot dusver getracht had zich medelijdend +te toonen, en met een zacht hoofdknikken ging zij voort: "Dus is het +hier een vraag van leven en dood?" + +"Blijf bedaard, edele vrouw," luidde het antwoord, "alleen van +den dood." + +Zij sloeg den blik ten hemel, bleef eenige oogenblikken in die houding +zitten, en vroeg dan verder: "En wie heeft hem van roof beschuldigd?" + +"Het hoofd zijner eigen kerk..." + +"Benjamin," prevelde zij binnensmonds, en haar mond vertrok zich tot +een eigenaardig lachje. Zij had gisteren haar testament opgesteld ten +gunste van den patriarch en de kerk. "Wanneer Benjamin het gelezen +heeft," had zij tot zichzelve gezegd: "verandert hij misschien van +gezindheid jegens u en de uwen, en laat hij ijverig voor ons bidden." + +Daar zij verder niets zeide, zag de Wekil haar vragend en met eenige +verlegenheid aan, tot zij eindelijk opstond en niet zonder waardigheid +afscheid van hem nam met de opmerking, dat de zaken hiermede +afgehandeld waren en zij verder niets met hem te bespreken had. + +Hiermede was dit onderhoud afgeloopen, en toen de Wekil de fonteinzaal +verlaten had, mompelde hij bij zichzelven: "Welk eene vrouw! Zij is +of van demonen bezeten en niet wel bij het hoofd, of eene buitengewone +heldin!" + +Vrouw Neforis liet zich naar haar slaapkamer brengen, en nadat zij +zich te bed gelegd had, beval zij de kamenier zeker kastje uit hare +kist te nemen en het op het artsenijtafeltje aan het hoofdeinde van +haar legerstede te plaatsen. Toen zij alleen was haalde zij de beide +brieven, die de Mukaukas Georg haar als bruidegom geschreven had, +en een gedicht, dat Orion eens aan haar gericht had, daaruit te +voorschijn en beproefde ze te lezen. Doch het schemerde haar voor +de oogen, zoodat zij de bladen weer moest wegleggen. Daarop nam zij +een pakje ter hand, dat de lokken bevatte, die zij van de verstijfde +hoofden harer gestorven zonen en haars gemaals had gesneden. Met +dweepachtige teederheid beschouwde zij deze dierbare voorwerpen, en nu +begon het opium zijn uitwerking te doen. Met tastbare duidelijkheid +traden de beeltenissen van de afgestorvenen voor hare verbeelding, +en zij ging met hen om als stonden zij in vollen levenskracht aan +haar bed. Met de lokken in de hand sloeg zij daarna den blik omhoog, +en trachtte zich voor den geest te brengen wat heden had plaats gehad +en wat haar wachtte. Zij moest dit vertrek, deze breede legerstede, +dit huis, kortom alles verlaten, waaraan de dierbaarste herinneringen +verbonden waren van hen, die zij zoo liefhad. Men wilde haar daartoe +dwingen--maar voegde het haar zich te onderwerpen aan den wil van +dien zwarte, dien vreemdeling, hier waar zij te gebieden had? Met een +minachtend lachje schudde zij het hoofd en opende een glazen fleschje, +hetwelk nog voor de helft met opiumpilletjes gevuld was, nam eenigen +op den tong en sloeg den blik weer naar boven. Daar deed zich een +nieuw visioen voor hare verbeelding op; zij zag hem, van wien ook de +dood haar niet had kunnen scheiden, en hare gestorven zonen aan zijne +voeten. En nu steeg Orion uit de wolken op, gelijk een duiker uit de +golven van den stroom, en sprong op den oever van het eiland, waar +haar gemaal stond met de jongelingen. Zijn vader opende voor hem de +armen en drukte hem aan zijn hart, en zijzelve, of althans haar schim, +voegde zich bij de anderen, en ieder ging haar teeder te gemoet, en +ten laatste ook haar gemaal, aan wiens borst zij bleef rusten. Was +zij reeds geruimen tijd en lang voor de Arabieren haar overvielen, +half bewusteloos en als beneveld geweest, thans gevoelde zij eene +aangename, de leden verlammende slaperigheid, waaraan zij zich geheel +en al verlangde over te geven. Doch nauwelijks had zij de oogleden +gesloten of de gedachte vloog haar weer door het hoofd aan hetgeen +haar wachtte, en met inspanning van al haar wilskracht richtte zij +zich op, nam het water dat steeds op het tafeltje bij haar stond, +ten einde de rest van de pilletjes uit het fleschje er in te werpen +en den beker tot den bodem te ledigen. + +Bij dit alles was hare hand rustig gebleven, en uit het tevreden lachje +om haar mond en den verlangenden blik van haar oog had men kunnen +opmaken, dat zij dorst gevoelde en zich een smakelijke drank gereed +maakte. Zij zag er allerminst uit als iemand, die in wanhoop de hand +aan zichzelve slaat, en zij gevoelde ook geen berouw, geen doodsangst, +geen drukkende last van een schuld, die zij op zich nam, maar eene +zoete vermoeidheid en hoop, zalige hoop op een leven zonder einde, +vereend met hare dierbaren. Maar nauwelijks had zij den doodelijken +dronk genoten, of eene ijskoude rilling ging door hare leden, half +opgericht riep zij de kamenier, die in het aangrenzend vertrek waakte, +en toen deze haar angstig in de strakke oogen zag, stamelde zij tot +haar: "Een priester, haastig--ik wil sterven!" + +De dienares liep naar buiten en riep in het viridarium den huismeester +Sebek toe, die met den Wekil voor het tablinum stond, wat er gebeurd +was, en de zwarte stond hem toe aan het verlangen van zijne stervende +meesteres te voldoen en bracht hem zelf tot aan de voorpoort. Pas +buiten gekomen ontmoette de huismeester een diaconus, die zooeven aan +een pestzieke den zegen der kerk gebracht had, en eenige oogenblikken +later stonden zij aan de legerstede van de weduwe. Naast haar lagen +de lokken harer zonen, hare handen waren saamgevouwen rondom een +crucifix; doch hare oogen, die lang gestaard hadden op het aangezicht +van den Verlosser, waren thans weder met een glans van zaligheid naar +boven geslagen. + +De priester riep haar bij den naam, doch zij vergiste zich in zijn +persoon; zij hield hem voor haar zoon en stamelde hem liefderijk toe: +"Orion, arm, arm kind! En gij, Maria, mijn hartje, mijn lieve kleine +schatje! Vader--ja, lieve jongen--vader, kom maar; hij is weder +goed en vergeeft u... Allen die ik heb liefgehad zijn weder bijeen, +en niemand--wie kan ons nog scheiden? Weet gij, man? Hoor, Georg!--" + +De priester deed wat zijn ambt van hem vorderde, maar zij bleef in +de hoogte staren, zonder hem op te merken, en hare lachende lippen +bewogen zich daarbij onophoudelijk, hoewel het haar niet meer gelukte +duidelijke geluiden voort te brengen. Eindelijk kwamen zij tot rust, de +oogappels verdwenen achter de oogleden, de handen lieten het crucifix +los, zacht beefden hare leden, waarna zij zich uitstrekte en haar mond +opende, als om nog eens diep adem te halen. Maar hij sloot zich niet +weder, en toen de trouwe huismeester de lippen tot elkaar bracht was +haar gelaat reeds verstijfd en had haar hart opgehouden te slaan.--De +trouwe man snikte luide, en toen hij de treurmare aan den Wekil +overbracht, stiet deze een vloek uit en riep den onderbevelhebber, +die naast hem stond toe te zien, terwijl men eenige kameelen belaadde +met de schatten van het tablinum, spijtig toe: "Ik wilde die gekke, +oude vrouw grootmoedig ontzien, en nu speelt zij mij deze poets, +want die in Medina leggen mij haar dood ook nog ten laste als niet..." + +Hier hield hij plotseling op, en terwijl hij zich weder tot de kameelen +en hun last keerde dacht hij: "Bij zulk een hoog spel komt het op +een paar goudstukken meer of minder niet aan. Er moeten nog eenige +koppen van den romp--die van den schoonen Egyptenaar voor allen.--Als +de saamgezworenen in Medina hun plicht maar doen! De ondergang van +Omar brengt ook Amr ten val, en daarmede komt alles terecht!" + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + +Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg +opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren +in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en +het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene +groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was +opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde, +kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren +en met haar de geheele wereld! + +In 's buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange +arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te +bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep +hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te +zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij +nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van +den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar +gemaal gevolgd was. + +Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis +als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk +paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot, +eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest +en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan; +daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij +dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was +haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten, +die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel +zoo duister, woest en ellendig uitzag. + +De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder +te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals +het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich had blootgesteld, en +herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en +Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de +fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder +kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om +het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig +hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat +zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven +gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op +de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar +hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare +last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen. Daarbij steeg er +eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet +lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden. + +Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der +Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op +leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond +het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige +vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder +samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere +met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!--En al +die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje, +het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen; zij was het geweest, +die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts +van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag +dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en +zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet +op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij +werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed +binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan +hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het +door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen, +was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden, +ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen, +die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had. + +Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij +weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het +leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en +moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de +gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar +Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal +den bundel bliksemstralen ontwrongen,--dan vond zij ook voor deze een +schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer +na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde +hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs +gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar +den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En +wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten, +dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder, +barmhartig en liefderijk uitvallen. + +Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar +geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de +kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke +vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich +volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde. + +"Arm schaapje!" dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van +Rufinus inliep, "de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg +hebben gedaan!" + +De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore +zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone, +teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een +breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje +naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem +en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl +de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt. + +Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling +en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke +hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die +zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust +en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij +een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde +zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande +had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en +hartelijk, en op Philippus' "hoe gaat het?" antwoordde de Masdakiet +blijmoedig: "Als een visch in het water!" en vervolgde, terwijl hij +daarbij op Mandane wees: "Mijne landgenoote evenzoo." + +"Zijt gij het daarmee eens?" vroeg Philippus, en zij stemde toe met +een levendig hoofdknikken. + +Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide: +"Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim +u vanhier roept!" + +Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde +hij in zichzelven: "Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de +ellende, zij en de kleine Maria!" + +Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij +zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond +dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het +ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst +later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te +maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en +granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der +sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig +schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half +geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een +sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij +dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen. + +"Die gelden haar vader," dacht Philippus, terwijl hij in de deur +staande haar beschouwde. "Arm kind!" Hoe vaak had hij zijn vriend +haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind +geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat +haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk +voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul +geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone, +volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen, +en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan +dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had +geslagen, wanneer zij op hem, haar "edelen ruiter", in den tuin op en +neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu +zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden, +waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes +had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten. + +Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige +granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren +hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren +gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en +vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi +hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als +student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een +aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de +oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter, +zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette, +gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige +oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets +beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken +veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich +in deze pauze bedacht had? + +"Ja, daar ben ik," luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet +het hartelijk antwoord: "Goddank dat gij komt!", en de met zulk een +bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: "Al ware het enkel +om moeders wil!" + +Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid +sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw +Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: "Wat +booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een +ongeluksraaf in huis fladderen." + +"Gij?" vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een +lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen, +dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw +het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan: +eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster, +zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van +zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat +er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar +om Paula's en Maria's wil de dood van de weduwe ter harte ging, die +haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig +mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken. + +Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele +in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden +hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig +maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde, +daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid +van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit +tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen +ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het +hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch +waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen. + +Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat +hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze +bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets +in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar +haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks +gelooven en daarom smeekte hij haar de hoop op beter dagen niet te +laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem +stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon, +en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en +zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte, +reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat +waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van +Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude, +gedrukte, ongelukkige stemming. + +De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond +uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende +Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht +had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek +geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk +hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de +hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam +geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk +en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen +bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij +daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene +betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking +bracht. + +Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd +had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar +geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het +eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om +haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare +grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp +van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was +zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de +veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen, +en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van +wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld +had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen. + +Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer +vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan +hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine +aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van +Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang +zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien, +dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens +voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna, +de teedere zwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies +van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij +kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken, +en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger +deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria, +hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo +gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe +van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne +kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder +ter zijde te zien. + +De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en +even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte, +keek hem na, wees op hem en zeide: "Daar gaat hij! Het was zeker +voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak; +of hebt gij het niet verstaan?" + +"Wel zeker," zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op +te slaan. + +Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog +niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken +hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men +kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer +bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook +het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en +de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger +zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met +de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het +vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd +tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder +ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een +kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom +zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met +zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage +in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn +jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden, +die gene eens bezeten had. + +Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen +en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste +kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was +haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk +een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag +zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer +ziel. Zij verwijlde gaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij +hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen +lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd +door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet +was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende +zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe +te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was +geweest. Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en +kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde +zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had +aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich +aan gevaar bloot te stellen. + +"Dat wil dus zeggen," begon de Masdakiet weder, "dat het ook u niet +onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?" + +"Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen." + +"O!" riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot +hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon +langer te worden. "Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren +willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet +het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?" + +"Omdat--ja wie kan dat zoo ineens zeggen--omdat gij altijd goed +voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch +spreken kan, evenals met mijne moeder." + +"Zoo, daarom dus alleen?" vroeg de ander op gerekten toon, terwijl +hij zich over het voorhoofd wreef. + +"Neen, neen! Ook omdat.... Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan +zijt gij er ook al niet meer...." + +"Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet +het u hier toch bevallen hebben--zoo samen met mij." + +"Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig," zeide zij, terwijl +zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken. + +"Dat was het ook, en is het nog altijd!" zeide hij met de breede vuist +in zijne linkerhand slaande. "En juist daarom moet het er eens uit, +daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander +scheiden." + +"Maar uw heer zal u noodig hebben!" zeide zij, met toenemende +ongerustheid, "en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd +tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en +het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik +naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich +toch ook niet altijd laten verplegen." + +"Wat verplegen!" zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegd lachte. "Er +moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!" + +"Bij uw kameelen: altijd op reis?" + +"Dat moet dan ophouden," antwoordde hij meesmuilend. "Wij gaan naar +ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn +oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta, +dat kunt gij aan Haschim vragen." + +"Maar, Rustem, bedenk toch!" + +"Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het +aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat +het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij +lezen?--Neen?--Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de +afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend +driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten +termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen +sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard; +want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren +viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit +geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje, +zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht +worden? Ja of neen?" + +Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: "Wis +en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs." + +"En wij--gij en ik--wij--er zal nu een geheel nieuw leventje +beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en +bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe +veel jaren was ik dus reizende?" + +Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: "Als +ik mij niet vergis zijn het er acht." + +"Het zijn er reeds negen, geloof ik," hernam hij met nadruk. "Laat +eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik--zoo +oud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst--wat een +lief fijn dingetje!--en nu de andere!" + +Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot +hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem +verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: "Men heeft toch aan +de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn, +het zijn er hoogstens negen!" + +En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch +de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar +negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende, +dat hare vingers betooverd waren. Ja, het spel zou nog lang hebben +voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de +zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen +moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin +toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: "Ziet +gij, lief kind, deze kleine hand--gij moogt haar nu terugtrekken als +ge wilt--deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje, +en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de +betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven +en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander +scheiden. Eén leven zullen wij leiden--éen leven--de vreugde van +het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een +knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!" + +Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en +zeide verlegen en met neergeslagen oogen: "Neen Rustem, ik heb reeds +gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit +gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit +mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!" + +"Niet?" vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd +begonnen de aderen te zwellen. "Hebt gij mij dan vroeger voor den +gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid..." + +Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem +op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien, +die niet lang boos konden kijken, en zeide: "Wat vliegt gij dadelijk +weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden, +en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar +het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder +naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene +verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons +beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar...." + +"Maar?" vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar +toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden. + +"Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen, +waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet +beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En +gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis +en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles +wordt anders, geheel anders, wanneer gij eene vrouw als ik ben met +u medesleept, eene,--al ware het maar alleen eene voormalige slavin!" + +"Komt het dus daarop neer?" haastte hij zich te vragen, terwijl +zijn gelaat weer ophelderde. "Is dat het wat u beangst, gij arm +zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs +verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten, +dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou +uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten +waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De +reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang, +misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze +taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt +het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of +lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en +staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds +op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft +en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt, +hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals +de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt: +'Wilt gij de mijne zijn?' en als het hart haar dit ingeeft, volgt +zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten, +als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en +Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders; +zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze +liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer +duren dan ons leven.--Nu kent gij de leer van onze meester Masdak, +dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij +heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die +leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij +het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen +zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet +mijn deel elders gaan zoeken. Ik blijf daarom toch Masdakiet [16], +en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de +leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u--u gaat +dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen, +braven man, wien het geheele land acht; voor wie daar in het oosten +wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij +eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de +minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik +dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw +mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou +het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het, +hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken." + +Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig +aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de +plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders +op en zeide lachende: "Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij +niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het +uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet +gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo--zeg zelf, mijn +duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels--het zijn +zulke aardige diertjes--hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve +die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie +kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren +zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt +gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand +lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals +gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er +nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats +van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk +eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?" + +Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid +bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend +terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid +miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot +een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan +nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk, +zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch +met zijn scherts voortgaan, noch verder bij haar aandringen kon, maar +medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: "Zoo moet ge mij +niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder +dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij +uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief +meisje!--het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas." + +Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met +betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: "Dat +heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!". + +Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: "Dat heeft ook +mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven, +en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en +ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd +heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna--en wat zij zegt moet +wel waar zijn--mij eergisteren zeide dat het met--nu ja, dat weet +gij wel--dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand +uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een +engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon +van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam +werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil +maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten +zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en +alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge, +ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet +aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil +geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik +kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt: 'Dat +alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.'" + +Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid +zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: "Zoo goed, zoo goddelijk +goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op +aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij +wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog +eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist +zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand +om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud, +een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat +er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik +weder ontwaakte..." + +"Nu zijn wij er," zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij +de oogen afveegde en beproefde te lachen. "Toen lagen wij beide met +wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis +altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en +de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te +bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed, +wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven +nog niet eens, want uw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den +weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer +te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen"--en nu ging hij +nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig +gelaat bijzonder goed stond--"toen moest ik vragen: heeft dan de +maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai +licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken +was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook +niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft +en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een +hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan +eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne +moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en +weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat; +en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje +aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als +moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij, +dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad, +er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!" + +"Ja, ja, Rustem, zeker!" zeide zij, hem met dankbare betraande oogen +in het open gelaat ziende. "Wat er aan liefde en teederheid in mij is, +dat zult gij, gij alleen hebben." + +"Nu," riep hij vroolijk, "dat was een woord! Daar kan men zich aan +vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten +landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een +toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis +bindt, sta ik nu op." + +Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en +hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag +van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken +het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in +beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen, +die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte +onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was +minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten, +en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den +hals van het mannetje. + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + +Evenmin als het verliefde Perzische paartje, liet de zwarte Wekil +Obada zich door de hitte van den dag in de uitvoering zijner plannen +storen. Hij beschouwde het stadhouderlijk paleis als zijn eigendom +en wat hij daarin vond wekte in hooge mate zijne belangstelling. Het +was niet enkel hebzucht, die hem aandreef, want in de eerste plaats +kwam het er op aan bewijsstukken te vinden, die zijn optreden tegen +Orion en het in beslag nemen van diens bezittingen in Medina konden +rechtvaardigen. Daar waren groote dingen op het getouw gezet en wanneer +de samenzwering tegen den Kalief Omar gelukte, dan had hij weinig +meer te vreezen en durfde hij des te zekerder op de goedkeuring van +het nieuwe opperhoofd hopen, naarmate de sommen, die hij weldra naar +Medina kon zenden, in omvang de grootste overtroffen, die zijn heer +ooit in den schatkist van zijn vaderland had gestort. + +Met de nieuwsgierigheid en de begeerlijkheid van een kind doorliep +hij de eene kamer na de andere, betastte hij alles, onderzocht +hij de zachtheid der kussens, gluurde hij in schriftrollen, die +hij niet verstond, wierp hij ze weldra weer weg, rook hij in de +kamer van de gestorvene aan de reukwaters en artsenijen, waarvan +zij zich bediend had, knarste hij van genoegen met de tanden, +toen hij in hare kist kostbare sieraden en gemunt goud vond, stak +hij den schoonsten diamanten ring aan de reeds overladene vingers, +en doorzocht hij ten laatste met den grootsten ijver de vertrekken, +die Orion bewoond had. Zijn tolk, die Grieksch kon lezen, moest +daarbij ieder geschrift dat gevonden werd overzetten, wanneer het +geen gedichten bevatte. Onder het luisteren krabde en trok hij met +geheel onkundige hand aan de snaren van 's jonkmans lier, goot hij +van den zalfolie, die de fijne jongeheer gebruikte, op zijne hand +en besmeerde daarmede zijn baard. Voor den blanken, zilveren spiegel +van Orion trok hij onophoudelijk allerlei gezichten. + +Tot zijn verdriet kon hij onder al de grootere en kleinere zaken, +die hier overal stonden, niets vinden wat grond tot verdenking kon +geven. Reeds maakte hij zich gereed om heen te gaan, toen hij in +eene mand bij de schrijftafel eenige weggeworpen schrijftafeltjes +opmerkte. Terstond wees hij den tolk daarop, en hoe weinig leesbaars +er ook op het diptychon [17] stond, het was in het oog van den zwarte +van het hoogste gewicht, want het luidde: + +"Orion, zoon van Georg--aan Paula, de dochter van Thomas!" + +"Gij hebt reeds vernomen, dat het mij onmogelijk is geworden +aan de redding der nonnen deel te nemen. Beoordeel mij daarom +niet verkeerd! Uw goede en maar al te billijke wensch, om uwe +geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest...." + +Van hier af waren de in was gegrifde teekens met opzet uitgewischt, +en er was bijna geen enkel woord meer te ontcijferen, ja, er volgden +nog maar zoo weinig regels, dat men moest aannemen, dat deze brief +nooit voltooid was geworden. En zoo was het inderdaad. Ofschoon +dit stuk den Wekil niets aan de hand deed, waarmede hij Orion zou +kunnen belasten, zoo was er toch wel eene beschuldiging aan vast +te knoopen. Want de dochter van Thomas had zeker deel gehad aan de +onderneming, die zoovele wakkere muzelmannen het leven had gekost, +en de zwarte wist door den wisselaars in Fostat, dat zij in nauwe +betrekking stond tot den zoon van den Mukaukas, en hem het beheer +over haar vermogen had toevertrouwd. Beiden moesten als verbondenen +in deze zaak terecht gesteld worden, en Orion werd in elk geval door +dit schrijven aangewezen als de persoon, die van het plan kennis +had gedragen. + +De bisschop Plotinos van Memphis, op wiens verlangen de vervolgers +waren uitgezonden, moest aanvullen wat de jonkvrouw mocht +verzwijgen. Hij was terstond, na het plan tot ontvoering te hebben +aangegeven, den patriarch achterna gereisd en eerst gisteren ochtend +uit Opper-Egypte teruggekeerd. Hier te Memphis had hij den Wekil twee +aanklachten van den kerkvorst tegen Orion doen toekomen; de eene betrof +de vlucht der nonnen, de andere het achterhouden van een kostbaren +smaragd, die de kerk toekwam. Beide beschuldigingen hadden Obada den +moed gegeven, om beslag te leggen op de bezittingen van den jonkman, +daar de bittere vorm van de aanklacht des patriarchs hem deed inzien, +dat hij in Benjamin een bondgenoot bezat. Paula moest dus gevangen +genomen worden en hij twijfelde niet of hare verklaringen zouden Orion +op eene of andere wijze bezwaren. Het liefst zou hij haar dadelijk +verhoord hebben, maar hij had heden nog andere dingen te doen. + +Het onderzoek van het rentmeesterskantoor nam den meesten tijd in +beslag. Dit werd aangevangen onder leiding van Nilus, die daarvan +aan het hoofd stond. Alles wat de beambte, als bewijzen van erfenis +en eigendom, als koop- en pachtcontracten, kadasters en dergelijke +aanwees, alsmede de groote voorhandene sommen in goud en zilver +werden terstond op ossenwagens en op kameelen geladen en onder +veilig geleide over den stroom gebracht. De akten en documenten uit +vroeger tijd, het familie-archief en wat daarmede samenhing liet de +zwarte daarentegen onaangeroerd. Hij was zeker een onvermoeid man, +want ofschoon hij met dit werk den ganschen dag bezig was, gunde hij +zich geene verademing, ja hij liet zich niet eens eene bete broods +of een verfrisschenden dronk brengen. Hoe later het werd op den dag, +des te meer vroeg hij naar den bisschop, en telkens op ongeduldiger +en boozer toon. Hij had zich tot den patriarch moeten begeven, maar +waar bleef Plotinos? Gevoelig als alle lieden, die van niets tot +iets zijn geworden, beschouwde hij diens uitblijven als eene daad +van persoonlijke minachting. + +Doch de herder der gemeente van Memphis was geen hoogmoedig prelaat, +maar een bescheiden, vroom man. Zijn opperhoofd, de patriarch, had hem +in Opper-Egypte gewichtige boodschappen toevertrouwd aan den veldheer +Amr of diens plaatsvervanger, en toch liet hij den Wekil tevergeefs op +zich wachten, en zond hem ook geen boodschap. Zijne oude huishoudster +zond in den namiddag echter den akoluth [18], die hem persoonlijk +diende, naar Philippus. Haar anders zoo sterke en wakkere heer had +zich gisteren, terwijl het nog helderen dag was, naar bed begeven en +was niet weder opgestaan. Zijn lichaam gloeide, hij had een hevige +dorst en scheen niet recht te weten waar hij zich bevond en wat hem +omgaf. Plotinos had altijd beweerd, dat het gebed de beste medicijn +was voor den christen; toen echter zijn arm lichaam zoo schrikkelijk +heet was geworden, had de huishoudster den arts ontboden, doch de bode +was met het bericht teruggekomen, dat Philippus op reis was gegaan. + +En zoo was het inderdaad: een brief van den ouden Haschim had +hem genoopt Memphis te verlaten. De zoon van den koopman, wien het +ongeluk had getroffen, werd maar niet beter. Het scheen dat inwendige +deelen van het lichaam waren aangedaan, en dat zijn leven in gevaar +verkeerde. De beangstigde vader bezwoer met vurige gebeden den arts, +in wiens bekwaamheden hij het grootste vertrouwen had leeren stellen, +naar Dschidda te komen, den kranke te onderzoeken en zijne genezing te +beproeven. Bovendien liet hij den karavaanaanvoerder Rustem verzoeken +weder tot hem te komen, zoodra zijne gezondheid het veroorloofde. + +Dit schrijven, dat met een groet aan Paula sloot, wier vader hij met +allen ijver liet opsporen, had Philippus diep geschokt. Hoe kon hij +in dezen tijd van pest en ellende Memphis verlaten? En vrouw Johanna +en hare dochter? Van den anderen kant wilde hij om Paula's wil weg, +ver van hier weg; en hoe gaarne zou hij alles beproeven om den zoon +van dien wakkeren grijsaard te behouden! Desniettemin zou hij gebleven +zijn, wanneer zijn oude vriend zich niet zeer onverwacht aan de zijde +van Haschim gesteld en hem bezworen had de reis te ondernemen. Het +was zijn plicht en ook zijn verlangen voor de vrouwen in het huis van +Rufinus te waken. Philippus' helper kon bij vele kranken zijne plaats +vervangen en de anderen zouden ook zonder hem wel sterven, daar hij +toch zelf verzekerd had, dat er geen deugdelijk middel tegen de pest +bestond. Bovendien had Philippus nog de overtuiging uitgesproken, dat +hij de verloren rust in Paula's nabijheid niet weer kon vinden. Nu bood +zich de gelegenheid aan, om op eene niet in het oog loopende wijze op +de vlucht te gaan, en tegelijk een degelijk werk der barmhartigheid +te verrichten. Philippus had zich laten gezeggen en was weinige uren +later met zeer gemengde aandoeningen op reis gegaan. + +De oude Horus Appollon deed al zeer weinig, om het zichzelven +gemakkelijk te maken, doch in éen opzicht zorgde hij goed voor zijn +persoon. Het loopen viel hem zwaar, en daar hij in de avondschemering +gaarne de vrije lucht inademde en later nu en dan de sterrewacht +bezocht, hield hij er voor zich een ezel op na, een best exemplaar van +het edelst ras. Hij ontzag zich niet voor zulk een beest een hoogen +prijs te betalen, als het maar in alle opzichten aan zijne wenschen +voldeed, dat wilde zeggen sterk, niet nukkig, volgzaam en licht van +kleur was. Zijn vader en grootvader, de Isispriesters, hadden steeds op +witte ezels gereden, en daarom deed hij het ook. In de laatste heete +weken was hij zelden buiten gekomen en ook heden wachtte hij het uur +van zonsondergang af, om zijne belofte te houden. In sneeuwwit linnen +gekleed, met nieuwe sandalen aan de voeten, frisch geschoren, op de +wijze der vaderen door eene net geordende, lange pruik alsmede door +een scherm voor de brandende stralen der ondergaande zon beschut, +besteeg hij, overtuigd dat hij voor den uiterlijken mensch al het +mogelijke gedaan had, den fraaien, witten ezel, en zijn Ethiopiër +draafde te voet achter hem aan. + +Het was nog helder toen hij voor het huis van Rufinus stil hield. Zoo +gejaagd had zijn oud hart in lang niet geklopt. "'t Is of ik eene bruid +ga zoeken," zeide hij tot zichzelven met fijnen spot. Nu, het geldt dan +ook een verbond te sluiten voor het nog overige deel des levens. "Men +moest," verweet hij zich, "althans de nieuwsgierigheid met de haren en +tanden verliezen!" Maar zij was nog voorhanden, en hij kon zich niet +verheelen, dat hij in spanning was over het uiterlijk van de vrouw, +die hij haatte zonder haar ooit gezien te hebben, omdat zij de dochter +was van een prefect en patriciër en zijn Philippus ongelukkig maakte. + +Terwijl hij afsteeg geleidde een jong, sierlijk gekleed meisje eene +oudere vrouw in kostbare, maar eenvoudige kleedij in den tuin. Dat +moest het kwikstaartje en Orions Byzantijnsche vriendin zijn. Dat +trof slecht, zooveel vrouwen tegelijk! Hare tegenwoordigheid kon den +eenzamen onderzoeker, die het verkeer met vrouwen ontwend was, maar +hinderen en zijn plannen verstoren. Doch wat kon hij er aan doen? Die +bezoeksters zagen er bovendien zoo kwaad niet uit. Het kwikstaartje was +een allersnoezigst, klein meisje, ook zonder hare millioenen veel te +goed voor den onzinnigen stadhouderszoon. De matrone had een innemend, +goed gezicht, juist zooals Philippus het beschreven had. Doch, en +dit bedierf alles, in dit gezelschap kon hij niet spreken over den +dood van den armen Rufinus en dus ook niet over hetgeen hij voor had, +en zoo had hij dus voor niets, geheel voor niets zooveel stof geslikt +en zooveel hitte verdragen. Morgen moest dit alles tot zijne ergernis +voor de tweedemaal genoten worden! + +De eersten, die hij ontmoette was een aardig jong paartje: de Masdakiet +en Mandane. Hij behoefde niet te vragen, zij moesten het zijn, hij +ging dus naar hen toe, deelde Rustem den wensch zijns meesters mede +en bood hem in Philippus naam aan, hem het reisgeld voor te schieten; +doch de karavaanaanvoerder sloeg op zijne mouw, waarin een aardig +sommetje aan goudstukken geborgen was, en zeide vroolijk: "Alles reeds +voorhanden, ook voor twee reizigers naar het oosten!--Mijne bruid, +met uw welnemen!--De tijd is gekomen, mijn duifje, wij moeten weg, +op reis naar het vaderland!" + +De groote jonkman zeide dat met zijne basstem zoo gelukkig, zoo +uitgelaten vroolijk, en het schoone meisje zag daarbij zoo blijmoedig, +zoo verliefd, zoo innig dankbaar naar hem op, dat de grijsaard +zelf recht vergenoegd gestemd werd. Hij die in elk verschijnsel +een voorteeken zag, hield deze ontmoeting voor een goed "omen" bij +zijne intrede in dit huis, dat misschien, zijn tehuis zou worden. En +even gelukkig als zijn bezoek begonnen was, ging het nu verder, +want de weduwe van Rufinus en hare dochter ontvingen hem uiterst +vriendelijk. Pulcheria haalde dadelijk vaders leuningstoel voor hem +naar voren en schoof hem een kussen in den rug. Dat alles ging zoo +stil, zoo natuurlijk, zoo hartelijk in zijn werk, dat het zijn oud +gemoed verkwikte, en hij erkennen moest, dat een mensch bijna te veel +goeds genoot, wanneer hem dagelijks en uur aan uur zulke verrassingen +werden aangeboden. + +Hij zeide tot het meisje een vriendelijk, schertsend woordje +over hare goede zorg, en de matrone uit Konstantinopel vatte die +scherts dadelijk op. Zij had hem op zijn fraaien ezel zien zitten, +roemde het dier en wilde niet gelooven, dat hij zelf al boven de +tachtig was. Zijne mededeeling dat Philippus op reis was gegaan, +vernamen allen met leedwezen; hem deed het genoegen waar te nemen, +dat Pulcheria bij dit bericht niet weinig verschrikte en zich daarop +verlegen terugtrok. Wat had dat meisje een lief, onschuldig, goed en +daarbij bevallig gezicht! Dat zou, dat moest zijn dochtertje worden, +en midden in het gesprek met anderen, onder de kleine aardigheden van +Katharina en de vriendelijke vragen van de matrone en vrouw Johanna, +zag hij in zijne verbeelding zijn Philippus en dat lieve schepseltje +als man en vrouw, en bij en met hen aardige kleine kindertjes, die +rondom hem speelden. Hij was gekomen, om te troosten en te beklagen, +en nu viel hem hier zulk een vroolijke ure ten deel als hij in lang +niet had genoten. + +Hij was met de anderen in het viridarium ontvangen, dat thans door +verschillende lampen werd verlicht, en van tijd tot tijd keek hij +naar de deuren, die op deze middenruimte van het huis uitkwamen, en +maakte daarbij voor zichzelven een plan ten aanzien van de bestemming, +die verschillende vertrekken later zouden ontvangen. Daar hoorde hij +achter zich zachte voetstappen; de matrone stond op, het kwikstaartje +snelde de binnentredende te gemoet en terstond daarop verscheen, +zoodat ook hij haar zag, de hooge gestalte eener in rouwgewaad +gekleede jonkvrouw. Met deftige waardigheid begroette zij de matrone, +wisselde met Pulcheria en vrouw Johanna een blik van hartelijke +en medelijdende verstandhouding, en toen deze laatste haar den naam +noemde van den grijsaard, ging zij naar hem toe en reikte hem de hand, +eene marmerblanke, koude, slanke echte patriciërshand. + +Ja, schoon, buitengewoon schoon was deze vrouw! Eene dergelijke +herinnerde hij zich nauwelijks ooit gezien te hebben. Waarlijk +een onberispelijk meesterstuk des scheppers, eene verschijning, om +als een ongenaakbare godin de aanbidding te vragen van gehoorzame +vereerders; maar op de zijne behoefde zij niet te rekenen, want in +deze marmeren trekken, wier bleekheid het zwarte gewaad nog beter deed +uitkomen, lag niets wat hem aantrok. Uit deze trotsche oogen kwam geen +verwarmend licht te voorschijn, onder dezen schoon gewelfden boezem +kon geen vriendelijk, liefhebbend hart kloppen. Bij haar handdruk +had hij gerild en hare verschijning scheen hem eene verlammende en +verkleumende uitwerking te hebben op alle aanwezigen. + +Inderdaad vergiste hij zich hierin niet. Men had Paula geroepen, +om de senatorsvrouw en Katharina te begroeten. De laatste, dacht +zij, was alleen uit nieuwsgierigheid gekomen, en al wat Heliodora +betrof, stootte haar reeds dadelijk af. Zij had haar vertrouwen +in het kwikstaartje verloren, want eergisteren was de akoluth, +die in persoonlijken dienst stond bij den bisschop van Memphis, +en wiens kind Rufinus van een voeteuvel had hersteld, bij vrouw +Johanna geweest, om haar voor Katharina te waarschuwen, die zijn +meester voor een paar weken een gewichtig geheim had verraden, dat +betrekking had op haar echtgenoot, en Plotinos aanleiding had gegeven, +om terstond naar Fostat te gaan. Het viel wel hard eene "vriendin" van +zoo iets te verdenken, maar zij alleen, die gelijk zijzelve erkende, +zoo gaarne in den aangrenzenden hof beluisterde wat in dezen tuin +gesproken werd en geene andere kon den bisschop hebben geopenbaard, +welk plan er voor de nonnen beraamd werd. De stellige mededeelingen van +den akoluth lieten geen twijfel over. Paula's ziel was niet geneigd, +om kwaad van den naaste te denken, doch onder zulke omstandigheden +kon hare openhartige, voor geene onwaarheid vatbare natuur het niet +over zich verkrijgen de kleine anders dan koel te bejegenen, en hoe +meer Katharina zich met teederheid aan Paula zocht op te dringen, +des te kouder wees Paula haar af. + +De grijsaard zag dit alles en de wijze waarop de Damasceensche +zich hier voordeed, hield hij voor haar aard en haar eigenaardig +karakter. Hij zag in haar den hoogmoed van den patriciër, de +zelfzuchtige ongevoeligheid en de krenkende teugellooze trots van +die gehate kliek, die zich alles laat voorstaan op den adeldom +der geboorte, als belichaamd, als in vleesch en bloed voor zich +staan. Gelijk de geheele soort, zoo verachtte hij dit toonbeeld ervan; +en zijne boosheid vertiendubbelde, als hij bedacht wat deze koude +sirene den zoon naar zijn hart had doen lijden, wat zij hem zelf nog +aandoen kon, wanneer zijn lievelingsplan door haar onuitvoerbaar +werd. Liever ware hij in zijne laatste dagen eenzaam en zelfs van +Philippus gescheiden gebleven, dan dat hij met die vrouw tafel, +huis en leven had gedeeld, zij die daar weder de hartelijke gemeende +liefkoozingen dier aardige, kinderlijk onschuldige, kleine Katharina +met hinderlijke, ijskoude zelfverheffing afwees. Bij het zien van die +vrouw zouden de beten hem bij den maaltijd in de keel blijven steken; +zelfs het hooren van den voornamen toon harer stem in een aangrenzend +vertrek, zou hem den lust tot den arbeid benemen, de druk van hare +koele hand bij den nachtgroet hem den slaap bederven. + +Ook thans werd hare tegenwoordigheid hem ondragelijk, zij was hem eene +uitdaging, eene beleediging, en had hij vroeger den wensch gekoesterd +haar uit de nabijheid van zich en zijn lieveling te verwijderen, of +als het zijn moest met geweld te werpen, die begeerte beheerschte hem +nu geheel en al. Verstoord en spijtig nam hij van de vrouwen afscheid, +maar Paula verwaardigde hij opzettelijk niet met een blik, toen zij, +nadat hij was opgestaan, naar hem toeging om een vriendelijk woord +tot hem te spreken en hem te toonen, hoe hoog zij zijn pleegzoon +vereerde. Pulcheria begeleidde hem naar den tuin en hij beloofde +haar morgen of overmorgen weder te komen, doch dan moest zij zorgen, +dat hij haar met hare moeder alleen vond; want hij had geen lust, +om zich dien hoogmoed en eigenwaan der Damasceensche ten tweedemale +"onder den neus wrijven" te laten. Pulcherias poging, om hare vriendin +te verdedigen, wees hij verdrietig af en met verwenschingen op zijne +oude lippen draafde hij naar huis. + +Intusschen was vrouw Martina op hare vertrouwelijke, gemoedelijke +manier Paula genaderd. Zij had vroeger eens hare ouders te +Konstantinopel ontmoet en wist met hartelijke warmte over dezen te +praten. Dat brak dan ook bij de jonkvrouw het ijs, en toen vrouw +Martina met waardeering en deelneming gewaagde van Orion, haren +"grooten Sesostris", en hoe hij te Konstantinopel algemeen geacht +en bemind werd, en welke ongelukken hem sedert hadden getroffen, +gevoelde zij zich tot de oudere vrouw zoo zeer getrokken, dat zij +elke achterhoudendheid liet varen, zoodat het gesprek tusschen deze +nieuwe kennissen steeds levendiger, inniger en vriendschappelijker +werd. Bij het opbreken gevoelden beiden, dat zij door verder verkeer +met elkander slechts winnen konden.--Toen Paula bij het afscheid werd +weggeroepen, verliet zij het viridarium met deze warme woorden, die +alleen tot vrouw Martina gericht waren: "Tot wederziens; doch aan mij, +de jongere voegt het natuurlijk, u op te zoeken!" + +"Welk een meisje!" zeide de matrone, na haar vertrek. "Waarlijk, +zij is de waardige dochter van een voortreffelijken vader! En hare +moeder? O vrouw Johanna, een lieflijker wezen is deze ellendige aarde +zelden tot sieraad geweest. Helaas, zij moest zoo vroeg heengaan; zij +was maar bestemd om eene wijle te bloeien!" Vervolgens wendde zij zich +tot Katharina en vervolgde, haar vriendelijk dreigende: "Hoe valsch +heeft uw boos tongetje mij toch dit meisje beschreven! Men spreekt +wel eens van zilveren kernen in gouden schaal, maar bij deze zijn +beide van goud. Ik ken mijne menschen! En gij, gij beiden... hemelsche +Vader... ik weet al, wat u arm katje, de oogen beneveld heeft. Zooals +ieder wenscht te zien, zoo ziet het er ten slotte uit. Ik wed, vrouw +Johanna, dat gij mijne zienswijze deelt, namelijk, dat deze Paula een +door en door edel schepsel is, ja een 'edel'! Dat is een hoogdravend +woord, en lieve God, hoe zelden kan men het gebruiken! Het ligt mij +anders ook niet op de lippen, maar voor die jonkvrouw weet ik geen +ander, en voor haar schaadt het niet!" + +"Zeker niet!" antwoordde zij, tot wie de vraag gericht werd, uit volle +overtuiging; doch vrouw Martina slaakte een stillen zucht en dacht: +"Arme Heliodora! Ronduit gezegd: mijn 'groote Sesostris' en Paula, +dat zou eerst recht een paar zijn. Doch, om Godswil, wat moet men +dan met dat arme, verliefde, ongelukkige wijfje beginnen?!" + +Dat vloog haar opeens door het brein, terwijl Katharina zich trachtte +te rechtvaardigen en betuigde, dat zij Paula's groote eigenschappen +wel erkende, maar dat deze zoo trotsch kon zijn, zoo vreeselijk +trotsch! Zij had zoo straks vrouw Martina zelve daarvan een proefje +te smaken gegeven. + +Pulcheria viel haar in de rede, om met nadruk de partij van hare +vriendin op te nemen. Doch zij kwam niet ver, want in de voorzaal +verhieven zich luide mannenstemmen, en plotseling stormde de voedster +Perpetua naar binnen en riep met den schrik op het gelaat, zonder +op de vreemde bezoeksters acht te geven: "O, o vrouw Johanna! Dit +nieuwe, ontzettende ongeluk! Daar zijn die Arabische duivels +teruggekomen, en met hen de tolk en een schrijver.--Men heeft ze +gezonden--barmhartige Heiland, hoe is het mogelijk?--en zij brengen +een bevel tot gevangenneming; en mijn arm kind moet met hen mede, mede +naar de gevangenis, de gansche stad door te voet naar de gevangenis!" + +Snikkende sloeg de trouwe, oude vrouw de handen voor het gelaat, +en een vreeselijke schrik maakte zich van allen meester. + +Vrouw Johanna verliet zwijgende en bleek het viridarium en de matrone +riep: "Een allerverschrikkelijkst, een ellendig land! Mijn God, thans +vergrijpen zij zich zelfs aan de vrouwen.... Kinderen, kinderen--geef +mij een stoel! Ik word zoo wee!--In de gevangenis! Dit heerlijke, +eenige schepsel over de straat gesleept, naar de gevangenis! Wanneer +het bevel tot inhechtenisneming er is, dan--dan moet zij in den kerker, +daarvoor kan geen engel haar bewaren. Maar deze edele, wonderschoone +jonkvrouw door de stad te laten slepen, als ware zij eene erbarmelijke +dievegge, dat, neen, dat is niet te dulden! Wat de eene vrouw voor de +andere doen kan, dat ten minste mag niet verzuimd worden, zoolang ik +nog hier ben en op mijne twee beenen sta! Katharina, kind, begrijpt +ge dan niet? Wat staat ge daar nog en gaapt mij aan, als ware ik een +gevederde aap? Waartoe vreten uwe dikke paarden de haver! Nu, begrijpt +gij het nog niet? Dadelijk, dadelijk vliegt gij naar de overzij, +en laat den grooten, gesloten wagen, waarin men mij afgehaald heeft, +inspannen en den tuin binnen rijden!--Thans gaat haar eindelijk een +licht op! En nu de voeten en armen gerept!" + +Daarop klapte zij in de handen, als wilde zij kippen van een tuinbed +jagen, en het kwikstaartje moest volgen. Vervolgens tastte zij +naar haar buidel en toen zij dien vond, zeide zij geruststellend: +"Goddank! Thans kan ik met die ongeloovige schurken praten! Deze +taal"--en daarbij liet zij de goudstukken rammelen,--"verstaan zij +allen! Kom, vrouwtje, waar schuilen die rekels?" + +De wereldtaal van de matrone deed de gewenschte uitwerking, want de +aanvoerder der veiligheidswacht liet zich met behulp van den tolk +overhalen, om Paula in een wagen naar de gevangenis te brengen, +beloofde haar aldaar een goed verblijf te bezorgen, en vergunde de +oude Betta, die met heete tranen er op stond, de gevangene in den +kerker te volgen. + +Bij deze ontzettende verrassing behield Paula hare tegenwoordigheid +van geest en hare waardigheid. Eerst toen het er op aan kwam, om +afscheid te nemen van Pulcheria en Maria, die als radeloos zich aan +haar vastklemde en haar met Betta in den kerker begeerde te volgen, +kon zij hare tranen niet weerhouden. De schrijver had haar medegedeeld, +dat zij door den bisschop Plotinos was aangeklaagd; de redding en de +vlucht der nonnen te werk gesteld te hebben, en vrouw Johanna voelde +hoe hare knieën knikten, toen Paula haar zacht in het oor blies: +"Neem u in acht voor Katharina! Zij alleen kan ons hebben verraden, +doch ook wanneer zij heeft aangegeven, wat Rufinus voor de zusters +heeft gedaan, dan moeten wij het loochenen, stellig en zeker. Vrees +niets! Van mij zullen zij niet het geringste te weten komen." + +Een oogenblik daarna zeide zij met luider stem: "Ik behoef u niet te +bidden mij in liefde te blijven gedenken. Heb dank, beiden, vurigen, +onuitsprekelijken dank voor alles..... Gij Pul"--en daarbij omarmde +zij moeder en dochter te gelijk, terwijl Maria vast aan haar geklemd +bleef en het hoofdje in haar kleed verborg, onder bitter schreien--"Gij +Pul, en gij vrouw Johanna, gij hebt eene arme verlatene tot de uwe en +gelukkig gemaakt, totdat het lot ons allen te zamen.... Gij weet het, +ach, gij weet het!--En wat gij mij geschonken hebt, schenk dat verder +mijne Maria! En nu nog een ding!--Ach, daar roept de tolk wederom; +nog een enkel oogenblik geduld!--Wanneer de bode terugkomt en bericht +brengt van mijn vader, of--God, als het eens waar was!--hem zelven, +laat het mij dan weten, of--genadige hemel!--breng hem tot mij! En +ben ik er niet meer als hij komt, zeg hem dan, dat het de vurigste +wensch mijns levens is geweest hem terug te vinden, hem weder te +zien. En dan"--deze woorden fluisterde zij vrouw Johanna weder zacht +in het oor--"smeek mijn vader, dat hij Orion lief hebbe als zijn eigen +zoon. En zeg aan beiden, dat ik hen heb liefgehad tot mijn einde, zoo +vurig, zoo onuitsprekelijk en innig."--Daarna zeide zij weder overluid, +terwijl zij ieder afzonderlijk de oogen en de lippen kuste:--"Ik heb +u lief en zal u blijven liefhebben, u, vrouw Johanna, u, mijne Pul, +en u Maria, mijn eenig hartediefje!" + +Daar vloog ook het kwikstaartje met geopende armen naar haar toe, maar +vrouw Johanna wees haar met een veel beteekenend handgebaar terug, +en de innig vereenigden klemden zich voor het laatst nog eens zoo +vast aan elkander, als waren zij een en mocht niets vreemds, niets +dat hunne vrede verstoren kon, hen naderen. Toch beproefde Katharina +nog eens bij Paula te komen; doch vrouw Martina, wier vochtige oogen +aan de vier afscheidnemenden hing, hield haar bij den schouder vast +en duwde haar toe: "Stoor haar niet, meisje! Zulke harten trekken +vanzelf tot zich, waarnaar zij verlangen. Ik oude vrouw zou wel waard +willen zijn, dat zij mij riepen!" + +Nu vermaande de tolk met alle gestrengheid om te scheiden; de drie +vrouwen lieten elkander los, doch het kind hield Paula stevig vast, +ook toen zij tot de matrone ging, en deze uit vrije beweging omarmde. + +Vrouw Martina nam het hoofd der jonkvrouw tusschen hare handen, +kuste haar innig en zeide, hoewel zij nauwelijks spreken kon: "God +bescherme en behoede u, mijn kind! Hem dank ik, dat hij mij u deed +ontmoeten! Zoo onschuldig en rein van hart als gij zijt blijft men +niet in de residentie, doch als vrienden van onze vrienden houden +wij voet bij stuk, tenminste ik en mijn senator! Als God er mij +toe in staat stelt, dan zult gij het ondervinden, Gij behoeft niet +alleen te staan in de wereld, zoolang Justinus en zijne vrouw er nog +zijn. Onthoud dat mijn kind, want het is ernstig en eerlijk gemeend." + +Hierop kuste zij Paula nog eens, en toen deze naar buiten ging, om den +wagen te bestijgen, en zij ook de Griekin Eudoxia en Mandane, die zich +bescheiden en in stilte schreiende op den achtergrond hadden gehouden, +een afscheidskus had gegeven, en eindelijk ook den gebochelden tuinman +en den Masdakiet, wien de tranen langs de wangen biggelden, de hand +gereikt had, trad Katharina haar gejaagd en diep beleedigd in den +weg, klemde zich aan haar arm vast en zeide dringend: "En voor mij, +hebt gij dan niets voor mij?" + +Paula wrong zich uit hare handen los en fluisterde haar toe: "Dank voor +den wagen! Gij weet het, die brengt mij naar den kerker, en ik vrees +dat uw verraad mij daarheen voert. Vergis ik mij, vergeef het mij dan, +zoo niet, dan zal uwe straf zeker niet lichter zijn dan het lot dat +mij wacht. Gij zijt nog jong, Katharina, tracht beter te worden." + +Daarop besteeg zij met de oude Betta den wagen, en zag alleen nog, +hoe Maria snikkende vrouw Johanna in de armen viel. + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + +De weduwe Susanna was der Damasceensche nooit genegen geweest, doch wat +haar nu getroffen had verschrikte haar en wekte haar medelijden. Men +moest onderzoeken, of het niet geoorloofd was, haar in plaats van den +kost der gevangenen beter voedsel in den kerker te doen toekomen. Dat +was christenplicht. En hare dochter scheen het ongeluk der vriendin +mede zeer ter harte te gaan, want toen zij met vrouw Martina terugkwam +zag zij er zoo verslagen en verward uit, dat het vreemden zeker niet +zou zijn ingevallen haar met een vroolijk vogeltje te vergelijken. + +Wederom had een giftige pijl haar getroffen. Tot dusverre was zij +slecht geweest voor zichzelve alleen, thans was zij het ook in de +overtuiging van een ander. Paula wist, dat zij haar verraden had. De +verraadster had een verrader gevonden. De gehate jonkvrouw had het +recht haar voor boos en valsch te houden, en dat maakte deze nog meer +gehaat in haar oog. Waar had men haar tot hiertoe niet vriendelijk +begroet en liefderijk ontvangen, en hoe was zij heden afgewezen, +niet slechts door Paula, maar ook door vrouw Martina, die iets moest +bespeurd hebben. Zij kon het niet verdragen, dat deze haar straks +zoo ruw had tegengehouden. + +De oude bisschop was de schuld van alles, want hij was zijne belofte +ontrouw geworden, dat hij haar verraad zoo geheim zou houden als +eene biecht. Ja, hij moest zijn woord gebroken hebben, want er was +niemand buiten hen die er iets van wist. Misschien had hij ook aan +de Arabieren haar naam genoemd, en dan moest zij getuigen voor het +gerecht, en in welk licht zou zij dan voor Orion staan, en voor hare +moeder, vrouw Johanna en Martina?--De oude Rufinus, dat had zij wel +begrepen was bij de onderneming omgekomen, en dat deed haar leed. De +buren hadden haar altijd vriendschap bewezen en zij wilde niet gaarne +iemand ongelukkig maken. Als zij voor het gerecht alles bekennen moest, +dan kon het met haar ook kwaad afloopen, en zij wenschte niemand +kwaad toe behalve die eene, die haar de liefde van Orion had ontstolen. + +Ja, dat getuigenis voor het gerecht, dat was het ergste, dat +moest vermeden worden tot elken prijs. Waar was toch de bisschop +Plotinos? Hij was reeds gisteren teruggekeerd en nog niet bij hare +moeder geweest, die hij anders dagelijks bezocht. Ook achter dat +uitblijven vermoedde zij eenig onheil. Het was van het grootste +belang den ouden heer zoo mogelijk spoedig aan zijne belofte te +herinneren, want als hij morgen vroeg bij het verhoor, dat hij zeker +moest bijwonen, haar naam noemde, dan kwamen de wachters, de tolk +en de schrijver ook in haar huis, en dan--brrr--zij had reeds eens +getuigenis moeten afleggen, en wat daarop gevolgd was, wilde zij niet +voor de tweede maal beleven. + +Maar hoe kon zij heden, of althans morgen zoo vroeg mogelijk +bij den bisschop komen? De wagen was nog onderweg, en wanneer +zij.... Het was nog twee uren vóor middernacht... Ja, zoo moest +het gaan! Onverwijld begon zij met hare moeder over het uitblijven +van den prelaat te spreken. Ook vrouw Susanna toonde zich daarover +bezorgd, vooral daar zij gehoord had, dat de oude heer ongesteld van +de reis was teruggekeerd, zoodat zijne dienaars hadden rondgeloopen, +om een arts te zoeken. Katharina bood zich nu terstond aan, om naar +hem toe te rijden. De wagen was ingespannen, de voedster kon haar +vergezellen. Zij moest naar den waardigen vriend, om te vernemen hoe +het hem ging. Vrouw Susanna vond dat alles heel lief, doch zij meende +dat het te laat was voor zulk een bezoek; daar echter hare lieveling +eens gezegd had "ik moet," was deze zaak reeds uitgemaakt. Vrouw +Susanna streek dus de vlag, de voedster werd geroepen en zoodra de +wagen voorkwam vloog Katharina hare moeder om den hals en beloofde +haar, zich niet lang te zullen ophouden. Kort hierop hield de wagen +stil voor het bisschoppelijk paleis. Daar gebood zij de voedster op +haar te wachten en betrad alleen het groote, uitgestrekte gebouw. + +In de ruime voorzaal, die door een klein lampje verlicht werd, was +alles stil en ledig; zelfs de deurwachters moesten zijn uitgegaan. Doch +zij wist hier goed de weg en kwam door het impluvium in de boekerij, +waar de bisschop anders op dit uur zich pleegde op te houden. Doch +het was er donker en niemand beantwoordde haar zacht geroep. In het +volgende vertrek, waarheen zij verlegen rondtastende den weg vond, lag +een slaaf voor een groote wijnkruik bij een handlampje te snurken. Dat +gezicht stelde haar eenigermate gerust. Het hier op volgend vertrek +was de slaapkamer van Plotinos, die zij nog nimmer had betreden. Door +de geopende deur schemerde een mat licht en vernam zij het geluid +van een pijnlijk kreunen en ademhalen. + +Zij riep de huishoudster een en andermaal bij den naam, maar kreeg +geen antwoord. Ook de slaaf achter de wijnkruik verroerde zich niet, +wel hoorde zij eene haar welbekende stem, die uit het slaapvertrek, +meer hijgende dan sprekende, vroeg: "Wie is daar? Komt hij? Hebt gij +hem eindelijk?" + +Het geheele dienstpersoneel van den bisschop was uit vrees voor +de ziekte weggeloopen, zoo ook de akoluth, die vrouw en kinderen +had. De huishoudster had haar meester moeten verlaten, om den arts, +die er reeds eenmaal geweest was, opnieuw te gaan zoeken. De laatste +achtergebleven slaaf, een trouwe, goedhartige lichtzinnige drinker, +zou intusschen voor de verpleging zorgen, doch hij had voor zich een +wijnkruik uit de onbewaakte voorraadkamer gehaald, deze snel geledigd +en was daarop, door dronkenschap en de drukkende zwoelte van den nacht, +overmand ingeslapen. + +Katharina liet dadelijk blijken wie zij was en hoorde zich op +vriendelijke wijze begroeten met de woorden: "O, gij, gij, mijne +kleine!" die echter met moeite werden uitgesproken. + +Zij greep nu het handlicht en ging daarmede naar den kranke toe. Deze +had haar de magere armen ter verwelkoming toegestoken, doch toen +tegelijk met haar ook het licht zijn bed naderde, sloeg hij de handen +voor de lichtschuwe oogen en zeide angstig en pijnlijk: "Neen, neen, +dat doet zeer; weg met die lamp!" + +Katharina plaatste haar op eene lage kist achter het hoofdeinde van +het bed, kwam met ledige handen nader bij den lijder, bracht hem de +groeten van hare moeder over en vroeg hem, hoe het hem ging en waarom +hij zoo alleen was. Hij gaf haar echter onduidelijke antwoorden, +die met moeite werden uitgebracht, en bad haar dichter bij te komen, +daar hij haar niet duidelijk verstond. Het ging hem slecht, hij zou +wel sterven. Het was lief van haar dat zij kwam, zij was altijd +zijne lievelinge geweest, zijne kleine, vrome Katharina. "En gij +gevoeldet u zeker hier heen getrokken, mijn kind," zoo besloot hij, +"om nog een zegen van den ouden man te halen. Van heeler harte zult +gij dien hebben." + +Hierop stak hij haar vriendelijk de hand toe, en zij volgde +een innerlijken drang des harten en knielde ontroerd voor zijne +legerstede neer. Hij legde haar de rechterhand op het hoofd en +prevelde zegenende woorden. Maar zij hoorde hem ternauwernood, want +zijne hand scheen zwaar als lood, hare koortsgloed deed haar pijn +en maakte haar vreeselijk beangst. Het smartte haar oprecht hem, den +ouden, trouwen vriend harer kindsheid, zoo te zien lijden, wellicht +sterven. Intusschen vergat zij niet wat haar hierheen had gevoerd; +maar hoe durfde zij hem bij zijn liefdewerk storen? Hij zegende haar, +dat was zoo vriendelijk, doch het geprevel nam maar geen einde en de +last van de gloeiende hand op haar hoofd werd zwaarder en zwaarder +en ten laatste ondragelijk. Het was haar of zij bezwijken zou, maar +opeens kwam zij tot bezinning, en nu bemerkte zij dat de grijsaard, +in plaats van de gebruikelijke formules eener zegening, slechts +onverstandige woorden mompelde, zonder samenhang! + +Zij bevrijdde zich van die heete, schrikkelijke hand, legde haar +weder op het bed en wilde hem vragen, of hij haar verraden en den +patriarch haar naam genoemd had, doch, groote God, daar zag zij op +zijne wangen dezelfde donkere vlekken als op de pestzieken in het huis +van de lokken-Medea, en met eene kreet van ontzetting sprong zij op, +greep het lampje van de kist, lichtte den lijder in het aangezicht, +zonder op zijn pijnlijk geroep te letten, trok de matte handen, +waarmede hij de oogen voor het lichtschijnsel zocht te beschutten, +met geweld weg, en vloog nadat zij zich overtuigd had, dat zij goed +had gezien, door het eene vertrek voor het andere na naar de voorzaal. + +Hier kwam de terugkeerende huishoudster haar te gemoet, nam haar het +licht uit de hand en wilde haar met vragen ophouden, maar zij riep haar +enkel toe: "Gij hebt de pest in huis! Laat de deur sluiten!" en holde +den arts voorbij naar buiten. Met éen sprong was zij in den wagen, +en zoodra de paarden aantrokken, zeide zij op droeven toon tot de +voedster: "De pest, de pest is daar! Plotinos heeft de pest!" + +De verschrikte vrouw trachtte Katharina neer te zetten en verzekerde, +dat zij zich vergist moest hebben, want zulke helsche plagen waagden +zich niet aan een heilig man; doch het meisje verwaardigde zich +niet haar te antwoorden en beval haar alleen zoodra zij terug zouden +zijn, een bad voor haar gereed te doen maken. Zij gevoelde zich als +verpletterd, en op de plaats waar de heete hand van den aangetasten +grijsaard zoo lang gelegen had, gevoelde zij onophoudelijk eene sterke, +akelige drukking; ja, toen de wagen eindelijk den tuin binnenreed, +was het haar nog altijd, als droeg zij op haar schedel iets warms, +iets zwaars en afgrijselijks, dat zich niet liet verwijderen. + +De vensters van het huis waren reeds donker, alleen uit het vertrek +op den beganen grond, dat Heliodora bewoonde, schemerde haar nog licht +toe. Daar schoot haar eene duivelsche gedachte door de overprikkelde, +onrustige hersens, en zonder links of rechts te zien gaf zij er +aan gehoor, en trad zooals zij ging en stond in het woonvertrek en +vervolgens door een gordijn in het slaapvertrek van hare schoone gast. + +Daar lag Heliodora te bed, altijd nog door hoofdpijn geplaagd, die +haar verhinderd had aan het bezoek bij vrouw Johanna deel te nemen, +en merkte de late bezoekster eerst op, toen zij dicht bij haar bed +stond en haar begroette. Eene enkele lamp verlichtte de groote ruimte +met matig licht, en zoo bevallig als in dit schemerlicht had de kleine +deze jonge vrouw nog niet gezien. Een nachtgewaad van het fijnste, +doorzichtigste weefsel verborg maar half hare schoone vormen. Van +de volle blonde haren ging zeker de wonderbaar fijne, nauw merkbare +welriekende geur uit, die deze gelukkige steeds omgaf. Als twee +glimmende slangen lag het in zware vlechten over haar schoon gewelfden +boezem en het witte beddelaken. Het naar boven gerichte gelaat was +onbeschrijfelijk lieflijk en kalm, ja zij geleek gelijk zij daar lag +en Katharina toelachte eene vriendelijke engel, die uitrustte van +werken der weldadigheid. De bekoring van zulk eene vrouw kon geen man +weerstaan en ook Orion was er voor bezweken. En bij haar lag eene luit, +waaraan zij zachte, vleiende tonen wist te ontlokken, de betooverende +bekoorlijkheid, welke haar gansche wezen uitoefende, nog verhoogden. + +Al wat in Katharina was kwam in opstand, en zij wist zelve niet hoe +het haar gelukte Heliodoras groet te beantwoorden en haar te vragen, +of het mogelijk was met pijn in het hoofd de lier te bespelen. + +"Het geeft rust, het brengt het bloed tot bedaren, als men zacht met +de vingers de snaren tokkelt," antwoordde zij vriendelijk. "Maar gij, +mijn kind, ziet er uit, als leedt gij zwaarder dan ik. Zijt gij met +den wagen gekomen, die zoo even voorreed?" + +"Ja," antwoordde Katharina. "Ik was bij onzen lieven ouden bisschop; +hij is doodziek en ook deze zal ons weldra ontvallen. Ach, deze +dag! Eerst Orions moeder, toen Paula en nu ook dit nog! O Heliodora, +Heliodora!" + +Daarbij wierp zij zich voor de legerstede op de knieën en drukte +haar aangezicht tegen de borst der medelijdende vrouw. Heliodora zag +de vochtige oogen van het meisje, die onwillekeurig, zonder dwang, +van tranen overliepen, en haar week gemoed werd mede aangegrepen +door het lijden van dit vroolijke schepseltje, dat nog zoo jong reeds +zooveel te dragen had. Zij boog zich over de kleine heen, kuste haar +vriendelijk op het voorhoofd en sprak haar troostende woorden toe. + +Katharina drukte zich nog vaster tegen haar aan, wees naar de plek +op haar hoofd, waar de heete hand van den pestzieke gelegen had en +zeide: "Hier, kus mij hier; hier doet het mij 't meeste pijn! Ja, +zoo is het goed, dat verkwikt mij!" + +En terwijl de frissche lippen der weekhartige jonge vrouw in aanraking +kwamen met hare verpeste haren, sloot zij de oogen en werd te moede als +de kampvechter, die de wapenen tot dusverre alleen op de oefenplaats +hanteerde, maar ze thans voor het eerst in de arena gebruikt, om zijn +tegenpartij het hart te doorboren. Zij was eene vreemde in haar eigene +oogen iemand grooter dan zijzelve; ja zij was de alles bedwingende +dood in eigen persoon en blies haar adem in de borst van haar offer. + +Deze gewaarwordingen beheerschten haar geheel en al, terwijl zij op +het zachte tapijt neerknielde; zij merkte niet op dat achter haar +eene vrouwengestalte de legerstede van hare troosteres naderde, +en werd ook niet gewaar, hoe deze de andere een welsprekende wenk +gaf. Want terwijl zij andermaal riep: "Nog een kus hier, daar gloeit +het zoo schrikkelijk!" voelde zij twee handen aan hare slapen, en +twee andere lippen dan die van Heliodora drukten zich op haren schedel. + +Verschrikt en verrast sloeg zij de oogen op en zag in het lachend +aangezicht van hare eigene moeder, die zich gehaast had haar te +volgen, om te vernemen hoe zij den bisschop had gevonden en natuurlijk +verlangde ook haar aandeel te hebben in de leniging van de pijn harer +lievelinge. Hoe aardig was die kleine ongedachte verrassing gelukt! + +Maar wat overkwam daar hare kleine? Als door den bliksem getroffen, +als door een adder gestoken, vloog Katharina op, zag hare moeder vol +ontzetting in het aangezicht, en toen vrouw Susanna haar hoofdje nog +eens wilde grijpen, om haar wederom op die noodlottige, pijnlijke +plaats te kussen, duwde Katharina haar terug en liep, bijna niet +wetende wat zij deed, door het woonvertrek naar de voorzaal en vandaar +de trappen af, die naar de badkamer leidden. + +Haar moeder zag haar onthutst en hoofdschuddend na. Zij wendde zich +tot Heliodora, haalde de schouders op en zeide met vochtige oogen; +"Arme, arme kleine! Er komt waarlijk voor haar te veel droevigs op +eenmaal. Haar leven was kort geleden nog een helderen zonneschijn en +nu slaat de hagel van alle zijde op haar neer. Zeker brengt zij eene +treurige tijding van den bisschop." + +"Hij moet doodziek zijn," antwoordde de weduwe medelijdend. + +"Onze beste, trouwste vriend," hernam de weduwe, innig bedroefd. "Ja +het is waarlijk te veel op eenmaal. Soms denk ik, ikzelve moest +hieronder bezwijken, en nu is zij de eerste, dat nauwelijks volwassen +kind! En met welk eene overgave draagt zij het zwaarste! O vrouw +Heliodora, gij weet in lang niet alles wat haar getroffen heeft; maar +misschien hebt gij wel opgemerkt, hoe zij altijd er alleen op bedacht +is vroolijk te schijnen, ten einde mij het hart te verlichten. Geen +zucht, geen klacht is tot hiertoe over hare lippen gekomen. Zij schikt +zich in alles als eene heilige, zonder te morren. Maar nu, nu het den +ouden besten vriend betreft, nu heeft zij voor de eerste maal hare +zelfbeheersching verloren. Zij weet toch wat Plotinos voor mij was...." + +Zij begon opnieuw hevig te snikken, en nadat zij eenigermate tot +bedaren was gekomen, verontschuldigde zij zich wegens hare zwakheid +en nam afscheid van de schoone gast. + +Intusschen bevond Katharina zich in het bad. Zulk eene inrichting +behoorde tot de voornaamste bestanddeelen van elk aanzienlijk +Grieksch-Egyptisch huis, en haar vader had het zijne met bijzondere +zorg laten inrichten. Het bestond uit twee afdeelingen, éene +voor mannen, éene voor vrouwen, die beiden even prachtig waren +uitgevoerd. Overal wit marmer, geel albast en bruin porfier, en op +den bodem fraai Byzantijnsch mozaïek op gouden grond. Geen beeldwerk, +zooals in heidensche baden, doch in plaats daarvan langs de wanden +bijbelspreuken in gulden letters, en een crucifix boven de met +giraffenhuiden overtrokken rustbanken. Zilveren lampen hingen in het +middenveld van de in ruiten verdeelde zoldering, welke zeer in het oog +vallend in de Koptische taal en in hetzelfde schrift de hoofdstelling +van de Jacobietische geloofsbelijdenis te lezen gaf: "Wij gelooven +aan de eene, eenige goddelijke natuur van Jezus Christus." Het +groote waterbekken had men terstond voor Katharina kunnen vullen, +daar de badovens elken avond voor de vrouwen des huizes gestookt +moesten worden. + +Bij het ontkleeden wees de kamenier haar op eene zieke dadel. De +oppertuinman had haar die getoond, nadat hij heden middag had +waargenomen, dat de plantenziekte ook hunne palmen had aangetast. Doch +het meisje had weldra berouw over hare spraakzaamheid, want nadat +zij er had bijgevoegd, dat de brave schoenmaker Anchhor, die haar +eergisteren nog die nette sandalen gebracht had, nu ook aan de pest +gestorven was, kreeg zij een bits bescheid en werd haar het zwijgen +opgelegd. Terwijl zij voor Katharina knielde, om de sandalen van hare +voeten los te maken, bleek deze toch haar verhaal niet onverschillig +te hebben aangehoord, want zij vroeg of ook de aardige jonge vrouw van +den schoenmaker door de pest was aangetast. De kamenier antwoordde dat +zij nog leefde, doch men had de oude schoonmoeder en de kinderen in +het huis opgesloten en ook de vensterluiken dichtgemaakt, nadat men het +lijk van den man had uitgedragen. De bouleuten hadden bevolen, dat men +overal zoo moest handelen, opdat de ziekte niet op straat komen of door +de gezonden verder verbreid worden zou. Men bracht den opgeslotenen +spijs en drank door eene opening in de deur, die telkens gesloten kon +worden. Zulke maatregelen, voegde zij er bij, waren zeer wijs bedacht +en verstandig. Doch zij had dit oordeel maar weder voor zich moeten +houden, want voor zij geheel had uitgesproken gaf Katharina haar +een trap met den voet. Vervolgens werd haar bevolen het smegma [19] +niet te ontzien en heur haren zoo goed mogelijk uit te wasschen. Dit +geschiedde dan ook en Katharina wreef zich zelve handen en armen met +hartstochtelijke inspanning. Daarop liet zij zich een en andermaal +water over haar hoofd gieten, en nadat zij bevolen had hiermede op +te houden, leunde zij ademloos en als uitgeput tegen het marmer. + +Ondanks het smegma en het water gevoelde zij de drukking van de +heete hand nog altijd op haar schedel, en het was haar als werd ook +heur hart door een onzichtbaar looden gewicht bezwaard. Hare moeder, +hare moeder! Deze had haar gekust op de plek waar de pestzieke haar +had aangeraakt en in hare verbeelding hoorde zij ook haar rochelen en +om een slokje water bedelen als de stervende, bij wien het noodlot +haar gebracht had. En ziet, daar kwamen de dienaars van den senaat +en sloten haar met de kranke op in het besmette huis, en zij zag +de pest voor zich als eene gruwzame, kwaadaardige heksengestalte, +en daar achter rekte en strekte haar onverbiddelijke begeleider, +de dood, zijn knokkelachtige hand uit en greep naar hare moeder en +allen, allen die haar omgaven en ook naar haar. + +Zij liet de armen machteloos zakken, en terwijl zij zich heden vroeg +zoo machtig en gevreesd had gevoeld, werd zij thans neergedrukt door +een gevoel van de erbarmelijkste, zwakste onmacht. Zij had hare +uitdaging gericht tegen eene zwakke, teedere vrouw, en God en het +noodlot waren in Heliodora's plaats in het strijdperk getreden. Deze +gedachte deed haar huiveren, en juist toen zij oprees uit het bad, +trad hare moeder de badzaal binnen, zeggende: "Nog altijd hier, mijn +kind? Wat hebt gij mij doen schrikken! Is het dan waar? Was de ziekte +van Plotinos werkelijk eene soort van pest?" + +"Meer dan dat, moeder," antwoordde zij somber. "Het was de pest, en +mij kwam in de gedachte, dat men zich moest baden, wanneer men in een +verpest huis is geweest. Gij hebt mij ook aangeraakt en gekust. Wat +ik u bidden mag, laat weder opstoken, en baad u ook, al is het nog +zoo laat." + +"Maar kind!" zeide de weduwe lachende; doch Katharina liet haar geen +rust, tot zij toegaf en beloofde zich te zullen bedienen van het +waterbekken in de afdeeling voor de mannen, dat sedert de pest was +uitgebroken door niemand gebruikt was. + +Toen vrouw Susanna alleen was lachte zij in stilte en dankbaar en +terwijl zij het bad nam hief zij het hart en de handen omhoog en bad +zij voor het goedige, teedere, eenige kind, dat zich voor haar zoo +bezorgd maakte. + +Katharina begaf zich naar hare kamer, na zich verzekerd te hebben dat +ook de kleederen, die zij dezen avond gedragen had, aan het vuur in den +badoven waren prijs gegeven. Het middernachtelijk uur was verstreken, +toch beval zij hare kamenier te wachten en legde zich niet te bed. Zij +zou toch geen rust hebben kunnen vinden. Zij verlangde naar buiten +en ging op het balkon, waar zij zich in een schommelstoel neerzette. + +De nacht was heet en zwoel. Elk huis, iedere boom, elke muur straalde +de warmte weer uit, waarmede zij overdag verzadigd waren. Langs de +Nijlstraat trok eerst eene processie van bedevaartgangers; vervolgens +kwam een lijkstoet, waarop weldra een tweede volgde, beiden zoo dicht +in stofwolken gehuld, dat het licht van de fakkels der geleiders +alleen scheen te glimmen gelijk kolen onder de asch. Het waren aan +de pest gestorvenen, die bij dag niet ter aarde besteld mochten +worden, en thans begraven werden. In den eenen lijkstoet zag zij in +hare verbeelding die van Heliodora, in den anderen hare eigene of, +en daarbij gevoelde zij eene koude rilling, die harer moeder. En het +gevolg van den stoet schreed in die stofwolk voorwaarts en hield stil +bij den Necropolis. De sleden waarop de lijkkisten waren vervoerd, +keerden leeg met heet geloopen ijzers terug; doch zij was niet bij +de rouwdragenden geweest, want zij was ingesloten in het verpeste +huis. En toen het weder geopend werd--zij zag dat alles vóor zich +alsof het waar en werkelijk zoo was--waren in de hof van het rechthuis +twee hoofden gevallen, die van Orion en Paula, en zij, zij was geheel +alleen en verlaten, hare moeder lag naast haar vader in het stof van +het kerkhof, en wie vroeg naar haar, wie zorgde voor haar, wie was +haar beschermer? Als een boom zonder wortel, als een in zee gewaaid +blad, als een uit het nest gevallen vogel zonder vleugels stond zij +daar in de wereld. En nu kwam haar voor de eerste maal sedert dien +nacht, waarin zij een valsch getuigenis had afgelegd, alles voor den +geest, wat haar in school en kerk was geleerd van de straffen der +hel, en ingevolge die vroegere bedreigingen zag zij daar voor zich +het verblijf der verdoemden, en de knetterende, gloeiende vuurzee, +waarin moordenaars, ketters en valsche getuigen.... + +Maar wat was dat? Had de hel zich werkelijk geopend en klommen de +vlammen door de gebersten schaal der aarde waarlijk ten hemel op? Had +ook het firmament zich geopend, om stroomen van gloed en zwarten rook +over het noorden der stad uit te gieten? + +Hevig verschrikt stond zij op en staarde het verschrikkelijk tooneel +aan. De geheele hemel scheen in vlammen te staan, en dichte rookwolken, +eene onuitstaanbare hitte en millioenen vliegende vonken vervulden de +ruimte tusschen hemel en aarde. Een alles vernielende brand scheen de +stad, den stroom en het nachtelijk sterrengewelf tegelijk te hebben +aangegrepen, en daar verhieven zich alle metalen stemmen, die anders de +geloovigen naar de kerk riepen, en op de stille straat daar voor haar +werd het drukker, en weldra vervulden ontelbaren den weg. Geschreeuw, +gehuil, wilde bevelen en kreten drongen door tot haar oor, en in +de verwarring van stemmen onder en voor haar onderscheidde zij de +woorden: "Stadhouders paleis," "Arabieren," "Mukaukas," "Orion," +"vuur," "blusschen" en "redden." + +Daar riep de oude oppertuinman van af den lotusvijver haar toe: "Het +stadhouderlijk paleis staat in vlammen. En dat bij deze droogte! De +barmhartige God beware de stad!" + +De knieën van het kwikstaartje knikten, en toen zij onder het slaken +van een zachten kreet naar een steunpunt zocht, om zich aan vast te +klemmen, vingen twee armen haar op, waarvan zij zich in den laatsten +tijd zoo gaarne bevrijd had, die der moeder, der moeder, die zich +over het eenige kind had gebogen, om van zijn verpesten schedel met +een teederen kus den dood te plukken. + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + + +Het stadhouderlijk paleis, de trots en het sieraad van Memphis, +de grootste en rijkste zetel der oudste en voornaamste geslachten +des lands, het laatste huis, waaruit eene lange rij van Egyptische +mannen was voortgekomen, die ook de Grieken waardig hadden geacht +plaatsvervangers van den keizer te zijn en de hoogste wereldlijke +waardigheden te bekleeden, die verheven burcht van het nationale leven +lag in den asch. En evenals eene reus van het woud, dien de storm +ontwortelt, bij zijn val veel klein geboomte knakt en verplettert, +zoo vernielde de brand dezer grootsche woning een groot aantal kleinere +huizen. Van het vermolmde schip Memphis waren in dezen nacht de mast, +het roer en bovendien vele planken weggeslagen. Het mocht een wonder +heeten, dat niet de geheele stad in de asch zonk; naast God had men +dit aan den zwarten brandstichter zelven en zijne Arabieren te danken. + +Met koele en verstandige berekening was dit schelmstuk aangelegd en +volvoerd. Bij het doorzoeken van het uitgestrekte gebouw had Obada +voor zijn plan de geschiktste plaatsen uitgezocht en twee uren na +zonsondergang, met eigene hand en door niemand bespied, het eene vuur +na het andere aangestoken. In Fostat had men de troepen, waarvan hij +zich later wenschte te bedienen, onder de wapenen gehouden, en toen +eerst in het rentmeesterskantoor en terstond daarop in drie andere +plaatsen van het stadhouderlijk paleis het vuur uitbrak, werden zij +samengetrokken en met de meeste omzichtigheid aangewend. + +De bijzondere kostbaarheden van groote waarde, die deze zetel van +een rijk geslacht bevatte, zelfs het groot aantal edele paarden in +de stallen was in veiligheid gebracht; de eigendomsbewijzen van de +landerijen, de slaven en dergelijke stukken lagen goed geborgen te +Fostat, doch de vlammen verteerden desniettemin een aantal onschatbare +zaken, waarvan het verlies niet te herstellen was. Edele kunstwerken, +geschriften, en boeken, die hier alleen nog bewaard waren, heerlijke +planten en boomen uit alle luchtstreken, huisraad en weefsels, die +kenners in verrukking brachten, gingen bij menigte te gronde. Maar +dat alles betreurde de brandstichter niet, want daarmede verdween +de mogelijkheid, om later aan te wijzen wat en hoeveel hem in handen +was gevallen bij den ondergang van het stadhouderlijk paleis. In het +ergste geval zou men hem wegens deze overmoedige daad van zijn ambt +kunnen ontzetten. Welnu, van alle steden, die hij op de zegevierende +tochten van den Islam leerde kennen, was geene hem zoo bevallen als +Damascus, en hij bezat nu de middelen, om de tweede helft van zijn +leven dáar in weelderigen overdaad te genieten. + +Er was hem alles aan gelegen, om buiten het stadhouderlijk verblijf +zoo weinig mogelijk door de vlammen te laten vernietigen, want welk +eene doeltreffende beschuldiging zou het zijne vijanden in handen +hebben gegeven, wanneer het oude, beroemde Memphis door zijne schuld +geheel ten onder was gegaan? En hij was de man wel, om den strijd met +het vreeselijk element op zich te nemen. Inderdaad viel geen ander +huis in de Nijlstraat den vlammen ten offer; maar wel had de zachte +zuidenwind brandende stoffen in noordwestelijke richting voortgedragen, +en daardoor waren eenige huizen in de armenwijk aan den zoom der +woestijn aangestoken. De hoofdmacht dergenen die blusschen en redden +moesten had zich daarheen te wenden, en hier, evenals ten opzichte +van het stadhouderlijk paleis, handelde hij naar het beginsel, dat men +prijs moest geven wat stellig niet behouden kon worden. Zoo werd eene +geheele stadswijk een prooi der vlammen, ontelbare behoeftige familiën +verloren have en goed, en toch werd hij, wiens schandelijke hebzucht +zoo velen in de ellende had gestort, gevierd en bewonderd. Want +hij was nu eens aan den stroom, dan weder aan den zoom der woestijn, +overal waar het gevaar ten top steeg, waar de tegenwoordigheid van den +leider het allernoodigst was. Hier zag men hem te midden van het vuur, +daar met eigene hand de bijl zwaaien; nu eens te paard de lijn afrijden +waar langs dorrend gras moest omgespit en met water bevochtigd worden, +dan weder te voet de slang der onbeholpen spuiten richten, of een balk, +die buiten de getrokken grens was gevallen, met herculische kracht in +de vlammen terugslingeren. Zijne schelle stem overschreeuwde alles, +zijne reuzengestalte stak boven allen uit, ieders blik hing aan zijn +zwart gelaat, aan zijne glinsterende oogen en tanden, en zijn voorbeeld +sleepte de andere Arabieren mede. Zijne bevelen maakten het tooneel +van den brand tot een slagveld, met doodsverachting en bereid hunne +krachten tot het uiterste in te spannen en te gebruiken, verrichtten +de muzelmannen, goed aangevoerd, met den naam van hun God en profeet +op de lippen, het ongeloofelijkste. Ook de Egyptenaars deden hun best, +maar tegenover den moed en de volharding dezer mannen gevoelden zij +zich onmachtig, en achtten zij het nauwelijks schande door dezen +overtroffen te zijn. + +Ver, zeer ver in den omtrek werd de vuurgloed waargenomen, en ook hij, +wiens rijk erfdeel door de vlammen verteerd werd, ontwaarde tusschen +middernacht en den morgen aan den verren westelijken horizont eene +roodachtige schemering, waarvan hij zich den oorsprong niet verklaren +kon. Een halfuur had hij in die richting voortgereden, toen zijn +reisgezelschap bij het voorlaatste der aan den keizersweg tusschen +Kolzoum [20] en Babylon [21] gelegen wachthuizen halt maakte. Eene +aanzienlijke schaar van gewapenden steeg tegelijk met hem van de +paarden; Orion had hen echter niet tot zijne bescherming ingeroepen, +hij was integendeel door hen aangehouden geworden en werd nu als +hun gevangene naar Fostat gevoerd. De wagen, waarvan hij zich tot +heden bediende, had hij moeten verlaten en in de plaats daarvan een +dromedaris bestijgen. Twee tot aan de tanden gewapende ruiters waren +hem steeds ter zijde gebleven. Zijne medereizigers had men ongehinderd +in hun voertuig laten zitten. + +Voor het wachthuis steeg de senator Justinus uit en noodigde zijn +metgezel, een bleek en ingezonken man, hetzelfde te doen. Doch deze +bleef zitten en schudde vermoeid met het hoofd, en toen de oude man +hem vriendelijk vroeg: "Hebt gij pijn, Narses?" antwoordde deze kortaf +en heesch: "Overal!" en vleide zich nog dieper in het rugkussen van +den wagen. Hij wees ook de verfrisschingen af, die de dienaar en tolk +van den senator hem bracht. Hij scheen in een staat van volstrekte +onverschilligheid te verkeeren en niets te begeeren dan rust. Het +was de neef van Justinus. + +De senator had, met Orions bijstand, zijn doel bereikt, nadat hij +van den veldheer Amr een vrijgeleide en een aanbevelingsbrief +had ontvangen, en Narses losgekocht. De arme man had eerst aan +den nieuwen waterweg, in de richting van het oude pharaonenkanaal, +dien de Kalief Omar liet graven, om het graan langs den kortsten weg +uit Egypte naar Arabië te vervoeren, en vervolgens in de rotsachtige +haven van Aila dwangarbeid verricht. Aan den gloeienden oever van de +Roode zee had Narses in de geweldige zonnehitte dezer streek steenen +moeten verwerken, en er waren vrij wat dagen verloopen voor het zijn +oom gelukt was zijn spoor te ontdekken. Helaas, in welk een toestand +vond Justinus hem eindelijk! Reeds eene week vóor de aankomst zijner +bevrijders had de vroegere officier der ruiterij in eene ellendige +ziekenschuur der Arabische arbeiders gelegen, en zijn rug droeg nog de +sporen der slagen, waarmede de opzichter den uitgeputte en lijdende tot +inspanning had gedreven van de krachten die hem begaven. De opgesmukte +krijgsman was een naar lichaam en ziel gebroken man geworden, een tot +zwaarmoedigheid vervallen lijder. Justinus had gehoopt Martina een +bloedverwant in de armen te voeren, die zich gelukkig gevoelde over +zijne bevrijding, en nu bracht hij haar dezen uitgeputten jonkman, +die zijn einde nabij scheen! En toch was de senator blijde hem ten +minste gered te hebben. De aanblik van den lijder roerde hem, en hoe +minder Narses van hem verlangde en aannam, des te dankbaarder was +Justinus, wanneer de wedergevondene ook maar het kleinste teeken van +warme deelneming gaf. + +Orion was op deze reis te land en te water, en ten laatste als +zorgvuldig medeverpleger van den lijder meer vertrouwelijk geworden +met den ouden heer, en op gevaar af van zijne afkeuring te wekken, had +hij den senator bekend waarom hij Memphis had verlaten. Onophoudelijk +gevoelde hij, dat alles wat er groot en goed in hem was aan Paula +behoorde, dat hare liefde hem verhief en versterkte, dat hij zichzelven +zou opgeven, wanneer hij haar ontrouw werd. De minnekoozerij met +Heliodora kon hem slechts afleiden van het groote levensdoel, dat +hij zich had voorgesteld. Dit doel hield hij onafgebroken in het +oog, en hij snakte, ja hongerde, naar rustige dagen, waarin hij zou +kunnen volvoeren, wat hij zich in de kerk had voorgenomen, en de taak +ten uitvoer brengen, die de groote veldheer hem had opgelegd. Het +bewustzijn, de erfgenaam te zijn van een onmetelijk vermogen, +verblijdde hem thans niet, ja hij moest erkennen, dat hij zonder +die overmaat van rijkdom een gansch ander man geworden zou zijn, +en meer dan eens kwam de begeerte bij hem op, om alles wat hij bezat +achter te laten, vrij en frank de wereld in te gaan en door eigene +kracht bevrediging te zoeken voor zijn gemoed en zich de achting te +verwerven der edelsten. + +De senator had zijne bekentenis opgenomen, gelijk hij dat moest. Was +de dochter van Thomas zoo, als Orion haar schilderde, dan viel +er inderdaad voor zijn lief vogeltje weinig te hopen. Hij en zijne +Martina zouden dan wel-is-waar met twee lievelingen terug keeren, doch +het zou daarbij de taak der oudjes zijn de jongeren op te beuren, +niet omgekeerd, zooals het behoorde. Desniettemin had Orion zijn +hart steeds meer gewonnen, want iederen dag, ieder uur was hem iets +verblijdends, iets nieuws bij hem in het oog gevallen, had hij iets +grooters in hem gevonden, dan hij verwacht had. + +In den ruimen hof van het wachthuis brandden fakkels, en onder +een door palen gedragen en met palmtakken bedekt vierkant in het +midden ervan, stonden banken voor de gasten, die hier kwamen +pleisteren. Hier ontmoette hij Orion weder en kon hij met hem +spreken. De gerechtsdienaars hadden in zijne nabijheid plaats +genomen en verloren hem niet uit het oog, terwijl zij hun gedroogd +schapenvleesch, hun brood, hunne uien en dadels aten. Ook de dienaars +van den senator brachten wat proviand uit den wagen, en juist hadden +Justinus en zijn jonge vriend hun maal begonnen, toen een lange man +den hof inkwam en naar de banken toeliep. Het was de arts Philippus, +die hier op weg naar Dschidda een oogenblik wilde rusten. + +Deze had reeds buiten gehoord wien hij hier als gevangene zou vinden, +en de Arabieren, die den arts kenden, stonden hem toe zich bij deze +twee neer te zetten, doch zij rukten wat nader en hun aanvoerder +verstond Grieksch. Philippus was Orion allesbehalve genegen, doch hij +wist welke gevaren de jongeling te gemoet ging, welk een zwaar verlies +hij geleden had, en zijn geweten gebood hem alles te openbaren, wat +hem van dienst kon zijn bij het verhoor over de onderneming, waarvan +Rufinus het slachtoffer was geworden. Hij was de overbrenger, zoo zeide +hij, van treurige berichten, die ook de Arabieren wel hooren mochten. + +Tegen het in beslag nemen van het stadhouderlijk paleis kwam Orion +in verzet, doch hij meende dat de Veldheer Amr dit besluit wel weder +in zou trekken. Daarentegen greep het bericht, dat zijne moeder zijn +vader gevolgd was, hem des te geweldiger aan, en toen de Arabieren +den krachtigen jongen man zagen weenen en snikken, en hoorden welk +een slag hem had getroffen, trokken zij zich eerbiedig terug, want +de smart van den zoon over den dood zijner eigene moeder was hun +heilig. Zij beschouwden hem, wien het dierbaarste ontvallen was wat +hij op aarde bezat, als getroffen door de hand van den Allerhoogste +en door die aanraking geheiligd, weshalve zij met vroom ontzag hem +geheel vrij lieten. + +Orion had niet opgemerkt dat de muzelmannen verdwenen waren, doch +Philippus trok dadelijk van deze gelegenheid partij om hem met +vluchtige woorden van alles te onderrichten, wat er op de vlucht van +de nonnen gebeurd was. Van den brand van het stadhouderlijk paleis +en Paulas gevangenneming droeg hijzelf geen kennis, den senator kon +hij echter mededeelen, waar hij de zijnen had te zoeken. Toen de +aanvoerder hem naar buiten riep, was Orion geheel op de hoogte van +al het gebeurde. + +Met gebogen hoofd, in diepe smartelijke gedachten verzonken, reed hij +met de anderen verder. De stadhouderlijke woning--of de Arabieren hem +deze ontnamen, of niet, wat kwam het er op aan? Maar zijne móeder, +zijne moeder! Alles, alles wat zij van zijne kindsheid voor hem +geweest was, kwam hem weder voor den geest, en onder de smart over +dit verlies vergat hij het gevaar dat hem dreigde, den kerker die hem +wachtte, en het smadelijk inbreuk maken op zijne rechten. Ja zelfs +het beeld van de geliefde week voor dat der dierbare afgestorvene +op den achtergrond. Misschien zou het hem niet eens vergund worden, +zelf zijne moeder te begraven. + +De weg liep door eene dorre woeste rotsstreek, en hoe verder men kwam, +des te helderder werd de vuurgloed aan den horizont vóor hen, tot de +dag achter de reizigers aan te lichten, en het gloeiend morgenrood +het schijnsel in het westen deed verbleeken. Wederom brak er een +brandend heete dag aan, en terwijl de rotsen aan Orions zijde nog lange +schaduwen wierpen op den stoffigen woestijnweg, kwamen eenige ruiters +uit de richting van Fostat hen tegemoet draven, en richtten zich tot +den aanvoerder, om hem de nieuwste tijdingen mede te deelen. Het +moest iets zeer belangrijks zijn, doch de jongeling verstond niet +wat zij zeiden. Slechte tijdingen bereiken intusschen maar al te +snel hun doel, en terwijl de ruiters nog met elkander spraken, +rende de tolk naar hem toe en deelde hem mede, dat het geheele +stadhouderlijk paleis tot den grond was afgebrand en half Memphis +in vlammen stond. Vervolgens kwamen zij andere reizigers te paard en +op dromedarissen tegen, ontmoetten zij wagens, kameelen met koren en +Egyptische handelswaren beladen, en allen spraken het reisgezelschap +van Orion aan en deelden mede wat er te Memphis gebeurd was, en hoopten +de eersten te zijn van wie de optrekkenden het vernamen. Hoe dikwijls +kreeg Orion hetzelfde te hooren, en zoo vaak een reiziger met zijn: +"Hebt gij het al gehoord!" aanving en naar het westen wees, begon de +wond, die de eerste tijding hem geslagen had, opnieuw te bloeden. + +Wat lag er voor hem daar ginds niet onder de asch bedolven? Hoe +veel, dat onherstelbaar was, hadden die vlammen vernield! Wat hij +voor zich op dezen tocht in stille oogenblikken had gewenscht, +ten deele was het thans reeds vervuld. Waar was de last der groote +bezitting, die hem als aan de hielen had gehangen en hem verhinderde +zich vrij te bewegen? Maar hij gevoelde zich nog niet vrij, hij zag +den weg nog niet voor zich open, maar klaagde in stilte dat het huis +zijner voorvaderen in het niet was verzonken, dat hij zijn tehuis had +verloren, en een kwellend gevoel van onzekerheid overviel hem. Geen +vader, geene moeder, geene ouderlijke woning meer! Jaren lang had hij +reeds op eigene beenen gestaan, en toch beschouwde hij zich als een +schipper, wiens boot het roer had verloren. Vóor hem lag de kerker, +als het einde van het groote treurspel, waarvan hij zichzelven als de +held mocht beschouwen. Evenals het huis van Tantalus had het noodlot +het zijne ten ondergang gedoemd. Het was in asch verzonken, en daar +lagen reeds de offers: twee broeders, vader, moeder, en op grooten +afstand Rufinus. Doch waar lag de schuld? + +Zijne voorvaderen hadden haar niet begaan, het kon alleen de +zijne zijn, die het vonnis had uitgelokt. Maar bestond dan nog +dat onverbiddelijk, ijzeren noodlot der ouden? Had hij geen berouw +getoond, niet geleden, zich niet met zijn Verlosser verzoend, zich +niet bereid getoond, om den zwaarsten kamp te wagen? Wellicht was hij +de held van het treurspel, doch dan wilde hij toonen, dat niet meer +de blinde noodzakelijkheid, maar dat, wat de mensch van zich zelven +maakt, dat wat hij in vereeniging met den Allerhoogste najaagt, +den loop des levens bepalen. Moest hij bezwijken, dan zou het niet +zijn dan na wakkere tegenweer. Zonder vrees wilde hij zich verzetten +tegen alles wat hem vijandig tegenstand bood, wilde hij voorwaarts +dringen op den weg, dien hij zich had afgebakend, en nu zwol weder +zijne borst en was het hem, als zag hij aan den hemel als leidende +ster het voorbeeld zijns vaders, in wiens geest hij leven of sterven +wilde. En richtte hij den blik naar de aarde, dan was ook daar nog +iets wat hem waard scheen de beproevingen des levens te dragen en +den moeielijksten strijd te volstrijden: Paula en hare liefde! + +Hoe meer hij Fostat naderde, des te warmer klopte zijn hart, des +te sterker werd zijn verlangen. Ja, het moest hem vergund worden +de geliefde weder te zien, haar in zijne armen te sluiten vóor zijn +dood! Hij hield het er voor, dat hetgeen hij in deze uren geleden had, +alles uit den weg had geruimd en opgeheven wat hen nog van elkander +scheidde. Hij gevoelde, dat hij thans de kracht bezat, om harer waardig +te blijven; ja als hij Heliodora andermaal ontmoette, zou hij haar +stellig en zeker niet anders bejegenen dan als eene lieve zuster. + +Zij die hem geleidden brachten hem naar het huis van den kadhi, doch +deze bevond zich in den divan, de raadsvergadering, die zijn vijand, +de schurk Obada had samen geroepen. Deze had zich na de inspanning van +den laatsten nacht maar weinige uren rust gegund, om vervolgens den +raad bij te wonen. Daar zou hij ontwaren, dat hij er even vele vijanden +had te weerstaan als deze leden omvatte. Zijne scherpste tegenstanders +waren het hoofd van de justitie en het staatsbeheer, kadhi Othman, +en Chalid, die belast was met de regeling der belastingen. Beiden +waren niet gewoon hunne overtuiging voor hem te verzwijgen, en wie deze +vergadering had bijgewoond zou wel niet op het vermoeden zijn gekomen, +dat de meeste leden in hun jeugd, in tijden van vrede, als eenvoudige +herders schapen op de bergen gehoed, karavanen door de woestijn geleid +of kleine handelszaken gedreven hadden. In den strijd van den eenen +stam tegen den ander was hun ruimschoots gelegenheid gegeven zich +in den wapenhandel te oefenen en hun moed te versterken; doch wie +had hen geleerd hunne woorden zoo zorgvuldig te kiezen, en ze met +gebaren te begeleiden, welker bevalligheid elken Griekschen redenaar +eer aangedaan zouden hebben? Alleen wanneer een spreker, wiens gal in +beweging was gebracht, donderde en bliksemde, verloor hij, medegesleept +door zijne drift, wel eens de ware evenredigheid; doch hoe verbazend +was dan de uitwerking van stem, oog- en handbeweging! Doch nooit, ook +niet in den hoogsten toorn, bezondigde men zich tegen de zuiverheid +der taal. Deze redenaars, waarvan slechts weinigen lezen en schrijven +konden, hadden evenwel de meest indrukwekkende verzen hunner dichters +tot hunne beschikking, waarvan zij ontelbaren uit het hoofd kenden. + +Heden werden hier de inwendige aangelegenheden behandeld van een land, +dat reeds eene beschaving van eeuwen achter zich had, en hetwelk +voor weinige jaren nog onbekend was aan de krijgshaftige zonen der +woestijn. Hoe goed bleken de vier bouwmeesters, de opzichter van de +markten, van de besproeiing der landerijen en van de molens hunne +taak te hebben opgevat! Deze frissche, nog niet versleten koppen +waren in staat het zwaarste aan te pakken en het kloek, goed en +gelukkig uit te voeren. Inderdaad ook de zonen van deze vaders, die +geen school hadden doorloopen, waren in staat aan vervallen, groote +rijken nieuwen glans te geven, en de ingesluimerde wetenschap der +door hen onderworpen natiën tot een nieuw leven te wekken. In deze +vergadering was alles vol geest, leven en vuur, en de vroegere slaaf +Obada had waarlijk geen gemakkelijke taak, om zich te handhaven onder +deze welbespraakte nakomelingen van aanzienlijke vrije stammen. + +Open en zonder vrees sprak de kadhi Othman zijne zienswijze uit +over Obada's handelwijze, en verklaarde, ook in naam van de andere +medeleden van den divan, de verantwoordelijkheid van het gebeurde +geheel van zich te werpen en op de schouders van den Wekil te moeten +laden. Deze verlangde echter niets beters; hij sprak met zulk eene +vurige welsprekendheid, zijn voorstel, om de door het vuur van dak +beroofde Memphieten naar Fostat over te brengen was zoo aannemelijk, +en eindelijk had de afgeloopen nacht zijne groote eigenschappen in zulk +een helder licht gesteld, dat men alle verzet tegen hem verschoof, en +besloot het antwoord op eene tegen hem gerichte aanklacht uit Medina +af te wachten. Ook schreef de alles beheerschende discipline voor, +zich naar zijn wil te voegen, en menigeen, die in den slag den dood +als een bruidegom zijne bruid was tegengesneld, vreesde den geweldenaar +van lage afkomst, die voor het ontzettendste niet terugdeinsde. + +Obada had eene overwinning behaald. Niemand was in staat hem van roof +te betichten, zelfs niet van een drachme, en toch had hij woorden +moeten aanhooren, die hij moeielijk verduwen kon, en van alle zijden +was hem den eerbied onthouden, die hem als plaatsvervanger van den +stadhouder toekwam. Ten hoogste verstoord verliet hij het laatst +de zittingzaal en niemand, zelfs niet zijn onderbevelhebber bleef +bij hem, om hem een vleiend woordje te zeggen over de kracht en +de schoonheid zijner rede, terwijl die verwenschte lieden Amr bij +dergelijke gelegenheden als bijen omzwermden en hem tot aan zijn huis +volgden als kwispelstaartende honden. De minachting en vijandschap +die hij ondervond, schreef hij niet toe aan zijne schuld, maar aan +den afkeer, die zijne geboorte bij die hoogmoedige vrijgeborenen +wekte. Toch zag hij over allen heen, gevoelde hij zich de meerdere +van ieder afzonderlijk, en wanneer de aanslag in Medina gelukte, +dan zou hij zich onder hen zijne offers kiezen, dan.... + +Aan deze wraakzuchtige overpeinzingen werd een einde gemaakt door +eene bode, die tot over de ooren met stof bedekt was, en deze bracht +goede tijding. Orion was gepakt en in het huis van den kadhi gebracht. + +"Waarom niet bij mij?" snauwde Obada den krijgsman toe. "Wie is hier +de plaatsvervanger van den stadhouder, Othman of ik? Naar mijn huis +met den gevangene!" + +Hij begaf zich daarop onverwijld naar zijne woning, doch in plaats van +den aangehoudene verscheen een beambte van den kadhi, die hem in den +naam zijns heeren aan het verstand bracht, dat de Kalief Othman tot +opperste rechter in Egypte had aangesteld, dat deze aangelegenheid +tot zijn departement behoorde, en dat Obada, als hij den gevangene +zien wilde, bij hem kon komen, tenzij hij zich later wilde begeven +naar de stedelijke gevangenis van Memphis, waarheen hij Orion zou +laten brengen. Obada vloog woedend naar het in de nabijheid staande +huis van zijn vijand, doch deze stelde tegenover zijne onstuimige +hevigheid de rust van den verstandigen en rechtvaardigen man. De +kadhi was pas ongeveer vijf-en-veertig jaren, maar zijne zachte, +zwarte baard begon reeds grijs te worden. Zijn schoon gevormd bruin +gelaat droeg den stempel van een eerlijk en edel karakter, en uit zijne +oogen sprak scherpzinnigheid en kalmte van geest. Er lag iets rustigs +en tevredens in de geheele verschijning van dezen man, die moeielijke +levenservaringen waardig had gedragen en zich tot taak had gesteld +anderen ervoor te bewaren, zooveel in zijn vermogen was. Ook tot den +kadhi was de aanklacht van den patriarch doorgedrongen: ook hij was +voornemens het ombrengen zijner geloofsgenooten zwaar te straffen, +maar de straf moest enkel den schuldigen treffen, en het zou hem +leed hebben gedaan, als hij dezen in Orion moest zien. Hij had zijn +vader hooggeschat als een braaf man en rechtvaardig rechter, en van +den ervaren Egyptenaar menigen goeden raad ontvangen. + +De ontmoeting die er plaats had tusschen Othman en den uitermate +verstoorde Wekil was zelfs voor de beambten, die er bij tegenwoordig +waren, pijnlijk geweest, en Orion, die in het aangrenzend vertrek +het razen en tieren van Obada hoorde, kon daaruit afleiden met welk +een verbittering zijn zwarte vijand hem vervolgde. Doch evenals de +zee na de heftigste stormen weder tot een gelijkmatigen golfslag +terugkeert, zoo nam ook deze strijd een rustig einde. De kadhi had +den Wekil onder het oog gebracht, hoe onbetamelijk het was en welk +een smadelijk licht het wierp op de gerechtigheid der muzelmannen, +op eene bloote verdenking het aanzienlijkste huis in den lande, aan +welks hoofd de zaak van den Islam bovendien zooveel goeds te danken +had, van zijne goederen te berooven. Obada had daarop geantwoord, dat +eene stellige aanklacht was ingekomen van het hoofd der kerk hier te +lande, dat niets geroofd, maar alles in beslag genomen en in verzekerde +bewaring gebracht was. Wat Allah door zijn vuur had vernield, daarvan +kon niemand de verantwoordelijkheid dragen. Van bloote verdenking was +hier geen sprake; hij zelf was in het bezit van een document, waaruit +schriftelijk bleek, dat de geliefde van Orion de ontwerpster was van +de euveldaad, die aan twaalf geloofsgenooten het leven had gekost. Het +meisje waarvan hij sprak, was gisteren gevangengenomen. Hij zou wel +nader achter de waarheid komen, ondanks alle kadhis van de wereld, +want wilde hij, Othman, een aantal muzelmannen door christenhonden +ongestraft laten slachten, hij, Obada, kon dat niet onverschillig +aanzien, en als hij het deed, zouden morgen de duizend Egyptische +kanaalarbeiders de drie muzelmannen, die er het opzicht over hielden, +met hunne spaden doodslaan. + +De kadhi verzekerde op zijne beurt, dat hij niet minder begeerig +was dan Obada de daders te straffen, maar eerst moest uitgemaakt +worden wie het waren, en dat wel volgens de wet, rechtvaardig, +zonder menschenvrees en blinde haat, door de rechtbank en met alle +voorzichtigheid. Schuldigen vrij te spreken stuitte hem als rechter +evenzeer tegen de borst als onschuldigen te veroordeelen, en zoo +zou het onderzoek rustig zijn loop hebben. Wanneer hij, Obada, de +geliefde van Orion in het verhoor wilde nemen, dan had hij als kadhi +daar niets tegen; maar het leiden der eigenlijke verhandelingen en het +voorzitten bij de beraadslagingen der rechters, dat was zijne zaak, +en zoo iets liet hij zich zelfs door den Kalief niet uit de handen +nemen, zoolang deze hem waardig achtte zijn ambt te bekleeden. + +Obada moest hier het hoofd bij neerleggen, hoewel tegen zijn zin. Toen +de Wekil Orion verlangde te zien, werd deze geroepen. De zwarte reus +nam hem op van het hoofd tot de voeten als een slaaf, dien men verlangt +te koopen, en terwijl de kadhi naar de deur ging en hem dus niet zien +kon, vermocht Obada geen weerstand te bieden aan eene kinderachtige +neiging. Hij streek zich namelijk, met een veelbeteekenenden blik op +den gevangene, stevig en snel met den wijsvinger over den donkerbruinen +hals, als scheidde hij het hoofd van den romp. Daarop keerde hij den +jongeling verachtelijk den rug toe. + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + + +In den namiddag reed de Wekil Obada naar Memphis en stapte af aan de +stadsgevangenis. Hij verwachtte daar den bisschop te zullen vinden, +doch inplaats van dezen ontving hij het bericht, dat Plotinos aan +de pest gestorven was. Dat was een leelijke streek van het noodlot, +want met den bisschop daalde de getuige ten grave, die hem het ten +gunste der nonnen beraamde reddingsplan verraden had. Maar neen! de +patriarch droeg gewis van alles kennis. Doch wat hielp dat voor het +oogenblik? Hij had geen tijd te verliezen en er moesten zeker drie +weken verloopen eer Benjamin terugverwacht kon worden. + +Obada had Paulas vader in het kamp van Damascus ontmoet, en het had +hem vaak gekweld, dat men den naam van dezen krijgsheld ook onder +de muzelmannen met roem gedacht. Zijn nijdig gemoed gunde ook den +grootste, de door vriend en vijand erkende onbesmette eer niet. Hij +geloofde niet aan eer en hield ieder die haar genoot voor een slimmen +huichelaar. Evenals van den vader had hij ook een afkeer van de +dochter, zonder haar ooit gezien te hebben. Het lot van Orion was in +zijn binnenste beslist en vóor zijn einde moest hij nog gemarteld +worden door de terechtstelling van zijne geliefde, hetzij zij haar +schuld ontkende of openlijk beleed. Misschien gelukte dit hem dit te +bewerken, en daarom liet hij Paula onverwijld in de vergaderkamers +der rechters brengen. Doch zijn plan mislukte volkomen, hoewel hij +haar door den tolk de grootste toegevendheid beloofde wanneer zij +openhartig zou zijn, maar haar in het tegenovergestelde geval met +een pijnlijken dood dreigde. + +Zóo had hij zich de gevangene werkelijk niet voorgesteld, en de +trotsche kalmte, waarmede zij elke beschuldiging afwees, oefende +een buitengewonen invloed uit op den vroegeren slaaf. Aanvankelijk +hielp hij den tolk, door haar in gebroken Grieksch iets toe +te schreeuwen, of door te beproeven haar angst aan te jagen +met vreeselijke blikken, waarvan hij den indruk vaak beproefd +had bij zijne ondergeschikten. Doch alles had niet de minste +uitwerking. Toen liet hij haar verklaren, dat hij in het bezit was +van een bewijsstuk, hetwelk hare schuld boven alle bedenking verhief, +doch ook dit verstoorde hare kalmte niet, en zij verlangde alleen +het te zien. Daarop liet hij haar zeggen, dat zij het vroeg genoeg +zou leeren kennen, terwijl hij de verklaring van den tolk vergezelde +van dreigende gebaren. + +Obada had onder zijn volk kloeke vrouwen ontmoet, van grooten +invloed. Dappere vrouwen had hij ten strijde zien trekken en hij was +er getuige van geweest, hoe zij wilder, met meer doodsverachting en +bloedgieriger dan mannelijke krijgers de gevaren van den geloofsstrijd +deelden. Doch dat waren enkel echtgenooten en moeders geweest, +en waar hij ze uit den stillen huiselijken kring, dien een meisje +nooit verlaten mocht, had te voorschijn zien treden, waren zij altijd +beheerscht door hartstochtelijke aandoeningen, met gloeiende geestdrift +partij trekkende voor gade en kroost, familie of stam. Over het geheel +hielden de vrouwen zijns volks zich bescheiden op den achtergrond en +geene handelde tegen deze gewoonte, tenzij zij beheerscht werd door +een onstuimigen strijdlust. Maar deze jonkvrouw stond daar tegenover +hem als een veldheer, als het hoofd van een stam, met onwrikbare +kalmte. Daar was in hare houding iets dat hem vrees aanjoeg en te +gelijk het verlangen uitermate prikkelde, om haar zijne overmacht +te doen gevoelen en haar trots te breken. Evenals hij uitstak boven +alle aanvoerders der muzelmansche krijgsmacht, zoo overtrof zij in +wasdom alle vrouwen zijns volks, en door nieuwsgierigheid gedreven +om zich met haar te meten, ging hij dichter naar haar toe en trok +van zijn hals met de hand een lijn door de lucht, die haar schedel +raakte, en toen zij hierop achteruitweek, ontging het hem niet met +welk een diepen afschuw zij hem aanzag. Thans steeg hem het bloed +naar het hoofd en terwijl hij den tolk beval haar mede te deelen, +dat zij op geene vergiffenis behoefde te rekenen, wijdde hij haar in +zijn binnenste ten gruwzamen dood. + +Bleek en op het ergste voorbereid keerde Paula naar het schamele +vertrek terug, dat zij met hare oude Betta bewoonde. Het was een +schrikkelijk oogenblik geweest toen zij de gevangenis binnentrad, +want de wachters schenen van plan te zijn haar naar eene der zalen te +voeren, waar mannelijke en vrouwelijke misdadigers in grooten getale +gehuisvest waren, en vanwaar het gerammel van ketenen en een wild +en verward geschreeuw van allerlei stemmen haar tegenklonk. Doch +de tolk en de aanvoerder der veiligheidswacht hadden zich haar lot +aangetrokken, en wel op verzoek van vrouw Martina, die hen een rijk +geschenk had beloofd, wanneer zij morgen de mededeeling brachten, +dat Paula in den kerker een goed onderkomen had gevonden. Ook de +schoonmoeder van den gevangenbewaarder had haar in bescherming +genomen. Zij was de waardin uit de herberg van Nesptah en had in +de gevangene de schoone jonkvrouw herkend, die op het watertochtje +met Orion bij haar was afgestapt, en die zij voor zijne bruid had +gehouden. Zij bracht toevallig een bezoek aan de vrouw van den +bewaarder, hare dochter, en verzocht ook deze Paula vriendelijk te +behandelen. De jonkvrouw kreeg met Betta een eigen vertrek en de +bewaarder was niet ongevoelig voor hare goudstukken. Deze man deed +voortdurend zijn best, om haar lot dragelijk te maken, en heden morgen +had hij Pulcheria vergund haar te bezoeken en haar de laatste nog niet +verdorde rozen uit den tuin te brengen. Ook de weduwe Susanna had aan +haar voornemen gevolg gegeven door spijzen en vruchten te zenden, +maar deze waren aan den gevangenbewaarder gegeven en den bode werd +gezegd, dat Paula van alles goed verzorgd werd en zulke gaven voor +het vervolg niet meer behoefde. + +In het gevoel harer onschuld had zij haar lot rustig te gemoet +gezien en op de hoog geroemde rechtvaardigheid der Arabische rechters +gebouwd. Maar niet zij, Orions vijand, dat zwarte monster, scheen haar +lot te zullen beslissen. Neergedrukt door het gevoel, onmachtig en +hulpeloos te zijn prijsgegeven aan de willekeur van een gewetenloozen +schurk, gevoelde zij hoe de krachten haar ontzonken, en luisterde +zij nauwelijks naar de bemoedigende woorden van hare voedster. Zij +vreesde den dood niet, maar te sterven zonder haar vader weergezien, +zonder Orion gezegd en getoond te hebben, dat zij hem toebehoorde, +dat zij de zijne was en bleef, dat was te hard, dat viel haar te +zwaar om te dragen. + +Terwijl zij de handen wrong, op het punt van te vertwijfelen, +draafde hij, die het geluk, de rust en de have zoo veler medemenschen +vernietigd had, op het edelste ros uit Orions stal door de straten van +Memphis, met het vaste plan de trotsche gevangene zijne macht te doen +gevoelen. Op de groote marktplaats, in het Ta-anch-kwartier moest hij +zijn hengst dwingen tot een rustiger gang, want daar had zich voor +de kurie, het raadhuis der stad, eene onafzienbare menschenmenigte +verzameld. De Wekil brak zich baan door het volk, zonder iemand te +ontzien, want hij wist wat het begeerde en telde dit niet. Het arme +gepeupel school reeds sedert eenigen tijd daar dagelijks samen en +verlangde van de bouleuten hulp in zijne schrikkelijke ellende. Daar +het kerkgezang en de processie gisteren weder zonder gevolg waren +gebleven, bestormde het heden de kurie. Maar kon de senaat den Nijl +laten wassen, de pest bezweren of de dadels verhinderen van de palmen +te vallen? Wie kon helpen waar de hemel zijn bijstand ontzegde? + +Zoo had het hoofd van de stad aan de om hulp roepende menigte van het +balkon der kurie wel reeds tienmaal gevraagd, en altijd was het volk +uitgebarsten in den kreet: "Ja, ja, gij moet het, het is uw plicht! Gij +neemt van ons belasting, gij zijt geroepen voor ons te zorgen!" + +Gisteren was de onzinnige menigte reeds niet meer te houden geweest +en had met steenen naar het raadhuis geworpen, maar heden na den +verschrikkelijken brand en den dood van den bisschop was het gepeupel +in dichte drommen komen opzetten, woedender dan ooit en tot de uiterste +vertwijfeling gebracht. De bouleuten zaten te beven op hunne oude, geel +geworden, ivoren stoelen, de overblijfselen van uitgedoofden glans, +die gelijken moesten op zetels der Romeinsche senatoren. Zij zagen +elkander aan, haalden de schouders op en lieten zich een brief van den +kadhi voorlezen, die zoo even gekomen was, en hen, christenen, beval, +overeenkomstig de tot een besluit verheven voorslag van Obada, aan +de gemeente door omroepers als anderszins bekend te maken, dat ieder +burger, wiens huis in den afgeloopen nacht door vuur was verteerd, +aan de overzijde in Fostat kosteloos grond en bouwmaterialen kon +krijgen, om zich een nieuw huis op te trekken, ingeval hij den Nijl +wilde oversteken en den Islam aannemen. + +Dit smadelijk voorstel moest bekend gemaakt worden, daar viel niet +over te beraadslagen, men kon er zich niet tegen verzetten. Maar wat +kon van hunne zijde voor de klagende menigte gedaan worden? De pest +sleepte het ongelukkig volk ten grave; de groenten, waaruit gedurende +dit jaargetijde de helft van zijn voedsel bestond, waren verdord; +zijne anders zoo zoete, verkwikkende drank was vergiftigd; de dadels, +zijn toespijs, rijpten om met afschuw weggeworpen te worden. En daarbij +een komeet aan den hemel, geen uitzicht op oogst, ook maar van enkele +halmen, in de volgende maanden! De bisschop dood, het vertrouwen +op de hulp der kerk geschokt, Gods genade als opgehouden, verloren +in dit door de ongeloovigen bezette land! En zij, op wier hulp men +rekende, waren arme, zwakke menschen, raadslieden zonder raad, ieder +uur bedreigd om hunne door de pest aangetaste medeleden te volgen, +die van de thans ledig staande zetels nog onlangs het grootste woord +hadden gevoerd. Gisteren hadden naar ieders overtuiging, de nood en +de ellende hun toppunt bereikt, en in den afgeloopen nacht waren ze +voor zoovelen verdubbeld. Hun eigen zelfvertrouwen was uitgeput, doch +er was nog éen wijze in de stad, die misschien nieuwe wegen openen +en op een middel wijzen kon, om het volk voor vertwijfeling te bewaren. + +Daar vlogen weder steenen door het geopende dak, en de bouleuten +sprongen van hunne ivoren zetels op en zochten beschutting achter +marmeren zuilen en pijlers. Van de zijde der markt drong een woest +geschreeuw door tot de ooren der beangstigde raadsleden, en tegen de +zware deur van de kurie werd met vuisten en stokken gebeukt. Gelukkig +was ze met brons beslagen en met zware ijzeren grendels gesloten, +maar ieder oogenblik kon ze voor het geweld bezwijken en de razende +volkshoop de vergaderzaal binnenstormen. + +Doch wat gebeurde er? In een oogenblik verstomde het gebrul en +gejoel; het gedruisch nam een anderen, zachteren vorm aan. In +plaats van de wilde vloeken en verwenschingen van zooeven weerklonk +het: "Heil! Heil!" voor en na, en daartusschen hoorde men roepen: +"Red," "help!" "Geef ons raad!" "Leve de wijze!" "Uw tooverkunst, +vader!" "Gij kent de geheimen, de wijsheid der ouden!" "Red, red; +toon die gierigaards en bedriegers in de kurie hoe men ons helpt!" + +Het hoofd van de stad waagde het zijne veilige plaats achter het +zuilenbeeld van Keizer Trajanus te verlaten, het eenige dat de +geestelijkheid nog had verschoond, en langs de ladder, die men +gebruikte om de hanglampen aan te steken, op te klimmen tot het +hooge venster en een blik naar beneden te slaan. Daar zag hij een +grijsaard in hagelwitte kleeding op een fraaien witten ezel door de +menigte rijden, die eerbiedig voor hem plaats maakte. De lictoren der +stad gingen hem voor met hunne fasces, waaraan, ten teeken van hunne +vreedzame zending, palmtakken bevestigd waren, verder merkte hij op +dat de oude, behalve de drijver van zijn beest, ook een slaaf volgde, +die ettelijke schriftrollen droeg, en dit deed zijn hoop herleven; want +ze zagen er zeer oud en geel uit en bevatten stellig een overvloed +van wijsheid, ja wellicht magische formulieren en tooverspreuken, +waarvan men heil kon wachten. Met een luid "hij komt," daalde het hoofd +der stad van de ladder af; weldra knarsten de grendels, de deur ging +open en men kwam tot verademing toen men bespeurde, dat buiten den +grijsaard niemand de kurie was binnengedrongen. Toen Horus Apollon +de raadzaal binnentrad vond hij de bouleuten in zulk eene waardige +houding op hunne ivoren stoelen, als ware de raadsvergadering geen +oogenblik geschorst. Doch op een wenk van den voorzitter stonden +allen voor den grijsaard op en hij beantwoordde hun groet afgemeten, +als ware hem een eer bewezen die hem toekwam. Hij liet het zich ook +wel gevallen, dat het hoofd der stad hem zijn hoogeren zetel inruimde, +om op een gewonen naast hem plaats te nemen. + +Weldra was de behandeling van de zaak aangevangen, en deze werd niet +gestoord door de menigte, ofschoon van de marktplaats nog altijd +geluiden in de zaal doordrongen als van een bruisenden golfslag of van +duizend bijenzwermen. De grijsaard verzekerde bescheiden, dat hij in +zijn eenvoud, waar zulke wijze mannen geen hulp wisten te verschaffen, +aanvankelijk twijfelde of die wel te vinden zou zijn. Hij was echter +bedreven in de kennis van den aard en de wetenschap der vaderen, en +hij was thans gekomen om mede te deelen, wat zij in dergelijke gevallen +voor doeltreffend hadden gehouden, ten einde dat ook nu na te volgen. + +Een gemompel van instemming vergezelde zijne zachte, maar zoetvloeiende +reden, en toen de stadsoverste allereerst wees op den wortel van alle +onheilen, het uitblijven van den Nijlwas, verzocht de grijsaard hem +hierover te zwijgen en allereerst de nooden onder de oogen te zien, +waartegen men met eigene krachten redmiddelen kon aanwenden. De pest +woedde in de stad; hij was zoo even het kwartier voorbijgegaan, dat +door den brand gedeeltelijk was vernield, en had daar vijftig kranken +zonder verpleging en in de grootste ellende bijeengevonden. Hier +kon wat gedaan worden; hier lagen de middelen voor de hand, om de +ontevredene menigte te bewijzen, dat hare raadslieden en leiders de +handen niet in den schoot hadden gelegd. + +Een der leden van den raad stelde voor het Caecilia-klooster of +het ongebruikte en vervallen Odeum voor hen in te ruimen, doch +Horus Apollon verklaarde zich hiertegen en zette duidelijk uiteen, +dat zulk eene opeenhooping van zieken midden in de stad de gezonde +burgers in gevaar zou brengen. Dat was ook de zienswijze van zijn +vriend Philippus en deze had de handelwijze der vaderen, als de +eenige ware aangeprezen. Waar plaatsten de ouden niet alleen hunne +inrichtingen van liefdadigheid, maar ook de groote ruimten vorderende +tempels en begraafplaatsen? Altijd in de woestijn, buiten de stad. Op +de reuzensphinx bij de pyramiden had de groote Arrianus zelf deze +versregels geschreven: + + + Eertijds schiepen de goden die schoon hier prijkende vormen, + Wijselijk sparend het veld, vol van den vruchtbaren oogst. + + +Dit sparen van het vruchtbare veld heeft het jongere geslacht vergeten, +en het begreep ook niet meer, hoe het de woestijn kon gebruiken. De +dooden en verpestten mochten de levenden niet in gevaar brengen, +en daarom moesten zij buiten de stad, op den woestijnbodem van den +Necropolis ergens worden ondergebracht. + +"Maar wij kunnen ze toch niet in den zonnegloed laten liggen," zeide +de stadsoverste. + +"En evenmin," voegde een ander erbij, "kan men in een ommezien een +gebouw voor hen optrekken." + +Daarop antwoordde Horus Apollon: "Wie zou zoo dwaas zijn het een of +het ander te verlangen! Maar linnen en palen zijn in Memphis meer +dan genoeg. Laat dadelijk in den Necropolis groote tenten opslaan, +en onder deze beschutting, op kosten en onder toezicht van de stad +allen verplegen, die door de ziekte worden aangetast. Vaardig drie of +vier uit uw midden af, om deze opdracht te volbrengen, en in weinig +uren is er een onderkomen gevonden voor die van hun huis beroofde +kranken. Hoevele matrozen en scheepstimmerlieden slenteren er zonder +arbeid langs den oever! Roep ze samen, en zet ze binnen een uur aan +het werk!" + +Dit voorstel vond bijval en een fabrikant van lijnwaad onder de +bouleuten zeide: "Ik lever alles wat er noodig is," en een ander, die +in denzelfden stof handel dreef en dit beroemde Egyptische fabrikaat +overal heen zond, viel hem in de rede en verlangde voor zich en zijn +huis de opdracht, omdat hij goedkooper leveren kon. Deze strijd zou de +zitting tot het einde en misschien ook tot den volgenden dag in beslag +hebben genomen, als het voorstel van Horus Apollon, om de leverantie +tusschen beiden te verdeelen niet spoedig ware aangenomen. Het volk +begroette de afkondiging van het besluit, dat er tenten voor de zieken +in de woestijn zouden worden opgeslagen, met een bijvalskreet van +honderden stemmen. Zij die de opdracht ontvingen, om het besluit uit +te voeren, gingen terstond aan het werk, en in den volgenden nacht +konden de van hun dak beroofden reeds onder de eerste groote tent +geborgen worden. + +Op dezelfde wijze loste de grijsaard nog eenige andere gewichtige +vragen op, terwijl hij daarbij altijd zich beriep op de wijsheid der +vaderen. Ten laatste nam hij het woord over de hoofdzaak, en hij deed +het voorzichtig en met groot beleid. Alle wederwaardigheden van den +laatsten tijd, zeide hij, wezen er op, dat de hemel vertoornd was op +het ongelukkig land zijner vaderen. Als een teeken van zijn ongenoegen +was een komeet gezonden, dat vreesaanjagend gesternte, dat met den +dag nog toenam in dreigenden glans. Het stond niet in de macht van +een mensch den Nijl te doen stijgen, maar de ouden--en nu luisterden +de bouleuten met ingehouden adem--stonden in nauwere betrekking tot +de geheimzinnige machten, die het leven der natuur besturen, dan +de tegenwoordige menschen, onverschillig of ze leeken of priesters +zijn. In die dagen was ieder dienaar der allerhoogste godheid tegelijk +een kenner en onderzoeker der natuur. Wanneer Egypte door eene ramp +werd bezocht als die van dit jaar, werd er een offer gebracht, een +groot offer, waartegen het menschelijk gevoel en alles wat in ons is +opkomt, maar dit had nimmer zijne uitwerking gemist. Hier waren de +bewijsstukken, en daarbij wees hij op de schriftrollen in zijn schoot. + +De vergaderden bewogen zich onrustig op hunne zetels en eerst riep +het hoofd der stad en vervolgens riepen en vroegen ook de andere +bouleuten de een na den ander: "En het offer?"--"Welk offer brachten +zij?"--"Wat moet dat offer zijn?" + +"Laat mij dit verzwijgen tot een volgenden keer," verzocht +de grijsaard. "Wat zou het kunnen baten dit heden reeds te +verkondigen? Eerst moet onderzocht worden, wat den goden welgevallig +is." + +"Maar wat is het? Spreek man!"--"Leg ons niet op de pijnbank!"--Zoo +drong men van alle zijden op hem aan. Doch de grijsaard bleef +onverbiddelijk, beloofde den raad zelf samen te roepen, zoodra de tijd +daartoe gekomen was, en verlangde van den stadsoverste alleen, dat +hij van het balkon zou afkondigen, dat Horus Apollon een offer wist, +dat den Nijl kon bewegen eindelijk te wassen. Zoodra het gevonden was, +zou men het volk zijne toestemming vragen. In vroeger eeuwen had het +nooit zijne uitwerking gemist. Mannen, vrouwen en kinderen konden +dus gerust naar huis gaan en geduldig, met nieuwe en gegronde hoop, +de toekomst afwachten. + +Deze afkondiging, waarbij het hoofd der stad niet verzuimde +de wijsheid van den grijzen Horus Apollon te loven, deed eene +verbazende uitwerking. Van nieuwe hoop vervuld jubelde de menigte, +een "Heil! Heil!" weerklonk van alle zijden, en deze kreten golden +niet enkel den grijsaard, die redding beloofde, maar ditmaal ook de +bouleuten, de zorgzame vaders der stad, wien een loodzware last van +het hart werd genomen. Wat de oude man voorhad, was zeker niet vroom +en zuiver christelijk, maar had de macht van de kerk zich dan zoo +werkzaam getoond? En nadat alle pogingen van die zijde schipbreuk +hadden geleden, waren zijzelven reeds tot middelen afgedaald, die de +priesters veroordeelden. Bezweringen en tooverij waren echt Egyptische +kunsten, en waar het geloof niets uitrichtte, traden dezen, trad het +bijgeloof in zijn recht. Toen men de lokken-Medea op het lijf was +gevallen en gevangen had genomen, was het niet zoozeer geschied, +om de wet te handhaven, maar veeleer, om hare geheime wetenschap +ongemerkt voor het algemeen welzijn aan te wenden. In zulk een nood +was geen middel te slecht, en hoewel de grijsaard zelf een afschuw +had van dat wat hij aan de hand deed, van hunne toestemming was hij +zeker, als het maar de gewenschte uitwerking deed. Was de nood eerst +uit den weg geruimd, dan kon men de schuld, die men op zich geladen +had, wel boeten; en de goede God was zoo barmhartig! De bisschop had +anders ook zitting en stem onder de bouleuten, en nu had de loop der +omstandigheden hun de noodzakelijkheid bespaard, om zijne tegenspraak +te weerleggen. + +Toen Horus Apollon weer op de markt verscheen, werd hij met algemeenen +bijval en zoo dankbaar begroet, alsof het hem reeds gelukt was land +en volk te redden. En wat had hij ondernomen! Hetgeen hij dacht te +doen plaats hebben mocht gelukken of niet, te Memphis kon hij niet +blijven, want in elk geval was het daar uit met zijne rust. Maar dat +schrikte hem niet af, want voor de vrouwen was het misschien heilzamer, +als hij haar verwijderde uit de gevaarlijke nabijheid van de Arabische +hoofdstad, en zijn besluit, om met het gezin van Rufinus te vertrekken, +stond bij hem vast. Ook voor zijn Philippus kon het niet anders dan +goed zijn in een anderen bodem verplant te worden. + +In het huis van Rufinus vernam hij welk lot Paula getroffen had. Voor +het oogenblik stond zij hem dus niet meer in den weg, doch wanneer +men haar morgen of overmorgen of over een maand vrijliet, was zij +hem even hinderlijk als te voren. De aanslag tegen haar moest dus +toch doorgezet worden. Zijne bijzondere denkbeelden zetten hem er +toe aan, en welk eene voldoening, als het hem gelukte de Egyptische +christenen tot de heidensche daad te brengen, die hij hen wilde +doen uitvoeren. Werd Paula door de Arabieren ter dood veroordeeld, +zoo kon dit aan de uitvoering van zijn plan slechts bevorderlijk +zijn, en daarom was het nu van belang zich met den zwarten Wekil in +betrekking te stellen; want van zijne toestemming hing alles af. + +Vrouw Johanna en Pulcheria vonden hem zoo opgeruimd en vroolijk als +nooit te voren. Het voorstel, om met zijn Philippus haar huisgenoot +te worden, werd ook door de kleine Maria met levendige vreugde +begroet, en de vrouwen geleidden hem reeds heden door het geheele +huis en ondersteunden hem daarbij zorgvuldig en liefderijk. Alles +wat hij zag, beviel hem uitermate; zoo sierlijk en netjes kon het er +alleen daar uitzien waar vrouwenoogen alles bestuurden en op alles +toezagen. De kamer van Rufinus op den beganen grond zou de zijne +worden, terwijl men een dergelijk vertrek aan de andere zijde van het +huis voor Philippus kon inrichten. De eetzaal, de ruime voorzaal en +het viridarium bleven gemeen goed, en voor de vrouwen en de gasten +waren op de bovenverdieping kamers genoeg. Hij zou hier zijn intrek +nemen, zoodra hij een zeker iets vastgesteld had. Het moest wel iets +verblijdends zijn, want als de oude man daarover sprak, bewogen zich +zijne ingetrokken lippen vergenoegd heen en weer, en daarbij schenen +zijne fonkelende oogen Pulcheria toe te roepen: "Ook voor u, lief kind, +heb ik iets goeds in den zin." + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + + +In de nauwe, gloeiend heete gevangeniscel, die de beide vrouwen +herbergde, doorleefde Paula een ontzettenden nacht. Zij kon den slaap +niet vatten, en als het haar gelukte eindelijk de oogen te sluiten, +werd zij door het geschreeuw en het gerammel der ketenen van de +gevangenen in de groote kerkerzalen, en door den harden stap van een +lotgenoot gestoord, die nog rusteloozer dan zij boven haar hoofd op +en neer wandelde. + +Arme deelgenoot in hetzelfde ongeluk! Was het martelende gewetensangst +die hem heen en weer joeg, of was hij even onschuldig als zij, en +was het zielsverlangen, zorg, liefde misschien die hem belette te +slapen? Hij was geen gewoon misdadiger, want voor dezulken was er +geen plaats in dit gedeelte van het gebouw, en omstreeks middernacht, +toen het gedruisch in de groote zalen plotseling verstomd was, vernam +zij uit zijne cel de zachte klank eener luit. En zóo kon enkel een +meester het speeltuig hanteeren. Die vreemde gevangene ging haar +niet aan, maar voor dit geschenk der tonen was zij hem dankbaar, +want ze leidden hare gedachten en overleggingen af van haar eigen +persoon en met klimmende aandacht luisterde zij naar zijn spel. + +Blijde een voorwendsel te hebben, om de warme, harde legerstede te +verlaten, sprong zij op en plaatste zich aan het met ijzeren staven +geslotene eenige venster der cel. Daar hield de muziek op en er volgde +een gesprek tusschen den gevangenbewaarder en haar lotgenoot. Wat was +dat voor eene stem? Bedroog zij zich of hoorde zij goed? Haar hart +hield bijna op te kloppen, terwijl zij verder luisterde. Ja, nu moest +elke twijfel zwijgen: Orion was het en geen ander, die daar boven haar +sprak. Daar noemde de gevangenbewaarder ook zijn naam, daar sprak hij +over haar gestorven oom, en nu werd als op een gegeven teeken zachter +gesproken. Zij hoorde wel fluisteren, maar kon den inhoud niet meer +onderscheiden. Eindelijk hoorde zij overluid afscheidswoorden spreken, +de deur van de cel boven haar viel in het slot en de voetstappen van +den gevangene naderden het venster. + +Zij drukte haar gelaat tegen de warme ijzeren staven, rekte zich uit, +luisterde in de stilte van den nacht en riep, als zij geen geluid +vernam, eerst zacht, dan harder: "Orion, Orion!" En van boven klonk +terstond daarop haar naam terug. + +Thans begroette zij hem en begon te vragen, hoe en sedert wanneer hij +hier was gekomen. Maar reeds bij de eerste woorden legde hij haar +het zwijgen op met een beslissend "stil!" waarop terstond een kort +"let op!" volgde. + +Vol verwachting luisterde zij door de traliestaven; de oogenblikken +groeiden met langzamen slakkengang tot een vol half uur, tot eindelijk +het luide "nu!" werd vernomen, waarop zij gewacht had. Eenige +oogenblikken later hield zij een briefrolletje in de hand, dat aan +eene met een stukje hout bezwaarde luitsnaar naar beneden was gelaten. + +Er was noch licht, noch vuur in hare cel en de duisternis maakte het +haar onmogelijk om te lezen. Zij riep dus naar boven: "donker!" en +terstond daarop naar zijn voorbeeld: "let op!" Zoodra zij de beide +schoonste rozen, die Pulcheria haar gebracht had, aan de snaar had +bevestigd, zweefden ze op haar vroolijk "nu" naar boven. + +Met eenige zachte accoorden, waarin zijn zielsverlangen en zijn +hartstocht trilden, sprak hij zijn dank uit. Toen werd het weder +stil, want de gevangenbewaarder had hem zooeven verboden, bij nacht +te zingen en te spelen, en hij mocht van de welwillendheid van dezen +man geen misbruik maken. + +Paula legde zich te slapen neder met Orions brief in de hand, en +toen zij voelde dat zij zou insluimeren, schoof zij het rolletje +onder haar hoofdkussen en sliep spoedig daarop in. Toen beiden na +zonsopgang ontwaakten, hadden zij van elkander gedroomd en begroetten +zij vroolijk den dag. + +Orion was buiten zichzelven geraakt van toorn, toen de kerkerdeur +zich achter hem gesloten had. Hij had de ijzeren staven uit den +muur willen rukken en de deur willen intrappen of uit hare hengels +lichten. Er is voor een man geen smadelijker gevoel, niets wat meer +zijne verontwaardiging wekt, dan zich als een schadelijk dier te zien +afsluiten van de wereld, waartoe hij behoort en die hij noodig heeft, +om ze te ontvangen, wat hem het leven levenswaard maakt, en wederkeerig +anderen te vinden, die het goede kunnen genieten, dat hij doen en geven +kan. Gisteren was de kerker in beider oog het voorportaal van de hel, +zij waren der vertwijfeling nabij geweest en welke andere aandoeningen +bezielden hen heden! Orion was door den eenen slag van het lot na den +anderen getroffen; met welk een angstig en bekommerd gemoed had Paula +zijn terugkeer te gemoet gezien, en hoe rustig was heden hare ziel, +niettegenstaande zij in doodsgevaar verkeerde. + +De legende verhaalt van de Heilige Caecilia, die midden uit den +bruiloftsdans naar de folterplaats werd gevoerd, dat zij, terwijl +zij de pijnen van den marteldood leed, in hare verbeelding met een +onuitsprekelijk gevoel van zaligheid hemelsche muziek en streelende +orgeltonen vernomen had; en hoe ontelbaar velen hebben hetzelfde +ervaren! In den uitersten nood en het grootste gevaar vinden zij hooger +geluk dan in den glans, de pracht en de vreugde van het luidruchtige +leven; want hetgeen wij gelukzaligheid noemen, valt hen ten deel, +onverschillig waar zij zijn en in welk een uitwendigen toestand zij +verkeeren, die juist dat bereikbaar achten, waarnaar hunne ziel +smacht met innig verlangen. Wat deze twee in lang niet geweest +waren, namelijk: recht innerlijk gelukkig, dat werden zij in den +kerker. Paula met zijn brief voor oogen, dien hij reeds was begonnen +te schrijven in het huis van den kadhi, en waarin hij zijn geheele +hart voor haar ontsloot; Orion in het bezit harer rozen waaraan hij +hing met oog en hart, en die voor hem lagen, terwijl hij de volgende +dichtregelen neerschreef, die de gedienstige kerkermeester gaarne +aan haar overbracht. Zij luiden aldus: + + + "Zie, toen donker en duf mij de nacht omsloot van den kerker, + 't Zonlicht zonk en mij niets bleef dan het sombere graf, + + Nam ik de roos in mijn hand, en, op eens, uit de purperen bloemkelk + Straalde een heerlijke glans, klaar als de zonnigste dag. + + Liefde, zoo heet het gesternte, dat licht uit de geurende blaadren + Rees, als uit deinende zee Foibos' verrijzende span. + + Is ook 't koesterend vuur van het harte door minne bevangen + Niet als de glimmende vlieg, welke in rozen verschuilt? + + Toen ons de dag nog lichtte, wij leefden in zon en in vrijheid, + Was bij het helderste licht, toch ons die glans te gering; + + Doch nu vol van bedreiging de sombere nacht ons beschaduwt, + Sterkt ons het vriendelijk licht, draagt het den zinkenden moed. + + Dan, aan de zaden gelijk, ontkiemend in nachtlijken aardschoot, + Zoo als uit 't sombere graf rijst de gevleugelde ziel, + + Dus ook zie ik dat hier in het zwarte gewelf van den kerker, + Schooner dan rozen der haag, bloeien de rozen der min." + + +En wanneer was Paula inderdaad gelukkiger geweest dan in de ure, toen +zij dezen groet van den geliefde, deze eenvoudige kerkerbloem voor de +eerste maal genoot? De oude Betta kon aan het hooren van deze verzen +zich niet verzadigen, en zij weende van vreugde, niet over den inhoud, +maar over de wonderbare verandering, die zij bij hare lieveling hadden +uitgewerkt. Zij was nu weder een meisje dat het geluk uit de oogen +straalde, gelijk weleer aan den Libanon, en toen Paula voor de in de +rechtzaal vergaderde rechters verscheen, zagen deze haar verwonderd +aan, want met zulk een glans van vreugde op het gelaat was nog nooit +eene op dood of leven aangeklaagde vrouw voor de balie verschenen. + +En toch stond het bedenkelijk met hare zaak, en de niet minder +zachtmoedige dan rechtvaardige kadhi, die zelf lieve dochters +bezat, werd pijnlijk aangedaan, toen hij zag welk eene ongegronde +gerustheid de ziel van deze voortreffelijke jonkvrouw oogenschijnlijk +vervulde. Ja, het stond bedenkelijk met hare zaak, want er lag een +onwederlegbaar bewijsstuk op tafel, en de samenstelling van het +gerechtshof, die streng volgens de wet had plaats gehad, was naar +het scheen niet in haar voordeel. Hare zaak werd door evenveel +Egyptenaars als Arabieren behandeld. De laatsgenoemden waren er +bijgenomen, omdat door haar toedoen muzelmannen om het leven waren +gekomen; als bewoonster van Memphis en als christin behoorde zij tot +de jurisdictie van de eersten. + +De kadhi leidde de rechtspraak, en de ervaring had hem geleerd, +dat de Jacobietische rechters de rechtzaal binnentraden met het +doodsoordeel in de plooien van hun mantel, zoodra de aangeklaagde +tot de Melchietische geloofsbelijdenis behoorde. Wat hen tegen deze +schoone jonkvrouw innam, wist hij niet, doch het was gemakkelijk +te zien, dat zij der Damasceensche kwalijk gezind waren, en wanneer +zij het "schuldig" over haar uitspraken en ook maar éen Arabier met +hen medestemde, was het lot van de jonkvrouw beslist. En wat wilde +die in het wit gekleede grijsaard op de bank der getuigen, de oude, +geleerde Horus Apollon, met de verklaring, die hij wenschte af te +leggen? De blikken waarmede hij de Damasceensche opnam lieten niets +goeds voor haar verwachten. + +Het was drukkend, ondragelijk heet in de zaal! Ieder gevoelde zich +bezwaard, en ondanks het gewicht dezer beraadslaging, bleef zij +toch menigmaal steken, om dan daarna weder met onbetamelijken spoed +te worden voortgezet. De aangeklaagde zelve scheen gelukkig geheel +frisch te zijn, en niet onder den indruk te verkeeren van de hitte +van dezen dag. Zoo weinig moeite het haar gekost had, bij het verhoor +van den ruwen zwarte hare bewering vol te houden, dat zij geen deel +had genomen aan de vlucht der nonnen, zoo moeilijk viel het haar +tegenover de welwillende vragen van den kadhi Othman. Doch haar werd +geene keus gelaten en het gelukte haar te bewijzen, dat zij, terwijl +de Arabische krijgsknechten tusschen Athribis en Dumiat om het leven +waren gekomen, Memphis en het huis van Rufinus niet verlaten had. + +De kadhi trachtte deze omstandigheid terstond in haar voordeel aan te +wenden, en de Wekil Obada, die veel met zijn grijzen buurman op de +bank der getuigen te fluisteren had, liet hem gelaten doorspreken; +doch zoodra hij geëindigd had stond Obada op en legde den brief, +dien hij in Orions kamer had gevonden, voor de rechters neder. Deze +was onloochenbaar van de hand des zoons van den stadhouder, was +aan Paula gericht, en de slotzin: "Veroordeel mij daarom niet; uw +schoonste en maar al te zeer gerechtvaardigde wensch, om aan uwe +geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest," liet +niet na, op de rechters een diepen indruk te maken. Paula antwoordde +op de vraag van den kadhi, wat zij wist van dit schrijven, geheel +overeenkomstig de waarheid, dat het haar geheel vreemd was; toch +wilde zij niet loochenen, dat zij de zusters in het Caecilia-klooster, +hare geloofsgenooten, steeds het beste toegewenscht en gehoopt had, +dat het haar gelukken mocht heur goed recht tegen de vijandelijke +aanslagen van den patriarch te verdedigen. Ook de gestorven Mukaukas +en de Jacobietische raad van de stad hadden hare zienswijze gedeeld, +en de Arabieren hadden den vrede der vrome krankenverpleegster nooit +verstoord. + +De kalmte en de kortheid, waarmede zij dit alles verklaarde, werkten +gunstig, inzonderheid op de muzelmansche rechters, en de kadhi begon +voor Paula te hopen. Hij beval nu Orion te roepen, die het best in +staat was, om inlichting te geven omtrent de beteekenis van den door +hem geschreven, maar niet verzonden brief. + +De jonkman verscheen, en ofschoon hij en Paula zich geweld aandeden, +om op deze plaats volkomen bedaard te blijven, zag ieder toch +duidelijk, hoe het wederzien beiden ontroerde. Horus Apollon hield +de oogen strak op Orion gericht, dien hij hier voor het eerst zag, +en zijn gelaatstrekken verkregen daarbij een steeds somberder en +onheilspellender aanzien. + +De jongeling erkende den brief geschreven te hebben, doch, evenals +Paula had gezegd, zag de inhoud alleen op het gevaar, hetwelk de nonnen +reeds lang van de zijde van den patriarch bedreigd had. Den bijstand, +dien hij in dit schrijven aan de dochter van Thomas toezegde, zou +hij haar ten gevalle later en te zijner tijd gaarne en vol ijver aan +de zusters hebben verleend, en wel met hulp van den stadhouder Amr, +die, gelijk hijzelf zou kunnen bevestigen, de zienswijze zijns vaders +deelde omtrent het goed recht der nonnen. + +De oude op de getuigenbank mompelde luid genoeg, om door de rechters +verstaan te worden: "Handig, zeer handig!" en de zwarte naast hem +begon overluid te lachen en riep: "Dat noem ik op een sluwe manier +zijn leven te verlengen! Weest gewaarschuwd, heeren rechters! Deze +twee spelen éen spel en zijn nauw aan elkander verbonden. Het bewijs +daarvan is in mijne handen: die jonkman heeft het vermogen van Thomas' +dochter belegd, als ware het reeds zijn eigen, en verder...." + +Hier viel Paula hem in de rede. Zij wist niet wat die kwalijk +gezinde man verder in het midden kon brengen, doch zeker was het +iets ergerlijks. Daar stond Orion tegenover haar, juist zooals zij +hem in hare verbeelding had gezien in aandoenlijke uren, die haar +thans voor den geest kwamen, en zij gevoelde, hoe zijn blik haar vol +verrukking aanzag. Hier tot hem te gaan en hem te zeggen, wat zij te +midden van dezen strijd tusschen leven en dood gevoelde, dat scheen +onmogelijk, en toen nu de Wekil voor de rechters begon te ontsluieren, +wat haar en den geliefde alleen aanging, drong al wat in haar was die +onthulling te voorkomen, en den vriend in deze beslissende ure toe te +staan wat zij hem eens kleinmoedig had geweigerd. Blijmoedig gestemd +en met schitterende oogen viel zij dus den zwarte in de rede en riep: +"Zwijg man! Gij verspilt woorden voor niet. Wat gij arglistig tracht te +bewijzen, dat beken ik zelf trotsch en dankbaar. Hoort het gij allen: +de zoon van den Mukaukas Georg is mijn verloofde." + +Bij deze woorden zocht haar oog dat van Orion; zij vond het en weder +genoten beiden te midden van het hoogste gevaar een oogenblik van het +reinste en hoogste geluk; en in Paula's oogen blonken tranen van de +dankbaarste ontroering, toen Orion uitriep: "Wat de hoogste zaligheid +mijns levens uitmaakt, hebt gij uit haar eigen mond vernomen. De +edele dochter van Thomas is mijne bruid!" + +Daar ging een gemompel door de rijen der Jacobietische +rechters. Sommigen hadden tot hiertoe, tengevolge der drukkende +hitte, half zitten te dommelen en het hoofd op de borst laten zinken; +thans waren zij allen opeens zoo wakker en helder, als had een koude +waterstraal hen getroffen. "Uw vader, jonge man," riep er een, "hebt +gij schandelijk vergeten! Wat zou hij wel gezegd hebben van deze +bloedschande? Want wat anders is het verbond met deze Melchietin, eene +dochter dergenen, die twee uwer broeders tot martelaars maakten? O, +als de gestorvene...." + +"Hij heeft onze verbintenis op zijn sterfbed gezegend," riep Orion +hem toe, zonder hem te laten uitspreken. + +"Heeft hij?" vroeg een ander Jacobiet met bitteren hoon. "Dan is de +patriarch in zijn recht geweest, toen hij de geestelijkheid verbood +zijn lijk te begeleiden. Moet men oud worden, om getuige te zijn van +zulke schandalen?" + +Deze woorden waren voor de ooren der twee gelukkigen als krekelgezang; +zij gevoelden, zij bedachten alleen, wat deze zalige oogenblikken +hun hadden geschonken, en vermoedden niet dat Paulas blijmoedige +bekentenis hun doodvonnis inhield. + +De toorn der Jacobieten bespoedigde van nu aan den gang van het +rechtsgeding. Met welsprekendheid stelde de aanklager onder de +Arabieren in het licht, aan hoevele muzelmannen de redding van +de nonnen het leven had gekost, en hij las nogmaals den brief van +Orion voor. Zijn christelijke ambtsbroeder trachtte te bewijzen, +dat dit schrijven alleen betrekking kon hebben op de zoo listig in +het werk gestelde vlucht der zusters, en nu deed zich iets nieuws +voor, dat niemand had verwacht en een beslissenden invloed had op de +verdere behandeling; de grijsaard viel den kadhi in de rede, om eene +verklaring af te leggen. + +Paula's vertrouwen, dat door de laatste sprekers geschokt was, begon +weer te herleven; want zij hield zich zeker overtuigd dat de beproefde +vriend en pleegvader van haar trouwen Philippus voor haar in de bres +zou springen. Doch wat was dat? + +Met een blik, welks vijandige gezindheid haar door merg en been drong, +nam de oude haar hooge gestalte op en zeide daarop langzaam: "In den +morgen, die volgde op de vlucht der nonnen, is de aangeklaagde in het +Caecilia-klooster geweest en heeft daar de klok geluid. Weerspreek +mij, trotsche dochter van een prefect, zoo gij kunt; doch laat mij +u bij voorbaat zeggen, dat gij in dit geval mij dwingt tot nieuwe +aanklachten." + +Het meisje, door ontzetting aangegrepen, zag in hare verbeelding +de weduwe van Rufinus en Pulcheria naast zich voor de rechters op +de bank der arme zondaars zitten, zij voelde, dat zij met tegen te +spreken de vrienden met zich in het verderf zou sleuren, en daarom +bevestigde zij met bevende lippen de uitspraak van den grijsaard. + +"En om welke reden hebt gij de klok geluid?" vroeg de kadhi. + +"Om hen te dienen," antwoordde Paula, "die mijne geloofsgenooten zijn +en die ik liefheb." + +"Als aanlegster van eene als hoog verraad gebrandmerkte onderneming, +die droop van bloed," riep de Wekil, "en met geen ander doel dan om +ons, de beheerschers des lands, te misleiden." + +Doch de kadhi gelastte hem te zwijgen en gaf het woord aan haar +Jacobietischen advocaat. Deze had in de vroegte met haar gesproken +en trad nu op Egyptische manier met een verdedigingsschrift voor +haar op. Doch dit matte knutselwerk deed geen uitwerking, en hoewel +de kadhi alles op den voorgrond stelde, wat tot hare rechtvaardiging +kon strekken, werd toch het schuldig over haar uitgesproken. + +Maar kon haar misdrijf met den dood gestraft worden? Het was +uitgemaakt, dat zij bij de redding der nonnen de hand in het spel had +gehad, doch niet minder zeker was het te bewijzen, dat zij gedurende +den strijd op den Nijlarm ver van de zusters en hare verdedigers was +geweest. Zij was toch eene vrouw, en hoe vergeeflijk scheen het, dat +een vroom meisje geliefde geloofsgenooten bijstond, om de vervolging +te ontgaan. De kadhi Othman bracht dit alles met welsprekendheid in +het midden, en beval den Wekil streng en ernstig rustig te blijven, +toen hij van de bank der getuigen af voor de doodstraf trachtte te +spreken; en de menschlievende overredingskracht van den zachtmoedigen +rechter won de harten der meeste muzelmannen. Paula's persoon maakte +een machtigen indruk op hen, en niet minder de omstandigheid, dat +hun dapperste en edelste vijand de vader van de aangeklaagde was +geweest. Toen het eindelijk tot eene stemming kwam, geschiedde wat +ongehoord mocht heeten, dat namelijk alle geloofsgenooten van de +aangeklaagde, dat de Jacobietische christenen eenstemmig haar dood +eischten, terwijl van de ongeloovigen onder de rechters maar éen met +dit strenge vonnis instemde. + +Het oordeel was geveld, en toen de Wekil Obada Orion voorbijkwam, +die bleek en bijna buiten zichzelven in zijne cel teruggebracht werd, +riep hij hem spottend toe in gebroken Grieksch: "Morgen komt de beurt +aan u, zoon van den Mukaukas!" + +Daar zweefde Orion het antwoord op de lippen: "Ook aan u komt ze, +zoon van een slaaf!" Doch Paula stond tegenover hem en om hare vijand +niet nog meer te verbitteren, gelukte hem thans, wat hem vroeger niet +mogelijk zou zijn geweest. Zonder een woord te antwoorden, liet hij +den Wekil en Horus Apollon voorbijgaan. + +Zoodra de deur zich achter deze twee gesloten had, knikte de kadhi +Orion met welgevallen toe en zeide: "Recht en wijs gehandeld, +mijn vriend! De adelaar mag niet vergeten, dat het betaamt, zijne +vleugels in de kooi anders uit te slaan dan tusschen de woestijn en +den hemel."--Daarop gaf hij de wachters een wenk hem weg te leiden +en hield zich op een afstand, toen de jonkman zijne bruid met hand +en oogen een afscheidsgroet toewenkte. + +Eindelijk ging de kadhi naar Paula toe, wier van heldenmoed getuigende +kalmte bij de verkondiging van het doodvonnis zijne bewondering had +gewekt, en zeide: "Het gerecht heeft in uw nadeel beslist, edele +jonkvrouw, maar boven zijne uitspraak staat de genade van onzen heer, +den Kalief en die van den barmhartigen God. Richt gij uw gebed tot Hem, +tot genen zal ik met eenige vrienden mij wenden." Bescheiden sloeg hij +hare dankbaarheid af, en toen men ook haar had weggebracht, riep hij de +vrienden, die op hem wachten, in de beeldrijke taal van zijn volk toe: +"Het hart doet mij pijn! Zulk een oordeel uit te spreken drukt neer +als een gewicht van honderd pond; maar het kan niet zwaarder vallen +den ganschen aardbol te torschen dan een Obada tot geloofsgenoot te +hebben en hem te moeten gehoorzamen." + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + + +Nauwelijks had de raadselachtige oude de rechtzaal met den Wekil +verlaten, of hij verzocht dezen om een onderhoud. Onbeschaamd verdreef +Obada nu den gevangenbewaarder met zijne vrouw en haar zuigeling uit +hun vertrek, en liet zich hier door den grijsaard mededeelen welk een +einde hij der ter dood veroordeelde had toegedacht. Het plan van den +oude beviel den zwarte wel, doch het scheen hem in menig opzicht zoo +gewaagd, dat het den grijsaard bezwaarlijk gelukt zou zijn hem er +mede te doen instemmen, indien hij niet een gewichtige wederdienst +had weten te noemen, dien hij Obada hoopte te kunnen bewijzen. Den +Wekil moest er alles aan gelegen zijn stellig te kunnen volhouden, +dat Orion de hand in het spel had gehad bij de vlucht der nonnen, +en het toeval had den grijsaard een geschrift in handen gespeeld, +dat dit boven alle bedenkingen scheen te verheffen. + +Vroeg in de morgenkoelte was met zijne verhuizing naar de woning +van Rufinus een begin gemaakt. Alleen de kostbaarste en gewichtigste +schriftrollen waren tegelijk met hem overgebracht, en terwijl hij ze +in een kleine lessenaar wegborg, dezelfde die Rufinus aan Paula in +gebruik had gegeven, had Horus Apollon daarin het briefje gevonden, +hetwelk de jonkman vluchtig had neergeschreven, toen hij, na lang te +vergeefs gewacht te hebben op de geliefde, die met de kleine Maria +bezig was, zich eindelijk gedwongen had gezien om heen te gaan, +ten einde van den veldheer Amr afscheid te nemen. Dit wastafeltje +waarvan het schrift sterk uitgewischt en ten deele geheel onleesbaar +geworden was, moest de rechters van Orions schuld overtuigen, en zoo +bezorgde de uitlevering van dit bewijsstuk den grijsaard de vergunning +van Obada, om te bepalen op welke wijze de Damasceensche ter dood +gebracht zou worden. + +Toen beiden eindelijk de kamer van den gevangenbewaarder verlieten, +wendde de zwarte zich nog eens tot dezen en snauwde hem toe, +terwijl hij wees op zijne aardige vrouw met het kind aan hare borst, +dat zij alle drie kinderen des doods zouden zijn, wanneer hij Orion +veroorloofde zijne cel ook maar voor een oogenblik te verlaten. Hierop +steeg hij te paard, terwijl de oude dadelijk naar de kurie reed, om +den stadsoverste uit te noodigen heden avond eene zitting bijeen te +roepen, waarna hij zijn nieuw verblijf opzocht. Daar vond hij zijne +kamer zorgvuldig in schaduw gehouden en zoo koel, als het bij zulk eene +hitte maar mogelijk was. Men had den grond met water besprenkeld, er +stonden bloemen waar er maar eene geschikte plaats voor te vinden was, +en de schriftrollen en andere voorwerpen, die voor hem gekomen waren, +hadden reeds in kisten en kasten eene plaats gevonden. Nergens lag een +stofje, overal snoof zijne neus behagelijk de heerlijkste geuren op. + +Wel had hij een goeden ruil gedaan. In zijn gewonen, ouden leuningstoel +gezeten wreef hij zich met welbehagen de magere handen, en toen +de kleine Maria verscheen, om hem aan tafel te noodigen, had hij +er plezier in met haar te gekscheren. Pulcheria moest hem uit het +viridarium naar de eetkamer geleiden, en aan tafel liet hij het zich +goed smaken. Zijn vaal, verschrompeld gelaat begon er werkelijk +schooner uit te zien, terwijl hij zijn oog liet gaan over zijne +vrouwelijke huisgenooten, waarvan alleen de Griekin Eudoxia ontbrak, +omdat eene lichte ongesteldheid haar had doen besluiten op hare kamer +te blijven. Hij had voor ieder een vriendelijk woord; opgeruimd en +zonder het gevoel van dankbaarheid, dat hem vervulde, te verbergen, +vergeleek hij zijn vroegeren toestand met den tegenwoordigen, en +schilderde hij, met een ondeugenden blik op Pulcheria, hoe heerlijk +het zijn zou als Philippus terugkeerde, om hen allen te zamen tot +een echt en wezenlijk gesternte te maken; want iedere Egyptische +ster had vijf stralen; de ouden hadden nooit eene andere gekend of +in steen gegraveerd, ja zich van het sterreteeken zelfs bediend, +om het getal vijf te schrijven. + +"Maar dan," riep Maria, "dan zijn wij zoo ik hoop een ster met zes +stralen, want dan is de arme Paula toch stellig ook weer bij ons." + +"God geve het," zeide vrouw Johanna met een zucht. + +Pulcheria vroeg den ouden man wat hem scheelde, want opeens veranderde +zijn gelaat. De vroolijkheid van zooeven was verdwenen; de haarstoppels +boven de oogen staken omhoog, en de saamgetrokken lippen bewogen zich +krampachtig, toen hij eindelijk knorrig antwoordde: "Mij scheelt +niets.. Intusschen, ik zeg u eens en voor altijd: deze naam stuit +mij tegen de borst." + +"Paula?" vroeg Maria verbaasd. "O, als gij wist..." + +"Ik weet meer dan genoeg," haastte de grijsaard zich te zeggen. + +"Gij zijt mij allen lief, ja gij allen; mijn oude hart gaat open in uw +midden. Het bevalt mij bij u, ik houd veel van u, ik ben u dankbaar, +elke vriendschapsdienst dien gij mij bewijst, doet mij goed, want die +komt uit het hart. Kon ik alles maar spoedig en rijkelijk vergelden, +het zou mij van vreugde verjongen! Gij moogt het gelooven, en ik zie +u aan dat gij het doet. Doch," en nu trokken zich de wenkbrauwen +weder samen, "doch wanneer ik dezen naam hoor noemen, en wanneer +gij beproeft mij voor die vrouw te winnen, of mij met haar lof aan +het hoofd te malen, dan, hoeveel leed ik hiermede ook mijzelven zou +aandoen, dan ga ik terug naar de plaats vanwaar ik gekomen ben." + +"Maar Horus, Horus! wat is dat?" riep vrouw Johanna ontsteld. + +"Dat is," barstte de oude los, "dat zich alles in haar belichaamt +wat ik in haar stand veracht en haat. Dat is, dat zij een koud, +verraderlijk hart in de borst draagt, dat zij mij dagen en nachten +heeft gekweld, in 't kort, dat ik liever verdoemd wilde zijn, om met +klamme salamanders en koude slangen onder éen dak te leven...." + +"Als met haar, als met Paula?" zeide Maria opeens, en daarbij vloog +het levendige meisje op, hare oogen vonkelden en hare stem trilde van +verontwaardiging, toen zij voortging: "En dat zegt gij niet alleen, +dat meent gij in ernst? Is dat mogelijk?" + +"Niet alleen mogelijk, maar zeker, klein hartediefje." hernam de oude, +de hand naar haar uitstekende. + +Maar zij week voor hem achteruit en zeide heftig: "Ik wil uw +hartediefje niet zijn, wanneer gij zoo over haar spreekt. Wie zoo +oud is als gij, moest rechtvaardig zijn! Gij kent haar niet, en wat +gij van haar hart gezegd hebt..." + +"Wees bedaard, meisje," zeide de weduwe. + +De oude antwoordde echter met bijzonderen nadruk. "Dit hart, jonge +wildzang, zal goed en nuttig zijn voor ons en allen, wanneer wij er +niet meer aan denken, in goeden zoo min als in kwaden zin. Men heeft +heden over haar recht gesproken en dit hart tot stilstand veroordeeld." + +"Veroordeeld? Barmhartige hemel!" riep Pulcheria; en terwijl zij +daarbij opvloog, zeide hare moeder: "Om Gods wil zwijg! Het is zonde +met zulke dingen te spotten. Is het waar, is het mogelijk! Deze +ellendigen, deze.... O, ik zie het u aan, het is zoo, ze hebben +Paula veroordeeld." + +"Gij zegt het," antwoordde Horus koel. "De Damasceensche zal +terechtgesteld worden." + +"En dat, dat zegt gij eerst nu?" zeide Pulcheria snikkende. + +"En gij," voer Maria uit, "gij hebt daarbij kunnen schertsen en +lachen. Gij hebt... Schande over u! Wanneer ge niet zoo'n zwakke +stokoude grijsaard waart..." + +Vrouw Johanna bracht andermaal het kind tot bedaren en vroeg, onder een +vloed van tranen: "Men wil haar terechtstellen, haar onthoofden? Is +er dan voor haar, die van dien onzaligen strijd even ver verwijderd +is gebleven als wij, voor haar, de dochter van Thomas, geen genade?" + +"Wacht maar, wacht!" antwoordde de grijsaard. "Wellicht heeft de hemel +haar uitverkoren voor groote dingen. Zij kan bestemd zijn, om door haar +dood een geheel land en volk te redden. Het zou toch mogelijk zijn..." + +"Spreek duidelijk uit, wat gij op het hart hebt; ik huiver voor die +orakelen," viel de weduwe hem in de rede. + +Doch hij haalde de schouders op en zeide gelaten: "Wat wij vermoeden, +weten wij daarom nog niet. De hemel heeft hier te beslissen. Wel +ons allen: mij, haar, u, Pulcheria en ook den afwezigen Philippus, +wanneer de godheid haar tot werktuig kiest! Maar wie vermag in het +duister te zien? Als het u rust kan geven, Johanna, weet dan, dat de +teerhartige kadhi en met hem zijne Arabische mederechters reeds uit +haat tegen den Wekil, die ze allen in geest en wilskracht overtreft, +niets onbeproefd zullen laten...." + +"Om haar te redden?" haastte de weduwe zich te vragen. + +"Morgen houden zij raad, of er een bode met eene bede om genade naar +Medina gezonden zal worden," ging Horus Apollon met een hatelijk +lachje voort. "Overmorgen krijgen zij geschil over de vraag, wie +die bode zijn zal, en voor hij een voet in Arabië zet, is het lot +van de veroordeelde beslist. De Wekil Obada rijdt sneller dan hij en +deze heeft alle macht in handen, zoolang Amr ver van Egypte is. Men +zegt, dat hij den stadhouderszoon niet luchten of zien kan, en om +zijnentwil--wie weet het?--kan de Damasceensche als zijne bruid..." + +"Zijne bruid?" + +"Voor de rechters heeft zijzelve zich zoo genoemd en zichzelve +gelukgewenscht als zijne verloofde." + +"Paula en Orion?" juichte Pulcheria onder hare tranen, en klapte +blijmoedig in de handen. + +"Zij beiden," hernam de oude. "Gij hebt reden, om u te verheugen, +mijn meisje. Wat hebt gijlieden toch teergevoelige harten! Let op +de ervaring van den oude en zegent het lot, wanneer dit het paard +verlamt van den bode des kadhis! Doch gij wilt niets hooren, wat als +orakeltaal klinkt, en het is ook beter over iets anders te spreken..." + +"Neen, neen," smeekte Johanna. "Waaraan zouden wij kunnen denken dan +aan haar en hetgeen haar boven het hoofd hangt. O Horus, ik herken u +niet meer. Wat heeft u dat arme, ons zoo dierbare, voortreffelijke +meisje, dat door zulk een bitter ongeluk vervolgd wordt, toch +gedaan? En bedenkt gij in het geheel niet, dat de rechters, die haar +veroordeeld hebben, nu ook verder zullen onderzoeken, hoe Rufinus en +wat wij allen..." + +"Wat gij hebt uit te staan met dit waanzinnige reddingsplan?" vulde +de grijsaard aan. "Het is mijne zaak dat te verhinderen. Zoo lang +deze oude hersenen denken kunnen, deze mond spreken kan, zal u geen +haar gedeerd worden." + +"Heb dank daarvoor!" antwoordde Johanna. "Maar als gij dan zooveel +macht hebt, gebruik haar dan, om Paula te redden. Gij weet hoe lief +Paula ons allen is, hoe hoog uw Philippus haar schat." + +"Ik bezit volstrekt geen macht en wil die ook niet hebben," antwoordde +de oude op strengen toon. + +"Maar Horus, Horus!--Kom kinderen!--Wij zouden een tweeden vader in u +vinden, hebt gij beloofd; zoo toon dan, dat dit geen ijdel woord is, +en laat u door ons bezweren." + +De oude man stond, terwijl hij diep ademhaalde, zoo spoedig hij dit +kon op; twee scherp afgeteekende roode vlekken kleurden zijne vale +wangen, en met heesche stem riep hij uit: "Geen woord meer! Doet +geen poging om mij te vermurwen! Val mij niet met weeklachten op het +lijf. Genoeg, duizendmaal genoeg van dit alles! Gij hebt het gehoord +en hoort het nu weder: De Damasceensche of ik, ik of zij! Kunt gij, +wat er in de toekomst ook gebeure, het niet over u verkrijgen in mijne +tegenwoordigheid over haar te zwijgen, dan--dan--dat bezweer ik u, +en wat ik beloof dat houd ik--dan keer ik naar mijn oude hol terug, +om droefgeestig en wederom eene teleurstelling rijker mijn bestaan +voort te slepen of te sterven, zooals mijne godin het zal beschikken." + +Daarop verliet hij het vertrek. De kleine Maria hief de tot vuist +gebalde rechterhand dreigende op en riep hem na: "O, dat hij maar +wegging, dat oude, harde, onrechtvaardige monster! Ach, dat ik een +man ware!" Daarbij barstte zij uit in luid geween, en zonder naar de +terechtwijzing van de weduwe te hooren, ging zij voort, zichzelve +niet meer meester: "O, er is geen slechter mensch dan deze, moeder +Johanna! Hij zou haar willen zien sterven, hij wenscht haar dood, +ik voel dat hij dit wenschen kan! Hebt gij het gehoord Pul, hij zou +er zich in verblijden, als het paard verlamde van den bode, die hare +redding zou kunnen bewerken? En zij is nu de bruid van Orion,--ik +had ze reeds zoolang voor elkander bestemd--en hem willen zij ook +dooden. Maar zij zullen het niet, als er nog een rechtvaardig God in +den hemel is. O dat ik... dat ik..." + +Maar het hevig belette haar verder te gaan, en toen zij eenigermate +tot rust was gekomen, smeekte zij Pulcheria en hare moeder, om +haar naar Paula te brengen. Daar zij dezen wensch met haar deelden, +begaven zij zich vóor het donker werd op weg naar de gevangenis. Hoe +meer zij de markt naderden, die zij moesten oversteken, des te voller +vonden zij de straten. Alles ging denzelfden weg uit, zij werden als +door de menigte gedragen. Uit de richting van het marktplein kwam +hun het gedruisch en geroep uit ontelbare monden te gemoet. Vrouw +Johanna werd in het gedrang beangst voor het geweldig rumoer op het +plein, en gaarne ware zij met hare beschermelingen omgekeerd, of had +zij die plaats ontweken; maar alles bewoog zich daarheen, en het zou +gemakkelijker zijn geweest tegen een gezwollen bergstroom op te zwemmen +als weder naar huis te komen. Zij bereikten dan ook weldra de markt, +en werden daar, van alle zijden opgedrongen, tot stilstand gedwongen. + +De angst van de weduwe klom steeds meer. Hoe pijnlijk was het haar met +de meisjes midden in zulk een volksoploop geraakt te zijn! Pulcheria +hield haar stevig vast, en toen zij Maria gebood haar eene hand te +geven, riep de kleine, die in dezen avontuurlijken tocht bijzonder +behagen schepte: "Zie eens, moeder Johanna, daar staat onze Rustem, +hij is toch de grootste van allen!" + +"Hadden we hem maar bij ons!" zeide de weduwe met een zucht. + +Daar rukte het kind zich van haar los, sloop behendig als een eekhoorn +door den menschendrom en bereikte weldra den Masdakiet. + +Deze had Memphis nog niet verlaten, want de eerste karavaan, waarbij +hij zich met zijn wijfje zou kunnen aansluiten, brak eerst op na +eenige dagen. De brave Pers en Maria waren goede vrienden, en zoodra +hij hoorde, dat zijne weldoensters in vrees verkeerden, baande hij +zich met het kind een weg tot haar, en de weduwe kwam tot verademing, +toen hij haar aanbood bij haar te blijven en haar te beschermen. + +Intusschen nam het gejoel en geschreeuw steeds toe. Aller hoofden en +oogen waren naar het raadhuis gericht, want men scheen te verwachten +dat daar iets groots, iets buitengewoons zou plaats hebben. + +"Wat is er toch te doen?" vroeg Maria den Pers, terwijl zij hem aan het +kleed trok. De reus boog zwijgend tot haar neder en tot hare vreugde +stond zij een oogenblik later op zijne over de borst gekruiste armen, +en zag, nadat zij zich eene zitplaats had gekozen op zijn breeden +schouder, van dezen hoogen wachttoren over allen heen. + +Vrouw Johanna legde angstig de handen op hare voetjes, maar zij riep +haar uit de hoogte toe: "Moeder, Pul, ik vergis mij niet! Vóor de +kurie staat de witte ezel van onzen oude, en daar doen zij het beest +een krans, een olijf krans om den hals." + +Thans klonk van het raadhuis bazuingeschal over de markt door de +verstikkend heete, stoffige lucht, en plotseling werd het rondom stil +en steeds stiller, en waar iemand zijn mond opende om te schreeuwen +of te praten, kreeg hij een duw van zijn buurman, die hem tot zwijgen +bracht. + +De weduwe legde de hand vaster aan de enkels van Maria en vroeg, +terwijl zij zich het zweet van het voorhoofd wischte: "Wat is er +te doen?" + +De kleine antwoordde haastig, zonder zich in het zien te laten storen: +"Kijk maar naar het balkon van het raadhuis; daar staat het hoofd van +de stad, de purperverver Alexander. Hij is vaak bij grootvader geweest +en grootmoeder mocht zijne vrouw niet lijden. En daar naast hem, vlak +naast hem--herkent gij hem niet?--dat is de oude Horus Apollon. Hij +neemt zich juist den lauwerkrans van de pruik. Alexander wil spreken." + +Opnieuw klonk het bazuingeschal, en terstond daarop hoorde men eene +luide mannenstem uit de richting van het raadhuis. Het werd nu zoo +stil, dat ook aan de weduwe en hare dochter maar weinig ontging van +de toespraak, die nu volgde: + +"Medeburgers, Memphieten, lotgenooten!" zoo begon de stadsoverste +langzaam en met ver klinkende stem. "Gij kent ons gemeenschappelijk +lijden. Er is geen leed, dat ons niet ten deel viel, en nog gruwzamer +gebeurtenissen schijnen te dreigen." + +De menigte gaf door oorverdoovend geschreeuw hare instemming te kennen, +doch bazuingeschal vermaande weder tot rust, en de stadsoverste +ging voort: "Wij, de senaat, de bouleuten der stad, wien gij hebt +opgedragen, om voor uw welzijn te zorgen..." + +Een woest gehuil belette den redenaar verder te gaan; men onderscheidde +alleen de kreten: "Zorgt, doet uw plicht!"--"Gierigaards!"--"Houdt +uw woord!"--"Redt ons van het verderf!" + +Doch de bazuinen brachten de ontevredenen andermaal tot rust, +en Alexander ging verder, ditmaal gejaagd en in een staat van de +grootste opgewondenheid: "Hoort mij! Valt mij niet in de rede! De +nood, de ellende treft onze hoofden zoo goed als de uwen. Mijn vrouw +en mijn zoon zijn dezen nacht aan de pest gestorven!" + +Ditmaal ging er slechts een zacht gemompel door de menigte, en alles +werd vanzelf weder stil, toen de deftige man met zijn grauwe baard +op het balkon de oogen afveegde en voortging: "Is er iemand onder u +die ons wijzen kan op een verzuim--hij zij man, vrouw of kind--die +heffe een klacht over ons aan bij God, bij onzen nieuwen heer, +den Kalief, en bij uzelven, burgers van Memphis; maar thans niet, +lotgenooten, thans niet! Staak thans uw schreeuwen en roepen, thans, +nu er redding mogelijk is, moet gij naar mij hooren. Gij moet mij +te kennen geven hoe gij denkt over het laatste uiterste redmiddel, +dat ik u kom aanbevelen!" + +"Hoort naar hem! Zwijgt! Weg die schreeuwers!" klonk het van alle +zijden. + +"Tot onzen Vader in den hemel," zoo ging de redenaar voort, +"tot onzen goddelijken Heiland en zijne heilige kerk hebben wij +als christenen allereerst ons gewend, om ons te helpen, en ik +vraag u: heeft het ontbroken aan gebeden, aan kerkgangen, aan +processiën, aan wijgeschenken? Neen, neen, mijne lieve medeburgers +en burgeressen! Ieder uwer is mijn getuige--zeker niet!--Maar de +hemel heeft zich blind en doof en stom getoond voor onze woorden, +ja als verlamd... Neen, niet als verlamd; want hij is krachtig en +haastig genoeg in de weer, om nieuw leed te voegen bij het oude. Wat +menschelijke voorzichtigheid en verstand bedenken en in het werk +stellen kan, daarvan is ook niets onbeproefd gelaten. De oude kunsten +van toovenaars en magiërs en alchymisten, die menigmaal doel troffen, +om de macht van booze geesten te breken, ook deze zijn gebleken +bedriegelijk en onmachtig te zijn. Toen dachten wij aan onze groote, +beroemde vaderen en voorvaderen, en wij herinnerden ons dat in ons +midden een man leeft, die veel weet wat voor anderen verloren is +gegaan in den loop der tijden. De wijsheid der voorvaderen heeft hij +gedurende een langdurig leven zich eigen gemaakt, door dag en nacht +rusteloos te arbeiden. Hij bezit den sleutel tot het schrift en de +geheimen der ouden, en hij heeft ons medegedeeld van welk redmiddel de +voorvaderen gebruik maakten, wanneer een dergelijk onheil hen bezocht +zooals ons in deze gruwzame dagen. De grijsaard hier aan mijne zijde, +de wijze en verstandige Horus Apollon, heeft ons dit geopenbaard. Ziet +die eenvoudige rollen in zijne hand! Zij leeren ons, welk een wonder +dat middel in vroeger tijd heeft uitgewerkt." + +Hier belette een Memphiet den redenaar voort te gaan, door uit te +roepen: "Heil Horus Apollon, onzen redder!" waarop duizenden hem +navolgden en den oude hun bijval en dank te kennen gaven door luid +geschreeuw. Deze boog bescheiden, wees op zijne smalle borst en +zijne ingevallen mond en gaf dan door teekenen te verstaan, dat het +stadshoofd de man was, die op zich had genomen het volk zijn raad +mede te deelen. + +Daarop ging Alexander aldus voort: "Groote gunsten, medeburgers en +vrienden, zijn alleen voor groote gaven te koop. Dat wisten de ouden, +en wanneer de stroom, waarvan, gelijk wij maar al te goed weten, +het algemeen welzijn of de algemeene ellende hier te lande afhangt, +niet wilde stijgen, en het uitblijven van het wassen onheilen na zich +sleepte van allerlei aard, zoo brachten zij hem een offer, dat zij +voor het edelste hielden van alles wat de aarde draagt: eene reine, +schoone jonkvrouw. Wat wij verwacht hadden gebeurt: hiervan schrikt +gij! Ik hoor u morren, zie uwe verbaasde gezichten, en hoe zou de +ziel van een christen geen afschuw hebben van zulk een offer! Maar is +het dan zoo vreemd? Hebben wij inderdaad ooit anders gehandeld? Wie +van ons richt zijn gebed niet tot den heiligen Orion, hetzij tehuis, +hetzij onder bijstand der priesters in de kerk, wanneer hij van onzen +heerlijken stroom een gave verwacht? En dit jaar hebben wij, als altijd +in den nacht van den druppel, onder gebeden tot hem een kistje met +een menschelijken vinger in de golven geworpen [22]. Dit kleine offer +moest het meer kostbare en grootere der heidenen vervangen; het werd +gebracht en zijne noodzakelijkheid is nooit in twijfel getrokken, +en ook de strengste en heiligste lichten der kerk, een Antonius en +Athanasius, een Theophilus en Cyrillus, hebben niets daartegen weten +in te brengen; onder hunne oogen is het jaar aan jaar aan de golven +prijsgegeven. Een vinger in een kistje! Een armzalige plaatsvervanger +voor het schoonste en reinste, dat God schiep onder de menschen. Kan +het ons verwonderen, indien de heilige eindelijk dit jammerlijke +vergoedingsmiddel versmaadt, afwijst en voor zijn Nijl eens weder +begeert, wat hem vroeger ten deel viel? + +"Maar zult gij vragen: welke moeder, welke vader is in onzen +zelfzuchtigen tijd zoo gansch en al doordrongen van liefde voor +zijn geboorteland, zijne gouw, zijne stad, dat hij zijn maagdelijke +dochter voor het algemeen welzijn aan den dood in de golven zal +overgeven? Welke dochter van ons volk zou bereid zijn voor het +behoud van anderen, en voor haar eigen heil zonder tegenspraak uit +dit leven te scheiden?--Doch maak u niet beangst! Vreest niet voor +uwe aankomende meisjes in het vrouwenvertrek, die u lief zijn als +uwe oogappels. Vreest niet voor uwe kleinkinderen, uwe zusters, uwe +speelnooten, uwe bruiden! Reeds in de allervroegste tijden verbood +eene strenge wet der vaderen, om menschen van Egyptisch bloed te +offeren; het was enkel geoorloofd vreemden ten offer te brengen, +of de zoodanigen die andere goden dienden dan de hunne. Datzelfde, +medeburgers en geloofsgenooten, is ook u geoorloofd. Hoort nu +aandachtig toe, gij allen! Schijnt het u niet toe als wenschte de +voorzienigheid zelve ons te helpen, om eindelijk aan onzen gezegenden +Nijl het offer te brengen, dat hem zoovele tientallen van jaren, ja +zoovele eeuwen onthouden is? Ja, zij verlangt het, want dat offer is +als door een wonder in handen gegeven. Heden hebben de rechters eene +schoone, ongerepte jonkvrouw ter dood veroordeeld, om een misdrijf, +dat haar niet verontreinigde. Zij is eene vreemdelinge, en bovendien +eene Griekin, eene kettersche Melchietin. + +"Dat grijpt u aan, dat wekt uwe zielen op tot dankbare vreugde, +dat kan ik u aanzien. Maak u dan op, edele stroom, weldoener van +dit land en dit volk, tot uw huwelijksfeest! De Jonkvrouw, de bruid, +waarnaar gij verlangt, wij zullen haar voor u tooien, wij voeren haar +in uwe armen, zij zal de uwe zijn! + +"En gij, Memphieten, medeburgers, lotgenooten." en hierbij bukte de +stadsoverste ver over het balkon naar de menigte, "wanneer ik u thans, +om uwe toestemming bid, wanneer ik in naam van den senaat en van +dezen grijsaard u vraag...." + +Het geweldig ten hemel stijgend gejubel der verzamelde menigte +belette den spreker verder te gaan en duizend stemmen riepen: "In +den Nijl met de jonkvrouw!"--"De Melchietin wordt aan den stroom +uitgehuwelijkt! Kransen voor den Nijlbruid, bloemen voor haar +bruiloftsfeest!"--"Volgen wij de lessen der vaderen!"--"Heil den +raadsman, heil den wijzen Horus Apollon. Heil onzen stadsoverste!" + +Zoo schreeuwde en riep men vroolijk en met geestdrift door +elkander. Alleen aan de noordzijde van de markt, waar de ledige +tafels van de wisselaars stonden, die hun goud en zilver reeds lang +in veiligheid hadden gebracht, verhief zich een afkeurend en dreigend +gemompel. + +De ademhaling van het kind, dat op den schouder van den Pers zat, +was reeds lang zwaarder geworden. Het meende te weten wie die duivels +hadden uitverkoren tot het schandelijk heidensch offer, en toen Maria +zich neerboog tot vrouw Johanna, om zich te overtuigen of deze het +afgrijselijk vermoeden deelde, zag zij de oogen van de weduwe en hare +dochter in tranen baden. Zij wist genoeg en vroeg niet verder, want +eene nieuwe gebeurtenis trok onverdeeld hare aandacht. Bij de tafels +der wisselaars werd eene hand met een crucifix omhoog gestoken, en +het kind zag, hoe zij zich met kracht en geregeld voortbewoog in +de richting van de kurie. De menigte maakte plaats voor een persoon +en het heilig teeken dat hij droeg, en het was Maria, als week het +gedrang voor het voorwaartsgaande beeld van den gekruisigde naar beide +zijden als de baren van de Schelfzee voor het vluchtende volk Gods. + +Het gemompel aan de noordzijde van de markt werd sterker, het gejubel +der menigte verloor in kracht, iedere stem scheen weg te sterven +en nu besteeg een klein, gezet man, met eene edele, eerbiedwaardige +houding, in bisschoppelijk gewaad, de treden van de trap en verdween +eindelijk in het raadhuis. Op den vloed van zoo even volgde de ebbe, +het geschreeuw veranderde in een ontevreden, vragend geprevel, en ook +dat verstomde, toen de kleine man, die groot scheen door het crucifix +dat hij omhoog hield, op het balkon verscheen, de borstwering naderde, +en den arm met het beeld van den gekruisigde zoover mogelijk uitstrekte +over de voorste rijen van het volk. + +Daar ging de oude Horus Apollon met van toorn fonkelende oogen naar het +hoofd der stad, en vorderde van dezen, dat hij den indringer het woord +zou ontnemen. Doch de purperverver was door het indrukwekkend oog van +den kleinen man getroffen, en met gebogen hoofd liet hij den bisschop +begaan. Ook geen der bouleuten waagde het hem den weg te versperren, +want ieder kende den vurigen, standvastigen, geleerden presbyter, +die sedert gisteren de plaats had ingenomen van den gestorven bisschop +Plotinos. Thans riep de nieuwe zielenherder, zoo luid hij kon, zijne +weerspannige kudde het volgende toe: + +"Ziet dezen gekruisigden en hoort zijn dienaar! Gij smacht naar het +heil van Christus en gij wilt heidensche gruwelen bedrijven! Dat +afgodisch gejubel, waardoor ik mij een weg baande tot uwe ooren, +zal in jammergehuil veranderen, wanneer gij ze toestopt en doof maakt +voor de woorden van zaligheid. + +"Ja gij moogt morren! Mij zult gij toch niet tot zwijgen brengen, want +uit mij spreekt de waarheid, die nooit verstomt! Voor ieder, die het +nog niet weet, zij hier gezegd: de kromstaf van de gestorven Plotinos +werd aan mij overgedragen. Ik wil dien gebruiken met zachtmoedigheid en +goedheid, doch als het zijn moet, zal ik hem zwaaien als een zwaard en +een geesel, tot gij uit wonden bloedt en uwe builen wrijft. Ziehier +het beeld van uw verlosser in mijne rechterhand. Ik richt het op +als een muur tusschen u en de heidensche gruweldaad, die gij in uwe +verblinding hebt toegejuicht. + +"Gij waanzinnigen en afvalligen! De harten omhoog en opgezien tot hem, +die aan het kruis gestorven is, om u te redden. Waarlijk hij laat hen +niet vergaan, die aan hem gelooven. Maar gij, waar is uw geloof? Omdat +het nacht werd, huilt gij: 'het licht is uitgegaan!' Omdat gij krank +zijt, meent gij: 'De arts kan niet helpen!' Welk eene lastertaal +heb ik hier gehoord! 'De Heer', heet het 'is onmachtig, alsook +zijne kerk! Tooverij, magie, eene heidensche gruweldaad moet ons +redden?' Maar juist omdat gij niet op den waren redder en verlosser +hoopt, maar op eene heidensche gruweldaad, op magie en tooverij, +worden de straffen op gehoopt over uwe hoofden, en zoo zal het +voortgaan--dat zie ik aankomen--tot gij geheel in het slijk verstikt +en smachtend zoekt naar de eenige hand, die u oprichten kan. Datgene +waarmede verblinde menschenkinderen beloven u van de ellende te +redden, dat, dat is juist de bron van uw lijden, en hier sta ik, om +deze bron te verstoppen en de bedding harer wateren af te graven. Gij +wildet Moloch's dienaars worden en ik hoop u weder tot Christenen te +maken. De jonkvrouw, die uwe woede in de diepte van den stroom wil +storten, haar maakt de verheven kerk in hare barmhartigheid tot hare +beschermelinge, want met haar lichamelijken dood brengt gij over u den +dood uwer zielen. De heilige Orion keert met afschuw het gelaat van u +af. Weg, weg met dat onzalige offer, weg van u die onzinnige wensch, +en de handen die den tempel ontheiligen!" + +"Legt die handen in den schoot, wringt ze samen in den gebede tot +bloedens toe, tot ellende en pest de laatste van u ten grave heeft +gesleept!" riep op eens de fijne, schrille stem van den grijsaard, +die aan alle zijden werd gehoord. En ontelbaren uit de menigte op de +markt gaven door luid geschreeuw hunne instemming te kennen. + +De overste der stad, die tot hiertoe berouwvol en met gebogen hoofd +den bisschop had aangehoord, kwam weder tot bezinning en riep in +geestvervoering uit: "Het volk sterft, stad en land gaan te gronde, +pest en verderf stijgen op uit den stroom. Toon ons een anderen weg +tot redding, of laat ons den raad der vaderen volgen en dit laatste +middel beproeven!" + +Doch de kleine man richtte zich ernstig op in al zijne lengte, wees met +zijne linkerhand op het crucifix en zeide met onverstoorbare kalmte: +"Gelooft, hoopt, bidt!" + +"Is dit dan niet geschied?" riep de stadsoverste weder uit. + +"Maar u heeft geene stervende vrouw met gebroken oogen, u heeft geen +reutelend kind..." + +Thans verhief zich van beneden een nieuw gebrul, veel krachtiger en +wilder dan te voren. Ieder wien de dood in huis had bezocht en in +het hart had gegrepen, wiens tuinen en akkers verdord waren, wiens +dadels stuk voor stuk van de boomen waren gevallen, verhief zijne +stem en schreeuwde: "Het offer, het offer!"--"In den stroom met de +jonkvrouw!"--"Heil onze redders, heil den wijzen Horus Apollon!" + +Doch anderen riepen daartusschen: "Laat ons christenen blijven!"--"Heil +den bisschop Johannes!"--"Ons eeuwig heil!" + +Intusschen trachtte de prelaat opnieuw de aandacht van het volk +tot zich te trekken, en daar hem dit niet gelukte, wendde hij zich +andermaal tot den overste der stad, de bouleuten, de tubablazers, en +eindelijk wist hij de laatsten te bewegen, een en andermaal en telkens +luider de bazuinen te doen spreken. Doch ook dit geschal bleef zonder +uitwerking, want op de markt waren enkele groepen handgemeen geraakt, +en het geschreeuw en de strijd dreigde in een bloedig straatgevecht +te ontaarden. + +Beschut door den Masdakiet was het der vrouwen gelukt de markt te +verlaten voor Arabische ruiters kwamen aandraven, om de strijdende +menigte uit elkaar te jagen. Op het raadhuis verklaarde de bisschop +Johannes aan de senatoren der stad, dat hij niets onbeproefd zou +laten, om het onmenschelijk en onchristelijk offer eener jonkvrouw +te verhinderen, al was zij een Melchietin en ter dood veroordeeld; +heden nog zou hij eene duif met een brief naar den patriarch in +Opper-Egypte zenden, ten einde diens beslissing te vragen. Toen +Horus Apollon hierop terstond antwoordde, dat de vertegenwoordiger +van den Kalief zijne toestemming tot het offer had gegeven, en dat +men ook tegen den wil van de geestelijkheid aan den ondergang van het +volk een einde zou maken, vloog de bisschop heftig op, en bedreigde +allen die dit afschuwelijk plan hadden uitgedacht, met den vloek der +kerk. Doch de grijsaard verzette zich wederom tegen hem met vurige +welsprekendheid, de vertwijfelende bouleuten kozen zijne partij, +en ten hoogste verstoord verliet de bisschop het raadhuis. + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + + +Voor de stille weduwe van Rufinus, die zich verre hield van het +gewoel der samenleving, was er niets onverdragelijkers dan zulk eene +volksoploop. De ontbonden hartstochten, het gejoel en de geringere +volksklasse, waarmede men daarbij in aanraking kwam, kwetsten haar +teeder gevoel, en bij de toespraak van den grijsaard had haar maar +eene gedachte bezield, namelijk die van zoo spoedig mogelijk uit +het gedrang te komen. Doch zoodra zij de zekerheid had gekregen, +dat Paula de ongelukkige was, die haar vreeselijke huisgenoot aan +het bijgeloof der menigte wilde prijsgeven, dacht zij niet meer aan +terugkeeren, maar hield het zoolang mogelijk onder de volksmenigte +uit, en liet zich eindelijk met de beide meisjes door Rustem naar de +gevangenis brengen, ofschoon de weg daarheen door de drukste straten +leidde. Was de tijding van het onuitsprekelijk verschrikkelijke, dat +Paula bedreigde, reeds door de kerkermuren tot haar oor doorgedrongen, +of zou het haar, Johanna nog vergund zijn de jonkvrouw, die door het +noodlottig doodvonnis over haar geveld tot de uiterste wanhoop moest +worden gebracht, daarop voor te bereiden en te troosten? + +De gevangenbewaarder had gisteren haar wensch om Paula te zien zonder +tegenspraak, ja gaarne ingewilligd, want de kadhi had hem bevolen +haar evenals Orion met alle onderscheiding te behandelen, maar de +bedreigingen van den Wekil noodzaakten hem vrouw Johanna thans af te +wijzen. Terwijl hij echter met haar sprak, stak zijn kleine zoontje, +waarmede Pulcheria reeds gisteren op hare aardige wijze gespeeld had, +haar weder de handjes toe, zij nam het kindje op den arm, kuste het en +bewees daarmede een weldaad aan drie harten tegelijk, en wel het meest +aan de jonge moeder van het kind. Deze trok zich nu de vrouwen aan +en wist haar man te bewegen, haar ook thans niet onverrichter zaken +weg te zenden. De aardige Emau had onder de palmen bij de herberg +harer ouders den levenslustigen Orion veel liever dan menig ander +gast bediend, en haar man, die zijne wederhelft op echt Egyptische +manier gehoorzaamde en tot hiertoe niet vrij van jaloezie was geweest, +bewees den zoon van zijn weldoener nog blijmoediger elken dienst, +sedert hij wist dat de schoone Damasceensche zijne bruid was. + +In de groote zalen der misdadigers ging het heden, als altijd wanneer +de rechters een doodsoordeel geveld hadden, bijzonder onstuimig toe, +en de vrouwen sidderden, toen zij die ongelukkigen luide hooren juichen +en brullen. Van al die schrille kreten kon niemand zeggen of zij haar +oorsprong hadden te danken aan wilden overmoed dan aan gruwzame smart, +en er was voor dit ontzettend geweld geen passender begeleiding te +bedenken dan het gerammel der ketenen. Toen de vrouwen eindelijk +aan Paula's cel waren gekomen, klopte haar hart zeer onrustig, want +achter de deur die de wachter opende, moesten zij doodsangst en +vertwijfeling vinden. + +De gevangene stond aan het venster, drukte het voorhoofd tegen het +ijzeren traliewerk en luisterde in het donker naar het luitspel van +den geliefde, dat te midden van het gejoel der misdadigers klonk als +klokgelui onder storm en onweer. Naast hare eenvoudige legerstede zat +de voedster op een bankje en sliep met het spinrokken in haar schoot, +en noch zij noch hare meesteres werden de binnentredenden gewaar. Een +armzalig lampje verlichtte het kleine vertrek. + +Maria wilde naar hare vriendin toevliegen, doch vrouw Johanna hield +haar terug en riep Paula teeder, maar zacht bij den naam. Doch zij +kreeg geen gehoor; zeker hielden smart en doodsangst de ziel van +de veroordeelde gevangen. Nu verhief de weduwe haar stem luider en +ditmaal keerde de ongelukkige zich om en slaakte tegelijk een kreet +van blijdschap, ijlde naar de trouwe vriendinnen toe, die haar ook in +den kerker wisten te vinden, en omhelsde eerst de weduwe, vervolgens +Pulcheria en eindelijk het meisje met opgewekte teederheid. Toen +vrouw Johanna haar hoofd tusschen de beide handen nam, om haar te +kussen en te zien of het leed en de vrees voor den dood hare schoone +trekken hadden veranderd, kwam er een zachte kreet van verwondering +over hare lippen, want in plaats van een bleek en pijnlijk, zag zij +een blijmoedig, rustig gelaat voor zich waaruit twee groote oogen +haar helder en dankbaar aankeken. + +Had men haar nog verzwegen, wat haar boven het hoofd hing? Maar neen, +want zij begon dadelijk met de vraag, of de vriendinnen reeds van hare +veroordeeling gehoord hadden? Zij vertelde nu, hoe het haar voor de +rechters gegaan was, en hoe de vriend en pleegvader van haren goeden +Philippus plotseling op onverklaarbare wijze als een verbitterd +vijand tegen haar was opgestaan. De anderen konden nu hare tranen +niet meer bedwingen, doch Paula troostte en bemoedigde haar en deelde +haar mede, dat zij in den kadhi een vaderlijk vriend had gevonden, +die haar beloofd had den Kalief genade voor haar te vragen. + +Bij dit alles wist vrouw Johanna nauwelijks hoe zij zich bedaard +zou houden. Dit meisje en hare heldenmoed onder zulk een onheil +waren haar als een wonder. Heerlijk vertrouwen! Doch hoe gemakkelijk +kon het bedrogen uitkomen, hoe onzeker was de grond, waarin zij het +anker harer hoop had geslagen. Zelfs Maria scheen meer bezorgd dan de +vriendin, en wierp zich weenende aan hare borst. En Paula beantwoordde +hare teederheid, zocht Pulcheria gerust te stellen aangaande de +schandelijke handelwijze van haar nieuwen grijzen huisgenoot en +lachte de weduwe vriendelijk toe, toen deze haar vroeg, vanwaar zij +die zelfbeheersching had onder zulk een groot ongeluk, zeggende, dat +juist Johanna's voorbeeld haar geleerd had, het zwaarste geduldig te +dragen. Zelfs in deze sombere uren vond zij meer stof tot danken dan +tot klagen, ja een heerlijk geluk was er uit voortgekomen. Johanna +en de meisjes herinnerden zich nu eerst dat zij bruid was, en wederom +omhelsden zij elkander. + +Daar klopte de bewaarder, waarop Paula zich bezon en fluisterend zeide: +"Ik heb Orion iets te overhandigen, wat ik aan vreemde handen niet kan +toevertrouwen; thans heb ik u, Maria, gij moet het hem overbrengen." + +Daarop haalde zij den smaragd te voorschijn, gaf dien aan de kleine en +droeg haar op dit kleinood haar oom te overhandigen, zoodra zij met +hem alleen zou zijn. In het briefje, dat het juweel omgaf, verzocht +zij den verloofde dit als zijn eigendom te beschouwen en daarmede de +vordering van de kerk te voldoen. + +De bewaarder was gemakkelijk over te halen, om het kind bij zijn oom +te brengen. Hoe vroolijk en gelukkig vloog Maria hem vooruit, naar +Orion toe, hoe groot was diens blijdschap, toen hij haar wederzag, +en hoe dankbaar bracht hij dien smaragd aan zijne lippen! Maar toen +zij haar oom toeriep, dat hare voorspelling nu toch uitkwam en Paula +de zijne zou worden, rimpelde zich zijn voorhoofd, en in hoogen ernst +uitte hij voor het kind de klacht, dat hij wat hem het liefst was op +aarde wel gewonnen had, maar om het weder te verliezen. + +"Doch de kadhi is uw vriend, en zal den Kalief genade vragen voor u +beiden!" zeide de kleine. + +"Maar daarentegen treedt plotseling een nieuwen vijand tegen ons +op--Horus Apollon!" + +"O, onze oude!" zeide het kind, tandenknarsend. "O, als gij eens wist, +Orion! En dan onder éen dak met hem te wonen!" + +"Gij?" vroeg de jonkman verbaasd. + +"Ja, ik en Pul en moeder Johanna!" En nu vertelde Maria, hoe de +oude in huis was gekomen. Door allerlei zinspelingen kwam Orion +op het vermoeden, dat er iets gewichtigs voor hem verzwegen werd, +en het kind kon eindelijk niet nalaten hem alles te openbaren, wat +het gezien en gehoord had. + +Thans kon hij niet langer rustig en bedaard blijven. Buiten zichzelven +van toorn riep hij zijn geliefde bij haar naam en in hartstochtelijke +woorden gaf hij zijn verlangen te kennen naar den terugkeer van den +veldheer Amr, den eenigen man, die in dezen nood helpen kon. Op hem +alleen was zijne hoop gebouwd. Hij had zich als een tweede vader jegens +hem gedragen, en hem een moeielijk maar heerlijk vraagstuk voorgelegd. + +"Waaraan gij u geheel en al gewijd hebt!" zeide het kind. + +"Reeds op de reis," antwoordde Orion, "heb ik alles overwogen. Gisteren +heb ik beproefd het eerste neder te schrijven, maar mij ontbrak het +daarbij aan het voornaamste: de kaarten en de lijsten! Nilus heeft +dat alles bij elkander gepakt, ik zou het hebben medegenomen op de +vaart met de nonnen, en ik heb bevolen de documenten in het huis +van Rufinus..." + +"Om het bij ons te brengen?" viel het kind in, met van vreugde +stralende oogen. "O, het is daar! Ik heb de geschriften zelf gezien, +toen de kist werd leeg gemaakt voor den oude. Morgen, morgen vroeg +zult gij alles hebben!" + +Orion kuste het kind blijde en snel op het voorhoofd, sloeg vervolgens +met zijne vuist tegen den wand zijner cel en zeide, nadat aan de +andere zijde met knarsend geluid iets verschoven was: "Goede tijding, +Nilus! De plannen en de lijsten zijn er weer; morgen heb ik ze!" + +"Voortreffelijk!" antwoordde de droge stem van den rentmeester uit het +aangrenzend vertrek. "Wij kunnen wel wat vertroostends gebruiken. Zoo +even kreeg ik tot gezelschap iemand, die bij een oploop op de markt +zich aan een Arabische ruiter vergrepen heeft. Deze vertelt ontzettende +dingen!" + +"Die mijne verloofde betreffen?" + +"Helaas ja, heer!" + +"Dan ben ik reeds op de hoogte," antwoordde de jonkman. + +Nadat Orion en de rentmeester nog eenige woorden gewisseld hadden +over het dolzinnige plan van den oude, ging Nilus aldus voort: "Mijn +celgenoot vertelt ook dat de Arabieren, terwijl hij op hun wachtpost +werd vastgehouden, gesproken hadden over een bode van den veldheer, +die bericht gaf van diens aankomst te Medina, en bovendien, dat hij +daar maar korten tijd dacht te vertoeven. Hij zou dus niet lang meer +op zich laten wachten." + +"Hij is dus reeds lang weg vóor de bode van den kadhi daar kan +aankomen, om den Kalief het verzoek om genade te overhandigen. Op Amr, +op hem alleen mogen wij hopen, en indien hij onderweg op de hoogte +gebracht kon worden..." + +"Dan verwijlt hij zeker niet lang in Opper-Egypte, dan bespoedigt hij +zijne reis of zendt een gevolmachtigde vooruit," hoorde men zeggen +door den wand. "Hadden wij nu maar een betrouwbaar persoon, om hem +tegemoet te zenden. Onze lieden zijn naar alle windstreken verstrooid, +en hier thans naar hen te zoeken...." + +Daar liet opeens Marias heldere kinderstem zich hooren: "Ik zorg voor +den bode." + +"Gij? Bedenk toch, meisje!" begon Orion te zeggen. + +Zij gaf geen acht op zijne bezwaren, maar ging, zeker van hare zaak, +met vuur voort: "Alles, alles zal hem bericht worden! Mag men hem +ook toevertrouwen, wat ik van uwe deelneming aan de vlucht der nonnen +heb vernomen?" + +"Neen, in geen geval!" zeide de rentmeester en de jonkman tegelijk. + +Maria besloot uit dezen uitroep, dat haar voorslag werd aangenomen, +klapte in de handen en riep vol ijver en met vuurroode wangen: +"Morgen gaat de bode op reis, verlaat u op mij! Ik voer dit zoo goed +uit als de beste. Geef mij nu nauwkeurig den weg op, dien hij nemen +moet. Griffel voor alle zekerheid de namen der stations hier op dit +tafeltje.... Maar wacht, ik moet het eerst gelijk maken." + +"Wat staat er op het was?" vroeg Orion. "Een groot hart met enkel +rechthoeken er in. Dat beduidt?" + +"Malligheid!" zeide het kind, een weinig beschaamd. "Ik teekende maar +eens, hoe ik mijn hart verdeel onder hen die ik liefheb. De eene +geheele helft behoort aan onze Paula, dit vierdedeel is het uwe, +maar daar, daar"--en hier stiet zij met de stift in het was--"hier +had ik ook den ouden een plaatsje gegund. Kom, geef het mij nu weder!" + +Thans maakte zij met hare vlugge vingers het was glad en Orion teekende +over dat uitgevlekte hart, het knutselwerk van een kind, dingen op, +waarvan leven en dood van twee menschen afhingen. Hij deed het in +goed vertrouwen op het geluk en de nauwgezetheid van zijne kleine +bondgenoote. Morgen in alle vroegte zou zij voor den bode nog een +brief aan den veldheer ontvangen. + +"Maar een snelle rit--en Amr kiest altijd zijn weg over de bergen +en Berenike--is duur," merkte de rentmeester op, "zelfs wanneer wij +onze laatste goudstukken bijeenverzamelen, zullen zij nauwelijks +toereikende zijn." + +"Behoud ze, gij hebt ze hier noodig," haastte het kind zich te +zeggen. "Maar neen.... daar zijn nog mijne paarlen, en de sieraden +mijner moeder.... intusschen...." + +"Van zulke kostbaarheden mag men niet scheiden, gij gouden hartje" +zeide Orion tot haar. + +"Ja wel zeker. Wat doe ik er mee? Maar dat mijner moeder heeft vrouw +Johanna in bewaring." + +"En gij aarzelt daarom te verzoeken?" vroeg de jongeling. + +Vervolgens richtte hij zich tot den rentmeester, en toen deze de +benoodigde som berekend had, trok Orion een kostbaren saffier van +zijn vinger, gaf die aan Maria en verzocht haar dit edelgesteente +aan hare pleegmoeder te overhandigen. De jood Gamaliël zou haar op +dit onderpand zooveel voorschieten, als zij noodig had. + +Maria stak het kleinood vroolijk bij zich, doch toen de wachter +spoedig daarop verscheen, ging haar zalig gevoel plotseling tot even +levendige droefheid over, want zij nam van Orion afscheid, als gold +het eene scheiding voor het gansche leven. + +In de naar Paula's cel voerende gang bleef de gevangenbewaarder +plotseling staan, want er kwamen lieden langs de trap naar boven. Als +het de zwarte Wekil eens was en hij op dit uur nog bezoek in de +gevangenis vond! Maar neen twee lampen werden voor den bezoeker +uitgedragen, en in haar schijnsel herkende haar geleider den presbyter +Johannes, den nieuwen bisschop van Memphis, die reeds vroeger dikwerf +hier kwam, om de gevangenen te troosten. + +De begeerte om de bedreigde Melchietin te zien, had hem heden tot +dit laat bezoek in den kerker genoopt. Maria's houding en kleeding +verrieden hem, dat zij niet behoorde bij een der beambten van het +huis, en zoodra hij vernomen had wie zij was, beet hij zijn geleider, +een ouden diaken, dien hij altijd medenam, wanneer hij vrouwelijke +gevangenen bezocht, in het oor: "Hier zal men haar vinden!" Nadat hij +vervolgens vernomen had met wie het kind op dit late uur hierheen +gekomen was, wendde hij zich weder tot zijn ambtsbroeder en zeide +zacht: "De vrouw en dochter van Rufinus. Het is dus zoo. Ik heb die +Grieken reeds lang in het oog. Jaarlijks maar eens of tweemaal in de +kerk. Heimelijk Melchieten! Zij zijn het eens met de Damasceensche. En +in zulk eene omgeving groeit de kleindochter van den Mukaukas +op! Een gevaarlijk spel! Benjamin heeft weder goed gezien, zooals +altijd." Vervolgens daalde zijne stem nog lager, terwijl hij vroeg: +"Zouden wij haar niet dadelijk medenemen?" En toen de diaken hiertegen +bedenkingen inbracht, antwoordde hij snel: "Gij hebt gelijk; het is +voor het oogenblik voldoende haar verblijf te kennen." + +Intusschen had de bewaarder Paula's cel geopend, en vóor de bisschop +binnentrad, richtte hij eenige vriendelijke woorden tot het kind en +vroeg of het soms niet naar zijne moeder verlangde, en op Maria's +antwoord: "Ja, zeer dikwijls!" streek hij met zijne magere hand over +de lokken van het meisje en zeide: "Dat dacht ik wel. Gij draagt +eene schoone naam, kind, en evenals uwe moeder, zoo wijdt ook gij +wellicht weldra uw leven aan de vrouw der vrouwen, met wier naam gij +gedoopt zijt." + +Daarop ging hij de cel binnen, met de kleine aan de hand, en terwijl +Paula den geestelijke, die haar op zulk een laat uur kwam bezoeken, +getroffen aanzag, herkende vrouw Johanna en Pulcheria in hem den +moedigen priester, die zich zoo krachtig had verzet tegen den grijsaard +en het misleide volk, en bogen diep en met eerbied. De bisschop merkte +het op en leidde daaruit af, dat deze Griekinnen misschien toch tot +zijne kerk behoorden. In elk geval kon men haar gerust nog eenige +dagen in het bezit van het kind laten. + +Nadat hij eenige vriendelijke woorden met de vrouwen had gewisseld, +maakte de weduwe zich gereed, om afscheid te nemen en hem met de +gevangene alleen te laten. Hierop ging de bisschop naar haar toe +en zeide dat hij haar morgen of overmorgen een bezoek zou brengen; +het gold het geluk van iemand, die hun beiden dierbaar was. + +Vrouw Johanna, die meende dat hij Paula op het oog had, fluisterde hem +in het oor: "Zij vermoedt nog niets van het afgrijselijke, waarmede +het volk haar bedreigt. Als het zijn kan, bespaar haar dan, voor zij +gaat slapen, die schrikkelijke tijding." + +"Als het zijn kan!" herhaalde de geestelijke, en toen Maria hem +bij het heengaan de hand kuste, trok hij haar tot zich en zeide: +"Het christuskind en ieder christenkind behoort aan de moeder. Gij +zijt bevoorrecht boven duizenden, Maria! De hemel heeft uw vader +als martelaar tot zich genomen, en uwe moeder wijdde zich zelve aan +den hemel. De weg is voor u afgebakend, mijn kind; denk er eens +over na. Morgen, neen overmorgen kom ik, om u te leiden op dien +nieuwen weg." + +Vrouw Johanna verbleekte bij deze woorden, want nu eerst begreep +zij wat de bisschop met zijn bezoek bij haar in het schild voerde, +en aan den voet van den trap sloeg zij haar arm om het kind en +vroeg op zachten toon: "Verlangt gij naar het klooster; zoudt gij +ver van ons, evenals uwe moeder, alleen voor het heil uwer ziel als +non willen leven, in die stille zaligheid, die Pul u meer dan eens +geschilderd heeft?" + +Doch het kind gaf op deze vraag een bepaald ontkennend antwoord. Toen +vrouw Johanna daarbij bezorgd en verontrust het hoofd liet zinken, +toonde Maria weder een vroolijk gezicht en riep haar toe: "Heb geen +vrees lief moedertje! Voor overmorgen kan er nog veel veranderen. Laat +de heer bisschop maar komen, ik zal het wel met hem uitmaken. O, gij +kent mij nog niet! Als een lammetje ben ik bij u geweest te midden +van alle onheilen en de ernstigste gebeurtenissen, doch er steekt +nog heel wat anders in mij; gij zult er verbaasd van opzien!" + +"Blijf liever, die gij zijt," sprak de weduwe. + +"Altijd, altijd meer vervuld van liefde voor u en Pul. Maar ik ben +een persoontje geworden van groot vertrouwen. Morgen vroeg heb ik iets +gewichtigs voor Orion te doen. Iets--Rustem zal mij vergezellen--iets +gewichtigs, zeer gewichtigs, moedertje! Maar wat het is, dat mag ik +aan geen mensch verraden, niet eens aan u!" + +Hier moest zij ophouden want de zware deur van de gevangenis werd +knarsend voor hen geopend. Voor den bisschop werd zij eerst een +paar uren later weder ontsloten, zoolang hield het gesprek met Paula +hem in hare cel bezig. Op zijne vraag of zij eene orthodoxe Griekin +was, eene Melchietin, zooals het volk zich uitdrukte, gaf zij een +toestemmend antwoord, en voegde er bij dat, wanneer hij haar had +opgezocht, om haar afvallig te maken van het geloof harer ouders, +zijn gang tevergeefs geweest zou zijn. + +Toch achtte zij in hem den christen, den priester, den geleerde, +den man, wien haar gestorven oom onder alle geestelijken van zijne +geloofsbelijdenis het meest had vereerd, en gaarne wilde zij hem +openbaren, wat haar in het aangezicht van den naderenden dood op het +hart lag. + +Hij zag haar in het rein en kalm gelaat, en hoewel hij na haar +eerste antwoord voornemens was geweest haar te bedreigen met het +vreeselijk lot, dat hij op de markt getracht had van haar hoofd af +te wenden, dacht hij thans aan de bede van de vriendelijke Grieksche +vrouw en legde zich het stilzwijgen op. Tot bij middernacht liet +hij zich vertellen wat geluk en ongeluk zij in haar jong leven +had ondervonden, deed zijn scherpzinnige geest onderzoek naar haar +zieleleven, verkwikte zijn vroom gemoed zich aan hare geestkracht en +haar moed. Toen hij haar verlaten had en met zijn diaken naar huis +wandelde, was het eerste woord, waarmede hij het stilzwijgen afbrak, +dat hij langen tijd bewaard had: "Terwijl gij sliept, schonk God mij +door dit kettersche kind dezer wereld eene hartverheffende ure." + + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Nadat zich de deur der hooge gevangenismuur achter de vrouwen +gesloten had, ging vrouw Johanna aan den arm harer dochter door de +altijd nog heete, stille straten, terwijl Rustem haar met het meisje +volgde. Het goede hart van den reus hing aan Maria, en vaak veegde +hij met zijne groote hand de oogen af, toen zij hem duidelijk maakte +wat dat schouwspel, waarvan hij op de markt getuige was geweest, te +beduiden had gehad, en welk een vreeselijke dood Paula bedreigde. Van +tijd tot tijd maakte hij onder dit verhaal zonderlinge geluiden, +waardoor hij lucht gaf aan zijn toorn en zijne bezorgdheid; want hij +zag tot zijne verpleegster op als tot een hooger wezen, en Mandane +had ook gezegd, dat zij nooit zou vergeten, wat die voorname jonkvrouw +voor haar gedaan had. + +"Als ik," barstte Rustem eindelijk los, terwijl hij zijn verbazende +vuist ophief, "als ik kon, ze zouden..." + +De kleine zag daarbij verstandig en vragend tot hem op en zeide +levendig: "Gij kunt, Rustem, ja, gij kunt!" + +"Ik?" vroeg de Pers verbaasd, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde. + +"Ja, gij, Rustem; juist gij! Wij hebben daar in de gevangenis eene +afspraak gemaakt, en als gij maar een beetje goeden wil hebt, om ons +daarbij te helpen..." + +"Goeden wil," lachte de wakkere jonge man, terwijl hij op zijn borst +sloeg. Daarop vervolgde hij in zijn eigenaardig gebroken Grieksch, +dat echter zeer goed te verstaan was: "Huid en haar waag ik voor de +jonkvrouw. Kom maar voor den dag met de zaak!" + +Het kind omklemde met beide handen den arm van den grooten man, trok +hem nader tot zich en zeide: "Wij wisten wel, dat gij een dankbaar +hart hebt. Maar, ziet gij--" hier hield Maria op, om on geheel anderen +toon te vragen: "Gelooft gij aan een God? Of wacht... Weet gij wat een +heilige eed is? Kunt gij ook iets zweren? Ja, Ja," en nu richtte zij +zich zoo hoog mogelijk op en vervolgde op plechtigen toon: "Zweer mij +bij uwe bruid Mandane, en zoo waar gij gelooft, dat zij u liefheeft..." + +"Maar, zieltje...." + +"Zweer mij bij haar, dat gij dat wat nu komt aan niemand verraden zult, +ook niet aan moeder Johanna en Pul, zelfs aan uwe Mandane alleen als +het niet anders kan, en nadat zij u heilig beloofd heeft...." + +"Maar wat dan? Ik begin waarlijk bang te worden; wat moet ik bezweren?" + +"Niet te verraden, wat ik u thans zal toevertrouwen." + +"Nu ja, kleine meesteres, dat kan ik belooven." + +"Ah!" riep Maria met eene diepe, langgerekte ademhaling, waarop zij hem +mededeelde, dat den veldheer Amr een betrouwbare bode moest te gemoet +gezonden worden, om Paula intijds te kunnen redden. Hierop volgde de +vraag of hij den weg kende over de bergen van Babylon naar het oude +Berenike, en toen hij antwoordde, dat dit juist de laatste was, dien +hij had afgelegd, dat die weg het dichtst bij de zee voerde, als men +naar Dschidda en Medina wilde, herhaalde zij haar goedkeurend "Ah!", +greep zijne hand, en zeide, terwijl zij met zijne groote vingers +speelde, op vleienden maar toch dringenden toon: "En nu, goede, +beste Rustem, nu is er maar een enkele betrouwbare bode in Memphis, +doch die, ziet ge, heeft eene bruid en daarom zou hij liever trouwen +en met haar naar zijn vaderland gaan, dan ons helpen, om het leven +van de ongelukkige Paula te redden." + +"Die vlegel!" bromde de Pers. + +Maria begon te schaterlachen, herhalende: "Ja die vlegel!" Daarop +vervolgde zij vroolijk: "Maar gij scheldt op uzelven, domme +Rustem! Gij, gij zijt de bode, dien ik bedoel, de eenige eerlijke, +trouwhartige dien ik in geheel den omtrek ken. Gij, gij moet den +veldheer te gemoet gaan...." + +"Ik?" vroeg de karavaanaanvoerder verschrikt, terwijl hij bleef +stilstaan. + +Doch Maria trok hem voort en zeide: "Kom vooruit, anders zullen zij +daar voor ons iets merken; gij, ja, gij zult...." + +"Maar kind, kind," haastte de Pers zich te zeggen op klagenden toon: +"ik moet naar mijn heer terug, en ik, ziet ge, laat ons eerlijk +zijn...." + +"Gij wilt niet van uw meisje weg, al moet ook de vriendelijke +jonkvrouw, die dag en nacht bij u gewaakt heeft, daarom prijsgegeven +worden aan den dood, den afgrijselijksten en gruwzaamsten van +allen. Voor dien andere, dien niemand verpleegd heeft, ja voor dien +hebt gij dat 'vlegel' dadelijk bij de hand, maar voor u...." + +"Bedaar toch! Hoor mij eerst aan, kleine meesteres!" zeide Rustem, +haar het woord ontnemende, terwijl hij tegelijkertijd zijne hand uit +de hare losmaakte. "Ik wilde nog wat wachten en Mandane heeft er zich +reeds in moeten schikken, maar éen mensch kan niet alles. Rijden, +koopwaren overbrengen, kameelknechts onder bedwang houden, een leger +opslaan, dat kan ik, doch met groote heeren omgaan, met wenschen en +smeekingen een man als den veldheer onder de oogen te komen, ziet gij, +zieltje--al gold het, mijn eigen vader te redden--dat zou..." + +"Maar wordt dit dan van u gevorderd?" vroeg de kleine. "Gij kunt +zoo stom blijven als een visch, het spreken zal de zaak zijn van die +u vergezelt." + +"Dus zal nog een ander? Maar, groote Masdak!--Wees dan met dien +eenen tevreden!" + +"Moet ge mij dan telkens in de rede vallen?" liet het kind hier +dadelijk op volgen: "Eerst hooren en dan tegenwerpingen maken! Die +tweede bode dan is in het geheel geen mannelijke bode, maar eene van +het vrouwelijke geslacht, en die--zet uwe ooren maar wijd open--die +ben ik, ik die hier naast u ga. En wanneer gij nu nog eens blijft +staan, dan denk ik dat ge mij wilt verraden. Kort en goed, zoo zeker +als ik wensch Paula te redden, zoo stellig rijd ik den veldheer +tegemoet. Weigert gij mij te vergezellen, dan ga ik alleen en beproef +of niet de bultenaar Gibbus...." + +Rustem had eenigen tijd noodig gehad na deze buitengewone verrassing, +om tot bezinning te komen; eindelijk zeide hij: "Gij--gij.. En tot +Berenike, en dat nog wel over de bergen.." + +"Ja over de bergen," herhaalde zij, "en als het zijn moest ook door +de wolken." + +"Maar zoo iets is toch onmogelijk, nog nooit heeft men dit op aarde +beleefd!" zeide de Pers op meewarigen toon. "Een meisje, zoo'n kleine +jonkvrouw, als bode, geheel alleen met zulk een onbeholpen kerel als +ik ben. Neen, neen, neen!" + +"En nog honderdmaal neen en weder neen," ging het kind blijmoedig +voort. "De jonkvrouw blijft natuurlijk te huis, maar een knaap zal +u vergezellen, dien gij Marius zult noemen, in plaats van Maria." + +"Een knaap? Ik dacht toch... Men raakt de kluts gansch en al kwijt!" + +"Een knaap, die een meisje is en een jongen in één persoon," zeide +Maria lachende. "Maar gij wilt alles zoo duidelijk: Als knaap verkleed +zal ik u begeleiden, en als wij morgen opbreken, letwel, dan houdt +ge mij voor uw eigen broeder." + +"Uw eigen broeder! Welk een schrander kopje zijt ge! Gij weet het +onmogelijke mogelijk te maken," zeide Rustem lachend, terwijl hij +daarbij de kleine met welgevallen aanzag. Doch opeens werd hij weder +geheel doordrongen van het ongehoorde van haar verlangen, en geen +raad wetende riep hij: "Maar mijn heer, mijn meester! Waarlijk het +gaat niet!" + +"Juist om zijnentwil bewijst gij ons dezen dienst," antwoordde Maria +gevat. "Hij is Paula's vriend en beschermer, en wanneer hij hoort wat +gij voor haar gedaan hebt, zal hij u prijzen. Als gij ons echter in +den steek laat, dan weet ik zeker..." + +"Welnu?" + +"Dat hij zegt: 'Ik had dien Rustem voor verstandiger en goedhartiger +gehouden'." + +"Zoo, meent gij dat hij dit zeggen zou?" + +"Zoo waar als ons huis daar staat! Wij hebben geen tijd meer om te +kibbelen, en het blijft er bij: wij reizen te zamen. Morgen vroeg +zal ik u in den tuin vinden. Gij kunt aan uwe Mandane zeggen, dat +eene gewichtige handelszaak u van hier roept." + +"En vrouw Johanna?" vroeg de Pers. "Dat gij naar haar niet vraagt," zoo +vervolgde hij op bedenkelijken en bezorgden toon: "en in vertrouwen +haar alles mededeelt, kindlief, dat wil mij in het geheel niet +bevallen." + +"Maar zij zal alles weten, alleen niet dadelijk," antwoordde Maria, "en +wanneer zij overmorgen te weten komt met welk doel ik haar verlaten heb +en dat gij mij vergezelt, zal zij ons prijzen en zegenen. Ja, dat doet +zij, zoo waar ik hoop, dat de lieve God ons op onze reis bijstaat." + +Deze woorden, waaraan men hooren kon, dat zij uit den diepsten grond +des harten kwamen, braken het laatste verzet van den Masdakiet--ter +rechter tijd; want hunne wandeling was ten einde, en daarbij scheen +het hun, als hadden zij den langen weg in weinig stappen afgelegd. Zij +waren groepen van schreeuwende en twistende burgers vlak voorbijgegaan, +en menige lijkstatie van een aan de pest bezweken doode was langs +dezelfde straat met fakkellicht grafwaarts getrokken; doch dat alles +was hun ontgaan. Eerst bij de tuindeur bemerkten zij, wat er rondom +hen plaats greep. Daar vonden zij den hovenier Gibbus en het geheele +dienstpersoneel, dat met bezorgdheid de zoo laat terugkeerende vrouwen +opwachtte. Ook de Griekin Eudoxia zag hare komst met een kloppend +hart te gemoet. + +In huis werden zij door Horus Appollon ontvangen, doch vrouw Johanna +en Pulcheria beantwoordden zijn groet met eene koele buiging en Maria +keerde hem met opzet den rug toe. De grijsaard haalde mismoedig +en spijtig de schouders op, en op zijn kamer prevelde hij: "Dat +wijf! Zelfs de goede dagen, waarop ik voor het overige van mijn leven +hoopte, zal ze mij bederven!" + +De weduwe en hare dochter spraken in haar slaapvertrek nog lang over +Maria. Zij had haar met zulk eene innigheid en teederheid goeden nacht +gewenscht, als stond de scheiding reeds voor de deur. Arm kind! Het +vermoedde voor welk een treurig lot de bisschop en misschien hare +eigene moeder haar bestemd hadden. Doch Maria zag er niet uit alsof +zij het ongeluk te gemoet ging. Eudoxia, die bij haar sliep, verheugde +zich veeleer in haar blijmoedig uitzicht, alleen verwonderde het haar +dat de kleine, die anders pleegde in te slapen, zoodra zij het hoofdje +in de kussens had gedrukt, heden zoo lang wakker bleef. Onwillekeurig +volgde de bejaarde Griekin, die door allerlei kleine kwalen geplaagd, +altijd eerst laat insliep, iedere beweging van het kind. + +Doch wat was dat? Voor de morgen aanbrak sprong Maria op eens uit +bed, wierp een kleed om, en begaf zich met een nachtlicht naar het +aangrenzend vertrek. Van daar viel een helder lichtschijnsel in het +slaapvertrek; zij moest dus eene lamp hebben aangestoken en toen +Eudoxia later de deur van het woonvertrek hoorde kraken, stond zij +op en overschreed zacht den drempel. Juist kwam Maria terug; zij +droeg nieuwe jongenskleederen in de hand, dezelfde, die Pulcheria +en Eudoxia kort geleden als zondagskleedij gemaakt hadden voor den +lammen tuinmansknaap. Al lachende trok de kleine het blauwe rokje aan, +en nadat zij hare eigene kleederen in de kist had geworpen, zette +zij zich aan tafel, om te schrijven. Het scheen wel dat Maria een +moeielijk onderwerp te behandelen had, want nu eens staarde zij op +het papyrusblad, terwijl zij met de hand langs het voorhoofd wreef, +dan weder tuurde zij peinzend in de hoogte. Zij had reeds eenige +volzinnen voltooid, toen zij plotseling opsprong, Eudoxias naam +binnensmonds prevelde en daarop naar de slaapkamer ging. + +Daar trad de Griekin haar te gemoet en nu wierp Maria zich aan hare +borst, en vóor de opvoedster nog eene vraag kon doen, openbaarde zij +haar geroepen te zijn, om iets groots en gewichtigs uit te voeren. Zij +was juist van plan geweest haar te wekken, om haar tot hare vertrouwde +te maken en om raad te vragen. Hoe beminnenswaardig en oprecht was +deze mededeeling, en hoe bevallig was hare schuchterheid, ondanks de +vurige ijver die haar bezielde. + +De opvoedster gevoelde zich verteederd, de woorden van berisping +bestierven op hare lippen, en voor de eerste maal beschouwde zij dit +ouderlooze kind als haar eigen, was het haar als viel zijn geluk en +zijn lijden met het hare te zamen. Zij, die haar leven lang slechts +om zichzelve en haar eigen welzijn had gedacht, zij, die zich aan +de opvoeding van Maria tot hiertoe had gewijd, omdat zij daarvoor +onderhoud en salaris ontving, zij achtte zich thans in staat om voor +dit kind zichzelve en alles wat zij bezat ten offer te brengen. Toen +nu de kleine de armen om haar hals sloeg en smeekte haar niet te +verraden, maar veeleer haar te helpen bij het goede werk, dat niet +minder ten doel had dan Paula en Orion, de ongelukkigen wier leven +bedreigd werd, te redden, begonnen hare anders droge oogen vochtig te +worden, kuste zij de gloeiende wangen van Maria opnieuw en zeide haar, +dat zij haar lief, lief dochtertje was. + +Dat gaf Maria moed en met pathetische waardigheid, die de opvoedster +de lippen tot een lachje deed plooien, nam zij Eudoxias bijbel van den +lezenaar, legde die op de tafel en zeide, terwijl haar smeekend oog de +Griekin vlak in het aangezicht zag: "Zweer mij--neen gij moet geheel +ernstig blijven, want gij kunt u niets gewichtigers denken--zweer +mij aan geene ziel te zullen verraden, ook niet aan moeder Johanna, +wat ik u wil toevertrouwen." + +Eudoxia beloofde dit, maar zij wilde geen eed afleggen. "Ja, ja, +neen, neen," was volgens het gebod des Heeren de beste eed voor een +christen. Maar Maria klemde zich aan haar vast, streek haar over de +magere wangen, en verzekerde haar ten laatste niet te kunnen spreken, +wanneer Eudoxia haar zin niet deed. Aan deze lieflijke vleierij kon de +Griekin op dit uur geen weerstand bieden; zij duldde het dat Maria over +hare zooveel oudere hand beschikte, en deze op den bijbel legde. Toen +dit eenmaal geschied was, deed Eudoxia ook verder wat zij verlangde, +en legde, hoewel gedwongen en met een levendig hoofdschudden, den eed +af, die hare kweekelinge haar voorschreef. Daarop liet de opvoedster +zich als uitgeput en verschrikt over hare eigene zwakheid op den divan +neer, en de kleine maakte van hare overwinning gebruik, door dadelijk +bij hare voeten neer te hurken en haar alles te vertellen wat zij +wist van Paula en de gevaren, die haar en Orion bedreigden. Wetende +sedert lang, hoe hoog de jonkman bij de Griekin stond aangeschreven, +was zij daarbij slim genoeg, om het gevaar, waarin deze verkeerde, +met levendige kleuren af te schilderen. + +Tot hiertoe had Eudoxia niet opgehouden hare lokken te streelen en +met alles wat zij zeide in te stemmen; maar toen zij hoorde dat Maria +voornemens was zelve het werk van een bode op zich te nemen, stond zij +onthutst op en verklaarde ten stelligste, dat zij zulk een waagstuk, +zulk eene onzalige dwaasheid nooit kon goedkeuren. + +Doch nu riep Maria al wat zij aan overredingskracht en vleiende +kunstmiddelen bezat ter hulp. Er was geen geschikter afgezant te +vinden, en het gold toch Orions en Paula's leven. Was dan een rit +over de bergen van zooveel beteekenis? Hoe goed verstond zij de kunst +om haar paard te mennen, hoe weinig leed zij onder de hitte! Was zij +niet meer dan eens van Memphis naar hunne goederen in het meerland +gereden? En de trouwe Rustem was toch bij haar, en op den weg over de +bergen, de veiligste in dit land, waren toch stations met gelegenheid +tot verblijf voor vreemdelingen. En als zij den veldheer vonden, +kon zij omtrent alles beter inlichtingen geven als eenig ander +menschenkind op aarde. Maar de Griekin liet zich niet vermurwen, +ofschoon zij moest toegeven, dat Maria's voornemen zoo onzinnig niet +was, als het haar aanvankelijk toescheen. + +De kleine liet haar niet verder spreken; zij herinnerde Eudoxia nog +eens aan haar eed, en deelde haar zelfs in vertrouwen mede aan welk +gevaar zij, Maria, zelve door dezen bodentocht ontkwam. Zij vertelde +namelijk aan de Griekin welk eene ontmoeting zij had gehad met den +prelaat, en hoe ook vrouw Johanna voor haar en hare toekomst bezorgd +was. Ach het leven tusschen muren, achter slot en grendel scheen haar +zoo schrikkelijk toe, en zij wist haar afschuw hiervan, hare begeerte +naar vrijheid en een frisch, kalm, arbeidzaam leven onder menschen en +vrienden, hare hoop dat de veldheer Amr, wanneer zij zich onder zijne +hoede stelde, haar voor alles bewaren zou, zoo levendig, zoo warm en +roerend te schilderen, dat de tegenspraak der Griekin verstomde, en +de bedaagde jonkvrouw met de handen voor de in tranen badende oogen +uitriep: "Het is verschrikkelijk, het is ongehoord, maar misschien +is het toch het beste. Rijd den veldheer te gemoet, rijd maar weg!" + +En toen het jonge schepseltje met zulk een warm, liefderijk gemoed +en zooveel levenslust haar daarop om den hals vloog, verblijdde zij +zich over hare zwakheid, want deze schoone, frissche, levenskrachtige +menschenbloem mocht niet onder dwang en in gevangenschap wegkwijnen, +maar moest gelukkig blijven om gelukkig te maken, moest tot vreugde +van haar en alle goede menschen de volle schoonheid harer bladeren +ontplooien. Eudoxia kende de weduwe en wist dat deze begrijpen zou, +waarom zij het kind bijstond, namelijk, om haar van het grootste gevaar +te redden, dat eene menschelijke ziel bedreigen kon, het gevaar om +in voortdurenden strijd met zichzelven iets anders te moeten zijn +dan hetgeen waartoe men door aanleg en neiging bestemd is. Onder een +pijnlijke zucht gevoelde Eudoxia wat zijzelve, door het gruwzaam lot +gedwongen, bij het gemis van de vrijheid en het gevoel van tevredenheid +geworden was, zij, die eens een warmbloedig, jong meisje was geweest, +vol van groote verwachtingen. Zij, de bekrompene opvoedster, gaf toe +aan het zonderling en stout verlangen van een kind, hetwelk grootere +vrouwenzielen bespot, veroordeeld, geweigerd zouden hebben. + +Toen de dag was aangebroken verrichtte Eudoxia zelve, wat anders aan +de kamenier wordt overgelaten; zij kapte Maria het haar, en daarbij +sprak zij met haar en luisterde naar haar alsof in dezen nacht het +kind tot een jonkvrouw was geworden. Vervolgens vergezelde zij hare +leerlinge in den tuin, en zooveel dit mogelijk was bleef zij aan hare +zijde. Vrouw Johanna en Pulcheria verwonderden zich bij het ontbijt +over de houding, die zij tegenover Maria aannam, doch deze mishaagde +haar niet, daar ook de oogen van de laatste schitterden van geluk. + +Zonder tegenspraak liet de weduwe het meisje naar de stad gaan, om daar +de geheimzinnige opdracht van haar oom te volvoeren. Rustem vergezelde +haar, en wat het kind zoo vroolijk maakte kon wel niets anders dan +geoorloofd en goed zijn. Orions kaarten en tabellen waren hem tijdig +in de gevangenis toegezonden, en vóor de kleine met haar grooten +geleider opbrak, keerde Gibbus met den brief van den gevangen jonkman +aan den veldheer terug. Onderweg werd afgesproken, dat Maria tegen +het aanbreken van den nacht in de herberg van Nesptah Rustem vinden +zou. Nu er zooveel gebrek was aan voedsel en zooveel menschen stierven, +kon men rijdieren van allerlei soort, met geleiders en knechts, +te kust en te keur krijgen, en de Pers, die met deze aangelegenheid +vertrouwd was, achtte het 't beste snelvoetige dromedarissen te huren, +en eene kleine tent voor zijne jonge meesteres mede te nemen. + +Bij de woning van den juwelier Gamaliël verzocht Maria hem te wachten, +en de vroolijke goudsmid ontving haar met ongeveinsde blijdschap. Wat +was er geworden van het huis van den grooten Mukaukas! Vuur +had den zetel der gerechtigheid vernield, evenals de Egyptische +steden, wien de profeet voor duizend jaren een gelijk oordeel had +aangekondigd. Gamaliël wist in welk een groot gevaar Orion verkeerde +en wat de edele jonkvrouw bedreigde, die hem eens den kostbaarsten +van alle gesneden steenen geschonken en hem daarna een deel van haar +vermogen toevertrouwd had. Het deed zijn hart goed althans een lid +van het huis van zijn overleden beschermheer behouden voor zich te +zien. Hij richtte tot Maria de eene deelnemende vraag na de andere, en +zijne vrouw wilde haar dadelijk lekkere abrikozentaartjes brengen. Doch +zij verzocht Gamaliël haar terstond een geheim onderhoud toe te staan, +waarop de juwelier haar voorging naar zijne kleine werkplaats, en +haar verzocht hem volkomen te vertrouwen. Wat de kleindochter van den +Mukaukas Georg ooit van hem begeeren zou, dat was haar bij voorbaat +reeds toegestaan. + +Daarop bracht zij verlegen en blozende Orions ring, dien zij zorgvuldig +verborgen had, te voorschijn, reikte dezen den jood toe en vroeg hem +daarvoor te geven wat billijk was. + +In de vaste overtuiging, dat de vriendelijke man haar onverwijld +het eene goudstuk na het andere voor zou tellen, zag zij hem met +hare heldere oogen vragend aan. Maar hij nam den ring niet eens van +haar aan, bekeek die slechts met een vluchtigen blik en zeide daarop +ernstig: "Neen, meisjelief; met kinderen doe ik geen zaken." + +"Maar ik heb het geld noodig, Gamaliël," zeide zij dringend. "Ik moet +het hebben!" + +"Moeten," hernam hij lachend. "Dat is zeker een nagel, die door het +hout gaat, maar stoot hij op ijzer, dan gaat hij meestal krom. Meen +niet dat ik hard ben! Maar 'geld!' 'geld!' 'geld!' Van welk geld +spreekt gij toch eigenlijk meisje? Wilt gij het mijne hebben voor +brood en voor koeken, dat mij het waarschijnlijkst voorkomt, dan +knijp ik mijne oogen toe en grijp in den buidel. Doch als ik mij niet +bedrieg hebt gij bij den Griek Rufinus, wien het aan niets ontbreekt, +een goed onderkomen gevonden, en ik heb zelfs een aardig sommetje geld +in bewaring, dat uw grootvader een paar jaren geleden op rente gaf, +met de opmerking, dat het eene erfenis was, die gij gekregen hadt van +uwe peettante. De kwijtbrief staat op uw naam, en de geldnood waarin +gij verkeert heeft dus veel van hetgeen anderen welstand noemen." + +"Geldnood, neen, die heb ik niet," hernam Maria. "Maar het geld kan +ik toch niet missen, en wanneer ikzelve wat bezit en gij hebt het +daar in de kist, geef er mij dan zooveel van als ik noodig hebt." + +"Wat gij noodig hebt?" zeide de juwelier lachend. "Ja, dat gaat zoo +gauw niet, meisjelief. Eer zoo iets klaar komt, heeft men in Egypte +veel tijd, veel papyrus en inkt noodig, eene groote rechtbank, +zestien getuigen, een kurios..." + +"Welnu, koop dan den ring! Gij zijt zoo'n vriendelijk man, +Gamaliël. Doe het om mij genoegen te geven! Dat ik heden wil snoepen +gelooft gijzelf niet." + +"Neen, maar een week hartje wordt in zulk een moeielijken tijd, +waarin velen hongerlijden, licht tot een andere dwaasheid gedrongen." + +"Zeker niet! Koop den ring! En doet gij dit mij ten gevalle..." + +"Dan is Gamaliël een schurk en een zwakhoofd in éen persoon. Herinnert +gij u nog dien groenen smaragd? Dien kocht ik ook, en wat een +fraaie geschiedenis heeft dat gegeven. Dat gaat niet met dien ring, +meisjelief!" + +Maria trok de hand terug, en de teleurstelling en de bekommering +die uit hare groote betraande oogen spraken, waren zoo roerend en +smartelijk, dat de jood op zijne eigene woorden terugkwam en ernstig +maar hartelijk voortging. "Ik zou liever mijn eigen ouden kop tot +een aanbeeld geven, dan u leed doen, lief kind. Adonai! ik zeg ook +niet--waarom zou ik 't zeggen?--dat gij in elk geval zonder geld door +dien Gamaliël zult worden weggezonden. Hij heeft het toch, en hoewel +hij het gaarne ontvangt, hij geeft het ook niet ongaarne, als het +te pas komt. Dien ring kan ik waarlijk niet koopen, maar daarom niet +getreurd. Kijk mij eens goed aan, kleine jonkvrouw. Gij verlangt veel, +en ik heb in mijn magazijn nog veel schooner dingen. Als gij daarin +iets vindt, dat u vertrouwen kan inboezemen, kom dan rond voor de +zaak uit, en zeg den man, op wien ook uw grootvader een klein beetje +bouwde, in het oor: 'zooveel heb ik noodig, en daarvoor'--hoe hebt +gij ook weer gezegd?--'daarvoor moet ik het hebben'!" + +Maria las in het opgeruimde, volle gezicht van den jood iets, dat haar +vertrouwen inboezemde, en in haar kinderlijk geloof aan het verbindende +van den eed, liet zij een derden persoon, en ditmaal een lid van eene +derde godsdienstige overtuiging, zweren niets te zullen verraden, +terwijl zij zich verwonderde, dat het ook thans met het afnemen van +een eed, waarin zij zich reeds vrijwel geoefend had, zoo gemakkelijk +ging.--Ook volwassen lieden koopen zoo gaarne voor een goedkoopen eed +het kostbaar geheim van een ander. Nadat zij zich verzekerd had van de +stilzwijgendheid van den Israëliet, vertelde zij hem in vertrouwen, +dat zij, ingevolge een opdracht van Orion, den veldheer een bode +moest zenden, om hem en Paula nog tijdig van den dood te redden. + +De goudsmid hoorde haar aandachtig aan, en reeds voor zij nog geheel +geëindigd had, ging hij naar de ijzeren in den grond gemetselde kist, +en brak hare mededeeling af door de vraag: "Hoeveel?" Daarop noemde +zij de som, die Nilus had opgegeven, en nauwelijks was haar bericht +ten einde, of de jood, die de handgreep waarmede hij zijne kist +opende zelfs voor zijne vrouw geheim hield, riep haar toe: "Nu, +kijk eens uit het venster, gij wonderbare afgezant en geldnemer, +en als gij daar beneden in den hof niets ziet, denk dan, dat er +iemand staan kan als de oude Gamaliël, die u bij het hoofd pakte en +u een duchtigen kus gaf. En stel u dan ook voor, dat hij daarbij in +stilte bij zichzelven dacht: God in den hemel, als mijn dochtertje, +de kleine Ruth, eens worden mocht als de kleine Maria, het kleinkind +van den rechtvaardigen Mukaukas!" + +Daarop sprong de dikke, bewegelijke man, die op de knieën was gaan +liggen, hijgende overeind, liet het deksel van de kist open, snelde +naar het kind toe, dat reeds eenige oogenblikken uit het venster keek, +drukte het van achteren een kus op de haren en zeide daarbij lachend: +"Dat, klein geldneemstertje, dat zal mijne rente zijn. Maar verder +naar buiten gekeken, tot ik u weder roep!" + +Behendig ijlde hij vervolgens met zijne korte beenen naar de kist +terug, veegde zijne oogen af, nam er een kleinen buidel met goud +uit, waarvan de inhoud de verlangde som een weinig overtrof, sloot +de kist weder dicht, zag daarbij met eene gemengde uitdrukking van +wantrouwen en hartelijk welgevallen naar Maria en riep haar eindelijk +bij zich. Hij schudde nu den buidel voor haar uit, telde het bedrag +af, dat zij verlangde, stak de overgebleven goudstukken bij zich, +gaf het kind het zakje en verzocht het toen, terwijl hij de kamer +verliet, listig meesmuilend, zijn 'voorschot' weder in het zakje te +tellen en op hem te wachten. Toen hij terugkwam was zij met het werk +gereed en merkte schuchter op: "Er ontbreekt nog een goudstuk." + +Gamaliël kruiste beide armen over de borst, sloeg zijn blik ten hemel +en zeide: "God, welk een meisje! Daar is de solidus, kind! Laat een man +van ervaring u zeggen: wat gij onderneemt, dat zal u gelukken! Gij weet +wat gij doet, en als gij eens groot zijt en er een zal komen, om u te +vrijen, dan zal hij goed ter markt gaan. En nu nog uwe handteekening, +hier! Gij zijt nog wel niet mondig, en het blaadje is--God verhoede +het ergste--is wel niet veel meer waard dan een blaadje, de inkt er +onder begrepen, doch het is voor de orde." + +Nu nam Maria de schrijfpen, en terwijl zij eerst vluchtig doorliep, +wat Gamaliël geschreven had, riep deze wederom in warme geestvervoering +uit: "Een meisje, een kind! En dat leest, dat onderzoekt, dat overtuigt +zich, alvorens het zijne handteekening zet! God zegene u, kind! Kijk +daar komen de taartjes, en gij zult ze proeven voor ge... gerechtige +God! Een kind, dat zulke gewichtige zaken doet!" + + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Terwijl Rustem, wien Maria het goud van den juwelier had toevertrouwd, +voorbereidselen maakte tot de reis met het beleid van den geoefenden +karavaanaanvoerder, en Maria met hare opvoedster de Perzische +Mandane troostte en aan het verstand bracht, dat Rustems reis ten +doel had Paula's leven te redden, had er in de gerechtszaal eene +nieuwe zitting plaats. + +Ditmaal was Orion de aangeklaagde. Nauwelijks was hij begonnen zich te +verdiepen in de plannen en lijsten, die hij voor zijn arbeid behoefde, +of men riep hem voor de balie. Het gerechtshof was als gisteren +samengesteld. Onder de getuigen waren behalve Paula, de nieuwe +bisschop Johannes, alsmede de juwelier Gamaliël verschenen welke +laatste, terstond nadat Maria hem verlaten had, voor de rechtbank +was geroepen. De aanklager beschuldigde den zoon van den Mukaukas, +een kostbaren smaragd, die door zijn vader aan de kerk was vermaakt, +ondanks de aanmaning van den patriarch, teruggehouden te hebben. + +Orion nam zelf zijne verdediging op zich, herhaalde alles wat hij den +kerkvorst zelven in de werkkamer zijns vaders tot zijne rechtvaardiging +had gezegd, en verklaarde daarop, dat hij aan deze onaangename zaak +spoedig een einde wilde maken door den steen terug te geven en dezen +ter beschikking te stellen van de rechters. Hierop overhandigde hij +den kadhi Paula's smaragd, en deze stelde dien weder aan den bisschop +ter hand. Doch Johannes verklaarde zich nog niet bevredigd, maar +las een schriftelijk getuigenis voor van de weduwe Susanna, die er +bij was geweest toen de overleden Mukaukas Georg in tegenwoordigheid +van zijn zoon al de juweelen, die het Perzisch tapijt bevatte, als +een geschenk aan de kerk vermaakt had. Orion werd alzoo verdacht van +eenig kleinood te hebben achtergehouden, en het zou zeer moeielijk +zijn uit te maken, of de schoone steen daar op tafel dezelfde was +waarop de kerk aanspraak maakte. + +Dit alles werd met veel ijver voorgedragen en scheen eene vijandige +gezindheid te verraden. Gehoorzaamheid en overtuiging dwongen den +ijverigen prelaat deze houding aan te nemen, want dezelfde duivenpost, +waarbij de patriarch hem tot bisschop had benoemd, deed hem het bevel +toekomen, om de bestraffing van Orion door te zetten, die een doorn +was in het vleesch van de Jacobietische kerk, een schurftig schaap, +dat de gezonde dreigde aan te steken. Als de jonkman soms een smaragd +uitleverde, moest men wel nauwkeurig onderzoeken of het de rechte was, +dan wel een ondergeschoven steen. Dit was de reden waarom de bisschop +zijn wantrouwen had uitgesproken, en hoewel dit onder de Arabische +rechters een afkeurend gemompel deed ontstaan, vatte de kadhi den +argwaan van den prelaat toch ernstig op, daarbij mededeelende, +dat hij gisteren avond een brief van zijn oom, den koopman Haschim, +uit Dschidda had ontvangen, waarin ook van den smaragd gewag werd +gemaakt. Haschims zoon had den steen buiten zijn weten, voor hij naar +Egypte op reis ging, gewogen, en hier was de juiste opgave van het +gewicht. De juwelier Gamaliël was met een weegschaal hier ontboden +en zou de zaak tot geruststelling van den bisschop onderzoeken. + +Onverwijld ging de jood aan het werk, en de oude Horus Apollon, die +in deze dingen uiterst bedreven was, kwam vlak bij hem staan, om elk +zijner bewegingen met argwaan te bespieden. Alle aanwezigen verkeerden +in de hoogste spanning; met koortsachtigen polsslag hingen Orion en +Paula aan de handen en lippen van den juwelier, die na het eerste +onderzoek den steen nog eenmaal woog. De derde weging volbracht de +grijsaard met scherpen blik maar bevende vingers. Alle drie leverden +dezelfde uitkomst; deze steen was enkele dourrakorrels zwaarder dan +die, welke de zoon van den koopman had gewogen; toch verklaarde +de juwelier, dat onder alle smaragden van de wereld geen reiner, +vlekkeloozer en schooner steen gevonden kon worden. + +Orion gevoelde zich verlicht en haalde ruimer adem, terwijl onder +de rechters de vraag werd besproken, of de jonge Arabier zich aan +eene onnauwkeurigheid had schuldig gemaakt, dan of hier inderdaad +eene verwisseling had plaats gehad. Doch hieraan viel bezwaarlijk te +denken, want deze moest tot nadeel van den aangeklaagde, tot voordeel +van de kerk zijn. De bisschop, die billijk oordeelde, zeide nu dat het +wantrouwen van den kerkvorst in dit geval toch te ver ging, en deed +in deze aangelegenheid verder geen mond open. De Wekil Obada had zich +bij de geheele behandeling van deze zaak het zwijgen opgelegd, doch +de uitdagende, zegevierende blik, waarmede hij nu eens Paula dan weder +Orion opnam van het hoofd tot de voeten, deden het ergste verwachten. + +Nadat de aanklager den jongeling ook beschuldigd had van deelneming +aan de veelbesproken bloedige vlucht der nonnen, verdedigde deze +zijne onschuld en voerde als bewijs aan, dat hij zich gedurende den +noodlottigen strijd tusschen de Arabieren en de beschermers der nonnen +had bevonden in gezelschap van den veldheer Amr, gelijk deze zou +bevestigen. Door eene ongehoorde daad van willekeur was hij, op eene +bloote verdenking alleen, van zijne bezittingen en van zijne vrijheid +beroofd, en hij vertrouwde allereerst op een rechtvaardig oordeel van +zijne rechters en verder op de bescherming van zijn heer, den Kalief, +die hem voldoening zou geven. Hij zag daarbij met vlammende oogen +den Wekil aan; doch de zwarte wist ook nu zijne kalmte te bewaren +en dit vermeerderde de bezorgdheid dergenen, die het wel met den +jongeling meenden. + +Obada, dit bleek uit alles, moest overtuigd zijn, dat hij zijn +offer den strik zeker om den hals had geworpen, en weldra werd allen +duidelijk, wat hem zoo gerust deed zijn. Nauwelijks toch had Orion +zijne verdediging geëindigd, of hij stond op, overhandigde den kadhi +met een duivelschen grijnslach het tafeltje, dat Horus Apollon hem +gisteren had gegeven, noemde het een schrijven, door Orion aan de +Damasceensche gericht en verzocht den kadhi er kennis van te nemen. De +hitte had wel is waar veel van het schrift in het was uitgewischt, +doch de meeste letters waren nog altijd leesbaar. De waardige grijsaard +had ze reeds ontcijferd en zich bereid verklaard den rechters voor +te lezen, wat de aangeklaagde, die zichzelven in zijne pleitrede +als een onschuldige duif had voorgesteld, in zijne onschuld en zijn +waarheidszin voor zijn schoone bruid had neergeschreven. Daarbij +gaf hij den oude een wenk en ondersteunde hem, toen deze met moeite +opstond. Doch de kadhi verzocht hem te wachten, liet zich door den +tolk omtrent den inhoud van den brief onderrichten, en keerde zich, +nadat deze met veel moeite zijn plicht had vervuld, niet tot den +grijsaard maar tot Obada met de vraag, waar dit geschrift gevonden was. + +"In den lessenaar van de Damasceensche," antwoordde de zwarte. "Mijn +oude vriend hier heeft het ontdekt." Hij wees hierbij op Horus Apollon, +die deze verklaring bevestigde door met het hoofd te knikken. + +Nu stond de kadhi op, ging naar de jonkvrouw, die doodsbleek was +geworden van schrik, toonde haar het tafeltje en vroeg of zij dit +herkende als haar eigendom. + +Nadat zij het voorwerp nauwkeurig had bekeken, antwoordde Paula met +een blik op den oude, waaruit de diepste minachting en afschuw sprak: +"Ja, heer, het is mijn eigendom. Deze onwaardige grijsaard nam het +op eene schandelijk listige wijze uit mijne schrifturen." + +Hier haperde hare stem een oogenblik, doch zij ging weldra voort, +zich tot de rechters wendende: "Als er onder u iemand is, die +hulpeloosheid en onschuld eerbiedigt en arglistigheid en slinksche +streken veroordeelt, hij begeve zich naar de vrouw van Rufinus, +over wier drempel die man daar is binnengeslopen als een bunzing in +eene duiventil, binnengeslopen met geen ander doel dan om hartelijke +gastvrijheid met voeten te treden, haar huis te doorsnuffelen en +daaruit alles bij een te halen wat hem dienen kon voor zijn schandelijk +doel, en hij waarschuwe deze aan zichzelve overgelatene vrouw voor +den verraderlijken spion en dief." + +Opeens hief de oude blazende van woede, niet in staat een woord +te spreken, zijn mageren arm omhoog; de christelijke rechters +fluisterden elkander hunne uiteenloopende meeningen toe, de jood +Gamaliël schoof met zijn zwaar lichaam op de getuigenbank heen en +weer, tikte onophoudelijk en onrustig met zijne vingertoppen op de +borst, en zocht nu eens Paula's dan weder Orions oogen op zich te +vestigen, om aan te duiden dat hij de man was, die vrouw Rufinus +zou waarschuwen. Doch een vuistslag van den Wekil, die onverwacht +zijn schouder trof, bracht hem tot rust, en terwijl hij in stilte +morrende de gekwetste plek wreef en het niet waagde den geweldenaar +terecht te laten wijzen, overhandigde de kadhi aan den grijsaard het +tafeltje en verzocht hem den brief voor te lezen. + +Doch de vreeselijke aanklacht, die de gehate dochter van den patriciër +hem in het aangezicht had geslingerd, waardoor zij aan zijne verhuizing +naar de woning van Rufinus beweeggronden had toegeschreven, die in +werkelijkheid hem vreemd waren geweest, hadden hem zoo in verwarring +gebracht, zoo boos gemaakt, dat zijne oude, bovendien reeds moeielijk +ademende longen hem den dienst weigerden. Die vrouw had hem een nieuw +onrecht aangedaan, want met de vriendelijkste bedoelingen had hij +bij de vrouwen zijn intrek genomen, en een toeval alleen had hem het +tafeltje in handen gespeeld. Toch zou der weduwe van Rufinus nog heden +ter oore komen, dat hij als een spion hare woning was binnengedrongen, +en dan was het voor altijd uit met die kostelijke laatste dagen waarvan +hij gedroomd had; zelfs zijn Philippus zou in staat zijn met hem te +breken. En dat alles door toedoen van deze vrouw!--Hij kon geen woorden +vinden om zijn gevoel uit te spreken, maar toen hij zich weder op de +getuigenbank neerzette trof Paula een blik, zoo vol haat, zoo overvol +van gif en woede, dat zij huiverde en tot de overtuiging kwam: deze +man is bereid om zelf onder te gaan, ten einde mij ten val te brengen. + +Doch de tolk begon reeds Orions brief te lezen en dezen voor +de Arabieren te vertolken, en terwijl hij, stamelend en onder de +verzekering, dat geen enkele letter duidelijk te herkennen was, zijn +plicht vervulde, kreeg Paula geheel hare zelfbeheersching terug, +en even nadat de hermeneut zijn werk voleindigd had was het of er +een zonnestraal gleed over hare reine gelaatstrekken. Een schoone, +grootsche, vreugdevolle gedachte moest in haar brein zijn opgekomen, +en men kon het haar aanzien, dat het haar gelukte deze vast te houden +en er zich geheel aan te wijden. Orion, die tegenover haar zat, +merkte het wel op, maar hij begreep nog niet wat haar smeekende blik +hem te zeggen had, wat zij van hem verlangde, toen zij de hand op +de borst drukte en hem daarbij zoo veelbeteekenend in de oogen keek, +dat het doordrong tot diep in zijn hart. + +Thans zweeg de tolk, en wat hij gelezen had was op de rechters niet +zonder uitwerking gebleven. Uit de welwillende trekken van den kadhi +sprak ernstige bezorgdheid, en de inhoud van den brief scheen wel +geschikt, om haar te wekken. Woordelijk luidde het schrijven aldus: + +"Nadat ik lang tevergeefs op u gewacht heb, moet ik eindelijk besluiten +om te vertrekken, en hoeveel had ik u nog te zeggen. Een schriftelijk +vaarwel..." + +Hier waren eenige regels onleesbaar geworden. Dan volgde het +noodlottige, leesbare slot: "Hoe anders had ik gewaand dezen dag +te zullen besluiten, die voor het grootste deel gewijd was aan het +maken van toebereidselen voor de vlucht der nonnen, en het is mij eene +vreugde geweest, voor de goede, onschuldige en onrechtvaardig vervolgde +zusters het mijne te doen. Haar willen wij het beste toewenschen, +en ons beiden op morgen een ongestoord wederzien en een afscheid, dat +herinneringen bij ons achterlaat, waarop wij lang teren kunnen. Gelijk +onder de Egyptenaars hij het was, wiens heengaan wij beiden betreuren +zoo is het onder de Arabieren de voortreffelijke veldheer Amr...." + +Hier eindigde de brief, aan welks slot bijna drie regels ontbraken. + +Nadat de kadhi het tafeltje eenige oogenblikken in de hand had gewogen, +sloeg hij zijne oogen weder op, liet zijn blik gaan over de in groote +spanning wachtende vergadering en begon: "Ofschoon de aangeklaagde +niet behoorde tot degenen, die oproerig tegen onze gewapende macht +de handen hebben opgeheven, zoo blijkt toch onwederlegbaar uit het +voorgelezene, dat hij niet alleen kennis heeft gedragen van de vlucht +der nonnen, maar dat hij haar ook ijverig de behulpzame hand heeft +geboden.--Wanneer hebt gij dit schrijven ontvangen, edele jonkvrouw!" + +Paula vouwde de handen met kracht te zamen en antwoordde met +gebogen hoofd en neergeslagen oogen: "Wanneer ik den brief ontvangen +heb? Nooit, want de brief is van mijzelve. Ik heb hem geschreven." + +"Gij?" vroeg de kadhi met verbazing. + +"Hij werd door mij aan Orion gericht," antwoordde Paula. + +"Door u aan hem? Doch hoe komt hij dan in uwe lessenaar?" + +"Op zeer eenvoudige wijze," verklaarde zij, altijd nog met neergeslagen +oogen. "Nadat ik den brief aan mijn bruidegom gericht had, wierp +ik dien bij de andere tafeltjes, zoodra hij onnoodig was geworden; +want hijzelf verscheen, en ik behoefde hem niet te laten lezen, +wat men beter mondeling bespreekt." + +Daarbij speelde een eigenaardig lachje om hare lippen; een luid +gemompel ging door de zaal; Orion keek met klimmende gejaagdheid +nu eens het meisje, dan weder den kadhi aan. Maar de zwarte vloog +op, sloeg met zijn vuist op de tafel, dat het dreunde en riep: +"Nietswaardige uitvluchten! Wie uwer laat zich hier door zulk eene +ellendige vrouwenlist beetnemen?" + +Horus Apollon, die weder tot bedaren was gekomen, wierp hem met +groot leedvermaak een goedkeurenden blik toe, de rechters zagen +elkander verlegen aan, doch toen de zwarte verder bleef doorrazen, +legde de kadhi hem het zwijgen op en gaf het woord aan Orion, die met +hoogroode wangen hem reeds voor de tweede maal het woord had gevraagd +en nu, nauwelijks in staat de woorden uit te brengen, uitriep: "Neen, +neen, Othman; neen, neen! Gelooft haar niet, heeren rechters. Niet +zij.... ik, ik heb den brief...." + +Maar Paula viel hem in de rede, zeggende: "Hij? Maar voelt gij het +dan niet: hij wil mij redden en daarom alleen mijne schuld op zich +laden! Uit edelmoedigheid, uit liefde zegt hij dit! Gelooft, gelooft +hem niet! Laat u door hem niet misleiden!" + +"Ik? Neen, zij, juist zij," ving Orion weder aan; doch voor hij +verder kon gaan riep Paula hem toe, met fonkelende oogen, dat het eene +verkeerde liefde moest heeten, die zichzelve uit valsche edelmoedigheid +opofferde. En toen zij daarbij wederom de hand tegen hare borst drukte, +om hem te smeeken zich stil te houden, zweeg hij plotseling en zonk, +terwijl hij diep ontroerd de oogen ten hemel sloeg, op de bank der +aangeklaagden neder. + +Nu ging Paula voort, met een juichend gemoed: "Hij is tot eene +betere overtuiging gekomen en laat de dwaze poging varen, om mijne +schuld op zich te nemen. Gij ziet het, Othman, gij ziet het allen, +waardige heeren! Wat ik voor de arme zusters gedaan heb, laat er mij +ook voor boeten!" + +"Uw wil geschiede," riep de oude met krijschende stem. + +"Een helsch spinsel van leugens," bulderde de zwarte, "een bedrog +zonder weerga! Maar ondanks het schild, waarmede deze vrouw u dekt, +kom ik u toch aan den hals, verraderlijke knaap! Is het te gelooven, +rechters, dat men een voltooiden brief, weken lang na geschreven +te zijn, bij den schrijver vindt en niet bij hem aan wien hij werd +gericht?" + +De kadhi haalde de schouders op en antwoordde met kalme waardigheid: +"Bedenk wel, Obada, dat wij deze jonkvrouw hebben veroordeeld op +grond van een brief, die wij niet vonden bij den persoon aan wien +hij gericht werd, maar bij zijn schrijver. Omtrent dat document rees +bij u geen twijfel op. Het betaamt ons rechters met dezelfde maat te +meten, Obada!" + +Deze, op verzoenenden toon uitgesproken woorden en het doeltreffende +ervan, werd door alle Arabieren met bijval vernomen, en de juwelier +kon niet nalaten een luid "voortreffelijk" uit te roepen. Hij schoof +echter, zoodra het hem over de lippen was gekomen, in een oogwenk +uit het bereik van den arm van den zwarte. Deze had hem echter +nauwelijks verstaan, want vol toorn betoogde hij, zonder den kadhi +toe te laten hem in de rede te vallen, hoe smadelijk het was van +mannen en rechters, zich door eene vrouw om den tuin te laten leiden, +zich het hart te laten vermurwen door het comediespel van een paar +verliefde gekken. Voorts toonde hij aan, hoe noodzakelijk het iederen +muzelman moest voorkomen, hunne eigene veiligheid te verzekeren, +door den aanlegger eener bloedige muiterij tegen de steunpilaren van +het gezag streng te tuchtigen. Zijne welsprekende, vurige taal bleef +niet zonder uitwerking, doch de christenen, die der Melchietin alle +kwaad gunden, waren met haar dood voldaan, en wilden den zoon van +den algemeen vereerden Mukaukas Georg deze daad, zelfs al had hij +haar werkelijk begaan, gaarne vergeven. Nadat men het er over eens +was geworden, dat hier onmogelijk viel uit te maken van welke hand +het schrift op het tafeltje afkomstig was, en er over en weer nog +veel was gesproken, begon het eigenlijk beraad. + +Het duurde lang eer de rechters tot een besluit konden komen, +en gedurende dien tijd zat Orion nu eens neer als ware hij reeds +tot een pijnlijken dood veroordeeld, dan weder liet hij zijn blik +samensmelten met dien der geliefde en bracht de hand aan het hart, +als vreesde hij dat het barsten zou. Hij begreep haar volkomen en +hare grootmoedigheid deed hem goed. Wel had hij over zich weten te +verkrijgen, hare gave aan te nemen, maar hij was toch vast besloten, +haar, als zij sterven moest, in den dood te volgen. Het "non dolet" +[23] van Arria, dat zij haren geliefden Paetus had toegeroepen, toen +zij zich den dolk in het hart stak, om hem voor te gaan in den dood, +klonk hem voortdurend als in het oor. Doch hij bedacht ook, dat Paula +misschien begenadigd zou worden, dat hij dan vrij zou zijn en een +geheel leven voor zich zou hebben, om haar te danken. + +Eindelijk, eindelijk verkondigde de kadhi de uitspraak van de rechters: +het was onmogelijk Orion den dood schuldig te verklaren, en evenmin +kon men besluiten het geloof aan zijne schuld onbepaald af te wijzen; +het gerechtshof verklaarde zich dus onbevoegd, om in deze zaak een +oordeel uit te spreken en droeg dit over aan den Kalief of zijn +plaatsvervanger in Egypte, den veldheer Amr. Hij, de kadhi, zelf +zou alleen gelasten den aangeklaagde gestreng gevangen te houden, +opdat de straffende gerechtigheid de hand op hem zou kunnen leggen, +indien het eindoordeel "schuldig" mocht luiden. + +Toen de kadhi verkondigde, dat het beslissend oordeel werd overgelaten +aan den Kalief of diens plaatsvervanger, riep de Wekil: "Ik, ik ben de +plaatsvervanger van Omar!" Doch een eenstemmig, ontkennend gemompel +der rechters wees deze opvatting stellig van de hand, en op voorstel +van den kadhi werd besloten door verdubbeling van de kerkerwacht +den jongeling te beveiligen voor elken eigenmachtigen aanslag van +den Wekil, tegen wien reeds zware aanklachten op weg waren naar +Medina. De zwarte verliet buiten zichzelven van woede, de grijsaard +nieuwe aanslagen smedende tegen de Damasceensche, de gerechtszaal. + +Zoodra Paula in hare cel terugkeerde, dacht de oude Betta dat zij +genade had ontvangen, want hoe vroolijk, hoe trotsch, hoe opgewekt +trad zij bij haar binnen! Het grootste gevaar was van haren geliefde +afgewend, zij en hare liefde waren het, die hem hadden gered. Zij +had zichzelve opgegeven, maar wat het lot ook over haar beschikte, +voor hem lag het leven open, hem zou het vergund zijn, zijne heerlijke +kracht te toonen, en dat hij het doen zou, doen in haren zin, daarvan +was zij zeker. + +Nog was zij niet aan het einde van haar verhaal omtrent het oordeel +der rechters, toen de gevangenbewaarder een bezoek van den kadhi +kwam aankondigen. Weldra trad deze bij haar binnen, en nadat zij +hem hartelijk had dankgezegd en hij haar vriendelijk verzekerd had, +dat hij zich schaamde, misschien de schande te moeten dragen van een +misleid rechter te zijn, en dat nog wel als een gunst van het lot, +bracht hij het gesprek op het eigenlijk doel van zijn bezoek. "In den +brief," dus begon hij, "dien hij gisteren avond van zijn oom Haschim +had ontvangen werd ook veel over haar gesproken. Zij had het hart +van den ouden koopman gestolen, en de berichten, die deze omtrent +haar vader had ingewonnen..." + +Hier viel het meisje hem in de rede: "O heer, heer.... Zou eindelijk +de wensch, het gebed mijns levens vervuld worden?" + +"Uw vader, de edele Thomas, voor wien ook de muzelman het hoofd +buigt," antwoordde Othman, "men heeft hem..." En nu berichtte hij, +dat de held van Damascus zich inderdaad op den Sinaï teruggetrokken +en daar als kluizenaar geleefd had, doch zij mocht zich aan geene +ontijdige vreugde overgeven, want de bode had hem krank gevonden, +vermagerd door een teringziekte, die uitging van zijne gewonde long, +ja bijna stervende. Zijne dagen waren geteld... + +"En ik, ik gevangen," zeide het meisje, bitter weenende. "Vastgehouden, +tot niets in staat, buiten de mogelijkheid, om hem in de armen te +snellen!" + +Daarop vermaande hij haar opnieuw zich bedaard te houden, en vertelde +op zijne zachte, kalme manier verder, dat reeds eergisteren een +Nabateër bij hem gekomen was, om hem als het hoofd der justitie +in Egypte te vragen, of een oud tegenstander der muzelmannen, een +veldoverste, die in dienst van den Keizer en van het kruis tegen +den Kalief en de halve maan had gestreden, krank, verwond, gebroken +den Egyptischen bodem mocht betreden, zonder zich bloot te stellen +aan het gevaar van door Arabische ambtenaren gevangen genomen te +worden. Toen hij, Othman, vernomen had, dat deze man Thomas was, de +held van Damascus, had hij volgaarne en gelijk hij wist in den geest +van zijn heer, den Kalief, hem vrijheid en leven verzekerd. Heden +morgen vroeg was haar vader te Fostat aangekomen, en hij had hem als +gast in zijn huis opgenomen. Ja, Thomas stond aan den rand van het +graf, maar de wensch, die hem bezielde, om zijne dochter, wie hij, +op grond van een valsch gerucht, dat zij bij den moord van Abyla was +omgekomen, reeds zoolang beweend had, nog eenmaal weder te zien, hield +hem staande. Hij achtte het zijn plicht dezen wensch van een stervende +te vervullen, en hij had den gevangenbewaarder bevolen het vertrek, +dat aan hare cel grensde, voor hem in te richten met het huisraad, +dat uit zijne woning onderweg was. De deur, die haar vertrek met het +zijne verbond, zou geopend worden. + +"En ik zal hem wederzien, hem weder bij mij hebben, met hem leven, hem +de oogen sluiten, misschien met hem sterven!" riep Paula uit, daarbij +de hand grijpende van den goedigen man en die dankbaar kussende. + +Den muzelman schoten de tranen in de oogen, en hij verzocht haar +niet hem, maar den barmhartigen, eenigen God te danken. Voor de zon +onderging rustte het hoofd van de ter dood veroordeelde dochter +aan de borst van den gewonden held, wiens einde nabij was, maar +wiens onverzwakte geest en warm hart zoo gansch en al evenals zijn +lief, eenig kind, de zaligheid van het wederzien genoten. Een nieuw, +onbeschrijfelijk geluk woonde voor Paula binnen de sombere muren van +den kerker, en nog dienzelfden dag ontving Orion door den bewaarder een +brief, die hem de groeten overbracht van den vader zijner bruid. Toen +hij de innige zegenbede las, die deze brief bevatte, was het hem als +nam een onzichtbare hand den vloek, waarmede zijn eigen vader hem +beladen had, voor altijd van hem weg. Eene wonderbare, blijmoedige +rust, werkkracht en levenslust openbaarden zich in hem, en hij gunde +zijn geest en zijn schrijfstift geen rust, voor de morgen schemerde. + + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Somber, met gefronst voorhoofd keerde de oude Horus Apollon uit +de rechtzaal terug naar zijn nieuwe woning. Voor het landgoed van +de weduwe Susanna zag hij eenige lieden staan, die schuw in den +tuin gluurden en op het schoone woonhuis wezen. Evenals ontelbare +menschengroepen, die hij vroeger ontmoette, riepen ook deze lieden +hem woorden van hulde, dank en opwekking toe, en toen hij ook voor hen +even boog en daarbij de richting volgde van hunne angstig bespiedende +blikken, voer hem eene huivering door de leden; want boven de groote +huispoort hing ter waarschuwing, als ware het een schandteeken, het +zwarte bord, dat den voorbijgangers toeriep: "Blijft ver van dezen +drempel! Hierachter woedt de menschenmoordende pest!" + +De oude schuwde alles, wat hem aan den dood herinnerde, en hij +rilde. Zoo dicht te wonen bij een broeinest der vreeselijke ziekte, dat +was angstwekkend en gevaarlijk! Hoe kwam de ziekte in dit gezondste +deel der stad, dat ook bij het woeden van de laatste pestziekte +verschoond was gebleven? + +Een dienaar van den raad, dien hij staande hield, vertelde hem, +dat de slaven, die gewoon waren voor het bad van vrouw Susanna te +zorgen, vader en zoon, het eerst waren aangetast. Men had hen bij +nacht heimelijk naar de ziekententen laten brengen; heden echter was +de weduwe zelve ook aangetast. Om de wijk voor verdere besmetting te +bewaren, bewaakte men thans dit terrein van alle zijden. + +"Doe het streng, zeer streng; laat geen rat de deur uit," riep de +oude en reed verder. + +Het was later geworden dan gisteren, het etensuur moest reeds +aangebroken zijn, en toen hij na een oogenblik rust aanstalten maakte, +om zich met hulp van zijn dienaar voor den gemeenschappelijken +maaltijd te wasschen en te reinigen, trad eene lamme huisslavin bij +hem binnen en zette een blad met dampende schoteltjes op het tafeltje +naast den divan neder. Wat had dat te beteekenen? En voor hij het nog +vragen kon vernam hij, dat de vrouwen verlangden voortaan alleen te +spijzigen. Men zou hem op zijne kamer bedienen. + +Wederom vertoonde zich eene roode vlek op zijne wangen, en na een +oogenblik nadenkens riep hij zijn slaaf toe: "De ezel voor!" en tot +het meisje: "Waar is uwe meesteres?" + +"Met den goudsmid Gamaliël in het viridarium, doch zij zal zoo dadelijk +aan tafel gaan." + +"Zonder den gast? Ik versta de bedoeling!" prevelde de oude, greep +naar zijn hoed en liep de dienstmaagd voorbij de kamer uit. In de +voorzaal kwam hij Gamaliël tegen, wien eene slavin juist den staf +overhandigde. De grijsaard vermoedde, dat de juwelier alleen gekomen +was, om de vrouwen voor hem te waarschuwen, en zonder hem met een +blik te verwaardigen, begaf hij zich naar het eetvertrek. Daar vond +hij Pulcheria en Maria weenende geknield liggen voor vrouw Johanna, +die insgelijks tranen vergoot. Hij vermoedde, wie die tranen golden, +en vervuld van de begeerte, om het onrechtmatige aan te toonen van +de beschuldiging, dat hij als spion dit huis was binnengedrongen, +sprak hij de weduwe aan. + +Deze had gehuiverd, toen zij hem zag binnenkomen, thans wees zij hem +echter met uitgestrekten vinger de deur, en toen hij toch bleef staan, +om zijne verdediging te beginnen, sneed zij hem met het woord af, door +luide en met nadruk te zeggen: "Niet verder, heer! Dit huis blijft +van nu aan voor u gesloten! De band, die ons verbond, hebt gijzelf +verscheurd! Verstoor niet langer onzen vrede! Trek weer daarheen, +vanwaar gij gekomen zijt!" + +De grijsaard beproefde nog eens te spreken, doch de weduwe stond op, +riep de meisjes toe: "Komt, mijne kinderen!" ging hen haastig voor +naar het aangrenzend vertrek, en trok de deur achter zich dicht. + +Horus Apollon bleef alleen op den drempel staan. Hoe oud hij ook was, +zulk eene smaadheid was hem nog nooit aangedaan, doch hij schreef +haar niet op rekening van haar, die hem de deur had gewezen, maar +op de reeds meer dan overladene van de Damasceensche, en toen hij +op zijn witten ezel naar huis reed, hield hij telkens stil, om tot +de voorbijgangers te spreken. In de eerstvolgende dagen stoorde +hij zich niet aan de hitte van den dag, vroeg hij niet naar zijne +behoeften, om het lichaam rust te gunnen en zijn geest bezig te +houden met stillen arbeid, maar hij reed 's morgens, 's middags en +'s avonds door de straten, ruide het volk op en trachtte het op +listige wijze te overtuigen, dat het jammerlijk ten gronde zou gaan, +wanneer het zich niet van het eenige door hem voorgeslagene redmiddel +bediende. Bij elke zitting van den senaat was hij tegenwoordig; +met vurige welsprekendheid hield hij de bouleuten aan zijne zijde, +weerstreefde hij de bemoeiingen van den bisschop, en drong hij aan +op de vaststelling van den dag voor het huwelijk van den Nijlstroom +met zijn bruid. + +Hij kende zijne Egyptenaars en hun hartstocht voor vroolijke, +schitterende feesten. Het zijne: de echtvereeniging van den Nijlbruid +met den geweldigen, rusteloozen gemaal, van wien het wel en wee des +lands afhing, zou eene bloeiende oase worden in deze woestenij van +nood en vertwijfeling. Wat hij nog wist uit de herinneringen zijner +kindsche dagen van processies ter eere van Isis, wat hem uit zijn +eigene aanschouwing en uit de verhalen zijns vaders nog bekend was van +de aan deze godin en haar trias gewijde feesten, wat hij in boeken +had gelezen over groote optochten en vertooningen in het heidensche +Egypte, dat bracht hij in zijne voorstelling bijeen, dat schilderde +hij den senaat en het volk af in levendige kleuren, dat raadde hij de +bouleuten bij dit buitengewoon huwelijksfeest te herhalen. En ieder, +wien Egyptisch bloed door de aderen vloeide hoorde hem opmerkzaam +aan, vond welgevallen in zijne voorstellen en was zelf bereid, om +alles aan te wenden ten einde den glans van dit feest te verhoogen, +hetwelk ieder kon medevieren, hetzij door er een werkzaam deel aan +te nemen, hetzij als toeschouwer. Duizenden leden gebrek, maar voor +dit buitengewone huwelijksfeest waren er nog middelen en maakte de +senaat geen bedenking wederom geld op te nemen. + +"Ondergang of redding" was de leus, die Horus Apollon de Memphieten in +den mond had gelegd. Ging alles te gronde, dan verzonken daarmede ook +de bespaarde talenten; droeg het offer daarentegen vrucht, zegende +de Nijl de zijnen met nieuwe welvaart, wat hadden stad en land dan +naar eenige duizenden drachmen te vragen? De huwelijksdag werd dus +bepaald. Geen volle twee weken na de veroordeeling van Paula, op het +feest van den heilige Serapis, wilde men het wondervolle, reddende, +gelukbelovende feest vieren. En hoe wist de oude, hoe wisten de +rechters en bouleuten, die haar gezien hadden, de schoonheid van de +bruid te schilderen! Hoe vurig fonkelden de oogen des grijsaards +van haat, als hij haar beschreef! Geen minnend oog kon levendiger +tintelen! Wat die patricische deerne hem ook had aangedaan, alles, +alles zou zij boeten. En met zijne overwinning zou hij niet alleen +die enkele vrouw, maar het geheele christengeloof, dat hij haatte, +doodelijk treffen. + +Maar ook de bisschop Johannes had niet stil gezeten. Dadelijk na +zijn optreden tegen het besluit des volks, had hij een duif met een +brief naar Opper-Egypte tot den patriarch uitgezonden, en Benjamins +antwoord zou hem steunen, om nog krachtiger door te tasten. In de kerk, +voor den senaat en zelfs op straat deed hij en met hem de geheele +geestelijkheid al wat in zijn vermogen was, om het schandelijk plan +van de raadsheeren en het volk te bestrijden; doch de hartstocht, +dien de grijsaard aanblies, sloeg weldra in helderder vlammen op, +dan de geloofstrouw, de gematigdheid en het verstandig inzicht, +die hij en de zijnen moesten aanwakkeren. De wind blies met gelijke +kracht van beide zijden, maar aan de zijne ontmoette hij slechts +doovende kolen, aan de andere overvolle brandende schuren. De nood +en de vertwijfeling hadden het geloof geschokt, de tucht ondermijnd, +en zelfs de machtigste wapenen van de kerk: "vloek en zegen" bleken +machteloos te zijn. Men wees den drenkelingen een drijvenden balk +in de nabijheid, en daarom wilden zij niet langer op de reddingsboot +wachten, die met goede roeiers aan de riemen en een ervaren stuurman +aan het roer bemand, van verre naderde en verplicht was hen te redden. + +Horus Apollon keerde niet meer in het huis van Rufinus terug. Weinige +uren nadat de weduwe hem de deur gewezen had, kwamen zijne slaven om +de voorwerpen weder weg te halen, die hem vergezelden, toen hij onder +haar dak zijn intrek nam. Zijn lijfdienaar bracht tevens eene groote +geslotene vaas met een brief aan vrouw Johanna van den volgenden +inhoud: "Men zal niet richten, zonder te hooren. Toch hebt gij dit +gedaan, maar ik ben op u niet verstoord. Philippus zal misschien, +als hij terugkeert, de einden van het band weder opnemen en opnieuw +vastknoopen, dat gij heden hebt doorgesneden. Ik zend u een deel van +de artsenij, die hij mij bij het scheiden achterliet, om daarvan in +geval van nood tegen de pest gebruik te maken. Eerst in de laatste +dagen heeft hij hare werking proefhoudend bevonden. Moge de krankheid, +die het aangrenzend huis heeft aangetast, het uwe verschoonen!" + +Deze brief deed de weduwe genoegen, maar toen zij hem aan de haren +voorlas, riep de kleine Maria: "En als iemand onzer ziek wordt, +dan neme hij geen druppel van dit mengsel. Ik verzeker u, hij wil +ons vergiftigen!" + +Intusschen bleef vrouw Johanna erbij, dat de grijsaard, ondanks zijn +onverklaarbaren haat tegen Paula, in den grond niet slecht was, en +Pulcheria verzekerde van hare zijde, dat het stellig wel zoo zijn +moest, omdat Philippus hem achtte. Als deze maar hier was geweest, +zou alles zich anders hebben toegedragen en ten beste geschikt zijn. + +Maria bleef met moeder en dochter samen tot het donker werd. Zij +bracht het gesprek altijd weder op Paula, en toen in den namiddag de +Nabateïsche bode zich bij haar aandiende en aan de vrouwen, ingevolge +eene opdracht van de gevangene, het bericht bracht, dat hij haar +vader in hare armen had gevoerd, begonnen de vrouwen weder voor haar +te hopen, en Maria kon, zonder verdenking te wekken, onbewimpeld +haar verlangen uitspreken, om te toonen hoe lief zij Paula had, +daar het steeds naderend oogenblik van scheiding aanbrak. Eindelijk +zeide zij, dat zij naar Eudoxia moest om onderricht te ontvangen; haar +wachtten heden zeer moeielijke dingen; allen moesten aan haar denken en +wenschen, dat alles haar goed gelukken mocht. Zij viel eerst de weduwe, +vervolgens Pulcheria om den hals, en toen haar daarbij tranen in de +oogen welden, vroeg zij, of zij niet een onbezonnen, dwaas kind was, +maar niettegenstaande dat moesten zij haar gedenken en niet vergeten. + +Op haar kamer gekomen sloot zij zich met de Griekin op, en nu knipte +Eudoxia haar de schoone zachte lokken af. De opvoedster vergoot daarbij +de eerste tranen, en dezen vloeiden nog overvloediger, toen zij Maria +eene kleine amulet met een vlok uit het schaapsvel van Johannes den +dooper, dat zij van hare moeder geërfd had, om den hals hing. Het was +haar lief en heilig, zij had daarvan nooit willen scheiden, doch nu +moest dit kleinood het kind beschermen en geluk aanbrengen. Had het +haar dan zooveel zegen gebracht? Juist niet veel, maar zij geloofde +toch in de heil en zegenbrengende kracht van deze reliquie. Eindelijk +stond Maria met korte haren en als knaap gekleed voor haar. Welk een +aardige, wonderschoone knaap was dat meisje! Eudoxia kon haar niet +genoeg aanzien. Doch Maria was te aanminnig, te fijn voor een jongen, +en zij moest haar raden den breedgeranden reishoed zeer ver in het +gelaat te trekken, zoodra zij menschen zou ontmoeten, of haar gelaat +zwart te maken. + +Door Gamaliël, die vrouw Johanna inderdaad opgezocht had, om haar +voor den grijsaard te waarschuwen, droeg zij kennis van het verloop +der tegenwoordige terechtzitting, en Paula's daad om Orion te redden +had haar bewondering voor de jonkvrouw nog verhoogd. Als zij den +veldheer ontmoette, kon zij hem op alles antwoord geven, en zoo was +zij in alle opzichten goed voorbereid, toen zij met Eudoxia door +den tuin naar de Nijlstraat sloop. Aan gene zijde van de buitenpoort +wierp zij het geliefde huis en zijne bewoners nog eene kushand toe, +vervolgens wees zij zuchtend op het goed van de weduwe Susanna en +zeide: "Arme Katharina, nu is zij opgesloten!--Weet gij, Eudoxia, +ik heb haar toch lief, en als ik denk dat zij de pest zou kunnen +krijgen en sterven--maar neen! Zeg aan moeder Johanna en Pul, dat zij +vriendelijk voor haar moeten zijn. Geef haar morgen na het ontbijt +mijn brief, en wanneer zij zich heden avond ongerust over mij maken, +zeg dan dat gij alles weet, en dat het geheel onnoodig is over mij +bezorgd te zijn. Gij zult het wel goed maken en zorg dragen, dat zij +niet verdrietig worden." + +Bij eene openstaande Jacobietische kapel verzocht zij de Griekin op +haar te wachten, en wierp zich daarin voor het crucifix neder. Vroolijk +en opgewekt kwam zij weldra weder buiten, en toen zij bij de laatste +huizen der stad waren, zeide zij: "Is het niet zondig, Eudoxia? Welke +lieve menschen laat ik hier achter, en toch ben ik te moede als een +gevangen vogel, die de kooi ontvlucht is. Goede God, zulk een rit +in den nacht door de woestijn en over de bergen! Een snelvoetig +dier onder zich, en boven zich geen zoldering, alleen de blauwe +hemel en ontelbare sterren! Altijd voorwaarts, naar een heerlijk +doel! Geheel aan zichzelve overgelaten, met eene gewichtige zending +belast, als een groot mensch! Is dat niet kostelijk? En als de lieve +God mij helpt, als ik den veldheer vind en het mij gelukt zijne ziel +te roeren.... zeg zelf, Eudoxia, zou er wel op de geheele wereld een +gelukkiger meisje zijn?" + +In de herberg van Nesptah vonden zij den Masdakiet met voortreffelijke +dromedarissen en de noodige drijvers en dienaars. De Griekin gaf aan +hare leerlinge nog vele nuttige lessen mede en daarbij met geheel heur +hart haar moederlijken zegen. Rustem tilde het kind op den dromedaris, +bracht met zorg zijne zitplaats in den zadel in orde, en de kleine +karavaan zette zich in beweging. Maria wuifde de oude leermeesteres en +nieuwe vriendin met een doekje vele groeten toe en Eudoxia keek haar +nog na, toen zij reeds lang in het duister was verdwenen. Daarop ging +deze naar huis, eerst stil weenende en met gebogen hoofd, daarna met +opgerichten hoofde, zonder tranen en met vasten tred. Zij was bijzonder +welgemoed, haar hart klopte veel krachtiger dan het in jaren gedaan +had, en zij rees in eigen oogen door het bewustzijn, dat zij niet meer +handelde naar de belemmerende voorschriften van een moeielijken plicht, +maar als een vrij mensch naar eigen oordeel en inzichten. Zij zou zich +weten te verdedigen en de anderen bewijzen, dat zij goed gehandeld had. + +Toen Maria bij het avondeten werd gemist en ook op het uur dat men +zou gaan slapen nog niet te huis was, had Eudoxia veel te doen om +de anderen gerust te stellen en te troosten; zij moest zich menige +verkeerde uitlegging van haar uitblijven laten welgevallen. Doch zij +nam alles geduldig op zich, en het deed haar goed voor hare lieveling +veel te verdragen. Den volgenden morgen toen zij vrouw Johanna Maria's +brief overhandigd had, werden haar geduld en hare liefde op nog +harder proef gesteld; ja de zachte, goedige weduwe ontzag zich niet +tegen haar uit te varen op eene wijze, die haar voor weinige dagen +ontwijfelbaar zou hebben genoopt met booze, scherpe woorden haar +ontslag te vragen. Doch zij hoorde alles rustig aan, en eerst toen +tegen den middag de bisschop verscheen, om het kind naar het klooster +te brengen, en deze toornig werd over het verdwijnen van Maria, de +weduwe bedreigde en haar verzekerde, dat hij de kleine in het gansche +land laten zoeken en eindelijk wel vinden zou, gevoelde zij dat nu de +beurt aan haar gekomen was, om zich over eene overwinning te verheugen. + +De Griekin liet den bisschop kalm het huis verlaten. Toen hij +vertrokken was, schoot zij eerst haar laatsten en besten pijl af, door +vrouw Johanna te bekennen, dat zij het waagstuk van het kind in de hand +had gewerkt, om het te redden uit het klooster. De in haar ontwaakte +moederlijke liefde maakte haar welsprekend, en wat zij nauwelijks +meer verwacht had, had werkelijk plaats: de kleine vrouw met het warme +hart, die haar gisteren met zulke booze woorden beleedigde, sloeg de +armen om haar langen, mageren hals, bood haar den mond tot een kus, +noemde haar een braaf en degelijk meisje, en vroeg vergiffenis voor +alles, wat zij haar gisteren had aangedaan. Toen de Griekin zich ter +ruste begaf, was het haar, alsof hare jaren waren afgenomen en zij +het onschuldige jonge schepseltje weder meer gelijk was geworden, +dat zij geweest was onder hare zusters in het ouderlijk huis. + + + + + + +DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Paula wist nu wat haar bedreigde. De bisschop Johannes had het haar +medegedeeld, hoewel met alle omzichtigheid en met de verzekering, +dat hij altijd nog vast hield aan de hoop, de uitvoering van dit +zondig heidensch gruwelstuk te kunnen verhinderen. Doch ook zonder den +prelaat zou de veroordeelde vernomen hebben welk lot haar wachtte, +want dagelijks verzamelden zich talrijke volksmenigten voor de +gevangenis, en zelfs over de hooge muren drong het geroep, om "de +Nijlbruid" te zien tot haar door. Vaak werd haar met geestdrift +een "heil!" toegeroepen, maar hadden de onzinnigen tevergeefs hunne +keelen heesch geschreeuwd, dan smaadden zij haar op de schandelijkste +wijze. De kreet: "de Nijlbruid!" kwam van den vroegen morgen tot +den laten avond niet tot zwijgen, en de kerkermeester was blijde, +dat de bisschop hem ontheven had van de taak om Paula te verklaren, +wat dat noodlottige woord beteekende, naar welks zin zij hem reeds +herhaaldelijk had gevraagd. Aanvankelijk had dit nieuw en vreeselijk +gevaar haar schrik aangejaagd en diep geschokt, doch om rustig en zoo +mogelijk blijmoedig gestemd voor haar zieken vader te verschijnen, deed +zij al haar best, om vast te houden aan de hoop van den bisschop. Dit +gelukte haar eenigermate overdag, doch des nachts werd zij door angst +gemarteld, en in hare verbeelding zag zij zichzelve zooals zij, door +een razenden volkshoop omgeven, naar den stroom werd gesleept, om voor +de oogen van duizenden in het natte graf geworpen te worden. Geen +gebed, geen wilskracht, geen worstelen vermocht iets tegen dit +schrikbeeld, geen teedere liefdegroet, gelijk Orion haar telkens deed +toekomen, geen lied, dat hij in de korte uren van verpoozing, die hij +zich gunde, der beminde toezong, geen troostwoord van den bisschop, +geen bezoek van lieve vrienden. + +Deze laatsten liet de bewaarder bij haar toe, zoo veel hij kon, en +onder hen, die tot haar vermochten door te dringen, behoorden ook de +senator Justinus en zijne vrouw Martina. Tot haar geluk hadden dezen, +zoodra de badslaven van de weduwe Susanna ziek waren geworden en +de verklaring van den arts hun ter oore was gekomen, dat hij deze +krankheid voor het begin van de pest hield, het huis van hunne +vriendin verlaten, om andermaal hun intrek te nemen in de herberg +van Sostratus. Hun neef Narses, die uit de slavernij verlost was, +bleef echter bij Katharina's moeder achter. Eigenlijk had deze hen +met Heliodora moeten volgen, doch juist toen zij gereed waren om op +te breken, had de pest vrouw Susanna reeds aangetast en de overheid +verboden dat iemand het huis zou verlaten. + +Heliodora zou het misschien gelukt zijn alleen naar de stad te +vluchten, doch zij wilde den ongelukkigen zwager voor geen prijs +verlaten. Alleen in hare tegenwoordigheid gevoelde hij zich beter, +alleen door haar liet hij zich verplegen, en hij weigerde spijs en +drank, wanneer zij het niet was, die ze hem aanbood. Hier kwam bij +dat de vroeger zoo gezette officier der ruiterij in zijn ziekelijken +toestand treffend geleek op haar gestorven gemaal, terwijl zij wist +dat Narses haar eerder dan deze had liefgehad en wat hij voor haar +gevoelde alleen verborgen gehouden had om zijns broeders wil. Haar +lust om te verplegen vond hier bevrediging, en de zorg voor den +half vernietigden, maar toch nog niet geheel verloren jongen man, +de wensch hem in het leven te behouden, hield haar dag en nacht op +de been en deed haar al het overige als bijzaak beschouwen. Zij had +weder iets om voor te leven, haar streven had een doel gevonden dat +bereikbaar was, en zij wijdde zich daaraan met hart en ziel. Haar +oom had haar in het geheim medegedeeld, dat Orion eene ernstige +liefde voor Paula had opgevat. Dat was voor haar eene smartelijke +teleurstelling geweest, doch de Damasceensche had haar eerbied +afgedwongen, en ofschoon hare eigenliefde was gekrenkt, toch deed het +haar goed den geliefden jongeling aan niemand minder dan aan deze +jonkvrouw te verliezen. Wanneer haar verlangen naar hem in menige +stille ure desniettemin weder ontwaakte, scheen het haar toe, dat +zij den verpleegde verongelijkte en in zijne rechten verkortte. + +Wat Katharina betrof, was Heliodora, na hare moeder, het uitverkoren +voorwerp harer zorg. De minste klacht van deze twee maakte haar +vreeselijk beangst, en wanneer Susanna afgemat van de hitte zich +neerwierp op den divan, of de jonge vrouw na een bij haren kranke +doorwaakten nacht, over de vroegere hoofdpijnen klaagde, werd het +meisje bleek, voelde zij haar hart pijnlijk kloppen, en zag zij +in hare verbeelding de eene na de andere door de pest aangetast, +met gloeiend hoofd en de verschrikkelijke, noodlottige vlekken op +voorhoofd en wangen. Zoodra zulke schrikbeelden de jeugdige misdadige +van verre naderden, gevoelde zij telkens weder die rampzalige drukking +op dezelfde plek van het hoofd, waar de door koorts verhitte hand +van den kranken bisschop had gelegen. + +De vrouw van den senator had bij de gevangenneming van Paula hare +houding tegenover het kwikstaartje zoo zeer veranderd, dat Katharina +in haar niet anders zag dan een wandelend verwijt, en zij dus niet +ongaarne het waardige paar het huis had zien verlaten. Doch nauwelijks +waren zij vertrokken, toen in hunne plaats het grootste onheil de +woning binnentrad. De slaaf, die belast was met het stoken van den +badoven, had een deel der verpeste kleederen, die men hem had gegeven +om te verbranden, achtergehouden, en zijn zoon die hem daarbij had +geholpen, en hare voedster, de moeder van haar zoogbroeder Anubis, +waren dadelijk na hare terugkomst van de tooveres en den bisschop in +persoonlijke aanraking met haar gekomen. Deze drie waren het eerst +door de pest aangetast. Zij waren naar de tent voor de zieken gebracht, +de oude stoker en de voedster reeds als lijken. Maar had men met deze +lieden de verschrikkelijke plaag ook het huis uitgejaagd? Zoo niet, +dan kwamen zij aan de beurt, die zijzelve het als een sluipmoordenaar +rondwarend monster in de armen had geworpen: eerst Heliodora en +daarna hare moeder! Eigenlijk had zij deze twee voor moeten gaan, +en wanneer de ziekte die anderen aangreep en de dood haar ten laatste +in het graf stiet, dan bewees hij haar daarmede eene weldaad. + +Zij was nog zoo jong en toch haatte zij het leven, dat haar niets +meer opleverde dan vernedering, ontgoocheling en pijlschoten, +die haar hart van uit den kerker tot in het binnenste troffen, +en gruwzame doodsangst, die haar geen rust liet, bij dag noch bij +nacht. Toen de arts kwam, om de zieken naar de tent in de woestijn te +doen overbrengen, vertelde hij terloops, dat de rechters de dochter +van Thomas ter dood hadden veroordeeld, en dat het volk zoowel als de +senatoren besloten waren, niettegenstaande het verzet van den nieuwen +bisschop, haar volgens oud gebruik als een offer in den stroom te +werpen. Eerst morgen zou het lot van Orion beslist worden, doch het +deed hem bij de Jacobietische rechters zeer veel kwaad, dat hij zich +deze Melchietin tot vrouw had uitverkoren. Katharina had zich toen +aan den leuningstoel harer moeder moeten vasthouden, om niet op de +knieën te vallen, en met hoogroode wangen hoorde zij den arts uit, +tot deze het geduld verloor en haar verliet, ontstemd over zulk een +overmaat van vrouwelijke nieuwsgierigheid. + +Ja "de andere" was nu voor de geheele wereld zijne bruid; doch zij was +het alleen, om te sterven! Het was haar bij deze gedachte of een heete +stroom in haar binnenste kookte en zij had luide willen schaterlachen +en ieder om den hals vallen. Afschuwelijk, boosaardig leedvermaak was +het, dat haar aangreep, maar dit gaf haar genot, heerlijk genot; het +was eene bloem der hel, doch met glansrijke bladeren en een bedwelmende +geur. Maar hare kleur verblindde en van de geur gevoelde zij weldra +afkeer. Zij werd bang voor zichzelve, en toch had zij telkens weder +willen juichen, wanneer de gedachte bij haar opkwam: "de andere moet +sterven!" Hare moeder vreesde, dat hare dochter ook ziek zou worden, +want hare oogen schitterden met zulk een vreemden glans; zij was zoo +onrustig, zoo zenuwachtig opgewonden. + +Sedert Heliodora de door merg en been gaande tijding van Orions en +Paula's verloving, met onbegrijpelijke, zij het ook pijnlijke kalmte +had aangehoord, was zij voor het heetbloedige meisje niet meer dan +een zwak, nietsbeteekenend schepsel, dat hare opmerkzaamheid niet +waard was. En om harentwil had zij iets gedaan, dat zoo sprekend op +een moordaanslag geleek als de eene adder op de ander, had zij zelfs +het leven harer eigene moeder in gevaar gebracht! Het was om radeloos +te worden, om zichzelve met roeden te geeselen. + +Toen vrouw Susanna haar dien avond een nachtkus gaf, klaagde +zij over eene lichte pijn in den hals, en over hare lippen, die +gezwollen waren, zoo zij dacht. Katharina hield haar staande, hoorde +haar uit met eene bevende stem, bracht het licht bij haar mond en +zocht met ingehouden adem op haar gelaat, haar hals en hare armen +naar de vreeselijke vlekken. Doch zij kon er geene ontdekken, en +vrouw Susanna lachte over hare angst en noemde Katharina haar goed, +zorgzaam kind en waarschuwde haar, zich niet te bevreesd te maken, +daar dit haar vatbaar maakte voor de ziekte. Dien nacht kon het +meisje den slaap niet vatten. Het leedvermaak was verdwenen: alleen +smartelijke gedachten en angstwekkende beelden beklemden haar wakende, +en nog onverbiddelijker als zij indommelde. Bij het aanbreken van de +schemering werd hare bezorgdheid over hare moeder zoo groot, dat zij +opstond en tot haar ging. Maar Susanna sliep zoo vast, dat zij haar +kind niet eens hoorde. Gerustgesteld ging Katharina heen, maar tegen +den morgen gebeurde wat zij zoo gevreesd had--vrouw Susanna gevoelde +zich niet meer in staat op te staan, had de koorts, en boven hare +lippen, dezelfde lippen, waarmede zij haar verpeste lokken had gekust, +vertoonden zich tusschen mond en neus inderdaad en onloochenbaar de +eerste schrikkelijke vlekken. + +De arts verscheen en verzekerde dat het de pest was. De villa werd van +de buitenwereld afgesloten. De geneesheer en vrouw Susanna, die nog bij +haar volle bewustzijn was, wenschten, drongen er ten sterkste op aan, +bevolen zelfs dat Katharina naar de tuinmanswoning zou verhuizen; maar +zij weigerde dit met onwrikbare trots en verklaarde liever te willen +sterven dan van hare moeder te scheiden. In hare radeloosheid wierp +zij zich over de kranke, om de roode vlekken aan haren mond te kussen +en de pest zoo te doen overgaan in haar eigen bloed. Doch de arts trok +haar met weerzin weg, en de zieke berispte haar met betraande oogen, +waaruit tegelijk hare innige liefde sprak. + +Van nu aan mocht zij de verpleging harer moeder op zich nemen. Twee +nonnen stonden haar daarbij ter zijde en zeiden niet alleen tot de +lijdende, maar ook tot elkander achter den rug der rijke weduwe, dat +zij zulk eene zelfopofferende, liefdevolle dochter nog niet ontmoet +hadden. Ook in tegenwoordigheid van bisschop Johannes, die zich niet +ontzag de huizen der aangetasten binnen te gaan en hun te troosten, +roemden zij de houding van Katharina, en de prelaat, die in het +kwikstaartje tot hiertoe slechts een flink, vroolijk kind had gezien, +bejegende haar met achting, knoopte met haar gesprekken aan als met +eene volwassene, en beantwoordde uitvoerig en ernstig hare vragen, +die grootendeels op Paula betrekking hadden. + +Vol bewondering voor de zielegrootheid van Thomas' dochter vertelde +de prelaat aan het meisje, hoe zij, om haar geliefde te redden, +een misdrijf op zich genomen had, dat haar alle aanspraak op genade +ontnam. De Damasceensche was wel is waar eene Melchietin, maar uit +liefde de schuld van een ander op zich te laden, zoo iets dan mocht +dit heeten Christus na te volgen. + +Katharina haalde de schouders op, als wilde zij zeggen: "En vindt +gij dat groot? Zou hetzelfde mij ook niet licht zijn gevallen?" + +De priester merkte dit op en vermaande haar op vriendelijken toon, +zich te wachten voor geestelijken hoogmoed, hoewel zij zich ook het +recht had verworven met het zwaarste belast te worden en niet ophield +een voorbeeld te geven van kinderlijke en christelijke liefde. + +Daarop verwijderde hij zich, en Katharina, die elken lof op hare +houding tegenover hare moeder, die door haar schuld op het ziekbed was +geworpen, als eene kwellende beleediging beschouwde, waarover zij zich +boos maakte, begon te meenen, dat zij dezen waardigen man bedrogen +had. Doch het verwijt van geestelijken hoogmoed verdiende zij niet, +want in dit stille vertrek, op welks drempel de dood stond, herinnerde +zij zich telkens weder alle vreeselijke misdaden die zij begaan had, +en bekende zij zich onophoudelijk, dat zij van alle zondaressen de +grootste, de slechtste was. + +Soms gevoelde zij behoefte, om aan een ander gemoed haar vertrouwen te +schenken, aan bevriende oogen hare innerlijke ellende te toonen om er +in te deelen. Den bisschop, den eerwaardigen priester, dien zij kende, +had zij bijzonder gaarne alles bekend, en zich eene boete willen laten +opleggen, hoe zwaarder hoe beter. Doch de schaamte over hetgeen zij +begaan had hield haar daarvan terug, en nog stelliger, nadrukkelijker +iets anders. De geestelijke, dat wist zij, zou van haar verlangen, +met het oude leven te breken, de gevoelens en wenschen met wortel +en tak uit hare ziel te rukken en een nieuw leven te beginnen. En +daartoe was de tijd nog niet gekomen. Hare liefde was voor haar nog +eene levensvraag, en de haat haar nog te dierbaar. Eerst als Paula, "de +andere", haar vreeselijk vonnis had ondergaan; als zij, Katharina, met +de oude gevoelens in het hart zich daaraan verkwikt had; als het haar +gelukt was, Orion te toonen, dat hare liefde voor hem niet minder groot +en sterk en zelfopofferend was geweest dan die van Thomas' dochter; +als zij hem--wanneer dan ook, het zou en moest geschieden--zou hebben +gedwongen te erkennen, dat hij haar smadelijk miskend en zich aan haar +bezondigd had--dan, eerst dan wilde zij vrede maken met zichzelve, de +kerk en haren Heiland, als het zijn moest den sluier aannemen en het +overige van haar jonge leven als boetelinge in een klooster of in eene +eenzame rotsspelonk in droefheid verslijten. Doch thans, nadat Paula, +zijne bruid, dit groote voor hem gedaan had, ongezien, onopgemerkt, +zonder dat hij er acht op sloeg, misschien door hem vergeten, een +einde te maken aan hare liefde, zich in zichzelve terug te trekken, +buiten zijn gezichtskring, dat ging alle menschelijke krachten te +boven! Liever wilde zij dan te gronde gaan naar lichaam en ziel, +liever in handen van den satan vallen en lijden in de hel, waaraan +zij even vast geloofde als aan haar eigen bestaan. + +Zoo ging zij voort hare moeder te plegen, zag zij hoe de roode vlekken +zich uitbreidden over het geheele lichaam van de kranke, en de koorts, +die haar sloopte, van dag tot dag, van uur tot uur in hevigheid toenam; +hoorde zij met ontzetting en akelig welbehagen, waarvan zijzelve gruwde +en waaraan zij zich toch overgaf, gewagen van de toebereidselen voor +het offer der Nijlbruid; liet zij zich door den bisschop van Paula, +haren stervenden vader en Orion vertellen; beefde zij voor de kleine +Maria, die uit 's buurmans huis was verdwenen, tot zij te weten kwam, +dat het kind de wijk had genomen, om het klooster te ontvluchten; +vernam zij dagelijks, dat Heliodora, die met haar verpleegde naar +de tuinmanswoning was verhuisd, nog van de pest verschoond bleef; +smeekte zij in gebeden, die zij ook thans niet verzuimde 's avonds en +'s morgens ten hemel te zenden, den lieven God en hare heiligen, om +de jonge vrouw te bewaren, haar zelve niet tot eene moedermoordenares +te maken, dat door haar verraad de eerwaardige Rufinus, dien zij +had liefgehad, en met hem zoovele onschuldige menschen om het leven +waren gekomen. + +Zoo verliepen akelige dagen en nachten vol kwelling, en de door +Katharina's schuld in den kerker gebrachte gevangenen, waren gelukkiger +dan zij, ondanks het vreeselijke, dat hen bedreigde. Wat zijne +geliefde boven het hoofd hing, kwelde Orion als ontelbare brandende +wonden. Onherroepelijk naderde Paula's vreeselijk einde, waaraan hij +bijna niet denken mocht. Overmorgen--de gevangenbewaarder, de senator +Justinus, de bisschop hadden het hem in het geheim medegedeeld,--zou +het huwelijksfeest zijner verloofde gevierd worden. Overmorgen wilden +ellendige spottershanden de bruid optooien voor een schandelijk, +doemwaardig comediespel, haar bekransen en uithuwelijken, niet met +hem, den bruidegom dien zij lief had, maar met den Nijlstroom, het +gevoelloos, doodend element. + +Als een waanzinnige liep hij vaak door zijne cel op en neer, brak hij +de snaren, als hij soms in het luitspel troost zocht; maar dan vernam +hij uit het aangrenzend vertrek eene kalme, welmeenende stem, die van +den rentmeester Nilus, die hem vermaande de hoop niet op te geven, +op God te vertrouwen, zijn plicht en zijne taak niet te vergeten. Dan +herstelde hij zich weder, verzamelde hij opnieuw zijne krachten en +verdiepte zich geheel in zijn arbeid. Het was hem om 't even, of het +dag of nacht was. De senator had voor olie en lampen gezorgd. Als +vermoeienis hem overviel, genoot hij niet langer van den korten slaap +op het harde leger, dan de natuur volstrekt eischte. Doch zoodra hij +een weinig was uitgerust, verdiepte hij zich weder in zijne plannen en +lijsten, voerde hij den schrijfstift, dacht hij na, teekende, rekende +en overwoog. Zoodra er twijfelingen bij hem opkwamen en hij zijn eigen +oordeel en geheugen niet vertrouwde, klopte hij aan den wand van het +aangrenzend vertrek, en de verstandige, ervaren vriend was steeds +bereid, hem naar zijn beste weten en inzicht te helpen. De senator +deed een tocht naar Arsinoë, om hem het noodige over het meerland +uit het archief aldaar te verschaffen, en zoo vorderde de arbeid en +naderde het einde, deze versterkte en verhief zijn zinkenden moed, +vervulde hem met vreugde, ziende dat het gelukte, deed hem menigmaal +uren lang vergeten, wat anders wel in staat was, ook den moedigste +tot vertwijfeling te brengen. + +Zoo vaak de gevangenbewaarder, de senator, diens wakkere gemalin +Martina, vrouw Johanna of ook de Griekin Eudoxia, aan wie de weduwe +tweemaal toestond haar te vergezellen, hem bezochten, gaf hij haar +eene mondelinge of schriftelijke mededeeling, hoever hij gevorderd +was met de oplossing van het vraagstuk, voor Paula mede, en het gaf +haar troost en innerlijke vreugde, hem bij zijn arbeid te volgen. Ook +menig teeken van liefde, achting en bewondering sterkte de gevangene, +wanneer haar moedig hart dreigde te bezwijken. + +Ach haar kwelde niet alleen de afschuw van dien vreeselijken dood! Het +grootste geluk haars levens was voor haar geweest het terugvinden +van haren vader, en deze kwijnde onherstelbaar weg, onder hare +liefderijke verpleging. Die ongelukkige verwonde long weigerde den +dienst. Met moeite en onder pijn kon hij alleen nog enkele druppels +wijn en eenige beten broods gebruiken, en zijn heldere geest was +in de laatste dagen als beneveld geworden. Wellicht tot zijn geluk, +zeide zij tot zichzelve en tot hare vrienden. Ook hij had de kreet: +"Heil de Nijlbruid!" "Naar buiten met de Nijlbruid!" "Weg met +de Nijlbruid!" vernomen, en ofschoon hij de beteekenis ervan niet +begreep, hielden die stemmen hem in de laatste dagen toch voortdurend +bezig. Dat schrikkelijke, vreemd klinkende woord scheen hem bijzonder +te bevallen, want tot kwelling van Paula prevelde hij het gaarne, +nu eens op teederen, dan weder op ernstigen toon. + +Soms kwam de gedachte bij de jonkvrouw op, om een einde aan haar +leven te maken, alvorens het verschrikkelijk vonnis werd voltrokken, +voor zij zich aan een geheel volk liet tentoonstellen en door de +menigte aangapen, vóor zij het middelpunt aanbood van een vermakelijk, +opwekkend, maar tevens afschuw- en medelijdenwekkend schouwspel. Maar +mocht zij dit doen? Mocht zij God vooruitloopen, op wien zij hoopte, +in wiens hand zij zich overgaf in ontelbare stille en innige +gebeden? Neen! Tot het laatste oogenblik wilde zij vertrouwen en +hopen. Zonderling, zoo vaak haar weerstandsvermogen zijn grens had +bereikt, zoo vaak zij meende stellig en zeker niet verder te kunnen, +en te moeten bezwijken, kwam haar iets te gemoet, waaraan zij zich +weder oprichten kon, dat haar troost en bemoediging bracht; want dan +kwam er een boodschap van Orion, trad vrouw Johanna of Pulcheria bij +haar binnen, liet de bisschop haar om een onderhoud vragen, kreeg haar +vader zijn bewustzijn weder en sprak hij schoone, hartverheffende +woorden. Dikwijls diende de bewaarder ook het senatorenpaar aan, +welker gezonde, blijmoedige stemming altijd het juiste woord voor +haar wist te vinden. Inzonderheid vrouw Martina verstond de kunst +om met moederlijke fijngevoeligheid op alles acht te geven, wat haar +vervulde, en eens toonde zij haar ook een brief van Heliodora, waarin +deze de matrone mededeelde, hoe heerlijk haar hart tot rust kwam bij +de verpleging harer lieve kranke, en hoe dankbaar zij zich gevoelde, +dat hare moeite en zorg beloond werden; want Narses was reeds een +geheel ander mensch geworden, en zij kende geen hooger taak, dan dezen +ongelukkige weder met het leven te verzoenen, ja er hem liefde voor +te doen opvatten. Zij dacht aan Orion niet anders dan aan een schoon +lied, dat zij eens in eene vriendelijke ure gehoord had. + +Zoo vloog de tijd voor de gevangene om, tot nog maar twee nachten haar +van den Serapisdag scheidden, waarop de vreeselijke bruiloft gevierd +zou worden. Toen, het was tegen den avond, liet de bisschop zich bij +Paula aandienen. Hij achtte het zijn plicht haar mede te deelen, dat +de voltrekking van het vonnis op overmorgen bepaald was. Hij bleef +tot het einde aan zijn geloof en zijne hoop vasthouden, maar zijne +macht over de misleide, opgeruide gemoederen was gebroken. In elk +geval zou hij, als het ergste gebeurde, aan hare zijde blijven, om +haar te beschermen door de waardigheid van zijn ambtsgewaad. Hij kwam +reeds heden, om haar tijd te laten in elk opzicht hare beschikkingen +te maken. Het zou hem tot eene vreugde, ja tot een dierbaren plicht +zijn voor haren edelen vader te zorgen tot zijn laatste oogenblik. + +Maar hoe stellig zij ook sedert lang op het uiterste was voorbereid, +trof deze tijding haar toch als een bliksemstraal. Wat haar wachtte +scheen zoo ontzettend en zonder voorbeeld, dat het wel nimmer +mogelijk kon zijn, zulk een einde standvastig en gelaten tegen te +gaan. Een tijd lang moest zij, zichzelve bijna niet meester, zich +aan hare trouwe Betta vasthouden en langzamerhand eerst voelde zij +zich in staat den bisschop te woord te staan en hem te danken. Doch +Johannes betreurde zijn onvermogen en zeide hare erkentelijkheid +niet ten volle te verdienen, want het antwoord van den patriarch +op zijne aanklacht tegen hen, die het volk voorspiegelden dat eene +heidensche misdaad redding zou verschaffen, dit schrijven, waarop hij +al zijne hoop had gesteld was anders uitgevallen, dan hij verwacht +had. Wel is waar veroordeelde de patriarch het schandelijk offer, +doch het geschiedde op eene manier, waaraan alle kracht ontbrak, +om de misleiden schrik aan te jagen en te ontmoedigen. Toch wilde +hij beproeven welk eene uitwerking dit schrijven op het volk zou +uitoefenen, en hij had een aantal afschrijvers opgedragen het in +dezen nacht te vermenigvuldigen. Morgen zouden de afschriften onder +de senaatsleden verdeeld, op de markt aan alle openbare gebouwen +aangeslagen en onder de menigte uitgedeeld worden. Toch vreesde hij, +dat alles zonder uitwerking zou blijven. + +"Sta mij dan bij, om mij op den dood voor te bereiden," verzocht Paula +somber. "Gij zijt geen priester mijner kerk, Johannes, maar deze kan +geen waardiger dienaar hebben. Wanneer gij mij in naam van uw Heiland +vergeeft, dan zal mij ook mijn Verlosser vergeven. Wel beschouwen +wij hem anders, maar daarom blijft hij voor ons beiden dezelfde." + +In den strengen Jacobiet werd de lust tot tegenspraak wakker, maar +hij wist die in deze ure te onderdrukken en antwoordde alleen: +"Spreek mijne dochter, ik luister!" + +En nu stortte zij haar gemoed voor hem uit, als ware hij een +zielenherder van haar eigen geloof, en den prelaat welden de tranen +in de oogen bij deze biecht van eene reine, liefdevolle, het beste +en het hoogste zoekende ziel. Hij verzekerde haar van de genade +zijns Verlossers, en nadat hij "Amen" gezegd en haar gezegend had, +zag hij een tijdlang voor zich en zeide eindelijk: "Volg mij, kind!" + +"Waarheen?" vroeg zij onthutst, want zij geloofde dat hare laatste +ure reeds gekomen was, en hij zich gereed maakte, haar naar de +gerechtplaats of haar vochtig, eeuwig stroomend graf te voeren. + +Doch hij antwoordde bewogen: "Neen mijn kind! Heden heb ik alleen +de aangename taak te vervullen uwe verloving in te zegenen voor het +aangezicht van den Allerhoogste, wanneer gij mij belooft uw bruidegom +niet af te trekken van het geloof zijner vaderen. Want wat geeft een +man al niet prijs, als de liefde tot eene vrouw hem beheerscht! Belooft +gij dat? Welnu, dan geleid ik u tot uw Orion." + +Daarop klopte hij aan de deur der cel, en toen de wachter haar opende, +fluisterde hij hem een bevel in het oor. Zij volgde hem zwijgend en +met blozende wangen; weinige oogenblikken later lag zij in de armen +van haar geliefde, en voor de eerste misschien voor de laatste maal +huns ganschen levens vonden zijne lippen de hare. + +De prelaat liet hun een korten tijd bij elkander, en nadat hij beiden +en hunne verloving gezegend had, bracht hij haar weder naar hare cel +terug. Daar gekomen had zij nauwelijks tijd, hem uit de volheid van +haar overvol gemoed te danken, want een veiligheidswachter kwam hem +ontbieden naar het huis der weduwe Susanna: hare laatste ure was nabij, +misschien reeds gekomen. + +Johannes volgde den bode onverwijld, Paula zag hem vrijer ademhalende +na. Toen wierp zij zich aan de borst van hare voedster en zeide: "Laat +nu komen wat wil: Niets kan ons meer scheiden, zelfs niet de dood!" + + + + + + +VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +De bisschop kwam te laat. Hij vond alleen het lijk van de weduwe +Susanna, en aan het hoofdeinde van het sterfbed de kleine Katharina +doodsbleek, zwijgende, zonder tranen, als verpletterd. Hij trachtte +haar op te beuren en een vriendelijk woord van troost toe te spreken, +maar zij stiet hem terug, rukte hare handen uit de zijne en vloog, +eer hij het verhinderen kon, de kamer uit. + +Arm kind! Hij had aan menig sterfbed teeder liefhebbende dochters hare +moeder zien betreuren, maar zulk een vorm van droefheid had hij nog +niet ontmoet. Hier, dacht hij, zijn twee menschenzielen voor elkander +alles geweest, en vandaar deze verpletterende smart. + +Katharina was naar hare kamer gevlogen, had zich daar op den divan +geworpen en hare ledematen zoo in elkander getrokken, dat geen +binnentredende dat onkenbare, levende iets daar op het kussen voor +een menschelijk wezen, een volwassene hartstochtelijke en gevoelige +jonkvrouw zou hebben gehouden. Het was zeer heet, en toch voer de +eene koude rilling na de andere haar door de teedere leden. Was +het misschien de pest, die ook haar aangreep? Maar neen, het ware +een te groote genade van het lot geweest, zich over haar lijden +te erbarmen. Hare moeder dood, door hare eigene dochter in het graf +gesleept! Op hare lippen was de ziekte uitgebroken, en hoe dikwijls had +de arts zijne bevreemding uitgesproken, dat de pest in dit gezonde, +geheel verschoonde kwartier en in een zoo zorgvuldig rein gehouden +huis was binnengedrongen. Zij wist wie de doodsengel op de hielen +was gevolgd, wie daar misdadig met hem had gespeeld. Het woord +"moedermoordenares" kwam in haar geest op, en zij dacht aan de wet +harer voorvaderen, die geen straf had gesteld op moord van ouders, +omdat de vaderen zulk eene onnatuurlijke daad voor onmogelijk hielden. + +Een spottende glimlach speelde haar daarbij om de +lippen. Wet! Voorschrift! Was er wel een die zij niet had +overtreden? Zij had haren God geminacht, zich met tooverij ingelaten, +valsche getuigenis gegeven, gedood, en het eenige gebod, dat tevens +eene gelofte bevatte, en dat, als de arts Philippus goed onderricht +was, letterlijk zooals op de tafelen van Mozes, onder de instellingen +der ouden stond opgeteekend, hoe had zij dat gehouden? Hare eigene +moeder was door haar in het verderf gestort. Bij deze schrikkelijke +zelfbekentenis voelde zij steeds die huivering door hare leden, +en toen dit haar ondragelijk begon te worden, ging zij op en +neer loopen, zoekende naar verontschuldigingen voor hare misdadige +handeling. Niet hare moeder maar Heliodora had zij gewenscht den dood +te brengen--waarom had het grillige noodlot... + +Daar werd zij gestoord, want de jonge vrouw, tot wie de droeve +tijding was doorgedrongen, zocht haar op, om haar te troosten +en hare hulp aan te bieden. Zij sprak het meisje liefderijk toe, +doch hare zachte welluidende stem herinnerde Katharina aan de ure +na den dood des bisschops, en toen Heliodora de armen uitstrekte, +om haar te omhelzen, ging zij achteruit en verzocht met een heesche, +ruwe stem haar niet aan te raken want aan hare kleederen kleefde de +smetstof. Zij had geen troost noodig; zij begeerde slechts alleen te +zijn, geheel alleen, en niets meer. + +Deze laatste woorden klonken hard en onvriendelijk, en toen de +deur zich achter de jonge vrouw sloot, zag Katharina haar vijandig +na. Waarom was de dood deze voorbijgegaan en had hij juist haar als +offer geëischt, wier verlies voor haar onherstelbaar was? Nu trad +het beeld harer moeder haar levendig voor den geest; zij ijlde weder +naar het sterfbed terug en wierp zich daarbij op de knieën. Maar +ook hier kon zij het niet lang uithouden; zij ging naar den tuin en +zocht elk plekje op, waar zij met hare moeder geweest was. Doch zij +hoorde zulk een vreemd gekraak in de boschjes, de boomen en heesters +wierpen zulke wonderlijke schaduwen, dat zij het morgenlicht als eene +uitkomst begroette. + +Toen zij het huis weder binnen wilde gaan, kwam haar zoogbroeder +Anubis haar te gemoet hinken. Die arme schelm! Ook dezen had zij +kreupel gemaakt, ook zijne moeder was door haar toedoen aan de pest +bezweken. De knaap sprak haar aan en gaf haar zijne deelneming te +kennen, zij liet zich dit welgevallen, maar zeide zulke zonderlinge +dingen en gaf hem zulke verkeerde antwoorden, dat hij vreesde dat +de smart haar in het hoofd was geslagen. Zonder eenige aanleiding +deed zij hem ook de vraag, hoeveel zij nu wel bezat, en daar hij +van den rentmeester wist, hoe groot ongeveer het vermogen was en +het haar mededeelen kon, sloeg zij de handen in elkaar; want hoe +kon een enkel mensch, die geen koning was, zulke groote rijkdommen +bezitten? Eindelijk vroeg zij hem of hij ook wist hoe men een testament +moest opstellen, en ook daarop durfde hij toestemmend antwoorden. + +Zij liet er zich door hem eene beschrijving van geven en hij voegde +erbij, dat de onderteekening door getuigen geldig gemaakt moest worden; +maar zij was toch nog te jong, om aan het opstellen van een uitersten +wil te denken. + +"Waarom?" vroeg zij. "Is Paula dan zooveel ouder dan ik?" + +"En overmorgen," liet de knaap erop volgen, "werpt men haar toch in +den Nijl. Het volk noemt haar algemeen 'De Nijlbruid'." + +Daar speelde weder het hatelijk, van innig leedvermaak getuigende +lachje om haar mond; maar zij onderdrukte het spoedig en liep rechtdoor +naar huis. + +Voor de deur vraagde hij haar schuchter, of hij de meesteres nog eens +zien mocht, maar zij moest hem dit weigeren om de besmetting. + +"Wat gij niet vreest, vrees ik ook niet," antwoordde hij trotsch, +en volgde haar naar het sterfbed, waar het lijk, na een bad te hebben +ondergaan, thans keurig uitgedoscht lag. Toen hij Katharina de hand +van de gestorvene zag kussen, drukte hij, zoodra zij even omkeek, zijne +lippen op dezelfde plaats, die de hare hadden aangeraakt. Daarop zette +hij zich naast het sterfbed neer en bleef daar tot zij hem wegzond. + +Vóor het middag was verscheen de bisschop weder en zegende +de ontslapene in. Hij vond haar geheel door kostelijke bloemen +omgeven. Katharina was weder in den tuin geweest, had de schoonste +en zeldzaamste afgesneden en de hovenier wel veroorloofd haar den +korf na te dragen, maar niet haar bij het plukken behulpzaam te +zijn. Het gevoel althans nog iets voor hare moeder te kunnen doen, was +vertroostend voor haar geweest, doch hare omgeving kwam haar bij dag +nog onverdragelijker voor dan bij nacht. Alles scheen haar zoo groot, +zoo ruw, zoo aanmatigend, zoo dreigend toe, en herinnerde haar aan een +onrecht of eene daad, waarover zij zich schaamde. Ieder open oog, zoo +meende zij, moest haar doorzien, en soms was het haar als waggelden +de zuilen van de groote feestzaal, waarin het lijk nu stond, en als +maakte de zoldering zich gereed in te storten om haar te verpletteren. + +Alsof zij er in het geheel niet bij was, zoo gaf zij telkens geheel +verkeerde antwoorden op de vragen van den bisschop. Deze meende +dat zij te zeer onder den invloed verkeerde van hare groote smart, +en om aan hare gedachten eene andere richting te geven, vertelde +hij haar van Paula. Daar hij geloofde, dat Katharina haar liefhad, +deelde hij haar in vertrouwen mede, dat hij haar gisteren bij Orion +gebracht en hare verloving met hem ingezegend had. + +Daar vertrok zich opeens haar gelaat op een wijze, die den bisschop +verschrikte, en gedurende den vreeselijken strijd, die in haar +binnenste woedde, bewoog zich haar boezem onstuimig en krampachtig +op en neer; ten laatste kon zij niets anders uitbrengen dan de vraag: +"En zal men haar toch offeren?" + +De prelaat meende haar te begrijpen. Zij stond zeker onder den indruk +van het ontzettend en gruwzaam einde, dat deze jonge bruid bedreigde, +en hij antwoordde op klagenden toon: "Ik zal de vermetelen niet kunnen +terughouden, en toch zal ook het laatste middel niet onbeproefd +blijven. Het schrijven van den patriarch, dat deze waanzinnige +schanddaad afkeurt, wordt heden uitgedeeld, en op de kurie zal ikzelf +het voorlezen, toelichten en trachten er partij van te trekken door +het nog te verscherpen. Wenscht gij het te lezen?" + +Daar zij deze vraag met welgevallen toestemmend beantwoordde, wenkte +de prelaat den akoluth, die hem met het heilige gereedschap gevolgd +was, en deze haalde uit een pakje een blad, dat hij haar overhandigde. + +Zoodra zij alleen was, doorlas zij den brief van den patriarch, +eerst vluchtig, zonder den inhoud recht te begrijpen, dan met grooter +inspanning en eindelijk opmerkzaam en met klimmende belangstelling, +opgewonden door hetgeen zij zelve er bij dacht, en ten laatste +met fonkelende oogen en versnelde ademhaling, als had dit schrift +betrekking op haarzelve en besliste het over haar levenslot. Toen de +lijkdragers verschenen, zat zij nog op dezelfde plaats, onophoudelijk +op het papyrusblad starende. Zij rees nu op, maakte eene beweging alsof +zij iets van zich afschudde, en nam afscheid van het verstijfde, koude +omhulsel harer moeder, aan wier warm hart zij zoo vaak had gerust, +die bij haar leven haar het meest had liefgehad. Doch ook thans werd +haar de weldaad ontzegd van te kunnen weenen. Zij gevoelde nu niets +meer van de diepe gewetenswroeging, die haar gepijnigd had, want het +was haar alsof de gemeenschap tusschen haar en de gestorvene met den +dood niet was afgesloten, als stond haar na eene korte scheiding een +wederzien te wachten, misschien spoedig, misschien reeds morgen, +en met dat wederzien eene verklaring, eene openbaring van hare +hartsgeheimen, eene opheldering van al het gebeurde, zoo open, zoo +zonder achterhouding, als nooit mogelijk was tusschen sterfelijke +menschen, zelfs niet tusschen dochter en moeder. Wanneer die doove, +blinde, gevoellooze ontslapene met helderder oogen dan zij als mensch +bezat, met geestelijke ooren en gevoelszenuwen daarboven nog eens +alles en alles zag, hoorde, onderzocht, overwoog wat haar bejegend en +aangedaan was, wat zij gevoeld en wat haar tot dit uiterste gebracht +had dan, zeide zij tot zichzelve, zou zij haar misschien harder +berispen en bestraffen dan ooit te voren op aarde, maar haar ook +krachtiger aan haar hart drukken en inniger trachten te troosten. + +Zij fluisterde de doode in het oor, als leefde hare moeder nog: +"Wacht maar, wacht, ik kom spoedig, om u alles te openbaren!" Daarop +kuste zij haar zoo onbezorgd en hartelijk, dat de nonnen ontsteld +haar van het lijk terugtrokken en de lijkbezorgers bevalen de kist +te sluiten. Dezen gehoorzaamden en toen het houten deksel over de +ontslapene werd gelegd, en krakend in de gleuven van de kist werd +gewrongen, zoodat de doode aan Katharinas oogen werd onttrokken, +brak de dam, die tot hiertoe hare tranen had teruggehouden, en begon +zij bitter te weenen. Eerst nu overweldigde haar het gevoel geheel, +dat zij hare moeder had verloren, dat zij eene verlatene wees was, +en alleen stond, geheel alleen in de wijde wereld. + +Zij zag en hoorde niet wat er verder met het geliefde lijk gebeurde, +want toen zij de handen weder wegnam van het in tranen badende gelaat, +was de meesteres uit het huis van de rijke weduwe Susanna verdwenen, +had men haar stoffelijk overschot naar het naastbijzijnde pesthuis +gedragen.--De wet verbood de lijken langer in huis te houden, en +schreef voor, dat zij eerst des nachts begraven mochten worden. Zelfs +het eigen kind mocht de moeder niet naar het kerkhof volgen. + +Met gebogen hoofd begaf Katharina zich naar hare kamer terug, en +staarde van daar in den tuin. Dat alles was nu haar eigendom, daarmede +en met hoeveel meer, mocht zij thans handelen naar welgevallen, +vrij en ongehinderd, gelijk tot hiertoe met haar vogel, haar hondje +en de sieraden daar op haar kaptafel. Honderden kon zij gelukkig +maken met éen woord, met éene beweging harer hand, zichzelve alleen +niet. Zoo geheel volwassen, zoo zelfstandig, zoo vrouwelijk, ja zoo +machtig en toch tegelijk zoo nameloos ellendig en onmachtig als in +deze ure had zij zich nog niet gevoeld. Wat zou zij beginnen met al +dat klatergoud? Het was niet voldoende om ook maar éen zielsverlangen +te bevredigen! + +Zij had met eene belofte van hare moeder afscheid genomen; die vurige +begeerte, die hare geheele ziel vervulde, hield niet op zich te doen +gevoelen, en nu had zij door den brief van den patriarch een wenk +ontvangen, om tot het houden dier belofte, het stillen dier begeerte +te geraken. Onverwijld nam zij dit schrijven weder ter hand en las +het nog eens over. Het begon met eene strenge veroordeeling van het +voornemen der misleide Memphieten. Vervolgens stelde het in het licht, +dat Jezus Christus door zijne zelfopofferend sterven de wereld had +verlost, en met zijn goddelijk bloed den hemel het verlangen naar +menschenoffers had afgekocht. In het uitgestrekt gebied, dat zegenend +door het kruis werd beschaduwd, was daarom elk menschenoffer eene +nuttelooze, eene vloekwaardige gruweldaad. Daarop toonde hij aan, +hoe de heidenen zich hunne goden hadden voorgesteld, als zwakke, +zinnelijke, zondige menschen, en daarnaar ook hunne offeranden hadden +ingericht. "Doch onze God," ging het voort, "staat zooverre boven het +menschelijke, als de geest boven het vleesch, en de offers die hij +verlangt, vraagt hij niet van het vleesch, maar van den geest. Moet +hij zich niet bedroefd en toornig afwenden van de verblinde christenen +te Memphis, die in allen deele willen voelen en handelen als dwaze, +gruwzame heidenen? Zij willen slechts eene vreemde offeren, eene die +een ander geloof omhelst, en wanen dat dit den gruwel voor de oogen +des Heeren zal verminderen; maar Hij heeft er desniettemin een afschuw +van; want geen menschenbloed mag de gewijde, reine altaren van ons +zachtaardig geloof bezoedelen, dat leven wil brengen, niet den dood. + +"Zou--vraag dit, mijn broeder, aan uwe verblinde en verdoolde +schapen--zou de vader der liefde zich verblijden over het gezicht +van een kind, al is het ook een afgedwaald, dat men ter eere van Hem, +den Allerhoogste, in de golven verstikt, terwijl het zich daartegen +verzet en zijne overweldigers vloekt? Ja, als er eene reine jonkvrouw +gevonden kon worden, die door de zaligmakende geestdrift der goddelijke +liefde was aangegrepen, die vrijwillig, naar het voorbeeld van hem, +die door zijn dood de menschheid verloste, zich in de wateren stortte, +en in heilige verrukking met stokkende stem ten hemel riep: 'Neem +mij en mijne onschuld als offer aan, Heer, en red mijn volk uit zijne +ellende!' ja dat zou eerst een waardig offer zijn, en misschien zou de +Heer zeggen: 'Ik neem het aan; maar de wil alleen is mij genoeg. Geen +mijner kinderen werpe het leven weg, dat ik het als heiligste en +dierbaarste gave verleende!'"--Vrome vermaningen aan de gemeente +vormden het slot van dit schrijven. + +Eene jonkvrouw, die zich vrijwillig prijsgeeft aan de golven, om +haar volk uit den nood te redden, zij, zeide de man Gods, door wiens +mond de Allerhoogste zelf sprak, zou een offer zijn, dat den hemel +welbehagelijk is. Deze uitspraak, deze wenk was als een spinrokken, +waarvan Katharina in den geest de draden harer gedachten al verder +en verder uitspon, om die op het weefgetouw te spannen en er een +bruikbare stof van maken. Zij wilde de jonkvrouw zijn, op wie +de patriarch had gewezen, de rechte, de ware Nijlbruid, die het +jonge leven vol geestdrift prijsgaf, om haar volk uit den nood te +redden. Daarin lag eene verzoening, die de hemel kon aannemen, dat +verloste haar van den last des levens, die haar drukte, dat bracht +haar bij hare moeder terug, daarmede toonde zij haren geliefde, +den bisschop, der wereld de grootte van hare offervaardigheid, die +in niets achterstond bij die "der andere," der hooggeroemde dochter +van Thomas. Voor hare oogen, ten aanzien van het gansche volk wilde +zij de groote daad volbrengen. Doch Orion moest weten met welk beeld +in het hart en uit liefde tot wien zij in den bloei des levens den +sprong deed in het vochtige graf der golven. + +O, hoe wonderbaar, hoe heerlijk! Legde zij hem daardoor niet de +volstrekte noodzakelijkheid op aan haar te blijven denken, zoo vaak +hij ook aan Paula dacht? Ja, zóo dwong zij hem haar eigen beeld +onafscheidelijk van dat "der andere" in zijne ziel te laten wonen. En +moest door deze voorbeeldelooze daad hare gestalte niet zoo hoog +rijzen, dat zij in de voorstelling aller menschen en ook in de zijne +de groote Damasceensche gelijk kwam? Van nu aan smachtte zij naar de +gewichtige ure. Haar ijdel hartje lachte de voorsmaak toe der vreugde, +door ieder gezien, geprezen, bewonderd te worden. Morgen zou zij, +de kleine, boven ieder uitsteken, en hoe gevoeliger de gloed van den +brandende zon haar drukte, des te aangenamer scheen het haar toe, +die het baden een genot vond, in het koele element rust te vinden na +de marteling des levens. Deze daad uit te voeren, scheen haar niet +moeilijk. Zij was thans meesteres, en slaven en beambten moesten +uitvoeren, wat zij beval. + +Bij dat alles was zij ook bedacht te zorgen, dat hare uitgebreide +bezittingen niet in handen vielen van verwanten, die zij weinig genegen +was. Zij stelde dus met vaste hand een testament op, waarin zij een +deel van haar vermogen vermaakte aan haar oom Chrysippus, een kleiner +deel aan haren zoogbroeder en aan de weduwe van Rufinus, bij wie zij +een groot onrecht had goed te maken. De grootste helft harer bezitting, +die op vele millioenen geschat werd, vermaakte zij aan haar geliefden +vriend Orion, dien zij alles vergaf, en aan wien zij hoopte getoond +te hebben, dat in het kleine "kwikstaartje" toch plaats was voor iets +groots. Zij verzocht hem ook haar huis aan te nemen, daar hij door haar +toedoen het huis zijns vaders verloren had. De bepaling, die zij aan +deze nalatenschap verbond, bewees hoe bedachtzaam en helder van geest +zij tot den einde toe was geweest. Zij wist, dat de verbolgenheid van +den patriarch voor den jongen man gevaarlijk kon worden; om in dit +opzicht te bemiddelen en tegelijkertijd zich van de voorspraak der +kerk te verzekeren, waarop zij prijs stelde, schreef zij Orion voor, +het grootste gedeelte van het door hem geërfde aan den patriarch over +te geven voor de kerk en voor weldadige doeleinden; echter niet opeens, +maar in tien jaren, en bij gedeelten, zoo groot als Orion geheel naar +eigen inzicht zou willen vaststellen. Indien de zoon van den Mukaukas +binnen drie jaar kwam te sterven, zouden zijne rechten als erfgenaam +op haar oom Chrysippus overgaan. Aan de kerk, waartoe zij behoorde met +geheel haar hart, richtte zij de bede, jaarlijks in alle godshuizen des +lands voor haar en hare moeder op hare naamdagen te laten bidden. Als +de patriarch haar zulk eene eer waardig keurde, zou de bidkapel, die +moest opgericht worden ter plaatse van haar verscheiden, de Susanna- +en Katharina-kapel genoemd worden. Eindelijk maakte zij alle slaven +vrij en bedacht zij rijkelijk de beambten des huizes. + +Terwijl zij dezen haar laatsten wil gedurende vele uren onder ernstig +nadenken opstelde, lachte zij vaak tevreden bij zichzelve. Zij +schreef het stuk eigenhandig netjes over, en liet ten laatste den +arts en alle vrije beambten des huizes hare handteekening als getuigen +bevestigen. Hoewel niemand vermoedde welk voornemen het kwikstaartje +bezielde, zoo verwonderde toch niemand er zich over, dat de jonge in +een verpest huis opgeslotene erfgename over haar vermogen beschikte. De +arts bracht, vóor het nacht werd, den overste der stad, Alexander, +een oud vriend haars vaders, die na den dood van den Mukaukas haar +voogd was geworden, op haar verlangen aan de tuinpoort, en deze +sprak daardoor met Katharina, was bereid haar als kurios te dienen, +en bevestigde als zoodanig het testament en de onderteekeningen, +hoewel zij hem het document niet wilde laten lezen. Eindelijk begaf zij +zich naar het slavenverblijf, waaruit men weder eenige zieken naar de +Necropolis had gedragen, en beval den schippers morgen vroeg de groote +feestboot gereed te maken, daar zij het offer op de rivier wilde +aanschouwen. Zij schreef den tuinlieden voor, hoe zij het vaartuig +optooien moesten en welke bloemen zij voor haarzelve hadden te snijden. + +Veel minder opgewonden dan gisteren begaf zij zich daarop ter ruste, +en vóor zij nog het avondgebed geëindigd had, viel de zwaarvermoeide +in een diepen slaap. Toen zij na zonsopgang ontwaakte, vond zij het +groote, prachtige vaartuig, hetwelk haar vader te Alexandrië had laten +bouwen, geheel bemand en tot de afvaart gereed. Ongehinderd besteeg +zij het met Anubis en eenige dienende vrouwen, daar al de wachters, +die het huis gisteren nog omsingeld hadden, waren saamgetrokken in +de stad voor het groote offer- en bruiloftsfeest, waarbij het licht +onstuimig kon toegaan. + + + + + + +VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Reeds hadden zich gedurende den nacht aan den oever niet ver van +de herberg van Nesptah talrijke toeschouwers verzameld. De menigte +groeide ieder oogenblik aan, en niettegenstaande de groote hitte van +dezen morgen kon geen Memphiet in huis blijven. Mannen, vrouwen en +kinderen stroomden naar de feestplaats; ook uit de naburige steden, +vlekken en dorpen kwamen ze bij duizenden, om van het ongehoorde offer +getuigen te zijn, dat aan den nood des lands een einde zou maken. Wie +had ooit van zulk een huwelijksfeest gehoord? Welk een geluk, welk +een voorrecht het te kunnen bijwonen! + +De senaat had niet stil gezeten en het zijne gedaan, om het feest op +te luisteren, ten einde zoovelen als mogelijk was in staat te stellen +van het schouwspel te genieten, dat tot stand was gekomen door hunne +medewerking en offervaardigheid. Rondom de haven van Nesptah had +men in een grooten halven cirkel houten stellages gebouwd, waarop +duizenden zit- en staanplaatsen konden vinden. Voor de bouleuten en +hunne familiën, evenals voor de opperhoofden der Arabieren, waren +in het midden van deze tribune bijzondere afdeelingen gemaakt, met +tapijten behangen, en daarin stonden hooge leuningstoelen gereed +voor den Wekil Obada, den kadhi, den stadsoverste, den ouden Horus +Appollon en ook voor de geestelijkheid, ofschoon men wel wist, dat +zij aan dit feest geen deel zou nemen. + +Het geringe volk, dat geen middelen had, om zich den toegang tot deze +estrade te koopen, had zich met vrouw en kind aan den oever gelegerd, +en een aantal handelaars waren van alle zijden gekomen en boden, +waar de menigte het dichtst was, op tweewielige karretjes of kleine +tapijten, die zij voor zich hadden uitgespreid, verfrisschende dranken +en eetwaren te koop. Ook bij de tribune hielden de waterdragers, +die gezuiverd Nijlwater of vruchtensappen aanboden, niet op met roepen. + +In de dorre kronen der palmen van Nesptah, waar anders tortels, hoppen +en musschen huisden, had thans de straatjeugd der stad zich plaatsen +veroverd, en plukte voor tijdverdrijf de verschrompelde zieke dadels +uit de zware vruchtbundels, om ze den nieuwsgierigen voor de voeten +of op het hoofd te werpen, tot de wachters dit in het oog kregen en +het verboden. + +Het voornaamste aantrekkingspunt voor aller oogen vormde de ver in +den ondiepen stroom uitgebouwde brugvormige houten estrade, van +waar de Nijlbruid den smachtenden verloofde in de vochtige armen +zou worden geworpen. Aan dit toestel hadden zij, die het feest in +gereedheid brachten, al hunne kunst besteed, want het was overrijk +versierd met tapijten en doeken, palmwaaiers en vaandeltjes, met +zware guirlandes van tamarisken en wilgenloof, waaruit eene menigte +lotusbloemen, malva's, leliën en rozen helder en schoon te voorschijn +kwamen, alsmede met kransen, de wapens van de gouw en andere vergulde +sieraden. Alleen het uiterste gedeelte was geheel naakt gebleven; +men had hier zelfs de leuningen weggelaten, om niets te doen ontgaan +aan de oogen, die op de "echtvereeniging" gericht zouden zijn. + +Op de derde ure vóor den middag ontbraken alleen nog maar zij, voor +wie de plaatsen gereed werden gehouden, en de nieuwsgierigheid deed ook +hen weldra verschijnen. De veiligheidsbeambten hadden handen vol werk, +om te verhoeden, dat de voorste rijen der toeschouwers niet door de +achterste in den stroom werden gedrongen; wel was dit niet overal te +voorkomen, doch door den vlakken oever leed niemand schade. Toch hieven +zij, die telkens in gevaar verkeerden, zulk een geschreeuw aan, dat het +de muziek overstemde der op de tribune geplaatste muzikanten, alsmede +de kreten van bijval, die zich lieten hooren, zoodra de oude Horus +Apollon, die op zijn witten ezel vroolijk en frisch als een jongeling +dan hier dan daar was, of een der hoogere beambten van de stad zich +vertoonde. Op enkele plaatsen hoorde men niets dan jammerkreten +en stoven de saamgedrongen groepen huilende uit elkander. Hier had +een zonnesteek een burger getroffen, daar de pest een nieuwsgierige +aangetast. De vluchtenden sleurden anderen met zich voort; gillende +moeders zochten hare kleinen voor dooddrukken of voor besmetting te +bewaren; de wagen van een koopman werd omgesmeten, zoodat de eieren en +koeken onder den voet raakten; een geheele hoop menschen viel in een +diep, half uitgedroogd kanaal. De veiligheidsbeambten zwaaiden hunne +stokken en zochten schreeuwende en weer nieuw geschreeuw verwekkende, +de orde te bewaren; doch dit alles oefende maar vluchtig eenigen +invloed uit op de groote massa toeschouwers. + +Op eens kwam er overal stilte, de verwarring hield op, het geschreeuw +verstomde. Wie thans ook onder den voet raken, door de ziekte +aangetast, doodgedrukt, of op andere wijze sterven mocht, het deed +er niet toe. Uit de richting van de stad liet zich bazuingeschal en +gezang hooren, de processie, de bruidsstoet naderde. Liever wilde men +het besterven, dan dat het oog ook maar een tooneel van dit geheel +eenig schouwspel zou ontgaan. + +Wat gekken waren toch die Arabieren! Van hunne hoogste beambten waren +behalve de zwarte Wekil maar drie verschenen, die niemand kende. Zelfs +de kadhi zocht men tevergeefs. Hij had zeker de muzelmansche vrouwen +verboden dit schouwspel aan te zien, want geen gesluierde schoone uit +den harem was heden te bekennen. Van de Egyptische vrouwen zou zelfs +de laatste zijn verschenen, indien de pest niet velen in hare huizen +opgesloten had gehouden. Zoo iets beleefde men toch niet weder; wat +hier gebeuren zou, daarvan zou men nog in later jaren de kleinkinderen +kunnen vertellen! + +Het gezang en de muziek kwamen steeds nader, maar waarlijk, dat klonk +niet, alsof men een mensch geleidde naar zijn afgrijselijk graf. De +eene fanfare volgde op de andere, en schetterde door de lucht, +allen opwekkende tot feestelijk gejubel. Er weerklonken vroolijke +bruiloftsliederen, die den hoorenden al nader en nader kwamen. De +hooge koren der knapen en meisjes overstemden het krachtig maar dieper +gezang van jongelingen, mannen en grijsaards. Schelle fluittonen +verhoogden de feestelijke stemming en het dof geluid der trommen +dreunde in vaste maat als het bruisen der zee. Daartusschen klonken +cimbalen en rinkelden de schelletjes in de randen der tamboerijnen, +die maagdelijke handen in feestroes over hare lokken zwaaiden, +schudden en sloegen, terwijl luitspelers lieflijke klanken uit de +snaren te voorschijn riepen. Toen deze geweldige stroom van allerlei +tonen zeer dicht in de nabijheid was gekomen, liet zich reeds uit de +verte nieuw gezang en nieuwe muziek vernemen. + +Voor die aan den stroom stonden te luisteren, scheen de optocht +onafzienbaar, en wat het gehoor had waargenomen, werd weldra door de +oogen gezien. Allen waren een en al aandacht, tuurden en staken de +hoofden naar voren, om de Nijlbruid en haar gevolg te zien. Ieders +blik scheen gedwongen, om dezelfde richting te volgen. Daar verschenen +voor allen de fanfareblazers op vurige paarden; zij schaarden zich aan +beide zijden van de straat aan den oever, die tot het tooneel van de +bruiloft leidde. Voor hen plaatste zich links het koor der vrouwen, +rechts de mannen, die achter de eersten aankwamen, beiden in lichte, +zeegroene kleederen, overvloedig met lotusbloemen getooid. De losse +haren der vrouwen, die met witte bloemklokjes doorvlochten waren, +golfden over hare schouders; de mannen droegen papyrus en riet in de +handen, als vertegenwoordigden zij riviergoden, die uit de golven +waren opgekomen. Vervolgens verschenen jongelingen en gebaarde +gestalten in witte gewaden met pantervellen over de schouders, +zooals ze weleer door de heidensche priesters werden gedragen. Twee +grijsaards met golvende witte baarden leidden dezen optocht, de een +met een zilveren, de ander met een gouden schaal in de rechterhand, +gereed, om dezen als eerste offers, naar de gewoonte der vaderen, +zooals Horus Apollon medegedeeld en voorgeschreven had, in den +vloed te slingeren. Zij liepen de houten estrade op tot aan het +einde en plaatsten zich aan beide zijden van het eindvlak, vanwaar +de Nijlbruid met den stroom vereenigd zou worden. Op dezen volgde +eene groote afdeeling fluitblazers en trommelslagers, en daarop weder +vijftig meisjes, die de tamboerijnen zwaaiden en even zoovele mannen, +allen gekleed en uitgedost als het gevolg van Dionusios, den in den +Romeinschen tijd vereerden Osiris Bacchus. Daaronder merkte men ook +den dronken Silenus op, alsmede saters met bokspooten en Pans, allen +op grauwe en wonderlijk geel geverfde ezels, met uit vele rietpijpen +bestaande herdersfluiten aan den mond. + +Na dezen stoet werden giraffen, olifanten, struisvogels, antilopen, +gazellen, zelfs eenige getemde leeuwen en panters voorbij de +nieuwsgierige volksmenigte gevoerd. Men had dit ook gezien bij den +beroemden feestelijken optocht ter eere van den tweeden Ptolomeus, +dien Kallixenos van Rhodos beschreef. Nu volgden op een grooten +door twaalf paarden getrokken wagen, de symbolische gestalten der +geketende en ten onder gebrachte pest en nood, met vele schreiende, +zwartgemaakte, aan palen gebonden kinderen, met spichtige vleugels op +den rug en hoornen op het voorhoofd, die het hellengebroed tegelijk +fraai en afzichtelijk moesten voorstellen. Op een anderen wagen zag +men de godin van den overvloed. Zij was aan alle zijden door garven, +vruchten en wijngaardranken omgeven, en werd door knapen en meisjes met +ooft en korenaren, met granaatappels en dadelbundels, met wijnkruiken +en bokalen in de handen omringd. + +Hierop vertoonde zich in eene door acht sneeuwwitte paarden getrokken +schelp, als rustte zij in een bad, de godin der gezondheid met eene +gouden schaal in de eene en een slangenstaf in de andere hand, en +daarachter de aanstaande gemaal van de Nijlbruid, de stroomgod, volgens +het beroemde standbeeld, hetwelk de Romeinen uit Alexandrië hadden +weggevoerd: de schoone, krachtvolle, gebaarde gestalte van een man, +wiens bovenlijf op eene verbazende urn rust. Zestien naakte kindertjes, +voorstellende de zestien ellen, die de stroom moest stijgen, wanneer +zijn was het land zegen zou brengen, speelden rondom zijne herculische +gestalte, en een dichte bruiloftskrans van lotusbloemen rustte op zijne +golvende lokken. Krokodillen, bundels korenaren, dadels, druiven en +schelpen versierden dezen met gejuich begroeten wagen, door grijsaards +in heidensche priesterdracht omgeven. Nu volgden weder afdeelingen +muzikanten en koren, en dan eene schaar van jongelingen en meisjes, +voorafgegaan door zingende luitspelers. Ook zij waren gekleed als +mannelijke en vrouwelijke stroomgoden, en stelden de speelnooten van +bruid en bruidegom voor: het bruiloftsgeleide der verloofden. Hoe +grooter het gedeelte werd van den stoet, dat was voorbijgetrokken, +des te nader kwam het lang verwachte offer, en met des te grooter +spanning luisterde en keek de menigte. + +Nadat de jongelingen en meisjes voorbijgetrokken waren, werd het +stiller op de tribune en onder het volk. Niemand voelde de gloeiende +zonnehitte, noch lette op de droogte van zijne tong; aller oogen +bleven dezelfde richting volgen, alleen de zwarte Wekil, wiens hoog +opgerichte reuzengestalte voor allen zichtbaar was, wendde van tijd tot +tijd met inspanning zijn loerenden blik naar de stad. Hij verwachtte +rook te zullen zien opstijgen uit dat gedeelte waar de gevangenis +stond; opeens opende hij de lippen, en met een hoonenden lach toonde +hij zijne sneeuwwitte, glinsterende tanden. Dat, waarop hij hoopte, +was verschenen; het grijze wolkje, waarnaar hij had uitgezien, werd +al zwarter en zwarter, en nu vertoonde zich in zijn midden een roode +gloed, dien zijn oorsprong niet aan de zon ontleende. Doch onder de +duizenden was hij de eenige, die naar achteren zag en het opmerkte. + +Nu betrad het bruiloftsgevolg het houten getimmerte in den stroom, +daarop een nieuw koor van jongelingen met pantervellen over de +schouders, en nu--eindelijk, eindelijk--kwam een wagen aanschommelen, +die door acht koolzwarte, met groene struisvederen en waterplanten +versierde stieren werd getrokken. Een hoog baldakijn, tegen wier +pijlers vier mannen in de dracht van heidensche offerpriesters geleund +stonden, overschaduwde den wagen, en onder dit met lotusbloemen en +slingers van riet rijk getooide schutdak rustte, omgeven van groenen +papyrus, rietgras, hooge biezen en bloeiende waterplanten, de koningin +van het feest--de Nijlbruid. + +In een wit gewaad en geheel gesluierd zat zij daar roerloos. Het +lange, zware, bruine haar golfde los langs hare schouders, en voor +haar lagen een krans en een aantal zeldzame rozenroode lotusbloemen +op den grond. Tot hiertoe had de bisschop naast haar gezeten, +de eerste christelijke geestelijke, die in het van geestelijken +en monniken wemelende Memphis op deze schouwplaats van heidensche +ongerechtigheid verscheen. Thans stond hij overeind en zag met gefronst +voorhoofd en sombere, dreigende blikken de menigte aan. Wat hadden de +boetpredikatiën in alle kerken, wat zijne vermaningen en bedreigingen +en die van de gezamenlijke geestelijkheid gebaat? Trots ieder verzet +had hij met de veroordeelde den wagen bestegen, nadat hij hare ziel +nogmaals had getroost. Het kon hem het leven kosten, doch hij hield +zijne belofte. + +Paula hield Orions laatste groet, eene roos, die vrouw Martina hem +gebracht had, en eene andere, die Pulcheria heden zeer vroeg haar +was komen brengen, in de hand. Gisteren had haar stervende vader +in eene heldere ure haar van ganscher harte zijn zegen gegeven, +zonder te vermoeden wat haar wachtte. Heden was hij nog niet weder +bijgekomen, en had de afscheidskus, die zij hem gaf, noch gevoeld, +noch beantwoord. Onbewust was hij uit de gevangenis naar buiten, en +vandaar naar het huis van Rufinus gedragen. Vrouw Johanna had zich +het voorrecht niet laten ontnemen hem tot zich te nemen en tot aan +zijn einde te verplegen. Orions laatste schriftelijke groet was Paula +kort voor het wegrijden overhandigd; deze hield het bericht in, dat +zijn werk thans gereed was. Men had hem medegedeeld, dat niet heden, +maar morgen het ontzettend feit zou plaats hebben, en het was haar +tot troost, dat hem de marteling bespaard bleef, haar in den geest +op haren vreeselijken tocht te volgen. + +De vrouwen, die gekomen waren, om haar in bruidstooi te kleeden, +had zij laten begaan. Onder deze was ook Emau, de vrouw van +den gevangenbewaarder, wier medelijdende tranenvloed haar goed +deed. Doch reeds in het voorhof der gevangenis had zij de gedachte +niet kunnen verdragen, zich in het bloementooisel eener bruid aan de +haar aangapende menigte te vertoonen; zij had alles op den wagen van +haar lijf getrokken en op den grond geworpen. De weg naar den stroom +was haar lang, oneindig lang gevallen, maar zij had de nieuwsgierige +menigte met geen blik verwaardigd en niet opgehouden haar hart in het +gebed te verheffen. Zoo vaak haar aristocratisch bloed in beweging +was gekomen en de vertwijfeling haar dreigde te overweldigen, had +zij de hand van den bisschop gegrepen, en deze had niet opgehouden +haar toe te spreken, haar te bezweren, om de liefde en het geloof te +bewaren en ook de hoop niet te laten zinken. + +En zoo was men aan de estrade gekomen, aan welker einde het leven +in eene andere wereld voor haar zou aanvangen. Het geschreeuw der +volksmenigte had nog niet zoo luide en jubelend, zoo vol blijde +verwachting geklonken als thans; muziek en gezang vermengden zich met +het gebrul van duizenden, en als beneveld liet zij zich van den wagen +tillen, volgde zij de jongelingen en maagden, die haar bruidsstoet +zouden uitmaken, en die in afwisselende koren voor haar uit den +schoonsten hymenaeus van de Lesbische Sappho zongen. + +De bisschop beproefde thans tot de menigte te spreken, maar hij +werd spoedig tot zwijgen gebracht. Hij plaatste zich nu weder aan +hare zijde en aan zijne hand betrad zij de brug. Zij verzamelde +al wat zij aan kracht, aan trots en heldenmoed bezat, om rechtop, +zonder te wankelen, den laatsten gang te volbrengen, en reeds had +zij in waardige houding, zoo majestueus, als liep zij daarheen, om +gehoorzaamheid van deze menigte te eischen, het midden van de houten +brug bereikt, toen achter haar op de losse planken hoefslagen dreunden. + +De oude Horus Apollon had haar op zijn witten ezel ingehaald en +versperde haar den weg. Buiten adem, badende in het zweet, gebood hij +haar op hoonenden, zegevierenden toon het aangezicht te ontsluieren, en +den bisschop, dat hij haar los zou laten, om den persoon die den Nijl +voorstelde in zijne plaats te laten treden. Dit was een reusachtige +hoefsmid, die hem, hoewel met zijne vermomming verlegen, maar toch +van plan, om zijne rol tot het einde zoo goed mogelijk te spelen, +gevolgd was. Doch de priester en Paula weigerden hem te gehoorzamen. + +Daar rukte de oude haar den sluier van het gelaat, wenkte den "Nijlgod" +en deze trad in zijn recht en voerde haar, nadat hij zich eerbiedig +voor Johannes gebogen had, tot aan het uiterste einde der brug, hetgeen +de bisschop niet had kunnen verhinderen. Hier wierpen thans de beide +grijsaards, die het gevolg van Osiris Bacchus waren vooruitgegaan, +de gouden schalen als offer in den vloed, en daarop begon een als +heidensch priester verkleede pleitbezorger in eene goed gestelde rede +de beteekenis van deze trouw en dit offer uiteen te zetten. Daarbij +greep hij Paula's hand, om haar in die van den hoefsmid te leggen, +en deze maakte zich gereed haar in de armen van den vloed te werpen, +als welks vertegenwoordiger hij hier stond. + +Doch aan zijn voornemen stelde zich een hinderpaal in den weg. Eene +groote feestboot was zoo dicht mogelijk het houten getimmerte genaderd, +en thans hoorde men van de tribune en uit de menigte, die tot hier +toe in ademlooze spanning het diepste stilzwijgen had bewaard, +ontelbare stemmen schreeuwen: "De feestboot van Susanna!"--"Ziet +op den Nijl, op den vloed!"--"Het kwikstaartje, de dochter van den +rijken Philammon!"--"Een lieflijk gezicht!"--"Eene tweede, eene +andere Nijlbruid!" + +Thans wendden zich de blikken der duizenden eenklaps van Paula op +Katharina. De schoone feestboot van Susanna had reeds een uur lang voor +de estrade heen en weer gevaren. De wachters hadden herhaaldelijk +bevolen die op grooter afstand te houden van het tooneel der +trouwplechtigheid, doch zonder gevolg en zij waren niet bij machte, +om met hunne kleine schuitjes geweld te gebruiken tegen het groote +door vijftig matrozen geroeide schip. Het was nu zeer nabij de brug +gekomen, en zou met zijn rijk verguld houtwerk, zijn hoog door zilveren +zuilen gedragen kajuithuisje, zijne purperen keurig gestikte zeilen +een heerlijk, vroolijk gezicht hebben opgeleverd, wanneer de groote +zwarte vlag aan den mast het vaartuig niet tegelijk een ernstig en +treurig aanzien had gegeven. + +Katharina had zich in de kajuit door de dienende vrouwen in witte +kleederen doen hullen en zich met zuiver witte bloemen, mirten, rozen +en lotus doen tooien en daarbij alle vragen, die in bezorgdheid tot +haar gericht werden, onbeantwoord gelaten. De kamenier, die de bloemen +op hare borst stak, voelde het hart van de meesteres onder hare vingers +kloppen, en de lotuskelk, die van den schouder op haar vollen boezem +nederviel, rees en daalde, als lag zij op den wiegelenden stroom. Ook +hare lippen waren voortdurend in beweging, en hare wangen bleek als +de dood. "Wat zou zij toch willen?" vroegen zij die haar geleidden +zich af. + +Gisteren was hare moeder gestorven en nu woonde zij deze vertooning +bij en gaf den stuurman zelfs bevel naar het houten getimmerte te +varen en in zijne nabijheid te blijven liggen, waar zij door alle +toeschouwers gezien moest worden. Doch zij wenschte blijkbaar zich +in dezen tooi aan het volk te vertoonen en zich te doen bewonderen, +want daar besteeg zij het dak der kajuit. Hoe lieflijk zag zij er uit, +zoo schoon als eene onschuldige engel, terwijl zij de trap opklom, +kinderlijk beschroomd, schuchter en met wijd opengesperde oogen, +als verwachtte zij daar boven iets groots, waarnaar zij lang en van +ganscher harte gesmacht had. Op de laatste trede moest Anubis haar +steunen, want daar knikten hare knieën; doch boven gekomen zond zij +hem terug met de opdracht ook de anderen beneden te houden, want +zij wilde alleen zijn. De knaap, gewoon te gehoorzamen, voldeed aan +haar verlangen. + +Zij klom nu op de bank naast de borstwering van het boord, keerde +zich tot Paula, die zij al nader en nader kwam, stak de rechterhand, +waarin zij twee leliestengels hield met heerlijke bloemkelken, +naar haar en den bisschop uit, en op het oogenblik dat de hoefsmid +de ruimte tusschen de brug en het vaartuig met zijn oog mat en de +onmogelijkheid inzag om de Nijlbruid in de diepte te werpen, alvorens +de feestboot zich verder verwijderd had, riep Katharina: + +"Eerwaarde vader Johannes en gij allen daar! Ik, ik en niet +de dochter van Thomas! Niet zij, ik, ik, Katharina, ben de ware +Nijlbruid! Vrijwillig, luister naar mij, Johannes! Vrijwillig offer +ik mijn leven op, om mijn arm volk van zijne ellende te redden, +en de patriarch heeft gezegd, dat mijn offer den hemel welgevallig +zal zijn. Vaart allen wel! Bidt voor mij! Erbarm u mijner, mijn +Heiland! Moeder, lieve moeder, ik kom!" + +Na deze woorden riep zij den stuurman toe: "Verder van de brug!" en +zoodra enkele riemslagen de feestboot verder op stroom hadden +gebracht, klom zij vlug op de borstwering van het boord, wierp zij +de leliestengels voor haar uit, en liet zij zich glimlachende, met +het hoofd lieflijk ter zijde gebogen en terwijl zij hare kleederen +schroomvallig tegen het lichaam drukte, in het water zinken. De +golven sloten zich boven haar hoofd. Nog even dook zij, die zoo goed +zwemmen kon, weder op, en haar gelaat zag er uit als dat eener badende, +die zich verheugt in de frischheid van het water, dat als streelende +haar omspoelde. Misschien bereikte nog de waanzinnige storm van kreten +haar oor, die uit den mond der onafzienbare menigte van den oever den +bijval, de schrik, het medelijden en de dankbaarheid vertolkten. Daarop +boog zij het hoofd en verdween in de diepte. + +De "stroomgod", een goedhartige kerel, die in het dagelijksch leven +zijn evenmensch niet voor zijne oogen kon zien verdrinken, liet Paula +los, vergat zijne rol en sprong Katharina na. Hetzelfde deden haar +zoogbroeder Anubis en eenige matrozen. Doch zij vonden haar niet, +en de knaap, wien het gebroken been in het zwemmen belemmerde, volgde +haar in den dood, die hij met zijne jonge ziel geheel toebehoorde. + +Katharinas toespraak hadden alleen zij gehoord, tot wie zij gericht +was. Doch voor zij nog in den vloed was verdwenen richtte de bisschop +Johannes zich tot het volk in zijne nabijheid, hield Paula, die zich +reeds vrij gevoelde, nadat haar verschrikkelijke bruidegom verdwenen +was, vast met de eene hand, zwaaide met de andere het crucifix, +dat aan zijn gordel hing, en riep zoo luid hij kon: "De wensch van +onzen heiligsten vader Benjamin, door wien God zelf tot u spreekt, +is thans vervuld geworden. Uit eigene, edele begeerte heeft zich +eene reine Jacobietische jonkvrouw, van hooge geboorte, naar het +voorbeeld des Heeren, ten behoeve harer lijdende medemenschen voor +uwe oogen opgeofferd. Deze hier," en hij trok Paula nader tot zich, +"deze is vrij; de Nijl heeft zijn offer ontvangen!" + +Vóor hij echter nog had uitgesproken en het volk tijd kon vinden, +om zijn oordeel te doen hooren, was de oude Horus Apollon naar hem +toegevlogen en belette hem verder te gaan. Reeds bij het begin der +trouwplechtigheid was hij van zijn ezel gegleden, en om zich zijn offer +niet te laten ontgaan, plaatste hij zich nu tusschen den bisschop en +Paula, greep haar gewaad en riep het koor der jongelingen toe: "Aan +het werk! Spoedig een ander in de plaats van den stroomgod.... En +dan in den vloed met de Nijlbruid!" + +Doch de bisschop drong zich andermaal tusschen beiden, om de jonkvrouw +in zijne bescherming te nemen. De oude werd nu als door razernij +aangegrepen, hij vloog op den priester toe, om hem het beeld van den +gekruisigde te ontrukken, waarop Johannes met diepe verontwaardiging +hem toeriep op een toon, die door merg en been ging: "Anathema!" Bij +dit ontzettend woord en het zien van deze heiligschennis kwam bij +de Egyptenaars het christelijk bloed in beweging; de geloofstrouw, +die in zoo menigen strijd proefhoudend was gebleken en in deze dagen +van angst en verschrikking slechts kunstmatig was onderdrukt, deed +zich weder gelden. De aanvoerder van het koor rukte den oude weg en +plaatste zich aan de zijde van den priester. Anderen volgden hem, +terwijl een aantal jeugdige zangers partij koos voor den grijsaard, +die zich aan Paula vastklemde, en liever zelf wilde ondergaan dan +het gehate voorwerp van zijn wraak te zien ontkomen. + +Daar vernam men uit de richting van de verlatene stad klokgelui en +een gejoel, dat angst verwekte zonder dat men er eene verklaring voor +kon vinden. Opeens brak een jongeling, met het ontbloote zwaard in +de hand, zich baan door de menigte, in wien de meesten ondanks zijn +gescheurde kleederen, zijne verwilderde haren en zijn zwart geworden +gelaat, Orion herkenden. Alles vloog voor hem uit den weg, die als +een razende voortholde. Toen hij dicht bij het houten uitbouwsel +gekomen in een oogwenk begreep, hoe ver de handeling gevorderd was, +snelde hij met groote stappen door de verkleedden de estrade op, duwde +hier en daar een troep lieden opzij, die hem in den weg stonden, en +voor men nog aan het einde van de brug zijne nadering had opgemerkt, +rukte hij den oude van Paula af, en riep haar bij den naam. Toen zij +half onmachtig van schrik, verrassing en onuitsprekelijke vreugde in +zijne armen zonk, drukte hij haar met de linkerhand vast tegen zich +aan, en het blinkend zwaard in zijne rechterhand en zijne fonkelende +oogen verkondigden ieder, dat men evengoed kon wagen een leeuwin aan +te grijpen, die hare jongen verdedigt, dan dezen radeloozen jonkman, +die bereid was met zijne geliefde te sterven. + +Zijn ruk had Horus Appollon ver ter zijde geslingerd, en toen de oude +zich gereed maakte, om zich nog eenmaal op zijn offer te werpen, +geraakte hij midden in een troep lieden, die handgemeen waren +geworden, en stortte met eenige worstelenden, die een wilde hoop +menschen, welke Orion gevolgd was, van den rand der brug afdrong, +in den stroom. De meesten hunner wisten zich door zwemmen te redden, +doch de oude zonk weg en alleen zijn hoog opgeheven vuist zag men +nog een tijdlang dreigend boven de oppervlakte van het water. + +Intusschen had ook de Wekil gezien, wat er op de houten brug gebeurde, +en woedend was hij van zijn zetel gesprongen, om op alles orde te +stellen en Orion, dien hij meende herkend te hebben, met eigene hand +gevangen te nemen, of als het zijn moest neer te houwen. Doch duizenden +versperden hem den weg, want onder het geschreeuw van: "Brand! De +gevangenis, de stad staat in vlammen!" was de verschrikkelijke bende +van losgebroken misdadigers, aan het hoofd waarvan Orion verschenen +was, tot het feestterrein doorgedrongen, en nu vloog een ieder weg, +naar Memphis en naar zijn bedreigde woning om zijne have, zijne +achtergeblevene bezittingen en zijne geliefden te redden. Als een +vlucht duiven, die door het gekras van een havik uit elkander wordt +gejaagd, als een hoop dorre herfstbladeren, die door een rukwind +worden opgenomen, zoo stoven de toeschouwers uit elkander. In wilde +haast en onder schromelijke verwarring spoedden zij zich stadwaarts, +sprongen op de wagens van den feestelijken optocht, sneden van die +waarop de godin der gezondheid zat de schimmels los, om op de ruggen +dier paarden naar huis te jagen, wierpen omver al wat hun in den weg +stond, en sleurden de Wekil met zich mede, die met den sabel in de +vuist naar de brug wilde. + +Rook en vlammen stegen intusschen al dichter en hooger van de stad ten +hemel, en dreven de vluchtenden voort met geheimzinnige kracht, om zich +te haasten, ten einde nog intijds hunne woningen te bereiken. Doch +vóor de zwarte tot de estrade door kon dringen werd de voortijlende +menigte tegengehouden. Men hoorde hoefslagen naderen. Een dichte +stofwolk maakte wel-is-waar paarden en ruiters nog onzichtbaar, +doch zij die daar kwamen aandraven moesten gewapend zijn, want door +de grijze wolk, die hen omgaf, zag men hier en daar flikkerlichten, +de weerkaatsing der heldere zonnestralen op de blanke, schitterende +helmen, pantsers en zwaarden. Ook de zwarte herkende ze thans. De kadhi +rende vooruit en juist toen de Wekil hen bereikte, sprong hij bij het +houten uitbouwsel uit den zadel, en met den luiden uitroep: "Bevrijd, +gered!" waarin zich al de vreugde van zijn gemoed afspiegelde, stak hij +der jonkvrouw, die aan Orion hangende den oever naderde, de handen toe. + +Bij dit alles had Othman den Wekil nog niet opgemerkt, die maar +weinige schreden van hem afstond. Dat "bevrijd, gered!" uit den +mond van den oppersten rechter, verkondigde den zwarte, dat de +begenadiging van zijn jongen doodvijand moest aangekomen zijn, en +deze hield tegelijk de veroordeeling van zijne handelingen in. Hij +had niets meer te hopen, Omar moest nog leven en de aanslag tegen het +leven van den Kalief mislukt zijn. Hem wachtten afzetting, straf, +de dood als Amr terugkeerde; doch hij wilde niet overwonnen worden +zonder den gehaten jonkman, die hem ten val had gebracht, met zich +te slepen in het graf, daarom drong hij den kadhi onverwachts terug +en hief zijn zwaard met een geweldigen zwaai in de hoogte, om Orion +te vellen vóor zijn eigen val. Doch de aanvoerder van de lijfwacht, +die Othman te paard gevolgd was, had zijn voornemen opgemerkt en snel +als de bliksem hieuw hij uit het zadel op den zwarte los, en zijn +kromzwaard trof den Wekil diep in den hals. Met een afgrijselijken +vloek liet Obada zijn arm zinken en zakte voor de oogen van het opnieuw +vereenigde paar reutelend in elkaar. De lieden verzekerden later, +dat zijn bloed niet rood was geweest, gelijk dat van andere menschen, +maar zwart gelijk zijn lichaam en zijne ziel. + +Men had wel reden, om hem te vloeken, want zijne schandelijke daad +vernielde op dezen dag meer dan de helft van Memphis en maakte zijne +burgers tot bedelaars. Twee misdadigers, die zich door hem lieten +omkoopen, hadden gedurende de feestviering de gevangenis in brand +gestoken, om Orion daarin te doen stikken; doch de brand was ontdekt +en alle gevangenen werden nog intijds bevrijd. Zoo had de jonkman aan +het hoofd zijner medegevangenen het feestterrein kunnen bereiken, doch +het vuur was in het van menschen ontbloote gebouw niet te beteugelen +geweest, had zich in de uitgedroogde straten van huis tot huis +voortgeplant, en den volgenden dag was van de beroemde pyramidenstad +niets meer over dan de aan den stroom gelegen Nijlstraat en eenige +ellendige stegen. De oude residentie der pharaonen was veranderd in +een armzalig vlek, en de van hun dak beroofde inwoners verhuisden +naar genen oever van den Nijl, en bevolkten als muzelmannen het in +bloei toenemende Fostat, of zochten op christelijken bodem een nieuw +vaderland. Tot de huizen die verschoond bleven behoorden ook dat van +Rufinus en de kadhi geleidde Orion en Paula daarheen. Hij wees hun +dit huis als gevangenis aan tot den terugkeer van den veldheer, en +hier doorleefden zij gelukkige dagen, vereenigd met hunne vrienden; +hier werd het den stervenden Thomas vergund zijne kinderen voor de +laatste maal aan het hart te drukken en te zegenen. + +Kort voordat de kadhi op het feestterrein verscheen waren twee +duivenposten aangekomen, beiden met het bevel van Amr, dat het offer +van de dochter van Thomas in elk geval verboden en zij tot zijn +terugkeer in het leven gespaard moest worden. Ook behield hij zich +voor over het lot van Orion te beschikken. Maria en Rustem hadden hem +bereikt te Berenike, aan de Egyptische kust van de Roode zee. Deze +vervallen havenplaats was met Medina door eene duivenpost verbonden +en op zijne vraag aan den Kalief in betrekking tot het offer, dat +door de Egyptenaars in hunne vertwijfeling aan den Nijl zou worden +gebracht, had Omar een antwoord gezonden, dat terstond aan den kadhi +werd overgebracht. + +De brand van de stad bracht een nieuw vreeselijk onheil over de +zwaar beproefde Memphieten, en de Nijl wilde, ondanks Katharina's +offerdood, nog niet stijgen. De kadhi riep nu, drie dagen na het +gestoorde bruiloftsfeest, de gezamenlijke bewoners der steden aan +deze en gene zijde van den stroom nog eens onder de palmen van Nesptah +samen, en hier verkondigde hij den muzelmannen en christenen door den +Arabischen omroeper en den Egyptischen tolk, wat de Kalief hem geboden +had den Memphieten mede te deelen. De eenige, algoede God versmaadde +elk menschenoffer. In deze stellige overtuiging zou hij tot Allah, den +barmhartige, bidden, en hij, Omar, zond hierbij een brief, dien men in +zijn naam in den vloed mocht werpen. Dit schrijven droeg ten opschrift: + + + "Aan den Nijl van Egypte," + + +en was van dezen inhoud: + + + "Wanneer gij, stroom, uit u zelven vloeit, stijg dan niet; als + echter God, de eenige en barmhartige, het is die u laat vloeien, + zoo roepen wij den barmhartigen God aan, dat hij u doe wassen!" + + "Wat niet uit God is," zeide de veldheer Amr in den brief, + die het schrijven van Omar begeleidde: "wat baat het den + mensch? Maar al het geschapene bestaat alleen door hem, zoo ook + gij, edele stroom. De Allerhoogste zal het smeeken van Omar en + het onze verhooren, en daarom verorden ik u allen, muzelmannen, + christenen en joden u te verzamelen in de moskee aan gene zijde + van den stroom, die ik bouw ter eere van den Algoede, om daar + uwe zielen te verheffen tot een groot, gemeenschappelijk gebed, + opdat God u hoore en zich erbarme over uw lijden." + + +De kadhi noodigde nu al het volk uit over den Nijl te trekken, en +het volgde zijn gebod. De bisschop Johannes riep zijne geestelijken +op en aan hun hoofd ging hij de christenen voor; de priesters en +oudsten der joden voerden hunne geloofsgenooten achter de Jacobieten +aan, en de muzelmannen verzamelden zich met hen in het heerlijke +aan zuilen zoo rijke godshuis van Amr, en de aanhangers der drie +verschillende godsdiensten verhieven daar oog en hart en stem tot +den eenen, barmhartigen hemelschen Vader. En juist die moskee van Amr +heeft hetzelfde hartverheffende schouwspel nog meer dan eens gezien, +en nog gedurende het leven en voor de oogen van den verteller dezer +geschiedenis werden muzelmannen, christenen en joden tot éen vroom +gebed hier saamgeroepen, dat den Heer zeker welgevallig was. + +Kort nadat de brief van Kalief Omar in den Nijl geworpen en het gebed +der drie godsvereeringen opgezonden was, kwam er een duif naar Memphis, +die het bericht medebracht, dat de stroom bij de watervallen zeer begon +te stijgen. Na eene reeks van bange en toch hoopvolle dagen zwol de +Nijl al hooger en hooger, trad buiten zijne oevers en gaf den landman +reden, om eene heerlijke oogst te verwachten. Nadat een onweder en +daarmede gepaard gaande overvloedige regen de lucht gezuiverd en het +verstikkende stof weggenomen hadden, verdween ook de pest. + +Juist toen het wassen van den vloed voor het eerst zichtbaar begon +te worden, keerde de veldheer Amr terug, en in zijn gevolg bevonden +zich de kleine Maria en Rustem, alsmede de arts Philippus en de +koopman Haschim, die zich te Dschidda bij het reisgezelschap van den +stadhouder hadden aangesloten. Reeds onderweg hadden zij vernomen wat +er te Memphis was gebeurd, en toen de reizigers, met de pyramiden +voor oogen, hun laatste nachtkwartier naderden, zeide de veldheer +tot de kleine Maria: "Wat denkt gij, mijne lieveling? Wij zijn de +Memphieten nu toch wel een groot bruiloftsfeest schuldig?" + +"Neen, heer, niet éen, wel twee," antwoordde het kind. + +"Hoe dat?" zeide Amr lachende. "Daar gij nog zoo jong zijt, en +vooreerst niet meetelt, ken ik geen meisje te Memphis, voor wie ik +een bruiloft zou kunnen aanrichten." + +"Maar ik zou een man willen uithuwelijken, dien gij alles goeds gunt, +en die zoo eenzaam leeft als een kluizenaar," antwoordde Maria, "en +wel tegelijk met Orion en Paula: Ik bedoel mijn goeden Philippus hier +achter ons." + +"De arts? En is hij dan nog ongehuwd?" vroeg de veldheer verbaasd; +want geen muzelman van den leeftijd en den stand des geneesheers +zou als jong gezel kunnen leven, zonder zich bloot te stellen aan de +minachting zijner geloofsgenooten. "O, hij zal weduwnaar zijn!" + +"Neen," hernam Maria. "Hij heeft alleen nog geene vrouw gevonden, die +hem past; doch ik ken er eene, die God zelf voor hem geschapen heeft." + +"Kleine Chatbe!" [24] riep de veldheer uit. "Maak dit zaakje maar +in orde, en het zal aan mij niet liggen, wanneer die tweede bruiloft +niet schitterend is." + +"Dan willen wij nog een derde vieren!" ging het kind daarop lachende +voort. "Mijn brave beschermer Rustem..." + +"Die reus? U, kleine, is niets onmogelijk! Alzoo hebt gij voor hem +ook eene bruid gevonden?" + +"Neen, hij is zonder mijne hulp aan zijne Mandane gekomen." + +"Om 't even," zeide de veldheer vroolijk, "ik geef hen een +huwelijksgift. Doch laat het nu ook genoeg zijn, anders verdringen +al die nieuwe niet muzelmansche geslachten, die wij daar grondvesten, +ons Arabieren nog uit het land." + +Zoo ging de groote man met het kind om, nadat het te Berenike zijne +tent was binnengekomen, en daar de zaak der twee geliefden, voor +wie het gevaren en moeiten op zich had genomen, zoo welsprekend, +zoo duidelijk en in zulke gevoelvolle woorden had verdedigd, dat +Amr tegelijk besloten had het alles toe te staan, wat in zijne macht +was. Maria had bovendien met de boodschap die zij bracht ook hem een +dienst bewezen, want zij maakte het hem mogelijk dingen te verhoeden, +die de zaak van de halve maan benadeeld zouden hebben, en de kinderen +van twee vaders, die hij vereerde, den zoon van den Mukaukas Georg +en de dochter van Thomas uit een groot gevaar te redden. + +Bij zijn terugkeer bevond hij, dat hetgeen de Wekil misdreven had +zijne ergste vrees zeer verre overtrof. De achting voor het Arabisch +bestuur en de gerechtigheid der muzelmannen, die hij met alle +inspanning bevestigd had, was de zwarte begonnen te ondermijnen, +en als door een wonder was Orion aan zijne lagen ontkomen; want +driemaal had hij moordenaars naar de gevangenis gezonden, en alleen +aan de waakzaamheid van den man van de aardige Emau, was het te +danken geweest, dat hij zich uit den brand der gevangenis had kunnen +redden. Er was Obada alles aan gelegen geweest, om den gehaten jonkman, +wiens verklaringen en aanklachten voor hem verderfelijk konden worden, +uit den weg te ruimen. De onzinnige had een eervoller dood gevonden, +dan zijne rechters hem zouden hebben waardig geacht. De schatten, +die men bij hem opgestapeld vond, werden naar Medina gezonden, doch +ook Orion moest erin berusten, dat de groote kapitalen, die de zwarte +uit zijne schatten naar Fostat had gezonden, in het bezit der Arabieren +bleven. Deze straf meende de veldheer hem te moeten opleggen voor zijne +deelneming aan de noodlottige redding der nonnen; en de jongeling +onderwierp zich gaarne aan deze boete, die hem en zijne geliefde de +vrijheid teruggaf, en het den veldheer mogelijk maakte een grooter deel +der inkomsten van zijn vaderland tot nuttige doeleinden te besteden. + +Doch de Kalief Omar nam de sommen, die veel meer dan de helft +van het vermogen van den Mukaukas Georg bedroegen, niet meer in +ontvangst. Sluipmoordenaars hadden den trouwsten vriend van den +profeet, den wijzen en krachtigen heerscher omgebracht en nu kwam aan +het licht, dat de Wekil een der aanleggers van de samenzwering was +geweest en het uiterste gewaagd had, bemoedigd door het vertrouwen +op het gelukken van zijn plan. + +Amr begroette den zoon van den Mukaukas, als ware hij zijn vader +geweest, en nadat hij diens arbeid had onderzocht, bevond hij dat deze +de soortgelijke ontwerpen, die hij door anderen had laten uitwerken, +verre overtrof. Hij vertrouwde dus aan Orion de uitvoering toe van +de nieuwe, tot in de kleinste deelen door hem vastgestelde indeeling +van het land. + +"Doe uw plicht en span ook in het vervolg al uwe krachten in, gelijk +gij begonnen zijt," riep Amr den jonkman toe. + +"Ik ben," antwoordde Orion, "in dezen moeielijken, maar toch heerlijken +tijd over velerlei dingen tot klaarheid gekomen." + +"Mag men weten over welke?" vroeg de veldheer. "Ik luister gaarne +naar u." + +"Ik heb leeren inzien, heer," antwoordde Orion, "dat hetgeen de groote +menigte geluk of ongeluk noemt, niet wezenlijk bestaat. Wat het leven +ons toeschijnt te zijn, hangt af van de vraag, hoe wij ons tegenover +dat leven plaatsen. Pijnlijke wederwaardigheden, die van buiten in ons +bestaan ingrijpen, zijn vaak niet meer dan een korte nacht, waarop een +heldere dag volgt, of als de operatiën van den heelmeester, die ons +gezonder maken dan te voren. Wat men in den regel ongeluk noemt, is +ontelbare malen eene brug tot hooger geluk. Het alledaagsche geluk der +groote menigte leidt als een snelvlietende stroom, af van dit heerlijk +gevoel van innerlijke gezondheid. Gelijk een schip, dat bij een storm +zijn roer heeft verloren, er beter afkomt in volle zee, dan in de +nabijheid van de reddende kust, zoo vindt de mensch, die zichzelven +verloren heeft, zichzelven en zijn waarachtig heil gemakkelijk weder in +het wilde bruisen van de golven des levens, maar zelden en moeielijk, +wanneer zijn levenshulk rustig daarheen drijft. Alle andere goederen +verliezen in waarde, wanneer het bewustzijn ons niet draagt, dat wij +de levenstaak trouw en ernstig opvatten, en de vraagstukken, die dit +bestaan ons voorlegt, blijmoedig weten op te lossen. De verlorene zou +gered zijn, zoodra hij, met zijn God voor oogen en in het hart, zijn +denken en zijn handelen in dienst stelde van hoogere plichten. Mijne +eigene levenservaringen en de vrienden mijner Paula hebben mij geleerd, +onvermoeid het rechte te zoeken en eigen welzijn te vinden in het +welzijn van anderen. Het gevoel van de vrijheid verloren te hebben +was hard, maar liet mij mijne liefde en schonk mij gelegenheid en +ruimte van tijd, om mijne beste krachten ten dienste van het algemeen +flink te beproeven, en al ware het in den kerker niet volkomen, want +zonder vrijheid geen waar geluk, toch gevoelde ik er mij voortdurend +gelukkiger dan toen ik mij als lediglooper en onnut verkwister van tijd +en kracht, overgaf aan de verschillende genietingen der hoofdstad." + +"Zoo geniet dan de zelfvoldoening, die eene trouwe plichtsvervulling +schenkt, en tevens van uwe liefde en vrijheid," hernam de veldheer. "En +uw vader in het paradijs, geloof mij, vriend, hij zal u het schoonste +en beste even blijmoedig gunnen als ik. Gij zijt op den weg, die +elken vloek in zegen verandert." + + + +De drie bruiloften, welke de veldheer aan Maria beloofd had te zullen +aanrichten, werden glansrijk gevierd. Het huwelijk van Orion en Paula +werd voor de vrienden te Memphis een onvergetelijke dag. De bisschop +Johannes zegende het paar in, en het betrok terstond het eigendom +van den jongen echtgenoot, het schoone huis van de kleine Katharina, +de ware Nijlbruid. Als het vergund was geweest in Paula's en Orions +hart te lezen en te vernemen, hoe zij over haar dachten, dan zou +men bevonden hebben, dat zij voor beiden niet meer het kinderlijke +kwikstaartje was en dat zij haar dankten voor het offer van haar +jeugdig leven. + +De eerste dierbare gast, die de nieuwe woning met hen betrok, was de +kleine Maria, die hun liefste huisgenoote bleef tot haar huwelijk. De +opvoedster Eudoxia, die Orion mede bij zich had opgenomen, volgde +Maria later naar haar eigene, schoone woning en de leerlinge sloot +eindelijk de oogen der Griekin, die zich bij de opvoeding harer +kleinen niet als eene huurlinge, maar als eene ware moeder gedroeg. + +Ook de patriarch Benjamin, die op grond van vele overwegingen en niet +het minst om het testament van Katharina, besloten had met den zoon +van den Mukaukas in goede verstandhouding te blijven, verscheen als +gast bij het jonge paar. Noch hij, noch de kerk behoefden berouw te +gevoelen over den vrede, dien hij met Orion gesloten had, en toen Paula +haren geliefden gemaal een zoon schonk, bood de kerkvorst zichzelven +als peet aan, en noemde den kleine naar zijn grootvader: Georg. + +Spoedig na zijn huwelijk werd de waardigheid van Mukaukas aan Orion +opgedragen, hoewel onder een nieuwen Arabischen titel. Zijn zoon +erfde die later, toen hij tot man was opgewassen. Als de hoogste +christelijke beambte in zijn vaderland moest Orion weldra van +woonplaats veranderen en uit het ten ondergang gedoemde Memphis naar +Alexandrië verhuizen. Van daar strekte zich zijne werkzaamheid uit over +het geheele Nijldal, en hij wijdde zich daaraan met zooveel ijver, zulk +eene trouw, zooveel verstand en rechtvaardigheid, dat nog door latere +geslachten zijn naam met vereering en liefde werd herdacht. Paula +maakte het geluk en de trots uit van zijn leven en bleef tot op hoogen +leeftijd innig met hem verbonden. Tot de plichten zijns levens rekende +hij ook, dag aan dag het leven recht gelukkig te maken der vrouw, +die hem van een verlorene en vervloekte gemaakt had tot hetgeen hij +nu was. In den gevel van het nieuw gebouwde paleis zijner vaderen in +de havenstad plaatste hij het opschrift, dat de ring van den edelen +Thomas versierde: "Voor de deugd heeft God het zweet gezet." + +Ook de arts en zijne Pulcheria vonden te Alexandrië eene nieuwe +woonplaats. Philippus had niet lang aanzoek om haar behoeven te +doen; want toen de teruggekeerde zijn lief meisje, waaraan hij op de +lange reis voortdurend had gedacht, in het huis harer moeder voor de +eerste maal weder ontmoette, en zij hem beide handen vertrouwelijk en +hartelijk toestak, trok hij haar tot zich en liet zijne Pul niet weder +uit zijne armen los, voor vrouw Johanna hem en haar den moederlijken +zegen had gegeven. De weduwe woonde in het huis van den arts bij haar +kinderen en kleinkinderen en bezocht vaak het graf van haren lieven +man. Eindelijk werd zij bij hem en zijne moeder op het kerkhof van +de havenstad begraven. + +Rustem, dien Orion tot een welvarend man maakte, werd een groote +paarden- en kameelenfokker in zijn vaderland, en zijne Mandane +bestuurde kalm en met overleg zijne goederen, die hij, ofschoon +hij een Masdakiet bleef, met niemand deelde. Het eerste meisje dat +zijne vrouw hem schonk, heette Maria, de eerste knaap werd Haschim +genaamd. In het voorstel van Rustem, om den tweeden Orion te noemen, +stemde zijne vrouw niet toe; zij riep dien liever bij den naam Rufinus +en die er nog volgden bij die van Philippus en Rustem. + +Het senatorenpaar uit Konstantinopel verliet Egypte met een tevreden +gemoed. Vrouw Martina had toch nog de voldoening gehad, de bruiloft +van hare lieve Heliodora aan den Nijl te helpen vieren, zij 't ook +dat de bruidegom niet haar "groote Sesostris" was geweest, maar haar +neef Narses die onder de zorgvuldige verpleging van de jonge vrouw +wel is waar niet zijne volle gezondheid had teruggekregen, maar toch +redelijk was hersteld. Als Paula's huwelijksgeschenk ontving de jonge +weduwe de noodlottige groote smaragd, die intusschen naar Memphis +was teruggekomen. Het Senatorenpaar en de Mukaukas Orion met zijne +gemalin bleven tot aan het einde door innige vriendschap verbonden. + +De rentmeester Nilus vervulde nog lang zijn ambt met vlijt en +voorzichtigheid, en zoo vaak de koopman Haschim te Alexandrië kwam, +ontstond er een strijd tusschen de vrienden Orion en Philippus, want +beiden wilden zijn gastheer zijn. De arts gunde thans den Mukaukas +zijne trotsche gemalin. Hij hield niet op haar te bewonderen, +maar dacht daarbij: "Mijne aanminnige Pul heeft toch haars gelijke +niet. Voor Paula zouden onze vertrekken te klein zijn maar mijne +goudharige voelt er zich het meest op haar gemak." + +Tot het einde vervulde hij zijn beroep met zelfopofferende +toewijding, en als hij Orion zich zag inspannen bij zijne strenge +plichtsvervulling, zeide hij vaak: "Hij weet nu, wat het leven eischt +en handelt er naar, en daarom veroudert hij niet en klinkt zijn lachen +nog altijd even innemend blijmoedig. Wie als de Nijlbruid een wissen +dood en als de jonge Mukaukas den zwaarste aller vloeken weet te boven +te komen: waarlijk, het is eene eer zich een vriend te durven noemen +van zulk een paar!" + +De Nijlbruid werd tot op den huidigen dag niet vergeten, want voordat +de stroom in den "nacht van den druppel" stijgt, richten de bewoners +der stad, die op de andere zijde van den stroom in aansluiting aan het +door Amr gegrondveste Fostat de plek bewonen van het oude Memphis, +de Kaireners, aan den oever van de rivier eene pop van klei op, die +er uitziet als een vrouwelijk wezen, en zij noemen haar "Arouse", +dat is "de bruid". + + + + EINDE. + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Het zeil waarmee het open dak overspannen kon worden. + +[2] Het vertrek waar de papyrusrollen en kostbaarheden werden bewaard. + +[3] Raadsheeren. + +[4] De vriend en raadsman eener vrouw, die ook bij het gerecht +voor haar moest optreden. Met hem naast zich, stond de vrouw in het +toenmalige Egypte voor de wet met den man gelijk. + +[5] Klooster. + +[6] Weinig samenhangende rijen van op zichzelf staande +kluizenaarswoningen. + +[7] Voogd. + +[8] Een binnen het gebouw besloten tuin. + +[9] Vertrek ter bewaring van boeken en kostbaarheden. + +[10] De Grieken bedienden zich hij vrouwennamen gaarne van +verkleinwoorden; men vindt ze zelfs in de belastinglijsten in plaats +van de gewone namen. Overigens was het gebruik van diminutiva ook +den Attischen Grieken niet vreemd. + +[11] Plaatsvervanger. + +[12] Bravo. + +[13] Nijlmeerval, eene smakelijke visch. + +[14] De onderwereld der oude Egyptenaren. + +[15] Een groot zeeschip, met drie rijen roeibanken. + +[16] De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876 +n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: "God +heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig +onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den +ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen, +slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het +ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken." + +[17] Een dubbel schrijftafeltje, dat kon worden toegeslagen. + +[18] Een helper en dienaar van een priester. + +[19] Onze zeep, die men echter niet in harden toestand gebruikte. + +[20] Suez. + +[21] De Grieksche vesting, waarbij het door Amr gestichte Fostat en +later Kairo zich aansloten. + +[22] Nog in de 14e eeuw na Christus werd door de Christenen in Egypte +een kistje met een menschelijken vinger in den Nijl geworpen om den +stroom tot wassen te nopen. Dit wordt bevestigd door een bericht van +den betrouwbaren Makrisi. + +[23] Het doet geen pijn. + +[24] De bemiddelaren der huwelijken bij de Arabieren. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De nijlbruid, by Georg Moritz Ebers + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42935 *** |
