summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/42935-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '42935-0.txt')
-rw-r--r--42935-0.txt24005
1 files changed, 24005 insertions, 0 deletions
diff --git a/42935-0.txt b/42935-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..a0224d6
--- /dev/null
+++ b/42935-0.txt
@@ -0,0 +1,24005 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42935 ***
+
+ GEORGE EBERS
+
+ DE NIJLBRUID
+
+ IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT
+
+ DOOR
+ Dr. H. C. ROGGE
+
+
+
+ EERSTE DEEL
+
+ TWEEDE DRUK
+
+ AMSTERDAM
+
+ VAN HOLKEMA & WARENDORF
+
+
+
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+De "Nijl-bruid" behoeft geen voorrede. Alleen voor vakgenooten
+merk ik op, dat ik op gezag van den hoogleeraar De Goeje besloten
+heb bij mijn vermoeden te blijven, dat namelijk het woord Mukaukas
+niet voor den naam, maar voor den titel gehouden moet worden van den
+man, wien de Arabische bronnen, waarvan ik mij bediende, aanwijzen
+als den persoon, die als Stadhouder van den Byzantijnschen Keizer
+de hem toevertrouwde provincie overleverde aan de heerschappij der
+Muzelmannen. Van Karabaceks onderzoekingen betreffende den Mukaukas,
+heb ik helaas geen gebruik meer kunnen maken.
+
+Dat ik den ouden Horus Apollon (Horapollon) plaats in de zevende eeuw,
+zal terecht de bevreemding wekken van ieder, die den schrijver van
+de Hiëroglyphica voor denzelfden persoon houdt als den gelijknamigen
+Egyptischen geleerde, die volgens Suidas onder Theodosius leefde, en
+van wien reeds Stephanus van Byzantium tegen het einde der vijfde eeuw
+gewag maakt. Doch eerstgenoemde lexicograaf Suidas telt de werken van
+Horapollon, den grammaticus en den commentator van Grieksche dichters
+op, zonder de Hiëroglyphica te noemen, waarop hier alles aankomt,
+en alle andere oude schrijvers, die den naam Horapollon vermelden,
+laten ons de vrijheid--gelijk ook C. Leemans, de beste beoordeelaar der
+Hiëroglyphica toegeeft--om twee Horapollons aan te nemen, van welke de
+tweede zeer goed eerst in de zevende eeuw geleefd kan hebben, daar in
+zijn tijd de nauwkeurige kennis van het hiëroglyphen-schrift reeds veel
+meer verloren moest zijn, dan wij dit mogen aannemen voor de vierde
+eeuw na Christus, wanneer wij in aanmerking nemen, dat er nog zeer
+goede hiëroglyphische opschriften uit den tijd van Decius, 250 jaren
+na Christus, bewaard zijn gebleven. Wij kunnen moeilijk aannemen,
+dat de Egyptische commentator van Grieksche dichters een vertaler
+noodig heeft gehad, terwijl de Hiëroglyphica eerst door Philippus in
+het Grieksch schijnt overgebracht te zijn. Onze combinatie, volgens
+welke de schrijver, in het Egyptisch Horus (zoon van Isis) genaamd,
+afkomstig was van het Isis-eiland Philae, waar de heidensch-Egyptische
+eeredienst zich het langst staande hield, en waar nog tot in later
+tijd eenige kennis van het hiëroglyphen-schrift bewaard bleef, houdt
+rekening met de juiste verhoudingen in het door ons gekozen tijdperk.
+
+
+Tutzing am Starnberger See
+
+1 Oct. 1886. Georg Ebers.
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE DEEL.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Er waren een paar jaren verloopen, sedert Egypte zich onderworpen
+had aan de jeugdige maar met buitengewone kracht en snelheid zich
+ontwikkelende macht der Arabieren. Het was aan eene kleine, goed
+aangevoerde schare muzelmansche krijgslieden zonder veel moeite in
+handen gevallen, en de schoone provincie, die nog kort geleden een
+sieraad was van het Byzantijnsche keizerrijk, waar het christendom
+zijne trouwste aanhangers vond, behoorde thans aan den Kalief Omar,
+en moest er in berusten dat de halve maan zich overal naast het kruis
+omhoog hief.
+
+Over het ongelukkige land was een zomer voorbijgegaan, zoo heet als
+men in lang niet beleefd had, en hoewel men als naar gewoonte het
+wassen van den Nijl den 17den Juni in "den nacht van den regendruppel"
+met feestelijke toebereidselen had gevierd, tot dusverre werd de
+verwachting der Egyptenaren bedrogen, en de stroom daalde al lager
+en lager, in plaats van te stijgen. In deze bange dagen, den 10den
+Juli van het jaar 643, trok een karavaan, die van het noorden kwam,
+Memphis binnen. De kleine karavaan wekte dadelijk aller aandacht
+in de ontvolkte, vervallen pyramidenstad, die zich in den vorm van
+een kolossaal rietblad slechts in de lengte uitbreidde, daar hare
+uitzetting in de breedte tusschen den Nijl en de Libysche woestijn
+beperkt was. In vroeger jaren zouden de Memphieten het nauwelijks
+der moeite waardig hebben geacht het hoofd op te heffen, wanneer
+onafzienbare met handelswaren bevrachtte wagentreinen, vrachtkarren
+met flinke jukossen bespannen, sierlijk uitgedoschte keizerlijke
+ruiterdrommen of afzienbare processies de meer dan mijlenlange
+hoofdstraat stoffeerden.
+
+Hij die als koopman op een dromedaris van uitgelezen ras vóor
+de karavaan reed, was een magere muzelman, gehuld in een zijden
+kleed. Een breede tulband bedekte zijn klein hoofd, en overschaduwde
+voor een deel zijn fijnbesneden, oudachtig gelaat. De Egyptenaar,
+die als gids op een stevigen ezel naast den koopman reed, zag telkens
+en met blijkbaar welgevallen naar dit juist niet schoon gelaat, met
+ingevallen wangen, dunnen ringbaard en grooten adelaarsneus, doch het
+bevatte een paar heldere oogen waaruit vriendelijke bedachtzaamheid
+en hartelijke welwillendheid straalden. Maar deze schrale oude heer,
+op wiens gezicht smart en ziekten diepe sporen hadden achtergelaten,
+wist ook te bevelen en zijn wil te doen eerbiedigen. Dit kon men zijn
+fijnen, vastgesloten mond wel aanzien, en bleek ten overvloede uit de
+stiptheid, waarmede die kloeke, gebaarde, tot aan de tanden gewapende
+krijgslieden, die hem volgden, op zijne wenken gehoorzaamden. Zijn
+Egyptische geleider, het hoofd van de hermeneuten of het gilde der
+gidsen, een knorrige, bruine Memphiet, trok zich terug, wanneer hij
+onvoorziens wat dicht kwam bij de op dromedarissen gezeten ruiters,
+als vreesde hij een houw of stoot te zullen ontvangen, terwijl hij
+den koopman Haschim, den eigenaar van de karavaan, zonder vrees te
+woord stond, en praatziek, gelijk lieden van zijn stand, van alles
+de verklaring gaf.
+
+"Wat zijt gij hier te Memphis goed te huis," zeide de Egyptenaar,
+nadat de oude heer zijne verbazing te kennen had gegeven over den
+treurigen ommekeer en den achteruitgang van de stad.
+
+"Dertig jaren geleden," antwoordde de koopman, "ben ik voor mijne zaken
+vaak hier geweest. Hoevele huizen staan er leeg en zijn bouwvallig
+geworden, waarin men toen voor grof geld nauwelijks een onderkomen
+kon vinden! Overal ruïnen, waar men rondziet! Wie heeft deze schoone
+kerk zoo jammerlijk vernield? Door mijne landgenooten, ik weet het
+van den veldheer Amr zelven, is geen christelijk bedehuis aangevallen."
+
+"Het was de hoofdkerk van de Melchieten, de dienaars van den keizer,"
+zeide de gids als lag in die toevoeging tevens de verklaring van
+het gebeurde.
+
+Doch de koopman had hiermede geen vrede, en vraagde daarom: "Nu,
+wat kwaad is er dan in hunne leer gelegen?"
+
+"Wat kwaad?" herhaalde de Egyptenaar, terwijl zijne oogen van toorn
+fonkelden; "wat kwaad? Zij verdeelen den goddelijken persoon des
+Heilands en schrijven Hem verschillende naturen toe. Dit is niet
+alles. Al die Grieken hier te lande hebben, voor de uwen aan dezen
+gruwel een einde maakten, ons, de heeren des lands, als slaven
+behandeld, steunende op de macht van den keizer. Zij dreven ons met
+geweld in hunne kerken, en allen, die Egyptisch bloed in de aderen
+hadden, werden als rebellen en melaatschen behandeld. Zij hebben ons
+uitgelachen en verketterd, omdat wij geloofden aan de éene goddelijke
+natuur van onzen Heiland."
+
+"En daarom," zeide de koopman, weder het woord nemende, "hebt gij,
+zoodra wij de Grieken verdreven hadden, u onverdraagzamer getoond
+jegens hen en hunne tempels, dan wij, die gij ongeloovigen scheldt,
+ons gedroegen jegens u!"
+
+"Verdraagzaam, jegens hen?" hernam de Egyptenaar op minachtenden
+toon, terwijl hij verstoord een blik sloeg op het half verwoeste
+gebouw.--"Zij hebben geoogst wat zij gezaaid hadden, en wie thans in
+Egypte--de Heiland zij geprezen!--niet aan uw eenigen God gelooft,
+die gelooft in de éene natuur van onzen Heer Jezus Christus. Dat
+Melchieten-rot hebt gij verdreven, daarna was het onze taak om de
+handen te slaan aan de bedehuizen van hun erbarmelijken Heiland,
+dien zij op de synode te Chalcedon--verdoemd mogen ze zijn!--van
+zijne goddelijke waardigheid hebben beroofd."
+
+"Maar die Melchieten blijven toch altijd uwe geloofsgenooten; zij
+zijn christenen," zeide de koopman.
+
+"Christenen?" herhaalde de gids, terwijl hij met minachting de
+schouders ophaalde. "Ze mogen zichzelven daarvoor houden! Wat mij
+betreft en allen hier te lande, groot en klein, wij zijn van meening
+dat zij niet het minste recht hebben zich onze geloofsgenooten, zich
+christenen te noemen. Vervloekt zijn ze allen, en zullen ze blijven
+met hunne honderden ja duizenden duivelsche ketterijen, die onzen God
+en Verlosser tot een ding zouden willen maken als dat godenbeeld aan
+dien steenen deurpost. Van boven is het een koe en van onderen een
+mensch; welk verstandig man, vraag ik u, kan zulk een tweeslachtig
+monster aanbidden? Wij Jacobieten, Monophusieten, of hoe men ons
+noemen wil, geven van de goddelijke natuur van onzen Heer en Heiland
+geen tittel prijs, en als het eens uit is met het oude geloof, dan wil
+ik een muzelman worden en mij bekeeren tot het geloof in uw grooten,
+eenigen God. Want voordat ik de ketterij der Melchieten omhels laat
+ik me liever met vrouw en kind in stukken houwen. Wie weet wat er
+nog gebeuren zal! Wel beschouwd is het niet zoo onvoordeelig om tot
+uw geloof over te gaan, want gij hebt de macht in handen en moogt
+die behouden. Het is nu eenmaal ons lot door vreemden beheerscht
+te worden, en wie betaalt niet liever den kleinen cijns aan den
+wijzen en gezonden Kalief in Medina dan de grootere belasting aan het
+Melchietisch en ziekelijk keizersgebroed in Konstantinopel? De Mukaukas
+Georg is zeker geen slecht mensch; daar hij den tegenstand tegen u zoo
+spoedig opgaf, is hij zeker van dezelfde meening geweest. Hij geeft
+aan u, als rechtvaardige, vrome lieden, onze naburen, misschien wel
+onze stamverwanten, de voorkeur--boven die Byzantijnsche ketters,
+die menschenvillers en bloedhonden. Bovendien is de Mukaukas een
+christen zoo goed als een onzer."
+
+De Arabier had den Memphiet, die door zijn ambt gedwongen werd
+zichzelven het zwijgen op te leggen, opmerkzaam en soms met een
+glimlach aangehoord. De Egyptenaar liet de karavaan nu een straatje
+inslaan, dat naar de met den stroom evenwijdig loopende hoofdstraat
+voerde, waarin eenige deftige huizen stonden, door tuinen omgeven.
+
+Zoodra de menschen en de dieren op den beter geplaveiden weg verder
+trokken, zeide de koopman: "Ik heb den vader van den man, dien
+gij daar noemdet, zeer goed gekend. Hij was een rijk en bovendien
+welgezind man, en ook van zijn zoon vernam ik niets dan goeds. Mag
+hij nog altijd den titel van stadhouder of--hoe zeidet gij daareven
+ook?--van Mukaukas dragen?"
+
+"Zeker, meester!" antwoordde de hermeneut. "Er is in Egypte geen
+ouder geslacht dan het zijne, en was de oude Menas reeds een rijk
+man, Mukaukas Georg is het nog meer, door hetgeen hij geërfd heeft
+en door het huwelijksgoed zijner vrouw. Wij kunnen geen verstandiger,
+rechtschapener stadhouder begeeren! Hij ziet de ondergeschikte beambten
+ook streng op de vingers; doch zoo spoedig als vroeger worden de zaken
+toch niet meer afgedaan. Wel is hij niet veel ouder dan ik, en ik ben
+bijna vijftig, maar hij komt zijne ziekte niet meer te boven, want
+sedert maanden heeft niemand hem meer zien uitrijden. Zelfs wanneer
+uw stadhouder hem zien wil, komt hij niet verder dan van de eene zijde
+der straat naar de andere. Het is jammer van den man! En wie heeft dat
+edele lichaam ondermijnd? De Melchieten-honden hebben het gedaan! Vraag
+maar aan den Nijl zoo lang als hij is naar de oorzaak van ons ongeluk,
+en gij zult overal hetzelfde antwoord krijgen. Waar de Griek, de
+Melchiet zijn voet zette, daar was het uit met den groei van het gras!"
+
+"Maar den Mukaukas, den hoogsten beambte des keizers," begon de
+Arabier te zeggen.
+
+Doch de ander viel hem in de rede, zeggende: "Meent gij dat hij voor
+hen veilig was? Zeker, zij hebben zijn persoon niet durven aantasten,
+maar wat hem overkwam was nog erger, want bij een opstand van de
+Melchieten tegen de onzen--het was in Alexandrië, en de gestorven
+Grieksche patriarch Cyrus had mede de hand in het spel,--zijn twee
+zijner zonen, twee schoone jonge mannen, in den bloei hunner jaren
+als dolle honden doodgeslagen; en dat, dat heeft hem geknakt."
+
+"Arme man!" zeide de Arabier met een zucht. "En hield hij geen andere
+kinderen over?"
+
+"Ja, heer, nog éen zoon, en de weduwe van den oudsten. Deze is echter
+na den dood van haar man in een klooster gegaan, doch haar kind, de
+kleine Maria, die nu zoowat tien jaar oud zal zijn, heeft zij bij de
+grootouders gelaten."
+
+"Dat is gelukkig," hernam de koopman, "dat zal wat zonneschijn in
+huis gebracht hebben."
+
+"O zeker, heer! Toch ontbrak het ook thans niet aan reden tot
+blijdschap. De eenig overgebleven zoon, hij heet Orion, is eergisteren
+uit Konstantinopel teruggekeerd, waar hij lang vertoefde. Dat was me
+een vreugde! De halve stad was als gek van opgewondenheid. Duizenden
+zijn hem te gemoet gesneld, alsof hij de Heiland was, eerepoorten
+hebben ze voor hem opgericht, zelfs de mijnen deden mee--er viel niet
+aan te denken dat iemand zich daaraan kon onttrekken. Allen wilden den
+zoon en erfgenaam van den grooten Mukaukas zien, de vrouwen natuurlijk
+in de eerste plaats!"
+
+"Gij zegt dat op een manier, alsof de teruggekeerde zulk eene eer
+niet waardig was," merkte de Arabier op.
+
+"Zooals men het op wil vatten," hernam de Egyptenaar, terwijl hij de
+schouders ophaalde. "Hij is nu eenmaal de eenige zoon van den eersten
+man in het land."
+
+"Laat het zich dan niet verwachten dat hij den vader gelijken zal?"
+
+"O, ja!" antwoordde de ander. "Mijn broeder, een geestelijke, die
+aan het hoofd staat van onze groote school, is zijn leermeester
+geweest, en deze zegt nog nooit zulk een schrandere kop ontmoet te
+hebben als Orion. Alles woei hem zoo maar aan, en daarbij was hij
+zoo vlijtig als het kind van een arme. Wij, zijne ouders, en zijne
+vaderstad Memphis hadden, zooals Marcus meent, niet dan roem en eer
+van hem te wachten. Doch ik zie ook de schaduwzijde, en ik zeg u dat
+de vrouwen hem het hoofd op hol brengen en hem eindelijk ten gronde
+zullen richten. Het is een mooie man, hij ziet er nog schooner uit
+dan de oude heer in zijne jonge jaren, en daar trekt hij partij van,
+en waar hij iets aanminnigs tegenkomt--en dat ontmoet hij overal op
+zijn weg--."
+
+"Daar grijpt de jonge deugniet toe," zeide de muzelman lachend. "Nu,
+als het niets anders is wat u beangst maakt, dan doet mij dit plezier
+voor hem. Hij is jong, en zulke dingen komen terecht."
+
+"Neen, heer, neen! Zelfs mijn broeder--hij is thans in Alexandrië
+en nog altijd blind en bespottelijk ingenomen met zijn vroegeren
+leerling--ziet hierin eene gevaarlijke klip. Wanneer daarin geen
+verandering komt, zal hij al verder en verder afwijken van de geboden
+des Heeren en schade lijden aan zijne ziel, want de gevaren omringen
+hem aan alle zijden als brullende leeuwen. De kostelijke gave der
+schoonheid en die om anderen voor zich in te nemen zullen hem nog
+in het verderf storten; waarlijk ik wensch het niet, maar ik vrees
+het...."
+
+"Gij ziet het te donker in en oordeelt te hard," hernam de ander. "De
+jeugd...."
+
+"Ook de jeugd," antwoordde de gids, "bij den christen ten minste, moet
+zichzelve weten te beheerschen. Zoo iemand, dan ben ik geneigd den
+schoonen jonkman het beste te gunnen. Laat ik er maar voor uitkomen:
+als hij mij groet dan ben ik te moede als ware mij een geluk te beurt
+gevallen, en zoo is het met ontelbare andere mannen in Memphis en
+met de vrouwen bovenal. Maar desniettemin heeft reeds menigeen vele
+bittere tranen over hem gestort. Doch, bij alle heiligen, als men van
+den wolf spreekt, dan..... Ziet ge wel, daar is hij!.... Halt, wat
+langzaam aan, mannen!--Het is wel de moeite waard voor een oogenblik
+onzen gang wat in te houden."
+
+"Dat statige vierspan daar, bij die hooge tuinpoort, is dat van hem?"
+
+"Het zijn de Pannonische dravers, die hij heeft meegebracht, snel als
+de bliksem en daarenboven.... Maar dáar.... zie! Ach, nu verliezen
+wij ze achter dien tuinmuur juist uit het oog; doch gij moet ze op uw
+hooge dromedaris nog kunnen zien. Dat kleine meisje daar naast hem,
+is de dochter van de weduwe Susanna, de eigenares van dezen hof en
+van dat fraaie paleis achter die boomen."
+
+"Eene heerlijke bezitting!" zeide de Arabier.
+
+"Dat zou ik ook denken," antwoordde de Memphiet. "De hof strekt zich
+uit tot aan den Nijl; en hoe goed wordt alles onderhouden!"
+
+"Heeft hier niet vroeger de korenhandelaar Philammon gewoond?" vraagde
+de koopman, als verlevendigden zich bij hem oude herinneringen.
+
+"Juist! híj was de echtgenoot van Susanna en moet reeds een vijftiger
+geweest zijn, toen hij haar vrijdde. De kleine is hare eenige dochter,
+de rijkste erfgename in de geheele provincie, maar niettegenstaande
+zij reeds zestien jaren telt niet flink opgewassen; het kind van een
+ouden vader, begrijpt ge? Toch is ze dartel en vroolijk, een lachduif
+in menschelijke gedaante, en zoo vlug en bewegelijk! Hare huisgenooten
+noemen haar het kwikstaartje."
+
+"Heel aardig en naar waarheid," hernam de koopman met welgevallen. "Ze
+is klein, meer een kind dan een jong meisje, maar ik schep behagen in
+dat aanvallige vroolijke schepseltje. De zoon van den Mukaukas--hoe
+heet hij ook weer?"
+
+"Orion, heer," antwoordde de ander.
+
+"Drommels," zeide de ander meesmuilend, "ge hebt hem niet gevleid,
+vriend! Een jongeling als dien Orion ziet men niet alle dagen! Welk
+een lichaamsbouw! Wat staan die bruine lokken hem goed! Ja, ja,
+zulk een jonkman wordt eerst door zijne eigene moeder vertroeteld,
+en andere vrouwen volgen dan haar voorbeeld. Hij heeft een flink,
+open gezicht, daar wat achter steekt. Maar hij had dien purperen rok
+en dat gouden flikwerk in Konstantinopel moeten laten. Die dingen
+zijn hier in deze sombere vervallen stad niet op hun plaats."
+
+Onder de laatste woorden porde de Memphiet zijn ezel wat aan, maar
+de Arabier hield hem terug, want wat er achter den tuinmuur plaats
+greep trok al te zeer zijne aandacht. Hij zag dat de schoone Orion
+een wit hondje, een zeer fijn zijdharig beestje, dat naar het scheen
+hem toebehoorde, het kleine meisje op den arm gaf; hij zag hoe zij
+het kuste en hem een langen grashalm om den hals sloeg, als wilde zij
+daarmede hem de maat nemen. De oude merkte verder op hoe ze beiden
+ondeugend lachten, hoe ze elkander in de oogen zagen en eindelijk
+afscheid namen. Daarna verhief zij zich op de teenen naar een vreemde
+struik, aan welks top twee heerlijke roode klokjes bloeiden; zij
+plukte ze haastig en reikte ze hem toe, terwijl een blosje hare wangen
+overtoog. Daarbij weerde zij de hand, waarmede hij haar bij het reiken
+naar de bloemen ondersteund had, met een zwaai van haar arm lachend
+terug, en op haar frisch gezichtje las hij de innige blijdschap die
+zij gevoelde, toen hij de plek, die zij met haar vingers had getroffen,
+kuste en daarna ook de bloemen aan zijne lippen bracht.
+
+De oude heer zag dit alles met zooveel deelneming en vreugde aan,
+als wekte het de liefelijkste herinneringen in zijn gemoed, en zijne
+goedige oogen lachten toen Orion, niet minder schalksch en dartel als
+zij, haar eenige woorden in het oor fluisterde, waarop zij de lange
+grashalm uit haar gordel trok, hem haastig daarmede over het gezicht
+streek, als wilde zij hem straffen, en vervolgens ijlings, snel als
+eene ree, over gras en bloemperken naar het paleis vloog, zonder
+zich te storen aan zijn herhaald roepen: "Katharina, allerliefste,
+goede jonkvrouw Katharina!"
+
+Dat was een klein opwekkend avontuur geweest, en de oude Haschim hield
+de herinnering er aan vast, en verkneukelde zich daarin nog altijd,
+toen hij met de zijnen reeds een tamelijk eind wegs had afgelegd. Hij
+was Orion, den zoon van den Mukaukas Georg, dankbaar voor dit liefelijk
+schouwspel, en toen hij het vierspan in langzamen draf de karavaan
+hoorde naderen, keek hij er naar om en hield het in het oog.
+
+Maar voordat de Pannonische rossen, den met allerlei in zilver
+gedrevene figuren bedekte wagen en zijnen menner, die te zamen een
+toonbeeld van buitengewone schoonheid en goeden smaak aanboden, hem
+langzaam waren voorbijgereden, om daarna pijlsnel op de nu vrije straat
+voorwaarts te rennen en in eene dichte stofwolk te verdwijnen, had
+het gelaat van den koopman zijne vroolijke uitdrukking verloren. Er
+lag iets diep weemoedigs in zijne stem, toen hij een der jonge
+kameeldrijvers beval de bloemen, die achter hen in het stof lagen,
+van den weg op te rapen en hem te brengen.
+
+Hij had gezien hoe de schoone jonge man met een blik en eene beweging,
+als ware hij boos op zichzelven, de vriendelijke gave in het heete
+stof op straat had geslingerd.
+
+"Uw broeder heeft gelijk," riep de oude den Memphiet toe. "Voor dezen
+jongen man zijn de vrouwen eene gevaarlijke klip, en hij is het voor
+haar, gelijk ik vrees.--Die arme kleine daar ginds!"
+
+"Dat kwikstaartje, meent ge?" vraagde de gids. "O, met haar kon het
+licht meenens worden. De lieve moeders maken de zaak al klaar. Zij
+zitten beiden in het goud, en waar duiven zijn vliegen duiven
+toe. Godlof, de zon staat al boven de pyramiden! Laten uwe lieden
+gindsche groote herberg binnengaan. De waard is een schappelijk man,
+en men vindt bij hem ook schaduw."
+
+"Wat de beesten en de manschappen aangaat," antwoordde de koopman,
+"mogen zij hier wat uitrusten. Ik, de aanvoerder van de karavaan
+en nog eenige lieden, wij zullen ons wat versterken--en dan brengt
+gij ons naar den stadhouder, met wien ik over een en ander spreken
+moet. Het is niet vroeg meer..."
+
+"Wees daarover niet bezorgd!" hernam de Egyptenaar. "De
+Mukaukas ontvangt op zulk een gloeiend heeten dag het liefst na
+zonsondergang. Als gij wat met hem te doen hebt, zijt ge bij mij aan
+het rechte kantoor. Laat eenige goudstukken vliegen, dan verschaf ik
+u nog heden gehoor door den huismeester Sebek, mijn neef. Terwijl gij
+hier wat uitrust, rijd ik naar het stadhouderlijk verblijf en breng
+u dan bericht."
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+De herberg, waarin de koopman Haschim met de karavaan zijn intrek
+nam, lag op eene hooge plek aan den weg, van alle zijden omgeven
+door palmen. Vóor de verwoesting van de heidensche oudheden in het
+Nijldal was dit een tempel van Imhotep, den Egyptischen Aesculapius,
+den vriendelijken god der geneeskunde, die ook in de doodenstad eene
+afzonderlijke plaats voor zijne vereering had gehad. Deze lag half
+verwoest, half in het woestijnzand begraven, toen een ondernemende
+herbergier den bevalligen tempel met het daarbij behoorende heilige
+bosch voor eene billijke som aankocht. Sedert was het gebouw van de
+eene hand in de andere overgegaan, tegen de stevig gebouwde tempelzaal
+had men een groot houten huis opgetrokken, bestemd voor het opnemen
+van reizigers, en in het palmbosch, dat tot aan den slecht onderhouden
+oeverdam reikte, verhieven zich stallen en zag men omheinde plaatsen,
+bestemd voor kudden, die hierheen werden gedreven. Het geheel had
+aldus het aanzien van een veemarkt, en werkelijk kwamen de slachters
+en paardenkoopers der stad gaarne hierheen om te vinden wat zij
+zochten. Daarentegen trok het palmbosch, een der weinigen dat in de
+nabijheid der stad bewaard was gebleven, de burgers van Memphis aan,
+om een luchtje te scheppen en zich in zijne schaduw te verkwikken. De
+waard had vlak bij den stroom tafels en banken doen opstellen, en in
+de kleine haven op zijn erf kon men booten huren. Iedereen die van
+de stad een pleiziertochtje te water maakte, legde hier gaarne aan en
+liet zich onder de palmen van Nesptah een verfrisschenden dronk geven.
+
+De twee rijen huizen welke deze plaats van bijeenkomst zoo voor
+redelijke wezens als voor het redeloos vee vroeger van de groote
+straat gescheiden hadden, en zich uitstrekten in de richting van
+den Nijl, waren sedert lang ingestort en de waard had alles met
+den grond gelijk gemaakt. Op dit oogenblik kon men zien hoe onder
+de leiding van Arabische opzieners ettelijke arbeiders bezig waren,
+om eene kolossale ruïne uit den tijd der Ptolomeën, die nauwelijks
+tweehonderd schreden van het palmbosch verwijderd lag, af te breken
+en de groote, zorgvuldig gehouwene kalksteen- en marmerblokken,
+evenals de talrijke hooge zuilen die het dak van den Zeus-tempel te
+Memphis gedragen hadden, in weerwil van de brandende middaghitte,
+op ossenkarren te laden, om ze naar den dam en van daar op platte
+booten naar den oostelijken Nijl-oever te brengen.
+
+Dáar bouwde Amr, de veldheer en plaatsvervanger van den Kalief
+zijne nieuwe residentie. De tempels der oude goden werden daartoe
+als steengroeven gebruikt, en men vond daarin niet alleen keurig
+afgewerkte ornamenten van den hardsten steen, maar ook Grieksche
+zuilen van verschillende bouworden in menigte, die allen aan gene zijde
+van den stroom weder opgericht werden. De Arabieren versmaadden geen
+enkel bouwmateriaal; zij gebruikten bij het optrekken hunner moskeeën
+alle steenblokken en zuilen, onverschillig of ze van heidensche of
+christelijke tempels afkomstig waren.
+
+In den herbergtempel van Imhotep waren de wanden en zolderingen
+oorspronkelijk overal met godenbeelden en hiëroglyphische opschriften
+bedekt geweest, maar de rook van het haardvuur had ze sedert lang
+zwart gemaakt. Bovendien hadden de handen van geloofsijveraars ze
+onophoudelijk geschonden, en over velen had men kalk gestreken, om
+die plekken met christelijke symbolen en zeer wereldlijk gekrabbel in
+Grieksche teekenen of in het volksschrift der Egyptenaars, te bedekken.
+
+In de groote tempelzaal van weleer gebruikte de Arabier met de zijnen
+den maaltijd. Allen onthielden zich daarbij van wijn, met uitzondering
+van den aanvoerder der karavaan, die eigenlijk geen muzelman was,
+maar tot de Perzische secte der Masdakieten behoorde.
+
+Nadat de oude heer zich verzadigd had aan een afzonderlijk tafeltje,
+riep hij dezen tot zich en beval hem de baal met het tapijt, vast
+te binden op den draagstoel tusschen de beide groote lastkameelen,
+maar zóo, dat hij gemakkelijk losgemaakt kon worden.
+
+"Dat is reeds geschied," antwoordde de Pers, een prachtige kerel,
+groot en breed als een eik, met een kop door blonde haren als met
+leeuwenmanen omlijst, terwijl hij zijn zwaren snorbaard afveegde.
+
+"Des te beter," antwoordde Haschim. "Kom met mij naar buiten!"
+
+Dit zeggende ging hij den Masdakiet voor in het palmbosch.
+
+De zon was inmiddels achter de pyramiden, de doodenstad en de
+Libysche bergketen ter ruste gegaan, en haar schijnsel kleurde nog
+slechts den oostelijken horizont en het naakte kalksteengebergte van
+Babylon aan gene zijde van den stroom, met afwisselende verwen van
+onbeschrijfelijke schoonheid. Het was als hadden alle soorten van
+rozen, die de kunstigste hovenier in Arsinoë of Naukratis teelde,
+van de goudgelen tot de purperen, en die schitteren met donkerrooden
+naar het violet zweemenden glans, de kleuren geleverd, om de vlakke
+zijden, de uitstekende punten en kloven van het gebergte, sneller
+als zich laat denken, met tooverachtige tinten te overgieten.
+
+Den ouden heer zwol de borst bij dit gezicht en terwijl hij diep
+adem haalde, legde hij zijne zachte hand op den reuzenarm van den
+Pers en zeide: "Uw meester Masdak leert: het is Gods wil dat de eene
+mensch niet meer of minder zijn eigendom mag noemen dan de andere, en
+dat er geen rijken noch armen mogen zijn, want dat alle bezittingen
+gemeengoed zijn. Zie nu eens met mij naar dezen kant. Wie dit nog
+nimmer aanschouwde heeft nog niets gezien. Er is hier beneden niets dat
+dit schouwspel in schoonheid overtreft. En wien behoort het? Dien armen
+eenvoudigen Salech daar, dien wij uit genade halfnaakt de kameelen
+laten nadraven, beschouwt dit evengoed als zijn eigendom als gij en ik
+en de Kalief. God heeft ons ten opzichte van zijne groote werken allen
+op éen lijn geplaatst, zooals uw meester begeert. Hoeveel schoons is
+er toch, dat ons geslacht gemeenschappelijk bezit! Laten wij daarom
+dankbaar zijn, Rustem, want waarlijk, het is niet weinig.--Met het
+eigendom, dat de mensch zich verwerven of dat hij verliezen kan, is
+het echter geheel anders gelegen. Wij staan allen in dezelfde loopbaan,
+en wat gij begeert zou vereischen, dat men hun die hard loopen kunnen
+lood aan de voeten bond, opdat de een den ander niet vooruit zou
+snellen; dat zou zooveel zijn als.... Maar geven we thans onze oogen
+den kost en laten wij ons liever wijden aan het prachtige schouwspel
+daarginds! Kijk eens, wat er zooeven uitzag als deze purperkleurige
+bloemkelk, dat worden nu robijnen; wat schitterde als een viooltje is
+donker amethyst geworden. Alles wordt heerlijk omlijst door dien gulden
+rand van lichte wolken. En dat alles is het mijne, is het uwe, is
+het onze, zoolang oog en hart zich daaraan te goed doen en verkwikken."
+
+De Masdakiet barstte uit in een gullen, welluidenden lach en zeide:
+"Ja meester, als ieder maar uwe oogen had! Waarlijk het ziet er daar
+kleurig genoeg uit aan den hemel en tegen de bergen, en zulke roode
+tinten neemt men bij ons zelden waar; maar wat hebben wij aan dat
+betooverend gezicht? Gij ziet robijnen en amethysten daarginds, maar
+ik?--De juweelen in uw tapijt zijn wat meer waard dan al dat gefonkel
+aan den horizont! Gij moogt er over denken zoo ge wilt, maar voor dien
+baal dáar gaf ik alle zonsondergangen op aarde present, en waarlijk
+het zou mij niet berouwen!"--Wederom begon hij hartelijk te lachen,
+waarna hij vervolgde: "Maar vadertje, gij zult er wel voor passen om
+den koop te sluiten!--Wat ons Masdakieten aangaat, de goede tijd is
+nog niet voor ons gekomen."
+
+"En als die nu eens aangebroken was en gij bezitter werdt van dat
+tapijt?"
+
+"Dan verkocht ik het; ik voegde de opbrengst bij mijne spaarpenningen,
+ik ging naar huis om daar land te koopen, ik nam een aardig wijfje
+en begon kameelen en paarden te fokken."
+
+"Jawel, en dan zouden overmorgen de armen komen, die niets bespaarden
+en slechte zaken maakten met dat avondrood; ieder zou een stuk van
+uw land, een kameel en een veulen verlangen; gij zoudt nooit meer een
+heerlijken zonsondergang te zien krijgen, en uwe lieve vrouw moest met
+u door de wereld trekken, om u te helpen met anderen te deelen. Beste
+Rustem, laat de dingen blijven zooals ze zijn. De Allerhoogste moge
+uw braaf hart bewaren, dwaze dweeper, die ge zijt!"
+
+Terwijl de reus zich over den arm van zijn meester boog om hem dankbaar
+te kussen, keerde de gids met een lang gezicht terug, want hij had te
+veel beloofd. De Mukaukas Georg was,--een ongehoord geval--juist toen
+hij voor den Arabier gehoor wilde vragen, in een gondel gedragen,
+om met zijn zoon en de vrouwen van zijn huis een watertochtje te
+maken. De terugkeer van Orion, zeide de huismeester, had den ouden
+heer geheel verjongd. Haschim moest dus tot morgen wachten, en hij,
+de gids zou hem raden in de stad te overnachten in de herberg van
+Moschion, waar het hen aan niets zou ontbreken.
+
+Doch de koopman verkoos hier te blijven. Het oponthoud hinderde
+hem niet, daar hij toch een Egyptischen arts wilde raadplegen over
+eene oude kwaal. Een beter en geleerder als de beroemde Philippus,
+zoo verzekerde de hermeneut, was er in het geheele land niet te
+vinden. Het was hier buiten zoo schoon, en op de banken aan den oever
+kon men de komeet waarnemen, die sedert eenige dagen zich aan den
+hemel vertoonde en zeker slechte tijden profeteerde. De geheele stad
+was als stom van verslagenheid, dat bemerkte men zeer goed hier in de
+herberg van Nesptah, want anders, als de avondkoelte kwam, zat het er
+op de banken en rondom de tafeltjes vol van bezoekers, die in bootjes
+kwamen; maar wie durfde in deze dagen van angst aan uitspanning denken?
+
+De gids sprong weer op zijn ezel om den arts te halen, terwijl de oude
+Haschim zich aan den arm van den Masdakiet naar de banken onder de
+palmen begaf. Daar zat hij peinzend naar den sterrenhemel te staren,
+terwijl zijn jongere metgezel droomde van zijn vaderland, waar hij
+zonder het kostbare tapijt, en alleen van zijne spaarpenningen een stuk
+weiland kocht en een huisje bouwde waarin hij zijn aardig vrouwtje zag
+op en neer dribbelen. Zou ze er blond uitzien, of donkerbruin? Het
+liefst had hij eene blonde.--Maar opeens ging zijn luchtkasteel in
+rook op, want er naderde iets op den Nijl dat zijne aandacht trok,
+en hem noopte er ook zijn meester opmerkzaam op te maken.
+
+Voor hen lag de stroom als een breede band van donker zilverbrocaat. De
+wassende maan spiegelde zich in zijne nauw merkbaar bewogen
+oppervlakte, en waar zijne wateren zich rimpelden, daar omzoomde hij de
+toppen der kleine golven met een helderen glans. Uit de richting van de
+doodenstad schoten vledermuizen door de nachtlucht en streken over den
+Nijl heen als lichte, door den wind bewogen schaduwen. Slechts enkele
+driehoekige zeilen zweefden als blanke reusachtige vogels over het
+donkere water, doch uit het noorden, van de zijde der stad, naderde
+op den stroom een groot gevaarte het palmbosch, met twee glanzende,
+van verre flikkerende lichten.
+
+"Een statige boot, waarschijnlijk die van den Mukaukas Georg," zeide
+de koopman, terwijl hij het vaartuig langzaam uit het midden der
+rivier naar het boschje zag drijven. Onderwijl deed zich ook op den
+landweg achter de herberg paardengetrappel hooren. Haschim keek om,
+en zag fakkeldragers, die vóor een wagen liepen.
+
+"De kranke," vervolgde de oude, "zal zeker tot hier varen en dan
+met een wagen naar huis rijden, om de nachtlucht op het water te
+vermijden. Zonderling, daar ontmoet ik nu heden voor de tweede maal
+zijn zoon, waarvan ieder den mond vol heeft."
+
+Spoedig naderde de staatsiegondel van den stadhouder het palmbosch. Het
+was een groot, schoon vaartuig van cederhout, rijk met goud versierd
+en met het beeld van Johannes, den beschermheilige der familie, op
+de plecht. Aan den stralenkrans, die het hoofd van dit beeld omgaf,
+hingen lampen, en groote lantaarnen verhieven zich daarnaast en aan
+de achterzijde van de boot. Daar zat onder een baldakijn de Mukaukas
+Georg en naast hem zijne gemalin Neforis. Tegenover hen zat hun zoon en
+eene volwassene jonkvrouw, aan wier voeten een kind van tien jaar lag
+neergehurkt, dat het vriendelijke kopje tegen haar liet rusten. Eene
+meer bejaarde Griekin, de opvoedster van de kleine, was naast een
+zeer groot man, den arts Philippus, gezeten op eene rustbank, die
+niet meer door het baldakijn overhuifd werd. De heldere tonen van de
+luit begeleidden de boot, en hij die met kunstvaardige hand de snaren
+tokkelde was de onlangs teruggekeerde Orion.
+
+Het geheel bood een vriendelijken aanblik; gaf het schoonste beeld te
+aanschouwen van eene aanzienlijke familie, wier leden door den band
+der liefde waren verbonden. Doch wie was die statige jonkvrouw aan
+de zijde van den jongen Orion? Blijkbaar wijdde hij aan haar al zijne
+aandacht, en telkens wanneer zijne hand krachtig in de snaren greep,
+zocht hij hare oogen; bijwijlen scheen het als speelde hij voor haar
+alleen. Zulk eene onderscheiding scheen zij wel te verdienen, want
+toen het vaartuig de kleine haven invoer en Haschim hare trekken kon
+onderscheiden, stond hij verbaasd over hare edele, zuiver Grieksche
+schoonheid.
+
+Thans stegen eenige rijkgekleede slaven, die met den wagen langs den
+weg moesten gekomen zijn, in de boot, om den ziekelijken heer naar
+het rijtuig te brengen, waarbij bleek dat de zetel waarin de lijdende
+zat, van handvatsels voorzien was, die hen in staat stelden dezen op
+te heffen en te dragen. Een groote, zwarte kerel greep den stoel aan
+de achterzijde, en toen een ander zich gereedmaakte dezen van voren
+aan te grijpen, drong Orion hem opzij, trad in zijne plaats, hief den
+zetel met zijn vader op, en droeg dien over de landingsbrug, die het
+vaartuig met den oever verbond, voorbij Haschim naar den wagen. De
+jonge man verrichtte het werk van een drager met welgevallen, zonder
+dat het hem inspanning kostte. Telkens keek hij vriendelijk naar zijn
+vader om, en riep de andere vrouwen toe--alleen zijne moeder, die
+den lijder zorgvuldig in doeken had gewikkeld, en de arts volgden den
+kranke--dat zij uit zouden stappen en hem hier wachten; waarop hij bij
+het licht der fakkels, die voor hem uitgedragen werden, verder ging.
+
+"Arme man!" dacht de koopman, terwijl hij den zieken Mukaukas
+nakeek. "Maar het treurigste en zwaarste lot verwaait als een
+morgennevel voor den wind, wanneer men een zoon heeft, die iemand
+zoo vriendelijk wegdraagt."
+
+Het werd hem nu verklaarbaar, waarom Orion hedenmiddag de bloemen
+had weggeworpen! ja, toen die jonkvrouw aan wal kwam, terwijl
+het meisje haar zoo teeder aan den arm hing, moest hij bekennen,
+dat de kleine dochter van de rijke weduwe Susanna bezwaarlijk den
+toets der vergelijking kon doorstaan met deze hooge, koninklijke
+verschijning. Welk eene gestalte had dit meisje, welk eene vorstelijke
+houding, en wat klonk haar stem welluidend en lieflijk, toen zij het
+kind de namen noemde van eenige sterrenbeelden, en op de komeet wees,
+die juist opging. Haschim zat in 't donker, en kon ongezien waarnemen
+wat er op de bank aan den oever, die door een der lantaarnen van het
+schip beschenen werd, verder voorviel, en hij schepte behagen in deze
+onverwachte afleiding, want alles wat den zoon van den Mukaukas betrof
+wekte zijne deelneming en nieuwsgierigheid. Hij voelde zich getrokken
+tot dien buitengewonen jongen man, over wien hij zich een oordeel
+wilde vormen, en de aanblik van het mooie meisje daar op de bank
+deed zijn oud hart goed. Dat kind was zeker Maria, de kleindochter
+van den stadhouder.
+
+De wagen zette zich thans weer in beweging, hij rolde over den weg
+voort en een oogenblik later keerde Orion tot de wachtenden terug.
+
+Arm, rijk dochtertje van de weduwe Susanna! Hoe geheel anders verkeerde
+hij met deze schoone jonkvrouw dan met die kleine! zijne oogen hingen
+als betooverd aan hare trekken; terwijl hij met haar sprak hield hij
+nu en dan midden in zijn verhaal op; en wat hij zeide moest nu eens
+ernstig en boeiend en dan weer geestig zijn; want niet alleen zij,
+maar ook de opvoedster van de kleine luisterde met inspanning, en als
+de jonkvrouw hartelijk lachte, klonk het welluidend en helder. Er
+lag in haar wezen iets zoo voornaams, dat dergelijke uitingen van
+gulle vroolijkheid verrasten en den indruk maakten als de geur van
+een prachtige bloem, waarvan men tot dusver geloofde, dat zij alleen
+geschapen was om het oog te behagen en niet ook de andere zintuigen
+te streelen. En zij, tot wie alles gericht werd wat Orion zeide,
+luisterde niet alleen aandachtig naar hem, maar de wijze waarop zij
+het deed overtuigde den koopman, dat de verhaler zelf haar nog beter
+beviel dan hetgeen hij zoo levendig wist mee te deelen. Wanneer dit
+meisje het eens was met den zoon van den stadhouder, ja, dan zou het
+een kostelijk paar zijn.
+
+Daar verscheen de waardin Taous, eene kloeke, lijvige Egyptische van
+middelbaren leeftijd. Zij droeg zelve hare beroemde spritskoeken,
+die zij juist eigenhandig gebakken had, benevens melk, druiven en
+ander ooft op, en hare oogen glinsterden daarbij van vreugde en
+gestreelde eerzucht; want de zoon van den grooten Mukaukas, de trots
+der stad, die vroeger zoo vaak op watertochten met lustige gezellen,
+meest Grieksche officieren, die helaas allen gevallen of uit het land
+verdreven waren, niet enkel om de koeken aan een bezoek bij haar de
+voorkeur had gegeven, deed haar nu de eer aan om zoo spoedig na zijne
+terugkomst weer bij haar te komen. Haar radde tong stond niet stil,
+terwijl zij vertelde, dat ook zij en haar man hem waren te gemoet
+gegaan tot de eereboog bij de Menespoort, terwijl Emau met haar
+jonkske hen hadden vergezeld. Emau was namelijk sedert getrouwd,
+en zij had dezen eersten kleine "Orion" genoemd.
+
+Toen de jonge man daarop vroeg of Emau nog altijd zulk een aanvallig
+schepseltje was en zoo op hare moeder geleek als vroeger, stak vrouw
+Taous dreigend den vinger tegen hem op, vragende, terwijl zij op de
+jonkvrouw wees, of de vroolijke vogel, wien zoo menigeen bij zijn
+vertrek eene weemoedige zucht had nagezonden, eindelijk in een kooitje
+zou gaan, en of misschien die schoone jonkvrouw daar...
+
+Maar Orion stuitte haar woordenvloed door te zeggen, dat hij nog zijn
+eigen meester was, hoewel hij den strik reeds om zijn hals voelde. Het
+schoone meisje kleurde daarop nog sterker dan bij de eerste vraag
+der waardin, maar hij overwon spoedig zijne eigene verlegenheid en
+verzekerde op luchtigen toon, dat het dochtertje van de brave Taous
+eens het aardigste kind van Memphis was, en dat zij niet minder werd
+gezocht dan de spritskoeken van hare voortreffelijke moeder. Vrouw
+Taous mocht het jonge moedertje van hem groeten.
+
+De waardin ging daarop heen, geroerd en gestreeld door deze
+woorden. Orion greep het snarenspeeltuig weer op, en terwijl de
+vrouwen zich verkwikten, voldeed hij aan de uitnoodiging van de
+jonkvrouw en zong op haar verlangen het lied van Alkaios met eene
+welluidende doch zachte stem, onder meesterlijke begeleiding van de
+luit. Het meisje hing met de oogen aan zijn mond, en het scheen dat
+alleen om harentwil zijne hand in de snaren greep. Toen de tijd kwam
+om op te breken en de vrouwen in het vaartuig stegen, ging hij in de
+herberg om het gelag te betalen. Spoedig kwam hij alleen terug, en de
+koopman zag hoe hij een doekje, dat de jonkvrouw op tafel had laten
+liggen, opnam en haastig aan zijne lippen bracht, terwijl hij naar de
+boot ging. Met de prachtige roode bloemen was het heden morgen minder
+vriendelijk afgeloopen. Aan het meisje, dat daar op het water wegvoer,
+behoorde het hart van den jongen man. Zijne zuster kon zij niet zijn;
+maar in welke betrekking stond zij tot hem?
+
+De koopman zou er weldra achter komen, want de gids kwam terug
+en lichtte hem in.--Zij was Paula, de dochter van Thomas, den
+wijdberoemden Griekschen veldheer, die de stad Damascus zoo hardnekkig
+en dapper tegen de krijgsmacht van den Islam verdedigd had. Zij was
+de nicht van den Mukaukas Georg, maar niet zeer bemiddeld, eene arme
+verwante des huizes, die men na het verdwijnen van haar vader--want
+men had zelfs zijn lijk niet gevonden--in het stadhouderlijk verblijf
+uit genade en barmhartigheid had opgenomen; dus eene Melchietische. De
+hermeneut was haar reeds daarom weinig genegen, en hoewel hij tegen
+hare schoonheid niets had in te brengen, zoo verzekerde hij toch
+te weten, dat zij trotsch en vol inbeelding was, en de kunst niet
+verstond om iemands liefde voor zich te winnen. Alleen dat kind,
+die kleine Maria, was aan haar gehecht. Het was een publiek geheim,
+dat zelfs de gemalin van haar oom, de brave Neforis, de trotsche
+nicht niet lijden mocht en haar slechts duldde ter wille van den
+kranken man. Wat kwam die Melchietische ook te Memphis doen, in een
+oprecht Jacobietisch gezin? Elk woord van den gids ademde den wrevel,
+die menschen van minder afkomst en zielenadel zoo licht doen blijken
+jegens hen, die de bescherming genieten van hunne eigene weldoeners.
+
+Maar de schoone aristocratische dochter van een groot man had het
+oude hart van den koopman gewonnen, en het oordeel van den Memphiet
+wijzigde het zijne in geenen deele. Weldra zou hij ook steun vinden
+voor zijne opvatting. De arts Philippus, dien de gids had geroepen,
+was een dagelijksch bezoeker van het stadhouderlijk verblijf. Zijn
+ernstig voorkomen boezemde den Arabier het grootste vertrouwen in,
+en deze nu noemde Paula een dier heerlijke schepsels, welke de hemel
+ter goeder ure heeft geschapen. Doch die daar boven troont scheen
+zijn eigen meesterwerk vergeten te hebben, want sedert jaren leidde
+zij een droevig leven.
+
+De arts kon den ouden heer het uitzicht geven op vermindering zijner
+smarten. Beide mannen begrepen elkaar zoo goed, dat het reeds laat
+in den nacht was, toen zij als goede vrienden scheidden.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Intusschen gleed de boot van den Mukaukas, door krachtige riemslagen
+voortgedreven, rustig stroomopwaarts. Door hen die er in zaten werd
+nu eens een zacht gesprek gevoerd, dan weer gezongen. De kleine Maria
+was aan Paula's borst in slaap gevallen; de Grieksche opvoedster keek
+het eene oogenblik naar de komeet, die haar angst aanjoeg, het andere
+naar Orion, wiens schoonheid haar niet meer jeugdig gemoed verkwikte,
+of naar de jonkvrouw, wie zij het voorrecht misgunde van door dezen
+lieveling der goden aangebeden te worden. Het was eene heerlijke,
+warme, stille nacht, en het maanlicht, dat de wateren der zee dwingt te
+rijzen, doet ook den golfslag van het gevoel in de menschelijke borst
+zwellen en stijgen. Wat Paula maar begeerde dat zong Orion, als ware
+geen enkel lied hem vreemd van allen, die op de lier eens Griekschen
+dichters weleer de thans zoo diep gezonken wereld in verrukking hadden
+gebracht. Hoe langer zij voeren, des te helderder en schooner klonk
+zijne stem, des te weeker en betooverender werd hare uitdrukking,
+met des te vuriger verlangen wendde hij zich tot het hart van het
+meisje. En zoo gaf Paula zich ten laatste aan deze zoete betoovering
+gevangen, en toen hij de lier liet rusten en haar zachtkens vroeg:
+of zijn vaderland in zulk eene nacht niet schoon mocht heeten? welk
+lied het streelendst was voor haar? of zij begreep wat het voor hem
+beteekende, dat hij haar in het ouderlijke huis had gevonden? liet
+ook zij zich overhalen om hem op fluisterenden toon antwoord te geven.
+
+Onder de dichte kronen der boomen van den stillen tuin bracht hij
+hare hand aan zijne lippen en bevende liet zij het toe.--Zware,
+moeielijke jaren lagen achter haar. De arts had maar al te zeer
+waarheid gesproken. Op de harde slagen van het noodlot waren voor
+haar, de trotsche dochter van een grooten vader, allerlei pijnigende
+vernederingen gevolgd. Het leven van de wel-is-waar niet arme maar toch
+verlatene aanverwante, die uit goedhartigheid in het huis van een rijke
+familie was opgenomen, was reeds lang voor haar een pad vol doornen
+geworden. Doch sedert eergisteren was dat alles veranderd. Orion was
+gekomen! Als een heerlijk geschenk van het lot hadden het ouderlijk
+huis en de stad zijne terugkomst gevierd, en ook zij had rijkelijk
+haar aandeel gehad van de feestvreugde. Hij had haar begroet, niet
+als de verlatene verwante, maar als de schoone jonkvrouw van edele
+geboorte. Het was alsof er een zonneschijn van hem uitging, die
+doordrong tot haar hart, en haar het hoofd opnieuw deed oprichten als
+eene bloem, die men weder onder den vrijen hemel plaatst, nadat zij
+langen tijd licht en lucht heeft moeten ontberen. Zijn frissche geest,
+zijn vroolijke levensmoed verkwikten haar hart; de achting die hij
+haar bewees versterkte haar onderdrukt zelfvertrouwen, en vervulde
+hare ziel met warmen dank. En wat deed het haar goed zich dankbaar,
+innig dankbaar te mogen gevoelen! En nu, nu was de avond van heden
+gekomen, de schoonste, de heerlijkste, die zij sedert jaren genoten
+had. Hij had haar weder geleerd, wat zij bijna vergeten scheen, dat
+zij nog jong, zoo schoon was, dat zij het recht had nog gelukkig te
+zijn, geestdrift te gevoelen en te wekken, ja misschien ook lief te
+hebben en bemind te worden.
+
+Zijn kus brandde nog op hare rechterhand, toen zij het koele vertrek
+binnentrad, waar vrouw Neforis achter haar spinrokken, naast het
+rustbed van haar kranken echtgenoot, die zich altijd laat naar bed
+begaf, de terugkeerenden wachtte. Met een vol gemoed drukte Paula hare
+lippen op de hand van haar oom, Orions vader. Mocht zij hem haar Orion
+noemen? Daarop kuste zij--in hoelang was dat niet gebeurd!--ook hare
+tante, zijne moeder, terwijl zij met de kleine Maria haar goeden nacht
+wenschte. Neforis bleef koel, en terwijl zij hare verwondering over
+deze hartelijkheid niet verheelde, sloeg zij een onderzoekenden blik
+op Paula en haren zoon. Zeker vlogen haar daarbij allerlei gedachten
+door het hoofd, maar zij achtte het geraden deze voorshands niet
+uit te spreken. Als was er niets bijzonders gebeurd, liet zij de
+meisjes heengaan, hield zij een oog op de lieden, die haar gemaal
+naar het slaapvertrek droegen, gaf zij hem de witte pilletjes, die
+hij gebruiken moest om te slapen, en schoof zij met onvermoeide zorg
+de kussens zoolang terecht, tot hij naar zijn zin lag. Toen eerst, en
+nadat zij zich overtuigd had dat een dienstknecht in het aangrenzende
+vertrek waakte, verliet zij den kranke, en zocht zij haar zoon op. In
+uitstel lag gevaar.
+
+De groote, stevige, een weinig gezette vrouw was in hare jeugd een
+statig, slank meisje, eene deftige verschijning, maar haar nuchter
+en onbewegelijk gelaat nooit in het oog vallend schoon geweest. De
+jaren hadden dat gelaat echter weinig veranderd; het was thans
+een goed, vol matronengezicht geworden, zonder veel uitdrukking,
+dat door de langdurige en inspannende verpleging van den kranke
+zijne kleur had verloren. Hare geboorte en de plaats die zij innam
+gaven haar een gevoel van zelfstandigheid, zekere zelfbewustheid,
+doch er lag daarbij niets innemends, niets aantrekkelijks in haar
+wezen. Zij deelde niet in het leed en de vreugde van anderen, toch kon
+zij zich uit zelfopoffering moeite en bezwaren getroosten, en haar
+hart was in staat om voor anderen te ontblaken in hartstochtelijken
+gloed. Evenwel die anderen moesten hare naaste betrekkingen zijn
+en ook dezen alleen. Er was dan ook geen trouwer en zorgvuldiger
+gade, geen teederder moeder te vinden, maar wilde men de liefde
+die in haar leefde bij een gesternte vergelijken, dan reikten hare
+korte stralen niet buiten de sfeer van hare naaste bloedverwanten,
+en dezen verheugden zich natuurlijk dankbaar over het buitengewoon
+geluk van te worden opgenomen in den engen cirkel van de genegenheid
+dezer onvrijgevige ziel.
+
+Zij klopte nu aan Orions woonvertrek, en haar laat bezoek verraste hem
+niet minder dan het hem genoegen deed. Zij kwam om iets gewichtigs
+met hem te bespreken, en deed dit nu reeds, omdat de houding van
+Paula en haar zoon haar drong haast te maken. Er was tusschen beiden
+iets voorgevallen, en de nicht van haar gemaal stond verre buiten
+den beperkten kring harer liefde.
+
+Zij leidde hare toespraak in met te zeggen, dat zij zoo niet kon
+gaan slapen. Zij had een wensch op het hart en zijn vader deelde
+daarin. Orion kon wel begrijpen wat zij meende; reeds gisteren had zij
+er met hem over gesproken. Zijn vader was hem vriendelijk te gemoet
+gekomen, had zijne schulden betaald zonder een woord van berisping,
+en nu stond het aan hem voor goed te breken met zijne ongebondene
+levenswijze van weleer en eene eigene huishouding op te zetten. De
+bruid, dat wist hij wel, was gevonden. "Susanna," zeide zij, "is
+reeds bij ons geweest. Hebt gij, booswicht, zooals zij zelve zegt,
+hare Katharina heden morgen niet het hoofd geheel op hol gebracht?"
+
+"Helaas," haastte hij zich te zeggen op verdrietigen toon. "Het
+aanhalen van vrouwen is eene gewoonte van mij geworden; doch het zal
+hiermee van nu af uit zijn; het is beneden mij. Thans, lieve moeder,
+thans gevoel ik...."
+
+"Dat de ernst des levens begint," vulde Neforis aan, "dat is ook de
+bedoeling van den wensch, die mij tot u doet komen. Gij kent dien, en
+ik weet niet wat gij er tegen zoudt kunnen aanvoeren. Kort en goed,
+laat mij morgen de zaak met vrouw Susanna in orde brengen. Van de
+genegenheid harer dochter zijt gij zeker, zij is de rijkste erfgename
+van het land, goed opgevoed, en ik herhaal het: zij heeft u haar
+hartje geschonken."
+
+"En zij mag het behouden!" zeide Orion lachend.
+
+"Ik bid u uwe vroolijkheid te bewaren voor een anderen tijd en
+voor komischer onderwerpen," hernam de moeder, verstoord over
+dit antwoord. "Ik meen het zeer ernstig als ik zeg: het meisje is
+lief en goed, en zal voor u, zoo God wil, eene trouwe, teedere gade
+zijn. Of hebt gij misschien uw hart in Konstantinopel gelaten? Heeft
+wellicht de schoone verwante van den senator Justinus... Maar dit
+is dwaasheid! Gij zelf kunt toch vooruit wel begrijpen, dat wij deze
+luchthartige Griekin...."
+
+Opeens omhelsde Orion haar, en zeide op teederen toon: "Neen,
+moedertje, neen! Konstantinopel ligt verre achter mij in grauwe
+nevelen, aan gene zijde van het uiterste Thule; maar hier, hier vlak
+bij, in het ouderlijk huis heb ik iets veel schooners en volmaakters
+gevonden, als zij daar aan den Bosphorus ooit hebben gezien. Die
+kleine past niet voor een zoon van ons groot, breedgeschouderd
+geslacht. Ook onze toekomstige geslachten moeten zich in alle opzichten
+fier verheffen boven het gemeene volk, en ik wil geen speelpopje
+hebben tot gemalin, maar eene vrouw, zooals gijzelve in uwe jeugd
+zijt geweest, een flinke, voorname, schoone vrouw. Mijn hart wordt
+niet aangetrokken door eene elfenkoningin maar door eene waarlijk
+koninklijke jonkvrouw. Wat behoef ik er nog veel woorden over te
+verspillen: Paula, de kostelijke dochter van den edelen Thomas heb ik
+uitverkoren. Heden avond is mij dit als door eene openbaring duidelijk
+geworden. Ik bid u om uwen zegen over eene verbintenis met haar!"
+
+Vrouw Neforis had haar zoon tot zoover door laten spreken. Wat
+zij gevreesd had te zullen hooren, had hij haar rond en open te
+verstaan gegeven. Hoe lang had zij zich ingespannen om zich in te
+houden! Maar nu was het ook uit met hare zelfbeheersching. Bevende
+van kwaadheid viel zij hem in de rede en zeide, terwijl een donkere
+blos hare wangen overtoog: "Zwijg, ga niet verder! De hemel beware
+ons, dat hetgeen ik daar uit uw mond moest hooren iets meer zou zijn
+dan een vluchtige, dwaze inval! Hebt gij dan gansch en al vergeten
+wie en wat wij zijn? Weet gij dan niet dat het de geloofsgenooten
+van deze Melchietin waren, die uw twee geliefde broeders, onze twee
+bloeiende zonen ombrachten? Wat zijn wij in het oog van de Grieken,
+de Orthodoxen? Maar onder de Egyptenaars, die de alleen zaligmakende
+leer van Eutuches aanhangen, onder de Monophusieten zijn wij de
+eersten, en wij willen dat blijven en ooren en harten sluiten voor
+ketters en hun bijgeloof. De kleinzoon van Menas, een broeder van twee
+martelaren voor ons heerlijk geloof, verloofd met eene Melchietin! Deze
+gedachte is heiligschennis, is godslastering; ik vind daarvoor geen
+zachter woorden. Voor ik, voor uw vader daarin toestemt, willen
+wij liever kinderloos sterven. Om der wille van deze vluchtelinge,
+die niets anders bezit dan haar bedelaarstrots en het saamgeraapte
+overblijfsel van een vermogen, dat nooit met het onze vergeleken kan
+worden, om deze ondankbare, die zich nauwelijks verwaardigt mij hare
+weldoenster, uwe moeder--bij God, ik spreek de waarheid!--ook maar een
+'goeden morgen' te zeggen, waarmede ik zelfs de slaven vriendelijk
+begroet, om harentwil moet ik, moeten uwe ouders den zoon verliezen,
+den eenige dien de genadige hemel ons nog tot onze vreugde gelaten
+heeft? Neen, neen, neen! Dat kan niet! En gij, Orion, mijn beste
+jongen, gij zijt uw leven lang een drieste knaap geweest, maar gij
+zult den dwazen moed niet hebben deze koude schoone te beminnen, die
+gij in twee dagen maar enkele uren hebt gezien, en uwe oude moeder,
+die u vier-en-twintig jaren lang teeder aan het hart heeft gedrukt,
+tot der dood te bedroeven, en uw vader, wiens dagen geteld zijn,
+den korten tijd dien hij nog te leven heeft, te vergiftigen. Neen,
+mijn lieve jongen, daartoe hebt gij den moed niet, kunt gij den
+moed niet hebben. En mocht gij in eene noodlottige ure het wagen,
+mocht gij het durven doen, dan--ik ben gedurende uw gansche leven
+uwe teeder liefhebbende moeder geweest--dan, zoo waar God mij en uw
+vader zal bijstaan in onze laatste ure, dan ruk ik de liefde voor
+u uit mijn hart als eene schadelijke giftplant, dan zou ik, ook al
+moest mijn hart er bij breken..."
+
+Maar Orion liet haar niet verder gaan. Hij trok de zenuwachtig
+opgewondene vrouw, die zich reeds lang uit zijne armen had losgemaakt,
+weder tot zich, legde zachtkens zijne hand op haren mond, kuste haar
+op de beide oogen en fluisterde haar in het oor: "Neen, hij heeft
+er den moed niet toe en zal dien ook bezwaarlijk vinden in zijn
+leven." Daarop greep hij hare beide handen en vervolgde, terwijl hij
+haar flink in het aangezicht zag: "Brrr! uw waaghals is nog nooit
+zoo angstig te moede geweest als bij deze bedreigingen. Maar wat
+hebt gij ook schrikkelijke woorden uitgesproken; en daar lagen u nog
+erger op de tong! Moeder, moeder Neforis! Uw naam beteekent de goede,
+maar hoe boos, hoe erg boos kunt gij toch zijn!"
+
+Daarop omhelsde hij de geliefde vrouw nog hartelijker; in een aanval
+van overmoed, de terugwerking van den schrik dien zij hem zooeven
+had aangejaagd, kuste hij hare haren, slapen en wangen driftig
+achter elkander, en toen zij hem verliet had hij haar de vergunning
+gegeven voor hem aanzoek te doen om de hand van de kleine Katharina,
+daarbij echter de belofte ontvangen, dat dit nog niet morgen, op
+zijn vroegst overmorgen zou geschieden. Hij achtte het eene groote
+overwinning, dat hij dit uitstel had verkregen, en toen hij alleen was
+en nadacht over hetgeen hij gedaan en aan zijne moeder toegestaan had,
+bloedde zijn hart uit wonden, waarvan hij zelf de diepte nog niet
+kon peilen. Toch verheugde hij zich Paula nog niet vaster aan zich
+verbonden te hebben. Met zijne oogen had hij haar reeds veel gezegd,
+maar het woord 'liefde' was nog niet over zijne lippen gekomen, en
+daar hing toch alles van af. Het stond den neef toch vrij om eene
+schoone verwante een handkus te geven. Zij was en bleef voor hem het
+voorwerp zijner wenschen, maar om der wille van een meisje hoegenaamd,
+al gold het Aphrodite zelve, of eene der Muzen of Gratiën, met zijne
+ouders te breken, dat was hem ondenkbaar. Er waren nog ontelbare
+mooie vrouwen voor hem op aarde, maar slechts éene moeder, en hoe
+dikwijls had zijn hart niet voor vrouwen sneller geklopt, had hij niet
+veroveringen gemaakt en van de bekoring van het oogenblik genoten,
+maar ook daarna weder gemakkelijk en gewillig allen vergeten.
+
+Ditmaal echter scheen het hem dieper te hebben aangegrepen dan bij
+vroegere gelegenheden, en zelfs die schoone Perzische slavin, om wier
+wil hij, toen hij pas de school had verlaten, groote dwaasheden had
+begaan, en de bekoorlijke Heliodora in Konstantinopel, aan wie hij
+nog een aandenken schuldig was, hadden niet zulk een indruk op hem
+gemaakt. Deze Paula prijs te geven, dat viel hem zwaar, maar het ging
+niet anders. Morgen moest hij beproeven op een vriendschappelijken,
+broederlijken voet met haar te geraken; want hij durfde niet hopen dat
+zij zich, evenals die zachtaardige Heliodora, die in rang met haar
+gelijk stond, alleen met zijne 'liefde' tevreden zou stellen. Hoe
+schoon, hoe onuitsprekelijk heerlijk zou het toch geweest zijn aan
+de zijde van deze schoone vrouw het leven door te zweven! Als hij
+met haar door de hoofdstad reed, dan kon hij er zeker van zijn, dat
+iedereen zou stilstaan en naar hen omzien. En als zij hem nu eens
+waarlijk liefhad, en teeder de armen voor hem opende.... Ach waarom
+had het grillige noodlot haar toch eene Melchietin gemaakt!--Doch het
+kon wel zijn, helaas, dat er iets haperde aan haar eigen karakter;
+anders had het haar toch moeten gelukken gedurende die twee jaren
+de liefde te winnen van zijne voortreffelijke, teedere moeder, die
+nu zulk een afkeer van haar had.--Alles wel beschouwd was het toch
+goed, dat de zaken zoo geloopen waren. Doch Paula's beeld wilde niet
+van hem wijken, het roofde hem den slaap en zijn verlangen naar haar
+bezit kwam niet tot rust.
+
+Vrouw Neforis ging intusschen niet terstond naar haar gemaal
+terug, maar tot Paula. Deze zaak moest nog heden in allen deele
+worden afgedaan. Had zij kunnen verwachten dat de door haar behaalde
+overwinning den kranke onverdeelde vreugde zou hebben bereid, dan ware
+zij met de blijde boodschap naar hem toegesneld, want zij kende geen
+hooger genot dan hem een gelukkig oogenblik te verschaffen. De Mukaukas
+had echter noode in hare keuze toegestemd, want ook hem kwam Katharina
+te klein voor en te kinderlijk voor den grooten zoon, die hem in
+menig langdurig onderhoud, dat hij na zijn terugkeer met hem had, tot
+vreugde van zijn ouderhart de onloochenbaarste bewijzen had gegeven,
+dat zijn geest tot vollen wasdom was gekomen. Het "kwikstaartje",
+aan wie hij alles schoons en goeds toewenschte, voldeed hem niet als
+gade voor Orion. Paula was voor hem altijd eene lieve nicht geweest,
+en vaak had het hem goed gedaan, als hij zich haar voorstelde aan
+Orions zijde. Maar zij was eene Melchietin, en hij wist bovendien
+hoe kwalijk zijne vrouw jegens haar gezind was. Zoo verkropte hij
+dezen wensch om de trouwe verpleegster, die voor hem leefde, voelde
+en dacht, niet te krenken. Vrouw Neforis wist of vermoedde dit alles
+en zeide tot zichzelve, dat het hem de nachtrust zou kosten, wanneer
+hij heden reeds vernam wat Orion haar toegestaan had.
+
+Met Paula stond het echter anders. Hoe eerder zij vernam dat zij
+van haren zoon niets te wachten had, des te beter zou het voor haar
+zijn. Aan den morgen van dezen dag hadden zij en Orion elkander
+begroet als een paar verliefden, en zoo straks waren zij als bruid en
+bruidegom van elkander gegaan. Zulk een ergerlijk schouwspel wilde
+zij niet weder bijwonen, en daarom ging zij tot de Damasceensche,
+om haar in vertrouwen mede te deelen hoe recht gelukkig zij was,
+en welk eene vreugde haar zoon haar zooeven had bereid. Doch tot
+overmorgen moest zij het zwijgen.
+
+Reeds dadelijk bij haar binnentreden had Paula uit de blijdschap die
+uit hare oogen straalde het besluit getrokken, dat zij eene voor
+haar pijnlijke boodschap kwam brengen, en zoo wist zij zichzelve
+te beheerschen. Met het masker eener koele onverschilligheid liet
+zij de uitstortingen van het blijde moederhart over zich heengaan en
+wenschte zij de verloofden geluk; maar zij deed het met een schamperen
+lach, die vrouw Neforis kwetste. Zij was anders niet boos van aard,
+maar tegenover dit meisje veranderde hare natuur, en het was haar
+niet ongevallig weder eens te doen blijken, dat Paula bescheidenheid
+voegde bij de plaats die zij innam. Dat alles zeide zij tot zichzelve,
+toen Paula's kamer achter haar gesloten was, maar wellicht had deze
+vrouw, die toch zooveel goeds had, berouw gevoeld, wanneer het haar
+vergund was geworden in de volgende ure in het hart te lezen van de
+aan hare zorgen toevertrouwde wees. Slechts eenmaal barstte Paula
+in hevig snikken uit, toen droogde zij spijtig hare tranen, staarde
+lang somber voor zich en schudde daarbij vaak het schoone hoofd, als
+ware haar iets ongehoords bejegend, dat zij niet vatten kon. Eindelijk
+legde zij zich ter ruste met een smartelijken zucht, en terwijl zij te
+vergeefs trachtte te slapen, en de kracht zocht om te bidden en stil
+te berusten, scheen haar de tijd eene oneindige steppe toe, het noodlot
+een gruwzaam jager, waarbij zij zelve het wild was dat hij vervolgde.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Den volgenden avond reed de koopman Haschim met een klein deel zijner
+karavaan het stadhouderlijk verblijf binnen. Een vreemdeling zou het
+eer voor de woning van een rijk grondbezitter dan voor de residentie
+van een aanzienlijk staatsambtenaar gehouden hebben, want binnen het
+uitgestrekte terrein, dat door de bijgebouwen aan drie zijden werd
+ingesloten, dreef men thans na het ondergaan der zon groote kudden
+runderen en schapen binnen, een vijftigtal paarden van edel ras kwam
+samengekoppeld uit de zwemplaats en bruine en zwarte slaven droegen
+naar een door horden omsloten zandige plek het avondvoeder voor een
+kudde kameelen.
+
+Het woonhuis van den bezitter, buitengewoon groot in omvang, geleek
+een sierlijk paleis uit den ouden tijd en was dus wel geschikt om
+een stadhouder des keizers tot residentie te dienen. De Mukaukas
+Georg, wien dit alles toebehoorde, had inderdaad dit ambt langen
+tijd bekleed. Na de verovering des lands hadden de veroveraars hem
+daarin bevestigd, en tegenwoordig leidde hij de aangelegenheden
+zijner Egyptische landgenooten niet meer in naam van den keizer
+te Konstantinopel, maar op gezag van den Kalief te Medina en zijn
+veldheer Amr. De muzelmansche veroveraars hadden in hem een goedwillig
+en verstandig vertegenwoordiger gevonden, en zijne geloofsgenooten
+en stamverwanten gehoorzaamden hem als den voornaamsten en rijksten
+heer hunner natie, als den zoon van een geslacht, wiens voorouderen
+reeds bij de pharaonen in hooge eer stonden.
+
+Alleen het woonhuis van den Mukaukas was Grieksch of liever
+Alexandrijnsch; de hoven en bijgebouwen, die zich daarbij aansloten,
+hadden daarentegen geheel het aanzien als behoorden ze aan het
+machtig opperhoofd van een grooten oosterschen stam, aan een Erpaha of
+gouwvorst, zooals de voorouders van den Mukaukas in den heidenschen
+tijd genoemd en als hoedanig zij aan het hof en onder het volk
+geëerd werden.
+
+De gids had den koopman niet te veel verteld van het grondbezit
+van dezen man. Zijne uitgestrekte landerijen waren in Opper- en
+Neder-Egypte gelegen en werden bebouwd door eenige duizenden slaven
+onder een aantal opzichters. Hier in Memphis was het middenpunt
+van het bestuur van zijn bijzonder eigendom, en bij zijn eigen
+rentmeesterskantoor sloten zich de schrijfvertrekken aan, die hij
+als staatsbeambte noodig had. Goed onderhouden dammen en de breede
+Nijlstraat, die op de haven uitliep, scheidden zijn uitgebreid terrein
+te Memphis van den stroom, en langs den muur, die aan de noordzijde de
+afsluiting vormde, liep een straatje. Hierop kwam de groote poort uit
+die bij den dag wijd open stond om aan allen toegang te verleenen,
+hetzij dienaars hetzij zaakgelastigden, die op het grondgebied
+van den Mukaukas iets hadden uit te richten. De met Korinthische
+marmeren zuilen versierde, altijd gesloten schoone hoofdpoort aan
+de Nijlstraat, waardoor ook zij waren binnengekomen, die gisteren
+het tochtje op de rivier hadden gedaan, werd alleen geopend voor de
+familie en de hooggeplaatste bezoekers van den stadhouder. Bij de
+dienstpoort in het straatje stond het wachthuis, dat door eene kleine
+afdeeling Egyptische soldaten bewoond was, die hadden te waken voor
+de persoonlijke veiligheid van den Mukaukas.
+
+Zoodra zich na de hitte van den dag eene verfrisschende koelte verhief
+uit de richting van den stroom, kwam er leven op het terrein achter
+deze dienstpoort. Uit alle woningen van het dienstpersoneel kwamen
+mannen, vrouwen en meisjes te voorschijn, om de frissche avondlucht in
+te ademen. Sommige dienstmaagden en slaven schepten water uit verbazend
+groote steenen bakken en droegen het in sierlijk gevormde kannen
+weg, terwijl de overige beambten des huizes in groepen stonden te
+praten, te spelen en te zingen, om zich te ontspannen van vermoeiende
+bezigheden. Uit het slavenkwartier, dat een tweeden hof omsloot,
+klonk het gezang van geestelijke liederen, het tot den dans opwekkende
+schrille en doffe geluid van dubbele fluiten en handtrommels, getwist
+en gelach, het gillen van een meisje dat tot dansen werd gedwongen
+en het geschreeuw van een door den opzichter gegeeselden slaaf,
+alles verward dooreen.
+
+De poort voor het dienstpersoneel, die ter eere van den onlangs
+teruggekeerden Orion nog rijk met bloemen en groene guirlandes versierd
+was, stond ook thans wijd open, ten einde de schrijvers en boekhouders
+gelegenheid te geven om uit te gaan, en de stedelingen, die hunne
+vrienden in het stadhouderlijk paleis des avonds gaarne bezochten,
+om binnen te komen. Want men vond daar steeds eenige hooger geplaatste
+beambten van den Mukaukas bijeen, die van de jongste gebeurtenissen in
+staat en kerk meer wisten dan andere lieden. Onder de houten galerij
+vóor het huis van den hofmeester vereenigden zich dan ook weldra een
+groot aantal mannen, die in druk gesprek geraakten. Ook zonder het
+bier, dat de gastheer hun nog altijd op rekening van het welkomstfeest
+voor den zoon zijns meesters liet aanbieden, beschouwden zij dit als
+een bijzonder genot; want voor een Egyptenaar ging er niets boven
+een twistgesprek, waarbij hij de pijlen van zijn geestigen spot op
+aanzienlijke personen, die anders ongenaakbaar voor hem waren, alsmede
+op andersdenkenden en vijanden des lands kon richten. Heden was er
+ook zeker menig snedig woord, menige aardige scherts te hooren, want
+het vroolijk gelach en de luide bijvalsbetuigingen in de voorgalerij
+van den hofmeester schenen geen einde te nemen, en de bevelhebber der
+wacht bij de poort sloeg nu en dan een afgunstigen en wreveligen blik
+op het luidruchtig gezelschap, waaraan hij gaarne had deelgenomen, als
+hij zijn post had durven verlaten. Maar daar stonden nog de gezadelde
+paarden der boden, die op antwoord wachtten; daar kwamen af en toe
+zaakgelastigden en lieden met verzoeken die wenschten toegelaten te
+worden, en in het ruime voorvertrek van het stadhouderlijk paleis
+waren nog vele personen bijeen, die den Mukaukas moesten spreken; want
+geheel Memphis wist, dat de kranke stadhouder in de heetste maanden
+alleen des avonds audiëntie verleende. De Egyptenaars stelden nog
+weinig vertrouwen in de Arabische beambten, en iedereen trachtte te
+voorkomen, dat hij naar de plaatsvervangers van den Mukaukas verwezen
+werd; zoo verstandig en rechtvaardig als de oude heer was geen zijner
+ambtenaren. Hoe de lijdende man kracht en tijd vond om ook dezen op
+te vingers te zien, wist niemand te verklaren, maar het stond vast,
+dat ieder besluit door hem werd nagezien.
+
+De audiëntietijd was voorbij, en de bezorgdheid, die het uitblijven
+van de overstrooming en de komeet wekten, had de wachtkamer heden met
+meer personen die wat te vragen hadden gevuld, dan gewoonlijk. De
+vertegenwoordigers der steden en de dorpshoofden waren bij groepen
+toegelaten; zij die over hunne eigene belangen te spreken hadden
+kwamen een voor een, en de meesten waren bevredigd of althans met
+goeden raad heengegaan. Alleen een landman, wiens rechtvaardige
+zaak reeds lang op afdoening wachtte, was achtergebleven en hoopte,
+omdat hij van zijne armoede eenige drachmen ten offer had gebracht
+voor den persoon die hem moest aandienen, nog heden de vrucht te
+oogsten van zijn geduldig wachten, toen de huismeester hem beval
+morgen terug te komen en de hooge deuren, die tot de vertrekken van
+den Mukaukas leidden, onderdanig opende voor den koopman Haschim,
+dank zij de goudstukken, die hij van zijn neef den gids ontvangen
+had. Doch de Arabier had den landman opgemerkt, en drong er op aan,
+dat deze hem voor zou gaan. Zoo gebeurde het dan ook, en na eenige
+oogenblikken keerde de boer tevreden terug en kuste Haschim dankbaar
+de hand. De huismeester liet daarna den ouden heer met zijne lieden,
+die hem eene zware baal achterna hadden gedragen, in een prachtig
+voorvertrek wachten, en zijn geduld werd zeer op de proef gesteld,
+eer de uitnoodiging tot hem kwam, om den stadhouder zijn koopwaar
+te toonen.
+
+De Mukaukas had, nadat hij met een stillen wenk had goedgevonden den
+braven koopman, die hem bijzonder was aanbevolen, later te ontvangen,
+zijn rusttijd genomen, en zonder zich over den wachtende te bekommeren
+verpoosde hij zich met het schaakspel. Hij lag op een divan, waarover
+de gladde huid eener leeuwin was gespreid, terwijl zijne jeugdige
+speelgenoote op een lagen zetel tegenover hem zat. De deuren aan
+de Nijlzijde van het vertrek, waarin hij ook in liggende houding de
+personen had ontvangen die ter audiëntie waren gekomen, stonden nu
+half open, om de koelere maar altijd nog lauwe avondlucht binnen te
+laten. Het groene velarium [1], dat overdag de zonnestralen belette om
+door het in het midden geopende dak naar binnen te dringen, was nu op
+zij geschoven, en maan en sterren schenen in het vertrek, dat geheel
+beantwoordde aan zijne bestemming om in heete zomerdagen een dragelijk
+toevluchtsoord te zijn. Want de wanden waren met koele, bonte tegels
+bekleed, de bodem bestond uit een veelkleurig mozaïk van allerlei
+figuren op een grond van verguld glas, en op het ronde middenstuk
+van dezen kunstigen vloer verhief zich het voorwerp, dat eigenlijk
+de frischheid aanbracht, een twee manslengten wijde schaal van bruin
+met wit doorspikkeld porfier, waaruit een waterstraal opspoot, die
+de geheele omgeving met fijne waterstof besproeide. Enkele zetels,
+stoelen en kleine tafeltjes, allen van metaal, vormden het overige
+ameublement van dit hoog, door vele lampen verlicht vertrek. Eene
+zachte koelte drong door het open dak en de thans ontsloten deuren
+binnen, bewoog even de vlammen der lampen en speelde met de bruine
+lokken van Paula, die zich met geheel hare opmerkzaamheid aan het
+schaakspel scheen te wijden.
+
+Orion, die achter haar stond, had reeds meermalen te vergeefs
+moeite gedaan om hare aandacht te trekken. Thans bood hij zich
+dienstvaardig aan om een doek voor haar te halen, opdat zij geen tocht
+mocht vatten. Maar zij sloeg het kortweg en bepaald af, ofschoon
+eene vochtige lucht van de rivierzijde binnendrong en zij reeds
+meermalen haar peplos dichter om de borst had samengetrokken. Bij
+deze afwijzing beet de jonge man zich op de lippen; hij toch wist
+niet dat zijne moeder haar had medegedeeld, wat hij haar gisteren
+had ingewilligd, en vond geene verklaring voor Paula's veranderde
+gezindheid. Sedert den vroegen morgen had zij hem ijskoud bejegend en
+zijne vragen ternauwernood met een koel "ja" of "neen" beantwoord,
+en deze verhouding werd hem, den verwenden lieveling der vrouwen,
+al meer en meer ondragelijk. Moeder had dus wel juist over haar
+geoordeeld. Zij liet zich gansch en al beheerschen door hare luimen,
+en thans deed zij ook hem haar trots gevoelen, waarvan hij vroeger
+niets bespeurd had. Ja, deze koude behandeling grensde aan lompheid,
+en hij was niet genegen zich dit langer te laten welgevallen. Bitter
+verdrietig volgde hij elke beweging harer hand, elke buiging van haar
+hoofd en de afwisselende uitdrukking van haar gelaat, maar hoe meer
+hij zich in de beschouwing van deze trotsche jonkvrouw verdiepte,
+des te schooner scheen zij hem toe, des te dieper indruk maakten die
+volmaakte vormen op zijn gemoed en des te hooger steeg zijn vurig
+verlangen, om haar weer zoo lachende, zoo echt vrouwelijk teeder te
+zien als gisteren. Thans geleek zij slechts op een voortreffelijk
+marmeren beeld, doch hij wist maar al te goed dat dit beeld ook eene
+ziel had. Welk een heerlijke taak zou het zijn om dit schepseltje, dat
+zoo geheel door hare dwaze luimen beheerscht werd, te leeren zichzelve
+te beheerschen, en haar, al moest het met hardheid geschieden, te
+wijzen op hetgeen eene vrouw, eene jonkvrouw bovenal betaamt.
+
+Onder deze afwisselende gewaarwordingen wijdde hij zijne aandacht meer
+en meer uitsluitend aan Paula. Zijne moeder, die met vrouw Susanna op
+tamelijken afstand van de spelenden op een rustbank zat, bespeurde
+dit met toenemende ergernis; zij zocht hem door vragen en door hem
+nu en dan eene kleinigheid te verzoeken, van haar af te trekken en
+aan zijne kwalijk verholen gedachten eene andere richting te geven.
+
+Wie had gisteren morgen kunnen denken, dat haar lieveling haar
+weldra zulk een verdriet, zooveel zorgen zou geven! Hij was
+teruggekeerd als een zelfstandig man, die het leven in de groote
+wereld heeft leeren kennen, juist zooals zijn vader en zij het
+gewenscht hadden. Wel-is-waar had hij in de hoofdstad alles genoten,
+wat het hart van een jongeling uit hoogen stand aantrekt, maar
+desniettemin--en hierover vooral verblijdde zich zijn vader--was
+hij frisch gebleven en ontvankelijk ook voor het kleinste. Van die
+oververzadiging, die onverschilligheid voor de gewone genietingen des
+levens, waartoe zoovele jongelieden van zijn stand vervielen, vertoonde
+zich bij hem geen spoor. Hij kon met de kleine Maria nog altijd even
+dartel spelen, zich over eene zeldzame bloem of een nieuw fraai paard
+nog even hartelijk verheugen als voor zijn vertrek. Daarbij had hij
+echter zulk een diepen blik geslagen in de staatkundige verhoudingen
+van zijn tijd, in den toestand van het keizerrijk en het hof, in
+het staatsbestuur en de verschijnselen op godsdienstig gebied, dat
+het zijn vader een genot was hem te hooren spreken, en deze aan zijne
+gade de verzekering kon geven, dat hij van den jongen man veel leerde,
+en dat Orion op weg was een degelijk staatsman te worden, die thans
+reeds kennis genoeg bezat om zijne plaats geheel te kunnen innemen.
+
+Toen de moeder haar echtgenoot de groote som had genoemd van de
+schulden, die Orion in Konstantinopel had achtergelaten, greep de oude
+heer met zekeren trots in zijn buidel. Hij verheugde er zich over,
+dat de eenige hem overgebleven erfgenaam de kunst verstond om de groote
+rijkdommen, die hem zelven meer tot last dan tot genot waren, evengoed
+als hijzelf in zijne jeugd, te gebruiken, en zich te omgeven met een
+glans, waarvan het schijnsel op hemzelven en zijn naam terugviel. "Bij
+hem weet men," zeide de kranke, "waarvoor men zijne geldstukken laat
+rollen. Zijne paarden kosten veel, maar hij weet er mee te overwinnen;
+zijn optreden in de wereld verslindt aanzienlijke sommen, maar daarvoor
+verschaft hij zich achting, waar hij zich ook vertoont. Hij brengt mij
+een brief mede van den senator Justinus, en de waardige man erkent,
+dat hij eene groote rol onder de voorname jongelieden van aanzienlijk
+vermogen in de hoofdstad gespeeld heeft. Zulk een roem verwerft men
+geenzins om niet, en ten slotte valt de rekening nog mee. Wat vraag
+ik naar een honderd talenten meer of minder? En er ligt iets van
+beteekenis in, dat hij den moed heeft gehad het ook niet te doen."
+
+Hij die zoo sprak was geen levenslustige grijsaard, maar een man wiens
+gezondheid was geknakt, en die zich verheugde dat zijn zoon alles,
+waarvan het genot hem sedert lang was ontzegd, nu blijde en volop
+genieten kon.
+
+De vurige, pas de kinderschoenen ontwassen, hoogbegaafde jonkman,
+dien hij met eenige bezorgdheid naar de keizerstad had gezonden, moest
+dan toch in de hoofdstad een veel ingetogener leven hebben geleid,
+dan men van hem verwacht had; daarvoor stonden hem borg de roode blos
+op zijne een weinig gebruinde wangen, de kracht zijner spieren en de
+dichtheid van zijne gladde doch met kunstvaardige hand gekroesde haren,
+die in kort gesneden lokken, naar de mode van dien tijd, op zijn hoog
+voorhoofd neerhingen, en hem ietwat deden gelijken op de beelden van
+Antinous, den schoonen jongeling uit de dagen van keizer Hadrianus.
+
+De moeder moest zelve bekennen, dat de wedergekeerde er uitzag als
+een toonbeeld van gezondheid. Niemand van de keizerlijke familie
+kon rijker, zorgvuldiger en meer naar de mode gekleed zijn dan haar
+lieveling; maar ook in het eenvoudigst gewaad zou hij een schoon, een
+krachtig jonkman, de trots eener moeder zijn geweest. Toen hij zijne
+vaderstad met de residentie verwisselde, was hij niet vrij geweest van
+zeker iets, dat den knaap uit de provincie verried, maar thans was hij
+vrij van alle onbeholpenheid en waar hij zich vertoonde, ook aan het
+hof, kon hij zeker zijn onder de eersten met bijval te worden begroet.
+
+En wat had hij niet in die hoofdstad doorleefd! In de dertig maanden
+van zijn verblijf aldaar waren de gebeurtenissen elkander zoo verbazend
+snel opgevolgd, als had hij er een eeuw doorgebracht. Hoe grooter
+prikkel, des te meer genot, dat was het wachtwoord van den tijd, en
+ofschoon hij aan den Bosphorus in weelderige vermaken voor niemand
+had ondergedaan, zoo waren al die gastmalen, die liefdesavonturen,
+die wedstrijden met zijne eigene overwinnende vierspannen, van
+welke genietingen hij zich niets had ontzegd, toch kinderspel
+geweest in vergelijking met de zenuwachtige spanning, waarin hij
+gebracht werd door de schrikkelijke gebeurtenissen, die zijne oogen
+hadden aanschouwd. Wat een armzalig genot was dat wagenmennen in
+Alexandrië! Wat deed het er toe of de paarden van Timon, van Ptolemeüs
+of zijne eigene wonnen? Ook in den circus te Byzantium was het schoon
+den krans te verwerven, maar daar waren nog andere dingen dan paarden
+en wagens, die de gemoederen in beweging brachten! Daar was het om
+kronen te doen, daar gold het het bloed en leven van duizenden! Wat
+nam men voor indrukken mee uit de tempels in het Nijldal? Maar had men
+den drempel van den Sophia-dom in Byzantium overschreden, dan kwam men
+soms met bloedende wonden, ja, als een doode naar huis. Driemalen had
+hij den scepter in andere handen zien overgaan; een keizer en eene
+keizerin waren voor zijne oogen van het purper ontdaan en vermoord
+geworden. Dáar kon men in die dagen eerst waarlijk genieten te midden
+van tooneelen aangrijpend tot in merg en been. Wat het overige betreft,
+ja ook aan het kleine had hij zijn hart opgehaald. Men had hem niet
+ontvangen als andere Egyptenaars: half beschaafde philosophen, die
+zich wijzen noemden en met geheimzinnige en aanmatigende deftigheid
+optraden, astrologen, rhetoren, armzalige, maar vinnige en geestige
+spotters, geneesheeren die met de wetenschap hunner vaderen pronkten,
+fanatieke godgeleerden, die steeds gereed waren om bij elken
+bitteren geloofsstrijd zich van andere wapenen dan van bewijzen en
+dogmen te bedienen, droefgeestige, geestelijk zoowel als lichamelijk
+verwaarloosde heremieten en kluizenaars, korenhandelaars en woekeraars,
+met wie het gevaarlijk was zonder getuigen zaken te doen. Met al dit
+volk had Orion niets uit te staan. Men had hem ontvangen als den
+welopgevoeden, levenslustigen en geestigen zoon van den rijken en
+voornamen stadhouder, den beroemden Mukaukas Georg, ja, als een soort
+van gezant, en wat de rijkste jongelieden van de keizersstad zich
+veroorloofden, dat mocht ook hij doen. Zijne beurs was niet minder
+goed gespekt dan de hunne, zijne gezondheid en zijne veerkracht waren
+wel twintigmaal sterker, en zijne paarden, die hijzelf bestuurde en
+niet door betaalde agitatoren mennen liet, hadden driemaal de hunnen
+geslagen. De "rijke Egyptenaar", de "nieuwe Antinous", de "schoone
+Orion", zooals zij hem noemden, mocht bij geen feestmaal, bij geene
+partij ontbreken. De eerste huizen der stad telden hem gaarne onder
+hunne gasten, en in het paleis en de villa van den senator Justinus,
+een vriend zijns vaders uit jonger jaren, verkeerde hij als een zoon
+des huizes. Bij hem en zijne vriendelijke gade Martina leerde hij ook
+de schoone Heliodora kennen, de weduwe van een neef des senators, en
+de geheele stad had gewaagd van de teedere verhouding tusschen Orion
+en het aanvallige jonge vrouwtje, wier strenge ingetogenheid niet
+minder bewonderd werd dan heur blond haar en de groote edelgesteenten,
+waarmede zij hare wel eenvoudige maar toch kostbare kleederen gaarne
+opsierde. Reeds had menige schoone jonkvrouw uit Byzantium getracht
+de gunst van den jongen Egyptenaar te verwerven, toen Heliodora ze
+allen uit het veld had geslagen. Nochtans was het haar niet gelukt
+Orion vast en op den duur aan zich te kluisteren, en toen hij zijne
+moeder gisteren avond verzekerde, dat zij zijn hart niet bezat,
+had hij de waarheid gesproken.
+
+Zijn gedrag in de residentie was wel niet onberispelijk geweest, maar
+hij had zichzelven toch nimmer vergeten en de achting genoten niet
+alleen van de metgezellen zijner feestgelagen, maar ook van waardige
+en ernstige mannen, die hij in het huis van Justinus had leeren
+kennen, en die zijn verstand en zijne weetgierigheid roemden. Hij
+die als knaap een vlijtig scholier was geweest, liet ook hier geene
+gelegenheid voorbijgaan om te leeren. Vooral had hij zich in de
+keizersstad toegelegd op de verdere ontwikkeling van zijn aanleg voor
+de muziek, en het daar tot eene buitengewone hoogte gebracht in gezang
+en snarenspel. Gaarne zou hij langer in de hoofdstad gebleven zijn,
+maar ten slotte werd hem de bodem te heet onder de voeten, en wel
+om zijns vaders wil. Want de overtuiging dat deze er veel toe had
+bijgedragen, om Egypte van het Byzantijnsche rijk los te maken en
+het in handen te spelen van de gehaatte maar onweerstaanbare macht
+der Arabieren, had in de aanzienlijkste kringen geloof gevonden,
+sedert Cyrus, de afgezette en inmiddels reeds gestorven Melchietische
+patriarch van Alexandrië, zich persoonlijk naar Konstantinopel had
+begeven. Reeds was tot zijne gevangenneming besloten, toen de senator
+Justinus en andere vrienden hem waarschuwingen hadden doen toekomen,
+waaraan hij bijtijds gehoor had gegeven.
+
+De houding zijns vaders had Orion wel in ernstig gevaar gebracht,
+maar hij was er niet verstoord over; integendeel, hij moest haar
+in zijne ziel billijken. Immers was hij duizendmaal getuige geweest
+van de verachting, waarmede de Grieken over de Egyptenaren, van den
+haat en den afkeer waarmede de orthodoxen over het monophysitisch
+geloof van zijn volk spraken. Het kostte hem moeite zijn toorn in te
+houden, wanneer hij den spot en de smaadredenen moest aanhooren, die
+aanzienlijke mannen en jongelieden, leeken en geestelijken over zijn
+land en zijne stamgenooten uitstortten, zonder zich te storen aan zijne
+tegenwoordigheid. Want zij hielden hem voor een der hunnen, voor een
+Griek, wien al wat 'barbaarsch' was even stuitend en verachtelijk moest
+voorkomen als hunzelven. Toch vloeide het bloed zijns volks door de
+aderen van den 'nieuwen Antinous', die de Grieksche liederen zoo schoon
+en met zulk een zuivere uitspraak wist voor te dragen. Elk smadelijk
+woord dat tegen de zijnen was gericht wondde hem diep in het hart, elk
+minachtend oordeel over zijn geloof riep den dag hem in het geheugen
+terug, waarop de Melchieten zijne beide broeders hadden vermoord.
+
+Deze bloedige daden en ontelbare geweldenarijen, waarmede de Grieken de
+andersdenkende Egyptenaars gekweld, beleedigd, doodgemarteld hadden,
+waren nu gewroken, gewroken door zijn vader. Dat deed hem de borst
+zwellen, dat maakte hem trotsch, en hij vergunde den ouden man diep
+in zijne ziel te lezen, en wat deze daar vond verraste en verblijdde
+hem tegelijk. Immers hij had gevreesd dat Orion zich in Konstantinopel
+niet zou hebben kunnen onttrekken aan den onweerstaanbaren invloed van
+den Griekschen geest, ja, hij had er zich soms bezorgd over gemaakt
+hoe zijn eigen zoon het zou misbillijken, dat hij, hoewel gedwongen,
+de hem toevertrouwde provincie aan de Arabische veroveraars overgegeven
+en met hen vrede gesloten had.
+
+De Mukaukas gevoelde dat Orion eenstemmig met hem dacht, en nu en
+dan wierp hij hem, van het schaakbord opziende, een teederen blik
+toe. Vrouw Neforis deed inmiddels haar best om de moeder van de
+toekomstige bruid haars zoons zoo goed mogelijk bezig te houden
+en haar af te leiden, zoodat zij de vreemde houding van Orion niet
+opmerkte. Dit scheen haar ook te gelukken, want vrouw Susanna luisterde
+naar alles wat zij zeide. Dat zij echter daarbij een oog in het zeil
+hield bleek uit de onverwachte vraag: "Zou de voorname nicht van uw
+gemaal zich wel verwaardigen ons een woord toe te spreken?"
+
+"O neen," antwoordde Neforis op bitteren toon. "Ik hoop maar dat
+zij spoedig andere lieden vindt, met wie zij zich liever genadig zal
+inlaten. Ik zal haar den weg daartoe wel banen, daar kunt ge zeker
+van zijn!"
+
+Zij bracht vervolgens het gesprek op Katharina en de weduwe vertelde,
+dat haar zwager Chrusippos met zijne beide dochtertjes in Memphis
+was. Morgen zouden ze weer vertrekken en haar kind had zich dus
+aan die meisjes moeten wijden. "Zoo zit daar nu het arme schaap,"
+dus besloot zij op medelijdenden toon, "en moet die twee kleine
+babbelaarsters bezig houden, terwijl zij smacht om hier te zijn."
+
+Orion had de laatste woorden gehoord; hij vraagde daarop naar de kleine
+en zeide daarna op luchtigen toon: "zij heeft mij gisteren vroeg een
+halsbandje beloofd voor dat witte beestje, dat ik als aandenken uit
+Konstantinopel meebracht.--Foei, Maria! Gij moogt het arme diertje
+niet kwellen."
+
+"Ja, laat den hond los!" voegde de weduwe er bij, terwijl zij zich
+tot het kleindochtertje van den Mukaukas wendde, die het dier dwingen
+wilde tegen zijn zin hare pop te kussen. "Maar weet ge wel, Orion,
+dat die kleine keffer eigenlijk veel te sierlijk is voor zoo'n groot
+heer als gij zijt? Geef het beestje present aan een aardig meisje,
+daar is het beter op zijn plaats. Katharina is echter reeds bezig
+aan den halsband. Ik mag het eigenlijk niet verklappen, maar op den
+blauwen grond komen gouden sterren."
+
+"Omdat Orion een ster is," riep de kleine Maria, "stikt zij enkel
+Orions."
+
+"Gelukkig is er maar één gesternte dat mijn naam draagt," merkte
+Orion op. "Zeg dat, bid ik u, aan uwe dochter, vrouw Susa."
+
+De kleine klapte in de handen en riep lachende: "Hij wil geen ster
+naast zich hebben!"
+
+Maar de weduwe haastte zich te zeggen: "Die kleine wijsneus! Ik
+ken lieden die het zelfs niet lijden kunnen, wanneer men bij hen
+eenige overeenkomst met anderen waarneemt. Gij moet u dit echter
+laten welgevallen Orion!--Ja, gij had zooeven wel gelijk, Neforis,
+voorhoofd en mond zijn als uit het gezicht zijns vaders gesneden!"
+
+Deze opmerking was zeer juist, toch kon men zich moeielijk twee
+uiteenloopender menschen denken dan deze jongeling in de frischheid
+der jeugd en die zwakke, oudachtige man op den divan, wien zelfs elk
+der kleine bewegingen, die het spel medebracht, inspanning kostte. De
+Mukaukas mocht eens op zijn zoon geleken hebben, maar dat was heel
+lang geleden. Enkele grauwe vlokken haar bedekten thans slechts
+ten halve zijn naakten schedel, en van zijne oogen, die voor dertig
+jaren zoo helder schitteren mochten als die van Orion, was gewoonlijk
+weinig en menigmaal niets te zien, want de zware oogleden vielen,
+als hadden ze alle veerkracht verloren, voortdurend er overheen en
+gaven het welgevormde doodsbleeke gelaat iets dat aan een uil deed
+denken. Toch was hij niet gemelijk, maar veeleer vereenigden zich in
+zijn gelaat smartelijke en vriendelijk welwillende trekken, die het
+eene weemoedige uitdrukking verleenden. De mond en de slap neerhangende
+wangen waren bewegingloos en als gestorven; de verlammende handen van
+kommer, angst en zorg schenen daarover heen gegaan te zijn en hun spoor
+daarop achtergelaten te hebben. Hij zag er uit als een doodvermoeid
+man, die alleen nog leefde, omdat het noodlot hem de gunst ontzegde
+van te sterven. Ja hij was door de zijnen reeds dikwijls voor een
+lijk gehouden, als hij al te dikwijls in het doosje van bloedjaspis
+had getast en te veel gebruikt had van de witte opiumpilletjes, van
+welke hij er ook onder het schaakspel met lange tusschenpoozen telkens
+een op de kleurlooze lippen legde. Langzaam en als sliep hij bijna
+verplaatste hij met half geslotene oogen stuk voor stuk, en toch kon
+zijne tegenpartij het niet tegen zulk een bedreven speler uithouden, en
+was zij reeds ten derden male door hem geslagen, ofschoon de Mukaukas
+zelf haar een goede speelster noemde. Men kon het haar hoog gewelfd
+voorhoofd en hare donkerblauwe klare oogen aanzien, dat zij verstandig
+kon denken en diep gevoelen. Maar zij scheen wel wat eigenzinnig te
+zijn en geneigd tot tegenspraak, althans heden, want als Orion hare
+aandacht vestigde op dezen of genen zet, volgde zij zelden zijn raad
+en verschoof zij de kleine figuur met op elkaar geklemde lippen naar
+haar eigen en zelden beter inzicht. Men bespeurde duidelijk dat het
+haar hinderde door dezen raadsman te worden terecht gewezen.
+
+De wrevelige houding van het meisje zoowel als Orions ijverige pogingen
+om haar in vriendelijker stemming te brengen, moesten door alle
+aanwezigen worden opgemerkt, en daarom verheugde zich vrouw Neforis,
+toen hij, die de bezoekers aandiende, nadat de Mukaukas de derde partij
+had gewonnen en de op het bord overgebleven stukken met den rug van
+zijn hand door elkaar wierp, zijn meester kwam herinneren aan den
+Arabier, die buiten met toenemend ongeduld wachtte. In plaats van te
+antwoorden gaf de Mukaukas een wenk, trok dan den langen kaftan van den
+fijnsten wol wat vaster om het lijf, en wees naar het dak en de deuren
+van het vertrek. Zijne familie had reeds lang die vochtige nachtlucht,
+die het vertrek van de rivierzijde binnendrong, gehinderd, maar daar
+zij wisten dat vader niets onaangenamer was dan de zomerhitte, hadden
+zij allen gewillig den tocht verdragen. Orion riep nu de slaven en vóor
+de vreemdelingen binnentraden, waren deuren en dakopening gesloten.
+
+Paula stond op, de Mukaukas bleef daartegen roerloos zitten en hield
+de oogen voortdurend met zijne oogleden bedekt, doch hij moest toch
+door eene onmerkbare opening kunnen waarnemen wat hem omgaf, want hij
+wendde zich eerst tot haar en dan ook tot de andere vrouwen met te
+zeggen: "Is het niet vreemd, anders zoeken ouden en kinderen de zon,
+en de laatsten spelen, de eersten rusten gaarne in de hitte. Maar
+ik.... Daar is mij jaren geleden iets overkomen, dat weet ge, en
+toen is mij het bloed in de aderen gestold. Nu wil het niet meer
+warm worden, en ik gevoel de tegenstelling tusschen de koude hier
+binnen en de hitte daarbuiten zeer sterk, bijna smartelijk. Hoe meer
+de jaren klimmen, des te liever laat men aan de jeugd over, wat ons
+zelven eens goed deed. Het eenige wat wij oudjes ons niet gaarne laten
+ontnemen is een aangenaam lichamelijk gevoel, en ik dank u dat gij
+zoo geduldig draagt wat u hindert, en dat gij het mij zoo aangenaam
+maakt. Een verschrikkelijke zomer! Gij, Paula, weet van den Libanon
+wat ijs is. Vaak wensch ik mij een bed van sneeuw. Mijn hoogste wensch
+zou zijn met de frissche koude éen te worden. De koele avondlucht,
+die gij vreest, doet mij goed. De warmte der jeugd verzet zich tegen
+alles wat kil is."
+
+Dit was de eerste maal sedert den aanvang van het spel, dat de Mukaukas
+lang achtereen had gesproken. Orion liet hem eerbiedig uitspreken,
+maar toen nam hij de vrijheid er lachende bij te voegen: "Er zijn
+intusschen ook jeugdige menschenkinderen, die er een welbehagen in
+vinden koel en koud te zijn. God weet om welke reden!"
+
+Hij zag daarbij haar, tegen wie deze woorden gericht waren, flink
+in de oogen. Maar zwijgend en trotsch wendde zij zich van hem af,
+en het was als trok er een donkere schaduw over hare schoone trekken.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Nadat den Arabier toegang verleend was tot den Mukaukas, spreidden
+zijne dienaars een stuk tapijt voor den kranke uit. De reusachtige
+Masdakiet was bij dit werk de hoofdpersoon. Maar zoodra de Mukaukas
+den kolossalen man zag, met zijne verwilderde haren, die hem als
+manen langs het hoofd hingen, met dien dolk en dien slachtbijl in zijn
+gordel, riep hij angstig uit: "Voort, voort met dezen kerel, weg met
+die wapens.... Ik wil het tapijt niet zien voor deze uit de voeten is!"
+
+De handen van den lijder beefden, en de koopman beval terstond zijn
+trouwen Rustem, de onschuldigste ziel van de wereld, heen te gaan. De
+stadhouder, wiens prikkelbaar zenuwgestel, na een moordaanslag door een
+uit Egypte verbannen Griek tegen hem gepleegd, nu en dan onderhevig
+was aan dergelijke aanvallen van angst, kwam echter spoedig weer tot
+bedaren, en keek met bewondering naar het tapijt, waarom ook de zijnen
+zich schaarden. Ieder stemde toe zoo iets nog nooit gezien te hebben,
+en de levendige weduwe Susanna wilde hare dochter Katharina laten
+roepen met de kinderen die bij haar op bezoek waren, doch omdat het
+zoo laat en haar huis zoo ver van het stadhouderlijk verblijf gelegen
+was, zag zij er van af.
+
+Vader en zoon hadden reeds van dit kunstwerk gehoord, hetwelk door het
+overwinnend leger der Arabieren bij de verovering van het Perzische
+rijk in het "witte slot", het koninklijk paleis der Sassaniden in de
+residentie Madain buit was gemaakt. Zij wisten dat het oorspronkelijk
+300 ellen lang en 60 breed was geweest en hadden met schrik vernomen,
+dat de Kalief Omar, die altijd nog als een eenvoudig aanvoerder eener
+karavaan leefde, zich kleedde en voedde, en op zulk een prachtstuk
+met minachting neerzag, dit onschatbaar kunstwerk in stukken gesneden
+en onder de strijdgenooten van den profeet verdeeld had.
+
+De koopman verklaarde nu, dat dit stuk tapijt het aandeel in den
+buit geweest was van Ali, den schoonzoon van den profeet. Hij had
+het kunstwerk in zijn geheel in Madain, waar het in de prachtige
+troonzaal aan den wand hing, en later andermaal in Medina vóor de
+verdeeling gezien.
+
+Alle aanwezigen verzochten nu dringend, dat hij eene beschrijving zou
+geven van het ontbrekende gedeelte. Maar hij scheen niet op zijn gemak
+te zijn; herhaaldelijk keek hij naar zijne naakte voeten, die op den
+vochtigen mozaïekbodem nabij de fontein stonden; want overeenkomstig de
+zeden zijns volks had hij zijne sandalen in het voorvertrek gelaten. De
+stadhouder had de bewegingen van den ouden heer gevolgd, die zijne
+hand vaak aan zijne lippen bracht, en een zijner slaven iets in het
+oor gefluisterd, terwijl zijne vrouw, Orion en de weduwe, Haschim met
+vragen bestormden. De slaaf was terstond daarop teruggekeerd en had
+op bevel zijns meesters eene langwerpige strook tapijt voor de bruine,
+welgevormde maar teedere naakte voeten van den Arabier uitgespreid.
+
+Terwijl dit geschiedde had er in de houding van den koopman eene
+eigenaardige verandering plaats. Met eene waardigheid, door niemand
+der aanwezigen verwacht van den man, die het vertrek zoo deemoedig was
+binnengetreden en zijne kostbare koopwaar met welsprekende woorden
+aangeprezen had, richtte hij zich op; zijn kalm, zachtmoedig gelaat
+nam een uitdrukking aan van tevredenheid, om zijn mond speelde een
+beminnelijk lachje, en zijne goedige oogen fonkelden als die van
+een kind, dat men bijzonder pleizier aandoet. Daarna boog hij voor
+den Mukaukas, terwijl hij met de vingertoppen zijner rechterhand het
+voorhoofd, den mond en de borst aanraakte, om daarmee te kennen te
+geven: "wat ik denk, spreek en gevoel is u gewijd," en zeide: "Heb
+dank, zoon van Menas! Dit was eene daad een muzelman waardig!"
+
+"Een christen," verbeterde Orion haastig; doch zijn vader schudde
+daarop even het hoofd en zeide met nadruk en langzaam: "Slechts
+een mensch!"
+
+"Een mensch," herhaalde de koopman, waarop hij nadenkend liet volgen:
+"Een mensch! ja, dat is waarlijk het hoogste, zoolang we zijn wat we
+zijn moeten: evenbeelden van den eeuwigen God. Wie is barmhartiger
+dan Hij, en ieder barmhartige uit eene vrouw geboren is Hem gelijk."
+
+"Wederom een christelijk woord," zeide Orion, hem in de rede
+vallende. "Gij zijt een vreemde muzelman!"
+
+"En toch," hernam Haschim met kalme waardigheid, "komt dit woord
+voor woord overeen met de leer van den besten der menschen, onzen
+profeet. Ik behoor tot hen, die hem hier op aarde gekend hebben. De
+geringste smart van den broeder vervulde zijn teergevoelig hart met
+innig medelijden. Zijn voorschrift verlangt barmhartigheid ook voor
+het boompje aan den weg, en noemt het doodzonde dit te schenden. Ieder
+muzelman heeft dit voorschrift te volgen. Barmhartigheid te betoonen
+heet in het boek van den profeet...."
+
+Hier werd de koopman plotseling en ruw gestuit, want Paula, die
+tot hiertoe, tegen een der zuilen van den wand geleund, het tapijt
+bewonderd en het gesprek zwijgend gevolgd had, liep met een paar
+driftige schreden op den Arabier toe, wees, terwijl een hooge blos
+hare wangen kleurde en hare oogen vlammen schoten, op hem en riep
+met trillende stem, zonder zich te storen aan de verbazing en de
+ontevredenheid der aanwezigen, noch om het hondje, dat vinnig tegen den
+Arabier begon te keffen: "Gij, gij, de aanhanger van den leugenprofeet,
+gij de gezel van den bloedhond Chalid, gij zoudt barmhartig zijn! Ik
+ken u, ik weet wat gij in Syrië hebt uitgericht! Ik heb u en uwe
+bloedlekkende vrouwen met deze oogen gezien en het schuim van woede
+op uwe lippen! Hier sta ik als getuige tegen ulieden en roep u in
+het aangezicht toe: Gij hebt in Damascus verdragen verbroken en de
+slachtoffers van uw bedrog--mannen niet alleen maar ook weerlooze
+vrouwen en teedere kinderen--met het zwaard vermoord en met de
+handen geworgd. Gij, gij, een apostel der barmhartigheid! Hebt gij
+dan niets van Abyla gehoord? Gij vriend van uw profeet, wat hadden u,
+die zegt dat gij zelfs geen boom aan den weg zult deren, wat hadden u
+die onschuldige lieden in Abyla gedaan, dat gij ze worgdet als wolven
+die een schaapsstal binnendringen? En gij zoudt barmhartig zijn!"
+
+Het hartstochtelijke meisje, wien niemand barmhartigheid bewees,
+wien dit woord als een smaad in de ziele had gegrepen, dat uren lang
+gemarteld door een pijnigend gevoel van spijt, met moeite ingehouden,
+thans zich verlicht gevoelde, nu het den vrijen loop kon laten aan
+het wee dat hare ziel kwelde--het meisje barstte uit in een bitteren
+lach en zwaaide met de hand, als wilde zij een bijenzwerm verdrijven.
+
+Welk eene vrouw! Orion hield de oogen met huivering en toch
+vol geestdrift op haar gericht. Ja, zijne moeder had haar wel
+doorgrond. Zoo lacht geen goed en teergevoelig meisje; maar zij was
+toch groot, heerlijk, bewonderenswaardig in haar toorn. Zij deed hem
+denken aan het beeld van de godin der wraak van Apelles' hand, dat
+hij in Konstantinopel had gezien. Zijne moeder zag schouderophalend
+de weduwe aan met een blik die zeide, dat zij elkander begrepen. Doch
+ook zijn vader werd onrustig nu hij van dit tooneel getuige was. Hij
+wist wat haar aandreef, doch hij begreep dat hij haar niet mocht laten
+begaan en bracht het opgewonden meisje tot bezinning, door haar op
+half verwijtenden half meewarigen toon eerst zacht, daarna luider en
+strenger bij den naam te roepen.
+
+Toen verschrikte zij als eene slaapwandelaarster, die plotseling uit
+hare halve sluimering ontwaakt, streek met de hand over hare oogen
+en zeide, terwijl zij zich voor den stadhouder boog: "Vergeef mij,
+oom! Het doet mij leed dat ik mij zoo liet medesleepen, maar ik
+kon mij niet inhouden. Gij weet wat achter mij ligt, en als men mij
+daaraan herinnert, als ik den lof moet hooren verkondigen van die
+afschuwelijken, die mijn vader en mijn broeder...."
+
+Een luid snikken belette haar eensklaps verder te gaan, en de kleine
+Maria drukte zich weenend tegen haar aan. Orion moest zich bedwingen om
+niet naar haar toe te snellen en haar te omarmen. Hoe goed stond haar,
+die zoo groot scheen, deze vrouwelijke zwakheid, hoe trok zij thans hem
+aan! Maar Paula bleef niet lang in dien toestand, want reeds terwijl
+de stadhouder haar met vriendelijke woorden geruststelde, werd zij hare
+innerlijke ontroering meester, en zeide zacht, terwijl de tranen langs
+hare wangen biggelden: "Laat mij, bid ik u, naar mijne kamer gaan."
+
+"Goeden nacht dan, kind!" zeide de Mukaukas hartelijk, en daarop
+richtte zij na een zwijgenden groet aan de anderen, hare schreden naar
+de deur. De muzelman hield haar echter terug, zeggende: "Ik weet wie
+gij zijt, edele dochter van Thomas, en ik heb vernomen dat uw broeder
+de bruidegom was, die naar Abyla was gekomen, om daar bruiloft te
+vieren met de dochter van den prefect van Tripolis. Ach, dat ik,
+terwijl ik op reis voor mijne zaken daar ter jaarmarkt ging, het zelf
+moest beleven, zelf moest aanzien hoe eene waanzinnige bende van mijne
+geloofsgenooten de vreedzame stad overviel. Arm, arm kind! Uw vader
+was de grootste en wakkerste onder al onze vijanden. Hetzij hij nog
+op aarde leeft of in den hemel, hij eert gewis ons zwaard, gelijk wij
+het zijne. Maar uw broeder, die als bruidegom werd vermoord, hij heeft
+stervende ons vervloekt, en gij zijt de erfgename van zijn toorn en
+wanneer uwe verontwaardiging zich over mij, den muzelman, uitstort,
+dan kan ik niet anders doen dan mij buigen en boeten voor de schuld
+dergenen, die van mijn bloed zijn en wier geloof ik belijd. Ik weet
+niets aan te voeren, edele jonkvrouw, neen niets, wat de daad van
+Abyla verontschuldigen kan, en dáar, dáar was het mijne grijze haren
+beschoren--geloof mij, meisje, het heeft mij pijn gedaan--mij over de
+mijnen te schamen. De krijg, de herinnering aan menigen gesneuvelden
+vriend, aan roof en plundering had de hartstochten ontbonden, en waar
+deze de vleugels uitslaan, hetzij in den strijd om het mijn en dijn,
+hetzij om andere goederen, heeft sedert Kaïn en Abel altijd en overal
+hetzelfde plaats."
+
+Paula, die den ouden man tot dusverre roerloos had aangehoord,
+schudde het hoofd en zeide bits: "Dat alles geeft mij mijn vader en
+mijn broeder niet weder. Gij zelf ziet er uit als een zachtaardig man,
+maar als gij even rechtvaardig zijt als goed, zoo overtuig u in het
+vervolg eerst met wien gij spreekt, voor gij de barmhartigheid van
+uwe geloofsgenooten roemt."
+
+Zij herhaalde daarop haar groet en verliet het vertrek. Orion ging
+haar achterna; wat er ook van komen mocht, hij moest haar volgen. Doch
+weinige oogenblikken later keerde hij terug, terwijl hij na een diepen
+zucht de tanden vast op elkaar klemde. Hij had hare hand gegrepen,
+haar alles te verstaan gegeven, wat een beminnend hart zeggen kan,
+maar hoe scherp, hoe ijskoud was hij afgewezen, en met welk een
+onverdragelijk verachtelijk gebaar had zij hem den rug toegekeerd! En
+nu hij zich weder onder de zijnen bevond, hoorde hij nauwelijks hoe
+zijn vader aan den ouden heer zijn leedwezen te kennen gaf, dat zulk
+eene pijnlijke bejegening hem onder zijn dak was ten deel gevallen,
+en hoe de Arabier verklaarde zeer goed te begrijpen, dat de weeze van
+Thomas zich niet had kunnen inhouden. Het gebeurde te Abyla was door
+niets te verontschuldigen.
+
+"Maar komt niet in elken strijd iets dergelijks voor?" zoo ging
+de oude heer voort. "Ook de christen is niet altijd zichzelven
+meester. Ook gijzelf hebt, zooals ik weet, twee bloeiende zonen
+verloren, en wie waren de moordenaars? Het zijn christenen geweest,
+uwe eigene geloofsgenooten...."
+
+"De bitterste vijanden van mijn eigen geloof," antwoordde de stadhouder
+langzaam, en iedere syllabe weerlegde koel en uit de hoogte de meening
+van den muzelman, alsof het geloof dergenen, die zijne kinderen
+vermoord hadden, ook het zijne was, en daarbij openden zich zijne
+oogen wijd en kregen het aanzien der harde, dof glanzende steenen,
+welke zijne voorvaderen den zuilenbeelden als sterren om te zien
+in het aangezicht zetten. Opeens sloten zij zich plotseling weder
+en vervolgde hij op onverschilligen toon: "Hoe hoog schat gij uw
+tapijt? Want ik heb lust het te koopen. Geef mij den naasten prijs op,
+want afdingen stuit mij tegen de borst."
+
+"Ik wilde er vijfmaal-honderdduizend drachmen voor vragen," hernam
+de koopman. "Met vierhonderdduizend zal ik tevreden zijn."
+
+De vrouw van den stadhouder sloeg bij deze som hare handen in elkaar,
+waarschuwde haar gemaal door gebaren en schudde nog eens ontevreden
+het hoofd, toen Orion, die bijzonder zijn best deed om te toonen,
+dat ook hij zijn aandeel nam aan dezen buitengewonen koop, zeide:
+"Driemaal-honderdduizend is het wel waard."
+
+"Viermaal-honderdduizend;" herhaalde de koopman kalm. "Uw vader heeft
+verlangd den uitersten prijs te weten, en ik vraag niet meer dan
+billijk is. De robijnen en granaten, die dezen druiventros vormen,
+die paarlen hier in de mirten, die turkooizen in de bloeiende
+vergeet-mij-nietjes, die diamanten daar boven, die als dauwdroppels
+aan de grashalmen hangen, en de smaragden die den glans van het groen
+der bladeren verhoogen--en vooral die eene reusachtige groote--hebben,
+als men ze er af nam, eene zeer hooge waarde."
+
+"Waarom hebt gij ze dan niet uit het weefsel gesneden?" vroeg vrouw
+Neforis.
+
+"Omdat ik het niet over mij verkrijgen kon," antwoordde de muzelman,
+"dit edele werk te schenden. Ik verkoop het zooals het is, of in het
+geheel niet."
+
+Bij deze woorden gaf de stadhouder zijn zoon een wenk, zonder
+acht te geven op de afkeuring die zijne vrouw niet ophield te doen
+blijken, liet zich een tafeltje geven, dat bij het schaakbord lag,
+schreef eenige woorden daarop en zeide, terwijl hij het den koopman
+overhandigde: "De koop is door ons gesloten. Morgen vroeg zal de
+rentmeester Nilus op dit bewijs het bedrag voldoen."
+
+Orion geraakte opnieuw in geestdrift, en onder het uitroepen van
+"heerlijk! heerlijk!" vloog hij naar zijn vader toe en kuste hij
+hem onstuimig de hand. Daarna wendde hij zich tot zijne moeder,
+wier oogen baadden in tranen van verdriet, beurde haar hoofd op,
+kuste haar voorhoofd en zeide trotsch en gelukkig: "Zoo handelen wij
+en de keizer."
+
+Hierop ging hij naar den muzelman, zeggende: "Als de vader de
+grootmoedigste aller menschen is, dan zinkt de zoon er licht bij
+weg. Hij is er niet minder om, waardige heer! Wat uw tapijt aangaat,
+het mag kostbaarder zijn dan alle schatten van Kroisos, maar iets moet
+gij ons nog op den koop toegeven, voor gij uwe kameelen met ons goud
+belaadt: hoe heeft dit kunstwerk er uitgezien, vóor het verdeeld werd?"
+
+De muzelman, die het kostbare tafeltje kalm in zijn gordel had
+geschoven, voldeed onverwijld aan deze uitnoodiging. "Gij kent," zoo
+begon hij, "zijne oorspronkelijke verbazende lengte en breedte. De
+zaal, welker wand met dit pronkstuk bedekt was, kon duizenden gasten
+bevatten, terwijl aan beide zijden van den troon plaats was voor
+honderden lijfwachten. Zooveel wevers, borduurders en juweliers als
+er dagen in het jaar zijn, moeten een heel menschenleven aan dit
+tapijt gewerkt hebben. Het ongeschonden weefsel stelde het paradijs
+voor, zooals de Perzen zich dat denken, geheel vervuld met groene,
+bloeiende en vruchtdragende boomen. Hier ziet gij nog een stuk van
+de koele bron, die bezaaid met diamanten, saffieren en smaragden,
+als men het behangsel van verre bekeek, er uitzag als glinsterend,
+frisch water. Die paarlen hier zijn het witte schuim eener golf. Die
+doorgesneden bladeren daarginds maakten deel uit van een rozestruik,
+die aan Edens bron bloeide, voor de drup van den eersten regen de
+wereld bevochtigde. Oorspronkelijk droeg hij enkel witte bloemen,
+doch toen de ledematen der eerste vrouwen grooter blankheid vertoonden
+dan zij, bloosden de witte bloemen van schaamte en sedert zijn er
+ook roode rozen. Zoo vertellen de Perzen."
+
+"En wat was dit, ons stuk?" vroeg Orion verder.
+
+"Het heeft," antwoordde de koopman, terwijl hij den jongeling met
+welgevallen aanzag, "behoord tot het middendeel van het tapijt. Aan
+de linkerzijde zag men het Oordeel bij de brug Tschinvat. Men had
+de verdoemden niet afgebeeld maar wel de gevleugelde Fravaschi, de
+genieën, die volgens het geloof der Perzen iederen sterveling in zijne
+eigene gestalte, met hem vereenigd maar toch niet onafscheidelijk
+verbonden, als schutsgeesten door het leven geleiden. Men zag hen
+voor zich, zooals zij in wilde vaart de verdoemde misdadigers,
+de werktuigen van den zwarten Angramainjus, die men zich als eene
+vluchtende schare voorstellen moest, vervolgden. Zegepralend trokken
+de zalige, reine, waarachtige vrienden van den lichtgod Ahouramasda
+zingend het bloeiende paradijs binnen, en aan hunne voeten zag men
+hen, die niet geheel verdoemd maar ook niet ten volle zalig verklaard
+konden worden, met gebogen hoofd, deemoedig en stil in een donker
+woud verdwijnen. In behagelijke rust genoten de reinen de gaven van
+het paradijs. Een priester der vuuraanbidders heeft mij dit alles
+verklaard. Hier ziet gij een reusachtige druiventros, waarnaar een
+gezaligde grijpt. Zijne hand bleef onbeschadigd, zooals gij ziet,
+maar de arm is, helaas! doormidden gesneden. Van de bloemen- en
+vruchtenkrans, die het geheel omlijst, bleef hier aan de bovenzijde
+een prachtig stuk bewaard. De smaragd, die daar den bloemknop vormt,
+hoe hoog schat gij dien steen wel?"
+
+"Een prachtig edelgesteente!" zeide Orion, "Zelfs Heliodora bezit
+een dergelijke niet. Nu vader, wat mag die wel waard zijn?"
+
+"Veel, zeer veel," antwoordde deze, "en toch zou het geheele,
+ongeschonden kunstwerk nog te gering zijn voor hem, wien ik het
+heb toegedacht."
+
+"Den veldheer Amr?" vraagde Orion.
+
+"Neen, mijn kind," antwoordde de stadhouder op stelligen toon. "Den
+hoogen, ondeelbaar goddelijken persoon van Jezus Christus en zijne
+kerk."
+
+Bij deze woorden sloeg Orion teleurgesteld de oogen neder. De gedachte
+stuitte hem tegen de borst, dat hij dezen heerlijken steen op een
+reliquiënkistje in eene donkere kast zou zien verdwijnen. Hij zou er
+veel vriendelijker bestemming aan hebben weten te geven.
+
+Doch zijn vader zoomin als zijne moeder bemerkten hoezeer hij ontstemd
+was; want vrouw Neforis was naar het rustbed van haar gemaal gevlogen,
+daarvóor op de knieën gezonken en fluisterde, terwijl zij de koude
+fijne hand van den kranke met kussen overlaadde, zoo welgemoed, als
+had dit besluit hare ziel van een zwaren last bevrijd: "Onze zielen,
+onze zielen, Georg! Wacht maar--terwille van zulk een geschenk--zal
+u alles vergeven worden en zult gij uwe zielsrust terug erlangen."
+
+De stadhouder haalde zwijgend de schouders op, liet het tapijt oprollen
+en door Orion in het tablinum [2] wegsluiten. Ten laatste beval hij
+den huismeester, dat hij den Arabier en zijne lieden voor dezen nacht
+een kwartier zou aanwijzen.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+Zielsangst en gewetenswroegingen waren het inderdaad geweest, die
+den stadhouder hadden doen besluiten het tapijt te koopen, en het
+zou hem daarom misschien verheugd hebben, wanneer het nog duurder was
+geweest. Hoe grooter de gave, des te vaster mocht hij verwachten dat
+hij, die het geschenk ontving, hem zijne genade en gunst niet zou
+onthouden. Hij had wel reden om zich te verontrusten en zich af te
+vragen of hij goed gehandeld had. Wraak te oefenen was geen christelijk
+werk, maar ongestraft te laten wat de Melchieten hem hadden aangedaan,
+terwijl zich de gelegenheid aanbood om het hun betaald te zetten,
+dat had hij niet van zich kunnen verkrijgen. Maar welke vader zou
+dit mogelijk zijn geweest, als men twee zijner bloeiende zonen
+had vermoord? Deze vreeselijke slag had den hartader zijns levens
+getroffen. Sedert had hij zijne lichaamskrachten langzaam voelen
+afnemen, en ook dat gevoel van zwakheid, die aanvallen van angst,
+die gebreken en smarten, welke hem meer en meer kwelden, meende hij
+op rekening te mogen schrijven van de Melchietische geweldenaars.
+
+Het kwijnende leven van dezen man werd alleen staande gehouden door
+zijne natuurlijke kracht en door zijn brandenden dorst naar wraak,
+en de omstandigheden hadden hem in staat gesteld dezen laatsten op
+eene wijze te stillen, die ten slotte hem, die anders vreedzaam van
+aard was, al te zeer geschokt had.
+
+Het mocht dan niet door zijne schuld zijn, het was toch met zijne
+medewerking, dat het Byzantijnsche rijk eene rijke provincie verloor,
+die de keizer aan zijne hoede had toevertrouwd. Hij was er getuige
+van dat de Grieken en allen die den naam van Melchieten droegen uit
+Egypte werden verdreven, en dat zij, hoewel hij het gaarne verhinderd
+had, op vele plaatsen door het opgeruide volk, hetwelk de muzelmannen
+als bevrijders begroette, gelijk dolle honden werden doodgeslagen. Al
+het kwaad, dat hij den moordenaars zijner kinderen, den verdrukkers
+en uitzuigers van zijn volk had toegewenscht, was over hen gekomen
+en zijne wraak maar al te volkomen geweest. Doch te midden van de
+vreugde over deze onverwachte vervulling van een vurigen wensch,
+dien hij jaren lang had gekoesterd, was de stem van zijn geweten
+ontwaakt en had zich eene te voren ongekende angst van hem meester
+gemaakt. Om als een held of een hervormer op te treden, daartoe
+ontbrak het hem aan geestkracht. Wat de nieuwe veroveraars hadden
+tot stand gebracht was van te veel beteekenis, de rampen die zij over
+duizenden hadden gebracht waren te vreeselijk, het christelijk geloof,
+dat hij zoo hoog stelde, was te zeer door hen in gevaar gebracht,
+dan dat hij de gedachte rustig zou hebben kunnen verdragen hiervan de
+oorzaak te zijn. De verantwoordelijkheid van dit alles was voor zijne
+schouders te zwaar, en hoe vaak hij het zichzelven ook herhaalde,
+dat hij de Arabieren niet in het land had geroepen, dat het hem
+aan macht had ontbroken hen af te weren, zoo hoorde hij zich toch
+van alle zijden aanwijzen als de man, die hun zijn vaderland had
+overgeleverd. Van alle kanten zag hij zich bedreigd, en hij geloofde
+hen die hem vertelden van sluipmoordenaars, welke de Byzantijnen tegen
+hem hadden uitgezonden. Maar nog kwellender was zijne vrees voor den
+toorn des hemels over hen, die een christelijk land aan de ongeloovigen
+hadden overgeleverd. Het bewustzijn dat hij levenslang een weldenkend,
+rechtvaardig man was geweest, kon hem van dezen angst niet verlossen,
+en er was maar éen middel dat zijn gezonken moed staande hield,
+namelijk de witte pilletjes, die hem sedert lang even onontbeerlijk
+waren als lucht en water.
+
+De oude, zachtmoedige bisschop Plotinos van Memphis en zijn
+geestelijkheid hadden voor alles vergeving. De patriarch Benjamin,
+die gedurende zijne verbanning uit de woestijn op de Arabieren had
+gewezen als verlossers van de tyrannie der Melchieten, was vooral
+door zijn toedoen teruggeroepen en in zijn ambt hersteld. Hij had dus
+op diens goedkeuring gehoopt; maar deze had hem als een verlorene,
+eeuwig verdoemde bejegend, en hoewel hij, de Mukaukas, ook doorzag,
+welke bijzondere bedoelingen de kerkvorst hierbij had, zoo geloofde
+hij toch dat Benjamins herdersambt hem de macht verleende, voor elk
+schaap zijner kudde de hemelpoort te sluiten. Hoe meer hij zag dat de
+Arabieren zich in zijn vaderland vastnestelden, hoe verstandiger zij
+daar alles inrichtten, hoe meer Egyptische christenen hij eindelijk
+van het kruis tot de halve maan zag overgaan, des te grooter scheen
+hem zijn schuld. En nu, na zich volledig gewroken te hebben, hetgeen
+de Grieken "dubbel verraad" noemden, nu hem in plaats van de straf
+Gods alles ten deel viel, wat de menschen geluk en gunst van het lot
+noemen, bekroop den geloovigen man de vrees, dat dit de vergelding
+des duivels was, omdat de vrede die hij zoo haastig met de muzelmannen
+had gesloten, hem zoo vele christenzielen in de armen had gedreven.
+
+Twee groote erfenissen waren hem onverwacht ten deel gevallen. Zijne
+schatgravers in de doodenstad hadden meer goud uit de oude heidensche
+groeven opgedolven dan alle overigen te samen. De muzelmansche Kalief
+en zijn plaatsvervanger hadden hem in zijn ambt gehandhaafd en bewezen
+hem vriendschap en eer. De bouleuten [3] der stad hadden hem onder de
+toejuiching van de geheele burgerij den bijnaam van den "rechtvaardige"
+toegekend. Zijne goederen hadden nooit meer rente afgeworpen. Van de
+weduwe van zijn vermoorden oudsten zoon kreeg hij uit het klooster
+brieven, gewagende van het groot geluk dat zij gevonden had in
+deze nieuwe levensbestemming, en haar dochtertje, zijn kleinkind,
+groeide zoo voordeelig op, dat ook vreemden in het vroolijke kind
+behagen schepten. Eindelijk hadden de talrijke brieven van zijn zoon
+uit Konstantinopel hem bewezen, dat deze zich in alle opzichten
+ontwikkelde en geen oogenblik zijne ouders vergat; want van alle
+genietingen die hij smaakte, van alle overwinningen die hij behaalde,
+had hij zich steeds beijverd uit eigen beweging dadelijk mededeeling
+te doen. Ook in den vreemde bleef hij met vader en moeder voortleven
+en hen beschouwen als het beste en liefste wat hij op aarde bezat.
+
+En Paula? Zij wist zijne gade niet voor zich in te nemen, maar hij
+beschouwde hare tegenwoordigheid als eene goede beschikking, waaraan
+hij--niet enkel bij het schaakspel--menig aangenaam uur te danken had.
+
+Dit alles kon wel een geschenk van den satan zijn, maar was dit
+het geval, dan wilde hij, Georg de Mukaukas, den booze nu toonen,
+dat hij niet hem maar den Heiland toebehoorde en op diens genade
+hoopte. Hoe was zijne ziel met innige dankbaarheid vervuld jegens
+den Allerhoogste voor den terugkeer van zulk een zoon! Al wat in hem
+was drong hem dit gevoel uit te spreken, en zoo waren het zielsangst
+en erkentelijkheid beide, die hem ertoe gebracht hadden zulk eene
+groote som op te offeren, om aan de kerk van Christus een geschenk
+te geven zonder weerga. Hij verbeeldde zich een krijgsgevangene te
+zijn voor wien het losgeld wordt voldaan, toen hij het tafeltje met
+de lastgeving tot betaling aan den koopman overhandigde; en nu men
+hem ter ruste bracht en zijne gade niet ophield hem te danken voor
+zijn vroom plan, gevoelde hij zich zoo verlicht en blijmoedig gestemd,
+als in geen jaren het geval was geweest.
+
+In den regel hoorde hij Paula, die boven zijn slaapvertrek huisde,
+heen en weer loopen; want zij ging laat te bed en verdiepte zich
+gedurende de nachtelijke stilte misschien in zoete en smartelijke
+herinneringen. Hoeveel had het bittere noodlot haar niet ontroofd:
+een vader, een broeder, hare meeste bloedverwanten en vrienden,
+allen tegelijk, allen door de hand der muzelmannen, aan wie hij zijn
+vaderland had overgegeven zonder het te verdedigen! "Men hoort Paula
+heden niet," zeide hij, naar boven ziende, als zocht hij iets. "Het
+arme meisje zal zich na het gebeurde van zoo straks tijdig ter ruste
+gelegd hebben."
+
+"Laat haar rusten," sprak vrouw Neforis, die ongaarne hare
+blijmoedige stemming zag verstoren, terwijl zij onwillig de schouders
+ophaalde. "Hoe heeft zij zich weer misdragen! Wij hebben zooeven veel
+te veel over barmhartigheid gehoord; ik zal over de mijne niet roemen,
+hoewel ik haar gaarne wil betoonen; bovendien is het mijn plicht eene
+verlatene verwante van u goed te behandelen. Doch dit meisje--neen, zij
+maakt het mij al te zwaar, en ik ben toch ook maar een mensch! Ik kan
+niet vroolijk zijn als ik haar zie; komt zij het vertrek binnen, dan is
+het mij als trad het ongeluk zelf over den drempel. En dan--gij hebt
+voor zulke dingen geen oogen, maar Orion bemoeit zich met haar veel
+meer dan goed is. Ik zou wel willen dat wij haar de deur uit hadden."
+
+"Neforis," zeide haar echtgenoot op een toon van zacht verwijt. Gaarne
+had hij haar in sterker bewoordingen terecht gewezen, maar sedert
+hij een slaaf van de opium was geworden, wilde het hem niet meer
+gelukken, noch in kleine noch in groote dingen, zich krachtig tegen
+haar te verzetten.
+
+Weldra lag de Mukaukas onrustig te dommelen, terwijl hij van tijd tot
+tijd de oogen opende. Hij hoorde den zachten tred niet boven zijn
+hoofd, waaraan hij sedert twee jaren gewoon was. Toch was zij, die
+meestal de eerste helft van den nacht nog in beweging was, niet ter
+ruste gegaan, gelijk hij meende. Na hetgeen er was voorgevallen had
+zij wel met gloeiende wangen en brandende oogen haar kamer opgezocht,
+maar de slavinnen, die weinig acht sloegen op een gast, die men
+slechts scheen te dulden en die door de vrouw des huizes met den nek
+werd aangezien, hadden het voorschrift om de luiken harer kamer na
+zonsondergang te openen, ten einde de koelere avondlucht binnen te
+laten, niet nagekomen, en thans vervulde eene bedwelmende, drukkende,
+zwoele atmosfeer het vertrek. De houten blinden, ja zelfs de linnen
+lakens op haar wollen rustbed voelden warm. Het water in haar aarden
+kruik en ook de handdoek waarnaar zij greep waren lauw. Voor eene
+Egyptische was dit niets ongewoons, maar de Damasceensche had elken
+zomer in het schoone landhuis haars vaders, op de zonnige helling van
+den Libanon, in schaduwrijke koelte doorgebracht, en heden scheen
+de warmte haar overal ondragelijk toe. Buiten was het aangenaam,
+dat had zij beneden gevoeld, en daarom stootte zij, zonder zich lang
+te bedenken, de luiken open, omsluierde haar hoofd met een langen
+donkeren doek, sloop de steile trap af en ging vervolgens door een
+poortje voor het dienstpersoneel, dat haar bekend was, naar den
+open hof. Daar haalde zij vrij adem en strekte de armen wijd uit,
+als verlangde zij niets vuriger dan van hier weg te vliegen; doch
+weldra liet zij ze zinken, terwijl zij rondom zich keek.
+
+Zij was niet enkel naar buiten gegaan om koelte te zoeken, neen, zij
+verlangde bovenal haar onstuimig en beangst gemoed aan anderen lucht
+te geven, en in de woningen der dienaren bevonden zich twee menschen,
+van welken eene haar begreep, kende en liefhad, terwijl de ander aan
+haar gehecht was als een trouwe hond, en zaken voor haar verrichtte,
+die voor den stadhouder en zijn gezin een geheim moesten blijven. Een
+van dezen was hare voedster, die haar naar Egypte was gevolgd, de
+tweede was de vrijgelaten stalmeester van haar vader, die met zijn
+halfvolwassen zoon de vrouwen had geleid en beschermd, toen zij na het
+bloedbad van Abyla uit hun schuilhoek waren te voorschijn gekomen, en
+na zich een tijdlang in een dal van den Libanon te hebben opgehouden,
+niet beter hadden weten te doen, dan naar Egypte te vluchten, ten einde
+zich daar onder de bescherming te stellen van den Mukaukas Georg,
+wiens zuster de eerste gemalin haars vaders was geweest. Zijzelve
+was gesproten uit den tweeden echt met eene aanzienlijke Syrische
+jonkvrouw, eene bloedverwante van keizer Heraclius, die op jeugdigen
+leeftijd kort na hare geboorte gestorven was.
+
+Sedert hare komst alhier waren beiden van haar gescheiden. De
+vrouw van den stadhouder had in de voedster Perpetua terstond eene
+buitengemeen kunstvaardige weefster gezien, en haar gebruikt om aan
+het hoofd te staan van de huisslavinnen, die zich met het weefgetouw
+bezighielden. De oude vrouw had zich gaarne met die taak belast,
+ofschoon zij van geboorte eene vrije was; doch voor haar was er
+alles aan gelegen in de nabijheid te blijven van haar dierbaar
+pleegkind. Ook de stalmeester Hiram was met zijn zoon onder de
+lieden van den Mukaukas opgenomen, allereerst om te zorgen voor de
+vijf schoone paarden uit den stal haars vaders, die de vluchtenden
+naar Egypte hadden medegebracht, vervolgens ook--want men had zijne
+bekwaamheden spoedig ontdekt--om als veearts en bij het aankoopen
+van paarden met zijn raad te kunnen dienen.
+
+Paula moest met beiden spreken en zij wist nauwkeurig waar zij
+te vinden waren, maar zij kon hen niet bereiken zonder zich aan
+onaangenaamheden bloot te stellen, want de vrije bedienden van den
+Mukaukas, haar vriend, en nu na het sluiten van de poort ook de
+soldaten van de wacht, zaten nog altijd in verschillende groepen bij
+elkaar te praten, en zij gingen zeker vooreerst nog niet uit elkander,
+want eenige slaven brachten daar juist aan de manschappen van de wacht
+hun avondmaal. In den hof hield het komen en gaan nog niet op, want
+ieder wien dit vrij stond genoot van de nachtelijke koelte. Alleen
+de slaven behoorden hiertoe niet, daar zij terstond na het sluiten
+van de poort voor het dienstpersoneel in hunne woningen gedreven
+waren. Doch ook uit hun kwartier lieten zich nog stemmen vernemen.
+
+Met een kloppend hart zocht Paula alles, wat hare scherpe oogen en
+ooren bereiken kon, op te vangen. De hooger stijgende maan verlichtte
+de eene helft van den hof, de andere lag, zoover de schaduw van het
+stadhouderlijk paleis reikte, in het donker. In het midden van den
+eersten halven kring, waarin de vrije dienaars zich bijeen geplaatst
+hadden, brandde een vuur, dat flikkerlichten wierp op hunne bruine
+aangezichten, en wanneer het opnieuw met pijnappels gevoed werd hoog
+opvlamde, en ook de donkere ruimte van de groote plaats voor haar
+verlichtte. Dit vermeerderde de bezorgdheid van de luisterende,
+die den hof moest oversteken en toch niet opgemerkt mocht worden;
+want hoe natuurlijk en onschuldig alles ook was wat zij voorhad,
+zoo wist zij toch dat de vrouw van haar oom aan haren nachtelijken
+gang eene smadelijke uitlegging zou geven.
+
+In den beginne had Neforis haar gemaal opgewekt, Paula bij hare
+nasporingen naar haren vader, van wiens dood niemand eenige zekerheid
+kon geven, behulpzaam te zijn, doch de aanmoediging van de vrouw des
+stadhouders was overbodig geweest, want hij had uit eigen beweging een
+jaar lang alles gedaan, om bij christenen en muzelmannen omtrent het
+leven of den dood van den verlorene berichten in te winnen. Sedert
+de laatste maanden was echter iedere verdere bemoeiing in deze
+zaak eerst door vrouw Neforis voor dwaas verklaard, en weldra had
+haar onzelfstandige gemaal deze zienswijze gedeeld en den verdwenen
+bloedverwant opgegeven. Van de goederen haars vaders had de Mukaukas
+niet zonder persoonlijke opofferingen veel voor haar gered, de
+grondbezittingen ten haren bate verkocht, uitstaande gelden zoo
+mogelijk ingevorderd, en haar afrekening willen geven van alles wat
+hij teruggekregen had. Maar zij achtte haar eigendom in zijne hand
+wel bewaard, en zij stelde zich tevreden met de mededeeling, dat zij,
+hoewel niet rijk in den zin van den Egyptischen Kroisos, toch een vrij
+aanzienlijk vermogen bezat. Toen zij een en andermaal een deel ervan
+vroeg, om de nasporingen voort te zetten, liet de Mukaukas haar het
+verlangde terstond uitbetalen, doch voor de derdemaal weigerde hij
+echter zeer bepaald aan haar wensch gehoor te geven, en wel met de
+beste bedoeling. Hij verklaarde bij die gelegenheid haar kurios [4]
+en natuurlijke voogd te zijn, en achtte zich verplicht haar te beletten
+ter wille van een hersenschim--want anders was dat vruchteloos zoeken
+toch sedert lang niet meer--een geheel vermogen te verkwisten dat
+haar later welkom, ja wellicht van groot nut kon zijn. Wat hij tot
+hiertoe uitgaf, had hij uit zijne eigene kas betaald. Zij erkende dit
+als eene edele daad, maar zij drong toch telkens weder bij hem aan om
+haar zin te doen, hoewel sedert lang te vergeefs; want onverbiddelijk
+legde hij de hand op dat hem toevertrouwde goed, en schonk haar geen
+enkele solidus meer om dat eenigst en dierbaarst doel van haar leven
+te bereiken.
+
+Schijnbaar onderwierp zij zich, maar haar voornemen om er alles aan
+te wagen, ten einde het spoor van den verdwenen vader te ontdekken
+werd in haar vastberaden gemoed niet tot wankelen gebracht. Voor de
+opbrengst van een parelsnoer, dat zij nog bezat, had haar trouwe
+Hiram een verre reis ondernomen, en daarna een aantal boden naar
+verschillende landstreken gezonden. Nu kon althans éen hunner zeer goed
+met nieuwe berichten teruggekeerd zijn, en zij moest den vrijgelatene
+spreken. Maar hoe hem ongezien te bereiken? Een poos lang tuurde en
+luisterde zij, om een gunstig oogenblik tot het oversteken van den
+hof waar te nemen.
+
+Daar viel een lichtstraal op een gelaat, het was dat van Hiram. Thans
+barstte de vroolijke troep in luid gelach uit; zij nam haastig een
+besluit, trok den hoofddoek vaster om haar hoofd, doorliep in allerijl
+het in de schaduw liggende deel van den hof, en snelde in gebukte
+houding door den maneschijn naar het slavenkwartier. Aan den ingang
+ervan bleef zij ademloos en met een kloppend hart staan. Had men
+haar opgemerkt? Neen! Geen roepstem weerklonk, geen schrede naderde,
+de honden kenden haar allen; de wachters, die anders hier stonden,
+hadden hunne posten verlaten en zaten met hunne gezellen bij het vuur.
+
+Het lange huis aan hare linkerzij was de weverij en op de
+bovenverdieping woonde Perpetua, hare voedster.
+
+Voor alles diende zij ook hier omzichtig te handelen, want de gemalin
+van den stadhouder kwam vaak op deze plaats, om bevelen te geven aan
+de arbeidsters, om op den arbeid toe te zien en te beoordeelen wat er
+gewerkt werd op de honderd weefgetouwen, die van 's morgens vroeg tot
+'s avonds laat in beweging waren. Als men haar hier opmerkte, konden
+de weefsters haar nachtelijk bezoek licht verraden.
+
+Zij waren nog niet ter ruste gegaan, want uit de groote, aan alle
+zijden opene, alleen met een dak gedekte schuur, waar de kuipen
+der ververs stonden klonk haar een luid gelach te gemoet. Ook dit
+gedeelte van de dienstdoenden genoot na de gloeiend heeten dag van
+de nachtelijke koelte. De meisjes hadden bovendien een vuur aangelegd.
+
+Paula moest hen in de maneschijn voorbijgaan, doch het rechte oogenblik
+daartoe was nog niet gekomen, en zij bleef zoo dicht mogelijk bij
+het strooien afdak, dat de groote aarden waterkruiken bedekte, die
+hier geplaatst waren ten behoeve van de slavinnen. Dat afdak wierp
+eene donkere driehoekige slagschaduw op den zandigen, helder door
+het maanlicht verlichten grond, en deze maakte haar onzichtbaar voor
+de oogen der weefsters, hoewel zij alles zag en hoorde wat er in de
+schuur gebeurde.
+
+Een moeilijke, pijnlijke dag, die met een schrillen wanklank geëindigd
+was, lag achter haar, en daarachter weder eene reeks van zalige uren,
+die nieuw geluk schenen te voorspellen. Ze waren gevolgd op een
+langen tijd van deemoediging, de nasleep van het smartelijk ongeluk,
+dat haar had getroffen. Hoe zonnig en vroolijk was hare kindsheid
+geweest, hoe kostelijk hare vroegste jeugd! Zij had jaren gekend,
+waarin elke morgen haar tot nieuwe vreugde had gewekt, waarin zij
+elken avond ter ruste ging met dankgebeden, die zoo natuurlijk en vrij
+uit hare ziel opwelden als de geur uit de rozen stijgt. Vaak had zij
+toen ongeloovig en verdrietig het schoone hoofdje geschud, wanneer de
+aarde een jammerdal en het levenslot van den mensch beklagenswaardig
+werden genoemd. Thans, ja thans wist zij het beter, en in vele eenzame
+uren, in elken slapeloozen nacht vroeg zij zichzelve af, of het een
+goed en liefderijk God kon zijn, die een kind deed geboren worden
+en opwassen, en daarna vervulde met de schoonste verwachtingen, om
+het vervolgens alles wat het lief had gekregen en wat het begeerlijk
+achtte, ja zelfs de hoop te ontnemen. Maar de ongelukkige, die eene
+godsdienstige opvoeding had gehad, geloofde nog altijd, en nog onlangs
+scheen het wel als wilde de hemel haar geven, waarnaar haar warm
+gemoed het meest verlangde, de liefde namelijk van een ander, dien
+zij liefhebben kon en die hare liefde ten volle waardig was. En nu,
+hoe was zij teleurgesteld! Daar stond zij in het troosteloos gevoel
+van hare verlatenheid, en was haar toestand beklagenswaardig geweest
+vóor de terugkomst van Orion, hij was het thans nog meer. Want van
+eene vergetene was zij eene bedrogene geworden, zij, de dochter van
+Thomas, de bloedverwante, de gast van de rijkste familie in het land;
+en naast haar klonk in de ruw getimmerde smerige verversschuur, uit
+de borst van armzalige slavinnen, die door de zweep van den opzichter
+werden geregeerd, een zoo luid, levenslustig en jolig gelach, dat zij
+er naar luisteren moest en het oog richten op deze jeugdige wezens,
+die zulk een overvloed van blijmoedigheid schenen te bezitten dat er
+de mond van overliep.
+
+Onder de met palmtakken gedekte wijde ruimte van de ververij waren
+vele meisjes bijeen, aardige en leelijke, bruine en blanke, kleine
+en groote, recht opgegroeide en anderen wier ruggen reeds gekromd
+waren door den zwaren arbeid in de weefstoelen sedert hunne prille
+jeugd. Allen waren nog jong, geen hunner telde meer dan achttien
+jaren. De slaven waren een kapitaal, waarvan de arbeid die zij leverden
+en de kinderen die zij kregen de renten vertegenwoordigden. Elk
+onvrij meisje werd spoedig, nadat zij volwassen was, uitgehuwelijkt
+aan een slaaf. In de weverij werkten vrouwen en meisjes, doch de
+eersten sliepen in een eigen kwartier bij hunne mannen en kinderen;
+de nog ongehuwde arbeidsters daarentegen overnachtten in slaapzalen,
+die aan de werkplaatsen grensden. Thans was het hun rusttijd en hadden
+zij zich in twee groepen verdeeld. De eene had zich geschaard rondom
+een Egyptisch meisje, dat allerlei krabbels op eene tafel maakte, de
+andere vermaakte zich met een eenvoudig spel, daarin bestaande, dat
+ieder meisje op hare beurt den schoen over het hoofd wierp. Vloog deze
+nu over zekere krijtstreep, waarnaar zij met den rug gekeerd stond,
+dan beteekende dit, dat haar liefje weldra haar man zou worden; bleef
+de schoen tusschen haar en de op den grond getrokken lijn liggen,
+zonder deze te bereiken, dan moest zij nog wat geduld oefenen, of
+werd zij verbonden met een lotgenoot, dien zij niet lijden mocht.
+
+Het meisje dat, wel door een twintig anderen omringd, op de tafel
+krabbelde, moest de voorbeelden voor de weefsels afteekenen, en
+bezat de gave, die zij van hare heidensche voorvaderen geërfd had,
+om elk gelaat van ter zijde gezien met enkele strepen zoo weer te
+geven, dat het, ofschoon de trekken wat komisch verwrongen waren,
+gemakkelijk te herkennen was. Zij verrichtte dit kunstwerk met behulp
+van een wastafeltje en een koperen stift, en gaf dan aan anderen te
+raden wie zij bedoeld had.
+
+In den uitersten hoek van de schuur zat een meisje geheel alleen
+neergehurkt, dat zwijgend voor zich keek.
+
+Paula overzag dat alles en begreep tevens wat er gebeurde, ofschoon
+er geen samenhangende volzin gesproken werd en er niets te hooren was
+dan een luid, hartelijk en onweerstaanbaar gelach. Wierp een meisje
+den schoen ver genoeg, dan lachte de jonge bende uit volle borst,
+en ieder riep vroolijk den naam van hem, dien zij aan hare gezellin
+tot man wilden geven. Viel de schoen vóor de streep, dan ging het
+nog luidruchtiger toe en riep men den naam uit van den oudsten en
+onoogelijksten der slaven. Aan eene bruine Syrische was het niet gelukt
+de grenslijn te bereiken, maar zij greep ondeugend het stuk krijt
+en trok eene nieuwe lijn tusschen haar en den schoen, zoodat deze nu
+toch achter eene streep kwam te liggen. Hierop steeg de vroolijkheid
+ten top, want velen wierpen zich op de valsche streep om haar uit te
+wisschen. Een overmoedig Nubisch kroeskopje smeet de schoen in de
+lucht en ving haar weer op, terwijl anderen over deze aardige grap
+bijna niet tot bedaren konden komen, en den naam luide uitriepen van
+hem, om wiens wil hare gezellin met de fortuin een loopje had genomen.
+
+Het was of een vroolijk kaboutermannetje in de tochtige schuur
+zijn kwartier had opgeslagen, want rondom de teekenares ging het
+niet minder lustig toe dan bij het andere groepje. Werd een portret
+herkend, dan hadden allen plezier; zoo niet, dan riepen de deernen
+de namen van allerlei personen, die het voorstellen kon. Met welke
+uitgelatene bijvalsbetuigingen werd de goedgelukte karikatuur van den
+slavenopzichter beloond! Elk die het zag hield zich den buik vast
+van lachen, en hoe dol en uitgelaten werden ze toen een meisje der
+teekenares het tafeltje uit de handen rukte, en anderen haar op het
+lijf vielen, om het veroverde weder machtig te worden.
+
+Paula had dit tooneel aanvankelijk met bevreemding en hoofdschuddend
+aangezien. Hoe kon men zich met zulke nietige en onzinnige dingen
+vermaken! Wel-is-waar, toen zij nog klein was, had zij ook om
+nietswaardige dingen kunnen lachen, en waren deze volwassene meisjes
+in onwetendheid en bekrompenheid van geest niet allen nog kinderen? De
+muren van het stadhouderlijk verblijf omsloten hare gansche wereld,
+haar blik reikte niet verder dan het tegenwoordig oogenblik, evenals
+bij de kleinen en zoo konden zij ook lachen als dezen. "Het lot,"
+dacht Paula, "stelt haar nu schadeloos voor het ongeluk harer geboorte
+en voor ontelbare zure dagen, en straks gaan zij moede en vroolijk
+gestemd naar bed. Ik kan die arme schepseltjes benijden! Als ik het
+doen kon, begaf ik mij onder hen en gevoelde mij nog eens een kind!"
+
+Zie daar was het geestig portret van den opzichter klaar, en een
+klein dikkertje barstte boven alle anderen in zulk een uitbundig en
+aanhoudend lachen uit, dat zoo natuurlijk uit de diepste diepte van
+haar borst opwelde, dat Paula, die waarlijk niet hierheen was gegaan
+om vroolijk te zijn, er door werd aangestoken, en of zij wilde of niet
+meelachen moest. Kommer en ellende waren opeens vergeten, zij overwoog
+en peinsde niet meer, en gedurende eenige oogenblikken gevoelde zij
+niets dan dat zij lachte, hartelijk en onophoudelijk lachte, als een
+jong en gezond menschenkind. Dit was zij inderdaad, en hoe goed deed
+het haar een wijle zichzelve te vergeten! Zij zeide het wel niet,
+maar zij voelde het en lachte nog steeds door toen de slavin, die
+alleen in een hoek had gezeten, zich bij de anderen voegde om het
+luidruchtig troepje wat toe te roepen, dat door Paula niet verstaan
+werd, maar dat aan de dartelheid der anderen nieuw voedsel gaf.
+
+Het stille meisje met die slanke gestalte stond nu bij het
+vuur. Paula had haar nog niet kunnen zien, thans bleek dat zij
+verreweg de schoonste van allen was. Maar zij zag er niet vroolijk
+uit en denkelijk had zij pijn, want zij droeg, als had zij kiespijn
+een doek om het hoofd, die op den schedel over het zware blonde
+haar was vastgeknoopt. Het gezicht van dat meisje bracht Paula tot
+bezinning, en zoodra zij weder begon te denken, was het uit met de
+vroolijkheid. Doch de slavinnen bleven in dezelfde stemming, hoewel
+haar gelach niet meer zoo onschuldig en rein klonk als zooeven. Zij
+hadden een voorwerp voor hare scherts gevonden, dat zij liever met
+rust moesten laten.
+
+Het meisje met het verbonden hoofd was ook eene slavin des huizes, maar
+eerst sedert kort en nadat het eenigen tijd bij twee oude slavenweduwen
+handenarbeid had verricht, was zij bij de weefsters toegelaten. Eene
+legerbende van Heraklius had haar aan de borst harer moeder na de
+overwinning van Chosroes II uit Perzië naar Alexandrië gebracht, waar
+beiden voor den Mukaukas gekocht werden. De Perzische vrouw stierf,
+toen de kleine, die niet in slavernij geboren was, den leeftijd van
+dertien jaren bereikt had. Het kind wies op tot een lieftallig meisje
+met een lelieblanke huid en dik goudgeel haar, dat thans bij het licht
+van het vuur heerlijk glansde. De jonge Orion had haar vóór hij op
+reis ging opgemerkt, en bekoord door de schoonheid der jonge Perzische,
+wenschte hij haar te bezitten. Gewetenlooze dienaars en beambten hadden
+hem om strijd de behulpzame hand geboden, door haar naar een landhuis
+van den Mukaukas aan gene zijde van den Nijl over te brengen; dáár had
+hij haar ongestoord kunnen bezoeken, zoo vaak zijn hart begeerde. De
+nauwelijks zestienjarige onervarene slavin, die niemand had om haar te
+waarschuwen en te beschermen, had zich tegen den schoonen zoon haars
+meesters niet durven of kunnen verzetten. Toen Orion luchthartig,
+en nadat hij genoeg had van een meisje, hetwelk hem niet anders kon
+aanbieden dan hare schoonheid, naar Konstantinopel was vertrokken,
+vernam vrouw Neforis wat zij voor haren zoon was geweest, en beval
+zij den overste van de slavenopzichters, dat hij de ongelukkige zou
+beletten, om verder voor verleidster te spelen. De man had aan deze
+opdracht voldaan, door aan de Perzische, volgens een oud gebruik,
+de beide ooren te doen afsnijden. Na deze gruwzame straf verviel de
+schoone verminkte tot zwaarmoedigheid en waanzin, en niettegenstaande
+de kerkelijke exorcisten en andere duivelbanners vergeefsche moeite
+deden om de demonen van den waanzin te verdrijven, bleef zij, wat zij
+altijd geweest was, een gedienstig en vriendelijk schepsel, dat zich
+onder hare vroegere opzichtsters en ook in de algemeene werkplaats
+gedurende de uren van den arbeid stil en vlijtig betoonde. Alleen
+wanneer zij niets te doen had kwam haar waanzin voor den dag, en deze
+gaf de andere weefsters aanleiding om zich met haar te vermaken.
+
+Zij hadden thans Mandane naar het vuur getrokken en haar onder allerlei
+dwaze betuigingen van eerbied uitgenoodigd, zich op haar troon, eene
+ledige verfton, neer te zetten; zij toch verkeerde in den zonderlingen
+waan, dat zij de vrouw was van den Mukaukas Georg. Lachend kwam elk
+haar huldigen, verzocht haar om eene gunst, of vroeg haar naar de
+gezondheid van haar gemaal en den staat harer bezittingen. Zeker
+gevoel van betamelijkheid had deze arme onwetende schepsels lang
+teruggehouden den naam van Orion voor haar uit te spreken, doch
+heden liep eene negerin, een schraal boosaardig ding, naar haar toe
+en vraagde met allerlei leelijke grimassen: "O gebiedster, hoe maakt
+het uw zoontje Orion?"
+
+Het gelaat der waanzinnige vertrok niet bij deze vraag, maar zij
+antwoordde ernstig: "Ik heb hem in Konstantinopel aan de dochter des
+keizers uitgehuwelijkt."
+
+"Wel kijk eens," riep de zwarte, "welk een voornaam huwelijk! Weet ge
+ook dat de jonge heer weer hier is? Hij zal zeker zijne hooge gemalin
+aan u voorstellen, en dan zullen we purperen gewaden en kronen zien."
+
+Deze woorden deden de geesteskranke het bloed naar het hoofd
+stijgen. Angstig drukte zij de handen tegen het verband om de
+afgesneden ooren en vroeg: "Waarlijk? Is hij terug?"
+
+"Nog niet zoo lang," zeide eene andere goedige slavin, als om haar
+te troosten.
+
+"Geloof haar niet," hernam de zwarte. "En als gij het nieuwste nieuwtje
+wilt weten: gisteren avond is hij met de groote Damasceensche op den
+Nijl gaan spelevaren. Mijn broeder, de bootsman, was bij de roeiers,
+en hij was heel lief voor de jonkvrouw, dat verzeker ik u, heel lief.."
+
+"Mijn gemaal, de groote Mukaukas?" vroeg Mandane, terwijl zij hare
+gedachte verzamelde.
+
+"Neen, uw zoontje Orion, die met des keizers dochter gehuwd is,"
+zeide de zwarte lachend.
+
+De waanzinnige stond op, keek met dwalende blikken rond en vroeg nog
+eens aarzelend, als had zij de laatste woorden niet goed verstaan:
+"Orion? De schoone Orion?"
+
+"Uw lieve zoontje, Orion!" riep de andere nog eens, en zoo luide,
+alsof zij met eene doove te doen had.
+
+Daarop bracht de anders zoo zachtaardige slavin de eene hand aan
+het verminkte oor, en sloeg met de andere haar kwelgeest zoo heftig
+tegen de breede negerlippen, dat het klapte. Vervolgens begon zij te
+schreeuwen en riep met eene gillende stem: "Mijn zoon, hebt ge gezegd,
+mijn zoon Orion! Alsof ge het niet wist! Hij is mijn liefje geweest;
+ja hij heeft mij gezegd dat hij het was, en daarom zijn zij gekomen en
+hebben mij gebonden en mij de ooren--Maar ik, ik mag hem niet lijden;
+ik zou, ik zou..." Daarbij balde zij de vuisten, knarste met hare
+witte tanden en ging hijgend voort: "Waar is hij? Wilt ge het mij niet
+zeggen? Wacht maar, wacht! O, ik ben zoo dom niet; ik weet het al,
+ge hebt hem hier!--Waar is hij dan?--Orion, Orion, waar zijt gij?"
+
+Bij deze woorden vloog zij op, rende door de schuur, schoot van ieder
+verfvat het deksel weg, en boog onder luid gelach der overigen diep
+over den rand, als zocht zij hem daar.
+
+De meeste meisjes grinnikten van plezier over deze dwaze vertooning,
+maar anderen stond dit blijkbaar niet aan. De smartelijke kreet van de
+ongelukkige had haar pijn gedaan en zij trokken zich weder in groepen
+terug. Reeds had een hunner een nieuw spel voorgesteld, toen eene
+kleine, net gekleede vrouw de schuur binnentrad en riep, terwijl zij
+in de vleezige handen klapte: "Ge hebt nu genoeg gelachen! Komaan,
+bijtjes, naar bed! Morgen vroeg is de nacht voorbij en na zonsopgang
+moeten de weefgetouwen weer klepperen. Komt, de eene hier, de andere
+daarheen, net als de muizen, wanneer de kat ze overvalt! Gaat ge haast,
+nachtvogels? Nu, gaat ge?"
+
+De meisjes hadden gehoorzaamheid geleerd, en terwijl zij hare
+opzichtster voorbij ijlden naar de slaapzaal, spitste Perpetua,
+eene vrouw, die de vijftig nauwelijks voorbij was en op wier gelaat
+verstand en goedheid beide te lezen stonden, de ooren en luisterde
+in de stilte van den nacht. Uit de richting van de watertent had zij
+een eigenaardig, langgerekt, maar niet luid "Ohuio!" vernomen, en
+dat teeken was haar goed bekend; want de prefect Thomas was gewoon op
+deze wijze in zijn landhuis op den Libanon de in den tuin verspreide
+huisgenooten saam te roepen. Thans maakte Paula er gebruik van,
+om de voedster op hare nabijheid opmerkzaam te maken.
+
+Deze schudde echter bezorgd het hoofd. Wat bewoog haar lieve kind om
+zoo laat in den avond tot haar te komen? Er moest wel iets bijzonders
+zijn voorgevallen, en met tegenwoordigheid van geest, als altijd,
+riep zij, om te kennen te geven dat Paula's roepstem haar niet ontgaan
+was: "Haast je wat, meisjes! Zijt ge klaar? Ohuio! Komaan, Ohuio! Een,
+twee, drie!"
+
+Daarop volgde zij de laatste slavinnen naar de slaapzaal, en toen zij
+zich overtuigd had, dat er geen werd gemist behalve de waanzinnige,
+vroeg zij waar deze zijn kon. Allen zeiden haar zooeven nog in de
+schuur gezien te hebben. Perpetua wenschte de meisjes goeden nacht
+en verliet ze, den schijn aannemende alsof zij de achtergeblevene
+ging zoeken.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Paula ging de kamer binnen van hare voedster, die, nadat zij
+vruchteloos een oogenblik naar de waanzinnige had omgezien, Mandane
+niet zonder eenige gewetenswroeging aan haar lot overliet.
+
+In het vertrek van Perpetua hing eene keurig gepolijste koperen
+lamp aan de zoldering, en deze kleine ruimte beantwoordde volkomen
+aan hare bewoonster, want beiden waren helder en netjes, eenvoudig
+en degelijk. Het bed van de voedster was omgeven door sneeuwwitte,
+doorzichtige gordijnen tegen de muggen; boven het hoofdeinde der
+legerstede was een kunstig gesneden crucifix geplaatst, en de zetels
+waren allen met goede stoffen van allerlei kleur, afval uit de weverij,
+overtrokken. Fijn gevlochten stroomatten bedekten den grond, en op de
+vensterbanken evenals in een hoek van het vertrek, waar een van klei
+geboetseerd beeld van den goeden herder op het beddetafeltje neerzag,
+stonden bloemstruiken, die het eenvoudige vertrek met een aangenamen
+geur vervulden.
+
+Nauw was de deur gesloten, of Perpetua zeide: "Maar mijn kind wat
+hebt ge mij doen schrikken! Op zulk een laat uur!"
+
+"Ik moest komen," verzekerde Paula; "ik kon niet langer wachten."
+
+"Wat zie ik, tranen?" zeide de voedster met een zucht, terwijl hare
+verstandige, kleine oogen ook vochtig begonnen te worden. "Arme ziel,
+wat is er nu weer gebeurd?"
+
+Daarbij naderde zij de jonkvrouw, om haar te streelen; maar deze
+vloog aan hare borst, sloeg hartstochtelijk beide armen om haar hals,
+en barstte in een luid en smartelijk weenen uit.
+
+De kleine matrone liet haar eene poos begaan, daarna maakte zij zich
+los uit hare omhelzing, droogde hare eigene tranen en die van hare
+groote lieveling, die op hare gladde grijzende haren waren gevallen,
+greep Paula met eene vaste hand bij de kin, keerde haar gelaat naar
+zich toe en zeide vol deelneming maar op vasten toon: "Zoo, nu is het
+genoeg! Ween wat mij betreft maar uit, want dat verlicht het hart,
+maar vergeet niet dat het zoo laat is. Is het weder het oude lied:
+heimwee, verdriet en dergelijken, of is er wat anders gebeurd?"
+
+"Helaas," antwoordde het meisje, en zij vervolgde hevig opgewonden,
+terwijl zij haar doek in de handen verfrommelde: "Mijn geduld is ten
+einde; ik kan het daar in huis niet meer uithouden; het gaat niet
+langer zoo! Ik ben niet van steen, en als men 's avonds vreest voor
+den nacht en 's morgens weer voor den dag, waaraan geen doorkomen
+zal zijn, zóó ellendig, zóo onverdragelijk...."
+
+"Men dient toch redelijk te zijn, mijn hartje, en tot zichzelve
+te zeggen, dat het verstandig is om van twee kwaden het minste te
+kiezen. Wat ik u reeds zoo dikwijls in bedenking gaf, dat krijgt ge
+nu opnieuw te hooren: Als wij dit veilig toevluchtsoord prijs geven
+en ons werkelijk daarbuiten in den vreemde wagen, zullen we dan wat
+beters vinden?"
+
+"Misschien slechts eene hut met eene bron onder een paar palmen! Ik
+zou er mede tevreden zijn, als ik u maar behouden mocht en vrij was,
+geheel vrij van die anderen!"
+
+"Wat is dat? Hoe heb ik 't nu met u?" prevelde de oude, terwijl zij
+bedenkelijk het hoofd schudde. "Eergisteren waart ge geheel op uw
+gemak; dus moet er zeker weer iets...."
+
+"Ja, dat is zoo, daar is ook wat gebeurd," viel het overprikkelde
+meisje haar in de rede. "De zoon van oom--gij waart er bij, niet waar,
+toen hij hier zijn intocht deed, en ik dacht, ja, ook ik heb geloofd,
+dat hij zulk een ontvangst verdiende... Ik, Betta, ik.... Ach, heb
+medelijden met mij, ik.... gij weet niet welk een onweerstaanbaren
+invloed die man op een hart kan uitoefenen.... En ik--ik stelde
+vertrouwen in zijne blikken, zijne woorden, zijn gezang en--ja,
+alles moet mij maar van het hart--ook in zijne kus op deze hand! Ik,
+ik... Maar dat alles was valsch, was gelogen, was een schandelijk
+spel met een zwak eenvoudig hart; misschien nog iets ergers, iets
+afschuwelijkers! Kortom, terwijl hij al zijne krachten inspande om
+mij in zijne strikken te vangen--zelfs de slaven in de boot hebben
+het opgemerkt--was hij op hetzelfde tijdstip--ik weet het van vrouw
+Neforis, die het zeker vertelde om er mij mede te krenken--bezig
+dat popje--gij kent haar wel--die kleine Katharina te vrijen. Zij is
+zijne bruid, en intusschen waagt die onbeschaamde het zijn spel met
+mij voort te zetten, heeft hij de brutaliteit..."
+
+Paula begon opnieuw luide te snikken; de oude vrouw wist ditmaal niet
+hoe zij haar tot bedaren zou brengen en mompelde in zichzelve: "Ach,
+'t is erg.... Moest ook dit er nog bijkomen?.... Lieve hemel!...." Maar
+weldra kwam zij tot bezinning en zeide op vastberaden toon: "ja,
+dat is een nieuw onverwacht ongeluk; maar wij hebben zwaarder en
+nog gansch andere rampen te dragen gehad. Dus het hoofd omhoog,
+en wat daar binnen nog pleiten mocht voor den verleider, dat moet
+uitgerukt en vertreden worden. Uw trots zal u wel helpen, en als gij
+eens weet wat die Orion voor een heer is, dan dankt gij God misschien,
+dat het tusschen u niet verder kwam!"--Zij deelde haar nu alles mede,
+wat zij wist van de waanzinnige Mandane en hoe Orion de oorzaak was
+van haar ongeluk, en toen Paula duidelijk liet blijken hoezeer haar
+dit schrik aanjoeg, voegde zij er bij: "Ja, mijn kind, hij is een
+hartenbreker, een gewetenloos geluksverwoester, en het ware misschien
+mijn plicht geweest u voor hem te waarschuwen; doch daar hij overigens
+toch niet slecht is--hij heeft den broeder van de teekenares Hathor,
+die ge wel kent, met eigen levensgevaar uit het water gehaald--en
+ik bovendien bij zijne terugkomst meende, dat ge met hem althans op
+een vriendelijken voet zoudt verkeeren, heb ik het gelaten.... En
+dan... ik oude gekkin hield uw trotsch hart voor gepantserd, doch het
+is toch ook maar een zwak meisjeshart als dat van anderen, en nu het
+op een-en-twintigjarigen leeftijd voor het eerst de liefde van een
+man beantwoordt...."
+
+Hier viel Paula haar in de rede, zeggende: "Ik bemin den bedrieger
+niet meer, neen, ik haat hem, ik haat hem meer dan ik zeggen kan! En
+ook de anderen! Van allen, allen heb ik een afkeer!"
+
+"Helaas, dat het zoo zijn moet!" zeide de voedster met een zucht. "Gij
+hebt zeker een hard lot. Over hem, Orion, zullen we maar zwijgen, maar
+zou het met de anderen niet beter kunnen worden, vraag ik mijzelve
+dikwijls af? Als gij het hun zoo moeilijk niet gemaakt hadt, mijn
+kind, dan zouden zij u nu moeten liefhebben, dat kan niet anders;
+maar sedert ge hier in huis zijt gekomen, gevoeldet ge u ongelukkig en
+hebt gij gewenscht, dat men u aan uzelve overliet, en zij, zij hebben
+aan uw verlangen voldaan en nu vindt ge het moeielijk te dragen, dat
+de toestand geworden is zooals gij die wildet. Ja, mijn kind, zoo is
+het, gij moet mij niet tegenspreken. Wij moeten heden eens oprecht
+met elkander spreken: wie kan liefde vinden, als hijzelf geen liefde
+betoont en mismoedig anderen voorbijziet? Ja, als ieder de menschen
+waarmede hij omgaat zelf maken kon! Het leven eischt gebiedend, dat
+wij hen nemen zooals zij zijn, maar van deze waarheid, mijn hartje,
+neen, daar zijt gij niet van doordrongen!"
+
+"Ik ben nu eenmaal zooals ik ben!"
+
+"Zeker, en van alle goeden zijt gij de beste; maar wie kan dat in
+huis vermoeden? Elk mensch vertoont een zeker karakter. En gij? Is
+het te verwonderen, dat zij in u altijd de ongelukkige zien? Ik zeg
+het duizendmaal: het is God geklaagd dat gij zoo ongelukkig zijt. Maar
+wien doet het genoegen altijd een somber gelaat te zien?"
+
+"Ik heb aan niemand daarginds nog ooit met een enkel woord geklaagd
+wat ik lijd!" zeide Paula, terwijl zij zich trotsch oprichtte.
+
+"Juist, daar hebt gij het," antwoordde de voedster. "Zij namen u
+op, en meenden dus zekere rechten te hebben op uw persoon en ook op
+hetgeen u bekommerde. Misschien verlangden zij u te troosten, want
+daarin ligt--geloof mij mijn kind--daarin ligt iets streelends. Wie
+iemand medelijden betoont, die voelt er altijd bij, dat hijzelf het
+beter heeft dan een ander. Ik ken het leven! Hebt gij nooit tot uzelve
+gezegd, dat gij uwe bloedverwanten daarginds eene vreugde ontrooft,
+ja hen misschien beleedigt, door uw hart voor hen te sluiten? Gij
+gaat geheel op in uwe smart, die gij hun van verre toont, maar waar
+het u pijn doet, dat verbergt gij zorgvuldig. Ieder goed mensch wil
+gaarne heelen waar hij eene wonde ziet bloeden, maar uw geheele wezen
+roept hun toe: 'Blijft waar gij zijt en laat mij met rust.'--Voor uw
+oom tenminste waart ge goed."
+
+"En dat ben ik nog, en honderdmaal gevoelde ik een drang om hem alles
+toe te vertrouwen, maar--"
+
+"Maar?"
+
+"Zie hem slechts aan, Betta, hoe marmerkoud, stijf en ongevoelig hij
+daar ligt, meer dood dan levend. In den beginne zweefden mij vaak
+vertrouwelijke woorden op de lippen...."
+
+"En thans?"
+
+"Thans ligt al dat smartelijke zoo verre achter mij! Ik geloof dat
+ik het recht verloren heb hem te klagen wat mij neerdrukt."
+
+"Hm," liet Perpetua hooren, die hierop zoo dadelijk geen antwoord
+wist. "Kom eens goed tot bezinning, meisjelief. Orion heeft reeds
+dadelijk opgemerkt hoever men bij ons gaan kan. Gij kunt uw hoofdje
+gerust omhoog houden en kalm rondom u zien. Verdraag wat niet te
+veranderen is, en wanneer eene stem in mijn binnenste mij niet
+bedriegt, dan zal hij, dien wij zoeken..."
+
+"Ook daarom ben ik tot u gekomen. Is er nog geen bode teruggekeerd?"
+
+"Ja! de kleine Nabateër," antwoordde de voedster met eenige aarzeling,
+"en hij heeft ook... Maar om Godswil, mijn kind, vlei u toch niet
+met ijdele hoop! Even na zonsondergang is Hiram bij mij geweest--"
+
+"Betta!" riep de jonkvrouw met verheffing van stem, terwijl zij
+de voedster bij haar arm greep. "Wat is hij te weten gekomen, welk
+bericht brengt hij?"
+
+"Niets, niets! Wil toch niet met het hoofd door den muur loopen! Wat
+hij vernam is zoo goed als niets. Ik kon Hiram maar een enkel oogenblik
+spreken. Morgen vroeg wil hij den man zelven bij mij brengen. Het
+eenige wat hij mij zeide...."
+
+"Bij Christus' wonden, wat was het?"
+
+"Hij zeide dat de bode van een ouden kluizenaar had hooren spreken,
+die eens een groot krijgsheld geweest was."
+
+"Mijn vader, mijn vader!" riep de jonkvrouw luide. "Hiram zit met de
+anderen bij het vuur. Dadelijk, ja dadelijk moet ge hem hier brengen;
+ik beveel het u, Perpetua, hoort gij!--O liefste, eenige Betta,
+kom mede; wij moeten hem spreken!"
+
+"Geduld toch, mijn hartje, heb wat geduld!" zeide de oude vrouw
+medelijdend. "Ach, lieve arme ziel, ach, het zal weer op niets
+uitloopen, en als wij den verkeerden weg andermaal blijven volgen,
+geeft het niets dan teleurstelling."
+
+"Dat doet er niet toe, gij gaat met mij mede!"
+
+"Naar het dienstpersoneel bij het vuur, en op dit uur? Dat zou wat
+wezen! Maar... Evenwel... Wacht hier even meisje. Ja, zoo zal het wel
+gaan. Ik zal Jozef wakker maken, Hirams jongen. Hij slaapt ginds bij
+de paarden, en deze zal dan zijn vader roepen. Ach, dat ongeduld, dat
+onstuimig en hartstochtelijk zieltje! Doe ik niet wat gij verlangt,
+dan doet ge heden nacht geen oog dicht, en dwaalt morgen als een
+droomende rond... Bedaar, bedaar maar, ik ga al."
+
+De oude vrouw had den hoofddoek reeds omgeslagen en ijlde naar
+buiten. Paula zonk voor het kruisbeeld boven het bed op hare
+knieën en bad innig, tot de voedster terugkwam. Weldra lieten zich
+mannelijke voetstappen op de trap hooren en Hiram trad binnen. Hij
+was een stevige vijftiger met twee goedige blauwe oogen in het grove
+alledaagsche gezicht. Wie zijn breede borst zag, begreep dadelijk,
+dat als hij ging spreken men eene krachtige basstem zou hooren; doch
+Hiram stotterde van kindsbeen af en in zijn dagelijkschen omgang met
+paarden had hij zich het gebruik van allerlei natuurgeluiden aangewend,
+die hij met eene schrille stem uitstiet. Hij sprak ook niet gaarne.
+
+Toen hij tegenover de dochter van zijn weldoener en heer stond, boog
+hij zich voor haar neder, zag haar met de trouwe oogen als die van
+een jachthond, onderworpen en tevens teeder aan, en kuste eerst haar
+gewaad, daarna de hand, waarmede zij hem wilde oprichten.
+
+Aan de met moeite uitgebrachte verzekering, hoe blijde hij was haar
+weder te ontmoeten, maakte Paula goedhartig maar toch spoedig een
+einde, en toen hij eindelijk begon te vertellen, sprak hij veel te
+langzaam voor haar ongeduld. De Nabateër, die de hoopvolle tijding
+had gebracht, zoo deelde hij mede, was niet ongenegen het gevonden
+spoor verder te vervolgen; hij kon echter slechts tot morgen middag
+wachten en had hooge eischen gesteld.
+
+"Alles kan hij krijgen, alles wat hij verlangt," haastte Paula zich
+te zeggen.
+
+Hiram smeekte haar nochtans, meer met zijne blikken en onverstaanbare
+uitroepen dan met duidelijke woorden, toch niet al te veel te
+verwachten. De Nabateër Dousare, dus vulde hij de mededeeling van
+de voedster aan, had van een kluizenaar te Raïthou aan de Roode zee
+vernomen, dat een groot krijgsheld van Grieksche afkomst, sedert twee
+jaren bij de vrome broeders op den heiligen berg Sinaï in alle stilte
+een boetvaardig leven leidde. Zijn wereldlijke naam had de bode niet te
+weten kunnen komen, maar onder de kluizenaars werd hij Paulus genoemd.
+
+"Paulus?" herhaalde het meisje, terwijl haar boezem zwoegde. "Een naam
+die hem aan moeder herinnert en aan mij, ja, ook aan mij! Bovendien,
+hij, de held van Damascus, heeft in de wereld Thomas geheeten, en
+nu hij zeker gelooft dat ook ik om het leven ben gekomen, wijdt hij
+zich geheel aan den dienst van God en Christus; even als Saulus, die
+andere man van Damascus, noemt hij zich, nu hij de weg ter zaligheid
+gevonden heeft, Paulus. O Betta, o Hiram, gij zult het zien, hij is
+het, hij moet het zijn! Twijfelt gij nog?"
+
+De Syriër schudde bedenkelijk het hoofd en stootte een langgerekt
+"Huust" uit. Perpetua sloeg de handen in elkaar en zeide op meewarigen
+toon: "Heb ik het niet gedacht? Het vuur dat herders in den nacht
+ontsteken om zich de handen te warmen houdt zij voor de opgaande zon,
+wapengekletter voor den donder des Allerhoogsten! Hoeveel duizenden
+heeten er Paulus! Bij alle heiligen, kindlief, blijf bedaard en poog
+niet uit ijle nevelen u een feestkleed te weven! Bereid u voor op het
+ergste, dan zijt gij tegen teleurstelling gewapend en behoudt gij het
+recht om te hopen! Zeg haar toch, Hiram, zeg haar wat de bode verder
+heeft bericht; want er is niets zekers, alles zweeft nog als stof in
+de lucht."
+
+De vrijgelatene deelde nu mede, dat de Nabateër een man was op wien
+men staat kon maken, veel geschikter om op zulke onderzoekingstochten
+uit te gaan dan hijzelf, want deze verstond behalve zijne eigene
+taal ook Egyptisch, Grieksch en Arameesch; desniettemin was het ook
+hem niet mogelijk geweest te Tor, waar monniken uit het klooster op
+den Sinaï zich hadden neergezet, iets naders omtrent den kluizenaar
+Paulus te vernemen. Later had hij echter op den zeetocht naar Kolzoum
+van monniken vernomen, dat er nog een tweede Sinaï was. Het klooster
+dáar--en nu zette Perpetua het verhaal voort, dat den stotteraar het
+zweet op het voorhoofd deed parelen--dat klooster in de oase aan den
+voet van den spitsen, hemelhoogen berg was wegens de ketterij der
+monniken gesloten geworden, doch in de kloven van dat berggevaarte
+huisden nog altijd vele kluizenaars in een klein coenobium [5],
+in lauren [6] en in enkele rotsholen, en Paulus kon wellicht tot
+dezen behooren. Men was wel op den goeden weg en zij en Hiram
+waren reeds besloten in deze richting verder te onderzoeken, maar
+de voormalige krijgsman was toch waarschijnlijk een vreemde, en zij
+beiden huiverden bij de gedachte haar bloot te stellen aan zulk eene
+smartelijke ontgoocheling.
+
+Doch hier nam Paula het woord en zeide met blijde opgewektheid:
+"En waarom zal mij ook niet eens wat anders ten deel vallen dan
+teleurstelling?.. Wat geeft u den moed om mij de hoop te ontnemen,
+waarmede dit arme hart zich voedt? Maar ik laat mij die hoop niet
+ontrooven. Uw Paulus aan den voet van den Sinaï is de verlorene, ik
+heb er een voorgevoel van. Als de laatste paarlen niet reeds verkocht
+waren, dan moest de Nabateër... Maar wacht, zoo.... Wanneer kunt gij
+vertrekken, Hiram?"
+
+"Voor over veer--veertien dagen in ge--geen geval," antwoordde
+deze. "Ik--ik ben nu eenmaal in dienst van den sta--ad--stadhouder en
+o--overmorgen zal in Ni--i--kou--juist--de groote pa--paardenma--markt
+zijn. Voor den jongen hee--heer zijn daar nieuwe he--engsten te koop,
+en onze veu--lens brrr...."
+
+"Ik zal er morgen bij oom op aandringen, dat hij u vrij laat," zeide
+Paula. "Ja, ik werp mij aan zijne voeten..."
+
+"Hij zal hem niet loslaten," viel de voedster haar in de rede. "De
+huismeester Sebek heeft hem vóor de audiëntie uit mijn naam alles
+gezegd en getracht om Hiram vrij te krijgen."
+
+"En wat was het bescheid?"
+
+"Vrouw Neforis noemde de tijding een nieuw dwaallicht en de
+meester stemde met haar in. Uw oom verbood Sebek daarna iets aan u
+te verklappen en liet mij weten, dat hij na de paardenmarkt Hiram
+misschien naar den Sinaï zou zenden. Heb dus geduld, mijn hartje! Wat
+beteekenen veertien dagen, op zijn langst drie weken, en dan....
+
+"Maar zoolang kan ik het niet uithouden!" riep Paula. "De Nabateër,
+zegt gij, is hier, en bereid om te gaan?"
+
+"Ja, meesteres!"
+
+"Zoo nemen wij hem in dienst," zeide Paula vastbesloten.
+
+De voedster, die de zaak blijkbaar reeds ernstig met haar landsman
+overlegd had, schudde treurig het hoofd en zeide: "Hij is ons te
+duur!" Vervolgens verklaarde zij, dat de man die zoo veel talen
+kende, reeds uitgenoodigd was eene karavaan naar Ktesiphon te
+geleiden. Dat gaf hem brood voor een geheel jaar. Hij was niet
+ongenegen de onderhandelingen met den koopman Hanno af te breken en
+geheel Petreïsch Arabië voor haar te doorzoeken, maar op voorwaarde
+dat hij tweeduizend drachmen ontving.
+
+"Tweeduizend drachmen?" herhaalde Paula, terwijl zij blozende en
+terneergeslagen voor zich keek. Maar spoedig was zij zichzelve weer
+meester, zij hief het hoofd op en zeide verstoord: "Hoe, durven
+zij mij onthouden, wat mij toekomt? Weigert mijn oom mij, wat ik
+vorderen mag en moet, dan gebeure wat ik niet vermijden kan en mij
+om zijnentwil leed genoeg doen zal; dan geef ik mijne zaak in handen
+van de rechters."
+
+"Van de rechters?" herhaalde de voedster lachende. "Om te klagen
+hebt gij een kurros [7] noodig, en uw oom is de uwe. Voorts eer zij
+een oordeel vellen, kan de bode reeds uit het verafgelegen Ktesiphon
+terug zijn."
+
+De voedster smeekte haar nu nog eens om zich tot na den afloop der
+paardenmarkt stil te houden; maar zij staarde als verslagen naar den
+grond. Opeens verschrikte Perpetua en ook Hiram deed eene schrede
+achterwaarts, want onverwacht riep zij luide en jubelend uit: "Vader
+in den hemel, ik heb gevonden wat wij noodig hebben!"
+
+"Hoe, mijn kind, wat?" vraagde de voedster met de hand op het hart.
+
+Paula gaf haar geen uitsluitsel, maar wendde zich haastig tot den
+Syriër zeggende: "Is de eerste binnenhof weer vrij? Zijn de lieden
+uit elkander gegaan?"
+
+Het antwoord luidde bevestigend. De vrije dienstknechten waren met
+Hiram tegelijk opgebroken. De heeren gingen nog wel zoo spoedig niet
+uiteen, maar hen kon men gemakkelijk voorbijkomen.
+
+"Nu goed," sprak het meisje. "Gij, Hiram, gaat mij voor en wacht
+op mij bij het dienstpoortje. Ik haal van mijne kamer iets wat
+de vordering van den Nabateër wel tienvoudig kan dekken.--Zie mij
+niet zoo angstig aan, Betta! Hij krijgt de groote smaragd uit het
+halssieraad mijner moeder."
+
+De voedster sloeg de handen ineen en riep op droevigen, waarschuwenden
+toon: "Kind, kind, dit heerlijke stuk, dit erfgoed der familie,
+deze steen, die afkomstig is van den heiligen keizer Theodosius,
+wilt gij dezen verkoopen, neen wegsmijten, niet om uw vader te redden
+maar--ja, mijn kind, zoo is het!--maar alleen omdat gij geen geduld
+hebt om twee ellendige weken te wachten?"
+
+"Dat is hard, dat is onbillijk geoordeeld, Betta!" hernam het meisje
+op verwijtenden toon. "Het is om een maand te doen, en hoe alles hier
+van den bode afhangt, weten wij allen. Hebt gij vergeten hoe Hiram de
+geschiktheid juist van dezen man op den voorgrond stelde? En moet ik,
+die zooveel jonger ben, u dan herinneren aan de onzekerheid van een's
+menschen leven? Eén oogenblik beslist over leven en dood, en mijn
+vader is een oud man, die reeds vóor de belegering met vele litteekens
+bedekt was. Het kan hier gelden hem al of niet weer te zien."
+
+"Ja, ja," antwoordde de oude vrouw op zachten toon, "misschien hebt
+gij gelijk, en als ik...."
+
+Maar Paula sloot haar den mond met een kus en beval daarop den Syriër
+den steen van haar in ontvangst te nemen en morgenochtend zeer vroeg
+aan den jood Gamaliël, een rijk en redelijk man, te verkoopen, maar
+niet onder twaalfduizend drachmen. Als de goudsmid niet zooveel ineens
+betalen kon, mocht Hiram zich voor het oogenblik met de tweeduizend
+drachmen voor den bode tevreden stellen, om de rest later te ontvangen.
+
+De Syriër ging haar voor, en toen zij na een lang afscheid van de
+voedster het vriendelijke vertrek verliet, had Hiram reeds aan haar
+eerste bevel voldaan, door haar aan het dienstpoortje te wachten.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Zooals Hiram wel vermoedde, zaten de hoogere beambten nog altijd met
+hunne vrienden bijeen, en ook de gids en de voornaamste begeleiders van
+den koopman Haschim. Rustem de Masdakiet, alsmede diens secretaris en
+tolk, hadden zich bij dit gezelschap aangesloten. De hier verzamelden
+waren, uitgenomen de joodsche goudsmid Gamaliël en de lieden uit
+het gevolg van den Arabier, allen christenen, en niet zonder eenigen
+tegenzin hadden dezen de muzelmannen--de jood was sedert jaren een
+welkom medelid van hun avondgezelschap--in hun kring opgenomen. Toch
+had men het gedaan, en zelfs met zekeren ijver, omdat de heer bevolen
+had hen goed te ontvangen en men met grond verwachten kon dat zij, die
+van zooverre waren gekomen, veel nieuws te vertellen hadden. Daarin
+had men zich echter bedrogen, want de tolk was zeer gesloten en de
+Masdakiet sprak het Egyptisch in het geheel niet en het Grieksch maar
+zeer slecht. Nadat men bij herhaling vruchteloos gepoogd had hen aan
+het spreken te krijgen, sloeg men verder geen acht meer op hen en
+liet men den secretaris van Orion aan het woord.
+
+Deze man had reeds gisteren veel nieuws van het keizerlijk hof
+verteld, dat allen boeide; doch heden praatte hij uitvoeriger over de
+schitterende levenswijze van zijn jongen meester in Konstantinopel,
+wien hij derwaarts vergezelde. Hij beschreef de drie overwinningen,
+die hij met zijne eigene paarden in de renbaan had behaald; schilderde
+met levendige kleuren hoe deze zich bij een volksoploop, gevolgd door
+slechts vijf vrienden, te midden van honderden verwoede opstandelingen,
+een weg had gebaand uit het paleis naar de Sophia-kerk, en roemde
+verder de veroveringen die Orion had gemaakt bij de schoone vrouwen
+van de hoofdstad. "De koningin van allen," zeide hij met bijzondere
+zelfvoldoening, "was Heliodora, geene fluitspeelster of een meisje
+van dat slag, neen, eene rijke, voorname, deugdzame patricische
+vrouw, de weduwe van Flavianus, een neef van den senator Justinus,
+die aan de keizerlijke familie verwant is. Geheel Konstantinopel
+sloeg begeerig het oog op deze partij; zelfs de groote Gratianus had
+haar voor zich trachten te winnen, maar natuurlijk te vergeefs. In
+geheel Egypte, zelfs in Alexandrië is er geen paleis gelijk het
+hare. Dit stadhouderlijk verblijf--want de grootte doet er niet
+toe--is daarbij vergeleken maar eene boerenwoning, eene armzalige
+schuur. Bij eene volgende gelegenheid vertel ik u eens hoe het er
+uitziet in dit weelderig kabinetje. Dag en nacht stonden er slaven
+en vrijgelatenen voor de deur, die bloemen en vruchten, buitengewone
+geschenken en roerende gedichten op welriekende, rooskleurige zijde
+moesten overbrengen; doch hare gunst was niet te koopen, tot Orion
+haar leerde kennen. Gij zult het niet willen gelooven, maar sedert
+zij hem voor de eerste maal in de villa van Justinus ontmoet had,
+was zij haar hart kwijt. Zij was er geweest, hoor, zij was weg, zij
+was de zijne, zoo goed als die ring hier aan mijn vinger de mijne is!"
+
+De ijdele man wees bij deze woorden zijne toehoorders op den gouden met
+een waarlijk kostbaren steen versierden ring, dien hij aan de mildheid
+van zijn jongen meester te danken had, en vervolgde in geestdrift:
+"Van nu aan zweefden de namen Orion en Heliodora op aller lippen,
+en hoe vaak heb ik de menschen niet in verrukking gezien over de
+schoonheid van dit goddelijk paar! In den circus, in het theater,
+bij spelevaarten op den Bosphorus, overal zag men ze samen, en in
+die akelige, bloedige dagen der snelle troonsverwisselingen leefden
+zij met elkander als in een paradijs. Vaak haalde hij haar in zijnen,
+zij hem in haren wagen af."
+
+"Houdt zulk een wijf ook paarden?" vroeg de opperstalmeester op een
+toon van minachting.
+
+"Wijf?" riep de secretaris. "Eene aanzienlijke dame! Alleen glanzende
+bruine paarden houdt zij, groote van Armenisch ras en kleine, vlugge
+dieren van het eiland Sardinië, die in een vierspan als opgejaagde
+vossen met den wagen daarheen jagen. Altijd droegen hare paarden
+rosetten en fladderende linten aan de gouden hoofdstellen, en ik
+verzeker u, haar voerman wist ze te mennen.--De geheele wereld dacht,
+onze meester en die schoone weduwe zullen een echtpaar worden, en dat
+er niets van gekomen is, ging die arme Heliodora--zij ziet er uit als
+eene heilige en is zacht als een katje--bitter aan het hart; want ik
+was bij het afscheid tegenwoordig, en het was om diep medelijden te
+krijgen, zooveel tranen als zij stortte. Maar zij kon niet boos zijn
+op haar afgod, dat weeke, teedere poesje; zij gaf hem tot aandenken
+dat zijdharig hondje, dat gij gezien hebt. Ik geef er u mijn woord op
+dat het een liefdepand was, want aan dat kleine beest hing haar hart
+als aan een eigen kind. Doch het afscheid is ook hem zwaar gevallen,
+zoo zwaar--maar ik ben geheimsecretaris, en het zou mij niet passen uit
+de school te klappen. Bij het laatst vaarwel drukte hij dat hondje
+aan het hart, en beloofde daarbij, dat hij haar wederkeerig een
+aandenken zou zenden, dat haar bewijzen zou op hoe hoogen prijs hij
+hare liefde stelde. Dat dit geen aalmoes zijn zal, daarop kan ieder
+die mijn meester kent wel een duren eed zweren.--Zeg eens, Gamaliël,
+is hij misschien reeds bij u geweest?"
+
+De aangesprokene, dezelfde wien Hiram Paula's smaragd te koop moest
+aanbieden, was een rijk Alexandrijn, vroolijk van aard. Zoodra
+hij na den inval der Saracenen begrepen had, dat het niet geraden
+was in Alexandrië te blijven, terwijl ook het grootste deel zijner
+geloofsgenooten de havenstad ontvluchtte, had hij zich naar Memphis
+begeven, omdat hij daar op de bescherming van zijn machtigen
+begunstiger, den Mukaukas Georg, mocht rekenen. Hij schudde op die
+vraag ontkennend den grijzen kroeskop en blies een oogenblik later
+den secretaris in het oor: "Wij hebben wat hij noodig heeft. Als
+ge mij de koe brengt, krijgt gij het kalf, en zelfs een met twaalf
+pooten.--Tevreden?"
+
+"Twaalf percent van de winst? Dat 's dus afgesproken!" antwoordde
+de secretaris even zacht en met een sluw lachje, ten teeken dat hij
+Gamaliël begreep, en toen een boekhouder hem wat later vroeg, waarom
+Orion de schoone geliefde, die toch ook een aanzienlijken naam droeg,
+niet als schoondochter mede naar huis had gebracht, antwoordde hij
+dat zij eene Griekin en natuurlijk de Melchietische geloofsbelijdenis
+toegedaan was. Die reden was afdoende voor de aanwezigen, en toen nu
+eenmaal het gesprek op het geloof was gekomen, ontspon zich, gelijk
+gewoonlijk op zulke gezellige avonden, een dispuut over dogmatische
+vragen. Daarbij waagde een kanselarijbeambte de meening uit te spreken,
+dat, wanneer het hier niet de zoon van den Mukaukas, bij wien van zoo
+iets geen sprake kon zijn, maar een eenvoudig Jacobietisch burger en
+zijne Melchietische geliefde gold, er toch wellicht een middenweg te
+vinden was geweest. Beiden hadden dan maar moeten besluiten, ofschoon
+hij voor zoo iets zou bedanken, de Monotheletische leer aan te nemen,
+waarvoor het keizerlijke hof en ook de gestorven patriarch Cyrus van
+Alexandrië warm hadden gestreden, welke leer rustte op het geloof,
+dat Christus wel twee naturen had, maar dat in beiden maar éene
+gemeenschappelijke wil woonde. Dit geloof splitste wel-is-waar de
+natuur van den Heiland, maar handhaafde toch de eenheid in een bepaald
+opzicht, waarop het toch voornamelijk aankwam. Zulk een kettersch
+voorstel werd natuurlijk door de hier verzamelde Jacobieten luide
+afgekeurd. Het verschil van meening kwam al duidelijker en scherper
+uit, en weldra werd uit de vreedzame gedachtenwisseling een onstuimige
+twist geboren, die met handtastelijkheden dreigde te eindigen.
+
+Reeds onder het begin van dit gesprek was het Paula gelukt om
+onopgemerkt den hof over te steken. Zij wenkte Hiram zwijgend haar
+te volgen; deze trok behoedzaam zijne schoenen uit, die hij onder
+de steile trap voor het dienstpersoneel schoof, en stond eenige
+oogenblikken later in het vertrek van de jonkvrouw. Zij deed haastig
+hare kist open, nam daaruit het kostbaar met paarlen bezet halssieraad
+en gaf dit den Syriër, met het verzoek om den grooten smaragd, die in
+het midden hing, uit de gouden kas te lichten. De stevige handen van
+den vrijgelatene verrichtten dezen arbeid spoedig en gemakkelijk met
+behulp van een mes, en, terwijl hij den steen--die grooter was dan een
+walnoot en nu, uit het half geopende gouden omhulsel genomen waarin
+hij aan den keten had gehangen, vrij fonkelde en stralen schoot--in
+de hand woog, herhaalde Paula nog eens alles omtrent den verkoop,
+wat zij hem in tegenwoordigheid van de voedster gezegd had.
+
+Zoodra de trouwe man zijne lieve meesteres verlaten had, maakte zij
+het zachte, maar toch dikke en lange haar los, en glimlachte daarbij
+vol blijde hoop; doch zij was nog niet begonnen zich te ontkleeden,
+toen er zacht werd aangeklopt. Zij verschrikte, snelde naar de deur,
+grendelde deze toe en vraagde, op het ergste voorbereid: "Wie is daar?"
+
+"Hiram," luidde het zacht gefluisterde antwoord, en nadat zij de deur
+weder geopend had, vernam zij, dat de huispoort inmiddels gesloten
+was, en dat hij geen anderen weg kon vinden in het groote huis,
+waarin hij zelden iets te doen had.
+
+Wat nu te beginnen? De Syriër kon niet wachten tot de poort weder
+geopend werd, want hij moest morgen vroeg zijn last volvoeren, en
+betrapte men hem en hield men hem maar een halven dag vast, dan nam
+de Nabateër den anderen dienst aan.
+
+Spoedig was een besluit genomen; zij bond het haar weder op, sloeg een
+doek om haar hoofd en zeide: "Kom mede; de maan schijnt nog altijd,
+het zou gevaarlijk zijn eene lamp te gebruiken. Ik ga vooruit en
+gij moet vlak achter mij blijven. Als er niemand meer in de keuken
+is, kunnen wij ongezien in het viridarium [8] komen. Indien de
+beambten in den hof nog bijeen zijn, dan staat de groote hofdeur
+open, want velen hunner wonen toch in huis. In elk geval moet gij
+door de voorhal. Uit het viridarium kan men den weg daarheen wel
+niet missen. Maar wacht! vóor het tablinum [9] ligt de groote Beki,
+de booze hond van Hermonthis. Hij kent u niet, want hij komt nooit
+buiten's huis, maar mij volgt hij. Wanneer ik de hand omhoog hef,
+blijft gij wat achter. In tegenwoordigheid zijner meesters is hij
+rustig en onbekenden doet hij niets wanneer wij er bij zijn. Geen
+woord worde van nu aan gewisseld. Worden wij ontdekt, dan kom ik voor
+de waarheid uit, vindt men u alleen, dan kunt gij zeggen.... dan zegt
+gij, dat gij op Orion hebt gewacht, om heel vroeg met hem te spreken
+over de paardenmarkt in Nikou."
+
+"Er we--werd me dezen middag nog een--een he--hengst aangeboden."
+
+"Goed zoo; ge zijt dus in de voorhal gebleven, om met den heer te
+spreken, vóor hij zou uitgaan. Over enkele uren zal het reeds gaan
+schemeren. Maak nu ook voort."
+
+Haastig en met zekeren tred daalde Paula de trap af. Bij de onderste
+trap nam Hiram zijne schoenen weder op en hield ze in de hand,
+om geen tijd te verliezen, terwijl hij zijne meesteres op den voet
+volgde. Zwijgend ging zij voort, tot zij in de tastbare duisternis aan
+de keuken kwamen. Hier keerde zij zich om en fluisterde den Syriër toe:
+"Is hier iemand, dan zeg ik dat ik gekomen ben om water te halen; is er
+niemand, dan kuch ik even en volgt ge mij. De deur blijft in elk geval
+open, zoodat ge hooren kunt wat er gebeurt. Als ik moet omkeeren, dan
+loopt ge mij haastig vooruit langs den weg dien wij gekomen zijn. In
+dat geval begeef ik mij naar mijne kamer en wacht gij daarvoor tot het
+dag wordt en men de dienstpoort weder opent. Als men u mocht vinden,
+laat dan aan mij over van uwe aanwezigheid de verklaring te geven. Ga
+nu wat meer achteruit en verberg u daar in dien hoek."
+
+Dadelijk hierop opende zij met zachte hand de deur van de keuken. Daar
+deze met geen dak gedekt was, werd de ruimte door het licht der
+ondergaande maan en den glans der sterren beschenen. Zij bleek geheel
+ledig te zijn; er lag alleen eene kat op de bank bij den grooten
+haard en eenige vledermuizen fladderden met onhoorbaren vleugelslag
+in de groote ruimte heen en weer. Onder het braadspit gloeiden nog,
+als de oogen van loerende roofdieren, de glimmende kolen in de asch.
+
+Paula kuchte zacht en zoodra zij Hirams schreden achter haar hoorde,
+zette zij met een van angst kloppend hart hare wandeling voort. Eerst
+ging zij eenige trappen op, dan door een donkeren gang, waarin de
+vledermuizen vlak langs haar hoofd scheerden, eindelijk moest de
+breede van boven opene eetzaal dwars worden overgestoken. Deze kwam
+uit in het viridarium, een vierkanten open hof, die langs de kanten
+geplaveid was, terwijl de middenruimte door sierplanten en een
+fontein werd ingenomen. Aan beide zijden verhief zich een vleugel
+van het stadhouderlijk paleis. Het was stil en verkwikkend in deze
+afgeslotene ruimte, overwelfd door den donkerblauwen hemel, die bezaaid
+was met millioenen sterren. De maan naderde reeds den bovenrand van
+de gegroefde lijst, die het dak van het gebouw kroonde. De groote
+bladplanten in het midden van het viridarium wierpen wonderbare,
+spookachtige schaduwen over de vochtige graszoden; het water van
+de fontein plaste luider dan overdag, doch het eentonig geluid,
+dat nu en dan door korte ongelijkmatige pauzen werd afgebroken, had
+iets geruststellends. Het marmer der zuilen glinsterde als heldere
+sneeuw, en dunne dampwolkjes, die van de vochtige zoden opstegen,
+dwaalden, door den zachten nachtwind bewogen, als geesten in lange
+golvende sleepgewaden in allerlei bochten zacht en statig heen en
+weer. Nachtvlinders wiegden zich rondom en boven de plantengroepen
+op en neer, en de geheele stille, verkwikkende ruimte was vervuld
+door den zoeten geur van de lotusbloemen in het marmeren bekken van
+de fontein, en van de bloesems der weelderige struikgewassen en der
+saprijke tropische planten die haar omgaven. Op een anderen tijd zou
+het een lust zijn geweest hier te toeven, rond te zien en zich over te
+geven aan de stille betoovering van den nacht, doch de ziel van Paula
+was thans voor dit heerlijk genot gesloten. De diepe stilte die haar
+omgaf deed het opgewonden twistgesprek in den hof, dat in afgebroken
+toongolven zijn weg hierheen vond, te bedenkelijker klinken, en met
+bange zorg merkte zij op dat hier niet alles in orde was, want vóor het
+tablinum, dat steeds door den hond of door een wachter bewaakt werd,
+kon haar scherpziend oog noch dier noch mensch bespeuren. En--neen,
+zij bedroog zich niet--de met brons beslagene deur ervan was open,
+en het maanlicht glinsterde tegen het blanke metaal van den eenen
+half aanstaanden vleugel.
+
+Zij bleef staan en Hiram achter haar deed desgelijks. Beiden luisterden
+met zulk eene inspanning, dat de aderen hun op het voorhoofd zwollen,
+want uit het tablinum, dat zij met een dertig schreden bereiken konden,
+lieten zich enkele, niet goed te onderkennen, zachte geluiden vernemen,
+die geheel overstemd werden door den wilden strijd daarbuiten.
+
+Er verliepen eenige lange, bange oogenblikken, tot de vleugel die
+aanstond, opeens werd geopend, en een man daaruit te voorschijn
+kwam. Het was Paula of haar het bloed in de aderen stolde, maar
+haar oog hield niet op scherp te turen, en toen zij duidelijk gezien
+had en vast overtuigd was, dat hij die den drempel van het tablinum
+overschreed Orion was en geen ander, vloog de groote ruige hond van
+Hermonthis haar voorbij, stak zijn neus in de lucht en schoot daarna
+onder woest geblaf op de beide wachtenden toe. Bevende en met de tanden
+op elkaar geklemd, maar altijd toch volkomen meesteres van zichzelve,
+liet zij hem komen, riep Beki bij zijn naam op zachten, liefkoozenden
+toon, en pakte, toen hij haar herkende en ophield te blaffen, het
+beest bij zijn harigen kop, om het achter de ooren te krauwen, dat
+het zoo gaarne had. Zij zelve en die haar vergezelde stonden achter
+een pilaar in de donkere schaduw. Orion werd hen dus niet gewaar,
+ook had het geblaf Paula's liefkoozend geroep overstemd. Toen de hond
+zweeg en kwispelstaartend bij haar bleef staan, floot hij hem en het
+waakzame gehoorzame dier ijlde zijn meester vroolijk te gemoet. "Ouwe,
+domme kattenjager!" riep hij het beest toe en duwde het daarna weder
+spelende van zich af. Daarop sloot hij de deur dicht en begaf zich
+naar de gebouwen, die op den hof uitkwamen.
+
+"Om in zijne woning te komen moet hij langs dezen weg terugkeeren,"
+zeide Paula tot haren geleider, terwijl zij weder vrij adem
+haalde. "Laten wij hier wachten. Maar nu ook geen oogenblik
+verloren! Vooruit tot aan de deur van het tablinum! De hond herkent
+mij nu van verre en zal niet dadelijk weder aanslaan."
+
+Hierop liepen beiden haastig verder, en toen zij gekomen waren bij
+de deur, die achter breede posten in de donkere schaduw lag, vroeg
+Paula haren geleider: "Hebt gij den man die hieruit kwam herkend?"
+
+"Onze heer Orion," luidde het antwoord. "Hij ke--keerde terug uit de
+sta--ad, toen ik u voor--voorging."
+
+"Zoo?" vraagde zij schijnbaar onverschillig, staarde in den tuin,
+terwijl zij tegen het koele metalen beslag van de deur stond gedrongen,
+en begreep dat zij nu terug kon keeren. Maar ter rechter tijd dacht zij
+aan den hond. In elk geval moest zij den vrijgelatene den eenvoudigen
+weg beschrijven, dien hij van hier had in te slaan. Doch zoover kwam
+zij niet, want uit de ruimte die de voorhal van het viridarium scheidde
+hoorde men eerst de schelle stem eener vrouw en daarna de zwaardere
+van een man, en nauwelijks hadden beiden eenige woorden gewisseld of
+het woedend geblaf van den hond overstemde alles, en terstond daarop
+trof haar luisterend oor eerst het gillen en schreeuwen uit den mond
+eener vrouw en daarna een gedruisch als van een zwaar vallend voorwerp.
+
+Wat was daar gebeurd? Het moest iets vreeselijks, iets afgrijselijks
+zijn, daar viel niet aan te twijfelen. Het vermoeden van Paula werd
+weldra bevestigd, want door de deur aan de zijde van de plaats waar
+de schrikkelijke gebeurtenis moest voorgevallen zijn, stormde Orion
+naar buiten en vloog met den hond achter zich over de graszoden van
+het viridarium, die als een heiligdom met zooveel zorg werden in orde
+gehouden, en ijlde naar den vleugel van het huis aan de Nijlzijde,
+waar zich zijne woning en die der familie bevond.
+
+"Nu is het tijd," sprak Paula, en ging den Syriër snel voor.
+
+Ademloos doorliep zij met haastigen tred de eerste ruimte en
+overschreed den drempel van het niet overdekte voorhuis, maar zij
+was nog niet in het midden gekomen, toen zij een schreeuw gaf, want
+voor haar lag in het schijnsel der maan een roerloos lichaam lang
+uitgestrekt op den harden marmeren vloer.
+
+"Vlucht, Hiram, vlucht!" riep zij den vrijgelatene toe. "De deur
+staat maar aan, is open, ik zie het!"
+
+Dit zeggende knielde zij bij de levenlooze neder, hief haar hoofd op,
+en zag--in het schoone, doodsbleeke gelaat van de waanzinnige Perzische
+slavin! Zij voelde hoe het bloed, dat door het zware, blonde haar van
+de ongelukkige heendrong, hare eigene hand bevochtigde, en eene rilling
+voer haar door de leden. Maar zij overwon alle gevoel van ontzetting
+en afkeer, en toen zij ook op den gescheurden peplos donkere vlekken
+bemerkte, trok zij dit kleed weg en zag in de schoone blanke borst
+van de ongelukkige de gapende wonden, die de gruwzame tanden van den
+woedenden hond in het teere vleesch hadden gebeten.
+
+Paula's gemoed werd overmand door toorn, zoowel als door smart en
+medelijden. Hij, wien zij gisteren nog gehouden had voor een toonbeeld
+van mannelijke deugd, Orion, droeg de schuld van deze gruweldaad! Hij,
+van wiens stouten moed, die zichzelven niet verschoonde, zij zooveel
+had vernomen, hij was gevlucht als een lafaard, hij had het offer
+in den steek gelaten, dat hij tweemaal ten gronde had gericht. Doch
+er was hier wat anders te doen dan te klagen, zich boos te maken,
+zich af te vragen, hoe in de ziel van denzelfden mensch naast zooveel
+edels en schoons, zooveel wreedheid en boosaardigheid kon wonen. Hier
+moest raad geschaft worden, zij moest trachten te redden, want Mandanes
+boezem bewoog zich nog zacht onder hare bevende vingers.
+
+De vrijgelatene had een te goed hart, dan dat hij Paula en de verwonde
+dadelijk zou hebben kunnen verlaten. Hij wierp de schoenen, die hij
+nog altijd in de hand had, op den grond, tilde de bewustelooze op en
+zette haar tegen een der zuilen van de gaanderij, die dezen voorhof
+omgaf. Eerst op herhaald bevel zijner meesteres ijlde hij naar buiten.
+
+Paula keek hem na en zoodra zij de zware deur van het atrium hoorde
+dichtvallen, riep zij, zonder acht te geven op haar eigen bedenkelijken
+toestand, met zulk eene luide en gillende stem om hulp, dat het bij de
+nachtelijke stilte in alle richtingen van het huis weerklonk, zoodat
+weldra van hier en daar een slaaf, eene dienstmaagd, een beambte,
+een kok, een wachter kwamen toeschieten.
+
+Het eerst van allen verscheen Orion, en wel zoo snel, dat hij zich op
+haar geroep reeds op weg moest hebben bevonden. Het lichte nachtgewaad
+dat hij droeg moest, dacht zij, den schandelijken belager zeker
+het aanzien geven, als had hij juist zijn bed verlaten. Was hij het
+werkelijk? Was deze man met die hoogroode kleur, met die starende
+oogen, dat verwarde haar, die heesche stem dezelfde lieveling der
+fortuin, wiens blijmoedig gelaat, wiens edele houding, wiens zonnige
+blik, wiens hartroerend gezang haar gemoed hadden betooverd? Wat
+beefden zijne handen, toen hij haar en de verwonde naderde, hoe gemaakt
+en verlegen klonk zijne vraag wat hier gebeurd was, en hoe schuw keek
+hij haar aan, toen hij verlangde te weten wat haar op dit late uur
+naar het voorhuis voerde. Zij bleef hem het antwoord schuldig. Toen
+echter spoedig daarop zijne moeder verscheen en op scherpen toon
+dezelfde vraag tot haar richtte, antwoordde zij, die nog nooit een
+leugen op de lippen had genomen, haastig en op stelligen toon: "Ik
+kon niet slapen. Het geblaf van den hond en de jammerkreten drongen
+mij naar beneden te gaan."
+
+"Dat noem ik zijne ooren te spitsen!" zeide Neforis, ongeloovig de
+schouders ophalende. "In elk geval zou ik u raden in het vervolg bij
+dergelijke aanleidingen wat minder spoedig bij de hand te zijn. Sedert
+wanneer vertrouwt een meisje, als er moord wordt geroepen, op hare
+eigene kracht?"
+
+"Gij hadt u ten minste wel mogen wapenen, schoone
+heldendochter!" voegde Orion erbij. Maar hij had die woorden nauwelijks
+geuit of hij gevoelde bitter berouw, want met welk een blik zag Paula
+hem aan! Het ergerde haar zich door hem, juist door hem en op dit
+oogenblik--het was voor de eerste maal--spottend, ja sarcastisch te
+hooren toespreken en op zulk eene wijze aan haren vader herinnerd
+te worden. Trotsch en op bijtenden toon gaf zij ten antwoord: "Het
+dragen van wapenen laat ik over aan krijgslieden en moordenaars!"
+
+"Aan krijgslieden en moordenaars," herhaalde Orion, die deed
+alsof hij den zin dezer woorden niet verstond, met een gedwongen
+lach. Doch hij vervolgde op bitteren toon, begrijpende dat hij zich
+verweren moest: "Waarlijk, dat klinkt als kwam het uit den mond van
+een teergevoelig meisje! Maar ik bid u wat nader bij te komen en u
+gerust te stellen. Deze treurige wond hier aan den schouder van het
+arme ongelukkige schepseltje, dat mij, verzeker ik u, meer ter harte
+gaat dan u, heeft een viervoetige moordenaar haar toegebracht, die
+zijne wapenen van de natuur heeft. Ja, zoo is 't gebeurd! De ruige
+Beki houdt de wacht voor het tablinum. Hoe het arme schepsel hier
+gekomen is, weet ik niet, maar in elk geval heeft het beest haar
+geroken en toen aangevallen."
+
+"Of ook niet," zeide opeens vrouw Neforis, terwijl zij een paar
+mansschoenen opnam, die naast de gewonde op den grond lagen.
+
+Orion werd doodsbleek, nam zijne moeder het gevondene snel uit de
+handen, en zou die schoenen het liefst door het open dak weggeslingerd
+hebben. Hoe kwamen ze hier? Wien behoorden ze toe? Wie was dezen avond
+hier geweest? Voor hij zich naar het tablinum begaf, had hij de deur
+van het atrium gesloten, en later was hij teruggekeerd om haar voor de
+lieden die daar buiten waren te openen. Eerst na dit gedaan te hebben
+was hij door de waanzinnige overvallen, die hem reeds bij zijn eersten
+gang door het atrium moest hebben opgewacht, maar toen misschien niet
+den moed had gehad hem in den weg te treden. Toen zij daarna hem op
+het lijf was gevallen, had de hond haar op den grond gesleurd, eer hij
+het verhinderen kon. Ja, hij zou haar zeker dadelijk bijgesprongen
+en geholpen hebben, wanneer hij daardoor niet zijn binnendringen in
+het tablinum verraden had. Hij had tegenwoordigheid van geest genoeg
+gehad om naar zijne kamer te ijlen, zijn nachtgewaad aan te schieten
+en naar de plaats des onheils terug te keeren. Toen Paula begon te
+roepen, was hij reeds op weg naar de gewonde, en met welk een gevoel!
+
+Zoo verward, zoo ontsteld, zoo diep ontevreden met zichzelven had
+hij zich nog nooit gevoeld, en heden, tegenover Paula, was het
+hem voor de eerste maal gebeurd, dat hij een medemensch niet in
+de oogen kon zien. En dan deze schoenen! De eigenaar ervan moest
+de waanzinnige begeleid hebben, en had deze hem het tablinum zien
+binnengaan en verried hij wat hij, Orion, daar gedaan had, hoe zou
+hij dan zijne ouders weder onder de oogen durven komen? Hij had niet
+anders in den zin gehad dan eene grap, en nu was het zoo bitteren
+ernst geworden! Doch het kostte wat het wilde, hij moest voorkomen
+dat zijn nachtelijke gang ontdekt werd. Liever opnieuw onrecht, zelfs
+het zwaarste, gepleegd, dan zijne eer te laten aantasten.--Maar wien
+behoorden dan toch die schoenen? Opeens hield hij ze in de hoogte en
+riep met luider stem tot de lieden, die waren toegesneld: "Behooren
+deze zoolen ook aan een van ulieden, aan den deurwachter misschien?"
+
+Toen allen zwegen en de portier zijne vraag ontkennend beantwoordde,
+bleef hij nadenkend staan en ging voort met trotschen blik en op
+luchthartigen toon: "Dus heeft een inbreker, die hier overvallen
+is, ze laten staan. Ons huisstempel staat op het leder, ze zijn in
+onze werkplaats gemaakt, en zij rieken,--overtuig er u maar van,
+Sebek!--ze rieken naar den stal. Neem ze mede, man, morgen vroeg
+zullen we onderzoeken wie ons dit verdacht geschenk in het atrium
+heeft neergelegd. Gij zijt het eerst hier ter plaatse geweest,
+schoone Paula. Hebt gij geen man hier opgemerkt?"
+
+"Ja," antwoordde zij, terwijl zij hem vijandig en uitdagend aanzag.
+
+"En waar is hij heen gegaan?"
+
+"Als een vluchtende lafaard liep hij dwars door het viridarium, en
+om haastiger weg te komen zelfs over de fraaie graszoden, en verdween
+daarginds in de woonvertrekken."
+
+Orion beet zich bij deze woorden op de lippen en voelde een bitteren
+haat bij zich opkomen tegen dit raadsel in vrouwengestalte, in welks
+hand het scheen te liggen hem te vernietigen, welks oogen vlamden van
+nijd en den wil verrieden om hem te wonden. Wat voerde zij tegen hem in
+het schild? Hoe kon een mensch op aarde het wagen hem, die door groot
+en klein verwend was, zóo aan te zien? Want in hare blikken lag niet
+enkel weerzin, maar zelfs verachting. Wie ter wereld had het recht hem
+iets te verwijten, dat grond kon geven tot zulk een gevoel? Nooit,
+neen nooit was hij zoo vijandig bejegend en allerminst van de zijde
+van een meisje. Hij zou dat hooghartige, ongevoelige, onrechtvaardige
+schepsel, dat hem zulk eene onverdiende vernedering aandeed, nadat
+hij getoond had hoe zijn hart voor haar klopte; dat hem, den man die
+tallooze malen zijn moed had bewezen, thans dwong het te vreezen--hij
+zou het hebben willen verpletteren, en hij moest zich geweld aandoen
+om niet te vergeten dat zij eene vrouw was.--Wat had dit alles toch
+te beteekenen? Welk een demon dreef hier zijn duivelsch spel? Wat
+was er sedert een half uur in hem zoo veranderd, dat zijn geheele
+karakter hem als omgekeerd voorkwam, en men hem zóo durfde bejegenen?
+
+Zijne moeder bemerkte dadelijk hoe de gelaatstrekken van haren
+lieveling veranderden, toen Paula verzekerde dat een man zich
+haastig begeven had naar de woonvertrekken. Zij verklaarde die
+woorden op hare wijze en riep ernstig bezorgd: "Een inbreker is den
+Nijlvleugel van het huis binnengedrongen, de kamer misschien waar uw
+vader slaapt? Barmhartige God, als hier eens weder een verraderlijk
+plan was gesmeed! Spoedig, Sebek, snel! Met gewapenden naar den
+rivierkant! Het geheele huis moet van boven tot beneden doorzocht
+worden! Misschien pakt ge den booswicht, die het grasperk heeft
+vertreden. Ge moet hem--hij mag niet ontkomen!"
+
+De huismeester vloog weg, doch Paula beval den hovenier, die ook
+was toegeschoten, met kloppend hart, terwijl hare blikken wederom de
+oogen van den jongeling zochten, het voetspoor van den vluchteling,
+dat nog merkbaar moest zijn in de natte zoden, met den gevonden schoen
+te vergelijken.
+
+Wederom kromp Orion van schrik ineen, en terwijl hij zich naar het
+viridarium begaf, zeide hij: "Dat is mijne zaak!" Toch schaamde hij
+zich voor zichzelven, en had hij een gevoel alsof hem de keel werd
+dichtgeschroefd. Hij beschouwde zich als een betrapten dief, als
+een bedrieger, als een ellendig wezen, en begon te begrijpen dat hij
+inderdaad niet meer was, die hij geweest was vóor dien noodlottigen
+gang naar het tablinum.
+
+Paula zag hem na met een beklemd gemoed. Zou hij zoo diep gezonken
+zijn, om zijne bevinding te loochenen en te verklaren, dat de breede
+zool van den vrijgelatene paste in het spoor van zijn kleinen
+welgebouwden voet? Zij haatte hem, maar zij smeekte toch dat hij
+dit ten minste niet doen mocht, en toen hij terugkwam en verlegen
+verklaarde, dat hij niet zeker was van zijne zaak, daar de schoen niet
+juist in de platgetreden sporen scheen te passen, haalde zij weder
+ruimer adem en begaf zij zich met den arts, die juist verschenen was,
+naar de gewonde.
+
+Eer vrouw Neforis haar volgde, trok deze Orion tot zich en vroeg hem
+bezorgd wat hem toch scheelde, daar hij er zoo bleek en ontdaan uitzag;
+waarop hij bedremmeld antwoordde: "Het ongeval van het arme meisje,"
+en hij wees daarbij op Mandane, "gaat mij zoo aan het hart."
+
+"Arm, teergevoelig hart! Evenals toen ge nog een knaap waart!" hernam
+de moeder om hem te troosten. Zij had tranen in zijne oogen zien
+glinsteren, deze golden echter niet het Perzische meisje, maar iets
+geheimzinnigs, waarvoor hijzelf geen naam kon vinden, dat hem in deze
+ure ontnomen was en waarvan het verlies hem onuitsprekelijk smartte.
+
+Doch het gesprek tusschen moeder en zoon werd weldra afgebroken,
+want het eerste onheil van dezen nacht werd terstond door een
+ander gevolgd. De trouwe Perzische aanvoerder der karavaan, Rustem,
+de bloeiende jonge man met zijne schoone kloeke gestalte, werd als
+levenloos in den voorhof gedragen. Een woedende Jacobiet had hem, toen
+hij met eenige spottende opmerkingen aan den geloofsstrijd deelnam,
+met een stuk hout eene diepe, misschien doodelijke wond toegebracht. De
+arts wijdde dadelijk zijne zorgen aan den ongelukkige, en velen uit
+de met elkander fluisterende menigte, die zich door nieuwsgierigheid
+of uit begeerte om te helpen in het ruime atrium verdrongen, ijlden in
+allerlei richtingen, om de bevelen van den heelmeester uit te voeren.
+
+Zoodra hij de wond van den Masdakiet onderzocht had, zeide hij barsch:
+"Een Egyptische slag, want hij is van achteren toegebracht.--Wat
+doen toch al die lieden hier? Weg, gij allen, die hier niets te maken
+hebt!--Allereerst hebben wij twee draagstoelen noodig. Vrouw Neforis
+wijze ons twee vertrekken, een voor dat arme lieve schepsel daar,
+en een voor dezen flinken knaap, met wien het echter spoedig gedaan
+zal zijn, als er geen wonder gebeurt."
+
+"Aan de noordzijde van het viridarium," antwoordde Neforis, "zijn
+twee vertrekken ter uwer beschikking."
+
+"Dáar niet!" hernam de arts. "Ik heb vertrekken noodig met frissche,
+vrije lucht, vertrekken die op den Nijl uitzien."
+
+"Er zijn ook nog geschikte vertrekken op de verdieping voor de gasten,
+waar de nicht van mijn gemaal woont. Meermalen zijn zieken uit de
+familie daar verpleegd; maar zulke eenvoudige lieden--verstaat ge?"
+
+"Neen, ik ben doof aan dat oor," zeide de arts.
+
+"Nu ja, ik weet het wel," antwoordde Neforis met een lachje, "maar
+die vertrekken zijn werkelijk pas nieuw ingericht voor aanzienlijke
+gasten."
+
+"Voornamere dan deze doodelijke zieken zijn er moeielijk te vinden,"
+haastte Philippus zich te zeggen. "Zij staan dichter bij God en den
+hemel dan gij, tot uw voordeel geloof ik. Heidaar mannen! Draag deze
+kranken naar de verdieping voor de vreemdelingen."
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+"Het is niet mogelijk, werkelijk niet mogelijk!" riep Orion opeens van
+zijne schrijftafel opstaande. Wat hij gedaan had beschouwde hij als
+een ongeluk, niet als eene schuld. Hij wist toch zelf niet, hoe hij
+tot alles gekomen was. Ja, er waren demonen, booze, nijdige demonen,
+en die moesten hem tot deze onzinnige daad gedreven hebben.
+
+Gisteren avond, nadat de koop van het tapijt was gesloten, had hij
+op verzoek zijner moeder de weduwe Susanna naar huis gebracht. Daar
+had hij den broeder van haar overleden man, den rijken Chrysippus van
+Alexandrië, een vroolijk, levenslustig man aangetroffen, en toen het
+gesprek gekomen was op het tapijt en het voornemen van den Mukaukas,
+om het kunstwerk met al de heerlijke juweelen die het versierden aan
+de kerk te schenken, had die oude heer de handen in elkaar geslagen,
+in Orions afkeuring gedeeld en lachend uitgeroepen: "Ei wat, gij
+zijt de zoon, en u komt in elk geval een deel van de edelgesteenten
+toe! Niet waar, Katharina? Een diamantje of een opaaltje kan er toch
+voor het aardsch geluk van den jongen wel afvallen, wanneer de vader
+voor zijn hemelsch welzijn zorgt. Wees toch niet gek! De maag van de
+kerk is vol genoeg, en waarachtig u komt ook een hapje toe!" Bij die
+gelegenheid was er veel kostelijke wijn gedronken, en ten laatste
+had de oude heer, om wat beweging te nemen in de koele nachtlucht,
+Orion naar huis gebracht. Hij liet een draagstoel volgen, die hem
+terug moest brengen, en langs den geheelen weg had hij den jonkman aan
+het verstand gebracht, dat hij zijn vader moest bewegen toch niet den
+geheelen schat in den muil der kerk te werpen, maar ten minste eenige
+steenen voor een schooner doel aan hem over te laten. Hij had daarbij
+braaf gelachen; Orion had Chrysippus in zijn ziel gelijk gegeven
+en daarbij gedacht aan Heliodora, hare liefhebberij voor groote en
+fraaie edelsteenen, en aan het aandenken dat hij haar nog schuldig
+was. Evenwel lag het voor de hand dat vader noch moeder aan de kerk
+éen steen zouden onthouden, maar haar het geheele geschenk wilden
+wijden. Doch aan hem, den zoon, kwam inderdaad toch wel iets toe
+van dien overvloed, en een schooner geschenk als die groote smaragd
+liet zich niet denken. Ja, dien moest zij hebben en hoe blijde zou
+zij er mee zijn! Hem kwam reeds de hoofdgedachte in den zin voor de
+dichtregelen, waarmede hij haar dit geschenk wilde toezenden.
+
+Hij droeg den sleutel bij zich van het tablinum, waar het tapijt
+lag, en toen hij bij zijne terugkomst de beambten nog rondom het
+vuur zag zitten, sloot hij de deur van het woonhuis af, waarbij hem
+eene zekere huivering overviel, die hij het laatst had gevoeld, toen
+hij met zijne broeders tegen het ouderlijk verbod de vruchtboomen
+had geplunderd. Bijna had hij zijn dwaas voornemen laten varen, en
+terwijl hem in het tablinum andermaal die innerlijke angst bekroop,
+stond hij reeds op het punt om terug te keeren, toen hij zich
+Chrysippus en diens aansporing weder herinnerde. Het zou eene daad van
+lafheid zijn geweest thans weg te loopen. Heliodora moest den grooten
+smaragd hebben met zijne verzen erbij, de rest mocht zijn vader naar
+welgevallen weggeven. Toen hij met zijn mes in de hand bij het tapijt
+lag geknield, had die akelige angst van zooeven hem voor de derdemaal
+overvallen, en als de groote smaragd hem niet bij den eersten greep
+in de hand was gevallen, zou hij de baal stellig weder opgerold en
+het tablinum onverrichter zake verlaten hebben. Doch de booze demon
+had hem geholpen, hem het juweel terstond in de hand gespeeld, en
+gezorgd dat twee messteken voldoende waren, om het uit het weefsel
+te lichten. Zoodra het edelgesteente hem in de hand was gerold en
+hij zijne zwaarte gevoeld had, was elke bezorgdheid van hem geweken
+en had hij enkel met welgevallen gedacht aan het gelukken van dezen
+kostelijken streek, dien hij morgen natuurlijk onder het zegel der
+geheimhouding aan den ouden Chrysippus wilde mededeelen.
+
+Hoe geheel anders vertoonde zich nu, bij het nuchtere daglicht, deze
+zijne overijlde waanzinnige daad; hoe zwaar was hij thans daarvoor
+gestraft en welke gevolgen kon zij nog na zich sleepen? Zijn haat
+tegen Paula groeide meer en meer aan; zij had zeker alles bespied
+en zou zich niet ontzien, dat had zij gisteren avond getoond, hem te
+verraden. Zij had hem openlijk den oorlog verklaard, en met fonkelende
+oogen deed hij de gelofte, dat hij voor haar niet wijken zou. Hij kon
+zich daarbij echter niet verheelen, dat hij haar nooit schooner had
+gezien dan heden in de vroegte, toen zij dreigend met half loshangend
+haar tegenover hem gestaan had. "Wij moeten elkander liefhebben of
+haten," mompelde hij in zichzelven; "daartusschen ligt niets. Zij
+heeft het laatste gekozen. Goed! Tot hiertoe had ik alleen met mannen
+te strijden, maar ook dit koude, hooghartige, overmoedige meisje,
+dat elke uiting van vriendelijkheid afwijst, is geene tegenpartij
+om te versmaden. Het geldt hier mij te verweeren. Doet zij mij het
+ergste aan, dan heeft zij niets beters van mij te wachten.--Doch wie
+is de eigenaar van de schoenen geweest? Ik heb alles voorbereid om hem
+uit te vinden. Het is schande, ja meer dan schande, dat men zichzelven
+niet met opgeheven hoofd in den spiegel kan aanzien! Heliodora was een
+lief schepsel, een engel van goedheid. Zij heeft mij innig liefgehad,
+maar dat--dat--! Ook voor haar is dit offer te groot!"
+
+Na deze woorden sloeg hij zich met de vuist tegen het voorhoofd en
+wierp zich op den divan neder. Hij begon zich vermoeid te gevoelen,
+want hij had in meer dan dertig uren geen oog gesloten en heden
+vroeg reeds allerlei in orde moeten brengen. Aan den huismeester
+Sebek en den commandant der Egyptische wacht was bevel gegeven den
+eigenaar der sandalen met behulp van de honden uit te vinden en te
+grijpen. Vervolgens had hij getracht den Arabischen koopman Haschim
+uit eigen beweging,--want zijn vader sliep gewoonlijk eerst tegen
+den morgen in, en had zijn slaapvertrek nog niet verlaten,--wat neer
+te zetten wegens de slechte bejegening Rustem, den aanvoerder der
+karavaan, onder zijn dak aangedaan, hoewel met weinig gevolg. Ten derde
+had de jonkman, die tegen de zwaarste lichamelijke en geestelijke
+inspanningen opgewassen was, zijn verlangen bevredigd om voor de
+schoone Heliodora te Konstantinopel eenige verzen te dichten. De
+gedachte die hem gisteren inviel, voor hij het tablinum betrad,
+had hij niet vergeten; het gelukte hem ook in zijne tegenwoordige
+stemming haar in een gedicht over te brengen, dat aldus luidde:
+
+
+ Gaarne verbindt zich gelijk met gelijk, zoo zegt steeds het volk,
+ Hoe dan? Uw teeder gemoed siert zich met 't harde gesteent?
+ Maar hij is edel en schoon, een steen van onschatbare waarde.
+ Heerlijk trekt hij ons aan, zoo Heliodora ook gij,
+ Neem gij dus den smaragd en weet dat schittrender vuurgloed
+ Dan dit kleinood vervult, gloeit in de ziel van uw vriend.
+
+
+Met vliegende stift waren deze regels neergeschreven, en daarbij
+had hem, hij wist zelf niet waarom, het gevoel bezield, dat elk
+woord een slag was in het aangezicht van Paula. Gisteren nacht was
+hij voornemens geweest den kostbaren steen, op eene waardige wijze
+in goud gevat, aan de schoone weduwe toe te zenden, maar heden
+zou het een dolzinnig waagstuk zijn geweest het kleinood te laten
+opmaken. Het moest onverwijld weggezonden worden, en hij had het
+haastig en met eigen hand tegelijk met de dichtregelen ingepakt en ter
+hand gesteld aan den chusaar, den dienaar van een paardenkooper te
+Konstantinopel, door wien zijn Pannonisch vierspan naar Memphis was
+overgebracht. Deze vertrouwde man, die in het geheel geen Egyptisch
+en zeer weinig Grieksch verstond, had hij zooeven zelf weggezonden
+en zich met een gevoel van voldoening naar huis begeven, toen diens
+paard in het stof van den weg naar Alexandrië verdwenen was. Van de
+havenstad staken herhaaldelijk schepen naar Konstantinopel in zee,
+en de chusaar had bevel ontvangen op het eerste het beste plaats te
+nemen. Hij had die verkeerde daad dus niet tevergeefs gedaan en toch
+zou hij, als hij haar ongedaan had kunnen maken, bereid zijn geweest
+een jaar van zijn leven prijs te geven.
+
+"Onmogelijk" en "verwenscht" waren de woorden, waarvan hij zich
+bij het terugzien op den verloopen nacht en dezen morgen het meest
+bediende. Wat had hij zich bij dezen zonnegloed moeten haasten en
+jagen, en het gevoel, dat hij daarbij gedwongen was geweest alles in
+het geheim te doen, scheen hem, die tot hiertoe niets verricht had
+wat niet te rechtvaardigen zou zijn voor de oogen van rechtschapen
+mannen, zoo vernederend, dat het zweet hem van het gloeiend voorhoofd
+droop. Hij, Orion, moest als een dief voor ontdekking vreezen! Die
+gedachte was onuitstaanbaar, en hij vreesde werkelijk voor de eerste
+maal sedert hij de kinderschoenen ontwassen was.
+
+Zijne geluksster, die hem in de hoofdstad zoo vriendelijk had
+beschenen, bleek hem in dit armzalig nest ontrouw geworden te zijn. Wat
+had die Perzische, met wie hij eens wat had geliefkoosd--en welke
+knaap van zijne jaren was er blind voor de schoonheid van aardige,
+jonge huisslavinnen--toch in hare krankzinnige hersens gehaald,
+dat zij hem als een woedend roofdier op het lijf was gevallen? Zij
+was een lieftallig kind geweest, en tot zijn leedwezen, ja tot zijne
+ergernis schandelijk verminkt geworden. Herstelde zij van het gebeurde,
+en dat hoopte hij hartelijk, dan was het natuurlijk zijne zaak voor
+haar te zorgen. Maar hoe? Als hij billijk was moest hij erkennen, dat
+zij alle recht had om hem te haten.--Maar die Damasceensche? Hij had
+haar niets dan vriendschap bewezen, en hoe duidelijk had zij hem toch
+hare vijandschap getoond. Hij zag haar daar voor zich staan met dat
+"moordenaar" op de bevende lippen. Dat woord had hem getroffen als
+een lanssteek. Welk eene hatelijke, nietswaardige, onrechtvaardige
+aanklacht lag er in dien uitroep! Zou hij zich dat ongestraft laten
+aanleunen?
+
+Was zijzelve dan even schuldeloos als hoogmoedig en koud? Wat had
+haar bewogen bij nacht naar het viridarium te gaan? Want daar moest
+zij geweest zijn, vóor die ongelukkige hond Mandane had ter aarde
+geworpen. Van eene vertrouwelijke samenkomst met den eigenaar der door
+zijne moeder ontdekte schoenen, die aan een der lagere staldienaars
+toebehoorden, kon geen sprake zijn. De liefde, dit moest hij erkennen
+was hier bij uitzondering niet in het spel, doch toen hij tehuis
+kwam had hij een man over den hof zien loopen, die geleek op haren
+vrijgelatene, den paardrijder Hiram. Waarschijnlijk had zij met den
+stotteraar eene samenkomst gehad, om, om... hier was maar éen ding
+mogelijk.--Zij had plan om te vluchten uit zijn ouderlijk huis en
+daarbij had zij de hulp van een man noodig.
+
+Dat haar het leven door zijne moeder juist niet aangenaam werd gemaakt,
+had hij reeds in de eerste uren na zijne terugkomst opgemerkt, en toch
+was zijn vader wellicht aan haar wensch te gemoet gekomen om een nieuw
+verblijf voor haar te zoeken. Maar waarom haastte zij zoo om weg te
+komen, waarom wilde zij vluchten? Op dat watertochtje en daarna bij den
+terugkeer naar huis had hij er op willen zweren, dat zij hem liefhad,
+en de herinnering aan die uren deed zijn gevoel voor haar weder zoo
+krachtig spreken, dat zij de gedachte aan de wraak die hij nemen,
+aan eene straf die hij haar toedienen wilde, geheel uitwischte. Daarop
+kwam de kleine Katharina hem voor den geest, die zijne moeder bestemd
+had voor zijne gade; en terwijl hij aan haar dacht glimlachte hij
+even. Hij had in den keizerlijken tuin te Konstantinopel een vreemden
+Indischen vogel gezien, klein van kop en lijf, maar met een verbazenden
+staart, schitterende van zilver en parelglans. Dat was een beeld van
+Katharina. Zijzelve was eenvoudig niets, maar als een staart sleepten
+haar achterna, uitgestrekte grondbezittingen en enorme kapitalen,
+en daarop alleen had zijne moeder het oog gericht. Maar had hij dan
+nog meer noodig dan hij reeds bezat? Hoe rijk moest zijn vader wel
+zijn, dat hij zulk eene verbazende som voor een offer aan de kerk kon
+uitgeven, even onverschillig als men een bedelaar een aalmoes schenkt!
+
+Katharina en Paula! Ja, die kleine was een vroolijk aardig ding, maar
+de dochter van Thomas... Welk eene tooverkracht lag er in hare oogen,
+welk eene majesteit in haren gang, hoe--betooverend en welluidend
+kon hare stem, ja hare stem--in--
+
+Bij deze gedachte sliep hij in, door de warmte en vermoeidheid
+overmand. In een droom zag hij Paula, rustende op een bed met rozen
+bestrooid; het was echter geen peluw maar een blauwe zacht bewogen
+waterstroom. Rondom haar ruischten wonderbare tonen, die het hart in
+verrukking brachten. Hij wilde haar naderen maar plotseling schoot een
+groote zwarte adelaar op haar neder, die hem met de breede vleugels
+in het aangezicht sloeg en, terwijl hij half verblind de handen voor
+zijne oogen bracht, de rozen van het rustbed der slapende wegpikte,
+gelijk een haan graan en gerstkorrels. Hij werd boos, wierp zich op
+den vogel en greep met de handen naar hem; doch zijn voet was als
+in den grond vastgegroeid, en hoe meer hij zich inspande om zich
+vrij te bewegen, des te krachtiger werd hij teruggehouden. Als een
+waanzinnige worstelde hij tegen de kracht die hem vasthield tot zij
+hem plotseling losliet. Hij voelde het nog toen hij tegelijkertijd
+ontwaakte en de oogen opende, terwijl het zweet langs zijne slapen
+gutste. Naast hem stond zijne moeder, die de handen op zijne voeten
+gelegd had om hem te wekken.
+
+Zij zag er bleek en bezorgd uit en bad hem haar dadelijk te volgen naar
+zijn vader, die zeer ongerust was en verlangde hem te spreken; waarop
+zij hem haastig verliet. Terwijl hij vlug zijne haarlokken ordende en
+zich de schoenen liet aanbinden, verdroot het hem dat hij, nog geheel
+bevangen door zijn dwazen droom en maar half wakker, zijne moeder had
+laten gaan, zonder onderzoek te doen naar de omstandigheden, die zulk
+eene ongerustheid bij zijn vader hadden gewekt. Zouden zij betrekking
+hebben op hetgeen er in den afgeloopen nacht was gebeurd? Maar neen,
+als men hem in verdenking had gebracht, dan zou zijne moeder hem zeker
+hiervan onderricht en gewaarschuwd hebben. Het moest iets anders
+zijn. Misschien was de reusachtige aanvoerder van de karavaan des
+ouden koopmans aan zijne wonde gestorven, en zijn vader zou hem over
+den Nijl willen zenden naar den Arabischen regent van het Nijldal,
+om dezen vergiffenis te vragen voor het vermoorden van een muzelman,
+en dat wel in het stadhouderlijk paleis. Deze manslag kon inderdaad
+bedenkelijke gevolgen na zich sleepen. Doch misschien gold het ook
+gansch andere zaken.
+
+Zoodra hij zijne kamer had verlaten, drukte hem de bijzonder zwoele
+lucht, die boven het huis broeide, en een pijnlijk gevoel als van
+schaamte greep hem aan, toen hij het viridarium doorliep en een blik
+wierp op het grasperk, waarin hij voor het aanlichten van den dag,
+dank zij de kwalijk gemeende waarschuwing van de Damasceensche, elk
+zijner voetsporen zorgvuldig had uitgewischt. Hoe laf, hoe gemeen
+was dat alles! Het hoogste goed: de eer, de achting voor zichzelven,
+het trotsche bewustzijn dat hij een brave kerel was, dat alles had
+hij op het spel gezet en prijsgegeven voor niets! Hij had zich in
+het aangezicht willen slaan of luide uitweenen als een kind, dat zijn
+mooiste speelgoed gebroken heeft. Maar wat hielp dat alles? Aan het
+gebeurde viel niets te veranderen, en hij had nu de oogen maar goed
+open te houden om, hoe diep ook gezonken in zijne eigene schatting,
+toch voor anderen nog te blijven die hij tot hiertoe geweest was.
+
+In de door gebouwen omgevene opene ruimten was het gloeiend heet,
+geen mensch vertoonde zich, het huis was als uitgestorven; de bonte
+vlaggestokken en hekwerken, evenals de ter eere van zijne tehuiskomst
+opnieuw geverfde zuilen van de veranda, die nog altijd met guirlandes
+en kransen getooid waren, verbreidden een onaangenamen geur van
+smeltend lak, van drogend vernis en van verwelkte bloemen. De lucht
+trilde, al voelde men ook geen ademtocht; dit scheen wel veroorzaakt
+te worden door de brandende zonnestralen, die alles wat zij ontmoetten
+als pijlen troffen. De boven de planten en bloemen zwevende kapellen
+en insecten schenen Orion de vleugeltjes al trager te bewegen, en
+de fontein in het middenstuk van het viridarium zich langzamer en
+lager dan anders te verheffen. Alles rondom hem was heet, zwoel en
+beklemmend, en de zelfstandige jonge man die op de handen gedragen,
+sedert jaren het leven doorgevlogen was, beschermd door alle goede
+geesten en door geen hinderpalen gestuit, gevoelde zich thans
+belemmerd, beangstigd en als in de engte gedreven.
+
+In de koelere fonteinzaal zijns vaders schepte hij weder vrijer adem,
+doch slechts voor een oogenblik; want weldra werd hij doodsbleek,
+en moest hij al zijne krachten verzamelen om zijn vader kalm en op
+gewone wijze een morgengroet te brengen. Daar lag voor den divan,
+waarop de stadhouder zich als gewoonlijk had neergevleid, het Perzische
+tapijt, en daarbij stonden zijne moeder en de Arabische koopman. De
+huismeester Sebek wachtte op den achtergrond in deemoedige, voor zijn
+ouden rug vrij pijnlijke houding de bevelen zijns meesters, die hem
+anders nooit lang in deze houding liet staan. Orion bemerkte het en
+gaf hem een wenk om zich op te richten.
+
+Diepe ernst lag er heden in de zachte trekken van den Arabier, en
+uit zijne vriendelijke oogen sprak eene droeve bezorgdheid. Bij het
+binnentreden van den jongeling, dien hij reeds in de vroegte ter loops
+gesproken had, boog hij zich even. De stadhouder, die daar lag met
+eene vale kleur en bleeke lippen, opende de oogen ter nauwernood bij
+de begroeting van zijn zoon. Het was alsof er in het naaste vertrek
+een lijkbaar stond, terwijl de rouwdragenden hier waren saamgekomen.
+
+Orion bemerkte op het half uitgerolde tapijt terstond de plek
+waar het hoofdsieraad, de groote smaragd ontbrak, die--iets wat
+niemand buiten hem weten kon--zich reeds op weg naar Konstantinopel
+bevond. Zijn diefstal was dus ontdekt. Hoe vreeselijk, hoe noodlottig
+kon deze gebeurtenis afloopen! "Moed, moed gehouden," zeide hij
+tot zichzelven. "Als ge maar uwe tegenwoordigheid van geest niet
+verliest! Wat is u een leven waard zonder eer? De oogen dus open en
+alles er aan gewaagd! Orion!"
+
+Het gelukte hem spoedig geheel tot kalmte te komen en op een toon,
+die maar weinig verschilde van zijne gewone manier van spreken,
+zeide hij: "Wat ziet gij er allen bedrukt en verlegen uit! Het is
+een onheil dat de hond het arme meisje zoo jammerlijk gebeten heeft,
+en dat onze lieden zich zoo schandelijk hebben misdragen. Doch ik heb
+het u zoo straks reeds gezegd, waardige heer, de schuldigen zullen
+het aan lijf en leven boeten. Mijn vader laat het zeker aan u over
+hen naar goedvinden te straffen. Gelukkig is onze arts Philippus,
+niettegenstaande zijne jeugd, een tweede Hippokrates, dat verzeker ik
+u! Hij naait den prachtigen kerel, den aanvoerder van uwe karavaan
+meen ik, weder netjes aan elkaar, en wanneer er sprake is van eene
+schadevergoeding, dan zal mijn vader, dat weet gij, niet afdingen..."
+
+"Ik bid u," dus viel de koopman hem in de rede, "om bij het onrecht,
+dat mij in dit huis is aangedaan, niet nog beleedigingen te voegen. Er
+is geen som te noemen, waarmede men mijn toorn over het vergoten bloed
+van een vriend--want dat was Rustem voor mij--een vrije en wakkere
+knaap, kan bezweren. Ik zal eischen dat de daders gestraft worden,
+want bloed eischt bloed. Zoo denken wij er over, en hoewel uwe leer
+het tegendeel gebiedt, gij handelt toch, zoover ik weet, niet anders
+dan wij. Aan uw arts gun ik alle eer, maar het doet mij leed, ja,
+het ergert mij te zien dat zulke dingen gebeuren in het huis van een
+man, aan wien de Kalief het wel en wee der Egyptische christenen heeft
+toevertrouwd. Gij, die u op uwe zachtmoedigheid beroemt, gij hebt een
+braven, zij het ook eenvoudigen man, in vollen vrede doodgeslagen,
+of waarschijnlijk voor zijn gansche leven ongelukkig gemaakt. Wat
+uwe eerlijkheid betreft, ze schijnt mij...."
+
+"Wie waagt het haar aan te tasten?" vroeg Orion.
+
+"Hij, jonge heer," antwoordde de koopman met de kalmte van een man
+op rijper jaren, "die de koopwaar gisteren door hem verkocht, heden
+beroofd ziet van haar kostelijkst sieraad."
+
+"Men heeft heden nacht den grooten smaragd uit het tapijt gesneden,"
+voegde vrouw Neforis ter verklaring erbij. "Gij vergezeldet gisteren
+avond de lieden die de baal wegdroegen, en liet haar onder uwe oogen
+in het tablinum leggen."
+
+"In het kleed, waarin uwe eigene lieden het tapijt hebben gewikkeld,"
+zeide Orion. "De oude, brave Sebek daar was erbij. Wie heeft de
+baal heden morgen vroeg van hare plaats genomen, hierheen gebracht
+en uitgerold?"
+
+"Tot ons geluk kan ik verklaren," antwoordde de koopman, "uwe moeder
+in eigen persoon, die man daar, uw huismeester als ik mij niet vergis,
+en uwe eigene slaven."
+
+"Waarom liet men het tapijt niet waar het was?" vraagde Orion,
+terwijl hij duidelijk de ontevredenheid liet blijken, die hem op dit
+oogenblik vervulde.
+
+"Omdat ik," antwoordde de Arabier, "uw vader op goede gronden
+verzekerde, dat de schoonheid van dit edele kunstwerk en de
+kostbaarheid der steenen die het versieren, bij dag en in het zonlicht
+nog veel beter gewaardeerd kunnen worden dan bij het schijnsel van
+lampen."
+
+"Uw vader verlangde dit pas verworven stuk nog eens te zien,"
+vulde vrouw Neforis weder aan, "ook om den verkooper te vragen hoe
+men de juweelen het best uit het tapijt zou kunnen losmaken, zonder
+het weefsel zelf te bederven. Daarop ben ik met Sebek het tablinum
+binnengegaan."
+
+"Maar ik heb den sleutel er van!" zeide Orion, terwijl hij in de
+borstplooien van zijn gewaad tastte.
+
+"Dat hadden wij niet bedacht," vervolgde de vrouw des huizes. "Wij
+konden er, helaas! ook zonder sleutel in, want het tablinum, stond
+open."
+
+"Ik heb het gisteren avond toch gesloten; gij zijt erbij geweest,
+Sebek!"
+
+"Ik heb reeds aan mijne meesteres gezegd," antwoordde de huismeester,
+"dat ik mij zeer goed herinner het knippen van het stevige slot goed
+gehoord te hebben."
+
+Orion haalde de schouders op, terwijl zijne moeder vervolgde: "Doch in
+den nacht moet de metalen deur met een looper of een ander instrument
+geopend zijn; want een gedeelte van het tapijt was uit het doek
+getrokken waarin het gewikkeld was, en toen wij nader onderzochten
+bleek, dat men den smaragd uit het weefsel had gereten."
+
+"Dat is schandelijk!" riep Orion.
+
+"Eene onwaardige daad!" voegde de stadhouder erbij, terwijl hij
+zich driftig van zijn leger oprichtte. Groote onrust en martelende
+angst hadden hem overvallen; want zijn Heer en Heiland, wien hij het
+kostelijk juweel had toegedacht, scheen hem voor te gering of te zondig
+te houden, om het uit zijne hand als een geschenk aan te nemen. Doch
+mogelijk wilde de satan hem beletten met zulk eene kostelijke gave den
+Allerhoogste te naderen. Menschelijke boosheid was in elk geval hier
+mede in het spel en daarom vervolgde hij streng en ernstig: "Men zal de
+zaak onderzoeken en in den naam van Jezus Christus, wien de steen reeds
+toebehoorde, zal ik niet rusten, voor ik den dader in handen heb."
+
+"En in naam van Allah en de profeet," voegde de Arabier erbij,
+"zal ik u daarin bijstaan, al moest ik den veldheer Amr, die de
+vertegenwoordiger is van den verheven Kalief hier te lande, ter hulp
+roepen. Men heeft zich hier een woord laten ontvallen, dat ik niet
+vergeten kan of mag, en de toon waarop gij, jonge man, gesproken
+hebt, scheen uit dezelfde bron te wellen; de oude vos, zoo zeide men,
+heeft een onechten steen van verbazende grootte in het tapijt gezet
+en dien laten stelen, opdat zijn bedrog niet aan den dag zou komen
+als de goudsmid het juweel in het zonlicht onderzoekt. Dat was te
+veel. Ik ben een eerlijk man, geëerde gastheer, ik wil het hier wel
+bekennen, een rijk man bovendien, en wie aan mijn goeden naam, dien ik
+gedurende mijn gansche leven ongeschonden heb bewaard, in mijne oude
+dagen afbreuk zou willen doen, die zal tot zijne schade ondervinden,
+dat den ouden Haschim grooter en machtiger vrienden ter zijde staan
+dan u lief zullen zijn."
+
+Onder het uitspreken van deze bedreiging waren de zachte oogen van den
+koopman vochtig geworden, want het griefde hem dat hij onrechtvaardig
+werd verdacht, en dat hij den Mukaukas, wien hij achting toedroeg
+en die zijn medelijden opwekte, zoo hard moest bejegenen. Uit den
+toon zijner woorden viel op te maken, dat hij inderdaad een machtig
+man was, die het uiterste op het spel zou zetten, en daarom haastte
+Orion zich met warmte te zeggen: "Wie heeft het gewaagd zoo gering
+over u te denken?"
+
+"Tot mijn spijt uwe eigene moeder," antwoordde de muzelman bedroefd,
+waarbij hij op oostersche wijze treurig en ontevreden de schouders
+hoog ophaalde.
+
+"Val er haar niet hard om," smeekte de Mukaukas. "God weet het, de
+vrouwen zijn zachtaardiger van gemoed dan wij, en toch zijn zij eerder
+geneigd kwaad te denken van hare medemenschen en de vijanden van haar
+geloof. Daarentegen zijn zij ook voor het goede sneller ontvankelijk;
+het haar eener vrouw is lang, maar haar verstand is kort, zegt het
+spreekwoord."
+
+"Wat gij ons vrouwen al niet ten laste legt," hernam Neforis. "Scheld,
+scheld maar op mij, als u dit verlichten kan." Daarna ging zij voort,
+terwijl zij liefdevol het kussen voor haar man recht legde en hem
+opnieuw een wit pilletje toestak: "Heden zal ik mij ook het ergste
+laten welgevallen, want ik heb ongelijk. Ik heb u reeds vergeving
+gevraagd, waardige Haschim, en ik doe het andermaal, ik doe het
+van harte!"
+
+Bij deze woorden naderde zij den Arabier en gaf hem de hand; doch
+deze nam haar slechts even aan om haar dadelijk weer los te laten,
+zeggende: "Het valt mij niet zwaar te vergeven, maar het zou mij niet
+mogelijk zijn onder u, en nergens ook maar een stofje op mijn reinen
+en onbevlekten naam te laten kleven. Ik zal, zonder mij aan iets of
+iemand te storen, deze zaak zonder verschooning onderzoeken. En nu nog
+eene vraag: Die hond, die voor het tablinum lag, is een waakzaam dier,
+dat van zich afbijt, niet waar?"
+
+"Hoe hij bijten kan, heeft hij heden aan de arme Perzische slavin
+getoond, en zijne waakzaamheid is in het geheele huis bekend,"
+zeide Orion.
+
+"Maar ik," sprak vrouw Neforis, "bid u en zeker in ons aller naam,
+waardige heer, ons met uwe ervaring te helpen. Ik zelve... Wacht
+maar, wacht! Eene vrouw heeft ondanks haar lange haren en haar klein
+verstand menigmaal een gelukkigen inval. De inbreker, dat is zoo
+klaar als de dag, moet onder de huisgenooten schuilen, omdat de hond
+hem niet heeft aangevallen. Aan Paula, de dochter van Thomas, die de
+Perzische zoo wonderbaar snel ter hulp kwam, mag men niet denken...."
+
+Hier viel haar gemaal haar in de rede en riep haar knorrig toe:
+"Dat meisje, vrouw, moet ge buiten spel houden!"
+
+"Alsof ik haar voor eene spitsboeve hield!" antwoordde Neforis geraakt,
+terwijl zij de schouders ophaalde, waarop Orion zacht verwijtend
+uitriep: "Maar moeder, bedenk toch...."
+
+Voor hij verder kon gaan vroeg de koopman: "Bedoelt gij de jonkvrouw,
+die mij gisteren zoo hard bejegende?--Nu dan, voor hare onschuld
+sta ik borg met mijn geheele vermogen. Dit schoone, hartstochtelijke
+meisje kan zulk eene oneerlijke daad niet bedreven hebben."
+
+"Hartstochtelijk?" zeide Neforis lachend, "haar gemoed is koud en
+hard als de gestolen smaragd; dat hebben wij ondervonden."
+
+"En toch," sprak Orion, "is zij tot eene laagheid niet in staat."
+
+"Wat kunnen mannen zich toch warm maken voor een paar schoone
+oogen!" zeide de moeder. "Doch ik denk in de verte niet aan haar;
+ik had wat anders op het oog. Er werden gisteren bij de verwonde een
+paar mansschoenen gevonden. Hebt gij daarmede gedaan, Sebek, wat de
+heer Orion u bevolen heeft?"
+
+"Terstond, vrouwe," antwoordde de huismeester, "en ik wacht reeds
+lang op den bevelhebber van de wacht, Psamtik...."
+
+Hier werd hij gestoord, want de man van wien sprake was, die reeds
+sedert twintig jaren de huiswacht van den Mukaukas commandeerde,
+werd in de zaal gebracht en begon, nadat hij eenige voorloopige
+vragen beantwoord had, bericht te geven van zijne bevinding met zoo
+luide stem, dat het den stadhouder pijn deed en diens gemalin hem
+moest verzoeken wat zachter te spreken. De speur- en dashonden waren
+losgelaten, nadat men ze de zolen onder den neus had gehouden, en een
+paar beesten hadden spoedig den weg naar de dienstpoort gevonden,
+waar Hiram op Paula gewacht had. Vervolgens waren zij voor de trap
+blijven staan, hadden daar links en rechts gesnuffeld en waren eenige
+treden naar boven gesprongen.
+
+"En die trap leidt naar Paula's kamer," merkte Neforis schouderophalend
+op.
+
+"Maar de dassen waren op een valsch spoor," haastte de bevelhebber
+zich te zeggen. "Die giftige padden hadden nog onschuldige zielen in
+verdenking kunnen brengen. De blaffers vlogen weldra allen te zamen
+in den heerenstal naar onze edele rossen, en renden daar op en neer
+als de satan, als hij eene verdoemde ziel op de hielen zit. Den knaap
+van den vrijgelatene, die met de dochter van den grooten Thomas van
+Damascus hier gekomen is, had de bende spoedig overhoop geworpen, en
+in de woning van zijn vader ging het er eerst recht op los. Hemel en
+aarde wat een geblaf, een gejank, een gebrul! In elken ouden lap hebben
+zij de neuzen gestoken, en nu wisten wij waar het gat van den wijnzak
+was. Het doet mij leed voor den man; hij is een vervloekte stotteraar,
+maar als ruiter en paardenkenner komt hem alle eer toe. Aan Hiram
+behooren de zolen, zoowaar ik twee oogen in mijn hoofd heb. Doch wij
+hebben hem nog niet gevonden. Hij moet over den stroom zijn gegaan,
+want er werd een bootje gemist, en daar waar het gelegen had, begon
+het gehuil opnieuw. Als de ongeloovigen aan de overzijde hem niet in
+bescherming nemen, dan krijgen wij hem zeker te pakken!"
+
+"Dan hebben wij den booswicht!" riep Orion, en hij haalde daarbij zoo
+diep adem, alsof hem een pak van het hart was genomen. Daarna ging
+hij voort op bevelenden toon, en zijne stem klonk daarbij zoo boos,
+dat de blos, die zooeven zijne wangen had gekleurd, bezwaarlijk een
+gevolg kon zijn van deze laatste goede tijding: "Indien hij twee uren
+na den middag niet terug is, dan zet gij hem na met al uwe manschappen
+en levert hem over. Mijn vader zal u een volmacht geven en dan zullen
+de Arabieren daarginds u bijstaan. Misschien is de dief reeds eerder
+in onze handen, en met hem de smaragd, wanneer het den schurk niet
+gelukt het juweel te verstoppen of te verkoopen." Daarop daalde zijne
+stem en vervolgde hij op meewarigen toon: "Jammer van den man! Wij
+hebben geen beter paardenkenner in den stal! Ziedaar moeder, uw woord
+weer bevestigd: om goed bediend te zijn, moet men spitsboeven koopen."
+
+"Eigenlijk," merkte vrouw Neforis nadenkend op, "behoort Hiram in
+het geheel niet tot ons gezin. Hij is eene vrijgelatene van Thomas
+en kwam met zijne dochter hierheen. Ieder roemt zijne bruikbaarheid
+in den stal, en had deze inbraak niet plaats gehad, wij zouden hem
+levenslang gehouden hebben. Als het meisje zich in het hoofd had
+gezet ons te verlaten en hem mede te nemen, hadden wij hem niet kunnen
+terughouden. Gij moogt zeggen wat gij wilt, mij lasteren en smaden,
+ik bezit nu eenmaal niet wat gij verbeeldingskracht noemt en zie de
+dingen naakt zooals zij zijn; maar een zekeren samenhang tusschen
+het meisje en den dief moet er toch bestaan."
+
+"Gij zult eindelijk over deze dwaasheden zwijgen," voer haar
+gemaal uit, en hij zou nog meer gezegd hebben, als niet op hetzelfde
+oogenblik de aandiener gehoor had gevraagd voor den joodschen juwelier
+Gamaliël. De man was gekomen om inlichting te geven omtrent den
+verloren edelsteen.
+
+Op dit bericht werd Orion doodsbleek en keerde zich van den koopman af,
+terwijl de Israëliet binnentrad, die den vorigen avond met de beambten
+bij het vuur had gezeten. Onverwijld begon hij zijn bericht, en wel op
+den hem eigenen vroolijken toon. Hij was zoo rijk, dat hem het verlies
+dat hij stond te lijden niet schelen kon, en zoo eerlijk, dat hij zich
+verblijdde gestolen goed aan den rechtmatigen bezitter terug te kunnen
+geven. Heel vroeg in den morgen, zoo deelde hij mede, was de stalknecht
+Hiram bij hem geweest, om hem een wonderbaar grooten en schoonen
+smaragd te koop aan te bieden. De vrijgelatene had verzekerd, dat het
+juweel behoorde tot de nalatenschap van den beroemden Thomas, zijn
+vroegeren meester. Het had gezeten aan het hoofdstel van den hengst,
+waarop de held van Damascus het laatst had gereden, en zóo was het in
+zijn bezit gekomen. "Ik bood hem," ging de man voort, "wat mij billijk
+scheen, en gaf hem tweeduizend drachmen als voorschot; hij verzocht
+mij de rest voorloopig nog te bewaren. Ik ging op zijn voorstel in,
+maar weldra bereikte een verdacht geluid mijn oor. Daar joegen me de
+drijvers de speurhonden de stad in. God beware me, wat een gekef! Dat
+vee stelde zich aan als wilde het mijn arme huis aan stukken blaffen,
+gelijk de bazuinen, weet ge, de muren van Jericho omverbliezen. 'Wat
+brengt ge voor nieuws?' vroeg ik den heer hondendrijver, en ziedaar,
+mijne achterdocht was zoo echt geweest als de smaragd, en hier, heer
+stadhouder, breng ik het steentje, en wijl ieder zuigeling in Memphis
+reeds van de min hoort, als zij niet stom is, welk een rechtvaardig
+man de groote Mukaukas Georg is, zult gij mij wel teruggeven wat ik
+den stotterenden boef voorschoot. Gij maakt daarbij nog goede zaken,
+edele heer, want ik verlang voor de twee uren, gedurende welke het
+juweel mijn eigendom was, niet eens bewaargeld of interest."
+
+"Hier met den steen!" riep opeens de Arabier, wien de schertsende
+toon van den jood begon te vervelen. Hij ontrukte hem den smaragd,
+woog hem in de hand, bracht hem dicht onder de oogen, hield hem
+daarna weder op een afstand, beklopte hem met een hamertje, dat hij
+uit zijne borstzak haalde, paste hem in de opene plek van het tapijt,
+en onderzocht den steen met scherpen, nu eens achterdochtigen dan
+weer bevredigenden blik.
+
+Terwijl dit plaats had veranderde Orion herhaaldelijk van kleur en de
+zweetdroppels parelden hem thans op het schoone bleeke aangezicht. Was
+hier een wonder geschied? Hoe kon deze steen, die op weg was naar
+Alexandrië, in handen van den jood gekomen zijn? Of zou de chusaar
+het pakketje geopend en den inhoud aan Hiram en door dezen aan den
+juwelier verkocht hebben? Hij moest weten wat er van was en terwijl
+de Arabier den steen nog onderzocht, naderde hij den goudsmid en
+vroeg: "Hebt gij stellig en zeker--het geldt hier de gevangenis of
+de vrijheid--den steen van den Syrischen paardrijder Hiram gekocht
+en van geen ander? Ik bedoel: kent gij den man zoo goed, dat hier
+geen vergissing kan plaats hebben?"
+
+"God zal me liefhebben!" antwoordde de jood, terwijl hij een stap
+terugtrad van Orion, die hem met fonkelende oogen aanstaarde. "Hoe
+kan de jonge heer er aan twijfelen! Uw geëerde vader kent mij sedert
+dertig jaren, en ik, ik zou den Damascener niet kennen? Wie anders
+in Memphis kan zoo goed stotteren? Heeft hij me niet met uwe razende
+hengsten de helft mijner kinderen bijna om het leven gebracht? Elk kind
+toch, zeg ik, heeft hij me half dood gemaakt van schrik. Springlevend
+zijn ze allen nog, God beware ze, maar gezonder zijn ze door dien
+paardrijder niet geworden, want de frissche lucht doet de kinderen
+goed, en uit vrees voor zijne gevaarlijke kunststukken, heeft mijne
+lieve Rebecca ze in de kamer gehouden, tot hij weer tehuis was."
+
+"Alles goed!" zeide Orion, hem in de rede vallende, "op welk uur heeft
+hij u den smaragd aangeboden. Zeg het precies! Bezin u goed! Wanneer
+is het gebeurd? Gij zult het toch wel weten."
+
+"Adonai, hoe zou ik?" antwoordde de jood. "Maar wacht, heer, misschien
+kan ik het toch zeggen. Bij deze hitte staan we op vóor de zon opgaat;
+dan wordt het morgengebed gedaan, de soep gegeten en..."
+
+"Geen praatjes!" zeide Orion, ongeduldig.
+
+Doch Gamaliël ging voort, zonder zich van de wijs te laten
+brengen. "Dan springt de kleine Ruth mij op den schoot en trekt me
+de witte haartjes uit, die me telkens aan den neus groeien, en juist
+toen het kind er mee bezig was en ik 'o weh' riep, had de zon de
+steenen bank bereikt, waarop dit gebeurd is."
+
+"En wanneer bereiken de zonnestralen die bank?" vraagde Orion.
+
+"Juist twee uren na zonsopgang," antwoordde de jood, "namelijk in dit
+jaargetij. Bewijs mij morgen vroeg de eer van bij mij te komen; het
+zal u zeker niet berouwen, want gij zult schoone waren, beeldschoone
+zelfs te zien krijgen--en kijk dan zelf naar de schaduw."
+
+"Twee uren na zonsopgang," prevelde Orion zacht binnen 's monds,
+waarop hij met vernieuwde verbazing tot zichzelven zeide, dat hij wel
+vier uren later het pakje aan den chusaar had toevertrouwd. Aan de
+verklaring van den jood viel niet te twijfelen. Deze rijke, eerlijke
+en vroolijke man loog niet, derhalve kon het door hem verzondene en
+door Hiram verkochte kleinood in geen geval hetzelfde zijn. Maar hoe
+dan alles te verklaren? Het was om het verstand te verliezen! En dan
+niet te mogen spreken, terwijl reeds zijn zwijgen bedrog was, bedrog
+jegens vader en moeder! Wanneer de ongelukkige stotteraar slechts wist
+te ontkomen! Kreeg men hem in handen, dan--dan, genadige hemel! Maar
+neen, het was niet denkbaar. Vooruit dan, volgehouden! In het uiterste
+geval--de eer van honderd stalknechts kon toch op verre na niet opwegen
+tegen die van Orion alleen--dan moest de man, hoe ontzettend het ook
+was, dan moest hij prijsgegeven worden! Hij wilde en kon er altijd
+voor zorgen, dat hij weder vrij kwam en zijn leven gespaard bleef.
+
+Intusschen was de koopman aan het einde van zijn onderzoek en toch
+niet tot volle zekerheid gekomen. Orion had hem gaarne afgeleid,
+want als de koopman allen twijfel varen liet en den teruggebrachten
+steen als den gestolene erkende, was er veel gewonnen, en daarom
+wendde hij zich weder tot hem met te zeggen: "Laat mij, bid ik u,
+den smaragd nog eens zien; het zal toch wel niet mogelijk zijn een
+tweeden te vinden, aan dezen geheel gelijk?"
+
+"Dat zou ik niet durven verzekeren," antwoordde de Arabier
+ernstig. "Deze steen gelijkt dien uit het tapijt op een haar, doch hij
+heeft hier eene kleine verhevenheid, die ik bij den smaragd nooit heb
+opgemerkt. Ongetwijfeld werd hij nooit uit zijne omgeving losgemaakt,
+en misschien heeft dit kleine knobbeltje op het weefsel gelegen;
+en toch, toch--Zeg eens, goudsmid, gaf de dief u den smaragd geheel
+naakt, zonder eenig omhulsel?"
+
+"Zoo naakt als Adam en Eva, voor zij den appel hadden gegeten,"
+antwoordde de jood.
+
+"Dat 's jammer, zeer jammer!" hernam de koopman. "Het komt mij voor
+als ware de steen in het tapijt ook een weinig langer geweest. In
+dit geval is het bijna dwaas en ondenkbaar dat er twijfel zou kunnen
+bestaan, en toch vraag ik mijzelven: Zou dit werkelijk de steen zijn,
+die in den bloemknop heeft gezeten?"
+
+"Maar om 's hemels wil," riep Orion, "de dubbelganger van zulk een
+eenig juweel valt toch niet op hetzelfde oogenblik uit de lucht in
+hetzelfde huis neder! Verblijden we ons, dat het verloren schaap is
+wedergevonden. Ik zal het kleinood thans in de ijzeren kist sluiten,
+vader, en zoodra gij den roover beet hebt, moet ik geroepen worden,
+verstaat gij, Psamtik?"
+
+Hierop groette hij zijne ouders met een wenk, bood den Arabier de hand
+en wel op eene wijze, die ieder goed moest doen en ook den ouden heer
+opnieuw voor hem innam, en verliet het vertrek.
+
+De goede naam van den koopman was gered, doch de nauwgezette man
+gevoelde zich verontrust door den twijfel, dien hij maar niet
+onderdrukken kon. Toen hij van den Mukaukas afscheid wilde nemen,
+was deze zoo diep in zijn kussen gezonken en hield hij de oogen zoo
+vast gesloten, dat niemand weten kon of hij waakte of sliep, en zoo
+verliet de Arabier hem zonder groet, daar hij hem in het laatste
+geval niet wilde storen.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Paula had zich na de aandoeningen van den laatsten nacht met
+een kloppend hart op het rustbed geworpen. Zij kon den slaap maar
+niet vatten, en een paar uren na zonsopgang was zij opgestaan om de
+vensterluiken te sluiten. Daarbij had zij naar buiten gekeken en gezien
+hoe Hiram in een der booten van den Mukaukas was gesprongen en het
+lichte vaartuig van den oever had gestooten. Zij durfde roepen noch
+wenken, maar nadat de trouwe man midden op den stroom was gekomen,
+had hij omgekeken, het gezicht naar haar venster gewend, haar in
+het witte morgengewaad herkend, en den roeiriem hoog en sierlijk
+in de hoogte gehouden. Dat kon alleen beteekenen dat hij zijn last
+volvoerd en het kleinood verkocht had. Hij stak nu den Nijl over,
+om den Nabateër aan te werven.
+
+Nadat zij de luiken gesloten en het vertrek duister gemaakt had, legde
+zij zich nog eens neder, en nu deed de jeugd hare rechten gelden;
+de zwaar vermoeide viel in een diepen slaap, die niet door droomen
+werd verontrust. Toen zij ontwaakte, terwijl het zweet haar op het
+voorhoofd parelde, was de zon nog maar weinig van de middaghoogte
+verwijderd, moest er nog slechts een uur verloopen voor het tijdstip
+van het ariston, het Grieksche ontbijt, dat gemeenschappelijk werd
+gebruikt, evenals de hoofdmaaltijd, die tegen den avond volgde. Zij
+was nog nooit daarbij gemist en haar uitblijven zou ditmaal opzien
+baren. Evenals in alle voorname Egyptische huizen, zoo ging het ook
+in dat van den Mukaukas meer Grieksch dan Egyptisch toe en dat niet
+enkel ten aanzien van de maaltijden, maar ook in vele andere dingen,
+inzonderheid de taal. Van den heer des huizes tot aan het jongste
+lid van de familie sprak men onder elkander Grieksch en alleen met
+de dienstboden Koptisch, de oude landtaal, waarin echter sedert lang
+talrijke Helleensche woorden en spreekwijzen waren overgenomen.
+
+Het kleindochtertje van den stadhouder, de aardige tienjarige Maria,
+had gemakkelijker Grieksch dan Koptisch zonder fouten leeren spreken,
+maar bij Paula's komst had zij het nog zoover niet gebracht, dat
+zij de taal der Hellenen zuiver schrijven kon. Deze hield veel van
+kinderen, verlangde naar bezigheid en had daarom uit eigene beweging
+de taak op zich genomen om de kleine in deze kunst te onderrichten,
+over welken dienst hare familiebetrekkingen zich aanvankelijk schenen
+te verheugen. Doch zeer spoedig ontstond er tusschen vrouw Neforis
+en de nicht van haar gemaal de droevige verhouding, die zou blijven
+bestaan, en thans had de eerste aan die lessen een einde gemaakt en
+als grond voor deze beleedigende handelwijze aangevoerd, dat Paula haar
+discipeltje geheele stukken had gedicteerd uit een Grieksch gebedenboek
+van hare orthodoxe geloofsbelijdenis. Werkelijk was dit gebeurd,
+maar zonder eenige bijbedoeling, en de stukken door haar uitgekozen,
+behelsden enkel gedachten die ieder christen, onverschillig van welke
+geloofsbelijdenis, het hart konden verheffen.
+
+De kleine was bij de machtspreuk harer grootmoeder in tranen
+uitgebarsten, en hoewel Paula het zeer ernstig opnam met de lesuren,
+had Maria de oudere vriendin hartelijk lief, met het dwepend
+gevoel van een halfvolwassen meisje--want dat was eene tienjarige
+in Egypte--hetwelk met al de hartstocht van haar gemoed zich hecht
+aan eene schoone jonkvrouw, die in elk opzicht hare meerdere is. En
+Paula's armen waren wijd geopend voor het kind, dat zonlicht bracht
+in de sombere, kille levenslucht, die haar in het huis van haar oom
+omgaf. Maar vrouw Neforis zag in de vurige liefde van het kind voor de
+Melchietische bloedverwante iets overdrevens, iets ongezonds, ja iets
+dat de geloofsovertuiging van het meisje in gevaar kon brengen, en het
+scheen haar toe als had Maria onder den invloed der Damasceensche het
+hart van haar afgewend, om dezen met meer teederheid aan te hangen. De
+bewijzen lagen voor de hand, dat dit geen bloot vermoeden was, want
+het kind, dat bijzonder gevoelig was op het punt van rechtvaardigheid,
+kon het niet verdragen dat hare vriendin werd miskend, teruggezet,
+zelfs vaak in het openbaar ongunstig en stellig valsch beoordeeld;
+weshalve Maria zich verplicht achtte zoo veel in haar vermogen was
+goed te maken, wat hare grootmoeder misdreef ten opzichte van eene
+huisgenoote, die in haar oog volmaakt was.
+
+Neforis was nochtans niet de vrouw om zich deze houding van de kleine
+te laten welgevallen. Maria was hare kleindochter, de eenige dochter
+van haar overleden zoon, en niemand mocht zich plaatsen tusschen hen
+beiden. Zoo verbood zij het meisje, Paula zonder bepaalden last op
+hare kamer te bezoeken, en toen er eene Grieksche opvoedster voor
+het kind in dienst was genomen, ontving deze de bijzondere opdracht
+om hare kweekelinge zooveel mogelijk van de Damasceensche verwijderd
+te houden. Dit alles gaf echter voedsel aan den hartstocht van het
+kind, en hoewel de grootmoeder het telkens met teederheid tot zich
+trok en Maria van hare zijde ook niet uit het oog verloor wat zij
+aan deze verschuldigd was, toch wilde het tusschen beiden niet tot
+warme toegenegenheid komen; en daarvan was Paula zeker de schuld,
+zij het ook tegen haar zin, en alleen omdat zij hier woonde. Vrouw
+Neforis gaf de nicht van haar gemaal zoowel openlijk als door
+ontelbare bedekte toespelingen te voelen, dat zij de kleindochter van
+haar vervreemdde, en dus bleef Paula niet anders over dan het kind,
+waartoe zij zich zoozeer getrokken gevoelde, op een afstand te houden
+en het alleen in buitengewone gevallen de volheid harer liefde te doen
+gevoelen. Ten slotte had het leven haar zooveel verdriet opgeleverd,
+dat het haar niet meer mogelijk was zich als vroeger eenvoudig aan
+een onschuldig schepseltje over te geven, en kind met het kind te
+zijn. Maria bespeurde dit wel en schreef de verandering, die er bij
+Paula plaats had toe, aan het leed dat zij gevoelde over de harde
+behandeling van hare grootmoeder.
+
+Voor etenstijd kon Maria het meest met hare vriendin alleen spreken,
+want dan lette niemand op haar en grootmoeder had haar nog nooit
+verboden de jonkvrouw aan tafel te noodigen. Een bezoek bij deze
+vriendin was voor het kind het grootste genot, reeds omdat het verboden
+was, maar niet minder omdat Paula zich op hare kamer geheel anders
+vertoonde dan onder de overige huisgenooten; omdat zij haar kussen kon
+en daarbij zeggen mocht hoe lief zij haar had. Daar vertelde het haar
+ook al wat oorbaar was van hetgeen zich in haar kleinen levenskring
+voordeed, doch haar de vertrouwde te maken van hare ongehoorzaamheid
+of van onschuldige kinderstreken, daarvan werd het levenslustige en
+soms overmoedige kind teruggehouden door de bewondering voor haar,
+die in hare oogen zooveel grooter, edeler en voornamer was dan alle
+andere menschen.
+
+Juist was Paula met haar toilet gereed, toen Maria, die anders met
+eene vaart alsof ze een jongen was de vertrekken van hare grootmoeder
+binnenstormde, bescheiden aan de deur klopte. Zij vloog haar niet
+om den hals, gelijk zij bij de weduwe Susanna en haar speelziek
+dochtertje Katharina deed, maar zij kuste alleen haar blanken arm
+met innige teederheid en kleurde daarna tot over de ooren van geluk,
+toen Paula zich naar haar nederboog, haar een kusje gaf op lippen,
+haar en voorhoofd, en daarna hare vochtige, bloeiende wangen wat
+afdroogde. Zij nam daarop Maria's kopje vriendelijk tusschen de handen
+en zeide: "Wat ziet ge er uit wildzang!"
+
+Het aardige, aanvallige gezicht van de kleine zag inderdaad vuurrood
+en hare oogen waren zoo gezwollen, alsof zij juist hard geweend had.
+
+"Het is zoo vreeselijk heet," antwoordde Maria. "Eudoxia"--zoo heette
+hare Grieksche opvoedster--"zegt dat Egypte in den zomer een vurige
+oven is, eene hel op aarde. Zij is doodziek van de hitte, ligt daar
+als een visch op het zand, en het eenige goede daarvan is...."
+
+"Dat zij u heeft laten loopen en u geen les heeft gegeven?"
+
+Maria bevestigde dit door even met het hoofd te knikken, maar toen zij
+hierop geene terechtwijzing ontving, wendde zij het kopje opzij, en zag
+hare vriendin met groote schelmsche oogen ter sluiks in het aangezicht.
+
+"En toch hebt gij gehuild, en erg ook! Zoo'n groot meisje!"
+
+"Ik? Ik gehuild?"
+
+"Ja zeker, gehuild! Ik kan het aan uwe oogen zien. Wat is er gebeurd?"
+
+"Zult gij niet boos op mij zijn?"
+
+"Stellig niet!"
+
+"Nu dan. Eerst was het zoo prettig, zoo erg prettig, gij kunt het u
+ternauwernood voorstellen, en de hitte hinderde mij niets; maar toen
+die wilde jacht voorbij was wilde ik naar grootmoeder, en dat werd
+mij verboden. In de fonteinzaal, weet ge, daar had wat bijzonders
+plaats, en toen ze er allen weer uit waren, ben ik Orion in het
+tablinum achterna geslopen. Daar liggen zulke wondermooie dingen;
+en ik wilde hem een beetje aan het schrikken maken; wij hebben
+meermalen met elkander grappen gemaakt. Eerst merkte hij niets, maar
+toen hij zich nederboog over het tapijt, waaruit ze den edelsteen
+hebben gekaapt--ik geloof dat hij de juweelen telde in dat oude,
+versleten ding--vloog ik hem een-twee-drie op zijn rug dat hij er van
+schrikte, geweldig schrikte, dat verzeker ik u. Toen is hij tegen mij
+uitgevaren als een kemphaan, en... heeft hij mij een klap om de ooren
+gegeven, ik zeg u een... ach, het brandt mij daar nog--en het werd mij
+daarbij bont en blauw voor de oogen. Eerst was hij altijd zoo goed en
+vriendelijk tegen mij en ook tegen u, en daarom--hij is bovendien mijn
+oom--daarom mocht ik hem gaarne lijden. Maar een klap, een oorveeg,
+zooals de kok aan zijn jongen bij het braadspit geeft, daarvoor ben
+ik toch te groot, dat behoef ik me niet te laten welgevallen. Na
+mijn laatsten verjaardag moeten alle slaven en beambten mij als
+meesteres behandelen en voor mij buigen. En nu?.... Hier heeft hij
+mij geslagen... Hoe durfde hij?" En wederom barstte zij in tranen uit
+en ging snikkende voort: "Maar daarmede was het nog niet gedaan. Hij
+heeft mij in het donkere tablinum opgesloten en mij daar..."--de
+tranenvloed belette haar geregeld door te praten--"daar--daarin
+laten zitten! Het was er zoo akelig en ik zat er misschien nog, als
+ik geen stuk bladgoud had gevonden, en met mijn overgrootvader--het
+zilveren beeld, weet ge, van Menas--er duchtig op had los geslagen
+waarbij ik brand schreeuwde. Dat hoorde Sebek, die Orion haalde, en
+toen heeft hij mij vrijgelaten en mij op allerlei wijze geliefkoosd
+en gekust. Maar wat helpt mij dat, want grootvader zal boos zijn;
+ik heb in mijn angst zijn zaligen vader den neus bijna plat geslagen."
+
+Paula had het kind nu eens ernstig dan weder lachend aangehoord; doch
+toen het zweeg wischte zij het nog eens de oogen af en zeide: "Uw oom
+is een man, waarmede gij niet moogt spelen als met uws gelijken. De
+herinnering, die gij van hem gekregen hebt, is in elk geval wel wat
+hard uitgevallen; maar Orion heeft getracht dat alles weer goed te
+maken. Doch gij hebt van een wilde jacht gesproken, wat was dat?"
+
+Bij deze vraag helderden Maria's oogen plotseling weer op. In
+een ommezien was al het leed dat haar weervaren was en zelfs de
+platgeslagen neus van haar voorvader vergeten, en onder een vroolijk
+schaterlachen, dat uit het diepst harer ziel kwam, zeide zij: "Ja, dat
+hadt ge moeten zien! Daar zoudt ook gij plezier in gehad hebben. Zij
+hebben den deugniet willen vangen, die den smaragd uit het tapijt heeft
+getrokken. Hij had zijne schoenen verloren, die de honden onder den
+neus werden gebracht, en nu braken ze los! Eerst vlogen ze hier naar
+de trap, toen in den stal, daarna in de woning van den paardrijder; ik
+er altijd bij, altijd de dassen en de andere keffers achterna. Daarop
+hielden ze raad, en ten laatste ging het de poort uit de stad in. Ik
+mag den hof niet verlaten, maar--gij moet er niet boos om zijn--het
+was te plezierig. Ze renden de poort uit door het Hapistraatje,
+over de Taanchplaats en eindelijk naar de goudsmedenstraat, en daar
+stormde de geheele bende den winkel binnen van den jood Gamaliël,
+dien grappigen man. Terwijl hij met de anderen sprak, bracht zijne
+vrouw mij abrikozentaartjes, zoo lekker als ze bij ons niet zijn."
+
+"En hebben zij den man, dien ze vervolgden, gekregen?" vroeg Paula,
+die onder het verhaal van het kind telkens van kleur verschoot.
+
+"Dat weet ik niet," antwoordde Maria verlegen; "er was eigenlijk
+niemand, dien men achterna ging. De honden hielden de neuzen altijd
+naar den grond, en wij liepen ze achterna."
+
+"Alleen om een ongelukkige te vangen, die met den diefstal niets te
+maken heeft. Denk eens na, Maria; de schoenen gaven de honden de lucht,
+en men liet ze los om den man te pakken, die ze gedragen heeft en nog
+door geen rechter verhoord is. Men heeft ze in de voorzaal gevonden;
+misschien liet hij ze daar toevallig liggen of bracht een ander ze
+daarheen. Verplaats u nu eens in den toestand van zulk een onschuldig
+mensch, een christen als wij, die men met jachthonden achterna zet
+als een roofdier. Is dat niet verschrikkelijk? Een goed mensch moest
+daarover niet lachen."
+
+Paula zeide dit met zooveel ernst en nadruk, zoo medelijdend, en hare
+geheele houding deed zoo duidelijk blijken, hoe zeer het gebeurde haar
+verontrustte, dat het kind haar bezorgd aankeek, met betraande oogen
+naar haar toeliep en terwijl zij haar gelaat in haar kleed verborg,
+uitriep: "Ik wist niet dat zij een arm mensch achternazaten, en als
+u dat weder zoo verdrietig maakt, zou ik er niet bij hebben willen
+zijn! Maar is het dan waarlijk zoo erg? Gij zijt zoo dikwijls bedroefd,
+als wij anderen lachen." Daarbij zag zij met de groote vochtige oogen
+tot Paula op.
+
+Deze drukte haar tegen zich aan, kuste haar hartelijk en zeide dan met
+weemoedige vriendelijkheid: "Hoe gaarne zou ik vroolijk willen zijn
+als gij! Maar ik heb te veel beleefd wat mij bedroefd maakt. Lach
+maar en verheug u naar hartelust, waarlijk ik gun het u wel; doch
+wat dien armen man aangaat, dien men achterna zette: ik vrees dat
+het mijns vaders vrijgelatene is, de trouwste en eerlijkste mensch
+ter wereld. Heeft men bij die vroolijke jachtpartij niemand uit den
+goudsmidswinkel meegepakt?"
+
+Het kind schudde ontkennend het hoofd, vragende: "Zou het uw
+stotterende Hiram, den paardrijder zijn, dien zij vervolgen?"
+
+"Ik vrees het."
+
+"Ja, ja," zeide de kleine. "Wacht eens... het... Ach God, het
+zal u weer bedroeven, maar ik geloof.... ze zeiden de schoenen
+hadden--ik lette er niet zoo op--ze hadden... Men sprak altijd van
+een paardrijder, een vrijgelatene, een stotteraar."
+
+"Dan hebben zij zeker een onschuldige nagezeten," zeide Paula met
+een zwaren zucht, terwijl zij zich weder aan hare kaptafel neerzette,
+om haar toilet te voltooien.
+
+Terwijl hare handen zoo ijverig mogelijk in de weer waren, verzonk
+zij in gedachten; zij gaf het kind maar halve antwoorden, en liet
+het in haar open kist snuffelen. Maria haalde het van zijn sieraad
+beroofd kleinood er uit en deed het om haar hals.
+
+Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt en Katharina, het
+dochtertje van de weduwe Susanna trad de kamer binnen. Het meisje,
+aan wie de gade van den Mukaukas haar volwassen zoon wilde uithuwen,
+reikte Paula nauwelijks tot aan de schouders, maar zij zag er keurig
+netjes uit; alles was in de puntjes, en zij had een frisch, vroolijk en
+allerliefst gezichtje. Als zij lachte zag men hare kleine, sneeuwwitte
+ver uit elkander staande tandjes glinsteren, en hare heldere oogjes
+keken zoo lustig rond, als hadden ze in de wereld niets dan blijmoedige
+dingen te zoeken of onschuldige grappen te verzinnen. Ook zij wilde
+Paula tot vriendin hebben, maar zij jaagde dit doel niet na met zooveel
+zelfverloochening en dweepte niet altijd met haar als Maria. Soms
+betoonde Katharina haar zulk eene hartstochtelijke teederheid, dat de
+oudere jonkvrouw haar intoomen moest; dan weder keerde zij deze met
+trotschen weerzin, boos en grommend den ruw toe, omdat zij meende
+door de Damasceensche koel bejegend of bij Maria achtergesteld te
+zijn. Het lag wel-is-waar in Paula's hand om aan dat "boos zijn"
+van het "kwikstaartje", dat gewoonlijk een grappigen bijsmaak had,
+door een goed woord of een kus een einde te maken, doch zonder zulk
+eene vriendelijke tusschenkomst zou Katharina in staat zijn geweest
+tot aan haar laatsten snik aan die boosheid toe te geven. Heden viel
+zij haar om den hals, en toen Paula op meer afgemeten toon dan anders
+verzocht, te wachten tot zij eerst haar toilet voltooid zou hebben,
+ging zij, zonder zich in het minst gevoelig te toonen, naar de kleine
+Maria toe en nam haar het halssieraad uit de handen, om dit zichzelve
+om te doen. Het keurig bewerkt en met paarlen bezet kleinood beviel
+haar bij uitstek, alleen de ledige kas, waaruit Hiram den smaragd
+met zijn mes had gelicht, bedierf den indruk van het geheel. Toch was
+het nog een vorstelijk sieraad, en nadat zij ook een grooten waaier
+van struisvederen uit de kist genomen had, vertoonde zij voor hare
+kleine vriendin met grappige en stijve bewegingen, hoe de keizerin en
+de prinsessen aan het hof buigen en hare onderdanen genadig groeten;
+hetgeen veel stof tot lachen gaf. Toen Paula gekleed was, en zij
+Katharina verzocht het halssieraad af te doen, bleef het ledige, door
+Hiram wat verbogen bladgoud aan het fijne kantwerk van haar bovenkleed
+hangen. Maria maakte den halsketen los, dien de Damasceensche daarna
+weder in de kist borg.
+
+Terwijl Paula deze sloot vroeg zij Katharina, of zij Orion ook
+ontmoet had.
+
+"Orion?" vraagde zij op een toon, als had niemand buiten haar het
+recht naar hem te vragen. "Wij kwamen samen de trap op; hij wilde
+naar de gewonden gaan kijken. Hebt gij hem wat te zeggen?"
+
+Daarbij kreeg zij een kleur en keek Paula wantrouwend aan, die echter
+niets antwoordde dan "misschien," waarop zij liet volgen, terwijl
+zij het koordje met den sleutel van de kist om haar hals hing:
+"Komt meisjes, het is tijd om te ontbijten; ik ga heden niet mede
+naar beneden."
+
+"Ach," zuchtte Maria teleurgesteld. "Grootvader is zeer ziek en
+grootmoeder blijft bij hem, en komt gij ook niet, dan--dan moet ik
+alleen met Eudoxia eten; want de wagen van Katharina staat te wachten,
+en zij rijdt dadelijk weder naar huis. Ach toe, kom! Doe het mij ten
+gevalle. Gij weet niet hoe knorrig die Eudoxia zijn kan, als het zoo
+heet is."
+
+"Ga toch mede!" verzocht ook Katharina; "wat toch wilt ge langer
+hierboven doen? Tegen den avond kom ik zeker met mijn moedertje weer."
+
+"Best," antwoordde Paula, "maar ik moet eerst naar de zieken."
+
+"Mag ik mede?" vroeg het kwikstaartje, de jonkvrouw vleiend over den
+arm streelende.
+
+Doch Maria klapte in de handen en riep: "Zij wil alleen naar Orion,
+want zij houdt zooveel van hem..."
+
+Katharina sloot het kind haastig den mond, doch als Paula haar
+eenigszins gejaagd aan het verstand had gebracht, dat zij zeer
+ernstige dingen met Orion te bespreken had, keerde Katharina haar
+met eene haastige en trotsche beweging den rug toe en ging spijtig de
+trap af, terwijl Maria zich langs de leuning liet afglijden. Weinige
+dagen geleden zou het nauwelijks zestienjarige kwikstaartje haar zeer
+gaarne op dezelfde wijze gevolgd zijn.
+
+Intusschen klopte Paula aan het eerste ziekenvertrek en betrad
+het daarna even zacht toen de pleegzuster, eene non uit het
+St. Katharina-klooster, de deur voor haar geopend had.
+
+Orion dien zij zocht, was hier geweest, maar had zich juist weder
+verwijderd.
+
+In het eerste vertrek lag de verwonde aanvoerder van de karavaan, in
+het tweede de waanzinnige. In eene aan het eerste vertrek grenzende
+zaal, die voor hooge gasten bestemd en daarom met vorstelijke pracht
+gemeubeld was, zaten twee mannen in druk gesprek, namelijk de Arabische
+koopman en de arts Philippus, een zeer groote, grof gebouwde jonge
+man van nauwelijks dertig jaren, wiens kleeding uit eene nette maar
+grove stof bestond, zonder eenig sieraad. Hij had een verstandig
+bleek gezicht, waarin twee zwarte goedige maar toch scherpe en
+levendige oogen glinsterden. Zijne stevige kaakbeenderen stonden
+te veel naar voren; het onderdeel van zijn aangezicht was klein,
+leelijk en als ingedrukt, terwijl zijn hoog en breed voorhoofd den
+kop van een denker vertoonde, en als een heerlijke koepel een niet
+zeer fraai en onaanzienlijk gebouw kroonde.
+
+Deze man, die weinig aantrekkelijkheid bezat en toch door het sterk
+sprekend karakter van zijne uitwendige verschijning moeielijk,
+zelfs niet in een kring van personen van beteekenis, over het hoofd
+gezien kon worden, was juist in een levendig gesprek gewikkeld met
+den Arabier, die gedurende de kennismaking van deze twee dagen eene
+bijzondere belangstelling had opgevat voor zijn persoon, iets wat
+wederkeerig bij hem het geval scheen te zijn. Het laatst was thans
+Orion het onderwerp van hun gesprek geweest, en de heelmeester
+een onvermoeid arbeider, die niemand lijden mocht die werkeloos en
+alleen voor zijn genot leefde, had den jonkman, bij alle waardeering
+van zijn schitterenden aanleg en zijn welbesteeden leertijd, veel
+harder beoordeeld dan de oude heer. Den arts was elk menschelijk
+wezen heilig, en al wat een mensch naar lichaam of ziel dreigde te
+benadeelen, moest naar zijn oordeel weggenomen worden. Het was hem
+bekend welk eene ramp Orion over de ongelukkige Mandane had gebracht,
+hoe lichtvaardig deze had gespeeld met de harten van andere vrouwen,
+en dat maakte hem in zijne oogen tot een gevaarlijk en strafwaardig
+medelid der samenleving. Voor hem was het leven eene plichtsvervulling,
+en met arbeid verbonden, onverschillig welke, wanneer deze maar
+het algemeen ten goede kwam, voldeed men aan deze roeping. Doch de
+jonge heeren van het slag van Orion erkenden die verplichting niet
+alleen niet, maar gebruikten het leven geheel en onverdeeld tot lage,
+zelfzuchtige doeleinden. Voor den ouden muzelman daarentegen was het
+leven een droom, waarvan ieder het schoonste deel, de jeugd, met een
+ontvankelijk gemoed genieten moest, terwijl hij slechts had te zorgen
+bij het ontwaken, hetwelk met den dood begon, te kunnen hopen op de
+toelating tot het paradijs. Hoe weinig vermocht een mensch te doen
+tegen het ijzeren geweld van het noodlot! Ook door ingespannen arbeid
+kon dit niet bezworen worden, het kwam er maar op aan daar tegenover
+het juiste standpunt in te nemen en het waardig onder de oogen te
+zien. Orion's noodlot had zijne levensboot tot dusverre te licht
+belast; bij schoon weder bewoog zij zich in de richting, waarheen
+de wind haar dreef. Hijzelf had er voor gezorgd zijn vaartuig goed
+uit te rusten, en wanneer het lot het eens zwaar belaadde en tegen
+de klippen slingerde, dan eerst zou het blijken, wie en wat hij was;
+hij, Haschim, geloofde zeker, dat hij dan zijn karakter voortreffelijk
+zou toonen. Bij een schipbreuk blijkt wat een man waard is.
+
+Hier viel de arts hem in de rede om te bewijzen, dat niet het noodlot
+den mensch beheerscht, maar de mensch zelf zijn levensschip stuurt,
+doch Paula keek in de zaal en maakte hierdoor aan het onderhoud een
+einde. De koopman boog eerbiedig, Philippus groette met achting, maar
+tevens met eenige terughouding, gelijk men het van een zelfstandig
+man als hij was verwachten kon. Sedert jaren was hij een dagelijksche
+gast in het stadhouderlijk verblijf, en hoewel hij Paula in den beginne
+weinig belangstelling had betoond, trok hij, sedert vrouw Neforis haar
+koel bejegende, hare partij, zoo vaak dit voegzaam geschieden kon. De
+gesprekken met hem, welker harde, scherpe toon haar aanvankelijk niet
+aanstond, en die haar vaak zoo in de engte hadden gedreven, dat zij
+het nauwelijks verdragen kon, waren haar echter sedert lang lief en
+tot eene behoefte geworden. Zij hielden haren geest wakker in een
+kring, die zich enkel bezighield met de kleine familieaangelegenheden
+der in verval gekomen stad, of met dogmatische strijdpunten; want de
+Mukaukas nam zelden deel aan het onderhoud der vrouwen.
+
+De arts onderhield zich nooit met haar over dagelijksche voorvallen,
+maar sprak voor haar zijn oordeel uit over de meeningen van anderen,
+of over ernstige levensvragen en boeken, die zij beiden kenden,
+en wist zoo hare tegenspraak uit te lokken, waarop hij geéstig en
+scherp antwoordde. Langzamerhand had zij zich gewend aan zijne stoute
+denkbeelden en aan de openhartigheid waarmede hij, zonder zich aan
+iets te storen, de waarheid uitsprak, en het begaafde meisje verkoos
+thans het gesprek met hem boven elk ander onderhoud, daar zij erkend
+had dat in dezen denker, in dit vat vol van alle wetenschap eene ware
+kinderziel huisde, en dat hij daarbij eene mate van zelfverloochening
+bezat zonder wederga. Aan de gemalin van haar oom mishaagde alles
+wat zij deed, en zoo ook haar vertrouwelijken omgang met dezen man,
+wiens uitwendig voorkomen waarlijk niets aantrekkelijks had voor
+een jong meisje.--Eene aanzienlijke familie had een arts, om voor
+de gezondheid harer leden te zorgen of om hen te genezen, en het
+voegde den huisgenooten niet met hem als met iemand van denzelfden
+stand vertrouwelijke gesprekken te voeren. Zij verweet Paula, die
+zij vaak over haar trots berispte, dat zij zich tegenover Philippus
+op eene ongepaste manier vernederde, doch het meest verdroot haar,
+dat de Damasceensche op menig halfuur voor zich beslag legde, hetwelk
+Philippus anders zou hebben gewijd aan haar gemaal, wiens persoon en
+gezondheid voor haar boven alles gingen.
+
+De Arabier, dien zij gisteren zoo had aangevallen, herkende haar
+terstond, en nadat de goede verstandhouding spoedig tusschen hen
+hersteld was en Paula had toegegeven, dat het verkeerd van haar was een
+enkel welgezind man voor het misdrijf van een geheel volk aansprakelijk
+te maken, en Haschim weder geantwoord had, dat een rechtgevoelend hart
+altijd het ware vindt, bracht zij het gesprek ook op haren vader,
+en de arts deelde den Arabier mede, dat zij altijd nog niet moede
+was den verlorene te zoeken.
+
+"Dat is veeleer mijne eenige levensroeping," zeide de jonkvrouw.
+
+"Ten onrechte, zou ik meenen," merkte de arts op, doch de koopman
+weersprak hem, want er waren dingen, die een mensch te kostbaar zijn
+om ze prijs te geven, ook wanneer de hoop om ze weer te vinden zoo
+wankel en zwak werd als een verteerde stroohalm.
+
+"Dat ondervind ook ik," hernam Paula, "en hoe kunt gij, Philippus,
+mij tegenspreken? Heb ik niet uit uw eigen mond gehoord, dat gij
+bij uwe kranken de hoop niet opgeeft, tot de dood er een einde aan
+maakt? Ik houd vast aan mijne verwachting, thans meer dan ooit,
+en ik gevoel dat dit goed is. Mijne laatste gedachte, mijn laatste
+sestersie wijd ik eraan om mijn vader te vinden, wat mijn oom en
+zijne vrouw er ook van zeggen, hoe zij mij ook tegenspreken."
+
+"Maar eene jonkvrouw kan in dergelijke zaken bezwaarlijk de hulp
+van een man ontberen," zeide de koopman. "Ik kom veel in de wereld,
+spreek met allerlei vreemdelingen uit verre landen, en wilt gij mij
+de eer bewijzen, kies mij dan tot uw helper, en vergun mij bij het
+opsporen van den edelen verlorene uw bondgenoot te zijn."
+
+"Dank, innigen dank!" antwoordde Paula, terwijl zij blijmoedig en met
+warmte de hand van den muzelman drukte. "Houd hem, dien ik verloren
+heb, waarheen gij ook trekt, in gedachtenis. Ik ben een arm verlaten
+meisje, maar als gij hem vindt..."
+
+"Dan zult gij weten, dat er ook onder de muzelmannen zijn die...."
+
+"Die gaarne barmhartigheid oefenen en verlatene vrouwen vriendelijk
+ter hulp komen," vulde Paula aan.
+
+"En als Allah het zoo beschikt, met goed gevolg," ging de Arabier
+voort. "Zoodra ik eenig spoor vind, zult gij van mij hooren, thans moet
+ik echter aan gene zijde van den stroom naar den veldheer Amr. Ik ga
+getroost, want ik weet dat mijn arme, brave Rustem in goede handen is,
+vriend Philippus! Reeds dadelijk in Fostat zal het eerste onderzoek
+beginnen, verlaat u daarop, mijne dochter!"
+
+"Dat doe ik," antwoordde Paula van blijdschap aangedaan. "Wanneer
+zien wij elkaar weer?"
+
+"Morgen, op zijn allerlaatst overmorgen vroeg."
+
+Hierop ging het meisje naar hem toe en fluisterde hem in het oor:
+"Wij hebben thans een spoor gevonden, heer, ja ik hoop, dat de bode
+reeds onderweg is. Hebt gij nog even tijd mij aan te hooren?"
+
+"Eigenlijk moest ik reeds lang aan de overzijde van de rivier Zijn;
+heden dus niet, maar zoo ik hoop morgen." Daarop reikte de Arabier
+haar en den arts zijne hand en ging haastig heen.
+
+Paula bleef in gedachten staan; toen viel haar in, dat de vervolgde
+Hiram zich aan de overzij bevond onder het bereik van de Arabische
+macht, en dat de koopman misschien zich voor hem in de bres kon
+stellen, wanneer zij hem openhartig alles mededeelde wat zij wist. Zij
+stelde bijzonder vertrouwen in den ouden heer, wiens goedige en
+deelnemende blik haar nog altijd voor oogen zweefde; en zonder verder
+op den arts te letten, liep zij ijlings naar de deur van het eerste
+ziekenvertrek. Daarnaast hing een crucifix, en de non lag daarvoor
+nedergeknield, om voor den ongeloovigen kranke te bidden en den
+goeden herder te smeeken zich ook te ontfermen over het schaap,
+dat niet tot zijne kudde behoorde.
+
+De jonkvrouw waagde het niet de biddende te storen, die voor den
+smallen uitgang lag, en zoo verliepen er eenige oogenblikken, tot de
+arts hare groote onrust opmerkte, de zaal verliet, de non even op
+den schouder tikte en haar zacht, maar recht vriendelijk verzocht:
+"Eén oogenblik, lieve zuster! Uw vroom gebed wordt altijd gehoord,
+maar deze jonkvrouw heeft haast."
+
+De non stond dadelijk op, ging ter zijde en zag Paula met een
+onvriendelijken blik na, toen deze haastig de trap afging.
+
+Aan de hofpoort zocht het oog van de jonkvrouw den Arabier te
+vergeefs. Zij ondervroeg daarop een slaaf en vernam, dat het paard
+van den koopman hier lang had gewacht, dat hij zooeven de poort
+was doorgerend en zeker reeds op de schipbrug zou zijn, die Memphis
+met het eiland Roda en dit weder met het fort Babylon en het nieuw
+ontstaande Fostat verbond.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Vol onrust en ontevreden op zichzelve klom Paula de trap weder
+op. Was het de hitte van dezen dag, die haar zoo mat maakte en haar
+de tegenwoordigheid van geest deed verliezen, waarover zij anders
+beschikken kon? Zij begreep nu zelve niet waarom zij de gelegenheid
+om bij Haschim voor den trouwen dienaar te pleiten niet terstond had
+aangegrepen. Misschien had de koopman zich het lot van Hiram kunnen
+aantrekken. De slaaf aan de poort had haar gezegd, dat men hem nog
+niet in handen had gekregen; de tijd om iets voor hem te doen was
+dus nog niet gekomen. Zij wilde het doen, wilde de boosheid harer
+verwanten op zich laden, desnoods alles verraden wat zij in dien nacht
+gezien had, om den trouwen dienaar te redden. Dat was haar plicht,
+maar vóor zij het deed, vóor zij Orion zoo diep vernederde, wilde
+zij hem waarschuwen. De gedachte hem van zulk eene ergerlijke daad te
+moeten beschuldigen, kwelde haar niet minder dan de noodzakelijkheid
+om zichzelve leed te berokkenen. Zij haatte hem, maar zij had liever
+het schoonste kunstwerk aan stukken geslagen, dan hem gebrandmerkt,
+hem wiens schoon en innemend beeld nog altijd hare ziel vervulde.
+
+In plaats van Maria aan het ontbijt op te zoeken of den afgematten
+oom aan te bieden eene partij met hem te schaken, begaf zij zich weder
+naar het ziekenvertrek. Eene ontmoeting met vrouw Neforis of met Orion
+zou haar pijnlijk aangedaan, zelfs geërgerd hebben. In lang had zij
+zich niet zoo vermoeid en afgemat gevoeld. Misschien zou een gesprek
+met den arts haar wat opwekken. Na de afwisselende aandoeningen van
+de laatste uren verlangde zij naar iets, wat het ook zijn mocht,
+dat haar kon opbeuren en over iets anders doen denken.
+
+In het eerste ziekenvertrek vraagde de non haar koel wat zij verlangde
+en wie haar verlof had gegeven om aan de verpleging deel te nemen. De
+arts, die juist het verband om het hoofd van den Masdakiet opnieuw
+bevochtigd had, wendde zich daarop tot de kloosterzuster en bracht haar
+duidelijk aan het verstand, dat hij de jonkvrouw als helpster bij zich
+wilde hebben, en wel bij de behandeling van beide kranken. Daarop ging
+hij Paula voor in de zaal en zeide haar met eene zachte stem: "Voor
+het oogenblik is alles in orde. Zetten wij ons hier een poosje neer."
+
+Zij nam nu plaats op den divan, hij op een zetel tegenover
+haar. Philippus begon het gesprek met te zeggen: "Gij hebt zoo straks
+den schoonen Orion gezocht, thans moet gij..."
+
+"Wat?" vroeg zij ernstig. "Gij moogt het wel weten: de zoon des huizes
+staat mij niet nader dan zijne moeder. Met dat 'schoone Orion,' hebt
+gij iets willen zeggen, dat ik niet weder verlang te hooren. Ik moet
+hem echter nog heden over eene gewichtige aangelegenheid spreken."
+
+"Wat geeft mij dan de vreugde, u hier weder te zien? Eerlijk gezegd,
+had ik niet op uwe terugkomst gehoopt."
+
+"En waarom niet?"
+
+"Vergun mij het antwoord schuldig te blijven. De menschen hooren niet
+gaarne onaangename dingen. Als iemand onzer een ander voor niet geheel
+gezond houdt...."
+
+"Wanneer dat op mij slaan moet," zeide het meisje, "kan ik u
+verzekeren: het eenige wat mij in mijzelve nog bevalt is juist
+mijne gezondheid. Spreek maar uit wat gij op 't hart hebt. Zeg wat
+mij aangaat het ergste. Ik heb heden iets noodig wat mij opheft uit
+dezen toestand van verslapping, zelfs wanneer het mij boos maakt."
+
+"Goed zoo," hernam Philippus; "doch ik begeef mij in een gevaarlijk
+vaarwater.--Om uwe gezondheid, of wat men gewoonlijk zoo noemt, kan
+elke visch u benijden; maar die hoogere gezondheid, die der ziel,
+daarop, vrees ik, kunt gij niet roemen."
+
+"Dat begin is bedenkelijk," antwoordde het meisje. "Uit uw verwijt
+schijnt te volgen, dat ik u of iemand anders onrecht heb aangedaan."
+
+"Was dat het geval maar!" zeide de arts. "Niets, niet het minste is
+mij uwerzijds bejegend. Ik ben die ik ben, denkt gij voor uzelve en
+wat geef ik om de anderen?"
+
+"Het is de vraag wat gij onder die anderen verstaat."
+
+"Niets minder dan allen, die u hier in huis, in deze stad, op deze
+wereld tegenwoordig omringen. Zij zijn voor u lucht en nog minder dan
+dit; want de lucht is een stof, wier kracht zeilen vult en schepen
+tegen den stroom opstuwt, welker afwisselende natuur op de gunstige
+of ongunstige gesteldheid van ons lichaam inwerkt...."
+
+"Ik heb mijne wereld hierbinnen," hernam Paula, terwijl zij de hand
+op het hart legde.
+
+"Zeer juist! De geheele schepping kan daar eene plaats vinden;
+want wat men gemeenlijk een menschenhart noemt, hoeveel kan dat
+niet omvatten! Hoe meer men meent dat het in zich bevatten kan,
+des te gewilliger neemt het alles op. Het is gevaarlijk het slot
+ervan te laten roesten, want als dat gebeurt en men wil het openen,
+dan helpt geen rukken en trekken meer. En dan... maar ik wil u niet
+kwetsen... gij hebt u gewend altijd op het verledene terug te zien...."
+
+"Wat verblijdends ligt er dan vóor mij? Uwe berisping is hard en
+bovendien niet rechtvaardig. Hoe weet gij toch in welke richting
+ik zie?"
+
+"Omdat ik u met het oog van een vriend heb gevolgd. Waarlijk Paula,
+gij hebt verleerd om u heen en vooruit te zien. Wat achter u ligt,
+wat voor u verloren ging, dat is de wereld waarin gij leeft. Ik heb
+u eens op een afgebrokkelden papyrusrol van mijn ouden pleegvader
+Horus Apollon een heidenschen demon getoond, die vooruit loopt,
+terwijl de kop hem zoo op den hals zit, dat het geheele gezicht en
+de oogen achterwaarts zien."
+
+"Dat herinner ik mij zeer goed."
+
+"Nu, gij gelijkt reeds lang op zulk een demon. Alles vloeit, zegt
+Herakleitos, en gij zijt gedwongen met den grooten stroom voort te
+zwemmen. Of wilt gij een ander beeld: gij moet op het pad des levens
+voorwaarts loopen naar het doel dat allen nastreven. Doch uw oog
+ziet daarbij achterwaarts, waar het zich vermeit in eene schoone,
+rijke ouderlijke woning, in de liefde en teederheid van zoovelen,
+en in een gelukkig maar helaas vervlogen bestaan. Daarbij treedt gij
+voorwaarts, en wat moet nu het gevolg zijn?"
+
+"Dat ik struikel, denkt gij, en val...."
+
+Het verwijt van den arts had Paula te dieper getroffen, naarmate
+zij zich minder verhelen kon, dat het veel waarheid bevatte. Zij
+was gekomen om zich wat te laten opbeuren, maar nu vergalde deze
+aanklacht zelfs haar blij gevoel van gezondheid. Waarom liet zij
+zich door dezen toch nog geenzins bedaagden man in het verhoor nemen
+als een schoolmeisje? Als dat zoo voort ging, dan zou hij moeten
+hooren... Doch nu volgde zijn antwoord; dat verfrischte haar weder en
+bevestigde haar in de overtuiging, dat hij voor haar een waarachtig
+welmeenend vriend was.
+
+"Dat misschien niet," luidde zijn wederwoord, "omdat--omdat--nu ja,
+de voorzienigheid heeft u gezegend met de schoonste evenredigheid,
+en als de dochter van een held schrijdt gij met zelfbewustzijn
+voorwaarts. Vergeten we niet, dat ik van uwe ziel spreek, en deze
+handhaaft hare aangeborene fierheid onder zooveel dat klein en laag
+bij den grond is."
+
+"Waarom moet ik dan vreezen achterwaarts te zien, wat mij zoo goed
+doet?" vroeg zij opgewekt, den arts opnieuw vertrouwelijk in het
+aangezicht ziende.
+
+"Omdat gij op die manier anderen licht op den voet trapt! Dat doet
+pijn, zij worden boos op u, en zij leeren u, die inderdaad meer liefde
+gevoelt dan zij allen, knorrig te zijn!"
+
+"Dat is niet zoo, want ik ben mij bewust zoolang ik leef geen mensch
+met opzet bedroefd of beleedigd te hebben."
+
+"Dat weet ik, maar onbewust is het duizendmaal gebeurd."
+
+"Dan zou het beste zijn, dat ik ze allen voor goed ontvluchtte."
+
+"Neen, duizendmaal neen! Wie zich terugtrekt uit zijne omgeving en
+zich in de eenzaamheid opsluit, meent iets verdienstelijks te doen en
+zich te plaatsen boven een bestaan dat hij veracht. Denk er maar eens
+goed over na. De zelfzucht, de eigenliefde drijft hem in een grot of
+kluis; in elk geval bereikt hij niet wat hij voor zijn geluk houdt, en
+verzuimt hij de voornaamste plichten jegens de menschheid, of zeggen
+wij liever jegens de samenleving waartoe wij behooren. Zij is een
+groot lichaam en ieder mensch op zichzelven moet zich beschouwen als
+een deel ervan, moet trachten het te dienen en nuttig te zijn, en als
+het noodig blijkt zich bereid toonen daarvoor een offer te brengen. De
+zwaarste mogen niet te zwaar zijn. Maar wie zich terugtrekt, maar
+gij--neen, hoor mij, bid ik u, ten einde, want ik waag het misschien
+niet voor de tweede maal om mij aan het gevaar bloot te stellen u te
+vertoornen--gij wilt een lichaam op uzelve zijn. Wat Paula beleefd
+en bezeten heeft, dat houdt zij in de schatkamer harer herinneringen
+achter slot en grendel verborgen. Wat Paula is, dat meent zij juist
+te moeten zijn; en voor wie? Wederom alleen voor diezelfde Paula. Zij
+heeft groot leed ondervonden en daarvan leeft hare ziel; maar dat
+voedsel is verwerpelijk, is ongezond, is slecht."
+
+Zij wilde opstaan, maar vol ijver en geheel overtuigd dat hij dit
+gesprek niet mocht laten afbreken, boog hij zich naar haar toe,
+raakte even haar arm aan, als wilde hij haar op den divan vasthouden
+en ging zonder zich van zijn stuk te laten brengen voort: "Gij voedt
+u met het oude leed. Heel goed! Honderdmaal heb ik gezien, dat de
+smart veredelen kan. Zij kan wakkere zielen in staat stellen om het
+lijden van anderen dieper te gevoelen, zij kan in hen het verlangen
+wekken, om het leed van anderen door blijmoedige zelfopoffering te
+lenigen. Wie smart en beproevingen bij ervaring kent, die geniet
+voorspoed en geluk met dubbele vreugde; de lijdende leert ook het
+geringste levensgenot te waardeeren. Maar gij? Reeds lang heb ik mij
+trachten aan te gorden, om het u te zeggen--gij trekt uit de smart
+geen voordeel, omdat gij haar in uzelve opsluit, als kostbare zaden,
+die men in een zilveren doos bij zich draagt. Men moet ze aan de
+aarde toevertrouwen, opdat ze ontkiemen en vruchten dragen. Doch
+ik wil niet berispen, ik verlang alleen te raden als uw trouwste
+en beste vriend. Leer u toch een lid te gevoelen van het lichaam,
+waaraan het lot u nu eenmaal heeft toegevoegd, het moge u bevallen
+of niet. Wees erop bedacht aan dat lichaam de diensten te bewijzen,
+waartoe uw aanleg u in staat stelt. Gij zult wel ontdekken in welk
+opzicht gij dat doen kunt; het zal u gelukken iets voor dat lichaam te
+zijn, en dan opent gij de doos en met verbazing en blijdschap zult gij
+waarnemen, dat de zaadkorrel, die gij in de aarde strooit, opschiet,
+dat hij bloeit en vruchten geeft, waaruit brood gemaakt kan worden
+of artsenij voor u en anderen! Laat dan, gelijk in den bijbel staat,
+de dooden hunne dooden begraven, en wijd aan de levenden de rijke
+krachten, de schoone gaven, die als het erfdeel van een aanzienlijken
+vader en eene edele moeder, ja, van eene eerbiedwaardige rij van
+voorvaderen op de waardige kleindochter zijn overgegaan. Dan zult
+gij wedervinden wat gij verloren hebt: de vreugde namelijk over een
+bestaan, dat wij mogen genieten, waarmede wij ons voordeel hebben
+te doen, omdat het ons eene verplichting oplegt, die wij maar eens
+in staat zijn te vervullen. De goede voorzienigheid heeft u boven
+duizenden met gaven toegerust om bemind te worden, en wanneer gij
+niet vergeet, dat gij haar daarvoor dank schuldig zijt, dan zullen
+de harten, die zeker niet aangetrokken worden door een boom, welke
+zich kunstmatig omgeeft met afwerende stekels of de twijgen laat
+hangen gelijk de treurwilgen aan den Nijl, zich voor u openen, en
+gij zult een nieuw leven beginnen, gelukkig voor uzelve en gelukkig
+voor anderen. Gij zult een doodsch en eenzaam bestaan, dat gij hier
+voortsleept tot niemands vreugde en allerminst tot uwe eigene,
+veranderen in een vruchtbaar leven, dat uzelve voldoening geeft,
+dat als het zonlicht geluk en zegen rondom zich verspreidt. Wanneer
+gij hier gekomen zijt om deze beklagenswaardige zieken te verplegen,
+dan hebt gij reeds de eerste schrede gezet op den nieuwen weg tot uw
+waarachtig geluk, dien ik u wijzen wil. Ik had u hier niet verwacht,
+maar ik ben u dankbaar dat gij gekomen zijt, omdat ik weet dat het
+binnentreden door deze deur u op den weg kan brengen tot eene nieuw
+ontwaakte levenslust, wanneer gij vastbesloten zijt dien weg te
+betreden. Dan zoudt gij, goddank, gered zijn!"
+
+Na deze woorden stond de arts op, en terwijl hij de zweetparelen
+van zijn voorhoofd droogde, zag hij angstig naar Paula, die zwaar
+ademhaalde, en zoo ontsteld en besluiteloos, als hij haar nog nooit
+gezien had, op hare plaats was blijven zitten. Zij liet haar voorhoofd
+op hare hand rusten en staarde zwijgend in haar schoot, als worstelde
+zij tegen een gevoel van smart. De jonge man sloeg de armen over
+elkander als een arbeider, wiens handen verstijven in den kouden
+wintertijd, en zeide pijnlijk bewogen: "Ja, ik heb het uitgesproken
+en gevoel er geen berouw over dat het gebeurd is, maar wat ik vreesde,
+dat zie ik nu gebeuren. Ik zal de beste vreugde moeten verliezen, die
+mij verkwikte bij mijn dagelijkschen arbeid. Het is een schoon gebod:
+Plato lief te hebben, maar meer nog dan Plato de waarheid; doch wie het
+opvolgt moet er op voorbereid zijn, dat die waarheid de vrienden uit
+de onaangename nabijheid van den armen apostel der waarheid wegjaagt."
+
+Dit hoorende rees Paula op, en gehoor gevende aan de inspraak van haar
+edel gemoed, stak zij den arts hartelijk de rechterhand toe. Hij greep
+haar met beide handen, drukte haar zoo stevig, dat het der jonkvrouw
+bijna pijn deed, en sprak met vochtige van blijdschap stralende oogen:
+"Dat had ik gehoopt; dat is goed, dat is edel! Mocht ik toch uw broeder
+zijn, voortreffelijk meisje! Komaan, zoo onder ééne verpleging, dan
+kan dat arme, waanzinnige, zwaar gewonde, schoone schepseltje daar
+onder de uwe genezen!"
+
+"Ik kom," antwoordde zij met warmte, en daar lag iets gezonds,
+iets opwekkends in haar wezen, toen zij naar het ziekenvertrek
+toeliep. Doch halverwege veranderde de uitdrukking van haar gelaat,
+en na een oogenblik nadenken deed zij de vraag: "Aangenomen dat wij
+haar doen herstellen: waartoe zal dit goed voor haar zijn?"
+
+"Daarvoor, dat zij ademt en het zonlicht mag genieten," antwoordde
+de arts, "dat zij u dankbaar kan zijn en eindelijk weder voor hare
+samenleving doen kan wat zij vermag, dat zij, alles saamgenomen,--dat
+zij leeft! Want te leven--mocht gij het met mij gevoelen en
+ervaren!--te leven is toch het hoogste."
+
+Paula zag den man, die met zooveel geestdrift had gesproken, verbaasd
+in het leelijk aangezicht. Welk eene blijdschap straalde haar daaruit
+tegen! Niemand had op dit oogenblik durven beweren, dat het niet fraai
+was en alle aantrekkelijkheid ontbeerde. Hij geloofde aan hetgeen
+hij met zooveel warmte had gezegd, en toch was het in tegenspraak
+met de zienswijze, die hij nog gisteren was toegedaan en zoo vaak had
+verdedigd, dat namelijk het leven op zichzelf beschouwd een ellendig
+ding is voor ieder, die het niet krachtig weet aan te grijpen om er
+iets goeds van te maken. Op dit oogenblik was het voor hem werkelijk
+het hoogste.
+
+De jonkvrouw ging hem voor en zijn oog hing aan haar als dat van
+den vromen pelgrim aan het heiligenbeeld, waarheen hij met doorwonde
+voeten ter bedevaart ging over berg en dal. Zij naderden thans het bed
+van de kranke. De non ging voor hem uit den weg en maakte hare eigene
+gevolgtrekkingen over de verandering in het voorkomen van den arts,
+en de zalige, kinderlijke blijdschap, waarmede hij Paula verklaarde
+waarin het gevaar voor de kranke lag, welk plan hij gemaakt had om
+het arme schepseltje te redden, hoe zij de compressen moest maken en
+de geneesmiddelen toedienen, en hoe noodig het was, zoolang de koorts
+aanhield, met de schijnvoorstellingen van de waanzinnige mede te gaan
+en te doen alsof het verstandige denkbeelden waren.
+
+Ten laatste moest hij zich verwijderen om andere kranken te
+bezoeken. Paula bleef aan het hoofdeinde van het ziekbed zitten en keek
+de ongelukkige in het aangezicht. Wat was zij schoon! En deze roos
+had Orion als knaap gebroken en smadelijk vertreden! Dit meisje had
+zeker hetzelfde voor hem gevoeld als zij. En thans? Zou zij niets meer
+voor hem voelen dan haat, of zou haar hart zich, evenals haar eigen,
+ondanks toorn en minachting, toch niet geheel vrij hebben kunnen maken
+van de betoovering, waarin hij het eenmaal had gevangen? Doch wat was
+dit eene zwakke gevoeligheid! Zijne vijandin wilde en moest zij zijn!
+
+En nu sloeg zij nadenkend een blik op dat ijdele, ledige leven,
+hetwelk zij sedert eenige jaren had geleid. De arts had waarlijk den
+vinger op den wond gelegd; ja, hij was eer te zacht dan te streng
+geweest. Zij wilde thans beginnen hare kracht nuttig te gebruiken;
+maar hoe, op welke wijze, hier onder deze menschen? Hoe straalde het
+gelaat van den armen Philippus van blijdschap, toen zij hem de hand
+had geboden, en hoe medeslepend was de stroom zijner woorden! "Hoe
+onjuist," dacht zij, "is toch de spreuk: het lichaam is de spiegel der
+ziel. Als dat opging moest Philippus er uitzien als Orion, en Orion
+als Philippus." Maar zou dan het hart van den eerste geheel verdorven
+zijn? Neen, dat was niet mogelijk, en alles in haar verzette zich
+tegen deze opvatting. Zij moest hem liefhebben of haten, hier was
+geen middenweg; maar beide gewaarwordingen worstelden en streden tegen
+elkander op pijnlijke wijze. De arts wilde een broeder voor haar zijn
+en bij de gedachte daaraan moest zij glimlachen. Zij zou misschien
+rustig en tevreden met hem, hare Betta en zijn ouden geleerden
+vriend en huisgenoot, van wien hij haar dikwijls verteld had, kunnen
+samenwonen, hem volgen bij zijne studiën, hem helpen bij zijn beroep
+en met hem vele wetenswaardige dingen bespreken. Zulk een leven, dat
+moest zij erkennen, zou duizendmaal te verkiezen zijn boven dat in
+de nabijheid van vrouw Neforis. Zij had een vriend in hem gevonden,
+en dat zij hem gaarne als zoodanig beschouwen wilde, daarin lag zeker
+de eerste vervulling zijner belofte, want het toonde dat haar hart nog
+altijd bereid was om zich voor dat van een ander vriendelijk te openen.
+
+Te midden van al deze overwegingen vervulde haar nog altijd de
+bezorgdheid voor den bedreigden Hiram, en daarbij drukte haar
+loodzwaar de overweging dat, als het tusschen haar en Orion tot
+het uiterste kwam, het gedaan was met haar verblijf in het huis
+van den stadhouder. Hoe vaak had zij niets vuriger gewenscht dan
+deze omgeving te kunnen verlaten, maar heden zag zij er tegen op,
+want te scheiden van den oom sloot tevens in voor goed afscheid te
+nemen van diens zoon. Zij haatte hem, maar hem geheel uit het oog te
+verliezen, dat zou haar bitter zwaar vallen. Philippus te volgen om
+hem als eene zuster ter zijde te staan, dat scheen haar ondenkbaar
+en ten eene male verkeerd.
+
+Onder al deze overwegingen luisterde zij naar de ademhaling der kranke
+en behandelde haar naar het voorschrift van den arts, wiens terugkomst
+zij met verlangen te gemoet zag. Doch in zijne plaats kwam de non bij
+het bed, legde de hand op het voorhoofd van het zieke meisje, voelde
+haar den pols en fluisterde haar vriendelijk toe, zonder op Paula
+acht te geven: "Goed zoo, mijn kind, maar slapen, altijd slapen! Hoe
+zij toch zoo rusten kan! Moge het zoo blijven! Het hoofd is koeler
+geworden; Philippus zou zeker zeggen: bijna geen koorts meer! God
+zij gedankt, het ergste gevaar is zeker voorbij."
+
+"O, hoe verheugt mij dit!" zeide de jonkvrouw, en in die woorden lag
+zooveel oprechtheid en warmte, dat de non haar toeknikte en haar van
+nu aan de kranke gerust en gewillig overliet.
+
+In lang had Paula zich niet zoo gelukkig gevoeld. Het kwam haar voor,
+alsof hare tegenwoordigheid eene goede uitwerking had op de kranke,
+als ware Mandane door hare korte verpleging reeds op den drempel van
+een nieuw leven gekomen. Paula, die zich nog kort geleden voor een door
+het noodlot vervolgd schepsel hield, herademde bij de gedachte, dat
+zij ook geluk kon aanbrengen. Vroolijk en met oprechte teederheid zag
+zij Mandane in het meer dan lieftallige gelaat, schikte het verband,
+dat wat verschoven was, zorgvuldig over de verminkte ooren en drukte
+zacht een kus op hare lange zijden wimpers. De Damasceensche begon
+aan de verstandige non meer en meer te bevallen, en toen het uur voor
+het gebed weder daar was, nam zij Paula, de wees in het vreemde huis,
+de Griekin die overeenkomstig Gods ondoorgrondelijk raadsbesluit
+buiten haar zaligmakend geloof was geboren, mede daarin op.
+
+Eindelijk keerde Philippus terug, verheugde zich over het blijmoedige
+uitzicht van zijne nieuwe vriendin en bevestigde, dat Mandane onder
+hare behandeling het ergste gevaar te boven was gekomen, en haar
+toestand allen grond gaf om te verwachten, dat zij langzaam, zoo hij
+hoopte geheel zou herstellen.
+
+Nadat Paula het compres ververscht had, waarbij hij haar met opzet
+de handen vrij liet, zeide hij opgewekt: "Wat hebt gij deze dingen
+spoedig aangeleerd! Ziedaar, het meisje slaapt alweer, de liefdezuster
+waakt en wij kunnen onze patiënte voor het oogenblik niet van dienst
+zijn, want eene zachte sluimering is voor haar beter dan eten of
+drinken. Bij ons beiden, ten minste bij mij, is het anders. Er moeten
+nog wel twee uren verloopen voor den grooten maaltijd, mijn ontbijt
+staat daarginds nog onaangeroerd, en met het uwe zal het wel niet
+anders gelegen zijn, wees dus mijn gast. Zij sturen altijd zooveel,
+dat men zes scheepssjouwers er mee verzadigen kan."
+
+Dit voorstel was Paula niet onwelkom, want de honger had reeds lang
+bij haar aangeklopt. Aan de non werd opgedragen spoedig nog een paar
+borden te halen, aan bokalen was overigens geen gebrek, en zoo zaten
+de nieuwe vrienden weldra etende tegenover elkander, ieder aan zijn
+tafeltje. Hij sneed de eend voor en de gebradene kwartels, diende haar
+van de salade en de dampende artisjokken, die de non op verlangen van
+den kok, wiens eenig knaapje de arts had gered, mede boven gebracht
+had, wees op de kleine pasteitjes, de vruchten en koeken, die ook
+nog daar waren, vervulde de rol van schenker, en terwijl zij het zich
+goed lieten smaken, ontspon zich tusschen hen een levendig gesprek.
+
+Paula vroeg heden voor het eerst naar de jeugd van Philippus, en hij
+begon met een tafereel op te hangen van zijn tegenwoordig leven,
+dat hij met den ouden wonderlijken Isis-dienaar en onderzoeker
+Horus Apollon deelde, schilderde zijn ingespannen arbeid overdag en
+zijne stille studiën des nachts, en wist dit alles zoo geestig op
+te sieren, dat zij vaak luide moest lachen. Maar weldra kreeg zijn
+verhaal eene weemoedige tint, toen hij haar mededeelde hoe vroeg
+hij vader en moeder had verloren, zoodat hij, zonder bloedverwanten,
+op eigen voeten moest staan met niet anders dan een armzalig geërfd
+kapitaaltje. Want zijn vader was een taalgeleerde geweest, die uit
+Athene naar Alexandrië was geroepen, en hij had zich gedwongen gezien
+zichzelven een weg door het leven te banen, dat er voor hem uitzag als
+een verwilderd bosch van papyrusriet en biezen. Ieder uur van zijn
+leven moest aan den arbeid worden besteed, en zulk een leelijke,
+lange Goliath als hij was, had niet zoo gemakkelijk beschermers
+gevonden, die hem voorthielpen. Aan de hoogescholen te Alexandrië,
+Athene en Caesarea had hij door onderricht te geven en door het
+bereiden van geneesmiddelen uit planten, die hij zelf had gezocht,
+zich in het leven trachten te houden met water in plaats van wijn,
+met brood en vruchten in plaats van kwartels en pasteien. Toch had
+hij menig goed vriend gevonden, maar zich eene vriendin te verwerven,
+dat ging niet gemakkelijk met een gezicht als het zijne.
+
+"Zoo ben ik dan wel de eerste?" vroeg Paula, die oprechte achting
+gevoelde voor den man, die zich door zijne eigene kracht had opgewerkt
+tot de hooge plaats, welke hij sedert lang niet enkel te Memphis maar
+onder alle Egyptische heelmeesters innam.
+
+Hij knikte toestemmend en met zulk een zalig lachje, dat het haar
+was als viel er een zonnestraal in hare ziel.
+
+Hij bemerkte het terstond, hief zijn beker op en zeide tot haar met
+hoogroode wangen: "Wat anderen vroeg ten deel valt, heb ik eerst later
+verworven, maar daarvoor vind ik ook eene vriendin zonder weerga."
+
+"Ik hoop althans dat zij nog niet zoo slecht is, als gij haar zooeven
+hebt geteekend. Als onzen vriendschapsbond maar niet een spoedig
+einde bedreigt!"
+
+"Oho," riep de arts; "elke bloeddruppel in deze aderen..."
+
+"Zoudt gij bereid zijn voor mij te plengen," vulde Paula aan met
+een pathetisch gebaar, dat zij den eersten speler in de tragedie
+op het theater te Damascus had afgezien. "Maar wees niet bezorgd,
+er is geen sprake van leven of dood. Hoogstens jagen ze mij uit dit
+huis en uit Memphis."
+
+"U?" vroeg Philippus opeens met schrik. "Wie zou dat durven wagen?"
+
+"Zij, voor wie ik zoo zonderling vreemd bleef, gelijk gij straks zoo
+treffend hebt geschilderd. En hebben zij hun zin gekregen, dan, mijn
+beste nieuwe vriend, zal het ons gaan als den geleerden Dionusios
+van Kurene."
+
+"Van Kurene?"
+
+"Ja! Ik heb dat verhaal van mijn vader. Toen deze Dionusios zijn
+zoon naar Athene op de hoogeschool zond, zette hij zich neder om een
+boek voor hem te schrijven over alles wat een student op de academie
+doen en laten moet. Hij wijdde zich aan dezen arbeid met allen ijver,
+en toen hij na vier jaren onder het laatste blad van de rol schreef:
+'zoo is dan dit boek gelukkig ten einde,' keerde de jongeling, voor
+wiens studie dit werk een leiddraad moest zijn, als een volmaakt
+geleerde naar Kurene terug."
+
+"En zoo hadden wij onze vriendschap gesloten...."
+
+"En alles voor een vaster verbond in de toekomst voorbereid, om weldra
+uit elkander te gaan."
+
+Plotseling sloeg Philippus met de vuist op het tafeltje, dat voor de
+rustbank stond, en riep: "Dat zal ik weten te beletten! Doch wilt ge
+mij in vertrouwen mededeelen, wat er tusschen u en die hier beneden
+weder heeft plaats gehad?"
+
+"Gij zult het tijdig genoeg vernemen."
+
+"En wie denkt, dat men u zonder komplimenten den stoel voor de deur
+kan zetten, en dat daarmee ook alles tusschen ons uit is, die zou zich
+kunnen vergissen!" hernam de arts, terwijl zijne oogen fonkelden van
+toorn. "Ik heb hier in huis ook een woordje mee te spreken, en zoo
+ver zijn wij nog lang niet, zoo ver zal het stellig niet komen. Gij
+moet hen verlaten, ja, dat moet gij, maar alleen vrijwillig en met
+opgerichten hoofde.."
+
+Daar werd de deur van het eerste ziekenvertrek driftig geopend en
+een oogenblik later stond Orion op den drempel van de aangrenzende
+zaal, zag beiden, die zooeven hun maal geëindigd hadden, met groote
+bevreemding aan en zeide somber: "Ik zie dat ik u stoor."
+
+"Volstrekt niet," antwoordde de arts. Doch de jongeling begreep
+dat het laf en te dezer plaatse weinig voegzaam zou zijn, indien
+hij aan een aanval van ijverzucht lucht gaf, en antwoordde lachend:
+"Ik wenschte dat het mij geoorloofd was geweest als derde aan dit
+sumposion deel te nemen!"
+
+"Wij hadden aan elkander volkomen genoeg," antwoordde de arts.
+
+"Hij zou van de zaligheid zeker zijn, die aan alle leerstukken van
+de kerk zoo gemakkelijk gelooven kon als aan deze bewering," zeide
+Orion, lachend. "Ik ben anders geen spelbreker, geëerde vrienden, maar
+ditmaal, het doet mij oprecht leed, moet ik toch een rustverstoorder
+zijn. Het betreft," en nu gevoelde hij zich weder in staat den
+schertsenden toon te laten varen, die zoo slecht te rijmen was met
+zijne stemming--"het betreft eene zeer gewichtige zaak. Het geldt
+niemand minder dan uw vrijgelatene, mijne schoone jonkvrouw."
+
+"Is Hiram terug?" vroeg Paula, en zij gevoelde daarbij dat zij
+bleek werd.
+
+"Zij hebben hem opgebracht," hernam Orion. "Mijn vader heeft de
+rechters terstond doen samenroepen. De gerechtigheid heeft bij ons
+vlugge beenen, het doet mij leed voor den man, doch ik kan niet
+verhinderen dat het recht zijn loop heeft. Ik moet u verzoeken bij
+het verhoor tegenwoordig te zijn als men u roept."
+
+"Men zal de volle waarheid vernemen," antwoordde Paula op vasten
+strengen toon.
+
+"Natuurlijk," hernam Orion. Daarop wendde hij zich tot den arts. "U,
+voortreffelijke arts, zou ik willen verzoeken mijne verwante en
+mij een oogenblik alleen te laten. Ik heb haar een raad te geven,
+die haar zeker voordeelig kan zijn."
+
+Philippus zag zijne vriendin vragend aan, zij antwoordde echter
+luide en beslist: "Ik heb met u geene geheimen, wat ik vernemen moet,
+mag ook deze hooren."
+
+Orion haalde de schouders op en deed als wilde hij heengaan; doch
+voor den drempel keerde hij zich om en zeide gejaagd, vol werkelijke
+bezorgdheid: "Wanneer gij mij niet hooren wilt om uwentwil, zoo doe
+het, hoe kwalijk ge mij ook gezind zijt, omdat ik u smeek mij deze
+gunst niet te ontzeggen. Hier staat het leven van een mensch op
+het spel en het geluk, de zielsrust van een ander.--Zeg niet neen,
+ik vraag niets onbillijks, Philippus! Vervul mijn wensch en laat ons
+eenige oogenblikken alleen."
+
+Andermaal vroegen de oogen van den arts aan de jonkvrouw wat te doen,
+en ditmaal antwoordde zij: "Ga!" waarop haar vriend zich dadelijk
+verwijderde.
+
+Terstond daarop sloot Orion de deur en zeide, terwijl zijne borst
+hijgde: "Wat heb ik u toch gedaan, Paula, dat ge mij sedert gisteren
+vliedt als een melaatsche, dat gij het er op toelegt mij in het
+verderf te storten?"
+
+"Ik wil mij voor het leven van een trouw dienaar in de bres stellen,
+meer niets," antwoordde zij gelaten.
+
+"Op het gevaar af mij ongelukkig te maken?" vroeg Orion bitter.
+
+"Ja, op dit gevaar af, als gij den vloekwaardigen moed hebt uwe eigene
+schuld op de schouders te laden van dezen eerlijken man."
+
+"Gij hebt mij in den afgeloopen nacht bespied!"
+
+"Alleen het toeval heeft gewild, dat ik u uit het tablinum..."
+
+"Ik onderzoek thans niet wat u zoo laat daarheen voerde," zeide de
+jongeling haar in de rede vallende. "Want het stuit mij tegen de
+borst van u iets anders dan het beste, het reinste te gelooven. Maar
+gij? Wat hebt gij anders van mij ondervonden dan vriendschap, ja--het
+zou dwaasheid zijn hier iets te verbergen--dan wat een minnaar zijne
+geliefde....."
+
+"Zijne geliefde?" viel Paula verstoord in. "Een minnaar, durft gij te
+zeggen, gij die hand en hart aan eene andere hadt geschonken, gij...."
+
+"Wie heeft u dat gezegd?" vroeg Orion verslagen.
+
+"Uwe eigene moeder."
+
+"Dat! dat is het dus!" riep de jongeling, terwijl hij de handen
+krampachtig in elkander wrong. "Nu eerst versta ik, begrijp
+ik.... Maar wacht... Als het dat is wat u aandrijft om mij te haten,
+mij te vervolgen, dan moet gij mij liefhebben, dan hebt gij mij lief,
+meisje, en dan, gij fiere, eenige jonkvrouw..."
+
+Bij deze woorden had hij de hand naar haar uitgestoken, maar zij stiet
+hem terug en sprak met bevende stem: "Vergis u niet! Ik behoor niet
+tot de zwakke lammeren, voor wie gij uwe gaven en voorrechten misbruikt
+hebt, en die zich beijverden u de handen te kussen. Ik ben de dochter
+van Thomas, en de bruidegom van een ander die mij op den weg ter
+bruiloft nog zou willen omarmen, die zal tot zijne schade ondervinden
+dat er vrouwen zijn, die zijne waanzinnige wenschen afwijzen en den
+smaad haar toegedacht weten te straffen. Ga nu tot uwe rechters! Gij
+valsche aanklager, noemt mijn Hiram; maar ik noem u, u, den zoon van
+dit huis den dief. Laten wij zien wien zij gelooven zullen!"
+
+"Mij!" hernam Orion en zijne oogen begonnen een niet minder toornigen
+en verterenden gloed te vertoonen dan de hare. "Mij, den zoon van den
+Mukaukas! O, dat gij geene vrouw waart! Ik zou u op de knieën willen
+werpen en dwingen mij om vergeving te vragen. Hoe durft gij het wagen
+op een man, wiens wandel tot dusver zoo vlekkeloos rein was als uw
+blank gewaad, met den vinger te wijzen, alsof hij een nietswaardige
+was? Ja, ik ben in het tablinum gegaan, ik heb den smaragd uit het
+tapijt gerukt, maar het is in eene overmoedige luim geschied en in de
+overtuiging dat het goed mijns vaders ook het mijne is. Daarna heb ik
+den steen weggeslingerd, om aan de zonderlinge liefhebberij van een
+vluchtigen inval te voldoen. Vervloekt zij de ure waarin het geschied
+is, niet om de daad zelve, maar om de gevolgen, die zij na zich sleepen
+kan door uw waanzinnigen haat. IJverzucht, kleingeestige onwaardige
+ijverzucht is het die hem deed ontstaan! En tegen wien is hij gericht?"
+
+"Tegen niemand, ook niet tegen uwe bruid Katharina," zeide Paula
+met gedwongene kalmte. "Wat zijt gij nog voor mij, dat ik, om u eene
+deemoediging te besparen, het leven van den braafsten man op het spel
+zou zetten? Het blijft daarbij: de rechters mogen beslissen."
+
+"Neen, dat zullen zij niet!" herhaalde Orion met kracht, "ten minste
+niet in uw zin! Wees gewaarschuwd, pas op dat gij mij niet tot het
+uiterste drijft! Nog zie ik in u de vrouw die ik liefhad, nog bied
+ik mij aan om te doen wat in mijn vermogen is, om ook voor u alles
+ten beste te keeren..."
+
+"Voor mij? Ben ook ik dan bestemd uw schuld mede te dragen?"
+
+"Hebt gij zoo straks beneden het geblaf der honden vernomen?"
+
+"Ik hoorde honden keffen."
+
+"Welnu, de vrijgelatene is opgebracht, de jachthonden hebben hem
+door hun reuk gevonden en werden toen in huis en in de nabijheid van
+het tablinum gebracht, de honden zijn niet van den drempel geweken,
+en de lieden hebben daar later op den wit marmeren dorpel aan het
+rechter einde, de sporen van eens mans voet in het stof ontdekt. Die
+voet was op eene bijzondere wijze gevormd; in plaats van vijf teenen
+waren er maar drie te herkennen. Uw Hiram werd binnen gebracht en bij
+hem werden evenveel teenen gevonden als op het marmer, niet minder en
+niet meer. In den stal uws vaders heeft eene hengst hem vroeger op
+den voet getrapt en de arts hem twee zijner teenen moeten wegnemen;
+dat heeft men met moeite uit den stotteraar gekregen. Aan de andere
+zijde van den dorpel was een kleiner spoor; de honden mochten er
+weinig acht op geven, ik heb het opgemerkt en stellig uitgemaakt--hoe,
+behoeft gij niet te weten--dat gij het geweest zijt, die daar hebt
+gestaan. Hij, die geen recht heeft ons huis te betreden, is in dezen
+nacht ons tablinum, onze schatkamer binnengedrongen. Verplaats u
+in het gemoed van de rechters! Hoe zwaar kan wel tegenover zulke
+daadzaken het enkele woord van eene jonkvrouw wegen, van wie ieder
+weet dat zij het met mijne moeder alles behalve eens is, en die alles
+op het spel moet zetten om haar dienaar te redden."
+
+"Dit alles doet er niets toe," zeide Paula. "Maar Hiram heeft den steen
+niet gestolen. Gij zelf weet het al te goed wie het gedaan heeft. De
+smaragd, dien hij verkocht, was mijn eigendom, en al gelijken die
+beide steenen zoo op elkander, dat zelfs de verkooper....."
+
+"Ja, ja, hij kon ze niet onderscheiden. Booze demonen zijn bij dit
+alles in het spel, duivelsche, helsche geesten. Mijn verstand zou er
+bij stilstaan, als het leven niet zoo vol van wonderen was. Gijzelve
+zijt wel het grootste wonder! Hebt gij den Syriër gelast den smaragd
+te koop te bieden, om met het geld uit dit huis te vluchten?--Gij
+zwijgt? Dus heb ik het geraden. Wat geeft gij om mijn vader! Mijne
+moeder hebt gij niet lief, en den zoon--Paula, Paula, misschien
+doet gij hem toch onrecht!--Gij haat hem, het is u een lust hem
+te benadeelen."
+
+"Noch u, noch niemand anders wil ik kwaad doen," antwoordde het meisje,
+"en uw vermoeden is valsch. Uw vader ontzegt mij de hulpmiddelen om
+den mijnen te zoeken...."
+
+"En gij hebt u geld willen verschaffen, om verder onderzoek te doen
+naar den sedert lang gestorvene. Zelfs mijne moeder stemt toe, dat
+gij de waarheid liefhebt. Heeft zij gelijk en schept gij er waarlijk
+geen behagen in mij in het verderf te storten, hoor dan naar mij,
+volg mijn raad, vervul mijne bede! Ik vraag niet te veel."
+
+"Spreek dan!"
+
+"Weet gij wat de eer voor een man beteekent? Behoef ik u te zeggen dat
+ik een verloren, een geschandvlekt man ben, wanneer ik om deze daad
+van de meest hersenlooze lichtzinnigheid door de rechters van mijn
+eigen huis word veroordeeld? Het kan mijn vader het leven kosten,
+als hij verneemt dat het 'schuldig' over mij wordt uitgesproken, en
+ik--ik--wat er van mij worden zal als dat geschieden moet, dat kan
+ik niet indenken.... Ik.... God, God, behoed mij voor waanzin! Maar
+bedaard, bedaard, de tijd dringt.... Hoe anders staat het met uw
+dienaar; hij schijnt reeds nu bereid de schuld op zich te nemen,
+want hoe men hem ook ondervraagt, hij bewaart het stilzwijgen. Doe
+hetzelfde, en leggen de rechters bijzonderen nadruk op het onderhoud,
+dat gij dien nacht met den Syriër hebt gehad--de honden hebben zijn
+spoor gevonden op uwe trap--spreek dan het vermoeden uit, dat de trouwe
+man zich van den smaragd kan hebben meester gemaakt, ten einde aan
+uw verlangen te voldoen tot het doen van verdere nasporingen naar uw
+vader, zijn geliefden meester. Kunt gij besluiten dit zware offer te
+brengen--helaas, dat ik het vragen moet!--dan zweer ik u bij alles
+wat mij heilig is, bij uzelve en bij het hoofd mijns vaders, dat ik
+Hiram uiterlijk binnen drie dagen, ongeslagen en ongefolterd, met een
+vorstelijk geschenk uit de gevangenis ontsla, en dat ikzelf hem den
+weg zal banen om te vluchten waarheen hij wil, of als gij dit begeert,
+om verder te zoeken naar uw overleden vader.--Zwijg dus, houd u gelaten
+op den achtergrond, dat is alles wat ik verlang, en dat ik woord zal
+houden, daaraan ten minste, niet waar, daaraan twijfelt gij niet?"
+
+Diep bewogen had zij hem aangehoord. Zij had medelijden, innig
+medelijden met hem, zooals hij daar smeekend en door gewetenswroeging
+gemarteld voor haar stond, als een misdadiger die nog maar altijd niet
+begrijpen kon dat hij het was, en die bouwde op het vertrouwen, dat
+hij gisteren nog gerechtigd was van iedereen te vorderen. Hij stond
+daar voor haar als een schoone, trotsche boom, waarin de bliksem was
+geslagen en die nu waggelend en met gespleten stam bij een volgend
+onweder ter aarde moet vallen, als de hovenier hem niet stut. Het
+liefst zou zij alles wat haar door hem aangedaan was vergeten en zijne
+hand vriendelijk gegrepen hebben om hem te troosten, maar haar diep
+gekrenkte trots deed haar de koele ontwijkende houding bewaren, die
+zij tot hiertoe tegenover hem had kunnen aannemen. Aarzelend en met
+afgemeten woorden stemde zij toe te zullen zwijgen, zoolang hij woord
+hield. Niet zoozeer om zijn maar om zijns vaders wil was zij bereid
+zich tot medeplichtige te maken. Doch daarmede was alles tusschen
+hen uit, en zij zou de ure zegenen, die haar voor eeuwig van hem en
+de zijnen zou scheiden.
+
+Dit laatste gedeelte van haar antwoord klonk bijzonder hard en
+afwijzend, en zij moest op zulk een toon spreken om niet te verraden
+hoe diep zijn ongeluk en het ondergaan van den zonneschijn in zijn
+persoon, die ook een wijle haar gemoed zoo zalig had verwarmd, haar
+aangreep; doch voor hem was het of in die woorden, waaruit ergerlijke
+minachting en vijandige gezindheid schenen te spreken, een ijskoude
+wind hem tegenwoei. Hij had moeite om zichzelven meester te blijven,
+ten einde niet andermaal zich te laten medesleepen tot een heftigen
+uitval. Het deed hem bijna leed haar zijn geheim toevertrouwd, haar
+om genade gebeden, aan de zaak niet haar loop gelaten en haar, als
+het tot een uiterste was gekomen, met zich in het verderf gesleurd te
+hebben. Liever wilde hij eer en rust prijsgeven, dan zich andermaal te
+verootmoedigen voor deze vijandin zonder erbarmen, met zulk een ijskoud
+hart. Op dit oogenblik haatte hij haar werkelijk, en hij wenschte wel
+met haar een tweegevecht te kunnen aangaan, om haar trots te breken en
+de verwonnene om genade smeekende aan zijne voeten te zien. Terwijl
+het bloed hem naar het aangezicht steeg, bracht hij met moeite ten
+laatste deze woorden uit: "Van u te scheiden, van u, is voor ons
+allen het beste. Houd u gereed, weldra zullen de rechters u roepen."
+
+"Goed," luidde het antwoord, "ik zwijg, en gij zorgt voor de redding
+van den Syriër; ik heb uw woord!"
+
+"En zoolang gij het uwe getrouw blijft, zal ik het houden; anders,"
+luidde het van zijne van woede trillende lippen, "anders strijd tot
+met het staal!"
+
+"Tot met het staal!" herhaalde zij met fonkelende oogen. "Nog eens
+zeg ik u, ik heb bewijzen dat de smaragd, dien men bij Hiram heeft
+gevonden, aan mij behoort; bij alle heiligen, die heb ik!"
+
+"Des te beter voor u," hernam hij op somberen toon, "wee over ons
+beiden, als gij mij dwingt te vergeten dat gij eene vrouw zijt!" Daarop
+verliet hij met haastige schreden de zaal.
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het
+was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er
+van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw,
+die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen,
+de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens
+ergens gelezen: "Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander
+weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van
+zijn gewaad." Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere
+die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht
+had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de
+grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen
+noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te
+straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een
+veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen
+hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren
+kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan;
+als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte,
+was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de
+sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze
+zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs
+den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde
+niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met
+onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed
+gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. "De gouden munt
+der liefde," zeide hij tot zichzelven, "heeft twee zijden: teeder
+verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde,
+maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen
+zijn, wanneer men haar laat klinken geeft zij toch maar éen toon,
+en die toon ligt ook in hare beleedigende taal."
+
+Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig,
+want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem.
+
+Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten,
+was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan
+zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers
+Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen
+van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten
+den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George
+boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in
+Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie
+vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude
+bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des
+huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was,
+eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George
+was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool
+door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd
+van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om
+zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds
+een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder
+in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden.
+
+De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en
+rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof,
+dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond
+uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt
+van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon
+was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid
+had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd
+Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar
+heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen
+en het onderzoek te leiden.
+
+De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het
+slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als
+teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet
+zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling
+op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden
+gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak
+in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van
+den Arabischen koopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion,
+indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem
+de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig
+heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou
+billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot,
+maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees
+het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter
+gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem
+voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne
+geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte
+en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering
+uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij
+beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan
+hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus--aldus beginnen moest.
+
+Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe
+Hiram te redden en Paula's naam liefst geheel buiten de zaak te
+houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor
+den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den
+rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de
+weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen,
+en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen,
+dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres,
+en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den
+smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was
+het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de
+dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht
+wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk!
+
+Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden
+deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het
+tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen
+bewaard werden, en haar daar tot nader order goed te bewaken. De toon
+waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster
+niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod,
+om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig
+in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit
+gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op
+zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne
+neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank
+uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld.
+
+Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks
+de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was
+de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor
+de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der
+zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten
+en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen
+toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord,
+schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar
+nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij,
+om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze
+zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster
+duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de
+langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht,
+goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen
+had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had
+zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en
+het eenige wat hij ondernemen kon om Paula's verraad onschadelijk te
+maken, het was--hij kon het niet loochenen--het was wel ongehoord en
+stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde
+en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon
+onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een
+kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen
+van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette
+om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het
+voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen
+en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de
+arena verbrijzelen!
+
+Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den
+deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt
+bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem
+om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion
+was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen,
+en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in
+diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk
+afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd,
+had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het
+zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in
+Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen
+van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden
+voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en
+van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos
+thans fluks de zoodanigen uit, die hij meende noodig te hebben. Op
+de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij
+gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag
+vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de
+borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap.
+
+"Voorwaarts, altijd voorwaarts!" riep hij zichzelven toe, toen
+hij Paula's kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de
+knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben
+gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer
+was gegaan om dezen ruiker te brengen.
+
+"Voorwaarts, steeds voorwaarts!" dacht hij altijd, terwijl hij
+de scharnieren losschroefde, waarmede het deksel aan de kist was
+verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar
+het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken,
+want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te
+vernielen. Daar lichtte hij het deksel en--als ondersteunden hem
+vriendelijke machten--bij den eersten greep in de kist hield hij de
+halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing
+aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te
+steken was het werk van een oogenblik.
+
+Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het "voorwaarts" nog zoo
+luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar,
+die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben
+overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had. "Neen,
+dat, dat..."
+
+Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd,
+eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze
+ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij
+haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen
+te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit
+kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit
+den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in
+Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen
+bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een
+half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde
+Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem
+dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het
+armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde,
+maar het weder aanschroeven van de scharnieren vorderde meer tijd,
+want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam,
+waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller
+klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot
+kalme overweging te dwingen.
+
+Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de
+lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde
+zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het
+noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke
+zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de
+hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was,
+vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende,
+en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof,
+die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar
+den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder
+acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw
+hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter
+terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen.
+
+Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester
+Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader,
+maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te
+bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen
+hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote
+woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde
+zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit
+de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd
+was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief
+afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in
+bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van
+Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording
+aan te voeren wat hij vermocht.
+
+Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te
+brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven
+te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne
+rechtvaardiging in het midden willen brengen.
+
+Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp
+het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters
+keerende: "Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons
+huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare
+voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is
+om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt
+laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de
+verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden,
+om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde
+gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenige wat haar
+uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet
+verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van
+een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht
+te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk
+is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of
+heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste
+van den vrijgelatene aanvoerde?"
+
+"Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling
+gedaan," antwoordde de rentmeester, "maar ik vermag haar toch niet
+zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed
+zou zijn de vrouw te laten voorkomen."
+
+"Men brenge haar voor," beval Orion, terwijl hij over de hoofden der
+rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde.
+
+Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude
+vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd
+binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan,
+omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om
+zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen,
+door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had
+laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman
+helaas in verdenking was gekomen.
+
+Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters
+gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen
+tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had
+Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor
+hem op tafel lag, en zeide driftig en verstoord: "Dus zou een steen,
+die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen,
+verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in
+het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een
+dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage
+nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven
+dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord
+'bakersprookjes' in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het
+midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag
+men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide,
+maar zijn geloofsgenoot Gamaliël"--waarbij hij zich tot den juwelier
+wendde, die op de bank der getuigen zat,--"zeker niet, en nog minder
+mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft
+zich vernederd om met behulp van deze kunstenares in het weven dit
+sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde
+ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te
+redden van gevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak
+in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?"
+
+De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor
+hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit
+zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid
+tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in
+de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van
+geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid
+had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten,
+zou dit ten overvloede kunnen bewijzen.
+
+Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres
+te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk
+was geworden, en zeide tot den rentmeester: "Geleid haar, Nilus! Een
+dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve
+voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud
+kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want
+niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u,
+heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is
+zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken
+maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng
+haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan
+eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt."
+
+Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de
+rechtzaal met haastige, rustelooze schreden. Maar eens bleef hij voor
+de rechters staan, zeggende: "Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd
+gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik
+zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te
+verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank
+op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van...." Hij
+ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en
+zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort.
+
+"Hij is nog een nieuweling," dachten de rechters, die zijne groote
+gejaagdheid opmerkten, "anders zou hij zich de dwaze poging om een
+aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door
+zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen."
+
+Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen
+van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging
+en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgens noodigde hij Nilus
+uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van
+de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne
+meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen
+smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk
+aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te
+goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij
+de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal
+door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij--en
+hier verhief hij zijne stem--zou het passender gevonden hebben,
+en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond,
+wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten
+gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn
+geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij
+hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar
+afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben;
+want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.
+
+De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten,
+en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd,
+volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken
+te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze
+aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar
+in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest
+in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan;
+maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij
+zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van
+zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche
+getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij
+niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig
+hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De
+strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik
+gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord
+van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed
+kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem
+te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor
+eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid,
+en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder
+toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die
+strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de
+halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare
+overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak,
+doch meer beangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor
+het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover
+zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen
+lijf en leven te beschermen.
+
+Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds
+wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten
+verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar,
+die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had
+gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den
+redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met
+Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen,
+dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te
+onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.
+
+Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij
+doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de
+aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote
+rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende
+nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen
+gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen,
+alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula
+echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen
+sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en
+daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware
+dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: "Open de
+kist!," toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed
+harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen,
+het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien
+omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk
+was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem,
+maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar,
+en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig
+in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij
+bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja,
+vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen,
+door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen
+en gebroken om genade smeekt.
+
+Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde
+de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij
+hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een
+akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou
+gewenscht hebben zoo iets nooit meer te hooren.--Daar wierp zij het
+halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: "Schandelijk,
+laaghartig!" trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast;
+want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het
+punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te
+ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik
+zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef
+staan en de hand op zijn hart drukte.--En deze laaghartige daad,
+die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een
+glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte,
+tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?
+
+Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een
+zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij
+der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de
+bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank
+zitting had, uitriep: "Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de
+heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het
+aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen,
+'de gouden ezel' geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas,
+wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden
+halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding"--en hij wees
+hierbij op den gesneden steen--"dat groene duivenei gezeten hebben?"
+
+"Nergens," antwoordde de jood. "De edele jonkvrouw...."
+
+Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de
+rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle
+zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens
+bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend
+de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere
+halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij
+gesproken had.
+
+Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier
+een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd
+toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat
+zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en
+dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had,
+dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij
+zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal
+neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken
+wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van
+de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord
+gezeten te zijn; en het was haar als streed zij met hem om te winnen,
+niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van
+het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.
+
+Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen--wat
+er ook van komen mocht--niet alles. Liever wilde zij de nederlaag
+lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in
+het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen
+en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat
+zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot
+had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde
+zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in
+geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles
+doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen
+was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem
+plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat
+zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar
+woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen,
+er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde,
+eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.
+
+Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich
+tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten
+uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging,
+nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in
+het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de
+uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde,
+des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond
+treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden
+roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.
+
+Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den
+schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe
+oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust,
+dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht
+te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel
+genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren,
+legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl
+zij de rechter omhoog hief: "Gij zijt het offer van een afschuwelijk
+bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om
+mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er
+uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar
+kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader
+verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen, daar hij
+uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees,
+naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren,
+niets dan de waarheid en deze ten volle..."
+
+"Spreek!" riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus
+en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over
+het hoofd zag. "Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in
+plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik
+wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat
+ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd
+aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne
+oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij,
+hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten,
+waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats
+waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te
+bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus' wonden, zooeven
+voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man,
+de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig
+met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te
+storten. Gamaliël," en daarbij wendde zij zich tot den juwelier,
+"hoe Gamaliël, schat gij den onyx?"
+
+De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide
+dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: "Ja,
+schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde,
+zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van
+Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen
+rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten,
+al moest ik ze borgen."
+
+Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters
+niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: "De wonderen vermenigvuldigen
+zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen
+klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende
+demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag
+men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?"
+
+Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon
+te laten varen en antwoordde met bevende stem: "Waarschijnlijk uw
+medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden..."
+
+Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af,
+door te zeggen: "Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb
+ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste
+vijandschap...."
+
+"Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!" riep zij
+diep verontwaardigd. "En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad
+betichtte...."
+
+"Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen
+dit huis," hernam hij dreigend. "Neem u in acht meisje! Kan uwe
+verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept,
+opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt.."
+
+"O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen
+verwachten," sprak zij, hem luid in de rede vallende. "Ik heb geheel
+andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg."
+
+Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: "Dat kind,
+welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!"
+
+"En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna,"
+haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van
+hare overwinning. "Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw,
+dat weet gij! Doch," en nu keerde zij zich weder tot de rechters,
+"van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij
+recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om
+haar te hooren."
+
+Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard
+te blijven: "De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige
+kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring
+voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch
+beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare
+getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind
+van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de
+plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen;
+en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen."
+
+Paulas' poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten
+stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige
+geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars
+vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en
+buiten zichzelve riep zij: "Neen, duizendmaal neen! Een ellendige
+booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer
+binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het
+slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend."
+
+"Dat kan onderzocht worden," zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker
+van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der
+rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.
+
+Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkste
+beambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas,
+wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere
+instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging
+dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste
+orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook
+de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen
+worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten
+en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.
+
+Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór
+hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden,
+in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid
+te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar
+onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was,
+ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.
+
+De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden
+hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte
+zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon
+huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en
+grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan
+en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling
+der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van
+haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote
+vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare
+zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk
+een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan
+vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist
+te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de
+lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte
+voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina
+werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad
+gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding
+van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een
+anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen
+gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat
+was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij
+beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is,
+ook tot wat ongelooflijk schijnt.
+
+Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag
+door een heerlijken, lauwen avond vervangen. De Mukaukas had zijn
+vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de
+weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in
+de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje
+schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten
+sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht
+aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen,
+die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met
+de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.
+
+"Hoe is het afgeloopen?" riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit
+zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in
+de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.
+
+"Ongehoorde dingen zijn er gebeurd," was zijn antwoord. "Paula vecht
+als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders...."
+
+"Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen," hernam Neforis.
+
+"Neen, neen, moeder," ging Orion met gejaagdheid voort. "Maar zij heeft
+een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt
+haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te
+werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal
+van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten. Daar
+komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid
+de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker
+braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar,
+doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren
+stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend,
+en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist
+zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een
+halssieraad getoond te hebben."
+
+"Getoond?" riep het kwikstaartje. "Ze heeft ons dat afgenomen, niet
+waar Maria?"
+
+"Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen," antwoordde
+de kleine.
+
+"En verlangt zij," vroeg vrouw Neforis verstoord, "dat onze meisjes
+voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor
+hare hoogheid?"
+
+"Dat verlangt zij," bevestigde Orion. "Maar Maria's uitspraak geldt
+niet bij de rechters...."
+
+"En ook al ware het anders," hernam zijne moeder; "het kind mag in
+geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden."
+
+"Omdat ik voor Paula spreken zou!" riep Maria, terwijl zij driftig
+van haar zetel opsprong.
+
+"Gij zult uw mond houden!" riep de grootmoeder haar toe.
+
+"En wat Katharina betreft," zeide de weduwe, "het komt niet bij mij
+op, haar voor al die heeren ten toon te stellen."
+
+"Heeren!" zeide het meisje. "Mannen zijn het, kleine beambten en
+dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!"
+
+"Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje,"
+zeide Orion lachende, "want gij zijt goddank geen kind meer, en
+het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de
+tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne
+bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles
+leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij
+slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij
+vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij
+moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en
+de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij
+gebeuren zal."
+
+Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden,
+en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den
+eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn;
+zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan
+haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen
+te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster
+en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam
+te zijn en het paartje alleen te laten trekken.
+
+Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den
+stadhouder fluisterde de weduwe toe: "Heden voor het gerecht, en zeer
+spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk."
+
+Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan,
+of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg,
+dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In
+tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om
+de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe
+de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer
+terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem
+dwong het jonge schepseltje, dat nu--de teerling rolde al--zijne
+vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien
+hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar
+overmorgen om Katharina's hand te zullen vragen, had hij gehoopt
+in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar te kunnen bewijzen,
+dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu--welk een
+spot van het noodlot!--zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist
+het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De
+vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als
+eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was,
+haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden,
+maar het moest gebeuren, en met een herhaald "voorwaarts" besloot hij
+tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm,
+zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht
+te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet
+mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar
+te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!
+
+Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen
+greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte,
+de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide
+handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.
+
+"Maar, Orion," zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.
+
+"Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner
+ziel!" zeide hij op vleienden toon, "wanneer uw hartje zoo hevig klopt
+als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren."
+
+"Ja het klopt al," zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje
+opzij hield.
+
+"Maar het mijne doet het toch sterker," antwoordde hij met een zucht,
+terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust
+wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te
+doen stikken.
+
+Maar zij antwoordde blij te moe: "Ja, waarlijk, dat bonst..."
+
+"Zij mogen het daar ginds ook vernemen," antwoordde hij met een
+gedwongen lachje. "Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten
+gekeken heeft?"
+
+"Natuurlijk," antwoordde zij zacht. "Zoo vroolijk als sedert uwe
+terugkomst heb ik haar zelden gezien."
+
+"En gij, kleine tooveres?"
+
+"Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En
+uwe ouders..."
+
+"Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst
+gevoeld hebt."
+
+"Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?"
+
+"Zou dat niet kunnen?" vroeg hij, haar arm vaster in den
+zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke
+verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met
+gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjes
+hooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk
+zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van
+het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke
+bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden
+geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en
+deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof,
+op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven
+hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de
+lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat
+hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in
+ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige,
+bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als
+waren ze innig en oprecht gemeend.
+
+De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en
+gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde
+zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde
+vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds
+na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere
+minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en
+zeide luid en driftig: "O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is
+het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle
+vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm,
+gij mijne eenige, mijn alles!"
+
+Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over
+het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij
+hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: "Na deze hemelsche
+zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe
+afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig
+stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend,
+een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!"
+
+Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den
+zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te
+gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting
+aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij
+voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas
+schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn
+geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was
+zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had
+hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven,
+als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem
+maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.
+
+Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op
+den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon:
+"O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet
+jaloersch maakt, hoort ge!"
+
+"Klein gekkinnetje!" antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te
+stellen liet hij erop volgen: "Zij is als de koele maan, en gij zijt
+de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten
+aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den
+lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten
+zal en al zijne vreugde."
+
+"Ja, dat willen wij!" juichte zij, meenende den horizont harer toekomst
+in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.
+
+"Goede hemel," dus brak hij als verrast dit onderhoud af. "Het licht
+schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door
+hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu
+eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag,
+waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?"
+
+"Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk
+verbogen stuk bladgoud."
+
+"Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig
+gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas
+besloten was?"
+
+"Neen, waarlijk niet!"
+
+"Ja toch, klein wijsneusje!"
+
+"Neen, mijn lieve!" en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen
+vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. "Wat gesneden
+steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling
+ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn
+toekomstigen man zullen toebehooren."
+
+"Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen
+kunnen zetten."
+
+"Neen, neen," antwoordde zij vroolijk, "geef mij later maar een kastje,
+want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn,
+neen niet anders dan uw hart!"
+
+"Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief,
+wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster
+van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft
+hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!"
+
+"Maar Orion!"
+
+"Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later
+zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij
+uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula
+toe te geven en haar tot mijne bondgenoote te maken.--Hier zijn wij
+er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien
+steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar
+ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets
+anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor
+de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één,
+en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de
+andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen,
+dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders
+dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en
+door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen
+eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in
+dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij
+mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is
+het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet
+anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden
+middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden
+steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!"
+
+"Moet ik dat getuigen voor al die rechters?" vroeg Katharina met een
+bedenkelijk gezicht.
+
+"Dat moet gij doen, vriendelijke engel!" hernam Orion teeder. "Zoudt
+gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede
+knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent
+alleen gelijk te hebben? Neen, neen, als er maar een vonkje liefde
+voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te
+verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben..."
+
+"Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan
+hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud..."
+
+"Dat zal u later alles omstandig verklaard worden," voegde hij haar
+haastig toe.
+
+"Toe, doe het nu dadelijk..."
+
+"Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang
+op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!"
+
+"Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken,
+wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg..."
+
+"Dat waar is," zoo drong hij verder aan, "en waarmede gij mij toonen
+kunt, hoezeer ge mij liefhebt."
+
+"Wat is dat verschrikkelijk!" zeide zij angstig. "Bind mij ten minste
+den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen..."
+
+"Als de struisvogel," zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan
+haar verlangen voldeed. "Indien gij er werkelijk anders over denkt
+dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!"
+
+"Uw liefste!" zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp
+haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde
+hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: "Laat eens zien
+of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!--Kom nu,
+in weinige oogenblikken is alles gedaan."
+
+Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal
+binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters
+deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts
+had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare
+moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had
+afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich
+neer te zetten.
+
+Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal
+van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine
+omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te
+ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles
+in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren
+wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de
+edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend
+van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het
+haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade
+kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor,
+maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en
+onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij
+tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan
+te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot
+zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen,
+alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde
+zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren,
+toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde,
+de overste van Memphis had uitgeroepen: "Welk een buitengewoon
+mooi paar!" Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer,
+lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en
+kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar
+sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen
+Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden
+rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een
+kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij
+heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen,
+willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de reden dat
+Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad,
+telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had
+gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn,
+en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was,
+Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en
+wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen
+aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van
+deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij
+zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden
+steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een
+oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien
+dan de groote wonderschoone oogen van Orion?
+
+Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen
+hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent
+zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets
+leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht
+zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat
+hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij
+te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken,
+om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde
+om haar naar de rechtzaal te voeren.
+
+Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier
+zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas
+halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg
+of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm: "Deze kan het
+geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden
+achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar
+enkele oogenblikken in mijne handen."
+
+Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling
+van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen,
+antwoordde zij ontwijkend: "Ik mag zulke heidensche voorstellingen
+niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden."
+
+Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar
+te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op
+het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een
+dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht
+werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort,
+want toen deze haar waarschuwend toeriep: "Gij legt nadruk op uwe
+getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere
+te geven. Bedenk wat er van uwe uitspraak afhangt; dat bezweer ik u,
+kind," viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord,
+met hartstochtelijke gejaagdheid: "Ik ben geen kind meer, ook niet
+voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!"
+
+Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens
+stellig: "Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen."
+
+"Gij schandelijke leugenaartser!" riep de voedster, zichzelve niet
+meer meester, haar in het aangezicht.
+
+Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten
+naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te
+beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te
+barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang
+op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua
+wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de
+Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit
+goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist
+weder naar hare kamer te dragen.
+
+Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de
+keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide:
+"Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn
+keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit
+halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik
+het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen,
+werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik
+niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram"--en hier wees zij op
+den vrijgelatene--"is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde
+gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een
+rechtvaardigen vader, die daar...." Dit roepende wees zij op Orion;
+doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen:
+"Genoeg!"
+
+Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: "Ik zal doen
+wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat
+ik verzwijg. En nu nog een woord!" Daarop ging zij naar hem toe en
+fluisterde hem in het oor: "Ik heb de overwinning op mijzelve behaald,
+om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig
+mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle
+ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!"
+
+Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel
+nog even staan en zeide tot Katharina: "U, kind, want meer zijt gij
+nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen
+met onbeschrijfelijke smarten beloonen."
+
+Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden
+de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige
+neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen
+weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet,
+tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op
+dezen moeielijken dag overkomen was.
+
+Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren
+en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij
+onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had
+dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot
+morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij
+haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine
+Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina
+naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.
+
+Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak
+en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort
+bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd
+ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had
+er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis
+op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn
+wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij
+had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het
+slijk geraakt en moest hij daarin stikken.
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in
+den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het
+rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en
+zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit
+schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode
+rechters en valsche getuigen te verlaten.
+
+Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in
+het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet
+Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een
+nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig
+naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide,
+dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in
+zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de
+kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en
+schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden,
+als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver
+klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die
+niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband
+opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet
+Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het
+lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim
+op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok
+hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus
+geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non
+twee stevige slaven te halen.
+
+Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke
+worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen
+omkneld, en met eene kracht, die men wel den grooten, grof gebouwden,
+maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben
+toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen
+verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem,
+dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne
+bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde
+zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle
+krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze
+was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden
+den aanvoerder der karavaan verzwakt.
+
+Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de
+dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend
+hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde
+van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag
+hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige
+vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke
+schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen
+glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te
+worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht
+dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van
+zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien
+zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots,
+iets van een held te zien.
+
+Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde
+dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe
+hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te
+binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen
+stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek,
+trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de
+kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van
+den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den
+vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de
+ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen
+terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed
+sprong of zich op zijde wierp. Philippus naar adem hijgende schreef
+nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna
+naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode,
+gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop
+hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag
+zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met
+geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten
+den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts
+met eigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den
+karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden.
+
+Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers
+wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder
+was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde
+de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat
+hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula's hoop deelde,
+dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer
+zou kunnen plaats hebben.
+
+Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden
+uitte, waarop de arts zeide: "Op het ziekbed leert men de menschen
+kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een
+moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten
+aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige,
+maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand."
+
+"Wat geeft u dat vertrouwen?"
+
+"Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of
+gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn
+dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen
+hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn."
+
+"Zeker niet," antwoordde Paula op stelligen toon. "Want gij zijt sterk,
+Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden."
+
+"Gij?" lachte de arts. "Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig
+hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust
+zou nu goed doen!"
+
+Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan
+dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met
+moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen
+zeide hij welgemoed: "Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk
+zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed
+en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap
+en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet
+doorbrengt met slecht te leven. Nochtans voel ik die worsteling nog
+in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie
+bekers zouden mij wel goed doen."
+
+Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste
+lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem
+in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het
+was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn
+uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht,
+toen er gerucht ontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw
+Neforis verscheen.
+
+De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed
+van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen
+haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen,
+wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den
+arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen
+kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken,
+de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was,
+en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders
+op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit
+de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden
+Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had,
+niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den
+stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien
+als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat
+gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den
+wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje
+in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te
+bezweren, de trap opgegaan.
+
+Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp
+daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die
+gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een
+streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist
+zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met
+halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat
+alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden,
+zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste
+te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had
+kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer
+in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten
+die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te
+bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag
+met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even
+had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen.
+
+Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen
+van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide
+zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag
+dat men haar onwaardig verdacht: "Uwe bedoeling is gemakkelijk te
+doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet
+de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt
+ingenomen, gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien
+mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu
+van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats,
+van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis,
+dat gij en uw zoon--het moet mij eens van het hart--mij thans tot
+een hel gemaakt hebben."
+
+"Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is..." riep de matrone naar
+adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig
+bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd
+overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. "Dat is.... duizendmaal,
+ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een
+antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter
+behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu..."
+
+Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula
+nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe
+minachting: "En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig
+ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met
+alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan
+bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn
+trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt
+staat hem gruwelijk te vermoorden."
+
+"En waar men u...." duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe,
+dat hare kalmte bewaarde, "waar men u veel te zachtmoedig voor het
+lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard
+heeft! Om een inbreker te redden hebt gij--het is ongehoord!--hebt
+gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig
+rechter..."
+
+"Dat is hij!" riep Paula toornig. "En nog meer! Dat kind dat gij zelve
+voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid
+om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou
+ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was,
+en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde."
+
+"Hem sparen, sparen!" herhaalde Neforis op honenden toon. "Gij
+zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont,
+verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen
+te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd
+hebt..."
+
+"Dat zal uwe eigene kleindochter," sprak de arts, haar in de rede
+vallende, "wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor
+de geheele wereld bevestigen moeten."
+
+Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten
+zichzelve van woede: "Zoo staan dus de zaken! Het heiligen
+ziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt;
+en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was,
+sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad
+en schande te overladen!" Daarop zette zij de linkerhand met het
+reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: "Zoo zult gij dan uw zin
+hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig
+schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind,
+dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want
+ik--ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten--ik haat
+u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en
+brengt ongeluk over mij en ons allen;--bovendien ik heb de smaragden
+die wij bezitten te lief..."
+
+Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van
+haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een
+centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en
+op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met
+te zeggen: "Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig;
+gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien
+komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien..."
+
+"Ik?" viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de
+rede. "Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man,
+dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij
+mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel
+niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld
+beschimpt en tot vertwijfeling brengt.--Ja, zie mij maar verbaasd
+aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het
+bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort
+uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het
+hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt
+doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit
+uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons
+knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen
+van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij
+zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest
+of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem
+staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid
+is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van
+dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien,
+tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt."
+
+Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zoo
+onherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel
+hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting
+prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij
+uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste,
+openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer,
+dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te
+verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn
+verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts
+van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van
+de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar
+ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast
+overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn,
+zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot
+een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg
+moet gaan.
+
+Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering
+gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: "Maar
+wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien
+in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen
+huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn
+gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang
+verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan
+om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem
+opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere
+vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en
+feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden
+en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar
+zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik
+alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille
+van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij
+de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien
+de vriendschap op, omdat, omdat,--hoe noemdet gij het--omdat mij het
+verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben
+moet om u..."
+
+"Het heet de gezindheid," hielp haar de arts, die medelijden
+kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had
+opgemerkt. "Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk
+eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil
+kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid
+van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede
+gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt,
+dan zullen op den jongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar
+de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij
+geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid,
+die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam...."
+
+"Ook dat nog!" zeide Neforis.
+
+"Deze krankheid," vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te
+laten brengen, "de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin
+zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart
+gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om
+ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te
+handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt,
+om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een
+weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat,
+om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt
+berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging
+heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt."
+
+Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd
+had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij
+in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de
+woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan
+de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken.
+
+De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren
+strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben;
+dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke
+onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek
+met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen
+doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde
+zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij,
+was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou
+zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de
+hand reiken; zou zij in...
+
+Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp,
+wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek
+en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan
+het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik,
+als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter
+van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging,
+die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker-
+en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten
+toon te zeggen: "Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik
+anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ook gij nooit, zelfs
+in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige,
+dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen,
+maar gij--maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed,
+dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan."
+
+Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone
+gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was
+heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden
+afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts
+een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde
+zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar
+met gloeiende wangen: "Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn
+van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt
+gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom,
+die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen."
+
+"Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer
+dringend te blijven," zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. "Georg
+laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is."
+
+"Vaak was hij als een vader voor mij," hernam Paula, en nu werd ook
+haar oog vochtig. "Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot
+het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga."
+
+"En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?"
+
+"Dan zal het toch tevergeefs zijn."
+
+Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in
+oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen,
+doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds
+morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten.
+
+"Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf," zeide
+Neforis, "een tehuis, dat voegt aan uw stand?"
+
+"Dat zal mijne zaak zijn," zeide de arts. "Geloof mij, edele vrouw,
+voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning
+betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans
+voorloopig te Memphis te blijven."
+
+"Bij ons," zeide daarop Neforis, "alleen bij ons is haar natuurlijk
+tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan
+beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven."
+
+Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet
+meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht
+gebood die te volgen.
+
+Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: "O
+God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht
+te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen,
+daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe
+het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich
+verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit
+huis, met Memphis verbindt."
+
+"Met Memphis?" vroeg de arts.
+
+"Ja," antwoordde Paula opgewekt. "Ik wil weg, ver van hier, uit
+de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië
+terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij
+van hier voert."
+
+"En ik, uw vriend?" vroeg Philippus weder.
+
+"De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart."
+
+De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had;
+na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: "En waar en hoe zal
+de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï
+werkelijk uw vader erkent?"
+
+Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al
+zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om
+in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd
+worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles
+wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de
+omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden
+worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden
+voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en
+den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere
+dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en
+van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen
+verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste
+vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis
+van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang
+uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der
+dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te
+ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht
+haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij
+haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen,
+zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken
+van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met
+wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te
+volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te
+gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering van den arts,
+dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten
+te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne
+zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen,
+wanneer zij hem liet roepen.
+
+Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in
+het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: "Zoo zal dan morgen
+voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat
+het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt."
+
+"Voor mij," antwoordde de arts bewogen, "is dat nieuwe leven reeds
+gisteren aangevangen."
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+In den voormiddag van den volgenden dag zat de kleine Maria op een
+laag rieten stoeltje onder dezelfde sykomoren, die gisteren het jonge
+en korte liefdesgeluk van het kwikstaartje hadden overschaduwd. Naast
+haar had de opvoedster Eudoxia plaats genomen, onder wier opzicht zij
+uit een Griekschen catechismus de tien geboden moest afschrijven. De
+leerares was door de toenemende hitte en den bloemengeur rondom
+zich ingedommeld en hare leerlinge liet de schrijfstift rusten. Met
+bekreten oogen staarde zij op de schelpen, die over het pad gestrooid
+lagen, en gebruikte hare lange liniaal eerst om er in te woelen,
+vervolgens om de woorden "Paula" en "Paula Maria's geliefde" met
+groote beginletters erin te griffelen. Een kapelletje alleen, dat de
+bewegingen van het stokje volgde, bracht nu en dan een vriendelijken
+trek op haar gezichtje, waarvan de droeve geest der bekommernis
+gelukkig de vroolijkheid nog niet geheel had kunnen verjagen. Toch
+deed het hartje haar pijn. Even stil als in hare omgeving was het
+in den geheelen tuin en ook in huis; want vóor zonsopgang was de
+toestand van grootvader veel ernstiger geworden, en elk gedruisch
+moest uit zijne nabijheid worden geweerd.
+
+Maria dacht juist aan den armen kranke, hoe zwaar hij lijden moest
+en hoezeer het ook hem pijn zou doen van Paula te scheiden, toen zij
+in de laan Katharina zag aankomen. De zestienjarige deed heden haar
+bijnaam van kwikstaartje weinig eer aan, want hare kleine voetjes
+sleepten door het schelpzand; haar kopje hing van vermoeidheid
+voorover, en als een der duizende kleine insecten, die zich in de
+zonnige morgenlucht wiegden, haar te nabij kwam, sloeg zij knorrig
+naar het beestje met haar waaier.
+
+Toen zij bij Maria was gekomen riep zij haar het gewone "Verblijd
+u!" toe, doch de kleine beantwoordde dezen groet met een onwillig
+hoofdknikje, keerde haar vervolgens den rug toe en ging voort met in
+de schelpen te schrijven.
+
+Katharina lette echter nog niet op deze koele ontvangst, maar ging
+voort op deelnemenden toon: "Het moet met uw armen grootvader niet
+best gesteld zijn."
+
+Maria haalde de schouders op.
+
+"Men zegt zelfs dat hij zeer bedenkelijk ziek is; ik heb Philippus
+zelf gesproken."
+
+"Zoo?" zeide Maria, zonder de oudere vriendin aan te zien, terwijl
+zij hare bezigheid voortzette.
+
+"Orion is bij hem," ging Katharina voort. "En Paula, wil zij het
+stadhouderlijk paleis werkelijk verlaten?"
+
+Het meisje knikte zwijgend met het hoofd, terwijl er opnieuw tranen
+in hare oogen welden. Het kwikstaartje merkte nu op, dat de kleine
+er treurig uitzag en haar met opzet niet te woord stond. Op een
+ander tijdstip zou zij zich dit weinig hebben aangetrokken, maar
+heden hinderde haar dat zwijgen, ja het werd haar te benauwend, en
+daarom plaatste zij zich tegenover Maria, die de liniaal rusteloos
+heen en weer bewoog, en zeide luid en gekrenkt: "Het schijnt wel dat
+ik sedert gisteren in ongenade ben gevallen. Nu dat moet gij weten,
+maar zulk eene onfatsoenlijke bejegening, dat zeg ik u, laat ik mij
+niet welgevallen."
+
+De opvoedster, die wakker was geworden door de schelle stem van
+Katharina, had de laatste woorden verstaan, en terwijl zij eene
+waardige houding aannam, vroeg zij op strengen toon: "Hoe heeft men
+zich jegens lieve gasten te gedragen, Maria?"
+
+"Die zie ik hier niet," antwoordde het kind, spijtig de lip
+optrekkende.
+
+"Maar ik wel," zeide de opvoedster. "Gij gedraagt u als het dochtertje
+van een barbaar, niet als een Helleensch opgevoed meisje. Katharina
+is geen kind meer, al verwaardigt zij zich menigmaal om met u te
+spelen. Kom, ga dadelijk tot haar en vraag haar vergiffenis voor dit
+onbetaamlijk woord."
+
+"Ik?" vroeg het kind, en in die vraag lag zeer duidelijk opgesloten,
+dat zij aan dit bevel niet dacht te voldoen. Daarna sprong zij op en
+zeide met fonkelende oogen: "Wij zijn geene Griekinnen, gij noch ik,
+en als gij het nog eens hooren wilt: Zij is, neen zij is niet meer
+mijne lieve gast, mijne vriendin; neen, wij hebben niets, volstrekt
+niets meer met elkaar te maken!"
+
+"Zijt ge gek geworden?" riep Eudoxia, en haar lang gezicht kreeg eene
+dreigende uitdrukking, terwijl zij ondanks de toenemende warmte van
+den dag uit haar diepen zetel oprees en zich gereed maakte naar hare
+leerling toe te gaan, ten einde haar met geweld te dwingen vergeving
+te vragen. Doch Maria was vlugger dan de bejaarde Griekin en vloog
+gezwind als eene gazel de laan af naar den stroom.
+
+Eudoxia beproefde haar te volgen, doch de hitte verlamde weldra
+hare schreden; toen zij uitgeput en hijgend bleef staan, zag zij hoe
+Katharina, die nu opeens weder het oude kwikstaartje was geworden,
+haar voorbij vloog en het kind met eene snelheid volgde, dat zij
+ervan huiverde.
+
+Maria merkte spoedig op dat zij alleen door Katharina gevolgd werd,
+matigde haar loop en wachtte in de schaduw de verstooten vriendin af.
+
+Weldra stond Katharina met vuurroode wangen tegenover haar,
+greep hare beide handjes en zeide boos: "Wat hebt gij daarginds
+gezegd? Gij... Gij... Wist ik niet wat eigenzinnig wijsneusje ge zijt,
+dan zou ik in staat zijn..."
+
+"Dan zoudt gij in staat zijn mij valsch te beschuldigen! Maar nu zult
+ge me loslaten, of ik bijt u!" En toen Katharina op deze bedreiging
+hare handjes losliet, ging zij nog heftiger voort: "O, o, ik ken u
+sedert gisteren! En als ge het nog eens hooren wilt: ik bedank voor
+zulk eene vriendin! Gij moest u schamen en diep in den grond zinken
+voor de zonde die gij begaan hebt. Ik ben pas tien jaren maar eer
+ik zoo iets deed, liet ik mij liever in dat heete hok opsluiten met
+de arme Perpetua, liet ik liever mij dood maken, gelijk gij van plan
+zijt--foei, 't is schande!--het den armen eerlijken ruiter Hiram te
+laten doen!"
+
+Katharina's blozende wangen verbleekten bij deze woorden en daar zij
+niets hiertegen inbrengen kon, wierp zij het hoofdje in den nek en
+antwoordde zoo trotsch en bedaard als zij maar kon: "Wat weet zulk een
+kind van dingen, waarover zelfs groote menschen zich het hoofd breken?"
+
+"Groote menschen!" lachte Maria, die nauwelijks drie vingerbreedten
+kleiner was dan hare tegenpartij. "Groei eerst flink uit de kluiten en
+noem u dan groot! Over twee jaren komt gij juist tot aan mijne oogen."
+
+Nu steeg het driftige Egyptische meisje het bloed naar het hoofd,
+en zij gaf het kind met de vlakke hand een klap in het gezicht. Maria
+bleef als verstijfd voor haar staan, en nadat zij enkele oogenblikken
+zonder eenig geluid te geven de oogen naar den grond had geslagen,
+keerde zij Katharina den rug toe, en ging zwijgende naar de
+schaduwrijke laan terug.
+
+Katharina volgde haar met betraande oogen. Zij gevoelde dat Maria
+het recht had af te keuren wat zij gisteren gedaan had, want zijzelve
+had er niet van kunnen slapen en was meer en meer tot de overtuiging
+gekomen, dat zij slecht, ja onvergeeflijk gehandeld had. Thans had zij
+zich weder aan iets onverantwoordelijks schuldig gemaakt. Zij gevoelde
+dat zij het kind verdriet had gedaan en dat deed haar oprecht leed. Als
+eene dienstmaagd volgde zij Maria zwijgende op een afstand. Gaarne had
+zij haar bij haar kleedje teruggehouden, haar goede woordjes gegeven,
+haar zelfs om vergeving gebeden, en toen zij de plaats naderde,
+waar de opvoedster zich weder als het ongelukkige slachtoffer van
+de Egyptische hitte in den gemakkelijken stoel had neergevlijd,
+riep zij Maria bij haar naam.
+
+Het kind weigerde haar aan te hooren, waarop zij haar de hand op
+de schouder legde en op deemoedigen, ja, smeekenden toon zeide:
+"Vergeef me dat ik mijzelve zoover heb vergeten; maar wat kan ik er
+tegen doen dat ik klein ben. Gij weet het, wanneer iemand daarmee
+den spot drijft..."
+
+"Dan wordt gij boos en slaat," antwoordde het meisje en liep weder
+door. "Gisteren had ik misschien nog om zoo'n oorveeg gelachen, want
+het is de eerste niet geweest, of misschien had ik er een teruggegeven;
+maar heden--het was mij zoo even," en hier voer haar onwillekeurig
+eene rilling door de leden, "zoo even was het mij alsof de leelijke
+hand van eene zwarte slavin mij over het gezicht was gegaan. Gij zijt
+ook niet meer die gij geweest zijt; gij zet uwe voeten heel anders
+neer en ziet er--dat verzeker ik u--in het geheel niet zoo netjes en
+vroolijk meer uit als vroeger. Ik weet ook waarom: Gij hebt gisteren
+avond eene groote zonde begaan."
+
+"Maar lieve schatje," zeide de andere op smeekenden toon, "gij moet
+niet zoo hard zijn. Wellicht heb ik voor de rechters niet alles gezegd
+wat ik wist, doch Orion, die mij zoo liefheeft, en wiens vrouwtje ik
+toch worden zal..."
+
+"Hij heeft u tot die zonde verleid," hernam de kleine. "Ja, ook hij is
+goed en vroolijk en vriendelijk geweest tot gisteren, maar sedert... O
+die ongelukkige dag!"
+
+Hier viel de opvoedster Eudoxia haar in de rede, om haar met een vloed
+van verwijten te overladen en haar eindelijk te bevelen weder aan haar
+werk te gaan. Het kind deed zonder tegenspraak wat haar gezegd werd,
+doch het had nauwelijks het wastafeltje voor zich gelegd of Katharina
+was weer aan hare zijde en fluisterde haar in het oor, dat Orion
+zeker gezegd had wat hij voor waarheid hield, en dat zij werkelijk
+in twijfel had verkeerd of een gesneden steen met een gouden rug,
+dan wel een ledig stuk bladgoud aan Paulas keten had gehangen.
+
+Opeens keerde Maria zich naar haar toe, zag haar flink in de oogen
+en zeide, om niet door Eudoxia verstaan te worden in hare Egyptische
+moedertaal, waarvan de Griekin het beneden zich had geacht ook maar
+een enkel woord te leeren: "Een armzalig aan den rand omgebogen
+stuk bladgoud heeft aan de keten gehangen, dat ten overvloede nog
+aan uw kleed bleef haken. Ik zie het nog voor mij! En als gij voor
+de rechters hebt gezegd, dat het een onyx is geweest, dan hebt gij
+gelogen. Daar zie maar, dat zijn de wetten die de goede God zelf op
+den heiligen berg Sinaï heeft gegeven, hier staat het geschreven:
+'Gij zult geen valsche getuigenis geven tegen uw naaste', en wie dat
+gebod overtreedt, heeft de presbyter mij geleerd, die maakt zich aan
+eene doodzonde schuldig, waarvoor geen vergeving is op aarde noch in
+den hemel, dan alleen door zware boete en door de bijzondere genade
+van onzen Verlosser. Zoo staat er geschreven, en hebt gij werkelijk
+voor de rechters kunnen verklaren wat valsch is en onwaar, en wat
+anderen in het verderf moet storten?"
+
+De jeugdige aangeklaagde, in verwarring gebracht, keek bedremmeld
+naar den grond en zeide aarzelende: "Orion heeft het zoo stellig en
+zeker beweerd en dan--ik weet zelve niet hoe het zoo gekomen is--maar
+ik werd zoo boos op haar, zoo... Ik zou haar hebben kunnen vermoorden!"
+
+"Wie?" vroeg Maria verbaasd.
+
+"Dat weet gij wel, Paula!"
+
+"Haar?" vroeg Maria, en wederom welden er tranen in hare groote
+oogen. "Hoe is het mogelijk! Hebt gij haar niet even lief gehad als
+ik? Hebt gij niet menigmaal als eene klis aan haar gehangen?"
+
+"Ja, dat heb ik. Doch voor de rechters was zij zoo afgrijselijk
+trotsch, en dan... Maar dat alles kunt gij, geloof mij, Maria!.. kunt
+gij wezenlijk en waarlijk nog niet verstaan..."
+
+"Niet?" vroeg het kind, de armen over elkander kruisende. "Voor hoe
+onnoozel ziet ge mij dan wel aan? Gij zijt op Orion verzot,--en hij
+is ook een man zooals er weinigen zijn--verliefd tot over de ooren,
+en daar Paula er naast u als eene koningin uitziet en veel grooter
+en schooner is dan gij, en Orion--ja, ik heb het wel opgemerkt--tot
+gisteren duizendmaal meer werk maakte van haar dan van u, zijt gij
+ijverzuchtig en nijdig op haar geworden. O, ik weet alles! Ik weet ook
+dat alle vrouwen verliefd op hem worden, dat zij Mandane om zijnentwil
+de ooren hebben afgesneden, en dat zijn schatje in Konstantinopel hem
+dat witte hondje gegeven heeft. De slavinnen vertellen mij alles wat
+zij weten en wat ik maar hooren wil. Gij hebt wel reden om op Paula
+jaloersch te zijn, want als zij het erop aan wilde leggen, lieve God,
+hoe spoedig zou Orion u zelfs niet meer aanzien! Zij is het schoonste,
+verstandigste, beste meisje op de geheele aarde, en waarom zou zij
+niet trotsch zijn? Het valsche getuigenis dat gij gegeven hebt, zal
+den armen Hiram het leven kosten. De goede Heiland moge het u eens
+vergeven! Dat is uwe zaak en dat gaat mij niet aan, maar dat Paula om
+uwentwil het huis verlaat, dat ik haar nooit, nooit weder zal zien,
+ik geloof niet dat ik u dit ooit vergeven kan, doch ik wil er God
+om bidden."
+
+Hierop barstte zij uit in snikken en tranen; de opvoedster stond
+reeds op, om aan dat gebabbel, waarvan zij geen woord verstond en
+dat haar daarom hinderde en verontrustte, een eind te maken, toen
+het kwikstaartje zich voor het kind op de knieën wierp, het met
+beide armen omvatte en evenzeer onder een vloed van tranen uitriep:
+"Maria, lieve Marietje, [10] vergeef mij. O als gij wist wat ik al heb
+uitgestaan voor ik hier kwam. Vergeef mij, Maria, wees weder goed op
+mij, Marietje! Zeker, zeker, gij zijt veel beter dan ik. Goede Heiland,
+waartoe ben ik gisteren avond gekomen, en dat door hem, door hem dien
+ieder mensch liefhebben moet, door Orion alleen! Geloof mij, ik weet
+nog niet eens waarom hij mij tot deze zonde verleid heeft. Maar ik
+moet beproeven niet meer goed op hem te zijn, hem geheel te vergeten,
+hoewel, hoewel... Denk eens, dat hij mij zijn bruidje heeft genoemd;
+maar nu hij mij zoo bedrogen heeft, mag ik het nu nog wagen zijne vrouw
+te worden? Het heeft mij den geheelen nacht geen rust gelaten. Ik
+heb hem lief, gij weet niet hoe innig, maar ik kan toch zijne vrouw
+niet worden; ik ga liever in een klooster, of werp mij in den Nijl,
+en dat alles wil ik nog heden aan mijne moeder zeggen."
+
+De Griekin had het meisje verbaasd aangekeken en het was inderdaad
+een vreemd gezicht deze jonkvrouw voor dit kind geknield te zien. Zij
+luisterde naar den tintelenden stroom van voor haar onverstaanbare
+woorden en overwoog hoe zij hare kweekelinge, desnoods met hulp van
+hare grootmoeder, ertoe brengen zou, om fatsoenlijke Grieksche vormen
+aan te nemen. Daar kwam Paula de laan in. De slaven, die haar met
+enkele kisten en pakken op een groote berrie gevolgd waren, liepen
+door naar den Nijl, waar de boot gereed lag, die haar naar het nieuwe
+verblijf zou overbrengen.
+
+Zwijgend en onopgemerkt liet zij de oogen een tijdlang rusten op
+dat roerend tafereel der beide meisjes, van welke de eene de andere
+omkneld hield, en ving de laatste woorden op van dat lieftallig jonge
+schepseltje, hetwelk haar zooveel leed had berokkend. Zij vermoedde
+alleen wat hier voorgevallen was doch het stuitte haar tegen de borst
+langer te luisteren en daarom riep zij Maria. Toen deze opvloog en
+met onverdeelde, onstuimige teederheid haar om den hals vloog, bedekte
+zij haar kopje en haar aangezicht met kusjes. Daarna maakte zij zich
+los uit de omarming van het kind en zeide zacht met betraande oogen:
+"Vaarwel mijne lieveling! Over weinige oogenblikken behoor ik niet
+meer tot de uwen, en een ander, een vreemd huis zal mij opnemen. Blijf
+mij liefhebben en vergeet mij niet; weet dat gij op aarde geen trouwer
+vriendin hebt dan mij."
+
+De tranen rolden Maria opnieuw langs de wangen en het kind bezwoer
+haar niet te gaan, haar niet te verlaten. Doch Paula sloeg deze bede
+af, geroerd en verbaasd, dat zij aan deze plaats, waar zij zoo weinig
+liefde had gezaaid, toch zooveel warme liefde had geoogst. Vervolgens
+reikte zij de opvoedster de hand tot afscheid en toen zij zich
+tot Katharina wendde, om ook haar, de moordenares van haar geluk,
+vaarwel te zeggen, hoe zwaar het haar ook viel, zonk het kwikstaartje,
+badende in tranen van berouw, aan hare voeten, bedekte hare knieën
+en handen met kussen en bekende dat zij schuldig was aan de grootste
+misdaad. Maar Paula liet haar niet uitspreken, kuste haar op het
+voorhoofd en zeide, dat zij begreep hoe zij tot deze zonde gekomen was,
+en evenals Maria zou trachten haar te vergeven.
+
+Bij de met vele roeiers bemande boot van den stadhouder, waarheen
+de meisjes haar vergezelden, vond zij Orion. Hij had dezen morgen
+tweemaal tevergeefs getracht gehoor bij haar te vinden en zag er bleek
+en ontdaan uit. Met een heerlijken bloemruiker in de hand groette hij
+Maria en zijn bruidje vluchtig, en merkte niet eens op dat Katharina
+zwijgend en aarzelend wedergroette. Daarop naderde hij Paula, deelde
+haar in stilte mede dat Hiram gered was, en bezwoer haar, zoo zij
+voor zichzelve op vergeving harer zonden hoopte, hem slechts enkele
+oogenblikken gehoor te geven. Toen zij echter met een stilzwijgend
+schouderophalen dit verzoek weigerde en naar de boot ging, strekte
+hij zijne hand uit om haar te helpen; doch met opzet wendde zij haar
+blik terzijde en reikte den arts hare rechterhand.
+
+Orion sprong haar in de boot na en fluisterde haar met bevende stem in
+het oor: "Een ellendige, een ongelukkige smeekt u om genade. Gisteren
+was ik waanzinnig. Ik heb u lief, ja ik heb u lief, meisje, hoe--dat
+zult ondervinden!"
+
+"Genoeg!" riep zij luide, hem belettende verder te gaan, rechtop
+staande in de waggelende boot.
+
+Philippus steunde haar terwijl zij zich nederzette, doch Orion legde
+den ruiker in haar schoot en zeide, zoodat allen het hooren konden:
+"Uw vertrek zal mijn vader zeer smartelijk aandoen. Hij is zoo ziek,
+dat wij u niet mochten toestaan van hem afscheid te nemen. Hebt gij
+hem nog iets te zeggen...."
+
+"Dan kies ik mij een anderen bode," zeide zij met straffen blik.
+
+"En als hij vraagt naar de oorzaak van uw plotseling vertrek?"
+
+"Dan zullen uwe moeder en Philippus hem het antwoord geven."
+
+"Maar hij was uw voogd, en ik weet, uw vermogen..."
+
+"Is bij hem veilig bewaard."
+
+"En bevestigt zich wat de arts vreest?"
+
+"Dan eisch ik het op door mijn nieuwen kurios."
+
+"Gij zult het ook zonder dezen ontvangen. Weet gij dan niet van
+erbarmen, van vergeving?"
+
+Tot antwoord wierp zij den ruiker, dien hij haar gegeven had, in
+het water, waarop Orion aan land sprong, hij woelde, zonder op de
+aanwezigen te letten, met de hand door het haar, en drukte die daarna
+tegen zijn gloeiend voorhoofd.
+
+De boot stak van wal, de roeiers haalden de riemen krachtig aan. Orion
+staarde haar na en zijn boezem zwoegde onder diepe ademhalingen,
+tot eene kleine hand de zijne greep en Maria's teedere kinderstem
+hem toeriep: "Wees bedaard, oom! Ik weet wel wat u kwelt."
+
+"Wat weet gij?" vroeg hij norsch.
+
+"Gij hebt er berouw van dat gij en Katharina gisteren avond tegen
+haar en den ongelukkigen Hiram..."
+
+"Dwaasheid!" riep hij op heftigen toon. "Waar is Katharina?"
+
+"Ik moest u zeggen, dat zij u heden niet zien kon. Zij heeft u zoo
+lief, maar, weet gij, zij gevoelt zoo bitter berouw."
+
+"Dat kan zij zich besparen," voer de jonkman uit. "Als er een schuld
+te boeten is, zoo rust dit op mij, en dat martelt mij dood. Maar dat
+alles... haal mij de satan, wat gaat dit een kind aan! Maak dat ge
+weg komt! Eudoxia breng het meisje bij haar werk!"
+
+Daarop nam hij het kopje van de kleine tusschen zijne handen, kuste
+haar met onstuimige teederheid op het voorhoofd, en gaf haar daarop
+aan de opvoedster over, die bereidwillig de kleine met zich voorttrok.
+
+Zoodra Orion zag dat hij alleen was, leunde hij zich tegen een boom
+en begon te stenen als een gewond wild. Zijn hart deed hem pijn of
+het moest bersten. "Weg, weg!" riep hij. "Verspeeld, verloren, het
+beste wat ik had op aarde!" Hij legde zijne handen tegen den boom
+en drukte zijn voorhoofd erop tot het hem pijn deed. Hij wist geen
+raad van smart en gramschap tegen zichzelven. Het was hem of hij in
+dronkenschap zijn eigen huis in brand had gestoken. Hoe dat alles had
+kunnen gebeuren, hij wist het zelf niet meer. Na zijn nachtelijken rit
+had hij den rentmeester Nilus laten wekken en hem opgedragen Hiram
+heimelijk los te laten. Maar eerst door het zien van zijn door een
+beroerte getroffen vader, was hij geheel tot bezinning gekomen. De
+ontzettende ernst van den dood had hem aan die legerstede vlak in het
+aangezicht gezien, en het was hem geweest als kon hij den geliefden man
+niet uit het leven zien scheiden, voor hij zich met Paula verzoend,
+voor hij vergiffenis ontvangen had van haar, die zijn vader zoo lief
+was, voor hij haar bij diens sponde had gebracht om zijn zegen af te
+smeeken over haar en zichzelven.
+
+Tweemalen was hij uit het ziekenvertrek naar hare kamer gesneld, om
+haar te laten verzoeken hem gehoor te verleenen, maar vruchteloos;
+en hoe ontzettend was nu dit afscheid geweest! Hard, onverbiddelijk,
+gruwzaam had zij hem bejegend, en wanneer hij zich hare houding, haar
+wezen voor den geest bracht, zooals die waren voor deze breuk, moest
+hij erkennen dat er in hare handelwijze iets onnatuurlijks was. Deze
+onmenschelijke hardheid, neen niet het hart had haar voorgeschreven
+aan de schoone vrouw, wier genegenheid hij had bezeten en die nu
+zijne bloemen in het water had geslingerd; veeleer was het volgens een
+welberekend plan, dat zij hem dus haar toorn had doen gevoelen. Waarom
+had zij, de door en door gekrenkte, niet aan de rechters verraden,
+dat zij hem had betrapt, toen hij den smaragd roofde? Nog was niet
+alles verloren en vrijer ademhalende ging hij naar huis terug, waar
+de plicht en de zorg voor zijn vader hem riepen. Daar dreef zijn
+ruiker op den stroom. "De haat heeft hem weggeworpen," dacht hij,
+"doch voor hij verdwijnt in zee zullen er zich nog vele bloemen in
+openen, die nog knoppen waren toen zij ze wegwierp. Een ander dan
+mij kan zij niet liefhebben, dat voel, dat weet ik. Sedert wij voor
+het eerst elkander in de oogen zagen, was het lot voor ons beider
+harten beslist. Wat zij in mij haat is mijne waanzinnige misdaad,
+wat haar allereerst van mij vervreemdde was haar billijke toorn,
+omdat ik Katharina het hof maakte. Maar die misdaad is een droom
+in mijn leven geweest, die niet zal terugkeeren; en wat Katharina
+aangaat--eens heb ik ten opzichte van haar gezondigd, maar ik wil
+daarmede niet voortgaan mijn heele leven lang. Ik heb straffeloos
+zooveel met de liefde kunnen spelen, dat ik eindelijk haar macht te
+gering schatte. Lachende gaf ik mijne liefde prijs voor den wensch
+mijner moeder, en daaruit, daaruit alleen zijn al die schrikkelijke
+dingen voortgekomen. Maar neen, neen, alles is nog niet verloren! Paula
+zal mij hooren, en wanneer zij ziet wat er in mijn gemoed omgaat,
+wanneer ik haar alles beleden heb, het goede zoowel als het kwade,
+wanneer zij eens weet dat mijn hart op een dwaalspoor is geweest en
+nu tot haar wederkeert, die mij geleerd heeft, dat de liefde geen
+scherts is, maar diepe ernst, die den ganschen mensch beheerscht,
+dan zal alles--alles een anderen keer nemen."
+
+Bij deze gedachte verhelderde zich zijn gelaat, waarop eene edele
+verrukking stond te lezen, en voortgaande dacht hij verder: "Mag ik
+haar de mijne noemen, dan weet ik dat alles zich in mij zal ontwikkelen
+wat ik groots van mijne voorvaderen heb geërfd. Toen moeder mij straks
+aan vaders ziekbed riep, zeide zij: 'Kom Orion, het leven wordt ernstig
+voor mij en u en ons huis, vader....' Ja, ernstig wordt het, wat ook de
+uitkomst zij van deze dingen. Paula te winnen, haar te verzoenen, haar
+tot mij weder te brengen, aan hare zijde groote daden te verrichten
+mijner waardig, dat is een levensdoel zooals ik het noodig heb. Met
+haar, ja zeker, éen met haar kan ik het bereiken, zonder haar of met
+het gulden speelgoed Katharina zou de ouderdom mij niets brengen dan
+oververzadiging, ontnuchtering en teleurstelling, of om het bij zijn
+christelijken naam te noemen: bitter berouw. Gelijk Anteos nieuwe
+kracht won, zoo vaak hij de moeder aarde aanraakte, ja, vader, zoo
+voel ik mijn vermogen aangroeien, als ik maar aan haar denk. Paula
+is het heil, de eer, de andere het verderf, de vernietiging mijner
+toekomst. Arme lieve vader, gij zult, gij moet dezen slag overleven,
+om alles vervuld te zien, wat gij van uw zoon zoo blijmoedig hebt
+verwacht. Paula is u altijd lief geweest, misschien zult gij het
+zijn die haar verzoent en tot mij brengt, en hoe dierbaar zal zij u
+worden en, zoo God wil, ook mijne moeder, wanneer gij haar aan mijne
+zijde ziet arbeiden als sieraad van dit huis, deze stad, dit land,
+als eene koningin en als zegenverspreidende schutsengel van uw zoon!"
+
+Opgewekt en gedragen door deze gedachten had hij het viridarium
+bereikt. Daar wachtte de huismeester Sebek zijn jongen meester en
+zeide zacht: "De heer slaapt nog, zooals de arts voorspeld heeft,
+maar zijn gelaat... Ach, of Philippus toch weder terug ware!"
+
+"Hebt gij den wagen met den harddraver naar het Caeciliaklooster
+gezonden?" vroeg Orion haastig, en toen Sebek een toestemmend antwoord
+gaf en in het huis verdween, zonk de jonge man, door smart overmand,
+naast eene zuil waaraan een crucifix hing op de knieën en verhief
+hart en handen tot een innig gebed.
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De arts had Paula haar nieuwe verblijf binnengeleid en haar spoedig
+bekend gemaakt met hen, die haar voortaan beschermen en haar een
+aangenaam leven bereiden zouden. Slechts weinige oogenblikken
+was het hem vergund zich aan haar en hare huisgenooten te wijden,
+want nauwelijks had hij haar in de met bloemen rijk versierde ruime
+vertrekken gevoerd, die haar tot verblijf waren aangewezen, toen twee
+boden tegelijk werden aangemeld, die verlangden hem te spreken. Zij
+wist hoe bedenkelijk de toestand van haar oom was, en met het dreigend
+verlies van dezen man voor oogen werd haar eerst recht duidelijk
+wat zij in hem bezeten had. Hare eerste gezellin was dus de smart,
+die door het behagelijke van de nieuwe, luchtige, schoone woning des
+te scherper uitkwam.
+
+Van de boden was de éen een jonge Arabier, die van de overzijde
+des Nijls kwam en aan Philippus een brief van den koopman Haschim
+overhandigde. De oude heer deelde hem daarin mede, dat hij tengevolge
+van een zwaren val van zijn oudsten zoon zich gedwongen zag terstond
+naar Dschidda aan de Roode zee op te breken. Hij bad Philippus verder
+te zorgen voor zijn gewonden karavaan-aanvoerder, die hem na aan het
+hart lag, en dezen, wanneer hij dat goedkeurde, uit het stadhouderlijk
+paleis te laten vertrekken, om hem op eene stillere plaats geheel te
+doen herstellen. De zaak van de edele dochter van Thomas zou hij niet
+uit het oog verliezen. Een buidel met goudstukken overladen begeleidde
+dit schrijven.
+
+De tweede bode moest Philippus onverwijld op den wagen met den
+harddraver naar den ernstig zieken Mukaukas terugbrengen. Onverwijld
+gaf hij aan deze roepstem gehoor en het vlugge dier, dat door den
+menner niet ontzien werd, bracht hem snel naar het paleis. Een
+enkele blik op den lijder deed hem zien dat het begin van het einde
+was gekomen, doch getrouw aan zijn beginsel om de hoop nooit op te
+geven, eer het hart van den lijder ophield te kloppen, richtte hij,
+zonder acht te geven op Orion, die aan het hoofdeinde van het bed op
+zijne knieën lag, de bewustelooze wat op, wenkte de in het verplegen
+van zieken zeer bedrevene diakones, legde nieuwe compressen op het
+voorhoofd en in den nek van den door eene beroerte getroffen man,
+en deed hem eene aderlating.
+
+Met moeite sloeg de Mukaukas de zware oogleden op, keek angstig in
+alle richtingen, en toen hij zijn zoon, die geknield bleef liggen,
+zijne in tranen badende gade en den arts herkend had, stamelde hij
+onduidelijk en dof, want zijne half verlamde tong weigerde hem den
+dienst: "Twee pilletjes, Philippus!"
+
+De arts voldeed zonder tegenspraak aan deze bede van den stervende,
+die nu de oogen weder sloot, doch om ze weldra opnieuw te openen en
+met dezelfde inspanning als zoo even en tegelijk met hetzelfde helder
+bewustzijn te stamelen: "Het loopt ten einde! De zegen der kerk... De
+bisschop, Orion!"
+
+De jonge man verliet terstond het vertrek om den prelaat, die reeds
+met twee diakenen, een exorcist en een misdienaar voor het dragen
+van het noodige kerkgereedschap, in het viridarium wachtte, bij den
+kranke te brengen. Deze liet zich kalm en gelaten het laatste avondmaal
+toedienen, zag en hoorde naar den exorcist, die met handbewegingen en
+vrome spreuken den duivel bande en de booze geesten uitdreef. Doch hij
+was niet meer bij machte den wijn en het volgens Jacobietisch gebruik
+daarmede vermengde brood door te slikken. Orion deed het in zijne
+plaats, en daarbij prevelde de stervende met een glimlach: "U bid ik
+allen zegen toe, mijn jongen! De Heer, zoo schijnt het, weigert mij
+zijn kostbaar bloed, en toch--toch--laat ik het nog eens beproeven."
+
+Ditmaal gelukte het hem wat wijn en eenige broodkruimels door te
+krijgen. De bisschop Plotinos, een zachtmoedig grijsaard met een
+schoon, eerwaardig uiterlijk, troostte hem nu en vroeg hem of hij
+boetvaardig stierf in het vaste geloof in de genade van zijn Heer en
+Heiland, of hij berouw had over zijne zonden en zijn vijanden vergaf.
+
+De kranke deed zijn best om even met het hoofd te knikken en te
+stamelen: "Ook de Melchieten, die mijne kinderen vermoord hebben,
+ook het hoofd onzer kerk, den patriarch, die liefst door mij liet
+volbrengen, wat hijzelf te gevaarlijk achtte. Dat... dat... Maar
+Plotinos--gij eerwaardig en wijs dienaar des Heeren--antwoord mij naar
+uwe beste overtuiging: Mag ik ook op mijn sterfbed nog gelooven, dat
+het geen misdaad is geweest, toen ik vrede sloot met de Arabieren,
+die de Grieken verdreven; mag ik de Melchieten ook in deze ure nog
+houden voor belijders van een ander geloof?"
+
+De grijze prelaat, wiens rug nog niet door ouderdom was gekromd,
+richtte zich op in al zijne lengte, en zijne zachte trekken namen
+eene hoog ernstige uitdrukking aan toen hij zeide: "Gij kent de
+woorden, die op de Synode van Ephesus gesproken zijn en die in de
+borst van elken recht geaarden Jacobiet als in marmer en metaal
+gegrift moeten staan. Mogen zij, die Christus verdeelen,--en dat
+doen de Melchieten--met het zwaard door midden gedeeld, mogen zij in
+stukken gehouwen, mogen zij levend verbrand worden! Zulk een vloek
+heeft nog geen hoofd der kerk over de muzelmannen, de aanbidders van
+den eenigen God uitgesproken!"
+
+De lijder haalde nu diep adem, doch spoedig daarop zeide hij
+fluisterend: "Toch hebben de patriarch Benjamin en Johannes van Nikou
+mijne ziel beangst gemaakt. Ook gij, Plotinos, draagt den kromstaf en
+ik wil u wel bekennen: uwe ambtsbroeders, de herders der Jacobietische
+kudde, hebben mij ontelbare dagen en nachten in vrees en wroeging doen
+doorleven, zoodat ik er bijna toe kwam hen te vloeken. Maar voor het
+nacht werd verlichtte de Heer mijne ziel en ik vergaf hen; en daarom
+bid ik hen door u om hunne vergeving en hun zegen..--De kerk heeft
+in deze laatste jaren niet dan met weerzin de deur voor mij geopend,
+maar welke knecht kan boos zijn op zijn meester, van wien hij alle
+genade verwacht! Zoo hoor mij dan. Als een getrouw en geloovig dienaar
+der kerk sluit ik de oogen, en om dit te bewijzen wil ik haar naar
+vermogen begiftigen, wil ik haar versieren met rijke, kostbare gaven,
+wil ik... Doch ik... ik kan niet verder. Spreek gij in mijne plaats,
+Orion. Gij weet het... de edelgesteenten... het tapijt..."
+
+De zoon deed den bisschop nu opening van de rijke schenking van
+onschatbare juweelen, die zijn vader aan de kerk had toegedacht. De
+stervende wenschte voor de grafkapel van zijne voorvaderen in de
+Doodenstad ingezegend en daarna in de Johanneskerk te Alexandrië
+naast zijn vader begraven te worden. Voor de gebeden, die voor hem
+gedaan zouden worden, had hij in zijn testament eene afzonderlijke
+som bepaald. De geestelijken vernamen dit alles met welgevallen,
+verleenden hem geheele absolutie, zonder eenig voorbehoud, zegenden
+hem toen met bijzondere warmte en verlieten daarna het vertrek.
+
+Philippus haalde vrijer adem, toen de geestelijken vertrokken waren,
+vernieuwde meermalen de compressen, terwijl de stervende langen tijd
+zwijgend en met gesloten oogen bleef liggen. Daarna wreef hij ze, en
+alsof de levensgeest weder ontwaakte, hief hij het hoofd met behulp van
+den arts een weinig omhoog, sloeg de oogleden weder op en zeide: "Haal
+den ring van mijn vinger, Orion, en draag dien met eere. Waar is de
+kleine Maria? Waar is Paula? Ook van hen verlang ik afscheid te nemen."
+
+De jonkman en zijne moeder zagen elkander verlegen aan, doch de laatste
+bezon zich spoedig en zeide: "Wij hebben Maria reeds laten halen;
+maar Paula,--gij weet dat zij zich bij ons niet tehuis gevoelde--en
+sedert het gebeurde van gisteren..."
+
+"Nu?" vroeg de kranke.
+
+"Heeft zij ons huis overhaast verlaten, en--dit moogt gij erbij
+weten--is in vrede van mij gescheiden. Doch zij is nog in Memphis
+en heeft zeer liefderijk over u gesproken, en u willen zien en nog
+vele groeten aan u opgedragen. En wanneer gij erop gesteld zijt haar
+te zien..."
+
+De kranke beproefde met het hoofd te knikken, doch tevergeefs, hij
+stond er ook niet op haar te laten roepen, doch een diepe weemoed
+verspreidde zich langzaam over zijne trekken, en zacht ruischte het van
+zijne lippen: "De dochter van Thomas! Edeler en schooner dan allen!"
+
+"Edeler en schooner dan allen!" herhaalde Orion luid met eene zware
+stem, die trilde van oprechte aandoening, waarop hij den arts en
+de diakones verzocht hem eenige oogenblikken alleen te laten met
+zijne ouders.
+
+Zoodra de vreemden zich verwijderd hadden, zeide de jonkman zacht
+en met geestdrift aan het oor van den kranke. "Gij hebt het rechte
+woord gesproken, vader, zij is beter en edeler, zij is schooner en
+denkt verhevener dan iedere andere jonkvrouw. Ik heb haar lief en
+wil niets onbeproefd laten om haar hart te winnen.--God, God! Goede
+hemel! Dat verheugt u, dat vindt gij goed, vader? Liefste beste vader,
+ik kan het u aanzien!"
+
+"Ja, ja, ja," stamelde de kranke; hij richtte zijne geelachtige
+oogen, waarin zich groote bloedaderen vertoonden, naar boven, en
+prevelde verder met groote inspanning: "Zegen, mijn zegen, over u
+en Paula...! Dat moet gij haar herhalen. Had zij den ouden man iets
+vroeger haar vertrouwen geschonken, dan zou de vrijgelatene in ons
+huis geen dief zijn geworden.--Eene brave ziel; wat heeft zij voor den
+armen man gestreden! Ik wil alles later nog eens uitvoeriger hooren,
+als mijne krachten het toelaten. Waarom is zij nu niet hier?"
+
+"Zij had u zoo gaarne vaarwel gezegd," antwoordde Neforis, "maar
+gij sliept...."
+
+"Had dat gaan dan zoo'n haast?" vroeg haar gemaal met een bitteren
+lach. "Is misschien ook vrees voor den smaragd hier in het spel? Maar
+hoe kon ik boos op haar zijn? Hiram heeft zeker zonder haar voorkennis
+gehandeld, niet waar? Nu, ik wist het! Ach dat schoon, lieftallig
+gezicht! Dat nog eens weer te mogen zien! De troost mijner oogen, mijn
+tegenpartij aan het schaakbord! Trouw hart! Hoe hing het aan den vader,
+voor wien het alles wilde opofferen! Maar gij, gij, mijne oude... Doch
+thans geen verwijt! Gij, moeder, gij mijne Neforis... dank, duizendmaal
+dank voor zooveel liefde en goedheid. Welke geheimzinnige tooverbanden
+knoopt toch zulk eene christelijke echt! Merk het op, Orion! En gij,
+moeder--het beangstigt mij--doe gij het meisje niet weder smart
+aan. Zeg--het maakt mijn einde licht--zeg, dat gij den bond zegent:
+Paula, Orion, wij beiden, beiden... Ik durfde het vroeger niet... Wat
+kunnen wij beiden beters wenschen?"
+
+De matrone vouwde de handen samen en zeide snikkende: "Alles, alles
+wat gij maar wenscht. Maar vader, maar Orion, ons geloof en--lieve
+Heiland!--die arme kleine Katharina!"
+
+"Katharina?" herhaalde de stervende, en een medelijdende
+glimlach zweefde over zijne slappe lippen. "Onze jongen en dat
+kwik... kwik... Gij weet, wat ik bedoel."
+
+Daarop verhelderden zich zijne oogen, en zacht, maar zoo opgewekt,
+als was de dood nog verre, zeide hij: "Georg, de zoon van den Mukaukas
+heet ik, ik ben de groote Mukaukas; en ons geslacht: krachtige mannen
+zijn het, trotsch van aard, allen, allen; mijn vader, mijn oom, onze
+gestorven zonen en hier onze Orion--enkel palmen en eiken! En nu zulk
+eene dwerg, zulk een niets dan een rijsje aan den ouden, grooten,
+heerlijken stam! Wat daaruit geboren wordt, o--o--beklagenswaardige
+schepseltjes! Maar Paula--die ceder van den Libanon--Paula, zij
+verjongt dat oude, groote geslacht."
+
+"Maar het geloof, het geloof!" zeide Neforis met een zucht. "En gij,
+Orion, weet gij dan, hoe zij over u denkt?"
+
+"Ja, en neen; zwijg daarover in deze ure," smeekte de diep bewogen
+jongeling. "O, vader, als ik weet dat uw zegen...."
+
+"Het geloof, het geloof," haastte de Mukaukas zich te zeggen met
+gebrokene stem.
+
+"Ik bewaar het mijne!" zeide Orion, terwijl hij de hand zijns vaders
+aan zijne lippen bracht. "Denk u en stel u het voor, hoe Paula en
+ik dit huis bewonen, en hoe een nieuw geslacht daarin opwast, den
+grooten Mukaukas en zijne vaderen waardig!"
+
+"Ik zie het, ik zie het," stamelde de kranke, waarop hij als levenloos
+in zijn kussen achterover zonk.
+
+Onverwijld werd de arts geroepen en tegelijk met dezen kwam de
+kleine Maria weenende de kamer binnen. De vernieuwde pogingen van den
+arts om het leven te wekken bleven niet zonder gevolg; de stervende
+opende nogmaals de oogen en zeide meer verstaanbaar en krachtiger
+dan te voren: "Het riekt hier naar muskus--dat is de geur, die den
+doodsengel voorafgaat."
+
+Daarna bleef hij lang zwijgend en roerloos liggen. Zijne oogen
+waren gesloten, maar zijn gerimpeld voorhoofd bewees, dat hij met
+inspanning nadacht. Eindelijk haalde hij weder dieper adem en sprak
+nauw verstaanbaar: "Zoo was het, zoo is het: De Griek heeft de mijnen
+willekeurig als honden, als slaven behandeld; ook de muzelman is een
+vreemdeling, maar hij handelt rechtvaardig. Aan wat gebeurd is, kan
+ik niets veranderen, maar het is goed, goed zooals het geloopen is!"
+
+Hij herhaalde dat "goed" nog eenige malen, waarop eene huivering hem
+overviel en hij klaagde: "Mijne voeten zijn zoo koud, maar laat het
+blijven, ik houd van de koelte."
+
+De arts en de diakones maakten zich terstond gereed om hout te
+verhitten, ten einde zijne voeten te verwarmen. De kranke zag hen
+dankbaar na en vervolgde: "Bij de kerk, in Gods huis, heb ik vaak
+de heerlijkste verkoeling gevonden, en thans maakt zij mij door
+hare vergeving het sterven gemakkelijk. Gij, mijn zoon, blijf haar
+trouw. Een lid van ons huis mag geen afvallige worden. Het nieuwe
+geloof--met eene onbegrijpelijke macht onderwerpt het rijk aan
+rijk--eer- en winzucht drijft het duizenden in de armen. Maar wij,
+wij blijven Jezus Christus trouw en wij zijn geen verraders! Had
+ik, ik de Mukaukas, willen doen wat de Kalief van mij verlangde,
+dan zou ik als een vorst, met purper bekleed in zijn naam dit land
+regeeren. Hoevelen zijn er tot de muzelmannen overgeloopen! De
+verzoeking zal ook tot u komen, en hun geloof bezit veel wat de
+groote menigte aantrekt. Zij stellen zich een paradijs voor met
+onuitsprekelijk bekoorlijke genietingen, maar, nietwaar mijn zoon,
+wij zien elkander in onzen hemel weder?"
+
+"Ja, ja, ja, vader!" riep de jonkman. "Ik blijf christen, ik sta vast
+en trouw..."
+
+"Genoeg, het is goed!" viel de kranke hem in de rede. Hij wilde er
+met opzet niet aan herinnerd worden, dat zijn zoon eene Melchietin
+tot vrouw begeerde en vervolgde haastig: "Paula... Maar niets meer
+daarover... Het geloof... Blijf het uwe trouw... Anders... Overigens,
+mijn kind, zoek uw eigen weg; gij zijt... wandelt op den rechten, en
+omdat, juist omdat ik dit weet sterf ik zoo gerust. Voor uw tijdelijk
+welzijn heb ik rijkelijk gezorgd. Een goed echtgenoot en liefhebbend
+vader--nietwaar mijn Heiland! nietwaar Neforis?--ben ik geweest. En
+wat mijn beste, zekerste troost is--vele, vele jaren lang heb ik recht
+gesproken in dit land en niet eene enkele maal--gij mijn schild en
+trooster, gij zijt mijn getuige!--was ik--o, dat doet goed!--was ik
+willens en wetens een onrechtvaardig rechter. De arme en de rijke, de
+machtige en de hulpelooze weduwe, ze waren voor mij allen gelijk. Wie
+zou gewaagd hebben..."
+
+Hier hield hij op, en terwijl zijne oogen onbestemd door het vertrek
+dwaalden, ontmoetten zij de kleine Maria, die tegenover Orion aan de
+andere zijde van het hoofdeinde voor het sterfbed op de knieën was
+gezonken. De man, die gereed stond van de aarde te scheiden en juist
+de slotsom opmaakte van een langdurig werkzaam leven, hield opeens
+zijne gedachten in, en zoodra het kind zag, dat hij zich tevergeefs
+inspande om het stramme hoofd naar haar toe te keeren wierp zij zich
+met hartstochtelijke, smartelijke opgewondenheid op den stervende,
+kuste hem zonder vrees voor den starenden blik zijner oogen en de
+verandering van kleur op zijn bemind gelaat, zijn mond en zijne wangen
+en zeide: "Grootvader, lieve grootvadertje, verlaat ons toch niet,
+o ik bid u, blijf bij ons!"
+
+Om zijne droge lippen scheen een glimlach te spelen, en al de
+teederheid, die hem over dit jonge lieflijke rozenknopje vervulde,
+wilde hij in zijne woorden leggen; doch hij kon slechts klankloos
+stamelen: "Maria, mijn lieveling! Om uwentwil zou ik nog gaarne lang
+leven, zeer lang; maar die andere wereld... ik sta, sta op den drempel,
+het afscheid... ik moet afscheid nemen."
+
+"Neen, neen, ik wil bidden, o zoo innig bidden, tot gij beter wordt,"
+riep het kind.
+
+"Neen," was zijn antwoord. "De Heiland heeft mijne hand reeds
+gegrepen. Vaarwel, nog eens vaarwel! Hebt gij uwe Paula... hebt
+gij haar--ik zie haar niet--hebt gij haar niet medegebracht,
+hartje? Zij... is zij knorrig van ons weggeloopen? Als zij maar
+wist... Uwe Paula heeft ons toch onrecht gedaan."
+
+Het meisje, vervuld van de schrikkelijke dingen, waartegen haar
+oprecht gemoed in verzet kwam, die haar den vorigen avond, den
+ganschen nacht en den geheelen morgen geen oogenblik rust hadden
+gelaten, bracht haar kopje dicht bij het hoofd van den ouden, besten,
+meest geliefden vriend. Jarenlang was hij haar tot een vader geweest,
+en nu zou hij sterven, haar voor altijd verlaten! Maar zij kon hem
+niet zien heengaan met een verkeerd oordeel over de vriendin, aan wie
+zij gehecht was met al de liefde van een warm kinderhart, en daarom
+riep zij hem met eene gedempte stem, maar toch met aandrang in het
+oor: "Dit eene, grootvader, moet gij nog weten, vóor de Heiland u in
+zijne hemelsche zaligheid opneemt. Paula heeft de waarheid gezegd, en
+nooit, ook niet ter wille van haren Hiram gelogen. Een stukje bladgoud,
+geen gesneden steen, hing er gisteren middag aan haar halssieraad. Wat
+Orion ook zegt, ik heb het gezien en mij niet vergist, zoowaar ik u en
+mijn armen vader daarboven hoop weer te zien. En Katharina, zij is zoo
+straks ook tot inkeer gekomen en heeft mij beleden, dat zij een groote
+zonde begaan en een valsch getuigenis voor de rechters afgelegd heeft,
+om den zin te doen van haar lieven Orion. Ik weet niet, wat Hiram
+haar heeft aangedaan, maar op het getuigenis van Katharina hebben de
+rechters hem ter dood veroordeeld, en Paula--dit moet gij weten--heeft
+met den diefstal van den smaragd niets, volstrekt niets uit te staan."
+
+Orion was veroordeeld in zijne geknielde houding elk woord, dat die
+kleine met zooveel vuur den vader influisterde, te hooren, en ieder
+woord trof zijn hart als een dolksteek. Herhaaldelijk had hij de
+handen over het bed willen slaan en haar voor de oogen zijns vaders
+op den grond willen werpen, doch bij de smart en de verrassing,
+die hem gansch en al verlamden vond hij zelfs de kracht niet haar
+met een enkel woord in de rede te vallen. Het gesprokene was geuit;
+als verpletterd klemde hij zich vast aan den rand van het bed, en
+toen zijn vader zich tot hem wendde en rochelend met moeite vroeg:
+"Zoo heeft het gerecht, ons eigen gerechtshof een valsch oordeel
+geveld?" knikte hij verslagen met het hoofd.
+
+Hierop stamelde de stervende nog onduidelijker en zonder samenhang
+de vraag: "Steen.... uit het tapijt.... Gij... misschien.... Hebt
+gij... hebt gij, gij zelf den smaragd.... Ik kan niet...."
+
+Orion hielp zijn vader, die tevergeefs worstelde om het onzalige woord
+uit te spreken en antwoordde deemoedig en zacht, want hij had liever
+met den heengaande willen sterven dan hem in deze ure voor te liegen:
+"Ik, vader, heb den steen weggenomen, maar zoo waarachtig als ik u
+en mijne moeder liefheb, de eerste lichtvaardige daad mijns levens,
+die zulke ontzettende gevolgen na zich moest slepen, zal...."
+
+"Ook de laatste zijn," had hij er willen bijvoegen, maar reeds toen
+hem dat "ik heb den steen weggenomen" over de lippen was gekomen,
+begon de stervende over zijn gansche lichaam te beven, er kwam eene
+akelige verandering in den blik zijner oogen en nog voor de zoon
+zijne gelofte had afgelegd, richtte de ongelukkige vader zich met eene
+buitengewone krachtsinspanning op, en riep den bleeken, luid snikkenden
+en naar adem hijgenden jonkman toe, zoo haastig als zijne zware, bijna
+verlamde tong het toeliet, met een gorgelende van toorn bevende stem:
+"Gij! Gij! De smaad van het oude, smettelooze gerechtshof! Gij! Weg van
+hier! De laatste kleinzoon van Menas een roover, een onrechtvaardig
+rechter, een vervalscher van een getuigenis! Kon ik u nog met deze
+handen.... Gij... Gij.... Weg van mij, knaap!"
+
+Na deze onstuimige uitbarsting zonk Georg, de zachtmoedige en
+rechtvaardige Mukaukas, achterover in zijn kussen; zijne bloederige
+oogen staarden ongesloten in de ruimte; de geopende mond scheen telkens
+en telkens weder al zachter en zachter dat "knaap" te herhalen; de
+gezwollen handen trokken zich krampachtig samen in het dunne dek,
+dat over hem gespreid lag; een vreemd, schel geluid kwam over zijne
+bleeke lippen; de laatste krachten begaven hem en het ontzielde
+lichaam van den waardigen stadhouder zonk aan Orions zijde ineen,
+als een gevelde palmboom.
+
+Als razend, met verwilderde haren en vuurroode oogen richtte Orion
+zich op, schudde het lijk als wilde hij het dwingen te herleven, om
+zijne gelofte te vernieuwen, de tranen van zijn berouw te zien, hem
+te vergeven en de verschrikkelijke woorden terug te nemen, waarmede
+hij scheidende hem, den veelgeliefden, verwenden zoon, had verstooten.
+
+Onder deze wilde uitingen van zijne vertwijfeling keerde de arts terug,
+wierp een blik op het verwrongen gelaat van den afgestorvene, legde
+zijne hand op de plaats van het hart en zeide, terwijl hij de kleine
+Maria van de legerstede wegtroonde, ernstig en weemoedig: "Deze brave
+en rechtvaardige man heeft opgehouden onder de levenden te wandelen."
+
+Orion slaakte een bangen kreet en stootte Maria van zich af,
+die hem genaderd was, omdat zij, hoe jong ook, gevoelde, dat zij
+onbedacht het schrikkelijkst oordeel over haar oom had gebracht,
+en dat het nu haar plicht was hem liefde te bewijzen. Daarop liep
+het kind naar hare grootmoeder, maar ook deze duwde haar opzij, en
+viel bij den vertwijfelden zoon op de knieën om met hem te weenen
+en den ontroostbaren, van wien zij nog weinige oogenblikken geleden
+de beste troost voor zichzelve had verwacht, met warme woorden op te
+beuren. Doch de moederlijke toespraak scheen geen weerklank te vinden
+in zijn gebroken gemoed.
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk
+oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken
+lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten,
+want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had
+bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou
+heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar
+onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in
+de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter,
+haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de
+achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had,
+wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van
+haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der
+zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke
+gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen.
+
+Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang,
+een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan,
+en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan
+wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar
+hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing
+als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren
+innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid
+van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond,
+dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop
+zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde--zij zelve
+noemde het diepen afkeer--maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet
+toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven.
+
+Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenoote opgenomen en
+het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en
+zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met
+fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo
+keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen
+had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te
+zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een
+of ander lichamelijk gebrek.
+
+Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde
+straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal
+en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van
+de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis
+met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting
+lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel
+noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt
+bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen
+en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen
+verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten
+planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje
+gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was;
+want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken,
+en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van
+Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar
+orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl
+alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de
+stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven,
+niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters,
+een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen,
+maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde
+missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde
+de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen
+van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze
+voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde
+bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven,
+tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was--die het coenobium
+insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had--aan
+den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan.
+
+De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van
+al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets
+in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde
+vaderstad te onttrekken, ten einde ze den rijken muzelman in handen
+te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was
+deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar
+niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook
+meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder
+vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig
+opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres
+gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad
+Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot
+een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand.
+
+De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door
+de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het
+klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen,
+overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte
+bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste
+wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en
+eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk
+opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon
+geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was,
+en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het
+eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam,
+dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de
+Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus
+den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche
+vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde,
+een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen
+uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was,
+terwijl het woord "christelijk" uitdrukkelijk in de oorkonde stond,
+het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd,
+dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk
+moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den
+Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen
+had gevonden, tot openbare vijandschap geworden.
+
+Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was
+de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest
+betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door de vensters van
+hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat,
+de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille
+klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van
+Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op
+zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen het aantal
+klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar
+oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep
+bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van
+dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja,
+hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige
+droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de
+borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven
+bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het
+hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande,
+en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren.
+
+Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De
+dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en
+hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste
+ure van den afgestorvene.
+
+"Bij al dezen jammer," dus besloot de arts, "heb ik toch iets goeds
+opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer
+dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn
+nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten
+en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch."
+
+"Niet?" vroeg Paula haastig. "Zoo heeft hij dan ook u misleid?"
+
+"Misleid?" vroeg de arts. "Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb
+helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel
+roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger
+wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens
+aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste
+akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen
+wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar 't om het mijn
+en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en
+groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen
+het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn
+open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw
+over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene
+breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig
+zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd."
+
+"Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn," hernam Paula,
+"dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te
+ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen,
+dat zij zich verslagen toonen en tranen storten."
+
+"Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid," vervolgde de arts, "maar
+het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in
+het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij
+anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons
+doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder
+dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht,
+waartoe we ons anders moeten rekenen."
+
+"En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover,
+den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?" vroeg
+Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden.
+
+"Wel zie nu eens!" zeide de arts lachend. "Net als alle andere
+vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even
+nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon
+van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar--en dit stel ik reeds
+hoog--hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar
+is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme,
+ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik
+anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik
+tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat
+vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen,
+en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik
+Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van
+geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was."
+
+"Comediespel!" riep Paula, haar vriend in de rede vallende.
+
+"Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan
+toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor
+zijne moeder en de kleine Maria."
+
+"Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij
+de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende,
+levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne
+ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met
+goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds
+en groots in hem was heeft hij verloren, alles!"
+
+Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De
+toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare
+zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd
+en zeide: "Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij
+mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek
+ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen
+gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht. Ik
+heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel
+moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!"
+
+"Homeros noemde reeds Egypte het gifland," zeide Paula, "en het
+is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd
+heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de
+wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen."
+
+"Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze
+in den mensch gerijpt zijn," zeide de arts lachend, "en zij leeren
+mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en
+verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog
+niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij
+u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders
+en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken
+geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft
+voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger
+en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk
+eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te
+verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen
+voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik
+kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der
+bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de
+veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen
+viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar
+ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige
+wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen
+hij een kind was.--Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem
+anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten
+erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe
+spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt:
+daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als
+bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol
+hoop met den Romein Horatius: 'Nil desperandum!' het zou onrecht zijn,
+indien wij hem geheel wilden opgeven."
+
+Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte
+kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille
+van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in
+zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander
+onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren
+van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam
+aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige
+oogenblikken later lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe
+vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en
+weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad
+overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had
+gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten.
+
+Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon
+zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij,
+in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had
+de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer
+genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige
+jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar,
+Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren
+had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze
+geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een
+vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters
+hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had
+hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet
+alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den
+rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke
+geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste
+hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De
+groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd
+geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van
+den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was
+zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon
+geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een
+bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula
+er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder
+gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje
+zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en
+weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen,
+om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het
+Caecilia-klooster gegaan.
+
+Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua
+het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: "Gij hebt reeds
+iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch
+veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond
+der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend
+door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te
+worden; en hoe ras heeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig
+en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette
+zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij
+hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris
+een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in
+den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds
+hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer
+in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen."
+
+"En misschien doet gij het haar ten gevalle," zeide de arts, die
+sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden
+voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen
+verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets
+in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig
+en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren,
+sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel
+hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging
+een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede
+zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard,
+welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij
+was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn
+ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had
+juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd,
+dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had
+van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij,
+die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk
+opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den
+menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd.
+
+Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en
+gevoelde dat die volzin: 'misschien doet gij het haar ten gevalle',
+eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer
+zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen
+het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij
+den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs
+wilde krenken, zeide zij vriendelijk: "Ik wil de bedoeling van uwe
+zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke
+en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon
+van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders;
+wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!"
+
+"Zoo denk ook ik er over," zeide de arts. "Overigens verzoek ik u mijn
+'misschien' te vergeten. Ik ben een man van het tegenwoordige en geen
+profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in
+het werk zal stellen, om--het koste wat het wil--"
+
+"Welnu?"
+
+"Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart
+te treffen, u...."
+
+"Dat hij het beproeve!" sprak Paula, terwijl zij de rechterhand
+dreigend ophief.
+
+"En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel
+tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting
+van alle weldenkenden weet te verwerven...."
+
+"Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan
+heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten
+ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere
+gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die
+gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne
+handelwijze veranderd, maar ook--antwoord mij oprecht--ook hetgeen
+wij onder 'gezindheid' verstaan?"
+
+"Ook deze," antwoordde haar de arts met diepen ernst, "ook deze
+kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne
+muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als
+een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting
+onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk
+wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij
+het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan
+wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin
+de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven
+en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling
+past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden
+om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft
+zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat
+hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd
+vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst
+en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend
+vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde,
+dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien
+te hooren, dan houd ik hem voor gered."
+
+"En hoe luidt dat woord, die raad?" vroeg Paula in spanning.
+
+"In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid
+ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te
+vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en
+zijne gaven, en hoe beter het hem gelukt die aan te wenden tot heil
+en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam,
+des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder
+zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de
+dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst
+te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den
+avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende
+levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te
+onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt
+hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een
+dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem
+zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien
+wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt."
+
+"Zien wij toe," herhaalde Paula, "en laten wij wenschen dat hij een
+raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte
+bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij
+zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden
+verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand
+zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het
+einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor
+mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou
+kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt
+Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit
+huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend
+en redder!"
+
+Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare
+greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij
+blijmoedig: "Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover,
+en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man..."
+
+"Niet verder, neen, neen, Philippus!" sprak Paula, hem met angstige
+opgewondenheid in de rede vallende. "Laat ons als vrienden, als
+broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven."
+
+"Als broeder en zuster?" herhaalde hij dof en met een weemoedig
+lachje. "O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch--laat mij
+uitspreken--ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde
+ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar
+nog.... Maar man, man...." en hier drukte hij de vuist tegen zijn
+voorhoofd--"hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet
+meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige
+bloem, waarnaar gij streeft...."
+
+Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden
+terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl
+zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: "Niet zoo,
+Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem
+die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit
+haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid,
+zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat
+spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo
+kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik
+niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?"
+
+"Vriendschap, vriendschap!" herhaalde hij heftig, zijne hand uit de
+hare rukkend. "Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere
+gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der
+bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar,
+zijn verdediger en--het koste wat het wil--zal het blijven, zoolang
+gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den
+bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien."
+
+Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe
+smartelijke zielsangst: "Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort,
+hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der
+betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener
+jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe
+bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer
+gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap
+afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en
+mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik
+mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan
+aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting
+waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor
+elkander gevoelen."
+
+De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna
+niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl
+Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.
+
+De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog
+niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen,
+de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen
+hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde
+daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn
+jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden
+vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste
+gedeelte van haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening
+uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag
+harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en
+het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven
+kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij
+was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad
+te leven.
+
+De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart
+angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat
+hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig
+gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op
+zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te
+verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben,
+en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar
+ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene
+schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar
+wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd
+het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven,
+mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch
+Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich
+bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens
+hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden,
+dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg
+moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken
+teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de
+kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats
+verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag
+met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar
+haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij
+onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner
+ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere
+gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van
+alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het
+gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare
+macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt
+en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid
+bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot
+een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij
+met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich
+nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend
+aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch
+telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel
+of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde
+hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om
+hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte,
+zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis
+van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!
+
+Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en
+het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en
+bittere klachten. Omstreeks middernacht--er waren eerst twaalf uren
+verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en
+toch kwam het hem voor als waren het even zoovele dagen geweest--wierp
+hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling
+zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak
+in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den
+nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van
+zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde,
+om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem
+enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.
+
+Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd
+gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om
+zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato
+daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging
+een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur--het was
+geen zinsbedrog, geene begoocheling--de deur van zijn vertrek werd
+zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met
+zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer
+door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende
+hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.
+
+Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht,
+maar barsch riep hij haar toe: "Wat moet dat? Wat wilt gij?"
+
+Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen
+smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter: "Ik hoorde u
+steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb
+aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik--ja ik moest...."
+
+Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion
+riep haar toe: "Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen,
+ik wil trachten wat zachter te klagen."
+
+Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat
+het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd,
+rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria
+bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht
+weenende: "Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat
+gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch
+zeggen, ik moet..."
+
+Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht
+naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen
+het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en
+zijn voorhoofd.
+
+Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er
+met hem gebeurde, maar het was hem als werd er iets in zijn binnenste
+week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen
+van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn
+aangezicht bevochtigden.
+
+Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte
+hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide: "Wat gloeien uwe
+handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht
+stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden."
+
+Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij
+deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij
+afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk:
+"Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij
+hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga
+nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal
+gaan.--Nu, gaat ge?"
+
+"Neen, neen," antwoordde zij ernstig. "Gij moet mij laten uitspreken,
+anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in 't geheel niet
+aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een
+schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat
+gij--maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel
+niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half
+hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt,
+en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor
+een dievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk
+een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten,
+dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen
+om grootvader maar ook om Paula, dat ik--ach Orion, de barmhartige
+Heiland is mijn getuige--dat ik... En al had ik het moeten besterven
+ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!"
+
+"Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt," zeide
+de jonkman, terwijl hij diep adem haalde. "Ziet gij, meisje; de arme
+broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is
+niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan
+haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan
+gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op
+je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote,
+geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het
+leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld,
+en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo,
+daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar
+bed om te slapen."
+
+Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zij dankte hem
+met warmte en vroeg daarna met heldere oogen: "Dus is het waar? Gij
+hebt Paula zoo lief?" Doch hier hield zij eensklaps op en zeide:
+"En de kleine Katharina..."
+
+"Spreek daar niet over, kind," zeide hij met een zucht, "en neem er een
+les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig
+iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er
+wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg
+waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben
+ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste
+kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene
+zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook
+Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen
+genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een
+benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen
+worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter
+rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!"
+
+"O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij
+denkt," riep de tienjarige hem toe. "En wanneer gij Paula inderdaad
+zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt
+zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula
+zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet
+boos op mij zijn als ik het u zeg?"
+
+"Spreek maar gekkinnetje!"
+
+"Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk
+gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene
+enkele maal iets gedaan hebt--dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft
+grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven
+lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom
+schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon
+uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan."
+
+"Hij heeft mij gevloekt," riep Orion op doffen toon.
+
+"Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad
+heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed
+weggejaagd."
+
+"Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?"
+
+"O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn,
+maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde
+van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem
+alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven,
+wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en
+ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar--gij zult het
+wel zien..... Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God,
+zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd
+vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke
+ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis
+heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt
+zeker niet in vergelijking met de hare."
+
+De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van
+smart doorploegden akker van 's jonkmans ziel als zaadkorrels, en
+waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder
+was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De inzegening van het lijk van den Mukaukas Georg had den daarop
+volgenden dag plaats gehad. Sedert de geestelijkheid de voormalige
+heidensche balseming verboden had en in den tijd der Antonijnen ook
+de lijkenverbranding had opgehouden, moesten de gestorvenen spoedig
+na het overlijden ter aarde besteld worden; alleen de aanzienlijken
+werden een weinig gebalsemd en in kerken of kapellen bijgezet,
+waaraan zij schenkingen hadden gedaan. Overeenkomstig zijn uitersten
+wil moest het lijk van den Mukaukas Georg naar Alexandrië gebracht
+en aldaar in de kerk van den heiligen Johannes naast dat van zijn
+vader worden bijgezet, doch de duif die den brief had overgebracht,
+waarin den patriarch werd kennis gegeven van den dood des stadhouders,
+was teruggekomen met het bevel, dat er bezwaren bestonden om aan
+deze begeerte van den overledene te voldoen, en dat men zijn lijk
+voorloopig in het familiegraf te Memphis moest bijzetten.
+
+Sedert menschenheugenis was daar zulk eene lijkstatie niet
+gezien. Zelfs de muzelmansche gouverneur van het land, de groote
+veldheer Amr, was met zijne voornaamste legeraanvoerders en
+burgerlijke beambten van genen oever van den Nijl overgekomen, om
+den hooggeschatten en rechtvaardigen stadhouder de laatste eer te
+bewijzen. Hunne gespierde bruine gestalten en schoone karakteristieke
+aangezichten, hunne gouden met edelsteenen bezette helmen en
+pantserhemden, afkomstig uit den krijgsbuit na den vernielenden strijd
+tegen het Perzische rijk en Syrië, hunne prachtige, kostbaar opgetuigde
+paarden en het gebiedende en trotsche van hunne houding hadden op de
+menigte een diepen indruk teweeggebracht. Statig en langzaam waren
+zij verschenen, om zich daarna te verwijderen als een onweerswolk
+door den stormwind voortgezweept. Van het kerkhof waren zij langs de
+Nijlstraat en vervolgens over de schipbrug teruggedraafd, zoodat de
+grond onder hen dreunde. Uit de witte stofwolken, die hen omgaven,
+kwamen oogverblindende, flikkerende bliksems te voorschijn, zoo vaak
+de zonnestralen hun gouden wapenrusting troffen. Ja, aan deze ruiters,
+van welken ieder wel een vorst geleek, kon het niet zwaar zijn gevallen
+de machtigste rijken der wereld te vernietigen.
+
+Mannen zoowel als vrouwen, allen hadden deze ruiterij met zeker
+ontzag bewonderd en wel het meest de heldengestalte en het schoone,
+bruine, mannelijke gelaat van den veldheer Amr en den zoon van den
+afgestorvene, die op bevel van den Arabier van af het stadhouderlijk
+paleis aan zijne zijde reed, in een donker rouwgewaad op een
+gitzwarten, vurigen hengst. De schoone jongeling en de kloeke,
+krachtvolle man vormden een paar, waarvan de vrouwen ongaarne de
+oogen afwendden, want beiden deden in edele houding niet voor elkaar
+onder, beiden vertoonden dezelfde krachtige lichaamsbouw, beiden
+waren even geschikt om hunne vurige paarden in bedwang te houden,
+beiden schenen tot heerschen geboren. Op menig Memphiet maakte dat
+op een langen, prachtigen hals rustende hoofd van den beroemden
+overwinnaar in zoo vele veldslagen, zijn fijnbesneden gelaat met den
+adelaarsneus en de zwarte, fonkelende oogen een dieper indruk dan
+de meer gelijkmatige gelaatstrekken en dat schoone licht krullende
+haar van den stadhouderszoon, den laatsten spruit van het oudste en
+edelste geslacht in geheel Egypte.
+
+Vast en gebiedend keek de Arabier recht voor zich uit en ook de blik
+van den jonkman dwaalde niet ter zijde af, alleen zag hij enkele
+malen om, ten einde de deelnemende menigte te overzien. Toen hij
+ook Paula ontdekte onder de vrouwen, die het lijk volgden, overtoog
+een glans van vreugde zijn bleek gelaat, en zijne wangen bloosden
+even. Het vooruit staren deed hem het voorhoofd rimpelen en gaf aan
+zijne trekken eene onheilspellende uitdrukking, zoodat menig Memphiet
+zacht tot zijn buurman zeide: "Uit dezen vroolijken, levenslustigen
+jongen heer zal zeker een streng gebieder groeien."
+
+Wat hem hinderde was zijn begeleider zoo min als der menigte
+ontgaan. Hij alleen wist dat de patriarch het overbrengen van het
+stoffelijk overschot zijns vader naar Alexandrië verboden had; doch
+iedereen merkte op, dat bij deze buitengewone begrafenis het grootste
+gedeelte van de geestelijkheid van Memphis werd gemist. Alleen de
+bisschop Plotinos liep met den geleerden en moedigen presbyter Johannes
+en eenige koorknapen, die het crucifix droegen, psalm zingende vóor de
+door zes vurige paarden getrokken slede, waarop de kostbare sarcophaag
+naar oud gebruik naar het kerkhof werd gevoerd. Daar aangekomen stegen
+allen van hunne paarden, en knapen op bloote voeten in dienst van de
+Arabieren waren aanstonds bij de hand om de paarden te houden. De
+bisschop sprak aan het graf een warm woord van waardeering, waarna
+het magere en weinig plechtige gezang der koorknapen een armelijk
+figuur maakte. Doch nauwelijks was dit geëindigd of de menigte viel
+met duizenden stemmen in, en hief een klaagzang aan, die zoo luid en
+indrukwekkend over het kerkhof klonk, als nog nimmer op deze plaats
+was gehoord. De overige ceremoniën werden, daar de hiertoe noodige
+geestelijken niet verschenen waren, spoedig en onvolledig volbracht.
+
+De veldheer Amr, wiens valkenoog niets ontging, merkte dadelijk op
+wat hier ontbrak, en riep Orion zoo luid en openlijk toe, dat het
+rondom gehoord kon worden: "De doode moet hier boeten voor hetgeen
+de levende als verstandig man ten beste voor zijn land hand aan hand
+met ons muzelmannen gedaan heeft."
+
+"Op bevel van den patriarch," antwoordde Orion met bevende stem,
+terwijl de aderen op zijn voorhoofd van toorn hoog opzwollen. "Maar
+bij de ziel van mijn vader," en bij deze woorden balde hij de vuist,
+"als er een rechtvaardig God is, zal het Benjamin niet gelukken voor
+den braafsten aller braven de hemelpoort te sluiten."
+
+"Wij dragen den sleutel tot den ingang van onzen hemel in onzen eigen
+gordel," antwoordde de veldheer, terwijl hij met zelfvoldoening
+lachend op zijne hooggewelfde borst sloeg en de jonkman met
+welgevallen aanzag. "Kom Zaterdag bij mij, jonge vriend, ik wil met
+u spreken! Tegen zonsondergang wacht ik u aan de overzijde in mijn
+huis. Als ik tegen donker nog niet terug ben, wil dan op mij wachten."
+
+Daarbij greep Amr de manen van zijn hengst, waarbij Orion zich gereed
+maakte om hem te helpen, doch de vijftigjarige veldheer voorkwam hem,
+zwaaide zich behendig als een jongeling in het zadel en gaf daarmede
+aan de zijnen het teeken om op te breken.
+
+Paula, die met vrouw Neforis het allernaast bij het open familiegraf
+had gestaan, was geen woord ontgaan van het kort gesprek tusschen
+beide mannen. Zooals hij daar gestaan had, doodsbleek, in kostbare,
+maar eenvoudige, lang afhangende rouwkleederen gehuld, door een
+heiligen mannelijken toorn aangegrepen, was het onmogelijk geweest
+niet te erkennen, dat de laatste dagen een verbazenden invloed hadden
+gehad op den afgedwaalden jonkman. Nadat Paula de bleeke, verslagene
+stadhoudersweduwe, die met droge oogen alles had aangezien, naar
+haren wagen had gebracht, en daarna met Perpetua alleen naar huis was
+gegaan, had haar het beeld van den schoonen, verontwaardigden jonkman,
+die den gespierden arm met die stevig gebalde vuist in de hoogte hief,
+steeds voor oogen gestaan. Het was haar niet ontgaan dat hij haar, die
+tegenover hem stond aan de geopende groeve, had opgemerkt, en het was
+haar gelukt zijn blik te ontwijken; maar haar zwak hart klopte daarbij
+zoo hevig, dat zij het nog voelde in hare borst, en het was haar niet
+gelukt geheel en onverdeeld aan de geliefde afgestorvene te denken.
+
+Orion had tot dusverre noch haar vreedzaam verblijf opgezocht, noch
+ook een bode gezonden om haar te brengen wat haar toekwam; en zij vond
+dit natuurlijk, want niemand behoefde haar te zeggen wat er in deze
+dagen van hem gevorderd werd. Doch was zij vóor de begrafenis vast
+besloten geweest zijn bezoek af te wijzen, en had zij aan de voedster
+reeds volmacht gegeven haar goed uit zijne hand in ontvangst te nemen,
+zoo scheen haar zulk eene houding na de teraardebestelling van haar
+oom niet voegzaam meer; ja, bij de gedachte aan den ontslapene achtte
+zij het haar plicht Orion niet te weren, wanneer hij haar om vergeving
+kwam vragen. Ook nog iets anders was zij haar oom schuldig. Zij wilde
+het zijn, die zijn zoon in de geest van Philippus er op wees, dat het
+leven als een plicht, als een dienst moest worden opgevat. Opende hij
+zijn hart voor deze vermaning, dan... neen, ook dan moest alles uit
+zijn tusschen hen, uit als het vuur van een uitgebrande houtmijt,
+als de zeepbel die in de wind berst, als de toon die weggestorven
+is--uit, geheel uit. En de vermaning die zij hem, tot wien zij eens
+had opgezien, wilde geven? Wie gaf haar het recht hem dezen toe te
+dienen? Zag hij er niet uit als een man, die zijn leven uit eigen
+kracht weet te leiden en te besturen?--Haar hart dorstte naar hem,
+alles wat in haar was verlangde hem weder te zien, zijn stem weder
+te hooren, en deze begeerte, dit heimwee noemde zij plicht en bracht
+zij in verband met den dank, dien zij den afgestorvene verschuldigd
+was. Geheel door deze overwegingen en twijfelingen beheerscht, hoorde
+zij nauwelijks wat de spraakzame Perpetua zeide, die naast haar liep.
+
+De oude vrouw had volstrekt geen vrede met zulk eene begrafenis;
+want hoe geheel anders was het hier toegegaan dan gewoonlijk
+te Memphis geschiedde bij eene teraardebestelling! Er waren geen
+priesters bij geweest; terwijl anders de nabestaanden, gelijk overal
+gebruikelijk was, het stoffelijk overschot te voet volgden, had men
+hier een lijkstoet te paard, ruiters in rouwgewaad, en daaronder
+de zoon van den overledene! Een krekelgegons van kwajongens aan de
+groeve van zulk een doode, en dan dat onbetamelijk geschreeuw uit
+duizend kelen van de volksmenigte, waarvan haar trommelvlies bijna
+gesprongen was! Doch dit kon men de Memphieten nog vergeven, want
+het was geschied ter eere van den afgestorvene! Deze gedachte trof
+zelfs haar fijngevoelig hart en deed tranen in haar oogen wellen,
+maar het wekte ook haar wrevel op; want zij had geringer lieden met
+meer plechtigheid en met waardiger ceremoniën zien begraven, dan de
+groote, goede Mukaukas Georg, die zulk eene belangrijke schenking
+aan de kerk had gedaan. Ja, die Jakobieten! Zoo ondankbaar konden
+zij alleen handelen, zulk een wandaad kon alleen hun kettersch hoofd
+begaan! In het Caecilia-klooster wist ieder, van de abdis tot de
+jongste novice, dat de patriarch den bisschop door een brief per
+postduif verboden had zijne geestelijkheid aan de plechtigheid te
+doen deelnemen. De brave Plotinos was zeer verstoord over dit bevel,
+doch daar hij niet bij machte was zich hiertegen te verzetten, had hij
+den lijkstoet althans persoonlijk vergezeld en den presbyter Johannes
+niet verboden hem te volgen. De jonge heer Orion had er overigens
+niet uitgezien, als ware hij voornemens zulk eene beleediging van zijn
+vader ongestraft te laten. Doch wiens arm was zoo lang, dat die reikte
+aan den stoel van den patriarch? Tenzij... Doch dat was onmogelijk;
+bij de gedachte alleen voer haar een rilling door de leden. Maar
+toch... Hoe genadig had die groote veldheer van gene zijde met hem
+gesproken! Hemelsche vader, als hij maar niet als zoovele gewetenlooze
+Egyptenaars het heilige geloof afzwoer en de zondige leer van den
+Arabischen leugenprofeet aannam! Het was voor slechte mannen wel
+verlokkend een half dozijn vrouwen in huis te mogen nemen, zonder
+zich te bezondigen. Een heer als Orion kon ze wel onderhouden, want
+de abdis had gezegd, dat de groote Mukaukas door de geheele wereld
+wel voor een zeer rijk man was gehouden, maar dat het opperhoofd
+van de stad zelfs ongerust was over den ongehoord grooten omvang van
+zijne nalatenschap. Ja, ja, Gods wegen waren ondoorgrondelijk! Waarom
+begroef hij den een onder een gouden regen, terwijl hij aan duizenden
+armen te weinig gaf om hun honger te stillen?
+
+Deze ontboezemingen namen een einde, toen de vrouwen te huis waren,
+en hier eerst kwam Paula's gemoed tot rust. Het moest uit zijn met
+den hartstocht, hetzij deze haat of liefde heette, die haar nog altijd
+wilde beheerschen; dan eerst zou zij de vrijheid en het stille geluk in
+het schoone verblijf, dat zij aan de zorg van den arts te danken had,
+recht genieten kunnen, wanneer alle betrekking tot Orion had opgehouden
+en de laatste band verscheurd was, die haar aan het stadhouderlijk
+paleis verbond. Kon zij meer begeeren dan het tegenwoordige haar
+aanbood? Zij was werkelijk eene vreedzame haven binnengeloopen, waar
+het haar aan niets ontbrak wat zij voor zich begeeren kon, na hetgeen
+Philippus haar zoo ernstig op het hart had gedrukt. Hier waren goede
+menschen, die haar begrepen, hier vond zij allerlei bezigheden,
+die voor hare krachten berekend waren en beantwoordden aan hare
+neigingen, en bovendien ruimschoots gelegenheid om liefde te betoonen
+en wederliefde te ontvangen. Voorts lag in de nabijheid het klooster,
+dat zij door eene schaduwrijke laan in weinige schreden bereiken kon,
+en waar zij onder hare eigene geloofsgenooten evenals in hare kindsheid
+dagelijks de godsdienstoefening kon bijwonen. Sedert lang verlangde zij
+naar zulke spijze voor haar gemoed, en hoe overvloedig wist de abdis,
+eene voorname patricische weduwe uit Konstantinopel, die hare ouders
+gekend had, haar die te geven! Hoe gaarne vertelde die levendige oude
+vrouw van de goedheid en vorstelijke schoonheid der jonggestorvene,
+waaraan zij het leven te danken had! Zij kon haar bedrukt gemoed
+ontlasten voor deze gevoelvolle matrone, die haar behandelde als eene
+dierbare dochter, op hoogen leeftijd haar geschonken.
+
+En hare huisgenooten! Wat waren dat innig goede, merkwaardige en in
+hun soort veelbeteekenende menschen! Zij had er nooit van gedroomd,
+dat er hier op aarde nog zulke zonderlinge en tegelijk beminnelijke
+schepsels gevonden werden. Daar was vooreerst de oude Rufinus, het
+hoofd des huizes, een krachtige grijsaard met de frischheid der jeugd,
+die er met zijne lange sneeuwwitte, zijden hoofd- en baardharen
+uitzag half als de apostel Johannes in zijn ouderdom, en half als
+een in den krijgsdienst vergrijsd legeraanvoeder. Hoe beminnelijk
+was hij, hoe kinderlijk goed van hart, ondanks den barschen toon,
+die hij soms kon aannemen! Wanneer hij in zijn verkeer met mannen tot
+den strijd werd geprikkeld, toonde hij zich vroolijk en ondeugend,
+als zijne inzichten in tegenspraak waren met de hunne. Tevredener
+ziel, openhartiger gemoed had zij nog niet leeren kennen, en zij
+gevoelde wel hoe het juist dezen man verontrusten en kwellen moest,
+ten minste in éen opzicht dagelijks iets anders te moeten schijnen
+dan hij was. Ook hij behoorde tot hare kerk, liet zijne vrouw en
+dochter deelnemen aan de godsdienstoefening in het Caecilia-klooster,
+en moest toch den schijn aannemen van een Koptisch Christen te zijn,
+en het daarom voor lief nemen op zekere feestdagen met de zijnen de
+kerk der Jacobieten te bezoeken, wier leelijke eeredienst hem zeer
+tegen de borst stuitte.
+
+Het vermogen van Rufinus was voldoende om hem en de zijnen in staat
+te stellen fatsoenlijk te leven; toch werkte hij op zijne manier van
+'s morgens vroeg tot 's avonds laat. Daar echter zijne bezigheden
+niet alleen niets inbrachten maar eischen deden aan zijne kas, begreep
+ieder dat hij een bemiddeld man moest zijn; en deze omstandigheid zou
+hem vervolging, verjaging en waarschijnlijk verbeurdverklaring zijner
+goederen op den hals gehaald hebben, als een der verspieders van den
+patriarch in hem een Melchiet herkend had. Hij moest dus voorzichtig
+zijn, en als de oude man maar een kooper voor zijn huis en tuin had
+kunnen vinden in eene stad, waar men tienmaal meer leegstaande dan
+bewoonde huizen zag, dan zou hij reeds lang zijn opgebroken, om voor
+zich en de zijnen een nieuw verblijf te zoeken. De arts Philippus had
+den vriend, wiens bekwaamheid en rijpe ervaring hij zeer waardeerde,
+uitgenoodigd naar Memphis te komen; hij toonde ook trouw zijn omgang
+op prijs te stellen, en beide mannen steunden elkander bij den arbeid.
+
+De meeste oude lieden, die wat driftig zijn van aard maar wat
+minder snel van begrip, bedienen zich van stopwoorden, bij wijze van
+remschoen of rustpunt voor hunne gedachten. Zoo bediende Rufinus zich
+bij voorkeur van twee volzinnen, waarvan de eene luidde: "Zoo waar de
+mensch de maatstaf is aller dingen!" en de andere--met betrekking tot
+zijn huis--: "zoo waar ik van die rommelzoo verlost wilde zijn!" Maar
+'die rommelzoo' bestond uit een goed gebouwd, zeer ruim woonhuis met
+een tuin, die alleen reeds wegens zijne ligging vlak aan den stroom in
+vroeger tijd zeer duur verkocht was. Hijzelf had trouwens, kort voor
+den inval der Arabieren in Egypte, huis en tuin voor een spotprijs
+overgenomen en nog wel--zoo spoedig veranderden de tijden--van een
+Jacobietisch christen, dien de toenmalige Melchietische patriarch
+Cyrus tot eene overhaaste vlucht had gedwongen, omdat het hem gelukt
+was de orthodoxe slaven in zijn dienst tot zijn geloof te bekeeren.
+
+De gade van Rufinus, een teer, zwak vrouwtje met een smal eenigzins
+ingevallen gelaat, dat vroeger zeer aantrekkelijk en aanvallig geweest
+moest zijn, had wel voor zijne dochter kunnen doorgaan, en zij was
+ook werkelijk twintig jaren jonger dan hij. Men kon het haar aanzien,
+dat zij zeer veel beproevingen in het leven had gehad, maar dat zij
+ze geduldig gedragen en er haar voordeel mede gedaan had. De grootste
+zorgen en angsten had haar rustelooze echtvriend haar bereid, hoewel
+zij al hare krachten inspande om hem het leven aangenaam te maken. Zij
+wist elke hinderpaal, iedere ongeriefelijkheid voor hem uit den weg te
+ruimen, en met een buitengewoon instinct te gissen wat hem nuttig en
+aangenaam kon zijn of vreugde kon verschaffen. De arts beweerde dat
+de voorovergebogene houding van haar hoofd en de zoekende blik van
+hare levendige, zwarte oogen een gevolg ervan waren, dat zij altijd
+uitkeek naar den stroohalm, die Rufinus in gevaar kon brengen er zijn
+vereelten wandelaarsvoet aan te stooten.
+
+Hare dochter Pulcheria werd, kortheidshalve, gewoonlijk Pul genoemd,
+wanneer de oude man niet den voorkeur gaf aan den titel van "het
+arme kind". In de verhouding van Rufinus tot zijne dochter lag iets
+medelijdends, want zelden zag hij haar aan zonder zich af te vragen,
+wat er van dat lieve wezentje wel worden moest, wanneer hij, die
+zooveel ouder was, de oogen sluiten en zijne Johanna hem zeker
+spoedig volgen zou; en Pulcheria, die hare moeder zoo voor haar
+vader zag zorgen, dat haar zelve niets voor hem te doen overbleef,
+beschouwde zich als het meest overbodige schepsel op aarde, dat ten
+allen tijde bereid was voor hare ouders, voor de abdis, voor haar
+geloof, voor den arts en thans ook voor Paula, ofschoon zij haar eerst
+sedert twee dagen kende, het leven op te offeren. Toch was zij een
+aardig, flink opgewassen meisje, met groote, schoone, opene oogen,
+waarin iets dweepends lag, terwijl hare prachtige, rossig blonde
+haren bijna haars gelijken niet hadden in Egypte. Haar vader was
+sedert lang bekend met haar wensch om in het Caecilia-klooster als
+novice en toekomstige krankenverpleegster te worden opgenomen, en
+hoewel hijzelf uit innerlijken drang zijn gansche leven aan zulk eene
+roeping wijdde, had hij haar verzoek reeds meer dan eenmaal bepaald
+afgewezen; want hij zou weldra verzameld worden tot zijne vaderen, en
+dan had moeder, zoolang zij hem overleefde, iemand anders noodig, om
+liefderijk te verplegen. Thans verlangde Pul echter minder dan vroeger
+om den sluier aan te nemen, want zij had in Paula iemand gevonden,
+in wier tegenwoordigheid zij zich recht klein moest gevoelen, tegen
+wie hare ziel, die naar het hoogste streefde en verlangde, zonder
+nijd, geheel bevredigd en in verrukking kon opzien. Bovendien waren
+er sedert eergisteren in haar eigen huis twee kranken opgenomen, die
+zeer verpleging behoefden, namelijk Rustem, de gewonde Masdakiet, en de
+Perzische slavin. Vrouw Neforis, die sedert de ontzettende ure, waarin
+haar gemaal den laatsten adem had uitgeblazen, als verpletterd was,
+zich uit het dagelijksch leven geheel had teruggetrokken en aan niets
+anders dacht dan aan den afgestorvene, had de verdere behandeling van
+de beide zieken buiten haar huis volgaarne aan den arts overgelaten.
+
+Op denzelfden avond, dat Paula hier haar intrek had genomen, had
+de arts met zijne vrienden onderhandeld over de opname der nieuwe
+gasten. Toen Philippus begon te spreken over de vergoeding, die voor
+deze gastvrijheid betaald zou worden, had de oude Rufinus vol vuur
+geantwoord: "Zij zijn mij allen welkom. Als zij wonden hebben, zullen
+wij ze dwingen toe te groeien, is hun hoofd verdraaid, dan schroeven
+wij het weer recht, ziet het er donker uit in hunne zielen, dan zullen
+wij daarin een licht ontsteken. Als die schoone Damasceensche het bij
+ons voor lief wil nemen, mag zij met haar oudje hier blijven, zoolang
+het haar en ons behaagt. Wij hebben haar van harte welkom geheeten,
+maar daarom hoort ge, moet ons het vaarwel zeggen evengoed vrijstaan
+als haar. Men weet nooit wat men aan zulke voorname lui heeft, en zoo
+waar ik van deze rommelzoo verlost wilde zijn, zou het mij op een
+goeden dag wel eens in den zin kunnen komen, dit nest aan de uilen
+en jakhalzen over te laten en mijn wandelstaf op te nemen. Gij kent
+mij. Met die schadevergoeding zijn wij spoedig klaar. Daar achter
+de kranken een volle buidel hangt en de gezonde tienmaal meer bezit
+dan zij noodig heeft, mogen zij betalen. Bepaal gij het bedrag, maar
+maak het schappelijk--dat meen ik ernstig--voor de vrouwen. Gij weet
+waarvoor ik de mammon noodig heb, en het is ook goed als Johanna de
+zilverstukken voor de huishouding niet zoo angstvallig behoeft om te
+draaien. Waarschijnlijk zal de Damasceensche het aangenamer bij ons
+vinden, als zij het hare bijdraagt voor eten en drinken. Het is ook
+niet betamelijk dat de dochter van Thomas bij trekvogels als wij zijn
+iederen avond naar bed gaat met een: 'ik ben u zeer verplicht'. Als
+ieder het zijne inbrengt, dan staan wij op den voet van geven en
+ontvangen, en wanneer de een den ander een bijzonder bewijs van
+hartelijkheid geeft, dan behoeft dit niet onder 'dank je', ''t is
+u gegund' en zoo meer begraven te worden; het behoudt zijn waarde,
+en ieder geniet er van."
+
+"Amen," had de arts geantwoord, en Paula was recht gelukkig geweest
+over de schikkingen van haar vriend.
+
+Reeds den volgenden dag had zij zich een lid van dit huis gevoeld, waar
+zij toch uur aan uur dingen zag, die hare bevreemding moesten wekken.
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Toen Paula na de begrafenis met Rufinus en de zijnen--de voedster
+was er niet toe te brengen met hare meesteres aan dezelfde tafel
+te eten--den maaltijd gebruikt had, ging zij met den ouden man en
+Pul in den tuin wandelen. De zon daalde reeds ter westerkim, doch
+hare laatste lichtstralen deden de kleuren der bloemen en den glans
+der metaalachtige bladeren der zuidelijke planten, voor zoover de
+zonnehitte en de droogte ze niet had doen verdorren, bijzonder goed
+uitkomen. Een bonte bultos en een ezel brachten het scheprad in
+beweging, waardoor het frissche water uit den Nijl werd uitgestort
+in een grooten waterbak, waaruit het weder werd overgebracht in
+kleine kanalen, die de verschillende perken bevochtigden. Dit werk
+vereischte thans zeer veel moeite, want de stroom was tot zulk een laag
+peil gedaald, dat het zelfs in den tijd van den laagsten waterstand
+bezorgdheid moest wekken. De verschillende ruigharige vogels, die met
+staafjes aan hunne pooten of droevig hangende koppen in kooien zaten,
+die aan hooge masten vrij in de lucht zweefden, om veilig te zijn voor
+de klauwen van katten en andere roofdieren, maakten zich gereed om te
+gaan slapen, en Rufinus sprak tot elk diertje een vriendelijk woordje,
+of floot het met de lippen een opwekkend wijsje toe. Aromatische geuren
+en echt landelijke stilte omzweefden den tuin, alles, zelfs de rug van
+den waterscheppenden neger en het wit en geel gevlekte vel van het rund
+glinsterden met een lichten goudglans, en door het schaduwrijke boschje
+van het Caecilia-klooster ruischte het reine gezang van het nonnenkoor.
+
+Pul luisterde er aandachtig naar, terwijl zij het hoofd naar dien kant
+richtte en de armen over de borst kruiste; haar vader wees Paula op
+haar en zeide zacht: "Daarheen trekt haar hart. Zij mag altijd haar
+God voor oogen hebben, dat toch ligt in den aard der vrouw, doch
+hier onder ons moet de leuze zijn: uit liefde voor den Allerhoogste
+alles te zijn voor den naaste op aarde! Zou de rechtvaardige Vader
+in den hemel wel verlangen, dat te zijner eer de broeder den broeder,
+en in ons geval, het kind zijne ouders vergat?"
+
+"Zeker niet," antwoordde Paula. "Wat mij betreft, ik werd alleen
+door de hoop op het wedervinden van mijn vader teruggehouden om den
+sluier aan te nemen, en evenals uwe Pulcheria heb ook ik vaak met
+verlangen gedacht aan den vrede des kloosters. Zie eens hoe vroom en
+in heilige verrukking uwe dochter daar staat! Welk een lieflijk en
+roerend gezicht! In mijn hart zag het er zoo donker en woest uit, doch
+hier onder u komt er helderheid, en zoo ergens dan vind ik hier weder
+wat ik daarginds verloor. Gelukkig kind! Is het niet, zooals zij daar
+staat in het avondlicht, als straalde die vrome zin die haar vervult
+van haar uit? Vreesde ik niet haar te storen en achtte ik mijzelve
+daartoe waardig, hoe gaarne vereenigde ik dan mijn gebed met het hare."
+
+"Ongetwijfeld bekleedt gij daarin toch eene plaats," zeide de oude man,
+lachend. "Op dit oogenblik draagt hare heilige Caecilia zeer zeker
+uwe gelaatstrekken. Laten wij het haar vragen en gij zult het zien."
+
+"Neen, laat haar!" bad zij blozende en trok Rufinus met zich voort
+naar eene andere zijde van den tuin.
+
+Weldra waren zij gekomen bij de plaats, waar eene hooge heg van
+doornstruiken het grondgebied van Rufinus scheidde van dat der weduwe
+Susanna. Hier spitste de oude heer zijne ooren en zeide knorrig:
+"Zoo waar ik deze rommelzoo kwijt wilde zijn, daar snijden ze weer in
+mijne heg. Reeds gisteren avond heb ik een der slaven van hiernaast
+betrapt, terwijl hij bezig was in mijn struikgewas, maar ik kon dien
+zwarten rekel door de doornen niet pakken. Het zal een kijkgat moeten
+worden voor nieuwsgierigen en spionnen, want de patriarch weet zich
+ook van vrouwvolk te bedienen. Maar ik zal ze! Loop, bid ik u, voort,
+alsof gij niets gehoord en gezien hadt, inmiddels haal ik de zweep."
+
+De oude man liep nu op een drafje weg en Paula wilde hem volgen;
+doch nauwelijks was hij verdwenen of zij werd door eene opening in
+de heg aangeroepen met eene hooge, vrouwelijke stem, en zoodra zij
+omkeek, vertoonde zich in de gisteren door eene manshand met geweld
+uit elkaar gerukte struiken een aardig meisjeskopje, als een portret
+door een groene krans omlijst. Ondanks de schemering herkende Paula
+dat gezichtje, en toen Katharina het krullekopje verder naar voren
+drong en haar smeekend toeriep: "Mag ik bij u komen en wilt gij mij
+hooren?" werd haar dit vriendelijk toegestaan.
+
+Daarop wrong zich het kwikstaartje, zonder acht te geven op de
+hulpvaardige hand die Paula haar toestak, zoo behendig door de
+opening, dat men wel zien kon, het nog niet lang geleden moest zijn,
+zij bij het spelen met Maria geleerd had, zulke hindernissen te boven
+te komen. In een oogwenk stond zij weer op hare voetjes en breidde
+de armen uit om de jonkvrouw te omhelzen; doch zij liet ze dadelijk
+weer besluiteloos zinken en deed een paar schreden achterwaarts.
+
+Paula zag hare verlegenheid; zij ging het meisje tegemoet, kuste haar
+op het voorhoofd en zeide op vroolijken toon: "Inbreekster! Waarom
+komt gij niet door de geopende deur? Daar komt mijn gastheer reeds
+met de Nijlpaardenzweep aan! Halt, wakkere Rufinus, halt; de bres die
+men in uwe bloeiende heg heeft gemaakt, bedreigt niet u maar mij met
+een aanval. Hier ziet gij de vijandelijke macht en het zou mij zeer
+verwonderen als gij uwe gebuur daarin niet zoudt herkennen?"
+
+"Herkennen?" vroeg de oude heer, wiens toorn spoedig bezworen
+was. "Kennen wij elkaar, jonkvrouwtje, ja of neen? Het is eene
+openhartige vraag."
+
+"Wel zeker!" zeide Katharina. "Van den muggentoren heb ik u honderdmaal
+gezien."
+
+"Daarbij zult gij minder plezier gehad hebben dan ik, oude man,
+wanneer ik het geluk had u te ontmoeten. Een jaar zoowat geleden
+zijn wij het meest met elkander in aanraking gekomen. Ik had toen
+het genot u in mijn grooten perzikenboom te vinden, die zich heden
+nog verstout tot over uw tuin te groeien."
+
+"Ik was toen nog een kind," hernam Katharina lachende, die zich zeer
+goed herinnerde hoe de oude heer met zijn mooi wit hoofd, waarnaar
+zij altijd met welgevallen keek, haar in zijn boom betrapt en haar
+met eene vriendelijke buiging toegeroepen had, dat zij het zich goed
+moest laten smaken.
+
+"Een kind," herhaalde Rufinus. "Maar thans zijn wij jonkvrouw geworden
+en wagen we ons niet meer zoo hoog maar kruipen bescheiden door
+'s buurmans heg."
+
+"Eigenlijk zijt gij elkaar dus vreemd?" vroeg Paula met
+verbazing. "Hebt gij ook Pulcheria nooit ontmoet, Katharina?"
+
+"Of ik Pul ontmoet heb?" vroeg de andere. "O, ik zou haar zoo gaarne
+hebben toegesproken. Want men moet van haar houden, reeds op het
+gezicht. Ontelbare malen was ik op het punt, maar mijne moeder..."
+
+"Nu, wat heeft uwe moeder tegen de buren?" vroeg Rufinus. "Wij zijn
+rustige lieden, zou ik meenen, die niemand iets in den weg leggen.
+
+"Neen, neen, God beware! Maar, ziet ge, moeder heeft nu eenmaal hare
+eigene inzichten; gij zijt toch vreemdelingen, en daar men ulieden
+zoo zelden in de kerk ziet..."
+
+"Daarom," hernam Rufinus lachend, "houdt zij ons natuurlijk voor
+goddelooze menschen. Zeg haar nu dat zij dwaalt, en als de dochter van
+Thomas uwe vriendin is en gij wilt haar bezoeken--maar fatsoenlijk door
+de deur en niet door de heg, want die wordt morgen dichtgevlochten--dan
+zult gij bevinden, dat wij veel te doen, veel te verplegen hebben:
+enkel arme creaturen met menschenhuid of met vel en veeren, zooals
+het uitkomt. Men dient toch ook den Heere God, wanneer men zijne
+schepselen, die Hij allen lief heeft, op zijne wijze het leven
+gemakkelijk maakt. Zeg dat aan uwe moeder, jonkvrouw kwikstaart,
+en kom dan maar dikwijls terug."
+
+"Dank u vriendelijk! Maar oude heer, mag ik u eens vragen; hoe zijt
+gij die leelijke bijnaam te weten gekomen? Ik heb er een hekel aan."
+
+"Van denzelfden," antwoordde Rufinus, "die u in het oor geblazen heeft
+dat mijne Pulcheria 'Pul' heet." Hierop maakte hij eene buiging en
+liet de meisjes alleen.
+
+"Een beste oude heer," zeide Katharina. "O, ik weet precies hoe
+hij zijne dagen doorbrengt. En zijne aardige vrouw en die Pul, ik
+ken ze allen! Hoe dikwijls heb ik ze van daarginds beluisterd; ik
+zal u de plaats eens wijzen. Wij kunnen den geheelen tuin overzien,
+alleen niet wat nabij het klooster, aan gene zijde van het huis of
+daar achter die boomen gebeurt. Mijne moeder, ach, gij kent haar,
+als zij eens niet hebben wil.... Maar die Pul, weet ge, zou eene
+goede vriendin voor mij zijn."
+
+"Zeer zeker," antwoordde Paula. "Een meisje van uw leeftijd moet
+grooter speelnooten kiezen dan de kleine Maria."
+
+"O, van haar moogt gij niets zeggen!" zeide het kwikstaartje met
+warmte. "Wel is zij pas tien jaren oud, maar menig grooter meisje is
+lang niet zoo verstandig en rechtvaardig als zij; dat heb ik in deze
+laatste moeielijke dagen ondervonden."
+
+"Maar, arm kind," zuchtte Paula, met de hand over Katharina's lokken
+strijkende.
+
+Opeens en als vanzelf gaf Katharina in een smartelijk snikken aan haar
+gemoed lucht. Zij trachtte dit met alle geweld te onderdrukken, terwijl
+Paula haar hartelijk toesprak, maar het wilde haar niet gelukken. Het
+had haar zoo hevig aangegrepen, dat zij geen woord kon uitbrengen,
+totdat Paula haar bij eene rustbank bracht onder eene breedgetakte
+sykomore, haar met zacht geweld dwong zich naast haar neer te zetten,
+haar aan de borst drukte als een ziek kind en haar moed en vertrouwen
+insprak.
+
+Talrijke vogels gingen in het dichte loofwerk boven hen ter ruste;
+uilen en vleermuizen begonnen hun nachtelijken rooftocht; het firmament
+tooide zich met gouden en zilveren sterren; uit het westelijk gedeelte
+der stad hoorde men het geblaf der jakhalzen, die in vervallen huizen
+een onderkomen hadden gevonden, en nu op buit uitgingen; de vochtige
+dauw begon in de lauwe avondlucht, zich neer te zetten op de bladeren,
+het gras en de bloemen; de bloesems der boomen geurden sterker dan
+overdag, en Paula gevoelde dat het tijd werd om eene beschutting te
+zoeken voor de dampen, die uit den ondiepen stroom opstegen. Doch
+zij wachtte geduldig tot de kleine alles in hare ziel had overgestort
+wat haar neerdrukte, waarover zij berouw gevoelde, wat ze meende niet
+meer goed te kunnen maken, en vervolgens wat haar was weervaren, wat
+dreigde haar hart te zullen breken, en wat zij nu toch onderdrukken en
+zich geheel uit het hoofd zetten wilde. Zij vertelde Paula, hoe Orion
+haar gevrijd had, hoe zij hem liefhad, hoe de jaloezie jegens haar
+heur arme hart had gemarteld, en hoe zij zich had laten verleiden om
+voor de rechters zulk een valsche getuigenis af te leggen. Vervolgens
+deelde zij Paula nog mede hoe Maria haar het eerst den afgrond had
+getoond, die voor hare voeten gaapte.
+
+Op den namiddag na den dood van den Mukaukas was zij met hare
+moeder naar het stadhouderlijk paleis gegaan, om met de vrienden
+te treuren. Zij had eerst naar Maria gevraagd, maar was niet bij
+haar toegelaten, omdat zij nog met de koorts te bed lag. Daarop had
+zij in het koele vertrek willen gaan, waar zij de stem harer moeder
+hoorde. Naar den toon te oordeelen was deze niet droevig gestemd,
+maar hevig opgewonden en toornig, zoodat zij het minder passend had
+geoordeeld de kamer binnen te gaan, waarom zij zich naar de opene
+zuilengaanderij aan de Nijlzijde had begeven. Voor geen prijs verlangde
+zij een ontmoeting met Orion, waarvoor zij zeer bevreesd was. Zoodra
+zij echter naar buiten kwam, waar het nog helder was, had zij hem
+daar gevonden. Maar hoe? Hij zat daar geheel in zichzelven verdiept,
+in een zwart rouwgewaad, en met het hoofd voorovergebogen in zijne
+handen. Hij had hare komst in de gaanderij niet opgemerkt, maar zij
+had diep medelijden met hem gevoeld; want hoewel het nog heet was,
+beefde hij over al zijn leden, en scheen er telkens eene huivering
+door zijn gansche lichaam te gaan. Toen had zij hem bij den naam
+geroepen om hem te troosten, waarop hij van schrik was ineengekrompen
+en opgesprongen. Hij had zijn verwilderde haren uit het aangezicht
+gestreken en zag er zoo bleek, zoo vol vertwijfeling uit, dat zij weder
+bang voor hem geworden was en voor niets ter wereld de vertroostende
+woorden zou hebben willen uitspreken, die zij reeds bedacht had. Zoo
+hadden zij een tijdlang geen woord tot elkander gesproken, eindelijk
+had hij als met geweld al zijne krachten verzameld, was hij langzaam en
+met een plechtige waardigheid, zooals niemand zeker te voren bij hem
+had opgemerkt naar haar toegekomen, had zijne hand op haar schouder
+gelegd, haar een poos aangestaard met zijne rood bekreten oogen en
+daarna met een diepen zucht de woorden geuit: "Rampzalig kind!"
+
+Dat klonk haar nog in de ooren, hij was van het hoofd tot de voeten
+geheel anders geweest dan vroeger, alsof hij haar vreemd was. Ook zijn
+stem klonk zonderling, veel dieper dan anders, toen hij op vasten,
+kalmen toon had gezegd: "Kind, kind, wellicht heb ik velen in mijn
+leven onbedacht leed gedaan, doch gij, gij hebt zeker het ergste
+van mij ondervonden, want ik heb u, onschuldige, trouwe ziel, tot
+mijn medeschuldige gemaakt. De groote zonde die wij begaan hebben,
+komt alleen voor mijne rekening, en om harentwil ben ik gekastijd,
+is mij een straf opgelegd, voor honderden, voor duizenden te zwaar
+om te dragen!"
+
+"Daarop," zoo ging Katharina voort, "bedekte hij zijn gelaat weder met
+beide handen, wierp hij zich op de rustbank, steunde en zuchtte. Weldra
+sprong hij andermaal op en riep zoo hartstochtelijk en luid, als moest
+ik het van angst en medelijden besterven: 'Vergeef mij, als gij kunt,
+vergeef mij gansch en al! Dat moet gij doen! Ik kan niet zonder die
+vergiffenis!'--Ik wilde toen naar hem toesnellen, hem omarmen en alles
+vergeven, want ik had zoo zielsmedelijden met zijne bittere smart; doch
+hij wees mij zonder hardheid of ruwheid maar ernstig terug en zeide,
+dat het uit was met liefde en verloving tusschen ons. Ik was jong, en
+het zou mij wel gelukken hem te vergeten, hij wilde een trouw vriend
+blijven voor mij en mijne moeder; en hoe zwaarder het zijn mocht wat
+wij van hem verlangden, met des te meer vreugde zou hij ons dienen.
+
+"Ik wilde hem antwoorden, maar haastig hield hij mij tegen om op
+ernstigen, stelligen toon te vervolgen; 'Hoe zeer gij ook verdient
+bemind te worden, ik kan u niet liefhebben zooals gij het waardig
+zijt; want--het is mijn plicht u dit te zeggen--want ik heb eene
+andere groote liefde in 't hart, mijne eerste en mijne laatste, en
+al heb ik ook eens in mijn leven mij als een onwaardige gedragen,
+ik wil dit niet andermaal doen. Liever wil ik uw toorn op mij laden
+en u en mijzelven in deze ure pijn doen, dan dit onrecht nog langer
+voort te zetten en u en die andere te bedriegen!'
+
+"Toen kon ik mij niet langer inhouden en diep ontroerd vroeg ik:
+Paula? Doch hij bleef mij het antwoord schuldig, boog naar mij over,
+raakte mijn voorhoofd aan met zijne lippen, zooals zijn vader mij
+menigmaal gekust had, en liep toen snel den tuin in.
+
+"Daarop kwam mijne moeder, rood als een papaver en hijgende naar
+mij toe, greep zwijgend mijn hand, trok mij achter haar in den wagen
+en zeide daar, buiten zichzelve van boosheid--de toorn belette haar
+zelfs te weenen--welk een smaad, welk eene ongehoorde behandeling,
+hoe zal ik den moed hebben om u, onschuldig offerlam, te vertellen....?
+
+"En zoo zou zij zijn voortgegaan; ik liet haar echter niet uitspreken,
+maar zeide terstond dat ik alles wist, waarbij het mij gelukte
+volmaakt kalm te blijven. Te huis gekomen doorleefden wij pijnlijke
+uren, en toen gisteren na de opening van het testament Nilus tot ons
+kwam en mij het fraaie gouden doosje met de turkooizen en paarlen
+overhandigde, dat mij altijd zoo had aangetrokken en daarbij vertelde
+dat de goede Mukaukas Georg het in zijn uitersten wil met eigen hand
+bestemd had voor mij, zijne vroolijke kleine Katharina, stond moeder
+erop, hoezeer ik ook bedelde en smeekte, dat ik het niet aannemen
+maar vrouw Neforis terugzenden zou. Ik kom natuurlijk niet meer in
+het stadhouderlijk paleis; ja, mijne moeder spreekt ervan Memphis
+te willen verlaten, om zich te Konstantinopel te vestigen of in eene
+andere stad waar christenen heerschappij voeren. Ons goed en keurig
+ingericht huis moet dan zeker weggeschonken worden, maar onze heerlijk
+aangelegde uitgestrekte tuin zou men aan boeren kunnen verkoopen,
+zegt moeder. Met het schoone paleis van Memnon is het anderhalf jaar
+geleden ook zoo gegaan. Van den hof hebben zij een korenveld gemaakt,
+en de prachtige benedenzalen met dat mozaïek en het beeldwerk zijn
+thans smerige koe- en schaapstallen geworden, en in de vertrekken
+van Hathor en Dorothea worden nu zwijnen gemest. Lieve God, die beide
+meisjes zijn mijne beste vriendinnen geweest. Met Maria mag ik niet
+meer verkeeren; moeder geeft geen mensch een vriendelijk woord, ook
+mij ternauwernood, en mijne oude voedster is zoo doof als een kwartel.
+
+"Ben ik niet een arm, verlaten schepsel? En als gij, gij mij nu ook
+terugwijst, wie is er dan in Memphis met wie ik vertrouwelijk spreken
+kan? Maar, niet waar, zoo hard zult gij niet zijn? Lang zal het ook
+niet duren want mijne moeder meent het ernstig met het heengaan. Gij
+zijt ook ouder en zooveel ernstiger en verstandiger dan ik..."
+
+"Ik wil heel goed voor u zijn, mijn kind; maar tracht u bij Pulcheria
+aan te sluiten!"
+
+"Zeer gaarne! Doch mijn moeder! Ik zou wel met mijzelve tevreden zijn,
+wanneer niet... Gij hebt gehoord hoe Orion toen in de laan tot mij
+gesproken heeft. Hij moet mij toch wel hebben mogen lijden! Wat
+gaf hij mij toen aardige, teedere namen! Ach God, zoo kan toch
+geen mensch jegens een ander zijn, als hij niet van hem weten
+wil. Hij is zelf zoo rijk, mijn vermogen alleen kan hem toch niet
+aangelokt hebben. En ziet hij er zoo uit, alsof hij zich een meisje
+door zijne moeder klakkeloos zou laten opdringen? Hij is goed voor
+mij geweest, altijd geloof ik, maar later heeft hij gedacht aan de
+hooge plaats, die hij toch moest innemen, en mij daarvoor te klein,
+te kinderachtig geoordeeld. Ach, wat heeft die ongelukkige kleinheid
+mij al tranen gekost! Het kwikstaartje ben ik, en dat zal ik blijven;
+uwe oude gastheer heeft mij ook al zoo genoemd, en wanneer een heer
+als Orion zich een statiger vrouw wenscht, dan kan ik hem dit niet
+euvel duiden. Die andere, die hij meent meer te kunnen liefhebben
+dan mij is zeker groot, schoon, van vorstelijke gestalte als gij, en
+dikwijls heb ik het mijzelve gezegd, dat zijne toekomstige gemalin
+er moest uitzien als gij. Tusschen hem en mij is nu alles voorbij
+en ik wil het gelaten dragen, maar ik moet daarbij kunnen denken dat
+hij mij toch hij zijn terugkeer aanvallig en innemend heeft gevonden
+en in zijn binnenste toch iets voor mij gevoeld heeft. Zoo is het,
+ja zoo is het ook geweest! Doch toen heeft hij die andere gezien en
+met haar kon ik mij niet meten. Zij was geheel en al de vrouw die
+hij behoefde, en die andere, Paula, zijt gij, ja gij, zeer zeker,
+eene inwendige stem zegt het mij. Ziet gij, ge moogt mij gelooven,
+dat doet mij wel leed, maar het kan mij ook verblijden. Ieder ander
+meisje, waaraan hij de hand reikt, zou ik kunnen haten, maar wanneer
+gij die andere zijt, en gij zijne vrouw wordt..."
+
+"Dwaasheid," zeide Paula opeens op vasten toon. "Bedenk eens wel,
+heeft Orion, toen hij u tot meineed verleidde, getoond mijn vriend
+te zijn, of wel mijn bitterste, onverzoenlijkste vijand?"
+
+"Ja, toen voor de rechters ongetwijfeld!" antwoordde de kleine,
+nadenkend het hoofdje latende zinken. Doch weldra richtte zij het
+weer op, keek Paula vast en met fonkelende oogen in het aangezicht
+en sprak ronduit zonder aarzelen: "En gij? Ondanks alles wat gij zegt
+is hij zoo schoon, zoo verstandig, zoo mannelijk, dat het bijna niet
+anders kan of: gij hebt hem lief!"
+
+Daarop liet Paula den arm los, waarmede zij Katharina hield omvat
+en antwoordde openhartig: "Tot heden, bij de begrafenis, heb ik
+hem gehaat en verafschuwd, maar bij het graf zijns vaders is hij
+mij toegeschenen een ander mensch te zijn geworden, en het viel mij
+gemakkelijk hem hierbinnen in stilte te vergeven."
+
+"Derhalve hebt gij hem niet lief?" vroeg Katharina, terwijl zij met
+hare kleine vingers stevig den gevulden arm van de jonkvrouw greep.
+
+Paula voelde hoe ijzig koud hare hand was en verschrikte.
+
+De maan was sedert lang opgegaan, de sterren begonnen hooger en hooger
+te stijgen en met een kort "kom!" stond zij op en zeide: "Het zal
+wel geen uur van middernacht meer zijn; uwe moeder zal bezorgd over
+u worden."
+
+"Een uur voor middernacht!" herhaalde de kleine verschrikt. "Goede
+God, wal zal moeder knorren. Zij zit zeker nog evenals elken avond
+met bisschop Plotinos aan het schaakspel. Vaarwel dan voor heden! Door
+de heg ben ik het spoedigst te huis!"
+
+"Neen," zeide Paula bepaald, haar terughoudende; "gij zijt geen kind
+meer, gij zijt eene jonkvrouw, en moet dat voelen en toonen. In plaats
+van door de doornen te sluipen, gaat gij door de deur naar huis. Ik
+geleid u met Rufinus en verklaar daar aan uwe moeder..."
+
+"Neen, neen!" riep Katharina haastig en angstig. "Zij is even boos
+op u als op de anderen en heeft mij nog juist gisteren verboden..."
+
+"Mij op te zoeken?" vroeg Paula. "Zij gelooft..."
+
+"Om uwentwil heeft Orion... Ja, het liefst gaf zij u de schuld van
+alles. Maar nu ik met u gesproken heb... Ziet gij het licht daar? Dat
+komt uit haar woonvertrek." En voor Paula het beletten kon liep zij
+naar de heg en schoof behendig als eene wezel door de opening in
+de doornstruiken.
+
+Paula zag de kleine met gemengde aandoeningen na, en ging toen
+spoedig naar huis en ter ruste. Het verhaal van Katharina weerde
+geruimen tijd den slaap van hare sponde, en het vermoeden, ja de
+zekerheid bijna dat zij het was, die eene "groote liefde" in het
+hart van Orion had gewekt, liet haar geruimen tijd geen rust. En
+als zij het werkelijk was? Ja, dan lag het in hare hand wraak te
+nemen op den misdadiger en hem alle smarten te laten doorworstelen,
+die hij hare arme ziel had doen lijden. Doch wie van beiden zou zulk
+eene straf dieper wonden slaan, hem of haar? Opende de mededeeling
+van de kleine ook niet voor haarzelve en haar smachtend gemoed eene
+wereld van zaligheid? Maar neen, neen! Zich door dezelfde hand,
+die haar zoo erbarmelijk had geslagen, ten hemel te laten heffen,
+zou zelfvernedering zijn, ontrouw jegens haarzelve.
+
+Te midden van deze afwisselende gevoelens en gedachten overmande
+haar de slaap, en in den vroegen morgenstond had zij een droom,
+waaraan zij den ganschen dag met bange huivering bleef denken. Orion
+was haar tegemoet gereden, bleek als de dood, in donker rouwgewaad,
+stapvoets op zijn donker zwarten hengst, had haar die geen kracht
+had om te ontvluchten, zonder haar aan te zien of iets te vragen, als
+een kind in de hoogte getild, en vóor zich op den rug van het paard
+gezet. Zij had al hare krachten ingespannen om zich los te maken en
+weder op den grond te komen, maar hij had haar met beide armen als
+tusschen ijzeren klemmen vastgehouden en haar verzet gebroken. Al
+moest het haar het leven kosten, zij wilde zich aan deze omarming
+ontworstelen, maar hoe heftiger zij zich weerde, des te vaster en
+dichter trok de stomme, onbarmhartige ruiter haar tot zich. Voor
+hen stuwde de stroom zijne rimpelende wateren voort; Orion scheen
+dien niet op te merken en stuurde, zonder zijne lippen te bewegen,
+den hengst gelaten naar den oever. Radeloos van angst en ontzetting
+smeekte zij hem om den gang van het ros eene andere richting te geven,
+maar hij luisterde niet naar haar en dreef het dier kalm midden in den
+vloed. Toen klom haar angst tot het uiterste en terwijl het paard haar
+dieper en dieper in het water drong, sloeg zij de armen vrijwillig om
+den hals van den ruiter. Daarop week de doodskleur van zijn aangezicht,
+zijne wangen kleurden, zijne lippen zochten en vonden de hare; en zij
+gevoelde te midden van den gruwzaamsten doodsangst een bedwelmend
+genot, zooals zij nog nooit had ondervonden. Zij had zoo eeuwig in
+het verderf willen rijden, en het ging inderdaad al dieper en dieper
+in het water; zij gevoelde hoe het zijne en hare borst bereikte, maar
+zij stoorde er zich niet aan. Zij hadden nog geen woord gewisseld,
+maar opeens werd zij gedwongen het stilzwijgen te verbreken, en als
+moest het zoo zijn vroeg zij hem: "Ben ik die andere?" Daar braken van
+alle zijden de golven tegen hen los, het paard werd in een maalstroom
+getrokken, die met het dier, haar en Orion in de rondte draaide; een
+gierende windvlaag floot door de lucht, en terstond daarop riepen
+de schuimende golven, de bruisende maalstroom, de huilende orkaan,
+alles, alles rondom hen als uit éen mond een luid, alles overstemmend
+en verdoovend: "gij!" Alleen Orion bleef stom, en toen een draaikolk
+het ros greep en naar beneden trok, sleurde een golf haar van zijne
+borst, en zij zonk, zonk al dieper en stak hem smachtend de armen toe.
+
+Op dit oogenblik ontwaakte zij, terwijl het angstzweet haar op het
+voorhoofd parelde, en hare voedster, die haar uit dezen angstigen
+droom gewekt had zeide hoofdschuddend tot haar: "Kind, kind, wat was
+dat? Gij hebt voortdurend, eerst in grooten angst en daarna teeder--ja
+geloof mij, teeder--den naam van Orion uitgesproken."
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+In de zindelijke vertrekken, die de vrouw van Rufinus had ingericht
+voor hare kranke gasten, heerschte op den middag de vreedzaamste
+rust. Door de zware groene gordijnen, die het zonlicht tegen hielden,
+drong een zachte schemering naar binnen en de verpleegsters hadden
+kort geleden den morgenmaaltijd gebruikt. Paula goot nieuwe druppels
+op het verband van den Masdakiet en Pul was in het aangrenzend vertrek
+met Mandane bezig, die zich stil, verstandig en zonder eenig spoor
+van waanzin aan de voorschriften van den arts onderwierp.
+
+Paula verkeerde nog altijd onder den indruk van den afgeloopen
+nacht. Zulk een onrust had zich van haar meester gemaakt, dat zij
+geheel tegen haar gewoonte niet lang stil kon zitten, en als Pul
+bij haar kwam, om haar dit of dat te vertellen, luisterde zij zoo
+verstrooid en onverschillig toe, dat het bescheiden meisje uit vrees
+van haar te storen, zich terugtrok bij hare kranke en dus geduldig
+wachtte tot haar nieuwe afgod haar riep.
+
+Thomas' dochter had inderdaad wel reden om zich eenigszins beangst te
+maken, want heden zou Orion, wanneer zij zich niet in alles bedroog,
+zich bij haar aanmelden, teneinde haar vermogen over te brengen,
+en terwijl zij gisteren op den terugweg van het kerkhof tot de
+overtuiging was gekomen, dat zij hem afwijzen moest en wilde, zoo
+had de groote ontroering, die het gevolg was van Katharina's verhaal
+en van haren droom, haar te meer in die overtuiging bevestigd. Hare
+voedster wachtte beneden op Orion en wel met de opdracht hem niet bij
+haar maar bij Rufinus te brengen, die volgaarne op zich had genomen
+als haar gevolmachtigde het geld, dat zij verwachtte, in ontvangst
+te nemen. Want de arts had Paula niet verzwegen, dat hij zijn vriend
+in het algemeen bekend had gemaakt met de omstandigheden, die haar
+hadden doen besluiten het paleis van den stadhouder te verlaten, en
+hem Orion doen kennen als een man, dien zij niet zonder grond ontweek.
+
+Tegen de tweede ure na den middag klom Paula's onrust zoo zeer, dat
+zij nu en dan het ziekenvertrek, dat op den tuin uitzag, verliet om
+uit de vensters van de voorzaal een blik te werpen in de Nijlstraat;
+want hij kon evengoed van daar als van de andere zijde komen. Over
+de bewaring van hare bezitting dacht zij niet, maar de vraag kwam
+bij haar op, of zij niet te kort deed aan haar plicht, wanneer zij
+zich onttrok aan de aandoeningen, die met het persoonlijk ontvangen
+van den zoon haars ooms gepaard moesten gaan. Niemand was in staat
+haar in dit geval te raden, ook Perpetua niet, want zelfs eene
+moeder zou in deze aangelegenheid haar moeielijk hebben kunnen
+begrijpen. Zij herkende zichzelve ternauwernood, want tot dusverre
+had zij ook in de moeielijkste omstandigheden zonder lang overleg
+en alleen geleid door een innerlijke stem, die haar nooit bedroog,
+terstond geweten wat zij doen en laten moest, wat in een gegeven geval
+recht of onrecht was. Doch heden was zij in haar eigen oog gelijk een
+schommelend riet, een door den wind her- en derwaarts gedreven blad,
+en zoo vaak zij de tanden op elkaar klemde en de handen samenkneep
+om rustig na te denken, om kalm het "voor" en "tegen" te overwegen,
+dwaalden hare gedachten toch weder af. De herinnering aan haar droom,
+het beeld van Orion, zooals zij hem aan het graf zijns vaders had
+gezien, Katharina's verhaal van "die andere", en de vreeselijke
+straf die hij zou geleden hebben en zeker ook werkelijk geleden had,
+dat alles doorkruiste hare gedachten als vogelzwermen op den Nijl,
+wier vlucht haar vaak was als een fladderend gordijn tusschen haar
+oog en wat het zocht aan genen oever van den stroom.
+
+In de derde namiddagure--zij was weder tot de kranken
+teruggekeerd--meende zij hoefslagen in den tuin te hooren en ijlde
+opnieuw naar het venster. Haar hart klopte niet heviger toen de
+hond van Hermonthis in dien rampzaligen nacht op haar en Hiram
+was toegevlogen, dan op dit oogenblik, daar zij het naderen van een
+ruiter vernam, wiens gedaante niet zichtbaar was door het struikgewas
+van den tuin. Dat moest Orion zijn; maar waarom sprong hij niet
+uit het zadel? Neen, hij was het niet, want zijne hooge gestalte
+zou zeker boven het niet al te hooge loof hebben uitgestoken. De
+vrienden van haar gastheer kende zij nog niet, misschien was het
+een van hen. Thans keerde het paard en sloeg het den weg in, die
+tot den hoofdingang leidde. Daar ging haar gastheer den aangekomene
+tegemoet en nu herkende zij niet Orion maar zijn kleinen schrijver,
+die zich uit het zadel liet glijden van een haar goed bekend muildier,
+de teugels aan een knaap toewierp, den oude heer iets overhandigde,
+zich op eene rustbank neervlijde en daar geeuwend zijne beenen lang
+uitstrekte. Terstond hierop zag zij Rufinus naar huis teruggaan.
+
+Had Orion deze bode opgedragen haar over te brengen wat haar
+toekwam? Zij vond in deze manier van handelen iets beleedigends en het
+bloed vloog haar naar het hoofd. Doch hier was wel geen sprake van
+het overhandigen van haar vermogen, want haar gastheer droeg niets
+zwaars maar iets kleins in de hand, het geleek wel, ja waarlijk het
+was een rol. Daar kwam hij reeds de smalle trap op, en dadelijk vloog
+zij hem in het portaal tegemoet en bloosde daarbij over zichzelve,
+als deed ze onrecht.
+
+De oude heer merkte het op en zeide, terwijl hij haar den briefrol
+overhandigde: "Gij behoeft niet bang te zijn, gij heldendochter! De
+jonge heer is niet zelf gekomen; hij schijnt het verkieslijker te
+vinden schriftelijk met u te onderhandelen, en zoo is het zeker voor
+beide partijen het best."
+
+Paula knikte toestemmend, nam de rol in ontvangst, en keerde hem
+den rug toe, terwijl zij het koord uit het waszegel trok, want zij
+gevoelde dat zij bleek werd en dat hare vingers beefden.
+
+"De bode wacht op antwoord," zeide Rufinus, voor zij begon te
+lezen. "Beneden sta ik elk oogenblik tot uw dienst gereed." Daarop
+verliet hij haar.
+
+Paula ging in de ziekenkamer terug, en begon, leunende tegen de
+gordijnen voor de vensteropening, in de hoogste spanning te lezen:
+
+"Orion, de zoon van den in God ontslapen Mukaukas Georg, brengt zijn
+groet aan zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas van Damascus.
+
+"Menige brief aan u, die voor dezen geschreven werd, heb ik
+vernietigd." Paula haalde ongeloovig de schouders op en las dan verder:
+"Moge het mij in dit schrijven beter gelukken u te zeggen wat mij
+voor uw heil en het mijne onvermijdelijk schijnt. Ik wil verzoeken
+en raden te gelijk."
+
+"Hij mij raden?" lispelde het meisje, terwijl zij de lip optrok en
+verder las: "Moge het aandenken aan den man, die u als een dochter
+liefhad, en op zijn sterfbed niets vuriger gewenscht zou hebben
+dan u--ofschoon hij afkeerig was van uw geloof--als dochter, als
+gemalin van zijn zoon te kunnen zegenen; moge de herinnering aan
+dezen rechtvaardige uw verbolgen en verontwaardigd gemoed tot bedaren
+brengen, opdat deze woorden van den armste der armen,--want dat ben ik
+thans Paula!--door u niet ongelezen blijven. Sta mij dit laatste toe,
+wat ik van u verzoek, ja om der wille mijns vaders vorder."
+
+"Vorder?" herhaalde de jonkvrouw, en hare wangen gloeiden, er sprak
+onwil uit den opslag harer oogen, en hare beide handen grepen reeds de
+einden van het blad, als wilde zij het verscheuren. Doch de volgende
+woorden; "Vrees niet," hielden haar terug van deze overijlde daad. Zij
+streek het papyrus blad recht en las met toenemende opgewondenheid
+verder:
+
+"Vrees niet, dat ik u naderen zal als een minnaar, als de man voor wien
+er maar éene op aarde zijn kan om lief te hebben en geene andere. En
+dat die eenige juist zij moest zijn, die ik zoo onuitsprekelijk
+zwaar beleedigd heb, tegen wie ik verwoeder, onbarmhartiger en met
+ergerlijker wapenen gestreden heb dan tegen een vijand onder mijn
+eigen geslacht!"
+
+"Geene andere," prevelde de jonkvrouw in zichzelve, streek weder met
+de hand over haar voorhoofd, en rondom hare lippen speelde een trek
+van bevredigden trots toen zij verder las: "Ik zal u liefhebben,
+zoolang een ademtocht deze arme ongelukkige borst beweegt."
+
+Wederom geraakte het papyrusblad in gevaar, doch het bleef ook ditmaal
+ongeschonden en Paula's trekken namen eene stille, vriendelijke
+uitdrukking aan, terwijl zij Orions duidelijk schrift verder las:
+"Doch ik ben mij bewust door eigene schuld alle aanspraak verbeurd te
+hebben op uwe achting, ja op uwe goede gezindheid jegens mij, en als de
+eeuwige liefde geen wonder wrocht in uw hart, het hoogste aardsch geluk
+voor altijd verspeeld te hebben. Gij zijt aan mij gewroken, want alleen
+om uwentwil--hoort gij het?--om uwentwil heeft mijn innig geliefde,
+stervende vader in maar al te zeer gerechtvaardigden toorn over den
+ellendige, die den rechterstoel zijns vaders had geschandvlekt, den
+zegen, dien hij reeds in al zijne volheid over mijn berouwvol hoofd
+had uitgesproken, in vloek veranderd."
+
+Bij deze woorden verbleekte Paula. Dat was het dus waarover hij tot
+Katharina had gesproken, wat hem naar het uiterlijk, misschien ook
+innerlijk zoo wonderbaar veranderd had. En dit, ja dit droeg de stempel
+der waarheid, dit kon niet gelogen zijn, en om harentwil had de vloek
+van den vader het hoofd van den eigen zoon getroffen! Hoe was dit zoo
+gebeurd? Had de arts het niet opgemerkt of het voor haar verzwegen
+om het geheim van een ander te eerbiedigen? Arme, arme jonkman! Ja,
+zij moest hem spreken! Zij kon geene rustige ure hebben voor zij
+wist hoe haar oom, die teeder liefhebbende vader.... Maar verder,
+spoedig verder:
+
+"Alleen zooals ik ben, als een gebroken man, te jong om mijzelven
+geheel op te geven en daarom vast besloten alles aan te wenden wat mij
+aan wilskracht, aan geest en achting voor mij zelven nog van mijne
+voorvaderen overgebleven is, ten einde mij haar waardig te maken,
+verschijn ik voor u en smeek u mij een kort gehoor te schenken! Geen
+woord, geen blik zal u verraden, wat in mij woelt en dreigt mij ten
+gronde te richten.
+
+"Wat nu volgt moogt gij niet ongelezen laten, want het handelt
+over zaken, die voor u van hoog belang zijn. Allereerst zal u
+worden ter hand gesteld wat de overledene van uw erfdeel gered
+en door zijne vaderlijke voorzorg vermeerderd heeft. Het zal in
+deze moeielijke tijden niet gemakkelijk zijn dit kapitaal zeker
+en goed te beleggen. Bedenk, dat evenals de Arabieren gevolgd
+zijn op de Byzantijnen, zoo kunnen de eersten weder plaats maken
+voor de laatsten. Ook de ten onder gebrachte Perzen, de Avaren
+of andere volken, wier namen zelfs tot nu toe in de geschiedenis
+niet bekend waren, kunnen de opvolgers zijn van onze tegenwoordige
+beheerschers, die een tiental jaren geleden voor een handvol woelige
+kameelrijders, karavaan-aanvoerders en armzalige woestijnbewoners
+werden aangezien. De plaatsing van uw vermogen zou zoo moeilijk
+niet zijn, wanneer wij het, zooals vroeger hier de gewoonte was,
+aan Alexandrijnsche groothandelaars toevertrouwden. Maar in die stad
+valt het eene groote huis na het andere en men heeft daar volstrekt
+geen zekerheid meer. Uwe bezittingen weg te bergen of in den grond
+te begraven, gelijk de meeste Egyptenaars doen in deze moeielijke
+tijden, is voor u niet geraden om dezelfde reden, die ons belet het
+als rentegevend op bouwland te doen inschrijven in het kadaster;
+want gij moet er ten allen tijde over kunnen beschikken, daar het
+gebeuren kan dat gij verlangt met de uwen zoo spoedig mogelijk
+Egypte te verlaten. Dit alles zijn zaken waarin eene vrouw niet is
+ingewijd. Ik stel u derhalve voor deze aangelegenheid aan ons mannen
+over te laten, den arts Philippus, uw gastheer Rufinus, die geroemd
+wordt als een eerlijk oud man en onzen ervaren en stipten rentmeester
+Nilus, dien gij kent als een onomkoopbaar rechter.
+
+"Ik stel u voor de behandeling van deze zaak morgen ten huize van
+Rufinus te doen plaats hebben. Gij kunt er naar verkiezing al of niet
+bij tegenwoordig zijn. Wanneer wij mannen het eens zijn, dan verzoek,
+dan smeek ik u mij zonder getuigen gehoor te willen schenken. Ons
+onderhoud zal in weinige oogenblikken zijn afgeloopen, en daarbij zal
+maar over eene zaak gesproken worden, een ruil, waarbij aan u iets
+wat gij verloren hebt en waaraan gij gehecht zijt wordt teruggegeven,
+om daarvoor zoo ik hoop uwe volle achting of althans een verzoenend
+woord terug te ontvangen. Dat heb ik noodig, Paula, geloof mij, ik heb
+het noodig als lucht om te leven, als het mij gelukken zal het werk
+door te zetten, dat ik aan mijzelven heb begonnen. Geef den bode,
+als gij over u hebt kunnen verkrijgen dezen brief geheel te lezen,
+een eenvoudig 'ja' als antwoord mede, om mij te verlossen uit eene
+kwellende onzekerheid. Volgt dit niet, wat God verhoede voor ons
+beiden, dan brengt Nilus u heden nog wat u toekomt. Hebt gij van
+deze regels kennis genomen, dan verschijn ik morgen twee uren voor
+den middag, om met den rentmeester aan de samenkomst deel te nemen,
+waarvan ik gesproken heb. God beware u en geve uwe trotsche, edele
+ziel zachtmoedig te zijn!"
+
+Paula haalde diep adem, liet de hand, waarin zij dit veelbeteekend
+schrijven hield, zinken, en bleef langen tijd in ernstig nadenken
+verdiept bij de vensterbank staan. Eindelijk riep zij Pulcheria,
+verzocht haar om een poos op hare kranken te willen letten, en
+toen deze haar daarop met hare heldere oogen dwepend aanzag en vol
+deelneming vroeg, waarom zij zoo bleek was, kuste zij haar op mond
+en oogen en zeide vriendelijk: "Goed, gelukkig kind!" Daarna begaf
+zij zich naar hare vertrekken aan de andere zijde van de trap, en
+herlas den brief andermaal.
+
+Ja dat was hij, dat was weder de oude Orion, zooals zij hem gekend
+had van het oogenblik zijner terugkomst tot dien onvergetelijken
+watertocht op den Nijl. Maar hij was een dichter en de natuur zelve
+had het hem zoo gemakkelijk gemaakt, om onvoorbereide gemoederen te
+verleiden in hem te gelooven. Doch neen! Deze volzinnen waren oprecht
+gemeend. Philippus kende de menschen en Orion had een hart, ja een warm
+hart! Met een vloek, door een geliefden vader met een brekend oog hem
+in het aangezicht geslingerd, kon zelfs de meest verharde booswicht
+niet spelen. En toen zij dat gedeelte van den brief herlas, waarin
+hij uitsprak, dat hetgeen hij als onrechtvaardig rechter tegen haar
+misdaan had, den zegen van den stervende in een vloek had verkeerd,
+overviel haar eene kille huivering en moest zij bekennen, dat de
+verhouding tusschen hen was omgekeerd, dat hem namelijk door haar een
+zwaarder en ondragelijker lijden was aangedaan dan haar door hem. Zijn
+bleek gelaat, zooals zij het op het kerkhof gezien had, kwam haar weer
+levendig voor den geest, en als hij op dit oogenblik voor haar gestaan
+had, dan zou zij naar hem zijn toegevlogen, hem vol deelneming de hand
+toegestoken en hem verzekerd hebben, dat het nameloos wee, hetwelk
+door haar over hem gekomen was, het diepste medelijden bij haar wekte.
+
+Heden morgen had de Masdakiet op haar vraag, of hij den hemel reeds
+gebeden had hem spoedig te doen genezen, geantwoord: "De Perzen bidden
+nooit om een enkel goed, maar altijd om het goede, want buiten de
+hemelsche goden weet niemand wat den stervelingen dienstig is." Wat
+was dat wijs. Zou hier niet het schrikkelijkste wat een zoon treffen
+kan, de vloek zijns vaders, hem tot zegen kunnen zijn? Zeker was
+het deze vloek die hem tot inkeer gebracht had, en hem den weg had
+doen inslaan, dien hij thans bewandelde. Zij zag hem op dien goeden
+weg, zij wilde aan zijne bekeering gelooven en deed het ook. In
+zijn brief verklaarde hij dat hij haar lief had, vroeg hij zelfs
+om hare hand. Gisteren zou dit haar toorn hebben doen ontvlammen,
+heden vergaf zij hem gaarne, want den ongelukkige, den man die door
+haar toedoen zulk een grievend leed had ondervonden, kon zij ook het
+ergste vergeven. Haar hart klopte thans blijde in de hoop hem weder
+te zien, ja het kwam haar voor als ware die gevierde, terugkeerende
+jonkman, tot wien zij zich zoo onweerstaanbaar getrokken gevoelde,
+door zijne zonde, zijne boete en zijn lijden gewassen en eerst nu
+tot vollen mannelijken ernst gerijpt. En welk eene heerlijke taak,
+dezen zoeker naar den rechten weg bij te staan, om dat te worden wat
+hij zich voorgenomen had te zullen zijn.
+
+Voor de verstandige wijze, waarop hij zich haar uiterlijk welzijn
+aantrok, verdiende hij gewis haar dank. Wat zou hij wel bedoeld
+hebben met den ruil, dien hij haar voorsloeg? Die "groote liefde"
+waarover hij tot Katharina had gesproken, was overal tusschen de
+regels van den brief te lezen, en iedere vrouw vergeeft elken man,
+al ware hij een zondaar en een verachtelijk mensch tegelijk, de
+vermetelheid haar lief te hebben. Mocht hij toch met geheel zijn hart
+aan haar hangen! Het hare, ja, dat was niet te loochenen, gevoelde zich
+geweldig tot hem getrokken. Maar wat haar drong wilde zij geen liefde
+noemen, het mocht alleen eene heilige begeerte zijn, om hem het hoogste
+levensdoel te wijzen en hem daartoe blijmoedig den weg te banen. Den
+bleeken zwarten ruiter, die haar in den droom omarmd had, wilde zij
+niet met zich naar de diepte trekken, neen, zij wilde hem vroolijk
+dragen naar de hoogste hoogte, die een sterk en edel man bereiken kan.
+
+Zoo dacht zij en bloosde daarbij. Spoedig was haar besluit genomen, zij
+opende hare kist, haalde paryrusbladen, schrijfgereedschap en cachet
+voor den dag, zette zich aan een kleine lezenaar, die Rufinus voor
+haar bij het venster geplaatst had, ten einde aan hem te schrijven. In
+haar ontwaakte een onweerstaanbaar, een brandend verlangen naar hem,
+doch zij spande al hare krachten in om dit te beheerschen, en voelde
+daarbij dat het haar onmogelijk zou zijn de rechte woorden te vinden
+als zij hem schreef. Zoodra zij de bladen weer in de kist legde en
+haar oog op het zegel viel, trof iets bijzonders hare aandacht; op den
+ouden haar zoo welbekenden ring haars vaders viel haar de tusschen twee
+gekruiste zwaarden zwevende ster op, misschien het Orionsgesternte,
+dat omgeven was door het Grieksche randschrift: "Voor de deugd hebben
+de onsterfelijke goden het zweet gezet", dat wilde zeggen: wie een
+deugdzaam mensch wil worden, mag zweet noch moeite ontzien.
+
+Met een tevreden lachje sloot zij het deksel van de kist, want in die
+spreuk bij de ster lag zeker een goed voorteeken. Tevens nam zij zich
+voor, Orion over dit devies, hetwelk een harer voorvaderen aan den
+ouden Hesiodos ontleend had, te spreken. Vervolgens snelde zij de trap
+af, ging Rufinus, zijne vrouw en den arts in den tuin voorbij, wekte
+den reeds lang vast ingeslapen schrijver en droeg hem op zijn meester
+het 'ja' over te brengen, waarop hij wachtte. Doch vóór de bode het
+muildier besteeg, verzocht zij hem nog een oogenblik te toeven en ging
+naar de mannen terug, want zij was op de gedachte gekomen, dat zij in
+haar ijver vergeten had met hen over Orions voorslag te spreken. Beiden
+kwam het voor de beraadslaging vastgestelde uur gelegen.
+
+Terwijl Philippus den schrijver mededeelde, dat men zijn heer
+morgen hier wachten zou, zag de oude man de jonkvrouw met onverholen
+blijdschap in het aangezicht en zeide: "Wij hadden gevreesd, dat de
+berichten uit het stadhouderlijk paleis uwe goede stemming zouden
+bederven, maar goddank, gij ziet er uit als kwaamt gij zoo pas uit
+een verfrisschend bad.--Wat denkt gij ervan Johanna? Een twintig jaren
+geleden zou zulk eene huisgenoote u jaloersch hebben gemaakt: of is er
+in uwe duivenziel geen plaats voor zulk eene afschuwelijke aandoening?"
+
+"Loop heen!" antwoordde de matrone lachende. "Alsof ik al die mooie
+meisjes gezien had, die gij vagebond in de wijde wereld, ver van ons
+hebt nagekeken!"
+
+"Neen oudje, doch zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is,
+hoe ver eene plaats ik mij ook denk, eene godin als deze heb ik
+nergens aangetroffen."
+
+"En ik zeker niet in mijn slakkenhuis leventje," zeide vrouw Johanna
+toestemmend, terwijl zij de heldere oogen met innig welgevallen op
+Paula sloeg.
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend
+Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot
+tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria,
+die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie
+geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen
+elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier
+de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht
+zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo
+aangenaam was.
+
+Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel
+aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd
+toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen
+kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond
+zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde
+het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit
+eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk
+uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof
+de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred
+zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop
+en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en
+daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte
+opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon.
+
+"En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in
+de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt," voegde de arts
+erbij, "en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt,
+dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat
+de lieden zich aanstellen als bezetenen."
+
+"Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood,"
+zeide Pulcheria uit volle overtuiging.
+
+"Dat heb ik ook altijd geloofd," voegde Paula erbij.
+
+"Geheel ten onrechte," antwoordde de arts. "Ontelbare bewijzen zijn
+hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in
+dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt
+gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen,
+vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds
+meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren
+wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!"
+
+"Ik ben tot uw dienst," antwoordde de oude, "doch ik had liever dat
+die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten,
+de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide."
+
+"Welk een wensch!" zeide Paula. "Menigmaal zegt gij dingen en zie ik
+andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet
+heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd..."
+
+"U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide
+en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel."
+
+"Juist!" antwoordde Paula. "Er is wel geen grooter bewijs van
+barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven
+dragelijk maakt."
+
+"Maar daarom, denkt gij," zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in
+de rede, "uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling
+zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van
+kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel
+van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten-
+en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit,
+er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk
+vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei
+vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen
+te leeren kennen."
+
+"En ze weer recht te maken," voegde de arts erbij. "Van zijne jeugd
+af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven."
+
+"En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en
+ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt," zeide de oude man,
+dit toestemmende. "Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat
+ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog
+wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb
+ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde
+omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop,
+en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen
+verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!"
+
+"O, zeker!" zeide Paula. "Evengoed als ik Philippus versta als hij
+mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet..."
+
+"Halt," hernam Rufinus lachend, "onze vriend zal zich wel wachten u
+dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit
+eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen
+beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan
+mijne kreupelen."
+
+"Zij zijn u zeker dankbaar," merkte Paula op.
+
+"Dankbaar?" vroeg de oude heer. "Dat komt wel eens voor, maar
+erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij
+weet nu genoeg, reeds om der wille van Philippus willen wij de rest
+laten rusten."
+
+"Neen, neen," bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak,
+zeide hij vroolijk: "Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort
+maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de
+maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?"
+
+"Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn
+zooals zij ons toeschijnen."
+
+"Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar
+lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals
+ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten
+dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf
+van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan
+een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken
+pasklaar maken?"
+
+"Zeker niet!"
+
+"Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet
+de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen
+maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp
+zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne
+meetingen en de onze?"
+
+"En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat
+geleid?"
+
+"Tot vele en groote," verzekerde de oude; doch de arts belette hem
+verder te gaan door luide "Oho!" te roepen, en te verzekeren dat
+zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen
+wetten af te leiden. Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld
+zeker belang....
+
+Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd
+ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren
+opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten
+mede te deelen.
+
+"Ik heb bevonden," antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij
+zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek, "dat zij
+niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen,
+om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke
+missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter
+Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend
+van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken
+hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen,
+den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit
+getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde,
+wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen
+maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo
+meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen
+recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke
+neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht,
+en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in
+eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens
+een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens
+op hem. Wanneer hij zich 's avonds bij onze lieden neerzet lachen ze
+al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in
+paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?"
+
+"Zeker!" antwoordde Paula.
+
+"En gij, Pul?"
+
+"Neen, vader."
+
+"Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel
+betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox
+zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden
+wilde toeroepen: 'Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,' of wanneer
+ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke
+zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde
+met te zeggen: 'onze wierook was bitter van louter zoetigheid.' Deze
+paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen
+vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?"
+
+"Ja zeker," antwoordde Paula.
+
+"En gij, Pul?"
+
+"Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig
+zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen,
+want dat kan een meisje hinderen."
+
+"Bravo, mijn recht kind!" zeide de oude lachend. "Doch daar staat
+de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat
+ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van
+zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken,
+wanneer ge mij dat wildet mededeelen?"
+
+De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch
+met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik
+en antwoordde toen: "Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken
+en hem distels onder den neus geduwd."
+
+"Voortreffelijk!" riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep,
+zeide de arts: "Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden,
+maar--niet waar jonkvrouw Paula?--wij kennen ook lieden die recht
+opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide
+voorstellingen tot hunne beschikking hebben."
+
+Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn
+geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen,
+en daarna met warmte voort te gaan: "Ik roep u allen tot getuigen of
+die lamme Baste--een harer beenen is veel korter dan het andere, en
+wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt--haar
+meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte
+der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet
+struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen
+wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij
+helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat
+met de andere lieden in de open lucht had gezeten--het was omstreeks
+den middag--gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan,
+en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat
+zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft,
+moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf
+der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?"
+
+"In dit geval hebt gij gelijk," antwoordde de arts; "toch ken ik
+gebrekkigen..."
+
+Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte
+er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: "Die
+Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!"
+
+"Omdat zij ook in haar binnenste ziet," antwoordde Rufinus. "Zij
+kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt
+zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na
+de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord
+hadden, redetwistten..."
+
+"Heel goed," viel de arts in, "en het leven heeft sedert mijne
+inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en
+logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: 'Mens sana in corpore sano',
+wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: 'Alleen in een gezond
+lichaam kan eene gezonde ziel wonen'. Als wensch laat ik dit woord
+gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk
+te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte
+van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare
+stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en
+eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden
+niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en
+evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen
+worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid
+aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele
+zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de
+laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke
+onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam
+omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al
+zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een
+gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt
+eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen
+groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals
+toch met den mensch plaats heeft?"
+
+"Deze vergelijking gaat mank!" zeide de oude heer met geestdrift,
+"en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak
+met elkander komen..."
+
+"Gij zult vrede houden!" riep opeens vrouw Johanna haar man toe,
+en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den
+man af: "Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?"
+
+"De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd,
+dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden,"
+antwoordde Rufinus, deftig buigende.
+
+Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide:
+"hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo'n fraai
+gedraaid antwoord..."
+
+"Hij ziet zijne kreupelen de kunst af," schertste Paula. "Maar nu komt
+gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een
+bedaagden wijze, en heeft mij--om der wille van Rufinus zeg ik niet
+'overtuigd', maar 'meegesleept'. Ik ben u eerbied schuldig, en toch
+zou ik willen weten hoeveel jaren gij...."
+
+"Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden," zeide de arts, nog
+voor zij haar vraag voleindigd had.
+
+"Dat is een eerlijk antwoord," zeide vrouw Johanna, lachende. "Op uw
+leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast."
+
+"Waarom?" vroeg Pulcheria.
+
+"Ach, daarom," antwoordde de moeder. "Er zijn meisjes die een dertiger
+voor ouder aanzien dan hem lief is."
+
+"Domme schepsels," hernam Pul. "Zij zullen bezwaarlijk een jonkman
+vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja
+gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig,
+meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?"
+
+"En minder leelijk in geen geval," voegde de arts erbij.
+
+Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt:
+"Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft
+in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren,
+dat gij een deftig man zijt."
+
+Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve
+verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den
+arts: "Pulcheria's vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den
+waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd
+mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering
+wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de
+hoogeschool hebben bezocht?--Het duurt nog lang eer de maan, die zoo
+helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus
+zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot
+genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe
+gij hier te Memphis gekomen zijt."
+
+"Zijn levensloop?" zeide vrouw Johanna. "Wanneer hij ons die vertellen
+wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt
+de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een
+leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal
+een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot."
+
+"Mij roept mijn plicht," zeide de arts, en nadat hij van de anderen
+vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste
+dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:
+
+"Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid
+er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats
+arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het
+beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over
+Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend
+naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar
+goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben,
+en daar de schoone vreemdeling--want mijn vader was een man zooals er
+weinigen meer zijn--haar goed beviel, werd zij om zijnentwil christin
+en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over
+gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch
+tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man
+toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij
+zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden,
+en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks
+bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans,
+geen varken zien slachten. Haar hart--moet ik zeggen 'helaas' of
+'goddank'?--heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn
+vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik
+tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had
+gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde
+geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij
+een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende,
+leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op
+te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen
+en kwam in de school goed vooruit.
+
+"Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en
+gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij
+het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt,
+louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst
+begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep
+natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster,
+een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het
+dier kon 'jij domkop', mijn naam en nog andere woorden roepen, en
+hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst
+hamerden en vijlden, daar fladderde het 't liefst heen en weer, en waar
+het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen,
+knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne
+gezelligheid goed bekomen, maar op zekeren dag geraakte het in een
+schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!"
+
+De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging
+toen opnieuw voort: "De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo
+medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden
+den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje
+voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de
+ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd,
+opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het
+pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd,
+en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar, het pootje
+genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de
+werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en
+pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat
+oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken
+hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik
+ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond
+of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen,
+ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan
+hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een
+patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien
+eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog
+voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken,
+en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels,
+die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de
+barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering
+bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet,
+behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die
+vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige
+dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!
+
+"De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven,
+hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de
+hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne
+kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige
+gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder
+ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen,
+en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets
+werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als
+ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met
+lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene
+oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet
+een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen
+de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad
+noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid
+geweest zou zijn hartelijk te lachen.
+
+"Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak
+en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik
+er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in
+opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen
+en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren
+duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had de
+troepen--allemaal Grieken--laten uitrukken, om de rust met geweld te
+herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik
+kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en
+vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te
+dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden,
+zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig,
+zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die
+arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels--nog wel onze
+geloofsgenooten--werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd
+en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd
+gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare
+oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde,
+gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat--die schoone jonge
+vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen
+ze mij bij nacht in den droom.
+
+"Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods,
+een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep
+ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen
+uit haat, alleen--zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen
+is--voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die
+niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor
+zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En
+deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier
+der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst,
+waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te
+vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de
+menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen
+in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die
+zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden
+zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis
+waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die
+zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem
+zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die
+in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en
+daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop,
+de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats
+van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het
+afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.
+
+"De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen
+en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen;
+want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in
+onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke
+vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed
+van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de
+leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard,
+zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke
+goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap
+en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke
+leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte
+Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan
+om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met
+den meesten ijver de fouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem
+aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd
+gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de
+meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is
+zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat
+kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie
+over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.
+
+"Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een
+ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te
+heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd
+en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn,
+en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel
+te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te
+helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke
+bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken
+is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!
+
+"Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte
+te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere
+grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote
+levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het
+oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn
+aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel
+aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land
+te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat
+als eene krankheid wordt beschouwd. Maar--zoo waarlijk de mensch de
+maatstaf is aller dingen--tot heden is alle moeite om dat land te
+vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht,
+dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht
+waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.
+
+"Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel
+dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed,
+dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij
+door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van
+plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij 't wel gelooven,
+Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo
+vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met
+deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon
+verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten,
+voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn,
+geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de
+Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging
+niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk
+gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van
+breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als
+in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk
+samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later
+echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De
+trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en
+sleepte ze mee naar de hoogeschool. De echtgenoot, de vader, de
+grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen,
+die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar
+de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik
+bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre
+overtrof, en onze Philippus muntte uit boven allen. Ziedaar de reden,
+edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren
+studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor
+den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht
+maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak
+lust het mij oudje, die het doel van Philippus zooveel eerder dan
+hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen."
+
+Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich
+van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: "Ware ik een
+man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw
+geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En
+thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij
+nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u,
+had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart
+wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene
+moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind
+zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden."
+
+"Gaarne, volgaarne!" riep de oude man, greep hare beide handen en ging
+daarna opgewekt voort: "Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze
+Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere,
+menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.--Maar kom,
+kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint,
+zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde,
+Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te
+verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de
+vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met
+zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om
+den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd
+jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden--trekt
+de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom--heden
+maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk
+christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel
+aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen
+vernietigd, maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en
+naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den
+bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen
+en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook
+die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend,
+als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden,
+en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja--zoo waar
+de mensch de maatstaf is aller dingen--die beangstigde schepsels
+daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het
+wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche
+dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!"
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig
+en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet
+alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene
+Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia
+zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste
+vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of
+eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke
+opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het
+was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed
+alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak
+beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze
+volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten
+zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje
+avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven
+had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een
+heftig of onvriendelijk woord.
+
+Sedert Orion's kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen
+had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder
+volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat
+vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel
+over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De
+manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf
+gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke,
+bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna's
+mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in
+tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was
+toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar
+gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen
+had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op,
+tegen welker hoogte zij angstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het
+verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie
+Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis
+van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een
+brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend
+gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht
+gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van
+teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen
+het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk
+geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken
+en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na
+Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen,
+waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte,
+moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds
+bij elkander?
+
+Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een
+lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit 'misschien'
+martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te
+maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van
+haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat
+deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam
+kon zijn, zich midden onder de krokodillen van den Nijl werpen zou. De
+jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende
+jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op
+voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van
+den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester
+Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare
+goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van
+het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan
+zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne
+moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in
+het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig
+betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen,
+die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina
+had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en
+het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje
+met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken
+van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar
+overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes,
+en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak
+van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbed en
+elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post
+behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen
+zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.
+
+Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar
+buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van
+Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang
+haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion
+in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben,
+en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon
+bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van 's buurmans huis
+dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter
+rechter tijd op de plaats te zijn.
+
+In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde,
+omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine
+duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een
+briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte
+om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk
+ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de
+vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat
+de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl
+bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een
+bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke
+plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt
+kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden,
+daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De
+ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den
+hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst
+moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel
+te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch
+moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar
+maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop
+van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare
+bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon
+gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de
+stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den
+haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden
+en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in
+orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een
+vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de
+weer; want ieder meende door dezen dienstijver ter wille van den
+patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en
+daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat
+zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste
+dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend,
+maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten
+uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was
+geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo
+was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en
+klein, alleen niet op hare dochter.
+
+Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan
+wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in
+den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij
+enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een
+ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer
+verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de
+trap opvloog die naar hare kamer geleidde: "Orion zal weldra komen,
+vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer
+hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd
+genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik
+mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De
+voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor
+het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden,
+want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder
+eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten
+reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht."
+
+Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en
+blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met
+zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken
+achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich
+daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene
+theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen
+zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der
+zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de
+eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds
+sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het
+suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad
+in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang
+op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van
+zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide
+treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd
+gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwen en eene schare van
+halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend,
+want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van
+Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken
+van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig
+uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem
+de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den
+Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk
+aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.
+
+Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het
+aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels,
+en de man, waarom het haar vooral te doen was. Zoo schoon was Orion
+haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad,
+waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen,
+deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn
+overvloedig thans ongekruld haar hing in rijke kunstelooze golvingen
+langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar
+tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze
+uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust
+had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij
+eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat
+van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat
+Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien,
+en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij
+zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en
+deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar
+zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij
+in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het
+liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in 's buurmans huis
+tusschen Paula en Orion te werpen.
+
+Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel
+beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel
+van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis
+van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als
+was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets
+dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met
+zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen,
+vlinders, bijen en kevers, wier gegons zij niet hoorde en die de
+bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen
+zeker, want er vertoonde zich niet éen, geen enkele brak met zijn
+tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor
+de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had
+zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen
+van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten
+en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij
+met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de
+brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de
+distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog
+liet de slaapdronken voerman zijn "brrr!" hooren.
+
+Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te
+beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een
+zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen
+worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en
+de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere,
+kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning
+waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer
+noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het
+was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken,
+en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol
+boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.
+
+Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het
+middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De
+patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar
+geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden
+sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood
+de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen
+eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet
+zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai
+geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den
+peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij
+zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het
+slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden,
+gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar
+handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte,
+en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve
+buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar
+op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch,
+en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij
+er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip, want terwijl zij de
+medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door
+slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca
+legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de
+wagen verliet den tuin.
+
+"Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe," dacht
+Katharina. "Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde
+verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den
+stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!"
+
+Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield
+tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van
+hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions
+zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiter te paard leidde
+het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde,
+prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: "Hij neemt haar
+dus in elk geval niet dadelijk mee."
+
+Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula
+uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe
+zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet,
+ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden
+zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had
+wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij
+dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet
+verloren. En hij?--Als een betooverde zag hij zijne geleidster
+aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad
+zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een
+rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed
+moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene
+gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar
+niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte
+schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf
+voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.
+
+Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na
+aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond,
+dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande
+spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de
+heg onmerkbaar voortsloop.
+
+"Ik heb u zooveel te danken," waren de eerste woorden, die zij
+uit Orions mond opving, "dat ik schroom u nog één ding te vragen;
+maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de
+kinderhand van Maria mij geslagen heeft, doch wat haar daartoe bewoog
+was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u."
+
+"Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?" vroeg Paula. "Deze
+wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen..."
+
+"Alleen?" vroeg Orion.
+
+"Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het
+stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil."
+
+"Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk
+kunnen verlaten. En--dit moet ik er bijvoegen--mijne moeder ontwijkt
+het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet
+doet en telkens opnieuw beangstigt."
+
+"Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?"
+
+"Bedenk toch eens," zeide Orion met een zucht, "wat mijne arme moeder
+voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij
+het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar
+weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan,
+door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis."
+
+"Dan moet men haar daaruit verwijderen," zeide Paula bewogen. "Zend
+haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en
+vertroostende geesten."
+
+"Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen...."
+
+"Doe dat!" haastte Paula zich te zeggen. "Hebt gij Pulcheria, de
+dochter van mijn waardigen gastheer gezien?"
+
+"Ja, een eigenaardig lieftallig meisje."
+
+"Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel."
+
+"En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna
+hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten."
+
+Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als
+lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver
+zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er
+bij, op een toon van zacht verwijt: "Ook Katharina hebben de laatste
+dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort
+geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen."
+
+"Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich
+af," antwoordde de ander. "Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel,
+en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb
+ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne
+verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch
+van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar
+spreken wij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik
+van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen,
+wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!"
+
+De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan,
+thans sloegen de beluisterden een pad in dat, maar even door enkele
+boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden
+van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij
+verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon
+de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan
+deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere
+was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene
+verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar
+als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te
+worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten,
+waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er
+een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield
+het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had
+overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor
+de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar
+althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield
+zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij
+zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare
+geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij
+deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord
+loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren
+en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop
+niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken
+onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen
+weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat
+zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne
+hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.
+
+Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds
+daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat
+eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde
+bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de
+oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik,
+want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra
+zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis
+van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van
+het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden
+hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier
+Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond
+van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders
+hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor
+de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden
+wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat
+ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen,
+wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest
+staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke
+bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het
+andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus,
+de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in
+de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een
+wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze
+plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang
+de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen
+ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan den
+muzelmanschen wisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.
+
+Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder
+er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming
+gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar,
+ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen,
+en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen
+van den rentmeester altijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch
+het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion,
+want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid
+en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting,
+had men haar met Orion alleen gelaten.
+
+Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van
+den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon
+van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare
+voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had
+hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust
+had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot
+meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij
+bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.
+
+Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de
+borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk
+de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij
+haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn
+eigenaardigen diepen toon gezegd: "Ziedaar uw eigendom! Neem het aan,
+en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!"
+
+Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna
+den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende
+oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest
+een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig
+stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt
+als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het
+beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te
+gering is voor hem die haar ontvangt.
+
+Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de
+hand uitgestoken, en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het
+verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld
+en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor
+haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens
+voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo
+bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige
+wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden
+deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden
+voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een
+drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van
+het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar
+aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een
+groot monarch aan een harer voorouders had geschonken, en zij was
+blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden
+echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij
+haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel
+in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den
+fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig
+bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure
+had bereid.--Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich
+voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar
+gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te
+vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk
+goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen,
+dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een
+mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die
+daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen
+voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over
+hem geveld had, was honderd-, ja duizendmaal te hard geweest! Alleen
+een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en
+hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze
+noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk
+getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit,
+als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het
+almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne
+groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen
+blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker,
+dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch
+in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend
+hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd
+bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!
+
+Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk
+was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had
+hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij
+had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn
+geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in
+de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn
+brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had
+zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen;
+toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar
+gevoel meester geworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk
+teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,--iets
+dat hem vreemd in haar voorkwam en hem nog meer in verrukking
+bracht dan hare grootheid en trots--met dreigend opgeheven vinger
+toegeroepen: "Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas,
+ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!"
+
+"Spreek niet zoo," had hij in zalige stemming geantwoord. "Zeg liever:
+gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u
+hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor
+u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij
+heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer,
+misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij
+beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in
+het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig
+stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn."
+
+"Om der wille van den afgestorvene," had zij hem sterk blozende
+geantwoord, "gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over
+het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar
+plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te
+ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij
+het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje."
+
+"Spreek!" had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet
+dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te
+gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk
+geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende
+blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze
+niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde
+een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en
+hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus
+zijne levensopvatting noemde.--Deze was hem niet nieuw, ja zij was
+in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn
+toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting
+over; "het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," dat was
+als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor
+de toekomst behulpzaam zou zijn.
+
+"En dit woord," zeide hij tot Paula, "zal mij bovendien lief zijn,
+omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook
+de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter
+gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden
+helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke
+wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het
+doel leiden, want den stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen,
+die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is..."
+
+"Het is datgene wat gij uwe liefde noemt," sprak zij blozende hem in
+de rede vallende. "Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven."
+
+"Gij wilt!" zeide hij met vuur. "Gij veroorlooft mij te hopen..."
+
+"Hopen, hopen!" haastte zij zich weder te zeggen, "intusschen..."
+
+"Intusschen," ging hij voort, "'dring thans niet verder aan',
+wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij
+weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld
+verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb,
+zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen
+het zwijgen op, wil ik beproeven..."
+
+"Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen," hernam
+Paula, "dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden
+vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen
+verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste
+danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend
+heeft. Wij willen te zamen dezen dag..."
+
+"Zegenen en onder de besten rekenen," viel Orion blijmoedig in,
+en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had
+afgeluisterd.
+
+Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd
+hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest
+blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den
+veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen
+hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou
+laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te
+doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan
+lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist
+hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook
+aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens
+schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne
+beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden,
+hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde
+liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij
+op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap
+van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.
+
+Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij
+hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd
+uit het Perzische tapijt gebleven was.
+
+Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien
+naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en
+op te maken tot een sieraad--waardig voor haar, die hij...
+
+Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond
+en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: "Leugen,
+vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid
+gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets
+onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula,
+ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was
+niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker
+niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart
+had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig
+speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme
+ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe
+groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!"
+
+Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer
+verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula
+met warmte en blijmoedig tot hem zeide: "Ja, dat is de waarheid,
+ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen
+heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt,
+en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!"
+
+Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende
+stem: "En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga,
+en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag
+hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar,
+als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan
+op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?"
+
+"Zelfs met nog blijder vertrouwen," hernam Paula, waarbij zij hem
+met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij
+drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het
+zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.
+
+"Katharina, kindlief, Katharina!" zoo riep uit de richting van
+het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het
+kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over
+het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, "die andere,"
+die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had,
+en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel,
+toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen
+zag nastaren.
+
+Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging
+Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine
+bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden
+was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna
+weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet
+aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf
+van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+In den namiddag gaf Orion gehoor aan de roepstem van den Arabischen
+gebieder over Egypte. Op zijn edel ros reed hij over de schipbrug. Twee
+jaren geleden zag men ter plaatse waar nu de nieuwe residentie Fostat
+zich aansloot bij het oude fort Babylon niets anders dan akkers en
+tuinen, maar als door een wonder was zij op bevel van Amr als uit
+de aarde opgeschoten, en thans verhief zich in de straten en op
+de pleinen reeds het eene huis naast het andere, de haven lag vol
+schepen en booten, op de markt heerschte groote bedrijvigheid, en
+waar gedurende het beleg der vesting Babylon de winkel van een kramer
+stond, omgaven nu reeds lange dubbele zuilenrijen de ruime bidzaal
+van eene moskee. Van Egyptenaars en Egyptisch leven was hier weinig
+te zien; het was als had een demon een deel van Medina uit Arabië
+aan den Nijl verplaatst. De menschen, de dieren, de huizen, de kramen
+droegen den stempel van hun vaderland, ofschoon de gebouwen bewezen,
+dat de bouwmeesters ook andere dingen hadden gezien in de door hen
+veroverde beschaafde landen van Azië. Waar Orion een landsman zag,
+stond deze als arbeider of rentmeester in dienst van den vreemdeling,
+die hier zoo spoedig vasten voet had verkregen.
+
+Voor zijn vertrek naar Konstantinopel had daar, waar zich nu tegenover
+de half voltooide moskee het woonhuis van Amr verhief, een palmentuin
+van zijn vader gestaan. Waar thans honderden muzelmannen met den
+tulband op het hoofd en in de kleederdracht van hun vaderland, die
+reeds veel weelderiger was geworden door den in korten tijd geroofden
+buit en het gemeenzaam verkeer met pronklievende natiën, zich heen en
+weer bewogen, deels te voet, deels te paard, en lange rijen kameelen
+gehouwen steenen droegen naar de bouwplaats, had hij weleer slechts
+nu en dan een ossenwagen met knarsende raderen ontmoet, een ruiter
+op een ezel of op den ongezadelden rug van een oud trekpaard, en van
+tijd tot tijd ook eenige overmoedige Grieksche soldaten. In plaats
+van de taal zijner voorouders en van de Grieksche overheerschers van
+weleer vernam hij thans de harder en scherper klinkende van de zonen
+der woestijn. Zonder den dienaar, die naast hem ging, zou hij zich
+op zijn eigen vaderlijken grond niet hebben kunnen doen verstaan.
+
+Het huis van Amr was spoedig bereikt en een Egyptisch schrijver
+deelde hem hier mede, dat zijn heer op de jacht was en hem niet in
+de stad maar op den Lichtenburg ontvangen zou. In dit schoone gebouw,
+oorspronkelijk opgetrokken voor den prefect des keizers op eene goed
+gekozen plaats van het kalkgebergte, dat zich achter het fort Babylon
+en de nieuw verrijzende stad verhief, had Amr thans zijne vrouwen,
+kinderen en lievelingspaarden geherbergd, en om goede redenen hield hij
+zich daar liever op dan in het huis in de stad, te midden van al die
+voor den dienst bestemde vertrekken. Bovendien benam hier de nieuwe
+moskee het uitzicht op den Nijl, terwijl men van den Lichtenburg ver
+in de rondte kon zien.
+
+De zon neigde ten ondergang, toen Orion zijn doel bereikte; doch de
+veldheer was nog niet van de jacht teruggekeerd en de poortwachter
+verzocht hem wat te toeven. Den jongeling, die gewoon was door zijne
+landgenooten als de erfgenaam van den eersten man des lands behandeld
+te worden, steeg het bloed naar het hoofd, en het deed zijn Egyptisch
+hart zeer, dat hij tegenover den Arabier zijn trots buigen en zijn
+spijt verkroppen moest. Hij behoorde thans tot de onderworpenen,
+en de gedachte dat éen woord uit zijn mond voldoende zou zijn,
+om weder in de rij der heerschappij voerenden te worden opgenomen,
+vatte opeens en met nadruk post in zijne ziel. Doch hij onderdrukte
+haar met alle kracht en liet zich zwijgend naar het terras brengen,
+dat door lange met wijngaardloof omrankte gaanderijen voor de
+zonnehitte beschut werd. Hij nam plaats op eene der marmeren banken
+bij de borstwering van dit groote tuinbalcon en liet zijn oog door de
+ruimte weiden. Al wat hij daar zag was hem nauwkeurig bekend, immers
+het was het tooneel zijner kindsheid en vroege jeugd. Dit tafereel
+had zich wel honderdmaal voor zijne oogen uitgebreid, en toch maakte
+het heden een gansch anderen indruk op hem dan vroeger. Zou er, vroeg
+hij zich af, wel een vruchtbaarder, weelderiger land gevonden kunnen
+worden dan het zijne? Hadden niet reeds de Grieksche dichters den Nijl
+bezongen als de eerwaardigste aller rivieren? Had de groote Caesar het
+ontdekken van zijn oorsprong niet zulk eene heerlijke taak geacht,
+dat hij daarvoor, volgens zijne eigene uitspraak, de heerschappij
+over de wereld zou hebben prijsgegeven?
+
+Eeuwenlang had van de opbrengst dezer uitgestrekte akkers het geluk
+en het ongeluk afgehangen van de grootste steden der aarde, ja het
+keizerlijk Rome en het machtig Konstantinopel hadden gebeefd bij
+de vrees voor naderenden hongersnood, wanneer een mislukte oogst
+de hoop van den landman verijdelde. Was er eene vlijtiger bevolking
+van landbouwers te vinden, en bestond er voorheen wel eene wijzer en
+kunstvaardiger? Als hij terugzag op de lotgevallen en daden der natiën,
+dan zag hij in het verst verwijderd verschiet, daar waar het spoor
+der geschiedenis nog bijna niet te herkennen is, als eerste en oudste
+gedenkteekenen van het menschelijk scheppingsvermogen de reusachtige
+sphinx liggen, dezelfde pyramiden staan, die als oudste kunstmonumenten
+daarginds, aan gene zijde van den Nijl en zijne vervallene vaderstad
+Memphis, aan den voet van het Lybische gebergte zich altijd nog
+onveranderd, even grootsch en trotsch als weleer verhieven en eerbied
+afdwongen. Hij was een nazaat dergenen, die deze onvergankelijke
+kunstwerken hadden opgericht, wellicht vloeide in zijne aderen nog
+een druppel van het bloed der pharaonen, die in deze reuzenmausoleën
+eeuwige rust gezocht, wier grootere nakomelingen aan het hoofd
+hunner legerscharen de halve wereld onderworpen en bewondering en
+gehoorzaamheid afgedwongen hadden. Hij, die zich zoo vaak gevleid had
+gevoeld, wanneer men--niet enkel met het oog op de taalverbastering,
+die zijn tijd kenmerkte--zijn zuiver Grieksch en zijne innemende
+Helleensche manieren prees, hij gevoelde zich hier op dit oogenblik
+trotsch op zijne Egyptische afkomst. Ruimer ademhalende rustte zijn oog
+op het westen en de ondergaande zon scheen hem de onschatbare waarde
+van zijn vaderland prachtig te willen verduidelijken, terwijl zij,
+haar wondervol licht uitgietende over het geheele landschap, de akkers,
+den stroom, de palmbosschen, de daken der stad, ja zelfs het naakte
+woestijngebergte en de pyramiden in louter goud veranderde. Thans ging
+zij achter den keten der Libysche hoogten ter rust. De naakte, heldere
+kalkrots glinsterde als lichtende ijskristallen, en het was alsof de
+vuurbol in het hart van het gebergte wegsmolt, terwijl zij achter zijn
+kam verdween, als verbonden die laatste opwaarts schietende stralen
+het dal zijner geboorte door millioenen gouden draden met den hemel,
+de woning der godheid, die het boven alle andere landen gezegend had.
+
+Dit heerlijk stukje grond en zijn volk van de overheerschers te
+bevrijden, daaraan de macht en de grootheid weer te geven, die het
+eens bezeten had; de halve maan te rukken van de tenten en gebouwen
+daar beneden, in de plaats daarvan weer het kruis te planten, dat hem
+van kindsbeen heilig was; den overmoed der muzelmannen te fnuiken aan
+het hoofd van met geestdrift bezielde Egyptische mannen, en met dezen
+het oosten te onderwerpen als die Sesostris, waarvan geschiedenis en
+sage wisten te spreken, dat was eene taak, den kleinzoon van Menas, den
+zoon van den grooten en rechtvaardigen Mukaukas Georg waardig. Tegen
+zulk een plan zou Paula zich niet verzetten, ja zijne overprikkelde
+verbeelding deed hem in haar aan zijne zijde eene tweede Zenobia zien,
+bereid om zulk eene grootsche roeping te volgen, om te handelen,
+hem bijstand te verleenen, te heerschen!
+
+Geheel onder den indruk van deze bespiegelingen in de toekomst,
+had hij zijn blik afgewend van het glanzend schouwspel van dezen
+zonsondergang en voor zich gestaard; daar stoorden de stemmen van
+menschen op den weg in de onmiddellijke nabijheid van het terras
+zijne hoogvliegende droomen. Hij keek naar beneden en zag aan zijne
+voeten ongeveer een twintigtal Egyptische arbeiders, vrije, door
+geene teekenen van slavernij onteerde lieden, die met weerzien en
+toch zwijgend gehoorzamende daarheen trokken en aan geen tegenweer of
+vluchten dachten, ofschoon éen enkele Arabier hen in ontzag hield. Dit
+gezicht trof zijn in hooge mate opgewonden gemoed, als eene wolkbreuk
+het glimmend vuur, als een hagelslag het jonge groene graanveld. Zijn
+oog, dat zooeven nog vol geestdrift fonkelde, zag teleurgesteld en
+met minachting op de ongelukkigen neer, wie hetzelfde bloed door de
+aderen stroomde. Een trek van bitteren spot speelde om zijn mond,
+want die schare vrijwillige slaven achtte hij zijn toorn niet waard,
+en des te minder hoe levendiger hij zich voorstelde wat zijn volk
+eenmaal was geweest en wat het nu was. Eigenlijk dacht hij er niet
+over na, maar terwijl de duisternis viel, kwam in zijne herinnering
+het eene tooneel na het andere op, waarbij Egyptenaars zich smadelijk
+gedragen en bewezen hadden, dat zij de vrijheid niet verdienden en
+gewoon waren als knechten te bukken. Gelijk thans éen Arabier zoo
+waren vroeger drie Grieken voldoende geweest, om eene geheele schare
+zijner landslieden in bedwang te houden. Op de landgoederen en aan
+het hof zijns vaders had hij tallooze voorbeelden gezien van eene
+bijna blijmoedige onderdanigheid van Egyptische boeren, dorpshoofden
+en beambten, enkel vrijgeboren lieden. Hadden ook in Alexandrië en
+Memphis zijne stamgenooten het juk der vreemde overheersching niet
+gewillig gedragen, en het zich laten welgevallen overal, evenals waren
+zij van minder soort en afkomst, door de Grieken in de schaduw gesteld
+en vernederd te worden, als men maar niet raakte aan de instellingen
+en spitsvondige geloofsartikelen van hun godsdienst?--Alleen in
+het laatste geval had hij hen zien opstaan en hun bloed vergieten,
+doch ook dan nog met groot misbaar en veel belovend vertoon. Reeds
+de eerste nederlaag was beslissend en een handvol goed geoefende
+strijders bleek voldoende om hen zulk eene te doen lijden.
+
+Voor dit volk, met dit volk en aan zijn hoofd iets groots te willen
+ondernemen tegen een machtigen, stouten veroveraar zou waanzinnig
+geweest zijn. Hem bleef niet anders over dan in dienst van den vijand
+zijn volk mede te beheerschen en zijne beste krachten in te spannen,
+om het lot zijner landgenooten dragelijker te maken. Daarom had ook
+zijn wijze vader, een man van zooveel ervaring, het raadzamer gevonden,
+om zijne landslieden van dienst te zijn als bemiddelaar tusschen hen
+en de Arabieren op te treden, dan den muzelmannen een vruchteloozen
+weerstand te bieden aan het hoofd der Byzantijnen. "Ellendig, ontaard
+geslacht!" mompelde hij verstoord in zichzelven, terwijl hij overlegde
+of hij den tuin verlaten en den overmoedigen Arabier toonen zou,
+dat althans nog éen Egyptenaar den moed had om zich zijne minachting
+niet te laten welgevallen, dan of hij ter wille van de goede zaak
+blijven, zijn toorn onderdrukken en de rest afwachten zou. Neen,
+zulk eene behandeling wilde en mocht hij, de zoon van den Mukaukas,
+niet dulden. Hij wilde liever als rebel het leven laten of in de
+wijde wereld gaan rondzwerven, om ver van zijne geboortegrond een
+groot veld voor zijne werkzaamheid te zoeken, dan met den voet van
+dezen vreemdeling op den vrijen nek.
+
+Midden in deze overpeinzingen werd hij gestoord door voetstappen
+in zijne nabijheid, en toen hij omkeek zag hij lantaarnen, die al
+schommelende juist naar hem toekwamen. Dat moesten boden zijn van Amr,
+om hem te geleiden tot hun meester die dan, daarvan hield hij zich
+overtuigd, zoo genadig zou zijn, vermoeid van de jacht hem op zijn
+rustbed te ontvangen, en hem zeer uit de hoogte, als had hij met een
+vrijgelatene te doen, zou vragen wat hij begeerde.
+
+Doch het waren niet enkel boden die kwamen, neen, de groote veldheer
+zelf zocht hem op; de lampendragers moesten niet hem, Amr, maar "den
+geliefden zoon van zijn gestorven vriend" voorlichten. De trotsche
+plaatsvervanger van den Kalief was op dit oogenblik de voorkomende
+gastheer, wien het gastrecht gebood den man, dien hij de hand had
+gereikt om hem welkom te heeten, het verblijf onder zijn dak te
+veraangenamen. In verstaanbaar Grieksch, dat hij reeds in zijne
+jeugd geleerd had, toen hij eene karavaan naar Alexandrië geleidde,
+verontschuldigde hij zich over zijn lang uitblijven, en sprak zijn
+leedwezen uit Orion zulk een tijd te hebben laten wachten, hij berispte
+zijne dienaars, die verzuimd hadden zijn gast in huis te brengen en
+hem ververschingen aan te bieden. Op den weg door den tuin legde hij
+zijn arm op den schouder van den jongeling, vertelde hem dat de leeuw
+dien hij vervolgd had, hoewel door een zijner pijlen getroffen, hem
+ontkomen was en voegde er dan opgewekt bij dat hij hoopte de schade
+weer in te halen en in plaats van het ontsnapte roofdier heden een
+nog edeler wild voor zich te winnen.
+
+Den jongeling bleef niet anders over dan zooveel hoffelijkheid met
+beleefdheid te beantwoorden, en dat werd hem gemakkelijk gemaakt, want
+de welluidende stem van den veldheer, die getuigde van ongeveinsde
+hartelijkheid, alsmede diens natuurlijke en voorname houding, deden
+hem goed, streelden hem, boezemden hem vertrouwen in, en namen hem
+onwillekeurig in voor den man op rijper jaren, die tegelijk een
+beroemd held was.
+
+In een helder verlichte, met kostbare Perzische tapijten behangen kamer
+noodigde Amr zijn gast uit, om het eenvoudig jagersmaal met hem te
+deelen en zich de Arabische gewoonten te laten welgevallen. En zoo nam
+Orion plaats op de eene zijde van den divan, terwijl op de andere de
+veldheer en zijn Wekil [11] Obada, een Goliath met het zwarte gelaat
+van een Moor, naar de zeden huns volks meer hurkten dan zaten. De
+donkerkleurige reus verstond, zooals Amr zijn gast mededeelde, geen
+Grieksch en bracht slechts nu en dan iets in het midden, hetwelk de
+veldheer, als hij het noodig oordeelde, voor Orion vertaalde, en dezen
+beviel wat die zwarte tusschen het gesprek invlocht al even weinig als
+zijne geheele houding en verschijning. Obada was in zijn kindsheid een
+slaaf geweest en had zich door zijne eigene bekwaamheden weten op te
+werken tot den hoogen rang, dien hij thans bekleedde. Het eten, dat hij
+gulzig en op ruwe manier verslond, scheen hem geheel bezig te houden,
+en toch moest hij, die geen Grieksch verstond, het gesprek zeer goed
+kunnen volgen, gelijk bleek uit zijne opmerkingen. Wanneer hij opkeek
+van de schotels, die op lage tafeltjes voor de spijzenden geplaatst
+werden, om wat te zeggen, verdraaide hij zijne groote oogen zoo,
+dat men alleen het wit ervan zag; richtte hij ze echter op Orion, dan
+was het dezen of die kleine zwarte oogappels doordringende, brandende
+stralen schoten, en zeiden dat hij hem zeer kwalijk gezind was.
+
+De tegenwoordigheid van dezen man van wiens onvrije geboorte--in
+het oog van den aanzienlijken jonkman iets om hem te minachten--van
+wiens wilde dapperheid en groote scherpzinnigheid hij gehoord had,
+beangstigde hem, en al verstond hij niet wat Obada sprak, er lag
+toch in den toon zijner woorden iets wat hem het bloed naar het
+hoofd deed stijgen en hem meer dan eens aanleiding gaf de tanden op
+elkaar te klemmen. Hoe meer de houding en de taal van den veldheer
+hem weldadig aandeden en innamen voor zijn persoon, des te meer
+afkeer kreeg hij van zijn onbehagelijken plaatsvervanger, en hij
+voelde dat hij zich vollediger en vrijer zou hebben uitgesproken,
+menige vraag doeltreffender zou hebben beantwoord, als hij met Amr
+alleen was geweest. In den beginne liet de veldheer Orion vertellen
+van zijn verblijf te Konstantinopel en van zijn vader, en scheen met
+bijzonder genoegen naar de mededeelingen van den jonkman te luisteren,
+tot Obada hem opeens in de rede viel om een vraag tot zijn meester
+te richten. Deze beantwoordde haar snel in het Arabisch en gaf weldra
+aan het gesprek eene andere wending. De Wekil had gewenscht te weten,
+waarom Amr den Egyptischen melkbaard zoo lang liet zwetsen eer de
+hoofdzaak was behandeld, waarom hij hem geroepen had, waarop de
+veldheer geantwoord had, dat hij meent het meest onderhoudend te
+zijn, wien men gelegenheid geeft om zichzelven te hooren spreken;
+overigens was de jonge man goed op de hoogte en wat hij vertelde was
+bovendien gewichtig.
+
+Terwijl de muzelmannen zich geheel van het drinken onthielden, werd
+Orion op den voortreffelijksten wijn onthaald, doch hij dronk weinig,
+en toen Amr eindelijk over de begrafenis zijns vaders begon te spreken,
+aan de vijandelijke houding van den patriarch herinnerde en erbij
+voegde, dat hij dezen heden morgen gesproken en zich verwonderd had,
+hoe hij zoo lijnrecht tegenover zijn gestorven geloofsgenoot had
+kunnen staan, die toch vroeger zijn vriend was geweest, nam Orion het
+woord. Hij zette den veldheer duidelijk uiteen waarom de patriarch
+eene zoo in het oogvallende vijandschap tegen zijn overleden vader
+had aan den dag gelegd, die wijd en zijd was opgemerkt. Benjamin was
+er thans alles aan gelegen voor de oogen der overige christenen zich
+te zuiveren van het verwijt, dat hij een land, hetwelk den godsdienst
+van den Heiland aanhing, had overgeleverd aan hen, die de christenen
+"ongeloovigen" noemen; daarom had hij het erop toegelegd zijn vader
+voor te stellen als den man wien eenig en alleen de schuld trof van
+zijn geboortegrond aan de muzelmannen in handen te hebben gespeeld.
+
+"Juist, juist, dat begrijp ik," gaf Amr den jongeling ten
+antwoord; en toen deze vervolgens mededeelde, dat het wegens het
+Cæcilia-klooster,--welks goed recht de patriarch had willen bestrijden
+door aan een oud, maar duidelijk document eene verkeerde uitlegging
+te geven--tusschen den kerkvorst en den afgestorvene tot een openbare
+vredebreuk was gekomen, wisselde de veldheer ras een blik met den
+Wekil, en vroeg Orion: "Maar gij? Zijt gij voornemens u geduldig te
+laten welgevallen wat deze onrustige grijsaard, die u zoowel als uw
+vader kwalijk gezind is, tegen u en het aandenken van den waardigen
+Mukaukas verkiest te doen?"
+
+"In geenen deele," antwoordde de jonkman trotsch.
+
+"Dat is goed," riep de veldheer, "dat had ik van u verwacht, doch
+leer mij de wapenen kennen, waarmede gij, als Christen, den slimmen
+en invloedrijken man denkt te trotseeren, aan wien gij u zoo als
+ik weet--en dat niet alleen ten aanzien van het heil uwer zielen,
+op genade of ongenade hebt overgegeven."
+
+"Ik ken ze zelf nog niet," antwoordde Orion, en keek voor zich toen
+zijn oog den honenden blik van den Wekil ontmoette.
+
+Maar Amr stond op, ging naar hem toe en zeide: "Gij zult ook tevergeefs
+daarnaar zoeken, jonge vriend! En al vondt gij ze, toch zoudt gij ze
+niet kunnen gebruiken. Het is gemakkelijker op eene verlatene vrouw,
+een aal of een vliegenden vogel los te slaan, dan op die buigzame,
+zwakke, ongewapende langrokken, die liefde en vrede in den mond dragen,
+hunne weerloosheid en lichamelijke onmacht als schild gebruiken en met
+onzichtbare, vergiftige pijlen ieder treffen, op wien zij het voorzien
+hebben. En tot de zoodanigen behoort gij in de eerste plaats, zoon
+van den Mukaukas; ik weet het en raad u op uwe hoede te zijn. Denkt
+gij er echter werkelijk over den smaad der nagedachtenis uws vaders
+aangedaan mannelijk te wreken, dan kunt gij spoedig uw doel bereiken,
+hoewel altijd onder eene voorwaarde."
+
+"Wijs mij het middel aan!" zeide Orion, en zijne oogen schoten vuur.
+
+"Kort en goed: word de onze!"
+
+"Daarvoor ben ik hier gekomen. Mijn geest en mijn arm zullen van
+heden af behooren aan hen die mijn vaderland beheerschen, aan u,
+aan ons gemeenschappelijk opperhoofd, den Kalief."
+
+"Ja salam! [12] Goed zoo!" riep Amr, terwijl hij zijne hand op
+Orions schouder legde. "Er is geen God buiten God; en de uwe is de
+onze, want hij heeft geen tweede naast zich. Gij zult als geloovig
+muzelman weinig hebben prijs te geven, want uw Heer Jezus Christus
+rekenen wij mede onder de geloovigen, en dat de laatste en de hoogste
+onder hen Mohammed is, de ware profeet Gods, onze Heer Mohammed, moet
+gij, moet ieder erkennen, die niet met opzet de oogen sluit voor de
+gebeurtenissen, die onder zijne aanvoering en in zijn naam gebeurd
+zijn. Uw eigen vader heeft toegestemd...."
+
+"Mijn vader?"
+
+"Hij heeft moeten toegeven, dat wij ernstiger, dieper, met meer
+geestdrift van ons geloof doordrongen zijn dan gij, al zijne eigene
+geloofsgenooten."
+
+"Dat weet ik."
+
+"En toen ik hem vertelde, hoe ik bevolen had in onze nieuwe moskee
+den lezenaar van den koranvoorlezer weg te laten, omdat deze zoodra
+hij die plaats beklimt boven de andere biddenden staat, heeft de
+vreugde over deze mededeeling den vermoeiden man opgefrischt en hem
+bewogen tot eene luide bijvalsbetuiging. Wij muzelmannen--dat was de
+beteekenis van mijn bevel--willen allen gelijk zijn voor den eeuwigen,
+barmhartigen God; de leider der gebeden mag zich boven de anderen
+zelfs geen hoofdlengte verheffen, en de leer van den profeet toont
+ieder den weg tot de vreugde van het paradijs; wij hebben om haar
+te vinden, geen menschelijke gidsen noodig. Het geloof, onze wil ten
+goede, onze daden, en geen sleutel in de hand eens priesters openen
+of sluiten voor ons den hemel. Als een der onzen kan geen Benjamin u
+de vreugde der aarde vergallen, kan geen patriarch u en uw vader het
+recht op de zaligheid ontzeggen. Gij hebt eene goede keuze gedaan,
+jonkman! Geef mij uwe hand, mijn nieuwe geloofsbroeder!"
+
+Daarop stak hij Orion in blijde ontroering zijne rechterhand toe. Doch
+deze nam haar niet aan, maar deed een schrede achterwaarts en zeide
+bezorgd: "Versta mij niet verkeerd, groote veldheer, hier is mijne
+hand en ik ken geen hooger eer dan haar in de uwe te leggen, daarmede
+op uw bevel het zwaard te zwaaien, haar te gebruiken in den dienst
+van u en van mijn heer, den Kalief; maar ik mag de trouw aan mijn
+geloof niet breken!"
+
+"Zoo laat u dan door Benjamin vertreden!" sprak Amr teleurgesteld
+en met weerzin, terwijl hij eene minachtende beweging met de hand
+maakte en zich tot den Wekil wendde, om dezen op een honenden uitroep
+schouderophalend antwoord te geven.
+
+Orion zag beiden zwijgend en besluiteloos aan, doch weldra kwam hij
+weder geheel tot zichzelven en zeide op den toon eener bescheidene en
+dringende bede: "Luister naar mij, heer, en wijs niet af, wat ik in
+staat ben u aan te bieden. Wat kan de overgang tot uw geloof mij anders
+aanbrengen dan voordeel? En toch weersta ik deze groote verzoeking,
+maar evenals mijn geloof zal ik ook mijn woord aan u weten te houden."
+
+"Tot de priester u dwingt het te breken," haastte de muzelman zich
+er schamper bij te voegen.
+
+"Neen, neen!" zeide Orion. "Ik weet dat Benjamin mijn vijand is;
+doch ik heb een dierbaren vader verloren en geloof aan een wederzien
+hiernamaals."
+
+"Ik ook!" hernam de muzelman, "en er is maar éen paradijs en éene hel,
+gelijk er maar éen God is."
+
+"Hoe komt gij aan die zekerheid?"
+
+"Door mijn geloof!"
+
+"Vergeef mij dan wanneer ik aan het mijne vasthoud en mijn vader in
+dien hemel hoop weer te zien..."
+
+"Die, zooals gij dwazen meent, geene andere zielen opneemt dan de
+uwe! En als die hemel nu eens enkel openstaat voor het onsterfelijk
+deel der muzelmannen en voor de christenen gesloten blijft? Wat weet
+gij dan wel van het paradijs? Ik ken uwe heilige geschriften: staat het
+daarin geschreven? De algoede God heeft onzen profeet vergund een blik
+daarin te slaan, en wat hem gegeven werd dáar te zien heeft hij zoo
+geschilderd, als had de Allerhoogste zelf de schrijfstift bestuurd. De
+muzelman weet wat hij van zijn hemel te wachten heeft... Gij, gij--uw
+hel, die kent gij; het valt uw priesters gemakkelijker te vloeken
+dan te zegenen! Wie maar een haar breed afwijkt van hunne leer, hem
+duwen zij aanstonds naar de plaats der verdoemden: mij, de mijnen, de
+Grieksche christenen en in de eerste plaats--geloof mij, jonkman--uw
+vader en u!"
+
+"Wist ik maar dat ik hem daar zou wedervinden!" riep Orion uit,
+terwijl hij zich op de borst sloeg. "Het zou mij waarlijk niet
+afschrikken hem daar te volgen. Ik moet hem wedervinden, weerzien,
+al ware het in de hel?"
+
+Bij deze woorden barstte de Wekil in luid gelach uit. Toen de veldheer
+hem hierover zijne ontevredenheid betuigde, weerlegde de andere hem,
+en nu ontspon zich tusschen beiden eene levendige woordenwisseling.
+
+De hoon van den zwarte had Orions toorn gewekt, en alles wat in hem
+was, dreef hem aan om den onbeschaamden spotter het zwijgen op te
+leggen. Doch met inspanning van al zijne wilskracht hield hij zich in,
+tot Amr zich weder tot hem wendde en op een toon van gezag maar niet
+onvriendelijk zeide: "Deze scherpzinnige man spreekt een vermoeden uit,
+dat ook bij mij is opgekomen. Een jong, wereldschgezind christen als
+gij geeft geluk en welzijn hier op aarde niet gemakkelijk prijs voor
+de onzekere vreugde van uw paradijs; en als gij het toch doet en alles
+wat een man het dierbaarst moet zijn: eer, tijdelijke bezittingen,
+een ruim veld van werkzaamheid en wraak over uwe vijanden afwijst om de
+ziel van een afgestorvene aan gene zijde des grafs weer te ontmoeten,
+dan moeten hiervoor bijzondere gronden bestaan. Tracht uzelve gerust te
+stellen en geloof mijne verzekering, dat gij mij bevalt en in mij een
+ijverig beschermer, een stilzwijgend vriend zult vinden, wanneer gij
+mij open en naar waarheid de beweegreden van uw besluit blootlegt. Er
+is ook voor mij veel aan gelegen onze ontmoeting te maken tot eene
+vruchtbare voor ons beiden. Stel dus vertrouwen in den ouderen man,
+die een vriend van uw vader was, en spreek!"
+
+"In geen geval in tegenwoordigheid van dezen man," antwoordde Orion
+met bevende stem. "Hij, die geen Grieksch heet te verstaan, volgt elk
+mijner woorden met loerende oogen, ja hij heeft het durven wagen mij
+uit te lachen, hij..."
+
+"Hij is even verstandig als dapper en mijn Wekil," dus wees Amr hem
+terecht. "Gij zult hem moeten gehoorzamen, wanneer gij een der onzen
+wilt worden, en--vergeet dit niet jonkman--ik heb u laten roepen, om
+u voorwaarden te stellen, niet om ze mij te laten voorschrijven. Ik
+schenk u gehoor als heer van dit land, als plaatsvervanger van Omar,
+uw en mijn Kalief."
+
+"Zoo bid ik u mij te laten gaan; want voor dien man daar blijven mijn
+hart en mijne lippen gesloten; ik voel dat hij mijn vijand is."
+
+"Pas op, dat hij het niet wordt!" zeide de veldheer, terwijl Obada
+met minachting de schouders ophaalde.
+
+Orion begreep zijn gebaar, doch hoewel het hem ook ditmaal gelukte
+zijne tegenwoordigheid van geest te bewaren, was hij toch niet zeker
+meer van zichzelven, en daarom boog hij, zonder op den Wekil acht te
+geven, eerbiedig en diep voor den stadhouder, en verzocht voor heden
+hem te laten gaan.
+
+Amr, wien de houding van Obada niet ontgaan was, en die te fijngevoelig
+was om niet te begrijpen wat er bij den jonkman omging, hield hem
+wel niet terug, maar veranderde van toon en werd opnieuw weder de
+voorkomende gastheer. Ja hij noodigde Orion zelfs uit, daar het reeds
+laat geworden was, den nacht onder zijn dak door te brengen. Doch
+Orion sloeg deze uitnoodiging hoffelijk af, en toen hij eindelijk
+heenging--andermaal zonder den Wekil een blik waardig te achten--deed
+Amr hem uitgeleide naar de voorzaal. Hier greep hij de hand van
+den jonkman en zeide hem op zachten, vermanenden toon, doch vol
+oprechte vaderlijke deelneming: "Neem u in acht voor dien zwarte,
+wien gij mannelijk maar niet verstandig hebt getoond, dat gij hem
+doorziet. Wat mij betreft, ik meen het waarlijk goed met u."
+
+"Dat geloof ik, dat weet ik," antwoordde Orion, wiens gekwetst gevoel
+weldadig werd aangedaan door den warmen, diepen toon waarop de edele
+Arabier hem toesprak, als drupte er balsem in zijne ziel. "En nu
+wij alleen zijn, vertrouw ik u gaarne alles toe. Ik, heer, ik--mijn
+vader--gij hebt hem gekend. In bittere verbolgenheid is hij--heeft
+hij zijn eenigen zoon, voor hij de oogen sloot, den zegen onthouden."
+
+De herinnering aan die verschrikkelijke ure zijns levens greep hem zoo
+zeer aan, dat hij eenige oogenblikken niet spreken kon; maar weldra
+ging hij weder voort: "Eene enkele daad van misdadige lichtzinnigheid
+had den stervende in toorn doen ontsteken, doch onder mijn leed
+en berouw dacht ik na over het leven dat achter mij lag en bevond,
+dat het ijdel geweest was. Wanneer ik nu hierheen gekomen ben met
+een vol gemoed en in blij vertrouwen, om u alles wat ik aan geestes-
+en lichaamsgaven bezit te kunnen aanbieden, dan geschiedde dit, heer,
+omdat ik grootsche, verheven, moeilijke, als het zijn moet onmogelijke
+daden wensch te verrichten, omdat ik in een woord verlang nuttig
+werkzaam te zijn..."
+
+Amr liet hem niet verder gaan; hij legde zijn gespierden arm
+op den schouder van den jonkman en zeide: "En omdat gij de ziel
+van uw gestorven vader, dien rechtschapen man, toonen wilt dat
+gij door een lichtvaardigen jongensstreek toch zijn zegen niet
+onwaardig zijt geworden, omdat gij door wakkere daden hem dwingen
+wilt de ontevredenheid in goedkeuring, de minachting in achting
+te verkeeren..."
+
+"Ja, ja, daarom, heer, juist daarom!" viel Orion met groote geestdrift
+den veldheer in de rede.
+
+Maar deze gaf hem dadelijk een wenk om wat zachter te spreken, als
+vreesde hij dat iemand die hen beluisterde, hun gesprek op zou vangen,
+en haastig fluisterde hij hem toe op een toon van warme toegenegenheid:
+"En ik, ja ik zal uw helper zijn bij uw loffelijk streven. O, hoe doet
+ge mij denken aan den zoon mijns harten, die gestruikeld was als gij,
+en wien het vergund was alles, meer dan alles op het slachtveld door
+den dood, den heldendood voor zijn geloof te boeten! Reken op mij, en
+laat wat gij u hebt voorgenomen tot daad worden. In mij hebt gij een
+helper gevonden. Ga thans, weldra zult gij weder van mij hooren. Nog
+eens: terg den zwarte niet, neem u voor hem in acht, en als gij hem
+weer ontmoet, toom dan uw trots in en neem den schijn aan, als zaagt
+gij hem voor de eerste maal."
+
+Daarbij zag hij Orion aan met een weemoedigen blik, als deed het zien
+van dezen jonkman eene dierbare herinnering in zijne ziel ontwaken,
+hij kuste hem op het voorhoofd en zoodra de zoon van den Mukaukas de
+voorzaal verlaten had, schoof hij het zware gordijn, dat deze van de
+eetzaal scheidde haastig terug. Enkele schreden daarachter vond hij
+den Wekil, die bezig scheen te zijn met den bandelier van zijn zwaard,
+en riep dezen verstoord toe: "Ge luistert! Man van geest, man van
+de daad, een held in den slag en in den raad, een leeuw, een slang
+en een pad tegelijk; wanneer zult gij eindelijk al dat erbarmelijke
+en kleine uit uwe ziel rukken? Wees wat gij geworden zijt, niet wat
+gij waart, en herinner hem die u groot gemaakt heeft niet dagelijks,
+dat gij uit een slavin zijt geboren."
+
+"Heer!" sprak de man, dien daar de les werd gelezen, knarsetandend,
+terwijl het wit zijner oogen akelig afstak bij zijn donker gelaat.
+
+Doch Amr belette hem verder te gaan, liet zich niet van zijn stuk
+brengen en vervolgde op streng vermanenden toon: "Ge hebt u tegenover
+dezen jonkman als een gek, als een potsenmaker op de jaarmarkt,
+als een onzinnige aangesteld."
+
+"Naar de hel met hem!" riep Obada. "Ik haat dat gouden gelukskind!"
+
+"Nijdigaard! Terg hem niet! Alles kan verkeeren en er zou een dag
+kunnen komen, waarop gij reden hadt hem te vreezen."
+
+"Hem?" schreeuwde de andere. "Als een mug druk ik dien speelpop in
+elkaar. Hij zal het ondervinden."
+
+"Eerst gij, en dan hij!" zeide Amr, dreigend. "Van u beiden is
+hij voor ons van de meeste beteekenis, hij, het gelukskind, die
+speelpop! Hebt gij het gehoord? Hebt gij het verstaan? Als gij hem
+éen haar krenkt, kost u dat neus en ooren! Vergeet geen oogenblik,
+dat gij enkel leeft, ten onrechte leeft, omdat twee paar lippen tot
+heden gesloten blijven! Gij kent ze. De vindingrijke kop blijft niet
+langer op uw hals, als het hun behaagt. Houdt hem vast, man; gij hebt
+er maar éen op het spel te zetten! Het was noodig, mijnheer de Wekil,
+u hieraan weder eens te herinneren!"
+
+De zwarte steende bij het hooren dezer woorden als een gewond dier
+en bracht met moeite en doffe stem deze woorden uit: "Zoo beloont
+men bewezen diensten; zoo dankt de muzelman zijn geloofsgenoot,
+om der wille van een christenhond!"
+
+"Dank hebt gij ontvangen, meer dan genoeg," antwoordde Amr op kalmen
+toon. "Gij weet wat gij beloofd hebt, eer ik u, roover, terwille van uw
+helder hoofd en uw zwaard tot mijn Wekil heb gemaakt; gij weet wat ik
+vergeten moest eer ik het deed, niet om uwentwil, maar voor de groote
+zaak van den Islam. Verlangt ge te blijven die ge zijt, geef dan uwe
+onstuimige driften prijs! Zijt gij daartoe niet bij machte, dan zend
+ik u liever heden dan morgen naar het leger, en maakt gij het te erg,
+gebonden en met het doodsoordeel in den gordel naar Medina terug."
+
+Onder deze woorden stiet de zwarte doffe geluiden uit; de veldheer ging
+echter ongestoord voort: "Waarom gij dezen jongeling haat? Een kind
+kan het doorzien. In den zoon en erfgenaam van den Mukaukas Georg
+ziet gij den toekomstigen Mukaukas, terwijl gij den waanzinnigen
+wensch koestert om zelf Mukaukas te worden."
+
+"En waarom moet die wensch waanzinnig zijn?" riep de ander met
+eene krijschende stem, terwijl zijne lippen brandden. "U er buiten
+gelaten--wie is hier verstandiger en sterker dan ik?"
+
+"Misschien geen muzelman; doch een Egyptenaar, een christen, en
+niet gij of een ander geloovige zal den gestorvene in zijn ambt
+opvolgen. Dit vordert de wijsheid en--zoo luidt het bevel van den
+Kalief."
+
+"En gebiedt deze ook den schoongelokten aap zijne millioenen te laten?"
+
+"Verlangt gij daarnaar, onverzadelijke gierigaard, naar dat
+geld? Drukt u nog niet zwaar genoeg, wat gij door hebzucht hebt
+bijeengeschraapt! Goud, altijd meer goud, dat is het doel, het
+walglijk doel uwer wenschen! Een vet hapje, die grondbezittingen van
+den Mukaukas, zijne talenten goud, zijne edelgesteenten, slaven en
+paarden; dat vind ik ook! Maar den barmhartigen God zij dank, wij
+zijn geen dieven en roovers!"
+
+"Wie heeft de millioenen te voorschijn gehaald, die de Egyptenaar
+Petrus onder den waterbak had verstopt, en hem zelven in het gras
+doen bijten?"
+
+"Ik, ik! Maar alleen, zooals gij weet, om ze naar Medina te
+zenden. Petrus had ze voor ons verborgen, eer wij hem terecht stelden;
+de Mukaukas daarentegen en zijn zoon hebben alles wat zij bezitten
+aangegeven tot op den laatsten dinar en den uitersten akker lands;
+zij hebben de belasting stipt betaald, en dus blijft het hunne
+hun eigendom, gelijk voor mij en u ons zwaard, ons paard, onze
+vrouw. Waar zet uw nimmer verzadigde ziel u toch toe aan?--De hand van
+den dolkgreep!--Geen koperstuk van hen daar ginds zal in uw hongerigen
+muil vallen, zoowaar helpe mij de Almachtige! Gij werpt den zoon van
+den Mukaukas niet andermaal een boozen blik toe! Stel mijn geduld niet
+op te zware proef, anders,--houd uw kop maar vast!--anders hebt gij hem
+weldra voor uwe voeten te zoeken. Wat ik daar zeide is gezegd. Goeden
+nacht voor heden! Morgen vroeg zet gij in den divan uiteen, wat gij
+ontworpen hebt ten aanzien van de nieuwe landindeeling. Mij wil dit
+plan in zijn geheel en in zijne deelen niet best bevallen, en ik zal
+ook nog andere ontwerpen laten uitwerken."
+
+Hierop keerde de veldheer den Wekil den rug toe, en zoodra de deur
+zich achter hem gesloten had balde Obada de vuist, en dreigde woedend
+zijn heer en bedwinger, die tot hiertoe verzwegen had, dat hij een
+deel van eene bezending goud had gestolen, die Amr hem bevolen had
+naar Medina te geleiden, en liep toen driftig, hijgend en snuivend
+op en neer, tot de slaven kwamen om het tafelgereedschap weg te ruimen.
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion
+den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk
+en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat
+watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde
+hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis,
+de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim,
+dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met
+nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij
+in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was,
+en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht,
+dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja,
+misschien een vriend gevonden had.
+
+De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed,
+zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het
+ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met
+de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan
+het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen
+stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden
+man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen
+tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het
+aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de
+heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de
+afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over
+hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde
+vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en
+uitrichten. "Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," deze
+tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden
+weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke
+daden te kunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven,
+om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!
+
+Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus
+gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping,
+waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren
+verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij
+keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij
+haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans
+zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening,
+zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar
+Paula's voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid
+naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht
+niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig
+daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan
+het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte
+eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het
+vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van
+hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn
+van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust
+door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek,
+herkende hij duidelijk den arts Philippus.
+
+Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat
+Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek
+misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar
+en den arts in eene woonkamer van Rufinus?
+
+Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met
+uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas'
+dochter en geene andere.
+
+Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene
+bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden,
+ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke
+verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien
+was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw
+aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen
+in te roepen. Zou hij Paula's hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou
+dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders
+te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar
+hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen
+moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij,
+en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest
+bracht, waarmede hij Paula heden morgen had aangezien. Ja, Philippus
+had Paula lief!
+
+Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem,
+die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om
+dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen
+dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula
+verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan
+vroeger gekleed had. "Daarin," dacht hij, "brengt een ernstig man
+geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft."
+
+Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de
+lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste
+maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht,
+waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet
+dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden
+morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion,
+voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart
+was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten
+dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den
+teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele,
+vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en
+een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder
+de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion
+moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed
+hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te
+doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een
+cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij
+het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij
+het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om.
+
+Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere
+bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde
+uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog
+helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde
+het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien
+het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn,
+toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die
+onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het
+kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke
+gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het
+licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina
+beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin, wiens gebaarde
+apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes
+voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader
+echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en
+kloekheid overtrof.
+
+Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van
+Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl
+hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel
+niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk
+daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam
+de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula's
+lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone,
+levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich
+nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van
+hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw,
+aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat
+hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn
+hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden
+en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven,
+dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan
+het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde
+als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare
+waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar
+te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en
+zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf
+om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van
+vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de
+lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel.
+
+Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn
+dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was
+opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard
+naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om
+ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij
+dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver
+gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg
+iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen,
+die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in
+den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem
+dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd
+zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts
+een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een
+gelukkige uit. Met gebogen hoofd, als ging hij gebukt onder een last,
+ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt
+de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken
+wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem
+vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden.
+
+De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog
+hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne
+borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen,
+waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn
+weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand
+die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij
+het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een
+gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel
+afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote
+aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de
+stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd en de
+benedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht
+voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die
+gewoonlijk te Alexandrië verblijf hield, maar bij zijne inspectiereis
+zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren
+hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de
+nieuwe hoofdstad Fostat aan gene zijde van den stroom, en die van de
+vervallen plaats was verbonden geworden met het stadhouderlijk ambt. De
+senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te
+sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken
+in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had
+gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken,
+maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en
+moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel
+onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen.
+
+Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend
+betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene
+schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den
+laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem
+een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een
+onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude
+geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het
+gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede
+hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel,
+en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de
+sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de
+schrijftafel plaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht,
+terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van
+het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef.
+
+Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den
+teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het
+stilstaan der klepperende raderen den molenaar.
+
+Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom
+waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had
+hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand,
+waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren,
+verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn
+ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in
+beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen,
+weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte
+was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede
+kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast,
+zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was
+wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in
+de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken,
+die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe
+scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan
+zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien. Hiermede
+was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen
+schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over
+zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand
+op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen
+dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende
+schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange
+borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand,
+krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die
+een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht
+getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man
+scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets
+aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende
+kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren
+zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of
+te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen
+leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft
+zien vallen.
+
+Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan
+gene zijde van den katarakt in de nabijheid van den Isis-tempel,
+dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche
+eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden
+uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en
+"praefectus augustales" om strijd krijgslieden te voet en te paard
+den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke
+Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere
+Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee
+huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want
+dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne
+schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones
+door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de
+Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen.
+
+De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader
+de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd
+had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter
+aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan,
+het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te
+sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers,
+en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en
+twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote
+gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het
+geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest,
+waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen
+tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door
+keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide
+onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop
+die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en
+wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër,
+de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze
+ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of,
+zooals de oude meende aan de 'groote Isis' was het te danken, dat
+zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude
+opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus
+niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk
+in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier
+zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan
+in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met
+vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië,
+rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap
+en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van
+een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet
+geheel was te loor gegaan.
+
+Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven
+vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester
+op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis,
+waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde,
+van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de
+astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria
+der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven
+bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De
+scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis
+van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende
+wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke
+vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot
+de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de
+gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka
+zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend.
+
+De arts Philippus was eenige jaren geleden aan het ziekbed van den
+oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten
+gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de
+kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door
+de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den
+jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor
+hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor
+een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den
+jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde
+hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te
+kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende
+liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en
+toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte
+hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim
+van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde
+hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich
+verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze,
+geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling
+had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had
+ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam,
+noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor
+zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift
+en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover
+deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap
+overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat
+hij het Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen
+vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het
+samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende,
+maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam
+een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks
+de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man.
+
+Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar
+hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig
+anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield
+van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet
+alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich
+van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor
+zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren,
+welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner
+aanbidders te voldoen.
+
+Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had,
+zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms,
+dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts
+had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare
+voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van
+een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet
+genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en
+prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat,
+immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig
+einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de
+stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld,
+doch het lustte den grijsaard--en zijn vader had er van den aanvang
+af evenzoo over gedacht--alle schuld op den prefect te laden; want
+de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij
+al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over
+een dienaar onverschillig van welke godheid.
+
+Als Philippus Paula's groote gestalte, hare voorname houding, den
+adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude
+tegen hem uit en riep: "Zoo is dat 't! Pas op, knaap, wees op uwe
+hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar
+verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in
+zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de
+ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in
+purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals
+zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging
+'klein' noemen, wordt door hen in 't stof geworpen en onder den voet
+getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven
+arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke
+kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en
+den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg,
+gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt,
+wegschop als de heete dagen van Maart komen."
+
+Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig
+van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had,
+en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen
+Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de
+grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd,
+als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst
+te zien: "Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar
+kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe
+gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed
+en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als
+de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet."
+
+Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts
+weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn
+warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van
+Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen
+niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het
+vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid
+geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar
+plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende
+hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed,
+dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in
+het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula
+hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem
+in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden
+avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit
+was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren
+langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk
+had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten
+en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij
+aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven
+dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet
+onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner
+stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar
+naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijke hoop in hem
+ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan
+om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats...
+
+Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van
+de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste
+woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe
+hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit
+alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn
+plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene
+moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar
+een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden,
+dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld
+en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen
+vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had
+alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde
+zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich
+geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren
+liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van
+zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en
+wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede
+mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn
+hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en
+het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende
+hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht
+waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te
+niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De
+grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken
+door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om
+dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne
+eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer
+in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden.
+
+Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar
+lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem
+bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het
+zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag
+aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard
+zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware
+was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte
+den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te
+ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger
+zijn werk te verlichten?
+
+Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van
+den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld
+en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het
+verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de
+schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren
+staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel
+met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene
+andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide,
+terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: "Het besluit van
+het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!"
+
+"Niet geheel, want ik leef nog!" antwoordde de arts.
+
+"Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn," hernam de oude. Na
+zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: "Wie niet hooren
+wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas
+was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister
+van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men
+was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is
+het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken
+had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en
+verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te
+verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?"
+
+"Ik weet het zelf maar al te goed," antwoordde Philippus.
+
+"Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen," gromde de oude. "Zoo
+lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het
+aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in
+het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de
+uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat
+opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt
+deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en
+van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen
+arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders
+gebeurd is, heet het mij liegen!"
+
+"Kon ik dat maar!" zuchtte Philippus. "Gij hebt goed gezien,
+verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is."
+
+"Dat klinkt duister," zeide de grijsaard gelaten. "Maar ik kan ook in
+den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg,
+om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij,
+dat uwe dwaling een zoo 'gelukkig' en wat mij betreft een zoo 'spoedig'
+einde heeft genomen; de aanleiding--zooals gewoonlijk eene vrouw--is
+mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheid
+van iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil
+zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich
+gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u,
+dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen
+weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne
+tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid."
+
+Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote
+vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef,
+vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij
+gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt
+en hem daarna in hare woning ontboden had--om diep ontroerd, verbaasd
+over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de
+zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten
+lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had
+zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis
+van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe
+zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven
+had wedergevonden.
+
+"En daarover," viel de grijsaard hem in de rede, "was zoo groote
+vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten
+vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen."
+
+"Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart
+van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen,
+verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor
+mij ontsloten."
+
+"En waarom, met welk doel?" vroeg de oude met schrille stem. "Wil ik
+het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo'n halve minnaar
+is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs
+geven willen."
+
+"Dat is niet waar!" haastte Philippus zich met afkeuring te
+zeggen. "Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht,
+mij--ik ben niet ijdel--mij als een broeder genegen is, en het niet
+verdragen kon mijn gevoel voor haar--het zijn hare eigene woorden--ook
+maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig,
+en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag
+ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare
+zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke
+teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede,
+spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw,
+die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo
+bloot te leggen voor een man, van wien zij weet, dat hij haar bemint,
+op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener,
+zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat
+om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare
+handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon
+ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met
+betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te
+blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders
+van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende
+hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik,
+een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik
+mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als
+ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren
+nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed
+verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak
+van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan
+de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te
+smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de
+klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een
+gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare
+onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen
+slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als
+uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij 'knaap' en
+'kind' noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader,
+hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten,
+hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken,
+ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de
+zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt
+als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als
+gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden,
+of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap."
+
+Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de
+handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van
+zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen
+ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en
+buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: "En
+zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de
+dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze--hoe
+zal ik haar noemen--verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij
+dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd
+heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde van een degelijk man--wat vraagt
+zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het
+zand! Daar komt reeds de vette wentelaar [13] aangezwommen, die zal
+wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen
+ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen,
+die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoon lief
+te hebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen
+geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden
+een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen,
+van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho
+op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het
+lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe
+een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!"
+
+"Toon het mij," antwoordde Philippus met zachte stem. "Ik verlang
+niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne
+zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot
+eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar
+en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel;
+maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben
+ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe
+smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de
+strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op
+dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden."
+
+"Dan moet zij het zijn," riep de oude met schelle stem, "die plaats
+maakt voor u."
+
+Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast
+en op streng afkeurenden toon: "Wat bedoelt gij hiermede?"
+
+"Niets," antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders
+ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort: "Memphis heeft in
+elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische
+deerne." Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud
+had, sloeg met de hand op de borst en zeide: "Hier binnen is alles
+in oproer, en ik kan thans helpen noch raden. Weldra begint het in
+het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den
+zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet
+te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl
+ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks
+beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons
+beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denken
+aan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het
+zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge
+hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken;
+maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij,
+arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat--ik
+ken u genoeg Philippus--dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!"
+
+Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond
+van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een
+oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan
+Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de
+oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra
+hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel
+en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend:
+"Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de
+wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar
+de Amenthe [14] willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen,
+de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de
+pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn
+smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te
+leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het
+mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap,
+meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze
+anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog
+eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten
+op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij
+uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch
+plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat
+zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!--Heidaar Anubis!"
+
+Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was
+blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl
+deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar,
+bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was,
+hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens
+verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit
+te barsten.
+
+
+
+ EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE DEEL.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig
+slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was
+vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij
+hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het
+krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was,
+en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den
+ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen
+der dochter van Thomas.
+
+In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden
+bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet
+meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den
+stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch,
+bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de
+oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe
+residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was
+daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg
+opstond, "zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden
+kon," om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig
+met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe
+knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem
+vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag
+niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht,
+kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen,
+geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne
+vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem
+sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De
+Arabieren trokken voor alles hem aan.
+
+De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de
+bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman
+met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde, die naar de
+straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de
+onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den
+koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten
+op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene
+uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking
+met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers,
+stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des
+stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had
+gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze
+hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing
+van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man,
+hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde
+male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het
+was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te
+doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.
+
+Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis
+wachtten hem gewichtige zaken.
+
+Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn
+huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden,
+en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven
+nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar
+veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als
+uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal,
+en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik
+op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende
+bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer
+sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen
+afgezonderd enkel in het slaapvertrek of in de koele fonteinzaal op,
+welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest,
+wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks
+tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht
+waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie
+haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten,
+die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal,
+zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor
+weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare
+huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet
+over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na
+de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had
+zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen
+tot dien door vriendelijke herinneringen gewijden weemoed, waarin
+vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te
+boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde,
+zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van
+haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel
+niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en
+uiterlijk bestaan.
+
+Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis,
+ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde,
+had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen
+maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden,
+die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar
+vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt,
+om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek
+gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van
+dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en
+toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem
+blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne
+verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid,
+die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van
+voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch
+en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde,
+was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij,
+Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot,
+zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?
+
+Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die
+haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte,
+afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst
+meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de
+eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige,
+dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij
+herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te
+brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een
+oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in
+de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de
+verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige
+herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en
+het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk
+het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman,
+die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor
+haar als besmet en geschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van
+alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet
+voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar
+hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader
+over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten,
+wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij
+hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde,
+noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande
+zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En
+hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat
+het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele
+te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke
+kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang
+zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook
+dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn
+van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had
+zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de
+schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar
+gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed
+van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat
+dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.
+
+Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de
+slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen,
+was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist
+in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven,
+en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij
+bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij
+het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo
+wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik
+konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene
+vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon
+haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken,
+wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte
+zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan
+menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde
+verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd,
+maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want
+de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een
+vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig
+man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich
+bediende en de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd,
+dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.
+
+Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had
+afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg
+banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen,
+daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden
+in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het
+stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans
+bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede,
+ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot
+haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.
+
+"Wenscht zij dat?" vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan,
+terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind
+van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten
+invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den
+grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch
+kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan,
+kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor
+de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht,
+zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met
+den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het
+gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en
+nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.
+
+Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit
+de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard
+was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte
+haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op
+zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich
+op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende,
+ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep
+voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende
+stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe:
+"Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is,
+gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe
+moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken."
+
+"In de werkkamer mijns vaders!" riep Orion den huismeester toe, terwijl
+hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende
+beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.
+
+Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een
+wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten
+was, trad hij op Orion toe en zeide: "Andermaal breng ik u mijn
+groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas,
+den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van
+mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der
+aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een
+zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst,
+mijn kind, allereerst uwe hand!"
+
+Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne,
+hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde
+een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem
+werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk
+zijne ouders als "mijn kind" durfde aanspreken. Er viel niet aan te
+denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden:
+"Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet
+ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een
+vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende,
+die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het
+kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan."
+
+De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion
+de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een
+gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: "Het valt
+den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te
+vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden,
+dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe
+kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging
+kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij
+zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet--doch
+daarover spreken wij later--wanneer niet--gij moet het maar dadelijk
+hooren--wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar
+bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn,
+gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte
+land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?"
+
+Daarop liet de kerkvorst zijne hand van 's jonkmans schouder
+glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te
+vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende
+opgewondenheid: "Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn
+vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger,
+het spraakorgaan van hem voor wien wij allen niets zijn dan wormen
+in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een
+Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of
+te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt,
+als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen,
+wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg
+te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog
+als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des
+Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve
+maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over
+zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen
+voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde,
+overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe
+ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?"
+
+"Ja!" antwoordde Orion op stelligen toon.
+
+"En ik heb hem liefgehad als mijn broeder," hernam de prelaat op
+gemoedelijken toon. "Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar
+bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt."
+
+"Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt," zeide Orion, "onthouden
+wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij
+vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft
+ontvangen, zooals toch...."
+
+"Zooals toch uw vader!" viel de grijsaard hem in de rede. "Wel
+hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste
+aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem
+eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is
+dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?"
+
+"Omdat gij hem," antwoordde Orion somber, "in het oog van de geheele
+wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de
+voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft."
+
+"Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te
+lezen!" zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een
+spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid
+getuigde. "Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van
+Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den
+vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan
+niet in mijn recht zijn geweest?"
+
+"Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?" vroeg de jongeling
+op zijn beurt.
+
+"Neen, mijn kind," antwoordde de bisschop, "de vijand is vanzelf
+gekomen."
+
+"En gij," ging Orion voort, "hebt uit de woestijn, nadat de Grieken
+u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden
+komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop
+te werpen en uit dit land te verjagen."
+
+"Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond," hernam de grijsaard,
+terwijl hij deemoedig het hoofd boog. "En mij werden nog andere
+dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde
+in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees
+voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het
+huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander
+drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd,
+als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen
+te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de
+Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen."
+
+"Uwe voorspelling," hernam de jongeling, "heeft in elk geval een
+diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en
+der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder
+ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten
+troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te
+haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna
+geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders,
+die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf
+te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord,
+dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het
+Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen
+vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij
+het hooren?"
+
+"Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden."
+
+"Neen, neen!" riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den
+lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel
+daaruit te voorschijn en zeide: "Aldus luidt het gegeven antwoord!"
+
+Al lezende vervolgde hij: "De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid
+machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel
+als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is
+dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen
+geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te
+keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning
+in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de
+poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld
+niets te wenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel
+en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en
+vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik
+zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal...."
+
+"En wat blijkt uit dit antwoord?" vroeg opeens de patriarch, de
+schouders ophalende.
+
+"Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij--lees
+maar verder--dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken."
+
+"Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij
+grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden
+niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het
+recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche
+paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften
+wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen
+op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere
+zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze
+Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten
+en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad
+gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze
+Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in
+zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar
+ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen,
+en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit
+oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw
+vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en
+valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier
+en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die
+het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de
+vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen
+en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart
+en zijne tong bezoedeld."
+
+"Bezoedeld?" herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen
+gloeiden. "Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen
+woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja
+gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat
+was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en
+zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd,
+die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar
+en goed is in den vijand erkende."
+
+"En zij hadden gelijk," hernam de patriarch, "want zij waren nog niet
+in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook
+heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid
+aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel
+is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der
+menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar
+al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader
+een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een
+bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat--het heeft mij
+heete tranen gekost--een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk
+zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het--barmhartig God, schenk zijne
+verleiders vergiffenis!--heeft het zijne verhouding geregeld. Vele
+duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen
+tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden
+zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand
+met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de
+misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen
+hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een
+dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden,
+die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld
+waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een
+einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand,
+die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne
+en met een gerust hart aanvaarden."
+
+Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam
+hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen
+verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het
+aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van
+den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij
+bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den
+achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man,
+en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk
+vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een
+gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den
+gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij
+zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen
+liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk
+niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander
+gevoelen.
+
+Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en
+beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het
+hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder, noch vrouw Susanna
+aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij
+als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe
+had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de
+noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis,
+dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden
+die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom
+scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig
+kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die
+smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de
+volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en
+hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig
+doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld
+te betalen.
+
+Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in
+bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat
+hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van
+dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met
+alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef
+dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar
+den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend,
+als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch.
+
+De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna
+opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding
+en zeide op strengen en ernstigen toon: "Ik ken u thans, zoon van
+den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit
+ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en
+de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet
+hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den
+afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met
+betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een
+afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten
+met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders,
+dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en
+uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en
+ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk,
+wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene
+echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan
+het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een
+ongeloovigen ketter; gij rijdt--neen hoor mij verder!--rijdt naar de
+overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm--gisteren is het
+gebeurd--den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde,
+zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste
+van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van
+zijn naam alleen, duizenden met zich afvallig maakt. Ik bezit den wil
+en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij,
+of het zal u met bloedige tranen berouwen."
+
+De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen;
+doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd
+geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan.
+
+Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: "Ik ben tot u
+gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik
+beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons
+geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene,
+die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf,
+uit uw gemoed..."
+
+Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als
+vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen
+hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst
+in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene
+krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: "Nooit,
+nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben,
+dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben
+aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig
+belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den
+goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de
+liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik
+vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij
+als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst
+en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft
+liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen
+van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen;
+doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in
+eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat...."
+
+"Genoeg!" dus brak de prelaat zijne woorden af. "Ik ga naar
+Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang
+geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle
+kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis
+met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over
+uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is
+dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij
+later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die
+vrouw tot betere gedachten gekomen--het staat u vrij de hand van elke
+Jacobietische jonkvrouw te vragen--dan zal ik op een anderen toon met
+u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats
+van den vloek beloof ik u dan den zegen der kerk, de genade en de
+vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des
+grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde
+moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus:
+gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten
+hebt dan ellende."
+
+"Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!" antwoordde Orion op
+stelligen toon.
+
+"Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt,
+dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd
+te slingeren!"
+
+"Dat zal aan u staan," hernam Orion. "Maar gaat gij tot het uiterste
+over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte
+heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil,
+dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde
+van den stroom."
+
+"Waag het!" riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en
+vasten stap het vertrek.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof
+na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets
+verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks
+had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen,
+waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig
+had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van
+en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen
+man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van
+den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde,
+en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel
+op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp
+geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans
+ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De
+geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met
+hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te
+hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam,
+waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was,
+toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt
+tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor,
+ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de
+beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop,
+niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder,
+ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets
+van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen
+tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met
+innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij
+bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven,
+om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.
+
+Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen,
+en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren,
+had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de
+welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van
+een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk
+had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan,
+en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne
+verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd
+zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch
+stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich
+ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.
+
+Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne
+onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium
+vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame
+gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor
+het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden
+tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de
+marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke
+kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van
+keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard
+in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze
+beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: "Nog
+altijd!" Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half
+tot den geestelijke wendende: "Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht
+geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een
+christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter
+draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden
+geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten,
+die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere
+met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat
+ons toekomt, anders--hierop doelt het zwaard--geldt het uw leven!"
+
+Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende:
+"Als ik terugkom--en gij weet wat ik hiermede bedoel--dan zal het
+mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door
+deze beelden uit den tijd der afgoderij."
+
+"De waarheid en de gerechtigheid," antwoordde Orion met een gedempte
+stem, "hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in
+dit huis heerschappij gevoerd."
+
+"Het zou schooner en eervoller zijn," antwoordde de kerkvorst, "dat
+gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis
+de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke
+deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen,
+alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het
+geloof en aan de andere de deemoed."
+
+Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van
+de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen
+en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en
+slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met
+zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de
+heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over
+de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.
+
+Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al
+de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt,
+doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert
+zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de
+uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had
+zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom
+gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij
+was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd,
+die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader
+ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het
+godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere
+dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar
+wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam
+zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.
+
+Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld,
+en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet
+in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders
+zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het
+gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide
+scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek
+hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt
+van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had
+ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit
+had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion,
+dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de
+vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor
+hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den
+Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen, dezen in
+haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar
+alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak
+vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem,
+en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest
+hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te
+verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde
+zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak,
+hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk
+als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas
+zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam
+bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal
+tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen
+van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht
+van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde
+als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De
+oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare
+stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.
+
+Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte
+hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem
+weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk
+stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen,
+en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij
+hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter
+den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein
+marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende
+menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander
+afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich,
+afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten
+hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde
+zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar
+stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of
+naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder
+vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der
+hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions
+echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter
+bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor
+wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was,
+volgaarne prijs geven.
+
+Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie,
+dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en de priesters
+de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige
+hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun
+vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw
+wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De
+oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen
+Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde
+stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige
+hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar
+hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.
+
+De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en
+daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen
+achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen
+en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang,
+dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag
+op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam
+van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde,
+door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den
+regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal
+niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert
+eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.
+
+Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek,
+en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen,
+in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij
+meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat
+hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel,
+die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing
+van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat
+het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare
+zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde
+gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en
+hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige
+taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God
+de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een
+koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den
+helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon
+op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden
+geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden
+nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met
+knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven,
+die naar zijn afschuwelijk rijk voerde. In hun doodsangst en bij het
+gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne
+dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen
+drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige
+stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de
+frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met
+verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk
+gehuil van den duivel in het oor, dat het gewelf der hel deed trillen,
+en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop
+hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren
+gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet
+door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden
+opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden
+gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt,
+of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In
+vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben,
+was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde
+de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....
+
+Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend
+van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam
+hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp
+bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met
+fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep
+hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang
+naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel,
+en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep:
+"Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die
+vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere
+is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij
+en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar
+buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees
+vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en
+op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der
+zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd
+rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot
+ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is
+in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de
+Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel
+dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam
+te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware
+is, te doen wat ik als goed en recht heb erkend, dat zij voortaan
+het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn
+hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik
+terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij
+bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als
+mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid,
+de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!"
+
+Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij
+eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek
+was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden
+in het oor: "Heer, straf mij niet voor mijne misdaden." Daar viel
+de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden
+vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op
+de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast
+was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te
+ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde
+hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord "verlost"
+kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der
+wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen
+van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des
+te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen
+wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen,
+wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde
+tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht
+bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd
+vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den
+weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij
+zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem
+had dan hij.
+
+Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in
+Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne
+verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene
+beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld,
+kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser,
+wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij
+zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld,
+dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook
+hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen
+kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te
+verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit
+den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijke vernederingen,
+smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch
+vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus
+kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde
+werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige
+en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles
+begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn,
+Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf
+als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet,
+voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet
+enkel om Paula's wil....
+
+Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid
+gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke
+belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het
+heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van
+het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde
+daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit
+mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit
+aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee
+ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten
+laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten,
+en dronk ook dit, opdat er van den verlossenden drank niets verloren
+zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling,
+toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken
+werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had
+de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht
+gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met
+zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar
+lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan
+hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan
+de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis
+zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam
+en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte
+met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand
+de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij
+geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe,
+dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en
+zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer
+inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te
+rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe
+Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op
+eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna
+vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon
+bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de
+geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite
+gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde,
+terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het
+slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had
+zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande
+haar.
+
+Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem
+een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant,
+en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar
+Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora,
+die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den
+juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige
+geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den
+diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug
+te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van
+al het noodige zou voorzien.
+
+Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het
+middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin
+Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet
+verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht;
+want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was
+voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het,
+dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om
+haar vóor hem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar
+luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij
+vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den
+dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk
+eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken
+op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer.
+
+Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met
+zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was,
+haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt
+dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen
+liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria
+te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig
+dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin
+er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond,
+om zelf naar de kleine kranke te gaan zien.
+
+Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem
+bezwaarde, en terwijl hij Maria's kamer naderde, moest hij zichzelven
+met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig
+aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij
+aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand
+had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen
+zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen
+tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer
+loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van
+den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde
+venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op
+het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half
+verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was.
+
+Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der
+wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd
+als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans
+nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had
+zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij
+herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder,
+dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak,
+dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette.
+
+"Is grootmoeder bij u geweest?" luidde zijn eerste vraag, doch het
+antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met het hoofd. Alle
+nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook
+de verwelkende ruiker. De andere, frissche, kwam niet van hem. Hij
+deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te
+zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in
+verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien
+ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde
+zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder
+intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen
+de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: "ei,
+wat is dat?" opnam, hem uit de verlegenheid redde.
+
+Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl
+zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op
+den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij
+alles begreep, en vroeg zacht: "Was Katharina bij u? Zoo bindt de
+hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is
+zij misschien nog hier?"
+
+Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het
+aangrenzend vertrek.
+
+"Maar om godswil kind," vroeg Orion met eene gedempte stem verder,
+"wat wil zij hier nog doen?"
+
+"Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen," fluisterde het
+kind. "Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij
+mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet
+langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik
+'ja' gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij
+een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht."
+
+"En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?"
+
+"Ja dan--wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens
+wist, hoe dat..."
+
+Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de
+beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over
+de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek
+keek: "Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij
+heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te
+blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand
+zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog
+niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In
+elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk
+gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij
+bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij
+weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats
+van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht
+morgen--denk eens aan!--ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoop
+reeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven--is het niet
+grappig?--pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd:
+'het zal wel gaan!', en zoo moet het dus doorgezet worden."
+
+Een vloed van tranen goot zich over Maria's wangen uit; en hoewel
+er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken
+en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar
+uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van
+dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde
+wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering
+kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene
+lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep
+hij: "Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam..."
+
+Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer
+open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: "Maar waarom
+wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om
+zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een
+verrassing!"
+
+Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve
+zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat
+straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht,
+toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof.
+
+De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was
+niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene
+buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen
+en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets,
+wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina's gezichtje nam
+een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje,
+en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof
+aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van
+honden hield.
+
+"Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid," antwoordde
+Orion.
+
+"Wanneer zij het verdienen," antwoordde het kwikstaartje, zonder zich
+lang te bedenken.
+
+Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de
+jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje
+lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en
+daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid
+had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt
+had hoe laag de zon reeds aan den hemel stond: "Lieve hemel, wat is
+het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist
+worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur
+van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?"
+
+Orion keek naar den stand der zon en zeide: "Het is heden
+Sanutius-dag!"
+
+"Dat weet ik!" zeide Katharina. "Juist daarom had Anubis heden
+middag vrij."
+
+"En om dezelfde reden," voegde Orion er bij, "is er in het kantoor
+geen schepsel meer aan den arbeid."
+
+Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder
+gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen
+met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en
+haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde,
+loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid
+wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang
+met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken
+moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij
+er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige
+wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt
+buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar
+mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg,
+onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop
+door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit
+was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor
+de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven,
+en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand
+weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden
+gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: "Wat
+drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?"
+
+Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het
+doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig
+te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet
+waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning
+gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar
+vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het
+kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van
+belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een
+openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig
+haar zoon het meende met zijne verliefdheid op de Damasceensche; doch
+was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan--daaraan twijfelde
+zij niet--dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af
+te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden
+reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en
+zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot
+hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en
+scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen
+Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd,
+kon zij maar éen antwoord geven: "Onweerstaanbaar verlangen naar de
+kleine Maria."
+
+"Natuurlijk," sprak de ander, "doch ik zou u willen verzoeken om
+aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe
+moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken,
+en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u
+aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra
+in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek
+ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij
+hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er
+uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels-
+en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke
+indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat
+zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en
+dit huis, en gij--ik zeg het niet om u te krenken--hebt hem in den
+afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige
+dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en
+mijn huis betreffen".
+
+Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op
+welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en
+het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had,
+bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en
+bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg,
+om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: "Maak u niet bezorgd! Ik
+zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik
+had kunnen voorzien..."
+
+"Mij te ontmoeten?"
+
+"Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren
+aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar
+halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt
+niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met
+elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb
+ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen
+hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moeder Eva geërfd; maar
+zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten
+naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk,
+mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij
+het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt
+gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij
+nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker
+zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet."
+
+"Uwe verwijten zijn rechtvaardig," antwoordde Orion somber. "Maar
+meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den
+dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en
+ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en
+ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom,
+wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer
+kon bestraft worden dan de mijne."
+
+"Zoo?" vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort,
+terwijl zij met haar waaier speelde: "Maar gij ziet er waarlijk
+alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste
+'andere',--Paula, als ik goed raad--voor u te winnen...."
+
+"Zwijg daarover!" zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te
+gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich
+voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: "Het is dus zoo! Nu
+weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe 'zwijg daarover'
+groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet
+meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij
+alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is
+nauwelijks een hoofd kleiner dan gij..."
+
+"En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?" haastte hij zich
+te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij
+inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst
+was. "Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor
+toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt
+past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke
+lieden op hooge paarden."
+
+"Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!"
+
+"Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien."
+
+Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts;
+haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg
+zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier
+samenkneep: "Moet dat spot zijn?"
+
+"Stellig niet," antwoordde hij gelaten, "want ofschoon gij grond
+genoeg hebt om op mij verstoord te zijn..."
+
+"Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet,"
+ging zij opgewonden voort, "ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik
+geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat
+en ik het recht heb iets van u te verlangen."
+
+"Doe het," hernam Orion, "ik ben tot uw dienst."
+
+Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: "Vooreerst:
+hebt gij reeds verder verteld dat ik..."
+
+"Dat gij geluisterd heb? Neen--aan geen levende ziel."
+
+"En belooft ge mij het niet te zullen verraden?"
+
+"Gaarne!--Wat moet op dit 'vooreerst' nu in de tweede plaats volgen?"
+
+Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het
+kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij
+met neergeslagen oogen: "Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer
+houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch,
+al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.--De waarheid
+wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor
+ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo
+zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar--verstaat
+gij?--als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!"
+
+"Wat klinkt dat plechtig!" hernam Orion.--"Vergun mij echter op te
+merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer
+gij mij de zoodanigen.."
+
+"Neen, neen," antwoordde Katharina, "wat ik bedoel gaat u en mij
+alleen aan."
+
+"Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn," zeide de
+andere weder. "Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals
+u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van
+zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar
+ik mij ter uwer beschikking stel..."
+
+"Ik dacht," zeide zij, hem lachende in de rede vallende, "dat gij er
+allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een
+deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid,
+en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het
+zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch,
+en gij belooft mij daarentegen..."
+
+"De volle waarheid te zeggen."
+
+"Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?"
+
+"Zoo waar ik dit hoop!"
+
+"Dat is goed!"
+
+"Wat verlangt gij dan nu te hooren?"
+
+Zij schudde het hoofd en zeide angstig: "Nog niet, neen, neen,
+zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt, en doe dan
+de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een
+woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet
+een oogenblik gaan zitten."
+
+En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste
+oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden,
+terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats
+genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op
+onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde
+Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem
+bijzonder belangrijk.
+
+Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds
+omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest
+en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over
+hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich
+omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen
+over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent
+de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den
+Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van
+monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden,
+naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en
+omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren
+de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in
+huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan
+de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme
+lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die
+zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers,
+de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden,
+had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen,
+en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige
+volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna
+de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij
+had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed
+hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering
+in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om
+zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden,
+en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste
+Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster
+naast het huis van Rufinus. Deze inrichting moest reeds binnen drie
+dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit
+moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in
+koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassen
+van den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres
+zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk
+eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad
+had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven
+Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had
+afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters,
+zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische
+kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen
+Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was
+om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar
+kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten
+van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen,
+wanneer men haar vrij liet.
+
+Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en
+werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina,
+wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische
+geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving
+van kettersche nonnen aan?
+
+Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte
+ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot
+van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel
+tijd verbeuzeld te hebben: "Dat is in hoofdzaak alles."
+
+"Alles?" herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende.
+
+"Stellig en zeker alles," antwoordde zij angstvallig. "Wat ik
+u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij
+niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat
+mij heengaan!"
+
+Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: "Vraag
+maar, ik antwoord gaarne."
+
+"Gaarne?" herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. "Eigenlijk
+moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet;
+maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals
+het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van
+een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen,
+God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik
+het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best
+besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk,
+en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O,
+ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad,
+en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo
+koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?"
+
+"Ik hoop het," antwoordde Orion ernstig, "hoe bitter de drank ook is
+die gij mij reikt..."
+
+"Nu?"
+
+"Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat
+ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik
+althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan."
+
+"O neen!" zeide zij op minachtenden toon. "Zoover zullen onze wenschen
+zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij
+ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij,
+volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd;
+het was wel kort, maar--weet gij het ook?--het is zeer gewichtig voor
+mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik
+zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen,
+en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen."
+
+"Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten,"
+antwoordde Orion. "Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen,
+maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen
+onzer moeders..."
+
+"Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En
+hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in
+de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje
+genoemd? Hebt gij,"--en hier verhief zij hare stem en hare oogen
+fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid--"hebt gij,--en ziehier
+juist wat ik u vragen wilde en weten moet--hebt gij ook toen gelogen,
+of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de
+boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans--ik mag
+haar naam niet noemen--als thans uwe 'andere'? De waarheid, Orion,
+de volle waarheid, gij hebt het gezworen!"
+
+Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige,
+vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog
+altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een
+bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen
+hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van
+haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren,
+dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog
+zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene
+zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord,
+waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin
+nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk
+een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende
+jeugd en lieftalligheid!
+
+"Evenzoo lief als die 'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" bleef het
+voortklinken in 's jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan
+om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige,
+jonge schepseltje misdreven had; maar dat "evenzoo lief als die
+'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" gaven hem kracht standvastig
+te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben
+en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf
+om hulp, zeggende: "Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend
+als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor
+u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen
+vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag
+alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen..."
+
+Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar
+kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend
+wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Orion was alleen en keek haar droevig na. Was dat de vloek zijns
+vaders? Het scheen als moest ieder, die hem beminde, daarvoor smart
+en ellende oogsten. Hij huiverde, doch zijn jeugdige moed en zijn
+veerkracht waren sterk genoeg om deze pijnlijke gedachte te boven
+te komen. Welk eene gelegenheid bood zich aan om zijne kracht te
+toonen! Reeds onder het verhaal van Katharina had de kloeke jonkman,
+die naar daden dorstte, zich tot taak gesteld om de kloosterzusters te
+redden. Hoe grooter gevaren verbonden waren aan de oplossing van dit
+vraagstuk, ja hoe onuitvoerbaarder dit scheen op het eerste gezicht,
+des te meer was het hem thans welkom.
+
+Blijmoedig en strijdlustig wierp hij de deur achter zich dicht en ging
+naar den hof. Het begon reeds duister te worden. De arts moest thans
+bij Maria zijn en hij had het plan opgevat het kind met zijne hulp uit
+de stadhouderlijke woning te verwijderen. Eerst wanneer hij wist dat
+Maria bij Paula in het huis van Rufinus veilig geborgen was, kon hij
+met een vrij gemoed datgene ondernemen en doorzetten, wat hem voor den
+geest zweefde. "De wagen met den Perzischen draver voor!" riep hij op
+de trap een slaaf toe, en een oogenblik later trad hij tegelijk met
+de slavin, die brandende lampen bracht, de kamer van de kleine binnen.
+
+Noch het kind, noch Philippus merkte hem dadelijk op, en hij hoorde
+hoe zij den arts, die haar pols tusschen zijne vingers hield, vroeg:
+"Wat scheelt u toch heden? Mijn God"--het lamplicht viel juist helder
+op zijn gelaat--"wat ziet gij er bleek en treurig uit! Wacht eens,
+ik heb zoo straks een aardig kereltje van was gekneed...."
+
+Met dit knutselwerk wilde zij den man, die altijd zoo vriendelijk
+tegen haar was, wat opvroolijken, doch terwijl zij zich voorover boog,
+om het te grijpen, bemerkte zij haar oom en riep: "Philippus komt hier
+om mij te genezen, doch hijzelf ziet er uit als had hij een drankje
+noodig. Pas op, gij krijgt die bittere, bruine medicijn van gisteren,
+dan zult gij eens proeven, wat leelijk smaakt!"
+
+Hoe vriendelijk deze uitroep ook gemeend was, geen van beide mannen,
+die elkander zwijgend en met eene vormelijke buiging begroetten,
+lette er op. Maar ook zonder de opmerking van het kind zou het
+Orion zijn opgevallen, welke eene verandering er bij den arts sedert
+gisteren had plaats gehad. Schijnbaar zonder acht te geven op hem die
+was binnengekomen, deed hij Maria nog enkele korte vragen, verzocht
+Eudoxia de vroegere voorschriften, ook verder in acht te nemen, en
+bracht daarna haastig aan allen tegelijk een afscheidsgroet. Doch
+Orion beantwoordde dien niet, maar vroeg met een liefdevollen blik
+op de kleine: "Toch nog een enkel woord!"
+
+Dit gaf ook Philippus aanleiding weder naar het kind terug te keeren,
+en toen daarop de oogen der mede minnaars elkander ontmoeten, wisten
+zij, dat zij althans in éen opzicht het eens waren en hetzelfde
+gevoelden. Het was den arts niet onbekend gebleven, hoe vriendelijk
+de jonge man zich het lot van Maria had aangetrokken; en daarom volgde
+hij hem zwijgend naar het vertrek, dat hij thans bewoonde en vroeger,
+zooals Philippus wist, de woning van Paula was geweest. "Gij zijt in
+dienst van uw, plicht," herhaalde hij zich telkens, om kalm te blijven
+en ten minste in het algemeen goed te verstaan, wat de klankvolle stem
+van dien schoonen jonkman tot hem zeide, wat hij hem als een smeekeling
+voordroeg met eene warmte, waarvoor hij hem niet in staat had geacht.
+
+Philippus wist sedert lang, hoe de grootmoeder zich op
+beklagenswaardige wijze van hare kleindochter had afgewend, en
+vond Orions wensch, om het kind uit het stadhouderlijk paleis te
+verwijderen, maar al te zeer gerechtvaardigd. Toen hij echter vernam,
+dat zij aan Paulas hoede zou worden toevertrouwd, voer eene huivering
+door al zijne leden en keek hij zoo somber voor zich, dat de ander
+spoedig raadde wat er bij hem omging. Inderdaad, had de arts bij
+zichzelven gezegd, dit kind moet den minnaar tot een voorwendsel
+dienen, om meer bij zijn geliefde te kunnen komen, en reeds was
+hij, niet bij machte om deze vrees te verkroppen, opgesprongen om
+haar uit te spreken, toen Orion hem het woord van de lippen nam en
+met neergeslagen oogen, bescheiden en oprecht zeide: "Om het kind,
+alleen om Maria's wil--bij mijn zaligen vader..."
+
+De arts schudde somber het hoofd, trad zijn medeminnaar nader en
+prevelde op doffen toon: "Terwille van dit kind ben ik in staat
+veel te doen en veel te laten. Beter dan bij Rufinus en Paula kan
+het nergens onder dak worden gebracht: doch wanneer ik zou moeten
+denken," en hier verhief hij zijne stem en zijne oogen verkregen een
+onheilspellenden, dreigenden gloed "wanneer ik zou moeten denken:
+de heilige, bedreigde onschuld is slechts eene brug...."
+
+"Neen, neen!" haastte Orion zich met nadruk te zeggen. "Nog eens
+geef ik u plechtig de verzekering, dat ik niets op het oog heb dan
+de redding van het kind! En nu er toch zooveel gezegd is, komt het
+op een woord meer of minder niet aan! Het huis van Rufinus staat
+dag en nacht voor u open. Als alles gaat gelijk ik mij voorstel, dan
+zal ik in den eersten tijd ver van hier van Memphis, van de dochter
+van Thomas zijn. Er broeit iets schandelijks, een boevenplan meer
+mag ik niet zeggen, en met gevaar van mijn leven wil ik trachten
+dit te verijdelen. Dit ontneemt u het recht mij verder van dingen
+te verdenken, die evenzeer tegen mijne natuur strijden als tegen
+de uwe. Vergis ik mij niet, dan dingen wij beiden, gij en ik, naar
+denzelfden prijs en zijn wij elkanders tegenstanders geworden, maar
+waarom zou het kind daaronder lijden? Vergeet dit ter wille van Maria,
+en dit vergeten zal uwe waarde slechts doen stijgen in hare oogen;
+gij weet wie ik bedoel!"
+
+"Mijne waarde?" vroeg de ander op spottenden toon. "Hier beslist geen
+waarde, maar hoe de blinde deerne van het geluk hare gaven daarheen
+strooit, maar alleen hoe een neus, eene kin, een oog gevormd zijn,
+alleen wat zich toevallig in het weeke was van een meisjeshart
+afdrukt, onverschillig of het misdadig of edel is. Maar," riep hij,
+als buiten zichzelven den ander toe, "maar ik mag vervloekt zijn
+als ik weet hoe wij op deze dingen komen! Heeft mijne dwaasheid dan
+met ontblooten boezem op straat rondgeloopen, om zich aan iedereen te
+vertoonen? Hoe weet gij, wat ik gevoel? Heeft zij u wellicht over dien
+belachelijken minnaar gesproken? Maar wat raakt het mij: gij weet nu
+reeds, of zult het morgen wel vernemen, wie het hanengevecht gewonnen
+heeft. Kijk mij maar aan! Zij die harten breken zien er anders uit
+dan dit Thersites-gezicht tegenover u. Veel geluk met uw overwinning,
+en het andere--daar het wel zoo zijn moet, tot morgen!"
+
+Hierop liep hij haastig naar de deur, doch Orion hield hem tegen,
+smeekte hem zijn toorn althans voor dit oogenblik te vergeten,
+bezwoer dat Paula hem met geen woord zijne neiging had verraden,
+dat hij veeleer zelf door jaloezie was gekweld, toen hij Philippus
+gisteren zoo laat bij haar had gezien, en bad hem bij al wat goed
+was het onschuldige, lieve kind zijn bijstand niet te ontzeggen,
+hij mocht dan met woorden hem mishandelen zooveel hij wilde, als dat
+zijn gemoed verlichten kon.
+
+Het menschlievend hart van den arts bleef voor deze bede niet gesloten,
+en toen hij eindelijk zich gereed maakte tot heengaan, in de blijde
+maar tevens smartelijke overtuiging, dat zijn gelukkiger medeminnaar de
+geliefde waardiger was geworden, had hij met Orion afgesproken, dat hij
+vrouw Neforis, bij wie hij eene lichte graad van geestverbijstering
+meende waar te nemen, zou voorschrijven het kind toe te vertrouwen
+aan een met hem bevrienden arts in de nabijheid der stad, omdat de
+lucht in de stadhouderlijke woning voor Maria gevaarlijk was.
+
+Zoodra Philippus het huis verlaten had, reed Orion naar Rufinus,
+en toen hij met een paar woorden verklaarde dat iets ernstigs en
+gewichtigs hem herwaarts deed komen, verzocht de grijsaard dat hij
+hem zou volgen naar zijn werkkamer. Doch de jonkman hield hem hiervan
+terug, ten einde met hem en de vrouwen eerst alles in orde te brengen,
+wat de opneming van de kleine Maria betrof.
+
+"Zoo wordt langzamerhand het geheele stadhouderlijk huis in onzen
+tuin geplant!" zeide Rufinus. "Ik heb er vrede mee; en gij, oudje,
+wat zegt gij ervan?"
+
+"Dat ik het stellig goedvind," antwoordde zij. "Eigenlijk hebben gij
+en ik hierin niets te zeggen; zij zal Paulas gast zijn."
+
+"Ware zij maar reeds hier," zeide de jonkvrouw; "want wie kan weten
+of uwe moeder, Orion.... Er waait hier eene bedenkelijke Melchietische
+wind."
+
+"Laat Philippus en mij daarvoor zorgen!" hernam hij. "Gij had eens
+moeten zien hoe gelukkig het kind was!"
+
+Daarop nam hij Paula ter zijde en vroeg haar haastig: "Hoop ik niet
+te veel? Behoort uw hart aan mij? Mag ik, bij wat er ook gebeure op
+u rekenen, op u en uwe liefde?"
+
+"Ja, ja!" welde het op uit den diepsten grond van haar hart, waarop
+hij, ruimer ademhalend, gerust en vroolijk den grijsaard volgde.
+
+In de goed verlichte werkkamer onderrichtte hij Rufinus, zonder
+Katharinas naam te noemen, van den aanslag van den patriarch tegen
+het Caecilia-klooster. Waarom bekommerde hij zich over het lot van
+deze Melchietische nonnen? Maar na dien kerkgang, waarbij een licht
+voor zijne ziel was opgegaan, beschouwde hij het als zijn plicht
+voor al wat recht was in de bres te springen en tegen alles te velde
+te trekken, wat hij voor nietswaardig hield. Hij wist bovendien, hoe
+warm en beslist zijn vader juist voor dit klooster tegen den patriarch
+partij had gekozen. Eindelijk had hij ook gehoord, hoe zijne geliefde
+aan dat klooster en de zusters die het bewoonden gehecht was, en vol
+blijden moed maakte hij zich gereed, om door kloeke daden een einde
+te maken aan dat mijmeren over zichzelven en zijne kracht te toonen.
+
+De grijsaard hoorde hem aan met klimmende verbazing en schrik, en nadat
+Orion zijne mededeelingen geëindigd had, stond hij radeloos op, de
+handen wringende. Doch de jonkman sprak hem moed in en verklaarde, dat
+hij niet gekomen was, om hem eene noodlottige tijding te brengen, maar
+om met hem te overleggen hoe men de in gevaar verkeerende onschuldigen
+redden zou. De grijze menschenvriend en zwerver spitste zijne ooren, en
+evenals een oud strijdros voor den ploeg, wanneer het de trompet hoort
+blazen, begint te steigeren en den hals trotsch en fier omhoog heft,
+als onder het schitterend tuig van vroeger jaren, zoo richtte Rufinus
+zich op in al zijne lengte. Zijne oude oogen begonnen te fonkelen, en
+vol geestdrift en en verlangen om te handelen als een vurig jonkman
+sprak hij: "Zoo is het goed, en ik ben mede van de partij, en dat
+niet om te raden, neen, neen, met hoofd en hand en voet, ja met mijn
+geheele lichaam! En gij, jonge man, gij! Ik heb het u van den beginne
+wel aangezien, wat in u steekt, ondanks, ondanks... Maar, zoo waar de
+mensch de maatstaf aller dingen is, hij die langs afgelegen paden en
+omwegen in het rijk der deugd aanlandt, wordt daar dikwijls een beter
+burger, dan wie midden in dat rijk ter wereld kwam.--Het is al laat,
+doch het gebed voor den nacht is nog niet begonnen en ik zal de abdis
+nog op vinden. Hebt gij een voorstel te doen?"
+
+"Ja! Overmorgenavond om dezen tijd."
+
+"Waarom niet dadelijk morgen?" vroeg de driftige grijsaard.
+
+"Omdat wij met al de voorbereidselen, die noodzakelijk gemaakt moeten
+worden, in twaalf daguren niet klaar komen."
+
+"Goed, goed!"
+
+"Overmorgenavond zal dus eene groote boot--niet een van de onzen--aan
+den oever van den kloostertuin gereed liggen. Ik begeleid de vrouwen
+tot Dumiat aan zee. Nog dezen nacht zend ik een renbode daarheen en
+laat door mijn neef Columella, den grootsten reeder der stad, voor
+de vluchtenden een zeeschip uitrusten. Dat zal de nonnen brengen
+waarheen de abdis zal bevelen."
+
+"Kostelijk, voortreffelijk!" riep de oude man in geestdrift. Hij greep
+naar zijn hoed en zijn stok, en daarbij nam zijn van vreugde stralend
+gelaat eene ernstige uitdrukking aan. Vol waardigheid trad hij naar
+den verrasten jonkman toe, zag hem met vaderlijke vriendelijkheid
+aan en zeide: "Ik weet wat uw huis door onze, door geloofsgenooten
+dergenen wedervaren is, voor wie gij thans zoo kloekmoedig in de bres
+wilt springen, en dat, jonge man, dat is edel, dat is groot! Bij u,
+dien zij mij als een jongen wereldling met een ruim geweten hebben
+afgeschilderd, moet ik voor de eerste maal vinden, wat ik onder de
+vromen en deugdzamen van mijne jarenlange omzwervingen te vergeefs
+heb gezocht: den wil namelijk, om met blijmoedige zelfopoffering,
+den vijand, den andersdenkende uit groote gevaren te redden. Maar
+gij zijt jong, Orion, en ik ben oud. Gij vindt voldoening in de
+daad alleen, ik zie op de gevolgen. Weet gij wat u te wachten staat,
+wanneer ontdekt wordt welk een bijstand gij verleent aan het wild,
+dat de patriarch reeds meent in zijn net gevangen te hebben? Hebt gij
+bedacht, dat Benjamin, de onverbiddelijkste en daarbij de machtigste
+onder de Jacobietische geloofsbedrijvers, u dan als een doodvijand
+vervolgen zal met al de verschrikkelijke middelen, waarover hij te
+beschikken heeft?"
+
+"Dat heb ik overwogen," antwoordde Orion.
+
+Nu legde Rufinus de linkerhand op zijn schouder en de rechter op zijn
+hoofd en zeide: "Zoo ontvang daarvoor bij voorbaat den zegen van een
+oud man, ja van een vader."
+
+"Van een vader," herhaalde Orion zacht, terwijl een gevoel van vreugde
+zijn lichaam en zijne ziel doortrilde, en ontroerd zonk hij aan de
+borst van den grijsaard.
+
+Een oogenblik hielden zij elkander omvat, toen maakte Rufinus zich
+uit zijne omarming los, om zich naar de abdis te spoeden. Orion hield
+de vrouwen gezelschap, wier nieuwsgierigheid op het hoogst werd
+gespannen, toen zij den grijsaard zagen verdwijnen door de poort,
+die naar den kloostertuin leidde. Vrouw Johanna kon van innerlijke
+onrust niet stilzitten, en Pul gaf verstrooide antwoorden, als Orion
+en Paula, die elkander veel te zeggen en in te fluisteren hadden,
+trachtten haar nu en dan in het gesprek te mengen. Eens slaakte zij
+een diepen zucht en als hare vriendin haar vroeg: "Wat hebt gij,
+mijn kind?" antwoordde zij met een beklemd gemoed: "Er moet iets
+ernstigs op handen zijn, dat voel ik. Was Philippus maar hier!"
+
+"Wij zijn, goddank, allen wel," antwoordde Orion.
+
+"Ja, ja, den Heiland zij geloofd," antwoordde zij haastig, maar
+zij dacht daarbij: "Gij denkt dat hij alleen goed is om zieken te
+genezen, maar eerst als hij er is zal alles goed gaan en zich ten
+beste schikken."
+
+Ieder begreep dat er iets buitengewoons, iets noodlottigs op handen
+was, en toen de grijsaard eindelijk terugkeerde, bevestigde zijn
+uiterlijk dit vermoeden. Stil en ernstig ontdeed hij zich van hoed en
+staf, trok zijne vrouw hartelijk naar zich toe en zeide: "Het komt
+er nu op aan ons moedig en verstandig te toonen, oudje; ik heb een
+zwaren plicht op mij genomen."
+
+Vrouw Johanna was doodsbleek geworden, en terwijl zij zich vaster aan
+haar man klemde en hem bad te spreken en haar niet langer te folteren,
+beefde zij over haar gansche lichaam en biggelde dikke tranen langs
+hare wangen. Zij vermoedde dat er iets was dat haar man weder ver van
+haar en haar kind zou verwijderen, om andere menschen te dienen en
+te helpen, en zij wist tevens dat zij hem niet tegenhouden kon. Maar
+al had zij dit ook kunnen doen, zoo zou zij toch de kracht gevonden
+hebben om hem niet te beletten zijn voornemen uit te voeren, daar
+zij hem altijd begreep en met hem datgene als noodzakelijk voor zijn
+inwendig geluk beschouwde, wat hem uit den engen kring van zijn huis
+de wijde wereld indreef.
+
+Hij zag wat bij haar omging, en het deed hem leed, maar hij liet er
+zich niet door van zijn stuk brengen. Hij die er naar streefde elk
+krank dier te genezen, had er zich aan gewend haar, die hij het meeste
+liefhad, om zijnentwil te zien lijden. Hij hield zich overtuigd, dat
+het huwelijk den man niet beletten mocht zijne innerlijke roeping te
+volgen, en in dezen verhevenen waan wist hij vaak voor zichzelven
+en zijne vrouw te rechtvaardigen, waartoe hem voornamelijk de lust
+om te zwerven en de begeerte om te handelen aandreven. Ook zonder
+deze neiging zou hij voor zijne bedreigde buren het zijne hebben
+gedaan, maar thans vervulde zij hem met nog meer lust om het schoone,
+gevaarlijke reddingswerk te volvoeren.
+
+Het gruwzaam lot dat de arme zusters te wachten stond, en de gedachte
+haar uit hunne nabijheid verbannen te zien, deed de vrouwen bitter
+leed, en de mannen zagen vele tranen vloeien. Maar zij genoten ook
+het verkwikkend schouwspel, drie vrouwelijke wezens op gelijke wijze
+vast besloten te zien, om alles te wagen en hen, die zij liefhadden
+alles te doen wagen, om eene daad te verhinderen, die haar met
+weemoed en afgrijzen vervulde. Vrouw Johanna bracht er geen woord
+tegen in toen haar echtgenoot verklaarde de vluchtende zusters te
+willen begeleiden, en toen Rufinus met heldere oogen Orions overleg en
+wakkere vastberadenheid prees, vloog Paula naar hem toe en reikte hem
+vroolijk en trotsch beide handen. Het was den jonkman bij dit alles,
+als schoot hij vleugelen aan, en deze onheilspellende avond werd voor
+hem de gelukkigste zijns levens.
+
+De abdis had in het plan toegestemd en het nog op enkele punten
+uitgebreid. Twee leekezusters en eene non zouden terugblijven. De beide
+eersten moesten elkaar afwisselen bij de verpleging der kranken in
+huis, als gewoonlijk de klokken luiden en zingen, opdat het opbreken
+der anderen niet zou worden opgemerkt; vrouw Johanna, Paula en Pull
+zouden haar daarin bijstaan.
+
+Toen de jonkman, het was reeds laat, wilde vertrekken, wierp Rufinus
+de vraag op, of het onder gegeven omstandigheden wel aanging Maria in
+zijn huis op te nemen; hijzelf twijfelde er aan. Ook vrouw Johanna was
+deze zienswijze toegedaan, Paula verzekerde daarentegen, dat zij het
+voor beter hield het kind bloot te stellen aan verwijderde gevaren,
+waarvoor men nauwelijks beducht behoefde te zijn, dan het in de
+stadhouderlijke woning naar lichaam en ziel te laten ondergaan. Pull
+schaarde zich aan hare zijde, doch de meisjes moesten zich naar het
+oordeel der anderen schikken.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+De arts Philippus ijlde na zijn gesprek met Orion de stad door,
+en lette daarbij zoo weinig op de lieden die hem tegenkwamen, en op
+de processie, die met luid gezang hem voorbijtrok, om den hemel te
+smeeken den Nijl eindelijk te doen stijgen, dat hij meer dan een
+voorbijganger tegen het lijf liep en menigeen hem scheldwoorden
+achterna gaf. Hij ging enkele huizen binnen, maar noch de kranken,
+noch hunne huisgenooten herkenden in den barschen en gejaagden
+man den arts en vriend, die anders de lijdenden zoo deelnemend en
+met zooveel opbeurende warmte toesprak, de kinderen omhoog tilde,
+hen een kus gaf of vroolijk met hen gekscheerde. Heden kon hij zelfs
+volwassenen schrik en angst aanjagen. De aangename plicht was hem voor
+de eerste maal een zware last, hij zag in elken lijder een kwelgeest,
+die met anderen tegen zijne rust samenzweerde. Wat liefs ondervond
+hij van de menschen, dat hij zich om hunnentwil het genot des levens
+ontzegde en zich bij nacht den slaap liet ontrooven? Rufinus had
+gelijk, in dezen tijd leefde de een alleen om den ander te kwellen,
+hoe zelfzuchtiger men was, als met een bord voor het hoofd, zonder
+links of rechts te zien, des te verder kon men het brengen! Dwaas die
+hij was, zich door eens andermans leed in zijne rust te laten storen,
+zichzelven in zijn wetenschappelijk onderzoek te laten belemmeren!
+
+Terwijl al zulke gedachten hem bestormden, betrad hij een net klein
+huisje aan de haven, waar een braaf schipper, omgeven door zijne vrouw
+en kinderen, op sterven lag. Dáar gevoelde hij zich eensklaps weer
+de oude, dáar putte hij al zijn wetenschap uit om nog te genezen,
+dáar openbaarde zich al de warme hartelijkheid van zijn gemoed,
+en met een bloedend hart en een ledigen buidel verliet hij die
+woning. Doch zoodra hij weer buiten was, keerde de vorige stemming
+met verdubbelde bitterheid terug. Toch lag het voor de hand: ondanks
+het stelligste voornemen om zich niet meer voor anderen op te offeren,
+moest hij het toch doen! Deze drang was sterker dan hij. Evenmin als
+een dronkaard het drinken, kon hij nalaten met de lijdenden te lijden,
+het beste wat hij had te zaaien, om niets daarvoor te oogsten. Hij
+was geschapen om alleen voor anderen alles te zijn; dat was zijn lot!
+
+Met gebogen hoofd trad hij de werkkamer van zijn ouden vriend weder
+binnen, die evenals gisteren achter zijne rollen en drie lampen voor
+zijne schrijftafel zat, waaronder een slaaf lag te snorken, om op
+zijne bevelen te wachten. Met den welluidenden Griekschen groet:
+"verheug u!" die heden klonk als een: "gij moogt wat mij aangaat
+stikken!" wierp hij zijn bovengewaad af, en op den tegengroet
+van den grijsaard en diens bezorgden uitroep: "Wat ziet gij er uit
+Philippus!" antwoordde hij knorrig: "als iemand die een trap verdient
+in plaats van een welkomstgroet; als een onnoozele, die zich weer
+bij den neus liet nemen; als een hond, die de hand nog lekt van den
+vlegel, die hem schandelijk geranseld heeft!" Daarop wierp hij zich
+op zijn rustbed en vertelde Horus Appollon welk eene ontmoeting hij
+had gehad met Orion. "En het dolste ervan is nog," dus besloot hij,
+"dat die kerel mij bijna bevallen is, dat hij werkelijk op den weg
+schijnt te zijn om een fatsoenlijk mensch te worden, dat ik niet
+meer noodig heb hem in mijne verbeelding in den kalkoven te werpen,
+bij de gedachte alleen, dat hij de hand naar Paula zou kunnen
+uitstrekken. Maar"--en nu stond hij haastig op--"maar al help ik
+hem ook, om het arme kind te verwijderen uit de nabijheid van dat
+in de hersens gekrenkte oude wijf, Maria's arts kan en wil ik niet
+blijven! Er loopen kwakzalvers genoeg rond in dit lijkennest, en uit
+dezen mag zij er een kiezen. Ik.... ik...."
+
+"Gij zult de kleine verder behandelen," zeide Horus Apollon doodbedaard
+hem in de rede vallende.
+
+"Om te beleven dat mijn hart dagelijks met netels geslagen
+wordt?" zeide de arts driftig, terwijl hij met heftige gebaren den
+grijsaard naderde. "Gelooft gij, dat ik lust heb om het liefje van
+den stadhoudersknaap dagelijks te ontmoeten, mij vaak tweemaal per
+dag de weerhaken laten omdraaien in mijne bloedige wond?"
+
+"Ik verwacht eene geheel andere werking van deze herhaalde bezoeken,"
+zeide de ander. "Gij zult u gewennen Paula aan te zien voor wat zij
+sedert gisteren slechts voor u zijn kan: een aardig meisje, zooals
+er in Egypte duizenden zijn, de bruid van een ander."
+
+"Ja, als dit hart een jachthond was, die gaat liggen als men 'koest'
+roept!" hernam Philippus met een honenden lach. "Het blijft erbij, ik
+moet weg, uit Memphis weg, of mijnentwege ook van deze erbarmelijke
+aarde! Ik zou in hare nabijheid de rust--mijne kostelijke verlorene
+zielrust!--kunnen wedervinden?"
+
+"En waarom zou u dat niet gelukken? Voor ieder is elk ding slechts dat
+waarvoor hij het aanziet. Hoor eens naar mij. Ik had een werk voltooid
+over den ouden en nieuwen kalender, en mijn leermeester verlangde,
+dat ik daarover eene voordracht zou houden in het Museum--indien de
+tegenwoordige school van woordenvitters te Alexandrië nog dien naam
+verdient--doch ik durfde dit niet op mij nemen omdat ik vreesde dat
+de tegenwoordigheid van zoovele geleerde toehoorders mij verlegen
+zou maken. Mijn meester gaf mij den raad het er voor te houden,
+dat mijn auditorium niet uit menschen, maar alleen uit koolstruiken
+bestond. Dat vond ik slim bedacht; ik volgde den raad, en zoo kwam
+ik over mijne verlegenheid heen en mijne rede vloeide als olie."
+
+"Een aardig verhaaltje," antwoordde Philippus, "maar ik zie niet
+in...."
+
+"Gij moet, wil ik hiermede zeggen," voegde de oude hem haastig toe,
+"die allervoortreffelijkste geliefde, zoo al niet tot een koolstruik,
+dan toch in uwe gedachten tot een wezen maken, zooals er twaalf in een
+dozijn gaan, een schepsel waarmede uw hart niets heeft te maken. Wil
+dit eens ernstig en het zal u gelukken."
+
+"Als het hart een getal en de hartstocht kalendermakerij ware!" zeide
+de arts. "Gij zijt een wijs man en uwe schriftrollen en tabellen
+hebben u als wallen en muren tegen den hartstocht beveiligd."
+
+"Wie weet!" hernam de ander. "In elk geval zou die hartstocht mij nooit
+hebben gedwongen, om der wille eene vrouw, die mijne liefde versmaadt,
+mijn vriend en vader de weinige dagen wreedaardig te vergallen, die
+hem nog vergund worden onder de zon te wandelen. Wilt ge mij beloven
+niet meer over die vlucht uit Memphis en dergelijken onzin te bazelen?"
+
+"Leer mij eerst mijne veerkracht te meten."
+
+"Wilt gij ten minste beproeven die te oefenen?"
+
+"Ja, uit liefde voor u."
+
+"Belooft ge mij het arme, kleine meisje dat ik gaarne mag lijden
+ondanks hare afkomst, verder te behandelen?"
+
+"Zoo lang ik kan uithouden dagelijks met haar te verkeeren...."
+
+"Gij weet wie ik bedoel...."
+
+"Ik houd u aan uw woord. Kom nu hier en laat ons nog een paar
+hoofdstukken overzetten."
+
+Tot laat in den avond bleven de vrienden bij den arbeid samen en
+toen de grijsaard alleen was, dacht hij: Zoo lang hij het kind van
+nut kan zijn, gaat hij niet heen, inmiddels zal het mij wel gelukken
+voor die vervloekte sirene eene put te graven.
+
+
+
+Orion had den volgenden morgen vroeg de handen vol werk. Voor de zon
+opging, zond hij twee betrouwbare boden naar Dumiat en overhandigde aan
+beiden een brief met de opdracht, om een zeilschip voor de vluchtenden
+gereed te houden. De een zou drie uur later vertrekken dan de ander,
+opdat het plan niet mislukken zou, wanneer een hunner een ongeluk
+overkwam. Hijzelf ging het eerst naar de haven en het gelukte hem daar
+spoedig eene goede, ruime Nijlboot uit Dumiat te huren. De kapitein,
+een geschikt en betrouwbaar man, beloofde hem de afspraak geheim te
+houden en morgen namiddag te zijner beschikking te zijn. Nadat hij
+onderweg over alles had nagedacht, begaf hij zich terstond naar het
+rentmeesterskantoor, om daar met hulp van Nilus een testament op te
+maken, hetwelk den volgenden morgen in tegenwoordigheid van den notaris
+en getuigen rechtsgeldigheid zou erlangen. Zijne moeder, de kleine
+Maria en Paula benoemde hij tot zijne voornaamste erfgenamen. Verder
+vermaakte hij als legaten vooreerst eene aanzienlijke som aan de
+zieken- en weeshuizen des lands, alsmede aan de kerk, om voor het heil
+zijner ziel te laten bidden, ten andere een aan "den rechtvaardigste
+onder de rechters des huizes," den rentmeester Nilus. Ook de Griekin
+Eudoxia, de opvoedster van Maria, werd bedacht en eindelijk gelastte
+hij de vrijlating van alle huisslaven, en vermaakte hen, opdat zij
+geen gebrek zouden lijden, een zijner grootste grondbezittingen in
+Opper-Egypte, die zij als hun gemeenschappelijk eigendom moesten
+bearbeiden. Voor de trouwe dienaars en vrijgelatenen der familie
+vergrootte hij de rijke schenkingen, die zijn vader hun reeds
+vermaakt had.
+
+Dit laatste werk had eenige uren in beslag genomen, en Nilus, die
+alles in de juiste vormen goot en opteekende wat Orion dicteerde,
+was diep bewogen en verbaasd over het doorzicht en de goedheid van den
+jonkman, dien hij, sedert hij hem den rechterstoel had zien ontwijden,
+voor een verloren mensch had gehouden. Uit de bepaling van Orion,
+dat het testament geopend moest worden ingeval hij vier weken na
+het opstellen ervan nog niet was teruggekeerd van eene reis, die
+hij morgen zou aanvaarden, begreep de trouwe beambte, dat de laatste
+telg van het huis, in welks dienst hij vergrijsd was, zich aan groote
+gevaren dacht bloot te stellen. Doch uit bescheidenheid waagde hij
+het niet iets te vragen, en zijn heer nam hem niet in zijn vertrouwen.
+
+Toen beide mannen de voorzaal betraden, stond daar de klerk Anubis,
+de zoogbroeder en vriend van de kleine Katharina; doch Nilus sloeg
+geen acht op hem. Terwijl hij Orion met vochtige oogen de hem ten
+afscheid gebodene hand kuste en den jonkman beloofde morgen avond
+voor zijn vertrek hem nog eens vaarwel te komen zeggen, opende de
+jonge Anubis, die zich eerbiedig op een afstand had gehouden hoewel
+hij zijne ooren spitste, gedienstig de zware met ijzer beslagene deur.
+
+Uitgeput en hongerig vroeg Orion naar zijne moeder, en toen hij hoorde
+dat zij zich te bed had begeven, ging hij naar de eetzaal om wat te
+gebruiken. Ofschoon het uur van het ontbijt pas was aangebroken, kon
+men het der Griekin Eudoxia toch aanzien, dat zij hem met ongeduld
+wachtte. Er was een nieuwtje dat haar geen rust liet, en Orion had
+ternauwernood den drempel overschreden en haar begroet of zij riep
+hem toe: "Weet gij het al? Hebt gij het vernomen?"
+
+Daarop begon zij, verblijd over zijne korte ontkenning, haastig te
+vertellen, dat vrouw Neforis op verlangen van den arts, die er zoo
+even geweest was, besloten had haar met hare kleindochter te zenden
+naar een vriend van Philippus, waar de lucht beter was, en wel reeds
+heden of op zijn laatst morgen.
+
+Bij deze mededeeling schrikte Orion onwillekeurig. Hij had niet
+verwacht dat de arts zoo vroeg zou komen en nu was juist door dezen
+beschikt, wat sedert gisteren avond niet meer raadzaam scheen.
+
+"Hoogst onaangenaam!" prevelde hij in zichzelven, terwijl een slaaf
+hem een gebraden hoen en asperges diende.
+
+"Niet waar? En wellicht moeten wij ver buiten de stad!" antwoordde
+zij met een smachtende blik, terwijl zij een lange asperge door de
+tanden trok.
+
+Dit ziende en hoorende werd Orion te moede, alsof hij die oude gekkin
+het goede gerecht misgunde, en het was op niet zeer vriendelijken toon
+dat hij haar antwoordde: stad of land stonden in dit geval volkomen
+gelijk, hier gold alleen de vraag wat het beste was voor de kleine.
+
+Toen hij haar mededeelde, dat hij morgen avond op reis ging gaf
+Eudoxia een gil, liet van schrik een asperge in haar schoot vallen
+en zeide op klagenden toon: "O dan, dan is alles voorbij!..."
+
+Maar hij voegde haar vermanend toe: "Dan vangt uw plicht eerst
+recht aan, om u geheel aan het kind te wijden. Gij weet dat hare
+eigene grootmoeder thans de tegenwoordigheid van Maria niet verdragen
+kan. Schenk haar uwe liefde, gelijk gij reeds begonnen zijt te doen,
+wees haar tot eene moeder, en als gij mij werkelijk genegen zijt,
+toon het dan daardoor. Wat mij betreft zult gij ontwaren, dat ik u
+hiervoor erkentelijk ben en dat niet enkel met woorden. Ga morgen
+naar het rentmeesterskantoor, daar zal Nilus u het eenige geven,
+waarmede ik thans mijne dankbaarheid toonen kan. Wijd nu gerust al
+uwe kracht aan de verpleging van het kind; ik was er op bedacht voor
+uwe ouderdom te zorgen."
+
+Midden onder de dankzeggingen, waarmede de Griekin hem overlaadde,
+stond hij op en begaf hij zich naar zijne moeder. Zij rustte nog
+altijd, maar hij liet zich ditmaal toch aanmelden, en zij ontving hem
+gaarne, ja zij had zijn bezoek reeds verwacht. In haar slaapkamer,
+die goed beschut was voor de brandende zonnehitte, rustte zij in eene
+halfliggende houding op een divan, en openbaarde den zoon haar besluit
+om den raad van den arts te volgen en het kind toe te vertrouwen
+aan een zijner vrienden. Dat alles zeide zij op slaperigen, gelaten
+toon, doch zoodra Orion haar tegensprak en verzocht de kleine nog in
+de stadhouderlijke woning te houden, werd zij levendiger en onder de
+uitroepen: "Wenscht gij dat? Kunt gij dat van mij vorderen?" scheen zij
+hem verstoord met de oogen te meten. Daarna ging zij klagende voort:
+"Alles verkeert thans. De ouderdom vergeet niet, maar de jeugd heeft
+een zeer kort geheugen. Gij hebt reeds lang gansch andere dingen
+in het hoofd dan ik; ik denk er nog altijd aan wie hem, wie mijn
+dierbaren afgestorvene in het aangezicht van den geopenden hemel de
+laatste oogenblikken op aarde tot eene hel maakte!"
+
+Een zacht snikken, zonder weenen, bracht hierop hare borst in eene
+snelle, krampachtige beweging en Orion waagde het niet haar verder
+te weerspreken. Met hartelijke woorden zocht hij haar tot rust te
+brengen, en toen zij zich weder herstelde, deelde hij haar mede,
+dat hij haar voor eenigen tijd dacht te verlaten, om naar het beheer
+van hunne goederen te gaan zien. Deze mededeeling deed haar genoegen;
+zij achtte het thans heerlijk alleen, geheel alleen en onopgemerkt
+te zijn. De witte pilletjes gaven haar meer, verhieven hare stemming
+beter dan elke omgang met menschen. Ze brachten haar in slapenden en
+in wakenden toestand droomen, en deze waren duizendmaal schooner dan
+het verlaten bestaan der werkelijkheid. Alles wat zij in het leven op
+aarde verlangde was: geheel in herinneringen op te gaan, te bidden,
+te droomen, zich te verplaatsen aan gene zijde des grafs te midden
+van hare afgestorvenen, en bovendien te eten en te drinken, wat zij
+dan ook gaarne en rijkelijk deed.
+
+Toen Orion op eene nadere vraag zijner moeder antwoordde, dat
+hij eerst naar Delta dacht te gaan, betreurde zij dit; want in
+Opper-Egypte zou hij zijne schoonzuster, de moeder der kleine Maria
+kunnen bezoeken. Daarbij rees zij overeind, wreef met de hand over het
+voorhoofd en wees op het tafeltje aan het hoofdeinde van den divan,
+waar naast een beker met vruchtennat, fleschjes, doozen en andere
+dingen, ook een schrijftafeltje en een briefrol lagen. Zij greep
+naar de laatste, overhandigde haar aan Orion en zeide: "Een schrijven
+van uw schoonzuster! Het is gisteren avond gekomen, en ik begon ook
+het te lezen, maar het ving aan met eene weeklacht over uw vader,
+en dat--gij weet het--voordat ik ging slapen--ik kon met den besten
+wil niet verder lezen, kon het niet lijden! En heden... Eerst de kerk,
+toen de arts en zijn eisch betreffende het kind. Ik heb nog geen moed
+gehad verder te lezen. Wat kan mij een brief ook anders dan kwaad
+brengen. Weet gij iets dat voor mij een bron van vreugde zou kunnen
+zijn? Maar thans... Ik bid u, lees mij den brief voor; maar niet weer
+dat over uw vader; dat bewaar ik voor later, voor mij alleen."
+
+Orion maakte het rolletje open en doorliep vluchtig met saamgetrokken
+lippen de weeklacht der non over den afgestorvene. Elke volzin van den
+brief der weduwe van den martelaar ademde wild fanatisme. Zij had in
+het klooster gevonden wat zij zocht, zij verklaarde nu enkel in God en
+in den God-Heiland te leven. Ook haar kind was voor haar slechts een
+vreemd, jong schepseltje van God, en het gaf haar enkel vreugde er voor
+te bidden. Toch achtte zij het haar plicht voor het zielenheil van het
+kind te zorgen, en als het haar grootmoeder niet te zwaar viel van het
+kind te scheiden, wenschte zij de kleine thans weder te zien. Zij was
+kort geleden abdis van haar coenobium geworden, en niemand kon haar
+beletten het kind bij zich te nemen. Doch zij vreesde dat overgroote
+natuurlijke liefde haar weder aan de vleeschelijke wereld zou doen
+hechten, waarmede zij voor eeuwig gebroken had, en daarom zou zij
+Maria in een naburig klooster laten opvoeden, niet voor aardsche
+ellende maar voor hemelsch geluk, niet tot levensgezellin van een
+zondigen echtgenoot, maar tot eene reine bruid van Christus.
+
+Orion gevoelde eene koude rilling door zijne leden, terwijl hij dit
+schrijven voorlas, en toen hij het rolletje neerlag en zijne moeder
+zeide: "Misschien heeft zij gelijk, misschien is het reeds nu onze
+plicht het kind niet naar den vriend van den arts maar naar het
+klooster te zenden, en het op den eenigen weg te brengen, die zonder
+gevaar of hindernis ten hemel leidt!"--zeide Orion tot zich zelven,
+dat het zijn plicht was dit levenslustige kind voor zulk een lot te
+bewaren. Hij verzocht daarom zijne moeder te bedenken, dat het er
+in de eerste plaats op aan kwam voor de gezondheid van het kind te
+zorgen. Hij zag nu ook in, dat zij zoo straks gelijk had. Zijn vader
+had zich ook altijd naar de voorschriften van Philippus gedragen,
+en reeds daarom was het haar plicht diens raad te volgen.
+
+Vrouw Neforis, die reeds eenigen tijd begeerig had gezien naar een
+doosje dat naast haar stond, weersprak hem niet, en dienzelfden
+avond bracht Orion de kleine Maria met hare opvoedster bij Rufinus,
+die beiden, niettegenstaande zijne bedenkingen van gisteren, gaarne
+opnam. Toen Maria dicht naast Paula's bed in het hare lag en de
+jonkvrouw zich over haar heenboog, sloeg de kleine de armen om haar
+hals, drukte het hoofdje tegen hare borst en voelde dat het daar
+warm, zacht en veilig rustte. Maria weende, als ware zij uit kerker
+en boeien verlost, en stortte al de smart en het lijden van haar diep
+gewond hartje uit in de ziel harer vriendin.
+
+Deze hoorde onder alles Orions stem in den tuin en met onweerstaanbare
+kracht gevoelde zij zich tot den geliefde getrokken, dien zij bij
+zijne aankomst maar vluchtig begroet had. Maar zij kon het niet over
+zich verkrijgen het kind van haar boezem te weren, het juist nu te
+verlaten.--Doch neen, neen, zij moest hem zien! Alles wat in haar
+was, dreef haar naar hem heen en toen Pul de kamer binnenkwam, legde
+zij Maria's hand in die van het meisje en zeide: "Zoo, nu sluit gij
+beiden vriendschap en blijft bij elkander tot ik terugkom en u wat
+moois vertel. Gij hebt Orion zoo lief, mijn meisje; nu, over hem en
+mij zal mijn geschiedenisje handelen."
+
+"Hij moest dadelijk weg," merkte Pul haastig op. "Op dit tafeltje
+staat zijn groet. Hij verging bijna van ongeduld, en toen hij niet
+langer wachten kon, schreef hij dit voor u op."
+
+Met een klagende uitroep nam Paula den brief in handen, dien zij op
+hare kamer las. Hij had even smachtend als zij op hare komst gehoopt,
+doch eindelijk kon hij niet langer toeven. Hoe anders, heette het
+in dit schrijven aan zijne geliefde, had hij gehoopt dezen dag te
+besluiten, dien hij gewijd had aan de redding harer vriendinnen!
+
+O, waarom, waarom had zij zich hier laten terughouden, waarom was zij
+althans niet voor een oogenblik naar hem toegesneld, om hem voor zijne
+goedheid en trouw te danken, en hem luid en open te hooren verklaren,
+wat hij haar gisteren maar toegefluisterd had. Bedroefd en ontevreden
+over zichzelve begaf zij zich naar het kind terug.
+
+Orion had inderdaad zijn vertrek niet langer kunnen uitstellen, want
+hij had het noodig geacht den vertegenwoordiger van den Kalief kennis
+te geven van zijne reis en van zijn strijd met den prelaat. Van alle
+beweeggronden, die hem aandreven de nonnen te helpen, was 'wraak'
+de eenige, dien de Arabier het best zou begrijpen.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+Terwijl Orion over den stroom naar Fostat reed, begaf hem de vroolijke
+stemming, die hem nog kort geleden had bezield. Had Paula hem althans
+niet een klein deel kunnen en moeten wijden van het uur, dat zij aan
+het kind had geschonken? Hij was afgescheept met een vriendelijken
+handdruk en een dankbaren blik, toen zij hem welkom had geheeten. Zou
+zij hem niet blijde tegemoet zijn gevlogen, wanneer de liefde,
+waarvan zij hem gisteren de verzekering had gegeven, haar hart zoo
+innig en vurig doortintelde als het zijne? Was de trotsche ziel van
+deze jonkvrouw, die zijne moeder koud en ongenaakbaar noemde niet
+vatbaar voor warme zichzelve vergetende overgave? Was er geen middel
+om het heilige vuur, dat in hem ontvlamd was, ook in haar aan te
+blazen? Allerlei twijfelingen en het bittere gevoel van teleurstelling
+kwelden hem, en een menigte bedenkingen drongen zich aan hem op, die
+verre van hem gebleven zouden zijn, wanneer hij bij het wederzien,
+haar blijmoedig: "ik bemin u" vernomen had, en zijne lippen gewijd
+waren door haar eersten kus.
+
+Ontstemd en verdrietig trad hij de woning van den veldheer binnen. In
+de voorzaal ontmoette hij smeekelingen, die waren afgewezen, en met
+een bitter lachje moest hij bekennen, dat hij zooeven op dezelfde
+wijze onverrichter zake was weggezonden, weggezonden--en door wie?
+
+Hij liet zich aanmelden en zijne stemming verbeterde een weinig toen
+hij terstond toegelaten en met voorbijgang van vele wachtenden in
+de ontvangkamer van den veldheer gebracht werd. Deze ontving hem
+met vaderlijke hartelijkheid; en toen hij hoorde dat Orion met den
+patriarch in openbaren strijd was geraakt, werd hij opgewonden en
+riep hij met uitgestrekte handen: "Neem mijne rechterhand, vriend,
+ga tot den Islam over, en met deze linker maak ik u, in naam van mijn
+heer den Kalief, ondanks uwe jeugd, tot opvolger van uw vader. Weg
+met alle bedenkingen! Sla toe, spoedig, spoedig! Het kwelt mij Egypte
+te moeten verlaten, terwijl ik weet dat Memphis geen stadhouder heeft."
+
+Een hooge blos kleurde Orions aangezicht. Zijns vaders opvolger! Hij,
+de nieuwe Mukaukas! Hoe streelde dit zijne eerzucht, welke nieuwe wegen
+openden zich tot werkzaamheid! Het schemerde hem voor de oogen en eene
+geheimzinnige kracht drong hem zijn weldoener tegemoet te gaan, die hem
+nog altijd zijne rechterhand toestak. Maar zijne levendige verbeelding
+deed hem opeens het beeld van den Verlosser aanschouwen, met wien
+hij in de kerk zwijgend een verbond had gesloten, hoe deze droevig
+het zacht gelaat van hem scheen af te wenden. Hij herinnerde zich
+wat hij beloofd had, alles was vergeten wat Paula hem had aangedaan,
+hij greep wel is waar de hand van den veldheer, doch alleen om haar
+aan zijne lippen te brengen en hem te danken. Vervolgens bad hij hem
+met warmen, vriendelijken aandrang niet op hem te willen toornen,
+wanneer hij standvastig bleef en in het geloof zijner voorvaderen en
+van zijn vader volhardde. De veldheer werd niet boos, maar haastig en
+niet met die blijmoedige hartelijkheid waarmede hij hem verwelkomd
+had, waarschuwde Amr hem voor den patriarch op zijne hoede te zijn,
+tegen wien hij niet bij machte was hem te beschermen, zoolang hij
+volhield christen te blijven.
+
+Toen Orion hem daarop mededeelde, dat hij voor korten tijd dacht
+op reis te gaan en thans gekomen was om afscheid te nemen, liet de
+veldheer hierover zijn leedwezen blijken. Ook hij moest van hier
+naar Medina, en dat wel reeds overmorgen. "Daar ik u," zeide hij,
+"te jong achtte voor den hoogen post van uw vader, was ook ik erop
+bedacht een moeielijke taak voor u te vinden, bij het volbrengen
+waarvan gij zoudt kunnen toonen, dat ik geene te hooge verwachtingen
+van u koesterde. Gij blijft volharden bij uw besluit, doch ik kan
+onmogelijk aan een christen van uwe jaren het zóo gewichtig ambt van
+stadhouder te Memphis toevertrouwen; ofschoon wij het met den jongen
+muzelman gewaagd zouden hebben. Doch ik wil u de taak, die ik u had
+toegedacht, ook thans niet onthouden. Gelukt het u die te volvoeren,
+dan zal het goed zijn voor uzelven en ben ik voornemens van uw dienst
+partij te trekken in het belang der geheele provincie. Wat toch dringt
+mij thans van hier te gaan, waar mijne tegenwoordigheid bij honderd
+nieuwe onvoltooide scheppingen zoo noodig zou zijn, wat anders dan de
+zorg voor het welzijn van dit land, waar ik maar een vreemdeling ben,
+terwijl gij het moet liefhebben als uw vaderland en den geboortegrond
+van uwe familie. Ik ga naar Medina, omdat de Kalief in den brief die
+daar ligt mij verwijt, dat ik uit een zoo rijk land als Egypte te
+geringe sommen in de schatkist breng. En toch komt geen dinar van
+uwe belasting in mijn eigen buidel.
+
+"Van die belasting houd ik honderd-vijftigduizend arbeiders op de been,
+om de kanalen en waterwerken te herstellen, die mijne voorgangers,
+de Byzantijnsche bloedzuigers, zoo schandelijk verwaarloosd hebben
+en geheel lieten vervallen; daarvoor bouw en schep ik en strooi zaad
+uit voor de toekomst. Dat kost geld! Dat verslindt het leeuwendeel
+van de inkomsten. Ik begeef mij op weg, niet om mij te zuiveren van
+beschuldigingen, maar om Omar te overreden mij ook voor het vervolg te
+vergunnen niet als een roover huis te houden, maar het ware welzijn
+der provincie niet uit het oog te verliezen. Ik doe het ongaarne om
+ontelbare redenen, en gij, jonge man, zult, als uw vaderland u wat
+waard is... Hebt gij het lief en wenscht gij uw geboortegrond het
+beste toe?"
+
+"Van ganscher harte!" antwoordde de jonkman.
+
+"Welaan, dan moet gij thans, wanneer het eenigszins geschieden kan,
+stil te huis blijven en u met alle kracht wijden aan het werk dat
+ik u zal opgeven. Ik haat alle uitstel. Niet lang heen en weer
+rijden en de paarden vermoeien, maar recht op den vijand los gaan,
+dat is mijne grondstelling, en niet alleen in het veld. Neem die
+les ter harte! Gij zult geen tijd te verliezen hebben, want wat ik
+verlang is niet gemakkelijk. Gij moet, gesteund door uw kennis van
+dit land en van zijne bewoners, alsmede met behulp van de lijsten
+en aanteekeningen in de archieven van uw oud stadhouderlijkhuis,
+waarover uw vader mij gesproken heeft, beproeven eene nieuwe indeeling
+in districten te ontwerpen, waarbij gij inzonderheid zult hebben
+te letten op hetgeen elk der districten zal kunnen opbrengen. Die
+oude manier van belastingheffing deugt niet, dat ondervinden wij
+dagelijks; gij zult speelruimte genoeg vinden voor verbeteringen van
+allerlei aard. Werp al het bestaande omver, wanneer gij het noodig
+acht. Ook anderen hebben hunne krachten beproefd aan eene indeeling
+in districten en eene nieuwe wijze van belastingheffing. Het beste
+ontwerp verdient de voorkeur en gij schijnt mij de man te zijn om
+den prijs weg te dragen en u daarmede een schoon, ruim veld van
+werkzaamheid voor de toekomst te openen. Als het geen verveling is,
+of verlangen naar de genietingen van eene groote stad, waaraan gij
+gewoon zijt, die u aandrijven dit treurige Memphis..."
+
+"Neen heer," verzekerde Orion haastig. "Wat ik mij voornam komt
+mijzelven niet eens ten goede, en als ik mij niet vast verbonden
+had, dan vatte ik reeds morgen die heerlijke arbeid met beide handen
+aan. Dat gij eene goede oplossing van zulk een gewichtig vraagstuk van
+mij verwacht, is het schoonste geschenk, dat mij ooit ten deel viel. Om
+mij uw vertrouwen waardig te maken, keer ik zoo spoedig mogelijk terug
+en zal al wat ik aan verstand en scherpzinnigheid, aan volharding en
+vaderlandsliefde bezit, aan dit werk ten koste leggen. Ik ben een
+vlijtig scholier geweest, en schande over mij, wanneer dat, wat ik
+als jongeling, was, den man verhinderde, den knaap te overtreffen."
+
+"Goed gesproken," antwoordde de veldheer en stak Orion de hand
+toe. "Doe uw best en gij zult ruimschoots gelegenheid vinden uwe
+krachten te toonen. Onthoud mijne waarschuwing voor den patriarch
+en den zwarten Wekil. Ik heb hier helaas niemand, die zijne plaats
+vervullen kan uitgezonderd den wakkeren kadhi Othman, maar deze is
+geen krijgsman en op zijne plaats onontbeerlijk. Obada moet mij dus
+wel vervangen. Ontwijk hem en de Barmhartige zij met u..."
+
+Toen Orion op den terugweg de schipbrug achter zich had, zag hij eene
+versierde Nijlboot, zooals er thans hier maar zelden een landde, in de
+haven voor anker liggen en op de Nijlstraat kwam hij twee draagstoelen
+tegen, gevolgd door lastdieren en dienaars. Dat alles zag er prachtig
+en voornaam uit; op een andere tijd zou het hem nieuwsgierig gemaakt
+hebben; doch heden stelde hij zich maar vluchtig de vraag, wie zij
+wel zijn zouden, die waren aangekomen, waarop hij verder nadacht
+over het werk door Amr hem opgedragen. Uit den diepsten grond zijns
+harten verwenschte hij de ure, waarin hij zich verbonden had voor
+vreemden in de bres te springen; want hij, die na zoo lang werkeloos
+te zijn geweest er naar snakte zijne krachten te beproeven, die zich
+plotseling en als door een wonder geroepen zag op den weg, dien hij
+zelf zich had gekozen, gevoelde zich thans belemmerd en afgetrokken
+van eene taak, die hij hoopte voortreffelijk te kunnen volvoeren,
+en waarmede hij zijn vaderland eene dienst zou bewijzen. Eene taak
+bovenal die hem aantrok als met honderd magneten.
+
+Nadat zijn testament den volgenden morgen rechtsgeldig was verklaard,
+verzocht hij den rentmeester om een gesprek onder vier oogen. Hij was
+tot de overtuiging gekomen, dat althans éen in dit huis en die eene
+kon enkel Nilus zijn, kennis moest dragen van het plan dat hij ging
+volvoeren. De rentmeester noodigde Orion dus uit hem te volgen naar
+het impluvium van zijn bijzonder verblijf en deze uitnoodiging werd
+door vele der aanwezige schrijvers vernomen, zonder dat zij zich in
+hun arbeid lieten storen. Alleen de jongste van allen, een aardige
+zestienjarige knaap, met een gebruind Egyptisch gelaat en verstandige
+levendige gitzwarte oogen, die elk woord van den rentmeester en zijn
+heer opmerkzaam gevolgd had stond zacht uit zijn neergehurkte houding
+op, zoodra deze twee het kantoor verlaten hadden, en sloop ongemerkt
+naar de voorzaal. Van daar ijlde hij naar de trapladder, die op de
+duiventil uitkwam, waarvoor hij altijd zorg droeg; van het hooge
+verblijf der gevleugelde boden liet hij zich haastig afzakken op het
+dak van de benedenverdieping, en kroop op handen en voeten voorzichtig
+tot aan het groote, opene vierkant, waardoor het impluvium licht en
+lucht ontving. Vlug schoof hij met de hand het zeil een weinig opzij,
+dat deze ruimte 'smiddags overschaduwde, en luisterde met inspanning
+naar het gesprek, dat weldra beneden hem plaats had.
+
+Deze knaap was Anubis, de zoogbroeder van het kwikstaartje, en het
+scheen wel dat hij in de kunst om luistervink te spelen bij zijne
+geliefde meesteres niet achter stond, want opmerkzamer dan hij kon
+niemand de ooren spitsen. Hij wist ook wel waarom hij zich op het dak
+blootstelde aan de gloeiende pijlen van de onbarmhartige Afrikaansche
+zomerzon; zijne aangebodene speelnoote, die zijn jong hartstochtelijk
+gemoed geheel beheerschte, had hem een hartelijken kus beloofd, wanneer
+hij haar nadere inlichtingen kon verschaffen omtrent de gevaarvolle
+reis van Orion. Anubis had haar reeds gisteren avond mededeeld, wat
+hij in de voorzaal van het rentmeesterskantoor had afgeluisterd; maar
+het kwikstaartje was met deze algemeene aanwijzingen niet tevreden
+geweest. Zij wilde duidelijk zien, nauwkeurig weten wat er op het
+getouw werd gezet, en zij bedroog zich niet door te onderstellen,
+dat juist het loon hetwelk zij den knaap had toegezegd, hem zou
+aansporen om zelfs het onmogelijkste te beproeven. Anubis had echter
+niet gedacht, dat hij zoo spoedig zijn doel zou bereiken, hoe stout
+zijne verwachtingen ook waren, want nauwelijks was het hem gelukt het
+zeil op zijde te schuiven, toen Orion begon den rentmeester opening
+te geven van alles wat hij dacht te doen.
+
+Nadat deze zijne mededeelingen had geëindigd, wachtte de knaap het
+antwoord van den rentmeester niet af, maar kroop, als bedwelmd door
+den gelukkigen uitslag van zijn pogen en het uitzicht op het loon,
+dat voor hem eene hemelsche zaligheid omvatte, naar de duiventil. Doch
+hij kon den weg niet volgen waarlangs hij gekomen was, want bevond hij
+zich weder in de voorzaal en trof een der andere beambten hem daar aan,
+dan werd hij naar het schrijfvertrek verbannen. Hij kroop dus naar
+de borstwering van het dak, die naar de zijde van de visschershaven
+gekeerd was, boog er zich over heen en greep een gootpijp om zich
+daarlangs te laten afglijden. Doch deze was helaas zeer oud en
+verteerd, hetgeen niet was opgemerkt, omdat het te Memphis zoo zelden
+regent; en nauwelijks volgde het lichaam van den knaap zijne handen,
+of het halfvergane blik scheurde krakend van een. Met de brokken
+van de gootpijp stortte de overmoedige jongen vier manshoogten naar
+beneden; men hoorde op den geplaveiden vloer een zwaren, doffen slag en
+jammerlijk gekerm, en kort daarna wist het geheele rentmeesterskantoor,
+dat de arme, flinke duivenliefhebber Anubis bij de verpleging van
+zijne diertjes van het dak was gevallen en zijn been gebroken had. De
+beide mannen in het impluvium zouden eerst later het ongeval vernemen,
+want er was bevel gegeven hen niet in hun onderhoud te storen.
+
+Nilus had de vertrouwelijke mededeelingen van zijn jongen meester
+met toenemende verbazing, weerzin en schrik aangehoord, en toen
+Orion had uitgesproken, met al de overredingskracht van een trouw
+hart, dat zich bezorgt maakt voor het heil van lichaam en ziel van
+een geliefd persoon, bij hem aangedrongen om van dit waagstuk af te
+zien, waaruit voor hem niet anders kon volgen dan afkeuring, nadeel en
+vervolging. Nilus was een Jacobiet van ganscher harte en de gedachte,
+dat zijn jonge meester op het punt stond voor Melchietische nonnen
+het uiterste te wagen en den toorn, ja den vloek van den patriarch op
+zich te laden, kon hij niet verdragen. De welgemeende waarschuwingen en
+smeekingen van den trouwen beambte bleven op Orion niet zonder invloed,
+doch hij volhardde in zijn besluit en bracht Nilus aan het verstand,
+dat hij Rufinus zijn woord had gegeven en daarom niet meer terug kon
+treden, ofschoon hijzelf geen lust meer had in de volvoering van zijn
+plan. Het stuitte hem tegen de borst, ja het was hem onmogelijk den
+ouden braven man alleen deze gevaarlijke reis te doen ondernemen.
+
+Oprechte bezorgdheid maakt vindingrijk en nauwelijks had Orion
+uitgesproken of Nilus deed hem een voorslag, die wel in staat was de
+laatste bedenking van den jonkman op te heffen. De Grieksche opzichter
+van de werf, Melampus, was een ijverig Melchiet, al durfde hij niet
+openlijk voor zijn geloof uitkomen. Hij en zijne beide zonen, twee
+frissche stevige scheepstimmerlieden, hadden reeds meermalen hunne
+frissche, ondernemingszucht getoond, en Nilus twijfelde niet of zij
+zouden maar al te gaarne aan een waagstuk deelnemen, dat de redding
+van zoovele geloofszusters ten doel had. Zij moesten Orions plaats
+vervangen en konden den ouden heer veel krachtiger ondersteunen
+dan hij.
+
+De jongeling stemde met dezen voorslag in zooverre in, dat hij
+degelijke hulp verwachtte van de wakkere handwerkslieden, die hij
+zeer goed kende; hij wilde ze dus wel meenemen, maar daarom niet
+van zijne eigene medewerking afzien. Hij moest eindelijk Nilus,
+die zoo taai bleef volharden bij zijne vermaningen, het zwijgen
+opleggen. Desniettemin ging de bezorgde man met hem naar de werf, en de
+oude meester, een goedhartige reus, toonde zich zoo van harte bereid om
+zijne hulp te verleenen tot het redden der nonnen, "als ware elk hunner
+zijne eigene moeder". De jongens zouden het als een feest beschouwen,
+dat zij aan zulk een waagstuk deel mochten nemen. Het bleek weldra
+dat hij zich daarin niet bedroog, want nadat men hen in het geheim
+had ingewijd, zwaaide de een vol geestdrift met zijne bijl, en de
+ander sloeg zoo vroolijk met zijne stevige vuist in de linkerhand,
+als zou hij ten dans gaan. Onverwijld stapte Orion met alle drie in
+eene boot en liet zich naar het huis van Rufinus roeien, om hen aan
+dezen voor te stellen, en zij bevielen den ouden man voortreffelijk.
+
+Orion bleef bij hem; hij had hem gisteren beloofd het ontbijt met hem
+te gebruiken en dat stond gereed. Paula was reeds sedert een uur in
+het klooster en kon, zooals vrouw Johanna verzekerde, elk oogenblik
+terugkeeren. Men zette zich dus zonder haar aan tafel, de schotels
+werden opgedragen, het maal liep ten einde en nog altijd was zij niet
+terug. Orion had aanvankelijk zijne teleurstelling weten te verbergen,
+maar eindelijk werd hij geheel door dit gevoel beheerscht, zoodat het
+zijne gastvrouw moeite kostte, hem door vragen en wedervragen korte en
+verstrooide antwoorden te ontlokken. Ook Rufinus werd bezorgd, maar
+juist toen hij opstond om naar Paula te gaan uitzien, zag Pulcheria,
+die aan het venster stond, haar komen en vloog met een vroolijk
+"daar is zij!" naar buiten.
+
+Weder verliep de eene minuut na de andere, van een kwartier werd
+het een halfuur, en Orion wachtte nog altijd te vergeefs op de
+jonkvrouw. Zijne blijde verwachting had reeds lang voor ongeduld,
+het ongeduld voor het gevoel van gekrenkte waardigheid en dit voor
+spijt en bitterheid plaats gemaakt, toen Pulcheria eindelijk in hare
+plaats het eetvertrek binnentrad en hem uit naam van Paula verzocht
+in den tuin te komen.
+
+Buitengewoon lang was zij in het klooster opgehouden. Gelijk de
+rook, die de ijmker in een bijenkorf laat trekken, had de treurmare
+de stille, vrome zusters uit haar gewone rust opgeschrikt en allen
+door elkander gejaagd. Zij moesten heden wat het meest van waarde was
+bijeen pakken, en hoewel Orion gezegd had, dat maar een klein aantal
+kisten en zakken in de boot plaats konden vinden, kwam de eene haar
+bidstoeltje, de ander een groot heiligen beeld, een derden een koperen
+vischketel, en een vierde, vijfde en zesde zelfs met de groote kast
+met de gebeenten van den martelaar Ammonius aandragen, waaraan de
+priesterkerk haren bijzonderen roep van heiligheid dankte. De abdis
+had met al hare zeggingskracht en waardigheid tusschenbeide moeten
+komen, om al dat overtollige terug te houden, en menige zuster, die
+met hare dierbare maar al te omvangrijke bezitting werd afgewezen,
+was weenende met haar schat afgetrokken. De overste van de nonnen
+was eerst in de gelegenheid geweest zich geheel aan Paula te wijden,
+nadat men een overzicht had kunnen nemen van de geheele bagage,
+die zou worden medegevoerd. Zij had de jonkvrouw daarna naar haar
+woonvertrek gebracht, dat met kostbare en degelijke voorwerpen keurig
+versierd was, en haar met oprechte deelneming gelegenheid gegeven het
+hart voor haar uit te storten. Wie deze twee te zamen had gezien, zou
+licht hebben kunnen denken, dat een bekommerde dochter haar toevlucht
+had gezocht aan het hart eener moeder, om raad bij haar in te winnen;
+want de grijze abdis kon in hare jeugd veel gelijkenis hebben gehad
+met de dochter van Thomas. De voorname en toch aanvallige houding der
+jonkvrouw was alleen bij de matrone tot eene vorstelijke, nederbuigende
+waardigheid geworden, en men kon het haar ernstig gesloten mond niet
+meer aanzien, dat deze eens het aanminnig sieraad van haar gelaat
+was geweest. Terwijl zij de mededeelingen van het meisje volgde,
+veranderden hare rustige oogen telkens van uitdrukking, zij tintelden
+enkel van fanatischen gloed, wanneer geloofsijver haar gemoed
+vervulde. Zij kreeg van allerlei te hooren, want Paula beschouwde
+dit onderhoud als eene biecht, en verzweeg voor hare moederlijke
+en tegelijk priesterlijke vriendin niets van alles wat er in haar
+uitwendig leven, in haar hoofd en hart was omgegaan, sedert zij het
+huis van den Mukaukas had betreden. Zij hield niets in hare ziel
+verborgen, trachtte niets te bemantelen of te vergoelijken, en toen
+zij de mannelijke worsteling van haar geliefde schilderde om al den
+ernst van het leven te begrijpen, werd zij door liefde en geestdrift
+medegesleept ten einde zijn beeld, dat een oogenblik door eene donkere
+schaduw verduisterd was, in des te helderder glans te laten schijnen.
+
+Nadat Paula ten laatste hare biecht geëindigd had, was de abdis een
+tijd lang zwijgende blijven zitten. Toen had zij het meisje tot zich
+getrokken en op liefderijken toon gevraagd: "En thans? Niet waar,
+alles wat in u is dringt en drijft u om den hartstocht, die op
+zoo bijzondere wijze zich van u meester heeft gemaakt, zijn loop
+te laten, den geliefden man in de wijdgeopende armen te snellen,
+u aan hem over te geven en te zeggen: 'Hier hebt ge mij, ik ben de
+uwe! Haal den priester, dat hij ons zegene!'--Is het zoo, zie ik goed?"
+
+Paula had toestemmend geknikt met een blos op de wangen, doch de oude
+vrouw had haar hoofd tegen haar borst gelegd en was op ernstigen toon
+voortgegaan: "Ik zag hem toen hij met zijn vierspan mij voorbijreed, en
+dacht daarbij aan menig beroemd beeldwerk van Grieksche heidenen. Hij
+bezit schoonheid, geboorte, rijkdom, ja ook een geest van gaven,
+kortom alles wat het hart van eene Paula winnen kan; en zij--dat zie
+ik--geeft het hem gaarne."
+
+Wederom had het meisje haar toegeknikt, en daarop was de grijze abdis
+met een stille zucht, en als kostte het haar groote moeite om zich
+in het onvermijdelijke te schikken, voortgegaan: "Elke waarschuwing
+zou dus ijdel zijn.--Hij is in elk geval niet van ons geloof, hij..."
+
+"Maar hoe hij dat hoogacht," zeide Paula, "dat toont hij, terwijl
+hij voor u en de uwen vrijheid en leven op het spel zet."
+
+"Zeg: voor de geliefde," antwoordde de abdis. "Doch wij willen
+dit onderwerp niet verder aanroeren, hoezeer het mij ook smart
+mij de dochter van Thomas als de gemalin van een Jacobiet voor te
+stellen.--Gij zult hem niet prijsgeven, en de Vader der liefde leidt
+trouwe liefde langs wonderbare paden naar het beoogde doel, al gaat
+het soms langs omwegen, door kloven en afgronden."
+
+Paula was haar om den hals gevallen, om haar dankbaar te kussen, doch
+de abdis had het gelukkige meisje maar korten tijd laten begaan, en
+haar daarna aan haar zijde doen neerzitten. Met Paulas rechterhand
+in hare beide handen was zij toen overgaan op den toon van kalm
+overleg. Zij en de zusters, zoo begon zij, waren Orion grooten dank
+verschuldigd. Haar vurigste wensch was dat Paula als vrouw het hoogst
+geluk op aarde zou vinden, doch daar zij om raad had gevraagd mocht
+de abdis haar de oogen niet doen sluiten voor de gevaren die juist
+dat geluk dreigden te ondermijnen. Achter haar, de abdis, lag een
+lange reeks van allerlei ervaringen; zij had ontelbare jonge mannen
+leeren kennen, die als groote zondaars door vader en moeder, door de
+kerk en alle goede menschen waren opgegeven, en velen van dezen hadden
+hun dag van Damascus gezien. Er was voor hen een keerpunt gekomen en
+de verloren gewaande zonen waren uitnemende, vrome mannen geworden.
+
+Onder dit verhaal was Paula met van vreugde stralende oogen nog
+dichter bij haar gekomen; doch de abdis had ontkennend het hoofd
+geschud, en terwijl haar gelaat eene steeds klimmende geestdrift
+verried, vervolgde zij op hoog ernstigen toon: "Intusschen mijn kind,
+bij deze allen had de genade gewerkt, was het wonder geschiedt,
+dat wij wedergeboorte noemen. Zij waren dezelfde gebleven naar het
+vleesch en de grondtrekken van hun wezen, maar hunne verhouding tot
+de wereld en tot het leven was eene geheel andere geworden. Wat hun
+vroeger wenschelijk voorkwam dat werd thans door hen verafschuwd,
+wat vroeger van waarde scheen was voor hen nietig, het nietige van
+waarde geworden. Hadden zij vroeger alles tot hunne eigene wenschen
+teruggebracht, thans beschouwden zij alles in het licht van God en
+zijn wil. De oude neigingen waren dezelfde gebleven, doch zij lieten
+zich binnen de perken houden door de nooit sluimerende erkentenis,
+dat zij niet den weg baanden tot blijvende vreugde, maar tot eeuwig
+verderf. Deze wedergeborenen leerden de wereld te verachten, en
+in plaats van naar het stof was hun blik opwaarts naar den hemel
+gericht. Wie van hen struikelde, hij werd door den nieuwen geest
+die in hem werkte gedwongen het evenwicht weer te vinden, alvorens
+geheel te vallen.--Doch Orion? Uw geliefde? Naar ik zie stapt hij
+over zijne schuld heen en wacht hij eene verzoening met God van het
+volbrengen eener waardige levenstaak in deze wereld. Niet alleen
+is zijne gezindheid dezelfde gebleven, maar ook zijne betrekking
+tot het leven en tot al de goederen, die het den kinderen dezer
+wereld aanbiedt. Zinnelijke liefde drijft hem aan, te streven naar
+wat hoog en groot is, met ernstigen wil tracht hij het te bereiken,
+doch hij kan en zal struikelen over elken steen, dien de duivel hem
+in den weg werpt, en het zal hem zwaar vallen weder op te staan;
+want het ongeluk heeft hem niet wedergeboren tot een nieuw leven in
+God. Juist zulke jonge mannen zag ik ontelbare malen terugzinken in
+de zonde, waaraan zij zich ontworsteld hadden, en voor wij ons geheel
+en al mogen toevertrouwen aan een man, die, al is het ook maar eens,
+zoo ver is afgedwaald van de wegen Gods, en bij wien de genade hare
+krachtige werking nog niet heeft getoond, is het noodig zijn gang en
+zijne handelwijze langer dan enkele dagen na te gaan. Gevoelt gij u
+gedrongen om vast te houden aan de neiging uws harten, werp u dan niet
+eer in de geopende armen van den geliefde, geef niet eer het reine
+heiligdom van lichaam en ziel aan hem over, word niet eer de zijne,
+voor hij eerst zich geheel standvastig heeft getoond."
+
+"Maar ik geloof aan hem!" riep Paula onder een vloed van tranen.
+
+"Gij gelooft, omdat gij liefhebt," antwoordde de abdis.
+
+"En omdat hij het verdient."
+
+"Sedert hoe lang?"
+
+"En was hij niet een voortreffelijk jonkman vóor dien misstap?"
+
+"Dat is ook menig moordenaar geweest. Eén oogenblik was voldoende om
+zoovelen als misdadigers uit de samenleving te verbannen."
+
+"Zijne omgeving draagt hem nog altijd op de handen."
+
+"Als den zoon van den Mukaukas."
+
+"En omdat hij door hetgeen hij is aller harten wint."
+
+"Ook het hart van den Allerhoogste?"
+
+"O moeder, moeder waarom meet gij hem naar den maatstaf uwer den hemel
+gewijde ziel! Hoe weinig uitverkorenen worden de genade deelachtig,
+waarvan gij spreekt!"
+
+"Wie als hij gezondigd heeft, moet er met inspanning naar streven."
+
+"Dat doet hij, moeder, op zijne wijze."
+
+"Die verkeerd is, verkeerd voor allen die zulke zonden hebben
+begaan. Alles, waarnaar hij streeft, zijn wereldlijke goederen."
+
+"Neen, neen, hij staat vast in het geloof aan God en den Heiland. Hij
+is geen bedrieger."
+
+"En toch gelooft hij zich van de boete ontslagen te kunnen rekenen."
+
+"Vergeeft de Heer ook niet alles, na oprecht berouw? En hij heeft
+berouw gehad; hoe zwaar, hoe bitter zwaar heeft hij geleden!"
+
+"Zeg liever: de striemen gevoeld, die de gevolgen waren van zijne
+ongerechtigheden. Er volgen nog meer, en hoe zal hij ze dragen? De
+verzoeking loert van alle zijden en hoe zal hij aan haar ontkomen? Als
+een waarschuwende moeder ben ik verplicht u toe te roepen: houd zijn
+en uw hartstocht nog in bedwang; ga voort hem te beproeven en sta
+hem niet eerder zelfs het kleinste toe, jonkvrouw, voordat hij..."
+
+"En tot wanneer, ja hoelang zal ik zoo onwaardig op wacht staan?" zeide
+Paula, snikkende. "Is dat liefde, die niet vertrouwt, niet bereid is
+ook saam te leven met hem, wiens schreden nog niet vast staan?"
+
+"Ja, mijn kind, ja," antwoordde de grijze abdis. "Alles te dulden,
+alles te verdragen is de plicht der ware liefde en ook de uwe;
+doch eerst dan zult gij uzelve en hem door den onverbrekelijksten
+aller banden laten binden, wanneer hij die wankelde een wandelaar is
+geworden, die met vasten stap voorwaarts schrijdt. Volg elk zijner
+schreden, sta hem met trouwe zorg ter zijde, twijfel niet aan hem
+als hij zich anders voordoet dan gij had verwacht, tracht met een
+vroom gemoed hem de genade waardig te doen worden, maar geef hem niet
+overijld, niet nu reeds het jawoord."
+
+Paula voegde zich niet gewillig naar deze vermaning, maar het kwaad
+door Orion begaan, vervulde de abdis met groot wantrouwen. Zulk een
+groot zondaar, wien de vloek eens vaders had getroffen had naar hare
+overtuiging zich uit de wereld moeten terugtrekken, smachtende naar
+genade en jagende naar de wedergeboorte in plaats van aan de zijde
+van zulk eene bevoorrechte jonkvrouw als Paula, waaraan hij zoo innig
+gehecht was, de zaligheid te zoeken, die zij enkel gunde aan hare
+geloofsgenooten, aan wier wandel geen smet kleefde. Ja hoe gaarne
+had zij, die na eene stormachtige jeugd midden in de wereld eerst in
+het klooster zielsrust en waarachtig geluk had gevonden, het dierbaar
+kind der vriendin als reine bruid van Christus aan hare zijde gezien,
+misschien als hare opvolgster in de betrekking van abdis! Het vele
+verdriet, dat zij zelf door de lichtzinnigheid van trouwelooze mannen
+had ondervonden, had zij hare lieveling willen besparen, en daarom was
+zij geen duimbreed afgeweken van den inhoud van haar goeden raad en
+niet moede geworden de jonkvrouw met nadruk hoewel liefderijk op het
+hart te drukken, dat zij zich daarnaar moest gedragen. Eindelijk had
+Paula van haar afscheid genomen met de belofte, dat zij niet eer eene
+verloving met Orion zou aangaan, vóor hij uit Dumiat was teruggekeerd
+en de abdis haar schriftelijk had medegedeeld, welk oordeel zij zich
+over hem gevormd had op de aanstaande vlucht.
+
+Zooveel tranen als bij dit onderhoud had de jonkvrouw, die zooveel
+geestkracht bezat, niet geweend sedert de noodlottige mis van Abyla,
+waarbij zij haar vader en broeder had verloren, en met een zeer beweend
+gelaat en hevige hoofdpijn was zij op den gloeiend heeten middag door
+de brandende zon weergekeerd naar het huis van Rufinus en hare oude
+Betta. Deze had er zeer op aangedrongen dat Paula wat zou gaan liggen,
+en toen zij geen gehoor vond, had zij haar tenminste overgehaald het
+hoofd te verkoelen met water zoo frisch als het bij zulk eene hitte
+te vinden was, en zich het haar door hare vaardige hand opnieuw te
+laten opmaken. Hare overleden moeder vond bij deze middelen altijd
+baat, als zij hoofdpijn had.
+
+Toen Paula eindelijk op een schaduwrijk plekje van den tuin tegenover
+den geliefde stond, zagen beiden elkander schuchter en vreemd
+aan. Hij was bleek en blijkbaar ontstemd, en hare rood bekreten
+oogen en het gerimpeld voorhoofd, dat klopte en stak van pijn,
+droegen er niet toe bij zijne stemming te verbeteren. Het stond aan
+haar zich te verontschuldigen, en toen hij na zijn groet haar niet
+dadelijk toesprak, zeide zij dan ook op zachten, innig smeekenden
+toon: "Vergeef mij, dat ik zoo laat kom. Hoe lang hebt gij wel niet
+moeten wachten! Maar het afscheid van mijne beste vriendin en tweede
+moeder heeft mij zoo diep ontroerd, en was treuriger dan ik zeggen
+kan. Toen ik terugkwam wist ik van de hevige hoofdpijn niet, waar ik
+het zoeken zou, en thans.... Hoe gansch anders heb ik heden morgen
+vroeg gehoopt u te zullen ontmoeten!"
+
+"Reeds gisteren," zeide hij somber, "bleef er geen tijd
+voor mij over.--En heden,--gij waart er bij toen Rufinus mij
+uitnoodigde--heden!--Ik maak geen hooge aanspraken, en mijn God,
+hoe zou ik dit durven doen tegenover u? Maar geldt het niet ook
+van mij afscheid te nemen, misschien voor altijd? Waarom moest aan
+eene vriendin zooveel van uw tijd en uwe kracht worden afgestaan,
+dat er maar een klein overschot bleef voor den vriend? Dat noem ik
+niet billijk verdeelen."
+
+"Hoe zou ik het kunnen loochenen?" zeide zij droevig, "ja zeker, gij
+hebt gelijk, maar ik kon gisteren avond het kind, terwijl het zijne
+smart bij mij uitweende, niet terstond verlaten, en als gij wist
+hoe zeer ik verschrikte, en hoe pijnlijk mijn hart werd aangedaan,
+toen ik in plaats van u, een brief...."
+
+"Ik moest naar den veldheer aan de overzijde," zeide Orion, haar in de
+rede vallende. "Dit avontuur dwingt mij hier veel achter te laten, en
+ik ben niet meer de meest vrije van alle vrijen van weleer. Gedurende
+dit pijnlijk ontbijt heb ik als op naalden gezeten. Maar spreken wij
+daarover niet meer. Met een hart vervuld van blijmoedige hoop kwam
+ik hierheen. En nu? Ziet gij, Paula, deze onderneming verscheurt
+voor mij meer banden, en laadt meer op mijne schouders dan gij u
+denken of weten kunt. Dat verklaar ik u later. Zij brengt mij in eene
+allergevaarlijkste verhouding, en om tegen alles bestand te zijn,
+om den frisschen moed, den blijden zin, die ik daarbij noodig heb,
+te bewaren, moet ik van éen ding zeker zijn, waarvoor ik zelfs nog
+gansch andere gevaren en moeiten als een vroolijk spel op mij zou
+kunnen nemen, moet ik weten..."
+
+"Wilt gij weten," haastte zij zich te zeggen, "of mijn hart geheel
+en al zich voor uwe liefde heeft ontsloten..."
+
+"Of ik," sprak hij met klimmende geestdrift, "trots al het zware
+lijden, dat deze arme ziel drukt, gelukkiger kan zijn dan de zaligen
+in den hemel. O, Paula, eenig aangebeden meisje, mag ik..."
+
+"Gij moogt," hernam zij luide en uit den diepsten grond harer
+ziel. "Ik heb u lief, Orion, ik zal nooit, neen nooit meer ophouden
+u van ganscher harte lief te hebben."
+
+Daar vloog hij naar haar toe, zichzelven niet meer meester omvatte hij
+haar met beide armen, drukte haar aan zijn hart, zonder acht te geven
+op de nabijheid van het huis, waar zoovele oogen hen konden zien,
+en overlaadde haar met vurige kussen, tot zij zich losmaakte uit
+zijne omarming en hem smeekend toeriep: "niet zoo, neen, bid ik u,
+niet zoo en nu nog niet."
+
+"Nu, juist nu! Of wanneer anders?" vroeg hij onstuimig. "Doch hier, in
+dezen tuin, daar hebt gij gelijk in, hier is de plaats niet voor twee
+gelukkige menschenkinderen, die elkander gevonden hebben. Kom mede,
+ga mij voor in huis, zoek ons daar een plaatsje, waar wij ongezien
+en niet beluisterd alleen met ons geluk...."
+
+"Neen, neen!" zeide zij gejaagd, terwijl zij met de hand streek over
+het pijnlijke voorhoofd. "Kom mede op de bank onder de sykomore, daar
+zitten we in de schaduw, daar kunt ge mij alles zeggen en daar zult
+gij ook nog eens hooren, hoe machtig de liefde mij heeft aangegrepen."
+
+Teleurgesteld en verwonderd keek hij haar aan, doch zij liep naar
+de sykomore, zette zich daar neder en hij volgde haar langzaam. Zij
+gaf hem een vriendelijken wenk zich naast haar neer te zetten, doch
+hij bleef voor haar staan en zeide op doffen, treurigen toon: "Altijd
+dezelfde, altijd die kalmte en koelheid... Is dat het ware Paula? Is
+dat de machtige liefde waarvan gij spreekt? Moet dat het antwoord zijn
+op de smachtende kreet van een harte ontgloeid in hartstochtelijke
+liefde? Is dat alles wat liefde aan liefde betaalt, wat de bruid den
+bruidegom verschuldigd is, die op het punt is haar te verlaten?"
+
+Zij zag hem hierop met grooten angst aan en zeide diep geroerd en
+innig: "O Orion, Orion! Hebt gij dan niet gehoord, gezien, gevoeld
+hoe zeer ik u liefheb? Gij moet het gevoelen, en is dit zoo, stel u
+dan daarmede tevreden. Gij, eenig geliefde, ik bezweer het u! Stel u
+er mede tevreden dat dit hart u behoort, dat uwe, ja uwe Paula--daar
+is zij, ik, ik ben het--aan niets denken, voor niets zorgen, bidden
+en smeeken wil dan voor u, ja voor u, thans mijn een en mijn alles."
+
+"Nu, kom dan met mij," zeide hij driftig, "en sta den verloofde toe,
+waar hij recht op heeft!"
+
+"Neen, neen, niet verloofde, nog niet!" riep zij smeekende uit den
+diepsten grond harer beangstigde ziel. "Ook in mijne aderen vloeit
+warm bloed, dat mij naar u doet smachten, ook ik verlang in uwe
+armen te snellen en mijn hoofd tegen het uwe te laten rusten, maar
+uwe bruid--heden, reeds heden mag en kan ik het niet worden!"
+
+"En waarom niet? Laat mij weten waarom niet!" riep hij verstoord,
+terwijl hij zijne gebalde vuist tegen de borst drukte. "Waarom wilt
+gij mijne bruid niet zijn, als het waar is dat gij mij liefhebt? Waarom
+verzint gij deze nieuwe, afschuwelijke foltering?"
+
+"Omdat de wijsheid mij geleerd heeft," hernam zij met jagenden boezem,
+snel en zacht, als vreesde zij hare eigene woorden te hooren, "omdat
+zij mij geleerd heeft dat de tijd daarvoor nog niet gekomen is. Ach,
+Orion, gij weet nog niet het verlangen, de wenschen te beteugelen,
+die in u branden; gij hebt al te spoedig vergeten, wat achter u,
+wat achter ons ligt, welk een berg er overschreden moest worden, tot
+wij zoover gekomen zijn dat wij elkander vinden, tot ik--ja liefste,
+ik moet het uitspreken--in staat ben u zonder boosheid of haat in het
+aangezicht te zien. Eene wonderbare geheimzinnige beschikking heeft het
+gewild, en ook gij hebt trouw het uwe daaraan toegebracht, dat alles
+geheel veranderd is, dat het zwarte nu wit is, dat de kille noordewind
+heeft plaats gemaakt voor een heeten wind uit het zuiden. Zoo wordt
+gif tot artsenij en vloek tot zegen! Uit hartstochtelijke haat is in
+dit dwaze hart eene even geweldige liefde ontstaan. Maar uwe bruid, uwe
+vrouw kan ik thans nog niet zijn. Noem het wat mij terughoudt lauwheid,
+noem het eene eigenzinnige bedenking, noem het zooals gij wilt. Ik noem
+het 'wijsheid' en prijs het, ofschoon het deze arme oogen ontelbare
+bittere tranen gekost heeft, alvorens hart en zin besloten waren zich
+te voegen naar de waarschuwende stem. En gij, houd vast aan dit éene:
+wat er ook gebeure, dit hart zal aan niemand anders behooren--ik ben
+de uwe met lijf en ziel!--Uwe bruid wil ik eerst worden als ik met
+even blijmoedig vertrouwen als warme liefde u mag toeroepen: 'Gij
+zijt overwinnaar gebleven, neem mij tot u, ik ben de uwe!' Dan zult
+gij voelen en erkennen, dat Paulas liefde niet koeler, niet zwakker
+is... O God, Orion, leer, leer mij verstaan! Gij moet het leeren om
+mijnent- en om uwentwil! Mijn hoofd, genadige hemel, mijn hoofd!"
+
+Zij liet het hoofd zinken en drukte de beide handen tegen haar
+gloeiend voorhoofd, maar hij legde bleek en huiverend de rechterhand
+op haar schouder en zeide op afgemeten, drogen toon, als ware zijn
+stem van haar klank beroofd: "De ingewijden verlangen dat hunne
+leerlingen proeven ondergaan, alvorens zij de toegang verleenen tot
+het mysterie. Wel zijn wij in Egypte, maar het komt mij toch vreemd
+voor, als dit op de liefde wordt toegepast. Maar dat alles komt niet
+uit uzelve. Wat gij 'wijsheid' noemt, is de stem der abdis uit het
+klooster daarginds!"
+
+"De stem der bezonnenheid," hernam Paula zacht. "Het verlangen des
+harten had deze luide overstemd, en ik dank het aan die vriendin."
+
+"Wat dankt gij haar?" vroeg de jonkman, diep verontwaardigd. "Om dezen
+nietswaardigen dienst moest gij haar verwenschen, gelijk ik thans
+doe. Kent zij mij eenigermate? Heeft zij ooit een woord uit dezen mond
+vernomen? Als die neuswijze, die oververstandige beheerscheres der
+nonnen wist hoe het er hier binnen uitziet, zou zij u anders hebben
+geraden. Reeds als kind heeft men mij door vertrouwen en liefde er
+toe gebracht het moeielijkste te volbrengen. Wat ik ook misdreven heb,
+welwillend vertrouwen heb ik nooit geschonden. En wat u betreft, gij
+wijze en bezonnene, zoo had ik, zalig door uwe liefde en alleen op
+uwe goedkeuring bedacht, trotsch en gelukkig, dat ik ook uw laatsten
+twijfel had overwonnen, voor u zon en sterren uit den hemel kunnen
+halen en elke beproeving lachend in het aangezicht durven zien.--Maar
+zoo, zoo! In plaats van mij te verheffen vernedert gij mij, stelt ge
+mij voor mijzelven aan den schandpaal! Eén met u zou ik u vooruit
+zijn geijld naar de sferen des lichts, waar de volmaaktheid woont;
+maar zoo, zoo?--Welk eene taak, uwe koele liefde door goede daden
+als met olijfboomenhout er toe te brengen om in vlam te geraken! Welk
+eene bezigheid voor een man, zich voor zijne geliefde te onderwerpen
+aan een proef! Dat is eene foltering, die mij tegen de borst stuit,
+mij beleedigt, die ik niet kan verdragen, waartegen alles hier binnen
+in verzet komt, waarvan gij zult en moet afzien, wanneer het waar is
+wat ge mij zegt, dat gij mij lief hebt!"
+
+"Ik heb u lief, ja ik heb u lief!" riep zij buiten zichzelve van
+aandoening, terwijl zij zijne handen greep. "Misschien hebt gij
+gelijk. Ik ... mijn God, wat zal ik doen?--Vorder thans geen ja of
+neen! Ik ben niet in staat om over het eenvoudigste te denken! Gij
+ziet het, hoe ik lijd!"
+
+"Dat zie ik," antwoordde hij, terwijl hij medelijdend het oog sloeg
+op haar bleek gelaat en zag hoe smartelijk zij het voorhoofd fronsde,
+"en omdat het dan zoo zijn moet: tot heden avond! Zoek nu wat rust
+en zorg voor uwe gezondheid,--maar dan..."
+
+"Dan, gedurende de vaart, op de vlucht," zeide Paula, "herhaalt
+gij voor de abdis, wat gij mij zoo even hebt gezegd. Zij is eene
+voortreffelijke vrouw; zij zal u leeren liefhebben en begrijpen,
+dat weet ik. Ook het woord geeft zij u zeker terug..."
+
+"Welk woord?"
+
+"Dat ik haar gaf, niet eer de uwe te zullen worden..."
+
+"Voor dat ik de proef van de oningewijden heb doorstaan?" zeide
+Orion gramstorig de schouders ophalend. "Ga nu wat rusten, ga! Wat de
+schoonste ure van ons leven had moeten zijn, dat heeft eene vreemde
+gemaakt tot eene droevige en onzalige. Gij zijt van uzelve, ik ben
+van mij zelven niet zeker. Wat wij hier thans nog verder spreken,
+daaruit kan voor u zoo min als voor mij iets goeds voortkomen. Ga
+wat rusten, en vergeet in den slaap uwe smart. Wat mij betreft,
+ik wil trachten te vergeten, ik wil... O, als gij wist hoe het hier
+binnen uitziet! Vaarwel, tot een vriendelijker en gelukkiger weerzien,
+ofschoon ik er nauwelijks op durf hopen."
+
+Hierop keerde hij haar ijlings den rug toe, zij echter liep hem
+klagende na: "Orion, vergeet het niet, Orion, gij weet dat ik
+u liefheb!"
+
+Doch hij hoorde haar niet meer, en liep zonder in het huis van Rufinus
+terug te keeren, met haastige schreden de straat op.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan
+neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat
+was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor
+zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene
+derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden,
+en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was
+voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze
+hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om
+zijn verstand te verliezen.... Doch hij kon niet terug, hij had zich
+tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig
+avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres
+van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in
+tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.
+
+Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn
+kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de
+edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg
+hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een
+bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was
+gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en
+gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar
+het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht,
+zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het
+op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van
+Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke
+tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank,
+langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht,
+gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol
+en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in
+de snaren, dat hun geweldig trillen en ruischen deed denken aan de
+weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.
+
+Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met
+dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde
+oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld
+had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den
+drempel toe: "Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg
+van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb
+het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator
+Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina,
+zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te
+bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht
+zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat
+hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg
+laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde
+zijn!"
+
+"Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!" zeide Orion, die de luit uit de
+hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. "Waarachtig hij is
+het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk
+te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te
+Memphis! Bij Zeus"--zoo zwoeren de christelijke jongelieden van
+hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd--"bij Zeus,
+ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij
+zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het
+nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar
+mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de
+gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor
+de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige
+kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf
+terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten
+aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed
+zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er
+ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat
+in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!--Doch maak
+nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,--of
+neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat
+ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem,
+dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel."
+
+De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren
+ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich
+naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls en veel van de hartelijke
+ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven
+echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij
+vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe
+ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen;
+doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om
+zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad
+om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden
+te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet
+kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de
+overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de
+verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel
+toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw
+Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam
+en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste
+kostelijke geschenken ontvingen.
+
+Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne
+Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van
+het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en
+deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis
+van dezen wenk: "twee uren voor middernacht wordt gij verwacht,"
+verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het
+vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden,
+wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te
+moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder
+zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis
+onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond
+nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten,
+en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen
+zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.
+
+De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw,
+dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de
+stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte
+de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin
+en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het
+geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra
+hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk
+had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk "welkom" toe,
+en ging daarna snel in het vertrek terug.
+
+"Daar is hij," zeide hij tot zijne gade, die slechts met de
+noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zich door
+een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker
+met vruchtensap aan de droge lippen bracht.
+
+"Wel komaan, dat is goed!" antwoordde de matrone en beval hare kamenier
+zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden
+kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig
+vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den
+divan was opgesprongen, en vroeg: "Wilt gij, dat hij u hier dadelijk
+zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken
+en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?"
+
+"Dat zal wel het beste zijn," antwoordde zij tot wie de vraag werd
+gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij
+angstvallig vervolgde: "Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud,
+maar die dwaasheid, die dwaasheid..."
+
+"Neemt toe!" zeide de matrone lachende, "of wordt zij met de jaren
+minder? Doch daar zal hij reeds zijn."
+
+De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw
+Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de
+richting wees, zeide zij: "Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve
+God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!"
+
+Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste
+begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien,
+dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.
+
+Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: "Mij ook een kus!" en
+nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde
+zij zuchtende: "O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw
+beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen
+tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als
+boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!--Maar Syra,
+Syra! Om godswil nog zoo'n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk
+uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die
+wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen
+van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed
+te zijn.--Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel
+voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige,
+aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen
+er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig
+staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië
+gehoord!"
+
+Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar
+voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming
+over den dood van den Mukaukas bij de hare. Het was een aangenaam,
+vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen,
+die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis
+verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met
+hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen
+van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd,
+om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke
+menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel,
+die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne
+bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare
+waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte
+dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke
+gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een
+gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig
+leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit
+aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen
+hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker
+dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het
+versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen,
+om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er
+hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken;
+en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan
+het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen
+kring bijzonder behagen schepten.
+
+De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora,
+de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar
+gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was
+de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in
+beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze
+was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee
+jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses
+die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den
+strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in
+staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide
+nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen
+gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en
+zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en
+weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende
+hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun
+smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te
+bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodora had
+het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar
+verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de
+toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot
+uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield
+het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan,
+want Heliodora had haar echtgenoot, den neef van den senator, tot
+aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en
+bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar,
+die "het haar gedaan had," de gelegenheid had aangeboden om de jonge
+weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en
+te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen
+de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina
+eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de
+geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.
+
+Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht
+ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een
+Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere
+geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen
+inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan
+den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden
+in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige
+vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat
+inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen
+opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize,
+de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren
+oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest
+brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te
+kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze "biddende",
+moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar
+was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame
+gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen
+en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en
+voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude
+Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te
+bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond
+in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin
+kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet
+altijd in den smaak van iedereen.
+
+Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren
+bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en in Memphis de plagerij,
+die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen
+worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg
+inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren
+zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man
+haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond,
+bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen
+eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond
+toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.
+
+Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht
+Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een
+der schitterendste en beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad
+gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen
+dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken
+kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich
+gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij
+bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar
+teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij
+hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding
+mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op
+zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de
+overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn,
+maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat,
+gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij
+van hem verwachtten.
+
+De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was
+der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een
+onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam
+als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven
+naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk
+een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand
+aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte,
+zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door
+de muzelmannen veroverde land.
+
+Paulas naam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan
+haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in
+zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden
+te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn,
+sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en
+zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed
+hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest
+verloopen. De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde
+niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met
+Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens
+uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens
+waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf
+te brengen.
+
+De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide
+mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: "Mijn
+senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig
+voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De
+goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de
+bevrijding van den jongen te zullen zorgen.--Luister naar mij, Orion,
+en laat die dwaze streek varen."
+
+De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen,
+toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk
+hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want
+Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en
+Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De
+verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke
+slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van
+het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar
+nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen,
+waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een
+welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat
+viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.
+
+Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel
+beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven
+en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat
+ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp
+dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij
+echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles
+zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem
+vroeg: "Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is,"
+antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen,
+"helaas, ook dan!"
+
+"Dat zullen we zien," hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met
+ernst vervolgde: "Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn
+bijzonder karakter uitmaakt en wat hem goed staat: zoo hebt gij uw
+beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te
+blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is
+juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees
+u zelf, ook in dit geval!"
+
+"Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid
+wanneer goedhartige vrouwen..."
+
+"Als oude vrienden u smeeken," verbeterde zij snel; doch voor zij
+verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: "Lieve God,
+man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed
+van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als
+stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu,
+groote Sesostris"--zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur
+was--"nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb
+medegebracht. Eerst deze ring," en daarbij overhandigde zij hem een
+kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid
+bezet, "en dan--neen, neen, nog geen dank--en dan... Het ding is nogal
+groot, en bovendien... Volg mij maar." Met deze woorden liep zij uit
+de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van
+de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had,
+opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een
+vluchtig: "Ziedaar, daar hebt gij het" over den drempel.
+
+Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de
+ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte;
+hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en
+de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van
+eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van
+onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.
+
+Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij
+bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een
+zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte
+en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het
+venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van
+deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet
+herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde
+werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had
+zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met
+eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik
+lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar
+man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: "Alles is goed,
+alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem
+getroffen. Let op--daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd."
+
+"Mijn zegen erop," antwoordde de senator, "maar bruiloft of geen
+bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt,
+dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ik heb gezien dat
+ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen,
+en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne
+te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op
+het hart gedrukt...."
+
+"Dat zij hem vasthoudt?" zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij
+nagelt hem hier vast, als het zijn moet."
+
+"Nu dat is goed!" hernam Justinus. "Maar vrouw, het past toch
+inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen
+zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor,
+hare moederlijke patrones."
+
+"Lieve hemel!" antwoordde Martina. "In ons huis hebben zij ook geene
+getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme,
+verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het
+wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen
+ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier
+nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets
+eene bedevaart doe naar de heilige Agathe."
+
+"En ik slechts op één schoen!" verzekerde de senator, "want--alles
+wat betamelijk is--dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen
+te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te
+zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe...."
+
+"Dadelijk, dadelijk!" antwoordde de matrone. "Maar eerst nog even
+hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen
+twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode
+Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis,
+de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij
+de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht."
+
+"Ik ook," hernam Justinus. "Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens,
+dan mag Dora van geluk spreken."
+
+"Dat zou ik meenen!" zeide vrouw Martina. "Maar hare villa behoeft
+zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen,
+dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses,
+er het leven niet af brengt--want twee jaren als slaaf te dienen,
+dat wil wat zeggen--dan zou ik in staat zijn...."
+
+"Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede
+hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!"
+
+"Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij
+zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde...."
+
+"Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans..."
+
+"Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden
+te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij
+teruggezonden worden."
+
+"In geen geval; maar Martina..."
+
+"Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen..."
+
+"Als hij maar hier blijft!"
+
+"Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?"
+
+"Dan zou ik wel een gek zijn!" zeide de senator lachend. "Krijg
+ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde,
+thans gaat ge, om naar beiden te zien!"
+
+Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de
+weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne
+schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof,
+noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte,
+noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen
+was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.
+
+Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar
+aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid
+was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door
+zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten,
+had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende
+vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten,
+ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde,
+in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl
+zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden,
+om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde,
+dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte
+te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond
+met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het
+oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.
+
+Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken,
+waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare
+waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen
+zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene
+magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem
+weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist
+dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo
+wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een
+hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige
+liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstig allerlei
+grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te
+beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht,
+het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om
+zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij
+haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die
+vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige
+ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo--hij kon het
+zich niet ontveinzen--zoo 'vergood' te worden. En hoe aanminnig,
+hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen
+die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde
+roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel
+riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede
+zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij
+hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor
+hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.
+
+In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten
+minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de
+verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd,
+of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke
+stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde
+dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat
+zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was
+het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken,
+en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had
+hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze
+geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel
+was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.
+
+Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had
+medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die
+een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord
+te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor
+zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden,
+waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en
+hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht,
+wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen
+in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van
+de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te
+gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene
+wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden
+voor te vinden. De oude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij,
+Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid,
+zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar
+en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij
+hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er
+bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen,
+terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer,
+licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk
+geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon
+heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis
+gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet
+mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn
+naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus
+zich van die taak kwijten zou.
+
+Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur
+klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat
+straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig
+gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij
+slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit,
+dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst
+der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om
+zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.
+
+Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek,
+dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens
+opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte,
+de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en
+hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was
+gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het
+huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet
+te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust
+noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.
+
+De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina's voedster,
+was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem
+opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder
+gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap
+was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem
+met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid
+zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone,
+voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets
+buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waard was de oogen wijd te
+open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk
+paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden
+van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte
+in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame
+eigenlijk de "andere" was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met
+de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar
+in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke
+trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij
+had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten
+haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren,
+die hij bedroog.
+
+"Hij blijft!" had Heliodora reeds van den drempel de matrone
+toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig:
+"Dat God het u loone!"
+
+Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht;
+doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal,
+en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan,
+wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion:
+"Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?"
+
+Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten
+bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en
+deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze--want
+zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen--dat zij der
+matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken
+haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had,
+zeide vrouw Martina: "Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas
+uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!"
+
+"En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van
+geheel Egypte," voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat
+Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij
+lachend voort: "mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch
+wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet
+bij elkander."
+
+Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf
+hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus
+te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten,
+alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die
+hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene
+man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion
+als een zoon te omarmen.
+
+Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten
+bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden
+morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij
+haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan,
+en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden
+gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen
+tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing
+bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht
+naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige
+dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu
+voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen,
+en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.
+
+Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk
+op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen
+dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten,
+die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen
+had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan
+éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden
+had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad,
+en terwijl hij ze in het was grifte, had hij met ontevredenheid over
+zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde,
+was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een
+einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen,
+vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem
+aan de jonge weduwe verbond.
+
+De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen
+zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote
+voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met
+hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden
+mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan
+haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren
+zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar,
+zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij
+naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had
+het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne
+moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het
+dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een
+weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de
+arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder
+alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter,
+en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren
+was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en
+meer gelenigd.
+
+Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug,
+maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij
+alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het
+Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige
+Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich,
+zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den
+stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen,
+ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.
+
+Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot
+zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel
+als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor
+beiden noodlottig worden zou.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+De rentmeester Nilus had zich van zijn opdracht goed gekweten,
+en Rufinus moest toegeven, dat Orion het zijne gedaan en de
+voorbereidingen voor deze onderneming zoo voorzichtig en offervaardig
+had uitgevoerd, dat zijne persoonlijke medewerking niet onontbeerlijk
+scheen. Onder deze omstandigheden kon hij den jongeling nauwelijks
+euvel duiden, dat hij zijn persoon ter beschikking stelde voor zijne
+Byzantijnsche vrienden, maar zijn uitblijven verontrustte hem toch en
+maakte hem gejaagd, minder om der wille van zich zelven en de goede
+zaak als om Paula. Want het was noch hem noch zijne vrouw verborgen
+gebleven, hoe haar hart tot den jonkman werd getrokken. Vrouw Johanna
+ging het uitblijven van den jongen man nog nader ter harte dan hem, ja
+zij had het liefst haar man geheel teruggehouden van de onderneming,
+welker gevaren thans voor haar angstig gemoed vertiendubbeld
+werden. Maar zij wist dat zij eerder den Nijl kon doen terugvloeien,
+dan hem afbrengen van de belofte, die hij der abdis had gegeven, en
+zoo dwong zij zichzelve althans oogenschijnlijk kalm te blijven. In
+Paulas tegenwoordigheid verklaarde Rufinus, dat Orions uitblijven
+gerechtvaardigd was en roemde zeer de vrijgevigheid waarmede hij
+voor de Nijlboot en het zeeschip gezorgd, en de uitstekende mannen
+die hij in zijne plaats gesteld had. Pulcheria verblijdde zich in de
+onderneming haars vaders en het liefst ware zij meegegaan, om hem
+te helpen hare dierbare nonnen te redden. De opzichter van de werf
+was niet enkel met zijne zonen, maar met nog drie andere Grieksche
+geloofsgenooten en handwerksgezellen verschenen, die bij den lagen
+waterstand, waardoor de scheepvaart thans zeer beperkt was, zonder
+werk rondliepen. Gaarne namen zij deel aan zulk eene goede zaak,
+die bovendien beloofde winstgevend te zijn, daar Orion den ouden
+meester rijkelijk van geld had voorzien.
+
+Met de koelte, die na zonsondergang inviel, was er verbetering
+gekomen in Paulas toestand. Zij begreep waarlijk niet wat zij van
+Orions uitblijven te denken had. Nu eens maakte zij zich angstig,
+dan weder verheugde zij zich, want misschien bleef hij bewaard voor
+groote gevaren. Zij had hem in de eerste dagen na zijn terugkeer uit
+Konstantinopel de goedheid en de gastvrijheid van het senatorenpaar
+hooren roemen, terwijl de Mukaukas, wien alle herinneringen aan
+de hoofdstad dierbaar bleven, met hem instemde. Het moest hem lief
+zijn juist aan deze vrienden zijn bijstand te verleenen, en Nilus,
+die haar van ganscher harte was toegedaan, had bijzonderen nadruk
+gelegd op Orions groet aan haar. Mogelijk kwam hij morgen, en hoe
+meer zij terugdacht aan zijn woord, dat hij vriendelijk vertrouwen
+nog nimmer bedrogen had, des te levendiger gevoelde zij zich gedrongen
+om, in strijd met den raad der abdis elke bedenking te laten varen de
+neiging haars harten te volgen en vol vertrouwen en zaligheid reeds
+nu de zijne te worden.
+
+De afnemende maan was nog niet opgegaan en de nacht duister, toen de
+nonnen begonnen op te breken. De groote Nijlboot kon, bij den lagen
+stand van den stroom, alleen op tamelijken afstand van den oever,
+bij den kloostertuin landen, en de zusters, die zich verkleed hadden
+als Egyptische boerinnen, moesten een voor een aan boord gebracht
+worden. Men wilde de abdis het laatst door het slikkige oeverwater
+dragen en de oude opzichter van de werf had zich voorbehouden haar
+dezen dienst te bewijzen. Vrouw Johanna, Pulcheria, de voedster en
+ook de orthodoxe Grieksche opvoedster Eudoxia stonden rondom haar,
+terwijl zij Paula bij het geven van den afscheidskus toefluisterde:
+"God zegene u, mijn kind! Hij blijft nu bij u en dus zal het dubbel
+noodig zijn aan uwe belofte indachtig te zijn," en toen Paula haar
+fluisterende antwoordde: "Ik ben hem in de eerste plaats vriendelijk
+vertrouwen schuldig," hernam de abdis: "En aan uzelve standvastigheid
+en voorzichtigheid."
+
+Rufinus bleef het laatst aan den oever staan, terwijl zijne vrouw en
+dochter hem omarmden. "Neem een voorbeeld aan dit arme kind!" zeide
+de grijsaard tot zijne gade, terwijl hij haar innig aan zijn hart
+drukte. "Zoo waarachtig de mensch de maatstaf is aller dingen, oudje,
+zoo zeker moet het ditmaal best met mij afloopen, wanneer de eeuwige
+liefde daarboven niet sluimert. Tot wederziens, allerbeste vrouw, en
+wanneer uw dwazen man eenig kwaad overkomt, erken dan altijd dat hij
+het zich op den hals haalde, om een paar dozijn onschuldige menschen
+voor het ergste te vrijwaren. In elk geval blijf ik op den weg, dien
+ik mij heb aangewezen. Maar waarom is mijn Philippus niet hier bij
+het afscheid?"
+
+Vrouw Johanna begon bitter te weenen en zeide: "Dat, ook dat is
+zoo treurig! Hoe komt het, dat hij zoo van ons vervreemdt en juist
+nu?--Ach man, als gij mij lief hebt, neem dan Gibbus mede op reis?"
+
+"Ja, heer, neem mij mede," voegde de gebochelde hovenier er
+bij. "Tegen den tijd dat wij terug zijn stijgt de Nijl zeker en
+intusschen kunnen de bloemen ook zonder mijne hulp verdorren. Ik heb
+heden nacht gedroomd, dat gij een roos hadt afgebroken van den bult
+hierachter. Zij zat er midden op als de knop op het deksel van een
+pot. Dat heeft wat te beteekenen, en laat ge mij achter, wat wordt
+er dan van de roos, dat wil zeggen, wat goeds kan ik dan voor u doen?"
+
+"Draag dan, wat mij betreft, uw zonderling bloembed mede op het schip,"
+zeide de oude lachend. "Zijt gij nu tevreden, Johanna?"
+
+Nu omarmde hij haar en Pulcheria nog eens, en toen hem daarbij eene
+traan uit het oog zijner vrouw op de hand viel, blies hij haar in
+het oor: "Gij zijt de roos van mijn leven geweest, en zonder deze
+geen heerlijk eden, geen paradijs."
+
+De groote Nijlboot stak van wal naar de diepere bedding van den stroom
+en de duisternis onttrok hen weldra aan de oogen der achterblijvende
+vrouwen. Het gelui der kloosterklok klonk de vluchtelingen achterna,
+het waren Pulcheria en Paula die deze in beweging brachten.
+
+Geen windje woei er, zelfs het kleine zeil van het
+stroomafwaartsvarende Nijlschip kon niet uitgezet worden, maar de
+matrozen haalden de riemen aan met alle kracht en zoo gleed het
+schip al verder en verder naar het noorden. De ervaren kapitein
+stond met een boom op de plecht van de boot, om de diepte te peilen;
+zijn ervaren broeder zat aan het roer. Het wenden van de boot ging
+moeielijk bij dezen lagen waterstand, en ook de beste kenner van den
+stroom kon gemakkelijk op onbekende ondiepten stooten, ontstaan door
+nieuw slik, dat bij den geringen waterafvoer zich had vastgezet. Toen
+de maan nauwelijks was opgegaan, zat het vaartuig dan ook eenige
+stadiën onder Fostat vast, en de matrozen moesten te water, om het
+onder luid gezang, met inspanning van al hunne krachten weer los te
+wringen en vlot te krijgen. Zulk een oponthoud volgde meermalen tot
+zij te Letopolis waren gekomen, waar zij bij de verdeeling van den
+stroom, zoo mogelijk ongemerkt, de tolwachters voorbij moesten. Tegen
+alle verwachting bleef het groote vaartuig onzichtbaar in de nevels,
+die vóor zonsopgang van het watervlak opstegen. Zoowel de kapitein
+als de manschappen, schreven dit toe aan de voorbidding van de vrome
+zusters, en met nieuwen moed bezield stuurden zij het schip in den
+Phatmetischen Nijlarm.
+
+Bij helder daglicht waren de ondiepten gemakkelijk te ontwijken, maar
+hoe smal was de waterader, die anders in deze maand zoo verbazend kon
+zwellen! De boschjes van papyrusriet aan den zoom van het stroombed
+stonden hier en daar op drogen bodem en hun spichtig groen was voor
+een deel in geelachtig stroo veranderd. Het weeke oeverslib was tot
+eene steenachtige massa verhard, en een witachtige stof werd daarover
+gestrooid door den zachten westenwind, die begon op te steken, zoodat
+men een zeil kon spannen. Op vele plaatsen was de grond gebarsten
+en diepe spleten liepen er door de zwartachtige oppervlakte, die
+als dorstige kelen ten hemel gaapten, begeerig naar drenking. De
+schepraderen stonden op drogen bodem bezijden den stroom, die zich
+uit hunne nabijheid had teruggetrokken en de akkers, die nog kort
+geleden door hen begoten waren zagen er uit als de dorschvloer,
+waarop men de vruchten dorscht, die zij gedragen hebben. De dorpen
+en palmboschjes waren gehuld in een dichten damp, waardoor de heete
+zonnestralen schitterden met geelachtigen glans, en de wandelaars op
+de hooge dammen langs den oever, sleepten met gebogen hoofden hunne
+voeten voort door het zware stof van den weg.
+
+De zon goot meedoogenloos haar brandenden gloed van den wolkenloozen
+hemel uit over de aarde, den stroom en de vluchtende nonnen, die witte
+doeken over hunne hoofden hadden uitgespreid en in doffe gevoelloosheid
+haar verder lot afwachtten. De aarden kruik met Nijlwater ging van
+de eene hand in de andere over, doch hoe meer zij dronken, des te
+hooger steeg het onaangenaam gevoel en het verlangen naar nieuwe
+verfrissching. Op het etensuur keerden de schotels bijna onaangeroerd
+naar de kleine kajuit terug. De abdis en Rufinus zochten de zusters
+moed in te spreken, doch in den namiddag werd ook de grijze abdis
+door een flauwte overvallen. In de kleine, bedompte kajuit, waarin
+zij zich terugtrok, was het echter nog minder uit te houden dan op
+het dek. Zoo verliep een lange, pijnlijke dag, de heetste die de
+matrozen zich konden herinneren. Nochtans leden dezen er het minst
+onder, hoewel zij met wonderbare volharding van den vroegen morgen
+tot den laten avond aan de riemen zaten.
+
+Eindelijk volgde de avond op deze schrikkelijke namiddaguren. Toen zich
+even voor zonsondergang een koeler windje verhief en de voorhoofden
+verfrischte, waarop de zweetdroppels parelden, ontwaakten de
+neergedrukte en gemartelde vrouwen tot een nieuw leven. Dat pijnlijk
+gevoel van het oogenblik had hen zoo beheerscht, dat zij onvatbaar
+waren voor vrees of hoop en geheel buiten staat, om over de toekomst
+te peinzen. Maar thans begonnen zij te denken aan den langen weg,
+dien zij hunne vervolgers vooruit waren. De avondmaaltijd smaakte de
+hongerenden, de abdis onderhield zich vriendelijk met den wakkeren
+opzichter van den scheepstimmerwerf en begon met Rufinus een ernstig
+gesprek aan te knoopen over Paula en Orion. De wensch van de oude
+vrouw, om Orion een proeftijd op te leggen, wilde den ouden heer niet
+bevallen. Aan de zijde van zulk een geliefde zou hij ook zonder dat
+de degelijke jonkman toonen te zijn, waarvoor hij hem hield, ondanks
+zijn wegblijven.
+
+De gebochelde hovenier bracht met zijne grappen de jongere nonnen aan
+het lachen, en na den maaltijd vereenigden de zusters zich tot een
+gemeenschappelijk gebed. Ook de roeiers gevoelden zich krachtiger en
+levenslustiger, en het was goed dat maar enkele onder de Grieksche
+nonnen Egyptisch verstonden, want een grappenmaker onder de matrozen
+begon een liedje te zingen op de schoonheid van zijn liefje, dat niet
+voor vrouwenooren gemaakt was.
+
+Al pratende dachten de zusters aan die zij achterlieten en menigeen
+sprak vol hoop over het wederzien, dat hun in het vaderland wachtte,
+maar eene oudere non verbood hun dit; want het was zondig, Gods genade
+vooruit te loopen, en waar men zijne hulp nog zoo noodig had, te
+spreken, als had hij haar in zijne barmhartigheid reeds verleend. Zij
+moesten beangst zijn en bidden, want zijzelve wist bij ervaring dat
+een dreigend onheil dan alleen ten beste wordt gekeerd, wanneer men er
+zeer voor gevreesd heeft. Daarop begon eene andere zuster te berekenen,
+of de vervolgers haar te voet of te paard zouden inhalen, en daar dit
+laatste haar zeer mogelijk voorkwam, klopte hare harten weder beangst.
+
+Doch daar ging de maan op en wat zich aan den zoom van den Nijlarm
+verhief en zich in de gladde watervlakte weerspiegelde, nam weder
+bepaalde vormen aan, en verloor daardoor het schrikaanjagende, dat de
+gemoederen beklemde. Hoe verder zij voeren, des te dichter schenen
+de papyrusboschjes langs den oever. Duizenden vogelen nestelden
+daarin, maar zij sliepen allen, en eene diepe, tastbare duisternis
+was zwijgend over het landschap uitgespreid. Als een reuzenlotus,
+te midden van kleine, geurige lotusbloemen, die zij in glinsterende
+blankheid nog overtrof, dreef het spiegelbeeld van de maan over het
+donkere water. Het schip liet een lichtende streep achter zich, en na
+elken riemslag schitterde het op den vloed en de zachte lichtstralen
+weerspiegelden in glinsterende druppels. In de donzige pluimen van
+de toppen der slanke papyrusstengels speelde het schijnsel der maan,
+een dunne sluier als van fijn violet zilverbrokaat omhuifde de boomen,
+en dagschuwe uilen vlogen met gelijkmatigen, onhoorbaren vleugelslag
+van den eenen top naar den ander.
+
+De betoovering van dezen nacht bij maneschijn greep ook de zielen der
+nonnen aan. Zij staakten hare gesprekken; doch toen zuster Martha, de
+jonge nachtegaal van het klooster, een vroom gezang aanhief, volgden
+de anderen haar ongenoodigd. De schertsende liederen der matrozen
+verstomden, en zacht als het wandelend maanlicht omzweefden het stil
+voortglijdende schip de psalmen en hymnen der maagdelijke zusters,
+die de hulp des Allerhoogsten inriepen. Urenlang en, wijl de komeet
+aan den hemel stond, met bijzonderen ijver, gaven zij zich over aan
+de geruststellende zielsverheffende vreugde van het zingen; doch
+langzamerhand verloren die stemmen haar kracht, en zacht, droomerig
+vermoeid ging met den stillen loop van den stroom haar vreedzaam lied
+zeewaarts. Ieder zag voor zich of richtte het oog dweepend nu eens ten
+hemel, dan weder naar het tintelende water en de lotusbloemen aan zijne
+oppervlakte. Niemand lette op den oever, ook de mannen niet, die door
+het zacht gezang in slaap waren gewiegd of meer droomden dan waakten.
+
+De blik van den kapitein was op het bed van den stroom gericht,
+toch bespeurde hij, toen de morgen niet ver meer was, aan den
+oostelijken oever van tijd tot tijd bliksemende lichtstralen achter de
+rietboschjes; toch was het of er nu en dan in het riet iets ruischte en
+knakte. Zou er een jakhals in de dichte massa der woekerplanten zijn
+gebroken, om het nest van een watervogel te overvallen, of zocht een
+hyena zich door de rietstengels baan te breken? Die flikkerlichten,
+dat knakken en nu weer die doffe slagen op den harden grond, dat
+alles volgde de boot in dezen nacht als een haar onheilbrengende,
+lichtende en hoorbare schaduw.
+
+Opeens verschrikte de aanvoerder en richtte hij zijn blik naar het
+oosten. Wat was dat? Misschien weidde er eene kudde runderen op de
+akkers achter het riet, mogelijk waren het twee stieren, die met de
+horens tegen elkaar stieten. De vloed was zoo laag en zijne oevers
+zoo hoog, dat men volstrekt niet kon waarnemen wat daar gebeurde. Maar
+eene schelle stem riep hem en de gebochelde hovenier zeide op gedempten
+toon: "Dáar, dáar... daar flikkert het weer, en... ik wil mijn eigen
+neus opeten, als dat niet... daar weder... Barmhartige God, ik vergis
+mij niet; het is paardengetrappel! En daar... dat was hinniken. Ik
+ken het... daar begint het in het oosten te dagen. Bij alle heiligen,
+wij worden vervolgd!"
+
+De kapitein zag met inspanning van al zijne zintuigen in de richting
+van het oosten, en nadat hij een tijd lang gezwegen had, zeide hij
+op zeer beslisten toon: "Ja!"
+
+"Zoo stelt de vogelaar een net voor een zwerm kwartels," zeide de
+hovenier met een zucht; doch de ander gaf hem knorrig door een teeken
+te verstaan, dat hij zwijgen zou en tuurde opmerkzaam rond. Daarna
+beval hij den bultenaar Rufinus en de werklieden te wekken, en de
+nonnen in de kajuit te brengen.
+
+"Zij zullen zich daar voelen als ingelegde dadels, die men in
+doozen naar Rome stuurt," prevelde de hovenier in zichzelven,
+terwijl hij Rufinus ging opzoeken. "Arme zielen, haar heilige moge
+ze voor stikken bewaren! En ik, in waarheid, als vrouw Johanna niet
+zulk een trouwe ziel was op twee beenen, en ik niet gezworen had
+bij mijn meester te blijven, dan sprong ik nu in het water, om een
+tijdlang de gastvrijheid van de flamingos en ooievaars in het riet
+te genieten. Men moet zichzelven kunnen vernederen!"
+
+Terwijl hij zijn last volbracht, overlegde de kapitein met zijn broeder
+aan het roer. Er was in de nabijheid geen brug en dat was goed. Als die
+ruiters daar ginds vervolgers waren, dan moesten zij door het water,
+om bij hen te komen, en nauwelijks drie stadiën stroomafwaarts werd het
+rivierbed breeder en vloeide de stroom door eene moerassige streek. Het
+eenige diepe vaarwater was aan den westelijken oever, en mannen te
+paard, die daar heen komen wilden, stelden zich bloot aan het gevaar
+om in het slib weg te zinken. Gelukte het hen tot zoo ver te komen,
+dan was er veel gewonnen. Moedig en op ernstige dingen voorbereid,
+spoorde de schipper de matrozen aan om alle krachten in te spannen,
+en weldra dreef het vaartuig dicht langs den westelijken oever van
+den vloed en was van de oostelijke door eene breede uitgestrektheid
+slib gescheiden.
+
+Het begon nu te dagen en de oostelijke hemel verfde zich bloedig rood,
+als wilde hij vooruit verkondigen, dat deze morgen bestemd was om
+een geweldigen strijd en gapende wonden te zien. Het zaad van het
+kwikstaartje begon te kiemen. De Wekil had op uitnoodiging van den
+bisschop eene bende ruiters de nonnen achterna gezonden met het bevel,
+de vluchtelingen naar Memphis terug te voeren en die haar begeleidden
+gevangen te nemen. Daar de boot de tolwachten ongemerkt voorbijgekomen
+was, hadden de ruiters zich moeten verdeelen, om ook langs den
+anderen Nijloever te zoeken. Twaalf ruiters waren den Phatmetischen
+arm gevolgd en deze waren naar alle berekening voldoende, om een paar
+dozijn vrouwen en een hand vol matrozen, die waarschijnlijk wel geen
+pogingen zouden doen, om zich te verweren, gevangen te nemen. De Wekil
+had geen kennis gedragen van de aanwezigheid van den werfopzichter en
+de zijnen. De vervolgers waren omstreeks den middag van den vorigen
+dag opgebroken en hadden een paar uren voor het aanlichten van den
+dag het schip in het gezicht gekregen. Doch hun aanvoerder achtte
+het raadzaam den aanval eerst te ondernemen bij helderen zonneschijn,
+opdat niemand ontvluchten mocht. Hij en zijne lieden waren Arabieren en
+goed bekend met de richting van den Nijlarm, dien zij volgen moesten,
+doch niet nauwkeurig met de eigenaardigheden ervan.
+
+Zoodra de morgenster was ondergegaan, verrichtten de muzelmannen
+hun ochtendgebed en kwamen daarna achter de papyrusboschjes te
+voorschijn. Hun aanvoerder bracht de handen als spreekbuis aan den
+mond en riep de afvarenden toe, dat de boot moest stilhouden. Hij
+kwam op last van den stadhouder en had bevel gekregen die naar
+Fostat terug te voeren. De vluchtende schenen hem inderdaad te willen
+gehoorzamen, want de roeiers hielden de riemen in. De kapitein had
+in den spreker den aanvoerder van de veiligheidsbeambten in Fostat
+herkend, een streng man, en eerst nu werd het hem duidelijk in welk
+eene levensgevaarlijke onderneming hij zich had gestoken. Gewoon,
+om zich naar de bevelen der overheid te voegen, hare beambten wel te
+misleiden, maar haar zoo min als het noodlot te weerstaan, verklaarde
+hij het voor waanzinnig, om weerstand te bieden; er bleef niets anders
+over dan zich te onderwerpen.
+
+Doch Rufinus weersprak hem levendig en bracht hem aan het verstand,
+dat dezelfde straf hem wachtte, hetzij hij de wapenen neerlegde of
+zich verweerde; en de oude opzichter van de werf riep vol vuur hem
+toe: "wij hebben uw boot gebouwd en ik ken u, Setnau; gij zult geen
+Judas voor ons worden en wilt gij het toch zijn, dan vloeit hier op
+dit dek christenbloed, voor wij de ongeloovigen de tanden toonen."
+
+Doldriftig, terwijl zijn zuidelijk bloed begon te koken, sloeg
+de kapitein zich tegen borst en voorhoofd, schold zichzelven
+een bedrogene, een verloren man, en beklaagde zijne arme vrouw en
+kinderen. Doch Rufinus maakte aan dat razen een einde; hij had met de
+abdis gesproken en drukte den ongelukkigen man op het hart, dat hij
+van de ongeloovigen in geen geval genade had te wachten, maar dat hij
+gemakkelijk op christelijken bodem voor zich en de zijnen een goed
+en zeker heenkomen kon vinden. De abdis beloofde hem, dat zij hem
+en zijne familie mede zou nemen op het zeeschip en aan land zetten,
+waar hij het begeerde.
+
+Setnau dacht aan zijn broeder op Cyprus; doch het gold thans zijn huis
+en tuin in Dumiat, waar thans aan een vijftal palmboomen de vruchten
+rijpten, het gold, zijne nieuwe en stevige Nijlboot, waarmede hij voor
+zich en de zijnen het brood verdiende, op te geven, en toen hij dit
+den grijsaard voorhield, biggelden bittere tranen langs zijne bruine
+wangen. Doch Rufinus verklaarde dat hij, wanneer het gelukte de nonnen
+te redden, op schadeloosstelling aanspraak had. Hij kon dan zelf de
+waarde van zijn have en goed opgeven, en men zou hem alle verlies uit
+den kloosterschat, die in de zware kist aan boord was, niet alleen
+vergoeden, maar hem bovendien nog eene mooie som uitbetalen voor al
+wat hij had doorstaan.
+
+Hierop wisselde Setnau een veelbeteekenenden blik met zijn broeder,
+die ongehuwd was, en nadat hem was toegezegd, dat ook deze eene
+plaats op het zeeschip zou ontvangen, gaf hij den ouden man zijne
+rechterhand. Daarop schudde hij zijne leden als had hij wat af te
+werpen dat hem knelde, duwde het lederen kapje op zijn geschoren hoofd
+vermetel opzij, richtte zich in al zijne lengte op en riep den Arabier,
+die hem en andere Egyptenaars toch reeds meer dan eens met kwetsenden
+trots bejegend had, op hoonenden toon toe, dat als hij iets van hem
+hebben wilde, hij het kon komen halen.
+
+Het geduld der muzelmannen was al lang uitgeput, en na deze uitdaging
+gaf de aanvoerder den zijnen een wenk en sprong hen vooruit in het
+water. Maar weldra zonken de voorste paarden zoo diep in het slib, dat
+het verder gaan onmogelijk bleek en het teeken moest worden gegeven
+om terug te keeren. Daarbij steigerde een weerspannig paard en zijn
+ruiter stikte in den modder. De verdedigers van het schip zagen hunne
+vijanden met levendige gebaren raad houden, en de kapitein sprak de
+vrees uit, dat zij het plan om de boot te nemen opgaven, maar naar
+Dumiat rijden en hen daar, vereenigd met de Arabische bevolking van
+die plaats, de vlucht afsnijden zouden. Doch hij had niet gerekend met
+den krijgsmanstrots dezer mannen, die in ontelbare veldslagen gansch
+andere hinderpalen te boven waren gekomen. De boot moest veroverd,
+die er in waren moesten gevangen genomen en gestraft worden.
+
+Van het schip zag men hoe zes ruiters, en onder hen de bevelhebber,
+van hunne paarden stegen en ze aan elkander koppelden, om daarna
+met hunne slagbijlen drie hooge palmen te vellen, terwijl de vijf
+anderen naar het zuiden draafden. Deze moesten zeker om het moeras
+heengaan, om op een gunstiger plek den stroom over te steken, ten
+einde het schip van de westzijde aan te vallen, terwijl de vijf
+anderen op de palmstammen van de oostzijde zouden naderen. Aan den
+rechter, oostelijken oever van den rivierarm, waar de Arabieren
+het vlot maakten, lag droog akkerland, waardoor de weg naar Dumiat
+liep; aan den anderen oever in de nabijheid waarvan het schip lag,
+breidde het moeras zich zeer ver uit. Eene onafzienbare wildernis van
+papyrusriet en biezen, dat de droogte en de zonnehitte van dit jaar
+tot stroo hadden verdroogd, bedekte hier den op de meeste plaatsen
+uitgedroogden en harden moerasgrond, en toen er uit het noordoosten
+een krachtige morgenwind opstak, kwam de kapitein op een gelukkigen
+inval. Door deze verdorde en verschroeide plantenmassa hadden zich de
+vijf tegen hem afgezonden ruiters een weg te banen. Bracht men vuur
+in dat stroo langs een zijkanaal, dat de vlammen verhinderde zich
+noordwaarts uit te breiden, dan dreef de wind den ruiters de rook in
+het aangezicht. Zij mochten van geluk spreken, als zij niet stikten
+of gedwongen werden in den stroom te springen, terwijl zij reddeloos
+verloren waren, wanneer de vlammen hen bij het moeras bereikten.
+
+Zoodra nu de scherpe oogen van den stuurman uit den top van den mast
+de Arabieren een eind verder zuidwaarts den stroom zagen doorwaden,
+werd het riet op verschillende plaatsen in brandgestoken en de vlammen
+grepen snel en wild om zich heen. De morgenwind dreef ze zuidwaarts,
+tegelijk met grijze rookwolken waarover de stralen der rijzende zon een
+stroom van licht uitgoten. Als reusachtige gele en roode hagedissen
+kropen, joegen en kronkelden zich de vlammen over den drogen bodem,
+schoten hier op, en zonken daar neer. Zonder flikkering bij helderen
+dag verslonden zij vraatzuchtig wat zij bereikten, en teekenden den weg
+dien zij gegaan waren af door witachtig stof. Hun adem verhoogde de
+hitte van den dag, die langzamerhand den middag naderde, en ofschoon
+de rook, door den wind voortgezweept, naar het zuiden dreef, zoo
+dwarrelden toch enkele wolkjes over de boot en benauwden de borst
+van de nonnen en hare beschermers.
+
+Een groot Nijlschip kwam van Dumiat de rivier op en zag den smalle
+waterweg door het andere versperd. De kapitein was een bloedverwant
+van Setnau, en toen deze hem toeriep, dat het hier een strijd gold
+met Arabische roovers, volgde deze zijn raad, wendde zijn vaartuig
+met groote moeite en ging bij het naaste vlek voor anker, ten einde
+andere van het noorden komende booten te waarschuwen, om niet in
+dit gevaarlijk avontuur bekneld te raken. Die van het zuiden kwamen
+afdrijven werden vooreerst door den rook en het vuur teruggehouden.
+
+De zes krijgslieden op den oosterlijken oever zagen met woede en
+ontzetting den steeds toenemenden vuurgloed; doch zij hadden
+de palmstammen reeds aan elkaar gebonden, en maakten zich
+gereed met behulp van dit vlot de onbeschaamde weerspannigen de
+verdiende tuchtiging te doen ondergaan. Maar dezen hadden ook
+niet stil gezeten. Ieder man aan boord voerde wapenen en een der
+scheepstimmerlieden was met een matroos uitgezonden om door het riet
+te sluipen, verder noordwaarts den vloed over te steken, en als de
+Arabieren den aanval begonnen hunne paarden af te maken, of zoo een
+mocht beproeven langs den eenigen weg naar Dumiat te ontkomen, dezen
+van het paard te halen.
+
+Daar hingen de zes aan het luchtig saamgevoegde vlot, waarop hunne
+bogen en pijlkokers lagen. Zij stuwden het voor zich uit en het
+bleek hun op het watervlak te kunnen dragen, terwijl hunne voeten den
+slikkigen bodem maar even aanraakten. Het waren allen echte krijgers,
+echte zonen der woestijn en van hun volk, kerels als had de natuur,
+toen zij hen schiep, aan haar meesterwerk onder de gevleugelde
+schepselen, den adelaar, gedacht. Scherp van blik, stevig en toch
+fijn van beenderen, zonder overvloedige vleeschvorming aan de
+gespierde ledematen, met bruine, scherp besneden, karakteristieke
+aangezichten, waarbij niet enkel de gebogen neus aan den koning
+der vogels herinnerde, bezaten zij ook den moed en den bloedigen
+strijdlust en roofzucht van den adelaar. De magere, gespierde
+linkerarm van ieder klemde zich vast aan het vlot, en met het ronde
+schild in de rechterhand vingen zij, zoodra zij de boot op een
+schot afstand genaderd waren, de pijlen op, die van daar hun werden
+toegezonden. Woedend knarsten zij met hunne witte tanden, en ook
+het kleinste ontging niet aan hun valkenoog. Zij waren uitgegaan om
+te vallen, ook wanneer het schip in plaats van met een twintigtal
+matrozen en handwerkslieden, door vijftig Egyptische soldaten
+verdedigd werd. Het moedige hart gevoelde zich door het pantserhemd,
+de schrandere sneldenkende kop door den metalen helm beschut, en met
+minachting en vreugde bemerkten zij, hoe de pijlen met een matten klank
+op hunne schilden afstieten. Het was de begeerten hunner ziel den dood
+te brengen; den dood te ondergaan, daarvoor beefden zij niet terug,
+want in het geopende paradijs zag hunne gloeiende verbeeldingskracht
+weelderige vrouwen, die hen met wijd uitgespreide armen en volle
+bokalen de vervulling beloofden van al hunne wenschen.
+
+Hun scherp oor verstond het zacht gefluister, waarmede de aanvoerder
+zijne bevelen gaf, en toen zij ter zijde van het schip gekomen waren,
+klemde éen zich vast aan het open venster van de kajuit, snel als
+de wind sprong de aanvoerder op zijn schouder en vandaar op het dek
+van het schip, nadat hij een matroos, die een bijl tegen hem zwaaide,
+met een lans had doorboord. Een tweede Arabier volgde hem op den voet,
+twee blanke kromsabels glinsterden in de zon, de schrille kreten van
+het woedend krijgsgeschreeuw der muzelmannen doortrilden de lucht,
+en als eerste offer van hun grimmigen strijdlust viel de kapitein, met
+een wijdgeopende wond over voorhoofd en aangezicht, achterover op den
+grond. Doch een oogenblik later stortte een zware ra op het hoofd van
+den aanvoerder der muzelmannen neer en bracht hem ten val. De stuurman
+had in zijne woede met dit wapen zijn gewonden broeder gewroken.
+
+Een akelig geschreeuw, vermengd met het gegil en gejammer der vrouwen,
+vervulde het schip. De tweede muzelman verbreidde met den moed en de
+kracht der vertwijfeling den dood om zich heen, en het gelukte nog
+drie zijner strijdgenooten de boot te beklimmen; den laatste stieten
+de aangevallenen in het water. Van de scheepstimmerlieden waren reeds
+twee, van de matrozen vijf gevallen. Rufinus had zich bij den kapitein
+neergezet, die hevig bloedde, maar misschien nog te redden was. Hij
+legde linnen strooken over de groote, gapende wonden van den man, die
+zoo straks nog bezorgd over vrouw en kind had gesproken, en dien hij
+voor de zijnen behouden wilde. Daar suisde een sabelhouw op hemzelven
+neder en uit zijn achterhoofd en rug stroomde het donkere bloed. Doch
+ook zijn moordenaar ontging de wraak niet; de oude opzichter van de
+werf velde hem met zijne zware bijl.
+
+Aan den oostelijken oever van den stroom maakten de uitgezonden
+boden de paarden van de Arabieren af, om te verhinderen dat een die
+ontkomen mocht naar Fostat zou vluchten of verder naar Dumiat rijden,
+om het gebeurde te verraden.
+
+Aan boord van het schip werd het stiller en stiller. Alle vijf
+de Arabieren lagen op het dek en de woedende matrozen maakten de
+gewonden onder hen zonder erbarmen af. Een matroos, die in den mast
+was gevlucht, had gezien dat de vijf andere ruiters, om het vuur te
+ontkomen, juist ter plaatse van het moeras in den stroom gesprongen en
+in het water verdwenen waren. Zoo had van de muzelmannen zelfs niet
+één zich kunnen redden, die het lot en de poëzie zoo gaarne sparen,
+om de schrikkelijke tijding te verkondigen.
+
+Langzamerhand waagden de vrouwen zich weder op het dek. Zij die
+geoefend waren in de verpleging van kranken en gewonden schaarden
+zich rondom de lijders en openden de artsenijkisten. Terwijl onder
+leiding van den stuurman de vaart werd voortgezet, hadden allen
+handen vol werk, en daar zij zich ijverig aan dezen arbeid wijdden,
+verdroegen zij gemakkelijker de hitte van den dag. De lijken van de
+vijf muzelmannen en acht christenen, waaronder zich twee der Grieksche
+scheepstimmerlieden bevonden, werden in de nabijheid van een dorp,
+van elkander gescheiden, aan den oever neergelegd, en de abdis
+gaf den eenen een tafeltje in de hand, waarop zij de woorden had
+geschreven: "Acht christenen, die uit noodweer als beschermers van
+vrome vervolgden, dapper strijdende den dood hebben gevonden. Bidt
+voor hen en begraaft hen, alsmede die anderen, die hen, gehoorzaam
+aan het bevel van hun aanvoerder, het leven hebben benomen."
+
+Nadat Rufinus, wiens hoofd in den schoot van den hovenier rustte,
+die hem met het scherm der abdis voor den zonnebrand beschutte,
+weder tot bezinning was gekomen en rondgezien had, zeide hij met een
+blik op den scheepskapitein, die naast hem lag zacht in zichzelven:
+"Ik had ook eene vrouw en een lief kind te huis, en toch.... Hoe
+smartelijk is dat! Het geeft niet of men zich aftobt, om zulk eene
+smart te lenigen. Het eenige hier beneden wat werkelijk bestaat,
+is niet de vreugde het is de smart, de ellendige lichamelijke smart,
+en wanneer het bovendien daarbinnen dan nog bijt en brandt.... Water,
+een teug water.... Hoe goed zou ik het nu kunnen hebben bij mijne
+Johanna in onze schaduwrijke woning.... En toch, toch..... heelen,
+redden, onverschillig, wie hulp behoeft.... Nog een teug.... wijn en
+water, wanneer het mag, eerwaarde vrouw!"
+
+De abdis had bij de hand wat hij begeerde, bracht hem den beker
+aan den mond, sprak hem vele hartelijke, vertroostende woorden van
+dankbaarheid toe en vroeg hem wat zij, als zij ontkwamen, voor hem
+en de zijnen doen kon.
+
+"Heb de mijnen lief," zeide hij zacht. "Pul zal nu zeker in het
+klooster willen. Maar zij mag haar moeder niet verlaten. Johanna,
+Johanna..."
+
+Meermalen herhaalde hij dien naam, alsof die welluidende klank zijn
+oor en zijn hart streelde. Vervolgens schudde hij herhaaldelijk zijne
+leden en prevelde: "Brrr! zoo'n koude huivering af en toe.... dat deugt
+niet.... Die houw in mijn rug, die... Aan mijn hoofd doet het wel meer
+pijn, maar die andere... 't Is leelijk, dat het links aankwam... Neen,
+het is goed zoo; want had hij--zat het daar rechts, zoo... dan kon ik
+niet schrijven, en ik wil, ik moet voor... het te laat is. Een tafeltje
+en een schrijfstift! Dadelijk, dadelijk.... En als ik geschreven heb,
+waardige vrouw, dan sluit gij het tafeltje goed, heel goed weg. Dat
+belooft gij mij! Alleen hij mag het lezen, voor wien het bestemd
+is.... Gij Gibbus! hoort gij, mijn Gibbus? Het is voor Philippus, den
+arts Philippus, dien zult gij het brengen! Die droom van de roos op uw
+bult.... Uit de ellende hier op aarde--verklaar ik het goed?--wassen
+vrede en vreugde daarboven. Alzoo voor Philippus! En dan; te Dumiat
+woont mijn oude schoolvriend, de arts Christodorus. Gij brengt mijn
+lijk bij hem, Gibbus! Gij luistert toch? Hij moet het in een kist
+met zand doen, om het voor bederf te bewaren, en te Alexandrië naast
+mijne moeder begraven. Dan kunnen Johanna en het kind.... dan kunnen
+ze mij bezoeken. Ik laat niet veel na. Wat dat alles kost...."
+
+"Dat is mijne zaak, de zaak van het klooster!" zeide de abdis.
+
+"Zoo erg is het nog niet gesteld," zeide de oude met een glimlach. "Wat
+mij aangaat, dat betaal ik; het uwe behoort aan de armen, waardige
+vrouw. Gij vindt hier in het taschje meer dan gij noodig hebt,
+Gibbus! Maar nu.... spoedig, spoedig.... het tafeltje!"
+
+Toen hij het met de stift in de hand hield, dacht hij eerst een
+tijdlang na en schreef toen met bevende vingers en met inspanning
+van al zijne krachten. Hoe groot zijne smart was, kon men zien aan
+zijn saamgetrokken mond en zijne pijnlijke blikken. Doch hij liet zich
+daardoor niet afleiden, hoe vaak de hovenier en de abdis hem ook baden
+de stift uit de hand te leggen. Eindelijk haalde hij vrijer adem,
+sloot het dubbele tafeltje, overhandigde het aan de abdis en zeide:
+"Zoo... Goed wegsluiten! Aan den arts Philippus. Aan hem alleen
+eigenhandig; hoort ge, Gibbus?"
+
+Thans verloor hij zijn bewustzijn, doch nadat men zijn voorhoofd en de
+wonden opnieuw verfrischt had, kwam hij weder bij en prevelde zacht:
+"Ik heb van Johanna en het arme kind gedroomd. Zij brachten mij een
+komisch masker. Wat zou dat wel beduiden? Dat ik mijn geheele leven
+een nar was, omdat ik voor het leed van anderen mijzelven en de
+mijnen vergat? Neen, neen! 'Zoo waar de mensch de maatstaf is aller
+dingen,'--als dat zoo ware, dan zou dwaasheid het ware en rechte
+zijn.--Ik, ik.... mijn wil, het doel waaraan mijn leven gewijd was...."
+
+Hier bleef hij steken, daarna richtte hij zich plotseling in de hoogte,
+sloeg de heldere oogen naar boven en riep luide en blijmoedig: "O
+gij, mijn barmhartige Heiland! Ja, ja! Thans zie ik het in.... Dank,
+dank!.... Wat ik heb nagestreefd, waarvoor ik heb geleefd, daarvoor,
+o mijn Verlosser, die de liefde zelve zijt, daarvoor laat gij--o hoe
+genadig is dat, hoe doet het mij goed!--daarvoor laat ge mij sterven."
+
+Wederom verloor hij zijn bewustzijn; zijn hoofd begon heeter te
+gloeien, zijn keel te rochelen, en over zijne droge lippen, die
+zorgvuldige vrouwenhanden vaak bevochtigden kwamen telkens de namen
+dergenen, die hij het meest lief had en onder hen ook die van Paula. Op
+de vijfde namiddagure viel hij in den schoot van den bultenaar en had
+uitgeleden. Een vriendelijk lachje breidde zich over zijne trekken
+uit en het stille gelaat van den man, die zooveel had rondgezworven,
+geleek in den dood dat van een kind.
+
+Den hovenier was het, als had hij zijn eigen vader verloren en zijne
+radde tong bleef stom, tot hij met de geredde zusters te Dumiat kwam,
+en den laatsten wensch van zijn heer vervulde.
+
+Het zeeschip der nonnen nam ook den verwonden bootskapitein Setnau,
+zijne vrouw, zijne kinderen, zijn broeder, den stuurman en de in
+leven gebleven scheepstimmerlieden aan boord.
+
+Terzelfder ure, dat Rufinus de oogen sloot, verscheen de
+veiligheidswacht van Memphis onder aanvoering van bisschop Plotinos,
+en legde in naam van den patriarch Benjamin en van de Jacobietische
+kerk beslag op het Melchietisch Caecilia-klooster en al de bezittingen
+van de zusters-ziekenverpleegsters. Den volgenden morgen reisde de
+bisschop naar Opper-Egypte af, om den kerkvorst van zijn wedervaren
+bericht te geven.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De arts Philippus stond haastig op van de rustbank, waarop hij naast
+zijn ouden vriend het ontbijt had gebruikt. Voor den grijsaard stond
+nog een half gevuld bord; hij had de spijzen minder haastig verslonden
+dan de ander, en met een afkeurenden blik zag hij den man aan die
+zooveel spoed maakte, dat hij den gemengden wijn staande door zijn
+keel goot, bij het genot waarvan hij vroeger, na het einde van den
+maaltijd, gaarne met Horus Apollon wat gepraat of een ernstig gesprek
+gevoerd had. Dat was voor den grijsaard altijd de aangenaamste ure van
+den dag geweest, maar thans gunde Philippus zich zelfs des avonds bij
+het hoofdmaal nauwelijks den tijd, om zich behoorlijk te verzadigen.
+
+Ongetwijfeld werd niet alleen zijne, maar ook de krachtsinspanning van
+alle andere artsen in dezen tijd gevorderd. Bijna drie weken waren er
+verloopen sedert de verjaging der nonnen, en de ontzettende hitte van
+dezen zomer was sedert nog toegenomen. In plaats van te stijgen, daalde
+de stroom nog altijd lager; de uit Aethiopië komende duivenboden,
+die men dagelijks met verlangen en spanning te gemoet zag, wisten ook
+niets te melden van eene zwelling der wateren op den bovenloop van
+den stroom. Het bijna stilstaande, brakke water aan den oever begon
+thans door zijne onwelriekende uitdampingen zeer schadelijk te worden
+voor de gezondheid der geheele bevolking, inzonderheid in de nabijheid
+daarvan vertoonde de vloed eene roodachtige kleur, en het anders zoo
+reine, smakelijke water in de leidingen was van allerlei plantaardige
+bestanddeelen en vreemde lichamen bezwangerd, vuil en walchelijk om
+te drinken. De geringe lieden gaven zich gewoonlijk de moeite niet om
+het te zuiveren, en de meesten hunner werden aangetast door een nog
+onbekende, doodelijke, aanstekelijke ziekte. Het aantal offers nam
+toe met den dag en de groei van de komeet hield gelijken tred met de
+stijgende ellende van de stad. Ieder bracht het luchtverschijnsel in
+verband met dezen zomergloed, het uitblijven van den Nijl-was en het
+verschijnen van de pest. Over deze omstandigheid hadden de arts en
+zijn grijze vriend soms harde woorden met elkander; want Philippus
+wilde aan het gesternte geen invloed toekennen op het menschelijk
+leven, terwijl Horus Apollon er aan geloofde, en zijne zienswijze
+door eene lange reeks van voorbeelden wist te bekrachtigen. Voor
+zijn tegenstander hadden die voorbeelden geen kracht van bewijs; hij
+verlangde deugdelijke gronden, doch evenals iedereen zoo leefde ook
+hij onder den invloed van den angst voor eene aanstaande schrikkelijke
+gebeurtenis, die de aarde en de menschheid bedreigde.
+
+Gelijk ieder gemoed in Memphis zich gedrukt en beklemd gevoelde
+door zulke schrikbeelden van de naaste toekomst, en door den last
+van het onheil, dat niet meer dreigde maar reeds begonnen was zijne
+slagen uit te deelen, zoo lag op de wegen, de tuinen, de palmen en
+sykomoren langs de straten eene zware massa grijs en alles verstikkend
+stof. De hagen van tamarisken en ander struikgewas zagen er uit, als
+uitgevreten muren van kleurlooze, ongebrande Nijltegels, zelfs in de
+hoofdstraat omgaf den wandelaar eene dichte, grijze nevel, die door de
+voetstappen werd opgejaagd. Reed er een wagen, draafde er een ruiter
+door de heete straten, dan werden zij vervuld met grijze stofwolken,
+die de voorbijgangers drongen mond en oogen te sluiten. De stad was
+zoo stil, zoo ledig, zoo verlaten! Niemand verliet zijne woning tenzij
+eene dringende noodzakelijkheid of vroomheid er hem toe aandreef. Elk
+huis was een gloed uitstralende oven, en zelfs het bad gaf geene
+verkwikking, omdat het water sedert lang niet meer koel was. Tot
+overmaat van smart waren de rijpende dadels aan de boomen door eene
+ziekte aangetast, zij vielen bij duizenden uit de spichtige bundels
+onder de sierlijk gebogen bladerenkronen op den grond, en sedert
+eergisteren begonnen er in toenemende hoeveelheid doode visschen
+aan land te drijven. Ook onder de geschubde waterbewoners heerschte
+eene doodelijke ziekte, en de arts verzekerde zijn vriend, dat dit
+den mensch met nieuwe gevaren bedreigde, want wie zou den oever van
+de doode visschen zuiveren, en hoe spoedig begonnen ze bij de hitte
+te rotten.
+
+De grijsaard ontveinsde zich niet, dat de arts het in zulk een tijd
+zwaar, zeer zwaar te verantwoorden had, wilde hij zijn beroep met alle
+nauwgezetheid vervullen. Maar hij kende zijn Philippus en had hem nu
+twee jaren geleden gedurende pestmaanden altijd frisch, vroolijk en
+geestig gezien, en nog meer opgewekt door de groote inspanning, die
+van hem gevorderd werd. Wat hem thans zoo geheel anders deed zijn,
+wat zijne ziel vergiftigde, hem martelde en als onder een banvloek
+deed zuchten, het was niet de bijna bovenmenschelijke zelfopoffering,
+die zijn plicht van hem vorderde, maar alles was een gevolg van de
+rampzalige afdwaling zijns harten, waarvan hij zich niet bevrijden
+kon. Intusschen hield Philippus de belofte, die hij aan den ouden man
+had gedaan. Dagelijks ging hij naar het huis van Rufinus, dagelijks
+ontmoette hij daar Paula, en evenals de wonden van een verslagene
+gaan bloeden, wanneer de oogen van zijn moordenaar op hem vallen,
+zoo ontwaakte daar telkens de oude pijn, wanneer hij haar ontmoette en
+gedwongen was met haar te spreken. Ook voor dezen kranke was het noodig
+de grondoorzaak van het lijden weg te nemen, door de Damasceensche
+uit zijn levenskring te verwijderen; de grijsaard beschouwde het als
+zijne roeping, als zijn plicht dit te bewerken.
+
+De kleine Maria en de andere patiënten in het huis van Rufinus namen
+in beterschap toe, maar er was nog veel wat eene sombere schaduw wierp
+over deze verblijdende feiten. Vrouw Johanna en Pulcheria waren zeer
+bezorgd over het lot van haar vader. Noch van hem noch van de nonnen
+hadden zij sedert hun vertrek iets gehoord, en de verlatene gade en
+hare dochter, die tot den arts opzagen als tot een goeden, trouwen,
+alvermogenden beschermgeest, stortten voor Philippus al hare zorgen,
+smarten en vrees uit. En haar angst klom te meer sedert reeds driemaal
+Arabische beambten in haar huis waren gekomen, om onderzoek te doen
+naar den man en vader en de plaats waar hij zich ophield. Al wat
+de vrouwen zeiden werd opgeschreven, en vrouw Johanna, over wier
+lippen nog nooit een leugen was gekomen, had zich gedwongen gezien
+valsche opgaven te doen en te verklaren, dat haar man voor zaken naar
+Alexandrië was gereisd, ja dat hij wellicht nog naar Syrië moest. Wat
+beduidde dat uitvragen? Bleek daaruit niet dat men te Fostat kennis
+droeg van Rufinus' aandeel in de ontvluchting der nonnen?
+
+Men was daar echter beter onderricht dan de vrouwen konden vermoeden,
+doch hield geheim wat men wist; want het onderdrukte volk mocht
+niet te weten komen, dat het een handvol Egyptenaars gelukt was eene
+gansche bende Arabische krijgers te vernietigen, en alleen een onzeker
+gerucht gaf de Memphieten eenige kennis van het gebeurde. De arts had
+van Rufinus' plan eerst gehoord, toen men met de uitvoering reeds te
+ver gegaan was, om haar nog tegen te houden, en thans kwelde hem de
+gedachte, dat zijn beste, oude vriend en de zijnen in het ongeluk
+gestort konden worden ter wille van die vreemde zusters. Want hij
+had in het geheim vernomen, dat het tusschen de verdedigers der
+vluchtelingen en de muzelmannen tot een strijd was gekomen, die aan
+vele strijders van beide zijden het leven had gekost.
+
+En Paula? Had zij ten minste maar den indruk op hem gemaakt van
+gelukkig te zijn! Doch zij was bleek geworden, en dat de naar lichaam
+en ziel gezonde jonkvrouw hem thans niet te gemoet kwam met die
+trotsche, vrije, zelfbewuste houding van weleer, het was niet door
+de hitte, die alle schepselen neerdrukte, maar door eene smart die
+haar inwendig verteerde, veroorzaakt door hem, aan wien zij gehecht
+was met geheel haar hart, en die haar het vorstelijk geschenk harer
+liefde vergold--op welk eene wijze!
+
+Philippus moest nog voortdurend bezoeken afleggen in de stadhouderlijke
+woning, en reeds een veertien dagen geleden had hij begrepen wat de
+oorzaak was van den vreemden toestand der weduwe van den Mukaukas. Zij
+gebruikte het opium van haar gestorven gemaal en dat in onzinnige
+hoeveelheden, en wist zich telkens nieuwen voorraad te verschaffen
+door een tweeden arts. Door klachten en smeekingen was het haar
+gelukt Philippus te bewegen haar niet aan haar lot over te laten, en
+daarom bleef hij haar bezoeken, in de hoop haar althans in het genot
+van het vergif te beperken. Ook de vrouw van den senator, Martina,
+noodigde hem uit het stadhouderlijk paleis niet te vermijden. Zij
+was wel niet ziek maar leed vreeselijk van de hitte en was gewoon
+haren waarden, ouden huisarts dagelijks te ontvangen, zich door hem
+nieuwtjes te laten vertellen, en nu en dan wat te klagen, wanneer in
+haar overigens zeer gezond lichaam soms iets niet in orde was. Nochtans
+liet Philippus, die handen vol werk had, zich met praatjes niet in,
+maar zijne raadgevingen waren goed en hielpen haar den gloed van dezen
+hemel beter te verdragen. De levendige, verstandige, openhartige,
+vaak wel-is-waar zeer scherpe en kort aangebonden man beviel haar, en
+hare natuurlijke, aangename manier van doen trok ook hem aan. Somwijlen
+gelukte het vrouw Martina, haren "Hermes Trismegistus" die gewoonlijk,
+"zoo verbazend ernstig was, als ware er niets grappigs meer op aarde,"
+een lachje af te dwingen en hem een antwoord te ontlokken, waaruit
+bleek dat deze isegrim toch inderdaad een geestige kerel was en niet
+verlegen, om den bal terug te kaatsen.
+
+Heliodora bezat weinig aantrekkelijks voor Philippus. Er bestond
+wel-is-waar tusschen hare smeekende oogen en die van Rufinus' dochter
+eene onmiskenbare overeenkomst, doch in de laatste lag zielsverlangen
+naar de genade en de liefde Gods, in de eerste warme begeerte naar de
+toegenegenheid van menschen, die haar bevielen. Deze vrouw was zeker
+aanvallig, maar hare volgzaamheid, die geen eigen doel had, die zelfs
+geen poging deed om eene eigene zienswijze te hebben, sprak niet tot
+zijn gemoed, dat wist wat het wilde; ja het verdroot hem wanneer zij,
+nadat hij haar had tegengesproken, zijn laatsten volzin herhaalde om,
+beschaamd over hare eigene dwaasheid, met hem in te stemmen. Haar
+gezelschap scheen ook de verstandige matrone, in wier eigen huis
+het eene bezoek het andere volgde, en voor wie de begrippen "avond"
+en "een onderhoudend gesprek in een talrijk gezelschap" van dezelfde
+beteekenis waren, niet te voldoen, want zij noemde zelfs zijne korte
+bezoeken oasen in haar Egyptisch woestijnleven, en die van de kleine
+Katharina beschouwde zij als eene weldaad.
+
+Het kwikstaartje was haar dagelijksche gast geworden en bij deze hitte
+was haar vroolijk, hoewel soms kwaadsprekend gebabbel voldoende,
+om haar den tijd te korten. Katharinas moeder maakte geen bezwaren
+tegen deze bezoeken, want Heliodora had haar in haar prachtigste
+toilet bezocht, en haar met Katharina eene gastvrije ontvangst in de
+hoofdstad aangeboden. Misschien ging zij daarheen, want te Memphis
+bleef zij in geen geval, en dan was het een geluk door lieden als hare
+nieuwe bekenden in de samenleving te worden binnengeleid. Natuurlijk
+kreeg vrouw Martina ook veel van Paula te hooren, en hoewel dit zeer
+partijdig gekleurd was en er niet dan tot haar nadeel werd gesproken,
+zoo zou zij toch de dochter van den grooten en beroemden Thomas,
+dien zij gekend had, gaarne persoonlijk ontmoet hebben. Overigens
+vreesde zij van de Damasceensche, na alles wat zij vernomen had, niet
+veel voor hare nicht. Zij moest buitengewoon schoon, maar hoogmoedig,
+terugstootend, het tegendeel van beminnenswaardig zijn en daarbij eene
+orthodoxe als Heliodora. Wat kon den 'grooten Sesostris' aanleiding
+geven haar de voorkeur te schenken?
+
+Ook Katharina bood de matrone aan haar met de Damasceensche in kennis
+te brengen; doch niets kon vrouw Martina bewegen, zich uit haar
+voor de zonnehitte zoo goed mogelijk beschut verblijf naar buiten te
+begeven. Zij liet het aan Heliodora over, die sedert lang éen hart
+en éene ziel met de kleine was en in zooveel dingen zich naar haar
+wil voegde, om haar van de schoone heldendochter te vertellen. Dit
+kon gebeuren, want het kwikstaartje had de stoutheid gehad de beide
+mededingsters samen te brengen en wel nadat zij elk afzonderlijk had
+medegedeeld, wat zij van Orions betrekking tot de andere wist. Dat was
+eene kostelijke grap, maar in éen opzicht bereikte zij daarmede toch
+haar doel niet; want Paula liet door niets blijken dat zij leed aan
+de ziekte der ijverzucht, die zij in haar wilde opwekken. Heliodora
+was echter bedrukt en beangst van de Damasceensche teruggekeerd;
+want deze had haar koel en met hoffelijke vormelijkheid ontvangen,
+en ook in het vervolg was de jonge vrouw zich tegenover haar steeds
+bewust gebleven, dat deze buitengewone jonkvrouw zeer wel in staat
+was haar beeld in Orions hart te verdonkeren, ja het daaruit geheel
+te verdringen. Evenals een gekwetste, al doet het hem pijn, de wond
+bevoelt, om zich van den toestand te overtuigen, gevoelde zij zich vaak
+getrokken tot Katharina, alleen om uit haar tuin de mededingster te
+zien, of om zich bij haar te laten brengen, ofschoon haar dan altijd
+eene koele ontvangst ten deel viel.
+
+Katharina had in den beginne medelijden gevoeld met de jonge vrouw,
+in wie zij wat verstandelijke ontwikkeling betreft haar mindere
+zag. Doch dit was ingevolge eene bepaalde aanleiding geheel voorbij,
+en nu haatte zij ook deze jonge weduwe en gaf haar kleine steken zoo
+vaak zij kon. Paula scheen echter niet te verwonden, en toch was er
+geen leed dat Katharina haar niet gaarne zou hebben aangedaan, aan
+wie zij de grootste vernedering in haar ongelukkig leven had te wijten.
+
+Hoe liet het zich verklaren, dat de Damasceensche in de schoone
+Heliodora geene gevaarlijke mededingster zag? Zij meende, dat Orion
+deze vrouw niet voor zoo langen tijd had kunnen verlaten, wanneer hij
+werkelijk hare liefde beantwoordde. Om de Byzantijnsche te ontwijken
+en voor haar, Paula, te blijven, wat hij voor haar was en zijn
+moest, bevond hij zich met den senator thans verre van Memphis. Deze
+Heliodora--eene stem in haar binnenste riep het haar toe--was de arme,
+bedrogene vrouw, waarmede hij in de hoofdstad gespeeld en voor wie
+hij dien noodlottigen diefstal van den smaragd begaan had. Bracht
+het lot hem slechts tot haar terug, en schonk zij den teruggekeerde
+wat hij begeerde en waarnaar hare eigene ziel zoo vurig verlangde,
+dan was zij geheel en alleen de koningin van zijn hart, dan moest zij
+dat zijn, hieraan viel niet te twijfelen. En wanneer zij in weerwil
+daarvan bezorgd en bezwaard het hoofd liet hangen, dan geschiedde dit
+niet uit vrees van hem te zullen verliezen, maar uit zorg voor haar
+vader en haar ouden, besten vriend Rufinus en de zijnen, die geheel
+en al de haren waren geworden.
+
+Zoo stonden de zaken, toen de arts Philippus den wijn na den maaltijd,
+tot groot verdriet van zijn ouden vriend Horus Appollon, zwijgend
+en haastig door zijn keel goot. Juist zette hij den beker neder,
+toen de zwarte deurwachter een bultenaar aanmeldde, die den meester
+terstond over eene gewichtige aangelegenheid begeerde te spreken.
+
+"Gewichtige aangelegenheid?" herhaalde de arts. "Geef mij bij mijne
+eigene nog vier andere beenen of een instrument om den tijd te rekken,
+dan wil ik nieuwe patiënten aannemen, anders niet! Zeg den knaap...."
+
+"Niets, niets van kranken, heer!" zeide de zwarte, hem in de rede
+vallende. "Komt van heel ver, is de tuinman van den ouden Grieken-heer
+Rufinus."
+
+Philippus verschrikte. Hij vermoedde welke tijding die bode bracht
+en met een angstig kloppend hart, beval hij, hem binnen te brengen.
+
+Een blik op Gibbus zeide hem dat zijn vermoeden juist was geweest. De
+arme kerel was nauwelijks te herkennen. Een dikke laag stof bedekte
+hem van het hoofd tot de voeten en gaf hem het aanzien van een ouden
+man, wiens hoofdhaar en baard vergrijsd waren. De sandalen hingen
+gescheurd aan zijne voeten, in zijn met stof bestrooid gelaat had het
+zweet diepe voren getrokken, en de tranen die hij vergoot, terwijl
+de arts hem vragend de hand reikte, groeven nieuwe op zijne wangen.
+
+Op Philippus' bange langgerekte uitroep: "Dood?" gaf een zwijgend
+hoofdknikje het antwoord, en toen de arts den hovenier, met beide
+handen aan zijne slapen, toeriep: "Dood! Rufinus, mijn arme, oude
+Rufinus dood! Maar hoe, om godswil, hoe is dat gekomen? Spreek,
+spreek toch man!" toen wees Gibbus op den grijsaard en zeide met
+nadruk: "Kom met mij naar buiten heer; geen derde moet...."
+
+Doch Philippus beduidde hem, dat hij die daar zat zijn ander ik was
+en nu deelde de bultenaar mede, wat hij beleefd had en hoe zijn beste
+heer gestorven was.
+
+Horus Apollon had bij dit bericht verbaasd en met afkeuring het
+hoofd geschud, terwijl de arts menige vloek uitstiet. Doch men had
+het verhaal van den ongeluksbode niet afgebroken, en eerst toen hij
+geëindigd had zeide Philippus, met gebogen hoofd en vochtige oogen:
+"Arme, trouwe, oude vriend, dat hij juist zoo moest sterven; hem,
+die hier het beste achterlaat, heeft het getroffen, en ik--ik!"
+
+Daarbij slaakte hij een diepen zucht, maar de grijsaard wierp hem
+een blik toe, die zeide, dat hij zulk een uitroep afkeurde en hem
+beleedigde.
+
+Terwijl Philippus het tafeltje, dat de abdis zoo zorgvuldig mogelijk
+gesloten had, ontzegelde en begon te lezen, vroeg Horus Apollon den
+hovenier: "En de nonnen? Zijn zij allen ontkomen?"
+
+"Ja heer! Den volgenden morgen na onze aankomst te Dumiat stak een
+triremis [15] met haar in zee."
+
+De oude prevelde half binnen'smonds: "De werkbijen gedood en de
+hommels gered!"
+
+Maar Gibbus sprak hem tegen en roemde het moeitevol en arbeidzaam
+leven der zusters, die ook hem eens hadden verpleegd.
+
+Intusschen had de arts het laatste schrijven van zijn vriend
+gelezen. Vol inwendige onrust draaide hij het om en om, liep met
+groote stappen de kamer op en neer en bleef eindelijk staan voor
+den hovenier, terwijl hij hem toeriep: "En wat nu? wie zal hen die
+tijding overbrengen?"
+
+"Gij, heer," antwoordde Gibbus, terwijl hij smeekend de handen naar
+hem uitstrekte.
+
+"Ik, natuurlijk ik!" hernam de arts, zich op de lippen bijtende. "Wat
+moeielijk, pijnlijk, schier ondragelijk is, komt zooals vanzelf spreekt
+op mijn hoofd neer. Maar ik kan, ik mag, ik wil het niet doen! Heb
+ik dan dat dolle avontuur verzonnen en op mijne rekening? Merkt gij
+het op vader? Wat die knaap gekookt heeft, ik, ik--daar zorgt het
+lot wel voor--ik krijg dat weder te vreten!"
+
+"'t Is zwaar, zeer zwaar, mijn kind!" antwoordde de oude. "Doch het
+is uw plicht. Bedenk eens--wanneer hij, zooals hij daar voor ons
+staat bij de vrouwen komt..."
+
+Opeens viel Philippus hem in de rede: "Neen, neen, dat gaat
+niet! En gij, Gibbus, gij--heden is er weder een Arabier bij
+vrouw Johanna geweest, en als zij--gij valt door uw uiterlijk
+zeer in het oog--wanneer zij ook maar vermoeden dat gij uw heer
+vergezeldet... Neen, man, uw trouw verdient beter loon! Zij zullen u
+niet vangen! Ik maak u vrij van uw dienst bij de weduwe en wij--wat
+denkt gij er van, vader?--Wij behouden hem bij ons."
+
+"Goed zoo!" antwoordde de grijsaard. "Eens moet de Nijl weder
+stijgen. Blijf bij ons! Ik snak reeds lang naar zelfgekweekte
+groenten."
+
+Maar de bultenaar nam zeer bescheiden dien voorslag niet aan en
+verklaarde, dat hij tot zijne oude meesteres terug wilde keeren. Toen
+de arts hem daarop nog eens onder het oog bracht aan welke gevaren hij
+zich blootstelde, en de grijsaard zijne beweegredenen van dit besluit
+wenschte te weten, zeide de hovenier: "Ik heb mijn heer beloofd bij
+de vrouwen te blijven en nu er buiten mij geen vrij man in huis is,
+zal ik hen alleen laten, om mijn erbarmelijk leven te redden? Dan
+liever een kromsabel tegen mijn hals. Is de kop eraf, wat er dan
+overblijft dat brokje schoonheid gun ik de schurken."
+
+Bij deze woorden, die hol en afgebroken uit een verdroogden mond te
+voorschijn kwamen, vertrok de trouwe man zijn gelaat; men zag door
+het stof zijne wangen verbleeken en Philippus moest hem steunen,
+want de voeten weigerden hem den dienst. De lange wandeling door
+de vreeselijke hitte had de krachten van den bultenaar uitgeput;
+een dronk wijn bracht hem echter weldra weder bij en Horus Apollon
+beval den slaaf hem mede te nemen naar de keuken en den kok zoo goed
+mogelijk voor hem te doen zorgen.
+
+Zoodra beide geleerden alleen waren, zeide de grijsaard: "Die oude,
+wakkere waaghals, die daar gestorven is, stelt u buitengewone eischen;
+men kon het u aanzien bij het lezen."
+
+"Hier, lees!" antwoordde de arts, wederom door de kamer stappende,
+terwijl de grijsaard het tafeltje ter hand nam. De beide zijden waren
+met onregelmatige, golvend op en neer gaande schriftregels bedekt,
+die aldus luidden:
+
+"Rufinus met den dood voor oogen, aan zijn geliefden Philippus.
+
+"De eene koude rilling volgt de andere, ik sterf zeker nog heden,
+het gaat snel, het schrijven kost moeite. Als slechts het noodigste
+gezegd wordt. Vooreerst: Johanna en het arme kind! Wees voor hen
+zooveel gij kunt. Ik had meer voor hen zullen en kunnen zijn. Bescherm
+hen als voogd en vriend. Zij hebben om van te leven en kunnen nog
+anderen van het hare mededeelen. Mijn broeder Leonax bestuurt ons
+vermogen, en hij is een eerlijk man. Johanna weet alles. Zeg haar en
+het arme kind, dat ik hen duizendvoudig zegeningen en Johanna voor
+zooveel goeds ontelbare dankzeggingen toezend. Gij, vriend: hoor
+naar den oude! Maak uw hart los van Paula. Zij is niet voor u. Gij
+weet het, de jonge Orion. Maar gij. Wat van de geboorte af op den
+top stond, past slecht bij ons, die van onderen op naar de hoogte
+zijn gekrabbeld. Wees haar vriend. Zij verdient het, maar laat het
+daarmede genoeg zijn. Blijf gij niet alleen. Het schoonste, wat den
+man ten deel kan vallen, brengt de vrouw in zijn leven. In den diepen
+slaap vlecht zij vriendelijke droomen. Dat alles weet gij nog niet bij
+ervaring. Ook uwe waardige, oude vriend, dien ik laat groeten, heeft
+zich levenslang van de vrouwen teruggetrokken.--Voor u alleen. Dit
+zegt een stervende. Laat ik u bekennen, dat het arme kind, onze Pul,
+u houdt voor den volmaakste onder de mannen en u hoogschat gelijk geen
+ander. Gij kent haar en ook Johanna. Betuig uw vriend: dat geen boos
+woord ooit uit den mond komt van deze twee. Verre zij het van mij, u,
+die het beeld van eene andere vrouw in uw hart draagt, te raden: tracht
+dat kind voor u te winnen, zij is de vrouw die u past.--En dit voor u
+beiden: vereenig u, ik geef maar een raad, vader en zoon, met moeder
+en dochter, als goede trouwe huisgenooten en vrienden. Het zal beide
+partijen niet berouwen. Dat heeft een stervende gezegd. Verder wil het
+niet gaan. Gij, Philippus, zijt voogd over de vrouwen, een trouwe,
+dat weet ik. Hetzelfde doel, dezelfde gezindheid, gij en ik, vele
+heerlijke jaren... Zorg goed voor beiden, bid ik u, zorg er goed voor!"
+
+Deze laatste woorden waren elk op zichzelf en buiten den regel als
+over het tafeltje heengestrooid, en het viel den grijsaard niet
+gemakkelijk ze te lezen. Gelijk zoo straks de arts, zoo keek hij nu
+verlegen en besluiteloos op dit onverwacht schrijven.
+
+"Welnu?" vroeg Philippus eindelijk.
+
+"Ja, wat nu?" antwoordde de ander schouderophalend. Daarop zwegen
+beiden geruimen tijd, tot de oude man opstond en leunende op zijn
+staf eveneens de kamer op en neer wandelde en half tegen zijn jongeren
+vriend, half in zichzelven prevelde: "Twee stille, verstandige vrouwen;
+er zijn, denk ik, maar weinige van dat soort. Wat hielp die kleine
+mij eens aardig op van dien lagen zetel in den tuin!" Daarbij lachte
+hij stil in zichzelven, hield Philippus, die naast hem liep, tegen
+en zeide terwijl hij hem zacht op den arm tikte, met een luchtigen
+toon, die hem anders vreemd was: "Een mensch moet toch alles eens
+beproeven. Vrouwelijke verpleging voor men ten grave daalt! En het
+is ook waar, dat zij beiden kijven noch babbelen?"
+
+"Dat zeker niet," antwoordde de arts.
+
+"En welk een 'maar' zal hierop volgen?" vroeg de grijsaard. "Laat ons
+eens lichtzinnig zijn, broeder! Ware het geval niet zoo duivelsch
+ernstig, het zou om te lachen zijn! Als we uitrusten, de jonge
+tegenover mij, de oude tegenover u, zoontje! Beter gewassen linnen,
+geen gat in de kleeren, geen stof op de boeken, een vriendelijk
+'verblijd u!' elken morgen en aan den disch... Kijk die vruchten daar
+eens op dat bord liggen! Als haver, dat men de paarden voorwerpt! Bij
+den oude lagen ze zoo netjes geschikt, gelijk bij ons te huis op
+Philae; de avonddisch was een klein kunstwerk, een smulletje ook voor
+het oog. Die Pul schijnt er den slag van te hebben, evenals mijne
+arme gestorvene zuster. En dan: als men wil opstaan, zoo'n klein,
+vriendelijk, jong handje om je te steunen! Onze woning staat mij reeds
+lang tegen. In het slaapvertrek vallen kalk en stof van de zoldering;
+hier gapen overal spleten in den grond--ik ben er gisteren nog over
+gestruikeld--en onze krenterige huisheeren, de heeren bouleuten,
+zeggen: wat wij willen laten herstellen, dat kunnen we zelven doen; zij
+hebben er geen sestersie voor over. Bij den armen, ouden Rufinus was
+alles in den besten staat." De grijsaard begon luide te schaterlachen,
+en zich in de handen wrijvende, ging hij voort: "Als we nu eens éen
+lijn trokken Philippus? Als we den wensch van den stervende eens
+vervulden? Groote, genadige Isis! Een goed werk zou het zeker zijn,
+en ik heb mij op niet vele te beroemen. Met wat voorzichtigheid--wat
+denkt ge--tot wederopzeggens hij de maand, zou men er ten slotte de
+proef van kunnen nemen."
+
+Daarop werd hij weer ernstig, schudde het hoofd en zeide met
+een bedenkelijk gezicht: "Neen, neen, men offert er zijne rust
+bij op.... Een aardig droombeeld, maar het laat zich bezwaarlijk
+uitvoeren."
+
+"In elk geval vooreerst niet," zeide de arts. "Zoolang het lot van
+de Damasceensche niet beslist is, bid ik u dit alles te laten rusten."
+
+De oude man begon in zichzelven te vloeken en zeide toen, met een blik
+van toorn en verontwaardiging: "Altijd en overal die patricische slang,
+zij bederft alles! Doch wacht maar, wacht! Ik denk dat zij spoedig
+voor ons uit den weg zal gaan, en dan... Neen, juist nu laat ik me
+stellig niet ontnemen wat ons het leven kan veraangenamen, wat op
+de weegschaal van het doodengericht mijn gewicht kan vergrooten. De
+wensch van een stervende is heilig. Dat zeiden de vaderen reeds en zij
+hadden gelijk. De wil van den oude geschiede. Ja, ja, ja! Nu staat het
+vast! Zoodra alle bezwaren uit den weg geruimd zijn, vereenigen wij
+onze huishouding met die der vrouwen. Ik wil het en heb het gezegd!"
+
+Daar kwam de hovenier weder binnen en de grijsaard riep hem toe:
+"Hoor eens man, ten slotte komen wij toch bij elkaar; bijzonderheden
+nader. Tot het donker wordt blijft gij bij mijn volkje; maar mondje
+dicht, want het zijn allemaal luistervinken en babbelaars. Thans
+brengt heer Philippus de treurmare over aan de ongelukkige weduwe,
+en gij kunt dan van nacht met haar spreken. Daar beneden mag niets
+in het oog vallends gebeuren, en wat uw heer overkomen is, zelfs
+dat hij dood is, moet voor de geheele wereld een geheim blijven,
+behalve voor ons en de zijnen."
+
+De hovenier wist wat er van zijn zwijgen afhing. Philippus keurde de
+schikking van den grijsaard goed, doch vermeed met opzet, om over de
+opneming der vrouwen te spreken. Toen hij ten laatste op weg ging, om
+zich van zijne zware taak bij de weduwe te kwijten, riep Horus Apollon
+hem toe: "Moed, moed, mijn zoon, en werp in het voorbijgaan een blik
+in ons tuintje: het deed ons leed, toen die oude palm daar wegstierf,
+en thans schiet uit zijn wortel een jong reeds groenend boompje op."
+
+"Sedert gisteren laat het de waaiers hangen en zal wel wegkwijnen,"
+antwoordde Philippus schouderophalend.
+
+"Begieten Gibbus!" riep daarop de oude. "Men moet het jonge palmpje
+terstond begieten."
+
+"Gij hebt het water bij de hand," hernam de arts en hij stond reeds
+op de trap, toen hij erbij voegde: "Als het met ieder zoo gesteld was!"
+
+"Met geduld en goeden wil kan men het zoover brengen," mompelde de
+grijsaard. Toen hij alleen was prevelde hij hem knorrig achterna. "Weg
+nu met dien verdorrenden ouden palmstronk, zijn vroeger leven, voor
+zoover het verbonden is aan die patricische deerne! In het vuur er
+mee! Hoe krijg ik haar in mijne macht? Hoe zal ik het overleggen,
+ja hoe zal ik?"
+
+Daarop wierp hij zich in zijn leuningstoel en wreef zijn voorhoofd met
+de vingertoppen. Hij was nog tot geen besluit gekomen, toen de zwarte
+slaaf gehoor kwam vragen voor eenige bezoekers. Het waren de hoofden
+van den senaat van Memphis, die men had afgezonden, om aan den oude
+wijze raad te vragen. Zoo iemand, dan moest hij een middel vinden, om
+het vreeselijk onheil, dat stad en land bedreigde, waartegen gebeden,
+offeranden en processiën machteloos waren gebleken, af te wenden
+of te verzachten. Zij waren besloten voor niets terug te deinzen,
+ook al moest heidensche tooverij erbij in het spel komen.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+In den jongstverloopen donkeren nacht was in Katharina het gevoel van
+medelijden met Heliodora geheel uitgedoofd. Zij had haar in gezelschap
+van hare kamenier en een ouden doofstommen stalslaaf heimelijk
+begeleid naar eene waarzegster, die er te Memphis althans niet minder
+gevonden werden dan toovenaars, alchimisten en scheikundigen. Men
+had der jonge vrouw aangezegd, dat hare levenslijn opsteeg tot het
+hoogste geluk en dat alle, zelfs de stoutste wenschen haars harten,
+vervuld zouden worden. Met deze wenschen was het kwikstaartje maar
+al te zeer vertrouwd, en de waarschijnlijkheid, dat deze werkelijk
+de vervulling nabij waren, had hare jaloezie gaande gemaakt en haar
+geleerd ook Heliodora te haten.
+
+De weduwe was in eenvoudige, maar kostbare gewaden bij de toovenares
+gekomen. In plaats van een gouden haak had een knop haar peplos op
+den schouder saamgehouden, die overeenkomstig hare liefhebberij voor
+kostbare edelgesteenten uit een saffier van buitengewone grootte
+bestond. Der waarzegster was deze terstond in het oog gevallen en
+had haar doen zien, dat zij met eene aanzienlijke en rijke vrouw te
+doen had. Zij had de eenvoudig gekleede Katharina voor eene juffrouw
+van gezelschap of eene arme vriendin der voorname dame gehouden en
+haar daarom slechts voorspeld, dat zij na eenige bezwaren te boven
+gekomen te zijn een gelukkig leven zou leiden aan de zijde van een
+niet zeer jongen echtgenoot, alsmede dat zij rijk met kinderen gezegend
+zou worden.
+
+De zaak van deze vrouw scheen nogal wat op te brengen, want het
+inwendige van haar huis stak zeer gunstig af bij de ellendige hutten,
+die het overal omgaven in dit armelijk en berucht stadskwartier. Van
+buiten onderscheidde het zich weinig van de aangrenzende woningen,
+ja het werd met opzet verwaarloosd, om de overheden te bedriegen,
+die op tooverij en de uitoefening van magische kunsten de doodstraf
+hadden gesteld; maar de versiering van de kleine, opene zuilenzaal,
+waarin zij hare bezweringen en voorspellingen pleegde te doen, had
+niet weinig geld gekost. Aan de wanden hingen tapijten met magische
+teekens; de zuilen waren met figuren beschilderd, die verbazing en
+schrik moesten wekken; op kleine altaren rookten boven kolenbekkens
+aarden potten en ketels van verschillende grootten, bekers, flesschen,
+kannen, een rad, waarin een draaihals op en neer huppelde, wasfiguren
+en daaronder mannen- en vrouwenbeelden met naalden in het hart, een
+kooi met vleermuizen en glazen vol spinnen, kikvorschen, bloedzuigers,
+kevers, schorpioenen, duizendpooten en andere afzichtelijke gedierten
+stonden op voetstukken in de rondte, en aan eene der lange zijden
+van de zaal liep eene korte lijnbaan, waarvan men zich bediende
+bij zekere Thracische betoovering. Welriekende en scherpe dampen
+vervulden de ruimte, en achter een gordijn, dat de muzikanten voor
+het oog onzichtbaar maakte, liet zich het eentonig gezang van enkele
+kinderstemmen, schellengeluid en doffe trommelslag hooren.
+
+De tooveres Medea kon nog niet ouder zijn dan ongeveer zes-en-veertig
+jaren, toch paste zij zeer goed in deze omgeving, zoo overvloedig
+rijk aan vreemde, betooverende, weerzin, angst- en schrikwekkende
+dingen; want haar gelaat was bleek en zijne ongewone lengte werd nog
+verhoogd door den hoog opgekamden, pikzwarten haarbos midden op den
+schedel. Bij het einde van het eerste bezoek der vrouwen, waardoor
+zij verrast was geworden en waarbij een en ander op dit toovertheater
+ontbroken had, wat heden eene bijzondere uitwerking deed, had zij
+Heliodora uitgenoodigd over drie dagen terug te keeren. De jonge vrouw
+was deze uitnoodiging gevolgd en op den bepaalden tijd verschenen
+in gezelschap van Katharina. Men kon Egypte, het land der tooverij
+en der magische kunsten, toch niet verlaten, zonder de proef er van
+genomen te hebben. Zoo oordeelde ook vrouw Martina, hoewel zij voor
+zichzelve op die waarzegging niet gesteld was. Zij was met haar lot
+tevreden, en stonden er veranderingen tot haar nadeel voor de deur,
+dan wilde zij zich door eene goede waarzegster niet bij voorbaat
+laten beangstigen. Door eene slechte bedrogen te worden was nog minder
+aanlokkend. Buitengewoon geluk kon zij niet meer gebruiken, dat zou
+haar gestoord hebben in hare rust. Maar voor het jonge volkje, lag
+het leven nog open, en als het een kijkje in de toekomst wilde nemen,
+was zij de laatste, om dit euvel te duiden.
+
+De jonge weduwe en het meisje betraden den drempel der tooveres in
+zekere spanning, en van de twee was Katharina ditmaal wel het meest
+ongerust, want in den namiddag had zij Philippus het huis van Rufinus
+zien verlaten, terwijl spoedig daarop Arabische beambten het waren
+binnengegaan. Vóor zonsondergang was Paula met betraande oogen in den
+tuin verschenen, en toen een weinig later Pul met hare moeder bij haar
+waren gekomen, was de Damasceensche vrouw Johanna om den hals gevallen,
+en had zoo bitter geschreid, dat ook deze en hare dochter, "die altijd
+de tranen spoedig bij de hand had", zich hadden laten meesleepen,
+om met haar van droefheid te snikken. Daar was iets gewichtigs
+voorgevallen, maar toen zij naar het huis van Rufinus was gegaan,
+om wat naders te hooren, had de oude Betta, die altijd boos op haar
+was haar kort en onheusch afgewezen. Verder hadden zij en Heliodora
+op de straat eene zeer pijnlijke ontmoeting gehad, want de wagen van
+vrouw Neforis, die hen aan de grens der doodenstad moest afzetten,
+was onderweg door eene afdeeling Arabische ruiters aangehouden,
+en zij hadden zich moeten laten welgevallen, dat de aanvoerder haar
+allerlei vragen deed.
+
+Zoo betraden zij dan ditmaal het huis der "lokken Medea", gelijk de
+tooveres in de wandeling werd genoemd, met een angstig kloppend hart,
+doch zij werden met zulk eene onderdanige hoffelijkheid ontvangen,
+dat zij spoedig tot bedaren kwamen, en ook de uiterst vreesachtige
+Heliodora weldra weder vrijer begon te ademen. De waarzegster wist nu
+ook wie Katharina was, en bewees de eenige dochter der rijke weduwe
+meer achting. Heden stond de smalle sikkel der nieuwe maan aan den
+hemel, en deze omstandigheid, verzekerde Medea, veroorloofde haar
+klaarder te zien als in den tijd van den Punaneger, zooals zij den
+nacht zonder maneschijn noemde. Haar zielsoog was bij het eerste bezoek
+onder de inwerking van vijandige machten overvallen door Typhonische
+duisternis. Terstond nadat de vrouwen waren vertrokken, had zij dit
+begrepen; maar heden zag zij des te helderder. Haar innerlijk oog
+was nu blank als een zilveren spiegel, zij had het gereinigd door
+drie dagen te vasten, en haar kon geen stofje ontgaan.
+
+"Helpt," zoo ving zij aan, "Gij Horus-kinderen, helpt Hapi en
+gij heilig drietal!"--"O gij schoonen, gij schoonen!" ging zij in
+vervoering voort. "Honderden aanzienlijke vrouwen hebben mijne kunst
+beproefd, doch zooveel gunst van het lot als boven de uwen, zag ik
+nog nooit boven twee hoofden vereenigd. Hoort gij, hoe het borrelt
+in de geluksketels? Daar worden de deksels opgestuwd. Buitengewoon,
+buitengewoon!"
+
+Zij strekte om te bezweren de hand naar de beide ketels uit en
+riep plechtig: "Overmaat van geluk, overvloed, overvloed, berstende
+schuren. Zefa-ou, Metramao... Keer terug tot de ware vlakte, ware
+hoogte, ware diepte, de juiste maat! Uwe el Meï--afmeter, afweger,
+gebruik ze, Techouti, gebruik ze, dubbele Ibis!"
+
+Daarop beval zij beiden zich neer te zetten op sierlijke stoelen
+tegenover de ketels, bond aan de ringvingers van ieder hunner den
+"anoubischen draad", vroeg fluisterend en onder nauwelijks verstaanbare
+bezweringen aan de weduwe en de jonkvrouw een haar, en nadat zij ze
+beiden elk in een ketel had gelegd, riep zij met hartstochtelijken
+ijver, en als hing van het kleinste verzuim het wel en wee harer
+bezoeksters af: "De vinger met de anoubische draad op de plaats van het
+hart gedrukt, de oogen op den ketel gericht en den damp, die opstijgt
+tot de geesten des hemels, des lichts, tot den Groote in de hoogte!"
+
+De vrouwen volgden met een kloppend hart het gebod der tooveres, en
+deze draaide plotseling met duizelingwekkende snelheid op de teenen
+in het rond; daarbij vloog de haarbos op haar schedel omhoog en de
+tooverstaf in hare wijd uitgestrekte rechterhand beschreef een wijden,
+zuiveren cirkel. Als door een schrik aangegrepen, hield zij daarna
+plotseling op te draaien; op hetzelfde oogenblik gingen de lampen uit,
+en de zaal werd door niets verlicht dan door de sterren aan den hemel
+en de glimmende kolen onder de ketels. De doffe muziek stierf weg,
+maar eene nieuwe, sterker geur drong door het gordijn in de zaal.
+
+Medea wierp zich nu op de knieën, strekte de armen ten hemel, wierp
+het hoofd met een alleen door haar uitvoerbaren snellen ruk zoover
+terug, dat het geheele gelaat was gekeerd naar het firmament boven
+haar, en haar blik, recht opwaarts ziende, de sterren waarnam. In
+deze vreeselijke houding, met het blauwe hemelgewelf boven haar
+hoofd, zong zij bezwering op bezwering met eene helder roerende,
+smachtende stem. Haar borst welfde zich daarbij sterk omhoog, haar
+haarbos stond niet meer op, maar was naar de vrouwen gekeerd, die
+niet anders dachten dan dat deze den hemel aanroepende vrouw, door
+de opstijging van het bloed achterover op den grond zou vallen. Doch
+zij zong en bleef zingen, en hare witte tanden schitterden daarbij in
+het sterrelicht, dat loodrecht op haar neerviel. Onder den overvloed
+van demonische namen en magische woorden, die zij omhoog riep en liet
+trillen door de lucht, deed zich uit de richting van het gordijn een
+beangstigend, jammerend tweeledig rochelen, zuchten en klagen hooren;
+het eene geluid scheen voort te komen uit de beklemde borst van een
+door bitter lijden aangegrepen man, het andere was als het zacht,
+half verstikt gekrijt van een kind, dat pijn lijdt. Het laatste
+werd steeds luider en eindelijk hoorde men in het Egyptisch: "Water,
+een slokje water!"
+
+De vrouw verliet opeens hare schrikkelijke houding, rees op en riep:
+"De klacht der beroofden en armen, van wie genomen werd, om aan de
+in overvloed badenden te geven, de noodkreet dergenen, die door het
+lot werden geplunderd om u gaven te schenken, genoeg voor honderden."
+
+Na deze woorden, die zij op zalvenden toon in het Grieksch had
+gesproken, keerde zij zich naar het gordijn en riep nu weder plechtig
+in het Egyptisch terug: "Geef den dorstende te drinken, de gelukkigen
+gunnen hem een dropje van hun overvloed. Geef den klagenden kinderdemon
+den witten drank, om hem te vreden te stellen en te verdrijven. Laat
+muziek klinken, om de klachten der jammerende geesten te overstemmen!"
+
+Daarna keerde zij zich naar Heliodora's ketel en zeide ernstig,
+als volgde zij een hooger bevel: "Zeven goudstukken, om het werk te
+voleindigen," en terwijl de jonge vrouw haar beurs voor den dag haalde,
+de tooveres de lampen ontstak en de munten in de kokende vloeistof
+wierp, zong zij onophoudelijk: "Rein, blinkend goud, zonlicht, in
+de bergen verborgen. Heilige zeven, schaschef, schaschef! Heilige
+zeven! Vereenigt u! Smelt samen."
+
+Zij goot hierop een dampende vloeistof, zoo zwart als inkt, uit
+den ketel op een vlakken schotel, riep Heliodora aan hare zijde en
+verklaarde haar wat haar oog op den blanken spiegel zag: het was
+niets dan schoons, het gaf enkel hartverblijdende antwoorden op de
+vragen der weduwe. Wat de tooveres zeide, moest het vertrouwen op hare
+magische krachten versterken, want zij beschreef Orion zou nauwkeurig,
+als zag zij hem in den inktspiegel voor zich en wel op reis met een
+anderen heer. Maar daar kwam reeds zijn terugkeer op de blanke vlakte
+te voorschijn, daar zag zij Heliodora aan de borst van den geliefde,
+en nu welk een tafereel. Niet de bisschop van Memphis, maar een vreemde
+legde hare en zijne hand in elkander voor het altaar in een grooten,
+heerlijken dom en zegende hun verbond.
+
+Katharina, wie het gezang van Medea en wat daarop gevolgd was met vrees
+had vervuld en in stilte deed huiveren, volgde ieder woord der tooveres
+met angstige spanning. Wat de vrouw zeide, de wijze waarop zij Orion
+beschreef, het was wonderbaarder dan alles wat zij ooit voor mogelijk
+had gehouden. En de dom, waarin het verliefde paar getrouwd zou worden,
+was de Sophia-kerk te Konstantinopel, waarvan zij veel gehoord had. Het
+hart werd haar als toegeknepen, maar met hoeveel aandacht zij ook de
+woorden van Medea volgde, haar scherp oor hoorde toch voortdurend
+het treurig rochelen en klagen achter het gordijn, dat beangstigde
+haar, beklemde haar adem, en een diep martelend gevoel van ellende
+overweldigde hare ziel. Dien krijtenden kindergeest daar achter,
+van welks geluk haar een deel ten goede gekomen zou zijn, had zij,
+juist zij, zeker niets ontroofd, want wie was er thans ongelukkiger
+dan zij? Alleen die schoone, smachtende, jonge vrouw daar had het lot
+met gaven, genoeg voor ontelbare anderen, zoo kwistig overladen. O als
+zij haar de eene na de andere had kunnen ontrooven, van den grooten
+robijn af, dien zij heden droeg, tot de liefde van Orion toe!
+
+Bleek en overspannen gaf zij aan de roepstem der tooveres gehoor,
+nadat ook zij zeven goudstukken geofferd had. Zij had daarvoor het
+liefst eene moorddadige verwensching gekocht, om de gelukkige daar
+er mede te verpletteren. Reeds begon de pikzwarte vloeistof in den
+schotel te vloeien, waaruit een scherp riekende damp opsteeg, doch de
+tooveres blies dezen opzij. Zoodra het donkere vocht een weinig was
+afgekoeld en de oppervlakte niet meer troebel maar glad was, vroeg
+Medea het meisje, wat zij het eerst begeerde te vernemen. Doch het
+antwoord werd Katharina van de lippen genomen; een verschrikkelijk
+geklop en gedreun deed plotseling het huis daveren, en met een luiden
+gil liet de tooveres den schotel vallen, zoodat de inhoud omhoog
+spatte, en lauwe, vuile druppels zich hechtten aan het kleed en de
+armen van het meisje. Een onverwachte, ontzettende schrik bracht haar
+geheel in verwarring, en Heliodora, die zelve nauwelijks op de been
+kon blijven, moest haar steunen; want Katharina waggelde en dreigde
+in elkaar te zakken.
+
+De tooveres was verdwenen; in de zaal bevonden zich alleen een half
+volwassen knaap, een jonge man en een lang opgeschoten, schamel gekleed
+Egyptisch meisje. In alle richtingen heen en weervliegende wierpen zij
+de voorwerpen, die hier en daar stonden, in eene opening van den vloer,
+waarvan zij het luik hadden weggetrokken, goten water op de kolen,
+doofden de lampen uit en dreven de vrouwen met gemeene scheldwoorden
+in een hoek van de zaal. Daarna klommen de knapen zoo vlug als katten
+naar het open dak, en sprongen naar buiten. Daar weerklonk een schel
+gefluit door het huis, en een oogenblik later stormde de tooveres de
+zaal binnen, vatte de beide bevende vrouwen bij de schouders en riep
+hun toe: "Om Christus' wil hebt medelijden! Het is om mijn leven te
+doen. Op tooverij staat den dood. Ik heb mijn best voor u gedaan. Gij
+zijt--hoort gij wat gij zeggen moet?--gij zijt uit barmhartigheid
+gekomen om de kranken te verplegen."
+
+Daarop duwde zij beiden door het gordijn, waarachter nog altijd
+klaagtonen werden gehoord, in een bedompt laag vertrek, en het
+groote, magere meisje slenterde haar achterna. Daar lagen op armzalige
+legersteden een oud man met donkere vlekken op zijne naakte borst en
+zijn aangezicht, rillend over al zijne leden, en een vijfjarig kind,
+welks hoogroode wangen van de koortshitte gloeiden. Heliodora dacht
+in dit vertrek te stikken en Katharina klemde zich bevende aan haar
+vast; doch de tooveres haalde hen van elkander zeggende: "Ieder voor
+een bed; gij bij het kind, gij bij den oude!"
+
+Werktuigelijk volgden beiden de vrouw, die van angst buiten adem
+was. Het kwikstaartje, dat zich nog nooit om eene kranke bekommerd
+had, werd van afschuw vervuld en wendde de oogen van de lijders
+af. De jonge vrouw, die vele, vele nachten aan de lijdenssponde
+van een geliefde gewaakt had en goedhartig,--want dat was zij van
+nature--haar lijdende slaven vaak met eigene hand hulp had verleend,
+zag het kind medelijdend in het vriendelijke, gloeiende gelaat,
+en veegde het met den doek de zweetpaarlen van het voorhoofd.
+
+Katharina huiverde bij alles wat zij zag, doch reeds werd hare
+opmerkzaamheid door iets nieuws geboeid, want aan de andere zijde
+van het huis hoorde men wapengekletter, de deur werd met geweld
+opengestooten en de arts Philippus trad de kamer binnen. Hij beval
+de veiligheidsbeambten, die hem vergezelden, buiten te wachten. Hij
+verscheen op last der bouleuten, aan wie ter oore was gekomen, dat
+zich door de pest aangetaste kranken bevonden in het huis van Medea,
+en dat zij desniettemin voortging met bezoeken te ontvangen. Men
+had reeds lang besloten haar de uitoefening van dit handwerk te
+beletten; en heden was het bericht gekomen, dat zij in den avond
+voorname bezoekers verwachtte. De beambten wilden haar op heeter daad
+betrappen en de arts verlangde uit te maken, of haar huis tot de door
+de ziekte aangetaste behoorde. In elk geval wenschte de senaat de
+tooveres in de gevangenis ter zijner beschikking te hebben, hoewel
+men aan Philippus van dit verlangen niets had medegedeeld.
+
+Zij die binnenkwamen, hadden in het minst niet verwacht deze gasten
+hier te vinden. Met een afkeurend hoofdschudden keek de arts hen aan,
+legde de tooveres het zwijgen op met een barsch: "dat alles zal wel
+blijken," toen zij haastig verzekerde, dat deze edele dames gekomen
+waren, om uit christelijke barmhartigheid de arme lijders te troosten
+en te helpen, en bracht de onvrijwillige krankenverpleegsters
+onverwijld naar buiten. Daar deelde hij haar mede in welk een
+schrikkelijk gevaar zij zich door hare lichtzinnigheid gebracht hadden,
+en gebood haar ten stelligste zich terstond naar huis te begeven,
+dáar, ondanks het late uur, een bad voor zich gereed te laten maken
+en van kleederen te verwisselen.
+
+Met knikkende knieën bereikten zij den wagen en nog voor deze zich
+in beweging zette, barstte Heliodora in bittere tranen uit, terwijl
+Katharina zich nijdig achterover in de kussens wierp en met een blik
+op hare gezellin, die zoo geheel ontdaan was, dacht: "Het begin van het
+ongehoord geluk, dat haar verspeld werd! Goed, als het zoo voortgaat."
+
+Het was alsof demonen, die het kwikstaartje welgezind waren dezen
+wensch vernomen hadden; want toen de wagen voorbij het wachthuisje
+den eersten hof van het stadhouderlijk verblijf wilde inrijden, werd
+hij aangehouden door vreemde gewapenden, met bruine krijgshaftige
+aangezichten, en moest hij eenige oogenblikken hier wachten tot een
+Arabisch bevelhebber verscheen, die verlangde te weten wie zij waren
+en wat zij begeerden.
+
+Zij antwoordden met bevende stem, waarop haar werd medegedeeld, dat
+zoo even op last der Arabische regeering beslag was gelegd op het
+stadhouderlijk paleis. Orion was van eene groote misdaad beschuldigd
+en zijne gasten moesten morgen het huis verlaten. Katharina, die den
+tolk kende, kreeg vergunning Heliodora naar de vrouw van den senator
+te vergezellen, zich van den wagen te bedienen om terug te rijden en,
+als zij dit begeerde, de Byzantijnsche met zich naar huis te nemen;
+want in het stadhouderlijk verblijf zou het er in de eerste dagen
+zeer oorlogzuchtig uitzien.
+
+Zij hielden nu te zamen raad. Het kwikstaartje drong er op aan, dat
+Heliodora haar terstond naar hare moeder zou vergezellen, want zij
+hield zich en hare gezellin voor verpest; en hoe zouden zij, in dit
+door soldaten bezet gebouw, een bad kunnen nemen? De jonge vrouw kon
+en durfde in dezen toestand niet bij vrouw Martina blijven. Morgen
+moest ook de matrone bij Katharina komen; hare moeder, zeide zij,
+zou zich bijzonder verheugen over zulke lieve gasten.
+
+De weduwe liet werktuigelijk alles met zich doen, en nadat vrouw
+Martina gaarne had ingewilligd, om de uitnoodiging van hare "reddende
+engel" te volgen, bracht de wagen beiden naar het huis der weduwe
+Susanna. Deze was reeds lang te bed en hield zich vast overtuigd,
+dat haar dochtertje in hare vriendelijke kamer lag te slapen en te
+droomen. Katharina liet haar niet wekken en de badkamer was zoover
+verwijderd van Susannas vertrekken, dat zij rustig doorsliep, terwijl
+haar kind en hare nieuwe gast er gebruik van maakten.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het was in de stadhouderlijke woning een ontzettende nacht. Vrouw
+Martina vroeg zich af welke zonde zij begaan had, dat zij juist
+uitverkoren was, getuige van zulk een ongeluk te zijn. En wat werd
+er nu van hare huwelijksplannen? Eene verhuizing in deze ontzettende
+hitte was zeker eene ware beproeving; maar zij had eenige malen uit het
+eene verblijf naar het andere willen trekken en zich als een bal heen
+en weer willen laten werpen, als zij daardoor haren lieven "grooten
+Sesostris" uit dit verschrikkelijk gevaar had kunnen redden. Dit
+alles was zeker het gevolg van die onzinnige, dolle geschiedenis
+met de nonnen. En deze Arabieren! Zij namen maar wat hun behaagde,
+en waren waarlijk in staat den zoon van den grooten Mukaukas uit te
+plunderen en tot een bedelaar te maken. Eene fraaie geschiedenis! Nu
+Heliodora had voor beiden genoeg, en zij en haar man behoefden haar
+in hun testament niet te vergeten. Doch hier was misschien sprake
+van geheel andere dingen: van leven of dood.
+
+Bij deze gedachte voer eene rilling haar door de leden en hare vrees
+zweefde niet in de lucht. De zwarte Arabier, die tot haar gekomen
+was, om met haar te onderhandelen en haar ten slotte toe te staan
+tot morgen in de stadhouderlijke woning te blijven, had haar dit
+juist door den tolk doen weten. Een ongehoord, afgrijselijk onheil,
+waarvoor geen naam was te vinden! En zij daar midden in, gedwongen
+alles mede te beleven! En haar man, haar arme Justinus. Hoe moest
+hem dit alles ter harte gaan! Hare oogen werden niet droog, en voor
+zij insliep bad zij recht vurig, dat hare heilige en de goede moeder
+Gods dit alles tot een verblijdend einde mochten brengen. Met de
+gedachte: "Welk een ongeluk!" sloot zij de oogen en in den vroegen
+morgen ontwaakte zij daarmee weder.
+
+Toch was het ontzettendste, wat er in dezen noodlottigen nacht had
+plaats gehad, niet tot hare ooren doorgedrongen. Eene schare Arabische
+krijgslieden was bij het aanbreken van den nacht te voet, te paard en
+in booten den Nijl overgestoken, en had, onder aanvoering van den Wekil
+Obada, het stadhouderlijk paleis omsingeld. Nadat het stellig gebleken
+was, dat Orion zich inderdaad op reis bevond, werd de rentmeester Nilus
+gevangen genomen. Vervolgens hadden de zwarten in last de weduwe van
+den Mukaukas van het gebeurde te onderrichten en haar aan te zeggen,
+dat zij reeds morgen het huis moest verlaten. Dit moest geschieden,
+omdat de Wekil met het eerwaardig verblijf van het oudste geslacht
+in den lande iets zeer bijzonders in den zin had.
+
+Vrouw Neforis was nog wakker en hield zich in de fonteinzaal op, toen
+de tolk, als voorlooper van Obada, zich bij haar liet aandienen. Hij
+vond haar een weinig onthutst, want ofschoon zij niet meer in
+staat was regelmatig te denken, en haar de invallende gedachten als
+bliksemschichten door de hersens schoten, als zij haar geest moest
+inspannen, zoo had zij toch bemerkt, dat er iets bijzonders in hare
+woning plaats had. Maar zoowel de huismeester Sebek als hare kamenier
+hadden hare vragen ontweken en daarop in zooverre geantwoord, dat
+naar zij zeiden de plaatsvervanger van Amr gekomen was, om met den
+jongen heer te spreken. Het scheen eene belangrijke zaak te gelden,
+misschien eene valsche aanklacht.
+
+Orion, zoo berichtte de hermeneut, was aangeklaagd van eene onderneming
+op het getouw te hebben gezet, die aan twaalf Arabische krijgers
+het leven had gekost, en reeds de aanval op een enkelen muzelman van
+de zijde eens Egyptenaars werd, gelijk zij wist, met den dood en de
+verbeurdverklaring van het vermogen gestraft. Verder was haar zoon
+van roof aangeklaagd. Aan het einde van zijne mededeeling, die vrouw
+Neforis met strakke blikken, verbaasd en ten laatste als verpletterd
+had aangehoord, vroeg de tolk gehoor voor den Wekil.
+
+"Nog niet dadelijk, nog eenige oogenblikken," luidde het met moeite
+uitgebracht antwoord van de weduwe, want zij moest zich eerst door
+het genot van haar arcanum versterken. Zoodra dit gebeurd was, toonde
+zij zich bereid Obada te ontvangen.
+
+De zwarte vijand van haar zoon wenschte voor haar te verschijnen als
+een mild en grootmoedig man, en deelde haar met vleiende onderdanigheid
+mede, terwijl hij telkens zijne tanden liet glinsteren, dat zij
+in den loop van den volgenden dag het huis verlaten moest, waarin
+zij den langsten en gelukkigsten tijd haars levens doorgebracht
+had. Op zijne verklaring, dat haar eigen vermogen niet aangetast zou
+worden, en het haar vrijstond te Memphis te blijven of haar huis te
+Alexandrië te betrekken, antwoordde zij gelaten, dat dit wel terecht
+zou komen. Daarop vroeg zij, of de Arabieren haar zoon reeds in
+handen hadden?
+
+"Dat juist niet," antwoordde de Wekil, "doch wij weten waar hij
+schuilt, en morgen of overmorgen hebben wij den beklagenswaardigen
+jongeling in onze macht."
+
+Bij de laatste woorden bemerkte de weduwe een glans van vergenoegen in
+de oogen van den zwarte, die tot dusver getracht had zich medelijdend
+te toonen, en met een zacht hoofdknikken ging zij voort: "Dus is het
+hier een vraag van leven en dood?"
+
+"Blijf bedaard, edele vrouw," luidde het antwoord, "alleen van
+den dood."
+
+Zij sloeg den blik ten hemel, bleef eenige oogenblikken in die houding
+zitten, en vroeg dan verder: "En wie heeft hem van roof beschuldigd?"
+
+"Het hoofd zijner eigen kerk..."
+
+"Benjamin," prevelde zij binnensmonds, en haar mond vertrok zich tot
+een eigenaardig lachje. Zij had gisteren haar testament opgesteld ten
+gunste van den patriarch en de kerk. "Wanneer Benjamin het gelezen
+heeft," had zij tot zichzelve gezegd: "verandert hij misschien van
+gezindheid jegens u en de uwen, en laat hij ijverig voor ons bidden."
+
+Daar zij verder niets zeide, zag de Wekil haar vragend en met eenige
+verlegenheid aan, tot zij eindelijk opstond en niet zonder waardigheid
+afscheid van hem nam met de opmerking, dat de zaken hiermede
+afgehandeld waren en zij verder niets met hem te bespreken had.
+
+Hiermede was dit onderhoud afgeloopen, en toen de Wekil de fonteinzaal
+verlaten had, mompelde hij bij zichzelven: "Welk eene vrouw! Zij is
+of van demonen bezeten en niet wel bij het hoofd, of eene buitengewone
+heldin!"
+
+Vrouw Neforis liet zich naar haar slaapkamer brengen, en nadat zij
+zich te bed gelegd had, beval zij de kamenier zeker kastje uit hare
+kist te nemen en het op het artsenijtafeltje aan het hoofdeinde van
+haar legerstede te plaatsen. Toen zij alleen was haalde zij de beide
+brieven, die de Mukaukas Georg haar als bruidegom geschreven had,
+en een gedicht, dat Orion eens aan haar gericht had, daaruit te
+voorschijn en beproefde ze te lezen. Doch het schemerde haar voor
+de oogen, zoodat zij de bladen weer moest wegleggen. Daarop nam zij
+een pakje ter hand, dat de lokken bevatte, die zij van de verstijfde
+hoofden harer gestorven zonen en haars gemaals had gesneden. Met
+dweepachtige teederheid beschouwde zij deze dierbare voorwerpen, en nu
+begon het opium zijn uitwerking te doen. Met tastbare duidelijkheid
+traden de beeltenissen van de afgestorvenen voor hare verbeelding,
+en zij ging met hen om als stonden zij in vollen levenskracht aan
+haar bed. Met de lokken in de hand sloeg zij daarna den blik omhoog,
+en trachtte zich voor den geest te brengen wat heden had plaats gehad
+en wat haar wachtte. Zij moest dit vertrek, deze breede legerstede,
+dit huis, kortom alles verlaten, waaraan de dierbaarste herinneringen
+verbonden waren van hen, die zij zoo liefhad. Men wilde haar daartoe
+dwingen--maar voegde het haar zich te onderwerpen aan den wil van
+dien zwarte, dien vreemdeling, hier waar zij te gebieden had? Met een
+minachtend lachje schudde zij het hoofd en opende een glazen fleschje,
+hetwelk nog voor de helft met opiumpilletjes gevuld was, nam eenigen
+op den tong en sloeg den blik weer naar boven. Daar deed zich een
+nieuw visioen voor hare verbeelding op; zij zag hem, van wien ook de
+dood haar niet had kunnen scheiden, en hare gestorven zonen aan zijne
+voeten. En nu steeg Orion uit de wolken op, gelijk een duiker uit de
+golven van den stroom, en sprong op den oever van het eiland, waar
+haar gemaal stond met de jongelingen. Zijn vader opende voor hem de
+armen en drukte hem aan zijn hart, en zijzelve, of althans haar schim,
+voegde zich bij de anderen, en ieder ging haar teeder te gemoet, en
+ten laatste ook haar gemaal, aan wiens borst zij bleef rusten. Was
+zij reeds geruimen tijd en lang voor de Arabieren haar overvielen,
+half bewusteloos en als beneveld geweest, thans gevoelde zij eene
+aangename, de leden verlammende slaperigheid, waaraan zij zich geheel
+en al verlangde over te geven. Doch nauwelijks had zij de oogleden
+gesloten of de gedachte vloog haar weer door het hoofd aan hetgeen
+haar wachtte, en met inspanning van al haar wilskracht richtte zij
+zich op, nam het water dat steeds op het tafeltje bij haar stond,
+ten einde de rest van de pilletjes uit het fleschje er in te werpen
+en den beker tot den bodem te ledigen.
+
+Bij dit alles was hare hand rustig gebleven, en uit het tevreden lachje
+om haar mond en den verlangenden blik van haar oog had men kunnen
+opmaken, dat zij dorst gevoelde en zich een smakelijke drank gereed
+maakte. Zij zag er allerminst uit als iemand, die in wanhoop de hand
+aan zichzelve slaat, en zij gevoelde ook geen berouw, geen doodsangst,
+geen drukkende last van een schuld, die zij op zich nam, maar eene
+zoete vermoeidheid en hoop, zalige hoop op een leven zonder einde,
+vereend met hare dierbaren. Maar nauwelijks had zij den doodelijken
+dronk genoten, of eene ijskoude rilling ging door hare leden, half
+opgericht riep zij de kamenier, die in het aangrenzend vertrek waakte,
+en toen deze haar angstig in de strakke oogen zag, stamelde zij tot
+haar: "Een priester, haastig--ik wil sterven!"
+
+De dienares liep naar buiten en riep in het viridarium den huismeester
+Sebek toe, die met den Wekil voor het tablinum stond, wat er gebeurd
+was, en de zwarte stond hem toe aan het verlangen van zijne stervende
+meesteres te voldoen en bracht hem zelf tot aan de voorpoort. Pas
+buiten gekomen ontmoette de huismeester een diaconus, die zooeven aan
+een pestzieke den zegen der kerk gebracht had, en eenige oogenblikken
+later stonden zij aan de legerstede van de weduwe. Naast haar lagen
+de lokken harer zonen, hare handen waren saamgevouwen rondom een
+crucifix; doch hare oogen, die lang gestaard hadden op het aangezicht
+van den Verlosser, waren thans weder met een glans van zaligheid naar
+boven geslagen.
+
+De priester riep haar bij den naam, doch zij vergiste zich in zijn
+persoon; zij hield hem voor haar zoon en stamelde hem liefderijk toe:
+"Orion, arm, arm kind! En gij, Maria, mijn hartje, mijn lieve kleine
+schatje! Vader--ja, lieve jongen--vader, kom maar; hij is weder
+goed en vergeeft u... Allen die ik heb liefgehad zijn weder bijeen,
+en niemand--wie kan ons nog scheiden? Weet gij, man? Hoor, Georg!--"
+
+De priester deed wat zijn ambt van hem vorderde, maar zij bleef in
+de hoogte staren, zonder hem op te merken, en hare lachende lippen
+bewogen zich daarbij onophoudelijk, hoewel het haar niet meer gelukte
+duidelijke geluiden voort te brengen. Eindelijk kwamen zij tot rust, de
+oogappels verdwenen achter de oogleden, de handen lieten het crucifix
+los, zacht beefden hare leden, waarna zij zich uitstrekte en haar mond
+opende, als om nog eens diep adem te halen. Maar hij sloot zich niet
+weder, en toen de trouwe huismeester de lippen tot elkaar bracht was
+haar gelaat reeds verstijfd en had haar hart opgehouden te slaan.--De
+trouwe man snikte luide, en toen hij de treurmare aan den Wekil
+overbracht, stiet deze een vloek uit en riep den onderbevelhebber,
+die naast hem stond toe te zien, terwijl men eenige kameelen belaadde
+met de schatten van het tablinum, spijtig toe: "Ik wilde die gekke,
+oude vrouw grootmoedig ontzien, en nu speelt zij mij deze poets,
+want die in Medina leggen mij haar dood ook nog ten laste als niet..."
+
+Hier hield hij plotseling op, en terwijl hij zich weder tot de kameelen
+en hun last keerde dacht hij: "Bij zulk een hoog spel komt het op
+een paar goudstukken meer of minder niet aan. Er moeten nog eenige
+koppen van den romp--die van den schoonen Egyptenaar voor allen.--Als
+de saamgezworenen in Medina hun plicht maar doen! De ondergang van
+Omar brengt ook Amr ten val, en daarmede komt alles terecht!"
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg
+opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren
+in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en
+het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene
+groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was
+opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde,
+kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren
+en met haar de geheele wereld!
+
+In 's buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange
+arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te
+bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep
+hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te
+zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij
+nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van
+den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar
+gemaal gevolgd was.
+
+Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis
+als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk
+paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot,
+eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest
+en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan;
+daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij
+dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was
+haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten,
+die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel
+zoo duister, woest en ellendig uitzag.
+
+De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder
+te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals
+het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich had blootgesteld, en
+herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en
+Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de
+fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder
+kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om
+het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig
+hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat
+zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven
+gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op
+de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar
+hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare
+last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen. Daarbij steeg er
+eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet
+lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.
+
+Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der
+Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op
+leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond
+het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige
+vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder
+samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere
+met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!--En al
+die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje,
+het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen; zij was het geweest,
+die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts
+van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag
+dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en
+zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet
+op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij
+werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed
+binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan
+hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het
+door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen,
+was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden,
+ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen,
+die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.
+
+Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij
+weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het
+leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en
+moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de
+gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar
+Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal
+den bundel bliksemstralen ontwrongen,--dan vond zij ook voor deze een
+schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer
+na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde
+hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs
+gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar
+den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En
+wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten,
+dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder,
+barmhartig en liefderijk uitvallen.
+
+Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar
+geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de
+kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke
+vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich
+volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.
+
+"Arm schaapje!" dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van
+Rufinus inliep, "de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg
+hebben gedaan!"
+
+De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore
+zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone,
+teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een
+breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje
+naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem
+en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl
+de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.
+
+Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling
+en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke
+hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die
+zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust
+en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij
+een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde
+zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande
+had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en
+hartelijk, en op Philippus' "hoe gaat het?" antwoordde de Masdakiet
+blijmoedig: "Als een visch in het water!" en vervolgde, terwijl hij
+daarbij op Mandane wees: "Mijne landgenoote evenzoo."
+
+"Zijt gij het daarmee eens?" vroeg Philippus, en zij stemde toe met
+een levendig hoofdknikken.
+
+Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide:
+"Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim
+u vanhier roept!"
+
+Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde
+hij in zichzelven: "Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de
+ellende, zij en de kleine Maria!"
+
+Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij
+zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond
+dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het
+ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst
+later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te
+maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en
+granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der
+sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig
+schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half
+geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een
+sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij
+dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.
+
+"Die gelden haar vader," dacht Philippus, terwijl hij in de deur
+staande haar beschouwde. "Arm kind!" Hoe vaak had hij zijn vriend
+haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind
+geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat
+haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk
+voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul
+geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone,
+volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen,
+en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan
+dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had
+geslagen, wanneer zij op hem, haar "edelen ruiter", in den tuin op en
+neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu
+zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden,
+waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes
+had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.
+
+Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige
+granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren
+hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren
+gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en
+vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi
+hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als
+student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een
+aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de
+oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter,
+zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette,
+gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige
+oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets
+beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken
+veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich
+in deze pauze bedacht had?
+
+"Ja, daar ben ik," luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet
+het hartelijk antwoord: "Goddank dat gij komt!", en de met zulk een
+bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: "Al ware het enkel
+om moeders wil!"
+
+Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid
+sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw
+Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: "Wat
+booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een
+ongeluksraaf in huis fladderen."
+
+"Gij?" vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een
+lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen,
+dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw
+het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan:
+eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster,
+zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van
+zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat
+er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar
+om Paula's en Maria's wil de dood van de weduwe ter harte ging, die
+haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig
+mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.
+
+Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele
+in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden
+hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig
+maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde,
+daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid
+van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit
+tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen
+ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het
+hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch
+waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.
+
+Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat
+hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze
+bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets
+in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar
+haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks
+gelooven en daarom smeekte hij haar de hoop op beter dagen niet te
+laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem
+stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon,
+en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en
+zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte,
+reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat
+waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van
+Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude,
+gedrukte, ongelukkige stemming.
+
+De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond
+uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende
+Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht
+had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek
+geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk
+hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de
+hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam
+geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk
+en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen
+bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij
+daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene
+betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking
+bracht.
+
+Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd
+had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar
+geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het
+eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om
+haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare
+grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp
+van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was
+zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de
+veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen,
+en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van
+wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld
+had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.
+
+Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer
+vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan
+hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine
+aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van
+Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang
+zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien,
+dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens
+voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna,
+de teedere zwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies
+van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij
+kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken,
+en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger
+deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria,
+hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo
+gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe
+van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne
+kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder
+ter zijde te zien.
+
+De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en
+even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte,
+keek hem na, wees op hem en zeide: "Daar gaat hij! Het was zeker
+voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak;
+of hebt gij het niet verstaan?"
+
+"Wel zeker," zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op
+te slaan.
+
+Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog
+niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken
+hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men
+kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer
+bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook
+het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en
+de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger
+zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met
+de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het
+vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd
+tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder
+ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een
+kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom
+zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met
+zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage
+in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn
+jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden,
+die gene eens bezeten had.
+
+Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen
+en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste
+kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was
+haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk
+een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag
+zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer
+ziel. Zij verwijlde gaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij
+hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen
+lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd
+door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet
+was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende
+zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe
+te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was
+geweest. Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en
+kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde
+zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had
+aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich
+aan gevaar bloot te stellen.
+
+"Dat wil dus zeggen," begon de Masdakiet weder, "dat het ook u niet
+onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?"
+
+"Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen."
+
+"O!" riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot
+hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon
+langer te worden. "Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren
+willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet
+het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?"
+
+"Omdat--ja wie kan dat zoo ineens zeggen--omdat gij altijd goed
+voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch
+spreken kan, evenals met mijne moeder."
+
+"Zoo, daarom dus alleen?" vroeg de ander op gerekten toon, terwijl
+hij zich over het voorhoofd wreef.
+
+"Neen, neen! Ook omdat.... Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan
+zijt gij er ook al niet meer...."
+
+"Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet
+het u hier toch bevallen hebben--zoo samen met mij."
+
+"Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig," zeide zij, terwijl
+zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.
+
+"Dat was het ook, en is het nog altijd!" zeide hij met de breede vuist
+in zijne linkerhand slaande. "En juist daarom moet het er eens uit,
+daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander
+scheiden."
+
+"Maar uw heer zal u noodig hebben!" zeide zij, met toenemende
+ongerustheid, "en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd
+tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en
+het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik
+naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich
+toch ook niet altijd laten verplegen."
+
+"Wat verplegen!" zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegd lachte. "Er
+moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!"
+
+"Bij uw kameelen: altijd op reis?"
+
+"Dat moet dan ophouden," antwoordde hij meesmuilend. "Wij gaan naar
+ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn
+oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta,
+dat kunt gij aan Haschim vragen."
+
+"Maar, Rustem, bedenk toch!"
+
+"Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het
+aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat
+het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij
+lezen?--Neen?--Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de
+afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend
+driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten
+termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen
+sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard;
+want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren
+viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit
+geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje,
+zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht
+worden? Ja of neen?"
+
+Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: "Wis
+en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs."
+
+"En wij--gij en ik--wij--er zal nu een geheel nieuw leventje
+beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en
+bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe
+veel jaren was ik dus reizende?"
+
+Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: "Als
+ik mij niet vergis zijn het er acht."
+
+"Het zijn er reeds negen, geloof ik," hernam hij met nadruk. "Laat
+eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik--zoo
+oud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst--wat een
+lief fijn dingetje!--en nu de andere!"
+
+Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot
+hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem
+verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: "Men heeft toch aan
+de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn,
+het zijn er hoogstens negen!"
+
+En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch
+de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar
+negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende,
+dat hare vingers betooverd waren. Ja, het spel zou nog lang hebben
+voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de
+zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen
+moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin
+toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: "Ziet
+gij, lief kind, deze kleine hand--gij moogt haar nu terugtrekken als
+ge wilt--deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje,
+en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de
+betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven
+en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander
+scheiden. Eén leven zullen wij leiden--éen leven--de vreugde van
+het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een
+knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!"
+
+Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en
+zeide verlegen en met neergeslagen oogen: "Neen Rustem, ik heb reeds
+gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit
+gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit
+mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!"
+
+"Niet?" vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd
+begonnen de aderen te zwellen. "Hebt gij mij dan vroeger voor den
+gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid..."
+
+Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem
+op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien,
+die niet lang boos konden kijken, en zeide: "Wat vliegt gij dadelijk
+weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden,
+en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar
+het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder
+naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene
+verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons
+beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar...."
+
+"Maar?" vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar
+toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.
+
+"Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen,
+waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet
+beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En
+gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis
+en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles
+wordt anders, geheel anders, wanneer gij eene vrouw als ik ben met
+u medesleept, eene,--al ware het maar alleen eene voormalige slavin!"
+
+"Komt het dus daarop neer?" haastte hij zich te vragen, terwijl
+zijn gelaat weer ophelderde. "Is dat het wat u beangst, gij arm
+zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs
+verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten,
+dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou
+uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten
+waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De
+reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang,
+misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze
+taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt
+het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of
+lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en
+staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds
+op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft
+en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt,
+hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals
+de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt:
+'Wilt gij de mijne zijn?' en als het hart haar dit ingeeft, volgt
+zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten,
+als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en
+Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders;
+zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze
+liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer
+duren dan ons leven.--Nu kent gij de leer van onze meester Masdak,
+dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij
+heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die
+leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij
+het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen
+zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet
+mijn deel elders gaan zoeken. Ik blijf daarom toch Masdakiet [16],
+en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de
+leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u--u gaat
+dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen,
+braven man, wien het geheele land acht; voor wie daar in het oosten
+wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij
+eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de
+minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik
+dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw
+mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou
+het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het,
+hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken."
+
+Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig
+aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de
+plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders
+op en zeide lachende: "Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij
+niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het
+uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet
+gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo--zeg zelf, mijn
+duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels--het zijn
+zulke aardige diertjes--hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve
+die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie
+kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren
+zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt
+gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand
+lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals
+gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er
+nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats
+van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk
+eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?"
+
+Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid
+bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend
+terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid
+miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot
+een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan
+nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk,
+zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch
+met zijn scherts voortgaan, noch verder bij haar aandringen kon, maar
+medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: "Zoo moet ge mij
+niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder
+dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij
+uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief
+meisje!--het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas."
+
+Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met
+betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: "Dat
+heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!".
+
+Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: "Dat heeft ook
+mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven,
+en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en
+ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd
+heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna--en wat zij zegt moet
+wel waar zijn--mij eergisteren zeide dat het met--nu ja, dat weet
+gij wel--dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand
+uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een
+engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon
+van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam
+werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil
+maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten
+zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en
+alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge,
+ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet
+aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil
+geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik
+kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt: 'Dat
+alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.'"
+
+Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid
+zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: "Zoo goed, zoo goddelijk
+goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op
+aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij
+wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog
+eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist
+zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand
+om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud,
+een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat
+er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik
+weder ontwaakte..."
+
+"Nu zijn wij er," zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij
+de oogen afveegde en beproefde te lachen. "Toen lagen wij beide met
+wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis
+altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en
+de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te
+bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed,
+wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven
+nog niet eens, want uw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den
+weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer
+te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen"--en nu ging hij
+nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig
+gelaat bijzonder goed stond--"toen moest ik vragen: heeft dan de
+maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai
+licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken
+was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook
+niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft
+en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een
+hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan
+eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne
+moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en
+weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat;
+en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje
+aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als
+moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij,
+dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad,
+er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!"
+
+"Ja, ja, Rustem, zeker!" zeide zij, hem met dankbare betraande oogen
+in het open gelaat ziende. "Wat er aan liefde en teederheid in mij is,
+dat zult gij, gij alleen hebben."
+
+"Nu," riep hij vroolijk, "dat was een woord! Daar kan men zich aan
+vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten
+landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een
+toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis
+bindt, sta ik nu op."
+
+Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en
+hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag
+van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken
+het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in
+beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen,
+die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte
+onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was
+minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten,
+en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den
+hals van het mannetje.
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Evenmin als het verliefde Perzische paartje, liet de zwarte Wekil
+Obada zich door de hitte van den dag in de uitvoering zijner plannen
+storen. Hij beschouwde het stadhouderlijk paleis als zijn eigendom
+en wat hij daarin vond wekte in hooge mate zijne belangstelling. Het
+was niet enkel hebzucht, die hem aandreef, want in de eerste plaats
+kwam het er op aan bewijsstukken te vinden, die zijn optreden tegen
+Orion en het in beslag nemen van diens bezittingen in Medina konden
+rechtvaardigen. Daar waren groote dingen op het getouw gezet en wanneer
+de samenzwering tegen den Kalief Omar gelukte, dan had hij weinig
+meer te vreezen en durfde hij des te zekerder op de goedkeuring van
+het nieuwe opperhoofd hopen, naarmate de sommen, die hij weldra naar
+Medina kon zenden, in omvang de grootste overtroffen, die zijn heer
+ooit in den schatkist van zijn vaderland had gestort.
+
+Met de nieuwsgierigheid en de begeerlijkheid van een kind doorliep
+hij de eene kamer na de andere, betastte hij alles, onderzocht
+hij de zachtheid der kussens, gluurde hij in schriftrollen, die
+hij niet verstond, wierp hij ze weldra weer weg, rook hij in de
+kamer van de gestorvene aan de reukwaters en artsenijen, waarvan
+zij zich bediend had, knarste hij van genoegen met de tanden,
+toen hij in hare kist kostbare sieraden en gemunt goud vond, stak
+hij den schoonsten diamanten ring aan de reeds overladene vingers,
+en doorzocht hij ten laatste met den grootsten ijver de vertrekken,
+die Orion bewoond had. Zijn tolk, die Grieksch kon lezen, moest
+daarbij ieder geschrift dat gevonden werd overzetten, wanneer het
+geen gedichten bevatte. Onder het luisteren krabde en trok hij met
+geheel onkundige hand aan de snaren van 's jonkmans lier, goot hij
+van den zalfolie, die de fijne jongeheer gebruikte, op zijne hand
+en besmeerde daarmede zijn baard. Voor den blanken, zilveren spiegel
+van Orion trok hij onophoudelijk allerlei gezichten.
+
+Tot zijn verdriet kon hij onder al de grootere en kleinere zaken,
+die hier overal stonden, niets vinden wat grond tot verdenking kon
+geven. Reeds maakte hij zich gereed om heen te gaan, toen hij in
+eene mand bij de schrijftafel eenige weggeworpen schrijftafeltjes
+opmerkte. Terstond wees hij den tolk daarop, en hoe weinig leesbaars
+er ook op het diptychon [17] stond, het was in het oog van den zwarte
+van het hoogste gewicht, want het luidde:
+
+"Orion, zoon van Georg--aan Paula, de dochter van Thomas!"
+
+"Gij hebt reeds vernomen, dat het mij onmogelijk is geworden
+aan de redding der nonnen deel te nemen. Beoordeel mij daarom
+niet verkeerd! Uw goede en maar al te billijke wensch, om uwe
+geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest...."
+
+Van hier af waren de in was gegrifde teekens met opzet uitgewischt,
+en er was bijna geen enkel woord meer te ontcijferen, ja, er volgden
+nog maar zoo weinig regels, dat men moest aannemen, dat deze brief
+nooit voltooid was geworden. En zoo was het inderdaad. Ofschoon
+dit stuk den Wekil niets aan de hand deed, waarmede hij Orion zou
+kunnen belasten, zoo was er toch wel eene beschuldiging aan vast
+te knoopen. Want de dochter van Thomas had zeker deel gehad aan de
+onderneming, die zoovele wakkere muzelmannen het leven had gekost,
+en de zwarte wist door den wisselaars in Fostat, dat zij in nauwe
+betrekking stond tot den zoon van den Mukaukas, en hem het beheer
+over haar vermogen had toevertrouwd. Beiden moesten als verbondenen
+in deze zaak terecht gesteld worden, en Orion werd in elk geval door
+dit schrijven aangewezen als de persoon, die van het plan kennis
+had gedragen.
+
+De bisschop Plotinos van Memphis, op wiens verlangen de vervolgers
+waren uitgezonden, moest aanvullen wat de jonkvrouw mocht
+verzwijgen. Hij was terstond, na het plan tot ontvoering te hebben
+aangegeven, den patriarch achterna gereisd en eerst gisteren ochtend
+uit Opper-Egypte teruggekeerd. Hier te Memphis had hij den Wekil twee
+aanklachten van den kerkvorst tegen Orion doen toekomen; de eene betrof
+de vlucht der nonnen, de andere het achterhouden van een kostbaren
+smaragd, die de kerk toekwam. Beide beschuldigingen hadden Obada den
+moed gegeven, om beslag te leggen op de bezittingen van den jonkman,
+daar de bittere vorm van de aanklacht des patriarchs hem deed inzien,
+dat hij in Benjamin een bondgenoot bezat. Paula moest dus gevangen
+genomen worden en hij twijfelde niet of hare verklaringen zouden Orion
+op eene of andere wijze bezwaren. Het liefst zou hij haar dadelijk
+verhoord hebben, maar hij had heden nog andere dingen te doen.
+
+Het onderzoek van het rentmeesterskantoor nam den meesten tijd in
+beslag. Dit werd aangevangen onder leiding van Nilus, die daarvan
+aan het hoofd stond. Alles wat de beambte, als bewijzen van erfenis
+en eigendom, als koop- en pachtcontracten, kadasters en dergelijke
+aanwees, alsmede de groote voorhandene sommen in goud en zilver
+werden terstond op ossenwagens en op kameelen geladen en onder
+veilig geleide over den stroom gebracht. De akten en documenten uit
+vroeger tijd, het familie-archief en wat daarmede samenhing liet de
+zwarte daarentegen onaangeroerd. Hij was zeker een onvermoeid man,
+want ofschoon hij met dit werk den ganschen dag bezig was, gunde hij
+zich geene verademing, ja hij liet zich niet eens eene bete broods
+of een verfrisschenden dronk brengen. Hoe later het werd op den dag,
+des te meer vroeg hij naar den bisschop, en telkens op ongeduldiger
+en boozer toon. Hij had zich tot den patriarch moeten begeven, maar
+waar bleef Plotinos? Gevoelig als alle lieden, die van niets tot
+iets zijn geworden, beschouwde hij diens uitblijven als eene daad
+van persoonlijke minachting.
+
+Doch de herder der gemeente van Memphis was geen hoogmoedig prelaat,
+maar een bescheiden, vroom man. Zijn opperhoofd, de patriarch, had hem
+in Opper-Egypte gewichtige boodschappen toevertrouwd aan den veldheer
+Amr of diens plaatsvervanger, en toch liet hij den Wekil tevergeefs op
+zich wachten, en zond hem ook geen boodschap. Zijne oude huishoudster
+zond in den namiddag echter den akoluth [18], die hem persoonlijk
+diende, naar Philippus. Haar anders zoo sterke en wakkere heer had
+zich gisteren, terwijl het nog helderen dag was, naar bed begeven en
+was niet weder opgestaan. Zijn lichaam gloeide, hij had een hevige
+dorst en scheen niet recht te weten waar hij zich bevond en wat hem
+omgaf. Plotinos had altijd beweerd, dat het gebed de beste medicijn
+was voor den christen; toen echter zijn arm lichaam zoo schrikkelijk
+heet was geworden, had de huishoudster den arts ontboden, doch de bode
+was met het bericht teruggekomen, dat Philippus op reis was gegaan.
+
+En zoo was het inderdaad: een brief van den ouden Haschim had
+hem genoopt Memphis te verlaten. De zoon van den koopman, wien het
+ongeluk had getroffen, werd maar niet beter. Het scheen dat inwendige
+deelen van het lichaam waren aangedaan, en dat zijn leven in gevaar
+verkeerde. De beangstigde vader bezwoer met vurige gebeden den arts,
+in wiens bekwaamheden hij het grootste vertrouwen had leeren stellen,
+naar Dschidda te komen, den kranke te onderzoeken en zijne genezing te
+beproeven. Bovendien liet hij den karavaanaanvoerder Rustem verzoeken
+weder tot hem te komen, zoodra zijne gezondheid het veroorloofde.
+
+Dit schrijven, dat met een groet aan Paula sloot, wier vader hij met
+allen ijver liet opsporen, had Philippus diep geschokt. Hoe kon hij
+in dezen tijd van pest en ellende Memphis verlaten? En vrouw Johanna
+en hare dochter? Van den anderen kant wilde hij om Paula's wil weg,
+ver van hier weg; en hoe gaarne zou hij alles beproeven om den zoon
+van dien wakkeren grijsaard te behouden! Desniettemin zou hij gebleven
+zijn, wanneer zijn oude vriend zich niet zeer onverwacht aan de zijde
+van Haschim gesteld en hem bezworen had de reis te ondernemen. Het
+was zijn plicht en ook zijn verlangen voor de vrouwen in het huis van
+Rufinus te waken. Philippus' helper kon bij vele kranken zijne plaats
+vervangen en de anderen zouden ook zonder hem wel sterven, daar hij
+toch zelf verzekerd had, dat er geen deugdelijk middel tegen de pest
+bestond. Bovendien had Philippus nog de overtuiging uitgesproken, dat
+hij de verloren rust in Paula's nabijheid niet weer kon vinden. Nu bood
+zich de gelegenheid aan, om op eene niet in het oog loopende wijze op
+de vlucht te gaan, en tegelijk een degelijk werk der barmhartigheid
+te verrichten. Philippus had zich laten gezeggen en was weinige uren
+later met zeer gemengde aandoeningen op reis gegaan.
+
+De oude Horus Appollon deed al zeer weinig, om het zichzelven
+gemakkelijk te maken, doch in éen opzicht zorgde hij goed voor zijn
+persoon. Het loopen viel hem zwaar, en daar hij in de avondschemering
+gaarne de vrije lucht inademde en later nu en dan de sterrewacht
+bezocht, hield hij er voor zich een ezel op na, een best exemplaar van
+het edelst ras. Hij ontzag zich niet voor zulk een beest een hoogen
+prijs te betalen, als het maar in alle opzichten aan zijne wenschen
+voldeed, dat wilde zeggen sterk, niet nukkig, volgzaam en licht van
+kleur was. Zijn vader en grootvader, de Isispriesters, hadden steeds op
+witte ezels gereden, en daarom deed hij het ook. In de laatste heete
+weken was hij zelden buiten gekomen en ook heden wachtte hij het uur
+van zonsondergang af, om zijne belofte te houden. In sneeuwwit linnen
+gekleed, met nieuwe sandalen aan de voeten, frisch geschoren, op de
+wijze der vaderen door eene net geordende, lange pruik alsmede door
+een scherm voor de brandende stralen der ondergaande zon beschut,
+besteeg hij, overtuigd dat hij voor den uiterlijken mensch al het
+mogelijke gedaan had, den fraaien, witten ezel, en zijn Ethiopiër
+draafde te voet achter hem aan.
+
+Het was nog helder toen hij voor het huis van Rufinus stil hield. Zoo
+gejaagd had zijn oud hart in lang niet geklopt. "'t Is of ik eene bruid
+ga zoeken," zeide hij tot zichzelven met fijnen spot. Nu, het geldt dan
+ook een verbond te sluiten voor het nog overige deel des levens. "Men
+moest," verweet hij zich, "althans de nieuwsgierigheid met de haren en
+tanden verliezen!" Maar zij was nog voorhanden, en hij kon zich niet
+verheelen, dat hij in spanning was over het uiterlijk van de vrouw,
+die hij haatte zonder haar ooit gezien te hebben, omdat zij de dochter
+was van een prefect en patriciër en zijn Philippus ongelukkig maakte.
+
+Terwijl hij afsteeg geleidde een jong, sierlijk gekleed meisje eene
+oudere vrouw in kostbare, maar eenvoudige kleedij in den tuin. Dat
+moest het kwikstaartje en Orions Byzantijnsche vriendin zijn. Dat
+trof slecht, zooveel vrouwen tegelijk! Hare tegenwoordigheid kon den
+eenzamen onderzoeker, die het verkeer met vrouwen ontwend was, maar
+hinderen en zijn plannen verstoren. Doch wat kon hij er aan doen? Die
+bezoeksters zagen er bovendien zoo kwaad niet uit. Het kwikstaartje was
+een allersnoezigst, klein meisje, ook zonder hare millioenen veel te
+goed voor den onzinnigen stadhouderszoon. De matrone had een innemend,
+goed gezicht, juist zooals Philippus het beschreven had. Doch, en
+dit bedierf alles, in dit gezelschap kon hij niet spreken over den
+dood van den armen Rufinus en dus ook niet over hetgeen hij voor had,
+en zoo had hij dus voor niets, geheel voor niets zooveel stof geslikt
+en zooveel hitte verdragen. Morgen moest dit alles tot zijne ergernis
+voor de tweedemaal genoten worden!
+
+De eersten, die hij ontmoette was een aardig jong paartje: de Masdakiet
+en Mandane. Hij behoefde niet te vragen, zij moesten het zijn, hij
+ging dus naar hen toe, deelde Rustem den wensch zijns meesters mede
+en bood hem in Philippus naam aan, hem het reisgeld voor te schieten;
+doch de karavaanaanvoerder sloeg op zijne mouw, waarin een aardig
+sommetje aan goudstukken geborgen was, en zeide vroolijk: "Alles reeds
+voorhanden, ook voor twee reizigers naar het oosten!--Mijne bruid,
+met uw welnemen!--De tijd is gekomen, mijn duifje, wij moeten weg,
+op reis naar het vaderland!"
+
+De groote jonkman zeide dat met zijne basstem zoo gelukkig, zoo
+uitgelaten vroolijk, en het schoone meisje zag daarbij zoo blijmoedig,
+zoo verliefd, zoo innig dankbaar naar hem op, dat de grijsaard
+zelf recht vergenoegd gestemd werd. Hij die in elk verschijnsel
+een voorteeken zag, hield deze ontmoeting voor een goed "omen" bij
+zijne intrede in dit huis, dat misschien, zijn tehuis zou worden. En
+even gelukkig als zijn bezoek begonnen was, ging het nu verder,
+want de weduwe van Rufinus en hare dochter ontvingen hem uiterst
+vriendelijk. Pulcheria haalde dadelijk vaders leuningstoel voor hem
+naar voren en schoof hem een kussen in den rug. Dat alles ging zoo
+stil, zoo natuurlijk, zoo hartelijk in zijn werk, dat het zijn oud
+gemoed verkwikte, en hij erkennen moest, dat een mensch bijna te veel
+goeds genoot, wanneer hem dagelijks en uur aan uur zulke verrassingen
+werden aangeboden.
+
+Hij zeide tot het meisje een vriendelijk, schertsend woordje
+over hare goede zorg, en de matrone uit Konstantinopel vatte die
+scherts dadelijk op. Zij had hem op zijn fraaien ezel zien zitten,
+roemde het dier en wilde niet gelooven, dat hij zelf al boven de
+tachtig was. Zijne mededeeling dat Philippus op reis was gegaan,
+vernamen allen met leedwezen; hem deed het genoegen waar te nemen,
+dat Pulcheria bij dit bericht niet weinig verschrikte en zich daarop
+verlegen terugtrok. Wat had dat meisje een lief, onschuldig, goed en
+daarbij bevallig gezicht! Dat zou, dat moest zijn dochtertje worden,
+en midden in het gesprek met anderen, onder de kleine aardigheden van
+Katharina en de vriendelijke vragen van de matrone en vrouw Johanna,
+zag hij in zijne verbeelding zijn Philippus en dat lieve schepseltje
+als man en vrouw, en bij en met hen aardige kleine kindertjes, die
+rondom hem speelden. Hij was gekomen, om te troosten en te beklagen,
+en nu viel hem hier zulk een vroolijke ure ten deel als hij in lang
+niet had genoten.
+
+Hij was met de anderen in het viridarium ontvangen, dat thans door
+verschillende lampen werd verlicht, en van tijd tot tijd keek hij
+naar de deuren, die op deze middenruimte van het huis uitkwamen, en
+maakte daarbij voor zichzelven een plan ten aanzien van de bestemming,
+die verschillende vertrekken later zouden ontvangen. Daar hoorde hij
+achter zich zachte voetstappen; de matrone stond op, het kwikstaartje
+snelde de binnentredende te gemoet en terstond daarop verscheen,
+zoodat ook hij haar zag, de hooge gestalte eener in rouwgewaad
+gekleede jonkvrouw. Met deftige waardigheid begroette zij de matrone,
+wisselde met Pulcheria en vrouw Johanna een blik van hartelijke
+en medelijdende verstandhouding, en toen deze laatste haar den naam
+noemde van den grijsaard, ging zij naar hem toe en reikte hem de hand,
+eene marmerblanke, koude, slanke echte patriciërshand.
+
+Ja, schoon, buitengewoon schoon was deze vrouw! Eene dergelijke
+herinnerde hij zich nauwelijks ooit gezien te hebben. Waarlijk
+een onberispelijk meesterstuk des scheppers, eene verschijning, om
+als een ongenaakbare godin de aanbidding te vragen van gehoorzame
+vereerders; maar op de zijne behoefde zij niet te rekenen, want in
+deze marmeren trekken, wier bleekheid het zwarte gewaad nog beter deed
+uitkomen, lag niets wat hem aantrok. Uit deze trotsche oogen kwam geen
+verwarmend licht te voorschijn, onder dezen schoon gewelfden boezem
+kon geen vriendelijk, liefhebbend hart kloppen. Bij haar handdruk
+had hij gerild en hare verschijning scheen hem eene verlammende en
+verkleumende uitwerking te hebben op alle aanwezigen.
+
+Inderdaad vergiste hij zich hierin niet. Men had Paula geroepen,
+om de senatorsvrouw en Katharina te begroeten. De laatste, dacht
+zij, was alleen uit nieuwsgierigheid gekomen, en al wat Heliodora
+betrof, stootte haar reeds dadelijk af. Zij had haar vertrouwen
+in het kwikstaartje verloren, want eergisteren was de akoluth,
+die in persoonlijken dienst stond bij den bisschop van Memphis,
+en wiens kind Rufinus van een voeteuvel had hersteld, bij vrouw
+Johanna geweest, om haar voor Katharina te waarschuwen, die zijn
+meester voor een paar weken een gewichtig geheim had verraden, dat
+betrekking had op haar echtgenoot, en Plotinos aanleiding had gegeven,
+om terstond naar Fostat te gaan. Het viel wel hard eene "vriendin" van
+zoo iets te verdenken, maar zij alleen, die gelijk zijzelve erkende,
+zoo gaarne in den aangrenzenden hof beluisterde wat in dezen tuin
+gesproken werd en geene andere kon den bisschop hebben geopenbaard,
+welk plan er voor de nonnen beraamd werd. De stellige mededeelingen van
+den akoluth lieten geen twijfel over. Paula's ziel was niet geneigd,
+om kwaad van den naaste te denken, doch onder zulke omstandigheden
+kon hare openhartige, voor geene onwaarheid vatbare natuur het niet
+over zich verkrijgen de kleine anders dan koel te bejegenen, en hoe
+meer Katharina zich met teederheid aan Paula zocht op te dringen,
+des te kouder wees Paula haar af.
+
+De grijsaard zag dit alles en de wijze waarop de Damasceensche
+zich hier voordeed, hield hij voor haar aard en haar eigenaardig
+karakter. Hij zag in haar den hoogmoed van den patriciër, de
+zelfzuchtige ongevoeligheid en de krenkende teugellooze trots van
+die gehate kliek, die zich alles laat voorstaan op den adeldom
+der geboorte, als belichaamd, als in vleesch en bloed voor zich
+staan. Gelijk de geheele soort, zoo verachtte hij dit toonbeeld ervan;
+en zijne boosheid vertiendubbelde, als hij bedacht wat deze koude
+sirene den zoon naar zijn hart had doen lijden, wat zij hem zelf nog
+aandoen kon, wanneer zijn lievelingsplan door haar onuitvoerbaar
+werd. Liever ware hij in zijne laatste dagen eenzaam en zelfs van
+Philippus gescheiden gebleven, dan dat hij met die vrouw tafel,
+huis en leven had gedeeld, zij die daar weder de hartelijke gemeende
+liefkoozingen dier aardige, kinderlijk onschuldige, kleine Katharina
+met hinderlijke, ijskoude zelfverheffing afwees. Bij het zien van die
+vrouw zouden de beten hem bij den maaltijd in de keel blijven steken;
+zelfs het hooren van den voornamen toon harer stem in een aangrenzend
+vertrek, zou hem den lust tot den arbeid benemen, de druk van hare
+koele hand bij den nachtgroet hem den slaap bederven.
+
+Ook thans werd hare tegenwoordigheid hem ondragelijk, zij was hem eene
+uitdaging, eene beleediging, en had hij vroeger den wensch gekoesterd
+haar uit de nabijheid van zich en zijn lieveling te verwijderen, of
+als het zijn moest met geweld te werpen, die begeerte beheerschte hem
+nu geheel en al. Verstoord en spijtig nam hij van de vrouwen afscheid,
+maar Paula verwaardigde hij opzettelijk niet met een blik, toen zij,
+nadat hij was opgestaan, naar hem toeging om een vriendelijk woord
+tot hem te spreken en hem te toonen, hoe hoog zij zijn pleegzoon
+vereerde. Pulcheria begeleidde hem naar den tuin en hij beloofde
+haar morgen of overmorgen weder te komen, doch dan moest zij zorgen,
+dat hij haar met hare moeder alleen vond; want hij had geen lust,
+om zich dien hoogmoed en eigenwaan der Damasceensche ten tweedemale
+"onder den neus wrijven" te laten. Pulcherias poging, om hare vriendin
+te verdedigen, wees hij verdrietig af en met verwenschingen op zijne
+oude lippen draafde hij naar huis.
+
+Intusschen was vrouw Martina op hare vertrouwelijke, gemoedelijke
+manier Paula genaderd. Zij had vroeger eens hare ouders te
+Konstantinopel ontmoet en wist met hartelijke warmte over dezen te
+praten. Dat brak dan ook bij de jonkvrouw het ijs, en toen vrouw
+Martina met waardeering en deelneming gewaagde van Orion, haren
+"grooten Sesostris", en hoe hij te Konstantinopel algemeen geacht
+en bemind werd, en welke ongelukken hem sedert hadden getroffen,
+gevoelde zij zich tot de oudere vrouw zoo zeer getrokken, dat zij
+elke achterhoudendheid liet varen, zoodat het gesprek tusschen deze
+nieuwe kennissen steeds levendiger, inniger en vriendschappelijker
+werd. Bij het opbreken gevoelden beiden, dat zij door verder verkeer
+met elkander slechts winnen konden.--Toen Paula bij het afscheid werd
+weggeroepen, verliet zij het viridarium met deze warme woorden, die
+alleen tot vrouw Martina gericht waren: "Tot wederziens; doch aan mij,
+de jongere voegt het natuurlijk, u op te zoeken!"
+
+"Welk een meisje!" zeide de matrone, na haar vertrek. "Waarlijk,
+zij is de waardige dochter van een voortreffelijken vader! En hare
+moeder? O vrouw Johanna, een lieflijker wezen is deze ellendige aarde
+zelden tot sieraad geweest. Helaas, zij moest zoo vroeg heengaan; zij
+was maar bestemd om eene wijle te bloeien!" Vervolgens wendde zij zich
+tot Katharina en vervolgde, haar vriendelijk dreigende: "Hoe valsch
+heeft uw boos tongetje mij toch dit meisje beschreven! Men spreekt
+wel eens van zilveren kernen in gouden schaal, maar bij deze zijn
+beide van goud. Ik ken mijne menschen! En gij, gij beiden... hemelsche
+Vader... ik weet al, wat u arm katje, de oogen beneveld heeft. Zooals
+ieder wenscht te zien, zoo ziet het er ten slotte uit. Ik wed, vrouw
+Johanna, dat gij mijne zienswijze deelt, namelijk, dat deze Paula een
+door en door edel schepsel is, ja een 'edel'! Dat is een hoogdravend
+woord, en lieve God, hoe zelden kan men het gebruiken! Het ligt mij
+anders ook niet op de lippen, maar voor die jonkvrouw weet ik geen
+ander, en voor haar schaadt het niet!"
+
+"Zeker niet!" antwoordde zij, tot wie de vraag gericht werd, uit volle
+overtuiging; doch vrouw Martina slaakte een stillen zucht en dacht:
+"Arme Heliodora! Ronduit gezegd: mijn 'groote Sesostris' en Paula,
+dat zou eerst recht een paar zijn. Doch, om Godswil, wat moet men
+dan met dat arme, verliefde, ongelukkige wijfje beginnen?!"
+
+Dat vloog haar opeens door het brein, terwijl Katharina zich trachtte
+te rechtvaardigen en betuigde, dat zij Paula's groote eigenschappen
+wel erkende, maar dat deze zoo trotsch kon zijn, zoo vreeselijk
+trotsch! Zij had zoo straks vrouw Martina zelve daarvan een proefje
+te smaken gegeven.
+
+Pulcheria viel haar in de rede, om met nadruk de partij van hare
+vriendin op te nemen. Doch zij kwam niet ver, want in de voorzaal
+verhieven zich luide mannenstemmen, en plotseling stormde de voedster
+Perpetua naar binnen en riep met den schrik op het gelaat, zonder
+op de vreemde bezoeksters acht te geven: "O, o vrouw Johanna! Dit
+nieuwe, ontzettende ongeluk! Daar zijn die Arabische duivels
+teruggekomen, en met hen de tolk en een schrijver.--Men heeft ze
+gezonden--barmhartige Heiland, hoe is het mogelijk?--en zij brengen
+een bevel tot gevangenneming; en mijn arm kind moet met hen mede, mede
+naar de gevangenis, de gansche stad door te voet naar de gevangenis!"
+
+Snikkende sloeg de trouwe, oude vrouw de handen voor het gelaat,
+en een vreeselijke schrik maakte zich van allen meester.
+
+Vrouw Johanna verliet zwijgende en bleek het viridarium en de matrone
+riep: "Een allerverschrikkelijkst, een ellendig land! Mijn God, thans
+vergrijpen zij zich zelfs aan de vrouwen.... Kinderen, kinderen--geef
+mij een stoel! Ik word zoo wee!--In de gevangenis! Dit heerlijke,
+eenige schepsel over de straat gesleept, naar de gevangenis! Wanneer
+het bevel tot inhechtenisneming er is, dan--dan moet zij in den kerker,
+daarvoor kan geen engel haar bewaren. Maar deze edele, wonderschoone
+jonkvrouw door de stad te laten slepen, als ware zij eene erbarmelijke
+dievegge, dat, neen, dat is niet te dulden! Wat de eene vrouw voor de
+andere doen kan, dat ten minste mag niet verzuimd worden, zoolang ik
+nog hier ben en op mijne twee beenen sta! Katharina, kind, begrijpt
+ge dan niet? Wat staat ge daar nog en gaapt mij aan, als ware ik een
+gevederde aap? Waartoe vreten uwe dikke paarden de haver! Nu, begrijpt
+gij het nog niet? Dadelijk, dadelijk vliegt gij naar de overzij,
+en laat den grooten, gesloten wagen, waarin men mij afgehaald heeft,
+inspannen en den tuin binnen rijden!--Thans gaat haar eindelijk een
+licht op! En nu de voeten en armen gerept!"
+
+Daarop klapte zij in de handen, als wilde zij kippen van een tuinbed
+jagen, en het kwikstaartje moest volgen. Vervolgens tastte zij
+naar haar buidel en toen zij dien vond, zeide zij geruststellend:
+"Goddank! Thans kan ik met die ongeloovige schurken praten! Deze
+taal"--en daarbij liet zij de goudstukken rammelen,--"verstaan zij
+allen! Kom, vrouwtje, waar schuilen die rekels?"
+
+De wereldtaal van de matrone deed de gewenschte uitwerking, want de
+aanvoerder der veiligheidswacht liet zich met behulp van den tolk
+overhalen, om Paula in een wagen naar de gevangenis te brengen,
+beloofde haar aldaar een goed verblijf te bezorgen, en vergunde de
+oude Betta, die met heete tranen er op stond, de gevangene in den
+kerker te volgen.
+
+Bij deze ontzettende verrassing behield Paula hare tegenwoordigheid
+van geest en hare waardigheid. Eerst toen het er op aan kwam, om
+afscheid te nemen van Pulcheria en Maria, die als radeloos zich aan
+haar vastklemde en haar met Betta in den kerker begeerde te volgen,
+kon zij hare tranen niet weerhouden. De schrijver had haar medegedeeld,
+dat zij door den bisschop Plotinos was aangeklaagd; de redding en de
+vlucht der nonnen te werk gesteld te hebben, en vrouw Johanna voelde
+hoe hare knieën knikten, toen Paula haar zacht in het oor blies:
+"Neem u in acht voor Katharina! Zij alleen kan ons hebben verraden,
+doch ook wanneer zij heeft aangegeven, wat Rufinus voor de zusters
+heeft gedaan, dan moeten wij het loochenen, stellig en zeker. Vrees
+niets! Van mij zullen zij niet het geringste te weten komen."
+
+Een oogenblik daarna zeide zij met luider stem: "Ik behoef u niet te
+bidden mij in liefde te blijven gedenken. Heb dank, beiden, vurigen,
+onuitsprekelijken dank voor alles..... Gij Pul"--en daarbij omarmde
+zij moeder en dochter te gelijk, terwijl Maria vast aan haar geklemd
+bleef en het hoofdje in haar kleed verborg, onder bitter schreien--"Gij
+Pul, en gij vrouw Johanna, gij hebt eene arme verlatene tot de uwe en
+gelukkig gemaakt, totdat het lot ons allen te zamen.... Gij weet het,
+ach, gij weet het!--En wat gij mij geschonken hebt, schenk dat verder
+mijne Maria! En nu nog een ding!--Ach, daar roept de tolk wederom;
+nog een enkel oogenblik geduld!--Wanneer de bode terugkomt en bericht
+brengt van mijn vader, of--God, als het eens waar was!--hem zelven,
+laat het mij dan weten, of--genadige hemel!--breng hem tot mij! En
+ben ik er niet meer als hij komt, zeg hem dan, dat het de vurigste
+wensch mijns levens is geweest hem terug te vinden, hem weder te
+zien. En dan"--deze woorden fluisterde zij vrouw Johanna weder zacht
+in het oor--"smeek mijn vader, dat hij Orion lief hebbe als zijn eigen
+zoon. En zeg aan beiden, dat ik hen heb liefgehad tot mijn einde, zoo
+vurig, zoo onuitsprekelijk en innig."--Daarna zeide zij weder overluid,
+terwijl zij ieder afzonderlijk de oogen en de lippen kuste:--"Ik heb
+u lief en zal u blijven liefhebben, u, vrouw Johanna, u, mijne Pul,
+en u Maria, mijn eenig hartediefje!"
+
+Daar vloog ook het kwikstaartje met geopende armen naar haar toe, maar
+vrouw Johanna wees haar met een veel beteekenend handgebaar terug,
+en de innig vereenigden klemden zich voor het laatst nog eens zoo
+vast aan elkander, als waren zij een en mocht niets vreemds, niets
+dat hunne vrede verstoren kon, hen naderen. Toch beproefde Katharina
+nog eens bij Paula te komen; doch vrouw Martina, wier vochtige oogen
+aan de vier afscheidnemenden hing, hield haar bij den schouder vast
+en duwde haar toe: "Stoor haar niet, meisje! Zulke harten trekken
+vanzelf tot zich, waarnaar zij verlangen. Ik oude vrouw zou wel waard
+willen zijn, dat zij mij riepen!"
+
+Nu vermaande de tolk met alle gestrengheid om te scheiden; de drie
+vrouwen lieten elkander los, doch het kind hield Paula stevig vast,
+ook toen zij tot de matrone ging, en deze uit vrije beweging omarmde.
+
+Vrouw Martina nam het hoofd der jonkvrouw tusschen hare handen,
+kuste haar innig en zeide, hoewel zij nauwelijks spreken kon: "God
+bescherme en behoede u, mijn kind! Hem dank ik, dat hij mij u deed
+ontmoeten! Zoo onschuldig en rein van hart als gij zijt blijft men
+niet in de residentie, doch als vrienden van onze vrienden houden
+wij voet bij stuk, tenminste ik en mijn senator! Als God er mij
+toe in staat stelt, dan zult gij het ondervinden, Gij behoeft niet
+alleen te staan in de wereld, zoolang Justinus en zijne vrouw er nog
+zijn. Onthoud dat mijn kind, want het is ernstig en eerlijk gemeend."
+
+Hierop kuste zij Paula nog eens, en toen deze naar buiten ging, om den
+wagen te bestijgen, en zij ook de Griekin Eudoxia en Mandane, die zich
+bescheiden en in stilte schreiende op den achtergrond hadden gehouden,
+een afscheidskus had gegeven, en eindelijk ook den gebochelden tuinman
+en den Masdakiet, wien de tranen langs de wangen biggelden, de hand
+gereikt had, trad Katharina haar gejaagd en diep beleedigd in den
+weg, klemde zich aan haar arm vast en zeide dringend: "En voor mij,
+hebt gij dan niets voor mij?"
+
+Paula wrong zich uit hare handen los en fluisterde haar toe: "Dank voor
+den wagen! Gij weet het, die brengt mij naar den kerker, en ik vrees
+dat uw verraad mij daarheen voert. Vergis ik mij, vergeef het mij dan,
+zoo niet, dan zal uwe straf zeker niet lichter zijn dan het lot dat
+mij wacht. Gij zijt nog jong, Katharina, tracht beter te worden."
+
+Daarop besteeg zij met de oude Betta den wagen, en zag alleen nog,
+hoe Maria snikkende vrouw Johanna in de armen viel.
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De weduwe Susanna was der Damasceensche nooit genegen geweest, doch wat
+haar nu getroffen had verschrikte haar en wekte haar medelijden. Men
+moest onderzoeken, of het niet geoorloofd was, haar in plaats van den
+kost der gevangenen beter voedsel in den kerker te doen toekomen. Dat
+was christenplicht. En hare dochter scheen het ongeluk der vriendin
+mede zeer ter harte te gaan, want toen zij met vrouw Martina terugkwam
+zag zij er zoo verslagen en verward uit, dat het vreemden zeker niet
+zou zijn ingevallen haar met een vroolijk vogeltje te vergelijken.
+
+Wederom had een giftige pijl haar getroffen. Tot dusverre was zij
+slecht geweest voor zichzelve alleen, thans was zij het ook in de
+overtuiging van een ander. Paula wist, dat zij haar verraden had. De
+verraadster had een verrader gevonden. De gehate jonkvrouw had het
+recht haar voor boos en valsch te houden, en dat maakte deze nog meer
+gehaat in haar oog. Waar had men haar tot hiertoe niet vriendelijk
+begroet en liefderijk ontvangen, en hoe was zij heden afgewezen,
+niet slechts door Paula, maar ook door vrouw Martina, die iets moest
+bespeurd hebben. Zij kon het niet verdragen, dat deze haar straks
+zoo ruw had tegengehouden.
+
+De oude bisschop was de schuld van alles, want hij was zijne belofte
+ontrouw geworden, dat hij haar verraad zoo geheim zou houden als
+eene biecht. Ja, hij moest zijn woord gebroken hebben, want er was
+niemand buiten hen die er iets van wist. Misschien had hij ook aan
+de Arabieren haar naam genoemd, en dan moest zij getuigen voor het
+gerecht, en in welk licht zou zij dan voor Orion staan, en voor hare
+moeder, vrouw Johanna en Martina?--De oude Rufinus, dat had zij wel
+begrepen was bij de onderneming omgekomen, en dat deed haar leed. De
+buren hadden haar altijd vriendschap bewezen en zij wilde niet gaarne
+iemand ongelukkig maken. Als zij voor het gerecht alles bekennen moest,
+dan kon het met haar ook kwaad afloopen, en zij wenschte niemand
+kwaad toe behalve die eene, die haar de liefde van Orion had ontstolen.
+
+Ja, dat getuigenis voor het gerecht, dat was het ergste, dat
+moest vermeden worden tot elken prijs. Waar was toch de bisschop
+Plotinos? Hij was reeds gisteren teruggekeerd en nog niet bij hare
+moeder geweest, die hij anders dagelijks bezocht. Ook achter dat
+uitblijven vermoedde zij eenig onheil. Het was van het grootste
+belang den ouden heer zoo mogelijk spoedig aan zijne belofte te
+herinneren, want als hij morgen vroeg bij het verhoor, dat hij zeker
+moest bijwonen, haar naam noemde, dan kwamen de wachters, de tolk
+en de schrijver ook in haar huis, en dan--brrr--zij had reeds eens
+getuigenis moeten afleggen, en wat daarop gevolgd was, wilde zij niet
+voor de tweede maal beleven.
+
+Maar hoe kon zij heden, of althans morgen zoo vroeg mogelijk
+bij den bisschop komen? De wagen was nog onderweg, en wanneer
+zij.... Het was nog twee uren vóor middernacht... Ja, zoo moest
+het gaan! Onverwijld begon zij met hare moeder over het uitblijven
+van den prelaat te spreken. Ook vrouw Susanna toonde zich daarover
+bezorgd, vooral daar zij gehoord had, dat de oude heer ongesteld van
+de reis was teruggekeerd, zoodat zijne dienaars hadden rondgeloopen,
+om een arts te zoeken. Katharina bood zich nu terstond aan, om naar
+hem toe te rijden. De wagen was ingespannen, de voedster kon haar
+vergezellen. Zij moest naar den waardigen vriend, om te vernemen hoe
+het hem ging. Vrouw Susanna vond dat alles heel lief, doch zij meende
+dat het te laat was voor zulk een bezoek; daar echter hare lieveling
+eens gezegd had "ik moet," was deze zaak reeds uitgemaakt. Vrouw
+Susanna streek dus de vlag, de voedster werd geroepen en zoodra de
+wagen voorkwam vloog Katharina hare moeder om den hals en beloofde
+haar, zich niet lang te zullen ophouden. Kort hierop hield de wagen
+stil voor het bisschoppelijk paleis. Daar gebood zij de voedster op
+haar te wachten en betrad alleen het groote, uitgestrekte gebouw.
+
+In de ruime voorzaal, die door een klein lampje verlicht werd, was
+alles stil en ledig; zelfs de deurwachters moesten zijn uitgegaan. Doch
+zij wist hier goed de weg en kwam door het impluvium in de boekerij,
+waar de bisschop anders op dit uur zich pleegde op te houden. Doch
+het was er donker en niemand beantwoordde haar zacht geroep. In het
+volgende vertrek, waarheen zij verlegen rondtastende den weg vond, lag
+een slaaf voor een groote wijnkruik bij een handlampje te snurken. Dat
+gezicht stelde haar eenigermate gerust. Het hier op volgend vertrek
+was de slaapkamer van Plotinos, die zij nog nimmer had betreden. Door
+de geopende deur schemerde een mat licht en vernam zij het geluid
+van een pijnlijk kreunen en ademhalen.
+
+Zij riep de huishoudster een en andermaal bij den naam, maar kreeg
+geen antwoord. Ook de slaaf achter de wijnkruik verroerde zich niet,
+wel hoorde zij eene haar welbekende stem, die uit het slaapvertrek,
+meer hijgende dan sprekende, vroeg: "Wie is daar? Komt hij? Hebt gij
+hem eindelijk?"
+
+Het geheele dienstpersoneel van den bisschop was uit vrees voor
+de ziekte weggeloopen, zoo ook de akoluth, die vrouw en kinderen
+had. De huishoudster had haar meester moeten verlaten, om den arts,
+die er reeds eenmaal geweest was, opnieuw te gaan zoeken. De laatste
+achtergebleven slaaf, een trouwe, goedhartige lichtzinnige drinker,
+zou intusschen voor de verpleging zorgen, doch hij had voor zich een
+wijnkruik uit de onbewaakte voorraadkamer gehaald, deze snel geledigd
+en was daarop, door dronkenschap en de drukkende zwoelte van den nacht,
+overmand ingeslapen.
+
+Katharina liet dadelijk blijken wie zij was en hoorde zich op
+vriendelijke wijze begroeten met de woorden: "O, gij, gij, mijne
+kleine!" die echter met moeite werden uitgesproken.
+
+Zij greep nu het handlicht en ging daarmede naar den kranke toe. Deze
+had haar de magere armen ter verwelkoming toegestoken, doch toen
+tegelijk met haar ook het licht zijn bed naderde, sloeg hij de handen
+voor de lichtschuwe oogen en zeide angstig en pijnlijk: "Neen, neen,
+dat doet zeer; weg met die lamp!"
+
+Katharina plaatste haar op eene lage kist achter het hoofdeinde van
+het bed, kwam met ledige handen nader bij den lijder, bracht hem de
+groeten van hare moeder over en vroeg hem, hoe het hem ging en waarom
+hij zoo alleen was. Hij gaf haar echter onduidelijke antwoorden,
+die met moeite werden uitgebracht, en bad haar dichter bij te komen,
+daar hij haar niet duidelijk verstond. Het ging hem slecht, hij zou
+wel sterven. Het was lief van haar dat zij kwam, zij was altijd
+zijne lievelinge geweest, zijne kleine, vrome Katharina. "En gij
+gevoeldet u zeker hier heen getrokken, mijn kind," zoo besloot hij,
+"om nog een zegen van den ouden man te halen. Van heeler harte zult
+gij dien hebben."
+
+Hierop stak hij haar vriendelijk de hand toe, en zij volgde
+een innerlijken drang des harten en knielde ontroerd voor zijne
+legerstede neer. Hij legde haar de rechterhand op het hoofd en
+prevelde zegenende woorden. Maar zij hoorde hem ternauwernood, want
+zijne hand scheen zwaar als lood, hare koortsgloed deed haar pijn
+en maakte haar vreeselijk beangst. Het smartte haar oprecht hem, den
+ouden, trouwen vriend harer kindsheid, zoo te zien lijden, wellicht
+sterven. Intusschen vergat zij niet wat haar hierheen had gevoerd;
+maar hoe durfde zij hem bij zijn liefdewerk storen? Hij zegende haar,
+dat was zoo vriendelijk, doch het geprevel nam maar geen einde en de
+last van de gloeiende hand op haar hoofd werd zwaarder en zwaarder
+en ten laatste ondragelijk. Het was haar of zij bezwijken zou, maar
+opeens kwam zij tot bezinning, en nu bemerkte zij dat de grijsaard,
+in plaats van de gebruikelijke formules eener zegening, slechts
+onverstandige woorden mompelde, zonder samenhang!
+
+Zij bevrijdde zich van die heete, schrikkelijke hand, legde haar
+weder op het bed en wilde hem vragen, of hij haar verraden en den
+patriarch haar naam genoemd had, doch, groote God, daar zag zij op
+zijne wangen dezelfde donkere vlekken als op de pestzieken in het huis
+van de lokken-Medea, en met eene kreet van ontzetting sprong zij op,
+greep het lampje van de kist, lichtte den lijder in het aangezicht,
+zonder op zijn pijnlijk geroep te letten, trok de matte handen,
+waarmede hij de oogen voor het lichtschijnsel zocht te beschutten,
+met geweld weg, en vloog nadat zij zich overtuigd had, dat zij goed
+had gezien, door het eene vertrek voor het andere na naar de voorzaal.
+
+Hier kwam de terugkeerende huishoudster haar te gemoet, nam haar het
+licht uit de hand en wilde haar met vragen ophouden, maar zij riep haar
+enkel toe: "Gij hebt de pest in huis! Laat de deur sluiten!" en holde
+den arts voorbij naar buiten. Met éen sprong was zij in den wagen,
+en zoodra de paarden aantrokken, zeide zij op droeven toon tot de
+voedster: "De pest, de pest is daar! Plotinos heeft de pest!"
+
+De verschrikte vrouw trachtte Katharina neer te zetten en verzekerde,
+dat zij zich vergist moest hebben, want zulke helsche plagen waagden
+zich niet aan een heilig man; doch het meisje verwaardigde zich
+niet haar te antwoorden en beval haar alleen zoodra zij terug zouden
+zijn, een bad voor haar gereed te doen maken. Zij gevoelde zich als
+verpletterd, en op de plaats waar de heete hand van den aangetasten
+grijsaard zoo lang gelegen had, gevoelde zij onophoudelijk eene sterke,
+akelige drukking; ja, toen de wagen eindelijk den tuin binnenreed,
+was het haar nog altijd, als droeg zij op haar schedel iets warms,
+iets zwaars en afgrijselijks, dat zich niet liet verwijderen.
+
+De vensters van het huis waren reeds donker, alleen uit het vertrek
+op den beganen grond, dat Heliodora bewoonde, schemerde haar nog licht
+toe. Daar schoot haar eene duivelsche gedachte door de overprikkelde,
+onrustige hersens, en zonder links of rechts te zien gaf zij er
+aan gehoor, en trad zooals zij ging en stond in het woonvertrek en
+vervolgens door een gordijn in het slaapvertrek van hare schoone gast.
+
+Daar lag Heliodora te bed, altijd nog door hoofdpijn geplaagd, die
+haar verhinderd had aan het bezoek bij vrouw Johanna deel te nemen,
+en merkte de late bezoekster eerst op, toen zij dicht bij haar bed
+stond en haar begroette. Eene enkele lamp verlichtte de groote ruimte
+met matig licht, en zoo bevallig als in dit schemerlicht had de kleine
+deze jonge vrouw nog niet gezien. Een nachtgewaad van het fijnste,
+doorzichtigste weefsel verborg maar half hare schoone vormen. Van
+de volle blonde haren ging zeker de wonderbaar fijne, nauw merkbare
+welriekende geur uit, die deze gelukkige steeds omgaf. Als twee
+glimmende slangen lag het in zware vlechten over haar schoon gewelfden
+boezem en het witte beddelaken. Het naar boven gerichte gelaat was
+onbeschrijfelijk lieflijk en kalm, ja zij geleek gelijk zij daar lag
+en Katharina toelachte eene vriendelijke engel, die uitrustte van
+werken der weldadigheid. De bekoring van zulk eene vrouw kon geen man
+weerstaan en ook Orion was er voor bezweken. En bij haar lag eene luit,
+waaraan zij zachte, vleiende tonen wist te ontlokken, de betooverende
+bekoorlijkheid, welke haar gansche wezen uitoefende, nog verhoogden.
+
+Al wat in Katharina was kwam in opstand, en zij wist zelve niet hoe
+het haar gelukte Heliodoras groet te beantwoorden en haar te vragen,
+of het mogelijk was met pijn in het hoofd de lier te bespelen.
+
+"Het geeft rust, het brengt het bloed tot bedaren, als men zacht met
+de vingers de snaren tokkelt," antwoordde zij vriendelijk. "Maar gij,
+mijn kind, ziet er uit, als leedt gij zwaarder dan ik. Zijt gij met
+den wagen gekomen, die zoo even voorreed?"
+
+"Ja," antwoordde Katharina. "Ik was bij onzen lieven ouden bisschop;
+hij is doodziek en ook deze zal ons weldra ontvallen. Ach, deze
+dag! Eerst Orions moeder, toen Paula en nu ook dit nog! O Heliodora,
+Heliodora!"
+
+Daarbij wierp zij zich voor de legerstede op de knieën en drukte
+haar aangezicht tegen de borst der medelijdende vrouw. Heliodora zag
+de vochtige oogen van het meisje, die onwillekeurig, zonder dwang,
+van tranen overliepen, en haar week gemoed werd mede aangegrepen
+door het lijden van dit vroolijke schepseltje, dat nog zoo jong reeds
+zooveel te dragen had. Zij boog zich over de kleine heen, kuste haar
+vriendelijk op het voorhoofd en sprak haar troostende woorden toe.
+
+Katharina drukte zich nog vaster tegen haar aan, wees naar de plek
+op haar hoofd, waar de heete hand van den pestzieke gelegen had en
+zeide: "Hier, kus mij hier; hier doet het mij 't meeste pijn! Ja,
+zoo is het goed, dat verkwikt mij!"
+
+En terwijl de frissche lippen der weekhartige jonge vrouw in aanraking
+kwamen met hare verpeste haren, sloot zij de oogen en werd te moede als
+de kampvechter, die de wapenen tot dusverre alleen op de oefenplaats
+hanteerde, maar ze thans voor het eerst in de arena gebruikt, om zijn
+tegenpartij het hart te doorboren. Zij was eene vreemde in haar eigene
+oogen iemand grooter dan zijzelve; ja zij was de alles bedwingende
+dood in eigen persoon en blies haar adem in de borst van haar offer.
+
+Deze gewaarwordingen beheerschten haar geheel en al, terwijl zij op
+het zachte tapijt neerknielde; zij merkte niet op dat achter haar
+eene vrouwengestalte de legerstede van hare troosteres naderde,
+en werd ook niet gewaar, hoe deze de andere een welsprekende wenk
+gaf. Want terwijl zij andermaal riep: "Nog een kus hier, daar gloeit
+het zoo schrikkelijk!" voelde zij twee handen aan hare slapen, en
+twee andere lippen dan die van Heliodora drukten zich op haren schedel.
+
+Verschrikt en verrast sloeg zij de oogen op en zag in het lachend
+aangezicht van hare eigene moeder, die zich gehaast had haar te
+volgen, om te vernemen hoe zij den bisschop had gevonden en natuurlijk
+verlangde ook haar aandeel te hebben in de leniging van de pijn harer
+lievelinge. Hoe aardig was die kleine ongedachte verrassing gelukt!
+
+Maar wat overkwam daar hare kleine? Als door den bliksem getroffen,
+als door een adder gestoken, vloog Katharina op, zag hare moeder vol
+ontzetting in het aangezicht, en toen vrouw Susanna haar hoofdje nog
+eens wilde grijpen, om haar wederom op die noodlottige, pijnlijke
+plaats te kussen, duwde Katharina haar terug en liep, bijna niet
+wetende wat zij deed, door het woonvertrek naar de voorzaal en vandaar
+de trappen af, die naar de badkamer leidden.
+
+Haar moeder zag haar onthutst en hoofdschuddend na. Zij wendde zich
+tot Heliodora, haalde de schouders op en zeide met vochtige oogen;
+"Arme, arme kleine! Er komt waarlijk voor haar te veel droevigs op
+eenmaal. Haar leven was kort geleden nog een helderen zonneschijn en
+nu slaat de hagel van alle zijde op haar neer. Zeker brengt zij eene
+treurige tijding van den bisschop."
+
+"Hij moet doodziek zijn," antwoordde de weduwe medelijdend.
+
+"Onze beste, trouwste vriend," hernam de weduwe, innig bedroefd. "Ja
+het is waarlijk te veel op eenmaal. Soms denk ik, ikzelve moest
+hieronder bezwijken, en nu is zij de eerste, dat nauwelijks volwassen
+kind! En met welk eene overgave draagt zij het zwaarste! O vrouw
+Heliodora, gij weet in lang niet alles wat haar getroffen heeft; maar
+misschien hebt gij wel opgemerkt, hoe zij altijd er alleen op bedacht
+is vroolijk te schijnen, ten einde mij het hart te verlichten. Geen
+zucht, geen klacht is tot hiertoe over hare lippen gekomen. Zij schikt
+zich in alles als eene heilige, zonder te morren. Maar nu, nu het den
+ouden besten vriend betreft, nu heeft zij voor de eerste maal hare
+zelfbeheersching verloren. Zij weet toch wat Plotinos voor mij was...."
+
+Zij begon opnieuw hevig te snikken, en nadat zij eenigermate tot
+bedaren was gekomen, verontschuldigde zij zich wegens hare zwakheid
+en nam afscheid van de schoone gast.
+
+Intusschen bevond Katharina zich in het bad. Zulk eene inrichting
+behoorde tot de voornaamste bestanddeelen van elk aanzienlijk
+Grieksch-Egyptisch huis, en haar vader had het zijne met bijzondere
+zorg laten inrichten. Het bestond uit twee afdeelingen, éene
+voor mannen, éene voor vrouwen, die beiden even prachtig waren
+uitgevoerd. Overal wit marmer, geel albast en bruin porfier, en op
+den bodem fraai Byzantijnsch mozaïek op gouden grond. Geen beeldwerk,
+zooals in heidensche baden, doch in plaats daarvan langs de wanden
+bijbelspreuken in gulden letters, en een crucifix boven de met
+giraffenhuiden overtrokken rustbanken. Zilveren lampen hingen in het
+middenveld van de in ruiten verdeelde zoldering, welke zeer in het oog
+vallend in de Koptische taal en in hetzelfde schrift de hoofdstelling
+van de Jacobietische geloofsbelijdenis te lezen gaf: "Wij gelooven
+aan de eene, eenige goddelijke natuur van Jezus Christus." Het
+groote waterbekken had men terstond voor Katharina kunnen vullen,
+daar de badovens elken avond voor de vrouwen des huizes gestookt
+moesten worden.
+
+Bij het ontkleeden wees de kamenier haar op eene zieke dadel. De
+oppertuinman had haar die getoond, nadat hij heden middag had
+waargenomen, dat de plantenziekte ook hunne palmen had aangetast. Doch
+het meisje had weldra berouw over hare spraakzaamheid, want nadat
+zij er had bijgevoegd, dat de brave schoenmaker Anchhor, die haar
+eergisteren nog die nette sandalen gebracht had, nu ook aan de pest
+gestorven was, kreeg zij een bits bescheid en werd haar het zwijgen
+opgelegd. Terwijl zij voor Katharina knielde, om de sandalen van hare
+voeten los te maken, bleek deze toch haar verhaal niet onverschillig
+te hebben aangehoord, want zij vroeg of ook de aardige jonge vrouw van
+den schoenmaker door de pest was aangetast. De kamenier antwoordde dat
+zij nog leefde, doch men had de oude schoonmoeder en de kinderen in
+het huis opgesloten en ook de vensterluiken dichtgemaakt, nadat men het
+lijk van den man had uitgedragen. De bouleuten hadden bevolen, dat men
+overal zoo moest handelen, opdat de ziekte niet op straat komen of door
+de gezonden verder verbreid worden zou. Men bracht den opgeslotenen
+spijs en drank door eene opening in de deur, die telkens gesloten kon
+worden. Zulke maatregelen, voegde zij er bij, waren zeer wijs bedacht
+en verstandig. Doch zij had dit oordeel maar weder voor zich moeten
+houden, want voor zij geheel had uitgesproken gaf Katharina haar
+een trap met den voet. Vervolgens werd haar bevolen het smegma [19]
+niet te ontzien en heur haren zoo goed mogelijk uit te wasschen. Dit
+geschiedde dan ook en Katharina wreef zich zelve handen en armen met
+hartstochtelijke inspanning. Daarop liet zij zich een en andermaal
+water over haar hoofd gieten, en nadat zij bevolen had hiermede op
+te houden, leunde zij ademloos en als uitgeput tegen het marmer.
+
+Ondanks het smegma en het water gevoelde zij de drukking van de
+heete hand nog altijd op haar schedel, en het was haar als werd ook
+heur hart door een onzichtbaar looden gewicht bezwaard. Hare moeder,
+hare moeder! Deze had haar gekust op de plek waar de pestzieke haar
+had aangeraakt en in hare verbeelding hoorde zij ook haar rochelen en
+om een slokje water bedelen als de stervende, bij wien het noodlot
+haar gebracht had. En ziet, daar kwamen de dienaars van den senaat
+en sloten haar met de kranke op in het besmette huis, en zij zag
+de pest voor zich als eene gruwzame, kwaadaardige heksengestalte,
+en daar achter rekte en strekte haar onverbiddelijke begeleider,
+de dood, zijn knokkelachtige hand uit en greep naar hare moeder en
+allen, allen die haar omgaven en ook naar haar.
+
+Zij liet de armen machteloos zakken, en terwijl zij zich heden vroeg
+zoo machtig en gevreesd had gevoeld, werd zij thans neergedrukt door
+een gevoel van de erbarmelijkste, zwakste onmacht. Zij had hare
+uitdaging gericht tegen eene zwakke, teedere vrouw, en God en het
+noodlot waren in Heliodora's plaats in het strijdperk getreden. Deze
+gedachte deed haar huiveren, en juist toen zij oprees uit het bad,
+trad hare moeder de badzaal binnen, zeggende: "Nog altijd hier, mijn
+kind? Wat hebt gij mij doen schrikken! Is het dan waar? Was de ziekte
+van Plotinos werkelijk eene soort van pest?"
+
+"Meer dan dat, moeder," antwoordde zij somber. "Het was de pest, en
+mij kwam in de gedachte, dat men zich moest baden, wanneer men in een
+verpest huis is geweest. Gij hebt mij ook aangeraakt en gekust. Wat
+ik u bidden mag, laat weder opstoken, en baad u ook, al is het nog
+zoo laat."
+
+"Maar kind!" zeide de weduwe lachende; doch Katharina liet haar geen
+rust, tot zij toegaf en beloofde zich te zullen bedienen van het
+waterbekken in de afdeeling voor de mannen, dat sedert de pest was
+uitgebroken door niemand gebruikt was.
+
+Toen vrouw Susanna alleen was lachte zij in stilte en dankbaar en
+terwijl zij het bad nam hief zij het hart en de handen omhoog en bad
+zij voor het goedige, teedere, eenige kind, dat zich voor haar zoo
+bezorgd maakte.
+
+Katharina begaf zich naar hare kamer, na zich verzekerd te hebben dat
+ook de kleederen, die zij dezen avond gedragen had, aan het vuur in den
+badoven waren prijs gegeven. Het middernachtelijk uur was verstreken,
+toch beval zij hare kamenier te wachten en legde zich niet te bed. Zij
+zou toch geen rust hebben kunnen vinden. Zij verlangde naar buiten
+en ging op het balkon, waar zij zich in een schommelstoel neerzette.
+
+De nacht was heet en zwoel. Elk huis, iedere boom, elke muur straalde
+de warmte weer uit, waarmede zij overdag verzadigd waren. Langs de
+Nijlstraat trok eerst eene processie van bedevaartgangers; vervolgens
+kwam een lijkstoet, waarop weldra een tweede volgde, beiden zoo dicht
+in stofwolken gehuld, dat het licht van de fakkels der geleiders
+alleen scheen te glimmen gelijk kolen onder de asch. Het waren aan
+de pest gestorvenen, die bij dag niet ter aarde besteld mochten
+worden, en thans begraven werden. In den eenen lijkstoet zag zij in
+hare verbeelding die van Heliodora, in den anderen hare eigene of,
+en daarbij gevoelde zij eene koude rilling, die harer moeder. En het
+gevolg van den stoet schreed in die stofwolk voorwaarts en hield stil
+bij den Necropolis. De sleden waarop de lijkkisten waren vervoerd,
+keerden leeg met heet geloopen ijzers terug; doch zij was niet bij
+de rouwdragenden geweest, want zij was ingesloten in het verpeste
+huis. En toen het weder geopend werd--zij zag dat alles vóor zich
+alsof het waar en werkelijk zoo was--waren in de hof van het rechthuis
+twee hoofden gevallen, die van Orion en Paula, en zij, zij was geheel
+alleen en verlaten, hare moeder lag naast haar vader in het stof van
+het kerkhof, en wie vroeg naar haar, wie zorgde voor haar, wie was
+haar beschermer? Als een boom zonder wortel, als een in zee gewaaid
+blad, als een uit het nest gevallen vogel zonder vleugels stond zij
+daar in de wereld. En nu kwam haar voor de eerste maal sedert dien
+nacht, waarin zij een valsch getuigenis had afgelegd, alles voor den
+geest, wat haar in school en kerk was geleerd van de straffen der
+hel, en ingevolge die vroegere bedreigingen zag zij daar voor zich
+het verblijf der verdoemden, en de knetterende, gloeiende vuurzee,
+waarin moordenaars, ketters en valsche getuigen....
+
+Maar wat was dat? Had de hel zich werkelijk geopend en klommen de
+vlammen door de gebersten schaal der aarde waarlijk ten hemel op? Had
+ook het firmament zich geopend, om stroomen van gloed en zwarten rook
+over het noorden der stad uit te gieten?
+
+Hevig verschrikt stond zij op en staarde het verschrikkelijk tooneel
+aan. De geheele hemel scheen in vlammen te staan, en dichte rookwolken,
+eene onuitstaanbare hitte en millioenen vliegende vonken vervulden de
+ruimte tusschen hemel en aarde. Een alles vernielende brand scheen de
+stad, den stroom en het nachtelijk sterrengewelf tegelijk te hebben
+aangegrepen, en daar verhieven zich alle metalen stemmen, die anders de
+geloovigen naar de kerk riepen, en op de stille straat daar voor haar
+werd het drukker, en weldra vervulden ontelbaren den weg. Geschreeuw,
+gehuil, wilde bevelen en kreten drongen door tot haar oor, en in
+de verwarring van stemmen onder en voor haar onderscheidde zij de
+woorden: "Stadhouders paleis," "Arabieren," "Mukaukas," "Orion,"
+"vuur," "blusschen" en "redden."
+
+Daar riep de oude oppertuinman van af den lotusvijver haar toe: "Het
+stadhouderlijk paleis staat in vlammen. En dat bij deze droogte! De
+barmhartige God beware de stad!"
+
+De knieën van het kwikstaartje knikten, en toen zij onder het slaken
+van een zachten kreet naar een steunpunt zocht, om zich aan vast te
+klemmen, vingen twee armen haar op, waarvan zij zich in den laatsten
+tijd zoo gaarne bevrijd had, die der moeder, der moeder, die zich
+over het eenige kind had gebogen, om van zijn verpesten schedel met
+een teederen kus den dood te plukken.
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het stadhouderlijk paleis, de trots en het sieraad van Memphis,
+de grootste en rijkste zetel der oudste en voornaamste geslachten
+des lands, het laatste huis, waaruit eene lange rij van Egyptische
+mannen was voortgekomen, die ook de Grieken waardig hadden geacht
+plaatsvervangers van den keizer te zijn en de hoogste wereldlijke
+waardigheden te bekleeden, die verheven burcht van het nationale leven
+lag in den asch. En evenals eene reus van het woud, dien de storm
+ontwortelt, bij zijn val veel klein geboomte knakt en verplettert,
+zoo vernielde de brand dezer grootsche woning een groot aantal kleinere
+huizen. Van het vermolmde schip Memphis waren in dezen nacht de mast,
+het roer en bovendien vele planken weggeslagen. Het mocht een wonder
+heeten, dat niet de geheele stad in de asch zonk; naast God had men
+dit aan den zwarten brandstichter zelven en zijne Arabieren te danken.
+
+Met koele en verstandige berekening was dit schelmstuk aangelegd en
+volvoerd. Bij het doorzoeken van het uitgestrekte gebouw had Obada
+voor zijn plan de geschiktste plaatsen uitgezocht en twee uren na
+zonsondergang, met eigene hand en door niemand bespied, het eene vuur
+na het andere aangestoken. In Fostat had men de troepen, waarvan hij
+zich later wenschte te bedienen, onder de wapenen gehouden, en toen
+eerst in het rentmeesterskantoor en terstond daarop in drie andere
+plaatsen van het stadhouderlijk paleis het vuur uitbrak, werden zij
+samengetrokken en met de meeste omzichtigheid aangewend.
+
+De bijzondere kostbaarheden van groote waarde, die deze zetel van
+een rijk geslacht bevatte, zelfs het groot aantal edele paarden in
+de stallen was in veiligheid gebracht; de eigendomsbewijzen van de
+landerijen, de slaven en dergelijke stukken lagen goed geborgen te
+Fostat, doch de vlammen verteerden desniettemin een aantal onschatbare
+zaken, waarvan het verlies niet te herstellen was. Edele kunstwerken,
+geschriften, en boeken, die hier alleen nog bewaard waren, heerlijke
+planten en boomen uit alle luchtstreken, huisraad en weefsels, die
+kenners in verrukking brachten, gingen bij menigte te gronde. Maar
+dat alles betreurde de brandstichter niet, want daarmede verdween
+de mogelijkheid, om later aan te wijzen wat en hoeveel hem in handen
+was gevallen bij den ondergang van het stadhouderlijk paleis. In het
+ergste geval zou men hem wegens deze overmoedige daad van zijn ambt
+kunnen ontzetten. Welnu, van alle steden, die hij op de zegevierende
+tochten van den Islam leerde kennen, was geene hem zoo bevallen als
+Damascus, en hij bezat nu de middelen, om de tweede helft van zijn
+leven dáar in weelderigen overdaad te genieten.
+
+Er was hem alles aan gelegen, om buiten het stadhouderlijk verblijf
+zoo weinig mogelijk door de vlammen te laten vernietigen, want welk
+eene doeltreffende beschuldiging zou het zijne vijanden in handen
+hebben gegeven, wanneer het oude, beroemde Memphis door zijne schuld
+geheel ten onder was gegaan? En hij was de man wel, om den strijd met
+het vreeselijk element op zich te nemen. Inderdaad viel geen ander
+huis in de Nijlstraat den vlammen ten offer; maar wel had de zachte
+zuidenwind brandende stoffen in noordwestelijke richting voortgedragen,
+en daardoor waren eenige huizen in de armenwijk aan den zoom der
+woestijn aangestoken. De hoofdmacht dergenen die blusschen en redden
+moesten had zich daarheen te wenden, en hier, evenals ten opzichte
+van het stadhouderlijk paleis, handelde hij naar het beginsel, dat men
+prijs moest geven wat stellig niet behouden kon worden. Zoo werd eene
+geheele stadswijk een prooi der vlammen, ontelbare behoeftige familiën
+verloren have en goed, en toch werd hij, wiens schandelijke hebzucht
+zoo velen in de ellende had gestort, gevierd en bewonderd. Want
+hij was nu eens aan den stroom, dan weder aan den zoom der woestijn,
+overal waar het gevaar ten top steeg, waar de tegenwoordigheid van den
+leider het allernoodigst was. Hier zag men hem te midden van het vuur,
+daar met eigene hand de bijl zwaaien; nu eens te paard de lijn afrijden
+waar langs dorrend gras moest omgespit en met water bevochtigd worden,
+dan weder te voet de slang der onbeholpen spuiten richten, of een balk,
+die buiten de getrokken grens was gevallen, met herculische kracht in
+de vlammen terugslingeren. Zijne schelle stem overschreeuwde alles,
+zijne reuzengestalte stak boven allen uit, ieders blik hing aan zijn
+zwart gelaat, aan zijne glinsterende oogen en tanden, en zijn voorbeeld
+sleepte de andere Arabieren mede. Zijne bevelen maakten het tooneel
+van den brand tot een slagveld, met doodsverachting en bereid hunne
+krachten tot het uiterste in te spannen en te gebruiken, verrichtten
+de muzelmannen, goed aangevoerd, met den naam van hun God en profeet
+op de lippen, het ongeloofelijkste. Ook de Egyptenaars deden hun best,
+maar tegenover den moed en de volharding dezer mannen gevoelden zij
+zich onmachtig, en achtten zij het nauwelijks schande door dezen
+overtroffen te zijn.
+
+Ver, zeer ver in den omtrek werd de vuurgloed waargenomen, en ook hij,
+wiens rijk erfdeel door de vlammen verteerd werd, ontwaarde tusschen
+middernacht en den morgen aan den verren westelijken horizont eene
+roodachtige schemering, waarvan hij zich den oorsprong niet verklaren
+kon. Een halfuur had hij in die richting voortgereden, toen zijn
+reisgezelschap bij het voorlaatste der aan den keizersweg tusschen
+Kolzoum [20] en Babylon [21] gelegen wachthuizen halt maakte. Eene
+aanzienlijke schaar van gewapenden steeg tegelijk met hem van de
+paarden; Orion had hen echter niet tot zijne bescherming ingeroepen,
+hij was integendeel door hen aangehouden geworden en werd nu als
+hun gevangene naar Fostat gevoerd. De wagen, waarvan hij zich tot
+heden bediende, had hij moeten verlaten en in de plaats daarvan een
+dromedaris bestijgen. Twee tot aan de tanden gewapende ruiters waren
+hem steeds ter zijde gebleven. Zijne medereizigers had men ongehinderd
+in hun voertuig laten zitten.
+
+Voor het wachthuis steeg de senator Justinus uit en noodigde zijn
+metgezel, een bleek en ingezonken man, hetzelfde te doen. Doch deze
+bleef zitten en schudde vermoeid met het hoofd, en toen de oude man
+hem vriendelijk vroeg: "Hebt gij pijn, Narses?" antwoordde deze kortaf
+en heesch: "Overal!" en vleide zich nog dieper in het rugkussen van
+den wagen. Hij wees ook de verfrisschingen af, die de dienaar en tolk
+van den senator hem bracht. Hij scheen in een staat van volstrekte
+onverschilligheid te verkeeren en niets te begeeren dan rust. Het
+was de neef van Justinus.
+
+De senator had, met Orions bijstand, zijn doel bereikt, nadat hij
+van den veldheer Amr een vrijgeleide en een aanbevelingsbrief
+had ontvangen, en Narses losgekocht. De arme man had eerst aan
+den nieuwen waterweg, in de richting van het oude pharaonenkanaal,
+dien de Kalief Omar liet graven, om het graan langs den kortsten weg
+uit Egypte naar Arabië te vervoeren, en vervolgens in de rotsachtige
+haven van Aila dwangarbeid verricht. Aan den gloeienden oever van de
+Roode zee had Narses in de geweldige zonnehitte dezer streek steenen
+moeten verwerken, en er waren vrij wat dagen verloopen voor het zijn
+oom gelukt was zijn spoor te ontdekken. Helaas, in welk een toestand
+vond Justinus hem eindelijk! Reeds eene week vóor de aankomst zijner
+bevrijders had de vroegere officier der ruiterij in eene ellendige
+ziekenschuur der Arabische arbeiders gelegen, en zijn rug droeg nog de
+sporen der slagen, waarmede de opzichter den uitgeputte en lijdende tot
+inspanning had gedreven van de krachten die hem begaven. De opgesmukte
+krijgsman was een naar lichaam en ziel gebroken man geworden, een tot
+zwaarmoedigheid vervallen lijder. Justinus had gehoopt Martina een
+bloedverwant in de armen te voeren, die zich gelukkig gevoelde over
+zijne bevrijding, en nu bracht hij haar dezen uitgeputten jonkman,
+die zijn einde nabij scheen! En toch was de senator blijde hem ten
+minste gered te hebben. De aanblik van den lijder roerde hem, en hoe
+minder Narses van hem verlangde en aannam, des te dankbaarder was
+Justinus, wanneer de wedergevondene ook maar het kleinste teeken van
+warme deelneming gaf.
+
+Orion was op deze reis te land en te water, en ten laatste als
+zorgvuldig medeverpleger van den lijder meer vertrouwelijk geworden
+met den ouden heer, en op gevaar af van zijne afkeuring te wekken, had
+hij den senator bekend waarom hij Memphis had verlaten. Onophoudelijk
+gevoelde hij, dat alles wat er groot en goed in hem was aan Paula
+behoorde, dat hare liefde hem verhief en versterkte, dat hij zichzelven
+zou opgeven, wanneer hij haar ontrouw werd. De minnekoozerij met
+Heliodora kon hem slechts afleiden van het groote levensdoel, dat
+hij zich had voorgesteld. Dit doel hield hij onafgebroken in het
+oog, en hij snakte, ja hongerde, naar rustige dagen, waarin hij zou
+kunnen volvoeren, wat hij zich in de kerk had voorgenomen, en de taak
+ten uitvoer brengen, die de groote veldheer hem had opgelegd. Het
+bewustzijn, de erfgenaam te zijn van een onmetelijk vermogen,
+verblijdde hem thans niet, ja hij moest erkennen, dat hij zonder
+die overmaat van rijkdom een gansch ander man geworden zou zijn,
+en meer dan eens kwam de begeerte bij hem op, om alles wat hij bezat
+achter te laten, vrij en frank de wereld in te gaan en door eigene
+kracht bevrediging te zoeken voor zijn gemoed en zich de achting te
+verwerven der edelsten.
+
+De senator had zijne bekentenis opgenomen, gelijk hij dat moest. Was
+de dochter van Thomas zoo, als Orion haar schilderde, dan viel
+er inderdaad voor zijn lief vogeltje weinig te hopen. Hij en zijne
+Martina zouden dan wel-is-waar met twee lievelingen terug keeren, doch
+het zou daarbij de taak der oudjes zijn de jongeren op te beuren,
+niet omgekeerd, zooals het behoorde. Desniettemin had Orion zijn
+hart steeds meer gewonnen, want iederen dag, ieder uur was hem iets
+verblijdends, iets nieuws bij hem in het oog gevallen, had hij iets
+grooters in hem gevonden, dan hij verwacht had.
+
+In den ruimen hof van het wachthuis brandden fakkels, en onder
+een door palen gedragen en met palmtakken bedekt vierkant in het
+midden ervan, stonden banken voor de gasten, die hier kwamen
+pleisteren. Hier ontmoette hij Orion weder en kon hij met hem
+spreken. De gerechtsdienaars hadden in zijne nabijheid plaats
+genomen en verloren hem niet uit het oog, terwijl zij hun gedroogd
+schapenvleesch, hun brood, hunne uien en dadels aten. Ook de dienaars
+van den senator brachten wat proviand uit den wagen, en juist hadden
+Justinus en zijn jonge vriend hun maal begonnen, toen een lange man
+den hof inkwam en naar de banken toeliep. Het was de arts Philippus,
+die hier op weg naar Dschidda een oogenblik wilde rusten.
+
+Deze had reeds buiten gehoord wien hij hier als gevangene zou vinden,
+en de Arabieren, die den arts kenden, stonden hem toe zich bij deze
+twee neer te zetten, doch zij rukten wat nader en hun aanvoerder
+verstond Grieksch. Philippus was Orion allesbehalve genegen, doch hij
+wist welke gevaren de jongeling te gemoet ging, welk een zwaar verlies
+hij geleden had, en zijn geweten gebood hem alles te openbaren, wat
+hem van dienst kon zijn bij het verhoor over de onderneming, waarvan
+Rufinus het slachtoffer was geworden. Hij was de overbrenger, zoo zeide
+hij, van treurige berichten, die ook de Arabieren wel hooren mochten.
+
+Tegen het in beslag nemen van het stadhouderlijk paleis kwam Orion
+in verzet, doch hij meende dat de Veldheer Amr dit besluit wel weder
+in zou trekken. Daarentegen greep het bericht, dat zijne moeder zijn
+vader gevolgd was, hem des te geweldiger aan, en toen de Arabieren
+den krachtigen jongen man zagen weenen en snikken, en hoorden welk
+een slag hem had getroffen, trokken zij zich eerbiedig terug, want
+de smart van den zoon over den dood zijner eigene moeder was hun
+heilig. Zij beschouwden hem, wien het dierbaarste ontvallen was wat
+hij op aarde bezat, als getroffen door de hand van den Allerhoogste
+en door die aanraking geheiligd, weshalve zij met vroom ontzag hem
+geheel vrij lieten.
+
+Orion had niet opgemerkt dat de muzelmannen verdwenen waren, doch
+Philippus trok dadelijk van deze gelegenheid partij om hem met
+vluchtige woorden van alles te onderrichten, wat er op de vlucht van
+de nonnen gebeurd was. Van den brand van het stadhouderlijk paleis
+en Paulas gevangenneming droeg hijzelf geen kennis, den senator kon
+hij echter mededeelen, waar hij de zijnen had te zoeken. Toen de
+aanvoerder hem naar buiten riep, was Orion geheel op de hoogte van
+al het gebeurde.
+
+Met gebogen hoofd, in diepe smartelijke gedachten verzonken, reed hij
+met de anderen verder. De stadhouderlijke woning--of de Arabieren hem
+deze ontnamen, of niet, wat kwam het er op aan? Maar zijne móeder,
+zijne moeder! Alles, alles wat zij van zijne kindsheid voor hem
+geweest was, kwam hem weder voor den geest, en onder de smart over
+dit verlies vergat hij het gevaar dat hem dreigde, den kerker die hem
+wachtte, en het smadelijk inbreuk maken op zijne rechten. Ja zelfs
+het beeld van de geliefde week voor dat der dierbare afgestorvene
+op den achtergrond. Misschien zou het hem niet eens vergund worden,
+zelf zijne moeder te begraven.
+
+De weg liep door eene dorre woeste rotsstreek, en hoe verder men kwam,
+des te helderder werd de vuurgloed aan den horizont vóor hen, tot de
+dag achter de reizigers aan te lichten, en het gloeiend morgenrood
+het schijnsel in het westen deed verbleeken. Wederom brak er een
+brandend heete dag aan, en terwijl de rotsen aan Orions zijde nog lange
+schaduwen wierpen op den stoffigen woestijnweg, kwamen eenige ruiters
+uit de richting van Fostat hen tegemoet draven, en richtten zich tot
+den aanvoerder, om hem de nieuwste tijdingen mede te deelen. Het
+moest iets zeer belangrijks zijn, doch de jongeling verstond niet
+wat zij zeiden. Slechte tijdingen bereiken intusschen maar al te
+snel hun doel, en terwijl de ruiters nog met elkander spraken,
+rende de tolk naar hem toe en deelde hem mede, dat het geheele
+stadhouderlijk paleis tot den grond was afgebrand en half Memphis
+in vlammen stond. Vervolgens kwamen zij andere reizigers te paard en
+op dromedarissen tegen, ontmoetten zij wagens, kameelen met koren en
+Egyptische handelswaren beladen, en allen spraken het reisgezelschap
+van Orion aan en deelden mede wat er te Memphis gebeurd was, en hoopten
+de eersten te zijn van wie de optrekkenden het vernamen. Hoe dikwijls
+kreeg Orion hetzelfde te hooren, en zoo vaak een reiziger met zijn:
+"Hebt gij het al gehoord!" aanving en naar het westen wees, begon de
+wond, die de eerste tijding hem geslagen had, opnieuw te bloeden.
+
+Wat lag er voor hem daar ginds niet onder de asch bedolven? Hoe
+veel, dat onherstelbaar was, hadden die vlammen vernield! Wat hij
+voor zich op dezen tocht in stille oogenblikken had gewenscht,
+ten deele was het thans reeds vervuld. Waar was de last der groote
+bezitting, die hem als aan de hielen had gehangen en hem verhinderde
+zich vrij te bewegen? Maar hij gevoelde zich nog niet vrij, hij zag
+den weg nog niet voor zich open, maar klaagde in stilte dat het huis
+zijner voorvaderen in het niet was verzonken, dat hij zijn tehuis had
+verloren, en een kwellend gevoel van onzekerheid overviel hem. Geen
+vader, geene moeder, geene ouderlijke woning meer! Jaren lang had hij
+reeds op eigene beenen gestaan, en toch beschouwde hij zich als een
+schipper, wiens boot het roer had verloren. Vóor hem lag de kerker,
+als het einde van het groote treurspel, waarvan hij zichzelven als de
+held mocht beschouwen. Evenals het huis van Tantalus had het noodlot
+het zijne ten ondergang gedoemd. Het was in asch verzonken, en daar
+lagen reeds de offers: twee broeders, vader, moeder, en op grooten
+afstand Rufinus. Doch waar lag de schuld?
+
+Zijne voorvaderen hadden haar niet begaan, het kon alleen de
+zijne zijn, die het vonnis had uitgelokt. Maar bestond dan nog
+dat onverbiddelijk, ijzeren noodlot der ouden? Had hij geen berouw
+getoond, niet geleden, zich niet met zijn Verlosser verzoend, zich
+niet bereid getoond, om den zwaarsten kamp te wagen? Wellicht was hij
+de held van het treurspel, doch dan wilde hij toonen, dat niet meer
+de blinde noodzakelijkheid, maar dat, wat de mensch van zich zelven
+maakt, dat wat hij in vereeniging met den Allerhoogste najaagt,
+den loop des levens bepalen. Moest hij bezwijken, dan zou het niet
+zijn dan na wakkere tegenweer. Zonder vrees wilde hij zich verzetten
+tegen alles wat hem vijandig tegenstand bood, wilde hij voorwaarts
+dringen op den weg, dien hij zich had afgebakend, en nu zwol weder
+zijne borst en was het hem, als zag hij aan den hemel als leidende
+ster het voorbeeld zijns vaders, in wiens geest hij leven of sterven
+wilde. En richtte hij den blik naar de aarde, dan was ook daar nog
+iets wat hem waard scheen de beproevingen des levens te dragen en
+den moeielijksten strijd te volstrijden: Paula en hare liefde!
+
+Hoe meer hij Fostat naderde, des te warmer klopte zijn hart, des
+te sterker werd zijn verlangen. Ja, het moest hem vergund worden
+de geliefde weder te zien, haar in zijne armen te sluiten vóor zijn
+dood! Hij hield het er voor, dat hetgeen hij in deze uren geleden had,
+alles uit den weg had geruimd en opgeheven wat hen nog van elkander
+scheidde. Hij gevoelde, dat hij thans de kracht bezat, om harer waardig
+te blijven; ja als hij Heliodora andermaal ontmoette, zou hij haar
+stellig en zeker niet anders bejegenen dan als eene lieve zuster.
+
+Zij die hem geleidden brachten hem naar het huis van den kadhi, doch
+deze bevond zich in den divan, de raadsvergadering, die zijn vijand,
+de schurk Obada had samen geroepen. Deze had zich na de inspanning van
+den laatsten nacht maar weinige uren rust gegund, om vervolgens den
+raad bij te wonen. Daar zou hij ontwaren, dat hij er even vele vijanden
+had te weerstaan als deze leden omvatte. Zijne scherpste tegenstanders
+waren het hoofd van de justitie en het staatsbeheer, kadhi Othman,
+en Chalid, die belast was met de regeling der belastingen. Beiden
+waren niet gewoon hunne overtuiging voor hem te verzwijgen, en wie deze
+vergadering had bijgewoond zou wel niet op het vermoeden zijn gekomen,
+dat de meeste leden in hun jeugd, in tijden van vrede, als eenvoudige
+herders schapen op de bergen gehoed, karavanen door de woestijn geleid
+of kleine handelszaken gedreven hadden. In den strijd van den eenen
+stam tegen den ander was hun ruimschoots gelegenheid gegeven zich
+in den wapenhandel te oefenen en hun moed te versterken; doch wie
+had hen geleerd hunne woorden zoo zorgvuldig te kiezen, en ze met
+gebaren te begeleiden, welker bevalligheid elken Griekschen redenaar
+eer aangedaan zouden hebben? Alleen wanneer een spreker, wiens gal in
+beweging was gebracht, donderde en bliksemde, verloor hij, medegesleept
+door zijne drift, wel eens de ware evenredigheid; doch hoe verbazend
+was dan de uitwerking van stem, oog- en handbeweging! Doch nooit, ook
+niet in den hoogsten toorn, bezondigde men zich tegen de zuiverheid
+der taal. Deze redenaars, waarvan slechts weinigen lezen en schrijven
+konden, hadden evenwel de meest indrukwekkende verzen hunner dichters
+tot hunne beschikking, waarvan zij ontelbaren uit het hoofd kenden.
+
+Heden werden hier de inwendige aangelegenheden behandeld van een land,
+dat reeds eene beschaving van eeuwen achter zich had, en hetwelk
+voor weinige jaren nog onbekend was aan de krijgshaftige zonen der
+woestijn. Hoe goed bleken de vier bouwmeesters, de opzichter van de
+markten, van de besproeiing der landerijen en van de molens hunne
+taak te hebben opgevat! Deze frissche, nog niet versleten koppen
+waren in staat het zwaarste aan te pakken en het kloek, goed en
+gelukkig uit te voeren. Inderdaad ook de zonen van deze vaders, die
+geen school hadden doorloopen, waren in staat aan vervallen, groote
+rijken nieuwen glans te geven, en de ingesluimerde wetenschap der
+door hen onderworpen natiën tot een nieuw leven te wekken. In deze
+vergadering was alles vol geest, leven en vuur, en de vroegere slaaf
+Obada had waarlijk geen gemakkelijke taak, om zich te handhaven onder
+deze welbespraakte nakomelingen van aanzienlijke vrije stammen.
+
+Open en zonder vrees sprak de kadhi Othman zijne zienswijze uit
+over Obada's handelwijze, en verklaarde, ook in naam van de andere
+medeleden van den divan, de verantwoordelijkheid van het gebeurde
+geheel van zich te werpen en op de schouders van den Wekil te moeten
+laden. Deze verlangde echter niets beters; hij sprak met zulk eene
+vurige welsprekendheid, zijn voorstel, om de door het vuur van dak
+beroofde Memphieten naar Fostat over te brengen was zoo aannemelijk,
+en eindelijk had de afgeloopen nacht zijne groote eigenschappen in zulk
+een helder licht gesteld, dat men alle verzet tegen hem verschoof, en
+besloot het antwoord op eene tegen hem gerichte aanklacht uit Medina
+af te wachten. Ook schreef de alles beheerschende discipline voor,
+zich naar zijn wil te voegen, en menigeen, die in den slag den dood
+als een bruidegom zijne bruid was tegengesneld, vreesde den geweldenaar
+van lage afkomst, die voor het ontzettendste niet terugdeinsde.
+
+Obada had eene overwinning behaald. Niemand was in staat hem van roof
+te betichten, zelfs niet van een drachme, en toch had hij woorden
+moeten aanhooren, die hij moeielijk verduwen kon, en van alle zijden
+was hem den eerbied onthouden, die hem als plaatsvervanger van den
+stadhouder toekwam. Ten hoogste verstoord verliet hij het laatst
+de zittingzaal en niemand, zelfs niet zijn onderbevelhebber bleef
+bij hem, om hem een vleiend woordje te zeggen over de kracht en
+de schoonheid zijner rede, terwijl die verwenschte lieden Amr bij
+dergelijke gelegenheden als bijen omzwermden en hem tot aan zijn huis
+volgden als kwispelstaartende honden. De minachting en vijandschap
+die hij ondervond, schreef hij niet toe aan zijne schuld, maar aan
+den afkeer, die zijne geboorte bij die hoogmoedige vrijgeborenen
+wekte. Toch zag hij over allen heen, gevoelde hij zich de meerdere
+van ieder afzonderlijk, en wanneer de aanslag in Medina gelukte,
+dan zou hij zich onder hen zijne offers kiezen, dan....
+
+Aan deze wraakzuchtige overpeinzingen werd een einde gemaakt door
+eene bode, die tot over de ooren met stof bedekt was, en deze bracht
+goede tijding. Orion was gepakt en in het huis van den kadhi gebracht.
+
+"Waarom niet bij mij?" snauwde Obada den krijgsman toe. "Wie is hier
+de plaatsvervanger van den stadhouder, Othman of ik? Naar mijn huis
+met den gevangene!"
+
+Hij begaf zich daarop onverwijld naar zijne woning, doch in plaats van
+den aangehoudene verscheen een beambte van den kadhi, die hem in den
+naam zijns heeren aan het verstand bracht, dat de Kalief Othman tot
+opperste rechter in Egypte had aangesteld, dat deze aangelegenheid
+tot zijn departement behoorde, en dat Obada, als hij den gevangene
+zien wilde, bij hem kon komen, tenzij hij zich later wilde begeven
+naar de stedelijke gevangenis van Memphis, waarheen hij Orion zou
+laten brengen. Obada vloog woedend naar het in de nabijheid staande
+huis van zijn vijand, doch deze stelde tegenover zijne onstuimige
+hevigheid de rust van den verstandigen en rechtvaardigen man. De
+kadhi was pas ongeveer vijf-en-veertig jaren, maar zijne zachte,
+zwarte baard begon reeds grijs te worden. Zijn schoon gevormd bruin
+gelaat droeg den stempel van een eerlijk en edel karakter, en uit zijne
+oogen sprak scherpzinnigheid en kalmte van geest. Er lag iets rustigs
+en tevredens in de geheele verschijning van dezen man, die moeielijke
+levenservaringen waardig had gedragen en zich tot taak had gesteld
+anderen ervoor te bewaren, zooveel in zijn vermogen was. Ook tot den
+kadhi was de aanklacht van den patriarch doorgedrongen: ook hij was
+voornemens het ombrengen zijner geloofsgenooten zwaar te straffen,
+maar de straf moest enkel den schuldigen treffen, en het zou hem
+leed hebben gedaan, als hij dezen in Orion moest zien. Hij had zijn
+vader hooggeschat als een braaf man en rechtvaardig rechter, en van
+den ervaren Egyptenaar menigen goeden raad ontvangen.
+
+De ontmoeting die er plaats had tusschen Othman en den uitermate
+verstoorde Wekil was zelfs voor de beambten, die er bij tegenwoordig
+waren, pijnlijk geweest, en Orion, die in het aangrenzend vertrek
+het razen en tieren van Obada hoorde, kon daaruit afleiden met welk
+een verbittering zijn zwarte vijand hem vervolgde. Doch evenals de
+zee na de heftigste stormen weder tot een gelijkmatigen golfslag
+terugkeert, zoo nam ook deze strijd een rustig einde. De kadhi had
+den Wekil onder het oog gebracht, hoe onbetamelijk het was en welk
+een smadelijk licht het wierp op de gerechtigheid der muzelmannen,
+op eene bloote verdenking het aanzienlijkste huis in den lande, aan
+welks hoofd de zaak van den Islam bovendien zooveel goeds te danken
+had, van zijne goederen te berooven. Obada had daarop geantwoord, dat
+eene stellige aanklacht was ingekomen van het hoofd der kerk hier te
+lande, dat niets geroofd, maar alles in beslag genomen en in verzekerde
+bewaring gebracht was. Wat Allah door zijn vuur had vernield, daarvan
+kon niemand de verantwoordelijkheid dragen. Van bloote verdenking was
+hier geen sprake; hij zelf was in het bezit van een document, waaruit
+schriftelijk bleek, dat de geliefde van Orion de ontwerpster was van
+de euveldaad, die aan twaalf geloofsgenooten het leven had gekost. Het
+meisje waarvan hij sprak, was gisteren gevangengenomen. Hij zou wel
+nader achter de waarheid komen, ondanks alle kadhis van de wereld,
+want wilde hij, Othman, een aantal muzelmannen door christenhonden
+ongestraft laten slachten, hij, Obada, kon dat niet onverschillig
+aanzien, en als hij het deed, zouden morgen de duizend Egyptische
+kanaalarbeiders de drie muzelmannen, die er het opzicht over hielden,
+met hunne spaden doodslaan.
+
+De kadhi verzekerde op zijne beurt, dat hij niet minder begeerig
+was dan Obada de daders te straffen, maar eerst moest uitgemaakt
+worden wie het waren, en dat wel volgens de wet, rechtvaardig,
+zonder menschenvrees en blinde haat, door de rechtbank en met alle
+voorzichtigheid. Schuldigen vrij te spreken stuitte hem als rechter
+evenzeer tegen de borst als onschuldigen te veroordeelen, en zoo
+zou het onderzoek rustig zijn loop hebben. Wanneer hij, Obada, de
+geliefde van Orion in het verhoor wilde nemen, dan had hij als kadhi
+daar niets tegen; maar het leiden der eigenlijke verhandelingen en het
+voorzitten bij de beraadslagingen der rechters, dat was zijne zaak,
+en zoo iets liet hij zich zelfs door den Kalief niet uit de handen
+nemen, zoolang deze hem waardig achtte zijn ambt te bekleeden.
+
+Obada moest hier het hoofd bij neerleggen, hoewel tegen zijn zin. Toen
+de Wekil Orion verlangde te zien, werd deze geroepen. De zwarte reus
+nam hem op van het hoofd tot de voeten als een slaaf, dien men verlangt
+te koopen, en terwijl de kadhi naar de deur ging en hem dus niet zien
+kon, vermocht Obada geen weerstand te bieden aan eene kinderachtige
+neiging. Hij streek zich namelijk, met een veelbeteekenenden blik op
+den gevangene, stevig en snel met den wijsvinger over den donkerbruinen
+hals, als scheidde hij het hoofd van den romp. Daarop keerde hij den
+jongeling verachtelijk den rug toe.
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+In den namiddag reed de Wekil Obada naar Memphis en stapte af aan de
+stadsgevangenis. Hij verwachtte daar den bisschop te zullen vinden,
+doch inplaats van dezen ontving hij het bericht, dat Plotinos aan
+de pest gestorven was. Dat was een leelijke streek van het noodlot,
+want met den bisschop daalde de getuige ten grave, die hem het ten
+gunste der nonnen beraamde reddingsplan verraden had. Maar neen! de
+patriarch droeg gewis van alles kennis. Doch wat hielp dat voor het
+oogenblik? Hij had geen tijd te verliezen en er moesten zeker drie
+weken verloopen eer Benjamin terugverwacht kon worden.
+
+Obada had Paulas vader in het kamp van Damascus ontmoet, en het had
+hem vaak gekweld, dat men den naam van dezen krijgsheld ook onder
+de muzelmannen met roem gedacht. Zijn nijdig gemoed gunde ook den
+grootste, de door vriend en vijand erkende onbesmette eer niet. Hij
+geloofde niet aan eer en hield ieder die haar genoot voor een slimmen
+huichelaar. Evenals van den vader had hij ook een afkeer van de
+dochter, zonder haar ooit gezien te hebben. Het lot van Orion was in
+zijn binnenste beslist en vóor zijn einde moest hij nog gemarteld
+worden door de terechtstelling van zijne geliefde, hetzij zij haar
+schuld ontkende of openlijk beleed. Misschien gelukte dit hem dit te
+bewerken, en daarom liet hij Paula onverwijld in de vergaderkamers
+der rechters brengen. Doch zijn plan mislukte volkomen, hoewel hij
+haar door den tolk de grootste toegevendheid beloofde wanneer zij
+openhartig zou zijn, maar haar in het tegenovergestelde geval met
+een pijnlijken dood dreigde.
+
+Zóo had hij zich de gevangene werkelijk niet voorgesteld, en de
+trotsche kalmte, waarmede zij elke beschuldiging afwees, oefende
+een buitengewonen invloed uit op den vroegeren slaaf. Aanvankelijk
+hielp hij den tolk, door haar in gebroken Grieksch iets toe
+te schreeuwen, of door te beproeven haar angst aan te jagen
+met vreeselijke blikken, waarvan hij den indruk vaak beproefd
+had bij zijne ondergeschikten. Doch alles had niet de minste
+uitwerking. Toen liet hij haar verklaren, dat hij in het bezit was
+van een bewijsstuk, hetwelk hare schuld boven alle bedenking verhief,
+doch ook dit verstoorde hare kalmte niet, en zij verlangde alleen
+het te zien. Daarop liet hij haar zeggen, dat zij het vroeg genoeg
+zou leeren kennen, terwijl hij de verklaring van den tolk vergezelde
+van dreigende gebaren.
+
+Obada had onder zijn volk kloeke vrouwen ontmoet, van grooten
+invloed. Dappere vrouwen had hij ten strijde zien trekken en hij was
+er getuige van geweest, hoe zij wilder, met meer doodsverachting en
+bloedgieriger dan mannelijke krijgers de gevaren van den geloofsstrijd
+deelden. Doch dat waren enkel echtgenooten en moeders geweest,
+en waar hij ze uit den stillen huiselijken kring, dien een meisje
+nooit verlaten mocht, had te voorschijn zien treden, waren zij altijd
+beheerscht door hartstochtelijke aandoeningen, met gloeiende geestdrift
+partij trekkende voor gade en kroost, familie of stam. Over het geheel
+hielden de vrouwen zijns volks zich bescheiden op den achtergrond en
+geene handelde tegen deze gewoonte, tenzij zij beheerscht werd door
+een onstuimigen strijdlust. Maar deze jonkvrouw stond daar tegenover
+hem als een veldheer, als het hoofd van een stam, met onwrikbare
+kalmte. Daar was in hare houding iets dat hem vrees aanjoeg en te
+gelijk het verlangen uitermate prikkelde, om haar zijne overmacht
+te doen gevoelen en haar trots te breken. Evenals hij uitstak boven
+alle aanvoerders der muzelmansche krijgsmacht, zoo overtrof zij in
+wasdom alle vrouwen zijns volks, en door nieuwsgierigheid gedreven
+om zich met haar te meten, ging hij dichter naar haar toe en trok
+van zijn hals met de hand een lijn door de lucht, die haar schedel
+raakte, en toen zij hierop achteruitweek, ontging het hem niet met
+welk een diepen afschuw zij hem aanzag. Thans steeg hem het bloed
+naar het hoofd en terwijl hij den tolk beval haar mede te deelen,
+dat zij op geene vergiffenis behoefde te rekenen, wijdde hij haar in
+zijn binnenste ten gruwzamen dood.
+
+Bleek en op het ergste voorbereid keerde Paula naar het schamele
+vertrek terug, dat zij met hare oude Betta bewoonde. Het was een
+schrikkelijk oogenblik geweest toen zij de gevangenis binnentrad,
+want de wachters schenen van plan te zijn haar naar eene der zalen te
+voeren, waar mannelijke en vrouwelijke misdadigers in grooten getale
+gehuisvest waren, en vanwaar het gerammel van ketenen en een wild
+en verward geschreeuw van allerlei stemmen haar tegenklonk. Doch
+de tolk en de aanvoerder der veiligheidswacht hadden zich haar lot
+aangetrokken, en wel op verzoek van vrouw Martina, die hen een rijk
+geschenk had beloofd, wanneer zij morgen de mededeeling brachten,
+dat Paula in den kerker een goed onderkomen had gevonden. Ook de
+schoonmoeder van den gevangenbewaarder had haar in bescherming
+genomen. Zij was de waardin uit de herberg van Nesptah en had in
+de gevangene de schoone jonkvrouw herkend, die op het watertochtje
+met Orion bij haar was afgestapt, en die zij voor zijne bruid had
+gehouden. Zij bracht toevallig een bezoek aan de vrouw van den
+bewaarder, hare dochter, en verzocht ook deze Paula vriendelijk te
+behandelen. De jonkvrouw kreeg met Betta een eigen vertrek en de
+bewaarder was niet ongevoelig voor hare goudstukken. Deze man deed
+voortdurend zijn best, om haar lot dragelijk te maken, en heden morgen
+had hij Pulcheria vergund haar te bezoeken en haar de laatste nog niet
+verdorde rozen uit den tuin te brengen. Ook de weduwe Susanna had aan
+haar voornemen gevolg gegeven door spijzen en vruchten te zenden,
+maar deze waren aan den gevangenbewaarder gegeven en den bode werd
+gezegd, dat Paula van alles goed verzorgd werd en zulke gaven voor
+het vervolg niet meer behoefde.
+
+In het gevoel harer onschuld had zij haar lot rustig te gemoet
+gezien en op de hoog geroemde rechtvaardigheid der Arabische rechters
+gebouwd. Maar niet zij, Orions vijand, dat zwarte monster, scheen haar
+lot te zullen beslissen. Neergedrukt door het gevoel, onmachtig en
+hulpeloos te zijn prijsgegeven aan de willekeur van een gewetenloozen
+schurk, gevoelde zij hoe de krachten haar ontzonken, en luisterde
+zij nauwelijks naar de bemoedigende woorden van hare voedster. Zij
+vreesde den dood niet, maar te sterven zonder haar vader weergezien,
+zonder Orion gezegd en getoond te hebben, dat zij hem toebehoorde,
+dat zij de zijne was en bleef, dat was te hard, dat viel haar te
+zwaar om te dragen.
+
+Terwijl zij de handen wrong, op het punt van te vertwijfelen,
+draafde hij, die het geluk, de rust en de have zoo veler medemenschen
+vernietigd had, op het edelste ros uit Orions stal door de straten van
+Memphis, met het vaste plan de trotsche gevangene zijne macht te doen
+gevoelen. Op de groote marktplaats, in het Ta-anch-kwartier moest hij
+zijn hengst dwingen tot een rustiger gang, want daar had zich voor
+de kurie, het raadhuis der stad, eene onafzienbare menschenmenigte
+verzameld. De Wekil brak zich baan door het volk, zonder iemand te
+ontzien, want hij wist wat het begeerde en telde dit niet. Het arme
+gepeupel school reeds sedert eenigen tijd daar dagelijks samen en
+verlangde van de bouleuten hulp in zijne schrikkelijke ellende. Daar
+het kerkgezang en de processie gisteren weder zonder gevolg waren
+gebleven, bestormde het heden de kurie. Maar kon de senaat den Nijl
+laten wassen, de pest bezweren of de dadels verhinderen van de palmen
+te vallen? Wie kon helpen waar de hemel zijn bijstand ontzegde?
+
+Zoo had het hoofd van de stad aan de om hulp roepende menigte van het
+balkon der kurie wel reeds tienmaal gevraagd, en altijd was het volk
+uitgebarsten in den kreet: "Ja, ja, gij moet het, het is uw plicht! Gij
+neemt van ons belasting, gij zijt geroepen voor ons te zorgen!"
+
+Gisteren was de onzinnige menigte reeds niet meer te houden geweest
+en had met steenen naar het raadhuis geworpen, maar heden na den
+verschrikkelijken brand en den dood van den bisschop was het gepeupel
+in dichte drommen komen opzetten, woedender dan ooit en tot de uiterste
+vertwijfeling gebracht. De bouleuten zaten te beven op hunne oude, geel
+geworden, ivoren stoelen, de overblijfselen van uitgedoofden glans,
+die gelijken moesten op zetels der Romeinsche senatoren. Zij zagen
+elkander aan, haalden de schouders op en lieten zich een brief van den
+kadhi voorlezen, die zoo even gekomen was, en hen, christenen, beval,
+overeenkomstig de tot een besluit verheven voorslag van Obada, aan
+de gemeente door omroepers als anderszins bekend te maken, dat ieder
+burger, wiens huis in den afgeloopen nacht door vuur was verteerd,
+aan de overzijde in Fostat kosteloos grond en bouwmaterialen kon
+krijgen, om zich een nieuw huis op te trekken, ingeval hij den Nijl
+wilde oversteken en den Islam aannemen.
+
+Dit smadelijk voorstel moest bekend gemaakt worden, daar viel niet
+over te beraadslagen, men kon er zich niet tegen verzetten. Maar wat
+kon van hunne zijde voor de klagende menigte gedaan worden? De pest
+sleepte het ongelukkig volk ten grave; de groenten, waaruit gedurende
+dit jaargetijde de helft van zijn voedsel bestond, waren verdord;
+zijne anders zoo zoete, verkwikkende drank was vergiftigd; de dadels,
+zijn toespijs, rijpten om met afschuw weggeworpen te worden. En daarbij
+een komeet aan den hemel, geen uitzicht op oogst, ook maar van enkele
+halmen, in de volgende maanden! De bisschop dood, het vertrouwen
+op de hulp der kerk geschokt, Gods genade als opgehouden, verloren
+in dit door de ongeloovigen bezette land! En zij, op wier hulp men
+rekende, waren arme, zwakke menschen, raadslieden zonder raad, ieder
+uur bedreigd om hunne door de pest aangetaste medeleden te volgen,
+die van de thans ledig staande zetels nog onlangs het grootste woord
+hadden gevoerd. Gisteren hadden naar ieders overtuiging, de nood en
+de ellende hun toppunt bereikt, en in den afgeloopen nacht waren ze
+voor zoovelen verdubbeld. Hun eigen zelfvertrouwen was uitgeput, doch
+er was nog éen wijze in de stad, die misschien nieuwe wegen openen
+en op een middel wijzen kon, om het volk voor vertwijfeling te bewaren.
+
+Daar vlogen weder steenen door het geopende dak, en de bouleuten
+sprongen van hunne ivoren zetels op en zochten beschutting achter
+marmeren zuilen en pijlers. Van de zijde der markt drong een woest
+geschreeuw door tot de ooren der beangstigde raadsleden, en tegen de
+zware deur van de kurie werd met vuisten en stokken gebeukt. Gelukkig
+was ze met brons beslagen en met zware ijzeren grendels gesloten,
+maar ieder oogenblik kon ze voor het geweld bezwijken en de razende
+volkshoop de vergaderzaal binnenstormen.
+
+Doch wat gebeurde er? In een oogenblik verstomde het gebrul en
+gejoel; het gedruisch nam een anderen, zachteren vorm aan. In
+plaats van de wilde vloeken en verwenschingen van zooeven weerklonk
+het: "Heil! Heil!" voor en na, en daartusschen hoorde men roepen:
+"Red," "help!" "Geef ons raad!" "Leve de wijze!" "Uw tooverkunst,
+vader!" "Gij kent de geheimen, de wijsheid der ouden!" "Red, red;
+toon die gierigaards en bedriegers in de kurie hoe men ons helpt!"
+
+Het hoofd van de stad waagde het zijne veilige plaats achter het
+zuilenbeeld van Keizer Trajanus te verlaten, het eenige dat de
+geestelijkheid nog had verschoond, en langs de ladder, die men
+gebruikte om de hanglampen aan te steken, op te klimmen tot het
+hooge venster en een blik naar beneden te slaan. Daar zag hij een
+grijsaard in hagelwitte kleeding op een fraaien witten ezel door de
+menigte rijden, die eerbiedig voor hem plaats maakte. De lictoren der
+stad gingen hem voor met hunne fasces, waaraan, ten teeken van hunne
+vreedzame zending, palmtakken bevestigd waren, verder merkte hij op
+dat de oude, behalve de drijver van zijn beest, ook een slaaf volgde,
+die ettelijke schriftrollen droeg, en dit deed zijn hoop herleven; want
+ze zagen er zeer oud en geel uit en bevatten stellig een overvloed
+van wijsheid, ja wellicht magische formulieren en tooverspreuken,
+waarvan men heil kon wachten. Met een luid "hij komt," daalde het hoofd
+der stad van de ladder af; weldra knarsten de grendels, de deur ging
+open en men kwam tot verademing toen men bespeurde, dat buiten den
+grijsaard niemand de kurie was binnengedrongen. Toen Horus Apollon
+de raadzaal binnentrad vond hij de bouleuten in zulk eene waardige
+houding op hunne ivoren stoelen, als ware de raadsvergadering geen
+oogenblik geschorst. Doch op een wenk van den voorzitter stonden
+allen voor den grijsaard op en hij beantwoordde hun groet afgemeten,
+als ware hem een eer bewezen die hem toekwam. Hij liet het zich ook
+wel gevallen, dat het hoofd der stad hem zijn hoogeren zetel inruimde,
+om op een gewonen naast hem plaats te nemen.
+
+Weldra was de behandeling van de zaak aangevangen, en deze werd niet
+gestoord door de menigte, ofschoon van de marktplaats nog altijd
+geluiden in de zaal doordrongen als van een bruisenden golfslag of van
+duizend bijenzwermen. De grijsaard verzekerde bescheiden, dat hij in
+zijn eenvoud, waar zulke wijze mannen geen hulp wisten te verschaffen,
+aanvankelijk twijfelde of die wel te vinden zou zijn. Hij was echter
+bedreven in de kennis van den aard en de wetenschap der vaderen, en
+hij was thans gekomen om mede te deelen, wat zij in dergelijke gevallen
+voor doeltreffend hadden gehouden, ten einde dat ook nu na te volgen.
+
+Een gemompel van instemming vergezelde zijne zachte, maar zoetvloeiende
+reden, en toen de stadsoverste allereerst wees op den wortel van alle
+onheilen, het uitblijven van den Nijlwas, verzocht de grijsaard hem
+hierover te zwijgen en allereerst de nooden onder de oogen te zien,
+waartegen men met eigene krachten redmiddelen kon aanwenden. De pest
+woedde in de stad; hij was zoo even het kwartier voorbijgegaan, dat
+door den brand gedeeltelijk was vernield, en had daar vijftig kranken
+zonder verpleging en in de grootste ellende bijeengevonden. Hier
+kon wat gedaan worden; hier lagen de middelen voor de hand, om de
+ontevredene menigte te bewijzen, dat hare raadslieden en leiders de
+handen niet in den schoot hadden gelegd.
+
+Een der leden van den raad stelde voor het Caecilia-klooster of
+het ongebruikte en vervallen Odeum voor hen in te ruimen, doch
+Horus Apollon verklaarde zich hiertegen en zette duidelijk uiteen,
+dat zulk eene opeenhooping van zieken midden in de stad de gezonde
+burgers in gevaar zou brengen. Dat was ook de zienswijze van zijn
+vriend Philippus en deze had de handelwijze der vaderen, als de
+eenige ware aangeprezen. Waar plaatsten de ouden niet alleen hunne
+inrichtingen van liefdadigheid, maar ook de groote ruimten vorderende
+tempels en begraafplaatsen? Altijd in de woestijn, buiten de stad. Op
+de reuzensphinx bij de pyramiden had de groote Arrianus zelf deze
+versregels geschreven:
+
+
+ Eertijds schiepen de goden die schoon hier prijkende vormen,
+ Wijselijk sparend het veld, vol van den vruchtbaren oogst.
+
+
+Dit sparen van het vruchtbare veld heeft het jongere geslacht vergeten,
+en het begreep ook niet meer, hoe het de woestijn kon gebruiken. De
+dooden en verpestten mochten de levenden niet in gevaar brengen,
+en daarom moesten zij buiten de stad, op den woestijnbodem van den
+Necropolis ergens worden ondergebracht.
+
+"Maar wij kunnen ze toch niet in den zonnegloed laten liggen," zeide
+de stadsoverste.
+
+"En evenmin," voegde een ander erbij, "kan men in een ommezien een
+gebouw voor hen optrekken."
+
+Daarop antwoordde Horus Apollon: "Wie zou zoo dwaas zijn het een of
+het ander te verlangen! Maar linnen en palen zijn in Memphis meer
+dan genoeg. Laat dadelijk in den Necropolis groote tenten opslaan,
+en onder deze beschutting, op kosten en onder toezicht van de stad
+allen verplegen, die door de ziekte worden aangetast. Vaardig drie of
+vier uit uw midden af, om deze opdracht te volbrengen, en in weinig
+uren is er een onderkomen gevonden voor die van hun huis beroofde
+kranken. Hoevele matrozen en scheepstimmerlieden slenteren er zonder
+arbeid langs den oever! Roep ze samen, en zet ze binnen een uur aan
+het werk!"
+
+Dit voorstel vond bijval en een fabrikant van lijnwaad onder de
+bouleuten zeide: "Ik lever alles wat er noodig is," en een ander, die
+in denzelfden stof handel dreef en dit beroemde Egyptische fabrikaat
+overal heen zond, viel hem in de rede en verlangde voor zich en zijn
+huis de opdracht, omdat hij goedkooper leveren kon. Deze strijd zou de
+zitting tot het einde en misschien ook tot den volgenden dag in beslag
+hebben genomen, als het voorstel van Horus Apollon, om de leverantie
+tusschen beiden te verdeelen niet spoedig ware aangenomen. Het volk
+begroette de afkondiging van het besluit, dat er tenten voor de zieken
+in de woestijn zouden worden opgeslagen, met een bijvalskreet van
+honderden stemmen. Zij die de opdracht ontvingen, om het besluit uit
+te voeren, gingen terstond aan het werk, en in den volgenden nacht
+konden de van hun dak beroofden reeds onder de eerste groote tent
+geborgen worden.
+
+Op dezelfde wijze loste de grijsaard nog eenige andere gewichtige
+vragen op, terwijl hij daarbij altijd zich beriep op de wijsheid der
+vaderen. Ten laatste nam hij het woord over de hoofdzaak, en hij deed
+het voorzichtig en met groot beleid. Alle wederwaardigheden van den
+laatsten tijd, zeide hij, wezen er op, dat de hemel vertoornd was op
+het ongelukkig land zijner vaderen. Als een teeken van zijn ongenoegen
+was een komeet gezonden, dat vreesaanjagend gesternte, dat met den
+dag nog toenam in dreigenden glans. Het stond niet in de macht van
+een mensch den Nijl te doen stijgen, maar de ouden--en nu luisterden
+de bouleuten met ingehouden adem--stonden in nauwere betrekking tot
+de geheimzinnige machten, die het leven der natuur besturen, dan
+de tegenwoordige menschen, onverschillig of ze leeken of priesters
+zijn. In die dagen was ieder dienaar der allerhoogste godheid tegelijk
+een kenner en onderzoeker der natuur. Wanneer Egypte door eene ramp
+werd bezocht als die van dit jaar, werd er een offer gebracht, een
+groot offer, waartegen het menschelijk gevoel en alles wat in ons is
+opkomt, maar dit had nimmer zijne uitwerking gemist. Hier waren de
+bewijsstukken, en daarbij wees hij op de schriftrollen in zijn schoot.
+
+De vergaderden bewogen zich onrustig op hunne zetels en eerst riep
+het hoofd der stad en vervolgens riepen en vroegen ook de andere
+bouleuten de een na den ander: "En het offer?"--"Welk offer brachten
+zij?"--"Wat moet dat offer zijn?"
+
+"Laat mij dit verzwijgen tot een volgenden keer," verzocht
+de grijsaard. "Wat zou het kunnen baten dit heden reeds te
+verkondigen? Eerst moet onderzocht worden, wat den goden welgevallig
+is."
+
+"Maar wat is het? Spreek man!"--"Leg ons niet op de pijnbank!"--Zoo
+drong men van alle zijden op hem aan. Doch de grijsaard bleef
+onverbiddelijk, beloofde den raad zelf samen te roepen, zoodra de tijd
+daartoe gekomen was, en verlangde van den stadsoverste alleen, dat
+hij van het balkon zou afkondigen, dat Horus Apollon een offer wist,
+dat den Nijl kon bewegen eindelijk te wassen. Zoodra het gevonden was,
+zou men het volk zijne toestemming vragen. In vroeger eeuwen had het
+nooit zijne uitwerking gemist. Mannen, vrouwen en kinderen konden
+dus gerust naar huis gaan en geduldig, met nieuwe en gegronde hoop,
+de toekomst afwachten.
+
+Deze afkondiging, waarbij het hoofd der stad niet verzuimde
+de wijsheid van den grijzen Horus Apollon te loven, deed eene
+verbazende uitwerking. Van nieuwe hoop vervuld jubelde de menigte,
+een "Heil! Heil!" weerklonk van alle zijden, en deze kreten golden
+niet enkel den grijsaard, die redding beloofde, maar ditmaal ook de
+bouleuten, de zorgzame vaders der stad, wien een loodzware last van
+het hart werd genomen. Wat de oude man voorhad, was zeker niet vroom
+en zuiver christelijk, maar had de macht van de kerk zich dan zoo
+werkzaam getoond? En nadat alle pogingen van die zijde schipbreuk
+hadden geleden, waren zijzelven reeds tot middelen afgedaald, die de
+priesters veroordeelden. Bezweringen en tooverij waren echt Egyptische
+kunsten, en waar het geloof niets uitrichtte, traden dezen, trad het
+bijgeloof in zijn recht. Toen men de lokken-Medea op het lijf was
+gevallen en gevangen had genomen, was het niet zoozeer geschied,
+om de wet te handhaven, maar veeleer, om hare geheime wetenschap
+ongemerkt voor het algemeen welzijn aan te wenden. In zulk een nood
+was geen middel te slecht, en hoewel de grijsaard zelf een afschuw
+had van dat wat hij aan de hand deed, van hunne toestemming was hij
+zeker, als het maar de gewenschte uitwerking deed. Was de nood eerst
+uit den weg geruimd, dan kon men de schuld, die men op zich geladen
+had, wel boeten; en de goede God was zoo barmhartig! De bisschop had
+anders ook zitting en stem onder de bouleuten, en nu had de loop der
+omstandigheden hun de noodzakelijkheid bespaard, om zijne tegenspraak
+te weerleggen.
+
+Toen Horus Apollon weer op de markt verscheen, werd hij met algemeenen
+bijval en zoo dankbaar begroet, alsof het hem reeds gelukt was land
+en volk te redden. En wat had hij ondernomen! Hetgeen hij dacht te
+doen plaats hebben mocht gelukken of niet, te Memphis kon hij niet
+blijven, want in elk geval was het daar uit met zijne rust. Maar dat
+schrikte hem niet af, want voor de vrouwen was het misschien heilzamer,
+als hij haar verwijderde uit de gevaarlijke nabijheid van de Arabische
+hoofdstad, en zijn besluit, om met het gezin van Rufinus te vertrekken,
+stond bij hem vast. Ook voor zijn Philippus kon het niet anders dan
+goed zijn in een anderen bodem verplant te worden.
+
+In het huis van Rufinus vernam hij welk lot Paula getroffen had. Voor
+het oogenblik stond zij hem dus niet meer in den weg, doch wanneer
+men haar morgen of overmorgen of over een maand vrijliet, was zij
+hem even hinderlijk als te voren. De aanslag tegen haar moest dus
+toch doorgezet worden. Zijne bijzondere denkbeelden zetten hem er
+toe aan, en welk eene voldoening, als het hem gelukte de Egyptische
+christenen tot de heidensche daad te brengen, die hij hen wilde
+doen uitvoeren. Werd Paula door de Arabieren ter dood veroordeeld,
+zoo kon dit aan de uitvoering van zijn plan slechts bevorderlijk
+zijn, en daarom was het nu van belang zich met den zwarten Wekil in
+betrekking te stellen; want van zijne toestemming hing alles af.
+
+Vrouw Johanna en Pulcheria vonden hem zoo opgeruimd en vroolijk als
+nooit te voren. Het voorstel, om met zijn Philippus haar huisgenoot
+te worden, werd ook door de kleine Maria met levendige vreugde
+begroet, en de vrouwen geleidden hem reeds heden door het geheele
+huis en ondersteunden hem daarbij zorgvuldig en liefderijk. Alles
+wat hij zag, beviel hem uitermate; zoo sierlijk en netjes kon het er
+alleen daar uitzien waar vrouwenoogen alles bestuurden en op alles
+toezagen. De kamer van Rufinus op den beganen grond zou de zijne
+worden, terwijl men een dergelijk vertrek aan de andere zijde van het
+huis voor Philippus kon inrichten. De eetzaal, de ruime voorzaal en
+het viridarium bleven gemeen goed, en voor de vrouwen en de gasten
+waren op de bovenverdieping kamers genoeg. Hij zou hier zijn intrek
+nemen, zoodra hij een zeker iets vastgesteld had. Het moest wel iets
+verblijdends zijn, want als de oude man daarover sprak, bewogen zich
+zijne ingetrokken lippen vergenoegd heen en weer, en daarbij schenen
+zijne fonkelende oogen Pulcheria toe te roepen: "Ook voor u, lief kind,
+heb ik iets goeds in den zin."
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+In de nauwe, gloeiend heete gevangeniscel, die de beide vrouwen
+herbergde, doorleefde Paula een ontzettenden nacht. Zij kon den slaap
+niet vatten, en als het haar gelukte eindelijk de oogen te sluiten,
+werd zij door het geschreeuw en het gerammel der ketenen van de
+gevangenen in de groote kerkerzalen, en door den harden stap van een
+lotgenoot gestoord, die nog rusteloozer dan zij boven haar hoofd op
+en neer wandelde.
+
+Arme deelgenoot in hetzelfde ongeluk! Was het martelende gewetensangst
+die hem heen en weer joeg, of was hij even onschuldig als zij, en
+was het zielsverlangen, zorg, liefde misschien die hem belette te
+slapen? Hij was geen gewoon misdadiger, want voor dezulken was er
+geen plaats in dit gedeelte van het gebouw, en omstreeks middernacht,
+toen het gedruisch in de groote zalen plotseling verstomd was, vernam
+zij uit zijne cel de zachte klank eener luit. En zóo kon enkel een
+meester het speeltuig hanteeren. Die vreemde gevangene ging haar
+niet aan, maar voor dit geschenk der tonen was zij hem dankbaar,
+want ze leidden hare gedachten en overleggingen af van haar eigen
+persoon en met klimmende aandacht luisterde zij naar zijn spel.
+
+Blijde een voorwendsel te hebben, om de warme, harde legerstede te
+verlaten, sprong zij op en plaatste zich aan het met ijzeren staven
+geslotene eenige venster der cel. Daar hield de muziek op en er volgde
+een gesprek tusschen den gevangenbewaarder en haar lotgenoot. Wat was
+dat voor eene stem? Bedroog zij zich of hoorde zij goed? Haar hart
+hield bijna op te kloppen, terwijl zij verder luisterde. Ja, nu moest
+elke twijfel zwijgen: Orion was het en geen ander, die daar boven haar
+sprak. Daar noemde de gevangenbewaarder ook zijn naam, daar sprak hij
+over haar gestorven oom, en nu werd als op een gegeven teeken zachter
+gesproken. Zij hoorde wel fluisteren, maar kon den inhoud niet meer
+onderscheiden. Eindelijk hoorde zij overluid afscheidswoorden spreken,
+de deur van de cel boven haar viel in het slot en de voetstappen van
+den gevangene naderden het venster.
+
+Zij drukte haar gelaat tegen de warme ijzeren staven, rekte zich uit,
+luisterde in de stilte van den nacht en riep, als zij geen geluid
+vernam, eerst zacht, dan harder: "Orion, Orion!" En van boven klonk
+terstond daarop haar naam terug.
+
+Thans begroette zij hem en begon te vragen, hoe en sedert wanneer hij
+hier was gekomen. Maar reeds bij de eerste woorden legde hij haar
+het zwijgen op met een beslissend "stil!" waarop terstond een kort
+"let op!" volgde.
+
+Vol verwachting luisterde zij door de traliestaven; de oogenblikken
+groeiden met langzamen slakkengang tot een vol half uur, tot eindelijk
+het luide "nu!" werd vernomen, waarop zij gewacht had. Eenige
+oogenblikken later hield zij een briefrolletje in de hand, dat aan
+eene met een stukje hout bezwaarde luitsnaar naar beneden was gelaten.
+
+Er was noch licht, noch vuur in hare cel en de duisternis maakte het
+haar onmogelijk om te lezen. Zij riep dus naar boven: "donker!" en
+terstond daarop naar zijn voorbeeld: "let op!" Zoodra zij de beide
+schoonste rozen, die Pulcheria haar gebracht had, aan de snaar had
+bevestigd, zweefden ze op haar vroolijk "nu" naar boven.
+
+Met eenige zachte accoorden, waarin zijn zielsverlangen en zijn
+hartstocht trilden, sprak hij zijn dank uit. Toen werd het weder
+stil, want de gevangenbewaarder had hem zooeven verboden, bij nacht
+te zingen en te spelen, en hij mocht van de welwillendheid van dezen
+man geen misbruik maken.
+
+Paula legde zich te slapen neder met Orions brief in de hand, en
+toen zij voelde dat zij zou insluimeren, schoof zij het rolletje
+onder haar hoofdkussen en sliep spoedig daarop in. Toen beiden na
+zonsopgang ontwaakten, hadden zij van elkander gedroomd en begroetten
+zij vroolijk den dag.
+
+Orion was buiten zichzelven geraakt van toorn, toen de kerkerdeur
+zich achter hem gesloten had. Hij had de ijzeren staven uit den
+muur willen rukken en de deur willen intrappen of uit hare hengels
+lichten. Er is voor een man geen smadelijker gevoel, niets wat meer
+zijne verontwaardiging wekt, dan zich als een schadelijk dier te zien
+afsluiten van de wereld, waartoe hij behoort en die hij noodig heeft,
+om ze te ontvangen, wat hem het leven levenswaard maakt, en wederkeerig
+anderen te vinden, die het goede kunnen genieten, dat hij doen en geven
+kan. Gisteren was de kerker in beider oog het voorportaal van de hel,
+zij waren der vertwijfeling nabij geweest en welke andere aandoeningen
+bezielden hen heden! Orion was door den eenen slag van het lot na den
+anderen getroffen; met welk een angstig en bekommerd gemoed had Paula
+zijn terugkeer te gemoet gezien, en hoe rustig was heden hare ziel,
+niettegenstaande zij in doodsgevaar verkeerde.
+
+De legende verhaalt van de Heilige Caecilia, die midden uit den
+bruiloftsdans naar de folterplaats werd gevoerd, dat zij, terwijl
+zij de pijnen van den marteldood leed, in hare verbeelding met een
+onuitsprekelijk gevoel van zaligheid hemelsche muziek en streelende
+orgeltonen vernomen had; en hoe ontelbaar velen hebben hetzelfde
+ervaren! In den uitersten nood en het grootste gevaar vinden zij hooger
+geluk dan in den glans, de pracht en de vreugde van het luidruchtige
+leven; want hetgeen wij gelukzaligheid noemen, valt hen ten deel,
+onverschillig waar zij zijn en in welk een uitwendigen toestand zij
+verkeeren, die juist dat bereikbaar achten, waarnaar hunne ziel
+smacht met innig verlangen. Wat deze twee in lang niet geweest
+waren, namelijk: recht innerlijk gelukkig, dat werden zij in den
+kerker. Paula met zijn brief voor oogen, dien hij reeds was begonnen
+te schrijven in het huis van den kadhi, en waarin hij zijn geheele
+hart voor haar ontsloot; Orion in het bezit harer rozen waaraan hij
+hing met oog en hart, en die voor hem lagen, terwijl hij de volgende
+dichtregelen neerschreef, die de gedienstige kerkermeester gaarne
+aan haar overbracht. Zij luiden aldus:
+
+
+ "Zie, toen donker en duf mij de nacht omsloot van den kerker,
+ 't Zonlicht zonk en mij niets bleef dan het sombere graf,
+
+ Nam ik de roos in mijn hand, en, op eens, uit de purperen bloemkelk
+ Straalde een heerlijke glans, klaar als de zonnigste dag.
+
+ Liefde, zoo heet het gesternte, dat licht uit de geurende blaadren
+ Rees, als uit deinende zee Foibos' verrijzende span.
+
+ Is ook 't koesterend vuur van het harte door minne bevangen
+ Niet als de glimmende vlieg, welke in rozen verschuilt?
+
+ Toen ons de dag nog lichtte, wij leefden in zon en in vrijheid,
+ Was bij het helderste licht, toch ons die glans te gering;
+
+ Doch nu vol van bedreiging de sombere nacht ons beschaduwt,
+ Sterkt ons het vriendelijk licht, draagt het den zinkenden moed.
+
+ Dan, aan de zaden gelijk, ontkiemend in nachtlijken aardschoot,
+ Zoo als uit 't sombere graf rijst de gevleugelde ziel,
+
+ Dus ook zie ik dat hier in het zwarte gewelf van den kerker,
+ Schooner dan rozen der haag, bloeien de rozen der min."
+
+
+En wanneer was Paula inderdaad gelukkiger geweest dan in de ure, toen
+zij dezen groet van den geliefde, deze eenvoudige kerkerbloem voor de
+eerste maal genoot? De oude Betta kon aan het hooren van deze verzen
+zich niet verzadigen, en zij weende van vreugde, niet over den inhoud,
+maar over de wonderbare verandering, die zij bij hare lieveling hadden
+uitgewerkt. Zij was nu weder een meisje dat het geluk uit de oogen
+straalde, gelijk weleer aan den Libanon, en toen Paula voor de in de
+rechtzaal vergaderde rechters verscheen, zagen deze haar verwonderd
+aan, want met zulk een glans van vreugde op het gelaat was nog nooit
+eene op dood of leven aangeklaagde vrouw voor de balie verschenen.
+
+En toch stond het bedenkelijk met hare zaak, en de niet minder
+zachtmoedige dan rechtvaardige kadhi, die zelf lieve dochters
+bezat, werd pijnlijk aangedaan, toen hij zag welk eene ongegronde
+gerustheid de ziel van deze voortreffelijke jonkvrouw oogenschijnlijk
+vervulde. Ja, het stond bedenkelijk met hare zaak, want er lag een
+onwederlegbaar bewijsstuk op tafel, en de samenstelling van het
+gerechtshof, die streng volgens de wet had plaats gehad, was naar
+het scheen niet in haar voordeel. Hare zaak werd door evenveel
+Egyptenaars als Arabieren behandeld. De laatsgenoemden waren er
+bijgenomen, omdat door haar toedoen muzelmannen om het leven waren
+gekomen; als bewoonster van Memphis en als christin behoorde zij tot
+de jurisdictie van de eersten.
+
+De kadhi leidde de rechtspraak, en de ervaring had hem geleerd,
+dat de Jacobietische rechters de rechtzaal binnentraden met het
+doodsoordeel in de plooien van hun mantel, zoodra de aangeklaagde
+tot de Melchietische geloofsbelijdenis behoorde. Wat hen tegen deze
+schoone jonkvrouw innam, wist hij niet, doch het was gemakkelijk
+te zien, dat zij der Damasceensche kwalijk gezind waren, en wanneer
+zij het "schuldig" over haar uitspraken en ook maar éen Arabier met
+hen medestemde, was het lot van de jonkvrouw beslist. En wat wilde
+die in het wit gekleede grijsaard op de bank der getuigen, de oude,
+geleerde Horus Apollon, met de verklaring, die hij wenschte af te
+leggen? De blikken waarmede hij de Damasceensche opnam lieten niets
+goeds voor haar verwachten.
+
+Het was drukkend, ondragelijk heet in de zaal! Ieder gevoelde zich
+bezwaard, en ondanks het gewicht dezer beraadslaging, bleef zij
+toch menigmaal steken, om dan daarna weder met onbetamelijken spoed
+te worden voortgezet. De aangeklaagde zelve scheen gelukkig geheel
+frisch te zijn, en niet onder den indruk te verkeeren van de hitte
+van dezen dag. Zoo weinig moeite het haar gekost had, bij het verhoor
+van den ruwen zwarte hare bewering vol te houden, dat zij geen deel
+had genomen aan de vlucht der nonnen, zoo moeilijk viel het haar
+tegenover de welwillende vragen van den kadhi Othman. Doch haar werd
+geene keus gelaten en het gelukte haar te bewijzen, dat zij, terwijl
+de Arabische krijgsknechten tusschen Athribis en Dumiat om het leven
+waren gekomen, Memphis en het huis van Rufinus niet verlaten had.
+
+De kadhi trachtte deze omstandigheid terstond in haar voordeel aan te
+wenden, en de Wekil Obada, die veel met zijn grijzen buurman op de
+bank der getuigen te fluisteren had, liet hem gelaten doorspreken;
+doch zoodra hij geëindigd had stond Obada op en legde den brief,
+dien hij in Orions kamer had gevonden, voor de rechters neder. Deze
+was onloochenbaar van de hand des zoons van den stadhouder, was
+aan Paula gericht, en de slotzin: "Veroordeel mij daarom niet; uw
+schoonste en maar al te zeer gerechtvaardigde wensch, om aan uwe
+geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest," liet
+niet na, op de rechters een diepen indruk te maken. Paula antwoordde
+op de vraag van den kadhi, wat zij wist van dit schrijven, geheel
+overeenkomstig de waarheid, dat het haar geheel vreemd was; toch
+wilde zij niet loochenen, dat zij de zusters in het Caecilia-klooster,
+hare geloofsgenooten, steeds het beste toegewenscht en gehoopt had,
+dat het haar gelukken mocht heur goed recht tegen de vijandelijke
+aanslagen van den patriarch te verdedigen. Ook de gestorven Mukaukas
+en de Jacobietische raad van de stad hadden hare zienswijze gedeeld,
+en de Arabieren hadden den vrede der vrome krankenverpleegster nooit
+verstoord.
+
+De kalmte en de kortheid, waarmede zij dit alles verklaarde, werkten
+gunstig, inzonderheid op de muzelmansche rechters, en de kadhi begon
+voor Paula te hopen. Hij beval nu Orion te roepen, die het best in
+staat was, om inlichting te geven omtrent de beteekenis van den door
+hem geschreven, maar niet verzonden brief.
+
+De jonkman verscheen, en ofschoon hij en Paula zich geweld aandeden,
+om op deze plaats volkomen bedaard te blijven, zag ieder toch
+duidelijk, hoe het wederzien beiden ontroerde. Horus Apollon hield
+de oogen strak op Orion gericht, dien hij hier voor het eerst zag,
+en zijn gelaatstrekken verkregen daarbij een steeds somberder en
+onheilspellender aanzien.
+
+De jongeling erkende den brief geschreven te hebben, doch, evenals
+Paula had gezegd, zag de inhoud alleen op het gevaar, hetwelk de nonnen
+reeds lang van de zijde van den patriarch bedreigd had. Den bijstand,
+dien hij in dit schrijven aan de dochter van Thomas toezegde, zou
+hij haar ten gevalle later en te zijner tijd gaarne en vol ijver aan
+de zusters hebben verleend, en wel met hulp van den stadhouder Amr,
+die, gelijk hijzelf zou kunnen bevestigen, de zienswijze zijns vaders
+deelde omtrent het goed recht der nonnen.
+
+De oude op de getuigenbank mompelde luid genoeg, om door de rechters
+verstaan te worden: "Handig, zeer handig!" en de zwarte naast hem
+begon overluid te lachen en riep: "Dat noem ik op een sluwe manier
+zijn leven te verlengen! Weest gewaarschuwd, heeren rechters! Deze
+twee spelen éen spel en zijn nauw aan elkander verbonden. Het bewijs
+daarvan is in mijne handen: die jonkman heeft het vermogen van Thomas'
+dochter belegd, als ware het reeds zijn eigen, en verder...."
+
+Hier viel Paula hem in de rede. Zij wist niet wat die kwalijk
+gezinde man verder in het midden kon brengen, doch zeker was het
+iets ergerlijks. Daar stond Orion tegenover haar, juist zooals zij
+hem in hare verbeelding had gezien in aandoenlijke uren, die haar
+thans voor den geest kwamen, en zij gevoelde, hoe zijn blik haar vol
+verrukking aanzag. Hier tot hem te gaan en hem te zeggen, wat zij te
+midden van dezen strijd tusschen leven en dood gevoelde, dat scheen
+onmogelijk, en toen nu de Wekil voor de rechters begon te ontsluieren,
+wat haar en den geliefde alleen aanging, drong al wat in haar was die
+onthulling te voorkomen, en den vriend in deze beslissende ure toe te
+staan wat zij hem eens kleinmoedig had geweigerd. Blijmoedig gestemd
+en met schitterende oogen viel zij dus den zwarte in de rede en riep:
+"Zwijg man! Gij verspilt woorden voor niet. Wat gij arglistig tracht te
+bewijzen, dat beken ik zelf trotsch en dankbaar. Hoort het gij allen:
+de zoon van den Mukaukas Georg is mijn verloofde."
+
+Bij deze woorden zocht haar oog dat van Orion; zij vond het en weder
+genoten beiden te midden van het hoogste gevaar een oogenblik van het
+reinste en hoogste geluk; en in Paula's oogen blonken tranen van de
+dankbaarste ontroering, toen Orion uitriep: "Wat de hoogste zaligheid
+mijns levens uitmaakt, hebt gij uit haar eigen mond vernomen. De
+edele dochter van Thomas is mijne bruid!"
+
+Daar ging een gemompel door de rijen der Jacobietische
+rechters. Sommigen hadden tot hiertoe, tengevolge der drukkende
+hitte, half zitten te dommelen en het hoofd op de borst laten zinken;
+thans waren zij allen opeens zoo wakker en helder, als had een koude
+waterstraal hen getroffen. "Uw vader, jonge man," riep er een, "hebt
+gij schandelijk vergeten! Wat zou hij wel gezegd hebben van deze
+bloedschande? Want wat anders is het verbond met deze Melchietin, eene
+dochter dergenen, die twee uwer broeders tot martelaars maakten? O,
+als de gestorvene...."
+
+"Hij heeft onze verbintenis op zijn sterfbed gezegend," riep Orion
+hem toe, zonder hem te laten uitspreken.
+
+"Heeft hij?" vroeg een ander Jacobiet met bitteren hoon. "Dan is de
+patriarch in zijn recht geweest, toen hij de geestelijkheid verbood
+zijn lijk te begeleiden. Moet men oud worden, om getuige te zijn van
+zulke schandalen?"
+
+Deze woorden waren voor de ooren der twee gelukkigen als krekelgezang;
+zij gevoelden, zij bedachten alleen, wat deze zalige oogenblikken
+hun hadden geschonken, en vermoedden niet dat Paulas blijmoedige
+bekentenis hun doodvonnis inhield.
+
+De toorn der Jacobieten bespoedigde van nu aan den gang van het
+rechtsgeding. Met welsprekendheid stelde de aanklager onder de
+Arabieren in het licht, aan hoevele muzelmannen de redding van
+de nonnen het leven had gekost, en hij las nogmaals den brief van
+Orion voor. Zijn christelijke ambtsbroeder trachtte te bewijzen,
+dat dit schrijven alleen betrekking kon hebben op de zoo listig in
+het werk gestelde vlucht der zusters, en nu deed zich iets nieuws
+voor, dat niemand had verwacht en een beslissenden invloed had op de
+verdere behandeling; de grijsaard viel den kadhi in de rede, om eene
+verklaring af te leggen.
+
+Paula's vertrouwen, dat door de laatste sprekers geschokt was, begon
+weer te herleven; want zij hield zich zeker overtuigd dat de beproefde
+vriend en pleegvader van haar trouwen Philippus voor haar in de bres
+zou springen. Doch wat was dat?
+
+Met een blik, welks vijandige gezindheid haar door merg en been drong,
+nam de oude haar hooge gestalte op en zeide daarop langzaam: "In den
+morgen, die volgde op de vlucht der nonnen, is de aangeklaagde in het
+Caecilia-klooster geweest en heeft daar de klok geluid. Weerspreek
+mij, trotsche dochter van een prefect, zoo gij kunt; doch laat mij
+u bij voorbaat zeggen, dat gij in dit geval mij dwingt tot nieuwe
+aanklachten."
+
+Het meisje, door ontzetting aangegrepen, zag in hare verbeelding
+de weduwe van Rufinus en Pulcheria naast zich voor de rechters op
+de bank der arme zondaars zitten, zij voelde, dat zij met tegen te
+spreken de vrienden met zich in het verderf zou sleuren, en daarom
+bevestigde zij met bevende lippen de uitspraak van den grijsaard.
+
+"En om welke reden hebt gij de klok geluid?" vroeg de kadhi.
+
+"Om hen te dienen," antwoordde Paula, "die mijne geloofsgenooten zijn
+en die ik liefheb."
+
+"Als aanlegster van eene als hoog verraad gebrandmerkte onderneming,
+die droop van bloed," riep de Wekil, "en met geen ander doel dan om
+ons, de beheerschers des lands, te misleiden."
+
+Doch de kadhi gelastte hem te zwijgen en gaf het woord aan haar
+Jacobietischen advocaat. Deze had in de vroegte met haar gesproken
+en trad nu op Egyptische manier met een verdedigingsschrift voor
+haar op. Doch dit matte knutselwerk deed geen uitwerking, en hoewel
+de kadhi alles op den voorgrond stelde, wat tot hare rechtvaardiging
+kon strekken, werd toch het schuldig over haar uitgesproken.
+
+Maar kon haar misdrijf met den dood gestraft worden? Het was
+uitgemaakt, dat zij bij de redding der nonnen de hand in het spel had
+gehad, doch niet minder zeker was het te bewijzen, dat zij gedurende
+den strijd op den Nijlarm ver van de zusters en hare verdedigers was
+geweest. Zij was toch eene vrouw, en hoe vergeeflijk scheen het, dat
+een vroom meisje geliefde geloofsgenooten bijstond, om de vervolging
+te ontgaan. De kadhi Othman bracht dit alles met welsprekendheid in
+het midden, en beval den Wekil streng en ernstig rustig te blijven,
+toen hij van de bank der getuigen af voor de doodstraf trachtte te
+spreken; en de menschlievende overredingskracht van den zachtmoedigen
+rechter won de harten der meeste muzelmannen. Paula's persoon maakte
+een machtigen indruk op hen, en niet minder de omstandigheid, dat
+hun dapperste en edelste vijand de vader van de aangeklaagde was
+geweest. Toen het eindelijk tot eene stemming kwam, geschiedde wat
+ongehoord mocht heeten, dat namelijk alle geloofsgenooten van de
+aangeklaagde, dat de Jacobietische christenen eenstemmig haar dood
+eischten, terwijl van de ongeloovigen onder de rechters maar éen met
+dit strenge vonnis instemde.
+
+Het oordeel was geveld, en toen de Wekil Obada Orion voorbijkwam,
+die bleek en bijna buiten zichzelven in zijne cel teruggebracht werd,
+riep hij hem spottend toe in gebroken Grieksch: "Morgen komt de beurt
+aan u, zoon van den Mukaukas!"
+
+Daar zweefde Orion het antwoord op de lippen: "Ook aan u komt ze,
+zoon van een slaaf!" Doch Paula stond tegenover hem en om hare vijand
+niet nog meer te verbitteren, gelukte hem thans, wat hem vroeger niet
+mogelijk zou zijn geweest. Zonder een woord te antwoorden, liet hij
+den Wekil en Horus Apollon voorbijgaan.
+
+Zoodra de deur zich achter deze twee gesloten had, knikte de kadhi
+Orion met welgevallen toe en zeide: "Recht en wijs gehandeld,
+mijn vriend! De adelaar mag niet vergeten, dat het betaamt, zijne
+vleugels in de kooi anders uit te slaan dan tusschen de woestijn en
+den hemel."--Daarop gaf hij de wachters een wenk hem weg te leiden
+en hield zich op een afstand, toen de jonkman zijne bruid met hand
+en oogen een afscheidsgroet toewenkte.
+
+Eindelijk ging de kadhi naar Paula toe, wier van heldenmoed getuigende
+kalmte bij de verkondiging van het doodvonnis zijne bewondering had
+gewekt, en zeide: "Het gerecht heeft in uw nadeel beslist, edele
+jonkvrouw, maar boven zijne uitspraak staat de genade van onzen heer,
+den Kalief en die van den barmhartigen God. Richt gij uw gebed tot Hem,
+tot genen zal ik met eenige vrienden mij wenden." Bescheiden sloeg hij
+hare dankbaarheid af, en toen men ook haar had weggebracht, riep hij de
+vrienden, die op hem wachten, in de beeldrijke taal van zijn volk toe:
+"Het hart doet mij pijn! Zulk een oordeel uit te spreken drukt neer
+als een gewicht van honderd pond; maar het kan niet zwaarder vallen
+den ganschen aardbol te torschen dan een Obada tot geloofsgenoot te
+hebben en hem te moeten gehoorzamen."
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Nauwelijks had de raadselachtige oude de rechtzaal met den Wekil
+verlaten, of hij verzocht dezen om een onderhoud. Onbeschaamd verdreef
+Obada nu den gevangenbewaarder met zijne vrouw en haar zuigeling uit
+hun vertrek, en liet zich hier door den grijsaard mededeelen welk een
+einde hij der ter dood veroordeelde had toegedacht. Het plan van den
+oude beviel den zwarte wel, doch het scheen hem in menig opzicht zoo
+gewaagd, dat het den grijsaard bezwaarlijk gelukt zou zijn hem er
+mede te doen instemmen, indien hij niet een gewichtige wederdienst
+had weten te noemen, dien hij Obada hoopte te kunnen bewijzen. Den
+Wekil moest er alles aan gelegen zijn stellig te kunnen volhouden,
+dat Orion de hand in het spel had gehad bij de vlucht der nonnen,
+en het toeval had den grijsaard een geschrift in handen gespeeld,
+dat dit boven alle bedenkingen scheen te verheffen.
+
+Vroeg in de morgenkoelte was met zijne verhuizing naar de woning
+van Rufinus een begin gemaakt. Alleen de kostbaarste en gewichtigste
+schriftrollen waren tegelijk met hem overgebracht, en terwijl hij ze
+in een kleine lessenaar wegborg, dezelfde die Rufinus aan Paula in
+gebruik had gegeven, had Horus Apollon daarin het briefje gevonden,
+hetwelk de jonkman vluchtig had neergeschreven, toen hij, na lang te
+vergeefs gewacht te hebben op de geliefde, die met de kleine Maria
+bezig was, zich eindelijk gedwongen had gezien om heen te gaan,
+ten einde van den veldheer Amr afscheid te nemen. Dit wastafeltje
+waarvan het schrift sterk uitgewischt en ten deele geheel onleesbaar
+geworden was, moest de rechters van Orions schuld overtuigen, en zoo
+bezorgde de uitlevering van dit bewijsstuk den grijsaard de vergunning
+van Obada, om te bepalen op welke wijze de Damasceensche ter dood
+gebracht zou worden.
+
+Toen beiden eindelijk de kamer van den gevangenbewaarder verlieten,
+wendde de zwarte zich nog eens tot dezen en snauwde hem toe,
+terwijl hij wees op zijne aardige vrouw met het kind aan hare borst,
+dat zij alle drie kinderen des doods zouden zijn, wanneer hij Orion
+veroorloofde zijne cel ook maar voor een oogenblik te verlaten. Hierop
+steeg hij te paard, terwijl de oude dadelijk naar de kurie reed, om
+den stadsoverste uit te noodigen heden avond eene zitting bijeen te
+roepen, waarna hij zijn nieuw verblijf opzocht. Daar vond hij zijne
+kamer zorgvuldig in schaduw gehouden en zoo koel, als het bij zulk eene
+hitte maar mogelijk was. Men had den grond met water besprenkeld, er
+stonden bloemen waar er maar eene geschikte plaats voor te vinden was,
+en de schriftrollen en andere voorwerpen, die voor hem gekomen waren,
+hadden reeds in kisten en kasten eene plaats gevonden. Nergens lag een
+stofje, overal snoof zijne neus behagelijk de heerlijkste geuren op.
+
+Wel had hij een goeden ruil gedaan. In zijn gewonen, ouden leuningstoel
+gezeten wreef hij zich met welbehagen de magere handen, en toen
+de kleine Maria verscheen, om hem aan tafel te noodigen, had hij
+er plezier in met haar te gekscheren. Pulcheria moest hem uit het
+viridarium naar de eetkamer geleiden, en aan tafel liet hij het zich
+goed smaken. Zijn vaal, verschrompeld gelaat begon er werkelijk
+schooner uit te zien, terwijl hij zijn oog liet gaan over zijne
+vrouwelijke huisgenooten, waarvan alleen de Griekin Eudoxia ontbrak,
+omdat eene lichte ongesteldheid haar had doen besluiten op hare kamer
+te blijven. Hij had voor ieder een vriendelijk woord; opgeruimd en
+zonder het gevoel van dankbaarheid, dat hem vervulde, te verbergen,
+vergeleek hij zijn vroegeren toestand met den tegenwoordigen, en
+schilderde hij, met een ondeugenden blik op Pulcheria, hoe heerlijk
+het zijn zou als Philippus terugkeerde, om hen allen te zamen tot
+een echt en wezenlijk gesternte te maken; want iedere Egyptische
+ster had vijf stralen; de ouden hadden nooit eene andere gekend of
+in steen gegraveerd, ja zich van het sterreteeken zelfs bediend,
+om het getal vijf te schrijven.
+
+"Maar dan," riep Maria, "dan zijn wij zoo ik hoop een ster met zes
+stralen, want dan is de arme Paula toch stellig ook weer bij ons."
+
+"God geve het," zeide vrouw Johanna met een zucht.
+
+Pulcheria vroeg den ouden man wat hem scheelde, want opeens veranderde
+zijn gelaat. De vroolijkheid van zooeven was verdwenen; de haarstoppels
+boven de oogen staken omhoog, en de saamgetrokken lippen bewogen zich
+krampachtig, toen hij eindelijk knorrig antwoordde: "Mij scheelt
+niets.. Intusschen, ik zeg u eens en voor altijd: deze naam stuit
+mij tegen de borst."
+
+"Paula?" vroeg Maria verbaasd. "O, als gij wist..."
+
+"Ik weet meer dan genoeg," haastte de grijsaard zich te zeggen.
+
+"Gij zijt mij allen lief, ja gij allen; mijn oude hart gaat open in uw
+midden. Het bevalt mij bij u, ik houd veel van u, ik ben u dankbaar,
+elke vriendschapsdienst dien gij mij bewijst, doet mij goed, want die
+komt uit het hart. Kon ik alles maar spoedig en rijkelijk vergelden,
+het zou mij van vreugde verjongen! Gij moogt het gelooven, en ik zie
+u aan dat gij het doet. Doch," en nu trokken zich de wenkbrauwen
+weder samen, "doch wanneer ik dezen naam hoor noemen, en wanneer
+gij beproeft mij voor die vrouw te winnen, of mij met haar lof aan
+het hoofd te malen, dan, hoeveel leed ik hiermede ook mijzelven zou
+aandoen, dan ga ik terug naar de plaats vanwaar ik gekomen ben."
+
+"Maar Horus, Horus! wat is dat?" riep vrouw Johanna ontsteld.
+
+"Dat is," barstte de oude los, "dat zich alles in haar belichaamt
+wat ik in haar stand veracht en haat. Dat is, dat zij een koud,
+verraderlijk hart in de borst draagt, dat zij mij dagen en nachten
+heeft gekweld, in 't kort, dat ik liever verdoemd wilde zijn, om met
+klamme salamanders en koude slangen onder éen dak te leven...."
+
+"Als met haar, als met Paula?" zeide Maria opeens, en daarbij vloog
+het levendige meisje op, hare oogen vonkelden en hare stem trilde van
+verontwaardiging, toen zij voortging: "En dat zegt gij niet alleen,
+dat meent gij in ernst? Is dat mogelijk?"
+
+"Niet alleen mogelijk, maar zeker, klein hartediefje." hernam de oude,
+de hand naar haar uitstekende.
+
+Maar zij week voor hem achteruit en zeide heftig: "Ik wil uw
+hartediefje niet zijn, wanneer gij zoo over haar spreekt. Wie zoo
+oud is als gij, moest rechtvaardig zijn! Gij kent haar niet, en wat
+gij van haar hart gezegd hebt..."
+
+"Wees bedaard, meisje," zeide de weduwe.
+
+De oude antwoordde echter met bijzonderen nadruk. "Dit hart, jonge
+wildzang, zal goed en nuttig zijn voor ons en allen, wanneer wij er
+niet meer aan denken, in goeden zoo min als in kwaden zin. Men heeft
+heden over haar recht gesproken en dit hart tot stilstand veroordeeld."
+
+"Veroordeeld? Barmhartige hemel!" riep Pulcheria; en terwijl zij
+daarbij opvloog, zeide hare moeder: "Om Gods wil zwijg! Het is zonde
+met zulke dingen te spotten. Is het waar, is het mogelijk! Deze
+ellendigen, deze.... O, ik zie het u aan, het is zoo, ze hebben
+Paula veroordeeld."
+
+"Gij zegt het," antwoordde Horus koel. "De Damasceensche zal
+terechtgesteld worden."
+
+"En dat, dat zegt gij eerst nu?" zeide Pulcheria snikkende.
+
+"En gij," voer Maria uit, "gij hebt daarbij kunnen schertsen en
+lachen. Gij hebt... Schande over u! Wanneer ge niet zoo'n zwakke
+stokoude grijsaard waart..."
+
+Vrouw Johanna bracht andermaal het kind tot bedaren en vroeg, onder een
+vloed van tranen: "Men wil haar terechtstellen, haar onthoofden? Is
+er dan voor haar, die van dien onzaligen strijd even ver verwijderd
+is gebleven als wij, voor haar, de dochter van Thomas, geen genade?"
+
+"Wacht maar, wacht!" antwoordde de grijsaard. "Wellicht heeft de hemel
+haar uitverkoren voor groote dingen. Zij kan bestemd zijn, om door haar
+dood een geheel land en volk te redden. Het zou toch mogelijk zijn..."
+
+"Spreek duidelijk uit, wat gij op het hart hebt; ik huiver voor die
+orakelen," viel de weduwe hem in de rede.
+
+Doch hij haalde de schouders op en zeide gelaten: "Wat wij vermoeden,
+weten wij daarom nog niet. De hemel heeft hier te beslissen. Wel
+ons allen: mij, haar, u, Pulcheria en ook den afwezigen Philippus,
+wanneer de godheid haar tot werktuig kiest! Maar wie vermag in het
+duister te zien? Als het u rust kan geven, Johanna, weet dan, dat de
+teerhartige kadhi en met hem zijne Arabische mederechters reeds uit
+haat tegen den Wekil, die ze allen in geest en wilskracht overtreft,
+niets onbeproefd zullen laten...."
+
+"Om haar te redden?" haastte de weduwe zich te vragen.
+
+"Morgen houden zij raad, of er een bode met eene bede om genade naar
+Medina gezonden zal worden," ging Horus Apollon met een hatelijk
+lachje voort. "Overmorgen krijgen zij geschil over de vraag, wie
+die bode zijn zal, en voor hij een voet in Arabië zet, is het lot
+van de veroordeelde beslist. De Wekil Obada rijdt sneller dan hij en
+deze heeft alle macht in handen, zoolang Amr ver van Egypte is. Men
+zegt, dat hij den stadhouderszoon niet luchten of zien kan, en om
+zijnentwil--wie weet het?--kan de Damasceensche als zijne bruid..."
+
+"Zijne bruid?"
+
+"Voor de rechters heeft zijzelve zich zoo genoemd en zichzelve
+gelukgewenscht als zijne verloofde."
+
+"Paula en Orion?" juichte Pulcheria onder hare tranen, en klapte
+blijmoedig in de handen.
+
+"Zij beiden," hernam de oude. "Gij hebt reden, om u te verheugen,
+mijn meisje. Wat hebt gijlieden toch teergevoelige harten! Let op
+de ervaring van den oude en zegent het lot, wanneer dit het paard
+verlamt van den bode des kadhis! Doch gij wilt niets hooren, wat als
+orakeltaal klinkt, en het is ook beter over iets anders te spreken..."
+
+"Neen, neen," smeekte Johanna. "Waaraan zouden wij kunnen denken dan
+aan haar en hetgeen haar boven het hoofd hangt. O Horus, ik herken u
+niet meer. Wat heeft u dat arme, ons zoo dierbare, voortreffelijke
+meisje, dat door zulk een bitter ongeluk vervolgd wordt, toch
+gedaan? En bedenkt gij in het geheel niet, dat de rechters, die haar
+veroordeeld hebben, nu ook verder zullen onderzoeken, hoe Rufinus en
+wat wij allen..."
+
+"Wat gij hebt uit te staan met dit waanzinnige reddingsplan?" vulde
+de grijsaard aan. "Het is mijne zaak dat te verhinderen. Zoo lang
+deze oude hersenen denken kunnen, deze mond spreken kan, zal u geen
+haar gedeerd worden."
+
+"Heb dank daarvoor!" antwoordde Johanna. "Maar als gij dan zooveel
+macht hebt, gebruik haar dan, om Paula te redden. Gij weet hoe lief
+Paula ons allen is, hoe hoog uw Philippus haar schat."
+
+"Ik bezit volstrekt geen macht en wil die ook niet hebben," antwoordde
+de oude op strengen toon.
+
+"Maar Horus, Horus!--Kom kinderen!--Wij zouden een tweeden vader in u
+vinden, hebt gij beloofd; zoo toon dan, dat dit geen ijdel woord is,
+en laat u door ons bezweren."
+
+De oude man stond, terwijl hij diep ademhaalde, zoo spoedig hij dit
+kon op; twee scherp afgeteekende roode vlekken kleurden zijne vale
+wangen, en met heesche stem riep hij uit: "Geen woord meer! Doet
+geen poging om mij te vermurwen! Val mij niet met weeklachten op het
+lijf. Genoeg, duizendmaal genoeg van dit alles! Gij hebt het gehoord
+en hoort het nu weder: De Damasceensche of ik, ik of zij! Kunt gij,
+wat er in de toekomst ook gebeure, het niet over u verkrijgen in mijne
+tegenwoordigheid over haar te zwijgen, dan--dan--dat bezweer ik u,
+en wat ik beloof dat houd ik--dan keer ik naar mijn oude hol terug,
+om droefgeestig en wederom eene teleurstelling rijker mijn bestaan
+voort te slepen of te sterven, zooals mijne godin het zal beschikken."
+
+Daarop verliet hij het vertrek. De kleine Maria hief de tot vuist
+gebalde rechterhand dreigende op en riep hem na: "O, dat hij maar
+wegging, dat oude, harde, onrechtvaardige monster! Ach, dat ik een
+man ware!" Daarbij barstte zij uit in luid geween, en zonder naar de
+terechtwijzing van de weduwe te hooren, ging zij voort, zichzelve
+niet meer meester: "O, er is geen slechter mensch dan deze, moeder
+Johanna! Hij zou haar willen zien sterven, hij wenscht haar dood,
+ik voel dat hij dit wenschen kan! Hebt gij het gehoord Pul, hij zou
+er zich in verblijden, als het paard verlamde van den bode, die hare
+redding zou kunnen bewerken? En zij is nu de bruid van Orion,--ik
+had ze reeds zoolang voor elkander bestemd--en hem willen zij ook
+dooden. Maar zij zullen het niet, als er nog een rechtvaardig God in
+den hemel is. O dat ik... dat ik..."
+
+Maar het hevig belette haar verder te gaan, en toen zij eenigermate
+tot rust was gekomen, smeekte zij Pulcheria en hare moeder, om
+haar naar Paula te brengen. Daar zij dezen wensch met haar deelden,
+begaven zij zich vóor het donker werd op weg naar de gevangenis. Hoe
+meer zij de markt naderden, die zij moesten oversteken, des te voller
+vonden zij de straten. Alles ging denzelfden weg uit, zij werden als
+door de menigte gedragen. Uit de richting van het marktplein kwam
+hun het gedruisch en geroep uit ontelbare monden te gemoet. Vrouw
+Johanna werd in het gedrang beangst voor het geweldig rumoer op het
+plein, en gaarne ware zij met hare beschermelingen omgekeerd, of had
+zij die plaats ontweken; maar alles bewoog zich daarheen, en het zou
+gemakkelijker zijn geweest tegen een gezwollen bergstroom op te zwemmen
+als weder naar huis te komen. Zij bereikten dan ook weldra de markt,
+en werden daar, van alle zijden opgedrongen, tot stilstand gedwongen.
+
+De angst van de weduwe klom steeds meer. Hoe pijnlijk was het haar met
+de meisjes midden in zulk een volksoploop geraakt te zijn! Pulcheria
+hield haar stevig vast, en toen zij Maria gebood haar eene hand te
+geven, riep de kleine, die in dezen avontuurlijken tocht bijzonder
+behagen schepte: "Zie eens, moeder Johanna, daar staat onze Rustem,
+hij is toch de grootste van allen!"
+
+"Hadden we hem maar bij ons!" zeide de weduwe met een zucht.
+
+Daar rukte het kind zich van haar los, sloop behendig als een eekhoorn
+door den menschendrom en bereikte weldra den Masdakiet.
+
+Deze had Memphis nog niet verlaten, want de eerste karavaan, waarbij
+hij zich met zijn wijfje zou kunnen aansluiten, brak eerst op na
+eenige dagen. De brave Pers en Maria waren goede vrienden, en zoodra
+hij hoorde, dat zijne weldoensters in vrees verkeerden, baande hij
+zich met het kind een weg tot haar, en de weduwe kwam tot verademing,
+toen hij haar aanbood bij haar te blijven en haar te beschermen.
+
+Intusschen nam het gejoel en geschreeuw steeds toe. Aller hoofden en
+oogen waren naar het raadhuis gericht, want men scheen te verwachten
+dat daar iets groots, iets buitengewoons zou plaats hebben.
+
+"Wat is er toch te doen?" vroeg Maria den Pers, terwijl zij hem aan het
+kleed trok. De reus boog zwijgend tot haar neder en tot hare vreugde
+stond zij een oogenblik later op zijne over de borst gekruiste armen,
+en zag, nadat zij zich eene zitplaats had gekozen op zijn breeden
+schouder, van dezen hoogen wachttoren over allen heen.
+
+Vrouw Johanna legde angstig de handen op hare voetjes, maar zij riep
+haar uit de hoogte toe: "Moeder, Pul, ik vergis mij niet! Vóor de
+kurie staat de witte ezel van onzen oude, en daar doen zij het beest
+een krans, een olijf krans om den hals."
+
+Thans klonk van het raadhuis bazuingeschal over de markt door de
+verstikkend heete, stoffige lucht, en plotseling werd het rondom stil
+en steeds stiller, en waar iemand zijn mond opende om te schreeuwen
+of te praten, kreeg hij een duw van zijn buurman, die hem tot zwijgen
+bracht.
+
+De weduwe legde de hand vaster aan de enkels van Maria en vroeg,
+terwijl zij zich het zweet van het voorhoofd wischte: "Wat is er
+te doen?"
+
+De kleine antwoordde haastig, zonder zich in het zien te laten storen:
+"Kijk maar naar het balkon van het raadhuis; daar staat het hoofd van
+de stad, de purperverver Alexander. Hij is vaak bij grootvader geweest
+en grootmoeder mocht zijne vrouw niet lijden. En daar naast hem, vlak
+naast hem--herkent gij hem niet?--dat is de oude Horus Apollon. Hij
+neemt zich juist den lauwerkrans van de pruik. Alexander wil spreken."
+
+Opnieuw klonk het bazuingeschal, en terstond daarop hoorde men eene
+luide mannenstem uit de richting van het raadhuis. Het werd nu zoo
+stil, dat ook aan de weduwe en hare dochter maar weinig ontging van
+de toespraak, die nu volgde:
+
+"Medeburgers, Memphieten, lotgenooten!" zoo begon de stadsoverste
+langzaam en met ver klinkende stem. "Gij kent ons gemeenschappelijk
+lijden. Er is geen leed, dat ons niet ten deel viel, en nog gruwzamer
+gebeurtenissen schijnen te dreigen."
+
+De menigte gaf door oorverdoovend geschreeuw hare instemming te kennen,
+doch bazuingeschal vermaande weder tot rust, en de stadsoverste
+ging voort: "Wij, de senaat, de bouleuten der stad, wien gij hebt
+opgedragen, om voor uw welzijn te zorgen..."
+
+Een woest gehuil belette den redenaar verder te gaan; men onderscheidde
+alleen de kreten: "Zorgt, doet uw plicht!"--"Gierigaards!"--"Houdt
+uw woord!"--"Redt ons van het verderf!"
+
+Doch de bazuinen brachten de ontevredenen andermaal tot rust,
+en Alexander ging verder, ditmaal gejaagd en in een staat van de
+grootste opgewondenheid: "Hoort mij! Valt mij niet in de rede! De
+nood, de ellende treft onze hoofden zoo goed als de uwen. Mijn vrouw
+en mijn zoon zijn dezen nacht aan de pest gestorven!"
+
+Ditmaal ging er slechts een zacht gemompel door de menigte, en alles
+werd vanzelf weder stil, toen de deftige man met zijn grauwe baard
+op het balkon de oogen afveegde en voortging: "Is er iemand onder u
+die ons wijzen kan op een verzuim--hij zij man, vrouw of kind--die
+heffe een klacht over ons aan bij God, bij onzen nieuwen heer,
+den Kalief, en bij uzelven, burgers van Memphis; maar thans niet,
+lotgenooten, thans niet! Staak thans uw schreeuwen en roepen, thans,
+nu er redding mogelijk is, moet gij naar mij hooren. Gij moet mij
+te kennen geven hoe gij denkt over het laatste uiterste redmiddel,
+dat ik u kom aanbevelen!"
+
+"Hoort naar hem! Zwijgt! Weg die schreeuwers!" klonk het van alle
+zijden.
+
+"Tot onzen Vader in den hemel," zoo ging de redenaar voort,
+"tot onzen goddelijken Heiland en zijne heilige kerk hebben wij
+als christenen allereerst ons gewend, om ons te helpen, en ik
+vraag u: heeft het ontbroken aan gebeden, aan kerkgangen, aan
+processiën, aan wijgeschenken? Neen, neen, mijne lieve medeburgers
+en burgeressen! Ieder uwer is mijn getuige--zeker niet!--Maar de
+hemel heeft zich blind en doof en stom getoond voor onze woorden,
+ja als verlamd... Neen, niet als verlamd; want hij is krachtig en
+haastig genoeg in de weer, om nieuw leed te voegen bij het oude. Wat
+menschelijke voorzichtigheid en verstand bedenken en in het werk
+stellen kan, daarvan is ook niets onbeproefd gelaten. De oude kunsten
+van toovenaars en magiërs en alchymisten, die menigmaal doel troffen,
+om de macht van booze geesten te breken, ook deze zijn gebleken
+bedriegelijk en onmachtig te zijn. Toen dachten wij aan onze groote,
+beroemde vaderen en voorvaderen, en wij herinnerden ons dat in ons
+midden een man leeft, die veel weet wat voor anderen verloren is
+gegaan in den loop der tijden. De wijsheid der voorvaderen heeft hij
+gedurende een langdurig leven zich eigen gemaakt, door dag en nacht
+rusteloos te arbeiden. Hij bezit den sleutel tot het schrift en de
+geheimen der ouden, en hij heeft ons medegedeeld van welk redmiddel de
+voorvaderen gebruik maakten, wanneer een dergelijk onheil hen bezocht
+zooals ons in deze gruwzame dagen. De grijsaard hier aan mijne zijde,
+de wijze en verstandige Horus Apollon, heeft ons dit geopenbaard. Ziet
+die eenvoudige rollen in zijne hand! Zij leeren ons, welk een wonder
+dat middel in vroeger tijd heeft uitgewerkt."
+
+Hier belette een Memphiet den redenaar voort te gaan, door uit te
+roepen: "Heil Horus Apollon, onzen redder!" waarop duizenden hem
+navolgden en den oude hun bijval en dank te kennen gaven door luid
+geschreeuw. Deze boog bescheiden, wees op zijne smalle borst en
+zijne ingevallen mond en gaf dan door teekenen te verstaan, dat het
+stadshoofd de man was, die op zich had genomen het volk zijn raad
+mede te deelen.
+
+Daarop ging Alexander aldus voort: "Groote gunsten, medeburgers en
+vrienden, zijn alleen voor groote gaven te koop. Dat wisten de ouden,
+en wanneer de stroom, waarvan, gelijk wij maar al te goed weten,
+het algemeen welzijn of de algemeene ellende hier te lande afhangt,
+niet wilde stijgen, en het uitblijven van het wassen onheilen na zich
+sleepte van allerlei aard, zoo brachten zij hem een offer, dat zij
+voor het edelste hielden van alles wat de aarde draagt: eene reine,
+schoone jonkvrouw. Wat wij verwacht hadden gebeurt: hiervan schrikt
+gij! Ik hoor u morren, zie uwe verbaasde gezichten, en hoe zou de
+ziel van een christen geen afschuw hebben van zulk een offer! Maar is
+het dan zoo vreemd? Hebben wij inderdaad ooit anders gehandeld? Wie
+van ons richt zijn gebed niet tot den heiligen Orion, hetzij tehuis,
+hetzij onder bijstand der priesters in de kerk, wanneer hij van onzen
+heerlijken stroom een gave verwacht? En dit jaar hebben wij, als altijd
+in den nacht van den druppel, onder gebeden tot hem een kistje met
+een menschelijken vinger in de golven geworpen [22]. Dit kleine offer
+moest het meer kostbare en grootere der heidenen vervangen; het werd
+gebracht en zijne noodzakelijkheid is nooit in twijfel getrokken,
+en ook de strengste en heiligste lichten der kerk, een Antonius en
+Athanasius, een Theophilus en Cyrillus, hebben niets daartegen weten
+in te brengen; onder hunne oogen is het jaar aan jaar aan de golven
+prijsgegeven. Een vinger in een kistje! Een armzalige plaatsvervanger
+voor het schoonste en reinste, dat God schiep onder de menschen. Kan
+het ons verwonderen, indien de heilige eindelijk dit jammerlijke
+vergoedingsmiddel versmaadt, afwijst en voor zijn Nijl eens weder
+begeert, wat hem vroeger ten deel viel?
+
+"Maar zult gij vragen: welke moeder, welke vader is in onzen
+zelfzuchtigen tijd zoo gansch en al doordrongen van liefde voor
+zijn geboorteland, zijne gouw, zijne stad, dat hij zijn maagdelijke
+dochter voor het algemeen welzijn aan den dood in de golven zal
+overgeven? Welke dochter van ons volk zou bereid zijn voor het
+behoud van anderen, en voor haar eigen heil zonder tegenspraak uit
+dit leven te scheiden?--Doch maak u niet beangst! Vreest niet voor
+uwe aankomende meisjes in het vrouwenvertrek, die u lief zijn als
+uwe oogappels. Vreest niet voor uwe kleinkinderen, uwe zusters, uwe
+speelnooten, uwe bruiden! Reeds in de allervroegste tijden verbood
+eene strenge wet der vaderen, om menschen van Egyptisch bloed te
+offeren; het was enkel geoorloofd vreemden ten offer te brengen,
+of de zoodanigen die andere goden dienden dan de hunne. Datzelfde,
+medeburgers en geloofsgenooten, is ook u geoorloofd. Hoort nu
+aandachtig toe, gij allen! Schijnt het u niet toe als wenschte de
+voorzienigheid zelve ons te helpen, om eindelijk aan onzen gezegenden
+Nijl het offer te brengen, dat hem zoovele tientallen van jaren, ja
+zoovele eeuwen onthouden is? Ja, zij verlangt het, want dat offer is
+als door een wonder in handen gegeven. Heden hebben de rechters eene
+schoone, ongerepte jonkvrouw ter dood veroordeeld, om een misdrijf,
+dat haar niet verontreinigde. Zij is eene vreemdelinge, en bovendien
+eene Griekin, eene kettersche Melchietin.
+
+"Dat grijpt u aan, dat wekt uwe zielen op tot dankbare vreugde,
+dat kan ik u aanzien. Maak u dan op, edele stroom, weldoener van
+dit land en dit volk, tot uw huwelijksfeest! De Jonkvrouw, de bruid,
+waarnaar gij verlangt, wij zullen haar voor u tooien, wij voeren haar
+in uwe armen, zij zal de uwe zijn!
+
+"En gij, Memphieten, medeburgers, lotgenooten." en hierbij bukte de
+stadsoverste ver over het balkon naar de menigte, "wanneer ik u thans,
+om uwe toestemming bid, wanneer ik in naam van den senaat en van
+dezen grijsaard u vraag...."
+
+Het geweldig ten hemel stijgend gejubel der verzamelde menigte
+belette den spreker verder te gaan en duizend stemmen riepen: "In
+den Nijl met de jonkvrouw!"--"De Melchietin wordt aan den stroom
+uitgehuwelijkt! Kransen voor den Nijlbruid, bloemen voor haar
+bruiloftsfeest!"--"Volgen wij de lessen der vaderen!"--"Heil den
+raadsman, heil den wijzen Horus Apollon. Heil onzen stadsoverste!"
+
+Zoo schreeuwde en riep men vroolijk en met geestdrift door
+elkander. Alleen aan de noordzijde van de markt, waar de ledige
+tafels van de wisselaars stonden, die hun goud en zilver reeds lang
+in veiligheid hadden gebracht, verhief zich een afkeurend en dreigend
+gemompel.
+
+De ademhaling van het kind, dat op den schouder van den Pers zat,
+was reeds lang zwaarder geworden. Het meende te weten wie die duivels
+hadden uitverkoren tot het schandelijk heidensch offer, en toen Maria
+zich neerboog tot vrouw Johanna, om zich te overtuigen of deze het
+afgrijselijk vermoeden deelde, zag zij de oogen van de weduwe en hare
+dochter in tranen baden. Zij wist genoeg en vroeg niet verder, want
+eene nieuwe gebeurtenis trok onverdeeld hare aandacht. Bij de tafels
+der wisselaars werd eene hand met een crucifix omhoog gestoken, en
+het kind zag, hoe zij zich met kracht en geregeld voortbewoog in
+de richting van de kurie. De menigte maakte plaats voor een persoon
+en het heilig teeken dat hij droeg, en het was Maria, als week het
+gedrang voor het voorwaartsgaande beeld van den gekruisigde naar beide
+zijden als de baren van de Schelfzee voor het vluchtende volk Gods.
+
+Het gemompel aan de noordzijde van de markt werd sterker, het gejubel
+der menigte verloor in kracht, iedere stem scheen weg te sterven
+en nu besteeg een klein, gezet man, met eene edele, eerbiedwaardige
+houding, in bisschoppelijk gewaad, de treden van de trap en verdween
+eindelijk in het raadhuis. Op den vloed van zoo even volgde de ebbe,
+het geschreeuw veranderde in een ontevreden, vragend geprevel, en ook
+dat verstomde, toen de kleine man, die groot scheen door het crucifix
+dat hij omhoog hield, op het balkon verscheen, de borstwering naderde,
+en den arm met het beeld van den gekruisigde zoover mogelijk uitstrekte
+over de voorste rijen van het volk.
+
+Daar ging de oude Horus Apollon met van toorn fonkelende oogen naar het
+hoofd der stad, en vorderde van dezen, dat hij den indringer het woord
+zou ontnemen. Doch de purperverver was door het indrukwekkend oog van
+den kleinen man getroffen, en met gebogen hoofd liet hij den bisschop
+begaan. Ook geen der bouleuten waagde het hem den weg te versperren,
+want ieder kende den vurigen, standvastigen, geleerden presbyter,
+die sedert gisteren de plaats had ingenomen van den gestorven bisschop
+Plotinos. Thans riep de nieuwe zielenherder, zoo luid hij kon, zijne
+weerspannige kudde het volgende toe:
+
+"Ziet dezen gekruisigden en hoort zijn dienaar! Gij smacht naar het
+heil van Christus en gij wilt heidensche gruwelen bedrijven! Dat
+afgodisch gejubel, waardoor ik mij een weg baande tot uwe ooren,
+zal in jammergehuil veranderen, wanneer gij ze toestopt en doof maakt
+voor de woorden van zaligheid.
+
+"Ja gij moogt morren! Mij zult gij toch niet tot zwijgen brengen, want
+uit mij spreekt de waarheid, die nooit verstomt! Voor ieder, die het
+nog niet weet, zij hier gezegd: de kromstaf van de gestorven Plotinos
+werd aan mij overgedragen. Ik wil dien gebruiken met zachtmoedigheid en
+goedheid, doch als het zijn moet, zal ik hem zwaaien als een zwaard en
+een geesel, tot gij uit wonden bloedt en uwe builen wrijft. Ziehier
+het beeld van uw verlosser in mijne rechterhand. Ik richt het op
+als een muur tusschen u en de heidensche gruweldaad, die gij in uwe
+verblinding hebt toegejuicht.
+
+"Gij waanzinnigen en afvalligen! De harten omhoog en opgezien tot hem,
+die aan het kruis gestorven is, om u te redden. Waarlijk hij laat hen
+niet vergaan, die aan hem gelooven. Maar gij, waar is uw geloof? Omdat
+het nacht werd, huilt gij: 'het licht is uitgegaan!' Omdat gij krank
+zijt, meent gij: 'De arts kan niet helpen!' Welk eene lastertaal
+heb ik hier gehoord! 'De Heer', heet het 'is onmachtig, alsook
+zijne kerk! Tooverij, magie, eene heidensche gruweldaad moet ons
+redden?' Maar juist omdat gij niet op den waren redder en verlosser
+hoopt, maar op eene heidensche gruweldaad, op magie en tooverij,
+worden de straffen op gehoopt over uwe hoofden, en zoo zal het
+voortgaan--dat zie ik aankomen--tot gij geheel in het slijk verstikt
+en smachtend zoekt naar de eenige hand, die u oprichten kan. Datgene
+waarmede verblinde menschenkinderen beloven u van de ellende te
+redden, dat, dat is juist de bron van uw lijden, en hier sta ik, om
+deze bron te verstoppen en de bedding harer wateren af te graven. Gij
+wildet Moloch's dienaars worden en ik hoop u weder tot Christenen te
+maken. De jonkvrouw, die uwe woede in de diepte van den stroom wil
+storten, haar maakt de verheven kerk in hare barmhartigheid tot hare
+beschermelinge, want met haar lichamelijken dood brengt gij over u den
+dood uwer zielen. De heilige Orion keert met afschuw het gelaat van u
+af. Weg, weg met dat onzalige offer, weg van u die onzinnige wensch,
+en de handen die den tempel ontheiligen!"
+
+"Legt die handen in den schoot, wringt ze samen in den gebede tot
+bloedens toe, tot ellende en pest de laatste van u ten grave heeft
+gesleept!" riep op eens de fijne, schrille stem van den grijsaard,
+die aan alle zijden werd gehoord. En ontelbaren uit de menigte op de
+markt gaven door luid geschreeuw hunne instemming te kennen.
+
+De overste der stad, die tot hiertoe berouwvol en met gebogen hoofd
+den bisschop had aangehoord, kwam weder tot bezinning en riep in
+geestvervoering uit: "Het volk sterft, stad en land gaan te gronde,
+pest en verderf stijgen op uit den stroom. Toon ons een anderen weg
+tot redding, of laat ons den raad der vaderen volgen en dit laatste
+middel beproeven!"
+
+Doch de kleine man richtte zich ernstig op in al zijne lengte, wees met
+zijne linkerhand op het crucifix en zeide met onverstoorbare kalmte:
+"Gelooft, hoopt, bidt!"
+
+"Is dit dan niet geschied?" riep de stadsoverste weder uit.
+
+"Maar u heeft geene stervende vrouw met gebroken oogen, u heeft geen
+reutelend kind..."
+
+Thans verhief zich van beneden een nieuw gebrul, veel krachtiger en
+wilder dan te voren. Ieder wien de dood in huis had bezocht en in
+het hart had gegrepen, wiens tuinen en akkers verdord waren, wiens
+dadels stuk voor stuk van de boomen waren gevallen, verhief zijne
+stem en schreeuwde: "Het offer, het offer!"--"In den stroom met de
+jonkvrouw!"--"Heil onze redders, heil den wijzen Horus Apollon!"
+
+Doch anderen riepen daartusschen: "Laat ons christenen blijven!"--"Heil
+den bisschop Johannes!"--"Ons eeuwig heil!"
+
+Intusschen trachtte de prelaat opnieuw de aandacht van het volk
+tot zich te trekken, en daar hem dit niet gelukte, wendde hij zich
+andermaal tot den overste der stad, de bouleuten, de tubablazers, en
+eindelijk wist hij de laatsten te bewegen, een en andermaal en telkens
+luider de bazuinen te doen spreken. Doch ook dit geschal bleef zonder
+uitwerking, want op de markt waren enkele groepen handgemeen geraakt,
+en het geschreeuw en de strijd dreigde in een bloedig straatgevecht
+te ontaarden.
+
+Beschut door den Masdakiet was het der vrouwen gelukt de markt te
+verlaten voor Arabische ruiters kwamen aandraven, om de strijdende
+menigte uit elkaar te jagen. Op het raadhuis verklaarde de bisschop
+Johannes aan de senatoren der stad, dat hij niets onbeproefd zou
+laten, om het onmenschelijk en onchristelijk offer eener jonkvrouw
+te verhinderen, al was zij een Melchietin en ter dood veroordeeld;
+heden nog zou hij eene duif met een brief naar den patriarch in
+Opper-Egypte zenden, ten einde diens beslissing te vragen. Toen
+Horus Apollon hierop terstond antwoordde, dat de vertegenwoordiger
+van den Kalief zijne toestemming tot het offer had gegeven, en dat
+men ook tegen den wil van de geestelijkheid aan den ondergang van het
+volk een einde zou maken, vloog de bisschop heftig op, en bedreigde
+allen die dit afschuwelijk plan hadden uitgedacht, met den vloek der
+kerk. Doch de grijsaard verzette zich wederom tegen hem met vurige
+welsprekendheid, de vertwijfelende bouleuten kozen zijne partij,
+en ten hoogste verstoord verliet de bisschop het raadhuis.
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Voor de stille weduwe van Rufinus, die zich verre hield van het
+gewoel der samenleving, was er niets onverdragelijkers dan zulk eene
+volksoploop. De ontbonden hartstochten, het gejoel en de geringere
+volksklasse, waarmede men daarbij in aanraking kwam, kwetsten haar
+teeder gevoel, en bij de toespraak van den grijsaard had haar maar
+eene gedachte bezield, namelijk die van zoo spoedig mogelijk uit
+het gedrang te komen. Doch zoodra zij de zekerheid had gekregen,
+dat Paula de ongelukkige was, die haar vreeselijke huisgenoot aan
+het bijgeloof der menigte wilde prijsgeven, dacht zij niet meer aan
+terugkeeren, maar hield het zoolang mogelijk onder de volksmenigte
+uit, en liet zich eindelijk met de beide meisjes door Rustem naar de
+gevangenis brengen, ofschoon de weg daarheen door de drukste straten
+leidde. Was de tijding van het onuitsprekelijk verschrikkelijke, dat
+Paula bedreigde, reeds door de kerkermuren tot haar oor doorgedrongen,
+of zou het haar, Johanna nog vergund zijn de jonkvrouw, die door het
+noodlottig doodvonnis over haar geveld tot de uiterste wanhoop moest
+worden gebracht, daarop voor te bereiden en te troosten?
+
+De gevangenbewaarder had gisteren haar wensch om Paula te zien zonder
+tegenspraak, ja gaarne ingewilligd, want de kadhi had hem bevolen
+haar evenals Orion met alle onderscheiding te behandelen, maar de
+bedreigingen van den Wekil noodzaakten hem vrouw Johanna thans af te
+wijzen. Terwijl hij echter met haar sprak, stak zijn kleine zoontje,
+waarmede Pulcheria reeds gisteren op hare aardige wijze gespeeld had,
+haar weder de handjes toe, zij nam het kindje op den arm, kuste het en
+bewees daarmede een weldaad aan drie harten tegelijk, en wel het meest
+aan de jonge moeder van het kind. Deze trok zich nu de vrouwen aan
+en wist haar man te bewegen, haar ook thans niet onverrichter zaken
+weg te zenden. De aardige Emau had onder de palmen bij de herberg
+harer ouders den levenslustigen Orion veel liever dan menig ander
+gast bediend, en haar man, die zijne wederhelft op echt Egyptische
+manier gehoorzaamde en tot hiertoe niet vrij van jaloezie was geweest,
+bewees den zoon van zijn weldoener nog blijmoediger elken dienst,
+sedert hij wist dat de schoone Damasceensche zijne bruid was.
+
+In de groote zalen der misdadigers ging het heden, als altijd wanneer
+de rechters een doodsoordeel geveld hadden, bijzonder onstuimig toe,
+en de vrouwen sidderden, toen zij die ongelukkigen luide hooren juichen
+en brullen. Van al die schrille kreten kon niemand zeggen of zij haar
+oorsprong hadden te danken aan wilden overmoed dan aan gruwzame smart,
+en er was voor dit ontzettend geweld geen passender begeleiding te
+bedenken dan het gerammel der ketenen. Toen de vrouwen eindelijk
+aan Paula's cel waren gekomen, klopte haar hart zeer onrustig, want
+achter de deur die de wachter opende, moesten zij doodsangst en
+vertwijfeling vinden.
+
+De gevangene stond aan het venster, drukte het voorhoofd tegen het
+ijzeren traliewerk en luisterde in het donker naar het luitspel van
+den geliefde, dat te midden van het gejoel der misdadigers klonk als
+klokgelui onder storm en onweer. Naast hare eenvoudige legerstede zat
+de voedster op een bankje en sliep met het spinrokken in haar schoot,
+en noch zij noch hare meesteres werden de binnentredenden gewaar. Een
+armzalig lampje verlichtte het kleine vertrek.
+
+Maria wilde naar hare vriendin toevliegen, doch vrouw Johanna hield
+haar terug en riep Paula teeder, maar zacht bij den naam. Doch zij
+kreeg geen gehoor; zeker hielden smart en doodsangst de ziel van
+de veroordeelde gevangen. Nu verhief de weduwe haar stem luider en
+ditmaal keerde de ongelukkige zich om en slaakte tegelijk een kreet
+van blijdschap, ijlde naar de trouwe vriendinnen toe, die haar ook in
+den kerker wisten te vinden, en omhelsde eerst de weduwe, vervolgens
+Pulcheria en eindelijk het meisje met opgewekte teederheid. Toen
+vrouw Johanna haar hoofd tusschen de beide handen nam, om haar te
+kussen en te zien of het leed en de vrees voor den dood hare schoone
+trekken hadden veranderd, kwam er een zachte kreet van verwondering
+over hare lippen, want in plaats van een bleek en pijnlijk, zag zij
+een blijmoedig, rustig gelaat voor zich waaruit twee groote oogen
+haar helder en dankbaar aankeken.
+
+Had men haar nog verzwegen, wat haar boven het hoofd hing? Maar neen,
+want zij begon dadelijk met de vraag, of de vriendinnen reeds van hare
+veroordeeling gehoord hadden? Zij vertelde nu, hoe het haar voor de
+rechters gegaan was, en hoe de vriend en pleegvader van haren goeden
+Philippus plotseling op onverklaarbare wijze als een verbitterd
+vijand tegen haar was opgestaan. De anderen konden nu hare tranen
+niet meer bedwingen, doch Paula troostte en bemoedigde haar en deelde
+haar mede, dat zij in den kadhi een vaderlijk vriend had gevonden,
+die haar beloofd had den Kalief genade voor haar te vragen.
+
+Bij dit alles wist vrouw Johanna nauwelijks hoe zij zich bedaard
+zou houden. Dit meisje en hare heldenmoed onder zulk een onheil
+waren haar als een wonder. Heerlijk vertrouwen! Doch hoe gemakkelijk
+kon het bedrogen uitkomen, hoe onzeker was de grond, waarin zij het
+anker harer hoop had geslagen. Zelfs Maria scheen meer bezorgd dan de
+vriendin, en wierp zich weenende aan hare borst. En Paula beantwoordde
+hare teederheid, zocht Pulcheria gerust te stellen aangaande de
+schandelijke handelwijze van haar nieuwen grijzen huisgenoot en
+lachte de weduwe vriendelijk toe, toen deze haar vroeg, vanwaar zij
+die zelfbeheersching had onder zulk een groot ongeluk, zeggende, dat
+juist Johanna's voorbeeld haar geleerd had, het zwaarste geduldig te
+dragen. Zelfs in deze sombere uren vond zij meer stof tot danken dan
+tot klagen, ja een heerlijk geluk was er uit voortgekomen. Johanna
+en de meisjes herinnerden zich nu eerst dat zij bruid was, en wederom
+omhelsden zij elkander.
+
+Daar klopte de bewaarder, waarop Paula zich bezon en fluisterend zeide:
+"Ik heb Orion iets te overhandigen, wat ik aan vreemde handen niet kan
+toevertrouwen; thans heb ik u, Maria, gij moet het hem overbrengen."
+
+Daarop haalde zij den smaragd te voorschijn, gaf dien aan de kleine en
+droeg haar op dit kleinood haar oom te overhandigen, zoodra zij met
+hem alleen zou zijn. In het briefje, dat het juweel omgaf, verzocht
+zij den verloofde dit als zijn eigendom te beschouwen en daarmede de
+vordering van de kerk te voldoen.
+
+De bewaarder was gemakkelijk over te halen, om het kind bij zijn oom
+te brengen. Hoe vroolijk en gelukkig vloog Maria hem vooruit, naar
+Orion toe, hoe groot was diens blijdschap, toen hij haar wederzag,
+en hoe dankbaar bracht hij dien smaragd aan zijne lippen! Maar toen
+zij haar oom toeriep, dat hare voorspelling nu toch uitkwam en Paula
+de zijne zou worden, rimpelde zich zijn voorhoofd, en in hoogen ernst
+uitte hij voor het kind de klacht, dat hij wat hem het liefst was op
+aarde wel gewonnen had, maar om het weder te verliezen.
+
+"Doch de kadhi is uw vriend, en zal den Kalief genade vragen voor u
+beiden!" zeide de kleine.
+
+"Maar daarentegen treedt plotseling een nieuwen vijand tegen ons
+op--Horus Apollon!"
+
+"O, onze oude!" zeide het kind, tandenknarsend. "O, als gij eens wist,
+Orion! En dan onder éen dak met hem te wonen!"
+
+"Gij?" vroeg de jonkman verbaasd.
+
+"Ja, ik en Pul en moeder Johanna!" En nu vertelde Maria, hoe de
+oude in huis was gekomen. Door allerlei zinspelingen kwam Orion
+op het vermoeden, dat er iets gewichtigs voor hem verzwegen werd,
+en het kind kon eindelijk niet nalaten hem alles te openbaren, wat
+het gezien en gehoord had.
+
+Thans kon hij niet langer rustig en bedaard blijven. Buiten zichzelven
+van toorn riep hij zijn geliefde bij haar naam en in hartstochtelijke
+woorden gaf hij zijn verlangen te kennen naar den terugkeer van den
+veldheer Amr, den eenigen man, die in dezen nood helpen kon. Op hem
+alleen was zijne hoop gebouwd. Hij had zich als een tweede vader jegens
+hem gedragen, en hem een moeielijk maar heerlijk vraagstuk voorgelegd.
+
+"Waaraan gij u geheel en al gewijd hebt!" zeide het kind.
+
+"Reeds op de reis," antwoordde Orion, "heb ik alles overwogen. Gisteren
+heb ik beproefd het eerste neder te schrijven, maar mij ontbrak het
+daarbij aan het voornaamste: de kaarten en de lijsten! Nilus heeft
+dat alles bij elkander gepakt, ik zou het hebben medegenomen op de
+vaart met de nonnen, en ik heb bevolen de documenten in het huis
+van Rufinus..."
+
+"Om het bij ons te brengen?" viel het kind in, met van vreugde
+stralende oogen. "O, het is daar! Ik heb de geschriften zelf gezien,
+toen de kist werd leeg gemaakt voor den oude. Morgen, morgen vroeg
+zult gij alles hebben!"
+
+Orion kuste het kind blijde en snel op het voorhoofd, sloeg vervolgens
+met zijne vuist tegen den wand zijner cel en zeide, nadat aan de
+andere zijde met knarsend geluid iets verschoven was: "Goede tijding,
+Nilus! De plannen en de lijsten zijn er weer; morgen heb ik ze!"
+
+"Voortreffelijk!" antwoordde de droge stem van den rentmeester uit het
+aangrenzend vertrek. "Wij kunnen wel wat vertroostends gebruiken. Zoo
+even kreeg ik tot gezelschap iemand, die bij een oploop op de markt
+zich aan een Arabische ruiter vergrepen heeft. Deze vertelt ontzettende
+dingen!"
+
+"Die mijne verloofde betreffen?"
+
+"Helaas ja, heer!"
+
+"Dan ben ik reeds op de hoogte," antwoordde de jonkman.
+
+Nadat Orion en de rentmeester nog eenige woorden gewisseld hadden
+over het dolzinnige plan van den oude, ging Nilus aldus voort: "Mijn
+celgenoot vertelt ook dat de Arabieren, terwijl hij op hun wachtpost
+werd vastgehouden, gesproken hadden over een bode van den veldheer,
+die bericht gaf van diens aankomst te Medina, en bovendien, dat hij
+daar maar korten tijd dacht te vertoeven. Hij zou dus niet lang meer
+op zich laten wachten."
+
+"Hij is dus reeds lang weg vóor de bode van den kadhi daar kan
+aankomen, om den Kalief het verzoek om genade te overhandigen. Op Amr,
+op hem alleen mogen wij hopen, en indien hij onderweg op de hoogte
+gebracht kon worden..."
+
+"Dan verwijlt hij zeker niet lang in Opper-Egypte, dan bespoedigt hij
+zijne reis of zendt een gevolmachtigde vooruit," hoorde men zeggen
+door den wand. "Hadden wij nu maar een betrouwbaar persoon, om hem
+tegemoet te zenden. Onze lieden zijn naar alle windstreken verstrooid,
+en hier thans naar hen te zoeken...."
+
+Daar liet opeens Marias heldere kinderstem zich hooren: "Ik zorg voor
+den bode."
+
+"Gij? Bedenk toch, meisje!" begon Orion te zeggen.
+
+Zij gaf geen acht op zijne bezwaren, maar ging, zeker van hare zaak,
+met vuur voort: "Alles, alles zal hem bericht worden! Mag men hem
+ook toevertrouwen, wat ik van uwe deelneming aan de vlucht der nonnen
+heb vernomen?"
+
+"Neen, in geen geval!" zeide de rentmeester en de jonkman tegelijk.
+
+Maria besloot uit dezen uitroep, dat haar voorslag werd aangenomen,
+klapte in de handen en riep vol ijver en met vuurroode wangen:
+"Morgen gaat de bode op reis, verlaat u op mij! Ik voer dit zoo goed
+uit als de beste. Geef mij nu nauwkeurig den weg op, dien hij nemen
+moet. Griffel voor alle zekerheid de namen der stations hier op dit
+tafeltje.... Maar wacht, ik moet het eerst gelijk maken."
+
+"Wat staat er op het was?" vroeg Orion. "Een groot hart met enkel
+rechthoeken er in. Dat beduidt?"
+
+"Malligheid!" zeide het kind, een weinig beschaamd. "Ik teekende maar
+eens, hoe ik mijn hart verdeel onder hen die ik liefheb. De eene
+geheele helft behoort aan onze Paula, dit vierdedeel is het uwe,
+maar daar, daar"--en hier stiet zij met de stift in het was--"hier
+had ik ook den ouden een plaatsje gegund. Kom, geef het mij nu weder!"
+
+Thans maakte zij met hare vlugge vingers het was glad en Orion teekende
+over dat uitgevlekte hart, het knutselwerk van een kind, dingen op,
+waarvan leven en dood van twee menschen afhingen. Hij deed het in
+goed vertrouwen op het geluk en de nauwgezetheid van zijne kleine
+bondgenoote. Morgen in alle vroegte zou zij voor den bode nog een
+brief aan den veldheer ontvangen.
+
+"Maar een snelle rit--en Amr kiest altijd zijn weg over de bergen
+en Berenike--is duur," merkte de rentmeester op, "zelfs wanneer wij
+onze laatste goudstukken bijeenverzamelen, zullen zij nauwelijks
+toereikende zijn."
+
+"Behoud ze, gij hebt ze hier noodig," haastte het kind zich te
+zeggen. "Maar neen.... daar zijn nog mijne paarlen, en de sieraden
+mijner moeder.... intusschen...."
+
+"Van zulke kostbaarheden mag men niet scheiden, gij gouden hartje"
+zeide Orion tot haar.
+
+"Ja wel zeker. Wat doe ik er mee? Maar dat mijner moeder heeft vrouw
+Johanna in bewaring."
+
+"En gij aarzelt daarom te verzoeken?" vroeg de jongeling.
+
+Vervolgens richtte hij zich tot den rentmeester, en toen deze de
+benoodigde som berekend had, trok Orion een kostbaren saffier van
+zijn vinger, gaf die aan Maria en verzocht haar dit edelgesteente
+aan hare pleegmoeder te overhandigen. De jood Gamaliël zou haar op
+dit onderpand zooveel voorschieten, als zij noodig had.
+
+Maria stak het kleinood vroolijk bij zich, doch toen de wachter
+spoedig daarop verscheen, ging haar zalig gevoel plotseling tot even
+levendige droefheid over, want zij nam van Orion afscheid, als gold
+het eene scheiding voor het gansche leven.
+
+In de naar Paula's cel voerende gang bleef de gevangenbewaarder
+plotseling staan, want er kwamen lieden langs de trap naar boven. Als
+het de zwarte Wekil eens was en hij op dit uur nog bezoek in de
+gevangenis vond! Maar neen twee lampen werden voor den bezoeker
+uitgedragen, en in haar schijnsel herkende haar geleider den presbyter
+Johannes, den nieuwen bisschop van Memphis, die reeds vroeger dikwerf
+hier kwam, om de gevangenen te troosten.
+
+De begeerte om de bedreigde Melchietin te zien, had hem heden tot
+dit laat bezoek in den kerker genoopt. Maria's houding en kleeding
+verrieden hem, dat zij niet behoorde bij een der beambten van het
+huis, en zoodra hij vernomen had wie zij was, beet hij zijn geleider,
+een ouden diaken, dien hij altijd medenam, wanneer hij vrouwelijke
+gevangenen bezocht, in het oor: "Hier zal men haar vinden!" Nadat hij
+vervolgens vernomen had met wie het kind op dit late uur hierheen
+gekomen was, wendde hij zich weder tot zijn ambtsbroeder en zeide
+zacht: "De vrouw en dochter van Rufinus. Het is dus zoo. Ik heb die
+Grieken reeds lang in het oog. Jaarlijks maar eens of tweemaal in de
+kerk. Heimelijk Melchieten! Zij zijn het eens met de Damasceensche. En
+in zulk eene omgeving groeit de kleindochter van den Mukaukas
+op! Een gevaarlijk spel! Benjamin heeft weder goed gezien, zooals
+altijd." Vervolgens daalde zijne stem nog lager, terwijl hij vroeg:
+"Zouden wij haar niet dadelijk medenemen?" En toen de diaken hiertegen
+bedenkingen inbracht, antwoordde hij snel: "Gij hebt gelijk; het is
+voor het oogenblik voldoende haar verblijf te kennen."
+
+Intusschen had de bewaarder Paula's cel geopend, en vóor de bisschop
+binnentrad, richtte hij eenige vriendelijke woorden tot het kind en
+vroeg of het soms niet naar zijne moeder verlangde, en op Maria's
+antwoord: "Ja, zeer dikwijls!" streek hij met zijne magere hand over
+de lokken van het meisje en zeide: "Dat dacht ik wel. Gij draagt
+eene schoone naam, kind, en evenals uwe moeder, zoo wijdt ook gij
+wellicht weldra uw leven aan de vrouw der vrouwen, met wier naam gij
+gedoopt zijt."
+
+Daarop ging hij de cel binnen, met de kleine aan de hand, en terwijl
+Paula den geestelijke, die haar op zulk een laat uur kwam bezoeken,
+getroffen aanzag, herkende vrouw Johanna en Pulcheria in hem den
+moedigen priester, die zich zoo krachtig had verzet tegen den grijsaard
+en het misleide volk, en bogen diep en met eerbied. De bisschop merkte
+het op en leidde daaruit af, dat deze Griekinnen misschien toch tot
+zijne kerk behoorden. In elk geval kon men haar gerust nog eenige
+dagen in het bezit van het kind laten.
+
+Nadat hij eenige vriendelijke woorden met de vrouwen had gewisseld,
+maakte de weduwe zich gereed, om afscheid te nemen en hem met de
+gevangene alleen te laten. Hierop ging de bisschop naar haar toe
+en zeide dat hij haar morgen of overmorgen een bezoek zou brengen;
+het gold het geluk van iemand, die hun beiden dierbaar was.
+
+Vrouw Johanna, die meende dat hij Paula op het oog had, fluisterde hem
+in het oor: "Zij vermoedt nog niets van het afgrijselijke, waarmede
+het volk haar bedreigt. Als het zijn kan, bespaar haar dan, voor zij
+gaat slapen, die schrikkelijke tijding."
+
+"Als het zijn kan!" herhaalde de geestelijke, en toen Maria hem
+bij het heengaan de hand kuste, trok hij haar tot zich en zeide:
+"Het christuskind en ieder christenkind behoort aan de moeder. Gij
+zijt bevoorrecht boven duizenden, Maria! De hemel heeft uw vader
+als martelaar tot zich genomen, en uwe moeder wijdde zich zelve aan
+den hemel. De weg is voor u afgebakend, mijn kind; denk er eens
+over na. Morgen, neen overmorgen kom ik, om u te leiden op dien
+nieuwen weg."
+
+Vrouw Johanna verbleekte bij deze woorden, want nu eerst begreep
+zij wat de bisschop met zijn bezoek bij haar in het schild voerde,
+en aan den voet van den trap sloeg zij haar arm om het kind en
+vroeg op zachten toon: "Verlangt gij naar het klooster; zoudt gij
+ver van ons, evenals uwe moeder, alleen voor het heil uwer ziel als
+non willen leven, in die stille zaligheid, die Pul u meer dan eens
+geschilderd heeft?"
+
+Doch het kind gaf op deze vraag een bepaald ontkennend antwoord. Toen
+vrouw Johanna daarbij bezorgd en verontrust het hoofd liet zinken,
+toonde Maria weder een vroolijk gezicht en riep haar toe: "Heb geen
+vrees lief moedertje! Voor overmorgen kan er nog veel veranderen. Laat
+de heer bisschop maar komen, ik zal het wel met hem uitmaken. O, gij
+kent mij nog niet! Als een lammetje ben ik bij u geweest te midden
+van alle onheilen en de ernstigste gebeurtenissen, doch er steekt
+nog heel wat anders in mij; gij zult er verbaasd van opzien!"
+
+"Blijf liever, die gij zijt," sprak de weduwe.
+
+"Altijd, altijd meer vervuld van liefde voor u en Pul. Maar ik ben
+een persoontje geworden van groot vertrouwen. Morgen vroeg heb ik iets
+gewichtigs voor Orion te doen. Iets--Rustem zal mij vergezellen--iets
+gewichtigs, zeer gewichtigs, moedertje! Maar wat het is, dat mag ik
+aan geen mensch verraden, niet eens aan u!"
+
+Hier moest zij ophouden want de zware deur van de gevangenis werd
+knarsend voor hen geopend. Voor den bisschop werd zij eerst een
+paar uren later weder ontsloten, zoolang hield het gesprek met Paula
+hem in hare cel bezig. Op zijne vraag of zij eene orthodoxe Griekin
+was, eene Melchietin, zooals het volk zich uitdrukte, gaf zij een
+toestemmend antwoord, en voegde er bij dat, wanneer hij haar had
+opgezocht, om haar afvallig te maken van het geloof harer ouders,
+zijn gang tevergeefs geweest zou zijn.
+
+Toch achtte zij in hem den christen, den priester, den geleerde,
+den man, wien haar gestorven oom onder alle geestelijken van zijne
+geloofsbelijdenis het meest had vereerd, en gaarne wilde zij hem
+openbaren, wat haar in het aangezicht van den naderenden dood op het
+hart lag.
+
+Hij zag haar in het rein en kalm gelaat, en hoewel hij na haar
+eerste antwoord voornemens was geweest haar te bedreigen met het
+vreeselijk lot, dat hij op de markt getracht had van haar hoofd af
+te wenden, dacht hij thans aan de bede van de vriendelijke Grieksche
+vrouw en legde zich het stilzwijgen op. Tot bij middernacht liet
+hij zich vertellen wat geluk en ongeluk zij in haar jong leven
+had ondervonden, deed zijn scherpzinnige geest onderzoek naar haar
+zieleleven, verkwikte zijn vroom gemoed zich aan hare geestkracht en
+haar moed. Toen hij haar verlaten had en met zijn diaken naar huis
+wandelde, was het eerste woord, waarmede hij het stilzwijgen afbrak,
+dat hij langen tijd bewaard had: "Terwijl gij sliept, schonk God mij
+door dit kettersche kind dezer wereld eene hartverheffende ure."
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Nadat zich de deur der hooge gevangenismuur achter de vrouwen
+gesloten had, ging vrouw Johanna aan den arm harer dochter door de
+altijd nog heete, stille straten, terwijl Rustem haar met het meisje
+volgde. Het goede hart van den reus hing aan Maria, en vaak veegde
+hij met zijne groote hand de oogen af, toen zij hem duidelijk maakte
+wat dat schouwspel, waarvan hij op de markt getuige was geweest, te
+beduiden had gehad, en welk een vreeselijke dood Paula bedreigde. Van
+tijd tot tijd maakte hij onder dit verhaal zonderlinge geluiden,
+waardoor hij lucht gaf aan zijn toorn en zijne bezorgdheid; want hij
+zag tot zijne verpleegster op als tot een hooger wezen, en Mandane
+had ook gezegd, dat zij nooit zou vergeten, wat die voorname jonkvrouw
+voor haar gedaan had.
+
+"Als ik," barstte Rustem eindelijk los, terwijl hij zijn verbazende
+vuist ophief, "als ik kon, ze zouden..."
+
+De kleine zag daarbij verstandig en vragend tot hem op en zeide
+levendig: "Gij kunt, Rustem, ja, gij kunt!"
+
+"Ik?" vroeg de Pers verbaasd, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde.
+
+"Ja, gij, Rustem; juist gij! Wij hebben daar in de gevangenis eene
+afspraak gemaakt, en als gij maar een beetje goeden wil hebt, om ons
+daarbij te helpen..."
+
+"Goeden wil," lachte de wakkere jonge man, terwijl hij op zijn borst
+sloeg. Daarop vervolgde hij in zijn eigenaardig gebroken Grieksch,
+dat echter zeer goed te verstaan was: "Huid en haar waag ik voor de
+jonkvrouw. Kom maar voor den dag met de zaak!"
+
+Het kind omklemde met beide handen den arm van den grooten man, trok
+hem nader tot zich en zeide: "Wij wisten wel, dat gij een dankbaar
+hart hebt. Maar, ziet gij--" hier hield Maria op, om on geheel anderen
+toon te vragen: "Gelooft gij aan een God? Of wacht... Weet gij wat een
+heilige eed is? Kunt gij ook iets zweren? Ja, Ja," en nu richtte zij
+zich zoo hoog mogelijk op en vervolgde op plechtigen toon: "Zweer mij
+bij uwe bruid Mandane, en zoo waar gij gelooft, dat zij u liefheeft..."
+
+"Maar, zieltje...."
+
+"Zweer mij bij haar, dat gij dat wat nu komt aan niemand verraden zult,
+ook niet aan moeder Johanna en Pul, zelfs aan uwe Mandane alleen als
+het niet anders kan, en nadat zij u heilig beloofd heeft...."
+
+"Maar wat dan? Ik begin waarlijk bang te worden; wat moet ik bezweren?"
+
+"Niet te verraden, wat ik u thans zal toevertrouwen."
+
+"Nu ja, kleine meesteres, dat kan ik belooven."
+
+"Ah!" riep Maria met eene diepe, langgerekte ademhaling, waarop zij hem
+mededeelde, dat den veldheer Amr een betrouwbare bode moest te gemoet
+gezonden worden, om Paula intijds te kunnen redden. Hierop volgde de
+vraag of hij den weg kende over de bergen van Babylon naar het oude
+Berenike, en toen hij antwoordde, dat dit juist de laatste was, dien
+hij had afgelegd, dat die weg het dichtst bij de zee voerde, als men
+naar Dschidda en Medina wilde, herhaalde zij haar goedkeurend "Ah!",
+greep zijne hand, en zeide, terwijl zij met zijne groote vingers
+speelde, op vleienden maar toch dringenden toon: "En nu, goede,
+beste Rustem, nu is er maar een enkele betrouwbare bode in Memphis,
+doch die, ziet ge, heeft eene bruid en daarom zou hij liever trouwen
+en met haar naar zijn vaderland gaan, dan ons helpen, om het leven
+van de ongelukkige Paula te redden."
+
+"Die vlegel!" bromde de Pers.
+
+Maria begon te schaterlachen, herhalende: "Ja die vlegel!" Daarop
+vervolgde zij vroolijk: "Maar gij scheldt op uzelven, domme
+Rustem! Gij, gij zijt de bode, dien ik bedoel, de eenige eerlijke,
+trouwhartige dien ik in geheel den omtrek ken. Gij, gij moet den
+veldheer te gemoet gaan...."
+
+"Ik?" vroeg de karavaanaanvoerder verschrikt, terwijl hij bleef
+stilstaan.
+
+Doch Maria trok hem voort en zeide: "Kom vooruit, anders zullen zij
+daar voor ons iets merken; gij, ja, gij zult...."
+
+"Maar kind, kind," haastte de Pers zich te zeggen op klagenden toon:
+"ik moet naar mijn heer terug, en ik, ziet ge, laat ons eerlijk
+zijn...."
+
+"Gij wilt niet van uw meisje weg, al moet ook de vriendelijke
+jonkvrouw, die dag en nacht bij u gewaakt heeft, daarom prijsgegeven
+worden aan den dood, den afgrijselijksten en gruwzaamsten van
+allen. Voor dien andere, dien niemand verpleegd heeft, ja voor dien
+hebt gij dat 'vlegel' dadelijk bij de hand, maar voor u...."
+
+"Bedaar toch! Hoor mij eerst aan, kleine meesteres!" zeide Rustem,
+haar het woord ontnemende, terwijl hij tegelijkertijd zijne hand uit
+de hare losmaakte. "Ik wilde nog wat wachten en Mandane heeft er zich
+reeds in moeten schikken, maar éen mensch kan niet alles. Rijden,
+koopwaren overbrengen, kameelknechts onder bedwang houden, een leger
+opslaan, dat kan ik, doch met groote heeren omgaan, met wenschen en
+smeekingen een man als den veldheer onder de oogen te komen, ziet gij,
+zieltje--al gold het, mijn eigen vader te redden--dat zou..."
+
+"Maar wordt dit dan van u gevorderd?" vroeg de kleine. "Gij kunt
+zoo stom blijven als een visch, het spreken zal de zaak zijn van die
+u vergezelt."
+
+"Dus zal nog een ander? Maar, groote Masdak!--Wees dan met dien
+eenen tevreden!"
+
+"Moet ge mij dan telkens in de rede vallen?" liet het kind hier
+dadelijk op volgen: "Eerst hooren en dan tegenwerpingen maken! Die
+tweede bode dan is in het geheel geen mannelijke bode, maar eene van
+het vrouwelijke geslacht, en die--zet uwe ooren maar wijd open--die
+ben ik, ik die hier naast u ga. En wanneer gij nu nog eens blijft
+staan, dan denk ik dat ge mij wilt verraden. Kort en goed, zoo zeker
+als ik wensch Paula te redden, zoo stellig rijd ik den veldheer
+tegemoet. Weigert gij mij te vergezellen, dan ga ik alleen en beproef
+of niet de bultenaar Gibbus...."
+
+Rustem had eenigen tijd noodig gehad na deze buitengewone verrassing,
+om tot bezinning te komen; eindelijk zeide hij: "Gij--gij.. En tot
+Berenike, en dat nog wel over de bergen.."
+
+"Ja over de bergen," herhaalde zij, "en als het zijn moest ook door
+de wolken."
+
+"Maar zoo iets is toch onmogelijk, nog nooit heeft men dit op aarde
+beleefd!" zeide de Pers op meewarigen toon. "Een meisje, zoo'n kleine
+jonkvrouw, als bode, geheel alleen met zulk een onbeholpen kerel als
+ik ben. Neen, neen, neen!"
+
+"En nog honderdmaal neen en weder neen," ging het kind blijmoedig
+voort. "De jonkvrouw blijft natuurlijk te huis, maar een knaap zal
+u vergezellen, dien gij Marius zult noemen, in plaats van Maria."
+
+"Een knaap? Ik dacht toch... Men raakt de kluts gansch en al kwijt!"
+
+"Een knaap, die een meisje is en een jongen in één persoon," zeide
+Maria lachende. "Maar gij wilt alles zoo duidelijk: Als knaap verkleed
+zal ik u begeleiden, en als wij morgen opbreken, letwel, dan houdt
+ge mij voor uw eigen broeder."
+
+"Uw eigen broeder! Welk een schrander kopje zijt ge! Gij weet het
+onmogelijke mogelijk te maken," zeide Rustem lachend, terwijl hij
+daarbij de kleine met welgevallen aanzag. Doch opeens werd hij weder
+geheel doordrongen van het ongehoorde van haar verlangen, en geen
+raad wetende riep hij: "Maar mijn heer, mijn meester! Waarlijk het
+gaat niet!"
+
+"Juist om zijnentwil bewijst gij ons dezen dienst," antwoordde Maria
+gevat. "Hij is Paula's vriend en beschermer, en wanneer hij hoort wat
+gij voor haar gedaan hebt, zal hij u prijzen. Als gij ons echter in
+den steek laat, dan weet ik zeker..."
+
+"Welnu?"
+
+"Dat hij zegt: 'Ik had dien Rustem voor verstandiger en goedhartiger
+gehouden'."
+
+"Zoo, meent gij dat hij dit zeggen zou?"
+
+"Zoo waar als ons huis daar staat! Wij hebben geen tijd meer om te
+kibbelen, en het blijft er bij: wij reizen te zamen. Morgen vroeg
+zal ik u in den tuin vinden. Gij kunt aan uwe Mandane zeggen, dat
+eene gewichtige handelszaak u van hier roept."
+
+"En vrouw Johanna?" vroeg de Pers. "Dat gij naar haar niet vraagt," zoo
+vervolgde hij op bedenkelijken en bezorgden toon: "en in vertrouwen
+haar alles mededeelt, kindlief, dat wil mij in het geheel niet
+bevallen."
+
+"Maar zij zal alles weten, alleen niet dadelijk," antwoordde Maria, "en
+wanneer zij overmorgen te weten komt met welk doel ik haar verlaten heb
+en dat gij mij vergezelt, zal zij ons prijzen en zegenen. Ja, dat doet
+zij, zoo waar ik hoop, dat de lieve God ons op onze reis bijstaat."
+
+Deze woorden, waaraan men hooren kon, dat zij uit den diepsten grond
+des harten kwamen, braken het laatste verzet van den Masdakiet--ter
+rechter tijd; want hunne wandeling was ten einde, en daarbij scheen
+het hun, als hadden zij den langen weg in weinig stappen afgelegd. Zij
+waren groepen van schreeuwende en twistende burgers vlak voorbijgegaan,
+en menige lijkstatie van een aan de pest bezweken doode was langs
+dezelfde straat met fakkellicht grafwaarts getrokken; doch dat alles
+was hun ontgaan. Eerst bij de tuindeur bemerkten zij, wat er rondom
+hen plaats greep. Daar vonden zij den hovenier Gibbus en het geheele
+dienstpersoneel, dat met bezorgdheid de zoo laat terugkeerende vrouwen
+opwachtte. Ook de Griekin Eudoxia zag hare komst met een kloppend
+hart te gemoet.
+
+In huis werden zij door Horus Appollon ontvangen, doch vrouw Johanna
+en Pulcheria beantwoordden zijn groet met eene koele buiging en Maria
+keerde hem met opzet den rug toe. De grijsaard haalde mismoedig
+en spijtig de schouders op, en op zijn kamer prevelde hij: "Dat
+wijf! Zelfs de goede dagen, waarop ik voor het overige van mijn leven
+hoopte, zal ze mij bederven!"
+
+De weduwe en hare dochter spraken in haar slaapvertrek nog lang over
+Maria. Zij had haar met zulk eene innigheid en teederheid goeden nacht
+gewenscht, als stond de scheiding reeds voor de deur. Arm kind! Het
+vermoedde voor welk een treurig lot de bisschop en misschien hare
+eigene moeder haar bestemd hadden. Doch Maria zag er niet uit alsof
+zij het ongeluk te gemoet ging. Eudoxia, die bij haar sliep, verheugde
+zich veeleer in haar blijmoedig uitzicht, alleen verwonderde het haar
+dat de kleine, die anders pleegde in te slapen, zoodra zij het hoofdje
+in de kussens had gedrukt, heden zoo lang wakker bleef. Onwillekeurig
+volgde de bejaarde Griekin, die door allerlei kleine kwalen geplaagd,
+altijd eerst laat insliep, iedere beweging van het kind.
+
+Doch wat was dat? Voor de morgen aanbrak sprong Maria op eens uit
+bed, wierp een kleed om, en begaf zich met een nachtlicht naar het
+aangrenzend vertrek. Van daar viel een helder lichtschijnsel in het
+slaapvertrek; zij moest dus eene lamp hebben aangestoken en toen
+Eudoxia later de deur van het woonvertrek hoorde kraken, stond zij
+op en overschreed zacht den drempel. Juist kwam Maria terug; zij
+droeg nieuwe jongenskleederen in de hand, dezelfde, die Pulcheria
+en Eudoxia kort geleden als zondagskleedij gemaakt hadden voor den
+lammen tuinmansknaap. Al lachende trok de kleine het blauwe rokje aan,
+en nadat zij hare eigene kleederen in de kist had geworpen, zette
+zij zich aan tafel, om te schrijven. Het scheen wel dat Maria een
+moeielijk onderwerp te behandelen had, want nu eens staarde zij op
+het papyrusblad, terwijl zij met de hand langs het voorhoofd wreef,
+dan weder tuurde zij peinzend in de hoogte. Zij had reeds eenige
+volzinnen voltooid, toen zij plotseling opsprong, Eudoxias naam
+binnensmonds prevelde en daarop naar de slaapkamer ging.
+
+Daar trad de Griekin haar te gemoet en nu wierp Maria zich aan hare
+borst, en vóor de opvoedster nog eene vraag kon doen, openbaarde zij
+haar geroepen te zijn, om iets groots en gewichtigs uit te voeren. Zij
+was juist van plan geweest haar te wekken, om haar tot hare vertrouwde
+te maken en om raad te vragen. Hoe beminnenswaardig en oprecht was
+deze mededeeling, en hoe bevallig was hare schuchterheid, ondanks de
+vurige ijver die haar bezielde.
+
+De opvoedster gevoelde zich verteederd, de woorden van berisping
+bestierven op hare lippen, en voor de eerste maal beschouwde zij dit
+ouderlooze kind als haar eigen, was het haar als viel zijn geluk en
+zijn lijden met het hare te zamen. Zij, die haar leven lang slechts
+om zichzelve en haar eigen welzijn had gedacht, zij, die zich aan
+de opvoeding van Maria tot hiertoe had gewijd, omdat zij daarvoor
+onderhoud en salaris ontving, zij achtte zich thans in staat om voor
+dit kind zichzelve en alles wat zij bezat ten offer te brengen. Toen
+nu de kleine de armen om haar hals sloeg en smeekte haar niet te
+verraden, maar veeleer haar te helpen bij het goede werk, dat niet
+minder ten doel had dan Paula en Orion, de ongelukkigen wier leven
+bedreigd werd, te redden, begonnen hare anders droge oogen vochtig te
+worden, kuste zij de gloeiende wangen van Maria opnieuw en zeide haar,
+dat zij haar lief, lief dochtertje was.
+
+Dat gaf Maria moed en met pathetische waardigheid, die de opvoedster
+de lippen tot een lachje deed plooien, nam zij Eudoxias bijbel van den
+lezenaar, legde die op de tafel en zeide, terwijl haar smeekend oog de
+Griekin vlak in het aangezicht zag: "Zweer mij--neen gij moet geheel
+ernstig blijven, want gij kunt u niets gewichtigers denken--zweer
+mij aan geene ziel te zullen verraden, ook niet aan moeder Johanna,
+wat ik u wil toevertrouwen."
+
+Eudoxia beloofde dit, maar zij wilde geen eed afleggen. "Ja, ja,
+neen, neen," was volgens het gebod des Heeren de beste eed voor een
+christen. Maar Maria klemde zich aan haar vast, streek haar over de
+magere wangen, en verzekerde haar ten laatste niet te kunnen spreken,
+wanneer Eudoxia haar zin niet deed. Aan deze lieflijke vleierij kon de
+Griekin op dit uur geen weerstand bieden; zij duldde het dat Maria over
+hare zooveel oudere hand beschikte, en deze op den bijbel legde. Toen
+dit eenmaal geschied was, deed Eudoxia ook verder wat zij verlangde,
+en legde, hoewel gedwongen en met een levendig hoofdschudden, den eed
+af, die hare kweekelinge haar voorschreef. Daarop liet de opvoedster
+zich als uitgeput en verschrikt over hare eigene zwakheid op den divan
+neer, en de kleine maakte van hare overwinning gebruik, door dadelijk
+bij hare voeten neer te hurken en haar alles te vertellen wat zij
+wist van Paula en de gevaren, die haar en Orion bedreigden. Wetende
+sedert lang, hoe hoog de jonkman bij de Griekin stond aangeschreven,
+was zij daarbij slim genoeg, om het gevaar, waarin deze verkeerde,
+met levendige kleuren af te schilderen.
+
+Tot hiertoe had Eudoxia niet opgehouden hare lokken te streelen en
+met alles wat zij zeide in te stemmen; maar toen zij hoorde dat Maria
+voornemens was zelve het werk van een bode op zich te nemen, stond zij
+onthutst op en verklaarde ten stelligste, dat zij zulk een waagstuk,
+zulk eene onzalige dwaasheid nooit kon goedkeuren.
+
+Doch nu riep Maria al wat zij aan overredingskracht en vleiende
+kunstmiddelen bezat ter hulp. Er was geen geschikter afgezant te
+vinden, en het gold toch Orions en Paula's leven. Was dan een rit
+over de bergen van zooveel beteekenis? Hoe goed verstond zij de kunst
+om haar paard te mennen, hoe weinig leed zij onder de hitte! Was zij
+niet meer dan eens van Memphis naar hunne goederen in het meerland
+gereden? En de trouwe Rustem was toch bij haar, en op den weg over de
+bergen, de veiligste in dit land, waren toch stations met gelegenheid
+tot verblijf voor vreemdelingen. En als zij den veldheer vonden,
+kon zij omtrent alles beter inlichtingen geven als eenig ander
+menschenkind op aarde. Maar de Griekin liet zich niet vermurwen,
+ofschoon zij moest toegeven, dat Maria's voornemen zoo onzinnig niet
+was, als het haar aanvankelijk toescheen.
+
+De kleine liet haar niet verder spreken; zij herinnerde Eudoxia nog
+eens aan haar eed, en deelde haar zelfs in vertrouwen mede aan welk
+gevaar zij, Maria, zelve door dezen bodentocht ontkwam. Zij vertelde
+namelijk aan de Griekin welk eene ontmoeting zij had gehad met den
+prelaat, en hoe ook vrouw Johanna voor haar en hare toekomst bezorgd
+was. Ach het leven tusschen muren, achter slot en grendel scheen haar
+zoo schrikkelijk toe, en zij wist haar afschuw hiervan, hare begeerte
+naar vrijheid en een frisch, kalm, arbeidzaam leven onder menschen en
+vrienden, hare hoop dat de veldheer Amr, wanneer zij zich onder zijne
+hoede stelde, haar voor alles bewaren zou, zoo levendig, zoo warm en
+roerend te schilderen, dat de tegenspraak der Griekin verstomde, en
+de bedaagde jonkvrouw met de handen voor de in tranen badende oogen
+uitriep: "Het is verschrikkelijk, het is ongehoord, maar misschien
+is het toch het beste. Rijd den veldheer te gemoet, rijd maar weg!"
+
+En toen het jonge schepseltje met zulk een warm, liefderijk gemoed
+en zooveel levenslust haar daarop om den hals vloog, verblijdde zij
+zich over hare zwakheid, want deze schoone, frissche, levenskrachtige
+menschenbloem mocht niet onder dwang en in gevangenschap wegkwijnen,
+maar moest gelukkig blijven om gelukkig te maken, moest tot vreugde
+van haar en alle goede menschen de volle schoonheid harer bladeren
+ontplooien. Eudoxia kende de weduwe en wist dat deze begrijpen zou,
+waarom zij het kind bijstond, namelijk, om haar van het grootste gevaar
+te redden, dat eene menschelijke ziel bedreigen kon, het gevaar om
+in voortdurenden strijd met zichzelven iets anders te moeten zijn
+dan hetgeen waartoe men door aanleg en neiging bestemd is. Onder een
+pijnlijke zucht gevoelde Eudoxia wat zijzelve, door het gruwzaam lot
+gedwongen, bij het gemis van de vrijheid en het gevoel van tevredenheid
+geworden was, zij, die eens een warmbloedig, jong meisje was geweest,
+vol van groote verwachtingen. Zij, de bekrompene opvoedster, gaf toe
+aan het zonderling en stout verlangen van een kind, hetwelk grootere
+vrouwenzielen bespot, veroordeeld, geweigerd zouden hebben.
+
+Toen de dag was aangebroken verrichtte Eudoxia zelve, wat anders aan
+de kamenier wordt overgelaten; zij kapte Maria het haar, en daarbij
+sprak zij met haar en luisterde naar haar alsof in dezen nacht het
+kind tot een jonkvrouw was geworden. Vervolgens vergezelde zij hare
+leerlinge in den tuin, en zooveel dit mogelijk was bleef zij aan hare
+zijde. Vrouw Johanna en Pulcheria verwonderden zich bij het ontbijt
+over de houding, die zij tegenover Maria aannam, doch deze mishaagde
+haar niet, daar ook de oogen van de laatste schitterden van geluk.
+
+Zonder tegenspraak liet de weduwe het meisje naar de stad gaan, om daar
+de geheimzinnige opdracht van haar oom te volvoeren. Rustem vergezelde
+haar, en wat het kind zoo vroolijk maakte kon wel niets anders dan
+geoorloofd en goed zijn. Orions kaarten en tabellen waren hem tijdig
+in de gevangenis toegezonden, en vóor de kleine met haar grooten
+geleider opbrak, keerde Gibbus met den brief van den gevangen jonkman
+aan den veldheer terug. Onderweg werd afgesproken, dat Maria tegen
+het aanbreken van den nacht in de herberg van Nesptah Rustem vinden
+zou. Nu er zooveel gebrek was aan voedsel en zooveel menschen stierven,
+kon men rijdieren van allerlei soort, met geleiders en knechts,
+te kust en te keur krijgen, en de Pers, die met deze aangelegenheid
+vertrouwd was, achtte het 't beste snelvoetige dromedarissen te huren,
+en eene kleine tent voor zijne jonge meesteres mede te nemen.
+
+Bij de woning van den juwelier Gamaliël verzocht Maria hem te wachten,
+en de vroolijke goudsmid ontving haar met ongeveinsde blijdschap. Wat
+was er geworden van het huis van den grooten Mukaukas! Vuur
+had den zetel der gerechtigheid vernield, evenals de Egyptische
+steden, wien de profeet voor duizend jaren een gelijk oordeel had
+aangekondigd. Gamaliël wist in welk een groot gevaar Orion verkeerde
+en wat de edele jonkvrouw bedreigde, die hem eens den kostbaarsten
+van alle gesneden steenen geschonken en hem daarna een deel van haar
+vermogen toevertrouwd had. Het deed zijn hart goed althans een lid
+van het huis van zijn overleden beschermheer behouden voor zich te
+zien. Hij richtte tot Maria de eene deelnemende vraag na de andere, en
+zijne vrouw wilde haar dadelijk lekkere abrikozentaartjes brengen. Doch
+zij verzocht Gamaliël haar terstond een geheim onderhoud toe te staan,
+waarop de juwelier haar voorging naar zijne kleine werkplaats, en
+haar verzocht hem volkomen te vertrouwen. Wat de kleindochter van den
+Mukaukas Georg ooit van hem begeeren zou, dat was haar bij voorbaat
+reeds toegestaan.
+
+Daarop bracht zij verlegen en blozende Orions ring, dien zij zorgvuldig
+verborgen had, te voorschijn, reikte dezen den jood toe en vroeg hem
+daarvoor te geven wat billijk was.
+
+In de vaste overtuiging, dat de vriendelijke man haar onverwijld
+het eene goudstuk na het andere voor zou tellen, zag zij hem met
+hare heldere oogen vragend aan. Maar hij nam den ring niet eens van
+haar aan, bekeek die slechts met een vluchtigen blik en zeide daarop
+ernstig: "Neen, meisjelief; met kinderen doe ik geen zaken."
+
+"Maar ik heb het geld noodig, Gamaliël," zeide zij dringend. "Ik moet
+het hebben!"
+
+"Moeten," hernam hij lachend. "Dat is zeker een nagel, die door het
+hout gaat, maar stoot hij op ijzer, dan gaat hij meestal krom. Meen
+niet dat ik hard ben! Maar 'geld!' 'geld!' 'geld!' Van welk geld
+spreekt gij toch eigenlijk meisje? Wilt gij het mijne hebben voor
+brood en voor koeken, dat mij het waarschijnlijkst voorkomt, dan
+knijp ik mijne oogen toe en grijp in den buidel. Doch als ik mij niet
+bedrieg hebt gij bij den Griek Rufinus, wien het aan niets ontbreekt,
+een goed onderkomen gevonden, en ik heb zelfs een aardig sommetje geld
+in bewaring, dat uw grootvader een paar jaren geleden op rente gaf,
+met de opmerking, dat het eene erfenis was, die gij gekregen hadt van
+uwe peettante. De kwijtbrief staat op uw naam, en de geldnood waarin
+gij verkeert heeft dus veel van hetgeen anderen welstand noemen."
+
+"Geldnood, neen, die heb ik niet," hernam Maria. "Maar het geld kan
+ik toch niet missen, en wanneer ikzelve wat bezit en gij hebt het
+daar in de kist, geef er mij dan zooveel van als ik noodig hebt."
+
+"Wat gij noodig hebt?" zeide de juwelier lachend. "Ja, dat gaat zoo
+gauw niet, meisjelief. Eer zoo iets klaar komt, heeft men in Egypte
+veel tijd, veel papyrus en inkt noodig, eene groote rechtbank,
+zestien getuigen, een kurios..."
+
+"Welnu, koop dan den ring! Gij zijt zoo'n vriendelijk man,
+Gamaliël. Doe het om mij genoegen te geven! Dat ik heden wil snoepen
+gelooft gijzelf niet."
+
+"Neen, maar een week hartje wordt in zulk een moeielijken tijd,
+waarin velen hongerlijden, licht tot een andere dwaasheid gedrongen."
+
+"Zeker niet! Koop den ring! En doet gij dit mij ten gevalle..."
+
+"Dan is Gamaliël een schurk en een zwakhoofd in éen persoon. Herinnert
+gij u nog dien groenen smaragd? Dien kocht ik ook, en wat een
+fraaie geschiedenis heeft dat gegeven. Dat gaat niet met dien ring,
+meisjelief!"
+
+Maria trok de hand terug, en de teleurstelling en de bekommering
+die uit hare groote betraande oogen spraken, waren zoo roerend en
+smartelijk, dat de jood op zijne eigene woorden terugkwam en ernstig
+maar hartelijk voortging. "Ik zou liever mijn eigen ouden kop tot
+een aanbeeld geven, dan u leed doen, lief kind. Adonai! ik zeg ook
+niet--waarom zou ik 't zeggen?--dat gij in elk geval zonder geld door
+dien Gamaliël zult worden weggezonden. Hij heeft het toch, en hoewel
+hij het gaarne ontvangt, hij geeft het ook niet ongaarne, als het
+te pas komt. Dien ring kan ik waarlijk niet koopen, maar daarom niet
+getreurd. Kijk mij eens goed aan, kleine jonkvrouw. Gij verlangt veel,
+en ik heb in mijn magazijn nog veel schooner dingen. Als gij daarin
+iets vindt, dat u vertrouwen kan inboezemen, kom dan rond voor de
+zaak uit, en zeg den man, op wien ook uw grootvader een klein beetje
+bouwde, in het oor: 'zooveel heb ik noodig, en daarvoor'--hoe hebt
+gij ook weer gezegd?--'daarvoor moet ik het hebben'!"
+
+Maria las in het opgeruimde, volle gezicht van den jood iets, dat haar
+vertrouwen inboezemde, en in haar kinderlijk geloof aan het verbindende
+van den eed, liet zij een derden persoon, en ditmaal een lid van eene
+derde godsdienstige overtuiging, zweren niets te zullen verraden,
+terwijl zij zich verwonderde, dat het ook thans met het afnemen van
+een eed, waarin zij zich reeds vrijwel geoefend had, zoo gemakkelijk
+ging.--Ook volwassen lieden koopen zoo gaarne voor een goedkoopen eed
+het kostbaar geheim van een ander. Nadat zij zich verzekerd had van de
+stilzwijgendheid van den Israëliet, vertelde zij hem in vertrouwen,
+dat zij, ingevolge een opdracht van Orion, den veldheer een bode
+moest zenden, om hem en Paula nog tijdig van den dood te redden.
+
+De goudsmid hoorde haar aandachtig aan, en reeds voor zij nog geheel
+geëindigd had, ging hij naar de ijzeren in den grond gemetselde kist,
+en brak hare mededeeling af door de vraag: "Hoeveel?" Daarop noemde
+zij de som, die Nilus had opgegeven, en nauwelijks was haar bericht
+ten einde, of de jood, die de handgreep waarmede hij zijne kist
+opende zelfs voor zijne vrouw geheim hield, riep haar toe: "Nu,
+kijk eens uit het venster, gij wonderbare afgezant en geldnemer,
+en als gij daar beneden in den hof niets ziet, denk dan, dat er
+iemand staan kan als de oude Gamaliël, die u bij het hoofd pakte en
+u een duchtigen kus gaf. En stel u dan ook voor, dat hij daarbij in
+stilte bij zichzelven dacht: God in den hemel, als mijn dochtertje,
+de kleine Ruth, eens worden mocht als de kleine Maria, het kleinkind
+van den rechtvaardigen Mukaukas!"
+
+Daarop sprong de dikke, bewegelijke man, die op de knieën was gaan
+liggen, hijgende overeind, liet het deksel van de kist open, snelde
+naar het kind toe, dat reeds eenige oogenblikken uit het venster keek,
+drukte het van achteren een kus op de haren en zeide daarbij lachend:
+"Dat, klein geldneemstertje, dat zal mijne rente zijn. Maar verder
+naar buiten gekeken, tot ik u weder roep!"
+
+Behendig ijlde hij vervolgens met zijne korte beenen naar de kist
+terug, veegde zijne oogen af, nam er een kleinen buidel met goud
+uit, waarvan de inhoud de verlangde som een weinig overtrof, sloot
+de kist weder dicht, zag daarbij met eene gemengde uitdrukking van
+wantrouwen en hartelijk welgevallen naar Maria en riep haar eindelijk
+bij zich. Hij schudde nu den buidel voor haar uit, telde het bedrag
+af, dat zij verlangde, stak de overgebleven goudstukken bij zich,
+gaf het kind het zakje en verzocht het toen, terwijl hij de kamer
+verliet, listig meesmuilend, zijn 'voorschot' weder in het zakje te
+tellen en op hem te wachten. Toen hij terugkwam was zij met het werk
+gereed en merkte schuchter op: "Er ontbreekt nog een goudstuk."
+
+Gamaliël kruiste beide armen over de borst, sloeg zijn blik ten hemel
+en zeide: "God, welk een meisje! Daar is de solidus, kind! Laat een man
+van ervaring u zeggen: wat gij onderneemt, dat zal u gelukken! Gij weet
+wat gij doet, en als gij eens groot zijt en er een zal komen, om u te
+vrijen, dan zal hij goed ter markt gaan. En nu nog uwe handteekening,
+hier! Gij zijt nog wel niet mondig, en het blaadje is--God verhoede
+het ergste--is wel niet veel meer waard dan een blaadje, de inkt er
+onder begrepen, doch het is voor de orde."
+
+Nu nam Maria de schrijfpen, en terwijl zij eerst vluchtig doorliep,
+wat Gamaliël geschreven had, riep deze wederom in warme geestvervoering
+uit: "Een meisje, een kind! En dat leest, dat onderzoekt, dat overtuigt
+zich, alvorens het zijne handteekening zet! God zegene u, kind! Kijk
+daar komen de taartjes, en gij zult ze proeven voor ge... gerechtige
+God! Een kind, dat zulke gewichtige zaken doet!"
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Terwijl Rustem, wien Maria het goud van den juwelier had toevertrouwd,
+voorbereidselen maakte tot de reis met het beleid van den geoefenden
+karavaanaanvoerder, en Maria met hare opvoedster de Perzische
+Mandane troostte en aan het verstand bracht, dat Rustems reis ten
+doel had Paula's leven te redden, had er in de gerechtszaal eene
+nieuwe zitting plaats.
+
+Ditmaal was Orion de aangeklaagde. Nauwelijks was hij begonnen zich te
+verdiepen in de plannen en lijsten, die hij voor zijn arbeid behoefde,
+of men riep hem voor de balie. Het gerechtshof was als gisteren
+samengesteld. Onder de getuigen waren behalve Paula, de nieuwe
+bisschop Johannes, alsmede de juwelier Gamaliël verschenen welke
+laatste, terstond nadat Maria hem verlaten had, voor de rechtbank
+was geroepen. De aanklager beschuldigde den zoon van den Mukaukas,
+een kostbaren smaragd, die door zijn vader aan de kerk was vermaakt,
+ondanks de aanmaning van den patriarch, teruggehouden te hebben.
+
+Orion nam zelf zijne verdediging op zich, herhaalde alles wat hij den
+kerkvorst zelven in de werkkamer zijns vaders tot zijne rechtvaardiging
+had gezegd, en verklaarde daarop, dat hij aan deze onaangename zaak
+spoedig een einde wilde maken door den steen terug te geven en dezen
+ter beschikking te stellen van de rechters. Hierop overhandigde hij
+den kadhi Paula's smaragd, en deze stelde dien weder aan den bisschop
+ter hand. Doch Johannes verklaarde zich nog niet bevredigd, maar
+las een schriftelijk getuigenis voor van de weduwe Susanna, die er
+bij was geweest toen de overleden Mukaukas Georg in tegenwoordigheid
+van zijn zoon al de juweelen, die het Perzisch tapijt bevatte, als
+een geschenk aan de kerk vermaakt had. Orion werd alzoo verdacht van
+eenig kleinood te hebben achtergehouden, en het zou zeer moeielijk
+zijn uit te maken, of de schoone steen daar op tafel dezelfde was
+waarop de kerk aanspraak maakte.
+
+Dit alles werd met veel ijver voorgedragen en scheen eene vijandige
+gezindheid te verraden. Gehoorzaamheid en overtuiging dwongen den
+ijverigen prelaat deze houding aan te nemen, want dezelfde duivenpost,
+waarbij de patriarch hem tot bisschop had benoemd, deed hem het bevel
+toekomen, om de bestraffing van Orion door te zetten, die een doorn
+was in het vleesch van de Jacobietische kerk, een schurftig schaap,
+dat de gezonde dreigde aan te steken. Als de jonkman soms een smaragd
+uitleverde, moest men wel nauwkeurig onderzoeken of het de rechte was,
+dan wel een ondergeschoven steen. Dit was de reden waarom de bisschop
+zijn wantrouwen had uitgesproken, en hoewel dit onder de Arabische
+rechters een afkeurend gemompel deed ontstaan, vatte de kadhi den
+argwaan van den prelaat toch ernstig op, daarbij mededeelende,
+dat hij gisteren avond een brief van zijn oom, den koopman Haschim,
+uit Dschidda had ontvangen, waarin ook van den smaragd gewag werd
+gemaakt. Haschims zoon had den steen buiten zijn weten, voor hij naar
+Egypte op reis ging, gewogen, en hier was de juiste opgave van het
+gewicht. De juwelier Gamaliël was met een weegschaal hier ontboden
+en zou de zaak tot geruststelling van den bisschop onderzoeken.
+
+Onverwijld ging de jood aan het werk, en de oude Horus Apollon, die
+in deze dingen uiterst bedreven was, kwam vlak bij hem staan, om elk
+zijner bewegingen met argwaan te bespieden. Alle aanwezigen verkeerden
+in de hoogste spanning; met koortsachtigen polsslag hingen Orion en
+Paula aan de handen en lippen van den juwelier, die na het eerste
+onderzoek den steen nog eenmaal woog. De derde weging volbracht de
+grijsaard met scherpen blik maar bevende vingers. Alle drie leverden
+dezelfde uitkomst; deze steen was enkele dourrakorrels zwaarder dan
+die, welke de zoon van den koopman had gewogen; toch verklaarde
+de juwelier, dat onder alle smaragden van de wereld geen reiner,
+vlekkeloozer en schooner steen gevonden kon worden.
+
+Orion gevoelde zich verlicht en haalde ruimer adem, terwijl onder
+de rechters de vraag werd besproken, of de jonge Arabier zich aan
+eene onnauwkeurigheid had schuldig gemaakt, dan of hier inderdaad
+eene verwisseling had plaats gehad. Doch hieraan viel bezwaarlijk te
+denken, want deze moest tot nadeel van den aangeklaagde, tot voordeel
+van de kerk zijn. De bisschop, die billijk oordeelde, zeide nu dat het
+wantrouwen van den kerkvorst in dit geval toch te ver ging, en deed
+in deze aangelegenheid verder geen mond open. De Wekil Obada had zich
+bij de geheele behandeling van deze zaak het zwijgen opgelegd, doch
+de uitdagende, zegevierende blik, waarmede hij nu eens Paula dan weder
+Orion opnam van het hoofd tot de voeten, deden het ergste verwachten.
+
+Nadat de aanklager den jongeling ook beschuldigd had van deelneming
+aan de veelbesproken bloedige vlucht der nonnen, verdedigde deze
+zijne onschuld en voerde als bewijs aan, dat hij zich gedurende den
+noodlottigen strijd tusschen de Arabieren en de beschermers der nonnen
+had bevonden in gezelschap van den veldheer Amr, gelijk deze zou
+bevestigen. Door eene ongehoorde daad van willekeur was hij, op eene
+bloote verdenking alleen, van zijne bezittingen en van zijne vrijheid
+beroofd, en hij vertrouwde allereerst op een rechtvaardig oordeel van
+zijne rechters en verder op de bescherming van zijn heer, den Kalief,
+die hem voldoening zou geven. Hij zag daarbij met vlammende oogen
+den Wekil aan; doch de zwarte wist ook nu zijne kalmte te bewaren
+en dit vermeerderde de bezorgdheid dergenen, die het wel met den
+jongeling meenden.
+
+Obada, dit bleek uit alles, moest overtuigd zijn, dat hij zijn
+offer den strik zeker om den hals had geworpen, en weldra werd allen
+duidelijk, wat hem zoo gerust deed zijn. Nauwelijks toch had Orion
+zijne verdediging geëindigd, of hij stond op, overhandigde den kadhi
+met een duivelschen grijnslach het tafeltje, dat Horus Apollon hem
+gisteren had gegeven, noemde het een schrijven, door Orion aan de
+Damasceensche gericht en verzocht den kadhi er kennis van te nemen. De
+hitte had wel is waar veel van het schrift in het was uitgewischt,
+doch de meeste letters waren nog altijd leesbaar. De waardige grijsaard
+had ze reeds ontcijferd en zich bereid verklaard den rechters voor
+te lezen, wat de aangeklaagde, die zichzelven in zijne pleitrede
+als een onschuldige duif had voorgesteld, in zijne onschuld en zijn
+waarheidszin voor zijn schoone bruid had neergeschreven. Daarbij
+gaf hij den oude een wenk en ondersteunde hem, toen deze met moeite
+opstond. Doch de kadhi verzocht hem te wachten, liet zich door den
+tolk omtrent den inhoud van den brief onderrichten, en keerde zich,
+nadat deze met veel moeite zijn plicht had vervuld, niet tot den
+grijsaard maar tot Obada met de vraag, waar dit geschrift gevonden was.
+
+"In den lessenaar van de Damasceensche," antwoordde de zwarte. "Mijn
+oude vriend hier heeft het ontdekt." Hij wees hierbij op Horus Apollon,
+die deze verklaring bevestigde door met het hoofd te knikken.
+
+Nu stond de kadhi op, ging naar de jonkvrouw, die doodsbleek was
+geworden van schrik, toonde haar het tafeltje en vroeg of zij dit
+herkende als haar eigendom.
+
+Nadat zij het voorwerp nauwkeurig had bekeken, antwoordde Paula met
+een blik op den oude, waaruit de diepste minachting en afschuw sprak:
+"Ja, heer, het is mijn eigendom. Deze onwaardige grijsaard nam het
+op eene schandelijk listige wijze uit mijne schrifturen."
+
+Hier haperde hare stem een oogenblik, doch zij ging weldra voort,
+zich tot de rechters wendende: "Als er onder u iemand is, die
+hulpeloosheid en onschuld eerbiedigt en arglistigheid en slinksche
+streken veroordeelt, hij begeve zich naar de vrouw van Rufinus,
+over wier drempel die man daar is binnengeslopen als een bunzing in
+eene duiventil, binnengeslopen met geen ander doel dan om hartelijke
+gastvrijheid met voeten te treden, haar huis te doorsnuffelen en
+daaruit alles bij een te halen wat hem dienen kon voor zijn schandelijk
+doel, en hij waarschuwe deze aan zichzelve overgelatene vrouw voor
+den verraderlijken spion en dief."
+
+Opeens hief de oude blazende van woede, niet in staat een woord
+te spreken, zijn mageren arm omhoog; de christelijke rechters
+fluisterden elkander hunne uiteenloopende meeningen toe, de jood
+Gamaliël schoof met zijn zwaar lichaam op de getuigenbank heen en
+weer, tikte onophoudelijk en onrustig met zijne vingertoppen op de
+borst, en zocht nu eens Paula's dan weder Orions oogen op zich te
+vestigen, om aan te duiden dat hij de man was, die vrouw Rufinus
+zou waarschuwen. Doch een vuistslag van den Wekil, die onverwacht
+zijn schouder trof, bracht hem tot rust, en terwijl hij in stilte
+morrende de gekwetste plek wreef en het niet waagde den geweldenaar
+terecht te laten wijzen, overhandigde de kadhi aan den grijsaard het
+tafeltje en verzocht hem den brief voor te lezen.
+
+Doch de vreeselijke aanklacht, die de gehate dochter van den patriciër
+hem in het aangezicht had geslingerd, waardoor zij aan zijne verhuizing
+naar de woning van Rufinus beweeggronden had toegeschreven, die in
+werkelijkheid hem vreemd waren geweest, hadden hem zoo in verwarring
+gebracht, zoo boos gemaakt, dat zijne oude, bovendien reeds moeielijk
+ademende longen hem den dienst weigerden. Die vrouw had hem een nieuw
+onrecht aangedaan, want met de vriendelijkste bedoelingen had hij
+bij de vrouwen zijn intrek genomen, en een toeval alleen had hem het
+tafeltje in handen gespeeld. Toch zou der weduwe van Rufinus nog heden
+ter oore komen, dat hij als een spion hare woning was binnengedrongen,
+en dan was het voor altijd uit met die kostelijke laatste dagen waarvan
+hij gedroomd had; zelfs zijn Philippus zou in staat zijn met hem te
+breken. En dat alles door toedoen van deze vrouw!--Hij kon geen woorden
+vinden om zijn gevoel uit te spreken, maar toen hij zich weder op de
+getuigenbank neerzette trof Paula een blik, zoo vol haat, zoo overvol
+van gif en woede, dat zij huiverde en tot de overtuiging kwam: deze
+man is bereid om zelf onder te gaan, ten einde mij ten val te brengen.
+
+Doch de tolk begon reeds Orions brief te lezen en dezen voor
+de Arabieren te vertolken, en terwijl hij, stamelend en onder de
+verzekering, dat geen enkele letter duidelijk te herkennen was, zijn
+plicht vervulde, kreeg Paula geheel hare zelfbeheersching terug,
+en even nadat de hermeneut zijn werk voleindigd had was het of er
+een zonnestraal gleed over hare reine gelaatstrekken. Een schoone,
+grootsche, vreugdevolle gedachte moest in haar brein zijn opgekomen,
+en men kon het haar aanzien, dat het haar gelukte deze vast te houden
+en er zich geheel aan te wijden. Orion, die tegenover haar zat,
+merkte het wel op, maar hij begreep nog niet wat haar smeekende blik
+hem te zeggen had, wat zij van hem verlangde, toen zij de hand op
+de borst drukte en hem daarbij zoo veelbeteekenend in de oogen keek,
+dat het doordrong tot diep in zijn hart.
+
+Thans zweeg de tolk, en wat hij gelezen had was op de rechters niet
+zonder uitwerking gebleven. Uit de welwillende trekken van den kadhi
+sprak ernstige bezorgdheid, en de inhoud van den brief scheen wel
+geschikt, om haar te wekken. Woordelijk luidde het schrijven aldus:
+
+"Nadat ik lang tevergeefs op u gewacht heb, moet ik eindelijk besluiten
+om te vertrekken, en hoeveel had ik u nog te zeggen. Een schriftelijk
+vaarwel..."
+
+Hier waren eenige regels onleesbaar geworden. Dan volgde het
+noodlottige, leesbare slot: "Hoe anders had ik gewaand dezen dag
+te zullen besluiten, die voor het grootste deel gewijd was aan het
+maken van toebereidselen voor de vlucht der nonnen, en het is mij eene
+vreugde geweest, voor de goede, onschuldige en onrechtvaardig vervolgde
+zusters het mijne te doen. Haar willen wij het beste toewenschen,
+en ons beiden op morgen een ongestoord wederzien en een afscheid, dat
+herinneringen bij ons achterlaat, waarop wij lang teren kunnen. Gelijk
+onder de Egyptenaars hij het was, wiens heengaan wij beiden betreuren
+zoo is het onder de Arabieren de voortreffelijke veldheer Amr...."
+
+Hier eindigde de brief, aan welks slot bijna drie regels ontbraken.
+
+Nadat de kadhi het tafeltje eenige oogenblikken in de hand had gewogen,
+sloeg hij zijne oogen weder op, liet zijn blik gaan over de in groote
+spanning wachtende vergadering en begon: "Ofschoon de aangeklaagde
+niet behoorde tot degenen, die oproerig tegen onze gewapende macht
+de handen hebben opgeheven, zoo blijkt toch onwederlegbaar uit het
+voorgelezene, dat hij niet alleen kennis heeft gedragen van de vlucht
+der nonnen, maar dat hij haar ook ijverig de behulpzame hand heeft
+geboden.--Wanneer hebt gij dit schrijven ontvangen, edele jonkvrouw!"
+
+Paula vouwde de handen met kracht te zamen en antwoordde met
+gebogen hoofd en neergeslagen oogen: "Wanneer ik den brief ontvangen
+heb? Nooit, want de brief is van mijzelve. Ik heb hem geschreven."
+
+"Gij?" vroeg de kadhi met verbazing.
+
+"Hij werd door mij aan Orion gericht," antwoordde Paula.
+
+"Door u aan hem? Doch hoe komt hij dan in uwe lessenaar?"
+
+"Op zeer eenvoudige wijze," verklaarde zij, altijd nog met neergeslagen
+oogen. "Nadat ik den brief aan mijn bruidegom gericht had, wierp
+ik dien bij de andere tafeltjes, zoodra hij onnoodig was geworden;
+want hijzelf verscheen, en ik behoefde hem niet te laten lezen,
+wat men beter mondeling bespreekt."
+
+Daarbij speelde een eigenaardig lachje om hare lippen; een luid
+gemompel ging door de zaal; Orion keek met klimmende gejaagdheid
+nu eens het meisje, dan weder den kadhi aan. Maar de zwarte vloog
+op, sloeg met zijn vuist op de tafel, dat het dreunde en riep:
+"Nietswaardige uitvluchten! Wie uwer laat zich hier door zulk eene
+ellendige vrouwenlist beetnemen?"
+
+Horus Apollon, die weder tot bedaren was gekomen, wierp hem met
+groot leedvermaak een goedkeurenden blik toe, de rechters zagen
+elkander verlegen aan, doch toen de zwarte verder bleef doorrazen,
+legde de kadhi hem het zwijgen op en gaf het woord aan Orion, die met
+hoogroode wangen hem reeds voor de tweede maal het woord had gevraagd
+en nu, nauwelijks in staat de woorden uit te brengen, uitriep: "Neen,
+neen, Othman; neen, neen! Gelooft haar niet, heeren rechters. Niet
+zij.... ik, ik heb den brief...."
+
+Maar Paula viel hem in de rede, zeggende: "Hij? Maar voelt gij het
+dan niet: hij wil mij redden en daarom alleen mijne schuld op zich
+laden! Uit edelmoedigheid, uit liefde zegt hij dit! Gelooft, gelooft
+hem niet! Laat u door hem niet misleiden!"
+
+"Ik? Neen, zij, juist zij," ving Orion weder aan; doch voor hij
+verder kon gaan riep Paula hem toe, met fonkelende oogen, dat het eene
+verkeerde liefde moest heeten, die zichzelve uit valsche edelmoedigheid
+opofferde. En toen zij daarbij wederom de hand tegen hare borst drukte,
+om hem te smeeken zich stil te houden, zweeg hij plotseling en zonk,
+terwijl hij diep ontroerd de oogen ten hemel sloeg, op de bank der
+aangeklaagden neder.
+
+Nu ging Paula voort, met een juichend gemoed: "Hij is tot eene
+betere overtuiging gekomen en laat de dwaze poging varen, om mijne
+schuld op zich te nemen. Gij ziet het, Othman, gij ziet het allen,
+waardige heeren! Wat ik voor de arme zusters gedaan heb, laat er mij
+ook voor boeten!"
+
+"Uw wil geschiede," riep de oude met krijschende stem.
+
+"Een helsch spinsel van leugens," bulderde de zwarte, "een bedrog
+zonder weerga! Maar ondanks het schild, waarmede deze vrouw u dekt,
+kom ik u toch aan den hals, verraderlijke knaap! Is het te gelooven,
+rechters, dat men een voltooiden brief, weken lang na geschreven
+te zijn, bij den schrijver vindt en niet bij hem aan wien hij werd
+gericht?"
+
+De kadhi haalde de schouders op en antwoordde met kalme waardigheid:
+"Bedenk wel, Obada, dat wij deze jonkvrouw hebben veroordeeld op
+grond van een brief, die wij niet vonden bij den persoon aan wien
+hij gericht werd, maar bij zijn schrijver. Omtrent dat document rees
+bij u geen twijfel op. Het betaamt ons rechters met dezelfde maat te
+meten, Obada!"
+
+Deze, op verzoenenden toon uitgesproken woorden en het doeltreffende
+ervan, werd door alle Arabieren met bijval vernomen, en de juwelier
+kon niet nalaten een luid "voortreffelijk" uit te roepen. Hij schoof
+echter, zoodra het hem over de lippen was gekomen, in een oogwenk
+uit het bereik van den arm van den zwarte. Deze had hem echter
+nauwelijks verstaan, want vol toorn betoogde hij, zonder den kadhi
+toe te laten hem in de rede te vallen, hoe smadelijk het was van
+mannen en rechters, zich door eene vrouw om den tuin te laten leiden,
+zich het hart te laten vermurwen door het comediespel van een paar
+verliefde gekken. Voorts toonde hij aan, hoe noodzakelijk het iederen
+muzelman moest voorkomen, hunne eigene veiligheid te verzekeren,
+door den aanlegger eener bloedige muiterij tegen de steunpilaren van
+het gezag streng te tuchtigen. Zijne welsprekende, vurige taal bleef
+niet zonder uitwerking, doch de christenen, die der Melchietin alle
+kwaad gunden, waren met haar dood voldaan, en wilden den zoon van
+den algemeen vereerden Mukaukas Georg deze daad, zelfs al had hij
+haar werkelijk begaan, gaarne vergeven. Nadat men het er over eens
+was geworden, dat hier onmogelijk viel uit te maken van welke hand
+het schrift op het tafeltje afkomstig was, en er over en weer nog
+veel was gesproken, begon het eigenlijk beraad.
+
+Het duurde lang eer de rechters tot een besluit konden komen,
+en gedurende dien tijd zat Orion nu eens neer als ware hij reeds
+tot een pijnlijken dood veroordeeld, dan weder liet hij zijn blik
+samensmelten met dien der geliefde en bracht de hand aan het hart,
+als vreesde hij dat het barsten zou. Hij begreep haar volkomen en
+hare grootmoedigheid deed hem goed. Wel had hij over zich weten te
+verkrijgen, hare gave aan te nemen, maar hij was toch vast besloten,
+haar, als zij sterven moest, in den dood te volgen. Het "non dolet"
+[23] van Arria, dat zij haren geliefden Paetus had toegeroepen, toen
+zij zich den dolk in het hart stak, om hem voor te gaan in den dood,
+klonk hem voortdurend als in het oor. Doch hij bedacht ook, dat Paula
+misschien begenadigd zou worden, dat hij dan vrij zou zijn en een
+geheel leven voor zich zou hebben, om haar te danken.
+
+Eindelijk, eindelijk verkondigde de kadhi de uitspraak van de rechters:
+het was onmogelijk Orion den dood schuldig te verklaren, en evenmin
+kon men besluiten het geloof aan zijne schuld onbepaald af te wijzen;
+het gerechtshof verklaarde zich dus onbevoegd, om in deze zaak een
+oordeel uit te spreken en droeg dit over aan den Kalief of zijn
+plaatsvervanger in Egypte, den veldheer Amr. Hij, de kadhi, zelf
+zou alleen gelasten den aangeklaagde gestreng gevangen te houden,
+opdat de straffende gerechtigheid de hand op hem zou kunnen leggen,
+indien het eindoordeel "schuldig" mocht luiden.
+
+Toen de kadhi verkondigde, dat het beslissend oordeel werd overgelaten
+aan den Kalief of diens plaatsvervanger, riep de Wekil: "Ik, ik ben de
+plaatsvervanger van Omar!" Doch een eenstemmig, ontkennend gemompel
+der rechters wees deze opvatting stellig van de hand, en op voorstel
+van den kadhi werd besloten door verdubbeling van de kerkerwacht
+den jongeling te beveiligen voor elken eigenmachtigen aanslag van
+den Wekil, tegen wien reeds zware aanklachten op weg waren naar
+Medina. De zwarte verliet buiten zichzelven van woede, de grijsaard
+nieuwe aanslagen smedende tegen de Damasceensche, de gerechtszaal.
+
+Zoodra Paula in hare cel terugkeerde, dacht de oude Betta dat zij
+genade had ontvangen, want hoe vroolijk, hoe trotsch, hoe opgewekt
+trad zij bij haar binnen! Het grootste gevaar was van haren geliefde
+afgewend, zij en hare liefde waren het, die hem hadden gered. Zij
+had zichzelve opgegeven, maar wat het lot ook over haar beschikte,
+voor hem lag het leven open, hem zou het vergund zijn, zijne heerlijke
+kracht te toonen, en dat hij het doen zou, doen in haren zin, daarvan
+was zij zeker.
+
+Nog was zij niet aan het einde van haar verhaal omtrent het oordeel
+der rechters, toen de gevangenbewaarder een bezoek van den kadhi
+kwam aankondigen. Weldra trad deze bij haar binnen, en nadat zij
+hem hartelijk had dankgezegd en hij haar vriendelijk verzekerd had,
+dat hij zich schaamde, misschien de schande te moeten dragen van een
+misleid rechter te zijn, en dat nog wel als een gunst van het lot,
+bracht hij het gesprek op het eigenlijk doel van zijn bezoek. "In den
+brief," dus begon hij, "dien hij gisteren avond van zijn oom Haschim
+had ontvangen werd ook veel over haar gesproken. Zij had het hart
+van den ouden koopman gestolen, en de berichten, die deze omtrent
+haar vader had ingewonnen..."
+
+Hier viel het meisje hem in de rede: "O heer, heer.... Zou eindelijk
+de wensch, het gebed mijns levens vervuld worden?"
+
+"Uw vader, de edele Thomas, voor wien ook de muzelman het hoofd
+buigt," antwoordde Othman, "men heeft hem..." En nu berichtte hij,
+dat de held van Damascus zich inderdaad op den Sinaï teruggetrokken
+en daar als kluizenaar geleefd had, doch zij mocht zich aan geene
+ontijdige vreugde overgeven, want de bode had hem krank gevonden,
+vermagerd door een teringziekte, die uitging van zijne gewonde long,
+ja bijna stervende. Zijne dagen waren geteld...
+
+"En ik, ik gevangen," zeide het meisje, bitter weenende. "Vastgehouden,
+tot niets in staat, buiten de mogelijkheid, om hem in de armen te
+snellen!"
+
+Daarop vermaande hij haar opnieuw zich bedaard te houden, en vertelde
+op zijne zachte, kalme manier verder, dat reeds eergisteren een
+Nabateër bij hem gekomen was, om hem als het hoofd der justitie
+in Egypte te vragen, of een oud tegenstander der muzelmannen, een
+veldoverste, die in dienst van den Keizer en van het kruis tegen
+den Kalief en de halve maan had gestreden, krank, verwond, gebroken
+den Egyptischen bodem mocht betreden, zonder zich bloot te stellen
+aan het gevaar van door Arabische ambtenaren gevangen genomen te
+worden. Toen hij, Othman, vernomen had, dat deze man Thomas was, de
+held van Damascus, had hij volgaarne en gelijk hij wist in den geest
+van zijn heer, den Kalief, hem vrijheid en leven verzekerd. Heden
+morgen vroeg was haar vader te Fostat aangekomen, en hij had hem als
+gast in zijn huis opgenomen. Ja, Thomas stond aan den rand van het
+graf, maar de wensch, die hem bezielde, om zijne dochter, wie hij,
+op grond van een valsch gerucht, dat zij bij den moord van Abyla was
+omgekomen, reeds zoolang beweend had, nog eenmaal weder te zien, hield
+hem staande. Hij achtte het zijn plicht dezen wensch van een stervende
+te vervullen, en hij had den gevangenbewaarder bevolen het vertrek,
+dat aan hare cel grensde, voor hem in te richten met het huisraad,
+dat uit zijne woning onderweg was. De deur, die haar vertrek met het
+zijne verbond, zou geopend worden.
+
+"En ik zal hem wederzien, hem weder bij mij hebben, met hem leven, hem
+de oogen sluiten, misschien met hem sterven!" riep Paula uit, daarbij
+de hand grijpende van den goedigen man en die dankbaar kussende.
+
+Den muzelman schoten de tranen in de oogen, en hij verzocht haar
+niet hem, maar den barmhartigen, eenigen God te danken. Voor de zon
+onderging rustte het hoofd van de ter dood veroordeelde dochter
+aan de borst van den gewonden held, wiens einde nabij was, maar
+wiens onverzwakte geest en warm hart zoo gansch en al evenals zijn
+lief, eenig kind, de zaligheid van het wederzien genoten. Een nieuw,
+onbeschrijfelijk geluk woonde voor Paula binnen de sombere muren van
+den kerker, en nog dienzelfden dag ontving Orion door den bewaarder een
+brief, die hem de groeten overbracht van den vader zijner bruid. Toen
+hij de innige zegenbede las, die deze brief bevatte, was het hem als
+nam een onzichtbare hand den vloek, waarmede zijn eigen vader hem
+beladen had, voor altijd van hem weg. Eene wonderbare, blijmoedige
+rust, werkkracht en levenslust openbaarden zich in hem, en hij gunde
+zijn geest en zijn schrijfstift geen rust, voor de morgen schemerde.
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Somber, met gefronst voorhoofd keerde de oude Horus Apollon uit
+de rechtzaal terug naar zijn nieuwe woning. Voor het landgoed van
+de weduwe Susanna zag hij eenige lieden staan, die schuw in den
+tuin gluurden en op het schoone woonhuis wezen. Evenals ontelbare
+menschengroepen, die hij vroeger ontmoette, riepen ook deze lieden
+hem woorden van hulde, dank en opwekking toe, en toen hij ook voor hen
+even boog en daarbij de richting volgde van hunne angstig bespiedende
+blikken, voer hem eene huivering door de leden; want boven de groote
+huispoort hing ter waarschuwing, als ware het een schandteeken, het
+zwarte bord, dat den voorbijgangers toeriep: "Blijft ver van dezen
+drempel! Hierachter woedt de menschenmoordende pest!"
+
+De oude schuwde alles, wat hem aan den dood herinnerde, en hij
+rilde. Zoo dicht te wonen bij een broeinest der vreeselijke ziekte, dat
+was angstwekkend en gevaarlijk! Hoe kwam de ziekte in dit gezondste
+deel der stad, dat ook bij het woeden van de laatste pestziekte
+verschoond was gebleven?
+
+Een dienaar van den raad, dien hij staande hield, vertelde hem,
+dat de slaven, die gewoon waren voor het bad van vrouw Susanna te
+zorgen, vader en zoon, het eerst waren aangetast. Men had hen bij
+nacht heimelijk naar de ziekententen laten brengen; heden echter was
+de weduwe zelve ook aangetast. Om de wijk voor verdere besmetting te
+bewaren, bewaakte men thans dit terrein van alle zijden.
+
+"Doe het streng, zeer streng; laat geen rat de deur uit," riep de
+oude en reed verder.
+
+Het was later geworden dan gisteren, het etensuur moest reeds
+aangebroken zijn, en toen hij na een oogenblik rust aanstalten maakte,
+om zich met hulp van zijn dienaar voor den gemeenschappelijken
+maaltijd te wasschen en te reinigen, trad eene lamme huisslavin bij
+hem binnen en zette een blad met dampende schoteltjes op het tafeltje
+naast den divan neder. Wat had dat te beteekenen? En voor hij het nog
+vragen kon vernam hij, dat de vrouwen verlangden voortaan alleen te
+spijzigen. Men zou hem op zijne kamer bedienen.
+
+Wederom vertoonde zich eene roode vlek op zijne wangen, en na een
+oogenblik nadenkens riep hij zijn slaaf toe: "De ezel voor!" en tot
+het meisje: "Waar is uwe meesteres?"
+
+"Met den goudsmid Gamaliël in het viridarium, doch zij zal zoo dadelijk
+aan tafel gaan."
+
+"Zonder den gast? Ik versta de bedoeling!" prevelde de oude, greep
+naar zijn hoed en liep de dienstmaagd voorbij de kamer uit. In de
+voorzaal kwam hij Gamaliël tegen, wien eene slavin juist den staf
+overhandigde. De grijsaard vermoedde, dat de juwelier alleen gekomen
+was, om de vrouwen voor hem te waarschuwen, en zonder hem met een
+blik te verwaardigen, begaf hij zich naar het eetvertrek. Daar vond
+hij Pulcheria en Maria weenende geknield liggen voor vrouw Johanna,
+die insgelijks tranen vergoot. Hij vermoedde, wie die tranen golden,
+en vervuld van de begeerte, om het onrechtmatige aan te toonen van
+de beschuldiging, dat hij als spion dit huis was binnengedrongen,
+sprak hij de weduwe aan.
+
+Deze had gehuiverd, toen zij hem zag binnenkomen, thans wees zij hem
+echter met uitgestrekten vinger de deur, en toen hij toch bleef staan,
+om zijne verdediging te beginnen, sneed zij hem met het woord af, door
+luide en met nadruk te zeggen: "Niet verder, heer! Dit huis blijft
+van nu aan voor u gesloten! De band, die ons verbond, hebt gijzelf
+verscheurd! Verstoor niet langer onzen vrede! Trek weer daarheen,
+vanwaar gij gekomen zijt!"
+
+De grijsaard beproefde nog eens te spreken, doch de weduwe stond op,
+riep de meisjes toe: "Komt, mijne kinderen!" ging hen haastig voor
+naar het aangrenzend vertrek, en trok de deur achter zich dicht.
+
+Horus Apollon bleef alleen op den drempel staan. Hoe oud hij ook was,
+zulk eene smaadheid was hem nog nooit aangedaan, doch hij schreef
+haar niet op rekening van haar, die hem de deur had gewezen, maar
+op de reeds meer dan overladene van de Damasceensche, en toen hij
+op zijn witten ezel naar huis reed, hield hij telkens stil, om tot
+de voorbijgangers te spreken. In de eerstvolgende dagen stoorde
+hij zich niet aan de hitte van den dag, vroeg hij niet naar zijne
+behoeften, om het lichaam rust te gunnen en zijn geest bezig te
+houden met stillen arbeid, maar hij reed 's morgens, 's middags en
+'s avonds door de straten, ruide het volk op en trachtte het op
+listige wijze te overtuigen, dat het jammerlijk ten gronde zou gaan,
+wanneer het zich niet van het eenige door hem voorgeslagene redmiddel
+bediende. Bij elke zitting van den senaat was hij tegenwoordig;
+met vurige welsprekendheid hield hij de bouleuten aan zijne zijde,
+weerstreefde hij de bemoeiingen van den bisschop, en drong hij aan
+op de vaststelling van den dag voor het huwelijk van den Nijlstroom
+met zijn bruid.
+
+Hij kende zijne Egyptenaars en hun hartstocht voor vroolijke,
+schitterende feesten. Het zijne: de echtvereeniging van den Nijlbruid
+met den geweldigen, rusteloozen gemaal, van wien het wel en wee des
+lands afhing, zou eene bloeiende oase worden in deze woestenij van
+nood en vertwijfeling. Wat hij nog wist uit de herinneringen zijner
+kindsche dagen van processies ter eere van Isis, wat hem uit zijn
+eigene aanschouwing en uit de verhalen zijns vaders nog bekend was van
+de aan deze godin en haar trias gewijde feesten, wat hij in boeken
+had gelezen over groote optochten en vertooningen in het heidensche
+Egypte, dat bracht hij in zijne voorstelling bijeen, dat schilderde
+hij den senaat en het volk af in levendige kleuren, dat raadde hij de
+bouleuten bij dit buitengewoon huwelijksfeest te herhalen. En ieder,
+wien Egyptisch bloed door de aderen vloeide hoorde hem opmerkzaam
+aan, vond welgevallen in zijne voorstellen en was zelf bereid, om
+alles aan te wenden ten einde den glans van dit feest te verhoogen,
+hetwelk ieder kon medevieren, hetzij door er een werkzaam deel aan
+te nemen, hetzij als toeschouwer. Duizenden leden gebrek, maar voor
+dit buitengewone huwelijksfeest waren er nog middelen en maakte de
+senaat geen bedenking wederom geld op te nemen.
+
+"Ondergang of redding" was de leus, die Horus Apollon de Memphieten in
+den mond had gelegd. Ging alles te gronde, dan verzonken daarmede ook
+de bespaarde talenten; droeg het offer daarentegen vrucht, zegende
+de Nijl de zijnen met nieuwe welvaart, wat hadden stad en land dan
+naar eenige duizenden drachmen te vragen? De huwelijksdag werd dus
+bepaald. Geen volle twee weken na de veroordeeling van Paula, op het
+feest van den heilige Serapis, wilde men het wondervolle, reddende,
+gelukbelovende feest vieren. En hoe wist de oude, hoe wisten de
+rechters en bouleuten, die haar gezien hadden, de schoonheid van de
+bruid te schilderen! Hoe vurig fonkelden de oogen des grijsaards
+van haat, als hij haar beschreef! Geen minnend oog kon levendiger
+tintelen! Wat die patricische deerne hem ook had aangedaan, alles,
+alles zou zij boeten. En met zijne overwinning zou hij niet alleen
+die enkele vrouw, maar het geheele christengeloof, dat hij haatte,
+doodelijk treffen.
+
+Maar ook de bisschop Johannes had niet stil gezeten. Dadelijk na
+zijn optreden tegen het besluit des volks, had hij een duif met een
+brief naar Opper-Egypte tot den patriarch uitgezonden, en Benjamins
+antwoord zou hem steunen, om nog krachtiger door te tasten. In de kerk,
+voor den senaat en zelfs op straat deed hij en met hem de geheele
+geestelijkheid al wat in zijn vermogen was, om het schandelijk plan
+van de raadsheeren en het volk te bestrijden; doch de hartstocht,
+dien de grijsaard aanblies, sloeg weldra in helderder vlammen op,
+dan de geloofstrouw, de gematigdheid en het verstandig inzicht,
+die hij en de zijnen moesten aanwakkeren. De wind blies met gelijke
+kracht van beide zijden, maar aan de zijne ontmoette hij slechts
+doovende kolen, aan de andere overvolle brandende schuren. De nood
+en de vertwijfeling hadden het geloof geschokt, de tucht ondermijnd,
+en zelfs de machtigste wapenen van de kerk: "vloek en zegen" bleken
+machteloos te zijn. Men wees den drenkelingen een drijvenden balk
+in de nabijheid, en daarom wilden zij niet langer op de reddingsboot
+wachten, die met goede roeiers aan de riemen en een ervaren stuurman
+aan het roer bemand, van verre naderde en verplicht was hen te redden.
+
+Horus Apollon keerde niet meer in het huis van Rufinus terug. Weinige
+uren nadat de weduwe hem de deur gewezen had, kwamen zijne slaven om
+de voorwerpen weder weg te halen, die hem vergezelden, toen hij onder
+haar dak zijn intrek nam. Zijn lijfdienaar bracht tevens eene groote
+geslotene vaas met een brief aan vrouw Johanna van den volgenden
+inhoud: "Men zal niet richten, zonder te hooren. Toch hebt gij dit
+gedaan, maar ik ben op u niet verstoord. Philippus zal misschien,
+als hij terugkeert, de einden van het band weder opnemen en opnieuw
+vastknoopen, dat gij heden hebt doorgesneden. Ik zend u een deel van
+de artsenij, die hij mij bij het scheiden achterliet, om daarvan in
+geval van nood tegen de pest gebruik te maken. Eerst in de laatste
+dagen heeft hij hare werking proefhoudend bevonden. Moge de krankheid,
+die het aangrenzend huis heeft aangetast, het uwe verschoonen!"
+
+Deze brief deed de weduwe genoegen, maar toen zij hem aan de haren
+voorlas, riep de kleine Maria: "En als iemand onzer ziek wordt,
+dan neme hij geen druppel van dit mengsel. Ik verzeker u, hij wil
+ons vergiftigen!"
+
+Intusschen bleef vrouw Johanna erbij, dat de grijsaard, ondanks zijn
+onverklaarbaren haat tegen Paula, in den grond niet slecht was, en
+Pulcheria verzekerde van hare zijde, dat het stellig wel zoo zijn
+moest, omdat Philippus hem achtte. Als deze maar hier was geweest,
+zou alles zich anders hebben toegedragen en ten beste geschikt zijn.
+
+Maria bleef met moeder en dochter samen tot het donker werd. Zij
+bracht het gesprek altijd weder op Paula, en toen in den namiddag de
+Nabateïsche bode zich bij haar aandiende en aan de vrouwen, ingevolge
+eene opdracht van de gevangene, het bericht bracht, dat hij haar
+vader in hare armen had gevoerd, begonnen de vrouwen weder voor haar
+te hopen, en Maria kon, zonder verdenking te wekken, onbewimpeld
+haar verlangen uitspreken, om te toonen hoe lief zij Paula had,
+daar het steeds naderend oogenblik van scheiding aanbrak. Eindelijk
+zeide zij, dat zij naar Eudoxia moest om onderricht te ontvangen; haar
+wachtten heden zeer moeielijke dingen; allen moesten aan haar denken en
+wenschen, dat alles haar goed gelukken mocht. Zij viel eerst de weduwe,
+vervolgens Pulcheria om den hals, en toen haar daarbij tranen in de
+oogen welden, vroeg zij, of zij niet een onbezonnen, dwaas kind was,
+maar niettegenstaande dat moesten zij haar gedenken en niet vergeten.
+
+Op haar kamer gekomen sloot zij zich met de Griekin op, en nu knipte
+Eudoxia haar de schoone zachte lokken af. De opvoedster vergoot daarbij
+de eerste tranen, en dezen vloeiden nog overvloediger, toen zij Maria
+eene kleine amulet met een vlok uit het schaapsvel van Johannes den
+dooper, dat zij van hare moeder geërfd had, om den hals hing. Het was
+haar lief en heilig, zij had daarvan nooit willen scheiden, doch nu
+moest dit kleinood het kind beschermen en geluk aanbrengen. Had het
+haar dan zooveel zegen gebracht? Juist niet veel, maar zij geloofde
+toch in de heil en zegenbrengende kracht van deze reliquie. Eindelijk
+stond Maria met korte haren en als knaap gekleed voor haar. Welk een
+aardige, wonderschoone knaap was dat meisje! Eudoxia kon haar niet
+genoeg aanzien. Doch Maria was te aanminnig, te fijn voor een jongen,
+en zij moest haar raden den breedgeranden reishoed zeer ver in het
+gelaat te trekken, zoodra zij menschen zou ontmoeten, of haar gelaat
+zwart te maken.
+
+Door Gamaliël, die vrouw Johanna inderdaad opgezocht had, om haar
+voor den grijsaard te waarschuwen, droeg zij kennis van het verloop
+der tegenwoordige terechtzitting, en Paula's daad om Orion te redden
+had haar bewondering voor de jonkvrouw nog verhoogd. Als zij den
+veldheer ontmoette, kon zij hem op alles antwoord geven, en zoo was
+zij in alle opzichten goed voorbereid, toen zij met Eudoxia door
+den tuin naar de Nijlstraat sloop. Aan gene zijde van de buitenpoort
+wierp zij het geliefde huis en zijne bewoners nog eene kushand toe,
+vervolgens wees zij zuchtend op het goed van de weduwe Susanna en
+zeide: "Arme Katharina, nu is zij opgesloten!--Weet gij, Eudoxia,
+ik heb haar toch lief, en als ik denk dat zij de pest zou kunnen
+krijgen en sterven--maar neen! Zeg aan moeder Johanna en Pul, dat zij
+vriendelijk voor haar moeten zijn. Geef haar morgen na het ontbijt
+mijn brief, en wanneer zij zich heden avond ongerust over mij maken,
+zeg dan dat gij alles weet, en dat het geheel onnoodig is over mij
+bezorgd te zijn. Gij zult het wel goed maken en zorg dragen, dat zij
+niet verdrietig worden."
+
+Bij eene openstaande Jacobietische kapel verzocht zij de Griekin op
+haar te wachten, en wierp zich daarin voor het crucifix neder. Vroolijk
+en opgewekt kwam zij weldra weder buiten, en toen zij bij de laatste
+huizen der stad waren, zeide zij: "Is het niet zondig, Eudoxia? Welke
+lieve menschen laat ik hier achter, en toch ben ik te moede als een
+gevangen vogel, die de kooi ontvlucht is. Goede God, zulk een rit
+in den nacht door de woestijn en over de bergen! Een snelvoetig
+dier onder zich, en boven zich geen zoldering, alleen de blauwe
+hemel en ontelbare sterren! Altijd voorwaarts, naar een heerlijk
+doel! Geheel aan zichzelve overgelaten, met eene gewichtige zending
+belast, als een groot mensch! Is dat niet kostelijk? En als de lieve
+God mij helpt, als ik den veldheer vind en het mij gelukt zijne ziel
+te roeren.... zeg zelf, Eudoxia, zou er wel op de geheele wereld een
+gelukkiger meisje zijn?"
+
+In de herberg van Nesptah vonden zij den Masdakiet met voortreffelijke
+dromedarissen en de noodige drijvers en dienaars. De Griekin gaf aan
+hare leerlinge nog vele nuttige lessen mede en daarbij met geheel heur
+hart haar moederlijken zegen. Rustem tilde het kind op den dromedaris,
+bracht met zorg zijne zitplaats in den zadel in orde, en de kleine
+karavaan zette zich in beweging. Maria wuifde de oude leermeesteres en
+nieuwe vriendin met een doekje vele groeten toe en Eudoxia keek haar
+nog na, toen zij reeds lang in het duister was verdwenen. Daarop ging
+deze naar huis, eerst stil weenende en met gebogen hoofd, daarna met
+opgerichten hoofde, zonder tranen en met vasten tred. Zij was bijzonder
+welgemoed, haar hart klopte veel krachtiger dan het in jaren gedaan
+had, en zij rees in eigen oogen door het bewustzijn, dat zij niet meer
+handelde naar de belemmerende voorschriften van een moeielijken plicht,
+maar als een vrij mensch naar eigen oordeel en inzichten. Zij zou zich
+weten te verdedigen en de anderen bewijzen, dat zij goed gehandeld had.
+
+Toen Maria bij het avondeten werd gemist en ook op het uur dat men
+zou gaan slapen nog niet te huis was, had Eudoxia veel te doen om
+de anderen gerust te stellen en te troosten; zij moest zich menige
+verkeerde uitlegging van haar uitblijven laten welgevallen. Doch zij
+nam alles geduldig op zich, en het deed haar goed voor hare lieveling
+veel te verdragen. Den volgenden morgen toen zij vrouw Johanna Maria's
+brief overhandigd had, werden haar geduld en hare liefde op nog
+harder proef gesteld; ja de zachte, goedige weduwe ontzag zich niet
+tegen haar uit te varen op eene wijze, die haar voor weinige dagen
+ontwijfelbaar zou hebben genoopt met booze, scherpe woorden haar
+ontslag te vragen. Doch zij hoorde alles rustig aan, en eerst toen
+tegen den middag de bisschop verscheen, om het kind naar het klooster
+te brengen, en deze toornig werd over het verdwijnen van Maria, de
+weduwe bedreigde en haar verzekerde, dat hij de kleine in het gansche
+land laten zoeken en eindelijk wel vinden zou, gevoelde zij dat nu de
+beurt aan haar gekomen was, om zich over eene overwinning te verheugen.
+
+De Griekin liet den bisschop kalm het huis verlaten. Toen hij
+vertrokken was, schoot zij eerst haar laatsten en besten pijl af, door
+vrouw Johanna te bekennen, dat zij het waagstuk van het kind in de hand
+had gewerkt, om het te redden uit het klooster. De in haar ontwaakte
+moederlijke liefde maakte haar welsprekend, en wat zij nauwelijks
+meer verwacht had, had werkelijk plaats: de kleine vrouw met het warme
+hart, die haar gisteren met zulke booze woorden beleedigde, sloeg de
+armen om haar langen, mageren hals, bood haar den mond tot een kus,
+noemde haar een braaf en degelijk meisje, en vroeg vergiffenis voor
+alles, wat zij haar gisteren had aangedaan. Toen de Griekin zich ter
+ruste begaf, was het haar, alsof hare jaren waren afgenomen en zij
+het onschuldige jonge schepseltje weder meer gelijk was geworden,
+dat zij geweest was onder hare zusters in het ouderlijk huis.
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Paula wist nu wat haar bedreigde. De bisschop Johannes had het haar
+medegedeeld, hoewel met alle omzichtigheid en met de verzekering,
+dat hij altijd nog vast hield aan de hoop, de uitvoering van dit
+zondig heidensch gruwelstuk te kunnen verhinderen. Doch ook zonder den
+prelaat zou de veroordeelde vernomen hebben welk lot haar wachtte,
+want dagelijks verzamelden zich talrijke volksmenigten voor de
+gevangenis, en zelfs over de hooge muren drong het geroep, om "de
+Nijlbruid" te zien tot haar door. Vaak werd haar met geestdrift
+een "heil!" toegeroepen, maar hadden de onzinnigen tevergeefs hunne
+keelen heesch geschreeuwd, dan smaadden zij haar op de schandelijkste
+wijze. De kreet: "de Nijlbruid!" kwam van den vroegen morgen tot
+den laten avond niet tot zwijgen, en de kerkermeester was blijde,
+dat de bisschop hem ontheven had van de taak om Paula te verklaren,
+wat dat noodlottige woord beteekende, naar welks zin zij hem reeds
+herhaaldelijk had gevraagd. Aanvankelijk had dit nieuw en vreeselijk
+gevaar haar schrik aangejaagd en diep geschokt, doch om rustig en zoo
+mogelijk blijmoedig gestemd voor haar zieken vader te verschijnen, deed
+zij al haar best, om vast te houden aan de hoop van den bisschop. Dit
+gelukte haar eenigermate overdag, doch des nachts werd zij door angst
+gemarteld, en in hare verbeelding zag zij zichzelve zooals zij, door
+een razenden volkshoop omgeven, naar den stroom werd gesleept, om voor
+de oogen van duizenden in het natte graf geworpen te worden. Geen
+gebed, geen wilskracht, geen worstelen vermocht iets tegen dit
+schrikbeeld, geen teedere liefdegroet, gelijk Orion haar telkens deed
+toekomen, geen lied, dat hij in de korte uren van verpoozing, die hij
+zich gunde, der beminde toezong, geen troostwoord van den bisschop,
+geen bezoek van lieve vrienden.
+
+Deze laatsten liet de bewaarder bij haar toe, zoo veel hij kon, en
+onder hen, die tot haar vermochten door te dringen, behoorden ook de
+senator Justinus en zijne vrouw Martina. Tot haar geluk hadden dezen,
+zoodra de badslaven van de weduwe Susanna ziek waren geworden en
+de verklaring van den arts hun ter oore was gekomen, dat hij deze
+krankheid voor het begin van de pest hield, het huis van hunne
+vriendin verlaten, om andermaal hun intrek te nemen in de herberg
+van Sostratus. Hun neef Narses, die uit de slavernij verlost was,
+bleef echter bij Katharina's moeder achter. Eigenlijk had deze hen
+met Heliodora moeten volgen, doch juist toen zij gereed waren om op
+te breken, had de pest vrouw Susanna reeds aangetast en de overheid
+verboden dat iemand het huis zou verlaten.
+
+Heliodora zou het misschien gelukt zijn alleen naar de stad te
+vluchten, doch zij wilde den ongelukkigen zwager voor geen prijs
+verlaten. Alleen in hare tegenwoordigheid gevoelde hij zich beter,
+alleen door haar liet hij zich verplegen, en hij weigerde spijs en
+drank, wanneer zij het niet was, die ze hem aanbood. Hier kwam bij
+dat de vroeger zoo gezette officier der ruiterij in zijn ziekelijken
+toestand treffend geleek op haar gestorven gemaal, terwijl zij wist
+dat Narses haar eerder dan deze had liefgehad en wat hij voor haar
+gevoelde alleen verborgen gehouden had om zijns broeders wil. Haar
+lust om te verplegen vond hier bevrediging, en de zorg voor den
+half vernietigden, maar toch nog niet geheel verloren jongen man,
+de wensch hem in het leven te behouden, hield haar dag en nacht op
+de been en deed haar al het overige als bijzaak beschouwen. Zij had
+weder iets om voor te leven, haar streven had een doel gevonden dat
+bereikbaar was, en zij wijdde zich daaraan met hart en ziel. Haar
+oom had haar in het geheim medegedeeld, dat Orion eene ernstige
+liefde voor Paula had opgevat. Dat was voor haar eene smartelijke
+teleurstelling geweest, doch de Damasceensche had haar eerbied
+afgedwongen, en ofschoon hare eigenliefde was gekrenkt, toch deed het
+haar goed den geliefden jongeling aan niemand minder dan aan deze
+jonkvrouw te verliezen. Wanneer haar verlangen naar hem in menige
+stille ure desniettemin weder ontwaakte, scheen het haar toe, dat
+zij den verpleegde verongelijkte en in zijne rechten verkortte.
+
+Wat Katharina betrof, was Heliodora, na hare moeder, het uitverkoren
+voorwerp harer zorg. De minste klacht van deze twee maakte haar
+vreeselijk beangst, en wanneer Susanna afgemat van de hitte zich
+neerwierp op den divan, of de jonge vrouw na een bij haren kranke
+doorwaakten nacht, over de vroegere hoofdpijnen klaagde, werd het
+meisje bleek, voelde zij haar hart pijnlijk kloppen, en zag zij
+in hare verbeelding de eene na de andere door de pest aangetast,
+met gloeiend hoofd en de verschrikkelijke, noodlottige vlekken op
+voorhoofd en wangen. Zoodra zulke schrikbeelden de jeugdige misdadige
+van verre naderden, gevoelde zij telkens weder die rampzalige drukking
+op dezelfde plek van het hoofd, waar de door koorts verhitte hand
+van den kranken bisschop had gelegen.
+
+De vrouw van den senator had bij de gevangenneming van Paula hare
+houding tegenover het kwikstaartje zoo zeer veranderd, dat Katharina
+in haar niet anders zag dan een wandelend verwijt, en zij dus niet
+ongaarne het waardige paar het huis had zien verlaten. Doch nauwelijks
+waren zij vertrokken, toen in hunne plaats het grootste onheil de
+woning binnentrad. De slaaf, die belast was met het stoken van den
+badoven, had een deel der verpeste kleederen, die men hem had gegeven
+om te verbranden, achtergehouden, en zijn zoon die hem daarbij had
+geholpen, en hare voedster, de moeder van haar zoogbroeder Anubis,
+waren dadelijk na hare terugkomst van de tooveres en den bisschop in
+persoonlijke aanraking met haar gekomen. Deze drie waren het eerst
+door de pest aangetast. Zij waren naar de tent voor de zieken gebracht,
+de oude stoker en de voedster reeds als lijken. Maar had men met deze
+lieden de verschrikkelijke plaag ook het huis uitgejaagd? Zoo niet,
+dan kwamen zij aan de beurt, die zijzelve het als een sluipmoordenaar
+rondwarend monster in de armen had geworpen: eerst Heliodora en
+daarna hare moeder! Eigenlijk had zij deze twee voor moeten gaan,
+en wanneer de ziekte die anderen aangreep en de dood haar ten laatste
+in het graf stiet, dan bewees hij haar daarmede eene weldaad.
+
+Zij was nog zoo jong en toch haatte zij het leven, dat haar niets
+meer opleverde dan vernedering, ontgoocheling en pijlschoten,
+die haar hart van uit den kerker tot in het binnenste troffen,
+en gruwzame doodsangst, die haar geen rust liet, bij dag noch bij
+nacht. Toen de arts kwam, om de zieken naar de tent in de woestijn te
+doen overbrengen, vertelde hij terloops, dat de rechters de dochter
+van Thomas ter dood hadden veroordeeld, en dat het volk zoowel als de
+senatoren besloten waren, niettegenstaande het verzet van den nieuwen
+bisschop, haar volgens oud gebruik als een offer in den stroom te
+werpen. Eerst morgen zou het lot van Orion beslist worden, doch het
+deed hem bij de Jacobietische rechters zeer veel kwaad, dat hij zich
+deze Melchietin tot vrouw had uitverkoren. Katharina had zich toen
+aan den leuningstoel harer moeder moeten vasthouden, om niet op de
+knieën te vallen, en met hoogroode wangen hoorde zij den arts uit,
+tot deze het geduld verloor en haar verliet, ontstemd over zulk een
+overmaat van vrouwelijke nieuwsgierigheid.
+
+Ja "de andere" was nu voor de geheele wereld zijne bruid; doch zij was
+het alleen, om te sterven! Het was haar bij deze gedachte of een heete
+stroom in haar binnenste kookte en zij had luide willen schaterlachen
+en ieder om den hals vallen. Afschuwelijk, boosaardig leedvermaak was
+het, dat haar aangreep, maar dit gaf haar genot, heerlijk genot; het
+was eene bloem der hel, doch met glansrijke bladeren en een bedwelmende
+geur. Maar hare kleur verblindde en van de geur gevoelde zij weldra
+afkeer. Zij werd bang voor zichzelve, en toch had zij telkens weder
+willen juichen, wanneer de gedachte bij haar opkwam: "de andere moet
+sterven!" Hare moeder vreesde, dat hare dochter ook ziek zou worden,
+want hare oogen schitterden met zulk een vreemden glans; zij was zoo
+onrustig, zoo zenuwachtig opgewonden.
+
+Sedert Heliodora de door merg en been gaande tijding van Orions en
+Paula's verloving, met onbegrijpelijke, zij het ook pijnlijke kalmte
+had aangehoord, was zij voor het heetbloedige meisje niet meer dan
+een zwak, nietsbeteekenend schepsel, dat hare opmerkzaamheid niet
+waard was. En om harentwil had zij iets gedaan, dat zoo sprekend op
+een moordaanslag geleek als de eene adder op de ander, had zij zelfs
+het leven harer eigene moeder in gevaar gebracht! Het was om radeloos
+te worden, om zichzelve met roeden te geeselen.
+
+Toen vrouw Susanna haar dien avond een nachtkus gaf, klaagde
+zij over eene lichte pijn in den hals, en over hare lippen, die
+gezwollen waren, zoo zij dacht. Katharina hield haar staande, hoorde
+haar uit met eene bevende stem, bracht het licht bij haar mond en
+zocht met ingehouden adem op haar gelaat, haar hals en hare armen
+naar de vreeselijke vlekken. Doch zij kon er geene ontdekken, en
+vrouw Susanna lachte over hare angst en noemde Katharina haar goed,
+zorgzaam kind en waarschuwde haar, zich niet te bevreesd te maken,
+daar dit haar vatbaar maakte voor de ziekte. Dien nacht kon het
+meisje den slaap niet vatten. Het leedvermaak was verdwenen: alleen
+smartelijke gedachten en angstwekkende beelden beklemden haar wakende,
+en nog onverbiddelijker als zij indommelde. Bij het aanbreken van de
+schemering werd hare bezorgdheid over hare moeder zoo groot, dat zij
+opstond en tot haar ging. Maar Susanna sliep zoo vast, dat zij haar
+kind niet eens hoorde. Gerustgesteld ging Katharina heen, maar tegen
+den morgen gebeurde wat zij zoo gevreesd had--vrouw Susanna gevoelde
+zich niet meer in staat op te staan, had de koorts, en boven hare
+lippen, dezelfde lippen, waarmede zij haar verpeste lokken had gekust,
+vertoonden zich tusschen mond en neus inderdaad en onloochenbaar de
+eerste schrikkelijke vlekken.
+
+De arts verscheen en verzekerde dat het de pest was. De villa werd van
+de buitenwereld afgesloten. De geneesheer en vrouw Susanna, die nog bij
+haar volle bewustzijn was, wenschten, drongen er ten sterkste op aan,
+bevolen zelfs dat Katharina naar de tuinmanswoning zou verhuizen; maar
+zij weigerde dit met onwrikbare trots en verklaarde liever te willen
+sterven dan van hare moeder te scheiden. In hare radeloosheid wierp
+zij zich over de kranke, om de roode vlekken aan haren mond te kussen
+en de pest zoo te doen overgaan in haar eigen bloed. Doch de arts trok
+haar met weerzin weg, en de zieke berispte haar met betraande oogen,
+waaruit tegelijk hare innige liefde sprak.
+
+Van nu aan mocht zij de verpleging harer moeder op zich nemen. Twee
+nonnen stonden haar daarbij ter zijde en zeiden niet alleen tot de
+lijdende, maar ook tot elkander achter den rug der rijke weduwe, dat
+zij zulk eene zelfopofferende, liefdevolle dochter nog niet ontmoet
+hadden. Ook in tegenwoordigheid van bisschop Johannes, die zich niet
+ontzag de huizen der aangetasten binnen te gaan en hun te troosten,
+roemden zij de houding van Katharina, en de prelaat, die in het
+kwikstaartje tot hiertoe slechts een flink, vroolijk kind had gezien,
+bejegende haar met achting, knoopte met haar gesprekken aan als met
+eene volwassene, en beantwoordde uitvoerig en ernstig hare vragen,
+die grootendeels op Paula betrekking hadden.
+
+Vol bewondering voor de zielegrootheid van Thomas' dochter vertelde
+de prelaat aan het meisje, hoe zij, om haar geliefde te redden,
+een misdrijf op zich genomen had, dat haar alle aanspraak op genade
+ontnam. De Damasceensche was wel is waar eene Melchietin, maar uit
+liefde de schuld van een ander op zich te laden, zoo iets dan mocht
+dit heeten Christus na te volgen.
+
+Katharina haalde de schouders op, als wilde zij zeggen: "En vindt
+gij dat groot? Zou hetzelfde mij ook niet licht zijn gevallen?"
+
+De priester merkte dit op en vermaande haar op vriendelijken toon,
+zich te wachten voor geestelijken hoogmoed, hoewel zij zich ook het
+recht had verworven met het zwaarste belast te worden en niet ophield
+een voorbeeld te geven van kinderlijke en christelijke liefde.
+
+Daarop verwijderde hij zich, en Katharina, die elken lof op hare
+houding tegenover hare moeder, die door haar schuld op het ziekbed was
+geworpen, als eene kwellende beleediging beschouwde, waarover zij zich
+boos maakte, begon te meenen, dat zij dezen waardigen man bedrogen
+had. Doch het verwijt van geestelijken hoogmoed verdiende zij niet,
+want in dit stille vertrek, op welks drempel de dood stond, herinnerde
+zij zich telkens weder alle vreeselijke misdaden die zij begaan had,
+en bekende zij zich onophoudelijk, dat zij van alle zondaressen de
+grootste, de slechtste was.
+
+Soms gevoelde zij behoefte, om aan een ander gemoed haar vertrouwen te
+schenken, aan bevriende oogen hare innerlijke ellende te toonen om er
+in te deelen. Den bisschop, den eerwaardigen priester, dien zij kende,
+had zij bijzonder gaarne alles bekend, en zich eene boete willen laten
+opleggen, hoe zwaarder hoe beter. Doch de schaamte over hetgeen zij
+begaan had hield haar daarvan terug, en nog stelliger, nadrukkelijker
+iets anders. De geestelijke, dat wist zij, zou van haar verlangen,
+met het oude leven te breken, de gevoelens en wenschen met wortel
+en tak uit hare ziel te rukken en een nieuw leven te beginnen. En
+daartoe was de tijd nog niet gekomen. Hare liefde was voor haar nog
+eene levensvraag, en de haat haar nog te dierbaar. Eerst als Paula, "de
+andere", haar vreeselijk vonnis had ondergaan; als zij, Katharina, met
+de oude gevoelens in het hart zich daaraan verkwikt had; als het haar
+gelukt was, Orion te toonen, dat hare liefde voor hem niet minder groot
+en sterk en zelfopofferend was geweest dan die van Thomas' dochter;
+als zij hem--wanneer dan ook, het zou en moest geschieden--zou hebben
+gedwongen te erkennen, dat hij haar smadelijk miskend en zich aan haar
+bezondigd had--dan, eerst dan wilde zij vrede maken met zichzelve, de
+kerk en haren Heiland, als het zijn moest den sluier aannemen en het
+overige van haar jonge leven als boetelinge in een klooster of in eene
+eenzame rotsspelonk in droefheid verslijten. Doch thans, nadat Paula,
+zijne bruid, dit groote voor hem gedaan had, ongezien, onopgemerkt,
+zonder dat hij er acht op sloeg, misschien door hem vergeten, een
+einde te maken aan hare liefde, zich in zichzelve terug te trekken,
+buiten zijn gezichtskring, dat ging alle menschelijke krachten te
+boven! Liever wilde zij dan te gronde gaan naar lichaam en ziel,
+liever in handen van den satan vallen en lijden in de hel, waaraan
+zij even vast geloofde als aan haar eigen bestaan.
+
+Zoo ging zij voort hare moeder te plegen, zag zij hoe de roode vlekken
+zich uitbreidden over het geheele lichaam van de kranke, en de koorts,
+die haar sloopte, van dag tot dag, van uur tot uur in hevigheid toenam;
+hoorde zij met ontzetting en akelig welbehagen, waarvan zijzelve gruwde
+en waaraan zij zich toch overgaf, gewagen van de toebereidselen voor
+het offer der Nijlbruid; liet zij zich door den bisschop van Paula,
+haren stervenden vader en Orion vertellen; beefde zij voor de kleine
+Maria, die uit 's buurmans huis was verdwenen, tot zij te weten kwam,
+dat het kind de wijk had genomen, om het klooster te ontvluchten;
+vernam zij dagelijks, dat Heliodora, die met haar verpleegde naar
+de tuinmanswoning was verhuisd, nog van de pest verschoond bleef;
+smeekte zij in gebeden, die zij ook thans niet verzuimde 's avonds en
+'s morgens ten hemel te zenden, den lieven God en hare heiligen, om
+de jonge vrouw te bewaren, haar zelve niet tot eene moedermoordenares
+te maken, dat door haar verraad de eerwaardige Rufinus, dien zij
+had liefgehad, en met hem zoovele onschuldige menschen om het leven
+waren gekomen.
+
+Zoo verliepen akelige dagen en nachten vol kwelling, en de door
+Katharina's schuld in den kerker gebrachte gevangenen, waren gelukkiger
+dan zij, ondanks het vreeselijke, dat hen bedreigde. Wat zijne
+geliefde boven het hoofd hing, kwelde Orion als ontelbare brandende
+wonden. Onherroepelijk naderde Paula's vreeselijk einde, waaraan hij
+bijna niet denken mocht. Overmorgen--de gevangenbewaarder, de senator
+Justinus, de bisschop hadden het hem in het geheim medegedeeld,--zou
+het huwelijksfeest zijner verloofde gevierd worden. Overmorgen wilden
+ellendige spottershanden de bruid optooien voor een schandelijk,
+doemwaardig comediespel, haar bekransen en uithuwelijken, niet met
+hem, den bruidegom dien zij lief had, maar met den Nijlstroom, het
+gevoelloos, doodend element.
+
+Als een waanzinnige liep hij vaak door zijne cel op en neer, brak hij
+de snaren, als hij soms in het luitspel troost zocht; maar dan vernam
+hij uit het aangrenzend vertrek eene kalme, welmeenende stem, die van
+den rentmeester Nilus, die hem vermaande de hoop niet op te geven,
+op God te vertrouwen, zijn plicht en zijne taak niet te vergeten. Dan
+herstelde hij zich weder, verzamelde hij opnieuw zijne krachten en
+verdiepte zich geheel in zijn arbeid. Het was hem om 't even, of het
+dag of nacht was. De senator had voor olie en lampen gezorgd. Als
+vermoeienis hem overviel, genoot hij niet langer van den korten slaap
+op het harde leger, dan de natuur volstrekt eischte. Doch zoodra hij
+een weinig was uitgerust, verdiepte hij zich weder in zijne plannen en
+lijsten, voerde hij den schrijfstift, dacht hij na, teekende, rekende
+en overwoog. Zoodra er twijfelingen bij hem opkwamen en hij zijn eigen
+oordeel en geheugen niet vertrouwde, klopte hij aan den wand van het
+aangrenzend vertrek, en de verstandige, ervaren vriend was steeds
+bereid, hem naar zijn beste weten en inzicht te helpen. De senator
+deed een tocht naar Arsinoë, om hem het noodige over het meerland
+uit het archief aldaar te verschaffen, en zoo vorderde de arbeid en
+naderde het einde, deze versterkte en verhief zijn zinkenden moed,
+vervulde hem met vreugde, ziende dat het gelukte, deed hem menigmaal
+uren lang vergeten, wat anders wel in staat was, ook den moedigste
+tot vertwijfeling te brengen.
+
+Zoo vaak de gevangenbewaarder, de senator, diens wakkere gemalin
+Martina, vrouw Johanna of ook de Griekin Eudoxia, aan wie de weduwe
+tweemaal toestond haar te vergezellen, hem bezochten, gaf hij haar
+eene mondelinge of schriftelijke mededeeling, hoever hij gevorderd
+was met de oplossing van het vraagstuk, voor Paula mede, en het gaf
+haar troost en innerlijke vreugde, hem bij zijn arbeid te volgen. Ook
+menig teeken van liefde, achting en bewondering sterkte de gevangene,
+wanneer haar moedig hart dreigde te bezwijken.
+
+Ach haar kwelde niet alleen de afschuw van dien vreeselijken dood! Het
+grootste geluk haars levens was voor haar geweest het terugvinden
+van haren vader, en deze kwijnde onherstelbaar weg, onder hare
+liefderijke verpleging. Die ongelukkige verwonde long weigerde den
+dienst. Met moeite en onder pijn kon hij alleen nog enkele druppels
+wijn en eenige beten broods gebruiken, en zijn heldere geest was
+in de laatste dagen als beneveld geworden. Wellicht tot zijn geluk,
+zeide zij tot zichzelve en tot hare vrienden. Ook hij had de kreet:
+"Heil de Nijlbruid!" "Naar buiten met de Nijlbruid!" "Weg met
+de Nijlbruid!" vernomen, en ofschoon hij de beteekenis ervan niet
+begreep, hielden die stemmen hem in de laatste dagen toch voortdurend
+bezig. Dat schrikkelijke, vreemd klinkende woord scheen hem bijzonder
+te bevallen, want tot kwelling van Paula prevelde hij het gaarne,
+nu eens op teederen, dan weder op ernstigen toon.
+
+Soms kwam de gedachte bij de jonkvrouw op, om een einde aan haar
+leven te maken, alvorens het verschrikkelijk vonnis werd voltrokken,
+voor zij zich aan een geheel volk liet tentoonstellen en door de
+menigte aangapen, vóor zij het middelpunt aanbood van een vermakelijk,
+opwekkend, maar tevens afschuw- en medelijdenwekkend schouwspel. Maar
+mocht zij dit doen? Mocht zij God vooruitloopen, op wien zij hoopte,
+in wiens hand zij zich overgaf in ontelbare stille en innige
+gebeden? Neen! Tot het laatste oogenblik wilde zij vertrouwen en
+hopen. Zonderling, zoo vaak haar weerstandsvermogen zijn grens had
+bereikt, zoo vaak zij meende stellig en zeker niet verder te kunnen,
+en te moeten bezwijken, kwam haar iets te gemoet, waaraan zij zich
+weder oprichten kon, dat haar troost en bemoediging bracht; want dan
+kwam er een boodschap van Orion, trad vrouw Johanna of Pulcheria bij
+haar binnen, liet de bisschop haar om een onderhoud vragen, kreeg haar
+vader zijn bewustzijn weder en sprak hij schoone, hartverheffende
+woorden. Dikwijls diende de bewaarder ook het senatorenpaar aan,
+welker gezonde, blijmoedige stemming altijd het juiste woord voor
+haar wist te vinden. Inzonderheid vrouw Martina verstond de kunst
+om met moederlijke fijngevoeligheid op alles acht te geven, wat haar
+vervulde, en eens toonde zij haar ook een brief van Heliodora, waarin
+deze de matrone mededeelde, hoe heerlijk haar hart tot rust kwam bij
+de verpleging harer lieve kranke, en hoe dankbaar zij zich gevoelde,
+dat hare moeite en zorg beloond werden; want Narses was reeds een
+geheel ander mensch geworden, en zij kende geen hooger taak, dan dezen
+ongelukkige weder met het leven te verzoenen, ja er hem liefde voor
+te doen opvatten. Zij dacht aan Orion niet anders dan aan een schoon
+lied, dat zij eens in eene vriendelijke ure gehoord had.
+
+Zoo vloog de tijd voor de gevangene om, tot nog maar twee nachten haar
+van den Serapisdag scheidden, waarop de vreeselijke bruiloft gevierd
+zou worden. Toen, het was tegen den avond, liet de bisschop zich bij
+Paula aandienen. Hij achtte het zijn plicht haar mede te deelen, dat
+de voltrekking van het vonnis op overmorgen bepaald was. Hij bleef
+tot het einde aan zijn geloof en zijne hoop vasthouden, maar zijne
+macht over de misleide, opgeruide gemoederen was gebroken. In elk
+geval zou hij, als het ergste gebeurde, aan hare zijde blijven, om
+haar te beschermen door de waardigheid van zijn ambtsgewaad. Hij kwam
+reeds heden, om haar tijd te laten in elk opzicht hare beschikkingen
+te maken. Het zou hem tot eene vreugde, ja tot een dierbaren plicht
+zijn voor haren edelen vader te zorgen tot zijn laatste oogenblik.
+
+Maar hoe stellig zij ook sedert lang op het uiterste was voorbereid,
+trof deze tijding haar toch als een bliksemstraal. Wat haar wachtte
+scheen zoo ontzettend en zonder voorbeeld, dat het wel nimmer
+mogelijk kon zijn, zulk een einde standvastig en gelaten tegen te
+gaan. Een tijd lang moest zij, zichzelve bijna niet meester, zich
+aan hare trouwe Betta vasthouden en langzamerhand eerst voelde zij
+zich in staat den bisschop te woord te staan en hem te danken. Doch
+Johannes betreurde zijn onvermogen en zeide hare erkentelijkheid
+niet ten volle te verdienen, want het antwoord van den patriarch
+op zijne aanklacht tegen hen, die het volk voorspiegelden dat eene
+heidensche misdaad redding zou verschaffen, dit schrijven, waarop hij
+al zijne hoop had gesteld was anders uitgevallen, dan hij verwacht
+had. Wel is waar veroordeelde de patriarch het schandelijk offer,
+doch het geschiedde op eene manier, waaraan alle kracht ontbrak,
+om de misleiden schrik aan te jagen en te ontmoedigen. Toch wilde
+hij beproeven welk eene uitwerking dit schrijven op het volk zou
+uitoefenen, en hij had een aantal afschrijvers opgedragen het in
+dezen nacht te vermenigvuldigen. Morgen zouden de afschriften onder
+de senaatsleden verdeeld, op de markt aan alle openbare gebouwen
+aangeslagen en onder de menigte uitgedeeld worden. Toch vreesde hij,
+dat alles zonder uitwerking zou blijven.
+
+"Sta mij dan bij, om mij op den dood voor te bereiden," verzocht Paula
+somber. "Gij zijt geen priester mijner kerk, Johannes, maar deze kan
+geen waardiger dienaar hebben. Wanneer gij mij in naam van uw Heiland
+vergeeft, dan zal mij ook mijn Verlosser vergeven. Wel beschouwen
+wij hem anders, maar daarom blijft hij voor ons beiden dezelfde."
+
+In den strengen Jacobiet werd de lust tot tegenspraak wakker, maar
+hij wist die in deze ure te onderdrukken en antwoordde alleen:
+"Spreek mijne dochter, ik luister!"
+
+En nu stortte zij haar gemoed voor hem uit, als ware hij een
+zielenherder van haar eigen geloof, en den prelaat welden de tranen
+in de oogen bij deze biecht van eene reine, liefdevolle, het beste
+en het hoogste zoekende ziel. Hij verzekerde haar van de genade
+zijns Verlossers, en nadat hij "Amen" gezegd en haar gezegend had,
+zag hij een tijdlang voor zich en zeide eindelijk: "Volg mij, kind!"
+
+"Waarheen?" vroeg zij onthutst, want zij geloofde dat hare laatste
+ure reeds gekomen was, en hij zich gereed maakte, haar naar de
+gerechtplaats of haar vochtig, eeuwig stroomend graf te voeren.
+
+Doch hij antwoordde bewogen: "Neen mijn kind! Heden heb ik alleen
+de aangename taak te vervullen uwe verloving in te zegenen voor het
+aangezicht van den Allerhoogste, wanneer gij mij belooft uw bruidegom
+niet af te trekken van het geloof zijner vaderen. Want wat geeft een
+man al niet prijs, als de liefde tot eene vrouw hem beheerscht! Belooft
+gij dat? Welnu, dan geleid ik u tot uw Orion."
+
+Daarop klopte hij aan de deur der cel, en toen de wachter haar opende,
+fluisterde hij hem een bevel in het oor. Zij volgde hem zwijgend en
+met blozende wangen; weinige oogenblikken later lag zij in de armen
+van haar geliefde, en voor de eerste misschien voor de laatste maal
+huns ganschen levens vonden zijne lippen de hare.
+
+De prelaat liet hun een korten tijd bij elkander, en nadat hij beiden
+en hunne verloving gezegend had, bracht hij haar weder naar hare cel
+terug. Daar gekomen had zij nauwelijks tijd, hem uit de volheid van
+haar overvol gemoed te danken, want een veiligheidswachter kwam hem
+ontbieden naar het huis der weduwe Susanna: hare laatste ure was nabij,
+misschien reeds gekomen.
+
+Johannes volgde den bode onverwijld, Paula zag hem vrijer ademhalende
+na. Toen wierp zij zich aan de borst van hare voedster en zeide: "Laat
+nu komen wat wil: Niets kan ons meer scheiden, zelfs niet de dood!"
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+De bisschop kwam te laat. Hij vond alleen het lijk van de weduwe
+Susanna, en aan het hoofdeinde van het sterfbed de kleine Katharina
+doodsbleek, zwijgende, zonder tranen, als verpletterd. Hij trachtte
+haar op te beuren en een vriendelijk woord van troost toe te spreken,
+maar zij stiet hem terug, rukte hare handen uit de zijne en vloog,
+eer hij het verhinderen kon, de kamer uit.
+
+Arm kind! Hij had aan menig sterfbed teeder liefhebbende dochters hare
+moeder zien betreuren, maar zulk een vorm van droefheid had hij nog
+niet ontmoet. Hier, dacht hij, zijn twee menschenzielen voor elkander
+alles geweest, en vandaar deze verpletterende smart.
+
+Katharina was naar hare kamer gevlogen, had zich daar op den divan
+geworpen en hare ledematen zoo in elkander getrokken, dat geen
+binnentredende dat onkenbare, levende iets daar op het kussen voor
+een menschelijk wezen, een volwassene hartstochtelijke en gevoelige
+jonkvrouw zou hebben gehouden. Het was zeer heet, en toch voer de
+eene koude rilling na de andere haar door de teedere leden. Was
+het misschien de pest, die ook haar aangreep? Maar neen, het ware
+een te groote genade van het lot geweest, zich over haar lijden
+te erbarmen. Hare moeder dood, door hare eigene dochter in het graf
+gesleept! Op hare lippen was de ziekte uitgebroken, en hoe dikwijls had
+de arts zijne bevreemding uitgesproken, dat de pest in dit gezonde,
+geheel verschoonde kwartier en in een zoo zorgvuldig rein gehouden
+huis was binnengedrongen. Zij wist wie de doodsengel op de hielen
+was gevolgd, wie daar misdadig met hem had gespeeld. Het woord
+"moedermoordenares" kwam in haar geest op, en zij dacht aan de wet
+harer voorvaderen, die geen straf had gesteld op moord van ouders,
+omdat de vaderen zulk eene onnatuurlijke daad voor onmogelijk hielden.
+
+Een spottende glimlach speelde haar daarbij om de
+lippen. Wet! Voorschrift! Was er wel een die zij niet had
+overtreden? Zij had haren God geminacht, zich met tooverij ingelaten,
+valsche getuigenis gegeven, gedood, en het eenige gebod, dat tevens
+eene gelofte bevatte, en dat, als de arts Philippus goed onderricht
+was, letterlijk zooals op de tafelen van Mozes, onder de instellingen
+der ouden stond opgeteekend, hoe had zij dat gehouden? Hare eigene
+moeder was door haar in het verderf gestort. Bij deze schrikkelijke
+zelfbekentenis voelde zij steeds die huivering door hare leden,
+en toen dit haar ondragelijk begon te worden, ging zij op en
+neer loopen, zoekende naar verontschuldigingen voor hare misdadige
+handeling. Niet hare moeder maar Heliodora had zij gewenscht den dood
+te brengen--waarom had het grillige noodlot...
+
+Daar werd zij gestoord, want de jonge vrouw, tot wie de droeve
+tijding was doorgedrongen, zocht haar op, om haar te troosten
+en hare hulp aan te bieden. Zij sprak het meisje liefderijk toe,
+doch hare zachte welluidende stem herinnerde Katharina aan de ure
+na den dood des bisschops, en toen Heliodora de armen uitstrekte,
+om haar te omhelzen, ging zij achteruit en verzocht met een heesche,
+ruwe stem haar niet aan te raken want aan hare kleederen kleefde de
+smetstof. Zij had geen troost noodig; zij begeerde slechts alleen te
+zijn, geheel alleen, en niets meer.
+
+Deze laatste woorden klonken hard en onvriendelijk, en toen de
+deur zich achter de jonge vrouw sloot, zag Katharina haar vijandig
+na. Waarom was de dood deze voorbijgegaan en had hij juist haar als
+offer geëischt, wier verlies voor haar onherstelbaar was? Nu trad
+het beeld harer moeder haar levendig voor den geest; zij ijlde weder
+naar het sterfbed terug en wierp zich daarbij op de knieën. Maar
+ook hier kon zij het niet lang uithouden; zij ging naar den tuin en
+zocht elk plekje op, waar zij met hare moeder geweest was. Doch zij
+hoorde zulk een vreemd gekraak in de boschjes, de boomen en heesters
+wierpen zulke wonderlijke schaduwen, dat zij het morgenlicht als eene
+uitkomst begroette.
+
+Toen zij het huis weder binnen wilde gaan, kwam haar zoogbroeder
+Anubis haar te gemoet hinken. Die arme schelm! Ook dezen had zij
+kreupel gemaakt, ook zijne moeder was door haar toedoen aan de pest
+bezweken. De knaap sprak haar aan en gaf haar zijne deelneming te
+kennen, zij liet zich dit welgevallen, maar zeide zulke zonderlinge
+dingen en gaf hem zulke verkeerde antwoorden, dat hij vreesde dat
+de smart haar in het hoofd was geslagen. Zonder eenige aanleiding
+deed zij hem ook de vraag, hoeveel zij nu wel bezat, en daar hij
+van den rentmeester wist, hoe groot ongeveer het vermogen was en
+het haar mededeelen kon, sloeg zij de handen in elkaar; want hoe
+kon een enkel mensch, die geen koning was, zulke groote rijkdommen
+bezitten? Eindelijk vroeg zij hem of hij ook wist hoe men een testament
+moest opstellen, en ook daarop durfde hij toestemmend antwoorden.
+
+Zij liet er zich door hem eene beschrijving van geven en hij voegde
+erbij, dat de onderteekening door getuigen geldig gemaakt moest worden;
+maar zij was toch nog te jong, om aan het opstellen van een uitersten
+wil te denken.
+
+"Waarom?" vroeg zij. "Is Paula dan zooveel ouder dan ik?"
+
+"En overmorgen," liet de knaap erop volgen, "werpt men haar toch in
+den Nijl. Het volk noemt haar algemeen 'De Nijlbruid'."
+
+Daar speelde weder het hatelijk, van innig leedvermaak getuigende
+lachje om haar mond; maar zij onderdrukte het spoedig en liep rechtdoor
+naar huis.
+
+Voor de deur vraagde hij haar schuchter, of hij de meesteres nog eens
+zien mocht, maar zij moest hem dit weigeren om de besmetting.
+
+"Wat gij niet vreest, vrees ik ook niet," antwoordde hij trotsch,
+en volgde haar naar het sterfbed, waar het lijk, na een bad te hebben
+ondergaan, thans keurig uitgedoscht lag. Toen hij Katharina de hand
+van de gestorvene zag kussen, drukte hij, zoodra zij even omkeek, zijne
+lippen op dezelfde plaats, die de hare hadden aangeraakt. Daarop zette
+hij zich naast het sterfbed neer en bleef daar tot zij hem wegzond.
+
+Vóor het middag was verscheen de bisschop weder en zegende
+de ontslapene in. Hij vond haar geheel door kostelijke bloemen
+omgeven. Katharina was weder in den tuin geweest, had de schoonste
+en zeldzaamste afgesneden en de hovenier wel veroorloofd haar den
+korf na te dragen, maar niet haar bij het plukken behulpzaam te
+zijn. Het gevoel althans nog iets voor hare moeder te kunnen doen, was
+vertroostend voor haar geweest, doch hare omgeving kwam haar bij dag
+nog onverdragelijker voor dan bij nacht. Alles scheen haar zoo groot,
+zoo ruw, zoo aanmatigend, zoo dreigend toe, en herinnerde haar aan een
+onrecht of eene daad, waarover zij zich schaamde. Ieder open oog, zoo
+meende zij, moest haar doorzien, en soms was het haar als waggelden
+de zuilen van de groote feestzaal, waarin het lijk nu stond, en als
+maakte de zoldering zich gereed in te storten om haar te verpletteren.
+
+Alsof zij er in het geheel niet bij was, zoo gaf zij telkens geheel
+verkeerde antwoorden op de vragen van den bisschop. Deze meende
+dat zij te zeer onder den invloed verkeerde van hare groote smart,
+en om aan hare gedachten eene andere richting te geven, vertelde
+hij haar van Paula. Daar hij geloofde, dat Katharina haar liefhad,
+deelde hij haar in vertrouwen mede, dat hij haar gisteren bij Orion
+gebracht en hare verloving met hem ingezegend had.
+
+Daar vertrok zich opeens haar gelaat op een wijze, die den bisschop
+verschrikte, en gedurende den vreeselijken strijd, die in haar
+binnenste woedde, bewoog zich haar boezem onstuimig en krampachtig
+op en neer; ten laatste kon zij niets anders uitbrengen dan de vraag:
+"En zal men haar toch offeren?"
+
+De prelaat meende haar te begrijpen. Zij stond zeker onder den indruk
+van het ontzettend en gruwzaam einde, dat deze jonge bruid bedreigde,
+en hij antwoordde op klagenden toon: "Ik zal de vermetelen niet kunnen
+terughouden, en toch zal ook het laatste middel niet onbeproefd
+blijven. Het schrijven van den patriarch, dat deze waanzinnige
+schanddaad afkeurt, wordt heden uitgedeeld, en op de kurie zal ikzelf
+het voorlezen, toelichten en trachten er partij van te trekken door
+het nog te verscherpen. Wenscht gij het te lezen?"
+
+Daar zij deze vraag met welgevallen toestemmend beantwoordde, wenkte
+de prelaat den akoluth, die hem met het heilige gereedschap gevolgd
+was, en deze haalde uit een pakje een blad, dat hij haar overhandigde.
+
+Zoodra zij alleen was, doorlas zij den brief van den patriarch,
+eerst vluchtig, zonder den inhoud recht te begrijpen, dan met grooter
+inspanning en eindelijk opmerkzaam en met klimmende belangstelling,
+opgewonden door hetgeen zij zelve er bij dacht, en ten laatste
+met fonkelende oogen en versnelde ademhaling, als had dit schrift
+betrekking op haarzelve en besliste het over haar levenslot. Toen de
+lijkdragers verschenen, zat zij nog op dezelfde plaats, onophoudelijk
+op het papyrusblad starende. Zij rees nu op, maakte eene beweging alsof
+zij iets van zich afschudde, en nam afscheid van het verstijfde, koude
+omhulsel harer moeder, aan wier warm hart zij zoo vaak had gerust,
+die bij haar leven haar het meest had liefgehad. Doch ook thans werd
+haar de weldaad ontzegd van te kunnen weenen. Zij gevoelde nu niets
+meer van de diepe gewetenswroeging, die haar gepijnigd had, want het
+was haar alsof de gemeenschap tusschen haar en de gestorvene met den
+dood niet was afgesloten, als stond haar na eene korte scheiding een
+wederzien te wachten, misschien spoedig, misschien reeds morgen,
+en met dat wederzien eene verklaring, eene openbaring van hare
+hartsgeheimen, eene opheldering van al het gebeurde, zoo open, zoo
+zonder achterhouding, als nooit mogelijk was tusschen sterfelijke
+menschen, zelfs niet tusschen dochter en moeder. Wanneer die doove,
+blinde, gevoellooze ontslapene met helderder oogen dan zij als mensch
+bezat, met geestelijke ooren en gevoelszenuwen daarboven nog eens
+alles en alles zag, hoorde, onderzocht, overwoog wat haar bejegend en
+aangedaan was, wat zij gevoeld en wat haar tot dit uiterste gebracht
+had dan, zeide zij tot zichzelve, zou zij haar misschien harder
+berispen en bestraffen dan ooit te voren op aarde, maar haar ook
+krachtiger aan haar hart drukken en inniger trachten te troosten.
+
+Zij fluisterde de doode in het oor, als leefde hare moeder nog:
+"Wacht maar, wacht, ik kom spoedig, om u alles te openbaren!" Daarop
+kuste zij haar zoo onbezorgd en hartelijk, dat de nonnen ontsteld
+haar van het lijk terugtrokken en de lijkbezorgers bevalen de kist
+te sluiten. Dezen gehoorzaamden en toen het houten deksel over de
+ontslapene werd gelegd, en krakend in de gleuven van de kist werd
+gewrongen, zoodat de doode aan Katharinas oogen werd onttrokken,
+brak de dam, die tot hiertoe hare tranen had teruggehouden, en begon
+zij bitter te weenen. Eerst nu overweldigde haar het gevoel geheel,
+dat zij hare moeder had verloren, dat zij eene verlatene wees was,
+en alleen stond, geheel alleen in de wijde wereld.
+
+Zij zag en hoorde niet wat er verder met het geliefde lijk gebeurde,
+want toen zij de handen weder wegnam van het in tranen badende gelaat,
+was de meesteres uit het huis van de rijke weduwe Susanna verdwenen,
+had men haar stoffelijk overschot naar het naastbijzijnde pesthuis
+gedragen.--De wet verbood de lijken langer in huis te houden, en
+schreef voor, dat zij eerst des nachts begraven mochten worden. Zelfs
+het eigen kind mocht de moeder niet naar het kerkhof volgen.
+
+Met gebogen hoofd begaf Katharina zich naar hare kamer terug, en
+staarde van daar in den tuin. Dat alles was nu haar eigendom, daarmede
+en met hoeveel meer, mocht zij thans handelen naar welgevallen,
+vrij en ongehinderd, gelijk tot hiertoe met haar vogel, haar hondje
+en de sieraden daar op haar kaptafel. Honderden kon zij gelukkig
+maken met éen woord, met éene beweging harer hand, zichzelve alleen
+niet. Zoo geheel volwassen, zoo zelfstandig, zoo vrouwelijk, ja zoo
+machtig en toch tegelijk zoo nameloos ellendig en onmachtig als in
+deze ure had zij zich nog niet gevoeld. Wat zou zij beginnen met al
+dat klatergoud? Het was niet voldoende om ook maar éen zielsverlangen
+te bevredigen!
+
+Zij had met eene belofte van hare moeder afscheid genomen; die vurige
+begeerte, die hare geheele ziel vervulde, hield niet op zich te doen
+gevoelen, en nu had zij door den brief van den patriarch een wenk
+ontvangen, om tot het houden dier belofte, het stillen dier begeerte
+te geraken. Onverwijld nam zij dit schrijven weder ter hand en las
+het nog eens over. Het begon met eene strenge veroordeeling van het
+voornemen der misleide Memphieten. Vervolgens stelde het in het licht,
+dat Jezus Christus door zijne zelfopofferend sterven de wereld had
+verlost, en met zijn goddelijk bloed den hemel het verlangen naar
+menschenoffers had afgekocht. In het uitgestrekt gebied, dat zegenend
+door het kruis werd beschaduwd, was daarom elk menschenoffer eene
+nuttelooze, eene vloekwaardige gruweldaad. Daarop toonde hij aan,
+hoe de heidenen zich hunne goden hadden voorgesteld, als zwakke,
+zinnelijke, zondige menschen, en daarnaar ook hunne offeranden hadden
+ingericht. "Doch onze God," ging het voort, "staat zooverre boven het
+menschelijke, als de geest boven het vleesch, en de offers die hij
+verlangt, vraagt hij niet van het vleesch, maar van den geest. Moet
+hij zich niet bedroefd en toornig afwenden van de verblinde christenen
+te Memphis, die in allen deele willen voelen en handelen als dwaze,
+gruwzame heidenen? Zij willen slechts eene vreemde offeren, eene die
+een ander geloof omhelst, en wanen dat dit den gruwel voor de oogen
+des Heeren zal verminderen; maar Hij heeft er desniettemin een afschuw
+van; want geen menschenbloed mag de gewijde, reine altaren van ons
+zachtaardig geloof bezoedelen, dat leven wil brengen, niet den dood.
+
+"Zou--vraag dit, mijn broeder, aan uwe verblinde en verdoolde
+schapen--zou de vader der liefde zich verblijden over het gezicht
+van een kind, al is het ook een afgedwaald, dat men ter eere van Hem,
+den Allerhoogste, in de golven verstikt, terwijl het zich daartegen
+verzet en zijne overweldigers vloekt? Ja, als er eene reine jonkvrouw
+gevonden kon worden, die door de zaligmakende geestdrift der goddelijke
+liefde was aangegrepen, die vrijwillig, naar het voorbeeld van hem,
+die door zijn dood de menschheid verloste, zich in de wateren stortte,
+en in heilige verrukking met stokkende stem ten hemel riep: 'Neem
+mij en mijne onschuld als offer aan, Heer, en red mijn volk uit zijne
+ellende!' ja dat zou eerst een waardig offer zijn, en misschien zou de
+Heer zeggen: 'Ik neem het aan; maar de wil alleen is mij genoeg. Geen
+mijner kinderen werpe het leven weg, dat ik het als heiligste en
+dierbaarste gave verleende!'"--Vrome vermaningen aan de gemeente
+vormden het slot van dit schrijven.
+
+Eene jonkvrouw, die zich vrijwillig prijsgeeft aan de golven, om
+haar volk uit den nood te redden, zij, zeide de man Gods, door wiens
+mond de Allerhoogste zelf sprak, zou een offer zijn, dat den hemel
+welbehagelijk is. Deze uitspraak, deze wenk was als een spinrokken,
+waarvan Katharina in den geest de draden harer gedachten al verder
+en verder uitspon, om die op het weefgetouw te spannen en er een
+bruikbare stof van maken. Zij wilde de jonkvrouw zijn, op wie
+de patriarch had gewezen, de rechte, de ware Nijlbruid, die het
+jonge leven vol geestdrift prijsgaf, om haar volk uit den nood te
+redden. Daarin lag eene verzoening, die de hemel kon aannemen, dat
+verloste haar van den last des levens, die haar drukte, dat bracht
+haar bij hare moeder terug, daarmede toonde zij haren geliefde,
+den bisschop, der wereld de grootte van hare offervaardigheid, die
+in niets achterstond bij die "der andere," der hooggeroemde dochter
+van Thomas. Voor hare oogen, ten aanzien van het gansche volk wilde
+zij de groote daad volbrengen. Doch Orion moest weten met welk beeld
+in het hart en uit liefde tot wien zij in den bloei des levens den
+sprong deed in het vochtige graf der golven.
+
+O, hoe wonderbaar, hoe heerlijk! Legde zij hem daardoor niet de
+volstrekte noodzakelijkheid op aan haar te blijven denken, zoo vaak
+hij ook aan Paula dacht? Ja, zóo dwong zij hem haar eigen beeld
+onafscheidelijk van dat "der andere" in zijne ziel te laten wonen. En
+moest door deze voorbeeldelooze daad hare gestalte niet zoo hoog
+rijzen, dat zij in de voorstelling aller menschen en ook in de zijne
+de groote Damasceensche gelijk kwam? Van nu aan smachtte zij naar de
+gewichtige ure. Haar ijdel hartje lachte de voorsmaak toe der vreugde,
+door ieder gezien, geprezen, bewonderd te worden. Morgen zou zij,
+de kleine, boven ieder uitsteken, en hoe gevoeliger de gloed van den
+brandende zon haar drukte, des te aangenamer scheen het haar toe,
+die het baden een genot vond, in het koele element rust te vinden na
+de marteling des levens. Deze daad uit te voeren, scheen haar niet
+moeilijk. Zij was thans meesteres, en slaven en beambten moesten
+uitvoeren, wat zij beval.
+
+Bij dat alles was zij ook bedacht te zorgen, dat hare uitgebreide
+bezittingen niet in handen vielen van verwanten, die zij weinig genegen
+was. Zij stelde dus met vaste hand een testament op, waarin zij een
+deel van haar vermogen vermaakte aan haar oom Chrysippus, een kleiner
+deel aan haren zoogbroeder en aan de weduwe van Rufinus, bij wie zij
+een groot onrecht had goed te maken. De grootste helft harer bezitting,
+die op vele millioenen geschat werd, vermaakte zij aan haar geliefden
+vriend Orion, dien zij alles vergaf, en aan wien zij hoopte getoond
+te hebben, dat in het kleine "kwikstaartje" toch plaats was voor iets
+groots. Zij verzocht hem ook haar huis aan te nemen, daar hij door haar
+toedoen het huis zijns vaders verloren had. De bepaling, die zij aan
+deze nalatenschap verbond, bewees hoe bedachtzaam en helder van geest
+zij tot den einde toe was geweest. Zij wist, dat de verbolgenheid van
+den patriarch voor den jongen man gevaarlijk kon worden; om in dit
+opzicht te bemiddelen en tegelijkertijd zich van de voorspraak der
+kerk te verzekeren, waarop zij prijs stelde, schreef zij Orion voor,
+het grootste gedeelte van het door hem geërfde aan den patriarch over
+te geven voor de kerk en voor weldadige doeleinden; echter niet opeens,
+maar in tien jaren, en bij gedeelten, zoo groot als Orion geheel naar
+eigen inzicht zou willen vaststellen. Indien de zoon van den Mukaukas
+binnen drie jaar kwam te sterven, zouden zijne rechten als erfgenaam
+op haar oom Chrysippus overgaan. Aan de kerk, waartoe zij behoorde met
+geheel haar hart, richtte zij de bede, jaarlijks in alle godshuizen des
+lands voor haar en hare moeder op hare naamdagen te laten bidden. Als
+de patriarch haar zulk eene eer waardig keurde, zou de bidkapel, die
+moest opgericht worden ter plaatse van haar verscheiden, de Susanna-
+en Katharina-kapel genoemd worden. Eindelijk maakte zij alle slaven
+vrij en bedacht zij rijkelijk de beambten des huizes.
+
+Terwijl zij dezen haar laatsten wil gedurende vele uren onder ernstig
+nadenken opstelde, lachte zij vaak tevreden bij zichzelve. Zij
+schreef het stuk eigenhandig netjes over, en liet ten laatste den
+arts en alle vrije beambten des huizes hare handteekening als getuigen
+bevestigen. Hoewel niemand vermoedde welk voornemen het kwikstaartje
+bezielde, zoo verwonderde toch niemand er zich over, dat de jonge in
+een verpest huis opgeslotene erfgename over haar vermogen beschikte. De
+arts bracht, vóor het nacht werd, den overste der stad, Alexander,
+een oud vriend haars vaders, die na den dood van den Mukaukas haar
+voogd was geworden, op haar verlangen aan de tuinpoort, en deze
+sprak daardoor met Katharina, was bereid haar als kurios te dienen,
+en bevestigde als zoodanig het testament en de onderteekeningen,
+hoewel zij hem het document niet wilde laten lezen. Eindelijk begaf zij
+zich naar het slavenverblijf, waaruit men weder eenige zieken naar de
+Necropolis had gedragen, en beval den schippers morgen vroeg de groote
+feestboot gereed te maken, daar zij het offer op de rivier wilde
+aanschouwen. Zij schreef den tuinlieden voor, hoe zij het vaartuig
+optooien moesten en welke bloemen zij voor haarzelve hadden te snijden.
+
+Veel minder opgewonden dan gisteren begaf zij zich daarop ter ruste,
+en vóor zij nog het avondgebed geëindigd had, viel de zwaarvermoeide
+in een diepen slaap. Toen zij na zonsopgang ontwaakte, vond zij het
+groote, prachtige vaartuig, hetwelk haar vader te Alexandrië had laten
+bouwen, geheel bemand en tot de afvaart gereed. Ongehinderd besteeg
+zij het met Anubis en eenige dienende vrouwen, daar al de wachters,
+die het huis gisteren nog omsingeld hadden, waren saamgetrokken in
+de stad voor het groote offer- en bruiloftsfeest, waarbij het licht
+onstuimig kon toegaan.
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Reeds hadden zich gedurende den nacht aan den oever niet ver van
+de herberg van Nesptah talrijke toeschouwers verzameld. De menigte
+groeide ieder oogenblik aan, en niettegenstaande de groote hitte van
+dezen morgen kon geen Memphiet in huis blijven. Mannen, vrouwen en
+kinderen stroomden naar de feestplaats; ook uit de naburige steden,
+vlekken en dorpen kwamen ze bij duizenden, om van het ongehoorde offer
+getuigen te zijn, dat aan den nood des lands een einde zou maken. Wie
+had ooit van zulk een huwelijksfeest gehoord? Welk een geluk, welk
+een voorrecht het te kunnen bijwonen!
+
+De senaat had niet stil gezeten en het zijne gedaan, om het feest op
+te luisteren, ten einde zoovelen als mogelijk was in staat te stellen
+van het schouwspel te genieten, dat tot stand was gekomen door hunne
+medewerking en offervaardigheid. Rondom de haven van Nesptah had
+men in een grooten halven cirkel houten stellages gebouwd, waarop
+duizenden zit- en staanplaatsen konden vinden. Voor de bouleuten en
+hunne familiën, evenals voor de opperhoofden der Arabieren, waren
+in het midden van deze tribune bijzondere afdeelingen gemaakt, met
+tapijten behangen, en daarin stonden hooge leuningstoelen gereed
+voor den Wekil Obada, den kadhi, den stadsoverste, den ouden Horus
+Appollon en ook voor de geestelijkheid, ofschoon men wel wist, dat
+zij aan dit feest geen deel zou nemen.
+
+Het geringe volk, dat geen middelen had, om zich den toegang tot deze
+estrade te koopen, had zich met vrouw en kind aan den oever gelegerd,
+en een aantal handelaars waren van alle zijden gekomen en boden,
+waar de menigte het dichtst was, op tweewielige karretjes of kleine
+tapijten, die zij voor zich hadden uitgespreid, verfrisschende dranken
+en eetwaren te koop. Ook bij de tribune hielden de waterdragers,
+die gezuiverd Nijlwater of vruchtensappen aanboden, niet op met roepen.
+
+In de dorre kronen der palmen van Nesptah, waar anders tortels, hoppen
+en musschen huisden, had thans de straatjeugd der stad zich plaatsen
+veroverd, en plukte voor tijdverdrijf de verschrompelde zieke dadels
+uit de zware vruchtbundels, om ze den nieuwsgierigen voor de voeten
+of op het hoofd te werpen, tot de wachters dit in het oog kregen en
+het verboden.
+
+Het voornaamste aantrekkingspunt voor aller oogen vormde de ver in
+den ondiepen stroom uitgebouwde brugvormige houten estrade, van
+waar de Nijlbruid den smachtenden verloofde in de vochtige armen
+zou worden geworpen. Aan dit toestel hadden zij, die het feest in
+gereedheid brachten, al hunne kunst besteed, want het was overrijk
+versierd met tapijten en doeken, palmwaaiers en vaandeltjes, met
+zware guirlandes van tamarisken en wilgenloof, waaruit eene menigte
+lotusbloemen, malva's, leliën en rozen helder en schoon te voorschijn
+kwamen, alsmede met kransen, de wapens van de gouw en andere vergulde
+sieraden. Alleen het uiterste gedeelte was geheel naakt gebleven;
+men had hier zelfs de leuningen weggelaten, om niets te doen ontgaan
+aan de oogen, die op de "echtvereeniging" gericht zouden zijn.
+
+Op de derde ure vóor den middag ontbraken alleen nog maar zij, voor
+wie de plaatsen gereed werden gehouden, en de nieuwsgierigheid deed ook
+hen weldra verschijnen. De veiligheidsbeambten hadden handen vol werk,
+om te verhoeden, dat de voorste rijen der toeschouwers niet door de
+achterste in den stroom werden gedrongen; wel was dit niet overal te
+voorkomen, doch door den vlakken oever leed niemand schade. Toch hieven
+zij, die telkens in gevaar verkeerden, zulk een geschreeuw aan, dat het
+de muziek overstemde der op de tribune geplaatste muzikanten, alsmede
+de kreten van bijval, die zich lieten hooren, zoodra de oude Horus
+Apollon, die op zijn witten ezel vroolijk en frisch als een jongeling
+dan hier dan daar was, of een der hoogere beambten van de stad zich
+vertoonde. Op enkele plaatsen hoorde men niets dan jammerkreten
+en stoven de saamgedrongen groepen huilende uit elkander. Hier had
+een zonnesteek een burger getroffen, daar de pest een nieuwsgierige
+aangetast. De vluchtenden sleurden anderen met zich voort; gillende
+moeders zochten hare kleinen voor dooddrukken of voor besmetting te
+bewaren; de wagen van een koopman werd omgesmeten, zoodat de eieren en
+koeken onder den voet raakten; een geheele hoop menschen viel in een
+diep, half uitgedroogd kanaal. De veiligheidsbeambten zwaaiden hunne
+stokken en zochten schreeuwende en weer nieuw geschreeuw verwekkende,
+de orde te bewaren; doch dit alles oefende maar vluchtig eenigen
+invloed uit op de groote massa toeschouwers.
+
+Op eens kwam er overal stilte, de verwarring hield op, het geschreeuw
+verstomde. Wie thans ook onder den voet raken, door de ziekte
+aangetast, doodgedrukt, of op andere wijze sterven mocht, het deed
+er niet toe. Uit de richting van de stad liet zich bazuingeschal en
+gezang hooren, de processie, de bruidsstoet naderde. Liever wilde men
+het besterven, dan dat het oog ook maar een tooneel van dit geheel
+eenig schouwspel zou ontgaan.
+
+Wat gekken waren toch die Arabieren! Van hunne hoogste beambten waren
+behalve de zwarte Wekil maar drie verschenen, die niemand kende. Zelfs
+de kadhi zocht men tevergeefs. Hij had zeker de muzelmansche vrouwen
+verboden dit schouwspel aan te zien, want geen gesluierde schoone uit
+den harem was heden te bekennen. Van de Egyptische vrouwen zou zelfs
+de laatste zijn verschenen, indien de pest niet velen in hare huizen
+opgesloten had gehouden. Zoo iets beleefde men toch niet weder; wat
+hier gebeuren zou, daarvan zou men nog in later jaren de kleinkinderen
+kunnen vertellen!
+
+Het gezang en de muziek kwamen steeds nader, maar waarlijk, dat klonk
+niet, alsof men een mensch geleidde naar zijn afgrijselijk graf. De
+eene fanfare volgde op de andere, en schetterde door de lucht,
+allen opwekkende tot feestelijk gejubel. Er weerklonken vroolijke
+bruiloftsliederen, die den hoorenden al nader en nader kwamen. De
+hooge koren der knapen en meisjes overstemden het krachtig maar dieper
+gezang van jongelingen, mannen en grijsaards. Schelle fluittonen
+verhoogden de feestelijke stemming en het dof geluid der trommen
+dreunde in vaste maat als het bruisen der zee. Daartusschen klonken
+cimbalen en rinkelden de schelletjes in de randen der tamboerijnen,
+die maagdelijke handen in feestroes over hare lokken zwaaiden,
+schudden en sloegen, terwijl luitspelers lieflijke klanken uit de
+snaren te voorschijn riepen. Toen deze geweldige stroom van allerlei
+tonen zeer dicht in de nabijheid was gekomen, liet zich reeds uit de
+verte nieuw gezang en nieuwe muziek vernemen.
+
+Voor die aan den stroom stonden te luisteren, scheen de optocht
+onafzienbaar, en wat het gehoor had waargenomen, werd weldra door de
+oogen gezien. Allen waren een en al aandacht, tuurden en staken de
+hoofden naar voren, om de Nijlbruid en haar gevolg te zien. Ieders
+blik scheen gedwongen, om dezelfde richting te volgen. Daar verschenen
+voor allen de fanfareblazers op vurige paarden; zij schaarden zich aan
+beide zijden van de straat aan den oever, die tot het tooneel van de
+bruiloft leidde. Voor hen plaatste zich links het koor der vrouwen,
+rechts de mannen, die achter de eersten aankwamen, beiden in lichte,
+zeegroene kleederen, overvloedig met lotusbloemen getooid. De losse
+haren der vrouwen, die met witte bloemklokjes doorvlochten waren,
+golfden over hare schouders; de mannen droegen papyrus en riet in de
+handen, als vertegenwoordigden zij riviergoden, die uit de golven
+waren opgekomen. Vervolgens verschenen jongelingen en gebaarde
+gestalten in witte gewaden met pantervellen over de schouders,
+zooals ze weleer door de heidensche priesters werden gedragen. Twee
+grijsaards met golvende witte baarden leidden dezen optocht, de een
+met een zilveren, de ander met een gouden schaal in de rechterhand,
+gereed, om dezen als eerste offers, naar de gewoonte der vaderen,
+zooals Horus Apollon medegedeeld en voorgeschreven had, in den
+vloed te slingeren. Zij liepen de houten estrade op tot aan het
+einde en plaatsten zich aan beide zijden van het eindvlak, vanwaar
+de Nijlbruid met den stroom vereenigd zou worden. Op dezen volgde
+eene groote afdeeling fluitblazers en trommelslagers, en daarop weder
+vijftig meisjes, die de tamboerijnen zwaaiden en even zoovele mannen,
+allen gekleed en uitgedost als het gevolg van Dionusios, den in den
+Romeinschen tijd vereerden Osiris Bacchus. Daaronder merkte men ook
+den dronken Silenus op, alsmede saters met bokspooten en Pans, allen
+op grauwe en wonderlijk geel geverfde ezels, met uit vele rietpijpen
+bestaande herdersfluiten aan den mond.
+
+Na dezen stoet werden giraffen, olifanten, struisvogels, antilopen,
+gazellen, zelfs eenige getemde leeuwen en panters voorbij de
+nieuwsgierige volksmenigte gevoerd. Men had dit ook gezien bij den
+beroemden feestelijken optocht ter eere van den tweeden Ptolomeus,
+dien Kallixenos van Rhodos beschreef. Nu volgden op een grooten
+door twaalf paarden getrokken wagen, de symbolische gestalten der
+geketende en ten onder gebrachte pest en nood, met vele schreiende,
+zwartgemaakte, aan palen gebonden kinderen, met spichtige vleugels op
+den rug en hoornen op het voorhoofd, die het hellengebroed tegelijk
+fraai en afzichtelijk moesten voorstellen. Op een anderen wagen zag
+men de godin van den overvloed. Zij was aan alle zijden door garven,
+vruchten en wijngaardranken omgeven, en werd door knapen en meisjes met
+ooft en korenaren, met granaatappels en dadelbundels, met wijnkruiken
+en bokalen in de handen omringd.
+
+Hierop vertoonde zich in eene door acht sneeuwwitte paarden getrokken
+schelp, als rustte zij in een bad, de godin der gezondheid met eene
+gouden schaal in de eene en een slangenstaf in de andere hand, en
+daarachter de aanstaande gemaal van de Nijlbruid, de stroomgod, volgens
+het beroemde standbeeld, hetwelk de Romeinen uit Alexandrië hadden
+weggevoerd: de schoone, krachtvolle, gebaarde gestalte van een man,
+wiens bovenlijf op eene verbazende urn rust. Zestien naakte kindertjes,
+voorstellende de zestien ellen, die de stroom moest stijgen, wanneer
+zijn was het land zegen zou brengen, speelden rondom zijne herculische
+gestalte, en een dichte bruiloftskrans van lotusbloemen rustte op zijne
+golvende lokken. Krokodillen, bundels korenaren, dadels, druiven en
+schelpen versierden dezen met gejuich begroeten wagen, door grijsaards
+in heidensche priesterdracht omgeven. Nu volgden weder afdeelingen
+muzikanten en koren, en dan eene schaar van jongelingen en meisjes,
+voorafgegaan door zingende luitspelers. Ook zij waren gekleed als
+mannelijke en vrouwelijke stroomgoden, en stelden de speelnooten van
+bruid en bruidegom voor: het bruiloftsgeleide der verloofden. Hoe
+grooter het gedeelte werd van den stoet, dat was voorbijgetrokken,
+des te nader kwam het lang verwachte offer, en met des te grooter
+spanning luisterde en keek de menigte.
+
+Nadat de jongelingen en meisjes voorbijgetrokken waren, werd het
+stiller op de tribune en onder het volk. Niemand voelde de gloeiende
+zonnehitte, noch lette op de droogte van zijne tong; aller oogen
+bleven dezelfde richting volgen, alleen de zwarte Wekil, wiens hoog
+opgerichte reuzengestalte voor allen zichtbaar was, wendde van tijd tot
+tijd met inspanning zijn loerenden blik naar de stad. Hij verwachtte
+rook te zullen zien opstijgen uit dat gedeelte waar de gevangenis
+stond; opeens opende hij de lippen, en met een hoonenden lach toonde
+hij zijne sneeuwwitte, glinsterende tanden. Dat, waarop hij hoopte,
+was verschenen; het grijze wolkje, waarnaar hij had uitgezien, werd
+al zwarter en zwarter, en nu vertoonde zich in zijn midden een roode
+gloed, dien zijn oorsprong niet aan de zon ontleende. Doch onder de
+duizenden was hij de eenige, die naar achteren zag en het opmerkte.
+
+Nu betrad het bruiloftsgevolg het houten getimmerte in den stroom,
+daarop een nieuw koor van jongelingen met pantervellen over de
+schouders, en nu--eindelijk, eindelijk--kwam een wagen aanschommelen,
+die door acht koolzwarte, met groene struisvederen en waterplanten
+versierde stieren werd getrokken. Een hoog baldakijn, tegen wier
+pijlers vier mannen in de dracht van heidensche offerpriesters geleund
+stonden, overschaduwde den wagen, en onder dit met lotusbloemen en
+slingers van riet rijk getooide schutdak rustte, omgeven van groenen
+papyrus, rietgras, hooge biezen en bloeiende waterplanten, de koningin
+van het feest--de Nijlbruid.
+
+In een wit gewaad en geheel gesluierd zat zij daar roerloos. Het
+lange, zware, bruine haar golfde los langs hare schouders, en voor
+haar lagen een krans en een aantal zeldzame rozenroode lotusbloemen
+op den grond. Tot hiertoe had de bisschop naast haar gezeten,
+de eerste christelijke geestelijke, die in het van geestelijken
+en monniken wemelende Memphis op deze schouwplaats van heidensche
+ongerechtigheid verscheen. Thans stond hij overeind en zag met gefronst
+voorhoofd en sombere, dreigende blikken de menigte aan. Wat hadden de
+boetpredikatiën in alle kerken, wat zijne vermaningen en bedreigingen
+en die van de gezamenlijke geestelijkheid gebaat? Trots ieder verzet
+had hij met de veroordeelde den wagen bestegen, nadat hij hare ziel
+nogmaals had getroost. Het kon hem het leven kosten, doch hij hield
+zijne belofte.
+
+Paula hield Orions laatste groet, eene roos, die vrouw Martina hem
+gebracht had, en eene andere, die Pulcheria heden zeer vroeg haar
+was komen brengen, in de hand. Gisteren had haar stervende vader
+in eene heldere ure haar van ganscher harte zijn zegen gegeven,
+zonder te vermoeden wat haar wachtte. Heden was hij nog niet weder
+bijgekomen, en had de afscheidskus, die zij hem gaf, noch gevoeld,
+noch beantwoord. Onbewust was hij uit de gevangenis naar buiten, en
+vandaar naar het huis van Rufinus gedragen. Vrouw Johanna had zich
+het voorrecht niet laten ontnemen hem tot zich te nemen en tot aan
+zijn einde te verplegen. Orions laatste schriftelijke groet was Paula
+kort voor het wegrijden overhandigd; deze hield het bericht in, dat
+zijn werk thans gereed was. Men had hem medegedeeld, dat niet heden,
+maar morgen het ontzettend feit zou plaats hebben, en het was haar
+tot troost, dat hem de marteling bespaard bleef, haar in den geest
+op haren vreeselijken tocht te volgen.
+
+De vrouwen, die gekomen waren, om haar in bruidstooi te kleeden,
+had zij laten begaan. Onder deze was ook Emau, de vrouw van
+den gevangenbewaarder, wier medelijdende tranenvloed haar goed
+deed. Doch reeds in het voorhof der gevangenis had zij de gedachte
+niet kunnen verdragen, zich in het bloementooisel eener bruid aan de
+haar aangapende menigte te vertoonen; zij had alles op den wagen van
+haar lijf getrokken en op den grond geworpen. De weg naar den stroom
+was haar lang, oneindig lang gevallen, maar zij had de nieuwsgierige
+menigte met geen blik verwaardigd en niet opgehouden haar hart in het
+gebed te verheffen. Zoo vaak haar aristocratisch bloed in beweging
+was gekomen en de vertwijfeling haar dreigde te overweldigen, had
+zij de hand van den bisschop gegrepen, en deze had niet opgehouden
+haar toe te spreken, haar te bezweren, om de liefde en het geloof te
+bewaren en ook de hoop niet te laten zinken.
+
+En zoo was men aan de estrade gekomen, aan welker einde het leven
+in eene andere wereld voor haar zou aanvangen. Het geschreeuw der
+volksmenigte had nog niet zoo luide en jubelend, zoo vol blijde
+verwachting geklonken als thans; muziek en gezang vermengden zich met
+het gebrul van duizenden, en als beneveld liet zij zich van den wagen
+tillen, volgde zij de jongelingen en maagden, die haar bruidsstoet
+zouden uitmaken, en die in afwisselende koren voor haar uit den
+schoonsten hymenaeus van de Lesbische Sappho zongen.
+
+De bisschop beproefde thans tot de menigte te spreken, maar hij
+werd spoedig tot zwijgen gebracht. Hij plaatste zich nu weder aan
+hare zijde en aan zijne hand betrad zij de brug. Zij verzamelde
+al wat zij aan kracht, aan trots en heldenmoed bezat, om rechtop,
+zonder te wankelen, den laatsten gang te volbrengen, en reeds had
+zij in waardige houding, zoo majestueus, als liep zij daarheen, om
+gehoorzaamheid van deze menigte te eischen, het midden van de houten
+brug bereikt, toen achter haar op de losse planken hoefslagen dreunden.
+
+De oude Horus Apollon had haar op zijn witten ezel ingehaald en
+versperde haar den weg. Buiten adem, badende in het zweet, gebood hij
+haar op hoonenden, zegevierenden toon het aangezicht te ontsluieren, en
+den bisschop, dat hij haar los zou laten, om den persoon die den Nijl
+voorstelde in zijne plaats te laten treden. Dit was een reusachtige
+hoefsmid, die hem, hoewel met zijne vermomming verlegen, maar toch
+van plan, om zijne rol tot het einde zoo goed mogelijk te spelen,
+gevolgd was. Doch de priester en Paula weigerden hem te gehoorzamen.
+
+Daar rukte de oude haar den sluier van het gelaat, wenkte den "Nijlgod"
+en deze trad in zijn recht en voerde haar, nadat hij zich eerbiedig
+voor Johannes gebogen had, tot aan het uiterste einde der brug, hetgeen
+de bisschop niet had kunnen verhinderen. Hier wierpen thans de beide
+grijsaards, die het gevolg van Osiris Bacchus waren vooruitgegaan,
+de gouden schalen als offer in den vloed, en daarop begon een als
+heidensch priester verkleede pleitbezorger in eene goed gestelde rede
+de beteekenis van deze trouw en dit offer uiteen te zetten. Daarbij
+greep hij Paula's hand, om haar in die van den hoefsmid te leggen,
+en deze maakte zich gereed haar in de armen van den vloed te werpen,
+als welks vertegenwoordiger hij hier stond.
+
+Doch aan zijn voornemen stelde zich een hinderpaal in den weg. Eene
+groote feestboot was zoo dicht mogelijk het houten getimmerte genaderd,
+en thans hoorde men van de tribune en uit de menigte, die tot hier
+toe in ademlooze spanning het diepste stilzwijgen had bewaard,
+ontelbare stemmen schreeuwen: "De feestboot van Susanna!"--"Ziet
+op den Nijl, op den vloed!"--"Het kwikstaartje, de dochter van den
+rijken Philammon!"--"Een lieflijk gezicht!"--"Eene tweede, eene
+andere Nijlbruid!"
+
+Thans wendden zich de blikken der duizenden eenklaps van Paula op
+Katharina. De schoone feestboot van Susanna had reeds een uur lang voor
+de estrade heen en weer gevaren. De wachters hadden herhaaldelijk
+bevolen die op grooter afstand te houden van het tooneel der
+trouwplechtigheid, doch zonder gevolg en zij waren niet bij machte,
+om met hunne kleine schuitjes geweld te gebruiken tegen het groote
+door vijftig matrozen geroeide schip. Het was nu zeer nabij de brug
+gekomen, en zou met zijn rijk verguld houtwerk, zijn hoog door zilveren
+zuilen gedragen kajuithuisje, zijne purperen keurig gestikte zeilen
+een heerlijk, vroolijk gezicht hebben opgeleverd, wanneer de groote
+zwarte vlag aan den mast het vaartuig niet tegelijk een ernstig en
+treurig aanzien had gegeven.
+
+Katharina had zich in de kajuit door de dienende vrouwen in witte
+kleederen doen hullen en zich met zuiver witte bloemen, mirten, rozen
+en lotus doen tooien en daarbij alle vragen, die in bezorgdheid tot
+haar gericht werden, onbeantwoord gelaten. De kamenier, die de bloemen
+op hare borst stak, voelde het hart van de meesteres onder hare vingers
+kloppen, en de lotuskelk, die van den schouder op haar vollen boezem
+nederviel, rees en daalde, als lag zij op den wiegelenden stroom. Ook
+hare lippen waren voortdurend in beweging, en hare wangen bleek als
+de dood. "Wat zou zij toch willen?" vroegen zij die haar geleidden
+zich af.
+
+Gisteren was hare moeder gestorven en nu woonde zij deze vertooning
+bij en gaf den stuurman zelfs bevel naar het houten getimmerte te
+varen en in zijne nabijheid te blijven liggen, waar zij door alle
+toeschouwers gezien moest worden. Doch zij wenschte blijkbaar zich
+in dezen tooi aan het volk te vertoonen en zich te doen bewonderen,
+want daar besteeg zij het dak der kajuit. Hoe lieflijk zag zij er uit,
+zoo schoon als eene onschuldige engel, terwijl zij de trap opklom,
+kinderlijk beschroomd, schuchter en met wijd opengesperde oogen,
+als verwachtte zij daar boven iets groots, waarnaar zij lang en van
+ganscher harte gesmacht had. Op de laatste trede moest Anubis haar
+steunen, want daar knikten hare knieën; doch boven gekomen zond zij
+hem terug met de opdracht ook de anderen beneden te houden, want
+zij wilde alleen zijn. De knaap, gewoon te gehoorzamen, voldeed aan
+haar verlangen.
+
+Zij klom nu op de bank naast de borstwering van het boord, keerde
+zich tot Paula, die zij al nader en nader kwam, stak de rechterhand,
+waarin zij twee leliestengels hield met heerlijke bloemkelken,
+naar haar en den bisschop uit, en op het oogenblik dat de hoefsmid
+de ruimte tusschen de brug en het vaartuig met zijn oog mat en de
+onmogelijkheid inzag om de Nijlbruid in de diepte te werpen, alvorens
+de feestboot zich verder verwijderd had, riep Katharina:
+
+"Eerwaarde vader Johannes en gij allen daar! Ik, ik en niet
+de dochter van Thomas! Niet zij, ik, ik, Katharina, ben de ware
+Nijlbruid! Vrijwillig, luister naar mij, Johannes! Vrijwillig offer
+ik mijn leven op, om mijn arm volk van zijne ellende te redden,
+en de patriarch heeft gezegd, dat mijn offer den hemel welgevallig
+zal zijn. Vaart allen wel! Bidt voor mij! Erbarm u mijner, mijn
+Heiland! Moeder, lieve moeder, ik kom!"
+
+Na deze woorden riep zij den stuurman toe: "Verder van de brug!" en
+zoodra enkele riemslagen de feestboot verder op stroom hadden
+gebracht, klom zij vlug op de borstwering van het boord, wierp zij
+de leliestengels voor haar uit, en liet zij zich glimlachende, met
+het hoofd lieflijk ter zijde gebogen en terwijl zij hare kleederen
+schroomvallig tegen het lichaam drukte, in het water zinken. De
+golven sloten zich boven haar hoofd. Nog even dook zij, die zoo goed
+zwemmen kon, weder op, en haar gelaat zag er uit als dat eener badende,
+die zich verheugt in de frischheid van het water, dat als streelende
+haar omspoelde. Misschien bereikte nog de waanzinnige storm van kreten
+haar oor, die uit den mond der onafzienbare menigte van den oever den
+bijval, de schrik, het medelijden en de dankbaarheid vertolkten. Daarop
+boog zij het hoofd en verdween in de diepte.
+
+De "stroomgod", een goedhartige kerel, die in het dagelijksch leven
+zijn evenmensch niet voor zijne oogen kon zien verdrinken, liet Paula
+los, vergat zijne rol en sprong Katharina na. Hetzelfde deden haar
+zoogbroeder Anubis en eenige matrozen. Doch zij vonden haar niet,
+en de knaap, wien het gebroken been in het zwemmen belemmerde, volgde
+haar in den dood, die hij met zijne jonge ziel geheel toebehoorde.
+
+Katharinas toespraak hadden alleen zij gehoord, tot wie zij gericht
+was. Doch voor zij nog in den vloed was verdwenen richtte de bisschop
+Johannes zich tot het volk in zijne nabijheid, hield Paula, die zich
+reeds vrij gevoelde, nadat haar verschrikkelijke bruidegom verdwenen
+was, vast met de eene hand, zwaaide met de andere het crucifix,
+dat aan zijn gordel hing, en riep zoo luid hij kon: "De wensch van
+onzen heiligsten vader Benjamin, door wien God zelf tot u spreekt,
+is thans vervuld geworden. Uit eigene, edele begeerte heeft zich
+eene reine Jacobietische jonkvrouw, van hooge geboorte, naar het
+voorbeeld des Heeren, ten behoeve harer lijdende medemenschen voor
+uwe oogen opgeofferd. Deze hier," en hij trok Paula nader tot zich,
+"deze is vrij; de Nijl heeft zijn offer ontvangen!"
+
+Vóor hij echter nog had uitgesproken en het volk tijd kon vinden,
+om zijn oordeel te doen hooren, was de oude Horus Apollon naar hem
+toegevlogen en belette hem verder te gaan. Reeds bij het begin der
+trouwplechtigheid was hij van zijn ezel gegleden, en om zich zijn offer
+niet te laten ontgaan, plaatste hij zich nu tusschen den bisschop en
+Paula, greep haar gewaad en riep het koor der jongelingen toe: "Aan
+het werk! Spoedig een ander in de plaats van den stroomgod.... En
+dan in den vloed met de Nijlbruid!"
+
+Doch de bisschop drong zich andermaal tusschen beiden, om de jonkvrouw
+in zijne bescherming te nemen. De oude werd nu als door razernij
+aangegrepen, hij vloog op den priester toe, om hem het beeld van den
+gekruisigde te ontrukken, waarop Johannes met diepe verontwaardiging
+hem toeriep op een toon, die door merg en been ging: "Anathema!" Bij
+dit ontzettend woord en het zien van deze heiligschennis kwam bij
+de Egyptenaars het christelijk bloed in beweging; de geloofstrouw,
+die in zoo menigen strijd proefhoudend was gebleken en in deze dagen
+van angst en verschrikking slechts kunstmatig was onderdrukt, deed
+zich weder gelden. De aanvoerder van het koor rukte den oude weg en
+plaatste zich aan de zijde van den priester. Anderen volgden hem,
+terwijl een aantal jeugdige zangers partij koos voor den grijsaard,
+die zich aan Paula vastklemde, en liever zelf wilde ondergaan dan
+het gehate voorwerp van zijn wraak te zien ontkomen.
+
+Daar vernam men uit de richting van de verlatene stad klokgelui en
+een gejoel, dat angst verwekte zonder dat men er eene verklaring voor
+kon vinden. Opeens brak een jongeling, met het ontbloote zwaard in
+de hand, zich baan door de menigte, in wien de meesten ondanks zijn
+gescheurde kleederen, zijne verwilderde haren en zijn zwart geworden
+gelaat, Orion herkenden. Alles vloog voor hem uit den weg, die als
+een razende voortholde. Toen hij dicht bij het houten uitbouwsel
+gekomen in een oogwenk begreep, hoe ver de handeling gevorderd was,
+snelde hij met groote stappen door de verkleedden de estrade op, duwde
+hier en daar een troep lieden opzij, die hem in den weg stonden, en
+voor men nog aan het einde van de brug zijne nadering had opgemerkt,
+rukte hij den oude van Paula af, en riep haar bij den naam. Toen zij
+half onmachtig van schrik, verrassing en onuitsprekelijke vreugde in
+zijne armen zonk, drukte hij haar met de linkerhand vast tegen zich
+aan, en het blinkend zwaard in zijne rechterhand en zijne fonkelende
+oogen verkondigden ieder, dat men evengoed kon wagen een leeuwin aan
+te grijpen, die hare jongen verdedigt, dan dezen radeloozen jonkman,
+die bereid was met zijne geliefde te sterven.
+
+Zijn ruk had Horus Appollon ver ter zijde geslingerd, en toen de oude
+zich gereed maakte, om zich nog eenmaal op zijn offer te werpen,
+geraakte hij midden in een troep lieden, die handgemeen waren
+geworden, en stortte met eenige worstelenden, die een wilde hoop
+menschen, welke Orion gevolgd was, van den rand der brug afdrong,
+in den stroom. De meesten hunner wisten zich door zwemmen te redden,
+doch de oude zonk weg en alleen zijn hoog opgeheven vuist zag men
+nog een tijdlang dreigend boven de oppervlakte van het water.
+
+Intusschen had ook de Wekil gezien, wat er op de houten brug gebeurde,
+en woedend was hij van zijn zetel gesprongen, om op alles orde te
+stellen en Orion, dien hij meende herkend te hebben, met eigene hand
+gevangen te nemen, of als het zijn moest neer te houwen. Doch duizenden
+versperden hem den weg, want onder het geschreeuw van: "Brand! De
+gevangenis, de stad staat in vlammen!" was de verschrikkelijke bende
+van losgebroken misdadigers, aan het hoofd waarvan Orion verschenen
+was, tot het feestterrein doorgedrongen, en nu vloog een ieder weg,
+naar Memphis en naar zijn bedreigde woning om zijne have, zijne
+achtergeblevene bezittingen en zijne geliefden te redden. Als een
+vlucht duiven, die door het gekras van een havik uit elkander wordt
+gejaagd, als een hoop dorre herfstbladeren, die door een rukwind
+worden opgenomen, zoo stoven de toeschouwers uit elkander. In wilde
+haast en onder schromelijke verwarring spoedden zij zich stadwaarts,
+sprongen op de wagens van den feestelijken optocht, sneden van die
+waarop de godin der gezondheid zat de schimmels los, om op de ruggen
+dier paarden naar huis te jagen, wierpen omver al wat hun in den weg
+stond, en sleurden de Wekil met zich mede, die met den sabel in de
+vuist naar de brug wilde.
+
+Rook en vlammen stegen intusschen al dichter en hooger van de stad ten
+hemel, en dreven de vluchtenden voort met geheimzinnige kracht, om zich
+te haasten, ten einde nog intijds hunne woningen te bereiken. Doch
+vóor de zwarte tot de estrade door kon dringen werd de voortijlende
+menigte tegengehouden. Men hoorde hoefslagen naderen. Een dichte
+stofwolk maakte wel-is-waar paarden en ruiters nog onzichtbaar,
+doch zij die daar kwamen aandraven moesten gewapend zijn, want door
+de grijze wolk, die hen omgaf, zag men hier en daar flikkerlichten,
+de weerkaatsing der heldere zonnestralen op de blanke, schitterende
+helmen, pantsers en zwaarden. Ook de zwarte herkende ze thans. De kadhi
+rende vooruit en juist toen de Wekil hen bereikte, sprong hij bij het
+houten uitbouwsel uit den zadel, en met den luiden uitroep: "Bevrijd,
+gered!" waarin zich al de vreugde van zijn gemoed afspiegelde, stak hij
+der jonkvrouw, die aan Orion hangende den oever naderde, de handen toe.
+
+Bij dit alles had Othman den Wekil nog niet opgemerkt, die maar
+weinige schreden van hem afstond. Dat "bevrijd, gered!" uit den
+mond van den oppersten rechter, verkondigde den zwarte, dat de
+begenadiging van zijn jongen doodvijand moest aangekomen zijn, en
+deze hield tegelijk de veroordeeling van zijne handelingen in. Hij
+had niets meer te hopen, Omar moest nog leven en de aanslag tegen het
+leven van den Kalief mislukt zijn. Hem wachtten afzetting, straf,
+de dood als Amr terugkeerde; doch hij wilde niet overwonnen worden
+zonder den gehaten jonkman, die hem ten val had gebracht, met zich
+te slepen in het graf, daarom drong hij den kadhi onverwachts terug
+en hief zijn zwaard met een geweldigen zwaai in de hoogte, om Orion
+te vellen vóor zijn eigen val. Doch de aanvoerder van de lijfwacht,
+die Othman te paard gevolgd was, had zijn voornemen opgemerkt en snel
+als de bliksem hieuw hij uit het zadel op den zwarte los, en zijn
+kromzwaard trof den Wekil diep in den hals. Met een afgrijselijken
+vloek liet Obada zijn arm zinken en zakte voor de oogen van het opnieuw
+vereenigde paar reutelend in elkaar. De lieden verzekerden later,
+dat zijn bloed niet rood was geweest, gelijk dat van andere menschen,
+maar zwart gelijk zijn lichaam en zijne ziel.
+
+Men had wel reden, om hem te vloeken, want zijne schandelijke daad
+vernielde op dezen dag meer dan de helft van Memphis en maakte zijne
+burgers tot bedelaars. Twee misdadigers, die zich door hem lieten
+omkoopen, hadden gedurende de feestviering de gevangenis in brand
+gestoken, om Orion daarin te doen stikken; doch de brand was ontdekt
+en alle gevangenen werden nog intijds bevrijd. Zoo had de jonkman aan
+het hoofd zijner medegevangenen het feestterrein kunnen bereiken, doch
+het vuur was in het van menschen ontbloote gebouw niet te beteugelen
+geweest, had zich in de uitgedroogde straten van huis tot huis
+voortgeplant, en den volgenden dag was van de beroemde pyramidenstad
+niets meer over dan de aan den stroom gelegen Nijlstraat en eenige
+ellendige stegen. De oude residentie der pharaonen was veranderd in
+een armzalig vlek, en de van hun dak beroofde inwoners verhuisden
+naar genen oever van den Nijl, en bevolkten als muzelmannen het in
+bloei toenemende Fostat, of zochten op christelijken bodem een nieuw
+vaderland. Tot de huizen die verschoond bleven behoorden ook dat van
+Rufinus en de kadhi geleidde Orion en Paula daarheen. Hij wees hun
+dit huis als gevangenis aan tot den terugkeer van den veldheer, en
+hier doorleefden zij gelukkige dagen, vereenigd met hunne vrienden;
+hier werd het den stervenden Thomas vergund zijne kinderen voor de
+laatste maal aan het hart te drukken en te zegenen.
+
+Kort voordat de kadhi op het feestterrein verscheen waren twee
+duivenposten aangekomen, beiden met het bevel van Amr, dat het offer
+van de dochter van Thomas in elk geval verboden en zij tot zijn
+terugkeer in het leven gespaard moest worden. Ook behield hij zich
+voor over het lot van Orion te beschikken. Maria en Rustem hadden hem
+bereikt te Berenike, aan de Egyptische kust van de Roode zee. Deze
+vervallen havenplaats was met Medina door eene duivenpost verbonden
+en op zijne vraag aan den Kalief in betrekking tot het offer, dat
+door de Egyptenaars in hunne vertwijfeling aan den Nijl zou worden
+gebracht, had Omar een antwoord gezonden, dat terstond aan den kadhi
+werd overgebracht.
+
+De brand van de stad bracht een nieuw vreeselijk onheil over de
+zwaar beproefde Memphieten, en de Nijl wilde, ondanks Katharina's
+offerdood, nog niet stijgen. De kadhi riep nu, drie dagen na het
+gestoorde bruiloftsfeest, de gezamenlijke bewoners der steden aan
+deze en gene zijde van den stroom nog eens onder de palmen van Nesptah
+samen, en hier verkondigde hij den muzelmannen en christenen door den
+Arabischen omroeper en den Egyptischen tolk, wat de Kalief hem geboden
+had den Memphieten mede te deelen. De eenige, algoede God versmaadde
+elk menschenoffer. In deze stellige overtuiging zou hij tot Allah, den
+barmhartige, bidden, en hij, Omar, zond hierbij een brief, dien men in
+zijn naam in den vloed mocht werpen. Dit schrijven droeg ten opschrift:
+
+
+ "Aan den Nijl van Egypte,"
+
+
+en was van dezen inhoud:
+
+
+ "Wanneer gij, stroom, uit u zelven vloeit, stijg dan niet; als
+ echter God, de eenige en barmhartige, het is die u laat vloeien,
+ zoo roepen wij den barmhartigen God aan, dat hij u doe wassen!"
+
+ "Wat niet uit God is," zeide de veldheer Amr in den brief,
+ die het schrijven van Omar begeleidde: "wat baat het den
+ mensch? Maar al het geschapene bestaat alleen door hem, zoo ook
+ gij, edele stroom. De Allerhoogste zal het smeeken van Omar en
+ het onze verhooren, en daarom verorden ik u allen, muzelmannen,
+ christenen en joden u te verzamelen in de moskee aan gene zijde
+ van den stroom, die ik bouw ter eere van den Algoede, om daar
+ uwe zielen te verheffen tot een groot, gemeenschappelijk gebed,
+ opdat God u hoore en zich erbarme over uw lijden."
+
+
+De kadhi noodigde nu al het volk uit over den Nijl te trekken, en
+het volgde zijn gebod. De bisschop Johannes riep zijne geestelijken
+op en aan hun hoofd ging hij de christenen voor; de priesters en
+oudsten der joden voerden hunne geloofsgenooten achter de Jacobieten
+aan, en de muzelmannen verzamelden zich met hen in het heerlijke
+aan zuilen zoo rijke godshuis van Amr, en de aanhangers der drie
+verschillende godsdiensten verhieven daar oog en hart en stem tot
+den eenen, barmhartigen hemelschen Vader. En juist die moskee van Amr
+heeft hetzelfde hartverheffende schouwspel nog meer dan eens gezien,
+en nog gedurende het leven en voor de oogen van den verteller dezer
+geschiedenis werden muzelmannen, christenen en joden tot éen vroom
+gebed hier saamgeroepen, dat den Heer zeker welgevallig was.
+
+Kort nadat de brief van Kalief Omar in den Nijl geworpen en het gebed
+der drie godsvereeringen opgezonden was, kwam er een duif naar Memphis,
+die het bericht medebracht, dat de stroom bij de watervallen zeer begon
+te stijgen. Na eene reeks van bange en toch hoopvolle dagen zwol de
+Nijl al hooger en hooger, trad buiten zijne oevers en gaf den landman
+reden, om eene heerlijke oogst te verwachten. Nadat een onweder en
+daarmede gepaard gaande overvloedige regen de lucht gezuiverd en het
+verstikkende stof weggenomen hadden, verdween ook de pest.
+
+Juist toen het wassen van den vloed voor het eerst zichtbaar begon
+te worden, keerde de veldheer Amr terug, en in zijn gevolg bevonden
+zich de kleine Maria en Rustem, alsmede de arts Philippus en de
+koopman Haschim, die zich te Dschidda bij het reisgezelschap van den
+stadhouder hadden aangesloten. Reeds onderweg hadden zij vernomen wat
+er te Memphis was gebeurd, en toen de reizigers, met de pyramiden
+voor oogen, hun laatste nachtkwartier naderden, zeide de veldheer
+tot de kleine Maria: "Wat denkt gij, mijne lieveling? Wij zijn de
+Memphieten nu toch wel een groot bruiloftsfeest schuldig?"
+
+"Neen, heer, niet éen, wel twee," antwoordde het kind.
+
+"Hoe dat?" zeide Amr lachende. "Daar gij nog zoo jong zijt, en
+vooreerst niet meetelt, ken ik geen meisje te Memphis, voor wie ik
+een bruiloft zou kunnen aanrichten."
+
+"Maar ik zou een man willen uithuwelijken, dien gij alles goeds gunt,
+en die zoo eenzaam leeft als een kluizenaar," antwoordde Maria, "en
+wel tegelijk met Orion en Paula: Ik bedoel mijn goeden Philippus hier
+achter ons."
+
+"De arts? En is hij dan nog ongehuwd?" vroeg de veldheer verbaasd;
+want geen muzelman van den leeftijd en den stand des geneesheers
+zou als jong gezel kunnen leven, zonder zich bloot te stellen aan de
+minachting zijner geloofsgenooten. "O, hij zal weduwnaar zijn!"
+
+"Neen," hernam Maria. "Hij heeft alleen nog geene vrouw gevonden, die
+hem past; doch ik ken er eene, die God zelf voor hem geschapen heeft."
+
+"Kleine Chatbe!" [24] riep de veldheer uit. "Maak dit zaakje maar
+in orde, en het zal aan mij niet liggen, wanneer die tweede bruiloft
+niet schitterend is."
+
+"Dan willen wij nog een derde vieren!" ging het kind daarop lachende
+voort. "Mijn brave beschermer Rustem..."
+
+"Die reus? U, kleine, is niets onmogelijk! Alzoo hebt gij voor hem
+ook eene bruid gevonden?"
+
+"Neen, hij is zonder mijne hulp aan zijne Mandane gekomen."
+
+"Om 't even," zeide de veldheer vroolijk, "ik geef hen een
+huwelijksgift. Doch laat het nu ook genoeg zijn, anders verdringen
+al die nieuwe niet muzelmansche geslachten, die wij daar grondvesten,
+ons Arabieren nog uit het land."
+
+Zoo ging de groote man met het kind om, nadat het te Berenike zijne
+tent was binnengekomen, en daar de zaak der twee geliefden, voor
+wie het gevaren en moeiten op zich had genomen, zoo welsprekend,
+zoo duidelijk en in zulke gevoelvolle woorden had verdedigd, dat
+Amr tegelijk besloten had het alles toe te staan, wat in zijne macht
+was. Maria had bovendien met de boodschap die zij bracht ook hem een
+dienst bewezen, want zij maakte het hem mogelijk dingen te verhoeden,
+die de zaak van de halve maan benadeeld zouden hebben, en de kinderen
+van twee vaders, die hij vereerde, den zoon van den Mukaukas Georg
+en de dochter van Thomas uit een groot gevaar te redden.
+
+Bij zijn terugkeer bevond hij, dat hetgeen de Wekil misdreven had
+zijne ergste vrees zeer verre overtrof. De achting voor het Arabisch
+bestuur en de gerechtigheid der muzelmannen, die hij met alle
+inspanning bevestigd had, was de zwarte begonnen te ondermijnen,
+en als door een wonder was Orion aan zijne lagen ontkomen; want
+driemaal had hij moordenaars naar de gevangenis gezonden, en alleen
+aan de waakzaamheid van den man van de aardige Emau, was het te
+danken geweest, dat hij zich uit den brand der gevangenis had kunnen
+redden. Er was Obada alles aan gelegen geweest, om den gehaten jonkman,
+wiens verklaringen en aanklachten voor hem verderfelijk konden worden,
+uit den weg te ruimen. De onzinnige had een eervoller dood gevonden,
+dan zijne rechters hem zouden hebben waardig geacht. De schatten,
+die men bij hem opgestapeld vond, werden naar Medina gezonden, doch
+ook Orion moest erin berusten, dat de groote kapitalen, die de zwarte
+uit zijne schatten naar Fostat had gezonden, in het bezit der Arabieren
+bleven. Deze straf meende de veldheer hem te moeten opleggen voor zijne
+deelneming aan de noodlottige redding der nonnen; en de jongeling
+onderwierp zich gaarne aan deze boete, die hem en zijne geliefde de
+vrijheid teruggaf, en het den veldheer mogelijk maakte een grooter deel
+der inkomsten van zijn vaderland tot nuttige doeleinden te besteden.
+
+Doch de Kalief Omar nam de sommen, die veel meer dan de helft
+van het vermogen van den Mukaukas Georg bedroegen, niet meer in
+ontvangst. Sluipmoordenaars hadden den trouwsten vriend van den
+profeet, den wijzen en krachtigen heerscher omgebracht en nu kwam aan
+het licht, dat de Wekil een der aanleggers van de samenzwering was
+geweest en het uiterste gewaagd had, bemoedigd door het vertrouwen
+op het gelukken van zijn plan.
+
+Amr begroette den zoon van den Mukaukas, als ware hij zijn vader
+geweest, en nadat hij diens arbeid had onderzocht, bevond hij dat deze
+de soortgelijke ontwerpen, die hij door anderen had laten uitwerken,
+verre overtrof. Hij vertrouwde dus aan Orion de uitvoering toe van
+de nieuwe, tot in de kleinste deelen door hem vastgestelde indeeling
+van het land.
+
+"Doe uw plicht en span ook in het vervolg al uwe krachten in, gelijk
+gij begonnen zijt," riep Amr den jonkman toe.
+
+"Ik ben," antwoordde Orion, "in dezen moeielijken, maar toch heerlijken
+tijd over velerlei dingen tot klaarheid gekomen."
+
+"Mag men weten over welke?" vroeg de veldheer. "Ik luister gaarne
+naar u."
+
+"Ik heb leeren inzien, heer," antwoordde Orion, "dat hetgeen de groote
+menigte geluk of ongeluk noemt, niet wezenlijk bestaat. Wat het leven
+ons toeschijnt te zijn, hangt af van de vraag, hoe wij ons tegenover
+dat leven plaatsen. Pijnlijke wederwaardigheden, die van buiten in ons
+bestaan ingrijpen, zijn vaak niet meer dan een korte nacht, waarop een
+heldere dag volgt, of als de operatiën van den heelmeester, die ons
+gezonder maken dan te voren. Wat men in den regel ongeluk noemt, is
+ontelbare malen eene brug tot hooger geluk. Het alledaagsche geluk der
+groote menigte leidt als een snelvlietende stroom, af van dit heerlijk
+gevoel van innerlijke gezondheid. Gelijk een schip, dat bij een storm
+zijn roer heeft verloren, er beter afkomt in volle zee, dan in de
+nabijheid van de reddende kust, zoo vindt de mensch, die zichzelven
+verloren heeft, zichzelven en zijn waarachtig heil gemakkelijk weder in
+het wilde bruisen van de golven des levens, maar zelden en moeielijk,
+wanneer zijn levenshulk rustig daarheen drijft. Alle andere goederen
+verliezen in waarde, wanneer het bewustzijn ons niet draagt, dat wij
+de levenstaak trouw en ernstig opvatten, en de vraagstukken, die dit
+bestaan ons voorlegt, blijmoedig weten op te lossen. De verlorene zou
+gered zijn, zoodra hij, met zijn God voor oogen en in het hart, zijn
+denken en zijn handelen in dienst stelde van hoogere plichten. Mijne
+eigene levenservaringen en de vrienden mijner Paula hebben mij geleerd,
+onvermoeid het rechte te zoeken en eigen welzijn te vinden in het
+welzijn van anderen. Het gevoel van de vrijheid verloren te hebben
+was hard, maar liet mij mijne liefde en schonk mij gelegenheid en
+ruimte van tijd, om mijne beste krachten ten dienste van het algemeen
+flink te beproeven, en al ware het in den kerker niet volkomen, want
+zonder vrijheid geen waar geluk, toch gevoelde ik er mij voortdurend
+gelukkiger dan toen ik mij als lediglooper en onnut verkwister van tijd
+en kracht, overgaf aan de verschillende genietingen der hoofdstad."
+
+"Zoo geniet dan de zelfvoldoening, die eene trouwe plichtsvervulling
+schenkt, en tevens van uwe liefde en vrijheid," hernam de veldheer. "En
+uw vader in het paradijs, geloof mij, vriend, hij zal u het schoonste
+en beste even blijmoedig gunnen als ik. Gij zijt op den weg, die
+elken vloek in zegen verandert."
+
+
+
+De drie bruiloften, welke de veldheer aan Maria beloofd had te zullen
+aanrichten, werden glansrijk gevierd. Het huwelijk van Orion en Paula
+werd voor de vrienden te Memphis een onvergetelijke dag. De bisschop
+Johannes zegende het paar in, en het betrok terstond het eigendom
+van den jongen echtgenoot, het schoone huis van de kleine Katharina,
+de ware Nijlbruid. Als het vergund was geweest in Paula's en Orions
+hart te lezen en te vernemen, hoe zij over haar dachten, dan zou
+men bevonden hebben, dat zij voor beiden niet meer het kinderlijke
+kwikstaartje was en dat zij haar dankten voor het offer van haar
+jeugdig leven.
+
+De eerste dierbare gast, die de nieuwe woning met hen betrok, was de
+kleine Maria, die hun liefste huisgenoote bleef tot haar huwelijk. De
+opvoedster Eudoxia, die Orion mede bij zich had opgenomen, volgde
+Maria later naar haar eigene, schoone woning en de leerlinge sloot
+eindelijk de oogen der Griekin, die zich bij de opvoeding harer
+kleinen niet als eene huurlinge, maar als eene ware moeder gedroeg.
+
+Ook de patriarch Benjamin, die op grond van vele overwegingen en niet
+het minst om het testament van Katharina, besloten had met den zoon
+van den Mukaukas in goede verstandhouding te blijven, verscheen als
+gast bij het jonge paar. Noch hij, noch de kerk behoefden berouw te
+gevoelen over den vrede, dien hij met Orion gesloten had, en toen Paula
+haren geliefden gemaal een zoon schonk, bood de kerkvorst zichzelven
+als peet aan, en noemde den kleine naar zijn grootvader: Georg.
+
+Spoedig na zijn huwelijk werd de waardigheid van Mukaukas aan Orion
+opgedragen, hoewel onder een nieuwen Arabischen titel. Zijn zoon
+erfde die later, toen hij tot man was opgewassen. Als de hoogste
+christelijke beambte in zijn vaderland moest Orion weldra van
+woonplaats veranderen en uit het ten ondergang gedoemde Memphis naar
+Alexandrië verhuizen. Van daar strekte zich zijne werkzaamheid uit over
+het geheele Nijldal, en hij wijdde zich daaraan met zooveel ijver, zulk
+eene trouw, zooveel verstand en rechtvaardigheid, dat nog door latere
+geslachten zijn naam met vereering en liefde werd herdacht. Paula
+maakte het geluk en de trots uit van zijn leven en bleef tot op hoogen
+leeftijd innig met hem verbonden. Tot de plichten zijns levens rekende
+hij ook, dag aan dag het leven recht gelukkig te maken der vrouw,
+die hem van een verlorene en vervloekte gemaakt had tot hetgeen hij
+nu was. In den gevel van het nieuw gebouwde paleis zijner vaderen in
+de havenstad plaatste hij het opschrift, dat de ring van den edelen
+Thomas versierde: "Voor de deugd heeft God het zweet gezet."
+
+Ook de arts en zijne Pulcheria vonden te Alexandrië eene nieuwe
+woonplaats. Philippus had niet lang aanzoek om haar behoeven te
+doen; want toen de teruggekeerde zijn lief meisje, waaraan hij op de
+lange reis voortdurend had gedacht, in het huis harer moeder voor de
+eerste maal weder ontmoette, en zij hem beide handen vertrouwelijk en
+hartelijk toestak, trok hij haar tot zich en liet zijne Pul niet weder
+uit zijne armen los, voor vrouw Johanna hem en haar den moederlijken
+zegen had gegeven. De weduwe woonde in het huis van den arts bij haar
+kinderen en kleinkinderen en bezocht vaak het graf van haren lieven
+man. Eindelijk werd zij bij hem en zijne moeder op het kerkhof van
+de havenstad begraven.
+
+Rustem, dien Orion tot een welvarend man maakte, werd een groote
+paarden- en kameelenfokker in zijn vaderland, en zijne Mandane
+bestuurde kalm en met overleg zijne goederen, die hij, ofschoon
+hij een Masdakiet bleef, met niemand deelde. Het eerste meisje dat
+zijne vrouw hem schonk, heette Maria, de eerste knaap werd Haschim
+genaamd. In het voorstel van Rustem, om den tweeden Orion te noemen,
+stemde zijne vrouw niet toe; zij riep dien liever bij den naam Rufinus
+en die er nog volgden bij die van Philippus en Rustem.
+
+Het senatorenpaar uit Konstantinopel verliet Egypte met een tevreden
+gemoed. Vrouw Martina had toch nog de voldoening gehad, de bruiloft
+van hare lieve Heliodora aan den Nijl te helpen vieren, zij 't ook
+dat de bruidegom niet haar "groote Sesostris" was geweest, maar haar
+neef Narses die onder de zorgvuldige verpleging van de jonge vrouw
+wel is waar niet zijne volle gezondheid had teruggekregen, maar toch
+redelijk was hersteld. Als Paula's huwelijksgeschenk ontving de jonge
+weduwe de noodlottige groote smaragd, die intusschen naar Memphis
+was teruggekomen. Het Senatorenpaar en de Mukaukas Orion met zijne
+gemalin bleven tot aan het einde door innige vriendschap verbonden.
+
+De rentmeester Nilus vervulde nog lang zijn ambt met vlijt en
+voorzichtigheid, en zoo vaak de koopman Haschim te Alexandrië kwam,
+ontstond er een strijd tusschen de vrienden Orion en Philippus, want
+beiden wilden zijn gastheer zijn. De arts gunde thans den Mukaukas
+zijne trotsche gemalin. Hij hield niet op haar te bewonderen,
+maar dacht daarbij: "Mijne aanminnige Pul heeft toch haars gelijke
+niet. Voor Paula zouden onze vertrekken te klein zijn maar mijne
+goudharige voelt er zich het meest op haar gemak."
+
+Tot het einde vervulde hij zijn beroep met zelfopofferende
+toewijding, en als hij Orion zich zag inspannen bij zijne strenge
+plichtsvervulling, zeide hij vaak: "Hij weet nu, wat het leven eischt
+en handelt er naar, en daarom veroudert hij niet en klinkt zijn lachen
+nog altijd even innemend blijmoedig. Wie als de Nijlbruid een wissen
+dood en als de jonge Mukaukas den zwaarste aller vloeken weet te boven
+te komen: waarlijk, het is eene eer zich een vriend te durven noemen
+van zulk een paar!"
+
+De Nijlbruid werd tot op den huidigen dag niet vergeten, want voordat
+de stroom in den "nacht van den druppel" stijgt, richten de bewoners
+der stad, die op de andere zijde van den stroom in aansluiting aan het
+door Amr gegrondveste Fostat de plek bewonen van het oude Memphis,
+de Kaireners, aan den oever van de rivier eene pop van klei op, die
+er uitziet als een vrouwelijk wezen, en zij noemen haar "Arouse",
+dat is "de bruid".
+
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Het zeil waarmee het open dak overspannen kon worden.
+
+[2] Het vertrek waar de papyrusrollen en kostbaarheden werden bewaard.
+
+[3] Raadsheeren.
+
+[4] De vriend en raadsman eener vrouw, die ook bij het gerecht
+voor haar moest optreden. Met hem naast zich, stond de vrouw in het
+toenmalige Egypte voor de wet met den man gelijk.
+
+[5] Klooster.
+
+[6] Weinig samenhangende rijen van op zichzelf staande
+kluizenaarswoningen.
+
+[7] Voogd.
+
+[8] Een binnen het gebouw besloten tuin.
+
+[9] Vertrek ter bewaring van boeken en kostbaarheden.
+
+[10] De Grieken bedienden zich hij vrouwennamen gaarne van
+verkleinwoorden; men vindt ze zelfs in de belastinglijsten in plaats
+van de gewone namen. Overigens was het gebruik van diminutiva ook
+den Attischen Grieken niet vreemd.
+
+[11] Plaatsvervanger.
+
+[12] Bravo.
+
+[13] Nijlmeerval, eene smakelijke visch.
+
+[14] De onderwereld der oude Egyptenaren.
+
+[15] Een groot zeeschip, met drie rijen roeibanken.
+
+[16] De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876
+n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: "God
+heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig
+onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den
+ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen,
+slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het
+ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken."
+
+[17] Een dubbel schrijftafeltje, dat kon worden toegeslagen.
+
+[18] Een helper en dienaar van een priester.
+
+[19] Onze zeep, die men echter niet in harden toestand gebruikte.
+
+[20] Suez.
+
+[21] De Grieksche vesting, waarbij het door Amr gestichte Fostat en
+later Kairo zich aansloten.
+
+[22] Nog in de 14e eeuw na Christus werd door de Christenen in Egypte
+een kistje met een menschelijken vinger in den Nijl geworpen om den
+stroom tot wassen te nopen. Dit wordt bevestigd door een bericht van
+den betrouwbaren Makrisi.
+
+[23] Het doet geen pijn.
+
+[24] De bemiddelaren der huwelijken bij de Arabieren.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De nijlbruid, by Georg Moritz Ebers
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42935 ***