diff options
Diffstat (limited to '42861-0.txt')
| -rw-r--r-- | 42861-0.txt | 9777 |
1 files changed, 9777 insertions, 0 deletions
diff --git a/42861-0.txt b/42861-0.txt new file mode 100644 index 0000000..79f6780 --- /dev/null +++ b/42861-0.txt @@ -0,0 +1,9777 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42861 *** + + HOMO SUM + + Homo sum, humani nil a me alienum puto. + Terentius, Heautontimorumenos, 77. + + ROMAN + VAN + GEORGE EBERS + + IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT DOOR + Dr. H. C. ROGGE + + + + VIERDE DRUK + Naar de elfde Hoogduitsche uitgave herzien + + AMSTERDAM + VAN HOLKEMA & WARENDORF + + + + + + + + AAN DEN HEER + + ALMA TADEMA, M. A., + + DEN GROOTEN MEESTER IN HET SCHILDEREN + VAN VOORSTELLINGEN UIT HET + LEVEN DER OUDEN, + + WIJDT DIT VERHAAL + + MET VRIENDELIJKEN GROET + + DE SCHRIJVER. + + + + + + + +VOORREDE. + + +Toen ik bezig was mij voor te bereiden tot het schrijven van eene +geschiedenis van het Sinaïtisch schiereiland, hield ik mij geruimen +tijd onledig met de studie van de eerste christelijke eeuwen. Onder de +massa martyrologische en ascetische geschriften, de geschiedenissen +van heiligen en monniken, die ik voor mijn zeer beperkt doel had te +doorworstelen en te ziften, vond ik, en wel in de Ecclesiae graecae +monumenta van Cotelerius, een verhaal dat, hoe weinig beteekenend ook +op zichzelf, mij zeer eigenaardig en roerend toescheen. Het tooneel +der handeling was de Sinaï en de aan zijn voet gelegen oase Pharan. + +Toen ik daarna op mijne reis door Petraeïsch Arabië de holen der +Anachoreten van den Sinaï met eigene oogen zag en met mijn eigen +voeten betrad, kwam dit verhaal mij weder voor den geest, en ik kon +het maar niet vergeten, terwijl ik verder door de woestijn trok. + +Het kwam mij voor, dat in het eenvoudig verloop der gebeurtenis zich +een zielkundig probleem voordeed, bijzonder eigenaardig in zijn soort. + +Een Anachoreet, ten onrechte in plaats van een ander beschuldigd, +neemt, zonder zich te verdedigen, diens straf, de verbanning, +op zich. Eerst door de bekentenis van den misdadiger wordt zijne +onschuld aan het licht gebracht. + +Ik gevoelde mij bijzonder aangetrokken, de zielsaandoeningen te +ontleden, die tot zulk eene apathie, zulk eene vernietiging van +het gevoel konden leiden, en terwijl de denk- en handelswijze der +zonderlinge grotbewoners voor mij steeds grooter aanschouwelijkheid +verkreeg, ontstond voor mijne verbeelding de gestalte van +Paulus. Weldra groepeerden zich om deze figuur een kring van +denkbeelden, en eindelijk inzichten, die mij geen rust lieten, +vóor ik eene poging waagde, om ze in het kleed van een verhaal, +in kunstvorm weer te geven. + +De naaste aanleiding tot het uitwerken van dezen stof, die reeds lang +bij mij tot volledige aanschouwelijkheid was gerijpt, in een roman, +werd mij gegeven door het lezen van Koptische monniksgeschiedenissen, +waartoe ik gebracht werd door Abel's Koptische Studiën. Later maakte +het kleine maar degelijke werk van R. Weingarten, over den oorsprong +van het monnikwezen, een diepen indruk op mij, die mij ook thans, +bij de studie der eerste eeuwen van het christendom, met name in +Egypte is bijgebleven. + +Het is hier de plaats niet om de punten te doen uitkomen, waarin ik +van Weingarten meen te moeten afwijken. Mijn scherpzinnige collega +uit Breslau verwerpt veel, dat geen recht van bestaan heeft, maar +op vele plaatsen van zijn boek schijnt hij mij met een al te ruwen +bezem te vegen. + +Het zou mij even gemakkelijk zijn geweest, mijn verhaal van het +dertigste naar het veertigste jaar van de vierde eeuw te verplaatsen; +maar ik heb dit gelaten, omdat ik met zekerheid meen te kunnen +aanwijzen, dat er in het door mij gekozen tijdperk niet slechts +heidensche kluizenaars in de Serapis-tempels, maar ook christelijke +Anachoreten waren. Hierin ben ik het geheel met Weingarten eens, +dat het begin van een georganiseerd christelijk monnikenwezen in elk +geval niet voor het jaar 350 gesteld kan worden. + +Mijn Paulus mag niet met den eersten heremiet Paulus van Thebe +verwisseld worden, wiens naam Weingarten terecht op de lijst van +historische personen heeft doorgehaald. Hij is, evenals elke andere +figuur in dit verhaal, een persoon van mijne eigene vinding, de drager +van een idee, niets meer en niets minder.--Voor mijn held heb ik geen +bepaald voorbeeld gekozen, en ik onderstel alleen de mogelijkheid, +dat er in zijn tijd zulk een man bestond. Allerminst heb ik gedacht aan +den heiligen Antonius, die nu ook zijn uitstekenden levensbeschrijver +Athanasius heeft moeten verliezen, en die ons geteekend wordt als een +man met een zeer gezond verstand, maar van zoo gebrekkige ontwikkeling, +dat hij enkel het Egyptisch verstond. + +De dogmatische geschillen, die reeds in den tijd van dit verhaal +ontbrand waren, zijn met opzet onvermeld gebleven. In later tijd hebben +de Sinaïeten en de bewoners van de oase er levendig aan deel genomen. + +De Sinaï, waar ik den lezer heenvoer, mag niet verwisseld worden met +den berg, die een groote dagreis zuidelijker gelegen is. Deze berg, +aan welks voet het beroemde "klooster der opstanding" ligt, draagt +in ieder geval sedert Justinianus dien naam, en wordt algemeen voor +den Sinaï van den bijbel gehouden. In de beschrijving van mijne +reis door Petraeïsch Arabië [1] heb ik getracht de door Lepsius op +wetenschappelijke gronden uitgesproken zienswijze, dat namelijk de +reusachtige berg, die thans Serbal wordt genoemd, en niet de Sinaï +der monniken, voor den berg der wetgeving gehouden moet worden en +ook in den tijd vóor Justinianus daarvoor gehouden is, door nieuwe +bewijzen te staven. + +Wat aangaat het steenen huis van den Senator Petrus, met zijne vensters +aan de straatzijde, iets wat geheel in strijd is met de Oostersche +zeden, moet ik, om gegronde twijfelingen te voorkomen, doen opmerken, +dat nog heden ten dage in de oase Pharan, de bijzonder goed onderhouden +buitenmuren van een tamelijk groot aantal van dergelijke gebouwen +aanwezig zijn. + +Maar aan zulke uitwendige dingen ruim ik in dit psychologisch tafereel +slechts eene ondergeschikte plaats in. Terwijl in mijne vroegere +romans de geleerde wel gedwongen was aan den dichter en de dichter +wederom aan den geleerde iets toe te geven, heb ik in dit verhaal, +enkel en alleen aan eene idee, die mijne ziel vervulde, een afgeronden +kunstvorm willen geven, zonder rechts of links te zien, zonder te +willen onderrichten, of de resultaten mijner studiën in gestalten +van vleesch en been te willen omzetten. De eenvoudige figuren, wier +innerlijk wezen ik aan mijne lezers tracht bloot te leggen, vullen +de ruimte van de schilderij, terwijl de stroom der wereldgeschiedenis +zich op den donkeren achtergrond beweegt. + +Ik heb den Latijnschen titel gekozen, gedachtig aan een dikwijls +gebruikte spreuk, waarin eene opvatting ligt opgesloten, waartoe ik +gekomen ben door het denken en zijn aller menschen opmerkzaam gade +te slaan, ook van hen die meenen reeds hoogere sporten beklommen te +hebben van den ladder die ten hemel leidt. + +In den Heautontimorumenos van Terentius (Act. I, sc. I vs. 77) +antwoordt Chremes zijn buurman Menedemus: "Homo sum, humani nil a me +alienum puto"; hetgeen woordelijk vertaald zeggen wil: "Ik ben mensch, +ik acht niets menschelijks mij vreemd." + +Doch reeds Cicero en Seneca gebruiken dezen dichtregel als spreekwoord, +en wel in een zin, die veel verder reikt dan die daarin, volgens den +samenhang van de plaats waar zij voorkomt, schijnt te liggen. Mij +bij hen aansluitende, vertaal ik, doelende op den titel van dit boek: + +"Ik ben een mensch, en meen dat ik overal mensch ben." + + + GEORGE EBERS. + Leipzig, den 11den November 1877. + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + +Rotsen, aan alle zijden niets dan naakte, harde, roodbruine +rotsen; geen struik, geen grasscheutje, zelfs geen zich vastklemmend +mosplantje, dat de natuur soms op de steenvlakte van het hoog gebergte +heeft doen wassen, als ware een ademtocht van hare scheppende +levenskracht over den onvruchtbaren bodem gegaan. Niets dan kaal +graniet, en daarboven een hemel zoo arm aan wolken, als de rotsblokken +aan planten en halmen. + +Toch leven er menschen in gindsche holte van den bergwand. Twee kleine +grijze vogels zweven in de reine, fijne, door de middagzon verhitte +woestijnlucht, en verdwijnen achter eene rij klippen, die eene diepe +kloof begrenzen, als een muur door menschenhanden opgetrokken. + +Dáar is het uit te houden, want een bron bevochtigd den steenachtigen +bodem, en gelijk overal waar het water de woestijn besproeit, zoo +bloeien er ook welriekende kruiden en groeien er vriendelijke struiken. + +Toen Osiris,--zoo verhaalt ons de mythe der Egyptenaren,--de +godin der woestijn omarmde, liet hij zijn groenen krans op hare +legerstede achter. Doch in den tijd en in de kringen, waarin onze +geschiedenis speelt, kent men de oude sage niet meer, of wil ze +niet meer kennen. Wij verplaatsen onze lezers in het begin van het +dertigste jaar van de vierde eeuw onzer jaartelling, en wel op het +Sinaïtisch gebergte, op welks geheiligden bodem sedert eenige jaren +enkele Anachoreten, die der wereld zijn afgestorven en zich geheel +aan boete willen wijden, nog zonder orde of regel samenwonen. + +Naast de bron in de dalkloof, waarvan wij spraken, groeit +een veelgetakte waaierpalm, maar hij beschut haar niet voor de +zonnestralen, die op deze breedte loodrecht nederdalen. Hij schijnt +alleen zijne eigene wortels te beschaduwen. Toch zijn de gevederde +takken veerkrachtig genoeg om een blauwgazen doek te dragen, dat als +een zonnescherm het aangezicht van een meisje overdekt. Zij ligt +lang uitgestrekt op den verhitten steenbodem en droomt, terwijl +eenige geelachtige klipgeiten, naar voeder zoekende, zoo vroolijk +van den eenen steen op den anderen klimmen en springen, alsof hun +de middaghitte recht welkom was. Het meisje grijpt van tijd tot tijd +naar een herdersstaf, die naast haar ligt, en lokt de geiten met een +fluitend geluid, dat ver in het rond kan worden gehoord. Een jong +geitje nadert haar huppelend. Weinige dieren zijn in staat hunne +opgeruimdheid uit te drukken, maar deze kleine dieren kunnen het. + +Ziet, daar strekt het meisje den naakten slanken voet uit, en stoot +er het lustig met haar spelende geitje vol dartelen luim mede terug, +en altijd weder terug, wanneer het opnieuw komt aanhuppelen. Het +herderinnetje buigt daarbij de teenen zoo sierlijk, als noodigde zij +een toeschouwer uit hunne fijnheid te bewonderen. + +Het sikje springt wederom toe, ditmaal met den kop voorover +gebogen. Zijn voorhoofd raakt haar voetzool, maar als het zijn kromme +neusje zachtkens wrijft aan den voet van het herderinnetje, stoot +zij het beestje zoo hevig terug, dat het ineen krimpt en onder luid +geblaat het spel opgeeft. + +Het scheen als had het meisje het rechte oogenblik afgewacht, om +het dier gevoelig te treffen, want zij had het met kracht, zelfs +met zekere boosheid dien stoot gegeven. Het blauwe doek hield de +gelaatstrekken der herderin verborgen, doch zeker hadden hare oogen +gefonkeld, toen zij zoo opeens aan dit spel een einde maakte. + +Gedurende eenige minuten bleef zij nu roerloos liggen, maar de doek, +die op baar gezicht neerhing, golfde zachtkens heen en weer, bewogen +door hare snelle ademhaling. Zij luisterde met groote inspanning, +met hartstochtelijk ongeduld; dat kon men ook bespeuren aan de wijze, +waarop zij krampachtig hare teenen samentrok. + +Daar liet zich eenig gedruisch hooren. Het kwam uit de richting van +de ruwe, uit onbehouwen steenblokken gevormde trappen, die van den +steilen wand naar de bron beneden leidden. + +Eene huivering voer door de teedere, nog maar half ontwikkelde +leden der herderin; doch zij verroerde zich niet. De grijze vogels, +die naast haar op den doornstruik zaten, vlogen op, doch zij hadden +slechts eenig geluid vernomen, en konden niet onderscheiden wie het +had voortgebracht. + +Het oor der herderin was scherper dan dat der vogels. Zij hoorde dat +iemand haar naderde, en wist dat er maar een was, wiens voetstap dit +zijn kon. + +Zij strekte de hand uit naar een steen die naast haar lag, en wierp +dien in de bron, waardoor het water dadelijk troebel werd. Daarop +ging zij op de zijde liggen, met het hoofd rustende op den arm, alsof +zij sliep. Duidelijker, steeds duidelijker lieten zich krachtige +voetstappen hooren. + +Hij die de trappen afkwam was een jongeling, lang van gestalte. Naar +zijne kleeding te oordeelen behoorde hij tot de Anachoreten van +den Sinaï, want hij droeg niets dan een hemd-rok van grof linnen, +waaraan hij ontgroeid scheen te zijn, en ruwe lederen voetzolen, +die om zijne voeten vastgesnoerd waren met banden van palmbast. + +Zoo armelijk als deze er uitzag zou geen heer zijn slaaf kleeden, +en toch zou niemand hem voor een onvrije hebben gehouden, want met +opgerichten hoofde schreed hij voort, zich blijkbaar bewust van zijne +beteekenis. Hij kon niet veel ouder zijn dan twintig jaren; zulk een +leeftijd verried althans het zachte pas te voorschijn komende haar +op zijn bovenlip, om zijn kin en op zijne wangen. In zijne groote +blauwe oogen las men echter niet de frischheid der jeugd, maar zekere +onvoldaanheid. Hij hield zijne lippen als uit trots stijf op elkaar +gedrukt. + +Thans bleef hij staan en streek zich de ongeordende bruine lokken, +die in dichte massa, als de manen van een leeuw, zijn hoofd omgaven, +uit het gezicht. Vervolgens naderde hij de bron. Zoodra hij bukte, +met de groote gedroogde schaal van een pompoen in de hand, om water +te scheppen, bemerkte hij eerst dat de bron troebel was; toen zag +hij de geiten en eindelijk ook de sluimerende herderin. + +Mismoedig zette hij de schaal voor zich op den grond, en riep daarop +het meisje met luider stem. Zij verroerde zich echter niet voordat hij +haar met zijn voet vrij onzacht aanstiet. Toen rees zij plotseling +op, als had haar een adder gestoken. In haar jeugdig, door de zon +gebruind gelaat vlamden twee oogen, zwart als de nacht, die op den +jonkman waren gericht. De sierlijke vleugels van haar scherp gebogen +neus bewogen zich snel, en hare sneeuwwitte tanden schitterden, +terwijl zij hem toeriep: "Ben ik dan een hond, dat gij mij zóo wekt?" + +Hij kreeg een kleur, wees onwillig op de bron en zeide norsch: "Uw +vee heeft het water als altijd troebel gemaakt. Ik zal hier moeten +wachten tot het weer helder wordt en ik er uit scheppen kan." + +"De dag is lang," gaf de herderin ten antwoord, en rolde, terwijl +zij opstond, als geschiedde het bij ongeluk, een nieuwen steen in +het water. + +De zegevierende blik, waarmede zij in den bron had neergezien, was den +jongeling niet ontgaan en toornig hernam hij: "Hij heeft gelijk! Gij +zijt eene vergiftige slang, een demon der hel." + +Lachend keerde zij zich tot hem, en zette een gezicht, alsof zij +wilde toonen, dat zij werkelijk een schrikkelijk monster was; en +dit viel haar gemakkelijk bij het buitengewoon scherpe van hare licht +bewegelijke, jeugdige trekken. Zij bereikte dan ook volkomen haar doel, +want onder allerlei teekenen van ontzetting week hij terug, strekte de +armen uit als wilde hij haar van zich weren, riep den naam van God aan, +en zeide heftig, toen hij haar zag lachen, steeds uitgelatener lachen; +"Terug, demon, terug! In den naam des Heeren vraag ik u, wie zijt gij?" + +"Mirjam ben ik, wie anders?" antwoordde zij overmoedig. + +Hij had een ander antwoord verwacht. Hare dartelheid verdroot hem, en +met weerzin zeide hij: "Hoe gij dan ook heet, gij zijt een monster, +en ik zal Paulus verzoeken u te verbieden, uw vee te drenken uit +onze bron." + +"Wat mij betreft mocht gij naar uw voedster loopen en mij bij haar +aanklagen, als ge er eene hadt," hernam zij, terwijl zij verachtelijk +de lippen optrok. + +Het bloed steeg hem naar het hoofd, doch zij ging onbevreesd en met +levendig gebarenspel voort: "Gij behoordet een man te zijn want gij +zijt sterk en groot, maar gij laat u als een kind of als een hulpeloos +meisje leiden. Uw dagelijksche bezigheid is wortels en bessen te +zoeken, en met dat armzalige ding water te scheppen. Dat heb ik +geleerd, toen ik zóo klein was." Bij deze laatste woorden duidde zij +met de lang uitgestrekte spitse vingers harer beide handen, die niet +minder bewegelijk waren dan hare gelaatstrekken, eene bespottelijke +kleine maat aan. "Schaam u toch! Gij zijt sterker en schooner gebouwd, +dan al die Amalekieten-knapen daar beneden, doch beproef het eens u +met hen te meten in het pijlschieten of in het werpen met de lans!" + +"Kon ik maar doen wat ik wilde," zeide hij, haar in de rede vallende, +terwijl hij rood werd tot over de ooren. "Ik zou wel tien van die +schrale wichten kunnen staan!" + +"Dat wil ik gaarne gelooven," hernam het meisje, en met haar levendig +oog monsterde zij vol fierheid de breede borst en de sterk gespierde +armen van den jongeling. "Dat geloof ik wel; maar waarom durft gij +niet? Zijt gij de slaaf van dien man daarboven?" + +"Hij is mijn vader, en dan...." + +"Wat dan!" riep zij, met de hand zwaaiende, als wilde zij een +vleermuis verjagen. "Het zou een mooi gewemel worden in het nest, +als geen vogel wilde uitvliegen! Zie mijne jonge geiten daar: zoolang +zij de moeder noodig hebben loopen zij haar achterna, maar zoodra +zij zelve hun voedsel kunnen opsporen, zoeken zij 't waar zij het +vinden kunnen. Die eenjarige ginds, dat verzeker ik u, weet niet +eens meer of zij door de gele of door de zwarte gezoogd is.--En wat +voortreffelijks doet uw vader dan voor u?" + +"Zwijg!" viel de jongeling haar in de rede, met kennelijken onwil. "Er +spreekt een booze geest uit u. Ga weg van mij, want ik mag niet +aanhooren, wat ik niet zou durven uitspreken." + +"Durven, durven, durven," brauwde zij hem na. "Wat durft gij dan? Gij +durft niet eens luisteren." + +"Allerminst naar de dingen, die gij zegt, gij duivelin!" riep hij op +heftigen toon. "Ik haat je stem, en als ik je weder bij de bron vind, +zal ik je met steenen wegjagen." + +Zij staarde hem zwijgend aan, terwijl hij deze woorden sprak. Hare +lippen waren doodsbleek geworden en hare kleine handen balden zich tot +vuisten. Hij wilde haar voorbijgaan om water te scheppen, maar zij trad +hem in den weg en hield hem staande met den strakken blik harer oogen. + +Eene kille huivering voer hem door de leden toen zij met bevende +lippen en eene doffe stem vroeg: "Wat heb ik u gedaan?" + +"Laat mij met rust," sprak hij, en hief zijne hand op om haar van +het water weg te dringen. + +"Gij zult mij niet aanraken," riep zij buiten zichzelve van toorn. "Wat +heb ik u toch gedaan?" + +"Gij weet niets van God," antwoordde hij, "en wie God niet toebehoort +is des duivels." + +"Dat zegt gij niet uit uw zelf," hernam zij, en wederom klonk er iets +spottends in haar stem. "Wat zij u laten gelooven, dat brengt uw tong +in beweging, evenals de hand het koord van een ledepop. Wie heeft u +gezegd, dat ik des duivels ben?" + +"Waarom zou ik het voor u verbergen?" antwoordde hij trotsch. "De +vrome Paulus heeft mij voor u gewaarschuwd, en ik mag er hem dankbaar +voor zijn. Uit uw oog, zeide hij, blikt de booze. En hij heeft gelijk, +duizendmaal gelijk. Als gij mij aanziet is het mij, als moet ik alles +met voeten treden wat mij heilig is. In den afgeloopen nacht heb ik +gedroomd, dat ik met u rondzweefde in luchtigen dans..." + +Bij deze woorden verdwenen ernst en boosheid uit Mirjam's oogen. Zij +klapte in de handen en riep: "Ware het maar werkelijkheid geweest +en geen droom! Schrik nu niet weder, gij gek! Weet ge wat het is, +als de snaren klinken bij de tonen der fluiten, en de voeten zich in +de maat opheffen, als hadden ze vleugels?" + +"De vleugels van den Satan," hernam Hermas op strengen toon. "Gij +zijt eene duivelin, eene verstokte heidin!" + +"Zoo zegt de vrome Paulus," sprak Mirjam lachende. + +"Ook ik zeg dat!" zeide de jongeling. "Wie heeft u ooit in de +vergadering der vromen gezien? Bidt gij? Dankt gij den Heer en +Heiland?" + +"Waarom zal ik toch danken?" vroeg Mirjam. "Daarvoor misschien, +dat de vroomste onder u mij voor een boozen geest uitmaakt?" + +"Juist omdat gij eene zondares zijt, onthoudt de hemel u het goede." + +"Neen, neen, duizendmaal neen!" riep Mirjam uit. "Geen godheid heeft +zich ooit om mij bekommerd. Ben ik niet goed, hoe zou ik het kunnen +zijn, daar mij nooit anders dan het kwade ten deel viel. Weet gij +wie ik ben, en hoe ik zoo werd? Was ik misschien reeds slecht, toen +zij op den pelgrimstocht hierheen mijne beide ouders doodsloegen? Ik +was toen nog slechts zes jaren oud, en wat beteekent een kind van +dien leeftijd! Maar ik herinner mij nog zeer goed, dat bij ons huis +vele kameelen weidden, en ook paarden, die ons toebehoorden, en dat +een groot edelgesteente schitterde aan de hand--zeker wel die mijner +moeder,--die mij zoo vaak streelde. Ik bezat ook eene zwarte slavin, +die mij gehoorzaamde. Als zij niet wilde gelijk ik, dan ging ik aan +hare grijzende wollige haren hangen, en mocht haar zelfs slaan. Wie +weet wat er van haar geworden is? Toen had ik haar niet lief, maar als +zij nu bij mij was, hoe goed zou ik voor haar zijn! Nu eet ik zelve +sedert twaalf jaar het brood der slavernij en hoed de schapen van den +senator Petrus. Waag ik het op het feestterrein mij bij de overige +meisjes te voegen, dan jagen ze mij weg en rukken mij de krans uit +het haar.--En ik zou dankbaar zijn! Waarvoor dan? En vroom! Welke God +heeft dan voor mij gezorgd? Noem mij een booze demon, noem mij vrij +aldus, doch wanneer Petrus en uw Paulus zeggen, dat Hij daarboven, +die mij tot zulk een lot liet opgroeien, goed is, dan liegen zij. God +is boos, en het komt geheel met zijn karakter overeen, wanneer hij +u in het hart geeft mij met steenworpen van de bron te verjagen." + +Bij deze woorden barstte zij in een smartelijk snikken uit, en op +haar gelaat vertoonden zich allerlei hevige zenuwtrekkingen. + +Hermas gevoelde medelijden met de weenende Mirjam. Honderdmaal had +hij haar ontmoet, en altijd had zij zich hetzij overmoedig, hetzij +ontevreden betoond. Nu eens was zij hem uitdagend, dan weder toornig +tegengetreden, maar nooit had hij haar week of bedroefd gezien. + +Heden ontsloot zij voor het eerst haar hart voor hem, en de tranen, +die nu haar gelaat zoo veranderden, gaven haar persoon voor hem eene +waarde, die zij tot hiertoe niet bezeten had. Hermas gevoelde thans dat +zij eene vrouw was, en terwijl hij hare zwakheid zag en hoe zij onder +leed gebogen ging, schaamde hij zich over zijne hardheid, naderde hij +haar vriendelijk en sprak: "Gij behoeft niet te weenen. Kom altijd +maar weder aan de bron, ik zal u niet weren." + +Zijn zware stem klonk zacht en vriendelijk bij het uitspreken +dezer woorden; zij begon echter nog heviger, bijna krampachtig te +snikken. Zij wilde maar kon niet spreken. De slanke herderin stond +daar voor hem, bevende over al hare teedere leden, diep geschokt, +als wegsmeltende in hare tranen, en het was of eene inwendige stem +hem zeide, dat hij haar helpen moest. + +Tot in het diepst zijner ziel gevoelde hij medelijden, en zijne niet +zeer buigzame tong was als verstijfd. Toen hij geenerlei troostwoorden +kon vinden, nam hij de waterkruik in de linkerhand, waardoor de +rechter vrij werd, die hij vriendelijk op haar schouder legde. + +Zij kromp ineen, maar verroerde zich niet. + +De warme adem van haar mond gleed over hem heen. Hij wilde zich +terugtrekken, maar gevoelde zich als vastgekluisterd. Nauwelijks wist +hij of zij weende of lachte, terwijl hij zijne hand op hare zwarte +lokken liet rusten. + +Zij verroerde zich niet. Ten laatste hief zij het hoofd op. Hare vurige +oogen ontmoetten de zijne, en op hetzelfde oogenblik gevoelde hij, +hoe twee teedere armen zijn hals omsloten. + +Toen was het hem als vernamen zijne ooren de branding der zee, +als flikkerden vlammen op voor zijn blik. Naamlooze angst greep hem +aan. Met geweld scheurde hij zich van haar los, en vloog onder een +luiden gil, alsof de geesten der hel hem vervolgden, naar den trap +die tot de bron leidde. Hij gaf er zelfs geen acht op, dat hij zijn +kruik tegen den rotswand in duizende stukken verpletterde. + +Zij bleef als aan den grond genageld staan en keek hem na. Daarop +sloeg zij zich met de kleine hand voor het voorhoofd, wierp zich +weder bij de bron neer en staarde in de ruimte. + +Roerloos lag zij daar; haar mond bleef gestadig in beweging. Eerst +toen de schaduwen der waaierpalmen langer werden sprong zij overeind, +lokte de geiten en richtte scherp luisterend den blik naar den trap, +waarlangs hij verdwenen was. + +In de nabijheid van den keerkring is de schemering kort, en zij wist +dat zij op den steenachtigen weg naar het dal, die zoo rijk was aan +kloven, door de duisternis zou kunnen overvallen worden, wanneer zij +langer toefde. + +Zij was ook bang voor de schrikbeelden van den nacht, voor geesten en +demonen en ontelbare gevaren, van welker aard zij zich geen rekenschap +kon geven. Doch zij week niet van de plek en hield niet op te luisteren +en naar zijn terugkomst uit te zien, tot dat de zon achter den heiligen +berg was verdwenen en de gloed in het westen verbleekte. + +Rondom haar was alles doodelijk stil; zij kon hare eigene ademhaling +hooren. Huiverend kromp zij ineen, bij het gevoel van de kilheid +der nacht. + +Daar hoorde zij boven haar hoofd een luid gerucht. Een troep +steenbokken, die gewoon waren op dit uur hun dorst te lesschen, +kwam nader en nader, maar week terug bij het bespeuren van eene +menschelijke gedaante. De aanvoerder van de kudde alleen was aan den +rand van de kloof blijven staan, en zij wist dat deze wachtte tot +zij zou opgebroken zijn, om de overigen voor te gaan naar de bron. + +Reeds hief zij, eene vriendelijke opwelling van haar hart volgende, +den voet op, om voor de dieren plaats te maken. Doch opeens herinnerde +zij zich de bedreiging van Hermas, dat hij haar van de bron verjagen +zou, en onwillekeurig nam zij een steen op, waarmede zij naar den bok +wierp, die van schrik ijlings wegsprong, gevolgd door de geheele kudde. + +Mirjam hoorde ze vluchten, en dreef nu met gebogen hoofd de kudde +in de duisternis huiswaarts, terwijl zij met hare voeten al tastende +den weg zocht. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + +Hoog boven de kloof met de bron lag eene effene rotsvlakte van niet +zeer grooten omvang, aan de achterzijde begrensd door een veelvuldig +gespleten wand van kaal roodbruin porfier. Door den voet liep, als een +groene band, een diorietader, zoo hard als staal, en daaronder zag +men de opening van eene kleine ronde holte, die de scheppende hand +der natuur hier zelve had aangebracht. Vroeger hadden wilde dieren, +panters en wolven hier hun verblijf gehouden, thans diende zij tot +woning voor den jongen Hermas en zijn vader. + +Er bevonden zich in den heiligen berg vele dergelijke holen, en de +grootste waren door Anachoreten in beslag genomen. Die van Stephanus +was bijzonder hooggewelfd en diep; toch was er maar eene smalle ruimte +over tusschen de legersteden van gedroogde bergkruiden, waarop hier +de vader, dáar de zoon sliep. + +Het middernachtelijk uur was reeds lang voorbij, maar noch de jonge +noch de oude grotbewoner scheen te slapen. Hermas zuchtte luide, en +wierp zich onrustig van de eene zijde op de andere, zonder acht te +geven op den ouden man, die zwak en door smarten gekweld, den slaap +niet ontberen kon, terwijl Stephanus zich de verademing ontzegde +van zich om te wenden of te steunen, toen hij meende te bemerken, +dat zijn krachtige zoon rust gevonden had. + +Wat mocht toch den knaap, die anders zoo vast sliep en moeilijk te +wekken was, wel de rust benemen? + +"Hoe komt het," dacht Stephanus, "dat de krachtige jeugd zoo zwaar +en lang slaapt, de ouderdom, die behoefte heeft aan rust, ja ook +de kranke, zoo licht en zoo weinig? Moet het waken hun levenstijd, +waarvan zij het einde vreezen, verlengen? Waarom is men toch zoo +kinderachtig gehecht aan dit jammerlijk bestaan, en zou men zich +uit de voeten willen maken en verbergen als de engel ons roept en +de gouden deuren zich voor ons openen? Wij zijn niet ongelijk aan +Saul, den Hebreër, die zich schuil hield, toen men naderde om hem +te kronen.--Hoe smartelijk brandt mijn wond! Had ik maar een teug +water! Als het den armen jongen niet zooveel moeite had gekost den +slaap te vatten, zou ik hem om den kruik vragen." + +Stephanus boog zich over naar zijn zoon en luisterde, doch hij wekte +hem niet, toen hij zijne zware regelmatige ademhaling hoorde. Huiverend +trok hij zijne leden samen onder de schapenvacht, die slechts +halverwege zijn lichaam bedekte, want door de opening van de spelonk, +waarin het overdag gloeiend heet was, drong nu eene ijzige nachtlucht. + +Zoo verliep er geruimen tijd. Eindelijk meende hij op te merken, +dat Hermas zich oprichtte. + +Ja, de slaperige jonkman moest wel ontwaakt zijn, want hij begon te +spreken en Gods naam aan te roepen. + +Nu wendde de oude man zich tot zijn zoon en waagde het zacht te vragen: +"Hoort ge mij, kind?" + +"Ik kan niet slapen," antwoordde de jonkman. + +"Geef mij dan wat drinken," vroeg Stephanus; "mijne wond brandt zoo +ondragelijk." + +Hermas stond dadelijk op en stak den lijder de waterkruik toe. + +"Dank, dank, mijn kind," sprak de oude, en greep terstond naar de +hals van de kruik. Maar dezen kon hij niet vinden en verwonderd +zeide hij: "Wat is dit vochtig en koud. Dat is leem, en onze kruik +was een pompoen." + +"Ik heb haar gebroken," antwoordde Hermas, en "Paulus leende mij +de zijne." + +"Zoo, zoo," prevelde Stephanus. Na gulzig gedronken te hebben, gaf +hij de kruik aan zijn zoon terug en wachtte tot deze zich weder op +zijn leger had neergevlijd. Toen drong de bezorgdheid hem te zeggen: +"Gij zijt heden avond lang uitgebleven, de kruik is gebroken, en gij +hebt in uw slaap telkens gedroomd. Wat hebt gij toch ontmoet?" + +"Een demon der hel," antwoordde Hermas. "En thans vervolgt mij dit +gedrocht in onze grot en jaagt mij onder allerlei gedaanten schrik +aan." + +"Verban het dan en bid," sprak de oude man ernstig. "Voor den naam +van God vlieden alle onreine geesten." + +"Ik heb hem aangeroepen," zeide Hermas met een zucht, "doch te +vergeefs. Ik zie vrouwen met roode lippen en vliegende haren, +en witmarmeren beelden met ronde leden en gloeiende oogen, die mij +altijd en altijd weder wenken." + +"Neem dan den geesel ter hand," beval de vader, "en zie of ge u +daarmee rust kunt bezorgen." + +Dit bevel gehoorzamende stond Hermas andermaal op en ging met den +geesel naar buiten. De beperkte ruimte van de grot belette hem +daarbinnen dit werktuig met krachtigen arm te zwaaien. + +Weldra hoorde Stephanus in de stilte der nacht het snorrend geluid +der lederen riemen, de slagen op de veerkrachtige menschelijke spieren +en het smartelijk steunen van zijn zoon. De oude man kromp samen bij +elke striem, als had deze hemzelven getroffen. Eindelijk riep hij, +zoo luid hij kon: "Genoeg, thans is het genoeg!" + +Hermas keerde in de grot terug. Zijn vader riep hem aan zijne +legerstede en noodigde hem uit met hem gemeenschappelijk te bidden. + +Toen het Amen was uitgesproken, streek hij met de hand over de dichte +haren van zijn zoon en zeide: "Sedert gij in Alexandrië waart, zijt +gij veel veranderd. Ik wenschte, dat ik den bisschop Agapitus geen +gehoor gegeven en u de reis verboden had! Weldra zal mijn Heiland mij +roepen, dat weet ik, en niemand zal hier voor u zorgen. Dan zal de +verzoeker komen, en al die heerlijkheden van de groote stad, die toch +maar lichten als rottend hout, als slangen die een weerschijn geven, +als giftige purperbeziën...." + +"Ik verlang ze niet," viel Hermas hem in de reden. "Die woelige stad +bracht mij in verwarring, maakte mij beangst. Nooit, neen nooit zal +ik haar weer betreden." + +"Zoo spreekt gij altijd," gaf Stephanus ten antwoord, "en toch zijt +gij sedert de reis veranderd. Vroeger dacht ik zoo dikwijls, als ik u +hoorde lachen: die klank zal den Hemelschen Vader welgevallig zijn. En +thans?--Gij waart den zangvogel gelijk, en nu loopt gij zwijgend +daarheen; somber en mistroostig is uw blik en booze gedachten weren +den slaap van uwe sponde." + +"Dat is mijn lijden," antwoordde Hermas. "Wat ik u bidden mag, laat +mijne hand los. De nacht is weldra voorbij, en gedurende den geheelen +langen dag hebt gij tijd mij lessen te geven." + +Stephanus zuchtte, en Hermas zocht zijn leger weder op. Zij konden +beiden den slaap niet vatten, en de een wist van den ander, dat hij +waakte. Zij hadden elkander gaarne toegesproken, maar ontevredenheid +en trots sloten de lippen van den zoon, en de vader zweeg omdat hij +maar altijd de juiste woorden niet vinden kon, waarnaar hij zocht, +woorden die doordringen tot het hart. + +Eindelijk brak de morgen aan. Eene lichte schemering drong door de +opening naar binnen en het werd langzamerhand helderder in de sombere +ruimte van de spelonk. De jongeling ontwaakte en stond geeuwend op. + +Toen hij zijn vader zag liggen met geopende oogen, vroeg hij +onverschillig: "Zal ik hier blijven of naar den morgendienst gaan?" + +"Laat ons samen bidden," verzocht Stephanus. "Wie weet hoe kort ons +dit nog maar vergund is. De dag is voor mij niet verre meer, waarop +geen avond zal volgen. Kniel hier neder en laat mij het beeld van +den gekruisigden kussen." + +Hermas deed overeenkomstig het verlangen zijns vaders, en toen beiden +hun lofzang ten einde hadden gebracht, sprak een derde stem mede het +Amen uit. + +"Paulus!" riep de oude. "De Heiland zij geloofd! Onderzoek mijne wonden +toch eens. De pijlpunt tracht een uitweg te vinden en veroorzaakt +mij onlijdelijke smart." + +De zoo even aangekomen Anachoreet, die als eenige kleeding een +soort van hemd van bruine ongevolde stof en een schapenvacht droeg, +onderzocht de wond zorgvuldig, legde er kruiden op en prevelde daarbij +eenige vrome spreuken. + +"Nu is het veel beter," zeide de oude man met een zucht. "Terwille +uwer goedheid erbarmt de Heer zich mijner." + +"Ik goed? Ik, zondig vat!" hernam Paulus met een diepe metaalstem, +terwijl hij zijne bij uitnemendheid vriendelijke blauwe oogen +opsloeg, als wilde hij de verzekering geven, dat men zich zeer in +hem vergiste. Daarop streek hij met de hand het grijsachtig haar, dat +ongeordend en in groote lokken over zijn hals en zijn gelaat hing, uit +het gezicht en zeide opgewekt: "Een mensch is niet meer dan een mensch, +en velen zijn minder! In de ark was veel vee doch maar éen Noach!" + +"In ons scheepje zijt gij de Noach," zeide Stephanus. + +"Dan is die groote lummel hier de olifant," hernam Paulus lachende. + +"Gij zijt niet kleiner dan hij," antwoordde Stephanus. + +"Het is jammer dat deze steenen ark zoo laag van verdieping is, +anders konden wij terstond meten," sprak Paulus. "Ja, als Hermas en +ik zoo vroom en rein waren als wij groot en sterk zijn, dan hadden wij +beiden den sleutel tot het paradijs in handen.--Gij hebt u heden nacht +gegeeseld jonkman; ik hoorde de slagen. Goed zoo! Wanneer het zondige +vleesch zich laat gelden, dan moet men er zich tegen verzetten." + +"Hij heeft zwaar gesteund en kon niet slapen," zeide Stephanus. + +"Wel, dat zal ik hem afleeren," riep Paulus den jonkman toe, terwijl +hij zijne gespierde armen met gebalde vuisten naar hem uitstrekte. Doch +deze dreigende woorden klonken meer luid dan boos, en hoe wild die +reusachtige man in zijn schaapsvel er ook uitzag, er lag toch zulke +ene onweerstaanbare vriendelijkheid in zijn oogopslag en in zijne stem, +dat niemand gelooven kon, dat hij het met zijn toorn ernstig meende. + +"Helsche geesten hebben hem gekweld," zeide Stephanus vergoelijkend, +"en ik zou toch ook zonder zijn steunen geen oog hebben toegedaan. Dit +is nu reeds vijf nachten zoo geweest." + +"In den zesden echter," haastte Paulus zich te zeggen, "hebt gij rust +noodig. Sla de schapenvacht om, Hermas. Gij moet beneden in de oase +naar den senator Petrus gaan, en van hem of van zijne vrouw Dorothea, +de diakones, voor onze kranke eene goede slaapdrank halen.--Zie +nu eens aan; de jongen denkt waarachtig nog aan het ontbijt zijns +vaders! Waarlijk, uw eigen maag is een goed raadgever. Steek nu dat +brood bij u, en zet het water hier naast het bed neder. Gedurende +uwe afwezigheid zal ik een frisschen dronk halen. Ga nu met mij mede." + +"Wacht nog even," riep Stephanus. "Breng eene nieuwe kruik uit de +stad mede, mijn kind. Gij hebt ons gisteren de uwe geleend, Paulus +en ik wil...." + +"Ja, dat had ik haast vergeten," viel deze hem in de rede. "Ik ben dien +onvoorzichtigen jongen dank schuldig, want nu weet ik eerst hoe men +drinken moet, zoolang men gezond is. Voor geen last goud wil ik mijne +kruik terug hebben. Het water smaakt alleen, wanneer men uit de holle +hand drinkt. De pot behoort u toe. Ik zou mijzelven een zeer slechten +dienst bewijzen, als ik dien terug wilde vorderen. Goddank, thans +kan zelfs de slimste dief mij niets ontstelen, behalve mijn vacht." + +Stephanus wilde hem bedanken, maar hij greep Hermas bij de hand en +trok hem mede naar buiten. + + + +Beide mannen liepen een tijdlang zwijgend bergopwaarts over klippen +en rotsblokken heen. + +Paulus bleef eindelijk stilstaan op eene rotsvlakte, gelegen aan den +weg die van de zee over den berg naar de oase leidde. Hij richtte +zich tot den jongeling en zeide: "Als wij altijd de gevolgen van onze +handelingen konden voorzien, dan zou er geene zonde zijn." + +Hermas zag hem vragend aan; Paulus ging echter voort: "Indien gij +bedacht had, hoezeer uw arme vader slaap noodig heeft, zoudt gij +heden nacht doodstil hebben gelegen." + +"Ik kon niet," gaf de jonkman knorrig op deze berisping ten +antwoord. "Gij weet toch hoe onzacht ik mij gegeeseld heb." + +"Daaraan hebt gij goed gedaan, want als een stoute jongen hebt gij +slagen verdiend!" + +Hermas zag den berispenden vriend vragend aan. Schaamrood bedekte zijne +wangen, want hij herinnerde zich het woord der herderin, dat hij haar +bij zijne voedster mocht aanklagen. Daarom antwoordde hij op onwilligen +toon. "Zóo wil ik u niet langer te woord staan; ik ben geen kind meer?" + +"Ook niet het kinds uws vaders?" vroeg Paulus, en zag hem daarbij +zoo verwonderd en vragend aan, dat Hermas verlegen de oogen neersloeg. + +"Het is toch niet mooi, wanneer iemand juist hem, die alleen om +zijnentwil verlangt te leven, het weinigje leven dat hem rest +verbittert." + +"Gaarne had ik stil gelegen, want ik heb mijn vader lief, zoo goed +als ieder ander." + +"Gij slaat hem niet," hernam Paulus. "Gij brengt hem brood en water, +en drinkt den wijn niet alleen op, die de bisschop u voor hem van +het avondmaal mede naar huis geeft. Dit is nu wel iets, maar toch +lang niet genoeg." + +"Ik ben geen heilig man!" + +"Ik ook niet," zeide Paulus weder. "Ik ben vol zwakheden en zonden; +maar wat de liefde is, die de Heiland ons leerde, weet ik en dat kunt +gij ook weten. Hij werd aan het kruis voor u, voor mij, voor de armen +en tollenaren gefolterd. Liefde is zelfopoffering! En gij? Hoe lang is +het geleden sedert gij uw vader voor de laatste maal, een vriendelijk +gelaat hebt getoond?" + +"Ik kan niet huichelen." + +"Dat behoeft gij ook niet te doen; maar gij zult liefhebben. Inderdaad, +men bewijst geen liefde met hetgeen de hand doet, maar met hetgeen +het hart blijmoedig geeft, of zich weet te ontzeggen." + +"Is het dan geen offer, dat ik hier zoo armzalig mijn jeugd +verslijt?" vroeg de jongeling. + +Paulus deed verrast een schrede achterwaarts, schudde bedenkelijk +het ruige hoofd en zeide: "Staat het zóo met u? Denkt gij aan +Alexandrië? Voorzeker, het leven vliegt daar sneller voorbij dan op +onze eenzame bergen. Het bruine herderinnetje moogt ge niet lijden, +maar misschien heeft u daar eene mooie blanke Griekin met roode wangen +in de oogen gezien." + +"Spreek mij niet van de vrouwen!" hernam Hermas met oprecht gemeenden +weerzin. "Daar waren wel andere dingen te zien." + +Bij deze woorden fonkelden de oogen van den jonkman, zoodat Paulus +in groote spanning vroeg: "Wat dan?" + +"Gij kent Alexandrië beter dan ik," antwoordde Hermas ontwijkend. "Gij +zijt daar geboren, en men zegt dat gij een rijk jongeling geweest +zijt." + +"Zeggen ze dat?" vroeg Paulus. "Misschien hebben ze gelijk. Doch dit +moogt gij weten: ik ben blijde dat ik niets meer bezit van al de +nietswaardige zaken, die daar omlaag mij toebehoorden, en ik dank +den Heiland, dat ik het gekrioel der menschen thans den rug kan +toekeeren. Wat komt u toch in dat gewoel zoo bijzonder uitlokkend +voor?" + +Hermas aarzelde. Hij vreesde te spreken, en toch werd hij door eene +onweerstaanbare kracht gedreven, eindelijk eens te bekennen wat zijne +ziel verontrustte. + +Indien er onder al de ernstige mannen, die de wereld verachten en +waaronder hij was opgegroeid, zich éen bevond die hem begrijpen +kon, dan, dit wist hij, moest het Paulus zijn. Hem had hij, toen +hij nog klein was, in den ruigen baard gegrepen. Vaak had hij op +zijne schouder gezeten, en hem duizendmaal getoond, hoe lief hij hem +had. Wel was de Alexandrijn een der gestrengste, doch hij was alleen +hard voor zichzelven. + +Eens moest Hermas zijn hart ontlasten. Hij nam een haastig besluit +en vroeg den Anachoreet: "Hebt gij dikwijls de baden bezocht?" + +"Dikwijls?--Het verwondert mij zeer dat ik in al dat lauwe water niet +ben geweekt en uit elkander gevallen als een stuk wittebrood." + +"Waarom drijft gij den spot met hetgeen de schoonheid van den +mensch verhoogt?" vroeg Hermas vol vuur. "Waarom mogen in Alexandrië +christenen de baden bezoeken, terwijl wij hierboven, terwijl gij en +vader en alle Anachoreten het water slechts gebruiken om den dorst +te lesschen? Gij dwingt mij als een uwer te leven, maar ik wil geen +morsig dier gelijk zijn!" + +"De Allerhoogste trekt ons enkel aan," gaf Paulus ten antwoord, +"en voor Hem reinigen wij onze zielen." + +"Maar de Heer heeft ons ook het lichaam gegeven," viel Hermas hem in +de rede. "Het heet dat de mensch Gods evenbeeld is. En wij? Ik kreeg +een afkeer van mijzelven, alsof ik een leelijke aap was, zoo vaak +ik de jongelingen en mannen uit het groote badhuis bij de Zonnepoort +zag komen, met keurig geschikte welriekende haren en fijne kleederen, +die er zoo frisch en rein uitzagen. Toen zij daarheen gingen, dacht +ik aan mijn schurftig schaapsvel en meer dan verwilderd hoofdhaar; +als ik mijne armen en voeten aanzag, die niet minder fraai of stevig +gevormd zijn dan die van hen, werd ik beurtelings heet en koud, en was +het mij als trok een bittere drank mijne keelspieren samen. Het liefst +ware ik van schaamte, van spijt en verdriet in tranen uitgebarsten. Ik +wil geen vogelverschrikker zijn!" + +Hermas had de laatste woorden tandenknarsend uitgesproken, en Paulus +keek hem met onrust aan, toen hij voortging: "Mijn lichaam behoort +God toe, zoo goed als mijne ziel, en wat den christen in de stad +geoorloofd is...." + +"Dat mogen wij toch niet doen," viel Paulus hem ernstig in de +rede. "Wie zich eenmaal aan den hemel heeft toegewijd, die moet zich +geheel losmaken van de bekoringen des levens, en den eenen band na den +anderen losrijten, die hem aan het stof gekluisterd houdt. Er is een +tijd geweest, waarin ook ik mijn lichaam heb gezalfd en deze stugge +haren gekapt. Hoe verheugde ik mij, als ik mijn eigen beeld in den +spiegel zag! Toch zeg ik u, Hermas, en bij mijn dierbaren Heiland, +ik zeg het alleen omdat ik het gevoel, hier diep in het hart gevoel: +bidden is beter dan baden, en ik arm nietswaardig schepsel ben met +uren begenadigd, waarin mijne ziel zich vrijgeworsteld heeft, met uren, +waarin het mij vergund werd vol zaligheid en verrukking als eere-gast +deel te nemen aan de feestvreugde des hemels." + +Onder het uitspreken dezer laatste woorden had Paulus zijne +wijdgeopende oogen omhoog gericht, terwijl zij straalden met +wonderbaren glans. + +Een tijdlang stonden beiden zwijgend en roerloos tegenover +elkander. Ten laatste streek de Anachoreet zich het haar uit het +gezicht, waardoor zijn voorhoofd voor het eerst zichtbaar werd. + +Het was schoon gevormd, hoewel niet hoog, terwijl de blanke huidkleur +scherp afstak bij zijn door de zon gebruind gelaat. + +"Gij weet niet knaap," sprak hij, na eene diepe ademhaling, "welk +eene vreugde gij zoudt prijs geven voor nietige dingen. Eer de hemel +eene vrome tot zich roept, trekt de vrome den hemel tot zich op +aarde neder." + +Hermas verstond den Anachoreet zeer goed, want zijn vader staarde +ook vaak na urenlange gebeden, roerloos ten hemel, zonder te zien of +te hooren wat rondom hem gebeurde. Ook deze was gewoon, als hij uit +zijne ekstátische visioenen ontwaakte, aan zijn zoon te vertellen, +dat hij den Heiland gezien en de koren der engelen gehoord had. Doch +het was hem nooit gelukt zich in zulk een toestand te verplaatsen, +hoewel Stephanus hem niet zelden gedwongen had, vele eindeloos lange +uren op de knieën te liggen en met hem te bidden. + +Het was dikwijls gebeurd, dat na zulke oefeningen, die zijne ziel +diep schokten, het zwakke levenslicht van den ouden man dreigde uit +te gaan. Daar Hermas hem liefhad, zou hij hem gaarne verboden hebben +zich aan zulk eene gevaarlijke opwinding over te geven. Maar deze +zinsverrukkingen werden voor buitengewone begenadigingen gehouden, +en hoe zou de zoon het hebben durven wagen, zijn afkeer voor zulke +bij uitnemendheid heilige dingen voor zijn vader uit te spreken? + +Tegenover Paulus echter had hij, in de stemming waarin hij verkeerde, +den moed daartoe, daarom zeide hij: "Ik hoop stellig op het paradijs, +doch het wordt ons in elk geval eerst na den dood geopend. De +christen moet geduld hebben; waarom wacht gij niet op den hemel tot +de Heiland u roept, en wilt gij zijne vreugde reeds hier op aarde +genieten? Eerst het eene, en dan het andere! Waartoe heeft God ons +de gaven des lichaams gegeven, dan om ze te gebruiken? Schoonheid en +kracht zijn waarlijk niet gering te achten, en een gek alleen geeft +iemand kostelijke geschenken om ze weg te werpen." + +Paulus kon niet nalaten wederom met verbazing den jonkman aan te +zien, die zijn vader en hem tot deze ure in alle geestelijke dingen +zonder tegenspraak was gevolgd, en antwoordde, terwijl hij het hoofd +schudde: "Zoo denken de kinderen dezer wereld, die verre staan van +den Allerhoogste. Gewis, wij zijn evenbeelden Gods, maar welke zoon +kust het beeld zijns vaders, wanneer de vader zelf hem zijne lippen +voorhoudt?" + +Paulus had "moeder" in plaats van "vader" willen zeggen; daar hij +echter nog intijds bedacht, dat Hermas reeds zoo vroeg het voorrecht +had moeten missen van eene moeder te kunnen omhelzen, had hij het +verbeterd. Hij behoorde tot de zoodanigen, die het zooveel leed zou +doen anderen te kwetsen, dat zij, als konden zij gissen waar ook +zelfs de meest verborgene wonden van hunne naasten gelegen zijn, +ze nimmer willen aanraken dan om ze te heelen. + +In den regel sprak hij niet veel, heden echter ging hij haastig +voort: "Zooveel hooger God staat boven ons erbarmerlijk Ik, zooveel +waardiger is het ook voor een christen aan hem te denken, in plaats +van aan zijn eigen persoon. O, indien het ons gelukken kon dit Ik +geheel te verliezen en op te gaan in God! Maar het loopt ons altijd +achterna, en wanneer de ziel meent zich reeds in den Allerhoogsten +opgelost te hebben, roept het: 'Hier ben ik', en trekt het edelste +deel van ons wezen neer in het stof. Het is ellendig genoeg, dat +wij onze ziel in hare vlucht belemmeren, en ons vergankelijk deel +tot schade van het eeuwige door brood en water en armzalig slapen +onderhouden en versterken moeten, terwijl wij zoo gaarne zouden vasten +en waken. Zullen wij dan het vleesch nog, tot schade der ziel, zulke +eischen toestaan, die zich zoo gemakkelijk laten afwijzen? Slechts +hij, die zijn rampzalig Ik veracht en prijs geeft, zal door de genade +des Verlossers, als hij zichzelven verloren heeft, zich wedervinden +in God." + +Hermas had den Anachoreet geduldig aangehoord. Thans schudde hij +het hoofd en zeide: "Ik versta noch u, noch mijn vader. Zoolang ik +op deze aarde wandel ben ik Ik en geen ander. Na den dood echter, +maar ook eerst dan, begint het nieuwe eeuwige leven." + +"In geene deele," hernam Paulus, hem met levendigheid in de rede +vallende. "Dat andere hoogere leven, waarvan gij spreekt, begint niet +eerst aan gene zijde des graf voor hem, die hier reeds zonder ophouden +tracht terwijl hij leeft te sterven, zijn vleesch te dooden, de eischen +der zinnelijkheid te overwinnen, de wereld en zijn Ik te verloochenen, +en den Heer te zoeken. Het was velen vergund reeds te midden van dit +leven wedergeboren te worden tot een hooger bestaan. Zie mij aan, den +armsten van alle armen. Ik ben een wezen en toch ben ik voor den Heer +zoo zeker een ander, dan die ik was vóor zijne genade mij aangreep, als +deze palmtwijg, die opschiet uit den wortel van den omgevallen boom, +niet éen is met den verrotten stam. Ik ben een heiden geweest, en elke +lust der zinnelijkheid heb ik met volle teugen genoten. Daarna ben ik +een christen geworden; de genade des Heeren is over mij gekomen; ik +werd opnieuw geboren en andermaal een kind, maar ditmaal mijn Verlosser +zij dank! een kind des Heeren. Midden in het leven stierf ik, stond +ik op, vond ik de vreugde des hemels. Eens was ik Menander, en als +Saulus ben ik Paulus geworden. Alles wat Menander lief was: baden, +gastmalen, tooneelspelen, paarden en wagens, wedstrijden, zalvingen, +rozen en kransen, purperen kleederen, gezang en vrouwenliefde, dat +alles ligt achter mij als een vuil moeras, waaraan de wandelaar met +moeite is ontkomen. Geen ader van den ouden mensch is in den nieuwen +teruggebleven, en gelijk voor mij, zoo is voor alle vromen, midden +op den weg naar het graf, een nieuw leven begonnen. Ook uwe ure zal +slaan ook gij zult afsterven...." + +"Ware ik slechts als gij een Menander geweest!" riep Hermas uit, den +ander haastig in de rede vallend. "Hoe kan men iets van zich werpen, +wat men nooit bezeten heeft? Om te kunnen sterven, moet men eerst +leven! Dit jammerlijk leven is verachtelijk in mijn oog, en ik ben +het moede u na te loopen als het kalf de koe. Ik ben een vrij man +en van een edel geslacht, dat heeft mijn vader mij zelf gezegd, en +waarlijk ik ben niet zwakker dan de burgerzonen in de stad, die ik +van het badhuis naar het worstelperk volgde." + +"Zijt gij dan in de palaestra geweest?" vroeg Paulus verwonderd. + +"In het Timagetische worstelperk!" riep Hermas in geestdrift. "Vóor +de poort zag ik de spelen der jongelingen, hoe zij worstelden en met +zware schijven naar een doel wierpen. De oogen sprongen mij bijna +uit het hoofd, toen ik dit aanzag, en ik zou het luid hebben kunnen +uitschreeuwen van spijt, dat ik daar zoo staan moest met die lompe +vacht en uitgesloten blijven van dien wedkamp. Als Pachomius er niet +op aangekomen was, bij de wonden des Heilands, ik zou in de baan zijn +gesprongen, ik zou den sterksten van allen zeker uitgedaagd en met hem +geworsteld hebben, ik zou den schijf verder hebben geslingerd dan die +welriekende gek, die de overwinning behaalde en dien zij bekransten." + +"Dank Pachomius," zeide Paulus lachend, "dat hij u terug hield, want +gij zoudt in het worstelperk slechts bespotting en schande hebben +verworven. Sterk zijt gij zeker, maar het werpen met de schijf moet +geleerd worden, gelijk iedere andere kunst. Hercules zelf zou bij +dit spel moeten onderdoen zonder oefening en kennis der handgrepen." + +"Het zou de eerste maal niet geweest zijn, dat ik wierp," hernam de +jongeling. "Zie maar eens wat ik kan!" + +Bij deze woorden bukte hij, nam een der platte steenen op, die hier +bij menigte lagen om den weg vast te maken, strekte krachtig den arm +achterwaarts, en slingerde de werpschijf van graniet over de helling +in de diepte. + +"Nu ziet gij het!" zeide Paulus, die den worp opmerkzaam en niet +zonder nieuwsgierige spanning gevolgd had. "Hoe sterk uw arm ook zijn +mag, ieder nieuweling werpt verder dan gij, als hij de kunstgrepen +kent. Zóo is het niet goed; de schijf moet met den scherpen kant +als een mes de lucht doorsnijden. Zoo als gij uw hand houdt, werpen +vrouwen. Het handgewricht gestrekt, de linkervoet achterwaarts, de +knie gebogen!--Zie nu dien domoor eens aan! Geef mij den steen!--Dáar, +zoo neemt men den schijf in de hand, zoo trekt men het lijf samen +en drukt de knie naar beneden, gelijk het hout van een boog, +opdat elke spier van het geheele lichaam het werptuig, als ge het +loslaat, helpt voortstuwen.--Ja, zoo zal het beter gaan; maar het +is toch nog het rechte niet. Hef de schijf eens op met uitgestrekten +arm! Houd nu het oog goed op uw doel gericht! Beweeg haar nu hoog naar +achter!--Hola! Nog eens! De arm moet sterker gespannen zijn eer gij +slingert.--Dat was vrij wel; maar de steen moet komen tot gindschen +palm.--Geef mij deze schijf en dien steen dáar. Zoo! De ongelijke +hoeken belemmeren de snelheid! Let nu eens op!" + +Paulus had met steeds klimmende levendigheid gesproken, terwijl hij +den jonkman leerde met den discus te werpen. Thans nam hijzelf de +schijf in de hand, gelijk hij jaren geleden gewoon was te doen, toen +geen jongeling in Alexandrië hem in het werpspel kon overtreffen. Hij +boog de knie, bracht het bovenlijf een weinig vooruit, draaide het +handgewricht heen en weer, strekte den arm, waarvan alle spieren +tot het uiterste werden gespannen, zoo ver mogelijk uit, en wierp +den steen met vliegende snelheid in de ruimte, terwijl de gekromde +teenen van zijn rechtervoet in den grond boorden. + +De schijf viel vóor den palm neder, waarop hij gemikt had, zonder +hem geraakt te hebben. + +"Wacht," riep Hermas, "laat mij nu beproeven of ik den boom treffen +kan!" + +Zijn steen snorde door de lucht, maar bereikte niet eens den heuvel, +waarop de palm zich verhief. + +Paulus schudde afkeurend het hoofd, greep andermaal een platten +steen, en thans begon er tusschen beiden een levendige wedstrijd. Bij +elken worp vloog de steen van Hermas, die met groote vaardigheid +zijn meester in houding en greep wist na te volgen, een eind verder, +terwijl de arm van den ouden man vermoeid begon te worden. + +Daar bereikte de schijf van Hermas reeds voor de tweede maal den +palmboom, terwijl Paulus bij zijn laatste worp zelfs den heuvel +had gemist. + +De lust tot den wedkamp overmeesterde den Anachoreet hoe langer hoe +meer. Hij wierp zijn vacht af, en terwijl hij een nieuwen steen +opraapte, riep hij, als stond hij nog onder zijne van zalfolie +glimmende gezellen in het Timagetische worstelperk, waarin hij +zoovele kransen veroverd had: "Bij Apollo met zijn zilveren boog en +de schietlustige Artemis, nu wil ik den palm toch raken!" + +Het werptuig doorkliefde de lucht, zijn bovenlijf richtte zich snel +vooruit, zijn linkerarm strekte zich achteruit om zijn wankelend +lichaam het evenwicht weder te geven. Een krak werd gehoord. De boom, +die getroffen was, schudde. + +"Verbazend!" riep Hermas juichend uit, "verbazend! Dat was een +worp! De oude Menander is dus nog niet gestorven. Vaarwel, morgen +werpen wij verder!" + +Met deze woorden verliet Hermas den Anachoreet en snelde met groote +stappen den berg af naar de oase. + +Evenals een slaapwandelaar, wanneer iemand hem wekt door hard zijn naam +uit te roepen, zoo schrikte ook Paulus bij deze woorden op. Verward zag +hij rondom zich, als was hij in eene vreemde wereld verplaatst. Op zijn +voorhoofd parelden heldere zweetdruppels. Beschaamd raapte hij zijn +op den grond liggend kleed op en bedekte daarmede zijne naakte leden. + +Een tijdlang staarde hij Hermas na; vervolgens bracht hij in diepe +smart de hand aan zijn voorhoofd, terwijl dikke tranen in zijn baard +rolden. "Wat heb ik gezegd!" prevelde hij in zichzelven. "Elke ader +van den ouden mensch zou hier binnen uitgeroeid zijn? Ik dwaas, +ik ijdele dwaas! Ze noemen mij Paulus en ik ben nog maar een Saulus!" + +Bij deze woorden wierp hij zich op de knieën, drukte zijn voorhoofd +tegen de harde rotsen en begon te bidden. Het scheen hem toe alsof +hij uit de hoogte was neergevallen op zwaarden en lansen, als bloedde +zijn hart, terwijl hij wegsmolt in tranen en verzuchtingen, zichzelven +aanklagende en veroordeelende, gevoelde hij niet hoe heet de zon, +die al hooger en hooger rees, brandde, bedacht hij niet hoe de tijd +voorbijging, hoorde hij niet, dat vele pelgrims, die onder leiding +van den Bisschop Agapitus de heilige plaatsen kwamen bezoeken, +hem naderden. + +De bedevaartgangers zagen hem bidden, hoorden zijn snikken, bewonderden +zijne vroomheid en knielden op een wenk van hun aanvoerder achter +hem neder. + +Toen Paulus eindelijk opstond, bemerkte hij tot zijne verrassing +en schrik de menschen, die getuigen waren geweest van zijne +verootmoediging in het gebed. Hij naderde Agapitus, om diens gewaad +te kussen. + +"Niet alzoo!" sprak deze. "De vroomste is de grootste onder ons. Komt +vrienden, buigen wij de knieën voor dezen heiligen man!" + +De pelgrims voldeden aan dit bevel. + +Paulus bedekte zijn gelaat met de handen en zeide al snikkend: "Ik +arme, ik arme!" Doch de pelgrims prezen zijn deemoed en trokken met +hun aanvoerder verder. + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + +Hermas was voortgesneld, zonder zich op te houden. + +Reeds stond hij aan de laatste kromming van den door de bergkloof +gevormden weg, dien hij gevolgd had, en zag aan zijne voeten in het ver +uitgestrekte dal het heldere water van de beek, dat hier den bodem der +woestijn vruchtbaar maakte. Hier verhieven zich hoogstammige palmen +en groeiden ontelbare tamarisken-struiken, waartusschen de huizen +der oase-bewoners, door kleine tuintjes en zorgvuldig bevochtigde +strooken bouwgrond omgeven, overal kwamen uitkijken. Reeds vernam hij +het hanengekraai en het vriendelijk geblaf der honden, hetgeen hem, +wien dag en nacht, ginds op de rotsachtige hoogte, de diepe stilte +der eenzaamheid omgaf, als een groet midden uit het leven, waarnaar +hij smachtte, in de ooren klonk. + +Hij bleef staan en volgde met zijne oogen de dunne rookzuilen, die +statig in den helderen glans van de steeds hooger en hooger rijzende +zon, uit de talrijke woningen beneden hem opstegen. + +"Daar koken nu," dacht hij, "de vrouwen voor hunne mannen, de moeders +voor hunne kinderen het ochtendmaal, en dáar, waar die donkere rook +zich verheft, wordt misschien voor gasten een heerlijken maaltijd +bereid. Doch ik ben nergens te huis en niemand noodigt mij." + +De wedstrijd met Paulus had hem opgewekt en wat vroolijker gestemd, +maar het zien van de stad vervulde zijn jeugdig hart met nieuwe +bitterheid. Zijne lippen beefden, toen hij een blik sloeg op zijn +schapenvacht en zijne onreine ledematen. + +Hij stond niet lang na te denken, keerde ijlings de oase den rug toe en +liep den berg op. Bij eene bron, die hem alleen bekend was, wierp hij +zijn harig kleed af, liet het koele water over zijn lichaam stroomen, +wiesch zich zorgvuldig en met welgevallen, streek met zijne vingers +zijne dichte haren in orde en ijlde daarop weder naar het dal terug. + +De kloof die hij volgde kwam bij een heuvel uit, die zich te midden +der vlakte verhief en op welks oostelijke helling eerst onlangs een +kerkje was opgetrokken. Overigens werd deze hoogte omgeven door muren +en wallen, waarachter de inwoners van die plaats beschutting vonden, +wanneer roofzuchtige Saracenen de oase bedreigden. Zij wordt nog voor +eene bij uitnemendheid heilige plaats gehouden, want op den top zou +Mozes in den slag tegen de Amalekieten gebeden hebben, terwijl Aäron +en Hur zijne hoog opgehevene armen ondersteunden. + +Doch er waren in de nabijheid van deze oase nog andere eerwaardige +plaatsen. Daar zag men, wat verder noordwaarts, de rots, waaruit Mozes +eene bron te voorschijn had doen komen; ginds, iets meer zuidoostelijk +en hooger op, den heuvel waar de Heer met zijn wetgever gesproken had, +waar ook het braambosch had gebrand. Hier werd ook de bron gevonden, +waarbij Mozes de dochters van Jethro had aangetroffen, die de oude +legende Zippora en Ledja noemt. + +Naar deze heilige plaatsen gingen vrome pelgrims in grooten getale +ter bedevaart. Onder dezen bevonden zich vele inboorlingen van het +schiereiland, en met name Nabateërs, die weleer den heiligen berg +hadden bezocht, om op zijn top aan hunne goden, de zon, de maan en +de planeten te offeren. + +Aan den noordelijken ingang verhief zich een sterkte, waarin, sedert +onder Trajanus de Syrische praefect Cornelius Palma Steenachtig Arabië +had onderworpen, een keizerlijke bezetting lag, die de bloeiende +stad der woestijn moest verdedigen tegen de invallen der Saracenen +en Blemmyers. + +Ook de Pharanietische burgers hadden maatregelen genomen voor de +beveiliging van hunne bezittingen. Op den bovensten top van den +veelgespleten bergkroon, het hoogste verblijf wijd en zijd in het +land, onderhielden zij wachters, die dag en nacht in de verte tuurden, +om bij naderend gevaar een waarschuwend teeken te geven. + +Elk hunner huizen geleek een burcht, want het was uit vasten steen +opgetrokken, en hunne jonge mannen waren in het boogschieten flink +geoefend. + +De voornaamste familiën woonden in de nabijheid van den +kerkheuvel. Daar lagen de huizen van den bisschop Agapitus en van de +raadsheeren van Pharan. Onder de laatste stond de senator Petrus het +hoogst in aanzien, deels wegens zijn ernst en degelijkheid, deels +wegens zijne bezittingen in bergwerken, tuingrond, dadelpalmen en +vee, maar deels ook tengevolge van de zeldzame eigenschappen zijner +vrouw, de diakones Dorothea, de kleindochter van den sedert lang +gestorven waardigen bisschop Chaeremon, die met zijne gade gedurende +de christenvervolging onder Decius hierheen was gevlucht en vele +Pharanieten tot de leer des kruizes had bekeerd. + +Het steenen huis van Petrus was stevig gebouwd en net gevoegd; de +palmtuin daarnaast werd zorgvuldig onderhouden. Tot zijne bezittingen +behoorden twintig slaven, vele kameelen en zelfs twee paarden. De +centurio, die het opperbevel voerde over de keizerlijke bezetting, +de Galliër Phoebicius en zijne vrouw Sirona, woonden als huurders +onder zijn dak; hoewel niet tot genoegen van den raadsheer, want de +centurio was geen christen, maar een aanbidder van Mithras. Bij de +mysteriën van deze godheid was de woeste Galliër tot den rang van +"leeuw" opgeklommen, daarom waren de zijnen en ook de Pharanieten +gewoon hem "de leeuw" te noemen. Zijn voorganger was een officier van +veel minder rang, doch een geloovig christen geweest, dien Petrus +had uitgenoodigd zijn intrek te nemen in zijn huis. Toen de leeuw +Phoebicius een jaar geleden den vromen Pancratius verving, kon de +senator den eerstgenoemden het opengevallen verblijf niet weigeren. + +Schuw en aarzelend naderde Hermas het erf van Petrus, en zijne +verlegenheid klom, toen hij in de voorzaal van het deftige steenen +huis, dat hij ongehinderd was binnengetreden, niet wist naar welke +zijde hij zich wenden moest. Er was niemand die hem den weg kon +wijzen, en hij waagde het niet de trappen op te klimmen, die naar +de bovenverdieping voerden, ofschoon Petrus zich daar scheen op te +houden. Er was geen twijfel aan, want nu hoorde hij boven zich spreken +en onderscheidde hij duidelijk de zware stem van den senator. + +Hermas liep dus naar den trap en zette zijn voet op de eerste +trede. Doch toen hij, beschaamd over zijn blooheid, nauwelijks begonnen +was, minder besluiteloos op te klimmen, hoorde hij boven zich een +deur openvliegen, en daarna stroomde, als bij eene opgehoudene beek, +wanneer de molenaar de sluizen openzet, een vloed van heldere lachende +kinderstemmen hem te gemoet. + +Verrast keek hij naar boven, maar hij had geen tijd om te overleggen, +want reeds had de losgelatene jubelende schare den trap bereikt. Een +buitengemeen schoone jonge vrouw, met goud-blonde haren, vloog +vóor allen uit. Zij hield, overluid lachende, eene met veelkleurige +kleederen opgesierde pop in de hoogte. Zij liep achterwaarts naar den +trap toe, en keek met haar blank gelaat, vol ondeugende blijdschap, +de kinderen aan, die in hartstochtelijk verlangen, half dringend, +half smeekend, half lachend, half huilend door elkander riepen: +"Geef ze ons, Sirona!" "Neem ze niet weer meê, Sirona!" "Toe, blijf +toch hier Sirona!" "Sirona" en weder "Sirona!" + +Een lieftallig zesjarig meisje vloog op haar toe, om den blanken +gevulden arm, die het speelgoed omhoog hield, te bereiken. Drie +kleintjes, die poogden zich aan haar knie vast te klemmen, hield zij +met de vrijgeblevene linkerhand dapper van zich af, en riep, altijd +achteruitgaande: "Neen, neen, ge krijgt de pop niet weder, voor zij +eene nieuwe jurk aan heeft, die lang zal zijn en even kleurig als +het kleed van den keizer. Laat mij los, Cæcilia, anders valt ge naar +beneden, zooals onlangs met den wilden Nikon is gebeurd." + +Onder het spreken dezer woorden was zij aan de bovenste trede +genaderd. Eensklaps keerde zij zich om, en sloot met uitgestrekte +armen den toegang tot den smallen trap af, waarop Hermas stond, +die met open mond het lustig spel boven zijn hoofd aanzag. + +Zoodra Sirona zich gereed maakte om naar beneden te vliegen, +merkte zij den jonkman op en schrikte. Doch zoo ras zij bespeurde, +dat de Anachoreet enkel uit verlegenheid geen woorden kon vinden, +om op hare vraag naar hetgeen hij verlangde te antwoorden, barstte +zij op nieuw in een schaterlach uit en riep naar beneden: "Kom maar, +wij zullen u geen kwaad doen; niet waar, kinderen?" + +Intusschen had Hermas weder moed gevat, om zijn verlangen, namelijk +den Senator te spreken, te kennen te geven, en de Gallische vrouw, +die met welgevallen de krachtige gestalte van den jonkman opnam, +bood zich aan om hem tot Petrus te brengen. + +Deze had zich, terwijl dit alles voorviel, met zijne volwassene oudste +zonen onderhouden, flinke mannen, ofschoon de vader grooter was en +bovendien buitengewoon breed van schouders. Terwijl de jongelingen het +woord voerden, streek hij over zijn korten, grijzen baard, en keek +naar den grond met somberen ernst; zoo moest het den oppervlakkigen +beschouwer althans toeschijnen. Hij die scherper zag werd spoedig +gewaar, dat niet zelden een tevreden, ja meermalen een ondeugend +lachje de lippen plooide van dezen verstandigen, degelijken man. + +Hij was een dergenen, die de kunst verstaan om met hunne kinderen als +eene jonge moeder te spelen, en zich het lijden van anderen weten +aan te trekken, alsof het henzelven betrof, die echter zoo donker +kunnen kijken en zulke scherpe woorden durven spreken, dat alleen +zij hen niet miskennen noch vreezen, die geheel met hen vertrouwd +zijn. Er knaagde zeker iets aan de ziel van dezen man, die toch alles +bezat, wat een mensch gelukkig kan maken. Hoewel dankbaar gestemd, +was hij zich toch bewust, dat hij meer had kunnen uitrichten, dan +hem het lot vergund had tot stand te brengen en te zijn. Hij was een +steenhouwer gebleven, maar zijne beide zonen hadden in eene goede +school te Alexandrië hunnen leertijd voleindigd. + +De oudste, Antonius, die reeds een eigen huis bezat, benevens vrouw en +kinderen, was bouwmeester en werktuigkundige; de jongste, Polycarpus, +een zeer begaafd jong beeldhouwer. Onder leiding van den oudsten was +het statig kerkje van de oase-stad gebouwd. Polycarpus, die eerst +sedert een maand terugkeerde, was van plan in de steengroeve zijns +vaders werken van grooten omvang te ontwerpen en uit te voeren, +want hij had de opdracht ontvangen om te Alexandrië het nieuwe +voorhof van het prachtig gebouw, dat Sebasteum of Caesareum werd +genaamd, te versieren met twintig leeuwen van graniet. Meer dan +dertig kunstenaars hadden met hem naar den voorrang gedongen; doch +oordeelkundige rechters hadden eenstemmig aan zijne modellen den prijs +toegekend. De bouwmeester, die voor het herstel van de zuilengangen +en vloeren van het voorhof zorg moest dragen, was zijn vriend, en +had hem toegestaan de granietblokken, steenplaten en cylinders, die +hij noodig had, uit de groeven van Petrus, en niet zooals gewoonlijk +geschiedde, uit die van Syëne bij den eersten waterval te halen. + +Antonius en Polycarpus stonden thans met hun vader voor een groote +tafel en gaven hem de verklaring van het plan, dat zij te zamen in de +dunne waslaag op een bord hadden gegrifd. De jonge bouwmeester sloeg +voor, over eene diepe doch smalle kloof, die de lastdieren niet konden +ontgaan dan langs een verren omweg, een brug te leggen en vervolgens +den afstand van de brug naar de zee, door een nieuw aan te leggen +weg voor meer dan een derde te bekorten. De kosten voor dit werk +waren spoedig te vinden uit de besparing van arbeidskracht, en wel +stellig en zeker, wanneer men de transportschepen, niet, zooals tot +hiertoe geschiedde, ledig liet terugkomen, maar in Klysma eene lading +winstgevende artikelen uit Alexandrijnsche fabrieken deed innemen. + +Petrus, die in de raadsvergadering vaak als redenaar kon schitteren, +sprak in het dagelijksch leven zeer weinig. Bij elken nieuwen voorslag +van zijn zoon, sloeg hij de oogen op, als moest hij onderzoeken of de +jonkman zijn verstand misschien niet verloren had, terwijl hij met +zijne half onder een grijzen knevel verborgene lippen meesmuilde, +ten teeken van bijval. Toen Antonius zijn plan, om namelijk de +kloof, die hem in den weg lag, onschadelijk te maken, begon uiteen +te zetten, bromde de senator: "Laat den slaven vleugels aangroeien; +maak de zwarte maar tot raven en de witte tot meeuwen, dan kunnen +zij daarover vliegen. Wat men al niet in de hoofdstad leert!" + +Zoodra het woord "brug" Antonius over de lippen was gekomen, zag hij +den jongeling strak aan en zeide: "Het is maar de vraag of de hemel ons +een regenboog wil leenen." Toen Polycarpus hem daarop voorsloeg, door +zijne Alexandrijnsche vrienden eenige cederbalken uit Syrië te laten +komen, en zijn oudste zoon hem de teekening van den boog verklaarde, +waarmede hij de kloof vast en zeker beloofde te overwelven, volgde +hij zijne woorden met gespannen opmerkzaamheid. Daarbij fronsde hij +zijne wenkbrauwen zóo onheilspellend en zag zóo somber, als vernam +hij het bericht van een misdaad. Toch liet hij zijn zoon geheel +uitspreken en prevelde alleen in den beginne: "kunststukken," of: +"ja, als ik eens de keizer was!" + +Eindelijk stelde hij duidelijke en bepaalde vragen, en ontving hij +stellige en doordachte antwoorden. Antonius bewees door getallen, +dat de verdiensten van eene leverantie voor het Caesareum meer dan +drievierde gedeelte der gezamenlijke uitgaven zou dekken. Daarop +nam Polycarpus het woord om te verzekeren, dat het graniet van den +heiligen berg deugdelijker van gehalte en schooner van kleur was, +dan dat van Syëne. + +"Wij arbeiden hier goedkooper dan aan den waterval," viel Antonius +hem in de rede. "Het vervoer der steenblokken zal ons niet zoo duur +te staan komen, wanneer de brug en de weg tot aan zee klaar zijn en +wij gebruik maken van den binnen weinige maanden weder bevaarbaren +Trajanusstroom, die de Roode zee met den Nijl verbindt." + +"En wanneer mijne leeuwen gelukken," zeide Polycarpus, "en Zenodotus +tevreden is met onzen steen en onzen arbeid, dan zou het weleens kunnen +gebeuren, dat wij boven Syëne den voorrang verwierven, en wij een +deel kregen van de kolossale bestellingen ten behoeve van de nieuwe +residentie voor Constantijn, die thans alleen aan de steengroeven +bij den waterval worden gedaan." + +"De verwachting van Polycarpus is niet te hoog gespannen," voegde +Antonius hierbij, "want de keizer zoekt met zekeren koortsachtigen +ijver Byzantium uit te breiden en te verfraaien. Aan ieder die een +nieuw huis bouwt, wordt jaarlijks graan geleverd, en om lieden van +onze soort, waarvan hij er nooit te veel kan hebben, tot zich te +trekken, belooft hij aan bouwmeesters, beeldhouwers, ja zelfs aan +bekwame arbeiders geheelen vrijdom van belastingen. Als wij hier +de blokken en zuilen nauwkeurig en volgens de teekening afwerken, +beslaan zij niet te veel plaats in de schepen, en niemand zal zoo +goedkoop kunnen leveren als wij." + +"En ook niet zoo goed," hernam Polycarpus, "want gij zijt zelf een +kunstenaar, vader, en kent de gesteenten beter dan iemand anders. Nooit +zag ik zulk een schoon stuk graniet, zoo gelijkmatig van kleur, +als het stuk dat gij voor den eersten leeuw heb uitgezocht. Ik zal +hem hier op de plaats zelve geheel gereed maken, en ik geloof dat +hij gezien zal mogen worden. 't Is waar, mijn arbeid zal moeielijk +de proef der vergelijking kunnen doorstaan met zoovele andere edele +werken uit den bloeitijd der kunst, waarmede het Caesareum is opgevuld: +doch ik zal mijn best doen." + +"Het worden prachtige leeuwen," zeide Antonius, terwijl hij zijn +broeder met trots aanzag. "In de laatste jaren heeft niemand +iets tot stand gebracht dat er bij halen kan, en ik ken mijne +Alexandrijners. Zoo het meesterwerk uit het gesteente van den +heiligen berg geprezen wordt, dan wil de geheele wereld graniet van +dáar en van daar alleen hebben. Het komt er maar op aan te zorgen, +dat het transport van steenen naar zee minder moeilijk en kostbaar +wordt gemaakt." + +"Beproeven wij het dan," zeide Petrus, die onder dit gesprek zijner +zonen zwijgend vóór hen op en neder had geloopen. "Beproeven wij +het dan in godsnaam met den bruggebouw. Den weg zullen wij maken, +wanneer de burgerij zich bereid verklaart de helft van de kosten te +dragen, anders niet. Gij moogt het wel weten: gij zijt beiden flinke +mannen geworden!" + +De jongste zoon greep zijne hand en bracht haar met innige +hartelijkheid aan zijne lippen. + +Petrus liet de hand snel over 's jongelings bruine lokken glijden, stak +daarop zijn oudsten de sterke rechterhand toe en zeide: "Wij zullen het +getal onzer slaven moeten vermeerderen. Roep uwe moeder, Polycarpus!" + +Met blijden spoed gaf de aangesprokene gevolg aan deze opdracht. Zoodra +vrouw Dorothea, die met hare dochter Marthana en eenige slavinnen +aan het weefgetouw zat, hem met gloeiende wangen het vrouwenverblijf +zag binnenstormen, stond zij, ofschoon zij tamelijk gezet was, met +jeugdige vlugheid op, en riep Polycarpus toe: "Heeft hij uw plannen +goedgekeurd?" + +"Den bruggebouw, moeder, en alles, alles," antwoordde de +jongeling. "Schooner graniet voor mijne leeuwen, dan dat vader voor +mij weet uit te zoeken, kan ik nergens vinden. Gij weet niet hoeveel +genoegen mij dit doet voor Antonius! Maar met den weg zullen wij +geduld moeten hebben. Hij wil terstond met u spreken." + +Vrouw Dorothea bracht haar zoon, die reeds haar arm had gegrepen en +trachtte haar met zich mede te trekken, door eene zachte beweging met +de hand tot bedaren. Hoezeer zij echter in den blijmoedigen geestdrift +van haren lieveling deelde, dat bewezen de tranen, die in hare goedige +oogen opwelden. + +"Geduld, geduld, ik kom al," zeide zij, terwijl zij haar arm losmaakte, +om haar gewaad en hare grijze haren, die in grooten overvloed en +goed onderhouden haar altijd nog vriendelijk en ongerimpeld gelaat +omlijstten, te ordenen. "Ik heb het u vooruit wel gezegd. Wanneer ge uw +vader verstandige dingen hebt voor te stellen, zal hij u hooren en uwe +wenschen inwilligen, ook zonder mijne tusschenkomst. De vrouw moet zich +niet met het werk der mannen bemoeien. De jeugd hanteert sterke bogen +en schiet dikwijls het doel voorbij. Dat zou mij fraai staan, als ik +uit kinderachtige liefde voor u beproeven wilde de sirene te spelen, +ten einde het wijs verstand van den stuurman van dit huis, uw vader, +door honingzoete woorden te streelen!--Gij lacht om zulk eene grijze +sirene? maar de liefde vergeet wat de jaren deden verloren gaan, +en heeft een goed geheugen voor alles wat er eens aanvallig in ons +was. De mannen hebben bovendien niet altijd als het noodig zou zijn, +was in de ooren. Komt, laat ons nu naar vader gaan!" + +Dorothea ging Polycarpus en hare dochter vooruit. De eerste hield +zijne zuster bij de hand terug en vroeg haar: "Was Sirona niet bij u?" + +De beeldhouwer wilde geheel onverschillig schijnen; toch kreeg hij +een kleur bij deze vraag. + +Marthana merkte het wel op en antwoordde met een schalksch lachje: +"Zij heeft ons haar mooi gezicht laten zien; maar gewichtige bezigheden +riepen haar weg." + +"Sirona?" vroeg Polycarpus ongeloovig. + +"Wel zeker!" antwoordde Marthana met een lach. "Zij moet voor de pop +van de kinderen eene nieuwe jurk maken." + +"Waarom spot gij met hare goedhartigheid?" vroeg Polycarpus een +weinig verwijtend. + +"Wat zijt gij prikkelbaar!" zeide Marthana zacht. "Sirona is zoo +vriendelijk en goed als een engel. Maar gij moest haar wat minder +aanzien, want zij behoort niet tot de onzen. Zoo afkeerig als ik +echter ben van dien norschen centurio, zoo...." + +Zij voltooide haar volzin niet, want vrouw Dorothea was aan den +drempel van het woonvertrek gekomen, en zag naar hare kinderen om. + +Petrus ontving zijne gade niet minder ernstig dan gewoonlijk, maar er +lag toch iets ondeugends in zijne halfgeslotene oogen toen hij vroeg: +"Gij zult zeker wel weten, waarom het te doen is?" + +"Gijlieden zijt waaghalzen, hemelbestormers," gaf zij hem vroolijk +ten antwoord. + +"Als het werk mislukt," hernam Petrus, terwijl hij op zijne beide +zonen wees, "zoo zullen zij de nadeelige gevolgen daarvan langer +moeten gevoelen dan wij." + +"Maar het zal u gelukken!" riep Dorothea. "Met een ouden veldheer en +jonge soldaten moet men den slag winnen." + +Opgewekt en vrijmoedig stak zij haren echtgenoot hare kleine gevulde +hand toe. Deze nam haar blijmoedig aan, en zeide: "Ik denk dat ik den +voorslag van den weg er in den senaat wel doorhaal. Voor de bruggebouw +moeten wij nog werkvolk aanwerven, en daartoe hebben wij u noodig, +Dorothea. Onze slaven zullen niet toereikend zijn." + +"Wacht eens," haastte zich de huisvrouw te zeggen. Zij liep naar het +venster en riep: "Jethro, Jethro!" + +Hij die aldus werd aangesproken, de oude hofmeester des huizes, +verscheen, en Dorothea begon met hem te bespreken, wie van de bewoners +der oase geneigd zou zijn, hun flinke mannen af te staan, en of het +niet uitvoerbaar zou zijn dezen of genen van de huisslaven bij den +bouw te gebruiken. + +Wat zij zeide was verstandig en wel overdacht. Zij toonde hare +huishouding tot in het geringste te overzien en gewoon te zijn hier +geheel onbeperkt te gebieden. "De lange Anubis," dus eindigde zij, +"kan zeker in de stal wel gemist worden?" + +De hofmeester, die tot dusverre kort en verstandig had gesproken, +draalde thans met zijn antwoord. Daarbij zag hij naar Petrus, die, +geheel in het bouwplan verdiept, hem den rug had toegekeerd. Uit zijn +blik en zekere beweging van zijne hand kon men duidelijk opmaken, +dat hij iets op het hart had, maar aarzelde te spreken in de +tegenwoordigheid van zijn meester. + +Vrouw Dorothea was vlug van begrip en verstond ook nu Jethro's +meening. Doch juist daarom zeide zij, meer verbaasd dan knorrig: +"Wat beteekent dat knippen met het oog? Wat ik mag weten, kan ook +Petrus hooren." + +De senator keek om en nam den hofmeester met zulk een donkeren blik +van onder tot boven op, dat deze achteruit ging en haastig begon te +spreken. Doch hij werd gestoord door het gejoel der kinderen bij den +trap, en door Sirona, die Hermas naar den senator bracht en lachend +zeide: "Dezen grooten jongen heb ik op den trap gevonden waar hij +u zocht." + +Petrus zag den jongeling juist niet zeer vriendelijk aan en zeide: +"Wie zijt gij? Wat boodschap brengt gij?" + +Hermas zocht te vergeefs naar woorden, want de aanwezigheid van +zoovele menschen, waaronder zich nog wel drie vrouwen bevonden, +maakte hem bijzonder verlegen. Hij draaide zijne vingers door de +wollige lokken van zijn schaapsvel, en bewoog de lippen zonder geluid +te geven. Eindelijk gelukte het hem stamelend uit te brengen: "Ik ben +de zoon van den ouden Stephanus, die verwond werd bij den laatsten +inval der Saracenen. Mijn vader heeft in vijf nachten weinig of niet +geslapen, en nu zend Paulus mij tot u, de vrome Paulus van Alexandrië, +gij begrijpt het,--opdat ik...." + +"Zoo, zoo," viel Petrus hem in den rede met bemoedigende +vriendelijkheid. "Gij verlangt dus eene artsenij voor den ouden +man. Ziet toch eens, Dorothea, wat een flinke jonkman er gegroeid is +uit dien kleinen knaap, die de Antiochiër met zich den berg opsleepte." + +Hermas kreeg een kleur en richtte zich in al zijne lengte op. Daarbij +bespeurde hij met groote tevredenheid, dat hij grooter was dan de +zonen van den senator, die ongeveer van zijn leeftijd waren. Toch +had hij een zekeren afkeer van hen, zoodat hij voor hen schuwer was +dan zelfs voor hun strengen vader. + +Polycarpus nam hem met zijne oogen op en zeide tot de Gallische, +waarmede hij juist een groet had gewisseld, en van welke hij sedert +zij het vertrek was binnengekomen, den blik niet afgewend had. "Als +wij twintig slaven konden krijgen met zulke schouders, dan zouden +wij vorderen. Er is hier wat te doen, groote jongen...." + +"Ik heet niet 'jongen', maar Hermas," zeide de Anachoreet, en de +aderen op zijn voorhoofd begonnen te zwellen. + +Polycarpus, die wel eens enkele der oude Anachoreten gezien had, +die op den heiligen berg in overpeinzing en boetedoening hun leven +sleten, in wien het echter niet opkwam, dat ook een krachtig jonkman +tot de kluizenaars kon behooren, begreep nu, dat hij die zijn vader +zocht meer was, dan de eenvoudige kleeding liet vermoeden, en dat +hij hem gekrenkt had. Daarom zeide hij vergoelijkend: "Gij heet dus +Hermas? Wij roeren hier allen de handen en arbeid is geen schande. Wat +is dan uw handwerk?" + +Deze vraag bracht den jongen Anachoreet in heftige beweging. Vrouw +Dorothea, die wel merkte wat er in hem omging, haastte zich juist van +pas te zeggen: "Hij verpleegt zijn zieken vader. Niet waar, mijn zoon, +dat doet gij immers? Petrus zal u zijn hulp niet ontzeggen." + +"Stellig niet," verzekerde de senator. "Ik zal u straks geleiden, +als gij tot hem gaat. Gij moogt het wel weten, kinderen, de vader +van dezen jongeling was een aanzienlijk heer, die afstand deed van +rijke bezittingen, om de wereld, waarin hij veel bittere ervaringen +had opgedaan, te vergeten en God te dienen op zijne wijze, die niet +de onze is, maar waarvoor we toch eerbied moeten hebben. Ga daar +zitten, mijn zoon. Eerst hebben wij nog eene gewichtige bezigheid te +voleindigen, daarna zal ik u volgen." + +"Wij wonen hoog op den berg," stamelde Hermas. + +"Des te reiner zal daar de lucht zijn," antwoordde de senator. "Doch +wacht eens! Misschien is de oude man alleen..... Niet? De vrome +Paulus, zegt gij, is bij hem? Dan is hij in goede handen, en hebt +gij den tijd?" + +Petrus bleef een oogenblik nadenkend staan, toen wenkte hij zijne +zonen en zeide: "Antonius, ga er dadelijk op uit om slaven te zoeken; +en gij, Polycarpus, zie of gij stevige lastdieren kunt vinden. In den +regel neemt gij 't met het geld al zeer licht op, maar thans komt +het er op aan naar de naaste prijzen te vragen. Hoe eerder gij, na +geslaagd te zijn, terugkeert, des te beter. De daad mag niet achter +het besluit komen aanhinken, maar moet rustig en snel volgen, gelijk +het geluid den hamerslag. Marthana, meng mij de bruine koortsdrank +en leg windsels gereed. Daar hebt gij den sleutel!" + +"Ik wil haar helpen," riep Sirona, die gaarne een dienst bewees, en die +oprecht medelijden had met den ouden zieken kluizenaar. Het was ook +of zij met Hermas te zien eene ontdekking had gedaan. Onwillekeurig +beschouwde zij hem met eenige meerdere achting, sedert zij wist dat +hij de zoon was van een voornaam heer. + +Terwijl de jonge vrouw en het meisje in de artsenijkist bezig waren, +verlieten Antonius en Polycarpus het vertrek. De laatste stond reeds +met den voet op den drempel, toen hij nog eens omkeerde en Sirona +eenige oogenblikken gadesloeg. Daarop ging hij haastig voort, sloot +de deur en daalde met een diepen zucht den trap af. + +Zoodra zijne zonen zich verwijderd hadden, wendde Petrus zich tot +den hofmeester en vroeg: "Wat is er gebeurd met den slaaf Anubis?" + +"Hij is...," antwoordde Jethro. "Hij is gewond en zal in de eerste +dagen wel niet te gebruiken zijn. Mirjam, de geitenhoedster, die +wilde kat, heeft hem met den sikkel op het hoofd geslagen." + +"En dat kom ik nu eerst te weten!" sprak Dorothea verwijtend. "Wat +heeft men met het meisje gedaan?" + +"Wij hebben haar in de hooischuur opgesloten," antwoordde Jethro, +"en daar raast en tiert zij nu." + +De vrouw des huizes schudde afkeurend het hoofd en zeide: "Op deze +wijze zal men het meisje niet beter maken. Ga, en breng haar dadelijk +bij mij." + +Zoodra de hofmeester het vertrek verlaten had, keerde zij zich tot haar +echtgenoot, zeggende: "Men zou eindelijk onder deze schepsels den moed +kunnen verliezen, als men ziet hoe zij elkander behandelen. Duizendmaal +heb ik het moeten aanzien! Geen oordeel valt zoo hard, als dat door +den eenen slaaf over den ander wordt geveld." + +Jethro en eene dienstmaagd brachten Mirjam het vertrek binnen. De +handen van het meisje waren met ruwe touwen gebonden, en zoowel haar +kleedje als hare zwarte verwilderde haren zaten vol hooi. In hare +oogen vonkelde een donkere gloed, en hare gelaatszenuwen vertrokken +zich als bij iemand die den St. Vitus-dans heeft. + +Zoodra Dorothea haar aanzag richtte zij het hoofd fier omhoog en +zag het vertrek rond, als wilde zij hare vijanden monsteren. Opeens +kreeg zij Hermas in het oog. Hare lippen werden doodsbleek; met een +heftigen ruk wrong zij hare kleine handen uit de knellende banden, +bedekte haar gelaat en wilde de deur uitvluchten. Doch Jethro trad +haar in den weg en greep haar stevig bij den schouder. + +Mirjam gaf een luiden gil. De dochter van den senator, die het +artsenijfleschje uit de hand gezet en elk harer bewegingen met +deelneming gadegeslagen had, vloog nu op de herderin toe, stiet de +hand van den ouden, die haar nog altijd vasthield, terug en zeide: +"Vrees maar niet, Mirjam. Wat gij ook gedaan hebt, vader kan u alles +vergeven." + +Deze woorden klonken haar zoo liefelijk in de ooren, alsof ze door +den mond eener innig liefhebbende zuster gesproken waren. De herderin +volgde Marthana zonder verzet naar de tafel, waarop de bouwplannen +lagen uitgespreid, en bleef daar naast haar staan. + +Gedurende enkele oogenblikken sprak niemand. Ten laatste trad vrouw +Dorothea op de herderin toe en vroeg: "Wat is u overkomen, arm kind, +dat gij u zelve zoozeer hebt vergeten?" + +Mirjam wist waarlijk niet wat er met haar gebeurde. Zij had zich +voorbereid op harde scheldwoorden en slagen, ja op ketens en banden, +en nu deze zachte woorden, deze vriendelijke blikken! Haar trots was +gebroken, hare oogen ontmoetten het liefderijk oog harer meesteres en +zij zeide op zachten toon: "Hij heeft mij reeds zoo lang vervolgd, +en wilde dat gij mij aan hem tot vrouw zoudt geven. Maar ik heb een +hekel aan hem; ik haat hem als al uwe slaven." + +Bij de laatste woorden kregen hare oogen hun wilden glans terug, en met +de vurigheid die haar eigen was, ging zij voort: "Ik wenschte wel dat +ik hem met een stok in plaats van met een sikkel had geslagen: doch ik +greep wat voor de hand lag om mij te verweren. Ik kan het niet dulden +dat een man mij aanraakt; dat vind ik afschuwelijk. Gisteren kwam +ik later dan gewoonlijk met de beesten terug, en toen ik de geiten +gemolken had en naar bed ging, sliep alles reeds in huis. Opeens +kwam Anubis op mij aan en praatte mij van liefde. Ik wees hem af; +maar hij pakte mij beet, greep mij met de hand hier bij het hoofd +en wilde mij kussen. Toen vloog mij het bloed naar de keel; ik greep +naar den sikkel, die naast mij hing, en eerst toen hij brullend op den +grond lag, zag ik dat ik kwaad had gedaan. Hoe dat gekomen is, kan ik +niet zeggen. Daar zit iets in mij, iets--hoe zal ik het noemen?--dat +mij drijft, gelijk de wind de bladeren die op den weg liggen, en ik +kan het niet tegenhouden. Misschien ware het maar 't best, dat ge +mij liet sterven; dan waart ge op eens verlost van mijne boosheid en +alles zou voorbij zijn." + +"Hoe kunt gij zoo spreken?" viel Marthana haar in de rede. "Gij zijt +wild en wat onstuimig, maar daarom niet slecht." + +"Vraag het dien daar!" riep de herderin, en wees met vlammende blikken +op Hermas, die verlegen zijne oogen nedersloeg. + +De senator wisselde met zijne vrouw een vluchtigen blik. Zij waren +gewoon elkander ook zonder woorden te verstaan. + +"Wie gevoelt," zeide vrouw Dorothea, "dat hij niet is gelijk hij +wezen moet, die is reeds op den weg van beterschap. Wij lieten u bij +de geiten, omdat ge altijd de kudde naliept en in huis geen rust +kondt vinden. Vóor den morgendienst beklimt gij den berg en eerst +na het avondmaal keert gij terug. Voor uw geestelijk welzijn zorgde +niemand. De helft van uw schuld komt op ons hoofd neer, en wij hebben +geen recht u te straffen. Gij behoeft u niet te verwonderen. Ieder +kan struikelen; Petrus en ik zijn menschen als gij, niet meer en niet +minder. Maar wij zijn christenen, en het is onze plicht te waken voor +de zielen dergenen, die God ons heeft toevertrouwd, hetzij kinderen, +hetzij slaven. Gij zult niet meer naar den berg gaan; gij blijft bij +ons tehuis. Gaarne wil ik vergeven, wat gij in overijling hebt gedaan, +wanneer Petrus u ten minste niet verlangt te straffen." + +De senator schudde ernstig van neen, waarop Dorothea tot Jethro de +vraag richtte: "Is Anubis zwaar verwond en moet hij verpleegd worden?" + +"Hij heeft de koorts en ijlt," luidde het antwoord. "De oude Praxinoa +koelt zijne wond met water af." + +"Dan moet Mirjam," beval Dorothea, "hare plaats vervangen en het +kwaad trachten te herstellen, dat zij heeft aangericht. De helft +van uw schuld is uitgedelgd, meisje, als Anubis onder uwe handen is +genezen. Straks kom ik met Marthana bij u, om u te leeren hoe men +compressen maakt." + +De herderin sloeg de oogen neer en liet zich werktuigelijk naar den +kranke brengen. + +Intusschen had Marthana den bruinen drank gereed gemaakt. Petrus +liet zich zijn staf en zijn vilten hoed geven, overhandigde Hermas +het geneesmiddel en noodigde dezen uit hem te volgen. + +Sirona staarde beiden na en kon niet nalaten te zeggen: "Het is jammer +van dien flinken jonkman! Hem stond een purperkleed ook beter dan +dat ellendig schaapsvel." + +De vrouw des huizes haalde de schouders op, gaf hare dochter een wenk +en zeide: "Kom aan den arbeid, Marthana, de zon staat reeds hoog aan +den hemel. Wat gaan de dagen toch snel voorbij! Hoe ouder men wordt, +des te spoediger vliegen de uren om!" + +"Dan moet ik wel zeer jong zijn," hernam de Gallische, "want voor +mij kruipt de tijd in deze eenzaamheid ontzachlijk langzaam voort. De +eene dag is als de andere, en dikwijls is het mij als stond het leven +geheel stil, en daarmee ook het kloppen van mijn hart. Wat zou ik +zijn zonder uw huis en de kinderen! Altijd dezelfde berg en dezelfde +palmen en dezelfde aangezichten!" + +"Maar de berg is grootsch," antwoordde Dorothea, "en de boomen zijn +schoon, en als men de menschen liefheeft, met wie wij dagelijksch in +aanraking komen, dan kan men ook hier tevreden zijn. Wij ten minste +zijn het, zoover de levensomstandigheden het ons toelaten. Maar ik +heb u dikwijls gezegd: u ontbreekt werk!" + +"Werk? Maar voor wien dan?" vroeg Sirona. "Ja, als ik kinderen had, +gelijk gij! In Rome was ik ook niet gelukkig, zeker niet; maar daar +viel wat te doen en te denken; nu eens een optocht, dan weder eene +tooneelvoorstelling. Maar hier. Voor wien zal men zich tooien? Mijn +gouden sieraden worden dof in de kast en mijne beste kleederen door de +motten verteerd. Uit mijn veelkleurigen mantel maak ik poppenkleederen +voor uwe kleinen. Als een demon mij in een egel of in een grijzen +uil veranderde, het zou mij onverschillig kunnen zijn!" + +"Bezondig u niet," zeide Dorothea ernstig, en zag met welgevallen op +naar de goudgele haren en het wonderschoone en vriendelijke gelaat +van de jonge vrouw. "Het moest u een genot zijn, u sierlijk te kleeden +voor uw echtgenoot!" + +"Voor hem?" vroeg Sirona. "Hij ziet mij niet eens aan, en als hij het +doet, dan is het alleen om mij te krenken. Het verbaast mij steeds, +dan ik nog vroolijk kan zijn. Ik ben het ook maar alleen in uw huis, +en ook daar slechts dan, wanneer ik niet aan hem denk." + +"Ik mag zulk eene taal niet aanhooren, neen, in het geheel niet," viel +Dorothea haar op strengen toon in de rede.--"Neem het linnen en het +koelwater, Marthana, wij zullen de wonden van Anubis gaan verbinden." + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + +Petrus beklom met Hermas den berg. De oude man volgde den jongeling +die hem den weg wees, en bewonderde, zoo vaak hij den blik tot hem +ophief, diens breede schouders en de veerkracht zijner ledematen. + +Bij eene kleine bergvlakte gekomen werd de weg wat breeder en nadat +beide wandelaars een tijdlang naast elkander waren voortgegaan, +zonder een woord te spreken, vroeg de senator: "Hoe lang woont uw +vader nu reeds op den berg?" + +"Al menig jaar," antwoordde Hermas, "maar ik weet niet hoevele. Het +doet er ook weinig toe. Bij ons vraagt niemand naar den tijd." + +De senator bleef stilstaan, nam zijn geleider weder met de oogen op +en vroeg: "Zijt gij bij uw vader gebleven, sedert hij hierheen kwam?" + +"Hij wil mij niet laten heengaan," antwoordde Hermas met somberen +blik. "Ik ben nog maar tweemalen alleen in de oase geweest, toen ik +naar de kerk ging." + +"Gij hebt dus ook geene school bezocht?" + +"Welke zou ik bezocht hebben? Mijn vader leerde mij de evangeliën +lezen. Ik heb ook kunnen schrijven, maar dat zal ik wel verleerd +zijn. Waartoe zou het ook dienen? Wij leven als biddende dieren." + +Die laatste woorden werden op zeer bitteren toon uitgesproken. Petrus +sloeg een blik in de met spijt en wrevel vervulde ziel van zijn +metgezel, bij wien het verlangen der jeugd, om zijne krachten te +beproeven, zich met alle macht verzette tegen dat verslijten van zijn +leven in ledigheid, waartoe hij veroordeeld was. Hij had medelijden +met Hermas, en was de man niet om een natuurgenoot voorbij te gaan, +zonder hem te helpen. Bovendien gedacht hij zijne eigene zonen, die van +der jeugd waren geoefend en in ernstige plichtsbetrachting opgegroeid, +en hij zeide bij zichzelven, dat die schoone jongeling naast hem niet +minder was dan zij; dat het hem slechts aan de rechte leiding ontbrak. + +Nadenkend keek hij nu eens den jongeling aan, dan weder voor zich, +en mompelde daarbij al voortgaande eenige onverstaanbare woorden +achter zijn grijzen baard. Opeens verhief hij zich in al zijne lengte +en knikte toestemmend met het ernstige hoofd. Hij wilde beproeven +Hermas te redden, en volgens zijne gewone manier van handelen, liet +hij de daad onmiddellijk op het voornemen volgen. Aan het einde van +de bergvlakte verdeelde zich de weg. Een pad liep bergopwaarts, het +andere daalde naar het dal af en eindigde bij de steengroeve. Petrus +wilde het laatste volgen, doch Hermas riep hem toe: "Deze weg leidt +niet naar onze spelonk. Gij moet mij volgen." + +"Volg gij mij," antwoordde de senator, en legde zulk een bijzonderen +nadruk op het voorlaatste woord, dat de jongeling de tweeledige +beteekenis daarvan niet kon ontgaan. "De dag is nog lang en wij +willen eens zien wat mijne arbeiders uitvoeren. Kent gij de plaats, +waar wij de steenen uithouwen?" + +"Hoe zou ik die niet kennen?" vroeg Hermas, en ging den senator als +gids vooruit. "Ik ken alle wegen op onzen berg naar de oase en de +zee. In de kloof achter uwe groeven had een panter zijn leger." + +"Dat hebben we ontdekt," zeide Petrus. "Die roover heeft twee mijner +kameelen verworgd. Het volk kon hem noch met strikken vangen, noch +met honden verjagen." + +"Gij behoeft niet voor hem te vreezen," zeide de jongeling +lachende. "Ik heb het mannetje van dien rots daarboven met mijn pijl +neergeschoten, en het wijfje vond ik in het hol bij hare jongen. Met +haar had ik het zwaarder te verantwoorden. Mijn dolk is zoo slecht, en +de koperen kling boog toen ik een stoot gaf. Ik moest die gestreepte +duivelin met mijne handen worgen. Zij heeft mij daarbij den schouder +opengekrabd en in den arm gebeten. Zie die litteekens eens! Maar +bij mij gaat de genezing der wonden, goddank sneller dan bij mijn +vader. Paulus zeide dat ik veel op een aardworm geleek, die als men +haar midden doorsnijdt, afscheid neemt van zichzelven, en gezond en +wel, half hierheen, half daarheen kruipt. Die jonge panters waren +zoo jolig en hulpbehoevend tegelijk, dat ik niet besluiten kon +ze te dooden. Ik deed ze in mijn schaapsvel en bracht ze bij mijn +vader. Wat had hij een vermaak in die kleine schepsels! Daarna nam +een Nabateër ze mede naar Klysma, om hen aan kooplieden uit Rome +te verkoopen. Dáar en te Byzantium hebben zij behoefte aan allerlei +levende roofdieren. Ik heb voor die beesten en het vel van den oude +ook geld gekregen, en mocht het als teerpenning behouden, toen ik +met de anderen naar Alexandrië reisde, om den zegen af te smeeken +van den nieuwen patriarch." + +"Waart gij dan in de hoofdstad?" vroeg Petrus. "Hebt gij de groote +bouwwerken gezien, die de kust tegen het geweld der zee moeten +beschermen, den grooten vuurtoren, waarvan het licht op zoo grooten +afstand kan worden gezien, de vaste bruggen, de kerken, de paleizen en +tempels met hunne obelisken, zuilen en keurig geplaveide voorhoven! Is +u daarbij nooit in de gedachten gekomen, welk een heerlijk gevoel +het zijn moet zulk een bouw tot stand te brengen?" + +Hermas schudde ontkennend het hoofd en antwoordde: "Ik zou wel liever +in een luchtig huis met hooge zuilen leven, dan in onze sombere holen, +maar het te bouwen zou mijn zaak niet zijn. Wat duurt het niet lang +eer de eene steen op den anderen staat! Ik heb geen geduld genoeg, +en als ik mijn vader verlaat, dan wil ik iets doen waardoor ik roem +kan verwerven.--Maar daar zijn wij reeds aan de groeven...." + +Petrus liet zijn geleider niet uitspreken, maar viel hem in de rede, +terwijl hij met jeugdig vuur uitriep: "En gij meent dat men met de +bouwkunst geen roem kan inoogsten? Zie daar die blokken en platen en +hier die cylinders van harden steen. Ze zijn allen voor Aïla bestemd, +want daar zal mijn zoon Antonius, de oudste van de twee, die gij zoo +straks gezien hebt, een bedehuis bouwen met vaste muren en zuilen, +veel schooner en grooter dan onze kerk in de oase, die ook reeds zijn +werk is. Hij is niet veel ouder dan gij, maar reeds nu roemt men hem +heinde en ver. Uit deze roode blokken daar beneden zal mijn jongsten +zoon Polycarpus fiere leeuwen beitelen, die bestemd zijn om in de +hoofdstad het edelste bouwwerk te versieren. Wanneer ze mij en u en +alle levenden reeds lang hebben vergeten, zal men nog zeggen: dat +zijn de gewrochten van meester Polycarpus, den zoon van Petrus, den +Pharaniet. Wat hij vermag, is eenig in zijn soort. Niemand, die niet +tot de uitverkorenen behoort, kan zeggen: dat wil ik ook leeren! Maar +gij hebt een helder verstand, sterke handen en opene oogen, wie kan +weten wat er misschien nog in u schuilt! Kondet gij spoedig in de +leer komen, dan zou het toch nog niet te laat zijn om een deugdelijk +meester van u te maken. Maar voorwaar, wie het zoover brengen wil, +die moet geen arbeid ontzien. Gij haakt naar roem? Dat is goed en ik +kan er mij slechts over verheugen. Doch gij moet het weten: wie deze +zeldzame vruchten wil oogsten, die moet haar, gelijk een edel heiden +eens zeide, met zweet besproeien! Zonder moeite, arbeid en strijd is +er geene overwinning en zonder overwinning verwerft men zelden roem." + +De levendigheid van den ouden man deelde zich aan de ziel van den +jongeling mede, en vol geestdrift riep hij uit: "Wie zegt u, dat ik +strijd en moeite ontzie? Ik ben bereid alles, zelfs mijn leven er aan +te wagen om roem te verwerven. Maar steenen af te meten, op weerlooze +blokken met hamer en bijtel te slaan, of dezen met veel moeite saam +te voegen, dat kan mij niet aanlokken. Ik zou in de palaestra kransen +willen verwerven en den sterkste ter aarde werpen, of als krijgsman +in den slag anderen voorgaan. Mijn vader was ook een soldaat, en +al spreekt hij van vrede en altijd van vrede, zooveel hij maar wil, +in zijne droomen vertelt hij toch van bloedigen strijd en brandende +wonden. Wanneer gij hem doet herstellen, blijf ik niet langer op +dezen eenzamen berg, en zal ik trachten heimelijk te vluchten. Waartoe +anders gaf God mij deze armen, dan om ze te gebruiken?" + +Petrus antwoordde niet op deze woorden, die met stormachtige +gejaagdheid over Hermas' lippen waren gevloeid. Hij streek zijn grijzen +baard en dacht bij zichzelven: "Het jong van een adelaar vangt geene +vliegen. Dit soldatenkind zal ik nimmer voor ons vreedzaam handwerk +winnen. Maar op den berg, onder die zonderlinge ledigloopers, mag +hij niet blijven, want daar kwijnt hij weg; en daarvoor is hij van +te goede afkomst...." + +Nadat hij den opzieners van zijn werkvolk eenige bevelen had gegeven, +volgde hij den jongen man naar zijn lijdenden vader. + + + +Reeds eenige uren geleden hadden Hermas en Paulus den kranken +Anachoreet verlaten. Deze laatste lag nog altijd alleen in zijne +spelonk. De al hooger en hooger stijgende zon brandde op de rotsen, +die op hunne beurt gloeiende warmte uitstraalden, en de woning van +den kluizenaar vervulden met eene verstikkende hitte. + +De pijnen in de wond van den armen Stephanus namen in hevigheid toe, +de koorts klom en hij versmachtte van dorst. Daar stond de kruik, +die Paulus hem schonk en sedert lang ledig was. Doch noch Paulus noch +Hermas keerden terug. + +Angstig luisterde hij in de verte. Eerst kwam het hem voor als hoorde +hij de schrede van den Alexandrijn; daarna meende hij luid spreken en +een zacht gesteun buiten zijn hol te hooren. Stephanus beproefde te +roepen, maar hij kon zelf ternauwernood het zachte geluid hooren, dat +hij aan zijne gewonde borst en zijne uitgedroogde mond ontperstte. Toen +wilde hij bidden, maar eene schrikkelijke inwendige angst belette +hem zijne gedachten te verzamelen. + +Al de ellende der verlatenheid greep hem aan. De man die na een leven, +zoo overrijk aan daden, genietingen, teleurstelling en verzadiging, +onverdroten en eenzaam, in volhardenden zielestrijd naar het hoogste +doel streefde, gevoelde zich nu zoo troosteloos verlaten, als een +verdwaald kind, dat zijne moeder verloren heeft. Zacht jammerende lag +hij daar op zijn krankbed. Zoodra hij aan de schaduwen van de rots +bemerkte, dat de zon hare middaghoogte reeds overschreden had, begon +hij bij zijne smart, zijne angst en zijn dorst wrevelig en bitter +te worden. De vuisten ballende, prevelde hij woorden, die klonken +als soldatenvloeken, waarbij hij nu eens den naam van zijn zoon, dan +dien van Paulus noemde. Eindelijk kreeg de angst weder de overhand +over zijn toorn, en kwam het hem voor, als moest hij de pijnlijkste, +ver achter hem liggende uren van zijn bestaan nog eens doorleven. + +Hij zag hoe hij wederkeerde van een luidruchtig feest in het keizerlijk +paleis. Zijne slaven hadden zijne borst en zijn voorhoofd ontdaan van +de kransen, uit popelgroen en rozen gevlochten, en hem zijn nachtgewaad +aangetrokken. Daar naderde hij zijn slaapvertrek, met de zilveren lamp +in de hand. Hij glimlachte, want daar wachtte hem zijne jonge vrouw, +de moeder van zijn Hermas. Zij was zoo schoon, en hij had haar zoo +lief! Hij bracht van den keizerlijken disch allerlei aardigheden mede +naar huis. Zoo iemand, dan mocht hij vroolijk zijn. Thans trad hij +het voorvertrek binnen, waarin gewoonlijk twee slavinnen waakten. Hij +vond er maar éene en deze lag in diepen slaap. Lachend lichtte hij +haar in het gezicht. Wat zag zij er dom uit met dien open mond! Het +slaapvertrek werd zacht verlicht door eene albasten lamp. Zachtkens en +steeds lachende naderde hij de elpenbeenen legerstede van Glycera. Doch +toen hij zijne lamp ophief en op het ledige bed zijner vrouw staarde +dat nog niet was aangeroerd, lachte hij niet meer, en sedert dien +avond had hij jaren lang niet weder gelachen, want Glycera had hem +verraden en verlaten, hem en haar kind. + +Dat was nu twintig jaren geleden, en heden stond alles, wat hij toen +doorleefd had, hem weder helder voor den geest. Hij zag gelijk toen, +het ledige bed zijner vrouw voor het oog zijner verbeelding, en hij +gevoelde zich zoo eenzaam en verlaten als in dien feestnacht. + +Daar vertoonde zich eene schaduw vóor de opening van het hol. Hij +haalde weder vrij adem, nu hij verlost was van dit schrikkelijk +droomgezicht; want hij had Paulus herkend, die aan zijne zijde +nederknielde. + +"Water, water!" smeekte Stephanus zacht. De Alexandrijn, wien het +gejammer van den ouden man, dat hij dadelijk bij het binnentreden van +de spelonk hoorde, diep door de ziel sneed, greep de kruik, keek er in, +zag dat zij geheel was uitgedroogd, en vloog toen, als gold het een +wedloop, naar de bron beneden, vulde haar met water, zette haar den +kranke aan de lippen, die met gretige teugen den laafdrank opslurpte, +en diep ademhalende uitriep: "Nu is het weer goed. Waar zijt gij toch +zoolang gebleven? Ik was zoo dorstig!" + +Paulus, die naast den grijsaard op de knieën was neergezonken, drukte +zijn voorhoofd in de legerstede en antwoordde niets. + +Stephanus zag zijn metgezel verwonderd aan, en toen hij bespeurde +dat deze hevig weende, vroeg hij niet verder. + +Gedurende een uur heerschte er doodsche stilte in het hol. Ten laatste +hief Paulus zijn hoofd op en zeide: "Vergeef mij, Stephanus. Terwijl +ik door gebed en geeseling de rust trachtte weer te vinden, die ik +zelf had verspeeld, heb ik uw nood en angst vergeten. Dat zou zelfs +geen heiden gedaan hebben!" + +De kranke liet vriendelijk de hand over den arm van zijn verpleger +glijden; deze prevelde echter: "Zelfzucht, ellendige zelfzucht leidt +en bestuurt ons. Wie onzer vraagt naar den nood van anderen? En wij, +wij meenen de wegen van het Lam Gods te bewandelen!" + +Hij zuchtte smartelijk en leunde met zijn hoofd tegen de borst van +den kranke, die liefderijk de ruige haren van den ander streelde. + +Zoo vond de senator hem, toen hij met Hermas den spelonk betrad. De +tijddoodende ledigheid van de Anachoreten was geheel in strijd met +zijne opvatting van de levensroeping, die de mensch en de christen +te vervullen had. Doch hij hielp waar hij kon, en vroeg niet naar +den persoon des lijders. + +De innige vereeniging, waarin hij de beide mannen vond, bewoog zijn +hart, en terwijl hij zich tot Paulus wendde, zeide hij vriendelijk: +"Ik kan u getroost verlaten, want gij schijnt mij een trouw verpleger +te zijn." + +De Alexandrijn kreeg een kleur, schudde het hoofd, en antwoordde: +"Ik heb alleen aan mijzelven gedacht en mijn plicht verzuimende hem +laten lijden en versmachten! Maar nu verlaat ik hem niet meer, neen +zeker niet, en met Gods hulp en de uwe zal hij genezen." + +Petrus knikte hem vriendelijk toe, want hij geloofde niet aan +de zelfbeschuldiging van den Anachoreet, maar wel aan zijn goeden +wil. Hij beval Hermas, alvorens het hol te verlaten, dat hij hem den +volgenden dag vroeg zou komen opzoeken, om hem bericht te brengen +van den toestand zijns vaders. Hij wenschte niet enkel Stephanus te +genezen, maar wilde ook in betrekking blijven tot den jongeling, die +in zoo hooge mate zijne belangstelling had gewekt. Hij was besloten +hem te helpen, en hem te onttrekken aan het werkeloos leven, waarin +hij wegkwijnde. + +Paulus weigerde deel te nemen aan het eenvoudig avondmaal, dat vader +en zoon gingen gebruiken, en verklaarde bij den kranke te willen +blijven. Hij verzocht Hermas, die in de beperkte ruimte van de spelonk +geen plaats meer kon vinden, zich ter ruste te leggen in zijn verblijf. + +Voor dezen jongeling was heden een nieuw leven aangebroken, want alle +verzuchtingen en wenschen, die sedert zijne reis naar Alexandrië zich +verward en nevelachtig in zijn ziel verdrongen, hadden heden gedaante +en kleur gekregen, en hij wist nu zeker dat hij geen Anachoreet +wilde blijven, maar zijne opbruischende kracht in het leven zou +beproeven. "Mijn vader," dacht hij, "was een krijgsman, en bewoonde +een paleis, voordat hij zich in ons dompig hol terugtrok. Paulus +was Menander, en heeft ook nu het werpen met den discus nog niet +vergeten. Ik ben jong, sterk en vrijgeboren, evenals zij, en Petrus +zegt dat ik een flink man geworden ben. Ik wil niet evenals zijne +zonen steenen opstapelen en metselen; maar de keizer heeft soldaten +noodig, en onder al de Amalekieten, ja zelfs onder de Romeinen hier +in de oase, vond ik er geen, met wien ik het niet zou durven opnemen." + +Terwijl hij zoo dacht, rekte hij zijne leden uit, en bracht hij de +handen aan zijne breede borst. Toen hij ingeslapen was, droomde hij +van wedloopen en van een purperen kleed, dat Paulus hem overhandigde, +van eene krans uit populierenbladeren gevlochten, die op zijne geurige +lokken rustte, en van de schoone vrouw, die hij ontmoet had in het +huis van den senator. + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + +Stephanus had, dank zij het geneesmiddel van den senator, goed +geslapen. + +Paulus zat naast hem en verroerde geen lid. Hij hield zijn adem +in en deed zich geweld aan, om toch elken prikkel tot hoesten te +onderdrukken, ten einde de zachte sluimering van den ouden man niet +te storen. + +Een uur na middernacht was de oude wakker geworden, en nadat hij langen +tijd met open oogen had liggen nadenken, sprak hij ernstig: "Gij +noemdet u zelven en ons zelfzuchtig. Ik voor mij ben het zeker! Dat +heb ik heden niet voor het eerst maar reeds dikwijls tot mijzelven +gezegd, sedert den tijd dat Hermas uit Alexandrië is teruggekeerd +en het lachen verleerd heeft. Hij is niet tevreden, en zoo vaak ik +mij afvraag wat er van hem worden moet wanneer ik dood ben, als hij +den Heer loslaat en de wellust najaagt, dan huiver ik. Ik meende het +zoo goed met hem, toen ik hem medenam naar den heiligen berg. Maar +dat was toch het eenige niet. Het viel mij te zwaar, mij geheel van +het kind te scheiden. Mijn God, elk jong dier is toch verzekerd van +de trouwe liefde zijner moeder; maar de zijne zag naar hem niet om, +toen zij met haren verleider mijn huis ontvluchtte. Zijn vader, +dacht ik, moet hij ten minste behouden, en wanneer hij opgroeit in +afzondering van de wereld, zal hij bewaard worden voor al de ellende, +waarvan ik zoo ruimschoots mijn deel heb gehad. Ik wilde hem opvoeden +voor den hemel, voor een leven zonder leed. En thans?...... Als hij +ongelukkig wordt, wordt hij het door mij! Bij alle andere smarten +komt nu ook nog deze zorg." + +"Gij hebt den weg voor hem gezocht," sprak Paulus, "en het overige +zal vanzelf wel terechtkomen. Hij heeft u lief en zal u zeker niet +verlaten, zoolang gij lijdt." + +"Zeker niet?" vroeg de kranke angstig. "Wat heeft hij ook voor wapenen +om zich in het leven te verweren?" + +"Gij hebt hem den Heiland tot leidsman gegeven; dat is genoeg," hernam +Paulus, om den ouden wat tot kalmte te brengen. "Het zijn geen effen +wegen die ten hemel voeren; bovendien, niemand kan de zaligheid voor +zijn naasten verwerven." + +Stephanus zweeg lang; eindelijk ging hij weder voort: "Het is den +leermeester voor zijn leerling, den vader voor zijn zoon zelfs niet +vergund, de eenvoudigste levenservaringen op te doen. Wij kunnen het +doel aanwijzen, maar de weg daartoe is voor ieder een verschillende." + +"Zoo laat ons God danken," riep Paulus, "want Hermas staat reeds op +het pad, dat wij eerst moesten zoeken gij en ik." + +"Gij en ik," herhaalde de kranke nadenkend. "Ieder onzer heeft zijn +weg gezocht, doch altijd alleen naar den zijnen, niet naar dien van +den ander gevraagd. Die zelfzucht, die zelfzucht! Hoeveel jaren wonen +wij hier reeds dicht bij elkander, en toch heb ik nog nimmer behoefte +gevoeld u te vragen, wat gij van uw jeugd weet, en hoe de genade +u deelachtig werd. Ik vernam bij gerucht, dat gij uit Alexandrië +afkomstig zijt, dat gij een heiden waart en om het geloof veel hebt +moeten lijden. Daarmede stelde ik mij tevreden. Gij schijnt ook niet +gaarne over die lang vervlogen dagen te spreken. Wij moeten onzen +naasten liefhebben als ons zelven; en wie was mij nader dan gij? O, +die zelfzucht! Er zijn ook afgronden op den weg tot God." + +"Ik weet u niet veel te vertellen," zeide Paulus, "maar men vergeet +toch niet wat men eens geweest is. Men zet het van zich, men meent +daarvan los te zijn, maar opeens staat het weer voor ons en groet ons +als een oud bekende. Al komt de kikvorsch ook een enkele maal op den +boom, hij springt toch weder naar het moeras terug." + +"Niet waar, de herinnering laat zich niet dooden!" hervatte de +kranke. "Ik kan nu niet meer slapen. Vertel mij wat van uw jeugd, +en hoe gij een christen geworden zijt. Wanneer twee mannen langen +tijd denzelfden weg bewandeld hebben, en de ure van scheiding slaat, +dan vraagt de een den ander toch ook naar zijn afkomst en zijn naam." + +Paulus staarde een tijd lang voor zich uit, daarna begon hij: + +"Mijn speelgenooten noemden mij Menander, zoon van Herophilus. Verder +weet ik niet veel meer uit mijn jeugd, want ik zeide het u reeds: +sedert lang heb ik mijzelven verboden aan de wereld te denken. Wie de +zinnelijkheid verwerpt en de gedachte eraan behoudt, dien blijft...." + +"Dat riekt waarlijk naar Plato," zeide Stephanus lachende. + +"Heden komt al dat heidentuig weder bij mij boven," vervolgde +Paulus. "Ja, ik heb hem gekend en dikwijls gedacht, dat zijn gelaat +veel overeenkomst gehad kon hebben met dat van onzen Heiland." + +"Toch slechts zooveel, als een schoon gezang met de stemmen der +engelen," hernam Stephanus, blijkbaar van een ander gevoelen. + +"Wie zich eens verdiept in de stelsels der wijsgeeren....." + +"Zoover is het bij mij eigenlijk nooit gekomen," verzekerde +Paulus. "Wel-is-waar moest ik de geheele school doorloopen: grammatica, +rhetorica, dialectica en muziek...." + +"En arithmetica, geometrie en astronomie," vulde Stephanus aan. + +"Deze drie liet men reeds sedert eenige jaren aan de geleerden over," +ging Paulus voort, "en ik was nooit bijzonder leergierig. In de +school van den rhetor bleef ik bij mijne makkers veel ten achter, en +zoo ik Plato leerde lief hebben, dan heb ik dit aan den Atheenschen +paedonomos [2] te danken, een waardig man, dien mijn vader voor ons +in huis had genomen." + +"Men zegt dat hij een groot koopman geweest is," zeide de kranke +weder. "Gij zijt toch misschien geen zoon van den rijken Herophilus, +wiens zaken in Antiochië werden waargenomen door den braven jood +Urbib?" + +"Welzeker, dat ben ik," antwoordde Paulus, en sloeg verlegen de oogen +neder. "Onze huishouding was inderdaad koninklijk, dat wil ik niet +ontkennen, en 't was zonde zooveel slaven wij hadden! Wanneer ik aan +al die beuzelingen denk, waarvoor mijn vader te zorgen had, dan kan ik +nog duizelen. Hij bezat twintig zeeschepen in de haven van Eunostus, en +tachtig Nijlbooten in het Mareotische meer. Een stad vol armen had hij +kunnen verzorgen uit de winst, die de papyrusfabrieken opleverden. Doch +wij hadden onze inkomsten voor andere dingen noodig. Onze Cyrenaeische +paarden stonden in marmeren stallen, en de groote zaal, waarin vader +zijne vrienden ontving, geleek wel een tempel.--Maar ziet gij wel +hoe de wereld ons aangrijpt, wanneer wij aan haar denken? Laten wij +het verleden liever rusten!--Moet ik toch verder vertellen? Nu dan, +mijne kindsheid ging voorbij als die van duizend andere zonen van +rijke burgers; mijne moeder echter was buitengewoon schoon, lief en +engelachtig goed." + +"Voor elk kind is zijne eigene moeder de beste," prevelde de kranke. + +"En voor mij was het zeker de mijne," vervolgde Paulus. "Toch is zij +slechts eene heidin geweest. Van haar kreeg ik altijd een goed woord, +een vriendelijken blik, als vader mij leed had gedaan door zijne +strenge berisping. Zeker was er niet veel aan mij te prijzen. Het +leeren viel mij al bijzonder zwaar, en al had ik op de school beter +vorderingen gemaakt, dan zou mij dit toch niet in rekening zijn +gebracht, want mijn broeder Apollonius, die zoowat een jaar jonger +was dan ik, leerde het moeielijkste alsof het maar spelen was. Bij de +oefening in de dialectiek was er weldra geen rhetor in Alexandrië, +die het tegen hem kon uithouden. Geen stelsel was hem vreemd, en +ofschoon men nooit kon merken, dat hij zich bijzonder inspande, +was hij toch de eerste op menig gebied van wetenschap. In twee +dingen alleen was ik zijn meerdere: in de muziek en in athletische +kunsten. Terwijl hij studeerde en disputeerde, won ik kransen in het +worstelperk. Doch de beste rhetor en vechter met woorden was toen de +voortreffelijkste man, en mijn vader, die zelf in de raadsvergadering +wist te schitteren als een vurig en smaakvol redenaar, hield mij +voor een half mislukten domkop. Totdat hem eens een geleerd cliënt +van ons huis een gesneden steen overhandigde met een epigram, waarin +te lezen stond: "Wie de edelste gaven van den Griekschen stam wil +aanschouwen, die moge het huis van Herophilus bezoeken; dáar toch zijn +te bewonderen, in Menander de kracht en bevalligheid des lichaams, +en gelijke eigenschappen des geestes in Apollonius." Deze versregels, +die in de gedaante van eene luit geschreven waren, gingen van mond +tot mond, en bevredigden de eerzucht mijns vaders, die van nu aan +ook een woord van lof sprak, als mijn vierspan in de renbaan had +overwonnen of wanneer ik, met kransen getooid, uit de worstelspelen +of den zangstrijd wederkeerde. Ik bracht mijn leven door in de baden, +de palaestra en in vroolijke drinkgelagen." + +"Dat alles weet ik bij ervaring," zeide Stephanus, "en de herinnering +hieraan heeft mij vaak verontrust. Viel het u gemakkelijk deze +tooneelen uit uwe verbeelding te verbannen?" + +"In den beginne had ik zwaar te strijden," zuchtte Paulus, "maar +sedert eenigen tijd, nu ik over de veertig heen ben, plagen mij +de verzoekingen der wereld steeds minder. Alleen moet ik zorgen de +boodschaploopers, die den visch uit de vlekken aan het meer en uit +Raïthoe naar de oase brengen, te ontgaan." + +Stephanus zag den ander vragend aan; Paulus vervolgde echter: "Ja, +dat is wel vreemd! Of ik mannen of vrouwen zie, de zee of dezen berg: +nooit denk ik aan Alexandrië en altijd aan heilige dingen. Maar +wanneer ik vischlucht ruik, zie ik in mijne verbeelding de markt, +en denk ik aan vischbanken en oesters.--" + +"Die van Canobus zijn voortreffelijk," viel Stephanus hem in de rede; +"men bakt daar kleine pasteitjes...." + +Paulus veegde zich met de bovenzijde van zijne hand de gebaarde +lippen af en zeide: "Bij den dikken kok Philemon in de Herakleotische +straat!".... + +Maar dadelijk brak hij af en vervolgde beschaamd: "Het zou toch beter +zijn als ik ophield te vertellen. De schemering breekt nog niet aan, +en gij moet trachten nog wat te slapen." + +"Ik kan niet," zuchtte Stephanus. "Als gij mij liefhebt, voleindig +dan het verhaal uwer geschiedenis." + +"Maar val mij dan niet weder in de rede," verzocht Paulus en ging +voort: "Bij al dat vroolijke leven gevoelde ik mij niet gelukkig, +neen waarlijk niet. Wanneer ik soms alleen was, en niet te midden +mijner lustige makkers en, onder aanvallige meisjes met popelgroen +bekranst den beker ledigde, dan was het mij soms als wandelde ik aan +den rand van een zwarten afgrond, of als ware alles in mij en rondom +mij ledig en woest. Uren lang kon ik in zee staren, en als dan de +golven zich verhieven om weder te dalen en geheel te vervloeien, +dacht ik dikwijls dat ik niet ongelijk was aan deze, en dat de +toekomst van mijn nietswaardigheden toch een ijdel niets was. Onze +goden hadden weinig waarde voor ons. Mijne moeder offerde nu eens +in dezen, dan weder in genen tempel, al naar de behoefte van den dag +medebracht. Vader nam deel aan de feesten, maar dreef den spot met het +bijgeloof der menigte, en mijn broeder sprak altijd van het wezen van +licht, waaruit alles ontstaan zou zijn, en was steeds in de weer met +allerlei demonen en tooverformulieren. Hij was een aanhanger van de +leer van Jamblichus, Ablavius en andere Nieuw-Platonische wijsgeeren, +die mij, domkop, voorkwamen nu eens bovenmenschelijk diepzinnig, +dan weder onmenschelijk dwaas te zijn. Menig woord uit zijn mond is +mij bijgebleven, en eerst hier in de eenzaamheid heb ik het leeren +verstaan. Het redelijke buiten ons te zoeken is niets; maar het +hoogste is, wanneer de rede in ons zichzelve mag beschouwen. Zoo +dikwijls de wereld voor mij in het niet wegzinkt en ik in God leef, +hem alleen heb en vasthoud, zijne onmiddellijke nabijheid gevoel, +gedenk ik die leerstelling. Hoe zochten en luisterden al die dwazen, +of zij de waarheid ook vinden en verstaan mochten, de waarheid die +naast hen zoo luide verkondigd werd! + +"Overal vond men Christenen, en zij behoefden zich in dien tijd niet +te verbergen; ik had echter niets met hen uit te staan. Maar tweemalen +kruisten zij mijn weg. De eene maal was ik niet weinig verdrietig, +toen in het renperk de paarden van een christen, die een Nazareenschen +zegen had ontvangen, de mijnen overwonnen. De andere keer was ik zeer +vreemd te moede, toen ikzelf zulk een zegen van een ouden christelijken +havenwerker ontving, wiens zoon ik uit het water had gered. + +"Er verliepen jaren. Mijne ouders stierven. De laatste blik mijner +moeder was op mij gericht, want van al hare kinderen hield zij toch +het meest van mij. Men zeide ook dat wij veel op haar geleken, ik en +mijne zuster Arsinoë, die spoedig na den dood mijns vaders met den +praefect Pompejus in het huwelijk trad. + +"Bij de verdeeling der erfenis liet ik de fabrieken en de leiding +der zaak aan mijn broeder over, ja ook het huis in de stad, ofschoon +het mij als den oudsten toekwam. Daarvoor nam ik het landgoed vóor de +Canobische poort in bezit, en vulde daar de stallen met edele paarden, +en de schuren met niet minder kostelijken wijn. Dien had ik noodig +ook, want de dagen waren aan de baden en het worstelperk gewijd, +maar de nachten werden met drinken doorgebracht, nu eens bij mij, +dan weder bij een vriend, of ook in een der herbergen te Canobus, +waar de gastmalen werden gekruid door gezang en dans van de schoonste +Grieksche meisjes. + +"Wat hebben, zult gij vragen, deze plaatsen van ijdel zingenot met +uwe bekeering te maken? Hoor mij slechts aan. Toen Saul uitging om +de ezelinnen zijns vaders te zoeken vond hij eene kroon. + +"Op zekeren dag waren wij in onze vergulde booten daarheen gevaren, +en de Lesbische Archidice had voor ons in haar huis een gastmaal +gereed gemaakt, zooals men het zelfs in Rome nauwelijks zou kunnen +toebereiden. Sedert Diocletianus, na den opstand van Achilleus, +onze stad had ingenomen, gedroegen zich de keizerlijke troepen, die +naar Alexandrië waren gekomen, meer dan overmoedig. Al maanden lang +hadden mijne vrienden met eenige jonge officieren uit Romeinsche +patricische familiën telkens weder verschil gehad over paarden, +vrouwen en weet ik wat niet meer. Nu wilde het ongeluk, dat wij juist +deze heertjes in de woning van Archidice aantroffen. Het kwam tot +bitse woorden, die de krijgslieden op hunne manier beantwoordden, +eindelijk tot beleedigingen, ja, toen de wijn hen en ons verhit had, +tot luide bedreigingen. + +"De Romeinen verlieten de woning vóor ons. Met kransen getooid, +zingende en geen kwaad vermoedende, volgden wij hen een poos +later. Reeds waren wij dicht bij de haven, toen een schreeuwende troep +uit eene zijstraat te voorschijn kwam, en ons met blanke wapenen op het +lijf viel. Het was maneschijn, zoodat ik enkele van onze aanvallers +kon herkennen. Ik wierp mij op een langen tribuun, worgde hem en +zonk, toen hij viel, met hem op den grond. Wat verder geschiedde, +weet ik niet recht meer, want zwaardhouwen vielen als een slagregen +op mij neer en het werd mij zwart voor de oogen. Ik weet alleen nog +wat ik toen in het aangezicht van den dood heb gedacht." + +"Wat dan?" vroeg Stephanus. + +"Ik dacht," antwoordde Paulus, terwijl hij een kleur kreeg van +schaamte, "aan mijne kwartels in Alexandrië, die ik onderhield om +te vechten, of zij wel water hadden gehad. Daarna overviel mij eene +diepe en sombere bewusteloosheid. Weken lang heb ik zoo gelegen, +want ik was gehakt als het worstvleesch van den slager. Ik had twaalf +wonden, de kleine niet mede gerekend, ieder van welke zeker een ander +het leven zou hebben gekost. Gij hebt u immers menigmaal over mijne +litteekens verwonderd." + +"En wien heeft de Allerhoogste uitverkoren om u te redden?" + +"Toen ik ontwaakte," ging Paulus voort, "lag ik in een groot net +vertrek, achter een gordijn van helder doek. Ik kon mij niet oprichten, +en als had ik evenveel minuten als dagen gesluimerd, dacht ik dadelijk +weder het eerst aan mijne kwartels. Bij den laatsten kamp had mijn +beste haan dien van den schoonen Nicander leelijk toegetakeld, en +toch beproefde hij mij den inzet te betwisten. Ik wilde mij evenwel +recht verschaffen. De kwartels moesten althans nog eens tegen elkaar +in het strijdperk, en als Nicander mocht weigeren, dan wilde ik hem +in de palaestra tot een vuistkamp dwingen, en hem ter herinnering aan +zijn schuld een blauw teeken op het oog schilderen. Mijne handen waren +zwak en toch balden zij zich tot vuisten, als ik aan dat ergerlijk +gedrag dacht. Ik zal hem! prevelde ik in mijzelven. + +"Daar hoorde ik hoe de deur van het vertrek, waarin ik sliep, werd +geopend, en zag hoe drie mannen eerbiedig een vierden naderden. Deze +laatste begroette hen waardig maar toch vriendelijk, en rolde een +geschrift op, waarin hij gelezen had. Gaarne had ik hem geroepen, +maar ik kon de drooge lippen niet openen. Toch zag en hoorde ik alles +wat er in de kamer bij mij voorviel. + +"Dat kwam mij toen vreemd genoeg voor. Reeds de groet dezer mannen was +zoo zonderling. Weldra bespeurde ik, dat hij die op den stoel zat een +rechter was, en dat de anderen als klagers kwamen. Zij waren alle drie +oud en arm, maar goede menschen hadden hun een stuk grond in gebruik +gegeven. Gedurende den tijd van den akkerbouw was de een, een flinke +grijsaard met lange witte haren, ziek geweest, zoodat hij ook bij den +oogst niet had kunnen medehelpen. Nu zullen zij hem zeker, dacht ik +zoo bij mijzelven, zijn aandeel aan het koorn willen onthouden. Doch +het kwam gansch anders, uit. De gezonden hadden den kranke het derde +deel van het gedorschte in huis gebracht, en de grijsaard weigerde +hardnekkig de tarwe aan te nemen, daar hij noch bij het zaaien, +noch bij den oogst had medegeholpen. Hij verlangde van den rechter, +dat deze den anderen aan het verstand zou brengen, dat hij niet +gerechtigd was aan te nemen, wat hij zich inderdaad niet verworven had. + +"De rechter had tot hiertoe gezwegen. Thans hief hij zijn verstandig +en vriendelijk gelaat op, en vroeg den grijsaard: 'Hebt gij voor uwe +gezellen en voor het gedijen van den arbeid gebeden?' + +"Dat heb ik gedaan," antwoordde de oude. + +"Zoo hebt gij hen door uwe voorbidding geholpen," besliste de +rechter. 'Het derde deel van den oogst is het uwe en gij moogt het +behouden!' + +"De grijsaard boog; de mannen gaven elkaar de hand, en weldra was de +rechter weder alleen in het vertrek. + +"Ik begreep niet recht wat er in mij omging. Zoowel de klacht als de +uitspraak van den rechter schenen mij onredelijk toe. Toch werd ik +door beiden in het hart geroerd. Ik sliep weder in, en toen ik den +volgenden morgen gesterkt ontwaakte, kwam de rechter naar mij toe en +bood mij geneesmiddelen aan, niet enkel voor het lichaam maar ook voor +de ziel, die zeker even diep gewond was als de arme gekwetste leden." + +"Wie was die rechter?" vroeg Stephanus. + +"Eusebius, de presbyter van Canobus. Christenen hadden mij halfdood op +de straat gevonden en in zijn huis gebracht, want de weduwe Theodora, +zijne zuster, was diakones der stad. Zij beiden hebben mij verpleegd, +als ware ik werkelijk hun broeder. Eerst toen ik krachtiger was +geworden, toonden zij mij het kruis en den doornenkroon van hem, die +ook om mijnentwil zooveel smartelijker lijden ondergaan heeft. Zij +leerden mij zijne wonden vereeren en de mijne met geduld dragen. Aan +het dorre hout der vertwijfeling botte weldra de groene knop der hoop; +in plaats van dat ijdel niets aan het einde des levens, toonden zij +mij den hemel met al zijne vreugde. Ik werd een nieuw mensch en de +toekomst lag voor mij als een eindeloos zalig bestaan. Na den dood, +dit leerde ik nu, zal er niets zijn dan de eeuwigheid. De poorten +des hemels waren wijd voor mij geopend en te Canobus werd ik gedoopt. + +"In Alexandrië had men mij reeds als een afgestorvene betreurd, en +mijne zuster Arsinoë had, als mijne erfgename, met haar echtgenoot +den praefect mijn landhuis betrokken. Ik liet het gaarne aan haar +over en woonde van nu aan weder in de stad om, als de vervolgingen +opnieuw mochten beginnen, de broeders te kunnen bijstaan. Dat viel +mij gemakkelijk, want door mijn zwager was de toegang tot alle kerkers +voor mij geopend. Eindelijk moest ik in het openbaar voor mijn geloof +uitkomen en heb ik op de pijnbank en in de porfiergroeven veel moeten +lijden. Doch elke smart was mij welkom, daar zij mij het doel van +mijn vurig verlangen nader scheen te brengen. Als ik hier op den +heiligen berg mij over iets te beklagen heb, dan is het alleen over +dit, dat de Heer mij niet verwaardigt tot meerder lijden, daar toch +zijn eigen beminde zoon voor mij en elken arme, zulke bittere smarten +op zich genomen heeft." + +"Gij heilige man!" prevelde Stephanus en kuste deemoedig Paulus' +schaapsvel; deze scheurde het hem echter uit de hand en zeide +mismoedig: + +"Ik bid u, laat dat! Wie mij hier in dit leven met eerbewijzen nadert, +die werpt mij steenen in den weg op het pad der zaligheid. Thans ga +ik naar de bron om frisch water voor u te putten." + +Toen Paulus met de kruik terugkeerde, vond hij Hermas, die zijn vader +een morgengroet bracht, eer hij weer naar den senator in de oase-stad +ging om nieuwe geneesmiddelen te halen. + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + +Sirona zat voor het open venster van haar slaapvertrek, en liet door +eene oude zwarte slavin, die haar echtgenoot in Rome gekocht had, hare +blonde haren opmaken. Zij zuchtte, terwijl de slavin met welriekende +olie op hare vlakke hand, nu hier dan daar, den glanzenden hoofdtooi +van hare meesteres bestreek. + +Thans greep de zwarte krachtig in de volle afhangende haren, waarover +een gouden glans lag gespreid; zij scheidde ze met beide handen, +om met het maken van vlechten te beginnen; doch Sirona weerde haar +af en zeide: "Geef mij den spiegel!" + +Een tijdlang staarde zij weemoedig op het gladgepolijste metaal. Toen +zuchtte zij andermaal, tilde het hazewindhondje, dat aan haar voeten +gelegen had, in haar schoot en zeide, terwijl zij het diertje den +spiegel voorhield: "Daar, arme Jambo; als wij beiden binnen deze vier +wanden wat willen zien, dat ons bevalt, dan moeten wij hier inkijken." + +Daarop vervolgde zij, terwijl zij zich tot de slavin richtte: "Wat +beeft dat diertje toch! Ik geloof dat het naar Arelate terug verlangt, +en bevreesd is dat wij nog lang hier onder de brandende zon zullen +blijven. Geef mij mijne sandalen." + +De zwarte overhandigde hare meesteres twee kleine zolen met gouden +versierselen op de keurige riemen; Sirona wierp het haar met den rug +van haar hand naar achteren en riep: "De oude, niet deze! Een houten +schoen zou thans ook voldoende zijn." + +Bij deze woorden wees zij naar den hof onder het venster, en deze +verkeerde inderdaad in zulk een toestand, als hadden hare met goud +geborduurde sandalen dien nog nooit betreden. Hij was van alle zijden +door gebouwen omgeven. Aan de eene zijde verhief zich een muur met +eene ingangspoort, op elk der anderen zijden stond een gebouw, die +te zamen een scherphoekig hoefijzer vormden. + +Tegenover den vleugel, waarin Sirona met haar echtgenoot een onderkomen +had gevonden, stond het zooveel hoogere huis van Petrus, en beide waren +op den achtergrond van den hof aan elkander verbonden door een schuur +van roodbruinen steen met palmtakken gedekt. Daar woonden de slaven +van den senator en werd het akkergereedschap bewaard. Daarvóor lag +een hoop zwarte kolen, zooals men ze hier brandde uit het hout van den +doornigen Sayal-acacia, en een niet onaanzienlijke rij goed geslepen +molensteenen, die Petrus in zijne steengroeven liet vervaardigen en +in Egypte verkocht. + +In dit vroege morgenuur lag deze geheele ruimte, die er niet +fraai uitzag, en door eene menigte hoenders en duiven bevolkt was, +in diepen schaduw. Sirona's venster alleen werd door de morgenzon +beschenen. Als zij geweten had welk een tooverglans het gouden licht +over hare gestalte, haar blank en blozend gelaat en haar glimmend haar +uitgoot, zou zij de zon vriendelijk hebben dank gezegd, terwijl zij +nu boos op haar was, omdat zij haar zoo vroeg wekte uit den slaap, +haar beste troost in de eenzaamheid. + +Behalve over eenige zijvertrekken, had zij nog te beschikken over +een grooter vertrek, de voorkamer, die op den straat uitzag. + +Op dit oogenblik hield zij hare hand voor de oogen en zeide: + +"Die lastige zon! Zij kijkt bij ons het eerst door de vensters. Als +of ons de dagen niet lang genoeg vielen! De bedden moeten in het +woonvertrek opgemaakt worden; daar sta ik op!" + +De slavin schudde het hoofd en antwoordde stamelend: "Dat wil +Phoebicius niet." + +In Sirona's oogopslag lag wrevel, en hare bijzonder welluidende stem +trilde een weinig, toen zij vroeg: "Wat heeft hij nu weer?" + +"Hij zegt," antwoordde de zwarte, "dat de zoon van den senator, +Polycarpus, uw venster meer voorbij gaat dan hem lief is, en het komt +hem voor, als bemoeit gij u meer dan noodig is met zijne kleine zusjes +en die andere kinderen daarboven." + +"Is hij daar nog?" vroeg Sirona, terwijl hare wangen vuurrood werden +en zij dreigend met den vinger naar het woonvertrek wees. + +"De heer is weg," stamelde de oude. "Hij ging reeds vóor zonsopgang +uit. Gij moest hem niet met eten wachten: hij komt eerst laat terug." + +De Gallische antwoordde niet, maar zij boog het hoofd en hare bloeiende +gelaatstrekken teekenden diepe troosteloosheid. + +Het hazewindje scheen het leed zijner meesteres ook te gevoelen, +want het richtte zich tot haar op, als wilde het haar kussen. De +verlatene vrouw drukte het diertje, dat zij uit haar vaderland had +medegebracht, hartstochtelijk aan haar borst, want haar hart werd +beklemd door een buitengewonen angst. Zij gevoelde zich zoo eenzaam, +zoo zonder vrienden, zoo geheel aan zichzelve overgelaten, als dreef +zij alleen in een bootje zonder roer, alleen op de onmetelijke zee. + +Huiverend kromp zij ineen. Zij had aan haar echtgenoot gedacht, aan +den man die alles voor haar moest zijn, en wiens tegenwoordigheid +haar toch met weerzin vervulde, wiens onverschilligheid haar niet +meer beleedigde en wiens teederheid zij oneindig meer vreesde dan +zijne wilde prikkelbaarheid. Zij had hem nooit liefgehad. + +Zonder zorgen was zij onder vele broeders en zusters opgegroeid. Haar +vader was penningmeester van het college van decurionen in zijne +vaderstad. Hij woonde tegenover het circus; toch had hij, gestreng in +zijne beginselen, zijne dochters nooit veroorloofd de schouwspelen bij +te wonen. Maar hij kon haar niet verbieden de menigte het amphitheater +te zien binnenstroomen en weder verlaten, zonder het gejubel en de +hartstochtelijke kreten van woede en bijval te hooren. + +Sirona werd groot, vervuld met het steeds levendiger maar nooit +bevredigd verlangen naar het genot, dat zij dagelijks voor oogen +zag. Zij had echter geen tijd om zich met onnutte dingen bezig te +houden, want hare moeder stierf eer zij tot vollen wasdom was gekomen, +en op haar rustte de taak, om voor hare acht jongere broertjes en +zusjes te zorgen. Dat deed zij dan ook zeer trouw, doch in hare +vrije uren luisterde zij gaarne naar de verhalen van de vrouwen der +beambten, die de heerlijkheden van het gulden Rome hadden gezien en +altijd roemden. + +Zij wist dat zij schoon was, want zij behoefde maar even buitenshuis +te komen om het te hooren. Maar wanneer zij heimwee gevoelde naar de +hoofdstad, dan was het niet om bewonderd te worden, maar omdat daar +zooveel heerlijks te zien en te bewonderen was. Toen nu de centurio +Phoebicius, de bevelhebber over de bezetting in hare vaderstad, +naar Rome werd verplaatst, en verlangde haar, de zeventienjarige, +die meer dan veertig jaren jonger was dan hij, als zijne vrouw mede +te nemen naar de keizerstad, volgde zij hem in overmoed en vervuld +van blijde hoop. + +Zeer spoedig na de bruiloft stak zij te Massilia in zee, vergezeld +van eene oude bloedverwante, en trok hij over land aan het hoofd +zijner cohorte naar Rome. Zij bereikte het doel der reis veel vroeger +dan haar echtgenoot, en gaf zich, hoewel altijd vergezeld van hare +bloedverwante, van ganscher harte en geheel onbevangen over aan de +vreugde van zooveel schoons te zien en te bewonderen. Daarbij ontging +het haar niet, dat zij overal de aandacht trok, en hoewel haar dit +in den aanvang streelde en behaagde, zoo bedierf het haar toch menig +genot, toen jonge en oude Romeinen begonnen haar na te loopen en het +hof te maken. + +Eindelijk kwam ook Phoebicius aan, en toen hij bemerkte dat vele +bewonderaars van zijne vrouw zijn huis wat te dikwerf bezochten, +nam hij tegenover Sirona eene houding aan, alsof zij sedert lang hare +trouwbelofte had geschonden. Dit nam niet weg dat hij haar dwong van +de eene vermakelijkheid naar de andere, nu eens naar deze dan naar +gene vertooning mede te gaan. Want hij vond er behagen in met zijne +mooie jonge vrouw te pronken. + +Wat haar betreft, zij was niet geheel vrij van behaagzucht. Maar zij +had van haren strengen vader, als opvoedster van hare broertjes en +zusjes, reeds jong geleerd, recht en onrecht, goed en kwaad juist van +elkaar te onderscheiden, en zij merkte spoedig op, dat de vermaken der +hoofdstad, die haar in den beginne toelachten, als bonte bloemen met +schitterende kleuren en bedwelmenden reuk, bloeiden boven afzichtelijke +moerassen. + +Zij had aanvankelijk met welgevallen gezien naar alles wat schoon, +wat lieflijk, wat vreemd was. Doch haar echtgenoot vond slechts +behagen in het gemeene en verfoeielijke, waarvan zij walgde. Hij +bespiedde elk harer blikken, en toch wees hij haar bij voorkeur op +hetgeen het oog eener reine vrouw kwetsen moet. Het genoegen werd +haar tot eene kwelling, want ook van den zoetsten wijn gevoelen wij +een afkeer, wanneer hij wordt aangeroerd door onreine lippen. Na den +afloop van elk feest en ieder schouwspel, overlaadde hij haar met +smadelijke verwijten. Toen zij, zulk eene behandeling moede, eindelijk +weigerde een voet buiten de deur te zetten, dwong hij haar toch hem te +begeleiden, zoo dikwijls de legaat Quintillus, die over hem gesteld was +en haar dagelijks met bloemen en geschenken overlaadde, zulks wenschte. + +Tot hiertoe had zij al haar best gedaan hem te verdragen, hem te +verontschuldigen, en zichzelve aansprakelijk te stellen voor veel +dat zij te lijden had. Daar werd haar echter--het was tien maanden na +hare komst in Rome--door Phoebicius iets voorgesteld, iets, dat zich +als een muur van metaal verhief tusschen hem en haar. En daar dit +iets ten gevolge had, dat hij, in plaats van bevorderd te worden, +gelijk hij had gehoopt, verbannen werd naar de afgelegene oase en +gedegradeerd tot aanvoerder van een armzalige handvol soldaten, +begon hij haar met opzet te kwellen. Zij trachtte zich te verweren, +door eene ijskoude onverschilligheid, en bracht het eindelijk zoo ver, +dat de man, voor wien zij niets dan verachting voelde, haar levensgenot +niet meer en niet minder bedierf dan eenig lichamelijk lijden, dat de +kranke veroordeeld is levenslang te dragen. In zijne tegenwoordigheid +zweeg zij, toonde zij zich trotsch en terughoudend, doch zoodra had +hij haar niet verlaten, of de haar van nature eigene goedheid en +kinderlijke vroolijkheid ontwaakte tot een nieuw leven. Haar warm +hart uitte zich in ongekunstelde blijdschap en deed de liefelijkste +bloemen ontluiken in het huis van den senator en onder de kleine +schare, die hare liefde met wederliefde vergold. + +Phoebicius behoorde tot de aanbidders van Mithras. De dienst dezer +godheid deed hem nu eens vasten, zóo streng dat hij bijna werd +uitgeput, dan weder zich bedwelmen met de feestgenooten, tot hij zijn +bewustzijn verloor. Ook hier had hij in het Sinaïtisch gebergte een +grot voor het vieren der Mithras-feesten ingericht, en eenige weinige +geestverwanten rondom zich verzameld. Wanneer hij dagen en nachten +achtereen uitbleef, om bleeker dan gewoonlijk terug te keeren, dan +wist zij waar hij geweest was. + +Op dit oogenblik stond het beeld van dezen man met zijne nu eens +slaperige, dan weder van brandenden toorn gloeiende oogen, in scherpe +omtrekken voor hare verbeelding, en zij vroeg zich af hoe het mogelijk +was geweest, dat zij er in had toegestemd zijne vrouw te worden. Eene +versnelde ademhaling deed haar borst zwoegen, want zij dacht weder +aan den hoon, die hij te Rome haar had aangedaan, en hare kleine +handen balden zich tot vuisten. + +Plotseling hief het hondje zich op in haar schoot en sprong blaffend op +de vensterbank. Zij verschrikte een weinig, maakte haar morgenkleed, +dat van den blanken schouder was gegleden, weder dicht, snoerde de +laatste riemen van haar sandalen vast, en keek in den hof. + +Terstond speelde er een glimlach om haren mond, want zij bespeurde +den jongen Hermas, die reeds lang roerloos tegen den wand van het +huis van Petrus had gestaan, en het beeld der schoone vrouw met zijne +blikken als verslonden had. Haar bewegelijk gemoed was als het oog, +waarin de verlammende duisternis geen spoor meer achterlaat zoodra +het een straal van het licht heeft opgevangen. Geen leed was in staat +haar zóo diep te treffen, dat niet de ademtocht van eenig nieuw genot +het naar alle windstreken kon uiteendrijven. Evenals vele rivieren bij +hare bronnen eene andere kleur hebben dan bij hare monding, zoo ging +het niet zelden met hare tranen; zij begon van smart te weenen, en +door overmaat van vreugde viel het haar moeilijk hare oogen te droogen. + +Hoe gemakkelijk zou het Phoebicius zijn gevallen, haar het leven te +veraangenamen, want zij was hoogst gevoelig van hart en dankbaar, +ook zelfs voor het kleinste bewijs van liefde. Maar tusschen hem en +haar was elke band verscheurd. + +De houding en het gelaat van Hermas bevielen haar. Zij vond dat +hij er voornaam uitzag, ondanks zijne armelijke kleeding. En toen +zij opmerkte dat zijne wangen gloeiden, en zijne hand, waarin hij +het medicijnfleschje hield, beefde, wist zij dat hij haar bespied, +dat haar aanblik zijn jeugdig bloed in beweging gebracht had. + +Eene vrouw, en vooral eene die gaarne behaagt, vergeeft alles wat +om harentwil wordt misdreven, en hare stem klonk zelfs vriendelijk +genoeg, toen zij Hermas goeden morgen wenschte en hem vroeg hoe zijn +vader het maakte, en of het geneesmiddel van den senator gewerkt had. + +De antwoorden van den jongeling waren kort en verlegen; doch zijne +oogen verrieden, dat hij haar gaarne gansch andere dingen zou gezegd +hebben, dan die zijne ongeoefende tong haar schuchter vermocht te +antwoorden. + +"Vrouw Dorothea vertelde mij gisteren avond," zeide zij vriendelijk, +"dat Petrus hoopt uw vader te kunnen herstellen, maar hij is nog +zeer zwak. Misschien zou goede wijn hem helpen; heden nog niet, +maar morgen of overmorgen. Kom maar bij mij, wanneer gij dien noodig +hebt; wij hebben in den kelder ouden Falerner en witten Mareotischen, +die uitnemend en versterkend is." + +Hermas dankte, en toen zij hem nogmaals aanmoedigde, om zich gerust +tot haar te wenden, wist hij over zich te krijgen, haar meer stamelend +dan sprekend toe te roepen: "Gij zijt niet minder goed dan schoon." + +Deze woorden waren ter nauwernood over zijne lippen, toen de bovenste, +van de naast het slavenverblijf kunstig opgestapelde steenen, met +luid geraas naar beneden rolde. + +Sirona schrikte en ging van het venster terug. Het hazenwindje begon +hard te blaffen, en Hermas bracht de hand aan het voorhoofd, alsof hij +uit een droom ontwaakte. Even daarna klopte hij aan de deur van den +senator. Nauwelijks had hij het huis betreden, of de tengere gestalte +van Mirjam kwam, als eene schaduw, achter de steenen te voorschijn, +om snel en zonder eenig geluid te maken, in de woning der slaven +te verdwijnen. + +Dit verblijf was thans ledig, daar de bewoners op het veld, of in +huis, of in de steengroeven aan den arbeid waren. Het bestond uit +eenige slecht verlichte vertrekken, met naakte oneffene wanden. De +herderin ging het kleinste binnen, waar de slaaf, dien zij gewond had, +rustte op een bed van palmtakken. Hij bewoog zich even, toen zij in +vliegende haast een nieuwe slordig gevouwen compres scheef op zijne +diepe hoofdwonde legde. Zoodra deze plicht vervuld was, verliet +zij het vertrek weder, plaatste zich achter de halfgeopende deur, +die toegang verleende tot den hof, en zag hijgend nu eens naar het +huis van den senator, dan weder naar de vensters van Sirona. + +Eene nieuwe gedachte had haar jeugdig hart in onstuimige beweging +gebracht. Weinige oogenblikken geleden zat zij nog naast den gewonden +man op den grond neergehurkt, met het hoofd rustende op haar hand, +denkende aan den berg en haar geiten. Daar vernam zij aan de zijde van +den hof een zacht gedruisch, dat een ander zeker ontgaan zou zijn. Zij +echter merkte het niet enkel op, maar zij kon ook met volle zekerheid +onderscheiden, wie er de oorzaak van was. In het geluid van Hermas' +schreden kon zij zich niet vergissen, en het werkte op haar met +onweerstaanbare macht. + +Snel hief zij het hoofd en den arm op, sprong overeind en ging den +hof in. De molensteenen maakten haar onzichtbaar, maar zij kon Hermas +toch zien, zooals hij daar stond in bewondering verzonken. Zij volgde +zijne blikken en--daar zag zij hetzelfde beeld, dat zijne oogen in +verrukking bracht, de schoone, door het zonlicht beschenen gedaante +van Sirona. Zij zag er uit als sneeuw met rozen en goud bestrooid, +als de engel aan het graf op de nieuwe schilderij in de kerk. Ja, als +de engel! En op eens bedacht zij, hoe bruin en zwart zij zelve was, +en dat hij haar een duivelin had genoemd. + +Eene diep smartelijke gewaarwording overmeesterde haar, en zij gevoelde +zich als verlamd naar lichaam en ziel. Spoedig echter ontworstelde +zij zich aan deze betoovering; haar hart begon onstuimig te kloppen, +en zij moest zich met de witte tanden op de lippen bijten, om het +niet luide uit te schreeuwen van toorn en pijn. Hoe gaarne was zij +tegen dat venster opgeklauterd, waaraan Hermas' blikken hingen; was +zij Sirona in de goudgele haren gevlogen; had zij haar op den grond +getrokken en als een vampyr haar het bloed uit de roode lippen gezogen, +tot zij vóor haar uitgestrekt zou liggen, bleek als het lijk van eene +die van dorst was omgekomen. + +Thans zag zij hoe het dunne gewaad haar van de schouders gleed, +hoe hij schrikte en de hand aan zijn hart bracht. Wederom welde eene +andere gedachte bij haar op, namelijk om Sirona toe te roepen en te +waarschuwen. Zelfs vijandinnen reiken elkander in den geest de handen, +wanneer het geldt het bedreigde heiligdom van het zedig vrouwelijk +gevoel te beschermen. + +Zij bloosde om Sirona's wil, en reeds opende zij de lippen, toen +het hondje aansloeg en het gesprek tusschen beiden begon. Aan haar +scherp gehoor ontsnapte geen woord van hetgeen zij sprak, en toen hij +zeide, dat zij zoo schoon was als goed, gevoelde zij, dat zij begon +te duizelen. De bovenste steen, die weinig steun had, en waaraan zij +zich wilde vasthouden, verloor zijn evenwicht. Zijn val stoorde het +gesprek van de twee en deed Mirjam naar den kranke terug ijlen. + +Thans stond zij aan de deur op Hermas te wachten. Dat wachten viel haar +lang, zeer lang. Eindelijk kwam hij met vrouw Dorothea te voorschijn +en zij bemerkte alleen nog, dat hij weder naar Sirona opzag. Een +ondeugend lachje speelde om hare lippen, want het venster was ledig, +en het schoone beeld, dat hij gehoopt had weder te zien, was verdwenen. + +Sirona zat thans aan haar weefstoel in het voorvertrek; het geluid van +een naderenden hoefslag had haar daarheen gelokt. De tweede zoon van +den senator, Polycarpus, was op den fieren hengst zijns vaders voorbij +gereden, had haar gegroet en tevens eene roos op den weg geworpen. + +Een halfuur later kwam de oude slavin bij Sirona, die met vlugge hand +den weversspoel door den inslag schoot. "Meesteres!" riep de zwarte +met een hatelijk lachje. Zoodra de verlatene vrouw haren arbeid +staakte en haar vragend aanzag, overhandigde de oude haar de roos. + +Sirona nam de bloem aan, blies het stof dat haar bedekte weg, schikte +met de vingertoppen de sierlijke blaadjes, en zeide, terwijl zij aan +deze bezigheid hoofdzakelijk hare opmerkzaamheid scheen te wijden: +"Laat voortaan die rozen liggen. Gij kent Phoebicius, en wanneer +iemand het ziet, dan komen er maar praatjes van." + +De zwarte vrouw haalde de schouders op en keerde haar den rug +toe. Sirona dacht echter: "Die Polycarpus is toch een schoon en +vriendelijk jonkman. Zulke groote gevoelvolle oogen heeft zeker geen +ander. Als hij maar niet altijd van zijne ontwerpen, teekeningen, +figuren en zulke ernstige dingen spreken wilde, die mij niets aangaan!" + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + +Toen de zon den volgenden dag hare middaghoogte reeds voorbij was +en het koeler begon te worden, willigden Hermas en Paulus den wensch +van Stephanus in en brachten zij hem naar buiten, want hij begon zich +krachtiger te gevoelen. + +Thans zaten de Anachoreten naast elkander op een vlak rotsblok, +dat Hermas voor zijn vader door eene laag van frissche kruiden in +een zacht kussen had veranderd. Beiden zagen zij den jongeling na, +die met pijl en boog den berg opklom, ten einde een steenbok te +schieten. Petrus toch had den kranke krachtige spijs voorgeschreven. + +Zij spraken geen woord, tot de jager uit het gezicht was. Toen zeide +Stephanus: "Wat is hij toch veranderd, sedert ik ziek ben! Het is toch +nog zoo lang niet geleden, dat ik hem voor het laatst bij daglicht +zag. Inmiddels schijnt de knaap een man geworden te zijn. Met welk +een gevoel van zelfbewustheid ging hij daarheen!" + +Paulus prevelde, terwijl hij naar den grond keek, eenige bevestigende +woorden. Het werpen met den schijf kwam hem weder voor den geest, +en hij dacht: "Zeker heeft hij de palaestra in zijn hoofd. Hij heeft +zich ook gebaad. Reeds gisteren, toen hij uit de oase terugkwam, +stapte hij voort als een jeugdig athleet. + +Dan eerst mag de vriendschap eene ware heeten, wanneer twee menschen, +zonder een woord te spreken, zich toch mogen verheugen in elkanders +samenzijn. Stephanus en Paulus zwegen; nochtans bestond er tusschen +hen eene onmerkbare gedachtenwisseling, toen zij, terwijl de zon +begon onder te gaan, naar het westen zagen. Diep beneden hen glansde +in zacht blauw-groene tinten de smalle vlakte der Roode zee, aan +de kusten begrensd door naakte, helder goudgele bergen. In hunne +nabijheid verhief zich de veelgespleten kroon van het reuzengebergte, +die zoodra de dagvorstin achter haar verdween, als omgeven werd met +een stralenkrans van vurige robijnen. Een gloeiend rood overdekte den +westelijken horizont; dunne nevelsluiers begonnen het kustgebergte te +omhullen; de zilveren wolkjes aan den reinen hemel veranderden van +tint, zich kleurende met het zachte rood der pas ontluikende rozen; +en de heuvels aan het strand schitterden met het doorzichtig blauw +van violen en amethysten. Er was geen zuchtje; geen geluid verstoorde +de plechtige avondstilte. + +Eerst toen de kleur der zee al donkerder en donkerder werd, toen de +gloed op de bergtoppen en in het westen was uitgedoofd, toen de nacht +zijne schaduwen over hoogten en laagten begon uit te breiden, maakte +Stephanus zijne gevouwen handen los en riep zijn metgezel zacht bij +den naam. + +Paulus verschrikte, en zeide als een die uit een droom ontwaakt, +en zich bewust is de woorden van den ander niet verstaan te hebben: +"Gij hebt gelijk! Het wordt donker en koel, en gij moet weder in de +spelonk gaan." + +Stephanus verzette zich niet, en liet zich naar zijn leger brengen. + +Paulus zuchtte diep, terwijl hij het schaapsvel over den kranke +uitspreidde. + +"Wat ontroert uwe ziel?" vroeg de oude man. + +"Het is... het was... Wat kan het mij baten!" riep Paulus diep +bewogen. Wij zijn daar getuigen geweest van het heerlijkst wonder +des Allerhoogsten, en ik heb schaamteloos afgoderij gepleegd, want ik +zag den wagen voor mij met de blinkende, vuursnuivende, gevleugelde +rossen van Helios, en den god zelven in de gedaante van Hermas, met +schitterende goudgele haren, en de dansende Horen [3], en de gouden +poorten van den nacht. Vervloekt demonen-tuig!...." + +Hier werd de Anachoreet gestoord, want Hermas trad de spelonk binnen, +hield de beide mannen een steenbok voor, dien hij geschoten had, +en riep: "Een flinke borst, en hij heeft mij maar eene enkele pijl +gekost. Ik zal dadelijk vuur ontsteken en de beste stukken braden. Daar +zijn nog bokken genoeg op onze bergen, en ik weet ze te vinden." + +Een uur later aten vader en zoon de aan het spit gebraden stukken +vleesch. Paulus weigerde er mede van te nuttigen, want toen hij, +na het werpen met den discus, zich in vertwijfeling en berouwvol had +gegeeseld, had hij zich een streng vasten opgelegd. + +"En nu," riep Hermas, toen zijn vader, wien deze lang ontbeerde +krachtige spijs voortreffelijk scheen te smaken, verklaarde dat +hij verzadigd was, "en nu komt het beste! In deze flesch heb ik +versterkenden wijn, en wanneer zij ledig is, wordt zij opnieuw gevuld." + +Stephanus greep den houten beker, dien zijn zoon hem toereikte, dronk +een weinig en zeide, terwijl hij den kostelijken smaak van het edel +vocht nog eens met zijne tong keurde: "Dat is wat goeds! Syrische +wijn! Proef eens, Paulus!" + +De aangesprokene nam den beker in de hand, snoof de geur van den gulden +drank onderzoekend op, en prevelde toen, zonder er zijne lippen aan te +zetten: "Dat is geen Syrische; het is Egyptische. Ik ken hem wel. Ik +houd hem voor Mareotische!" + +"Zoo heeft Sirona hem ook genoemd," zeide Hermas. "En gij herkent +den wijn alleen aan den geur! Ze zeggen dat hij bijzonder heilzaam +is voor zieken." + +"Dat is hij," verzekerde Paulus. + +"Sirona?" vroeg Stephanus verwonderd. "Wie is dat?" + +Het hol werd maar flauw verlicht door het vuur, dat bij den ingang +was ontstoken; de beide Anachoreten konden dus niet opmerken, dat +Hermas kleurde tot over zijn ooren, toen hij antwoordde: "Sirona? De +Gallische Sirona? Kent gij haar niet? Zij is de vrouw van den centurio, +beneden in de oase." + +"Hoe komt gij juist aan haar?" vroeg de vader. + +"Zij woont in het huis van Petrus," antwoordde de jongeling, "en daar +zij van uwe verwonding hoorde...." + +"Breng haar mijn dank over, wanneer gij morgen naar beneden gaat," +vroeg Stephanus; "haar en ook haar echtgenoot. Is hij een Galliër?" + +"Ik geloof ja,... neen stellig," antwoordde Hermas. Zij noemen hem +den leeuw. En hij komt uit Gallië." + +Toen de jongeling het hol had verlaten, legde de oude man zich te +slapen neder, en Paulus waakte aan zijne zijde op het bed van zijn +zoon. Maar Stephanus kon den slaap niet vatten. Toen zijn vriend hem +naderde, om hem het geneesmiddel toe te dienen, zeide hij: "De vrouw +van een Galliër heeft mij een weldaad bewezen, en toch die wijn zou mij +beter bevallen zijn, wanneer hij niet van een Galliër afkomstig was." + +Paulus zag hem vragend aan, en hoewel er volslagen duisternis heerschte +in de spelonk, zoo gevoelde Stephanus toch dezen blik en zeide: "Ik +ben op niemand boos, en heb mijn naaste lief. Ik ben diep beleedigd; +maar ik heb vergeven, van ganscher harte vergeven. Daar is maar éen, +wien ik kwaad zou gunnen, en dat is een Galliër." + +"Vergeef ook hem," smeekte Paulus, "en laat u den slaap niet verstoren +door bittere gedachten." + +"Ik ben niet moede," hernam de kranke. "Wanneer u wedervaren was, +wat mij is aangedaan, zou dit ook u de nachtrust bederven!" + +"Ik weet het, ik weet het," zeide Paulus, om hem wat neer te +zetten. "Het was een Galliër, die uwe arme vrouw misleid heeft, +zoodat zij uw huis en uw kind heeft verlaten." + +"En hoe heb ik Glycera bemind!" sprak de kranke steunend. "Zij werd +behandeld als eene vorstin, en ik wist hare wenschen te voorkomen, +vóor zij ze had uitgesproken. Honderdmaal heeft zij mij gezegd, +dat ik te goed en te zwak voor haar was, en haar niets te wenschen +overbleef. Daar kwam die Galliër in ons huis, een mensch, een +kerel zoo norsch als zure wijn, maar welbespraakt en met vonkelende +oogen. Hoe hij Glycera in zijne strikken heeft gevangen: ik weet het +niet en wil het niet weten. In de hel zal hij er voor boeten. Dag en +nacht bid ik voor de arme verlorene vrouw. Zij is bezweken voor eene +betoovering, doch haar hart bleef in mijn huis achter, want daar was +haar kind, en zij had Hermas zoo lief, en ook aan mij was zij zoo +innig gehecht! Hoe sterk moet wel de begoocheling zijn, die zelfs de +moederliefde kan dooden! Ik arme! Ach ik ongelukkige! Hebt gij ooit +eene vrouw liefgehad, Paulus?" + +"Gij moet slapen," zeide de Anachoreet vermanend. "Wie kan, gelijk +ik, bijna een halve eeuw geleefd hebben, zonder te voelen wat liefde +is!--Maar ditmaal spreek ik geen woord meer; neem gij den drank dien +Petrus u gezonden heeft." + +Het middel van den senator werkte krachtig, want de kranke sliep in, en +ontwaakte eerst, toen het volle daglicht de spelonk verlichtte. Paulus +zat nog altijd aan zijne legerstede, en overhandigde hem, nadat zij +gemeenschappelijk gebeden hadden, de kruik, die Hermas, alvorens hij +naar de oase ging met frisch water had gevuld. + +"Ik gevoel mij versterkt," zeide de oude. "Het geneesmiddel is goed. Ik +heb rustig geslapen en heerlijk gedroomd. Maar gij ziet er zoo bleek +en ontdaan uit." + +"Ik!" vroeg Paulus, "Ik heb daar toch op het bed gelegen. Laat mij +nu een oogenblik naar buiten gaan." + +Terwijl hij dit zeide ging hij het hol uit. Zoodra hij zich aan +de blikken van Stephanus had onttrokken, haalde hij diep adem, +rekte hij zijne leden en wreef hij de brandende oogen uit. Want, +het was hem als had hij zand onder de oogleden, die hij drie dagen +en nachten achtereen niet had willen sluiten. Bovendien kwelde hem +een hevige dorst, want zijne lippen hadden in dienzelfden tijd spijs +noch drank aangeroerd. Reeds begonnen zijne handen te beven, maar de +zwakheid en de pijn vervulden hem met stille vreugde, en gaarne had +hij zich in zijn hol teruggetrokken ten einde zich, en dat niet voor +de eerste maal, over te geven aan den bitterzoeten waan, dat hij aan +een kruis hing en evenals de Heiland uit vijf wonden bloedde. + +Doch Stephanus riep hem, en zonder te talmen ging hij tot hem en +beantwoordde zijne vragen. Het spreken viel hem daarbij gemakkelijker +dan het hooren, want het suisde en gonsde en klonk hem in de ooren, +alsof hij bevangen was door den vurigen wijn. + +"Als Hermas nu maar niet vergeet den Galliër te bedanken," zeide +Stephanus. + +"Danken, ja danken moeten wij altijd," antwoordde de ander, terwijl +hij de oogen sloot. + +"Ik heb van Glycera gedroomd," begon de oude man opnieuw. "Gisteren +zeidet gij, dat de liefde ook u eens het hart heeft bewogen. Gij zijt +toch nooit gehuwd geweest.--Gij zwijgt? Maar antwoord mij dan toch?" + +"Ik? Wie heeft mij geroepen?" prevelde Paulus, en staarde den vrager +met strakke blikken aan. + +Deze verschrikte, zoodra hij bemerkte, dat Paulus over al zijne leden +beefde, richtte zich op, en gaf hem de flesch met den wijn van Sirona, +die de ander, zichzelven niet meer meester, hem hartstochtelijk uit +de hand rukte en brandend van dorst ledigde. + +De vurige drank wekte zijne wegzinkende krachten weder op, +kleurde zijne wangen en verleende aan zijne oogen een eigenaardigen +glans. Daarbij zeide hij, diep ademhalende en zijne hand tegen de +borst drukkende: "Hoe goed heeft mij dat gedaan!" + +Stephanus was nu volkomen gerustgesteld, en herhaalde zijne vraag. Doch +hij gevoelde weldra berouw over zijne nieuwsgierigheid, want de stem +van zijn vriend had een geheel vreemden klank aangenomen, toen hij +antwoordde: "Ik was nooit gehuwd, neen nooit. Maar toch heb ik lief +gehad, en ik wil u alles vertellen, alles, van het begin tot het +einde. Gij moogt mij echter niet in de rede vallen, geene enkele +maal! Ik ben zoo zonderling te moede! Misschien komt het van den +wijn. Ik heb dien in lang niet gedronken. Ik heb gevast, sedert, +... sedert... Doch dat doet er niet toe. Zwijg nu stil, doodstil, +en laat mij vertellen." + +Paulus zat op Hermas' legerstede. Thans boog hij zich een eind +achterwaarts, leunde met zijn hoofd tegen den rotswand der spelonk, +door welker opening het volle daglicht binnenstroomde, en begon +terwijl hij in de ruimte staarde: "Hoe zij er uitzag wie kan haar +beschrijven? Zij was lang en groot als Hera en toch niet trotsch, en +haar edel Grieksch gelaat was niet minder lieftallig dan schoon. Zij +kon zoo heel jong niet meer zijn, toch had zij de oogen van een +vriendelijk kind. Ik heb haar alleen zeer bleek gekend. Haar +smal voorhoofd kwam als elpenbeen onder de donkerbruine haren te +voorschijn. Blank als haar voorhoofd waren ook hare schoone handen, +handen die als bezielende wezens, eene eigene taal wisten te spreken. + +Als zij ze aandachtig samenvouwde, dan was het als spraken zij voor +zichzelve een gebed uit. Zij was buigzaam als een jongen palm, als zij +zich bewoog; toch was er iets voornaams en waardigs in hare houding, +zelfs in de dagen toen ik haar voor het eerst aanschouwde. Dat was +op eene verschrikkelijke plaats, in de ijzingwekkende gevangenkamer +in de Rhakotis. Zij droeg slechts een doorschijnend gewaad, dat eens +kostbaar was geweest. Gelijk een hongerige rat eene gevangene duif, zoo +volgde haar een morsig wijf, dat haar met smaadwoorden overlaadde. Zij +antwoordde niets, maar groote dikke tranen rolden langzaam over hare +bleeke handen, die zij over de borst gekruist hield. Uit hare blikken +spraken leed en angst, maar geene gemoedsbewegingen verstoorden de +regelmatigheid harer trekken. Zelfs de smaadheid wist zij waardig te +dragen, en met welk een taal vervolgde haar de woedende oude! + +"Ik was reeds lang gedoopt, en voor mij, den rijken Menander, den +zwager van den praefect Pompejus, stonden alle gevangenissen open, +waarin onder Maximinus zoovele Christenen zouden gedwongen worden +tot afval van hun geloof. Maar zij behoorde niet tot de onzen. Haar +oog ontmoette het mijne; ik maakte het teeken des kruises, maar zij +beantwoordde den heiligen groet niet. Thans voerden de wachters de +oude vrouw weg; zij trok zich echter in een donkeren hoek terug, +hurkte daar neder en verborg het aangezicht met de handen. + +"Hoe zonderling het ook was, ik gevoelde deelneming met deze +ongelukkige vrouw tot in het diepst mijner ziel. Het was mij als +behoorde zij aan mij en ik aan haar, en ik stelde vertrouwen in haar, +al vertelde de cipier mij ook in ruwe woorden, dat zij met een Romein +bij dat oude wijf had gewoond, dien zij voor veel geld had opgelicht. + +"Den volgenden morgen kon ik niet nalaten weder naar de gevangenzaal te +gaan, om harent- en mijnentwil. Daar vond ik haar weder in denzelfden +hoek, waarin zij den vorigen dag gevlucht was. Haar gevangenkost, een +kruik water en een stuk brood, stond onaangeroerd naast haar. Toen ik +haar nader kwam, merkte ik op, hoe zij een klein stuk van de dunne +snede voor zichzelve afbrak, en vervolgens een christenknaapje, dat +zijne moeder in den kerker gevolgd was, tot zich riep, om dit kind de +rest te geven. Het kind bedankte haar vriendelijk; zij echter greep +en kuste het, ofschoon het er niet mooi en zeer ziekelijk uitzag, +met hartstochtelijke teederheid. + +"Wie kinderen zóo lief heeft," zeide ik tot mijzelven, "is niet +bedorven," en ik bood haar aan naar mijn vermogen te helpen. Niet +zonder wantrouwen nam zij mij met de oogen op en zeide, dat zij loon +naar werken ontving, en dat zij alles dragen wilde. + +"Eer ik verder bij haar kon aandringen, werden wij door christenen +gestoord. Zij hadden zich geschaard rondom den waardigen Ammonius, +die hen met stichtelijke woorden vermaande en troostte. Zij luisterde +opmerkzaam naar den grijsaard, en den volgenden dag vond ik haar +in gesprek met de moeder van het knaapje, waaraan zij het brood +had geschonken. + +"Op zekeren morgen was ik met vruchten gekomen, waarmede ik de +gevangenen en haar in het bijzonder wilde verkwikken. Zij nam een +appel, stond op en zeide zacht: "Thans vraag ik u om een ander +geschenk. Gij zijt een christen; zend mij een priester om mij te +doopen, wanneer hij mij niet voor onwaardig houdt. Want ik ben zoo +zwaar met zonden beladen, zwaarder dan eenige andere vrouw." + +"Wederom welden er stille tranen in hare lieve, groote kinderlijke +oogen. Ik sprak haar hartelijk toe en toonde haar de genade van +den Verlosser, zoo goed ik kon. Spoedig daarop heeft Ammonius haar +heimelijk gedoopt. Zij verzocht dat men haar Magdalena zou noemen. Zóo +geschiedde het, en daarna schonk zij mij haar volle vertrouwen. + +"Zij had haren echtgenoot en haar kind verlaten, om de wille van een +duivelschen verleider, dien zij naar Alexandrië was gevolgd, en die +haar daar in den steek had gelaten. Alleen, zonder vrienden, in gebrek +en schulden, bleef zij bij eene onmeedoogende en hebzuchtige waardin +achter, door welke zij voor den rechter en in den kerker werd gesleept. + +"In welk een afgrond van de diepste zielesmart liet deze vrouw, +die een beter lot waardig was geweest, mij een blik slaan! Wat is +voor eene vrouw het hoogste? Hare liefde, hare moederplicht, hare +eerbaarheid! En Magdalena? Zij had alle drie verspeeld, vergooid door +eigen schuld. De slagen van het lot, waaraan wij niets veranderen +kunnen, laten zich gemakkelijk dragen, maar wee hem die door eigen +toedoen, zijn levensgeluk verstoort! + +"Zij was eene zware zondares; zij gevoelde dit met bitter berouw en +wees mijn aanbod haar vrij te koopen, standvastig af. Zij hunkerde +naar de straf, gelijk een koortslijder naar den bitteren drank, +die zijn bloed tot bedaren zal brengen. + +"Bij den gekruisigde! Ik heb onder zondaars meer edel menschelijk +gevoel gevonden, dan bij menig rechtvaardige in priesterlijk gewaad! + +"De kerker kreeg voor mij door Magdalena zijn heiligheid terug. Vroeger +had ik die plaats dikwijls met diepe verachting verlaten, want onder de +gevangene christenen was veel lui volk, dat den Heiland in het openbaar +had beleden, om zich te doen onderhouden door de liefdegaven der +geloofsgenooten. Ik vond er vloekwaardige misdadigers, die de verbeurde +zaligheid door den marteldood hoopten terug te erlangen. Ik hoorde het +gejammer der blooden, die den dood niet minder vreesden, dan verraad te +plegen jegens den Allerhoogste. Men kon er hartverscheurende tooneelen +aanschouwen, maar ook toonbeelden der verhevenste zielegrootheid. Ik +zag mannen en vrouwen, die in stillen vrede den dood tegengingen, +en wier uiteinde waarlijk edeler was dan de geprezene zelfopoffering +van een Codrus of een Decius Mus. + +"Onder alle gevangen was er geene vrouw of geen man kalmer, +vastberadener, meer berustend dan Magdalena. Het woord: 'Er zal +meer vreugde zijn in den hemel over éen zondaar die zich bekeert, +dan over negen en negentig rechtvaardigen', sterkte haar wonderbaar, +en zij heeft boete gedaan, waarlijk dat heeft zij. En ik? God is mijn +getuige, dat geene zinnelijke begeerte, die een man tot eene vrouw +voert, mij tot haar trok. Toch kon ik haar niet verlaten; over dag +was ik bij haar en haar zocht mijne ziel bij nacht. Het kwam mij voor +dat niets heerlijker kon zijn, dan met haar te mogen sterven. + +"Het was in den tijd van het vierde vervolgingsdecreet, weinige +maanden nadat het eerste tolerantie-edict werd uitgevaardigd. Wie +offert, zoo luidde het steeds, is straffeloos; wie zich daartegen +echter verzet, zal door alle middelen daartoe gedwongen worden. Zij +die zich hardnekkig toonen, zullen den dood ondergaan. Lang was er met +toegevendheid te werk gegaan; thans joeg men de gevangenen schrik aan, +door de wet opnieuw voor te lezen. Velen verborgen zich, steunende en +weeklagende, anderen baden overluid, en de meesten wachtten angstig +en met bleeke lippen de dingen die komen zouden. Magdalena bleef +volmaakt kalm. + +"Thans werden de namen der gevangene christenen opgeroepen, en de +keizerlijke soldaten brachten ze op éene plaats samen. Noch mijn naam, +noch de hare waren genoemd, want ik behoorde niet tot de gevangenen, +en men had haar niet om het geloof in den kerker gezet. Reeds rolde +de beambte zijne lijst op; daar stond Magdalena op, trad naar voren +en zeide met kalme waardigheid: "Ook ik ben eene christin!" + +"Als er een engel bestaat met menschelijke gelaatstrekken, dan +moet zijn aangezicht gelijken op het hare, zooals ik het in die ure +aanschouwde. De Romein, een waardig man, zag haar met een vorschend +oog welwillend aan, schudde het hoofd, en zeide luide, terwijl hij +op zijn geschrift wees: "Ik vind uw naam hier niet geschreven!" Zacht +voegde hij er bij: 'en wil haar ook niet vinden.' + +"Toen naderde zij hem en zeide luide: 'Gun mij mijne plaats bij +mijne geloofsgenooten, en schrijf nu op: Magdalena, de christin, +weigert te offeren!' + +"Mijne ziel werd heftig bewogen en in blijden ijver riep ik: 'Teeken +ook mij op en schrijf: Menander, de zoon van Herophilus, een christen, +weigert desgelijks.' + +"De Romein deed zijn plicht. Geen oogenblik van dien dag heeft de +tijd mij doen vergeten. Daar stond het altaar en daarnaast aan de +eene zijde de heidensche priester, aan de andere de keizerlijke +beambte. Twee aan twee werden wij voorgebracht. Magdalena en ik +waren de laatste. Een enkel woord bracht hier leven en vrijheid, +daar marteling en dood. Onder dertig hadden slechts vier den moed +gehad het offer te weigeren; de kleinmoedigen weeklaagden echter +en sloegen zich voor het hoofd, en baden dat de Heer den moed der +anderen mocht sterken. + +"Een onbeschrijfelijk rein gevoel vervulde mijne ziel. Het was mij als +zweefden wij te zamen, bevrijd van de banden des lichaams, op lichte +wolken heen. Kalm en gelaten weigerden wij het offer, en dankten +den keizerlijken ambtenaar, die ons goedhartig vermaande. Toen wij +te samen, in hetzelfde vertrek, op hetzelfde uur aan den beul werden +overgegeven, zag zij naar boven en ik slechts op haar. Te midden van +de gruwzaamste pijnen aanschouwde ik den Heiland, mij wenkende, van +engelen omgeven, die op lichte wolkjes zweefden, die aan het oog zich +vertoonden als enkel glansrijk licht en aan het oor als schoone muziek. + +"Roerloos verdroeg zij het verschrikkelijkste; slechts eenmaal riep +zij den naam uit van haar zoon Hermeias. Toen richtte ik mijne blikken +op haar en zag, hoe zij met bevende lippen en wijd geopende oogen +ten hemel staarde. Zij leefde nog en toch was zij reeds bij Hem; +zij lag nog op de folterbank en toch gevoelde zij zich zalig. + +"Mijn krachtig lichaam bleef mij nog aan het stof binden; zij vond +reeds verlossing bij het begin der marteling. Ikzelf drukte haar +de oogen toe, de liefelijkste oogen, waarin zich ooit de hemel +afspiegelde. Ik trok den ring van hare bloedende, zachte, blanke +hand, en hier, hier onder deze ruwe vacht, bewaar ik hem. En ik bid, +ik bid!... Mijn hart!... God, als het eens zoo ware! Als toch het +einde....! + +Paulus bracht de hand aan het voorhoofd en zonk uitgeput, door zijne +aandoeningen overweldigd, geheel onmachtig op zijn leger neder. + +De kranke had in ademlooze spanning zijn verhaal gevolgd; sedert +lang had hij zich reeds hoog opgericht, en was, zonder dat de andere +het bemerkt had, op de knieën nedergezonken. Thans sleepte hij zich +voort tot den bewustelooze. Gloeiend en bevend over al zijne leden, +boog hij zich over hem, trok de vacht van zijn borst, zocht driftig +met de handen naar den ring, vond dien, bekeek hem, als wilde hij dien +met zijne oogen verslinden, drukte hem een en andermaal aan zijn hart, +en dan weder aan zijne lippen, bedekte zijn gelaat met beide handen, +en weende bitter. Eerst toen Hermas uit de oase terugkeerde, dacht +hij aan zijn vriend, die daar uitgeput lag ineengezonken, en riep +hem met behulp van zijn zoon in het leven terug. + +Paulus weigerde niet spijs en drank te nuttigen, en toen hij, versterkt +en als tot een nieuw leven ontwaakt, in de avondkoelte naast Stephanus +buiten het hol zat, en van den grijsaard had vernomen, dat Magdalena +zijne vrouw was geweest, zeide hij, op Hermas wijzende: "Nu weet ik, +waarom ik dezen van den aanvang zoozeer heb liefgehad." + +De oude man drukte hem zacht de hand, want hij gevoelde zich door een +nieuwen teederen band aan zijn verpleger verbonden. De zekerheid dat +zijne altijd nog zoo teerbeminde vrouw, de moeder van zijn zoon, als +christin, als martelares was gestorven en vóor hem den weg ten hemel +had gevonden, vervulde hem met stille zaligheid. Vreedzaam als een +kind sliep hij den volgenden nacht, en toen er 's morgens afgezanten +uit Raïthoe verschenen, om Paulus uit te noodigen den heiligen berg +te verlaten en tot hen te komen, ten einde zich als presbyter aan hun +hoofd te stellen, zeide Stephanus: "Volg gerust deze schoone roeping, +die gij verdient. Ik heb uwe hulp thans waarlijk niet meer noodig, +want ik zal ook zonder verpleging wel genezen." + +Maar Paulus, meer verontrust dan verblijd, verzocht de afgezanten +dringend hem een tijd van zeven dagen toe te staan om zich te +bedenken. Hij liep vervolgens rusteloos van de eene heilige plaats +naar de andere, en eindelijk naar de oase, om in de kerk te bidden. + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + +Het was een kostelijke verfrisschende avond. De volle maan verhief zich +statig aan het donkerblauw gewelf van den nachtelijken hemel, en goot +een stroom van licht over de koele aarde uit. Maar de lichtkracht harer +zilveren stralen was niet sterk genoeg om den fijnen blauwachtigen +sluier op te heffen, die de reuzenmassa van den heiligen berg omhulde. + +Daarentegen trad de oasen-stad geheel uit de duisternis te +voorschijn. De breede weg van de hoofdstraat viel den wandelaar, +die van de hoogte afdaalde, dadelijk in het oog als een wit marmeren +baan, en de pas gepleisterde wanden van de nieuwe kerk kwamen zoo +schitterend uit, als op den vollen middag. De schaduwen der huizen en +palmen lagen als donkere stukken tapijt over den weg, die niet zeer +bevolkt was, niettegenstaande de avondkoelte, die anders de burgers +naar buiten lokte. + +Door de geopende vensters van de kerk klonk het gezang van mannen +en vrouwen. Thans ging de deur open, en de christelijke Pharanieten, +die hier het avondmaal hadden gevierd met brood en den kelk, die van +hand tot hand ging, kwamen buiten. Vóor de ouderlingen en diakenen, +de voorlezer en de zangers, de akolyten en de geheele geestelijkheid +van de plaats, liep de bisschop Agapitus. De leeken werden voorafgegaan +door het opperhoofd van de oase, Obedianus, en den senator Petrus. De +laatste werd vergezeld door zijne vrouw, zijne volwassene kinderen +en een aantal slaven. + +Het kerkje was reeds leeg, toen de deurwachter, die de kaarsen +uitdoofde, in een donkeren hoek van het voorportaal, dat voor +de boetelingen bestemd was, en waarin eene altijd springende +bron ruischte, een man gewaar werd, die roerloos op den grond zat +neergehurkt, diep in het gebed verzonken. Eerst toen hij hem aanriep +en met zijn lampje in het gelaat lichtte stond hij op. + +De deurwachter sprak hem eerst toe met harde woorden; toen hij echter +in den achterblijvenden Anachoreet Paulus uit Alexandrië herkende, +veranderde hij van toon, en vroeg hij vriendelijk, bijna onderdanig: +"Wil nu niet langer bidden, vrome man! De gemeente heeft de kerk +verlaten, en ik moet haar sluiten ter wille van ons fraai nieuw +kerkgereedschap en die heidensche roovers. Het is mij reeds bekend, +dat de broeders van Raïthoe u tot hun presbyter kozen, en dat hunne +gezanten u hebben bekend gemaakt met den hoogen eer, die u te beurt +viel. Zij hebben ook onze kerk bezichtigd en zeer bewonderd. Vertrekt +gij dadelijk daarheen, of viert gij de hooge feesten nog met ons?" + +"Dat zult gij morgen vernemen," antwoordde Paulus, die zich had +opgericht en leunde tegen een der pijlers van de smalle, naakte ruimte +voor de boetelingen. "In dit huis woont Een, aan wien ik raad wil +vragen. Ik bid u, laat mij alleen. Zoo gij wilt, sluit dan de deur +en laat er mij na eenigen tijd, eer gij ter ruste gaat, weder uit." + +"Dat kan ik niet doen," antwoordde de andere bedenkelijk. "Mijne vrouw +is ziek, en mijn huis ligt ver van hier aan het einde van het vlek, +bij de kleine poort. Ook moet ik heden den sleutel nog brengen bij +den senator Petrus, wiens zoon, de bouwmeester Antonius, morgen vroeg +wil beginnen met het nieuwe altaar op te stellen. De arbeiders komen +tegen zonsopgang, en wanneer...." + +"Laat mij den sleutel zien," viel Paulus hem in de rede. "Tot welk een +zegen kan zulk een klein ding den toegang sluiten of wel openen! Weet +ge wat, vriend; wij kunnen, meen ik, elkander helpen. Gij gaat naar +uwe zieke vrouw, en ik breng den sleutel, wanneer ik mijn gebed +voleindigd heb, naar den senator." + +De portier bedacht zich een oogenblik, en willigde toen de bede van den +toekomstigen presbyter van Raïthoe in, ofschoon hij hem verzocht toch +niet lang te vertoeven. Toen hij het huis van den senator voorbijging, +rook hij de geur van gebraden vleesch. Hij was een arm man en dacht +bij zichzelven: "Deze vast als hij er lust in heeft; wij vasten ook, +maar wanneer wij het liefst niet zouden doen." + +De heerlijke geur, die deze klacht in hem had doen oprijzen, +werd veroorzaakt door het braden van een hamel, die heden voor +alle huisgenooten van den senator, als een feestschotel, zou +worden opgedragen. Zelfs de slaven namen aan dezen laten maaltijd +deel. Petrus en vrouw Dorothea zaten, naar Grieksche gewoonte, +in een half liggende houding naast elkander op eene eenvoudige +rustbank. Vóor hen stond eene tafel, waaraan niemand anders gezeten +was, waarbij zich echter de zetels voor de volwassene kinderen des +huizes onmiddellijk aansloten. De slaven zaten dichter bij de deur +op den grond neergehurkt, en verdrongen zich in twee kringen om +een tweetal rookende schotels, waaruit zij met de vlakke hand de +bruinachtige linzenbrei aten. Naast ieder lag een rond grauw brood, +dat eerst gebroken werd, nadat de hofmeester Jethro den hamel gesneden +en verdeeld had. Aan Petrus en de zijnen werden de malsche stukken +van den rug en de schenkels van het dier aangeboden om te kiezen; +voor de slaven legde de hofmeester echter eene snede op ieders brood, +voor de mannen eene grootere, voor de vrouwen eene kleinere. Menigeen +zag zeker met nijd naar de lekkere stukken van zijne meer begunstigde +dischgenooten. Doch hij, die het karigst bedeeld werd, mocht niet +klagen. Het was den slaven slechts geoorloofd te spreken, wanneer de +heer hen iets gevraagd had, en Petrus verbood zelfs zijne kinderen +over de spijzen een goed- of afkeurend oordeel te vellen. + +Te midden van de dienstboden zat ook Mirjam neergehurkt. Zij at +altijd weinig, en van vleesch had zij een afkeer. Daarom schoof zij +het stuk van de rib, dat men haar gegeven had, een ouden tuinman toe, +die tegenover haar zat, en haar dikwijls eene vrucht of wat honing +schonk; want Mirjam hield van zoetigheid. + +Petrus sprak heden met de slaven in het geheel niet, en met de zijnen +maar zeer weinig. Vrouw Dorothea merkte niet zonder bezorgdheid +de diepe rimpels op tusschen zijn ernstige oogen, en hoe hij de +lippen vast op elkaar klemde, wanneer hij, de spijzen vergetende, +in gedachten zat verzonken. + +Het maal was geëindigd, maar hij verroerde zich niet en hem +ontgingen de vragende blikken, die uit veler oogen op hem geslagen +werden. Niemand waagde het op te staan, alvorens de heer daartoe het +teeken had gegeven. + +Het ongeduldigste van alle aanwezigen volgde Mirjam zijne +bewegingen. Zij schoof onrustig heen en weer; het brood, dat zij +overgelaten had, met hare spitse vingers verkruimelende. Nu eens +versnelde zich hare ademhaling, dan weder scheen deze geheel stil +te staan. + +Zij had de deur van den hof hooren kraken en de schreden van Hermas +herkend. "Hij zoekt den heer des huizes; weldra zal hij binnentreden +en mij onder dezen hier vinden," dacht zij, streek onwillekeurig +met hare hand over de verwilderde haren, om ze wat gelijk te maken, +en wierp een blik, waarin zoowel haat als verachting was gelegen, +op de andere slaven. + +Maar Hermas verscheen niet. Zij dacht er geen oogenblik aan, dat haar +oor haar bedrogen kon hebben. Wachtte hij thans aan de deur, tot het +maal zou zijn afgeloopen? Gold zijn laat bezoek de Gallische, tot +wie zij hem gisteren weder had zien gaan met de wijnkruik? Sirona's +echtgenoot, Phoebicius, dat wist zij, was op den berg en offerde +daar aan Mithras met zijne gezellen, bij het licht der volle maan, +in een hol, dat haar sedert lang bekend was. Zij had den Galliër +gezien, toen hij, gedurende de avond-godsdienstoefening, den hof +verliet met eenige soldaten. Twee van dezen hadden hem een grooten +kist, waaruit het hengsel van een verbazend grooten mengketel stak, +benevens een zak vol water en allerlei gereedschap nagedragen. Zij +wist dat deze mannen den ganschen nacht in de Mithras-grot zouden +vertoeven, en daar "den jongen god," de opgaande zon, met vreemde +ceremoniën begroeten. Meer dan eenmaal toch had de nieuwsgierige +herderin hen beluisterd, wanneer zij, vóor het krieken van den morgen, +met hare geiten het gebergte optrok, en haar ter oore was gekomen, +dat de Mithras-dienaars hun nachtelijk feest vierden. + +Daar viel haar opeens in dat Sirona alleen was, en dat het late +bezoek van Hermas misschien haar en niet den senator gold. Zij +schrikte; haar hart deed haar pijn, en gelijk altijd, wanneer eene +heftige gemoedsbeweging haar aangreep, werd zij door haren hartstocht +medegesleept, zoodat zij alle heerschappij verloor over haren wil. Zij +sprong overeind en stond reeds bij de deur, toen de stem van den +senator haar terughield, om haar het onbetamelijke van haar gedrag +onder het oog te brengen. + +De kranke dien zij verpleegde lag nog altijd met de koorts, een +gevolg van de ontsteking der wond. Zij wist dat zij alle berisping +zou ontgaan, wanneer zij op de strenge vraag van haar meester zou +antwoorden, dat Anubis haar hulp noodig had. Doch zij had nog nooit +gelogen, en trotschheid verbood haar ook onwaarheid te zeggen. De +andere slaven verschrikten toen zij den senator ten antwoord gaf: +"Ik kan het hier niet uithouden. De maaltijd duurt zoo lang!" + +Petrus keek door het venster naar buiten, en toen hij bemerkte hoe hoog +de maan reeds stond, schudde hij het hoofd, als verwonderde hij zich +over zichzelven, sprak zonder verdere berisping het dankgebed uit, +gaf den slaven door een teeken te verstaan, dat zij de zaal konden +verlaten en trok zich in zijn kamer terug, nadat hij zijne kinderen, +waaronder alleen Polycarpus werd gemist, eene nachtkus had gegeven. + +Hij bleef er niet lang alleen, daar Vrouw Dorothea, nadat zij +met hare dochter Marthana en den hofmeester alle beschikkingen had +gemaakt voor den volgenden dag, en in het slaapvertrek harer jongste +kinderen een vriendelijken blik had geslagen op hen, die daar zoo +vreedzaam sluimerden, hier een dekje, daar een klein hoofdkussen +recht schikkende--den drempel van zijn vertrek overschreed en hem +bij den naam riep. + +Petrus bleef staan, keek om, en uit zijne ernstige oogen stroomde +thans zijne gade eene overvloed van dankbare teederheid tegemoet. + +Dorothea kende het goede hart van den strengen man en knikte hem toe, +ten teeken dat zij hem begreep. Doch eer zij tijd had om te spreken, +zeide hij: "Kom maar dichter bij! Het drukt mij hier zwaar, en uw +deel van den last mag u niet ontgaan." + +"Geef het dan maar hier," haastte zij zich te zeggen. "Het slanke +meisje is eene breed geschouderde vrouw geworden, zoodat het haar +lichter zal vallen haren heer de velerlei lasten des levens te helpen +dragen. Maar ik ben inderdaad zeer bezorgd. Reeds vóor wij naar de +kerk gingen is u iets onaangenaams bejegend, en dat niet alleen in +de raadsvergadering. Er moet met de kinderen iets niet in orde zijn." + +"Wat gij toch voor oogen hebt!" zeide Petrus. + +"Leelijke, grijze," hernam Dorothea, "en ze zijn niet eens bijzonder +scherp. Maar wat ulieden aangaat, de kinderen en u, dat kunnen zij in +donker waarnemen. Gij zijt over Polycarpus niet tevreden. Gisteren, +toen hij naar Raïthoe reed, hebt gij hem aangezien, zoo...zoo...ja, +hoe zal ik het zeggen! Ik kan mij wel begrijpen waarover het is, +maar ik geloof dat gij u noodeloos ongerust maakt. Hij is jong, +en eene zoo wonderschoone vrouw als Sirona...." + +Petrus had tot hiertoe zijne vrouw zwijgend aangehoord. Thans vouwde +hij de handen samen en zeide, haar in de rede vallende: "Waarlijk +dat grenst aan het ongeloofelijke;--maar ik moest daar al aan gewend +zijn. Wat ik u in eene stille ure wilde toevertrouwen, dat vertelt +ge mij, alsof het eene lang bekende zaak was." + +"Waarom ook niet?" vroeg Dorothea. "Wanneer gij een twijgje op den +boom ent en het is er goed ingegroeid, dan voelt het ook de snede van +den zaag, die den boom doorsnijdt, en de verkwikking van de bron, die +zijne wortels besproeit, alsof het zelf dit leed en deze vreugde had +ondervonden. Gij zijt de boom en ik het twijgje, en de wonderkracht van +het huwelijk heeft uit u en mij een geheel gemaakt. Als uw hart slaat, +klopt ook het mijne; uw denken is het mijne geworden, en daarom weet +ik ook altijd eer gij het mij zegt, wat er in uwe ziel omgaat." + +In Dorothea's goedige oogen blonk bij deze woorden een traan; doch +Petrus greep met hartelijkheid hare beide handen en zeide: "En wanneer +de oude knorrige stam menigmaal eene zoete vrucht draagt, dan heeft +hij het te danken aan het twijgje. Ik kan niet gelooven, dat die +Anachoreten daar boven den Heer bijzonder welgevallig zijn, omdat zij +in de eenzaamheid leven. De man wordt eerst volmaakt mensch door vrouw +en kind, en wie deze niet bezit, hij leert nooit de helderste hoogten +en de donkerste diepten des levens kennen. Zoo de man al wat hij is en +wat hij vermag voor iets kan geven, dan is het voor zijn eigen huis." + +"Voor ons huis," hernam Dorothea, "hebt gij dit naar uw vermogen +gedaan." + +"Voor ons huis," herhaalde Petrus op vasten toon, terwijl zijne +zware stem klonk in al hare volheid. "Twee zijn sterker dan éen, +en hoe lang is het toch wel geleden, sedert wij verleerd hebben +bij alle vragen, die op het gezin en de kinderen betrekking hebben, +'ik' te zeggen. In beide opzichten heeft men ons heden getroffen." + +"Wil de senaat dan geen deelnemen aan het aanleggen van den weg?" + +"Neen! De Bisschop Agapitus heeft den doorslag gegeven. Ik behoef het +u niet te zeggen, in welke verhouding wij tot elkander staan. Ik wil +geen kwaad van hem spreken, want hij is een rechtschapen man; maar +in vele dingen zullen wij elkander nooit begrijpen. Zooals gij weet, +was hij in zijne jeugd soldaat, en zijne vroomheid heeft wat ruws, ik +zou haast zeggen krijgshaftigs. Als het naar zijn zin was gegaan, en +ons opperhoofd Obedianus mij niet had bijgestaan, dan zouden wij geen +enkel beeld in de kerk hebben, die er dan zou uitzien als een schuur +en niet als een bedehuis. Wij hebben elkander nooit kunnen verstaan, +en sedert ik mij tegen zijn wensch, om Polycarpus tot priester op te +leiden, heb verzet; sedert ik den jongen, die waarlijk reeds als kind +beter teekende dan menig meester in dezen ellendigen tijd, waarin geen +groote kunstenaars geboren worden, bij den beeldhouwer Thalassius in +de leer bracht, spreekt hij over mij alsof ik een heiden ben." + +"En toch acht hij u hoog, dat weet ik," hernam vrouw Dorothea. + +"Gaarne betaal ik hem met dezelfde munt," antwoordde Petrus. "Dat +wat hem van mij vervreemdt is waarlijk niet iets laags. Hij waant het +zuiver geloof alleen te bezitten, en daarvoor te moeten strijden. Hij +noemt de werken der kunstenaars heidensche gruwelen. Die nimmer de +louterende kracht van het schoone ondervonden heeft, meent dat elke +afbeelding tot afgoderij voert. Polycarpus' engelen en diens goede +herder mochten zijne goedkeuring nog wegdragen, maar over de leeuwen +geraakte de oude krijgsman in woede. Hij noemde ze vervloekte afgoden +en duivelswerk." + +"Maar ook in den tempel van Salomo waren leeuwenbeelden te zien," +sprak Dorothea. + +"Dat juist wierp ik hem tegen, en verder nog, dat men in de +catecheten-scholen en in de stichtelijke dierkunde die wij bezitten, +den Heiland zelven bij een leeuw vergelijkt; dat ook Markus de +evangelist, die het evangelie des Heeren naar Alexandrië overbracht, +met een leeuw wordt afgebeeld. Maar hij bestreed mij steeds heftiger, +op grond dat de werken van Polycarpus bestemd zijn niet om eene heilige +plaats, maar het Caesareum te versieren. Want hij ziet daarin niets +anders dan een heidensch gebouw, en de schoone werken der Grieken, +die daar bewaard worden, noemt hij ellendige fratsen, waarmede de +Satan de harten der christenen verleidt. De andere senatoren verstaan +zijne onbeschaafde taal, maar mijne redenen niet, en daarom vielen +zij hem bij en werd mijn voorstel om den weg aan te leggen verworpen, +op grond dat het eene christelijke gemeente niet betaamt de afgoderij +in de hand te werken, en wegen te banen voor den duivel." + +"Ik kan het u aanzien, dat gij hun scherp te woord hebt gestaan." + +"Dat geloof ik wel," ging Petrus voort met neergeslagen oogen. "Er zal +menig hard woord gevallen zijn, en dat liet men mij ontgelden. Agapitus +was bijzonder ontevreden. Hij toonde een verslag der diakenen met mijne +rekening en verantwoording. Zij misprezen het zeer, dat gij evenveel +brooden aan heiden- als aan christengezinnen had uitgedeeld. Dat is +nu wel waar, maar..." + +"Maar," vervolgde Dorothea levendig, "de honger kwelt de ongedoopten +evenzeer. Hunne christelijke buren ondersteunen hen niet, en zij zijn +toch ook onze naasten. Ik zou mijn ambt al zeer slecht uitoefenen, +wanneer ik ze liet verhongeren, omdat zij den besten troost moeten +ontberen." + +"Toch," zeide Petrus, "besloot de raad, dat gij in het vervolg +hoogstens een vierde deel van het u toegewezen graan voor hen zoudt +besteden. Gij behoeft niet te schrikken. Wat vroeger van het onze +verkocht werd, zal voortaan ter uwer beschikking zijn. Gij zult +voortaan aan geen van uwe pleegkinderen een enkel brood onthouden. Doch +wat de aanleg van den weg betreft, dat kan nog een poos duren. Er is +echter geen haast met de voltooiing, want Polycarpus zal toch bij ons +zijne leeuwen moeielijk kunnen afwerken. Die arme knaap! Met welk eene +liefde heeft hij de modellen van klei gevormd, en hoe wonderbaar is +het hem gelukt de houding der koninklijke dieren weder te geven! Het +was alsof de geest van de oude meesters van Athene hem bezielde. Wij +zullen nu eens overleggen, of zich te Alexandrië niet...." "Beproeven +wij liever terstond," zeide zijne vrouw hem in de rede vallende, +"Polycarpus over te halen om deze modellen te laten liggen en andere +meer heilige werken uit te voeren. Agapitus ziet scherp, en die +heidensche werken gaan den jongen al te zeer ter harte." + +Bij de laatste woorden fronsde de senator het voorhoofd, en zeide niet +zonder opgewondenheid: "Niet alles wat de heidenen hebben gemaakt, +is te verwerpen. Polycarpus moet ernstig en voortdurend aan het werk +blijven, want hij richt zijn oogen op iets, waarvan zij afgewend +moeten blijven. Sirona is de vrouw van een ander, en men mag ook +niet uit scherts de vrouw van zijn naasten voor zich trachten te +winnen. Acht gij de Gallische in staat haar plicht te verzaken?" + +Dorothea aarzelde; na een oogenblik nadenkens antwoordde zij: "Zij +is een schoon en ijdel kind, ja een kind! Ik denk daarbij aan hare +geheele manier van zijn, niet aan haar ouderdom, ofschoon zij inderdaad +de kleindochter kon zijn van den wonderlijken man, voor wien zij geen +liefde of achting, neen, niets dan afkeer gevoelt. Wat het is weet ik +niet, maar reeds in Rome moet hij haar iets ontzettends voorgesteld +hebben, en ik doe maar geen pogingen meer om haar hart gunstig voor +hem te stemmen. In alle andere dingen is zij gevoelig en laat zij +zich gemakkelijk leiden, en dikwijls kan ik mij niet begrijpen, hoe +zij zoo uitgelaten kan zijn, wanneer zij met de kinderen speelt. Gij +weet toch hoe de kleinen, zelfs Marthana aan haar gehecht zijn. Ik +wenschte wel dat zij eene christin was, want ook ik, waarom zou ik +het verzwijgen, heb haar lief. Men kan in hare tegenwoordigheid niet +droefgeestig zijn. Zij is mij genegen, zij vreest mijne berisping +en is er altijd op uit mijne goedkeuring te winnen. Het is waar, zij +tracht alle menschen te behagen, zelfs de kinderen; doch Polycarpus, +welk een flink man hij ook is, zoover ik zien kan, niet meer dan de +anderen, stellig niet!" + +"Doch de jongen," zeide Petrus, "ziet telkens naar haar om, en +Phoebicius heeft het opgemerkt. Gisteren is hij mij tegengekomen, +toen ik naar huis ging, en hij verzocht mij, op zijne beleefde maar +scherpe manier, mijn zoon den goeden raad te geven, in het vervolg, +als hij rozen wilde schenken, deze liever in de vensters van anderen +dan in het zijne te werpen, want hij was geen vriend van bloemen, +en voor zijne vrouw plukte hij ze liever zelf." + +De vrouw van den senator verbleekte, en zeide kortaf en op stelligen +toon: "Wij hebben dien huurder niet noodig, en hoezeer ik zijne vrouw +ook missen zal, geloof ik toch dat het beste zal zijn, wanneer gij +hen verzoekt naar een ander verblijf uit te zien." + +"Spreek niet verder, vrouw," zeide Petrus ernstig, terwijl hij met +de hand zijne afkeuring te kennen gaf. "Zullen wij er Sirona voor +laten boeten, dat onze zoon om harentwille eene onbezonnenheid heeft +begaan? Gij hebt echter gezegd, dat het verkeer met de kinderen en +hare achting voor u haar voor afdwalingen zullen bewaren, en nu zouden +wij haar de deur wijzen? Dat nooit. De Galliërs blijven in mijn huis, +zoolang zij niets doen wat mij dwingt hen er uit te zetten. Mijn vader +was wel een Griek, maar van moederszijde heb ik Amalekietisch bloed +in de aderen, en zoo ik hen, met wien ik eens onder mijn dak het brood +deelde, over mijn drempel joeg, zou ik mijzelven onteeren. Polycarpus +moet gewaarschuwd worden en vernemen, wat hij aan ons, aan zichzelven +en aan het gebod des Heeren verschuldigd is. Ik weet zijne uitnemende +gaven te waardeeren en ben zijn vriend, maar ook zijn heer, en zal +weten te voorkomen, dat mijn zoon de losse zeden van de hoofdstad in +zijn eigen vaders huis invoert." + +De laatste woorden klonken als hamerslagen, en in de oogen van den +senator stond te lezen, dat hij op dit punt vastbesloten was. + +Toch naderde zijne vrouw hem zonder vrees. Zij legde hare hand op +zijn arm en zeide: "Wat is het toch goed dat de man het rechte in +het oog houdt, terwijl wij vrouwen gewoon zijn den eersten indruk van +ons hart te volgen. Ook bij het worstelen bedient gijlieden u enkel +van geoorloofde handgrepen, terwijl vechtende vrouwen soms nagels en +tanden gebruiken. Beter dan wij weet gij het onrecht te voorkomen; +dat hebt ge mij weder getoond. Maar in het ten uitvoer brengen van +hetgeen goed is, zijt gij onzen meerderen niet. De Galliërs mogen in +vrede bij ons blijven, en gij kunt Polycarpus streng in 't verhoor +nemen; doe het echter allereerst als zijn vriend. Of ware het niet +beter, wanneer gij dit aan mij overliet? Hij heeft zich zoozeer +verheugd in het vooruitzicht op het voltooien zijner leeuwen, en zijne +medewerking bij den grooten bouw in de hoofdstad, en daarmede zal het +nu uit zijn! Ik wenschte dat ge hem dit reeds aan het verstand had +gebracht. Doch liefdesgeschiedenissen zijn vrouwenzaken, en gij weet +hoe lief de jongen mij heeft. Een moederlijk woord werkt dikwijls meer +uit, dan de klap eens vaders. Het is in het leven als in den krijg: +eerst brengt men de boogschutters in het veld; de zwaargewapenden +blijven achter en dienen hun tot steun. Eerst als de vijand niet wijken +wil, treden de laatsten vooruit en beslissen den slag. Laat mij vooraf +met den jongen spreken. Het kon toch zijn, dat hij enkel uit scherts +eene roos in het venster der Gallische wierp, die immers met zijne +broertjes en zusjes speelt, alsof zij tot onze familie behoorde. Ik +zal hem in 't verhoor nemen, en is het er zóo mede gesteld, dan zou +het noch billijk, noch verstandig zijn hem te berispen. Zelfs met +eene waarschuwing moet men voorzichtig te werk gaan, want menigeen, +die nooit aan stelen heeft gedacht, is door eene valsche verdenking +een dief geworden. Zulk een jeugdig gemoed dat begint lief te hebben, +is als een wilde knaap, die bij voorkeur langs paden wandelt, waarvoor +men hem gewaarschuwd heeft. Toen ik nog een meisje was, ontwaarde ik +zelve eerst hoe lief ik u had, nadat de vrouw van den senator Aman, +die u voor hare eigene dochter begeerde, mij den raad had gegeven mij +voor u te wachten. Wie zijn tijd te midden van al de verleidingen +van het Grieksche Sodom zoo ernstig heeft besteed als Polycarpus, +wie zich daar zulk een lof van zijne leeraars en meesters heeft +verworven gelijk hij, hem heeft de loszinnigheid der Alexandrijnen +niet geschaad. In de eerste jaren bepaalt de mensch in welke richting +hij gedurende zijn volgend leven zal voortgaan, en die richting heeft +Polycarpus aangenomen, alvorens hij ons huis verliet. Ja, als ik niet +wist hoe braaf hij is, dan zou ik slechts op u hebben te zien, om tot +mijzelven te zeggen: "uit het kind, dat door dezen is groot gebracht, +kan nooit een slecht man groeien." + +Petrus haalde bedenkelijk, als hield hij die vleiende woorden zijner +vrouw voor ijdele dwaasheid, en toch lachend de schouders op, en +vroeg: "Bij welken rhetor hebt gij toch school gegaan? Het zij zoo; +spreekt gij met den jongen als hij uit Raïthoe terugkomt. Wat staat +de maan reeds hoog! Kom, laat ons ter ruste gaan, Antonius zal morgen +zeer vroeg het altaar opstellen, en daar wil ik bij zijn." + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + +Mirjam had goed gehoord. Terwijl zij bij het avondeten werd opgehouden, +had Hermas de deur van den hof geopend. Hij was gekomen om den senator, +uit erkentelijkheid voor de geneesmiddelen, waaraan zijn vader zooveel +beterschap had te danken, een flinken jongen steenbok te brengen, +dien hij weinige uren geleden geschoten had. Hij had hiermede wel +tot den volgenden morgen kunnen wachten, maar hij vond geen rust +boven op den berg en hij kon noch wilde het zichzelven verhelen, +dat veel minder het verlangen om zijn gevoel van dankbaarheid uit te +spreken hem naar de oase dreef, dan wel de hoop om Sirona te zien en +een woord van hare lippen te hooren. + +Sedert zijne eerste ontmoeting had hij haar meermalen gesproken, +en hij was zelfs in haar huis geweest, als zij hem wijn voor zijn +vader gaf en hij de ledige flesschen terugbracht. Eens, terwijl zij de +flesch die hij vasthield uit de groote kan vulde, hadden hare blanke +vingers de zijne aangeraakt, en haar vraag of hij dan bang voor haar +was, of waarom anders zijne hand, die toch zoo sterk scheen te zijn, +zoo angstig beefde, kon hij maar niet vergeten. + +Hoe meer hij het huis van Petrus naderde, des te heviger klopte zijn +hart. Hij bleef voor de deur van den hof staan om adem te halen en +weder op zijn verhaal te komen, want hij gevoelde dat het hem, in +zulk een opgewonden toestand, moeielijk zou vallen in behoorlijke +orde zijne gedachten uit te spreken. Eindelijk greep zijne hand den +knop van de deur en trad hij den hof binnen. + +De honden kenden hem al en sloegen maar even aan, toen hij den drempel +overschreed. Hij had iets te brengen en wilde niets wegnemen, en +toch scheen het hem toe alsof hij een dief was, toen hij eerst opzag +naar het groote huis, dat door het maanlicht helder werd beschenen, +en dan naar het huis van den Galliër, dat daar, in duisternis gehuld, +in onbestemde omtrekken stond, en eene breede donkere schaduw wierp +op het glad geloopen en glinsterend graniet van het plaveisel. Er was +geen mensch te bespeuren, en de reuk van het feestgebraad zeide hem, +dat Petrus en de zijnen aan den maaltijd zaten. + +"Ik zal hun, die daar zitten te smullen, ongelegen komen," sprak hij +in zichzelven, terwijl hij den bok neerlegde op den steenen bank bij de +deur en daarbij naar het hem maar al te goed bekende venster van Sirona +keek. Het was niet verlicht, maar hij zag toch iets wits in het steenen +kozijn, en dit trok zijne blikken met onweerstaanbare toovermacht +aan. Nu bewoog het zich; daar verhief Sirona's hazewindhondje vlak +bij hem zijn schelle stem. + +Zij was het, zij moest het zijn! Haar beeld trad hem in al zijn +glans voor de oogen, en opeens kwam het hem in de gedachte, dat zij +alleen was, want hij was Phoebicius en de oude slavin te midden van +de Mithras' aanbidders op den weg in de oase tegengekomen. + +Hoe was die vrome jonkman, die de geeselriemen op zijn vleesch deed +nederdalen, om verleidelijke droomgestalten te verbannen, in weinige +dagen veranderd! Om zijn vaders wil had hij den berg nog niet verlaten, +hij was echter besloten de wereld niet langer te ontvluchten, maar +haar veeleer op te zoeken. De verpleging zijns vaders had hij aan den +vromen Paulus overgelaten, en hij had beneden de rots omgezworven. Nu +eens oefende hij zich daar in het werpen met de schijf, dan weder +maakte hij jacht op steenbokken en roofdieren. Soms daalde hij, doch +altijd wel een weinig schroomvallig, in de oase af, om daar rondom +het huis van den senator te loopen, ten einde Sirona te zien. + +Thans werd hij met eene onweerstaanbare kracht tot haar getrokken, +daar hij wist dat zij alleen was. Wat hij van haar wilde, wist hij +zichzelven eigenlijk niet te zeggen, en volmaakt duidelijk was hem +niets, dan dat hij wenschte haar vinger nog eens met den zijnen +aan te raken. Of dat zonde moest heeten of niet, dit was hem vrij +onverschillig. Zonde had men ook zijn onschuldig spel genoemd, +zonde elke gedachte aan de wereld, waarnaar hij verlangde, en hij +was geheel besloten de zonde voor zijn rekening te nemen, ten einde +zijn doel te bereiken. Het was ten slotte toch niet anders dan +een schrikbeeld, waarmede men kinderen bang maakt, en de waardige +Petrus had hem verzekerd, dat hij een man was, van wien men daden +moest verwachten. In het gevoel dat hij een ongehoord waagstuk ging +beginnen, naderde hij het venster van de Gallische, en deze herkende +hem terstond, want hij werd beschenen door het licht van de volle maan. + +"Hermas!" hoorde hij zacht roepen. + +Hem overviel zulk een hevige schrik, dat hij als aan den grond genageld +bleef staan, en meende dat zijn hart ophield te kloppen. + +Andermaal riep eene zachte vrouwestem: "Hermas zijt gij het? Wat +brengt u zoo laat in den avond tot ons?" + +Hij stamelde onsamenhangende woorden; doch zij zeide: "Ik kan u niet +verstaan; kom wat nader bij." + +Onbewust bewoog hij zijn voet en trad in de schaduw van het huis tot +aan haar venster. + +Zij droeg een wit gewaad met open mouwen, en hare armen kwamen niet +minder helder dan haar kleed tegen de duisternis uit. + +Het hazewindje begon weder te keffen. Zij bracht het tot bedaren en +vroeg vervolgens aan Hermas hoe het zijn vader ging, en of hij ook +wijn noodig had. + +Hij antwoordde dat zij goed was, engelachtig goed; dat de kranke +weder geheel bijkwam, en dat zij hem veel te veel van hare goede +gaven had geschonken. Wat beiden verder spraken mocht ieder hooren; +toch fluisterden zij, alsof het over verbodene dingen handelde. + +"Wacht even," verzocht Sirona, en verdween in de kamer. Een oogenblik +later verscheen zij weder en zeide op zachten treurigen toon: "Ik +wilde u uitnoodigen binnen te komen, maar Phoebicius heeft de deur +gesloten. Ik ben geheel alleen. Houdt de flesch omhoog, opdat ik haar +door het venster uit de kruik vulle." + +Bij deze woorden bukte zij naar de groote wijnkan. Zij was sterk, +maar de kruik scheen haar heden veel moeielijker op te tillen dan op +andere dagen, en zuchtend zeide zij: "De amphora is mij te zwaar." + +Hij hief de hand naar het venster op; wederom raakten hare vingers de +zijne aan, en weder had hij hetzelfde zalig gevoel, waaraan hij dag en +nacht had gedacht, sedert hij het voor de eerste maal had ondervonden. + +Op dit oogenblik kwam er beweging in het tegenoverliggende huis. De +slaven stonden van den maaltijd op. Sirona wist wat er plaats had. Zij +schrikte en riep, terwijl zij angstig naar de deur van den senator +wees: "Bij alle goden, zij komen, en wanneer zij u hier opmerken, +ben ik verloren." + +Hermas overzag, terwijl hij scherp luisterde naar hetgeen er in het +andere huis gebeurde, met een snellen blik den hof. Zoodra hij begreep, +dat het onmogelijk zou zijn de meer en meer naderende slaven van Petrus +te ontloopen, riep hij Sirona gebiedend toe: "Ga achteruit!" en sprong +door het venster in het vertrek van den Galliër. + +Op hetzelfde oogenblik ging de deur van den senator open en liepen de +slaven den hof in, Mirjam de eerste van allen. Vol verwachting overzag +zij de groote ruimte, om met hare oogen hem te zoeken. Zij zag zich +teleurgesteld; hij was er niet. Toch had zij hem hooren binnenkomen, en +de deur had zich niet andermaal geopend; dat wist zij stellig en zeker. + +Eenige slaven begaven zich naar den stal, anderen gingen de poort +door de straat op, om van de avondkoelte te genieten. Jethro's oog +viel op den steenbok. Hij liet het beest door een der slaven optillen +en in de schuur brengen. Hij onderzocht niet hoe het hier kwam, want +een Amalekietisch jager, wien Petrus een stuk grond in gebruik had +gegeven, was gewoon telkens het beste deel van zijn buit, zonder een +woord er bij te voegen, voor de deur van zijn weldoener neer te leggen. + +De slaven zetten zich buiten in groepen op den grond, keken naar +de sterren, babbelden en zongen. De herderin bleef alleen in den +hof achter, en doorsnuffelde dien in alle hoeken, als zocht zij +een verloren kleinood. Zij keek zelfs achter de molensteenen en +de donkere schuur, waarin de werktuigen der steenhouwers bewaard +werden. Eindelijk bleef zij staan en balde de kleine vuisten. In +weinige vlugge sprongen stond zij in den schaduw van het huis, waarin +de Galliërs woonden. Tegenover Sirona's venster bleef zij staan. De +man die daar binnen op en neer liep was hij en geen ander. + +Thans wist zij waar hij toefde. Zij beproefde te lachen, omdat de smart +die zij ondervond haar te brandend heet scheen om die door tranen te +kunnen blusschen. Met dit al verloor zij toch hare tegenwoordigheid +van geest niet geheel en al. "Zij zijn in het donker," dacht zij, +"en zullen mij zien wanneer ik onder het venster ga staan om te +luisteren. Toch moet ik weten wat zij samen doen." + +Fluks keerde zij de woning van den Galliër den rug toe, trad in +den helderen maneschijn, bleef daar een oogenblik staan, en ging +vervolgens het slavenverblijf binnen. Weinige oogenblikken later +sloop zij achter de molensteenen, en kroop van daar zonder geritsel +als een slang over den grond, langs de in den donkeren schaduw +liggende fundamenten van het huis van den centurio, om onder het +venster van Sirona te blijven liggen. Haar hart klopte zoo luide, +dat het hare scherpe ooren moeielijk viel te luisteren. Maar al kon +zij niet verstaan wat hij zeide, zij onderscheidde toch de klank van +zijne stem. Hij bevond zich niet meer in Sirona's vertrek, maar met +haar in de kamer aan de straat. Zij kon liet dus wagen op te staan, +om door het geopende venster naar binnen te zien. + +De deur, die de beide vertrekken van den Galliër verbond, was gesloten, +en eene lichtstreep zeide haar, dat er in Phoebicius' woonkamer, waar +zij samen waren, eene lamp brandde. Reeds strekte zij de hand uit, +om in het donkere slaapvertrek te klimmen, toen een luide schaterlach +van Sirona haar oor trof. + +Het beeld harer vijandin trad haar voor de verbeelding, schitterend +en in een stralenkrans van licht, als op dien morgen, toen Hermas +tegenover haar had gestaan, door betoovering als aan den grond +genageld. En thans, thans lag hij zeker aan hare voeten, zeide hij +haar zoete, vleiende woorden, sprak hij haar van liefde, strekte hij +zijn arm naar haar uit. En zij had gelachen! + +Daar lachte zij weder! + +Waarom werd het nu stil?--Bood zij hem misschien hare lippen aan +tot een kus?--Zeker, zeker!--En Hermas rukte zich niet los uit hare +blanke armen, zooals hij op dien middag aan de bron zich met afschuw +uit de hare had losgewrongen, om niet weder te keeren! + +Het koude zweet stond haar op het voorhoofd. Als eene waanzinnige +greep zij in hare dikke zwarte haren, en haar bleeke mond kon een luide +kreet niet terughouden, die geleek op het geschreeuw van een angstig +dier. Eenige oogenblikken later sloop zij door de stallen en de poort, +waardoor men het vee uitdreef, naar buiten, en vloog, zichzelve niet +meer meester, den berg op naar de Mithrasgrot, naar Phoebicius, +Sirona's echtgenoot. De Anachoreet Gelasius zag van verre in de +maneschijn de gedaante van de herderin, die daar den berg opklauterde, +en hoe haar schaduw haar volgde van steen tot steen. Hij wierp zich +ter aarde en sloeg een kruis over zijn voorhoofd, want hij meende +eene spookgestalte gezien te hebben uit de heidensche godenwereld, +eene Oreade [4], door een satyr vervolgd. + +Sirona had de kreet van de herderin gehoord. + +"Wat was dat?" vroeg zij verschrikt den jonkman, die in den vollen +feestdos van een Romeinsch officier, zoo schoon als een jonge +krijgsgod, maar links en tamelijk onkrijgshaftig in zijne bewegingen +voor haar stond. + +"Er heeft een uil gekrast," antwoordde Hermas. "Vader moet mij +eindelijk zeggen uit welk geslacht wij afkomstig zijn, en dan ga ik +naar Byzantium, het nieuwe Rome, om den keizer te zeggen: "Hier ben +ik. Ik wil onder uwe soldaten voor u strijden." + +"Zóo bevalt ge mij," riep Sirona. + +"Als dat waar is," hernam Hermas, "zoo bewijs het mij, en laat mij +slechts eenmaal mijne lippen op uw gouden haren drukken. Gij zijt zoo +schoon en vriendelijk als eene bloem; zoo vroolijk en schitterend als +een vogel, en toch zoo hard als het gesteente van onzen berg. Als ge +mij niet éen kus toestaat, word ik ziek en kwijn ik weg van smachtend +verlangen, eer ik van hier weg kan komen, om in den krijg mijne kracht +te toonen." + +"En willigde ik uw verlangen in," zeide de Gallische lachend, "zoo +zoudt gij steeds meer kussen willen hebben, en ten laatste in het +geheel niet meer weg kunnen komen. Neen, neen, mijn vriend, ik ben +de wijste van ons beiden. Ga nu in de donkere kamer. Ik wil eens +onderzoeken of de lieden weder naar binnen zijn gegaan, en of gij door +het venster aan de straat ongehinderd weg kunt komen; want gij zijt +reeds veel te lang bij mij geweest. Hoort gij, dit verlang ik bepaald!" + +Hermas gehoorzaamde met een zucht. Sirona opende intusschen de +vensterluiken en zag naar buiten. De slaven gingen juist in den +hof terug. Zij riep hen eenige vriendelijke woorden toe, die niet +minder vriendelijk beantwoord werden, want de Gallische, die ook met +welgevallen op den geringste neerzag, was bij allen even geliefd. Met +volle teugen dronk zij de koele nachtlucht in, en zag vergenoegd naar +de maan op, want zij was zeer tevreden over zichzelve. + +Toen Hermas in haar kamer was gesprongen, was zij verschrikt +achteruitgegaan. Doch hij had haar hand gegrepen en zijne brandende +lippen op haar arm gedrukt. Zij had hem laten begaan, want een +zonderlinge verwarring had zich van haar meester gemaakt. Daar hoorde +zij hoe vrouw Dorothea riep: "Zoo aanstonds, zoo aanstonds! Ik wil +de kinderen eerst goeden nacht zeggen."--Deze eenvoudige woorden +uit dien mond werkten als met een toovermacht op de schoone vrouw, +die zoo mishandeld en gewantrouwd werd, die toch zoo geheel geschapen +was voor geluk, liefde en vreugde, en wier hart zoo warm klopte. + +Toen haar echtgenoot haar opgesloten en zelfs hare slavin met zich +medegenomen had, was zij eerst begonnen te razen en te weenen. Zij +dacht aan wraak, aan vluchten, maar was geëindigd met, innerlijk +beleedigd en stil, voor het venster plaats te nemen, om te denken +aan haar schoon vaderland, hare broeders en zusters, en de donkere +olijvenbosschen van Arelate. + +Daar verscheen Hermas. Het was haar niet ontgaan, dat de jonge +Anachoreet haar hartstochtelijk bewonderde, en dat verheugde haar, +want hij beviel haar. Het streelde haar en scheen haar van dubbele +waarde, dat hij in verwarring was geraakt toen hij haar aanzag; want +zij wist dat de kluizenaar in het schaapsvel, wien zij den wijn schonk, +toch eigenlijk een aanzienlijk jongeling was. En hoe verdiende de +arme jongen medelijden, daar een harde vader hem zijne jeugd ontstal! + +Eene vrouw toont den man, met wiens lot zij begaan is, gemakkelijk +eene teedere toegenegenheid, misschien omdat zij het aan hem te danken +heeft, dat zij zich de sterkere mag gevoelen, en omdat door hem en +zijn leed de edelste begeerte van haar vrouwelijk gemoed, namelijk +om hulp te bewijzen door zorgvuldige verpleging, bevrediging mag +verwachten. In de harten van mannen pleegt de liefde te verflauwen, +als het medelijden begint. Op de ontkiemende plant eener vrouwelijke +neiging werkt de bewondering als de zonneschijn, en het medelijden +is de glans, die van het vrouwelijk gemoed zelve uitstraalt. + +Maar noch het een noch het ander had dien avond Sirona aanleiding +gegeven, om Hermas aan haar venster te roepen. Zij gevoelde zich +zoo beangst en verlaten, dat ieder haar welkom moest zijn, uit wiens +mond zij een vriendelijk woord mocht verwachten, een woord dat haar +beleedigd gevoel van eigenwaarde weder kon opwekken. Daar verscheen +nu de Anachoreet, die in hare nabijheid zichzelven, en al het overige +vergat; wiens blikken, wiens bewegingen, wiens zwijgen haar zelfs +scheen te huldigen. En dan zijn dwaze sprong in haar venster, en zijn +hartstochtelijk bedelen om een gunst! Dat is liefde, zeide zij tot +zichzelve. Hare wangen gloeiden, en toen Hermas hare hand greep en +zijne lippen op haar arm drukte, weerde zij hem niet af, totdat de stem +van Dorothea haar herinnerde aan die waardige vrouw en hare kinderen, +en door deze aan hare eigene ver verwijderde broertjes en zusjes. + +Als een reinigende stroom vervulde de gedachte aan deze reinen haar +ontroerd gemoed, en opeens stelde zij zich de vraag: Wat zou ik toch +zijn zonder die daar aan de overzijde, en is deze groote verliefde +knaap, die nog pas als een schoolknaap tegenover Polycarpus stond, +dan waard, dat ik om zijnentwil het recht opgeef hun vrij in de +oogen te zien? Zij weerde daarom Hermas, die het voor de eerste maal +waagde met zijne lippen hare welriekende goudgele haren te naderen, +met gestrengheid af, en gebood hem bescheiden te zijn en hare hand +los te laten. + +Zij sprak zacht, maar op zulk een beslissenden toon, dat de jongeling, +aan gehoorzaamheid gewend, zich zonder weerstand te bieden door +haar in het woonvertrek liet duwen. Daar stond een brandende lamp +op de tafel, en op de rustbank, geplaatst tegen een der zijwanden, +die met bonte kleuren beschilderd waren, lagen de kleederen, de helm, +de staf van den centurio en de overige deelen van zijne wapenrusting, +die Phoebicius had afgelegd, vóor hij naar het Mithrasfeest was gegaan, +om zich te tooien met het gewaad van een ingewijde in den leeuwengraad. + +Het lamplicht deed nu ook Sirona's edele gestalte uit het duister +te voorschijn komen. Toen zij daar zoo in al hare schoonheid, met +blozende wangen, voor hem stond, begon het hart van den jonkman sneller +te kloppen. Opnieuw ontwaakte zijne stoutheid en breidde hij zijne +armen uit om haar te omvatten. Doch de Gallische ging voor hem uit +den weg, trad achter de tafel, legde hare handen op het gepolijste +blad, en verweet hem, door dit meubel als door een schild beschut, +op schier moederlijken toon, zijne meer dan vrije, aanmatigende, +ja onpassende handelwijze. Iemand die het vrouwelijk hart kent, zou +over deze woorden, uit dezen mond en in dit uur, geglimlacht hebben, +doch Hermas sloeg schaamrood de oogen neder, en was niet in staat +een enkel woord tegen te spreken. + +Bij de Gallische had eene groote verandering plaats gegrepen. Zij +gevoelde zich trotsch op hare deugd, op de overwinning die zij +over zichzelve had behaald, en wenschte, terwijl zij zich vermeide +in den glans harer eigene voortreffelijkheid, dat ook Hermas deze +mocht opmerken en erkennen. Zij begon hem onder het oog te brengen, +hoeveel zij in de oase te ontbeeren en te lijden had, en sprak +over de eerbaarheid en de plichten van de vrouw, en de slechtheid en +vermetelheid der mannen. Hermas, zeide zij, was niet beter dan de rest, +en omdat zij goed voor hem was geweest, daarom meende hij reeds een +recht op haar hart te hebben. Daarin bedroog hij zich echter zeer, en +als de hof maar vrij was, zou ze hem reeds lang de deur hebben gewezen. + +De jonge kluizenaar luisterde maar half naar hare woorden, want +zijne aandacht werd geboeid door de voor hem liggende wapenrusting +van Phoebicius, die aan zijne hartstochtelijke aandoeningen eene +nieuwe richting gaf. Onwillekeurig strekte hij zijne hand uit naar +den blinkenden helm, en viel de schoone spreekster in de rede met de +vraag: "Mag ik hem opzetten?" + +Toen lachte Sirona. Zij riep vroolijk en in eene geheel andere +stemming: "Neem hem maar! Gij zoudt wel een soldaat willen zijn?--Wat +staat hij u goed!--Doe nu die leelijke schaapsvacht eens af en laat +zien hoe een Anachoreet er als centurio uitziet." + +Hermas liet zich dit geen tweemaal zeggen. Hij kleedde zich met de +wapenrusting van den Galliër, en Sirona hielp hem daarbij. + +Het moet toch wel treurig met ons menschen gesteld zijn! Hoe komt het +anders, dat wij reeds van onze jeugd zulk een groote lust plegen te +hebben in verkleedingen, dat is in het prijsgeven van onzen eigen +persoon ten gunste van een ander, wiens gestalte wij borgen? Dit +moeielijk te verklaren genot deelt het kind met den wijze, en de +ernstige man, die het zou willen veroordeelen, zou daarom juist +geen wijze zijn. Want wie zich geheel en al van elke dwaasheid wil +onthouden, is des te zekerder een dwaas, naarmate hij het minder meent +te zijn. Met name voor de vrouwen heeft het verkleeden van anderen iets +buitengemeen bekoorlijks. Men mag dikwijls vragen wie meer geniet, de +kamerjuffer die hare meesteres tooit, of de met zooveel kostbaarheden +opgesierde gebiedster. + +Sirona hield van elke vermomming. Indien men naar een grond had +moeten zoeken, waarom de kinderen en kleinkinderen van den senator +haar zoo liefhadden, dat had men zeker niet in de laatste plaats mogen +noemen dat zij zich door dezen gewillig en in opgeruimde stemming met +bontkleurige doeken, linten en bloemen liet opsieren, en dat zij van +hare zijde ook de kunst verstond, om de allergrappigste verkleedingen +uit te denken. + +Zoodra zij Hermas met den helm voor zich zag staan, bekroop haar de +lust om de vermomming, die hijzelf begonnen was, te voltooien. Geheel +onbezorgd was zij ijverig in de weer om de wapenrok recht te +trekken. Zij hielp hem het pantser dichtgespen en het zwaard +vastmaken. Onder dezen arbeid, waarbij de Anachoreet zich tamelijk +onbeholpen aanstelde, klonk telkens haar buitengemeen gulle en +vroolijke lach. Zoodra hij, hetgeen trouwens nog al eens gebeurde, +hare hand zocht te grijpen, tikte zij hem gevoelig op de vingers en +zette hem met een krachtig woord op zijn plaats. + +Hermas' verlegenheid verdween al meer en meer bij dit genoeglijk +spel, en weldra begon hij haar mede te deelen, hoe hij dat eenzame +leven op den berg verafschuwde. Hij vertelde haar, dat Petrus zelf +hem geraden had zijne kracht in de wereld te beproeven, en deelde +haar in vertrouwen mede, dat hij, als zijn vader genezen zou zijn, +soldaat wilde worden en roemrijke daden verrichten. Zij betuigde +hare ingenomenheid met dit besluit, prees hem en wekte hem er nog +meer toe op. Dan weder berispte zij zijne linksche houding, toonde +hem met komischen ernst hoe een krijgsman moet staan en gaan, noemde +zich zijn drilmeester, en verlustigde zich in den ijver, waarmede +hij zich bereid toonde haar in alles na te volgen. + +Met dit spel vloog de tijd om. Hermas gevoelde zich trotsch in zijn +soldaten-uniform, en gelukkig door hare tegenwoordigheid en in het +uitzicht op zijne toekomstige daden. Sirona was echter zoo opgeruimd +als anders bij het spelen met de kinderen, en zelfs de rauwe kreet van +Mirjam, dien de jonkman voor het gekras van een nachtuil had gehouden, +kon haar slechts voor een oogenblik herinneren aan het dreigend gevaar, +waaraan zij zich blootstelde. + +De slaven van Petrus waren reeds lang ter ruste gegaan, toen het spel +met Hermas haar begon te vermoeien, en zij hem beval de wapenrusting +van haar man af te leggen en haar te verlaten. + +Hermas gehoorzaamde, terwijl zij het vensterluik, dat op de straat +uitkwam, voorzichtig opende, en zich tot hem omkeerende zeide: "Gij +moogt niet door den hof, door dit venster moet gij naar buiten. Doch +daar komt iemand de straat op. Laat hem eerst voorbijgaan. Het zal +wel niet lang duren, want hij schijnt haast te hebben." + +Zeer voorzichtig trok zij het luik naar zich toe en lachte weder, +toen zij zag hoe onbeholpen Hermas te werk ging bij het losgespen +der scheenplaten. Maar op hare vroolijke lippen bestierf weldra het +lachen, toen de tuindeur openvloog, en zij de stem van haar echtgenoot +herkende, die de honden het stilzwijgen oplegde. + +"Voort, voort, om aller goden wil!" riep zij met bevende stem, +doofde de lamp uit, met eene snelle tegenwoordigheid van geest, die +de natuur aan zwakke vrouwen als wapen heeft verleend, wanneer zich +plotseling een gevaar opdoet, drong Hermas naar het venster en stiet +de luiken open. De jonkman sprong, zonder haar vaarwel te zeggen, +met een vaart op den weg, en vloog, achtervolgd door het geblaf der +honden, die hij in alle huizen deed ontwaken, de straat op in de +richting van het kerkje. + +Hij was nog niet halverwege gekomen, toen eene mannelijke gedaante +hem tegemoet kwam. Angstig sprong hij in de schaduw van een huis, +maar de nachtwandelaar verhaastte nu zijne schreden en kwam recht +op hem af. Toen begon hij opnieuw te loopen. De andere vervolgde hem +echter en bleef hem op de hielen, tot hij buiten het bereik der huizen +was gekomen, en het bergpad betreden had. Hermas gevoelde, dat hij +vlugger was dan zijn vervolger, en maakte reeds aanstalte om over een +rotsblok te springen, dat hem in den weg lag, toen hij hoorde dat hij +bij zijn naam werd geroepen. Hij bleef staan, want hij had in de stem +van den man voor wien hij vluchtte, die van den goeden Paulus herkend. + +"Gij zijt het dus," zeide de Alexandrijn, en snakte kuchend naar +adem. "Ja, gij zijt vlugger dan ik. De jaren hangen lood aan de +voeten. Doch weet gij wat u zulke snelle vleugels verleent? Gij hebt +het zooeven ondervonden. Ik bedoel een slecht geweten. Van het uwe +is bijzonder veel fraais te vertellen! De honden blaften het luid +genoeg uit in den nacht!" + +"Laat ze blaffen," antwoordde Hermas trotsch, en zocht zich te +vergeefs los te wringen uit de sterke hand van den Anachoreet, die +hem vasthield. "Ik heb niets kwaads gedaan!" + +"Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw," hernam Paulus met +hoogen ernst op zijn zwaren toon. "Gij zijt bij de schoone vrouw +van den centurio geweest, en uwe samenkomst is gestoord. Waar is +uw schaapsvel?" + +Hermas verschrikte, greep naar zijn schouder en riep, terwijl hij +zich met de hand voor het voorhoofd sloeg: "Barmhartige hemel, ik +liet het bij haar liggen. Nu zal die wreedaard het vinden?" + +"Heeft hij u zelven dan niet gezien?" vroeg Paulus met ijverige +belangstelling. + +"Neen, stellig niet," zeide Hermas zuchtend, "maar dat vel..." + +"Zoo, zoo," prevelde Paulus. "Uwe zonde wordt daardoor niet +kleiner. Maar er dient toch iets gedaan te worden. Denk eens, als +dit uw vader ter oore kwam, het zou hem het leven kunnen kosten." + +"En de arme Sirona!" zuchtte Hermas. + +"Laat dat maar aan mij over," vervolgde Paulus. "Met haar zal ik +den arm wel in 't lid brengen. Daar, neem mijn schaapsvel.--Gij wilt +niet? Waarlijk, wie zich niet ontziet den echt te breken, die maakt er +ook geen gewetenszaak van den moordenaar zijns vaders te worden.--Zóo +is het goed! Hier aan den schouder wordt het saamgebonden. En +gij zult het noodig hebben, want gij moet van hier weg. Niet voor +slechts heden en morgen. Gij verlangdet zoo om de wereld in te gaan; +nu zult gij er een proef van kunnen geven, of gij waarlijk in staat +zijt op eigen beenen te staan. Gij gaat eerst naar Raïthoe en brengt +daar mijn groet aan den vromen Nikon. Deel hem mede, dat ik op den +berg moet blijven; want in mijn langdurig gebed in de kerk ben ik te +weten gekomen, dat ik niet waardig ben het ambt van presbyter, dat zij +mij hebben opgedragen, te aanvaarden. Vervolgens laat gij u door een +schipper over de Roode zee zetten, en zwerft rond langs den Egyptischen +oever. Daar aan de overzijde hebben zich troepen Blemmyers vertoond, +die gij in het oog moet houden. Zoodra die wilde gezellen beproeven +over te steken, om ons opnieuw te overvallen, moet gij de wacht op den +bergtop waarschuwen. Hoe gij de zee weder over en hen vóor komt, dat +is uw zaak. Acht gij u zelven dapper en omzichtig genoeg om deze taak +te volbrengen?--Ja?--Dat had ik verwacht! Nu, zoo moge de Heer met u +zijn. Voor uw vader zal ik zorgen; zijn zegen en die uwer moeder zullen +u geleiden, wanneer gij oprecht berouw toont en thans uw plicht doet." + +"Gij zult ondervinden dat ik een man ben," riep Hermas, en zijne oogen +vonkelden. "Mijn boog en mijne pijlen liggen in uw hol; ik ga ze halen, +en dan.... Nu, gij zult het wel zien, of gij den rechten bode hebt +uitgezonden. Groet mijn vader en geef hem nog eenmaal de hand." + +Paulus vatte den jongeling bij de rechterhand, trok hem naar zich toe +en kuste zijn voorhoofd met vaderlijke teederheid. Daarop zeide hij: +"In mijn hol, onder den groenen steen naast den haard, vindt gij zes +goudstukken. Neem daarvan drie op de reis mede. Misschien zult gij +ze noodig hebben, al ware het alleen voor de schippers. Nu, maak dat +gij in tijds te Raïthoe zijt!" + +Hermas vloog den berg op, geheel vervuld van de moeielijke taak, die +hem was opgedragen. Het heerlijk vooruitzicht van de belangrijke daden +die door hem verricht zouden worden, verduisterde de herinnering aan +de schoone Gallische. Ook was hij zoo gewoon op het verstandig inzicht +en de goedheid van Paulus te vertrouwen, dat hij niet meer voor Sirona +vreesde, sedert zijn vriend hare zaak tot de zijne had gemaakt. + +De Alexandrijn zag hem na en deed een kort gebed. Toen ging hij naar +het dal. Het middernachtelijk uur was lang voorbij. Bij het dalen der +maan werd het al koeler en koeler, en sedert hij Hermas zijn vacht had +gegeven, droeg hij niets dan zijn doorzichtig onderkleed. Toch liep +hij langzaam en bleef dikwijls staan de armen bewegende en daarbij +onsamenhangende woorden in zichzelven sprekende. Hij dacht aan Hermas +en Sirona, aan zijne eigene jeugd, en hoe hij te Alexandrië bij de +donkere Aso en de blonde Simaïtha aan de luiken had geklopt. + +"Dat kind, die jongen," prevelde hij: "wie had dat wel gedacht? Die +Gallische moet wel zeer mooi zijn, en hij--waarachtig, toen hij +met de schijf wierp, was ik zelf verbaasd over zijn heerlijken +lichaamsbouw. En zijne oogen! Ja, zijne oogen zijn die van +Magdalena. Had de Galliër hem bij zijne vrouw gevonden en hem zijn +zwaard door het hart gejaagd, dan zou hij straffeloos zijn geweest +voor aardsche rechters. Doch zijn vader bleef dit leed bespaard. In de +afzondering, zoo meende de oude man, kon de wereld en hare verleiding +zijn lieveling niet bereiken. Maar thans? Deze braambezie, dacht ik +eens, verdroogt op den bodem en schiet nooit op tot de kroon van den +palm, waar de dadel rijpt. Daar kwam een vogel aangevlogen, plukte +de bezie, en droeg haar in zijn nest boven op den top van den boom. + +"Wie kan de wegen van een ander richten en heden zeggen: Zoo en +niet anders zal ik hem morgen zien?--Wij dwazen trekken ons in +de eenzaamheid terug om de wereld te vergeten, en de wereld volgt +ons achterna en blijft aan onze hielen hangen. Waar is de schaar, +die de schaduw van onze voeten afsnijdt? Hoe heet het gebed, dat +in staat zal zijn ons, zinnelijke menschen, van het vleesch geheel +te verlossen? Mijn Heiland, gij Eenige, die dit hebt kunnen doen, +leer het ook mij, den armste van alle armen!" + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + +Weinige oogenblikken nadat Hermas uit het venster van den centurio +op straat was gesprongen, trad Phoebicius zijn slaapvertrek binnen. + +Sirona had nog even tijd gevonden, om zich te bed te begeven. Zij was +zeer angstig en lag zich neder met haar gezicht naar den wand. Zou hij +wel weten dat iemand bij haar geweest was? En wie kon haar verraden +en hem gewaarschuwd hebben? Kwam hij misschien maar bij toeval vroeger +dan anders van het feest terug? + +Het was donker in haar vertrek en hij kon haar niet onderkennen. Toch +sloot zij de oogen alsof zij sliep, want zelfs het kleinste onderdeel +van een oogenblik, waarin zij hem niet in zijne woede behoefde te zien, +scheen haar een geschenk toe. Daarbij klopte haar hart zoo onstuimig, +dat zij niet anders denken kon of hij moest het hooren, toen hij met +den hem eigenen zachten tred hare legerstede naderde. Zij hoorde hoe +hij nu hier- dan daarheen liep, en eindelijk in de aan het slaapvertrek +grenzende keuken ging. Spoedig daarop nam zij met hare half geslotene +oogen een schijnsel van licht waar. + +Hij had aan den haard een lampje opgestoken, en zocht nu in beide +vertrekken rond. Hij had haar nog niet geroepen, noch een enkel woord +gezegd. Thans was hij in het woonvertrek en opeens--onwillekeurig trok +zij hare leden samen en haalde het dek over haar hoofd--opeens barstte +hij in lachen uit, zoo luid en honend, dat zij gevoelde hoe hare handen +en voeten al kouder werden, terwijl het haar was alsof een purperrood +doorschijnend gordijn voor hare oogen op en neder werd getrokken. + +Wederom werd het helder in het slaapvertrek, en het licht kwam al +nader en nader. Zij gevoelde op haar hoofd de aanraking van zijne hand, +en met een kreet trok zij het dek weg en richtte zich op. + +Hij sprak nog altijd geen woord, maar wat zij zag was wel geschikt, +om de laatste vonk van moed en hoop in haar uit te dooven. Want +alleen het wit zijner oogen was merkbaar; zijn geelachtig gelaat was +doodsbleek en op zijn voorhoofd kwam het ingedrukte Mithras' teeken +duidelijker uit dan anders. In zijne rechterhand hield hij de lamp +en in de linker het schaapsvel van Hermas. + +Toen zijn starre blik haar trof, hield hij haar het wollig +Anachoreten-kleed zoo dicht voor het gelaat, dat zij het +voelde. Vervolgens wierp hij het met kracht op den grond, en vroeg +op doffen heeschen toon: "Wat is dat?" + +Zij zweeg; doch hij liep op het beddetafeltje toe, waarop haar +nachtdrank stond in een schoon gekleurd glas, dat Polycarpus haar +als een aandenken van zijne reis naar Alexandrië had medegebracht, +en streek het met de achterzijde van zijne hand daar af, zoodat het +rinkelend in scherven op den grond viel. Zij gaf een gil; het hondje +sprong op haar bed en begon tegen den Galliër te blaffen. + +Daar greep hij het diertje hij den halsband en slingerde het met +zooveel geweld in de kamer, dat het jammerlijk begon te huilen. + +Reeds als meisje had Sirona het hondje bezeten. Het was haar naar +Rome en in de oase gevolgd. Het was met teederheid aan haar gehecht +en zij aan dit diertje; want Jambe liet zich door niemand zoo gaarne +liefkozen en streelen als door haar. Zij was zoo vaak alleen, maar +het hazenwindje was steeds bij haar. Het hield haar bezig, niet alleen +door kunstjes, die men gewoon is aan honden te leeren, neen, het was +voor haar een lieve, stomme maar volstrekt niet doove metgezel uit +haar vaderland, die de ooren spitste, wanneer zij de namen noemde +van hare lieve kleine broertjes en zusjes in het verre Arelate, van +welke zij sedert een jaar niets had vernomen; die haar ook droevig +aanzag en hare blanke handen lekte, wanneer het heimwee de tranen in +hare oogen deed wellen. In haar eenzaam, ledig, kinderloos leven was +Jambe veel, zeer veel, en toen zij zag hoe deze trouwe metgezel en +vriend werd mishandeld en huilend naar hare legerstede kroop; hoe het +diertje vergeefs alle krachten inspande, om in haar schoot bescherming +te zoeken; hoe het bevend zijn gekwetste, misschien gebroken pootje +al kermend naar haar uitstak; toen week alle vrees uit het hart der +beangstigde jonge vrouw. Zij sprong van haar bed op, nam het hondje +in hare armen, en zeide met een blik, waarin Phoebicius alles behalve +vrees of berouw kon lezen: "Raak het diertje niet weder aan; dit raad +ik u!" + +"Ik zal het morgen verzuipen," antwoordde Phoebicius zeer gelaten, +maar met een boosaardig lachje om den ingevallen mond. "Er komen +zooveel tweebeenige vrijers in mijn huis, dat ik niet inzie waarom +ik uwe liefde nog met een vierbeenigen deelen zal. Hoe komt dit +schaapsvel hier?" + +Sirona verwaardigde zich niet hem op de laatste vraag een antwoord te +geven, maar riep op verbolgen toon: "Bij uw god en de Mithras-rots en +alle goden! Als gij dit dier eenig leed aandoet, ben ik den langsten +tijd bij u geweest!" + +"Kijk nu eens aan!" antwoordde de centurio. "Waar gaat de reis naar +toe? De woestijn is groot en daar is ruimte genoeg om te versmachten +en voor verbleekende beenderen. Wat zouden uwe vrijers van verdriet +wegkwijnen! Om hunnentwil zal ik, alvorens den hond te verzuipen, +de meesteres moeten opsluiten." + +"Waag het mij aan te roeren!" riep Sirona buiten zichzelve, en liep +naar het venster. "Als gij slechts een vinger naar mij uitsteekt roep +ik om hulp, en vrouw Dorothea en haar echtgenoot zullen mij tegen +u beschermen." + +"Juist," hernam Phoebicius droogjes. "Dat zou u bevallen, wanneer gij +daarover onder éen dak kondet huizen met dien knaap, die u gekleurde +drinkglazen medebrengt, die u rozen in het venster werpt, en daarmede +misschien den weg heeft bestrooid, waarlangs hij heden tot u wist +te komen. Maar er zijn nog wetten, die een Romeinsch burger voor +inbrekers en onbeschaamde verleiders beschermen. Ge waart me reeds +veel te veel in het huis daarover en dat spelen met die kleine +schreeuwleelijken heeft toch alleen gediend, om dien opgeschoten +jongen, dien rozenstrooier, dien pronkhaan te ontmoeten, die om +uwentwil en om niet herkend te worden, over zijn purperen kleed een +schaapsvel heeft gehangen. Ja, ge moet mij verliefde nachtwandelaars +en vrouwen leeren kennen! Ik doorzie u allen. Gij zult voortaan +geen voet meer over den drempel van Petrus zetten. Daar is het open +venster! Schreeuw nu maar zooveel ge wilt en brengt zelve uwe schande +onder de menschen. Het was mijn voornemen eerst morgen dit schaapsvel +naar den rechter te brengen. Thans ga ik heen om het kamertje achter +de keuken voor u in orde te maken. Dat heeft geen venster waardoor +men mij schapenvachten in mijn huis kan dragen. Daar zult gij wonen, +totdat gij gedwee wordt en mij de voeten kust, en gebiecht zult hebben +wat heden nacht hier gebeurd is. Door de slaven van den senator, dat +weet ik, zal ik niets te weten komen, want gij hebt hun het hoofd op +hol gebracht. Zij schreeuwen van pleizier, als zij u zien. U zijn alle +vrienden even welkom, al dragen zij ook maar een schaapsvel. Laten ze +doen wat ze willen, ik heb de rechte wachters voor u gevonden. Nu ga +ik heen. Schreeuw maar gerust; maar het zou mij toch wel zoo aangenaam +zijn, wanneer ge u rustig hieldt. Over dien hond hebben wij het laatste +woord nog niet gesproken. Ik wil het beest hier houden. Zijt gij +rustig en komt gij tot rede, dan mag hij wat mij betreft leven. Maar +blijft gij weerspannig, dan is er ras een strik en een steen te vinden, +en de beek vloeit daar omlaag. Ik spot nooit en heden allerminst." + +Sirona verkeerde in de grootste spanning. Zij hijgde naar adem, beefde +over al haar leden, maar was niet in staat een woord uit te brengen. + +Phoebicius zag wat er bij haar omging en sprak: "Maak u nu maar boos, +doch er komt eene ure, waarin gij, evenals uw lamme hond, naar mij +toe kruipen en mij om genade bedelen zult. Maar wacht, daar rijst een +ander denkbeeld bij mij op. Gij hebt eene legerstede noodig in het +donker kamertje, en die moet zacht zijn, anders schelden uwe vrijers +mij uit. Ik zal daar het schaapsvel voor u spreiden. Gij ziet dus +hoe ik de geschenken van uwe aanbidders weet te eeren!" + +De Galliër barstte in lachen uit, raapte het kluizenaarskleed op en +begaf zich daarmede en met de lamp in het donker vertrek achter de +keuken, waarin thans huisraad en provisiën van allerlei aard bewaard +werden, die hij opruimde, om het tot eene slaapkamer in te richten +voor zijne vrouw, van wier schuld hij zich overtuigd hield. Hij +wist niet wie de man was, ter wille van wien zij hem bedrogen had, +want Mirjam had hem alleen deze woorden gezegd: "Ga naar huis; daar +lacht uwe vrouw met haar lief." + +Onder de laatste bedreigingen van haar echtgenoot had Sirona reeds tot +zichzelve gezegd, dat zij liever wilde sterven dan langer met zulk een +man samenleven. Het kwam niet bij haar op, dat zijzelve niet geheel +vrij van schuld was. Wie strenger bestraft wordt dan hij verdient, +vergeet licht zijn eigen misdrijf door de fout van den rechter. + +Phoebicius had gelijk. Noch Petrus, noch Dorothea bezaten de macht, +haar tegen hem, den Romeinschen burger in bescherming te nemen. Als zij +zichzelve niet hielp, was zij eene gevangene, en zonder lucht, licht +en vrijheid kon zij niet leven. Door de laatste dreigende woorden van +haar echtgenoot was haar besluit tot rijpheid gekomen, en nauwelijks +had hij den drempel overschreden en haar den rug toegekeerd, of zij +vloog naar hare legerstede, wond het bevend hondje in het laken, +nam het als een kind op den arm, en liep met haren lichten last naar +het woonvertrek. Daar stonden de luiken van het venster nog open, +waardoor Hermas een goed heenkomen had gezocht. Door middel van een +stoel nam zij denzelfden weg, en liet zich van de borstwering op +straat neerglijden. Zonder een bepaald doel, of te weten waarheen, +maar alleen vervuld van den wensch om eene opsluiting in dat duister +vertrek te ontgaan, en elken band te verscheuren, die haar verbond +aan dien gehaten man, liep zij in de richting van den kerkheuvel naar +den weg, die over den berg naar zee leidde. + +Phoebicius gaf haar ruimschoots gelegenheid hem vooruit te komen, want +nadat hij het donkere vertrek achter de keuken tot eene gevangenis +had ingericht, bleef hij daar nog zeer lang vertoeven, niet om haar +tijd te geven tot nadenken, noch om te overpeinzen welk eene houding +hij verder tegenover haar zou aannemen, maar omdat hij gevoelde dat +zijne krachten waren uitgeput. + +De centurio was dicht bij de zestig, en zijn lichaam, dat eens +krachtig mocht heeten, maar door uitspattingen van allerlei aard geheel +ontzenuwd was, bleek niet langer in staat om aan de inspanning en de +aandoeningen van dezen nacht weerstand te bieden. De magere, gespierde, +zeer bewegelijke man gevoelde gewoonlijk zulk eene verslapping slechts +overdag, terwijl er na zonsondergang bij den grijzen krijgsman, die +alleen gedurende de uitoefening zijner dienstplichten het voorkomen +had van een kloek soldaat, eene merkbare verandering plaats greep. Want +dan verhieven zich zijne zware oogleden, die anders de oogappels bijna +geheel bedekten; dan trok zich zijne slaphangende onderlip krachtig +samen; de lange hals, waarop het smalle langwerpige hoofd rustte, +rekte zich uit, en wanneer hij laat in den avond uitging naar eene +drinkpartij of om Mithras te dienen, zou men hem nog een flink, +jeugdig en onverzwakt man hebben kunnen noemen. + +Doch ook in zijn roes was hij niet vroolijk, maar onstuimig, pochend +en luidruchtig. Dikwijls overviel hem te midden zijner drinkebroers, +eer hij het gelag verliet, diezelfde inzinking van krachten, waardoor +hij Sirona vaak den schrik op het lijf had gejaagd, en waarvoor +hij dan alleen niet te vreezen had, wanneer hij in dienst aan de +spits zijner soldaten stond. De hartstochtelijke lange man zag er +in zulke oogenblikken van onmacht afzichtelijk uit, want dan werd +zijn traankleurig gelaat doodsbleek, dan scheen zijne rug gebroken +en elk lid uit het gewricht te zijn. Zijne oogappels alleen bleven +voortdurend in beweging, en nu en dan beefde zijn lichaam, als dat van +iemand die door de koude bevangen is. Zijne lieden zeiden, wanneer de +centurio in zulk een toestand geraakte, dat zijn bleeke demon in hem +was gevaren en hijzelf geloofde aan zulk een boozen geest en vreesde +dien. Ja, hij had beproefd door heidensche geestenbanners en zelfs +door christelijke duivelbezweerders zich daarvan te bevrijden. + +Hij zat nu in de donkere kamer op het schaapsvel, dat hij, om zijne +vrouw nog meer smaad aan te doen, op een harde houten bank had +uitgespreid. Zijne handen en voeten rilden, zijne oogen gloeiden, +en hij voelde zelfs de kracht niet om een vinger te verroeren. Zijne +lippen alleen vertrokken zich, terwijl hij in zijne verbeelding +terugzag op een lang vervlogen verleden, dat zich in steeds scherper +trekken aan hem voordeed. + +"Had ik," zoo dacht hij, "na dat onzinnig loopen door de oase, dat +geen jongere mij zoo spoedig zal nadoen, aan mijne woede den teugel +gevierd, in plaats van mij met geweld in te houden, dan zou die demon +zich niet zoo gemakkelijk van mij hebben meester gemaakt. Hoe vonkelden +de oogen van die duivelin, die Mirjam, toen zij mij zeide, dat een +man mij bedroog! Zij heeft hem die deze vacht droeg zeker gezien, +doch vóor ik de oase bereikte verloor ik haar uit het oog. Ik geloof +dat zij omkeerde en den berg weder is opgestegen. Wat mag Sirona +haar toch wel gedaan hebben? Die vrouw weet anders met hare oogen +harten te vangen, gelijk een vogelaar de vogels met zijne fluit. Wat +hebben die heertjes in Rome haar nageloopen! Zou zij mij daar ook al +bedrogen hebben? Den legaat Quintillus, die mij gaarne een gunst zou +hebben bewezen, en wiens vijandschap ik aan deze gekkin te danken +heb, heeft zij afgewezen. Doch hij was nog ouder dan ik, en zij +houd zeker meer van jongere. Zij is als de rest; dat had ik, domkop, +moeten weten! Zoo gaat het in de wereld: heden deelt men klappen uit, +en morgen wordt men zelf geslagen." + +De centurio vertrok de lippen tot een weemoedig lachje. Vervolgens kwam +er sombere ernst in zijne gelaatstrekken, want duidelijk verschenen er +allerlei beelden voor zijne ziel, die hem minder welkom waren, en die +hij toch niet geheel van zich kon zetten. Het geweten van den Galliër +stond in omgekeerde verhouding tot zijne lichaamskracht. Als het hem +goedging, dan had hij met zijn verleden, dat zoo rijk was aan donkere +vlekken, weinig te stellen, maar wanneer de zwakheid hem overmande, +wist hij den boozen demon niet te keeren, die hem dwong zich juist +zulke feiten met pijnlijke duidelijkheid voor den geest te brengen, +die hij liefst vergeten wilde. Zoo moest hij in deze ure aan zijn +vriendelijken weldoener en krijgsoverste, den tribuun Servianus en +zijne schoone vrouw denken, die hij door duizende kunsten had verleid +om echtgenoot en kind te verlaten, en met hem de wijde wereld in +te vluchten. Op dit oogenblik beeldde hij zich in, dat hijzelf de +tribuun Servianus was en toch tegelijk Phoebicius. Al de smart, het +naamloos lijden, dat zijn bedrogen weldoener aan hem te danken had +gehad, nadat hij hem Glycera, zijne vrouw, had ontroofd, moest hij +thans doorworstelen, en de vijand die hem, Servianus, bedroog, was +bovendien, dit gevoelde hij, geen ander dan Phoebicius zelf. Hij zocht +zich te verweren en zon op wraak tegen den verleider, en toch verloor +hij daarbij niet geheel en al het bewustzijn van zijn eigen persoon. + +De verwarring van al die schijnbeelden, waarin hij te vergeefs eenige +klaarheid zocht te brengen, dreigde hem krankzinnig te maken, en +hij slaakte een luide zucht. Het geluid zijner eigene stem bracht +hem in de werkelijkheid terug. Hij was Phoebicius en geen ander, +dat wist hij nu, en toch gelukte het hem nog niet geheel en al zich +in de werkelijkheid te huis te gevoelen. Het beeld van de schoone +Glycera, die hem naar Alexandrië gevolgd was, en die hij daar had +verlaten, nadat hij zijn laatste stuk geld en hare kostbare sieraden +in de Grieksche stad verbrast had, verscheen niet alleen telkens +weder voor zijne oogen, maar altijd en altijd weder naast dat van +zijne vrouw Sirona. Glycera was een droefgeestig liefje geweest, +dat veel had geweend en weinig gelachen, sedert zij haren echtgenoot +had verlaten. Hij meende thans ook zachte verwijten van hare lippen +te hooren, terwijl Sirona hem met luide bedreigingen tegemoet was +gekomen, en het gewaagd had den zoon van den senator, Polycarpus, +door beloften tot zich te lokken. De afgematte droomer, verzamelde +in woede al zijne krachten, balde de vuisten en stond dreigend op. + +Deze beweging was het eerste teeken, dat de veerkracht van zijn lichaam +begon terug te keeren, en nadat hij, evenals iemand die uit den slaap +wakker wordt, zijne leden had uitgerekt en zijne oogen uitgewreven, +drukte hij de handen tegen zijne slapen. Langzamerhand kwam hij +weder tot zijn volle bewustzijn, en begon hij zich te herinneren, +wat hij in de laatste uren had doorleefd. Hij verliet nu dadelijk +het donkere vertrek, versterkte zich in de keuken met een teug wijn, +en plaatste zich voor het open venster om naar de sterren te zien. + +Het uur van middernacht was lang voorbij. Hij dacht aan zijn gezellen, +die thans op den berg offerden, en richtte een lang gebed "tot de +kroon," "den onoverwinnelijken zonnegod," "het groote licht," "den god +uit de rots," of hoe hij Mithras ook noemde. Want sedert hij behoorde +tot de ingewijden van deze godheid, was hij bijzonder ijverig geworden +in het gebed, en kon hij het vasten buitengewoon lang uithouden. Hij +had reeds vele van de tachtig proeven doorgestaan, waaraan ieder +zich onderwerpen moest, die in een hoogeren graad wilde opgenomen +worden, en de zwakte, die hem ook heden overmeesterde, had hij voor +het eerst ondervonden, toen hij, om den leeuwengraad te ontvangen, +zich dagelijks gedurende eene gansche week uren lang in de sneeuw +had neergelegd, om daarop ten strengste te vasten. Sirona's gezond +verstand had een afkeer van al deze oefeningen, en daar zij beslist +weigerde daaraan deel te nemen, was de kloof nog grooter geworden, +die haar van haar gemaal scheidde. Het was Phoebicius op zijn manier +echter volkomen ernst met al deze dingen, want daardoor alleen kon +hij zich losmaken van sombere herinneringen, en van de vrees voor +eene vergelding van zijne daden, als zijne laatste ure zou slaan, +terwijl Sirona juist uit de herinnering aan vroeger dagen haar besten +troost en de kracht putte, om het droevig heden blijmoedig te dragen +en de hoop op beter tijden vast te houden. + +Phoebicius voleindigde heden zijn gebed om kracht, opdat hij de trots +van zijne vrouw mocht breken en het hem gelukken mocht zich op haren +verleider te wreken, zonder overhaasting en met inachtneming van alle +voorgeschreven vormen. Vervolgens nam hij twee stevige touwen van +den wand, richtte zich in al zijne lengte zoo fier op, als moest hij +zijne soldaten vóor den slag moed inspreken, kuchte als een redenaar +op het forum, alvorens zijne voordracht te beginnen, en overschreed +met waardigheid den drempel van de slaapkamer. + +Hij waande zich zoo zeker van zijne zaak, dat zelfs de geringste +gedachte aan de mogelijkheid van eene ontvluchting niet bij hem opkwam, +toen hij, aangezien Sirona niet in het slaapvertrek was, de woonkamer +inging, ten einde de straf, die hij haar had toegedacht, aan haar +te voltrekken. Doch ook hier vond hij niemand. Hij bleef verbaasd +stilstaan; maar het denkbeeld dat zij ontvlucht kon zijn kwam hem +zoo dwaas voor, dat hij het terstond weder uit zijn hoofd zette. + +Voorzeker, zij vreesde zijn toorn en hield zich onder het bed verborgen +of achter het gordijn dat zijne kleederen bedekte. "Het hazenwindje," +dacht hij, "kruipt thans dicht bij haar," en daarom begon hij half te +fluiten, half te sissen, op eene manier die Jambe altijd hinderde +en het beest aanleiding gaf hem nijdig aan te blaffen. Doch te +vergeefs. Alles bleef stil in het verlaten vertrek, doodstil. + +Hij werd nu ernstig bezorgd. Hij lichtte eerst voorzichtig, daarna +met steeds sneller en zenuwachtiger beweging onder elk meubel, +in iederen hoek, achter elk gordijn, en zocht haar zelfs op zulke +plaatsen, die voor geen kind, ja ter nauwernood voor een vervolgden +vogel voldoende zouden geweest zijn om zich te verbergen. Eindelijk +ontgleden de touwen aan zijne rechterhand, en de linker die het lampje +vasthield begon te beven. + +Hij vond de luiken van het venster der slaapkamer geopend, en daarvóor +een stoel, waarop Sirona, alvorens Hermas was gekomen, in het maanlicht +had zitten kijken. "Hier dus," prevelde hij, schoof de lamp op het +nachttafeltje, waarvan hij het glas van Polycarpus had afgeworpen, +rukte de deur open en vloog den hof in. Dat zij op straat zou zijn +gesprongen, en in den nacht den weg op en de woestijn in gevlucht +zou zijn, kon hij zich nog maar altijd niet voorstellen. + +Hij trok aan de deur, die de hoeve afsloot, maar vond deze gesloten. De +wachthonden ontwaakten en sloegen aan, toen Phoebicius zijne schreden +richtte naar het huis van Petrus, en met den koperen klopper aan +de poort eerst zacht, en vervolgens in boosheid steeds harder begon +te slaan. Hij hield zich overtuigd, dat zijne vrouw bij den senator +bescherming gezocht en gevonden had. + +Hij had het van woede en smart wel kunnen uitschreeuwen, en toch dacht +hij nauwelijks aan zijne vrouw en het gevaar van haar te verliezen, +maar aan Polycarpus en den smaad hem door dezen aangedaan, aan de +wraak die hij wilde nemen op dezen en zijne ouders, die het gewaagd +hadden de rechten van zijn huis, van een keizerlijken centurio te +schenden. Wat kon hem Sirona schelen? In de opwelling van het oogenblik +had hij overmoedig zijn lot aan het hare geketend. Twee jaren geleden +was een zijner kameraden te Arelate bij hem gekomen, en had verteld, +terwijl hij in den kring zijner vrienden zat te drinken, dat hij +getuige was geweest van een merkwaardig tooneel. Een aantal jongens +hadden een knaap omsingeld en dezen gruwelijk geslagen; waarom, +dat wist hij niet. De kleine had zich dapper geweerd, maar moest +voor de overmacht zwichten. Plotseling, zoo vertelde de soldaat, +ging de deur open van een huis in de nabijheid van den circus. Een +meisje met lange blonde haren stormde naar buiten, joeg al die +jongens op de vlucht en bevrijdde den mishandelde, haar broeder, +van zijne kwelgeesten. "Het meisje zag er uit als eene leeuwin," +had hij die het verhaalde uitgeroepen. "Zij heet Sirona, en onder de +mooie meisjes van Arelate is zij zonder twijfel de schoonste." + +Die woorden werden door velen der aanwezigen bevestigd. Doch +Phoebicius, die toen juist onder de Mithras-vereerders den graad +van leeuw had verkregen, en zich gaarne "leeuw" hoorde noemen, +zeide: "Ik zoek reeds naar eene leeuwin, thans heb ik haar, meen ik, +gevonden. Phoebicius en Sirona dat zijn twee namen, die heerlijk samen +passen!" Den volgenden dag vroeg hij haar aan haren vader tot vrouw, +en daar hij binnen weinige dagen naar Rome moest vertrekken, werd de +bruiloft in haast gevierd. Zij had Arelate nooit verlaten, en wist +dus niet wat zij prijs gaf, toen zij het ouderlijk huis misschien +voor altijd vaarwel zeide. Phoebicius vond zijne jonge vrouw in Rome +terug. Mochten daar velen zijne schoone gade bewonderen en zich in +haar gunst trachten te dringen, voor hem was zij toch maar een schat, +die hij zich gemakkelijk verworven had, en waaraan hij dus weinig +waarde hechtte; ja, die hij weldra beschouwde als een lastig sieraad, +dat moeielijk te bewaken was. + +Toen de schoone vrouw ook de aandacht had getrokken van zijn legaat, +beproefde hij haar dienstbaar te maken aan zijn eigenbelang, en +door haar bevordering te erlangen; doch Sirona had Quintillus zoo +beleedigend en zonder genade afgewezen, dat de legaat den centurio +vijandig werd, en zijne verplaatsing naar de afgelegene oase, die +met eene verbanning gelijk stond, wist te bewerken. Sedert dien +tijd beschouwde hij haar als zijne vijandin, en meende hij, dat +zij met voordacht zich het vriendelijkst toonde jegens hen, die hem +een afkeer inboezemden. Onder hen waaraan hij het meest hekel had, +rekende hij ook Polycarpus. + +Wederom viel de klopper op Petrus' deur. Thans ging zij open en +de senator stond met eene lamp in de hand tegenover den woedenden +centurio. + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + +De arme Paulus zat voor de deur van den senator op een steenen bank en +beefde van de koude, want hoe meer de morgen naderde, des te killer +werd de nachtlucht, en hij was zoo gewend aan zijn warm schaapsvel, +dat hij aan Hermas geschonken had. Hij hield den sleutel van de kerk, +dien hij volgens zijne belofte aan den deurwaarder bij Petrus zou +afgeven, in de hand, en durfde de slapenden niet wekken. + +"Wat is dit een zonderlinge nacht!" prevelde hij in zichzelven, terwijl +hij zijn gescheurd onderkleed dichter om zijne leden trok. "Doch al +was het warmer en zat ik, in plaats van in dezen doorschijnenden lap, +in een zak vol vederen, dan zou mij toch eene koude rilling door de +leden varen, wanneer de helsche geesten, die hier ronddwalen, mij nog +eens tegenkwamen. Nu heb ik het met eigene oogen gezien. Uit de oase +vliegen de demonen in vrouwelijke gestalte den berg op, om ons in den +slaap te kwellen en te verleiden. Wat toch dat vliegend spook in dat +witte kleed met die loshangende haren wel in de armen hield? Misschien +den steen, die het, als wij het nachtmerrie hebben, ons op de borst +wentelt. Die andere scheen wel te vliegen, maar vleugels heb ik toch +niet gezien.--In dit zijgebouw woont zeker de Galliër met zijne eerbare +vrouw, die den armen Hermas in hare strikken heeft gevangen. Zou zij +werkelijk zoo schoon zijn? Doch wat weet die jongen, die te midden van +rotsen is opgegroeid, van de aanvalligheid der vrouwen! De eerste de +beste, die hem vriendelijk aanzag, heeft hij zeker voor de schoonste +gehouden. Zij is bovendien blond en dus een zeldzame vogel onder al +die bruin geblakerde tweebeenige woestijnproducten. De centurio heeft +stellig het schaapsvel nog niet gevonden, anders zou het hier zoo stil +niet zijn. Terwijl ik hier zit te wachten heeft eens een ezel gebalkt, +eens een kameel gebruld, en daar kraait reeds de eerste haan. Maar ik +heb nog geen geluid uit een menschelijken mond vernomen, niet eens +het snorken van den grooten senator en zijne lieve vrouw Dorothea, +en het zou toch wel wonder zijn als beiden niet snorkten." + +Hij stond op en ging aan het venster van Phoebicius' woning staan, +om te luisteren door de half geopende luiken; doch bij de Galliërs +was alles stil. + +Een uur geleden had Mirjam geluisterd naar hetgeen er in Sirona's +woning voorviel. Zij was, nadat zij het verraad gepleegd had, +Phoebicius van verre gevolgd, en door den stal in den hof van den +senator geslopen. Zij moest weten wat daar binnen voorviel en welk +lot de woedende Galliër Hermas en Sirona zou doen ondergaan. Zij was +op alles voorbereid, en de gedachte dat de centurio misschien tegen +beiden het zwaard zou hebben getrokken, vervulde haar met een gevoel +van bitterzoet welgevallen. + +Thans zag zij licht door de opening van de luiken, die maar even +tegen elkander waren geslagen. Zij verwijderde de houten blinden +voorzichtig van elkaar, en trok zich daaraan met alle kracht op, +terwijl zij haar naakten voet tegen den muur zette. Daar zag zij +Sirona op haar bed overeind zitten, en tegenover haar den Galliër met +vertrokken gelaatstrekken. Vóor zijne voeten lag het schaapsvel. De +doodsbleeke man hield de brandende lamp in zijne rechterhand. Het +licht viel op het plaveisel vóor het bed van Sirona, en weerspiegelde +juist een groote donkerroode vlek. "Dat is bloed," dacht zij huiverend, +en sloot de oogen. + +Toen zij ze weder opsloeg zag zij, hoe de Gallische met gloeiende +wangen het aangezicht naar haren echtgenoot keerde. Zij was ongedeerd; +maar Hermas?--"Dat is zijn bloed," klonk het in hare gemartelde ziel, +"en ik moordenares, heb dat vergoten!" + +Hare handen lieten de luiken los; hare voeten betraden weder het +plaveisel van den hof en in vreeselijken zielsangst liep zij langs +den weg dien zij gekomen was, naar buiten den berg op. Zij gevoelde +dat zij eerder aan verscheurende panters, aan de nachtvorst, aan +honger en dorst weerstand zou kunnen bieden, dan dat zij, met zulk +een schuld op het geweten, vrouw Dorothea, den senator en Marthana +onder de oogen zou hebben durven komen. De vluchtende Mirjam was een +der spookgestalten, die Paulus zulk een schrik hadden aangejaagd. + +De geduldige Anachoreet zat weder op de steenen bank en dacht: "De +vorst doet mij toch pijn. Zulk een wollig schaapsvel is inderdaad eene +heerlijke bezitting! Maar de Heiland heeft gansch andere smarten dan +deze gedragen, en waarom anders heb ik de wereld vaarwel gezegd, dan +om hem na te volgen en door hier alle lijden geduldig te ondergaan, +mij voor te bereiden tot de zaligheid hier namaals? Waar de engelen +zweven heeft men geene armzalige bokkenhuid meer noodig, en ditmaal heb +ik mij niet van zelfzucht te beschuldigen, want ik lijd waarachtig voor +anderen, ik bevries ter wille van Hermas en om den ouden man smarten +te besparen. Ik wilde wel dat het nog kouder was; ja ik zal.... ik zal +zeker nooit.... neen nooit weer een pels over mijne schouders hangen!" + +Paulus bewoog het hoofd, als wilde hij zichzelven een teeken van +bijval geven; doch weldra vertoonde zijn gelaat hooger ernst, want hij +meende weder op een doolweg te zijn. "Daar brengt men nu een handvol +goeds tot stand," dacht hij, "en tegelijk wordt ons hart vervuld met +eene kemelslading trots. Wat klapperen mij de tanden; ik ben toch +maar een ellendig wezen! Hoe gevoelde ik mij te midden van al mijne +overdenkingen en aarzelingen toch gestreeld, toen die van Raïthoe +kwamen, om mij de waardigheid van presbyter aan te bieden! Toen ik voor +het eerst met een vierspan overwon, ja, toen heb ik luide gejubeld; +maar ik was zeker niet opgeblazener dan bij deze jongste opdracht. Hoe +velen denken den Heiland na te volgen, terwijl zij toch alleen naar +hunne eigene verheerlijking streven! De vernedering besparen zij zich +liever. Gij, Allerhoogste, wees gij mijn getuige! Ik zoek u ernstig, +maar zoodra de doornen mij verwonden, worden alle mijne bloeddruppels +tot rozen; en droog ik ze af, dan komen anderen en werpen kransen +voor mij op den weg.--Ik geloof dat het even moeielijk is op aarde +lijden te vinden zonder vreugde, als blijdschap zonder smart. + +Zoo dacht hij, terwijl hij klappertandde van de koude; doch hij werd +in zijne overpeinzingen gestoord, want de honden begonnen luide te +blaffen. Phoebicius klopte juist aan de poort van den senator. + +Paulus stond op en liep naar de poort van Petrus' hof. Geen woord van +hetgeen daar gesproken werd ontging hem. De zware stem was die van den +senator, die scherpe hooge stem moest wel van den centurio zijn. De +laatste verlangde van den eerste zijne vrouw terug, die hij in zijn +huis verborgen hield, terwijl Petrus ten stelligste verzekerde, +dat Sirona sedert gisteren morgen zijn drempel niet betreden +had. Niettegenstaande zijn huurder op heftigen en verbolgen toon tot +hem sprak, bleef de senator toch volkomen bedaard en verwijderde zich +weldra, om zijne vrouw te vragen, of zij misschien ook, terwijl hij +sliep, voor de ontvluchte het huis geopend had. Paulus hoorde hoe de +krijgsman in den hof onrustig op en neder liep, doch haastig stilstond, +toen vrouw Dorothea met haren echtgenoot voor de deur kwam, en ook +van hare zijde bepaald verklaarde, dat zij niets van Sirona wist. + +"Des te beter," viel Phoebicius haar in de rede, "zal uw zoon +Polycarpus op de hoogte zijn van hare schuilplaats." + +"Mijn zoon bevindt zich sedert gisteren voor zaken te Raïthoe," +antwoordde Petrus op een toon, die geen twijfel overliet, en deze +verdenking onbepaald afwees. "Wij verwachten hem eerst heden terug." + +"Dan schijnt hij zich toch gehaast te hebben en vroeger +teruggekeerd te zijn," zeide Phoebicius. "Het was geen geheim, +dat wij ons gereedmaakten om het offerfeest op den berg te vieren, +en de afwezigheid van den heer des huizes lokt de dieven uit tot +inbraak, vooral de verliefde, die rozen werpen in de vensters +hunner schoonen. Gij, christenen, beroemt u het huwelijk heilig +te achten, maar het schijnt mij toe, dat gij dit alleen toepast +op uwe geloofsgenooten. Bij de vrouw van een heiden mogen uwe +zonen hun geluk beproeven; het is maar de vraag, of de heidensche +echtgenoot met zich laat spelen of niet. Wat mij betreft, ik ben +alles behalve genegen zulk een grap te verdragen, en verklaar u, +dat ik het kleed des keizers niet draag, om het te laten beschimpen, +dat ik voornemens ben uw huis te onderzoeken, en wanneer ik de vrouw, +die zoo schandelijk haar plicht vergat, en uw zoon ten uwent vind, +dat ik hem en u voor den rechter zal dagen, om met den verleider te +handelen overeenkomstig hetgeen ik recht heb te vorderen." + +"Gij zoudt vruchteloos zoeken," antwoordde Petrus, terwijl hij zich +met moeite beheerschte. "Mijn woord is 'ja' of 'neen', en ik herhaal +hier nog eens: Neen, wij herbergen én haar én hem niet. Noch Dorothea +noch ik zijn geneigd ons in uwe aangelegenheden te mengen, maar +wij dulden ook niet, dat een ander, wie hij ook zij, zich met onze +aangelegenheden bemoeit. Deze drempel wordt alleen overschreden door +hem aan wien ik dit wil toestaan, of door den rechter des keizers, +voor wien ik wijken moet. U verbied ik het, en ik zeg nog eens: +Sirona is niet bij ons, en gij zoudt beter doen haar elders te zoeken, +dan hier uw tijd te verspillen." + +"Ik heb uw raad niet noodig," riep de centurio driftig. + +"En ik," hernam Petrus, "voel mij allerminst geroepen, om uwe +huiselijke oneenigheden te beslechten. Ook zonder onze hulp zult gij +Sirona wel terugkrijgen, maar het is altijd moeielijker zijne vrouw +aan huis te binden, dan haar te vangen wanneer zij weggeloopen is." + +"Gij zult ondervinden wie ik ben," dreigde de centurio, en sloeg een +blik op de slaven, die zich in den hof verzameld hadden, en waarheen +zich ook Antonius, de oudste zoon van den senator, begeven had. "Ik +roep onverwijld mijne lieden samen, en wanneer gij den verleider +verbergt, zal ik hem beletten te ontvluchten." + +"Wacht nog een uur," sprak Dorothea nu, terwijl zij de hand greep van +haar echtgenoot, die zichzelven niet meer meester was, "en dan zult +gij Polycarpus op den hengst zijns vaders zien terugkeeren. Hebben u +die rozen, die mijn zoon in het venster wierp van uwe vrouw, omdat zij +zoo aardig kon spelen met zijne broertjes en zusjes, op de gedachte +gebracht, dat hij haar verleider is, of zijn er nog andere gronden, +die u bewegen hem en ons met zulk eene zware beschuldiging te treffen?" + +Dikwijls, wanneer toornige mannen als onheilspellende onweerswolken +met elkander in botsing dreigen te komen, houdt het woord uit den +mond eener verstandige vrouw hen tegen en dringt hen terug, als het +opsteken van een zachte luchtstroom de dampen. Phoebicius was niet +genegen de moeder van Polycarpus te woord te staan, maar hare vraag +gaf hem nu het eerst aanleiding met een vluchtigen blik het gebeurde +te overzien, en hij kon zich niet ontveinzen, dat zijne verdenking +op zeer zwakke gronden rustte. Tegelijkertijd moest hij zichzelven +bekennen dat, als Sirona, in plaats van in het huis van den senator, +de wijde wereld in gevlucht was, hij hier zijn tijd verbeuzelde en +hij de uren, die zij hem reeds had afgewonnen om hem vóor te komen, +op eene bedenkelijke wijze liet aangroeien. Weinige oogenblikken waren +voor deze overweging voldoende, en gewoon zichzelven te beheerschen +als het noodig was, zeide hij ontwijkend: "Wij zullen zien; het zal +wel terechtkomen," en langzaam richtte hij zijne schreden naar zijne +woning, zonder zijn huisheer te groeten. + +Doch hij had de deur van zijn huis nog niet bereikt, toen zich +paardengetrappel op den weg liet hooren en Petrus hem achterna riep: +"Blijf nog enkele oogenblikken, want daar komt Polycarpus, die zich +in eigen persoon voor u rechtvaardigen kan." + +De centurio stond stil; de senator wenkte den ouden Jethro en deze +opende de poort. Men hoorde een ruiter uit den zadel springen, doch +niet Polycarpus maar een Amalekiet trad den hof binnen. + +"Wat nieuws brengt gij?" vroeg de senator, terwijl hij zich half tot +den centurio, half tot den bode keerde. + +"Heer Polycarpus uw zoon," antwoordde de aangesprokene, een +donkerbruine man van middelbaren leeftijd, stevig van leden en +rad van tong, "laat u en uw huisvrouw groeten en u zeggen, dat hij +vóor den middag met acht man, die hij in Raïthoe heeft aangeworven, +hier zal komen. Vrouw Dorothea zou wel zoo goed zijn allen een goed +onderkomen en een maaltijd te bezorgen." + +"Wanneer hebt gij mijn zoon verlaten?" vroeg Petrus. + +"Twee uren vóor zonsondergang." + +Petrus haalde weder ruim adem, want eerst nu was hij ten volle +overtuigd van de onschuld zijns zoons. Doch in plaats van thans een +hoogen toon aan te slaan, en Phoebicius te laten gevoelen, dat hij +hem onrecht had aangedaan, zeide hij vriendelijk, omdat hij deelneming +begon te gevoelen met het ongeluk van den Galliër: "Ik zou wel wenschen +dat de bode ons ook eenig licht kon geven omtrent het verblijf van +uwe vrouw. Zij kon zoo moeielijk aan het stille leven hier in de oase +gewennen. Misschien is zij alleen gevlucht om eene stad op te zoeken, +die zulk een jeugdig en schoon schepseltje meer afwisseling biedt, +dan dit stille oord in de woestijn." + +Phoebicius maakte een beweging met de hand, waardoor hij te kennen +wilde geven, dat hij dit niet aannam, en wel beter wist, en zeide: +"Ik zal u eens laten zien wat die reine nachtvogel in mijn nest heeft +achtergelaten. Mogelijk kunt gij mij zeggen, wien het toebehoort." + +Terwijl hij haastig zijn huis binnen ging, was Paulus door de thans +geopende poort den hof binnengetreden. Hij begroette den senator en +de zijnen, en overhandigde Petrus den kerksleutel. Inmiddels was de +zon opgegaan en vrouw Dorothea's tegenwoordigheid gaf den Alexandrijn +gelegenheid, terwijl hij schaamrood werd, een blik te slaan op zijn +kort onderkleed vol gaten, dat den altijd nog athletischen bouw zijner +leden zeer onvoldoende bedekte. + +Petrus had van Paulus nooit iets anders dan goed gehoord, maar thans +zag hij hem met minder vriendelijke oogen aan, want alles wat naar +overdrijving zweemde was in strijd met zijn zin voor regel en orde. + +Paulus gevoelde wat er bij den senator omging, toen hij den sleutel +in ontvangst nam, zonder hem met een woord te verwaardigen. Het was +hem niet onverschillig wat deze man van hem dacht, en daarom zeide +hij, niet zonder verlegenheid: "Wij zijn anders niet gewoon ons onder +menschen te vertoonen, zonder met het schaapsvel gekleed te zijn. Doch +ik heb het mijne verloren." + +Hij had nog niet uitgesproken, toen Phoebicius met de vacht van Hermas +in de hand den hof binnentrad, en den senator toeriep: "Dat vond ik +bij mijne thuiskomst in ons woonvertrek." + +"En wanneer hebt gij gezien dat Polycarpus zich van zulk een mantel +bediende?" vroeg vrouw Dorothea. + +"Wanneer de goden voorheen de dochteren der menschen bezochten," +antwoordde de centurio, "waren zij gewoon eene andere gedaante aan te +nemen. Waarom zou zulk een gezalfd Alexandrijnsch heertje zich niet +eens veranderen in een dier ruwe gekken van den berg? De goede Homerus +vergiste zich ook wel eens, en ik moet bekennen, dat ik in betrekking +tot uw zoon heb gedwaald. Neem mij niet kwalijk, senator! Gij woont +hier langer dan ik, wie kan mij dit vel, dat waarlijk nog nieuw schijnt +te zijn, met de hoornen er zelfs aan, ten geschenke hebben gegeven?" + +Petrus bekeek en bevoelde den pels, en zeide toen: "Dat is een +Anachoreten-mantel. Al de boetelingen op den berg plegen zulk een +kleed te dragen." + +"Derhalve heeft een van die leegloopers den weg naar mijn huis +gevonden!" riep de centurio. "Ik ben een dienaar des keizers, en +al dat gespuis, dat hier in de woestijn de bewoners der oase en de +reizigers verontrust, moet ik onschadelijk maken! Aldus luidt het +bevel, dat ik van Rome heb medegenomen. Ik zal die snoode gezellen +allen samendrijven, gelijk het wild bij een drijfjacht; want het zijn +schurken en indringers, allen, en ik zal het hen zoo benauwd weten +te maken, tot ik onder hen den schuldige gevonden heb!" + +"Dat zal de keizer u niet vriendelijk afnemen," antwoordde Petrus. "Het +zijn vrome christenen, en gij weet dat Constantijn zelf..." + +"Constantijn?" vroeg de centurio met minachting. "Misschien laat hij +zich ook nog wel doopen, daar het water toch niet schaadt en hij de +menigte, die den gekruisigden wonderdoener naloopt, niet uitroeien kan, +evenals de groote Diocletianus, zonder zijn rijk te ontvolken. Maar +zie deze munten! Hier staat des keizer beeld, en wat staat daar +op de achterzijde? Is dat uw Nazarener, of is het de oude god, de +nimmer ondergaande onoverwinnelijke zon? Is het een der uwen, die in +het nieuwe Constantinopel Tyche eert en de tweelingbroeders Castor +en Pollux? Het water, waarmede hij zich morgen laat bevochtigen, +wischt hij overmorgen weer af, en het zijn de oude goden die hem +helpen zullen, wanneer hij ze in rustiger tijden tegen uw bijgeloof +in het veld voert!" + +"Nu," antwoordde Petrus bedaard, "daarmede hebben wij vooreerst +den tijd nog, en heden althans is Constantijn de beschermheer der +christenen. Ik raad u: stel uwe zaak in handen van den bisschop +Agapitus." + +"Opdat deze mij uwe leer zal opdisschen, die zelfs nog te slecht is +voor vrouwen," zeide de centurio lachend, "namelijk om mijne vijanden +de voeten te kussen! Die schurken daarboven zijn inbrekers, herhaal +ik nog eens, en als zoodanig zal ik die booze gekken behandelen, +tot ik mijn man gevonden heb. Heden nog begin ik de drijfjacht." + +"En heden ook kunt gij haar nalaten, want deze vacht is de mijne." + +Het was Paulus, die deze woorden luide en stellig uitsprak. Geen +wonder dat aller oogen zich op hem en den centurio richtten. + +Petrus en de slaven hadden den Anachoreet dikwijls gezien, maar +altijd met een schaapsvel, geheel ongelijk aan dat hetwelk Phoebicius +in de hand hield. En hun die Paulus en Sirona kenden, moest deze +zelfbeschuldiging van den eersten ongehoord en onbegrijpelijk +voorkomen. Toch werd zij door niemand, zelfs niet door den senator +betwijfeld. Vrouw Dorothea alleen schudde ongeloovig het hoofd, en +al kon zij ook geene verklaring vinden van hetgeen hier gebeurde, +zoo moest zij toch bekennen dat deze man er volstrekt niet uitzag +als een verleider, en dat de Gallische om zijnentwil bezwaarlijk haar +plicht zou hebben kunnen vergeten. Bovendien kon zij maar niet aan de +schuld van Sirona gelooven, want zij was haar hartelijk genegen--en +'t was zeker niet goed dat zij zoo dacht--hare moederlijke ijdelheid +beval haar aan te nemen, dat, wanneer de schoone vrouw had willen +zondigen, zij toch waarlijk haren edelen Polycarpus, wiens rozen en +vurige blikken zij zoo oprecht mogelijk veroordeelde, verkozen zou +hebben boven dezen ruigen, verwilderden grauwbaard. + +De centurio dacht er echter anders over. Hij nam de bekentenis van den +Anachoreet gaarne voor waarheid aan, want hoe onwaardiger de verleider +was, om wiens wil Sirona haar plicht had vergeten, des te grooter +was hare schuld, des te onvergeeflijker hare lichtzinnigheid. Ja, +zijne mannelijke ijdelheid kon het tegenover getuigen als Petrus en +Dorothea gemakkelijker verdragen, dat zijne vrouw wat afwisseling en +vermaak had gezocht, al moest zij zich daartoe ook afgeven met een +bedelaar in lompen, dan wanneer zij haar hart zou hebben geschonken +aan een man die jonger, schooner en waardiger was dan hij. Veel had +hij jegens haar misdreven, maar dat woog nu alles als vederen in +zijne weegschaal, terwijl het kwaad dat zij had begaan, haar schaal +als met een wicht van lood belastte. Daarbij begon hij het gevoel +te krijgen van iemand die eene moeras heeft doorwaad en nu weder +vasten grond onder de voeten heeft. Dit alles te zamen gaf hem de +kracht den Anachoreet met eene zelfbeheersching tegemoet te treden, +waarover hij anders alleen beschikken kon, wanneer hij aan de spits +zijner soldaten den keizer diende. + +Met gemaakte deftigheid en eene houding, die bewees, dat hij in de +theaters van de groote steden des rijks ook de voorstellingen van +treurspelen had bijgewoond, liep hij op den Alexandrijn toe, die van +zijne zijde geen stap achteruitging, en hem aanzag met een lachje, +dat Petrus en de andere toeschouwers deed schrikken. + +Volgens de wet was de Anachoreet geheel in de handen van den +beleedigden echtgenoot. Deze laatste scheen echter niet voornemens van +zijn recht gebruik te maken, want uit zijne woorden sprak niets dan +minachting en walging, toen hij eindelijk zeide: "Wie een schurftigen +hond aanpakt om dien te straffen, die bezoedelt zijne eigene hand. De +vrouw, die mij om uwentwil bedroog, en gij smerige bedelaar, zijt +elkander waard! Ik kon u, als ik wilde, op deze plaats vermorzelen, +als een insect, dat men met de hand doodslaat; maar mijn zwaard +behoort den keizer, en mag met geen vuil bloed als het uwe bezoedeld +worden. Evenwel zult gij, hond, uw vacht niet te vergeefs hebben +afgelegd. Zij is nog al dik, en gij wildet mij zeker de moeite +besparen haar van uwe schouders te scheuren, eer ik u geef wat u +toekomt. Aan slagen zult gij geen gebrek hebben. Als ge mij bekent +waarheen uw liefje gevlucht is, dan krijgt gij er weinig, maar het +aantal zal vermeerderen, naarmate gij met het antwoord talmt. Jongen, +geef mij dat ding!" + +Bij deze woorden nam hij een kemeldrijver de uit nijlpaardehuid +vervaardigde zweep uit de hand, ging dicht bij den Alexandrijn staan +en vroeg: "Waar is Sirona?" + +"Sla maar toe," bad Paulus, en wees met de hand op zijn rug: "Hoe +pijnlijk uw zweep mij ook treft, zij zal mij toch niet zwaar genoeg +bestraffen, voor alle mijne zonden. Doch waar uwe vrouw zich verborgen +houdt, dat weet ik waarachtig niet te zeggen, al wildet ge ook, in +plaats van mij met dit rampzalig ding te streelen, mijne leden met +tangen verscheuren." + +Er lag zulk eene oprechte trouwhartigheid in den toon van Paulus' +stem, dat de centurio geneigd was hem te gelooven. Doch het lag +geenszins in zijn aard eene bedreigde straf niet te voltrekken en dat +zijne hand niet streelde, als zij pijnlijk wilde straffen, dat zou de +wonderlijke bedelaar ondervinden. En Paulus voelde het, zonder dat er +een klacht over zijne lippen kwam, zonder dat hij zich van zijne plaats +bewoog. Toen Phoebicius eindelijk zijn vermoeiden arm liet rusten, +en hijgend zijne vraag herhaalde, antwoordde de mishandelde: "Ik zeide +het u reeds, ik weet het niet, en kan het u daarom niet verraden." + +Tot hiertoe had Petrus, hoe hij zich ook gedrongen gevoelde, zijn +mishandelden geloofsgenoot te hulp te komen, den beleedigden echtgenoot +laten begaan, want de laatste scheen met bijzondere zachtheid te +straffen, en de Alexandrijn zulk een kastijding te verdienen. Doch ook +zonder dat Dorothea hem hiertoe aanspoorde, zou hij de gelegenheid +hebben aangegrepen om tusschen beiden te komen. Hij naderde dus den +centurio en zeide hem zacht: "Gij hebt den misdadiger gegeven wat +hem toekomt. Wanneer gij verkiest, dat hij nog strenger straf zal +ontvangen dan gij hem hebt doen ondergaan, laat dan, ik herhaal het, +uw zaak aan den bisschop over. Gij zult hier niet verder komen. Geloof +mij, ik ken dezen man en zijns gelijken. Hij weet inderdaad niet waar +uwe vrouw zich ophoudt, en gij verspilt hier den tijd en de kracht, +die gij waarlijk wel moogt gebruiken om Sirona weder te vinden. Ik +denk dat zij eene poging zal hebben gewaagd om over zee naar Egypte, +mogelijk wel naar Alexandrië te ontkomen; en daar--gij kent die +Grieksche stad--daar gaat zij geheel te gronde." + +"En bovendien vindt zij," zeide de Galliër lachend, "wat zij zoekt: +afwisseling en genot. Er is voor zulk een jong schepsel dat de vreugde +najaagt, geen dankbaarder bezigheid dan de ondeugd. Maar ik wil haar +dat spel verleeren. Gij hebt gelijk, het is niet goed haar langer +gelegenheid te geven mij voor te komen. Heeft zij den weg naar zee +gevonden, dan kan zij misschien nu reeds.... Heidaar, Talib!" en +hij wenkte den Amalekietischen bode van Polycarpus. "Gij komt van +Raïthoe; zijt ge onderweg ook eene vluchtende vrouw tegengekomen, +blank van gezicht en met blonde haren?" + +De aangesprokene, een vrij man met verstandige oogen, die in het huis +van den senator, ook door Phoebicius, als volkomen betrouwbaar en +verstandig werd hooggeacht, had deze vraag verwacht, en antwoordde +bereidwillig: "Twee stadiën zoowat vóor El Heswe ben ik de groote +karavaan van Petra tegengekomen, die gisteren hier in de oase heeft +overnacht. Er liep eene vrouw mede zooals gij haar beschrijft. Toen +ik hoorde wat hier gebeurd was, wilde ik het reeds zeggen; maar wie +hoort het krekeltje als het dondert?" + +"Had zij een kreupel hazenwindje bij haar?" vroeg Phoebicius vol hoop. + +"Zij droeg iets in de armen," antwoordde de Amalekiet. "In den +maneschijn hield ik het voor een zuigeling. Mijn broeder, die de +karavaan begeleidt, zeide mij, dat die vrouw zeker vluchtende was, +want zij had het beschermgeld niet met klinkende munt, maar met een +gouden zegelring betaald. + +De Galliër herinnerde zich nu, dat hij jaren geleden een gouden +ring met een keurig gesneden onyx Glycera, die er nog zoo een bezat, +van de vingers had getrokken, en dat hij dienzelfden ring aan Sirona +op den bruiloftsdag geschonken had. "'t Is toch vreemd," dacht hij; +"wat wij de vrouwen geven om haar aan ons te verbinden, dat gebruiken +zij als een wapen tegen ons, zij 't om andere mannen te bekoren, zij +'t om zich een weg te banen, die haar van ons verwijdert. Met een +armband van Glycera betaalde ik toen den scheepskapitein, die ons +naar Alexandrië overbracht. Maar ik ben van een ander maaksel dan de +weekhartige gek, wiens duifje mij navloog. Ik volg het weggevlogen +vogeltje en vang het weder op." + +Deze laatste woorden had hij overluid gesproken. Hij droeg +aan een slaaf van Petrus op zijn muildier stevig te voederen +en goed te drenken, want zijn eigen paardeknecht en ook de +oudste decurio, die hem bij zijne afwezigheid moest vervangen, +behoorden tot de Mithras-vereerders en waren nog niet van den berg +teruggekeerd. Phoebicius twijfelde niet of de vrouw, die zich had +aangesloten bij de karavaan, die hijzelf gisteren gezien had, was zijne +ontvluchte gemalin, en hij ontveinsde zich niet dat elk verzuim de +vervulling van zijn vurigen wensch om haar in te halen en te straffen +al verder en verder zou verschuiven. Doch hij was een Romeinsch +krijgsman, en hij zou eer de hand aan zichzelven geslagen dan zijn +post verlaten hebben, zonder een plaatsvervanger te hebben aangesteld. + +Toen zijn geloofsgenooten eindelijk terugkeerden van het offer en +hunne begroeting van de opgaande zon, was hij met zijne voorbereidingen +tot eene lange reis gereed. Phoebicius drukte zijn decurio zorgvuldig +op het hart, wat hij gedurende zijne afwezigheid te doen en hoe hij +zich te houden had. Vervolgens gaf hij aan Petrus den sleutel van +zijn huis over, als mede de zwarte slavin, die over de vlucht van +hare meesteres luide weende en klaagde. Hij verzocht den senator +om den bisschop kennis te willen geven van hetgeen de Anachoreet +had gedaan, en draafde toen, voorgegaan door den op een dromedaris +gezeten Amalekiet Talib, zoo hard hij kon de karavaan achterna, +om deze zoo mogelijk nog te bereiken vóor zij zich aan zee inscheepte. + +Toen de hoefslag van het muildier zich al verder en verder verwijderde, +verliet ook Paulus den hof van den senator. Doch vrouw Dorothea +zeide tot haar echtgenoot, wijzende op den Anachoreet, die zijne +schreden naar den berg richtte: "Waarlijk man, dat was een zonderlinge +morgen. Alles wat hier gebeurt schijnt wel zonneklaar te zijn, en +toch kan ik het niet begrijpen. Het is of mijn hart wordt toegenepen, +wanneer ik denk aan hetgeen de arme Sirona overkomen zal, als haar +woedende echtgenoot haar inhaalt. Het is toch alsof er tweeërlei +huwelijken zijn. Het eene sluit de vriendelijkste engel, ja de Algoede +zelf, maar het andere.... het laat zich niet indenken!--Hoe zullen +die twee in het vervolg samenwonen? En dat onder ons dak! Hun gesloten +huis staat daar als verwoest en verbrand, en wij hebben de brandnetels +reeds zien opschieten, die overal woekeren onder de puinhoopen van +de vernietigde woningen der menschen." + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + +De baan van elke ster is vast bepaald en scherp afgeteekend; +iedere plant draagt bloesems en vruchten, in vorm en kleur geheel +overeenkomstig haar geslacht; dieren van dezelfde soort blijven in de +grondtrekken van hun aanleg en hunne neigingen, in hunne uiterlijke +zoowel als innerlijke bewegingen geheel aan elkander gelijk, en de +jager, die de herten in de bosschen van zijn vaderland kent, zal in +alle wouden der aarde weten, hoe eene ree zich in ieder bijzonder +geval houden zal. Naarmate eene soort er meer op is aangelegd, om +de verschillende individuën zich in grooter verscheidenheid te doen +ontwikkelen, naar die mate zal zij ook eene hoogere plaats innemen in +de ontwikkelingsgeschiedenis der schepping. En daarom is het juist die +oneindige verscheidenheid van het inwendig leven en zijne openbaringen, +die het menschelijk geslacht de eerste plaats aanwijst onder alle +bezielde wezens. Enkele onzer eigenschappen en werkzaamheden kunnen +de dieren ons ook symbolisch doen aanschouwen. Zoo vindt de moed zijn +symbool in het beeld van den leeuw, de zachtmoedigheid in dat van de +duif. Maar het volmaakt menschenbeeld is voor duizenden geslachten +voldoende geweest, en zal voor duizenden voldoende zijn, waar het geldt +de godheid onze zinnelijke voorstelling nader te brengen. Waarlijk, +evenals wij de zichtbare wereld met ons verstand kunnen omvatten, even +zeker is het ons gegeven God in ons, dat is in ons gemoed te hebben. + +Alle eigenschappen van alle eindige dingen vindt men bij den mensch +weder, en geene eigenschap, die wij den Allerhoogste toekennen, is +vreemd aan onze ziel, die ook oneindig en eeuwig is, daar zij bij +elk onderzoek haar voelhoornen vermag uit te breiden tot de uiterste +grenzen van ruimte en tijd. Daarom zijn ook de wegen, die voor de +ziel openstaan, even talloos als voor de godheid. Dikwijls schijnen ze +zonderbaar te zijn, maar het blijft voor den ingewijde niet verborgen, +dat ook hunne baan aan vaste wetten onderworpen is, en dat ook elke, +zelfs de meest ongewone uiting van het zieleleven tot oorzaken is +terug te brengen, die deze en ook deze alleen konden uitwerken. + +Slagen doen pijn, schande bezwaart en eene onrechtvaardige straf +verbittert het gemoed; doch de ziel van Paulus had een uitweg gezocht +en gevonden, waarbij deze eenvoudige stellingen niet van toepassing +waren. Hij was mishandeld, beschimpt en vóor hij de oase verliet +geheel onschuldig tot de zwaarste boete veroordeeld. De bisschop +Agapitus had hem, zoodra hij van Petrus had vernomen wat in zijn +huis was voorgevallen, tot zich geroepen, en hem, toen hij op zijne +aanklacht niets antwoordde, uit zijne kudde, waartoe ook de Anachoreten +behoorden, gestooten, hem verboden op de werkdagen de kerk te bezoeken, +en verklaard, dat hij dit oordeel aan de verzamelde gemeente zou +kenbaar maken. + +En hoe werkte dit alles op Paulus, toen hij in de gloeiende +middaghitte, eenzaam en geschandvlekt den berg besteeg? + +Een visscher uit het zeedorp Pharan, die den Anachoreet halverwege +tegenkwam, dacht bij zichzelven, terwijl hij een groet met hem wisselde +en hem nastaarde: "Die lange grauwbaard ziet er zoo vroolijk uit, alsof +hij een schat heeft gevonden." De man wandelde vervolgens met zijne +geschubde waren verder het dal in, en hem kwam het gelaat van zijn zoon +voor den geest toen diens vrouw hem het eerste zoontje had geschonken. + +Bij den wachttoren aan den kant van den korteren heerweg waren eenige +Anachoreten bezig steenen op te stapelen. Zij wisten reeds welk oordeel +Agapitus over den zondaar Paulus had uitgesproken, en groetten hem +niet. Hij merkte het wel op en zweeg; toen zij hem echter niet meer +zien konden, glimlachte hij in zichzelven en prevelde, terwijl hij +met de hand eene der striemen wreef, die de zweep van den centurio op +zijn rug had achtergelaten: "Wanneer die daar denken, dat zulk een +Gallisch pak slagen zeer goed smaakt, dan dwalen zij. Maar ik geef +het toch niet weg voor een zak wijn van Anthylla. Wanneer zij eens +wisten dat ieder hunner ten minste éen van al de striemen toekomt, +die mij hier pijn doen, hoe zouden zij zich verwonderen! Doch geen +hoogmoed! Hoe hebben zij u, mijn Jezus, gegeeseld, en wie ben ik, en +hoe verschoonend zijn zij met mij te werk gegaan, nu ik ook eens voor +anderen mijn rug ontblootte! Er is geen druppel bloed gevloeid. Ik +wenschte wel dat die oude knorrepot wat steviger had geslagen!" + +Vroolijk ging hij verder, en hem kwamen de woorden van den centurio +voor den geest, namelijk dat hij hem, indien hij dat verkoos, als +een worm vertreden zou. Wederom moest hij glimlachen, want hij was +zich bewust dat hij tienmaal zoo sterk was als die krijgsman, en +gedacht hoe hij eens den pocher Argesilaus van Cyrene, en zijn neef, +den langen Xenophanes, behendig in het zand van de palaestra had +geworpen. Vervolgens dacht hij aan Hermas, aan diens lieve gestorvene +moeder, aan zijn vader en--dat was wel het beste--aan het groot +verdriet, dat den ouden man door zijne tusschenkomst bespaard bleef. + +Hij vond op zijn weg een plantje met roodachtige bloempjes. Sedert +jaren had hij naar geene bloemen omgezien, of gewenscht ze te +bezitten. Heden boog hij zich voorover, om dit vriendelijk sieraad +van de rots te plukken. Maar hij voerde zijn voornemen niet uit, want +eer zijne hand het bereikte dacht hij: "Aan wien zou ik dit bloempje +geven? Die bloemen verblijden zich misschien op hunne worteltjes in het +licht en in hun rustig leven. Hoe klemmen ze zich aan den rotssteen +vast! Verder van den weg bloeien wellicht nog fraaiere, die geen oog +ooit ziet. Als die zich tooien, dan doen zij het slechts voor hun +schepper, en omdat zij zich over zichzelven verheugen. Ik trek mij +thans ook terug van de paden, waarop de menschen zich bewegen. Laten +ze mij lasteren! Als ik maar met mijzelven en mijn God in vrede +leef, dan vraag ik naar niemand. Wie zich vernedert--ja, wie zich +vernedert.... Gewis, ook mijne ure zal slaan! Daar boven vind ik ze +allen weder: Petrus en Dorothea, Agapitus en de broeders, die mij +thans niet welkom willen heeten. En als dan mijn Jezus mij wenkt, +dan zullen zij zien wie ik ben, en naar mij toevliegen, en mij dubbel +vriendelijk begroeten." + +Trotsch en gelukkig zag hij er uit, terwijl hij zoo dacht, en zich +de vreugde van het paradijs, waarop hij zich heden een zeker recht +meende verworven te hebben, verder voorspiegelde. Nooit deed hij +zulke haastige en lange stappen, dan wanneer hij zich zoo als nu, +aan dergelijke overpeinzingen overgaf, en toen hij bij de spelonk van +Stephanus was aangekomen, dacht hij dat de weg van de oase naar de +hoogte heden veel korter was geweest dan anders. Hij vond den kranke +in groote bezorgdheid, want hij had tot hiertoe zijn zoon te vergeefs +gewacht en gevreesd dat hij zou verongelukt zijn, of hem zou verlaten +hebben om de wereld in te vluchten. + +Paulus bracht hem met vriendelijke woorden tot rust, terwijl hij hem +vertelde, met welk een last hij Hermas naar den anderen oever van de +zee had gezonden. + +Wij zijn nooit meer geneigd, om ons eene slechte boodschap te laten +welgevallen, dan wanneer wij eene nog ergere verwacht hadden, daarom +luisterde Stephanus rustig en met instemming naar zijn vriend. Hij +kon het zich niet meer verheelen, dat Hermas niet rijp was voor het +leven van een Anachoreet, en sedert hij wist dat zijne ongelukkige +vrouw, die hij lang verloren had geacht, als eene christin gestorven +was, kon hij zich gemakkelijk vertrouwd maken met de gedachte, zijn +zoon de wereld te laten ingaan. Het was zijn streven geweest door +het boetvaardig leven van zich en zijn zoon Glycera's ziel van de +verdoemenis te redden, thans wist hij echter dat zij zichzelve het +recht op den hemel had verworven. + +"Wanneer zal hij terugkeeren?" vroeg hij aan Paulus. + +"Binnen vijf of zes dagen," antwoordde deze. "De visscher Ali, dien ik +eens een doorn uit den voet heb getrokken, verhaalde mij in het geheim, +toen ik gisteren naar de kerk ging, dat de Blemmyers zich achter +de zwavelbergen verzamelden. Als zij zich teruggetrokken hebben, +zal het hoog tijd worden Hermas vrijheid te geven naar Alexandrië +te gaan. Mijn broeder leeft nog, en zal hem om mijnentwil als een +bloedverwant ontvangen; want ook deze is gedoopt." + +"Hij kan dan de catechetenschool in de hoofdstad bezoeken, en wanneer +hij.... wanneer hij...." + +"Dat zal wel terecht komen," hernam Paulus, hem in de rede +vallende. "Allereerst komt het er op aan hem van hier te laten gaan, +om hem zijn weg te doen zoeken. Gij denkt dat er in den hemel een +eerezaal is voor den zoodanigen, die nooit struikelden, en onder deze +zoudt gij Hermas gaarne opgenomen zien. Dat doet mij denken aan een +arts in Corinthe, die zich beroemde dat hij geschikter was dan alle +zijne ambtgenooten, want hij had nog geen enkelen zieke verloren. En +de man had gelijk, want geen mensch of beest had zich ooit aan zijne +handen durven toevertrouwen. Laat Hermas zijne jeugdige krachten +beproeven, en wanneer hij geen priester wordt, maar een dapper +krijgsman als zijne voorvaderen, dan kan hij toch ook als zoodanig +zijn God eerlijk dienen. Maar we hebben nog den tijd eer het zoover +is.--Zoolang hij afwezig is, zal ik in uwe verpleging voorzien. Gij +hebt, gelijk ik zie, nog water in de kruik." + +"Deze werd reeds tweemaal voor mij gevuld," antwoordde de oude man. "De +bruine herderin, die zoo vaak de geiten drenkt aan onze bron, kwam +eerst in de vroegte en daarna nauwelijks een uur geleden bij mij. Zij +vroeg naar Hermas en bood zich daarop zelve aan om water voor mij +te scheppen, zoolang hij afwezig zou zijn. Zij is zoo schuw als een +vogel en vloog naar boven, nadat zij de kruik hier neder had gezet." + +"Zij behoort aan Petrus, en zal hare geiten niet lang alleen durven +laten," zeide Paulus. "Nu ga ik heen om wat wortelen voor u te zoeken +als toespijs. Met den wijn zal het vooreerst wel uit zijn.--Zie mij +eens goed aan! Voor welk groot zondaar houdt gij mij wel? Denk u +maar het ergste van mij, en toch zult gij wellicht nog erger dingen +hooren.--Doch daar komen twee mannen. Wacht! De eene is Hilarion, +een der acolythen van den bisschop, en de ander Pachomius uit Memphis, +die zich eerst onlangs op den berg heeft neergezet. Zij komen hierheen +en de Egyptenaar draagt een kruikje. Ik zou wel willen dat het weder +wijn bevatte tot uwe versterking." + +De beide vrienden zouden niet lang in het onzekere blijven omtrent het +doel der naderenden. Beiden keerden, nadat zij het hol van Stephanus +bereikt hadden, Paulus met merkbare bedoeling den rug toe. Ja, de +acolyth sloeg voor hem een kruis over het voorhoofd, als hield hij +het voor noodig zich tegen booze invloeden te vrijwaren. + +De Alexandrijn begreep hem, trad terug en zweeg, toen Hilarion den +kranken Stephanus in naam van den bisschop mededeelde, dat Paulus +schuldig was aan zeer zware zonden, en dat hij als een schurft +schaap van het verkeer met de kudde van den bisschop, en alzoo van +de verpleging van een vroom christen moest uitgesloten blijven, +tot hij volledig boete zou hebben gedaan. "Wij weten, door Petrus," +zoo eindigde hij zijne rede, "dat uw zoon, mijn vader, over zee is +gezonden; daar gij echter verpleging noodig hebt, zoo zendt Agapitus +u door mij zijn zegen en wijn ter versterking. Deze jongeling zal +bij u blijven en u van het noodige voorzien tot Hermas terugkeert." + +Daarop overhandigde hij de kruik met wijn aan den ouden man, die +verstomd en bewogen nu eens hem, dan weder Paulus aanzag. + +Het hart van den laatsten brak, toen zich de dienaar van den bisschop +andermaal tot hem richtte, en hem een teeken gaf zich te verwijderen, +terwijl hij uitriep: "weg van hier!" + +Hoevele vriendschappelijke banden, hoevele volgaarne bewezene en +dankbaar aangenomene diensten vernietigde dat bevel! Maar Paulus +gehoorzaamde onverwijld en ging den kranke voorbij. Hunne blikken +ontmoetten elkander, en beiden merkten zij op, dat er tranen welden +in het oog van den vriend. + +"Paulus!" riep de kranke, terwijl hij den heengaande, wien hij zoo +gaarne elke schuld vergaf, beide handen toestak. Doch de Alexandrijn +sloeg zijne hand niet in de zijne, maar hij wendde zich af en +steeg, in eene richting waar geen gebaande weg was, zonder om te +zien haastig den berg op. Daarna daalde hij weder af naar het dal, +altijd voortgaande tot hem de steile helling van den hollen weg, die +aan de zuidzijde van den berg naar de oase leidt, gebood stil te staan. + +De zon stond nog hoog en het was gloeiend heet. Druipnat van zweet +en geheel buiten adem, leunde hij met den rug tegen den gloeienden +porfierwand, bedekte zijn gelaat met de handen, en trachtte tot +zichzelven te komen, te denken en te bidden. Maar lang te vergeefs, +want in plaats van vreugde te gevoelen over het leed, dat hij +vrijwillig op zich genomen had, pijnigde de ellende der eenzaamheid +zijne ziel, en in zijn binnenste weerklonk de klagende roepstem van +den oude als eene vermaning, en deed hem twijfelend vragen of zijn +daad wel goed was, waardoor hij toch de besten en reinsten bedrogen en +gedrongen had onrechtvaardig jegens hem te handelen. Zijn hart kromp +ineen van angst en pijn, doch toen hij zich eindelijk weder bewust +werd, hoezeer hij leed naar lichaam en ziel, begon hij opnieuw moed te +scheppen; en er speelde zelfs een glimlach om zijne lippen, toen hij +in zichzelven prevelde: "Goed zoo, goed zoo; hoe meer het wee doet, +des te zekerder vind ik genade.--En dan! als de oude man van Hermas +had moeten beleven, wat hij van mij moest hooren, gerechte hemel, +ik geloof dat het zeker zijn dood geweest zou zijn! Toch zou ik wel +willen dat het zonder dat.... dat--het is nu eenmaal zoo--zonder dat +bedrog had kunnen geschieden. Ik ben reeds als heiden een voorstander +van waarheid geweest, en heb den leugen in mijzelven en anderen zoo +diep verfoeid, als vader Abraham een moord; hoewel ook deze zijn Izaäk +ter slachting voerde, wijl de Heer het hem gebood. En Mozes, toen hij +den opzichter versloeg, en Elias, en Debora, en Judith?! Ik heb niet +veel minder op mij genomen dan zij, en mijn leugen zal mij wel vergeven +worden, gelijk het hun niet is toegerekend dat zij bloed vergoten." + +Zulke overpeinzingen gaven aan Paulus' ziel het verloren evenwicht +terug, en deden hem berusten in zijne daad. Hij begon te overwegen, of +hij in zijn voormalig hol en in de nabijheid van Stephanus terugkeeren, +of naar eene andere woning omzien zou. Hij besloot tot het laatste; +doch vóor alle dingen moest hij frisch water en eenig voedsel opzoeken, +want zijn mond en zijne tong waren geheel verdroogd. Dieper in het +dal ontsprong eene bron, die hij wel kende, en in hare nabijheid +groeiden velerlei kruiden en wortels, waarmede hij meermalen zijn +honger gestild had. Een tijdlang volgde hij de helling aan zijn +voet; vervolgens wendde hij zich links en kwam op een tafelvormige +hoogvlakte, die uit de kloof gemakkelijk te bereiken was, en naar +de zijde van de oase in eene vele vademen diepe loodrechte steilte +uitliep. Tusschen die vlakte en den hoogsten bergtop verhieven zich +talrijke op zichzelf staande klippen, als een legerkamp met tenten +van graniet, als eene zee, die terwijl de golven zich op het hoogst +verhieven, tot hard porfier was versteend. Achter die blokken nu +vloeide de bron, die hij na eenige oogenblikken zoekens vond. + +Na zich verkwikt te hebben begaf hij zich naar de hoogvlakte terug, +opnieuw versterkt in zijn voornemen, om ook het zwaarste geduldig +te dragen. Van den rand der steilte zag hij naar beneden in het wijd +uitgestrekt woestijndal aan zijne voeten, op welks laagsten bodem de +oase met hare palmboschjes en tamariskenstruiken, als eene krans op +een grafsteen, zich in scherpe groene omtrekken afteekende. De wit +gepleisterde daken der huizen van het vlek Pharan kwamen helder uit +de takken en het loof te voorschijn. Boven alle stak de nieuwe kerk +uit, waarvan de toegang thans voor hem gesloten was. Een oogenblik +sneed de gedachte hem pijnlijk door de ziel, dat hij uitgesloten +was van de godsdienstoefening der gemeente, van het avondmaal en het +gemeenschappelijk gebed; maar dan vroeg hij zich weer af, of dan niet +ieder rotsblok hier op de bergen een altaar moest heeten; of de blauwe +hemel boven zijn hoofd niet duizendmaal grooter en heerlijker was, +als het stoutste koepeldak door menschenhanden gebouwd, het kolossaal +gewelf van het Serapeum te Alexandrië niet uitgenomen; en hij dacht +aan het 'Amen' van de steenen, dat vernomen was na de prediking van +den blinde. + +Toen hij met het hoofd fier opgericht naar de rotswand toeging aan de +zijde der helling, om een hol op te zoeken, dat ledig was, sedert de +grijsaard die het bewoonde eenige weken geleden gestorven was, dacht +hij; "Waarlijk, het komt mij nu voor als werd ik niet nedergedrukt +maar opgeheven door den last mijner schande. Hier tenminste behoef +ik de oogen niet neer te slaan. Want hier ben ik met mijn God alleen, +en voor hem behoef ik mij, naar ik meen toch niet te schamen." + +Met zulke gedachten vervuld wrong hij zich door de ruimte tusschen +twee reusachtige porfierblokken, doch weldra bleef hij staan, want in +zijne onmiddellijke nabijheid liet zich het geblaf van een hond hooren, +en eenige oogenblikken later vloog een hazenwindje op hem toe, dat +zijn met een gekleurde lap omwikkeld pootje voorzichtig omhoog hield, +en hem nu eens grimmig aanblafte dan weder schuchter terugweek. Paulus +herinnerde zich de vraag, die Phoebicius betreffende zulk een hondje +tot den Amalekiet Talib had gericht, en vermoedde terstond, dat de +gevluchte Gallische niet ver verwijderd kon zijn. Zijn hart begon +sneller te kloppen, en ofschoon hij zoo dadelijk niet wist, hoe +hij de vrouw, die haren plicht zoozeer had vergeten, ontvangen zou, +gevoelde hij zich toch innerlijk gedrongen haar op te zoeken. + +Onverwijld volgde hij de richting, uit welke het hondje tot hem was +gekomen, weldra zag hij een licht gewaad achter de eerste en vervolgens +achter de tweede en derde rots verdwijnen. Eindelijk bereikte hij +de vluchtende. Zij stond vlak aan den rand van den afgrond, tegen +een rots die zich steil en hoog uit de diepte verhief. Dat gezicht +vervulde hem met verbazing en ontzetting. Hare lange goudgele haren +waren verward en hingen half los, half gevlochten over borst en +schouders neer. Zij stond slechts met éen voet op de rotsvlakte; +de andere, die bedekt was met eene dunne en door de scherpe kanten +van de rots gescheurde sandaal, zweefde in de lucht boven den afgrond. + +Ieder oogenblik kon zij in de diepte neerstorten. Zij hield zich +wel met de rechterhand vast aan de uitstekende punt van eene rots +aan hare zijde, maar Paulus zag dat deze zich bewoog en met het blok +daaronder volstrekt niet samenhing. Zoo zweefde zij boven den afgrond +als eene maanzieke, als eene door demonen bezetene waanzinnige, en +daarbij was er zulk eene wilde gloed in hare oogen en ging haar adem +zoo koortsachtig snel, dat Paulus, die haar reeds dicht genaderd was, +onwillekeurig achteruit trad. Hij zag dat hare lippen zich bewogen, +maar hoewel hij niet verstond wat zij zeide, begreep hij toch dat +hare toonlooze woorden hem terugwezen. + +Wat zou hij doen? Wanneer hij vooruitging, om door een snellen greep +haar te redden, zou zij, indien deze poging mislukte, reddeloos naar +beneden storten. Liet hij haar begaan, dan zou de steen, waaraan +zij zich vasthield, meer en meer losraken, en zoodra deze viel, +was het ook zeker met haar gedaan. Hij had wel eens gehoord, dat +nachtwandelaars naar beneden vallen, wanneer zij hunne namen hooren +noemen. Dat kwam hem thans voor den geest en hij vermeed daarom +zorgvuldig haar te roepen. + +Thans wees de ongelukkige hem andermaal af. Zijn hart hield op te +kloppen, want hare bewegingen waren wild en onstuimig, en hij zag hoe +de steen, haar eenige steun, van zijn plaats schoof. Hij verstond +slechts weinig van al de woorden, die zij hem daarbij toeriep met +eene stem, die gisteren nog zoo welluidend was en heden zoo heesch, +bijna geheel zonder klank; toch hoorde hij den naam van Phoebicius +noemen, en het was wel aan geen twijfel onderhevig, dat zij zich aan +dezen steen boven den afgrond had vastgeklemd, om zich als de steenbok, +wanneer hij ziet dat de jager hem elken uitweg heeft afgesneden, liever +in de diepte te werpen, dan zich aan hare vervolgers gevangen te geven. + +Paulus zag in haar noch de onschuldige noch de schoone vrouw, maar +slechts een menschenkind, dat in het uiterste gevaar verkeerde, dat +hij tot elken prijs van den dood moest redden, en de gedachte dat +hij toch niets minder was dan een handlanger, die door haar man was +uitgezonden, legde hem de eerste woorden op de lippen, die hij den +moed had de vertwijfelde toe te spreken. Zij waren eenvoudig genoeg, +maar in den vollen vriendelijken klank lag de kinderlijke liefde +van zijn goed hart, en onwillekeurig gaf de Alexandrijn, die in de +stad der redenaars en wel in de voortreffelijkste school was gevormd, +aan zijne rede eene eigenaardige kleur, door de welluidende diepe en +weeke, uit de borst voortkomende toonen, die hem ten dienste stonden. + +"Verheug u, gij arme lieve vrouw," zeide hij. "Ik heb u ter rechtertijd +gevonden. Ik ben Paulus, de beste vriend van Hermas, en hoe gaarne +zou ik u helpen in uwe ellende! U dreigt geen gevaar, want Phoebicius +zoekt u op een verkeerden weg. Gij kunt mij vertrouwen! Niet waar, ik +zie er niet uit als kon ik eene arme verdwaalde vrouw bedriegen? Maar +gij staat daar op eene plaats, waar ik liever mijn vijand zou zien +dan u. Leg uw hand maar gerust in de mijne; zij is wel niet aanvallig +meer, doch sterk en eerlijk.--Zoo is het goed, en gij zult het u nooit +berouwen. Zet uw voet hier neder, en wees voorzichtig, wanneer gij +de rots loslaat. Gij weet niet hoe bedenkelijk deze het harde hoofd +heeft geschud over uwe wonderlijke gerustheid.--Pas op, daar stort uw +steunpunt naar beneden. Hoor hoe de steen neerploft en kraakt: hij is +beneden stellig in duizend stukken gebersten, en ik ben maar blijde, +dat gij ten laatste hebt besloten liever mij dan hem te volgen." + +Paulus was onder het spreken dezer woorden naar Sirona toe gegaan, +als een meisje, wier vogeltje uit de kooi is gevlogen, en het diertje +met schroomvallige behoedzaamheid nadert, om het weder te vangen. Hij +had haar zijne rechterhand toegestoken, haar, zoodra hij hare hand +in de zijne voelde, voorzichtig gered uit den vreeselijken toestand, +en naar den veiligen bodem van de hoogvlakte geleid. Zoolang zij +hem gedwee volgde, geleidde hij haar naar den berg, zonder plan of +doel. Hij wilde haar alleen van dien afgrond verwijderen. Bij een +vierkant dioriet-blok vertraagde zij hare schreden, en Paulus, wien +het niet ontgaan was, hoe moeielijk haar het loopen viel, noodigde +haar uit om te gaan zitten. Hij haalde een vlak stuk rots, dat hij +met kleine steenen vastzette, om Sirona een steun te geven voor haar +vermoeiden rug. + +Zoodra de Alexandrijn dit werk had volbracht, leunde Sirona tegen den +steen, en er lag aanvankelijk reeds eenig gevoel van welbehagen in de +lichte zucht, die als eerste geluid zich deed hooren van hare lippen, +die sedert hare redding vast gesloten waren. + +Paulus lachte haar bemoedigend toe en zeide: "Rust nu wat uit. Ik +zie wel wat u schort. Men kan zich niet ongestraft een geheelen dag +aan de stralen der zon blootstellen." + +Sirona knikte toestemmend, wees met den vinger naar haar mond, en +smeekte met moeite en zacht: "Water, wat water!" + +Paulus sloeg zich met de hand voor het voorhoofd, en riep driftig: +"Ik breng u dadelijk een frisschen dronk. In weinige oogenblikken +ben ik weder bij u." + +Sirona zag hem na, terwijl hij wegvloog. Hare oogen kregen meer +en meer eene starende, glazige uitdrukking, en het was haar, alsof +de steen waarop zij zat zich veranderde in het schip, dat haar van +Massilia naar Ostia had overgebracht. Zij gevoelde thans andermaal +elke slingering van het vaartuig, die haar op de onstuimige golven +had doen duizelen. Eindelijk scheen het haar toe dat het schip in +een maalstroom was geraakt, en al sneller en sneller in een cirkel +ronddraaide. Zij sloot de oogen en greep te vergeefs in de lucht naar +een steun. Haar hoofd viel machteloos op zijde, en eer haar wang met +haar schouder in aanraking kwam, liet zij een zachten klaagtoon hooren; +want het was haar als geraakten alle leden van haar lichaam los, gelijk +de bladeren in den herfst van de takken vallen. Zij zonk bewusteloos +achterover tegen den steen, die Paulus voor haar had opgericht. + +Het was voor het eerst dat Sirona, overigens volmaakt gezond naar +lichaam en geest, in onmacht viel. Maar zelfs de sterkste onder hare +zusters zou bezweken zijn onder de aandoeningen, de inspanning, de +ontberingen en het lijden, die deze dag over de schoone ongelukkige +had gebracht. Eerst was zij zonder een bepaald doel in den nacht +den berg opgevlogen. De maan bescheen haren weg, en wel een uur lang +klom zij zonder te rusten. Toen hoorde zij de stem van wandelaars, +die haar te gemoet kwamen. Zij verliet den straatweg en trachtte +zich daarvan zoover mogelijk te verwijderen, want zij vreesde dat +haar hazenwindje, dat zij telkens weder op den arm nam, wanneer zij +het hoorde kermen en zag hinken, haar door zijn geblaf verraden zou. + +Ten laatste had zij zich op een steen neergezet en zich voor den +geest gebracht, wat er in de laatste uren met haar gebeurd was, en wat +haar verder te doen zou staan. Zij verstond voortreffelijk de kunst +om over het verledene te droomen en schitterende luchtkasteelen te +bouwen. Daarentegen kostte het haar moeite verstandig te overleggen en +ernstig na te denken. Een ding was haar volmaakt duidelijk. Zij wilde +liever verhongeren en versmachten, liever schande en ellende dragen, +ja zelfs den dood ondergaan, dan tot haren echtgenoot terugkeeren. Zij +wist dat zij van Phoebicius niets anders dan mishandeling, hoon en +opsluiting in een afzichtelijk donker vertrek te verwachten had; +maar dat alles scheen haar gemakkelijker te dragen dan de teederheid, +waarmede hij haar nu en dan naderde. Wanneer zij daaraan dacht, voer +haar eene koude rilling door de leden, klemde zij de witte tanden op +elkander, balde zij de kleine handen zoo stevig, dat de nagels harer +vingers in het vleesch drongen. + +Maar wat zou zij doen? Wanneer Hermas haar eens tegenkwam?--Doch welke +hulp kon zij van hem verwachten! Wat was hij anders dan een baardelooze +knaap, en de gedachte haar leven ook slechts voor enkele dagen aan +het zijne te verbinden, scheen haar onzinnig en belachelijk. Zij was +wel is waar in genen deele geneigd berouw te gevoelen en zichzelve te +beschuldigen; doch het was toch een dwaasheid van haar geweest, dat +zij hem in huis had geroepen om met hem te spelen. Daarbij dacht zij +aan de harde straf die zij ontvangen had, toen zij als kind, zonder te +weten dat zij kwaad deed, het wateruurwerk van haar vader uit elkander +had genomen en bedorven. Zij gevoelde dat zij veel verstandiger was dan +Hermas, en haar toestand was te ernstig geworden, dan dat zij lust kon +gevoelen nog eens te spelen. Zij dacht wel aan Petrus en Dorothea, maar +bij deze kon zij alleen komen wanneer zij naar de oase terugkeerde, +en zij had alle grond om te vreezen, dat Phoebicius haar ontdekken zou. + +Als Polycarpus haar thans eens mocht tegenkomen op zijn terugkeer +van Raïthoe! Maar de weg dien zij verlaten had leidde toch zeker niet +daarheen, maar naar de poort, die meer in het Zuiden was gelegen. Zij +wist dat de zoon van den senator haar welgezind was, want niemand +had haar ooit met zoo innig welgevallen en met zulk een hartelijke +vriendelijkheid in de oogen gezien. Hij was ook geen onervaren knaap, +maar een recht ernstig man, wiens degelijkheid haar nu in een gansch +ander licht verscheen dan voorheen. Hoe gaarne had zij zich thans +aan Polycarpus' steun en leiding overgegeven! Doch hoe zou zij hem +bereiken? Neen, ook van hem had zij niets te wachten. Zij moest zich +op eigene kracht verlaten en besloot, terwijl het morgenrood reeds +was geweken voor het opgaan der zon aan een wolkenloozen hemel, zich +gedurende den dag op den berg schuil te houden, en tegen het aanbreken +van den nacht af te dalen naar de zee, ten einde te beproeven met +een bootje van den een of anderen schipper naar Klysma en van daar +naar Alexandrië te ontkomen. + +Zij droeg een ring aan den vinger met een sierlijk gesneden onyx, +keurige oorhangers en een gouden armband aan den linker arm. Dit +sieraad was van gedegen goud, en bovendien bezat zij, behalve eenig +zilvergeld, een groot gouden muntstuk, dat haar vader haar, vóor zij +naar Rome vertrok, als teerpenning van zijne armoede had geschonken, +en dat zij tot hiertoe uiterst zorgvuldig had bewaard, alsof het +een talisman was. Zij bracht thans dit in een stukje linnen genaaid +aandenken aan hare lippen, en dacht aan haar ouderlijk huis en hare +broertjes en zusjes. + +De zon steeg intusschen al hooger en hooger. Zij dwaalde van rots +tot rots, om een schaduwrijk plekje en eene bron te zoeken. Doch +zij vond geen water, en toch kwelde haar een hevige dorst en een +onuitstaanbare honger. Tegen den middag verdween ook de schaduwstreep, +waarin zij beschutting had gezocht voor de stralen der zon, die nu +onmeedoogend op haren onbedekten schedel brandde. Haar voorhoofd en +haar nek begonnen hevig pijn te doen, en zij ontvlood de verzengende +lichtstralen als een soldaat de pijlen van zijn vervolger. Achter +de rotsen, die de hoogvlakten omzoomden, waar Paulus haar aantrof, +vond zij eindelijk geheel uitgeput eene half beschaduwde rustplaats. + +Het hazenwindje ademde reutelend in haar schoot en stak het gebroken +pootje naar haar uit. Reeds in den morgen, op de eerste plaats waar +zij ruste, had zij dat pootje zorgvuldig verbonden met een stuk +doek, dat zij met behulp van hare tanden van haar onderkleed had +afgescheurd. Thans legde zij een nieuw verband, wiegde het diertje +in hare armen en liefkoosde het als een klein kind. De hond was even +ellendig en lijdend als zij, en tegelijk het eenige wezen waarvoor +zij, ondanks hare hulpeloosheid, iets zijn en waaraan zij iets doen +kon. Maar weldra ontzonk haar ook de kracht om liefkozende woordjes +te spreken en het diertje met de hand te streelen. + +Het hondje gleed van haar schoot en hinkte weg, terwijl zij +onbewegelijk voor zich bleef staren, om eindelijk in eene onrustige +sluimering haar lijden te vergeten, tot Jambe's geblaf en de schreden +van den Alexandrijn haar wekten. Half versmacht en met verdroogde tong, +terwijl haar voorhoofd, waarin allerlei verwarde denkbeelden dooreen +joegen, gloeide, meende zij dat Phoebicius haar spoor had gevonden +en nu verscheen om haar te grijpen. Zij had reeds lang den afgrond +gezien, aan welks rand zij was gevlucht, vast besloten zich liever +in de diepte te werpen, dan zich aan hem over te geven. + +Paulus had haar van dien val in de diepte gered, doch toen hij nu met +twee platte steenen, in welker een weinig gebogene oppervlakten zich +frisch, zoo even geschept water bevond, en die hij, op zijne teenen +gaande, met moeite in evenwicht hield, tot de Gallische terugkeerde, +meende hij dat de onverbiddelijke dood toch het offer, dat hij hem +ontwrongen had, al te snel had teruggeëischt. Immers Sirona's hoofd +hing machteloos op haar borst, haar aangezicht was naar haar schoot +gekeerd, maar daar, waar zich om haar achterhoofd het dichte haar +in twee vlechten verdeelde, bemerkte Paulus op de blanke hals van +de onmachtige een roode vlek, die veroorzaakt moest zijn door het +branden der zon. + +Zijne ziel was vol medelijden met dat jonge, schoone, ongelukkige +schepsel, en terwijl hij haar bij de kin vatte, die op de borst +was neergezonken, haar bleek gezicht oprichtte, haar voorhoofd en +hare lippen met water bevochtigde, bad hij in stilte, dat zij in +het leven mocht blijven. De vlakke holten van zijne steenen, die +hij als nappen gebruikte, konden maar eene zeer kleine hoeveelheid +verfrisschend water bevatten; hij was dus gedwongen meermalen naar +de bron terug te keeren. Terwijl hij zich verwijderde bleef het +hondje bij zijne meesteres, om nu eens hare handen te lekken dan +weder met zijn verstandig neusje haar mond te naderen, en haar zoo +angstig onderzoekend aan te zien, als wilde hij tot zekerheid komen, +hoe het haar ging. + +Toen Paulus voor het eerst voor Sirona water ging scheppen had +hij den hond bij de bron gevonden en bij zichzelven gedacht: "Dat +redelooze dier heeft de bron zonder gids ontdekt, terwijl zijne +meesteres schier versmacht is. Wie zijn nu slimmer, wij menschen, of +de dieren?" Het hondje deed van zijne zijde zijn best om deze goede +meening niet te logenstraffen, want terwijl het hem in den beginne +vijandig had aangeblaft, toonde het zich nu vriendelijk jegens hem, +en keek hem van tijd tot tijd in het gezicht, als wilde het vragen: +"Hebt ge hoop dat zij weer beter zal worden?" + +Paulus was een vriend van dieren en begreep den hond. Toen Sirona's +lippen zich weder begonnen te bewegen en te kleuren, streelde hij +Jambe's glad, spits kopje en zeide, terwijl hij met een gebogen blad +vol water den mond zijner meesteres naderde: "Let op, mijne kleine, +hoe het haar begint te smaken!--Nog wat, en ook dat en dit nog! Zij +trekt een gezicht als gaf ik haar zoeten Falerner. Kom, ik ga den +steen weder vullen. Blijf gij nu bij haar! Ik ben dadelijk terug, en +eer ik wederkom zal zij hare oogen wel openen. Gij ziet er sierlijker +uit dan ik met mijne stoppelige grauwe baard, en als zij wakker wordt +zal het haar aangenamer zijn u te vinden dan mij." + +De voorspelling van Paulus werd vervuld, want toen hij Sirona weder +met het water naderde, zat zij overeind, wreef zij de wijdgeopende +oogen uit, rekte zij hare leden, omhelsde het hondje met beide armen, +om daarna uit te barsten in een vloed van tranen. + +De Alexandrijn bleef met het water roerloos ter zijde staan, om +haar niet te storen, en dacht: "Met deze tranen wascht zij hare +ziel voor een goed deel schoon van het lijden."--Eerst toen zij +wat tot bedaren kwam en de oogen begon te drogen, naderde hij haar, +overhandigde haar den steen, waarmede hij geschept had, en sprak hij +haar vriendelijk toe. + +Zij dronk met hartstochtelijk welgevallen, at het in het water +gedoopte stuk brood, het laatste dat hij in den zak van zijn +kleed had gevonden, en dankte hem met de haar eigene kinderlijke +vriendelijkheid. Vervolgens beproefde zij op te staan, en liet zich +daarbij gewillig door hem ondersteunen. Zij gevoelde zich wel mat, +haar hoofd deed pijn, maar zij kon toch staan en gaan. + +Nadat Paulus zich ook overtuigd had, dat zij zonder koorts was, zeide +hij: "Nu ontbreekt u voor heden niets anders dan een warm gerecht en +een bed, dat u beschut tegen de koelte van den nacht. Voor beiden zal +ik zorgen. Zet u hier neder! De rotsen werpen reeds langer schaduwen: +ik keer terug eer de zon achter de bergen verdwijnt. Laat u, terwijl +ik weg ben, den tijd verdrijven door uw vierbeenigen metgezel." + +Met haastige schreden ijlde hij weder naar de bron, in welker nabijheid +zich het verlaten Anachoreten-hol bevond, dat hij zich voorgenomen +had te betrekken in plaats van zijne oude woning. Na een oogenblik +gezocht te hebben, vond hij het, en daarin tot zijne niet geringe +vreugde een goed onderhouden legerstede van gedroogde kruiden, die hij +dadelijk omschudde en op nieuw terecht legde, verder een vuurhaard en +een vuurboor, een waterkruik en in een soort van kelderruimte, die +zijn geoefend oog spoedig ontdekte, hoewel de ingang zorgvuldig met +steenen was bedekt, een aantal ongezuurde brooden, en ten slotte nog +eenige potten. In den eenen lagen goede dadels, in den anderen blank +meel, een derde was half gevuld met sesam-olie en een vierde met zout. + +"Welk een geluk," prevelde de Anachoreet in zichzelven, terwijl hij +het hol verliet, "dat die gestorven oude zoo'n slemper is geweest!" + +Toen hij tot Sirona terugkeerde, was de zon aan de westerkim +gedaald. Er lag iets in het wezen van Paulus, dat het ieder onmogelijk +maakte hem te wantrouwen, en de Gallische was gaarne bereid hem te +volgen. Maar zij gevoelde zich zoo zwak, dat zij ter nauwernood zich +op de been kon houden. "Het is mij," zeide zij, "alsof ik een klein +kind ben, dat pas moet leeren loopen." + +"Laat mij dan uw voedster zijn. Ik heb eens eene Spartaansche baker +gekend, die een baard had bijna even zoo ruw als den mijnen. Leun +gerust op mij, en loop eenige malen met mij hier op de vlakte op en +neer, eer wij daar naar boven stijgen." + +Zij vatte zijn arm en langzaam ging hij met haar heen en weer. Daarbij +doken tafereelen uit zijne jeugd in zijne herinnering op. Hij dacht +aan den dag, toen het zijne van eene zware krankheid herstelde zuster +voor de eerste maal vergund werd weder buiten te komen. Zij was op zijn +arm geleund naar de gaanderij van het ouderlijk huis gegaan, en toen +hij nu met de arme, matte, verlatene Sirona op en neder wandelde, nam +zijne verwaarloosde gestalte hoe langer hoe meer de voorname houding +van een edelen Griek aan, en in plaats van op den ruwen rotsgrond, +meende hij op den schoone mozaïek-bodem van het ouderlijk huis te +wandelen. Paulus was weder Menander, en ofschoon de eerste, zoo als +hij zich thans voordeed, bitter weinig deed denken aan den laatste, +dien hij in zich gedood had, zoo vervulde den verachten kluizenaar +met de uitgeworpen zondares aan zijn arm, toch hetzelfde trotsche +gevoel van eene vrouw tot steun te zijn, dat de voornaamste jongeling +der wereldstad had gevoeld, toen hij de dochter, om welker bezit hij +zich zooveel moeite had gegeven, voorbij de jubelende menigte slaven +van haar vader had weggeleid. + +Sirona moest Paulus herinneren dat de nacht begon te vallen, +en verschrikte, toen de Anachoreet haar arm met onvriendelijke +driftigheid uit de zijne verwijderde, en haar met zekere ruwheid, +die zij nog niet in hem had opgemerkt, gebood hem te volgen. + +Zij gehoorzaamde en werd door hem, zoo vaak men over rotsen moest +klimmen, ondersteund en opgeheven; doch hij sprak nog slechts alleen, +wanneer zij hem vroeg. Toen zij het doel hunner reis bereikt hadden, +wees hij haar de legerstede en verzocht haar wakker te blijven, +totdat hij een warm maal voor haar zou hebben gereed gemaakt. Wat +later bracht hij haar zwijgend het eenvoudig avondmaal en wenschte +haar goeden nacht, zoodra zij het had aangenomen. + +Sirona deelde het brood en de gezouten meelbrei met haar hondje, +legde zich vervolgens op het bed neder en zonk dadelijk in een +diepen slaap, zonder te droomen, terwijl Paulus naast den vuurhaard +in zittende houding den nacht doorbracht. Hij deed al zijn best +den slaap door gebeden te verbannen, maar dikwijls overviel hem de +vermoeidheid, en meermalen moest hij aan de Gallische denken, en aan +allerlei dingen die hij, als hij nog de rijke Menander was geweest, +in Alexandrië voor haar genoegen zou hebben gekocht. Hij bracht geen +enkel gebed ten einde, want òf de oogen vielen hem toe voor hij het +'amen' had uitgesproken, òf allerlei wereldsche beelden drongen zich +aan hem op en noodzaakten hem, wanneer het hem gelukt was ze van zich +te zetten, van voren af te beginnen. In dezen half slapenden, half +wakenden toestand, kon hij geen oogenblik tot nadenken of rustige +overweging komen, ook niet wanneer hij opzag naar den sterrenhemel, +of neerzag op de oase, die rustte onder den sluier van den nacht, +ofschoon ook daar menigeen, evenals hijzelf, de rust vruchteloos zocht. + +Wie van de burgers van het vlek mocht wel waken bij het licht, dat +hij daar beneden buitengewoon helder zag flikkeren, tot hij zelf, +door vermoeidheid overmand, in slaap viel? + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + +Het lichtschijnsel in de oase-stad, dat de aandacht van den Alexandrijn +had getrokken, kwam uit Petrus' woning, en wel uit de kamer van +Polycarpus, die de geheele ruimte van een klein gebouw innam, dat de +senator, als een huisje door het groote huis gedragen, voor zijn zoon +aan de noordzijde op het ruime vlakke dak had laten optrekken. + +De jonkman was tegen den middag met de pas geworven slaven aangekomen, +had alles wat in zijne afwezigheid gebeurd was vernomen, en zich na +het avondeten stil in zijn vertrek teruggetrokken. Daar was hij nu +aan het werk. Een bed, een tafel, waarop en waaronder verschillende +wastafeltjes, papyrusrollen, metalen stiften en schrijfrietjes +lagen, benevens een kleine bank met een waterbekken en kan vormden +de meubileering van deze ruimte, tegen welker wit gepleisterde wanden +allerlei figuren van dieren en menschen, en verschillende steenplaten +met relief-voorstellingen in eene lange rij naast elkander stonden +en hingen. In een hoek lag, naast een steenen watervat, een groote +klomp klei glimmende van natheid. Drie lampen, die aan standaards +bevestigd waren, verlichtten meer dan voldoende deze werkplaats, +en vooral een op een hoog voetstuk staand beeld, waaraan Polycarpus' +vingers ijverig bezig waren te vormen. + +Phoebicius had den jongen beeldhouwer een heertje naar de mode genoemd, +en niet geheel ten onrechte, want hij hield er van zich goed te +kleeden, en was zeer kieskeurig op vorm en kleur van zijne eenvoudige +gewaden; ook verzuimde hij zelden zijne weelderige lokken zorgvuldig +te ordenen en geurig te zalven. Toch was het hem bijna onverschillig, +hoe anderen over zijn uiterlijk dachten, maar hij kende niets edelers +dan de menschelijke gestalte, en zekere neiging, waaraan hij geen +weerstand bood, drong hem juist zijn eigen lichaam zóo te onderhouden, +als hij dat van een ander wenschte te zien. In dit nachtelijk uur droeg +hij echter niets dan zijn onderkleed van witte wollen stof met donker +roode randen. Zijn gewoonlijk zoo keurig geschikte lokken waren verward +en schenen naar boven te vliegen; in plaats van ze te beteugelen en +neer te strijken, hielp hij ze in hunne weerspannigheid, door vaak +onder zijn arbeid driftig met de hand door zijn haar te strijken. + +Een vleermuis, aangetrokken door het helder licht, vloog door +de vensteropening, die alleen van onderen met een donker doek +behangen was, en beschreef eenige cirkels langs de zoldering van het +vertrek. Maar hij merkte het dier niet op, want zijn werk hield hem +naar ziel en lichaam geheel bezig. Terwijl hij zoo hartstochtelijk +en met zooveel inspanning aan den arbeid was, en iedere zenuw, +elke ader scheen mede te werken, zou zijn oor geen hulpgeschreeuw, +zijn oog zelfs geen aan zijne zijde opflikkerende vlam hebben +waargenomen. Zijne wangen gloeiden; over zijn voorhoofd spreidde zich +een net van parelende zweetdruppels uit, en zijne blikken schenen +als vastgekluisterd te zijn aan het beeldwerk, dat zich al meer en +meer begon af te ronden. Soms deed hij eenige schreden achterwaarts +en verhief hij beide handen tot op de hoogte van zijne slapen, als +wilde hij den weg begrenzen, die zijne blikken volgen moesten. Dan +weder naderde hij het model en greep hij in de kneedbare kleimassa, +als ware deze het vleesch van zijn vijand. + +Thans arbeidde hij aan de dichte haren van het voorwerp, dat sedert +lang reeds de vormen van een vrouwekop vertoonde, en wierp de brokken +klei, die hij van het achterhoofd wegnam, zoo onstuimig op den grond, +als slingerde hij ze zijne tegenpartij voor de voeten. Nu was hij +met de vingertoppen en de spatel aan den mond, de neus, de wangen +en de oogen bezig, en daarbij nam zijn gelaat eene zachte plooi aan, +die eindelijk overging in eene uitdrukking van dweepzieke verrukking, +toen de trekken die hij vormde meer en meer begonnen te gelijken op +het beeld, naast hetwelk geen ander in dit uur in zijne voorstelling +plaats kon vinden. + +Eindelijk had hij, terwijl zijne wangen sterk kleurden, ook de +weeke vormen van de ronde schouders afgewerkt, en toen hij nu weder +terugtrad, om den vollen indruk te ontvangen van zijn voltooid werk, +voer er eene koude rilling door zijne leden en kwam hij in verzoeking +het op te nemen en met alle kracht op den grond te slingeren. Doch +weldra werd hij deze stormachtige aandoening weder meester, streek hij +meermalen met de hand door zijne haren, en plaatste zich ten laatste +met een weemoedig lachje en gevouwen handen vóor zijne schepping. + +Terwijl hij daar al dieper in beschouwing verzonken stond, bemerkte +hij niet dat de deur achter hem open ging, hoewel de vlammen zijner +lampen, door den tocht bewogen, heen en weer flikkerden, en zijne +moeder, die de werkplaats binnentrad, volstrekt het voornemen niet had +hem onopgemerkt te naderen en hem te verrassen. Uit zorg voor haren +lieveling, wien de dag van gisteren zoovele illusiën had ontnomen, had +zij den slaap niet kunnen vatten. De kamer van Polycarpus lag boven +haar slaapvertrek, en toen de stappen boven haar hoofd haar zeiden, +dat hij, hoewel de morgen weldra zou aanbreken, zich altijd nog niet +ter ruste had gelegd, was zij zachtkens opgestaan, zonder Petrus, die +scheen te slapen, te wekken. Zij volgde hare moederlijke begeerte, om +Polycarpus met vriendelijke woorden te bemoedigen, toen zij den smallen +trap, die naar het dak leidde, opklom en zijn vertrek binnentrad. + +Zij bleef een tijdlang verrast, besluiteloos en zonder te spreken +achter den jongeling staan en beschouwde de helder verlichtte, +schoone trekken van het pas ontworpen beeld, dat maar al te zeer op +het haar welbekende voorbeeld geleek. Eindelijk legde zij de hand op +den schouder van haar zoon, en riep hem bij zijn naam. Polycarpus +ging achteruit en keek zijne moeder aan met verwarde blikken, als +iemand die plotseling uit den slaap wordt gewekt. Zij brak echter de +stamelende woorden af, waarmede hij begon haar te begroeten, en vroeg, +terwijl zij op het beeld wees, niet zonder eenige gestrengheid in +den toon harer stem: "Wat moet dat beteekenen?" + +"Ja, moeder, wat moet dat beteekenen?" antwoordde Polycarpus, en +schudde het hoofd. "Vraag mij thans niet verder. Al wildet ge mij +niet met rust laten voor ik een antwoord heb gegeven, en al wilde +ik beproeven u te verklaren, hoe ik heden, juist heden gedrongen en +gedwongen werd het beeld van deze vrouw te boetseeren, zoo zoudt gij, +zoo zouden allen mij toch niet begrijpen!" + +"God beware mij, dat ik dat ooit zou begrijpen," riep Dorothea. "Gij +zult niet begeeren uws naasten vrouw! heeft de Heer op dezen berg +bevolen. En gij?--Ik zou u niet kunnen begrijpen, meent gij? Wie zal u +dan anders verstaan dan uwe moeder?--Dat begrijp ik niet, hoe de zoon +van Petrus en mij het voorbeeld en de lessen zijner ouders zoo geheel +in den wind kan slaan. Doch wat gij met dit uw beeld bedoelt is toch, +zoo ik meen, niet zoo moeielijk te raden. Wijl de verbodene vrucht +te hoog voor u hangt, misbruikt gij uwe kunst en vormt gij voor u een +beeld, dat haar gelijkt, naar uw smaak! Kom er maar eenvoudig en rond +voor uit: daar uw oog de vrouw van den Galliër niet meer werkelijk +kan bereiken, en gij den lieflijken aanblik van deze schoone toch +niet kunt missen, maakt gij voor u eene beeltenis van klei, om met +haar te kozen en afgoderij te plegen, gelijk de joden van weleer met +het gouden kalf en den koperen slang." + +Polycarpus luisterde zwijgend en onder smartelijke aandoeningen +naar de hevige berisping van zijne moeder. Zoo had vrouw Dorothea +nog nooit tot hem gesproken, en het deed hem onuitsprekelijk leed, +zulke woorden te hooren juist uit een mond, die anders nooit tot hem +pleegde te spreken dan op een toon van innige teederheid. Zij was +tot hiertoe steeds geneigd geweest voor zijne zwakheden en kleine +misslagen eene verschooning te vinden, ja de ijver waarmede zij, +in tegenwoordigheid van vreemden zoowel als van de zijnen, zijne +gaven en zijne werken waardeerde en prees, had hem wel eens pijnlijk +aangedaan. En thans? Voorzeker zij had recht op hem vertoornd te zijn, +want Sirona was de vrouw van een ander, had zijne neiging zelfs nooit +opgemerkt, en was, zooals ten minste allen zeiden, misdadig geworden +ter wille van een vreemde. Het moest den menschen dus wel dwaas en +zondig toeschijnen, juist van hem, dat hij het beste wat hij bezat, +zijne kunst, aan zulk eene vrouw ten offer bracht. Maar hoe weinig +begreep Dorothea, die er toch anders altijd op uit was hem te verstaan, +welk een overmachtig gevoel hem tot dezen arbeid had gedwongen! + +Hij beminde en vereerde zijne moeder met geheel zijn hart, en daar +hij gevoelde dat zij door de valsche en onwaardige uitlegging, die +zij aan deze daad gaf, hem onrecht aandeed, antwoordde hij op hare +ernstige toespraak, terwijl hij biddend de handen tot haar ophief: +"Neen, moeder, neen! Zoo waar God mij helpen mag, zóo is het niet! Wel +heb ik dit hoofd geboetseerd, maar niet om het te bewaren en er een +zondig spel mede te drijven, maar om mij los te maken van het beeld, +dat dag en nacht voor het oog mijner ziel staat, in de stad en in de +woestijn, het beeld welks glans mijn verstand benevelt als ik denk, +mijne ziel als ik poog te bidden. Aan wien is het gegeven een mensch +in het hart te lezen? Maar is niet de gestalte en het gelaat van +Sirona eene wonderbare schepping van den Allerhoogste? Sedert ik +haar voor het eerst zag, toen zij in ons huis haar intrek nam, heb +ik mij voorgenomen dit beeld zóo na te bootsen, dat de betoovering, +die de aanblik van de Gallische op mij uitoefende, door ieder zou +moeten worden gevoeld, die mijn werk zou beschouwen. Ik moest naar +de hoofdstad terugkeeren, en daar verkreeg het werk, dat ik scheppen +wilde, meer bepaalde omtrekken, en ik vond elk uur iets te veranderen +en te verbeteren in de houding van het hoofd, den opslag der oogen +en de uitdrukking van den mond. Maar het ontbrak mij aan moed om de +hand aan het werk te slaan, want het scheen mij eene bovenmenschelijke +stoute onderneming, het beeld, dat zoo helder voor mijne ziel stond, +door middel van grauwe klei en bleek marmer zóo tot eene werkelijkheid +te doen worden, dat het voltooide kunstwerk voor de zinnelijke +aanschouwing niet minder uitwerking zou hebben, dan het beeld in +het heiligdom van mijn gemoed voor mijn geestelijk oog. Intusschen +verzuimde ik mijn arbeid niet, won ik den prijs met mijne modellen van +leeuwen, en toen ik den goeden herder die de kudde zegent voor den +lijksteen van Comes gelukkig mocht voltooien, en de meesters in de +kunst de uitdrukking van zelfverloochenende liefde in het beeld van +den Verlosser prezen, toen wist ik--neen, val mij niet in de rede, +moeder, want wat ik ondervonden heb is rein, en ik spot niet!--toen +wist ik, dat ik den steen met liefde kon bezielen, omdat ikzelf van +liefde vervuld was. Ten laatste liet dat beeld mij geen rust, en ook +zonder vaders roepstem zou ik tot u teruggekeerd zijn. Ik zag haar +thans weder en vond haar nog veel schooner, dan de voorstelling die +mijne ziel beheerschte. Bovendien hoorde ik haar spreken en lachen, +met een geluid zoo helder als van eene klok. En toen.... toen.... Gij +weet wat ik gisteren moest vernemen! De onwaardige echtgenoote +van den onwaardigen man, de vrouw Sirona ging voor mij verloren, +en ik beproefde ook haar beeld uit mijne ziel te verwijderen, het +te vernietigen, het op te lossen;--maar te vergeefs! Al meer en meer +werd ik door eene wonderbare kracht gedreven om te boetseeren. Spoedig +maakte ik de lampen gereed, nam de klei ter hand, en bracht daarin +met pijnlijk welgevallen trek voor trek over van het beeld, dat diep +in mijn hart stond gegrift, en meende dat ik op deze wijze alleen +daarvan verlost kon worden. Daar staat nu de vrucht, die hier binnen +gerijpt is; maar daar zij zoo lang verborgen leefde, gevoel ik eene +akelige leegte, en wanneer nu de schalen, die dit beeld zoolang met +teedere liefde hebben omsloten, verdorren en uit elkander vallen, +dan zal het mij niet verwonderen.--Aan dit voorwerp hangt het beste +deel van mijn leven!" + +"Genoeg!" viel Dorothea haar zoon in de rede, die diep bewogen en +met bevende lippen vóor haar stond. "Dit moge God verhoeden, dat +dit schijnbeeld u naar lichaam en ziel ten verderve voert. Gelijk ik +niets onreins duld in mijn huis, zoo moogt gij het ook niet dulden in +uw hart! Wat slecht is, kan nooit schoon zijn, en hoe liefelijk dat +gelaat er ook uitziet, zoo heb ik er toch een afkeer van, wanneer ik +bedenk, dat het dien weggeloopen bedelaar misschien nog vriendelijker +heeft toegelachen. Als de Galliër haar weer terugbrengt, dan zet ik +haar mijn huis uit, en ik zal met deze handen het beeld vernielen, +wanneer gij het niet dadelijk hier in stukken slaat!" + +Dorothea's oogen zwommen in tranen, terwijl zij deze woorden uitte. Zij +had onder het spreken van haar zoon met trots en ontroering gevoeld, +welk een eigenaardig en edel karakter hij had. De gedachte dat deze +zeldzame en groote schat bedorven, ja misschien vernietigd zou worden, +terwille van eene slechte vrouw, deed haar zichzelve vergeten, en +vervulde haar goedhartig moederhart met hevigen toorn. + +Vast besloten hare bedreiging terstond tot waarheid te maken, liep zij +naar het beeld toe. Doch Polycarpus trad haar in den weg, hief smeekend +en afwerend tegelijk zijne armen op, en zeide: "Nog niet, heden niet, +moeder! Ik wil het bedekken en stellig niet weder aanzien voor morgen; +maar eenmaal, een enkele maal wil ik het in het zonlicht beschouwen." + +"Opdat morgen de oude dwaasheid opnieuw in u ontwake!" riep +Dorothea. "Ga mij uit den weg, of neem zelf den hamer." + +"Gij beveelt het, en gij zijt mijne moeder," antwoordde Polycarpus. + +Langzaam naderde hij de kast, waarin zijne werktuigen lagen, en dikke +tranen biggelden langs zijne wangen, terwijl hij den greep van den +zwaren hamer vatte. + + + +Wanneer in den zomer de hemel vele dagen achtereen volmaakt helder is +geweest, en heden zich wolken samenpakken tot een onweder, en de eerste +zwijgende en onheilspellende bliksemstraal, gevolgd door het luid en +statig rollen van den donder, den menschen schrik heeft aangejaagd, +dan volgt er weldra een tweede en een derde weerlicht. + +Sedert den stormachtigen nacht van gisteren, die stoornis had gebracht +in het stille, arbeidzame en eentonige leven van Petrus' gezin, was +er veel gebeurd, dat den senator en zijne vrouw met nieuwe onrust +vervulde. In andere huizen was het geen zeldzaamheid, dat een slaaf +de vlucht nam; in dat van Petrus had zich dat sedert twintig jaren +niet voorgedaan. Gisteren was het echter gebleken, dat de herderin +Mirjam was weggeloopen. + +Dat was verdrietig, maar de stille droefheid van zijn zoon Polycarpus +maakte den senator meer bezorgd. Het beviel hem niets, dat de +anders zoo levendige jongeling het verbod van Agapitus om zijne +leeuwen te voltooien, zonder tegenspraak, ja bijna onverschillig +had aangehoord. De sombere blik en de matte, gebrokene houding van +zijn zoon kon Petrus maar niet vergeten, toen hij zich eindelijk +ter rust begaf. Het was al laat, maar hij kon zoo min als Dorothea +den slaap vatten. Terwijl de moeder dacht aan den zondige liefde van +haren zoon, en de wonde die zijn jong, bitter bedrogen hart zou doen +bloeden, beklaagde de vader Polycarpus, omdat deze teleurgesteld was +in zijne hoop van zijne kunst in een groot werk te mogen toonen. En +hij herinnerde zich daarbij de zware smartvolle dagen van zijne +eigene jeugd; want ook hij was bij een beeldhouwer te Alexandrië in +de leer geweest; ook hij had de werken der heidenen als verhevene +voorbeelden bewonderd en getracht na te volgen. Zijn meester had hem +zelfs toegestaan zijne eigene ontwerpen uit te voeren. Uit het groot +aantal onderwerpen had hij als symbolische voorstelling van de ziel +die naar verlossing smacht, een Ariadne gekozen, die vol verlangen +naar den terugkeer van Theseus uitziet. Hoe had dit werk zijne ziel +vervuld, hoe genotvol waren voor hem de uren geweest, waarin hij aan +het verwezenlijken van deze schepping zijner verbeelding had gearbeid! + +Daar verscheen zijn strenge vader in de hoofdstad, en zag zijn arbeid +vóor die geheel voltooid was. In plaats van het werk te prijzen, spotte +hij er mede, noemde hij het minachtend een heidensch afgodsbeeld, en +beval Petrus terstond met hem terug te keeren en bij hem te blijven; +want zijn zoon en erfgenaam moest een vroom christen zijn en bovendien +een degelijk steenhouwer, geen halve heiden en vervaardiger van +afgodsbeelden. Petrus had zijne kunst zeer liefgehad, maar er viel +tegen het bevel zijns vaders niets in te brengen, wien hij naar de +oase volgde, om daar toe te zien op de werkzaamheden der slaven, die +steenen moesten houwen, en om de voor sarcophagen en zuilen bestemde +granietblokken af te meten en hunne bewerking te leiden. + +Zijn vader was van staal en hij een jongeling van ijzer. Toen hij +zich gedwongen zag den vaderlijken wil op te volgen, en de werkplaats +van zijn meester en zijn onvoltooiden lievelingsarbeid vaarwel te +zeggen, om een handwerker, een man van zaken te worden, toen zwoer +hij nooit weder een stuk klei in de hand te zullen nemen, noch den +bijtel te voeren. En hij hield woord, ook na den doods zijns vaders; +maar zijne lust om ontwerpen te maken en zijne liefde voor de kunst +leefde in hem voort, en ging op zijne beide zonen over. + +Antonius was een kunstenaar van grooten aanleg, en als de meester van +Polycarpus zich niet vergiste en zijne vaderlijke liefde hem niet +bedroog, dan was zijn tweede zoon op weg om den hoogsten, slechts +voor de uitverkoren bereikbaren trap der kunst te bestijgen. Petrus +kende de modellen van zijn goeden herder en van de leeuwen, en moest +erkennen, dat zij in waarheid, kracht en majesteit niet te overtreffen +waren. Was het wonder dat de jonge kunstenaar vurig begeerde ze in +harden steen uit te voeren, en ze te zien prijken op eene waardige, +zij het ook onheilige plaats, die hem was toegestaan? En nu verbood +den bisschop hem den arbeid, en de arme jongen kon niet anders te +moede zijn dan hijzelf, ongeveer dertig jaren geleden, toen hem +bevolen was zijn eerste werk onvoltooid te laten. + +Was de bisschop werkelijk in zijn recht?--Deze en vele dergelijke +vragen verdrongen zich in de ziel van den vader, terwijl hij niet +slapen kon, en zoodra hij hoorde dat zijne vrouw opstond, om haar +zoon op te zoeken, wiens voetstappen ook hij boven zijn hoofd hoorde, +volgde hij Dorothea. + +Hij vond de deur van de werkplaats open en werd, zonder gezien of +gehoord te worden, getuige van de hevige woorden zijner vrouw en de +rechtvaardiging van den jongeling, wiens werk, door het licht der +lampen beschenen, daar vóor hem stond. Zijn oog was onafgebroken +op dat kleibeeld gericht. Hij zag en zag altijd, en werd niet moede +het te beschouwen. Zijne ziel werd vervuld met denzelfden eerbied, +dezelfde aandachtige bewondering, die hij had gevoeld, toen hij als +jongeling in het Caesareum voor de eerste maal de werken van de groote +meesters van het oude Athene met zijne oogen had gezien. + +En deze kop was het werk van zijn zoon! + +Innerlijk geroerd stond hij daar, drukte de handen samen, hield zijn +adem in en slikte een en andermaal met zijn drogen mond, om zijne +tranen te bedwingen. Daarbij luisterde hij in groote spanning, om +toch geen woord uit Polycarpus' mond te verliezen. + +"Zoo, ja zóo alleen ontstaan de groote werken der kunst," zeide hij +tot zichzelven. "Had de Heer mij met zulke gaven begenadigd als deze +bezit, waarlijk, geen vader, geen godheid had mij kunnen dwingen +mijne Ariadne onvoltooid te laten. De houding van het lichaam was +toch zoo slecht niet, zou ik meenen, maar de kop, het hoofd..... Ja, +wie zulk een beeld als dat daar vormen kan, diens blikken en handen +worden door heilige geniën der kunst geleid. Hij die dit hoofd heeft +gemaakt, hij zal nog in later dagen geroemd worden naast de groote +meesters van Athene. Hij, ja hij, barmhartige hemel, hij die daar +staat is mijn lijfelijke zoon! + +Een zalig gevoel, zooals hij sedert zijne jeugd niet had ondervonden, +vervulde zijn hart, en de ijver van Dorothea scheen hem deels +beklagenswaardig, deels belachelijk toe. + +Eerst toen zijn zoon naar den hamer greep, plaatste hij zich tusschen +het beeld en zijne vrouw, en zeide vriendelijk: "Wij kunnen met de +vernietiging van dit kunstwerk toch nog wel wachten tot morgen. Vergeet +het model, mijn jongen, nadat gij er zoo gelukkig gebruik van hebt +gemaakt. Ik weet eene betere geliefde voor u, de kunst, wie alles +toebehoort, wat de Allerhoogste schoons heeft geschapen; de kunst, +waarop een Agapitus niet smalen kan, háar geheel en onverdeeld!" + +Polycarpus vloog zijn vader in de armen, en de anders zoo ernstige +man, zichzelven nauwelijks meester, kuste het voorhoofd, de oogen en +de beide wangen van den jongeling. + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + +Omstreeks den middag van den volgenden dag trad de senator het +vrouwenvertrek binnen en richtte reeds op den drempel de vraag tot +zijne vrouw, die aan het weefgestoelte zat: "Waar is Polycarpus? Ik +vond hem niet bij Antonius, die bezig is het altaar op te stellen. Ik +dacht hem bij u te vinden." + +"Na de kerk bezocht te hebben," antwoordde Dorothea, "heeft hij den +berg bestegen. Loop eens in de werkplaats, Marthana, en zie of uw +broeder al terug is." + +Hare dochter gehoorzaamde volgaarne en spoedig aan dit bevel, want +zij had haren broeder innig lief, in wien zij den schoonste en beste +van alle mannen meende te zien. + +Zoodra de echtgenooten alleen waren, zeide Petrus, terwijl hij zijne +vrouw vrijmoedig en hartelijk de hand toestak: "Nu, moeder, sla toe!" + +Dorothea aarzelde een oogenblik en zag hem aan, als wilde zij vragen: +"Zal eindelijk uw trots u vergunnen, mij niet langer onrecht aan +te doen?" + +Dat was een verwijt, maar waarlijk geen streng, anders toch zou men +dien vriendelijken trek om hare lippen niet hebben kunnen opmerken, +waarmede zij als het ware zeggen wilde: "Gij kunt toch niet lang +boos op mij zijn; het is daarom goed dat alles weder wordt gelijk +het wezen moet." + +Er had inderdaad eene verkoeling plaats gehad, want sedert dat beide +echtgenooten elkander in de werkplaats huns zoons hadden ontmoet, +gingen zij als twee vreemden naast elkander. In hun slaapvertrek, op +weg naar de kerk en bij het ontbijt hadden zij niets meer met elkander +gesproken, dan wat de welvoegelijkheid vorderde en noodzakelijk scheen, +om hunne tweespalt voor de bedienden en kinderen te verbergen. Tusschen +hem en haar had tot hiertoe,--als iets dat vanzelf sprak en nimmer +onder woorden behoefde gebracht te worden,--eene afspraak bestaan, +waarop nauwelijks eene enkele maal inbreuk was gemaakt, namelijk dat +de eene niets in hare kinderen prees, wat de ander afkeurenswaardig +achtte, en omgekeerd. + +En wat was er gebeurd in dezen nacht! Op haar streng doemvonnis was +gevolgd, dat haar man den misdadiger had omhelsd. Zóo hard was zij +nog bij geene gelegenheid, zóo weekhartig en teeder daarentegen was +Petrus, zoo ver zij zich herinneren kon, nog nooit jegens een harer +zonen geweest. Toch had zij over zich kunnen verkrijgen, haar man in +het bijzijn van Polycarpus niet te weerspreken en zwijgend met hem de +werkplaats te verlaten. "Als wij aanstonds in het slaapvertrek alleen +zijn," dacht zij, "zal ik hem doen gevoelen, zooals het behoort, +hoezeer hij onrecht had, en zal hij zich moeten verantwoorden." + +Maar zij had dat voornemen niet uitgevoerd, want zij gevoelde, dat er +in haar echtgenoot iets moest omgaan, dat zij niet begreep. Waarom +anders hadden na het gebeurde, toen hij met de lamp in de hand de +smalle trap afdaalde, zijne meestal zoo ernstige oogen thans zoo zacht +en vriendelijk gekeken, zijne strenge lippen zoo recht gelukkig zich +tot lachen kunnen plooien? + +Dikwijls had hij tot haar gezegd, dat zij in zijne ziel kon lezen +als in een open boek, maar zij kon zich niet verhelen, dat er in dat +werk toch enkele bladzijden waren, waarvan zij den zin niet vermocht +te vatten. Zonderling! Altijd en altijd weder stuitte zij op die +onverstaanbare aandoeningen zijner ziel, wanneer er sprake was van +afgodsbeelden en onheilige tempels der heidenen, en de ontwerpen +en werken van hare zonen. Petrus was toch ook de zoon van een vroom +christen. Zijn grootvader was echter een Grieksche heiden geweest, +en misschien stroomde er iets van diens bloed in zijne aderen, dat +haar beangstigde, daar zij het niet kon overeenbrengen met de leer van +Agapitus, hoewel zij het niet waagde er tegen op te komen. Want haar +man, die zoo spaarzaam was in woorden, zag er nooit zoo vroolijk en +onbezorgd uit, dan wanneer hij met zijne zonen en hunne vrienden, die +hen dikwijls in de oase vergezeld hadden, over deze dingen spreken kon. + +Het kon toch niet iets zondigs zijn, wat het gelaat van haar echtgenoot +thans weder, en juist in dit oogenblik, verjongde en verheerlijkte. "Ze +zijn toch ook mannen," zeide zij tot zichzelve, "en hebben zeker wel +een en ander op ons vrouwen voor. Ziet vader er niet uit als op onzen +bruiloftsdag? Polycarpus is zijn evenbeeld, dat zegt ieder. Doch +wanneer ik thans den ouden man aanzie, en mij voor den geest breng +hoe de jongen er straks uitzag, toen hij mij verklaarde waarom hij +niet laten kon Sirona's beeld te maken, dan moet ik toch zeggen, +dat mij zulk eene gelijkenis nog in mijn leven niet is voorgekomen." + +Hij had haar vriendelijk een "goeden nacht" toegeroepen en de lamp +uitgedoofd. Zij had hem gaarne een hartelijk woord gezegd, want het +trof en verheugde haar, dat hij er zoo blijmoedig uitzag. Maar dat +was dan toch te veel geweest, na hetgeen hij haar in de werkplaats +had toegevoegd, onder het oog van haar zoon. In vroeger jaren was het +niet zelden gebeurd dat zij, wanneer de een den ander had ontstemd +en er twist tusschen hen geweest was, onverzoend naar bed waren +gegaan. Maar hoe ouder zij werden, des te minder kwam dit voor, en +sedert langen tijd had geen schaduw de volkomene eenigheid van hun +huwelijksleven verstoord. + +Toen zij vóor drie jaren, na het huwelijk van hun oudsten zoon, te +zamen aan het venster stonden, onder het opzien naar den sterrenhemel, +was Petrus dicht aan hare zijde gaan staan en had gezegd: "Zie +hoe die wandelaars daarboven zoo stil en vreedzaam hunne banen +beschrijven, zonder elkander ooit aan te raken of af te stooten! Zoo +vaak ik eenzaam in de stilte van den nacht bij hun vriendelijk +licht uit de steengroeve naar huis ging, heb ik over allerlei dingen +gedacht. Misschien is er eens een tijd geweest, waarin de sterren zich +wild door elkander bewogen. De eene kruist den weg van den ander, en +bij die botsingen zijn er misschien velen in stukken gevlogen. Toen +schiep de Heer de menschen, en de liefde kwam in de wereld en vervulde +hemel en aarde. De Allerhoogste gebood de sterren onze nachten te +verhelderen. Thans begon iedere ster de baan van de andere te ontzien, +en het gebeurde al zeldzamer dat de eene ster tegen de andere stootte, +tot eindelijk ook de kleinste en snelste zich hield aan haar weg en +haar uur, en het schitterende heir daarboven zoo eendrachtig was als +ontelbaar. De liefde en het gemeenschappelijk doel hadden dit wonder +uitgewerkt, want wie een ander liefheeft wil hem geen nadeel doen, +en wie geroepen is met hulp van een ander een werk te voltooien, +die hindert hem niet en houdt hem niet op. Wij beiden hebben reeds +sedert lang de rechte banen gevonden, en gebeurt het soms dat de een +den weg van den ander wil kruisen, dan houdt de liefde, en stellig +ook onze gemeenschappelijke plicht om het levenspad der kinderen met +rein licht te beschijnen, den voet terug." + +Dorothea had deze woorden niet vergeten. Zij kwamen haar voor den +geest, toen Petrus haar heden zoo hartelijk de hand toestak, en terwijl +zij nu hare rechterhand in die van haren echtgenoot legde, zeide zij: +"Om des lieven vredes wil moge het dan goed zijn. Eén ding kan ik +toch niet verzwijgen: weekhartige zwakheid is anders uw gebrek niet, +maar Polycarpus zult gij toch geheel en al bederven." + +"Laat hem begaan, laten wij hem doen blijven die hij is!" hernam +Petrus en kuste zijne vrouw op het voorhoofd. "Is het niet zonderling, +hoe wij onze rollen verwisselen? Gisteren hebt gij mij tot zachtheid +jegens den jongen aangemaand, en heden...." + +"Heden ben ik strenger dan gij," viel Dorothea hem in de rede. "Wie +kón ook vermoeden dat een oude grauwbaard, even als Ezau zijn erfdeel +voor een schotel met linzenbrei, voor een lachend vrouwengezicht van +klei de plichten van zijn vaderlijk rechtersambt zou vergeten?" + +"En wien zal het in den zin komen," antwoordde Petrus, om in denzelfden +geest van zijne vrouw te spreken, "dat eene zoo teedere moeder als +gij zijt, haar lijfelijken zoon kan veroordeelen, omdat hij bezig is +door eene daad, eene daad die zijn meester hem zou kunnen benijden, +den vrede zijner ziel terug te vinden?" + +"Ik heb het wel opgemerkt," hernam Dorothea, "Sirona's beeld heeft u +getroffen, en gij meent dat onze jongen daar wonder wat groots heeft +tot stand gebracht. Ik heb niet veel verstand van het kneden van klei +en van het beeldhouwerswerk, en wil u dus niet tegenspreken. Maar +indien het gezicht van het blondkopje wat minder aanvallig was, en +Polycarpus eens niets bijzonders had vervaardigd, zou dat zelfs in 't +minste iets veranderen in hetgeen hij berispelijks gedaan en gevoeld +heeft? Zeker niet! Maar zoo zijn de mannen, zij vragen alleen naar +het gevolg." + +"En dat met alle recht," antwoordde Petrus, "wanneer dat gevolg niet +al spelende, maar door groote inspanning werd nagestreefd. Wie geeft, +dien zal gegeven worden, en wien God eene ziel heeft gegeven, rijker +aan kostelijke gaven dan die van anderen, wien goeden geesten helpen +om het grootste tot stand te brengen, dien zal veel vergeven worden +van hetgeen ook een zachter rechter ongaarne zal voorbijzien in den +minder begaafde, die zich kwelt en inspant en toch niets goeds weet te +voltooien. Wees nu maar weder vriendelijk tegen den jongen. Weet gij +wel wat u van hem te wachten staat? Gij hebt in uw leven veel goeds +gedaan en vaak wijzen raad gegeven, en ik en de kinderen en niemand +in deze plaats zullen dit ooit vergeten. Maar dat gij aan Polycarpus +het aanzijn hebt gegeven, daarvoor, verzeker ik u, zullen de besten +u danken, die thans en in volgende eeuwen zullen geboren worden!" + +"En dan wil men beweren," sprak Dorothea, "dat elke moeder vier +oogen heeft voor de bijzondere gaven harer kinderen. Is dit waar, +dan hebben de vaders er zeker tien, en gij wel zooveel als die Argus, +van wien de heidensche sage vertelt.... Maar daar komt Polycarpus." + +Petrus ging zijn zoon te gemoet en gaf hem de hand, doch zeker op eene +andere wijze dan gewoonlijk. Ten minste het scheen Dorothea toe, als +ontving haar echtgenoot den jongeling niet gelijk te voren als vader +en heer, maar als een vriend, die een met hem gelijkstaand vriend en +ambtgenoot begroet. + +Zoodra Polycarpus ook haar groette, kleurde zij tot over de ooren, +want in haar gemoed ontwaakte de vrees, dat haar zoon haar voor +onbillijk en dwaas zou houden, wanneer hij aan den avond van +gisteren dacht. Weldra kwam zij weder tot die kalmte en zekerheid, +die haar eigen waren, toen Polycarpus bleek geheel de oude te zijn, +en zij las in zijne oogen, dat hij voor haar hetzelfde gevoelde als +gisteren en altijd. "De liefde," dacht zij, "wordt door het onrecht +niet uitgebluscht, gelijk vuur door water. Ze vlamt nu eens meer, +dan weer minder helder op, al naar den stand van den wind, maar niets +kan haar geheel verstikken, ja zelfs de dood niet." + +Polycarpus was op den berg geweest, en Dorothea was geheel +gerustgesteld, toen hij vertelde wat hem derwaarts had gevoerd. Reeds +lang had hij plan gehad een Mozes te ontwerpen. Toen hij gisteren zijn +vader had verlaten, bleef hem het beeld van den verheven, waardigen +man onafgebroken voor den geest staan. Hij meende het rechte model +voor zijn werk ontdekt te hebben. Hij wilde en moest vergeten, en +gevoelde dat hij het eerst zou kunnen, wanneer hij een doel vond, +dat in staat zou zijn om zijne verarmde ziel opnieuw te vervullen. De +gestalte van den grooten godsman, dien hij in beeld wilde brengen, +stond nog slechts in zeer onbestemde omtrekken voor zijn geest. Eene +onweerstaanbare kracht had hem naar buiten gedreven, naar de plaats +der samenspreking, waar volgens de overlevering de Heer met Mozes had +gesproken, werwaarts vele pelgrims ter bedevaart gingen. Polycarpus +was daar lang gebleven, want zoo ergens, dan zou hij daar, waar de +wetgever zelf gestaan had, de ware bezieling ontvangen. + +"En hebt gij uw doel bereikt?" vroeg Petrus. + +Polycarpus schudde ontkennend het hoofd. + +"Ga dan meermalen naar die heilige plaats, dan zult gij er +langzamerhand komen," zeide vrouw Dorothea. "Het begin is altijd het +moeilijkste. Vang maar dadelijk aan met te beproeven het hoofd uws +vaders te vormen!" + +"Daarmede heb ik vroeger reeds een begin gemaakt," antwoordde +Polycarpus. "Doch ik ben nog te vermoeid van den afgeloopen nacht." + +"Gij ziet er ook bleek uit en er liggen schaduwen onder uwe oogen," +sprak Dorothea bezorgd. "Ga naar boven en leg u wat ter ruste. Ik +volg u op den voet, om u een beker ouden wijn te brengen." + +"Dat zal hem geen kwaad doen," zeide Petrus, en dacht bij zichzelven: +"Een dronk uit den Lethe-stroom zou hem nog beter bekomen." + +Toen de senator zijn zoon een uur later in zijne werkplaats +opzocht, vond hij hem slapende, en op de tafel stond de wijn +onaangeroerd. Petrus legde zacht de hand op het voorhoofd van zijn +kind, bevond dat het koel was en hij dus geen koorts had. Vervolgens +liep hij voorzichtig naar Sirona's beeld, lichtte de doek op, +waarmede het bedekt was, en bleef in beschouwing verdiept lang +daarvoor staan. Eindelijk ging hij terug, na het beeld weder gedekt +te hebben, en nam de kleimodellen, die op eene aan den wand hangende +plank stonden. Eene kleine vrouwelijke figuur trok in het bijzonder +zijn aandacht, en toen hij van bewondering in de handen klapte, +werd Polycarpus wakker. + +"Dat is het beeld van de godin van het noodlot, dat is eene Tyche," +zeide Petrus. + +"Word niet boos, vader," smeekte Polycarpus. "Gij weet immers dat in de +hand van het standbeeld des keizers, dat voor het nieuwe Constantinopel +bestemd is, de figuur van eene Tyche zal worden geplaatst, en daarom +heb ik ook getracht de godin te vormen. Het gewaad en de houding der +armen, dacht ik, zijn mij gelukt, maar de kop is slecht uitgevallen." + +Petrus, die hem opmerkzaam had aangehoord, richtte onwillekeurig +zijn oog op het hoofd van Sirona, en Polycarpus volgde verrast en +bijna met schrik zijne blikken. Vader en zoon verstonden elkander, +en de laatste zeide: "Daaraan heb ik ook reeds gedacht." Daarop +zuchtte hij diep en smartelijk, en zeide tot zichzelven: "Waarlijk, +zij is voor mij de godin van het noodlot." Maar hij waagde het toch +niet dit uit te spreken. + +De zucht van den jonkman was Petrus niet ontgaan, daarom zeide +hij: "Laten wij dit rusten. Dit hoofd glimlacht met vroolijke +lieftalligheid, en het aangezicht der godin, die zelfs de daden der +hemelsche goden beheerscht, moet gestreng en ernstig zijn." + +Toen kon Polycarpus zich niet langer inhouden, en riep: "Ja, vader, +vreeselijk is het noodlot, en toch beeld ik de godin af met een +glimlach op de lippen, want dat is juist het ontzettendste in haar +wezen, dat zij niet handelt naar ernstige wetten, maar lachend haar +spel met ons speelt." + + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + + +Het was een heerlijke morgen. Geen wolkje was er aan den hemel, die +zich als een gewelfd koepeldak van donkerblauwe zijde over den berg, +de woestijn en de oase uitbreidde. Het is genotvol op de hoogte van +dit gebergte de reine, dunne, aromatische woestijnlucht in te ademen, +vóor de zonnestralen te krachtig hunne werking doen gevoelen, en de +schaduwen van de gloeiende porfierwanden en steenblokken al korter +en korter worden, om eindelijk geheel te verdwijnen. + +Met welk een welgevallen en hoe gretig ademde Sirona deze lucht in, +toen zij na een langen nacht, den vierden dien zij in het bedompte +hol van den Anachoreet had doorgebracht, naar buiten trad. Paulus zat +naast den haard, en was zoo ijverig bezig met snijwerk, dat hij haar +niet eens hoorde komen. + +"Die goede man," dacht Sirona, toen zij een dampenden pot op het vuur +zag en de palmtakken bemerkte, die de Alexandrijn aan de zijde van +den ingang der spelonk had geplant, om haar tegen de stralen der zon +te beschutten. Zij wist de bron, waaruit Paulus haar bij de eerste +ontmoeting gedrenkt had, reeds zonder geleide te vinden, en sloop +met een kruikje van gebakken klei in de hand daarheen. + +Paulus merkte haar wel op, maar hij nam den schijn aan alsof hij haar +niet zag en hoorde, want hij wist dat zij zich daar beneden wilde +wasschen en--zij was immers eene vrouw?--zoo goed het ging haar +toilet maken. + +Toen de Gallische terugkwam, zag zij er niet minder frisch en aanvallig +uit als op den morgen, toen Hermas haar beluisterd had. Wel deed +haar hart pijn, wel was zij angstig en gevoelde zij zich ongelukkig, +maar slaap en rust hadden sedert lang alle sporen van dien dag der +ontvluchting op haar gezond, haar jeugdig en veerkrachtig lichaam +uitgewischt, en het lot, dat ons dikwijls bijzonder welgezind is, +juist wanneer het ons een vijandig gelaat toont, had haar eene kleine +zorg berokkend, om haar voor grootere te bewaren. + +Haar hondje was zwaar ziek geworden, en het scheen wel dat het +bij de ondergane mishandeling niet enkel een pootje gebroken had, +maar ook innerlijk gekwetst was. Het vlugge, vroolijke diertje zeeg +krachteloos in elkaar, zoo vaak het poogde te staan, en als zij het +aanpakte, om het in haren schoot in eene gemakkelijke houding neder +te leggen en te koesteren, dan liet het een pijnlijk geluid hooren, +en zag haar klagend en lijdend aan. Het wilde spijs noch drank tot +zich nemen. Het anders zoo koele neusje was brandend heet geworden, +en toen zij het hol had verlaten, was Jambe, zonder haar zelfs na te +zien, reutelend blijven liggen op de schoone wollen deken, die Paulus +over haar leger had gespreid. Eer zij het beest water bracht in de +sierlijke kruik, een tweede geschenk van haar gastvriend, richtte +zij zich tot dezen en begroette hem vriendelijk. + +Paulus zag van zijn arbeid op, dankte en vroeg haar, toen zij na +weinige oogenblikken weder naar buiten kwam: "Hoe gaat het met den +kleinen kranke?" + +Sirona haalde de schouders op en antwoordde bedroefd: "Hij heeft niets +gedronken en mij niet eens herkend. De reutelende ademhaling gaat nog +even snel als gisteren avond. Ach, als dit diertje sterven moet....!" + +Zij was zoo aangedaan van smart, dat zij den zin niet kon +voltooien. Paulus schudde afkeurend het hoofd en zeide: "Het is zonde +zich zoo te kwellen over een redeloos dier." + +"Jambe is niet redeloos," antwoordde Sirona. "En al was dit zoo, wat +blijft mij nog over, als dit beestje sterft? Het is groot geworden +in mijns vaders huis, waar allen mij liefhadden. Ik kreeg het toen +het weinige dagen oud was, en heb het door middel van een sponsje +met melk groot gebracht. Dikwijls ben ik, als ik het kleine diertje +hoorde janken, in den nacht met bloote voeten uit bed gestapt om het +te drenken. Daarom was het ook als een kind aan mij gehecht en had +het mij noodig. Niemand kan weten wat een ander voor hem is. Mijn +vader vertelde ons eens van eene spin, die een gevangene het leven +opvroolijkte. En wat is zulk een leelijk stom dier in vergelijking van +mijn verstandig en mooi hondje! Ik heb mijn vaderland vaarwel gezegd, +en hier, hier denkt ieder het ergste van mij, hoewel ik geen mensch +heb beleedigd, en niemand heeft mij lief dan Jambe." + +"Toch ken ik iemand, die ieder liefheeft met dezelfde goddelijke +liefde," viel Paulus haar in de rede. + +"Van zulk een mensch houd ik niet," antwoordde Sirona. "Jambe volgt +niemand dan mij alleen. Wat geef ik om eene liefde, die ik met de +gansche wereld deelen moet! Meent gij mogelijk dien gekruisigden god +der christenen? Hij mag goed zijn en hulpvaardig; dat zegt vrouw +Dorothea ook. Maar hij is dood; ik zie hem niet en hoor hem niet, +en verlang ook niet naar iemand die mij genade bewijst, maar naar een +voor wien ik iets zijn kan, en die mij noodig heeft voor zijn leven +en geluk." + +De Alexandrijn voelde bij deze woorden eene zachte koude rilling over +zijn rug gaan, en terwijl hij hare gestalte met een meewarigen en +tevens bewonderenden blik opnam, dacht hij: "Satan was, voor hij viel, +de schoonste onder de reine geesten, en nog altijd oefent hij macht +uit over hen. Zij is nog in lang niet rijp voor het heil, en toch heeft +zij een goed hart; al dwaalde zij soms, zij is toch zeker niet slecht." + +Sirona's blik had den zijnen ontmoet, en zuchtend zeide zij: "Gij +ziet mij zoo medelijdend aan. Als Jambe echter weder gezond werd, +en het gelukte mij Alexandrië te bereiken, dan zou er misschien in +mijn lot nog eene gunstige wending komen." + +Terwijl zij sprak was Paulus opgestaan om den pot van het vuur te +nemen, en zeide nu, terwijl hij dien aan zijne gast overhandigde: +"Voor het tegenwoordige moge deze brij u het gemis vergoeden van de +genietingen der hoofdstad.--Het verheugt mij dat hij u smaakt. Maar zeg +mij nu eens: hebt gij er wel eens goed over nagedacht welke gevaren +een schoone jonge vrouw, zonder bescherming, bedreigen in de zondige +Grieksche stad? Zou het niet beter zijn, dat gij de gevolgen van +uwe schuld voor uwe rekening naamt en terugkeerdet tot Phoebicius, +aan wien gij in elk geval toch toebehoort?" + +Sirona had bij deze laatste woorden den pot waaruit zij at op den +grond gezet en riep op heftigen toon, terwijl zij haastig opstond: +"Dat zal nooit gebeuren, en in die vreeselijke ure, toen ik bijna +uitgeput daar beneden zat, en uwe schreden voor die van Phoebicius +hield, hebben de goden mij getoond, hoe ik hem, en u en ieder, die +mij tot hem zou willen terugbrengen, ontvluchten kan. Ik was razend +en als in zinsverbijstering, toen ik de wijk nam tot aan den rand +van den afgrond. Doch wat ik toen in waanzin wilde doen, dat zou ik +thans in koele bloede uitvoeren, zoowaar ik hoop mijne betrekkingen +in Arelate nog eens weer te zien. Wie ben ik geweest, en wat is +er door Phoebicius van mij geworden! Het leven lachte mij toe als +een zonnige tuin, met verguld rasterwerk en kristalheldere vijvers, +schaduwrijke boomen met roode bloemen en zingende vogels. Hij heeft +mij het zonlicht benomen, de bronnen troebel gemaakt en de bloemen +geknakt. Alles komt mij thans zoo zwijgend en kleurloos voor, en als de +afgrond mij opneemt, zal niemand mij missen en niemand mij beklagen." + +"Arme vrouw," zeide Paulus. "Uw echtgenoot heeft u dan wel weinig +liefde getoond!" + +"Liefde?" hernam Sirona lachend. "Phoebicius en liefde! Gisteren heb +ik u immers verteld, hoe hij mij na zijne feesten, als hij dronken +was of uit zijn onmacht ontwaakte, gruwzaam gekweld heeft? Maar hij +heeft mij iets gedaan, iets, dat ook de laatste dunne band tusschen +ons verscheurd heeft. Niemand heeft het nog van mijne lippen gehoord, +zelfs vrouw Dorothea niet, die mij toch zoo dikwijls heeft berispt, +wanneer ik een hard woord over mijn man niet weerhouden kon. Zij +heeft goed praten. Had ik een echtgenoot als Petrus gevonden, dan ware +ik misschien ook eene Dorothea geworden. Het is een wonder, hetwelk +ikzelf niet begrijp, dat ik niet slecht geworden ben aan de zijde van +dien onmensch, die mij, mij--waarom zou ik het verzwijgen--te Rome aan +zijne legaat Quintillus verkocht had, nadat hij in schulden zat en +door diens toedoen hoopte bevorderd te worden. Hij bracht den ouden +man, die mij vaak was nageloopen, zelf in mijn huis; maar de brave +vrouw, bij wie wij inwoonden, had de onderhandelingen afgeluisterd +en mij alles verraden. Dat was zoo laag, zoo schandelijk mogelijk; +ik bevlek mijne ziel als ik er slechts aan denk. De legaat heeft voor +zijne sesterziën [5] weinig vreugde gekocht. Phoebicius gaf echter +dat zondig verworven geld niet terug, en zijne woede tegen mij kende +geene grenzen, toen hij door toedoen van den bedrogen ouden legaat +naar de oase werd overgeplaatst. Thans weet gij alles, en geef mij, +zoo gij kunt, nu andermaal den raad, tot dezen man, aan wien ik +ter kwader ure verbonden werd, terug te keeren.--Hoor toch eens hoe +het arme diertje daar binnen jankt. Misschien wil het bij mij zijn, +en het heeft de kracht niet zich te verroeren." + +Paulus zag haar deelnemend na, terwijl zij onder de opening van de rots +verdween, en wachtte met de armen over elkaar gekruist tot zij terug +zou komen. Hij kon het hol niet overzien, want de grootere ruimte, +waarin het nachtleger was gespreid, was met den langen smallen gang, +die naar buiten leidde, aan het einde verbonden, gelijk het mes van +een zeis aan de greep. Zij bleef zeer lang uit, en hij hoorde slechts +nu en dan een teeder woord, waarmede zij het lijdende hondje zocht +te troosten. + +Opeens kromp hij ineen van schrik, want Sirona had een luiden kreet van +smart doen hooren. Zeker was de trouwe metgezel van de arme vrouw nu +gestorven, had zij in de matte schemering van den spelonk zijn gebroken +oog gezien en met de handen gevoeld, hoe doodelijke stijfheid de eens +zoo vlugge leden had uitgerekt en verlamd. Hij waagde het niet het hol +binnen te gaan, maar hij gevoelde hoe er tranen in zijne oogen welden, +en zoo gaarne had hij haar een woord tot vertroosting toegesproken. + +Eindelijk trad zij met rood bekreten oogen weder naar buiten. Paulus +had zich niet vergist, want zij hield den kleinen Jambe dood in +hare armen. + +"Wat doet mij dit leed," zeide Paulus. "Hoe aardig was dit beestje +niet!" + +Sirona knikte toestemmend met het hoofd, zette zich neder, maakte +het sierlijk bandje, dat het diertje om den hals droeg, los en zeide +half in zichzelve, half tot Paulus: "Het bandje heeft de kleine Agnes +voor hem geborduurd. Ikzelve had haar geleerd de naald te gebruiken, +en dit was haar eerste eigen werk." + +Een oogenblik later hield zij den Anachoreet den halsband voor en +zeide: "Dit slotje is van zuiver zilver; mijn vader heeft het mij +geschonken. Hij had ook pleizier in het vroolijke diertje. Nu zal +het niet meer springen, het arme ding!" + +Weemoedig zag zij op het beestje neer. Daarop verzamelde zij al +hare krachten en zeide haastig: "Thans wil ik van hier weg. Niets, +neen niets houdt mij in deze woestijn terug, want het huis van den +Senator, waarin ik zoovele gelukkige uren heb doorleefd, en waar +ieder mij welgezind was, is voor mij gesloten, al ware het alleen +omdat hij daarin woont. Wanneer gij niet goed tegen mij zijt geweest +om mij leed te berokkenen, laat mij dan heden nog vertrekken en help +mij om naar Alexandrië te komen." + +"Heden niet, heden in geen geval," antwoordde Paulus. "Eerst moet ik +weten wanneer er een vaartuig naar Klysma of Berenice afvaart en dan +heb ik nog vele andere dingen voor u in orde te brengen. Gij zijt mij +ook het antwoord schuldig op mijne vraag, wat gij hoopt in Alexandrië +te doen en te vinden.--Arm kind! hoe jonger en schooner gij zijt...." + +"Ik weet alles wat gij mij zeggen wilt," viel Sirona hem in de +rede. "Waarheen ik ook mijne schreden heb gericht, overal heb ik de +blikken der mannen tot mij getrokken, en als ik in hunne oogen las, +dat ik een goeden indruk op hen maakte, heb ik mij daarover steeds +verheugd. Waarom zou ik dit loochenen? Menigeen heeft mij ook lieve +woordjes gezegd en mij bloemen doen toekomen, en oude vrouwen naar +mijn huis gezonden, om mij voor zich te winnen. Doch ofschoon mij +de een ook beter beviel dan de ander, zoo heeft het mij toch nooit +moeite gekost ze af te wijzen, gelijk het betaamde." + +"Totdat Hermas u van zijne liefde sprak," hernam Paulus. "Hij is een +frisch jonkman...." + +"Een aardige, onbeholpen knaap is hij, niets meer en niets minder," +ging Sirona voort. "Het was zeker onbezonnen, dat ik hem bij mij +toeliet; maar geene Vestaalsche maagd zou zich behoeven te schamen +over de gunst, die ik hem bewezen heb. Ik ben zonder schuld en wil +het ook blijven, opdat ik zonder te blozen weder voor mijn vader zal +kunnen verschijnen, wanneer ik mij in de hoofdstad het geld voor de +verre reis zal hebben weten te verschaffen." + +Paulus zag haar verbaasd en bijna met schrik in het gelaat. Hij had +dan eene schuld op zich geladen, die zelfs in het geheel niet bestond, +en misschien zou de senator, zonder zijne valsche schuldbekentenis, +Sirona niet zoo spoedig veroordeeld hebben. Hij stond daar tegenover +haar als een kind, dat een kunstig werk wilde herstellen, maar het +uit onhandigheid in stukken brak. Bovendien kon hij aan de waarheid +van alles wat zij zeide niet twijfelen, want reeds lang had er eene +stem luide in zijn binnenste gesproken, die hem zeide, dat deze vrouw +geene gemeene zondares kon zijn. + +Een tijdlang stond hij zwijgend tegenover haar. Eindelijk vroeg hij +schuchter: "Wat denkt gij dan in de hoofdstad te gaan doen?" + +"Daar," antwoordde zij, "vindt elke goede arbeider, zooals +Polycarpus zegt, koopers, en ik kan zeer fraai weven en borduren +met gouddraad. Misschien kan ik een onderkomen vinden in een huis +met kinderen, die ik gaarne overdag zou bezighouden. In mijne vrije +uren en in den nacht zou ik dan mijne handen kunnen roeren aan mijn +borduurraam, en wanneer ik geld genoeg bijeen heb, vind ik zeker wel +een schip, dat mij naar Gallië tot de mijnen overvoert. Begrijpt gij, +dat ik niet tot Phoebicius terug kan keeren, en kunt ge mij helpen?" + +"Gaarne, en beter misschien dan gij denkt," antwoordde Paulus. "Thans +kan ik u dat nog niet verklaren, maar gij behoeft mij niet te smeeken, +integendeel, gij moogt met goed recht van mij vorderen, dat ik u +redden zal." + +Zij zag hem verwonderd en vragend aan, doch hij ging voort: "Laat +mij thans eerst den hond wegdragen en daar beneden begraven. Ik zal +een steen op zijn graf plaatsen, opdat gij weten moogt waar hij +ligt. Dat moet geschieden; het dier mag hier niet langer blijven +liggen.--Neem dat ding daar! Ik heb mijn best gedaan het voor u te +snijden, want gij beklaagdet u gisteren, dat uwe haren zoo verward +raakten, omdat gij geen kam hebt. Ik heb beproefd er een uit been +te snijden. Bij de kramers in de oase zijn er geene, en ikzelf ben +een dier der wildernis, een armzalig en bespottelijk dier, dat er +geen gebruikt.--Viel daar niet een steen? Zonder twijfel, dat zijn +de voetstappen van een mensch. Ga spoedig in uw hol, wees stil en +verroer u niet, totdat ik u roep." + +Sirona trok zich in haar rotsverblijf terug. Paulus nam +intusschen den dooden hond op den arm, om hem voor den naderende te +verbergen. Besluiteloos zag hij rond, en zocht naar eene plaats waar +hij zich schuil kon houden. Maar op de hoogte boven hem hadden twee +scherpziende oogen hem en zijn lichten last reeds ontdekt, en eer +hij de rechte plaats had gevonden, rolden er steenen van den rotswand +aan de rechterzijde van het hol, krakend naar beneden. Gelijktijdig +sprong een man koen en snel van rots op rots, vloog, zonder acht te +geven op de waarschuwende stem van den Anachoreet, recht op hem af, +en riep, hijgend naar adem en gloeiend van haat en verontwaardiging: +"Dat is, ik zie het wel, dat is Sirona's hazenwindje. Waar is zijne +meesteres? Zeg mij dadelijk waar Sirona is, want ik moet het weten!" + +Paulus had van de plaats der boetelingen dikwijls den senator en de +zijnen op hunne plaatsen in de kerk dicht bij het altaar zien zitten, +en herkende tot zijn verbazing in den stoutmoedigen springer, die met +verwarde haren en vonkelende oogen als een razende op hem losstormde, +Polycarpus, den tweeden zoon van Petrus. Het kostte den Anachoreet +moeite om zijne kalmte en tegenwoordigheid van geest te bewaren, want +sedert hij wist dat hij Sirona ten onrechte met eene zware schuld had +beladen, toen hij zichzelven, tegen de waarheid in, haren medeschuldige +had genoemd, gevoelde hij een angst, die al toenemende overging in +bittere smart, en terwijl het loodzwaar op zijne hersenen drukte, +was hij niet in staat snel te denken. + +Hij stamelde derhalve in het eerst slechts onverstaanbare woorden. Maar +het was zijn tegenpartij vreeselijke ernst met zijn vraag, want met +hevige verbolgenheid greep hij den Anachoreet aan den kraag van het +grove kluizenaarskleed en schreeuwde met heesche stem: "Waar hebt +gij het dier gevonden? Waar is....?" + +Op eens brak hij af, liet den Alexandrijn los, nam hem op met zijne +oogen en vroeg hem zacht en langzaam: "Zou het mogelijk zijn? Zijt +gij Paulus uit Alexandrië?" + +De Anachoreet knikte toestemmend. + +Polycarpus barstte uit in smartelijk gelach, sloeg zich met de +rechterhand voor het voorhoofd en riep op een toon van den diepsten +afschuw: "Alzoo is het toch waar! En voor zulk een afzichtelijken +aap! Maar ik wil het niet gelooven dat zij u ook slechts een hand +heeft gegeven, want uw aanblik alleen verontreinigt reeds." + +Paulus' hart klopte als met hamerslagen tegen zijn borst en het gonsde +en suisde hem in de ooren. Toen Polycarpus opnieuw de hand naar hem +uitstrekte, nam hij onwillekeurig de houding aan van een athleet, +die bij het worstelen met uitgestrekte armen naar een goeden greep +zoekt, en zeide op doffen, diep verontwaardigden toon: "Ga terug, +anders geschiedt hier iets, wat voor uwe beenderen wel eens niet goed +kon zijn." + +Hij die zoo sprak was Paulus, en toch niet Paulus; het was Menander, +de roem van het worstelperk, die geen enkel woord van zijne +metgezellen, dat hem niet in alle opzichten behaagde, onopgemerkt +liet voorbijgaan. En toch had hij gisteren in de oase gansch andere +beleedigingen dan die van Polycarpus zwijgend aangehoord, en met kalme +tevredenheid zich laten aanleunen. Van waar dan heden deze onstuimige +prikkelbaarheid, de hevige lust tot vechten? + +Toen hij twee dagen geleden naar zijn voormalig hol was gegaan, +om zijne laatste daar verborgene goudstukken te halen, wilde hij den +ouden Stephanus gaan begroeten. Doch de Egyptenaar, die hem verpleegde, +had hem met booze verwenschingen verjaagd, alsof hij een onreine geest +was, en hem steenen nageworpen. Ondanks het verbod van den bisschop, +had hij eene poging gewaagd om de kerk in de oase binnen te treden, +ten einde dáar een gebed te doen; hij toch meende dat het voorportaal +met de bron, waarin de boetelingen gewoonlijk vertoefden, voor hem niet +gesloten zou zijn. Maar de acolythen wezen hem met schimpwoorden af, +en de deurwachter, die hem kort geleden den sleutel van de kerk had +toevertrouwd, spoog hem in het aangezicht. + +Toch was hij in staat geweest, zonder toornig te worden of te klagen, +zijnen beleedigers den rug toe te keeren, waarbij het niet eens +noodig was zichzelven te bedwingen. Terwijl hij aan de tafel van een +der kramers den wollen deken, de kruik en nog verschillende andere +dingen voor Sirona kocht, ging er een presbyter voorbij, die, wijzende +op zijne geldstukken, zeide: "De satan vergeet de zijnen niet!" Ook +dezen had Paulus niets geantwoord. Hij was met een opgewekt en een +dankbaar hart wedergekeerd tot haar, wier verzorging hem was opgelegd, +en wederom had hij datzelfde hooghartig gevoel in al zijne volheid +en zaligheid bij zich waargenomen, dat de heerlijkste beloften in +zich bevatte, namelijk dat hij Christus navolgde door voor anderen +smaadheid en lijden te dragen. + +Wat was het dan dat hem tegenover Polycarpus zoo uiterst gevoelig deed +zijn, en dat de koorden van zijn geduld, door jarenlange ontbering +zoo stevig bevestigd, opeens dóorsneed? Scheen het den man, die +zijn eigen vleesch martelde om de ziel te verlossen uit de banden +des lichaams, minder zwaar te dragen, dat hij voor een godvergeten +zondaar werd gescholden, dan dat zijn persoon en zijne mannelijke +waardigheid met minachting werden aangerand? Dacht hij misschien +aan de schoone getuige van zijne beschimping, die in het hol zat te +luisteren? Was zijn toorn wellicht ontvlamt, omdat hij in Polycarpus +niet een verontwaardigd geloofsgenoot zag, maar den man die een ander +man met onbeschaamde beleediging in den weg trad? + +De jongeling en de athleet met zijne grauwe baard stonden tegenover +elkander als twee doodsvijanden, die ten kamp bereid waren, en +Polycarpus week niet terug, hoewel het hem, gelijk den meesten jongen +christenen, verboden was geweest, aan het worstelspel der jeugd in de +palaestra deel te nemen, en hij wel begreep, dat hij met een sterken +en breedgeschouderden tegenstander te doen had. Ook hij was geen +bloodaard, en terwijl het in zijn binnenste kookte van woede, werd +zijn begeerte geprikkeld om zich met dien gehaten verleider te meten. + +"Welaan, grijp toe," riep hij met vlammende oogen, en boog, ook van +zijne zijde tot den kamp bereid, den rug, terwijl hij het hoofd ver +vooruit stak. "Pak aan! Gij zijt mogelijk een gladiator geweest of iets +dergelijks, eer gij dit smerig kleed hebt aangetrokken, om ongestraft +bij nacht de huizen in te breken. Maak nu deze heilige plaats tot +een circus! En wanneer het u gelukken mocht mij van kant te maken, +zoo zal ik u daarvoor danken, want wat mij waarde aan het leven deed +hechten, hebt gij toch reeds vernietigd.--Welaan dan! Of houdt gij +het voor gemakkelijker, het levensgeluk van eene vrouw te storen, +dan uwe kracht te meten met hem die haar verdedigt?--Grijp toe, +zeg ik u, grijp toe.... of...." + +"Of gij zult u op mij werpen," zeide Paulus, die onder de woorden +van den jonkman zijne armen had laten zinken, gelaten en met eene +geheele verandering in zijne stem. "Werp u op mij en doe met mij wat +gij wilt, ik zal het u niet beletten. Ik blijf hier staan en mag niet +vechten. Want daarin hebt gij waarheid gezegd: deze heilige plaats +is waarlijk geen circus. Maar de Gallische vrouw behoort noch aan u +noch aan mij, en wie geeft u het recht...." + +"Wie mij een recht op haar geeft?" viel Polycarpus hem in de rede, +terwijl hij den vrager met vonkelende oogen nader trad. "Dezelfde, +die den smeekeling veroorlooft van zijn God te spreken. Sirona is +de mijne, gelijk de zon en de maan en de sterren mij toebehooren, +wijl zij met hun helder licht mijne donkere paden verlichten. Mijn +leven is het mijne, en zij is het leven van mijn leven geweest, +daarom zeg ik stout: al waren er twintig Phoebiciussen, zij behoort +mij. En daar ik haar voor mijn eigendom hield, en nog altijd houd, +zoo haat ik u, en zeg u in het aangezicht dat ik u veracht. Want gij +zijt als het hongerige vee, dat in den bloementuin inbreekt, en de +maar eens in eene eeuw bloeiende wonderbloem, door den tuinman zoo +zorgvuldig verpleegd, van den struik steelt. Gij gelijkt de katten, die +de marmeren zalen binnensluipen, en om hunne roofzucht te bevredigen, +den schoonen en zeldzamen vogel verworgen, dien een zeeman uit verre +landen heeft medegebracht. Maar gij schijnheilige roover, die uw eigen +lichaam met dierlijke trots veracht en aan verwildering prijsgeeft, +wat weet gij van de betoovering der schoonheid, die dochter des hemels, +die soms ook onervaren kinderen treft, en voor wie zelfs de goden zich +buigen! Ik heb een recht op Sirona; want waar gij haar ook verbergen +moogt, en al vond de centurio haar weder en klonk hij haar met koperen +ketenen aan zich vast, zoo leeft toch in niemand, in niemand gelijk +in mij het beeld harer schoonheid, dat haar maakt tot het edelste +werk van den Allerhoogste. Deze hand heeft uw slachtoffer nog niet +aangeraakt, en toch heeft de Allerhoogste Sirona aan niemand zoo +geheel in eigendom gegeven als aan mij, omdat zij voor geen ander is, +wat zij voor mij is, en niemand haar zóo zou kunnen liefhebben als +ik! Zij heeft de aantrekkelijkheid van een engel en het hart van een +kind; zij is vlekkeloos en rein, zoo waar als de diamantsteen het is, +en de borst van de zwaan, en de morgendauw in de kelk der roos. En +al liet zij u duizendmaal bij zich toe, en al wezen ook mijn vader +en mijne moeder en allen, allen met den vinger op haar, om haar te +veroordeelen, zoo zal ik toch niet ophouden aan hare reinheid te +gelooven. Gij hebt de schande over haar hoofd gebracht, gij hebt...." + +"Ik heb gezwegen, toen zij door de uwen veroordeeld werd," viel Paulus +den jonkman met warmte in de rede, "want ik geloofde aan hare schuld, +gelijk gij gelooft aan de mijne, gelijk ieder van een ander, waarmede +hij niet door banden der liefde verbonden is, veeleer het kwade +gelooft dan het goede. Thans weet ik, en weet ik zeker, dat wij de +arme vrouw onrecht hebben gedaan. Wanneer de glans van het schitterende +droombeeld, dat gij Sirona noemt, door mijn toedoen verbleekt werd..." + +"Verbleekt? En door u?" zeide Polycarpus lachend. "Kan dan de +schildpad, die in zee kruipt, hare heldere blauwe kleur verontreinigen, +of de zwarte vleermuis, die 's nachts door de lucht schiet, het reine +licht der volle maan?" + +Wederom gevoelde de Anachoreet in zijn binnenste eene opwelling van +toorn, doch hij was meer dan straks op zijne hoede voor zichzelven +en zeide bitter, terwijl hij zich met groote inspanning beheerschte: +"Hebt gij niet gesproken van domme beesten, die eene bloem, een vogel +vernietigen? Met die beesten bedoeldet ge, zoo ik meen, geen derde, +die afwezig is, en nu ontkent gij dat ik in staat zou zijn op uwe +zon eene schaduw te werpen? Gij ziet dat gij in uwe boosheid uzelven +weerspreekt, en de zoon van een wijs man, die zeker nog niet lang +geleden de school van den rhetor heeft verlaten, moest zich hiervoor +weten te wachten. Gij mocht mij wel wat minder vijandig aanzien, want +het is mijne bedoeling niet u te krenken; ja, ik wil zelfs uwe booze +woorden met goed vergelden, met het beste misschien wat gij ooit hebt +gehoord. Sirona is eene brave onschuldige vrouw, en toen Phoebicius +wegreed om haar te zoeken, toen had ik haar nog nooit met deze oogen +gezien, en geen woord van hare lippen met mijne ooren vernomen." + +Polycarpus nam bij deze woorden niet langer eene dreigende houding +aan. Hij was niet in staat om te begrijpen, maar toch geneigd om +te gelooven, en daarom zeide hij haastig: "Maar het schaapsvel was +toch van u, en zonder u te verdedigen hebt gij u door Phoebicius +laten mishandelen?" + +"Zulk een smerige aap," antwoordde Paulus, terwijl hij de stem van +Polycarpus nabootste, "heeft dikwijls slagen noodig, en op dien morgen +mocht ik mij niet verzetten, omdat... omdat... Maar dat gaat u niet +aan. Gij moet uwe nieuwsgierigheid nog eenige dagen intoomen, en dan +zou het licht kunnen gebeuren, dat gijzelf den man, wiens aanblik +alleen reeds verontreinigt, die vleermuis, dien schildpad....." + +"Zwijg daarvan," sprak Polycarpus, "mogelijk heb ik mij tot +onbetamelijke woorden laten verleiden, omdat, toen ik u zag, mijn +gewond en gemarteld hart in oproer kwam. Thans zie ik het wel: +uwe woeste haren omlijsten een goed gevormd gelaat. Vergeef mij +mijn hevigen en onrechtvaardigen aanval. Terwijl ik geheel buiten +mijzelven was, heb ik u geopenbaard al wat er in mijne ziel omging, +en nu gij weet hoe het er in mijn hart uitziet, vraag ik u nogmaals: +waar is Sirona?" + +Polycarpus zag Paulus met eene angstige, dringende bede aan, en wees +met zijne hand op het hazenwindje, als wilde hij zeggen: "Gij moet +het wel weten, want hier ligt het bewijs." + +De Alexandrijn draalde met het antwoord, wierp als bij toeval een +snellen blik op den ingang van het hol, en toen hij daar achter de +palmtakken het wit gewaad van zijne beschermeling zag schemeren, +zeide hij tot zichzelven, dat Polycarpus, als hij hier nog verwijlde, +de Gallische ontdekken zou, en dat moest vermeden worden. Er bestonden +vele gronden, die hem konden doen besluiten eene samenkomst van den +jongeling met deze vrouw te verhinderen. Doch hij dacht aan geen van +die allen, en al vermoedde hij ook zelfs niet dat een zeker gevoel +van ijverzucht in hem begon te ontwaken, dan was het toch ongetwijfeld +zijn levendige afkeer om beiden onder zijne oogen in elkanders armen +te zien snellen, die hem nu aanleiding gaf zich in een oogwenk om +te keeren, het lijkje van den hond weder in zijne armen te nemen, +en Polycarpus te antwoorden: "Zeker weet ik waar zij zich ophoudt, en +wanneer de tijd daartoe gekomen is zult gij het vernemen. Thans moet +ik het beestje begraven, en wanneer gij wilt, moogt ge mij helpen." + +Zonder het antwoord van Polycarpus af te wachten, vloog hij van +steen op steen tot aan de hoogvlakte, bij welker steile afhelling hij +Sirona voor het eerst gezien had. De jonkman volgde hem buiten adem +en bereikte hem eerst, toen hij reeds begonnen was de aarde aan den +voet eener klip met de handen op te krabbelen. + +Polycarpus stond thans dicht bij den Alexandrijn en herhaalde zijne +vraag met hartstochtelijke drift; doch de laatste zag van zijn arbeid +niet op en zeide, al sneller en sneller gravende: "Kom morgen op +dezen tijd weder hier, dan kan ik het u mogelijk zeggen." + +"Denkt ge mij zoo af te schepen," zeide de jonkman. "Maar gij vergist +u in mij, en wanneer ge mij met uwe zoo goedhartig klinkende woorden +bedriegt, dan zal ik...." + +Doch hij voleindigde zijne bedreiging niet. Zij werd afgebroken +door eene heldere en hartstochtelijke roepstem, die maar al +te duidelijk in de eenzaamheid van dit woestijngebergte werd +gehoord. "Polycarpus!--Polycarpus!" zoo klonk het al nader en nader, +en dit stemgeluid werkte met betooverende macht op hem dien het gold. + +Zich in al zijne lengte oprichtende en bevende over al zijne leden, +luisterde de jongeling scherp. Vervolgens riep hij: "Ik kom, Sirona, +ik kom!" en zonder zich aan den Anachoreet te storen, zette hij zich +in beweging om haar tegemoet te snellen. + +Maar Paulus trad hem in den weg en zeide met vaste stem: "Gij zult +blijven!" + +"Uit den weg!" schreeuwde Polycarpus buiten zichzelven. "Zij roept +mij toe uit de schuilplaats, waar gij haar vasthoudt, gij eerroover en +vuige leugenaar. Uit den weg, zeg ik u!--Gij wilt niet? Zoo verweer u +dan, gij hatelijke schildpad, of ik vertreed u, zoo mijn voet althans +niet weigert zich met uw gif te bezoedelen." + +Paulus had tot hiertoe met uitgebreide armen roerloos maar onwrikbaar +als een eikenboom tegenover den jongeling gestaan. Thans werd hij +door Polycarpus' vuist getroffen. + +Na dezen slag was het geduld van den Anachoreet uitgeput. Zichzelven +niet meer meester, riep hij: "Dat zult gij mij betalen!" En eer +de roepstem van Sirona's lippen ten derde en ten vierde male werd +gehoord, had hij het slanke lichaam van den kunstenaar aangegrepen, +en met een geweldigen zwaai over zijne eigene breede athleten-schouders +geslingerd tegen den steenachtigen grond. + +Na deze woeste daad bleef hij wijdbeens, met de armen over elkander +gekruist en rollende oogen, als aan den grond genageld tegenover zijn +slachtoffer staan. Hij wachtte tot Polycarpus zijne krachten weder +verzameld had, en zonder om te zien, als een beschonkene, waggelend +was heengegaan, terwijl hij de handen tegen zijn achterhoofd drukte. + +Paulus zag hem na, tot de klippen aan den rand der hoogvlakte hem aan +zijne blikken onttrokken. Hij kon dus niet meer zien hoe Polycarpus +nabij de bron, waaruit zijn vijand Sirona's verdroogde lippen hadden +verfrischt, onder het slaken van pijnlijke kreten, machteloos in +elkander zonk. + + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + + +"Zij zal nog de aandacht wekken van Damianus of Salatiël, of een +ander van die daar boven wonen," dacht Paulus, toen de roepstem van +Sirona zich opnieuw deed hooren. Het geluid van haar stem volgende, +steeg hij haastig en in spanning den berg op. + +"Heden," prevelde hij verder in zichzelven, "en misschien ook morgen +hebben wij van dien onbeschaamden jongen ten minste niets te vreezen; +zijne blauwe plekken zullen hem aan mij doen denken. Men vergeet toch +niet gemakkelijk wat men eens heeft geleerd! De greep, waarmede ik +hem in de hoogte tilde, heb ik--hoe lang is dat al geleden?--van den +gymnasiarch Delphis geleerd. Nog is het merg in mijne gebeenten niet +verdroogd; dat zal ik den knaap met deze vuisten bewijzen, al keerde +hij met drie of vier van zijn slag terug." + +Maar Paulus had niet lang tijd om zijne verwarde denkbeelden na te +gaan, want midden op den weg naar zijn hol vond hij Sirona. + +"Waar is Polycarpus?" riep zij hem toe. + +"Ik heb hem weggezonden," gaf hij ten antwoord. + +"En heeft hij uw bevel opgevolgd?" vroeg zij verder. + +"Ik liet het niet ontbreken aan afdoende gronden," antwoordde hij +levendig. + +"Doch zal hij niet terugkomen?" + +"Voor heden heeft hij hier boven genoeg vernomen. Wij zullen thans +aan uw reis naar Alexandrië moeten denken." + +"Ik geloof toch," antwoordde Sirona blozend, "dat ik in uw hol veilig +geborgen ben, en te voren hebt gijzelf gezegd...." + +"Ik waarschuwde u voor de gevaren der hoofdstad," viel Paulus +haar in de rede. "Sedert heb ik mij echter bedacht, dat ik toch +een onderkomen en een beschermer voor u weet, op wien ge u verlaten +kunt. Daar zouden wij weder te huis zijn. Ga thans in de spelonk, want +men heeft misschien uw geroep gehoord, en wanneer andere Anachoreten +u hier ontdekten, zouden ze mij dwingen u naar uw echtgenoot terug +te brengen." + +"Ik ga al," zeide de Gallische met een zucht. "Maar verklaar mij +eerst--want ik heb alles gehoord, wat gij met elkander gesproken +hebt"--en wederom kreeg zij eene kleur, "hoe het toch gekomen is, +dat Phoebicius het schaapsvel van Hermas voor het uwe hield, en waarom +ge u, zonder u te verantwoorden, door hem hebt laten mishandelen?" + +"Omdat mijn rug nog breeder is dan die van den grooten knaap," +haastte de Alexandrijn zich te antwoorden. "In rustiger oogenblikken +zal ik u dit alles vertellen; misschien reeds op onzen overtocht naar +Klysma. Ga thans in het hol, anders kunt gij alles nog bederven. Ik +weet ook wat gij, sedert die fraaie woorden van den zoon des senators, +het meest noodig hebt." + +"En dat is?" vroeg Sirona. + +"Een spiegel," riep Paulus lachend. + +"Hoezeer vergist ge u!" antwoordde de Gallische, en dacht, terwijl +zij zich in het hol terug trok: "Wien Polycarpus zoo aanziet als mij, +die heeft nooit meer een spiegel noodig!" + +In het visschersdorp aan de westelijke helling van den berg woonde +een oude joodsche koopman, die de kolen, welke men in de dalen van het +schiereiland uit de sayal-akasia brandde, naar Egypte verscheepte, en +die reeds voor de papyrus-fabrieken van Paulus' vader de brandstoffen +geleverd had, die men in de droogzalen gebruikte. Thans deed hij zaken +met zijn broeder, en de Alexandrijn had zelf met hem omgegaan. Hij +was verstandig en niet onbemiddeld. Zoo dikwijls hij den Anachoreet +ontmoette, had hij dezen verweten dat hij der wereld ontvlucht was, +en hem verzocht ten allen tijde op zijne gastvrijheid te rekenen, +en over zijn goed te beschikken alsof het zijn eigendom was. Deze man +moest Paulus nu een boot verschaffen, en hem de middelen aan de hand +doen tot Sirona's vlucht. + +Hoe langer de Alexandrijn hierover nadacht, des te onvermijdelijker +scheen het hem, dat hij de Gallische zelf begeleidde, om haar te +Alexandrië in eigen persoon een goed onderkomen te bezorgen. Hij +wist dat hij vrije beschikking had over het kolossaal vermogen van +zijn broeder, dat voor de helft ook het zijne was, en sedert vele +jaren begon hij zich voor het eerst weder te verheugen in zijn +rijkdom. Weldra hield hij zich in den geest bezig met te zorgen +voor het in orde brengen van het huis, dat hij der schoone vrouw +tot verblijf wilde aanwijzen. Eerst dacht hij aan eene eenvoudige +en burgerlijke woning, maar langzamerhand begon hij in zijne +verbeelding het voor haar bestemde huis met schitterend goud, met +wit en veelkleurig marmer, met bonte Syrische tapijten, ja zelfs +met het schandelijkste heidenwerk, met beelden en een weelderig bad +te versieren. + +Zoo besteeg hij, steeds onrustiger, de eene rots voor, de andere na, +en bleef bij dat op en neer loopen telkens staan voor het hol, waarin +Sirona vertoefde. Eens zag hij haar wit gewaad, en de helderheid +daarvan bracht hem tot de overtuiging, dat het onvoorzichtig zou +zijn haar in zulk eene kleeding in het armzalig visschersvlek te +brengen. Wanneer hij haar spoor voor de navorschingen van Phoebicius +en Polycarpus geheel verborgen wilde houden, dan moest hij haar eerst +een eenvoudig kleed bezorgen, en sluiers die het glanzend haar en het +blanke gelaat konden bedekken, dat zelfs in de hoofdstad zijns gelijken +nauwelijks vond. De Amalekiet, van wien hij reeds tweemalen geitenmelk +voor haar gekocht had, woonde in eene hut, die Paulus spoedig bereiken +kon. Hij bezat nog eenige drachmen, en daarvoor kon hij gemakkelijk van +de vrouw en de dochters van den herder aanschaffen, wat hij noodig had. + +Niettegenstaande de hemel met nevelen bedekt werd, en een drukkend +heete zuidewind was opgestoken, ging hij terstond op weg. Men zag +de zon niet meer, maar gevoelde haar verzengenden gloed. Doch Paulus +lette niet op dit voorteeken van een naderenden storm. Haastig, en zóo +verstrooid, dat hij in den kleinen voorraadkelder het eene voorwerp +met het andere verwisselde, legde hij brood, de melkkruik en eenige +dadels voor den ingang van het hol neer, riep zijne gast toe dat hij +spoedig zou terugkeeren, en snelde met gejaagde schreden den berg op. + +Sirona antwoordde hem met een nauw verstaanbaren groet, en zag niet +eens naar hem op, want zij verheugde zich in hare eenzaamheid, en gaf +zich, zoodra zijne voetstappen niet meer hoorbaar waren, weder over +aan den geweldigen stroom van nieuwe en verhevener gewaarwordingen, +die na Polycarpus' gloeiende liefdeshymne zich in hare ziel had +uitgestort. Paulus was in de laatste uren Menander geworden; de +verlatene vrouw dáar in het hol, de oorzaak van deze omkeering, de +vrouw van Phoebicius, had eene nog grootere verandering ondergaan. Zij +was nog Sirona, en toch Sirona niet meer. + +Toen de Anachoreet haar bevolen had zich in de spelonk terug te +trekken, zou zij hem gaarne gevolgd zijn; ja, zij zou ook zonder zijn +gebod zich verwijderd en de eenzaamheid opgezocht hebben, want zij +ondervond dat er iets groots, iets buitengewoons, iets dat zijzelve +niet begreep, in hare ziel omging, en dat iets machtigs, waaraan zij +geen naam kon geven, zich in haar hart gevormd, losgewrongen en leven +en beweging gekregen had. En dat onbekende was haar vreemd en toch +welkom, vervulde haar met angst en scheen haar toch zoo zoet, deed +haar pijnlijk aan en bracht haar toch in zulk eene onuitsprekelijke +verrukking! + +Eene ongekende aandoening had zich van haar meester gemaakt, en het +was haar sedert Polycarpus' woorden, als vloeide er nieuw en reiner +bloed in sneller loop door hare aderen. Elk harer zenuwen trilde +als de bladen der populieren in haar vaderland, wanneer zij bewogen +werden door den wind, die tegen den stroom der Rhône opwoei, en het +viel haar moeielijk de rede van Paulus te volgen en nog moeielijker +het rechte antwoord op zijne vragen te vinden. Zoodra zij alleen was, +zette zij zich op haar nachtleger neder, liet den elleboog op hare +knie rusten, legde haar hoofd in de hand, en nu barstte de steeds +geweldiger aanwassende en zwellende vloed der hartstocht, die haar had +aangegrepen, in eene, in een overvloedigen en warmen tranenstroom uit. + +Zóo had zij nog nooit geweend! Dit reine, verkwikkende tranenvocht +was met geen smart of bitterheid vermengd. Het was of in de ziel der +weenende, wonderbloemen van ongekende pracht en heerlijkheid hare +kelken openden. En toen hare tranen eindelijk verdroogden, werd het al +stiller en stiller, maar ook helderder en helderder in haar en rondom +haar heen. Zij was te moede als een mensch, die is opgegroeid in een +onderaardsch verblijf, waarin geen straal van het daglicht vermocht +door te dringen, en die eindelijk aan de hand van zijn bevrijder den +blauwen hemel aanschouwt, het glanzende licht der zon, en de duizende +bladen en bloemen in het groene woud en op de weide. Zij gevoelde +zich diep ongelukkig, en toch was zij eene gelukkige vrouw. + +"Dat is liefde," klonk het als gezang in haar hart, en als zij dan +in het verleden terugzag, en aan de bewonderaars dacht, die haar +in Arelate, toen zij nog half een kind was, en vervolgens in Rome, +met vriendelijke oogen en zoete woordjes genaderd waren, dan schenen +deze allen haar schaduwbeelden toe, die dunne kaarsen droegen, welker +armzalig licht geheel verbleekte, nu Polycarpus optrad met de zon +zelve in de handen. + +"Gene en hij!" prevelde zij in zichzelve, en zij zag eene weegschaal +voor zich. Op de eene zijde lagen de bewijzen van hulde, waarnaar zij +in hare ijdelheid zoo begeerig was geweest. Een voor een waren zij aan +stroohalmen gelijk, en te zamen aan eene lichte garve, die hoog in de +lucht vloog, toen Polycarpus zijne liefde, als een centenaars-gewicht +van rein goud, op de andere legde. + +"En al brachten alle volken en koningen hunne schatten samen," +dacht zij, "en legden ze voor mijne voeten, dan zouden ze mij toch +zoo rijk niet kunnen maken als hij mij gemaakt heeft. Al vielen alle +sterren samen, dan zou de kolossale lichtbal, die hieruit ontstond, +toch niet helderder schitteren, dan de vreugde die thans mijne ziel +vervult. Laat nu komen wat wil, na deze ure zal ik niet klagen!" + +Vervolgens dacht zij aan elke harer vroegere ontmoetingen met +Polycarpus, en dat hij haar nooit van zijne liefde gesproken had. Wat +moet het hem gekost hebben zich zoo te beheerschen! De gedachte dat ook +zij rein was en zijner niet onwaardig, vervulde hare ziel met vreugde, +en een gevoel van dankbaarheid zonder wederga welde in hare ziel op. + +De liefde, die zich op dien éenen man had gericht, schoot nu vleugelen +aan, breidde zich uit over al wat leefde in het heelal, en ging +over in een gebed. Na eene diepe ademhaling hief zij de oogen en de +handen op. Zij verlangde ieder schepsel, al het geschapene liefde te +bewijzen, en met zeker heimwee zocht zij naar die goede en hoogere +macht, waaraan zij zulk een geluk te danken had. Haar vader had haar +als meisje zeer streng gehouden, maar haar toch veroorloofd bij den +optocht der maagden op het feest van Venus te Arelate,--aan welke +godin alle vrouwen in hare geboorteplaats, wanneer hun hart van +liefde vervuld was, gebeden en offers brachten,--met de meisjes van +haar leeftijd, keurig uitgedost en met een krans getooid, door de +straten der stad te trekken naar den tempel der godin. Zij beproefde +thans tot Venus te bidden. Maar daarbij kwamen haar af en toe de +uitgelaten aardigheden van de mannen, die de meisjes begeleidden, +voor den geest, en herinnerde zij zich hoe zijzelve gretig naar de al +te veelvuldige uitroepen van bewondering geluisterd, de zwijgers door +een blik uitgedaagd, en de luidruchtigste door een lachje gedankt had. + +Doch naar zulk een spel stond haar heden waarlijk het hoofd niet, +en zij gedacht de strenge taal, die zij uit Dorothea's mond over +den Venus-dienst had gehoord, toen zij haar eens verteld had, hoe +de inwoners van Arelate de kunst verstonden om feest te vieren. En +Polycarpus, wiens hart zoo vol liefde was, dacht gewis als zijne +moeder, en zij zag hem daar vóor haar zooals hij, achter zijne ouders +en naast zijne zuster Marthana, en vaak met deze hand in hand, naar de +kerk ging. De zoon van den senator had altijd een vriendelijken blik +voor haar, doch niet bij deze wandeling naar den tempel van den god, +van wien zij zeiden, dat hij de liefde zelve was. Zijne vereerders +waren dan ook waarlijk niet arm in liefde, want zoo ergens, dan +verbond in het gezin van Petrus een teedere neiging aller harten. + +Bij deze gedachte viel haar in, dat Paulus haar kort geleden geraden +had, zich tot den gekruisigden god der christenen te wenden, die +met gelijke liefde jegens allen vervuld was. Voor dezen boog ook +Polycarpus de knieën, misschien juist in deze ure, en wanneer zij +hetzelfde deed, zou haar gebed met het zijne samensmelten, en dan +was zij toch met den geliefden jonkman, van wien alles haar scheidde, +aan dezelfde plaats vereenigd. + +Zij knielde neder en vouwde de handen, zooals zij het dikwijls van +de christenen had gezien, en dacht aan de smarten, die de arme man, +toen hij met zijne doorboorde handen aan een kruis hing, zoo geduldig, +ofschoon hij onschuldig gemarteld werd, had gedragen. Zij gevoelde +innig medelijden met hem en zeide zacht, terwijl zij de oogen tot het +lage gewelf van de spelonk opsloeg: "Gij arme, goede zoon van God, +gij weet hoe smartelijk het is, wanneer alle menschen iemand ten +onrechte veroordeelen, en gij kunt mij zeker verstaan, wanneer ik u +zeg hoe het hart mij pijn doet. + +"Maar zij zeggen ook dat uw hart van alle harten het meeste liefheeft, +en daarom zult gij weten hoe het komt, dat het bij al mijn leed toch +voorkomt, als ware ik eene gelukkige vrouw. Het moet zalig zijn den +adem eener godheid te gevoelen, en dat hebt gij zeker ondervonden, +toen zij u mishandelden en scholden. Want gij hebt uit liefde geleden. + +"Zij zeggen dat gij volmaakt rein en geheel onschuldig zijt geweest. Ik +heb wel velerlei dwaasheden gedaan, maar eene zonde, eene werkelijke +zonde heb ik niet begaan, neen zeker niet! Dat zult gij wel weten, want +gij zijt een god, en kent het verledene en leest in de harten. Maar +ik zou ook gaarne zonder schuld blijven, en hoe kan dat, wanneer ik +mij aan Polycarpus moet overgeven, terwijl ik toch de vrouw ben van +een ander man? + +"Maar was ik dan werkelijk de echte en rechte vrouw van dien +afzichtelijken booswicht, die mij aan een ander heeft verkocht? Hij +is zóo vreemd aan mijn hart, zóo vreemd, als had ik hem nooit met de +oogen gezien. En toch, geloof mij, ik wensch hem geen kwaad toe, en +wil tevreden zijn, wanneer ik slechts niet weder tot hem terug moet +keeren. Als kind was ik bang voor kikvorschen. Mijne broertjes en +zusjes wisten dat, en eens legde mijn broeder Licinius mij zulk een +groot beest, dat hij gevangen had, op den hals. Ik kreeg eene rilling +en schreeuwde zoo hard ik kon, want het was zoo afschuwelijk nat en +koud, dat ik het niet beschrijven kan. En zóo, juist zoo is het mij +sedert dien dag in Rome altijd geweest, als Phoebicius mij aanraakte, +en toch durfde ik niet schreeuwen als hij het deed. + +"Doch Polycarpus! Ja was hij maar hier en kon hij slechts mijne handen +grijpen!--Hij zeide dat ik de zijne was, en toch heb ik hem nooit +aangemoedigd. Maar thans! Als een gevaar hem dreigde of eenig leed, +en ik kon het daardoor van hem afwenden, zeker, o zeker liet ik mij, +hoewel ik niet gaarne pijn lijd en bang ben voor den dood, zonder +klagen voor hem aan het kruis nagelen, gelijk gij hebt gedaan voor alle +menschen. Maar hij zou moeten weten dat ik voor hem stierf. En wanneer +hij mij dan met zijn diepen betooverenden blik in de brekende oogen +zag, dan zou ik hem zeggen, dat ik hem innig dank voor zijne groote +liefde, die zoo geheel anders is en veel verhevener dan alle liefde, +die ik vroeger leerde kennen. Wat zich zoozeer verheft boven alles, +wat de menschen gewoonlijk gevoelen, dat moet wel goddelijk zijn, +zou ik meenen. Kan zulk eene liefde een onrecht zijn? Ik weet het +niet maar gij moet het weten. Gij, dien zij den goeden herder noemen, +brengt gij ons te zamen, of voer ons van elkander, zooals gij dit het +best oordeelt voor hem! Maar als het zijn kan, vereenig ons toch, al +ware het ook slechts voor eene enkele ure. Als hij maar weet dat ik +niet slecht ben, en dat de arme Sirona hem en hem alleen zou willen +toebehooren en geen ander, dan zou ik gaarne sterven. Gij goede, +goede herder, neem mij op onder uwe kudde en leid mij!" + +Alzoo bad Sirona, en voor het oog harer ziel zweefde daarbij het +beeld van eene vriendelijke, schoone jongelingsgestalte. + +Zij had het model van Polycarpus' in verheven arbeid uitgevoerden +"goeden herder" gezien en de aanminnige trekken van dat gelaat niet +vergeten. Dat beeld was haar zóo wel bekend, zij was er zóo mede +vertrouwd, als wist zij, wat zij toch niet vermoedde, dat zijzelve +voor een deel dat werk had doen slagen. + +De liefde die twee harten verbindt is den oceaan van Homerus gelijk, +die de twee aardhelften in een cirkel besluit. Hij woelt en golft. Waar +is de plaats van zijn oorsprong te zoeken: of hier of daar? Wie zal +het zeggen? + +Vrouw Dorothea had de Gallische met moederlijke trots in de werkplaats +van haar zoon gebracht. Thans dacht Sirona ook aan haar en haren +echtgenoot en zijn huis, boven welks deur een spreuk in steen gebeiteld +stond, die zij dagelijksch uit haar slaapkamer had gezien. Zij kon +geen Grieksch lezen, doch Polycarpus' zuster, Marthana, had haar meer +dan eens gezegd wat zij beduidde. "Beveel den Heer uw wegen en hoop +op hem," luidde het opschrift. Deze woorden zeide zij zichzelve nu +een- en andermaal voor, en daarbij teekende zij allerlei schoone +droombeelden voor de toekomst, die steeds scherper omtrekken en +helderder kleuren aannamen. + +Zij zag zich met Polycarpus vereenigd als de dochter van Petrus en +Dorothea in het huis van den senator. Nu had zij een recht op de +kinderen, die haar liefhadden en die haar zoo dierbaar waren. Zij +stond de diakones ter zijde bij al hare bezigheden, en ontving +lof en tevreden blikken tot dank. In het huis haars vaders had zij +geleerd de handen te roeren, en hier kon zij weder toonen wat zij +vermocht. Polycarpus zag met verbazing en bewondering toe en zeide +haar, dat zij even handig als schoon was, en beloofde eene tweede +Dorothea te worden. Vervolgens ging zij met hem in zijne werkplaats, +en bracht daar orde in alles wat zoo wild door elkander lag, en stofte +het af, terwijl hij elk harer bewegingen met zijne blikken volgde, +en dan voor haar bleef staan en zijne armen opende, wijd--wijd.... + +Zij verschrikte, drukte de handen voor hare oogen en wierp zich aan +zijne geliefde borst, die zoo vol liefde vóor haar was. Zij wilde +onder het storten van heete tranen hare armen slaan om den hals van den +dierbaren jonkman. Doch daar verdween reeds het vriendelijk droombeeld, +want een vluchtig schijnsel van licht verlichtte de donkere ruimte +der spelonk, en spoedig daarop hoorde zij het door de rotswanden van +haar verblijf getemperde, doffe rollen van een donderslag. + +Geheel tot de werkelijkheid teruggekeerd, luisterde zij naar buiten, +terwijl zij zich aan den ingang van het hol plaatste. Het begon reeds +donker te worden, en uit de duistere wolken, die rondom de toppen +van den berg als een ontzaglijke sluier van zwart floers schenen +te hangen, vielen zware regendruppels neder. Paulus was nergens te +zien, maar daar stond de maaltijd nog, die hij voor haar had gereed +gemaakt. Zij had sedert het ontbijt niets gegeten; zij wilde nu de +melk opdrinken, maar deze was zuur geworden en niet te gebruiken, +doch zij had aan een stukje brood en eenige dadels volkomen genoeg. + +Toen de bliksemstralen en donderslagen steeds korter op elkander +begonnen te volgen, en de duisternis hand over hand toenam, overviel +haar een groote angst, zij schoof het eten ter zijde en zag tegen +den berg op, welks toppen nu eens geheel in nacht gehuld werden, +dan weder, als badende in een zee van licht, duidelijker dan bij +dag te zien waren. Dikwijls scheidde een bliksemschicht, met eene +scherp geteekende vurige snede, het wolkgordijn met ongelooflijke +snelheid vaneen; vaak klonk de donder door de stille woestenij als +bazuingeschal, dat zich dreunend, ratelend en langzaam wegstervend +van rots tot rots voortplantte. + +Opeens schenen het licht en de slag tegelijk van den hemel neder te +dalen. De rots, waarin hare spelonk was, beefde. In gebogen houding +en bevende trok zij zich in het binnenste hoekje van haar hol terug, +en telkens, wanneer de enge ruimte plotseling verhelderd werd, +verschrikte zij. + +Eindelijk volgden de bliksemstralen elkander na langere tusschenpoozen +op; de stem van den donder verloor hare vrees aanjagende kracht, en +toen de stormwind het onweder verder en verder naar het zuiden joeg, +stierf die stem geheel weg. + + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + + +Het was stikdonker in Sirona's hol, akelig donker, en hoe zwarter +de nacht, die haar omgaf, zich vertoonde, des te hooger steeg haar +angst. Van tijd tot tijd sloot zij de oogen zoo stijf dicht als zij +kon, want dan was het haar als zag zij een purperkleurig schijnsel, en +gelijk een drenkeling naar den oever, zoo smachtte zij in dit uur naar +licht. Daarbij kwelden schrikbeelden van allerlei aard hare ziel. Als +Paulus haar nu eens verlaten en aan haar lot prijs gegeven had? Als +Polycarpus bij het onweder den berg eens doorzocht had om haar te +vinden, en door de duisternis misleid in een afgrond was gestort of +door een bliksemstraal gedood? Als eens de rotsmassa, die over den +ingang van het hol hing, door den storm losraakte, en nederstortte, en +haar den ingang naar buiten versperde? Dan was zij levend begraven; dan +moest zij eenzaam versmachten zonder hem die zij liefhad, wedergezien +en hem gezegd te hebben, dat zijn vertrouwen hem niet bedroog. + +Door zulke gedachten vreeselijk gekweld, verzamelde zij al hare +krachten, en ging zij al tastend naar buiten in de vrije lucht, +terwijl de wind haar tegenwoei. In die sombere eenzaamheid, in dat +akelig donker, kon zij het niet langer uithouden. Reeds had zij den +uitgang der spelonk bereikt, toen zij voetstappen hoorde, die haar +schuilplaats schenen te naderen. + +Zij verschrikte opnieuw. Wie waagde het in dezen pikdonkeren nacht van +de eene rots op de andere te klimmen? Kwam Paulus misschien terug? Was +hij het, ofwel Polycarpus, die haar zocht? + +Als verbijsterd drukte zij beide handen tegen haar hart. Zij gevoelde +zich gedrongen om te roepen, maar waagde het toch niet. Hare tong +weigerde haar den dienst. Met angstige spanning luisterde zij naar +het geluid der stappen, die recht vóor haar uit meer en meer naderden. + +De nachtelijke wandelaar merkte de schemering op van haar wit gewaad +en riep haar bij den naam. + +Het was Paulus. Zij gevoelde zich verlicht en haalde weder adem, +toen zij zijne stem herkende en zijne groet beantwoordde. + +"Bij zulk noodweer," zeide de Anachoreet, "is het, geloof ik, beter +hier binnen dan buiten; want dat het in de open lucht niet bijzonder +aangenaam is, heb ik ondervonden." + +"Maar ook hier in het hol," antwoordde Sirona, "is het verschrikkelijk +geweest. Ik heb mij vreeselijk bang gemaakt, want ik was zoo alleen +in het akelig donker. Had ik mijn hondje nog maar bij mij gehad, +dat was ten minste een levend wezen." + +"Ik heb mij gehaast zooveel ik kon," hernam Paulus. "De paden zijn +hier minder effen dan de wandelwegen te Alexandrië in de Canobische +straat, en daar ik niet evenals de Cerberus, die aan de voeten van +Serapis zit, drie halzen heb, zoo zou het wijzer van mij geweest zijn, +indien ik wat minder haastig tot u ware terug gekeerd. De stormvogel +heeft alle sterren opgeslokt, alsof het muggen waren, en de oude +berg is daarover zoo boos, dat hem overal de tranen bij beken over +de steenen wangen loopen. Ook hier is het nat. Ga thans in het hol +terug en laat mij wat ik hier voor u op den arm draag in den drogen +gang leggen. Ik breng goede tijding. Morgen avond breken wij op, +tegen dat de duisternis valt. Ik heb voor een vaartuig gezorgd, +dat ons naar Klysma zal brengen, en vandaar geleid ikzelf u naar +Alexandrië. In het schaapsvel dat ik hier heb zult gij de kleederen +en den sluier van eene Amalekietische vrouw vinden. Als uw spoor +voor Phoebicius verborgen zal blijven, dan moet gij u deze vermomming +laten welgevallen, want zoodra de lieden daarbeneden u zien, zooals +ik u heden zag, zouden zij meenen dat Aphrodite zelve weder uit het +schuim der zee was opgerezen, en de tijding dat eene blonde schoone +hun verschenen was, haastig verder verspreiden tot in de oase." + +"Maar ik meen dat ik hier goed verborgen ben," antwoordde Sirona. "Ik +ben bang voor dien zeetocht. En al gelukte het ons ook zonder +tegenspoed Alexandrië te bereiken, dan weet ik toch niet...." + +"Het is mijne zaak dan voor u te zorgen," viel Paulus haar in de +rede, met eene zekerheid, die bijna overmoedig scheen en Sirona +verontrustte. "Gij kent den fabel van den ezel in de leeuwenhuid; daar +zijn echter ook leeuwen, die het vel van een ezel of een schaap--dat +komt zoowat op hetzelfde neer--over de schouders dragen. Gisteren +verteldet ge mij van de heerlijke paleizen der burgers, die gij in +de hoofdstad hebt gezien, en hebt gij hen die ze bezitten gelukkig +geprezen. Welnu, gij zult in een dier marmeren huizen wonen en +daarin als meesteres gebieden, en mijn eerste zorg zal zijn u slaven +en een draagstoel, dragers, en een wagen met witte muildieren te +verschaffen. Twijfel er niet aan, want ik beloof niets, wat ik niet +zou kunnen houden.--De regen houdt op en ik wil nu beproeven vuur +te ontsteken.--Zijt ge reeds verzadigd? Nu, dan wensch ik u goeden +nacht. Het overige zullen wij morgen wel vinden." + +Sirona had de beloften van den Anachoreet met verbazing aangehoord. Hoe +dikwijls had zij hen benijd, die dat alles bezaten, wat haar +zonderlinge beschermer haar toezegde! Thans echter hadden al deze +dingen voor haar niet de minste aantrekkelijkheid, en met het vaste +voornemen Paulus, dien zij begon te mistrouwen, in geen geval te +volgen, antwoordde zij, terwijl zij zijn groet koel beantwoordde: +"Vóor morgen avond verloopen nog vele uren, waarin wij dit alles +overleggen kunnen." + +Terwijl de Alexandrijn met veel moeite vuur ontstak, bleef zij weder +alleen, en opnieuw begon zij zich in die donkere ruimte angstig te +maken. Zij riep den Alexandrijn en zeide: "Het donker maakt mij zoo +benauwd. Heden morgen had gij nog olie in de kruik; mogelijk gelukt +het u voor mij een lampje gereed te maken. Het is zoo akelig in donker +te blijven." + +Paulus nam terstond eene scherf, trok een draad uit zijn gescheurd +wollen kleed, draaide dien in elkander, legde hem als een pit in de +vette vloeistof, stak hem aan zijn langzaam opflikkerend vuurtje +aan, en gaf Sirona dit meer dan eenvoudige lichtje in de hand met +de woorden: "Hiermede zult gij geholpen zijn. In Alexandrië zal ik +echter voor lampen zorgen, die beter gezien mogen worden en door +knapper kunstenaars gemaakt zijn." + +Sirona plaatste het lampje in eene holte van den rotswand boven hare +legerstede, en vlijde zich vervolgens neder. + +Het licht verjaagt niet enkel de roofdieren maar ook de vrees van de +rustplaatsen der menschen, en het verwijderde thans van de Gallische +elke sombere gedachte. Klaar en duidelijk overzag zij haren toestand, +en zij besloot het hol niet eerder te verlaten en zich aan den +Anachoreet toe te vertrouwen, voor zij Polycarpus wedergezien en hem +gesproken had. Hij wist toch nu waar hij haar zoeken moest, en hij +zou zeker, dacht zij, reeds tot haar teruggekeerd zijn, wanneer het +onweder en de bewolkte hemel het bestijgen van den berg uit de oase +niet onmogelijk hadden gemaakt. + +"Morgen zie ik hem weder, en dan open ik voor hem mijn hart," zeide zij +tot zichzelve. "Dan laat ik hem in mijne ziel lezen als in een boek, +en op elke bladzijde, in elken regel zal hij zijn naam vinden. Ik +wil hem ook zeggen, dat ik tot zijn 'goeden herder' heb gebeden, +en hoe goed mij dat gedaan heeft, en dat ik eene christin wil zijn, +gelijk zijne zuster Marthana en zijne moeder. Vrouw Dorothea zal zich +zeker zeer verheugen wanneer zij dat hoort, en zij ten minste heeft +stellig niet kunnen gelooven dat ik slecht ben. Want zij heeft mij +toch altijd lief gehad, en de kinderen, de kinderen...." + +De vroolijke gestalten van de kleine schare kwamen haar lachend voor de +verbeelding, en onopgemerkt gingen hare voorstellingen over in droomen, +en de vriendelijke slaap raakte haar hart aan met eene zachte hand, +en blies elken schaduw van zorg uit hare ziel weg. Glimlachend en +onbekommerd sluimerde zij in als een kind, op welks zacht geslotene +oogen beschermengelen hunne kussen drukken. + +Intusschen was haar zonderlinge beschermer bezig met nu eens het +rookende hout op den vochtigen haard om te keeren, en met een vuurrood +gezicht in de smeulende kolen te blazen, dan weder onrustig op en +neder te wandelen, en telkens wanneer hij den ingang van het hol +voorbijging, zijne schreden te vertragen, om een verlangenden blik +te slaan naar de lichtschemering, die uit Sirona's rotsvertrek te +voorschijn kwam. Sedert hij Polycarpus op den grond had geslingerd, +was Paulus niet tot nadenken gekomen. Geen oogenblik had hij berouw +gevoeld over zijne daad, want hij had in de verte niet bedacht, dat +een val op den ijzerharden steen van den heiligen berg meer pijn deed, +dan het neerstorten in het zand van het worstelperk. Die onbeschaamde, +meende hij, had in alle opzichten verdiend aldus weggezonden te +worden. Wie toch gaf hem meer recht op Sirona dan hij, Paulus, bezat, +die haar leven gered en op zich genomen had haar te beschermen? + +Hare buitengewone schoonheid had hem sedert de eerste ontmoeting +goed gedaan, doch geene enkele onreine gedachte was er in zijn hart +opgeweld, als hij haar met welgevallen aanzag, en met aandoening +luisterde naar hare kinderlijke taal. De gloeiende ontboezeming van +Polycarpus had het eerst ook in zijne ziel vonken geworpen, die de +jaloezie en de bezorgdheid, dat hij Sirona aan een ander zou moeten +overlaten, spoedig tot een verterend vuur aanbliezen. Hij wilde deze +vrouw niet prijsgeven; hij wilde ook verder voor haar zorgen. Zij +zou alles aan hem en aan hem alleen te danken hebben. + +Derhalve wijdde hij zich, zonder verzuim, met hart en ziel aan de +voorbereiding tot hare vlucht. De drukkende onweerslucht, donder en +bliksem, de bij stroomen neervallende regen en de duisternis van +den nacht hielden hem niet tegen, en terwijl hij doornat en dood +moede, onder allerlei gevaren al tastend van rots tot rots opsteeg, +dacht hij aan niets dan aan haar, en hoe hij haar het zekerst naar +Alexandrië kon overbrengen en dáar met alles omgeven, wat maar ooit +eene vrouw aangenaam kan zijn. Niets, volstrekt niets begeerde hij voor +zichzelven, en wat hij overlegde en de plannen die hij maakte, hadden +enkel en alleen betrekking op hetgeen hij voor haar zou kunnen doen. + +Toen hij voor haar de lamp gereed gemaakt en aangestoken had, zag +hij haar weder, en hijzelf was verbaasd over de schoonheid van dat +door de flikkerende vlam verlicht gelaat. Hij had haar maar enkele +oogenblikken kunnen zien, toen was zij verdwenen, en hij moest alleen +in nacht en regen achterblijven. Rusteloos wandelde hij op en neer, +en een pijnigend verlangen om dat door het lamplicht beschenen gelaat +en dien blanken arm, die zich naar het licht had uitgestrekt, nog +eens te zien, begon zich steeds krachtiger te doen gevoelen, en deed +zijn hart al sneller en sneller kloppen. + +Zoo vaak hij het hol voorbijging en de schemering van licht uit haar +slaapvertrek waarnam, werd hij als door eene onweerstaanbare kracht +gedreven om naar haar toe te sluipen en haar nog eens te zien. Aan +gebed en geeseling, zijne oude middelen tegen zondige denkbeelden, +dacht hij niet; maar wel overlegde hij of hij niet om eene of +andere reden naar binnen kon gaan, zonder daarom schuldig te zijn in +zijne eigene oogen. Daar viel hem in dat het koel was, en dat er een +schaapsvel in het hol lag. Dat wilde hij gaan halen, niettegenstaande +hij de gelofte had afgelegd het niet meer te gebruiken. En wanneer +hij haar dan tevens zien kon, wat zou dat? + +Zoodra hij den drempel van den ingang overschreden had, vermaande eene +stem in zijn binnenste hem om terug te keeren, en zeide hem dat hij +op een verkeerden weg was, want hij sloop als een dief op de teenen +voort. Doch haastig liet hij er het verontschuldigend antwoord op +volgen: "Dit is opdat zij niet wakker zal worden, zoo zij slaapt." En +hiermede had hij elke verdere bedenking tot zwijgen gebracht, want +reeds was hij doorgedrongen tot de plaats waar, aan het einde van de +rotsgang, haar slaapvertrek begon. + +Daar lag zij, betooverend schoon, op hare harde legerstede te +sluimeren. Rondom was alles stikdonker, en het zwakke schijnsel van +het lampje verlichtte slechts een klein gedeelte van de naakte akelige +ruimte. Maar het bestraalde het hoofd, den hals en de armen, die met +een eigen licht schenen te schitteren, en het lichtend vermogen van +de zwakke vlam te verhoogen en te wijden. + +Paulus bleef met ingehouden adem op zijne knieën liggen, en zijne +blikken vestigden zich met klimmende aandoening op het lieflijk beeld +der slapende. Sirona droomde. Haar met blonde lokken omgeven hoofd +rustte op een hoog kussen van kruiden, en haar zacht blozend gelaat +was naar het gewelf van het hol toegekeerd. Hare even gesloten lippen +bewogen zich zacht. Nu verroerde zij ook den gebogen arm en de blanke +hand, die geheel door de lamp verlicht, half op hare glanzige haren +en half op haar voorhoofd lag. + +"Zeide zij iets?" vroeg Paulus zich, en hij drukte zijne slapen zoo +stevig tegen een vooruitstekend stuk rots, als wilde hij zijn bloed, +dat al sneller en sneller begon te vloeien, verhinderen zich in zijne +bedwelmde hersenen uit te storten. + +Daar bewoog zij opnieuw hare lippen. Had zij toch gesproken? Had +zij hem misschien geroepen? Maar dat kon niet zijn, want zij +sliep immers. Hij wilde het echter gelooven en geloofde het ook, +en sloop al dichter naar haar toe, en boog zich over haar heen, en +beluisterde de zachte regelmatige ademhaling die hare borst bewoog, +terwijl hemzelven de kracht ontbrak om lucht te scheppen. Geen meester +meer over zichzelven, raakte hij met zijne gebaarde lippen eerst haar +blanke arm aan, dien zij al slapend terugtrok. Vervolgens vestigden +zich zijne oogen op hare lippen en de twee, maar half door deze bedekte +rijen witte tanden, en het verlangen om haar mond te kussen greep hem +aan met onweerstaanbare macht. Bevend boog hij zich over haar heen, +en reeds was hij op het punt zijn verlangen vervuld te zien, toen hij, +als door eene plotselinge verschijning verschrikt, achteruit ging, en +zijne blikken, in plaats van op den rooden mond, op de hand vestigde, +die op het voorhoofd van de slapende rustte. Het licht van het lampje +weerspiegelde zich in een gouden ring aan Sirona's vinger en bestraalde +helder een onyx, waarin het beeld van de godin der stad Antiochië, +Tyche, die een bol op het hoofd en de hoorn van Amalthea in de hand +draagt, gesneden was. + +Eene zonderlinge gewaarwording overmeesterde den Anachoreet hij het +zien van dezen steen. Met bevende vingers greep hij in de borstopening +van zijn gescheurd kleed, tastte rond en bracht eindelijk een klein +ijzeren kruis en den ring te voorschijn, dien hij van de koude hand +van Hermas' moeder had getrokken. Deze gouden ring droeg een onyx, +waarop juist hetzelfde beeld te zien was als op dien aan de hand van +de Gallische. Het snoertje met zijn dierbaarst kleinood ontzonk den +Anachoreet; met beide handen greep hij in zijne wilde haren, steunde +smartelijk en herhaalde gedurig, alsof hij om vergeving moest bidden, +den naam Magdalena. + +Eindelijk riep hij Sirona met luider stem, en toen zij hevig verschrikt +ontwaakte, vroeg hij dringend: "Wie gaf u dien ring daar?" + +"Phoebicius heeft mij dien ring geschonken," antwoordde de +Gallische. "Hij zeide dat hij dien, vele jaren geleden, in Antiochië +ten geschenke had gekregen, en dat hij door een groot kunstenaar +gesneden was. Maar ik ben er niet meer op gesteld, en wanneer hij u +bevalt, moogt gij hem hebben." + +"Werp hem weg," riep Paulus, "want hij brengt u geen geluk!" + +Daarop herstelde hij zich, ging met gebogen hoofd naar buiten, wierp +zich daar op den natten steenbodem vóor den haard neder en riep: +"Magdalena, gij reinste! Uit eene Glycera zijt gij eene heilige +martelares geworden en hebt gij den weg ten hemel gevonden. Ook ik +had mijne reis naar Damascus, en vermeette mij den naam van Paulus +aan te nemen, en nu.... nu....?" + +Door vertwijfeling aangegrepen sloeg hij zich vóor het voorhoofd en +zuchtte: "Alles, alles te vergeefs!" + + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + + +Gewone naturen worden maar in het voorbijgaan aangegrepen door de +onuitsprekelijk diepe smart, die eene vertwijfelende ziel ondervindt; +maar hoe zwaarder zulk een lijden hen treft, des te zekerder werkt +het met reinigende kracht op hem, die het te doorworstelen heeft. + +Paulus dacht niet meer aan de schoone sluimerende vrouw. Door gruwzaam +zielewee gepijnigd, lag hij op den harden steen, en hij gevoelde dat +hij vruchteloos gestreden had. Toen hij Hermas' zonde en straf en +schande op zich nam, beeldde hij zich in dat hij midden op den weg +des Heilands wandelde. En thans? Hij was te moede als een wedlooper, +die dicht bij zijn doel over een steen struikelt en in het zand valt. + +"God ziet op den wil, niet op de daad," prevelde hij. "Wat ik ten +opzichte van Sirona al of niet heb misdaan, dat is om 't even. Toen +ik mij over haar heen boog, was ik gansch en al den booze vervallen, +en een bondgenoot van den doodvijand desgenen, dien ik mij met +lijf en ziel heb toegewijd. Wat baat het mij, dat ik de wereld ben +ontvlucht, om werkeloos in deze woestenij voort te leven? Wie steeds +den strijd ontwijkt, kan zich wel beroemen, dat hij tot het laatste +onverwonnen is gebleven; maar is hij daarom een held? Wie te midden +van den strijd en de verzoekingen dezer wereld op het pad blijft +dat ten hemel leidt, en zich niet van den goeden weg laat afdringen, +hem komt den zegepalm toe. Maar ik, ik wandel eenzaam daarheen, en +een knaap en eene vrouw, die mij tegenkomen, dreigen en wenken mij, +en ik vergeet mijn levensdoel en begeef mij in den modderpoel van den +booze. Neen, zóo niet, niet hier kan ik vinden wat ik najoeg! Maar +hoe dan, waar dan?--Verlicht mij, Heer, en zeg mij wat ik doen moet!" + +Onder deze gedachten richtte hij zich op, knielde neder en bad uit +den diepsten grond van zijn hart. Toen hij eindelijk 'amen' zeide, +gloeide zijn hoofd en was zijne tong als verdroogd. + +De wolkenmassa had zich verdeeld, alleen in het westen hingen er nog +donkere, zware luchten. Van tijd tot tijd flikkerden bliksemstralen +aan den verren horizont, en verlichtten den gespleten bergtop met +vurigen gloed. De maan was opgegaan, maar de afnemende schijf werd +gedurig door zwarte, snel voortschietende wolken bedekt. Verblindend +helder weerlicht, een zacht schijnsel en totale duisternis wisselden +elkander onregelmatig met groote snelheid af, toen Paulus eindelijk +opstond en naar de bron afdaalde, om te drinken en zijn voorhoofd +met frisch water af te koelen. + +Van steen tot steen gaande, zeide hij tot zichzelven, dat hij, +alvorens een nieuw leven te beginnen, zich boete, zware boete moest +opleggen. Maar welke? + +Thans stond hij voor de door klippen omzoomde bron en boog hij zich +tot haar neder, doch eer hij zijne lippen bevochtigd had, richtte hij +zich weder op, want juist omdat hij dorst had wilde hij zich dezen +dronk ontzeggen. Haastig, bijna heftig keerde hij zich van de bron +af, en na deze kleine overwinning op zichzelven, werd het een weinig +stiller in zijn stormachtig bewogen gemoed. + +Het was of hij gedwongen werd om deze plaats te verlaten, te vluchten +uit deze woestijn en van den heiligen berg, en het liefst ware hij +terstond de wijde wereld ingegaan. Waarheen zou hij vluchten? Dat +was hem onverschillig, want hij zocht slechts het lijden, en het leed +wies als onkruid op alle wegen. + +Voor wien zou hij vluchten? Deze vraag werd in zijn binnenste herhaald, +als had hij haar uitgeroepen ter plaatse waar de echo haar telkens +weergaf. En het antwoord liet niet op zich wachten. "Hij," zoo luidde +het, "voor wien gij vluchten wilt, zijt gijzelf. Uw eigen ik is uw +vijand, en in welke woestenij gij u ook begraaft, het zal u volgen. Eer +zal het u gelukken u te scheiden van uw schaduw, dan van dat ik." + +Hij werd zich volkomen bewust van zijne onmacht, en na de +groote inspanning der laatste uren verviel hij in eene diepe +moedeloosheid. Ontzenuwd, mat, vervuld met afkeer van zichzelven en +van het leven, liet hij zich op een steen neder, en geheel nuchter +overdacht hij de gebeurtenissen der laatste dagen en uren. "Van alle +dwazen die ik ontmoet heb," dacht hij, "heb ik het in dwaasheid wel het +verst gebracht, en daarbij eene verwarring aangericht, die ikzelf, +al ware ik een wijs man, dat ik zoo min ooit worden zal als een +schildpad of een phoenix, nooit weder in orde zal kunnen brengen. Ik +hoorde eens van een kluizenaar vertellen, die, daar er geschreven +stond dat men zijne dooden moest begraven, omdat hij geen lijk had, +een reiziger doodsloeg, ten einde het gebod te kunnen vervullen. Ik heb +juist als deze gehandeld, want om een ander leed te besparen en zijn +schuld op mij te nemen, bracht ik eene onschuldige vrouw in ellende, +en maakte ik mijzelven tot een zondaar. Zoodra de dag aanlicht ga ik +naar beneden in de oase, om aan Petrus en Agapitus alles te belijden +wat ik gedaan heb. Zij zullen mij straffen, en ik zal hen helpen, +zooals billijk is, opdat mij niets worde geschonken van de boete, +die zij mij opleggen. Hoe minder ik mijzelven verschoon, des te eer +zal de eeuwige rechter mij vrijspreken." + +Hij stond op, zag naar den stand der sterren, en daar hij bemerkte +dat de morgen niet verre meer zijn kon, maakte hij zich gereed om tot +Sirona terug te keeren, die thans niets meer voor hem was dan eene +ongelukkige vrouw, aan wie hij veel kwaad had goed te maken, toen +een luide klaagtoon in zijne onmiddellijke nabijheid zijn oor trof. + +Onwillekeurig bukte hij, om een steen als wapen in zijne hand te +nemen, en luisterde. Hij kende elke rots in de nabijheid der bron, +en toen het zonderling gesteun zich andermaal liet hooren, wist hij +dat het van eene plaats kwam, waar hij vaak had gerust. Want eene +groote vlakke rots, door een stevigen pijler van graniet gesteund, +stak dáar ver boven het andere gesteente uit, en verleende zelfs op +den middag, wanneer nergens een voet breed schaduw was te vinden, +beschutting tegen de zonnestralen. Misschien had een gewond dier +onder dat dak, hetwelk ook de regen afweerde, een schuilplaats gezocht. + +Paulus ging behoedzaam vooruit. Daar klonk het steunen luider en +smartelijker dan te voren, en--er viel niet aan te twijfelen, het +was de klaagtoon van een mensch. De Anachoreet slingerde opeens den +steen weg, wierp zich op de knieën en vond weldra op den drogen bodem +onder het steenen afdak, in den uitersten hoek van deze schuilplaats, +een roerloos menschelijk lichaam. + +"Misschien een herder, die door den bliksem is getroffen," dacht +hij, terwijl hij het met lange haarlokken bedekte hoofd en de +slap nederhangende, stevige armen van den lijder met de handen +betastte. Toen hij vervolgens het lichaam van den zacht klagenden +kranke opgericht en zijn hoofd tegen zijne breede borst geleund had, +kwam hem uit het haar de aangename geur van fijne zalfolie tegemoet, +en ontwaakte een vreeselijk vermoeden in zijne ziel. + +"Polycarpus!" riep hij, terwijl hij de handen vaster klemde rondom het +lichaam van den kranke. Deze bewoog zich en prevelde eenige woorden +zacht en onverstaanbaar, maar toch voor Paulus hard en duidelijk +genoeg, want hij wist nu dat hij zich niet vergist had. Hij slaakte +een luiden kreet, omvatte het lichaam van den jongeling, hief hem in +zijne armen op, en droeg hem als een kind tot aan den rand van de bron, +waar hij zijn kostelijken last nedervlijde in het vochtige gras. + +Polycarpus rilde en sloeg de oogen op. De morgen begon reeds te +schemeren, de lichte wolkjes aan den oostelijken horizont werden met +rooskleurige randen omzoomd, en de naderende dag trok den donkeren +sluier op, die de vormen en kleuren van alle voorwerpen omhulde. De +jongeling herkende den Anachoreet, die met bevende hand de wond van +zijn achterhoofd wies. Doch de oogen van Polycarpus verkregen een +vurigen glans, en met inspanning van zijne laatste krachten, stiet +hij den verpleger van zich af. + +Paulus week niet terug, maar ontving den slag van zijn slachtoffer +als een groet of een geschenk, en dacht: "Ja, hadt ge slechts een +dolk in de hand, dan zoudt ge mij het zwijgen wel opleggen." + +De wond van den kunstenaar was vreeselijk groot en diep, maar het +bloed was in zijne dichte lokken geronnen, en had zich als een stevig +verband op de geopende aderen vastgezet. Het water waarmede Paulus nu +het achterhoofd wies, veroorzaakte eene nieuwe bloeding, en na den +krachtigen stoot, waarmede Polycarpus zijn vijand had aangevallen, +zonk hij onmachtig in diens armen terug. Het vale morgenlicht deed +de bleekheid van het bloedeloos aangezicht, dat met gebrokene oogen +in den schoot van den Anachoreet rustte, nog meer uitkomen. + +"Hij sterft," prevelde Paulus en keek in doodsangst, met ingehouden +adem en naar hulp uitziende, naar beneden in het dal en naar de +hoogten boven hem. Daar vóor hem lag de majestueuse bergmassa, door +het morgenrood in gloed gezet, omgeven door fijne lichtende nevelen, +de berg, waar de Heer in steenen tafelen de wet voor zijn volk en alle +volken had gegrift, en het was hem als zag hij de reuzengestalte van +Mozes hoog uitsteken boven den verhevensten wachtpost van den berg, +en als drong uit zijn mond met koperen klank het strengste van alle +geboden: "Gij zult niet dooden!" toornig en krachtig in zijn oor. + +Paulus sloeg de handen voor zijn aangezicht en hield in stomme +vertwijfeling zijn slachtoffer in den schoot. Hij had de oogen +gesloten, want hij waagde het niet in het bleeke aangezicht van den +jongeling en evenmin naar den berg op te zien. Maar dat koperen geluid +dier stem uit de hoogte klonk voort, altijd voort, werd luider en +luider. Half verbijsterd van aandoening, vernamen zijne ooren niet +anders dan dat vreeselijk bevel: "Gij zult niet dooden!" en dan dat +andere: "Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw!" en voorts het +derde: "Gij zult niet echtbreken!" en eindelijk het vierde: "Gij +zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben!" Wie éen van +deze geboden overtreedt, die is verdoemd, en hij, hij had ze allen +overtreden, overtreden op het doornig pad tot het zalige leven! + +Driftig en wild strekte hij de armen ten hemel, en zag diep ademhalende +naar den berg op. + +"Wat was dat?" + +Op den top van den Sinaï, vanwaar de Pharanietische wachters +gewoon waren uit te zien, woei een doek, ten teeken dat er vijanden +naderden. Hij bedroog zich niet. En toen hij nu, met het oog op het +naderend gevaar, zijne krachten verzamelde, en weder in staat was +te denken en te overwegen, bemerkte hij, dat de toon, die nog altijd +met verbazende trillingen zijn oor trof, werd voortgebracht door de +metalen schijf, waarop de wachter sloeg, om de burgers van de oase +en de Anachoreten te waarschuwen. + +Was Hermas teruggekeerd? Hadden de Blemmyers hem overvleugeld? Van +welke zijde naderden de roofgierige scharen? Mocht hij hier bij zijn +slachtoffer toeven, of gebood zijn plicht hem zijne sterke armen bij +de verdediging van zijne weerlooze metgezellen te gebruiken? + +Angstig vragend staarde hij op de bleeke trekken van den jongeling, +en daarbij werd hij vervuld van diep en smartelijk medelijden. Hoe +schoon was deze jonge plant, die zijne hand gebroken had! En de hand +eener moeder had gisteren nog deze bruine lokken gestreeld! Er welden +tranen in de oogen van den Anachoreet, en met vaderlijke teederheid +boog hij zich over het bleeke gelaat en drukte een zachten kus op de +bloedelooze lippen van den jonkman, die daar in onmacht nederlag. + +Er voer eene blijde huivering door zijne leden want Polycarpus' +mond was niet koud. Er was geen twijfel aan. En thans, thans bewoog +hij zijne hand. Ja waarlijk! De Heer zij geloofd! Nu sloeg hij de +oogen weder op. "Ik ben geen moordenaar!" jubelden duizend stemmen +in Paulus' hart. "Ik draag hem naar zijne ouders in de oase," dacht +hij vervolgens,--"en dan naar boven, naar de broeders!" + +Daar weerklonk met nieuwe kracht de toon van den slag op het metalen +bekken, en de stilte der heilige woestijn werd hier door het geluid +van menschelijke stemmen, daar door het geschetter van trompetten, +elders door dof gejammer verstoord. Het was alsof eene betoovering +de stomme rotsen had bezield en hun stemmen had gegeven, als vlogen +geruisch en tonen, gelijk wilde stortbeken, tegen alle kloven en +holle wegen van den berg op. + +"Te laat!" prevelde de Anachoreet, "wanneer ik maar kon, maar wist...." + +"Heidaar, vrome Paulus," liet zich op eens, den besluiteloozen +man in zijne overpeinzingen storende, eene juigende, schetterende +vrouwenstem hooren, die hoog uit de lucht scheen te komen. "Hermas +leeft, Hermas is weder hier! Zie op naar de hoogte. Daar wappert de +vaan, hij waarschuwde de wachters. De Blemmyers zijn in aantocht, +en hij heeft mij uitgezonden om u te zoeken. Gij moet in den toren +komen aan de westzijde van den grooten weg. Spoedig! Dadelijk! Hoort +gij wel? Hij heeft mij opgedragen het u te zeggen.--Maar die man in +uw schoot, dat is.... dat is...." + +"Dat is," antwoordde Paulus, "Polycarpus, de zoon van uw meester, +die doodziek is. Haast u naar beneden in de oase, en zeg den senator, +zeg vrouw Dorothea...." + +"Ik heb thans wel wat anders te doen," viel de herderin hem in de rede, +"Hermas zendt mij naar Galasius, Psoës en Doelas, om ze te roepen. Als +ik beneden in de oase kwam, dan sloten ze mij op, en lieten mij niet +meer naar den berg terugkeeren.--Wat is er toch met dien armen jongen +gebeurd? Maar wat komt het er op aan? Heden is er wat anders voor +u te doen dan over een gat in het hoofd van den zoon des senators +te klagen. Naar boven, naar den toren zeg ik u! Laat hem liggen, of +draag hem daar boven in uw nest, en geef hem uw liefje ter verpleging." + +"Duivelin!" riep Paulus, en greep naar een steen. + +"Laat hem liggen," schreeuwde Mirjam hem toe. "Wanneer gij niet +doet wat Hermas bevolen heeft, verraad ik aan Phoebicius waar zij +verborgen is. Thans ga ik de anderen roepen. Bij den toren zien wij +elkander weder. En houd u niet te lang op bij uwe blonde gezellin, +gij vrome Paulus, gij heilige Paulus!" + +In gelach uitbarstende sprong zij, alsof zij door de lucht gedragen +werd, van rots op rots. De Alexandrijn oogde haar toornig na. Doch +hij begreep dat haar raad toch niet slecht was. Hij nam den gewonde +op zijn schouder en droeg hem haastig den berg op naar zijn hol. + +Eer hij dit bereiken kon hoorde hij voetstappen en een luiden kreet +van smart. Weinige oogenblikken later stond Sirona aan zijne zijde en +riep op hartstochtelijken toon: "Ja, hij is het! En zóo, zóo! Maar +hij moet leven, want ware hij dood, dan zou uw god der liefde zóo +onverbiddelijk, zóo hard, zóo wreed zijn, dan zou.... dan zou...." + +Zij kon niet meer spreken, want tranen verstikten hare stem. Zonder +op haar klagen te letten, ging Paulus haar haastig voor, trad het hol +binnen, legde den bewustelooze op hare legerstede neder, en zeide, +toen Sirona zich op de knieën wierp en hare lippen op de slappe hand +van den jongeling drukte, ernstig maar vriendelijk: "Wanneer gij hem +waarlijk liefhebt houd dan op met klagen! Hij is hier aan het hoofd +sedert gisteren zwaar gewond. Ik heb zijne wond gewasschen. Verbind +gij haar thans zorgvuldig en koel haar gedurig af met frisch water. Gij +weet de bron te vinden. Wanneer hij wat bijkomt, moet gij hem de voeten +wrijven, hem brood en eenige druppels wijn geven. Dat alles zult gij, +benevens olie--want gij zult ook licht noodig hebben--in den kleinen +kelder hiernaast vinden. + +"Ik moet nu naar de broeders, en keer ik vóor morgen niet terug, +laat het dan aan de moeder van den armen jongeling over hem verder +te verplegen. Zeg haar ook dat ik, Paulus, in toorn hem deze wonde +heb toegebracht. Zij moge het mij vergeven, als zij kan, en ook +Petrus. Vergeef ook gij, wat ik jegens u heb misdreven, en zoo ik val +in den strijd die ons wacht, wil dan bidden, dat de Heer niet te streng +met mij in het gericht treedt, want mijne zonden zijn vele en groot." + +Op dit oogenblik drong de klank van eene trompet tot in de diepte +van het hol. Sirona verschrikte en riep: "Dat is de Romeinsche tuba: +ik ken den toon. Phoebicius zal hier voorbij trekken!" + +"Hij doet zijn plicht," viel Paulus haar in de rede. "En thans nog +dit ééne. Ik zag in den afgeloopen nacht aan uw hand een ring met +een onyx." + +"Daar ligt hij," antwoordde Sirona, en wees naar het uiterste einde +van de spelonk, "in het stof van den grond." + +"Laat hem daar liggen," zeide Paulus, boog zich nogmaals over den +kranke om zijn voorhoofd te kussen, hief zijne hand naar de Gallische +op om haar te zegenen, en stormde naar buiten. + + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + + +Twee paden voerden van de oase over den berg naar zee. Beide liepen +door diepe steenachtige kloven, waarvan men de eene den ijlweg noemde, +omdat de reiziger langs dit pad spoediger zijn doel bereikte dan +langs den beteren weg door de andere kloof, die ook voor lastdieren +begaanbaar was. + +Ter halver hoogte van den berg komt de ijlweg uit op eene effene +vlakte, die aan de westzijde begrensd wordt door eene hooge +rotsmassa, met steil afloopende wanden. Op die rotsen stond een uit +ruwe steenblokken opgetrokken toren, waarin de Anachoreten gewoon +waren zich terug te trekken, wanneer zij gevaar liepen overvallen te +worden. De plaats van dit kasteel, zooals de boetelingen den toren met +zekeren trots noemden, was goed gekozen, want van zijn top kon men niet +slechts door de kloof van den ijlweg tot in de oase zien, maar het +oog reikte tot aan de smalle met schelpen bezaaide woestijnstrook, +die de westelijke helling der heilige hoogten van het zeestrand +scheidde, ja tot aan de blauw-groene golven der zee en de verwijderde +heuvelketens van de Afrikaansche kust. Wat ook den wachttoren naderde, +hetzij van nabij, hetzij van verre, kon men van dezen zien. + +De naar den weg toegekeerde helling der rotsmassa, waarop hij +gebouwd was, verhief zich zoo steil en was zoo glad, dat zelfs de +woestijnbewoners, die met hunne naakte voeten en gespierde armen +hoogten beklommen, die de steenbokken en de jakhals vermeden, haar +onbeklimbaar achtten. Van de andere zijde was hij beter toegankelijk, +en om hem ook daar te versterken, was er een zware muur opgetrokken, +die de vlakte, waarop het kasteel stond, in de gedaante van een +hoefijzer omgaf, welker einden uitliepen op de steilte van de kloof +waardoor de ijlweg liep. Dit gebouw was zoo ruw en onbehouwen uit +steenblokken opgestapeld, dat het er uitzag als ware het een gewrocht +der natuur, en niet door menschenhanden tot stand gebracht. De indruk +van ruwheid en onvolkomenheid, die het teweeg bracht, werd verhoogd, +door dat op de hoogte van deze, in de gedaante van een muur opgehoogde +steenen, een menigte grootere en kleinere stukken graniet lagen, +die door de Anachoreten waren saam gebracht, om ze bij een overval +op de roovers neer te rollen of te slingeren. + +Men had ook in den rotsbodem van de door den muur ingeslotene vlakte +een waterput geboord, en droeg zorg dat deze altijd was gevuld. Zulke +maatregelen van voorzichtigheid waren noodig, want van twee zijden +dreigde den Anachoreten gevaar. Vooreerst van de Ismaëlietische +Saracenen, die uit het oosten op hunne rooftochten de berg- en +oase-bewoners overvielen en plunderden, even snel vluchtende als zij +onverwacht aangrepen. Ten anderen van de Blemmyers, de onbeschaafde +bewoners van de woestijn, die het vruchtbare Egyptische en Nubische +land begrensde, en inzonderheid van de naakte gebergten, die de Roode +zee van het Nijldal scheidden. De laatstgenoemden waren gewoon in +lichte bootjes de zee over te steken, en zich dan als een zwerm +sprinkhanen over den berg te verspreiden. De kleine voorraad en +de weinige noodpenningen, die de onbeschermde kluizenaars in hunne +holen bewaarden, hadden de Blemmyers telkens, en altijd weder gelokt, +ondanks de Romeinsche bezetting van Pharan, die gewoonlijk eerst op +het tooneel der plundering verscheen, als zij reeds lang met hunne +schralen buit gevlucht waren. + +Weinige maanden geleden had er zulk een overval plaats gehad, waarbij +de oude Stephanus door een pijlschot was gewond, en men had allen +grond om te verwachten, dat de wilde roovers niet zoo spoedig zouden +terugkeeren. Phoebicius toch, de bevelhebber van den manipel Romeinsche +soldaten in de oase, was in zijn dienst gewoon scherp en doortastend +te handelen, en gelukte het hem ook al niet de Anachoreten geheel +voor roof te bewaren, hij had toch de bij zijne nadering vluchtende +Blemmyers achtervolgd en hun den weg tot de op hen wachtende booten +afgesneden. Niet ver van de kust, op de woestijnstrook die de zee van +den berg scheidde, kwam het tot een strijd tusschen de Romeinen en de +wilden, die met een geheelen ondergang van de laatsten eindigde, en er +was grond om te hopen, dat zulke ervaringen de zonen der woestijn tot +waarschuwing zouden zijn. Maar had tot hiertoe de licht te onderdrukken +begeerte om te rooven hen over zee gejaagd, thans dwong de heiligste +aller plichten, de wet die hun voorschreef wraak te nemen over het +vergoten bloed van zoovelen hunner vaders en broeders, een nieuwen +aanval te doen, met inspanning van al hunne krachten. + +Zij hadden ditmaal met opzet de grootste voorzichtigheid in acht +genomen, en hunne jonge manschappen verzameld in verborgen dalen +achter de uitgestrekte bergketens langs den oever. In den eersten +donkeren nacht zou de tocht over den smallen zeeboezem, die hen van +het steenachtig schiereiland scheidde, plaats hebben, en toen nu +gisteren bij het ondergaan der zon zware onweerswolken samentrokken, +zich in onstuimige buien ontlastten en het licht der afnemende maan +verduisterden, trokken zij hunne bootjes en vlotten in zee. Zij zouden +de overzijde, den berg en misschien ook de oase bereikt hebben, +zonder door de wachters op den bergtop te zijn opgemerkt, die zich +tijdens het onweder onder hun schutdak hadden teruggetrokken, wanneer +niet iemand de Anachoreten gewaarschuwd had. Die man was Hermas. + +De jongeling had, gehoorzaam aan het bevel van Paulus, drie van diens +goudstukken bij zich gestoken, zich van pijl en boog en wat brood +voorzien, en vervolgens, nadat hij vóor den ingang van het hol zijns +vaders den sluimerende een zachten groet had toegeroepen, zich naar +Raïthoe begeven. Blijmoedig in het gevoel van zijne mannelijke kracht, +trotsch op de moeielijke taak een aanstaand krijgsman waardig, die hem +was opgelegd en die hij dankbaar had aanvaard, om haar te volbrengen, +zij het ook ten koste van zijn leven, snelde hij bij het licht der +maan voort. Waar zich de weg in zigzag kronkelde, om den waarlijk +niet weekelijke woestijnreizigers het stijgen mogelijk te maken, +verliet hij het gebaande pad en klauterde van rots tot rots in eene +rechte lijn op en af. Op vlakke plaatsen joeg hij voort, als zaten hem +gerechtsdienaars op de hielen. Na zonsondergang versterkte hij zich +door iets te nuttigen, snelde daarna weder voort en lette niet op de +hitte van den middag of het mulle zand, waarin zijn voet wegzonk, +terwijl hij de zeekust volgde. Bij dat hartstochtelijk voorwaarts +ijlen dacht hij noch aan Sirona, noch aan zijn verleden, maar alleen +aan de bergen aan gene zijde der zee, aan de Blemmyers, en hoe hij ze +het best bespieden en, wanneer hij hunne plannen had vernomen, wederom +naar zee en tot de zijnen komen zou. Eindelijk, toen zijne vermoeienis +toenam, de middaghitte drukkender werd, het bloed hem sterker naar +het hart drong en sneller aan zijne slapen begon te kloppen, hield +hij geheel en al op te denken, en het eenige wat hem voortdreef was +enkel de wensch, zijn naaste doel zoo spoedig mogelijk te bereiken. + +In de derde namiddagure zag hij van verre de palmen van Raïthoe, en met +nieuwe krachtsinspanning ijlde hij daarheen. Eer de zon onderging, +had hij den hem door Paulus aangewezen Anachoreten medegedeeld, +dat de Alexandrijn hunne uitnoodiging afsloeg en besloten was op den +heiligen berg te blijven. Vervolgens begaf Hermas zich naar de kleine +haven, om met de visschers van de plaats te spreken over eene boot, +die hij noodig had. Terwijl hij met een ouden Amalekietischen bootsman +onderhandelde, die met zijn zwartoogigen zoon netten in orde bracht, +naderden twee ruiters in snellen draf al meer en meer de bocht, waar +een groot vrachtschip voor anker lag, door kleine schuitjes omgeven. + +De visscher wees op het schip en zeide: "Dat wacht op de karavaan +van Petra.--Die daar op de dromedaris zit is de groote keizerlijke +krijgsman, die bevel voert over de Romeinsche bezitting in Pharan." + +Hermas zag Phoebicius hier voor het eerst, en hij verschrikte toen +deze op hem en den visscher aanreed. Ware hij de eerste opwelling +van zijn binnenste gevolgd, dan zou hij zich omgekeerd hebben en op +de vlucht zijn gegaan. Doch reeds had zijn helder oog den matten en +onderzoekenden blik van den centurio ontmoet, en zich schamende over +zichzelven bleef hij staan, sloeg de armen over elkaar en verwachtte +den naderenden Galliër trotsch en onbeschroomd. + +Talib had den jonkman vroeger aan zijns vaders zijde gezien en herkende +hem. Hij vroeg hem dus of hij reeds lang hier was, of regelrecht van +den berg kwam. + +Hermas antwoordde overeenkomstig de waarheid, en wist nu dat +de centurio het niet op hem gemunt had. Op dit punt geheel gerust +gesteld, zag hij den Galliër niet zonder nieuwsgierigheid aan, en er +speelde een lachje om zijn mond, toen hij zag hoe zich die magere, +door den langen en snellen rit afgematte oude man, nauwelijks meer op +zijn beest in evenwicht kon houden, en hij daarbij bedacht, dat deze +armzalige grijsaard de echtgenoot was van de jeugdige levenslustige +Sirona. Wel verre dat hij tegenover dezen man berouw zou gevoelen over +de inbraak in zijn huis, gaf hij gewillig toe aan de overmoedige luim, +die zich van hem meester maakte. Toen Phoebicius zelf hem nu vroeg, +of hij op zijn weg niet eene blonde vrouw met een hinkend hazenwindje +was tegengekomen, gaf hij ten antwoord, terwijl het hem moeite kostte +om niet in lachen uit te barsten: "Wel zeker! Zulk eene vrouw heb ik +gezien, en ook haar hazenwindje! maar ik geloof niet dat het lam was." + +"Waar hebt gij haar aangetroffen?" vroeg Phoebicius haastig. + +Hermas kreeg een kleur, want nu werd hij gedwongen eene onwaarheid +te zeggen, en het zou kunnen zijn, dat hij met een valsch bericht +Sirona benadeelde. Daarom gaf hij geen bepaald antwoord, maar vroeg: +"Heeft die vrouw eene misdaad begaan, dat gij haar vervolgt?" + +"Een zware misdaad," antwoordde Talib. "Zij is de vrouw van dezen heer, +en heeft...." + +"Wat zij misdreven heeft, gaat mij alleen aan," viel Phoebicius zijn +begeleider bits in de rede. "Ik hoop dat die daar beter gezien heeft +dan gij, daar gij die huilende weduwe uit Aïla met haar kind op den +arm, die de karavaan achterna liep, voor Sirona hebt gehouden.--Hoe +heet gij, knaap?" + +"Hermas," antwoordde de aangesprokene. "En wie zijt gij?" + +De Galliër opende den mond tot een heftig antwoord, maar hij hield het +terug en zeide: "Ik ben de centurio des keizers en vraag u hoe de vrouw +er uitzag, die gij gezien hebt, en waar gij haar hebt aangetroffen?" + +De booze blik van den krijgsman en de woorden van zijn geleider +hadden Hermas overtuigd, dat de gevluchte Sirona niets goeds te +verwachten had, als men haar in handen kreeg, en daar hij volstrekt +niet genegen was hare vervolgers de hulpzame hand te bieden, zoo +antwoordde hij spoedig, terwijl hij zijn moedwil den vrijen teugel +liet: "De vrouw die ik ontmoet heb is zeker niet die gij zoekt. Die ik +zag was stellig niet de echtgenoot van dezen man, want zij kon eerder +zijne kleindochter zijn! Zij had blond haar en een blozend gezicht, +en het hazenwindje dat haar volgde noemde zij Jambe." + +"Waar hebt gij haar ontmoet?" schreeuwde de centurio. + +"In het visschersdorp aan den voet van den berg," antwoordde +Hermas. "Zij steeg in een bootje en voer weg." + +"Naar het noorden?" vroeg de Galliër. + +"Ik geloof het wel," antwoordde Hermas, "maar ik weet het niet, +want ik had haast en kon haar niet nakijken." + +"Dan zullen wij beproeven haar in Klysma te vangen," riep Phoebicius +den Amalekiet toe. "Waren er maar paarden in deze verwenschte +woestijn." + +"Vier dagreizen," antwoordde Talib bedenkelijk, "en achter Elim vinden +wij tot aan de Mozes-bron geen water. Ik wil mijn eigen paard met +een dromedaris verwisselen." + +"En al kondet gij harddravers krijgen," viel Hermas hem in de rede, +"dan moogt gij, centurio, u niet te ver van de oase verwijderen, +want aan de overzijde, zegt men, verzamelen zich de Blemmyers, en +ikzelf vaar als verspieder over, zoodra het donker wordt." + +Phoebicius zag, vervuld met sombere gedachten, naar den grond. Ook +tot hem was de tijding gekomen, dat de zonen der woestijn zich gereed +maakten tot een nieuwen strooptocht, en knorrig maar op vasten toon +riep hij den Amalekiet toe, terwijl hij zich van Hermas afkeerde: +"Gij reist alleen naar Klysma en tracht haar te vangen. Ik mag en +kan voor zulk eene ellendige vrouw mijn dienst niet verzuimen." + +Hermas lachte eens vroolijk uit, toen hij de mannen, die zich +verwijderden, in een herberg zag verdwijnen. Alvorens de zee over +te steken legde hij zich in de visschersboot, die hij van den oude +voor een der goudstukken van den Alexandrijn gehuurd had, op de +netten neder, en versterkte zich door eenige uren aaneen vast te +slapen. Bij het opkomen van de maan, werd hij, zooals hij verlangd +had, gewekt, en hielp den knaap, die hem geleiden zou en met zeil +en roer wist om te gaan, het op het zand liggend vaartuig in zee te +trekken. Weldra schoot het, door eene zachte koelte gedreven, over de +gladde glinsterende wateren voort, en Hermas gevoelde zich daarbij zoo +levenslustig en vroolijk te moede, als een jonge adelaar die het nest +verlaat en voor het eerst de krachtige vleugels ontplooit. Hij had in +het ongekend en zalig gevoel zijner vrijheid wel willen juichen, en +de knaap aan het roer schudde verwonderd het hoofd, toen hij Hermas, +wel wat onbeholpen maar toch met stevige slagen, de riemen hanteeren +zag, die hij hem had toevertrouwd. + +"De wind is goed," riep hij den Anachoreet toe, terwijl hij met +het touw, dat hij in de hand hield, het zeil naar de andere zijde +haalde. "Wij komen ook zonder uwe inspanning wel vooruit. Gij kunt +uwe krachten besparen." + +"Ik heb overvloed van kracht en behoef er niet gierig mede te zijn," +antwoordde Hermas en boog zich ver achterwaarts, opnieuw de riemen +stevig aanhalende. + +Halverwege rustte hij uit en zag met welgevallen naar de maanschijf +en den blanken waterspiegel. Onwillekeurig moest hij aan den hof +van Petrus denken, die door hetzelfde zilveren licht beschenen werd, +toen hij Sirona's venster inklom. Het beeld van de schoone vrouw met +hare blanke armen kwam hem voor den geest, en een weemoedig gevoel van +heimwee bekroop hem. Hij slaakte een- en andermaal eene zachte zucht, +maar toen zijne borst zich voor de derde maal smartelijk verhief, +herinnerde hij zich het doel van zijn tocht, bedacht hij dat de ketens +die hem knelden gebroken waren, en in overmoed sloeg hij met de riemen +vlak op het water, zoodat het hoog opvloog, en een regen van helder +flikkerende diamanten over het vaartuig en hemzelven uitstrooide. + +Hij begon op nieuw te roeien en begreep intusschen, dat hij wat +beters te doen had dan aan eene vrouw te denken. Het gelukte hem +ook gemakkelijk Sirona geheel te vergeten, want in de eerstvolgende +dagen wachtten hem alle ervaringen van het krijgsleven. Er waren +nauwelijks twee uren na zijne afvaart van Raïthoe verloopen, toen hij +een ander werelddeel betrad. Zoodra hij eene veilige ligplaats voor +zijne boot had gevonden, sloop hij in het gebergte om de Blemmyers +te beloeren. Reeds op den eersten dag bereikte hij het dal, waarin +zij zich verzamelden. Op den tweeden dag gelukte het hem, nadat hij +meermalen gezien en vervolgd was, een op kondschap uitgezonden krijger +te grijpen en met zich mede te slepen. Hij bond hem stevig en kwam door +allerlei bedreigingen van dezen veel te weten. Het aantal vijanden, +die zich tot een overval gereed maakten, was groot, maar Hermas had +hoop dat hij hun zou kunnen voorkomen, want zijn gevangene verried +hem de plaats, waar zij hunne op het land getrokken booten onder zand +en steenen verborgen hielden. + +Zoodra het donker werd naderde de Anachoreet in zijn vaartuig de plek, +waar de overtocht zou plaats hebben, en toen de Blemmyers in dien +vreeselijken onweersnacht hunne eerste boot in het water trokken, +zeilde Hermas den vijanden vooruit, landde met groot gevaar aan de +westelijke helling van den berg en beklom zoo snel hij kon den Sinaï, +om de Pharanietische wachters op de uitkijkposten te waarschuwen. Vóor +zonsopgang bereikte hij de moeielijk te beklimmen toppen, wekte +de trage verspieders, die hunne posten hadden verlaten, en vloog, +eer deze de wachttorens bestegen, de vanen geheschen en de metalen +bekkens geslagen hadden, afwaarts naar het hol zijns vaders. + +Sedert hij verdween, was Mirjam onafgebroken in de nabijheid gebleven +van Stephanus' spelonk. Elken morgen, middag en avond had zij voor +den ouden man water gehaald, ook nadat die nieuwe, zwaarmoedige en +knorrige verpleger in Paulus' plaats was gekomen. Zij leefde van +wortels en het brood, dat de kranke haar gaf, en legde zich des +nachts in eene haar sedert lang bekende diepe en droge rotsspleet +te slapen neder. Vóor zonsopgang verliet zij hare harde legerstede, +om de kruik van den lijder te vullen en met Stephanus over Hermas +te spreken. Zij bewees den ouden man gaarne een dienst, daar zij +van zijne lippen, zoo vaak zij tot hem kwam, den naam zijns zoons +hoorde. Ook hij verblijdde zich altijd als zij kwam, daar zij hem +steeds gelegenheid gaf om over Hermas te spreken. + +De kranke was sedert vele weken zoo gewend zich te laten verplegen, +dat hij de hulpvaardige bedrijvigheid van de herderin zich liet +welgevallen, als iets dat vanzelf sprak. Doch zij beproefde het nooit +zich rekenschap te geven, om welke reden zij den ouden man diende. Het +zou Stephanus bitter gesmart hebben, wanneer zij was uitgebleven, +en ook voor haar was de gang naar de bron en het spreken met den oude +eene behoefte, ja eene noodzakelijkheid geworden, want zij wist nog +altijd niet of Hermas leefde, dan of Phoebicius hem ingevolge haar +verraad gedood had. Misschien was alles wat Stephanus haar vertelde +van dien overtocht zijns zoons om op kondschap uit te gaan door Paulus +slechts verzonnen, om den kranke te sparen en langzamerhand aan het +verlies van zijn kind te gewennen. Toch wilde zij maar al te gaarne +gelooven dat Hermas leefde, en wanneer zij zich eerst laat in den +avond uit de nabijheid van het hol verwijderde, en reeds vóor de zon +was opgegaan de kruik van den kranke wederom vulde, dan geschiedde +dit alleen omdat zij zich overtuigd hield, dat hij die verdwenen was +bij zijn terugkeer niemand eerder zou opzoeken dan zijn vader. + +Mirjam had geen rustig oogenblik meer, want zoo vaak een vallende +steen, een naderende voetstap, of het geluid van een dier de stilte +der eenzaamheid verstoorde, verborg zij zich en luisterde met een +kloppend hart, en dat niet zoozeer uit vrees voor Petrus, haar meester, +dien zij ontloopen was, dan in de verwachting de voetstappen van den +man te hooren, dien zij in de handen van zijn vijand had geleverd, +en naar wien zij toch dag en nacht met smartelijk heimwee uitzag. Zoo +vaak zij bij de bron vertoefde, maakte zij hare weerspannige haren nat +om ze glad te strijken, en wiesch haar gelaat met zooveel ijver, als +zou het haar gelukken de donkere kleur van haar huid te wrijven. En +dat alles deed zij voor hem, en om hem bij zijn terugkeer zoo goed +te bevallen als die blanke vrouw in de oase, die zij even gloeiend +haatte als zij hem hartstochtelijk lief had. + +Gedurende de onweersbui van den laatsten nacht had eene beek, die +boven van den berg stortte, zich in haar schuilplaats uitgegoten, +en haar van daar verdreven. Doornat, zonder dak, door berouw, angst +en verlangen voortgedreven, was zij van steen tot steen geklommen, +en had nu eens onder deze, dan weder onder gene rots beschutting +en rust gezocht. Daarbij was zij door de lichtschemering aangelokt, +die uit de nieuwe woning van den vromen Paulus te voorschijn kwam, +en had zij den Alexandrijn gezien en herkend. Doch hij had haar niet +opgemerkt, want hij zat naast zijn haard op den grond neergehurkt, +geheel in gedachten verzonken. Zij wist nu waar de verworpeling woonde, +naar wien Stephanus zoo dikwijls had gevraagd. Door weeklachten en +duistere zinspelingen van den kranke was zij te weten gekomen, dat +ook hij door hare vijandin verleid en in het verderf gestort was. + +Toen de morgenster begon te verbleeken, naderde Mirjam, met diepe +droefheid in het hart, en toch niet in staat hare ellende en haar +lijden in tranen uit te weenen, die haar gemoed konden verlichten, +het hol van Stephanus, geheel vervuld van den vurigen wensch daar +neer te zinken en te sterven, om door den dood van de haar rusteloos +voortdrijvende kwellingen verlost te worden. Het was nog te vroeg om +den ouden man in zijn slaap te storen. En toch!--Zij moest een woord, +al ware het ook een hard woord, uit een menschelijken mond hooren, want +het gevoel van verwildering, dat haar geest geheel in de war bracht, +en het bewustzijn harer verlatenheid, dat haar hart zoo benauwde, +martelden haar al te zeer. Reeds stond zij aan den ingang van het hol, +toen zij hoog boven zich steenen hoorde vallen en eene roepstem vernam. + +Zij verschrikte en luisterde roerloos met lang uitgerekten hals en in +de grootste spanning naar boven. Plotseling brak zij in een luiden, in +de verte weerklinkenden jubelkreet los, en stormde met de armen omhoog +den berg op den wandelaar te gemoet, die haastig naar beneden afdaalde. + +"Hermas, Hermas!" juichte zij hem tegen, en in die roepstem +weerspiegelde zich zoo helder en rein de zalige zonneschijn van haar +hart, dat dezelfde snaren weerklonken in de ziel van den jongeling, +en hij ook haar een vroolijk welkom toeriep. + +Zóo had hij haar nog nooit begroet. Even als een frissche dronk, +waarmede eene vriendelijke hand de lippen van een versmachtende nadert, +zoo verkwikte de toon zijner stem haar arm, gemarteld hart. Hare ziel +gevoelde zich zoo rijk in verrukking, zoo vervuld van dankbaarheid als +nooit te voren. Wijl hij zoo goed was jegens haar, gevoelde zij zich +gedrongen hem te toonen, dat ook zij iets had te geven in ruil voor de +gave van welwillendheid, die hij haar aanbood. Daarom was het eerste +wat zij hem zeide: "Ik ben altijd in de nabijheid uws vaders gebleven, +en heb hem vroeg en laat water gebracht, zooveel hij noodig had." + +Zij kreeg een kleur, want het was voor het eerst dat zij zichzelve +prees in zijne tegenwoordigheid. Hermas antwoordde echter: "Dat was +braaf van u gehandeld, en ik zal het u vergelden. Gij zijt een wild, +zonderling schepsel, maar ik geloof dat ieder, wien gij goed gezind +zijt, geheel op u rekenen kan." + +"Neem er de proef van!" riep Mirjam en stak hem de hand toe. + +Hij sloeg toe en zeide, terwijl hij haar met zich voorttrok: "Hoort +gij het bekken? Ik heb de wachters boven gewaarschuwd; de Blemmyers +komen. Is Paulus bij mijn vader?" + +"Neen, maar ik weet waar hij zich ophoudt." + +"Dan moet gij hem roepen," hernam de jongeling. "Hem eerst, en dan +Gelasius en Psoës en Doelas, en wien gij maar van de kluizenaars +vindt. Zij moeten zich allen verzamelen in het kasteel bij den +ijlweg. Ik zal thans mijn vader daarheen brengen. Maak gij echter +voort en toon, dat men u vertrouwen kan." + +Bij de laatste woorden omvatte hij haar midden, maar schuw rukte zij +zich los, en onder den uitroep: "Ik breng de boodschap aan allen," +vloog zij heen. + +Aan den ingang van het hol, waar zij gehoopt had Paulus aan te +treffen, vond zij Sirona. Zij hield zich echter niet bij haar op, maar +vergenoegde zich haar lachend woeste smaadwoorden toe te roepen. Op +het vermoeden dat zij den Alexandrijn bij de naaste bron zou vinden, +ging zij daarheen, riep hem, ijlde verder van hol tot hol, en bracht +overal de boodschap als in den dienst van Hermas en in zijn naam. + + + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Achter den ruwen muur aan den rand der bergkloof, waardoor de ijlweg +liep, waren zij allen vereenigd, die zonderlinge mannen, die het +leven met zijn lief en zijn leed, zijne plichten en zijne vreugde, +die der samenleving en de familie waartoe zij behoorden den rug +toegekeerd en zich in de woestijn teruggetrokken hadden, om daar, +nadat zij vrijwillig afstand hadden gedaan van elk ander streven, al +worstelend te jagen naar een doel, dat verder dan dit leven ligt. In de +zwijgende eenzaamheid, ver van de verleidingen dezer wereld, scheen het +eerder te zullen gelukken alle zinnelijke begeerlijkheden te dooden, +de kluisters van het lichaam te verbreken, en alzoo den door de zonde +en het vleesch aan den stof gebonden mensch nader te brengen tot de +reine en geestelijke godheid. + +Al deze mannen waren christenen, en evenals de Heiland door het +kruis dat hij vrijwillig op zich nam, tot Verlosser was geworden, +zoo zochten ook zij door de reinigende kracht van het lijden zich +te bevrijden van alle bestanddeelen der onreine menschelijke natuur, +en door zware boete het hunne bij te dragen tot uitdelging van hunne +eigene schuld, en die van hun gansche geslacht. Geene vrees voor +vervolging had hen naar de woestijn gedreven, maar de hoop op eene +overwinning, die moeielijker dan eenige andere te behalen was. + +Alle Anachoreten, die zich bij de wachtposten verzameld hadden, +waren Egyptenaars en Syriërs, en vooral onder de eerste bevonden zich +velen, die reeds in den dienst van de oude goden uit hun vaderland +zekere voorliefde hadden getoond voor onthouding en boete, en nu +als christenen zulke plaatsen kozen tot het tooneel hunner vrome +oefeningen, waar de Heer zich aan zijne uitverkorenen geopenbaard +had. Later werd niet alleen de Sinaï maar ook de geheele landstreek +van Petraeïsch Arabië, die, naar men zegt, de joden na hun uittocht +onder aanvoering van Mozes doortrokken, met asceten van dezelfde soort +bevolkt, welke aan de plekken waar zij zich nederzetten de namen gaven +van de in den bijbel voorkomende rustplaatsen, waar het uitverkoren +volk een tijdlang had vertoefd. Doch er was nog geen verband onder de +op zichzelf staande boetelingen; hun leven was nog niet naar zekere +regelen ingericht. Men telde ze nog slechts bij tientallen, ofschoon +hun aantal weldra tot honderden en duizenden zou aangroeien. + +Het dreigend gevaar had al deze verachters van de wereld en het +leven, die het oog onafgebroken op den dood gericht hielden, met +stormachtige drift bij den wachttoren saamgebracht. De oude Kosmas +alleen, die zich met zijne vrouw, die hier gestorven was, op den +Sinaï had teruggetrokken, was in zijn hol gebleven, en verklaarde zijn +lotgenoot Gelasius, die hem drong te vluchten, dat hij te vreden zou +zijn, op welken tijd of van welke plaats de Heer hem ook opriep. Het +lag in Gods hand of de ouderdom dan wel een pijlschot voor hem de +poorten des hemels zou openen. Maar gansch anders dachten de andere +Anachoreten, die door de smalle poort van den wachttoren naar binnen +stormden, totdat het inwendige gedeelte propvol was, zoodat Paulus, +die met het gevaar voor oogen weder geheel tot kalmte was gekomen, een +pas aangekomene den toegang beletten moest, om de dicht opeengepakte +bevende menigte voor onheil te bewaren. + +Geene aanstekelijke ziekte gaat zoo spoedig van het eene dier op het +andere over, geen bederf zoo snel van vrucht op vrucht, als de vrees +van het eene menschenhart op het andere. Zij die door den angst het +meest als met scherpe geeselslagen vervolgd werden, hadden het hardst +geloopen en waren het eerst bij het kasteel aangekomen. Jammerend +en weeklagend hadden zij hen, die later kwamen, ontvangen, en het +was treurig om te zien, hoe die door vrees gefolterde menigte, te +midden van gebeden en hoogdravende verzekeringen, dat zij zich aan +Gods leiding overgaf, de handen wrong, en hoe daarbij ieder in het +bijzonder kinderachtig bezorgd was, om toch zijne kleine bezitting, +die hij gered had, zoowel voor het oog van zijne metgezellen als voor +de hebzucht van den naderenden vijand te verbergen. + +Tegelijk met Paulus verschenen Sergius en Jeremias, wien hij reeds +onderweg moed had ingesproken. Alle drie deden zij hun best om +het vertrouwen der vreesachtigen weder op te wekken, en toen de +Alexandrijn hun herinnerde, hoe ijverig ieder van hen voor eenige +weken had geholpen, om de blokken en steenen op den muur en naar de +helling te wentelen, ten einde ze op den aandringenden vijand neer te +ploffen en te slingeren, begon menigeen overtuigd te worden, dat hij +zich ten aanzien van de verdediging reeds verdienstelijk had gemaakt, +en dat het zijn plicht was haar verder door te zetten. + +Het aantal der mannen, die zich buiten den toren waagde, werd hoe +langer zoo grooter, en toen Hermas, wien Mirjam op den voet volgde, +verscheen, met zijn vader op den rug, en Paulus de hem omringende +metgezellen vermaande, om aan deze daad van kinderlijke liefde een +voorbeeld te nemen, lokte de nieuwsgierigheid ook den laatste, die +nog in den toren was achtergebleven, naar buiten. + +De Alexandrijn sprong over den muur, ging Stephanus te gemoet, liet hem +van de schouders van den hijgenden jongeling op de zijne overklimmen +en droeg hem zoo naar de wachtpost. Maar de oude krijgsman weigerde +de ruimte binnen te gaan, die hem beschermen kon, en bad zijn vriend +hem bij den muur op den grond neder te zetten. Paulus vervulde zijn +wensch en besteeg vervolgens met Hermas de spits van den toren, +om van daar den omtrek te overzien. + +Zoodra hij zich verwijderd had, zeide Stephanus, terwijl hij zich tot +de hem omringende Anachoreten wendde: "Deze steenen staan los en mijne +kracht is gering, maar toch groot genoeg om ze door een stoot naar +beneden te wentelen. Komt het tot een strijd, dan zien mijne oude +soldatenoogen, hoe dof zij ook geworden zijn, met behulp der uwen +toch veel, waarvan gij jongeren partij kunt trekken. Maar voor alle +dingen is noodig, opdat de roovers het niet te gemakkelijk hebben, +dat hier éen het bevel voert en dat de anderen gehoorzamen." + +"Gij, mijn vader," sprak hierop de Syriër Salatiël, "hebt in het +leger des keizers gediend, en bij den laatsten aanval uw moed en uwe +krijgskunst getoond. Wees gij onze bevelhebber!" + +Stephanus schudde treurig het hoofd en antwoordde: "Mijne stem is zwak +en zacht geworden, door de wond hier in de borst en mijne langdurige +ziekte. In het gedruisch van den krijg zouden zelfs zij die vlak bij +mij staan mij niet kunnen hooren. Laat Paulus u aanvoeren, want hij +is sterk, voorzichtig en dapper." + +Vele Anachoreten hadden reeds sedert lang op den Alexandrijn, als +hun besten steun, het oog gericht, want jaren lang had hij aller +achting genoten, en in ontelbare gevallen proeven van kracht en +onverschrokkenheid gegeven, maar bij dezen voorslag zagen zij elkander +verrast, aarzelend en afkeurend aan. + +Stephanus bemerkte wat er bij hen omging en zeide: "Hij heeft zwaar +misdreven, en voor God is hij onder u zeker de laatste der laatsten, +maar in lichaamskracht en in wilden moed is hij uw meerdere. Wie +onder u zou zich in zijne plaats willen stellen, wanneer gij hem als +aanvoerder verwerpt?" + +"Orion van Saïs," riep een der Anachoreten, "is groot en sterk. Als +hij wilde...." + +Maar Orion weigerde bepaald dit gevaarlijk ambt op zich te nemen, +en toen ook Andreas en Jozef het hun opgedragen bevelhebberschap, +niet minder hartstochtelijk afsloegen, zeide Stephanus: "Gij ziet het, +er blijft ons niets over dan den Alexandrijn te verzoeken, zoo lang +de roovers ons bedreigen en niet langer, hier te bevelen. Daar komt +hij. Mag ik het hem vragen?" + +Een toestemmend, zij het ook geen vroolijk gemompel was het antwoord, +dat de oude man ontving. Paulus geheel vervuld van den wensch, om hier +zijn bloed en zijn leven voor de verdediging der zwakken te wagen, +nam, blakende van strijdlust de uitnoodiging van Stephanus aan, als +iets dat vanzelf sprak, en begon zich aan het hoofd te stellen der +radelooze Anachoreten. Dezen zond hij als wachter naar de spits van den +toren, genen gelastte hij steenen aan te dragen, anderen beval hij, +als het gevaar naderde, de steenblokken en stukken rots naar beneden +te slingeren. Hij verzocht de zwakken zich bijeen te scharen en voor +de anderen te bidden en lofliederen te zingen. Voorts maakte hij met +allen afspraken omtrent wenken en teekens. Nu eens was hij hier, +dan weder daar, en zijn ijver en zorg voor alles deelden zich ook +mede aan de moedeloozen. + +Te midden van al deze toebereidselen nam Hermas van hem en zijn vader +afscheid, want hij hoorde de Romeinsche krijgstrompet en den trommel +van de jeugdige manschappen uit Pharan, die langs den ijlweg naar boven +kwamen, om den vijand tegen te trekken. Hij wist waar de hoofdmacht +der Blemmyers stond en deelde dit den centurio Phoebicius en den +bevelhebber der Pharanieten mede. De Galliër deed Hermas eenige korte +vragen. Hij had den jonkman terstond weder herkend, want sedert hij +hem aan de haven van Raïthoe had aangetroffen, kon hij zijne oogen, +die hem aan Glycera herinnerden, niet vergeten. Nadat hij snelle +en bepaalde antwoorden ontvangen had, deelde hij haastig en met +omzichtigheid zijne bevelen uit. + +Een derde deel der Pharanieten zou zijn weg voortzetten, onder +trommelslag en het blazen der trompetten, en wanneer de vijanden +naderden, naar de vlakte onder den wachttoren terugtrekken. Als +de Blemmyers zich daarheen lieten lokken, dan zou een ander derde +deel van de krijgslieden uit de oasen-streek, dat zich gemakkelijk +in een dwarsdal schuil kon houden, hun in de linkerflank vallen, +terwijl Phoebicius met zijn manschap zich zou verbergen achter de +rots waarop de toren zich verhief, om met een onverhoedschen uitval +den slag te beslissen. Het laatste derde deel der Pharanieten kreeg +in last, om onder aanvoering van Hermas, die de plaats kende waar zij +geland waren, de vaartuigen der Blemmyers te vernielen. In het ergste +geval kon de centurio zich met de zijnen in het kasteel terugtrekken, +en zich aldaar verdedigen, tot de soldaten uit de naburige havenplaats, +naar wie men boden had uitgezonden, tot ontzet kwamen opdagen. + +De bevelen van den Galliër werden onverwijld opgevolgd, en Hermas +marcheerde aan de spits van de hem toevertrouwde schare zoo trots en +zich van zijne kracht bewust, als ware hij een keizerlijk veteraan, +die zijn legioen in het veld voert. Hij droeg pijl en boog op den rug, +en een strijdbijl, dien hij in Raïthoe gekocht had, in de hand. + +Mirjam beproefde de door hem aangevoerde krijgers te volgen, doch +hij merkte haar op en riep haar toe: "Op de wacht, kind, bij mijn +vader." En de herderin gehoorzaamde, zonder zich te bedenken. + +De Anachoreten in het kasteel waren allen naar den rand der steilte +gesneld, zagen hoe de strijdmacht verdeeld werd, wenkten en riepen +de soldaten naar beneden toe. Zij hadden gehoopt, dat een deel der +krijgers zich met hen vereenigen zou, om hen te beschermen, maar te +vergeefs, zooals zij spoedig zouden ondervinden. + +Stephanus, wiens zwakke oogen niet reikten tot aan de vlakte aan +den voet der helling, liet zich door Paulus bericht geven van alles +wat daar plaats had, en doorzag, met den scherpzienden blik van een +krijgsman, het plan van den centurio. + +Thans trok de door Hermas aangevoerde bende den wachttoren voorbij, +en de jongeling groette naar boven ziende zijn vader met gebaren en +woorden. Stephanus, wiens oor scherper was gebleven dan zijn oog, +herkende de stem van zijn zoon, en nam, zoo luid hij kon, met teedere +woorden van hem afscheid. + +Paulus vatte de ontboezeming van den grijsaard in een enkelen volzin +samen, en zijne beide handen tot een roeper vereenigd hebbende, riep +hij den ten strijde trekkenden zoon van zijn vriend diens zegewensch +toe. Hermas verstond hem, doch hoezeer die groet hem ook aandeed, +hij beantwoordde hem toch slechts met een zwijgenden wenk. Een vader +vindt eer honderd woorden om te zegenen, dan een zoon een enkel woord +om te danken. + +Toen de jongeling achter den rots verdween, zeide Paulus: "Als een oud +gediende stapte hij daarheen, en de anderen volgden hem als eene kudde +den hamel.--Doch nu! Hoort gij? Ja zeker! Thans is de eerste bende +der Pharanieten slaags. Het krijgsgeschreeuw komt nader en nader." + +"Dan zal alles goed gaan," antwoordde Stephanus opgewekt. "Bijten zij +nu toe en laten zij zich hierheen lokken in de vlakte, dan zijn zij, +denk ik, verloren. Wij kunnen van hier uit het geheele beloop van +den slag overzien. Worden de onzen teruggedrongen, dan zou het licht +kunnen gebeuren, dat zij zich in het kasteel wierpen. Thans mag er +geen kiezelsteen te vergeefs geslingerd worden, want wanneer onze +wachtpost het middelpunt van den strijd wordt, zullen de verdedigers +werpsteenen noodig hebben." + +Deze woorden waren door eenige Anachoreten gehoord, en toen nu het +krijgsgeschreeuw en het rumoer der slag al nader en nader kwam, en de +een aan den ander overbracht, dat hun toevluchtsoord het middelpunt +van den kamp zou worden, verlieten de benauwde boetelingen de hun +door Paulus aangewezene posten, liepen niettegenstaande de strenge +vermaning van den Alexandrijn hierheen en daarheen, en de meesten +voegden zich eindelijk bij de ouden en zwakken, wier lofzangen steeds +klagender werden, hoe meer het gevaar naderde. + +Het luidst jammerde de groote Saïet Orion. Deze riep met opgeheven +handen: "Wat wilt gij van ons armen, o Heer? Toen Mozes uw uitverkoren +volk op deze plaats slechts veertig dagen liet, viel het dadelijk +van u af, en wij, wij brengen ook zonder aanvoerder ons leven door +in uw dienst, en hebben alles prijs gegeven wat het hart verblijdt, +en alle lijden op ons genomen, om u welbehagelijk te zijn! En nu razen +weder die afschuwelijke heidenen rondom ons, en willen ons dooden. Is +dat de prijs van onzen strijd en ons standvastig lijden?" + +De ouderen stemden in met de klacht van den man uit Saïs. Maar Paulus +trad in hun midden, berispte hunne kleinmoedigheid en smeekte hen met +warme, dringende woorden op hunne posten terug te keeren, opdat ten +minste de muur aan de gemakkelijker te beklimmen oostelijke helling +bewaakt mocht blijven, en het kasteel niet als eene licht veroverde +buit in de hand mocht vallen van den vijand, van wien zij geene genade +hadden te verwachten. + +Reeds maakten eenige Anachoreten zich gereed, om de vermaning van den +Alexandrijn te volgen, toen een ontzettend gehuil zich dicht bij den +voet van hun toevluchtsoord hooren liet. Dit was het geschreeuw van +de Blemmyers, die de Pharanieten vervolgden. Vol angst drongen zij +weder op éen hoop te zamen. Toen de Syriër Salatiël, die zich aan +den rand van de helling gewaagd en over den schouder van den ouden +Stephanus in de vlakte gezien had, met de bange kreet: "De onzen +vluchten!" naar zijne metgezellen terugvloog, schreeuwde Gelasius +zoo luid hij kon, terwijl hij zich op de borst sloeg en zijn zwart +krullend hoofdhaar uittrok: "Heere God, wat wilt gij toch van ons? Is +dan het streven naar gerechtigheid en deugd zoo ijdel en vruchteloos, +dat gij ons aan den dood prijs geeft, en niet voor ons tusschenbeide +moogt komen? Wanneer wij tegenover de heidenen het onderspit delven, +dan zal de goddeloosheid en het ruw geweld zich trotsch verheffen +als hadden zij den zege behaald over godsvrucht en waarheid." + +Paulus had zich, buiten zichzelven en radeloos, van de klagenden +afgewend, en ging met Stephanus den loop van den strijd na. De +Blemmyers waren in groote menigte komen opdagen, en hun aanval, +dien de Pharanieten eerst slechts in schijn moesten ontwijken, was +zoo geweldig, dat én deze én de strijdgenooten, die zich met hen +in de vlakte vereenigden, niet in staat waren weerstand te bieden, +en teruggedrongen werden tot dáar waar de kloof van den ijlweg +smaller werd. + +"Het gaat niet, zooals wij gewenscht hadden," zeide Stephanus. "En die +laffe hoop, dat vee," riep Paulus woedend, "laat de muur onverdedigd +en lastert God, in plaats van te waken of te strijden." + +De Anachoreten zagen zijne gebaren, gelijk aan die van een +vertwijfelende. "Verlaat ons dan alles?" riep Sergius uit. "Waarom +ontsteekt het doornbosch zijn vuur niet, om de misdadigers in +zijne vlammen te verteeren? Waarom zwijgt de donder? Waar zijn de +bliksemschichten, die den top van den Sinaï omgaven? Waarom daalt er +geen duisternis neer, om de heidenen te verschrikken? Waarom splijt +de aarde niet, om hen te verslinden als de bende van Kora?" + +"De kracht Gods," riep Doelas "legt de handen in den schoot. In welk +een twijfelachtig licht stelt de Heer niet onze vroomheid, daar hij +zich gedraagt als waren wij alle zorg onwaardig!" + +"Dat zijt gij ook," schreeuwde Paulus, die de laatste woorden vernomen +had, en den kranken Stephanus naar den onbewaakten oostelijken muur +meer droeg dan geleidde. "Dat zijt gij ook, want in plaats van zijne +vijanden te weerstaan, lastert gij God en onteert gij u zelven door +uwe ellendige lafheid. Ziet dezen kranken grijsaard, die zich gereed +maakt om u te verdedigen! Volgt thans zonder te morren mijne bevelen, +of bij het bloed der heilige martelaars, ik sleur u bij de haren en +ooren naar uwe posten, en wil u...." + +Maar hij sprak niet verder, want zijne bedreiging werd door eene +krachtige stem afgebroken, die bij den voet van den muur zijn naam +riep. + +"Dat is Agapitus!" zeide Stephanus. "Breng mij naar den wal en zet +mij daar neder." + +Eer hij den wensch van zijn vriend nog vervuld had, stond de bisschop +in zijne hooge gestalte aan zijne zijde. Agapitus, de Cappadociër, +was in zijne jeugd soldaat geweest. Hij had de grenzen van den +ouderdom ter nauwernood overschreden, en was een waakzaam herder +zijner gemeente. Toen de geheele jongelingschap van Pharan de +Blemmyers tegentrok, had hij geen rust in de oase, en nadat hij de +presbyters en diakenen bevolen had met de vrouwen en achtergeblevene +mannen in de kerk voor de strijders te bidden, was hijzelf, geleid +door een gids en vergezeld van twee acolythen, den berg opgestegen, +om bij den kamp tegenwoordig te zijn. Den anderen priesters en aan +zijne vrouw, die trachtten hem terug te houden, had hij geantwoord: +"Waar de kudde is, daar moet ook de herder zijn!" + +Zonder dat iemand het had gezien of gehoord, was hij tot aan den +muur van het kasteel genaderd en getuige geweest van Paulus' hevige +woorden. Thans stond hij met rollende oogen tegenover den Alexandrijn +en verhief dreigend zijne krachtige hand, terwijl hij hem toeriep: +"Waagt het een uitgebannene zóo tot zijne broeders te spreken? Wil een +handlanger van den Satan den strijders des Heeren bevelen geven? Dat +zou u eene vreugde zijn, wanneer gij met uwe athletische armen den +roem terug kondet winnen, die uwe door zonde en schuld ontzenuwde +ziel heeft verspeeld. Hierheen, mijne vrienden, de Heer is met ons +en zal ons behoeden!" + +Paulus had zwijgend den bisschop laten uitspreken en hief even als de +andere Anachoreten zijne handen op, toen Agapitus in hun midden trad +en een kort haastig gebed uitsprak. Na het 'amen' wees de bisschop +als een veldoverste aan ieder, ook aan de oudsten en zwaksten, zijn +plaats aan bij den muur en achter de werpsteenen, en riep toen met +eene luide stem, die boven alles uit werd gehoord: "Toont heden, +dat gij strijders zijt van den Allerhoogste!" + +Niemand verzette zich tegen hem, en toen zij man voor man op hunne +posten stonden, liep hij naar de helling en volgde opmerkzaam den +slag die onder hem woedde. + +De Pharanieten weerstonden thans met goed gevolg den aanval der +Blemmyers, want Phoebicius had, nadat hij met zijne soldaten uit de +hinderlaag te voorschijn was gekomen, de dichte drommen der zonen +van de woestijn, die kwamen aanstormen, in de flank aangetast en +hen, dood en verderf verspreidende, in twee deelen gescheiden. De +goed uitgeruste en gewapende Romeinen schenen gemakkelijk spel te +hebben met hunne naakte tegenstanders, die zich, nu men handgemeen +was geworden, noch van hunne pijlen, noch van hunne lansen bedienen +konden. Maar de Blemmyers hadden in hunne herhaalde worstelingen met +de keizerlijke troepen geleerd hunne kracht te gebruiken, en zoodra zij +zagen dat zij tegen den aandrang hunner vijanden niet opgewassen waren, +hieven hunne aanvoerders een wonderlijk schril geschreeuw aan. Hunne +gelederen werden verbroken, en als een hoop vederen door een rukwind +aangegrepen, stoven zij in alle richtingen uit elkander. + +Agapitus hield dit wegsnellen der woestijnbewoners voor eene wilde +vlucht, haalde dankbaar weder adem en maakte zich gereed om naar het +slagveld af te dalen en zijne verwondde geloofsgenooten een woord van +troost toe te spreken. Doch hij zou in het kasteel zelf gelegenheid +vinden om zijn vromen plicht uit te oefenen; want de herderin, die hij +reeds bij zijne aankomst had opgemerkt, stond vóor hem en zeide zeer +verlegen, maar toch snel en duidelijk: "De kranke Stephanus dáar, heer +bisschop, die de vader is van Hermas, en voor wien ik water draag, +laat u smeeken bij hem te komen, want zijne wond is opengegaan en +hij meent dat hij sterven zal." + +De bisschop volgde terstond deze roepstem met haastige schreden, +en begroette den kranke, wiens wond door Paulus en de Saïet Orion +reeds verbonden was, met eene vertrouwelijkheid, die hij gewoonlijk +niet aan de overige boetelingen bewees. Hij kende den vroegeren naam +en de lotgevallen van Stephanus reeds lang, en op zijn verlangen +had Hermas zich bij de naar Alexandrië gezondene afgevaardigden +moeten aansluiten. Agapitus toch was van oordeel, dat niemand zich +uit den levensstrijd mocht terugtrekken, alvorens hijzelf daaraan +had deelgenomen. Stephanus reikte hem de hand, de bisschop zette +zich aan zijne zijde neder, gaf den omstanders een wenk, dat zij hen +alleen moesten laten, en luisterde opmerkzaam naar de zacht gesprokene +woorden van den kranke. + +Toen de laatste zweeg, zeide Agapitus: "Ik loof met u den Heer, dat +hij uwe vrouw, die gij verloren waandet, den weg liet vinden die tot +hem voert, en uw zoon zal een flink krijgsman worden, gelijk gijzelf +geweest zijt. Uw aardsche huis is bezorgd, maar hoe zijt gij voor +het andere, het eeuwige voorbereid?" + +"Ik heb achttien jaren geboet en gebeden en groote smarten geleden," +antwoordde de kranke. "De wereld ligt verre achter mij, en ik hoop +het pad te bewandelen, dat ten hemel leidt." + +"Zoo hoop ik ook voor u en uwe ziel," zeide de bisschop. "In de wereld +is uw deel geweest een zwaar kruis te dragen. Hebt gij getracht hun +te vergeven, die u het pijnlijkst lijden hebben aangedaan en kunt +gij bidden: 'Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze +schuldenaren?' Herinnert gij u het woord: 'Want zoo gij den menschen +hunne misslagen vergeeft, zoo zal ook uw hemelsche Vader u vergeven?'" + +"Ik heb Glycera niet enkel vergeven," antwoordde de kranke, "maar haar +ook weder opgenomen in het heiligdom van mijn hart. Den man echter, +die haar schandelijk verleidde, den ellendeling, die, ofschoon ik hem +duizend weldaden bewezen had, mij bedrogen, mijne vrouw gestolen en +onteerd heeft, ook hem wil ik wenschen...." + +"Vergeef hem," hernam Agapitus, "opdat ook u vergeven worde!" + +"Ik beproef reeds sedert achttien jaar den vijand te zegenen," +antwoordde Stephanus, "en wil het verder beproeven...." + +Tot hiertoe had de bisschop zich geheel aan den kranke gewijd. Thans +werd hij echter van verschillende zijden geroepen, en Gelasius, +die met andere Anachoreten aan de helling stond, schreeuwde hem toe: +"Red ons vader, de heidenen klauteren daarboven tegen de rots op." + +Agapitus gaf Stephanus met een gebaar den zegen, en zich omkeerende, +riep hij hem nog eens met hartelijkheid toe: "Vergeef, en de hemel +zal uw deel zijn!" + +In de vlakte lagen vele gewonden en dooden, en de Pharanieten trokken +zich weder in de bergkloof terug. Want de Blemmyers waren niet +gevlucht; zij hadden zich slechts verstrooid en de rotsen beklommen, +die de vlakte omringden. Thans schoten zij van daar met pijlen op +hunne vijanden. + +"Waar zijn de Romeinen?" vroeg Agapitus driftig den Saïet Orion. + +"Zij trekken de kloof in, waardoor de weg hier naar boven leidt," +antwoordde de gevraagde. "Maar zie nu, zie die heidenen! De Heer +zij ons genadig! Zij klimmen daar tegen de helling op, als de specht +tegen een boomstam." + +"De steenen aangegrepen!" riep Agapitus, terwijl zijne oogen vonkelden, +den naast hem staande boetelingen toe. "Hoe staat het daarachter +bij den muur?--Hoort gij dat? Ja! Dat was de Romeinsche tuba. Moed, +broeders, de keizerlijke soldaten beschermen de zwakke zijde van +het kasteel.--Maar hier! Ziet gij daar in de spleet die naakte +gestalten? Hier met dit steenblok. Duw de schouders er krachtig +tegen aan, Orion! Salatiël, nog een ruk! Daar laat hij reeds los, +daar rolt hij naar beneden! Als hij nu daar bij de spleet maar niet +blijft hangen!--Neen! God lof, nu begint hij te vallen.--Dat was een +slag! En nu! Zes vijanden van den Heer zijn in eens verpletterd." + +"Daar boven zie ik drie andere," schreeuwde Orion. "Hierheen, Damianus, +en help mij." + +De geroepene en met hem nog een aantal anderen vlogen toe en de +eerste goede uitslag wekte zoo spoedig en wonderbaar den moed der +Anachoreten weder op, dat het den bisschop zelfs moeielijk viel hun +ijver te beteugelen, en hun aan het verstand te brengen, dat zij de +kostbare steenen wat moesten besparen. + +Terwijl onder leiding van Agapitus de eene steen voor de andere +na werd nedergeworpen op de Blemmyers, die tegen de steile helling +opklauterden, zat Paulus naast den kranke met neergeslagen oogen. + +"Helpt gij hen niet?" vroeg Stephanus. + +"Agapitus heeft gelijk," antwoordde de Alexandrijn. "Ik heb voor +veel te boeten, en de kamp wekt de hartstochten op. Hoezeer dit het +geval is, dat bemerk ik aan de kwelling, die ik gevoel terwijl ik +stilzit. De bisschop gaf u zijn zegen." + +"Ik nader het einddoel," zuchtte Stephanus, "en hij belooft mij den +hemel, wanneer ik hem ook van harte vergeef, die mij mijne vrouw +ontstal. Het zij hem vergeven, alles zij hem vergeven. Alles wat hij +aanvangt moge hem ten goede gedijen, ja zeker niet ten kwade! Voel +maar hoe mijn hart klopt; het zet zich uit, alvorens het geheel en al +ophoudt te slaan. Blaas ik den adem uit, breng dan alles aan Hermas +over wat ik u zeide, en zegen hem duizend- en duizendmaal in mijn naam +en in dien zijner moeder. Zeg hem nooit, neen nooit, dat zij in een +oogenblik van zwakheid den schurk, den man, dien ongelukkige meen ik, +dien ik alles vergeef, gevolgd is. Geef Hermas dezen ring, daarmede +en met den brief, dien gij onder de kruiden van mijne legerstede in +het hol zult vinden, zal hij zich begeven naar zijn oom, die hem zal +opnemen en hem eene plaats bij het leger bezorgen, zooals hem toekomt, +want mijn broeder staat in aanzien bij den keizer.--Hoor eens hoe +Agapitus de onzen aanmoedigt! Zij strijden daar dapper. Dat was de +Romeinsche tuba. Let op, thans zal de bende het kasteel bezetten +en van hier uit de heidenen beschieten. Breng mij in den toren als +zij komen. Ik ben zwak; ik wil nou eens al mijne innerlijke krachten +verzamelen en bidden, opdat ik kracht vinde den man niet alleen met +de lippen te vergeven." + +"Daar beneden, zie, daar komen de Romeinen," viel Paulus den kranke in +de rede. Vervolgens schreeuwde hij naar beneden: "Hier op, hier! Verder +links zijn de trappen!" + +"Daar zijn wij," antwoordde een barsche stem. "Mannen, blijft hier op +den voorsprong staan en houdt het kasteel in het oog. Dreigt u gevaar, +waarschuwt mij dan met de trompet. Ik klim naar boven; dáar van de +torenspits zal men kunnen zien hoever die honden gekomen zijn." + +Onder het spreken dezer woorden had Stephanus opmerkzaam zitten +luisteren. Toen de Galliër weinige oogenblikken later den muur beklom, +en naar binnen in het kasteel riep: "Is hier niemand die mij de +hand reikt?" riep de kranke Paulus en zeide tot hem: "Til mij op en +ondersteun mij, spoedig!" + +Met eene vlugheid, die den Alexandrijn in verbazing bracht, richtte +Stephanus zich op, boog zich over den muur naar den centurio, die juist +aan de andere zijde was aangekomen, zag hem met de grootste spanning +in het aangezicht, huiverde en reikte hem, terwijl hij alle krachten +inspande om zich te bedwingen, de magere hand om hem te steunen. + +"Servianus!" riep de centurio, wien deze ontmoeting op deze plaats +hevig verschrikte, en die, niet wetende hoe zich te houden, nu eens +den grijsaard, dan weder Paulus aanstaarde. + +Geen hunner kon woorden vinden om zijn gevoel uit te spreken. Doch +Stephanus' oogen hingen aan het gelaat van den Galliër, en hoe +langer hij hem aanzag, des te holler werden zijne eigene wangen, +des te bleeker zijne lippen. Daarbij strekte hij nog altijd zijne +hand naar den ander uit, misschien als teeken dat hij hem vergaf. Zoo +verliepen eenige pijnlijke oogenblikken. + +Eindelijk begon Phoebicius te begrijpen, dat hij in dienst des +keizers den muur had beklommen, en in ontevredenheid over zichzelven +stampvoetende, greep hij haastig de hand van den grijsaard. Nauwelijks +echter gevoelde deze, dat de vingers van den Galliër de zijne +aanraakten, of als door den bliksem getroffen kromp hij ineen, en +met een heeschen kreet wierp hij zich op zijn doodvijand, die aan +den rand van den muur stond. + +Paulus zag vol ontzetting dit ijselijk schouwspel aan, en riep +dringend met luider stem: "Laat hem los, vergeef hem, opdat de hemel +ook u vergeve!" + +"Wat hemel, wat vergeving!" schreeuwde de oude man. "Hij zij verdoemd!" + +Eer de Alexandrijn het verhinderen kon, begonnen de waggelende +rotsblokken, waarop de beide vijanden steunend met elkander worstelden, +los te raken, en beiden stortten met de vallende steenen in den +afgrond. + +Paulus zuchtte uit de diepste diepte van zijn borst, en prevelde, +terwijl heete tranen langs zijne wangen rolden: "Ook hij heeft +gestreden, en ook hij heeft te vergeefs geworsteld." + + + + + + + +EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +De kamp was geëindigd en de zon, die achter den heiligen berg +onderging, had de lijken van vele Blemmyers beschenen. Thans vonkelden +de sterren aan den reinen hemel over de oase. Uit de kerk weerklonken +lofgezangen, en in hare nabijheid, onder aan den heuvel waartegen +zij was aangebouwd, brandden fakkels, die met haar roodachtig licht +eene rij van lijkbaren beschenen, waarop onder groene palmtakken de +in den strijd tegen de heidenen gevallen dapperen lagen. + +Thans zweeg het lofgezang, de deuren van het godshuis werden geopend, +en Agapitus ging de zijnen vóor naar de gestorvenen. Zonder een woord +te spreken schaarde de gemeente zich in een halven cirkel rondom hare +zwijgende broeders, luisterend naar den zegen, die haar herder over +de edele offers uitsprak, die hun bloed hadden vergoten in den strijd +tegen de heidenen. + +Na het 'amen' voegden zij, die zijne naaste bloedverwanten waren +geweest, zich bij elken doode, en menige traan uit het oog eener +moeder of eener echtgenoote viel in het zand, menige zucht uit de +borst eens vaders hief zich ten hemel. + +Naast de baar waarop de oude Stephanus lag stond eene andere +kleinere. Hermas knielde tusschen deze twee en weende. Thans hief hij +het hoofd op, want eene diepe doch vriendelijke stem had hem bij zijn +naam geroepen. + +"Petrus," zeide de jongeling, en vatte de hand die de senator hem +bood. "Hoe gevoelde ik mij gedrongen de wijde wereld in te gaan en +mijn vader te verlaten! En nu hij voor altijd van mij gescheiden is, +hoe gaarne zou ik mij door hem terug laten houden!" + +"Hij is in den strijd voor de zijnen een schoonen dood gestorven," +zeide de senator terstond. + +"Paulus was bij hem toen hij viel," antwoordde Hermas. "Bij de +verdediging van het kasteel is mijn vader van den muur gestort. Maar +zie hier, dit meisje, dit arme kind, dat uwe geiten heeft gehoed, +zij is als eene heldin gestorven. Arme, wilde Mirjam, hoe goed zou +ik voor u zijn, als gij nog leefdet!" + +Hermas streelde bij deze woorden den arm der herderin, drukte een +zachte kus op haar kleine koude hand, en vouwde die voorzichtig met +de andere op haar borst te zamen. + +"Hoe kwam het meisje bij den strijd der mannen?" vroeg Petrus.--"Maar +dat kunt ge mij in mijn huis vertellen. Wees daar onze gast, zoolang +het u lust, en totdat gij de wereld ingaat. Wij allen zijn u dank +schuldig." + +Hermas bloosde, en wees met bescheidenheid den lof af, die hem, den +redder der oase, overvloedig van alle zijden ten deel viel. Toen de +klaagvrouwen verschenen, knielde hij nog eens bij het hoofd zijns +vaders neder, zag voor het laatst met innige liefde naar Mirjam's +strak gelaat, en volgde toen zijn gastheer. + +De man en de jongeling betraden te zamen den hof. Hermas zag +onwillekeurig naar het venster op, waaraan hij Sirona meer dan eens +had zien zitten, en zeide, op het huis van den centurio wijzende: +"Ook hij is gebleven." + +Petrus gaf een teeken van toestemming en opende de deur van zijn huis. + +In de verlichte voorzaal trad vrouw Dorothea hun te gemoet en vroeg +dadelijk: "Nog niets van Polycarpus?" + +Haar echtgenoot schudde ontkennend het hoofd. Zij zeide echter: "Hoe +zou het ook mogelijk zijn! Hij zal op zijn vroegst uit Klysma of wel +eerst uit Alexandrië schrijven." + +"Dat geloof ik ook," antwoordde Petrus en zag daarbij naar den +grond. Vervolgens wendde hij zich tot Hermas en leidde hem naar zijne +echtgenoote. Dorothea ontving den jongeling met warme deelneming. Zij +had gehoord dat zijn vader gevallen was, en hoe dapper hijzelf zich +gedragen had. + +De avondmaaltijd stond gereed en Hermas werd uitgenoodigd daaraan deel +te nemen. De vrouw des huizes gaf hare dochter een wenk om voor den +gast te zorgen. Petrus hield Marthana echter terug en zeide: "Hermas +kan de plaats van Antonius innemen. Hij heeft nog met eenigen van de +arbeiders te doen. Waar blijft Jethro met de huisslaven?" + +"Zij hebben reeds gegeten," zeide Dorothea. + +Beide echtgenooten zagen elkander aan, en Petrus zeide met een +weemoedig lachje: "Ik denk dat zij op den berg zijn." + +Dorothea pinkte een traan uit het oog en antwoordde: "Zij zullen daar +Antonius zeker ontmoeten. Als zij Polycarpus eens vonden! En toch, +zeker, ik zeg het niet alleen om u te troosten, het waarschijnlijkste +is, dat hij niet in de bergkloven verongelukt maar naar Alexandrië +gegaan is, om de herinneringen te ontvluchten, die hem hier overal +op de hielen zaten.--Ging de deur daar niet open?" + +Zij stond haastig op, keek met Petrus, die haar gevolgd was, in den +hof en zeide, zich tot Marthana wendende, die, terwijl zij Hermas +vleesch en brood aanbood, hare ouders had nagezien, met een diepen +zucht: "Het was de slaaf Anubis maar." + +Een tijd lang heerschte er eene pijnlijke stilte aan de groote tafel +die heden zoo slecht bezet was. Eindelijk richtte Petrus zich tot +zijn gast en zeide: "Gij wildet vertellen hoe de herderin Mirjam in +den strijd, om het leven is gekomen. Zij was ons huis ontvloden...." + +"Naar den berg," vulde Hermas aan, "is zij gegaan. Daar heeft zij +mijn armen vader als eene dochter verpleegd en van water voorzien." + +"Ziet gij wel, moeder," haastte Marthana zich te zeggen, "zij is niet +slecht geweest; dat heb ik altijd wel gezegd." + +"Heden morgen," ging Hermas voort, terwijl hij de dochter treurig +een teeken van toestemming gaf, "heden morgen volgde zij mijn vader +naar het kasteel. Zoodra deze van de muur was gevallen, dus vertelde +mij Paulus, is zij weggevlogen, doch alleen om mij te zoeken en de +droevige tijding aan mij over te brengen. Wij kennen elkander reeds +lang, want sedert jaren drenkte zij uwe geiten bij onze bron. Toen +ik nog een knaap en zij een klein meisje was, luisterde zij uren +lang naar mij, wanneer ik op mijne herdersfluit de liederen blies, +die Paulus mij geleerd had. Zoolang ik speelde was zij dood stil; +wanneer ik echter ophield, verlangde zij meer en altijd meer te hooren, +tot het mij verveelde en ik wilde heengaan. Dan kon zij zeer boos +worden, en wanneer ik haar zin niet deed mij met leelijke woorden +schelden. Maar zij kwam altijd terug, en daar zij de eenige was, +die naar mij luisteren kon, zoo was het mij niet onverschillig, dat +zij aan onze bron boven de andere de voorkeur gaf. Toen zij grooter +werd begon ik bang voor haar te worden, want zij kon zulke goddelooze +dingen zeggen, en zij is ook als heidin gestorven. Paulus, die ons +eens beluisterde, waarschuwde mij voor haar, en daar ik sedert lang de +fluit had weggeworpen en met mijn boog het wild naliep, zoo dikwijls +vader mij dit vergunde, bleef ik altijd korter bij haar, als ik naar +de bron ging om water te scheppen. Wij vervreemdden meer en meer +van elkander, en ik kon recht hard jegens haar zijn. Eens slechts, +nadat ik uit de hoofdstad teruggekomen was, heb ik eene ontmoeting +met haar gehad,--maar dat vertel ik u niet. Het arme kind was tegen +wil en dank slavin, en zeker heeft zij in het huis van een vrije het +levenslicht aanschouwd. + +"Zij is goed jegens mij geweest, meer nog dan eene zuster voor een +broeder, en toen mijn vader dood was, heeft zij zeker gemeend, +dat ik dit uit geen andere mond dan de hare mocht vernemen. Zij +had gezien waar ik met de Pharanieten heen getrokken was, volgde en +vond mij ook weldra, want zij had oogen als eene gazelle en ooren +als een beangstigde vogel. Ditmaal was het niet moeielijk mij te +vinden, want toen zij mij zocht, streden wij in de groene kloof, +die van den berg naar de zee voert met de Blemmyers, die van woede +brulden als roofdieren; want voordat wij de zeekust konden bereiken, +hadden de visschers beneden in het vlek hunne booten, die zij onder +zand en steenen verborgen hadden, ontdekt, opgegraven en binnen +hunne haven gehaald. De knaap uit Raïthoe, die mij geleidde, had ze +op mijn bevel in het oog gehouden, en de visschers gebracht op de +plaats waar ze verstopt waren. De wachters, die zij bij de booten +hadden achtergelaten, waren gevlucht en hadden hunne broeders die +bij het kasteel vochten bereikt, van welke toen minstens twee honderd +naar zee gezonden werden, om de vaartuigen weder te heroveren en de +visschers te straffen. Deze bende overviel ons in de groene kloof en +zoo kwam het tot een gevecht. + +De Blemmyers waren veel meer in aantal dan wij en omgaven ons weldra +van voren en van achteren, aan de linker- en aan de rechterzijde. Want +als steenbokken springen en klauteren zij van rots op rots, en +schieten dan uit de hoogte met hunne rieten pijlen. Drie of vier +waren op mij gericht, en éen vloog door mijn haar en bleef met de +veeren aan het eind van den steel daarin hangen. Hoe het beloop van +den strijd verder is geweest, weet ik niet te vertellen, want het +bloed steeg mij naar het hoofd. Ik herinner mij alleen nog dat ik +als een razende hijgde en schreeuwde, en nu hier dan daar met een der +heidenen worstelde, en meer dan eens mijn bijl ophief om een schedel +te kloven. Daartusschen zag ik een deel der onzen vluchten, die ik met +grimmige woorden terugriep. Zij keerden zich om en volgden mij weder. + +"Op eens, midden in het gevecht, zag ik ook Mirjam, die doodsbleek +en bevend zich aan eene rots hield vastgeklemd en den strijd +aanzag. Ik riep haar toe dat zij die plaats verlaten en tot mijn +vader terugkeeren zou; maar zij bleef staan, schudde het hoofd met +een gebaar, ja met een gebaar zoo vol medelijden en zoo smartelijk, +dat ik het nooit vergeten zal. Zij beduidde mij met handen en oogen, +dat mijn vader dood was. En ik begreep haar; ik wist nu ten minste, +dat er een verschrikkelijk ongeluk was gebeurd. Doch ik had geen tijd +om na te denken, want eer ik door haar mond tot zekerheid kon komen, +greep een aanvoerder der heidenen mij aan, en het kwam onder Mirjam's +oogen tot eene vreeselijke worsteling. + +"Mijne tegenpartij was sterk, maar ik toonde het meisje, dat mij +dikwijls, omdat ik mijn vader in alles gehoorzaamde, voor een +bloodaard had gescholden, dat ik voor niemand uit den weg behoefde +te gaan. Ik had het niet kunnen verdragen onder haar oog te moeten +zwichten. Daarom deed ik ook den heiden in het stof bijten en velde +hem met mijn bijl. Ik vermoedde slechts dat zij in mijne onmiddellijke +nabijheid was, doch in de hitte van den strijd zag ik niemand anders +dan mijne tegenpartij. Plotseling hoorde ik echter voor mij een luiden +gil, en vlak in mijne nabijheid zeeg Mirjam bloedend in elkaar. Een +Blemmyer was, terwijl ik de knie had gezet op zijn krijgsbroeder, +naar mij toe geslopen, en had op weinige passen van mij af, zijne +lans naar mij geslingerd. Maar Mirjam.... Mirjam...." + +"Zij heeft u gered, met haar eigen leven ten offer te brengen," vulde +Petrus het verhaal van den jongeling aan, wien, bij de herinnering +aan het gebeurde, de stem begaf en de oogen vol tranen schoten. + +Hermas knikte toestemmend met het hoofd en zeide toen zacht: "Zij +hield hare armen hoog uitgestrekt en riep mij bij den naam, toen de +lans haar trof. De oudste zoon van Obedianus nam wraak op den heiden, +die dit gedaan had; maar ik ondersteunde haar, terwijl zij stervend +ineen zeeg, en nam haar lokkig hoofd in mijn schoot en sprak haar naam +uit. Toen sloeg zij nog eens de oogen op en noemde mijn naam zacht +en op een onuitsprekelijk vriendelijken toon. Eene vreeselijke smart +greep mij aan, en ik moest hare oogen kussen en haar mond. Daarna +heeft zij mij nog eens met groote oogen lang en gelukkig aangezien, +en toen is zij gestorven." + +"Zij was eene heidin," zeide Dorothea, terwijl zij hare oogen +afdroogde, maar nu zij zóó gestorven is, zal haar door den Heer veel +vergeven worden." + +"Ik heb haar lief," zeide Marthana, "en wil mijne schoonste bloemen +op haar graf leggen. Mag ik ook van uwe bloeiende mirten een takje +snijden voor den krans?" + +"Morgen, morgen, mijn kind," antwoordde Dorothea. "Ga thans slapen, +want het is zeer laat." + +"Laat mij nog blijven," smeekte het meisje, "tot Antonius en Jethro +terug zijn." + +"Ik zou u gaarne helpen uw zoon te zoeken," zeide Hermas, "en wanneer +gij wilt, ga ik naar Raïthoe en Klysma, om daar navraag te doen bij +de visschers.--Maar heeft," en de jonge krijgsman keek bij deze vraag +verlegen voor zich, "heeft de centurio zijne ontvluchte vrouw, die +hij met den Amalekiet Talib vervolgde, vóor zijn dood wedergevonden?" + +"Sirona is nog altijd verdwenen," antwoordde Petrus. "En misschien..., +maar gij hebt zoo straks den naam van Paulus genoemd, die zoozeer +met uw vader en u bevriend was. Weet gij dat hij het geweest is, +die zoo schaamteloos den huiselijken vrede van den centurio verbrak?" + +"Paulus?" riep Hermas. "Hoe kunt gij dat gelooven?" + +"Phoebicius heeft zijn schaapsvel bij zijne vrouw gevonden," antwoordde +Petrus ernstig. "De onbeschaamde Alexandrijn erkende onder onze oogen, +dat het van hem was, en liet zich door den Galliër bestraffen. Hij +heeft dien schandelijken daad gepleegd in denzelfden nacht, waarin +gij op kondschap werdt uitgezonden." + +"En Phoebicius geeselde hem!" riep Hermas buiten zichzelven. "En +die arme man heeft deze smaad en deze berisping en alles geduldig +verdragen, verdragen om mijnentwil! Nu begrijp ik wat hij bedoeld +heeft. Ik heb hem na den slag ontmoet en hij vertelde mij, dat mijn +vader gestorven was. Toen hij zich van mij scheidde, zeide hij, +dat hij de grootste was van alle zondaren, en dat ik alles in de +oase zou hooren. Maar ik weet het beter; hij is grootmoedig en goed, +en ik duld niet dat men hem om mijnentwil smaadt en lastert." + +Hermas was bij deze woorden opgesprongen, en toen hij de verbaasde +blik van zijnen gastheer zag, beproefde hij zich te beheerschen en +zeide: "Paulus heeft Sirona nooit gezien, en ik herhaal het: wanneer +iemand zich beroemen mag goed rein en geheel zonder schuld te zijn, +dan is hij het. Om mijnentwil, om mij voor straf, en mijn vader voor +verdriet te bewaren, heeft hij een schuld bekend, die hij nooit begaan +heeft. Daaraan herken ik hem, den trouwen, braven vriend. Maar geen +oogenblik langer mag deze schandelijke verdenking, deze smet op zijn +naam rusten."-- + +"Gij spreekt tot een bejaard man," zeide Petrus, opeens de heftige +woorden van den jongeling afbrekende. "Uw vriend bekende met zijn +eigen mond...." + +"Dan heeft hij uit waarachtige goedheid gelogen," haastte Hermas zich +den senator te antwoorden. "Het schaapsvel dat de Galliër vond is +het mijne. Ik was, terwijl haar man aan Mithras offerde, naar Sirona +gegaan, om wijn voor mijn vader te halen, en zij vergunde mij bij die +gelegenheid de wapenrusting van den centurio aan te passen. Toen hij nu +onverwacht te huis kwam, sprong ik op straat en vergat die ongelukkige +vacht. Op mijn vlucht kwam ik Paulus tegen, die zeide dat hij alles +in orde zou brengen, en mij wegzond, om zich daarna in mijne plaats te +stellen en mijn vader groot leed te besparen. Zie mij maar bestraffend +aan, vrouw Dorothea, want in dwaze lichtzinnigheid ben ik dien nacht +hij de Gallische binnengeslopen. Maar bij de gedachtenis mijns vaders, +die de hemel mij heden ontnam, zweer ik, dat Sirona met mij als met een +kinderachtigen jongen gespeeld heeft, en dat zij mij zelfs verboden +heeft hare mooie goudgele haren met de lippen te naderen. Zoo waar +ik hoop een krijgsman te worden, en zoo zeker de ziel mijns vaders +verneemt wat ik zeg: de schuld die Paulus op zich nam, werd in het +geheel nooit begaan, en wanneer gij Sirona veroordeeld hebt, zoo hebt +ge haar onrecht aangedaan, want noch voor mij en nog veel minder voor +Paulus heeft zij ooit de trouw jegens haar echtgenoot verbroken!" + +Dorothea en Petrus wisselden veelbeteekenende blikken. "Waarom," zeide +de eerste, "moesten wij dit uit den mond van een vreemde vernemen? Het +klinkt zoo zonderling en is toch zoo eenvoudig! Ja, man, het zou beter +voor ons geweest zijn, indien wij zoo iets hadden vermoed, dan aan +Sirona te twijfelen. In het eerst kwam het mij zelven onmogelijk voor, +dat die schoone vrouw, op wie gansch andere lieden het oog sloegen, +voor zulk een zonderlingen lediglooper...." + +"Welk een groot onrecht hebben wij dien armen man aangedaan!" zeide +Petrus. "Als hij zich beroemd had op eene edele daad, waarlijk, +wij zouden minder spoedig bereid zijn geweest hem te gelooven." + +"Daarvoor boeten wij zwaar," zuchtte Dorothea, "en mij bloedt het +hart. Waarom hebt gij u niet tot ons gewend, Hermas, toen gij wijn +noodig hadt? Hoeveel leed zou daardoor voorkomen zijn!" + +De jongeling zag voor zich en zweeg. Weldra herstelde hij zich echter +en zeide levendig: "Laat mij gaan om den armen Paulus op te zoeken. Ik +ben u dankbaar voor uwe goedheid, maar ik kan het hier niet langer +uithouden; ik moet den berg op!" + +De senator en zijne vrouw hielden hem niet terug, en toen de deur van +den hof zich achter hem gesloten had, werd het zeer stil in Petrus' +woonvertrek. Dorothea zette zich achterover in haren stoel en keek voor +zich, terwijl menige traan haar langs de wangen rolde. Marthana hield +hare hand vast en streelde haar zacht. De senator was aan het venster +gaan staan en keek, diep adem halende, in den donkeren hof. Als een +loodzware last drukte de kommer op zijn hart. Alles zweeg in het ruime +vertrek; alleen drong nu en dan uit den kring der klaagvrouwen, die +de gevallene Pharanieten omringden, een luide, langgerekte jammerkreet +door de stille nachtlucht tot het geopende venster door. Het was eene +bange ure, rijk aan sombere en ijdele zelfbeschuldigingen, zorgen en +stille gebeden, en arm aan hoop en troost. + +Thans zuchtte Petrus smartelijk en Dorothea stond op, om naar haar +echtgenoot te gaan, en hem met een hartelijk opwekkend woord toe +te spreken. + +Daar sloegen opeens de honden in den hof aan, en de beangstigde +vader zeide zacht, met een beklemd hart en op het ergste voorbereid: +"Misschien zijn zij het?" + +De diakones drukte hem de hand, maar liep weg toen zich een zacht +geklop aan de deur van den hof liet hooren. + +"Jethro en Antonius zijn het niet," zeide Petrus. "Zij hebben den +sleutel." + +Marthana was naar hem toegegaan, sloot zich dicht bij hem aan, +terwijl hij zich ver uit het venster boog en den kloppende toeriep: +"Wie klopt daar?" + +De honden blaften zoo luide, dat noch de senator, noch de vrouwen +het antwoord, dat scheen gevolgd te zijn, konden verstaan. + +"Hoor Argus eens," zeide Dorothea. "Zoo huilt de hond alleen, wanneer +gij te huis komt of een onzer, of wanneer hij blijde is." + +Petrus legde den vinger op de lippen. Er weerklonk een luid en schril +gefluit: en toen de honden, dit bevel gehoorzamende, zwegen, riep +hij wederom: "Wie gij ook zijn moogt, roep luide uw naam, opdat ik +u open doe!" + +Het antwoord liet zich eenige oogenblikken wachten, en reeds wilde de +senator zijne vraag herhalen, toen eene teedere stem voor de poort +aarzelend naar boven riep: "Ik ben het, Petrus, ik, de ontvluchte +Sirona." + +Nauwelijks hadden deze woorden de stilte van den nacht afgebroken, +of Marthana rukte zich los van haar vader, die zijne hand op haar +schouder had gelegd, vloog de deur uit, de trappen af naar de poort. + +"Sirona, arme lieve Sirona," riep het meisje, terwijl zij den grendel +wegschoof. Zoodra zij de deur geopend had en de Gallische binnen +den hof gekomen was, vloog zij haar om den hals, kuste en streelde +haar, als ware zij eene verlorene en wedergevondene zuster. Daarna +greep zij hare hand, zonder haar aan het woord te laten komen, en +trok Sirona, hoewel deze zacht weerstand bood, terwijl zij haar met +allerlei vleiende woorden toesprak, met zich mede de trappen op naar +het woonvertrek. + +Petrus en Dorothea traden haar aan den drempel te gemoet. De laatste +drukte haar aan het hart, kuste haar op het voorhoofd en zeide: +"Gij arme vrouw; wij weten dat wij u onrecht hebben gedaan en willen +trachten het goed te maken." + +Ook de senator was naar haar toe gegaan, had haar hand gegrepen, +en voegde warm doch ernstig zijn groet bij dien zijner gade. Want +hij wist niet of zij reeds kennis droeg van den dood harer echtgenoot. + +Sirona kon geen woorden vinden om te antwoorden. Toen zij den berg +afsteeg en in het donker dwaalde, had zij verwacht als eene verworpene +uitgestooten te zullen worden. Hare sandalen waren door de scherpe +rotsen geheel in stukken gesneden, en hingen in flarden aan hare +bloedende voeten. De nachtwind had hare schoone haren verward, en +haar wit bovengewaad geleek een gescheurd bedelaarskleed, want zij +had er stukken afgetrokken om Polycarpus' wond te verbinden. + +Reeds eenige uren geleden had zij den jonkman, dien zij verpleegde, +verlaten, met angst voor hem en bezorgdheid voor de harde ontvangst +zijner ouders in het hart. Hoe beefde haar hand uit vrees voor Petrus +en Dorothea, toen zij den ijzeren klopper op de deur van den senator +vallen liet. En thans, thans openden zich voor haar de armen van +een vader en van eene moeder, en eene zuster riep haar weder een +vriendelijk welkom toe. Eene grenzelooze aandoening, eene oneindige +dankbaarheid vervulden haar gemoed, en luid weenende drukte zij de +gevouwen handen op hare borst. Doch maar weinige oogenblikken gaf +zij zich over aan het genot van dit zalig gevoel, want zij kon zich +geen geluk denken zonder Polycarpus, en om zijnentwil had zij den +gevaarvollen tocht bij nacht ondernomen. + +Marthana was haar weder met teederheid genaderd, doch zij wees haar +vriendelijk af en zeide: "Nu niet, meisjelief! Ik heb reeds een uur +verloren, toen ik in de kloven verdwaalde. Maak u gereed, Petrus, +mij dadelijk weder op den berg te volgen, want--schrik toch niet +Dorothea. Paulus heeft gezegd, dat het grootste gevaar voorbij is, +en wanneer Polycarpus...." + +"Om Gods wil, weet gij waar hij is?" riep Dorothea, terwijl het +bloed haar naar het aangezicht steeg. Doch Petrus verbleekte en zijne +vrouw in de rede vallende, vroeg hij in ademlooze spanning: "Waar is +Polycarpus, en wat is er met hem gebeurd?" + +"Bereidt er u op voor, iets treurigs te vernemen," antwoordde Sirona, +en zag daarbij de echtgenooten angstig en droevig aan als bad zij om +eene verontschuldiging voor de slechte tijding, die zij gedwongen was +hun over te brengen. "Polycarpus is op een harden steen gevallen, +en heeft zich daarbij het hoofd verwond. Paulus bracht hem heden +morgen, alvorens hij tegen de Blemmyers uittrok, bij mij, om hem te +verplegen. Ik heb zijne wond zorgvuldig koel gehouden, en tegen den +middag sloeg hij de oogen op, herkende mij weder en zeide ook, dat gij +over hem bezorgd zoudt zijn. Na zonsondergang sliep hij in, doch hij +is niet geheel vrij van koorts, en zoodra Paulus terugkeerde, maakte +ik mij gereed om u gerust te gaan stellen en u te verzoeken mij een +verkoelende drank te geven. Want ik ga terstond weder naar hem terug." + +In den weeken toon van Sirona's stem klonk bij dit verhaal diep +medelijden. Terwijl zij de ouders mededeelde, wat hun zoon wedervaren +was, welden er tranen in hare oogen. Petrus en Dorothea luisterden +naar haar als naar een zanger, die in treurgewaad op eene omfloerste +harp een lied zingt van hoop en wederzien. + +"Spoedig, spoedig, Marthana!" riep Dorothea levendig en met vonkelende +oogen, eer Sirona haar verhaal nog geëindigd had. "Geef dadelijk de +mand hier met de zwachtels. Ik zal den koortsdrank zelf mengen." + +Petrus was den Gallische genaderd en vroeg haar zacht: "Is het +werkelijk niet erger dan gij het daar voorstelt? Hij leeft en +Paulus...." + +"Paulus zegt," vulde Sirona aan, "dat de zieke bij eene goede +verpleging in weinige weken genezen zal zijn." + +"En kunt gij mij tot hem brengen?" + +"O, ik," riep de Gallische, en sloeg zich met de hand voor het +voorhoofd. "Het zal mij zeker niet gelukken den weg terug te vinden, +want ik heb geen enkel merkteeken gezien. Doch wacht, vóor ons heeft +een kluizenaar uit Memphis, die voor weinige weken gestorven is...." + +"De oude Serapion?" vroeg de senator. + +"Zoo heet hij!" riep Sirona. "Weet gij zijn hol?" + +"Hoe zou ik het weten?" antwoordde Petrus. "Maar misschien kan +Agapitus...." + +"De bron, waaruit ik het water schepte om Polycarpus' wond af te +koelen, noemde Paulus de patrijzenbron." + +"De patrijzenbron," herhaalde de senator, "die ken ik!" Na eene diepe +ademhaling nam hij zijn staf en riep Dorothea toe: "Maak gij den drank, +het verband, fakkels en eene goede draagstoel gereed; intusschen zal +ik bij buurman Magadon aankloppen en hem om slaven verzoeken." + +"Laat mij u geleiden," verzocht Marthana. + +"Neen, neen, gij moet bij moeder blijven." + +"Denkt gij dan dat ik hier zal zitten wachten?" vroeg Dorothea. "Ik +ga met u." + +"Daar blijft hier genoeg voor u te doen," antwoordde Petrus met een +afwerend gebaar, "en wij zullen snel moeten stijgen." + +"Het is zoo, ik zou u kunnen ophouden," zuchtte de bezorgde moeder, +"maar neem het meisje met u; zij heeft eene zachte, gelukkige hand." + +"Het zij zoo, als gij dit goed oordeelt," antwoordde de senator en +verliet het vertrek. + +Terwijl moeder en dochter kwamen en gingen, ten einde alles voor den +nachtelijken tocht gereed te maken, hadden zij toch tijd om menige +vraag en menig vriendelijk woord tot Sirona te richten. Marthana +plaatste, zonder haar arbeid te staken, spijs en drank voor de +vermoeide op de tafel, waaraan zij zich had neergevlijd, doch zij +bevochtigde ter nauwernood de lippen. + +Toen Marthana den korf met artsenijen en linnen zwachtels, met wijn +en zuiver water had gevuld, en dien aan de Gallische liet zien, zeide +de laatste: "Leen mij een paar van uwe sandalen, want de mijne zijn +geheel gescheurd, en zonder schoeisel kan ik de mannen niet volgen, +want de steenen zijn scherp en snijden in het vleesch." + +Marthana zag nu voor het eerst, dat de voeten van hare vriendin bebloed +waren, nam haastig de lamp van de tafel, plaatste haar op den grond +en zeide, terwijl zij naast Sirona nederknielde, en hare sierlijke +blanke teenen met de hand omvatte, ten einde de kwetsuren van hare +voetzolen te onderzoeken: "Mijn God, daar zijn waarlijk drie groote +diepe wonden!" + +Dadelijk nam Marthana een bekken ter hand, wiesch de sneden in +Sirona's voetzolen zorgvuldig uit, en terwijl zij den gewonden voet +met linnen banden omwikkelde, ging Dorothea naar beiden toe en zeide: +"Ware Polycarpus nu maar hier; deze rol is voldoende om u beiden +te verbinden." + +Een zacht blosje kleurde Sirona's wangen. Dorothea verschrikte over +hare eigene woorden en Marthana drukte in het geheim de Gallische +de rechterhand. + +Toen het verband goed bevestigd was, beproefde Sirona of zij gaan kon, +maar dit gelukte haar zóo slecht, dat Petrus, die met zijn vriend +Magadon, diens zonen en een aantal slaven was teruggekeerd, haar +ernstig verbieden moest hem te begeleiden. Hij hield zich overtuigd, +dat hij ook zonder haar zijn zoon wel vinden zou, want een der lieden +van zijn buurman had den ouden Serapion vaak brood en olie gebracht, +en kende zijn hol. + +Alvorens de senator met zijne dochter het vertrek verliet, fluisterde +hij zijne vrouw eenige woorden toe, naderde met haar de Gallische en +vroeg: "Weet gij wat uw echtgenoot wedervaren is?" + +Sirona knikte toestemmend en antwoordde: "Ik heb het van Paulus +gehoord. Nu ben ik geheel verlaten." + +"Dat zijt gij niet," zeide Petrus. "Gij zult onder ons dak bescherming +en liefde vinden, als in het huis van uw eigen vader, zoolang het u +bij ons bevalt. Geen dank, want wij staan diep bij u in schuld. Tot +wederziens, vrouw! Ik wenschte wel dat wij Polycarpus reeds hier +beneden hadden, en dat gij zijn wond hadt gezien. Kom, Marthana, +de oogenblikken zijn kostbaar!" + +Toen Sirona en Dorothea alleen waren, zeide de laatste: "Ik ga thans +eene slaapplaats voor u gereed maken, want gij zult zeer vermoeid +zijn." + +"Neen neen," smeekte de andere. "Ik wil met u waken en wachten, +want ik zou stellig niet kunnen slapen, vóor ik weet hoe het hem gaat." + +Deze woorden werden met zooveel warmte en ijver uitgesproken, dat de +diakones de jonge vrouw dankbaar de hand reikte. Daarop zeide zij: +"Ik laat u eenigen tijd alleen, want mijn hart is vol zorg. Ik wil +om hulp voor hem en om moed en kracht voor mijzelve bidden." + +"Neem mij met u," smeekte Sirona zacht. "Toen ik in nood was, heb ik +mijn hart voor uw goeden, liefderijken God uitgestort, en ik wil nooit +meer tot een anderen bidden. De gedachte alleen aan hem versterkt en +vertroost mij, en zoo ooit, dan heb ik in deze ure zijn vriendelijken +bijstand noodig." + +"Mijn kind, mijn dochter," riep de diakones diep bewogen, boog zich +over haar heen, kuste haar op voorhoofd en mond, en leidde haar aan +de hand naar haar stille slaapvertrek. "Hier bid ik het liefst," +zeide zij, "ofschoon hier geen beeld en geen altaar staat. Mijn God +is overal, en hij weet mij aan elke plaats te vinden." + +De beide vrouwen knielden naast elkander, en beiden smeekten van +denzelfden God dezelfde genade, niet voor zich, maar voor een ander; +beide dankten in hun leed: Sirona, wijl zij in Dorothea eene moeder, +de diakones, wijl zij in Sirona eene dochter, eene lieve dochter +had gevonden. + + + + + + + +TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Paulus zat voor het hol, dat Sirona en Polycarpus geherbergd had, +en keek de fakkels na, wier licht al kleiner en kleiner scheen te +worden, terwijl de dragers afdaalden naar het dal. Zij verlichtten +den weg voor den gewonden beeldhouwer, die gezeten in den draagstoel +zijner moeder, door zijn vader en zijne zuster Marthana begeleid, +naar de oase werd gedragen. + +"Nog een uur," dacht de Anachoreet, "en de moeder heeft haar zoon +weder; nog eene week en Polycarpus staat van zijn bed op; nog een +jaar, en dan herinnert alleen nog een litteeken en misschien een kus, +die hij op de roode lippen van de Gallische drukt, hem aan den dag +van gisteren. Ik zal dien echter niet zoo gemakkelijk vergeten. De +ladder, waaraan ik jaren lang getimmerd heb, langs welke ik tot +den hemel dacht te stijgen, en die mij zoo hoog en zeker toescheen, +ligt daar in stukken gebroken, en de hand die haar versplinterde, was +die mijner eigene zwakheid. Het komt mij voor als oefende deze mijne +zwakheid grooter invloed uit, dan wat wij inwendige kracht noemen, +want wat de laatste in jaren opbouwt, verstoort de eerste in ééne +minuut. In zwakheid alleen ben ik een reus." + +Paulus trok bij de laatste woorden huiverend zijne leden samen, +want de koude beving hem. In dien vroegen morgen, toen hij de schuld +van Hermas op zich nam, had hij de gelofte gedaan het schaapsvel te +zullen afleggen, en zijn lichaam, dat aan de warme vacht gewoon was, +en waarin, sedert de buitengewone inspanningen, het nachtwaken en de +aandoeningen der laatste dagen, het heete bloed zich koortsachtig +snel bewoog, leed hevig pijn. Rillende van kou trok hij zijn kleed +steviger om de leden, en prevelde in zichzelven: "Ik ben te moede als +een schaap, dat men midden in den winter de wol van het lijf geschoren +heeft. Nu gloeit mij weder het hoofd, als ware ik een bakker en moest +ik het brood uit den oven halen. Een kind zou mij omver kunnen werpen, +en de oogen vallen mij toe. Ik mis zelfs de kracht, om door het gebed +weder tot mijzelven te komen, dat ik zoo noodig heb. Ik heb zeker +wel het goede doel voor oogen, maar zoodra ik dit nader schijn te +komen, wordt het mij weder ontrukt door mijne zwakheid, evenals de +wind den tak met de vruchten wegrukt, waarnaar de dorstende Tantalus +grijpt. Uit de wereld heb ik mijn toevlucht genomen op dezen berg, +en de wereld is mij achterna gevlogen, en heeft mij hare strikken om +de voeten geworpen. Ik moet een nog eenzamer woestijn opzoeken, waarin +ik alleen ben, geheel alleen met mijn God en mijzelven. Daar vind ik +misschien den weg dien ik zoek, wanneer niet zeker iemand, namelijk +mijn eigen Ik, waarin de geheele wereld in het klein zich vertoont +met al hare verleidingen, mij vergezelt en ook ditmaal weder al mijn +arbeid vruchteloos maakt. Wie zichzelven in de woestijn medeneemt, +is toch niet alleen." + +Paulus slaakte een diepe zucht en dacht verder: "Wat was ik toch +trotsch, toen ik in Hermas' plaats een proefje had gehad van den geesel +des Galliërs! Vervolgens ging het mij als een beschonkene, die trede +voor trede van de trappen valt. Ook de arme Stephanus struikelde, +en was toch reeds zijn doel zoo nabij. Hem ontbrak de kracht om te +vergeven, en de senator die mij zoo even verliet, en wiens onschuldigen +zoon ik toch zoo deerlijk gewond heb, gaf mij bij het scheiden de hand +der verzoening. Ik kon het hem aanzien dat hij mij van ganscher harte +vergeven had. En deze Petrus staat midden in het leven, en geeft zich +van 's morgens vroeg tot 's avonds laat met wereldsche dingen af." + +Een tijdlang keek hij nadenkend voor zich, daarna ging hij met zijne +alleenspraak voort: "Hoe was die geschiedenis ook weer die de oude +Serapion mij vertelde? In de Thebaïs woonde een boeteling, die meende +zeer godzalig te leven en al zijne metgezellen in strenge deugd ver +overtrof. Toen droomde hij eens, dat er in Alexandrië iemand gevonden +werd, die nog volmaakter was dan hij. Phabis zoo heette hij, was een +schoenmaker, en woonde in de Witte straat aan de haven Kibotos. De +Anachoreet wandelde terstond naar de hoofdstad, vond den schoenmaker, +en toen hij hem met belangstelling vroeg: 'Hoe dient gij den Heer? Welk +een levenswijze leidt gij?' gaf hij verbaasd ten antwoord: 'Ik? Wel, +als mijn Heiland. Ik werk van vroeg tot laat en zorg voor de mijnen, +en bid 's morgens en 's avonds met weinige woorden voor de geheele +stad!'--Petrus meen ik, is zulk een Phabis. Maar er leiden vele wegen +tot God, en wij en ik...." + +Wederom verstoorde eene rilling zijn denken, en het werd terwijl de +morgen begon aan te breken, zoo gevoelig koud, dat hij beproefde een +vuur te ontsteken. + +Terwijl hij met moeite de kolen aanblies, kwam Hermas bij hem. Deze +had van hen, die Polycarpus wegbrachten, vernomen, waar hij Paulus +vinden zou, en toen hij nu tegenover zijn vriend stond, vatte hij +zijne hand, streelde hij zijne ruwe haren, en dankte hij hem teeder +en diep ontroerd voor het zware offer, dat hij voor hem had gebracht, +toen hij de onteerende straf voor zijn misdrijf op zich genomen had. + +Paulus wees alle medelijden en dank kortweg af, en sprak vervolgens +met Hermas over zijn vader en zijne toekomst tot het dag was geworden, +en de jongeling zich gereed maakte naar de oase te gaan, ten einde de +afgestorvenen de laatste eer te bewijzen. Op zijn verzoek om hem te +vergezellen, antwoordde Paulus: "Neen, neen, thans niet, thans niet; +want indien ik nu met menschen in aanraking kwam, sprong ik zeker uit +elkander, evenals een versleten zak vol gistende wijn. In mijn hoofd +gonst een bijenzwerm, en mijn borst is een mierenhoop geworden. Ga +nu heen en laat mij alleen." + +Na de begrafenis nam Hermas van Agapitus, Petrus en Dorothea +vriendelijk afscheid en keerde daarna tot den Alexandrijn terug, met +wien hij zich naar het hol begaf, waarin de gestorvene zoolang met +hem had gewoond. Hier overhandigde Paulus hem den brief zijns vaders +aan zijn oom en sprak tot hem op liefderijker toon, dan ooit te voren. + +Dien nacht legden beiden zich op de bekende legersteden neder, maar +noch de een noch de ander kon rusten of slapen. Van tijd tot tijd +prevelde Paulus zacht maar zeer smartelijk: "Te vergeefs, alles +te vergeefs," en eindelijk: "Ik zoek, ik zoek, maar wie wijst mij +den weg?" + +Vóor de dag aanbrak stonden beiden op. Hermas daalde nog eens af naar +de bron, knielde daarbij neder, en dacht bij het afscheid nemen aan +zijn vader en de wilde Mirjam. Herinneringen van allerlei aard doken +in zijne ziel op, en zoo groot is de verheerlijkende macht der liefde, +dat hem de beeltenis van de armzalige bruine herderin duizendmaal +schooner toescheen dan die van de schoone vrouw, die de ziel van een +groot kunstenaar in verrukking bracht. + +Kort na zonsopgang bracht Paulus hem naar het visschersvlek, en +wel tot den Israëliet, die de zaakwaarnemer was van het huis zijns +vaders, liet hem rijkelijk van goud voorzien en geleidde hem tot aan +het kolenschip, dat hem naar Klysma zou overbrengen. + +Het afscheid viel hem zeer zwaar. Toen Hermas zijne oogen vol tranen +zag en voelde dat zijne handen beefden, zeide hij: "Bekommer u niet +om mij, Paulus; wij zien elkander weder, en ik zal u zoowel als mijn +vader gedenken." + +"En uwe moeder," voegde de ander er bij. "Ik zal u wel missen; maar +dat wat ik zoek is juist het lijden. Als het iemand gelukte het leed +der gansche wereld zich toe te eigenen, en als hij bij elke ademtocht +een smart door zijne ziel voelde gaan, hoe zou deze niet smachtend +uitzien naar een wenk des Verlossers?" + +Hermas viel hem weenend om den hals, en hij verschrikte toen de +gloeiende lippen van den Anachoreet zijn voorhoofd aanraakten. + +Eindelijk haalden de matrozen de touwen in. Toen keerde Paulus zich nog +eens naar den jongeling om en zeide: "Gij gaat nu uw eigen weg. Vergeet +dezen heiligen berg niet en bedenk ook dit nog: Van alle zonden zijn +deze drie de zwaarste: valsche goden te dienen, zijns naasten vrouw te +begeeren, en de hand tot doodslag op te heffen. Hoed u voor deze! En +van alle deugden zijn er twee, schijnbaar de geringste en toch de +grootste: waarheid en deemoed. Deze zult gij ter harte nemen. Van +alle vertroostingen zijn deze twee de beste: Het bewustzijn dat men +het goede wil, hoe vaak men ook uit menschelijke zwakheid moge dwalen +en struikelen, en het gebed." + +Nog eens omarmde hij den scheidende, en ging toen over den zandigen +oever naar den berg, zonder zich om te keeren. + +Hermas zag hem lang met groote bezorgdheid na, want zijn sterke +vriend waggelde als een beschonkene, en drukte vaak de hand tegen +zijn voorhoofd, dat zeker niet minder heet was dan zijne lippen. + +De jonge krijgsman heeft den berg en Paulus nooit wedergezien, maar +wel, nadat hijzelf in het leger roem had verworven en tot aanzien +was gestegen, Petrus' zoon, Polycarpus, dien de keizer met groote +onderscheiding naar Byzantium had geroepen, en wiens huis bestuurd +werd door de Gallische Sirona, als eene trouwe gade en moeder. + +Paulus was, nadat hij van Hermas afscheid genomen had, verdwenen. Lang +werd hij vruchteloos gezocht door de andere Anachoreten en den bisschop +Agapitus, die van Petrus vernomen had, dat de Alexandrijn onschuldig +was bestraft en uitgebannen, en hem nu met zijn eigen mond vergeving +en troost wilde brengen. Eindelijk, na tien dagen, vond hem de Saïet +Orion in een ver afgelegen hol. De engel des doods had hem weinige +uren geleden onder het gebed opgeroepen, want hij was ter nauwernood +koud. Knielend leunde hij nog met het voorhoofd tegen den rotswand, +en zijne uitgeteerde handen waren saamgevouwen om den ring van +Magdalena. Toen zijne metgezellen hem op de baar gelegd hadden, lag +er een edel en vriendelijk lachje op zijn rein en verheerlijkt gelaat. + +Verwonderlijk snel werd het gerucht van zijn dood verspreid in de +oase, in het visschersvlek, in alle Anachoretenholen wijd en zijd in +den omtrek, en zelfs in de hutten der Amalekieten. Onafzienbaar was de +rij dergenen, die hem naar zijn laatste rustplaats volgde. De bisschop +Agapitus ging met de oudsten en diakenen vooruit, en achter hen volgden +Petrus met zijne vrouw en de zijnen, waartoe ook Sirona behoorde. + +De in beterschap toenemende Polycarpus legde als een zoenoffer een +palmtak op zijn graf, dat door zoovelen, wier ellende hij in stilte +verzacht had, en weldra ook door alle boetelingen van heinde en verre +als eene bedevaartplaats bezocht werd. + +Petrus richtte een gedenksteen bij zijn graf op, waarin Polycarpus +deze woorden beitelde, die Paulus' bevende vinger vóor zijn dood met +een kool aan den wand van zijn hol had geschreven: + + +"Bidt voor mij arme; ik was een mensch!" + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] G. Ebers, Durch Gosen zum Sinaï. Aus dem Wanderbuche und der +Bibliothek. Leipzig, 1872. Van het eigenlijk reisverhaal is eene +vertaling in het licht gegeven door A. M. Cramer. + +[2] Opvoeder der kinderen. + +[3] De godinnen der jaargetijden, de bevallige dochters van Jupiter +en Themis. + +[4] Bergnymf. + +[5] Eene Romeinsche zilvermunt. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Homo sum, by Georg Moritz Ebers + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42861 *** |
