summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/42861-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '42861-0.txt')
-rw-r--r--42861-0.txt9777
1 files changed, 9777 insertions, 0 deletions
diff --git a/42861-0.txt b/42861-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..79f6780
--- /dev/null
+++ b/42861-0.txt
@@ -0,0 +1,9777 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42861 ***
+
+ HOMO SUM
+
+ Homo sum, humani nil a me alienum puto.
+ Terentius, Heautontimorumenos, 77.
+
+ ROMAN
+ VAN
+ GEORGE EBERS
+
+ IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT DOOR
+ Dr. H. C. ROGGE
+
+
+
+ VIERDE DRUK
+ Naar de elfde Hoogduitsche uitgave herzien
+
+ AMSTERDAM
+ VAN HOLKEMA & WARENDORF
+
+
+
+
+
+
+
+ AAN DEN HEER
+
+ ALMA TADEMA, M. A.,
+
+ DEN GROOTEN MEESTER IN HET SCHILDEREN
+ VAN VOORSTELLINGEN UIT HET
+ LEVEN DER OUDEN,
+
+ WIJDT DIT VERHAAL
+
+ MET VRIENDELIJKEN GROET
+
+ DE SCHRIJVER.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+Toen ik bezig was mij voor te bereiden tot het schrijven van eene
+geschiedenis van het Sinaïtisch schiereiland, hield ik mij geruimen
+tijd onledig met de studie van de eerste christelijke eeuwen. Onder de
+massa martyrologische en ascetische geschriften, de geschiedenissen
+van heiligen en monniken, die ik voor mijn zeer beperkt doel had te
+doorworstelen en te ziften, vond ik, en wel in de Ecclesiae graecae
+monumenta van Cotelerius, een verhaal dat, hoe weinig beteekenend ook
+op zichzelf, mij zeer eigenaardig en roerend toescheen. Het tooneel
+der handeling was de Sinaï en de aan zijn voet gelegen oase Pharan.
+
+Toen ik daarna op mijne reis door Petraeïsch Arabië de holen der
+Anachoreten van den Sinaï met eigene oogen zag en met mijn eigen
+voeten betrad, kwam dit verhaal mij weder voor den geest, en ik kon
+het maar niet vergeten, terwijl ik verder door de woestijn trok.
+
+Het kwam mij voor, dat in het eenvoudig verloop der gebeurtenis zich
+een zielkundig probleem voordeed, bijzonder eigenaardig in zijn soort.
+
+Een Anachoreet, ten onrechte in plaats van een ander beschuldigd,
+neemt, zonder zich te verdedigen, diens straf, de verbanning,
+op zich. Eerst door de bekentenis van den misdadiger wordt zijne
+onschuld aan het licht gebracht.
+
+Ik gevoelde mij bijzonder aangetrokken, de zielsaandoeningen te
+ontleden, die tot zulk eene apathie, zulk eene vernietiging van
+het gevoel konden leiden, en terwijl de denk- en handelswijze der
+zonderlinge grotbewoners voor mij steeds grooter aanschouwelijkheid
+verkreeg, ontstond voor mijne verbeelding de gestalte van
+Paulus. Weldra groepeerden zich om deze figuur een kring van
+denkbeelden, en eindelijk inzichten, die mij geen rust lieten,
+vóor ik eene poging waagde, om ze in het kleed van een verhaal,
+in kunstvorm weer te geven.
+
+De naaste aanleiding tot het uitwerken van dezen stof, die reeds lang
+bij mij tot volledige aanschouwelijkheid was gerijpt, in een roman,
+werd mij gegeven door het lezen van Koptische monniksgeschiedenissen,
+waartoe ik gebracht werd door Abel's Koptische Studiën. Later maakte
+het kleine maar degelijke werk van R. Weingarten, over den oorsprong
+van het monnikwezen, een diepen indruk op mij, die mij ook thans,
+bij de studie der eerste eeuwen van het christendom, met name in
+Egypte is bijgebleven.
+
+Het is hier de plaats niet om de punten te doen uitkomen, waarin ik
+van Weingarten meen te moeten afwijken. Mijn scherpzinnige collega
+uit Breslau verwerpt veel, dat geen recht van bestaan heeft, maar
+op vele plaatsen van zijn boek schijnt hij mij met een al te ruwen
+bezem te vegen.
+
+Het zou mij even gemakkelijk zijn geweest, mijn verhaal van het
+dertigste naar het veertigste jaar van de vierde eeuw te verplaatsen;
+maar ik heb dit gelaten, omdat ik met zekerheid meen te kunnen
+aanwijzen, dat er in het door mij gekozen tijdperk niet slechts
+heidensche kluizenaars in de Serapis-tempels, maar ook christelijke
+Anachoreten waren. Hierin ben ik het geheel met Weingarten eens,
+dat het begin van een georganiseerd christelijk monnikenwezen in elk
+geval niet voor het jaar 350 gesteld kan worden.
+
+Mijn Paulus mag niet met den eersten heremiet Paulus van Thebe
+verwisseld worden, wiens naam Weingarten terecht op de lijst van
+historische personen heeft doorgehaald. Hij is, evenals elke andere
+figuur in dit verhaal, een persoon van mijne eigene vinding, de drager
+van een idee, niets meer en niets minder.--Voor mijn held heb ik geen
+bepaald voorbeeld gekozen, en ik onderstel alleen de mogelijkheid,
+dat er in zijn tijd zulk een man bestond. Allerminst heb ik gedacht aan
+den heiligen Antonius, die nu ook zijn uitstekenden levensbeschrijver
+Athanasius heeft moeten verliezen, en die ons geteekend wordt als een
+man met een zeer gezond verstand, maar van zoo gebrekkige ontwikkeling,
+dat hij enkel het Egyptisch verstond.
+
+De dogmatische geschillen, die reeds in den tijd van dit verhaal
+ontbrand waren, zijn met opzet onvermeld gebleven. In later tijd hebben
+de Sinaïeten en de bewoners van de oase er levendig aan deel genomen.
+
+De Sinaï, waar ik den lezer heenvoer, mag niet verwisseld worden met
+den berg, die een groote dagreis zuidelijker gelegen is. Deze berg,
+aan welks voet het beroemde "klooster der opstanding" ligt, draagt
+in ieder geval sedert Justinianus dien naam, en wordt algemeen voor
+den Sinaï van den bijbel gehouden. In de beschrijving van mijne
+reis door Petraeïsch Arabië [1] heb ik getracht de door Lepsius op
+wetenschappelijke gronden uitgesproken zienswijze, dat namelijk de
+reusachtige berg, die thans Serbal wordt genoemd, en niet de Sinaï
+der monniken, voor den berg der wetgeving gehouden moet worden en
+ook in den tijd vóor Justinianus daarvoor gehouden is, door nieuwe
+bewijzen te staven.
+
+Wat aangaat het steenen huis van den Senator Petrus, met zijne vensters
+aan de straatzijde, iets wat geheel in strijd is met de Oostersche
+zeden, moet ik, om gegronde twijfelingen te voorkomen, doen opmerken,
+dat nog heden ten dage in de oase Pharan, de bijzonder goed onderhouden
+buitenmuren van een tamelijk groot aantal van dergelijke gebouwen
+aanwezig zijn.
+
+Maar aan zulke uitwendige dingen ruim ik in dit psychologisch tafereel
+slechts eene ondergeschikte plaats in. Terwijl in mijne vroegere
+romans de geleerde wel gedwongen was aan den dichter en de dichter
+wederom aan den geleerde iets toe te geven, heb ik in dit verhaal,
+enkel en alleen aan eene idee, die mijne ziel vervulde, een afgeronden
+kunstvorm willen geven, zonder rechts of links te zien, zonder te
+willen onderrichten, of de resultaten mijner studiën in gestalten
+van vleesch en been te willen omzetten. De eenvoudige figuren, wier
+innerlijk wezen ik aan mijne lezers tracht bloot te leggen, vullen
+de ruimte van de schilderij, terwijl de stroom der wereldgeschiedenis
+zich op den donkeren achtergrond beweegt.
+
+Ik heb den Latijnschen titel gekozen, gedachtig aan een dikwijls
+gebruikte spreuk, waarin eene opvatting ligt opgesloten, waartoe ik
+gekomen ben door het denken en zijn aller menschen opmerkzaam gade
+te slaan, ook van hen die meenen reeds hoogere sporten beklommen te
+hebben van den ladder die ten hemel leidt.
+
+In den Heautontimorumenos van Terentius (Act. I, sc. I vs. 77)
+antwoordt Chremes zijn buurman Menedemus: "Homo sum, humani nil a me
+alienum puto"; hetgeen woordelijk vertaald zeggen wil: "Ik ben mensch,
+ik acht niets menschelijks mij vreemd."
+
+Doch reeds Cicero en Seneca gebruiken dezen dichtregel als spreekwoord,
+en wel in een zin, die veel verder reikt dan die daarin, volgens den
+samenhang van de plaats waar zij voorkomt, schijnt te liggen. Mij
+bij hen aansluitende, vertaal ik, doelende op den titel van dit boek:
+
+"Ik ben een mensch, en meen dat ik overal mensch ben."
+
+
+ GEORGE EBERS.
+ Leipzig, den 11den November 1877.
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Rotsen, aan alle zijden niets dan naakte, harde, roodbruine
+rotsen; geen struik, geen grasscheutje, zelfs geen zich vastklemmend
+mosplantje, dat de natuur soms op de steenvlakte van het hoog gebergte
+heeft doen wassen, als ware een ademtocht van hare scheppende
+levenskracht over den onvruchtbaren bodem gegaan. Niets dan kaal
+graniet, en daarboven een hemel zoo arm aan wolken, als de rotsblokken
+aan planten en halmen.
+
+Toch leven er menschen in gindsche holte van den bergwand. Twee kleine
+grijze vogels zweven in de reine, fijne, door de middagzon verhitte
+woestijnlucht, en verdwijnen achter eene rij klippen, die eene diepe
+kloof begrenzen, als een muur door menschenhanden opgetrokken.
+
+Dáar is het uit te houden, want een bron bevochtigd den steenachtigen
+bodem, en gelijk overal waar het water de woestijn besproeit, zoo
+bloeien er ook welriekende kruiden en groeien er vriendelijke struiken.
+
+Toen Osiris,--zoo verhaalt ons de mythe der Egyptenaren,--de
+godin der woestijn omarmde, liet hij zijn groenen krans op hare
+legerstede achter. Doch in den tijd en in de kringen, waarin onze
+geschiedenis speelt, kent men de oude sage niet meer, of wil ze
+niet meer kennen. Wij verplaatsen onze lezers in het begin van het
+dertigste jaar van de vierde eeuw onzer jaartelling, en wel op het
+Sinaïtisch gebergte, op welks geheiligden bodem sedert eenige jaren
+enkele Anachoreten, die der wereld zijn afgestorven en zich geheel
+aan boete willen wijden, nog zonder orde of regel samenwonen.
+
+Naast de bron in de dalkloof, waarvan wij spraken, groeit
+een veelgetakte waaierpalm, maar hij beschut haar niet voor de
+zonnestralen, die op deze breedte loodrecht nederdalen. Hij schijnt
+alleen zijne eigene wortels te beschaduwen. Toch zijn de gevederde
+takken veerkrachtig genoeg om een blauwgazen doek te dragen, dat als
+een zonnescherm het aangezicht van een meisje overdekt. Zij ligt
+lang uitgestrekt op den verhitten steenbodem en droomt, terwijl
+eenige geelachtige klipgeiten, naar voeder zoekende, zoo vroolijk
+van den eenen steen op den anderen klimmen en springen, alsof hun
+de middaghitte recht welkom was. Het meisje grijpt van tijd tot tijd
+naar een herdersstaf, die naast haar ligt, en lokt de geiten met een
+fluitend geluid, dat ver in het rond kan worden gehoord. Een jong
+geitje nadert haar huppelend. Weinige dieren zijn in staat hunne
+opgeruimdheid uit te drukken, maar deze kleine dieren kunnen het.
+
+Ziet, daar strekt het meisje den naakten slanken voet uit, en stoot
+er het lustig met haar spelende geitje vol dartelen luim mede terug,
+en altijd weder terug, wanneer het opnieuw komt aanhuppelen. Het
+herderinnetje buigt daarbij de teenen zoo sierlijk, als noodigde zij
+een toeschouwer uit hunne fijnheid te bewonderen.
+
+Het sikje springt wederom toe, ditmaal met den kop voorover
+gebogen. Zijn voorhoofd raakt haar voetzool, maar als het zijn kromme
+neusje zachtkens wrijft aan den voet van het herderinnetje, stoot
+zij het beestje zoo hevig terug, dat het ineen krimpt en onder luid
+geblaat het spel opgeeft.
+
+Het scheen als had het meisje het rechte oogenblik afgewacht, om
+het dier gevoelig te treffen, want zij had het met kracht, zelfs
+met zekere boosheid dien stoot gegeven. Het blauwe doek hield de
+gelaatstrekken der herderin verborgen, doch zeker hadden hare oogen
+gefonkeld, toen zij zoo opeens aan dit spel een einde maakte.
+
+Gedurende eenige minuten bleef zij nu roerloos liggen, maar de doek,
+die op baar gezicht neerhing, golfde zachtkens heen en weer, bewogen
+door hare snelle ademhaling. Zij luisterde met groote inspanning,
+met hartstochtelijk ongeduld; dat kon men ook bespeuren aan de wijze,
+waarop zij krampachtig hare teenen samentrok.
+
+Daar liet zich eenig gedruisch hooren. Het kwam uit de richting van
+de ruwe, uit onbehouwen steenblokken gevormde trappen, die van den
+steilen wand naar de bron beneden leidden.
+
+Eene huivering voer door de teedere, nog maar half ontwikkelde
+leden der herderin; doch zij verroerde zich niet. De grijze vogels,
+die naast haar op den doornstruik zaten, vlogen op, doch zij hadden
+slechts eenig geluid vernomen, en konden niet onderscheiden wie het
+had voortgebracht.
+
+Het oor der herderin was scherper dan dat der vogels. Zij hoorde dat
+iemand haar naderde, en wist dat er maar een was, wiens voetstap dit
+zijn kon.
+
+Zij strekte de hand uit naar een steen die naast haar lag, en wierp
+dien in de bron, waardoor het water dadelijk troebel werd. Daarop
+ging zij op de zijde liggen, met het hoofd rustende op den arm, alsof
+zij sliep. Duidelijker, steeds duidelijker lieten zich krachtige
+voetstappen hooren.
+
+Hij die de trappen afkwam was een jongeling, lang van gestalte. Naar
+zijne kleeding te oordeelen behoorde hij tot de Anachoreten van
+den Sinaï, want hij droeg niets dan een hemd-rok van grof linnen,
+waaraan hij ontgroeid scheen te zijn, en ruwe lederen voetzolen,
+die om zijne voeten vastgesnoerd waren met banden van palmbast.
+
+Zoo armelijk als deze er uitzag zou geen heer zijn slaaf kleeden,
+en toch zou niemand hem voor een onvrije hebben gehouden, want met
+opgerichten hoofde schreed hij voort, zich blijkbaar bewust van zijne
+beteekenis. Hij kon niet veel ouder zijn dan twintig jaren; zulk een
+leeftijd verried althans het zachte pas te voorschijn komende haar
+op zijn bovenlip, om zijn kin en op zijne wangen. In zijne groote
+blauwe oogen las men echter niet de frischheid der jeugd, maar zekere
+onvoldaanheid. Hij hield zijne lippen als uit trots stijf op elkaar
+gedrukt.
+
+Thans bleef hij staan en streek zich de ongeordende bruine lokken,
+die in dichte massa, als de manen van een leeuw, zijn hoofd omgaven,
+uit het gezicht. Vervolgens naderde hij de bron. Zoodra hij bukte,
+met de groote gedroogde schaal van een pompoen in de hand, om water
+te scheppen, bemerkte hij eerst dat de bron troebel was; toen zag
+hij de geiten en eindelijk ook de sluimerende herderin.
+
+Mismoedig zette hij de schaal voor zich op den grond, en riep daarop
+het meisje met luider stem. Zij verroerde zich echter niet voordat hij
+haar met zijn voet vrij onzacht aanstiet. Toen rees zij plotseling
+op, als had haar een adder gestoken. In haar jeugdig, door de zon
+gebruind gelaat vlamden twee oogen, zwart als de nacht, die op den
+jonkman waren gericht. De sierlijke vleugels van haar scherp gebogen
+neus bewogen zich snel, en hare sneeuwwitte tanden schitterden,
+terwijl zij hem toeriep: "Ben ik dan een hond, dat gij mij zóo wekt?"
+
+Hij kreeg een kleur, wees onwillig op de bron en zeide norsch: "Uw
+vee heeft het water als altijd troebel gemaakt. Ik zal hier moeten
+wachten tot het weer helder wordt en ik er uit scheppen kan."
+
+"De dag is lang," gaf de herderin ten antwoord, en rolde, terwijl
+zij opstond, als geschiedde het bij ongeluk, een nieuwen steen in
+het water.
+
+De zegevierende blik, waarmede zij in den bron had neergezien, was den
+jongeling niet ontgaan en toornig hernam hij: "Hij heeft gelijk! Gij
+zijt eene vergiftige slang, een demon der hel."
+
+Lachend keerde zij zich tot hem, en zette een gezicht, alsof zij
+wilde toonen, dat zij werkelijk een schrikkelijk monster was; en
+dit viel haar gemakkelijk bij het buitengewoon scherpe van hare licht
+bewegelijke, jeugdige trekken. Zij bereikte dan ook volkomen haar doel,
+want onder allerlei teekenen van ontzetting week hij terug, strekte de
+armen uit als wilde hij haar van zich weren, riep den naam van God aan,
+en zeide heftig, toen hij haar zag lachen, steeds uitgelatener lachen;
+"Terug, demon, terug! In den naam des Heeren vraag ik u, wie zijt gij?"
+
+"Mirjam ben ik, wie anders?" antwoordde zij overmoedig.
+
+Hij had een ander antwoord verwacht. Hare dartelheid verdroot hem, en
+met weerzin zeide hij: "Hoe gij dan ook heet, gij zijt een monster,
+en ik zal Paulus verzoeken u te verbieden, uw vee te drenken uit
+onze bron."
+
+"Wat mij betreft mocht gij naar uw voedster loopen en mij bij haar
+aanklagen, als ge er eene hadt," hernam zij, terwijl zij verachtelijk
+de lippen optrok.
+
+Het bloed steeg hem naar het hoofd, doch zij ging onbevreesd en met
+levendig gebarenspel voort: "Gij behoordet een man te zijn want gij
+zijt sterk en groot, maar gij laat u als een kind of als een hulpeloos
+meisje leiden. Uw dagelijksche bezigheid is wortels en bessen te
+zoeken, en met dat armzalige ding water te scheppen. Dat heb ik
+geleerd, toen ik zóo klein was." Bij deze laatste woorden duidde zij
+met de lang uitgestrekte spitse vingers harer beide handen, die niet
+minder bewegelijk waren dan hare gelaatstrekken, eene bespottelijke
+kleine maat aan. "Schaam u toch! Gij zijt sterker en schooner gebouwd,
+dan al die Amalekieten-knapen daar beneden, doch beproef het eens u
+met hen te meten in het pijlschieten of in het werpen met de lans!"
+
+"Kon ik maar doen wat ik wilde," zeide hij, haar in de rede vallende,
+terwijl hij rood werd tot over de ooren. "Ik zou wel tien van die
+schrale wichten kunnen staan!"
+
+"Dat wil ik gaarne gelooven," hernam het meisje, en met haar levendig
+oog monsterde zij vol fierheid de breede borst en de sterk gespierde
+armen van den jongeling. "Dat geloof ik wel; maar waarom durft gij
+niet? Zijt gij de slaaf van dien man daarboven?"
+
+"Hij is mijn vader, en dan...."
+
+"Wat dan!" riep zij, met de hand zwaaiende, als wilde zij een
+vleermuis verjagen. "Het zou een mooi gewemel worden in het nest,
+als geen vogel wilde uitvliegen! Zie mijne jonge geiten daar: zoolang
+zij de moeder noodig hebben loopen zij haar achterna, maar zoodra
+zij zelve hun voedsel kunnen opsporen, zoeken zij 't waar zij het
+vinden kunnen. Die eenjarige ginds, dat verzeker ik u, weet niet
+eens meer of zij door de gele of door de zwarte gezoogd is.--En wat
+voortreffelijks doet uw vader dan voor u?"
+
+"Zwijg!" viel de jongeling haar in de rede, met kennelijken onwil. "Er
+spreekt een booze geest uit u. Ga weg van mij, want ik mag niet
+aanhooren, wat ik niet zou durven uitspreken."
+
+"Durven, durven, durven," brauwde zij hem na. "Wat durft gij dan? Gij
+durft niet eens luisteren."
+
+"Allerminst naar de dingen, die gij zegt, gij duivelin!" riep hij op
+heftigen toon. "Ik haat je stem, en als ik je weder bij de bron vind,
+zal ik je met steenen wegjagen."
+
+Zij staarde hem zwijgend aan, terwijl hij deze woorden sprak. Hare
+lippen waren doodsbleek geworden en hare kleine handen balden zich tot
+vuisten. Hij wilde haar voorbijgaan om water te scheppen, maar zij trad
+hem in den weg en hield hem staande met den strakken blik harer oogen.
+
+Eene kille huivering voer hem door de leden toen zij met bevende
+lippen en eene doffe stem vroeg: "Wat heb ik u gedaan?"
+
+"Laat mij met rust," sprak hij, en hief zijne hand op om haar van
+het water weg te dringen.
+
+"Gij zult mij niet aanraken," riep zij buiten zichzelve van toorn. "Wat
+heb ik u toch gedaan?"
+
+"Gij weet niets van God," antwoordde hij, "en wie God niet toebehoort
+is des duivels."
+
+"Dat zegt gij niet uit uw zelf," hernam zij, en wederom klonk er iets
+spottends in haar stem. "Wat zij u laten gelooven, dat brengt uw tong
+in beweging, evenals de hand het koord van een ledepop. Wie heeft u
+gezegd, dat ik des duivels ben?"
+
+"Waarom zou ik het voor u verbergen?" antwoordde hij trotsch. "De
+vrome Paulus heeft mij voor u gewaarschuwd, en ik mag er hem dankbaar
+voor zijn. Uit uw oog, zeide hij, blikt de booze. En hij heeft gelijk,
+duizendmaal gelijk. Als gij mij aanziet is het mij, als moet ik alles
+met voeten treden wat mij heilig is. In den afgeloopen nacht heb ik
+gedroomd, dat ik met u rondzweefde in luchtigen dans..."
+
+Bij deze woorden verdwenen ernst en boosheid uit Mirjam's oogen. Zij
+klapte in de handen en riep: "Ware het maar werkelijkheid geweest
+en geen droom! Schrik nu niet weder, gij gek! Weet ge wat het is,
+als de snaren klinken bij de tonen der fluiten, en de voeten zich in
+de maat opheffen, als hadden ze vleugels?"
+
+"De vleugels van den Satan," hernam Hermas op strengen toon. "Gij
+zijt eene duivelin, eene verstokte heidin!"
+
+"Zoo zegt de vrome Paulus," sprak Mirjam lachende.
+
+"Ook ik zeg dat!" zeide de jongeling. "Wie heeft u ooit in de
+vergadering der vromen gezien? Bidt gij? Dankt gij den Heer en
+Heiland?"
+
+"Waarom zal ik toch danken?" vroeg Mirjam. "Daarvoor misschien,
+dat de vroomste onder u mij voor een boozen geest uitmaakt?"
+
+"Juist omdat gij eene zondares zijt, onthoudt de hemel u het goede."
+
+"Neen, neen, duizendmaal neen!" riep Mirjam uit. "Geen godheid heeft
+zich ooit om mij bekommerd. Ben ik niet goed, hoe zou ik het kunnen
+zijn, daar mij nooit anders dan het kwade ten deel viel. Weet gij
+wie ik ben, en hoe ik zoo werd? Was ik misschien reeds slecht, toen
+zij op den pelgrimstocht hierheen mijne beide ouders doodsloegen? Ik
+was toen nog slechts zes jaren oud, en wat beteekent een kind van
+dien leeftijd! Maar ik herinner mij nog zeer goed, dat bij ons huis
+vele kameelen weidden, en ook paarden, die ons toebehoorden, en dat
+een groot edelgesteente schitterde aan de hand--zeker wel die mijner
+moeder,--die mij zoo vaak streelde. Ik bezat ook eene zwarte slavin,
+die mij gehoorzaamde. Als zij niet wilde gelijk ik, dan ging ik aan
+hare grijzende wollige haren hangen, en mocht haar zelfs slaan. Wie
+weet wat er van haar geworden is? Toen had ik haar niet lief, maar als
+zij nu bij mij was, hoe goed zou ik voor haar zijn! Nu eet ik zelve
+sedert twaalf jaar het brood der slavernij en hoed de schapen van den
+senator Petrus. Waag ik het op het feestterrein mij bij de overige
+meisjes te voegen, dan jagen ze mij weg en rukken mij de krans uit
+het haar.--En ik zou dankbaar zijn! Waarvoor dan? En vroom! Welke God
+heeft dan voor mij gezorgd? Noem mij een booze demon, noem mij vrij
+aldus, doch wanneer Petrus en uw Paulus zeggen, dat Hij daarboven,
+die mij tot zulk een lot liet opgroeien, goed is, dan liegen zij. God
+is boos, en het komt geheel met zijn karakter overeen, wanneer hij
+u in het hart geeft mij met steenworpen van de bron te verjagen."
+
+Bij deze woorden barstte zij in een smartelijk snikken uit, en op
+haar gelaat vertoonden zich allerlei hevige zenuwtrekkingen.
+
+Hermas gevoelde medelijden met de weenende Mirjam. Honderdmaal had
+hij haar ontmoet, en altijd had zij zich hetzij overmoedig, hetzij
+ontevreden betoond. Nu eens was zij hem uitdagend, dan weder toornig
+tegengetreden, maar nooit had hij haar week of bedroefd gezien.
+
+Heden ontsloot zij voor het eerst haar hart voor hem, en de tranen,
+die nu haar gelaat zoo veranderden, gaven haar persoon voor hem eene
+waarde, die zij tot hiertoe niet bezeten had. Hermas gevoelde thans dat
+zij eene vrouw was, en terwijl hij hare zwakheid zag en hoe zij onder
+leed gebogen ging, schaamde hij zich over zijne hardheid, naderde hij
+haar vriendelijk en sprak: "Gij behoeft niet te weenen. Kom altijd
+maar weder aan de bron, ik zal u niet weren."
+
+Zijn zware stem klonk zacht en vriendelijk bij het uitspreken
+dezer woorden; zij begon echter nog heviger, bijna krampachtig te
+snikken. Zij wilde maar kon niet spreken. De slanke herderin stond
+daar voor hem, bevende over al hare teedere leden, diep geschokt,
+als wegsmeltende in hare tranen, en het was of eene inwendige stem
+hem zeide, dat hij haar helpen moest.
+
+Tot in het diepst zijner ziel gevoelde hij medelijden, en zijne niet
+zeer buigzame tong was als verstijfd. Toen hij geenerlei troostwoorden
+kon vinden, nam hij de waterkruik in de linkerhand, waardoor de
+rechter vrij werd, die hij vriendelijk op haar schouder legde.
+
+Zij kromp ineen, maar verroerde zich niet.
+
+De warme adem van haar mond gleed over hem heen. Hij wilde zich
+terugtrekken, maar gevoelde zich als vastgekluisterd. Nauwelijks wist
+hij of zij weende of lachte, terwijl hij zijne hand op hare zwarte
+lokken liet rusten.
+
+Zij verroerde zich niet. Ten laatste hief zij het hoofd op. Hare vurige
+oogen ontmoetten de zijne, en op hetzelfde oogenblik gevoelde hij,
+hoe twee teedere armen zijn hals omsloten.
+
+Toen was het hem als vernamen zijne ooren de branding der zee,
+als flikkerden vlammen op voor zijn blik. Naamlooze angst greep hem
+aan. Met geweld scheurde hij zich van haar los, en vloog onder een
+luiden gil, alsof de geesten der hel hem vervolgden, naar den trap
+die tot de bron leidde. Hij gaf er zelfs geen acht op, dat hij zijn
+kruik tegen den rotswand in duizende stukken verpletterde.
+
+Zij bleef als aan den grond genageld staan en keek hem na. Daarop
+sloeg zij zich met de kleine hand voor het voorhoofd, wierp zich
+weder bij de bron neer en staarde in de ruimte.
+
+Roerloos lag zij daar; haar mond bleef gestadig in beweging. Eerst
+toen de schaduwen der waaierpalmen langer werden sprong zij overeind,
+lokte de geiten en richtte scherp luisterend den blik naar den trap,
+waarlangs hij verdwenen was.
+
+In de nabijheid van den keerkring is de schemering kort, en zij wist
+dat zij op den steenachtigen weg naar het dal, die zoo rijk was aan
+kloven, door de duisternis zou kunnen overvallen worden, wanneer zij
+langer toefde.
+
+Zij was ook bang voor de schrikbeelden van den nacht, voor geesten en
+demonen en ontelbare gevaren, van welker aard zij zich geen rekenschap
+kon geven. Doch zij week niet van de plek en hield niet op te luisteren
+en naar zijn terugkomst uit te zien, tot dat de zon achter den heiligen
+berg was verdwenen en de gloed in het westen verbleekte.
+
+Rondom haar was alles doodelijk stil; zij kon hare eigene ademhaling
+hooren. Huiverend kromp zij ineen, bij het gevoel van de kilheid
+der nacht.
+
+Daar hoorde zij boven haar hoofd een luid gerucht. Een troep
+steenbokken, die gewoon waren op dit uur hun dorst te lesschen,
+kwam nader en nader, maar week terug bij het bespeuren van eene
+menschelijke gedaante. De aanvoerder van de kudde alleen was aan den
+rand van de kloof blijven staan, en zij wist dat deze wachtte tot
+zij zou opgebroken zijn, om de overigen voor te gaan naar de bron.
+
+Reeds hief zij, eene vriendelijke opwelling van haar hart volgende,
+den voet op, om voor de dieren plaats te maken. Doch opeens herinnerde
+zij zich de bedreiging van Hermas, dat hij haar van de bron verjagen
+zou, en onwillekeurig nam zij een steen op, waarmede zij naar den bok
+wierp, die van schrik ijlings wegsprong, gevolgd door de geheele kudde.
+
+Mirjam hoorde ze vluchten, en dreef nu met gebogen hoofd de kudde
+in de duisternis huiswaarts, terwijl zij met hare voeten al tastende
+den weg zocht.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+Hoog boven de kloof met de bron lag eene effene rotsvlakte van niet
+zeer grooten omvang, aan de achterzijde begrensd door een veelvuldig
+gespleten wand van kaal roodbruin porfier. Door den voet liep, als een
+groene band, een diorietader, zoo hard als staal, en daaronder zag
+men de opening van eene kleine ronde holte, die de scheppende hand
+der natuur hier zelve had aangebracht. Vroeger hadden wilde dieren,
+panters en wolven hier hun verblijf gehouden, thans diende zij tot
+woning voor den jongen Hermas en zijn vader.
+
+Er bevonden zich in den heiligen berg vele dergelijke holen, en de
+grootste waren door Anachoreten in beslag genomen. Die van Stephanus
+was bijzonder hooggewelfd en diep; toch was er maar eene smalle ruimte
+over tusschen de legersteden van gedroogde bergkruiden, waarop hier
+de vader, dáar de zoon sliep.
+
+Het middernachtelijk uur was reeds lang voorbij, maar noch de jonge
+noch de oude grotbewoner scheen te slapen. Hermas zuchtte luide, en
+wierp zich onrustig van de eene zijde op de andere, zonder acht te
+geven op den ouden man, die zwak en door smarten gekweld, den slaap
+niet ontberen kon, terwijl Stephanus zich de verademing ontzegde
+van zich om te wenden of te steunen, toen hij meende te bemerken,
+dat zijn krachtige zoon rust gevonden had.
+
+Wat mocht toch den knaap, die anders zoo vast sliep en moeilijk te
+wekken was, wel de rust benemen?
+
+"Hoe komt het," dacht Stephanus, "dat de krachtige jeugd zoo zwaar
+en lang slaapt, de ouderdom, die behoefte heeft aan rust, ja ook
+de kranke, zoo licht en zoo weinig? Moet het waken hun levenstijd,
+waarvan zij het einde vreezen, verlengen? Waarom is men toch zoo
+kinderachtig gehecht aan dit jammerlijk bestaan, en zou men zich
+uit de voeten willen maken en verbergen als de engel ons roept en
+de gouden deuren zich voor ons openen? Wij zijn niet ongelijk aan
+Saul, den Hebreër, die zich schuil hield, toen men naderde om hem
+te kronen.--Hoe smartelijk brandt mijn wond! Had ik maar een teug
+water! Als het den armen jongen niet zooveel moeite had gekost den
+slaap te vatten, zou ik hem om den kruik vragen."
+
+Stephanus boog zich over naar zijn zoon en luisterde, doch hij wekte
+hem niet, toen hij zijne zware regelmatige ademhaling hoorde. Huiverend
+trok hij zijne leden samen onder de schapenvacht, die slechts
+halverwege zijn lichaam bedekte, want door de opening van de spelonk,
+waarin het overdag gloeiend heet was, drong nu eene ijzige nachtlucht.
+
+Zoo verliep er geruimen tijd. Eindelijk meende hij op te merken,
+dat Hermas zich oprichtte.
+
+Ja, de slaperige jonkman moest wel ontwaakt zijn, want hij begon te
+spreken en Gods naam aan te roepen.
+
+Nu wendde de oude man zich tot zijn zoon en waagde het zacht te vragen:
+"Hoort ge mij, kind?"
+
+"Ik kan niet slapen," antwoordde de jonkman.
+
+"Geef mij dan wat drinken," vroeg Stephanus; "mijne wond brandt zoo
+ondragelijk."
+
+Hermas stond dadelijk op en stak den lijder de waterkruik toe.
+
+"Dank, dank, mijn kind," sprak de oude, en greep terstond naar de
+hals van de kruik. Maar dezen kon hij niet vinden en verwonderd
+zeide hij: "Wat is dit vochtig en koud. Dat is leem, en onze kruik
+was een pompoen."
+
+"Ik heb haar gebroken," antwoordde Hermas, en "Paulus leende mij
+de zijne."
+
+"Zoo, zoo," prevelde Stephanus. Na gulzig gedronken te hebben, gaf
+hij de kruik aan zijn zoon terug en wachtte tot deze zich weder op
+zijn leger had neergevlijd. Toen drong de bezorgdheid hem te zeggen:
+"Gij zijt heden avond lang uitgebleven, de kruik is gebroken, en gij
+hebt in uw slaap telkens gedroomd. Wat hebt gij toch ontmoet?"
+
+"Een demon der hel," antwoordde Hermas. "En thans vervolgt mij dit
+gedrocht in onze grot en jaagt mij onder allerlei gedaanten schrik
+aan."
+
+"Verban het dan en bid," sprak de oude man ernstig. "Voor den naam
+van God vlieden alle onreine geesten."
+
+"Ik heb hem aangeroepen," zeide Hermas met een zucht, "doch te
+vergeefs. Ik zie vrouwen met roode lippen en vliegende haren,
+en witmarmeren beelden met ronde leden en gloeiende oogen, die mij
+altijd en altijd weder wenken."
+
+"Neem dan den geesel ter hand," beval de vader, "en zie of ge u
+daarmee rust kunt bezorgen."
+
+Dit bevel gehoorzamende stond Hermas andermaal op en ging met den
+geesel naar buiten. De beperkte ruimte van de grot belette hem
+daarbinnen dit werktuig met krachtigen arm te zwaaien.
+
+Weldra hoorde Stephanus in de stilte der nacht het snorrend geluid
+der lederen riemen, de slagen op de veerkrachtige menschelijke spieren
+en het smartelijk steunen van zijn zoon. De oude man kromp samen bij
+elke striem, als had deze hemzelven getroffen. Eindelijk riep hij,
+zoo luid hij kon: "Genoeg, thans is het genoeg!"
+
+Hermas keerde in de grot terug. Zijn vader riep hem aan zijne
+legerstede en noodigde hem uit met hem gemeenschappelijk te bidden.
+
+Toen het Amen was uitgesproken, streek hij met de hand over de dichte
+haren van zijn zoon en zeide: "Sedert gij in Alexandrië waart, zijt
+gij veel veranderd. Ik wenschte, dat ik den bisschop Agapitus geen
+gehoor gegeven en u de reis verboden had! Weldra zal mijn Heiland mij
+roepen, dat weet ik, en niemand zal hier voor u zorgen. Dan zal de
+verzoeker komen, en al die heerlijkheden van de groote stad, die toch
+maar lichten als rottend hout, als slangen die een weerschijn geven,
+als giftige purperbeziën...."
+
+"Ik verlang ze niet," viel Hermas hem in de reden. "Die woelige stad
+bracht mij in verwarring, maakte mij beangst. Nooit, neen nooit zal
+ik haar weer betreden."
+
+"Zoo spreekt gij altijd," gaf Stephanus ten antwoord, "en toch zijt
+gij sedert de reis veranderd. Vroeger dacht ik zoo dikwijls, als ik u
+hoorde lachen: die klank zal den Hemelschen Vader welgevallig zijn. En
+thans?--Gij waart den zangvogel gelijk, en nu loopt gij zwijgend
+daarheen; somber en mistroostig is uw blik en booze gedachten weren
+den slaap van uwe sponde."
+
+"Dat is mijn lijden," antwoordde Hermas. "Wat ik u bidden mag, laat
+mijne hand los. De nacht is weldra voorbij, en gedurende den geheelen
+langen dag hebt gij tijd mij lessen te geven."
+
+Stephanus zuchtte, en Hermas zocht zijn leger weder op. Zij konden
+beiden den slaap niet vatten, en de een wist van den ander, dat hij
+waakte. Zij hadden elkander gaarne toegesproken, maar ontevredenheid
+en trots sloten de lippen van den zoon, en de vader zweeg omdat hij
+maar altijd de juiste woorden niet vinden kon, waarnaar hij zocht,
+woorden die doordringen tot het hart.
+
+Eindelijk brak de morgen aan. Eene lichte schemering drong door de
+opening naar binnen en het werd langzamerhand helderder in de sombere
+ruimte van de spelonk. De jongeling ontwaakte en stond geeuwend op.
+
+Toen hij zijn vader zag liggen met geopende oogen, vroeg hij
+onverschillig: "Zal ik hier blijven of naar den morgendienst gaan?"
+
+"Laat ons samen bidden," verzocht Stephanus. "Wie weet hoe kort ons
+dit nog maar vergund is. De dag is voor mij niet verre meer, waarop
+geen avond zal volgen. Kniel hier neder en laat mij het beeld van
+den gekruisigden kussen."
+
+Hermas deed overeenkomstig het verlangen zijns vaders, en toen beiden
+hun lofzang ten einde hadden gebracht, sprak een derde stem mede het
+Amen uit.
+
+"Paulus!" riep de oude. "De Heiland zij geloofd! Onderzoek mijne wonden
+toch eens. De pijlpunt tracht een uitweg te vinden en veroorzaakt
+mij onlijdelijke smart."
+
+De zoo even aangekomen Anachoreet, die als eenige kleeding een
+soort van hemd van bruine ongevolde stof en een schapenvacht droeg,
+onderzocht de wond zorgvuldig, legde er kruiden op en prevelde daarbij
+eenige vrome spreuken.
+
+"Nu is het veel beter," zeide de oude man met een zucht. "Terwille
+uwer goedheid erbarmt de Heer zich mijner."
+
+"Ik goed? Ik, zondig vat!" hernam Paulus met een diepe metaalstem,
+terwijl hij zijne bij uitnemendheid vriendelijke blauwe oogen
+opsloeg, als wilde hij de verzekering geven, dat men zich zeer in
+hem vergiste. Daarop streek hij met de hand het grijsachtig haar, dat
+ongeordend en in groote lokken over zijn hals en zijn gelaat hing, uit
+het gezicht en zeide opgewekt: "Een mensch is niet meer dan een mensch,
+en velen zijn minder! In de ark was veel vee doch maar éen Noach!"
+
+"In ons scheepje zijt gij de Noach," zeide Stephanus.
+
+"Dan is die groote lummel hier de olifant," hernam Paulus lachende.
+
+"Gij zijt niet kleiner dan hij," antwoordde Stephanus.
+
+"Het is jammer dat deze steenen ark zoo laag van verdieping is,
+anders konden wij terstond meten," sprak Paulus. "Ja, als Hermas en
+ik zoo vroom en rein waren als wij groot en sterk zijn, dan hadden wij
+beiden den sleutel tot het paradijs in handen.--Gij hebt u heden nacht
+gegeeseld jonkman; ik hoorde de slagen. Goed zoo! Wanneer het zondige
+vleesch zich laat gelden, dan moet men er zich tegen verzetten."
+
+"Hij heeft zwaar gesteund en kon niet slapen," zeide Stephanus.
+
+"Wel, dat zal ik hem afleeren," riep Paulus den jonkman toe, terwijl
+hij zijne gespierde armen met gebalde vuisten naar hem uitstrekte. Doch
+deze dreigende woorden klonken meer luid dan boos, en hoe wild die
+reusachtige man in zijn schaapsvel er ook uitzag, er lag toch zulke
+ene onweerstaanbare vriendelijkheid in zijn oogopslag en in zijne stem,
+dat niemand gelooven kon, dat hij het met zijn toorn ernstig meende.
+
+"Helsche geesten hebben hem gekweld," zeide Stephanus vergoelijkend,
+"en ik zou toch ook zonder zijn steunen geen oog hebben toegedaan. Dit
+is nu reeds vijf nachten zoo geweest."
+
+"In den zesden echter," haastte Paulus zich te zeggen, "hebt gij rust
+noodig. Sla de schapenvacht om, Hermas. Gij moet beneden in de oase
+naar den senator Petrus gaan, en van hem of van zijne vrouw Dorothea,
+de diakones, voor onze kranke eene goede slaapdrank halen.--Zie
+nu eens aan; de jongen denkt waarachtig nog aan het ontbijt zijns
+vaders! Waarlijk, uw eigen maag is een goed raadgever. Steek nu dat
+brood bij u, en zet het water hier naast het bed neder. Gedurende
+uwe afwezigheid zal ik een frisschen dronk halen. Ga nu met mij mede."
+
+"Wacht nog even," riep Stephanus. "Breng eene nieuwe kruik uit de
+stad mede, mijn kind. Gij hebt ons gisteren de uwe geleend, Paulus
+en ik wil...."
+
+"Ja, dat had ik haast vergeten," viel deze hem in de rede. "Ik ben dien
+onvoorzichtigen jongen dank schuldig, want nu weet ik eerst hoe men
+drinken moet, zoolang men gezond is. Voor geen last goud wil ik mijne
+kruik terug hebben. Het water smaakt alleen, wanneer men uit de holle
+hand drinkt. De pot behoort u toe. Ik zou mijzelven een zeer slechten
+dienst bewijzen, als ik dien terug wilde vorderen. Goddank, thans
+kan zelfs de slimste dief mij niets ontstelen, behalve mijn vacht."
+
+Stephanus wilde hem bedanken, maar hij greep Hermas bij de hand en
+trok hem mede naar buiten.
+
+
+
+Beide mannen liepen een tijdlang zwijgend bergopwaarts over klippen
+en rotsblokken heen.
+
+Paulus bleef eindelijk stilstaan op eene rotsvlakte, gelegen aan den
+weg die van de zee over den berg naar de oase leidde. Hij richtte
+zich tot den jongeling en zeide: "Als wij altijd de gevolgen van onze
+handelingen konden voorzien, dan zou er geene zonde zijn."
+
+Hermas zag hem vragend aan; Paulus ging echter voort: "Indien gij
+bedacht had, hoezeer uw arme vader slaap noodig heeft, zoudt gij
+heden nacht doodstil hebben gelegen."
+
+"Ik kon niet," gaf de jonkman knorrig op deze berisping ten
+antwoord. "Gij weet toch hoe onzacht ik mij gegeeseld heb."
+
+"Daaraan hebt gij goed gedaan, want als een stoute jongen hebt gij
+slagen verdiend!"
+
+Hermas zag den berispenden vriend vragend aan. Schaamrood bedekte zijne
+wangen, want hij herinnerde zich het woord der herderin, dat hij haar
+bij zijne voedster mocht aanklagen. Daarom antwoordde hij op onwilligen
+toon. "Zóo wil ik u niet langer te woord staan; ik ben geen kind meer?"
+
+"Ook niet het kinds uws vaders?" vroeg Paulus, en zag hem daarbij
+zoo verwonderd en vragend aan, dat Hermas verlegen de oogen neersloeg.
+
+"Het is toch niet mooi, wanneer iemand juist hem, die alleen om
+zijnentwil verlangt te leven, het weinigje leven dat hem rest
+verbittert."
+
+"Gaarne had ik stil gelegen, want ik heb mijn vader lief, zoo goed
+als ieder ander."
+
+"Gij slaat hem niet," hernam Paulus. "Gij brengt hem brood en water,
+en drinkt den wijn niet alleen op, die de bisschop u voor hem van
+het avondmaal mede naar huis geeft. Dit is nu wel iets, maar toch
+lang niet genoeg."
+
+"Ik ben geen heilig man!"
+
+"Ik ook niet," zeide Paulus weder. "Ik ben vol zwakheden en zonden;
+maar wat de liefde is, die de Heiland ons leerde, weet ik en dat kunt
+gij ook weten. Hij werd aan het kruis voor u, voor mij, voor de armen
+en tollenaren gefolterd. Liefde is zelfopoffering! En gij? Hoe lang is
+het geleden sedert gij uw vader voor de laatste maal, een vriendelijk
+gelaat hebt getoond?"
+
+"Ik kan niet huichelen."
+
+"Dat behoeft gij ook niet te doen; maar gij zult liefhebben. Inderdaad,
+men bewijst geen liefde met hetgeen de hand doet, maar met hetgeen
+het hart blijmoedig geeft, of zich weet te ontzeggen."
+
+"Is het dan geen offer, dat ik hier zoo armzalig mijn jeugd
+verslijt?" vroeg de jongeling.
+
+Paulus deed verrast een schrede achterwaarts, schudde bedenkelijk
+het ruige hoofd en zeide: "Staat het zóo met u? Denkt gij aan
+Alexandrië? Voorzeker, het leven vliegt daar sneller voorbij dan op
+onze eenzame bergen. Het bruine herderinnetje moogt ge niet lijden,
+maar misschien heeft u daar eene mooie blanke Griekin met roode wangen
+in de oogen gezien."
+
+"Spreek mij niet van de vrouwen!" hernam Hermas met oprecht gemeenden
+weerzin. "Daar waren wel andere dingen te zien."
+
+Bij deze woorden fonkelden de oogen van den jonkman, zoodat Paulus
+in groote spanning vroeg: "Wat dan?"
+
+"Gij kent Alexandrië beter dan ik," antwoordde Hermas ontwijkend. "Gij
+zijt daar geboren, en men zegt dat gij een rijk jongeling geweest
+zijt."
+
+"Zeggen ze dat?" vroeg Paulus. "Misschien hebben ze gelijk. Doch dit
+moogt gij weten: ik ben blijde dat ik niets meer bezit van al de
+nietswaardige zaken, die daar omlaag mij toebehoorden, en ik dank
+den Heiland, dat ik het gekrioel der menschen thans den rug kan
+toekeeren. Wat komt u toch in dat gewoel zoo bijzonder uitlokkend
+voor?"
+
+Hermas aarzelde. Hij vreesde te spreken, en toch werd hij door eene
+onweerstaanbare kracht gedreven, eindelijk eens te bekennen wat zijne
+ziel verontrustte.
+
+Indien er onder al de ernstige mannen, die de wereld verachten en
+waaronder hij was opgegroeid, zich éen bevond die hem begrijpen
+kon, dan, dit wist hij, moest het Paulus zijn. Hem had hij, toen
+hij nog klein was, in den ruigen baard gegrepen. Vaak had hij op
+zijne schouder gezeten, en hem duizendmaal getoond, hoe lief hij hem
+had. Wel was de Alexandrijn een der gestrengste, doch hij was alleen
+hard voor zichzelven.
+
+Eens moest Hermas zijn hart ontlasten. Hij nam een haastig besluit
+en vroeg den Anachoreet: "Hebt gij dikwijls de baden bezocht?"
+
+"Dikwijls?--Het verwondert mij zeer dat ik in al dat lauwe water niet
+ben geweekt en uit elkander gevallen als een stuk wittebrood."
+
+"Waarom drijft gij den spot met hetgeen de schoonheid van den
+mensch verhoogt?" vroeg Hermas vol vuur. "Waarom mogen in Alexandrië
+christenen de baden bezoeken, terwijl wij hierboven, terwijl gij en
+vader en alle Anachoreten het water slechts gebruiken om den dorst
+te lesschen? Gij dwingt mij als een uwer te leven, maar ik wil geen
+morsig dier gelijk zijn!"
+
+"De Allerhoogste trekt ons enkel aan," gaf Paulus ten antwoord,
+"en voor Hem reinigen wij onze zielen."
+
+"Maar de Heer heeft ons ook het lichaam gegeven," viel Hermas hem in
+de rede. "Het heet dat de mensch Gods evenbeeld is. En wij? Ik kreeg
+een afkeer van mijzelven, alsof ik een leelijke aap was, zoo vaak
+ik de jongelingen en mannen uit het groote badhuis bij de Zonnepoort
+zag komen, met keurig geschikte welriekende haren en fijne kleederen,
+die er zoo frisch en rein uitzagen. Toen zij daarheen gingen, dacht
+ik aan mijn schurftig schaapsvel en meer dan verwilderd hoofdhaar;
+als ik mijne armen en voeten aanzag, die niet minder fraai of stevig
+gevormd zijn dan die van hen, werd ik beurtelings heet en koud, en was
+het mij als trok een bittere drank mijne keelspieren samen. Het liefst
+ware ik van schaamte, van spijt en verdriet in tranen uitgebarsten. Ik
+wil geen vogelverschrikker zijn!"
+
+Hermas had de laatste woorden tandenknarsend uitgesproken, en Paulus
+keek hem met onrust aan, toen hij voortging: "Mijn lichaam behoort
+God toe, zoo goed als mijne ziel, en wat den christen in de stad
+geoorloofd is...."
+
+"Dat mogen wij toch niet doen," viel Paulus hem ernstig in de
+rede. "Wie zich eenmaal aan den hemel heeft toegewijd, die moet zich
+geheel losmaken van de bekoringen des levens, en den eenen band na den
+anderen losrijten, die hem aan het stof gekluisterd houdt. Er is een
+tijd geweest, waarin ook ik mijn lichaam heb gezalfd en deze stugge
+haren gekapt. Hoe verheugde ik mij, als ik mijn eigen beeld in den
+spiegel zag! Toch zeg ik u, Hermas, en bij mijn dierbaren Heiland,
+ik zeg het alleen omdat ik het gevoel, hier diep in het hart gevoel:
+bidden is beter dan baden, en ik arm nietswaardig schepsel ben met
+uren begenadigd, waarin mijne ziel zich vrijgeworsteld heeft, met uren,
+waarin het mij vergund werd vol zaligheid en verrukking als eere-gast
+deel te nemen aan de feestvreugde des hemels."
+
+Onder het uitspreken dezer laatste woorden had Paulus zijne
+wijdgeopende oogen omhoog gericht, terwijl zij straalden met
+wonderbaren glans.
+
+Een tijdlang stonden beiden zwijgend en roerloos tegenover
+elkander. Ten laatste streek de Anachoreet zich het haar uit het
+gezicht, waardoor zijn voorhoofd voor het eerst zichtbaar werd.
+
+Het was schoon gevormd, hoewel niet hoog, terwijl de blanke huidkleur
+scherp afstak bij zijn door de zon gebruind gelaat.
+
+"Gij weet niet knaap," sprak hij, na eene diepe ademhaling, "welk
+eene vreugde gij zoudt prijs geven voor nietige dingen. Eer de hemel
+eene vrome tot zich roept, trekt de vrome den hemel tot zich op
+aarde neder."
+
+Hermas verstond den Anachoreet zeer goed, want zijn vader staarde
+ook vaak na urenlange gebeden, roerloos ten hemel, zonder te zien of
+te hooren wat rondom hem gebeurde. Ook deze was gewoon, als hij uit
+zijne ekstátische visioenen ontwaakte, aan zijn zoon te vertellen,
+dat hij den Heiland gezien en de koren der engelen gehoord had. Doch
+het was hem nooit gelukt zich in zulk een toestand te verplaatsen,
+hoewel Stephanus hem niet zelden gedwongen had, vele eindeloos lange
+uren op de knieën te liggen en met hem te bidden.
+
+Het was dikwijls gebeurd, dat na zulke oefeningen, die zijne ziel
+diep schokten, het zwakke levenslicht van den ouden man dreigde uit
+te gaan. Daar Hermas hem liefhad, zou hij hem gaarne verboden hebben
+zich aan zulk eene gevaarlijke opwinding over te geven. Maar deze
+zinsverrukkingen werden voor buitengewone begenadigingen gehouden,
+en hoe zou de zoon het hebben durven wagen, zijn afkeer voor zulke
+bij uitnemendheid heilige dingen voor zijn vader uit te spreken?
+
+Tegenover Paulus echter had hij, in de stemming waarin hij verkeerde,
+den moed daartoe, daarom zeide hij: "Ik hoop stellig op het paradijs,
+doch het wordt ons in elk geval eerst na den dood geopend. De
+christen moet geduld hebben; waarom wacht gij niet op den hemel tot
+de Heiland u roept, en wilt gij zijne vreugde reeds hier op aarde
+genieten? Eerst het eene, en dan het andere! Waartoe heeft God ons
+de gaven des lichaams gegeven, dan om ze te gebruiken? Schoonheid en
+kracht zijn waarlijk niet gering te achten, en een gek alleen geeft
+iemand kostelijke geschenken om ze weg te werpen."
+
+Paulus kon niet nalaten wederom met verbazing den jonkman aan te
+zien, die zijn vader en hem tot deze ure in alle geestelijke dingen
+zonder tegenspraak was gevolgd, en antwoordde, terwijl hij het hoofd
+schudde: "Zoo denken de kinderen dezer wereld, die verre staan van
+den Allerhoogste. Gewis, wij zijn evenbeelden Gods, maar welke zoon
+kust het beeld zijns vaders, wanneer de vader zelf hem zijne lippen
+voorhoudt?"
+
+Paulus had "moeder" in plaats van "vader" willen zeggen; daar hij
+echter nog intijds bedacht, dat Hermas reeds zoo vroeg het voorrecht
+had moeten missen van eene moeder te kunnen omhelzen, had hij het
+verbeterd. Hij behoorde tot de zoodanigen, die het zooveel leed zou
+doen anderen te kwetsen, dat zij, als konden zij gissen waar ook
+zelfs de meest verborgene wonden van hunne naasten gelegen zijn,
+ze nimmer willen aanraken dan om ze te heelen.
+
+In den regel sprak hij niet veel, heden echter ging hij haastig
+voort: "Zooveel hooger God staat boven ons erbarmerlijk Ik, zooveel
+waardiger is het ook voor een christen aan hem te denken, in plaats
+van aan zijn eigen persoon. O, indien het ons gelukken kon dit Ik
+geheel te verliezen en op te gaan in God! Maar het loopt ons altijd
+achterna, en wanneer de ziel meent zich reeds in den Allerhoogsten
+opgelost te hebben, roept het: 'Hier ben ik', en trekt het edelste
+deel van ons wezen neer in het stof. Het is ellendig genoeg, dat
+wij onze ziel in hare vlucht belemmeren, en ons vergankelijk deel
+tot schade van het eeuwige door brood en water en armzalig slapen
+onderhouden en versterken moeten, terwijl wij zoo gaarne zouden vasten
+en waken. Zullen wij dan het vleesch nog, tot schade der ziel, zulke
+eischen toestaan, die zich zoo gemakkelijk laten afwijzen? Slechts
+hij, die zijn rampzalig Ik veracht en prijs geeft, zal door de genade
+des Verlossers, als hij zichzelven verloren heeft, zich wedervinden
+in God."
+
+Hermas had den Anachoreet geduldig aangehoord. Thans schudde hij
+het hoofd en zeide: "Ik versta noch u, noch mijn vader. Zoolang ik
+op deze aarde wandel ben ik Ik en geen ander. Na den dood echter,
+maar ook eerst dan, begint het nieuwe eeuwige leven."
+
+"In geene deele," hernam Paulus, hem met levendigheid in de rede
+vallende. "Dat andere hoogere leven, waarvan gij spreekt, begint niet
+eerst aan gene zijde des graf voor hem, die hier reeds zonder ophouden
+tracht terwijl hij leeft te sterven, zijn vleesch te dooden, de eischen
+der zinnelijkheid te overwinnen, de wereld en zijn Ik te verloochenen,
+en den Heer te zoeken. Het was velen vergund reeds te midden van dit
+leven wedergeboren te worden tot een hooger bestaan. Zie mij aan, den
+armsten van alle armen. Ik ben een wezen en toch ben ik voor den Heer
+zoo zeker een ander, dan die ik was vóor zijne genade mij aangreep, als
+deze palmtwijg, die opschiet uit den wortel van den omgevallen boom,
+niet éen is met den verrotten stam. Ik ben een heiden geweest, en elke
+lust der zinnelijkheid heb ik met volle teugen genoten. Daarna ben ik
+een christen geworden; de genade des Heeren is over mij gekomen; ik
+werd opnieuw geboren en andermaal een kind, maar ditmaal mijn Verlosser
+zij dank! een kind des Heeren. Midden in het leven stierf ik, stond
+ik op, vond ik de vreugde des hemels. Eens was ik Menander, en als
+Saulus ben ik Paulus geworden. Alles wat Menander lief was: baden,
+gastmalen, tooneelspelen, paarden en wagens, wedstrijden, zalvingen,
+rozen en kransen, purperen kleederen, gezang en vrouwenliefde, dat
+alles ligt achter mij als een vuil moeras, waaraan de wandelaar met
+moeite is ontkomen. Geen ader van den ouden mensch is in den nieuwen
+teruggebleven, en gelijk voor mij, zoo is voor alle vromen, midden
+op den weg naar het graf, een nieuw leven begonnen. Ook uwe ure zal
+slaan ook gij zult afsterven...."
+
+"Ware ik slechts als gij een Menander geweest!" riep Hermas uit, den
+ander haastig in de rede vallend. "Hoe kan men iets van zich werpen,
+wat men nooit bezeten heeft? Om te kunnen sterven, moet men eerst
+leven! Dit jammerlijk leven is verachtelijk in mijn oog, en ik ben
+het moede u na te loopen als het kalf de koe. Ik ben een vrij man
+en van een edel geslacht, dat heeft mijn vader mij zelf gezegd, en
+waarlijk ik ben niet zwakker dan de burgerzonen in de stad, die ik
+van het badhuis naar het worstelperk volgde."
+
+"Zijt gij dan in de palaestra geweest?" vroeg Paulus verwonderd.
+
+"In het Timagetische worstelperk!" riep Hermas in geestdrift. "Vóor
+de poort zag ik de spelen der jongelingen, hoe zij worstelden en met
+zware schijven naar een doel wierpen. De oogen sprongen mij bijna
+uit het hoofd, toen ik dit aanzag, en ik zou het luid hebben kunnen
+uitschreeuwen van spijt, dat ik daar zoo staan moest met die lompe
+vacht en uitgesloten blijven van dien wedkamp. Als Pachomius er niet
+op aangekomen was, bij de wonden des Heilands, ik zou in de baan zijn
+gesprongen, ik zou den sterksten van allen zeker uitgedaagd en met hem
+geworsteld hebben, ik zou den schijf verder hebben geslingerd dan die
+welriekende gek, die de overwinning behaalde en dien zij bekransten."
+
+"Dank Pachomius," zeide Paulus lachend, "dat hij u terug hield, want
+gij zoudt in het worstelperk slechts bespotting en schande hebben
+verworven. Sterk zijt gij zeker, maar het werpen met de schijf moet
+geleerd worden, gelijk iedere andere kunst. Hercules zelf zou bij
+dit spel moeten onderdoen zonder oefening en kennis der handgrepen."
+
+"Het zou de eerste maal niet geweest zijn, dat ik wierp," hernam de
+jongeling. "Zie maar eens wat ik kan!"
+
+Bij deze woorden bukte hij, nam een der platte steenen op, die hier
+bij menigte lagen om den weg vast te maken, strekte krachtig den arm
+achterwaarts, en slingerde de werpschijf van graniet over de helling
+in de diepte.
+
+"Nu ziet gij het!" zeide Paulus, die den worp opmerkzaam en niet
+zonder nieuwsgierige spanning gevolgd had. "Hoe sterk uw arm ook zijn
+mag, ieder nieuweling werpt verder dan gij, als hij de kunstgrepen
+kent. Zóo is het niet goed; de schijf moet met den scherpen kant
+als een mes de lucht doorsnijden. Zoo als gij uw hand houdt, werpen
+vrouwen. Het handgewricht gestrekt, de linkervoet achterwaarts, de
+knie gebogen!--Zie nu dien domoor eens aan! Geef mij den steen!--Dáar,
+zoo neemt men den schijf in de hand, zoo trekt men het lijf samen
+en drukt de knie naar beneden, gelijk het hout van een boog,
+opdat elke spier van het geheele lichaam het werptuig, als ge het
+loslaat, helpt voortstuwen.--Ja, zoo zal het beter gaan; maar het
+is toch nog het rechte niet. Hef de schijf eens op met uitgestrekten
+arm! Houd nu het oog goed op uw doel gericht! Beweeg haar nu hoog naar
+achter!--Hola! Nog eens! De arm moet sterker gespannen zijn eer gij
+slingert.--Dat was vrij wel; maar de steen moet komen tot gindschen
+palm.--Geef mij deze schijf en dien steen dáar. Zoo! De ongelijke
+hoeken belemmeren de snelheid! Let nu eens op!"
+
+Paulus had met steeds klimmende levendigheid gesproken, terwijl hij
+den jonkman leerde met den discus te werpen. Thans nam hijzelf de
+schijf in de hand, gelijk hij jaren geleden gewoon was te doen, toen
+geen jongeling in Alexandrië hem in het werpspel kon overtreffen. Hij
+boog de knie, bracht het bovenlijf een weinig vooruit, draaide het
+handgewricht heen en weer, strekte den arm, waarvan alle spieren
+tot het uiterste werden gespannen, zoo ver mogelijk uit, en wierp
+den steen met vliegende snelheid in de ruimte, terwijl de gekromde
+teenen van zijn rechtervoet in den grond boorden.
+
+De schijf viel vóor den palm neder, waarop hij gemikt had, zonder
+hem geraakt te hebben.
+
+"Wacht," riep Hermas, "laat mij nu beproeven of ik den boom treffen
+kan!"
+
+Zijn steen snorde door de lucht, maar bereikte niet eens den heuvel,
+waarop de palm zich verhief.
+
+Paulus schudde afkeurend het hoofd, greep andermaal een platten
+steen, en thans begon er tusschen beiden een levendige wedstrijd. Bij
+elken worp vloog de steen van Hermas, die met groote vaardigheid
+zijn meester in houding en greep wist na te volgen, een eind verder,
+terwijl de arm van den ouden man vermoeid begon te worden.
+
+Daar bereikte de schijf van Hermas reeds voor de tweede maal den
+palmboom, terwijl Paulus bij zijn laatste worp zelfs den heuvel
+had gemist.
+
+De lust tot den wedkamp overmeesterde den Anachoreet hoe langer hoe
+meer. Hij wierp zijn vacht af, en terwijl hij een nieuwen steen
+opraapte, riep hij, als stond hij nog onder zijne van zalfolie
+glimmende gezellen in het Timagetische worstelperk, waarin hij
+zoovele kransen veroverd had: "Bij Apollo met zijn zilveren boog en
+de schietlustige Artemis, nu wil ik den palm toch raken!"
+
+Het werptuig doorkliefde de lucht, zijn bovenlijf richtte zich snel
+vooruit, zijn linkerarm strekte zich achteruit om zijn wankelend
+lichaam het evenwicht weder te geven. Een krak werd gehoord. De boom,
+die getroffen was, schudde.
+
+"Verbazend!" riep Hermas juichend uit, "verbazend! Dat was een
+worp! De oude Menander is dus nog niet gestorven. Vaarwel, morgen
+werpen wij verder!"
+
+Met deze woorden verliet Hermas den Anachoreet en snelde met groote
+stappen den berg af naar de oase.
+
+Evenals een slaapwandelaar, wanneer iemand hem wekt door hard zijn naam
+uit te roepen, zoo schrikte ook Paulus bij deze woorden op. Verward zag
+hij rondom zich, als was hij in eene vreemde wereld verplaatst. Op zijn
+voorhoofd parelden heldere zweetdruppels. Beschaamd raapte hij zijn
+op den grond liggend kleed op en bedekte daarmede zijne naakte leden.
+
+Een tijdlang staarde hij Hermas na; vervolgens bracht hij in diepe
+smart de hand aan zijn voorhoofd, terwijl dikke tranen in zijn baard
+rolden. "Wat heb ik gezegd!" prevelde hij in zichzelven. "Elke ader
+van den ouden mensch zou hier binnen uitgeroeid zijn? Ik dwaas,
+ik ijdele dwaas! Ze noemen mij Paulus en ik ben nog maar een Saulus!"
+
+Bij deze woorden wierp hij zich op de knieën, drukte zijn voorhoofd
+tegen de harde rotsen en begon te bidden. Het scheen hem toe alsof
+hij uit de hoogte was neergevallen op zwaarden en lansen, als bloedde
+zijn hart, terwijl hij wegsmolt in tranen en verzuchtingen, zichzelven
+aanklagende en veroordeelende, gevoelde hij niet hoe heet de zon,
+die al hooger en hooger rees, brandde, bedacht hij niet hoe de tijd
+voorbijging, hoorde hij niet, dat vele pelgrims, die onder leiding
+van den Bisschop Agapitus de heilige plaatsen kwamen bezoeken,
+hem naderden.
+
+De bedevaartgangers zagen hem bidden, hoorden zijn snikken, bewonderden
+zijne vroomheid en knielden op een wenk van hun aanvoerder achter
+hem neder.
+
+Toen Paulus eindelijk opstond, bemerkte hij tot zijne verrassing
+en schrik de menschen, die getuigen waren geweest van zijne
+verootmoediging in het gebed. Hij naderde Agapitus, om diens gewaad
+te kussen.
+
+"Niet alzoo!" sprak deze. "De vroomste is de grootste onder ons. Komt
+vrienden, buigen wij de knieën voor dezen heiligen man!"
+
+De pelgrims voldeden aan dit bevel.
+
+Paulus bedekte zijn gelaat met de handen en zeide al snikkend: "Ik
+arme, ik arme!" Doch de pelgrims prezen zijn deemoed en trokken met
+hun aanvoerder verder.
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Hermas was voortgesneld, zonder zich op te houden.
+
+Reeds stond hij aan de laatste kromming van den door de bergkloof
+gevormden weg, dien hij gevolgd had, en zag aan zijne voeten in het ver
+uitgestrekte dal het heldere water van de beek, dat hier den bodem der
+woestijn vruchtbaar maakte. Hier verhieven zich hoogstammige palmen
+en groeiden ontelbare tamarisken-struiken, waartusschen de huizen
+der oase-bewoners, door kleine tuintjes en zorgvuldig bevochtigde
+strooken bouwgrond omgeven, overal kwamen uitkijken. Reeds vernam hij
+het hanengekraai en het vriendelijk geblaf der honden, hetgeen hem,
+wien dag en nacht, ginds op de rotsachtige hoogte, de diepe stilte
+der eenzaamheid omgaf, als een groet midden uit het leven, waarnaar
+hij smachtte, in de ooren klonk.
+
+Hij bleef staan en volgde met zijne oogen de dunne rookzuilen, die
+statig in den helderen glans van de steeds hooger en hooger rijzende
+zon, uit de talrijke woningen beneden hem opstegen.
+
+"Daar koken nu," dacht hij, "de vrouwen voor hunne mannen, de moeders
+voor hunne kinderen het ochtendmaal, en dáar, waar die donkere rook
+zich verheft, wordt misschien voor gasten een heerlijken maaltijd
+bereid. Doch ik ben nergens te huis en niemand noodigt mij."
+
+De wedstrijd met Paulus had hem opgewekt en wat vroolijker gestemd,
+maar het zien van de stad vervulde zijn jeugdig hart met nieuwe
+bitterheid. Zijne lippen beefden, toen hij een blik sloeg op zijn
+schapenvacht en zijne onreine ledematen.
+
+Hij stond niet lang na te denken, keerde ijlings de oase den rug toe en
+liep den berg op. Bij eene bron, die hem alleen bekend was, wierp hij
+zijn harig kleed af, liet het koele water over zijn lichaam stroomen,
+wiesch zich zorgvuldig en met welgevallen, streek met zijne vingers
+zijne dichte haren in orde en ijlde daarop weder naar het dal terug.
+
+De kloof die hij volgde kwam bij een heuvel uit, die zich te midden
+der vlakte verhief en op welks oostelijke helling eerst onlangs een
+kerkje was opgetrokken. Overigens werd deze hoogte omgeven door muren
+en wallen, waarachter de inwoners van die plaats beschutting vonden,
+wanneer roofzuchtige Saracenen de oase bedreigden. Zij wordt nog voor
+eene bij uitnemendheid heilige plaats gehouden, want op den top zou
+Mozes in den slag tegen de Amalekieten gebeden hebben, terwijl Aäron
+en Hur zijne hoog opgehevene armen ondersteunden.
+
+Doch er waren in de nabijheid van deze oase nog andere eerwaardige
+plaatsen. Daar zag men, wat verder noordwaarts, de rots, waaruit Mozes
+eene bron te voorschijn had doen komen; ginds, iets meer zuidoostelijk
+en hooger op, den heuvel waar de Heer met zijn wetgever gesproken had,
+waar ook het braambosch had gebrand. Hier werd ook de bron gevonden,
+waarbij Mozes de dochters van Jethro had aangetroffen, die de oude
+legende Zippora en Ledja noemt.
+
+Naar deze heilige plaatsen gingen vrome pelgrims in grooten getale
+ter bedevaart. Onder dezen bevonden zich vele inboorlingen van het
+schiereiland, en met name Nabateërs, die weleer den heiligen berg
+hadden bezocht, om op zijn top aan hunne goden, de zon, de maan en
+de planeten te offeren.
+
+Aan den noordelijken ingang verhief zich een sterkte, waarin, sedert
+onder Trajanus de Syrische praefect Cornelius Palma Steenachtig Arabië
+had onderworpen, een keizerlijke bezetting lag, die de bloeiende
+stad der woestijn moest verdedigen tegen de invallen der Saracenen
+en Blemmyers.
+
+Ook de Pharanietische burgers hadden maatregelen genomen voor de
+beveiliging van hunne bezittingen. Op den bovensten top van den
+veelgespleten bergkroon, het hoogste verblijf wijd en zijd in het
+land, onderhielden zij wachters, die dag en nacht in de verte tuurden,
+om bij naderend gevaar een waarschuwend teeken te geven.
+
+Elk hunner huizen geleek een burcht, want het was uit vasten steen
+opgetrokken, en hunne jonge mannen waren in het boogschieten flink
+geoefend.
+
+De voornaamste familiën woonden in de nabijheid van den
+kerkheuvel. Daar lagen de huizen van den bisschop Agapitus en van de
+raadsheeren van Pharan. Onder de laatste stond de senator Petrus het
+hoogst in aanzien, deels wegens zijn ernst en degelijkheid, deels
+wegens zijne bezittingen in bergwerken, tuingrond, dadelpalmen en
+vee, maar deels ook tengevolge van de zeldzame eigenschappen zijner
+vrouw, de diakones Dorothea, de kleindochter van den sedert lang
+gestorven waardigen bisschop Chaeremon, die met zijne gade gedurende
+de christenvervolging onder Decius hierheen was gevlucht en vele
+Pharanieten tot de leer des kruizes had bekeerd.
+
+Het steenen huis van Petrus was stevig gebouwd en net gevoegd; de
+palmtuin daarnaast werd zorgvuldig onderhouden. Tot zijne bezittingen
+behoorden twintig slaven, vele kameelen en zelfs twee paarden. De
+centurio, die het opperbevel voerde over de keizerlijke bezetting,
+de Galliër Phoebicius en zijne vrouw Sirona, woonden als huurders
+onder zijn dak; hoewel niet tot genoegen van den raadsheer, want de
+centurio was geen christen, maar een aanbidder van Mithras. Bij de
+mysteriën van deze godheid was de woeste Galliër tot den rang van
+"leeuw" opgeklommen, daarom waren de zijnen en ook de Pharanieten
+gewoon hem "de leeuw" te noemen. Zijn voorganger was een officier van
+veel minder rang, doch een geloovig christen geweest, dien Petrus
+had uitgenoodigd zijn intrek te nemen in zijn huis. Toen de leeuw
+Phoebicius een jaar geleden den vromen Pancratius verving, kon de
+senator den eerstgenoemden het opengevallen verblijf niet weigeren.
+
+Schuw en aarzelend naderde Hermas het erf van Petrus, en zijne
+verlegenheid klom, toen hij in de voorzaal van het deftige steenen
+huis, dat hij ongehinderd was binnengetreden, niet wist naar welke
+zijde hij zich wenden moest. Er was niemand die hem den weg kon
+wijzen, en hij waagde het niet de trappen op te klimmen, die naar
+de bovenverdieping voerden, ofschoon Petrus zich daar scheen op te
+houden. Er was geen twijfel aan, want nu hoorde hij boven zich spreken
+en onderscheidde hij duidelijk de zware stem van den senator.
+
+Hermas liep dus naar den trap en zette zijn voet op de eerste
+trede. Doch toen hij, beschaamd over zijn blooheid, nauwelijks begonnen
+was, minder besluiteloos op te klimmen, hoorde hij boven zich een
+deur openvliegen, en daarna stroomde, als bij eene opgehoudene beek,
+wanneer de molenaar de sluizen openzet, een vloed van heldere lachende
+kinderstemmen hem te gemoet.
+
+Verrast keek hij naar boven, maar hij had geen tijd om te overleggen,
+want reeds had de losgelatene jubelende schare den trap bereikt. Een
+buitengemeen schoone jonge vrouw, met goud-blonde haren, vloog
+vóor allen uit. Zij hield, overluid lachende, eene met veelkleurige
+kleederen opgesierde pop in de hoogte. Zij liep achterwaarts naar den
+trap toe, en keek met haar blank gelaat, vol ondeugende blijdschap,
+de kinderen aan, die in hartstochtelijk verlangen, half dringend,
+half smeekend, half lachend, half huilend door elkander riepen:
+"Geef ze ons, Sirona!" "Neem ze niet weer meê, Sirona!" "Toe, blijf
+toch hier Sirona!" "Sirona" en weder "Sirona!"
+
+Een lieftallig zesjarig meisje vloog op haar toe, om den blanken
+gevulden arm, die het speelgoed omhoog hield, te bereiken. Drie
+kleintjes, die poogden zich aan haar knie vast te klemmen, hield zij
+met de vrijgeblevene linkerhand dapper van zich af, en riep, altijd
+achteruitgaande: "Neen, neen, ge krijgt de pop niet weder, voor zij
+eene nieuwe jurk aan heeft, die lang zal zijn en even kleurig als
+het kleed van den keizer. Laat mij los, Cæcilia, anders valt ge naar
+beneden, zooals onlangs met den wilden Nikon is gebeurd."
+
+Onder het spreken dezer woorden was zij aan de bovenste trede
+genaderd. Eensklaps keerde zij zich om, en sloot met uitgestrekte
+armen den toegang tot den smallen trap af, waarop Hermas stond,
+die met open mond het lustig spel boven zijn hoofd aanzag.
+
+Zoodra Sirona zich gereed maakte om naar beneden te vliegen,
+merkte zij den jonkman op en schrikte. Doch zoo ras zij bespeurde,
+dat de Anachoreet enkel uit verlegenheid geen woorden kon vinden,
+om op hare vraag naar hetgeen hij verlangde te antwoorden, barstte
+zij op nieuw in een schaterlach uit en riep naar beneden: "Kom maar,
+wij zullen u geen kwaad doen; niet waar, kinderen?"
+
+Intusschen had Hermas weder moed gevat, om zijn verlangen, namelijk
+den Senator te spreken, te kennen te geven, en de Gallische vrouw,
+die met welgevallen de krachtige gestalte van den jonkman opnam,
+bood zich aan om hem tot Petrus te brengen.
+
+Deze had zich, terwijl dit alles voorviel, met zijne volwassene oudste
+zonen onderhouden, flinke mannen, ofschoon de vader grooter was en
+bovendien buitengewoon breed van schouders. Terwijl de jongelingen het
+woord voerden, streek hij over zijn korten, grijzen baard, en keek
+naar den grond met somberen ernst; zoo moest het den oppervlakkigen
+beschouwer althans toeschijnen. Hij die scherper zag werd spoedig
+gewaar, dat niet zelden een tevreden, ja meermalen een ondeugend
+lachje de lippen plooide van dezen verstandigen, degelijken man.
+
+Hij was een dergenen, die de kunst verstaan om met hunne kinderen als
+eene jonge moeder te spelen, en zich het lijden van anderen weten
+aan te trekken, alsof het henzelven betrof, die echter zoo donker
+kunnen kijken en zulke scherpe woorden durven spreken, dat alleen
+zij hen niet miskennen noch vreezen, die geheel met hen vertrouwd
+zijn. Er knaagde zeker iets aan de ziel van dezen man, die toch alles
+bezat, wat een mensch gelukkig kan maken. Hoewel dankbaar gestemd,
+was hij zich toch bewust, dat hij meer had kunnen uitrichten, dan
+hem het lot vergund had tot stand te brengen en te zijn. Hij was een
+steenhouwer gebleven, maar zijne beide zonen hadden in eene goede
+school te Alexandrië hunnen leertijd voleindigd.
+
+De oudste, Antonius, die reeds een eigen huis bezat, benevens vrouw en
+kinderen, was bouwmeester en werktuigkundige; de jongste, Polycarpus,
+een zeer begaafd jong beeldhouwer. Onder leiding van den oudsten was
+het statig kerkje van de oase-stad gebouwd. Polycarpus, die eerst
+sedert een maand terugkeerde, was van plan in de steengroeve zijns
+vaders werken van grooten omvang te ontwerpen en uit te voeren,
+want hij had de opdracht ontvangen om te Alexandrië het nieuwe
+voorhof van het prachtig gebouw, dat Sebasteum of Caesareum werd
+genaamd, te versieren met twintig leeuwen van graniet. Meer dan
+dertig kunstenaars hadden met hem naar den voorrang gedongen; doch
+oordeelkundige rechters hadden eenstemmig aan zijne modellen den prijs
+toegekend. De bouwmeester, die voor het herstel van de zuilengangen
+en vloeren van het voorhof zorg moest dragen, was zijn vriend, en
+had hem toegestaan de granietblokken, steenplaten en cylinders, die
+hij noodig had, uit de groeven van Petrus, en niet zooals gewoonlijk
+geschiedde, uit die van Syëne bij den eersten waterval te halen.
+
+Antonius en Polycarpus stonden thans met hun vader voor een groote
+tafel en gaven hem de verklaring van het plan, dat zij te zamen in de
+dunne waslaag op een bord hadden gegrifd. De jonge bouwmeester sloeg
+voor, over eene diepe doch smalle kloof, die de lastdieren niet konden
+ontgaan dan langs een verren omweg, een brug te leggen en vervolgens
+den afstand van de brug naar de zee, door een nieuw aan te leggen
+weg voor meer dan een derde te bekorten. De kosten voor dit werk
+waren spoedig te vinden uit de besparing van arbeidskracht, en wel
+stellig en zeker, wanneer men de transportschepen, niet, zooals tot
+hiertoe geschiedde, ledig liet terugkomen, maar in Klysma eene lading
+winstgevende artikelen uit Alexandrijnsche fabrieken deed innemen.
+
+Petrus, die in de raadsvergadering vaak als redenaar kon schitteren,
+sprak in het dagelijksch leven zeer weinig. Bij elken nieuwen voorslag
+van zijn zoon, sloeg hij de oogen op, als moest hij onderzoeken of de
+jonkman zijn verstand misschien niet verloren had, terwijl hij met
+zijne half onder een grijzen knevel verborgene lippen meesmuilde,
+ten teeken van bijval. Toen Antonius zijn plan, om namelijk de
+kloof, die hem in den weg lag, onschadelijk te maken, begon uiteen
+te zetten, bromde de senator: "Laat den slaven vleugels aangroeien;
+maak de zwarte maar tot raven en de witte tot meeuwen, dan kunnen
+zij daarover vliegen. Wat men al niet in de hoofdstad leert!"
+
+Zoodra het woord "brug" Antonius over de lippen was gekomen, zag hij
+den jongeling strak aan en zeide: "Het is maar de vraag of de hemel ons
+een regenboog wil leenen." Toen Polycarpus hem daarop voorsloeg, door
+zijne Alexandrijnsche vrienden eenige cederbalken uit Syrië te laten
+komen, en zijn oudste zoon hem de teekening van den boog verklaarde,
+waarmede hij de kloof vast en zeker beloofde te overwelven, volgde
+hij zijne woorden met gespannen opmerkzaamheid. Daarbij fronsde hij
+zijne wenkbrauwen zóo onheilspellend en zag zóo somber, als vernam
+hij het bericht van een misdaad. Toch liet hij zijn zoon geheel
+uitspreken en prevelde alleen in den beginne: "kunststukken," of:
+"ja, als ik eens de keizer was!"
+
+Eindelijk stelde hij duidelijke en bepaalde vragen, en ontving hij
+stellige en doordachte antwoorden. Antonius bewees door getallen,
+dat de verdiensten van eene leverantie voor het Caesareum meer dan
+drievierde gedeelte der gezamenlijke uitgaven zou dekken. Daarop
+nam Polycarpus het woord om te verzekeren, dat het graniet van den
+heiligen berg deugdelijker van gehalte en schooner van kleur was,
+dan dat van Syëne.
+
+"Wij arbeiden hier goedkooper dan aan den waterval," viel Antonius
+hem in de rede. "Het vervoer der steenblokken zal ons niet zoo duur
+te staan komen, wanneer de brug en de weg tot aan zee klaar zijn en
+wij gebruik maken van den binnen weinige maanden weder bevaarbaren
+Trajanusstroom, die de Roode zee met den Nijl verbindt."
+
+"En wanneer mijne leeuwen gelukken," zeide Polycarpus, "en Zenodotus
+tevreden is met onzen steen en onzen arbeid, dan zou het weleens kunnen
+gebeuren, dat wij boven Syëne den voorrang verwierven, en wij een
+deel kregen van de kolossale bestellingen ten behoeve van de nieuwe
+residentie voor Constantijn, die thans alleen aan de steengroeven
+bij den waterval worden gedaan."
+
+"De verwachting van Polycarpus is niet te hoog gespannen," voegde
+Antonius hierbij, "want de keizer zoekt met zekeren koortsachtigen
+ijver Byzantium uit te breiden en te verfraaien. Aan ieder die een
+nieuw huis bouwt, wordt jaarlijks graan geleverd, en om lieden van
+onze soort, waarvan hij er nooit te veel kan hebben, tot zich te
+trekken, belooft hij aan bouwmeesters, beeldhouwers, ja zelfs aan
+bekwame arbeiders geheelen vrijdom van belastingen. Als wij hier
+de blokken en zuilen nauwkeurig en volgens de teekening afwerken,
+beslaan zij niet te veel plaats in de schepen, en niemand zal zoo
+goedkoop kunnen leveren als wij."
+
+"En ook niet zoo goed," hernam Polycarpus, "want gij zijt zelf een
+kunstenaar, vader, en kent de gesteenten beter dan iemand anders. Nooit
+zag ik zulk een schoon stuk graniet, zoo gelijkmatig van kleur,
+als het stuk dat gij voor den eersten leeuw heb uitgezocht. Ik zal
+hem hier op de plaats zelve geheel gereed maken, en ik geloof dat
+hij gezien zal mogen worden. 't Is waar, mijn arbeid zal moeielijk
+de proef der vergelijking kunnen doorstaan met zoovele andere edele
+werken uit den bloeitijd der kunst, waarmede het Caesareum is opgevuld:
+doch ik zal mijn best doen."
+
+"Het worden prachtige leeuwen," zeide Antonius, terwijl hij zijn
+broeder met trots aanzag. "In de laatste jaren heeft niemand
+iets tot stand gebracht dat er bij halen kan, en ik ken mijne
+Alexandrijners. Zoo het meesterwerk uit het gesteente van den
+heiligen berg geprezen wordt, dan wil de geheele wereld graniet van
+dáar en van daar alleen hebben. Het komt er maar op aan te zorgen,
+dat het transport van steenen naar zee minder moeilijk en kostbaar
+wordt gemaakt."
+
+"Beproeven wij het dan," zeide Petrus, die onder dit gesprek zijner
+zonen zwijgend vóór hen op en neder had geloopen. "Beproeven wij
+het dan in godsnaam met den bruggebouw. Den weg zullen wij maken,
+wanneer de burgerij zich bereid verklaart de helft van de kosten te
+dragen, anders niet. Gij moogt het wel weten: gij zijt beiden flinke
+mannen geworden!"
+
+De jongste zoon greep zijne hand en bracht haar met innige
+hartelijkheid aan zijne lippen.
+
+Petrus liet de hand snel over 's jongelings bruine lokken glijden, stak
+daarop zijn oudsten de sterke rechterhand toe en zeide: "Wij zullen het
+getal onzer slaven moeten vermeerderen. Roep uwe moeder, Polycarpus!"
+
+Met blijden spoed gaf de aangesprokene gevolg aan deze opdracht. Zoodra
+vrouw Dorothea, die met hare dochter Marthana en eenige slavinnen
+aan het weefgetouw zat, hem met gloeiende wangen het vrouwenverblijf
+zag binnenstormen, stond zij, ofschoon zij tamelijk gezet was, met
+jeugdige vlugheid op, en riep Polycarpus toe: "Heeft hij uw plannen
+goedgekeurd?"
+
+"Den bruggebouw, moeder, en alles, alles," antwoordde de
+jongeling. "Schooner graniet voor mijne leeuwen, dan dat vader voor
+mij weet uit te zoeken, kan ik nergens vinden. Gij weet niet hoeveel
+genoegen mij dit doet voor Antonius! Maar met den weg zullen wij
+geduld moeten hebben. Hij wil terstond met u spreken."
+
+Vrouw Dorothea bracht haar zoon, die reeds haar arm had gegrepen en
+trachtte haar met zich mede te trekken, door eene zachte beweging met
+de hand tot bedaren. Hoezeer zij echter in den blijmoedigen geestdrift
+van haren lieveling deelde, dat bewezen de tranen, die in hare goedige
+oogen opwelden.
+
+"Geduld, geduld, ik kom al," zeide zij, terwijl zij haar arm losmaakte,
+om haar gewaad en hare grijze haren, die in grooten overvloed en
+goed onderhouden haar altijd nog vriendelijk en ongerimpeld gelaat
+omlijstten, te ordenen. "Ik heb het u vooruit wel gezegd. Wanneer ge uw
+vader verstandige dingen hebt voor te stellen, zal hij u hooren en uwe
+wenschen inwilligen, ook zonder mijne tusschenkomst. De vrouw moet zich
+niet met het werk der mannen bemoeien. De jeugd hanteert sterke bogen
+en schiet dikwijls het doel voorbij. Dat zou mij fraai staan, als ik
+uit kinderachtige liefde voor u beproeven wilde de sirene te spelen,
+ten einde het wijs verstand van den stuurman van dit huis, uw vader,
+door honingzoete woorden te streelen!--Gij lacht om zulk eene grijze
+sirene? maar de liefde vergeet wat de jaren deden verloren gaan,
+en heeft een goed geheugen voor alles wat er eens aanvallig in ons
+was. De mannen hebben bovendien niet altijd als het noodig zou zijn,
+was in de ooren. Komt, laat ons nu naar vader gaan!"
+
+Dorothea ging Polycarpus en hare dochter vooruit. De eerste hield
+zijne zuster bij de hand terug en vroeg haar: "Was Sirona niet bij u?"
+
+De beeldhouwer wilde geheel onverschillig schijnen; toch kreeg hij
+een kleur bij deze vraag.
+
+Marthana merkte het wel op en antwoordde met een schalksch lachje:
+"Zij heeft ons haar mooi gezicht laten zien; maar gewichtige bezigheden
+riepen haar weg."
+
+"Sirona?" vroeg Polycarpus ongeloovig.
+
+"Wel zeker!" antwoordde Marthana met een lach. "Zij moet voor de pop
+van de kinderen eene nieuwe jurk maken."
+
+"Waarom spot gij met hare goedhartigheid?" vroeg Polycarpus een
+weinig verwijtend.
+
+"Wat zijt gij prikkelbaar!" zeide Marthana zacht. "Sirona is zoo
+vriendelijk en goed als een engel. Maar gij moest haar wat minder
+aanzien, want zij behoort niet tot de onzen. Zoo afkeerig als ik
+echter ben van dien norschen centurio, zoo...."
+
+Zij voltooide haar volzin niet, want vrouw Dorothea was aan den
+drempel van het woonvertrek gekomen, en zag naar hare kinderen om.
+
+Petrus ontving zijne gade niet minder ernstig dan gewoonlijk, maar er
+lag toch iets ondeugends in zijne halfgeslotene oogen toen hij vroeg:
+"Gij zult zeker wel weten, waarom het te doen is?"
+
+"Gijlieden zijt waaghalzen, hemelbestormers," gaf zij hem vroolijk
+ten antwoord.
+
+"Als het werk mislukt," hernam Petrus, terwijl hij op zijne beide
+zonen wees, "zoo zullen zij de nadeelige gevolgen daarvan langer
+moeten gevoelen dan wij."
+
+"Maar het zal u gelukken!" riep Dorothea. "Met een ouden veldheer en
+jonge soldaten moet men den slag winnen."
+
+Opgewekt en vrijmoedig stak zij haren echtgenoot hare kleine gevulde
+hand toe. Deze nam haar blijmoedig aan, en zeide: "Ik denk dat ik den
+voorslag van den weg er in den senaat wel doorhaal. Voor de bruggebouw
+moeten wij nog werkvolk aanwerven, en daartoe hebben wij u noodig,
+Dorothea. Onze slaven zullen niet toereikend zijn."
+
+"Wacht eens," haastte zich de huisvrouw te zeggen. Zij liep naar het
+venster en riep: "Jethro, Jethro!"
+
+Hij die aldus werd aangesproken, de oude hofmeester des huizes,
+verscheen, en Dorothea begon met hem te bespreken, wie van de bewoners
+der oase geneigd zou zijn, hun flinke mannen af te staan, en of het
+niet uitvoerbaar zou zijn dezen of genen van de huisslaven bij den
+bouw te gebruiken.
+
+Wat zij zeide was verstandig en wel overdacht. Zij toonde hare
+huishouding tot in het geringste te overzien en gewoon te zijn hier
+geheel onbeperkt te gebieden. "De lange Anubis," dus eindigde zij,
+"kan zeker in de stal wel gemist worden?"
+
+De hofmeester, die tot dusverre kort en verstandig had gesproken,
+draalde thans met zijn antwoord. Daarbij zag hij naar Petrus, die,
+geheel in het bouwplan verdiept, hem den rug had toegekeerd. Uit zijn
+blik en zekere beweging van zijne hand kon men duidelijk opmaken,
+dat hij iets op het hart had, maar aarzelde te spreken in de
+tegenwoordigheid van zijn meester.
+
+Vrouw Dorothea was vlug van begrip en verstond ook nu Jethro's
+meening. Doch juist daarom zeide zij, meer verbaasd dan knorrig:
+"Wat beteekent dat knippen met het oog? Wat ik mag weten, kan ook
+Petrus hooren."
+
+De senator keek om en nam den hofmeester met zulk een donkeren blik
+van onder tot boven op, dat deze achteruit ging en haastig begon te
+spreken. Doch hij werd gestoord door het gejoel der kinderen bij den
+trap, en door Sirona, die Hermas naar den senator bracht en lachend
+zeide: "Dezen grooten jongen heb ik op den trap gevonden waar hij
+u zocht."
+
+Petrus zag den jongeling juist niet zeer vriendelijk aan en zeide:
+"Wie zijt gij? Wat boodschap brengt gij?"
+
+Hermas zocht te vergeefs naar woorden, want de aanwezigheid van
+zoovele menschen, waaronder zich nog wel drie vrouwen bevonden,
+maakte hem bijzonder verlegen. Hij draaide zijne vingers door de
+wollige lokken van zijn schaapsvel, en bewoog de lippen zonder geluid
+te geven. Eindelijk gelukte het hem stamelend uit te brengen: "Ik ben
+de zoon van den ouden Stephanus, die verwond werd bij den laatsten
+inval der Saracenen. Mijn vader heeft in vijf nachten weinig of niet
+geslapen, en nu zend Paulus mij tot u, de vrome Paulus van Alexandrië,
+gij begrijpt het,--opdat ik...."
+
+"Zoo, zoo," viel Petrus hem in den rede met bemoedigende
+vriendelijkheid. "Gij verlangt dus eene artsenij voor den ouden
+man. Ziet toch eens, Dorothea, wat een flinke jonkman er gegroeid is
+uit dien kleinen knaap, die de Antiochiër met zich den berg opsleepte."
+
+Hermas kreeg een kleur en richtte zich in al zijne lengte op. Daarbij
+bespeurde hij met groote tevredenheid, dat hij grooter was dan de
+zonen van den senator, die ongeveer van zijn leeftijd waren. Toch
+had hij een zekeren afkeer van hen, zoodat hij voor hen schuwer was
+dan zelfs voor hun strengen vader.
+
+Polycarpus nam hem met zijne oogen op en zeide tot de Gallische,
+waarmede hij juist een groet had gewisseld, en van welke hij sedert
+zij het vertrek was binnengekomen, den blik niet afgewend had. "Als
+wij twintig slaven konden krijgen met zulke schouders, dan zouden
+wij vorderen. Er is hier wat te doen, groote jongen...."
+
+"Ik heet niet 'jongen', maar Hermas," zeide de Anachoreet, en de
+aderen op zijn voorhoofd begonnen te zwellen.
+
+Polycarpus, die wel eens enkele der oude Anachoreten gezien had,
+die op den heiligen berg in overpeinzing en boetedoening hun leven
+sleten, in wien het echter niet opkwam, dat ook een krachtig jonkman
+tot de kluizenaars kon behooren, begreep nu, dat hij die zijn vader
+zocht meer was, dan de eenvoudige kleeding liet vermoeden, en dat
+hij hem gekrenkt had. Daarom zeide hij vergoelijkend: "Gij heet dus
+Hermas? Wij roeren hier allen de handen en arbeid is geen schande. Wat
+is dan uw handwerk?"
+
+Deze vraag bracht den jongen Anachoreet in heftige beweging. Vrouw
+Dorothea, die wel merkte wat er in hem omging, haastte zich juist van
+pas te zeggen: "Hij verpleegt zijn zieken vader. Niet waar, mijn zoon,
+dat doet gij immers? Petrus zal u zijn hulp niet ontzeggen."
+
+"Stellig niet," verzekerde de senator. "Ik zal u straks geleiden,
+als gij tot hem gaat. Gij moogt het wel weten, kinderen, de vader
+van dezen jongeling was een aanzienlijk heer, die afstand deed van
+rijke bezittingen, om de wereld, waarin hij veel bittere ervaringen
+had opgedaan, te vergeten en God te dienen op zijne wijze, die niet
+de onze is, maar waarvoor we toch eerbied moeten hebben. Ga daar
+zitten, mijn zoon. Eerst hebben wij nog eene gewichtige bezigheid te
+voleindigen, daarna zal ik u volgen."
+
+"Wij wonen hoog op den berg," stamelde Hermas.
+
+"Des te reiner zal daar de lucht zijn," antwoordde de senator. "Doch
+wacht eens! Misschien is de oude man alleen..... Niet? De vrome
+Paulus, zegt gij, is bij hem? Dan is hij in goede handen, en hebt
+gij den tijd?"
+
+Petrus bleef een oogenblik nadenkend staan, toen wenkte hij zijne
+zonen en zeide: "Antonius, ga er dadelijk op uit om slaven te zoeken;
+en gij, Polycarpus, zie of gij stevige lastdieren kunt vinden. In den
+regel neemt gij 't met het geld al zeer licht op, maar thans komt
+het er op aan naar de naaste prijzen te vragen. Hoe eerder gij, na
+geslaagd te zijn, terugkeert, des te beter. De daad mag niet achter
+het besluit komen aanhinken, maar moet rustig en snel volgen, gelijk
+het geluid den hamerslag. Marthana, meng mij de bruine koortsdrank
+en leg windsels gereed. Daar hebt gij den sleutel!"
+
+"Ik wil haar helpen," riep Sirona, die gaarne een dienst bewees, en die
+oprecht medelijden had met den ouden zieken kluizenaar. Het was ook
+of zij met Hermas te zien eene ontdekking had gedaan. Onwillekeurig
+beschouwde zij hem met eenige meerdere achting, sedert zij wist dat
+hij de zoon was van een voornaam heer.
+
+Terwijl de jonge vrouw en het meisje in de artsenijkist bezig waren,
+verlieten Antonius en Polycarpus het vertrek. De laatste stond reeds
+met den voet op den drempel, toen hij nog eens omkeerde en Sirona
+eenige oogenblikken gadesloeg. Daarop ging hij haastig voort, sloot
+de deur en daalde met een diepen zucht den trap af.
+
+Zoodra zijne zonen zich verwijderd hadden, wendde Petrus zich tot
+den hofmeester en vroeg: "Wat is er gebeurd met den slaaf Anubis?"
+
+"Hij is...," antwoordde Jethro. "Hij is gewond en zal in de eerste
+dagen wel niet te gebruiken zijn. Mirjam, de geitenhoedster, die
+wilde kat, heeft hem met den sikkel op het hoofd geslagen."
+
+"En dat kom ik nu eerst te weten!" sprak Dorothea verwijtend. "Wat
+heeft men met het meisje gedaan?"
+
+"Wij hebben haar in de hooischuur opgesloten," antwoordde Jethro,
+"en daar raast en tiert zij nu."
+
+De vrouw des huizes schudde afkeurend het hoofd en zeide: "Op deze
+wijze zal men het meisje niet beter maken. Ga, en breng haar dadelijk
+bij mij."
+
+Zoodra de hofmeester het vertrek verlaten had, keerde zij zich tot haar
+echtgenoot, zeggende: "Men zou eindelijk onder deze schepsels den moed
+kunnen verliezen, als men ziet hoe zij elkander behandelen. Duizendmaal
+heb ik het moeten aanzien! Geen oordeel valt zoo hard, als dat door
+den eenen slaaf over den ander wordt geveld."
+
+Jethro en eene dienstmaagd brachten Mirjam het vertrek binnen. De
+handen van het meisje waren met ruwe touwen gebonden, en zoowel haar
+kleedje als hare zwarte verwilderde haren zaten vol hooi. In hare
+oogen vonkelde een donkere gloed, en hare gelaatszenuwen vertrokken
+zich als bij iemand die den St. Vitus-dans heeft.
+
+Zoodra Dorothea haar aanzag richtte zij het hoofd fier omhoog en
+zag het vertrek rond, als wilde zij hare vijanden monsteren. Opeens
+kreeg zij Hermas in het oog. Hare lippen werden doodsbleek; met een
+heftigen ruk wrong zij hare kleine handen uit de knellende banden,
+bedekte haar gelaat en wilde de deur uitvluchten. Doch Jethro trad
+haar in den weg en greep haar stevig bij den schouder.
+
+Mirjam gaf een luiden gil. De dochter van den senator, die het
+artsenijfleschje uit de hand gezet en elk harer bewegingen met
+deelneming gadegeslagen had, vloog nu op de herderin toe, stiet de
+hand van den ouden, die haar nog altijd vasthield, terug en zeide:
+"Vrees maar niet, Mirjam. Wat gij ook gedaan hebt, vader kan u alles
+vergeven."
+
+Deze woorden klonken haar zoo liefelijk in de ooren, alsof ze door
+den mond eener innig liefhebbende zuster gesproken waren. De herderin
+volgde Marthana zonder verzet naar de tafel, waarop de bouwplannen
+lagen uitgespreid, en bleef daar naast haar staan.
+
+Gedurende enkele oogenblikken sprak niemand. Ten laatste trad vrouw
+Dorothea op de herderin toe en vroeg: "Wat is u overkomen, arm kind,
+dat gij u zelve zoozeer hebt vergeten?"
+
+Mirjam wist waarlijk niet wat er met haar gebeurde. Zij had zich
+voorbereid op harde scheldwoorden en slagen, ja op ketens en banden,
+en nu deze zachte woorden, deze vriendelijke blikken! Haar trots was
+gebroken, hare oogen ontmoetten het liefderijk oog harer meesteres en
+zij zeide op zachten toon: "Hij heeft mij reeds zoo lang vervolgd,
+en wilde dat gij mij aan hem tot vrouw zoudt geven. Maar ik heb een
+hekel aan hem; ik haat hem als al uwe slaven."
+
+Bij de laatste woorden kregen hare oogen hun wilden glans terug, en met
+de vurigheid die haar eigen was, ging zij voort: "Ik wenschte wel dat
+ik hem met een stok in plaats van met een sikkel had geslagen: doch ik
+greep wat voor de hand lag om mij te verweren. Ik kan het niet dulden
+dat een man mij aanraakt; dat vind ik afschuwelijk. Gisteren kwam
+ik later dan gewoonlijk met de beesten terug, en toen ik de geiten
+gemolken had en naar bed ging, sliep alles reeds in huis. Opeens
+kwam Anubis op mij aan en praatte mij van liefde. Ik wees hem af;
+maar hij pakte mij beet, greep mij met de hand hier bij het hoofd
+en wilde mij kussen. Toen vloog mij het bloed naar de keel; ik greep
+naar den sikkel, die naast mij hing, en eerst toen hij brullend op den
+grond lag, zag ik dat ik kwaad had gedaan. Hoe dat gekomen is, kan ik
+niet zeggen. Daar zit iets in mij, iets--hoe zal ik het noemen?--dat
+mij drijft, gelijk de wind de bladeren die op den weg liggen, en ik
+kan het niet tegenhouden. Misschien ware het maar 't best, dat ge
+mij liet sterven; dan waart ge op eens verlost van mijne boosheid en
+alles zou voorbij zijn."
+
+"Hoe kunt gij zoo spreken?" viel Marthana haar in de rede. "Gij zijt
+wild en wat onstuimig, maar daarom niet slecht."
+
+"Vraag het dien daar!" riep de herderin, en wees met vlammende blikken
+op Hermas, die verlegen zijne oogen nedersloeg.
+
+De senator wisselde met zijne vrouw een vluchtigen blik. Zij waren
+gewoon elkander ook zonder woorden te verstaan.
+
+"Wie gevoelt," zeide vrouw Dorothea, "dat hij niet is gelijk hij
+wezen moet, die is reeds op den weg van beterschap. Wij lieten u bij
+de geiten, omdat ge altijd de kudde naliept en in huis geen rust
+kondt vinden. Vóor den morgendienst beklimt gij den berg en eerst
+na het avondmaal keert gij terug. Voor uw geestelijk welzijn zorgde
+niemand. De helft van uw schuld komt op ons hoofd neer, en wij hebben
+geen recht u te straffen. Gij behoeft u niet te verwonderen. Ieder
+kan struikelen; Petrus en ik zijn menschen als gij, niet meer en niet
+minder. Maar wij zijn christenen, en het is onze plicht te waken voor
+de zielen dergenen, die God ons heeft toevertrouwd, hetzij kinderen,
+hetzij slaven. Gij zult niet meer naar den berg gaan; gij blijft bij
+ons tehuis. Gaarne wil ik vergeven, wat gij in overijling hebt gedaan,
+wanneer Petrus u ten minste niet verlangt te straffen."
+
+De senator schudde ernstig van neen, waarop Dorothea tot Jethro de
+vraag richtte: "Is Anubis zwaar verwond en moet hij verpleegd worden?"
+
+"Hij heeft de koorts en ijlt," luidde het antwoord. "De oude Praxinoa
+koelt zijne wond met water af."
+
+"Dan moet Mirjam," beval Dorothea, "hare plaats vervangen en het
+kwaad trachten te herstellen, dat zij heeft aangericht. De helft
+van uw schuld is uitgedelgd, meisje, als Anubis onder uwe handen is
+genezen. Straks kom ik met Marthana bij u, om u te leeren hoe men
+compressen maakt."
+
+De herderin sloeg de oogen neer en liet zich werktuigelijk naar den
+kranke brengen.
+
+Intusschen had Marthana den bruinen drank gereed gemaakt. Petrus
+liet zich zijn staf en zijn vilten hoed geven, overhandigde Hermas
+het geneesmiddel en noodigde dezen uit hem te volgen.
+
+Sirona staarde beiden na en kon niet nalaten te zeggen: "Het is jammer
+van dien flinken jonkman! Hem stond een purperkleed ook beter dan
+dat ellendig schaapsvel."
+
+De vrouw des huizes haalde de schouders op, gaf hare dochter een wenk
+en zeide: "Kom aan den arbeid, Marthana, de zon staat reeds hoog aan
+den hemel. Wat gaan de dagen toch snel voorbij! Hoe ouder men wordt,
+des te spoediger vliegen de uren om!"
+
+"Dan moet ik wel zeer jong zijn," hernam de Gallische, "want voor
+mij kruipt de tijd in deze eenzaamheid ontzachlijk langzaam voort. De
+eene dag is als de andere, en dikwijls is het mij als stond het leven
+geheel stil, en daarmee ook het kloppen van mijn hart. Wat zou ik
+zijn zonder uw huis en de kinderen! Altijd dezelfde berg en dezelfde
+palmen en dezelfde aangezichten!"
+
+"Maar de berg is grootsch," antwoordde Dorothea, "en de boomen zijn
+schoon, en als men de menschen liefheeft, met wie wij dagelijksch in
+aanraking komen, dan kan men ook hier tevreden zijn. Wij ten minste
+zijn het, zoover de levensomstandigheden het ons toelaten. Maar ik
+heb u dikwijls gezegd: u ontbreekt werk!"
+
+"Werk? Maar voor wien dan?" vroeg Sirona. "Ja, als ik kinderen had,
+gelijk gij! In Rome was ik ook niet gelukkig, zeker niet; maar daar
+viel wat te doen en te denken; nu eens een optocht, dan weder eene
+tooneelvoorstelling. Maar hier. Voor wien zal men zich tooien? Mijn
+gouden sieraden worden dof in de kast en mijne beste kleederen door de
+motten verteerd. Uit mijn veelkleurigen mantel maak ik poppenkleederen
+voor uwe kleinen. Als een demon mij in een egel of in een grijzen
+uil veranderde, het zou mij onverschillig kunnen zijn!"
+
+"Bezondig u niet," zeide Dorothea ernstig, en zag met welgevallen op
+naar de goudgele haren en het wonderschoone en vriendelijke gelaat
+van de jonge vrouw. "Het moest u een genot zijn, u sierlijk te kleeden
+voor uw echtgenoot!"
+
+"Voor hem?" vroeg Sirona. "Hij ziet mij niet eens aan, en als hij het
+doet, dan is het alleen om mij te krenken. Het verbaast mij steeds,
+dan ik nog vroolijk kan zijn. Ik ben het ook maar alleen in uw huis,
+en ook daar slechts dan, wanneer ik niet aan hem denk."
+
+"Ik mag zulk eene taal niet aanhooren, neen, in het geheel niet," viel
+Dorothea haar op strengen toon in de rede.--"Neem het linnen en het
+koelwater, Marthana, wij zullen de wonden van Anubis gaan verbinden."
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Petrus beklom met Hermas den berg. De oude man volgde den jongeling
+die hem den weg wees, en bewonderde, zoo vaak hij den blik tot hem
+ophief, diens breede schouders en de veerkracht zijner ledematen.
+
+Bij eene kleine bergvlakte gekomen werd de weg wat breeder en nadat
+beide wandelaars een tijdlang naast elkander waren voortgegaan,
+zonder een woord te spreken, vroeg de senator: "Hoe lang woont uw
+vader nu reeds op den berg?"
+
+"Al menig jaar," antwoordde Hermas, "maar ik weet niet hoevele. Het
+doet er ook weinig toe. Bij ons vraagt niemand naar den tijd."
+
+De senator bleef stilstaan, nam zijn geleider weder met de oogen op
+en vroeg: "Zijt gij bij uw vader gebleven, sedert hij hierheen kwam?"
+
+"Hij wil mij niet laten heengaan," antwoordde Hermas met somberen
+blik. "Ik ben nog maar tweemalen alleen in de oase geweest, toen ik
+naar de kerk ging."
+
+"Gij hebt dus ook geene school bezocht?"
+
+"Welke zou ik bezocht hebben? Mijn vader leerde mij de evangeliën
+lezen. Ik heb ook kunnen schrijven, maar dat zal ik wel verleerd
+zijn. Waartoe zou het ook dienen? Wij leven als biddende dieren."
+
+Die laatste woorden werden op zeer bitteren toon uitgesproken. Petrus
+sloeg een blik in de met spijt en wrevel vervulde ziel van zijn
+metgezel, bij wien het verlangen der jeugd, om zijne krachten te
+beproeven, zich met alle macht verzette tegen dat verslijten van zijn
+leven in ledigheid, waartoe hij veroordeeld was. Hij had medelijden
+met Hermas, en was de man niet om een natuurgenoot voorbij te gaan,
+zonder hem te helpen. Bovendien gedacht hij zijne eigene zonen, die van
+der jeugd waren geoefend en in ernstige plichtsbetrachting opgegroeid,
+en hij zeide bij zichzelven, dat die schoone jongeling naast hem niet
+minder was dan zij; dat het hem slechts aan de rechte leiding ontbrak.
+
+Nadenkend keek hij nu eens den jongeling aan, dan weder voor zich,
+en mompelde daarbij al voortgaande eenige onverstaanbare woorden
+achter zijn grijzen baard. Opeens verhief hij zich in al zijne lengte
+en knikte toestemmend met het ernstige hoofd. Hij wilde beproeven
+Hermas te redden, en volgens zijne gewone manier van handelen, liet
+hij de daad onmiddellijk op het voornemen volgen. Aan het einde van
+de bergvlakte verdeelde zich de weg. Een pad liep bergopwaarts, het
+andere daalde naar het dal af en eindigde bij de steengroeve. Petrus
+wilde het laatste volgen, doch Hermas riep hem toe: "Deze weg leidt
+niet naar onze spelonk. Gij moet mij volgen."
+
+"Volg gij mij," antwoordde de senator, en legde zulk een bijzonderen
+nadruk op het voorlaatste woord, dat de jongeling de tweeledige
+beteekenis daarvan niet kon ontgaan. "De dag is nog lang en wij
+willen eens zien wat mijne arbeiders uitvoeren. Kent gij de plaats,
+waar wij de steenen uithouwen?"
+
+"Hoe zou ik die niet kennen?" vroeg Hermas, en ging den senator als
+gids vooruit. "Ik ken alle wegen op onzen berg naar de oase en de
+zee. In de kloof achter uwe groeven had een panter zijn leger."
+
+"Dat hebben we ontdekt," zeide Petrus. "Die roover heeft twee mijner
+kameelen verworgd. Het volk kon hem noch met strikken vangen, noch
+met honden verjagen."
+
+"Gij behoeft niet voor hem te vreezen," zeide de jongeling
+lachende. "Ik heb het mannetje van dien rots daarboven met mijn pijl
+neergeschoten, en het wijfje vond ik in het hol bij hare jongen. Met
+haar had ik het zwaarder te verantwoorden. Mijn dolk is zoo slecht, en
+de koperen kling boog toen ik een stoot gaf. Ik moest die gestreepte
+duivelin met mijne handen worgen. Zij heeft mij daarbij den schouder
+opengekrabd en in den arm gebeten. Zie die litteekens eens! Maar
+bij mij gaat de genezing der wonden, goddank sneller dan bij mijn
+vader. Paulus zeide dat ik veel op een aardworm geleek, die als men
+haar midden doorsnijdt, afscheid neemt van zichzelven, en gezond en
+wel, half hierheen, half daarheen kruipt. Die jonge panters waren
+zoo jolig en hulpbehoevend tegelijk, dat ik niet besluiten kon
+ze te dooden. Ik deed ze in mijn schaapsvel en bracht ze bij mijn
+vader. Wat had hij een vermaak in die kleine schepsels! Daarna nam
+een Nabateër ze mede naar Klysma, om hen aan kooplieden uit Rome
+te verkoopen. Dáar en te Byzantium hebben zij behoefte aan allerlei
+levende roofdieren. Ik heb voor die beesten en het vel van den oude
+ook geld gekregen, en mocht het als teerpenning behouden, toen ik
+met de anderen naar Alexandrië reisde, om den zegen af te smeeken
+van den nieuwen patriarch."
+
+"Waart gij dan in de hoofdstad?" vroeg Petrus. "Hebt gij de groote
+bouwwerken gezien, die de kust tegen het geweld der zee moeten
+beschermen, den grooten vuurtoren, waarvan het licht op zoo grooten
+afstand kan worden gezien, de vaste bruggen, de kerken, de paleizen en
+tempels met hunne obelisken, zuilen en keurig geplaveide voorhoven! Is
+u daarbij nooit in de gedachten gekomen, welk een heerlijk gevoel
+het zijn moet zulk een bouw tot stand te brengen?"
+
+Hermas schudde ontkennend het hoofd en antwoordde: "Ik zou wel liever
+in een luchtig huis met hooge zuilen leven, dan in onze sombere holen,
+maar het te bouwen zou mijn zaak niet zijn. Wat duurt het niet lang
+eer de eene steen op den anderen staat! Ik heb geen geduld genoeg,
+en als ik mijn vader verlaat, dan wil ik iets doen waardoor ik roem
+kan verwerven.--Maar daar zijn wij reeds aan de groeven...."
+
+Petrus liet zijn geleider niet uitspreken, maar viel hem in de rede,
+terwijl hij met jeugdig vuur uitriep: "En gij meent dat men met de
+bouwkunst geen roem kan inoogsten? Zie daar die blokken en platen en
+hier die cylinders van harden steen. Ze zijn allen voor Aïla bestemd,
+want daar zal mijn zoon Antonius, de oudste van de twee, die gij zoo
+straks gezien hebt, een bedehuis bouwen met vaste muren en zuilen,
+veel schooner en grooter dan onze kerk in de oase, die ook reeds zijn
+werk is. Hij is niet veel ouder dan gij, maar reeds nu roemt men hem
+heinde en ver. Uit deze roode blokken daar beneden zal mijn jongsten
+zoon Polycarpus fiere leeuwen beitelen, die bestemd zijn om in de
+hoofdstad het edelste bouwwerk te versieren. Wanneer ze mij en u en
+alle levenden reeds lang hebben vergeten, zal men nog zeggen: dat
+zijn de gewrochten van meester Polycarpus, den zoon van Petrus, den
+Pharaniet. Wat hij vermag, is eenig in zijn soort. Niemand, die niet
+tot de uitverkorenen behoort, kan zeggen: dat wil ik ook leeren! Maar
+gij hebt een helder verstand, sterke handen en opene oogen, wie kan
+weten wat er misschien nog in u schuilt! Kondet gij spoedig in de
+leer komen, dan zou het toch nog niet te laat zijn om een deugdelijk
+meester van u te maken. Maar voorwaar, wie het zoover brengen wil,
+die moet geen arbeid ontzien. Gij haakt naar roem? Dat is goed en ik
+kan er mij slechts over verheugen. Doch gij moet het weten: wie deze
+zeldzame vruchten wil oogsten, die moet haar, gelijk een edel heiden
+eens zeide, met zweet besproeien! Zonder moeite, arbeid en strijd is
+er geene overwinning en zonder overwinning verwerft men zelden roem."
+
+De levendigheid van den ouden man deelde zich aan de ziel van den
+jongeling mede, en vol geestdrift riep hij uit: "Wie zegt u, dat ik
+strijd en moeite ontzie? Ik ben bereid alles, zelfs mijn leven er aan
+te wagen om roem te verwerven. Maar steenen af te meten, op weerlooze
+blokken met hamer en bijtel te slaan, of dezen met veel moeite saam
+te voegen, dat kan mij niet aanlokken. Ik zou in de palaestra kransen
+willen verwerven en den sterkste ter aarde werpen, of als krijgsman
+in den slag anderen voorgaan. Mijn vader was ook een soldaat, en
+al spreekt hij van vrede en altijd van vrede, zooveel hij maar wil,
+in zijne droomen vertelt hij toch van bloedigen strijd en brandende
+wonden. Wanneer gij hem doet herstellen, blijf ik niet langer op
+dezen eenzamen berg, en zal ik trachten heimelijk te vluchten. Waartoe
+anders gaf God mij deze armen, dan om ze te gebruiken?"
+
+Petrus antwoordde niet op deze woorden, die met stormachtige
+gejaagdheid over Hermas' lippen waren gevloeid. Hij streek zijn grijzen
+baard en dacht bij zichzelven: "Het jong van een adelaar vangt geene
+vliegen. Dit soldatenkind zal ik nimmer voor ons vreedzaam handwerk
+winnen. Maar op den berg, onder die zonderlinge ledigloopers, mag
+hij niet blijven, want daar kwijnt hij weg; en daarvoor is hij van
+te goede afkomst...."
+
+Nadat hij den opzieners van zijn werkvolk eenige bevelen had gegeven,
+volgde hij den jongen man naar zijn lijdenden vader.
+
+
+
+Reeds eenige uren geleden hadden Hermas en Paulus den kranken
+Anachoreet verlaten. Deze laatste lag nog altijd alleen in zijne
+spelonk. De al hooger en hooger stijgende zon brandde op de rotsen,
+die op hunne beurt gloeiende warmte uitstraalden, en de woning van
+den kluizenaar vervulden met eene verstikkende hitte.
+
+De pijnen in de wond van den armen Stephanus namen in hevigheid toe,
+de koorts klom en hij versmachtte van dorst. Daar stond de kruik,
+die Paulus hem schonk en sedert lang ledig was. Doch noch Paulus noch
+Hermas keerden terug.
+
+Angstig luisterde hij in de verte. Eerst kwam het hem voor als hoorde
+hij de schrede van den Alexandrijn; daarna meende hij luid spreken en
+een zacht gesteun buiten zijn hol te hooren. Stephanus beproefde te
+roepen, maar hij kon zelf ternauwernood het zachte geluid hooren, dat
+hij aan zijne gewonde borst en zijne uitgedroogde mond ontperstte. Toen
+wilde hij bidden, maar eene schrikkelijke inwendige angst belette
+hem zijne gedachten te verzamelen.
+
+Al de ellende der verlatenheid greep hem aan. De man die na een leven,
+zoo overrijk aan daden, genietingen, teleurstelling en verzadiging,
+onverdroten en eenzaam, in volhardenden zielestrijd naar het hoogste
+doel streefde, gevoelde zich nu zoo troosteloos verlaten, als een
+verdwaald kind, dat zijne moeder verloren heeft. Zacht jammerende lag
+hij daar op zijn krankbed. Zoodra hij aan de schaduwen van de rots
+bemerkte, dat de zon hare middaghoogte reeds overschreden had, begon
+hij bij zijne smart, zijne angst en zijn dorst wrevelig en bitter
+te worden. De vuisten ballende, prevelde hij woorden, die klonken
+als soldatenvloeken, waarbij hij nu eens den naam van zijn zoon, dan
+dien van Paulus noemde. Eindelijk kreeg de angst weder de overhand
+over zijn toorn, en kwam het hem voor, als moest hij de pijnlijkste,
+ver achter hem liggende uren van zijn bestaan nog eens doorleven.
+
+Hij zag hoe hij wederkeerde van een luidruchtig feest in het keizerlijk
+paleis. Zijne slaven hadden zijne borst en zijn voorhoofd ontdaan van
+de kransen, uit popelgroen en rozen gevlochten, en hem zijn nachtgewaad
+aangetrokken. Daar naderde hij zijn slaapvertrek, met de zilveren lamp
+in de hand. Hij glimlachte, want daar wachtte hem zijne jonge vrouw,
+de moeder van zijn Hermas. Zij was zoo schoon, en hij had haar zoo
+lief! Hij bracht van den keizerlijken disch allerlei aardigheden mede
+naar huis. Zoo iemand, dan mocht hij vroolijk zijn. Thans trad hij
+het voorvertrek binnen, waarin gewoonlijk twee slavinnen waakten. Hij
+vond er maar éene en deze lag in diepen slaap. Lachend lichtte hij
+haar in het gezicht. Wat zag zij er dom uit met dien open mond! Het
+slaapvertrek werd zacht verlicht door eene albasten lamp. Zachtkens en
+steeds lachende naderde hij de elpenbeenen legerstede van Glycera. Doch
+toen hij zijne lamp ophief en op het ledige bed zijner vrouw staarde
+dat nog niet was aangeroerd, lachte hij niet meer, en sedert dien
+avond had hij jaren lang niet weder gelachen, want Glycera had hem
+verraden en verlaten, hem en haar kind.
+
+Dat was nu twintig jaren geleden, en heden stond alles, wat hij toen
+doorleefd had, hem weder helder voor den geest. Hij zag gelijk toen,
+het ledige bed zijner vrouw voor het oog zijner verbeelding, en hij
+gevoelde zich zoo eenzaam en verlaten als in dien feestnacht.
+
+Daar vertoonde zich eene schaduw vóor de opening van het hol. Hij
+haalde weder vrij adem, nu hij verlost was van dit schrikkelijk
+droomgezicht; want hij had Paulus herkend, die aan zijne zijde
+nederknielde.
+
+"Water, water!" smeekte Stephanus zacht. De Alexandrijn, wien het
+gejammer van den ouden man, dat hij dadelijk bij het binnentreden van
+de spelonk hoorde, diep door de ziel sneed, greep de kruik, keek er in,
+zag dat zij geheel was uitgedroogd, en vloog toen, als gold het een
+wedloop, naar de bron beneden, vulde haar met water, zette haar den
+kranke aan de lippen, die met gretige teugen den laafdrank opslurpte,
+en diep ademhalende uitriep: "Nu is het weer goed. Waar zijt gij toch
+zoolang gebleven? Ik was zoo dorstig!"
+
+Paulus, die naast den grijsaard op de knieën was neergezonken, drukte
+zijn voorhoofd in de legerstede en antwoordde niets.
+
+Stephanus zag zijn metgezel verwonderd aan, en toen hij bespeurde
+dat deze hevig weende, vroeg hij niet verder.
+
+Gedurende een uur heerschte er doodsche stilte in het hol. Ten laatste
+hief Paulus zijn hoofd op en zeide: "Vergeef mij, Stephanus. Terwijl
+ik door gebed en geeseling de rust trachtte weer te vinden, die ik
+zelf had verspeeld, heb ik uw nood en angst vergeten. Dat zou zelfs
+geen heiden gedaan hebben!"
+
+De kranke liet vriendelijk de hand over den arm van zijn verpleger
+glijden; deze prevelde echter: "Zelfzucht, ellendige zelfzucht leidt
+en bestuurt ons. Wie onzer vraagt naar den nood van anderen? En wij,
+wij meenen de wegen van het Lam Gods te bewandelen!"
+
+Hij zuchtte smartelijk en leunde met zijn hoofd tegen de borst van
+den kranke, die liefderijk de ruige haren van den ander streelde.
+
+Zoo vond de senator hem, toen hij met Hermas den spelonk betrad. De
+tijddoodende ledigheid van de Anachoreten was geheel in strijd met
+zijne opvatting van de levensroeping, die de mensch en de christen
+te vervullen had. Doch hij hielp waar hij kon, en vroeg niet naar
+den persoon des lijders.
+
+De innige vereeniging, waarin hij de beide mannen vond, bewoog zijn
+hart, en terwijl hij zich tot Paulus wendde, zeide hij vriendelijk:
+"Ik kan u getroost verlaten, want gij schijnt mij een trouw verpleger
+te zijn."
+
+De Alexandrijn kreeg een kleur, schudde het hoofd, en antwoordde:
+"Ik heb alleen aan mijzelven gedacht en mijn plicht verzuimende hem
+laten lijden en versmachten! Maar nu verlaat ik hem niet meer, neen
+zeker niet, en met Gods hulp en de uwe zal hij genezen."
+
+Petrus knikte hem vriendelijk toe, want hij geloofde niet aan
+de zelfbeschuldiging van den Anachoreet, maar wel aan zijn goeden
+wil. Hij beval Hermas, alvorens het hol te verlaten, dat hij hem den
+volgenden dag vroeg zou komen opzoeken, om hem bericht te brengen
+van den toestand zijns vaders. Hij wenschte niet enkel Stephanus te
+genezen, maar wilde ook in betrekking blijven tot den jongeling, die
+in zoo hooge mate zijne belangstelling had gewekt. Hij was besloten
+hem te helpen, en hem te onttrekken aan het werkeloos leven, waarin
+hij wegkwijnde.
+
+Paulus weigerde deel te nemen aan het eenvoudig avondmaal, dat vader
+en zoon gingen gebruiken, en verklaarde bij den kranke te willen
+blijven. Hij verzocht Hermas, die in de beperkte ruimte van de spelonk
+geen plaats meer kon vinden, zich ter ruste te leggen in zijn verblijf.
+
+Voor dezen jongeling was heden een nieuw leven aangebroken, want alle
+verzuchtingen en wenschen, die sedert zijne reis naar Alexandrië zich
+verward en nevelachtig in zijn ziel verdrongen, hadden heden gedaante
+en kleur gekregen, en hij wist nu zeker dat hij geen Anachoreet
+wilde blijven, maar zijne opbruischende kracht in het leven zou
+beproeven. "Mijn vader," dacht hij, "was een krijgsman, en bewoonde
+een paleis, voordat hij zich in ons dompig hol terugtrok. Paulus
+was Menander, en heeft ook nu het werpen met den discus nog niet
+vergeten. Ik ben jong, sterk en vrijgeboren, evenals zij, en Petrus
+zegt dat ik een flink man geworden ben. Ik wil niet evenals zijne
+zonen steenen opstapelen en metselen; maar de keizer heeft soldaten
+noodig, en onder al de Amalekieten, ja zelfs onder de Romeinen hier
+in de oase, vond ik er geen, met wien ik het niet zou durven opnemen."
+
+Terwijl hij zoo dacht, rekte hij zijne leden uit, en bracht hij de
+handen aan zijne breede borst. Toen hij ingeslapen was, droomde hij
+van wedloopen en van een purperen kleed, dat Paulus hem overhandigde,
+van eene krans uit populierenbladeren gevlochten, die op zijne geurige
+lokken rustte, en van de schoone vrouw, die hij ontmoet had in het
+huis van den senator.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Stephanus had, dank zij het geneesmiddel van den senator, goed
+geslapen.
+
+Paulus zat naast hem en verroerde geen lid. Hij hield zijn adem
+in en deed zich geweld aan, om toch elken prikkel tot hoesten te
+onderdrukken, ten einde de zachte sluimering van den ouden man niet
+te storen.
+
+Een uur na middernacht was de oude wakker geworden, en nadat hij langen
+tijd met open oogen had liggen nadenken, sprak hij ernstig: "Gij
+noemdet u zelven en ons zelfzuchtig. Ik voor mij ben het zeker! Dat
+heb ik heden niet voor het eerst maar reeds dikwijls tot mijzelven
+gezegd, sedert den tijd dat Hermas uit Alexandrië is teruggekeerd
+en het lachen verleerd heeft. Hij is niet tevreden, en zoo vaak ik
+mij afvraag wat er van hem worden moet wanneer ik dood ben, als hij
+den Heer loslaat en de wellust najaagt, dan huiver ik. Ik meende het
+zoo goed met hem, toen ik hem medenam naar den heiligen berg. Maar
+dat was toch het eenige niet. Het viel mij te zwaar, mij geheel van
+het kind te scheiden. Mijn God, elk jong dier is toch verzekerd van
+de trouwe liefde zijner moeder; maar de zijne zag naar hem niet om,
+toen zij met haren verleider mijn huis ontvluchtte. Zijn vader,
+dacht ik, moet hij ten minste behouden, en wanneer hij opgroeit in
+afzondering van de wereld, zal hij bewaard worden voor al de ellende,
+waarvan ik zoo ruimschoots mijn deel heb gehad. Ik wilde hem opvoeden
+voor den hemel, voor een leven zonder leed. En thans?...... Als hij
+ongelukkig wordt, wordt hij het door mij! Bij alle andere smarten
+komt nu ook nog deze zorg."
+
+"Gij hebt den weg voor hem gezocht," sprak Paulus, "en het overige
+zal vanzelf wel terechtkomen. Hij heeft u lief en zal u zeker niet
+verlaten, zoolang gij lijdt."
+
+"Zeker niet?" vroeg de kranke angstig. "Wat heeft hij ook voor wapenen
+om zich in het leven te verweren?"
+
+"Gij hebt hem den Heiland tot leidsman gegeven; dat is genoeg," hernam
+Paulus, om den ouden wat tot kalmte te brengen. "Het zijn geen effen
+wegen die ten hemel voeren; bovendien, niemand kan de zaligheid voor
+zijn naasten verwerven."
+
+Stephanus zweeg lang; eindelijk ging hij weder voort: "Het is den
+leermeester voor zijn leerling, den vader voor zijn zoon zelfs niet
+vergund, de eenvoudigste levenservaringen op te doen. Wij kunnen het
+doel aanwijzen, maar de weg daartoe is voor ieder een verschillende."
+
+"Zoo laat ons God danken," riep Paulus, "want Hermas staat reeds op
+het pad, dat wij eerst moesten zoeken gij en ik."
+
+"Gij en ik," herhaalde de kranke nadenkend. "Ieder onzer heeft zijn
+weg gezocht, doch altijd alleen naar den zijnen, niet naar dien van
+den ander gevraagd. Die zelfzucht, die zelfzucht! Hoeveel jaren wonen
+wij hier reeds dicht bij elkander, en toch heb ik nog nimmer behoefte
+gevoeld u te vragen, wat gij van uw jeugd weet, en hoe de genade
+u deelachtig werd. Ik vernam bij gerucht, dat gij uit Alexandrië
+afkomstig zijt, dat gij een heiden waart en om het geloof veel hebt
+moeten lijden. Daarmede stelde ik mij tevreden. Gij schijnt ook niet
+gaarne over die lang vervlogen dagen te spreken. Wij moeten onzen
+naasten liefhebben als ons zelven; en wie was mij nader dan gij? O,
+die zelfzucht! Er zijn ook afgronden op den weg tot God."
+
+"Ik weet u niet veel te vertellen," zeide Paulus, "maar men vergeet
+toch niet wat men eens geweest is. Men zet het van zich, men meent
+daarvan los te zijn, maar opeens staat het weer voor ons en groet ons
+als een oud bekende. Al komt de kikvorsch ook een enkele maal op den
+boom, hij springt toch weder naar het moeras terug."
+
+"Niet waar, de herinnering laat zich niet dooden!" hervatte de
+kranke. "Ik kan nu niet meer slapen. Vertel mij wat van uw jeugd,
+en hoe gij een christen geworden zijt. Wanneer twee mannen langen
+tijd denzelfden weg bewandeld hebben, en de ure van scheiding slaat,
+dan vraagt de een den ander toch ook naar zijn afkomst en zijn naam."
+
+Paulus staarde een tijd lang voor zich uit, daarna begon hij:
+
+"Mijn speelgenooten noemden mij Menander, zoon van Herophilus. Verder
+weet ik niet veel meer uit mijn jeugd, want ik zeide het u reeds:
+sedert lang heb ik mijzelven verboden aan de wereld te denken. Wie de
+zinnelijkheid verwerpt en de gedachte eraan behoudt, dien blijft...."
+
+"Dat riekt waarlijk naar Plato," zeide Stephanus lachende.
+
+"Heden komt al dat heidentuig weder bij mij boven," vervolgde
+Paulus. "Ja, ik heb hem gekend en dikwijls gedacht, dat zijn gelaat
+veel overeenkomst gehad kon hebben met dat van onzen Heiland."
+
+"Toch slechts zooveel, als een schoon gezang met de stemmen der
+engelen," hernam Stephanus, blijkbaar van een ander gevoelen.
+
+"Wie zich eens verdiept in de stelsels der wijsgeeren....."
+
+"Zoover is het bij mij eigenlijk nooit gekomen," verzekerde
+Paulus. "Wel-is-waar moest ik de geheele school doorloopen: grammatica,
+rhetorica, dialectica en muziek...."
+
+"En arithmetica, geometrie en astronomie," vulde Stephanus aan.
+
+"Deze drie liet men reeds sedert eenige jaren aan de geleerden over,"
+ging Paulus voort, "en ik was nooit bijzonder leergierig. In de
+school van den rhetor bleef ik bij mijne makkers veel ten achter, en
+zoo ik Plato leerde lief hebben, dan heb ik dit aan den Atheenschen
+paedonomos [2] te danken, een waardig man, dien mijn vader voor ons
+in huis had genomen."
+
+"Men zegt dat hij een groot koopman geweest is," zeide de kranke
+weder. "Gij zijt toch misschien geen zoon van den rijken Herophilus,
+wiens zaken in Antiochië werden waargenomen door den braven jood
+Urbib?"
+
+"Welzeker, dat ben ik," antwoordde Paulus, en sloeg verlegen de oogen
+neder. "Onze huishouding was inderdaad koninklijk, dat wil ik niet
+ontkennen, en 't was zonde zooveel slaven wij hadden! Wanneer ik aan
+al die beuzelingen denk, waarvoor mijn vader te zorgen had, dan kan ik
+nog duizelen. Hij bezat twintig zeeschepen in de haven van Eunostus, en
+tachtig Nijlbooten in het Mareotische meer. Een stad vol armen had hij
+kunnen verzorgen uit de winst, die de papyrusfabrieken opleverden. Doch
+wij hadden onze inkomsten voor andere dingen noodig. Onze Cyrenaeische
+paarden stonden in marmeren stallen, en de groote zaal, waarin vader
+zijne vrienden ontving, geleek wel een tempel.--Maar ziet gij wel
+hoe de wereld ons aangrijpt, wanneer wij aan haar denken? Laten wij
+het verleden liever rusten!--Moet ik toch verder vertellen? Nu dan,
+mijne kindsheid ging voorbij als die van duizend andere zonen van
+rijke burgers; mijne moeder echter was buitengewoon schoon, lief en
+engelachtig goed."
+
+"Voor elk kind is zijne eigene moeder de beste," prevelde de kranke.
+
+"En voor mij was het zeker de mijne," vervolgde Paulus. "Toch is zij
+slechts eene heidin geweest. Van haar kreeg ik altijd een goed woord,
+een vriendelijken blik, als vader mij leed had gedaan door zijne
+strenge berisping. Zeker was er niet veel aan mij te prijzen. Het
+leeren viel mij al bijzonder zwaar, en al had ik op de school beter
+vorderingen gemaakt, dan zou mij dit toch niet in rekening zijn
+gebracht, want mijn broeder Apollonius, die zoowat een jaar jonger
+was dan ik, leerde het moeielijkste alsof het maar spelen was. Bij de
+oefening in de dialectiek was er weldra geen rhetor in Alexandrië,
+die het tegen hem kon uithouden. Geen stelsel was hem vreemd, en
+ofschoon men nooit kon merken, dat hij zich bijzonder inspande,
+was hij toch de eerste op menig gebied van wetenschap. In twee
+dingen alleen was ik zijn meerdere: in de muziek en in athletische
+kunsten. Terwijl hij studeerde en disputeerde, won ik kransen in het
+worstelperk. Doch de beste rhetor en vechter met woorden was toen de
+voortreffelijkste man, en mijn vader, die zelf in de raadsvergadering
+wist te schitteren als een vurig en smaakvol redenaar, hield mij
+voor een half mislukten domkop. Totdat hem eens een geleerd cliënt
+van ons huis een gesneden steen overhandigde met een epigram, waarin
+te lezen stond: "Wie de edelste gaven van den Griekschen stam wil
+aanschouwen, die moge het huis van Herophilus bezoeken; dáar toch zijn
+te bewonderen, in Menander de kracht en bevalligheid des lichaams,
+en gelijke eigenschappen des geestes in Apollonius." Deze versregels,
+die in de gedaante van eene luit geschreven waren, gingen van mond
+tot mond, en bevredigden de eerzucht mijns vaders, die van nu aan
+ook een woord van lof sprak, als mijn vierspan in de renbaan had
+overwonnen of wanneer ik, met kransen getooid, uit de worstelspelen
+of den zangstrijd wederkeerde. Ik bracht mijn leven door in de baden,
+de palaestra en in vroolijke drinkgelagen."
+
+"Dat alles weet ik bij ervaring," zeide Stephanus, "en de herinnering
+hieraan heeft mij vaak verontrust. Viel het u gemakkelijk deze
+tooneelen uit uwe verbeelding te verbannen?"
+
+"In den beginne had ik zwaar te strijden," zuchtte Paulus, "maar
+sedert eenigen tijd, nu ik over de veertig heen ben, plagen mij
+de verzoekingen der wereld steeds minder. Alleen moet ik zorgen de
+boodschaploopers, die den visch uit de vlekken aan het meer en uit
+Raïthoe naar de oase brengen, te ontgaan."
+
+Stephanus zag den ander vragend aan; Paulus vervolgde echter: "Ja,
+dat is wel vreemd! Of ik mannen of vrouwen zie, de zee of dezen berg:
+nooit denk ik aan Alexandrië en altijd aan heilige dingen. Maar
+wanneer ik vischlucht ruik, zie ik in mijne verbeelding de markt,
+en denk ik aan vischbanken en oesters.--"
+
+"Die van Canobus zijn voortreffelijk," viel Stephanus hem in de rede;
+"men bakt daar kleine pasteitjes...."
+
+Paulus veegde zich met de bovenzijde van zijne hand de gebaarde
+lippen af en zeide: "Bij den dikken kok Philemon in de Herakleotische
+straat!"....
+
+Maar dadelijk brak hij af en vervolgde beschaamd: "Het zou toch beter
+zijn als ik ophield te vertellen. De schemering breekt nog niet aan,
+en gij moet trachten nog wat te slapen."
+
+"Ik kan niet," zuchtte Stephanus. "Als gij mij liefhebt, voleindig
+dan het verhaal uwer geschiedenis."
+
+"Maar val mij dan niet weder in de rede," verzocht Paulus en ging
+voort: "Bij al dat vroolijke leven gevoelde ik mij niet gelukkig,
+neen waarlijk niet. Wanneer ik soms alleen was, en niet te midden
+mijner lustige makkers en, onder aanvallige meisjes met popelgroen
+bekranst den beker ledigde, dan was het mij soms als wandelde ik aan
+den rand van een zwarten afgrond, of als ware alles in mij en rondom
+mij ledig en woest. Uren lang kon ik in zee staren, en als dan de
+golven zich verhieven om weder te dalen en geheel te vervloeien,
+dacht ik dikwijls dat ik niet ongelijk was aan deze, en dat de
+toekomst van mijn nietswaardigheden toch een ijdel niets was. Onze
+goden hadden weinig waarde voor ons. Mijne moeder offerde nu eens
+in dezen, dan weder in genen tempel, al naar de behoefte van den dag
+medebracht. Vader nam deel aan de feesten, maar dreef den spot met het
+bijgeloof der menigte, en mijn broeder sprak altijd van het wezen van
+licht, waaruit alles ontstaan zou zijn, en was steeds in de weer met
+allerlei demonen en tooverformulieren. Hij was een aanhanger van de
+leer van Jamblichus, Ablavius en andere Nieuw-Platonische wijsgeeren,
+die mij, domkop, voorkwamen nu eens bovenmenschelijk diepzinnig,
+dan weder onmenschelijk dwaas te zijn. Menig woord uit zijn mond is
+mij bijgebleven, en eerst hier in de eenzaamheid heb ik het leeren
+verstaan. Het redelijke buiten ons te zoeken is niets; maar het
+hoogste is, wanneer de rede in ons zichzelve mag beschouwen. Zoo
+dikwijls de wereld voor mij in het niet wegzinkt en ik in God leef,
+hem alleen heb en vasthoud, zijne onmiddellijke nabijheid gevoel,
+gedenk ik die leerstelling. Hoe zochten en luisterden al die dwazen,
+of zij de waarheid ook vinden en verstaan mochten, de waarheid die
+naast hen zoo luide verkondigd werd!
+
+"Overal vond men Christenen, en zij behoefden zich in dien tijd niet
+te verbergen; ik had echter niets met hen uit te staan. Maar tweemalen
+kruisten zij mijn weg. De eene maal was ik niet weinig verdrietig,
+toen in het renperk de paarden van een christen, die een Nazareenschen
+zegen had ontvangen, de mijnen overwonnen. De andere keer was ik zeer
+vreemd te moede, toen ikzelf zulk een zegen van een ouden christelijken
+havenwerker ontving, wiens zoon ik uit het water had gered.
+
+"Er verliepen jaren. Mijne ouders stierven. De laatste blik mijner
+moeder was op mij gericht, want van al hare kinderen hield zij toch
+het meest van mij. Men zeide ook dat wij veel op haar geleken, ik en
+mijne zuster Arsinoë, die spoedig na den dood mijns vaders met den
+praefect Pompejus in het huwelijk trad.
+
+"Bij de verdeeling der erfenis liet ik de fabrieken en de leiding
+der zaak aan mijn broeder over, ja ook het huis in de stad, ofschoon
+het mij als den oudsten toekwam. Daarvoor nam ik het landgoed vóor de
+Canobische poort in bezit, en vulde daar de stallen met edele paarden,
+en de schuren met niet minder kostelijken wijn. Dien had ik noodig
+ook, want de dagen waren aan de baden en het worstelperk gewijd,
+maar de nachten werden met drinken doorgebracht, nu eens bij mij,
+dan weder bij een vriend, of ook in een der herbergen te Canobus,
+waar de gastmalen werden gekruid door gezang en dans van de schoonste
+Grieksche meisjes.
+
+"Wat hebben, zult gij vragen, deze plaatsen van ijdel zingenot met
+uwe bekeering te maken? Hoor mij slechts aan. Toen Saul uitging om
+de ezelinnen zijns vaders te zoeken vond hij eene kroon.
+
+"Op zekeren dag waren wij in onze vergulde booten daarheen gevaren,
+en de Lesbische Archidice had voor ons in haar huis een gastmaal
+gereed gemaakt, zooals men het zelfs in Rome nauwelijks zou kunnen
+toebereiden. Sedert Diocletianus, na den opstand van Achilleus,
+onze stad had ingenomen, gedroegen zich de keizerlijke troepen, die
+naar Alexandrië waren gekomen, meer dan overmoedig. Al maanden lang
+hadden mijne vrienden met eenige jonge officieren uit Romeinsche
+patricische familiën telkens weder verschil gehad over paarden,
+vrouwen en weet ik wat niet meer. Nu wilde het ongeluk, dat wij juist
+deze heertjes in de woning van Archidice aantroffen. Het kwam tot
+bitse woorden, die de krijgslieden op hunne manier beantwoordden,
+eindelijk tot beleedigingen, ja, toen de wijn hen en ons verhit had,
+tot luide bedreigingen.
+
+"De Romeinen verlieten de woning vóor ons. Met kransen getooid,
+zingende en geen kwaad vermoedende, volgden wij hen een poos
+later. Reeds waren wij dicht bij de haven, toen een schreeuwende troep
+uit eene zijstraat te voorschijn kwam, en ons met blanke wapenen op het
+lijf viel. Het was maneschijn, zoodat ik enkele van onze aanvallers
+kon herkennen. Ik wierp mij op een langen tribuun, worgde hem en
+zonk, toen hij viel, met hem op den grond. Wat verder geschiedde,
+weet ik niet recht meer, want zwaardhouwen vielen als een slagregen
+op mij neer en het werd mij zwart voor de oogen. Ik weet alleen nog
+wat ik toen in het aangezicht van den dood heb gedacht."
+
+"Wat dan?" vroeg Stephanus.
+
+"Ik dacht," antwoordde Paulus, terwijl hij een kleur kreeg van
+schaamte, "aan mijne kwartels in Alexandrië, die ik onderhield om
+te vechten, of zij wel water hadden gehad. Daarna overviel mij eene
+diepe en sombere bewusteloosheid. Weken lang heb ik zoo gelegen,
+want ik was gehakt als het worstvleesch van den slager. Ik had twaalf
+wonden, de kleine niet mede gerekend, ieder van welke zeker een ander
+het leven zou hebben gekost. Gij hebt u immers menigmaal over mijne
+litteekens verwonderd."
+
+"En wien heeft de Allerhoogste uitverkoren om u te redden?"
+
+"Toen ik ontwaakte," ging Paulus voort, "lag ik in een groot net
+vertrek, achter een gordijn van helder doek. Ik kon mij niet oprichten,
+en als had ik evenveel minuten als dagen gesluimerd, dacht ik dadelijk
+weder het eerst aan mijne kwartels. Bij den laatsten kamp had mijn
+beste haan dien van den schoonen Nicander leelijk toegetakeld, en
+toch beproefde hij mij den inzet te betwisten. Ik wilde mij evenwel
+recht verschaffen. De kwartels moesten althans nog eens tegen elkaar
+in het strijdperk, en als Nicander mocht weigeren, dan wilde ik hem
+in de palaestra tot een vuistkamp dwingen, en hem ter herinnering aan
+zijn schuld een blauw teeken op het oog schilderen. Mijne handen waren
+zwak en toch balden zij zich tot vuisten, als ik aan dat ergerlijk
+gedrag dacht. Ik zal hem! prevelde ik in mijzelven.
+
+"Daar hoorde ik hoe de deur van het vertrek, waarin ik sliep, werd
+geopend, en zag hoe drie mannen eerbiedig een vierden naderden. Deze
+laatste begroette hen waardig maar toch vriendelijk, en rolde een
+geschrift op, waarin hij gelezen had. Gaarne had ik hem geroepen,
+maar ik kon de drooge lippen niet openen. Toch zag en hoorde ik alles
+wat er in de kamer bij mij voorviel.
+
+"Dat kwam mij toen vreemd genoeg voor. Reeds de groet dezer mannen was
+zoo zonderling. Weldra bespeurde ik, dat hij die op den stoel zat een
+rechter was, en dat de anderen als klagers kwamen. Zij waren alle drie
+oud en arm, maar goede menschen hadden hun een stuk grond in gebruik
+gegeven. Gedurende den tijd van den akkerbouw was de een, een flinke
+grijsaard met lange witte haren, ziek geweest, zoodat hij ook bij den
+oogst niet had kunnen medehelpen. Nu zullen zij hem zeker, dacht ik
+zoo bij mijzelven, zijn aandeel aan het koorn willen onthouden. Doch
+het kwam gansch anders, uit. De gezonden hadden den kranke het derde
+deel van het gedorschte in huis gebracht, en de grijsaard weigerde
+hardnekkig de tarwe aan te nemen, daar hij noch bij het zaaien,
+noch bij den oogst had medegeholpen. Hij verlangde van den rechter,
+dat deze den anderen aan het verstand zou brengen, dat hij niet
+gerechtigd was aan te nemen, wat hij zich inderdaad niet verworven had.
+
+"De rechter had tot hiertoe gezwegen. Thans hief hij zijn verstandig
+en vriendelijk gelaat op, en vroeg den grijsaard: 'Hebt gij voor uwe
+gezellen en voor het gedijen van den arbeid gebeden?'
+
+"Dat heb ik gedaan," antwoordde de oude.
+
+"Zoo hebt gij hen door uwe voorbidding geholpen," besliste de
+rechter. 'Het derde deel van den oogst is het uwe en gij moogt het
+behouden!'
+
+"De grijsaard boog; de mannen gaven elkaar de hand, en weldra was de
+rechter weder alleen in het vertrek.
+
+"Ik begreep niet recht wat er in mij omging. Zoowel de klacht als de
+uitspraak van den rechter schenen mij onredelijk toe. Toch werd ik
+door beiden in het hart geroerd. Ik sliep weder in, en toen ik den
+volgenden morgen gesterkt ontwaakte, kwam de rechter naar mij toe en
+bood mij geneesmiddelen aan, niet enkel voor het lichaam maar ook voor
+de ziel, die zeker even diep gewond was als de arme gekwetste leden."
+
+"Wie was die rechter?" vroeg Stephanus.
+
+"Eusebius, de presbyter van Canobus. Christenen hadden mij halfdood op
+de straat gevonden en in zijn huis gebracht, want de weduwe Theodora,
+zijne zuster, was diakones der stad. Zij beiden hebben mij verpleegd,
+als ware ik werkelijk hun broeder. Eerst toen ik krachtiger was
+geworden, toonden zij mij het kruis en den doornenkroon van hem, die
+ook om mijnentwil zooveel smartelijker lijden ondergaan heeft. Zij
+leerden mij zijne wonden vereeren en de mijne met geduld dragen. Aan
+het dorre hout der vertwijfeling botte weldra de groene knop der hoop;
+in plaats van dat ijdel niets aan het einde des levens, toonden zij
+mij den hemel met al zijne vreugde. Ik werd een nieuw mensch en de
+toekomst lag voor mij als een eindeloos zalig bestaan. Na den dood,
+dit leerde ik nu, zal er niets zijn dan de eeuwigheid. De poorten
+des hemels waren wijd voor mij geopend en te Canobus werd ik gedoopt.
+
+"In Alexandrië had men mij reeds als een afgestorvene betreurd, en
+mijne zuster Arsinoë had, als mijne erfgename, met haar echtgenoot
+den praefect mijn landhuis betrokken. Ik liet het gaarne aan haar
+over en woonde van nu aan weder in de stad om, als de vervolgingen
+opnieuw mochten beginnen, de broeders te kunnen bijstaan. Dat viel
+mij gemakkelijk, want door mijn zwager was de toegang tot alle kerkers
+voor mij geopend. Eindelijk moest ik in het openbaar voor mijn geloof
+uitkomen en heb ik op de pijnbank en in de porfiergroeven veel moeten
+lijden. Doch elke smart was mij welkom, daar zij mij het doel van
+mijn vurig verlangen nader scheen te brengen. Als ik hier op den
+heiligen berg mij over iets te beklagen heb, dan is het alleen over
+dit, dat de Heer mij niet verwaardigt tot meerder lijden, daar toch
+zijn eigen beminde zoon voor mij en elken arme, zulke bittere smarten
+op zich genomen heeft."
+
+"Gij heilige man!" prevelde Stephanus en kuste deemoedig Paulus'
+schaapsvel; deze scheurde het hem echter uit de hand en zeide
+mismoedig:
+
+"Ik bid u, laat dat! Wie mij hier in dit leven met eerbewijzen nadert,
+die werpt mij steenen in den weg op het pad der zaligheid. Thans ga
+ik naar de bron om frisch water voor u te putten."
+
+Toen Paulus met de kruik terugkeerde, vond hij Hermas, die zijn vader
+een morgengroet bracht, eer hij weer naar den senator in de oase-stad
+ging om nieuwe geneesmiddelen te halen.
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+Sirona zat voor het open venster van haar slaapvertrek, en liet door
+eene oude zwarte slavin, die haar echtgenoot in Rome gekocht had, hare
+blonde haren opmaken. Zij zuchtte, terwijl de slavin met welriekende
+olie op hare vlakke hand, nu hier dan daar, den glanzenden hoofdtooi
+van hare meesteres bestreek.
+
+Thans greep de zwarte krachtig in de volle afhangende haren, waarover
+een gouden glans lag gespreid; zij scheidde ze met beide handen,
+om met het maken van vlechten te beginnen; doch Sirona weerde haar
+af en zeide: "Geef mij den spiegel!"
+
+Een tijdlang staarde zij weemoedig op het gladgepolijste metaal. Toen
+zuchtte zij andermaal, tilde het hazewindhondje, dat aan haar voeten
+gelegen had, in haar schoot en zeide, terwijl zij het diertje den
+spiegel voorhield: "Daar, arme Jambo; als wij beiden binnen deze vier
+wanden wat willen zien, dat ons bevalt, dan moeten wij hier inkijken."
+
+Daarop vervolgde zij, terwijl zij zich tot de slavin richtte: "Wat
+beeft dat diertje toch! Ik geloof dat het naar Arelate terug verlangt,
+en bevreesd is dat wij nog lang hier onder de brandende zon zullen
+blijven. Geef mij mijne sandalen."
+
+De zwarte overhandigde hare meesteres twee kleine zolen met gouden
+versierselen op de keurige riemen; Sirona wierp het haar met den rug
+van haar hand naar achteren en riep: "De oude, niet deze! Een houten
+schoen zou thans ook voldoende zijn."
+
+Bij deze woorden wees zij naar den hof onder het venster, en deze
+verkeerde inderdaad in zulk een toestand, als hadden hare met goud
+geborduurde sandalen dien nog nooit betreden. Hij was van alle zijden
+door gebouwen omgeven. Aan de eene zijde verhief zich een muur met
+eene ingangspoort, op elk der anderen zijden stond een gebouw, die
+te zamen een scherphoekig hoefijzer vormden.
+
+Tegenover den vleugel, waarin Sirona met haar echtgenoot een onderkomen
+had gevonden, stond het zooveel hoogere huis van Petrus, en beide waren
+op den achtergrond van den hof aan elkander verbonden door een schuur
+van roodbruinen steen met palmtakken gedekt. Daar woonden de slaven
+van den senator en werd het akkergereedschap bewaard. Daarvóor lag
+een hoop zwarte kolen, zooals men ze hier brandde uit het hout van den
+doornigen Sayal-acacia, en een niet onaanzienlijke rij goed geslepen
+molensteenen, die Petrus in zijne steengroeven liet vervaardigen en
+in Egypte verkocht.
+
+In dit vroege morgenuur lag deze geheele ruimte, die er niet
+fraai uitzag, en door eene menigte hoenders en duiven bevolkt was,
+in diepen schaduw. Sirona's venster alleen werd door de morgenzon
+beschenen. Als zij geweten had welk een tooverglans het gouden licht
+over hare gestalte, haar blank en blozend gelaat en haar glimmend haar
+uitgoot, zou zij de zon vriendelijk hebben dank gezegd, terwijl zij
+nu boos op haar was, omdat zij haar zoo vroeg wekte uit den slaap,
+haar beste troost in de eenzaamheid.
+
+Behalve over eenige zijvertrekken, had zij nog te beschikken over
+een grooter vertrek, de voorkamer, die op den straat uitzag.
+
+Op dit oogenblik hield zij hare hand voor de oogen en zeide:
+
+"Die lastige zon! Zij kijkt bij ons het eerst door de vensters. Als
+of ons de dagen niet lang genoeg vielen! De bedden moeten in het
+woonvertrek opgemaakt worden; daar sta ik op!"
+
+De slavin schudde het hoofd en antwoordde stamelend: "Dat wil
+Phoebicius niet."
+
+In Sirona's oogopslag lag wrevel, en hare bijzonder welluidende stem
+trilde een weinig, toen zij vroeg: "Wat heeft hij nu weer?"
+
+"Hij zegt," antwoordde de zwarte, "dat de zoon van den senator,
+Polycarpus, uw venster meer voorbij gaat dan hem lief is, en het komt
+hem voor, als bemoeit gij u meer dan noodig is met zijne kleine zusjes
+en die andere kinderen daarboven."
+
+"Is hij daar nog?" vroeg Sirona, terwijl hare wangen vuurrood werden
+en zij dreigend met den vinger naar het woonvertrek wees.
+
+"De heer is weg," stamelde de oude. "Hij ging reeds vóor zonsopgang
+uit. Gij moest hem niet met eten wachten: hij komt eerst laat terug."
+
+De Gallische antwoordde niet, maar zij boog het hoofd en hare bloeiende
+gelaatstrekken teekenden diepe troosteloosheid.
+
+Het hazewindje scheen het leed zijner meesteres ook te gevoelen,
+want het richtte zich tot haar op, als wilde het haar kussen. De
+verlatene vrouw drukte het diertje, dat zij uit haar vaderland had
+medegebracht, hartstochtelijk aan haar borst, want haar hart werd
+beklemd door een buitengewonen angst. Zij gevoelde zich zoo eenzaam,
+zoo zonder vrienden, zoo geheel aan zichzelve overgelaten, als dreef
+zij alleen in een bootje zonder roer, alleen op de onmetelijke zee.
+
+Huiverend kromp zij ineen. Zij had aan haar echtgenoot gedacht, aan
+den man die alles voor haar moest zijn, en wiens tegenwoordigheid
+haar toch met weerzin vervulde, wiens onverschilligheid haar niet
+meer beleedigde en wiens teederheid zij oneindig meer vreesde dan
+zijne wilde prikkelbaarheid. Zij had hem nooit liefgehad.
+
+Zonder zorgen was zij onder vele broeders en zusters opgegroeid. Haar
+vader was penningmeester van het college van decurionen in zijne
+vaderstad. Hij woonde tegenover het circus; toch had hij, gestreng in
+zijne beginselen, zijne dochters nooit veroorloofd de schouwspelen bij
+te wonen. Maar hij kon haar niet verbieden de menigte het amphitheater
+te zien binnenstroomen en weder verlaten, zonder het gejubel en de
+hartstochtelijke kreten van woede en bijval te hooren.
+
+Sirona werd groot, vervuld met het steeds levendiger maar nooit
+bevredigd verlangen naar het genot, dat zij dagelijks voor oogen
+zag. Zij had echter geen tijd om zich met onnutte dingen bezig te
+houden, want hare moeder stierf eer zij tot vollen wasdom was gekomen,
+en op haar rustte de taak, om voor hare acht jongere broertjes en
+zusjes te zorgen. Dat deed zij dan ook zeer trouw, doch in hare
+vrije uren luisterde zij gaarne naar de verhalen van de vrouwen der
+beambten, die de heerlijkheden van het gulden Rome hadden gezien en
+altijd roemden.
+
+Zij wist dat zij schoon was, want zij behoefde maar even buitenshuis
+te komen om het te hooren. Maar wanneer zij heimwee gevoelde naar de
+hoofdstad, dan was het niet om bewonderd te worden, maar omdat daar
+zooveel heerlijks te zien en te bewonderen was. Toen nu de centurio
+Phoebicius, de bevelhebber over de bezetting in hare vaderstad,
+naar Rome werd verplaatst, en verlangde haar, de zeventienjarige,
+die meer dan veertig jaren jonger was dan hij, als zijne vrouw mede
+te nemen naar de keizerstad, volgde zij hem in overmoed en vervuld
+van blijde hoop.
+
+Zeer spoedig na de bruiloft stak zij te Massilia in zee, vergezeld
+van eene oude bloedverwante, en trok hij over land aan het hoofd
+zijner cohorte naar Rome. Zij bereikte het doel der reis veel vroeger
+dan haar echtgenoot, en gaf zich, hoewel altijd vergezeld van hare
+bloedverwante, van ganscher harte en geheel onbevangen over aan de
+vreugde van zooveel schoons te zien en te bewonderen. Daarbij ontging
+het haar niet, dat zij overal de aandacht trok, en hoewel haar dit
+in den aanvang streelde en behaagde, zoo bedierf het haar toch menig
+genot, toen jonge en oude Romeinen begonnen haar na te loopen en het
+hof te maken.
+
+Eindelijk kwam ook Phoebicius aan, en toen hij bemerkte dat vele
+bewonderaars van zijne vrouw zijn huis wat te dikwerf bezochten,
+nam hij tegenover Sirona eene houding aan, alsof zij sedert lang hare
+trouwbelofte had geschonden. Dit nam niet weg dat hij haar dwong van
+de eene vermakelijkheid naar de andere, nu eens naar deze dan naar
+gene vertooning mede te gaan. Want hij vond er behagen in met zijne
+mooie jonge vrouw te pronken.
+
+Wat haar betreft, zij was niet geheel vrij van behaagzucht. Maar zij
+had van haren strengen vader, als opvoedster van hare broertjes en
+zusjes, reeds jong geleerd, recht en onrecht, goed en kwaad juist van
+elkaar te onderscheiden, en zij merkte spoedig op, dat de vermaken der
+hoofdstad, die haar in den beginne toelachten, als bonte bloemen met
+schitterende kleuren en bedwelmenden reuk, bloeiden boven afzichtelijke
+moerassen.
+
+Zij had aanvankelijk met welgevallen gezien naar alles wat schoon,
+wat lieflijk, wat vreemd was. Doch haar echtgenoot vond slechts
+behagen in het gemeene en verfoeielijke, waarvan zij walgde. Hij
+bespiedde elk harer blikken, en toch wees hij haar bij voorkeur op
+hetgeen het oog eener reine vrouw kwetsen moet. Het genoegen werd
+haar tot eene kwelling, want ook van den zoetsten wijn gevoelen wij
+een afkeer, wanneer hij wordt aangeroerd door onreine lippen. Na den
+afloop van elk feest en ieder schouwspel, overlaadde hij haar met
+smadelijke verwijten. Toen zij, zulk eene behandeling moede, eindelijk
+weigerde een voet buiten de deur te zetten, dwong hij haar toch hem te
+begeleiden, zoo dikwijls de legaat Quintillus, die over hem gesteld was
+en haar dagelijks met bloemen en geschenken overlaadde, zulks wenschte.
+
+Tot hiertoe had zij al haar best gedaan hem te verdragen, hem te
+verontschuldigen, en zichzelve aansprakelijk te stellen voor veel
+dat zij te lijden had. Daar werd haar echter--het was tien maanden na
+hare komst in Rome--door Phoebicius iets voorgesteld, iets, dat zich
+als een muur van metaal verhief tusschen hem en haar. En daar dit
+iets ten gevolge had, dat hij, in plaats van bevorderd te worden,
+gelijk hij had gehoopt, verbannen werd naar de afgelegene oase en
+gedegradeerd tot aanvoerder van een armzalige handvol soldaten,
+begon hij haar met opzet te kwellen. Zij trachtte zich te verweren,
+door eene ijskoude onverschilligheid, en bracht het eindelijk zoo ver,
+dat de man, voor wien zij niets dan verachting voelde, haar levensgenot
+niet meer en niet minder bedierf dan eenig lichamelijk lijden, dat de
+kranke veroordeeld is levenslang te dragen. In zijne tegenwoordigheid
+zweeg zij, toonde zij zich trotsch en terughoudend, doch zoodra had
+hij haar niet verlaten, of de haar van nature eigene goedheid en
+kinderlijke vroolijkheid ontwaakte tot een nieuw leven. Haar warm
+hart uitte zich in ongekunstelde blijdschap en deed de liefelijkste
+bloemen ontluiken in het huis van den senator en onder de kleine
+schare, die hare liefde met wederliefde vergold.
+
+Phoebicius behoorde tot de aanbidders van Mithras. De dienst dezer
+godheid deed hem nu eens vasten, zóo streng dat hij bijna werd
+uitgeput, dan weder zich bedwelmen met de feestgenooten, tot hij zijn
+bewustzijn verloor. Ook hier had hij in het Sinaïtisch gebergte een
+grot voor het vieren der Mithras-feesten ingericht, en eenige weinige
+geestverwanten rondom zich verzameld. Wanneer hij dagen en nachten
+achtereen uitbleef, om bleeker dan gewoonlijk terug te keeren, dan
+wist zij waar hij geweest was.
+
+Op dit oogenblik stond het beeld van dezen man met zijne nu eens
+slaperige, dan weder van brandenden toorn gloeiende oogen, in scherpe
+omtrekken voor hare verbeelding, en zij vroeg zich af hoe het mogelijk
+was geweest, dat zij er in had toegestemd zijne vrouw te worden. Eene
+versnelde ademhaling deed haar borst zwoegen, want zij dacht weder
+aan den hoon, die hij te Rome haar had aangedaan, en hare kleine
+handen balden zich tot vuisten.
+
+Plotseling hief het hondje zich op in haar schoot en sprong blaffend op
+de vensterbank. Zij verschrikte een weinig, maakte haar morgenkleed,
+dat van den blanken schouder was gegleden, weder dicht, snoerde de
+laatste riemen van haar sandalen vast, en keek in den hof.
+
+Terstond speelde er een glimlach om haren mond, want zij bespeurde
+den jongen Hermas, die reeds lang roerloos tegen den wand van het
+huis van Petrus had gestaan, en het beeld der schoone vrouw met zijne
+blikken als verslonden had. Haar bewegelijk gemoed was als het oog,
+waarin de verlammende duisternis geen spoor meer achterlaat zoodra
+het een straal van het licht heeft opgevangen. Geen leed was in staat
+haar zóo diep te treffen, dat niet de ademtocht van eenig nieuw genot
+het naar alle windstreken kon uiteendrijven. Evenals vele rivieren bij
+hare bronnen eene andere kleur hebben dan bij hare monding, zoo ging
+het niet zelden met hare tranen; zij begon van smart te weenen, en
+door overmaat van vreugde viel het haar moeilijk hare oogen te droogen.
+
+Hoe gemakkelijk zou het Phoebicius zijn gevallen, haar het leven te
+veraangenamen, want zij was hoogst gevoelig van hart en dankbaar,
+ook zelfs voor het kleinste bewijs van liefde. Maar tusschen hem en
+haar was elke band verscheurd.
+
+De houding en het gelaat van Hermas bevielen haar. Zij vond dat
+hij er voornaam uitzag, ondanks zijne armelijke kleeding. En toen
+zij opmerkte dat zijne wangen gloeiden, en zijne hand, waarin hij
+het medicijnfleschje hield, beefde, wist zij dat hij haar bespied,
+dat haar aanblik zijn jeugdig bloed in beweging gebracht had.
+
+Eene vrouw, en vooral eene die gaarne behaagt, vergeeft alles wat
+om harentwil wordt misdreven, en hare stem klonk zelfs vriendelijk
+genoeg, toen zij Hermas goeden morgen wenschte en hem vroeg hoe zijn
+vader het maakte, en of het geneesmiddel van den senator gewerkt had.
+
+De antwoorden van den jongeling waren kort en verlegen; doch zijne
+oogen verrieden, dat hij haar gaarne gansch andere dingen zou gezegd
+hebben, dan die zijne ongeoefende tong haar schuchter vermocht te
+antwoorden.
+
+"Vrouw Dorothea vertelde mij gisteren avond," zeide zij vriendelijk,
+"dat Petrus hoopt uw vader te kunnen herstellen, maar hij is nog
+zeer zwak. Misschien zou goede wijn hem helpen; heden nog niet,
+maar morgen of overmorgen. Kom maar bij mij, wanneer gij dien noodig
+hebt; wij hebben in den kelder ouden Falerner en witten Mareotischen,
+die uitnemend en versterkend is."
+
+Hermas dankte, en toen zij hem nogmaals aanmoedigde, om zich gerust
+tot haar te wenden, wist hij over zich te krijgen, haar meer stamelend
+dan sprekend toe te roepen: "Gij zijt niet minder goed dan schoon."
+
+Deze woorden waren ter nauwernood over zijne lippen, toen de bovenste,
+van de naast het slavenverblijf kunstig opgestapelde steenen, met
+luid geraas naar beneden rolde.
+
+Sirona schrikte en ging van het venster terug. Het hazenwindje begon
+hard te blaffen, en Hermas bracht de hand aan het voorhoofd, alsof hij
+uit een droom ontwaakte. Even daarna klopte hij aan de deur van den
+senator. Nauwelijks had hij het huis betreden, of de tengere gestalte
+van Mirjam kwam, als eene schaduw, achter de steenen te voorschijn,
+om snel en zonder eenig geluid te maken, in de woning der slaven
+te verdwijnen.
+
+Dit verblijf was thans ledig, daar de bewoners op het veld, of in
+huis, of in de steengroeven aan den arbeid waren. Het bestond uit
+eenige slecht verlichte vertrekken, met naakte oneffene wanden. De
+herderin ging het kleinste binnen, waar de slaaf, dien zij gewond had,
+rustte op een bed van palmtakken. Hij bewoog zich even, toen zij in
+vliegende haast een nieuwe slordig gevouwen compres scheef op zijne
+diepe hoofdwonde legde. Zoodra deze plicht vervuld was, verliet
+zij het vertrek weder, plaatste zich achter de halfgeopende deur,
+die toegang verleende tot den hof, en zag hijgend nu eens naar het
+huis van den senator, dan weder naar de vensters van Sirona.
+
+Eene nieuwe gedachte had haar jeugdig hart in onstuimige beweging
+gebracht. Weinige oogenblikken geleden zat zij nog naast den gewonden
+man op den grond neergehurkt, met het hoofd rustende op haar hand,
+denkende aan den berg en haar geiten. Daar vernam zij aan de zijde van
+den hof een zacht gedruisch, dat een ander zeker ontgaan zou zijn. Zij
+echter merkte het niet enkel op, maar zij kon ook met volle zekerheid
+onderscheiden, wie er de oorzaak van was. In het geluid van Hermas'
+schreden kon zij zich niet vergissen, en het werkte op haar met
+onweerstaanbare macht.
+
+Snel hief zij het hoofd en den arm op, sprong overeind en ging den
+hof in. De molensteenen maakten haar onzichtbaar, maar zij kon Hermas
+toch zien, zooals hij daar stond in bewondering verzonken. Zij volgde
+zijne blikken en--daar zag zij hetzelfde beeld, dat zijne oogen in
+verrukking bracht, de schoone, door het zonlicht beschenen gedaante
+van Sirona. Zij zag er uit als sneeuw met rozen en goud bestrooid,
+als de engel aan het graf op de nieuwe schilderij in de kerk. Ja, als
+de engel! En op eens bedacht zij, hoe bruin en zwart zij zelve was,
+en dat hij haar een duivelin had genoemd.
+
+Eene diep smartelijke gewaarwording overmeesterde haar, en zij gevoelde
+zich als verlamd naar lichaam en ziel. Spoedig echter ontworstelde
+zij zich aan deze betoovering; haar hart begon onstuimig te kloppen,
+en zij moest zich met de witte tanden op de lippen bijten, om het
+niet luide uit te schreeuwen van toorn en pijn. Hoe gaarne was zij
+tegen dat venster opgeklauterd, waaraan Hermas' blikken hingen; was
+zij Sirona in de goudgele haren gevlogen; had zij haar op den grond
+getrokken en als een vampyr haar het bloed uit de roode lippen gezogen,
+tot zij vóor haar uitgestrekt zou liggen, bleek als het lijk van eene
+die van dorst was omgekomen.
+
+Thans zag zij hoe het dunne gewaad haar van de schouders gleed,
+hoe hij schrikte en de hand aan zijn hart bracht. Wederom welde eene
+andere gedachte bij haar op, namelijk om Sirona toe te roepen en te
+waarschuwen. Zelfs vijandinnen reiken elkander in den geest de handen,
+wanneer het geldt het bedreigde heiligdom van het zedig vrouwelijk
+gevoel te beschermen.
+
+Zij bloosde om Sirona's wil, en reeds opende zij de lippen, toen
+het hondje aansloeg en het gesprek tusschen beiden begon. Aan haar
+scherp gehoor ontsnapte geen woord van hetgeen zij sprak, en toen hij
+zeide, dat zij zoo schoon was als goed, gevoelde zij, dat zij begon
+te duizelen. De bovenste steen, die weinig steun had, en waaraan zij
+zich wilde vasthouden, verloor zijn evenwicht. Zijn val stoorde het
+gesprek van de twee en deed Mirjam naar den kranke terug ijlen.
+
+Thans stond zij aan de deur op Hermas te wachten. Dat wachten viel haar
+lang, zeer lang. Eindelijk kwam hij met vrouw Dorothea te voorschijn
+en zij bemerkte alleen nog, dat hij weder naar Sirona opzag. Een
+ondeugend lachje speelde om hare lippen, want het venster was ledig,
+en het schoone beeld, dat hij gehoopt had weder te zien, was verdwenen.
+
+Sirona zat thans aan haar weefstoel in het voorvertrek; het geluid van
+een naderenden hoefslag had haar daarheen gelokt. De tweede zoon van
+den senator, Polycarpus, was op den fieren hengst zijns vaders voorbij
+gereden, had haar gegroet en tevens eene roos op den weg geworpen.
+
+Een halfuur later kwam de oude slavin bij Sirona, die met vlugge hand
+den weversspoel door den inslag schoot. "Meesteres!" riep de zwarte
+met een hatelijk lachje. Zoodra de verlatene vrouw haren arbeid
+staakte en haar vragend aanzag, overhandigde de oude haar de roos.
+
+Sirona nam de bloem aan, blies het stof dat haar bedekte weg, schikte
+met de vingertoppen de sierlijke blaadjes, en zeide, terwijl zij aan
+deze bezigheid hoofdzakelijk hare opmerkzaamheid scheen te wijden:
+"Laat voortaan die rozen liggen. Gij kent Phoebicius, en wanneer
+iemand het ziet, dan komen er maar praatjes van."
+
+De zwarte vrouw haalde de schouders op en keerde haar den rug
+toe. Sirona dacht echter: "Die Polycarpus is toch een schoon en
+vriendelijk jonkman. Zulke groote gevoelvolle oogen heeft zeker geen
+ander. Als hij maar niet altijd van zijne ontwerpen, teekeningen,
+figuren en zulke ernstige dingen spreken wilde, die mij niets aangaan!"
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Toen de zon den volgenden dag hare middaghoogte reeds voorbij was
+en het koeler begon te worden, willigden Hermas en Paulus den wensch
+van Stephanus in en brachten zij hem naar buiten, want hij begon zich
+krachtiger te gevoelen.
+
+Thans zaten de Anachoreten naast elkander op een vlak rotsblok,
+dat Hermas voor zijn vader door eene laag van frissche kruiden in
+een zacht kussen had veranderd. Beiden zagen zij den jongeling na,
+die met pijl en boog den berg opklom, ten einde een steenbok te
+schieten. Petrus toch had den kranke krachtige spijs voorgeschreven.
+
+Zij spraken geen woord, tot de jager uit het gezicht was. Toen zeide
+Stephanus: "Wat is hij toch veranderd, sedert ik ziek ben! Het is toch
+nog zoo lang niet geleden, dat ik hem voor het laatst bij daglicht
+zag. Inmiddels schijnt de knaap een man geworden te zijn. Met welk
+een gevoel van zelfbewustheid ging hij daarheen!"
+
+Paulus prevelde, terwijl hij naar den grond keek, eenige bevestigende
+woorden. Het werpen met den schijf kwam hem weder voor den geest,
+en hij dacht: "Zeker heeft hij de palaestra in zijn hoofd. Hij heeft
+zich ook gebaad. Reeds gisteren, toen hij uit de oase terugkwam,
+stapte hij voort als een jeugdig athleet.
+
+Dan eerst mag de vriendschap eene ware heeten, wanneer twee menschen,
+zonder een woord te spreken, zich toch mogen verheugen in elkanders
+samenzijn. Stephanus en Paulus zwegen; nochtans bestond er tusschen
+hen eene onmerkbare gedachtenwisseling, toen zij, terwijl de zon
+begon onder te gaan, naar het westen zagen. Diep beneden hen glansde
+in zacht blauw-groene tinten de smalle vlakte der Roode zee, aan
+de kusten begrensd door naakte, helder goudgele bergen. In hunne
+nabijheid verhief zich de veelgespleten kroon van het reuzengebergte,
+die zoodra de dagvorstin achter haar verdween, als omgeven werd met
+een stralenkrans van vurige robijnen. Een gloeiend rood overdekte den
+westelijken horizont; dunne nevelsluiers begonnen het kustgebergte te
+omhullen; de zilveren wolkjes aan den reinen hemel veranderden van
+tint, zich kleurende met het zachte rood der pas ontluikende rozen;
+en de heuvels aan het strand schitterden met het doorzichtig blauw
+van violen en amethysten. Er was geen zuchtje; geen geluid verstoorde
+de plechtige avondstilte.
+
+Eerst toen de kleur der zee al donkerder en donkerder werd, toen de
+gloed op de bergtoppen en in het westen was uitgedoofd, toen de nacht
+zijne schaduwen over hoogten en laagten begon uit te breiden, maakte
+Stephanus zijne gevouwen handen los en riep zijn metgezel zacht bij
+den naam.
+
+Paulus verschrikte, en zeide als een die uit een droom ontwaakt,
+en zich bewust is de woorden van den ander niet verstaan te hebben:
+"Gij hebt gelijk! Het wordt donker en koel, en gij moet weder in de
+spelonk gaan."
+
+Stephanus verzette zich niet, en liet zich naar zijn leger brengen.
+
+Paulus zuchtte diep, terwijl hij het schaapsvel over den kranke
+uitspreidde.
+
+"Wat ontroert uwe ziel?" vroeg de oude man.
+
+"Het is... het was... Wat kan het mij baten!" riep Paulus diep
+bewogen. Wij zijn daar getuigen geweest van het heerlijkst wonder
+des Allerhoogsten, en ik heb schaamteloos afgoderij gepleegd, want ik
+zag den wagen voor mij met de blinkende, vuursnuivende, gevleugelde
+rossen van Helios, en den god zelven in de gedaante van Hermas, met
+schitterende goudgele haren, en de dansende Horen [3], en de gouden
+poorten van den nacht. Vervloekt demonen-tuig!...."
+
+Hier werd de Anachoreet gestoord, want Hermas trad de spelonk binnen,
+hield de beide mannen een steenbok voor, dien hij geschoten had,
+en riep: "Een flinke borst, en hij heeft mij maar eene enkele pijl
+gekost. Ik zal dadelijk vuur ontsteken en de beste stukken braden. Daar
+zijn nog bokken genoeg op onze bergen, en ik weet ze te vinden."
+
+Een uur later aten vader en zoon de aan het spit gebraden stukken
+vleesch. Paulus weigerde er mede van te nuttigen, want toen hij,
+na het werpen met den discus, zich in vertwijfeling en berouwvol had
+gegeeseld, had hij zich een streng vasten opgelegd.
+
+"En nu," riep Hermas, toen zijn vader, wien deze lang ontbeerde
+krachtige spijs voortreffelijk scheen te smaken, verklaarde dat
+hij verzadigd was, "en nu komt het beste! In deze flesch heb ik
+versterkenden wijn, en wanneer zij ledig is, wordt zij opnieuw gevuld."
+
+Stephanus greep den houten beker, dien zijn zoon hem toereikte, dronk
+een weinig en zeide, terwijl hij den kostelijken smaak van het edel
+vocht nog eens met zijne tong keurde: "Dat is wat goeds! Syrische
+wijn! Proef eens, Paulus!"
+
+De aangesprokene nam den beker in de hand, snoof de geur van den gulden
+drank onderzoekend op, en prevelde toen, zonder er zijne lippen aan te
+zetten: "Dat is geen Syrische; het is Egyptische. Ik ken hem wel. Ik
+houd hem voor Mareotische!"
+
+"Zoo heeft Sirona hem ook genoemd," zeide Hermas. "En gij herkent
+den wijn alleen aan den geur! Ze zeggen dat hij bijzonder heilzaam
+is voor zieken."
+
+"Dat is hij," verzekerde Paulus.
+
+"Sirona?" vroeg Stephanus verwonderd. "Wie is dat?"
+
+Het hol werd maar flauw verlicht door het vuur, dat bij den ingang
+was ontstoken; de beide Anachoreten konden dus niet opmerken, dat
+Hermas kleurde tot over zijn ooren, toen hij antwoordde: "Sirona? De
+Gallische Sirona? Kent gij haar niet? Zij is de vrouw van den centurio,
+beneden in de oase."
+
+"Hoe komt gij juist aan haar?" vroeg de vader.
+
+"Zij woont in het huis van Petrus," antwoordde de jongeling, "en daar
+zij van uwe verwonding hoorde...."
+
+"Breng haar mijn dank over, wanneer gij morgen naar beneden gaat,"
+vroeg Stephanus; "haar en ook haar echtgenoot. Is hij een Galliër?"
+
+"Ik geloof ja,... neen stellig," antwoordde Hermas. Zij noemen hem
+den leeuw. En hij komt uit Gallië."
+
+Toen de jongeling het hol had verlaten, legde de oude man zich te
+slapen neder, en Paulus waakte aan zijne zijde op het bed van zijn
+zoon. Maar Stephanus kon den slaap niet vatten. Toen zijn vriend hem
+naderde, om hem het geneesmiddel toe te dienen, zeide hij: "De vrouw
+van een Galliër heeft mij een weldaad bewezen, en toch die wijn zou mij
+beter bevallen zijn, wanneer hij niet van een Galliër afkomstig was."
+
+Paulus zag hem vragend aan, en hoewel er volslagen duisternis heerschte
+in de spelonk, zoo gevoelde Stephanus toch dezen blik en zeide: "Ik
+ben op niemand boos, en heb mijn naaste lief. Ik ben diep beleedigd;
+maar ik heb vergeven, van ganscher harte vergeven. Daar is maar éen,
+wien ik kwaad zou gunnen, en dat is een Galliër."
+
+"Vergeef ook hem," smeekte Paulus, "en laat u den slaap niet verstoren
+door bittere gedachten."
+
+"Ik ben niet moede," hernam de kranke. "Wanneer u wedervaren was,
+wat mij is aangedaan, zou dit ook u de nachtrust bederven!"
+
+"Ik weet het, ik weet het," zeide Paulus, om hem wat neer te
+zetten. "Het was een Galliër, die uwe arme vrouw misleid heeft,
+zoodat zij uw huis en uw kind heeft verlaten."
+
+"En hoe heb ik Glycera bemind!" sprak de kranke steunend. "Zij werd
+behandeld als eene vorstin, en ik wist hare wenschen te voorkomen,
+vóor zij ze had uitgesproken. Honderdmaal heeft zij mij gezegd,
+dat ik te goed en te zwak voor haar was, en haar niets te wenschen
+overbleef. Daar kwam die Galliër in ons huis, een mensch, een
+kerel zoo norsch als zure wijn, maar welbespraakt en met vonkelende
+oogen. Hoe hij Glycera in zijne strikken heeft gevangen: ik weet het
+niet en wil het niet weten. In de hel zal hij er voor boeten. Dag en
+nacht bid ik voor de arme verlorene vrouw. Zij is bezweken voor eene
+betoovering, doch haar hart bleef in mijn huis achter, want daar was
+haar kind, en zij had Hermas zoo lief, en ook aan mij was zij zoo
+innig gehecht! Hoe sterk moet wel de begoocheling zijn, die zelfs de
+moederliefde kan dooden! Ik arme! Ach ik ongelukkige! Hebt gij ooit
+eene vrouw liefgehad, Paulus?"
+
+"Gij moet slapen," zeide de Anachoreet vermanend. "Wie kan, gelijk
+ik, bijna een halve eeuw geleefd hebben, zonder te voelen wat liefde
+is!--Maar ditmaal spreek ik geen woord meer; neem gij den drank dien
+Petrus u gezonden heeft."
+
+Het middel van den senator werkte krachtig, want de kranke sliep in, en
+ontwaakte eerst, toen het volle daglicht de spelonk verlichtte. Paulus
+zat nog altijd aan zijne legerstede, en overhandigde hem, nadat zij
+gemeenschappelijk gebeden hadden, de kruik, die Hermas, alvorens hij
+naar de oase ging met frisch water had gevuld.
+
+"Ik gevoel mij versterkt," zeide de oude. "Het geneesmiddel is goed. Ik
+heb rustig geslapen en heerlijk gedroomd. Maar gij ziet er zoo bleek
+en ontdaan uit."
+
+"Ik!" vroeg Paulus, "Ik heb daar toch op het bed gelegen. Laat mij
+nu een oogenblik naar buiten gaan."
+
+Terwijl hij dit zeide ging hij het hol uit. Zoodra hij zich aan
+de blikken van Stephanus had onttrokken, haalde hij diep adem,
+rekte hij zijne leden en wreef hij de brandende oogen uit. Want,
+het was hem als had hij zand onder de oogleden, die hij drie dagen
+en nachten achtereen niet had willen sluiten. Bovendien kwelde hem
+een hevige dorst, want zijne lippen hadden in dienzelfden tijd spijs
+noch drank aangeroerd. Reeds begonnen zijne handen te beven, maar de
+zwakheid en de pijn vervulden hem met stille vreugde, en gaarne had
+hij zich in zijn hol teruggetrokken ten einde zich, en dat niet voor
+de eerste maal, over te geven aan den bitterzoeten waan, dat hij aan
+een kruis hing en evenals de Heiland uit vijf wonden bloedde.
+
+Doch Stephanus riep hem, en zonder te talmen ging hij tot hem en
+beantwoordde zijne vragen. Het spreken viel hem daarbij gemakkelijker
+dan het hooren, want het suisde en gonsde en klonk hem in de ooren,
+alsof hij bevangen was door den vurigen wijn.
+
+"Als Hermas nu maar niet vergeet den Galliër te bedanken," zeide
+Stephanus.
+
+"Danken, ja danken moeten wij altijd," antwoordde de ander, terwijl
+hij de oogen sloot.
+
+"Ik heb van Glycera gedroomd," begon de oude man opnieuw. "Gisteren
+zeidet gij, dat de liefde ook u eens het hart heeft bewogen. Gij zijt
+toch nooit gehuwd geweest.--Gij zwijgt? Maar antwoord mij dan toch?"
+
+"Ik? Wie heeft mij geroepen?" prevelde Paulus, en staarde den vrager
+met strakke blikken aan.
+
+Deze verschrikte, zoodra hij bemerkte, dat Paulus over al zijne leden
+beefde, richtte zich op, en gaf hem de flesch met den wijn van Sirona,
+die de ander, zichzelven niet meer meester, hem hartstochtelijk uit
+de hand rukte en brandend van dorst ledigde.
+
+De vurige drank wekte zijne wegzinkende krachten weder op,
+kleurde zijne wangen en verleende aan zijne oogen een eigenaardigen
+glans. Daarbij zeide hij, diep ademhalende en zijne hand tegen de
+borst drukkende: "Hoe goed heeft mij dat gedaan!"
+
+Stephanus was nu volkomen gerustgesteld, en herhaalde zijne vraag. Doch
+hij gevoelde weldra berouw over zijne nieuwsgierigheid, want de stem
+van zijn vriend had een geheel vreemden klank aangenomen, toen hij
+antwoordde: "Ik was nooit gehuwd, neen nooit. Maar toch heb ik lief
+gehad, en ik wil u alles vertellen, alles, van het begin tot het
+einde. Gij moogt mij echter niet in de rede vallen, geene enkele
+maal! Ik ben zoo zonderling te moede! Misschien komt het van den
+wijn. Ik heb dien in lang niet gedronken. Ik heb gevast, sedert,
+... sedert... Doch dat doet er niet toe. Zwijg nu stil, doodstil,
+en laat mij vertellen."
+
+Paulus zat op Hermas' legerstede. Thans boog hij zich een eind
+achterwaarts, leunde met zijn hoofd tegen den rotswand der spelonk,
+door welker opening het volle daglicht binnenstroomde, en begon
+terwijl hij in de ruimte staarde: "Hoe zij er uitzag wie kan haar
+beschrijven? Zij was lang en groot als Hera en toch niet trotsch, en
+haar edel Grieksch gelaat was niet minder lieftallig dan schoon. Zij
+kon zoo heel jong niet meer zijn, toch had zij de oogen van een
+vriendelijk kind. Ik heb haar alleen zeer bleek gekend. Haar
+smal voorhoofd kwam als elpenbeen onder de donkerbruine haren te
+voorschijn. Blank als haar voorhoofd waren ook hare schoone handen,
+handen die als bezielende wezens, eene eigene taal wisten te spreken.
+
+Als zij ze aandachtig samenvouwde, dan was het als spraken zij voor
+zichzelve een gebed uit. Zij was buigzaam als een jongen palm, als zij
+zich bewoog; toch was er iets voornaams en waardigs in hare houding,
+zelfs in de dagen toen ik haar voor het eerst aanschouwde. Dat was
+op eene verschrikkelijke plaats, in de ijzingwekkende gevangenkamer
+in de Rhakotis. Zij droeg slechts een doorschijnend gewaad, dat eens
+kostbaar was geweest. Gelijk een hongerige rat eene gevangene duif, zoo
+volgde haar een morsig wijf, dat haar met smaadwoorden overlaadde. Zij
+antwoordde niets, maar groote dikke tranen rolden langzaam over hare
+bleeke handen, die zij over de borst gekruist hield. Uit hare blikken
+spraken leed en angst, maar geene gemoedsbewegingen verstoorden de
+regelmatigheid harer trekken. Zelfs de smaadheid wist zij waardig te
+dragen, en met welk een taal vervolgde haar de woedende oude!
+
+"Ik was reeds lang gedoopt, en voor mij, den rijken Menander, den
+zwager van den praefect Pompejus, stonden alle gevangenissen open,
+waarin onder Maximinus zoovele Christenen zouden gedwongen worden
+tot afval van hun geloof. Maar zij behoorde niet tot de onzen. Haar
+oog ontmoette het mijne; ik maakte het teeken des kruises, maar zij
+beantwoordde den heiligen groet niet. Thans voerden de wachters de
+oude vrouw weg; zij trok zich echter in een donkeren hoek terug,
+hurkte daar neder en verborg het aangezicht met de handen.
+
+"Hoe zonderling het ook was, ik gevoelde deelneming met deze
+ongelukkige vrouw tot in het diepst mijner ziel. Het was mij als
+behoorde zij aan mij en ik aan haar, en ik stelde vertrouwen in haar,
+al vertelde de cipier mij ook in ruwe woorden, dat zij met een Romein
+bij dat oude wijf had gewoond, dien zij voor veel geld had opgelicht.
+
+"Den volgenden morgen kon ik niet nalaten weder naar de gevangenzaal te
+gaan, om harent- en mijnentwil. Daar vond ik haar weder in denzelfden
+hoek, waarin zij den vorigen dag gevlucht was. Haar gevangenkost, een
+kruik water en een stuk brood, stond onaangeroerd naast haar. Toen ik
+haar nader kwam, merkte ik op, hoe zij een klein stuk van de dunne
+snede voor zichzelve afbrak, en vervolgens een christenknaapje, dat
+zijne moeder in den kerker gevolgd was, tot zich riep, om dit kind de
+rest te geven. Het kind bedankte haar vriendelijk; zij echter greep
+en kuste het, ofschoon het er niet mooi en zeer ziekelijk uitzag,
+met hartstochtelijke teederheid.
+
+"Wie kinderen zóo lief heeft," zeide ik tot mijzelven, "is niet
+bedorven," en ik bood haar aan naar mijn vermogen te helpen. Niet
+zonder wantrouwen nam zij mij met de oogen op en zeide, dat zij loon
+naar werken ontving, en dat zij alles dragen wilde.
+
+"Eer ik verder bij haar kon aandringen, werden wij door christenen
+gestoord. Zij hadden zich geschaard rondom den waardigen Ammonius,
+die hen met stichtelijke woorden vermaande en troostte. Zij luisterde
+opmerkzaam naar den grijsaard, en den volgenden dag vond ik haar
+in gesprek met de moeder van het knaapje, waaraan zij het brood
+had geschonken.
+
+"Op zekeren morgen was ik met vruchten gekomen, waarmede ik de
+gevangenen en haar in het bijzonder wilde verkwikken. Zij nam een
+appel, stond op en zeide zacht: "Thans vraag ik u om een ander
+geschenk. Gij zijt een christen; zend mij een priester om mij te
+doopen, wanneer hij mij niet voor onwaardig houdt. Want ik ben zoo
+zwaar met zonden beladen, zwaarder dan eenige andere vrouw."
+
+"Wederom welden er stille tranen in hare lieve, groote kinderlijke
+oogen. Ik sprak haar hartelijk toe en toonde haar de genade van
+den Verlosser, zoo goed ik kon. Spoedig daarop heeft Ammonius haar
+heimelijk gedoopt. Zij verzocht dat men haar Magdalena zou noemen. Zóo
+geschiedde het, en daarna schonk zij mij haar volle vertrouwen.
+
+"Zij had haren echtgenoot en haar kind verlaten, om de wille van een
+duivelschen verleider, dien zij naar Alexandrië was gevolgd, en die
+haar daar in den steek had gelaten. Alleen, zonder vrienden, in gebrek
+en schulden, bleef zij bij eene onmeedoogende en hebzuchtige waardin
+achter, door welke zij voor den rechter en in den kerker werd gesleept.
+
+"In welk een afgrond van de diepste zielesmart liet deze vrouw,
+die een beter lot waardig was geweest, mij een blik slaan! Wat is
+voor eene vrouw het hoogste? Hare liefde, hare moederplicht, hare
+eerbaarheid! En Magdalena? Zij had alle drie verspeeld, vergooid door
+eigen schuld. De slagen van het lot, waaraan wij niets veranderen
+kunnen, laten zich gemakkelijk dragen, maar wee hem die door eigen
+toedoen, zijn levensgeluk verstoort!
+
+"Zij was eene zware zondares; zij gevoelde dit met bitter berouw en
+wees mijn aanbod haar vrij te koopen, standvastig af. Zij hunkerde
+naar de straf, gelijk een koortslijder naar den bitteren drank,
+die zijn bloed tot bedaren zal brengen.
+
+"Bij den gekruisigde! Ik heb onder zondaars meer edel menschelijk
+gevoel gevonden, dan bij menig rechtvaardige in priesterlijk gewaad!
+
+"De kerker kreeg voor mij door Magdalena zijn heiligheid terug. Vroeger
+had ik die plaats dikwijls met diepe verachting verlaten, want onder de
+gevangene christenen was veel lui volk, dat den Heiland in het openbaar
+had beleden, om zich te doen onderhouden door de liefdegaven der
+geloofsgenooten. Ik vond er vloekwaardige misdadigers, die de verbeurde
+zaligheid door den marteldood hoopten terug te erlangen. Ik hoorde het
+gejammer der blooden, die den dood niet minder vreesden, dan verraad te
+plegen jegens den Allerhoogste. Men kon er hartverscheurende tooneelen
+aanschouwen, maar ook toonbeelden der verhevenste zielegrootheid. Ik
+zag mannen en vrouwen, die in stillen vrede den dood tegengingen,
+en wier uiteinde waarlijk edeler was dan de geprezene zelfopoffering
+van een Codrus of een Decius Mus.
+
+"Onder alle gevangen was er geene vrouw of geen man kalmer,
+vastberadener, meer berustend dan Magdalena. Het woord: 'Er zal
+meer vreugde zijn in den hemel over éen zondaar die zich bekeert,
+dan over negen en negentig rechtvaardigen', sterkte haar wonderbaar,
+en zij heeft boete gedaan, waarlijk dat heeft zij. En ik? God is mijn
+getuige, dat geene zinnelijke begeerte, die een man tot eene vrouw
+voert, mij tot haar trok. Toch kon ik haar niet verlaten; over dag
+was ik bij haar en haar zocht mijne ziel bij nacht. Het kwam mij voor
+dat niets heerlijker kon zijn, dan met haar te mogen sterven.
+
+"Het was in den tijd van het vierde vervolgingsdecreet, weinige
+maanden nadat het eerste tolerantie-edict werd uitgevaardigd. Wie
+offert, zoo luidde het steeds, is straffeloos; wie zich daartegen
+echter verzet, zal door alle middelen daartoe gedwongen worden. Zij
+die zich hardnekkig toonen, zullen den dood ondergaan. Lang was er met
+toegevendheid te werk gegaan; thans joeg men de gevangenen schrik aan,
+door de wet opnieuw voor te lezen. Velen verborgen zich, steunende en
+weeklagende, anderen baden overluid, en de meesten wachtten angstig
+en met bleeke lippen de dingen die komen zouden. Magdalena bleef
+volmaakt kalm.
+
+"Thans werden de namen der gevangene christenen opgeroepen, en de
+keizerlijke soldaten brachten ze op éene plaats samen. Noch mijn naam,
+noch de hare waren genoemd, want ik behoorde niet tot de gevangenen,
+en men had haar niet om het geloof in den kerker gezet. Reeds rolde
+de beambte zijne lijst op; daar stond Magdalena op, trad naar voren
+en zeide met kalme waardigheid: "Ook ik ben eene christin!"
+
+"Als er een engel bestaat met menschelijke gelaatstrekken, dan
+moet zijn aangezicht gelijken op het hare, zooals ik het in die ure
+aanschouwde. De Romein, een waardig man, zag haar met een vorschend
+oog welwillend aan, schudde het hoofd, en zeide luide, terwijl hij
+op zijn geschrift wees: "Ik vind uw naam hier niet geschreven!" Zacht
+voegde hij er bij: 'en wil haar ook niet vinden.'
+
+"Toen naderde zij hem en zeide luide: 'Gun mij mijne plaats bij
+mijne geloofsgenooten, en schrijf nu op: Magdalena, de christin,
+weigert te offeren!'
+
+"Mijne ziel werd heftig bewogen en in blijden ijver riep ik: 'Teeken
+ook mij op en schrijf: Menander, de zoon van Herophilus, een christen,
+weigert desgelijks.'
+
+"De Romein deed zijn plicht. Geen oogenblik van dien dag heeft de
+tijd mij doen vergeten. Daar stond het altaar en daarnaast aan de
+eene zijde de heidensche priester, aan de andere de keizerlijke
+beambte. Twee aan twee werden wij voorgebracht. Magdalena en ik
+waren de laatste. Een enkel woord bracht hier leven en vrijheid,
+daar marteling en dood. Onder dertig hadden slechts vier den moed
+gehad het offer te weigeren; de kleinmoedigen weeklaagden echter
+en sloegen zich voor het hoofd, en baden dat de Heer den moed der
+anderen mocht sterken.
+
+"Een onbeschrijfelijk rein gevoel vervulde mijne ziel. Het was mij als
+zweefden wij te zamen, bevrijd van de banden des lichaams, op lichte
+wolken heen. Kalm en gelaten weigerden wij het offer, en dankten
+den keizerlijken ambtenaar, die ons goedhartig vermaande. Toen wij
+te samen, in hetzelfde vertrek, op hetzelfde uur aan den beul werden
+overgegeven, zag zij naar boven en ik slechts op haar. Te midden van
+de gruwzaamste pijnen aanschouwde ik den Heiland, mij wenkende, van
+engelen omgeven, die op lichte wolkjes zweefden, die aan het oog zich
+vertoonden als enkel glansrijk licht en aan het oor als schoone muziek.
+
+"Roerloos verdroeg zij het verschrikkelijkste; slechts eenmaal riep
+zij den naam uit van haar zoon Hermeias. Toen richtte ik mijne blikken
+op haar en zag, hoe zij met bevende lippen en wijd geopende oogen
+ten hemel staarde. Zij leefde nog en toch was zij reeds bij Hem;
+zij lag nog op de folterbank en toch gevoelde zij zich zalig.
+
+"Mijn krachtig lichaam bleef mij nog aan het stof binden; zij vond
+reeds verlossing bij het begin der marteling. Ikzelf drukte haar
+de oogen toe, de liefelijkste oogen, waarin zich ooit de hemel
+afspiegelde. Ik trok den ring van hare bloedende, zachte, blanke
+hand, en hier, hier onder deze ruwe vacht, bewaar ik hem. En ik bid,
+ik bid!... Mijn hart!... God, als het eens zoo ware! Als toch het
+einde....!
+
+Paulus bracht de hand aan het voorhoofd en zonk uitgeput, door zijne
+aandoeningen overweldigd, geheel onmachtig op zijn leger neder.
+
+De kranke had in ademlooze spanning zijn verhaal gevolgd; sedert
+lang had hij zich reeds hoog opgericht, en was, zonder dat de andere
+het bemerkt had, op de knieën nedergezonken. Thans sleepte hij zich
+voort tot den bewustelooze. Gloeiend en bevend over al zijne leden,
+boog hij zich over hem, trok de vacht van zijn borst, zocht driftig
+met de handen naar den ring, vond dien, bekeek hem, als wilde hij dien
+met zijne oogen verslinden, drukte hem een en andermaal aan zijn hart,
+en dan weder aan zijne lippen, bedekte zijn gelaat met beide handen,
+en weende bitter. Eerst toen Hermas uit de oase terugkeerde, dacht
+hij aan zijn vriend, die daar uitgeput lag ineengezonken, en riep
+hem met behulp van zijn zoon in het leven terug.
+
+Paulus weigerde niet spijs en drank te nuttigen, en toen hij, versterkt
+en als tot een nieuw leven ontwaakt, in de avondkoelte naast Stephanus
+buiten het hol zat, en van den grijsaard had vernomen, dat Magdalena
+zijne vrouw was geweest, zeide hij, op Hermas wijzende: "Nu weet ik,
+waarom ik dezen van den aanvang zoozeer heb liefgehad."
+
+De oude man drukte hem zacht de hand, want hij gevoelde zich door een
+nieuwen teederen band aan zijn verpleger verbonden. De zekerheid dat
+zijne altijd nog zoo teerbeminde vrouw, de moeder van zijn zoon, als
+christin, als martelares was gestorven en vóor hem den weg ten hemel
+had gevonden, vervulde hem met stille zaligheid. Vreedzaam als een
+kind sliep hij den volgenden nacht, en toen er 's morgens afgezanten
+uit Raïthoe verschenen, om Paulus uit te noodigen den heiligen berg
+te verlaten en tot hen te komen, ten einde zich als presbyter aan hun
+hoofd te stellen, zeide Stephanus: "Volg gerust deze schoone roeping,
+die gij verdient. Ik heb uwe hulp thans waarlijk niet meer noodig,
+want ik zal ook zonder verpleging wel genezen."
+
+Maar Paulus, meer verontrust dan verblijd, verzocht de afgezanten
+dringend hem een tijd van zeven dagen toe te staan om zich te
+bedenken. Hij liep vervolgens rusteloos van de eene heilige plaats
+naar de andere, en eindelijk naar de oase, om in de kerk te bidden.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Het was een kostelijke verfrisschende avond. De volle maan verhief zich
+statig aan het donkerblauw gewelf van den nachtelijken hemel, en goot
+een stroom van licht over de koele aarde uit. Maar de lichtkracht harer
+zilveren stralen was niet sterk genoeg om den fijnen blauwachtigen
+sluier op te heffen, die de reuzenmassa van den heiligen berg omhulde.
+
+Daarentegen trad de oasen-stad geheel uit de duisternis te
+voorschijn. De breede weg van de hoofdstraat viel den wandelaar,
+die van de hoogte afdaalde, dadelijk in het oog als een wit marmeren
+baan, en de pas gepleisterde wanden van de nieuwe kerk kwamen zoo
+schitterend uit, als op den vollen middag. De schaduwen der huizen en
+palmen lagen als donkere stukken tapijt over den weg, die niet zeer
+bevolkt was, niettegenstaande de avondkoelte, die anders de burgers
+naar buiten lokte.
+
+Door de geopende vensters van de kerk klonk het gezang van mannen
+en vrouwen. Thans ging de deur open, en de christelijke Pharanieten,
+die hier het avondmaal hadden gevierd met brood en den kelk, die van
+hand tot hand ging, kwamen buiten. Vóor de ouderlingen en diakenen,
+de voorlezer en de zangers, de akolyten en de geheele geestelijkheid
+van de plaats, liep de bisschop Agapitus. De leeken werden voorafgegaan
+door het opperhoofd van de oase, Obedianus, en den senator Petrus. De
+laatste werd vergezeld door zijne vrouw, zijne volwassene kinderen
+en een aantal slaven.
+
+Het kerkje was reeds leeg, toen de deurwachter, die de kaarsen
+uitdoofde, in een donkeren hoek van het voorportaal, dat voor
+de boetelingen bestemd was, en waarin eene altijd springende
+bron ruischte, een man gewaar werd, die roerloos op den grond zat
+neergehurkt, diep in het gebed verzonken. Eerst toen hij hem aanriep
+en met zijn lampje in het gelaat lichtte stond hij op.
+
+De deurwachter sprak hem eerst toe met harde woorden; toen hij echter
+in den achterblijvenden Anachoreet Paulus uit Alexandrië herkende,
+veranderde hij van toon, en vroeg hij vriendelijk, bijna onderdanig:
+"Wil nu niet langer bidden, vrome man! De gemeente heeft de kerk
+verlaten, en ik moet haar sluiten ter wille van ons fraai nieuw
+kerkgereedschap en die heidensche roovers. Het is mij reeds bekend,
+dat de broeders van Raïthoe u tot hun presbyter kozen, en dat hunne
+gezanten u hebben bekend gemaakt met den hoogen eer, die u te beurt
+viel. Zij hebben ook onze kerk bezichtigd en zeer bewonderd. Vertrekt
+gij dadelijk daarheen, of viert gij de hooge feesten nog met ons?"
+
+"Dat zult gij morgen vernemen," antwoordde Paulus, die zich had
+opgericht en leunde tegen een der pijlers van de smalle, naakte ruimte
+voor de boetelingen. "In dit huis woont Een, aan wien ik raad wil
+vragen. Ik bid u, laat mij alleen. Zoo gij wilt, sluit dan de deur
+en laat er mij na eenigen tijd, eer gij ter ruste gaat, weder uit."
+
+"Dat kan ik niet doen," antwoordde de andere bedenkelijk. "Mijne vrouw
+is ziek, en mijn huis ligt ver van hier aan het einde van het vlek,
+bij de kleine poort. Ook moet ik heden den sleutel nog brengen bij
+den senator Petrus, wiens zoon, de bouwmeester Antonius, morgen vroeg
+wil beginnen met het nieuwe altaar op te stellen. De arbeiders komen
+tegen zonsopgang, en wanneer...."
+
+"Laat mij den sleutel zien," viel Paulus hem in de rede. "Tot welk een
+zegen kan zulk een klein ding den toegang sluiten of wel openen! Weet
+ge wat, vriend; wij kunnen, meen ik, elkander helpen. Gij gaat naar
+uwe zieke vrouw, en ik breng den sleutel, wanneer ik mijn gebed
+voleindigd heb, naar den senator."
+
+De portier bedacht zich een oogenblik, en willigde toen de bede van den
+toekomstigen presbyter van Raïthoe in, ofschoon hij hem verzocht toch
+niet lang te vertoeven. Toen hij het huis van den senator voorbijging,
+rook hij de geur van gebraden vleesch. Hij was een arm man en dacht
+bij zichzelven: "Deze vast als hij er lust in heeft; wij vasten ook,
+maar wanneer wij het liefst niet zouden doen."
+
+De heerlijke geur, die deze klacht in hem had doen oprijzen,
+werd veroorzaakt door het braden van een hamel, die heden voor
+alle huisgenooten van den senator, als een feestschotel, zou
+worden opgedragen. Zelfs de slaven namen aan dezen laten maaltijd
+deel. Petrus en vrouw Dorothea zaten, naar Grieksche gewoonte,
+in een half liggende houding naast elkander op eene eenvoudige
+rustbank. Vóor hen stond eene tafel, waaraan niemand anders gezeten
+was, waarbij zich echter de zetels voor de volwassene kinderen des
+huizes onmiddellijk aansloten. De slaven zaten dichter bij de deur
+op den grond neergehurkt, en verdrongen zich in twee kringen om
+een tweetal rookende schotels, waaruit zij met de vlakke hand de
+bruinachtige linzenbrei aten. Naast ieder lag een rond grauw brood,
+dat eerst gebroken werd, nadat de hofmeester Jethro den hamel gesneden
+en verdeeld had. Aan Petrus en de zijnen werden de malsche stukken
+van den rug en de schenkels van het dier aangeboden om te kiezen;
+voor de slaven legde de hofmeester echter eene snede op ieders brood,
+voor de mannen eene grootere, voor de vrouwen eene kleinere. Menigeen
+zag zeker met nijd naar de lekkere stukken van zijne meer begunstigde
+dischgenooten. Doch hij, die het karigst bedeeld werd, mocht niet
+klagen. Het was den slaven slechts geoorloofd te spreken, wanneer de
+heer hen iets gevraagd had, en Petrus verbood zelfs zijne kinderen
+over de spijzen een goed- of afkeurend oordeel te vellen.
+
+Te midden van de dienstboden zat ook Mirjam neergehurkt. Zij at
+altijd weinig, en van vleesch had zij een afkeer. Daarom schoof zij
+het stuk van de rib, dat men haar gegeven had, een ouden tuinman toe,
+die tegenover haar zat, en haar dikwijls eene vrucht of wat honing
+schonk; want Mirjam hield van zoetigheid.
+
+Petrus sprak heden met de slaven in het geheel niet, en met de zijnen
+maar zeer weinig. Vrouw Dorothea merkte niet zonder bezorgdheid
+de diepe rimpels op tusschen zijn ernstige oogen, en hoe hij de
+lippen vast op elkaar klemde, wanneer hij, de spijzen vergetende,
+in gedachten zat verzonken.
+
+Het maal was geëindigd, maar hij verroerde zich niet en hem
+ontgingen de vragende blikken, die uit veler oogen op hem geslagen
+werden. Niemand waagde het op te staan, alvorens de heer daartoe het
+teeken had gegeven.
+
+Het ongeduldigste van alle aanwezigen volgde Mirjam zijne
+bewegingen. Zij schoof onrustig heen en weer; het brood, dat zij
+overgelaten had, met hare spitse vingers verkruimelende. Nu eens
+versnelde zich hare ademhaling, dan weder scheen deze geheel stil
+te staan.
+
+Zij had de deur van den hof hooren kraken en de schreden van Hermas
+herkend. "Hij zoekt den heer des huizes; weldra zal hij binnentreden
+en mij onder dezen hier vinden," dacht zij, streek onwillekeurig
+met hare hand over de verwilderde haren, om ze wat gelijk te maken,
+en wierp een blik, waarin zoowel haat als verachting was gelegen,
+op de andere slaven.
+
+Maar Hermas verscheen niet. Zij dacht er geen oogenblik aan, dat haar
+oor haar bedrogen kon hebben. Wachtte hij thans aan de deur, tot het
+maal zou zijn afgeloopen? Gold zijn laat bezoek de Gallische, tot
+wie zij hem gisteren weder had zien gaan met de wijnkruik? Sirona's
+echtgenoot, Phoebicius, dat wist zij, was op den berg en offerde
+daar aan Mithras met zijne gezellen, bij het licht der volle maan,
+in een hol, dat haar sedert lang bekend was. Zij had den Galliër
+gezien, toen hij, gedurende de avond-godsdienstoefening, den hof
+verliet met eenige soldaten. Twee van dezen hadden hem een grooten
+kist, waaruit het hengsel van een verbazend grooten mengketel stak,
+benevens een zak vol water en allerlei gereedschap nagedragen. Zij
+wist dat deze mannen den ganschen nacht in de Mithras-grot zouden
+vertoeven, en daar "den jongen god," de opgaande zon, met vreemde
+ceremoniën begroeten. Meer dan eenmaal toch had de nieuwsgierige
+herderin hen beluisterd, wanneer zij, vóor het krieken van den morgen,
+met hare geiten het gebergte optrok, en haar ter oore was gekomen,
+dat de Mithras-dienaars hun nachtelijk feest vierden.
+
+Daar viel haar opeens in dat Sirona alleen was, en dat het late
+bezoek van Hermas misschien haar en niet den senator gold. Zij
+schrikte; haar hart deed haar pijn, en gelijk altijd, wanneer eene
+heftige gemoedsbeweging haar aangreep, werd zij door haren hartstocht
+medegesleept, zoodat zij alle heerschappij verloor over haren wil. Zij
+sprong overeind en stond reeds bij de deur, toen de stem van den
+senator haar terughield, om haar het onbetamelijke van haar gedrag
+onder het oog te brengen.
+
+De kranke dien zij verpleegde lag nog altijd met de koorts, een
+gevolg van de ontsteking der wond. Zij wist dat zij alle berisping
+zou ontgaan, wanneer zij op de strenge vraag van haar meester zou
+antwoorden, dat Anubis haar hulp noodig had. Doch zij had nog nooit
+gelogen, en trotschheid verbood haar ook onwaarheid te zeggen. De
+andere slaven verschrikten toen zij den senator ten antwoord gaf:
+"Ik kan het hier niet uithouden. De maaltijd duurt zoo lang!"
+
+Petrus keek door het venster naar buiten, en toen hij bemerkte hoe hoog
+de maan reeds stond, schudde hij het hoofd, als verwonderde hij zich
+over zichzelven, sprak zonder verdere berisping het dankgebed uit,
+gaf den slaven door een teeken te verstaan, dat zij de zaal konden
+verlaten en trok zich in zijn kamer terug, nadat hij zijne kinderen,
+waaronder alleen Polycarpus werd gemist, eene nachtkus had gegeven.
+
+Hij bleef er niet lang alleen, daar Vrouw Dorothea, nadat zij
+met hare dochter Marthana en den hofmeester alle beschikkingen had
+gemaakt voor den volgenden dag, en in het slaapvertrek harer jongste
+kinderen een vriendelijken blik had geslagen op hen, die daar zoo
+vreedzaam sluimerden, hier een dekje, daar een klein hoofdkussen
+recht schikkende--den drempel van zijn vertrek overschreed en hem
+bij den naam riep.
+
+Petrus bleef staan, keek om, en uit zijne ernstige oogen stroomde
+thans zijne gade eene overvloed van dankbare teederheid tegemoet.
+
+Dorothea kende het goede hart van den strengen man en knikte hem toe,
+ten teeken dat zij hem begreep. Doch eer zij tijd had om te spreken,
+zeide hij: "Kom maar dichter bij! Het drukt mij hier zwaar, en uw
+deel van den last mag u niet ontgaan."
+
+"Geef het dan maar hier," haastte zij zich te zeggen. "Het slanke
+meisje is eene breed geschouderde vrouw geworden, zoodat het haar
+lichter zal vallen haren heer de velerlei lasten des levens te helpen
+dragen. Maar ik ben inderdaad zeer bezorgd. Reeds vóor wij naar de
+kerk gingen is u iets onaangenaams bejegend, en dat niet alleen in
+de raadsvergadering. Er moet met de kinderen iets niet in orde zijn."
+
+"Wat gij toch voor oogen hebt!" zeide Petrus.
+
+"Leelijke, grijze," hernam Dorothea, "en ze zijn niet eens bijzonder
+scherp. Maar wat ulieden aangaat, de kinderen en u, dat kunnen zij in
+donker waarnemen. Gij zijt over Polycarpus niet tevreden. Gisteren,
+toen hij naar Raïthoe reed, hebt gij hem aangezien, zoo...zoo...ja,
+hoe zal ik het zeggen! Ik kan mij wel begrijpen waarover het is,
+maar ik geloof dat gij u noodeloos ongerust maakt. Hij is jong,
+en eene zoo wonderschoone vrouw als Sirona...."
+
+Petrus had tot hiertoe zijne vrouw zwijgend aangehoord. Thans vouwde
+hij de handen samen en zeide, haar in de rede vallende: "Waarlijk
+dat grenst aan het ongeloofelijke;--maar ik moest daar al aan gewend
+zijn. Wat ik u in eene stille ure wilde toevertrouwen, dat vertelt
+ge mij, alsof het eene lang bekende zaak was."
+
+"Waarom ook niet?" vroeg Dorothea. "Wanneer gij een twijgje op den
+boom ent en het is er goed ingegroeid, dan voelt het ook de snede van
+den zaag, die den boom doorsnijdt, en de verkwikking van de bron, die
+zijne wortels besproeit, alsof het zelf dit leed en deze vreugde had
+ondervonden. Gij zijt de boom en ik het twijgje, en de wonderkracht van
+het huwelijk heeft uit u en mij een geheel gemaakt. Als uw hart slaat,
+klopt ook het mijne; uw denken is het mijne geworden, en daarom weet
+ik ook altijd eer gij het mij zegt, wat er in uwe ziel omgaat."
+
+In Dorothea's goedige oogen blonk bij deze woorden een traan; doch
+Petrus greep met hartelijkheid hare beide handen en zeide: "En wanneer
+de oude knorrige stam menigmaal eene zoete vrucht draagt, dan heeft
+hij het te danken aan het twijgje. Ik kan niet gelooven, dat die
+Anachoreten daar boven den Heer bijzonder welgevallig zijn, omdat zij
+in de eenzaamheid leven. De man wordt eerst volmaakt mensch door vrouw
+en kind, en wie deze niet bezit, hij leert nooit de helderste hoogten
+en de donkerste diepten des levens kennen. Zoo de man al wat hij is en
+wat hij vermag voor iets kan geven, dan is het voor zijn eigen huis."
+
+"Voor ons huis," hernam Dorothea, "hebt gij dit naar uw vermogen
+gedaan."
+
+"Voor ons huis," herhaalde Petrus op vasten toon, terwijl zijne
+zware stem klonk in al hare volheid. "Twee zijn sterker dan éen,
+en hoe lang is het toch wel geleden, sedert wij verleerd hebben
+bij alle vragen, die op het gezin en de kinderen betrekking hebben,
+'ik' te zeggen. In beide opzichten heeft men ons heden getroffen."
+
+"Wil de senaat dan geen deelnemen aan het aanleggen van den weg?"
+
+"Neen! De Bisschop Agapitus heeft den doorslag gegeven. Ik behoef het
+u niet te zeggen, in welke verhouding wij tot elkander staan. Ik wil
+geen kwaad van hem spreken, want hij is een rechtschapen man; maar
+in vele dingen zullen wij elkander nooit begrijpen. Zooals gij weet,
+was hij in zijne jeugd soldaat, en zijne vroomheid heeft wat ruws, ik
+zou haast zeggen krijgshaftigs. Als het naar zijn zin was gegaan, en
+ons opperhoofd Obedianus mij niet had bijgestaan, dan zouden wij geen
+enkel beeld in de kerk hebben, die er dan zou uitzien als een schuur
+en niet als een bedehuis. Wij hebben elkander nooit kunnen verstaan,
+en sedert ik mij tegen zijn wensch, om Polycarpus tot priester op te
+leiden, heb verzet; sedert ik den jongen, die waarlijk reeds als kind
+beter teekende dan menig meester in dezen ellendigen tijd, waarin geen
+groote kunstenaars geboren worden, bij den beeldhouwer Thalassius in
+de leer bracht, spreekt hij over mij alsof ik een heiden ben."
+
+"En toch acht hij u hoog, dat weet ik," hernam vrouw Dorothea.
+
+"Gaarne betaal ik hem met dezelfde munt," antwoordde Petrus. "Dat
+wat hem van mij vervreemdt is waarlijk niet iets laags. Hij waant het
+zuiver geloof alleen te bezitten, en daarvoor te moeten strijden. Hij
+noemt de werken der kunstenaars heidensche gruwelen. Die nimmer de
+louterende kracht van het schoone ondervonden heeft, meent dat elke
+afbeelding tot afgoderij voert. Polycarpus' engelen en diens goede
+herder mochten zijne goedkeuring nog wegdragen, maar over de leeuwen
+geraakte de oude krijgsman in woede. Hij noemde ze vervloekte afgoden
+en duivelswerk."
+
+"Maar ook in den tempel van Salomo waren leeuwenbeelden te zien,"
+sprak Dorothea.
+
+"Dat juist wierp ik hem tegen, en verder nog, dat men in de
+catecheten-scholen en in de stichtelijke dierkunde die wij bezitten,
+den Heiland zelven bij een leeuw vergelijkt; dat ook Markus de
+evangelist, die het evangelie des Heeren naar Alexandrië overbracht,
+met een leeuw wordt afgebeeld. Maar hij bestreed mij steeds heftiger,
+op grond dat de werken van Polycarpus bestemd zijn niet om eene heilige
+plaats, maar het Caesareum te versieren. Want hij ziet daarin niets
+anders dan een heidensch gebouw, en de schoone werken der Grieken,
+die daar bewaard worden, noemt hij ellendige fratsen, waarmede de
+Satan de harten der christenen verleidt. De andere senatoren verstaan
+zijne onbeschaafde taal, maar mijne redenen niet, en daarom vielen
+zij hem bij en werd mijn voorstel om den weg aan te leggen verworpen,
+op grond dat het eene christelijke gemeente niet betaamt de afgoderij
+in de hand te werken, en wegen te banen voor den duivel."
+
+"Ik kan het u aanzien, dat gij hun scherp te woord hebt gestaan."
+
+"Dat geloof ik wel," ging Petrus voort met neergeslagen oogen. "Er zal
+menig hard woord gevallen zijn, en dat liet men mij ontgelden. Agapitus
+was bijzonder ontevreden. Hij toonde een verslag der diakenen met mijne
+rekening en verantwoording. Zij misprezen het zeer, dat gij evenveel
+brooden aan heiden- als aan christengezinnen had uitgedeeld. Dat is
+nu wel waar, maar..."
+
+"Maar," vervolgde Dorothea levendig, "de honger kwelt de ongedoopten
+evenzeer. Hunne christelijke buren ondersteunen hen niet, en zij zijn
+toch ook onze naasten. Ik zou mijn ambt al zeer slecht uitoefenen,
+wanneer ik ze liet verhongeren, omdat zij den besten troost moeten
+ontberen."
+
+"Toch," zeide Petrus, "besloot de raad, dat gij in het vervolg
+hoogstens een vierde deel van het u toegewezen graan voor hen zoudt
+besteden. Gij behoeft niet te schrikken. Wat vroeger van het onze
+verkocht werd, zal voortaan ter uwer beschikking zijn. Gij zult
+voortaan aan geen van uwe pleegkinderen een enkel brood onthouden. Doch
+wat de aanleg van den weg betreft, dat kan nog een poos duren. Er is
+echter geen haast met de voltooiing, want Polycarpus zal toch bij ons
+zijne leeuwen moeielijk kunnen afwerken. Die arme knaap! Met welk eene
+liefde heeft hij de modellen van klei gevormd, en hoe wonderbaar is
+het hem gelukt de houding der koninklijke dieren weder te geven! Het
+was alsof de geest van de oude meesters van Athene hem bezielde. Wij
+zullen nu eens overleggen, of zich te Alexandrië niet...." "Beproeven
+wij liever terstond," zeide zijne vrouw hem in de rede vallende,
+"Polycarpus over te halen om deze modellen te laten liggen en andere
+meer heilige werken uit te voeren. Agapitus ziet scherp, en die
+heidensche werken gaan den jongen al te zeer ter harte."
+
+Bij de laatste woorden fronsde de senator het voorhoofd, en zeide niet
+zonder opgewondenheid: "Niet alles wat de heidenen hebben gemaakt,
+is te verwerpen. Polycarpus moet ernstig en voortdurend aan het werk
+blijven, want hij richt zijn oogen op iets, waarvan zij afgewend
+moeten blijven. Sirona is de vrouw van een ander, en men mag ook
+niet uit scherts de vrouw van zijn naasten voor zich trachten te
+winnen. Acht gij de Gallische in staat haar plicht te verzaken?"
+
+Dorothea aarzelde; na een oogenblik nadenkens antwoordde zij: "Zij
+is een schoon en ijdel kind, ja een kind! Ik denk daarbij aan hare
+geheele manier van zijn, niet aan haar ouderdom, ofschoon zij inderdaad
+de kleindochter kon zijn van den wonderlijken man, voor wien zij geen
+liefde of achting, neen, niets dan afkeer gevoelt. Wat het is weet ik
+niet, maar reeds in Rome moet hij haar iets ontzettends voorgesteld
+hebben, en ik doe maar geen pogingen meer om haar hart gunstig voor
+hem te stemmen. In alle andere dingen is zij gevoelig en laat zij
+zich gemakkelijk leiden, en dikwijls kan ik mij niet begrijpen, hoe
+zij zoo uitgelaten kan zijn, wanneer zij met de kinderen speelt. Gij
+weet toch hoe de kleinen, zelfs Marthana aan haar gehecht zijn. Ik
+wenschte wel dat zij eene christin was, want ook ik, waarom zou ik
+het verzwijgen, heb haar lief. Men kan in hare tegenwoordigheid niet
+droefgeestig zijn. Zij is mij genegen, zij vreest mijne berisping
+en is er altijd op uit mijne goedkeuring te winnen. Het is waar, zij
+tracht alle menschen te behagen, zelfs de kinderen; doch Polycarpus,
+welk een flink man hij ook is, zoover ik zien kan, niet meer dan de
+anderen, stellig niet!"
+
+"Doch de jongen," zeide Petrus, "ziet telkens naar haar om, en
+Phoebicius heeft het opgemerkt. Gisteren is hij mij tegengekomen,
+toen ik naar huis ging, en hij verzocht mij, op zijne beleefde maar
+scherpe manier, mijn zoon den goeden raad te geven, in het vervolg,
+als hij rozen wilde schenken, deze liever in de vensters van anderen
+dan in het zijne te werpen, want hij was geen vriend van bloemen,
+en voor zijne vrouw plukte hij ze liever zelf."
+
+De vrouw van den senator verbleekte, en zeide kortaf en op stelligen
+toon: "Wij hebben dien huurder niet noodig, en hoezeer ik zijne vrouw
+ook missen zal, geloof ik toch dat het beste zal zijn, wanneer gij
+hen verzoekt naar een ander verblijf uit te zien."
+
+"Spreek niet verder, vrouw," zeide Petrus ernstig, terwijl hij met
+de hand zijne afkeuring te kennen gaf. "Zullen wij er Sirona voor
+laten boeten, dat onze zoon om harentwille eene onbezonnenheid heeft
+begaan? Gij hebt echter gezegd, dat het verkeer met de kinderen en
+hare achting voor u haar voor afdwalingen zullen bewaren, en nu zouden
+wij haar de deur wijzen? Dat nooit. De Galliërs blijven in mijn huis,
+zoolang zij niets doen wat mij dwingt hen er uit te zetten. Mijn vader
+was wel een Griek, maar van moederszijde heb ik Amalekietisch bloed
+in de aderen, en zoo ik hen, met wien ik eens onder mijn dak het brood
+deelde, over mijn drempel joeg, zou ik mijzelven onteeren. Polycarpus
+moet gewaarschuwd worden en vernemen, wat hij aan ons, aan zichzelven
+en aan het gebod des Heeren verschuldigd is. Ik weet zijne uitnemende
+gaven te waardeeren en ben zijn vriend, maar ook zijn heer, en zal
+weten te voorkomen, dat mijn zoon de losse zeden van de hoofdstad in
+zijn eigen vaders huis invoert."
+
+De laatste woorden klonken als hamerslagen, en in de oogen van den
+senator stond te lezen, dat hij op dit punt vastbesloten was.
+
+Toch naderde zijne vrouw hem zonder vrees. Zij legde hare hand op
+zijn arm en zeide: "Wat is het toch goed dat de man het rechte in
+het oog houdt, terwijl wij vrouwen gewoon zijn den eersten indruk van
+ons hart te volgen. Ook bij het worstelen bedient gijlieden u enkel
+van geoorloofde handgrepen, terwijl vechtende vrouwen soms nagels en
+tanden gebruiken. Beter dan wij weet gij het onrecht te voorkomen;
+dat hebt ge mij weder getoond. Maar in het ten uitvoer brengen van
+hetgeen goed is, zijt gij onzen meerderen niet. De Galliërs mogen in
+vrede bij ons blijven, en gij kunt Polycarpus streng in 't verhoor
+nemen; doe het echter allereerst als zijn vriend. Of ware het niet
+beter, wanneer gij dit aan mij overliet? Hij heeft zich zoozeer
+verheugd in het vooruitzicht op het voltooien zijner leeuwen, en zijne
+medewerking bij den grooten bouw in de hoofdstad, en daarmede zal het
+nu uit zijn! Ik wenschte dat ge hem dit reeds aan het verstand had
+gebracht. Doch liefdesgeschiedenissen zijn vrouwenzaken, en gij weet
+hoe lief de jongen mij heeft. Een moederlijk woord werkt dikwijls meer
+uit, dan de klap eens vaders. Het is in het leven als in den krijg:
+eerst brengt men de boogschutters in het veld; de zwaargewapenden
+blijven achter en dienen hun tot steun. Eerst als de vijand niet wijken
+wil, treden de laatsten vooruit en beslissen den slag. Laat mij vooraf
+met den jongen spreken. Het kon toch zijn, dat hij enkel uit scherts
+eene roos in het venster der Gallische wierp, die immers met zijne
+broertjes en zusjes speelt, alsof zij tot onze familie behoorde. Ik
+zal hem in 't verhoor nemen, en is het er zóo mede gesteld, dan zou
+het noch billijk, noch verstandig zijn hem te berispen. Zelfs met
+eene waarschuwing moet men voorzichtig te werk gaan, want menigeen,
+die nooit aan stelen heeft gedacht, is door eene valsche verdenking
+een dief geworden. Zulk een jeugdig gemoed dat begint lief te hebben,
+is als een wilde knaap, die bij voorkeur langs paden wandelt, waarvoor
+men hem gewaarschuwd heeft. Toen ik nog een meisje was, ontwaarde ik
+zelve eerst hoe lief ik u had, nadat de vrouw van den senator Aman,
+die u voor hare eigene dochter begeerde, mij den raad had gegeven mij
+voor u te wachten. Wie zijn tijd te midden van al de verleidingen
+van het Grieksche Sodom zoo ernstig heeft besteed als Polycarpus,
+wie zich daar zulk een lof van zijne leeraars en meesters heeft
+verworven gelijk hij, hem heeft de loszinnigheid der Alexandrijnen
+niet geschaad. In de eerste jaren bepaalt de mensch in welke richting
+hij gedurende zijn volgend leven zal voortgaan, en die richting heeft
+Polycarpus aangenomen, alvorens hij ons huis verliet. Ja, als ik niet
+wist hoe braaf hij is, dan zou ik slechts op u hebben te zien, om tot
+mijzelven te zeggen: "uit het kind, dat door dezen is groot gebracht,
+kan nooit een slecht man groeien."
+
+Petrus haalde bedenkelijk, als hield hij die vleiende woorden zijner
+vrouw voor ijdele dwaasheid, en toch lachend de schouders op, en
+vroeg: "Bij welken rhetor hebt gij toch school gegaan? Het zij zoo;
+spreekt gij met den jongen als hij uit Raïthoe terugkomt. Wat staat
+de maan reeds hoog! Kom, laat ons ter ruste gaan, Antonius zal morgen
+zeer vroeg het altaar opstellen, en daar wil ik bij zijn."
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Mirjam had goed gehoord. Terwijl zij bij het avondeten werd opgehouden,
+had Hermas de deur van den hof geopend. Hij was gekomen om den senator,
+uit erkentelijkheid voor de geneesmiddelen, waaraan zijn vader zooveel
+beterschap had te danken, een flinken jongen steenbok te brengen,
+dien hij weinige uren geleden geschoten had. Hij had hiermede wel
+tot den volgenden morgen kunnen wachten, maar hij vond geen rust
+boven op den berg en hij kon noch wilde het zichzelven verhelen,
+dat veel minder het verlangen om zijn gevoel van dankbaarheid uit te
+spreken hem naar de oase dreef, dan wel de hoop om Sirona te zien en
+een woord van hare lippen te hooren.
+
+Sedert zijne eerste ontmoeting had hij haar meermalen gesproken,
+en hij was zelfs in haar huis geweest, als zij hem wijn voor zijn
+vader gaf en hij de ledige flesschen terugbracht. Eens, terwijl zij de
+flesch die hij vasthield uit de groote kan vulde, hadden hare blanke
+vingers de zijne aangeraakt, en haar vraag of hij dan bang voor haar
+was, of waarom anders zijne hand, die toch zoo sterk scheen te zijn,
+zoo angstig beefde, kon hij maar niet vergeten.
+
+Hoe meer hij het huis van Petrus naderde, des te heviger klopte zijn
+hart. Hij bleef voor de deur van den hof staan om adem te halen en
+weder op zijn verhaal te komen, want hij gevoelde dat het hem, in
+zulk een opgewonden toestand, moeielijk zou vallen in behoorlijke
+orde zijne gedachten uit te spreken. Eindelijk greep zijne hand den
+knop van de deur en trad hij den hof binnen.
+
+De honden kenden hem al en sloegen maar even aan, toen hij den drempel
+overschreed. Hij had iets te brengen en wilde niets wegnemen, en
+toch scheen het hem toe alsof hij een dief was, toen hij eerst opzag
+naar het groote huis, dat door het maanlicht helder werd beschenen,
+en dan naar het huis van den Galliër, dat daar, in duisternis gehuld,
+in onbestemde omtrekken stond, en eene breede donkere schaduw wierp
+op het glad geloopen en glinsterend graniet van het plaveisel. Er was
+geen mensch te bespeuren, en de reuk van het feestgebraad zeide hem,
+dat Petrus en de zijnen aan den maaltijd zaten.
+
+"Ik zal hun, die daar zitten te smullen, ongelegen komen," sprak hij
+in zichzelven, terwijl hij den bok neerlegde op den steenen bank bij de
+deur en daarbij naar het hem maar al te goed bekende venster van Sirona
+keek. Het was niet verlicht, maar hij zag toch iets wits in het steenen
+kozijn, en dit trok zijne blikken met onweerstaanbare toovermacht
+aan. Nu bewoog het zich; daar verhief Sirona's hazewindhondje vlak
+bij hem zijn schelle stem.
+
+Zij was het, zij moest het zijn! Haar beeld trad hem in al zijn
+glans voor de oogen, en opeens kwam het hem in de gedachte, dat zij
+alleen was, want hij was Phoebicius en de oude slavin te midden van
+de Mithras' aanbidders op den weg in de oase tegengekomen.
+
+Hoe was die vrome jonkman, die de geeselriemen op zijn vleesch deed
+nederdalen, om verleidelijke droomgestalten te verbannen, in weinige
+dagen veranderd! Om zijn vaders wil had hij den berg nog niet verlaten,
+hij was echter besloten de wereld niet langer te ontvluchten, maar
+haar veeleer op te zoeken. De verpleging zijns vaders had hij aan den
+vromen Paulus overgelaten, en hij had beneden de rots omgezworven. Nu
+eens oefende hij zich daar in het werpen met de schijf, dan weder
+maakte hij jacht op steenbokken en roofdieren. Soms daalde hij, doch
+altijd wel een weinig schroomvallig, in de oase af, om daar rondom
+het huis van den senator te loopen, ten einde Sirona te zien.
+
+Thans werd hij met eene onweerstaanbare kracht tot haar getrokken,
+daar hij wist dat zij alleen was. Wat hij van haar wilde, wist hij
+zichzelven eigenlijk niet te zeggen, en volmaakt duidelijk was hem
+niets, dan dat hij wenschte haar vinger nog eens met den zijnen
+aan te raken. Of dat zonde moest heeten of niet, dit was hem vrij
+onverschillig. Zonde had men ook zijn onschuldig spel genoemd,
+zonde elke gedachte aan de wereld, waarnaar hij verlangde, en hij
+was geheel besloten de zonde voor zijn rekening te nemen, ten einde
+zijn doel te bereiken. Het was ten slotte toch niet anders dan
+een schrikbeeld, waarmede men kinderen bang maakt, en de waardige
+Petrus had hem verzekerd, dat hij een man was, van wien men daden
+moest verwachten. In het gevoel dat hij een ongehoord waagstuk ging
+beginnen, naderde hij het venster van de Gallische, en deze herkende
+hem terstond, want hij werd beschenen door het licht van de volle maan.
+
+"Hermas!" hoorde hij zacht roepen.
+
+Hem overviel zulk een hevige schrik, dat hij als aan den grond genageld
+bleef staan, en meende dat zijn hart ophield te kloppen.
+
+Andermaal riep eene zachte vrouwestem: "Hermas zijt gij het? Wat
+brengt u zoo laat in den avond tot ons?"
+
+Hij stamelde onsamenhangende woorden; doch zij zeide: "Ik kan u niet
+verstaan; kom wat nader bij."
+
+Onbewust bewoog hij zijn voet en trad in de schaduw van het huis tot
+aan haar venster.
+
+Zij droeg een wit gewaad met open mouwen, en hare armen kwamen niet
+minder helder dan haar kleed tegen de duisternis uit.
+
+Het hazewindje begon weder te keffen. Zij bracht het tot bedaren en
+vroeg vervolgens aan Hermas hoe het zijn vader ging, en of hij ook
+wijn noodig had.
+
+Hij antwoordde dat zij goed was, engelachtig goed; dat de kranke
+weder geheel bijkwam, en dat zij hem veel te veel van hare goede
+gaven had geschonken. Wat beiden verder spraken mocht ieder hooren;
+toch fluisterden zij, alsof het over verbodene dingen handelde.
+
+"Wacht even," verzocht Sirona, en verdween in de kamer. Een oogenblik
+later verscheen zij weder en zeide op zachten treurigen toon: "Ik
+wilde u uitnoodigen binnen te komen, maar Phoebicius heeft de deur
+gesloten. Ik ben geheel alleen. Houdt de flesch omhoog, opdat ik haar
+door het venster uit de kruik vulle."
+
+Bij deze woorden bukte zij naar de groote wijnkan. Zij was sterk,
+maar de kruik scheen haar heden veel moeielijker op te tillen dan op
+andere dagen, en zuchtend zeide zij: "De amphora is mij te zwaar."
+
+Hij hief de hand naar het venster op; wederom raakten hare vingers de
+zijne aan, en weder had hij hetzelfde zalig gevoel, waaraan hij dag en
+nacht had gedacht, sedert hij het voor de eerste maal had ondervonden.
+
+Op dit oogenblik kwam er beweging in het tegenoverliggende huis. De
+slaven stonden van den maaltijd op. Sirona wist wat er plaats had. Zij
+schrikte en riep, terwijl zij angstig naar de deur van den senator
+wees: "Bij alle goden, zij komen, en wanneer zij u hier opmerken,
+ben ik verloren."
+
+Hermas overzag, terwijl hij scherp luisterde naar hetgeen er in het
+andere huis gebeurde, met een snellen blik den hof. Zoodra hij begreep,
+dat het onmogelijk zou zijn de meer en meer naderende slaven van Petrus
+te ontloopen, riep hij Sirona gebiedend toe: "Ga achteruit!" en sprong
+door het venster in het vertrek van den Galliër.
+
+Op hetzelfde oogenblik ging de deur van den senator open en liepen de
+slaven den hof in, Mirjam de eerste van allen. Vol verwachting overzag
+zij de groote ruimte, om met hare oogen hem te zoeken. Zij zag zich
+teleurgesteld; hij was er niet. Toch had zij hem hooren binnenkomen, en
+de deur had zich niet andermaal geopend; dat wist zij stellig en zeker.
+
+Eenige slaven begaven zich naar den stal, anderen gingen de poort
+door de straat op, om van de avondkoelte te genieten. Jethro's oog
+viel op den steenbok. Hij liet het beest door een der slaven optillen
+en in de schuur brengen. Hij onderzocht niet hoe het hier kwam, want
+een Amalekietisch jager, wien Petrus een stuk grond in gebruik had
+gegeven, was gewoon telkens het beste deel van zijn buit, zonder een
+woord er bij te voegen, voor de deur van zijn weldoener neer te leggen.
+
+De slaven zetten zich buiten in groepen op den grond, keken naar
+de sterren, babbelden en zongen. De herderin bleef alleen in den
+hof achter, en doorsnuffelde dien in alle hoeken, als zocht zij
+een verloren kleinood. Zij keek zelfs achter de molensteenen en
+de donkere schuur, waarin de werktuigen der steenhouwers bewaard
+werden. Eindelijk bleef zij staan en balde de kleine vuisten. In
+weinige vlugge sprongen stond zij in den schaduw van het huis, waarin
+de Galliërs woonden. Tegenover Sirona's venster bleef zij staan. De
+man die daar binnen op en neer liep was hij en geen ander.
+
+Thans wist zij waar hij toefde. Zij beproefde te lachen, omdat de smart
+die zij ondervond haar te brandend heet scheen om die door tranen te
+kunnen blusschen. Met dit al verloor zij toch hare tegenwoordigheid
+van geest niet geheel en al. "Zij zijn in het donker," dacht zij,
+"en zullen mij zien wanneer ik onder het venster ga staan om te
+luisteren. Toch moet ik weten wat zij samen doen."
+
+Fluks keerde zij de woning van den Galliër den rug toe, trad in
+den helderen maneschijn, bleef daar een oogenblik staan, en ging
+vervolgens het slavenverblijf binnen. Weinige oogenblikken later
+sloop zij achter de molensteenen, en kroop van daar zonder geritsel
+als een slang over den grond, langs de in den donkeren schaduw
+liggende fundamenten van het huis van den centurio, om onder het
+venster van Sirona te blijven liggen. Haar hart klopte zoo luide,
+dat het hare scherpe ooren moeielijk viel te luisteren. Maar al kon
+zij niet verstaan wat hij zeide, zij onderscheidde toch de klank van
+zijne stem. Hij bevond zich niet meer in Sirona's vertrek, maar met
+haar in de kamer aan de straat. Zij kon liet dus wagen op te staan,
+om door het geopende venster naar binnen te zien.
+
+De deur, die de beide vertrekken van den Galliër verbond, was gesloten,
+en eene lichtstreep zeide haar, dat er in Phoebicius' woonkamer, waar
+zij samen waren, eene lamp brandde. Reeds strekte zij de hand uit,
+om in het donkere slaapvertrek te klimmen, toen een luide schaterlach
+van Sirona haar oor trof.
+
+Het beeld harer vijandin trad haar voor de verbeelding, schitterend
+en in een stralenkrans van licht, als op dien morgen, toen Hermas
+tegenover haar had gestaan, door betoovering als aan den grond
+genageld. En thans, thans lag hij zeker aan hare voeten, zeide hij
+haar zoete, vleiende woorden, sprak hij haar van liefde, strekte hij
+zijn arm naar haar uit. En zij had gelachen!
+
+Daar lachte zij weder!
+
+Waarom werd het nu stil?--Bood zij hem misschien hare lippen aan
+tot een kus?--Zeker, zeker!--En Hermas rukte zich niet los uit hare
+blanke armen, zooals hij op dien middag aan de bron zich met afschuw
+uit de hare had losgewrongen, om niet weder te keeren!
+
+Het koude zweet stond haar op het voorhoofd. Als eene waanzinnige
+greep zij in hare dikke zwarte haren, en haar bleeke mond kon een luide
+kreet niet terughouden, die geleek op het geschreeuw van een angstig
+dier. Eenige oogenblikken later sloop zij door de stallen en de poort,
+waardoor men het vee uitdreef, naar buiten, en vloog, zichzelve niet
+meer meester, den berg op naar de Mithrasgrot, naar Phoebicius,
+Sirona's echtgenoot. De Anachoreet Gelasius zag van verre in de
+maneschijn de gedaante van de herderin, die daar den berg opklauterde,
+en hoe haar schaduw haar volgde van steen tot steen. Hij wierp zich
+ter aarde en sloeg een kruis over zijn voorhoofd, want hij meende
+eene spookgestalte gezien te hebben uit de heidensche godenwereld,
+eene Oreade [4], door een satyr vervolgd.
+
+Sirona had de kreet van de herderin gehoord.
+
+"Wat was dat?" vroeg zij verschrikt den jonkman, die in den vollen
+feestdos van een Romeinsch officier, zoo schoon als een jonge
+krijgsgod, maar links en tamelijk onkrijgshaftig in zijne bewegingen
+voor haar stond.
+
+"Er heeft een uil gekrast," antwoordde Hermas. "Vader moet mij
+eindelijk zeggen uit welk geslacht wij afkomstig zijn, en dan ga ik
+naar Byzantium, het nieuwe Rome, om den keizer te zeggen: "Hier ben
+ik. Ik wil onder uwe soldaten voor u strijden."
+
+"Zóo bevalt ge mij," riep Sirona.
+
+"Als dat waar is," hernam Hermas, "zoo bewijs het mij, en laat mij
+slechts eenmaal mijne lippen op uw gouden haren drukken. Gij zijt zoo
+schoon en vriendelijk als eene bloem; zoo vroolijk en schitterend als
+een vogel, en toch zoo hard als het gesteente van onzen berg. Als ge
+mij niet éen kus toestaat, word ik ziek en kwijn ik weg van smachtend
+verlangen, eer ik van hier weg kan komen, om in den krijg mijne kracht
+te toonen."
+
+"En willigde ik uw verlangen in," zeide de Gallische lachend, "zoo
+zoudt gij steeds meer kussen willen hebben, en ten laatste in het
+geheel niet meer weg kunnen komen. Neen, neen, mijn vriend, ik ben
+de wijste van ons beiden. Ga nu in de donkere kamer. Ik wil eens
+onderzoeken of de lieden weder naar binnen zijn gegaan, en of gij door
+het venster aan de straat ongehinderd weg kunt komen; want gij zijt
+reeds veel te lang bij mij geweest. Hoort gij, dit verlang ik bepaald!"
+
+Hermas gehoorzaamde met een zucht. Sirona opende intusschen de
+vensterluiken en zag naar buiten. De slaven gingen juist in den
+hof terug. Zij riep hen eenige vriendelijke woorden toe, die niet
+minder vriendelijk beantwoord werden, want de Gallische, die ook met
+welgevallen op den geringste neerzag, was bij allen even geliefd. Met
+volle teugen dronk zij de koele nachtlucht in, en zag vergenoegd naar
+de maan op, want zij was zeer tevreden over zichzelve.
+
+Toen Hermas in haar kamer was gesprongen, was zij verschrikt
+achteruitgegaan. Doch hij had haar hand gegrepen en zijne brandende
+lippen op haar arm gedrukt. Zij had hem laten begaan, want een
+zonderlinge verwarring had zich van haar meester gemaakt. Daar hoorde
+zij hoe vrouw Dorothea riep: "Zoo aanstonds, zoo aanstonds! Ik wil
+de kinderen eerst goeden nacht zeggen."--Deze eenvoudige woorden
+uit dien mond werkten als met een toovermacht op de schoone vrouw,
+die zoo mishandeld en gewantrouwd werd, die toch zoo geheel geschapen
+was voor geluk, liefde en vreugde, en wier hart zoo warm klopte.
+
+Toen haar echtgenoot haar opgesloten en zelfs hare slavin met zich
+medegenomen had, was zij eerst begonnen te razen en te weenen. Zij
+dacht aan wraak, aan vluchten, maar was geëindigd met, innerlijk
+beleedigd en stil, voor het venster plaats te nemen, om te denken
+aan haar schoon vaderland, hare broeders en zusters, en de donkere
+olijvenbosschen van Arelate.
+
+Daar verscheen Hermas. Het was haar niet ontgaan, dat de jonge
+Anachoreet haar hartstochtelijk bewonderde, en dat verheugde haar,
+want hij beviel haar. Het streelde haar en scheen haar van dubbele
+waarde, dat hij in verwarring was geraakt toen hij haar aanzag; want
+zij wist dat de kluizenaar in het schaapsvel, wien zij den wijn schonk,
+toch eigenlijk een aanzienlijk jongeling was. En hoe verdiende de
+arme jongen medelijden, daar een harde vader hem zijne jeugd ontstal!
+
+Eene vrouw toont den man, met wiens lot zij begaan is, gemakkelijk
+eene teedere toegenegenheid, misschien omdat zij het aan hem te danken
+heeft, dat zij zich de sterkere mag gevoelen, en omdat door hem en
+zijn leed de edelste begeerte van haar vrouwelijk gemoed, namelijk
+om hulp te bewijzen door zorgvuldige verpleging, bevrediging mag
+verwachten. In de harten van mannen pleegt de liefde te verflauwen,
+als het medelijden begint. Op de ontkiemende plant eener vrouwelijke
+neiging werkt de bewondering als de zonneschijn, en het medelijden
+is de glans, die van het vrouwelijk gemoed zelve uitstraalt.
+
+Maar noch het een noch het ander had dien avond Sirona aanleiding
+gegeven, om Hermas aan haar venster te roepen. Zij gevoelde zich
+zoo beangst en verlaten, dat ieder haar welkom moest zijn, uit wiens
+mond zij een vriendelijk woord mocht verwachten, een woord dat haar
+beleedigd gevoel van eigenwaarde weder kon opwekken. Daar verscheen
+nu de Anachoreet, die in hare nabijheid zichzelven, en al het overige
+vergat; wiens blikken, wiens bewegingen, wiens zwijgen haar zelfs
+scheen te huldigen. En dan zijn dwaze sprong in haar venster, en zijn
+hartstochtelijk bedelen om een gunst! Dat is liefde, zeide zij tot
+zichzelve. Hare wangen gloeiden, en toen Hermas hare hand greep en
+zijne lippen op haar arm drukte, weerde zij hem niet af, totdat de stem
+van Dorothea haar herinnerde aan die waardige vrouw en hare kinderen,
+en door deze aan hare eigene ver verwijderde broertjes en zusjes.
+
+Als een reinigende stroom vervulde de gedachte aan deze reinen haar
+ontroerd gemoed, en opeens stelde zij zich de vraag: Wat zou ik toch
+zijn zonder die daar aan de overzijde, en is deze groote verliefde
+knaap, die nog pas als een schoolknaap tegenover Polycarpus stond,
+dan waard, dat ik om zijnentwil het recht opgeef hun vrij in de
+oogen te zien? Zij weerde daarom Hermas, die het voor de eerste maal
+waagde met zijne lippen hare welriekende goudgele haren te naderen,
+met gestrengheid af, en gebood hem bescheiden te zijn en hare hand
+los te laten.
+
+Zij sprak zacht, maar op zulk een beslissenden toon, dat de jongeling,
+aan gehoorzaamheid gewend, zich zonder weerstand te bieden door
+haar in het woonvertrek liet duwen. Daar stond een brandende lamp
+op de tafel, en op de rustbank, geplaatst tegen een der zijwanden,
+die met bonte kleuren beschilderd waren, lagen de kleederen, de helm,
+de staf van den centurio en de overige deelen van zijne wapenrusting,
+die Phoebicius had afgelegd, vóor hij naar het Mithrasfeest was gegaan,
+om zich te tooien met het gewaad van een ingewijde in den leeuwengraad.
+
+Het lamplicht deed nu ook Sirona's edele gestalte uit het duister
+te voorschijn komen. Toen zij daar zoo in al hare schoonheid, met
+blozende wangen, voor hem stond, begon het hart van den jonkman sneller
+te kloppen. Opnieuw ontwaakte zijne stoutheid en breidde hij zijne
+armen uit om haar te omvatten. Doch de Gallische ging voor hem uit
+den weg, trad achter de tafel, legde hare handen op het gepolijste
+blad, en verweet hem, door dit meubel als door een schild beschut,
+op schier moederlijken toon, zijne meer dan vrije, aanmatigende,
+ja onpassende handelwijze. Iemand die het vrouwelijk hart kent, zou
+over deze woorden, uit dezen mond en in dit uur, geglimlacht hebben,
+doch Hermas sloeg schaamrood de oogen neder, en was niet in staat
+een enkel woord tegen te spreken.
+
+Bij de Gallische had eene groote verandering plaats gegrepen. Zij
+gevoelde zich trotsch op hare deugd, op de overwinning die zij
+over zichzelve had behaald, en wenschte, terwijl zij zich vermeide
+in den glans harer eigene voortreffelijkheid, dat ook Hermas deze
+mocht opmerken en erkennen. Zij begon hem onder het oog te brengen,
+hoeveel zij in de oase te ontbeeren en te lijden had, en sprak
+over de eerbaarheid en de plichten van de vrouw, en de slechtheid en
+vermetelheid der mannen. Hermas, zeide zij, was niet beter dan de rest,
+en omdat zij goed voor hem was geweest, daarom meende hij reeds een
+recht op haar hart te hebben. Daarin bedroog hij zich echter zeer, en
+als de hof maar vrij was, zou ze hem reeds lang de deur hebben gewezen.
+
+De jonge kluizenaar luisterde maar half naar hare woorden, want
+zijne aandacht werd geboeid door de voor hem liggende wapenrusting
+van Phoebicius, die aan zijne hartstochtelijke aandoeningen eene
+nieuwe richting gaf. Onwillekeurig strekte hij zijne hand uit naar
+den blinkenden helm, en viel de schoone spreekster in de rede met de
+vraag: "Mag ik hem opzetten?"
+
+Toen lachte Sirona. Zij riep vroolijk en in eene geheel andere
+stemming: "Neem hem maar! Gij zoudt wel een soldaat willen zijn?--Wat
+staat hij u goed!--Doe nu die leelijke schaapsvacht eens af en laat
+zien hoe een Anachoreet er als centurio uitziet."
+
+Hermas liet zich dit geen tweemaal zeggen. Hij kleedde zich met de
+wapenrusting van den Galliër, en Sirona hielp hem daarbij.
+
+Het moet toch wel treurig met ons menschen gesteld zijn! Hoe komt het
+anders, dat wij reeds van onze jeugd zulk een groote lust plegen te
+hebben in verkleedingen, dat is in het prijsgeven van onzen eigen
+persoon ten gunste van een ander, wiens gestalte wij borgen? Dit
+moeielijk te verklaren genot deelt het kind met den wijze, en de
+ernstige man, die het zou willen veroordeelen, zou daarom juist
+geen wijze zijn. Want wie zich geheel en al van elke dwaasheid wil
+onthouden, is des te zekerder een dwaas, naarmate hij het minder meent
+te zijn. Met name voor de vrouwen heeft het verkleeden van anderen iets
+buitengemeen bekoorlijks. Men mag dikwijls vragen wie meer geniet, de
+kamerjuffer die hare meesteres tooit, of de met zooveel kostbaarheden
+opgesierde gebiedster.
+
+Sirona hield van elke vermomming. Indien men naar een grond had
+moeten zoeken, waarom de kinderen en kleinkinderen van den senator
+haar zoo liefhadden, dat had men zeker niet in de laatste plaats mogen
+noemen dat zij zich door dezen gewillig en in opgeruimde stemming met
+bontkleurige doeken, linten en bloemen liet opsieren, en dat zij van
+hare zijde ook de kunst verstond, om de allergrappigste verkleedingen
+uit te denken.
+
+Zoodra zij Hermas met den helm voor zich zag staan, bekroop haar de
+lust om de vermomming, die hijzelf begonnen was, te voltooien. Geheel
+onbezorgd was zij ijverig in de weer om de wapenrok recht te
+trekken. Zij hielp hem het pantser dichtgespen en het zwaard
+vastmaken. Onder dezen arbeid, waarbij de Anachoreet zich tamelijk
+onbeholpen aanstelde, klonk telkens haar buitengemeen gulle en
+vroolijke lach. Zoodra hij, hetgeen trouwens nog al eens gebeurde,
+hare hand zocht te grijpen, tikte zij hem gevoelig op de vingers en
+zette hem met een krachtig woord op zijn plaats.
+
+Hermas' verlegenheid verdween al meer en meer bij dit genoeglijk
+spel, en weldra begon hij haar mede te deelen, hoe hij dat eenzame
+leven op den berg verafschuwde. Hij vertelde haar, dat Petrus zelf
+hem geraden had zijne kracht in de wereld te beproeven, en deelde
+haar in vertrouwen mede, dat hij, als zijn vader genezen zou zijn,
+soldaat wilde worden en roemrijke daden verrichten. Zij betuigde
+hare ingenomenheid met dit besluit, prees hem en wekte hem er nog
+meer toe op. Dan weder berispte zij zijne linksche houding, toonde
+hem met komischen ernst hoe een krijgsman moet staan en gaan, noemde
+zich zijn drilmeester, en verlustigde zich in den ijver, waarmede
+hij zich bereid toonde haar in alles na te volgen.
+
+Met dit spel vloog de tijd om. Hermas gevoelde zich trotsch in zijn
+soldaten-uniform, en gelukkig door hare tegenwoordigheid en in het
+uitzicht op zijne toekomstige daden. Sirona was echter zoo opgeruimd
+als anders bij het spelen met de kinderen, en zelfs de rauwe kreet van
+Mirjam, dien de jonkman voor het gekras van een nachtuil had gehouden,
+kon haar slechts voor een oogenblik herinneren aan het dreigend gevaar,
+waaraan zij zich blootstelde.
+
+De slaven van Petrus waren reeds lang ter ruste gegaan, toen het spel
+met Hermas haar begon te vermoeien, en zij hem beval de wapenrusting
+van haar man af te leggen en haar te verlaten.
+
+Hermas gehoorzaamde, terwijl zij het vensterluik, dat op de straat
+uitkwam, voorzichtig opende, en zich tot hem omkeerende zeide: "Gij
+moogt niet door den hof, door dit venster moet gij naar buiten. Doch
+daar komt iemand de straat op. Laat hem eerst voorbijgaan. Het zal
+wel niet lang duren, want hij schijnt haast te hebben."
+
+Zeer voorzichtig trok zij het luik naar zich toe en lachte weder,
+toen zij zag hoe onbeholpen Hermas te werk ging bij het losgespen
+der scheenplaten. Maar op hare vroolijke lippen bestierf weldra het
+lachen, toen de tuindeur openvloog, en zij de stem van haar echtgenoot
+herkende, die de honden het stilzwijgen oplegde.
+
+"Voort, voort, om aller goden wil!" riep zij met bevende stem,
+doofde de lamp uit, met eene snelle tegenwoordigheid van geest, die
+de natuur aan zwakke vrouwen als wapen heeft verleend, wanneer zich
+plotseling een gevaar opdoet, drong Hermas naar het venster en stiet
+de luiken open. De jonkman sprong, zonder haar vaarwel te zeggen,
+met een vaart op den weg, en vloog, achtervolgd door het geblaf der
+honden, die hij in alle huizen deed ontwaken, de straat op in de
+richting van het kerkje.
+
+Hij was nog niet halverwege gekomen, toen eene mannelijke gedaante
+hem tegemoet kwam. Angstig sprong hij in de schaduw van een huis,
+maar de nachtwandelaar verhaastte nu zijne schreden en kwam recht
+op hem af. Toen begon hij opnieuw te loopen. De andere vervolgde hem
+echter en bleef hem op de hielen, tot hij buiten het bereik der huizen
+was gekomen, en het bergpad betreden had. Hermas gevoelde, dat hij
+vlugger was dan zijn vervolger, en maakte reeds aanstalte om over een
+rotsblok te springen, dat hem in den weg lag, toen hij hoorde dat hij
+bij zijn naam werd geroepen. Hij bleef staan, want hij had in de stem
+van den man voor wien hij vluchtte, die van den goeden Paulus herkend.
+
+"Gij zijt het dus," zeide de Alexandrijn, en snakte kuchend naar
+adem. "Ja, gij zijt vlugger dan ik. De jaren hangen lood aan de
+voeten. Doch weet gij wat u zulke snelle vleugels verleent? Gij hebt
+het zooeven ondervonden. Ik bedoel een slecht geweten. Van het uwe
+is bijzonder veel fraais te vertellen! De honden blaften het luid
+genoeg uit in den nacht!"
+
+"Laat ze blaffen," antwoordde Hermas trotsch, en zocht zich te
+vergeefs los te wringen uit de sterke hand van den Anachoreet, die
+hem vasthield. "Ik heb niets kwaads gedaan!"
+
+"Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw," hernam Paulus met
+hoogen ernst op zijn zwaren toon. "Gij zijt bij de schoone vrouw
+van den centurio geweest, en uwe samenkomst is gestoord. Waar is
+uw schaapsvel?"
+
+Hermas verschrikte, greep naar zijn schouder en riep, terwijl hij
+zich met de hand voor het voorhoofd sloeg: "Barmhartige hemel, ik
+liet het bij haar liggen. Nu zal die wreedaard het vinden?"
+
+"Heeft hij u zelven dan niet gezien?" vroeg Paulus met ijverige
+belangstelling.
+
+"Neen, stellig niet," zeide Hermas zuchtend, "maar dat vel..."
+
+"Zoo, zoo," prevelde Paulus. "Uwe zonde wordt daardoor niet
+kleiner. Maar er dient toch iets gedaan te worden. Denk eens, als
+dit uw vader ter oore kwam, het zou hem het leven kunnen kosten."
+
+"En de arme Sirona!" zuchtte Hermas.
+
+"Laat dat maar aan mij over," vervolgde Paulus. "Met haar zal ik
+den arm wel in 't lid brengen. Daar, neem mijn schaapsvel.--Gij wilt
+niet? Waarlijk, wie zich niet ontziet den echt te breken, die maakt er
+ook geen gewetenszaak van den moordenaar zijns vaders te worden.--Zóo
+is het goed! Hier aan den schouder wordt het saamgebonden. En
+gij zult het noodig hebben, want gij moet van hier weg. Niet voor
+slechts heden en morgen. Gij verlangdet zoo om de wereld in te gaan;
+nu zult gij er een proef van kunnen geven, of gij waarlijk in staat
+zijt op eigen beenen te staan. Gij gaat eerst naar Raïthoe en brengt
+daar mijn groet aan den vromen Nikon. Deel hem mede, dat ik op den
+berg moet blijven; want in mijn langdurig gebed in de kerk ben ik te
+weten gekomen, dat ik niet waardig ben het ambt van presbyter, dat zij
+mij hebben opgedragen, te aanvaarden. Vervolgens laat gij u door een
+schipper over de Roode zee zetten, en zwerft rond langs den Egyptischen
+oever. Daar aan de overzijde hebben zich troepen Blemmyers vertoond,
+die gij in het oog moet houden. Zoodra die wilde gezellen beproeven
+over te steken, om ons opnieuw te overvallen, moet gij de wacht op den
+bergtop waarschuwen. Hoe gij de zee weder over en hen vóor komt, dat
+is uw zaak. Acht gij u zelven dapper en omzichtig genoeg om deze taak
+te volbrengen?--Ja?--Dat had ik verwacht! Nu, zoo moge de Heer met u
+zijn. Voor uw vader zal ik zorgen; zijn zegen en die uwer moeder zullen
+u geleiden, wanneer gij oprecht berouw toont en thans uw plicht doet."
+
+"Gij zult ondervinden dat ik een man ben," riep Hermas, en zijne oogen
+vonkelden. "Mijn boog en mijne pijlen liggen in uw hol; ik ga ze halen,
+en dan.... Nu, gij zult het wel zien, of gij den rechten bode hebt
+uitgezonden. Groet mijn vader en geef hem nog eenmaal de hand."
+
+Paulus vatte den jongeling bij de rechterhand, trok hem naar zich toe
+en kuste zijn voorhoofd met vaderlijke teederheid. Daarop zeide hij:
+"In mijn hol, onder den groenen steen naast den haard, vindt gij zes
+goudstukken. Neem daarvan drie op de reis mede. Misschien zult gij
+ze noodig hebben, al ware het alleen voor de schippers. Nu, maak dat
+gij in tijds te Raïthoe zijt!"
+
+Hermas vloog den berg op, geheel vervuld van de moeielijke taak, die
+hem was opgedragen. Het heerlijk vooruitzicht van de belangrijke daden
+die door hem verricht zouden worden, verduisterde de herinnering aan
+de schoone Gallische. Ook was hij zoo gewoon op het verstandig inzicht
+en de goedheid van Paulus te vertrouwen, dat hij niet meer voor Sirona
+vreesde, sedert zijn vriend hare zaak tot de zijne had gemaakt.
+
+De Alexandrijn zag hem na en deed een kort gebed. Toen ging hij naar
+het dal. Het middernachtelijk uur was lang voorbij. Bij het dalen der
+maan werd het al koeler en koeler, en sedert hij Hermas zijn vacht had
+gegeven, droeg hij niets dan zijn doorzichtig onderkleed. Toch liep
+hij langzaam en bleef dikwijls staan de armen bewegende en daarbij
+onsamenhangende woorden in zichzelven sprekende. Hij dacht aan Hermas
+en Sirona, aan zijne eigene jeugd, en hoe hij te Alexandrië bij de
+donkere Aso en de blonde Simaïtha aan de luiken had geklopt.
+
+"Dat kind, die jongen," prevelde hij: "wie had dat wel gedacht? Die
+Gallische moet wel zeer mooi zijn, en hij--waarachtig, toen hij
+met de schijf wierp, was ik zelf verbaasd over zijn heerlijken
+lichaamsbouw. En zijne oogen! Ja, zijne oogen zijn die van
+Magdalena. Had de Galliër hem bij zijne vrouw gevonden en hem zijn
+zwaard door het hart gejaagd, dan zou hij straffeloos zijn geweest
+voor aardsche rechters. Doch zijn vader bleef dit leed bespaard. In de
+afzondering, zoo meende de oude man, kon de wereld en hare verleiding
+zijn lieveling niet bereiken. Maar thans? Deze braambezie, dacht ik
+eens, verdroogt op den bodem en schiet nooit op tot de kroon van den
+palm, waar de dadel rijpt. Daar kwam een vogel aangevlogen, plukte
+de bezie, en droeg haar in zijn nest boven op den top van den boom.
+
+"Wie kan de wegen van een ander richten en heden zeggen: Zoo en
+niet anders zal ik hem morgen zien?--Wij dwazen trekken ons in
+de eenzaamheid terug om de wereld te vergeten, en de wereld volgt
+ons achterna en blijft aan onze hielen hangen. Waar is de schaar,
+die de schaduw van onze voeten afsnijdt? Hoe heet het gebed, dat
+in staat zal zijn ons, zinnelijke menschen, van het vleesch geheel
+te verlossen? Mijn Heiland, gij Eenige, die dit hebt kunnen doen,
+leer het ook mij, den armste van alle armen!"
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Weinige oogenblikken nadat Hermas uit het venster van den centurio
+op straat was gesprongen, trad Phoebicius zijn slaapvertrek binnen.
+
+Sirona had nog even tijd gevonden, om zich te bed te begeven. Zij was
+zeer angstig en lag zich neder met haar gezicht naar den wand. Zou hij
+wel weten dat iemand bij haar geweest was? En wie kon haar verraden
+en hem gewaarschuwd hebben? Kwam hij misschien maar bij toeval vroeger
+dan anders van het feest terug?
+
+Het was donker in haar vertrek en hij kon haar niet onderkennen. Toch
+sloot zij de oogen alsof zij sliep, want zelfs het kleinste onderdeel
+van een oogenblik, waarin zij hem niet in zijne woede behoefde te zien,
+scheen haar een geschenk toe. Daarbij klopte haar hart zoo onstuimig,
+dat zij niet anders denken kon of hij moest het hooren, toen hij met
+den hem eigenen zachten tred hare legerstede naderde. Zij hoorde hoe
+hij nu hier- dan daarheen liep, en eindelijk in de aan het slaapvertrek
+grenzende keuken ging. Spoedig daarop nam zij met hare half geslotene
+oogen een schijnsel van licht waar.
+
+Hij had aan den haard een lampje opgestoken, en zocht nu in beide
+vertrekken rond. Hij had haar nog niet geroepen, noch een enkel woord
+gezegd. Thans was hij in het woonvertrek en opeens--onwillekeurig trok
+zij hare leden samen en haalde het dek over haar hoofd--opeens barstte
+hij in lachen uit, zoo luid en honend, dat zij gevoelde hoe hare handen
+en voeten al kouder werden, terwijl het haar was alsof een purperrood
+doorschijnend gordijn voor hare oogen op en neder werd getrokken.
+
+Wederom werd het helder in het slaapvertrek, en het licht kwam al
+nader en nader. Zij gevoelde op haar hoofd de aanraking van zijne hand,
+en met een kreet trok zij het dek weg en richtte zich op.
+
+Hij sprak nog altijd geen woord, maar wat zij zag was wel geschikt,
+om de laatste vonk van moed en hoop in haar uit te dooven. Want
+alleen het wit zijner oogen was merkbaar; zijn geelachtig gelaat was
+doodsbleek en op zijn voorhoofd kwam het ingedrukte Mithras' teeken
+duidelijker uit dan anders. In zijne rechterhand hield hij de lamp
+en in de linker het schaapsvel van Hermas.
+
+Toen zijn starre blik haar trof, hield hij haar het wollig
+Anachoreten-kleed zoo dicht voor het gelaat, dat zij het
+voelde. Vervolgens wierp hij het met kracht op den grond, en vroeg
+op doffen heeschen toon: "Wat is dat?"
+
+Zij zweeg; doch hij liep op het beddetafeltje toe, waarop haar
+nachtdrank stond in een schoon gekleurd glas, dat Polycarpus haar
+als een aandenken van zijne reis naar Alexandrië had medegebracht,
+en streek het met de achterzijde van zijne hand daar af, zoodat het
+rinkelend in scherven op den grond viel. Zij gaf een gil; het hondje
+sprong op haar bed en begon tegen den Galliër te blaffen.
+
+Daar greep hij het diertje hij den halsband en slingerde het met
+zooveel geweld in de kamer, dat het jammerlijk begon te huilen.
+
+Reeds als meisje had Sirona het hondje bezeten. Het was haar naar
+Rome en in de oase gevolgd. Het was met teederheid aan haar gehecht
+en zij aan dit diertje; want Jambe liet zich door niemand zoo gaarne
+liefkozen en streelen als door haar. Zij was zoo vaak alleen, maar
+het hazenwindje was steeds bij haar. Het hield haar bezig, niet alleen
+door kunstjes, die men gewoon is aan honden te leeren, neen, het was
+voor haar een lieve, stomme maar volstrekt niet doove metgezel uit
+haar vaderland, die de ooren spitste, wanneer zij de namen noemde
+van hare lieve kleine broertjes en zusjes in het verre Arelate, van
+welke zij sedert een jaar niets had vernomen; die haar ook droevig
+aanzag en hare blanke handen lekte, wanneer het heimwee de tranen in
+hare oogen deed wellen. In haar eenzaam, ledig, kinderloos leven was
+Jambe veel, zeer veel, en toen zij zag hoe deze trouwe metgezel en
+vriend werd mishandeld en huilend naar hare legerstede kroop; hoe het
+diertje vergeefs alle krachten inspande, om in haar schoot bescherming
+te zoeken; hoe het bevend zijn gekwetste, misschien gebroken pootje
+al kermend naar haar uitstak; toen week alle vrees uit het hart der
+beangstigde jonge vrouw. Zij sprong van haar bed op, nam het hondje
+in hare armen, en zeide met een blik, waarin Phoebicius alles behalve
+vrees of berouw kon lezen: "Raak het diertje niet weder aan; dit raad
+ik u!"
+
+"Ik zal het morgen verzuipen," antwoordde Phoebicius zeer gelaten,
+maar met een boosaardig lachje om den ingevallen mond. "Er komen
+zooveel tweebeenige vrijers in mijn huis, dat ik niet inzie waarom
+ik uwe liefde nog met een vierbeenigen deelen zal. Hoe komt dit
+schaapsvel hier?"
+
+Sirona verwaardigde zich niet hem op de laatste vraag een antwoord te
+geven, maar riep op verbolgen toon: "Bij uw god en de Mithras-rots en
+alle goden! Als gij dit dier eenig leed aandoet, ben ik den langsten
+tijd bij u geweest!"
+
+"Kijk nu eens aan!" antwoordde de centurio. "Waar gaat de reis naar
+toe? De woestijn is groot en daar is ruimte genoeg om te versmachten
+en voor verbleekende beenderen. Wat zouden uwe vrijers van verdriet
+wegkwijnen! Om hunnentwil zal ik, alvorens den hond te verzuipen,
+de meesteres moeten opsluiten."
+
+"Waag het mij aan te roeren!" riep Sirona buiten zichzelve, en liep
+naar het venster. "Als gij slechts een vinger naar mij uitsteekt roep
+ik om hulp, en vrouw Dorothea en haar echtgenoot zullen mij tegen
+u beschermen."
+
+"Juist," hernam Phoebicius droogjes. "Dat zou u bevallen, wanneer gij
+daarover onder éen dak kondet huizen met dien knaap, die u gekleurde
+drinkglazen medebrengt, die u rozen in het venster werpt, en daarmede
+misschien den weg heeft bestrooid, waarlangs hij heden tot u wist
+te komen. Maar er zijn nog wetten, die een Romeinsch burger voor
+inbrekers en onbeschaamde verleiders beschermen. Ge waart me reeds
+veel te veel in het huis daarover en dat spelen met die kleine
+schreeuwleelijken heeft toch alleen gediend, om dien opgeschoten
+jongen, dien rozenstrooier, dien pronkhaan te ontmoeten, die om
+uwentwil en om niet herkend te worden, over zijn purperen kleed een
+schaapsvel heeft gehangen. Ja, ge moet mij verliefde nachtwandelaars
+en vrouwen leeren kennen! Ik doorzie u allen. Gij zult voortaan
+geen voet meer over den drempel van Petrus zetten. Daar is het open
+venster! Schreeuw nu maar zooveel ge wilt en brengt zelve uwe schande
+onder de menschen. Het was mijn voornemen eerst morgen dit schaapsvel
+naar den rechter te brengen. Thans ga ik heen om het kamertje achter
+de keuken voor u in orde te maken. Dat heeft geen venster waardoor
+men mij schapenvachten in mijn huis kan dragen. Daar zult gij wonen,
+totdat gij gedwee wordt en mij de voeten kust, en gebiecht zult hebben
+wat heden nacht hier gebeurd is. Door de slaven van den senator, dat
+weet ik, zal ik niets te weten komen, want gij hebt hun het hoofd op
+hol gebracht. Zij schreeuwen van pleizier, als zij u zien. U zijn alle
+vrienden even welkom, al dragen zij ook maar een schaapsvel. Laten ze
+doen wat ze willen, ik heb de rechte wachters voor u gevonden. Nu ga
+ik heen. Schreeuw maar gerust; maar het zou mij toch wel zoo aangenaam
+zijn, wanneer ge u rustig hieldt. Over dien hond hebben wij het laatste
+woord nog niet gesproken. Ik wil het beest hier houden. Zijt gij
+rustig en komt gij tot rede, dan mag hij wat mij betreft leven. Maar
+blijft gij weerspannig, dan is er ras een strik en een steen te vinden,
+en de beek vloeit daar omlaag. Ik spot nooit en heden allerminst."
+
+Sirona verkeerde in de grootste spanning. Zij hijgde naar adem, beefde
+over al haar leden, maar was niet in staat een woord uit te brengen.
+
+Phoebicius zag wat er bij haar omging en sprak: "Maak u nu maar boos,
+doch er komt eene ure, waarin gij, evenals uw lamme hond, naar mij
+toe kruipen en mij om genade bedelen zult. Maar wacht, daar rijst een
+ander denkbeeld bij mij op. Gij hebt eene legerstede noodig in het
+donker kamertje, en die moet zacht zijn, anders schelden uwe vrijers
+mij uit. Ik zal daar het schaapsvel voor u spreiden. Gij ziet dus
+hoe ik de geschenken van uwe aanbidders weet te eeren!"
+
+De Galliër barstte in lachen uit, raapte het kluizenaarskleed op en
+begaf zich daarmede en met de lamp in het donker vertrek achter de
+keuken, waarin thans huisraad en provisiën van allerlei aard bewaard
+werden, die hij opruimde, om het tot eene slaapkamer in te richten
+voor zijne vrouw, van wier schuld hij zich overtuigd hield. Hij
+wist niet wie de man was, ter wille van wien zij hem bedrogen had,
+want Mirjam had hem alleen deze woorden gezegd: "Ga naar huis; daar
+lacht uwe vrouw met haar lief."
+
+Onder de laatste bedreigingen van haar echtgenoot had Sirona reeds tot
+zichzelve gezegd, dat zij liever wilde sterven dan langer met zulk een
+man samenleven. Het kwam niet bij haar op, dat zijzelve niet geheel
+vrij van schuld was. Wie strenger bestraft wordt dan hij verdient,
+vergeet licht zijn eigen misdrijf door de fout van den rechter.
+
+Phoebicius had gelijk. Noch Petrus, noch Dorothea bezaten de macht,
+haar tegen hem, den Romeinschen burger in bescherming te nemen. Als zij
+zichzelve niet hielp, was zij eene gevangene, en zonder lucht, licht
+en vrijheid kon zij niet leven. Door de laatste dreigende woorden van
+haar echtgenoot was haar besluit tot rijpheid gekomen, en nauwelijks
+had hij den drempel overschreden en haar den rug toegekeerd, of zij
+vloog naar hare legerstede, wond het bevend hondje in het laken,
+nam het als een kind op den arm, en liep met haren lichten last naar
+het woonvertrek. Daar stonden de luiken van het venster nog open,
+waardoor Hermas een goed heenkomen had gezocht. Door middel van een
+stoel nam zij denzelfden weg, en liet zich van de borstwering op
+straat neerglijden. Zonder een bepaald doel, of te weten waarheen,
+maar alleen vervuld van den wensch om eene opsluiting in dat duister
+vertrek te ontgaan, en elken band te verscheuren, die haar verbond
+aan dien gehaten man, liep zij in de richting van den kerkheuvel naar
+den weg, die over den berg naar zee leidde.
+
+Phoebicius gaf haar ruimschoots gelegenheid hem vooruit te komen, want
+nadat hij het donkere vertrek achter de keuken tot eene gevangenis
+had ingericht, bleef hij daar nog zeer lang vertoeven, niet om haar
+tijd te geven tot nadenken, noch om te overpeinzen welk eene houding
+hij verder tegenover haar zou aannemen, maar omdat hij gevoelde dat
+zijne krachten waren uitgeput.
+
+De centurio was dicht bij de zestig, en zijn lichaam, dat eens
+krachtig mocht heeten, maar door uitspattingen van allerlei aard geheel
+ontzenuwd was, bleek niet langer in staat om aan de inspanning en de
+aandoeningen van dezen nacht weerstand te bieden. De magere, gespierde,
+zeer bewegelijke man gevoelde gewoonlijk zulk eene verslapping slechts
+overdag, terwijl er na zonsondergang bij den grijzen krijgsman, die
+alleen gedurende de uitoefening zijner dienstplichten het voorkomen
+had van een kloek soldaat, eene merkbare verandering plaats greep. Want
+dan verhieven zich zijne zware oogleden, die anders de oogappels bijna
+geheel bedekten; dan trok zich zijne slaphangende onderlip krachtig
+samen; de lange hals, waarop het smalle langwerpige hoofd rustte,
+rekte zich uit, en wanneer hij laat in den avond uitging naar eene
+drinkpartij of om Mithras te dienen, zou men hem nog een flink,
+jeugdig en onverzwakt man hebben kunnen noemen.
+
+Doch ook in zijn roes was hij niet vroolijk, maar onstuimig, pochend
+en luidruchtig. Dikwijls overviel hem te midden zijner drinkebroers,
+eer hij het gelag verliet, diezelfde inzinking van krachten, waardoor
+hij Sirona vaak den schrik op het lijf had gejaagd, en waarvoor
+hij dan alleen niet te vreezen had, wanneer hij in dienst aan de
+spits zijner soldaten stond. De hartstochtelijke lange man zag er
+in zulke oogenblikken van onmacht afzichtelijk uit, want dan werd
+zijn traankleurig gelaat doodsbleek, dan scheen zijne rug gebroken
+en elk lid uit het gewricht te zijn. Zijne oogappels alleen bleven
+voortdurend in beweging, en nu en dan beefde zijn lichaam, als dat van
+iemand die door de koude bevangen is. Zijne lieden zeiden, wanneer de
+centurio in zulk een toestand geraakte, dat zijn bleeke demon in hem
+was gevaren en hijzelf geloofde aan zulk een boozen geest en vreesde
+dien. Ja, hij had beproefd door heidensche geestenbanners en zelfs
+door christelijke duivelbezweerders zich daarvan te bevrijden.
+
+Hij zat nu in de donkere kamer op het schaapsvel, dat hij, om zijne
+vrouw nog meer smaad aan te doen, op een harde houten bank had
+uitgespreid. Zijne handen en voeten rilden, zijne oogen gloeiden,
+en hij voelde zelfs de kracht niet om een vinger te verroeren. Zijne
+lippen alleen vertrokken zich, terwijl hij in zijne verbeelding
+terugzag op een lang vervlogen verleden, dat zich in steeds scherper
+trekken aan hem voordeed.
+
+"Had ik," zoo dacht hij, "na dat onzinnig loopen door de oase, dat
+geen jongere mij zoo spoedig zal nadoen, aan mijne woede den teugel
+gevierd, in plaats van mij met geweld in te houden, dan zou die demon
+zich niet zoo gemakkelijk van mij hebben meester gemaakt. Hoe vonkelden
+de oogen van die duivelin, die Mirjam, toen zij mij zeide, dat een
+man mij bedroog! Zij heeft hem die deze vacht droeg zeker gezien,
+doch vóor ik de oase bereikte verloor ik haar uit het oog. Ik geloof
+dat zij omkeerde en den berg weder is opgestegen. Wat mag Sirona
+haar toch wel gedaan hebben? Die vrouw weet anders met hare oogen
+harten te vangen, gelijk een vogelaar de vogels met zijne fluit. Wat
+hebben die heertjes in Rome haar nageloopen! Zou zij mij daar ook al
+bedrogen hebben? Den legaat Quintillus, die mij gaarne een gunst zou
+hebben bewezen, en wiens vijandschap ik aan deze gekkin te danken
+heb, heeft zij afgewezen. Doch hij was nog ouder dan ik, en zij
+houd zeker meer van jongere. Zij is als de rest; dat had ik, domkop,
+moeten weten! Zoo gaat het in de wereld: heden deelt men klappen uit,
+en morgen wordt men zelf geslagen."
+
+De centurio vertrok de lippen tot een weemoedig lachje. Vervolgens kwam
+er sombere ernst in zijne gelaatstrekken, want duidelijk verschenen er
+allerlei beelden voor zijne ziel, die hem minder welkom waren, en die
+hij toch niet geheel van zich kon zetten. Het geweten van den Galliër
+stond in omgekeerde verhouding tot zijne lichaamskracht. Als het hem
+goedging, dan had hij met zijn verleden, dat zoo rijk was aan donkere
+vlekken, weinig te stellen, maar wanneer de zwakheid hem overmande,
+wist hij den boozen demon niet te keeren, die hem dwong zich juist
+zulke feiten met pijnlijke duidelijkheid voor den geest te brengen,
+die hij liefst vergeten wilde. Zoo moest hij in deze ure aan zijn
+vriendelijken weldoener en krijgsoverste, den tribuun Servianus en
+zijne schoone vrouw denken, die hij door duizende kunsten had verleid
+om echtgenoot en kind te verlaten, en met hem de wijde wereld in
+te vluchten. Op dit oogenblik beeldde hij zich in, dat hijzelf de
+tribuun Servianus was en toch tegelijk Phoebicius. Al de smart, het
+naamloos lijden, dat zijn bedrogen weldoener aan hem te danken had
+gehad, nadat hij hem Glycera, zijne vrouw, had ontroofd, moest hij
+thans doorworstelen, en de vijand die hem, Servianus, bedroog, was
+bovendien, dit gevoelde hij, geen ander dan Phoebicius zelf. Hij zocht
+zich te verweren en zon op wraak tegen den verleider, en toch verloor
+hij daarbij niet geheel en al het bewustzijn van zijn eigen persoon.
+
+De verwarring van al die schijnbeelden, waarin hij te vergeefs eenige
+klaarheid zocht te brengen, dreigde hem krankzinnig te maken, en
+hij slaakte een luide zucht. Het geluid zijner eigene stem bracht
+hem in de werkelijkheid terug. Hij was Phoebicius en geen ander,
+dat wist hij nu, en toch gelukte het hem nog niet geheel en al zich
+in de werkelijkheid te huis te gevoelen. Het beeld van de schoone
+Glycera, die hem naar Alexandrië gevolgd was, en die hij daar had
+verlaten, nadat hij zijn laatste stuk geld en hare kostbare sieraden
+in de Grieksche stad verbrast had, verscheen niet alleen telkens
+weder voor zijne oogen, maar altijd en altijd weder naast dat van
+zijne vrouw Sirona. Glycera was een droefgeestig liefje geweest,
+dat veel had geweend en weinig gelachen, sedert zij haren echtgenoot
+had verlaten. Hij meende thans ook zachte verwijten van hare lippen
+te hooren, terwijl Sirona hem met luide bedreigingen tegemoet was
+gekomen, en het gewaagd had den zoon van den senator, Polycarpus,
+door beloften tot zich te lokken. De afgematte droomer, verzamelde
+in woede al zijne krachten, balde de vuisten en stond dreigend op.
+
+Deze beweging was het eerste teeken, dat de veerkracht van zijn lichaam
+begon terug te keeren, en nadat hij, evenals iemand die uit den slaap
+wakker wordt, zijne leden had uitgerekt en zijne oogen uitgewreven,
+drukte hij de handen tegen zijne slapen. Langzamerhand kwam hij
+weder tot zijn volle bewustzijn, en begon hij zich te herinneren,
+wat hij in de laatste uren had doorleefd. Hij verliet nu dadelijk
+het donkere vertrek, versterkte zich in de keuken met een teug wijn,
+en plaatste zich voor het open venster om naar de sterren te zien.
+
+Het uur van middernacht was lang voorbij. Hij dacht aan zijn gezellen,
+die thans op den berg offerden, en richtte een lang gebed "tot de
+kroon," "den onoverwinnelijken zonnegod," "het groote licht," "den god
+uit de rots," of hoe hij Mithras ook noemde. Want sedert hij behoorde
+tot de ingewijden van deze godheid, was hij bijzonder ijverig geworden
+in het gebed, en kon hij het vasten buitengewoon lang uithouden. Hij
+had reeds vele van de tachtig proeven doorgestaan, waaraan ieder
+zich onderwerpen moest, die in een hoogeren graad wilde opgenomen
+worden, en de zwakte, die hem ook heden overmeesterde, had hij voor
+het eerst ondervonden, toen hij, om den leeuwengraad te ontvangen,
+zich dagelijks gedurende eene gansche week uren lang in de sneeuw
+had neergelegd, om daarop ten strengste te vasten. Sirona's gezond
+verstand had een afkeer van al deze oefeningen, en daar zij beslist
+weigerde daaraan deel te nemen, was de kloof nog grooter geworden,
+die haar van haar gemaal scheidde. Het was Phoebicius op zijn manier
+echter volkomen ernst met al deze dingen, want daardoor alleen kon
+hij zich losmaken van sombere herinneringen, en van de vrees voor
+eene vergelding van zijne daden, als zijne laatste ure zou slaan,
+terwijl Sirona juist uit de herinnering aan vroeger dagen haar besten
+troost en de kracht putte, om het droevig heden blijmoedig te dragen
+en de hoop op beter tijden vast te houden.
+
+Phoebicius voleindigde heden zijn gebed om kracht, opdat hij de trots
+van zijne vrouw mocht breken en het hem gelukken mocht zich op haren
+verleider te wreken, zonder overhaasting en met inachtneming van alle
+voorgeschreven vormen. Vervolgens nam hij twee stevige touwen van
+den wand, richtte zich in al zijne lengte zoo fier op, als moest hij
+zijne soldaten vóor den slag moed inspreken, kuchte als een redenaar
+op het forum, alvorens zijne voordracht te beginnen, en overschreed
+met waardigheid den drempel van de slaapkamer.
+
+Hij waande zich zoo zeker van zijne zaak, dat zelfs de geringste
+gedachte aan de mogelijkheid van eene ontvluchting niet bij hem opkwam,
+toen hij, aangezien Sirona niet in het slaapvertrek was, de woonkamer
+inging, ten einde de straf, die hij haar had toegedacht, aan haar
+te voltrekken. Doch ook hier vond hij niemand. Hij bleef verbaasd
+stilstaan; maar het denkbeeld dat zij ontvlucht kon zijn kwam hem
+zoo dwaas voor, dat hij het terstond weder uit zijn hoofd zette.
+
+Voorzeker, zij vreesde zijn toorn en hield zich onder het bed verborgen
+of achter het gordijn dat zijne kleederen bedekte. "Het hazenwindje,"
+dacht hij, "kruipt thans dicht bij haar," en daarom begon hij half te
+fluiten, half te sissen, op eene manier die Jambe altijd hinderde
+en het beest aanleiding gaf hem nijdig aan te blaffen. Doch te
+vergeefs. Alles bleef stil in het verlaten vertrek, doodstil.
+
+Hij werd nu ernstig bezorgd. Hij lichtte eerst voorzichtig, daarna
+met steeds sneller en zenuwachtiger beweging onder elk meubel,
+in iederen hoek, achter elk gordijn, en zocht haar zelfs op zulke
+plaatsen, die voor geen kind, ja ter nauwernood voor een vervolgden
+vogel voldoende zouden geweest zijn om zich te verbergen. Eindelijk
+ontgleden de touwen aan zijne rechterhand, en de linker die het lampje
+vasthield begon te beven.
+
+Hij vond de luiken van het venster der slaapkamer geopend, en daarvóor
+een stoel, waarop Sirona, alvorens Hermas was gekomen, in het maanlicht
+had zitten kijken. "Hier dus," prevelde hij, schoof de lamp op het
+nachttafeltje, waarvan hij het glas van Polycarpus had afgeworpen,
+rukte de deur open en vloog den hof in. Dat zij op straat zou zijn
+gesprongen, en in den nacht den weg op en de woestijn in gevlucht
+zou zijn, kon hij zich nog maar altijd niet voorstellen.
+
+Hij trok aan de deur, die de hoeve afsloot, maar vond deze gesloten. De
+wachthonden ontwaakten en sloegen aan, toen Phoebicius zijne schreden
+richtte naar het huis van Petrus, en met den koperen klopper aan
+de poort eerst zacht, en vervolgens in boosheid steeds harder begon
+te slaan. Hij hield zich overtuigd, dat zijne vrouw bij den senator
+bescherming gezocht en gevonden had.
+
+Hij had het van woede en smart wel kunnen uitschreeuwen, en toch dacht
+hij nauwelijks aan zijne vrouw en het gevaar van haar te verliezen,
+maar aan Polycarpus en den smaad hem door dezen aangedaan, aan de
+wraak die hij wilde nemen op dezen en zijne ouders, die het gewaagd
+hadden de rechten van zijn huis, van een keizerlijken centurio te
+schenden. Wat kon hem Sirona schelen? In de opwelling van het oogenblik
+had hij overmoedig zijn lot aan het hare geketend. Twee jaren geleden
+was een zijner kameraden te Arelate bij hem gekomen, en had verteld,
+terwijl hij in den kring zijner vrienden zat te drinken, dat hij
+getuige was geweest van een merkwaardig tooneel. Een aantal jongens
+hadden een knaap omsingeld en dezen gruwelijk geslagen; waarom,
+dat wist hij niet. De kleine had zich dapper geweerd, maar moest
+voor de overmacht zwichten. Plotseling, zoo vertelde de soldaat,
+ging de deur open van een huis in de nabijheid van den circus. Een
+meisje met lange blonde haren stormde naar buiten, joeg al die
+jongens op de vlucht en bevrijdde den mishandelde, haar broeder,
+van zijne kwelgeesten. "Het meisje zag er uit als eene leeuwin,"
+had hij die het verhaalde uitgeroepen. "Zij heet Sirona, en onder de
+mooie meisjes van Arelate is zij zonder twijfel de schoonste."
+
+Die woorden werden door velen der aanwezigen bevestigd. Doch
+Phoebicius, die toen juist onder de Mithras-vereerders den graad
+van leeuw had verkregen, en zich gaarne "leeuw" hoorde noemen,
+zeide: "Ik zoek reeds naar eene leeuwin, thans heb ik haar, meen ik,
+gevonden. Phoebicius en Sirona dat zijn twee namen, die heerlijk samen
+passen!" Den volgenden dag vroeg hij haar aan haren vader tot vrouw,
+en daar hij binnen weinige dagen naar Rome moest vertrekken, werd de
+bruiloft in haast gevierd. Zij had Arelate nooit verlaten, en wist
+dus niet wat zij prijs gaf, toen zij het ouderlijk huis misschien
+voor altijd vaarwel zeide. Phoebicius vond zijne jonge vrouw in Rome
+terug. Mochten daar velen zijne schoone gade bewonderen en zich in
+haar gunst trachten te dringen, voor hem was zij toch maar een schat,
+die hij zich gemakkelijk verworven had, en waaraan hij dus weinig
+waarde hechtte; ja, die hij weldra beschouwde als een lastig sieraad,
+dat moeielijk te bewaken was.
+
+Toen de schoone vrouw ook de aandacht had getrokken van zijn legaat,
+beproefde hij haar dienstbaar te maken aan zijn eigenbelang, en
+door haar bevordering te erlangen; doch Sirona had Quintillus zoo
+beleedigend en zonder genade afgewezen, dat de legaat den centurio
+vijandig werd, en zijne verplaatsing naar de afgelegene oase, die
+met eene verbanning gelijk stond, wist te bewerken. Sedert dien
+tijd beschouwde hij haar als zijne vijandin, en meende hij, dat
+zij met voordacht zich het vriendelijkst toonde jegens hen, die hem
+een afkeer inboezemden. Onder hen waaraan hij het meest hekel had,
+rekende hij ook Polycarpus.
+
+Wederom viel de klopper op Petrus' deur. Thans ging zij open en
+de senator stond met eene lamp in de hand tegenover den woedenden
+centurio.
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+
+De arme Paulus zat voor de deur van den senator op een steenen bank en
+beefde van de koude, want hoe meer de morgen naderde, des te killer
+werd de nachtlucht, en hij was zoo gewend aan zijn warm schaapsvel,
+dat hij aan Hermas geschonken had. Hij hield den sleutel van de kerk,
+dien hij volgens zijne belofte aan den deurwaarder bij Petrus zou
+afgeven, in de hand, en durfde de slapenden niet wekken.
+
+"Wat is dit een zonderlinge nacht!" prevelde hij in zichzelven, terwijl
+hij zijn gescheurd onderkleed dichter om zijne leden trok. "Doch al
+was het warmer en zat ik, in plaats van in dezen doorschijnenden lap,
+in een zak vol vederen, dan zou mij toch eene koude rilling door de
+leden varen, wanneer de helsche geesten, die hier ronddwalen, mij nog
+eens tegenkwamen. Nu heb ik het met eigene oogen gezien. Uit de oase
+vliegen de demonen in vrouwelijke gestalte den berg op, om ons in den
+slaap te kwellen en te verleiden. Wat toch dat vliegend spook in dat
+witte kleed met die loshangende haren wel in de armen hield? Misschien
+den steen, die het, als wij het nachtmerrie hebben, ons op de borst
+wentelt. Die andere scheen wel te vliegen, maar vleugels heb ik toch
+niet gezien.--In dit zijgebouw woont zeker de Galliër met zijne eerbare
+vrouw, die den armen Hermas in hare strikken heeft gevangen. Zou zij
+werkelijk zoo schoon zijn? Doch wat weet die jongen, die te midden van
+rotsen is opgegroeid, van de aanvalligheid der vrouwen! De eerste de
+beste, die hem vriendelijk aanzag, heeft hij zeker voor de schoonste
+gehouden. Zij is bovendien blond en dus een zeldzame vogel onder al
+die bruin geblakerde tweebeenige woestijnproducten. De centurio heeft
+stellig het schaapsvel nog niet gevonden, anders zou het hier zoo stil
+niet zijn. Terwijl ik hier zit te wachten heeft eens een ezel gebalkt,
+eens een kameel gebruld, en daar kraait reeds de eerste haan. Maar ik
+heb nog geen geluid uit een menschelijken mond vernomen, niet eens
+het snorken van den grooten senator en zijne lieve vrouw Dorothea,
+en het zou toch wel wonder zijn als beiden niet snorkten."
+
+Hij stond op en ging aan het venster van Phoebicius' woning staan,
+om te luisteren door de half geopende luiken; doch bij de Galliërs
+was alles stil.
+
+Een uur geleden had Mirjam geluisterd naar hetgeen er in Sirona's
+woning voorviel. Zij was, nadat zij het verraad gepleegd had,
+Phoebicius van verre gevolgd, en door den stal in den hof van den
+senator geslopen. Zij moest weten wat daar binnen voorviel en welk
+lot de woedende Galliër Hermas en Sirona zou doen ondergaan. Zij was
+op alles voorbereid, en de gedachte dat de centurio misschien tegen
+beiden het zwaard zou hebben getrokken, vervulde haar met een gevoel
+van bitterzoet welgevallen.
+
+Thans zag zij licht door de opening van de luiken, die maar even
+tegen elkander waren geslagen. Zij verwijderde de houten blinden
+voorzichtig van elkaar, en trok zich daaraan met alle kracht op,
+terwijl zij haar naakten voet tegen den muur zette. Daar zag zij
+Sirona op haar bed overeind zitten, en tegenover haar den Galliër met
+vertrokken gelaatstrekken. Vóor zijne voeten lag het schaapsvel. De
+doodsbleeke man hield de brandende lamp in zijne rechterhand. Het
+licht viel op het plaveisel vóor het bed van Sirona, en weerspiegelde
+juist een groote donkerroode vlek. "Dat is bloed," dacht zij huiverend,
+en sloot de oogen.
+
+Toen zij ze weder opsloeg zag zij, hoe de Gallische met gloeiende
+wangen het aangezicht naar haren echtgenoot keerde. Zij was ongedeerd;
+maar Hermas?--"Dat is zijn bloed," klonk het in hare gemartelde ziel,
+"en ik moordenares, heb dat vergoten!"
+
+Hare handen lieten de luiken los; hare voeten betraden weder het
+plaveisel van den hof en in vreeselijken zielsangst liep zij langs
+den weg dien zij gekomen was, naar buiten den berg op. Zij gevoelde
+dat zij eerder aan verscheurende panters, aan de nachtvorst, aan
+honger en dorst weerstand zou kunnen bieden, dan dat zij, met zulk
+een schuld op het geweten, vrouw Dorothea, den senator en Marthana
+onder de oogen zou hebben durven komen. De vluchtende Mirjam was een
+der spookgestalten, die Paulus zulk een schrik hadden aangejaagd.
+
+De geduldige Anachoreet zat weder op de steenen bank en dacht: "De
+vorst doet mij toch pijn. Zulk een wollig schaapsvel is inderdaad eene
+heerlijke bezitting! Maar de Heiland heeft gansch andere smarten dan
+deze gedragen, en waarom anders heb ik de wereld vaarwel gezegd, dan
+om hem na te volgen en door hier alle lijden geduldig te ondergaan,
+mij voor te bereiden tot de zaligheid hier namaals? Waar de engelen
+zweven heeft men geene armzalige bokkenhuid meer noodig, en ditmaal heb
+ik mij niet van zelfzucht te beschuldigen, want ik lijd waarachtig voor
+anderen, ik bevries ter wille van Hermas en om den ouden man smarten
+te besparen. Ik wilde wel dat het nog kouder was; ja ik zal.... ik zal
+zeker nooit.... neen nooit weer een pels over mijne schouders hangen!"
+
+Paulus bewoog het hoofd, als wilde hij zichzelven een teeken van
+bijval geven; doch weldra vertoonde zijn gelaat hooger ernst, want hij
+meende weder op een doolweg te zijn. "Daar brengt men nu een handvol
+goeds tot stand," dacht hij, "en tegelijk wordt ons hart vervuld met
+eene kemelslading trots. Wat klapperen mij de tanden; ik ben toch
+maar een ellendig wezen! Hoe gevoelde ik mij te midden van al mijne
+overdenkingen en aarzelingen toch gestreeld, toen die van Raïthoe
+kwamen, om mij de waardigheid van presbyter aan te bieden! Toen ik voor
+het eerst met een vierspan overwon, ja, toen heb ik luide gejubeld;
+maar ik was zeker niet opgeblazener dan bij deze jongste opdracht. Hoe
+velen denken den Heiland na te volgen, terwijl zij toch alleen naar
+hunne eigene verheerlijking streven! De vernedering besparen zij zich
+liever. Gij, Allerhoogste, wees gij mijn getuige! Ik zoek u ernstig,
+maar zoodra de doornen mij verwonden, worden alle mijne bloeddruppels
+tot rozen; en droog ik ze af, dan komen anderen en werpen kransen
+voor mij op den weg.--Ik geloof dat het even moeielijk is op aarde
+lijden te vinden zonder vreugde, als blijdschap zonder smart.
+
+Zoo dacht hij, terwijl hij klappertandde van de koude; doch hij werd
+in zijne overpeinzingen gestoord, want de honden begonnen luide te
+blaffen. Phoebicius klopte juist aan de poort van den senator.
+
+Paulus stond op en liep naar de poort van Petrus' hof. Geen woord van
+hetgeen daar gesproken werd ontging hem. De zware stem was die van den
+senator, die scherpe hooge stem moest wel van den centurio zijn. De
+laatste verlangde van den eerste zijne vrouw terug, die hij in zijn
+huis verborgen hield, terwijl Petrus ten stelligste verzekerde,
+dat Sirona sedert gisteren morgen zijn drempel niet betreden
+had. Niettegenstaande zijn huurder op heftigen en verbolgen toon tot
+hem sprak, bleef de senator toch volkomen bedaard en verwijderde zich
+weldra, om zijne vrouw te vragen, of zij misschien ook, terwijl hij
+sliep, voor de ontvluchte het huis geopend had. Paulus hoorde hoe de
+krijgsman in den hof onrustig op en neder liep, doch haastig stilstond,
+toen vrouw Dorothea met haren echtgenoot voor de deur kwam, en ook
+van hare zijde bepaald verklaarde, dat zij niets van Sirona wist.
+
+"Des te beter," viel Phoebicius haar in de rede, "zal uw zoon
+Polycarpus op de hoogte zijn van hare schuilplaats."
+
+"Mijn zoon bevindt zich sedert gisteren voor zaken te Raïthoe,"
+antwoordde Petrus op een toon, die geen twijfel overliet, en deze
+verdenking onbepaald afwees. "Wij verwachten hem eerst heden terug."
+
+"Dan schijnt hij zich toch gehaast te hebben en vroeger
+teruggekeerd te zijn," zeide Phoebicius. "Het was geen geheim,
+dat wij ons gereedmaakten om het offerfeest op den berg te vieren,
+en de afwezigheid van den heer des huizes lokt de dieven uit tot
+inbraak, vooral de verliefde, die rozen werpen in de vensters
+hunner schoonen. Gij, christenen, beroemt u het huwelijk heilig
+te achten, maar het schijnt mij toe, dat gij dit alleen toepast
+op uwe geloofsgenooten. Bij de vrouw van een heiden mogen uwe
+zonen hun geluk beproeven; het is maar de vraag, of de heidensche
+echtgenoot met zich laat spelen of niet. Wat mij betreft, ik ben
+alles behalve genegen zulk een grap te verdragen, en verklaar u,
+dat ik het kleed des keizers niet draag, om het te laten beschimpen,
+dat ik voornemens ben uw huis te onderzoeken, en wanneer ik de vrouw,
+die zoo schandelijk haar plicht vergat, en uw zoon ten uwent vind,
+dat ik hem en u voor den rechter zal dagen, om met den verleider te
+handelen overeenkomstig hetgeen ik recht heb te vorderen."
+
+"Gij zoudt vruchteloos zoeken," antwoordde Petrus, terwijl hij zich
+met moeite beheerschte. "Mijn woord is 'ja' of 'neen', en ik herhaal
+hier nog eens: Neen, wij herbergen én haar én hem niet. Noch Dorothea
+noch ik zijn geneigd ons in uwe aangelegenheden te mengen, maar
+wij dulden ook niet, dat een ander, wie hij ook zij, zich met onze
+aangelegenheden bemoeit. Deze drempel wordt alleen overschreden door
+hem aan wien ik dit wil toestaan, of door den rechter des keizers,
+voor wien ik wijken moet. U verbied ik het, en ik zeg nog eens:
+Sirona is niet bij ons, en gij zoudt beter doen haar elders te zoeken,
+dan hier uw tijd te verspillen."
+
+"Ik heb uw raad niet noodig," riep de centurio driftig.
+
+"En ik," hernam Petrus, "voel mij allerminst geroepen, om uwe
+huiselijke oneenigheden te beslechten. Ook zonder onze hulp zult gij
+Sirona wel terugkrijgen, maar het is altijd moeielijker zijne vrouw
+aan huis te binden, dan haar te vangen wanneer zij weggeloopen is."
+
+"Gij zult ondervinden wie ik ben," dreigde de centurio, en sloeg een
+blik op de slaven, die zich in den hof verzameld hadden, en waarheen
+zich ook Antonius, de oudste zoon van den senator, begeven had. "Ik
+roep onverwijld mijne lieden samen, en wanneer gij den verleider
+verbergt, zal ik hem beletten te ontvluchten."
+
+"Wacht nog een uur," sprak Dorothea nu, terwijl zij de hand greep van
+haar echtgenoot, die zichzelven niet meer meester was, "en dan zult
+gij Polycarpus op den hengst zijns vaders zien terugkeeren. Hebben u
+die rozen, die mijn zoon in het venster wierp van uwe vrouw, omdat zij
+zoo aardig kon spelen met zijne broertjes en zusjes, op de gedachte
+gebracht, dat hij haar verleider is, of zijn er nog andere gronden,
+die u bewegen hem en ons met zulk eene zware beschuldiging te treffen?"
+
+Dikwijls, wanneer toornige mannen als onheilspellende onweerswolken
+met elkander in botsing dreigen te komen, houdt het woord uit den
+mond eener verstandige vrouw hen tegen en dringt hen terug, als het
+opsteken van een zachte luchtstroom de dampen. Phoebicius was niet
+genegen de moeder van Polycarpus te woord te staan, maar hare vraag
+gaf hem nu het eerst aanleiding met een vluchtigen blik het gebeurde
+te overzien, en hij kon zich niet ontveinzen, dat zijne verdenking
+op zeer zwakke gronden rustte. Tegelijkertijd moest hij zichzelven
+bekennen dat, als Sirona, in plaats van in het huis van den senator,
+de wijde wereld in gevlucht was, hij hier zijn tijd verbeuzelde en
+hij de uren, die zij hem reeds had afgewonnen om hem vóor te komen,
+op eene bedenkelijke wijze liet aangroeien. Weinige oogenblikken waren
+voor deze overweging voldoende, en gewoon zichzelven te beheerschen
+als het noodig was, zeide hij ontwijkend: "Wij zullen zien; het zal
+wel terechtkomen," en langzaam richtte hij zijne schreden naar zijne
+woning, zonder zijn huisheer te groeten.
+
+Doch hij had de deur van zijn huis nog niet bereikt, toen zich
+paardengetrappel op den weg liet hooren en Petrus hem achterna riep:
+"Blijf nog enkele oogenblikken, want daar komt Polycarpus, die zich
+in eigen persoon voor u rechtvaardigen kan."
+
+De centurio stond stil; de senator wenkte den ouden Jethro en deze
+opende de poort. Men hoorde een ruiter uit den zadel springen, doch
+niet Polycarpus maar een Amalekiet trad den hof binnen.
+
+"Wat nieuws brengt gij?" vroeg de senator, terwijl hij zich half tot
+den centurio, half tot den bode keerde.
+
+"Heer Polycarpus uw zoon," antwoordde de aangesprokene, een
+donkerbruine man van middelbaren leeftijd, stevig van leden en
+rad van tong, "laat u en uw huisvrouw groeten en u zeggen, dat hij
+vóor den middag met acht man, die hij in Raïthoe heeft aangeworven,
+hier zal komen. Vrouw Dorothea zou wel zoo goed zijn allen een goed
+onderkomen en een maaltijd te bezorgen."
+
+"Wanneer hebt gij mijn zoon verlaten?" vroeg Petrus.
+
+"Twee uren vóor zonsondergang."
+
+Petrus haalde weder ruim adem, want eerst nu was hij ten volle
+overtuigd van de onschuld zijns zoons. Doch in plaats van thans een
+hoogen toon aan te slaan, en Phoebicius te laten gevoelen, dat hij
+hem onrecht had aangedaan, zeide hij vriendelijk, omdat hij deelneming
+begon te gevoelen met het ongeluk van den Galliër: "Ik zou wel wenschen
+dat de bode ons ook eenig licht kon geven omtrent het verblijf van
+uwe vrouw. Zij kon zoo moeielijk aan het stille leven hier in de oase
+gewennen. Misschien is zij alleen gevlucht om eene stad op te zoeken,
+die zulk een jeugdig en schoon schepseltje meer afwisseling biedt,
+dan dit stille oord in de woestijn."
+
+Phoebicius maakte een beweging met de hand, waardoor hij te kennen
+wilde geven, dat hij dit niet aannam, en wel beter wist, en zeide:
+"Ik zal u eens laten zien wat die reine nachtvogel in mijn nest heeft
+achtergelaten. Mogelijk kunt gij mij zeggen, wien het toebehoort."
+
+Terwijl hij haastig zijn huis binnen ging, was Paulus door de thans
+geopende poort den hof binnengetreden. Hij begroette den senator en
+de zijnen, en overhandigde Petrus den kerksleutel. Inmiddels was de
+zon opgegaan en vrouw Dorothea's tegenwoordigheid gaf den Alexandrijn
+gelegenheid, terwijl hij schaamrood werd, een blik te slaan op zijn
+kort onderkleed vol gaten, dat den altijd nog athletischen bouw zijner
+leden zeer onvoldoende bedekte.
+
+Petrus had van Paulus nooit iets anders dan goed gehoord, maar thans
+zag hij hem met minder vriendelijke oogen aan, want alles wat naar
+overdrijving zweemde was in strijd met zijn zin voor regel en orde.
+
+Paulus gevoelde wat er bij den senator omging, toen hij den sleutel
+in ontvangst nam, zonder hem met een woord te verwaardigen. Het was
+hem niet onverschillig wat deze man van hem dacht, en daarom zeide
+hij, niet zonder verlegenheid: "Wij zijn anders niet gewoon ons onder
+menschen te vertoonen, zonder met het schaapsvel gekleed te zijn. Doch
+ik heb het mijne verloren."
+
+Hij had nog niet uitgesproken, toen Phoebicius met de vacht van Hermas
+in de hand den hof binnentrad, en den senator toeriep: "Dat vond ik
+bij mijne thuiskomst in ons woonvertrek."
+
+"En wanneer hebt gij gezien dat Polycarpus zich van zulk een mantel
+bediende?" vroeg vrouw Dorothea.
+
+"Wanneer de goden voorheen de dochteren der menschen bezochten,"
+antwoordde de centurio, "waren zij gewoon eene andere gedaante aan te
+nemen. Waarom zou zulk een gezalfd Alexandrijnsch heertje zich niet
+eens veranderen in een dier ruwe gekken van den berg? De goede Homerus
+vergiste zich ook wel eens, en ik moet bekennen, dat ik in betrekking
+tot uw zoon heb gedwaald. Neem mij niet kwalijk, senator! Gij woont
+hier langer dan ik, wie kan mij dit vel, dat waarlijk nog nieuw schijnt
+te zijn, met de hoornen er zelfs aan, ten geschenke hebben gegeven?"
+
+Petrus bekeek en bevoelde den pels, en zeide toen: "Dat is een
+Anachoreten-mantel. Al de boetelingen op den berg plegen zulk een
+kleed te dragen."
+
+"Derhalve heeft een van die leegloopers den weg naar mijn huis
+gevonden!" riep de centurio. "Ik ben een dienaar des keizers, en
+al dat gespuis, dat hier in de woestijn de bewoners der oase en de
+reizigers verontrust, moet ik onschadelijk maken! Aldus luidt het
+bevel, dat ik van Rome heb medegenomen. Ik zal die snoode gezellen
+allen samendrijven, gelijk het wild bij een drijfjacht; want het zijn
+schurken en indringers, allen, en ik zal het hen zoo benauwd weten
+te maken, tot ik onder hen den schuldige gevonden heb!"
+
+"Dat zal de keizer u niet vriendelijk afnemen," antwoordde Petrus. "Het
+zijn vrome christenen, en gij weet dat Constantijn zelf..."
+
+"Constantijn?" vroeg de centurio met minachting. "Misschien laat hij
+zich ook nog wel doopen, daar het water toch niet schaadt en hij de
+menigte, die den gekruisigden wonderdoener naloopt, niet uitroeien kan,
+evenals de groote Diocletianus, zonder zijn rijk te ontvolken. Maar
+zie deze munten! Hier staat des keizer beeld, en wat staat daar
+op de achterzijde? Is dat uw Nazarener, of is het de oude god, de
+nimmer ondergaande onoverwinnelijke zon? Is het een der uwen, die in
+het nieuwe Constantinopel Tyche eert en de tweelingbroeders Castor
+en Pollux? Het water, waarmede hij zich morgen laat bevochtigen,
+wischt hij overmorgen weer af, en het zijn de oude goden die hem
+helpen zullen, wanneer hij ze in rustiger tijden tegen uw bijgeloof
+in het veld voert!"
+
+"Nu," antwoordde Petrus bedaard, "daarmede hebben wij vooreerst
+den tijd nog, en heden althans is Constantijn de beschermheer der
+christenen. Ik raad u: stel uwe zaak in handen van den bisschop
+Agapitus."
+
+"Opdat deze mij uwe leer zal opdisschen, die zelfs nog te slecht is
+voor vrouwen," zeide de centurio lachend, "namelijk om mijne vijanden
+de voeten te kussen! Die schurken daarboven zijn inbrekers, herhaal
+ik nog eens, en als zoodanig zal ik die booze gekken behandelen,
+tot ik mijn man gevonden heb. Heden nog begin ik de drijfjacht."
+
+"En heden ook kunt gij haar nalaten, want deze vacht is de mijne."
+
+Het was Paulus, die deze woorden luide en stellig uitsprak. Geen
+wonder dat aller oogen zich op hem en den centurio richtten.
+
+Petrus en de slaven hadden den Anachoreet dikwijls gezien, maar
+altijd met een schaapsvel, geheel ongelijk aan dat hetwelk Phoebicius
+in de hand hield. En hun die Paulus en Sirona kenden, moest deze
+zelfbeschuldiging van den eersten ongehoord en onbegrijpelijk
+voorkomen. Toch werd zij door niemand, zelfs niet door den senator
+betwijfeld. Vrouw Dorothea alleen schudde ongeloovig het hoofd, en
+al kon zij ook geene verklaring vinden van hetgeen hier gebeurde,
+zoo moest zij toch bekennen dat deze man er volstrekt niet uitzag
+als een verleider, en dat de Gallische om zijnentwil bezwaarlijk haar
+plicht zou hebben kunnen vergeten. Bovendien kon zij maar niet aan de
+schuld van Sirona gelooven, want zij was haar hartelijk genegen--en
+'t was zeker niet goed dat zij zoo dacht--hare moederlijke ijdelheid
+beval haar aan te nemen, dat, wanneer de schoone vrouw had willen
+zondigen, zij toch waarlijk haren edelen Polycarpus, wiens rozen en
+vurige blikken zij zoo oprecht mogelijk veroordeelde, verkozen zou
+hebben boven dezen ruigen, verwilderden grauwbaard.
+
+De centurio dacht er echter anders over. Hij nam de bekentenis van den
+Anachoreet gaarne voor waarheid aan, want hoe onwaardiger de verleider
+was, om wiens wil Sirona haar plicht had vergeten, des te grooter
+was hare schuld, des te onvergeeflijker hare lichtzinnigheid. Ja,
+zijne mannelijke ijdelheid kon het tegenover getuigen als Petrus en
+Dorothea gemakkelijker verdragen, dat zijne vrouw wat afwisseling en
+vermaak had gezocht, al moest zij zich daartoe ook afgeven met een
+bedelaar in lompen, dan wanneer zij haar hart zou hebben geschonken
+aan een man die jonger, schooner en waardiger was dan hij. Veel had
+hij jegens haar misdreven, maar dat woog nu alles als vederen in
+zijne weegschaal, terwijl het kwaad dat zij had begaan, haar schaal
+als met een wicht van lood belastte. Daarbij begon hij het gevoel
+te krijgen van iemand die eene moeras heeft doorwaad en nu weder
+vasten grond onder de voeten heeft. Dit alles te zamen gaf hem de
+kracht den Anachoreet met eene zelfbeheersching tegemoet te treden,
+waarover hij anders alleen beschikken kon, wanneer hij aan de spits
+zijner soldaten den keizer diende.
+
+Met gemaakte deftigheid en eene houding, die bewees, dat hij in de
+theaters van de groote steden des rijks ook de voorstellingen van
+treurspelen had bijgewoond, liep hij op den Alexandrijn toe, die van
+zijne zijde geen stap achteruitging, en hem aanzag met een lachje,
+dat Petrus en de andere toeschouwers deed schrikken.
+
+Volgens de wet was de Anachoreet geheel in de handen van den
+beleedigden echtgenoot. Deze laatste scheen echter niet voornemens van
+zijn recht gebruik te maken, want uit zijne woorden sprak niets dan
+minachting en walging, toen hij eindelijk zeide: "Wie een schurftigen
+hond aanpakt om dien te straffen, die bezoedelt zijne eigene hand. De
+vrouw, die mij om uwentwil bedroog, en gij smerige bedelaar, zijt
+elkander waard! Ik kon u, als ik wilde, op deze plaats vermorzelen,
+als een insect, dat men met de hand doodslaat; maar mijn zwaard
+behoort den keizer, en mag met geen vuil bloed als het uwe bezoedeld
+worden. Evenwel zult gij, hond, uw vacht niet te vergeefs hebben
+afgelegd. Zij is nog al dik, en gij wildet mij zeker de moeite
+besparen haar van uwe schouders te scheuren, eer ik u geef wat u
+toekomt. Aan slagen zult gij geen gebrek hebben. Als ge mij bekent
+waarheen uw liefje gevlucht is, dan krijgt gij er weinig, maar het
+aantal zal vermeerderen, naarmate gij met het antwoord talmt. Jongen,
+geef mij dat ding!"
+
+Bij deze woorden nam hij een kemeldrijver de uit nijlpaardehuid
+vervaardigde zweep uit de hand, ging dicht bij den Alexandrijn staan
+en vroeg: "Waar is Sirona?"
+
+"Sla maar toe," bad Paulus, en wees met de hand op zijn rug: "Hoe
+pijnlijk uw zweep mij ook treft, zij zal mij toch niet zwaar genoeg
+bestraffen, voor alle mijne zonden. Doch waar uwe vrouw zich verborgen
+houdt, dat weet ik waarachtig niet te zeggen, al wildet ge ook, in
+plaats van mij met dit rampzalig ding te streelen, mijne leden met
+tangen verscheuren."
+
+Er lag zulk eene oprechte trouwhartigheid in den toon van Paulus'
+stem, dat de centurio geneigd was hem te gelooven. Doch het lag
+geenszins in zijn aard eene bedreigde straf niet te voltrekken en dat
+zijne hand niet streelde, als zij pijnlijk wilde straffen, dat zou de
+wonderlijke bedelaar ondervinden. En Paulus voelde het, zonder dat er
+een klacht over zijne lippen kwam, zonder dat hij zich van zijne plaats
+bewoog. Toen Phoebicius eindelijk zijn vermoeiden arm liet rusten,
+en hijgend zijne vraag herhaalde, antwoordde de mishandelde: "Ik zeide
+het u reeds, ik weet het niet, en kan het u daarom niet verraden."
+
+Tot hiertoe had Petrus, hoe hij zich ook gedrongen gevoelde, zijn
+mishandelden geloofsgenoot te hulp te komen, den beleedigden echtgenoot
+laten begaan, want de laatste scheen met bijzondere zachtheid te
+straffen, en de Alexandrijn zulk een kastijding te verdienen. Doch ook
+zonder dat Dorothea hem hiertoe aanspoorde, zou hij de gelegenheid
+hebben aangegrepen om tusschen beiden te komen. Hij naderde dus den
+centurio en zeide hem zacht: "Gij hebt den misdadiger gegeven wat
+hem toekomt. Wanneer gij verkiest, dat hij nog strenger straf zal
+ontvangen dan gij hem hebt doen ondergaan, laat dan, ik herhaal het,
+uw zaak aan den bisschop over. Gij zult hier niet verder komen. Geloof
+mij, ik ken dezen man en zijns gelijken. Hij weet inderdaad niet waar
+uwe vrouw zich ophoudt, en gij verspilt hier den tijd en de kracht,
+die gij waarlijk wel moogt gebruiken om Sirona weder te vinden. Ik
+denk dat zij eene poging zal hebben gewaagd om over zee naar Egypte,
+mogelijk wel naar Alexandrië te ontkomen; en daar--gij kent die
+Grieksche stad--daar gaat zij geheel te gronde."
+
+"En bovendien vindt zij," zeide de Galliër lachend, "wat zij zoekt:
+afwisseling en genot. Er is voor zulk een jong schepsel dat de vreugde
+najaagt, geen dankbaarder bezigheid dan de ondeugd. Maar ik wil haar
+dat spel verleeren. Gij hebt gelijk, het is niet goed haar langer
+gelegenheid te geven mij voor te komen. Heeft zij den weg naar zee
+gevonden, dan kan zij misschien nu reeds.... Heidaar, Talib!" en
+hij wenkte den Amalekietischen bode van Polycarpus. "Gij komt van
+Raïthoe; zijt ge onderweg ook eene vluchtende vrouw tegengekomen,
+blank van gezicht en met blonde haren?"
+
+De aangesprokene, een vrij man met verstandige oogen, die in het huis
+van den senator, ook door Phoebicius, als volkomen betrouwbaar en
+verstandig werd hooggeacht, had deze vraag verwacht, en antwoordde
+bereidwillig: "Twee stadiën zoowat vóor El Heswe ben ik de groote
+karavaan van Petra tegengekomen, die gisteren hier in de oase heeft
+overnacht. Er liep eene vrouw mede zooals gij haar beschrijft. Toen
+ik hoorde wat hier gebeurd was, wilde ik het reeds zeggen; maar wie
+hoort het krekeltje als het dondert?"
+
+"Had zij een kreupel hazenwindje bij haar?" vroeg Phoebicius vol hoop.
+
+"Zij droeg iets in de armen," antwoordde de Amalekiet. "In den
+maneschijn hield ik het voor een zuigeling. Mijn broeder, die de
+karavaan begeleidt, zeide mij, dat die vrouw zeker vluchtende was,
+want zij had het beschermgeld niet met klinkende munt, maar met een
+gouden zegelring betaald.
+
+De Galliër herinnerde zich nu, dat hij jaren geleden een gouden
+ring met een keurig gesneden onyx Glycera, die er nog zoo een bezat,
+van de vingers had getrokken, en dat hij dienzelfden ring aan Sirona
+op den bruiloftsdag geschonken had. "'t Is toch vreemd," dacht hij;
+"wat wij de vrouwen geven om haar aan ons te verbinden, dat gebruiken
+zij als een wapen tegen ons, zij 't om andere mannen te bekoren, zij
+'t om zich een weg te banen, die haar van ons verwijdert. Met een
+armband van Glycera betaalde ik toen den scheepskapitein, die ons
+naar Alexandrië overbracht. Maar ik ben van een ander maaksel dan de
+weekhartige gek, wiens duifje mij navloog. Ik volg het weggevlogen
+vogeltje en vang het weder op."
+
+Deze laatste woorden had hij overluid gesproken. Hij droeg
+aan een slaaf van Petrus op zijn muildier stevig te voederen
+en goed te drenken, want zijn eigen paardeknecht en ook de
+oudste decurio, die hem bij zijne afwezigheid moest vervangen,
+behoorden tot de Mithras-vereerders en waren nog niet van den berg
+teruggekeerd. Phoebicius twijfelde niet of de vrouw, die zich had
+aangesloten bij de karavaan, die hijzelf gisteren gezien had, was zijne
+ontvluchte gemalin, en hij ontveinsde zich niet dat elk verzuim de
+vervulling van zijn vurigen wensch om haar in te halen en te straffen
+al verder en verder zou verschuiven. Doch hij was een Romeinsch
+krijgsman, en hij zou eer de hand aan zichzelven geslagen dan zijn
+post verlaten hebben, zonder een plaatsvervanger te hebben aangesteld.
+
+Toen zijn geloofsgenooten eindelijk terugkeerden van het offer en
+hunne begroeting van de opgaande zon, was hij met zijne voorbereidingen
+tot eene lange reis gereed. Phoebicius drukte zijn decurio zorgvuldig
+op het hart, wat hij gedurende zijne afwezigheid te doen en hoe hij
+zich te houden had. Vervolgens gaf hij aan Petrus den sleutel van
+zijn huis over, als mede de zwarte slavin, die over de vlucht van
+hare meesteres luide weende en klaagde. Hij verzocht den senator
+om den bisschop kennis te willen geven van hetgeen de Anachoreet
+had gedaan, en draafde toen, voorgegaan door den op een dromedaris
+gezeten Amalekiet Talib, zoo hard hij kon de karavaan achterna,
+om deze zoo mogelijk nog te bereiken vóor zij zich aan zee inscheepte.
+
+Toen de hoefslag van het muildier zich al verder en verder verwijderde,
+verliet ook Paulus den hof van den senator. Doch vrouw Dorothea
+zeide tot haar echtgenoot, wijzende op den Anachoreet, die zijne
+schreden naar den berg richtte: "Waarlijk man, dat was een zonderlinge
+morgen. Alles wat hier gebeurt schijnt wel zonneklaar te zijn, en
+toch kan ik het niet begrijpen. Het is of mijn hart wordt toegenepen,
+wanneer ik denk aan hetgeen de arme Sirona overkomen zal, als haar
+woedende echtgenoot haar inhaalt. Het is toch alsof er tweeërlei
+huwelijken zijn. Het eene sluit de vriendelijkste engel, ja de Algoede
+zelf, maar het andere.... het laat zich niet indenken!--Hoe zullen
+die twee in het vervolg samenwonen? En dat onder ons dak! Hun gesloten
+huis staat daar als verwoest en verbrand, en wij hebben de brandnetels
+reeds zien opschieten, die overal woekeren onder de puinhoopen van
+de vernietigde woningen der menschen."
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+
+De baan van elke ster is vast bepaald en scherp afgeteekend;
+iedere plant draagt bloesems en vruchten, in vorm en kleur geheel
+overeenkomstig haar geslacht; dieren van dezelfde soort blijven in de
+grondtrekken van hun aanleg en hunne neigingen, in hunne uiterlijke
+zoowel als innerlijke bewegingen geheel aan elkander gelijk, en de
+jager, die de herten in de bosschen van zijn vaderland kent, zal in
+alle wouden der aarde weten, hoe eene ree zich in ieder bijzonder
+geval houden zal. Naarmate eene soort er meer op is aangelegd, om
+de verschillende individuën zich in grooter verscheidenheid te doen
+ontwikkelen, naar die mate zal zij ook eene hoogere plaats innemen in
+de ontwikkelingsgeschiedenis der schepping. En daarom is het juist die
+oneindige verscheidenheid van het inwendig leven en zijne openbaringen,
+die het menschelijk geslacht de eerste plaats aanwijst onder alle
+bezielde wezens. Enkele onzer eigenschappen en werkzaamheden kunnen
+de dieren ons ook symbolisch doen aanschouwen. Zoo vindt de moed zijn
+symbool in het beeld van den leeuw, de zachtmoedigheid in dat van de
+duif. Maar het volmaakt menschenbeeld is voor duizenden geslachten
+voldoende geweest, en zal voor duizenden voldoende zijn, waar het geldt
+de godheid onze zinnelijke voorstelling nader te brengen. Waarlijk,
+evenals wij de zichtbare wereld met ons verstand kunnen omvatten, even
+zeker is het ons gegeven God in ons, dat is in ons gemoed te hebben.
+
+Alle eigenschappen van alle eindige dingen vindt men bij den mensch
+weder, en geene eigenschap, die wij den Allerhoogste toekennen, is
+vreemd aan onze ziel, die ook oneindig en eeuwig is, daar zij bij
+elk onderzoek haar voelhoornen vermag uit te breiden tot de uiterste
+grenzen van ruimte en tijd. Daarom zijn ook de wegen, die voor de
+ziel openstaan, even talloos als voor de godheid. Dikwijls schijnen ze
+zonderbaar te zijn, maar het blijft voor den ingewijde niet verborgen,
+dat ook hunne baan aan vaste wetten onderworpen is, en dat ook elke,
+zelfs de meest ongewone uiting van het zieleleven tot oorzaken is
+terug te brengen, die deze en ook deze alleen konden uitwerken.
+
+Slagen doen pijn, schande bezwaart en eene onrechtvaardige straf
+verbittert het gemoed; doch de ziel van Paulus had een uitweg gezocht
+en gevonden, waarbij deze eenvoudige stellingen niet van toepassing
+waren. Hij was mishandeld, beschimpt en vóor hij de oase verliet
+geheel onschuldig tot de zwaarste boete veroordeeld. De bisschop
+Agapitus had hem, zoodra hij van Petrus had vernomen wat in zijn
+huis was voorgevallen, tot zich geroepen, en hem, toen hij op zijne
+aanklacht niets antwoordde, uit zijne kudde, waartoe ook de Anachoreten
+behoorden, gestooten, hem verboden op de werkdagen de kerk te bezoeken,
+en verklaard, dat hij dit oordeel aan de verzamelde gemeente zou
+kenbaar maken.
+
+En hoe werkte dit alles op Paulus, toen hij in de gloeiende
+middaghitte, eenzaam en geschandvlekt den berg besteeg?
+
+Een visscher uit het zeedorp Pharan, die den Anachoreet halverwege
+tegenkwam, dacht bij zichzelven, terwijl hij een groet met hem wisselde
+en hem nastaarde: "Die lange grauwbaard ziet er zoo vroolijk uit, alsof
+hij een schat heeft gevonden." De man wandelde vervolgens met zijne
+geschubde waren verder het dal in, en hem kwam het gelaat van zijn zoon
+voor den geest toen diens vrouw hem het eerste zoontje had geschonken.
+
+Bij den wachttoren aan den kant van den korteren heerweg waren eenige
+Anachoreten bezig steenen op te stapelen. Zij wisten reeds welk oordeel
+Agapitus over den zondaar Paulus had uitgesproken, en groetten hem
+niet. Hij merkte het wel op en zweeg; toen zij hem echter niet meer
+zien konden, glimlachte hij in zichzelven en prevelde, terwijl hij
+met de hand eene der striemen wreef, die de zweep van den centurio op
+zijn rug had achtergelaten: "Wanneer die daar denken, dat zulk een
+Gallisch pak slagen zeer goed smaakt, dan dwalen zij. Maar ik geef
+het toch niet weg voor een zak wijn van Anthylla. Wanneer zij eens
+wisten dat ieder hunner ten minste éen van al de striemen toekomt,
+die mij hier pijn doen, hoe zouden zij zich verwonderen! Doch geen
+hoogmoed! Hoe hebben zij u, mijn Jezus, gegeeseld, en wie ben ik, en
+hoe verschoonend zijn zij met mij te werk gegaan, nu ik ook eens voor
+anderen mijn rug ontblootte! Er is geen druppel bloed gevloeid. Ik
+wenschte wel dat die oude knorrepot wat steviger had geslagen!"
+
+Vroolijk ging hij verder, en hem kwamen de woorden van den centurio
+voor den geest, namelijk dat hij hem, indien hij dat verkoos, als
+een worm vertreden zou. Wederom moest hij glimlachen, want hij was
+zich bewust dat hij tienmaal zoo sterk was als die krijgsman, en
+gedacht hoe hij eens den pocher Argesilaus van Cyrene, en zijn neef,
+den langen Xenophanes, behendig in het zand van de palaestra had
+geworpen. Vervolgens dacht hij aan Hermas, aan diens lieve gestorvene
+moeder, aan zijn vader en--dat was wel het beste--aan het groot
+verdriet, dat den ouden man door zijne tusschenkomst bespaard bleef.
+
+Hij vond op zijn weg een plantje met roodachtige bloempjes. Sedert
+jaren had hij naar geene bloemen omgezien, of gewenscht ze te
+bezitten. Heden boog hij zich voorover, om dit vriendelijk sieraad
+van de rots te plukken. Maar hij voerde zijn voornemen niet uit, want
+eer zijne hand het bereikte dacht hij: "Aan wien zou ik dit bloempje
+geven? Die bloemen verblijden zich misschien op hunne worteltjes in het
+licht en in hun rustig leven. Hoe klemmen ze zich aan den rotssteen
+vast! Verder van den weg bloeien wellicht nog fraaiere, die geen oog
+ooit ziet. Als die zich tooien, dan doen zij het slechts voor hun
+schepper, en omdat zij zich over zichzelven verheugen. Ik trek mij
+thans ook terug van de paden, waarop de menschen zich bewegen. Laten
+ze mij lasteren! Als ik maar met mijzelven en mijn God in vrede
+leef, dan vraag ik naar niemand. Wie zich vernedert--ja, wie zich
+vernedert.... Gewis, ook mijne ure zal slaan! Daar boven vind ik ze
+allen weder: Petrus en Dorothea, Agapitus en de broeders, die mij
+thans niet welkom willen heeten. En als dan mijn Jezus mij wenkt,
+dan zullen zij zien wie ik ben, en naar mij toevliegen, en mij dubbel
+vriendelijk begroeten."
+
+Trotsch en gelukkig zag hij er uit, terwijl hij zoo dacht, en zich
+de vreugde van het paradijs, waarop hij zich heden een zeker recht
+meende verworven te hebben, verder voorspiegelde. Nooit deed hij
+zulke haastige en lange stappen, dan wanneer hij zich zoo als nu,
+aan dergelijke overpeinzingen overgaf, en toen hij bij de spelonk van
+Stephanus was aangekomen, dacht hij dat de weg van de oase naar de
+hoogte heden veel korter was geweest dan anders. Hij vond den kranke
+in groote bezorgdheid, want hij had tot hiertoe zijn zoon te vergeefs
+gewacht en gevreesd dat hij zou verongelukt zijn, of hem zou verlaten
+hebben om de wereld in te vluchten.
+
+Paulus bracht hem met vriendelijke woorden tot rust, terwijl hij hem
+vertelde, met welk een last hij Hermas naar den anderen oever van de
+zee had gezonden.
+
+Wij zijn nooit meer geneigd, om ons eene slechte boodschap te laten
+welgevallen, dan wanneer wij eene nog ergere verwacht hadden, daarom
+luisterde Stephanus rustig en met instemming naar zijn vriend. Hij
+kon het zich niet meer verheelen, dat Hermas niet rijp was voor het
+leven van een Anachoreet, en sedert hij wist dat zijne ongelukkige
+vrouw, die hij lang verloren had geacht, als eene christin gestorven
+was, kon hij zich gemakkelijk vertrouwd maken met de gedachte, zijn
+zoon de wereld te laten ingaan. Het was zijn streven geweest door
+het boetvaardig leven van zich en zijn zoon Glycera's ziel van de
+verdoemenis te redden, thans wist hij echter dat zij zichzelve het
+recht op den hemel had verworven.
+
+"Wanneer zal hij terugkeeren?" vroeg hij aan Paulus.
+
+"Binnen vijf of zes dagen," antwoordde deze. "De visscher Ali, dien ik
+eens een doorn uit den voet heb getrokken, verhaalde mij in het geheim,
+toen ik gisteren naar de kerk ging, dat de Blemmyers zich achter
+de zwavelbergen verzamelden. Als zij zich teruggetrokken hebben,
+zal het hoog tijd worden Hermas vrijheid te geven naar Alexandrië
+te gaan. Mijn broeder leeft nog, en zal hem om mijnentwil als een
+bloedverwant ontvangen; want ook deze is gedoopt."
+
+"Hij kan dan de catechetenschool in de hoofdstad bezoeken, en wanneer
+hij.... wanneer hij...."
+
+"Dat zal wel terecht komen," hernam Paulus, hem in de rede
+vallende. "Allereerst komt het er op aan hem van hier te laten gaan,
+om hem zijn weg te doen zoeken. Gij denkt dat er in den hemel een
+eerezaal is voor den zoodanigen, die nooit struikelden, en onder deze
+zoudt gij Hermas gaarne opgenomen zien. Dat doet mij denken aan een
+arts in Corinthe, die zich beroemde dat hij geschikter was dan alle
+zijne ambtgenooten, want hij had nog geen enkelen zieke verloren. En
+de man had gelijk, want geen mensch of beest had zich ooit aan zijne
+handen durven toevertrouwen. Laat Hermas zijne jeugdige krachten
+beproeven, en wanneer hij geen priester wordt, maar een dapper
+krijgsman als zijne voorvaderen, dan kan hij toch ook als zoodanig
+zijn God eerlijk dienen. Maar we hebben nog den tijd eer het zoover
+is.--Zoolang hij afwezig is, zal ik in uwe verpleging voorzien. Gij
+hebt, gelijk ik zie, nog water in de kruik."
+
+"Deze werd reeds tweemaal voor mij gevuld," antwoordde de oude man. "De
+bruine herderin, die zoo vaak de geiten drenkt aan onze bron, kwam
+eerst in de vroegte en daarna nauwelijks een uur geleden bij mij. Zij
+vroeg naar Hermas en bood zich daarop zelve aan om water voor mij
+te scheppen, zoolang hij afwezig zou zijn. Zij is zoo schuw als een
+vogel en vloog naar boven, nadat zij de kruik hier neder had gezet."
+
+"Zij behoort aan Petrus, en zal hare geiten niet lang alleen durven
+laten," zeide Paulus. "Nu ga ik heen om wat wortelen voor u te zoeken
+als toespijs. Met den wijn zal het vooreerst wel uit zijn.--Zie mij
+eens goed aan! Voor welk groot zondaar houdt gij mij wel? Denk u
+maar het ergste van mij, en toch zult gij wellicht nog erger dingen
+hooren.--Doch daar komen twee mannen. Wacht! De eene is Hilarion,
+een der acolythen van den bisschop, en de ander Pachomius uit Memphis,
+die zich eerst onlangs op den berg heeft neergezet. Zij komen hierheen
+en de Egyptenaar draagt een kruikje. Ik zou wel willen dat het weder
+wijn bevatte tot uwe versterking."
+
+De beide vrienden zouden niet lang in het onzekere blijven omtrent het
+doel der naderenden. Beiden keerden, nadat zij het hol van Stephanus
+bereikt hadden, Paulus met merkbare bedoeling den rug toe. Ja, de
+acolyth sloeg voor hem een kruis over het voorhoofd, als hield hij
+het voor noodig zich tegen booze invloeden te vrijwaren.
+
+De Alexandrijn begreep hem, trad terug en zweeg, toen Hilarion den
+kranken Stephanus in naam van den bisschop mededeelde, dat Paulus
+schuldig was aan zeer zware zonden, en dat hij als een schurft
+schaap van het verkeer met de kudde van den bisschop, en alzoo van
+de verpleging van een vroom christen moest uitgesloten blijven,
+tot hij volledig boete zou hebben gedaan. "Wij weten, door Petrus,"
+zoo eindigde hij zijne rede, "dat uw zoon, mijn vader, over zee is
+gezonden; daar gij echter verpleging noodig hebt, zoo zendt Agapitus
+u door mij zijn zegen en wijn ter versterking. Deze jongeling zal
+bij u blijven en u van het noodige voorzien tot Hermas terugkeert."
+
+Daarop overhandigde hij de kruik met wijn aan den ouden man, die
+verstomd en bewogen nu eens hem, dan weder Paulus aanzag.
+
+Het hart van den laatsten brak, toen zich de dienaar van den bisschop
+andermaal tot hem richtte, en hem een teeken gaf zich te verwijderen,
+terwijl hij uitriep: "weg van hier!"
+
+Hoevele vriendschappelijke banden, hoevele volgaarne bewezene en
+dankbaar aangenomene diensten vernietigde dat bevel! Maar Paulus
+gehoorzaamde onverwijld en ging den kranke voorbij. Hunne blikken
+ontmoetten elkander, en beiden merkten zij op, dat er tranen welden
+in het oog van den vriend.
+
+"Paulus!" riep de kranke, terwijl hij den heengaande, wien hij zoo
+gaarne elke schuld vergaf, beide handen toestak. Doch de Alexandrijn
+sloeg zijne hand niet in de zijne, maar hij wendde zich af en
+steeg, in eene richting waar geen gebaande weg was, zonder om te
+zien haastig den berg op. Daarna daalde hij weder af naar het dal,
+altijd voortgaande tot hem de steile helling van den hollen weg, die
+aan de zuidzijde van den berg naar de oase leidt, gebood stil te staan.
+
+De zon stond nog hoog en het was gloeiend heet. Druipnat van zweet
+en geheel buiten adem, leunde hij met den rug tegen den gloeienden
+porfierwand, bedekte zijn gelaat met de handen, en trachtte tot
+zichzelven te komen, te denken en te bidden. Maar lang te vergeefs,
+want in plaats van vreugde te gevoelen over het leed, dat hij
+vrijwillig op zich genomen had, pijnigde de ellende der eenzaamheid
+zijne ziel, en in zijn binnenste weerklonk de klagende roepstem van
+den oude als eene vermaning, en deed hem twijfelend vragen of zijn
+daad wel goed was, waardoor hij toch de besten en reinsten bedrogen en
+gedrongen had onrechtvaardig jegens hem te handelen. Zijn hart kromp
+ineen van angst en pijn, doch toen hij zich eindelijk weder bewust
+werd, hoezeer hij leed naar lichaam en ziel, begon hij opnieuw moed te
+scheppen; en er speelde zelfs een glimlach om zijne lippen, toen hij
+in zichzelven prevelde: "Goed zoo, goed zoo; hoe meer het wee doet,
+des te zekerder vind ik genade.--En dan! als de oude man van Hermas
+had moeten beleven, wat hij van mij moest hooren, gerechte hemel,
+ik geloof dat het zeker zijn dood geweest zou zijn! Toch zou ik wel
+willen dat het zonder dat.... dat--het is nu eenmaal zoo--zonder dat
+bedrog had kunnen geschieden. Ik ben reeds als heiden een voorstander
+van waarheid geweest, en heb den leugen in mijzelven en anderen zoo
+diep verfoeid, als vader Abraham een moord; hoewel ook deze zijn Izaäk
+ter slachting voerde, wijl de Heer het hem gebood. En Mozes, toen hij
+den opzichter versloeg, en Elias, en Debora, en Judith?! Ik heb niet
+veel minder op mij genomen dan zij, en mijn leugen zal mij wel vergeven
+worden, gelijk het hun niet is toegerekend dat zij bloed vergoten."
+
+Zulke overpeinzingen gaven aan Paulus' ziel het verloren evenwicht
+terug, en deden hem berusten in zijne daad. Hij begon te overwegen, of
+hij in zijn voormalig hol en in de nabijheid van Stephanus terugkeeren,
+of naar eene andere woning omzien zou. Hij besloot tot het laatste;
+doch vóor alle dingen moest hij frisch water en eenig voedsel opzoeken,
+want zijn mond en zijne tong waren geheel verdroogd. Dieper in het
+dal ontsprong eene bron, die hij wel kende, en in hare nabijheid
+groeiden velerlei kruiden en wortels, waarmede hij meermalen zijn
+honger gestild had. Een tijdlang volgde hij de helling aan zijn
+voet; vervolgens wendde hij zich links en kwam op een tafelvormige
+hoogvlakte, die uit de kloof gemakkelijk te bereiken was, en naar
+de zijde van de oase in eene vele vademen diepe loodrechte steilte
+uitliep. Tusschen die vlakte en den hoogsten bergtop verhieven zich
+talrijke op zichzelf staande klippen, als een legerkamp met tenten
+van graniet, als eene zee, die terwijl de golven zich op het hoogst
+verhieven, tot hard porfier was versteend. Achter die blokken nu
+vloeide de bron, die hij na eenige oogenblikken zoekens vond.
+
+Na zich verkwikt te hebben begaf hij zich naar de hoogvlakte terug,
+opnieuw versterkt in zijn voornemen, om ook het zwaarste geduldig
+te dragen. Van den rand der steilte zag hij naar beneden in het wijd
+uitgestrekt woestijndal aan zijne voeten, op welks laagsten bodem de
+oase met hare palmboschjes en tamariskenstruiken, als eene krans op
+een grafsteen, zich in scherpe groene omtrekken afteekende. De wit
+gepleisterde daken der huizen van het vlek Pharan kwamen helder uit
+de takken en het loof te voorschijn. Boven alle stak de nieuwe kerk
+uit, waarvan de toegang thans voor hem gesloten was. Een oogenblik
+sneed de gedachte hem pijnlijk door de ziel, dat hij uitgesloten
+was van de godsdienstoefening der gemeente, van het avondmaal en het
+gemeenschappelijk gebed; maar dan vroeg hij zich weer af, of dan niet
+ieder rotsblok hier op de bergen een altaar moest heeten; of de blauwe
+hemel boven zijn hoofd niet duizendmaal grooter en heerlijker was,
+als het stoutste koepeldak door menschenhanden gebouwd, het kolossaal
+gewelf van het Serapeum te Alexandrië niet uitgenomen; en hij dacht
+aan het 'Amen' van de steenen, dat vernomen was na de prediking van
+den blinde.
+
+Toen hij met het hoofd fier opgericht naar de rotswand toeging aan de
+zijde der helling, om een hol op te zoeken, dat ledig was, sedert de
+grijsaard die het bewoonde eenige weken geleden gestorven was, dacht
+hij; "Waarlijk, het komt mij nu voor als werd ik niet nedergedrukt
+maar opgeheven door den last mijner schande. Hier tenminste behoef
+ik de oogen niet neer te slaan. Want hier ben ik met mijn God alleen,
+en voor hem behoef ik mij, naar ik meen toch niet te schamen."
+
+Met zulke gedachten vervuld wrong hij zich door de ruimte tusschen
+twee reusachtige porfierblokken, doch weldra bleef hij staan, want in
+zijne onmiddellijke nabijheid liet zich het geblaf van een hond hooren,
+en eenige oogenblikken later vloog een hazenwindje op hem toe, dat
+zijn met een gekleurde lap omwikkeld pootje voorzichtig omhoog hield,
+en hem nu eens grimmig aanblafte dan weder schuchter terugweek. Paulus
+herinnerde zich de vraag, die Phoebicius betreffende zulk een hondje
+tot den Amalekiet Talib had gericht, en vermoedde terstond, dat de
+gevluchte Gallische niet ver verwijderd kon zijn. Zijn hart begon
+sneller te kloppen, en ofschoon hij zoo dadelijk niet wist, hoe
+hij de vrouw, die haren plicht zoozeer had vergeten, ontvangen zou,
+gevoelde hij zich toch innerlijk gedrongen haar op te zoeken.
+
+Onverwijld volgde hij de richting, uit welke het hondje tot hem was
+gekomen, weldra zag hij een licht gewaad achter de eerste en vervolgens
+achter de tweede en derde rots verdwijnen. Eindelijk bereikte hij
+de vluchtende. Zij stond vlak aan den rand van den afgrond, tegen
+een rots die zich steil en hoog uit de diepte verhief. Dat gezicht
+vervulde hem met verbazing en ontzetting. Hare lange goudgele haren
+waren verward en hingen half los, half gevlochten over borst en
+schouders neer. Zij stond slechts met éen voet op de rotsvlakte;
+de andere, die bedekt was met eene dunne en door de scherpe kanten
+van de rots gescheurde sandaal, zweefde in de lucht boven den afgrond.
+
+Ieder oogenblik kon zij in de diepte neerstorten. Zij hield zich
+wel met de rechterhand vast aan de uitstekende punt van eene rots
+aan hare zijde, maar Paulus zag dat deze zich bewoog en met het blok
+daaronder volstrekt niet samenhing. Zoo zweefde zij boven den afgrond
+als eene maanzieke, als eene door demonen bezetene waanzinnige, en
+daarbij was er zulk eene wilde gloed in hare oogen en ging haar adem
+zoo koortsachtig snel, dat Paulus, die haar reeds dicht genaderd was,
+onwillekeurig achteruit trad. Hij zag dat hare lippen zich bewogen,
+maar hoewel hij niet verstond wat zij zeide, begreep hij toch dat
+hare toonlooze woorden hem terugwezen.
+
+Wat zou hij doen? Wanneer hij vooruitging, om door een snellen greep
+haar te redden, zou zij, indien deze poging mislukte, reddeloos naar
+beneden storten. Liet hij haar begaan, dan zou de steen, waaraan
+zij zich vasthield, meer en meer losraken, en zoodra deze viel,
+was het ook zeker met haar gedaan. Hij had wel eens gehoord, dat
+nachtwandelaars naar beneden vallen, wanneer zij hunne namen hooren
+noemen. Dat kwam hem thans voor den geest en hij vermeed daarom
+zorgvuldig haar te roepen.
+
+Thans wees de ongelukkige hem andermaal af. Zijn hart hield op te
+kloppen, want hare bewegingen waren wild en onstuimig, en hij zag hoe
+de steen, haar eenige steun, van zijn plaats schoof. Hij verstond
+slechts weinig van al de woorden, die zij hem daarbij toeriep met
+eene stem, die gisteren nog zoo welluidend was en heden zoo heesch,
+bijna geheel zonder klank; toch hoorde hij den naam van Phoebicius
+noemen, en het was wel aan geen twijfel onderhevig, dat zij zich aan
+dezen steen boven den afgrond had vastgeklemd, om zich als de steenbok,
+wanneer hij ziet dat de jager hem elken uitweg heeft afgesneden, liever
+in de diepte te werpen, dan zich aan hare vervolgers gevangen te geven.
+
+Paulus zag in haar noch de onschuldige noch de schoone vrouw, maar
+slechts een menschenkind, dat in het uiterste gevaar verkeerde, dat
+hij tot elken prijs van den dood moest redden, en de gedachte dat
+hij toch niets minder was dan een handlanger, die door haar man was
+uitgezonden, legde hem de eerste woorden op de lippen, die hij den
+moed had de vertwijfelde toe te spreken. Zij waren eenvoudig genoeg,
+maar in den vollen vriendelijken klank lag de kinderlijke liefde
+van zijn goed hart, en onwillekeurig gaf de Alexandrijn, die in de
+stad der redenaars en wel in de voortreffelijkste school was gevormd,
+aan zijne rede eene eigenaardige kleur, door de welluidende diepe en
+weeke, uit de borst voortkomende toonen, die hem ten dienste stonden.
+
+"Verheug u, gij arme lieve vrouw," zeide hij. "Ik heb u ter rechtertijd
+gevonden. Ik ben Paulus, de beste vriend van Hermas, en hoe gaarne
+zou ik u helpen in uwe ellende! U dreigt geen gevaar, want Phoebicius
+zoekt u op een verkeerden weg. Gij kunt mij vertrouwen! Niet waar, ik
+zie er niet uit als kon ik eene arme verdwaalde vrouw bedriegen? Maar
+gij staat daar op eene plaats, waar ik liever mijn vijand zou zien
+dan u. Leg uw hand maar gerust in de mijne; zij is wel niet aanvallig
+meer, doch sterk en eerlijk.--Zoo is het goed, en gij zult het u nooit
+berouwen. Zet uw voet hier neder, en wees voorzichtig, wanneer gij
+de rots loslaat. Gij weet niet hoe bedenkelijk deze het harde hoofd
+heeft geschud over uwe wonderlijke gerustheid.--Pas op, daar stort uw
+steunpunt naar beneden. Hoor hoe de steen neerploft en kraakt: hij is
+beneden stellig in duizend stukken gebersten, en ik ben maar blijde,
+dat gij ten laatste hebt besloten liever mij dan hem te volgen."
+
+Paulus was onder het spreken dezer woorden naar Sirona toe gegaan,
+als een meisje, wier vogeltje uit de kooi is gevlogen, en het diertje
+met schroomvallige behoedzaamheid nadert, om het weder te vangen. Hij
+had haar zijne rechterhand toegestoken, haar, zoodra hij hare hand
+in de zijne voelde, voorzichtig gered uit den vreeselijken toestand,
+en naar den veiligen bodem van de hoogvlakte geleid. Zoolang zij
+hem gedwee volgde, geleidde hij haar naar den berg, zonder plan of
+doel. Hij wilde haar alleen van dien afgrond verwijderen. Bij een
+vierkant dioriet-blok vertraagde zij hare schreden, en Paulus, wien
+het niet ontgaan was, hoe moeielijk haar het loopen viel, noodigde
+haar uit om te gaan zitten. Hij haalde een vlak stuk rots, dat hij
+met kleine steenen vastzette, om Sirona een steun te geven voor haar
+vermoeiden rug.
+
+Zoodra de Alexandrijn dit werk had volbracht, leunde Sirona tegen den
+steen, en er lag aanvankelijk reeds eenig gevoel van welbehagen in de
+lichte zucht, die als eerste geluid zich deed hooren van hare lippen,
+die sedert hare redding vast gesloten waren.
+
+Paulus lachte haar bemoedigend toe en zeide: "Rust nu wat uit. Ik
+zie wel wat u schort. Men kan zich niet ongestraft een geheelen dag
+aan de stralen der zon blootstellen."
+
+Sirona knikte toestemmend, wees met den vinger naar haar mond, en
+smeekte met moeite en zacht: "Water, wat water!"
+
+Paulus sloeg zich met de hand voor het voorhoofd, en riep driftig:
+"Ik breng u dadelijk een frisschen dronk. In weinige oogenblikken
+ben ik weder bij u."
+
+Sirona zag hem na, terwijl hij wegvloog. Hare oogen kregen meer
+en meer eene starende, glazige uitdrukking, en het was haar, alsof
+de steen waarop zij zat zich veranderde in het schip, dat haar van
+Massilia naar Ostia had overgebracht. Zij gevoelde thans andermaal
+elke slingering van het vaartuig, die haar op de onstuimige golven
+had doen duizelen. Eindelijk scheen het haar toe dat het schip in
+een maalstroom was geraakt, en al sneller en sneller in een cirkel
+ronddraaide. Zij sloot de oogen en greep te vergeefs in de lucht naar
+een steun. Haar hoofd viel machteloos op zijde, en eer haar wang met
+haar schouder in aanraking kwam, liet zij een zachten klaagtoon hooren;
+want het was haar als geraakten alle leden van haar lichaam los, gelijk
+de bladeren in den herfst van de takken vallen. Zij zonk bewusteloos
+achterover tegen den steen, die Paulus voor haar had opgericht.
+
+Het was voor het eerst dat Sirona, overigens volmaakt gezond naar
+lichaam en geest, in onmacht viel. Maar zelfs de sterkste onder hare
+zusters zou bezweken zijn onder de aandoeningen, de inspanning, de
+ontberingen en het lijden, die deze dag over de schoone ongelukkige
+had gebracht. Eerst was zij zonder een bepaald doel in den nacht
+den berg opgevlogen. De maan bescheen haren weg, en wel een uur lang
+klom zij zonder te rusten. Toen hoorde zij de stem van wandelaars,
+die haar te gemoet kwamen. Zij verliet den straatweg en trachtte
+zich daarvan zoover mogelijk te verwijderen, want zij vreesde dat
+haar hazenwindje, dat zij telkens weder op den arm nam, wanneer zij
+het hoorde kermen en zag hinken, haar door zijn geblaf verraden zou.
+
+Ten laatste had zij zich op een steen neergezet en zich voor den
+geest gebracht, wat er in de laatste uren met haar gebeurd was, en wat
+haar verder te doen zou staan. Zij verstond voortreffelijk de kunst
+om over het verledene te droomen en schitterende luchtkasteelen te
+bouwen. Daarentegen kostte het haar moeite verstandig te overleggen en
+ernstig na te denken. Een ding was haar volmaakt duidelijk. Zij wilde
+liever verhongeren en versmachten, liever schande en ellende dragen,
+ja zelfs den dood ondergaan, dan tot haren echtgenoot terugkeeren. Zij
+wist dat zij van Phoebicius niets anders dan mishandeling, hoon en
+opsluiting in een afzichtelijk donker vertrek te verwachten had;
+maar dat alles scheen haar gemakkelijker te dragen dan de teederheid,
+waarmede hij haar nu en dan naderde. Wanneer zij daaraan dacht, voer
+haar eene koude rilling door de leden, klemde zij de witte tanden op
+elkander, balde zij de kleine handen zoo stevig, dat de nagels harer
+vingers in het vleesch drongen.
+
+Maar wat zou zij doen? Wanneer Hermas haar eens tegenkwam?--Doch welke
+hulp kon zij van hem verwachten! Wat was hij anders dan een baardelooze
+knaap, en de gedachte haar leven ook slechts voor enkele dagen aan
+het zijne te verbinden, scheen haar onzinnig en belachelijk. Zij was
+wel is waar in genen deele geneigd berouw te gevoelen en zichzelve te
+beschuldigen; doch het was toch een dwaasheid van haar geweest, dat
+zij hem in huis had geroepen om met hem te spelen. Daarbij dacht zij
+aan de harde straf die zij ontvangen had, toen zij als kind, zonder te
+weten dat zij kwaad deed, het wateruurwerk van haar vader uit elkander
+had genomen en bedorven. Zij gevoelde dat zij veel verstandiger was dan
+Hermas, en haar toestand was te ernstig geworden, dan dat zij lust kon
+gevoelen nog eens te spelen. Zij dacht wel aan Petrus en Dorothea, maar
+bij deze kon zij alleen komen wanneer zij naar de oase terugkeerde,
+en zij had alle grond om te vreezen, dat Phoebicius haar ontdekken zou.
+
+Als Polycarpus haar thans eens mocht tegenkomen op zijn terugkeer
+van Raïthoe! Maar de weg dien zij verlaten had leidde toch zeker niet
+daarheen, maar naar de poort, die meer in het Zuiden was gelegen. Zij
+wist dat de zoon van den senator haar welgezind was, want niemand
+had haar ooit met zoo innig welgevallen en met zulk een hartelijke
+vriendelijkheid in de oogen gezien. Hij was ook geen onervaren knaap,
+maar een recht ernstig man, wiens degelijkheid haar nu in een gansch
+ander licht verscheen dan voorheen. Hoe gaarne had zij zich thans
+aan Polycarpus' steun en leiding overgegeven! Doch hoe zou zij hem
+bereiken? Neen, ook van hem had zij niets te wachten. Zij moest zich
+op eigene kracht verlaten en besloot, terwijl het morgenrood reeds
+was geweken voor het opgaan der zon aan een wolkenloozen hemel, zich
+gedurende den dag op den berg schuil te houden, en tegen het aanbreken
+van den nacht af te dalen naar de zee, ten einde te beproeven met
+een bootje van den een of anderen schipper naar Klysma en van daar
+naar Alexandrië te ontkomen.
+
+Zij droeg een ring aan den vinger met een sierlijk gesneden onyx,
+keurige oorhangers en een gouden armband aan den linker arm. Dit
+sieraad was van gedegen goud, en bovendien bezat zij, behalve eenig
+zilvergeld, een groot gouden muntstuk, dat haar vader haar, vóor zij
+naar Rome vertrok, als teerpenning van zijne armoede had geschonken,
+en dat zij tot hiertoe uiterst zorgvuldig had bewaard, alsof het
+een talisman was. Zij bracht thans dit in een stukje linnen genaaid
+aandenken aan hare lippen, en dacht aan haar ouderlijk huis en hare
+broertjes en zusjes.
+
+De zon steeg intusschen al hooger en hooger. Zij dwaalde van rots
+tot rots, om een schaduwrijk plekje en eene bron te zoeken. Doch
+zij vond geen water, en toch kwelde haar een hevige dorst en een
+onuitstaanbare honger. Tegen den middag verdween ook de schaduwstreep,
+waarin zij beschutting had gezocht voor de stralen der zon, die nu
+onmeedoogend op haren onbedekten schedel brandde. Haar voorhoofd en
+haar nek begonnen hevig pijn te doen, en zij ontvlood de verzengende
+lichtstralen als een soldaat de pijlen van zijn vervolger. Achter
+de rotsen, die de hoogvlakten omzoomden, waar Paulus haar aantrof,
+vond zij eindelijk geheel uitgeput eene half beschaduwde rustplaats.
+
+Het hazenwindje ademde reutelend in haar schoot en stak het gebroken
+pootje naar haar uit. Reeds in den morgen, op de eerste plaats waar
+zij ruste, had zij dat pootje zorgvuldig verbonden met een stuk
+doek, dat zij met behulp van hare tanden van haar onderkleed had
+afgescheurd. Thans legde zij een nieuw verband, wiegde het diertje
+in hare armen en liefkoosde het als een klein kind. De hond was even
+ellendig en lijdend als zij, en tegelijk het eenige wezen waarvoor
+zij, ondanks hare hulpeloosheid, iets zijn en waaraan zij iets doen
+kon. Maar weldra ontzonk haar ook de kracht om liefkozende woordjes
+te spreken en het diertje met de hand te streelen.
+
+Het hondje gleed van haar schoot en hinkte weg, terwijl zij
+onbewegelijk voor zich bleef staren, om eindelijk in eene onrustige
+sluimering haar lijden te vergeten, tot Jambe's geblaf en de schreden
+van den Alexandrijn haar wekten. Half versmacht en met verdroogde tong,
+terwijl haar voorhoofd, waarin allerlei verwarde denkbeelden dooreen
+joegen, gloeide, meende zij dat Phoebicius haar spoor had gevonden
+en nu verscheen om haar te grijpen. Zij had reeds lang den afgrond
+gezien, aan welks rand zij was gevlucht, vast besloten zich liever
+in de diepte te werpen, dan zich aan hem over te geven.
+
+Paulus had haar van dien val in de diepte gered, doch toen hij nu met
+twee platte steenen, in welker een weinig gebogene oppervlakten zich
+frisch, zoo even geschept water bevond, en die hij, op zijne teenen
+gaande, met moeite in evenwicht hield, tot de Gallische terugkeerde,
+meende hij dat de onverbiddelijke dood toch het offer, dat hij hem
+ontwrongen had, al te snel had teruggeëischt. Immers Sirona's hoofd
+hing machteloos op haar borst, haar aangezicht was naar haar schoot
+gekeerd, maar daar, waar zich om haar achterhoofd het dichte haar
+in twee vlechten verdeelde, bemerkte Paulus op de blanke hals van
+de onmachtige een roode vlek, die veroorzaakt moest zijn door het
+branden der zon.
+
+Zijne ziel was vol medelijden met dat jonge, schoone, ongelukkige
+schepsel, en terwijl hij haar bij de kin vatte, die op de borst
+was neergezonken, haar bleek gezicht oprichtte, haar voorhoofd en
+hare lippen met water bevochtigde, bad hij in stilte, dat zij in
+het leven mocht blijven. De vlakke holten van zijne steenen, die
+hij als nappen gebruikte, konden maar eene zeer kleine hoeveelheid
+verfrisschend water bevatten; hij was dus gedwongen meermalen naar
+de bron terug te keeren. Terwijl hij zich verwijderde bleef het
+hondje bij zijne meesteres, om nu eens hare handen te lekken dan
+weder met zijn verstandig neusje haar mond te naderen, en haar zoo
+angstig onderzoekend aan te zien, als wilde hij tot zekerheid komen,
+hoe het haar ging.
+
+Toen Paulus voor het eerst voor Sirona water ging scheppen had
+hij den hond bij de bron gevonden en bij zichzelven gedacht: "Dat
+redelooze dier heeft de bron zonder gids ontdekt, terwijl zijne
+meesteres schier versmacht is. Wie zijn nu slimmer, wij menschen, of
+de dieren?" Het hondje deed van zijne zijde zijn best om deze goede
+meening niet te logenstraffen, want terwijl het hem in den beginne
+vijandig had aangeblaft, toonde het zich nu vriendelijk jegens hem,
+en keek hem van tijd tot tijd in het gezicht, als wilde het vragen:
+"Hebt ge hoop dat zij weer beter zal worden?"
+
+Paulus was een vriend van dieren en begreep den hond. Toen Sirona's
+lippen zich weder begonnen te bewegen en te kleuren, streelde hij
+Jambe's glad, spits kopje en zeide, terwijl hij met een gebogen blad
+vol water den mond zijner meesteres naderde: "Let op, mijne kleine,
+hoe het haar begint te smaken!--Nog wat, en ook dat en dit nog! Zij
+trekt een gezicht als gaf ik haar zoeten Falerner. Kom, ik ga den
+steen weder vullen. Blijf gij nu bij haar! Ik ben dadelijk terug, en
+eer ik wederkom zal zij hare oogen wel openen. Gij ziet er sierlijker
+uit dan ik met mijne stoppelige grauwe baard, en als zij wakker wordt
+zal het haar aangenamer zijn u te vinden dan mij."
+
+De voorspelling van Paulus werd vervuld, want toen hij Sirona weder
+met het water naderde, zat zij overeind, wreef zij de wijdgeopende
+oogen uit, rekte zij hare leden, omhelsde het hondje met beide armen,
+om daarna uit te barsten in een vloed van tranen.
+
+De Alexandrijn bleef met het water roerloos ter zijde staan, om
+haar niet te storen, en dacht: "Met deze tranen wascht zij hare
+ziel voor een goed deel schoon van het lijden."--Eerst toen zij
+wat tot bedaren kwam en de oogen begon te drogen, naderde hij haar,
+overhandigde haar den steen, waarmede hij geschept had, en sprak hij
+haar vriendelijk toe.
+
+Zij dronk met hartstochtelijk welgevallen, at het in het water
+gedoopte stuk brood, het laatste dat hij in den zak van zijn
+kleed had gevonden, en dankte hem met de haar eigene kinderlijke
+vriendelijkheid. Vervolgens beproefde zij op te staan, en liet zich
+daarbij gewillig door hem ondersteunen. Zij gevoelde zich wel mat,
+haar hoofd deed pijn, maar zij kon toch staan en gaan.
+
+Nadat Paulus zich ook overtuigd had, dat zij zonder koorts was, zeide
+hij: "Nu ontbreekt u voor heden niets anders dan een warm gerecht en
+een bed, dat u beschut tegen de koelte van den nacht. Voor beiden zal
+ik zorgen. Zet u hier neder! De rotsen werpen reeds langer schaduwen:
+ik keer terug eer de zon achter de bergen verdwijnt. Laat u, terwijl
+ik weg ben, den tijd verdrijven door uw vierbeenigen metgezel."
+
+Met haastige schreden ijlde hij weder naar de bron, in welker nabijheid
+zich het verlaten Anachoreten-hol bevond, dat hij zich voorgenomen
+had te betrekken in plaats van zijne oude woning. Na een oogenblik
+gezocht te hebben, vond hij het, en daarin tot zijne niet geringe
+vreugde een goed onderhouden legerstede van gedroogde kruiden, die hij
+dadelijk omschudde en op nieuw terecht legde, verder een vuurhaard en
+een vuurboor, een waterkruik en in een soort van kelderruimte, die
+zijn geoefend oog spoedig ontdekte, hoewel de ingang zorgvuldig met
+steenen was bedekt, een aantal ongezuurde brooden, en ten slotte nog
+eenige potten. In den eenen lagen goede dadels, in den anderen blank
+meel, een derde was half gevuld met sesam-olie en een vierde met zout.
+
+"Welk een geluk," prevelde de Anachoreet in zichzelven, terwijl hij
+het hol verliet, "dat die gestorven oude zoo'n slemper is geweest!"
+
+Toen hij tot Sirona terugkeerde, was de zon aan de westerkim
+gedaald. Er lag iets in het wezen van Paulus, dat het ieder onmogelijk
+maakte hem te wantrouwen, en de Gallische was gaarne bereid hem te
+volgen. Maar zij gevoelde zich zoo zwak, dat zij ter nauwernood zich
+op de been kon houden. "Het is mij," zeide zij, "alsof ik een klein
+kind ben, dat pas moet leeren loopen."
+
+"Laat mij dan uw voedster zijn. Ik heb eens eene Spartaansche baker
+gekend, die een baard had bijna even zoo ruw als den mijnen. Leun
+gerust op mij, en loop eenige malen met mij hier op de vlakte op en
+neer, eer wij daar naar boven stijgen."
+
+Zij vatte zijn arm en langzaam ging hij met haar heen en weer. Daarbij
+doken tafereelen uit zijne jeugd in zijne herinnering op. Hij dacht
+aan den dag, toen het zijne van eene zware krankheid herstelde zuster
+voor de eerste maal vergund werd weder buiten te komen. Zij was op zijn
+arm geleund naar de gaanderij van het ouderlijk huis gegaan, en toen
+hij nu met de arme, matte, verlatene Sirona op en neder wandelde, nam
+zijne verwaarloosde gestalte hoe langer hoe meer de voorname houding
+van een edelen Griek aan, en in plaats van op den ruwen rotsgrond,
+meende hij op den schoone mozaïek-bodem van het ouderlijk huis te
+wandelen. Paulus was weder Menander, en ofschoon de eerste, zoo als
+hij zich thans voordeed, bitter weinig deed denken aan den laatste,
+dien hij in zich gedood had, zoo vervulde den verachten kluizenaar
+met de uitgeworpen zondares aan zijn arm, toch hetzelfde trotsche
+gevoel van eene vrouw tot steun te zijn, dat de voornaamste jongeling
+der wereldstad had gevoeld, toen hij de dochter, om welker bezit hij
+zich zooveel moeite had gegeven, voorbij de jubelende menigte slaven
+van haar vader had weggeleid.
+
+Sirona moest Paulus herinneren dat de nacht begon te vallen,
+en verschrikte, toen de Anachoreet haar arm met onvriendelijke
+driftigheid uit de zijne verwijderde, en haar met zekere ruwheid,
+die zij nog niet in hem had opgemerkt, gebood hem te volgen.
+
+Zij gehoorzaamde en werd door hem, zoo vaak men over rotsen moest
+klimmen, ondersteund en opgeheven; doch hij sprak nog slechts alleen,
+wanneer zij hem vroeg. Toen zij het doel hunner reis bereikt hadden,
+wees hij haar de legerstede en verzocht haar wakker te blijven,
+totdat hij een warm maal voor haar zou hebben gereed gemaakt. Wat
+later bracht hij haar zwijgend het eenvoudig avondmaal en wenschte
+haar goeden nacht, zoodra zij het had aangenomen.
+
+Sirona deelde het brood en de gezouten meelbrei met haar hondje,
+legde zich vervolgens op het bed neder en zonk dadelijk in een
+diepen slaap, zonder te droomen, terwijl Paulus naast den vuurhaard
+in zittende houding den nacht doorbracht. Hij deed al zijn best
+den slaap door gebeden te verbannen, maar dikwijls overviel hem de
+vermoeidheid, en meermalen moest hij aan de Gallische denken, en aan
+allerlei dingen die hij, als hij nog de rijke Menander was geweest,
+in Alexandrië voor haar genoegen zou hebben gekocht. Hij bracht geen
+enkel gebed ten einde, want òf de oogen vielen hem toe voor hij het
+'amen' had uitgesproken, òf allerlei wereldsche beelden drongen zich
+aan hem op en noodzaakten hem, wanneer het hem gelukt was ze van zich
+te zetten, van voren af te beginnen. In dezen half slapenden, half
+wakenden toestand, kon hij geen oogenblik tot nadenken of rustige
+overweging komen, ook niet wanneer hij opzag naar den sterrenhemel,
+of neerzag op de oase, die rustte onder den sluier van den nacht,
+ofschoon ook daar menigeen, evenals hijzelf, de rust vruchteloos zocht.
+
+Wie van de burgers van het vlek mocht wel waken bij het licht, dat
+hij daar beneden buitengewoon helder zag flikkeren, tot hij zelf,
+door vermoeidheid overmand, in slaap viel?
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het lichtschijnsel in de oase-stad, dat de aandacht van den Alexandrijn
+had getrokken, kwam uit Petrus' woning, en wel uit de kamer van
+Polycarpus, die de geheele ruimte van een klein gebouw innam, dat de
+senator, als een huisje door het groote huis gedragen, voor zijn zoon
+aan de noordzijde op het ruime vlakke dak had laten optrekken.
+
+De jonkman was tegen den middag met de pas geworven slaven aangekomen,
+had alles wat in zijne afwezigheid gebeurd was vernomen, en zich na
+het avondeten stil in zijn vertrek teruggetrokken. Daar was hij nu
+aan het werk. Een bed, een tafel, waarop en waaronder verschillende
+wastafeltjes, papyrusrollen, metalen stiften en schrijfrietjes
+lagen, benevens een kleine bank met een waterbekken en kan vormden
+de meubileering van deze ruimte, tegen welker wit gepleisterde wanden
+allerlei figuren van dieren en menschen, en verschillende steenplaten
+met relief-voorstellingen in eene lange rij naast elkander stonden
+en hingen. In een hoek lag, naast een steenen watervat, een groote
+klomp klei glimmende van natheid. Drie lampen, die aan standaards
+bevestigd waren, verlichtten meer dan voldoende deze werkplaats,
+en vooral een op een hoog voetstuk staand beeld, waaraan Polycarpus'
+vingers ijverig bezig waren te vormen.
+
+Phoebicius had den jongen beeldhouwer een heertje naar de mode genoemd,
+en niet geheel ten onrechte, want hij hield er van zich goed te
+kleeden, en was zeer kieskeurig op vorm en kleur van zijne eenvoudige
+gewaden; ook verzuimde hij zelden zijne weelderige lokken zorgvuldig
+te ordenen en geurig te zalven. Toch was het hem bijna onverschillig,
+hoe anderen over zijn uiterlijk dachten, maar hij kende niets edelers
+dan de menschelijke gestalte, en zekere neiging, waaraan hij geen
+weerstand bood, drong hem juist zijn eigen lichaam zóo te onderhouden,
+als hij dat van een ander wenschte te zien. In dit nachtelijk uur droeg
+hij echter niets dan zijn onderkleed van witte wollen stof met donker
+roode randen. Zijn gewoonlijk zoo keurig geschikte lokken waren verward
+en schenen naar boven te vliegen; in plaats van ze te beteugelen en
+neer te strijken, hielp hij ze in hunne weerspannigheid, door vaak
+onder zijn arbeid driftig met de hand door zijn haar te strijken.
+
+Een vleermuis, aangetrokken door het helder licht, vloog door
+de vensteropening, die alleen van onderen met een donker doek
+behangen was, en beschreef eenige cirkels langs de zoldering van het
+vertrek. Maar hij merkte het dier niet op, want zijn werk hield hem
+naar ziel en lichaam geheel bezig. Terwijl hij zoo hartstochtelijk
+en met zooveel inspanning aan den arbeid was, en iedere zenuw,
+elke ader scheen mede te werken, zou zijn oor geen hulpgeschreeuw,
+zijn oog zelfs geen aan zijne zijde opflikkerende vlam hebben
+waargenomen. Zijne wangen gloeiden; over zijn voorhoofd spreidde zich
+een net van parelende zweetdruppels uit, en zijne blikken schenen
+als vastgekluisterd te zijn aan het beeldwerk, dat zich al meer en
+meer begon af te ronden. Soms deed hij eenige schreden achterwaarts
+en verhief hij beide handen tot op de hoogte van zijne slapen, als
+wilde hij den weg begrenzen, die zijne blikken volgen moesten. Dan
+weder naderde hij het model en greep hij in de kneedbare kleimassa,
+als ware deze het vleesch van zijn vijand.
+
+Thans arbeidde hij aan de dichte haren van het voorwerp, dat sedert
+lang reeds de vormen van een vrouwekop vertoonde, en wierp de brokken
+klei, die hij van het achterhoofd wegnam, zoo onstuimig op den grond,
+als slingerde hij ze zijne tegenpartij voor de voeten. Nu was hij
+met de vingertoppen en de spatel aan den mond, de neus, de wangen
+en de oogen bezig, en daarbij nam zijn gelaat eene zachte plooi aan,
+die eindelijk overging in eene uitdrukking van dweepzieke verrukking,
+toen de trekken die hij vormde meer en meer begonnen te gelijken op
+het beeld, naast hetwelk geen ander in dit uur in zijne voorstelling
+plaats kon vinden.
+
+Eindelijk had hij, terwijl zijne wangen sterk kleurden, ook de
+weeke vormen van de ronde schouders afgewerkt, en toen hij nu weder
+terugtrad, om den vollen indruk te ontvangen van zijn voltooid werk,
+voer er eene koude rilling door zijne leden en kwam hij in verzoeking
+het op te nemen en met alle kracht op den grond te slingeren. Doch
+weldra werd hij deze stormachtige aandoening weder meester, streek hij
+meermalen met de hand door zijne haren, en plaatste zich ten laatste
+met een weemoedig lachje en gevouwen handen vóor zijne schepping.
+
+Terwijl hij daar al dieper in beschouwing verzonken stond, bemerkte
+hij niet dat de deur achter hem open ging, hoewel de vlammen zijner
+lampen, door den tocht bewogen, heen en weer flikkerden, en zijne
+moeder, die de werkplaats binnentrad, volstrekt het voornemen niet had
+hem onopgemerkt te naderen en hem te verrassen. Uit zorg voor haren
+lieveling, wien de dag van gisteren zoovele illusiën had ontnomen, had
+zij den slaap niet kunnen vatten. De kamer van Polycarpus lag boven
+haar slaapvertrek, en toen de stappen boven haar hoofd haar zeiden,
+dat hij, hoewel de morgen weldra zou aanbreken, zich altijd nog niet
+ter ruste had gelegd, was zij zachtkens opgestaan, zonder Petrus, die
+scheen te slapen, te wekken. Zij volgde hare moederlijke begeerte, om
+Polycarpus met vriendelijke woorden te bemoedigen, toen zij den smallen
+trap, die naar het dak leidde, opklom en zijn vertrek binnentrad.
+
+Zij bleef een tijdlang verrast, besluiteloos en zonder te spreken
+achter den jongeling staan en beschouwde de helder verlichtte,
+schoone trekken van het pas ontworpen beeld, dat maar al te zeer op
+het haar welbekende voorbeeld geleek. Eindelijk legde zij de hand op
+den schouder van haar zoon, en riep hem bij zijn naam. Polycarpus
+ging achteruit en keek zijne moeder aan met verwarde blikken, als
+iemand die plotseling uit den slaap wordt gewekt. Zij brak echter de
+stamelende woorden af, waarmede hij begon haar te begroeten, en vroeg,
+terwijl zij op het beeld wees, niet zonder eenige gestrengheid in
+den toon harer stem: "Wat moet dat beteekenen?"
+
+"Ja, moeder, wat moet dat beteekenen?" antwoordde Polycarpus, en
+schudde het hoofd. "Vraag mij thans niet verder. Al wildet ge mij
+niet met rust laten voor ik een antwoord heb gegeven, en al wilde
+ik beproeven u te verklaren, hoe ik heden, juist heden gedrongen en
+gedwongen werd het beeld van deze vrouw te boetseeren, zoo zoudt gij,
+zoo zouden allen mij toch niet begrijpen!"
+
+"God beware mij, dat ik dat ooit zou begrijpen," riep Dorothea. "Gij
+zult niet begeeren uws naasten vrouw! heeft de Heer op dezen berg
+bevolen. En gij?--Ik zou u niet kunnen begrijpen, meent gij? Wie zal u
+dan anders verstaan dan uwe moeder?--Dat begrijp ik niet, hoe de zoon
+van Petrus en mij het voorbeeld en de lessen zijner ouders zoo geheel
+in den wind kan slaan. Doch wat gij met dit uw beeld bedoelt is toch,
+zoo ik meen, niet zoo moeielijk te raden. Wijl de verbodene vrucht
+te hoog voor u hangt, misbruikt gij uwe kunst en vormt gij voor u een
+beeld, dat haar gelijkt, naar uw smaak! Kom er maar eenvoudig en rond
+voor uit: daar uw oog de vrouw van den Galliër niet meer werkelijk
+kan bereiken, en gij den lieflijken aanblik van deze schoone toch
+niet kunt missen, maakt gij voor u eene beeltenis van klei, om met
+haar te kozen en afgoderij te plegen, gelijk de joden van weleer met
+het gouden kalf en den koperen slang."
+
+Polycarpus luisterde zwijgend en onder smartelijke aandoeningen
+naar de hevige berisping van zijne moeder. Zoo had vrouw Dorothea
+nog nooit tot hem gesproken, en het deed hem onuitsprekelijk leed,
+zulke woorden te hooren juist uit een mond, die anders nooit tot hem
+pleegde te spreken dan op een toon van innige teederheid. Zij was
+tot hiertoe steeds geneigd geweest voor zijne zwakheden en kleine
+misslagen eene verschooning te vinden, ja de ijver waarmede zij,
+in tegenwoordigheid van vreemden zoowel als van de zijnen, zijne
+gaven en zijne werken waardeerde en prees, had hem wel eens pijnlijk
+aangedaan. En thans? Voorzeker zij had recht op hem vertoornd te zijn,
+want Sirona was de vrouw van een ander, had zijne neiging zelfs nooit
+opgemerkt, en was, zooals ten minste allen zeiden, misdadig geworden
+ter wille van een vreemde. Het moest den menschen dus wel dwaas en
+zondig toeschijnen, juist van hem, dat hij het beste wat hij bezat,
+zijne kunst, aan zulk eene vrouw ten offer bracht. Maar hoe weinig
+begreep Dorothea, die er toch anders altijd op uit was hem te verstaan,
+welk een overmachtig gevoel hem tot dezen arbeid had gedwongen!
+
+Hij beminde en vereerde zijne moeder met geheel zijn hart, en daar
+hij gevoelde dat zij door de valsche en onwaardige uitlegging, die
+zij aan deze daad gaf, hem onrecht aandeed, antwoordde hij op hare
+ernstige toespraak, terwijl hij biddend de handen tot haar ophief:
+"Neen, moeder, neen! Zoo waar God mij helpen mag, zóo is het niet! Wel
+heb ik dit hoofd geboetseerd, maar niet om het te bewaren en er een
+zondig spel mede te drijven, maar om mij los te maken van het beeld,
+dat dag en nacht voor het oog mijner ziel staat, in de stad en in de
+woestijn, het beeld welks glans mijn verstand benevelt als ik denk,
+mijne ziel als ik poog te bidden. Aan wien is het gegeven een mensch
+in het hart te lezen? Maar is niet de gestalte en het gelaat van
+Sirona eene wonderbare schepping van den Allerhoogste? Sedert ik
+haar voor het eerst zag, toen zij in ons huis haar intrek nam, heb
+ik mij voorgenomen dit beeld zóo na te bootsen, dat de betoovering,
+die de aanblik van de Gallische op mij uitoefende, door ieder zou
+moeten worden gevoeld, die mijn werk zou beschouwen. Ik moest naar
+de hoofdstad terugkeeren, en daar verkreeg het werk, dat ik scheppen
+wilde, meer bepaalde omtrekken, en ik vond elk uur iets te veranderen
+en te verbeteren in de houding van het hoofd, den opslag der oogen
+en de uitdrukking van den mond. Maar het ontbrak mij aan moed om de
+hand aan het werk te slaan, want het scheen mij eene bovenmenschelijke
+stoute onderneming, het beeld, dat zoo helder voor mijne ziel stond,
+door middel van grauwe klei en bleek marmer zóo tot eene werkelijkheid
+te doen worden, dat het voltooide kunstwerk voor de zinnelijke
+aanschouwing niet minder uitwerking zou hebben, dan het beeld in
+het heiligdom van mijn gemoed voor mijn geestelijk oog. Intusschen
+verzuimde ik mijn arbeid niet, won ik den prijs met mijne modellen van
+leeuwen, en toen ik den goeden herder die de kudde zegent voor den
+lijksteen van Comes gelukkig mocht voltooien, en de meesters in de
+kunst de uitdrukking van zelfverloochenende liefde in het beeld van
+den Verlosser prezen, toen wist ik--neen, val mij niet in de rede,
+moeder, want wat ik ondervonden heb is rein, en ik spot niet!--toen
+wist ik, dat ik den steen met liefde kon bezielen, omdat ikzelf van
+liefde vervuld was. Ten laatste liet dat beeld mij geen rust, en ook
+zonder vaders roepstem zou ik tot u teruggekeerd zijn. Ik zag haar
+thans weder en vond haar nog veel schooner, dan de voorstelling die
+mijne ziel beheerschte. Bovendien hoorde ik haar spreken en lachen,
+met een geluid zoo helder als van eene klok. En toen.... toen.... Gij
+weet wat ik gisteren moest vernemen! De onwaardige echtgenoote
+van den onwaardigen man, de vrouw Sirona ging voor mij verloren,
+en ik beproefde ook haar beeld uit mijne ziel te verwijderen, het
+te vernietigen, het op te lossen;--maar te vergeefs! Al meer en meer
+werd ik door eene wonderbare kracht gedreven om te boetseeren. Spoedig
+maakte ik de lampen gereed, nam de klei ter hand, en bracht daarin
+met pijnlijk welgevallen trek voor trek over van het beeld, dat diep
+in mijn hart stond gegrift, en meende dat ik op deze wijze alleen
+daarvan verlost kon worden. Daar staat nu de vrucht, die hier binnen
+gerijpt is; maar daar zij zoo lang verborgen leefde, gevoel ik eene
+akelige leegte, en wanneer nu de schalen, die dit beeld zoolang met
+teedere liefde hebben omsloten, verdorren en uit elkander vallen,
+dan zal het mij niet verwonderen.--Aan dit voorwerp hangt het beste
+deel van mijn leven!"
+
+"Genoeg!" viel Dorothea haar zoon in de rede, die diep bewogen en
+met bevende lippen vóor haar stond. "Dit moge God verhoeden, dat
+dit schijnbeeld u naar lichaam en ziel ten verderve voert. Gelijk ik
+niets onreins duld in mijn huis, zoo moogt gij het ook niet dulden in
+uw hart! Wat slecht is, kan nooit schoon zijn, en hoe liefelijk dat
+gelaat er ook uitziet, zoo heb ik er toch een afkeer van, wanneer ik
+bedenk, dat het dien weggeloopen bedelaar misschien nog vriendelijker
+heeft toegelachen. Als de Galliër haar weer terugbrengt, dan zet ik
+haar mijn huis uit, en ik zal met deze handen het beeld vernielen,
+wanneer gij het niet dadelijk hier in stukken slaat!"
+
+Dorothea's oogen zwommen in tranen, terwijl zij deze woorden uitte. Zij
+had onder het spreken van haar zoon met trots en ontroering gevoeld,
+welk een eigenaardig en edel karakter hij had. De gedachte dat deze
+zeldzame en groote schat bedorven, ja misschien vernietigd zou worden,
+terwille van eene slechte vrouw, deed haar zichzelve vergeten, en
+vervulde haar goedhartig moederhart met hevigen toorn.
+
+Vast besloten hare bedreiging terstond tot waarheid te maken, liep zij
+naar het beeld toe. Doch Polycarpus trad haar in den weg, hief smeekend
+en afwerend tegelijk zijne armen op, en zeide: "Nog niet, heden niet,
+moeder! Ik wil het bedekken en stellig niet weder aanzien voor morgen;
+maar eenmaal, een enkele maal wil ik het in het zonlicht beschouwen."
+
+"Opdat morgen de oude dwaasheid opnieuw in u ontwake!" riep
+Dorothea. "Ga mij uit den weg, of neem zelf den hamer."
+
+"Gij beveelt het, en gij zijt mijne moeder," antwoordde Polycarpus.
+
+Langzaam naderde hij de kast, waarin zijne werktuigen lagen, en dikke
+tranen biggelden langs zijne wangen, terwijl hij den greep van den
+zwaren hamer vatte.
+
+
+
+Wanneer in den zomer de hemel vele dagen achtereen volmaakt helder is
+geweest, en heden zich wolken samenpakken tot een onweder, en de eerste
+zwijgende en onheilspellende bliksemstraal, gevolgd door het luid en
+statig rollen van den donder, den menschen schrik heeft aangejaagd,
+dan volgt er weldra een tweede en een derde weerlicht.
+
+Sedert den stormachtigen nacht van gisteren, die stoornis had gebracht
+in het stille, arbeidzame en eentonige leven van Petrus' gezin, was
+er veel gebeurd, dat den senator en zijne vrouw met nieuwe onrust
+vervulde. In andere huizen was het geen zeldzaamheid, dat een slaaf
+de vlucht nam; in dat van Petrus had zich dat sedert twintig jaren
+niet voorgedaan. Gisteren was het echter gebleken, dat de herderin
+Mirjam was weggeloopen.
+
+Dat was verdrietig, maar de stille droefheid van zijn zoon Polycarpus
+maakte den senator meer bezorgd. Het beviel hem niets, dat de
+anders zoo levendige jongeling het verbod van Agapitus om zijne
+leeuwen te voltooien, zonder tegenspraak, ja bijna onverschillig
+had aangehoord. De sombere blik en de matte, gebrokene houding van
+zijn zoon kon Petrus maar niet vergeten, toen hij zich eindelijk
+ter rust begaf. Het was al laat, maar hij kon zoo min als Dorothea
+den slaap vatten. Terwijl de moeder dacht aan den zondige liefde van
+haren zoon, en de wonde die zijn jong, bitter bedrogen hart zou doen
+bloeden, beklaagde de vader Polycarpus, omdat deze teleurgesteld was
+in zijne hoop van zijne kunst in een groot werk te mogen toonen. En
+hij herinnerde zich daarbij de zware smartvolle dagen van zijne
+eigene jeugd; want ook hij was bij een beeldhouwer te Alexandrië in
+de leer geweest; ook hij had de werken der heidenen als verhevene
+voorbeelden bewonderd en getracht na te volgen. Zijn meester had hem
+zelfs toegestaan zijne eigene ontwerpen uit te voeren. Uit het groot
+aantal onderwerpen had hij als symbolische voorstelling van de ziel
+die naar verlossing smacht, een Ariadne gekozen, die vol verlangen
+naar den terugkeer van Theseus uitziet. Hoe had dit werk zijne ziel
+vervuld, hoe genotvol waren voor hem de uren geweest, waarin hij aan
+het verwezenlijken van deze schepping zijner verbeelding had gearbeid!
+
+Daar verscheen zijn strenge vader in de hoofdstad, en zag zijn arbeid
+vóor die geheel voltooid was. In plaats van het werk te prijzen, spotte
+hij er mede, noemde hij het minachtend een heidensch afgodsbeeld, en
+beval Petrus terstond met hem terug te keeren en bij hem te blijven;
+want zijn zoon en erfgenaam moest een vroom christen zijn en bovendien
+een degelijk steenhouwer, geen halve heiden en vervaardiger van
+afgodsbeelden. Petrus had zijne kunst zeer liefgehad, maar er viel
+tegen het bevel zijns vaders niets in te brengen, wien hij naar de
+oase volgde, om daar toe te zien op de werkzaamheden der slaven, die
+steenen moesten houwen, en om de voor sarcophagen en zuilen bestemde
+granietblokken af te meten en hunne bewerking te leiden.
+
+Zijn vader was van staal en hij een jongeling van ijzer. Toen hij
+zich gedwongen zag den vaderlijken wil op te volgen, en de werkplaats
+van zijn meester en zijn onvoltooiden lievelingsarbeid vaarwel te
+zeggen, om een handwerker, een man van zaken te worden, toen zwoer
+hij nooit weder een stuk klei in de hand te zullen nemen, noch den
+bijtel te voeren. En hij hield woord, ook na den doods zijns vaders;
+maar zijne lust om ontwerpen te maken en zijne liefde voor de kunst
+leefde in hem voort, en ging op zijne beide zonen over.
+
+Antonius was een kunstenaar van grooten aanleg, en als de meester van
+Polycarpus zich niet vergiste en zijne vaderlijke liefde hem niet
+bedroog, dan was zijn tweede zoon op weg om den hoogsten, slechts
+voor de uitverkoren bereikbaren trap der kunst te bestijgen. Petrus
+kende de modellen van zijn goeden herder en van de leeuwen, en moest
+erkennen, dat zij in waarheid, kracht en majesteit niet te overtreffen
+waren. Was het wonder dat de jonge kunstenaar vurig begeerde ze in
+harden steen uit te voeren, en ze te zien prijken op eene waardige,
+zij het ook onheilige plaats, die hem was toegestaan? En nu verbood
+den bisschop hem den arbeid, en de arme jongen kon niet anders te
+moede zijn dan hijzelf, ongeveer dertig jaren geleden, toen hem
+bevolen was zijn eerste werk onvoltooid te laten.
+
+Was de bisschop werkelijk in zijn recht?--Deze en vele dergelijke
+vragen verdrongen zich in de ziel van den vader, terwijl hij niet
+slapen kon, en zoodra hij hoorde dat zijne vrouw opstond, om haar
+zoon op te zoeken, wiens voetstappen ook hij boven zijn hoofd hoorde,
+volgde hij Dorothea.
+
+Hij vond de deur van de werkplaats open en werd, zonder gezien of
+gehoord te worden, getuige van de hevige woorden zijner vrouw en de
+rechtvaardiging van den jongeling, wiens werk, door het licht der
+lampen beschenen, daar vóor hem stond. Zijn oog was onafgebroken
+op dat kleibeeld gericht. Hij zag en zag altijd, en werd niet moede
+het te beschouwen. Zijne ziel werd vervuld met denzelfden eerbied,
+dezelfde aandachtige bewondering, die hij had gevoeld, toen hij als
+jongeling in het Caesareum voor de eerste maal de werken van de groote
+meesters van het oude Athene met zijne oogen had gezien.
+
+En deze kop was het werk van zijn zoon!
+
+Innerlijk geroerd stond hij daar, drukte de handen samen, hield zijn
+adem in en slikte een en andermaal met zijn drogen mond, om zijne
+tranen te bedwingen. Daarbij luisterde hij in groote spanning, om
+toch geen woord uit Polycarpus' mond te verliezen.
+
+"Zoo, ja zóo alleen ontstaan de groote werken der kunst," zeide hij
+tot zichzelven. "Had de Heer mij met zulke gaven begenadigd als deze
+bezit, waarlijk, geen vader, geen godheid had mij kunnen dwingen
+mijne Ariadne onvoltooid te laten. De houding van het lichaam was
+toch zoo slecht niet, zou ik meenen, maar de kop, het hoofd..... Ja,
+wie zulk een beeld als dat daar vormen kan, diens blikken en handen
+worden door heilige geniën der kunst geleid. Hij die dit hoofd heeft
+gemaakt, hij zal nog in later dagen geroemd worden naast de groote
+meesters van Athene. Hij, ja hij, barmhartige hemel, hij die daar
+staat is mijn lijfelijke zoon!
+
+Een zalig gevoel, zooals hij sedert zijne jeugd niet had ondervonden,
+vervulde zijn hart, en de ijver van Dorothea scheen hem deels
+beklagenswaardig, deels belachelijk toe.
+
+Eerst toen zijn zoon naar den hamer greep, plaatste hij zich tusschen
+het beeld en zijne vrouw, en zeide vriendelijk: "Wij kunnen met de
+vernietiging van dit kunstwerk toch nog wel wachten tot morgen. Vergeet
+het model, mijn jongen, nadat gij er zoo gelukkig gebruik van hebt
+gemaakt. Ik weet eene betere geliefde voor u, de kunst, wie alles
+toebehoort, wat de Allerhoogste schoons heeft geschapen; de kunst,
+waarop een Agapitus niet smalen kan, háar geheel en onverdeeld!"
+
+Polycarpus vloog zijn vader in de armen, en de anders zoo ernstige
+man, zichzelven nauwelijks meester, kuste het voorhoofd, de oogen en
+de beide wangen van den jongeling.
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Omstreeks den middag van den volgenden dag trad de senator het
+vrouwenvertrek binnen en richtte reeds op den drempel de vraag tot
+zijne vrouw, die aan het weefgestoelte zat: "Waar is Polycarpus? Ik
+vond hem niet bij Antonius, die bezig is het altaar op te stellen. Ik
+dacht hem bij u te vinden."
+
+"Na de kerk bezocht te hebben," antwoordde Dorothea, "heeft hij den
+berg bestegen. Loop eens in de werkplaats, Marthana, en zie of uw
+broeder al terug is."
+
+Hare dochter gehoorzaamde volgaarne en spoedig aan dit bevel, want
+zij had haren broeder innig lief, in wien zij den schoonste en beste
+van alle mannen meende te zien.
+
+Zoodra de echtgenooten alleen waren, zeide Petrus, terwijl hij zijne
+vrouw vrijmoedig en hartelijk de hand toestak: "Nu, moeder, sla toe!"
+
+Dorothea aarzelde een oogenblik en zag hem aan, als wilde zij vragen:
+"Zal eindelijk uw trots u vergunnen, mij niet langer onrecht aan
+te doen?"
+
+Dat was een verwijt, maar waarlijk geen streng, anders toch zou men
+dien vriendelijken trek om hare lippen niet hebben kunnen opmerken,
+waarmede zij als het ware zeggen wilde: "Gij kunt toch niet lang
+boos op mij zijn; het is daarom goed dat alles weder wordt gelijk
+het wezen moet."
+
+Er had inderdaad eene verkoeling plaats gehad, want sedert dat beide
+echtgenooten elkander in de werkplaats huns zoons hadden ontmoet,
+gingen zij als twee vreemden naast elkander. In hun slaapvertrek, op
+weg naar de kerk en bij het ontbijt hadden zij niets meer met elkander
+gesproken, dan wat de welvoegelijkheid vorderde en noodzakelijk scheen,
+om hunne tweespalt voor de bedienden en kinderen te verbergen. Tusschen
+hem en haar had tot hiertoe,--als iets dat vanzelf sprak en nimmer
+onder woorden behoefde gebracht te worden,--eene afspraak bestaan,
+waarop nauwelijks eene enkele maal inbreuk was gemaakt, namelijk dat
+de eene niets in hare kinderen prees, wat de ander afkeurenswaardig
+achtte, en omgekeerd.
+
+En wat was er gebeurd in dezen nacht! Op haar streng doemvonnis was
+gevolgd, dat haar man den misdadiger had omhelsd. Zóo hard was zij
+nog bij geene gelegenheid, zóo weekhartig en teeder daarentegen was
+Petrus, zoo ver zij zich herinneren kon, nog nooit jegens een harer
+zonen geweest. Toch had zij over zich kunnen verkrijgen, haar man in
+het bijzijn van Polycarpus niet te weerspreken en zwijgend met hem de
+werkplaats te verlaten. "Als wij aanstonds in het slaapvertrek alleen
+zijn," dacht zij, "zal ik hem doen gevoelen, zooals het behoort,
+hoezeer hij onrecht had, en zal hij zich moeten verantwoorden."
+
+Maar zij had dat voornemen niet uitgevoerd, want zij gevoelde, dat er
+in haar echtgenoot iets moest omgaan, dat zij niet begreep. Waarom
+anders hadden na het gebeurde, toen hij met de lamp in de hand de
+smalle trap afdaalde, zijne meestal zoo ernstige oogen thans zoo zacht
+en vriendelijk gekeken, zijne strenge lippen zoo recht gelukkig zich
+tot lachen kunnen plooien?
+
+Dikwijls had hij tot haar gezegd, dat zij in zijne ziel kon lezen
+als in een open boek, maar zij kon zich niet verhelen, dat er in dat
+werk toch enkele bladzijden waren, waarvan zij den zin niet vermocht
+te vatten. Zonderling! Altijd en altijd weder stuitte zij op die
+onverstaanbare aandoeningen zijner ziel, wanneer er sprake was van
+afgodsbeelden en onheilige tempels der heidenen, en de ontwerpen
+en werken van hare zonen. Petrus was toch ook de zoon van een vroom
+christen. Zijn grootvader was echter een Grieksche heiden geweest,
+en misschien stroomde er iets van diens bloed in zijne aderen, dat
+haar beangstigde, daar zij het niet kon overeenbrengen met de leer van
+Agapitus, hoewel zij het niet waagde er tegen op te komen. Want haar
+man, die zoo spaarzaam was in woorden, zag er nooit zoo vroolijk en
+onbezorgd uit, dan wanneer hij met zijne zonen en hunne vrienden, die
+hen dikwijls in de oase vergezeld hadden, over deze dingen spreken kon.
+
+Het kon toch niet iets zondigs zijn, wat het gelaat van haar echtgenoot
+thans weder, en juist in dit oogenblik, verjongde en verheerlijkte. "Ze
+zijn toch ook mannen," zeide zij tot zichzelve, "en hebben zeker wel
+een en ander op ons vrouwen voor. Ziet vader er niet uit als op onzen
+bruiloftsdag? Polycarpus is zijn evenbeeld, dat zegt ieder. Doch
+wanneer ik thans den ouden man aanzie, en mij voor den geest breng
+hoe de jongen er straks uitzag, toen hij mij verklaarde waarom hij
+niet laten kon Sirona's beeld te maken, dan moet ik toch zeggen,
+dat mij zulk eene gelijkenis nog in mijn leven niet is voorgekomen."
+
+Hij had haar vriendelijk een "goeden nacht" toegeroepen en de lamp
+uitgedoofd. Zij had hem gaarne een hartelijk woord gezegd, want het
+trof en verheugde haar, dat hij er zoo blijmoedig uitzag. Maar dat
+was dan toch te veel geweest, na hetgeen hij haar in de werkplaats
+had toegevoegd, onder het oog van haar zoon. In vroeger jaren was het
+niet zelden gebeurd dat zij, wanneer de een den ander had ontstemd
+en er twist tusschen hen geweest was, onverzoend naar bed waren
+gegaan. Maar hoe ouder zij werden, des te minder kwam dit voor, en
+sedert langen tijd had geen schaduw de volkomene eenigheid van hun
+huwelijksleven verstoord.
+
+Toen zij vóor drie jaren, na het huwelijk van hun oudsten zoon, te
+zamen aan het venster stonden, onder het opzien naar den sterrenhemel,
+was Petrus dicht aan hare zijde gaan staan en had gezegd: "Zie
+hoe die wandelaars daarboven zoo stil en vreedzaam hunne banen
+beschrijven, zonder elkander ooit aan te raken of af te stooten! Zoo
+vaak ik eenzaam in de stilte van den nacht bij hun vriendelijk
+licht uit de steengroeve naar huis ging, heb ik over allerlei dingen
+gedacht. Misschien is er eens een tijd geweest, waarin de sterren zich
+wild door elkander bewogen. De eene kruist den weg van den ander, en
+bij die botsingen zijn er misschien velen in stukken gevlogen. Toen
+schiep de Heer de menschen, en de liefde kwam in de wereld en vervulde
+hemel en aarde. De Allerhoogste gebood de sterren onze nachten te
+verhelderen. Thans begon iedere ster de baan van de andere te ontzien,
+en het gebeurde al zeldzamer dat de eene ster tegen de andere stootte,
+tot eindelijk ook de kleinste en snelste zich hield aan haar weg en
+haar uur, en het schitterende heir daarboven zoo eendrachtig was als
+ontelbaar. De liefde en het gemeenschappelijk doel hadden dit wonder
+uitgewerkt, want wie een ander liefheeft wil hem geen nadeel doen,
+en wie geroepen is met hulp van een ander een werk te voltooien,
+die hindert hem niet en houdt hem niet op. Wij beiden hebben reeds
+sedert lang de rechte banen gevonden, en gebeurt het soms dat de een
+den weg van den ander wil kruisen, dan houdt de liefde, en stellig
+ook onze gemeenschappelijke plicht om het levenspad der kinderen met
+rein licht te beschijnen, den voet terug."
+
+Dorothea had deze woorden niet vergeten. Zij kwamen haar voor den
+geest, toen Petrus haar heden zoo hartelijk de hand toestak, en terwijl
+zij nu hare rechterhand in die van haren echtgenoot legde, zeide zij:
+"Om des lieven vredes wil moge het dan goed zijn. Eén ding kan ik
+toch niet verzwijgen: weekhartige zwakheid is anders uw gebrek niet,
+maar Polycarpus zult gij toch geheel en al bederven."
+
+"Laat hem begaan, laten wij hem doen blijven die hij is!" hernam
+Petrus en kuste zijne vrouw op het voorhoofd. "Is het niet zonderling,
+hoe wij onze rollen verwisselen? Gisteren hebt gij mij tot zachtheid
+jegens den jongen aangemaand, en heden...."
+
+"Heden ben ik strenger dan gij," viel Dorothea hem in de rede. "Wie
+kón ook vermoeden dat een oude grauwbaard, even als Ezau zijn erfdeel
+voor een schotel met linzenbrei, voor een lachend vrouwengezicht van
+klei de plichten van zijn vaderlijk rechtersambt zou vergeten?"
+
+"En wien zal het in den zin komen," antwoordde Petrus, om in denzelfden
+geest van zijne vrouw te spreken, "dat eene zoo teedere moeder als
+gij zijt, haar lijfelijken zoon kan veroordeelen, omdat hij bezig is
+door eene daad, eene daad die zijn meester hem zou kunnen benijden,
+den vrede zijner ziel terug te vinden?"
+
+"Ik heb het wel opgemerkt," hernam Dorothea, "Sirona's beeld heeft u
+getroffen, en gij meent dat onze jongen daar wonder wat groots heeft
+tot stand gebracht. Ik heb niet veel verstand van het kneden van klei
+en van het beeldhouwerswerk, en wil u dus niet tegenspreken. Maar
+indien het gezicht van het blondkopje wat minder aanvallig was, en
+Polycarpus eens niets bijzonders had vervaardigd, zou dat zelfs in 't
+minste iets veranderen in hetgeen hij berispelijks gedaan en gevoeld
+heeft? Zeker niet! Maar zoo zijn de mannen, zij vragen alleen naar
+het gevolg."
+
+"En dat met alle recht," antwoordde Petrus, "wanneer dat gevolg niet
+al spelende, maar door groote inspanning werd nagestreefd. Wie geeft,
+dien zal gegeven worden, en wien God eene ziel heeft gegeven, rijker
+aan kostelijke gaven dan die van anderen, wien goeden geesten helpen
+om het grootste tot stand te brengen, dien zal veel vergeven worden
+van hetgeen ook een zachter rechter ongaarne zal voorbijzien in den
+minder begaafde, die zich kwelt en inspant en toch niets goeds weet te
+voltooien. Wees nu maar weder vriendelijk tegen den jongen. Weet gij
+wel wat u van hem te wachten staat? Gij hebt in uw leven veel goeds
+gedaan en vaak wijzen raad gegeven, en ik en de kinderen en niemand
+in deze plaats zullen dit ooit vergeten. Maar dat gij aan Polycarpus
+het aanzijn hebt gegeven, daarvoor, verzeker ik u, zullen de besten
+u danken, die thans en in volgende eeuwen zullen geboren worden!"
+
+"En dan wil men beweren," sprak Dorothea, "dat elke moeder vier
+oogen heeft voor de bijzondere gaven harer kinderen. Is dit waar,
+dan hebben de vaders er zeker tien, en gij wel zooveel als die Argus,
+van wien de heidensche sage vertelt.... Maar daar komt Polycarpus."
+
+Petrus ging zijn zoon te gemoet en gaf hem de hand, doch zeker op eene
+andere wijze dan gewoonlijk. Ten minste het scheen Dorothea toe, als
+ontving haar echtgenoot den jongeling niet gelijk te voren als vader
+en heer, maar als een vriend, die een met hem gelijkstaand vriend en
+ambtgenoot begroet.
+
+Zoodra Polycarpus ook haar groette, kleurde zij tot over de ooren,
+want in haar gemoed ontwaakte de vrees, dat haar zoon haar voor
+onbillijk en dwaas zou houden, wanneer hij aan den avond van
+gisteren dacht. Weldra kwam zij weder tot die kalmte en zekerheid,
+die haar eigen waren, toen Polycarpus bleek geheel de oude te zijn,
+en zij las in zijne oogen, dat hij voor haar hetzelfde gevoelde als
+gisteren en altijd. "De liefde," dacht zij, "wordt door het onrecht
+niet uitgebluscht, gelijk vuur door water. Ze vlamt nu eens meer,
+dan weer minder helder op, al naar den stand van den wind, maar niets
+kan haar geheel verstikken, ja zelfs de dood niet."
+
+Polycarpus was op den berg geweest, en Dorothea was geheel
+gerustgesteld, toen hij vertelde wat hem derwaarts had gevoerd. Reeds
+lang had hij plan gehad een Mozes te ontwerpen. Toen hij gisteren zijn
+vader had verlaten, bleef hem het beeld van den verheven, waardigen
+man onafgebroken voor den geest staan. Hij meende het rechte model
+voor zijn werk ontdekt te hebben. Hij wilde en moest vergeten, en
+gevoelde dat hij het eerst zou kunnen, wanneer hij een doel vond,
+dat in staat zou zijn om zijne verarmde ziel opnieuw te vervullen. De
+gestalte van den grooten godsman, dien hij in beeld wilde brengen,
+stond nog slechts in zeer onbestemde omtrekken voor zijn geest. Eene
+onweerstaanbare kracht had hem naar buiten gedreven, naar de plaats
+der samenspreking, waar volgens de overlevering de Heer met Mozes had
+gesproken, werwaarts vele pelgrims ter bedevaart gingen. Polycarpus
+was daar lang gebleven, want zoo ergens, dan zou hij daar, waar de
+wetgever zelf gestaan had, de ware bezieling ontvangen.
+
+"En hebt gij uw doel bereikt?" vroeg Petrus.
+
+Polycarpus schudde ontkennend het hoofd.
+
+"Ga dan meermalen naar die heilige plaats, dan zult gij er
+langzamerhand komen," zeide vrouw Dorothea. "Het begin is altijd het
+moeilijkste. Vang maar dadelijk aan met te beproeven het hoofd uws
+vaders te vormen!"
+
+"Daarmede heb ik vroeger reeds een begin gemaakt," antwoordde
+Polycarpus. "Doch ik ben nog te vermoeid van den afgeloopen nacht."
+
+"Gij ziet er ook bleek uit en er liggen schaduwen onder uwe oogen,"
+sprak Dorothea bezorgd. "Ga naar boven en leg u wat ter ruste. Ik
+volg u op den voet, om u een beker ouden wijn te brengen."
+
+"Dat zal hem geen kwaad doen," zeide Petrus, en dacht bij zichzelven:
+"Een dronk uit den Lethe-stroom zou hem nog beter bekomen."
+
+Toen de senator zijn zoon een uur later in zijne werkplaats
+opzocht, vond hij hem slapende, en op de tafel stond de wijn
+onaangeroerd. Petrus legde zacht de hand op het voorhoofd van zijn
+kind, bevond dat het koel was en hij dus geen koorts had. Vervolgens
+liep hij voorzichtig naar Sirona's beeld, lichtte de doek op,
+waarmede het bedekt was, en bleef in beschouwing verdiept lang
+daarvoor staan. Eindelijk ging hij terug, na het beeld weder gedekt
+te hebben, en nam de kleimodellen, die op eene aan den wand hangende
+plank stonden. Eene kleine vrouwelijke figuur trok in het bijzonder
+zijn aandacht, en toen hij van bewondering in de handen klapte,
+werd Polycarpus wakker.
+
+"Dat is het beeld van de godin van het noodlot, dat is eene Tyche,"
+zeide Petrus.
+
+"Word niet boos, vader," smeekte Polycarpus. "Gij weet immers dat in de
+hand van het standbeeld des keizers, dat voor het nieuwe Constantinopel
+bestemd is, de figuur van eene Tyche zal worden geplaatst, en daarom
+heb ik ook getracht de godin te vormen. Het gewaad en de houding der
+armen, dacht ik, zijn mij gelukt, maar de kop is slecht uitgevallen."
+
+Petrus, die hem opmerkzaam had aangehoord, richtte onwillekeurig
+zijn oog op het hoofd van Sirona, en Polycarpus volgde verrast en
+bijna met schrik zijne blikken. Vader en zoon verstonden elkander,
+en de laatste zeide: "Daaraan heb ik ook reeds gedacht." Daarop
+zuchtte hij diep en smartelijk, en zeide tot zichzelven: "Waarlijk,
+zij is voor mij de godin van het noodlot." Maar hij waagde het toch
+niet dit uit te spreken.
+
+De zucht van den jonkman was Petrus niet ontgaan, daarom zeide
+hij: "Laten wij dit rusten. Dit hoofd glimlacht met vroolijke
+lieftalligheid, en het aangezicht der godin, die zelfs de daden der
+hemelsche goden beheerscht, moet gestreng en ernstig zijn."
+
+Toen kon Polycarpus zich niet langer inhouden, en riep: "Ja, vader,
+vreeselijk is het noodlot, en toch beeld ik de godin af met een
+glimlach op de lippen, want dat is juist het ontzettendste in haar
+wezen, dat zij niet handelt naar ernstige wetten, maar lachend haar
+spel met ons speelt."
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het was een heerlijke morgen. Geen wolkje was er aan den hemel, die
+zich als een gewelfd koepeldak van donkerblauwe zijde over den berg,
+de woestijn en de oase uitbreidde. Het is genotvol op de hoogte van
+dit gebergte de reine, dunne, aromatische woestijnlucht in te ademen,
+vóor de zonnestralen te krachtig hunne werking doen gevoelen, en de
+schaduwen van de gloeiende porfierwanden en steenblokken al korter
+en korter worden, om eindelijk geheel te verdwijnen.
+
+Met welk een welgevallen en hoe gretig ademde Sirona deze lucht in,
+toen zij na een langen nacht, den vierden dien zij in het bedompte
+hol van den Anachoreet had doorgebracht, naar buiten trad. Paulus zat
+naast den haard, en was zoo ijverig bezig met snijwerk, dat hij haar
+niet eens hoorde komen.
+
+"Die goede man," dacht Sirona, toen zij een dampenden pot op het vuur
+zag en de palmtakken bemerkte, die de Alexandrijn aan de zijde van
+den ingang der spelonk had geplant, om haar tegen de stralen der zon
+te beschutten. Zij wist de bron, waaruit Paulus haar bij de eerste
+ontmoeting gedrenkt had, reeds zonder geleide te vinden, en sloop
+met een kruikje van gebakken klei in de hand daarheen.
+
+Paulus merkte haar wel op, maar hij nam den schijn aan alsof hij haar
+niet zag en hoorde, want hij wist dat zij zich daar beneden wilde
+wasschen en--zij was immers eene vrouw?--zoo goed het ging haar
+toilet maken.
+
+Toen de Gallische terugkwam, zag zij er niet minder frisch en aanvallig
+uit als op den morgen, toen Hermas haar beluisterd had. Wel deed
+haar hart pijn, wel was zij angstig en gevoelde zij zich ongelukkig,
+maar slaap en rust hadden sedert lang alle sporen van dien dag der
+ontvluchting op haar gezond, haar jeugdig en veerkrachtig lichaam
+uitgewischt, en het lot, dat ons dikwijls bijzonder welgezind is,
+juist wanneer het ons een vijandig gelaat toont, had haar eene kleine
+zorg berokkend, om haar voor grootere te bewaren.
+
+Haar hondje was zwaar ziek geworden, en het scheen wel dat het
+bij de ondergane mishandeling niet enkel een pootje gebroken had,
+maar ook innerlijk gekwetst was. Het vlugge, vroolijke diertje zeeg
+krachteloos in elkaar, zoo vaak het poogde te staan, en als zij het
+aanpakte, om het in haren schoot in eene gemakkelijke houding neder
+te leggen en te koesteren, dan liet het een pijnlijk geluid hooren,
+en zag haar klagend en lijdend aan. Het wilde spijs noch drank tot
+zich nemen. Het anders zoo koele neusje was brandend heet geworden,
+en toen zij het hol had verlaten, was Jambe, zonder haar zelfs na te
+zien, reutelend blijven liggen op de schoone wollen deken, die Paulus
+over haar leger had gespreid. Eer zij het beest water bracht in de
+sierlijke kruik, een tweede geschenk van haar gastvriend, richtte
+zij zich tot dezen en begroette hem vriendelijk.
+
+Paulus zag van zijn arbeid op, dankte en vroeg haar, toen zij na
+weinige oogenblikken weder naar buiten kwam: "Hoe gaat het met den
+kleinen kranke?"
+
+Sirona haalde de schouders op en antwoordde bedroefd: "Hij heeft niets
+gedronken en mij niet eens herkend. De reutelende ademhaling gaat nog
+even snel als gisteren avond. Ach, als dit diertje sterven moet....!"
+
+Zij was zoo aangedaan van smart, dat zij den zin niet kon
+voltooien. Paulus schudde afkeurend het hoofd en zeide: "Het is zonde
+zich zoo te kwellen over een redeloos dier."
+
+"Jambe is niet redeloos," antwoordde Sirona. "En al was dit zoo, wat
+blijft mij nog over, als dit beestje sterft? Het is groot geworden
+in mijns vaders huis, waar allen mij liefhadden. Ik kreeg het toen
+het weinige dagen oud was, en heb het door middel van een sponsje
+met melk groot gebracht. Dikwijls ben ik, als ik het kleine diertje
+hoorde janken, in den nacht met bloote voeten uit bed gestapt om het
+te drenken. Daarom was het ook als een kind aan mij gehecht en had
+het mij noodig. Niemand kan weten wat een ander voor hem is. Mijn
+vader vertelde ons eens van eene spin, die een gevangene het leven
+opvroolijkte. En wat is zulk een leelijk stom dier in vergelijking van
+mijn verstandig en mooi hondje! Ik heb mijn vaderland vaarwel gezegd,
+en hier, hier denkt ieder het ergste van mij, hoewel ik geen mensch
+heb beleedigd, en niemand heeft mij lief dan Jambe."
+
+"Toch ken ik iemand, die ieder liefheeft met dezelfde goddelijke
+liefde," viel Paulus haar in de rede.
+
+"Van zulk een mensch houd ik niet," antwoordde Sirona. "Jambe volgt
+niemand dan mij alleen. Wat geef ik om eene liefde, die ik met de
+gansche wereld deelen moet! Meent gij mogelijk dien gekruisigden god
+der christenen? Hij mag goed zijn en hulpvaardig; dat zegt vrouw
+Dorothea ook. Maar hij is dood; ik zie hem niet en hoor hem niet,
+en verlang ook niet naar iemand die mij genade bewijst, maar naar een
+voor wien ik iets zijn kan, en die mij noodig heeft voor zijn leven
+en geluk."
+
+De Alexandrijn voelde bij deze woorden eene zachte koude rilling over
+zijn rug gaan, en terwijl hij hare gestalte met een meewarigen en
+tevens bewonderenden blik opnam, dacht hij: "Satan was, voor hij viel,
+de schoonste onder de reine geesten, en nog altijd oefent hij macht
+uit over hen. Zij is nog in lang niet rijp voor het heil, en toch heeft
+zij een goed hart; al dwaalde zij soms, zij is toch zeker niet slecht."
+
+Sirona's blik had den zijnen ontmoet, en zuchtend zeide zij: "Gij
+ziet mij zoo medelijdend aan. Als Jambe echter weder gezond werd,
+en het gelukte mij Alexandrië te bereiken, dan zou er misschien in
+mijn lot nog eene gunstige wending komen."
+
+Terwijl zij sprak was Paulus opgestaan om den pot van het vuur te
+nemen, en zeide nu, terwijl hij dien aan zijne gast overhandigde:
+"Voor het tegenwoordige moge deze brij u het gemis vergoeden van de
+genietingen der hoofdstad.--Het verheugt mij dat hij u smaakt. Maar zeg
+mij nu eens: hebt gij er wel eens goed over nagedacht welke gevaren
+een schoone jonge vrouw, zonder bescherming, bedreigen in de zondige
+Grieksche stad? Zou het niet beter zijn, dat gij de gevolgen van
+uwe schuld voor uwe rekening naamt en terugkeerdet tot Phoebicius,
+aan wien gij in elk geval toch toebehoort?"
+
+Sirona had bij deze laatste woorden den pot waaruit zij at op den
+grond gezet en riep op heftigen toon, terwijl zij haastig opstond:
+"Dat zal nooit gebeuren, en in die vreeselijke ure, toen ik bijna
+uitgeput daar beneden zat, en uwe schreden voor die van Phoebicius
+hield, hebben de goden mij getoond, hoe ik hem, en u en ieder, die
+mij tot hem zou willen terugbrengen, ontvluchten kan. Ik was razend
+en als in zinsverbijstering, toen ik de wijk nam tot aan den rand
+van den afgrond. Doch wat ik toen in waanzin wilde doen, dat zou ik
+thans in koele bloede uitvoeren, zoowaar ik hoop mijne betrekkingen
+in Arelate nog eens weer te zien. Wie ben ik geweest, en wat is
+er door Phoebicius van mij geworden! Het leven lachte mij toe als
+een zonnige tuin, met verguld rasterwerk en kristalheldere vijvers,
+schaduwrijke boomen met roode bloemen en zingende vogels. Hij heeft
+mij het zonlicht benomen, de bronnen troebel gemaakt en de bloemen
+geknakt. Alles komt mij thans zoo zwijgend en kleurloos voor, en als de
+afgrond mij opneemt, zal niemand mij missen en niemand mij beklagen."
+
+"Arme vrouw," zeide Paulus. "Uw echtgenoot heeft u dan wel weinig
+liefde getoond!"
+
+"Liefde?" hernam Sirona lachend. "Phoebicius en liefde! Gisteren heb
+ik u immers verteld, hoe hij mij na zijne feesten, als hij dronken
+was of uit zijn onmacht ontwaakte, gruwzaam gekweld heeft? Maar hij
+heeft mij iets gedaan, iets, dat ook de laatste dunne band tusschen
+ons verscheurd heeft. Niemand heeft het nog van mijne lippen gehoord,
+zelfs vrouw Dorothea niet, die mij toch zoo dikwijls heeft berispt,
+wanneer ik een hard woord over mijn man niet weerhouden kon. Zij
+heeft goed praten. Had ik een echtgenoot als Petrus gevonden, dan ware
+ik misschien ook eene Dorothea geworden. Het is een wonder, hetwelk
+ikzelf niet begrijp, dat ik niet slecht geworden ben aan de zijde van
+dien onmensch, die mij, mij--waarom zou ik het verzwijgen--te Rome aan
+zijne legaat Quintillus verkocht had, nadat hij in schulden zat en
+door diens toedoen hoopte bevorderd te worden. Hij bracht den ouden
+man, die mij vaak was nageloopen, zelf in mijn huis; maar de brave
+vrouw, bij wie wij inwoonden, had de onderhandelingen afgeluisterd
+en mij alles verraden. Dat was zoo laag, zoo schandelijk mogelijk;
+ik bevlek mijne ziel als ik er slechts aan denk. De legaat heeft voor
+zijne sesterziën [5] weinig vreugde gekocht. Phoebicius gaf echter
+dat zondig verworven geld niet terug, en zijne woede tegen mij kende
+geene grenzen, toen hij door toedoen van den bedrogen ouden legaat
+naar de oase werd overgeplaatst. Thans weet gij alles, en geef mij,
+zoo gij kunt, nu andermaal den raad, tot dezen man, aan wien ik
+ter kwader ure verbonden werd, terug te keeren.--Hoor toch eens hoe
+het arme diertje daar binnen jankt. Misschien wil het bij mij zijn,
+en het heeft de kracht niet zich te verroeren."
+
+Paulus zag haar deelnemend na, terwijl zij onder de opening van de rots
+verdween, en wachtte met de armen over elkaar gekruist tot zij terug
+zou komen. Hij kon het hol niet overzien, want de grootere ruimte,
+waarin het nachtleger was gespreid, was met den langen smallen gang,
+die naar buiten leidde, aan het einde verbonden, gelijk het mes van
+een zeis aan de greep. Zij bleef zeer lang uit, en hij hoorde slechts
+nu en dan een teeder woord, waarmede zij het lijdende hondje zocht
+te troosten.
+
+Opeens kromp hij ineen van schrik, want Sirona had een luiden kreet van
+smart doen hooren. Zeker was de trouwe metgezel van de arme vrouw nu
+gestorven, had zij in de matte schemering van den spelonk zijn gebroken
+oog gezien en met de handen gevoeld, hoe doodelijke stijfheid de eens
+zoo vlugge leden had uitgerekt en verlamd. Hij waagde het niet het hol
+binnen te gaan, maar hij gevoelde hoe er tranen in zijne oogen welden,
+en zoo gaarne had hij haar een woord tot vertroosting toegesproken.
+
+Eindelijk trad zij met rood bekreten oogen weder naar buiten. Paulus
+had zich niet vergist, want zij hield den kleinen Jambe dood in
+hare armen.
+
+"Wat doet mij dit leed," zeide Paulus. "Hoe aardig was dit beestje
+niet!"
+
+Sirona knikte toestemmend met het hoofd, zette zich neder, maakte
+het sierlijk bandje, dat het diertje om den hals droeg, los en zeide
+half in zichzelve, half tot Paulus: "Het bandje heeft de kleine Agnes
+voor hem geborduurd. Ikzelve had haar geleerd de naald te gebruiken,
+en dit was haar eerste eigen werk."
+
+Een oogenblik later hield zij den Anachoreet den halsband voor en
+zeide: "Dit slotje is van zuiver zilver; mijn vader heeft het mij
+geschonken. Hij had ook pleizier in het vroolijke diertje. Nu zal
+het niet meer springen, het arme ding!"
+
+Weemoedig zag zij op het beestje neer. Daarop verzamelde zij al
+hare krachten en zeide haastig: "Thans wil ik van hier weg. Niets,
+neen niets houdt mij in deze woestijn terug, want het huis van den
+Senator, waarin ik zoovele gelukkige uren heb doorleefd, en waar
+ieder mij welgezind was, is voor mij gesloten, al ware het alleen
+omdat hij daarin woont. Wanneer gij niet goed tegen mij zijt geweest
+om mij leed te berokkenen, laat mij dan heden nog vertrekken en help
+mij om naar Alexandrië te komen."
+
+"Heden niet, heden in geen geval," antwoordde Paulus. "Eerst moet ik
+weten wanneer er een vaartuig naar Klysma of Berenice afvaart en dan
+heb ik nog vele andere dingen voor u in orde te brengen. Gij zijt mij
+ook het antwoord schuldig op mijne vraag, wat gij hoopt in Alexandrië
+te doen en te vinden.--Arm kind! hoe jonger en schooner gij zijt...."
+
+"Ik weet alles wat gij mij zeggen wilt," viel Sirona hem in de
+rede. "Waarheen ik ook mijne schreden heb gericht, overal heb ik de
+blikken der mannen tot mij getrokken, en als ik in hunne oogen las,
+dat ik een goeden indruk op hen maakte, heb ik mij daarover steeds
+verheugd. Waarom zou ik dit loochenen? Menigeen heeft mij ook lieve
+woordjes gezegd en mij bloemen doen toekomen, en oude vrouwen naar
+mijn huis gezonden, om mij voor zich te winnen. Doch ofschoon mij
+de een ook beter beviel dan de ander, zoo heeft het mij toch nooit
+moeite gekost ze af te wijzen, gelijk het betaamde."
+
+"Totdat Hermas u van zijne liefde sprak," hernam Paulus. "Hij is een
+frisch jonkman...."
+
+"Een aardige, onbeholpen knaap is hij, niets meer en niets minder,"
+ging Sirona voort. "Het was zeker onbezonnen, dat ik hem bij mij
+toeliet; maar geene Vestaalsche maagd zou zich behoeven te schamen
+over de gunst, die ik hem bewezen heb. Ik ben zonder schuld en wil
+het ook blijven, opdat ik zonder te blozen weder voor mijn vader zal
+kunnen verschijnen, wanneer ik mij in de hoofdstad het geld voor de
+verre reis zal hebben weten te verschaffen."
+
+Paulus zag haar verbaasd en bijna met schrik in het gelaat. Hij had
+dan eene schuld op zich geladen, die zelfs in het geheel niet bestond,
+en misschien zou de senator, zonder zijne valsche schuldbekentenis,
+Sirona niet zoo spoedig veroordeeld hebben. Hij stond daar tegenover
+haar als een kind, dat een kunstig werk wilde herstellen, maar het
+uit onhandigheid in stukken brak. Bovendien kon hij aan de waarheid
+van alles wat zij zeide niet twijfelen, want reeds lang had er eene
+stem luide in zijn binnenste gesproken, die hem zeide, dat deze vrouw
+geene gemeene zondares kon zijn.
+
+Een tijdlang stond hij zwijgend tegenover haar. Eindelijk vroeg hij
+schuchter: "Wat denkt gij dan in de hoofdstad te gaan doen?"
+
+"Daar," antwoordde zij, "vindt elke goede arbeider, zooals
+Polycarpus zegt, koopers, en ik kan zeer fraai weven en borduren
+met gouddraad. Misschien kan ik een onderkomen vinden in een huis
+met kinderen, die ik gaarne overdag zou bezighouden. In mijne vrije
+uren en in den nacht zou ik dan mijne handen kunnen roeren aan mijn
+borduurraam, en wanneer ik geld genoeg bijeen heb, vind ik zeker wel
+een schip, dat mij naar Gallië tot de mijnen overvoert. Begrijpt gij,
+dat ik niet tot Phoebicius terug kan keeren, en kunt ge mij helpen?"
+
+"Gaarne, en beter misschien dan gij denkt," antwoordde Paulus. "Thans
+kan ik u dat nog niet verklaren, maar gij behoeft mij niet te smeeken,
+integendeel, gij moogt met goed recht van mij vorderen, dat ik u
+redden zal."
+
+Zij zag hem verwonderd en vragend aan, doch hij ging voort: "Laat
+mij thans eerst den hond wegdragen en daar beneden begraven. Ik zal
+een steen op zijn graf plaatsen, opdat gij weten moogt waar hij
+ligt. Dat moet geschieden; het dier mag hier niet langer blijven
+liggen.--Neem dat ding daar! Ik heb mijn best gedaan het voor u te
+snijden, want gij beklaagdet u gisteren, dat uwe haren zoo verward
+raakten, omdat gij geen kam hebt. Ik heb beproefd er een uit been
+te snijden. Bij de kramers in de oase zijn er geene, en ikzelf ben
+een dier der wildernis, een armzalig en bespottelijk dier, dat er
+geen gebruikt.--Viel daar niet een steen? Zonder twijfel, dat zijn
+de voetstappen van een mensch. Ga spoedig in uw hol, wees stil en
+verroer u niet, totdat ik u roep."
+
+Sirona trok zich in haar rotsverblijf terug. Paulus nam
+intusschen den dooden hond op den arm, om hem voor den naderende te
+verbergen. Besluiteloos zag hij rond, en zocht naar eene plaats waar
+hij zich schuil kon houden. Maar op de hoogte boven hem hadden twee
+scherpziende oogen hem en zijn lichten last reeds ontdekt, en eer
+hij de rechte plaats had gevonden, rolden er steenen van den rotswand
+aan de rechterzijde van het hol, krakend naar beneden. Gelijktijdig
+sprong een man koen en snel van rots op rots, vloog, zonder acht te
+geven op de waarschuwende stem van den Anachoreet, recht op hem af,
+en riep, hijgend naar adem en gloeiend van haat en verontwaardiging:
+"Dat is, ik zie het wel, dat is Sirona's hazenwindje. Waar is zijne
+meesteres? Zeg mij dadelijk waar Sirona is, want ik moet het weten!"
+
+Paulus had van de plaats der boetelingen dikwijls den senator en de
+zijnen op hunne plaatsen in de kerk dicht bij het altaar zien zitten,
+en herkende tot zijn verbazing in den stoutmoedigen springer, die met
+verwarde haren en vonkelende oogen als een razende op hem losstormde,
+Polycarpus, den tweeden zoon van Petrus. Het kostte den Anachoreet
+moeite om zijne kalmte en tegenwoordigheid van geest te bewaren, want
+sedert hij wist dat hij Sirona ten onrechte met eene zware schuld had
+beladen, toen hij zichzelven, tegen de waarheid in, haren medeschuldige
+had genoemd, gevoelde hij een angst, die al toenemende overging in
+bittere smart, en terwijl het loodzwaar op zijne hersenen drukte,
+was hij niet in staat snel te denken.
+
+Hij stamelde derhalve in het eerst slechts onverstaanbare woorden. Maar
+het was zijn tegenpartij vreeselijke ernst met zijn vraag, want met
+hevige verbolgenheid greep hij den Anachoreet aan den kraag van het
+grove kluizenaarskleed en schreeuwde met heesche stem: "Waar hebt
+gij het dier gevonden? Waar is....?"
+
+Op eens brak hij af, liet den Alexandrijn los, nam hem op met zijne
+oogen en vroeg hem zacht en langzaam: "Zou het mogelijk zijn? Zijt
+gij Paulus uit Alexandrië?"
+
+De Anachoreet knikte toestemmend.
+
+Polycarpus barstte uit in smartelijk gelach, sloeg zich met de
+rechterhand voor het voorhoofd en riep op een toon van den diepsten
+afschuw: "Alzoo is het toch waar! En voor zulk een afzichtelijken
+aap! Maar ik wil het niet gelooven dat zij u ook slechts een hand
+heeft gegeven, want uw aanblik alleen verontreinigt reeds."
+
+Paulus' hart klopte als met hamerslagen tegen zijn borst en het gonsde
+en suisde hem in de ooren. Toen Polycarpus opnieuw de hand naar hem
+uitstrekte, nam hij onwillekeurig de houding aan van een athleet,
+die bij het worstelen met uitgestrekte armen naar een goeden greep
+zoekt, en zeide op doffen, diep verontwaardigden toon: "Ga terug,
+anders geschiedt hier iets, wat voor uwe beenderen wel eens niet goed
+kon zijn."
+
+Hij die zoo sprak was Paulus, en toch niet Paulus; het was Menander,
+de roem van het worstelperk, die geen enkel woord van zijne
+metgezellen, dat hem niet in alle opzichten behaagde, onopgemerkt
+liet voorbijgaan. En toch had hij gisteren in de oase gansch andere
+beleedigingen dan die van Polycarpus zwijgend aangehoord, en met kalme
+tevredenheid zich laten aanleunen. Van waar dan heden deze onstuimige
+prikkelbaarheid, de hevige lust tot vechten?
+
+Toen hij twee dagen geleden naar zijn voormalig hol was gegaan,
+om zijne laatste daar verborgene goudstukken te halen, wilde hij den
+ouden Stephanus gaan begroeten. Doch de Egyptenaar, die hem verpleegde,
+had hem met booze verwenschingen verjaagd, alsof hij een onreine geest
+was, en hem steenen nageworpen. Ondanks het verbod van den bisschop,
+had hij eene poging gewaagd om de kerk in de oase binnen te treden,
+ten einde dáar een gebed te doen; hij toch meende dat het voorportaal
+met de bron, waarin de boetelingen gewoonlijk vertoefden, voor hem niet
+gesloten zou zijn. Maar de acolythen wezen hem met schimpwoorden af,
+en de deurwachter, die hem kort geleden den sleutel van de kerk had
+toevertrouwd, spoog hem in het aangezicht.
+
+Toch was hij in staat geweest, zonder toornig te worden of te klagen,
+zijnen beleedigers den rug toe te keeren, waarbij het niet eens
+noodig was zichzelven te bedwingen. Terwijl hij aan de tafel van een
+der kramers den wollen deken, de kruik en nog verschillende andere
+dingen voor Sirona kocht, ging er een presbyter voorbij, die, wijzende
+op zijne geldstukken, zeide: "De satan vergeet de zijnen niet!" Ook
+dezen had Paulus niets geantwoord. Hij was met een opgewekt en een
+dankbaar hart wedergekeerd tot haar, wier verzorging hem was opgelegd,
+en wederom had hij datzelfde hooghartig gevoel in al zijne volheid
+en zaligheid bij zich waargenomen, dat de heerlijkste beloften in
+zich bevatte, namelijk dat hij Christus navolgde door voor anderen
+smaadheid en lijden te dragen.
+
+Wat was het dan dat hem tegenover Polycarpus zoo uiterst gevoelig deed
+zijn, en dat de koorden van zijn geduld, door jarenlange ontbering
+zoo stevig bevestigd, opeens dóorsneed? Scheen het den man, die
+zijn eigen vleesch martelde om de ziel te verlossen uit de banden
+des lichaams, minder zwaar te dragen, dat hij voor een godvergeten
+zondaar werd gescholden, dan dat zijn persoon en zijne mannelijke
+waardigheid met minachting werden aangerand? Dacht hij misschien
+aan de schoone getuige van zijne beschimping, die in het hol zat te
+luisteren? Was zijn toorn wellicht ontvlamt, omdat hij in Polycarpus
+niet een verontwaardigd geloofsgenoot zag, maar den man die een ander
+man met onbeschaamde beleediging in den weg trad?
+
+De jongeling en de athleet met zijne grauwe baard stonden tegenover
+elkander als twee doodsvijanden, die ten kamp bereid waren, en
+Polycarpus week niet terug, hoewel het hem, gelijk den meesten jongen
+christenen, verboden was geweest, aan het worstelspel der jeugd in de
+palaestra deel te nemen, en hij wel begreep, dat hij met een sterken
+en breedgeschouderden tegenstander te doen had. Ook hij was geen
+bloodaard, en terwijl het in zijn binnenste kookte van woede, werd
+zijn begeerte geprikkeld om zich met dien gehaten verleider te meten.
+
+"Welaan, grijp toe," riep hij met vlammende oogen, en boog, ook van
+zijne zijde tot den kamp bereid, den rug, terwijl hij het hoofd ver
+vooruit stak. "Pak aan! Gij zijt mogelijk een gladiator geweest of iets
+dergelijks, eer gij dit smerig kleed hebt aangetrokken, om ongestraft
+bij nacht de huizen in te breken. Maak nu deze heilige plaats tot
+een circus! En wanneer het u gelukken mocht mij van kant te maken,
+zoo zal ik u daarvoor danken, want wat mij waarde aan het leven deed
+hechten, hebt gij toch reeds vernietigd.--Welaan dan! Of houdt gij
+het voor gemakkelijker, het levensgeluk van eene vrouw te storen,
+dan uwe kracht te meten met hem die haar verdedigt?--Grijp toe,
+zeg ik u, grijp toe.... of...."
+
+"Of gij zult u op mij werpen," zeide Paulus, die onder de woorden
+van den jonkman zijne armen had laten zinken, gelaten en met eene
+geheele verandering in zijne stem. "Werp u op mij en doe met mij wat
+gij wilt, ik zal het u niet beletten. Ik blijf hier staan en mag niet
+vechten. Want daarin hebt gij waarheid gezegd: deze heilige plaats
+is waarlijk geen circus. Maar de Gallische vrouw behoort noch aan u
+noch aan mij, en wie geeft u het recht...."
+
+"Wie mij een recht op haar geeft?" viel Polycarpus hem in de rede,
+terwijl hij den vrager met vonkelende oogen nader trad. "Dezelfde,
+die den smeekeling veroorlooft van zijn God te spreken. Sirona is
+de mijne, gelijk de zon en de maan en de sterren mij toebehooren,
+wijl zij met hun helder licht mijne donkere paden verlichten. Mijn
+leven is het mijne, en zij is het leven van mijn leven geweest,
+daarom zeg ik stout: al waren er twintig Phoebiciussen, zij behoort
+mij. En daar ik haar voor mijn eigendom hield, en nog altijd houd,
+zoo haat ik u, en zeg u in het aangezicht dat ik u veracht. Want gij
+zijt als het hongerige vee, dat in den bloementuin inbreekt, en de
+maar eens in eene eeuw bloeiende wonderbloem, door den tuinman zoo
+zorgvuldig verpleegd, van den struik steelt. Gij gelijkt de katten, die
+de marmeren zalen binnensluipen, en om hunne roofzucht te bevredigen,
+den schoonen en zeldzamen vogel verworgen, dien een zeeman uit verre
+landen heeft medegebracht. Maar gij schijnheilige roover, die uw eigen
+lichaam met dierlijke trots veracht en aan verwildering prijsgeeft,
+wat weet gij van de betoovering der schoonheid, die dochter des hemels,
+die soms ook onervaren kinderen treft, en voor wie zelfs de goden zich
+buigen! Ik heb een recht op Sirona; want waar gij haar ook verbergen
+moogt, en al vond de centurio haar weder en klonk hij haar met koperen
+ketenen aan zich vast, zoo leeft toch in niemand, in niemand gelijk
+in mij het beeld harer schoonheid, dat haar maakt tot het edelste
+werk van den Allerhoogste. Deze hand heeft uw slachtoffer nog niet
+aangeraakt, en toch heeft de Allerhoogste Sirona aan niemand zoo
+geheel in eigendom gegeven als aan mij, omdat zij voor geen ander is,
+wat zij voor mij is, en niemand haar zóo zou kunnen liefhebben als
+ik! Zij heeft de aantrekkelijkheid van een engel en het hart van een
+kind; zij is vlekkeloos en rein, zoo waar als de diamantsteen het is,
+en de borst van de zwaan, en de morgendauw in de kelk der roos. En
+al liet zij u duizendmaal bij zich toe, en al wezen ook mijn vader
+en mijne moeder en allen, allen met den vinger op haar, om haar te
+veroordeelen, zoo zal ik toch niet ophouden aan hare reinheid te
+gelooven. Gij hebt de schande over haar hoofd gebracht, gij hebt...."
+
+"Ik heb gezwegen, toen zij door de uwen veroordeeld werd," viel Paulus
+den jonkman met warmte in de rede, "want ik geloofde aan hare schuld,
+gelijk gij gelooft aan de mijne, gelijk ieder van een ander, waarmede
+hij niet door banden der liefde verbonden is, veeleer het kwade
+gelooft dan het goede. Thans weet ik, en weet ik zeker, dat wij de
+arme vrouw onrecht hebben gedaan. Wanneer de glans van het schitterende
+droombeeld, dat gij Sirona noemt, door mijn toedoen verbleekt werd..."
+
+"Verbleekt? En door u?" zeide Polycarpus lachend. "Kan dan de
+schildpad, die in zee kruipt, hare heldere blauwe kleur verontreinigen,
+of de zwarte vleermuis, die 's nachts door de lucht schiet, het reine
+licht der volle maan?"
+
+Wederom gevoelde de Anachoreet in zijn binnenste eene opwelling van
+toorn, doch hij was meer dan straks op zijne hoede voor zichzelven
+en zeide bitter, terwijl hij zich met groote inspanning beheerschte:
+"Hebt gij niet gesproken van domme beesten, die eene bloem, een vogel
+vernietigen? Met die beesten bedoeldet ge, zoo ik meen, geen derde,
+die afwezig is, en nu ontkent gij dat ik in staat zou zijn op uwe
+zon eene schaduw te werpen? Gij ziet dat gij in uwe boosheid uzelven
+weerspreekt, en de zoon van een wijs man, die zeker nog niet lang
+geleden de school van den rhetor heeft verlaten, moest zich hiervoor
+weten te wachten. Gij mocht mij wel wat minder vijandig aanzien, want
+het is mijne bedoeling niet u te krenken; ja, ik wil zelfs uwe booze
+woorden met goed vergelden, met het beste misschien wat gij ooit hebt
+gehoord. Sirona is eene brave onschuldige vrouw, en toen Phoebicius
+wegreed om haar te zoeken, toen had ik haar nog nooit met deze oogen
+gezien, en geen woord van hare lippen met mijne ooren vernomen."
+
+Polycarpus nam bij deze woorden niet langer eene dreigende houding
+aan. Hij was niet in staat om te begrijpen, maar toch geneigd om
+te gelooven, en daarom zeide hij haastig: "Maar het schaapsvel was
+toch van u, en zonder u te verdedigen hebt gij u door Phoebicius
+laten mishandelen?"
+
+"Zulk een smerige aap," antwoordde Paulus, terwijl hij de stem van
+Polycarpus nabootste, "heeft dikwijls slagen noodig, en op dien morgen
+mocht ik mij niet verzetten, omdat... omdat... Maar dat gaat u niet
+aan. Gij moet uwe nieuwsgierigheid nog eenige dagen intoomen, en dan
+zou het licht kunnen gebeuren, dat gijzelf den man, wiens aanblik
+alleen reeds verontreinigt, die vleermuis, dien schildpad....."
+
+"Zwijg daarvan," sprak Polycarpus, "mogelijk heb ik mij tot
+onbetamelijke woorden laten verleiden, omdat, toen ik u zag, mijn
+gewond en gemarteld hart in oproer kwam. Thans zie ik het wel:
+uwe woeste haren omlijsten een goed gevormd gelaat. Vergeef mij
+mijn hevigen en onrechtvaardigen aanval. Terwijl ik geheel buiten
+mijzelven was, heb ik u geopenbaard al wat er in mijne ziel omging,
+en nu gij weet hoe het er in mijn hart uitziet, vraag ik u nogmaals:
+waar is Sirona?"
+
+Polycarpus zag Paulus met eene angstige, dringende bede aan, en wees
+met zijne hand op het hazenwindje, als wilde hij zeggen: "Gij moet
+het wel weten, want hier ligt het bewijs."
+
+De Alexandrijn draalde met het antwoord, wierp als bij toeval een
+snellen blik op den ingang van het hol, en toen hij daar achter de
+palmtakken het wit gewaad van zijne beschermeling zag schemeren,
+zeide hij tot zichzelven, dat Polycarpus, als hij hier nog verwijlde,
+de Gallische ontdekken zou, en dat moest vermeden worden. Er bestonden
+vele gronden, die hem konden doen besluiten eene samenkomst van den
+jongeling met deze vrouw te verhinderen. Doch hij dacht aan geen van
+die allen, en al vermoedde hij ook zelfs niet dat een zeker gevoel
+van ijverzucht in hem begon te ontwaken, dan was het toch ongetwijfeld
+zijn levendige afkeer om beiden onder zijne oogen in elkanders armen
+te zien snellen, die hem nu aanleiding gaf zich in een oogwenk om
+te keeren, het lijkje van den hond weder in zijne armen te nemen,
+en Polycarpus te antwoorden: "Zeker weet ik waar zij zich ophoudt, en
+wanneer de tijd daartoe gekomen is zult gij het vernemen. Thans moet
+ik het beestje begraven, en wanneer gij wilt, moogt ge mij helpen."
+
+Zonder het antwoord van Polycarpus af te wachten, vloog hij van
+steen op steen tot aan de hoogvlakte, bij welker steile afhelling hij
+Sirona voor het eerst gezien had. De jonkman volgde hem buiten adem
+en bereikte hem eerst, toen hij reeds begonnen was de aarde aan den
+voet eener klip met de handen op te krabbelen.
+
+Polycarpus stond thans dicht bij den Alexandrijn en herhaalde zijne
+vraag met hartstochtelijke drift; doch de laatste zag van zijn arbeid
+niet op en zeide, al sneller en sneller gravende: "Kom morgen op
+dezen tijd weder hier, dan kan ik het u mogelijk zeggen."
+
+"Denkt ge mij zoo af te schepen," zeide de jonkman. "Maar gij vergist
+u in mij, en wanneer ge mij met uwe zoo goedhartig klinkende woorden
+bedriegt, dan zal ik...."
+
+Doch hij voleindigde zijne bedreiging niet. Zij werd afgebroken
+door eene heldere en hartstochtelijke roepstem, die maar al
+te duidelijk in de eenzaamheid van dit woestijngebergte werd
+gehoord. "Polycarpus!--Polycarpus!" zoo klonk het al nader en nader,
+en dit stemgeluid werkte met betooverende macht op hem dien het gold.
+
+Zich in al zijne lengte oprichtende en bevende over al zijne leden,
+luisterde de jongeling scherp. Vervolgens riep hij: "Ik kom, Sirona,
+ik kom!" en zonder zich aan den Anachoreet te storen, zette hij zich
+in beweging om haar tegemoet te snellen.
+
+Maar Paulus trad hem in den weg en zeide met vaste stem: "Gij zult
+blijven!"
+
+"Uit den weg!" schreeuwde Polycarpus buiten zichzelven. "Zij roept
+mij toe uit de schuilplaats, waar gij haar vasthoudt, gij eerroover en
+vuige leugenaar. Uit den weg, zeg ik u!--Gij wilt niet? Zoo verweer u
+dan, gij hatelijke schildpad, of ik vertreed u, zoo mijn voet althans
+niet weigert zich met uw gif te bezoedelen."
+
+Paulus had tot hiertoe met uitgebreide armen roerloos maar onwrikbaar
+als een eikenboom tegenover den jongeling gestaan. Thans werd hij
+door Polycarpus' vuist getroffen.
+
+Na dezen slag was het geduld van den Anachoreet uitgeput. Zichzelven
+niet meer meester, riep hij: "Dat zult gij mij betalen!" En eer
+de roepstem van Sirona's lippen ten derde en ten vierde male werd
+gehoord, had hij het slanke lichaam van den kunstenaar aangegrepen,
+en met een geweldigen zwaai over zijne eigene breede athleten-schouders
+geslingerd tegen den steenachtigen grond.
+
+Na deze woeste daad bleef hij wijdbeens, met de armen over elkander
+gekruist en rollende oogen, als aan den grond genageld tegenover zijn
+slachtoffer staan. Hij wachtte tot Polycarpus zijne krachten weder
+verzameld had, en zonder om te zien, als een beschonkene, waggelend
+was heengegaan, terwijl hij de handen tegen zijn achterhoofd drukte.
+
+Paulus zag hem na, tot de klippen aan den rand der hoogvlakte hem aan
+zijne blikken onttrokken. Hij kon dus niet meer zien hoe Polycarpus
+nabij de bron, waaruit zijn vijand Sirona's verdroogde lippen hadden
+verfrischt, onder het slaken van pijnlijke kreten, machteloos in
+elkander zonk.
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+"Zij zal nog de aandacht wekken van Damianus of Salatiël, of een
+ander van die daar boven wonen," dacht Paulus, toen de roepstem van
+Sirona zich opnieuw deed hooren. Het geluid van haar stem volgende,
+steeg hij haastig en in spanning den berg op.
+
+"Heden," prevelde hij verder in zichzelven, "en misschien ook morgen
+hebben wij van dien onbeschaamden jongen ten minste niets te vreezen;
+zijne blauwe plekken zullen hem aan mij doen denken. Men vergeet toch
+niet gemakkelijk wat men eens heeft geleerd! De greep, waarmede ik
+hem in de hoogte tilde, heb ik--hoe lang is dat al geleden?--van den
+gymnasiarch Delphis geleerd. Nog is het merg in mijne gebeenten niet
+verdroogd; dat zal ik den knaap met deze vuisten bewijzen, al keerde
+hij met drie of vier van zijn slag terug."
+
+Maar Paulus had niet lang tijd om zijne verwarde denkbeelden na te
+gaan, want midden op den weg naar zijn hol vond hij Sirona.
+
+"Waar is Polycarpus?" riep zij hem toe.
+
+"Ik heb hem weggezonden," gaf hij ten antwoord.
+
+"En heeft hij uw bevel opgevolgd?" vroeg zij verder.
+
+"Ik liet het niet ontbreken aan afdoende gronden," antwoordde hij
+levendig.
+
+"Doch zal hij niet terugkomen?"
+
+"Voor heden heeft hij hier boven genoeg vernomen. Wij zullen thans
+aan uw reis naar Alexandrië moeten denken."
+
+"Ik geloof toch," antwoordde Sirona blozend, "dat ik in uw hol veilig
+geborgen ben, en te voren hebt gijzelf gezegd...."
+
+"Ik waarschuwde u voor de gevaren der hoofdstad," viel Paulus
+haar in de rede. "Sedert heb ik mij echter bedacht, dat ik toch
+een onderkomen en een beschermer voor u weet, op wien ge u verlaten
+kunt. Daar zouden wij weder te huis zijn. Ga thans in de spelonk, want
+men heeft misschien uw geroep gehoord, en wanneer andere Anachoreten
+u hier ontdekten, zouden ze mij dwingen u naar uw echtgenoot terug
+te brengen."
+
+"Ik ga al," zeide de Gallische met een zucht. "Maar verklaar mij
+eerst--want ik heb alles gehoord, wat gij met elkander gesproken
+hebt"--en wederom kreeg zij eene kleur, "hoe het toch gekomen is,
+dat Phoebicius het schaapsvel van Hermas voor het uwe hield, en waarom
+ge u, zonder u te verantwoorden, door hem hebt laten mishandelen?"
+
+"Omdat mijn rug nog breeder is dan die van den grooten knaap,"
+haastte de Alexandrijn zich te antwoorden. "In rustiger oogenblikken
+zal ik u dit alles vertellen; misschien reeds op onzen overtocht naar
+Klysma. Ga thans in het hol, anders kunt gij alles nog bederven. Ik
+weet ook wat gij, sedert die fraaie woorden van den zoon des senators,
+het meest noodig hebt."
+
+"En dat is?" vroeg Sirona.
+
+"Een spiegel," riep Paulus lachend.
+
+"Hoezeer vergist ge u!" antwoordde de Gallische, en dacht, terwijl
+zij zich in het hol terug trok: "Wien Polycarpus zoo aanziet als mij,
+die heeft nooit meer een spiegel noodig!"
+
+In het visschersdorp aan de westelijke helling van den berg woonde
+een oude joodsche koopman, die de kolen, welke men in de dalen van het
+schiereiland uit de sayal-akasia brandde, naar Egypte verscheepte, en
+die reeds voor de papyrus-fabrieken van Paulus' vader de brandstoffen
+geleverd had, die men in de droogzalen gebruikte. Thans deed hij zaken
+met zijn broeder, en de Alexandrijn had zelf met hem omgegaan. Hij
+was verstandig en niet onbemiddeld. Zoo dikwijls hij den Anachoreet
+ontmoette, had hij dezen verweten dat hij der wereld ontvlucht was,
+en hem verzocht ten allen tijde op zijne gastvrijheid te rekenen,
+en over zijn goed te beschikken alsof het zijn eigendom was. Deze man
+moest Paulus nu een boot verschaffen, en hem de middelen aan de hand
+doen tot Sirona's vlucht.
+
+Hoe langer de Alexandrijn hierover nadacht, des te onvermijdelijker
+scheen het hem, dat hij de Gallische zelf begeleidde, om haar te
+Alexandrië in eigen persoon een goed onderkomen te bezorgen. Hij
+wist dat hij vrije beschikking had over het kolossaal vermogen van
+zijn broeder, dat voor de helft ook het zijne was, en sedert vele
+jaren begon hij zich voor het eerst weder te verheugen in zijn
+rijkdom. Weldra hield hij zich in den geest bezig met te zorgen
+voor het in orde brengen van het huis, dat hij der schoone vrouw
+tot verblijf wilde aanwijzen. Eerst dacht hij aan eene eenvoudige
+en burgerlijke woning, maar langzamerhand begon hij in zijne
+verbeelding het voor haar bestemde huis met schitterend goud, met
+wit en veelkleurig marmer, met bonte Syrische tapijten, ja zelfs
+met het schandelijkste heidenwerk, met beelden en een weelderig bad
+te versieren.
+
+Zoo besteeg hij, steeds onrustiger, de eene rots voor, de andere na,
+en bleef bij dat op en neer loopen telkens staan voor het hol, waarin
+Sirona vertoefde. Eens zag hij haar wit gewaad, en de helderheid
+daarvan bracht hem tot de overtuiging, dat het onvoorzichtig zou
+zijn haar in zulk eene kleeding in het armzalig visschersvlek te
+brengen. Wanneer hij haar spoor voor de navorschingen van Phoebicius
+en Polycarpus geheel verborgen wilde houden, dan moest hij haar eerst
+een eenvoudig kleed bezorgen, en sluiers die het glanzend haar en het
+blanke gelaat konden bedekken, dat zelfs in de hoofdstad zijns gelijken
+nauwelijks vond. De Amalekiet, van wien hij reeds tweemalen geitenmelk
+voor haar gekocht had, woonde in eene hut, die Paulus spoedig bereiken
+kon. Hij bezat nog eenige drachmen, en daarvoor kon hij gemakkelijk van
+de vrouw en de dochters van den herder aanschaffen, wat hij noodig had.
+
+Niettegenstaande de hemel met nevelen bedekt werd, en een drukkend
+heete zuidewind was opgestoken, ging hij terstond op weg. Men zag
+de zon niet meer, maar gevoelde haar verzengenden gloed. Doch Paulus
+lette niet op dit voorteeken van een naderenden storm. Haastig, en zóo
+verstrooid, dat hij in den kleinen voorraadkelder het eene voorwerp
+met het andere verwisselde, legde hij brood, de melkkruik en eenige
+dadels voor den ingang van het hol neer, riep zijne gast toe dat hij
+spoedig zou terugkeeren, en snelde met gejaagde schreden den berg op.
+
+Sirona antwoordde hem met een nauw verstaanbaren groet, en zag niet
+eens naar hem op, want zij verheugde zich in hare eenzaamheid, en gaf
+zich, zoodra zijne voetstappen niet meer hoorbaar waren, weder over
+aan den geweldigen stroom van nieuwe en verhevener gewaarwordingen,
+die na Polycarpus' gloeiende liefdeshymne zich in hare ziel had
+uitgestort. Paulus was in de laatste uren Menander geworden; de
+verlatene vrouw dáar in het hol, de oorzaak van deze omkeering, de
+vrouw van Phoebicius, had eene nog grootere verandering ondergaan. Zij
+was nog Sirona, en toch Sirona niet meer.
+
+Toen de Anachoreet haar bevolen had zich in de spelonk terug te
+trekken, zou zij hem gaarne gevolgd zijn; ja, zij zou ook zonder zijn
+gebod zich verwijderd en de eenzaamheid opgezocht hebben, want zij
+ondervond dat er iets groots, iets buitengewoons, iets dat zijzelve
+niet begreep, in hare ziel omging, en dat iets machtigs, waaraan zij
+geen naam kon geven, zich in haar hart gevormd, losgewrongen en leven
+en beweging gekregen had. En dat onbekende was haar vreemd en toch
+welkom, vervulde haar met angst en scheen haar toch zoo zoet, deed
+haar pijnlijk aan en bracht haar toch in zulk eene onuitsprekelijke
+verrukking!
+
+Eene ongekende aandoening had zich van haar meester gemaakt, en het
+was haar sedert Polycarpus' woorden, als vloeide er nieuw en reiner
+bloed in sneller loop door hare aderen. Elk harer zenuwen trilde
+als de bladen der populieren in haar vaderland, wanneer zij bewogen
+werden door den wind, die tegen den stroom der Rhône opwoei, en het
+viel haar moeielijk de rede van Paulus te volgen en nog moeielijker
+het rechte antwoord op zijne vragen te vinden. Zoodra zij alleen was,
+zette zij zich op haar nachtleger neder, liet den elleboog op hare
+knie rusten, legde haar hoofd in de hand, en nu barstte de steeds
+geweldiger aanwassende en zwellende vloed der hartstocht, die haar had
+aangegrepen, in eene, in een overvloedigen en warmen tranenstroom uit.
+
+Zóo had zij nog nooit geweend! Dit reine, verkwikkende tranenvocht
+was met geen smart of bitterheid vermengd. Het was of in de ziel der
+weenende, wonderbloemen van ongekende pracht en heerlijkheid hare
+kelken openden. En toen hare tranen eindelijk verdroogden, werd het al
+stiller en stiller, maar ook helderder en helderder in haar en rondom
+haar heen. Zij was te moede als een mensch, die is opgegroeid in een
+onderaardsch verblijf, waarin geen straal van het daglicht vermocht
+door te dringen, en die eindelijk aan de hand van zijn bevrijder den
+blauwen hemel aanschouwt, het glanzende licht der zon, en de duizende
+bladen en bloemen in het groene woud en op de weide. Zij gevoelde
+zich diep ongelukkig, en toch was zij eene gelukkige vrouw.
+
+"Dat is liefde," klonk het als gezang in haar hart, en als zij dan
+in het verleden terugzag, en aan de bewonderaars dacht, die haar
+in Arelate, toen zij nog half een kind was, en vervolgens in Rome,
+met vriendelijke oogen en zoete woordjes genaderd waren, dan schenen
+deze allen haar schaduwbeelden toe, die dunne kaarsen droegen, welker
+armzalig licht geheel verbleekte, nu Polycarpus optrad met de zon
+zelve in de handen.
+
+"Gene en hij!" prevelde zij in zichzelve, en zij zag eene weegschaal
+voor zich. Op de eene zijde lagen de bewijzen van hulde, waarnaar zij
+in hare ijdelheid zoo begeerig was geweest. Een voor een waren zij aan
+stroohalmen gelijk, en te zamen aan eene lichte garve, die hoog in de
+lucht vloog, toen Polycarpus zijne liefde, als een centenaars-gewicht
+van rein goud, op de andere legde.
+
+"En al brachten alle volken en koningen hunne schatten samen,"
+dacht zij, "en legden ze voor mijne voeten, dan zouden ze mij toch
+zoo rijk niet kunnen maken als hij mij gemaakt heeft. Al vielen alle
+sterren samen, dan zou de kolossale lichtbal, die hieruit ontstond,
+toch niet helderder schitteren, dan de vreugde die thans mijne ziel
+vervult. Laat nu komen wat wil, na deze ure zal ik niet klagen!"
+
+Vervolgens dacht zij aan elke harer vroegere ontmoetingen met
+Polycarpus, en dat hij haar nooit van zijne liefde gesproken had. Wat
+moet het hem gekost hebben zich zoo te beheerschen! De gedachte dat ook
+zij rein was en zijner niet onwaardig, vervulde hare ziel met vreugde,
+en een gevoel van dankbaarheid zonder wederga welde in hare ziel op.
+
+De liefde, die zich op dien éenen man had gericht, schoot nu vleugelen
+aan, breidde zich uit over al wat leefde in het heelal, en ging
+over in een gebed. Na eene diepe ademhaling hief zij de oogen en de
+handen op. Zij verlangde ieder schepsel, al het geschapene liefde te
+bewijzen, en met zeker heimwee zocht zij naar die goede en hoogere
+macht, waaraan zij zulk een geluk te danken had. Haar vader had haar
+als meisje zeer streng gehouden, maar haar toch veroorloofd bij den
+optocht der maagden op het feest van Venus te Arelate,--aan welke
+godin alle vrouwen in hare geboorteplaats, wanneer hun hart van
+liefde vervuld was, gebeden en offers brachten,--met de meisjes van
+haar leeftijd, keurig uitgedost en met een krans getooid, door de
+straten der stad te trekken naar den tempel der godin. Zij beproefde
+thans tot Venus te bidden. Maar daarbij kwamen haar af en toe de
+uitgelaten aardigheden van de mannen, die de meisjes begeleidden,
+voor den geest, en herinnerde zij zich hoe zijzelve gretig naar de al
+te veelvuldige uitroepen van bewondering geluisterd, de zwijgers door
+een blik uitgedaagd, en de luidruchtigste door een lachje gedankt had.
+
+Doch naar zulk een spel stond haar heden waarlijk het hoofd niet,
+en zij gedacht de strenge taal, die zij uit Dorothea's mond over
+den Venus-dienst had gehoord, toen zij haar eens verteld had, hoe
+de inwoners van Arelate de kunst verstonden om feest te vieren. En
+Polycarpus, wiens hart zoo vol liefde was, dacht gewis als zijne
+moeder, en zij zag hem daar vóor haar zooals hij, achter zijne ouders
+en naast zijne zuster Marthana, en vaak met deze hand in hand, naar de
+kerk ging. De zoon van den senator had altijd een vriendelijken blik
+voor haar, doch niet bij deze wandeling naar den tempel van den god,
+van wien zij zeiden, dat hij de liefde zelve was. Zijne vereerders
+waren dan ook waarlijk niet arm in liefde, want zoo ergens, dan
+verbond in het gezin van Petrus een teedere neiging aller harten.
+
+Bij deze gedachte viel haar in, dat Paulus haar kort geleden geraden
+had, zich tot den gekruisigden god der christenen te wenden, die
+met gelijke liefde jegens allen vervuld was. Voor dezen boog ook
+Polycarpus de knieën, misschien juist in deze ure, en wanneer zij
+hetzelfde deed, zou haar gebed met het zijne samensmelten, en dan
+was zij toch met den geliefden jonkman, van wien alles haar scheidde,
+aan dezelfde plaats vereenigd.
+
+Zij knielde neder en vouwde de handen, zooals zij het dikwijls van
+de christenen had gezien, en dacht aan de smarten, die de arme man,
+toen hij met zijne doorboorde handen aan een kruis hing, zoo geduldig,
+ofschoon hij onschuldig gemarteld werd, had gedragen. Zij gevoelde
+innig medelijden met hem en zeide zacht, terwijl zij de oogen tot het
+lage gewelf van de spelonk opsloeg: "Gij arme, goede zoon van God,
+gij weet hoe smartelijk het is, wanneer alle menschen iemand ten
+onrechte veroordeelen, en gij kunt mij zeker verstaan, wanneer ik u
+zeg hoe het hart mij pijn doet.
+
+"Maar zij zeggen ook dat uw hart van alle harten het meeste liefheeft,
+en daarom zult gij weten hoe het komt, dat het bij al mijn leed toch
+voorkomt, als ware ik eene gelukkige vrouw. Het moet zalig zijn den
+adem eener godheid te gevoelen, en dat hebt gij zeker ondervonden,
+toen zij u mishandelden en scholden. Want gij hebt uit liefde geleden.
+
+"Zij zeggen dat gij volmaakt rein en geheel onschuldig zijt geweest. Ik
+heb wel velerlei dwaasheden gedaan, maar eene zonde, eene werkelijke
+zonde heb ik niet begaan, neen zeker niet! Dat zult gij wel weten, want
+gij zijt een god, en kent het verledene en leest in de harten. Maar
+ik zou ook gaarne zonder schuld blijven, en hoe kan dat, wanneer ik
+mij aan Polycarpus moet overgeven, terwijl ik toch de vrouw ben van
+een ander man?
+
+"Maar was ik dan werkelijk de echte en rechte vrouw van dien
+afzichtelijken booswicht, die mij aan een ander heeft verkocht? Hij
+is zóo vreemd aan mijn hart, zóo vreemd, als had ik hem nooit met de
+oogen gezien. En toch, geloof mij, ik wensch hem geen kwaad toe, en
+wil tevreden zijn, wanneer ik slechts niet weder tot hem terug moet
+keeren. Als kind was ik bang voor kikvorschen. Mijne broertjes en
+zusjes wisten dat, en eens legde mijn broeder Licinius mij zulk een
+groot beest, dat hij gevangen had, op den hals. Ik kreeg eene rilling
+en schreeuwde zoo hard ik kon, want het was zoo afschuwelijk nat en
+koud, dat ik het niet beschrijven kan. En zóo, juist zoo is het mij
+sedert dien dag in Rome altijd geweest, als Phoebicius mij aanraakte,
+en toch durfde ik niet schreeuwen als hij het deed.
+
+"Doch Polycarpus! Ja was hij maar hier en kon hij slechts mijne handen
+grijpen!--Hij zeide dat ik de zijne was, en toch heb ik hem nooit
+aangemoedigd. Maar thans! Als een gevaar hem dreigde of eenig leed,
+en ik kon het daardoor van hem afwenden, zeker, o zeker liet ik mij,
+hoewel ik niet gaarne pijn lijd en bang ben voor den dood, zonder
+klagen voor hem aan het kruis nagelen, gelijk gij hebt gedaan voor alle
+menschen. Maar hij zou moeten weten dat ik voor hem stierf. En wanneer
+hij mij dan met zijn diepen betooverenden blik in de brekende oogen
+zag, dan zou ik hem zeggen, dat ik hem innig dank voor zijne groote
+liefde, die zoo geheel anders is en veel verhevener dan alle liefde,
+die ik vroeger leerde kennen. Wat zich zoozeer verheft boven alles,
+wat de menschen gewoonlijk gevoelen, dat moet wel goddelijk zijn,
+zou ik meenen. Kan zulk eene liefde een onrecht zijn? Ik weet het
+niet maar gij moet het weten. Gij, dien zij den goeden herder noemen,
+brengt gij ons te zamen, of voer ons van elkander, zooals gij dit het
+best oordeelt voor hem! Maar als het zijn kan, vereenig ons toch, al
+ware het ook slechts voor eene enkele ure. Als hij maar weet dat ik
+niet slecht ben, en dat de arme Sirona hem en hem alleen zou willen
+toebehooren en geen ander, dan zou ik gaarne sterven. Gij goede,
+goede herder, neem mij op onder uwe kudde en leid mij!"
+
+Alzoo bad Sirona, en voor het oog harer ziel zweefde daarbij het
+beeld van eene vriendelijke, schoone jongelingsgestalte.
+
+Zij had het model van Polycarpus' in verheven arbeid uitgevoerden
+"goeden herder" gezien en de aanminnige trekken van dat gelaat niet
+vergeten. Dat beeld was haar zóo wel bekend, zij was er zóo mede
+vertrouwd, als wist zij, wat zij toch niet vermoedde, dat zijzelve
+voor een deel dat werk had doen slagen.
+
+De liefde die twee harten verbindt is den oceaan van Homerus gelijk,
+die de twee aardhelften in een cirkel besluit. Hij woelt en golft. Waar
+is de plaats van zijn oorsprong te zoeken: of hier of daar? Wie zal
+het zeggen?
+
+Vrouw Dorothea had de Gallische met moederlijke trots in de werkplaats
+van haar zoon gebracht. Thans dacht Sirona ook aan haar en haren
+echtgenoot en zijn huis, boven welks deur een spreuk in steen gebeiteld
+stond, die zij dagelijksch uit haar slaapkamer had gezien. Zij kon
+geen Grieksch lezen, doch Polycarpus' zuster, Marthana, had haar meer
+dan eens gezegd wat zij beduidde. "Beveel den Heer uw wegen en hoop
+op hem," luidde het opschrift. Deze woorden zeide zij zichzelve nu
+een- en andermaal voor, en daarbij teekende zij allerlei schoone
+droombeelden voor de toekomst, die steeds scherper omtrekken en
+helderder kleuren aannamen.
+
+Zij zag zich met Polycarpus vereenigd als de dochter van Petrus en
+Dorothea in het huis van den senator. Nu had zij een recht op de
+kinderen, die haar liefhadden en die haar zoo dierbaar waren. Zij
+stond de diakones ter zijde bij al hare bezigheden, en ontving
+lof en tevreden blikken tot dank. In het huis haars vaders had zij
+geleerd de handen te roeren, en hier kon zij weder toonen wat zij
+vermocht. Polycarpus zag met verbazing en bewondering toe en zeide
+haar, dat zij even handig als schoon was, en beloofde eene tweede
+Dorothea te worden. Vervolgens ging zij met hem in zijne werkplaats,
+en bracht daar orde in alles wat zoo wild door elkander lag, en stofte
+het af, terwijl hij elk harer bewegingen met zijne blikken volgde,
+en dan voor haar bleef staan en zijne armen opende, wijd--wijd....
+
+Zij verschrikte, drukte de handen voor hare oogen en wierp zich aan
+zijne geliefde borst, die zoo vol liefde vóor haar was. Zij wilde
+onder het storten van heete tranen hare armen slaan om den hals van den
+dierbaren jonkman. Doch daar verdween reeds het vriendelijk droombeeld,
+want een vluchtig schijnsel van licht verlichtte de donkere ruimte
+der spelonk, en spoedig daarop hoorde zij het door de rotswanden van
+haar verblijf getemperde, doffe rollen van een donderslag.
+
+Geheel tot de werkelijkheid teruggekeerd, luisterde zij naar buiten,
+terwijl zij zich aan den ingang van het hol plaatste. Het begon reeds
+donker te worden, en uit de duistere wolken, die rondom de toppen
+van den berg als een ontzaglijke sluier van zwart floers schenen
+te hangen, vielen zware regendruppels neder. Paulus was nergens te
+zien, maar daar stond de maaltijd nog, die hij voor haar had gereed
+gemaakt. Zij had sedert het ontbijt niets gegeten; zij wilde nu de
+melk opdrinken, maar deze was zuur geworden en niet te gebruiken,
+doch zij had aan een stukje brood en eenige dadels volkomen genoeg.
+
+Toen de bliksemstralen en donderslagen steeds korter op elkander
+begonnen te volgen, en de duisternis hand over hand toenam, overviel
+haar een groote angst, zij schoof het eten ter zijde en zag tegen
+den berg op, welks toppen nu eens geheel in nacht gehuld werden,
+dan weder, als badende in een zee van licht, duidelijker dan bij
+dag te zien waren. Dikwijls scheidde een bliksemschicht, met eene
+scherp geteekende vurige snede, het wolkgordijn met ongelooflijke
+snelheid vaneen; vaak klonk de donder door de stille woestenij als
+bazuingeschal, dat zich dreunend, ratelend en langzaam wegstervend
+van rots tot rots voortplantte.
+
+Opeens schenen het licht en de slag tegelijk van den hemel neder te
+dalen. De rots, waarin hare spelonk was, beefde. In gebogen houding
+en bevende trok zij zich in het binnenste hoekje van haar hol terug,
+en telkens, wanneer de enge ruimte plotseling verhelderd werd,
+verschrikte zij.
+
+Eindelijk volgden de bliksemstralen elkander na langere tusschenpoozen
+op; de stem van den donder verloor hare vrees aanjagende kracht, en
+toen de stormwind het onweder verder en verder naar het zuiden joeg,
+stierf die stem geheel weg.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het was stikdonker in Sirona's hol, akelig donker, en hoe zwarter
+de nacht, die haar omgaf, zich vertoonde, des te hooger steeg haar
+angst. Van tijd tot tijd sloot zij de oogen zoo stijf dicht als zij
+kon, want dan was het haar als zag zij een purperkleurig schijnsel, en
+gelijk een drenkeling naar den oever, zoo smachtte zij in dit uur naar
+licht. Daarbij kwelden schrikbeelden van allerlei aard hare ziel. Als
+Paulus haar nu eens verlaten en aan haar lot prijs gegeven had? Als
+Polycarpus bij het onweder den berg eens doorzocht had om haar te
+vinden, en door de duisternis misleid in een afgrond was gestort of
+door een bliksemstraal gedood? Als eens de rotsmassa, die over den
+ingang van het hol hing, door den storm losraakte, en nederstortte, en
+haar den ingang naar buiten versperde? Dan was zij levend begraven; dan
+moest zij eenzaam versmachten zonder hem die zij liefhad, wedergezien
+en hem gezegd te hebben, dat zijn vertrouwen hem niet bedroog.
+
+Door zulke gedachten vreeselijk gekweld, verzamelde zij al hare
+krachten, en ging zij al tastend naar buiten in de vrije lucht,
+terwijl de wind haar tegenwoei. In die sombere eenzaamheid, in dat
+akelig donker, kon zij het niet langer uithouden. Reeds had zij den
+uitgang der spelonk bereikt, toen zij voetstappen hoorde, die haar
+schuilplaats schenen te naderen.
+
+Zij verschrikte opnieuw. Wie waagde het in dezen pikdonkeren nacht van
+de eene rots op de andere te klimmen? Kwam Paulus misschien terug? Was
+hij het, ofwel Polycarpus, die haar zocht?
+
+Als verbijsterd drukte zij beide handen tegen haar hart. Zij gevoelde
+zich gedrongen om te roepen, maar waagde het toch niet. Hare tong
+weigerde haar den dienst. Met angstige spanning luisterde zij naar
+het geluid der stappen, die recht vóor haar uit meer en meer naderden.
+
+De nachtelijke wandelaar merkte de schemering op van haar wit gewaad
+en riep haar bij den naam.
+
+Het was Paulus. Zij gevoelde zich verlicht en haalde weder adem,
+toen zij zijne stem herkende en zijne groet beantwoordde.
+
+"Bij zulk noodweer," zeide de Anachoreet, "is het, geloof ik, beter
+hier binnen dan buiten; want dat het in de open lucht niet bijzonder
+aangenaam is, heb ik ondervonden."
+
+"Maar ook hier in het hol," antwoordde Sirona, "is het verschrikkelijk
+geweest. Ik heb mij vreeselijk bang gemaakt, want ik was zoo alleen
+in het akelig donker. Had ik mijn hondje nog maar bij mij gehad,
+dat was ten minste een levend wezen."
+
+"Ik heb mij gehaast zooveel ik kon," hernam Paulus. "De paden zijn
+hier minder effen dan de wandelwegen te Alexandrië in de Canobische
+straat, en daar ik niet evenals de Cerberus, die aan de voeten van
+Serapis zit, drie halzen heb, zoo zou het wijzer van mij geweest zijn,
+indien ik wat minder haastig tot u ware terug gekeerd. De stormvogel
+heeft alle sterren opgeslokt, alsof het muggen waren, en de oude
+berg is daarover zoo boos, dat hem overal de tranen bij beken over
+de steenen wangen loopen. Ook hier is het nat. Ga thans in het hol
+terug en laat mij wat ik hier voor u op den arm draag in den drogen
+gang leggen. Ik breng goede tijding. Morgen avond breken wij op,
+tegen dat de duisternis valt. Ik heb voor een vaartuig gezorgd,
+dat ons naar Klysma zal brengen, en vandaar geleid ikzelf u naar
+Alexandrië. In het schaapsvel dat ik hier heb zult gij de kleederen
+en den sluier van eene Amalekietische vrouw vinden. Als uw spoor
+voor Phoebicius verborgen zal blijven, dan moet gij u deze vermomming
+laten welgevallen, want zoodra de lieden daarbeneden u zien, zooals
+ik u heden zag, zouden zij meenen dat Aphrodite zelve weder uit het
+schuim der zee was opgerezen, en de tijding dat eene blonde schoone
+hun verschenen was, haastig verder verspreiden tot in de oase."
+
+"Maar ik meen dat ik hier goed verborgen ben," antwoordde Sirona. "Ik
+ben bang voor dien zeetocht. En al gelukte het ons ook zonder
+tegenspoed Alexandrië te bereiken, dan weet ik toch niet...."
+
+"Het is mijne zaak dan voor u te zorgen," viel Paulus haar in de
+rede, met eene zekerheid, die bijna overmoedig scheen en Sirona
+verontrustte. "Gij kent den fabel van den ezel in de leeuwenhuid; daar
+zijn echter ook leeuwen, die het vel van een ezel of een schaap--dat
+komt zoowat op hetzelfde neer--over de schouders dragen. Gisteren
+verteldet ge mij van de heerlijke paleizen der burgers, die gij in
+de hoofdstad hebt gezien, en hebt gij hen die ze bezitten gelukkig
+geprezen. Welnu, gij zult in een dier marmeren huizen wonen en
+daarin als meesteres gebieden, en mijn eerste zorg zal zijn u slaven
+en een draagstoel, dragers, en een wagen met witte muildieren te
+verschaffen. Twijfel er niet aan, want ik beloof niets, wat ik niet
+zou kunnen houden.--De regen houdt op en ik wil nu beproeven vuur
+te ontsteken.--Zijt ge reeds verzadigd? Nu, dan wensch ik u goeden
+nacht. Het overige zullen wij morgen wel vinden."
+
+Sirona had de beloften van den Anachoreet met verbazing aangehoord. Hoe
+dikwijls had zij hen benijd, die dat alles bezaten, wat haar
+zonderlinge beschermer haar toezegde! Thans echter hadden al deze
+dingen voor haar niet de minste aantrekkelijkheid, en met het vaste
+voornemen Paulus, dien zij begon te mistrouwen, in geen geval te
+volgen, antwoordde zij, terwijl zij zijn groet koel beantwoordde:
+"Vóor morgen avond verloopen nog vele uren, waarin wij dit alles
+overleggen kunnen."
+
+Terwijl de Alexandrijn met veel moeite vuur ontstak, bleef zij weder
+alleen, en opnieuw begon zij zich in die donkere ruimte angstig te
+maken. Zij riep den Alexandrijn en zeide: "Het donker maakt mij zoo
+benauwd. Heden morgen had gij nog olie in de kruik; mogelijk gelukt
+het u voor mij een lampje gereed te maken. Het is zoo akelig in donker
+te blijven."
+
+Paulus nam terstond eene scherf, trok een draad uit zijn gescheurd
+wollen kleed, draaide dien in elkander, legde hem als een pit in de
+vette vloeistof, stak hem aan zijn langzaam opflikkerend vuurtje
+aan, en gaf Sirona dit meer dan eenvoudige lichtje in de hand met
+de woorden: "Hiermede zult gij geholpen zijn. In Alexandrië zal ik
+echter voor lampen zorgen, die beter gezien mogen worden en door
+knapper kunstenaars gemaakt zijn."
+
+Sirona plaatste het lampje in eene holte van den rotswand boven hare
+legerstede, en vlijde zich vervolgens neder.
+
+Het licht verjaagt niet enkel de roofdieren maar ook de vrees van de
+rustplaatsen der menschen, en het verwijderde thans van de Gallische
+elke sombere gedachte. Klaar en duidelijk overzag zij haren toestand,
+en zij besloot het hol niet eerder te verlaten en zich aan den
+Anachoreet toe te vertrouwen, voor zij Polycarpus wedergezien en hem
+gesproken had. Hij wist toch nu waar hij haar zoeken moest, en hij
+zou zeker, dacht zij, reeds tot haar teruggekeerd zijn, wanneer het
+onweder en de bewolkte hemel het bestijgen van den berg uit de oase
+niet onmogelijk hadden gemaakt.
+
+"Morgen zie ik hem weder, en dan open ik voor hem mijn hart," zeide zij
+tot zichzelve. "Dan laat ik hem in mijne ziel lezen als in een boek,
+en op elke bladzijde, in elken regel zal hij zijn naam vinden. Ik
+wil hem ook zeggen, dat ik tot zijn 'goeden herder' heb gebeden,
+en hoe goed mij dat gedaan heeft, en dat ik eene christin wil zijn,
+gelijk zijne zuster Marthana en zijne moeder. Vrouw Dorothea zal zich
+zeker zeer verheugen wanneer zij dat hoort, en zij ten minste heeft
+stellig niet kunnen gelooven dat ik slecht ben. Want zij heeft mij
+toch altijd lief gehad, en de kinderen, de kinderen...."
+
+De vroolijke gestalten van de kleine schare kwamen haar lachend voor de
+verbeelding, en onopgemerkt gingen hare voorstellingen over in droomen,
+en de vriendelijke slaap raakte haar hart aan met eene zachte hand,
+en blies elken schaduw van zorg uit hare ziel weg. Glimlachend en
+onbekommerd sluimerde zij in als een kind, op welks zacht geslotene
+oogen beschermengelen hunne kussen drukken.
+
+Intusschen was haar zonderlinge beschermer bezig met nu eens het
+rookende hout op den vochtigen haard om te keeren, en met een vuurrood
+gezicht in de smeulende kolen te blazen, dan weder onrustig op en
+neder te wandelen, en telkens wanneer hij den ingang van het hol
+voorbijging, zijne schreden te vertragen, om een verlangenden blik
+te slaan naar de lichtschemering, die uit Sirona's rotsvertrek te
+voorschijn kwam. Sedert hij Polycarpus op den grond had geslingerd,
+was Paulus niet tot nadenken gekomen. Geen oogenblik had hij berouw
+gevoeld over zijne daad, want hij had in de verte niet bedacht, dat
+een val op den ijzerharden steen van den heiligen berg meer pijn deed,
+dan het neerstorten in het zand van het worstelperk. Die onbeschaamde,
+meende hij, had in alle opzichten verdiend aldus weggezonden te
+worden. Wie toch gaf hem meer recht op Sirona dan hij, Paulus, bezat,
+die haar leven gered en op zich genomen had haar te beschermen?
+
+Hare buitengewone schoonheid had hem sedert de eerste ontmoeting
+goed gedaan, doch geene enkele onreine gedachte was er in zijn hart
+opgeweld, als hij haar met welgevallen aanzag, en met aandoening
+luisterde naar hare kinderlijke taal. De gloeiende ontboezeming van
+Polycarpus had het eerst ook in zijne ziel vonken geworpen, die de
+jaloezie en de bezorgdheid, dat hij Sirona aan een ander zou moeten
+overlaten, spoedig tot een verterend vuur aanbliezen. Hij wilde deze
+vrouw niet prijsgeven; hij wilde ook verder voor haar zorgen. Zij
+zou alles aan hem en aan hem alleen te danken hebben.
+
+Derhalve wijdde hij zich, zonder verzuim, met hart en ziel aan de
+voorbereiding tot hare vlucht. De drukkende onweerslucht, donder en
+bliksem, de bij stroomen neervallende regen en de duisternis van
+den nacht hielden hem niet tegen, en terwijl hij doornat en dood
+moede, onder allerlei gevaren al tastend van rots tot rots opsteeg,
+dacht hij aan niets dan aan haar, en hoe hij haar het zekerst naar
+Alexandrië kon overbrengen en dáar met alles omgeven, wat maar ooit
+eene vrouw aangenaam kan zijn. Niets, volstrekt niets begeerde hij voor
+zichzelven, en wat hij overlegde en de plannen die hij maakte, hadden
+enkel en alleen betrekking op hetgeen hij voor haar zou kunnen doen.
+
+Toen hij voor haar de lamp gereed gemaakt en aangestoken had, zag
+hij haar weder, en hijzelf was verbaasd over de schoonheid van dat
+door de flikkerende vlam verlicht gelaat. Hij had haar maar enkele
+oogenblikken kunnen zien, toen was zij verdwenen, en hij moest alleen
+in nacht en regen achterblijven. Rusteloos wandelde hij op en neer,
+en een pijnigend verlangen om dat door het lamplicht beschenen gelaat
+en dien blanken arm, die zich naar het licht had uitgestrekt, nog
+eens te zien, begon zich steeds krachtiger te doen gevoelen, en deed
+zijn hart al sneller en sneller kloppen.
+
+Zoo vaak hij het hol voorbijging en de schemering van licht uit haar
+slaapvertrek waarnam, werd hij als door eene onweerstaanbare kracht
+gedreven om naar haar toe te sluipen en haar nog eens te zien. Aan
+gebed en geeseling, zijne oude middelen tegen zondige denkbeelden,
+dacht hij niet; maar wel overlegde hij of hij niet om eene of
+andere reden naar binnen kon gaan, zonder daarom schuldig te zijn in
+zijne eigene oogen. Daar viel hem in dat het koel was, en dat er een
+schaapsvel in het hol lag. Dat wilde hij gaan halen, niettegenstaande
+hij de gelofte had afgelegd het niet meer te gebruiken. En wanneer
+hij haar dan tevens zien kon, wat zou dat?
+
+Zoodra hij den drempel van den ingang overschreden had, vermaande eene
+stem in zijn binnenste hem om terug te keeren, en zeide hem dat hij
+op een verkeerden weg was, want hij sloop als een dief op de teenen
+voort. Doch haastig liet hij er het verontschuldigend antwoord op
+volgen: "Dit is opdat zij niet wakker zal worden, zoo zij slaapt." En
+hiermede had hij elke verdere bedenking tot zwijgen gebracht, want
+reeds was hij doorgedrongen tot de plaats waar, aan het einde van de
+rotsgang, haar slaapvertrek begon.
+
+Daar lag zij, betooverend schoon, op hare harde legerstede te
+sluimeren. Rondom was alles stikdonker, en het zwakke schijnsel van
+het lampje verlichtte slechts een klein gedeelte van de naakte akelige
+ruimte. Maar het bestraalde het hoofd, den hals en de armen, die met
+een eigen licht schenen te schitteren, en het lichtend vermogen van
+de zwakke vlam te verhoogen en te wijden.
+
+Paulus bleef met ingehouden adem op zijne knieën liggen, en zijne
+blikken vestigden zich met klimmende aandoening op het lieflijk beeld
+der slapende. Sirona droomde. Haar met blonde lokken omgeven hoofd
+rustte op een hoog kussen van kruiden, en haar zacht blozend gelaat
+was naar het gewelf van het hol toegekeerd. Hare even gesloten lippen
+bewogen zich zacht. Nu verroerde zij ook den gebogen arm en de blanke
+hand, die geheel door de lamp verlicht, half op hare glanzige haren
+en half op haar voorhoofd lag.
+
+"Zeide zij iets?" vroeg Paulus zich, en hij drukte zijne slapen zoo
+stevig tegen een vooruitstekend stuk rots, als wilde hij zijn bloed,
+dat al sneller en sneller begon te vloeien, verhinderen zich in zijne
+bedwelmde hersenen uit te storten.
+
+Daar bewoog zij opnieuw hare lippen. Had zij toch gesproken? Had
+zij hem misschien geroepen? Maar dat kon niet zijn, want zij
+sliep immers. Hij wilde het echter gelooven en geloofde het ook,
+en sloop al dichter naar haar toe, en boog zich over haar heen, en
+beluisterde de zachte regelmatige ademhaling die hare borst bewoog,
+terwijl hemzelven de kracht ontbrak om lucht te scheppen. Geen meester
+meer over zichzelven, raakte hij met zijne gebaarde lippen eerst haar
+blanke arm aan, dien zij al slapend terugtrok. Vervolgens vestigden
+zich zijne oogen op hare lippen en de twee, maar half door deze bedekte
+rijen witte tanden, en het verlangen om haar mond te kussen greep hem
+aan met onweerstaanbare macht. Bevend boog hij zich over haar heen,
+en reeds was hij op het punt zijn verlangen vervuld te zien, toen hij,
+als door eene plotselinge verschijning verschrikt, achteruit ging, en
+zijne blikken, in plaats van op den rooden mond, op de hand vestigde,
+die op het voorhoofd van de slapende rustte. Het licht van het lampje
+weerspiegelde zich in een gouden ring aan Sirona's vinger en bestraalde
+helder een onyx, waarin het beeld van de godin der stad Antiochië,
+Tyche, die een bol op het hoofd en de hoorn van Amalthea in de hand
+draagt, gesneden was.
+
+Eene zonderlinge gewaarwording overmeesterde den Anachoreet hij het
+zien van dezen steen. Met bevende vingers greep hij in de borstopening
+van zijn gescheurd kleed, tastte rond en bracht eindelijk een klein
+ijzeren kruis en den ring te voorschijn, dien hij van de koude hand
+van Hermas' moeder had getrokken. Deze gouden ring droeg een onyx,
+waarop juist hetzelfde beeld te zien was als op dien aan de hand van
+de Gallische. Het snoertje met zijn dierbaarst kleinood ontzonk den
+Anachoreet; met beide handen greep hij in zijne wilde haren, steunde
+smartelijk en herhaalde gedurig, alsof hij om vergeving moest bidden,
+den naam Magdalena.
+
+Eindelijk riep hij Sirona met luider stem, en toen zij hevig verschrikt
+ontwaakte, vroeg hij dringend: "Wie gaf u dien ring daar?"
+
+"Phoebicius heeft mij dien ring geschonken," antwoordde de
+Gallische. "Hij zeide dat hij dien, vele jaren geleden, in Antiochië
+ten geschenke had gekregen, en dat hij door een groot kunstenaar
+gesneden was. Maar ik ben er niet meer op gesteld, en wanneer hij u
+bevalt, moogt gij hem hebben."
+
+"Werp hem weg," riep Paulus, "want hij brengt u geen geluk!"
+
+Daarop herstelde hij zich, ging met gebogen hoofd naar buiten, wierp
+zich daar op den natten steenbodem vóor den haard neder en riep:
+"Magdalena, gij reinste! Uit eene Glycera zijt gij eene heilige
+martelares geworden en hebt gij den weg ten hemel gevonden. Ook ik
+had mijne reis naar Damascus, en vermeette mij den naam van Paulus
+aan te nemen, en nu.... nu....?"
+
+Door vertwijfeling aangegrepen sloeg hij zich vóor het voorhoofd en
+zuchtte: "Alles, alles te vergeefs!"
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Gewone naturen worden maar in het voorbijgaan aangegrepen door de
+onuitsprekelijk diepe smart, die eene vertwijfelende ziel ondervindt;
+maar hoe zwaarder zulk een lijden hen treft, des te zekerder werkt
+het met reinigende kracht op hem, die het te doorworstelen heeft.
+
+Paulus dacht niet meer aan de schoone sluimerende vrouw. Door gruwzaam
+zielewee gepijnigd, lag hij op den harden steen, en hij gevoelde dat
+hij vruchteloos gestreden had. Toen hij Hermas' zonde en straf en
+schande op zich nam, beeldde hij zich in dat hij midden op den weg
+des Heilands wandelde. En thans? Hij was te moede als een wedlooper,
+die dicht bij zijn doel over een steen struikelt en in het zand valt.
+
+"God ziet op den wil, niet op de daad," prevelde hij. "Wat ik ten
+opzichte van Sirona al of niet heb misdaan, dat is om 't even. Toen
+ik mij over haar heen boog, was ik gansch en al den booze vervallen,
+en een bondgenoot van den doodvijand desgenen, dien ik mij met
+lijf en ziel heb toegewijd. Wat baat het mij, dat ik de wereld ben
+ontvlucht, om werkeloos in deze woestenij voort te leven? Wie steeds
+den strijd ontwijkt, kan zich wel beroemen, dat hij tot het laatste
+onverwonnen is gebleven; maar is hij daarom een held? Wie te midden
+van den strijd en de verzoekingen dezer wereld op het pad blijft
+dat ten hemel leidt, en zich niet van den goeden weg laat afdringen,
+hem komt den zegepalm toe. Maar ik, ik wandel eenzaam daarheen, en
+een knaap en eene vrouw, die mij tegenkomen, dreigen en wenken mij,
+en ik vergeet mijn levensdoel en begeef mij in den modderpoel van den
+booze. Neen, zóo niet, niet hier kan ik vinden wat ik najoeg! Maar
+hoe dan, waar dan?--Verlicht mij, Heer, en zeg mij wat ik doen moet!"
+
+Onder deze gedachten richtte hij zich op, knielde neder en bad uit
+den diepsten grond van zijn hart. Toen hij eindelijk 'amen' zeide,
+gloeide zijn hoofd en was zijne tong als verdroogd.
+
+De wolkenmassa had zich verdeeld, alleen in het westen hingen er nog
+donkere, zware luchten. Van tijd tot tijd flikkerden bliksemstralen
+aan den verren horizont, en verlichtten den gespleten bergtop met
+vurigen gloed. De maan was opgegaan, maar de afnemende schijf werd
+gedurig door zwarte, snel voortschietende wolken bedekt. Verblindend
+helder weerlicht, een zacht schijnsel en totale duisternis wisselden
+elkander onregelmatig met groote snelheid af, toen Paulus eindelijk
+opstond en naar de bron afdaalde, om te drinken en zijn voorhoofd
+met frisch water af te koelen.
+
+Van steen tot steen gaande, zeide hij tot zichzelven, dat hij,
+alvorens een nieuw leven te beginnen, zich boete, zware boete moest
+opleggen. Maar welke?
+
+Thans stond hij voor de door klippen omzoomde bron en boog hij zich
+tot haar neder, doch eer hij zijne lippen bevochtigd had, richtte hij
+zich weder op, want juist omdat hij dorst had wilde hij zich dezen
+dronk ontzeggen. Haastig, bijna heftig keerde hij zich van de bron
+af, en na deze kleine overwinning op zichzelven, werd het een weinig
+stiller in zijn stormachtig bewogen gemoed.
+
+Het was of hij gedwongen werd om deze plaats te verlaten, te vluchten
+uit deze woestijn en van den heiligen berg, en het liefst ware hij
+terstond de wijde wereld ingegaan. Waarheen zou hij vluchten? Dat
+was hem onverschillig, want hij zocht slechts het lijden, en het leed
+wies als onkruid op alle wegen.
+
+Voor wien zou hij vluchten? Deze vraag werd in zijn binnenste herhaald,
+als had hij haar uitgeroepen ter plaatse waar de echo haar telkens
+weergaf. En het antwoord liet niet op zich wachten. "Hij," zoo luidde
+het, "voor wien gij vluchten wilt, zijt gijzelf. Uw eigen ik is uw
+vijand, en in welke woestenij gij u ook begraaft, het zal u volgen. Eer
+zal het u gelukken u te scheiden van uw schaduw, dan van dat ik."
+
+Hij werd zich volkomen bewust van zijne onmacht, en na de
+groote inspanning der laatste uren verviel hij in eene diepe
+moedeloosheid. Ontzenuwd, mat, vervuld met afkeer van zichzelven en
+van het leven, liet hij zich op een steen neder, en geheel nuchter
+overdacht hij de gebeurtenissen der laatste dagen en uren. "Van alle
+dwazen die ik ontmoet heb," dacht hij, "heb ik het in dwaasheid wel het
+verst gebracht, en daarbij eene verwarring aangericht, die ikzelf,
+al ware ik een wijs man, dat ik zoo min ooit worden zal als een
+schildpad of een phoenix, nooit weder in orde zal kunnen brengen. Ik
+hoorde eens van een kluizenaar vertellen, die, daar er geschreven
+stond dat men zijne dooden moest begraven, omdat hij geen lijk had,
+een reiziger doodsloeg, ten einde het gebod te kunnen vervullen. Ik heb
+juist als deze gehandeld, want om een ander leed te besparen en zijn
+schuld op mij te nemen, bracht ik eene onschuldige vrouw in ellende,
+en maakte ik mijzelven tot een zondaar. Zoodra de dag aanlicht ga ik
+naar beneden in de oase, om aan Petrus en Agapitus alles te belijden
+wat ik gedaan heb. Zij zullen mij straffen, en ik zal hen helpen,
+zooals billijk is, opdat mij niets worde geschonken van de boete,
+die zij mij opleggen. Hoe minder ik mijzelven verschoon, des te eer
+zal de eeuwige rechter mij vrijspreken."
+
+Hij stond op, zag naar den stand der sterren, en daar hij bemerkte
+dat de morgen niet verre meer zijn kon, maakte hij zich gereed om tot
+Sirona terug te keeren, die thans niets meer voor hem was dan eene
+ongelukkige vrouw, aan wie hij veel kwaad had goed te maken, toen
+een luide klaagtoon in zijne onmiddellijke nabijheid zijn oor trof.
+
+Onwillekeurig bukte hij, om een steen als wapen in zijne hand te
+nemen, en luisterde. Hij kende elke rots in de nabijheid der bron,
+en toen het zonderling gesteun zich andermaal liet hooren, wist hij
+dat het van eene plaats kwam, waar hij vaak had gerust. Want eene
+groote vlakke rots, door een stevigen pijler van graniet gesteund,
+stak dáar ver boven het andere gesteente uit, en verleende zelfs op
+den middag, wanneer nergens een voet breed schaduw was te vinden,
+beschutting tegen de zonnestralen. Misschien had een gewond dier
+onder dat dak, hetwelk ook de regen afweerde, een schuilplaats gezocht.
+
+Paulus ging behoedzaam vooruit. Daar klonk het steunen luider en
+smartelijker dan te voren, en--er viel niet aan te twijfelen, het
+was de klaagtoon van een mensch. De Anachoreet slingerde opeens den
+steen weg, wierp zich op de knieën en vond weldra op den drogen bodem
+onder het steenen afdak, in den uitersten hoek van deze schuilplaats,
+een roerloos menschelijk lichaam.
+
+"Misschien een herder, die door den bliksem is getroffen," dacht
+hij, terwijl hij het met lange haarlokken bedekte hoofd en de
+slap nederhangende, stevige armen van den lijder met de handen
+betastte. Toen hij vervolgens het lichaam van den zacht klagenden
+kranke opgericht en zijn hoofd tegen zijne breede borst geleund had,
+kwam hem uit het haar de aangename geur van fijne zalfolie tegemoet,
+en ontwaakte een vreeselijk vermoeden in zijne ziel.
+
+"Polycarpus!" riep hij, terwijl hij de handen vaster klemde rondom het
+lichaam van den kranke. Deze bewoog zich en prevelde eenige woorden
+zacht en onverstaanbaar, maar toch voor Paulus hard en duidelijk
+genoeg, want hij wist nu dat hij zich niet vergist had. Hij slaakte
+een luiden kreet, omvatte het lichaam van den jongeling, hief hem in
+zijne armen op, en droeg hem als een kind tot aan den rand van de bron,
+waar hij zijn kostelijken last nedervlijde in het vochtige gras.
+
+Polycarpus rilde en sloeg de oogen op. De morgen begon reeds te
+schemeren, de lichte wolkjes aan den oostelijken horizont werden met
+rooskleurige randen omzoomd, en de naderende dag trok den donkeren
+sluier op, die de vormen en kleuren van alle voorwerpen omhulde. De
+jongeling herkende den Anachoreet, die met bevende hand de wond van
+zijn achterhoofd wies. Doch de oogen van Polycarpus verkregen een
+vurigen glans, en met inspanning van zijne laatste krachten, stiet
+hij den verpleger van zich af.
+
+Paulus week niet terug, maar ontving den slag van zijn slachtoffer
+als een groet of een geschenk, en dacht: "Ja, hadt ge slechts een
+dolk in de hand, dan zoudt ge mij het zwijgen wel opleggen."
+
+De wond van den kunstenaar was vreeselijk groot en diep, maar het
+bloed was in zijne dichte lokken geronnen, en had zich als een stevig
+verband op de geopende aderen vastgezet. Het water waarmede Paulus nu
+het achterhoofd wies, veroorzaakte eene nieuwe bloeding, en na den
+krachtigen stoot, waarmede Polycarpus zijn vijand had aangevallen,
+zonk hij onmachtig in diens armen terug. Het vale morgenlicht deed
+de bleekheid van het bloedeloos aangezicht, dat met gebrokene oogen
+in den schoot van den Anachoreet rustte, nog meer uitkomen.
+
+"Hij sterft," prevelde Paulus en keek in doodsangst, met ingehouden
+adem en naar hulp uitziende, naar beneden in het dal en naar de
+hoogten boven hem. Daar vóor hem lag de majestueuse bergmassa, door
+het morgenrood in gloed gezet, omgeven door fijne lichtende nevelen,
+de berg, waar de Heer in steenen tafelen de wet voor zijn volk en alle
+volken had gegrift, en het was hem als zag hij de reuzengestalte van
+Mozes hoog uitsteken boven den verhevensten wachtpost van den berg,
+en als drong uit zijn mond met koperen klank het strengste van alle
+geboden: "Gij zult niet dooden!" toornig en krachtig in zijn oor.
+
+Paulus sloeg de handen voor zijn aangezicht en hield in stomme
+vertwijfeling zijn slachtoffer in den schoot. Hij had de oogen
+gesloten, want hij waagde het niet in het bleeke aangezicht van den
+jongeling en evenmin naar den berg op te zien. Maar dat koperen geluid
+dier stem uit de hoogte klonk voort, altijd voort, werd luider en
+luider. Half verbijsterd van aandoening, vernamen zijne ooren niet
+anders dan dat vreeselijk bevel: "Gij zult niet dooden!" en dan dat
+andere: "Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw!" en voorts het
+derde: "Gij zult niet echtbreken!" en eindelijk het vierde: "Gij
+zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben!" Wie éen van
+deze geboden overtreedt, die is verdoemd, en hij, hij had ze allen
+overtreden, overtreden op het doornig pad tot het zalige leven!
+
+Driftig en wild strekte hij de armen ten hemel, en zag diep ademhalende
+naar den berg op.
+
+"Wat was dat?"
+
+Op den top van den Sinaï, vanwaar de Pharanietische wachters
+gewoon waren uit te zien, woei een doek, ten teeken dat er vijanden
+naderden. Hij bedroog zich niet. En toen hij nu, met het oog op het
+naderend gevaar, zijne krachten verzamelde, en weder in staat was
+te denken en te overwegen, bemerkte hij, dat de toon, die nog altijd
+met verbazende trillingen zijn oor trof, werd voortgebracht door de
+metalen schijf, waarop de wachter sloeg, om de burgers van de oase
+en de Anachoreten te waarschuwen.
+
+Was Hermas teruggekeerd? Hadden de Blemmyers hem overvleugeld? Van
+welke zijde naderden de roofgierige scharen? Mocht hij hier bij zijn
+slachtoffer toeven, of gebood zijn plicht hem zijne sterke armen bij
+de verdediging van zijne weerlooze metgezellen te gebruiken?
+
+Angstig vragend staarde hij op de bleeke trekken van den jongeling,
+en daarbij werd hij vervuld van diep en smartelijk medelijden. Hoe
+schoon was deze jonge plant, die zijne hand gebroken had! En de hand
+eener moeder had gisteren nog deze bruine lokken gestreeld! Er welden
+tranen in de oogen van den Anachoreet, en met vaderlijke teederheid
+boog hij zich over het bleeke gelaat en drukte een zachten kus op de
+bloedelooze lippen van den jonkman, die daar in onmacht nederlag.
+
+Er voer eene blijde huivering door zijne leden want Polycarpus'
+mond was niet koud. Er was geen twijfel aan. En thans, thans bewoog
+hij zijne hand. Ja waarlijk! De Heer zij geloofd! Nu sloeg hij de
+oogen weder op. "Ik ben geen moordenaar!" jubelden duizend stemmen
+in Paulus' hart. "Ik draag hem naar zijne ouders in de oase," dacht
+hij vervolgens,--"en dan naar boven, naar de broeders!"
+
+Daar weerklonk met nieuwe kracht de toon van den slag op het metalen
+bekken, en de stilte der heilige woestijn werd hier door het geluid
+van menschelijke stemmen, daar door het geschetter van trompetten,
+elders door dof gejammer verstoord. Het was alsof eene betoovering
+de stomme rotsen had bezield en hun stemmen had gegeven, als vlogen
+geruisch en tonen, gelijk wilde stortbeken, tegen alle kloven en
+holle wegen van den berg op.
+
+"Te laat!" prevelde de Anachoreet, "wanneer ik maar kon, maar wist...."
+
+"Heidaar, vrome Paulus," liet zich op eens, den besluiteloozen
+man in zijne overpeinzingen storende, eene juigende, schetterende
+vrouwenstem hooren, die hoog uit de lucht scheen te komen. "Hermas
+leeft, Hermas is weder hier! Zie op naar de hoogte. Daar wappert de
+vaan, hij waarschuwde de wachters. De Blemmyers zijn in aantocht,
+en hij heeft mij uitgezonden om u te zoeken. Gij moet in den toren
+komen aan de westzijde van den grooten weg. Spoedig! Dadelijk! Hoort
+gij wel? Hij heeft mij opgedragen het u te zeggen.--Maar die man in
+uw schoot, dat is.... dat is...."
+
+"Dat is," antwoordde Paulus, "Polycarpus, de zoon van uw meester,
+die doodziek is. Haast u naar beneden in de oase, en zeg den senator,
+zeg vrouw Dorothea...."
+
+"Ik heb thans wel wat anders te doen," viel de herderin hem in de rede,
+"Hermas zendt mij naar Galasius, Psoës en Doelas, om ze te roepen. Als
+ik beneden in de oase kwam, dan sloten ze mij op, en lieten mij niet
+meer naar den berg terugkeeren.--Wat is er toch met dien armen jongen
+gebeurd? Maar wat komt het er op aan? Heden is er wat anders voor
+u te doen dan over een gat in het hoofd van den zoon des senators
+te klagen. Naar boven, naar den toren zeg ik u! Laat hem liggen, of
+draag hem daar boven in uw nest, en geef hem uw liefje ter verpleging."
+
+"Duivelin!" riep Paulus, en greep naar een steen.
+
+"Laat hem liggen," schreeuwde Mirjam hem toe. "Wanneer gij niet
+doet wat Hermas bevolen heeft, verraad ik aan Phoebicius waar zij
+verborgen is. Thans ga ik de anderen roepen. Bij den toren zien wij
+elkander weder. En houd u niet te lang op bij uwe blonde gezellin,
+gij vrome Paulus, gij heilige Paulus!"
+
+In gelach uitbarstende sprong zij, alsof zij door de lucht gedragen
+werd, van rots op rots. De Alexandrijn oogde haar toornig na. Doch
+hij begreep dat haar raad toch niet slecht was. Hij nam den gewonde
+op zijn schouder en droeg hem haastig den berg op naar zijn hol.
+
+Eer hij dit bereiken kon hoorde hij voetstappen en een luiden kreet
+van smart. Weinige oogenblikken later stond Sirona aan zijne zijde en
+riep op hartstochtelijken toon: "Ja, hij is het! En zóo, zóo! Maar
+hij moet leven, want ware hij dood, dan zou uw god der liefde zóo
+onverbiddelijk, zóo hard, zóo wreed zijn, dan zou.... dan zou...."
+
+Zij kon niet meer spreken, want tranen verstikten hare stem. Zonder
+op haar klagen te letten, ging Paulus haar haastig voor, trad het hol
+binnen, legde den bewustelooze op hare legerstede neder, en zeide,
+toen Sirona zich op de knieën wierp en hare lippen op de slappe hand
+van den jongeling drukte, ernstig maar vriendelijk: "Wanneer gij hem
+waarlijk liefhebt houd dan op met klagen! Hij is hier aan het hoofd
+sedert gisteren zwaar gewond. Ik heb zijne wond gewasschen. Verbind
+gij haar thans zorgvuldig en koel haar gedurig af met frisch water. Gij
+weet de bron te vinden. Wanneer hij wat bijkomt, moet gij hem de voeten
+wrijven, hem brood en eenige druppels wijn geven. Dat alles zult gij,
+benevens olie--want gij zult ook licht noodig hebben--in den kleinen
+kelder hiernaast vinden.
+
+"Ik moet nu naar de broeders, en keer ik vóor morgen niet terug,
+laat het dan aan de moeder van den armen jongeling over hem verder
+te verplegen. Zeg haar ook dat ik, Paulus, in toorn hem deze wonde
+heb toegebracht. Zij moge het mij vergeven, als zij kan, en ook
+Petrus. Vergeef ook gij, wat ik jegens u heb misdreven, en zoo ik val
+in den strijd die ons wacht, wil dan bidden, dat de Heer niet te streng
+met mij in het gericht treedt, want mijne zonden zijn vele en groot."
+
+Op dit oogenblik drong de klank van eene trompet tot in de diepte
+van het hol. Sirona verschrikte en riep: "Dat is de Romeinsche tuba:
+ik ken den toon. Phoebicius zal hier voorbij trekken!"
+
+"Hij doet zijn plicht," viel Paulus haar in de rede. "En thans nog
+dit ééne. Ik zag in den afgeloopen nacht aan uw hand een ring met
+een onyx."
+
+"Daar ligt hij," antwoordde Sirona, en wees naar het uiterste einde
+van de spelonk, "in het stof van den grond."
+
+"Laat hem daar liggen," zeide Paulus, boog zich nogmaals over den
+kranke om zijn voorhoofd te kussen, hief zijne hand naar de Gallische
+op om haar te zegenen, en stormde naar buiten.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Twee paden voerden van de oase over den berg naar zee. Beide liepen
+door diepe steenachtige kloven, waarvan men de eene den ijlweg noemde,
+omdat de reiziger langs dit pad spoediger zijn doel bereikte dan
+langs den beteren weg door de andere kloof, die ook voor lastdieren
+begaanbaar was.
+
+Ter halver hoogte van den berg komt de ijlweg uit op eene effene
+vlakte, die aan de westzijde begrensd wordt door eene hooge
+rotsmassa, met steil afloopende wanden. Op die rotsen stond een uit
+ruwe steenblokken opgetrokken toren, waarin de Anachoreten gewoon
+waren zich terug te trekken, wanneer zij gevaar liepen overvallen te
+worden. De plaats van dit kasteel, zooals de boetelingen den toren met
+zekeren trots noemden, was goed gekozen, want van zijn top kon men niet
+slechts door de kloof van den ijlweg tot in de oase zien, maar het
+oog reikte tot aan de smalle met schelpen bezaaide woestijnstrook,
+die de westelijke helling der heilige hoogten van het zeestrand
+scheidde, ja tot aan de blauw-groene golven der zee en de verwijderde
+heuvelketens van de Afrikaansche kust. Wat ook den wachttoren naderde,
+hetzij van nabij, hetzij van verre, kon men van dezen zien.
+
+De naar den weg toegekeerde helling der rotsmassa, waarop hij
+gebouwd was, verhief zich zoo steil en was zoo glad, dat zelfs de
+woestijnbewoners, die met hunne naakte voeten en gespierde armen
+hoogten beklommen, die de steenbokken en de jakhals vermeden, haar
+onbeklimbaar achtten. Van de andere zijde was hij beter toegankelijk,
+en om hem ook daar te versterken, was er een zware muur opgetrokken,
+die de vlakte, waarop het kasteel stond, in de gedaante van een
+hoefijzer omgaf, welker einden uitliepen op de steilte van de kloof
+waardoor de ijlweg liep. Dit gebouw was zoo ruw en onbehouwen uit
+steenblokken opgestapeld, dat het er uitzag als ware het een gewrocht
+der natuur, en niet door menschenhanden tot stand gebracht. De indruk
+van ruwheid en onvolkomenheid, die het teweeg bracht, werd verhoogd,
+door dat op de hoogte van deze, in de gedaante van een muur opgehoogde
+steenen, een menigte grootere en kleinere stukken graniet lagen,
+die door de Anachoreten waren saam gebracht, om ze bij een overval
+op de roovers neer te rollen of te slingeren.
+
+Men had ook in den rotsbodem van de door den muur ingeslotene vlakte
+een waterput geboord, en droeg zorg dat deze altijd was gevuld. Zulke
+maatregelen van voorzichtigheid waren noodig, want van twee zijden
+dreigde den Anachoreten gevaar. Vooreerst van de Ismaëlietische
+Saracenen, die uit het oosten op hunne rooftochten de berg- en
+oase-bewoners overvielen en plunderden, even snel vluchtende als zij
+onverwacht aangrepen. Ten anderen van de Blemmyers, de onbeschaafde
+bewoners van de woestijn, die het vruchtbare Egyptische en Nubische
+land begrensde, en inzonderheid van de naakte gebergten, die de Roode
+zee van het Nijldal scheidden. De laatstgenoemden waren gewoon in
+lichte bootjes de zee over te steken, en zich dan als een zwerm
+sprinkhanen over den berg te verspreiden. De kleine voorraad en
+de weinige noodpenningen, die de onbeschermde kluizenaars in hunne
+holen bewaarden, hadden de Blemmyers telkens, en altijd weder gelokt,
+ondanks de Romeinsche bezetting van Pharan, die gewoonlijk eerst op
+het tooneel der plundering verscheen, als zij reeds lang met hunne
+schralen buit gevlucht waren.
+
+Weinige maanden geleden had er zulk een overval plaats gehad, waarbij
+de oude Stephanus door een pijlschot was gewond, en men had allen
+grond om te verwachten, dat de wilde roovers niet zoo spoedig zouden
+terugkeeren. Phoebicius toch, de bevelhebber van den manipel Romeinsche
+soldaten in de oase, was in zijn dienst gewoon scherp en doortastend
+te handelen, en gelukte het hem ook al niet de Anachoreten geheel
+voor roof te bewaren, hij had toch de bij zijne nadering vluchtende
+Blemmyers achtervolgd en hun den weg tot de op hen wachtende booten
+afgesneden. Niet ver van de kust, op de woestijnstrook die de zee van
+den berg scheidde, kwam het tot een strijd tusschen de Romeinen en de
+wilden, die met een geheelen ondergang van de laatsten eindigde, en er
+was grond om te hopen, dat zulke ervaringen de zonen der woestijn tot
+waarschuwing zouden zijn. Maar had tot hiertoe de licht te onderdrukken
+begeerte om te rooven hen over zee gejaagd, thans dwong de heiligste
+aller plichten, de wet die hun voorschreef wraak te nemen over het
+vergoten bloed van zoovelen hunner vaders en broeders, een nieuwen
+aanval te doen, met inspanning van al hunne krachten.
+
+Zij hadden ditmaal met opzet de grootste voorzichtigheid in acht
+genomen, en hunne jonge manschappen verzameld in verborgen dalen
+achter de uitgestrekte bergketens langs den oever. In den eersten
+donkeren nacht zou de tocht over den smallen zeeboezem, die hen van
+het steenachtig schiereiland scheidde, plaats hebben, en toen nu
+gisteren bij het ondergaan der zon zware onweerswolken samentrokken,
+zich in onstuimige buien ontlastten en het licht der afnemende maan
+verduisterden, trokken zij hunne bootjes en vlotten in zee. Zij zouden
+de overzijde, den berg en misschien ook de oase bereikt hebben,
+zonder door de wachters op den bergtop te zijn opgemerkt, die zich
+tijdens het onweder onder hun schutdak hadden teruggetrokken, wanneer
+niet iemand de Anachoreten gewaarschuwd had. Die man was Hermas.
+
+De jongeling had, gehoorzaam aan het bevel van Paulus, drie van diens
+goudstukken bij zich gestoken, zich van pijl en boog en wat brood
+voorzien, en vervolgens, nadat hij vóor den ingang van het hol zijns
+vaders den sluimerende een zachten groet had toegeroepen, zich naar
+Raïthoe begeven. Blijmoedig in het gevoel van zijne mannelijke kracht,
+trotsch op de moeielijke taak een aanstaand krijgsman waardig, die hem
+was opgelegd en die hij dankbaar had aanvaard, om haar te volbrengen,
+zij het ook ten koste van zijn leven, snelde hij bij het licht der
+maan voort. Waar zich de weg in zigzag kronkelde, om den waarlijk
+niet weekelijke woestijnreizigers het stijgen mogelijk te maken,
+verliet hij het gebaande pad en klauterde van rots tot rots in eene
+rechte lijn op en af. Op vlakke plaatsen joeg hij voort, als zaten hem
+gerechtsdienaars op de hielen. Na zonsondergang versterkte hij zich
+door iets te nuttigen, snelde daarna weder voort en lette niet op de
+hitte van den middag of het mulle zand, waarin zijn voet wegzonk,
+terwijl hij de zeekust volgde. Bij dat hartstochtelijk voorwaarts
+ijlen dacht hij noch aan Sirona, noch aan zijn verleden, maar alleen
+aan de bergen aan gene zijde der zee, aan de Blemmyers, en hoe hij ze
+het best bespieden en, wanneer hij hunne plannen had vernomen, wederom
+naar zee en tot de zijnen komen zou. Eindelijk, toen zijne vermoeienis
+toenam, de middaghitte drukkender werd, het bloed hem sterker naar
+het hart drong en sneller aan zijne slapen begon te kloppen, hield
+hij geheel en al op te denken, en het eenige wat hem voortdreef was
+enkel de wensch, zijn naaste doel zoo spoedig mogelijk te bereiken.
+
+In de derde namiddagure zag hij van verre de palmen van Raïthoe, en met
+nieuwe krachtsinspanning ijlde hij daarheen. Eer de zon onderging,
+had hij den hem door Paulus aangewezen Anachoreten medegedeeld,
+dat de Alexandrijn hunne uitnoodiging afsloeg en besloten was op den
+heiligen berg te blijven. Vervolgens begaf Hermas zich naar de kleine
+haven, om met de visschers van de plaats te spreken over eene boot,
+die hij noodig had. Terwijl hij met een ouden Amalekietischen bootsman
+onderhandelde, die met zijn zwartoogigen zoon netten in orde bracht,
+naderden twee ruiters in snellen draf al meer en meer de bocht, waar
+een groot vrachtschip voor anker lag, door kleine schuitjes omgeven.
+
+De visscher wees op het schip en zeide: "Dat wacht op de karavaan
+van Petra.--Die daar op de dromedaris zit is de groote keizerlijke
+krijgsman, die bevel voert over de Romeinsche bezitting in Pharan."
+
+Hermas zag Phoebicius hier voor het eerst, en hij verschrikte toen
+deze op hem en den visscher aanreed. Ware hij de eerste opwelling
+van zijn binnenste gevolgd, dan zou hij zich omgekeerd hebben en op
+de vlucht zijn gegaan. Doch reeds had zijn helder oog den matten en
+onderzoekenden blik van den centurio ontmoet, en zich schamende over
+zichzelven bleef hij staan, sloeg de armen over elkaar en verwachtte
+den naderenden Galliër trotsch en onbeschroomd.
+
+Talib had den jonkman vroeger aan zijns vaders zijde gezien en herkende
+hem. Hij vroeg hem dus of hij reeds lang hier was, of regelrecht van
+den berg kwam.
+
+Hermas antwoordde overeenkomstig de waarheid, en wist nu dat
+de centurio het niet op hem gemunt had. Op dit punt geheel gerust
+gesteld, zag hij den Galliër niet zonder nieuwsgierigheid aan, en er
+speelde een lachje om zijn mond, toen hij zag hoe zich die magere,
+door den langen en snellen rit afgematte oude man, nauwelijks meer op
+zijn beest in evenwicht kon houden, en hij daarbij bedacht, dat deze
+armzalige grijsaard de echtgenoot was van de jeugdige levenslustige
+Sirona. Wel verre dat hij tegenover dezen man berouw zou gevoelen over
+de inbraak in zijn huis, gaf hij gewillig toe aan de overmoedige luim,
+die zich van hem meester maakte. Toen Phoebicius zelf hem nu vroeg,
+of hij op zijn weg niet eene blonde vrouw met een hinkend hazenwindje
+was tegengekomen, gaf hij ten antwoord, terwijl het hem moeite kostte
+om niet in lachen uit te barsten: "Wel zeker! Zulk eene vrouw heb ik
+gezien, en ook haar hazenwindje! maar ik geloof niet dat het lam was."
+
+"Waar hebt gij haar aangetroffen?" vroeg Phoebicius haastig.
+
+Hermas kreeg een kleur, want nu werd hij gedwongen eene onwaarheid
+te zeggen, en het zou kunnen zijn, dat hij met een valsch bericht
+Sirona benadeelde. Daarom gaf hij geen bepaald antwoord, maar vroeg:
+"Heeft die vrouw eene misdaad begaan, dat gij haar vervolgt?"
+
+"Een zware misdaad," antwoordde Talib. "Zij is de vrouw van dezen heer,
+en heeft...."
+
+"Wat zij misdreven heeft, gaat mij alleen aan," viel Phoebicius zijn
+begeleider bits in de rede. "Ik hoop dat die daar beter gezien heeft
+dan gij, daar gij die huilende weduwe uit Aïla met haar kind op den
+arm, die de karavaan achterna liep, voor Sirona hebt gehouden.--Hoe
+heet gij, knaap?"
+
+"Hermas," antwoordde de aangesprokene. "En wie zijt gij?"
+
+De Galliër opende den mond tot een heftig antwoord, maar hij hield het
+terug en zeide: "Ik ben de centurio des keizers en vraag u hoe de vrouw
+er uitzag, die gij gezien hebt, en waar gij haar hebt aangetroffen?"
+
+De booze blik van den krijgsman en de woorden van zijn geleider
+hadden Hermas overtuigd, dat de gevluchte Sirona niets goeds te
+verwachten had, als men haar in handen kreeg, en daar hij volstrekt
+niet genegen was hare vervolgers de hulpzame hand te bieden, zoo
+antwoordde hij spoedig, terwijl hij zijn moedwil den vrijen teugel
+liet: "De vrouw die ik ontmoet heb is zeker niet die gij zoekt. Die ik
+zag was stellig niet de echtgenoot van dezen man, want zij kon eerder
+zijne kleindochter zijn! Zij had blond haar en een blozend gezicht,
+en het hazenwindje dat haar volgde noemde zij Jambe."
+
+"Waar hebt gij haar ontmoet?" schreeuwde de centurio.
+
+"In het visschersdorp aan den voet van den berg," antwoordde
+Hermas. "Zij steeg in een bootje en voer weg."
+
+"Naar het noorden?" vroeg de Galliër.
+
+"Ik geloof het wel," antwoordde Hermas, "maar ik weet het niet,
+want ik had haast en kon haar niet nakijken."
+
+"Dan zullen wij beproeven haar in Klysma te vangen," riep Phoebicius
+den Amalekiet toe. "Waren er maar paarden in deze verwenschte
+woestijn."
+
+"Vier dagreizen," antwoordde Talib bedenkelijk, "en achter Elim vinden
+wij tot aan de Mozes-bron geen water. Ik wil mijn eigen paard met
+een dromedaris verwisselen."
+
+"En al kondet gij harddravers krijgen," viel Hermas hem in de rede,
+"dan moogt gij, centurio, u niet te ver van de oase verwijderen,
+want aan de overzijde, zegt men, verzamelen zich de Blemmyers, en
+ikzelf vaar als verspieder over, zoodra het donker wordt."
+
+Phoebicius zag, vervuld met sombere gedachten, naar den grond. Ook
+tot hem was de tijding gekomen, dat de zonen der woestijn zich gereed
+maakten tot een nieuwen strooptocht, en knorrig maar op vasten toon
+riep hij den Amalekiet toe, terwijl hij zich van Hermas afkeerde:
+"Gij reist alleen naar Klysma en tracht haar te vangen. Ik mag en
+kan voor zulk eene ellendige vrouw mijn dienst niet verzuimen."
+
+Hermas lachte eens vroolijk uit, toen hij de mannen, die zich
+verwijderden, in een herberg zag verdwijnen. Alvorens de zee over
+te steken legde hij zich in de visschersboot, die hij van den oude
+voor een der goudstukken van den Alexandrijn gehuurd had, op de
+netten neder, en versterkte zich door eenige uren aaneen vast te
+slapen. Bij het opkomen van de maan, werd hij, zooals hij verlangd
+had, gewekt, en hielp den knaap, die hem geleiden zou en met zeil
+en roer wist om te gaan, het op het zand liggend vaartuig in zee te
+trekken. Weldra schoot het, door eene zachte koelte gedreven, over de
+gladde glinsterende wateren voort, en Hermas gevoelde zich daarbij zoo
+levenslustig en vroolijk te moede, als een jonge adelaar die het nest
+verlaat en voor het eerst de krachtige vleugels ontplooit. Hij had in
+het ongekend en zalig gevoel zijner vrijheid wel willen juichen, en
+de knaap aan het roer schudde verwonderd het hoofd, toen hij Hermas,
+wel wat onbeholpen maar toch met stevige slagen, de riemen hanteeren
+zag, die hij hem had toevertrouwd.
+
+"De wind is goed," riep hij den Anachoreet toe, terwijl hij met
+het touw, dat hij in de hand hield, het zeil naar de andere zijde
+haalde. "Wij komen ook zonder uwe inspanning wel vooruit. Gij kunt
+uwe krachten besparen."
+
+"Ik heb overvloed van kracht en behoef er niet gierig mede te zijn,"
+antwoordde Hermas en boog zich ver achterwaarts, opnieuw de riemen
+stevig aanhalende.
+
+Halverwege rustte hij uit en zag met welgevallen naar de maanschijf
+en den blanken waterspiegel. Onwillekeurig moest hij aan den hof
+van Petrus denken, die door hetzelfde zilveren licht beschenen werd,
+toen hij Sirona's venster inklom. Het beeld van de schoone vrouw met
+hare blanke armen kwam hem voor den geest, en een weemoedig gevoel van
+heimwee bekroop hem. Hij slaakte een- en andermaal eene zachte zucht,
+maar toen zijne borst zich voor de derde maal smartelijk verhief,
+herinnerde hij zich het doel van zijn tocht, bedacht hij dat de ketens
+die hem knelden gebroken waren, en in overmoed sloeg hij met de riemen
+vlak op het water, zoodat het hoog opvloog, en een regen van helder
+flikkerende diamanten over het vaartuig en hemzelven uitstrooide.
+
+Hij begon op nieuw te roeien en begreep intusschen, dat hij wat
+beters te doen had dan aan eene vrouw te denken. Het gelukte hem
+ook gemakkelijk Sirona geheel te vergeten, want in de eerstvolgende
+dagen wachtten hem alle ervaringen van het krijgsleven. Er waren
+nauwelijks twee uren na zijne afvaart van Raïthoe verloopen, toen hij
+een ander werelddeel betrad. Zoodra hij eene veilige ligplaats voor
+zijne boot had gevonden, sloop hij in het gebergte om de Blemmyers
+te beloeren. Reeds op den eersten dag bereikte hij het dal, waarin
+zij zich verzamelden. Op den tweeden dag gelukte het hem, nadat hij
+meermalen gezien en vervolgd was, een op kondschap uitgezonden krijger
+te grijpen en met zich mede te slepen. Hij bond hem stevig en kwam door
+allerlei bedreigingen van dezen veel te weten. Het aantal vijanden,
+die zich tot een overval gereed maakten, was groot, maar Hermas had
+hoop dat hij hun zou kunnen voorkomen, want zijn gevangene verried
+hem de plaats, waar zij hunne op het land getrokken booten onder zand
+en steenen verborgen hielden.
+
+Zoodra het donker werd naderde de Anachoreet in zijn vaartuig de plek,
+waar de overtocht zou plaats hebben, en toen de Blemmyers in dien
+vreeselijken onweersnacht hunne eerste boot in het water trokken,
+zeilde Hermas den vijanden vooruit, landde met groot gevaar aan de
+westelijke helling van den berg en beklom zoo snel hij kon den Sinaï,
+om de Pharanietische wachters op de uitkijkposten te waarschuwen. Vóor
+zonsopgang bereikte hij de moeielijk te beklimmen toppen, wekte
+de trage verspieders, die hunne posten hadden verlaten, en vloog,
+eer deze de wachttorens bestegen, de vanen geheschen en de metalen
+bekkens geslagen hadden, afwaarts naar het hol zijns vaders.
+
+Sedert hij verdween, was Mirjam onafgebroken in de nabijheid gebleven
+van Stephanus' spelonk. Elken morgen, middag en avond had zij voor
+den ouden man water gehaald, ook nadat die nieuwe, zwaarmoedige en
+knorrige verpleger in Paulus' plaats was gekomen. Zij leefde van
+wortels en het brood, dat de kranke haar gaf, en legde zich des
+nachts in eene haar sedert lang bekende diepe en droge rotsspleet
+te slapen neder. Vóor zonsopgang verliet zij hare harde legerstede,
+om de kruik van den lijder te vullen en met Stephanus over Hermas
+te spreken. Zij bewees den ouden man gaarne een dienst, daar zij
+van zijne lippen, zoo vaak zij tot hem kwam, den naam zijns zoons
+hoorde. Ook hij verblijdde zich altijd als zij kwam, daar zij hem
+steeds gelegenheid gaf om over Hermas te spreken.
+
+De kranke was sedert vele weken zoo gewend zich te laten verplegen,
+dat hij de hulpvaardige bedrijvigheid van de herderin zich liet
+welgevallen, als iets dat vanzelf sprak. Doch zij beproefde het nooit
+zich rekenschap te geven, om welke reden zij den ouden man diende. Het
+zou Stephanus bitter gesmart hebben, wanneer zij was uitgebleven,
+en ook voor haar was de gang naar de bron en het spreken met den oude
+eene behoefte, ja eene noodzakelijkheid geworden, want zij wist nog
+altijd niet of Hermas leefde, dan of Phoebicius hem ingevolge haar
+verraad gedood had. Misschien was alles wat Stephanus haar vertelde
+van dien overtocht zijns zoons om op kondschap uit te gaan door Paulus
+slechts verzonnen, om den kranke te sparen en langzamerhand aan het
+verlies van zijn kind te gewennen. Toch wilde zij maar al te gaarne
+gelooven dat Hermas leefde, en wanneer zij zich eerst laat in den
+avond uit de nabijheid van het hol verwijderde, en reeds vóor de zon
+was opgegaan de kruik van den kranke wederom vulde, dan geschiedde
+dit alleen omdat zij zich overtuigd hield, dat hij die verdwenen was
+bij zijn terugkeer niemand eerder zou opzoeken dan zijn vader.
+
+Mirjam had geen rustig oogenblik meer, want zoo vaak een vallende
+steen, een naderende voetstap, of het geluid van een dier de stilte
+der eenzaamheid verstoorde, verborg zij zich en luisterde met een
+kloppend hart, en dat niet zoozeer uit vrees voor Petrus, haar meester,
+dien zij ontloopen was, dan in de verwachting de voetstappen van den
+man te hooren, dien zij in de handen van zijn vijand had geleverd,
+en naar wien zij toch dag en nacht met smartelijk heimwee uitzag. Zoo
+vaak zij bij de bron vertoefde, maakte zij hare weerspannige haren nat
+om ze glad te strijken, en wiesch haar gelaat met zooveel ijver, als
+zou het haar gelukken de donkere kleur van haar huid te wrijven. En
+dat alles deed zij voor hem, en om hem bij zijn terugkeer zoo goed
+te bevallen als die blanke vrouw in de oase, die zij even gloeiend
+haatte als zij hem hartstochtelijk lief had.
+
+Gedurende de onweersbui van den laatsten nacht had eene beek, die
+boven van den berg stortte, zich in haar schuilplaats uitgegoten,
+en haar van daar verdreven. Doornat, zonder dak, door berouw, angst
+en verlangen voortgedreven, was zij van steen tot steen geklommen,
+en had nu eens onder deze, dan weder onder gene rots beschutting
+en rust gezocht. Daarbij was zij door de lichtschemering aangelokt,
+die uit de nieuwe woning van den vromen Paulus te voorschijn kwam,
+en had zij den Alexandrijn gezien en herkend. Doch hij had haar niet
+opgemerkt, want hij zat naast zijn haard op den grond neergehurkt,
+geheel in gedachten verzonken. Zij wist nu waar de verworpeling woonde,
+naar wien Stephanus zoo dikwijls had gevraagd. Door weeklachten en
+duistere zinspelingen van den kranke was zij te weten gekomen, dat
+ook hij door hare vijandin verleid en in het verderf gestort was.
+
+Toen de morgenster begon te verbleeken, naderde Mirjam, met diepe
+droefheid in het hart, en toch niet in staat hare ellende en haar
+lijden in tranen uit te weenen, die haar gemoed konden verlichten,
+het hol van Stephanus, geheel vervuld van den vurigen wensch daar
+neer te zinken en te sterven, om door den dood van de haar rusteloos
+voortdrijvende kwellingen verlost te worden. Het was nog te vroeg om
+den ouden man in zijn slaap te storen. En toch!--Zij moest een woord,
+al ware het ook een hard woord, uit een menschelijken mond hooren, want
+het gevoel van verwildering, dat haar geest geheel in de war bracht,
+en het bewustzijn harer verlatenheid, dat haar hart zoo benauwde,
+martelden haar al te zeer. Reeds stond zij aan den ingang van het hol,
+toen zij hoog boven zich steenen hoorde vallen en eene roepstem vernam.
+
+Zij verschrikte en luisterde roerloos met lang uitgerekten hals en in
+de grootste spanning naar boven. Plotseling brak zij in een luiden, in
+de verte weerklinkenden jubelkreet los, en stormde met de armen omhoog
+den berg op den wandelaar te gemoet, die haastig naar beneden afdaalde.
+
+"Hermas, Hermas!" juichte zij hem tegen, en in die roepstem
+weerspiegelde zich zoo helder en rein de zalige zonneschijn van haar
+hart, dat dezelfde snaren weerklonken in de ziel van den jongeling,
+en hij ook haar een vroolijk welkom toeriep.
+
+Zóo had hij haar nog nooit begroet. Even als een frissche dronk,
+waarmede eene vriendelijke hand de lippen van een versmachtende nadert,
+zoo verkwikte de toon zijner stem haar arm, gemarteld hart. Hare ziel
+gevoelde zich zoo rijk in verrukking, zoo vervuld van dankbaarheid als
+nooit te voren. Wijl hij zoo goed was jegens haar, gevoelde zij zich
+gedrongen hem te toonen, dat ook zij iets had te geven in ruil voor de
+gave van welwillendheid, die hij haar aanbood. Daarom was het eerste
+wat zij hem zeide: "Ik ben altijd in de nabijheid uws vaders gebleven,
+en heb hem vroeg en laat water gebracht, zooveel hij noodig had."
+
+Zij kreeg een kleur, want het was voor het eerst dat zij zichzelve
+prees in zijne tegenwoordigheid. Hermas antwoordde echter: "Dat was
+braaf van u gehandeld, en ik zal het u vergelden. Gij zijt een wild,
+zonderling schepsel, maar ik geloof dat ieder, wien gij goed gezind
+zijt, geheel op u rekenen kan."
+
+"Neem er de proef van!" riep Mirjam en stak hem de hand toe.
+
+Hij sloeg toe en zeide, terwijl hij haar met zich voorttrok: "Hoort
+gij het bekken? Ik heb de wachters boven gewaarschuwd; de Blemmyers
+komen. Is Paulus bij mijn vader?"
+
+"Neen, maar ik weet waar hij zich ophoudt."
+
+"Dan moet gij hem roepen," hernam de jongeling. "Hem eerst, en dan
+Gelasius en Psoës en Doelas, en wien gij maar van de kluizenaars
+vindt. Zij moeten zich allen verzamelen in het kasteel bij den
+ijlweg. Ik zal thans mijn vader daarheen brengen. Maak gij echter
+voort en toon, dat men u vertrouwen kan."
+
+Bij de laatste woorden omvatte hij haar midden, maar schuw rukte zij
+zich los, en onder den uitroep: "Ik breng de boodschap aan allen,"
+vloog zij heen.
+
+Aan den ingang van het hol, waar zij gehoopt had Paulus aan te
+treffen, vond zij Sirona. Zij hield zich echter niet bij haar op, maar
+vergenoegde zich haar lachend woeste smaadwoorden toe te roepen. Op
+het vermoeden dat zij den Alexandrijn bij de naaste bron zou vinden,
+ging zij daarheen, riep hem, ijlde verder van hol tot hol, en bracht
+overal de boodschap als in den dienst van Hermas en in zijn naam.
+
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Achter den ruwen muur aan den rand der bergkloof, waardoor de ijlweg
+liep, waren zij allen vereenigd, die zonderlinge mannen, die het
+leven met zijn lief en zijn leed, zijne plichten en zijne vreugde,
+die der samenleving en de familie waartoe zij behoorden den rug
+toegekeerd en zich in de woestijn teruggetrokken hadden, om daar,
+nadat zij vrijwillig afstand hadden gedaan van elk ander streven, al
+worstelend te jagen naar een doel, dat verder dan dit leven ligt. In de
+zwijgende eenzaamheid, ver van de verleidingen dezer wereld, scheen het
+eerder te zullen gelukken alle zinnelijke begeerlijkheden te dooden,
+de kluisters van het lichaam te verbreken, en alzoo den door de zonde
+en het vleesch aan den stof gebonden mensch nader te brengen tot de
+reine en geestelijke godheid.
+
+Al deze mannen waren christenen, en evenals de Heiland door het
+kruis dat hij vrijwillig op zich nam, tot Verlosser was geworden,
+zoo zochten ook zij door de reinigende kracht van het lijden zich
+te bevrijden van alle bestanddeelen der onreine menschelijke natuur,
+en door zware boete het hunne bij te dragen tot uitdelging van hunne
+eigene schuld, en die van hun gansche geslacht. Geene vrees voor
+vervolging had hen naar de woestijn gedreven, maar de hoop op eene
+overwinning, die moeielijker dan eenige andere te behalen was.
+
+Alle Anachoreten, die zich bij de wachtposten verzameld hadden,
+waren Egyptenaars en Syriërs, en vooral onder de eerste bevonden zich
+velen, die reeds in den dienst van de oude goden uit hun vaderland
+zekere voorliefde hadden getoond voor onthouding en boete, en nu
+als christenen zulke plaatsen kozen tot het tooneel hunner vrome
+oefeningen, waar de Heer zich aan zijne uitverkorenen geopenbaard
+had. Later werd niet alleen de Sinaï maar ook de geheele landstreek
+van Petraeïsch Arabië, die, naar men zegt, de joden na hun uittocht
+onder aanvoering van Mozes doortrokken, met asceten van dezelfde soort
+bevolkt, welke aan de plekken waar zij zich nederzetten de namen gaven
+van de in den bijbel voorkomende rustplaatsen, waar het uitverkoren
+volk een tijdlang had vertoefd. Doch er was nog geen verband onder de
+op zichzelf staande boetelingen; hun leven was nog niet naar zekere
+regelen ingericht. Men telde ze nog slechts bij tientallen, ofschoon
+hun aantal weldra tot honderden en duizenden zou aangroeien.
+
+Het dreigend gevaar had al deze verachters van de wereld en het
+leven, die het oog onafgebroken op den dood gericht hielden, met
+stormachtige drift bij den wachttoren saamgebracht. De oude Kosmas
+alleen, die zich met zijne vrouw, die hier gestorven was, op den
+Sinaï had teruggetrokken, was in zijn hol gebleven, en verklaarde zijn
+lotgenoot Gelasius, die hem drong te vluchten, dat hij te vreden zou
+zijn, op welken tijd of van welke plaats de Heer hem ook opriep. Het
+lag in Gods hand of de ouderdom dan wel een pijlschot voor hem de
+poorten des hemels zou openen. Maar gansch anders dachten de andere
+Anachoreten, die door de smalle poort van den wachttoren naar binnen
+stormden, totdat het inwendige gedeelte propvol was, zoodat Paulus,
+die met het gevaar voor oogen weder geheel tot kalmte was gekomen, een
+pas aangekomene den toegang beletten moest, om de dicht opeengepakte
+bevende menigte voor onheil te bewaren.
+
+Geene aanstekelijke ziekte gaat zoo spoedig van het eene dier op het
+andere over, geen bederf zoo snel van vrucht op vrucht, als de vrees
+van het eene menschenhart op het andere. Zij die door den angst het
+meest als met scherpe geeselslagen vervolgd werden, hadden het hardst
+geloopen en waren het eerst bij het kasteel aangekomen. Jammerend
+en weeklagend hadden zij hen, die later kwamen, ontvangen, en het
+was treurig om te zien, hoe die door vrees gefolterde menigte, te
+midden van gebeden en hoogdravende verzekeringen, dat zij zich aan
+Gods leiding overgaf, de handen wrong, en hoe daarbij ieder in het
+bijzonder kinderachtig bezorgd was, om toch zijne kleine bezitting,
+die hij gered had, zoowel voor het oog van zijne metgezellen als voor
+de hebzucht van den naderenden vijand te verbergen.
+
+Tegelijk met Paulus verschenen Sergius en Jeremias, wien hij reeds
+onderweg moed had ingesproken. Alle drie deden zij hun best om
+het vertrouwen der vreesachtigen weder op te wekken, en toen de
+Alexandrijn hun herinnerde, hoe ijverig ieder van hen voor eenige
+weken had geholpen, om de blokken en steenen op den muur en naar de
+helling te wentelen, ten einde ze op den aandringenden vijand neer te
+ploffen en te slingeren, begon menigeen overtuigd te worden, dat hij
+zich ten aanzien van de verdediging reeds verdienstelijk had gemaakt,
+en dat het zijn plicht was haar verder door te zetten.
+
+Het aantal der mannen, die zich buiten den toren waagde, werd hoe
+langer zoo grooter, en toen Hermas, wien Mirjam op den voet volgde,
+verscheen, met zijn vader op den rug, en Paulus de hem omringende
+metgezellen vermaande, om aan deze daad van kinderlijke liefde een
+voorbeeld te nemen, lokte de nieuwsgierigheid ook den laatste, die
+nog in den toren was achtergebleven, naar buiten.
+
+De Alexandrijn sprong over den muur, ging Stephanus te gemoet, liet hem
+van de schouders van den hijgenden jongeling op de zijne overklimmen
+en droeg hem zoo naar de wachtpost. Maar de oude krijgsman weigerde
+de ruimte binnen te gaan, die hem beschermen kon, en bad zijn vriend
+hem bij den muur op den grond neder te zetten. Paulus vervulde zijn
+wensch en besteeg vervolgens met Hermas de spits van den toren,
+om van daar den omtrek te overzien.
+
+Zoodra hij zich verwijderd had, zeide Stephanus, terwijl hij zich tot
+de hem omringende Anachoreten wendde: "Deze steenen staan los en mijne
+kracht is gering, maar toch groot genoeg om ze door een stoot naar
+beneden te wentelen. Komt het tot een strijd, dan zien mijne oude
+soldatenoogen, hoe dof zij ook geworden zijn, met behulp der uwen
+toch veel, waarvan gij jongeren partij kunt trekken. Maar voor alle
+dingen is noodig, opdat de roovers het niet te gemakkelijk hebben,
+dat hier éen het bevel voert en dat de anderen gehoorzamen."
+
+"Gij, mijn vader," sprak hierop de Syriër Salatiël, "hebt in het
+leger des keizers gediend, en bij den laatsten aanval uw moed en uwe
+krijgskunst getoond. Wees gij onze bevelhebber!"
+
+Stephanus schudde treurig het hoofd en antwoordde: "Mijne stem is zwak
+en zacht geworden, door de wond hier in de borst en mijne langdurige
+ziekte. In het gedruisch van den krijg zouden zelfs zij die vlak bij
+mij staan mij niet kunnen hooren. Laat Paulus u aanvoeren, want hij
+is sterk, voorzichtig en dapper."
+
+Vele Anachoreten hadden reeds sedert lang op den Alexandrijn, als
+hun besten steun, het oog gericht, want jaren lang had hij aller
+achting genoten, en in ontelbare gevallen proeven van kracht en
+onverschrokkenheid gegeven, maar bij dezen voorslag zagen zij elkander
+verrast, aarzelend en afkeurend aan.
+
+Stephanus bemerkte wat er bij hen omging en zeide: "Hij heeft zwaar
+misdreven, en voor God is hij onder u zeker de laatste der laatsten,
+maar in lichaamskracht en in wilden moed is hij uw meerdere. Wie
+onder u zou zich in zijne plaats willen stellen, wanneer gij hem als
+aanvoerder verwerpt?"
+
+"Orion van Saïs," riep een der Anachoreten, "is groot en sterk. Als
+hij wilde...."
+
+Maar Orion weigerde bepaald dit gevaarlijk ambt op zich te nemen,
+en toen ook Andreas en Jozef het hun opgedragen bevelhebberschap,
+niet minder hartstochtelijk afsloegen, zeide Stephanus: "Gij ziet het,
+er blijft ons niets over dan den Alexandrijn te verzoeken, zoo lang
+de roovers ons bedreigen en niet langer, hier te bevelen. Daar komt
+hij. Mag ik het hem vragen?"
+
+Een toestemmend, zij het ook geen vroolijk gemompel was het antwoord,
+dat de oude man ontving. Paulus geheel vervuld van den wensch, om hier
+zijn bloed en zijn leven voor de verdediging der zwakken te wagen,
+nam, blakende van strijdlust de uitnoodiging van Stephanus aan, als
+iets dat vanzelf sprak, en begon zich aan het hoofd te stellen der
+radelooze Anachoreten. Dezen zond hij als wachter naar de spits van den
+toren, genen gelastte hij steenen aan te dragen, anderen beval hij,
+als het gevaar naderde, de steenblokken en stukken rots naar beneden
+te slingeren. Hij verzocht de zwakken zich bijeen te scharen en voor
+de anderen te bidden en lofliederen te zingen. Voorts maakte hij met
+allen afspraken omtrent wenken en teekens. Nu eens was hij hier,
+dan weder daar, en zijn ijver en zorg voor alles deelden zich ook
+mede aan de moedeloozen.
+
+Te midden van al deze toebereidselen nam Hermas van hem en zijn vader
+afscheid, want hij hoorde de Romeinsche krijgstrompet en den trommel
+van de jeugdige manschappen uit Pharan, die langs den ijlweg naar boven
+kwamen, om den vijand tegen te trekken. Hij wist waar de hoofdmacht
+der Blemmyers stond en deelde dit den centurio Phoebicius en den
+bevelhebber der Pharanieten mede. De Galliër deed Hermas eenige korte
+vragen. Hij had den jonkman terstond weder herkend, want sedert hij
+hem aan de haven van Raïthoe had aangetroffen, kon hij zijne oogen,
+die hem aan Glycera herinnerden, niet vergeten. Nadat hij snelle
+en bepaalde antwoorden ontvangen had, deelde hij haastig en met
+omzichtigheid zijne bevelen uit.
+
+Een derde deel der Pharanieten zou zijn weg voortzetten, onder
+trommelslag en het blazen der trompetten, en wanneer de vijanden
+naderden, naar de vlakte onder den wachttoren terugtrekken. Als
+de Blemmyers zich daarheen lieten lokken, dan zou een ander derde
+deel van de krijgslieden uit de oasen-streek, dat zich gemakkelijk
+in een dwarsdal schuil kon houden, hun in de linkerflank vallen,
+terwijl Phoebicius met zijn manschap zich zou verbergen achter de
+rots waarop de toren zich verhief, om met een onverhoedschen uitval
+den slag te beslissen. Het laatste derde deel der Pharanieten kreeg
+in last, om onder aanvoering van Hermas, die de plaats kende waar zij
+geland waren, de vaartuigen der Blemmyers te vernielen. In het ergste
+geval kon de centurio zich met de zijnen in het kasteel terugtrekken,
+en zich aldaar verdedigen, tot de soldaten uit de naburige havenplaats,
+naar wie men boden had uitgezonden, tot ontzet kwamen opdagen.
+
+De bevelen van den Galliër werden onverwijld opgevolgd, en Hermas
+marcheerde aan de spits van de hem toevertrouwde schare zoo trots en
+zich van zijne kracht bewust, als ware hij een keizerlijk veteraan,
+die zijn legioen in het veld voert. Hij droeg pijl en boog op den rug,
+en een strijdbijl, dien hij in Raïthoe gekocht had, in de hand.
+
+Mirjam beproefde de door hem aangevoerde krijgers te volgen, doch
+hij merkte haar op en riep haar toe: "Op de wacht, kind, bij mijn
+vader." En de herderin gehoorzaamde, zonder zich te bedenken.
+
+De Anachoreten in het kasteel waren allen naar den rand der steilte
+gesneld, zagen hoe de strijdmacht verdeeld werd, wenkten en riepen
+de soldaten naar beneden toe. Zij hadden gehoopt, dat een deel der
+krijgers zich met hen vereenigen zou, om hen te beschermen, maar te
+vergeefs, zooals zij spoedig zouden ondervinden.
+
+Stephanus, wiens zwakke oogen niet reikten tot aan de vlakte aan
+den voet der helling, liet zich door Paulus bericht geven van alles
+wat daar plaats had, en doorzag, met den scherpzienden blik van een
+krijgsman, het plan van den centurio.
+
+Thans trok de door Hermas aangevoerde bende den wachttoren voorbij,
+en de jongeling groette naar boven ziende zijn vader met gebaren en
+woorden. Stephanus, wiens oor scherper was gebleven dan zijn oog,
+herkende de stem van zijn zoon, en nam, zoo luid hij kon, met teedere
+woorden van hem afscheid.
+
+Paulus vatte de ontboezeming van den grijsaard in een enkelen volzin
+samen, en zijne beide handen tot een roeper vereenigd hebbende, riep
+hij den ten strijde trekkenden zoon van zijn vriend diens zegewensch
+toe. Hermas verstond hem, doch hoezeer die groet hem ook aandeed,
+hij beantwoordde hem toch slechts met een zwijgenden wenk. Een vader
+vindt eer honderd woorden om te zegenen, dan een zoon een enkel woord
+om te danken.
+
+Toen de jongeling achter den rots verdween, zeide Paulus: "Als een oud
+gediende stapte hij daarheen, en de anderen volgden hem als eene kudde
+den hamel.--Doch nu! Hoort gij? Ja zeker! Thans is de eerste bende
+der Pharanieten slaags. Het krijgsgeschreeuw komt nader en nader."
+
+"Dan zal alles goed gaan," antwoordde Stephanus opgewekt. "Bijten zij
+nu toe en laten zij zich hierheen lokken in de vlakte, dan zijn zij,
+denk ik, verloren. Wij kunnen van hier uit het geheele beloop van
+den slag overzien. Worden de onzen teruggedrongen, dan zou het licht
+kunnen gebeuren, dat zij zich in het kasteel wierpen. Thans mag er
+geen kiezelsteen te vergeefs geslingerd worden, want wanneer onze
+wachtpost het middelpunt van den strijd wordt, zullen de verdedigers
+werpsteenen noodig hebben."
+
+Deze woorden waren door eenige Anachoreten gehoord, en toen nu het
+krijgsgeschreeuw en het rumoer der slag al nader en nader kwam, en de
+een aan den ander overbracht, dat hun toevluchtsoord het middelpunt
+van den kamp zou worden, verlieten de benauwde boetelingen de hun
+door Paulus aangewezene posten, liepen niettegenstaande de strenge
+vermaning van den Alexandrijn hierheen en daarheen, en de meesten
+voegden zich eindelijk bij de ouden en zwakken, wier lofzangen steeds
+klagender werden, hoe meer het gevaar naderde.
+
+Het luidst jammerde de groote Saïet Orion. Deze riep met opgeheven
+handen: "Wat wilt gij van ons armen, o Heer? Toen Mozes uw uitverkoren
+volk op deze plaats slechts veertig dagen liet, viel het dadelijk
+van u af, en wij, wij brengen ook zonder aanvoerder ons leven door
+in uw dienst, en hebben alles prijs gegeven wat het hart verblijdt,
+en alle lijden op ons genomen, om u welbehagelijk te zijn! En nu razen
+weder die afschuwelijke heidenen rondom ons, en willen ons dooden. Is
+dat de prijs van onzen strijd en ons standvastig lijden?"
+
+De ouderen stemden in met de klacht van den man uit Saïs. Maar Paulus
+trad in hun midden, berispte hunne kleinmoedigheid en smeekte hen met
+warme, dringende woorden op hunne posten terug te keeren, opdat ten
+minste de muur aan de gemakkelijker te beklimmen oostelijke helling
+bewaakt mocht blijven, en het kasteel niet als eene licht veroverde
+buit in de hand mocht vallen van den vijand, van wien zij geene genade
+hadden te verwachten.
+
+Reeds maakten eenige Anachoreten zich gereed, om de vermaning van den
+Alexandrijn te volgen, toen een ontzettend gehuil zich dicht bij den
+voet van hun toevluchtsoord hooren liet. Dit was het geschreeuw van
+de Blemmyers, die de Pharanieten vervolgden. Vol angst drongen zij
+weder op éen hoop te zamen. Toen de Syriër Salatiël, die zich aan
+den rand van de helling gewaagd en over den schouder van den ouden
+Stephanus in de vlakte gezien had, met de bange kreet: "De onzen
+vluchten!" naar zijne metgezellen terugvloog, schreeuwde Gelasius
+zoo luid hij kon, terwijl hij zich op de borst sloeg en zijn zwart
+krullend hoofdhaar uittrok: "Heere God, wat wilt gij toch van ons? Is
+dan het streven naar gerechtigheid en deugd zoo ijdel en vruchteloos,
+dat gij ons aan den dood prijs geeft, en niet voor ons tusschenbeide
+moogt komen? Wanneer wij tegenover de heidenen het onderspit delven,
+dan zal de goddeloosheid en het ruw geweld zich trotsch verheffen
+als hadden zij den zege behaald over godsvrucht en waarheid."
+
+Paulus had zich, buiten zichzelven en radeloos, van de klagenden
+afgewend, en ging met Stephanus den loop van den strijd na. De
+Blemmyers waren in groote menigte komen opdagen, en hun aanval,
+dien de Pharanieten eerst slechts in schijn moesten ontwijken, was
+zoo geweldig, dat én deze én de strijdgenooten, die zich met hen
+in de vlakte vereenigden, niet in staat waren weerstand te bieden,
+en teruggedrongen werden tot dáar waar de kloof van den ijlweg
+smaller werd.
+
+"Het gaat niet, zooals wij gewenscht hadden," zeide Stephanus. "En die
+laffe hoop, dat vee," riep Paulus woedend, "laat de muur onverdedigd
+en lastert God, in plaats van te waken of te strijden."
+
+De Anachoreten zagen zijne gebaren, gelijk aan die van een
+vertwijfelende. "Verlaat ons dan alles?" riep Sergius uit. "Waarom
+ontsteekt het doornbosch zijn vuur niet, om de misdadigers in
+zijne vlammen te verteeren? Waarom zwijgt de donder? Waar zijn de
+bliksemschichten, die den top van den Sinaï omgaven? Waarom daalt er
+geen duisternis neer, om de heidenen te verschrikken? Waarom splijt
+de aarde niet, om hen te verslinden als de bende van Kora?"
+
+"De kracht Gods," riep Doelas "legt de handen in den schoot. In welk
+een twijfelachtig licht stelt de Heer niet onze vroomheid, daar hij
+zich gedraagt als waren wij alle zorg onwaardig!"
+
+"Dat zijt gij ook," schreeuwde Paulus, die de laatste woorden vernomen
+had, en den kranken Stephanus naar den onbewaakten oostelijken muur
+meer droeg dan geleidde. "Dat zijt gij ook, want in plaats van zijne
+vijanden te weerstaan, lastert gij God en onteert gij u zelven door
+uwe ellendige lafheid. Ziet dezen kranken grijsaard, die zich gereed
+maakt om u te verdedigen! Volgt thans zonder te morren mijne bevelen,
+of bij het bloed der heilige martelaars, ik sleur u bij de haren en
+ooren naar uwe posten, en wil u...."
+
+Maar hij sprak niet verder, want zijne bedreiging werd door eene
+krachtige stem afgebroken, die bij den voet van den muur zijn naam
+riep.
+
+"Dat is Agapitus!" zeide Stephanus. "Breng mij naar den wal en zet
+mij daar neder."
+
+Eer hij den wensch van zijn vriend nog vervuld had, stond de bisschop
+in zijne hooge gestalte aan zijne zijde. Agapitus, de Cappadociër,
+was in zijne jeugd soldaat geweest. Hij had de grenzen van den
+ouderdom ter nauwernood overschreden, en was een waakzaam herder
+zijner gemeente. Toen de geheele jongelingschap van Pharan de
+Blemmyers tegentrok, had hij geen rust in de oase, en nadat hij de
+presbyters en diakenen bevolen had met de vrouwen en achtergeblevene
+mannen in de kerk voor de strijders te bidden, was hijzelf, geleid
+door een gids en vergezeld van twee acolythen, den berg opgestegen,
+om bij den kamp tegenwoordig te zijn. Den anderen priesters en aan
+zijne vrouw, die trachtten hem terug te houden, had hij geantwoord:
+"Waar de kudde is, daar moet ook de herder zijn!"
+
+Zonder dat iemand het had gezien of gehoord, was hij tot aan den
+muur van het kasteel genaderd en getuige geweest van Paulus' hevige
+woorden. Thans stond hij met rollende oogen tegenover den Alexandrijn
+en verhief dreigend zijne krachtige hand, terwijl hij hem toeriep:
+"Waagt het een uitgebannene zóo tot zijne broeders te spreken? Wil een
+handlanger van den Satan den strijders des Heeren bevelen geven? Dat
+zou u eene vreugde zijn, wanneer gij met uwe athletische armen den
+roem terug kondet winnen, die uwe door zonde en schuld ontzenuwde
+ziel heeft verspeeld. Hierheen, mijne vrienden, de Heer is met ons
+en zal ons behoeden!"
+
+Paulus had zwijgend den bisschop laten uitspreken en hief even als de
+andere Anachoreten zijne handen op, toen Agapitus in hun midden trad
+en een kort haastig gebed uitsprak. Na het 'amen' wees de bisschop
+als een veldoverste aan ieder, ook aan de oudsten en zwaksten, zijn
+plaats aan bij den muur en achter de werpsteenen, en riep toen met
+eene luide stem, die boven alles uit werd gehoord: "Toont heden,
+dat gij strijders zijt van den Allerhoogste!"
+
+Niemand verzette zich tegen hem, en toen zij man voor man op hunne
+posten stonden, liep hij naar de helling en volgde opmerkzaam den
+slag die onder hem woedde.
+
+De Pharanieten weerstonden thans met goed gevolg den aanval der
+Blemmyers, want Phoebicius had, nadat hij met zijne soldaten uit de
+hinderlaag te voorschijn was gekomen, de dichte drommen der zonen
+van de woestijn, die kwamen aanstormen, in de flank aangetast en
+hen, dood en verderf verspreidende, in twee deelen gescheiden. De
+goed uitgeruste en gewapende Romeinen schenen gemakkelijk spel te
+hebben met hunne naakte tegenstanders, die zich, nu men handgemeen
+was geworden, noch van hunne pijlen, noch van hunne lansen bedienen
+konden. Maar de Blemmyers hadden in hunne herhaalde worstelingen met
+de keizerlijke troepen geleerd hunne kracht te gebruiken, en zoodra zij
+zagen dat zij tegen den aandrang hunner vijanden niet opgewassen waren,
+hieven hunne aanvoerders een wonderlijk schril geschreeuw aan. Hunne
+gelederen werden verbroken, en als een hoop vederen door een rukwind
+aangegrepen, stoven zij in alle richtingen uit elkander.
+
+Agapitus hield dit wegsnellen der woestijnbewoners voor eene wilde
+vlucht, haalde dankbaar weder adem en maakte zich gereed om naar het
+slagveld af te dalen en zijne verwondde geloofsgenooten een woord van
+troost toe te spreken. Doch hij zou in het kasteel zelf gelegenheid
+vinden om zijn vromen plicht uit te oefenen; want de herderin, die hij
+reeds bij zijne aankomst had opgemerkt, stond vóor hem en zeide zeer
+verlegen, maar toch snel en duidelijk: "De kranke Stephanus dáar, heer
+bisschop, die de vader is van Hermas, en voor wien ik water draag,
+laat u smeeken bij hem te komen, want zijne wond is opengegaan en
+hij meent dat hij sterven zal."
+
+De bisschop volgde terstond deze roepstem met haastige schreden,
+en begroette den kranke, wiens wond door Paulus en de Saïet Orion
+reeds verbonden was, met eene vertrouwelijkheid, die hij gewoonlijk
+niet aan de overige boetelingen bewees. Hij kende den vroegeren naam
+en de lotgevallen van Stephanus reeds lang, en op zijn verlangen
+had Hermas zich bij de naar Alexandrië gezondene afgevaardigden
+moeten aansluiten. Agapitus toch was van oordeel, dat niemand zich
+uit den levensstrijd mocht terugtrekken, alvorens hijzelf daaraan
+had deelgenomen. Stephanus reikte hem de hand, de bisschop zette
+zich aan zijne zijde neder, gaf den omstanders een wenk, dat zij hen
+alleen moesten laten, en luisterde opmerkzaam naar de zacht gesprokene
+woorden van den kranke.
+
+Toen de laatste zweeg, zeide Agapitus: "Ik loof met u den Heer, dat
+hij uwe vrouw, die gij verloren waandet, den weg liet vinden die tot
+hem voert, en uw zoon zal een flink krijgsman worden, gelijk gijzelf
+geweest zijt. Uw aardsche huis is bezorgd, maar hoe zijt gij voor
+het andere, het eeuwige voorbereid?"
+
+"Ik heb achttien jaren geboet en gebeden en groote smarten geleden,"
+antwoordde de kranke. "De wereld ligt verre achter mij, en ik hoop
+het pad te bewandelen, dat ten hemel leidt."
+
+"Zoo hoop ik ook voor u en uwe ziel," zeide de bisschop. "In de wereld
+is uw deel geweest een zwaar kruis te dragen. Hebt gij getracht hun
+te vergeven, die u het pijnlijkst lijden hebben aangedaan en kunt
+gij bidden: 'Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze
+schuldenaren?' Herinnert gij u het woord: 'Want zoo gij den menschen
+hunne misslagen vergeeft, zoo zal ook uw hemelsche Vader u vergeven?'"
+
+"Ik heb Glycera niet enkel vergeven," antwoordde de kranke, "maar haar
+ook weder opgenomen in het heiligdom van mijn hart. Den man echter,
+die haar schandelijk verleidde, den ellendeling, die, ofschoon ik hem
+duizend weldaden bewezen had, mij bedrogen, mijne vrouw gestolen en
+onteerd heeft, ook hem wil ik wenschen...."
+
+"Vergeef hem," hernam Agapitus, "opdat ook u vergeven worde!"
+
+"Ik beproef reeds sedert achttien jaar den vijand te zegenen,"
+antwoordde Stephanus, "en wil het verder beproeven...."
+
+Tot hiertoe had de bisschop zich geheel aan den kranke gewijd. Thans
+werd hij echter van verschillende zijden geroepen, en Gelasius,
+die met andere Anachoreten aan de helling stond, schreeuwde hem toe:
+"Red ons vader, de heidenen klauteren daarboven tegen de rots op."
+
+Agapitus gaf Stephanus met een gebaar den zegen, en zich omkeerende,
+riep hij hem nog eens met hartelijkheid toe: "Vergeef, en de hemel
+zal uw deel zijn!"
+
+In de vlakte lagen vele gewonden en dooden, en de Pharanieten trokken
+zich weder in de bergkloof terug. Want de Blemmyers waren niet
+gevlucht; zij hadden zich slechts verstrooid en de rotsen beklommen,
+die de vlakte omringden. Thans schoten zij van daar met pijlen op
+hunne vijanden.
+
+"Waar zijn de Romeinen?" vroeg Agapitus driftig den Saïet Orion.
+
+"Zij trekken de kloof in, waardoor de weg hier naar boven leidt,"
+antwoordde de gevraagde. "Maar zie nu, zie die heidenen! De Heer
+zij ons genadig! Zij klimmen daar tegen de helling op, als de specht
+tegen een boomstam."
+
+"De steenen aangegrepen!" riep Agapitus, terwijl zijne oogen vonkelden,
+den naast hem staande boetelingen toe. "Hoe staat het daarachter
+bij den muur?--Hoort gij dat? Ja! Dat was de Romeinsche tuba. Moed,
+broeders, de keizerlijke soldaten beschermen de zwakke zijde van
+het kasteel.--Maar hier! Ziet gij daar in de spleet die naakte
+gestalten? Hier met dit steenblok. Duw de schouders er krachtig
+tegen aan, Orion! Salatiël, nog een ruk! Daar laat hij reeds los,
+daar rolt hij naar beneden! Als hij nu daar bij de spleet maar niet
+blijft hangen!--Neen! God lof, nu begint hij te vallen.--Dat was een
+slag! En nu! Zes vijanden van den Heer zijn in eens verpletterd."
+
+"Daar boven zie ik drie andere," schreeuwde Orion. "Hierheen, Damianus,
+en help mij."
+
+De geroepene en met hem nog een aantal anderen vlogen toe en de
+eerste goede uitslag wekte zoo spoedig en wonderbaar den moed der
+Anachoreten weder op, dat het den bisschop zelfs moeielijk viel hun
+ijver te beteugelen, en hun aan het verstand te brengen, dat zij de
+kostbare steenen wat moesten besparen.
+
+Terwijl onder leiding van Agapitus de eene steen voor de andere
+na werd nedergeworpen op de Blemmyers, die tegen de steile helling
+opklauterden, zat Paulus naast den kranke met neergeslagen oogen.
+
+"Helpt gij hen niet?" vroeg Stephanus.
+
+"Agapitus heeft gelijk," antwoordde de Alexandrijn. "Ik heb voor
+veel te boeten, en de kamp wekt de hartstochten op. Hoezeer dit het
+geval is, dat bemerk ik aan de kwelling, die ik gevoel terwijl ik
+stilzit. De bisschop gaf u zijn zegen."
+
+"Ik nader het einddoel," zuchtte Stephanus, "en hij belooft mij den
+hemel, wanneer ik hem ook van harte vergeef, die mij mijne vrouw
+ontstal. Het zij hem vergeven, alles zij hem vergeven. Alles wat hij
+aanvangt moge hem ten goede gedijen, ja zeker niet ten kwade! Voel
+maar hoe mijn hart klopt; het zet zich uit, alvorens het geheel en al
+ophoudt te slaan. Blaas ik den adem uit, breng dan alles aan Hermas
+over wat ik u zeide, en zegen hem duizend- en duizendmaal in mijn naam
+en in dien zijner moeder. Zeg hem nooit, neen nooit, dat zij in een
+oogenblik van zwakheid den schurk, den man, dien ongelukkige meen ik,
+dien ik alles vergeef, gevolgd is. Geef Hermas dezen ring, daarmede
+en met den brief, dien gij onder de kruiden van mijne legerstede in
+het hol zult vinden, zal hij zich begeven naar zijn oom, die hem zal
+opnemen en hem eene plaats bij het leger bezorgen, zooals hem toekomt,
+want mijn broeder staat in aanzien bij den keizer.--Hoor eens hoe
+Agapitus de onzen aanmoedigt! Zij strijden daar dapper. Dat was de
+Romeinsche tuba. Let op, thans zal de bende het kasteel bezetten
+en van hier uit de heidenen beschieten. Breng mij in den toren als
+zij komen. Ik ben zwak; ik wil nou eens al mijne innerlijke krachten
+verzamelen en bidden, opdat ik kracht vinde den man niet alleen met
+de lippen te vergeven."
+
+"Daar beneden, zie, daar komen de Romeinen," viel Paulus den kranke in
+de rede. Vervolgens schreeuwde hij naar beneden: "Hier op, hier! Verder
+links zijn de trappen!"
+
+"Daar zijn wij," antwoordde een barsche stem. "Mannen, blijft hier op
+den voorsprong staan en houdt het kasteel in het oog. Dreigt u gevaar,
+waarschuwt mij dan met de trompet. Ik klim naar boven; dáar van de
+torenspits zal men kunnen zien hoever die honden gekomen zijn."
+
+Onder het spreken dezer woorden had Stephanus opmerkzaam zitten
+luisteren. Toen de Galliër weinige oogenblikken later den muur beklom,
+en naar binnen in het kasteel riep: "Is hier niemand die mij de
+hand reikt?" riep de kranke Paulus en zeide tot hem: "Til mij op en
+ondersteun mij, spoedig!"
+
+Met eene vlugheid, die den Alexandrijn in verbazing bracht, richtte
+Stephanus zich op, boog zich over den muur naar den centurio, die juist
+aan de andere zijde was aangekomen, zag hem met de grootste spanning
+in het aangezicht, huiverde en reikte hem, terwijl hij alle krachten
+inspande om zich te bedwingen, de magere hand om hem te steunen.
+
+"Servianus!" riep de centurio, wien deze ontmoeting op deze plaats
+hevig verschrikte, en die, niet wetende hoe zich te houden, nu eens
+den grijsaard, dan weder Paulus aanstaarde.
+
+Geen hunner kon woorden vinden om zijn gevoel uit te spreken. Doch
+Stephanus' oogen hingen aan het gelaat van den Galliër, en hoe
+langer hij hem aanzag, des te holler werden zijne eigene wangen,
+des te bleeker zijne lippen. Daarbij strekte hij nog altijd zijne
+hand naar den ander uit, misschien als teeken dat hij hem vergaf. Zoo
+verliepen eenige pijnlijke oogenblikken.
+
+Eindelijk begon Phoebicius te begrijpen, dat hij in dienst des
+keizers den muur had beklommen, en in ontevredenheid over zichzelven
+stampvoetende, greep hij haastig de hand van den grijsaard. Nauwelijks
+echter gevoelde deze, dat de vingers van den Galliër de zijne
+aanraakten, of als door den bliksem getroffen kromp hij ineen, en
+met een heeschen kreet wierp hij zich op zijn doodvijand, die aan
+den rand van den muur stond.
+
+Paulus zag vol ontzetting dit ijselijk schouwspel aan, en riep
+dringend met luider stem: "Laat hem los, vergeef hem, opdat de hemel
+ook u vergeve!"
+
+"Wat hemel, wat vergeving!" schreeuwde de oude man. "Hij zij verdoemd!"
+
+Eer de Alexandrijn het verhinderen kon, begonnen de waggelende
+rotsblokken, waarop de beide vijanden steunend met elkander worstelden,
+los te raken, en beiden stortten met de vallende steenen in den
+afgrond.
+
+Paulus zuchtte uit de diepste diepte van zijn borst, en prevelde,
+terwijl heete tranen langs zijne wangen rolden: "Ook hij heeft
+gestreden, en ook hij heeft te vergeefs geworsteld."
+
+
+
+
+
+
+
+EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+De kamp was geëindigd en de zon, die achter den heiligen berg
+onderging, had de lijken van vele Blemmyers beschenen. Thans vonkelden
+de sterren aan den reinen hemel over de oase. Uit de kerk weerklonken
+lofgezangen, en in hare nabijheid, onder aan den heuvel waartegen
+zij was aangebouwd, brandden fakkels, die met haar roodachtig licht
+eene rij van lijkbaren beschenen, waarop onder groene palmtakken de
+in den strijd tegen de heidenen gevallen dapperen lagen.
+
+Thans zweeg het lofgezang, de deuren van het godshuis werden geopend,
+en Agapitus ging de zijnen vóor naar de gestorvenen. Zonder een woord
+te spreken schaarde de gemeente zich in een halven cirkel rondom hare
+zwijgende broeders, luisterend naar den zegen, die haar herder over
+de edele offers uitsprak, die hun bloed hadden vergoten in den strijd
+tegen de heidenen.
+
+Na het 'amen' voegden zij, die zijne naaste bloedverwanten waren
+geweest, zich bij elken doode, en menige traan uit het oog eener
+moeder of eener echtgenoote viel in het zand, menige zucht uit de
+borst eens vaders hief zich ten hemel.
+
+Naast de baar waarop de oude Stephanus lag stond eene andere
+kleinere. Hermas knielde tusschen deze twee en weende. Thans hief hij
+het hoofd op, want eene diepe doch vriendelijke stem had hem bij zijn
+naam geroepen.
+
+"Petrus," zeide de jongeling, en vatte de hand die de senator hem
+bood. "Hoe gevoelde ik mij gedrongen de wijde wereld in te gaan en
+mijn vader te verlaten! En nu hij voor altijd van mij gescheiden is,
+hoe gaarne zou ik mij door hem terug laten houden!"
+
+"Hij is in den strijd voor de zijnen een schoonen dood gestorven,"
+zeide de senator terstond.
+
+"Paulus was bij hem toen hij viel," antwoordde Hermas. "Bij de
+verdediging van het kasteel is mijn vader van den muur gestort. Maar
+zie hier, dit meisje, dit arme kind, dat uwe geiten heeft gehoed,
+zij is als eene heldin gestorven. Arme, wilde Mirjam, hoe goed zou
+ik voor u zijn, als gij nog leefdet!"
+
+Hermas streelde bij deze woorden den arm der herderin, drukte een
+zachte kus op haar kleine koude hand, en vouwde die voorzichtig met
+de andere op haar borst te zamen.
+
+"Hoe kwam het meisje bij den strijd der mannen?" vroeg Petrus.--"Maar
+dat kunt ge mij in mijn huis vertellen. Wees daar onze gast, zoolang
+het u lust, en totdat gij de wereld ingaat. Wij allen zijn u dank
+schuldig."
+
+Hermas bloosde, en wees met bescheidenheid den lof af, die hem, den
+redder der oase, overvloedig van alle zijden ten deel viel. Toen de
+klaagvrouwen verschenen, knielde hij nog eens bij het hoofd zijns
+vaders neder, zag voor het laatst met innige liefde naar Mirjam's
+strak gelaat, en volgde toen zijn gastheer.
+
+De man en de jongeling betraden te zamen den hof. Hermas zag
+onwillekeurig naar het venster op, waaraan hij Sirona meer dan eens
+had zien zitten, en zeide, op het huis van den centurio wijzende:
+"Ook hij is gebleven."
+
+Petrus gaf een teeken van toestemming en opende de deur van zijn huis.
+
+In de verlichte voorzaal trad vrouw Dorothea hun te gemoet en vroeg
+dadelijk: "Nog niets van Polycarpus?"
+
+Haar echtgenoot schudde ontkennend het hoofd. Zij zeide echter: "Hoe
+zou het ook mogelijk zijn! Hij zal op zijn vroegst uit Klysma of wel
+eerst uit Alexandrië schrijven."
+
+"Dat geloof ik ook," antwoordde Petrus en zag daarbij naar den
+grond. Vervolgens wendde hij zich tot Hermas en leidde hem naar zijne
+echtgenoote. Dorothea ontving den jongeling met warme deelneming. Zij
+had gehoord dat zijn vader gevallen was, en hoe dapper hijzelf zich
+gedragen had.
+
+De avondmaaltijd stond gereed en Hermas werd uitgenoodigd daaraan deel
+te nemen. De vrouw des huizes gaf hare dochter een wenk om voor den
+gast te zorgen. Petrus hield Marthana echter terug en zeide: "Hermas
+kan de plaats van Antonius innemen. Hij heeft nog met eenigen van de
+arbeiders te doen. Waar blijft Jethro met de huisslaven?"
+
+"Zij hebben reeds gegeten," zeide Dorothea.
+
+Beide echtgenooten zagen elkander aan, en Petrus zeide met een
+weemoedig lachje: "Ik denk dat zij op den berg zijn."
+
+Dorothea pinkte een traan uit het oog en antwoordde: "Zij zullen daar
+Antonius zeker ontmoeten. Als zij Polycarpus eens vonden! En toch,
+zeker, ik zeg het niet alleen om u te troosten, het waarschijnlijkste
+is, dat hij niet in de bergkloven verongelukt maar naar Alexandrië
+gegaan is, om de herinneringen te ontvluchten, die hem hier overal
+op de hielen zaten.--Ging de deur daar niet open?"
+
+Zij stond haastig op, keek met Petrus, die haar gevolgd was, in den
+hof en zeide, zich tot Marthana wendende, die, terwijl zij Hermas
+vleesch en brood aanbood, hare ouders had nagezien, met een diepen
+zucht: "Het was de slaaf Anubis maar."
+
+Een tijd lang heerschte er eene pijnlijke stilte aan de groote tafel
+die heden zoo slecht bezet was. Eindelijk richtte Petrus zich tot
+zijn gast en zeide: "Gij wildet vertellen hoe de herderin Mirjam in
+den strijd, om het leven is gekomen. Zij was ons huis ontvloden...."
+
+"Naar den berg," vulde Hermas aan, "is zij gegaan. Daar heeft zij
+mijn armen vader als eene dochter verpleegd en van water voorzien."
+
+"Ziet gij wel, moeder," haastte Marthana zich te zeggen, "zij is niet
+slecht geweest; dat heb ik altijd wel gezegd."
+
+"Heden morgen," ging Hermas voort, terwijl hij de dochter treurig
+een teeken van toestemming gaf, "heden morgen volgde zij mijn vader
+naar het kasteel. Zoodra deze van de muur was gevallen, dus vertelde
+mij Paulus, is zij weggevlogen, doch alleen om mij te zoeken en de
+droevige tijding aan mij over te brengen. Wij kennen elkander reeds
+lang, want sedert jaren drenkte zij uwe geiten bij onze bron. Toen
+ik nog een knaap en zij een klein meisje was, luisterde zij uren
+lang naar mij, wanneer ik op mijne herdersfluit de liederen blies,
+die Paulus mij geleerd had. Zoolang ik speelde was zij dood stil;
+wanneer ik echter ophield, verlangde zij meer en altijd meer te hooren,
+tot het mij verveelde en ik wilde heengaan. Dan kon zij zeer boos
+worden, en wanneer ik haar zin niet deed mij met leelijke woorden
+schelden. Maar zij kwam altijd terug, en daar zij de eenige was,
+die naar mij luisteren kon, zoo was het mij niet onverschillig, dat
+zij aan onze bron boven de andere de voorkeur gaf. Toen zij grooter
+werd begon ik bang voor haar te worden, want zij kon zulke goddelooze
+dingen zeggen, en zij is ook als heidin gestorven. Paulus, die ons
+eens beluisterde, waarschuwde mij voor haar, en daar ik sedert lang de
+fluit had weggeworpen en met mijn boog het wild naliep, zoo dikwijls
+vader mij dit vergunde, bleef ik altijd korter bij haar, als ik naar
+de bron ging om water te scheppen. Wij vervreemdden meer en meer
+van elkander, en ik kon recht hard jegens haar zijn. Eens slechts,
+nadat ik uit de hoofdstad teruggekomen was, heb ik eene ontmoeting
+met haar gehad,--maar dat vertel ik u niet. Het arme kind was tegen
+wil en dank slavin, en zeker heeft zij in het huis van een vrije het
+levenslicht aanschouwd.
+
+"Zij is goed jegens mij geweest, meer nog dan eene zuster voor een
+broeder, en toen mijn vader dood was, heeft zij zeker gemeend,
+dat ik dit uit geen andere mond dan de hare mocht vernemen. Zij
+had gezien waar ik met de Pharanieten heen getrokken was, volgde en
+vond mij ook weldra, want zij had oogen als eene gazelle en ooren
+als een beangstigde vogel. Ditmaal was het niet moeielijk mij te
+vinden, want toen zij mij zocht, streden wij in de groene kloof,
+die van den berg naar de zee voert met de Blemmyers, die van woede
+brulden als roofdieren; want voordat wij de zeekust konden bereiken,
+hadden de visschers beneden in het vlek hunne booten, die zij onder
+zand en steenen verborgen hadden, ontdekt, opgegraven en binnen
+hunne haven gehaald. De knaap uit Raïthoe, die mij geleidde, had ze
+op mijn bevel in het oog gehouden, en de visschers gebracht op de
+plaats waar ze verstopt waren. De wachters, die zij bij de booten
+hadden achtergelaten, waren gevlucht en hadden hunne broeders die
+bij het kasteel vochten bereikt, van welke toen minstens twee honderd
+naar zee gezonden werden, om de vaartuigen weder te heroveren en de
+visschers te straffen. Deze bende overviel ons in de groene kloof en
+zoo kwam het tot een gevecht.
+
+De Blemmyers waren veel meer in aantal dan wij en omgaven ons weldra
+van voren en van achteren, aan de linker- en aan de rechterzijde. Want
+als steenbokken springen en klauteren zij van rots op rots, en
+schieten dan uit de hoogte met hunne rieten pijlen. Drie of vier
+waren op mij gericht, en éen vloog door mijn haar en bleef met de
+veeren aan het eind van den steel daarin hangen. Hoe het beloop van
+den strijd verder is geweest, weet ik niet te vertellen, want het
+bloed steeg mij naar het hoofd. Ik herinner mij alleen nog dat ik
+als een razende hijgde en schreeuwde, en nu hier dan daar met een der
+heidenen worstelde, en meer dan eens mijn bijl ophief om een schedel
+te kloven. Daartusschen zag ik een deel der onzen vluchten, die ik met
+grimmige woorden terugriep. Zij keerden zich om en volgden mij weder.
+
+"Op eens, midden in het gevecht, zag ik ook Mirjam, die doodsbleek
+en bevend zich aan eene rots hield vastgeklemd en den strijd
+aanzag. Ik riep haar toe dat zij die plaats verlaten en tot mijn
+vader terugkeeren zou; maar zij bleef staan, schudde het hoofd met
+een gebaar, ja met een gebaar zoo vol medelijden en zoo smartelijk,
+dat ik het nooit vergeten zal. Zij beduidde mij met handen en oogen,
+dat mijn vader dood was. En ik begreep haar; ik wist nu ten minste,
+dat er een verschrikkelijk ongeluk was gebeurd. Doch ik had geen tijd
+om na te denken, want eer ik door haar mond tot zekerheid kon komen,
+greep een aanvoerder der heidenen mij aan, en het kwam onder Mirjam's
+oogen tot eene vreeselijke worsteling.
+
+"Mijne tegenpartij was sterk, maar ik toonde het meisje, dat mij
+dikwijls, omdat ik mijn vader in alles gehoorzaamde, voor een
+bloodaard had gescholden, dat ik voor niemand uit den weg behoefde
+te gaan. Ik had het niet kunnen verdragen onder haar oog te moeten
+zwichten. Daarom deed ik ook den heiden in het stof bijten en velde
+hem met mijn bijl. Ik vermoedde slechts dat zij in mijne onmiddellijke
+nabijheid was, doch in de hitte van den strijd zag ik niemand anders
+dan mijne tegenpartij. Plotseling hoorde ik echter voor mij een luiden
+gil, en vlak in mijne nabijheid zeeg Mirjam bloedend in elkaar. Een
+Blemmyer was, terwijl ik de knie had gezet op zijn krijgsbroeder,
+naar mij toe geslopen, en had op weinige passen van mij af, zijne
+lans naar mij geslingerd. Maar Mirjam.... Mirjam...."
+
+"Zij heeft u gered, met haar eigen leven ten offer te brengen," vulde
+Petrus het verhaal van den jongeling aan, wien, bij de herinnering
+aan het gebeurde, de stem begaf en de oogen vol tranen schoten.
+
+Hermas knikte toestemmend met het hoofd en zeide toen zacht: "Zij
+hield hare armen hoog uitgestrekt en riep mij bij den naam, toen de
+lans haar trof. De oudste zoon van Obedianus nam wraak op den heiden,
+die dit gedaan had; maar ik ondersteunde haar, terwijl zij stervend
+ineen zeeg, en nam haar lokkig hoofd in mijn schoot en sprak haar naam
+uit. Toen sloeg zij nog eens de oogen op en noemde mijn naam zacht
+en op een onuitsprekelijk vriendelijken toon. Eene vreeselijke smart
+greep mij aan, en ik moest hare oogen kussen en haar mond. Daarna
+heeft zij mij nog eens met groote oogen lang en gelukkig aangezien,
+en toen is zij gestorven."
+
+"Zij was eene heidin," zeide Dorothea, terwijl zij hare oogen
+afdroogde, maar nu zij zóó gestorven is, zal haar door den Heer veel
+vergeven worden."
+
+"Ik heb haar lief," zeide Marthana, "en wil mijne schoonste bloemen
+op haar graf leggen. Mag ik ook van uwe bloeiende mirten een takje
+snijden voor den krans?"
+
+"Morgen, morgen, mijn kind," antwoordde Dorothea. "Ga thans slapen,
+want het is zeer laat."
+
+"Laat mij nog blijven," smeekte het meisje, "tot Antonius en Jethro
+terug zijn."
+
+"Ik zou u gaarne helpen uw zoon te zoeken," zeide Hermas, "en wanneer
+gij wilt, ga ik naar Raïthoe en Klysma, om daar navraag te doen bij
+de visschers.--Maar heeft," en de jonge krijgsman keek bij deze vraag
+verlegen voor zich, "heeft de centurio zijne ontvluchte vrouw, die
+hij met den Amalekiet Talib vervolgde, vóor zijn dood wedergevonden?"
+
+"Sirona is nog altijd verdwenen," antwoordde Petrus. "En misschien...,
+maar gij hebt zoo straks den naam van Paulus genoemd, die zoozeer
+met uw vader en u bevriend was. Weet gij dat hij het geweest is,
+die zoo schaamteloos den huiselijken vrede van den centurio verbrak?"
+
+"Paulus?" riep Hermas. "Hoe kunt gij dat gelooven?"
+
+"Phoebicius heeft zijn schaapsvel bij zijne vrouw gevonden," antwoordde
+Petrus ernstig. "De onbeschaamde Alexandrijn erkende onder onze oogen,
+dat het van hem was, en liet zich door den Galliër bestraffen. Hij
+heeft dien schandelijken daad gepleegd in denzelfden nacht, waarin
+gij op kondschap werdt uitgezonden."
+
+"En Phoebicius geeselde hem!" riep Hermas buiten zichzelven. "En
+die arme man heeft deze smaad en deze berisping en alles geduldig
+verdragen, verdragen om mijnentwil! Nu begrijp ik wat hij bedoeld
+heeft. Ik heb hem na den slag ontmoet en hij vertelde mij, dat mijn
+vader gestorven was. Toen hij zich van mij scheidde, zeide hij,
+dat hij de grootste was van alle zondaren, en dat ik alles in de
+oase zou hooren. Maar ik weet het beter; hij is grootmoedig en goed,
+en ik duld niet dat men hem om mijnentwil smaadt en lastert."
+
+Hermas was bij deze woorden opgesprongen, en toen hij de verbaasde
+blik van zijnen gastheer zag, beproefde hij zich te beheerschen en
+zeide: "Paulus heeft Sirona nooit gezien, en ik herhaal het: wanneer
+iemand zich beroemen mag goed rein en geheel zonder schuld te zijn,
+dan is hij het. Om mijnentwil, om mij voor straf, en mijn vader voor
+verdriet te bewaren, heeft hij een schuld bekend, die hij nooit begaan
+heeft. Daaraan herken ik hem, den trouwen, braven vriend. Maar geen
+oogenblik langer mag deze schandelijke verdenking, deze smet op zijn
+naam rusten."--
+
+"Gij spreekt tot een bejaard man," zeide Petrus, opeens de heftige
+woorden van den jongeling afbrekende. "Uw vriend bekende met zijn
+eigen mond...."
+
+"Dan heeft hij uit waarachtige goedheid gelogen," haastte Hermas zich
+den senator te antwoorden. "Het schaapsvel dat de Galliër vond is
+het mijne. Ik was, terwijl haar man aan Mithras offerde, naar Sirona
+gegaan, om wijn voor mijn vader te halen, en zij vergunde mij bij die
+gelegenheid de wapenrusting van den centurio aan te passen. Toen hij nu
+onverwacht te huis kwam, sprong ik op straat en vergat die ongelukkige
+vacht. Op mijn vlucht kwam ik Paulus tegen, die zeide dat hij alles
+in orde zou brengen, en mij wegzond, om zich daarna in mijne plaats te
+stellen en mijn vader groot leed te besparen. Zie mij maar bestraffend
+aan, vrouw Dorothea, want in dwaze lichtzinnigheid ben ik dien nacht
+hij de Gallische binnengeslopen. Maar bij de gedachtenis mijns vaders,
+die de hemel mij heden ontnam, zweer ik, dat Sirona met mij als met een
+kinderachtigen jongen gespeeld heeft, en dat zij mij zelfs verboden
+heeft hare mooie goudgele haren met de lippen te naderen. Zoo waar
+ik hoop een krijgsman te worden, en zoo zeker de ziel mijns vaders
+verneemt wat ik zeg: de schuld die Paulus op zich nam, werd in het
+geheel nooit begaan, en wanneer gij Sirona veroordeeld hebt, zoo hebt
+ge haar onrecht aangedaan, want noch voor mij en nog veel minder voor
+Paulus heeft zij ooit de trouw jegens haar echtgenoot verbroken!"
+
+Dorothea en Petrus wisselden veelbeteekenende blikken. "Waarom," zeide
+de eerste, "moesten wij dit uit den mond van een vreemde vernemen? Het
+klinkt zoo zonderling en is toch zoo eenvoudig! Ja, man, het zou beter
+voor ons geweest zijn, indien wij zoo iets hadden vermoed, dan aan
+Sirona te twijfelen. In het eerst kwam het mij zelven onmogelijk voor,
+dat die schoone vrouw, op wie gansch andere lieden het oog sloegen,
+voor zulk een zonderlingen lediglooper...."
+
+"Welk een groot onrecht hebben wij dien armen man aangedaan!" zeide
+Petrus. "Als hij zich beroemd had op eene edele daad, waarlijk,
+wij zouden minder spoedig bereid zijn geweest hem te gelooven."
+
+"Daarvoor boeten wij zwaar," zuchtte Dorothea, "en mij bloedt het
+hart. Waarom hebt gij u niet tot ons gewend, Hermas, toen gij wijn
+noodig hadt? Hoeveel leed zou daardoor voorkomen zijn!"
+
+De jongeling zag voor zich en zweeg. Weldra herstelde hij zich echter
+en zeide levendig: "Laat mij gaan om den armen Paulus op te zoeken. Ik
+ben u dankbaar voor uwe goedheid, maar ik kan het hier niet langer
+uithouden; ik moet den berg op!"
+
+De senator en zijne vrouw hielden hem niet terug, en toen de deur van
+den hof zich achter hem gesloten had, werd het zeer stil in Petrus'
+woonvertrek. Dorothea zette zich achterover in haren stoel en keek voor
+zich, terwijl menige traan haar langs de wangen rolde. Marthana hield
+hare hand vast en streelde haar zacht. De senator was aan het venster
+gaan staan en keek, diep adem halende, in den donkeren hof. Als een
+loodzware last drukte de kommer op zijn hart. Alles zweeg in het ruime
+vertrek; alleen drong nu en dan uit den kring der klaagvrouwen, die
+de gevallene Pharanieten omringden, een luide, langgerekte jammerkreet
+door de stille nachtlucht tot het geopende venster door. Het was eene
+bange ure, rijk aan sombere en ijdele zelfbeschuldigingen, zorgen en
+stille gebeden, en arm aan hoop en troost.
+
+Thans zuchtte Petrus smartelijk en Dorothea stond op, om naar haar
+echtgenoot te gaan, en hem met een hartelijk opwekkend woord toe
+te spreken.
+
+Daar sloegen opeens de honden in den hof aan, en de beangstigde
+vader zeide zacht, met een beklemd hart en op het ergste voorbereid:
+"Misschien zijn zij het?"
+
+De diakones drukte hem de hand, maar liep weg toen zich een zacht
+geklop aan de deur van den hof liet hooren.
+
+"Jethro en Antonius zijn het niet," zeide Petrus. "Zij hebben den
+sleutel."
+
+Marthana was naar hem toegegaan, sloot zich dicht bij hem aan,
+terwijl hij zich ver uit het venster boog en den kloppende toeriep:
+"Wie klopt daar?"
+
+De honden blaften zoo luide, dat noch de senator, noch de vrouwen
+het antwoord, dat scheen gevolgd te zijn, konden verstaan.
+
+"Hoor Argus eens," zeide Dorothea. "Zoo huilt de hond alleen, wanneer
+gij te huis komt of een onzer, of wanneer hij blijde is."
+
+Petrus legde den vinger op de lippen. Er weerklonk een luid en schril
+gefluit: en toen de honden, dit bevel gehoorzamende, zwegen, riep
+hij wederom: "Wie gij ook zijn moogt, roep luide uw naam, opdat ik
+u open doe!"
+
+Het antwoord liet zich eenige oogenblikken wachten, en reeds wilde de
+senator zijne vraag herhalen, toen eene teedere stem voor de poort
+aarzelend naar boven riep: "Ik ben het, Petrus, ik, de ontvluchte
+Sirona."
+
+Nauwelijks hadden deze woorden de stilte van den nacht afgebroken,
+of Marthana rukte zich los van haar vader, die zijne hand op haar
+schouder had gelegd, vloog de deur uit, de trappen af naar de poort.
+
+"Sirona, arme lieve Sirona," riep het meisje, terwijl zij den grendel
+wegschoof. Zoodra zij de deur geopend had en de Gallische binnen
+den hof gekomen was, vloog zij haar om den hals, kuste en streelde
+haar, als ware zij eene verlorene en wedergevondene zuster. Daarna
+greep zij hare hand, zonder haar aan het woord te laten komen, en
+trok Sirona, hoewel deze zacht weerstand bood, terwijl zij haar met
+allerlei vleiende woorden toesprak, met zich mede de trappen op naar
+het woonvertrek.
+
+Petrus en Dorothea traden haar aan den drempel te gemoet. De laatste
+drukte haar aan het hart, kuste haar op het voorhoofd en zeide:
+"Gij arme vrouw; wij weten dat wij u onrecht hebben gedaan en willen
+trachten het goed te maken."
+
+Ook de senator was naar haar toe gegaan, had haar hand gegrepen,
+en voegde warm doch ernstig zijn groet bij dien zijner gade. Want
+hij wist niet of zij reeds kennis droeg van den dood harer echtgenoot.
+
+Sirona kon geen woorden vinden om te antwoorden. Toen zij den berg
+afsteeg en in het donker dwaalde, had zij verwacht als eene verworpene
+uitgestooten te zullen worden. Hare sandalen waren door de scherpe
+rotsen geheel in stukken gesneden, en hingen in flarden aan hare
+bloedende voeten. De nachtwind had hare schoone haren verward, en
+haar wit bovengewaad geleek een gescheurd bedelaarskleed, want zij
+had er stukken afgetrokken om Polycarpus' wond te verbinden.
+
+Reeds eenige uren geleden had zij den jonkman, dien zij verpleegde,
+verlaten, met angst voor hem en bezorgdheid voor de harde ontvangst
+zijner ouders in het hart. Hoe beefde haar hand uit vrees voor Petrus
+en Dorothea, toen zij den ijzeren klopper op de deur van den senator
+vallen liet. En thans, thans openden zich voor haar de armen van
+een vader en van eene moeder, en eene zuster riep haar weder een
+vriendelijk welkom toe. Eene grenzelooze aandoening, eene oneindige
+dankbaarheid vervulden haar gemoed, en luid weenende drukte zij de
+gevouwen handen op hare borst. Doch maar weinige oogenblikken gaf
+zij zich over aan het genot van dit zalig gevoel, want zij kon zich
+geen geluk denken zonder Polycarpus, en om zijnentwil had zij den
+gevaarvollen tocht bij nacht ondernomen.
+
+Marthana was haar weder met teederheid genaderd, doch zij wees haar
+vriendelijk af en zeide: "Nu niet, meisjelief! Ik heb reeds een uur
+verloren, toen ik in de kloven verdwaalde. Maak u gereed, Petrus,
+mij dadelijk weder op den berg te volgen, want--schrik toch niet
+Dorothea. Paulus heeft gezegd, dat het grootste gevaar voorbij is,
+en wanneer Polycarpus...."
+
+"Om Gods wil, weet gij waar hij is?" riep Dorothea, terwijl het
+bloed haar naar het aangezicht steeg. Doch Petrus verbleekte en zijne
+vrouw in de rede vallende, vroeg hij in ademlooze spanning: "Waar is
+Polycarpus, en wat is er met hem gebeurd?"
+
+"Bereidt er u op voor, iets treurigs te vernemen," antwoordde Sirona,
+en zag daarbij de echtgenooten angstig en droevig aan als bad zij om
+eene verontschuldiging voor de slechte tijding, die zij gedwongen was
+hun over te brengen. "Polycarpus is op een harden steen gevallen,
+en heeft zich daarbij het hoofd verwond. Paulus bracht hem heden
+morgen, alvorens hij tegen de Blemmyers uittrok, bij mij, om hem te
+verplegen. Ik heb zijne wond zorgvuldig koel gehouden, en tegen den
+middag sloeg hij de oogen op, herkende mij weder en zeide ook, dat gij
+over hem bezorgd zoudt zijn. Na zonsondergang sliep hij in, doch hij
+is niet geheel vrij van koorts, en zoodra Paulus terugkeerde, maakte
+ik mij gereed om u gerust te gaan stellen en u te verzoeken mij een
+verkoelende drank te geven. Want ik ga terstond weder naar hem terug."
+
+In den weeken toon van Sirona's stem klonk bij dit verhaal diep
+medelijden. Terwijl zij de ouders mededeelde, wat hun zoon wedervaren
+was, welden er tranen in hare oogen. Petrus en Dorothea luisterden
+naar haar als naar een zanger, die in treurgewaad op eene omfloerste
+harp een lied zingt van hoop en wederzien.
+
+"Spoedig, spoedig, Marthana!" riep Dorothea levendig en met vonkelende
+oogen, eer Sirona haar verhaal nog geëindigd had. "Geef dadelijk de
+mand hier met de zwachtels. Ik zal den koortsdrank zelf mengen."
+
+Petrus was den Gallische genaderd en vroeg haar zacht: "Is het
+werkelijk niet erger dan gij het daar voorstelt? Hij leeft en
+Paulus...."
+
+"Paulus zegt," vulde Sirona aan, "dat de zieke bij eene goede
+verpleging in weinige weken genezen zal zijn."
+
+"En kunt gij mij tot hem brengen?"
+
+"O, ik," riep de Gallische, en sloeg zich met de hand voor het
+voorhoofd. "Het zal mij zeker niet gelukken den weg terug te vinden,
+want ik heb geen enkel merkteeken gezien. Doch wacht, vóor ons heeft
+een kluizenaar uit Memphis, die voor weinige weken gestorven is...."
+
+"De oude Serapion?" vroeg de senator.
+
+"Zoo heet hij!" riep Sirona. "Weet gij zijn hol?"
+
+"Hoe zou ik het weten?" antwoordde Petrus. "Maar misschien kan
+Agapitus...."
+
+"De bron, waaruit ik het water schepte om Polycarpus' wond af te
+koelen, noemde Paulus de patrijzenbron."
+
+"De patrijzenbron," herhaalde de senator, "die ken ik!" Na eene diepe
+ademhaling nam hij zijn staf en riep Dorothea toe: "Maak gij den drank,
+het verband, fakkels en eene goede draagstoel gereed; intusschen zal
+ik bij buurman Magadon aankloppen en hem om slaven verzoeken."
+
+"Laat mij u geleiden," verzocht Marthana.
+
+"Neen, neen, gij moet bij moeder blijven."
+
+"Denkt gij dan dat ik hier zal zitten wachten?" vroeg Dorothea. "Ik
+ga met u."
+
+"Daar blijft hier genoeg voor u te doen," antwoordde Petrus met een
+afwerend gebaar, "en wij zullen snel moeten stijgen."
+
+"Het is zoo, ik zou u kunnen ophouden," zuchtte de bezorgde moeder,
+"maar neem het meisje met u; zij heeft eene zachte, gelukkige hand."
+
+"Het zij zoo, als gij dit goed oordeelt," antwoordde de senator en
+verliet het vertrek.
+
+Terwijl moeder en dochter kwamen en gingen, ten einde alles voor den
+nachtelijken tocht gereed te maken, hadden zij toch tijd om menige
+vraag en menig vriendelijk woord tot Sirona te richten. Marthana
+plaatste, zonder haar arbeid te staken, spijs en drank voor de
+vermoeide op de tafel, waaraan zij zich had neergevlijd, doch zij
+bevochtigde ter nauwernood de lippen.
+
+Toen Marthana den korf met artsenijen en linnen zwachtels, met wijn
+en zuiver water had gevuld, en dien aan de Gallische liet zien, zeide
+de laatste: "Leen mij een paar van uwe sandalen, want de mijne zijn
+geheel gescheurd, en zonder schoeisel kan ik de mannen niet volgen,
+want de steenen zijn scherp en snijden in het vleesch."
+
+Marthana zag nu voor het eerst, dat de voeten van hare vriendin bebloed
+waren, nam haastig de lamp van de tafel, plaatste haar op den grond
+en zeide, terwijl zij naast Sirona nederknielde, en hare sierlijke
+blanke teenen met de hand omvatte, ten einde de kwetsuren van hare
+voetzolen te onderzoeken: "Mijn God, daar zijn waarlijk drie groote
+diepe wonden!"
+
+Dadelijk nam Marthana een bekken ter hand, wiesch de sneden in
+Sirona's voetzolen zorgvuldig uit, en terwijl zij den gewonden voet
+met linnen banden omwikkelde, ging Dorothea naar beiden toe en zeide:
+"Ware Polycarpus nu maar hier; deze rol is voldoende om u beiden
+te verbinden."
+
+Een zacht blosje kleurde Sirona's wangen. Dorothea verschrikte over
+hare eigene woorden en Marthana drukte in het geheim de Gallische
+de rechterhand.
+
+Toen het verband goed bevestigd was, beproefde Sirona of zij gaan kon,
+maar dit gelukte haar zóo slecht, dat Petrus, die met zijn vriend
+Magadon, diens zonen en een aantal slaven was teruggekeerd, haar
+ernstig verbieden moest hem te begeleiden. Hij hield zich overtuigd,
+dat hij ook zonder haar zijn zoon wel vinden zou, want een der lieden
+van zijn buurman had den ouden Serapion vaak brood en olie gebracht,
+en kende zijn hol.
+
+Alvorens de senator met zijne dochter het vertrek verliet, fluisterde
+hij zijne vrouw eenige woorden toe, naderde met haar de Gallische en
+vroeg: "Weet gij wat uw echtgenoot wedervaren is?"
+
+Sirona knikte toestemmend en antwoordde: "Ik heb het van Paulus
+gehoord. Nu ben ik geheel verlaten."
+
+"Dat zijt gij niet," zeide Petrus. "Gij zult onder ons dak bescherming
+en liefde vinden, als in het huis van uw eigen vader, zoolang het u
+bij ons bevalt. Geen dank, want wij staan diep bij u in schuld. Tot
+wederziens, vrouw! Ik wenschte wel dat wij Polycarpus reeds hier
+beneden hadden, en dat gij zijn wond hadt gezien. Kom, Marthana,
+de oogenblikken zijn kostbaar!"
+
+Toen Sirona en Dorothea alleen waren, zeide de laatste: "Ik ga thans
+eene slaapplaats voor u gereed maken, want gij zult zeer vermoeid
+zijn."
+
+"Neen neen," smeekte de andere. "Ik wil met u waken en wachten,
+want ik zou stellig niet kunnen slapen, vóor ik weet hoe het hem gaat."
+
+Deze woorden werden met zooveel warmte en ijver uitgesproken, dat de
+diakones de jonge vrouw dankbaar de hand reikte. Daarop zeide zij:
+"Ik laat u eenigen tijd alleen, want mijn hart is vol zorg. Ik wil
+om hulp voor hem en om moed en kracht voor mijzelve bidden."
+
+"Neem mij met u," smeekte Sirona zacht. "Toen ik in nood was, heb ik
+mijn hart voor uw goeden, liefderijken God uitgestort, en ik wil nooit
+meer tot een anderen bidden. De gedachte alleen aan hem versterkt en
+vertroost mij, en zoo ooit, dan heb ik in deze ure zijn vriendelijken
+bijstand noodig."
+
+"Mijn kind, mijn dochter," riep de diakones diep bewogen, boog zich
+over haar heen, kuste haar op voorhoofd en mond, en leidde haar aan
+de hand naar haar stille slaapvertrek. "Hier bid ik het liefst,"
+zeide zij, "ofschoon hier geen beeld en geen altaar staat. Mijn God
+is overal, en hij weet mij aan elke plaats te vinden."
+
+De beide vrouwen knielden naast elkander, en beiden smeekten van
+denzelfden God dezelfde genade, niet voor zich, maar voor een ander;
+beide dankten in hun leed: Sirona, wijl zij in Dorothea eene moeder,
+de diakones, wijl zij in Sirona eene dochter, eene lieve dochter
+had gevonden.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Paulus zat voor het hol, dat Sirona en Polycarpus geherbergd had,
+en keek de fakkels na, wier licht al kleiner en kleiner scheen te
+worden, terwijl de dragers afdaalden naar het dal. Zij verlichtten
+den weg voor den gewonden beeldhouwer, die gezeten in den draagstoel
+zijner moeder, door zijn vader en zijne zuster Marthana begeleid,
+naar de oase werd gedragen.
+
+"Nog een uur," dacht de Anachoreet, "en de moeder heeft haar zoon
+weder; nog eene week en Polycarpus staat van zijn bed op; nog een
+jaar, en dan herinnert alleen nog een litteeken en misschien een kus,
+die hij op de roode lippen van de Gallische drukt, hem aan den dag
+van gisteren. Ik zal dien echter niet zoo gemakkelijk vergeten. De
+ladder, waaraan ik jaren lang getimmerd heb, langs welke ik tot
+den hemel dacht te stijgen, en die mij zoo hoog en zeker toescheen,
+ligt daar in stukken gebroken, en de hand die haar versplinterde, was
+die mijner eigene zwakheid. Het komt mij voor als oefende deze mijne
+zwakheid grooter invloed uit, dan wat wij inwendige kracht noemen,
+want wat de laatste in jaren opbouwt, verstoort de eerste in ééne
+minuut. In zwakheid alleen ben ik een reus."
+
+Paulus trok bij de laatste woorden huiverend zijne leden samen,
+want de koude beving hem. In dien vroegen morgen, toen hij de schuld
+van Hermas op zich nam, had hij de gelofte gedaan het schaapsvel te
+zullen afleggen, en zijn lichaam, dat aan de warme vacht gewoon was,
+en waarin, sedert de buitengewone inspanningen, het nachtwaken en de
+aandoeningen der laatste dagen, het heete bloed zich koortsachtig
+snel bewoog, leed hevig pijn. Rillende van kou trok hij zijn kleed
+steviger om de leden, en prevelde in zichzelven: "Ik ben te moede als
+een schaap, dat men midden in den winter de wol van het lijf geschoren
+heeft. Nu gloeit mij weder het hoofd, als ware ik een bakker en moest
+ik het brood uit den oven halen. Een kind zou mij omver kunnen werpen,
+en de oogen vallen mij toe. Ik mis zelfs de kracht, om door het gebed
+weder tot mijzelven te komen, dat ik zoo noodig heb. Ik heb zeker
+wel het goede doel voor oogen, maar zoodra ik dit nader schijn te
+komen, wordt het mij weder ontrukt door mijne zwakheid, evenals de
+wind den tak met de vruchten wegrukt, waarnaar de dorstende Tantalus
+grijpt. Uit de wereld heb ik mijn toevlucht genomen op dezen berg,
+en de wereld is mij achterna gevlogen, en heeft mij hare strikken om
+de voeten geworpen. Ik moet een nog eenzamer woestijn opzoeken, waarin
+ik alleen ben, geheel alleen met mijn God en mijzelven. Daar vind ik
+misschien den weg dien ik zoek, wanneer niet zeker iemand, namelijk
+mijn eigen Ik, waarin de geheele wereld in het klein zich vertoont
+met al hare verleidingen, mij vergezelt en ook ditmaal weder al mijn
+arbeid vruchteloos maakt. Wie zichzelven in de woestijn medeneemt,
+is toch niet alleen."
+
+Paulus slaakte een diepe zucht en dacht verder: "Wat was ik toch
+trotsch, toen ik in Hermas' plaats een proefje had gehad van den geesel
+des Galliërs! Vervolgens ging het mij als een beschonkene, die trede
+voor trede van de trappen valt. Ook de arme Stephanus struikelde,
+en was toch reeds zijn doel zoo nabij. Hem ontbrak de kracht om te
+vergeven, en de senator die mij zoo even verliet, en wiens onschuldigen
+zoon ik toch zoo deerlijk gewond heb, gaf mij bij het scheiden de hand
+der verzoening. Ik kon het hem aanzien dat hij mij van ganscher harte
+vergeven had. En deze Petrus staat midden in het leven, en geeft zich
+van 's morgens vroeg tot 's avonds laat met wereldsche dingen af."
+
+Een tijdlang keek hij nadenkend voor zich, daarna ging hij met zijne
+alleenspraak voort: "Hoe was die geschiedenis ook weer die de oude
+Serapion mij vertelde? In de Thebaïs woonde een boeteling, die meende
+zeer godzalig te leven en al zijne metgezellen in strenge deugd ver
+overtrof. Toen droomde hij eens, dat er in Alexandrië iemand gevonden
+werd, die nog volmaakter was dan hij. Phabis zoo heette hij, was een
+schoenmaker, en woonde in de Witte straat aan de haven Kibotos. De
+Anachoreet wandelde terstond naar de hoofdstad, vond den schoenmaker,
+en toen hij hem met belangstelling vroeg: 'Hoe dient gij den Heer? Welk
+een levenswijze leidt gij?' gaf hij verbaasd ten antwoord: 'Ik? Wel,
+als mijn Heiland. Ik werk van vroeg tot laat en zorg voor de mijnen,
+en bid 's morgens en 's avonds met weinige woorden voor de geheele
+stad!'--Petrus meen ik, is zulk een Phabis. Maar er leiden vele wegen
+tot God, en wij en ik...."
+
+Wederom verstoorde eene rilling zijn denken, en het werd terwijl de
+morgen begon aan te breken, zoo gevoelig koud, dat hij beproefde een
+vuur te ontsteken.
+
+Terwijl hij met moeite de kolen aanblies, kwam Hermas bij hem. Deze
+had van hen, die Polycarpus wegbrachten, vernomen, waar hij Paulus
+vinden zou, en toen hij nu tegenover zijn vriend stond, vatte hij
+zijne hand, streelde hij zijne ruwe haren, en dankte hij hem teeder
+en diep ontroerd voor het zware offer, dat hij voor hem had gebracht,
+toen hij de onteerende straf voor zijn misdrijf op zich genomen had.
+
+Paulus wees alle medelijden en dank kortweg af, en sprak vervolgens
+met Hermas over zijn vader en zijne toekomst tot het dag was geworden,
+en de jongeling zich gereed maakte naar de oase te gaan, ten einde de
+afgestorvenen de laatste eer te bewijzen. Op zijn verzoek om hem te
+vergezellen, antwoordde Paulus: "Neen, neen, thans niet, thans niet;
+want indien ik nu met menschen in aanraking kwam, sprong ik zeker uit
+elkander, evenals een versleten zak vol gistende wijn. In mijn hoofd
+gonst een bijenzwerm, en mijn borst is een mierenhoop geworden. Ga
+nu heen en laat mij alleen."
+
+Na de begrafenis nam Hermas van Agapitus, Petrus en Dorothea
+vriendelijk afscheid en keerde daarna tot den Alexandrijn terug, met
+wien hij zich naar het hol begaf, waarin de gestorvene zoolang met
+hem had gewoond. Hier overhandigde Paulus hem den brief zijns vaders
+aan zijn oom en sprak tot hem op liefderijker toon, dan ooit te voren.
+
+Dien nacht legden beiden zich op de bekende legersteden neder, maar
+noch de een noch de ander kon rusten of slapen. Van tijd tot tijd
+prevelde Paulus zacht maar zeer smartelijk: "Te vergeefs, alles
+te vergeefs," en eindelijk: "Ik zoek, ik zoek, maar wie wijst mij
+den weg?"
+
+Vóor de dag aanbrak stonden beiden op. Hermas daalde nog eens af naar
+de bron, knielde daarbij neder, en dacht bij het afscheid nemen aan
+zijn vader en de wilde Mirjam. Herinneringen van allerlei aard doken
+in zijne ziel op, en zoo groot is de verheerlijkende macht der liefde,
+dat hem de beeltenis van de armzalige bruine herderin duizendmaal
+schooner toescheen dan die van de schoone vrouw, die de ziel van een
+groot kunstenaar in verrukking bracht.
+
+Kort na zonsopgang bracht Paulus hem naar het visschersvlek, en
+wel tot den Israëliet, die de zaakwaarnemer was van het huis zijns
+vaders, liet hem rijkelijk van goud voorzien en geleidde hem tot aan
+het kolenschip, dat hem naar Klysma zou overbrengen.
+
+Het afscheid viel hem zeer zwaar. Toen Hermas zijne oogen vol tranen
+zag en voelde dat zijne handen beefden, zeide hij: "Bekommer u niet
+om mij, Paulus; wij zien elkander weder, en ik zal u zoowel als mijn
+vader gedenken."
+
+"En uwe moeder," voegde de ander er bij. "Ik zal u wel missen; maar
+dat wat ik zoek is juist het lijden. Als het iemand gelukte het leed
+der gansche wereld zich toe te eigenen, en als hij bij elke ademtocht
+een smart door zijne ziel voelde gaan, hoe zou deze niet smachtend
+uitzien naar een wenk des Verlossers?"
+
+Hermas viel hem weenend om den hals, en hij verschrikte toen de
+gloeiende lippen van den Anachoreet zijn voorhoofd aanraakten.
+
+Eindelijk haalden de matrozen de touwen in. Toen keerde Paulus zich nog
+eens naar den jongeling om en zeide: "Gij gaat nu uw eigen weg. Vergeet
+dezen heiligen berg niet en bedenk ook dit nog: Van alle zonden zijn
+deze drie de zwaarste: valsche goden te dienen, zijns naasten vrouw te
+begeeren, en de hand tot doodslag op te heffen. Hoed u voor deze! En
+van alle deugden zijn er twee, schijnbaar de geringste en toch de
+grootste: waarheid en deemoed. Deze zult gij ter harte nemen. Van
+alle vertroostingen zijn deze twee de beste: Het bewustzijn dat men
+het goede wil, hoe vaak men ook uit menschelijke zwakheid moge dwalen
+en struikelen, en het gebed."
+
+Nog eens omarmde hij den scheidende, en ging toen over den zandigen
+oever naar den berg, zonder zich om te keeren.
+
+Hermas zag hem lang met groote bezorgdheid na, want zijn sterke
+vriend waggelde als een beschonkene, en drukte vaak de hand tegen
+zijn voorhoofd, dat zeker niet minder heet was dan zijne lippen.
+
+De jonge krijgsman heeft den berg en Paulus nooit wedergezien, maar
+wel, nadat hijzelf in het leger roem had verworven en tot aanzien
+was gestegen, Petrus' zoon, Polycarpus, dien de keizer met groote
+onderscheiding naar Byzantium had geroepen, en wiens huis bestuurd
+werd door de Gallische Sirona, als eene trouwe gade en moeder.
+
+Paulus was, nadat hij van Hermas afscheid genomen had, verdwenen. Lang
+werd hij vruchteloos gezocht door de andere Anachoreten en den bisschop
+Agapitus, die van Petrus vernomen had, dat de Alexandrijn onschuldig
+was bestraft en uitgebannen, en hem nu met zijn eigen mond vergeving
+en troost wilde brengen. Eindelijk, na tien dagen, vond hem de Saïet
+Orion in een ver afgelegen hol. De engel des doods had hem weinige
+uren geleden onder het gebed opgeroepen, want hij was ter nauwernood
+koud. Knielend leunde hij nog met het voorhoofd tegen den rotswand,
+en zijne uitgeteerde handen waren saamgevouwen om den ring van
+Magdalena. Toen zijne metgezellen hem op de baar gelegd hadden, lag
+er een edel en vriendelijk lachje op zijn rein en verheerlijkt gelaat.
+
+Verwonderlijk snel werd het gerucht van zijn dood verspreid in de
+oase, in het visschersvlek, in alle Anachoretenholen wijd en zijd in
+den omtrek, en zelfs in de hutten der Amalekieten. Onafzienbaar was de
+rij dergenen, die hem naar zijn laatste rustplaats volgde. De bisschop
+Agapitus ging met de oudsten en diakenen vooruit, en achter hen volgden
+Petrus met zijne vrouw en de zijnen, waartoe ook Sirona behoorde.
+
+De in beterschap toenemende Polycarpus legde als een zoenoffer een
+palmtak op zijn graf, dat door zoovelen, wier ellende hij in stilte
+verzacht had, en weldra ook door alle boetelingen van heinde en verre
+als eene bedevaartplaats bezocht werd.
+
+Petrus richtte een gedenksteen bij zijn graf op, waarin Polycarpus
+deze woorden beitelde, die Paulus' bevende vinger vóor zijn dood met
+een kool aan den wand van zijn hol had geschreven:
+
+
+"Bidt voor mij arme; ik was een mensch!"
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] G. Ebers, Durch Gosen zum Sinaï. Aus dem Wanderbuche und der
+Bibliothek. Leipzig, 1872. Van het eigenlijk reisverhaal is eene
+vertaling in het licht gegeven door A. M. Cramer.
+
+[2] Opvoeder der kinderen.
+
+[3] De godinnen der jaargetijden, de bevallige dochters van Jupiter
+en Themis.
+
+[4] Bergnymf.
+
+[5] Eene Romeinsche zilvermunt.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Homo sum, by Georg Moritz Ebers
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42861 ***