diff options
Diffstat (limited to '42858-0.txt')
| -rw-r--r-- | 42858-0.txt | 6898 |
1 files changed, 6898 insertions, 0 deletions
diff --git a/42858-0.txt b/42858-0.txt new file mode 100644 index 0000000..3e783ec --- /dev/null +++ b/42858-0.txt @@ -0,0 +1,6898 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42858 *** + + NEDERLANDSCHE··BIBLIOTHEEK + ONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONS + + + + DE + ONTREDDERDEN + + DOOR + G. VAN HULZEN + + + + UITGEGEVEN·DOOR·DE + MAATSCHAPPIJ··VOOR + GOEDE·EN·GOEDKOOPE + LECTUUR--AMSTERDAM + + + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + Deel I. + + De Ontredderden 5 + Straatkinderen 11 + Keesie 51 + 't Onverwachte 69 + + + Deel II. + + Afgezakt 105 + + + + + + +DE ONTREDDERDEN. + + +Een schip komt met volle zeilen in de branding, is reddeloos +verloren. Een wrak, al ontredderd, wordt tot splinters geslagen en +niets blijft ervan over. + +Een huis, sedert lang bouwvallig stort plotseling in, wordt een ruïne, +al blijven enkele gedeelten overeind, waaruit de slooper nog gave +balken en ramen zal halen. + +Een sterke boom die zijn wortels ver in de grond heeft, wordt +ontworteld door een nog sterkere storm, of sterft op stam bij gemis +aan voedingssappen. + +Een mensch gaat te gronde door eigen moedwil of door alles wat men +eertijds het noodlot noemde, een sloopende ziekte, de omstandigheden +die machtiger zijn dan zijn wil, ofwel door de tergende teruggang van +het geslacht dat hem zelf 't slechte blòed ingaf. Deze en nog zooveel +andere gevallen, ze zijn schier eindeloos in de voortdurende en zich +herhalende wentelgang van 't leven, 't is een deel van het leven, +'t is het tegenstrijdige leven zelf. + +Velen hebben er reeds van verhaald, ieder geslacht vertelt er van op +zijn wijze, en ieder schrijver doet het weer anders. + +En de lezers? De een leest enkel voor plezier, de ander om de +schoonheid en het genot dat de schoonheid schenkt, en een derde wil +ook nog leeren. Wie zal de lijn hier trekken en wie heeft het bij +het goede eind? + + + +In d'n beginne was er niets. + +Toen schiep God de hemel en de aarde, de mensch en de dieren in zes +volle dagen, de mensch naar zijn evenbeeld. + +Die menschen vermenigvuldigden zich naar Gods woord en +vermenigvuldigden ook de kwalen en de plagen; ze bestrijden en +verdringen elkaar, ook als er geen dringende noodzaak toe bestaat. Nu +en dan straalt tusschen hen 't licht van menschenmin en goddelijke +liefde, van zachtheid uit sterkte geboren en van aanhankelijkheid, +die enkel maar zwakheid is, maar gewoonlijk loopt het uit op dood en +verderf of op ontreddering wat 't zelfde is. Ze overwinnen net als de +dieren met geweld van natuurlijke kracht of door sluw instinkt, toch +meestal zonder het zelf te weten, uit domheid, onberedeneerde zucht +tot overheerschen, 't kleine eigenbelang en ook omdat ze niet anders +kunnen: door de dwingende omstandigheden. Van deze omstandigheden, die +de lichamen sloopt, de karakters smelt tot was, de sterke verandert in +een levens-laffe en de zwakke ontneemt alle besef van God-gelijkheid, +hiervan wil ik spreken. + + + +Een razende storm slaat uiteen 'n vlot, dat de rivier afzakt. Dagen +lang schuren de balken, door de zwiepende golven geteisterd, tot van +het vlot niets meer overblijft. Alles schijnt reddeloos verloren en +de schade valt niet te overzien. + +Als evenwel de storm zich heeft gestild en de woedende wateren zich +leggen, spoelt het wrakhout aan. Strandzoekers en jutters maken jacht +en slepen de overblijfselen op het zand. + +Veel blijkt er te zijn verloren, maar wat er aandrijft, wordt, hoe +gehavend ook, niet als nutteloos weggesmeten. Een eerzaam man bouwt er +zijn hutje van, waar hij in liefde woont, ver in duin of hei. Een boer +rastert er heel knus mee af zijn kippenloop om de vossen buiten te +houden. Ook dient het wrakhout vaak tot schoren van een ordentelijk +huis, men maakt er zelfs schuttingen van bij het bouwen van een +kathedraal of paleis. + +Zoo is het ook met de ontredderden in de samenleving, niet alles is +verloren wat op de tast zoo lijkt. + + + +Een kind rijgt kralen aaneen en doet het aandachtsvol, nu eens een +groote dan een kleine, een bonte, een blanke, naast een gaafronde, +een hoekige nevens een langwerpige schuivend, ze zamensnoerend, +zonder eenig besef van regelmaat of kleur. + +Een voorbijganger blijft staan. + +De stille bedrijvigheid treft hem, maar dat het kind alles doorelkaar +aaneenrijgt verbaast hem zeer. Te meer omdat het volstrekt niet lukraak +rijgt en de keurende oogen langdurig heen en weer gaan alvorens de +tastende vingers een nieuwe kraal naast de anderen voegen. Vaak wordt +het eerst gekozene weer tenzij gelegd en een ander opgenomen. + +--Waarom rijg-je die kleine fijne naast die zwaar-grooten, waarom +die hard-groene nevens die fel-roode, vraagt hij na een poos. Vin-je +'t zelf wel mooi? + +Het kind kijkt verwonderd op, maar een antwoord heeft het niet. + +De ander herhaalt zijn vraag, goedmoedig uiteenzettend wat hij +bedoelt. Doch voor 't kind zijn 't blijkbaar klanken die het voor +'t eerst hoort en niet verstaat. Dan glimlacht het even van: ik weet +het toch wel, en wat ben je dom!--Opnieuw verdiept gaat de kleine +voort onverstoord, alsof de ander er niet meer staat. + +De toeschouwer haalt de schouders op en vervolgt zijn weg. Dat zoo'n +kind alles zoo grappig aaneenrijgt zonder eenig overleg. Grooten +hooren toch bij grooten, kleur bij kleur, soort bij soort, dan krijg +je een mooi geheel, nu zijn het kralen en niet meer. + + + +Een schrijver is geen spelend kind en de lezers zijn geen toeschouwers +die hem ondervragen. Nauwelijks lezen ze de toelichting van een werk +als die erbij wordt gegeven. Niet noodig, niet noodig, zeggen ze grif, +we hebben immers hier de kralen en we maken zelf 't snoer. + +Wie evenwijdig loopen ontmoeten elkaar niet en wie een +tegenovergestelde kant uitgaan nog minder, botsing komt er niet +licht, wel onverschilligheid en elkaar niet begrijpen, evenals de +toeschouwer en 't kind. Dit kan de een voldoende zijn, een ander +bevredigt het niet,--en als men mij nu vraagt hoe deze snoer zal +zijn dan vrees ik het antwoord te moeten schuldig blijven. Ik toon +u enkel de kralen, drie, vier naast elkaar, en dan een heele groote, +die soms een boekdeeltje beslaat, en ge maakt maar zelf de snoer. + +'t Komt hier toch niet in de eerste plaats aan op de gave van +samenstellen, wèl op de werkelijkheid, die gezien in 't ware licht, +de schoone ontroering brengt, juist omdat het geen verdichtsel is. + + + +De schrijver beeldt, verhaalt, denkt zichzelf weg, en als hij dit doet +geeft hij louter fotografie. Maar wie onderstelt een schrijvend mensch, +die niet denkt, die geen gevolg van oorzaak te onderscheiden weet, +en aldus de aard der dingen niet zou weerspiegelen in zijn werk. De +draad, de ijl-fijne draad die zich weeft door elk verhaal en die ook +'t geheel maakt, blijft toch van hèm, van hem alleen, en die draad +slingert zich door alles heen. + +Op welke wijze rijg ik nu mijn snoer aaneen? 't Is reeds gezegd. Zoo +ongeordend als 't kind, dat elk voorwerp op zichzelf beschouwt +en enkel de dingen verbindt die het belangrijk vindt. Want wat de +toeschouwer zoo willekeurig en gedachteloos toescheen was voor dit +kind vanzelfsprekend, hoogste wijsheid door instinkt geleid, dat is +'t verschil. + + + +En mijn snoer, hoe zal die zijn? Een stoet van paupers, rijke +nietsnutten gekweld door hun geld, de afgezakten van alle rangen, +alle standen langzaam opklimmend, van de laagstontwikkelden tot de +overbeschaafden, weer bont dooreen, een lange reeks van ontredderden +en machteloozen,--en omdat het er zoovelen zijn kan ik maar kleine +geschiedenissen geven, waarin de algemeene draad niet zal ontbreken, +hoe elk geval ook op zichzelf werd gebeeld. + +Wat die draad beteekent? Wel de nauwspeurenden bemerken het vanzelf +en zij die daarvoor de aanvoeling missen hebben geen uitleg noodig. Ze +lezen de verhalen op zichzelf en laten de draad voor wat ze is. + + + G. van Hulzen + + + + + + +STRAATKINDEREN. [1] + + +I. + +In klemmende, aanzwellende volte van groote stad stond hij armelijk, +een kleine jongen, pover in zijn voddige sjofelheid, schurkend zijn +schrale schouders tegen het kil-massieve huis van Vijgendam, krampend +van nijd, omdat hij nog niet bij elkaar had wat er vandaag weer moest +wezen, vandaag zoo goed als alle andere dagen. + +Als een zwart en grillig gordijn schoof hem raaklings voorbij de +menschenrij, gehaast en onophoudelijk in schuivende, hobbelende vaart, +de menschen die van alle kanten tegelijk aankwamen, hem kruisten +gejacht en woelig, langs hem heenschoten zonder zelfs op hem te +letten. Geen blik hadden ze voor hem over, zelfs geen snauw. + +In elkaar gezakt, de oogen half toe onder de fletse brauwen, suf en +moe van het langdurig staren naar die wirwar, zocht hij een enkele +die zachter liep en die hij aanklampen kon, in gedurige angst van door +'n smeris te worden ingepikt als bedelaar. Dat uitkijken vorderde al +zijn aandacht en maakte hem dof. + +In zijn dertien jaren voelde hij zich oud en wijs, in staat een heele +wereld te bedriegen, en nou ontging het hem finaal; hij kon er geeneen +te pakken krijgen. + +Gisteren haalde hij al niet genoeg òp en vandaag zou het nog minder +worden. De goede verwachting van geluk waarmee hij vanmorgen uittrok +dorde en schrompelde in hem en werd stage kwijning. + +Z'n ongewasschen handen bekrabbelden netelig de hangzak, los bengelend +in zijn broek, die zoo afzakte en aan de einden rafelend. Zijn vingers +telden binnen in de zak. + +Nog lang niet genoeg! Waarom telde hij eigenlijk, hij wist toch wel uit +z'n kop hoe weinig hij had; in 't laatste uur kwam er geen snars bij, +wat wou ie dan?.. En hoe stond 't met kleine Bet? Voor hem draaide het +nog wel los; voor haar niet. Ze bracht haast nooit wat in, dan liep +ze zware rammel op, en dàt kon-ie niet goed zien. Voor haar zat-ie ook +nou in de rats, niet voor zichzelf, al kreeg-ie er ook vaak van langs. + +Zijn vale pet, lodderig-scheef op z'n vlasharen, zakte nog scheever +weg en zijn mond trok tot een grijns. Dat weer was ook zoo griezelig +en grimmig, geen mensch bleef 'n oogenblik staan, hoe kon-ie ze dan +om wat vragen? + +'t Was koud. Zijn magere schochten bescheukten de muur; 't deed +hem goed. + +Met zijn kromme vingers befriemelde hij de vettige kraag, zette die +op tegen de plakharen en dàt gaf wat warmte. + +Rondom hem lawaaide het in de dringende voortschuivende strubbeling, +niemand had tijd voor hem. Wie hij dacht te kunnen aanspreken schoot al +voorbij, en als hij het toch probeerde keken ze hem niet aan, hoorden +ze zelfs niet naar zijn jankende stem. Hij zag er anders schunnig +genoeg uit. Z'n broek vol franje, de eene pijp 'n eind te kort, de +ander gescheurd, z'n hes verkleurd en veel te lang, geen knoop eran, +de schoenen zoo groot als schuiten, en de das, een afgesneden lap, +die zat als een touwtje om de hals, nou daaraan lag het niet. En lam +voelde-ie zich ook. God, wat was-ie lamlendig en beroerd! + +Hij voelde en wist dat hij er goor en verlept uitzag, geel van armoe +en ellende, maar dat hielp alles niet. Je mot niet lammig en ellendig +wezen, je mot er alléén maar zoo uitzien; daar had-je 't... + +Als vâer hem sloeg, en die zat nou in de doos, gilde-ie het uit als +'n magere big, al raakte die hem met g'n hand 'an. Dan stoof moeder +ertusschen, schreeuwend dat-ie 't laten most. Hou je klauwen thuis, +je hoeft hem niet zoo af te rammelen, snauwde ze. En dan gingen die +twee aan de gang en hij kneep d'eruit, òf als hem dat niet lukte +zette hij krampig 'n gezicht van half te zijn vermoord, griende dat +hij 'n volgende keer beter zou oppassen en centjes thuis brengen. 'n +Arme smoel trekken hielp altijd, maar vandaag gaf het niet. Geen lor +bracht het in. Doe er 'es wat 'an, haal ze 't uit de zak, als ze niet +willen geven en pesterig zijn? + +Troosteloos liet hij zijne blikken gaan, keek even suffig rond en +mopperde dan weer voor zich zelf weg. + +Mooi praten hadden ze thuis; als 't niet wou kon je d'er niks aan +doen. D'er zijn dagen voor de pech, b'voorbeeld vrijdags, dan loopt +'t altijd mis, donderdag eigenlijk oôk al. Zaterdag is 'n goeie dag +en maandag ook. Zondag dat hangt af van 't weer, kun je te voren niks +van zeggen, je mot boffen. + +Nou had-ie pech! echt pech! 't Ging belabberd, vanochtend, merkte-ie +'t dadelijk al, goed. Nou dan trok-ie d'er tusschen uit... + +Even deed-ie z'n oogen toe, keek door de oogharen heen als in bezinning +of-ie 't wel zou doen. Ja, hij piepte 'em maar, 't gaf toch geen +bal! Liever 'n pak rammel thuis dan 'n veeg van een smeris. Als +je pech hebt komt het zoo ver; ze sturen je op naar de tuchterij, +èn daar bedankte-ie voor, dat was voor hem geen kaas, dàt liet-ie +'an de stommerikken over! + +Hij knipperde nog even met z'n oogen. Jessis, daar hadje al 'n kopere +bout! Hij smeerde 'em, zou naar kleine Bet 'es gaan kijken wat ze +gevangen had. Als-ie op z'n falie kreeg kwam d'er minder op an, hij +kon er tegen met z'n karkas, maar zij niet. Gek als-ie 'n dag niet +voor haar zorgde kon-ie 's nachts niet slapen. Hij moest haar dus +wel helpen. O, zoo! + + + + +II. + +De handen diep weggegraven in de bungelende zakken, sjokte hij +grootmannetjesachtig naar de Achterburgwal, waar hij wist zijn zusje +aan de wallekant te kunnen vinden, net over de kruisstraten waar ze +op post stond, om toe te zien of er ergens wat viel te snaaien. + +Van verre zag hij haar al. Ze stond er weer te stumperen, liep er +voor tjomme rond. + +Met z'n gauwe oogen wenkte hij haar hem te volgen naar een nauw goor +steegje. Daar kon-ie de aangelegenheden goed beredderen! + +--Hoeveel heb je al, vroeg hij heesch. La'w'es zien? + +--Hoeveel? Niks! + +Ze opende haar leege handen en streek er dan mee over haar jurk; +ze keek hem aan met angstige oogen. + +--Bè-je gek! Niks! zèg, kan je nog minder? Zie jij maar hoe je 't +thuis eraf brengt. Ik doe niet mee, hoor! + +--Ze loope me allemaal voorbij, kermde ze kleintjes. + +--Natuurlik, as je ze niet 'anspreekt... heb je dan geen mond... denk +je dat ze 't mij ma'r zoo in m'n handje leggen? + +--Je bent ook veel grooter. + +--Grooter, grooter, wat is dat? In de kleine hebbe ze meer fedusie; +die geloove ze eerder! + +--Ze hoore niet eens na' me! teemde ze terug. + +--Och, jij speelt ma'r. + +--Nietes hoor! + +Haar groezel-bleek gezichtje vertrok krampig alsof ze grienen +wilde. Dat maakte hem van streek. + +--Wel ja, nou dat ook nog, huilebalken zeker, hooresies, ik laat je +staan! waarschuwde hij en wilde zich omkeeren. + +--Ik huil toch nie. + +--O, da's je geraje ook. + +Hij schokte heen en weer op zijn schuiten van schoenen, liep zwaar door +'t gore nauwe steegje met bijna geen huizen en hooge blinde zijmuren, +groenig druipend van vocht. + +--Ta-ta-ta, tetterde hij al weer, groot van kwaadheid. + +Angstig oogde ze zijn smakkerig loopen na, bang dat-ie kwaad zou +weggaan en haar alleen laten. + +Maar hij ging niet, sjokte maar heen en weer, bleef dan weer staan, +keek de hoogte in en floot een straatdeuntje. + +Zijn handen, zoo groezel-viezig, groeven zich nog dieper weg in zijn +kluiterig hangende broekzakken,--en hij vertrok minachtend zijn lippen, +bestaarde dan opnieuw de lucht, scheukte met zijn schouders alsof +hij nog op de Vijgendam stond te ruggewrijven tegen dat stevig huis. + +Wat moest-ie met haar beginnen? Vandaag vrijdag een slechte dag, +een olie-dag, nou ja, ook hem woûen ze niet geven,--maar niks, dat +was dan ook heelemaal niks! + +Bet volgde zenuwachtig al zijn bewegingen, en nu hij niets zei, +voelde ze zich nog banger; haar groezel-bleek gezichtje werd vaal, +wit-pips er van. + +Een uitgeholde raap, die uitstaakte boven het verschoten kleedje, +zoo zag haar hoofdje. Haar handen wriemelden door het gelige haar, +dat verslonsd en verwaaid om de wijduitstaande ooren hing, krabten +aan haar kleine neus, en ze wilde opnieuw gaan grienen. + +Hij keek nog aldoor tartend omhoog, alsof hij het in de lucht moest +zoeken, kwakkelde oud mannetjes-wijs weer heen en neer, de knieën +doorgeknikt, de kleine schouders trekkend waarbij de handen in de +bengelende zakken meegingen. Nog eens snauwde hij: + +--Niks... nee, die is goed + +Dan floot hij weer zijn straatwijsje. + +De angst dat-ie haar alleen zou laten maakte haar scherpzinnig; +ze zon op een list, begon: + +--Enne, hoeveel heb jij dan wel? Ze vroeg het op 'n toon alsof ze +wel heelveel verwachtte. + +--Nà, ook niet zoo bar, ontweek hij eerst. + +--Hoeveel dan? hijgde ze. + +De schouders haalde hij op, gaf geen antwoord. + +Zij stampte met haar uitgetreden schoenen en zei opnieuw: + +--Nou zeg 't dan... + +Hij keek haar aan met z'n oogen van een groot mensch, zei moeilijk, +lip-optrekkend, onverschillig. + +--Dertien cent. Da's alles, maar jij heet niks! + +--Dertien sjent? en gisteren had je wel zevene dertig...! + +--Gisteren, ja, maar gisteren dat is nou niet! + +Voor Bet ging ineens open al wat haar te wachten stond, een pak slaag, +trekken aan de ooren, geen eten krijgen. De schrik-gedachte van niet +thuis te durven komen kwelde haar gruwelijk. Dertien cent met hun +beiden, dat was veel te weinig. Verward tuurde ze naar de morsige +steegjesgrond, voelde zich geheel beteuterd. Toen ineens kinder-gauw +over die verschrikking heen, zei ze ernstigjes en verwijtend: + +--Had dan ook gisteren wat weg gehoûe! + +--Dat gaat ma'r zóó, ze zoekt zeker niet alles na! + +--O, nou, onder 't bed, ik zou 't wel weten. + +--Jij? Jij weet niks... ik mot er maar voor opdraaie! + +Hij nam een aartsvaderlijke poze aan, zette de beenen wijd uit en +stak weer de handen in de broekszakken, frommelde ze nog dieper, +alsof-ie zeggen wilde: zie zoo, daar sta ik, wat moet je nou beginnen. + +Nu floot hij het straatdeuntje: + + + We gane nog niet naar huis, + Nog lange niet, nog lange niet! + + +Treiterend keek hij naar de lucht, die boven het enge steegje maar met +een spleet te zien viel, en zij voelde nu wel het onoverkomelijke van +al die dingen. In machtelooze kwaadheid trappelde ze op de uitgesleten +schoenen, trappelde zóó fel dat alles aan haar lichaampje meehotste. + +Hij floot nog harder, keek nog strakker naar de lucht en nu begon ze +te huilen, uitbarstend-geweldig. Ze trappelde en huilde om 't hardst, +haar gore boezelaar bijna stukbijtend van nijd en niet te bedwingen +kribbige bangheid. + +Langzaam haalde hij nu zijn handen uit de zakken keerde zich welbewust +om, en zei smalend: + +--Salussies, ik groet je, balk jij maar door! + +Hij ging, maar zij liep hem grienend achterna, eer bang dan kwaad; ze +greep hem vast bij zijn hes, tandklapperend onder het huilen en kermde: + +--Help me nou, Heintje-lief... help me nou... laat me niet alleen! + +Tranen biggelden over haar wangen en vielen in groote droppen op de +boezel neer. + +--Welja, ik mot maar altoos hellepe, weerde hij onwillig af. + +--Nou, doe het dan deze keer nog maar? + +--Rep toch zelf niet, niet meer dan dertien cent? + +Opnieuw begon ze te huilen--en hij begreep wel, dat-ie er zoo niet +kwam. + +--Toe nou, Heintje, help me nou, smeekte ze weer. + +--Nou vooruit dan... schei uit met griene! + +Hij veegde met de schort haar oogen uit, mokte nog wat na; en zij +hikte: + +--Ja-ja, Heintje! + +Ze stonden nu beiden even bedremmeld in niet weten wat aan te +vangen. Waar zullen we naartoe gaan? peinsde hij, en zij dacht, wat +zal hij me nou laten doen, ik heb niks tegen te zeggen. En plots, +door haar tranen heen, kreeg ze 'n goede inval; ze riep: + +--Laat 't, la me los, ik weet al wat! + +Ze trok hem de boezel uit de handen, liep de steeg al uit en schreeuwde +tegen Hein: + +--Wacht ma'r hier, ik klamp die 'an! + +--Wie? + +--De matroos, daar! + +--Hem, nee-maar! die is vet, zie je dat niet? + +--Kan me niet schele! + +Ze sidder-schokte, liep huilend de matroos achterna. + +Hein stond haar na te kijken, ongeloovig met toch 'n vage verwachting +in zijn bedeloogen. Wie vraagt nou aan 'n dronke matroos? + +Ze had de zeeman ingehaald, liep nu vlak achter hem en wilde hem aan +zijn kleeren vast pakken. Maar dat ging niet best, de rechtafgesneden +jas gaf geen vat. + +Het Jantje voelde toch iets ervan, bleef staan en keek om, verwonderd. + +--Meneer... meneer? + +--Bè-je besuikerd, ik ben geen meneer, wat mijnheer! + +--Meneer de matroos, och toe... + +Het Jantje met zijn zatte oogen moest toch lachen om dat meneer de +matroos en rammelde afsnauwend-medelijdend: + +--Waarom huil je schaap? + +--Mijn moeder slaat me dood, als ik niks thuis breng, kermde ze, +terwijl ze haar handen wrong. + +--O, ho, dood? zeg, dat is maar zoo weinig niet. + +--Nee, huilde ze, maar zij doet 'et! + +Zij hikte, huilde opnieuw, van dat huilen niets meenend, in klaar +besef te moeten doorgrienen, hoe harder hoe beter. + +De matroos in zijn goedmoedige zatheid maakte gijntjes. + +--Ik geloof er geen bliksem van, ratelde hij door. Maar al wat topzwaar +voelde hij zich toch bewogen worden; hij tastte in zijn zak, gaf een +geldstukje om van het gejank af te wezen, zei dan ruw: + +--Daar dan!... Je bent een gauwdief en je belatafelt de kluit, +maar affijn. + +In haar hand zag Bet een kwartje glinsteren. + +--Nee, nee, meneer de matroos, huilde ze nog en ze kneep haar hand +meteen toe. + +--Loop naar de weergâ met je meneer de matroos. Maak nou maar dat +je weg-komt. + +--Ja meneer de matroos! huil-dirkte ze. + +Ze deed alsof ze haar tranen droogde, keerde zich voet-schuifelend om, +het kwartje geknepen in haar hand, slifferde dan langzaam terug heel +effen en gewoon. + +De matroos zette zich weer in beweging, het ronde, roode hoofd +schuddend om de ellende, die misschien wel echt en waar kon wezen, +ook om zichzelf, dat hij zoo stom was om geld te geven. Ze bedelen +er maar op los! + + + +--Nou? riep Hein al van verre, nou hè-je 'n beit... niks hè... een +krats? + +Ze hield zich nog stiekum, wenkte geheimzinnig met haar magere hals, +zei dan fluisterend: + +--Een maffie! + +--Een kwartje? je liegt, je zegt maar wat, hikte zijn stem ongeloovig. + +--Ga mee! zei ze. + +En hij met haar meesjokkend raffelde nu: + +--Là-w'es zien! + +--Nee, eerst doorloope, strakkies! + +Nog altijd de handen diep in z'n zakken, voelde hij al wat mee van haar +blijdschap, liep nu naast haar, scheukend zijn schouders, en beiden +gingen ze kordaat, klakstappend, om spoedig uit het gezicht te wezen. + +--Kijk maar! zei ze triomfantelijk en ze toonde hem 't gekregene. + +--Ja... waarachies! + +Zijn oogen staarden begeerig naar 't zilverstukje, dat in haar +nu-open-hand lag,--en op zijn beurt maande hij aan, wantrouwig: + +--Doorloope, Bet! + +--Natuurlik, wat dach-je-dan? + +Ze sjokten door, nu erg vertrouwelijk naast elkaar en van de stad met +al het gekledder, gestamp, gerij en geraas, merkten ze weinig. Ze +dachten enkel aan 't kwartje en 't geluk van uit de knel te wezen, +het besef van nu eens geen ongeluk te hebben. Ze liepen door uit +instinkt bang dat het een "stille" kon hebben gezien en dat ze dan +opgepakt konden worden als bedelaars. De angst, ingeboren angst voor +policie woog zwaar, zwaar door onbestemde, vage begrippen van te +worden opgestuurd naar een verbeterhuis, met schampeering vrijgelaten +of rauwe herrie thuis, geschimp, gescheld en slaag toe. Daarom bleef +het: vóór alles uit je oogen zien, oppassen... je weet nooit hoe je d' +erin loopt. Bof is goed... maar policie deugt niet! + +Nu wat uit 't oog van de buurt, in een andere straat aangeland, +een stille straat, waar de enkele menschen wel te overzien waren, +week weg de verdachtheids-aanvoeling, welde op 'n allesberekenende, +overleggende kinder-sluwheid. + +--Wat sulle we doen, vroeg Heintje, die zijn handen uit zijn diepe +zakken optrok. + +--Wissele, natuurlik! + +--Ja, da's goed... anders geloove ze 't nie. + +--Allemaal centen, een duppie er bij--en dat beware we voor morrege! + +Met 'n glans van leepheid in haar kleine oogjes gluurde ze naar hem, +maar hij voelde 't voorstel als een knauw van zijn meerderheid, +gnuifde daarom gewoontjes: + +--Dat geeft nou net niks! + +--Jawel, jawel, snauwde ze terug. En bang dat hij niet zou toegeven, +begon ze weer van ongeduld te trappelen. + +--Wat wi-je dan? + +--Verberge een dubbeltien. + +Hij trok z'n wenkbrauwen eens op, en zei toen: + +--Nou, mij best! Vooruit dan maar... eerst wissele. + +Ze stapten een snoepwinkel in, kochten twee suikerhempjes, voor ieder +een, vroegen van 't kwartje een dubbeltje terug en de rest aan centen. + +De dikke juffrouw, die uit gemak liever twee dubbeltjes, dan al die +koperen centen uit-telde keek ze eens aan, dacht: O, o! nou dat is +me er weer een stel. Geen zuivere koffie! + + + + +III. + +Op hun suikerbrok zuigend, vettig smikkelend, sloegen ze de weg in +naar huis. + +Het druk-woelige, het jagen en stuwen van de groote stratenstad, +het rijden en rossen der wagens, het geschreeuw van voerlui en +'t gerammel van handwagens, de volte en drukte waartusschen ze in +hun kleinheid bijna beklemd raakten, dat liet hen alles nu nog meer +onaangedaan en koud. + +Ze voelden zich volkomen vredig. 't Was wel niet te veel wat ze thuis +brachten, maar 't kon. Niet alle dagen ging het tof. Straat uit, +straat in, sjokten ze voort de weg op naar huis, toch wel in het vaag +besef dat dertien en veertien cent te zamen, niet zoo'n groot bedrag +uitmaakte, maar ze waren nu eenmaal gelukkig door 't krijgen van een +kwartje-in-eens, wat haast nooit voorkwam. + +--'t Zal me verwondere wat we voor eten krijge? sprak kleine Bet na +een poos. + +--'t Zal wel niet veel weze! + +--Wat denk-je? + +--Op vrijdag geeft geen mensch wat weg, ze beware 't zelf. Brood +natuurlik of pap zal 't wezen. Morgenavond krijgen we +pottekoek. Vandaag niks. + +--Kun-je niet weten! zei Betje ineens wijsgeerig, misschien is er wat. + +Heintje haalde zijn schouders op en lachte om haar goedgeloovigheid. Ze +kakelden door, vergaten hun dubbeltje te verstoppen. + +Dicht bij de steeg waar ze woonden, dacht zij ineens eraan, trok hem +bij zijn hes terug en zei met haar kleine stem zeer beslist: + +--Nee, eerst overlegge... we geve 't dubbeltje niet af. + +--Waar wil-je 't dan late? + +--In een pampiertje doen. + +--En dan? + +--Verstoppe! + +--En waar wil je dat dan verstoppe? + +Ze werd door al zijn vragen wel wat verward, keek beteuterd voor zich +weg en zocht naar een nieuw middel. + +--In mijn schoene! zei ze nu, toch wat aarzelend. + +--Vinde ze dadelik. + +--In m'n haar. + +--Valt er toch uit! + +Sprakeloos tuurde ze opnieuw naar de grond en wist niet wat ze moest +bedenken. + +--'k Weet wat... in je voering, zei ze plots, als deed ze een groote +vondst. + +--Ik zou je danke... wil niet doodgeslage worde, antwoordde hij al. + +Een kribbeling van nijd door zijn niets goed-vinden kwam in haar +op. Ze smaalde: + +--Och jij, je bent ook zoo bang! + +--Nee, jij bent het zeker niet, jij schreeuwt al voor ze je anrake. + +--Zoo, dreinde ze treiterend terug, door dat argument niet gebluft. En +weer had ze iets anders. + +--Ik weet het, ik weet 'et! juichte ze. + +--Nou, wat dan? + +--Begrave! + +Deze gedachte vond hij al even slecht als de andere, toch moest er +iets gebeuren om 't dubbeltje te kunnen houden. Hij wierp alleen nu +nog tegen: + +--Dan motte we wachte tot het donker wordt. + +--Nou, wat zou dàt, we hebbe ommers de tijd. + + + +Ze gingen nu terug de stad in, dwaalden daar rond, versnoepten een +cent van hun geld, nog één--en werden straatmoe. + +--Late we nou maar afgeve, vermaande Heintje die voelde dat het mis +zou loopen. + +--Nee, nee! weerde zij terug, star vasthoudend aan haar begrip om wat +over te houden voor een andere dag, want het geval van een kwartje +ineens te hebben gekregen, bleef in haar als een heel groot feit. + +--As we alles afgeve, hebbe we morrige weer te weinig! + +--Ja, dat kan wel! + +Het donker begon al te vallen, nog heel langzaam, heel traag, nu +in September, de dagen aldoor kortend, al over zevenen. En in dit +trage naderen van 't donker, zochten ze heel voorzichtigjes naar +een plekje aan de voet van een boom die ze gemakkelijk terug konden +vinden, in 't plantsoentje bij de Martelaarsgracht. Maar daar ginds +zaten nog een paar menschen op de bank en ook speelden er jongens, +ze moesten wachten. + +Met uitgestreken gezicht slenterden ze rond het hek, gluurden er over +heen, gingen door, kwamen terug en het wantrouwen sloop overal mee +achter hen aan. + +Het aandonkerend groen van de heesters leek al zwart en tegen de +huizen gleden groote schaduwen. + +Overal twinkelden door 't twijfeldonker heen de lichtglimpen +der winkels, vage lichtspikkels, die als piekerende oogjes hen +aangluurden. De tram rolde gierend voorbij met menschen, die van +het bordes naar hen keken--en vaak moesten ze weer wegschuilen, +omdat een diender of stille bleef staan, hen wantrouwend bekijkend. + +De noordewind, toch al scherp, al was 't nog vroeg in 't najaar, +schuurde over de Prins-Hendrikkâ, langs hun ooren,--en ze merkten +gevoelig de kou, want die drong nijdig door hun dunne kleeren. + +Tegen het hek aan scheukte hij met zijn schrale schouders, hij wilde +het plan wel opgeven en zij keek armoedig. + +Maar nu ging de man in zijn dikke jas weg--en ook de ravottende +jongens liepen een heel eind ver. De policieagent, die zoo lang had +staan turen, verwijderde zich langzaam en het oogenblik werd gunstig. + +Ze slopen nu het plantsoen in schichtig achter elkaar alsof ze een +misdaad bedreven. Het belgetjinkel van de tram klonk fel in hun ooren +en ze vroegen zich of de policie-agent niet terug kon komen. + +Het pad in 't plantsoen lag al schemerig in het halve avondduister, +voor hun speurende oogen nauwelijks meer zichtbaar, een grauwige +kronkelstrook, om de hoek erg geheimzinnig en daar geheel zwart, +zoodat er best iemand verscholen kon zitten. Rondom huifde het donkere +groen waar-tusschen de kille najaarswind heenstreek en dit voelden +ze ook als een gevaar. Dan weer hoorden ze opnieuw dat felle gebel, +dat schuifelend geknars van een aankomende nieuwe tram. + +--Blijf jij nou hier Bet, snerpte hij heesch. En dadelik sissen hoor, +as je wat ziet! + +Betje dorst bijna geen adem geven, knikte maar. + +Hij sloop, de handen langs zijn knieën, een pas of tien vooruit en dan +op de ronding van 't pad, bukte hij zich, grabbelde, groef haastig +een gat, dicht bij een boom waar rondom donkere heesters stonden, +stopte het papiertje met het dubbeltje zenuwachtig in de grond, +keek, op zijn hurken zittend, nog even om of hij niet werd gezien, +of hij niemand zag. Nee, niets verdacht! + +Geheel ontdaan was hij en bleek nu hij bij Betje terugkwam. Alsof +hij een ware schelmenstreek had uitgevoerd, keek hij nog telkens om, +en trok haar mee. + +Armoedig stapten ze nu op huis aan met onvaste, hakkelende pasjes. + + + + +IV. + +In 't nauwe slopvertrek geelde 'n klein lichtje over de verwaarloosde, +stukkende stoelen die in haar zwartheid eruit zagen als zwarte knokels +in een knekelhuis. + +Op de tafel met allerlei rommel, tusschen ongewasschen koffiekommen, +lag naast 'n bus voor suikerpot gebruikt en tusschen lepels een +kam, een uitgewrongen vaatdoek. Bij 't aanrecht stond de moeder, +'n zwart-verellendigde, grof-nijdige vrouw, aan 't werk. Met norsch +gezicht keek ze op nu Hein en Bet binnen kwamen; ze zei niets. + +Dit verontrustte wel. + +Sjofel schoffelden ze naar de tafel, vischten dan de centen uit hun +zak en legden die met kromme vingers op een hoopje, telden ze en +bleven er zelf beteuterd bij staan. + +--Is dat alles? snauwde de moeder. + +--'t is vrijdag, de lamp hangt scheef! + +--Ja, schei ma'r uit... dàt kenne we... as ik op jullie most rekene, +godbewaar me, dan bleve we geen dag in 't leven. + +Betje peuterde in haar neus. + +--Mot ik je van die paar ellendige cente soms te vrete geve? + +--Ze woue niet bijte! zei Heintje ineens kortaf. + +Betje nikte tot bevestiging en keek dan haar broertje vragend aan. + +--Welzeker, jij ook nog... 't grootste gelijk van de wereld as ze +niks inbrengen. + +--Ze hadde me bijna ingepikt, verdedigde Hein zich, weer brutaal. + +--Hadde ze 't maar gedaan... dat gav' de goeie God! 'k Was ineens +van jullie af... toch niks dan last! + +De kinderen zwegen. + +Tegen deze redeneeringen viel weinig in te brengen; ze staarden +erbarmelijk voor zich uit. + +--Kom, maak maar wat vort... hier, pak aan je pap... en dan op slag +naar je nest! + +Hein en Bet, ze grepen beiden naar 'n bord. Ze schoven zich naast +elkaar aan tafel, likten en slikten, eerst wat schroomvallig door +die onverwachte sneue uitval, hapten dan met volle lepels door, toch +nog stil en bevreesd voor een opstopper, en door hun eigen gevoel +van schuldbesef. + +De moeder ritste de centen bij elkaar, liet ze in haar zak glijden, +en ze mopperde nog eens: + +--'t is god beter-me een kap'taal wat jullie daar binnen brenge! + +Ze snoof haar neus eens uit, ongesjeneerd, alsof dat werkje heelwat +beteekende, ging stug aan haar werk, begon met veel drukte de gootsteen +uit te boenen. + +Morgen voormiddag had ze een halve werkdag aangenomen, om bij Toos +die ziek lei, de boel aan kant te maken, en ze moest haar eigen +huiswerk toch nog eerst af ploeteren. Als de buik haar nu maar met +vreê liet. Want sedert haar laatste kraam was ze niet meer gezond, +tobde ze van de eene dag in de andere en kon nergens staat op +maken. Wat de dokters daaraan deden, dat bleef ook bij nou en dan +een prop zetten! Ze had soms een pijn, dat ze er niet mee voortkon, +en rezenabel moest gaan liggen. Werk dan maar eens! + +Het eenigste wat ze nog kon doen met die zieke buik was grofstoppen +voor buren, 'n stuiver voor een paar, gaten als vuisten, waar je maar +wat aan te sappelen kreeg om een schelling per dag te halen! Een +geluk toch nog, dat ze die kinders had! Hoe moest ze er anders +komen? Krepeeren van honger, natuurlijk! Klaas, haar kerel, die zat +nu toch over de zes maanden in de doos, voor dat partijtje oud lood +moeren, of liever willen moeren, want ze waren al gesnapt voor ze +nog een mes d' erin hadden. En 't duurde zeker wel bijna drie maanden +voor-ie los kwam. Wie dacht in die tijd aan haar? Niemand! Je mot je +zellef ma'r in 't leve zien te hoûe! + +Ze schuurde en boende fel van neteligheid en gif, dat het water over +de gootsteen heen spatte en haar bemorste,--en ze snauwde weer tegen +de kinderen, die opschrikkend uit hun zacht gesmoes, opnieuw aan 't +lepelen gingen. De borden hadden ze allang leeg gegeten en ze zaten +met de lepel in de hand. + +Dat opschrikken van die twee maakte haar klaar opmerkzaam, dat er +iets niet pluis moest wezen. Ik zal ze in de smiezen hoûen, zei ze +bij zichzelf. + +Zij deed, alsof ze weer aan 't boenen ging, maar bukte zich zóó, +dat ze onder haar arm kon doorkijken. Nu zag ze duidelijk, dat +Heintje met z'n oogen en z'n mond verdachte bewegingen maakte, +een mond-vertrekken dat duidelijk zei: niks zegge hoor, je snuit +houê! Zij begreep het al opperbest, dat er tusschen die twee wat +schuilde, iets niet recht-toe. En wat zou 't anders kunnen wezen dan +geld achterbaks hebben. + +Gezwind keerde ze zich om, stond ineens dreigend voor de kinderen, met +grove, weinig goeds zeggende oogen. Rauw schorde ze en schreeuwde ze: + +--Zeker cente achtergehoûe! + +--Ikke? + +--Ja jij... of anders Bet... één van je tweeë! + +--Nie-waar, ikke niet, huil-schreide Betje al. + +--Wie dan? spreek op! + +Ze schudde haar door elkaar, om haar gauwer te laten bekennen. Maar +Betje griende en zei aldoor opnieuw: + +--Nee-nee, ik niet...! + +Heintje kwam zijn zusje te hulp en zei driest dat ze alles had +afgegeven. + +--Ei, ei, wat wete jullie dat precies van mekander, dat is wel kasueel! + +Zij kruiste de grove armen over de magere borst, keek Hein, dan weer +Betje venijnig-onderzoekend aan. + +--Wel-wel, die staan je daar in je gezicht uit te liegen! herhaalde +ze nog eens en wilde weer aan haar werk gaan. + +--Ikke, ik heb niet weggestopt, verdedigde zich Heintje. Ik weet van +niks... en kleine Bet ook niet! + +Dat werd haar te machtig, raak'lings keerde ze zich om, greep Hein +in zijn hes, trok hem hardhandig naar zich toe en schor-schreeuwde: + +--Wil je 't zegge, aap die-je bent! + +--Ik weet niks, ik weet niks, gilde hij terug. + +Zij liet hem eensklaps los, greep hem dan opnieuw, schudde hem hevig +door elkaar, gaf hem nog een paar meppen op 't hoofd en een paar +poffen in de rug en hield hem geknepen in haar sterke knuisten. + +--Zal je 't zeggen, rekel! + +--La-me los, gemeenerik! schold Heintje. + +Toen kneep ze kleine Bet in de arm, zoodat die 't uitgilde en treiterde +opnieuw. Ze wilde 't eruit hebben en werd al heftiger. + +--Zoo'n stinkding die ook al steelt, schold ze. Dan sloeg ze er maar +weer op. + +Ze schoot niet op. In haar onmacht woest, stond ze aldoor opnieuw +te dreigen. + +-- Allé, je uitkleeje, heelemaal! tierde ze nu. + +Met wriemelige kromme vingers onderzocht ze de kleeren, doorvoelde +de scheeve schoenen, de zweeterige kousen, betastte de naden. Niets +vond ze, en toch, 't stond wis-en-zeker bij haar vast, dat ze hadden +weggemoffeld. + +Opnieuw kneep en schold ze, trok en sloeg, maar zonder eenige +uitkomst. Betje schreeuwde en gilde. Hein trapte terug en dan moest +ze zich verweren. Aan 't eind zelf moe en afgebeuld, zakte ze erbij +neer, huilde nijdig, joeg ze hen naar bed en ging vloekend weer aan +'t boenen. + +Maar nog kramperig van al die opwinding deed de buik haar pijn; met +beide handen moest ze er tegen drukken en ze kermde het uit. Even +moest ze wel gaan zitten, vol wee en angst, dat ze met die zieke buik +morgen nog haar halve dag bij Toos zou misloopen; en wat dan? + +In de bedstee lagen de kinderen stil, maar na een poosje veranderde +dat; ze hoorde een onderdrukt giechelen en ginnegappen van die twee. O, +'t was om uit je vel te springen van venijn, over dat krapuul! 't +Gaf niks al sloeg je d'er nog zoo op los! + +Vol nijd sprong ze ineens weer overeind, stond voor de bedstee, groot +en stronkerig, feldreigend, en de kinderen kropen in de dekens weg, +gaven geen antwoord. Opnieuw sloeg ze erop los haar eigen handen +kneuzend op de bulterig ineengekrompen lijven. + +Dan ging zij naar tafel, sneed het brood, dikke hompen brood voor +hun drieën. + + + + +V. + +De volgende morgen was ze 't nog volstrekt niet vergeten; ze hernieuwde +de aanval en snauwde: + +--Waarom giechelden jullie dan zoo gisteravond? + +--Ikke moe? + +--Nou jij of je broer... dacht je soms dat ik kledder in m'n ooren +heb... hange laat ik me als jullie niks gerold hebben; maar pas-op, +laat ik er niet achter komme. Ik breek je nek en beene. + +Heintje vond het sekuurder er niet tegen in te pruttelen, antwoordde +maar niets, hield zich koest,--en zij dacht weer dat ze uit werken +moest, durfde uit angst voor haar buikontsteking niet opnieuw te +beginnen. + +Om de schrik erin te houden snerpte ze toch: + +--Jullie brenge ieder vandaag minstes een halve soof thuis... versta +je, anders blijf je buiten de deur. + +--Jawel, je hebt 'et maar voor kommandeere, schampte Hein brutaal +terug. + +Ze luisterde al niet meer naar hem, liep weg naar Toos, om haar halve +dag, d'er zeven stuivers te gaan verdienen. + +'t Werd stil en kil in 't vertrek nu de moeder de pas had +vrijgelaten. De kinderen keken mekander aan en oogden dan door de +leege kamer. + +--Valt er niks te klabatsen? gnuifde Heintje, geen appele of mellek? + +--Nee, lawwe ma'r gaan... Toos dat is dichtbij... Ze kan zóó werom +weze! + +Het angstte in kleine Bet, dat moeder plots terug zou komen en daarom +trok ze hem mee. + +Hein, onwillig, verzette zich. Zoo'n haast had het niet! Hij likte +even aan de boter en plaagde haar met haar bangheid. + +Dan schoven ze lam-voetig de deur uit en schoffelden de straat op. + +De moeder, die even om de hoek kwam gluren, schreeuwde op hen toe: + +--Denk erom, wat ik heb gezegd! + +Allebei schokten ze onverschillig met de schrale schouders, ineens +brutaal--en Hein, nu buiten bereik van zijn hardhandige moeder, riep: + +--Haas je ma'r niet! + +De moeder, al weer aan 't werk, hoorde het niet eens. + + + +Onverschillig slenterden Heintje en Bet de straat op, onwillig-strak +hun gezichten. + +--Een halve soof, 't zal mooi weze as we 't met z'n tweeën maken, +wijsneusde hij. + +Bet nikte, zei dan: + +--Ze hêt het maar voor 't zegge. 't is of we 't van de straat rape! + +Hein gaf geen antwoord. + +'t Was nog vroeg en zaterdagmorgen, alle menschen in drukte van +haast. Ze wisten niet waar ze naartoe zouên gaan, sjokten rond. Dan +trokken ze op de Roomsche kerk aan om daar te bedelen bij de ingang. Ze +gapten een stronk kool van een groentekar en brachten die thuis, +zeggend tegen moeder die al terug was dat ze die hadden gekregen. 's +Middags gingen ze naar de bakkers om oud brood te vragen, die, dat +wisten ze op zaterdagmiddag nogal scheutig waren, omdat ze 's avonds +toch weer versch hadden en van die droge korsten wel afwilden. + +Later, in de na-middag, begon het gevraag, eerst langs de huizen, +bij de dienstmeiden, daarna weer op de volle straat. + +Ze voelden zich erg opgewekt, want ze hadden nog altijd in petto +dat weggestopte dubbeltje,--en nu ze 't niet zoo noodig hadden, +liep 't mee. 's Avonds telden ze bij elkaar: een en veertig cent, +dat ging nogal. + +--'t is meer dan genoeg, besliste Hein, het duppie lekker late legge! + +--Natuurlik, wat dach-je dan, brabbelde kleine Bet. 't Ligt daar fijn! + +Thuis klakkerde moeder: Een en veertig cent en mijn eigen vijf en +dertig, die ik verdiend heb, èn de kool en 't ouwe brood, ziezoo, dat +kan. Ze zette een tevreden gezicht en de kinderen vergaten hun ellende. + +De volgende dag, Zondag, brachten Hein en Bet het zelfs tot zeven en +vijftig--en ook de daarop volgende dag, maandag, werd het met andere +akkevietjes bijna een halve gulden. + + + + +VI. + +'t Liep de geheele week wonderwel. Elke keer als ze naar huis gingen, +zeien ze: + +--Dat duppie late we legge! + +En 't antwoord was: natuurlik. + +Maar vrijdag, werd het ineens weer mis, hadden ze niet meer dan +negen cent. + +Wat nou? + +Bet met haar klein, geel gezichtje, zei dadelijk: + +--Nou, motte we 't neme? + +--We hebbe anders van de week genog binnegebracht, meer dan zij, +lawaaide nog Hein. + +--Nee-nee, late we 't nou neme. + +Ze trappelde van ongeduld, zei weer opnieuw: + +--Morge hebbe we vanzelf meer! + +--Hoe weet je dat zoo, vroeg en sarde Heintje, erg voorzichtig. + +--Omdat ik 'et weet! + +--Zoo? + +--'t Is dan zaterdag... dan hebbe ze cente. + +Hein, die heel het bedelpogram van de week uit het hoofd kende, +en alles precies wist, wreef van vergenoegdheid zijn gezicht in de +handen rond, zei oudmannetjes-achtig: + +--Mooi zoo! Je begint het nou ook te leere! + +En zij lachte: + +--Alsof ik dat niet wist, gekke Hein! + +Samen trokken ze nu op naar 't park. + +--Lawe wachten tot donker, sloeg Bet voor, ineens weer bevreesd voor +ze wist zelf niet wat. + +--Welnee, dan kunne we ommers niet zien. + +--Je weet toch waar 't ligt! + +--Natuurlik... 't is nog al wiedes. + +Hij dacht nu ook aan de angst van die avond, herhaalde nog eens: + +--Je mot toch uit je doppe kunne kijke... in 't donker kan-je niks +uitvoere... + +--Kunne ze ons niks make? vroeg bangelijk nu Bet weer. + +--Och, je bent net 'n kind. + +--Zoo, zei kleine Bet sneu, wat ben jij dan groot! + + + +In 't half-schemer, terwijl de heesters al weer bijna zwart leken, +slopen ze naar de struiken bij de groote boom. Wel drie keer waren +ze omgeloopen, want telkens stond er een policieagent, die maar niet +heen wilde gaan. Maar nu was hij weg en moest het gebeuren. + +Hein groef snel, krabbelde met zijn handen in de vochtige aarde, +en Bet liep rond, stond op uitkijk, net als de vorige keer. Maar hoe +Hein ook de natte grond omwoelde en doorzocht, het papiertje en het +dubbeltje vond hij niet. + +--Heb je 't nou nog niet... gauw dan toch, snibde en snauwde Betje. + +--'t Is er niet meer! + +--Je liegt, schreeuwde ineens Betje, die dacht dat hij 't voor zichzelf +wilde houden. + +--Zoo, nou zoek dan zellef! + +Ze grabbelde nu ook even in de grond, maar veel te bang, te haastig, +gaf ze het dadelijk op en smeekte: + +--Zoek jij nog eens. + +Ze zochten wel een uur lang, om de beurten, soms met hun beiden +tegelijk, de grond zenuwachtig omwoelend. Vaak moesten ze wegkruipen, +als ze dachten dat er menschen aankwamen en begonnen opnieuw. + +Eerst, toen 't donker alles vulde en ze rondom niets meer konden zien, +gingen ze armelijk en neergeslagen heen. + +'s Avond kregen ze ongesjeneerd op hun tabberd, omdat ze maar negen +centen thuis brachten. + +De moeder troefde erop los, zij had niets in huis. + +--Late we wegloope, oproerde Hein. + +--Dat durf ik niet, klaagde Bet. + +--Nou, ma'r, ik kom niet meer bij haar werom. + +--Maar Heintje-lief, doe dat niet. Ze zal mij doodslaan. + +--Nou, ga dan mee! Ik zal 't wel rooie. + +--Dat durref ik niet, klaagde ze weer. De volgende week of de andere +maand dan--als ik wat grooter ben geworde. + +--Da's gekheid, dan kan-je 't nou ook. Je groeit toch niet in een week. + +--Nou, in een maand toch wel! + +Ze kibbelden en monkelden er nog lang over na. Kleine Bet durfde niet, +sloeg aan 't huilen. Ze riep maar: + +--Als ik zoo groot ben als jij Heintje, dan ga ik mee. + +En ook zijn durf zonk. Als hij haar achterliet, zou zij alleen de +slaag oploopen. + + + + +VII. + +Een week ging lamlendig en verdrietig om. + +Ze bedelden elke dag het lange lijstje af. + +Kwaadaardig voelde hij zich omdat Bet niet durfde met hem weg te +loopen; haar alleen achterlaten wou hij ook niet. Haar schuchteren +en aarzelen ontnam hem nu zelf de moed. Echt belabberd vond hij het +en hij kon wel huilen van ellende. + +Kleine Bet, miezig en in elkaar geschrompeld, keek hem aan met bedeesde +oogen, waarin al haar angst en vrees voor de waagpartij stond te lezen. + +Ze wachtte geduldig af dat hij haar een stomp zou geven om zijn woede +op haar te koelen. Maar hij deed niets, keek strak en stuursch voor +zich uit, taalde zelfs niet naar haar, in zijn ergernis haar geheel +vergetend. Dat kwetste haar meer dan zijn ruwste uitval en maakte +haar kleiner dan een wurm. De tranen bibberden haar langs de wangen +en de lippen vertrokken zich scheef. Ze wilde nu in alles toegeven +en meende 't hem te zeggen, maar zijn grimmigheid hield haar nog +tegen. Van kwaadheid stampte ze op de steenen en haar korte armpjes +zwingelden driftig heen en weer. + +Dan in haar uiterste verzenuwing en bereid zich aan hem te onderwerpen, +kreeg ze een ingeving. Als ze eens die gemeene straat dáár inging. Wie +weet wat daar wel viel te halen? Haar gezicht veranderde ineens van +uitdrukking, werd welbewust en zeker. Ze schokte op hem aan, trok +hem aan z'n arm en fluisterde hem haar plan in 't oor. + +Hij fronste even de wenkbrauwen en schudde haar af, omdat hij 't +beschouwde als een listige uitvlucht, een truuk om hem toegevender +te stemmen. Maar dan zag hij het voordeel ervan in, en zijn plan +van gezamelijk weg te loopen voorloopig terzijde latend, snauwde +hij onverschillig. + +--In die straat kom je nergens in, ze late je niet eens door. + +--Wel'es! hernam ze dadelijk zeker. Ik zal wel zien. Kom jij dan +straks ook? + +--Ga ma'r eerst. Als ze je te pakken krijgen mot je 't zellef wete; +'t staat er vol met smerisse, pas ma'r op. + +Ze gaf geen antwoord en liep al op de dwarsstraat toe, de +lichtstralende-vunzig-glimmende pretgeul, waar voor elke deur van een +tingeltangel een groote, zware portier stond, die aan een koord trok +om de deur open te wieken, maar die haar niet binnen zou laten. In +dat felle, rosse licht en bij het getjingel van de muziek voelde +ze eerst recht haar schamelheid. Nee, Hein had gelijk, ze kwam hier +nergens in. Maar dit ontmoedigende besef gaf haar ook weer driestheid. + +Moedig klampte ze aan een paar zwabberende jongelui, die niet eens +naar haar omkeken en geen ooren hadden voor haar gesmeek. De smerissen, +die overal op post stonden, moest ze in de smiezen hoûen en dat maakte +verder vragen haast onmogelijk. + +Telkens als een portier een café-deur opentrok en schreeuwde: kom +binne, kom binne, hier kun-je-je amezeeere, schoof zij er op af, +om van het geheimzinnige op de hoogte te komen. Het felle licht, de +bonte kleurigheid, de mooi-gekleede dames en de muziek, 't leek haar +alles prachtig als de hemel zelf en toch weer had ze schrik ervan +door het al te mooie. Als ze toch eens kon binnendringen of stiekum +erin sluipen? Maar ze zag dat dit niet zou lukken, als ze het lapte +zouên ze haar weer gauw buitensmijten en dan stond de policie er om +haar mee naar 't bureau te nemen. Nee, nee, mompelde ze tusschen de +lippen, ik moet ergens anders zoeken, waar 't niet zoo licht is en +bij meer gewone menschen. + +Sjokkerig liep ze de licht-straat af, haar oogen vreemd en toch zoo +schuchter, zich nog kleiner makend dan ze al was, om overal door te +kunnen. Soms hield ze haar hand op en trok iemand aan de jas en van +'n andere kant kreeg ze dan een duw of stomp. + +Zoo ging een heele tijd rond. Ze wilde wel naar Heintje terug, durfde +niet voor zijn groote mond. Hij zou haar uitlachen en beschimpen. + +Dan gluurde ze opnieuw naar 't vele en felle licht dat overal brandde, +luisterend begeerig naar de muziek die telkens in schelle tonen +opstooten kwam. Dan waagde ze het erop en trachtte binnen te sluipen, +maar de portier duwde haar terug. + +--Wat mot je hier, allé weg jij! + +Ze zei niets weerom, keek enkel smeekend. Wat moest ze ook zeggen! Maar +nu ze teruggestuurd werd, wist ze dat ze er juist moest wezen. + +'t Kwam er enkel op aan ergens binnen te dringen zonder dat ze +'t zagen. + +Zoo dwaalde ze rond, tot ze vanzelf meer vertrouwd raakte met al +wat zich in die gemeene straat bevond. Ze gaf het nog niet op en +zocht en speurde naar een huis, waarvoor geen wachter de toegang +beletten kon. Eindelijk achteraan zag ze zoo iets. Een huis met +groene gordijnen, vooraan smal en donker, achteraan muziek en +licht. Schuchter en wat benauwd sloop ze binnen het donkere portaal, +naar het voorgedeelte, afgeschut door die zware gordijnen. Er zaten +jongens en meiden in het donker aan de tafeltjes en die bood ze +dadelijk aan haar anderhalf doosje lucifers. + +De jongens staken onwillig de handen diep in de zak, schorschreeuwden +wat ze hier kwam doen, maar ze gaven haar te minste wat. Van tafeltje +naar tafeltje liep ze, en niet overal, maar toch bij velen haalde ze +wat op. + +Brutaaltjes gluurde ze met haar verlept kindergezichtje naar achter +door de kier van het groen gordijn. Het felle licht en de muziek +maakten haar dadelijk weer angstvallig en beschroomd. Haar groezel +gezichtje trok zich benauwd. + +Een dikke bediende in zwarte glimmende frak stootte haar weg nu ze +hem voor de voeten liep en bijna over haar viel. Hij vloekte, wilde +haar verjagen, maar de meiden aan de tafeltjes kwamen voor haar op en +de jongens lachten, zoodat ook de kelner zijn kwaadaardigheid vergat +en haar niet verder afsnauwde. + +Schoorvoetend wrong ze zich nu door de nauwe opening van 't gordijn +en waagde zich in 't licht. Dat viel niet mee. Niemand keek daar naar +haar om; er werd gedanst. Toen ze haar zagen maakten ze gekheid met +haar en lachten om haar sjofele plunje. De tranen kreeg ze ervan in +de oogen en de kelner kwam weer op haar toe. Nu was het toch genoeg, +hier in de zaak konden ze dat niet hebben. + +Maar een paar meisjes aan het dichtbijzijnde tafeltje, erg luidruchtig +van liederlijkheid en half bedronken, zeien medelijdend: + +--Och, dat arme kind, kom maar hier hartje! + +Ze gaven haar wat en porden hun liefies op met dringerige woorden van +"geef jij ook wat," wetend en voelend de ellende van dat kleine kind, +een toestand van ontreddering, erger dan die van haar zelf. Zij zelf +konden zich nog verweren, zich wreken, haar hart ophalen door een +kerel af te zetten, of hem te pesten, maar dat kind... dat werd aan +alle kanten gestompt en afgewezen. + +--Vooruit, tast 'es in je zak, zeien ze ruw, 't zal je niet verarme! + +En onwillig gaven de heertjes, die geen bezwaar voelden een gulden +voor een fleschje stout te betalen, aan 't bedelkind, om hun fatsoen +te houden, ieder een enkele cent. + +Gretig stak ze al wat ze ophaalde bij haar en schoof nu voort, van +tafeltje naar tafeltje, terwijl de paren die dansten haar de rokken +zwaaiden langs het verwezen hoofd. + +Een dronken vent streek haar onder de kin en zei: + +--Je hebt wel een aardige toet, kom 'es terug m'n lievie, as je een +jaar of tien ouwer bent. + +Ze begreep niet precies wat hij bedoelde, maar er schoot toch een +glinstering voor haar op. Ze lachte ouwelijk en bedelde voort. Nou was +ze nog te klein, dàt begreep ze en ook dat het later gemakkelijker zou +gaan. Vaag dwarrelde die kans door haar heen, en ze vergat het weer. + +Ze vischte heel de gelegenheid af en ging dan naar de Vijgendam, +waar ze Heintje vond. Hem toonde ze haar ontvangst--en hij, geheel +verwonderd, kon het eerst niet gelooven, stond sprakeloos. Dat was +recht het beloofde land, nou hadden ze geen krimp meer en behoefden +niet weg te loopen. + + + + +VIII. + +De volgende avond ging hij mee en stond geheel verbouwereerd. Die +Bet durfde meer dan hij. + +Heelgauw vond hij het leutig. Die jongens deden zoo fijn met die +meisjes. Ze zoenden en pakten, trakteerden en zeien zulke grappige +woorden. + +Betje gaf geen antwoord op al wat hij zei, maar juist omdat ze zweeg, +meende hij dat ze het toch ook wel prettig vond. In bed voor dat +moeder erin kwam probeerde hij dan na te doen wat hij 's avonds zag +en Betje noemde hem een viezerik, waarom hij schunnig lachte. + +Moeder was heel tevree, dat de kinderen zooveel thuis brachten. Ze +schimpte en sloeg enkel nog als de vangst niet meeviel en het vermoeden +weer welde, dat Heintje of Bet het voor zichzelf hielden. + +Een tijd ging het goed in de pretstraat, maar de policie zat erachter, +verjoeg de kinderen. En nu moesten ze weer wat anders verzinnen. + +--We gaan ma'r gappe, zei Hein heel kordaat. + +--Ja, maar dan ga je achter de tralies. + +--'t Kompt er maar op 'an, dat ze je niet snappe. + +--Ja, beaamde Bet, zonder recht te weten wat het beteekende. + +Dan overleiên ze samen sluw de middelen om het zoo lang te rekken. Tot +op een dag de vader uit de gevangenis kwam en Hein noodig had om op +de wacht te staan als hij wat ging kapen. + +Betje bedelde nu alleen en waagde zich weer in de avondstraat. 's +Nachts in bed vertelde ze aan Heintje al wat ze had opgelet en dat +vond ze zelf griezelig-leuk. Als moeder 't maar niet merkte, want die +zei dat ze gemeene beesten waren, die opgroeiden voor het pesthuis +zoo zeker als wat. + +De vader, drinkend dag aan dag, greep mis en raakte weer achter +slot. Ze rekenden hem dadelijk in en eerst lange tijd daarna werd hij +veroordeeld, voor drie jaar. Een goed voorbeeld moest worden gesteld, +hadden ze aan de rechtbank gezegd. Moeder vloekte en zei dat ze 't +enkel deden om deugdlijk van hem af te wezen. Nu moesten Heintje en +Betje weer samen op het pad. + +--Allee, d' erop uit, zie dat je wat binnenbrengt, zei moeder. Je +bent nou niet meer zoo jong, ik ben zonder man's verdienste en ziek, +denk erom. Van niks kan ik je niet onderhoûe! + +Ze gingen wrevelig, met een wrang besef dat 't nu aldoor van hen +moest komen. + +Overdag dwaalden ze door de stad, zochten kolen uit de sintels van +het spoor, haalden uit de vuilnisbakken al wat nog van waarde kon +worden geacht en sleepten dat naar het kamerkot. + +De knuisten krom en kleumerig, rood van de kou en als het warm was +zweeterig-vuil van al wat ze bedreven, zoo liepen ze door de stad; +en zoo verliepen de vele maanden. + +De menschen gingen hun maar haastig voorbij, geeneen die zich de moeite +gaf naar de bedelkinderen om te kijken. Groezel waren ze en goor, +de gezichten flets, doch met sluwe oogen waaruit al het slechte sprak. + +Kleine Bet, ineens opgeschoten, bijna even groot als Hein, deed voor +hem niet onder, zij beiden nu twee ouwe menschjes in kinderjaren, +vroeg rijp en rot. Telkens dook nog wel de gedachte op om weg te +loopen als moeder sloeg, maar het besef dat ze te onoogelijk waren +hield toch terug. + + + +In de klemmende volte van volk, druk overal, stond 's avonds Heintje +pover in zijn kleinheid tegen een of ander huis, scheukend van kou en +ongerief. De oogen schijnbaar toe, gedurig loerend of er geen kwam die +hij aanklampen kon en geen smeris die hij uit de voeten moest blijven, +zóó werd hij ongevoelig voor alles wat geen voordeel bracht. + +Kleine Bet scharrelde in de gemeene straat en ze liep er wat graag rond +om alles fijn uit te visschen en ook om er zoo leutig te bedelen. Ze +hing niet meer af van haar broertje; zij hielp hem. + +Eerst in de latigheid ging Hein naar haar toe om te zien of hij +bijspringen moest, haar beschermen als ze eens wat kaapte. Voor een +groote slag moesten ze beiden eerst grooter worden, dat begrepen ze, +maar zooals nu lapten ze het hem toch ook wel. Ze vonden zichzelf +zoo uitgeslapen-glad en Betje zei zelfs niet meer dat Heintje een +viezerik was. + + + + + + +KEESIE. + + +Vereenzaamd plekte de lange, lage woonwagen met het wit-geschilderde, +grauwbespatte dek aan het ontladingsterrein Weesperpoort. Als +een enkele meeuw in 't veld stippelde òp de wittige kap tegen de +sneeuw-grijze winterlucht en daaronder waasden de verre landen, +als verloren. + +De wagenkanten, in hun doode vlakten, beslagen zwart, kropen weg +onder het gebogen dek, bewegingloos en zonder bespanning, kil in de +wijde strakke verlatenheid van het leege spoorterrein. + +Alleen tusschen de raderen enkelde als teeken van bewoond te zijn +wat keukengerei, een emmer, een brokje trap; meer terzij lagen nog +wat latten. + +Klam erop drukte egaal en zwaar de grijze sneeuwe-lucht en het +bespikkeld wit der flauw-gebogen kap lichtte even op tegen het zware +spansel. De rook, die uit het stompje keukenpijp traag naar boven +wolkte, dreef eenzaam mede in deze grauwte van verlatenheid. + +In de wagen hurkten ze bijéén, de man, de vrouw, de oudste dochter +die voor de huishouding zorgde; de andere kinderen waren uit. + +Ze zaten huislijk samen hier in de warmte en genoten ervan nu het +buiten zoo grimmig deed. De man smookte zijn pijpje, de vrouw stopte +kousen en de dochter morrelde in 't fornuisje, dat met koper beslagen, +fel glom in het zwakke licht van de zoo beperkte woonwagenruimte. + +Keesie stond toe te kijken. Hij wist niet wat te doen of te laten. De +wagen zag zoo proper eruit, alles netjes aan kant, heel de lengte aan +weerszijden met vaste banken waarop ze 's nachts sliepen, en ook de +spiegeltjes erboven glansden zoo tusschen de raampjes met gordijntjes +van tulle helder wit. + +Dat het er zoo fijn uitzag kwam omdat ze niets meer te doen hadden op +de kermissen, maar als er niks te doen viel werd hij vanzelf overbodig +en dan ging hij de laan uit een of andere keer. De winter was pas in +'t begin, die duurde lang; hier in de warmte voelde hij zich echt. + +Toch zou hij buiten liever in de grimmige kou staan peuteren dan +hier toe te zien. Hij wist met zichzelf geen weg in die properte, +al hield hij zich sjakes. + +Om iets te doen bukte Keesie zich naar de grond en blies met zijn +zwakke longen door het open kachelgaatje in het smeulend vuur. Hij +wilde zich verdienstelijk maken en wist niets anders uit te denken. + +De dochter zag erg goedmoedig toe want ze begreep zijn gekrummel, +maar de moeder rinselde met haar oogen van laat het maar staan, +we begrijpen toch wel je bedoeling. + +Traag stond de man op, klopte zijn pijp eens uit en zei met een stem, +die hij opzettelijk wat schamper maakte: + +--Zeg Keesie zou je d' er 'es niet op uittrekke voor 'n baantje. + +Keesie keek onnoozel op, de oogen waterig van de vuursmook die hij +in de mond had gekregen. + +--Ja zeker, ik meen het, we kunnen je toch het heele jaar niet hoûe. + +--Goed baas, zei Keesie. + +--Nou, wat zeur je dan, ga een nieuwsblad halen, misschien vin-je wat. + +--Ja baas, herzei Keesie. Hij wroetelde overeind, veegde zijn gezicht +wat af met de mouw van zijn jas, en sukkelde zwaar en moe de wagen uit. + +De vader, de moeder, de dochter, ze keken elkander aan en spraken +geen woord. Ze dachten allen 't zelfde en zeien 't maar niet, omdat +dit zich toch niet gaf. Van Keesie kwamen ze niet zoo gauw af! + + + +Met vreemde oogen liep Keesie te suffen, loom en lam. De stratenvolte +omwarrelde hem met geraas en 't gejaag dat tegen zijn sufheid opstoof +als een wild beest met veel geblaas, beklemde hem. + +Zijn ooren verdoofden in de suizende relling van al deze geluiden, +die over zijn hoofd heen spetterden en toch aan hem bleven hangen, +die hem ruw in 't gezicht sneden en vroolijk weer heensprongen, en +opnieuw aansnelden. Hij liep in een schettervacht van vijandige dingen. + +Zijn gewaarwordingen kringelden zich bot te zamen in de gejaagde, +onbestemde angst van omver te worden geloopen, een paar duwen en +stompen te krijgen, waarvoor hij wel respekt voelde. Ieder haasthebbend +mensch scheen hem toe te snauwen, dat hij toch uit de weg moest gaan; +wat hij hier deed, zoo'n lomperd! Door het willen ontwijken botste +hij dan tegen anderen op. + +Hij verlangde wel naar de wagen terug, doch dat ging niet, want hij +was erop uitgezonden om werk te zoeken. Dat hadden ze gezegd, en hij +moest dus! + +Hij wist de weg niet te best en liep toch maar voort. Soms vroeg +hij aan een policieagent op een hoek van de straat, die 't hem maar +moeilijk aan 't verstand kon brengen, omdat hij zoo slecht begreep. Hij +wilde naar 't Nieuwsblad om een krant te halen, liep telkens naar +de weg vragend van straat tot straat en kwam er op 't laatst. En +dit herhaaldelijk vragen en 't noemen van de krant herinnerde hem +'t doel van zijn tocht maar al te goed, en dat benauwde hem erg. Wat +gaf dat werkzoeken allemaal? Hij zou willen blijven waar hij was, +bij z'n menschen van de schiettent. Het moeten werkzoeken drukte hem, +leek hem een voorteeken van iets verschrikkelijks, waarover hij liefst +niet wilde denken. + +Een angst van de wagen niet te kunnen weervinden overviel hem,--en +slim in die angst, lette hij scherp op langs welke punten hij ging, +gewoon in het zwerversleven spoedig de dingen te herkennen, om zeker +te zijn niet te verdwalen, de terugweg niet kwijt te raken. + + + +De avond begon te vallen. + +In grauwe vegen zwermde er al wat vroege schemer aan; of leek hem +dat maar zoo? + +In de nauwe straten droefde de donkerte langs de huizen, waarin hier +en daar valschelijk licht opglemerde, geel en rood, zwakkelijk nog +tegen de grijze dagschemer in 't midden van de straat. Nee, zoo laat +was het toch nog niet, maar in de huizen moesten ze dat wel doen, het +zag er zoo grimmig donker uit. De vage drukte joeg hem schrik aan en +zwiepte hem nog feller over de straat. De winkels met de vele mooie +dingen trokken hem wel aan, maar hij durfde niet te blijven staan. 't +Werd te laat, de rukkende stootende voorbijgaanders maakten hem zoo +klein en benepen. + +Angst en verwardheid drongen hem voort en in zijn zenuwhaast en +gestommel werd hij naar alle kanten geduwd en gestompt. + +Meer dan lang genoeg was-ie nou weg geweest, naar hij meende; hij +zou dus teruggaan. En verwonderd keek hij op dat hij zoo goed zijn +verstand wist te gebruiken. Welke kant moest hij nu uit? + + + +In de wagen vroegen ze elkaar waar toch Keesie bleef. Drie uur +geleje al uitgegaan om een krant te halen en nog niet terug! Och, +och, wat moesten we met hem beginnen! + +De vrouw, goedig, zei terwijl ze het hoofd schudde: + +--Nog maar eens anzien... waar zooveel monden zijn, kan hij ook +mee-eten. + +De man, heftig, kefte dadelijk er tegen in, dat onder dienst gaan +'t eenige bleef, de beste uitkomst. Maar de oudste dochter die boven +'t vuur te morrelen zat in de pot met erwtensoep, beet er schampertjes +tusschen door: + +--Ja, dat kan-je begrijpen, onder dienst, jawel daar neme ze hem met +zijn kromme beene, zijn varkenvangers. + +--Och wat, zei opnieuw de vader, ze benne er wel krommer! + +Er volgde weer een stilte omdat ze 't allen klaar begrepen. Een tijdje +ging om, dan hoorden ze op het houten trapje voetgestommel. O, daar +had-je 'em. Eindelijk. + +Keesie schoffelde en treuzelde en maakte gerucht om zijn komst aan te +duiden, talmde en bleef aan de wagendeur staan. Als een donkere vlek +tegen het grijs van de lucht, de lucht die zoo laag hing en aldoor +nog scheen te zakken. Zijn gestalte schimde tegen het sterk bewasemde +glasraampje en hij zag nu verschrikt zelf de grauwe ommelijnen van +zijn eigen schuchter gezicht. + +Dan aarzelend schoof hij binnen in wel eindelijk moeten. Ja, hij kon +toch niet altijd buiten blijven, maar hier binnen zoûen ze hem niet +met rust laten, o zeker niet! + +Half al in 't smalle deurtje, het plompe lichaam nog gedeeltelijk +buiten, zag hij al de vragende gezichten. Botweg zei hij, om er ineens +af te wezen: + +--Nog niks, ik heb nog niks! + +Verlegen trok hij de deur achter zich toe, schoorvoette op de tast +en wist niet waar hij zich zou bergen. + +In de wagen staarden ze hem aan en riepen: + +--O, ben je daar? + +De grove, vleezige jongen met purpere wangen, de oogen loomig, de +mond wijd als de poort van een moeilijk te vullen voorraadschuur, +bleef suffig staan. + +Om zijn buitenwaartsch gebogen beenen spande de verschoten broek, +van onder niet vrij van rafels, èn die broek zat vreemd gewrongen, +in tal van bochten die maar moeilijk neerpijpten. + +De jas, door het lange dragen wat uit elkaar gezakt, hing +straterig-sjiek los, zondags-open. Op zijn verslonsde gele haren +kleefde een beetje schuin de pet; zijn gezicht eronder oolijk-dom. + +In zijn lompheid bleef hij heen en weer schuiven, vagelijk-scherp +voelend, zonder 't voor zichzelf te willen weten zijn totale +overbodigheid. + +In zomertijd toen hij aan de wagen kwam vragen, om een handje mee te +mogen helpen, hadden ze hem eerst niet willen aannemen, en dadelijk +dachten ze hem toen al weg te sturen, wijl ze niet met hem konden +opschieten. Maar hij was willig, hield zich van de domme, en wist +daardoor te blijven. Nu in November, de laatste kermis al weken +voorbij, hielp dit alles niet meer, hij moest beslist wat anders +opzoeken, dàt hadden ze hem al zoo vaak gezegd en ze zeien het hem +alle dagen, maar dat het ook eens zoover zou komen, wilde bij hem er +nog niet in. + +Harkerig stond hij nog altijd tegen de deur, sprak maar niet. Waarvoor +zou hij ook spreken? Dom-verlegen gluurde hij voor zich uit en vond +geen enkel woord. + +Maar de anderen verwachtten toch wel dat hij iets over zijn rondzoeken +zou vertellen, keken hem met open mond vragend aan. + +--Nou Keesie? + +--Niks. + +--En je krant? + +--De krant, de krant? Die heb ik niet. + +--Je zou er toch een halen! + +--Halen? een krant, welke krant? + +--Wel, heb ik van mijn leven, zei de baas verwonderd, je zou toch +zien of er werk was te krijge! + +--O, werk...! ja, dat heb ik nagekeke. + +--Zoo... waar dan? + +--In de krant. + +--En je zegt... waar heb-je dan de krant gelate? snauwde nu de baas, +kwaad om het eenzelvig niet begrijpen. + +Keesie keek beteuterd, geheel verslagen door die uitval. Wat wou de +baas dan van die krant? 't Bleef hem onduidelijk. Er stond toch niets +voor hem in! + +De dochter, snugger, begreep in-eens waar het bij hem schortte. Ze +kwam hem te hulp, bemoedigde te zeggen: + +--Je hebt zeker in de krant gekeke voor de rame van 't Nieuwsblad, +niet waar? + +--Ja! sprak nu Keesie vlug. En hij herhaalde: Voor de rame! + +Ze keken elkaar aan met oogen van: Nou, dat helpt ook wat of je +hem wegstuurt. + +--Wel verdikkeme, spotte al de baas, voor twee cente kun-je d' er +een aan de kiosk koopen en daar loop je voor naar de Warmoesstraat. + +Maar nu kon Keesie ze troeven. Zonder een oogenblik te overleggen, +flapte hij eruit: + +--Ja baas, da's 't gauwste verdiend, zou 'k denke! + +De baas draaide van wreveligheid op zijn krukje om en voelde zich +kalkoensch-rood worden; met die sukkel viel niks te beginnen. De +woede sprak uit z'n oogen. + +Het werd voor Keesie of de dingen om hem gingen draaien, of alles +hem begrijnsde. Opnieuw zei weer de baas tergend: + +--Verdiend? nou nog mooier! Waar heb-je de verdienste dan? + +--Hier, grijnsde Keesie terug, hier! Hij lachte leelijk, wees naar +zijn mond en haalde een sappige pruim tabak er uit. + +Allen lachten luid. + +Keesie lachte ook, maar een beetje wrang en stomp. Hij hield de +gekauwde tabakspruim tusschen de vingertoppen en keek erg onnoozel. + +--Vooruit, dat ding weg! beval de baas. + +--Ja baas! De tabakspruim verdween, ging schuil in de groote mond, +waarin wel een half pond zou kunnen worden geborgen. Behagelijk-stiekum +zoog hij erop, ze aankijkend met dom-loensche oogen, alsof hij nou +wel mocht. + +--En wat zul-je dan beginnen, hier kunnen we je niet hoûen, dat +begrijp je, dàt snap je toch wel? + +Keesie grijnsde weer, knikte dan en zei, omdat hij niets beters wist +te antwoorden: + +--Ik zal mijn best doen, baas! + +--Je doet al drie weken je best en je vindt niks. + +--Ja baas! + +--Ja, ja, jij met je ja-baas, maar voor zaterdag moet-je wat hebben, +hoor je! In elk geval ga-je d'er uit! + +--Ja baas, zei Keesie weer, nu zenuwachtig-gedwee. Hij begreep dat +het meenens werd,--en het huilen stond hem nader dan 't lachen. Wáár +zou hij na zaterdag heen? + +Naar huis? + +Dat ging niet. Vader verdiende daar in Deventer met beide handen +zeven-gulden-twintig, aan de gasfabriek, vast werk voor winter en +zomer, d'er waren er slechter 'an toe. Maar zeven-gulden-twintig voor +zijn elven, dat sopte niet dik--en hij was de oudste, nee, daar kon +hij niet heen! + +--Onder dienst, zei de baas, die een en ander wel zoo wat op zijn +gezicht kon lezen. + +Keesie voelde zich in de klem. Eerst zei hij niks, keek alleen +armzalig, dan stootte hij plots eruit waar 't hier zat: + +--Ik wil wel, zei-ie hakkelend, ze wille mij niet. + +--Och wat, riep de baas. Och wat, dat loopt wel los, als je de beste +beentje maar voorzet. + +Keesie keek weer sip. Wat moest hij zeggen? Voor zich-zelf zou-ie +'t wat graag, 't kon hem wat schelen dit of dat, nou!... maar in +dienst ging nu eenmaal niet;... bij de loting al afgekeurd voor de +borst! Dat wisten ze hier natuurlijk niet, en dat was ook niet noodig +ze te zeggen! Met zwakke borst nemen ze je niet gauw. Zwakken willen +ze nergens hebben, dàt moet je dus nooit vertellen--en daarom zei-ie +'t ook niet, zweeg maar weer. Ellendig voelde hij zich, inelkaar +geduwd, gedrukt en weer vanééngereten. + +--Je bent toch letterzetter? sprak de vrouw, die totnutoe zwijgend +had toegekeken. + +--O, o, luidlachte de man, letterzetter, as-ie dat zoo goed kan als +het andere, dan verdient-ie wel drie stuivers in de week. + +--Nou ja, vergoelijkte gereedelijk de dochter, ieder kan 't niet +even best. + +Keesie in zijn onhandigheid voelde zich op de pijnbank. Hij zag zich +weer aan de letterkast, zijn plompe vingers in de verkeerde bak, +met veel schrobbeeringen weggejaagd, of aan het draaien van de pers +gezet, waar hij niet goed tegen kon met zijn zwakke borst; en dan +de meeste tijd zonder werk, thuis van zijn nijdige vader allerlei +hatelijkheden, omdat hij niet genoeg inbracht, afgesnauwd door zijn +moeder die hij in de weg liep. Dat sjouwerwerk hier aan de tent, daar +kreeg hij teminste behoorlijk eten bij--en er viel nog wel eens wat +af; 't leek en bleef hem hier het beste! Hij stond geheel suf ervan, +weg in gedachteloos stomp denken. + +De dochter, met meer medelijden dan zij zichzelf wilde bekennen, en +met een beetje eigenbelang, want ze had de meeste hulp van Keesie, +mond en oogen in onverschillig heen-en-weer-getrek, om aan te geven, +dat het haar niet zoozeer kon schelen, dat ze enkel maar aandrong +uit goedhartigheid, zei: + +--Hij kan toch nog eerst helpe bij de verhuizing, dan zulle we wel +weer verder zien. + +Maar de vader doofde deze uitkomst al weer door hard te zeggen: + +--Nou ja, dat is heel gauw afgeloope, hij mot uitkijke, we kunne hem +niet altijd hoûe. + +--Wel-nee, vulde de moeder aan, dat kunne we zeker niet, we hebbe +Janus ook nog. + +--O, die redt zichzelf wel, meende weer de dochter, die mag-je eigelik +niet meetelle, want die verdient z'n eige kost. + +--'t Mocht wat, 't mocht wat, schamperde de man luid. Zeker, die +enkele keer, dat-ie aan de komedie werkt, dat-ie figureert. Wat die +binne brengt is got-betert-me ook het ankijke niet waard. + +--Nee, zuchtte de moeder en zweeg. + +Ze begon overdreven-druk in een mandje met oude vodden te snuffelen, +bleef dan met de handen in de schoot zitten, vol gepeins over al die +etende monden. Ze zei het wel niet, doch de woorden lagen op hare +lippen, dat zes kinderen, allemaal groot en die twee lummels van +knechts heelwat weg-eten. Nou... je moet er maar voor opbrenge! + +De man raadde de gedachtengang van zijn vrouw en zelf goedhartig als +het er op aankwam, voelde hij zich week worden. Hij schudde 't hoofd, +zei nu ook eens: + +--Nou, nou! + +Dan ging hij, om voorloopig een eind aan 't gesprek te maken, ook al +omdat hem dat gezeur verveelde en hij in deze beperkte woonruimte met +zichzelf geen weg wist, naar buiten, om daar wat rond te scharrelen +aan zijn wagen. Er viel wel een en ander op te bergen. + + + +Keesie, met de rug nog half de deur versperrend, deinsde +bedeesd-gedienstig opzij, om de baas te laten passeeren, slechts +langzaam en vaag oplevend uit zijn verwezenheid, nu het vele gepraat +om z'n oogen ineens verstomde. + +De woorden zeulden nog aldoor in zijn hoofd rond, in hem vasthechtend +en zich herhalend, dat hij weg moest. Waar zou-ie naar toe, naar +Deventer? Nee nog liever ging hij kapot! Maar wat moest-ie dan +uitrichten? + +Dof-zwaar stond hij te lodder-kijken met uitpuilende oogen, en die +oogen dwaalden doelloos rond alsof ze niet van hem waren. Verdwaasd +keek hij zonder dat hij wist waarom naar de dochter, die ijverig in het +vuur pookte, dan weer in de pot roerde en de etenspot deed opstoomen +met geurende soepwasem, die begeerig in zijn neus opzoog en zijn +kil-geworden hoofd verwarmde. Hij kon zich maar geen begrip vormen +wat hij eigenlijk wel zou moeten aanvangen, als ze hem hier gingen +uitstooten. Door het zwervend leven geheel ontwend aan regelmatig +werken, voelde hij een angst om weer in 't ordelijke terug te moeten, +en juist dat onregelmatig, vreemde gewerk aan wagen of schiettent +leek hem zelf wel passend bij zijn klein verstand en zijn onbehendige +handen. Zou hij hier nou werkelijk weg moeten, 't leek hem haast +onmogelijk. Een scherp en klaar besef van de toestand drong nog niet +tot hem door. + +Daar buiten hing de grijze sneeuwlucht zoo zwaar-hangend, zoo kil +en klam--en het dorre veld er onder lag eindeloos uitgestrekt. Aan +de andere kant, wist hij de onbekende stad, die daar grolde als een +wild beest. Hier in de lage wagen was het teminste warm, de warmte +die hij voelde, en die hem ook nog merkbaarder werd in de wasem, +waarmee de kleine vensters aansloegen tot dof-wordens toe.--En 'n +zelfde klamheid en luwte droop en druilde op hem neer, 't scheen wel, +alsof het vocht der ramen dat langs de venstertjes riggelde uit tranen +bestond die van hem zelf waren. + +Dof voelde hij op zich drukken de zwaarte van zijn onbeholpenheid, +de pijnlijkheid van zijn toestand; de twijfel van het niet weten +waar heen hij kon versufte en kwelde hem nog meer. In nu toch wel +scherpere lijnen zag hij zijn toestand, zag hij ook als in een droom +dat moeilijke beest van de vreemde stad met scherpe, nijdige nagels +op hem afkomend, slaande venijnig hem in zijn vleesch. Lamlendig +bleef hij tegen de deurpost leunen, de verwezen oogen dwalend over +de wasemende soeppot, waarin de handen der dochter vlijtig de lepel +roerde. Zijn oogen keken al maar door naar 't zelfde punt, zagen hoe +haar handen een bord volschepten, zonder te merken dat hij 't zag, +geheel weg in zijn dof en star kijken. 't Ontging hem gansch wat er +gebeurde. Wezenloos bleef hij staren alsof er niets anders rondom hem +bestond, tot hij in-eens weer tot bewustheid werd opgebeld door haar +grofluide stem: + +--Toe pak an Kees, mot je nog treuzelen ook! schreeuwde ze. + +Verschrikt en van zijn stuk gebracht door haar uitroep, greep hij met +beide handen tegelijk, greep naar het bord, maar o wee, de onvaste +vingers gleden over de rand heen en kwamen terecht in de warme soep. + +--Ai, zei-ie, geheel verbouwereerd. + +Keesie zag haar vertoornd gezicht; zijn oogen smeekte om vergeving. Dan +kwakkelde hij met het volle bord terug naar de bank, die aan de +wagenwand zat geklampt en zette het neer op de rand van de smalle +tafel. Zijn hoofd diep er overheen, begon hij langzaam te lepelen, +nog niet wetend of hij zich gelukkig moest voelen met dat toegeworpen +eten of dat het wellicht zijn galgemaal zou wezen? Weer teruggetrokken +tot het besef van weg-te-moeten geraakte hij weer aan het denken, +al tragelijker lepelend. Er ging langzaam en veel in hem om. Onder +de milde soepwasem groeide aan de botte starheid van daar straks tot +bewustwilligheid. Het onbedachtzame niet-wegwillen, verscherpte in +hem, en dat groeide samen tot welbewuste strakheid. Hij geraakte zoo +moeilijk tot een besluit, maar nu 't er was beteekende dit besluit +koppigheid: ze konden zeggen en doen wat ze woûen, hij zou blijven. Hij +trok er niet uit, zelfs niet als ze grof en onwillig hem koejeneerden; +hij zou terug komen, ook als ze hem er uittrapten. + +Hij herinnerde zich een voorval uit zijn leven, dat toen sterke indruk +op hem had gemaakt, het geval van Juno, zijn hond, dat grauw-gore +beest, twintig keer door hem aan buren weggegeven, en die toch telkens +terugkwam, de hond die hij eruit ranselde en die weer terugkroop, +aldoor terug, tot hij hem wel met rust moest laten. In zijn eigen +hulpeloosheid zag hij voor zich die hond, de smeekoogen van Juno--en +nu opnieuw en nog sterker en doordringender de gedweeë blik van die +aldoor-in-huis kruipende hond voor zich halend, nam hij zich voor dit +voorbeeld te volgen en evenzoo te handelen. Ja, dat was de manier, +dan zoûen ze hem wel moeten hoûen! + +In zijn besluit nu zichzelf steviger voelend, begon hij, diep over +zijn bord gebogen, met meer besef van genot te eten, zichzelf vaster +zettend in dat denk-weten, al maar doorlepelend, tot hij krassend de +bodem beschraapte. + +--Hè, geef toch op je bord Kees, klak niet zoo! vermaande de dochter. + +Keesie schrikte dadelijk ervan op en werd vuurrood, alsof hij een +misdaad had begaan. + +De moeder, die nog aldoor bij haar mand met naaiwerk zat, zuchtte eens; +ze begreep heel best hoe het zou loopen, zei hoofdschuddend: + +--We komme niet van hem af, help mij 'es toezien, de heele winter +blijve we met 'em opgescheept. Dat heb-je er nou van as je te goed +voor ze bent. + +Keesie deed of hij 't niet hoorde, maar diep-in grinnikte 't in hem vàn +genot over die uitval, die zoo goed aangaf en geheel overeenstemde met +'t geen hij bij zichzelf had voorgenomen. + +--Hei, Kees, hei help 'es, hier an die stang! riep de baas van buiten, +die daar aan 't rondscharrelen het voorval al was vergeten. + +En Keesie, in plotse schrik-vreugde dat hij weer van dienst kon wezen, +liet de lepel in 't bord terugvallen, haastte zich naar buiten, nu +heelemaal van zichzelf zeker, dat ze hem er niet uit kregen. Hij zou +hier best blijven hangen, als hij maar deed gelijk die hond die niet +weg wou en als ze hem d'er uitjoegen telkens terugkwam. + + + + + + +'T ONVERWACHTE. + + +I. + +Het dorre, onaandoenlijk huis, een nieuwestads-kazerne met altijd +openstaande deur en zestien schelknoppen aan weerszijden op een rijtje, +herleefde in zaterdagavonddrukte, die ook sterk merkbaar werd op straat +door 't aangehots van schokkende handwagens, voortgeduwd door lenige +kerels, die onder geknars en wielgeratel door, hun waren aanprezen. + +Van de witgeboende trappen repten en tripten de vrouwen om inkoopen +te doen, lichtlijk latend meeschommelen aan de magere werkarmen de +leege hengselmandjes en karbiezen; in de proper-gewasschen gezichten +een glanzend-tevreden straling door 't binnengebrachte geld, en óók +de ernstige peinzing van voor-af moeten rekenen, om niet teveel uit +te geven, alléén maar te nemen het éérstnoodige. + +Mannen brokten stug de trappen òp in haastig gestommel van de +ongemakkelijke schoenen tegen de stoottreden, toch bewust neerzettend +de loodlogge voeten, ze stevig opklotsend zelfs door het besef van +geld in hun zak, of ook wel stil-stappend, de gezichten vreugdig om +te verrassen. Ze klakten gelijk-met-de-deur de kamer binnen, de deur +die ze rap openden met een krak en met 'n flap weer achter zich toe +trokken. Overal op de kale trappen en bordessen en in de holle gangen +trippelden, trappelden de kinderen, die de moeders hielpen bij het +aansleepen--en heel het huiskarkas met zijn zestien schelknoppen, +aanduidend het aantal gezinnen dat er woonde, relde en rammelde in +'t vlot en opgewekt beweeg. + + + +Heel de week, en ook zelfs zondagsmiddags als de straat uit kuieren +ging, was er alles stil, leek het egale kleurlooze gebouw met zijn +rijen gelijke vensters en zijn vroeg-doorweerde, verflooze gevel één +enkele starre eenzaamheid, dor, doods en klam. Er mochten bewoners +de trap opgaan, de trap afkomen, de kamerdeur openen en toeslaan, +dit veranderde niets aan het aspekt, gaf zelfs geen leven aan de +steeds-geboende trappen, vreugdeloos-krakend in haar ontijdige +gesletenheid. Leeg bleven de wit-gekalkte, van onder zwart-beteerde +gangen, waar het zonlicht neerdroop als in een naakt klooster kaal +en kuisch, en waarop de kamers vier-aan-vier uitmondden, met onder +en boven weer een gelijk aantal vertrekken, een kwadrate optasting +en naast-elkaar-zetting van de zestien woongedeelten. Die naakte wit- +en zwart bekalkt-beteerde gangen stonden er hol en brak, scheidingen +niemand toebehoorend. In deze grauwe ophooping, het levenloos geraster, +de huurkazerne van een maatschappij voor goedkoope woningen, waarvoor +je nog maar wàt soliede en degelijk moest staan aangeschreven, +met liefst aldoor vast werk, om er voor in aanmerking te komen als +huurder, viel al 't daagsch gestommel dadelijk weg zonder gerucht, +omdat ieder zich terugtrok achter zijn deur, in zijn eigen vertrek, +kamer met alkoof en keuken. De zestien schelknoppen aan de deur, bij +het bouwen aangebracht, doch niet onderhouden, zaten daar eigenlijk +ook voor niemendal, de meesten ervan allang stukgetrokken, anderen +verroest en knarserig door het weinig gebruik. Want wie er kwam, +wist wel waar hij moest wezen, klom parmantig op, klopte maar ergens +aan als hij zich vergiste, en ze zeien dan wel: één, twee, drie of +vierhoog, vóór, achter, links of rechts. Voor de bewoners waren die +schelknoppen in 't geheel niet noodig. De buitenpoort stond altijd +open, overdag en 's avonds wagewijd, 's nachts op een kiertje, want +van de vele trappen, uit de leege gangen, viel niets weg te halen, +ieder sloot van binnen voor de sekurigheid wel af, en waar geen bel +ooit klingelde, bleef het stil en doods. Alleen 's zaterdags, als +de mannen te wachten waren met het loon, verkeerde het, ontstond er +bedrijvigheid, kwam er kleur en leven. + +Van morgen begon het al vroeg. + +Zoowat allen tegelijk kwamen de vrouwen aan de deuren volgeladen met +kleedjes, matten en karpetten, om elkaar te helpen kloppen en bij +te staan. + +De haardasch, de afval vergaard in potten en emmers zonder deksel, +vloog naar buiten, en de wind joeg de smurrie over de gore straat met +zijn hooge maatschappij-huizen; de trieste straat ineens kleurig en +rel in het bezig schelle vrouwgekledder. + +Dat buiten-werken gebeurde evengoed in de week, eigenlijk wel elke +morgen, doch niet zoo algemeen en niet zoo geducht. Het ging dan meer +ieder voor zich, iedere buur zichzelf reddend, reppend, flap-flap +de kleedjes uitslaand, zonder veel praten, om maar weer gauw binnen +te komen, maar op zaterdagmorgen spatte de werkbui eerst ongedwongen +uit. De mouwen opgestroopt, de magere werkarmen tot de elleboog bloot, +de rokken opgeschort, nauw om de spichte beenen als verfonfaaide +drapeering, snaterden en snebberden ze elkaar de ooren doof, hangend +met de schrale lijven aan de deurstijlen, tijdverkwistend, zich dan +weer haastend om voort te komen. Ruw en ongesjeneerd kwakten ze neer +de vuilnisbakken, onbekommerd of er wat over stortte. De todden, de +vodden, de spaanders en papieren waaiden met de asch óp, dwarrelend in +'t gelle van de grauwe straat, waar de aschman dubbel te doen kreeg +om dat alles te vergaren. + +Heel de morgen lang jelde en kletterde het anders zoo doffe huis in de +rammelgeluiden van emmer, blik en stoffer, beefden de trappen onder +het gebons van vaten en teilen, onder al het heen en weer geslobber +van niets ontziende voeten. + +'s Middags veranderde het weer, dan leek 't ineens gedaan. Ze +plasten, ploeterden, boenden binnen, om toch maar snel de boel aan +kant te krijgen, dán raakte ook de opstapeling woningen, ondanks +het gesloof en gezwoeg in de kamers, weer tot haar gewone rust, een +bedarende-neerzakkende, armelijke stilte, die de gangen, de trappen +opnieuw liet schimmen in eigen leegte. + +De straat strekte zich evenzeer in geduldig en toonloos zwijgen. Alleen +lagen er nog de resten van papieren, de snippers, de schillen +tusschen de verwaaide asch, en die lebberden voort, wijl de groote +aschkar zich daarmee niet bemoeide, alleen maar nam wat in bakken +stond--en de geheele straat van gevangenishuizen, al fleurde er +ook hier en daar een bloem brutaal over sjofel hekje naast goor +waschgoed, wat nog drogen moest als verschooning voor zondag, leek +wèl een uitééngewaaide mesthoop, wat zóó bleef tot het mannetje met +de handwagen kwam, dat alles bijveegde en geduldig opschepte. + + + +Nu, tegen de avond, terwijl de venters hunne waren uitschreeuwden, +kwam beweging in de kale gangen, gedribbel op de trappen. + +Dat de mannen al niet met langzame en moeë voeten als in de week, naar +boven sjokten, ook niet zoo onverschillig en slap wegglipten in hun +deur, maar flink en stevig stapten, met zware passen die vooraf met hun +komst lieten weten dat ze wat inbrachten, maakte al het verschil. Ze +werden nu niet opgeslorpt door het huis, doch stommelden het zelf in +rep-en-roer,--en al heel gauw erop kwam dan de vrouw naar buiten om +'t ontvangen geld te besteden, terug te sjokken met vleesch en met +grutten, inkoop voor vele dagen, de man zich nu wasschend en poetsend, +de bizondere beurt van de zaterdagavond. + +Alles veranderde als in een tooverdroom. Het dorre en onaandoenlijke +van een geheele werkweek verdween, kreeg eigen leven, en de +kamergeruchten vermengden zich met de straatgeluiden. + +Langs de trappen, in de gangen, ging het heen en weer. Deuren kierden +open, klapten toe en op alle gezichten lag de bereddering, de drukte +van het versche geld. 't Gaf behagelijkheid, wat op bevrediging leek, +maar ook als er aan 't loon ontbrak of de man niet genoeg binnenbracht +om de week door te komen, grove woorden. + + + + +II. + +Stroef en in-zichzelf gekeerd, schoof Arie de Ram binnen, vier-hoog, +links-achter. + +--Genavend! + +Grimmig liet hij zich op zijn vaste plaats bij 't raam neerzakken, +keek dwalend rond, de oogen terneergenepen, heel zijn gezicht norsch +en onwillig. + +--Is d'er koffie? vroeg hij, zonder zijn blik te veranderen. + +De vrouw hield even op met stoelen boenen, deed alsof ze hem nu +pas zag: + +--O, bè je daar? O!! Je schijnt weer niet in je hum te weze? + +--Waar is Anne? + +--Weet ik 'et! + +--Zeker, weer de hurt op! + +--Wat heb jij 'n drokkie... ze was de heele dag hier! + +--Hum! + +--Grom toch niet, ze is bij m'n zuster. Daar krijgt ze teminste wat +te bikke! + +--Hum! bromde hij nog eens. Hum! Wa'rom zoek' ze geen dienst? + +--Sja, dat zeg ik ook! Maar ze wille haar niet hebbe, ze is te +onooglik! + +--Onooglik, onooglik?... ze ziet er toch flink uit... groot genog +van stuk, zou ik zegge! + +--Jawel, weersprak de vrouw, de wenkbrauwen optrekkend tot +rimpel-fronsen, ze bedoelen in de kleeren! + +Hij bromde nog eens hum, en zij werkte en wreef weer voort aan +haar stoel. + +Ze zwegen. Wat viel er ook nog over te zeggen, dat begrepen ze beiden. + +Het wrijven langs het stoelhout en 't verschuiven der pooten over de +kale grond, verscherpte hun zwijgen. Het vulde 't geheele vertrek. + +Mies, het meisje van een jaar of acht, schoof nader bij tafel, keek +haar vader vragend aan. + +--'k Heb geen schoene vâ, kermde ze heel klein, benepen. + +--Zoo, en wat heb je daar dan an? + +--Die ouwen, de teene steke 'er door... kijk m'ar! + +Hij gluurde nu naar haar voeten, onwillig, onverschillig,--en terwijl +hij zijn grauwe oogen toekneep, waardoor al de werkrimpels in 't +gezicht meetrokken zei hij: + +--Sja, dat is beroerd! + +--Zóó kan ik toch niet op straat en morgen is het Zondag.... + +--Och kind, zeur niet an m'n kop! + +Hij schoof haar ruw terzij, strakte zich moeizaam op, en vroeg aan +zijn vrouw: + +--Kan ik me wasschen? + +--Dadelik! + +Ze werkte door en nu zoowat klaar met haar stoel, kwakkelde ze van haar +knieën op. Dan sloeg ze het werkschort neer, ging naar de kraan, liet +water in haar teil loopen, zette de zeeppot erbij en tegelijk zei ze: + +--Je kon anders best wachten tot ik weg was, dan heb je de ruimte. + +--O, ja! antwoordde hij onverschillig, en ging weer zitten. Hij liet +zich zoo lusteloos zwaar zakken dat de stoel ervan krakte. + +Opnieuw hing er de stilte. Alleen het verwisselen van een schort +doorritselde de spraakloosheid. Het kind keek schuchter. + +Ze kwam nu, de banden toestrikkend, naar tafel, vroeg kort en scherp: + +--Heb je geld? + +Even knipperde hij met zijn oog als in vage weifeling, zei aarzelend: + +--O, ja! + +Dan trok hij de hand uit zijn broekzak, smeet een rijtje guldens neer. + +Het waren er acht. Ze lagen te kartel-glinsteren op de bewasdoekte +tafel, de laatste stukken onregelmatig opelkaargeschoven, de voorsten +losser uitgegleden, wat meer apart. + +Het kind, tot het zilver aangetrokken, peuterde er dadelijk aan met +de vingers. + +--Afblijve! vermaande de moeder. Ze sloeg vinnigjes over de +kindertoppen, snauwde om zichzelf gelijk te geven nog na: + +--Je kunt ook niks laten! + +De drie bovenste guldens nam ze van 't rijtje, liet de anderen liggen, +zei onbewogen: + +--Ik ga even naar de "mart"... blijf je zoolang thuis? Ik ben zoo +werom. + +Hij knikte, verroerde zich niet. + +--O ja, brabbelde ze, alsof 't haar nu pas te binnenschoot, wil-je +koffie? + +Meteen schonk ze al in, zonder zijn antwoord af te wachten. Het bruine +vocht dampte in blauwe kringelwasem omhoog. + +Het kind hield de vinger waarop ze de tikken kreeg pruilerig in +de mond, stond nog aan tafel, glurend in begeerig kijken naar het +zilverblanke geld, dat daar zoo mooi lag, als een betoovering. En +erger zoog ze op haar vingers. + +--As je soms brood wilt, het staat dáár! zei vrouw De Ram tegen +haar man. + +Hij knikte opnieuw, slurpte gretig aan zijn koffie, zag ongemerkt +even op, nu wel een weinig minder stug, zijn norsche trekken wat +meer ontspannen. + +Door 't vertrek snisterde haar kleine bereddering: het vluggig +beweeg van andere schoenen aanschuiven, rokken-gelijk-trekken, banden +verstrikken. Dan schreeuwde ze hard: + +--Kom Mies, 'k ben klaar... gauw je hoed op! Zie zoo! + +Het kind, al gereed, tuurde nog naar 't geld, tegelijk naar haar +vader, die maar weinig zei, zich een tweede kop koffie inschonk, +heel bedachtzaam, alsof hij er geheel bij was, terwijl zijn hersens +gansch anders waren. Zijn beverige handen schonken voort en de kop +vloeide over zonder dat hij 't wist. + +--Hè, wat doe je nou toch, wat is dat voor manier! + +Hij schrok òp, slurpte voorzichtig de volle rand weg en keek verlegen. + +Vrouw De Ram veegde nog eerst het schoteltje schoon, ging toen stug +heen, met Mies aan haar arm. + +--Ik ben gauw terug! zei ze nogeens. + +Op de trap trippelden buurvrouwen haar voorbij, anderen kwamen haar +al tegen, en in de straat, anders zoo stil, liepen thans heel gerept, +bewegelijk-druk de menschen. + +Om de hoek, in de lengte der groote straat, schreeuwden en gilden danig +de verkoopers. De kleine winkels glorieden en glansden breed-uit in +'t blinkende licht. Nog aldoor werden handkarren aangereden, stevig +voortgeduwd en tusschen dat geknars en wielgeratel sloeg òp de herrie +van het venten. Er bolderde een zware vrachtwagen over de keien, +joeg de menschen opzij, en dadelijk erachter gil-schreeuwden weer +de stemmen. + +Langs de winkelkanten roezemoesde er een verspreide +menschen-en-wagen-volte, die 't vlugger gaan belette. Ze moesten daarom +'t midden van de straat wel nemen, want ze wilden dadelijk door, +naar de markt. + +Even bleef vrouw De Ram toch staan om te neuzen; ze monsterde snel +de prijzen, vond ze goedkoop, vond ze duur, en liep weer door, met +Mies aan de arm, nu eenmaal niet van zin ergens dan op haar vaste +plaatsen te gaan koopen. + + + + +III. + +Op de zaterdagavond-markt lawaaide en vlaagde 't nog drukker; 't +was er bont en rel van lamplicht en gescharrel. De rauwe geluiden en +knetteringen van olievlammen schampten er saam tot één enkele bral. + +Gedrang van uitzoekende menschen, stilstaande koopers, het opduwen +van nieuw aankomenden, 't warrelde en kronkelde dooréén tot een zwarte +kolk, vol draaiing en verstopping. + +Elk tentje was een wereld op zichzelf en de verkoopers, tanige mannen, +dikke vrouwen, ze tierden en teemden, schreeuwden om 't luidst, +lokkend met sprekende oogen van: + +--Hier moet je wezen en hier is je goeie waar! De kaas, de paling, +de sinaasappelen en noten heerlijk-frisch lagen naast oude vodden, +tusschen glaswerk, blikwerk en gescherfde schalen. + +Door alle gangen en paden stuwden de zaterdagavondmenschen in +ijverig-zoeken; ze speurden naar de spullen, die overal lagen, óók +over de grond, waar naast het aardewerk, de stoffers, boenders en +bezems, de ouwe kleeren te vinden waren. + +Vrouw De Ram wist wel waar ze moest wezen, repte zich voort door de +opstoppende drukte, toch links en rechts kijkend, snel snuffelend of +er niets voorkwam wat haar leek. + + + +Een blonde bloemenkoop stond hoog op een stoel, boven de dwarrelende +massa uit, aanprijzend met zoete, weeke stem de manden waarin opbolden +roode en witte papieren rozen. + +--Wie biedt er voor? Prachtig zijnen ze. Prachtig!... Wat benne ze +waard? Twintig cente de twee? Wie biedt er twintig cente? + +Aan 'n vinger jengelde hij ze rond over de hoofden heen, liet zien +de twee volle mandjes rozen, met tusschen de kleurige bloemen groene +halmen ook pluis van papier wat op mos moest lijken. + +In de andere hand hield hij een groot stuk, een weelderig bebloemd +schip met masten en ra's, vol kleurige linten als touwwerk en met +vele zilveren zeilen. + +--Wie biedt er voor... wie meer dan twee-en-twintig cent?... Wie een +paar koopt...! + +Even hield hij op, ging dan door: + +--Wie een paar koopt, die krijgt de kans op dit groote, kostelijke +schip, het admirale-schip! ieder bekompt een lootje, want hier zijn +de bons! + +Hij liet de blikjes rondgaan, hief het kleurige bloemstuk van bijna +een armslengte groot in de hoogte, liet 't licht van de lamp eroverheen +stralen en riep met zijn weeke stem, die bijna zong: + +--Hier heb je de prijs die je koopt en hier is de primie die je +wint. Prijs en primie tegelijk! Wie biedt er meer dan twee en +twintig...? Vier en twintig, dat bent u, juffrouw! nee...? Nou dan +hier! Vijf-en-twintig! + +Zijn geluid klonk maar zwak en droeg niet ver, want hij begon pas te +venten, wilde van zijn wrakke longen niet te veel vergen in 't weten +nog een geheele avond van doen te hebben. Daarom overschreeuwde hij +zich niet en trachtte het goed te maken door veel met zijn oogen te +werken en het bloemschip over de hoofden te zwaaien. De oogen van al +de menschen die er stonden gingen in de hoogte naar dat kleurige schip, +naar die twee mooie potten. Een greep doen en je werd kooper. + +--Wie biedt ervoor...? Dat zijn weer een paar anderen en ze zijnne +nog mooier! zanglijsde hij opnieuw. + +Gaaf en geleidelijk, zonder veel inspanning, liet hij uit de kweeë mond +de aanprijzende geluiden glijden en zwaaide met zijn bebloemd schip. + +--Hè moe, riep Mies, hè kijk 'es, wat een prach... + +Vrouw De Ram gluurde er even na, zei nuchter: + +--Ja kind, strakkies! We motte nou eerst voort! + +--Jè, moe! + +Begeerig keek Mies naar de uitblinkende kleuren, de bloemen die leken +als zoo geplukt, zelfs nog mooier dan de echten in 't felle licht;--en +aan de arm van haar moeder hangend, bleef ze aldoor ommekijken. + +--Vooruit Mies! + +--Ja, moe! + +Zigzagswijze baanden ze zich door de menschenvolte heen, om aan haar +stalletje te komen, waar ze boter kocht. Ze nam er ook 'n brok vet, een +half pond spek, vijf eieren,--en voort ging het nu naar haar kruidenier +voor de goedkoope koffie, voor de suiker, een half onsje stijfsel, +want in haar buurt was alles zoo schandelijk duur en slecht erbij. + +Van de kruidenierswinkel slenterden ze nu terug naar de +zaterdagavondmarkt, liepen overal rond te zoekoogen en te snuffelen. + +--Moe? + +--Wat is er kind? + +--Waarom keek vâ zoo zuur? + +--Weet ik 'et kind... heb ik niet eens opgelet. + +--Nou, maar ikke wel. + +--Zoo! + +De vrouw betastte met vinger en duim de spruitjes om te weten of ze +niet te veel water hielden; ze waren niet naar haar zin. + +Het kind begon weer: + +--Hept u dat heelemaal niet gezien? + +--Wat? + +--Dat vâ zoo leelijk keek? + +--Welnee, kind!... zeker wat op zijn werk gehad. Dat gebeurt wel meer. + +--Nou, u let ook nergens op! + +Ze stonden nu aan een andere wagen. Vrouw De Ram betastte weer de +spruitjes en ging aan 't bieden; ze kocht een savooie kool, nam +nog een harde rooie, en bood en pingelde tot op een halve cent. Ze +vroegen haar wel achttien en ze kreeg 't voor twaalf. Dan zocht ze +naar een bloemkool, een blanke bloemige, en naar sappige bieten, +groente voor de heele week. + +In de karbies ging al de kool; tusschen de spruitjes die boven-op +lagen, vlijde ze de gekookte bieten. In de andere tasch lagen al +saamgepakt de grutten en met de eieren en de boter was nu alles +boordevol. + +Ze telde haar geld, om te zien of ze nog wat over had. Ja, 't kon nog +net, ze pakte een half pond Leidsche kaas, en opnieuw sappelden ze +maar rond. Ze werden opzij gedrongen, drukten en duwden terug,--en +slenterden weer voort. De markt nam, zoog al haar aandacht op, èn +haar oogen beefden bij al die spullen. + +'t Gaf niet, ze had geen geld, kon toch niet meer koopen. + + + + +IV. + +--Hè moe, kijk dan toch 'es, riep weer het kind. + +--Wat is d'er nou weer, 'k heb overal geen oogen. + +Met een stem, nu al wat schor en vergroofd, bood de bloemenman zijn +laatste mandjes te koop. Zijn bleek en week-pokdalig gezicht was van +al het venten rauw en rood en zijn oogen stonden waterig van de walm +der petroleumlampen. + +--Wie biedt er meer dan twee en twintig?... Wie meer dan vier en +twintig? taterde hij met zijn heesch geluid. Hij zweeg een moment, +begon opnieuw: + +--Het zijne de leste, het zijne de beste! Wie geeft er meer dan zes +en twintig?... Zie eens wat een kleur en zie eens wat een smaak! Je +vroolijkt je heele huis ermee op en 't mooiste is: ze verdorren +niet!... Ze zijne beter dan de echte, dié verleppe als je ze drie dage +in water heb staan... Wie houdt er nou niet van blomme?... Blomme dat +is leven, daarmee breng-je fantezie in huis, dát is weelde. Je houdt +je man daarmee uit de kroeg en je kinderen stil, èn voor je zelf is +het een genot voor de oogen. Je staart er 's ochtends op en je staart +er 's middags op en 's avonds zie je ze alweer. Je ziet ze zelfs als +je naar bed gaat en ook als je er in ligt!!... Nou hoef ik je niks +meer te zeggen wat bloemen wel tot stand brengen. Even lachte hij, en +ging dan voort: je droomt ervan en je maakt je man tam, want uit bed +kijkt-ie op de rozen! Ik zeg--en hij verhief weer zijn lijmstem--wie +niet van blomme houdt, die houdt niet van zijn man of as-ie een "hij" +is, niet van zijn vrouw, die houdt niet van z'n kinderen! + +Brutaal zwierde hij het groote stuk, het bebloemde schip, het schip +met de zilveren zeilen en de schelle linten, ver over de toeschouwers, +over de hoofden heen,--en het grelle licht uit de groote lamp, hoog +aan een staak er boven, overglinsterde en overzeverde al de bonte +kleuren, bescheen tegelijk zijn eigen week pokdalig martelaars-gezicht, +triomfantelijk. + +Nu begon hij van nieuw; en al schorder werden zijn brallende +zing-geluiden. + +--Ieder koopt zijn prijs, maar hier is de premie. Ieder, die koopt, +en ook de laatste, krijgt-d'er een bon op toe. De laatste, dat zie +je meer, die heeft geluk! Wie geeft er meer dan zes-en-twintig voor +de laatsten? + +Zijn kleine geniep-oogjes in 't flets-bleek gezicht keken en gluurden +scherp rond, want niemand zes-en-twintig bieënd, had hij maar luk-raak +uitgeschreeuwd en zelf meegeboden. Hij zou nu weer van voren-aan +moeten beginnen, en om dit te voorkomen schreeuwde hij maar: + +--Hier is de primie, de pri-mie! + +Hij rekte dit woord primie, rekte opnieuw de woorden, en bralde: + +--Wie geeft er meer dan zès-zès-èn-twintig... vooruit dan!! + +Zijn weeke, brakke stem werd nu doordringend. Voor een oogenblik stond +de woelige groep in spanning rond de blonde bloemenkoop. Het was of +'t allen aanging wie deze laatste pot met rozen zou koopen. + +--Kijk toch 'es moe, hoe mooi, riep de kleine Mies. + +Vrouw De Ram zei niets terug; ze keek de verkoop eens aan. Het felle +licht uit de lamp op effekt berekend brandde, glansde op de mandjes +neer, en de bonte kleuren brokten bekorend voor haar oogen òp. De +papieren rozen leken wel in bloei te staan. + +Een oogenblik verpoosde de bloemenkoop, net lang genoeg om de +omstaanders tot besluit te laten komen, nu begon hij weer, in zoowat +dezelfde woorden en zei opnieuw: + +--Wie niet van bloemen houdt, die houdt niet van fantezie, niet van +'t leven. Hier, deuze ze verdorren en ze vergane niet... Wie biedt +er meer? Zes-en-twintig is geboje! + +Een stilte bleef er om de bloemenkoop, zoodat ze andere marktgeluiden +feller hoorden. Een sekonde duurde 't nog, toen schreeuwde er één +uit met schorre stem: + +--Ja! + +--Toe moe, drensde, drong aan het kind. + +Vrouw De Ram vond ze zelf ook mooi, en ze bood en schreeuwde mede. + +--Wie 't meeste geeft, heeft ze! schalde driest de bloemenman, erg +blij los te komen; hij zwierde en zwaaide met de bloemen heen-en-weer. + +Er schalden vele stemmen dooréén; ze boden tegen elkaar op, 't ging +tot acht, negen-en-twintig, dertig! + +--Ze zijn te geef, riep hij als in zelfmedelijden, darde nog een +moment, gaf ze toen met gezicht van beklag aan de hoogste bieder. + +--Hoe jammer, dreinde Mies. + +--Och kind, mokte vrouw De Ram terug, zoo gaat 'et nou altijd! + +Er ontstond beweging in de kijkersdrom, maar vrouw De Ram bleef +nog even staan, en draalde, omdat de meesten bleven, er kon nog wat +komen. En al-zijn-leven, wat zeg-je daarvan, d'er kwamen nog een paar. + +--De laatsten, de állérlaatsten! riep hij schaterlachend. Het neusje +van de zalm, de bloem der bloemen!! + +En 't was waar, ze schenen nog mooier dan de vorigen. + +De omstaanders schokten van 't lachen. + +De koopman begon opnieuw en zeer krachtig: + +--Wie biedt er voor, wie mot ze hebbe? + +Vrouw De Ram bood ineens, driest-weg, aangetrokken door het +kleurgeblaker; ze riep: + +--Zeven-en-twintig...! + +De bloemenkoop vond het niet geraden lang te talmen en gaf ze, na nog +even hengelen. Vrouw De Ram voelde al spijt, maar Mies' oogen blonken. + + + + +V. + +Nu hadden ze nog te wachten op de verloting. Warm stonden ze tegen +elkaar aan, in geduldig steunen en moeizaam hangen. + +Vrouw De Ram voelde zich tevree; ze was zeer in haar nopjes. Voor +zeven-en-twintig cent gekregen; de vorigen waren zelfs tot +drie-en-dertig opgeloopen! + +Kleine Mies omknelde de kleurige potjes met haar magere armen, aan +weerszijden één; ze bekeek ze vertroetelend en hield ze omvat alsof +'t kindertjes waren die ze droeg. Haar open oogen snuisterden van +genot over heel die papieren bloemepracht, waarop nu nog volgde de +kans van winnen. + +Vrouw De Ram keek ietwat stroever, het wachten duurde wel wat lang; +ze dacht aan haar man die zeker mopperen zou. + +--Duurt het nog lang voor de loterij begint? vroeg ze ongeduldig. + +Een schouderophalen van wie rond hen stonden was het enkele +antwoord. Kleine Mies keek nu ook benepen. Hoe licht de bloemen ook +aantilden, af en toe moest ze wel even ze vervatten. + +--Sta toch stil, gromde de moeder, al haar aandacht op de trommel +gericht. Straks laat je ze nog valle! + +De koopman schommelde en schudde, keek in 't rond. Hij zocht een +kleine meid uit, liet dan door haar het nummer trekken. + +--Met bloote armen, zie je, schalde hij, met bloote armen, terwijl +hij op het schrale vlerkje klopte. 't Gaat hier net as bij de +staatsloterij, zoo eerelik als goud! + +'t Gaf weer een oogenblik van spanning toen de bloemenkoop het +papiertje aannam en het ontrolde. + +--Let op, schreeuwde hij. Lèt op het springen van de lintworm. Hier +is het... nu zal je 't hooren!--Het is... num-m-er,... nummer +drie-en-veer'... drie-en-veertig!! + +Triomfantelijk gleden zijn oogen in 't rond, ermee zeggend: Zie je wel, +daar heb-je nou 't nummer! + +Allen bekeken met staarzoekende blikken hun papiertjes. + +--Moe, moe, dat benne wij, kraaide Mies. Ze huppelde, hinkte van pret +en zong luid: + +--Gewonne, gewonne! + +Van geluk wilde ze wel in de handen klappen, maar dat ging niet door +de potten die ze in de knuistjes had. + +--Ja gerus' moe, ik weet 'et vast! kraaide ze opnieuw. + +Vrouw De Ram met haar kippige oogen wat slecht van gezicht, geloofde +het nog niet, vergewiste zich eerst, in alle sekurigheid. Zenuwachtig +zei ze: + +--Stil toch kind! + +--Ja gerus' moe... ik weet 't zeker, zie dan toch, kraaide ze nog +luider. + +Van alle kanten kreeg vrouw De Ram een ruk en een stoot; wie niet het +nummer had, vond langer-blijven onnoodig, drong haar voorbij. Maar ze +liet zich niet verdringen, duwde met haar achterste terug; ze moest +duidelijk zien--en nu las ze het ook, got-ja! + +De koopman schreeuwde aldoor feller het nummer uit, schor, bijna +heesch, en zij wrong zich nu naar voren, stak de handen op naar de +bloemenmand, wilde het opgetuigde, bestrikte schip dadelijk naar haar +toehalen in begeerigheid. + +Maar de koopman betoonde zich niet zoo grif en toeschietelijk hield +van pralen, eerst moest-ie nog 'n schoone toespraak houden voor hij +'t gaf. Ze greep al weer er naar, gretig met al haar tien vingers, +doch hij gaf het nog zóó niet af en begon zijn oratie. + +Onwillig stond ze erbij, hoorde in 't geheel niet naar wat de koopman +zei. In haar begeeren naar het eerlijk-gewonnene had ze daarvoor +geen ooren. Volkomen streek het over haar heen, dat hij verzekerde de +volgende week vast-en-zeker terug te komen, dat hij was de beroemde +bloemenmaker, de fabrikant van kunstblommen zonder konkurentie, +zonder wedergade en dat de loting met geen konkelarij of foefjes bij +hem geschieden kon. + +Nu liet hij het bloemstuk zakken in haar grijpende handen, en gelijk +grijnsde ze voldaan, tevreden, nu ze het in haar vingers voelde, +de omvangrijkheid ervan torschen kon. + +Mies opgetogen, had de bloemen erbij neergezet, ze wilde meehelpen, +mee-aanvatten. Ze klapte van pret in haar handen en riep in eerbied +en bewondering, onafgebroken: + +--Wat een pracht, wat een pracht! + +--Voorzichtig, kind! zei de moeder, voorzichtig dan, je bent zoo +zenuwachtig, je zou het breke! + +--Wat gane we nou doen? + +--Ja net. + +Het werd een heel overleggen hoe dat alles thuis te brengen, dát ging +niet zoo gemakkelijk. + +De tasch met kruidenierswaren en de karbies met bloemkool, roode +kool, savooie en bieten, 't was al niet licht, en nu moest dat groote +schip nog mee. Hoe konden ze dat gedaan krijgen? Een oogenblik stond +ze in beraad, terwijl Mies 't moois bevingerde. Toen wist ze het: +ze plantte het eene potje met rozen voorzichtig bij de inkoopen, +en dat prijkte daar nu hoog temidden van de koffie en de suiker. Ze +tilde dat aan één hand en nam het andere potje in de leege arm. + +Mies kreeg in beide handen het groote schip te dragen; haar kleine +gezicht verschool erachter, de neus bijna ertegen aan. Door de zeilen +en lintjes kon ze nauwelijks heenkijken, en ze gluurde angstig rond +om niet tegen de menschen op te botsen. + + + +De volle markt woelde en rumoerde om hun heen. Ze zoûen kreukelen +die mooie bloemen, èn erg bang ervoor, gingen ze voetje voor voetje, +stuwden en drongen zich voorzichtig erdoor. Met een gelukkig hart, +het lichaam warm van het moeizaam dragen, zwoegden ze door de volte +van de markt, puffend onder de onhandigheid van de last, en maar wat +blij toen ze eindelijk uit 't gedrang geraakten en op vrijer wegen +beter uit de voeten konden komen. + +--Wat zal vâ in zijn nopjes weze! gierde Mies luid-uit. Ze zag al die +kleurige pracht in hun kale kamer, terwijl nog al de schoone woorden +van de bloemenkoop in haar ooren tuitten. + +--'t Is een pronkstuk, gaf vrouw De Ram gewillig toe. Ze liep zoo vlug +als 't maar even ging, zoodat 't kind met haar korte beentjes haar +haast niet bijhouden kon. Aldoor gilden nog de venters hun waren uit +met ruwe brutaal-aanprijzende stemmen; ze wiekten zwierig de lenige +armen scharmaaiend over hun platte karren en schreeuwden vannieuws. + +Vrouw De Ram en Mies keken niet ernaar; ze hoorden 't zelfs niet meer, +ze hadden nu meer dan genoeg en trokken door, een weinig verlegen +met hun schat en toch weer trotsch erop. Ze hielden de bloemen wat +achteraf en lieten ze toch weer half-opzettelijk zien in allervreemdste +beroering over dat onverwachte van het buitenkansje. + +Nu raakten ze toch uit de drukte, en de straten leken ineens weer +breed zoodat ze heel gemakkelijk gingen. Maar nu waren ze ook thuis +en ze slopen als in geheim naar binnen, stommelend daarna zwaar de +trappen op. + +'t Gaf een heel gesjouw voor ze alles boven hadden, want 't kon niet +ineens. Wel drie keer moesten ze rusten. Bij 't laatste bordes zette +vrouw De Ram haar vracht even neer, nam het bloemschip van Mies over, +bracht dat 't eerst naar boven, plaatste het daar zoolang tegen de +muur, om de andere dingen te halen. + +Mies kwam haar al achterop en reikte de potten met papieren bloemen +aan, en nu ze alles boven op 't portaal hadden staan, pakten ze +alles saam. + +Hijgend en blazend sjokten, sleepten ze de bloemenschat met de kool +en de grutterswaren de kamer binnen. + + + + +VI. + +De man, zijn leege koffiekop voor hem op tafel, zette vreemdige oogen +op, schampte dan norsch: + +--Wat zijn dat voor vodden, waar haal je me die vandaan? + +--Gewonne, vâ, gewonne! kraaide het kind. Dat hêt moe allemaal +getrokken! + +--Hum, gewonne? vroeg hij scherp en smalend. + +Er suisde een oogenblik nijdige stilte,--en hij herhaalde weer +schampend: + +--Gewonne!? Kan je 't geld niet anders 'an, mot dat zoo besteed worde? + +De vrouw zette de handen in de zij, keek hem tartend aan, zei nog +een cent liegend: + +--Nou maak maar zoo'n drukkie niet. 't Is heelemaal zes-en-twintig +cente... wat wou je d'ervan...? + +Meteen keerde ze hem de rug toe, ging minachtend naar het penantkastje, +om daar ruimte te maken. + +Mies nog altijd opgewonden tilde het bloemschip bijna boven haar +macht op tafel, waar het nu schel praalde vlak voor haar vader's oogen. + +--Zes-en-twintig cent, ratelde hij fel, is dat soms geen +geld? Zes-en-twintig...! Ga je gang maar. Jij geeft uit en ik zit +zonder werk! + +Alsof ze onverwacht werd aangevallen, zoo rap keerde ze zich weer om. + +--Wat zè-je?... Zonder verrek? hijgde ze. + +--Ja, venavend gedaan gekrege, zei hij treiterend, èn jij geeft maar +uit voor prulle! + +--Dat had je dan wel eerder kunne zegge, nijdigde ze terug, nu +vijandig. + +--Kunne zegge, kunne zegge? Je koop' maar en vraagt nooit waar 't +geld vandaan mot komme... + +In zijn verbeten woede sloeg hij zijn hand uit, en met een felle smak +smeet hij 't bloemstuk rits van de tafel. + +--Wel zeker, wél zékér, wreek je daar maar op, rumoerde ze, niet +dadelijk wetend of ze zich te keer moest stellen of zich inbinden. Met +giftig-kwade oogen bleef ze te midden der kamer staan, haar wenkbrauwen +hoog opgetrokken. + +'t Kind durfde evenmin nader komen, en het bloemschip bleef daar +liggen, een smalende vlak tusschen hun drieën in. + +--Hè vâ, zei kleine Mies schuchter, hè vâ, wat doet u nou, 't is +zoo mooi! + +Ze hurkte bij het schip neer, zette het met bevende vingers overeind +en schikte, plooide en streek de papieren zeilen weer uit de kreuken. + +--Geef hier! norschte vrouw De Ram, kwaad en geprikkeld. Geef hier! Ze +nam het ding uit haar handen, kwakte het neer op de vrijgemaakte +plaats van het penantkastje. Vernederend keerde ze hem opnieuw haar +breede rug toe. + +Het kind, angstig-verwonderd, blikte nu eens naar vader, dan naar +moeder, durfde niets zeggen, bang voor het moois, dat het zou moeten +ontgelden. + +De vrouw zweeg en de man zweeg, een zwijgen dat tusschen tweeën +als een muur dáár stond. Haar oogen giftigden, al zei ze niets. En +hij hield zich woest, omdat het moest. Maar langzamerhand innerlijk +verlicht en ontlast, nu hij gelukkig eruit had gesmakt dat hij zonder +werk geraakte, kromp zijn nijd, die eigenlijk angst was, en hij wilde +het weer goed maken. Doch dat lukte niet, de stilte bleef pijnlijk +tusschen hen in, star. + +Buiten gilden nog de laatste verkoopers. Hun stemgeluid, nu ijler +en scherper omdat het straatgeweld rondom ging versterven, werd +doordringender. + +Dat enkele schreeuwgeluid van rooiekool, van savooie kool en van +lekkere haring, klonk brutaal en hard naar hen op, alsof er niets +zachts en weeks bestond. + +Vrouw De Ram liep mopperend rond, snauwde plots: + +--Allé Mies, vooruit naar bed! Ze wilde een uitweg hebben voor haar +ontstemming, want ze besefte dat onder deze omstandigheden 't geld +voor de bloemen onnut uitgegeven was, zoo goed als weggeworpen. Ze +pakte stil haar inkoopen uit de tasch, zocht wat in 't ronde en ging +toen aan haar zaterdagavondwerk. Hoonend liet ze 't geld op tafel +liggen en ze hielp Mies, die zich vlug ontkleedde, te bed; ze wilde +haar wrevel niet laten blijken en kon die toch niet verbergen. + +En hij voelde zich niet minder lam. 't Bleef tusschen hen een +naargeestig zwijgen, dat eerder treiteren werd dan schuldbekennen. + +Eindelijk stond hij norsch op, bromde tusschen zijn tanden, dat-ie +nog even uitging op werk. + +--Ik zal 'es kijken bij Adrian, zei hij rauw, misschien kan die nog +een mannetje hebben, maar veel kans is d'er niet. + +Ze gaf zelfs geen adem terug en werkte door. Heel-goed wist ze +dat-ie nou een borrel zou gaan pakken, maar och dat kon haar niet +schelen. Blij voelde ze zich als-ie een oogenblik wegtrok en haar +aan d'er zelf overliet. Voor hij weerom kon wezen zou ze wel zorgen +d'erin te liggen, om alle verdere kwestie te mijden. + +--Ziet u nou wel moe... hep ik 't u niet gezegd van vâ, babbelde Mies. + +--Ja-ja, ga maar slapen, 't is al ellendig genog. + +Een poos zweeg Mies. Toen babbelde het vroeg-rijpe kind weer: + +--Waar is Anne toch, wat doet die zoo laat? + +--Ze komt zóó... kakel niet! + +Ze deed de deuren van de kamerbedstee toe, om haar 't verdere spreken +te beletten, en ze zette zich aan tafel, de magere werkhanden lusteloos +in haar schoot. Dat was al de derde keer van 't jaar, dat hij buiten +verdienste raakte, en nu tegen de winter, waar moest dat naar toe? + + + + +VII. + +Een tijd zat ze zoo. Toen hoorde ze de kruk omdraaien. Zou hij 't al +zijn? O nee, 't was Anne! Wacht, die zou ze 'es helpe! + +'t Kind schoof verlegen binnen, magerzwart en knokig opgeschoten, +schuw alsof ze hier kwam in een vreemd huis. + +--Waar kom jij vandaan, sliert die je bent! kreet ze rauw. + +--Van tante. + +--Van tante... zoo laat nog... Maak dat je straatmeide wijs, maar +mij niet! + +--Nou, u kunt het navrage! + +--Dat za'k wel doen ook! + +--U mag 't doen, dat zei ik toch! + +--Toe, maak maar voort... naar je bed! As je vader thuis kome, zwaait +er wat... hij is zonder werk, as je dat maar weet! + +Het meisje trok een benauwd gezicht, schopte dan zonder een woord te +zeggen haar groote schoenen uit, liet snel de kleerenvracht zakken, +schoof zich de bedstee in naast Mies. Bang voor moeder, vroeg ze +fluisterend wat er nu weer was aan de hand. + +--Zorg maar voor een dienst, kriegelde vrouw De Ram. Nou je vader +zonder is kunne we je maar zóó niet de kost geve voor niks! + +--Ik wil wel, hep toch geen kleere! huilde Anne terug. + +--Hou je mond! + +Anne snikte zacht, omdat ze bij moeder geen goeds kon doen. Mies +troostte wat en werd snibbig toen het niet hielp. + +Vrouw De Ram zuchtte. + +Daar lag nu weer voor haar de moeielijkheid, heel de toekomst zwart +en donker. Had Arie nog maar een paar weken werk gehouden, dan zou +ze iets voor Anne hebben kunnen koopen. Nou viel er geen denken aan +in d'eerste tijd. 't Moest alles weer van haar enkele stuivers daags +komen, en als zij uit schoonmaken ging, kon 't niet anders of het +kind diende thuis te blijven om het werk af te doen! + + + + +VIII. + +De late zaterdagavonddrukte was ingekrompen en de straat en ook het +huis met zijn wit-gekalkte, zwart-beteerde gangen, werd weer doods en +stil. Nu en dan klonk ergens een kreet òp of een ver gerucht suisde +door de avondleegte. De ellende die ze aanstaande zag viel nu-al als +een steen op haar neer. In de wrakke stilte, gekomen na 't fel rumoer, +voelde ze zwaar de zwarte eenzaamheid om haar heen. + +Wat moest er van Anne worden? zoo ging het door haar hoofd. Vroeger +bestonden er nog mevrouwen die de meiden in de kleeren staken en +voorschot gaven op de dienst. Maar kom daar nou eens om, een kind +moest dadelijk al van onder tot boven in de goede spullen zitten, en +waar haalde je dat vandaan? Zonder werk, zonder werk!... Zoo ging het +een geheel jaar door! Als ze even op streek raakte, was het al weer +gedaan; je kon nooit op de dag van morgen bouwen, ach, gottegot! Dof +peinsde ze zich, ze zag geen uitkomst. Alles, alles bleef zwart! + +Dan hoorde ze weer gerucht, voetgeschoffel aan de deur. O, hij was +d'eral! Zoo vroeg...? Ze dook haar hoofd weg in 't kussen, hield zich +of ze sliep. Haar hoofd werd er nog te klaarder door. + + + +Onhandig stommelde de man in 't vertrek wat rond, kwam ook in bed,--en +met de rug naar elkaar toe, nog meer van elkaar vervreemdend in de +nijdigheid van onmacht, waaraan niets te veranderen viel, hokten beider +gedachten vast op dat ééne: 't zonder verdienste zijn. Ontredderd +leien ze neer als onder een zware klauw. Zij slikte haar zuchten in, +hij steunde luid. + +Telkens raakte hij zonder werk. Dit lag aan 't vak, ook wel aan hem; +anderen bleven langer aan de slag, hij was de minste, de wrakste, +werd het eerst eruit geschoven, omdat, àl sjouwde hij even hard, toch +minder flink aanpakken kon, verzwakt, ontvleescht voor zijn tijd door +al dat ploeteren op werven, ver boven zijn macht. + +Hij voelde en wist, dat hij altijd 't eerst van allen gedaan kreeg, +voelde dat zijn vrouw dit niet kon ontgaan, waaruit volgde dat hij +in haar oogen een slampamper werd, een vent van niks. Dat ergerde hem +'t meest. Ze had het hem nog niet verweten, nee dat moest ze ook eens +lappen. Om dat te voorkomen speelde hij altijd zoo geweldig òp, hield +de schrik erin. Maar dit nam weer niet weg dat ze toch wel begreep waar +het hem zat, uit al haar doen en laten, merkte hij het best. Ook al zou +zij 't zelf gemeen vinden het te zeggen, ze kon toch niet verhelpen, +dat ze 't wel eens liet blijken; uit het zwijgen dan 't meest. + +Was 'k maar goed-en-wel uit m'n leven dacht hij; maar de kinderen +dan? Hij kon de slaap niet pakken en woelde grimmig rond. + +De vrouw lag stil, terwijl zij wrokkig er over nadacht, haar arm +hoofd plagend hoe aan kleeren te komen voor Anne. Dat 't kind in geen +betrekking kon was toch voor haar het ergste, want nu groeide ze op +als rapalje, kwam niets van haar terecht. + + + + +IX. + +Doods en stil bleef 's morgens het groote huis met zijn zestien +schelknoppen die nooit werden gebruikt. Vrouw De Ram, al vroeg op, +liep zuchtend rond. Ze zou ze nog maar wat laten liggen, de dag duurde +lang genoeg en zondags wat deden ze dan in de kou. Ze zag de vrede +alom en 't was of de geur van allen die in welstand waren haar in de +neus vastzoog. + +Er werd zacht op de deur geklopt en 't hoofd van een buurvrouw stak +door de kier. + +--Ben je al òp? zei die fluisterend. Nou, bij mij is 't ook wat +moois. Hij is gisteravond zonder werrek gekomme. + +--O bij mij van 't zelfde laken 'n pak, spreek maar niet ervan. + +Ze keken elkaar aan met oogen als van angstige dieren die werden +vervolgd en vooraf weten dat er geen ontkomen is. + +--Nou, dan gaan ik maar... 't ergste is, dat je hier in huis 't niet +eens mag zegge, anders mot je eruit, en ergens anders heb je nog meer +te dokke. + +Vrouw De Ram sprak eerst geen woord. + +--We zijn geloof 'k de eenigen hier, zei ze dan. + +--Dat mot je niet denke, dat lijkt maar zoo--wij wete 't nou van +mekaar, wat wete we van de rest? + +Vrouw De Ram knikte maar weer en de buurvrouw schoof heen. + +Mies, nu ook wakker geworden, kwam eruit en kuste haar moeder. Anne, +de grootste, keerde zich nog eens om, en De Ram zelf kneep de oogen +toe en hield zich koest. Waarvoor moest-ie d'eruit komen? Om naar de +kerk te gaan, een mooi ding, als je niet te eten hebt. Norsch schoof +hij zich onder de dekens en pijnigde zijn arm hoofd. + +--Mot je niet bidde, zei vrouw De Ram tegen Mies. + +--Ja moe; zoo dalik... waarvoor zal ik bidde...? Dàt vader weer gauw +werk krijgt? vroeg ze peinzend na een oogenblik. + +Vrouw De Ram kneep de wenkbrauwen samen, haalde netelig de schouders +op, en zei dan: + +--Ja kind, bid jij maar, misschien verhoord Ons Lieve Heer jou wel, +voor ons bestaat hij allang niet meer! + +Ze zonk op de stoel neer en hield de schort voor d' oogen. In de +bedstee bewoog zich niets. Anne en haar vader lagen bewegingloos en +luisterden, de oogen strak onder de dekens. + +Dan prevelden luid de schuldelooze kinderlippen: Geef ons heden ons +dagelijksch brood en vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven +onze schuldenaren... + +Van beneden uit de straat bulderde op een zware vloek, twee mannen +die aan 't vechten waren, omdat de een de ander had onderkropen. Hun +verwenschingen rauwden door 't: "Geef ons heden ons dagelijksch brood." + +Stil stond het huis, onaandoenlijk. + + + + + + +AFGEZAKT. + + +I. + +Stil stond de kamer. + +Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw. + + + +Baller, klein zwart mannetje, om 't geel en tanig gezichtsvel een +verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde +handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte +sufferig en moe rond. + +Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige +notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle +zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun +schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het +gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten +of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan +weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklom tegen de +hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen +wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en +spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen, +overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en +gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op, +drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken. + +Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. 't +Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. 't Leek wel of +al 't gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond +de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte +der winkels hier vlak naast hem stond, of 't bij hem op de kamer +zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag +hij alles duidelijk. O, hij begreep het, 't kwam door dat vriesweer, +dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder +werk. Hoewel als de wind draaide 't best zou kunnen gaan dooien! + +Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde +weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je +niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast +als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen +van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van 't eene eind der +kamer naar 't andere sjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte +ze in moeielijke dracht door 't klein vertrek, dat schraal verlicht, +aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle +stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel +lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, 't zou zeker in +'t eerste uur niet gedaan zijn! + +Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe, +wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar +harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek +het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam, +om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend +naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet +warm en ze moest strijken. + +Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring, +volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo +hard als 'n bikkel om 'n gat mee in de kop te gooie en andijvie, +lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden +en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk. + +Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte +z'n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld, +goed om 'n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen, +natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet +en durfde 't ook niet vragen, verdiepte zich weer in zijn krant, die +hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een +borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam, +dan rook ze 't en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet +uitstaan. Zeker, 't zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan +er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de +boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte +hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been, +anders ging alle moed d'eruit. Totnutoe bezat-ie nog 'n snabbeltje +apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, 't was +op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel +erg. Kon-ie in 's hemelsnaam iets vinden al was 't als loopknecht, +maar och niks stond er weer in de krant. + +Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op +en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang, +houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien; +zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een +muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende +hij. Z'n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en 't zeskante +potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te +zitten. 't Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd +slecht brandde. En telkens, alsof zij 't erom deed, dwarrelde ze +voor zijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten, +waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen, +al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar, +dáár had je 't weer. Diep zuchtte hij ervan. + +Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze: + +--Ga dan uit de weg, je ziet da'k mot strijke... plaa's genoch... + +--Nee, d'er is geen plaa's... 't lig' overal vol! + +--Zoo, wat je zegt! + +Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder 't werken door, en +snerpte opnieuw: + +--Da'r gin's staat toch 'n stoel... + +--Kun-jij da'r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. 'k Zie +hier best, as jij me ma'r niet in 't licht staat te draaie! + +--'k Kan er niks an doen, bitste ze voort, 'k ploeter me uit de naad +voor 'n paar cente, ma'r me eige boel kan nie blijve legge! + +Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze +voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk, +haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging, +als ze de gansche dag voor 'n ander streek, was het al mooi, dat +ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif +toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d'andere kant staan, waarom kwam +ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon 't niet hebben, dat +hij hier lekker in 't hoekje zat en zij nog voortmoest. Enkel pesten, +judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker, +'t bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouw moest afbeulen en hijzelf +geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet +werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al +nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld, +met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, 't werd in +de behangerij met de dag slapper, en als 't nou bleef vriezen kwam er +ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. 't Was om met je +kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan +in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant. + +Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige +lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en +het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend +greep hij naar 't papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer +en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij +meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op +haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij +wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog 's er op +uit dacht te trekken. + +Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij +tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat +boven haar stakelijf uitvaalde. + +--Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer. + +Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder +zich om te keeren snauwde ze kortaf: + +--Kijk ma'r 'es liever na'r de kachel.... dan doe je teminste wat +voor de kost... + +Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van +onder in 't rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed +laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op +'t vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper +in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig +omkeerde, schor-schreeuwend: + +--Welzeker... welzeker, waarom niet... kan 't niet op... kost de +brand soms geen geld... 't is 't laa'st wâ we hebbe... + +Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper +in de bak terug, gromde: + +--Dàt had je wel eerder kunne zegge! + +--Nou nog snauwe d'erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat! + +Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan +viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde +de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde +gedrochtelijk op 't vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich +dan op zijn stoel terugzakken, greep botweg de krant, om die verder +door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van +'t vertrek en door de bewegingen van 't strijken, in dat vlekschuivend +licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn +schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes +op 't dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan +tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn +afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te +verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurde hij al in één vlucht, +maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou +wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken. + +Hoe hij zich ook inspande, 't lezen en nakijken van de advertentiën +ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende +kachel, de strijklucht en ook 't witte geglemer van 't goed maakten +hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en +suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen +voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier +weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. 't Leek of haar +aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot +berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand +der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie +maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren +hem de wind van voren geven. + +Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze 't gewasschen goed rekte, +de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden +gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort, +sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken, +rokken en lakens, naar dezelfde maat. + +Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om +meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al 't stroef +gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,--en +onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden, +knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne, +versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog +zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist +wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan 't linnengoed, meer als aan +haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe +zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers 't verteerde goed +aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen! + +Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog +opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend +tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te +lezen.... raakte weer aan het peinzen. + +Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp +aan, en zei dan schimpend: + +--Je hebt het ma'r makkelik, dàt mô 'k zegge.... je denkt an niks! Is +er de huur al bij mekaar? + +Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer +vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had. + +--De huisvent is van morge d'er geweest.... as-ie maandag nie' krijgt, +gaat-ie z'n gang! zei ze opnieuw. + +Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen? + +--Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit +da'r ma'r of je van Lotje bent getikt. + +--Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn +oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte. + +--Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma'r, +dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor +meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over? + +Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan, +herhaalde: + +--Hij wil niet wachte... geen dag meer! + +--Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie 't ma'r zien van m'n rug +te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn +benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens +van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem +op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet +alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel, +met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op +die manier wat af te schrikken. + +Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker: + +--Hij smijt ons d'eruit, dan stane we op straat. + +--D'er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug. + +--Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je +zoo gauw wat anders? + +--Hij doet 'et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang, +vergoelijkte Baller weer. + +--Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is 't nog niet lang +genoch... ellef weke? + +--Ja, zuchtte Baller, weet jij d'er raad op? Ik niet! + +--Dat is wel makkelik je zóó d'eraf te make! + +--Weet jij dan 'n middel? + +--D'er ben je man voor, ellef weke niet betaald, 't is maar +niks... noem je dat soms kattedrek? + +Baller mompelde een "stik" tusschen zijn tanden, draaide haar de rug +toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij, +liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar +snerpende klachten. + +Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op, +hakkelsnauwde: + +--Hou toch 'es op... met je herrie... 't is nog zoo ver niet... wat +bliksem is dat? + +--Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt 'êt...! dat 't ver genoch +is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend: + +--M'n god, wat zal er van ons komme! + +--Kan 'k 't helpe... mot ik soms gaan stele? + +Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei: daar ben je veel te laf +voor. Dan hoonde ze voort: + +--Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever! + +Baller werd weer bang. + +--Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat! + +--'t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan. + +--Een glaasie noem je dàt zuipe? + +--Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door +'t keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs! + +--'k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... 't komp niet +van zellef. + +--Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik +als vrouw draai er ma'r voor op. + +--'k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel? + +--'t Zou wat! zei ze minachtend.--Dàn pakte ze het ijzer van 't +kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon +weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend: + +--Je mot 't zellef wete, ma'r dàt zeg ik je, as we op straat komme +te staan, trek ik ertusschen uit. + +Ik haal mijn kossie wel! + +Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en +gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van +'t gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen +rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met +de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest, +maar zooveel als nou nee, elf weken, kwam nog niet voor. Sakkerjen, +'t zou zoo'n wonder niet zijn als het misliep! + +De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer, +de kop tusschen het lenig vel gravend. + +Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar +een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in 't zicht, +om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in +'t verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of +naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die +nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard +noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie +te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in 't licht +verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk +aan d'er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige +uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar... + +Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van +kleine advertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou +wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel +krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor +de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde: + +--Heb je niks te drinke? heb je al koffie? + +--Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette! + +'t Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij, +terwijl hij meteen bereidwillig opstond: + +--Wil 'k soms wat op de kachel gooie? + +--Welzeker, 't kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken. + +Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant, +stootte nu en dan een "ha" eruit, alsof hij iets van belang vond, +las hard op een advertentie, die hij maar verzon. + +Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden, +die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten, +fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd +al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij +niet. 't Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de +klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast, +maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te +veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te +loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde +hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan, +dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet +naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar +mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon +uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek, +een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd. + +Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale, +dor-blonde haar lag slordig om 't door zorg en ellende verwaarloosd +bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de +vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste +scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde +narigheid.--Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie +cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de +fijnste madam. Hoe anders zou 't zijn geloopen indien hij er eentje +met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er +genoeg krijgen, hij had z'n vingers maar even hoeven uit te steken; de +meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet +zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen +dragen, daaraan viel niet te veranderen. En 't ergste nog: ze wou +niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam +niet in aanmerking, dat zijn handen voor 't werken verkeerd stonden. + +Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan +hij zelf, al werd ze dan ook voor 't werken opgebracht, terwijl hij +nooit wat leerde in z'n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit +te steken. + +Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het +trouwen al 't faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen +plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert, +aan wie hij zooveel te kort kwam, 't liefst maar drie duizend gulden +aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze +hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven, +komen en gaan kost geld, 't kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor +'t fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar +Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun +je 't mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier, +in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds +waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem +om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem +af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs +geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was +gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats +je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken, +maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij +hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In +plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader +hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van 't werken af, +van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren, +hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor +'n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht +gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij +was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst +de gevolgen en z'n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat +te piekeren! + +Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn ooren op de +zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht, +voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als +hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende +hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar +ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer +dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de +mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te +geven. 't Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch +'t moest, als hij langer wachtte, ging 't heelemaal niet meer. Diep +ineengedrongen, de magere handen onder 't vlokkig-behaarde hoofd, +zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op, +brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn +vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen +voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te +zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde +onafgebroken door, zonder 't hoofd op te heffen. Hij moest nu wel +zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over. + +De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die +gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen +zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op, +rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend +alsof hij 't zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d'eruit: + +--Ik zal d'er verdorie nog op uit motte! + +Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer. + +Dadelijk liet ze 't strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem +scherp aan, vroeg: + +--Wat zei-je? + +--Dat 'k nog effe d'eruit zal motte... + +--Je zal 't wel uit je herses late! + +--Ze hebbe d'r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren! + +--Zoo-o! + +--'t Staat d'ar in de krant. + +--Wèl toevallig! + +--Lees het dan zellef! + +Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke +rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer: + +--Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an! + +--Foefies?... wat foefies? + +--Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te +scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d'er al... hà, +hà, hà, treiterlachte ze. + +--Ik zie 't net... da's te zegge... ik zag 't wel eerder. Niet veel +bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit. + +--In elk geval, 't is nou te laat. Ga morgen! + +--Dan is 't zondag! kan ik toch niet gaan! + +Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven, +omdat ze z'n streken te goed kende. + +Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei +ze scherp: + +--As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch. + +--Och mensch, lâ na'r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag! + +--Ma'r 't is nou nacht. + +--Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege! + +--Nee, 't is zeker vroeg, gotallemachtig...! + +--Dàt niet, ma'r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik +ermee? Niks... hebbe we 't zoo goed... kunne we wachte! is m'n gang +soms 'n doktersgang? + +Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het +aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed +van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich +herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, +dat hij most, dat al gaf 't niks, hij 't niet mocht laten ontglippen! + +Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er +over dacht. 't Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, +anders kwam 't er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar +de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond +oogdreigend voor hem: + +--Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét! + +Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens +gedurfd: + +--Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille? + +--Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn +niet, versta-je!! + +--Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet +bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je 't mis, glad +mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis +je toch niet. + +--Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik 't +doe.... as je 't hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom! + +In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om +de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht +van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze +smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren, +zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws. + +Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor 't een +als voor 't ander. Brutaal snerpte hij: + +--'t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie +om werk te krijge, èn of 't nou half nege of half tien is, dat duvelt +niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... 't werk +komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je +me daarvan? + +Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te +overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet, +ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd +toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze op de Haarlemmerdijk +eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een +halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien. + +Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch +samenwringend. + +--Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an +moet met de huur.... late we zien 'n andere woning te krijge. + +Hij schokte de schouders, onwilligde terug: + +--Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor +werrek, zal ook 'es naar Bouwlust gaan. + +Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen +en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; 't werd natuurlijk +weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze +toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig: + +--Wil ik koffie zette? + +Baller weifelde. + +De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren, +dansten er rond, lokten hem naar die drukte,--en toch, hij durfde +niet best, bang voor haar groote mond. D'er zou wat zwaaien! Maar, +als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer, +zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet +weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide +saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar +hij straks zelfs vroeg, proef-smakte in gedachten nu op zijn tong +bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op, +doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig +hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude +kriebel langs zijn rug kroop. + +--Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik +mot toch d'erop uit.... voor die advertentie. + +Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van +de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende +rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat +zóó niet mannetje! + +--Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe! + +--Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op +hem los te branden. + +--Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge +zoo ver benne... + +--Wat verdiepinge... 't vriest toch veel te hard om te kunne +plakke... ja, maak mijn dat wijs!! + +--Zoo? + +--'t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid. + +--In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval 'k mot eruit. Denk +je soms, dat ze 't op de trap komme legge? + +--Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d'eruit.... hij wil +d'eruit... naar de kroeg! Heb 'k 't niet gedacht... wist ik 't +niet... geen cent thuis en toch zuipe!! + +Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie +haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer, +de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang, +dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar +vingers kromden zich om te nijpen en te krabben. + +Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja, +dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn +grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm, +alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij +in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,--en voor ze +nog eraan dacht, was hij al buiten, op 't portaal, holde de trap af, +de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand. + +Zij riep nog: Jan! Jan! + +Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze +stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede. + + + + +II. + +Het felle toesmakken der deur relde en rammelde nog na door 't heele +vertrek, trilde langs de kale behangselmuren, beflapperde 't wiebelend +lamplicht, woedde in de potkachel, die ineens weer harder snorde. 't +Scheen alle voorwerpen te omstrijken, te beroeren, omgolfde, omvatte +haar zelf, als in een huig van kilheid en vrees. + +De armen vielen vrouw Baller slap langs 't lijf. Ze voelde zich +geslagen, al raakte hij haar met geen vinger aan. Veel streken +haalde-ie uit, maar zoo brutaal als nu nog niet, dát liep er over heen! + +Een krampige verontwaardiging doorschokte haar, maakte haar star en +stijf. 't Was of alles door dat toeslaan der deur in onrust schommelde +en bleef schommelen; ze keek ernaar met blinde oogen. Maar na een +poosje haalde ze de harde schouders op, perste de lippen nog meer +samen, mompelde tusschen de gesloten tanden: + +--Welja, welja.... ga je gang maar... d'er kan nog meer bij; waarom +niet? + +Ze aanvaardde maar moeilijk 't geval, schoof met haar slofvoeten naar +de kachel, zette de waterketel terzij, nam de strijkbout om met haar +wasch voort te gaan. En toch, de verwarring, de ontstemming weken +hiermee niet; ze kon haar aandacht niet bij 't strijken houden. + +Haar vingers beefden, heel haar lichaam beefde. 't Was ook te +erg! Zonder acht te geven op wat ze deed, verstapelden haar handen +de hoopjes, tastte ze het goed te hoog op elkaar. Het tuimelde om, +viel van de tafel. Nu moest ze het weer oprapen. Slap liet ze het +koud-geworden ijzer over 't goed gaan en de handen vielen weer langs +haar heen. Alles rondom bleef in beweging. 't Licht wiebelde en wipte, +vlekte schaduwen op 't behang, zwartte grimmige kringels over 't +plafond, beglimpte de vaasjes en gipsbeeldjes op de schoorsteenmantel, +maakte ze tuiterig en scheef. Het klokje uit de guldensbazar hoorde +ze onregelmatig tikken, de slinger ging slikker-de-slik, slingerde +zoo vreemd, alsof 't ding eruit zou vallen. Zelfs de ruiten maakten +geweld, alles leek in opstand. Natuurlijk onzin, verbeelding, dàt wist +ze opperbest! Het bracht haar tóch van streek. In haar ooren bleef +doordaveren 't toeslaan van de deur, zijn trapafhollen. Schrijnend +voelde ze haar onmacht, de onmacht van vrouw, die voor de boel +blijft zitten, en de getrapte is, ook als de man niet trapt, enkel +maar wegloopt. + +Zij pakte het ijzer weer aan, om door werken haar gedachten te +verzetten, haar woede te temperen, maar 't lukte niet half. De punt van +'t ijzer stootte door 't versleten goed heen, ze vergat de strijkzool +aan te voelen, of een lap op te leggen en verschroeide een van de +weinige lijfjes die ze nog bezat. Ze streek, perste, vouwde voort, en +zuchtte er tusschendoor. Haar hè-hè's sneden vinnig door 't vertrek, +en de tafel schokte en knerste mee in haar heftig gewerk. Ze moest +zich intoomen, dàt voelde ze, ze zou maar liever de naden uithalen en +gaan verstellen. Dat vlotte ook al niet best. Haar vingers glipten +door 't dunne goed heen, stuk voor stuk moest ze terzij leggen, +'t was of de gaten ermaar zoo invielen, geen bijhouden aan. Och ja, +'t ging ook al lang genoeg mee... elf jaar... geen kleinigheid... 't +beste slijt, en geweest is geweest! Wat kocht ze in al die tijd bij, +een bedroefd drupje, 't meeste voor hèm. Ze deed 't nog met dezelfde +hemden, dezelfde rokken van haar trouwdag af. + +Haar vingers gristen weer door 'n sloop heen. + +Zie in gosheerenaam toch 'es an, drifte ze, daar is geen verstellen +meer an... kan je niet eens meer uitstukken, zelfs niet meer bijhalen, +de voddenjood geeft geen drie kwartjes voor al wat hier ligt! Thuis +hadden ze 't niet breed, maar de kast zag er toch behoorlijk uit. Hij +moest noodig zeggen, dat hij haar uit een sjofele boel haalde! O! O!! + +De kwaadheid, zoo lang bedwongen, ziedde, brak uit naar alle +kanten. Lammeling, labberkak, die je bent, schimpte ze. Zoo'n +gluiperd, zoo'n rakker, geen cent brengt-ie in en toch mot-ie naar de +kroeg!... Hij werk-zoeken? Ja, dat kun-je begrijpe, veel te graag +lust-ie een spatje, daar was 'et hem om te doen, of ik 't niet +snapte! je zwijgt en zwijgt, doet of je 't niet merkt, om de vree +te bewaren. 't Loopt toch op niks uit, een vrouw moet het altijd +misgelden, maar pas op, pas op mannetje, aan alles komt 'n eind!! + +Voor haar van kwaadheid vlammende oogen zag ze klaar hoe-ie daar +straks zat geschonkt tegen 't gordijn, tusschen raam en kachel, +alsof 't gordijn niet gauwgenoeg vuil wordt, ook zonder dat je +er tegen leunt. Ze rook weer zijn adem, de dwalm van jenever, die +goor-zure stinklucht, alsof je boven 'n goot lei, en ze zag vlijm +hoe stommelig-onnoozel, hoe miezig hij in die krant ploeteroogde. Ze +kende dat bedrijf, de krant had ze uit zijn handen moeten slaan. Ja, +dat had ze moeten doen en de deur afsluiten, veel te goed was ze voor +hem. Ze schold en schimpte voort, schimpte zoo heftig dat de eigen +woorden haar om de ooren ketsten. Door die opdrifting aangevuurd, +balde ze de vuisten, alsof-ie daar nog in 't hoekje zat en ze hem +daarmee klein kon krijgen. Het strijkgoed smeet ze ruw neer, en dat +viel op de grond; nu moest ze 't weer opnemen. Onmachtig zakte ze op +een stoel, berstte in zenuwend huilen uit. + + + +Een heele tijd zat ze zoo. Eerst langzaam-aan bedaarde ze, beseffend, +dat ze zich van streek maakte voor niets. Wezenloos staarde ze haar +vertrek in 't rond, de handen in de schoot,--en nu ineens leek 't +haar zoo stil, de bewegelijkheid van straks ongemerkt vergleden. Niets +bewoog zich, zelfs geen schaduw aan de wand. De lamp krinkelde rustig +zijn ringen op 't plafond en van de straatventers drong geen gerucht +meer door. + +--Is 't dan al zoo laat? vroeg ze zich. + +Ze keek naar 't klokje. Dat stond op kwart over negen. 't Tikte +niet. Zeker afgeloopen, 't moest toch later zijn! + +Ze draaide het kreupelpootig uurwerkje op en nu de tik weer door +'t vertrek liep, verbrak dit wat de eenzaamheid, voelde ze minder +de strakke, gelaten eenzelvigheid van wat rondom stond. 't Witte +strijkgoed, de stapeltjes vierkant-gevouwen lakens, handdoeken, +sloopen, ze grijnsden bleek op in het traag-gele lamplicht en opnieuw +sufte de kamer van de stilte. + +Maar nu kwam er ineens gerucht, de kat joeg met lenig-wilde sprongen +door 't vertrek, dolde heen en weer in hoepelvluchten. + +--Die hét ook de kolder in de kop, zeide ze, na haar heftigheid +verwonderd over eigen berusting. + +De kat bleef jagen. + +Plots rammelden de ruiten. Een windstoot flapperde langs 't raam. + +--O, is 't in die tijd... is het dat? sprak ze halfluid. Ze wist het +nu. 't Werd slecht weer! + +De eene vlaag na de andere joeg bollend aan, wervelde stootend uit, +zwiepte weer voort. De ramen klepperden hier en daar en overal. Langs +de huizen, langs goten, en hijschblokken schuurde piepknersend de wind, +die een wild dier gelijk beneden door de straten ging gieren. + +Onwillekeurig luisterde ze er naar. Het maakte haar bevangen-stil. Na +een poosje scherpte ze zich zelf op, zei vermanend: + +--Kom vooruit! wat geeft dat nou? Gauw de boel aan kant maken.... 't +duurt al lang genoeg! + +Ze had nog maar 't restje bonte goed na te zien, uitgestukte boezels +en enkele wollen lappen, die eerst als luiers dienden; en ze pakte +flink aan, om er af te komen. Maar 't zien van die vaal-roode oude +luiers, stemde haar weemoedig. Ach, ach, wat maakte een vrouw niet mee, +wat kreeg ze al niet te doorstaan? De kinderen, dood! Misschien maar +gelukkig ook! Ze waren in de hemel beter af dan zij hier, wat moest +er van zulke bloeien zijn geworden.... + +Al haar kwaadheid verzonk in deze overweging. 't Maakte haar tam, +eenzaam-en-alleen-te-moede. Ze zag vóór zich de kinderkens, zooals +ze werden geboren, zooals ze lagen in de wieg, en zooals ze de geest +gaven, de oudste aan hersenziekte, de tweede aan stuipen, de derde aan +de ingewanden, en nogal meer. Op één na 't jongste, een blond-bleek +meisje, dat, naar ze zeien, op haar zóó leek, herzag ze 't scherpst. + +Er welde een traan naar haar oog, en die drupte op haar verharde +handen. Ze veegde met de handrug af, verzette zich tegen die +gevoeligheid, en zei strak: + +--Gekheid, wat geeft het, je moet berusten. God heeft gegeven en God +heeft genomen. + +Maar ze vergat te zeggen: Zijn naam zij gezegend of Zijn wil +geschiede.--Ze slikte dàt in, liet erop volgen in schaamte over dit +verbergen: Hij zal wel weten wat goed is voor ons, arme stervelingen! + +De smart omving haar geheel: ze voelde zich klein, erg klein, +en zuchtend tobde ze voort. Haar handen gingen draderig; wel tien +keer streek ze 't zelfde vouwtje uit, en haar oogen staarden blind; +ze vorderde weinig. + +De wind schuurde nu nog ruwer langs 't raam, dat in de voegen +rammel-trilde, en de windstooten deden 't gordijn bollen. Wezenloos +blikte ze 't vertrek rond en zoo stond ze een poos gedachtenloos +tot ze haar aandacht weer vestigde op 't rammelend raam; ze zou een +spijker of 'n stukje hout als wig tusschen de sponningen duwen. Dat +lawaai werd niet uit te hoûen, en het tochtte ook! + +Ze rommelde in 't spijkerbusje, nam een paar vierkante nagels, dik +van roest, morrelde die tusschen 't raam en de lat. Nu eerst zag +ze, terwijl ze met de eene hand 't gordijn afhield, dat het behalve +stormen ook nog sneeuwde. + +In wilde, stuivende vluchten joegen de dunne witte vlokken +schuin-zwijgend door de stratenlengte, flapperden week tegen de ruiten, +smolten, dreven weg. + +Ze gluurde vaag in die witte warrel naar beneden, zag eenzaam-leeg +de straat, waar de venters zooeven nog opgehoopt stonden. + +De ijle dwarrelsneeuw zweefde neer, kleefde, bedekte het plaveisel +met een dunne drijvende laag, waarin waterig-groot de voetstappen +der menschen en wagens gingen plekken, als onregelmatige slingers in +elkaar geweekt. + +De voldoening van rustig binnen te zitten borrelde in haar op. Hm, +hm!! Lekker voor hèm, ziezoo, nou kreeg-ie ook zijn portie. Maar +ineens bedacht ze met 'n schrikje, dat ze vergat in te koopen,--en +voor morgen had ze niets in huis! Misschien stond er nog een vent met +'n kar, anders moest ze naar de groentewinkel, èn dat werd duur! + +Met een zucht liet ze 't gordijn tegen het raam terugvallen, strikte +de boezel los, nam een wollen kaper, knoopte die om de ooren. Nou +moest ze d'er toch nog uit. Niet plezierig! 't Groentebakje onder +de arm, zakte ze gerept de trappen af, en 't schoot haar te binnen, +nu ze in 't stroeve trapdonker de treden onder haar hoorde kraken, +dat hij een uurtje geleden nekbrekends er af hotste. Ze grinnikte, +hij verdiende niet beter als hem wat overkwam, ze gunde hem haast +een ongeluk, en toch, haar wrevel, haar grootste kwaadheid was geweken. + +Ze stond nu buiten. De sneeuwwind joeg in nattige striemende vlagen +en zwiepte haar venijnig in 't gezicht. Ze keerde haar hoofd om, doch +ze moest, de andere kant uit, tegen de wind in. Ze strompelde voort, +de handen vol omdat ze de rok moest ophouden. + +Om de hoek stond nog een wagen. Zij sjokte er naar toe. 't Viel mee, +een honderdste tref in zulk hondeweer! Als hij nou maar had wat haar +leek! Witte kool? dat ging, en een maat aardappelen! Ze dong af óp +de prijs, niet te veel. De man overvroeg niet te bar in 't striemend +weer, hij wilde gauw loskomen; en ze werden 't dadelijk eens: acht +cent voor de witte kool, elf cent voor de aardappels. + +Haar handen dreven van de kleverige sneeuw, ze moest nog een cent van +haar twee dubbeltjes terughebben, en nu ze die eindelijk had sjokte +ze naar de overkant om een onsje spek en een pannebrood. + +Een oogenblik dacht ze, dat Baller er aan kwam, maar ze zag +verkeerd. Nee, zoo gauw verwachtte ze hem ook niet, hij zat natuurlijk +in de kroeg! + +Ze kledderde weer de trappen òp, de voeten nat van 't drabbig +vocht,--en blij op haar kamer terug te wezen, voelde ze de +huiselijkheid haar opnieuw omsluiten. Br! wat 'n weer, hij moest 't +zelf weten als-ie zich een ziekte op de hals haalde! Haar bakje met +inkoopen zette ze neer, droogde haar handen, die nog klef waren van +de natte sneeuw. De kat streel-rugde tegen haar aan, spon om haar +voeten heen,--en ze merkte danig de floeperigheid van haar natte +rokken. Fluks schoof ze de bovenste uit, hing die op aan 'n spijker, +en streek met haar nog aldoor klamme handen de verwaaide fletse haren +uit het norsch gezicht. + +Wat zou ze doen? De kool schoonmaken of koffie zetten? Nee, daar lei +de waschboel nog, dat moest eerst gebeuren! Verdorie, daar kwam van +avond geen einde aan. Alles door die lamme kerel!! + +Zij nam hoopje voor hoopje, bergde het goed weg in de muurkast op +schoone, propere kranten. Zóó opgestapeld, de gave, dikke kanten voor, +toonde haar waschje nog heel wat. 't Bracht haar in betere stemming. 'n +Poosje bleef ze welbehagelijk ernaar turen, maar de berg verstelgoed, +die daar nog lag, maakte haar vanzelf weer korzelig. Dan schoof ze +de tafelbladen in, zette zich niet te ver van 't licht, met de bak +op haar schoot, en begon aan de kool. + +Rondom stond het vertrek nu ganschelijk stil. Alles leek zoo strak +en onbewogen als in diepe nacht. En toch was 't pas elf uur! De lamp +brandde traag en wiebelde niet; geen lichtverglijdingen glipten uit, +geen schaduwingen gleden langs de wand. Alles bevond zich konstant in +licht en donker. De stoelen met de wit-geboende matjeszittingen reiden +dáár als blanke plekken langs het schemer van de vale behangselwand; +ze stonden koel-enkel op 't kale, rafelige groen- en zwartgestreept +vloerkleed, dat in een zwarte grom scheen uit te vloeien. Geen gerucht +sloeg meer óp van de straat, geen gil van een avondventer, geen +kargeratel, zelfs geen voetgestap. 't Sneeuwig weer dempte alles. Nu +en dan vlaagde nog alleen de wind met zwakke stooten, als heel van +verre, wat de wakke kamerstemming nog meer verzwaarde. Alles zweeg. + +De poes zocht haar plaatsje bij de kachel alweer op, lag als een +glanzend kluwen in elkaar, onbewogen. In het aankante vertrek zag +zij zich zelf zitten vereenzaamd, alleen. Alles zoo stil, zoo stil! + +Zonder er naar te zien sneed ze de kool, en haar gedachten dwaalden +overal heen. Telkens lagen haar handen in de schoot; als ze dit merkte, +schokte ze weer op, werkte voort, in trage wil van arbeidsdrens. + +Een harde deurdreun schrikte haar op. Zou hij 't wezen!? + +Ze luisterde scherp-oorig, adem-ingehouden van vaag verlangen. Als hij +'t was, zou ze geen ruzie maken, maar koffie zetten. Voetgestommel +klom op, verdofte. Een sleutel knarste ergens in een slot, 'n deur +knierde open, klapte toe. Nee hij was 't niet. Een van benejen! + +De stilte omspon haar weer; ze sneed voort haar kool. De glad-harde +schilverlingen ritsten onder 't kervend mes langs haar handen, hoopten +zich saam in de bak, blank-gele bladweefsels vochtig-vast. Een wrange +wasem, de geur van 't groeisel steeg er uit op, kneep vast in d'r +neus. Haar oogen gingen lichtelijk wateren; telkens moest ze zich +met de handpalm afvegen. Nee, nou werd ze nog melankoliek ook! + +De dreunslag van iemand die thuiskwam herhaalde zich, en nog vele +keeren. Ze twijfelde, hoopte dat hij 't mocht wezen, al bestond +daarvoor weinig kans. Zoo onzeker voelde zij zich, dat zij niet de +moeite nam koffiewater op te zetten. Vroeg zat als hij d'er was! En +toch luisterde zij bij elk gerucht op de trap. Dood-moe van 'n heele +dag hard werken, gestriemd door de ruzie en zijn vlucht, liet ze +'t hoofd erbij hangen, peinsde ze er weer over na. Het klokketikje +doorrikte de kamerruimte regelmatig, een tikkeling die zich aan +niets stoort! Het leven ging door, dat voelde ze sterk, en niets +komt terug. Ze meende het goed met hem, daarom haalde ze nog wel +in 't fleschje, maar ze vergat hem dàt te zeggen. Een hekel had +ze aan de drank. Gewoon vergift! De jenever maakte hem zoo slap en +slecht. Maar als ze nu toch voor hem haalde, waarom 't hem dan niet +dadelijk gezegd? Misschien was-ie dan gebleven; met 'n neutje, met 'n +dubbel maatje dee je zoo veel, had ze hem gemakkelijk thuis gehouden. + +De laatavondwakte van 't sneeuwig weer voelde ze door haar +geprikkeldheid heen, en haar eigen verlatenheid werkte op haar in +als een vreemde macht, die haar tot doordenken drong, aldoor. Haar +gedachten kwamen en gingen, keerden terug naar 't zelfde punt. Ze vond +hem lorrig, zichzelf niet zonder schuld, een schuld, die ze zich toch +niet wilde bekennen. + +Ze moest lieviger, aanhaliger tegen hem zijn, èn dàt kon ze niet, +de afkeer was sterker dan haar beste wil. Goed wou ze voor hem zijn, +behoorlijk-goed zonder omslag, en niet meer! Zijn grimassen, als-ie +half-snik, zoo lief en lekker tegen haar deed, kon ze niet uitstaan, +hij leek dan meer op 'n aap als op 'n mensch,--en alles draaide daarbij +in haar om. Zonde dat ze 't zei, toch 't was zoo! Ze griezelde van +hem. Die afkeer was al gekomen bij 't sterven van 't eerste kind, +mogelijk nog vroeger, maar toen werd ze 't gewaar. Al haar kinderen +waren zwak en sukkelend geweest; niet één bleef in 't leven en dat lag, +meende ze, aan hèm. Zij zelf was flink en gezond, maar hij stak in +geen zuiver vel, had te veel gesjouwd voor zijn trouwen. Geen wonder, +zijn vader deugde al niet, 't zat in de familie, de Ballers waren +allemaal uitgaanders. Wat gaf nou die betere kom-af waarop hij zoo +stofte, met een gewoon werkman, die zijn handen wist te roeren, zou +ze beter zijn af geweest.... Nou bleef ze met hem opgescheept. Och +ja, toen keek ze toch òp naar het bazenzoontje met z'n mooie handen, +zij 'n gewoon meisje, haar vader meesterknecht. En toch... kon hij +'t maar zoover brengen als haar vader. 't Zou wat, een landlooper +werd-ie, geschikt voor de schans. Anders niks! + +Het bitste en beet al feller in haar op. Al de ellende, de onmacht +der vrouw, die van haar man niets terecht kan brengen, woelde naar +boven. Hij moest noodig op haar afkomst schimpen, alsof hij zelf +niet minder eraan toe was. Affijn, dat schelden deed hij ook niet +meer. Maar vroeger, vroeger dan toch! Zij herinnerde zich al te best +zijn hooghartig praten, zijn kleineerend zwijgen als 't haar stand +betrof,--en nu hij verarmd, ook moest aanpakken, stonden zijn handen +glad verkeerd. + +In de wrange kamerstilte, waar het klokke-tikje rammelend de tijd +aangaf en haar alléén-zijn verscherpte, verdubbelde, zag ze opnieuw +zijn sloome doen van zooeven, zijn laffe vlucht, 't kwansuis op haar +aanstormen, 't scharmaaien met zijn armen, 't grijpen naar zijn jas, +'t bijna omvergooien van de stoel om z'n kale hoed te pakken, èn dan +dat dichtsmakken van de deur. Al dat lawaai relde nog in haar ooren; +ze hoorde, herzag het aldoor, hoe kon-je van zoo'n man hoûen? Gloeiend +onmogelijk was dat; voor haar part brachten ze hem dood thuis; zij +zou zich wel redden! + +Zij schrikte van haar eigen verwensching. Als God eens strafte en +'t liet gebeuren? Nee, dat wou ze niet op haar geweten hebben. + +--Heere, leid ons niet in verzoeking, prevelde ze al. 't Was satan +die haar bezocht en haar ziel wou bezitten. Ze wou niemands dood, +ook niet van hèm! + +Verward en gejaagd nam zij 't mes, sneed grof de kool verder, vergaarde +de uiteengesprongen snijdsels in haar schoot, stond gerept op, om die +booze, leelijke gedachten niet toe te laten; ze zou ze verdrijven en +nog 'n half uurtje aan 't verstellen gaan. + +Maar 't eene stuk na 't andere gleed door haar vingers, zonder dat +ze de schaar erin ging zetten. 't Meeste was 't lappen niet waard, +met een grove steek haalde ze de scheuren wat bij. + +Wat nou nog te doen? vroeg ze zich, stug door de stilvreemde kamer +loopend, als met haar zelf verlegen. O ja, de verschooning klaar +leggen. Ook voor hèm. En dan een paar kousen stoppen voor haar zelf! + +'t Schoone goed lei gauw gereed, maar aan de kousen kon ze niet +beginnen, dood-moe als ze zich voelde. Zou ze op hem blijven wachten, +of naar bed gaan? + +Ze meende op de trap weer gerucht te hooren. Dat kon-ie zijn, lam, dat +ze nog niet in bed lag! Maar nee, gelukkig, hij was 't niet, 't ging +voorbij! Hoe laat zou 't wezen? Zoo, al half één! Dat wist ze niet! + +In eens kreeg ze 't koud met rillingen langs de rug. Och ja, geen vonk +vuur meer in de kachel! Nee, die kousen moesten blijven liggen. Het +bed stapte ze in! + + + + +III. + +In 't lamplicht, bijna neergedraaid tot schemerschijn, lag de kamer nu +rustig,--en zijzelf keek met strak-open oogen in afwachtend berusten. + +Buiten vlaagden nog na de sneeuwige winden, die niet meer zoo fel als +in de vooravond, nu en dan raaklings langs de vensters streken, er +aan jokkerend rukten als in even herinneren. De poes, uitgekolderd, +zocht een plaatsje op de in-d'r-haast neergekwakte rokken, die in +een zwarte vracht de stoelzitting overbolden. + +De stramme moeheid van haar lichaam voelde ze nu eerst goed, haar +beenen zoo stijf als houten stelten, haar rug als gebroken,--en 't +kwaad, broeiig hoofd, zwaar als lood, deed pijn van alle kanten. Ze +wilde slapen, goed uitrusten, ze groef daarom dat hoofd diep in +'t kussen, trok de dekens over de ooren. Maar de gedachten joegen, +warrelden van zelf weer op. Al 't voorgevallene rammelde als +een draaiend rad aldoor voor haar oogen. Nu de kamer daar zoo +vredig lag, hinderde en ergerde haar de eigen opgewondenheid. De +vaalbeschenen bedsteeruimte leek haar een donker gat,--en als ze de +oogen sloot, zag ze weer de herrie van straks, de mizerie van zooveel +jaren die nijpender werd door zijn gedurig zonder werk zijn, zijn +rondslenteren. Ze moest wel zelf haar handen uitsteken, dagelijks +uitwasschen-gaan, nee, ze schonken 't haar niet, de heele dag over +die heete tobbe te staan en dan 's avonds haar eigen boeltje nog doen, +daar viel niet mee te grappen! En van dat alles zou ze niets zeggen, +als hij niet zoo 'n beroerling was, met wie ze niet eens medelijden +kon hebben, omdat hij zijn onmacht, 't niet kunnen aanpakken, +achter allerlei uitvluchten wegstak, nog deed alsof de schuld niet +aan hem lag, maar aan het toeval, aan de omstandigheden. Hij wrokte +op zijn familie, op z'n broer die niet wou helpen, alsof dat mokken +en schimpen wat gaf. Als hij ronduit zei: Ik kan niet vrouw.... werk +voor mij... ik ben te lam, te beroerd, dan zou ze hem de huid vol +schelden, en eindigen met hem toe te geven, voor hem te zorgen, +zooals je ook zorgt voor een kind, voor een hond of een kat. + +Maar nou hij bij alles nog een snugger gezicht zette van wèl te kunnen, +alle anderen te glad-af te wezen, de tegenspoeden als ongeluk liet +doorgaan om haar de mond te snoeren, en haar verweet dat ze niet lief +tegen hem deed, nee, dat liep erover heen! Zeker, als je getrouwd +bent, moet je mekaar bijstaan, maar wie niet inbrengt heeft zich een +beetje te schikken, hoeft niet de baas te spelen. Dat had-ie vroeger +meer dan zat gedaan! Als ze in 't begin de duim wat steviger op de +zak had kunnen houden, zoûen ze niet zoo zijn afgezakt. In zooverre +droeg ze schuld mee. Maar ach-ach, wat kon ze in die tijd d'er an +doen? Wat wist zij van z'n zaken af? Geen woord repte hij ervan, +hij hield haar van alles onkundig tot ze voor 't faljiet stonden. + +Een rauwe vlijme smart, de hooploosheid van nooit 't verlorene +te kunnen terugwinnen, en 't besef van op straat te worden gezet, +somberden in haar op, omklemden haar als met worgende handen. Ze stikte +bijna in eigen radeloosheid. Er moest iets gebeuren, maar wat?.... ja +wat? Haar behuilde oogen staarden wanhopig door de schemertreure kamer +naar 't erbarmelijk overschot van haar eerst zoo mooie inboedeltje; +dat beetje zou ook gauw versnipperd worden, als ze de woning werden +uitgezet, waar dan naar toe? 't Boeltje in weer en wind op de publieke +straat, misschien hier of daar in een hok, in een slop, of ergens op +een zolder, als ze dat dan nog konden vinden. + +Een verzet steeg in haar op. Nee-nee, dat niet, liever maakte zij +zich van kant, liever de gracht in dan die schande! En o,.... als +het morgen niet gebeurde, eens kwam het zeker zoover. Ze zag 't +zoo vast voor haar als daar dat licht! Al kreeg-ie ook morgen werk, +na korter of langer tijd liep 't weer mis. Op den duur viel er geen +land met hem te bezeilen; hij deugde voor niks. En 't ergste bleef +zijn aldoor-in-de-kroeg-zitten, zoogenaamd om werk op te schooieren. + +Nee-nee, dat leven kon zoo niet voortgaan! Hij liet haar tobben, +trok ertusschen uit. Ze moest van hem af! Een man die de kost niet +verdient is geen man, is een slampamper. Voor zichzelf haalde ze haar +broodje gemakkelijker dan met hèm erbij, al veel eerder had ze dat +moeten bedenken! + +Haar oogen staarden strak naar de neergedraaide lamp, waarvan 't +licht nog zwak òplichtte, de melkige kap, in de stroeve kamerruimte +zwevend als een halve, witte bol. De wind scheen te zijn gaan liggen, +'t gerucht was gering; ze meende te kunnen hooren de zachtheid van +de sneeuwval. + +'t Was werkelijk rondom stil. + +De gedachte van weggaan, onmerkbaar als een zucht opgestegen, +liet haar niet zoo grif los. Aldoor welden nieuwe overwegingen op; +ook de bezwaren drongen zich daartusschen. Weggaan? Goed en wel, +maar waar ga je dadelijk naar toe, waar kom je zoo ineens onder dak, +als je geen rooie cent bezit? + +Vooraf moest ze overleggen wat ze ging doen. In betrekking had-je +'t wel goed. Op tijd je eten en drinken, behoorlijke ligging en +verzorging, na drie maanden nog je loon erbij. Geen moeite had-je en +geen krimp, maar je moest voort van 's morgens vroeg tot 's avonds +laat. Al diende ze nooit, ze kon dat werk wel af,--en haar handen +wist ze te gebruiken. Als kind ging ze op een ateljee, deed later +'t huishouden van moe voor ze trouwde, dus dat zou wel kunnen. Het +uit wasschen en uit strijken gaan wat ze nu moest doen had ze ook +niet geleerd. Als ze eens 'n strijkerijtje opzette? voor haar zelf +begon? In dat geval moest ze de meubeltjes hoûen, de kachel en de +strijkbouten vooral! + +Ze keek weer rond door 't zwakverlichte, schemervale vertrek, +en 't omringende werd haar ineens dierbaar. 't Meeste had ze zelf +gekocht. Ach, van de vroegere overdaad moest ze al zooveel van de hand +doen. Maar hoe ook, 't hoorde hun beiden en niet haar alléén. Om te +verkoopen of naar de lommerd te brengen, daar was-ie voor te vinden, +maar om het aan haar af te staan, hoe kwam ze eraan? Ja, als ze het +wist op te koopen? + +Misschien als 't boeltje op straat werd gezet...? Dan kon-ie weinig +rechten laten gelden. Maar daarmee had zij 't zelf nog niet in handen, +eerder haalde-ie een sjacherjood erbij, dat liet zich denken, dan +kon-ie de centen ervan opsteken. Ja, als ze wat achteraf had, om +als 't zoover kwam 't hem af te koopen. Of die jood erop afsturen, +kwansuis natuurlijk! Maar die sjachels kun-je niet vertrouwen! + +Haar geest werd vindingrijk, maakte buitelingen, sluwe plannen en +berekeningen, die bij nader inzien onuitvoerbaar bleken. Wat ze ook +bedacht en hoe ze 't ook wou overleggen, bij alles diende ze geld te +hebben. Zonder dàt dee-je gewoon niks!! + +Ze moest dus eerst sparen. Maar ze kwamen al voor de huur te kort, hoe +kon ze dan wegleggen? Dat was toch al gos-onmogelijk! En gesteld, dat +ze elke dag wat achterhield, zou ze dat kunnen volhouden.... schraperig +wegstoppen als ze honger had? Nee, dat ging niet, toch zou 't +moeten.... + +Ze voelde haar hoofd sufzwaar worden van al dat moeizaam +overleggen. Zeker? ze wou van hem af, alleen ze wist niet op welke +wijze. Die huisheer bleef 't ergst, en niet gemakkelijk uitgevallen, +een echte uitknijper, die op een cent dood blijft. Was ze nu maar een +mooie vrouw dan kon ze hem paaien, eens lief aankijken. Daar deed-die +vent veel voor, zeien ze. Maar daarvoor deugde ze heelemaal niet. Die +Greet lapte 't goed, kreeg alles met een lachie en een fijn smoezie +gedaan, maar zij verstond dat kunstje niet, zei alles gewoon-weg +en recht-uit. Ze kon 'n kerel niet aanhalen, niet flikflooien, haar +eigen man niet en een ander nog minder, je moet ervoor geboren zijn... + +Haar gedachten gingen zich leggen, ongemerkt,--en haar oogen, +zwaar van slaap, kon ze niet meer openhouden. Ze voelde zich +indommelen. Misschien maar 't beste, morgen komt er weer 'n dag! zei +ze berustend. + +Het klokje sloeg. Ze schrikte op, luisterde. Eén uur. + +Hij was er nog niet.... als-ie eens... als-ie eens wegbleef, niet +terugkwam? Ze durfde haar gedachte bijna niet uitspreken. Een vreemde, +vage jubel drong in haar op, overmeesterde haar. Niet terugkomen... wie +weet? + +Ze raakte ineens weer klaar wakker, zei: Nou niet slapen, opletten! Al +wat ze daarnet overpeinsde gebeurde wie weet vanzelf, ze was dan +vrij... om te handelen. Maar nee, er bleven bezwaren. De huisheer kwam +dan bij haar, en waarvan moest ze hem betalen? Misschien gaf-ie toch +uitstel, als d'er man haar liet zitten. Mogelijk, maar óók niet! Van +zoo'n steggel, zoo'n penningfokker had ze niet veel te verwachten. + +Haar gedachten vertroebelden weer, werden loomer, zwaarder. Ze +verzette zich ertegen, wou niet aan de slaapdrang toegeven, wou wakker +blijven. Maar 't ging niet; ze dommelde, dutte in. + +Telkens schrikte ze even op, meende gerucht te hooren, en als ze +keek zag ze 't bed nog leeg, en in 't vertrek niemand. De kansen +vermeerderden, en dadelijk dacht ze weer aan wat nu 't eerste ging +dringen: de huishuur. Toch maar makkelijk voor zoo'n vent om huisjes +te hebben en daar geld van te kunnen trekken; dan anderen uitschelden, +op straat zetten... en zelf al slapende je kostje halen! En gelijk +dacht ze weer aan die elf weken ten achter. Die haalde ze nooit +in... ze moest dus toch de straat-op, uit dienen... of nee, een klein +hokkie huren en dan de strijkkachel mee! Haar gedachten dwarrelden +weer door elkaar. Ze zou wel zien... morgen... morgen... ze kon nu +niet denken... was-ie daar? + +Met schrik hief ze zich op, keek met slaapoogen rond. Nee, nog altijd +niet. Gelukkig! + +Haar oogen sloten zich weer, ze trachtte ze nog open te knipperen, +maar ze bleven toe. Die huisheer... die huisheer! + +'t Werd al vager en verwarder wat ze dacht en wat ze overlegde. Ze +poogde nog eens de oogen te openen, dan sliep ze in, zwaar, onrustig, +overzenuwd door de vermoeidheid, de afmatting na de vele opwinding. + +Ze droomde gruwelijke dingen... van moorden en vervolgingen en van diep +vallen in een water. Even werd ze weer wakker, schudde de nachtmerrie +van zich af, maar de dwanggedachte dat ze zich moest verzetten en +handelend optreden liet haar niet los. Slaap en droom verwikkelden +zich, dwarrelden dooréén, werden één enkele benauwing. + + + +Over tweeën sukkelde Baller naar huis. + +Tot het sluiten toe was hij in het koffiehuis blijven plakken, +meedrinkend op de reutel als er werd getrakteerd door de +eigenbouwers. Hij had, wat hij noemde een snee in de neus en hij +wist dat z'n vrouw dan van hem walgde en gruwde. Ze kon niet velen +dat hij aan haar lijf kwam, of haar maar even aanhaalde. Hi-hi-hi, +hitste hij zichzelf op, bij mij is 't net anders om, als er een +glaasje inzit ben ik leutig en dan hoû ik weer van 'n vrouw. + +'t Was hem vanavond nog al meegeloopen. Wat +zei-ie? meegeloopen... gewoon prachtig gelaveerd, werkelijk +geboft! Vier revolutie-panden in het grond-papier zetten, als het +teminste dooiend weer bleef, want met vriezen gaat alles stuk, +'t gaf eenige weken spek in de pan, ook al moest-je-je uit de naad +schrooien. Plakken, plakken, dat je gek werd van al dat gestrijk +en zelf een bonk stijfsel werd! Als-ie aan 't werk dacht werd-ie +alweer klein en voelde zichzelf al mierig, een echte naar beneden +gezakte. Verdorie, daarmee hadden ze vroeger eens bij hem motte +ankomme!... Naar de mookerhei met dat revolutiewerk, de een deed +'t al minder dan de ander, enkel om aan de gang te blijven en je +verdiende niet veel meer dan een schanslooper. + +Maar allé, hij kon zijn vrouw toch toonen dat-ie wou en dat het niet +zoo stom is in de kroeg te zitten. Als de berg niet tot je kwam, +most-je wel tot de berg gaan! O zoo! Lekker zou-ie haar nou 'es +troeven, nou had ze net niks te zeggen! Leutig werd-ie weer terwijl +hij dat overdacht en onder het sukkel-zware loopen zijn vroolijkheid +van halfdronken man weer steeg. 't Was koud en rillig, blij zou-ie +wezen als-ie bij zijn vrouw onder de dekens lei. + +Zou ze nog òp wezen? Liever had-ie dat niet. Al moeite genoeg zou-ie +hebben zich naar boven te hijschen op die vervloekte steile trap. In +'t volle licht kreeg ze 't ook al gauw in de raamstraten dat-ie een +knap stuk in had, en dan gaf ze zoo op hem af. + +Een huiver van genot liep hem door de leden. Hij moest juist een +tikkie òp hebben, om je weet wel in de rechte stemming te wezen. De +heele week heb je al mizerie genoeg, zaterdagsavond wil-je wel 'es +van je vrouw profiteeren! Je bent toch niet voor niemendal getrouwd, +al lijkt het er veel op! + +Zich met moeite door de soppige sneeuw heen baggerend, stijf van +leden, dofzwoel en toch zoo prikkelend-fel van hoofd door de vele +borrels en het sukses van z'n werkoploopen, raakte hij eindelijk aan +de deur en kon hij de vele treeën opklauteren. Gelukkig! net zooals +hij dacht, ze lag al te bed! Had-ie wel goedgekeken, het lampje was +toch neergedraaid? Mal, dat je soms aan je eigen oogen twijfelde. Geen +wonder ook, want d'er zat vanavond genoeg in! + +'t Viel hem al moeilijker zijn evenwicht te bewaren en meermalen +moest hij zich vastgrijpen aan het traptouw om niet naar beneden te +tuimelen. Verdraaid, hij was verder onder zeil dan hij meende. Nou +goed, lollig voelde hij zich toch, ja juist omdat-ie had gedronken, +en ook dat-ie weer troeven kon met 't werk! + +Eindelijk stond-ie nu boven, opende behoedzaam de deur en sloop +binnen. In 't vale schijnsel van 't half neergedraaide lampje +ontkleedde hij zich bedachtelijk, telkens inzichzelf grinnikend en +ophikkend en toch zich weer inhoudend. Zoo stil mogelijk, hoewel +niet geheel zonder stommelen, werkte hij zich in bed. En nu, na eerst +even te hebben gerust, herkreeg hij de volle moed en meende zich te +kunnen laten gelden. Opgehitst door de drank kwamen zijn zinnen fel +in beroering, en eerst nog aarzelend, dan al gedurfder en brutaler, +ging hij haar aanstooten, probeerde haar wakker te maken, gesmoord, +hitsig roepend haar bij de naam. + +Maar haar slaapzucht werkte al te zwaar door, zoodat ze het niet +merkte en na elke vage opschrikking nog dieper indommelde. Haar nu +gloeiend-warm lichaam verroerde zich niet onder zijn duwen en zijn +tastelijkheden, 't lag er onbewogen onder alwat hij begeerde. Even +kreunde ze 't onbewust uit als hij al te erg werd en sliep weer +door, al voelde ze vaag dat er wat met haar gebeurde en waartegen +ze zich moest verzetten: hij vervolgde haar, wou haar tot zijn wil +hebben. Maar 't bleef alles voor haar onwezenlijk als in een droom, +een zware beklemming met allerlei verschrikkingen die ze dacht te +ontvluchten en waarbij ze dan stortte in een groote diepte. Tot +eindelijk hij afliet en ze van niets meer wist. + +Uitgeput van zijn getob, viel ook hij in slaap en snurkte zonder +droomen. + + + + +IV. + +Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker, +suf-zwaar in haar hoofd. + +De winterdag grauwde maar zwakjes door 't vertrek en in 't +zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een +zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn +drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij +teruggekomen zonder dat ze 't merkte of wist?--Ze begreep zoo weinig +ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke, +starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer +droomde. 't Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet +werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was. + +Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z'n armen, +zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm +van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde +haar dat ze zich vergiste. + +Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van +gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze +kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon +zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets +doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte +zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig +door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei: + +--Hè, wor 'es wakker!!! + +Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker +hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare +dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in +'t bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om +hier naast hem te wezen in 't zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van +hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen. + +In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee +glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht +dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg, +en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren; +ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten +weigerden,--en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in +'t vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handen bijna niet +samenwringen, want ze moest denken, denken. + +En langzamerhand werd 't haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid +meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat 't anders +bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele +verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar +werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf +voor 't magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit +naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet +te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij +schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen. + +Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde +het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens +in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf +ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw. + +Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet +wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo'n smeerpoets... zoo'n +dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het +niet. 't Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends +tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar +gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie +niet...? + +Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op, maakte haar dol. Razernij +pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem +wurgen, maar nu ze bij 't bed kwam voelde ze weer trillende angst: +hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest +ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan! + +In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te +hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over +'t gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze +had vergeten ze te stoppen, d'r kon ze niks aan doen. 't Moest maar +zóó... ze moest weg. + +In een oogwenk stond ze in de kleeren. + +Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had +rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden! + +Ze sloeg een doek om...'t vodje van een hoedje had ze ook al op, +moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder +de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en +wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en +bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in 't rond. + +De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar +af. Gotallemachtig, wat was 't koud. Zou ze toch nog eerst koffie +zetten? Welja, 't goed stond gepakt, als-ie z'n doppen opendeed, +kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou 't hem dan ook geducht +inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang? Bang voor hem, voor die +aap? Hoe kwam ze d'eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette.... + +Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water +zat van gisteren, haalde een kopje, 't builtje met koffie uit de kast, +begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich +nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht +het hem bekomme... als-ie wakker werd. + +Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de +ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou +kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen +later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan 't zwarte vocht. 't +Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze +deed. Nee, nee, 't was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen +of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen. + +Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem +in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus, +maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij +zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde +zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren +open te rukken, en 't hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze +bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei, +beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven. + +Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden +zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja, +in 't laadje van de tafel? + +Met de koude, kromme vingers kreeg ze 't maar moeielijk gedaan. Ze +moest er bij gaan zitten en telkens de punt van 't potlood vochtig +maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar +uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan +weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze +er nog bij over z'n verschooning! + +Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op +de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij 't dadelijk moest +zien als hij d'eruit stapte, overkeek nogeens 't vertrek in 'n gevoel +dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit, +tilde de zak op, vooraf al door haar in 't portaal gelegd, en zakte +dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet +toegaf onder haar treden. + + + + +V. + +Nu stond ze buiten en herademde... + +En dadelijk zonder zich verder te bezinnen ging ze op weg, verluchtigd +als ze zich voelde door de daad na al het getwijfel. Hij verdiende +het te volle dat ze hem liet zitten! + +Door de leege straten woei een scherpe wind, die langs neus en ooren +schrijnde, en het snelle voortgaan belemmerde. + +'t Vroor en 't dooide tegelijk. Dik lag de sneeuw op de wegen, op de +daken, op de drumpels, de richels, de ramen. De venijnige wind stoof +er gruizels af en de dooi plokte heele kwakken van de daklijsten. + +'t Was Zondag, dat zag ze, voelde ze aan alles. Er reden geen karren, +geen wagens,--en er waren weinig menschen op de been en de straten +leken van 'n eindelooze lengte, leeg-wit door de egaalheid van +de sneeuw. + +De lucht droop zwaar erop neer, of 't opnieuw zou gaan sneeuwen. In +de grachten sobberde op vliesje ijs een dikke, vooze laag, al aan +'t vergrauwen. + +Gejacht liep ze de straat ten einde, zonder te beseffen waarheen. + +De verlatenheid van de besneeuwde stad dreef ontmoedigend op haar +in. Haar voeten vertraagden, haar gang minderde. Ze voelde alweer een +vage spijt aan haar opwelling te hebben toegegeven. Wegloopen ging +gemakkelijk, maar wat nou? Waar moest ze naar toe? In de barre wind, +die om haar rokken joeg, voelde ze zich armelijk, als gestriemd op 't +naakte lijf. Ze bleef staan om erover na te denken. Teruggaan? nee, +dat niet, al kon 't best, hij sliep nog, hoefde niets van haar +wegsluipen te weten. + +Een huiver van kou en killigheid omving haar, drong door alles heen. + +Waar ze stond smolt de sneeuw weg onder haar voeten en de vochtigheid +om-stijfde haar, kroop langs haar beenen òp. Met die zak kon ze toch +niet de heele dag rondsjouwen, waar moest ze hem laten? + +Een gierwind kwam aangestreken, sneed haar rauw in 't gezicht. Om +die te ontgaan, schoof ze de hoek om, maar daar bleek het ook al +niet warm, al stond ze er meer beschut. Ze moest besluiten. In elk +geval eerst die zak ergens neerzetten en dan verder zien! Maar bij +wie? Bij de melkboer? Dan moest ze een eind in de straat terug, en +allicht kwam d'er man dan achter dat adres. Zoo dicht in de buurt, +nee nee! Liever naar de turfman, dat leek haar sekuurder! + +Zij pakte haar zak op, scharrelde moeizaam tegen de wind op de andere +straat in, naar de brandstoffenschuur, maar die vond ze gesloten. O, +ja, Zondag, nou dan naar de melkboer! + +De man maakte geen bezwaar, riep haar toe: + +--Zet maar neer! + +'t Lag op haar lippen te zeggen, dat hij de zak niet aan haar man +mocht afgeven, maar ze bedacht zich. Wat had zoo'n melkboer met haar +kwesties te maken! + + + +Nu de handen vrij, voelde zij zich verlicht, liep zenuwdriftig voort, +te vlug van tred om veel te kunnen denken. + +En ze wou overleggen;... ze liep almaar door, zonder eenig plan of +doel. Langzamerhand vertraagde haar gang, en alles woelde weer in +haar op, de jonge jeugd, haar kennismaken met hem, de trouwdag, de +kinderen, het trekken naar Amsterdam, de geleidelijke overgang van +welstand naar armoede, en nu het tobben en zwoegen zonder eind. 't +Genot was treurig-weinig en de bitterheid des te meer. Waarvoor leefde +een mensch toch eigenlijk? + +De eene straat uit, de andere in, sjokte ze voort, de halve stad in +het rond. Haar rokken dreven van de dooi, en ze merkte dat ze telkens +op dezelfde plek terugkeerde. 't Gaf haar een gevoel van benauwdheid +en van gerustigheid tevens. Maar dat kon zoo niet langer duren, +ze moest tot een doel komen! + +De witte verlatenheid der stad, de eindelooze sneeuwlaag, 't maakte +haar oogen blind, haar gedachten dof en stomp. Opnieuw vroeg ze zich: +waar naartoe? + +Naar huis, naar haar ouwe lui kon ze niet gaan, die waren te oud en +hadden zelf ternauwernood,--en ze wíst al van tevoren wat ze zoûen +zeggen: een vrouw hoort bij haar man, en niet bij haar ouwers. Dat +haar vader zoo praatte, nou ja, een man blijft 'n man, maar voor haar +moeder leek dat naar niks. Alsof die niet beter wist! Vader was zeker +niet de kwaadste, en toch goed en lief zijn voor eigen vrouw stond +niet vooròp. Als moeder ook zoo sprak, kwam het eerder uit angst, dat +ze haar weer op 't dak kregen dan uit werkelijk meenens. Zoo gaat 't +altijd in de wereld: ze geven je raad om vrij te zijn van de daad. Nee, +de ouwe menschen zou ze niet lastig vallen!--En dan, ze woonden in +Gouda, dan moest ze met de trein en ze had geen geld. Liever bij Greet +aanloopen! Maar o, o! op Zondag zat de heele rompslomp thuis en zoo +vroeg leien ze nog in bed, voor tekst en uitlegging geven voelde ze +weinig lust. Nee, geen geschikte dag daarvoor, ze moest wat anders +verzinnen. Maar wat, daarop kwam 't aan. Ongemerkt liep ze weer harder, +draafde de week-besneeuwde straten af. + + + +De vroege zondagmorgenstilte begon toch gaandeweg zich op te heffen, +verloor haar starre leegte. Melkboeren, brievenbestellers, kerkgangers +doken op, sopten door de vochtig-rulle sneeuw. Rijtuigen kwamen +bel-tinkelend aangereden, en de snelle raderen maakten diepe smerige +geulen, die bruin-glad opblonken. + +De zon glimpte door het wolken-net, overstraalde blank de besneeuwde +stad, die in klare schitter ineens ervan opleefde. Maar lang duurde dat +niet, de wolkenvracht schoof zich weer saam, verdrong de zonneflits, +die hoe kort ook van brand, de blanke laag tot een goor sopje +maakte. De wind, eveneens gekeerd, hielp 't griffe dooien mee. + +Aldoor moest ze haar rokken hooger tillen. De sneeuw werd al weeker +en drabbiger, versmolt tot moerassige plassen. Vaak wist ze niet +welke kant uit te gaan, om haar schoenen en kleeren te sparen. + +Het vocht zoog op haar aan, doorrilde haar. De vingers, knoke-stram +van 't gedwongen rokvasthouden, deden bijtende pijn. Nog stakeriger +en bonkeriger zag zij zich voortschuiven door de morsig vieze +straten. Van de daken glipten ook al meer plokken nattigheid en +'t dooivocht siepelde van goten en lijsten. Onder de boomen kon ze +niet loopen door de natte smakken die er neerklakten, van alle kanten +spatte en droop het op haar aan. + +Straatjongens kwamen van de trappen, maakten sneeuwballen, gingen +elkaar gooien. De natte kletsen vlogen ook haar om de ooren, raakten +soms even, snorden haar voorbij. Ze wist zich niet te bergen, al +meer natte ballen ploften om haar neer. Eén kreeg ze vlak in de hals, +haar adem stokte ervan, zóó schrikte ze door die plotse natte kwak, +'n volgende gooi kwam op haar hoed terecht, en weer een andere smakte +tegen haar oor aan, maakte haar doof. + +De bengels schaterden het uit èn voorbijgangers lachten mee, +maar zij kon wel huilen van ellende. Haar stramme vingers gristen +de natte sneeuw van haar hals weg, terwijl nieuwe ballen op haar +neersmakkelden. Het water droop haar langs gezicht en ooren, sieperde +in haar kraag, geulde door tot op haar rillig lijf. Ze moest zich +reppen, om als mikpunt te ontkomen, trapte in haar haast door plassen +water, zoodat het drab tot aan haar hoed spatte. Van vochte sneeuw, +zakkend uit de boomen, van de daken, kreeg ze ook nog kluiten mee, +die haar nog meer bemorsten. + +Eindelijk raakte ze om de hoek, een dwarsstraat in, nu gelukkig uit +'t gezicht der bende. Ze herademde, doch de schuwe vrees voor andere +jongens zat er in, joeg haar angstigend voort. De rokken, die ze had +laten slepen, om gauwer uit de voeten te komen, waren slobbernat, +de stootkant van modder korsterig en doorweekt. Een verlangen weer +binnenshuis te zijn, ergens onder dak, doorknaagde haar. Maar nee, +dàt niet. Liever verdronk ze zich dan nu armzalig terug te keeren! Haar +kinderen waren dood, èn hij kon haar gestolen worden! + +Toch, de eenzaamheid, het zich alleen op de wereld voelen, drong +op haar in, riep òp de zucht om een eind eraan te maken. Maar ze +zette die gedachten van haar af. Hoe kwam ze daar toe, zichzelf te +kort doen, waarom, waarvoor? Ze kon werken, had nog handen aan haar +lijf. Als ze aan zulke inblazingen van de Booze toegaf, moest ze ver +zijn afgedwaald. + +Beangst voor haar zelf zette ze de vaart erin, begon weer hard te +loopen, sjokte gehaast de stad dieper in, zocht de drukke straten op, +om ver van eenzaamheid en 't grachtenwater te komen. Een nieuwe angst, +voor ongelukken, voor een pan of steen, of om onder een rijtuig te +geraken, overweldigde haar nu. Ze verbeeldde zich dat haar wat moest +treffen, en in die vrees liep ze almaar voort door de straten, die +drukker en ook drekkiger werden. + + + +Zonder het recht te weten stond ze voor de Oude kerk. Zware +orgelklanken dreunden op haar aan. Was dit een teeken? Deemoedig +sukkelde ze binnen, keek naar een plaats, liet zich neerzakken, +begon God te bidden, te danken voor haar redding. Maar de woorden +welden traag, ze kon ze bijna niet vinden. Wat ze 't sterkst voelde +waren haar lamme leden, haar vochtige kleeren, haar natte voeten. + +De orgelklanken omstroomden haar weldadig en 't deed goed er naar te +luisteren, 't ontspande haar, bracht haar in een stemming om zachtjes, +zalig, haar tranen te laten komen, haar onrust weg te schreien en +geleidelijk-aan zich weer op te heffen. + + + +De preek begon. + +Ze dwong zich nu om goed te luisteren doch, na de eerste woorden van +de tekst dwaalden haar gedachten alweer af. + +Ze was zoo moe, zoo moe. Een gevoel kreeg ze alsof ze ernstig ziek +zou worden en dan langzaam naar de hemel te varen, zooals ze hier nu +zat. De aandacht van de menschen voelde ze als een strakke spanning, +een vreemde stilte om haar heen,--en de woordgalmen van dominee +streelden op haar in, evenals daarnet de orgelklanken. Telkens zette +zij zich rechtop om toe te luisteren, maar ach, wat hielp het: ze +wilde niet naar huis terug, en 't leek wel of alle woorden die van de +preekstoel kwamen daarop doelden. Gekheid natuurlijk, gewoon toeval, +ze hield niet eens de draad vast, wist ternauwernood waar dominee +het over had... Toch de woorden: plicht... zich verzaken om hoogste +lof te winnen... bevrediging van 't leven... eerlijkheid en trouw, ze +kon ze allen op haar zelf toepassen. Ze zou nu toch goed op letten, +doch welke moeite ze zich ook gaf, het eenige wat haar verwarde +ooren vingen waren brokstukken die op haar zelf betrekking hadden, +al 't andere ging verloren. + +Ze herleefde heel de bange nacht, haar droomen, haar verwachten, +ze zag terug de stond van gisteravond, hervoelde opnieuw haar haat +voor hem, haar minachting, haar afkeer en ze trachtte die weer te +sussen. Gansch haar leven vlamde voor haar op. 't Stond voor haar in +afgedeelde vakken. Wat was ze als meisje opgeruimd, hoe gauw verkeerde +dat en hoe neergedrukt zat ze nu. 't Was haar schuld...? De stem van +de dominee klonk er door heen. Haar schuld? mogelijk, ze wou zich niet +vrijpleiten... Maar hij dan? Welnee, ze was niet schuldig, ze deed haar +plicht. Met liefde en toewijding, klonk weer de stem van dominee. Ze +schrikte ervan op, probeerde te luisteren, het verband te vinden, +doch de woorden glipten langs haar ooren heen. Vanzelf dommelde ze +weg in haar vage luisterpeinzen. De warmte der stoven, de aandacht der +anderen, 't stemde haar zachter, stilde haar oproerigheid. Ze zag de +nachtscène weer anders. Zeker, hij was in 't begin wat aardig--en hij +kon 't nog wezen... wel niet zoo als vroeger, toch 't ging. Alleen +hij was zwak... en lui... en ongedurig... eigenlijk geen man... een +kind! Als-ie maar niet dronk. Waarom liet hij dat niet? Ze vroeg het +hem ieder keer opnieuw en dan zat-ie met de mond vol tanden of zei dat +'t door haar kwam. Door haar? Hoe vond-ie 't uit? Elke dag, die de +lieve, goeie God gaf, zei ze toch: Jan, nou niet drinke! En toch liet +hij 't niet. Gemakkelijk genoeg op haar de schuld te schuiven... Zoo'n +laffe vent, nooit had ze met hem moeten trouwen! + +Maar de hoogmoed stak haar in de kop, ze wou hooger òp... en nou +zat ze er voor. Haar zusters, affijn, die hadden 't niet beter, +die moesten ook vooruit, 't was kind op kind en de mannen vaak +zonder werk. En zoo ging 't met allen die ze kende. Waarom bleef +je als vrouw niet liever alleen? Ja waarom? Wie kan dat zeggen, +'t gaat van zelf... bijna als geboren-worden. Je ziet een man en 't +komt ervan, zonder dat je 't zelf beseft. Je verbeeld-je al dadelijk, +dat hij de rechte is, dat je zonder hem niet kunt leven; maar als +'t afgaat blijf je toch leven en na een tijd krijg je weer kennis +en beeld-je 't weer in of maak-je zelf wat anders wijs. Zoo gaat +het verscheiden malen en je weet later niets meer ervan als dat je +eens verliefd was. Als liefde zoo makkelijk komt, wanneer is het +dan echt en waarom kijkt een mensch niet beter uit de oogen, zoodat +men de goede krijgt? Ook zij meende zoo goed te hebben uitgezocht, +... was er toch zoo iets van bestemming? 't Moest haast wel.... + +De stem van de dominee klonk forscher òp, overvulde haar ooren. Ze +trachtte weer te luisteren. Jawel, daar had-je 't al, de dominee sprak +ook van de menschelijke bestemming... Een schande, dat zij zich niet +meer moeite gaf de preek te volgen. + +Zij strekte haar lange rug nog wat rechter, strekte zich op, om zich +zelf tot meer aandacht te dwingen. Haar scherpe neus hoekte boven +haar dunne, spitse lippen uit en bij de zachte kerkeschemer zag ze +zich zelf in die spitsheid zitten, strak en stijf van gedwongenheid +om geen woord te laten ontglippen. En nu kon ze ook haar aandacht +op de preek gevestigd houden, hoorde ze dominee's woorden op haar +neerruischen, de woordjes, die als kralen aan een snoer geregen, +uit zijn mond weggleden. 't Begon haar te stichten, tot plots de +preek bleek gedaan! Het speet haar zeer! Zij trachtte te bidden, +maar onder 't leege lipgemurmel dreven vanzelf haar gedachten terug +en de aandacht ging opnieuw verloren. + + + +De kerkdienst was geëindigd. + +Met de anderen liep ze mee, alsof ze ging in een zwaar gareel en +werd voortgestuwd. + +Haar moeiheid en zwaarheid in 't hoofd was wat over gegaan, maar +haar beenen voelden stram en stijf aan. In een soezel dreef ze mee, +de kerkdeur uit. + +De mannen sloegen de broekspijpen om, de vrouwen namen haar +rokkenvracht hooger op, en ze deed dit ook. 't Bracht haar ineens +tot de werkelijkheid terug van op straat te zijn. + +Er glimpte een straaltje zon, en dat maakte haar duizelig, ze moest +zich aan de kerkdeur vasthouden om niet te vallen. Een oogenblik +maar, 't kwam zeker door de warmte en haar lange suffen. Zie zoo, +'t ging al weer over! + +Voor haar lag 't stukje plein, en ze zag de Oude-kerksteeg vol +sneeuwig drab, grauw doorsiepeld en bruin van 't kledderloopen. Ze +moest er wel doorheen, daar viel niets aan te doen. Ze ontkwam dat +niet, evenmin als de anderen. + +Rijtuigen reden aan, portieren klepten open, menschen stapten in, +portieren flapten toe, 't paard trok, de wagen rolde al voort en weer +anderen volgden. Dit was alles voor de rijken, niet voor haar. Ze +voelde dit minder dan ze 't zag, 't gaf haar alleen een angst voor +gevaar van onder de wagens te kunnen raken, 't maakte haar weer wankel +en duizelig ook. Maar de koetsiers weken behoorlijk uit en stuurden +allen naar een zelfde kant, zoodat zij niets hoefde te vreezen, en +terwijl ze zoo voortging wou ze wel lachen om haar eigen bangheid, +zij, die voor een paar uur zich van kant wou maken. Wat was een mensch +toch een wonderlijk mengsel en van waar kwam die angst om niet uit +'t leven te durven scheiden? + +Zij stapte nu flink aan, maar in 't sneeuwdrab van de straat moest +'t vanzelf weer sjokken worden. Haar gedachten namen dezelfde maat als +haar voeten, 't ging op en neer, aldoor van voren af aan. Een mensch +maakt zichzelf het leven lastig, waarom dan toch? Eerst doe je moeite +elkaar te vinden en dan om van elkander af te komen; je draait als een +tol in 'n kringetje rond. Die dominee... wat zei dominee ook weer? Ze +wist het niet. Een schande, ze had er niets van gehoord. Als ze naar +hem toeging om raad te vragen, ja, maar dan moest ze een enkel woordje +kunnen zeggen over z'n mooie preek. Nee, naar hem ging ze niet... ze +had niets er van vastgehouden, ze zou gaan naar een ander, naar haar +eigen dominee... 't Was een idee,... die kon haar redden... misschien +kon het aan vaste werkhuizen helpen. In elk geval moest ze iets doen, +het rondslenteren in de natte sneeuw maakte haar al te lamlendig. + +De zon was opnieuw achter de wolken weggedoken en een schriele wind +joeg door de straten, die nu na kerktijd over-vol raakten. De leegte +van vanmorgen leek met een vlaag omgezet in grauwe rumoerigheid. 't +Jachtte en stootte en 't trapte haar alles voorbij, ze dorst niet +op te kijken, de drukte maakte haar niet opgeruimder. 't Was, of ze +zichzelf schaamde met haar ellende voor al die anderen, die luide +spraken, hoog-op lachten en gelukkig deden. Zij joeg zich voort om +gauw bij dominee te komen. In één zenuwtrek liep ze door. + + + + +VI. + +Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop +rukte, kreeg ze klaar 't besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch +ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en +keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open, +er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar, +dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze +'t niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even +wilde binnenkomen? + +Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken, +voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis +was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden +al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren, +de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl +ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur +van de spreekkamer, zei gewoonte-effen: + +--Dominee komt derèk bij u... + +'t Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk +voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk +zeggen dat haar man zoo'n beest voor haar was, dat ze van hem af +wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder +haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp +in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid. + +Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een +stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij +zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen. + +Ze bedaarde al weer. In 't begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan +toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon +blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat +dominee daarvan dacht. 't Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de +kost verdienen voor hem erbij. + +Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege, +luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes +meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij 't uitstorten van +haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind +als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp. + +Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang +begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte +haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg. + +Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat +oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar 't meest. Ze begon er aan +te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch +dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei: + +--En hebt-ge samen aleens overlegd, al 't mogelijke beproefd? + +--Overlegd? vroeg ze verwonderd. + +--Ja, 't is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw +heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker 't leven is +moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch +daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan. + +Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,--en dominee +praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna +van aan 't snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken. + +--En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht? + +--Dood! zei ze somber. + +--Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit +aan de andere kant 't ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel +aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden... + +--Als 'k dat maar kòn, snikte ze uit, als 'k dat maar kon... 'k heb +alles geprobeerd. + +--Kom moedertje, moed. Een boom valt niet in één slag... de drank is +een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende +vrouw vermag veel? + +Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde +dan: + +--U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij +me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam? + +--Baller, dominee! + +--Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met +Gods hulp hem op een beter pad te brengen. + +Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein, +alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee's tijd en +welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel +zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar +zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in +'t zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid. + +--Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur +hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en +anders 's avonds ook. + +Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar +de deur toe, waar 't gepoetste koper van deurknop en ketting haar +goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al +opwekkender bewoordingen, en ze wist niet te antwoorden; ze knikte +enkel toestemmend met haar zware hoofd. + +De meid schoot toe om de deur te openen, doch dominee wenkte afwerend, +zei: + +--Laat het maar Antje... + +Onder 't praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar +nogeens moed in, herhaalde, dat ze h'r man moest sturen, en nu stond +vrouw Baller weer buiten. + +Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze 't +zelf-had. Maar de schriele wind en 't soppige weer maakten 't haar +wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen, +mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon! + +Waarom had ze niet liever om 'n drie gulden gevraagd... dan kon ze +teminste uit de voeten... D'r man op een betere weg brengen, och +lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm +van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit +'t warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen +was ze toch niet, of 't streelde haar gehemelte... wat deed ze bij +dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste +dagen te redden bleef het eerste en 't eenige wat haar kwelde. Met haar +twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel +uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht +onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat ze haar huis +werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek +'t nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar +naar 't armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter +zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch +aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde 't haar, dat ze +toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich +te vol. 't Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou +ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed. + +De gedachte aan de koffie, aan 't gebraden vleesch maakte haar +ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna +nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze +kreeg behoefte aan wat warms. + +Ze voelde zich huiverig van de koû. 't Was ineens weer gaan +vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg, +maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was 't +niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had +ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar +die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg, +wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze +niets mee. + +Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû +tot morsìg ijs ging stijven. Gladde, diepe voren lagen overal +gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog +'t dooiwater sieperde. 't Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp +waren de pasbevroren dooi-ríchels. + +In de Pijlsteeg zag ze 't groote bord van de gaarkeuken, wel drie +keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, +uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme +stumper. + +Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat +het gebouw was gesloten. Ze begreep 't eerst niet, bleef aan de deur +rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei: + +--Zondags is 't maar tot één uur open! + +Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk +maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar +moest ze naar toe? + +Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, +maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met +'t logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor +dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging +niet! Ze griezelde ervoor. + +De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. 't Bracht haar in +gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en 't daarna +sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. 't Was +wel niet veel wat er stond, maar ze zat toch beschut--en met een +beetje kokes kan je 't warm stoken. + +Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in +een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die +loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die 't daglicht niet kunnen +velen. 't Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest +er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder 't loopen op, maar de +maag scheen niet minder leeg te blijven. 't Feit verwonderde haar, +in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood +bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben. + +De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet +heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog +altijd zien wat ze deed. + +Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar 't verhielp niet, dat ze +zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die +menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door +haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op 't lijf. Ze dacht eraan op +een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was 't nog te veel dag. Ze +schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet +om geld te vragen. Ze kon 't nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee, +dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe. + +Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens door haar heen, dan moest +ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte +en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te +komen. Of 't veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan +mocht ze niet loslaten. + +Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... 't +kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens +de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was 't +kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende +dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar +niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten, +maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden. + +Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou +aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te +kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop +steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker, +er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de +verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan +haar in de steek liet, ja dan werd 't wat anders!... + + + + +VII. + +Ze liep nu langzaam de kant op naar huis. Het wankelde en twijfelde nog +aldoor in haar, al besloot ze om terug te keeren. 't Zou zoo heerlijk +zijn geweest als ze teminste een nacht had kunnen wegblijven. Dàt zou +hem koest maken, hèm leeren niet op haar gedweeheid te vertrouwen. Maar +nu, juist op zondag, leek haar ergens onder-dak-geraken dubbel +moeilijk. + +Dicht bij huis kwam het bij haar op bij Greet Hesselaar aan te loopen, +'t werd dan meteen wat donkerder; om bij licht aan te komen stond +haar maar matig aan. + +Ze strompelschokte tegen de trap op. God-in-de-hemel, nu voelde ze +eerst recht haar moeheid! Blij zou ze zijn, als ze eens even kon +uitrusten. Drie-hoog, een heele rek!! + +Ze klopte aan, draaide de deurknop om, bleef weifelend in de opening +staan. + +--Kom binnen... waar heb-jij de heele dag gezete? klonk haar al tegen. + +Ze trok met zware handen de deur achter zich toe, nog te veel buiten +adem om dadelijk te kunnen antwoorden. + +De familie, man, vrouw en vier kinderen zaten om de tafel, Hesselaar +zelf lag hoofd op zijn armen, ingeslapen. De kinderen staakten hun +eten, hielden de vork omhoog in de handen en keken nieuwsgierig. + +In 't vertrek was geen stoel vrij. Alle bezet. Ze hadden er zes en een +fauteuil, maar een er van stond in de hoek met gebroken achterpoot, +en om te voorkomen dat iemand erop plaats nam, werd die stoel voor +bergplaats gebruikt. Nu lagen de jasjes er op van de kinderen. + +Moeder Hesselaar gaf aan een der kleuters een teeken om op te staan, +zijn stoel aan haar te geven. De jongen deed het met weerzin, maar +hij deed het toch, hangleunde nu tusschen broertje en zusje in, +gaapte haar aan met onvriendelijk-nieuwsgierige oogen. + +--Waar heb je de heele dag gezeten? zei nu weer Greet. Je man is hier +wel drie keer geweest... hij zat erg ermee in! + +Ze gaf geen antwoord, haalde de schouders op, waarmee ze zei: wat +kan mij dat schelen! De ruwe gemakkelijkheid waarmee Greet sprak in +tegenwoordigheid van de kinderen, hinderde haar, maar de moeheid dwong +haar tot zwijgen. 't Was of ze ineens inzakte; ze kon niet spreken. + +Greet herhaalde nogeens, dat Baller d'er was geweest, dan vroeg +ze hartelijk: + +--Wil je niet een happie ete? + +Vrouw Baller schudde het vaal-blonde hoofd. Met de beste wil zou ze +geen brok erin kunnen krijgen, het warme eten, waarnaar ze straks +zoo verlangde, leek haar wee. De lucht alleen walgde haar tegen. O, +O, wat was ze moe! + +--Sjeneer je niet Sjenetje, drong Greet weer aan, die al een bord +leeg schraapte, wat groente en aardappelen opschepte. + +Vrouw Baller wenkte opnieuw afwerend. + +Greet schudde het rood-gezonde hoofd, bleef haar met open mond +aankijken, wachtend tot ze wat zou zeggen. + +Ze begreep, dat ze niet sprakeloos kon blijven zitten, al voelde ze +zich te veel ontdaan, om maar dadelijk erop los te praten. Heel +langzaam begon de kamerwarmte haar te ontdooien, weldadig te +doordringen, en de gezelligheid, de vele gezichten om de tafel die +haar aankeken, ontspanden haar strakke trekken. + +--Wat is er gebeurd, herhaalde Greet, om haar tong wat los te krijgen. + +--Och niks, stootte ze eindelijk eruit, gisteren ruzie gehad, en +vannacht is-ie dronken thuis gekomme! + +Greet zuchtte eens. En die zucht zei meer dan honderd woorden. + +--Hij schijnt ook niet erg frisch te wezen, kwam ze nu zelf los, +op Hesselaar wijzend. + +--Nee, hij hêt gisteravond 'n raap in gehad, en vanmiddag, nou ja, +dàt wete we... ik laat hem maar uitslape en dan komp alles terecht. + +--Waarom die kerels toch altijd zoo zuipe, schimpte vrouw Baller +erover heen. + +--Ja mensch, dat schijnt erbij te hoore... een man die geen borrel +pakt is 'n witte raaf... dat kan je aan de balk schrijven... maar de +mijne is anders niet kwaad... alleen je mot hem goed late... as-ie +nou wat uitgeslapen is gane we naar Stoel en Spree... Zal ik nou +herrie make... da'r wor' ik toch niet beter op. + +Zij zette 't bord voor haar neer, zei aanmoedigend: + +--Toe, eet maar een stukje... dán kom je wat bij... geve en neme, +zoo is het overal in 't leve... je mot wete te schikke... de manne +benne allemaal 't zelfde. Hee, ouwe, sta 'es op! + +Ze klapte Hesselaar op de ingedoken schouders, schudde hem stevig +door elkaar. + +--Je mot denke, zei ze vergoelijkend, de heele week is 't hard +aanpakke... van 's morge's vor dag en dauw tot 's aven's toe... en +dan nog standjes en komplimente afwachte van de baze, ik ben al blij, +dat-ie maar werk houdt... de rest komp vanzelf. + +--Dat is 't hem net, maar de mijne is aldoor zonder, en ik draai er +dan voor op. Dat maak-je duvels... + +--Ja-ja, zuchtte Greet, már je bent ók már alleen... hebt geen kinders. + +--Ik woû da'k ze nog had, huilsnikte ze bijna. + +--Dat zou je niet zegge as je zooveel monde had open te houwe... En +slijte dat ze doene... geen draad blijft er haast heel... maar goddank, +ze benne gezond, dàt niet... ze vrete me de oore van de kop. + +Lach-tevreden keek ze haar kinderrij rond, schudde Hesselaar weer +door elkaar, schreeuwde: + +--Wor' toch wakker, d'er is vrouw Baller! + +Geeuwend richtte hij zich nu ook op, wreef de slaapoogen uit, --en +de kinderen lachten luid om de vreemde gezichten, die vader trok. + +--Hè-hè, flauwde hij, ik was pas in de dut, ho-ho!!! + +Hij keek nog slaapgeeuwerig rond, merkte haar nu op. + +--Zit jij hier... je man is op de zoek! + +--Zoo, hêt-ie angst? + +--Angst... angst? Dat weet 'k zoo net niet... hij was hier... ga maar +gauw naar honk! + +--'t Is nogal 'n lieverd! + +--Ja, hoor'es, scherpte nu Hesselaar die zich in z'n heele lengte +opstrakte, hoor ès daarmee kan ik me niet bemoeien. Ik zeg alleen +wat ik weet, dat hij hier is geweest en je zoekt! + +--Kom, eet eerst een stukkie, hap toe, en ga dan maar naar huis, +vermaande nu ook Greet. Kwaad worden is gewoon-menschelijk maar +kwaadblijven duvelsch... geen huis zonder kruis... overal valt wel +eens wat voor, zeg nou zelf! + +Gelijk schoof ze 't bord nog wat naderbij, moedigde aan om te eten. + +Meer door de vriendelijke dwang dan door eetlust pakte vrouw Baller +de vork, probeerde wat er in te stoppen. Maar de stukken kool bleven +haar in de keel steken, en de tranen glibberden, onder 't moeizaam +kauwen, langs de mondhoeken mee naar binnen. + +Ze onderging sterk de gewaarwording, dat 't hier een ander huishouden +was dan bij haar. Greet kon opspelen, niet gemakkelijk zijn, op +haar tijd wist ze toe te geven. Ze waren niet zoogenaamd van beter +kom-af, zooals haar man, en zooals ze zelf altijd graag had willen +zijn, maar ze bezaten wat zij juist miste, de gemoedelijkheid, +het zich schikken en passen naar de omstandigheden, het nemen naar +'t uitvalt. Die Hesselaar zag er lang niet nuchter uit, had meer +dan een glaasje teveel, maar zijn vrouw keek er even vroolijk om; +ze gingen van avond uit, naar de komedie... en zij? + +Een nieuwe verbittering wrangde òp, en ze moest die uiten, zei vinnig: + +--Jullie hebbe makkelik prate, die vent van mijn is nou al vier maanden +zonder... en as we maandag niet betale staan-ne-we op straat... de +huisbaas wil niet wachte, èn ie-hêt g'n ongelijk. + +Hesselaar en z'n vrouw zwegen, ze wisten wel waar 't stak. + +Greet zei toen medelijdend: + +--Sja fafferabel is het bij je niet! + +--Wat za'k je zegge, bracht Hesselaar bij, je man is niet gewoon te +werreke... ie hêt 'et nie' geleerd! + +--Da'r hep je 't net, huilde vrouw Baller. + +--Als 't nipt, kom dan ma'r hier na'rtoe, goedigde Greet, maar we +hebbe zelf haas' g'n plaa's! + +--Welnee! Da'rom doe ik 't toch niet... ieder mot z'n eige last, +z'n eige pakkie drage, anders mooi genoch angeboje, dát niet! + +Ze veegde met de handpalm de vochtigheid van haar wangen, terwijl ze +naar 'n zakdoek in haar rokspleet zocht. Kordaat stond ze op, zei: + +--'k Zal maar gaan... wel bedankt... voor je vriendelijkheid... dág +Greet... dag Hesselaar... dág kindere!! + +Ze daalde de trap af nog eenzamer dan ze die was opgeklommen. Dat +gepraat had haar kapot gemaakt. Al die kinderen om de zondagstafel, +de gezelligheid van de volle kamer, de zoete dwalm van het tevreden +samenzijn, en 't vreemde voor haar dat de man, al was ie alles +behalve nuchter, zich niet norsch of leelijk aanstelde, waarbij +Greet gemoedelijk zat, Greet, die nu al vooraf genoot van 't uitgaan +'s avonds, als 't bijna-volwassen kind van beneden voor haar zou +oppassen, dat natuurlijk-gezonde van een groot gezin werkte na, gaf +haar een sterke aandoening, 't besef, dat het leven, ook al mankeert +er wat aan, niet ellendig is, als je maar niet te zwaartillend, +te veeleischend bent. + +Nam zij 't leven dan te zwaar op, maakte ze van alle kleinigheden +een te groote zaak, wist zij niet te plooien, niet toe te geven? 't +Kon. Hesselaar zei 't ook nog, dat haar man niet geleerd had te werken, +dat hem daarom alles tegensloeg, zoodat ze moest schipperen en wat +meer door de vingers zien. Best mogelijk! Maar lag het dan aan haar, +als hij dronk en niet verdiende? Ze ging uit wasschen, wou alles voor +lief nemen, alléén ze kon tegen 'n man niet aardig, niet aanhalig doen, +als ze 't niet meende. Ze was nu eenmaal zóó en niet anders! + +De moeheid, die ze bij de Hesselaars even vergat, zette weer op, dwong +haar tot al-langzamer en tragelijker gaan. Een knagend wee, waarvoor +ze geen woorden had, omgolfde haar; ze voelde zich zóó klein, zóó +klein, als platgeslagen. 't Viel haar onnoemlijk zwaar tot haar ouwe +doen terug te keeren. 't Liefst ging ze maar dadelijk dood. Waarvoor, +waarom leefde ze? Haar bestaan had geen doel, geen reden! + +Twijfel-traag liep ze voort tot aan de gracht, dicht bij haar straat, +en ze bleef weifelen. De goed-bedoelde redeneeringen van Greet en +Hesselaar hadden haar geest van verzet wel wat neergedrukt, maar +haar nog niet overtuigd,--en de herinnering aan 't zoet geteem van +dominee dat haar eerst kalmeerde, ergerde haar nu, riep nieuwe wrevel +op. Wat haar 't meest huiswaarts droeg, dat waren haar moeë voeten, +die vanzelf de terugweg insloegen. + +De zondagstad woelde nu druk, vol uitgaande menschen, die een breede +ruimte noodig hadden. 't Vroor hard. De sneeuwvoren lagen gestold +tot richels ijs, die splinterden en kraakten onder de haastig-gaande +voeten. Een voorgevoel van aanstaand ongeluk doorzoog haar onbewust, ze +wist zelf niet wat, maar er moest wat gebeuren. Misschien maakte haar +man zich van kant, lag hij dronken thuis, of viel van de trappen. In +elk geval stond haar wat te wachten. 't Schokte haar zenuwend op, +dreef haar angstig voort. De glad gevroren straten maanden haar weer +aan tot voorzichtig gaan. Een paar keer slipte ze al uit, raakte bijna +van de beenen, en net als een wagen aanreed. De zorg voor vallen +deed haar voeten wankelen. Telkens stootte ze tegen menschen op en +'t uitwijken werd al moeielijker. + +Ze was nu zoowat thuis. De zak zou ze bij de melkboer maar laten +liggen, ze was te moe, om daarmee de steile trap op te klimmen. Een +aarzeling overviel haar, een zucht om terug te keeren, maar ze liep +toch door. Ze hoorde of zag niets meer van wat om haar heen liep, +keek niet meer uit. Ze ging haar noodlot tegemoet... daarboven. + + + + +VIII. + +Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker +geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om +drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich 't voorgevallene van +'s avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er 'n +flinke spat op te zetten. Veel kostte 't em niet, hij had op de klap +gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met 'n aardige snee +in de neus, zooals hij dat noemde, had hij 't aangedurfd weer bij z'n +lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij 't weer goed willen maken, +maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met +geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze +zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield, +in elk geval kwam 't vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk +antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten. + +Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleiding te geven, +zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er +genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van +de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer +dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar +zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op 't minst +gerucht. 't Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van +de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit +zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te +doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer +zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij +zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de +roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door 't vertrek +waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al +gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens +en de gordijnen hingen nog omlaag. 't Was klam en donker in de kamer. + +Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens +in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of +zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon +hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd +was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin. + +De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, 't +zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend; +ze vroeg om drinken, dàt begreep hij. + +Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene, +glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp +om een sprong te kunnen doen. + +--Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z'n hand 't dier afwerend. Dat +wil de vrouw niet hebben, dat weet je. + +De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug +en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier, +dat naar 't scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot +òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze +hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling, +ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij +zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog +in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed +die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn +nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou +binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij +probeerde nu van-uit-z'n-bed te lezen; de poes miauwde weer en +sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu +zelf d'eruit. De nieuwsgierigheid was al overgegaan in het stekelig +gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek +kon hebben uitgehaald. + +Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl 't velletje papier +in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon 't haast niet +gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan, +ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel. + +Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten, +dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag +hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even +moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar 't raam, +trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware +zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen +naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van +verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel. + +--Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze +hêt haar bedreiging toch uitgevoerd! + +Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd +open over 't onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en +vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog +niet in hem wortelen, 't leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde, +dat hij in woede uitbarstte en de geheele kamer vol vloekte. Maar +tegelijk greep de treurnis over 't feit zelf hem zoo overweldigend +aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen +die geen uitweg konden vinden. + +Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten +waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende +voetdruksels. Vaag herinnerde hij 't zich als iets dat al heel +ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich +vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was +van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich +niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende! + +Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde 't zelfs niet +meer te denken. 't Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk, +alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten +in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn +eigen ellende. 't Was hem of 't al stiller en stiller werd, of de +eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij +begreep 't aldoor nog niet, 't wilde er niet zoo grif in. + +De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende +rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem +week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de +vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op, +doch de woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig, +in 't genot om ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en +smeet haar een eind van zich af. + +--Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de +baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit! + +'t Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk +en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter +op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd +aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, +hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet! + +Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó +zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende +vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte +vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte +met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de +leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles +drong sarrend op hem in, gaf hem 't nijpend begrip van de toestand, +kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen +aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest +haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon +ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak +moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, +weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch... + +De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een +dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en +de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik +rezen zijn haren overeind, 't was zoo erg dat hij meende eraan omhoog +te worden getrokken. + +Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het +water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou 't ook wel hebben +gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor +hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor +vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig +mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit, +'t haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen. + +Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water +in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan +en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten, +weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen, +joeg hem voort. 't Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar +zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht +hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting, +dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens +bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet +op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hem terechtkomen als +zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de +kamer en 't leek hem of 't weinige dat er nog stond hem verweet zijn +wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van 't +vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te +loopen en vele malen beangstte 't hem voor een oogenblik in de vrees +dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch +niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond +hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was +een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn +toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie +trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg +hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het +nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn +teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En +toch, 't was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar +niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand, +één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven, +doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te +wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen +doen en 't einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu +ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen, +daartegen verzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een +borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,--en nu voor +'t eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn +ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man +bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden. + +Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem +op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan +begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op +zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te +beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar +nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon +dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit +één stuk kon zijn. + + + +'t Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af, +doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan. + +--Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar +huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar +lachte mee. + +Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg +bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk, +zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en +aarzelend staan bleef in de deur. + +--Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af, is dat een manier van +doen om elkaar 't leven zoo lastig te maken! + +Baller wilde d'er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de +woorden af, zei al weer: + +--Kom, verleuter nou niet je tijd, 't hêt al lang genog geduurd. + +--Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars +nog bedankend. + +Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo +glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat +in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg +hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar +de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze +al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem +bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd, +telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou +weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was +'t glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer +als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam +geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou, +hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger +had hij voor zes. + +Met maakte hij weer zoo'n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook +wel oppassen, een mensch was met die gladdigheid z'n leven niet zeker, +maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid, +al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde +hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder. + +Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien +een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu +geen tijd! + +Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; 't liep ook +zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar 't gaf hem niet +veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In +'t voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij +schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in 't besef, +dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met +die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen. + +Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde +nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar +ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo +rap en 't vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard +radouwden en schokten door elkaar. + +Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te +onderscheiden... of 't misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er +viel niets te zien, ze lag onder 't paard, welnee, ze zeien toch een +oude vrouw, en nu voorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken +voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te +zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken. + +De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten +om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en +trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat +het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen +pak. 't Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer, +zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en 't nauw gareel. + +--Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden: + +--Je vermoordt haar, je maakt 't arme mensch heel'maal kapot! + +De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug: + +--Verrek jullie... help ook 'n handje... weten jullie 't soms zoo goed? + +Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders +raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te +verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden +toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven... + +De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen +op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien, +twaalf handen. + +--Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie +niet opslaat! + +--Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast! + +Met hun allen hieven ze 't paard van voren op. + +--Niet te veel, niet te veel! bevelhebberde de policieman. Zoo... trek +weg 't mensch!! + +Vele handen grepen toe, en nu 't paard wat terzij en opgeheven, +ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant +uithalen. + +--Dood! zeien eenigen. + +--Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar. + +--Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net +kwam toegeloopen. + +Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit +naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard +bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen. + +--Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller +passeerden. + +De koetsier stond overend, om 't ongeluk uitéén te zetten. 't Zweet +gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen +gezicht. + +--'t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich +voor de knol gooit, wie kan d'er tege? + +--Je bonk hêt g'n belle! gierde luid een opgeschoten jongen. + +De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende: + +--Maak m'ar niet zoo'n heibel... Je bent er toch nakend bij! + +--Kan ik 't helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit, +verweerde hij zich. + +--Zoo'n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m'ar +an.... je most je schamen, moordenaar...! + +De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z'n paard lag +d'r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn +nummer, de stal en zijn naam.--Heel goed zoo! dacht Baller die het +in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan. + +De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman: + +--Je gaat mee naar 't beroo!! + +Koetsier, eindelijk 't paard op de pooten gekregen, 't lemoen gebroken, +wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang: + +--Je weet toch m'n nummer en m'n stal! 't Is Zondag... 'k mot +verdiene!! + +--Zoo'n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene, +of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma'r verdient!! + +--Vooruit! zei barsch de agent. + +Al had hij 't nummer en de stal, er moest satisfaktie worden +gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om 't geval te bevestigen. + +In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar +'t bureau. + + + + +IX. + +Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde, +verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet +thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven +zitten om eerst met hem af te rekenen? + +Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al +ingedacht, dat ze aan 't koken of aan 't koffiezetten zou wezen, +zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom, +te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als 't nou maar geen tranen +en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest! + +Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep, +haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen +hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij +niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en +neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij +haar soms niet zag aankomen. Ongerust voelde hij zich worden terwijl +hij staarde naar 't wijkende licht van de vriesdag, die boven de al +zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, +onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de +ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, +waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn +geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde +hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel +te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is 't! Nee-nee, dat zou +niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo'n veronderstelling, +was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij +'t hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer +heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen. + +Zeker, als 't lekker warm was en 't licht brandde, zou ze, als ze +straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook +beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen +donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde +branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij +hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde. + +Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij 't +raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels +zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, +waarin de menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem +om d'ooren. + +Bij 't binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij +vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor +vernam gestommel op de trap. M'n God, dat zou toch voor hem niet +wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam +toe, luisterde in harteklop. 't Gestommel op de trap werd luider, kwam +hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen, +doch hij durfde niet door zijn slecht geweten. + +Het voorgevoel nam in een paar tel 't begrip van zekerheid +aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk +overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over +al zijn leden bevend. + +'t Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid, +gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen, +hij moest het weten. + +Plots hoorde hij roepen. + +--Baller... Baller... + +Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch +in 't donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en +gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z'n naam. + +--Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend, +beducht om de waarheid te vernemen. + +--Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd! + +Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe: + +--Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma'r liever wat bij. + +Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de +peer uit de hanger, boog zich over 't hek, òm wat licht in de donkere +trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in 't afgewasschen +en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren +naarboven sleepten. 't Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een +nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen +woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan +terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven +scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van +jammerklachten. + +De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze +keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze: + +--Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer 'an +te doen! + +'t Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en +niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij +rukte zich los, schreeuwde: + +--Wat? Wàt zei-je daar? + +Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok +hem nu onweerstaanbaar aan. Hij stortte zich op haar neer, riep +hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan. + +--Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt +niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan +één woord! + +Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen +kik te geven; 't geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige +betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens +kreet hij weer: + +--Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw 'n dokter.... om 's +hemelswille een dokter! + +Een van de mannen sprak nu hakkelend: + +--'t Zal niet meer geve.... de dokter is d'r al bij geweest.... de +schedel gebroke! + +--Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter! + +Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af, +tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat +over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen +zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte +hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van +'t geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de +weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet. + +De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op +zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; 't liet zich +wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stond al op +de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O, +zooals hij dacht, de meid zei kalm: + +--De dokter is niet thuis! + +Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep +weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes, +om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar 't scheen +of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de +vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M'n +God, z'n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant, om niet +af te dwalen, niet te ver van honk te raken,--en eindelijk zag hij +'t naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. 't +Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig, +dat ze van 't werk werd weggehaald, bitste: + +--De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn +niet doóf! + +--Stik! zei hij woedend en liep alweer weg. + +Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er 't zelfde bescheid, +en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij +de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden, +hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar 't +besef dat hij schuld meedroeg aan z'n vrouws ongeluk zwiepte hem +opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had +bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los, +zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. In starre woede belde hij +aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde; +en hij schold en schimpte al te voren. + +Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het +onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat +hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee +bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij 't ook nu nog +niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al +te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen +al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep +te razen. + +'t Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in +sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis +terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder +adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja, +nou zou hij 't spoedig hooren, nou zou hij 't weten of er nog +hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat +in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken +fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge +trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In +een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op 't overloop moest +blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar +een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich, +nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaard schoof hij de kamer +binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit: + +--Geen dokter te vinden! + +De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze +fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan +met open oogen. + +Angstverwekkend stond de stilte in 't vertrek. Dan ging een van de +vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei +zacht dat hij zich nu kalm had te houden. + +De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze +de doode moesten afleggen, anders werd 't lijk te stijf. + +--Wat zeg-je d'ervan Baller? + +Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen, +'t was of hij versteende. + +--Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede? + +Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van +zenuwkramp. + +De vrouwen moesten nu toch besluiten, 't was zondagavond, en geen +had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... 't moest dus +gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen, +maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij +schudde Baller weer door elkaar, zei: + +--Hè, geef 'es antwoord... waar is 't goed? D'er lig niks! + +--'t Goed? 't gòèd... dat weet 'k niet!! + +--Zit dan niet te suffe... kom 'es kijke! + +Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de +kast. Dan werd 't voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu +weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij: + +--Ze hèt 'et mee genomen... o God, ik weet 'et niet waar 't is +gebleve... 't is weg!! + +Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden +zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar 't linnengoed kon +wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen. + +Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw +van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af +te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos +naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en +wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te +grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een +schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag, +het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder 't vale haar, hij +herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond, +toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken +en dat maakte hem wild. + +--Ik hoû 't niet uit.... ik hoû 't niet uit! gilde hij. Schuw sprong +hij op, jaagde de trappen af naar beneden. + +De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat +er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen. + + + + +X. + +Baller holde voort zonder bezinning. + +Straat-uit, straat-in jakkerde hij door, liep zich buiten adem. De +verschrikking joeg hem al meer op. 't Was zijn schuld... zijn +schuld!! Dat ze per ongeluk onder 't paard raakte, kon hij niet +gelooven, ze had 't zelf begaan om hem te straffen, om uit haar leven +te komen, hem daarmee te vervolgen. Haar bedreiging van gisteravond +zag hij schrikbarend groot. Heel zijn eigen misgegaan leven, al zijn +misse daden sloegen fel voor hem op, gingen hem aanklagen. + +De vrieskoû snerpte venijnig op hem in, hij voelde die koû niet, voelde +niet zijn leege maag, voelde niets, hij zag enkel haar harde blikken, +die in de dood nog zoo verstrakten. De schimmen van zijn kinderen +rezen er bij op, en zijn verbeelding werkte, 't werd als vuur en +vlammen voor zijn oogen. M'n God, m'n God, wat had-ie dan toch gedaan +om 't zoo te moeten ontgelden!! Al feller werd zijn ontzetting, al +angstiger zijn gedachten. Hij joeg zich in zweet tot hij niet meer kon. + +De rille koû, die hem voortdurend in 't gezicht sneed, brak +zijn angstende opwinding, en de gladde straten dwongen hem tot +omzichtiger gaan. Van lieverlee lieten de schrikbeelden wat af, +kwam hij tot klaarder denken, en tot meer bezinning. Wat gaf al dat +gekerm? 't geval lag er en hij moest het aanvaarden, daar ging niets +van af. Hij zou maar naar huis terug keeren; aan de buurvrouwen kon +hij de bereddering toch niet alleen overlaten. + +Maar o, terwijl hij dit bedacht beving hem opnieuw de schrik. 't Was +of hij haar nu nog dreigender voor zich zag--en vanzelf begon hij +weer harder te loopen, alsof hij 't daarmee kon ontgaan. + +Bij de oprij van een brug glipte hij uit, viel, bonsde met een smak +neer. De dreuning sloeg hem in zijn rug, door zijn hersens heen, zoodat +hij even moest blijven liggen om de pijn te laten verdooven. Bij 't +opkrabbelen bezeerde hij nog zijn handen. Kreupel van de pijn liep, +kon hij haast niet voort en dit dwong hem van zelf de kant op naar +huis. Doch vlak bij de straat keerde hij weerom. Nee, 't ging niet, +hij durfde niet naar boven! Eerst een borrel pakken dan zou 't gaan! + +Ondanks al zijn pijn in dij en heup hinkte hij toch een paar straten +terug, hier in de nabijheid van z'n huis dorst hij geen kroeg in te +slippen, al klapperden hem de tanden. Hij zocht de centen vooraf bij +elkaar, sloop een proeflokaaltje in alwaar hij anders nooit kwam, +bestelde met hokkende stem, slikte de borrel met een enkele slok +naar binnen. Hij voelde best, dat hij eigenlijk slecht deed door nu +jenever te drinken, maar hij kon niet anders. + +Voetje voor voetje sukkelde hij naar huis terug, en de pijn ging ook +wat minderen. 't Licht scheen boven nog te branden, de vale kringschijn +van de neergedraaide lamp zag hij schemeren op 't gordijn,--en dit +stelde hem eenigermate gerust; geheel in donker zou hij niet naar +boven durven! + +Op handen en voeten bijna om geen gerucht te maken, kroop hij de +trappen op. Zoûen de buren allen zijn weggegaan of zou iemand er nog +waken? Die gedachte alleen maakte hem alweer angstig. Telkens moest +hij stilstaan zoo erg voelde hij de eigen harteklop. Als een booswicht, +een inbreker kwam hij in zijn eigen woning. + +De deur stond op een kier. + +Aarzelend duwde hij die verder open, bleef weifelend op het portaal +staan. Wat had hij hier eigenlijk te verrichten? De bedstee gaapte +wijd open... + +Een nachtlichtje brandde op de bedsteeplank, beglemerde de doode, +die onder een wit laken lag, becirkelde met een zwakke lichtglans +'t gordijn, waartegen hij gisteravond zelf had gezeten. + +In 't heele vertrek verroerde zich niets, alles leek te slapen of +te zwijgen. Hij kon niet besluiten binnen te gaan, bleef tot aan +de ingang treuzelen in vreemde, strakke ontroering. De vrouwen +hadden haar al ontkleed, alles in orde gebracht, wat kwam hij dan +nog doen...? Bidden om vergeving, bidden voor haar ziel...? Hij zou +'t willen, kon hij 't maar! Als iemand hem hier zoo eens zag staan, +wat zoûen ze van hem denken, hij had niets misdaan.... en toch! + +Op zolder viel wat om. Hij schrikte, wilde de trap afijlen. Daar +hoorde hij de deur beneden openslaan en iemand de trap opklotsen. De +stap kwam hooger, hooger. Angst te worden betrapt van niet in zijn +eigen woning te durven, dwong hem bevend de kamer binnen. Hij hijgde, +luisterde vol vrees. Nee, de stap ging niet verder... een van de tweede +verdieping! Nou, des te beter. Hij liet zich op een stoel neerzakken +en huilde zonder tranen, een zware, scherpe snik die zaagde door zijn +benauwde borst en die hij niet durfde vrije lucht te geven uit vrees +voor de doode. + +Alles stond nu rondom beklemmend stil. Het huis scheen weer te +slapen. Van buiten drongen òp de vage geluiden, die voorbijgangers +met elkander mompelend spraken; anders niets. + +Langzaam-aan voelde hij zich hier rustig worden. 't Zou toch wel gaan, +dacht hij eindelijk. + +Plots piepte de deur open. + +Hij schrikte geweldig. + +Zijn adem stokte. + +Hij moest zich krachtig houden om niet van zichzelf te vallen; hij +rilde over al zijn leden. + +De klok was stil gaan staan, dat maakte het nog geheimzinniger +en stiller. + +Minstens dacht hij een geest te zien verschijnen, doch er kwam niets. + +Na een oogenblik hoorde hij gekrabbel,--en nu vermoedde hij wat 't +was. 't Kon de kat wel wezen. Waar was die gebleven? Daar zag hij de +witte kop door de deurgleuf steken... hij herademde. + +De poes schuchterde binnen, miauwde vragend, voorzichtig, tippelvoette +kleintjes op hem toe, streek nu de hoog-opgezette rug tegen zijn +knie. Hij dacht opnieuw aan gisteravond, en 't huilen overweldigde hem, +hij kon niet bedaard hier blijven zitten. + +Om die huilkramp te ontgaan stond hij ijlings op, zei: + +--Ja poes, 'k zal es kijke of er wat voor je is! + +Een restantje melk vond hij in de kast, goot het op een schoteltje, +deed wat water erbij. Hij had moeite het zonder storten op de grond te +zetten, zoo snorde de kat om zijn handen en beefden zijn eigen vingers. + +Het roode kattetongetje hevelde dadelijk gretig over 't volle bordje +en even pakte hem dat. Vol aandacht zat hij daarnaar te kijken. + +'t Schoteltje raakte leeger, al leeger. De kat likte weg de laatste +druppels, bleef vragend kijken, miauwde weer. + +--Ja poes, 'k heb niet meer! + +Zijn eigen stem klonk hem schril en vreemd, zoo vreemd alsof die van +ver-weg kwam. + +De poes liep eenige keeren rond, de kop en staart omhoog, alsof +ze zocht. + +Dan met een gladde wip sprong ze op de stoel... rekte de hals en +sprong o gruwel op 't bed. + +Van schrik schokte Baller op, joeg de kat weg. 't Olielichtje +spetterde ervan. + +Zou-ie zelf durven... nieuwsgierigheid beving hem om te zien of ze +er nog zoo verschrikkelijk uitzag. Hij tipte aan de doek, die over +'t hoofd lag gespreid, maar schrikte van zijn eigen moedwil. + +De poes snorde nu tegen zijn schenen aan. Hij keek langs zijn lichaam +naar dat geaai, dat hem vreemd-rillig maakte. Die streeling kwam hem +niet toe... was voor z'n vrouw. Nu leek 't hem of de poes weer op +'t bed wou springen. Nee dat niet! Hardhandig nam hij haar op, bij +de hoogende rug, sloot 't beest buiten. + +Twijfel woelde in hem om naar 't bed terug te keeren, of hier op een +afstand te gaan zitten. Drang om te zien dreef hem naar 't lijk. Kom, +kom, zei hij tot zichzelf, wees nou geen kind! + +Voorzichtig, toch handbevend, nam hij de doek weg. 't Viel mee. + +Het gezicht had een zachtere uitdrukking aangenomen, maar de wonden +teekenden zich sterker. Een oneindig medelijden omwond hem zacht, +hij voelde de tranen in zijn oogen aandruppen, voelde aandrang de +mond die half open lag, te kussen. + +Op dat oogenblik viel er boven weer iets om, maar hij liet zich +niet van streek brengen, al wankelde hij ook op zijn beenen. Diep +boog hij zijn knokig hoofd om haar lippen te drukken, maar onder dit +neernijgen zag hij weer iets verschrikkelijks: de oogleden gingen open +trekken. 't Ging langzaam, zóó langzaam, dat 't bijna niet scheen te +vorderen, maar ze weken toch. Star keek hij ernaar. Een glinsterende +spleet werd tusschen 't bleekweeke van de oogleden zichtbaar. 't +Leek of haar wezen, of al haar trekken zich veranderden, weer harder +werden. Hij greep zich aan de bedplank vast, bleef kijken, verstijfd +door die langzaam zich openende oogen, die al gebroken waren, het +licht geschicht. + +Zijn eerste beweging om die oogleden weer toe te drukken faalde; +zijn hand weigerde en kwam niet zoo ver. + +Van ontsteltenis week hij een eind terug, hij durfde nu niet te +naderen. + +Hij keek, hij keek. De trekken werden harder, de oogen grooter ondanks +het gemis aan licht en ineens werd hij bewust, dat zij daar weer lag +als vanavond, dreigend, dréígend. + +De oogleden waren nu geheel open. 't Olielicht cirkelde een vreemde +schijn op 't lijkgezicht, dat in de trilling van 't licht ging leven. + +Dan stootte hij een kreet uit van ontzetten, week terug: +Erbarmen.... erbarmen! + +De oogen schenen nog strakker te staren. Baller vol angst keerde zich +om, maar de dreig-oogen vervolgden hem; die zag hij overal. + +De benauwing brak hem uit naar alle kanten. Hij wist zich niet meer +te bergen of te wenden. De werkelijkheid leek hem minder erg dan al +die grijnsgezichten. Om hieraan te ontkomen keek hij weer naar 't +lijk in de bedstee, alsof dat helpen kon. De oogen staken nu strak in +'t magerharde met wonden bedekt gezicht. + +Weer deinsde hij van ontzetting een pas of wat terug, dorst zich +niet omkeeren uit angst, dat er wat anders zou gebeuren, dat zij hem +bij de kraag zou grijpen. Met de handen, afwerend, waarop elke pees, +elke ader strak stond gespannen, week hij achterwaarts uit, om maar +weg te komen. Zooveel begrip had hij nog, van de deur achter zich toe +te trekken, uit vrees dat de kat mocht binnensluipen, die, wie weet, +het lichaam nog meer zou toetakelen. + +De deur nu afgesloten gaf hem 'n weinig van zijn denkkracht +terug. Stil, bang voor eigen bewegingen, sloop hij naar beneden. + +Hij herademde eerst toen hij beneden stond, maar zijn tanden +klapperden nog, zijn leden bibberden en beefden. God-in-d'n hemel, +wat 'n gezicht.... wat 'n gezicht!! + +Vol schrik keek hij nog even naar boven, alsof die wreede, +verwijtend-harde oogen hem nog zouden kunnen nagluren. Maar nee, +hij zag gelukkig niet anders als de kringschemer van 't licht op 't +gordijn. Dan huiverde hij geweldig, keerde zich in afschuw om,--en +van nieuw begon zijn jacht door de straten. + +Hij had nu geen ander doel dan ver van huis, vér van die verschrikking +te komen, en toch joeg telkens de verwarrende angst hem naar zijn +woning terug. De trap durfde hij niet op, maar van straat-af kon hij +teminste naar 't venster, naar de kringschemer kijken. Hij was zeker +dat er nog iets moest gebeuren. + +Maar voor 't raam bleef alles onwrikbaar 't zelfde; er veranderde +niets. Een vage spijt welde op van de kat niet te hebben binnengelaten, +dan zou er in elk geval wat gebeuren.... misschien kwam er dan een buur +boven om te kijken. Dat eeuwige stille schijnsel, 't onveranderlijke +van die schemerkring op 't gordijn maakte hem razend. Hij wou +weten. Die schemerschijn leek hem op 't laatst zelf als een dreigend, +'n starend oog, en soms meende hij haar trekken erin te lezen. + +Weer sloeg hij op de vlucht, keerde terug en vluchtte opnieuw. En +nu moe, doodaf strompelde hij einden en einden door, zonder ware +bezinning, tot hij buiten de bebouwde kom raakte en vanzelf halt +bleef houden. De stilte en de eenzaamheid benauwde hem nu hier, joeg +hem naar de drukte van de stad terug in alle ijl. Hoeveel maal hij +al in de straat was geweest wist hij zelf niet, aldoor zag hij die +schemerkrans op 't gordijn, die bleef dáár altijd. + +In arremoede sloop hij nu naar boven. Halverwege hoorde hij de +kat miauwen,--en hij zag ineens weer de opspooking van zijn vrouw, +die als een schim opgerezen, nog de wacht hield bij de deur, hem de +toegang zou beletten. + +Hals over kop keerde hij terug,--en nu dorst hij niet meer in de +straat te komen, zocht de drukke, woelige gedeelten van de stad +op. Hij moest menschen, veel menschen om zich hebben. + + + +De avond bleef grimmig hard koud, al vroor het niet meer zoo sterk. + +De sneeuw, overal plat getreden, lag versopt en vergoord, als gruizels +grauw zout. Aan de hemel bleekten sterren, en de maan die langzaam +opdreef, verlichtte vaag de bovenkant der huizen. + +In de drukke straten wriemelde 't zwart van uitgaande menschen. 't +Geleek in 't rosse lantaarngeglemer, bij de gesloten winkels, 't +gewroet van een mierenhoop. Hiertusschen voelde hij zich wat bekomen. + +Maar na een paar uur loopens, nu de straten zich wat leegden, groote +plekken in vager grauw verkeerden, hinderde hem de luidruchtigheid, +'t vroolijk-zijn van al die naar-huis-gaande zondagsgangers. Zonder +'t zelf te weten dreef hij weer af, de eenzaamheid verkiezend boven al +die rauwigheid, tot hij opeens zich bevond tusschen een zwarte stroom +van volk, die uit een schouwburg hobbelend aan-golfde. Gewillig liet +hij zich meevoeren in de voortschokkende groepen, die 't hadden over +de held op de planken. Hij herkende stemmen, zag de Hesselaars met +een flinke pas hem voorbij stevenen. Hij wou ze aanspreken, schaamde +zich voor zichzelf, en gelijk waren ze al een eind verder. Ze hadden +elkaar onder de arm, spraken luidruchtig, stootend tegen elkaar als +twee drijvende schepen. Wat schenen ze goed gemutst, die twee! En +toch, die Hesselaar dronk ook z'n spatje, maar zij was dan ook een +heel ander wijf! + +Terwijl hij dit zei, voelde hij ook, dat Hesselaar een heel andere man +was dan hij, een kerel, die wel 'es een borrel nam, toch flink wist +aan te pakken. Laag, z'n dooie vrouw nou nog te bekladden! Nee, nee, +'t had meer aan hem gelegen dan aan haar. Waarom wou-ie zich toch in +eigen oogen beter maken dan hij was? Hij walgde van zichzelf. + +Aldoor zag hij nog de Hesselaars, die stevig-ruchtig voortstapten. Ze +dachten niet aan hem en zijn verongelukte vrouw, al waren ze, in de +vooravond nog zoo vol meewarigheid. Dat zag hij best, ze liepen flink +voort, om in 't Maastrichtsch bierhuis nog een glas te kunnen drinken, +en hij sukkelde achterna, dacht er zelfs niet aan ze te vragen of +hij bij hen vannacht kon slapen. 't Kwam eerst later bij hem op, +toen hij allang weer alleen liep rond te dwalen. Maar nee, bij de +Hesselaars zou hij niet kunnen gaan, want die wisten al te goed hoe +de vork in de steel zat; die wisten, dat ze weg-liep, zich dus van +kant maakte om hem! + + + +De straten leegden zich alweer, en de koû voelde feller aan. De maan +steeg hooger en ook de sterren twinkelden klaarder. 't Licht der +lantaarns leek blank, vlamde ver-ver uit. 't Was een mooie avond, +doch koud, bitter koud! + +De kroegen zouden gauw gaan sluiten, nu kon hij nog eentje nemen. Veel +had hij niet in de zak, een stuiver of drie, maar 'n borrel gaf allicht +warmte en moed om de nacht door te komen. Heiligschennis leek 't hem, +evenals vanavond, nu een kroeg in te sluipen. Toch, hij kon niet de +lange nacht zóó blijven ronddwarrelen. De geheele dag had hij nog +niets in zijn maag gekregen. + +De kroeg was vol. + +In de vensterbank van 't kleine proeflokaal weggedoken, voelde hij +eerst recht zijn moeheid. Hij kon bijna niet meer opstaan, zich niet +bewegen, bleef plakken en verteerde zijn volle drie stuivers. Tot tijd +van sluiten kwam en de kastelein waarschuwde. Dan sprak hij zich zelf +kracht en moed in, zei: vooruit! sleepte zich naar buiten. + +De nachthemel stond nu helder-strak en 't vroor weer fijntjes. Over +de eenzame, besneeuw-ijsde grachten glimmerde de maan heel bleek. De +lantaarns langs de kant schenen hem zooveel oogen die toekeken, +hem herinnerend aan de verwijtende blik van zijn vrouw. + +Vol vertwijfeling begon hij weer te loopen. De drank verhitte +zijn hoofd, en de wegen waren vervloekt-glad, zoodat hij telkens +struikelde. De dij-pijn al geslonken en vergeten, schrijnde weer +op. Vele straten langs liep, sjokte, sukkelde hij voort,--en een nare +spijt sloop in hem van de Hesselaars niet te hebben aangesproken. + +Bijna ongemerkt raakte hij in zijn buurt terug. + +Een onweerstaanbare behoefte dook bij hem op om iets van 't huis +of van 't gordijn te zien. Ook de mogelijkheid van sterk te kunnen +zijn en naar de kamer terug te keeren. Maar nu hij naar boven keek, +zag hij geen licht, geen schemerschijn zelfs. + +'t Gordijn dofte egaal en onbewogen. + +'t Licht was dus uitgegaan! + +Nu hij nogeens scherp keek, zag hij zelfs, dat het raam een eindje +stond opgeschoven. M'n God wat was er nou weer gebeurd!! En 't gordijn +bewoog zich ook. Nee, nee, voor geen geld van de wereld ging hij in +'t donker naar boven. In 't donker br!! Als de dood zelf keek hem +dat egaal-witte gordijn aan. + +Van schrik voelde hij zich verlamd, als vastgenageld, tot hij opnieuw +'t gordijn bewegen zag. Het joeg spook-vermoedens in hem op, dat zij de +trap-af, de deur-uit zou komen, hem overvallen. De ontsteltenis greep +hem nogmaals aan,--en nu voorgoed ging hij aan de haal, besloot hij +op straat te blijven. Kopverloren liep hij door, liep al-maar door, +tot hij op 't laatst niet meer kon; hij zocht een bank in 't plantsoen +op om op te rusten. + +De boomen stonden rondom zwart, de dorre takken als veelvoudige armen +opgewrongen naar de vrieslucht; een koude wind omrilde hem hier op de +bank. Het schrikbeeld liet hem hier evenmin met vree. Al zei hij zich +ook, dat het lichtje gewoon uitbrandde en een buurvrouw wel 't raam zou +hebben opgeschoven voor versche lucht, dat 't bewegen van 't gordijn +door de tocht ontstond, 't hielp niet, z'n vrouw met haar gewond, +bloedbesmeurd gezicht, de oogen dreigend-strak, wou hem niet met rust +laten. Hij zag die oogen overal, onmogelijk kon-ie ze ontloopen! + +Hij begreep 't klaar, heel klaar en zeker, niet zij had moeten +doodgaan, maar hij. Wat had hij hier te doen, wat deed hij nog op deze +wereld? Niks! En nou kwam zij om hem spoken. Al spraken de menschen +van een ongeluk, hij voor zich geloofde daar niet aan! Ze had 't +zelf gedaan, had zich onder 't paard gegooid om van haar kwelling +af te wezen. En dat alles door zijn schuld, zijn schuld alleen! Nee, +nee, hij moest dood, niet zij. Hoe kon hij hier nog zitten, terwijl +zij daar al koud lag? Was-ie dan heelemaal een mensch zonder bloed, +zonder gevoel? De wanhoop had haar aangegrepen, aangedreven--en hij +zat hier 't geval te overleggen. Hoe was 't mogelijk? Zijn kinderen +dood, zijn vrouw dood, en hij bleef over.... + +Heel de eenzaamheid van z'n leven viel versmorend op hem neer. Nee, +hij moest loopen tot de eeuwige dag, eeuwig zwerven, om voor zijn +straf eens kwijtschelding te krijgen. + +Achter hem in 't dorre hout meende hij te hooren ritselen. Sluippassen +gingen over de harde bodem, 't was of de geest der verschrikking op +hem afkwam, of die hem bij de schouders greep, hem op deze bank zou +knevelen, om hem dan langzaam-zeker dood te laten vriezen. Hij keek +verwilderd om, lachte om zijn eigen rauwe verbeelding, schokte ontzet +op, om weg te vluchten. + +Opnieuw ijlde, joeg hij angstbezweet door de nachtelijke straten. Hij +liep voort, zonder ophouden, tijden en tijden, zonder zich van iets +rekenschap te geven. Tot de morgen vaal opspookte met een ijsende +kou. Hard en hol klonken op de groote stappen van de vroegelingen, +die naar hun werk toegingen. De dorre stakeboomen lekken hem nu +ineens grimmig, dreigend. Een enkele kar met melk die van buiten werd +aangereden, ratelde over de straf-bevroren steenen,--en 't geluid +schokkerde hem fel in de van kou-tintelende ooren. + +Hij kwam weer aan het plantsoen, om daar ergens te gaan zitten, doch +de angst hield hem gevangen, zweepte hem voort. De dag brak aan. Was +dat om af te wachten? Hij kon toch niet blijven voortloopen. Wat +voortloopen? Geen recht had hij te leven... hij dorst niet terug naar +zijn woning, waarheen moest hij dan? Zij zou hem daar opwachten. Nee, +nee, liever maakte hij zich van kant! + +Voor hem lag de gracht grauwig-grijs, een vuile blankheid van sneeuw +gesmolten en weer saamgevroren, bij gedeelten doorzichtig-glad en +wrakkig-ruw. 't Ging gemakkelijk daarop te stappen en erdoor te +zakken. Hij lachte en huiverde tegelijk. Br, wat was 't koud... om +te rillen. In enkele oogenblikken zou 't zijn gedaan, dan kon ze hem +niet meer kwellen. + +De grauwe dag-aanbreek schoot valer, bleeker uit, doezelde huizen, +boomen star en groot, als met zwarte kool geteekend. Gereedelijk kwamen +menschen op de been. Hun stroeve leden, hun groezelige gezichten, echte +gedaanten uit een onderwereld. Ze schenen te grijnzen, wantrouwig +naar hem te gluren,--en opeens rees weer zijn vrouw voor hem op, +meende hij te zien achter een boom haar lijkgezicht, waarmee ze hem +met vurige oogen bedreigde. Nee, nee, dàt hield je niet vol!! + +In een oogwenk was hij van de bank op, liep in een enkele wilde +zet de steile glooiing af, stortte zich zonder verder denken op +'t wrakke ijs, dat onder zijn gewicht krakte en kraakte. 't Brak af +naar alle kanten. Zijn beenen zakten weg met een knerp en een plomp, +terwijl z'n uitslaande armen almeer 't ijs afbrokkelden 't gat grooter +maakten. 't Was gedaan. + +Maar 't schrikbeeld, de dwanggedachte, liet hem ook hier niet los. Van +de overkant, al bijna vlak voor hem, verscheen 't doodsgezicht van +zijn vrouw op 't lange stakelijf boven 't ijs, en aan de geraamtehand +hield ze de gestorven kindertjes, een heele rij. + +Een enkele rauw-uitgestooten gil, die ver over de ijsgracht heensloeg +en hij wentelde zich om, trachtte haar te ontkomen, weer de wal te +bereiken. Onmenschelijk-fel spande hij zich in, klampte zich aan de +ijsschotsen vast. 't Gaf niet, 't brak af en hij was al te ver van +de kant, spartelde, zonder houvast in 't aldoor meer afbrokkelend +ijs. Achter hem spookte 't lijkgezicht van zijn vrouw, en dat dreef hem +tot razernij, gaf hem uiterste kracht om haar te ontvluchten. Maar o, +'t was gedaan. + +'t Water kolkte in z'n mond, brokken ijs sneden hem in 't gezicht, +ritsten, kerfden tegen zijn klapperende tanden. Hij voelde dat +het einde raakte, hij kon niet meer, hij moest de oogen al meer +sluiten en zich laten zinken. Gewillig gaf hij zich over en opende +zelfs zijn mond om spoediger er af te wezen. Maar nu hij niet meer +tegenspartelde en zich zinken liet, voelde hij grond onder zijn +voeten, en ineens keerde ook zijn wil, deed hij weer pogingen om uit +'t water op te krabbelen. Zeker, hij stond hier aan de wallekant, de +angst belette hem dat te zien, hij moest nu enkel probeeren tegen de +schuine glooiing op te kruipen. Maar dit ging niet zoo gemakkelijk, +zijn krachten waren uitgeput en de grasberm lag vol met gesmolten +sneeuw, die door de felle vorst tot scherpe richels gevroren waren. + +Bevend, bibberend van de schrijnende kou, deed hij een laatste +wanhopige poging. Met alle macht trok hij zich omhoog uit het +bevriezende water en greep zich vast aan de schooiing. Dan sleepte hij +zichzelf tegen de ijsgladde helling op, doch telkens glipte hij uit +en schoot terug in het water. En opnieuw dreef het vizioen van zijn +vrouw die achter hem jaagde hem op tot een allerlaatste inspanning, +tot hij krankzinnig van angst en geheel op van de natte kou zich +opwurmde en half op de kant raakte. Maar nu kon hij niet verder, hij +moest zich verloren geven, 't duizelde voor zijn oogen, hij sloot ze +en wist niet meer wat er met hem gebeurde. + + + +Een policieman kwam aangekuierd en zag hem daar liggen, al half +bevroren, buiten kennis, de beenen nog in 't water. Werklui die +voorbijgingen, verleenden dadelijk hulp en op een leege groentewagen, +die naar de markt moest, werd hij het ziekenhuis binnengereden. + +Veel moeite, deden ze daar om hem, die arme tobber, in 't leven te +houden. Zijn ijskoude lichaam werd gebeukt, gewrongen en gewreven, +het ingeloopen water lieten ze hem uitbraken--en na dit alles volgde +een longontsteking, die weinig kans liet op behoud van 't leven. Hij +zelf bewusteloos, wist van niets, lag in ijlende koortsen. + + + + +XI. + +In de witkalkige gasthuiszaal, eerst weken later, kwam hij tot +kennis terug. + +Bij 't eerste, flauwe oogenopenen voelde hij de blanke, gedempte +rust als iets koels, oneigens, een stijve strakte buiten hem om. Zijn +lichaam leek niet van hem zelf te zijn, eêr een slap ding dat naast +hem, ergens anders lag; in zijn hoofd, dof en zwaar, drongen niet +dadelijk gedachten door. Met halfgesloten, nog verduisterde blik, +staarde hij blind, zelfverloren in de witte blankte, die hem omgaf,--en +langzaam-aan merkte hij eerst de omgeving, de vele andere bedden, +waarop zieken, evenals hij, uitgestrekt lagen. Waar was hij toch? in +deze wereld of in een andere? Wat gebeurde er met hem, wat hadden +ze met hem uitgevoerd, dat hij nog leefde, dat hij weer hoorde en +zag? Een poos lag hij zoo stil te kijken tot hij vaag begreep, dat +hij in een ziekenhuis was. + +Een zuster stevende stemmig aan. 't Verwonderde hem aldoor, dat +niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij +zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo +rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek, +liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet. + +De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn +kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. 't +Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat +hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef +hij staren in 't vage, zich moeite gevend om na te denken. + +Hoe raakte hij eigenlijk in 't water en op welke manier, en door wíe +werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand +werd 't hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. 't +Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en +dommelde in. + +Bij 't opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof +en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal +koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren, +dat hij in 't ziekenhuis lag. + +Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter! + +Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De +ander vroeg hem: + +--Nou, hoe is 't d' ermee, baasje? + +--'t Gaat nogal dokter... licht in 't hoofd, en ik heb geen beenen. + +--Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je! + +--O! ik bedoel maar zoo voor 't gevoel... + +De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer +bevredigend. Baller liet z'n gedachten gaan, een inval schoot bij hem +op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z'n stem: + +--Ben ik erg ziek geweest? + +--Nou dat gaat nog al... op 't kantje af... aldoor veertig... maar +je bent een taaie... stevige longen hoor! + +Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte +nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw: + +--Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan! + +De dokter tipte al weg,--en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde +het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij 't nippertje van +zinken, geen wonder, dat-ie 'n ziekte ervan opliep. Longontsteking +of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten +en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag +zag hij 't vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem +vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe +te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever +slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij 't vreemde, +'t strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De +zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet +mocht denken, enkel maar rusten. + + + +Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon +geven. Zijn lichaam sterkte aan, 't voelde niet meer zoo vreemd, +zoo ijl, en 't werd weer meer één met 't bed, met hem zelf. De +vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij +hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot; +van 't verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren, +uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen +kregen bezoek, maar hij wou niemand zien. + +Dan op 'n keer zei de zuster weifelend: + +--Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h'r man... wil u +die ontvangen? + +Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde +bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit: + +--Nee-nee, g'n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten! + +--Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, 't is ook beter van +niet! Ze ijlde al weg. + +--Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik +wil met niemand te doen hebben. + +En zoo bleef het. + +De dokter vond 't opperbest. 't Werkte de genezing in de hand! + + + +De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en +hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen +'t verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid +van niets willen herdenken. + +De Hesselaars kwamen nogeens op 'n Zondag, en ook de vroegere buren, +doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen. + +Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed, +zonder dat hij 't recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder +de stichtende vermaning van zich te beteren, in 't vervolg zijn God +niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm +langs zich heenglijden. Wat wist zoo'n man van zijn mizerie... wat +begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z'n vrouw uit 't leven +nam, om hem wellicht te redden. Hoe 'n kreupele praat. Welnee, z'n +vrouw maakte 'n eind d'eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat +het in elkaar! Maar hij hield z'n meening voor zich, vond het niet +de moeite waard verder erover te praten. + +Door 't volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee 't +mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na 'n poosje van onvruchtbaar +geredeneer. + +'t Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage +denken. Toch welden vragen bij hem op over z'n vrouws dood en het +treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven, +en waar z'n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken, +dan was 't vroeg genoeg! + +Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer +gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord +nog eerst ontweek, hem aan 't eind niet onkundig kon laten en 't dan +maar zonder veel omwegen zei. + +--Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en +je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z'n woning +terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin +ondergebracht... + +Hij nikte. 't Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als +'n kind begon hij te schreien. + +De zuster troostte, zei dan flink: + +--Kom, kom, 't is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot +woord van de stad, maar eigenlijk komt het op 't zelfde neer wie de +kosten betaalt, ja zeker! + +Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,--en hij verstrakte, verstomde +weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was 't lot +van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al +wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar +tot jaar en trok haar mee. + +'n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar als van een ander viel +hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister +tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die 't +over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg. + +De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van +gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht +op 't leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat +al die opvattingen maar betreklijk waren; 't kwam erop aan wat je +'n mensch noemde. Kijk 'es naar zoo'n man, wat kost die geen geld +aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie +geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er +zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde +menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als 't algemeen +eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en +wat er voor doorgaat! + +Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. 't +Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van +'n uitzondering, waarvoor 't geheel niet behoefde te lijden, +maar hoe ook, 't raakte hem. En 't was waar. Wat verrichtte hij in +'t leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog +kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte, +een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets. + +Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken? Dan was 't uit +geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen, +en daarbij gebrek lijjen! + +De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel, +die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij +hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen. + +Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De +kwelling, het tobben begon nu eerst goed. + + + + +XII. + +Op een schrale Februari-dag, een dag van lichte vorst, felle wind en +weinig zon, moest hij 't warme ziekenhuis uit. + +Veel lust en moed had hij er niet in, maar vormelijk aangezegd, +dat-ie als genezene kon gaan, werd hem geen keus gelaten,--z'n bed +gelijk al door 'n ander ingenomen. + +Daar stond-ie nou in 't ruwe weer, in de groote stad, op de harde +keien. Hij was wel zoowat genezen, doch nog uiterst zwak, veel te zwak, +te hulpbehoevend, om 't leven aan te kunnen vatten. + +Straat-gewoel en kargehos, geschreeuw en gerel, 't daverde hem van +overal in zijn ooren. Zijn beenen wankelden, zijn oogen schemerden +van 't menschgedwarrel, dat voortjachtte naar alle kanten. Veel te +voorbarig hadden ze hem uit 't ziekenhuis gedreven! Waar moest hij +naar toe? + +De vlijme wind joeg snijdend op hem toe, schrijnde door zijn dunne +kleeren, en 't ijle hoofd leek hem bij al het tumult weg te zijn, +ergens naast zijn schouders te zweven. In die drukke straten hield +hij 't heelemaal niet vol. Zou hij naar de Hesselaars gaan? Nee, +die had-ie zelf afgewezen, ze zoûen niet vriendelijk wezen, zeker +over zijn vrouw spreken en daar wilde hij niets van weten. + +Hij moest eens naar z'n huisboeltje kijken. Z'n huisboeltje...? Ja, +daar had hij wat 'an. 't Beste was dadelijk een jood mee te nemen! Hij +bezat geen rooie cent, geen halve zelfs, had z'n laatste geld die +verschrikkelijke Zondag uitgegeven. Eten moest hij hebben en voor +van avond onderdak. Niets, niets stak er in z'n zak, als een mes, +een paar spijkers, een paar knoopen. Dus maar naar de timmertuin, +dan schoot hij op en was 't gauw afgedaan! + +De eerste rommelkoopman die hij zag klampte hij aan en nam hem mee. + + + +'t Armelijke boeltje onder 'n afdak opgestapeld, doorvocht, +verschimmeld, uitgeslagen, het ijzer roestig en vervuild, leek eêr +inelkaar getrapt dan neergelegd; 't lag er als een saamgeworpen rommel +zonder eenige orde of waarde. + +Met tranen in de keel liep Baller er omheen. Dan vroeg hij hoeveel +hij ervoor zou kunnen krijgen. + +De koopman, een gladde sjacherjood die snel takseerde, zei smalend: + +--Nah... 't is niet waard om 't voor niks weg te hale, dat zie je +me zoo! + +Gelijk deed hij of-ie wegging, bleef weer aarzelen, zei dan, bij +wijze van gratie: + +--Weet je wat... 'k geef je drie honderd cente! + +De opzichter van de stadstimmertuin die deze streken kende, joeg de +rommeljood van 't erf. Hij vond dat al te kras. + +Baller ging op zoek naar een ander. + +En die kwam. Door de eerste koopman er op afgestuurd, beneusde, +besnuffelde, betastte hij 't boeltje, trok een gezicht en bood nog +minder. Meer dan een daalder kon hij er niet van maken! + +Ook deze ging van de werf. + +Een derde sjacherde aan, maar de opzichter liet hem niet toe, snauwde +al van verre: + +--Ruk uit, leelijke smauzen. Aasvogels benne jullie, anders niet!! + +Hij wist nog wel 'n ander, stuurde een jongen op hem af,--en Baller zat +nu, de handen onder 't leeg-aanvoelend hoofd, van ellende te bibberen +in de Februari-kou. Drie gulden, wat moest-ie daarmee beginnen? Hij +begon de wrakke spullen uit elkaar te halen, om 't overschot van z'n +kleeren voor zich te houden. + +De bestelde koopman kwam, bekeek met vies gezicht de roestige kachel, +betastte de tafel, wrikte aan de stoelpooten, zei kermend: + +--'t Hêt veel geleje... met recht erg gerampeneerd... 'k krijg heel wat +koste. Meer dan 'n tientje kan ik onmogelik geve! Wat vraag je ervoor? + +Dan wroetten z'n handen weer in 't boeltje, terwijl hij hard-op +herhaalde: + +--Ik kan niet meer geve!! + +Tien gulden. 't Klonk al beter, in elk geval meer dan drie, maar +'t was toch nog niets. Baller aarzelde, vroeg toen nuchter-weg +vijf-en-twintig. + +De koopman keek spottend en zei: + +--Nou, dan mot ik je groete... + +--Maak er twintig van, kwam de opzichter tusschenbeide. + +--Twintig, waar mot ik 't uithale? ik doe tweehonderd cente erbij, +dat zijn twaalf volle guldes! Ja of nee? Een ander biedt het niet! + +Baller moest wel toeslaan. In vergelijking met de anderen leek 't +zelfs een kapitale som. Hij ooge-vroeg de opzichter om z'n meening, +maar die keerde zich om, trok de schouders op. + +--Geef op dan maar! zei hij kort ademig en hield zijn hand al op. + +Twaalf blanke stukken vischte de koopman uit 'n grauw zakje, tikkelde +ze één voor één in z'n hand, van koû krom en bibberend. + +Zie zoo, dat was afgedaan! + +Baller bood de opzichter een guldenstuk aan voor z'n moeite, doch de +man weigerde, zei welwillend: + +--Welnee, je kunt ze zelf beter gebruiken... geef alleen de jonge +'n dubbeltje, dan is 't in orde! + + + +'t Handje vol geld nu in zijn zak voelde hij zich rijk en armer dan +ooit. Dat was de laatste uitzet, het laatste anker, nou stond-ie +voor goed op straat, zou nooit eigen spullen meer hebben! 't Ging +scherp door hem heen, beet zich dadelijk in hem vast. Dan haalde hij +de schouders op, keerde zich om en strompelde dankend en nogeens +dankend, 't erf af, de stad weer in. Waar moest hij naar toe? wat +zou-ie beginnen? Zijn maag liet zich al gelden. + +Hij kon ergens 'n kosthuis zoeken, maar met zijn geld rekte hij +'t dan niet lang. 't Duurde voor twee, hoogstens drie weken en wat dan? + +Tot regelmatig werk deugde hij niet. Niemand zou zoo'n uitgepieterde +als hij in dienst nemen, dat kon-ie op z'n fikken natellen. Nee, +hij moest met dat drupje geld een negocie beginnen en daarmee de +boer op, er zou niets anders opzitten. Eerst nachtlogies zoeken, +voor één nacht en daarna verder zien. + +De onzekerheid van 't bestaan, 't zonder werk-zijn loerde op hem aan, +en 't dakloos rondzwerven, dat z'n vrouw afschrikte, haar naar huis +terug joeg, zag hij voor zich heel klaar. Hij ontkwam 't niet, moest +nu van dag tot dag 't leven bergen. Hij werd een zwerver. + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Deze schets en ook de hier achtervolgende zijn uit Machteloozen, +dat uitverkocht niet meer in den handel is,--en in De Ontredderden +geheel wordt opgenomen. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De ontredderden. Eerste bundel, by +Gertrudis Hendricus Ignaaz van Hulzen + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42858 *** |
