summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/42858-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '42858-0.txt')
-rw-r--r--42858-0.txt6898
1 files changed, 6898 insertions, 0 deletions
diff --git a/42858-0.txt b/42858-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..3e783ec
--- /dev/null
+++ b/42858-0.txt
@@ -0,0 +1,6898 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42858 ***
+
+ NEDERLANDSCHE··BIBLIOTHEEK
+ ONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONS
+
+
+
+ DE
+ ONTREDDERDEN
+
+ DOOR
+ G. VAN HULZEN
+
+
+
+ UITGEGEVEN·DOOR·DE
+ MAATSCHAPPIJ··VOOR
+ GOEDE·EN·GOEDKOOPE
+ LECTUUR--AMSTERDAM
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ Deel I.
+
+ De Ontredderden 5
+ Straatkinderen 11
+ Keesie 51
+ 't Onverwachte 69
+
+
+ Deel II.
+
+ Afgezakt 105
+
+
+
+
+
+
+DE ONTREDDERDEN.
+
+
+Een schip komt met volle zeilen in de branding, is reddeloos
+verloren. Een wrak, al ontredderd, wordt tot splinters geslagen en
+niets blijft ervan over.
+
+Een huis, sedert lang bouwvallig stort plotseling in, wordt een ruïne,
+al blijven enkele gedeelten overeind, waaruit de slooper nog gave
+balken en ramen zal halen.
+
+Een sterke boom die zijn wortels ver in de grond heeft, wordt
+ontworteld door een nog sterkere storm, of sterft op stam bij gemis
+aan voedingssappen.
+
+Een mensch gaat te gronde door eigen moedwil of door alles wat men
+eertijds het noodlot noemde, een sloopende ziekte, de omstandigheden
+die machtiger zijn dan zijn wil, ofwel door de tergende teruggang van
+het geslacht dat hem zelf 't slechte blòed ingaf. Deze en nog zooveel
+andere gevallen, ze zijn schier eindeloos in de voortdurende en zich
+herhalende wentelgang van 't leven, 't is een deel van het leven,
+'t is het tegenstrijdige leven zelf.
+
+Velen hebben er reeds van verhaald, ieder geslacht vertelt er van op
+zijn wijze, en ieder schrijver doet het weer anders.
+
+En de lezers? De een leest enkel voor plezier, de ander om de
+schoonheid en het genot dat de schoonheid schenkt, en een derde wil
+ook nog leeren. Wie zal de lijn hier trekken en wie heeft het bij
+het goede eind?
+
+
+
+In d'n beginne was er niets.
+
+Toen schiep God de hemel en de aarde, de mensch en de dieren in zes
+volle dagen, de mensch naar zijn evenbeeld.
+
+Die menschen vermenigvuldigden zich naar Gods woord en
+vermenigvuldigden ook de kwalen en de plagen; ze bestrijden en
+verdringen elkaar, ook als er geen dringende noodzaak toe bestaat. Nu
+en dan straalt tusschen hen 't licht van menschenmin en goddelijke
+liefde, van zachtheid uit sterkte geboren en van aanhankelijkheid,
+die enkel maar zwakheid is, maar gewoonlijk loopt het uit op dood en
+verderf of op ontreddering wat 't zelfde is. Ze overwinnen net als de
+dieren met geweld van natuurlijke kracht of door sluw instinkt, toch
+meestal zonder het zelf te weten, uit domheid, onberedeneerde zucht
+tot overheerschen, 't kleine eigenbelang en ook omdat ze niet anders
+kunnen: door de dwingende omstandigheden. Van deze omstandigheden, die
+de lichamen sloopt, de karakters smelt tot was, de sterke verandert in
+een levens-laffe en de zwakke ontneemt alle besef van God-gelijkheid,
+hiervan wil ik spreken.
+
+
+
+Een razende storm slaat uiteen 'n vlot, dat de rivier afzakt. Dagen
+lang schuren de balken, door de zwiepende golven geteisterd, tot van
+het vlot niets meer overblijft. Alles schijnt reddeloos verloren en
+de schade valt niet te overzien.
+
+Als evenwel de storm zich heeft gestild en de woedende wateren zich
+leggen, spoelt het wrakhout aan. Strandzoekers en jutters maken jacht
+en slepen de overblijfselen op het zand.
+
+Veel blijkt er te zijn verloren, maar wat er aandrijft, wordt, hoe
+gehavend ook, niet als nutteloos weggesmeten. Een eerzaam man bouwt er
+zijn hutje van, waar hij in liefde woont, ver in duin of hei. Een boer
+rastert er heel knus mee af zijn kippenloop om de vossen buiten te
+houden. Ook dient het wrakhout vaak tot schoren van een ordentelijk
+huis, men maakt er zelfs schuttingen van bij het bouwen van een
+kathedraal of paleis.
+
+Zoo is het ook met de ontredderden in de samenleving, niet alles is
+verloren wat op de tast zoo lijkt.
+
+
+
+Een kind rijgt kralen aaneen en doet het aandachtsvol, nu eens een
+groote dan een kleine, een bonte, een blanke, naast een gaafronde,
+een hoekige nevens een langwerpige schuivend, ze zamensnoerend,
+zonder eenig besef van regelmaat of kleur.
+
+Een voorbijganger blijft staan.
+
+De stille bedrijvigheid treft hem, maar dat het kind alles doorelkaar
+aaneenrijgt verbaast hem zeer. Te meer omdat het volstrekt niet lukraak
+rijgt en de keurende oogen langdurig heen en weer gaan alvorens de
+tastende vingers een nieuwe kraal naast de anderen voegen. Vaak wordt
+het eerst gekozene weer tenzij gelegd en een ander opgenomen.
+
+--Waarom rijg-je die kleine fijne naast die zwaar-grooten, waarom
+die hard-groene nevens die fel-roode, vraagt hij na een poos. Vin-je
+'t zelf wel mooi?
+
+Het kind kijkt verwonderd op, maar een antwoord heeft het niet.
+
+De ander herhaalt zijn vraag, goedmoedig uiteenzettend wat hij
+bedoelt. Doch voor 't kind zijn 't blijkbaar klanken die het voor
+'t eerst hoort en niet verstaat. Dan glimlacht het even van: ik weet
+het toch wel, en wat ben je dom!--Opnieuw verdiept gaat de kleine
+voort onverstoord, alsof de ander er niet meer staat.
+
+De toeschouwer haalt de schouders op en vervolgt zijn weg. Dat zoo'n
+kind alles zoo grappig aaneenrijgt zonder eenig overleg. Grooten
+hooren toch bij grooten, kleur bij kleur, soort bij soort, dan krijg
+je een mooi geheel, nu zijn het kralen en niet meer.
+
+
+
+Een schrijver is geen spelend kind en de lezers zijn geen toeschouwers
+die hem ondervragen. Nauwelijks lezen ze de toelichting van een werk
+als die erbij wordt gegeven. Niet noodig, niet noodig, zeggen ze grif,
+we hebben immers hier de kralen en we maken zelf 't snoer.
+
+Wie evenwijdig loopen ontmoeten elkaar niet en wie een
+tegenovergestelde kant uitgaan nog minder, botsing komt er niet
+licht, wel onverschilligheid en elkaar niet begrijpen, evenals de
+toeschouwer en 't kind. Dit kan de een voldoende zijn, een ander
+bevredigt het niet,--en als men mij nu vraagt hoe deze snoer zal
+zijn dan vrees ik het antwoord te moeten schuldig blijven. Ik toon
+u enkel de kralen, drie, vier naast elkaar, en dan een heele groote,
+die soms een boekdeeltje beslaat, en ge maakt maar zelf de snoer.
+
+'t Komt hier toch niet in de eerste plaats aan op de gave van
+samenstellen, wèl op de werkelijkheid, die gezien in 't ware licht,
+de schoone ontroering brengt, juist omdat het geen verdichtsel is.
+
+
+
+De schrijver beeldt, verhaalt, denkt zichzelf weg, en als hij dit doet
+geeft hij louter fotografie. Maar wie onderstelt een schrijvend mensch,
+die niet denkt, die geen gevolg van oorzaak te onderscheiden weet,
+en aldus de aard der dingen niet zou weerspiegelen in zijn werk. De
+draad, de ijl-fijne draad die zich weeft door elk verhaal en die ook
+'t geheel maakt, blijft toch van hèm, van hem alleen, en die draad
+slingert zich door alles heen.
+
+Op welke wijze rijg ik nu mijn snoer aaneen? 't Is reeds gezegd. Zoo
+ongeordend als 't kind, dat elk voorwerp op zichzelf beschouwt
+en enkel de dingen verbindt die het belangrijk vindt. Want wat de
+toeschouwer zoo willekeurig en gedachteloos toescheen was voor dit
+kind vanzelfsprekend, hoogste wijsheid door instinkt geleid, dat is
+'t verschil.
+
+
+
+En mijn snoer, hoe zal die zijn? Een stoet van paupers, rijke
+nietsnutten gekweld door hun geld, de afgezakten van alle rangen,
+alle standen langzaam opklimmend, van de laagstontwikkelden tot de
+overbeschaafden, weer bont dooreen, een lange reeks van ontredderden
+en machteloozen,--en omdat het er zoovelen zijn kan ik maar kleine
+geschiedenissen geven, waarin de algemeene draad niet zal ontbreken,
+hoe elk geval ook op zichzelf werd gebeeld.
+
+Wat die draad beteekent? Wel de nauwspeurenden bemerken het vanzelf
+en zij die daarvoor de aanvoeling missen hebben geen uitleg noodig. Ze
+lezen de verhalen op zichzelf en laten de draad voor wat ze is.
+
+
+ G. van Hulzen
+
+
+
+
+
+
+STRAATKINDEREN. [1]
+
+
+I.
+
+In klemmende, aanzwellende volte van groote stad stond hij armelijk,
+een kleine jongen, pover in zijn voddige sjofelheid, schurkend zijn
+schrale schouders tegen het kil-massieve huis van Vijgendam, krampend
+van nijd, omdat hij nog niet bij elkaar had wat er vandaag weer moest
+wezen, vandaag zoo goed als alle andere dagen.
+
+Als een zwart en grillig gordijn schoof hem raaklings voorbij de
+menschenrij, gehaast en onophoudelijk in schuivende, hobbelende vaart,
+de menschen die van alle kanten tegelijk aankwamen, hem kruisten
+gejacht en woelig, langs hem heenschoten zonder zelfs op hem te
+letten. Geen blik hadden ze voor hem over, zelfs geen snauw.
+
+In elkaar gezakt, de oogen half toe onder de fletse brauwen, suf en
+moe van het langdurig staren naar die wirwar, zocht hij een enkele
+die zachter liep en die hij aanklampen kon, in gedurige angst van door
+'n smeris te worden ingepikt als bedelaar. Dat uitkijken vorderde al
+zijn aandacht en maakte hem dof.
+
+In zijn dertien jaren voelde hij zich oud en wijs, in staat een heele
+wereld te bedriegen, en nou ontging het hem finaal; hij kon er geeneen
+te pakken krijgen.
+
+Gisteren haalde hij al niet genoeg òp en vandaag zou het nog minder
+worden. De goede verwachting van geluk waarmee hij vanmorgen uittrok
+dorde en schrompelde in hem en werd stage kwijning.
+
+Z'n ongewasschen handen bekrabbelden netelig de hangzak, los bengelend
+in zijn broek, die zoo afzakte en aan de einden rafelend. Zijn vingers
+telden binnen in de zak.
+
+Nog lang niet genoeg! Waarom telde hij eigenlijk, hij wist toch wel uit
+z'n kop hoe weinig hij had; in 't laatste uur kwam er geen snars bij,
+wat wou ie dan?.. En hoe stond 't met kleine Bet? Voor hem draaide het
+nog wel los; voor haar niet. Ze bracht haast nooit wat in, dan liep
+ze zware rammel op, en dàt kon-ie niet goed zien. Voor haar zat-ie ook
+nou in de rats, niet voor zichzelf, al kreeg-ie er ook vaak van langs.
+
+Zijn vale pet, lodderig-scheef op z'n vlasharen, zakte nog scheever
+weg en zijn mond trok tot een grijns. Dat weer was ook zoo griezelig
+en grimmig, geen mensch bleef 'n oogenblik staan, hoe kon-ie ze dan
+om wat vragen?
+
+'t Was koud. Zijn magere schochten bescheukten de muur; 't deed
+hem goed.
+
+Met zijn kromme vingers befriemelde hij de vettige kraag, zette die
+op tegen de plakharen en dàt gaf wat warmte.
+
+Rondom hem lawaaide het in de dringende voortschuivende strubbeling,
+niemand had tijd voor hem. Wie hij dacht te kunnen aanspreken schoot al
+voorbij, en als hij het toch probeerde keken ze hem niet aan, hoorden
+ze zelfs niet naar zijn jankende stem. Hij zag er anders schunnig
+genoeg uit. Z'n broek vol franje, de eene pijp 'n eind te kort, de
+ander gescheurd, z'n hes verkleurd en veel te lang, geen knoop eran,
+de schoenen zoo groot als schuiten, en de das, een afgesneden lap,
+die zat als een touwtje om de hals, nou daaraan lag het niet. En lam
+voelde-ie zich ook. God, wat was-ie lamlendig en beroerd!
+
+Hij voelde en wist dat hij er goor en verlept uitzag, geel van armoe
+en ellende, maar dat hielp alles niet. Je mot niet lammig en ellendig
+wezen, je mot er alléén maar zoo uitzien; daar had-je 't...
+
+Als vâer hem sloeg, en die zat nou in de doos, gilde-ie het uit als
+'n magere big, al raakte die hem met g'n hand 'an. Dan stoof moeder
+ertusschen, schreeuwend dat-ie 't laten most. Hou je klauwen thuis,
+je hoeft hem niet zoo af te rammelen, snauwde ze. En dan gingen die
+twee aan de gang en hij kneep d'eruit, òf als hem dat niet lukte
+zette hij krampig 'n gezicht van half te zijn vermoord, griende dat
+hij 'n volgende keer beter zou oppassen en centjes thuis brengen. 'n
+Arme smoel trekken hielp altijd, maar vandaag gaf het niet. Geen lor
+bracht het in. Doe er 'es wat 'an, haal ze 't uit de zak, als ze niet
+willen geven en pesterig zijn?
+
+Troosteloos liet hij zijne blikken gaan, keek even suffig rond en
+mopperde dan weer voor zich zelf weg.
+
+Mooi praten hadden ze thuis; als 't niet wou kon je d'er niks aan
+doen. D'er zijn dagen voor de pech, b'voorbeeld vrijdags, dan loopt
+'t altijd mis, donderdag eigenlijk oôk al. Zaterdag is 'n goeie dag
+en maandag ook. Zondag dat hangt af van 't weer, kun je te voren niks
+van zeggen, je mot boffen.
+
+Nou had-ie pech! echt pech! 't Ging belabberd, vanochtend, merkte-ie
+'t dadelijk al, goed. Nou dan trok-ie d'er tusschen uit...
+
+Even deed-ie z'n oogen toe, keek door de oogharen heen als in bezinning
+of-ie 't wel zou doen. Ja, hij piepte 'em maar, 't gaf toch geen
+bal! Liever 'n pak rammel thuis dan 'n veeg van een smeris. Als
+je pech hebt komt het zoo ver; ze sturen je op naar de tuchterij,
+èn daar bedankte-ie voor, dat was voor hem geen kaas, dàt liet-ie
+'an de stommerikken over!
+
+Hij knipperde nog even met z'n oogen. Jessis, daar hadje al 'n kopere
+bout! Hij smeerde 'em, zou naar kleine Bet 'es gaan kijken wat ze
+gevangen had. Als-ie op z'n falie kreeg kwam d'er minder op an, hij
+kon er tegen met z'n karkas, maar zij niet. Gek als-ie 'n dag niet
+voor haar zorgde kon-ie 's nachts niet slapen. Hij moest haar dus
+wel helpen. O, zoo!
+
+
+
+
+II.
+
+De handen diep weggegraven in de bungelende zakken, sjokte hij
+grootmannetjesachtig naar de Achterburgwal, waar hij wist zijn zusje
+aan de wallekant te kunnen vinden, net over de kruisstraten waar ze
+op post stond, om toe te zien of er ergens wat viel te snaaien.
+
+Van verre zag hij haar al. Ze stond er weer te stumperen, liep er
+voor tjomme rond.
+
+Met z'n gauwe oogen wenkte hij haar hem te volgen naar een nauw goor
+steegje. Daar kon-ie de aangelegenheden goed beredderen!
+
+--Hoeveel heb je al, vroeg hij heesch. La'w'es zien?
+
+--Hoeveel? Niks!
+
+Ze opende haar leege handen en streek er dan mee over haar jurk;
+ze keek hem aan met angstige oogen.
+
+--Bè-je gek! Niks! zèg, kan je nog minder? Zie jij maar hoe je 't
+thuis eraf brengt. Ik doe niet mee, hoor!
+
+--Ze loope me allemaal voorbij, kermde ze kleintjes.
+
+--Natuurlik, as je ze niet 'anspreekt... heb je dan geen mond... denk
+je dat ze 't mij ma'r zoo in m'n handje leggen?
+
+--Je bent ook veel grooter.
+
+--Grooter, grooter, wat is dat? In de kleine hebbe ze meer fedusie;
+die geloove ze eerder!
+
+--Ze hoore niet eens na' me! teemde ze terug.
+
+--Och, jij speelt ma'r.
+
+--Nietes hoor!
+
+Haar groezel-bleek gezichtje vertrok krampig alsof ze grienen
+wilde. Dat maakte hem van streek.
+
+--Wel ja, nou dat ook nog, huilebalken zeker, hooresies, ik laat je
+staan! waarschuwde hij en wilde zich omkeeren.
+
+--Ik huil toch nie.
+
+--O, da's je geraje ook.
+
+Hij schokte heen en weer op zijn schuiten van schoenen, liep zwaar door
+'t gore nauwe steegje met bijna geen huizen en hooge blinde zijmuren,
+groenig druipend van vocht.
+
+--Ta-ta-ta, tetterde hij al weer, groot van kwaadheid.
+
+Angstig oogde ze zijn smakkerig loopen na, bang dat-ie kwaad zou
+weggaan en haar alleen laten.
+
+Maar hij ging niet, sjokte maar heen en weer, bleef dan weer staan,
+keek de hoogte in en floot een straatdeuntje.
+
+Zijn handen, zoo groezel-viezig, groeven zich nog dieper weg in zijn
+kluiterig hangende broekzakken,--en hij vertrok minachtend zijn lippen,
+bestaarde dan opnieuw de lucht, scheukte met zijn schouders alsof
+hij nog op de Vijgendam stond te ruggewrijven tegen dat stevig huis.
+
+Wat moest-ie met haar beginnen? Vandaag vrijdag een slechte dag,
+een olie-dag, nou ja, ook hem woûen ze niet geven,--maar niks, dat
+was dan ook heelemaal niks!
+
+Bet volgde zenuwachtig al zijn bewegingen, en nu hij niets zei,
+voelde ze zich nog banger; haar groezel-bleek gezichtje werd vaal,
+wit-pips er van.
+
+Een uitgeholde raap, die uitstaakte boven het verschoten kleedje,
+zoo zag haar hoofdje. Haar handen wriemelden door het gelige haar,
+dat verslonsd en verwaaid om de wijduitstaande ooren hing, krabten
+aan haar kleine neus, en ze wilde opnieuw gaan grienen.
+
+Hij keek nog aldoor tartend omhoog, alsof hij het in de lucht moest
+zoeken, kwakkelde oud mannetjes-wijs weer heen en neer, de knieën
+doorgeknikt, de kleine schouders trekkend waarbij de handen in de
+bengelende zakken meegingen. Nog eens snauwde hij:
+
+--Niks... nee, die is goed
+
+Dan floot hij weer zijn straatwijsje.
+
+De angst dat-ie haar alleen zou laten maakte haar scherpzinnig;
+ze zon op een list, begon:
+
+--Enne, hoeveel heb jij dan wel? Ze vroeg het op 'n toon alsof ze
+wel heelveel verwachtte.
+
+--Nà, ook niet zoo bar, ontweek hij eerst.
+
+--Hoeveel dan? hijgde ze.
+
+De schouders haalde hij op, gaf geen antwoord.
+
+Zij stampte met haar uitgetreden schoenen en zei opnieuw:
+
+--Nou zeg 't dan...
+
+Hij keek haar aan met z'n oogen van een groot mensch, zei moeilijk,
+lip-optrekkend, onverschillig.
+
+--Dertien cent. Da's alles, maar jij heet niks!
+
+--Dertien sjent? en gisteren had je wel zevene dertig...!
+
+--Gisteren, ja, maar gisteren dat is nou niet!
+
+Voor Bet ging ineens open al wat haar te wachten stond, een pak slaag,
+trekken aan de ooren, geen eten krijgen. De schrik-gedachte van niet
+thuis te durven komen kwelde haar gruwelijk. Dertien cent met hun
+beiden, dat was veel te weinig. Verward tuurde ze naar de morsige
+steegjesgrond, voelde zich geheel beteuterd. Toen ineens kinder-gauw
+over die verschrikking heen, zei ze ernstigjes en verwijtend:
+
+--Had dan ook gisteren wat weg gehoûe!
+
+--Dat gaat ma'r zóó, ze zoekt zeker niet alles na!
+
+--O, nou, onder 't bed, ik zou 't wel weten.
+
+--Jij? Jij weet niks... ik mot er maar voor opdraaie!
+
+Hij nam een aartsvaderlijke poze aan, zette de beenen wijd uit en
+stak weer de handen in de broekszakken, frommelde ze nog dieper,
+alsof-ie zeggen wilde: zie zoo, daar sta ik, wat moet je nou beginnen.
+
+Nu floot hij het straatdeuntje:
+
+
+ We gane nog niet naar huis,
+ Nog lange niet, nog lange niet!
+
+
+Treiterend keek hij naar de lucht, die boven het enge steegje maar met
+een spleet te zien viel, en zij voelde nu wel het onoverkomelijke van
+al die dingen. In machtelooze kwaadheid trappelde ze op de uitgesleten
+schoenen, trappelde zóó fel dat alles aan haar lichaampje meehotste.
+
+Hij floot nog harder, keek nog strakker naar de lucht en nu begon ze
+te huilen, uitbarstend-geweldig. Ze trappelde en huilde om 't hardst,
+haar gore boezelaar bijna stukbijtend van nijd en niet te bedwingen
+kribbige bangheid.
+
+Langzaam haalde hij nu zijn handen uit de zakken keerde zich welbewust
+om, en zei smalend:
+
+--Salussies, ik groet je, balk jij maar door!
+
+Hij ging, maar zij liep hem grienend achterna, eer bang dan kwaad; ze
+greep hem vast bij zijn hes, tandklapperend onder het huilen en kermde:
+
+--Help me nou, Heintje-lief... help me nou... laat me niet alleen!
+
+Tranen biggelden over haar wangen en vielen in groote droppen op de
+boezel neer.
+
+--Welja, ik mot maar altoos hellepe, weerde hij onwillig af.
+
+--Nou, doe het dan deze keer nog maar?
+
+--Rep toch zelf niet, niet meer dan dertien cent?
+
+Opnieuw begon ze te huilen--en hij begreep wel, dat-ie er zoo niet
+kwam.
+
+--Toe nou, Heintje, help me nou, smeekte ze weer.
+
+--Nou vooruit dan... schei uit met griene!
+
+Hij veegde met de schort haar oogen uit, mokte nog wat na; en zij
+hikte:
+
+--Ja-ja, Heintje!
+
+Ze stonden nu beiden even bedremmeld in niet weten wat aan te
+vangen. Waar zullen we naartoe gaan? peinsde hij, en zij dacht, wat
+zal hij me nou laten doen, ik heb niks tegen te zeggen. En plots,
+door haar tranen heen, kreeg ze 'n goede inval; ze riep:
+
+--Laat 't, la me los, ik weet al wat!
+
+Ze trok hem de boezel uit de handen, liep de steeg al uit en schreeuwde
+tegen Hein:
+
+--Wacht ma'r hier, ik klamp die 'an!
+
+--Wie?
+
+--De matroos, daar!
+
+--Hem, nee-maar! die is vet, zie je dat niet?
+
+--Kan me niet schele!
+
+Ze sidder-schokte, liep huilend de matroos achterna.
+
+Hein stond haar na te kijken, ongeloovig met toch 'n vage verwachting
+in zijn bedeloogen. Wie vraagt nou aan 'n dronke matroos?
+
+Ze had de zeeman ingehaald, liep nu vlak achter hem en wilde hem aan
+zijn kleeren vast pakken. Maar dat ging niet best, de rechtafgesneden
+jas gaf geen vat.
+
+Het Jantje voelde toch iets ervan, bleef staan en keek om, verwonderd.
+
+--Meneer... meneer?
+
+--Bè-je besuikerd, ik ben geen meneer, wat mijnheer!
+
+--Meneer de matroos, och toe...
+
+Het Jantje met zijn zatte oogen moest toch lachen om dat meneer de
+matroos en rammelde afsnauwend-medelijdend:
+
+--Waarom huil je schaap?
+
+--Mijn moeder slaat me dood, als ik niks thuis breng, kermde ze,
+terwijl ze haar handen wrong.
+
+--O, ho, dood? zeg, dat is maar zoo weinig niet.
+
+--Nee, huilde ze, maar zij doet 'et!
+
+Zij hikte, huilde opnieuw, van dat huilen niets meenend, in klaar
+besef te moeten doorgrienen, hoe harder hoe beter.
+
+De matroos in zijn goedmoedige zatheid maakte gijntjes.
+
+--Ik geloof er geen bliksem van, ratelde hij door. Maar al wat topzwaar
+voelde hij zich toch bewogen worden; hij tastte in zijn zak, gaf een
+geldstukje om van het gejank af te wezen, zei dan ruw:
+
+--Daar dan!... Je bent een gauwdief en je belatafelt de kluit,
+maar affijn.
+
+In haar hand zag Bet een kwartje glinsteren.
+
+--Nee, nee, meneer de matroos, huilde ze nog en ze kneep haar hand
+meteen toe.
+
+--Loop naar de weergâ met je meneer de matroos. Maak nou maar dat
+je weg-komt.
+
+--Ja meneer de matroos! huil-dirkte ze.
+
+Ze deed alsof ze haar tranen droogde, keerde zich voet-schuifelend om,
+het kwartje geknepen in haar hand, slifferde dan langzaam terug heel
+effen en gewoon.
+
+De matroos zette zich weer in beweging, het ronde, roode hoofd
+schuddend om de ellende, die misschien wel echt en waar kon wezen,
+ook om zichzelf, dat hij zoo stom was om geld te geven. Ze bedelen
+er maar op los!
+
+
+
+--Nou? riep Hein al van verre, nou hè-je 'n beit... niks hè... een
+krats?
+
+Ze hield zich nog stiekum, wenkte geheimzinnig met haar magere hals,
+zei dan fluisterend:
+
+--Een maffie!
+
+--Een kwartje? je liegt, je zegt maar wat, hikte zijn stem ongeloovig.
+
+--Ga mee! zei ze.
+
+En hij met haar meesjokkend raffelde nu:
+
+--Là-w'es zien!
+
+--Nee, eerst doorloope, strakkies!
+
+Nog altijd de handen diep in z'n zakken, voelde hij al wat mee van haar
+blijdschap, liep nu naast haar, scheukend zijn schouders, en beiden
+gingen ze kordaat, klakstappend, om spoedig uit het gezicht te wezen.
+
+--Kijk maar! zei ze triomfantelijk en ze toonde hem 't gekregene.
+
+--Ja... waarachies!
+
+Zijn oogen staarden begeerig naar 't zilverstukje, dat in haar
+nu-open-hand lag,--en op zijn beurt maande hij aan, wantrouwig:
+
+--Doorloope, Bet!
+
+--Natuurlik, wat dach-je-dan?
+
+Ze sjokten door, nu erg vertrouwelijk naast elkaar en van de stad met
+al het gekledder, gestamp, gerij en geraas, merkten ze weinig. Ze
+dachten enkel aan 't kwartje en 't geluk van uit de knel te wezen,
+het besef van nu eens geen ongeluk te hebben. Ze liepen door uit
+instinkt bang dat het een "stille" kon hebben gezien en dat ze dan
+opgepakt konden worden als bedelaars. De angst, ingeboren angst voor
+policie woog zwaar, zwaar door onbestemde, vage begrippen van te
+worden opgestuurd naar een verbeterhuis, met schampeering vrijgelaten
+of rauwe herrie thuis, geschimp, gescheld en slaag toe. Daarom bleef
+het: vóór alles uit je oogen zien, oppassen... je weet nooit hoe je d'
+erin loopt. Bof is goed... maar policie deugt niet!
+
+Nu wat uit 't oog van de buurt, in een andere straat aangeland,
+een stille straat, waar de enkele menschen wel te overzien waren,
+week weg de verdachtheids-aanvoeling, welde op 'n allesberekenende,
+overleggende kinder-sluwheid.
+
+--Wat sulle we doen, vroeg Heintje, die zijn handen uit zijn diepe
+zakken optrok.
+
+--Wissele, natuurlik!
+
+--Ja, da's goed... anders geloove ze 't nie.
+
+--Allemaal centen, een duppie er bij--en dat beware we voor morrege!
+
+Met 'n glans van leepheid in haar kleine oogjes gluurde ze naar hem,
+maar hij voelde 't voorstel als een knauw van zijn meerderheid,
+gnuifde daarom gewoontjes:
+
+--Dat geeft nou net niks!
+
+--Jawel, jawel, snauwde ze terug. En bang dat hij niet zou toegeven,
+begon ze weer van ongeduld te trappelen.
+
+--Wat wi-je dan?
+
+--Verberge een dubbeltien.
+
+Hij trok z'n wenkbrauwen eens op, en zei toen:
+
+--Nou, mij best! Vooruit dan maar... eerst wissele.
+
+Ze stapten een snoepwinkel in, kochten twee suikerhempjes, voor ieder
+een, vroegen van 't kwartje een dubbeltje terug en de rest aan centen.
+
+De dikke juffrouw, die uit gemak liever twee dubbeltjes, dan al die
+koperen centen uit-telde keek ze eens aan, dacht: O, o! nou dat is
+me er weer een stel. Geen zuivere koffie!
+
+
+
+
+III.
+
+Op hun suikerbrok zuigend, vettig smikkelend, sloegen ze de weg in
+naar huis.
+
+Het druk-woelige, het jagen en stuwen van de groote stratenstad,
+het rijden en rossen der wagens, het geschreeuw van voerlui en
+'t gerammel van handwagens, de volte en drukte waartusschen ze in
+hun kleinheid bijna beklemd raakten, dat liet hen alles nu nog meer
+onaangedaan en koud.
+
+Ze voelden zich volkomen vredig. 't Was wel niet te veel wat ze thuis
+brachten, maar 't kon. Niet alle dagen ging het tof. Straat uit,
+straat in, sjokten ze voort de weg op naar huis, toch wel in het vaag
+besef dat dertien en veertien cent te zamen, niet zoo'n groot bedrag
+uitmaakte, maar ze waren nu eenmaal gelukkig door 't krijgen van een
+kwartje-in-eens, wat haast nooit voorkwam.
+
+--'t Zal me verwondere wat we voor eten krijge? sprak kleine Bet na
+een poos.
+
+--'t Zal wel niet veel weze!
+
+--Wat denk-je?
+
+--Op vrijdag geeft geen mensch wat weg, ze beware 't zelf. Brood
+natuurlik of pap zal 't wezen. Morgenavond krijgen we
+pottekoek. Vandaag niks.
+
+--Kun-je niet weten! zei Betje ineens wijsgeerig, misschien is er wat.
+
+Heintje haalde zijn schouders op en lachte om haar goedgeloovigheid. Ze
+kakelden door, vergaten hun dubbeltje te verstoppen.
+
+Dicht bij de steeg waar ze woonden, dacht zij ineens eraan, trok hem
+bij zijn hes terug en zei met haar kleine stem zeer beslist:
+
+--Nee, eerst overlegge... we geve 't dubbeltje niet af.
+
+--Waar wil-je 't dan late?
+
+--In een pampiertje doen.
+
+--En dan?
+
+--Verstoppe!
+
+--En waar wil je dat dan verstoppe?
+
+Ze werd door al zijn vragen wel wat verward, keek beteuterd voor zich
+weg en zocht naar een nieuw middel.
+
+--In mijn schoene! zei ze nu, toch wat aarzelend.
+
+--Vinde ze dadelik.
+
+--In m'n haar.
+
+--Valt er toch uit!
+
+Sprakeloos tuurde ze opnieuw naar de grond en wist niet wat ze moest
+bedenken.
+
+--'k Weet wat... in je voering, zei ze plots, als deed ze een groote
+vondst.
+
+--Ik zou je danke... wil niet doodgeslage worde, antwoordde hij al.
+
+Een kribbeling van nijd door zijn niets goed-vinden kwam in haar
+op. Ze smaalde:
+
+--Och jij, je bent ook zoo bang!
+
+--Nee, jij bent het zeker niet, jij schreeuwt al voor ze je anrake.
+
+--Zoo, dreinde ze treiterend terug, door dat argument niet gebluft. En
+weer had ze iets anders.
+
+--Ik weet het, ik weet 'et! juichte ze.
+
+--Nou, wat dan?
+
+--Begrave!
+
+Deze gedachte vond hij al even slecht als de andere, toch moest er
+iets gebeuren om 't dubbeltje te kunnen houden. Hij wierp alleen nu
+nog tegen:
+
+--Dan motte we wachte tot het donker wordt.
+
+--Nou, wat zou dàt, we hebbe ommers de tijd.
+
+
+
+Ze gingen nu terug de stad in, dwaalden daar rond, versnoepten een
+cent van hun geld, nog één--en werden straatmoe.
+
+--Late we nou maar afgeve, vermaande Heintje die voelde dat het mis
+zou loopen.
+
+--Nee, nee! weerde zij terug, star vasthoudend aan haar begrip om wat
+over te houden voor een andere dag, want het geval van een kwartje
+ineens te hebben gekregen, bleef in haar als een heel groot feit.
+
+--As we alles afgeve, hebbe we morrige weer te weinig!
+
+--Ja, dat kan wel!
+
+Het donker begon al te vallen, nog heel langzaam, heel traag, nu
+in September, de dagen aldoor kortend, al over zevenen. En in dit
+trage naderen van 't donker, zochten ze heel voorzichtigjes naar
+een plekje aan de voet van een boom die ze gemakkelijk terug konden
+vinden, in 't plantsoentje bij de Martelaarsgracht. Maar daar ginds
+zaten nog een paar menschen op de bank en ook speelden er jongens,
+ze moesten wachten.
+
+Met uitgestreken gezicht slenterden ze rond het hek, gluurden er over
+heen, gingen door, kwamen terug en het wantrouwen sloop overal mee
+achter hen aan.
+
+Het aandonkerend groen van de heesters leek al zwart en tegen de
+huizen gleden groote schaduwen.
+
+Overal twinkelden door 't twijfeldonker heen de lichtglimpen
+der winkels, vage lichtspikkels, die als piekerende oogjes hen
+aangluurden. De tram rolde gierend voorbij met menschen, die van
+het bordes naar hen keken--en vaak moesten ze weer wegschuilen,
+omdat een diender of stille bleef staan, hen wantrouwend bekijkend.
+
+De noordewind, toch al scherp, al was 't nog vroeg in 't najaar,
+schuurde over de Prins-Hendrikkâ, langs hun ooren,--en ze merkten
+gevoelig de kou, want die drong nijdig door hun dunne kleeren.
+
+Tegen het hek aan scheukte hij met zijn schrale schouders, hij wilde
+het plan wel opgeven en zij keek armoedig.
+
+Maar nu ging de man in zijn dikke jas weg--en ook de ravottende
+jongens liepen een heel eind ver. De policieagent, die zoo lang had
+staan turen, verwijderde zich langzaam en het oogenblik werd gunstig.
+
+Ze slopen nu het plantsoen in schichtig achter elkaar alsof ze een
+misdaad bedreven. Het belgetjinkel van de tram klonk fel in hun ooren
+en ze vroegen zich of de policie-agent niet terug kon komen.
+
+Het pad in 't plantsoen lag al schemerig in het halve avondduister,
+voor hun speurende oogen nauwelijks meer zichtbaar, een grauwige
+kronkelstrook, om de hoek erg geheimzinnig en daar geheel zwart,
+zoodat er best iemand verscholen kon zitten. Rondom huifde het donkere
+groen waar-tusschen de kille najaarswind heenstreek en dit voelden
+ze ook als een gevaar. Dan weer hoorden ze opnieuw dat felle gebel,
+dat schuifelend geknars van een aankomende nieuwe tram.
+
+--Blijf jij nou hier Bet, snerpte hij heesch. En dadelik sissen hoor,
+as je wat ziet!
+
+Betje dorst bijna geen adem geven, knikte maar.
+
+Hij sloop, de handen langs zijn knieën, een pas of tien vooruit en dan
+op de ronding van 't pad, bukte hij zich, grabbelde, groef haastig
+een gat, dicht bij een boom waar rondom donkere heesters stonden,
+stopte het papiertje met het dubbeltje zenuwachtig in de grond,
+keek, op zijn hurken zittend, nog even om of hij niet werd gezien,
+of hij niemand zag. Nee, niets verdacht!
+
+Geheel ontdaan was hij en bleek nu hij bij Betje terugkwam. Alsof
+hij een ware schelmenstreek had uitgevoerd, keek hij nog telkens om,
+en trok haar mee.
+
+Armoedig stapten ze nu op huis aan met onvaste, hakkelende pasjes.
+
+
+
+
+IV.
+
+In 't nauwe slopvertrek geelde 'n klein lichtje over de verwaarloosde,
+stukkende stoelen die in haar zwartheid eruit zagen als zwarte knokels
+in een knekelhuis.
+
+Op de tafel met allerlei rommel, tusschen ongewasschen koffiekommen,
+lag naast 'n bus voor suikerpot gebruikt en tusschen lepels een
+kam, een uitgewrongen vaatdoek. Bij 't aanrecht stond de moeder,
+'n zwart-verellendigde, grof-nijdige vrouw, aan 't werk. Met norsch
+gezicht keek ze op nu Hein en Bet binnen kwamen; ze zei niets.
+
+Dit verontrustte wel.
+
+Sjofel schoffelden ze naar de tafel, vischten dan de centen uit hun
+zak en legden die met kromme vingers op een hoopje, telden ze en
+bleven er zelf beteuterd bij staan.
+
+--Is dat alles? snauwde de moeder.
+
+--'t is vrijdag, de lamp hangt scheef!
+
+--Ja, schei ma'r uit... dàt kenne we... as ik op jullie most rekene,
+godbewaar me, dan bleve we geen dag in 't leven.
+
+Betje peuterde in haar neus.
+
+--Mot ik je van die paar ellendige cente soms te vrete geve?
+
+--Ze woue niet bijte! zei Heintje ineens kortaf.
+
+Betje nikte tot bevestiging en keek dan haar broertje vragend aan.
+
+--Welzeker, jij ook nog... 't grootste gelijk van de wereld as ze
+niks inbrengen.
+
+--Ze hadde me bijna ingepikt, verdedigde Hein zich, weer brutaal.
+
+--Hadde ze 't maar gedaan... dat gav' de goeie God! 'k Was ineens
+van jullie af... toch niks dan last!
+
+De kinderen zwegen.
+
+Tegen deze redeneeringen viel weinig in te brengen; ze staarden
+erbarmelijk voor zich uit.
+
+--Kom, maak maar wat vort... hier, pak aan je pap... en dan op slag
+naar je nest!
+
+Hein en Bet, ze grepen beiden naar 'n bord. Ze schoven zich naast
+elkaar aan tafel, likten en slikten, eerst wat schroomvallig door
+die onverwachte sneue uitval, hapten dan met volle lepels door, toch
+nog stil en bevreesd voor een opstopper, en door hun eigen gevoel
+van schuldbesef.
+
+De moeder ritste de centen bij elkaar, liet ze in haar zak glijden,
+en ze mopperde nog eens:
+
+--'t is god beter-me een kap'taal wat jullie daar binnen brenge!
+
+Ze snoof haar neus eens uit, ongesjeneerd, alsof dat werkje heelwat
+beteekende, ging stug aan haar werk, begon met veel drukte de gootsteen
+uit te boenen.
+
+Morgen voormiddag had ze een halve werkdag aangenomen, om bij Toos
+die ziek lei, de boel aan kant te maken, en ze moest haar eigen
+huiswerk toch nog eerst af ploeteren. Als de buik haar nu maar met
+vreê liet. Want sedert haar laatste kraam was ze niet meer gezond,
+tobde ze van de eene dag in de andere en kon nergens staat op
+maken. Wat de dokters daaraan deden, dat bleef ook bij nou en dan
+een prop zetten! Ze had soms een pijn, dat ze er niet mee voortkon,
+en rezenabel moest gaan liggen. Werk dan maar eens!
+
+Het eenigste wat ze nog kon doen met die zieke buik was grofstoppen
+voor buren, 'n stuiver voor een paar, gaten als vuisten, waar je maar
+wat aan te sappelen kreeg om een schelling per dag te halen! Een
+geluk toch nog, dat ze die kinders had! Hoe moest ze er anders
+komen? Krepeeren van honger, natuurlijk! Klaas, haar kerel, die zat
+nu toch over de zes maanden in de doos, voor dat partijtje oud lood
+moeren, of liever willen moeren, want ze waren al gesnapt voor ze
+nog een mes d' erin hadden. En 't duurde zeker wel bijna drie maanden
+voor-ie los kwam. Wie dacht in die tijd aan haar? Niemand! Je mot je
+zellef ma'r in 't leve zien te hoûe!
+
+Ze schuurde en boende fel van neteligheid en gif, dat het water over
+de gootsteen heen spatte en haar bemorste,--en ze snauwde weer tegen
+de kinderen, die opschrikkend uit hun zacht gesmoes, opnieuw aan 't
+lepelen gingen. De borden hadden ze allang leeg gegeten en ze zaten
+met de lepel in de hand.
+
+Dat opschrikken van die twee maakte haar klaar opmerkzaam, dat er
+iets niet pluis moest wezen. Ik zal ze in de smiezen hoûen, zei ze
+bij zichzelf.
+
+Zij deed, alsof ze weer aan 't boenen ging, maar bukte zich zóó,
+dat ze onder haar arm kon doorkijken. Nu zag ze duidelijk, dat
+Heintje met z'n oogen en z'n mond verdachte bewegingen maakte,
+een mond-vertrekken dat duidelijk zei: niks zegge hoor, je snuit
+houê! Zij begreep het al opperbest, dat er tusschen die twee wat
+schuilde, iets niet recht-toe. En wat zou 't anders kunnen wezen dan
+geld achterbaks hebben.
+
+Gezwind keerde ze zich om, stond ineens dreigend voor de kinderen, met
+grove, weinig goeds zeggende oogen. Rauw schorde ze en schreeuwde ze:
+
+--Zeker cente achtergehoûe!
+
+--Ikke?
+
+--Ja jij... of anders Bet... één van je tweeë!
+
+--Nie-waar, ikke niet, huil-schreide Betje al.
+
+--Wie dan? spreek op!
+
+Ze schudde haar door elkaar, om haar gauwer te laten bekennen. Maar
+Betje griende en zei aldoor opnieuw:
+
+--Nee-nee, ik niet...!
+
+Heintje kwam zijn zusje te hulp en zei driest dat ze alles had
+afgegeven.
+
+--Ei, ei, wat wete jullie dat precies van mekander, dat is wel kasueel!
+
+Zij kruiste de grove armen over de magere borst, keek Hein, dan weer
+Betje venijnig-onderzoekend aan.
+
+--Wel-wel, die staan je daar in je gezicht uit te liegen! herhaalde
+ze nog eens en wilde weer aan haar werk gaan.
+
+--Ikke, ik heb niet weggestopt, verdedigde zich Heintje. Ik weet van
+niks... en kleine Bet ook niet!
+
+Dat werd haar te machtig, raak'lings keerde ze zich om, greep Hein
+in zijn hes, trok hem hardhandig naar zich toe en schor-schreeuwde:
+
+--Wil je 't zegge, aap die-je bent!
+
+--Ik weet niks, ik weet niks, gilde hij terug.
+
+Zij liet hem eensklaps los, greep hem dan opnieuw, schudde hem hevig
+door elkaar, gaf hem nog een paar meppen op 't hoofd en een paar
+poffen in de rug en hield hem geknepen in haar sterke knuisten.
+
+--Zal je 't zeggen, rekel!
+
+--La-me los, gemeenerik! schold Heintje.
+
+Toen kneep ze kleine Bet in de arm, zoodat die 't uitgilde en treiterde
+opnieuw. Ze wilde 't eruit hebben en werd al heftiger.
+
+--Zoo'n stinkding die ook al steelt, schold ze. Dan sloeg ze er maar
+weer op.
+
+Ze schoot niet op. In haar onmacht woest, stond ze aldoor opnieuw
+te dreigen.
+
+-- Allé, je uitkleeje, heelemaal! tierde ze nu.
+
+Met wriemelige kromme vingers onderzocht ze de kleeren, doorvoelde
+de scheeve schoenen, de zweeterige kousen, betastte de naden. Niets
+vond ze, en toch, 't stond wis-en-zeker bij haar vast, dat ze hadden
+weggemoffeld.
+
+Opnieuw kneep en schold ze, trok en sloeg, maar zonder eenige
+uitkomst. Betje schreeuwde en gilde. Hein trapte terug en dan moest
+ze zich verweren. Aan 't eind zelf moe en afgebeuld, zakte ze erbij
+neer, huilde nijdig, joeg ze hen naar bed en ging vloekend weer aan
+'t boenen.
+
+Maar nog kramperig van al die opwinding deed de buik haar pijn; met
+beide handen moest ze er tegen drukken en ze kermde het uit. Even
+moest ze wel gaan zitten, vol wee en angst, dat ze met die zieke buik
+morgen nog haar halve dag bij Toos zou misloopen; en wat dan?
+
+In de bedstee lagen de kinderen stil, maar na een poosje veranderde
+dat; ze hoorde een onderdrukt giechelen en ginnegappen van die twee. O,
+'t was om uit je vel te springen van venijn, over dat krapuul! 't
+Gaf niks al sloeg je d'er nog zoo op los!
+
+Vol nijd sprong ze ineens weer overeind, stond voor de bedstee, groot
+en stronkerig, feldreigend, en de kinderen kropen in de dekens weg,
+gaven geen antwoord. Opnieuw sloeg ze erop los haar eigen handen
+kneuzend op de bulterig ineengekrompen lijven.
+
+Dan ging zij naar tafel, sneed het brood, dikke hompen brood voor
+hun drieën.
+
+
+
+
+V.
+
+De volgende morgen was ze 't nog volstrekt niet vergeten; ze hernieuwde
+de aanval en snauwde:
+
+--Waarom giechelden jullie dan zoo gisteravond?
+
+--Ikke moe?
+
+--Nou jij of je broer... dacht je soms dat ik kledder in m'n ooren
+heb... hange laat ik me als jullie niks gerold hebben; maar pas-op,
+laat ik er niet achter komme. Ik breek je nek en beene.
+
+Heintje vond het sekuurder er niet tegen in te pruttelen, antwoordde
+maar niets, hield zich koest,--en zij dacht weer dat ze uit werken
+moest, durfde uit angst voor haar buikontsteking niet opnieuw te
+beginnen.
+
+Om de schrik erin te houden snerpte ze toch:
+
+--Jullie brenge ieder vandaag minstes een halve soof thuis... versta
+je, anders blijf je buiten de deur.
+
+--Jawel, je hebt 'et maar voor kommandeere, schampte Hein brutaal
+terug.
+
+Ze luisterde al niet meer naar hem, liep weg naar Toos, om haar halve
+dag, d'er zeven stuivers te gaan verdienen.
+
+'t Werd stil en kil in 't vertrek nu de moeder de pas had
+vrijgelaten. De kinderen keken mekander aan en oogden dan door de
+leege kamer.
+
+--Valt er niks te klabatsen? gnuifde Heintje, geen appele of mellek?
+
+--Nee, lawwe ma'r gaan... Toos dat is dichtbij... Ze kan zóó werom
+weze!
+
+Het angstte in kleine Bet, dat moeder plots terug zou komen en daarom
+trok ze hem mee.
+
+Hein, onwillig, verzette zich. Zoo'n haast had het niet! Hij likte
+even aan de boter en plaagde haar met haar bangheid.
+
+Dan schoven ze lam-voetig de deur uit en schoffelden de straat op.
+
+De moeder, die even om de hoek kwam gluren, schreeuwde op hen toe:
+
+--Denk erom, wat ik heb gezegd!
+
+Allebei schokten ze onverschillig met de schrale schouders, ineens
+brutaal--en Hein, nu buiten bereik van zijn hardhandige moeder, riep:
+
+--Haas je ma'r niet!
+
+De moeder, al weer aan 't werk, hoorde het niet eens.
+
+
+
+Onverschillig slenterden Heintje en Bet de straat op, onwillig-strak
+hun gezichten.
+
+--Een halve soof, 't zal mooi weze as we 't met z'n tweeën maken,
+wijsneusde hij.
+
+Bet nikte, zei dan:
+
+--Ze hêt het maar voor 't zegge. 't is of we 't van de straat rape!
+
+Hein gaf geen antwoord.
+
+'t Was nog vroeg en zaterdagmorgen, alle menschen in drukte van
+haast. Ze wisten niet waar ze naartoe zouên gaan, sjokten rond. Dan
+trokken ze op de Roomsche kerk aan om daar te bedelen bij de ingang. Ze
+gapten een stronk kool van een groentekar en brachten die thuis,
+zeggend tegen moeder die al terug was dat ze die hadden gekregen. 's
+Middags gingen ze naar de bakkers om oud brood te vragen, die, dat
+wisten ze op zaterdagmiddag nogal scheutig waren, omdat ze 's avonds
+toch weer versch hadden en van die droge korsten wel afwilden.
+
+Later, in de na-middag, begon het gevraag, eerst langs de huizen,
+bij de dienstmeiden, daarna weer op de volle straat.
+
+Ze voelden zich erg opgewekt, want ze hadden nog altijd in petto
+dat weggestopte dubbeltje,--en nu ze 't niet zoo noodig hadden,
+liep 't mee. 's Avonds telden ze bij elkaar: een en veertig cent,
+dat ging nogal.
+
+--'t is meer dan genoeg, besliste Hein, het duppie lekker late legge!
+
+--Natuurlik, wat dach-je dan, brabbelde kleine Bet. 't Ligt daar fijn!
+
+Thuis klakkerde moeder: Een en veertig cent en mijn eigen vijf en
+dertig, die ik verdiend heb, èn de kool en 't ouwe brood, ziezoo, dat
+kan. Ze zette een tevreden gezicht en de kinderen vergaten hun ellende.
+
+De volgende dag, Zondag, brachten Hein en Bet het zelfs tot zeven en
+vijftig--en ook de daarop volgende dag, maandag, werd het met andere
+akkevietjes bijna een halve gulden.
+
+
+
+
+VI.
+
+'t Liep de geheele week wonderwel. Elke keer als ze naar huis gingen,
+zeien ze:
+
+--Dat duppie late we legge!
+
+En 't antwoord was: natuurlik.
+
+Maar vrijdag, werd het ineens weer mis, hadden ze niet meer dan
+negen cent.
+
+Wat nou?
+
+Bet met haar klein, geel gezichtje, zei dadelijk:
+
+--Nou, motte we 't neme?
+
+--We hebbe anders van de week genog binnegebracht, meer dan zij,
+lawaaide nog Hein.
+
+--Nee-nee, late we 't nou neme.
+
+Ze trappelde van ongeduld, zei weer opnieuw:
+
+--Morge hebbe we vanzelf meer!
+
+--Hoe weet je dat zoo, vroeg en sarde Heintje, erg voorzichtig.
+
+--Omdat ik 'et weet!
+
+--Zoo?
+
+--'t Is dan zaterdag... dan hebbe ze cente.
+
+Hein, die heel het bedelpogram van de week uit het hoofd kende,
+en alles precies wist, wreef van vergenoegdheid zijn gezicht in de
+handen rond, zei oudmannetjes-achtig:
+
+--Mooi zoo! Je begint het nou ook te leere!
+
+En zij lachte:
+
+--Alsof ik dat niet wist, gekke Hein!
+
+Samen trokken ze nu op naar 't park.
+
+--Lawe wachten tot donker, sloeg Bet voor, ineens weer bevreesd voor
+ze wist zelf niet wat.
+
+--Welnee, dan kunne we ommers niet zien.
+
+--Je weet toch waar 't ligt!
+
+--Natuurlik... 't is nog al wiedes.
+
+Hij dacht nu ook aan de angst van die avond, herhaalde nog eens:
+
+--Je mot toch uit je doppe kunne kijke... in 't donker kan-je niks
+uitvoere...
+
+--Kunne ze ons niks make? vroeg bangelijk nu Bet weer.
+
+--Och, je bent net 'n kind.
+
+--Zoo, zei kleine Bet sneu, wat ben jij dan groot!
+
+
+
+In 't half-schemer, terwijl de heesters al weer bijna zwart leken,
+slopen ze naar de struiken bij de groote boom. Wel drie keer waren
+ze omgeloopen, want telkens stond er een policieagent, die maar niet
+heen wilde gaan. Maar nu was hij weg en moest het gebeuren.
+
+Hein groef snel, krabbelde met zijn handen in de vochtige aarde,
+en Bet liep rond, stond op uitkijk, net als de vorige keer. Maar hoe
+Hein ook de natte grond omwoelde en doorzocht, het papiertje en het
+dubbeltje vond hij niet.
+
+--Heb je 't nou nog niet... gauw dan toch, snibde en snauwde Betje.
+
+--'t Is er niet meer!
+
+--Je liegt, schreeuwde ineens Betje, die dacht dat hij 't voor zichzelf
+wilde houden.
+
+--Zoo, nou zoek dan zellef!
+
+Ze grabbelde nu ook even in de grond, maar veel te bang, te haastig,
+gaf ze het dadelijk op en smeekte:
+
+--Zoek jij nog eens.
+
+Ze zochten wel een uur lang, om de beurten, soms met hun beiden
+tegelijk, de grond zenuwachtig omwoelend. Vaak moesten ze wegkruipen,
+als ze dachten dat er menschen aankwamen en begonnen opnieuw.
+
+Eerst, toen 't donker alles vulde en ze rondom niets meer konden zien,
+gingen ze armelijk en neergeslagen heen.
+
+'s Avond kregen ze ongesjeneerd op hun tabberd, omdat ze maar negen
+centen thuis brachten.
+
+De moeder troefde erop los, zij had niets in huis.
+
+--Late we wegloope, oproerde Hein.
+
+--Dat durf ik niet, klaagde Bet.
+
+--Nou, ma'r, ik kom niet meer bij haar werom.
+
+--Maar Heintje-lief, doe dat niet. Ze zal mij doodslaan.
+
+--Nou, ga dan mee! Ik zal 't wel rooie.
+
+--Dat durref ik niet, klaagde ze weer. De volgende week of de andere
+maand dan--als ik wat grooter ben geworde.
+
+--Da's gekheid, dan kan-je 't nou ook. Je groeit toch niet in een week.
+
+--Nou, in een maand toch wel!
+
+Ze kibbelden en monkelden er nog lang over na. Kleine Bet durfde niet,
+sloeg aan 't huilen. Ze riep maar:
+
+--Als ik zoo groot ben als jij Heintje, dan ga ik mee.
+
+En ook zijn durf zonk. Als hij haar achterliet, zou zij alleen de
+slaag oploopen.
+
+
+
+
+VII.
+
+Een week ging lamlendig en verdrietig om.
+
+Ze bedelden elke dag het lange lijstje af.
+
+Kwaadaardig voelde hij zich omdat Bet niet durfde met hem weg te
+loopen; haar alleen achterlaten wou hij ook niet. Haar schuchteren
+en aarzelen ontnam hem nu zelf de moed. Echt belabberd vond hij het
+en hij kon wel huilen van ellende.
+
+Kleine Bet, miezig en in elkaar geschrompeld, keek hem aan met bedeesde
+oogen, waarin al haar angst en vrees voor de waagpartij stond te lezen.
+
+Ze wachtte geduldig af dat hij haar een stomp zou geven om zijn woede
+op haar te koelen. Maar hij deed niets, keek strak en stuursch voor
+zich uit, taalde zelfs niet naar haar, in zijn ergernis haar geheel
+vergetend. Dat kwetste haar meer dan zijn ruwste uitval en maakte
+haar kleiner dan een wurm. De tranen bibberden haar langs de wangen
+en de lippen vertrokken zich scheef. Ze wilde nu in alles toegeven
+en meende 't hem te zeggen, maar zijn grimmigheid hield haar nog
+tegen. Van kwaadheid stampte ze op de steenen en haar korte armpjes
+zwingelden driftig heen en weer.
+
+Dan in haar uiterste verzenuwing en bereid zich aan hem te onderwerpen,
+kreeg ze een ingeving. Als ze eens die gemeene straat dáár inging. Wie
+weet wat daar wel viel te halen? Haar gezicht veranderde ineens van
+uitdrukking, werd welbewust en zeker. Ze schokte op hem aan, trok
+hem aan z'n arm en fluisterde hem haar plan in 't oor.
+
+Hij fronste even de wenkbrauwen en schudde haar af, omdat hij 't
+beschouwde als een listige uitvlucht, een truuk om hem toegevender
+te stemmen. Maar dan zag hij het voordeel ervan in, en zijn plan
+van gezamelijk weg te loopen voorloopig terzijde latend, snauwde
+hij onverschillig.
+
+--In die straat kom je nergens in, ze late je niet eens door.
+
+--Wel'es! hernam ze dadelijk zeker. Ik zal wel zien. Kom jij dan
+straks ook?
+
+--Ga ma'r eerst. Als ze je te pakken krijgen mot je 't zellef wete;
+'t staat er vol met smerisse, pas ma'r op.
+
+Ze gaf geen antwoord en liep al op de dwarsstraat toe, de
+lichtstralende-vunzig-glimmende pretgeul, waar voor elke deur van een
+tingeltangel een groote, zware portier stond, die aan een koord trok
+om de deur open te wieken, maar die haar niet binnen zou laten. In
+dat felle, rosse licht en bij het getjingel van de muziek voelde
+ze eerst recht haar schamelheid. Nee, Hein had gelijk, ze kwam hier
+nergens in. Maar dit ontmoedigende besef gaf haar ook weer driestheid.
+
+Moedig klampte ze aan een paar zwabberende jongelui, die niet eens
+naar haar omkeken en geen ooren hadden voor haar gesmeek. De smerissen,
+die overal op post stonden, moest ze in de smiezen hoûen en dat maakte
+verder vragen haast onmogelijk.
+
+Telkens als een portier een café-deur opentrok en schreeuwde: kom
+binne, kom binne, hier kun-je-je amezeeere, schoof zij er op af,
+om van het geheimzinnige op de hoogte te komen. Het felle licht, de
+bonte kleurigheid, de mooi-gekleede dames en de muziek, 't leek haar
+alles prachtig als de hemel zelf en toch weer had ze schrik ervan
+door het al te mooie. Als ze toch eens kon binnendringen of stiekum
+erin sluipen? Maar ze zag dat dit niet zou lukken, als ze het lapte
+zouên ze haar weer gauw buitensmijten en dan stond de policie er om
+haar mee naar 't bureau te nemen. Nee, nee, mompelde ze tusschen de
+lippen, ik moet ergens anders zoeken, waar 't niet zoo licht is en
+bij meer gewone menschen.
+
+Sjokkerig liep ze de licht-straat af, haar oogen vreemd en toch zoo
+schuchter, zich nog kleiner makend dan ze al was, om overal door te
+kunnen. Soms hield ze haar hand op en trok iemand aan de jas en van
+'n andere kant kreeg ze dan een duw of stomp.
+
+Zoo ging een heele tijd rond. Ze wilde wel naar Heintje terug, durfde
+niet voor zijn groote mond. Hij zou haar uitlachen en beschimpen.
+
+Dan gluurde ze opnieuw naar 't vele en felle licht dat overal brandde,
+luisterend begeerig naar de muziek die telkens in schelle tonen
+opstooten kwam. Dan waagde ze het erop en trachtte binnen te sluipen,
+maar de portier duwde haar terug.
+
+--Wat mot je hier, allé weg jij!
+
+Ze zei niets weerom, keek enkel smeekend. Wat moest ze ook zeggen! Maar
+nu ze teruggestuurd werd, wist ze dat ze er juist moest wezen.
+
+'t Kwam er enkel op aan ergens binnen te dringen zonder dat ze
+'t zagen.
+
+Zoo dwaalde ze rond, tot ze vanzelf meer vertrouwd raakte met al
+wat zich in die gemeene straat bevond. Ze gaf het nog niet op en
+zocht en speurde naar een huis, waarvoor geen wachter de toegang
+beletten kon. Eindelijk achteraan zag ze zoo iets. Een huis met
+groene gordijnen, vooraan smal en donker, achteraan muziek en
+licht. Schuchter en wat benauwd sloop ze binnen het donkere portaal,
+naar het voorgedeelte, afgeschut door die zware gordijnen. Er zaten
+jongens en meiden in het donker aan de tafeltjes en die bood ze
+dadelijk aan haar anderhalf doosje lucifers.
+
+De jongens staken onwillig de handen diep in de zak, schorschreeuwden
+wat ze hier kwam doen, maar ze gaven haar te minste wat. Van tafeltje
+naar tafeltje liep ze, en niet overal, maar toch bij velen haalde ze
+wat op.
+
+Brutaaltjes gluurde ze met haar verlept kindergezichtje naar achter
+door de kier van het groen gordijn. Het felle licht en de muziek
+maakten haar dadelijk weer angstvallig en beschroomd. Haar groezel
+gezichtje trok zich benauwd.
+
+Een dikke bediende in zwarte glimmende frak stootte haar weg nu ze
+hem voor de voeten liep en bijna over haar viel. Hij vloekte, wilde
+haar verjagen, maar de meiden aan de tafeltjes kwamen voor haar op en
+de jongens lachten, zoodat ook de kelner zijn kwaadaardigheid vergat
+en haar niet verder afsnauwde.
+
+Schoorvoetend wrong ze zich nu door de nauwe opening van 't gordijn
+en waagde zich in 't licht. Dat viel niet mee. Niemand keek daar naar
+haar om; er werd gedanst. Toen ze haar zagen maakten ze gekheid met
+haar en lachten om haar sjofele plunje. De tranen kreeg ze ervan in
+de oogen en de kelner kwam weer op haar toe. Nu was het toch genoeg,
+hier in de zaak konden ze dat niet hebben.
+
+Maar een paar meisjes aan het dichtbijzijnde tafeltje, erg luidruchtig
+van liederlijkheid en half bedronken, zeien medelijdend:
+
+--Och, dat arme kind, kom maar hier hartje!
+
+Ze gaven haar wat en porden hun liefies op met dringerige woorden van
+"geef jij ook wat," wetend en voelend de ellende van dat kleine kind,
+een toestand van ontreddering, erger dan die van haar zelf. Zij zelf
+konden zich nog verweren, zich wreken, haar hart ophalen door een
+kerel af te zetten, of hem te pesten, maar dat kind... dat werd aan
+alle kanten gestompt en afgewezen.
+
+--Vooruit, tast 'es in je zak, zeien ze ruw, 't zal je niet verarme!
+
+En onwillig gaven de heertjes, die geen bezwaar voelden een gulden
+voor een fleschje stout te betalen, aan 't bedelkind, om hun fatsoen
+te houden, ieder een enkele cent.
+
+Gretig stak ze al wat ze ophaalde bij haar en schoof nu voort, van
+tafeltje naar tafeltje, terwijl de paren die dansten haar de rokken
+zwaaiden langs het verwezen hoofd.
+
+Een dronken vent streek haar onder de kin en zei:
+
+--Je hebt wel een aardige toet, kom 'es terug m'n lievie, as je een
+jaar of tien ouwer bent.
+
+Ze begreep niet precies wat hij bedoelde, maar er schoot toch een
+glinstering voor haar op. Ze lachte ouwelijk en bedelde voort. Nou was
+ze nog te klein, dàt begreep ze en ook dat het later gemakkelijker zou
+gaan. Vaag dwarrelde die kans door haar heen, en ze vergat het weer.
+
+Ze vischte heel de gelegenheid af en ging dan naar de Vijgendam,
+waar ze Heintje vond. Hem toonde ze haar ontvangst--en hij, geheel
+verwonderd, kon het eerst niet gelooven, stond sprakeloos. Dat was
+recht het beloofde land, nou hadden ze geen krimp meer en behoefden
+niet weg te loopen.
+
+
+
+
+VIII.
+
+De volgende avond ging hij mee en stond geheel verbouwereerd. Die
+Bet durfde meer dan hij.
+
+Heelgauw vond hij het leutig. Die jongens deden zoo fijn met die
+meisjes. Ze zoenden en pakten, trakteerden en zeien zulke grappige
+woorden.
+
+Betje gaf geen antwoord op al wat hij zei, maar juist omdat ze zweeg,
+meende hij dat ze het toch ook wel prettig vond. In bed voor dat
+moeder erin kwam probeerde hij dan na te doen wat hij 's avonds zag
+en Betje noemde hem een viezerik, waarom hij schunnig lachte.
+
+Moeder was heel tevree, dat de kinderen zooveel thuis brachten. Ze
+schimpte en sloeg enkel nog als de vangst niet meeviel en het vermoeden
+weer welde, dat Heintje of Bet het voor zichzelf hielden.
+
+Een tijd ging het goed in de pretstraat, maar de policie zat erachter,
+verjoeg de kinderen. En nu moesten ze weer wat anders verzinnen.
+
+--We gaan ma'r gappe, zei Hein heel kordaat.
+
+--Ja, maar dan ga je achter de tralies.
+
+--'t Kompt er maar op 'an, dat ze je niet snappe.
+
+--Ja, beaamde Bet, zonder recht te weten wat het beteekende.
+
+Dan overleiên ze samen sluw de middelen om het zoo lang te rekken. Tot
+op een dag de vader uit de gevangenis kwam en Hein noodig had om op
+de wacht te staan als hij wat ging kapen.
+
+Betje bedelde nu alleen en waagde zich weer in de avondstraat. 's
+Nachts in bed vertelde ze aan Heintje al wat ze had opgelet en dat
+vond ze zelf griezelig-leuk. Als moeder 't maar niet merkte, want die
+zei dat ze gemeene beesten waren, die opgroeiden voor het pesthuis
+zoo zeker als wat.
+
+De vader, drinkend dag aan dag, greep mis en raakte weer achter
+slot. Ze rekenden hem dadelijk in en eerst lange tijd daarna werd hij
+veroordeeld, voor drie jaar. Een goed voorbeeld moest worden gesteld,
+hadden ze aan de rechtbank gezegd. Moeder vloekte en zei dat ze 't
+enkel deden om deugdlijk van hem af te wezen. Nu moesten Heintje en
+Betje weer samen op het pad.
+
+--Allee, d' erop uit, zie dat je wat binnenbrengt, zei moeder. Je
+bent nou niet meer zoo jong, ik ben zonder man's verdienste en ziek,
+denk erom. Van niks kan ik je niet onderhoûe!
+
+Ze gingen wrevelig, met een wrang besef dat 't nu aldoor van hen
+moest komen.
+
+Overdag dwaalden ze door de stad, zochten kolen uit de sintels van
+het spoor, haalden uit de vuilnisbakken al wat nog van waarde kon
+worden geacht en sleepten dat naar het kamerkot.
+
+De knuisten krom en kleumerig, rood van de kou en als het warm was
+zweeterig-vuil van al wat ze bedreven, zoo liepen ze door de stad;
+en zoo verliepen de vele maanden.
+
+De menschen gingen hun maar haastig voorbij, geeneen die zich de moeite
+gaf naar de bedelkinderen om te kijken. Groezel waren ze en goor,
+de gezichten flets, doch met sluwe oogen waaruit al het slechte sprak.
+
+Kleine Bet, ineens opgeschoten, bijna even groot als Hein, deed voor
+hem niet onder, zij beiden nu twee ouwe menschjes in kinderjaren,
+vroeg rijp en rot. Telkens dook nog wel de gedachte op om weg te
+loopen als moeder sloeg, maar het besef dat ze te onoogelijk waren
+hield toch terug.
+
+
+
+In de klemmende volte van volk, druk overal, stond 's avonds Heintje
+pover in zijn kleinheid tegen een of ander huis, scheukend van kou en
+ongerief. De oogen schijnbaar toe, gedurig loerend of er geen kwam die
+hij aanklampen kon en geen smeris die hij uit de voeten moest blijven,
+zóó werd hij ongevoelig voor alles wat geen voordeel bracht.
+
+Kleine Bet scharrelde in de gemeene straat en ze liep er wat graag rond
+om alles fijn uit te visschen en ook om er zoo leutig te bedelen. Ze
+hing niet meer af van haar broertje; zij hielp hem.
+
+Eerst in de latigheid ging Hein naar haar toe om te zien of hij
+bijspringen moest, haar beschermen als ze eens wat kaapte. Voor een
+groote slag moesten ze beiden eerst grooter worden, dat begrepen ze,
+maar zooals nu lapten ze het hem toch ook wel. Ze vonden zichzelf
+zoo uitgeslapen-glad en Betje zei zelfs niet meer dat Heintje een
+viezerik was.
+
+
+
+
+
+
+KEESIE.
+
+
+Vereenzaamd plekte de lange, lage woonwagen met het wit-geschilderde,
+grauwbespatte dek aan het ontladingsterrein Weesperpoort. Als
+een enkele meeuw in 't veld stippelde òp de wittige kap tegen de
+sneeuw-grijze winterlucht en daaronder waasden de verre landen,
+als verloren.
+
+De wagenkanten, in hun doode vlakten, beslagen zwart, kropen weg
+onder het gebogen dek, bewegingloos en zonder bespanning, kil in de
+wijde strakke verlatenheid van het leege spoorterrein.
+
+Alleen tusschen de raderen enkelde als teeken van bewoond te zijn
+wat keukengerei, een emmer, een brokje trap; meer terzij lagen nog
+wat latten.
+
+Klam erop drukte egaal en zwaar de grijze sneeuwe-lucht en het
+bespikkeld wit der flauw-gebogen kap lichtte even op tegen het zware
+spansel. De rook, die uit het stompje keukenpijp traag naar boven
+wolkte, dreef eenzaam mede in deze grauwte van verlatenheid.
+
+In de wagen hurkten ze bijéén, de man, de vrouw, de oudste dochter
+die voor de huishouding zorgde; de andere kinderen waren uit.
+
+Ze zaten huislijk samen hier in de warmte en genoten ervan nu het
+buiten zoo grimmig deed. De man smookte zijn pijpje, de vrouw stopte
+kousen en de dochter morrelde in 't fornuisje, dat met koper beslagen,
+fel glom in het zwakke licht van de zoo beperkte woonwagenruimte.
+
+Keesie stond toe te kijken. Hij wist niet wat te doen of te laten. De
+wagen zag zoo proper eruit, alles netjes aan kant, heel de lengte aan
+weerszijden met vaste banken waarop ze 's nachts sliepen, en ook de
+spiegeltjes erboven glansden zoo tusschen de raampjes met gordijntjes
+van tulle helder wit.
+
+Dat het er zoo fijn uitzag kwam omdat ze niets meer te doen hadden op
+de kermissen, maar als er niks te doen viel werd hij vanzelf overbodig
+en dan ging hij de laan uit een of andere keer. De winter was pas in
+'t begin, die duurde lang; hier in de warmte voelde hij zich echt.
+
+Toch zou hij buiten liever in de grimmige kou staan peuteren dan
+hier toe te zien. Hij wist met zichzelf geen weg in die properte,
+al hield hij zich sjakes.
+
+Om iets te doen bukte Keesie zich naar de grond en blies met zijn
+zwakke longen door het open kachelgaatje in het smeulend vuur. Hij
+wilde zich verdienstelijk maken en wist niets anders uit te denken.
+
+De dochter zag erg goedmoedig toe want ze begreep zijn gekrummel,
+maar de moeder rinselde met haar oogen van laat het maar staan,
+we begrijpen toch wel je bedoeling.
+
+Traag stond de man op, klopte zijn pijp eens uit en zei met een stem,
+die hij opzettelijk wat schamper maakte:
+
+--Zeg Keesie zou je d' er 'es niet op uittrekke voor 'n baantje.
+
+Keesie keek onnoozel op, de oogen waterig van de vuursmook die hij
+in de mond had gekregen.
+
+--Ja zeker, ik meen het, we kunnen je toch het heele jaar niet hoûe.
+
+--Goed baas, zei Keesie.
+
+--Nou, wat zeur je dan, ga een nieuwsblad halen, misschien vin-je wat.
+
+--Ja baas, herzei Keesie. Hij wroetelde overeind, veegde zijn gezicht
+wat af met de mouw van zijn jas, en sukkelde zwaar en moe de wagen uit.
+
+De vader, de moeder, de dochter, ze keken elkander aan en spraken
+geen woord. Ze dachten allen 't zelfde en zeien 't maar niet, omdat
+dit zich toch niet gaf. Van Keesie kwamen ze niet zoo gauw af!
+
+
+
+Met vreemde oogen liep Keesie te suffen, loom en lam. De stratenvolte
+omwarrelde hem met geraas en 't gejaag dat tegen zijn sufheid opstoof
+als een wild beest met veel geblaas, beklemde hem.
+
+Zijn ooren verdoofden in de suizende relling van al deze geluiden,
+die over zijn hoofd heen spetterden en toch aan hem bleven hangen,
+die hem ruw in 't gezicht sneden en vroolijk weer heensprongen, en
+opnieuw aansnelden. Hij liep in een schettervacht van vijandige dingen.
+
+Zijn gewaarwordingen kringelden zich bot te zamen in de gejaagde,
+onbestemde angst van omver te worden geloopen, een paar duwen en
+stompen te krijgen, waarvoor hij wel respekt voelde. Ieder haasthebbend
+mensch scheen hem toe te snauwen, dat hij toch uit de weg moest gaan;
+wat hij hier deed, zoo'n lomperd! Door het willen ontwijken botste
+hij dan tegen anderen op.
+
+Hij verlangde wel naar de wagen terug, doch dat ging niet, want hij
+was erop uitgezonden om werk te zoeken. Dat hadden ze gezegd, en hij
+moest dus!
+
+Hij wist de weg niet te best en liep toch maar voort. Soms vroeg
+hij aan een policieagent op een hoek van de straat, die 't hem maar
+moeilijk aan 't verstand kon brengen, omdat hij zoo slecht begreep. Hij
+wilde naar 't Nieuwsblad om een krant te halen, liep telkens naar
+de weg vragend van straat tot straat en kwam er op 't laatst. En
+dit herhaaldelijk vragen en 't noemen van de krant herinnerde hem
+'t doel van zijn tocht maar al te goed, en dat benauwde hem erg. Wat
+gaf dat werkzoeken allemaal? Hij zou willen blijven waar hij was,
+bij z'n menschen van de schiettent. Het moeten werkzoeken drukte hem,
+leek hem een voorteeken van iets verschrikkelijks, waarover hij liefst
+niet wilde denken.
+
+Een angst van de wagen niet te kunnen weervinden overviel hem,--en
+slim in die angst, lette hij scherp op langs welke punten hij ging,
+gewoon in het zwerversleven spoedig de dingen te herkennen, om zeker
+te zijn niet te verdwalen, de terugweg niet kwijt te raken.
+
+
+
+De avond begon te vallen.
+
+In grauwe vegen zwermde er al wat vroege schemer aan; of leek hem
+dat maar zoo?
+
+In de nauwe straten droefde de donkerte langs de huizen, waarin hier
+en daar valschelijk licht opglemerde, geel en rood, zwakkelijk nog
+tegen de grijze dagschemer in 't midden van de straat. Nee, zoo laat
+was het toch nog niet, maar in de huizen moesten ze dat wel doen, het
+zag er zoo grimmig donker uit. De vage drukte joeg hem schrik aan en
+zwiepte hem nog feller over de straat. De winkels met de vele mooie
+dingen trokken hem wel aan, maar hij durfde niet te blijven staan. 't
+Werd te laat, de rukkende stootende voorbijgaanders maakten hem zoo
+klein en benepen.
+
+Angst en verwardheid drongen hem voort en in zijn zenuwhaast en
+gestommel werd hij naar alle kanten geduwd en gestompt.
+
+Meer dan lang genoeg was-ie nou weg geweest, naar hij meende; hij
+zou dus teruggaan. En verwonderd keek hij op dat hij zoo goed zijn
+verstand wist te gebruiken. Welke kant moest hij nu uit?
+
+
+
+In de wagen vroegen ze elkaar waar toch Keesie bleef. Drie uur
+geleje al uitgegaan om een krant te halen en nog niet terug! Och,
+och, wat moesten we met hem beginnen!
+
+De vrouw, goedig, zei terwijl ze het hoofd schudde:
+
+--Nog maar eens anzien... waar zooveel monden zijn, kan hij ook
+mee-eten.
+
+De man, heftig, kefte dadelijk er tegen in, dat onder dienst gaan
+'t eenige bleef, de beste uitkomst. Maar de oudste dochter die boven
+'t vuur te morrelen zat in de pot met erwtensoep, beet er schampertjes
+tusschen door:
+
+--Ja, dat kan-je begrijpen, onder dienst, jawel daar neme ze hem met
+zijn kromme beene, zijn varkenvangers.
+
+--Och wat, zei opnieuw de vader, ze benne er wel krommer!
+
+Er volgde weer een stilte omdat ze 't allen klaar begrepen. Een tijdje
+ging om, dan hoorden ze op het houten trapje voetgestommel. O, daar
+had-je 'em. Eindelijk.
+
+Keesie schoffelde en treuzelde en maakte gerucht om zijn komst aan te
+duiden, talmde en bleef aan de wagendeur staan. Als een donkere vlek
+tegen het grijs van de lucht, de lucht die zoo laag hing en aldoor
+nog scheen te zakken. Zijn gestalte schimde tegen het sterk bewasemde
+glasraampje en hij zag nu verschrikt zelf de grauwe ommelijnen van
+zijn eigen schuchter gezicht.
+
+Dan aarzelend schoof hij binnen in wel eindelijk moeten. Ja, hij kon
+toch niet altijd buiten blijven, maar hier binnen zoûen ze hem niet
+met rust laten, o zeker niet!
+
+Half al in 't smalle deurtje, het plompe lichaam nog gedeeltelijk
+buiten, zag hij al de vragende gezichten. Botweg zei hij, om er ineens
+af te wezen:
+
+--Nog niks, ik heb nog niks!
+
+Verlegen trok hij de deur achter zich toe, schoorvoette op de tast
+en wist niet waar hij zich zou bergen.
+
+In de wagen staarden ze hem aan en riepen:
+
+--O, ben je daar?
+
+De grove, vleezige jongen met purpere wangen, de oogen loomig, de
+mond wijd als de poort van een moeilijk te vullen voorraadschuur,
+bleef suffig staan.
+
+Om zijn buitenwaartsch gebogen beenen spande de verschoten broek,
+van onder niet vrij van rafels, èn die broek zat vreemd gewrongen,
+in tal van bochten die maar moeilijk neerpijpten.
+
+De jas, door het lange dragen wat uit elkaar gezakt, hing
+straterig-sjiek los, zondags-open. Op zijn verslonsde gele haren
+kleefde een beetje schuin de pet; zijn gezicht eronder oolijk-dom.
+
+In zijn lompheid bleef hij heen en weer schuiven, vagelijk-scherp
+voelend, zonder 't voor zichzelf te willen weten zijn totale
+overbodigheid.
+
+In zomertijd toen hij aan de wagen kwam vragen, om een handje mee te
+mogen helpen, hadden ze hem eerst niet willen aannemen, en dadelijk
+dachten ze hem toen al weg te sturen, wijl ze niet met hem konden
+opschieten. Maar hij was willig, hield zich van de domme, en wist
+daardoor te blijven. Nu in November, de laatste kermis al weken
+voorbij, hielp dit alles niet meer, hij moest beslist wat anders
+opzoeken, dàt hadden ze hem al zoo vaak gezegd en ze zeien het hem
+alle dagen, maar dat het ook eens zoover zou komen, wilde bij hem er
+nog niet in.
+
+Harkerig stond hij nog altijd tegen de deur, sprak maar niet. Waarvoor
+zou hij ook spreken? Dom-verlegen gluurde hij voor zich uit en vond
+geen enkel woord.
+
+Maar de anderen verwachtten toch wel dat hij iets over zijn rondzoeken
+zou vertellen, keken hem met open mond vragend aan.
+
+--Nou Keesie?
+
+--Niks.
+
+--En je krant?
+
+--De krant, de krant? Die heb ik niet.
+
+--Je zou er toch een halen!
+
+--Halen? een krant, welke krant?
+
+--Wel, heb ik van mijn leven, zei de baas verwonderd, je zou toch
+zien of er werk was te krijge!
+
+--O, werk...! ja, dat heb ik nagekeke.
+
+--Zoo... waar dan?
+
+--In de krant.
+
+--En je zegt... waar heb-je dan de krant gelate? snauwde nu de baas,
+kwaad om het eenzelvig niet begrijpen.
+
+Keesie keek beteuterd, geheel verslagen door die uitval. Wat wou de
+baas dan van die krant? 't Bleef hem onduidelijk. Er stond toch niets
+voor hem in!
+
+De dochter, snugger, begreep in-eens waar het bij hem schortte. Ze
+kwam hem te hulp, bemoedigde te zeggen:
+
+--Je hebt zeker in de krant gekeke voor de rame van 't Nieuwsblad,
+niet waar?
+
+--Ja! sprak nu Keesie vlug. En hij herhaalde: Voor de rame!
+
+Ze keken elkaar aan met oogen van: Nou, dat helpt ook wat of je
+hem wegstuurt.
+
+--Wel verdikkeme, spotte al de baas, voor twee cente kun-je d' er
+een aan de kiosk koopen en daar loop je voor naar de Warmoesstraat.
+
+Maar nu kon Keesie ze troeven. Zonder een oogenblik te overleggen,
+flapte hij eruit:
+
+--Ja baas, da's 't gauwste verdiend, zou 'k denke!
+
+De baas draaide van wreveligheid op zijn krukje om en voelde zich
+kalkoensch-rood worden; met die sukkel viel niks te beginnen. De
+woede sprak uit z'n oogen.
+
+Het werd voor Keesie of de dingen om hem gingen draaien, of alles
+hem begrijnsde. Opnieuw zei weer de baas tergend:
+
+--Verdiend? nou nog mooier! Waar heb-je de verdienste dan?
+
+--Hier, grijnsde Keesie terug, hier! Hij lachte leelijk, wees naar
+zijn mond en haalde een sappige pruim tabak er uit.
+
+Allen lachten luid.
+
+Keesie lachte ook, maar een beetje wrang en stomp. Hij hield de
+gekauwde tabakspruim tusschen de vingertoppen en keek erg onnoozel.
+
+--Vooruit, dat ding weg! beval de baas.
+
+--Ja baas! De tabakspruim verdween, ging schuil in de groote mond,
+waarin wel een half pond zou kunnen worden geborgen. Behagelijk-stiekum
+zoog hij erop, ze aankijkend met dom-loensche oogen, alsof hij nou
+wel mocht.
+
+--En wat zul-je dan beginnen, hier kunnen we je niet hoûen, dat
+begrijp je, dàt snap je toch wel?
+
+Keesie grijnsde weer, knikte dan en zei, omdat hij niets beters wist
+te antwoorden:
+
+--Ik zal mijn best doen, baas!
+
+--Je doet al drie weken je best en je vindt niks.
+
+--Ja baas!
+
+--Ja, ja, jij met je ja-baas, maar voor zaterdag moet-je wat hebben,
+hoor je! In elk geval ga-je d'er uit!
+
+--Ja baas, zei Keesie weer, nu zenuwachtig-gedwee. Hij begreep dat
+het meenens werd,--en het huilen stond hem nader dan 't lachen. Wáár
+zou hij na zaterdag heen?
+
+Naar huis?
+
+Dat ging niet. Vader verdiende daar in Deventer met beide handen
+zeven-gulden-twintig, aan de gasfabriek, vast werk voor winter en
+zomer, d'er waren er slechter 'an toe. Maar zeven-gulden-twintig voor
+zijn elven, dat sopte niet dik--en hij was de oudste, nee, daar kon
+hij niet heen!
+
+--Onder dienst, zei de baas, die een en ander wel zoo wat op zijn
+gezicht kon lezen.
+
+Keesie voelde zich in de klem. Eerst zei hij niks, keek alleen
+armzalig, dan stootte hij plots eruit waar 't hier zat:
+
+--Ik wil wel, zei-ie hakkelend, ze wille mij niet.
+
+--Och wat, riep de baas. Och wat, dat loopt wel los, als je de beste
+beentje maar voorzet.
+
+Keesie keek weer sip. Wat moest hij zeggen? Voor zich-zelf zou-ie
+'t wat graag, 't kon hem wat schelen dit of dat, nou!... maar in
+dienst ging nu eenmaal niet;... bij de loting al afgekeurd voor de
+borst! Dat wisten ze hier natuurlijk niet, en dat was ook niet noodig
+ze te zeggen! Met zwakke borst nemen ze je niet gauw. Zwakken willen
+ze nergens hebben, dàt moet je dus nooit vertellen--en daarom zei-ie
+'t ook niet, zweeg maar weer. Ellendig voelde hij zich, inelkaar
+geduwd, gedrukt en weer vanééngereten.
+
+--Je bent toch letterzetter? sprak de vrouw, die totnutoe zwijgend
+had toegekeken.
+
+--O, o, luidlachte de man, letterzetter, as-ie dat zoo goed kan als
+het andere, dan verdient-ie wel drie stuivers in de week.
+
+--Nou ja, vergoelijkte gereedelijk de dochter, ieder kan 't niet
+even best.
+
+Keesie in zijn onhandigheid voelde zich op de pijnbank. Hij zag zich
+weer aan de letterkast, zijn plompe vingers in de verkeerde bak,
+met veel schrobbeeringen weggejaagd, of aan het draaien van de pers
+gezet, waar hij niet goed tegen kon met zijn zwakke borst; en dan
+de meeste tijd zonder werk, thuis van zijn nijdige vader allerlei
+hatelijkheden, omdat hij niet genoeg inbracht, afgesnauwd door zijn
+moeder die hij in de weg liep. Dat sjouwerwerk hier aan de tent, daar
+kreeg hij teminste behoorlijk eten bij--en er viel nog wel eens wat
+af; 't leek en bleef hem hier het beste! Hij stond geheel suf ervan,
+weg in gedachteloos stomp denken.
+
+De dochter, met meer medelijden dan zij zichzelf wilde bekennen, en
+met een beetje eigenbelang, want ze had de meeste hulp van Keesie,
+mond en oogen in onverschillig heen-en-weer-getrek, om aan te geven,
+dat het haar niet zoozeer kon schelen, dat ze enkel maar aandrong
+uit goedhartigheid, zei:
+
+--Hij kan toch nog eerst helpe bij de verhuizing, dan zulle we wel
+weer verder zien.
+
+Maar de vader doofde deze uitkomst al weer door hard te zeggen:
+
+--Nou ja, dat is heel gauw afgeloope, hij mot uitkijke, we kunne hem
+niet altijd hoûe.
+
+--Wel-nee, vulde de moeder aan, dat kunne we zeker niet, we hebbe
+Janus ook nog.
+
+--O, die redt zichzelf wel, meende weer de dochter, die mag-je eigelik
+niet meetelle, want die verdient z'n eige kost.
+
+--'t Mocht wat, 't mocht wat, schamperde de man luid. Zeker, die
+enkele keer, dat-ie aan de komedie werkt, dat-ie figureert. Wat die
+binne brengt is got-betert-me ook het ankijke niet waard.
+
+--Nee, zuchtte de moeder en zweeg.
+
+Ze begon overdreven-druk in een mandje met oude vodden te snuffelen,
+bleef dan met de handen in de schoot zitten, vol gepeins over al die
+etende monden. Ze zei het wel niet, doch de woorden lagen op hare
+lippen, dat zes kinderen, allemaal groot en die twee lummels van
+knechts heelwat weg-eten. Nou... je moet er maar voor opbrenge!
+
+De man raadde de gedachtengang van zijn vrouw en zelf goedhartig als
+het er op aankwam, voelde hij zich week worden. Hij schudde 't hoofd,
+zei nu ook eens:
+
+--Nou, nou!
+
+Dan ging hij, om voorloopig een eind aan 't gesprek te maken, ook al
+omdat hem dat gezeur verveelde en hij in deze beperkte woonruimte met
+zichzelf geen weg wist, naar buiten, om daar wat rond te scharrelen
+aan zijn wagen. Er viel wel een en ander op te bergen.
+
+
+
+Keesie, met de rug nog half de deur versperrend, deinsde
+bedeesd-gedienstig opzij, om de baas te laten passeeren, slechts
+langzaam en vaag oplevend uit zijn verwezenheid, nu het vele gepraat
+om z'n oogen ineens verstomde.
+
+De woorden zeulden nog aldoor in zijn hoofd rond, in hem vasthechtend
+en zich herhalend, dat hij weg moest. Waar zou-ie naar toe, naar
+Deventer? Nee nog liever ging hij kapot! Maar wat moest-ie dan
+uitrichten?
+
+Dof-zwaar stond hij te lodder-kijken met uitpuilende oogen, en die
+oogen dwaalden doelloos rond alsof ze niet van hem waren. Verdwaasd
+keek hij zonder dat hij wist waarom naar de dochter, die ijverig in het
+vuur pookte, dan weer in de pot roerde en de etenspot deed opstoomen
+met geurende soepwasem, die begeerig in zijn neus opzoog en zijn
+kil-geworden hoofd verwarmde. Hij kon zich maar geen begrip vormen
+wat hij eigenlijk wel zou moeten aanvangen, als ze hem hier gingen
+uitstooten. Door het zwervend leven geheel ontwend aan regelmatig
+werken, voelde hij een angst om weer in 't ordelijke terug te moeten,
+en juist dat onregelmatig, vreemde gewerk aan wagen of schiettent
+leek hem zelf wel passend bij zijn klein verstand en zijn onbehendige
+handen. Zou hij hier nou werkelijk weg moeten, 't leek hem haast
+onmogelijk. Een scherp en klaar besef van de toestand drong nog niet
+tot hem door.
+
+Daar buiten hing de grijze sneeuwlucht zoo zwaar-hangend, zoo kil
+en klam--en het dorre veld er onder lag eindeloos uitgestrekt. Aan
+de andere kant, wist hij de onbekende stad, die daar grolde als een
+wild beest. Hier in de lage wagen was het teminste warm, de warmte
+die hij voelde, en die hem ook nog merkbaarder werd in de wasem,
+waarmee de kleine vensters aansloegen tot dof-wordens toe.--En 'n
+zelfde klamheid en luwte droop en druilde op hem neer, 't scheen wel,
+alsof het vocht der ramen dat langs de venstertjes riggelde uit tranen
+bestond die van hem zelf waren.
+
+Dof voelde hij op zich drukken de zwaarte van zijn onbeholpenheid,
+de pijnlijkheid van zijn toestand; de twijfel van het niet weten
+waar heen hij kon versufte en kwelde hem nog meer. In nu toch wel
+scherpere lijnen zag hij zijn toestand, zag hij ook als in een droom
+dat moeilijke beest van de vreemde stad met scherpe, nijdige nagels
+op hem afkomend, slaande venijnig hem in zijn vleesch. Lamlendig
+bleef hij tegen de deurpost leunen, de verwezen oogen dwalend over
+de wasemende soeppot, waarin de handen der dochter vlijtig de lepel
+roerde. Zijn oogen keken al maar door naar 't zelfde punt, zagen hoe
+haar handen een bord volschepten, zonder te merken dat hij 't zag,
+geheel weg in zijn dof en star kijken. 't Ontging hem gansch wat er
+gebeurde. Wezenloos bleef hij staren alsof er niets anders rondom hem
+bestond, tot hij in-eens weer tot bewustheid werd opgebeld door haar
+grofluide stem:
+
+--Toe pak an Kees, mot je nog treuzelen ook! schreeuwde ze.
+
+Verschrikt en van zijn stuk gebracht door haar uitroep, greep hij met
+beide handen tegelijk, greep naar het bord, maar o wee, de onvaste
+vingers gleden over de rand heen en kwamen terecht in de warme soep.
+
+--Ai, zei-ie, geheel verbouwereerd.
+
+Keesie zag haar vertoornd gezicht; zijn oogen smeekte om vergeving. Dan
+kwakkelde hij met het volle bord terug naar de bank, die aan de
+wagenwand zat geklampt en zette het neer op de rand van de smalle
+tafel. Zijn hoofd diep er overheen, begon hij langzaam te lepelen,
+nog niet wetend of hij zich gelukkig moest voelen met dat toegeworpen
+eten of dat het wellicht zijn galgemaal zou wezen? Weer teruggetrokken
+tot het besef van weg-te-moeten geraakte hij weer aan het denken,
+al tragelijker lepelend. Er ging langzaam en veel in hem om. Onder
+de milde soepwasem groeide aan de botte starheid van daar straks tot
+bewustwilligheid. Het onbedachtzame niet-wegwillen, verscherpte in
+hem, en dat groeide samen tot welbewuste strakheid. Hij geraakte zoo
+moeilijk tot een besluit, maar nu 't er was beteekende dit besluit
+koppigheid: ze konden zeggen en doen wat ze woûen, hij zou blijven. Hij
+trok er niet uit, zelfs niet als ze grof en onwillig hem koejeneerden;
+hij zou terug komen, ook als ze hem er uittrapten.
+
+Hij herinnerde zich een voorval uit zijn leven, dat toen sterke indruk
+op hem had gemaakt, het geval van Juno, zijn hond, dat grauw-gore
+beest, twintig keer door hem aan buren weggegeven, en die toch telkens
+terugkwam, de hond die hij eruit ranselde en die weer terugkroop,
+aldoor terug, tot hij hem wel met rust moest laten. In zijn eigen
+hulpeloosheid zag hij voor zich die hond, de smeekoogen van Juno--en
+nu opnieuw en nog sterker en doordringender de gedweeë blik van die
+aldoor-in-huis kruipende hond voor zich halend, nam hij zich voor dit
+voorbeeld te volgen en evenzoo te handelen. Ja, dat was de manier,
+dan zoûen ze hem wel moeten hoûen!
+
+In zijn besluit nu zichzelf steviger voelend, begon hij, diep over
+zijn bord gebogen, met meer besef van genot te eten, zichzelf vaster
+zettend in dat denk-weten, al maar doorlepelend, tot hij krassend de
+bodem beschraapte.
+
+--Hè, geef toch op je bord Kees, klak niet zoo! vermaande de dochter.
+
+Keesie schrikte dadelijk ervan op en werd vuurrood, alsof hij een
+misdaad had begaan.
+
+De moeder, die nog aldoor bij haar mand met naaiwerk zat, zuchtte eens;
+ze begreep heel best hoe het zou loopen, zei hoofdschuddend:
+
+--We komme niet van hem af, help mij 'es toezien, de heele winter
+blijve we met 'em opgescheept. Dat heb-je er nou van as je te goed
+voor ze bent.
+
+Keesie deed of hij 't niet hoorde, maar diep-in grinnikte 't in hem vàn
+genot over die uitval, die zoo goed aangaf en geheel overeenstemde met
+'t geen hij bij zichzelf had voorgenomen.
+
+--Hei, Kees, hei help 'es, hier an die stang! riep de baas van buiten,
+die daar aan 't rondscharrelen het voorval al was vergeten.
+
+En Keesie, in plotse schrik-vreugde dat hij weer van dienst kon wezen,
+liet de lepel in 't bord terugvallen, haastte zich naar buiten, nu
+heelemaal van zichzelf zeker, dat ze hem er niet uit kregen. Hij zou
+hier best blijven hangen, als hij maar deed gelijk die hond die niet
+weg wou en als ze hem d'er uitjoegen telkens terugkwam.
+
+
+
+
+
+
+'T ONVERWACHTE.
+
+
+I.
+
+Het dorre, onaandoenlijk huis, een nieuwestads-kazerne met altijd
+openstaande deur en zestien schelknoppen aan weerszijden op een rijtje,
+herleefde in zaterdagavonddrukte, die ook sterk merkbaar werd op straat
+door 't aangehots van schokkende handwagens, voortgeduwd door lenige
+kerels, die onder geknars en wielgeratel door, hun waren aanprezen.
+
+Van de witgeboende trappen repten en tripten de vrouwen om inkoopen
+te doen, lichtlijk latend meeschommelen aan de magere werkarmen de
+leege hengselmandjes en karbiezen; in de proper-gewasschen gezichten
+een glanzend-tevreden straling door 't binnengebrachte geld, en óók
+de ernstige peinzing van voor-af moeten rekenen, om niet teveel uit
+te geven, alléén maar te nemen het éérstnoodige.
+
+Mannen brokten stug de trappen òp in haastig gestommel van de
+ongemakkelijke schoenen tegen de stoottreden, toch bewust neerzettend
+de loodlogge voeten, ze stevig opklotsend zelfs door het besef van
+geld in hun zak, of ook wel stil-stappend, de gezichten vreugdig om
+te verrassen. Ze klakten gelijk-met-de-deur de kamer binnen, de deur
+die ze rap openden met een krak en met 'n flap weer achter zich toe
+trokken. Overal op de kale trappen en bordessen en in de holle gangen
+trippelden, trappelden de kinderen, die de moeders hielpen bij het
+aansleepen--en heel het huiskarkas met zijn zestien schelknoppen,
+aanduidend het aantal gezinnen dat er woonde, relde en rammelde in
+'t vlot en opgewekt beweeg.
+
+
+
+Heel de week, en ook zelfs zondagsmiddags als de straat uit kuieren
+ging, was er alles stil, leek het egale kleurlooze gebouw met zijn
+rijen gelijke vensters en zijn vroeg-doorweerde, verflooze gevel één
+enkele starre eenzaamheid, dor, doods en klam. Er mochten bewoners
+de trap opgaan, de trap afkomen, de kamerdeur openen en toeslaan,
+dit veranderde niets aan het aspekt, gaf zelfs geen leven aan de
+steeds-geboende trappen, vreugdeloos-krakend in haar ontijdige
+gesletenheid. Leeg bleven de wit-gekalkte, van onder zwart-beteerde
+gangen, waar het zonlicht neerdroop als in een naakt klooster kaal
+en kuisch, en waarop de kamers vier-aan-vier uitmondden, met onder
+en boven weer een gelijk aantal vertrekken, een kwadrate optasting
+en naast-elkaar-zetting van de zestien woongedeelten. Die naakte wit-
+en zwart bekalkt-beteerde gangen stonden er hol en brak, scheidingen
+niemand toebehoorend. In deze grauwe ophooping, het levenloos geraster,
+de huurkazerne van een maatschappij voor goedkoope woningen, waarvoor
+je nog maar wàt soliede en degelijk moest staan aangeschreven,
+met liefst aldoor vast werk, om er voor in aanmerking te komen als
+huurder, viel al 't daagsch gestommel dadelijk weg zonder gerucht,
+omdat ieder zich terugtrok achter zijn deur, in zijn eigen vertrek,
+kamer met alkoof en keuken. De zestien schelknoppen aan de deur, bij
+het bouwen aangebracht, doch niet onderhouden, zaten daar eigenlijk
+ook voor niemendal, de meesten ervan allang stukgetrokken, anderen
+verroest en knarserig door het weinig gebruik. Want wie er kwam,
+wist wel waar hij moest wezen, klom parmantig op, klopte maar ergens
+aan als hij zich vergiste, en ze zeien dan wel: één, twee, drie of
+vierhoog, vóór, achter, links of rechts. Voor de bewoners waren die
+schelknoppen in 't geheel niet noodig. De buitenpoort stond altijd
+open, overdag en 's avonds wagewijd, 's nachts op een kiertje, want
+van de vele trappen, uit de leege gangen, viel niets weg te halen,
+ieder sloot van binnen voor de sekurigheid wel af, en waar geen bel
+ooit klingelde, bleef het stil en doods. Alleen 's zaterdags, als
+de mannen te wachten waren met het loon, verkeerde het, ontstond er
+bedrijvigheid, kwam er kleur en leven.
+
+Van morgen begon het al vroeg.
+
+Zoowat allen tegelijk kwamen de vrouwen aan de deuren volgeladen met
+kleedjes, matten en karpetten, om elkaar te helpen kloppen en bij
+te staan.
+
+De haardasch, de afval vergaard in potten en emmers zonder deksel,
+vloog naar buiten, en de wind joeg de smurrie over de gore straat met
+zijn hooge maatschappij-huizen; de trieste straat ineens kleurig en
+rel in het bezig schelle vrouwgekledder.
+
+Dat buiten-werken gebeurde evengoed in de week, eigenlijk wel elke
+morgen, doch niet zoo algemeen en niet zoo geducht. Het ging dan meer
+ieder voor zich, iedere buur zichzelf reddend, reppend, flap-flap
+de kleedjes uitslaand, zonder veel praten, om maar weer gauw binnen
+te komen, maar op zaterdagmorgen spatte de werkbui eerst ongedwongen
+uit. De mouwen opgestroopt, de magere werkarmen tot de elleboog bloot,
+de rokken opgeschort, nauw om de spichte beenen als verfonfaaide
+drapeering, snaterden en snebberden ze elkaar de ooren doof, hangend
+met de schrale lijven aan de deurstijlen, tijdverkwistend, zich dan
+weer haastend om voort te komen. Ruw en ongesjeneerd kwakten ze neer
+de vuilnisbakken, onbekommerd of er wat over stortte. De todden, de
+vodden, de spaanders en papieren waaiden met de asch óp, dwarrelend in
+'t gelle van de grauwe straat, waar de aschman dubbel te doen kreeg
+om dat alles te vergaren.
+
+Heel de morgen lang jelde en kletterde het anders zoo doffe huis in de
+rammelgeluiden van emmer, blik en stoffer, beefden de trappen onder
+het gebons van vaten en teilen, onder al het heen en weer geslobber
+van niets ontziende voeten.
+
+'s Middags veranderde het weer, dan leek 't ineens gedaan. Ze
+plasten, ploeterden, boenden binnen, om toch maar snel de boel aan
+kant te krijgen, dán raakte ook de opstapeling woningen, ondanks
+het gesloof en gezwoeg in de kamers, weer tot haar gewone rust, een
+bedarende-neerzakkende, armelijke stilte, die de gangen, de trappen
+opnieuw liet schimmen in eigen leegte.
+
+De straat strekte zich evenzeer in geduldig en toonloos zwijgen. Alleen
+lagen er nog de resten van papieren, de snippers, de schillen
+tusschen de verwaaide asch, en die lebberden voort, wijl de groote
+aschkar zich daarmee niet bemoeide, alleen maar nam wat in bakken
+stond--en de geheele straat van gevangenishuizen, al fleurde er
+ook hier en daar een bloem brutaal over sjofel hekje naast goor
+waschgoed, wat nog drogen moest als verschooning voor zondag, leek
+wèl een uitééngewaaide mesthoop, wat zóó bleef tot het mannetje met
+de handwagen kwam, dat alles bijveegde en geduldig opschepte.
+
+
+
+Nu, tegen de avond, terwijl de venters hunne waren uitschreeuwden,
+kwam beweging in de kale gangen, gedribbel op de trappen.
+
+Dat de mannen al niet met langzame en moeë voeten als in de week, naar
+boven sjokten, ook niet zoo onverschillig en slap wegglipten in hun
+deur, maar flink en stevig stapten, met zware passen die vooraf met hun
+komst lieten weten dat ze wat inbrachten, maakte al het verschil. Ze
+werden nu niet opgeslorpt door het huis, doch stommelden het zelf in
+rep-en-roer,--en al heel gauw erop kwam dan de vrouw naar buiten om
+'t ontvangen geld te besteden, terug te sjokken met vleesch en met
+grutten, inkoop voor vele dagen, de man zich nu wasschend en poetsend,
+de bizondere beurt van de zaterdagavond.
+
+Alles veranderde als in een tooverdroom. Het dorre en onaandoenlijke
+van een geheele werkweek verdween, kreeg eigen leven, en de
+kamergeruchten vermengden zich met de straatgeluiden.
+
+Langs de trappen, in de gangen, ging het heen en weer. Deuren kierden
+open, klapten toe en op alle gezichten lag de bereddering, de drukte
+van het versche geld. 't Gaf behagelijkheid, wat op bevrediging leek,
+maar ook als er aan 't loon ontbrak of de man niet genoeg binnenbracht
+om de week door te komen, grove woorden.
+
+
+
+
+II.
+
+Stroef en in-zichzelf gekeerd, schoof Arie de Ram binnen, vier-hoog,
+links-achter.
+
+--Genavend!
+
+Grimmig liet hij zich op zijn vaste plaats bij 't raam neerzakken,
+keek dwalend rond, de oogen terneergenepen, heel zijn gezicht norsch
+en onwillig.
+
+--Is d'er koffie? vroeg hij, zonder zijn blik te veranderen.
+
+De vrouw hield even op met stoelen boenen, deed alsof ze hem nu
+pas zag:
+
+--O, bè je daar? O!! Je schijnt weer niet in je hum te weze?
+
+--Waar is Anne?
+
+--Weet ik 'et!
+
+--Zeker, weer de hurt op!
+
+--Wat heb jij 'n drokkie... ze was de heele dag hier!
+
+--Hum!
+
+--Grom toch niet, ze is bij m'n zuster. Daar krijgt ze teminste wat
+te bikke!
+
+--Hum! bromde hij nog eens. Hum! Wa'rom zoek' ze geen dienst?
+
+--Sja, dat zeg ik ook! Maar ze wille haar niet hebbe, ze is te
+onooglik!
+
+--Onooglik, onooglik?... ze ziet er toch flink uit... groot genog
+van stuk, zou ik zegge!
+
+--Jawel, weersprak de vrouw, de wenkbrauwen optrekkend tot
+rimpel-fronsen, ze bedoelen in de kleeren!
+
+Hij bromde nog eens hum, en zij werkte en wreef weer voort aan
+haar stoel.
+
+Ze zwegen. Wat viel er ook nog over te zeggen, dat begrepen ze beiden.
+
+Het wrijven langs het stoelhout en 't verschuiven der pooten over de
+kale grond, verscherpte hun zwijgen. Het vulde 't geheele vertrek.
+
+Mies, het meisje van een jaar of acht, schoof nader bij tafel, keek
+haar vader vragend aan.
+
+--'k Heb geen schoene vâ, kermde ze heel klein, benepen.
+
+--Zoo, en wat heb je daar dan an?
+
+--Die ouwen, de teene steke 'er door... kijk m'ar!
+
+Hij gluurde nu naar haar voeten, onwillig, onverschillig,--en terwijl
+hij zijn grauwe oogen toekneep, waardoor al de werkrimpels in 't
+gezicht meetrokken zei hij:
+
+--Sja, dat is beroerd!
+
+--Zóó kan ik toch niet op straat en morgen is het Zondag....
+
+--Och kind, zeur niet an m'n kop!
+
+Hij schoof haar ruw terzij, strakte zich moeizaam op, en vroeg aan
+zijn vrouw:
+
+--Kan ik me wasschen?
+
+--Dadelik!
+
+Ze werkte door en nu zoowat klaar met haar stoel, kwakkelde ze van haar
+knieën op. Dan sloeg ze het werkschort neer, ging naar de kraan, liet
+water in haar teil loopen, zette de zeeppot erbij en tegelijk zei ze:
+
+--Je kon anders best wachten tot ik weg was, dan heb je de ruimte.
+
+--O, ja! antwoordde hij onverschillig, en ging weer zitten. Hij liet
+zich zoo lusteloos zwaar zakken dat de stoel ervan krakte.
+
+Opnieuw hing er de stilte. Alleen het verwisselen van een schort
+doorritselde de spraakloosheid. Het kind keek schuchter.
+
+Ze kwam nu, de banden toestrikkend, naar tafel, vroeg kort en scherp:
+
+--Heb je geld?
+
+Even knipperde hij met zijn oog als in vage weifeling, zei aarzelend:
+
+--O, ja!
+
+Dan trok hij de hand uit zijn broekzak, smeet een rijtje guldens neer.
+
+Het waren er acht. Ze lagen te kartel-glinsteren op de bewasdoekte
+tafel, de laatste stukken onregelmatig opelkaargeschoven, de voorsten
+losser uitgegleden, wat meer apart.
+
+Het kind, tot het zilver aangetrokken, peuterde er dadelijk aan met
+de vingers.
+
+--Afblijve! vermaande de moeder. Ze sloeg vinnigjes over de
+kindertoppen, snauwde om zichzelf gelijk te geven nog na:
+
+--Je kunt ook niks laten!
+
+De drie bovenste guldens nam ze van 't rijtje, liet de anderen liggen,
+zei onbewogen:
+
+--Ik ga even naar de "mart"... blijf je zoolang thuis? Ik ben zoo
+werom.
+
+Hij knikte, verroerde zich niet.
+
+--O ja, brabbelde ze, alsof 't haar nu pas te binnenschoot, wil-je
+koffie?
+
+Meteen schonk ze al in, zonder zijn antwoord af te wachten. Het bruine
+vocht dampte in blauwe kringelwasem omhoog.
+
+Het kind hield de vinger waarop ze de tikken kreeg pruilerig in
+de mond, stond nog aan tafel, glurend in begeerig kijken naar het
+zilverblanke geld, dat daar zoo mooi lag, als een betoovering. En
+erger zoog ze op haar vingers.
+
+--As je soms brood wilt, het staat dáár! zei vrouw De Ram tegen
+haar man.
+
+Hij knikte opnieuw, slurpte gretig aan zijn koffie, zag ongemerkt
+even op, nu wel een weinig minder stug, zijn norsche trekken wat
+meer ontspannen.
+
+Door 't vertrek snisterde haar kleine bereddering: het vluggig
+beweeg van andere schoenen aanschuiven, rokken-gelijk-trekken, banden
+verstrikken. Dan schreeuwde ze hard:
+
+--Kom Mies, 'k ben klaar... gauw je hoed op! Zie zoo!
+
+Het kind, al gereed, tuurde nog naar 't geld, tegelijk naar haar
+vader, die maar weinig zei, zich een tweede kop koffie inschonk,
+heel bedachtzaam, alsof hij er geheel bij was, terwijl zijn hersens
+gansch anders waren. Zijn beverige handen schonken voort en de kop
+vloeide over zonder dat hij 't wist.
+
+--Hè, wat doe je nou toch, wat is dat voor manier!
+
+Hij schrok òp, slurpte voorzichtig de volle rand weg en keek verlegen.
+
+Vrouw De Ram veegde nog eerst het schoteltje schoon, ging toen stug
+heen, met Mies aan haar arm.
+
+--Ik ben gauw terug! zei ze nogeens.
+
+Op de trap trippelden buurvrouwen haar voorbij, anderen kwamen haar
+al tegen, en in de straat, anders zoo stil, liepen thans heel gerept,
+bewegelijk-druk de menschen.
+
+Om de hoek, in de lengte der groote straat, schreeuwden en gilden danig
+de verkoopers. De kleine winkels glorieden en glansden breed-uit in
+'t blinkende licht. Nog aldoor werden handkarren aangereden, stevig
+voortgeduwd en tusschen dat geknars en wielgeratel sloeg òp de herrie
+van het venten. Er bolderde een zware vrachtwagen over de keien,
+joeg de menschen opzij, en dadelijk erachter gil-schreeuwden weer
+de stemmen.
+
+Langs de winkelkanten roezemoesde er een verspreide
+menschen-en-wagen-volte, die 't vlugger gaan belette. Ze moesten daarom
+'t midden van de straat wel nemen, want ze wilden dadelijk door,
+naar de markt.
+
+Even bleef vrouw De Ram toch staan om te neuzen; ze monsterde snel
+de prijzen, vond ze goedkoop, vond ze duur, en liep weer door, met
+Mies aan de arm, nu eenmaal niet van zin ergens dan op haar vaste
+plaatsen te gaan koopen.
+
+
+
+
+III.
+
+Op de zaterdagavond-markt lawaaide en vlaagde 't nog drukker; 't
+was er bont en rel van lamplicht en gescharrel. De rauwe geluiden en
+knetteringen van olievlammen schampten er saam tot één enkele bral.
+
+Gedrang van uitzoekende menschen, stilstaande koopers, het opduwen
+van nieuw aankomenden, 't warrelde en kronkelde dooréén tot een zwarte
+kolk, vol draaiing en verstopping.
+
+Elk tentje was een wereld op zichzelf en de verkoopers, tanige mannen,
+dikke vrouwen, ze tierden en teemden, schreeuwden om 't luidst,
+lokkend met sprekende oogen van:
+
+--Hier moet je wezen en hier is je goeie waar! De kaas, de paling,
+de sinaasappelen en noten heerlijk-frisch lagen naast oude vodden,
+tusschen glaswerk, blikwerk en gescherfde schalen.
+
+Door alle gangen en paden stuwden de zaterdagavondmenschen in
+ijverig-zoeken; ze speurden naar de spullen, die overal lagen, óók
+over de grond, waar naast het aardewerk, de stoffers, boenders en
+bezems, de ouwe kleeren te vinden waren.
+
+Vrouw De Ram wist wel waar ze moest wezen, repte zich voort door de
+opstoppende drukte, toch links en rechts kijkend, snel snuffelend of
+er niets voorkwam wat haar leek.
+
+
+
+Een blonde bloemenkoop stond hoog op een stoel, boven de dwarrelende
+massa uit, aanprijzend met zoete, weeke stem de manden waarin opbolden
+roode en witte papieren rozen.
+
+--Wie biedt er voor? Prachtig zijnen ze. Prachtig!... Wat benne ze
+waard? Twintig cente de twee? Wie biedt er twintig cente?
+
+Aan 'n vinger jengelde hij ze rond over de hoofden heen, liet zien
+de twee volle mandjes rozen, met tusschen de kleurige bloemen groene
+halmen ook pluis van papier wat op mos moest lijken.
+
+In de andere hand hield hij een groot stuk, een weelderig bebloemd
+schip met masten en ra's, vol kleurige linten als touwwerk en met
+vele zilveren zeilen.
+
+--Wie biedt er voor... wie meer dan twee-en-twintig cent?... Wie een
+paar koopt...!
+
+Even hield hij op, ging dan door:
+
+--Wie een paar koopt, die krijgt de kans op dit groote, kostelijke
+schip, het admirale-schip! ieder bekompt een lootje, want hier zijn
+de bons!
+
+Hij liet de blikjes rondgaan, hief het kleurige bloemstuk van bijna
+een armslengte groot in de hoogte, liet 't licht van de lamp eroverheen
+stralen en riep met zijn weeke stem, die bijna zong:
+
+--Hier heb je de prijs die je koopt en hier is de primie die je
+wint. Prijs en primie tegelijk! Wie biedt er meer dan twee en
+twintig...? Vier en twintig, dat bent u, juffrouw! nee...? Nou dan
+hier! Vijf-en-twintig!
+
+Zijn geluid klonk maar zwak en droeg niet ver, want hij begon pas te
+venten, wilde van zijn wrakke longen niet te veel vergen in 't weten
+nog een geheele avond van doen te hebben. Daarom overschreeuwde hij
+zich niet en trachtte het goed te maken door veel met zijn oogen te
+werken en het bloemschip over de hoofden te zwaaien. De oogen van al
+de menschen die er stonden gingen in de hoogte naar dat kleurige schip,
+naar die twee mooie potten. Een greep doen en je werd kooper.
+
+--Wie biedt ervoor...? Dat zijn weer een paar anderen en ze zijnne
+nog mooier! zanglijsde hij opnieuw.
+
+Gaaf en geleidelijk, zonder veel inspanning, liet hij uit de kweeë mond
+de aanprijzende geluiden glijden en zwaaide met zijn bebloemd schip.
+
+--Hè moe, riep Mies, hè kijk 'es, wat een prach...
+
+Vrouw De Ram gluurde er even na, zei nuchter:
+
+--Ja kind, strakkies! We motte nou eerst voort!
+
+--Jè, moe!
+
+Begeerig keek Mies naar de uitblinkende kleuren, de bloemen die leken
+als zoo geplukt, zelfs nog mooier dan de echten in 't felle licht;--en
+aan de arm van haar moeder hangend, bleef ze aldoor ommekijken.
+
+--Vooruit Mies!
+
+--Ja, moe!
+
+Zigzagswijze baanden ze zich door de menschenvolte heen, om aan haar
+stalletje te komen, waar ze boter kocht. Ze nam er ook 'n brok vet, een
+half pond spek, vijf eieren,--en voort ging het nu naar haar kruidenier
+voor de goedkoope koffie, voor de suiker, een half onsje stijfsel,
+want in haar buurt was alles zoo schandelijk duur en slecht erbij.
+
+Van de kruidenierswinkel slenterden ze nu terug naar de
+zaterdagavondmarkt, liepen overal rond te zoekoogen en te snuffelen.
+
+--Moe?
+
+--Wat is er kind?
+
+--Waarom keek vâ zoo zuur?
+
+--Weet ik 'et kind... heb ik niet eens opgelet.
+
+--Nou, maar ikke wel.
+
+--Zoo!
+
+De vrouw betastte met vinger en duim de spruitjes om te weten of ze
+niet te veel water hielden; ze waren niet naar haar zin.
+
+Het kind begon weer:
+
+--Hept u dat heelemaal niet gezien?
+
+--Wat?
+
+--Dat vâ zoo leelijk keek?
+
+--Welnee, kind!... zeker wat op zijn werk gehad. Dat gebeurt wel meer.
+
+--Nou, u let ook nergens op!
+
+Ze stonden nu aan een andere wagen. Vrouw De Ram betastte weer de
+spruitjes en ging aan 't bieden; ze kocht een savooie kool, nam
+nog een harde rooie, en bood en pingelde tot op een halve cent. Ze
+vroegen haar wel achttien en ze kreeg 't voor twaalf. Dan zocht ze
+naar een bloemkool, een blanke bloemige, en naar sappige bieten,
+groente voor de heele week.
+
+In de karbies ging al de kool; tusschen de spruitjes die boven-op
+lagen, vlijde ze de gekookte bieten. In de andere tasch lagen al
+saamgepakt de grutten en met de eieren en de boter was nu alles
+boordevol.
+
+Ze telde haar geld, om te zien of ze nog wat over had. Ja, 't kon nog
+net, ze pakte een half pond Leidsche kaas, en opnieuw sappelden ze
+maar rond. Ze werden opzij gedrongen, drukten en duwden terug,--en
+slenterden weer voort. De markt nam, zoog al haar aandacht op, èn
+haar oogen beefden bij al die spullen.
+
+'t Gaf niet, ze had geen geld, kon toch niet meer koopen.
+
+
+
+
+IV.
+
+--Hè moe, kijk dan toch 'es, riep weer het kind.
+
+--Wat is d'er nou weer, 'k heb overal geen oogen.
+
+Met een stem, nu al wat schor en vergroofd, bood de bloemenman zijn
+laatste mandjes te koop. Zijn bleek en week-pokdalig gezicht was van
+al het venten rauw en rood en zijn oogen stonden waterig van de walm
+der petroleumlampen.
+
+--Wie biedt er meer dan twee en twintig?... Wie meer dan vier en
+twintig? taterde hij met zijn heesch geluid. Hij zweeg een moment,
+begon opnieuw:
+
+--Het zijne de leste, het zijne de beste! Wie geeft er meer dan zes
+en twintig?... Zie eens wat een kleur en zie eens wat een smaak! Je
+vroolijkt je heele huis ermee op en 't mooiste is: ze verdorren
+niet!... Ze zijne beter dan de echte, dié verleppe als je ze drie dage
+in water heb staan... Wie houdt er nou niet van blomme?... Blomme dat
+is leven, daarmee breng-je fantezie in huis, dát is weelde. Je houdt
+je man daarmee uit de kroeg en je kinderen stil, èn voor je zelf is
+het een genot voor de oogen. Je staart er 's ochtends op en je staart
+er 's middags op en 's avonds zie je ze alweer. Je ziet ze zelfs als
+je naar bed gaat en ook als je er in ligt!!... Nou hoef ik je niks
+meer te zeggen wat bloemen wel tot stand brengen. Even lachte hij, en
+ging dan voort: je droomt ervan en je maakt je man tam, want uit bed
+kijkt-ie op de rozen! Ik zeg--en hij verhief weer zijn lijmstem--wie
+niet van blomme houdt, die houdt niet van zijn man of as-ie een "hij"
+is, niet van zijn vrouw, die houdt niet van z'n kinderen!
+
+Brutaal zwierde hij het groote stuk, het bebloemde schip, het schip
+met de zilveren zeilen en de schelle linten, ver over de toeschouwers,
+over de hoofden heen,--en het grelle licht uit de groote lamp, hoog
+aan een staak er boven, overglinsterde en overzeverde al de bonte
+kleuren, bescheen tegelijk zijn eigen week pokdalig martelaars-gezicht,
+triomfantelijk.
+
+Nu begon hij van nieuw; en al schorder werden zijn brallende
+zing-geluiden.
+
+--Ieder koopt zijn prijs, maar hier is de premie. Ieder, die koopt,
+en ook de laatste, krijgt-d'er een bon op toe. De laatste, dat zie
+je meer, die heeft geluk! Wie geeft er meer dan zes-en-twintig voor
+de laatsten?
+
+Zijn kleine geniep-oogjes in 't flets-bleek gezicht keken en gluurden
+scherp rond, want niemand zes-en-twintig bieënd, had hij maar luk-raak
+uitgeschreeuwd en zelf meegeboden. Hij zou nu weer van voren-aan
+moeten beginnen, en om dit te voorkomen schreeuwde hij maar:
+
+--Hier is de primie, de pri-mie!
+
+Hij rekte dit woord primie, rekte opnieuw de woorden, en bralde:
+
+--Wie geeft er meer dan zès-zès-èn-twintig... vooruit dan!!
+
+Zijn weeke, brakke stem werd nu doordringend. Voor een oogenblik stond
+de woelige groep in spanning rond de blonde bloemenkoop. Het was of
+'t allen aanging wie deze laatste pot met rozen zou koopen.
+
+--Kijk toch 'es moe, hoe mooi, riep de kleine Mies.
+
+Vrouw De Ram zei niets terug; ze keek de verkoop eens aan. Het felle
+licht uit de lamp op effekt berekend brandde, glansde op de mandjes
+neer, en de bonte kleuren brokten bekorend voor haar oogen òp. De
+papieren rozen leken wel in bloei te staan.
+
+Een oogenblik verpoosde de bloemenkoop, net lang genoeg om de
+omstaanders tot besluit te laten komen, nu begon hij weer, in zoowat
+dezelfde woorden en zei opnieuw:
+
+--Wie niet van bloemen houdt, die houdt niet van fantezie, niet van
+'t leven. Hier, deuze ze verdorren en ze vergane niet... Wie biedt
+er meer? Zes-en-twintig is geboje!
+
+Een stilte bleef er om de bloemenkoop, zoodat ze andere marktgeluiden
+feller hoorden. Een sekonde duurde 't nog, toen schreeuwde er één
+uit met schorre stem:
+
+--Ja!
+
+--Toe moe, drensde, drong aan het kind.
+
+Vrouw De Ram vond ze zelf ook mooi, en ze bood en schreeuwde mede.
+
+--Wie 't meeste geeft, heeft ze! schalde driest de bloemenman, erg
+blij los te komen; hij zwierde en zwaaide met de bloemen heen-en-weer.
+
+Er schalden vele stemmen dooréén; ze boden tegen elkaar op, 't ging
+tot acht, negen-en-twintig, dertig!
+
+--Ze zijn te geef, riep hij als in zelfmedelijden, darde nog een
+moment, gaf ze toen met gezicht van beklag aan de hoogste bieder.
+
+--Hoe jammer, dreinde Mies.
+
+--Och kind, mokte vrouw De Ram terug, zoo gaat 'et nou altijd!
+
+Er ontstond beweging in de kijkersdrom, maar vrouw De Ram bleef
+nog even staan, en draalde, omdat de meesten bleven, er kon nog wat
+komen. En al-zijn-leven, wat zeg-je daarvan, d'er kwamen nog een paar.
+
+--De laatsten, de állérlaatsten! riep hij schaterlachend. Het neusje
+van de zalm, de bloem der bloemen!!
+
+En 't was waar, ze schenen nog mooier dan de vorigen.
+
+De omstaanders schokten van 't lachen.
+
+De koopman begon opnieuw en zeer krachtig:
+
+--Wie biedt er voor, wie mot ze hebbe?
+
+Vrouw De Ram bood ineens, driest-weg, aangetrokken door het
+kleurgeblaker; ze riep:
+
+--Zeven-en-twintig...!
+
+De bloemenkoop vond het niet geraden lang te talmen en gaf ze, na nog
+even hengelen. Vrouw De Ram voelde al spijt, maar Mies' oogen blonken.
+
+
+
+
+V.
+
+Nu hadden ze nog te wachten op de verloting. Warm stonden ze tegen
+elkaar aan, in geduldig steunen en moeizaam hangen.
+
+Vrouw De Ram voelde zich tevree; ze was zeer in haar nopjes. Voor
+zeven-en-twintig cent gekregen; de vorigen waren zelfs tot
+drie-en-dertig opgeloopen!
+
+Kleine Mies omknelde de kleurige potjes met haar magere armen, aan
+weerszijden één; ze bekeek ze vertroetelend en hield ze omvat alsof
+'t kindertjes waren die ze droeg. Haar open oogen snuisterden van
+genot over heel die papieren bloemepracht, waarop nu nog volgde de
+kans van winnen.
+
+Vrouw De Ram keek ietwat stroever, het wachten duurde wel wat lang;
+ze dacht aan haar man die zeker mopperen zou.
+
+--Duurt het nog lang voor de loterij begint? vroeg ze ongeduldig.
+
+Een schouderophalen van wie rond hen stonden was het enkele
+antwoord. Kleine Mies keek nu ook benepen. Hoe licht de bloemen ook
+aantilden, af en toe moest ze wel even ze vervatten.
+
+--Sta toch stil, gromde de moeder, al haar aandacht op de trommel
+gericht. Straks laat je ze nog valle!
+
+De koopman schommelde en schudde, keek in 't rond. Hij zocht een
+kleine meid uit, liet dan door haar het nummer trekken.
+
+--Met bloote armen, zie je, schalde hij, met bloote armen, terwijl
+hij op het schrale vlerkje klopte. 't Gaat hier net as bij de
+staatsloterij, zoo eerelik als goud!
+
+'t Gaf weer een oogenblik van spanning toen de bloemenkoop het
+papiertje aannam en het ontrolde.
+
+--Let op, schreeuwde hij. Lèt op het springen van de lintworm. Hier
+is het... nu zal je 't hooren!--Het is... num-m-er,... nummer
+drie-en-veer'... drie-en-veertig!!
+
+Triomfantelijk gleden zijn oogen in 't rond, ermee zeggend: Zie je wel,
+daar heb-je nou 't nummer!
+
+Allen bekeken met staarzoekende blikken hun papiertjes.
+
+--Moe, moe, dat benne wij, kraaide Mies. Ze huppelde, hinkte van pret
+en zong luid:
+
+--Gewonne, gewonne!
+
+Van geluk wilde ze wel in de handen klappen, maar dat ging niet door
+de potten die ze in de knuistjes had.
+
+--Ja gerus' moe, ik weet 'et vast! kraaide ze opnieuw.
+
+Vrouw De Ram met haar kippige oogen wat slecht van gezicht, geloofde
+het nog niet, vergewiste zich eerst, in alle sekurigheid. Zenuwachtig
+zei ze:
+
+--Stil toch kind!
+
+--Ja gerus' moe... ik weet 't zeker, zie dan toch, kraaide ze nog
+luider.
+
+Van alle kanten kreeg vrouw De Ram een ruk en een stoot; wie niet het
+nummer had, vond langer-blijven onnoodig, drong haar voorbij. Maar ze
+liet zich niet verdringen, duwde met haar achterste terug; ze moest
+duidelijk zien--en nu las ze het ook, got-ja!
+
+De koopman schreeuwde aldoor feller het nummer uit, schor, bijna
+heesch, en zij wrong zich nu naar voren, stak de handen op naar de
+bloemenmand, wilde het opgetuigde, bestrikte schip dadelijk naar haar
+toehalen in begeerigheid.
+
+Maar de koopman betoonde zich niet zoo grif en toeschietelijk hield
+van pralen, eerst moest-ie nog 'n schoone toespraak houden voor hij
+'t gaf. Ze greep al weer er naar, gretig met al haar tien vingers,
+doch hij gaf het nog zóó niet af en begon zijn oratie.
+
+Onwillig stond ze erbij, hoorde in 't geheel niet naar wat de koopman
+zei. In haar begeeren naar het eerlijk-gewonnene had ze daarvoor
+geen ooren. Volkomen streek het over haar heen, dat hij verzekerde de
+volgende week vast-en-zeker terug te komen, dat hij was de beroemde
+bloemenmaker, de fabrikant van kunstblommen zonder konkurentie,
+zonder wedergade en dat de loting met geen konkelarij of foefjes bij
+hem geschieden kon.
+
+Nu liet hij het bloemstuk zakken in haar grijpende handen, en gelijk
+grijnsde ze voldaan, tevreden, nu ze het in haar vingers voelde,
+de omvangrijkheid ervan torschen kon.
+
+Mies opgetogen, had de bloemen erbij neergezet, ze wilde meehelpen,
+mee-aanvatten. Ze klapte van pret in haar handen en riep in eerbied
+en bewondering, onafgebroken:
+
+--Wat een pracht, wat een pracht!
+
+--Voorzichtig, kind! zei de moeder, voorzichtig dan, je bent zoo
+zenuwachtig, je zou het breke!
+
+--Wat gane we nou doen?
+
+--Ja net.
+
+Het werd een heel overleggen hoe dat alles thuis te brengen, dát ging
+niet zoo gemakkelijk.
+
+De tasch met kruidenierswaren en de karbies met bloemkool, roode
+kool, savooie en bieten, 't was al niet licht, en nu moest dat groote
+schip nog mee. Hoe konden ze dat gedaan krijgen? Een oogenblik stond
+ze in beraad, terwijl Mies 't moois bevingerde. Toen wist ze het:
+ze plantte het eene potje met rozen voorzichtig bij de inkoopen,
+en dat prijkte daar nu hoog temidden van de koffie en de suiker. Ze
+tilde dat aan één hand en nam het andere potje in de leege arm.
+
+Mies kreeg in beide handen het groote schip te dragen; haar kleine
+gezicht verschool erachter, de neus bijna ertegen aan. Door de zeilen
+en lintjes kon ze nauwelijks heenkijken, en ze gluurde angstig rond
+om niet tegen de menschen op te botsen.
+
+
+
+De volle markt woelde en rumoerde om hun heen. Ze zoûen kreukelen
+die mooie bloemen, èn erg bang ervoor, gingen ze voetje voor voetje,
+stuwden en drongen zich voorzichtig erdoor. Met een gelukkig hart,
+het lichaam warm van het moeizaam dragen, zwoegden ze door de volte
+van de markt, puffend onder de onhandigheid van de last, en maar wat
+blij toen ze eindelijk uit 't gedrang geraakten en op vrijer wegen
+beter uit de voeten konden komen.
+
+--Wat zal vâ in zijn nopjes weze! gierde Mies luid-uit. Ze zag al die
+kleurige pracht in hun kale kamer, terwijl nog al de schoone woorden
+van de bloemenkoop in haar ooren tuitten.
+
+--'t Is een pronkstuk, gaf vrouw De Ram gewillig toe. Ze liep zoo vlug
+als 't maar even ging, zoodat 't kind met haar korte beentjes haar
+haast niet bijhouden kon. Aldoor gilden nog de venters hun waren uit
+met ruwe brutaal-aanprijzende stemmen; ze wiekten zwierig de lenige
+armen scharmaaiend over hun platte karren en schreeuwden vannieuws.
+
+Vrouw De Ram en Mies keken niet ernaar; ze hoorden 't zelfs niet meer,
+ze hadden nu meer dan genoeg en trokken door, een weinig verlegen
+met hun schat en toch weer trotsch erop. Ze hielden de bloemen wat
+achteraf en lieten ze toch weer half-opzettelijk zien in allervreemdste
+beroering over dat onverwachte van het buitenkansje.
+
+Nu raakten ze toch uit de drukte, en de straten leken ineens weer
+breed zoodat ze heel gemakkelijk gingen. Maar nu waren ze ook thuis
+en ze slopen als in geheim naar binnen, stommelend daarna zwaar de
+trappen op.
+
+'t Gaf een heel gesjouw voor ze alles boven hadden, want 't kon niet
+ineens. Wel drie keer moesten ze rusten. Bij 't laatste bordes zette
+vrouw De Ram haar vracht even neer, nam het bloemschip van Mies over,
+bracht dat 't eerst naar boven, plaatste het daar zoolang tegen de
+muur, om de andere dingen te halen.
+
+Mies kwam haar al achterop en reikte de potten met papieren bloemen
+aan, en nu ze alles boven op 't portaal hadden staan, pakten ze
+alles saam.
+
+Hijgend en blazend sjokten, sleepten ze de bloemenschat met de kool
+en de grutterswaren de kamer binnen.
+
+
+
+
+VI.
+
+De man, zijn leege koffiekop voor hem op tafel, zette vreemdige oogen
+op, schampte dan norsch:
+
+--Wat zijn dat voor vodden, waar haal je me die vandaan?
+
+--Gewonne, vâ, gewonne! kraaide het kind. Dat hêt moe allemaal
+getrokken!
+
+--Hum, gewonne? vroeg hij scherp en smalend.
+
+Er suisde een oogenblik nijdige stilte,--en hij herhaalde weer
+schampend:
+
+--Gewonne!? Kan je 't geld niet anders 'an, mot dat zoo besteed worde?
+
+De vrouw zette de handen in de zij, keek hem tartend aan, zei nog
+een cent liegend:
+
+--Nou maak maar zoo'n drukkie niet. 't Is heelemaal zes-en-twintig
+cente... wat wou je d'ervan...?
+
+Meteen keerde ze hem de rug toe, ging minachtend naar het penantkastje,
+om daar ruimte te maken.
+
+Mies nog altijd opgewonden tilde het bloemschip bijna boven haar
+macht op tafel, waar het nu schel praalde vlak voor haar vader's oogen.
+
+--Zes-en-twintig cent, ratelde hij fel, is dat soms geen
+geld? Zes-en-twintig...! Ga je gang maar. Jij geeft uit en ik zit
+zonder werk!
+
+Alsof ze onverwacht werd aangevallen, zoo rap keerde ze zich weer om.
+
+--Wat zè-je?... Zonder verrek? hijgde ze.
+
+--Ja, venavend gedaan gekrege, zei hij treiterend, èn jij geeft maar
+uit voor prulle!
+
+--Dat had je dan wel eerder kunne zegge, nijdigde ze terug, nu
+vijandig.
+
+--Kunne zegge, kunne zegge? Je koop' maar en vraagt nooit waar 't
+geld vandaan mot komme...
+
+In zijn verbeten woede sloeg hij zijn hand uit, en met een felle smak
+smeet hij 't bloemstuk rits van de tafel.
+
+--Wel zeker, wél zékér, wreek je daar maar op, rumoerde ze, niet
+dadelijk wetend of ze zich te keer moest stellen of zich inbinden. Met
+giftig-kwade oogen bleef ze te midden der kamer staan, haar wenkbrauwen
+hoog opgetrokken.
+
+'t Kind durfde evenmin nader komen, en het bloemschip bleef daar
+liggen, een smalende vlak tusschen hun drieën in.
+
+--Hè vâ, zei kleine Mies schuchter, hè vâ, wat doet u nou, 't is
+zoo mooi!
+
+Ze hurkte bij het schip neer, zette het met bevende vingers overeind
+en schikte, plooide en streek de papieren zeilen weer uit de kreuken.
+
+--Geef hier! norschte vrouw De Ram, kwaad en geprikkeld. Geef hier! Ze
+nam het ding uit haar handen, kwakte het neer op de vrijgemaakte
+plaats van het penantkastje. Vernederend keerde ze hem opnieuw haar
+breede rug toe.
+
+Het kind, angstig-verwonderd, blikte nu eens naar vader, dan naar
+moeder, durfde niets zeggen, bang voor het moois, dat het zou moeten
+ontgelden.
+
+De vrouw zweeg en de man zweeg, een zwijgen dat tusschen tweeën
+als een muur dáár stond. Haar oogen giftigden, al zei ze niets. En
+hij hield zich woest, omdat het moest. Maar langzamerhand innerlijk
+verlicht en ontlast, nu hij gelukkig eruit had gesmakt dat hij zonder
+werk geraakte, kromp zijn nijd, die eigenlijk angst was, en hij wilde
+het weer goed maken. Doch dat lukte niet, de stilte bleef pijnlijk
+tusschen hen in, star.
+
+Buiten gilden nog de laatste verkoopers. Hun stemgeluid, nu ijler
+en scherper omdat het straatgeweld rondom ging versterven, werd
+doordringender.
+
+Dat enkele schreeuwgeluid van rooiekool, van savooie kool en van
+lekkere haring, klonk brutaal en hard naar hen op, alsof er niets
+zachts en weeks bestond.
+
+Vrouw De Ram liep mopperend rond, snauwde plots:
+
+--Allé Mies, vooruit naar bed! Ze wilde een uitweg hebben voor haar
+ontstemming, want ze besefte dat onder deze omstandigheden 't geld
+voor de bloemen onnut uitgegeven was, zoo goed als weggeworpen. Ze
+pakte stil haar inkoopen uit de tasch, zocht wat in 't ronde en ging
+toen aan haar zaterdagavondwerk. Hoonend liet ze 't geld op tafel
+liggen en ze hielp Mies, die zich vlug ontkleedde, te bed; ze wilde
+haar wrevel niet laten blijken en kon die toch niet verbergen.
+
+En hij voelde zich niet minder lam. 't Bleef tusschen hen een
+naargeestig zwijgen, dat eerder treiteren werd dan schuldbekennen.
+
+Eindelijk stond hij norsch op, bromde tusschen zijn tanden, dat-ie
+nog even uitging op werk.
+
+--Ik zal 'es kijken bij Adrian, zei hij rauw, misschien kan die nog
+een mannetje hebben, maar veel kans is d'er niet.
+
+Ze gaf zelfs geen adem terug en werkte door. Heel-goed wist ze
+dat-ie nou een borrel zou gaan pakken, maar och dat kon haar niet
+schelen. Blij voelde ze zich als-ie een oogenblik wegtrok en haar
+aan d'er zelf overliet. Voor hij weerom kon wezen zou ze wel zorgen
+d'erin te liggen, om alle verdere kwestie te mijden.
+
+--Ziet u nou wel moe... hep ik 't u niet gezegd van vâ, babbelde Mies.
+
+--Ja-ja, ga maar slapen, 't is al ellendig genog.
+
+Een poos zweeg Mies. Toen babbelde het vroeg-rijpe kind weer:
+
+--Waar is Anne toch, wat doet die zoo laat?
+
+--Ze komt zóó... kakel niet!
+
+Ze deed de deuren van de kamerbedstee toe, om haar 't verdere spreken
+te beletten, en ze zette zich aan tafel, de magere werkhanden lusteloos
+in haar schoot. Dat was al de derde keer van 't jaar, dat hij buiten
+verdienste raakte, en nu tegen de winter, waar moest dat naar toe?
+
+
+
+
+VII.
+
+Een tijd zat ze zoo. Toen hoorde ze de kruk omdraaien. Zou hij 't al
+zijn? O nee, 't was Anne! Wacht, die zou ze 'es helpe!
+
+'t Kind schoof verlegen binnen, magerzwart en knokig opgeschoten,
+schuw alsof ze hier kwam in een vreemd huis.
+
+--Waar kom jij vandaan, sliert die je bent! kreet ze rauw.
+
+--Van tante.
+
+--Van tante... zoo laat nog... Maak dat je straatmeide wijs, maar
+mij niet!
+
+--Nou, u kunt het navrage!
+
+--Dat za'k wel doen ook!
+
+--U mag 't doen, dat zei ik toch!
+
+--Toe, maak maar voort... naar je bed! As je vader thuis kome, zwaait
+er wat... hij is zonder werk, as je dat maar weet!
+
+Het meisje trok een benauwd gezicht, schopte dan zonder een woord te
+zeggen haar groote schoenen uit, liet snel de kleerenvracht zakken,
+schoof zich de bedstee in naast Mies. Bang voor moeder, vroeg ze
+fluisterend wat er nu weer was aan de hand.
+
+--Zorg maar voor een dienst, kriegelde vrouw De Ram. Nou je vader
+zonder is kunne we je maar zóó niet de kost geve voor niks!
+
+--Ik wil wel, hep toch geen kleere! huilde Anne terug.
+
+--Hou je mond!
+
+Anne snikte zacht, omdat ze bij moeder geen goeds kon doen. Mies
+troostte wat en werd snibbig toen het niet hielp.
+
+Vrouw De Ram zuchtte.
+
+Daar lag nu weer voor haar de moeielijkheid, heel de toekomst zwart
+en donker. Had Arie nog maar een paar weken werk gehouden, dan zou
+ze iets voor Anne hebben kunnen koopen. Nou viel er geen denken aan
+in d'eerste tijd. 't Moest alles weer van haar enkele stuivers daags
+komen, en als zij uit schoonmaken ging, kon 't niet anders of het
+kind diende thuis te blijven om het werk af te doen!
+
+
+
+
+VIII.
+
+De late zaterdagavonddrukte was ingekrompen en de straat en ook het
+huis met zijn wit-gekalkte, zwart-beteerde gangen, werd weer doods en
+stil. Nu en dan klonk ergens een kreet òp of een ver gerucht suisde
+door de avondleegte. De ellende die ze aanstaande zag viel nu-al als
+een steen op haar neer. In de wrakke stilte, gekomen na 't fel rumoer,
+voelde ze zwaar de zwarte eenzaamheid om haar heen.
+
+Wat moest er van Anne worden? zoo ging het door haar hoofd. Vroeger
+bestonden er nog mevrouwen die de meiden in de kleeren staken en
+voorschot gaven op de dienst. Maar kom daar nou eens om, een kind
+moest dadelijk al van onder tot boven in de goede spullen zitten, en
+waar haalde je dat vandaan? Zonder werk, zonder werk!... Zoo ging het
+een geheel jaar door! Als ze even op streek raakte, was het al weer
+gedaan; je kon nooit op de dag van morgen bouwen, ach, gottegot! Dof
+peinsde ze zich, ze zag geen uitkomst. Alles, alles bleef zwart!
+
+Dan hoorde ze weer gerucht, voetgeschoffel aan de deur. O, hij was
+d'eral! Zoo vroeg...? Ze dook haar hoofd weg in 't kussen, hield zich
+of ze sliep. Haar hoofd werd er nog te klaarder door.
+
+
+
+Onhandig stommelde de man in 't vertrek wat rond, kwam ook in bed,--en
+met de rug naar elkaar toe, nog meer van elkaar vervreemdend in de
+nijdigheid van onmacht, waaraan niets te veranderen viel, hokten beider
+gedachten vast op dat ééne: 't zonder verdienste zijn. Ontredderd
+leien ze neer als onder een zware klauw. Zij slikte haar zuchten in,
+hij steunde luid.
+
+Telkens raakte hij zonder werk. Dit lag aan 't vak, ook wel aan hem;
+anderen bleven langer aan de slag, hij was de minste, de wrakste,
+werd het eerst eruit geschoven, omdat, àl sjouwde hij even hard, toch
+minder flink aanpakken kon, verzwakt, ontvleescht voor zijn tijd door
+al dat ploeteren op werven, ver boven zijn macht.
+
+Hij voelde en wist, dat hij altijd 't eerst van allen gedaan kreeg,
+voelde dat zijn vrouw dit niet kon ontgaan, waaruit volgde dat hij
+in haar oogen een slampamper werd, een vent van niks. Dat ergerde hem
+'t meest. Ze had het hem nog niet verweten, nee dat moest ze ook eens
+lappen. Om dat te voorkomen speelde hij altijd zoo geweldig òp, hield
+de schrik erin. Maar dit nam weer niet weg dat ze toch wel begreep waar
+het hem zat, uit al haar doen en laten, merkte hij het best. Ook al zou
+zij 't zelf gemeen vinden het te zeggen, ze kon toch niet verhelpen,
+dat ze 't wel eens liet blijken; uit het zwijgen dan 't meest.
+
+Was 'k maar goed-en-wel uit m'n leven dacht hij; maar de kinderen
+dan? Hij kon de slaap niet pakken en woelde grimmig rond.
+
+De vrouw lag stil, terwijl zij wrokkig er over nadacht, haar arm
+hoofd plagend hoe aan kleeren te komen voor Anne. Dat 't kind in geen
+betrekking kon was toch voor haar het ergste, want nu groeide ze op
+als rapalje, kwam niets van haar terecht.
+
+
+
+
+IX.
+
+Doods en stil bleef 's morgens het groote huis met zijn zestien
+schelknoppen die nooit werden gebruikt. Vrouw De Ram, al vroeg op,
+liep zuchtend rond. Ze zou ze nog maar wat laten liggen, de dag duurde
+lang genoeg en zondags wat deden ze dan in de kou. Ze zag de vrede
+alom en 't was of de geur van allen die in welstand waren haar in de
+neus vastzoog.
+
+Er werd zacht op de deur geklopt en 't hoofd van een buurvrouw stak
+door de kier.
+
+--Ben je al òp? zei die fluisterend. Nou, bij mij is 't ook wat
+moois. Hij is gisteravond zonder werrek gekomme.
+
+--O bij mij van 't zelfde laken 'n pak, spreek maar niet ervan.
+
+Ze keken elkaar aan met oogen als van angstige dieren die werden
+vervolgd en vooraf weten dat er geen ontkomen is.
+
+--Nou, dan gaan ik maar... 't ergste is, dat je hier in huis 't niet
+eens mag zegge, anders mot je eruit, en ergens anders heb je nog meer
+te dokke.
+
+Vrouw De Ram sprak eerst geen woord.
+
+--We zijn geloof 'k de eenigen hier, zei ze dan.
+
+--Dat mot je niet denke, dat lijkt maar zoo--wij wete 't nou van
+mekaar, wat wete we van de rest?
+
+Vrouw De Ram knikte maar weer en de buurvrouw schoof heen.
+
+Mies, nu ook wakker geworden, kwam eruit en kuste haar moeder. Anne,
+de grootste, keerde zich nog eens om, en De Ram zelf kneep de oogen
+toe en hield zich koest. Waarvoor moest-ie d'eruit komen? Om naar de
+kerk te gaan, een mooi ding, als je niet te eten hebt. Norsch schoof
+hij zich onder de dekens en pijnigde zijn arm hoofd.
+
+--Mot je niet bidde, zei vrouw De Ram tegen Mies.
+
+--Ja moe; zoo dalik... waarvoor zal ik bidde...? Dàt vader weer gauw
+werk krijgt? vroeg ze peinzend na een oogenblik.
+
+Vrouw De Ram kneep de wenkbrauwen samen, haalde netelig de schouders
+op, en zei dan:
+
+--Ja kind, bid jij maar, misschien verhoord Ons Lieve Heer jou wel,
+voor ons bestaat hij allang niet meer!
+
+Ze zonk op de stoel neer en hield de schort voor d' oogen. In de
+bedstee bewoog zich niets. Anne en haar vader lagen bewegingloos en
+luisterden, de oogen strak onder de dekens.
+
+Dan prevelden luid de schuldelooze kinderlippen: Geef ons heden ons
+dagelijksch brood en vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven
+onze schuldenaren...
+
+Van beneden uit de straat bulderde op een zware vloek, twee mannen
+die aan 't vechten waren, omdat de een de ander had onderkropen. Hun
+verwenschingen rauwden door 't: "Geef ons heden ons dagelijksch brood."
+
+Stil stond het huis, onaandoenlijk.
+
+
+
+
+
+
+AFGEZAKT.
+
+
+I.
+
+Stil stond de kamer.
+
+Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.
+
+
+
+Baller, klein zwart mannetje, om 't geel en tanig gezichtsvel een
+verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde
+handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte
+sufferig en moe rond.
+
+Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige
+notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle
+zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun
+schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het
+gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten
+of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan
+weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklom tegen de
+hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen
+wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en
+spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen,
+overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en
+gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op,
+drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken.
+
+Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. 't
+Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. 't Leek wel of
+al 't gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond
+de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte
+der winkels hier vlak naast hem stond, of 't bij hem op de kamer
+zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag
+hij alles duidelijk. O, hij begreep het, 't kwam door dat vriesweer,
+dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder
+werk. Hoewel als de wind draaide 't best zou kunnen gaan dooien!
+
+Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde
+weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je
+niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast
+als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen
+van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van 't eene eind der
+kamer naar 't andere sjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte
+ze in moeielijke dracht door 't klein vertrek, dat schraal verlicht,
+aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle
+stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel
+lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, 't zou zeker in
+'t eerste uur niet gedaan zijn!
+
+Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe,
+wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar
+harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek
+het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam,
+om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend
+naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet
+warm en ze moest strijken.
+
+Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring,
+volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo
+hard als 'n bikkel om 'n gat mee in de kop te gooie en andijvie,
+lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden
+en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk.
+
+Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte
+z'n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld,
+goed om 'n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen,
+natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet
+en durfde 't ook niet vragen, verdiepte zich weer in zijn krant, die
+hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een
+borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam,
+dan rook ze 't en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet
+uitstaan. Zeker, 't zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan
+er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de
+boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte
+hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been,
+anders ging alle moed d'eruit. Totnutoe bezat-ie nog 'n snabbeltje
+apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, 't was
+op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel
+erg. Kon-ie in 's hemelsnaam iets vinden al was 't als loopknecht,
+maar och niks stond er weer in de krant.
+
+Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op
+en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang,
+houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien;
+zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een
+muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende
+hij. Z'n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en 't zeskante
+potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te
+zitten. 't Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd
+slecht brandde. En telkens, alsof zij 't erom deed, dwarrelde ze
+voor zijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten,
+waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen,
+al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar,
+dáár had je 't weer. Diep zuchtte hij ervan.
+
+Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze:
+
+--Ga dan uit de weg, je ziet da'k mot strijke... plaa's genoch...
+
+--Nee, d'er is geen plaa's... 't lig' overal vol!
+
+--Zoo, wat je zegt!
+
+Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder 't werken door, en
+snerpte opnieuw:
+
+--Da'r gin's staat toch 'n stoel...
+
+--Kun-jij da'r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. 'k Zie
+hier best, as jij me ma'r niet in 't licht staat te draaie!
+
+--'k Kan er niks an doen, bitste ze voort, 'k ploeter me uit de naad
+voor 'n paar cente, ma'r me eige boel kan nie blijve legge!
+
+Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze
+voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk,
+haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging,
+als ze de gansche dag voor 'n ander streek, was het al mooi, dat
+ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif
+toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d'andere kant staan, waarom kwam
+ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon 't niet hebben, dat
+hij hier lekker in 't hoekje zat en zij nog voortmoest. Enkel pesten,
+judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker,
+'t bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouw moest afbeulen en hijzelf
+geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet
+werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al
+nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld,
+met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, 't werd in
+de behangerij met de dag slapper, en als 't nou bleef vriezen kwam er
+ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. 't Was om met je
+kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan
+in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant.
+
+Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige
+lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en
+het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend
+greep hij naar 't papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer
+en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij
+meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op
+haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij
+wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog 's er op
+uit dacht te trekken.
+
+Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij
+tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat
+boven haar stakelijf uitvaalde.
+
+--Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer.
+
+Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder
+zich om te keeren snauwde ze kortaf:
+
+--Kijk ma'r 'es liever na'r de kachel.... dan doe je teminste wat
+voor de kost...
+
+Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van
+onder in 't rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed
+laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op
+'t vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper
+in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig
+omkeerde, schor-schreeuwend:
+
+--Welzeker... welzeker, waarom niet... kan 't niet op... kost de
+brand soms geen geld... 't is 't laa'st wâ we hebbe...
+
+Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper
+in de bak terug, gromde:
+
+--Dàt had je wel eerder kunne zegge!
+
+--Nou nog snauwe d'erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat!
+
+Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan
+viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde
+de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde
+gedrochtelijk op 't vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich
+dan op zijn stoel terugzakken, greep botweg de krant, om die verder
+door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van
+'t vertrek en door de bewegingen van 't strijken, in dat vlekschuivend
+licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn
+schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes
+op 't dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan
+tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn
+afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te
+verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurde hij al in één vlucht,
+maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou
+wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken.
+
+Hoe hij zich ook inspande, 't lezen en nakijken van de advertentiën
+ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende
+kachel, de strijklucht en ook 't witte geglemer van 't goed maakten
+hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en
+suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen
+voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier
+weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. 't Leek of haar
+aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot
+berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand
+der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie
+maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren
+hem de wind van voren geven.
+
+Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze 't gewasschen goed rekte,
+de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden
+gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort,
+sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken,
+rokken en lakens, naar dezelfde maat.
+
+Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om
+meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al 't stroef
+gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,--en
+onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden,
+knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne,
+versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog
+zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist
+wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan 't linnengoed, meer als aan
+haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe
+zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers 't verteerde goed
+aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen!
+
+Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog
+opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend
+tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te
+lezen.... raakte weer aan het peinzen.
+
+Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp
+aan, en zei dan schimpend:
+
+--Je hebt het ma'r makkelik, dàt mô 'k zegge.... je denkt an niks! Is
+er de huur al bij mekaar?
+
+Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer
+vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had.
+
+--De huisvent is van morge d'er geweest.... as-ie maandag nie' krijgt,
+gaat-ie z'n gang! zei ze opnieuw.
+
+Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen?
+
+--Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit
+da'r ma'r of je van Lotje bent getikt.
+
+--Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn
+oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte.
+
+--Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma'r,
+dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor
+meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over?
+
+Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan,
+herhaalde:
+
+--Hij wil niet wachte... geen dag meer!
+
+--Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie 't ma'r zien van m'n rug
+te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn
+benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens
+van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem
+op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet
+alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel,
+met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op
+die manier wat af te schrikken.
+
+Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker:
+
+--Hij smijt ons d'eruit, dan stane we op straat.
+
+--D'er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug.
+
+--Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je
+zoo gauw wat anders?
+
+--Hij doet 'et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang,
+vergoelijkte Baller weer.
+
+--Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is 't nog niet lang
+genoch... ellef weke?
+
+--Ja, zuchtte Baller, weet jij d'er raad op? Ik niet!
+
+--Dat is wel makkelik je zóó d'eraf te make!
+
+--Weet jij dan 'n middel?
+
+--D'er ben je man voor, ellef weke niet betaald, 't is maar
+niks... noem je dat soms kattedrek?
+
+Baller mompelde een "stik" tusschen zijn tanden, draaide haar de rug
+toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij,
+liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar
+snerpende klachten.
+
+Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op,
+hakkelsnauwde:
+
+--Hou toch 'es op... met je herrie... 't is nog zoo ver niet... wat
+bliksem is dat?
+
+--Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt 'êt...! dat 't ver genoch
+is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend:
+
+--M'n god, wat zal er van ons komme!
+
+--Kan 'k 't helpe... mot ik soms gaan stele?
+
+Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei: daar ben je veel te laf
+voor. Dan hoonde ze voort:
+
+--Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever!
+
+Baller werd weer bang.
+
+--Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat!
+
+--'t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan.
+
+--Een glaasie noem je dàt zuipe?
+
+--Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door
+'t keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs!
+
+--'k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... 't komp niet
+van zellef.
+
+--Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik
+als vrouw draai er ma'r voor op.
+
+--'k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel?
+
+--'t Zou wat! zei ze minachtend.--Dàn pakte ze het ijzer van 't
+kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon
+weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend:
+
+--Je mot 't zellef wete, ma'r dàt zeg ik je, as we op straat komme
+te staan, trek ik ertusschen uit.
+
+Ik haal mijn kossie wel!
+
+Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en
+gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van
+'t gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen
+rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met
+de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest,
+maar zooveel als nou nee, elf weken, kwam nog niet voor. Sakkerjen,
+'t zou zoo'n wonder niet zijn als het misliep!
+
+De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer,
+de kop tusschen het lenig vel gravend.
+
+Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar
+een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in 't zicht,
+om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in
+'t verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of
+naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die
+nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard
+noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie
+te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in 't licht
+verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk
+aan d'er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige
+uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar...
+
+Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van
+kleine advertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou
+wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel
+krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor
+de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde:
+
+--Heb je niks te drinke? heb je al koffie?
+
+--Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette!
+
+'t Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij,
+terwijl hij meteen bereidwillig opstond:
+
+--Wil 'k soms wat op de kachel gooie?
+
+--Welzeker, 't kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken.
+
+Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant,
+stootte nu en dan een "ha" eruit, alsof hij iets van belang vond,
+las hard op een advertentie, die hij maar verzon.
+
+Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden,
+die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten,
+fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd
+al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij
+niet. 't Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de
+klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast,
+maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te
+veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te
+loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde
+hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan,
+dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet
+naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar
+mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon
+uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek,
+een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd.
+
+Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale,
+dor-blonde haar lag slordig om 't door zorg en ellende verwaarloosd
+bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de
+vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste
+scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde
+narigheid.--Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie
+cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de
+fijnste madam. Hoe anders zou 't zijn geloopen indien hij er eentje
+met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er
+genoeg krijgen, hij had z'n vingers maar even hoeven uit te steken; de
+meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet
+zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen
+dragen, daaraan viel niet te veranderen. En 't ergste nog: ze wou
+niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam
+niet in aanmerking, dat zijn handen voor 't werken verkeerd stonden.
+
+Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan
+hij zelf, al werd ze dan ook voor 't werken opgebracht, terwijl hij
+nooit wat leerde in z'n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit
+te steken.
+
+Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het
+trouwen al 't faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen
+plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert,
+aan wie hij zooveel te kort kwam, 't liefst maar drie duizend gulden
+aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze
+hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven,
+komen en gaan kost geld, 't kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor
+'t fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar
+Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun
+je 't mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier,
+in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds
+waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem
+om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem
+af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs
+geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was
+gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats
+je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken,
+maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij
+hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In
+plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader
+hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van 't werken af,
+van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren,
+hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor
+'n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht
+gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij
+was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst
+de gevolgen en z'n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat
+te piekeren!
+
+Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn ooren op de
+zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht,
+voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als
+hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende
+hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar
+ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer
+dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de
+mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te
+geven. 't Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch
+'t moest, als hij langer wachtte, ging 't heelemaal niet meer. Diep
+ineengedrongen, de magere handen onder 't vlokkig-behaarde hoofd,
+zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op,
+brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn
+vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen
+voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te
+zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde
+onafgebroken door, zonder 't hoofd op te heffen. Hij moest nu wel
+zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over.
+
+De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die
+gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen
+zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op,
+rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend
+alsof hij 't zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d'eruit:
+
+--Ik zal d'er verdorie nog op uit motte!
+
+Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer.
+
+Dadelijk liet ze 't strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem
+scherp aan, vroeg:
+
+--Wat zei-je?
+
+--Dat 'k nog effe d'eruit zal motte...
+
+--Je zal 't wel uit je herses late!
+
+--Ze hebbe d'r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren!
+
+--Zoo-o!
+
+--'t Staat d'ar in de krant.
+
+--Wèl toevallig!
+
+--Lees het dan zellef!
+
+Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke
+rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer:
+
+--Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an!
+
+--Foefies?... wat foefies?
+
+--Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te
+scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d'er al... hà,
+hà, hà, treiterlachte ze.
+
+--Ik zie 't net... da's te zegge... ik zag 't wel eerder. Niet veel
+bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.
+
+--In elk geval, 't is nou te laat. Ga morgen!
+
+--Dan is 't zondag! kan ik toch niet gaan!
+
+Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven,
+omdat ze z'n streken te goed kende.
+
+Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei
+ze scherp:
+
+--As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.
+
+--Och mensch, lâ na'r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!
+
+--Ma'r 't is nou nacht.
+
+--Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!
+
+--Nee, 't is zeker vroeg, gotallemachtig...!
+
+--Dàt niet, ma'r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik
+ermee? Niks... hebbe we 't zoo goed... kunne we wachte! is m'n gang
+soms 'n doktersgang?
+
+Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het
+aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed
+van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich
+herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend,
+dat hij most, dat al gaf 't niks, hij 't niet mocht laten ontglippen!
+
+Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er
+over dacht. 't Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken,
+anders kwam 't er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar
+de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond
+oogdreigend voor hem:
+
+--Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!
+
+Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens
+gedurfd:
+
+--Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?
+
+--Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn
+niet, versta-je!!
+
+--Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet
+bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je 't mis, glad
+mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis
+je toch niet.
+
+--Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik 't
+doe.... as je 't hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!
+
+In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om
+de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht
+van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze
+smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren,
+zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.
+
+Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor 't een
+als voor 't ander. Brutaal snerpte hij:
+
+--'t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie
+om werk te krijge, èn of 't nou half nege of half tien is, dat duvelt
+niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... 't werk
+komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je
+me daarvan?
+
+Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te
+overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet,
+ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd
+toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze op de Haarlemmerdijk
+eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een
+halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.
+
+Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch
+samenwringend.
+
+--Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an
+moet met de huur.... late we zien 'n andere woning te krijge.
+
+Hij schokte de schouders, onwilligde terug:
+
+--Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor
+werrek, zal ook 'es naar Bouwlust gaan.
+
+Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen
+en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; 't werd natuurlijk
+weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze
+toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:
+
+--Wil ik koffie zette?
+
+Baller weifelde.
+
+De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren,
+dansten er rond, lokten hem naar die drukte,--en toch, hij durfde
+niet best, bang voor haar groote mond. D'er zou wat zwaaien! Maar,
+als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer,
+zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet
+weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide
+saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar
+hij straks zelfs vroeg, proef-smakte in gedachten nu op zijn tong
+bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op,
+doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig
+hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude
+kriebel langs zijn rug kroop.
+
+--Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik
+mot toch d'erop uit.... voor die advertentie.
+
+Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van
+de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende
+rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat
+zóó niet mannetje!
+
+--Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!
+
+--Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op
+hem los te branden.
+
+--Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge
+zoo ver benne...
+
+--Wat verdiepinge... 't vriest toch veel te hard om te kunne
+plakke... ja, maak mijn dat wijs!!
+
+--Zoo?
+
+--'t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.
+
+--In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval 'k mot eruit. Denk
+je soms, dat ze 't op de trap komme legge?
+
+--Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d'eruit.... hij wil
+d'eruit... naar de kroeg! Heb 'k 't niet gedacht... wist ik 't
+niet... geen cent thuis en toch zuipe!!
+
+Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie
+haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer,
+de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang,
+dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar
+vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.
+
+Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja,
+dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn
+grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm,
+alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij
+in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,--en voor ze
+nog eraan dacht, was hij al buiten, op 't portaal, holde de trap af,
+de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.
+
+Zij riep nog: Jan! Jan!
+
+Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze
+stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.
+
+
+
+
+II.
+
+Het felle toesmakken der deur relde en rammelde nog na door 't heele
+vertrek, trilde langs de kale behangselmuren, beflapperde 't wiebelend
+lamplicht, woedde in de potkachel, die ineens weer harder snorde. 't
+Scheen alle voorwerpen te omstrijken, te beroeren, omgolfde, omvatte
+haar zelf, als in een huig van kilheid en vrees.
+
+De armen vielen vrouw Baller slap langs 't lijf. Ze voelde zich
+geslagen, al raakte hij haar met geen vinger aan. Veel streken
+haalde-ie uit, maar zoo brutaal als nu nog niet, dát liep er over heen!
+
+Een krampige verontwaardiging doorschokte haar, maakte haar star en
+stijf. 't Was of alles door dat toeslaan der deur in onrust schommelde
+en bleef schommelen; ze keek ernaar met blinde oogen. Maar na een
+poosje haalde ze de harde schouders op, perste de lippen nog meer
+samen, mompelde tusschen de gesloten tanden:
+
+--Welja, welja.... ga je gang maar... d'er kan nog meer bij; waarom
+niet?
+
+Ze aanvaardde maar moeilijk 't geval, schoof met haar slofvoeten naar
+de kachel, zette de waterketel terzij, nam de strijkbout om met haar
+wasch voort te gaan. En toch, de verwarring, de ontstemming weken
+hiermee niet; ze kon haar aandacht niet bij 't strijken houden.
+
+Haar vingers beefden, heel haar lichaam beefde. 't Was ook te
+erg! Zonder acht te geven op wat ze deed, verstapelden haar handen
+de hoopjes, tastte ze het goed te hoog op elkaar. Het tuimelde om,
+viel van de tafel. Nu moest ze het weer oprapen. Slap liet ze het
+koud-geworden ijzer over 't goed gaan en de handen vielen weer langs
+haar heen. Alles rondom bleef in beweging. 't Licht wiebelde en wipte,
+vlekte schaduwen op 't behang, zwartte grimmige kringels over 't
+plafond, beglimpte de vaasjes en gipsbeeldjes op de schoorsteenmantel,
+maakte ze tuiterig en scheef. Het klokje uit de guldensbazar hoorde
+ze onregelmatig tikken, de slinger ging slikker-de-slik, slingerde
+zoo vreemd, alsof 't ding eruit zou vallen. Zelfs de ruiten maakten
+geweld, alles leek in opstand. Natuurlijk onzin, verbeelding, dàt wist
+ze opperbest! Het bracht haar tóch van streek. In haar ooren bleef
+doordaveren 't toeslaan van de deur, zijn trapafhollen. Schrijnend
+voelde ze haar onmacht, de onmacht van vrouw, die voor de boel
+blijft zitten, en de getrapte is, ook als de man niet trapt, enkel
+maar wegloopt.
+
+Zij pakte het ijzer weer aan, om door werken haar gedachten te
+verzetten, haar woede te temperen, maar 't lukte niet half. De punt van
+'t ijzer stootte door 't versleten goed heen, ze vergat de strijkzool
+aan te voelen, of een lap op te leggen en verschroeide een van de
+weinige lijfjes die ze nog bezat. Ze streek, perste, vouwde voort, en
+zuchtte er tusschendoor. Haar hè-hè's sneden vinnig door 't vertrek,
+en de tafel schokte en knerste mee in haar heftig gewerk. Ze moest
+zich intoomen, dàt voelde ze, ze zou maar liever de naden uithalen en
+gaan verstellen. Dat vlotte ook al niet best. Haar vingers glipten
+door 't dunne goed heen, stuk voor stuk moest ze terzij leggen,
+'t was of de gaten ermaar zoo invielen, geen bijhouden aan. Och ja,
+'t ging ook al lang genoeg mee... elf jaar... geen kleinigheid... 't
+beste slijt, en geweest is geweest! Wat kocht ze in al die tijd bij,
+een bedroefd drupje, 't meeste voor hèm. Ze deed 't nog met dezelfde
+hemden, dezelfde rokken van haar trouwdag af.
+
+Haar vingers gristen weer door 'n sloop heen.
+
+Zie in gosheerenaam toch 'es an, drifte ze, daar is geen verstellen
+meer an... kan je niet eens meer uitstukken, zelfs niet meer bijhalen,
+de voddenjood geeft geen drie kwartjes voor al wat hier ligt! Thuis
+hadden ze 't niet breed, maar de kast zag er toch behoorlijk uit. Hij
+moest noodig zeggen, dat hij haar uit een sjofele boel haalde! O! O!!
+
+De kwaadheid, zoo lang bedwongen, ziedde, brak uit naar alle
+kanten. Lammeling, labberkak, die je bent, schimpte ze. Zoo'n
+gluiperd, zoo'n rakker, geen cent brengt-ie in en toch mot-ie naar de
+kroeg!... Hij werk-zoeken? Ja, dat kun-je begrijpe, veel te graag
+lust-ie een spatje, daar was 'et hem om te doen, of ik 't niet
+snapte! je zwijgt en zwijgt, doet of je 't niet merkt, om de vree
+te bewaren. 't Loopt toch op niks uit, een vrouw moet het altijd
+misgelden, maar pas op, pas op mannetje, aan alles komt 'n eind!!
+
+Voor haar van kwaadheid vlammende oogen zag ze klaar hoe-ie daar
+straks zat geschonkt tegen 't gordijn, tusschen raam en kachel,
+alsof 't gordijn niet gauwgenoeg vuil wordt, ook zonder dat je
+er tegen leunt. Ze rook weer zijn adem, de dwalm van jenever, die
+goor-zure stinklucht, alsof je boven 'n goot lei, en ze zag vlijm
+hoe stommelig-onnoozel, hoe miezig hij in die krant ploeteroogde. Ze
+kende dat bedrijf, de krant had ze uit zijn handen moeten slaan. Ja,
+dat had ze moeten doen en de deur afsluiten, veel te goed was ze voor
+hem. Ze schold en schimpte voort, schimpte zoo heftig dat de eigen
+woorden haar om de ooren ketsten. Door die opdrifting aangevuurd,
+balde ze de vuisten, alsof-ie daar nog in 't hoekje zat en ze hem
+daarmee klein kon krijgen. Het strijkgoed smeet ze ruw neer, en dat
+viel op de grond; nu moest ze 't weer opnemen. Onmachtig zakte ze op
+een stoel, berstte in zenuwend huilen uit.
+
+
+
+Een heele tijd zat ze zoo. Eerst langzaam-aan bedaarde ze, beseffend,
+dat ze zich van streek maakte voor niets. Wezenloos staarde ze haar
+vertrek in 't rond, de handen in de schoot,--en nu ineens leek 't
+haar zoo stil, de bewegelijkheid van straks ongemerkt vergleden. Niets
+bewoog zich, zelfs geen schaduw aan de wand. De lamp krinkelde rustig
+zijn ringen op 't plafond en van de straatventers drong geen gerucht
+meer door.
+
+--Is 't dan al zoo laat? vroeg ze zich.
+
+Ze keek naar 't klokje. Dat stond op kwart over negen. 't Tikte
+niet. Zeker afgeloopen, 't moest toch later zijn!
+
+Ze draaide het kreupelpootig uurwerkje op en nu de tik weer door
+'t vertrek liep, verbrak dit wat de eenzaamheid, voelde ze minder
+de strakke, gelaten eenzelvigheid van wat rondom stond. 't Witte
+strijkgoed, de stapeltjes vierkant-gevouwen lakens, handdoeken,
+sloopen, ze grijnsden bleek op in het traag-gele lamplicht en opnieuw
+sufte de kamer van de stilte.
+
+Maar nu kwam er ineens gerucht, de kat joeg met lenig-wilde sprongen
+door 't vertrek, dolde heen en weer in hoepelvluchten.
+
+--Die hét ook de kolder in de kop, zeide ze, na haar heftigheid
+verwonderd over eigen berusting.
+
+De kat bleef jagen.
+
+Plots rammelden de ruiten. Een windstoot flapperde langs 't raam.
+
+--O, is 't in die tijd... is het dat? sprak ze halfluid. Ze wist het
+nu. 't Werd slecht weer!
+
+De eene vlaag na de andere joeg bollend aan, wervelde stootend uit,
+zwiepte weer voort. De ramen klepperden hier en daar en overal. Langs
+de huizen, langs goten, en hijschblokken schuurde piepknersend de wind,
+die een wild dier gelijk beneden door de straten ging gieren.
+
+Onwillekeurig luisterde ze er naar. Het maakte haar bevangen-stil. Na
+een poosje scherpte ze zich zelf op, zei vermanend:
+
+--Kom vooruit! wat geeft dat nou? Gauw de boel aan kant maken.... 't
+duurt al lang genoeg!
+
+Ze had nog maar 't restje bonte goed na te zien, uitgestukte boezels
+en enkele wollen lappen, die eerst als luiers dienden; en ze pakte
+flink aan, om er af te komen. Maar 't zien van die vaal-roode oude
+luiers, stemde haar weemoedig. Ach, ach, wat maakte een vrouw niet mee,
+wat kreeg ze al niet te doorstaan? De kinderen, dood! Misschien maar
+gelukkig ook! Ze waren in de hemel beter af dan zij hier, wat moest
+er van zulke bloeien zijn geworden....
+
+Al haar kwaadheid verzonk in deze overweging. 't Maakte haar tam,
+eenzaam-en-alleen-te-moede. Ze zag vóór zich de kinderkens, zooals
+ze werden geboren, zooals ze lagen in de wieg, en zooals ze de geest
+gaven, de oudste aan hersenziekte, de tweede aan stuipen, de derde aan
+de ingewanden, en nogal meer. Op één na 't jongste, een blond-bleek
+meisje, dat, naar ze zeien, op haar zóó leek, herzag ze 't scherpst.
+
+Er welde een traan naar haar oog, en die drupte op haar verharde
+handen. Ze veegde met de handrug af, verzette zich tegen die
+gevoeligheid, en zei strak:
+
+--Gekheid, wat geeft het, je moet berusten. God heeft gegeven en God
+heeft genomen.
+
+Maar ze vergat te zeggen: Zijn naam zij gezegend of Zijn wil
+geschiede.--Ze slikte dàt in, liet erop volgen in schaamte over dit
+verbergen: Hij zal wel weten wat goed is voor ons, arme stervelingen!
+
+De smart omving haar geheel: ze voelde zich klein, erg klein,
+en zuchtend tobde ze voort. Haar handen gingen draderig; wel tien
+keer streek ze 't zelfde vouwtje uit, en haar oogen staarden blind;
+ze vorderde weinig.
+
+De wind schuurde nu nog ruwer langs 't raam, dat in de voegen
+rammel-trilde, en de windstooten deden 't gordijn bollen. Wezenloos
+blikte ze 't vertrek rond en zoo stond ze een poos gedachtenloos
+tot ze haar aandacht weer vestigde op 't rammelend raam; ze zou een
+spijker of 'n stukje hout als wig tusschen de sponningen duwen. Dat
+lawaai werd niet uit te hoûen, en het tochtte ook!
+
+Ze rommelde in 't spijkerbusje, nam een paar vierkante nagels, dik
+van roest, morrelde die tusschen 't raam en de lat. Nu eerst zag
+ze, terwijl ze met de eene hand 't gordijn afhield, dat het behalve
+stormen ook nog sneeuwde.
+
+In wilde, stuivende vluchten joegen de dunne witte vlokken
+schuin-zwijgend door de stratenlengte, flapperden week tegen de ruiten,
+smolten, dreven weg.
+
+Ze gluurde vaag in die witte warrel naar beneden, zag eenzaam-leeg
+de straat, waar de venters zooeven nog opgehoopt stonden.
+
+De ijle dwarrelsneeuw zweefde neer, kleefde, bedekte het plaveisel
+met een dunne drijvende laag, waarin waterig-groot de voetstappen
+der menschen en wagens gingen plekken, als onregelmatige slingers in
+elkaar geweekt.
+
+De voldoening van rustig binnen te zitten borrelde in haar op. Hm,
+hm!! Lekker voor hèm, ziezoo, nou kreeg-ie ook zijn portie. Maar
+ineens bedacht ze met 'n schrikje, dat ze vergat in te koopen,--en
+voor morgen had ze niets in huis! Misschien stond er nog een vent met
+'n kar, anders moest ze naar de groentewinkel, èn dat werd duur!
+
+Met een zucht liet ze 't gordijn tegen het raam terugvallen, strikte
+de boezel los, nam een wollen kaper, knoopte die om de ooren. Nou
+moest ze d'er toch nog uit. Niet plezierig! 't Groentebakje onder
+de arm, zakte ze gerept de trappen af, en 't schoot haar te binnen,
+nu ze in 't stroeve trapdonker de treden onder haar hoorde kraken,
+dat hij een uurtje geleden nekbrekends er af hotste. Ze grinnikte,
+hij verdiende niet beter als hem wat overkwam, ze gunde hem haast
+een ongeluk, en toch, haar wrevel, haar grootste kwaadheid was geweken.
+
+Ze stond nu buiten. De sneeuwwind joeg in nattige striemende vlagen
+en zwiepte haar venijnig in 't gezicht. Ze keerde haar hoofd om, doch
+ze moest, de andere kant uit, tegen de wind in. Ze strompelde voort,
+de handen vol omdat ze de rok moest ophouden.
+
+Om de hoek stond nog een wagen. Zij sjokte er naar toe. 't Viel mee,
+een honderdste tref in zulk hondeweer! Als hij nou maar had wat haar
+leek! Witte kool? dat ging, en een maat aardappelen! Ze dong af óp
+de prijs, niet te veel. De man overvroeg niet te bar in 't striemend
+weer, hij wilde gauw loskomen; en ze werden 't dadelijk eens: acht
+cent voor de witte kool, elf cent voor de aardappels.
+
+Haar handen dreven van de kleverige sneeuw, ze moest nog een cent van
+haar twee dubbeltjes terughebben, en nu ze die eindelijk had sjokte
+ze naar de overkant om een onsje spek en een pannebrood.
+
+Een oogenblik dacht ze, dat Baller er aan kwam, maar ze zag
+verkeerd. Nee, zoo gauw verwachtte ze hem ook niet, hij zat natuurlijk
+in de kroeg!
+
+Ze kledderde weer de trappen òp, de voeten nat van 't drabbig
+vocht,--en blij op haar kamer terug te wezen, voelde ze de
+huiselijkheid haar opnieuw omsluiten. Br! wat 'n weer, hij moest 't
+zelf weten als-ie zich een ziekte op de hals haalde! Haar bakje met
+inkoopen zette ze neer, droogde haar handen, die nog klef waren van
+de natte sneeuw. De kat streel-rugde tegen haar aan, spon om haar
+voeten heen,--en ze merkte danig de floeperigheid van haar natte
+rokken. Fluks schoof ze de bovenste uit, hing die op aan 'n spijker,
+en streek met haar nog aldoor klamme handen de verwaaide fletse haren
+uit het norsch gezicht.
+
+Wat zou ze doen? De kool schoonmaken of koffie zetten? Nee, daar lei
+de waschboel nog, dat moest eerst gebeuren! Verdorie, daar kwam van
+avond geen einde aan. Alles door die lamme kerel!!
+
+Zij nam hoopje voor hoopje, bergde het goed weg in de muurkast op
+schoone, propere kranten. Zóó opgestapeld, de gave, dikke kanten voor,
+toonde haar waschje nog heel wat. 't Bracht haar in betere stemming. 'n
+Poosje bleef ze welbehagelijk ernaar turen, maar de berg verstelgoed,
+die daar nog lag, maakte haar vanzelf weer korzelig. Dan schoof ze
+de tafelbladen in, zette zich niet te ver van 't licht, met de bak
+op haar schoot, en begon aan de kool.
+
+Rondom stond het vertrek nu ganschelijk stil. Alles leek zoo strak
+en onbewogen als in diepe nacht. En toch was 't pas elf uur! De lamp
+brandde traag en wiebelde niet; geen lichtverglijdingen glipten uit,
+geen schaduwingen gleden langs de wand. Alles bevond zich konstant in
+licht en donker. De stoelen met de wit-geboende matjeszittingen reiden
+dáár als blanke plekken langs het schemer van de vale behangselwand;
+ze stonden koel-enkel op 't kale, rafelige groen- en zwartgestreept
+vloerkleed, dat in een zwarte grom scheen uit te vloeien. Geen gerucht
+sloeg meer óp van de straat, geen gil van een avondventer, geen
+kargeratel, zelfs geen voetgestap. 't Sneeuwig weer dempte alles. Nu
+en dan vlaagde nog alleen de wind met zwakke stooten, als heel van
+verre, wat de wakke kamerstemming nog meer verzwaarde. Alles zweeg.
+
+De poes zocht haar plaatsje bij de kachel alweer op, lag als een
+glanzend kluwen in elkaar, onbewogen. In het aankante vertrek zag
+zij zich zelf zitten vereenzaamd, alleen. Alles zoo stil, zoo stil!
+
+Zonder er naar te zien sneed ze de kool, en haar gedachten dwaalden
+overal heen. Telkens lagen haar handen in de schoot; als ze dit merkte,
+schokte ze weer op, werkte voort, in trage wil van arbeidsdrens.
+
+Een harde deurdreun schrikte haar op. Zou hij 't wezen!?
+
+Ze luisterde scherp-oorig, adem-ingehouden van vaag verlangen. Als hij
+'t was, zou ze geen ruzie maken, maar koffie zetten. Voetgestommel
+klom op, verdofte. Een sleutel knarste ergens in een slot, 'n deur
+knierde open, klapte toe. Nee hij was 't niet. Een van benejen!
+
+De stilte omspon haar weer; ze sneed voort haar kool. De glad-harde
+schilverlingen ritsten onder 't kervend mes langs haar handen, hoopten
+zich saam in de bak, blank-gele bladweefsels vochtig-vast. Een wrange
+wasem, de geur van 't groeisel steeg er uit op, kneep vast in d'r
+neus. Haar oogen gingen lichtelijk wateren; telkens moest ze zich
+met de handpalm afvegen. Nee, nou werd ze nog melankoliek ook!
+
+De dreunslag van iemand die thuiskwam herhaalde zich, en nog vele
+keeren. Ze twijfelde, hoopte dat hij 't mocht wezen, al bestond
+daarvoor weinig kans. Zoo onzeker voelde zij zich, dat zij niet de
+moeite nam koffiewater op te zetten. Vroeg zat als hij d'er was! En
+toch luisterde zij bij elk gerucht op de trap. Dood-moe van 'n heele
+dag hard werken, gestriemd door de ruzie en zijn vlucht, liet ze
+'t hoofd erbij hangen, peinsde ze er weer over na. Het klokketikje
+doorrikte de kamerruimte regelmatig, een tikkeling die zich aan
+niets stoort! Het leven ging door, dat voelde ze sterk, en niets
+komt terug. Ze meende het goed met hem, daarom haalde ze nog wel
+in 't fleschje, maar ze vergat hem dàt te zeggen. Een hekel had
+ze aan de drank. Gewoon vergift! De jenever maakte hem zoo slap en
+slecht. Maar als ze nu toch voor hem haalde, waarom 't hem dan niet
+dadelijk gezegd? Misschien was-ie dan gebleven; met 'n neutje, met 'n
+dubbel maatje dee je zoo veel, had ze hem gemakkelijk thuis gehouden.
+
+De laatavondwakte van 't sneeuwig weer voelde ze door haar
+geprikkeldheid heen, en haar eigen verlatenheid werkte op haar in
+als een vreemde macht, die haar tot doordenken drong, aldoor. Haar
+gedachten kwamen en gingen, keerden terug naar 't zelfde punt. Ze vond
+hem lorrig, zichzelf niet zonder schuld, een schuld, die ze zich toch
+niet wilde bekennen.
+
+Ze moest lieviger, aanhaliger tegen hem zijn, èn dàt kon ze niet,
+de afkeer was sterker dan haar beste wil. Goed wou ze voor hem zijn,
+behoorlijk-goed zonder omslag, en niet meer! Zijn grimassen, als-ie
+half-snik, zoo lief en lekker tegen haar deed, kon ze niet uitstaan,
+hij leek dan meer op 'n aap als op 'n mensch,--en alles draaide daarbij
+in haar om. Zonde dat ze 't zei, toch 't was zoo! Ze griezelde van
+hem. Die afkeer was al gekomen bij 't sterven van 't eerste kind,
+mogelijk nog vroeger, maar toen werd ze 't gewaar. Al haar kinderen
+waren zwak en sukkelend geweest; niet één bleef in 't leven en dat lag,
+meende ze, aan hèm. Zij zelf was flink en gezond, maar hij stak in
+geen zuiver vel, had te veel gesjouwd voor zijn trouwen. Geen wonder,
+zijn vader deugde al niet, 't zat in de familie, de Ballers waren
+allemaal uitgaanders. Wat gaf nou die betere kom-af waarop hij zoo
+stofte, met een gewoon werkman, die zijn handen wist te roeren, zou
+ze beter zijn af geweest.... Nou bleef ze met hem opgescheept. Och
+ja, toen keek ze toch òp naar het bazenzoontje met z'n mooie handen,
+zij 'n gewoon meisje, haar vader meesterknecht. En toch... kon hij
+'t maar zoover brengen als haar vader. 't Zou wat, een landlooper
+werd-ie, geschikt voor de schans. Anders niks!
+
+Het bitste en beet al feller in haar op. Al de ellende, de onmacht
+der vrouw, die van haar man niets terecht kan brengen, woelde naar
+boven. Hij moest noodig op haar afkomst schimpen, alsof hij zelf
+niet minder eraan toe was. Affijn, dat schelden deed hij ook niet
+meer. Maar vroeger, vroeger dan toch! Zij herinnerde zich al te best
+zijn hooghartig praten, zijn kleineerend zwijgen als 't haar stand
+betrof,--en nu hij verarmd, ook moest aanpakken, stonden zijn handen
+glad verkeerd.
+
+In de wrange kamerstilte, waar het klokke-tikje rammelend de tijd
+aangaf en haar alléén-zijn verscherpte, verdubbelde, zag ze opnieuw
+zijn sloome doen van zooeven, zijn laffe vlucht, 't kwansuis op haar
+aanstormen, 't scharmaaien met zijn armen, 't grijpen naar zijn jas,
+'t bijna omvergooien van de stoel om z'n kale hoed te pakken, èn dan
+dat dichtsmakken van de deur. Al dat lawaai relde nog in haar ooren;
+ze hoorde, herzag het aldoor, hoe kon-je van zoo'n man hoûen? Gloeiend
+onmogelijk was dat; voor haar part brachten ze hem dood thuis; zij
+zou zich wel redden!
+
+Zij schrikte van haar eigen verwensching. Als God eens strafte en
+'t liet gebeuren? Nee, dat wou ze niet op haar geweten hebben.
+
+--Heere, leid ons niet in verzoeking, prevelde ze al. 't Was satan
+die haar bezocht en haar ziel wou bezitten. Ze wou niemands dood,
+ook niet van hèm!
+
+Verward en gejaagd nam zij 't mes, sneed grof de kool verder, vergaarde
+de uiteengesprongen snijdsels in haar schoot, stond gerept op, om die
+booze, leelijke gedachten niet toe te laten; ze zou ze verdrijven en
+nog 'n half uurtje aan 't verstellen gaan.
+
+Maar 't eene stuk na 't andere gleed door haar vingers, zonder dat
+ze de schaar erin ging zetten. 't Meeste was 't lappen niet waard,
+met een grove steek haalde ze de scheuren wat bij.
+
+Wat nou nog te doen? vroeg ze zich, stug door de stilvreemde kamer
+loopend, als met haar zelf verlegen. O ja, de verschooning klaar
+leggen. Ook voor hèm. En dan een paar kousen stoppen voor haar zelf!
+
+'t Schoone goed lei gauw gereed, maar aan de kousen kon ze niet
+beginnen, dood-moe als ze zich voelde. Zou ze op hem blijven wachten,
+of naar bed gaan?
+
+Ze meende op de trap weer gerucht te hooren. Dat kon-ie zijn, lam, dat
+ze nog niet in bed lag! Maar nee, gelukkig, hij was 't niet, 't ging
+voorbij! Hoe laat zou 't wezen? Zoo, al half één! Dat wist ze niet!
+
+In eens kreeg ze 't koud met rillingen langs de rug. Och ja, geen vonk
+vuur meer in de kachel! Nee, die kousen moesten blijven liggen. Het
+bed stapte ze in!
+
+
+
+
+III.
+
+In 't lamplicht, bijna neergedraaid tot schemerschijn, lag de kamer nu
+rustig,--en zijzelf keek met strak-open oogen in afwachtend berusten.
+
+Buiten vlaagden nog na de sneeuwige winden, die niet meer zoo fel als
+in de vooravond, nu en dan raaklings langs de vensters streken, er
+aan jokkerend rukten als in even herinneren. De poes, uitgekolderd,
+zocht een plaatsje op de in-d'r-haast neergekwakte rokken, die in
+een zwarte vracht de stoelzitting overbolden.
+
+De stramme moeheid van haar lichaam voelde ze nu eerst goed, haar
+beenen zoo stijf als houten stelten, haar rug als gebroken,--en 't
+kwaad, broeiig hoofd, zwaar als lood, deed pijn van alle kanten. Ze
+wilde slapen, goed uitrusten, ze groef daarom dat hoofd diep in
+'t kussen, trok de dekens over de ooren. Maar de gedachten joegen,
+warrelden van zelf weer op. Al 't voorgevallene rammelde als
+een draaiend rad aldoor voor haar oogen. Nu de kamer daar zoo
+vredig lag, hinderde en ergerde haar de eigen opgewondenheid. De
+vaalbeschenen bedsteeruimte leek haar een donker gat,--en als ze de
+oogen sloot, zag ze weer de herrie van straks, de mizerie van zooveel
+jaren die nijpender werd door zijn gedurig zonder werk zijn, zijn
+rondslenteren. Ze moest wel zelf haar handen uitsteken, dagelijks
+uitwasschen-gaan, nee, ze schonken 't haar niet, de heele dag over
+die heete tobbe te staan en dan 's avonds haar eigen boeltje nog doen,
+daar viel niet mee te grappen! En van dat alles zou ze niets zeggen,
+als hij niet zoo 'n beroerling was, met wie ze niet eens medelijden
+kon hebben, omdat hij zijn onmacht, 't niet kunnen aanpakken,
+achter allerlei uitvluchten wegstak, nog deed alsof de schuld niet
+aan hem lag, maar aan het toeval, aan de omstandigheden. Hij wrokte
+op zijn familie, op z'n broer die niet wou helpen, alsof dat mokken
+en schimpen wat gaf. Als hij ronduit zei: Ik kan niet vrouw.... werk
+voor mij... ik ben te lam, te beroerd, dan zou ze hem de huid vol
+schelden, en eindigen met hem toe te geven, voor hem te zorgen,
+zooals je ook zorgt voor een kind, voor een hond of een kat.
+
+Maar nou hij bij alles nog een snugger gezicht zette van wèl te kunnen,
+alle anderen te glad-af te wezen, de tegenspoeden als ongeluk liet
+doorgaan om haar de mond te snoeren, en haar verweet dat ze niet lief
+tegen hem deed, nee, dat liep erover heen! Zeker, als je getrouwd
+bent, moet je mekaar bijstaan, maar wie niet inbrengt heeft zich een
+beetje te schikken, hoeft niet de baas te spelen. Dat had-ie vroeger
+meer dan zat gedaan! Als ze in 't begin de duim wat steviger op de
+zak had kunnen houden, zoûen ze niet zoo zijn afgezakt. In zooverre
+droeg ze schuld mee. Maar ach-ach, wat kon ze in die tijd d'er an
+doen? Wat wist zij van z'n zaken af? Geen woord repte hij ervan,
+hij hield haar van alles onkundig tot ze voor 't faljiet stonden.
+
+Een rauwe vlijme smart, de hooploosheid van nooit 't verlorene
+te kunnen terugwinnen, en 't besef van op straat te worden gezet,
+somberden in haar op, omklemden haar als met worgende handen. Ze stikte
+bijna in eigen radeloosheid. Er moest iets gebeuren, maar wat?.... ja
+wat? Haar behuilde oogen staarden wanhopig door de schemertreure kamer
+naar 't erbarmelijk overschot van haar eerst zoo mooie inboedeltje;
+dat beetje zou ook gauw versnipperd worden, als ze de woning werden
+uitgezet, waar dan naar toe? 't Boeltje in weer en wind op de publieke
+straat, misschien hier of daar in een hok, in een slop, of ergens op
+een zolder, als ze dat dan nog konden vinden.
+
+Een verzet steeg in haar op. Nee-nee, dat niet, liever maakte zij
+zich van kant, liever de gracht in dan die schande! En o,.... als
+het morgen niet gebeurde, eens kwam het zeker zoover. Ze zag 't
+zoo vast voor haar als daar dat licht! Al kreeg-ie ook morgen werk,
+na korter of langer tijd liep 't weer mis. Op den duur viel er geen
+land met hem te bezeilen; hij deugde voor niks. En 't ergste bleef
+zijn aldoor-in-de-kroeg-zitten, zoogenaamd om werk op te schooieren.
+
+Nee-nee, dat leven kon zoo niet voortgaan! Hij liet haar tobben,
+trok ertusschen uit. Ze moest van hem af! Een man die de kost niet
+verdient is geen man, is een slampamper. Voor zichzelf haalde ze haar
+broodje gemakkelijker dan met hèm erbij, al veel eerder had ze dat
+moeten bedenken!
+
+Haar oogen staarden strak naar de neergedraaide lamp, waarvan 't
+licht nog zwak òplichtte, de melkige kap, in de stroeve kamerruimte
+zwevend als een halve, witte bol. De wind scheen te zijn gaan liggen,
+'t gerucht was gering; ze meende te kunnen hooren de zachtheid van
+de sneeuwval.
+
+'t Was werkelijk rondom stil.
+
+De gedachte van weggaan, onmerkbaar als een zucht opgestegen,
+liet haar niet zoo grif los. Aldoor welden nieuwe overwegingen op;
+ook de bezwaren drongen zich daartusschen. Weggaan? Goed en wel,
+maar waar ga je dadelijk naar toe, waar kom je zoo ineens onder dak,
+als je geen rooie cent bezit?
+
+Vooraf moest ze overleggen wat ze ging doen. In betrekking had-je
+'t wel goed. Op tijd je eten en drinken, behoorlijke ligging en
+verzorging, na drie maanden nog je loon erbij. Geen moeite had-je en
+geen krimp, maar je moest voort van 's morgens vroeg tot 's avonds
+laat. Al diende ze nooit, ze kon dat werk wel af,--en haar handen
+wist ze te gebruiken. Als kind ging ze op een ateljee, deed later
+'t huishouden van moe voor ze trouwde, dus dat zou wel kunnen. Het
+uit wasschen en uit strijken gaan wat ze nu moest doen had ze ook
+niet geleerd. Als ze eens 'n strijkerijtje opzette? voor haar zelf
+begon? In dat geval moest ze de meubeltjes hoûen, de kachel en de
+strijkbouten vooral!
+
+Ze keek weer rond door 't zwakverlichte, schemervale vertrek,
+en 't omringende werd haar ineens dierbaar. 't Meeste had ze zelf
+gekocht. Ach, van de vroegere overdaad moest ze al zooveel van de hand
+doen. Maar hoe ook, 't hoorde hun beiden en niet haar alléén. Om te
+verkoopen of naar de lommerd te brengen, daar was-ie voor te vinden,
+maar om het aan haar af te staan, hoe kwam ze eraan? Ja, als ze het
+wist op te koopen?
+
+Misschien als 't boeltje op straat werd gezet...? Dan kon-ie weinig
+rechten laten gelden. Maar daarmee had zij 't zelf nog niet in handen,
+eerder haalde-ie een sjacherjood erbij, dat liet zich denken, dan
+kon-ie de centen ervan opsteken. Ja, als ze wat achteraf had, om
+als 't zoover kwam 't hem af te koopen. Of die jood erop afsturen,
+kwansuis natuurlijk! Maar die sjachels kun-je niet vertrouwen!
+
+Haar geest werd vindingrijk, maakte buitelingen, sluwe plannen en
+berekeningen, die bij nader inzien onuitvoerbaar bleken. Wat ze ook
+bedacht en hoe ze 't ook wou overleggen, bij alles diende ze geld te
+hebben. Zonder dàt dee-je gewoon niks!!
+
+Ze moest dus eerst sparen. Maar ze kwamen al voor de huur te kort, hoe
+kon ze dan wegleggen? Dat was toch al gos-onmogelijk! En gesteld, dat
+ze elke dag wat achterhield, zou ze dat kunnen volhouden.... schraperig
+wegstoppen als ze honger had? Nee, dat ging niet, toch zou 't
+moeten....
+
+Ze voelde haar hoofd sufzwaar worden van al dat moeizaam
+overleggen. Zeker? ze wou van hem af, alleen ze wist niet op welke
+wijze. Die huisheer bleef 't ergst, en niet gemakkelijk uitgevallen,
+een echte uitknijper, die op een cent dood blijft. Was ze nu maar een
+mooie vrouw dan kon ze hem paaien, eens lief aankijken. Daar deed-die
+vent veel voor, zeien ze. Maar daarvoor deugde ze heelemaal niet. Die
+Greet lapte 't goed, kreeg alles met een lachie en een fijn smoezie
+gedaan, maar zij verstond dat kunstje niet, zei alles gewoon-weg
+en recht-uit. Ze kon 'n kerel niet aanhalen, niet flikflooien, haar
+eigen man niet en een ander nog minder, je moet ervoor geboren zijn...
+
+Haar gedachten gingen zich leggen, ongemerkt,--en haar oogen,
+zwaar van slaap, kon ze niet meer openhouden. Ze voelde zich
+indommelen. Misschien maar 't beste, morgen komt er weer 'n dag! zei
+ze berustend.
+
+Het klokje sloeg. Ze schrikte op, luisterde. Eén uur.
+
+Hij was er nog niet.... als-ie eens... als-ie eens wegbleef, niet
+terugkwam? Ze durfde haar gedachte bijna niet uitspreken. Een vreemde,
+vage jubel drong in haar op, overmeesterde haar. Niet terugkomen... wie
+weet?
+
+Ze raakte ineens weer klaar wakker, zei: Nou niet slapen, opletten! Al
+wat ze daarnet overpeinsde gebeurde wie weet vanzelf, ze was dan
+vrij... om te handelen. Maar nee, er bleven bezwaren. De huisheer kwam
+dan bij haar, en waarvan moest ze hem betalen? Misschien gaf-ie toch
+uitstel, als d'er man haar liet zitten. Mogelijk, maar óók niet! Van
+zoo'n steggel, zoo'n penningfokker had ze niet veel te verwachten.
+
+Haar gedachten vertroebelden weer, werden loomer, zwaarder. Ze
+verzette zich ertegen, wou niet aan de slaapdrang toegeven, wou wakker
+blijven. Maar 't ging niet; ze dommelde, dutte in.
+
+Telkens schrikte ze even op, meende gerucht te hooren, en als ze
+keek zag ze 't bed nog leeg, en in 't vertrek niemand. De kansen
+vermeerderden, en dadelijk dacht ze weer aan wat nu 't eerste ging
+dringen: de huishuur. Toch maar makkelijk voor zoo'n vent om huisjes
+te hebben en daar geld van te kunnen trekken; dan anderen uitschelden,
+op straat zetten... en zelf al slapende je kostje halen! En gelijk
+dacht ze weer aan die elf weken ten achter. Die haalde ze nooit
+in... ze moest dus toch de straat-op, uit dienen... of nee, een klein
+hokkie huren en dan de strijkkachel mee! Haar gedachten dwarrelden
+weer door elkaar. Ze zou wel zien... morgen... morgen... ze kon nu
+niet denken... was-ie daar?
+
+Met schrik hief ze zich op, keek met slaapoogen rond. Nee, nog altijd
+niet. Gelukkig!
+
+Haar oogen sloten zich weer, ze trachtte ze nog open te knipperen,
+maar ze bleven toe. Die huisheer... die huisheer!
+
+'t Werd al vager en verwarder wat ze dacht en wat ze overlegde. Ze
+poogde nog eens de oogen te openen, dan sliep ze in, zwaar, onrustig,
+overzenuwd door de vermoeidheid, de afmatting na de vele opwinding.
+
+Ze droomde gruwelijke dingen... van moorden en vervolgingen en van diep
+vallen in een water. Even werd ze weer wakker, schudde de nachtmerrie
+van zich af, maar de dwanggedachte dat ze zich moest verzetten en
+handelend optreden liet haar niet los. Slaap en droom verwikkelden
+zich, dwarrelden dooréén, werden één enkele benauwing.
+
+
+
+Over tweeën sukkelde Baller naar huis.
+
+Tot het sluiten toe was hij in het koffiehuis blijven plakken,
+meedrinkend op de reutel als er werd getrakteerd door de
+eigenbouwers. Hij had, wat hij noemde een snee in de neus en hij
+wist dat z'n vrouw dan van hem walgde en gruwde. Ze kon niet velen
+dat hij aan haar lijf kwam, of haar maar even aanhaalde. Hi-hi-hi,
+hitste hij zichzelf op, bij mij is 't net anders om, als er een
+glaasje inzit ben ik leutig en dan hoû ik weer van 'n vrouw.
+
+'t Was hem vanavond nog al meegeloopen. Wat
+zei-ie? meegeloopen... gewoon prachtig gelaveerd, werkelijk
+geboft! Vier revolutie-panden in het grond-papier zetten, als het
+teminste dooiend weer bleef, want met vriezen gaat alles stuk,
+'t gaf eenige weken spek in de pan, ook al moest-je-je uit de naad
+schrooien. Plakken, plakken, dat je gek werd van al dat gestrijk
+en zelf een bonk stijfsel werd! Als-ie aan 't werk dacht werd-ie
+alweer klein en voelde zichzelf al mierig, een echte naar beneden
+gezakte. Verdorie, daarmee hadden ze vroeger eens bij hem motte
+ankomme!... Naar de mookerhei met dat revolutiewerk, de een deed
+'t al minder dan de ander, enkel om aan de gang te blijven en je
+verdiende niet veel meer dan een schanslooper.
+
+Maar allé, hij kon zijn vrouw toch toonen dat-ie wou en dat het niet
+zoo stom is in de kroeg te zitten. Als de berg niet tot je kwam,
+most-je wel tot de berg gaan! O zoo! Lekker zou-ie haar nou 'es
+troeven, nou had ze net niks te zeggen! Leutig werd-ie weer terwijl
+hij dat overdacht en onder het sukkel-zware loopen zijn vroolijkheid
+van halfdronken man weer steeg. 't Was koud en rillig, blij zou-ie
+wezen als-ie bij zijn vrouw onder de dekens lei.
+
+Zou ze nog òp wezen? Liever had-ie dat niet. Al moeite genoeg zou-ie
+hebben zich naar boven te hijschen op die vervloekte steile trap. In
+'t volle licht kreeg ze 't ook al gauw in de raamstraten dat-ie een
+knap stuk in had, en dan gaf ze zoo op hem af.
+
+Een huiver van genot liep hem door de leden. Hij moest juist een
+tikkie òp hebben, om je weet wel in de rechte stemming te wezen. De
+heele week heb je al mizerie genoeg, zaterdagsavond wil-je wel 'es
+van je vrouw profiteeren! Je bent toch niet voor niemendal getrouwd,
+al lijkt het er veel op!
+
+Zich met moeite door de soppige sneeuw heen baggerend, stijf van
+leden, dofzwoel en toch zoo prikkelend-fel van hoofd door de vele
+borrels en het sukses van z'n werkoploopen, raakte hij eindelijk aan
+de deur en kon hij de vele treeën opklauteren. Gelukkig! net zooals
+hij dacht, ze lag al te bed! Had-ie wel goedgekeken, het lampje was
+toch neergedraaid? Mal, dat je soms aan je eigen oogen twijfelde. Geen
+wonder ook, want d'er zat vanavond genoeg in!
+
+'t Viel hem al moeilijker zijn evenwicht te bewaren en meermalen
+moest hij zich vastgrijpen aan het traptouw om niet naar beneden te
+tuimelen. Verdraaid, hij was verder onder zeil dan hij meende. Nou
+goed, lollig voelde hij zich toch, ja juist omdat-ie had gedronken,
+en ook dat-ie weer troeven kon met 't werk!
+
+Eindelijk stond-ie nu boven, opende behoedzaam de deur en sloop
+binnen. In 't vale schijnsel van 't half neergedraaide lampje
+ontkleedde hij zich bedachtelijk, telkens inzichzelf grinnikend en
+ophikkend en toch zich weer inhoudend. Zoo stil mogelijk, hoewel
+niet geheel zonder stommelen, werkte hij zich in bed. En nu, na eerst
+even te hebben gerust, herkreeg hij de volle moed en meende zich te
+kunnen laten gelden. Opgehitst door de drank kwamen zijn zinnen fel
+in beroering, en eerst nog aarzelend, dan al gedurfder en brutaler,
+ging hij haar aanstooten, probeerde haar wakker te maken, gesmoord,
+hitsig roepend haar bij de naam.
+
+Maar haar slaapzucht werkte al te zwaar door, zoodat ze het niet
+merkte en na elke vage opschrikking nog dieper indommelde. Haar nu
+gloeiend-warm lichaam verroerde zich niet onder zijn duwen en zijn
+tastelijkheden, 't lag er onbewogen onder alwat hij begeerde. Even
+kreunde ze 't onbewust uit als hij al te erg werd en sliep weer
+door, al voelde ze vaag dat er wat met haar gebeurde en waartegen
+ze zich moest verzetten: hij vervolgde haar, wou haar tot zijn wil
+hebben. Maar 't bleef alles voor haar onwezenlijk als in een droom,
+een zware beklemming met allerlei verschrikkingen die ze dacht te
+ontvluchten en waarbij ze dan stortte in een groote diepte. Tot
+eindelijk hij afliet en ze van niets meer wist.
+
+Uitgeput van zijn getob, viel ook hij in slaap en snurkte zonder
+droomen.
+
+
+
+
+IV.
+
+Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker,
+suf-zwaar in haar hoofd.
+
+De winterdag grauwde maar zwakjes door 't vertrek en in 't
+zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een
+zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn
+drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij
+teruggekomen zonder dat ze 't merkte of wist?--Ze begreep zoo weinig
+ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke,
+starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer
+droomde. 't Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet
+werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.
+
+Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z'n armen,
+zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm
+van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde
+haar dat ze zich vergiste.
+
+Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van
+gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze
+kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon
+zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets
+doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte
+zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig
+door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:
+
+--Hè, wor 'es wakker!!!
+
+Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker
+hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare
+dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in
+'t bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om
+hier naast hem te wezen in 't zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van
+hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.
+
+In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee
+glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht
+dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg,
+en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren;
+ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten
+weigerden,--en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in
+'t vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handen bijna niet
+samenwringen, want ze moest denken, denken.
+
+En langzamerhand werd 't haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid
+meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat 't anders
+bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele
+verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar
+werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf
+voor 't magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit
+naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet
+te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij
+schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.
+
+Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde
+het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens
+in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf
+ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.
+
+Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet
+wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo'n smeerpoets... zoo'n
+dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het
+niet. 't Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends
+tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar
+gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie
+niet...?
+
+Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op, maakte haar dol. Razernij
+pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem
+wurgen, maar nu ze bij 't bed kwam voelde ze weer trillende angst:
+hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest
+ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!
+
+In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te
+hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over
+'t gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze
+had vergeten ze te stoppen, d'r kon ze niks aan doen. 't Moest maar
+zóó... ze moest weg.
+
+In een oogwenk stond ze in de kleeren.
+
+Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had
+rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!
+
+Ze sloeg een doek om...'t vodje van een hoedje had ze ook al op,
+moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder
+de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en
+wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en
+bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in 't rond.
+
+De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar
+af. Gotallemachtig, wat was 't koud. Zou ze toch nog eerst koffie
+zetten? Welja, 't goed stond gepakt, als-ie z'n doppen opendeed,
+kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou 't hem dan ook geducht
+inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang? Bang voor hem, voor die
+aap? Hoe kwam ze d'eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....
+
+Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water
+zat van gisteren, haalde een kopje, 't builtje met koffie uit de kast,
+begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich
+nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht
+het hem bekomme... als-ie wakker werd.
+
+Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de
+ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou
+kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen
+later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan 't zwarte vocht. 't
+Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze
+deed. Nee, nee, 't was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen
+of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.
+
+Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem
+in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus,
+maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij
+zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde
+zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren
+open te rukken, en 't hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze
+bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei,
+beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.
+
+Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden
+zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja,
+in 't laadje van de tafel?
+
+Met de koude, kromme vingers kreeg ze 't maar moeielijk gedaan. Ze
+moest er bij gaan zitten en telkens de punt van 't potlood vochtig
+maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar
+uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan
+weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze
+er nog bij over z'n verschooning!
+
+Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op
+de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij 't dadelijk moest
+zien als hij d'eruit stapte, overkeek nogeens 't vertrek in 'n gevoel
+dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit,
+tilde de zak op, vooraf al door haar in 't portaal gelegd, en zakte
+dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet
+toegaf onder haar treden.
+
+
+
+
+V.
+
+Nu stond ze buiten en herademde...
+
+En dadelijk zonder zich verder te bezinnen ging ze op weg, verluchtigd
+als ze zich voelde door de daad na al het getwijfel. Hij verdiende
+het te volle dat ze hem liet zitten!
+
+Door de leege straten woei een scherpe wind, die langs neus en ooren
+schrijnde, en het snelle voortgaan belemmerde.
+
+'t Vroor en 't dooide tegelijk. Dik lag de sneeuw op de wegen, op de
+daken, op de drumpels, de richels, de ramen. De venijnige wind stoof
+er gruizels af en de dooi plokte heele kwakken van de daklijsten.
+
+'t Was Zondag, dat zag ze, voelde ze aan alles. Er reden geen karren,
+geen wagens,--en er waren weinig menschen op de been en de straten
+leken van 'n eindelooze lengte, leeg-wit door de egaalheid van
+de sneeuw.
+
+De lucht droop zwaar erop neer, of 't opnieuw zou gaan sneeuwen. In
+de grachten sobberde op vliesje ijs een dikke, vooze laag, al aan
+'t vergrauwen.
+
+Gejacht liep ze de straat ten einde, zonder te beseffen waarheen.
+
+De verlatenheid van de besneeuwde stad dreef ontmoedigend op haar
+in. Haar voeten vertraagden, haar gang minderde. Ze voelde alweer een
+vage spijt aan haar opwelling te hebben toegegeven. Wegloopen ging
+gemakkelijk, maar wat nou? Waar moest ze naar toe? In de barre wind,
+die om haar rokken joeg, voelde ze zich armelijk, als gestriemd op 't
+naakte lijf. Ze bleef staan om erover na te denken. Teruggaan? nee,
+dat niet, al kon 't best, hij sliep nog, hoefde niets van haar
+wegsluipen te weten.
+
+Een huiver van kou en killigheid omving haar, drong door alles heen.
+
+Waar ze stond smolt de sneeuw weg onder haar voeten en de vochtigheid
+om-stijfde haar, kroop langs haar beenen òp. Met die zak kon ze toch
+niet de heele dag rondsjouwen, waar moest ze hem laten?
+
+Een gierwind kwam aangestreken, sneed haar rauw in 't gezicht. Om
+die te ontgaan, schoof ze de hoek om, maar daar bleek het ook al
+niet warm, al stond ze er meer beschut. Ze moest besluiten. In elk
+geval eerst die zak ergens neerzetten en dan verder zien! Maar bij
+wie? Bij de melkboer? Dan moest ze een eind in de straat terug, en
+allicht kwam d'er man dan achter dat adres. Zoo dicht in de buurt,
+nee nee! Liever naar de turfman, dat leek haar sekuurder!
+
+Zij pakte haar zak op, scharrelde moeizaam tegen de wind op de andere
+straat in, naar de brandstoffenschuur, maar die vond ze gesloten. O,
+ja, Zondag, nou dan naar de melkboer!
+
+De man maakte geen bezwaar, riep haar toe:
+
+--Zet maar neer!
+
+'t Lag op haar lippen te zeggen, dat hij de zak niet aan haar man
+mocht afgeven, maar ze bedacht zich. Wat had zoo'n melkboer met haar
+kwesties te maken!
+
+
+
+Nu de handen vrij, voelde zij zich verlicht, liep zenuwdriftig voort,
+te vlug van tred om veel te kunnen denken.
+
+En ze wou overleggen;... ze liep almaar door, zonder eenig plan of
+doel. Langzamerhand vertraagde haar gang, en alles woelde weer in
+haar op, de jonge jeugd, haar kennismaken met hem, de trouwdag, de
+kinderen, het trekken naar Amsterdam, de geleidelijke overgang van
+welstand naar armoede, en nu het tobben en zwoegen zonder eind. 't
+Genot was treurig-weinig en de bitterheid des te meer. Waarvoor leefde
+een mensch toch eigenlijk?
+
+De eene straat uit, de andere in, sjokte ze voort, de halve stad in
+het rond. Haar rokken dreven van de dooi, en ze merkte dat ze telkens
+op dezelfde plek terugkeerde. 't Gaf haar een gevoel van benauwdheid
+en van gerustigheid tevens. Maar dat kon zoo niet langer duren,
+ze moest tot een doel komen!
+
+De witte verlatenheid der stad, de eindelooze sneeuwlaag, 't maakte
+haar oogen blind, haar gedachten dof en stomp. Opnieuw vroeg ze zich:
+waar naartoe?
+
+Naar huis, naar haar ouwe lui kon ze niet gaan, die waren te oud en
+hadden zelf ternauwernood,--en ze wíst al van tevoren wat ze zoûen
+zeggen: een vrouw hoort bij haar man, en niet bij haar ouwers. Dat
+haar vader zoo praatte, nou ja, een man blijft 'n man, maar voor haar
+moeder leek dat naar niks. Alsof die niet beter wist! Vader was zeker
+niet de kwaadste, en toch goed en lief zijn voor eigen vrouw stond
+niet vooròp. Als moeder ook zoo sprak, kwam het eerder uit angst, dat
+ze haar weer op 't dak kregen dan uit werkelijk meenens. Zoo gaat 't
+altijd in de wereld: ze geven je raad om vrij te zijn van de daad. Nee,
+de ouwe menschen zou ze niet lastig vallen!--En dan, ze woonden in
+Gouda, dan moest ze met de trein en ze had geen geld. Liever bij Greet
+aanloopen! Maar o, o! op Zondag zat de heele rompslomp thuis en zoo
+vroeg leien ze nog in bed, voor tekst en uitlegging geven voelde ze
+weinig lust. Nee, geen geschikte dag daarvoor, ze moest wat anders
+verzinnen. Maar wat, daarop kwam 't aan. Ongemerkt liep ze weer harder,
+draafde de week-besneeuwde straten af.
+
+
+
+De vroege zondagmorgenstilte begon toch gaandeweg zich op te heffen,
+verloor haar starre leegte. Melkboeren, brievenbestellers, kerkgangers
+doken op, sopten door de vochtig-rulle sneeuw. Rijtuigen kwamen
+bel-tinkelend aangereden, en de snelle raderen maakten diepe smerige
+geulen, die bruin-glad opblonken.
+
+De zon glimpte door het wolken-net, overstraalde blank de besneeuwde
+stad, die in klare schitter ineens ervan opleefde. Maar lang duurde dat
+niet, de wolkenvracht schoof zich weer saam, verdrong de zonneflits,
+die hoe kort ook van brand, de blanke laag tot een goor sopje
+maakte. De wind, eveneens gekeerd, hielp 't griffe dooien mee.
+
+Aldoor moest ze haar rokken hooger tillen. De sneeuw werd al weeker
+en drabbiger, versmolt tot moerassige plassen. Vaak wist ze niet
+welke kant uit te gaan, om haar schoenen en kleeren te sparen.
+
+Het vocht zoog op haar aan, doorrilde haar. De vingers, knoke-stram
+van 't gedwongen rokvasthouden, deden bijtende pijn. Nog stakeriger
+en bonkeriger zag zij zich voortschuiven door de morsig vieze
+straten. Van de daken glipten ook al meer plokken nattigheid en
+'t dooivocht siepelde van goten en lijsten. Onder de boomen kon ze
+niet loopen door de natte smakken die er neerklakten, van alle kanten
+spatte en droop het op haar aan.
+
+Straatjongens kwamen van de trappen, maakten sneeuwballen, gingen
+elkaar gooien. De natte kletsen vlogen ook haar om de ooren, raakten
+soms even, snorden haar voorbij. Ze wist zich niet te bergen, al
+meer natte ballen ploften om haar neer. Eén kreeg ze vlak in de hals,
+haar adem stokte ervan, zóó schrikte ze door die plotse natte kwak,
+'n volgende gooi kwam op haar hoed terecht, en weer een andere smakte
+tegen haar oor aan, maakte haar doof.
+
+De bengels schaterden het uit èn voorbijgangers lachten mee,
+maar zij kon wel huilen van ellende. Haar stramme vingers gristen
+de natte sneeuw van haar hals weg, terwijl nieuwe ballen op haar
+neersmakkelden. Het water droop haar langs gezicht en ooren, sieperde
+in haar kraag, geulde door tot op haar rillig lijf. Ze moest zich
+reppen, om als mikpunt te ontkomen, trapte in haar haast door plassen
+water, zoodat het drab tot aan haar hoed spatte. Van vochte sneeuw,
+zakkend uit de boomen, van de daken, kreeg ze ook nog kluiten mee,
+die haar nog meer bemorsten.
+
+Eindelijk raakte ze om de hoek, een dwarsstraat in, nu gelukkig uit
+'t gezicht der bende. Ze herademde, doch de schuwe vrees voor andere
+jongens zat er in, joeg haar angstigend voort. De rokken, die ze had
+laten slepen, om gauwer uit de voeten te komen, waren slobbernat,
+de stootkant van modder korsterig en doorweekt. Een verlangen weer
+binnenshuis te zijn, ergens onder dak, doorknaagde haar. Maar nee,
+dàt niet. Liever verdronk ze zich dan nu armzalig terug te keeren! Haar
+kinderen waren dood, èn hij kon haar gestolen worden!
+
+Toch, de eenzaamheid, het zich alleen op de wereld voelen, drong
+op haar in, riep òp de zucht om een eind eraan te maken. Maar ze
+zette die gedachten van haar af. Hoe kwam ze daar toe, zichzelf te
+kort doen, waarom, waarvoor? Ze kon werken, had nog handen aan haar
+lijf. Als ze aan zulke inblazingen van de Booze toegaf, moest ze ver
+zijn afgedwaald.
+
+Beangst voor haar zelf zette ze de vaart erin, begon weer hard te
+loopen, sjokte gehaast de stad dieper in, zocht de drukke straten op,
+om ver van eenzaamheid en 't grachtenwater te komen. Een nieuwe angst,
+voor ongelukken, voor een pan of steen, of om onder een rijtuig te
+geraken, overweldigde haar nu. Ze verbeeldde zich dat haar wat moest
+treffen, en in die vrees liep ze almaar voort door de straten, die
+drukker en ook drekkiger werden.
+
+
+
+Zonder het recht te weten stond ze voor de Oude kerk. Zware
+orgelklanken dreunden op haar aan. Was dit een teeken? Deemoedig
+sukkelde ze binnen, keek naar een plaats, liet zich neerzakken,
+begon God te bidden, te danken voor haar redding. Maar de woorden
+welden traag, ze kon ze bijna niet vinden. Wat ze 't sterkst voelde
+waren haar lamme leden, haar vochtige kleeren, haar natte voeten.
+
+De orgelklanken omstroomden haar weldadig en 't deed goed er naar te
+luisteren, 't ontspande haar, bracht haar in een stemming om zachtjes,
+zalig, haar tranen te laten komen, haar onrust weg te schreien en
+geleidelijk-aan zich weer op te heffen.
+
+
+
+De preek begon.
+
+Ze dwong zich nu om goed te luisteren doch, na de eerste woorden van
+de tekst dwaalden haar gedachten alweer af.
+
+Ze was zoo moe, zoo moe. Een gevoel kreeg ze alsof ze ernstig ziek
+zou worden en dan langzaam naar de hemel te varen, zooals ze hier nu
+zat. De aandacht van de menschen voelde ze als een strakke spanning,
+een vreemde stilte om haar heen,--en de woordgalmen van dominee
+streelden op haar in, evenals daarnet de orgelklanken. Telkens zette
+zij zich rechtop om toe te luisteren, maar ach, wat hielp het: ze
+wilde niet naar huis terug, en 't leek wel of alle woorden die van de
+preekstoel kwamen daarop doelden. Gekheid natuurlijk, gewoon toeval,
+ze hield niet eens de draad vast, wist ternauwernood waar dominee
+het over had... Toch de woorden: plicht... zich verzaken om hoogste
+lof te winnen... bevrediging van 't leven... eerlijkheid en trouw, ze
+kon ze allen op haar zelf toepassen. Ze zou nu toch goed op letten,
+doch welke moeite ze zich ook gaf, het eenige wat haar verwarde
+ooren vingen waren brokstukken die op haar zelf betrekking hadden,
+al 't andere ging verloren.
+
+Ze herleefde heel de bange nacht, haar droomen, haar verwachten,
+ze zag terug de stond van gisteravond, hervoelde opnieuw haar haat
+voor hem, haar minachting, haar afkeer en ze trachtte die weer te
+sussen. Gansch haar leven vlamde voor haar op. 't Stond voor haar in
+afgedeelde vakken. Wat was ze als meisje opgeruimd, hoe gauw verkeerde
+dat en hoe neergedrukt zat ze nu. 't Was haar schuld...? De stem van
+de dominee klonk er door heen. Haar schuld? mogelijk, ze wou zich niet
+vrijpleiten... Maar hij dan? Welnee, ze was niet schuldig, ze deed haar
+plicht. Met liefde en toewijding, klonk weer de stem van dominee. Ze
+schrikte ervan op, probeerde te luisteren, het verband te vinden,
+doch de woorden glipten langs haar ooren heen. Vanzelf dommelde ze
+weg in haar vage luisterpeinzen. De warmte der stoven, de aandacht der
+anderen, 't stemde haar zachter, stilde haar oproerigheid. Ze zag de
+nachtscène weer anders. Zeker, hij was in 't begin wat aardig--en hij
+kon 't nog wezen... wel niet zoo als vroeger, toch 't ging. Alleen
+hij was zwak... en lui... en ongedurig... eigenlijk geen man... een
+kind! Als-ie maar niet dronk. Waarom liet hij dat niet? Ze vroeg het
+hem ieder keer opnieuw en dan zat-ie met de mond vol tanden of zei dat
+'t door haar kwam. Door haar? Hoe vond-ie 't uit? Elke dag, die de
+lieve, goeie God gaf, zei ze toch: Jan, nou niet drinke! En toch liet
+hij 't niet. Gemakkelijk genoeg op haar de schuld te schuiven... Zoo'n
+laffe vent, nooit had ze met hem moeten trouwen!
+
+Maar de hoogmoed stak haar in de kop, ze wou hooger òp... en nou
+zat ze er voor. Haar zusters, affijn, die hadden 't niet beter,
+die moesten ook vooruit, 't was kind op kind en de mannen vaak
+zonder werk. En zoo ging 't met allen die ze kende. Waarom bleef
+je als vrouw niet liever alleen? Ja waarom? Wie kan dat zeggen,
+'t gaat van zelf... bijna als geboren-worden. Je ziet een man en 't
+komt ervan, zonder dat je 't zelf beseft. Je verbeeld-je al dadelijk,
+dat hij de rechte is, dat je zonder hem niet kunt leven; maar als
+'t afgaat blijf je toch leven en na een tijd krijg je weer kennis
+en beeld-je 't weer in of maak-je zelf wat anders wijs. Zoo gaat
+het verscheiden malen en je weet later niets meer ervan als dat je
+eens verliefd was. Als liefde zoo makkelijk komt, wanneer is het
+dan echt en waarom kijkt een mensch niet beter uit de oogen, zoodat
+men de goede krijgt? Ook zij meende zoo goed te hebben uitgezocht,
+... was er toch zoo iets van bestemming? 't Moest haast wel....
+
+De stem van de dominee klonk forscher òp, overvulde haar ooren. Ze
+trachtte weer te luisteren. Jawel, daar had-je 't al, de dominee sprak
+ook van de menschelijke bestemming... Een schande, dat zij zich niet
+meer moeite gaf de preek te volgen.
+
+Zij strekte haar lange rug nog wat rechter, strekte zich op, om zich
+zelf tot meer aandacht te dwingen. Haar scherpe neus hoekte boven
+haar dunne, spitse lippen uit en bij de zachte kerkeschemer zag ze
+zich zelf in die spitsheid zitten, strak en stijf van gedwongenheid
+om geen woord te laten ontglippen. En nu kon ze ook haar aandacht
+op de preek gevestigd houden, hoorde ze dominee's woorden op haar
+neerruischen, de woordjes, die als kralen aan een snoer geregen,
+uit zijn mond weggleden. 't Begon haar te stichten, tot plots de
+preek bleek gedaan! Het speet haar zeer! Zij trachtte te bidden,
+maar onder 't leege lipgemurmel dreven vanzelf haar gedachten terug
+en de aandacht ging opnieuw verloren.
+
+
+
+De kerkdienst was geëindigd.
+
+Met de anderen liep ze mee, alsof ze ging in een zwaar gareel en
+werd voortgestuwd.
+
+Haar moeiheid en zwaarheid in 't hoofd was wat over gegaan, maar
+haar beenen voelden stram en stijf aan. In een soezel dreef ze mee,
+de kerkdeur uit.
+
+De mannen sloegen de broekspijpen om, de vrouwen namen haar
+rokkenvracht hooger op, en ze deed dit ook. 't Bracht haar ineens
+tot de werkelijkheid terug van op straat te zijn.
+
+Er glimpte een straaltje zon, en dat maakte haar duizelig, ze moest
+zich aan de kerkdeur vasthouden om niet te vallen. Een oogenblik
+maar, 't kwam zeker door de warmte en haar lange suffen. Zie zoo,
+'t ging al weer over!
+
+Voor haar lag 't stukje plein, en ze zag de Oude-kerksteeg vol
+sneeuwig drab, grauw doorsiepeld en bruin van 't kledderloopen. Ze
+moest er wel doorheen, daar viel niets aan te doen. Ze ontkwam dat
+niet, evenmin als de anderen.
+
+Rijtuigen reden aan, portieren klepten open, menschen stapten in,
+portieren flapten toe, 't paard trok, de wagen rolde al voort en weer
+anderen volgden. Dit was alles voor de rijken, niet voor haar. Ze
+voelde dit minder dan ze 't zag, 't gaf haar alleen een angst voor
+gevaar van onder de wagens te kunnen raken, 't maakte haar weer wankel
+en duizelig ook. Maar de koetsiers weken behoorlijk uit en stuurden
+allen naar een zelfde kant, zoodat zij niets hoefde te vreezen, en
+terwijl ze zoo voortging wou ze wel lachen om haar eigen bangheid,
+zij, die voor een paar uur zich van kant wou maken. Wat was een mensch
+toch een wonderlijk mengsel en van waar kwam die angst om niet uit
+'t leven te durven scheiden?
+
+Zij stapte nu flink aan, maar in 't sneeuwdrab van de straat moest
+'t vanzelf weer sjokken worden. Haar gedachten namen dezelfde maat als
+haar voeten, 't ging op en neer, aldoor van voren af aan. Een mensch
+maakt zichzelf het leven lastig, waarom dan toch? Eerst doe je moeite
+elkaar te vinden en dan om van elkander af te komen; je draait als een
+tol in 'n kringetje rond. Die dominee... wat zei dominee ook weer? Ze
+wist het niet. Een schande, ze had er niets van gehoord. Als ze naar
+hem toeging om raad te vragen, ja, maar dan moest ze een enkel woordje
+kunnen zeggen over z'n mooie preek. Nee, naar hem ging ze niet... ze
+had niets er van vastgehouden, ze zou gaan naar een ander, naar haar
+eigen dominee... 't Was een idee,... die kon haar redden... misschien
+kon het aan vaste werkhuizen helpen. In elk geval moest ze iets doen,
+het rondslenteren in de natte sneeuw maakte haar al te lamlendig.
+
+De zon was opnieuw achter de wolken weggedoken en een schriele wind
+joeg door de straten, die nu na kerktijd over-vol raakten. De leegte
+van vanmorgen leek met een vlaag omgezet in grauwe rumoerigheid. 't
+Jachtte en stootte en 't trapte haar alles voorbij, ze dorst niet
+op te kijken, de drukte maakte haar niet opgeruimder. 't Was, of ze
+zichzelf schaamde met haar ellende voor al die anderen, die luide
+spraken, hoog-op lachten en gelukkig deden. Zij joeg zich voort om
+gauw bij dominee te komen. In één zenuwtrek liep ze door.
+
+
+
+
+VI.
+
+Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop
+rukte, kreeg ze klaar 't besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch
+ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en
+keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open,
+er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar,
+dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze
+'t niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even
+wilde binnenkomen?
+
+Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken,
+voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis
+was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden
+al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren,
+de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl
+ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur
+van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:
+
+--Dominee komt derèk bij u...
+
+'t Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk
+voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk
+zeggen dat haar man zoo'n beest voor haar was, dat ze van hem af
+wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder
+haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp
+in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.
+
+Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een
+stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij
+zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.
+
+Ze bedaarde al weer. In 't begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan
+toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon
+blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat
+dominee daarvan dacht. 't Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de
+kost verdienen voor hem erbij.
+
+Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege,
+luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes
+meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij 't uitstorten van
+haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind
+als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.
+
+Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang
+begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte
+haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.
+
+Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat
+oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar 't meest. Ze begon er aan
+te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch
+dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:
+
+--En hebt-ge samen aleens overlegd, al 't mogelijke beproefd?
+
+--Overlegd? vroeg ze verwonderd.
+
+--Ja, 't is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw
+heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker 't leven is
+moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch
+daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.
+
+Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,--en dominee
+praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna
+van aan 't snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.
+
+--En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?
+
+--Dood! zei ze somber.
+
+--Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit
+aan de andere kant 't ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel
+aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...
+
+--Als 'k dat maar kòn, snikte ze uit, als 'k dat maar kon... 'k heb
+alles geprobeerd.
+
+--Kom moedertje, moed. Een boom valt niet in één slag... de drank is
+een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende
+vrouw vermag veel?
+
+Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde
+dan:
+
+--U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij
+me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?
+
+--Baller, dominee!
+
+--Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met
+Gods hulp hem op een beter pad te brengen.
+
+Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein,
+alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee's tijd en
+welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel
+zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar
+zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in
+'t zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.
+
+--Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur
+hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en
+anders 's avonds ook.
+
+Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar
+de deur toe, waar 't gepoetste koper van deurknop en ketting haar
+goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al
+opwekkender bewoordingen, en ze wist niet te antwoorden; ze knikte
+enkel toestemmend met haar zware hoofd.
+
+De meid schoot toe om de deur te openen, doch dominee wenkte afwerend,
+zei:
+
+--Laat het maar Antje...
+
+Onder 't praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar
+nogeens moed in, herhaalde, dat ze h'r man moest sturen, en nu stond
+vrouw Baller weer buiten.
+
+Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze 't
+zelf-had. Maar de schriele wind en 't soppige weer maakten 't haar
+wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen,
+mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!
+
+Waarom had ze niet liever om 'n drie gulden gevraagd... dan kon ze
+teminste uit de voeten... D'r man op een betere weg brengen, och
+lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm
+van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit
+'t warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen
+was ze toch niet, of 't streelde haar gehemelte... wat deed ze bij
+dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste
+dagen te redden bleef het eerste en 't eenige wat haar kwelde. Met haar
+twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel
+uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht
+onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat ze haar huis
+werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek
+'t nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar
+naar 't armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter
+zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch
+aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde 't haar, dat ze
+toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich
+te vol. 't Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou
+ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.
+
+De gedachte aan de koffie, aan 't gebraden vleesch maakte haar
+ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna
+nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze
+kreeg behoefte aan wat warms.
+
+Ze voelde zich huiverig van de koû. 't Was ineens weer gaan
+vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg,
+maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was 't
+niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had
+ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar
+die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg,
+wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze
+niets mee.
+
+Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû
+tot morsìg ijs ging stijven. Gladde, diepe voren lagen overal
+gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog
+'t dooiwater sieperde. 't Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp
+waren de pasbevroren dooi-ríchels.
+
+In de Pijlsteeg zag ze 't groote bord van de gaarkeuken, wel drie
+keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan,
+uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme
+stumper.
+
+Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat
+het gebouw was gesloten. Ze begreep 't eerst niet, bleef aan de deur
+rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:
+
+--Zondags is 't maar tot één uur open!
+
+Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk
+maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar
+moest ze naar toe?
+
+Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken,
+maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met
+'t logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor
+dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging
+niet! Ze griezelde ervoor.
+
+De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. 't Bracht haar in
+gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en 't daarna
+sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. 't Was
+wel niet veel wat er stond, maar ze zat toch beschut--en met een
+beetje kokes kan je 't warm stoken.
+
+Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in
+een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die
+loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die 't daglicht niet kunnen
+velen. 't Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest
+er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder 't loopen op, maar de
+maag scheen niet minder leeg te blijven. 't Feit verwonderde haar,
+in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood
+bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.
+
+De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet
+heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog
+altijd zien wat ze deed.
+
+Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar 't verhielp niet, dat ze
+zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die
+menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door
+haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op 't lijf. Ze dacht eraan op
+een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was 't nog te veel dag. Ze
+schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet
+om geld te vragen. Ze kon 't nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee,
+dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.
+
+Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens door haar heen, dan moest
+ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte
+en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te
+komen. Of 't veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan
+mocht ze niet loslaten.
+
+Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... 't
+kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens
+de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was 't
+kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende
+dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar
+niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten,
+maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.
+
+Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou
+aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te
+kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop
+steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker,
+er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de
+verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan
+haar in de steek liet, ja dan werd 't wat anders!...
+
+
+
+
+VII.
+
+Ze liep nu langzaam de kant op naar huis. Het wankelde en twijfelde nog
+aldoor in haar, al besloot ze om terug te keeren. 't Zou zoo heerlijk
+zijn geweest als ze teminste een nacht had kunnen wegblijven. Dàt zou
+hem koest maken, hèm leeren niet op haar gedweeheid te vertrouwen. Maar
+nu, juist op zondag, leek haar ergens onder-dak-geraken dubbel
+moeilijk.
+
+Dicht bij huis kwam het bij haar op bij Greet Hesselaar aan te loopen,
+'t werd dan meteen wat donkerder; om bij licht aan te komen stond
+haar maar matig aan.
+
+Ze strompelschokte tegen de trap op. God-in-de-hemel, nu voelde ze
+eerst recht haar moeheid! Blij zou ze zijn, als ze eens even kon
+uitrusten. Drie-hoog, een heele rek!!
+
+Ze klopte aan, draaide de deurknop om, bleef weifelend in de opening
+staan.
+
+--Kom binnen... waar heb-jij de heele dag gezete? klonk haar al tegen.
+
+Ze trok met zware handen de deur achter zich toe, nog te veel buiten
+adem om dadelijk te kunnen antwoorden.
+
+De familie, man, vrouw en vier kinderen zaten om de tafel, Hesselaar
+zelf lag hoofd op zijn armen, ingeslapen. De kinderen staakten hun
+eten, hielden de vork omhoog in de handen en keken nieuwsgierig.
+
+In 't vertrek was geen stoel vrij. Alle bezet. Ze hadden er zes en een
+fauteuil, maar een er van stond in de hoek met gebroken achterpoot,
+en om te voorkomen dat iemand erop plaats nam, werd die stoel voor
+bergplaats gebruikt. Nu lagen de jasjes er op van de kinderen.
+
+Moeder Hesselaar gaf aan een der kleuters een teeken om op te staan,
+zijn stoel aan haar te geven. De jongen deed het met weerzin, maar
+hij deed het toch, hangleunde nu tusschen broertje en zusje in,
+gaapte haar aan met onvriendelijk-nieuwsgierige oogen.
+
+--Waar heb je de heele dag gezeten? zei nu weer Greet. Je man is hier
+wel drie keer geweest... hij zat erg ermee in!
+
+Ze gaf geen antwoord, haalde de schouders op, waarmee ze zei: wat
+kan mij dat schelen! De ruwe gemakkelijkheid waarmee Greet sprak in
+tegenwoordigheid van de kinderen, hinderde haar, maar de moeheid dwong
+haar tot zwijgen. 't Was of ze ineens inzakte; ze kon niet spreken.
+
+Greet herhaalde nogeens, dat Baller d'er was geweest, dan vroeg
+ze hartelijk:
+
+--Wil je niet een happie ete?
+
+Vrouw Baller schudde het vaal-blonde hoofd. Met de beste wil zou ze
+geen brok erin kunnen krijgen, het warme eten, waarnaar ze straks
+zoo verlangde, leek haar wee. De lucht alleen walgde haar tegen. O,
+O, wat was ze moe!
+
+--Sjeneer je niet Sjenetje, drong Greet weer aan, die al een bord
+leeg schraapte, wat groente en aardappelen opschepte.
+
+Vrouw Baller wenkte opnieuw afwerend.
+
+Greet schudde het rood-gezonde hoofd, bleef haar met open mond
+aankijken, wachtend tot ze wat zou zeggen.
+
+Ze begreep, dat ze niet sprakeloos kon blijven zitten, al voelde ze
+zich te veel ontdaan, om maar dadelijk erop los te praten. Heel
+langzaam begon de kamerwarmte haar te ontdooien, weldadig te
+doordringen, en de gezelligheid, de vele gezichten om de tafel die
+haar aankeken, ontspanden haar strakke trekken.
+
+--Wat is er gebeurd, herhaalde Greet, om haar tong wat los te krijgen.
+
+--Och niks, stootte ze eindelijk eruit, gisteren ruzie gehad, en
+vannacht is-ie dronken thuis gekomme!
+
+Greet zuchtte eens. En die zucht zei meer dan honderd woorden.
+
+--Hij schijnt ook niet erg frisch te wezen, kwam ze nu zelf los,
+op Hesselaar wijzend.
+
+--Nee, hij hêt gisteravond 'n raap in gehad, en vanmiddag, nou ja,
+dàt wete we... ik laat hem maar uitslape en dan komp alles terecht.
+
+--Waarom die kerels toch altijd zoo zuipe, schimpte vrouw Baller
+erover heen.
+
+--Ja mensch, dat schijnt erbij te hoore... een man die geen borrel
+pakt is 'n witte raaf... dat kan je aan de balk schrijven... maar de
+mijne is anders niet kwaad... alleen je mot hem goed late... as-ie
+nou wat uitgeslapen is gane we naar Stoel en Spree... Zal ik nou
+herrie make... da'r wor' ik toch niet beter op.
+
+Zij zette 't bord voor haar neer, zei aanmoedigend:
+
+--Toe, eet maar een stukje... dán kom je wat bij... geve en neme,
+zoo is het overal in 't leve... je mot wete te schikke... de manne
+benne allemaal 't zelfde. Hee, ouwe, sta 'es op!
+
+Ze klapte Hesselaar op de ingedoken schouders, schudde hem stevig
+door elkaar.
+
+--Je mot denke, zei ze vergoelijkend, de heele week is 't hard
+aanpakke... van 's morge's vor dag en dauw tot 's aven's toe... en
+dan nog standjes en komplimente afwachte van de baze, ik ben al blij,
+dat-ie maar werk houdt... de rest komp vanzelf.
+
+--Dat is 't hem net, maar de mijne is aldoor zonder, en ik draai er
+dan voor op. Dat maak-je duvels...
+
+--Ja-ja, zuchtte Greet, már je bent ók már alleen... hebt geen kinders.
+
+--Ik woû da'k ze nog had, huilsnikte ze bijna.
+
+--Dat zou je niet zegge as je zooveel monde had open te houwe... En
+slijte dat ze doene... geen draad blijft er haast heel... maar goddank,
+ze benne gezond, dàt niet... ze vrete me de oore van de kop.
+
+Lach-tevreden keek ze haar kinderrij rond, schudde Hesselaar weer
+door elkaar, schreeuwde:
+
+--Wor' toch wakker, d'er is vrouw Baller!
+
+Geeuwend richtte hij zich nu ook op, wreef de slaapoogen uit, --en
+de kinderen lachten luid om de vreemde gezichten, die vader trok.
+
+--Hè-hè, flauwde hij, ik was pas in de dut, ho-ho!!!
+
+Hij keek nog slaapgeeuwerig rond, merkte haar nu op.
+
+--Zit jij hier... je man is op de zoek!
+
+--Zoo, hêt-ie angst?
+
+--Angst... angst? Dat weet 'k zoo net niet... hij was hier... ga maar
+gauw naar honk!
+
+--'t Is nogal 'n lieverd!
+
+--Ja, hoor'es, scherpte nu Hesselaar die zich in z'n heele lengte
+opstrakte, hoor ès daarmee kan ik me niet bemoeien. Ik zeg alleen
+wat ik weet, dat hij hier is geweest en je zoekt!
+
+--Kom, eet eerst een stukkie, hap toe, en ga dan maar naar huis,
+vermaande nu ook Greet. Kwaad worden is gewoon-menschelijk maar
+kwaadblijven duvelsch... geen huis zonder kruis... overal valt wel
+eens wat voor, zeg nou zelf!
+
+Gelijk schoof ze 't bord nog wat naderbij, moedigde aan om te eten.
+
+Meer door de vriendelijke dwang dan door eetlust pakte vrouw Baller
+de vork, probeerde wat er in te stoppen. Maar de stukken kool bleven
+haar in de keel steken, en de tranen glibberden, onder 't moeizaam
+kauwen, langs de mondhoeken mee naar binnen.
+
+Ze onderging sterk de gewaarwording, dat 't hier een ander huishouden
+was dan bij haar. Greet kon opspelen, niet gemakkelijk zijn, op
+haar tijd wist ze toe te geven. Ze waren niet zoogenaamd van beter
+kom-af, zooals haar man, en zooals ze zelf altijd graag had willen
+zijn, maar ze bezaten wat zij juist miste, de gemoedelijkheid,
+het zich schikken en passen naar de omstandigheden, het nemen naar
+'t uitvalt. Die Hesselaar zag er lang niet nuchter uit, had meer
+dan een glaasje teveel, maar zijn vrouw keek er even vroolijk om;
+ze gingen van avond uit, naar de komedie... en zij?
+
+Een nieuwe verbittering wrangde òp, en ze moest die uiten, zei vinnig:
+
+--Jullie hebbe makkelik prate, die vent van mijn is nou al vier maanden
+zonder... en as we maandag niet betale staan-ne-we op straat... de
+huisbaas wil niet wachte, èn ie-hêt g'n ongelijk.
+
+Hesselaar en z'n vrouw zwegen, ze wisten wel waar 't stak.
+
+Greet zei toen medelijdend:
+
+--Sja fafferabel is het bij je niet!
+
+--Wat za'k je zegge, bracht Hesselaar bij, je man is niet gewoon te
+werreke... ie hêt 'et nie' geleerd!
+
+--Da'r hep je 't net, huilde vrouw Baller.
+
+--Als 't nipt, kom dan ma'r hier na'rtoe, goedigde Greet, maar we
+hebbe zelf haas' g'n plaa's!
+
+--Welnee! Da'rom doe ik 't toch niet... ieder mot z'n eige last,
+z'n eige pakkie drage, anders mooi genoch angeboje, dát niet!
+
+Ze veegde met de handpalm de vochtigheid van haar wangen, terwijl ze
+naar 'n zakdoek in haar rokspleet zocht. Kordaat stond ze op, zei:
+
+--'k Zal maar gaan... wel bedankt... voor je vriendelijkheid... dág
+Greet... dag Hesselaar... dág kindere!!
+
+Ze daalde de trap af nog eenzamer dan ze die was opgeklommen. Dat
+gepraat had haar kapot gemaakt. Al die kinderen om de zondagstafel,
+de gezelligheid van de volle kamer, de zoete dwalm van het tevreden
+samenzijn, en 't vreemde voor haar dat de man, al was ie alles
+behalve nuchter, zich niet norsch of leelijk aanstelde, waarbij
+Greet gemoedelijk zat, Greet, die nu al vooraf genoot van 't uitgaan
+'s avonds, als 't bijna-volwassen kind van beneden voor haar zou
+oppassen, dat natuurlijk-gezonde van een groot gezin werkte na, gaf
+haar een sterke aandoening, 't besef, dat het leven, ook al mankeert
+er wat aan, niet ellendig is, als je maar niet te zwaartillend,
+te veeleischend bent.
+
+Nam zij 't leven dan te zwaar op, maakte ze van alle kleinigheden
+een te groote zaak, wist zij niet te plooien, niet toe te geven? 't
+Kon. Hesselaar zei 't ook nog, dat haar man niet geleerd had te werken,
+dat hem daarom alles tegensloeg, zoodat ze moest schipperen en wat
+meer door de vingers zien. Best mogelijk! Maar lag het dan aan haar,
+als hij dronk en niet verdiende? Ze ging uit wasschen, wou alles voor
+lief nemen, alléén ze kon tegen 'n man niet aardig, niet aanhalig doen,
+als ze 't niet meende. Ze was nu eenmaal zóó en niet anders!
+
+De moeheid, die ze bij de Hesselaars even vergat, zette weer op, dwong
+haar tot al-langzamer en tragelijker gaan. Een knagend wee, waarvoor
+ze geen woorden had, omgolfde haar; ze voelde zich zóó klein, zóó
+klein, als platgeslagen. 't Viel haar onnoemlijk zwaar tot haar ouwe
+doen terug te keeren. 't Liefst ging ze maar dadelijk dood. Waarvoor,
+waarom leefde ze? Haar bestaan had geen doel, geen reden!
+
+Twijfel-traag liep ze voort tot aan de gracht, dicht bij haar straat,
+en ze bleef weifelen. De goed-bedoelde redeneeringen van Greet en
+Hesselaar hadden haar geest van verzet wel wat neergedrukt, maar
+haar nog niet overtuigd,--en de herinnering aan 't zoet geteem van
+dominee dat haar eerst kalmeerde, ergerde haar nu, riep nieuwe wrevel
+op. Wat haar 't meest huiswaarts droeg, dat waren haar moeë voeten,
+die vanzelf de terugweg insloegen.
+
+De zondagstad woelde nu druk, vol uitgaande menschen, die een breede
+ruimte noodig hadden. 't Vroor hard. De sneeuwvoren lagen gestold
+tot richels ijs, die splinterden en kraakten onder de haastig-gaande
+voeten. Een voorgevoel van aanstaand ongeluk doorzoog haar onbewust, ze
+wist zelf niet wat, maar er moest wat gebeuren. Misschien maakte haar
+man zich van kant, lag hij dronken thuis, of viel van de trappen. In
+elk geval stond haar wat te wachten. 't Schokte haar zenuwend op,
+dreef haar angstig voort. De glad gevroren straten maanden haar weer
+aan tot voorzichtig gaan. Een paar keer slipte ze al uit, raakte bijna
+van de beenen, en net als een wagen aanreed. De zorg voor vallen
+deed haar voeten wankelen. Telkens stootte ze tegen menschen op en
+'t uitwijken werd al moeielijker.
+
+Ze was nu zoowat thuis. De zak zou ze bij de melkboer maar laten
+liggen, ze was te moe, om daarmee de steile trap op te klimmen. Een
+aarzeling overviel haar, een zucht om terug te keeren, maar ze liep
+toch door. Ze hoorde of zag niets meer van wat om haar heen liep,
+keek niet meer uit. Ze ging haar noodlot tegemoet... daarboven.
+
+
+
+
+VIII.
+
+Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker
+geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om
+drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich 't voorgevallene van
+'s avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er 'n
+flinke spat op te zetten. Veel kostte 't em niet, hij had op de klap
+gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met 'n aardige snee
+in de neus, zooals hij dat noemde, had hij 't aangedurfd weer bij z'n
+lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij 't weer goed willen maken,
+maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met
+geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze
+zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield,
+in elk geval kwam 't vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk
+antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.
+
+Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleiding te geven,
+zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er
+genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van
+de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer
+dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar
+zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op 't minst
+gerucht. 't Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van
+de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit
+zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te
+doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer
+zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij
+zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de
+roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door 't vertrek
+waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al
+gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens
+en de gordijnen hingen nog omlaag. 't Was klam en donker in de kamer.
+
+Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens
+in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of
+zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon
+hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd
+was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.
+
+De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, 't
+zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend;
+ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.
+
+Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene,
+glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp
+om een sprong te kunnen doen.
+
+--Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z'n hand 't dier afwerend. Dat
+wil de vrouw niet hebben, dat weet je.
+
+De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug
+en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier,
+dat naar 't scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot
+òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze
+hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling,
+ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij
+zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog
+in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed
+die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn
+nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou
+binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij
+probeerde nu van-uit-z'n-bed te lezen; de poes miauwde weer en
+sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu
+zelf d'eruit. De nieuwsgierigheid was al overgegaan in het stekelig
+gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek
+kon hebben uitgehaald.
+
+Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl 't velletje papier
+in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon 't haast niet
+gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan,
+ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.
+
+Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten,
+dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag
+hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even
+moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar 't raam,
+trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware
+zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen
+naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van
+verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.
+
+--Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze
+hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!
+
+Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd
+open over 't onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en
+vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog
+niet in hem wortelen, 't leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde,
+dat hij in woede uitbarstte en de geheele kamer vol vloekte. Maar
+tegelijk greep de treurnis over 't feit zelf hem zoo overweldigend
+aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen
+die geen uitweg konden vinden.
+
+Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten
+waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende
+voetdruksels. Vaag herinnerde hij 't zich als iets dat al heel
+ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich
+vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was
+van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich
+niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!
+
+Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde 't zelfs niet
+meer te denken. 't Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk,
+alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten
+in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn
+eigen ellende. 't Was hem of 't al stiller en stiller werd, of de
+eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij
+begreep 't aldoor nog niet, 't wilde er niet zoo grif in.
+
+De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende
+rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem
+week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de
+vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op,
+doch de woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig,
+in 't genot om ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en
+smeet haar een eind van zich af.
+
+--Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de
+baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!
+
+'t Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk
+en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter
+op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd
+aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden,
+hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!
+
+Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó
+zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende
+vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte
+vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte
+met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de
+leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles
+drong sarrend op hem in, gaf hem 't nijpend begrip van de toestand,
+kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen
+aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest
+haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon
+ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak
+moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft,
+weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...
+
+De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een
+dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en
+de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik
+rezen zijn haren overeind, 't was zoo erg dat hij meende eraan omhoog
+te worden getrokken.
+
+Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het
+water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou 't ook wel hebben
+gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor
+hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor
+vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig
+mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit,
+'t haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.
+
+Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water
+in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan
+en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten,
+weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen,
+joeg hem voort. 't Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar
+zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht
+hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting,
+dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens
+bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet
+op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hem terechtkomen als
+zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de
+kamer en 't leek hem of 't weinige dat er nog stond hem verweet zijn
+wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van 't
+vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te
+loopen en vele malen beangstte 't hem voor een oogenblik in de vrees
+dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch
+niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond
+hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was
+een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn
+toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie
+trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg
+hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het
+nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn
+teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En
+toch, 't was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar
+niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand,
+één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven,
+doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te
+wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen
+doen en 't einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu
+ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen,
+daartegen verzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een
+borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,--en nu voor
+'t eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn
+ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man
+bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.
+
+Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem
+op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan
+begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op
+zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te
+beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar
+nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon
+dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit
+één stuk kon zijn.
+
+
+
+'t Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af,
+doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.
+
+--Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar
+huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar
+lachte mee.
+
+Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg
+bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk,
+zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en
+aarzelend staan bleef in de deur.
+
+--Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af, is dat een manier van
+doen om elkaar 't leven zoo lastig te maken!
+
+Baller wilde d'er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de
+woorden af, zei al weer:
+
+--Kom, verleuter nou niet je tijd, 't hêt al lang genog geduurd.
+
+--Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars
+nog bedankend.
+
+Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo
+glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat
+in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg
+hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar
+de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze
+al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem
+bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd,
+telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou
+weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was
+'t glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer
+als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam
+geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou,
+hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger
+had hij voor zes.
+
+Met maakte hij weer zoo'n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook
+wel oppassen, een mensch was met die gladdigheid z'n leven niet zeker,
+maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid,
+al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde
+hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.
+
+Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien
+een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu
+geen tijd!
+
+Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; 't liep ook
+zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar 't gaf hem niet
+veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In
+'t voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij
+schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in 't besef,
+dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met
+die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.
+
+Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde
+nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar
+ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo
+rap en 't vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard
+radouwden en schokten door elkaar.
+
+Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te
+onderscheiden... of 't misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er
+viel niets te zien, ze lag onder 't paard, welnee, ze zeien toch een
+oude vrouw, en nu voorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken
+voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te
+zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.
+
+De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten
+om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en
+trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat
+het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen
+pak. 't Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer,
+zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en 't nauw gareel.
+
+--Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:
+
+--Je vermoordt haar, je maakt 't arme mensch heel'maal kapot!
+
+De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:
+
+--Verrek jullie... help ook 'n handje... weten jullie 't soms zoo goed?
+
+Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders
+raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te
+verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden
+toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...
+
+De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen
+op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien,
+twaalf handen.
+
+--Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie
+niet opslaat!
+
+--Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!
+
+Met hun allen hieven ze 't paard van voren op.
+
+--Niet te veel, niet te veel! bevelhebberde de policieman. Zoo... trek
+weg 't mensch!!
+
+Vele handen grepen toe, en nu 't paard wat terzij en opgeheven,
+ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant
+uithalen.
+
+--Dood! zeien eenigen.
+
+--Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.
+
+--Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net
+kwam toegeloopen.
+
+Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit
+naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard
+bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.
+
+--Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller
+passeerden.
+
+De koetsier stond overend, om 't ongeluk uitéén te zetten. 't Zweet
+gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen
+gezicht.
+
+--'t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich
+voor de knol gooit, wie kan d'er tege?
+
+--Je bonk hêt g'n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.
+
+De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:
+
+--Maak m'ar niet zoo'n heibel... Je bent er toch nakend bij!
+
+--Kan ik 't helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit,
+verweerde hij zich.
+
+--Zoo'n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m'ar
+an.... je most je schamen, moordenaar...!
+
+De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z'n paard lag
+d'r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn
+nummer, de stal en zijn naam.--Heel goed zoo! dacht Baller die het
+in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.
+
+De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:
+
+--Je gaat mee naar 't beroo!!
+
+Koetsier, eindelijk 't paard op de pooten gekregen, 't lemoen gebroken,
+wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:
+
+--Je weet toch m'n nummer en m'n stal! 't Is Zondag... 'k mot
+verdiene!!
+
+--Zoo'n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene,
+of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma'r verdient!!
+
+--Vooruit! zei barsch de agent.
+
+Al had hij 't nummer en de stal, er moest satisfaktie worden
+gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om 't geval te bevestigen.
+
+In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar
+'t bureau.
+
+
+
+
+IX.
+
+Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde,
+verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet
+thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven
+zitten om eerst met hem af te rekenen?
+
+Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al
+ingedacht, dat ze aan 't koken of aan 't koffiezetten zou wezen,
+zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom,
+te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als 't nou maar geen tranen
+en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!
+
+Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep,
+haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen
+hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij
+niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en
+neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij
+haar soms niet zag aankomen. Ongerust voelde hij zich worden terwijl
+hij staarde naar 't wijkende licht van de vriesdag, die boven de al
+zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte,
+onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de
+ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden,
+waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn
+geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde
+hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel
+te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is 't! Nee-nee, dat zou
+niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo'n veronderstelling,
+was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij
+'t hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer
+heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.
+
+Zeker, als 't lekker warm was en 't licht brandde, zou ze, als ze
+straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook
+beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen
+donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde
+branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij
+hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.
+
+Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij 't
+raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels
+zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf,
+waarin de menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem
+om d'ooren.
+
+Bij 't binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij
+vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor
+vernam gestommel op de trap. M'n God, dat zou toch voor hem niet
+wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam
+toe, luisterde in harteklop. 't Gestommel op de trap werd luider, kwam
+hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen,
+doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.
+
+Het voorgevoel nam in een paar tel 't begrip van zekerheid
+aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk
+overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over
+al zijn leden bevend.
+
+'t Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid,
+gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen,
+hij moest het weten.
+
+Plots hoorde hij roepen.
+
+--Baller... Baller...
+
+Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch
+in 't donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en
+gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z'n naam.
+
+--Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend,
+beducht om de waarheid te vernemen.
+
+--Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!
+
+Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:
+
+--Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma'r liever wat bij.
+
+Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de
+peer uit de hanger, boog zich over 't hek, òm wat licht in de donkere
+trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in 't afgewasschen
+en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren
+naarboven sleepten. 't Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een
+nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen
+woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan
+terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven
+scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van
+jammerklachten.
+
+De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze
+keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:
+
+--Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer 'an
+te doen!
+
+'t Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en
+niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij
+rukte zich los, schreeuwde:
+
+--Wat? Wàt zei-je daar?
+
+Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok
+hem nu onweerstaanbaar aan. Hij stortte zich op haar neer, riep
+hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.
+
+--Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt
+niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan
+één woord!
+
+Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen
+kik te geven; 't geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige
+betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens
+kreet hij weer:
+
+--Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw 'n dokter.... om 's
+hemelswille een dokter!
+
+Een van de mannen sprak nu hakkelend:
+
+--'t Zal niet meer geve.... de dokter is d'r al bij geweest.... de
+schedel gebroke!
+
+--Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!
+
+Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af,
+tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat
+over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen
+zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte
+hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van
+'t geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de
+weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.
+
+De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op
+zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; 't liet zich
+wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stond al op
+de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O,
+zooals hij dacht, de meid zei kalm:
+
+--De dokter is niet thuis!
+
+Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep
+weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes,
+om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar 't scheen
+of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de
+vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M'n
+God, z'n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant, om niet
+af te dwalen, niet te ver van honk te raken,--en eindelijk zag hij
+'t naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. 't
+Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig,
+dat ze van 't werk werd weggehaald, bitste:
+
+--De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn
+niet doóf!
+
+--Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.
+
+Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er 't zelfde bescheid,
+en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij
+de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden,
+hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar 't
+besef dat hij schuld meedroeg aan z'n vrouws ongeluk zwiepte hem
+opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had
+bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los,
+zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. In starre woede belde hij
+aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde;
+en hij schold en schimpte al te voren.
+
+Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het
+onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat
+hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee
+bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij 't ook nu nog
+niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al
+te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen
+al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep
+te razen.
+
+'t Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in
+sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis
+terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder
+adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja,
+nou zou hij 't spoedig hooren, nou zou hij 't weten of er nog
+hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat
+in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken
+fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge
+trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In
+een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op 't overloop moest
+blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar
+een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich,
+nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaard schoof hij de kamer
+binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:
+
+--Geen dokter te vinden!
+
+De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze
+fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan
+met open oogen.
+
+Angstverwekkend stond de stilte in 't vertrek. Dan ging een van de
+vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei
+zacht dat hij zich nu kalm had te houden.
+
+De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze
+de doode moesten afleggen, anders werd 't lijk te stijf.
+
+--Wat zeg-je d'ervan Baller?
+
+Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen,
+'t was of hij versteende.
+
+--Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?
+
+Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van
+zenuwkramp.
+
+De vrouwen moesten nu toch besluiten, 't was zondagavond, en geen
+had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... 't moest dus
+gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen,
+maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij
+schudde Baller weer door elkaar, zei:
+
+--Hè, geef 'es antwoord... waar is 't goed? D'er lig niks!
+
+--'t Goed? 't gòèd... dat weet 'k niet!!
+
+--Zit dan niet te suffe... kom 'es kijke!
+
+Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de
+kast. Dan werd 't voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu
+weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:
+
+--Ze hèt 'et mee genomen... o God, ik weet 'et niet waar 't is
+gebleve... 't is weg!!
+
+Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden
+zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar 't linnengoed kon
+wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.
+
+Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw
+van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af
+te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos
+naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en
+wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te
+grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een
+schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag,
+het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder 't vale haar, hij
+herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond,
+toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken
+en dat maakte hem wild.
+
+--Ik hoû 't niet uit.... ik hoû 't niet uit! gilde hij. Schuw sprong
+hij op, jaagde de trappen af naar beneden.
+
+De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat
+er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.
+
+
+
+
+X.
+
+Baller holde voort zonder bezinning.
+
+Straat-uit, straat-in jakkerde hij door, liep zich buiten adem. De
+verschrikking joeg hem al meer op. 't Was zijn schuld... zijn
+schuld!! Dat ze per ongeluk onder 't paard raakte, kon hij niet
+gelooven, ze had 't zelf begaan om hem te straffen, om uit haar leven
+te komen, hem daarmee te vervolgen. Haar bedreiging van gisteravond
+zag hij schrikbarend groot. Heel zijn eigen misgegaan leven, al zijn
+misse daden sloegen fel voor hem op, gingen hem aanklagen.
+
+De vrieskoû snerpte venijnig op hem in, hij voelde die koû niet, voelde
+niet zijn leege maag, voelde niets, hij zag enkel haar harde blikken,
+die in de dood nog zoo verstrakten. De schimmen van zijn kinderen
+rezen er bij op, en zijn verbeelding werkte, 't werd als vuur en
+vlammen voor zijn oogen. M'n God, m'n God, wat had-ie dan toch gedaan
+om 't zoo te moeten ontgelden!! Al feller werd zijn ontzetting, al
+angstiger zijn gedachten. Hij joeg zich in zweet tot hij niet meer kon.
+
+De rille koû, die hem voortdurend in 't gezicht sneed, brak
+zijn angstende opwinding, en de gladde straten dwongen hem tot
+omzichtiger gaan. Van lieverlee lieten de schrikbeelden wat af,
+kwam hij tot klaarder denken, en tot meer bezinning. Wat gaf al dat
+gekerm? 't geval lag er en hij moest het aanvaarden, daar ging niets
+van af. Hij zou maar naar huis terug keeren; aan de buurvrouwen kon
+hij de bereddering toch niet alleen overlaten.
+
+Maar o, terwijl hij dit bedacht beving hem opnieuw de schrik. 't Was
+of hij haar nu nog dreigender voor zich zag--en vanzelf begon hij
+weer harder te loopen, alsof hij 't daarmee kon ontgaan.
+
+Bij de oprij van een brug glipte hij uit, viel, bonsde met een smak
+neer. De dreuning sloeg hem in zijn rug, door zijn hersens heen, zoodat
+hij even moest blijven liggen om de pijn te laten verdooven. Bij 't
+opkrabbelen bezeerde hij nog zijn handen. Kreupel van de pijn liep,
+kon hij haast niet voort en dit dwong hem van zelf de kant op naar
+huis. Doch vlak bij de straat keerde hij weerom. Nee, 't ging niet,
+hij durfde niet naar boven! Eerst een borrel pakken dan zou 't gaan!
+
+Ondanks al zijn pijn in dij en heup hinkte hij toch een paar straten
+terug, hier in de nabijheid van z'n huis dorst hij geen kroeg in te
+slippen, al klapperden hem de tanden. Hij zocht de centen vooraf bij
+elkaar, sloop een proeflokaaltje in alwaar hij anders nooit kwam,
+bestelde met hokkende stem, slikte de borrel met een enkele slok
+naar binnen. Hij voelde best, dat hij eigenlijk slecht deed door nu
+jenever te drinken, maar hij kon niet anders.
+
+Voetje voor voetje sukkelde hij naar huis terug, en de pijn ging ook
+wat minderen. 't Licht scheen boven nog te branden, de vale kringschijn
+van de neergedraaide lamp zag hij schemeren op 't gordijn,--en dit
+stelde hem eenigermate gerust; geheel in donker zou hij niet naar
+boven durven!
+
+Op handen en voeten bijna om geen gerucht te maken, kroop hij de
+trappen op. Zoûen de buren allen zijn weggegaan of zou iemand er nog
+waken? Die gedachte alleen maakte hem alweer angstig. Telkens moest
+hij stilstaan zoo erg voelde hij de eigen harteklop. Als een booswicht,
+een inbreker kwam hij in zijn eigen woning.
+
+De deur stond op een kier.
+
+Aarzelend duwde hij die verder open, bleef weifelend op het portaal
+staan. Wat had hij hier eigenlijk te verrichten? De bedstee gaapte
+wijd open...
+
+Een nachtlichtje brandde op de bedsteeplank, beglemerde de doode,
+die onder een wit laken lag, becirkelde met een zwakke lichtglans
+'t gordijn, waartegen hij gisteravond zelf had gezeten.
+
+In 't heele vertrek verroerde zich niets, alles leek te slapen of
+te zwijgen. Hij kon niet besluiten binnen te gaan, bleef tot aan
+de ingang treuzelen in vreemde, strakke ontroering. De vrouwen
+hadden haar al ontkleed, alles in orde gebracht, wat kwam hij dan
+nog doen...? Bidden om vergeving, bidden voor haar ziel...? Hij zou
+'t willen, kon hij 't maar! Als iemand hem hier zoo eens zag staan,
+wat zoûen ze van hem denken, hij had niets misdaan.... en toch!
+
+Op zolder viel wat om. Hij schrikte, wilde de trap afijlen. Daar
+hoorde hij de deur beneden openslaan en iemand de trap opklotsen. De
+stap kwam hooger, hooger. Angst te worden betrapt van niet in zijn
+eigen woning te durven, dwong hem bevend de kamer binnen. Hij hijgde,
+luisterde vol vrees. Nee, de stap ging niet verder... een van de tweede
+verdieping! Nou, des te beter. Hij liet zich op een stoel neerzakken
+en huilde zonder tranen, een zware, scherpe snik die zaagde door zijn
+benauwde borst en die hij niet durfde vrije lucht te geven uit vrees
+voor de doode.
+
+Alles stond nu rondom beklemmend stil. Het huis scheen weer te
+slapen. Van buiten drongen òp de vage geluiden, die voorbijgangers
+met elkander mompelend spraken; anders niets.
+
+Langzaam-aan voelde hij zich hier rustig worden. 't Zou toch wel gaan,
+dacht hij eindelijk.
+
+Plots piepte de deur open.
+
+Hij schrikte geweldig.
+
+Zijn adem stokte.
+
+Hij moest zich krachtig houden om niet van zichzelf te vallen; hij
+rilde over al zijn leden.
+
+De klok was stil gaan staan, dat maakte het nog geheimzinniger
+en stiller.
+
+Minstens dacht hij een geest te zien verschijnen, doch er kwam niets.
+
+Na een oogenblik hoorde hij gekrabbel,--en nu vermoedde hij wat 't
+was. 't Kon de kat wel wezen. Waar was die gebleven? Daar zag hij de
+witte kop door de deurgleuf steken... hij herademde.
+
+De poes schuchterde binnen, miauwde vragend, voorzichtig, tippelvoette
+kleintjes op hem toe, streek nu de hoog-opgezette rug tegen zijn
+knie. Hij dacht opnieuw aan gisteravond, en 't huilen overweldigde hem,
+hij kon niet bedaard hier blijven zitten.
+
+Om die huilkramp te ontgaan stond hij ijlings op, zei:
+
+--Ja poes, 'k zal es kijke of er wat voor je is!
+
+Een restantje melk vond hij in de kast, goot het op een schoteltje,
+deed wat water erbij. Hij had moeite het zonder storten op de grond te
+zetten, zoo snorde de kat om zijn handen en beefden zijn eigen vingers.
+
+Het roode kattetongetje hevelde dadelijk gretig over 't volle bordje
+en even pakte hem dat. Vol aandacht zat hij daarnaar te kijken.
+
+'t Schoteltje raakte leeger, al leeger. De kat likte weg de laatste
+druppels, bleef vragend kijken, miauwde weer.
+
+--Ja poes, 'k heb niet meer!
+
+Zijn eigen stem klonk hem schril en vreemd, zoo vreemd alsof die van
+ver-weg kwam.
+
+De poes liep eenige keeren rond, de kop en staart omhoog, alsof
+ze zocht.
+
+Dan met een gladde wip sprong ze op de stoel... rekte de hals en
+sprong o gruwel op 't bed.
+
+Van schrik schokte Baller op, joeg de kat weg. 't Olielichtje
+spetterde ervan.
+
+Zou-ie zelf durven... nieuwsgierigheid beving hem om te zien of ze
+er nog zoo verschrikkelijk uitzag. Hij tipte aan de doek, die over
+'t hoofd lag gespreid, maar schrikte van zijn eigen moedwil.
+
+De poes snorde nu tegen zijn schenen aan. Hij keek langs zijn lichaam
+naar dat geaai, dat hem vreemd-rillig maakte. Die streeling kwam hem
+niet toe... was voor z'n vrouw. Nu leek 't hem of de poes weer op
+'t bed wou springen. Nee dat niet! Hardhandig nam hij haar op, bij
+de hoogende rug, sloot 't beest buiten.
+
+Twijfel woelde in hem om naar 't bed terug te keeren, of hier op een
+afstand te gaan zitten. Drang om te zien dreef hem naar 't lijk. Kom,
+kom, zei hij tot zichzelf, wees nou geen kind!
+
+Voorzichtig, toch handbevend, nam hij de doek weg. 't Viel mee.
+
+Het gezicht had een zachtere uitdrukking aangenomen, maar de wonden
+teekenden zich sterker. Een oneindig medelijden omwond hem zacht,
+hij voelde de tranen in zijn oogen aandruppen, voelde aandrang de
+mond die half open lag, te kussen.
+
+Op dat oogenblik viel er boven weer iets om, maar hij liet zich
+niet van streek brengen, al wankelde hij ook op zijn beenen. Diep
+boog hij zijn knokig hoofd om haar lippen te drukken, maar onder dit
+neernijgen zag hij weer iets verschrikkelijks: de oogleden gingen open
+trekken. 't Ging langzaam, zóó langzaam, dat 't bijna niet scheen te
+vorderen, maar ze weken toch. Star keek hij ernaar. Een glinsterende
+spleet werd tusschen 't bleekweeke van de oogleden zichtbaar. 't
+Leek of haar wezen, of al haar trekken zich veranderden, weer harder
+werden. Hij greep zich aan de bedplank vast, bleef kijken, verstijfd
+door die langzaam zich openende oogen, die al gebroken waren, het
+licht geschicht.
+
+Zijn eerste beweging om die oogleden weer toe te drukken faalde;
+zijn hand weigerde en kwam niet zoo ver.
+
+Van ontsteltenis week hij een eind terug, hij durfde nu niet te
+naderen.
+
+Hij keek, hij keek. De trekken werden harder, de oogen grooter ondanks
+het gemis aan licht en ineens werd hij bewust, dat zij daar weer lag
+als vanavond, dreigend, dréígend.
+
+De oogleden waren nu geheel open. 't Olielicht cirkelde een vreemde
+schijn op 't lijkgezicht, dat in de trilling van 't licht ging leven.
+
+Dan stootte hij een kreet uit van ontzetten, week terug:
+Erbarmen.... erbarmen!
+
+De oogen schenen nog strakker te staren. Baller vol angst keerde zich
+om, maar de dreig-oogen vervolgden hem; die zag hij overal.
+
+De benauwing brak hem uit naar alle kanten. Hij wist zich niet meer
+te bergen of te wenden. De werkelijkheid leek hem minder erg dan al
+die grijnsgezichten. Om hieraan te ontkomen keek hij weer naar 't
+lijk in de bedstee, alsof dat helpen kon. De oogen staken nu strak in
+'t magerharde met wonden bedekt gezicht.
+
+Weer deinsde hij van ontzetting een pas of wat terug, dorst zich
+niet omkeeren uit angst, dat er wat anders zou gebeuren, dat zij hem
+bij de kraag zou grijpen. Met de handen, afwerend, waarop elke pees,
+elke ader strak stond gespannen, week hij achterwaarts uit, om maar
+weg te komen. Zooveel begrip had hij nog, van de deur achter zich toe
+te trekken, uit vrees dat de kat mocht binnensluipen, die, wie weet,
+het lichaam nog meer zou toetakelen.
+
+De deur nu afgesloten gaf hem 'n weinig van zijn denkkracht
+terug. Stil, bang voor eigen bewegingen, sloop hij naar beneden.
+
+Hij herademde eerst toen hij beneden stond, maar zijn tanden
+klapperden nog, zijn leden bibberden en beefden. God-in-d'n hemel,
+wat 'n gezicht.... wat 'n gezicht!!
+
+Vol schrik keek hij nog even naar boven, alsof die wreede,
+verwijtend-harde oogen hem nog zouden kunnen nagluren. Maar nee,
+hij zag gelukkig niet anders als de kringschemer van 't licht op 't
+gordijn. Dan huiverde hij geweldig, keerde zich in afschuw om,--en
+van nieuw begon zijn jacht door de straten.
+
+Hij had nu geen ander doel dan ver van huis, vér van die verschrikking
+te komen, en toch joeg telkens de verwarrende angst hem naar zijn
+woning terug. De trap durfde hij niet op, maar van straat-af kon hij
+teminste naar 't venster, naar de kringschemer kijken. Hij was zeker
+dat er nog iets moest gebeuren.
+
+Maar voor 't raam bleef alles onwrikbaar 't zelfde; er veranderde
+niets. Een vage spijt welde op van de kat niet te hebben binnengelaten,
+dan zou er in elk geval wat gebeuren.... misschien kwam er dan een buur
+boven om te kijken. Dat eeuwige stille schijnsel, 't onveranderlijke
+van die schemerkring op 't gordijn maakte hem razend. Hij wou
+weten. Die schemerschijn leek hem op 't laatst zelf als een dreigend,
+'n starend oog, en soms meende hij haar trekken erin te lezen.
+
+Weer sloeg hij op de vlucht, keerde terug en vluchtte opnieuw. En
+nu moe, doodaf strompelde hij einden en einden door, zonder ware
+bezinning, tot hij buiten de bebouwde kom raakte en vanzelf halt
+bleef houden. De stilte en de eenzaamheid benauwde hem nu hier, joeg
+hem naar de drukte van de stad terug in alle ijl. Hoeveel maal hij
+al in de straat was geweest wist hij zelf niet, aldoor zag hij die
+schemerkrans op 't gordijn, die bleef dáár altijd.
+
+In arremoede sloop hij nu naar boven. Halverwege hoorde hij de
+kat miauwen,--en hij zag ineens weer de opspooking van zijn vrouw,
+die als een schim opgerezen, nog de wacht hield bij de deur, hem de
+toegang zou beletten.
+
+Hals over kop keerde hij terug,--en nu dorst hij niet meer in de
+straat te komen, zocht de drukke, woelige gedeelten van de stad
+op. Hij moest menschen, veel menschen om zich hebben.
+
+
+
+De avond bleef grimmig hard koud, al vroor het niet meer zoo sterk.
+
+De sneeuw, overal plat getreden, lag versopt en vergoord, als gruizels
+grauw zout. Aan de hemel bleekten sterren, en de maan die langzaam
+opdreef, verlichtte vaag de bovenkant der huizen.
+
+In de drukke straten wriemelde 't zwart van uitgaande menschen. 't
+Geleek in 't rosse lantaarngeglemer, bij de gesloten winkels, 't
+gewroet van een mierenhoop. Hiertusschen voelde hij zich wat bekomen.
+
+Maar na een paar uur loopens, nu de straten zich wat leegden, groote
+plekken in vager grauw verkeerden, hinderde hem de luidruchtigheid,
+'t vroolijk-zijn van al die naar-huis-gaande zondagsgangers. Zonder
+'t zelf te weten dreef hij weer af, de eenzaamheid verkiezend boven al
+die rauwigheid, tot hij opeens zich bevond tusschen een zwarte stroom
+van volk, die uit een schouwburg hobbelend aan-golfde. Gewillig liet
+hij zich meevoeren in de voortschokkende groepen, die 't hadden over
+de held op de planken. Hij herkende stemmen, zag de Hesselaars met
+een flinke pas hem voorbij stevenen. Hij wou ze aanspreken, schaamde
+zich voor zichzelf, en gelijk waren ze al een eind verder. Ze hadden
+elkaar onder de arm, spraken luidruchtig, stootend tegen elkaar als
+twee drijvende schepen. Wat schenen ze goed gemutst, die twee! En
+toch, die Hesselaar dronk ook z'n spatje, maar zij was dan ook een
+heel ander wijf!
+
+Terwijl hij dit zei, voelde hij ook, dat Hesselaar een heel andere man
+was dan hij, een kerel, die wel 'es een borrel nam, toch flink wist
+aan te pakken. Laag, z'n dooie vrouw nou nog te bekladden! Nee, nee,
+'t had meer aan hem gelegen dan aan haar. Waarom wou-ie zich toch in
+eigen oogen beter maken dan hij was? Hij walgde van zichzelf.
+
+Aldoor zag hij nog de Hesselaars, die stevig-ruchtig voortstapten. Ze
+dachten niet aan hem en zijn verongelukte vrouw, al waren ze, in de
+vooravond nog zoo vol meewarigheid. Dat zag hij best, ze liepen flink
+voort, om in 't Maastrichtsch bierhuis nog een glas te kunnen drinken,
+en hij sukkelde achterna, dacht er zelfs niet aan ze te vragen of
+hij bij hen vannacht kon slapen. 't Kwam eerst later bij hem op,
+toen hij allang weer alleen liep rond te dwalen. Maar nee, bij de
+Hesselaars zou hij niet kunnen gaan, want die wisten al te goed hoe
+de vork in de steel zat; die wisten, dat ze weg-liep, zich dus van
+kant maakte om hem!
+
+
+
+De straten leegden zich alweer, en de koû voelde feller aan. De maan
+steeg hooger en ook de sterren twinkelden klaarder. 't Licht der
+lantaarns leek blank, vlamde ver-ver uit. 't Was een mooie avond,
+doch koud, bitter koud!
+
+De kroegen zouden gauw gaan sluiten, nu kon hij nog eentje nemen. Veel
+had hij niet in de zak, een stuiver of drie, maar 'n borrel gaf allicht
+warmte en moed om de nacht door te komen. Heiligschennis leek 't hem,
+evenals vanavond, nu een kroeg in te sluipen. Toch, hij kon niet de
+lange nacht zóó blijven ronddwarrelen. De geheele dag had hij nog
+niets in zijn maag gekregen.
+
+De kroeg was vol.
+
+In de vensterbank van 't kleine proeflokaal weggedoken, voelde hij
+eerst recht zijn moeheid. Hij kon bijna niet meer opstaan, zich niet
+bewegen, bleef plakken en verteerde zijn volle drie stuivers. Tot tijd
+van sluiten kwam en de kastelein waarschuwde. Dan sprak hij zich zelf
+kracht en moed in, zei: vooruit! sleepte zich naar buiten.
+
+De nachthemel stond nu helder-strak en 't vroor weer fijntjes. Over
+de eenzame, besneeuw-ijsde grachten glimmerde de maan heel bleek. De
+lantaarns langs de kant schenen hem zooveel oogen die toekeken,
+hem herinnerend aan de verwijtende blik van zijn vrouw.
+
+Vol vertwijfeling begon hij weer te loopen. De drank verhitte
+zijn hoofd, en de wegen waren vervloekt-glad, zoodat hij telkens
+struikelde. De dij-pijn al geslonken en vergeten, schrijnde weer
+op. Vele straten langs liep, sjokte, sukkelde hij voort,--en een nare
+spijt sloop in hem van de Hesselaars niet te hebben aangesproken.
+
+Bijna ongemerkt raakte hij in zijn buurt terug.
+
+Een onweerstaanbare behoefte dook bij hem op om iets van 't huis
+of van 't gordijn te zien. Ook de mogelijkheid van sterk te kunnen
+zijn en naar de kamer terug te keeren. Maar nu hij naar boven keek,
+zag hij geen licht, geen schemerschijn zelfs.
+
+'t Gordijn dofte egaal en onbewogen.
+
+'t Licht was dus uitgegaan!
+
+Nu hij nogeens scherp keek, zag hij zelfs, dat het raam een eindje
+stond opgeschoven. M'n God wat was er nou weer gebeurd!! En 't gordijn
+bewoog zich ook. Nee, nee, voor geen geld van de wereld ging hij in
+'t donker naar boven. In 't donker br!! Als de dood zelf keek hem
+dat egaal-witte gordijn aan.
+
+Van schrik voelde hij zich verlamd, als vastgenageld, tot hij opnieuw
+'t gordijn bewegen zag. Het joeg spook-vermoedens in hem op, dat zij de
+trap-af, de deur-uit zou komen, hem overvallen. De ontsteltenis greep
+hem nogmaals aan,--en nu voorgoed ging hij aan de haal, besloot hij
+op straat te blijven. Kopverloren liep hij door, liep al-maar door,
+tot hij op 't laatst niet meer kon; hij zocht een bank in 't plantsoen
+op om op te rusten.
+
+De boomen stonden rondom zwart, de dorre takken als veelvoudige armen
+opgewrongen naar de vrieslucht; een koude wind omrilde hem hier op de
+bank. Het schrikbeeld liet hem hier evenmin met vree. Al zei hij zich
+ook, dat het lichtje gewoon uitbrandde en een buurvrouw wel 't raam zou
+hebben opgeschoven voor versche lucht, dat 't bewegen van 't gordijn
+door de tocht ontstond, 't hielp niet, z'n vrouw met haar gewond,
+bloedbesmeurd gezicht, de oogen dreigend-strak, wou hem niet met rust
+laten. Hij zag die oogen overal, onmogelijk kon-ie ze ontloopen!
+
+Hij begreep 't klaar, heel klaar en zeker, niet zij had moeten
+doodgaan, maar hij. Wat had hij hier te doen, wat deed hij nog op deze
+wereld? Niks! En nou kwam zij om hem spoken. Al spraken de menschen
+van een ongeluk, hij voor zich geloofde daar niet aan! Ze had 't
+zelf gedaan, had zich onder 't paard gegooid om van haar kwelling
+af te wezen. En dat alles door zijn schuld, zijn schuld alleen! Nee,
+nee, hij moest dood, niet zij. Hoe kon hij hier nog zitten, terwijl
+zij daar al koud lag? Was-ie dan heelemaal een mensch zonder bloed,
+zonder gevoel? De wanhoop had haar aangegrepen, aangedreven--en hij
+zat hier 't geval te overleggen. Hoe was 't mogelijk? Zijn kinderen
+dood, zijn vrouw dood, en hij bleef over....
+
+Heel de eenzaamheid van z'n leven viel versmorend op hem neer. Nee,
+hij moest loopen tot de eeuwige dag, eeuwig zwerven, om voor zijn
+straf eens kwijtschelding te krijgen.
+
+Achter hem in 't dorre hout meende hij te hooren ritselen. Sluippassen
+gingen over de harde bodem, 't was of de geest der verschrikking op
+hem afkwam, of die hem bij de schouders greep, hem op deze bank zou
+knevelen, om hem dan langzaam-zeker dood te laten vriezen. Hij keek
+verwilderd om, lachte om zijn eigen rauwe verbeelding, schokte ontzet
+op, om weg te vluchten.
+
+Opnieuw ijlde, joeg hij angstbezweet door de nachtelijke straten. Hij
+liep voort, zonder ophouden, tijden en tijden, zonder zich van iets
+rekenschap te geven. Tot de morgen vaal opspookte met een ijsende
+kou. Hard en hol klonken op de groote stappen van de vroegelingen,
+die naar hun werk toegingen. De dorre stakeboomen lekken hem nu
+ineens grimmig, dreigend. Een enkele kar met melk die van buiten werd
+aangereden, ratelde over de straf-bevroren steenen,--en 't geluid
+schokkerde hem fel in de van kou-tintelende ooren.
+
+Hij kwam weer aan het plantsoen, om daar ergens te gaan zitten, doch
+de angst hield hem gevangen, zweepte hem voort. De dag brak aan. Was
+dat om af te wachten? Hij kon toch niet blijven voortloopen. Wat
+voortloopen? Geen recht had hij te leven... hij dorst niet terug naar
+zijn woning, waarheen moest hij dan? Zij zou hem daar opwachten. Nee,
+nee, liever maakte hij zich van kant!
+
+Voor hem lag de gracht grauwig-grijs, een vuile blankheid van sneeuw
+gesmolten en weer saamgevroren, bij gedeelten doorzichtig-glad en
+wrakkig-ruw. 't Ging gemakkelijk daarop te stappen en erdoor te
+zakken. Hij lachte en huiverde tegelijk. Br, wat was 't koud... om
+te rillen. In enkele oogenblikken zou 't zijn gedaan, dan kon ze hem
+niet meer kwellen.
+
+De grauwe dag-aanbreek schoot valer, bleeker uit, doezelde huizen,
+boomen star en groot, als met zwarte kool geteekend. Gereedelijk kwamen
+menschen op de been. Hun stroeve leden, hun groezelige gezichten, echte
+gedaanten uit een onderwereld. Ze schenen te grijnzen, wantrouwig
+naar hem te gluren,--en opeens rees weer zijn vrouw voor hem op,
+meende hij te zien achter een boom haar lijkgezicht, waarmee ze hem
+met vurige oogen bedreigde. Nee, nee, dàt hield je niet vol!!
+
+In een oogwenk was hij van de bank op, liep in een enkele wilde
+zet de steile glooiing af, stortte zich zonder verder denken op
+'t wrakke ijs, dat onder zijn gewicht krakte en kraakte. 't Brak af
+naar alle kanten. Zijn beenen zakten weg met een knerp en een plomp,
+terwijl z'n uitslaande armen almeer 't ijs afbrokkelden 't gat grooter
+maakten. 't Was gedaan.
+
+Maar 't schrikbeeld, de dwanggedachte, liet hem ook hier niet los. Van
+de overkant, al bijna vlak voor hem, verscheen 't doodsgezicht van
+zijn vrouw op 't lange stakelijf boven 't ijs, en aan de geraamtehand
+hield ze de gestorven kindertjes, een heele rij.
+
+Een enkele rauw-uitgestooten gil, die ver over de ijsgracht heensloeg
+en hij wentelde zich om, trachtte haar te ontkomen, weer de wal te
+bereiken. Onmenschelijk-fel spande hij zich in, klampte zich aan de
+ijsschotsen vast. 't Gaf niet, 't brak af en hij was al te ver van
+de kant, spartelde, zonder houvast in 't aldoor meer afbrokkelend
+ijs. Achter hem spookte 't lijkgezicht van zijn vrouw, en dat dreef hem
+tot razernij, gaf hem uiterste kracht om haar te ontvluchten. Maar o,
+'t was gedaan.
+
+'t Water kolkte in z'n mond, brokken ijs sneden hem in 't gezicht,
+ritsten, kerfden tegen zijn klapperende tanden. Hij voelde dat
+het einde raakte, hij kon niet meer, hij moest de oogen al meer
+sluiten en zich laten zinken. Gewillig gaf hij zich over en opende
+zelfs zijn mond om spoediger er af te wezen. Maar nu hij niet meer
+tegenspartelde en zich zinken liet, voelde hij grond onder zijn
+voeten, en ineens keerde ook zijn wil, deed hij weer pogingen om uit
+'t water op te krabbelen. Zeker, hij stond hier aan de wallekant, de
+angst belette hem dat te zien, hij moest nu enkel probeeren tegen de
+schuine glooiing op te kruipen. Maar dit ging niet zoo gemakkelijk,
+zijn krachten waren uitgeput en de grasberm lag vol met gesmolten
+sneeuw, die door de felle vorst tot scherpe richels gevroren waren.
+
+Bevend, bibberend van de schrijnende kou, deed hij een laatste
+wanhopige poging. Met alle macht trok hij zich omhoog uit het
+bevriezende water en greep zich vast aan de schooiing. Dan sleepte hij
+zichzelf tegen de ijsgladde helling op, doch telkens glipte hij uit
+en schoot terug in het water. En opnieuw dreef het vizioen van zijn
+vrouw die achter hem jaagde hem op tot een allerlaatste inspanning,
+tot hij krankzinnig van angst en geheel op van de natte kou zich
+opwurmde en half op de kant raakte. Maar nu kon hij niet verder, hij
+moest zich verloren geven, 't duizelde voor zijn oogen, hij sloot ze
+en wist niet meer wat er met hem gebeurde.
+
+
+
+Een policieman kwam aangekuierd en zag hem daar liggen, al half
+bevroren, buiten kennis, de beenen nog in 't water. Werklui die
+voorbijgingen, verleenden dadelijk hulp en op een leege groentewagen,
+die naar de markt moest, werd hij het ziekenhuis binnengereden.
+
+Veel moeite, deden ze daar om hem, die arme tobber, in 't leven te
+houden. Zijn ijskoude lichaam werd gebeukt, gewrongen en gewreven,
+het ingeloopen water lieten ze hem uitbraken--en na dit alles volgde
+een longontsteking, die weinig kans liet op behoud van 't leven. Hij
+zelf bewusteloos, wist van niets, lag in ijlende koortsen.
+
+
+
+
+XI.
+
+In de witkalkige gasthuiszaal, eerst weken later, kwam hij tot
+kennis terug.
+
+Bij 't eerste, flauwe oogenopenen voelde hij de blanke, gedempte
+rust als iets koels, oneigens, een stijve strakte buiten hem om. Zijn
+lichaam leek niet van hem zelf te zijn, eêr een slap ding dat naast
+hem, ergens anders lag; in zijn hoofd, dof en zwaar, drongen niet
+dadelijk gedachten door. Met halfgesloten, nog verduisterde blik,
+staarde hij blind, zelfverloren in de witte blankte, die hem omgaf,--en
+langzaam-aan merkte hij eerst de omgeving, de vele andere bedden,
+waarop zieken, evenals hij, uitgestrekt lagen. Waar was hij toch? in
+deze wereld of in een andere? Wat gebeurde er met hem, wat hadden
+ze met hem uitgevoerd, dat hij nog leefde, dat hij weer hoorde en
+zag? Een poos lag hij zoo stil te kijken tot hij vaag begreep, dat
+hij in een ziekenhuis was.
+
+Een zuster stevende stemmig aan. 't Verwonderde hem aldoor, dat
+niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij
+zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo
+rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek,
+liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet.
+
+De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn
+kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. 't
+Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat
+hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef
+hij staren in 't vage, zich moeite gevend om na te denken.
+
+Hoe raakte hij eigenlijk in 't water en op welke manier, en door wíe
+werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand
+werd 't hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. 't
+Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en
+dommelde in.
+
+Bij 't opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof
+en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal
+koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren,
+dat hij in 't ziekenhuis lag.
+
+Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter!
+
+Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De
+ander vroeg hem:
+
+--Nou, hoe is 't d' ermee, baasje?
+
+--'t Gaat nogal dokter... licht in 't hoofd, en ik heb geen beenen.
+
+--Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je!
+
+--O! ik bedoel maar zoo voor 't gevoel...
+
+De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer
+bevredigend. Baller liet z'n gedachten gaan, een inval schoot bij hem
+op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z'n stem:
+
+--Ben ik erg ziek geweest?
+
+--Nou dat gaat nog al... op 't kantje af... aldoor veertig... maar
+je bent een taaie... stevige longen hoor!
+
+Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte
+nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw:
+
+--Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan!
+
+De dokter tipte al weg,--en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde
+het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij 't nippertje van
+zinken, geen wonder, dat-ie 'n ziekte ervan opliep. Longontsteking
+of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten
+en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag
+zag hij 't vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem
+vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe
+te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever
+slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij 't vreemde,
+'t strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De
+zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet
+mocht denken, enkel maar rusten.
+
+
+
+Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon
+geven. Zijn lichaam sterkte aan, 't voelde niet meer zoo vreemd,
+zoo ijl, en 't werd weer meer één met 't bed, met hem zelf. De
+vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij
+hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot;
+van 't verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren,
+uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen
+kregen bezoek, maar hij wou niemand zien.
+
+Dan op 'n keer zei de zuster weifelend:
+
+--Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h'r man... wil u
+die ontvangen?
+
+Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde
+bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit:
+
+--Nee-nee, g'n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten!
+
+--Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, 't is ook beter van
+niet! Ze ijlde al weg.
+
+--Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik
+wil met niemand te doen hebben.
+
+En zoo bleef het.
+
+De dokter vond 't opperbest. 't Werkte de genezing in de hand!
+
+
+
+De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en
+hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen
+'t verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid
+van niets willen herdenken.
+
+De Hesselaars kwamen nogeens op 'n Zondag, en ook de vroegere buren,
+doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen.
+
+Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed,
+zonder dat hij 't recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder
+de stichtende vermaning van zich te beteren, in 't vervolg zijn God
+niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm
+langs zich heenglijden. Wat wist zoo'n man van zijn mizerie... wat
+begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z'n vrouw uit 't leven
+nam, om hem wellicht te redden. Hoe 'n kreupele praat. Welnee, z'n
+vrouw maakte 'n eind d'eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat
+het in elkaar! Maar hij hield z'n meening voor zich, vond het niet
+de moeite waard verder erover te praten.
+
+Door 't volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee 't
+mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na 'n poosje van onvruchtbaar
+geredeneer.
+
+'t Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage
+denken. Toch welden vragen bij hem op over z'n vrouws dood en het
+treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven,
+en waar z'n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken,
+dan was 't vroeg genoeg!
+
+Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer
+gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord
+nog eerst ontweek, hem aan 't eind niet onkundig kon laten en 't dan
+maar zonder veel omwegen zei.
+
+--Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en
+je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z'n woning
+terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin
+ondergebracht...
+
+Hij nikte. 't Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als
+'n kind begon hij te schreien.
+
+De zuster troostte, zei dan flink:
+
+--Kom, kom, 't is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot
+woord van de stad, maar eigenlijk komt het op 't zelfde neer wie de
+kosten betaalt, ja zeker!
+
+Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,--en hij verstrakte, verstomde
+weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was 't lot
+van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al
+wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar
+tot jaar en trok haar mee.
+
+'n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar als van een ander viel
+hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister
+tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die 't
+over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg.
+
+De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van
+gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht
+op 't leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat
+al die opvattingen maar betreklijk waren; 't kwam erop aan wat je
+'n mensch noemde. Kijk 'es naar zoo'n man, wat kost die geen geld
+aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie
+geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er
+zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde
+menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als 't algemeen
+eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en
+wat er voor doorgaat!
+
+Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. 't
+Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van
+'n uitzondering, waarvoor 't geheel niet behoefde te lijden,
+maar hoe ook, 't raakte hem. En 't was waar. Wat verrichtte hij in
+'t leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog
+kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte,
+een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets.
+
+Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken? Dan was 't uit
+geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen,
+en daarbij gebrek lijjen!
+
+De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel,
+die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij
+hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen.
+
+Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De
+kwelling, het tobben begon nu eerst goed.
+
+
+
+
+XII.
+
+Op een schrale Februari-dag, een dag van lichte vorst, felle wind en
+weinig zon, moest hij 't warme ziekenhuis uit.
+
+Veel lust en moed had hij er niet in, maar vormelijk aangezegd,
+dat-ie als genezene kon gaan, werd hem geen keus gelaten,--z'n bed
+gelijk al door 'n ander ingenomen.
+
+Daar stond-ie nou in 't ruwe weer, in de groote stad, op de harde
+keien. Hij was wel zoowat genezen, doch nog uiterst zwak, veel te zwak,
+te hulpbehoevend, om 't leven aan te kunnen vatten.
+
+Straat-gewoel en kargehos, geschreeuw en gerel, 't daverde hem van
+overal in zijn ooren. Zijn beenen wankelden, zijn oogen schemerden
+van 't menschgedwarrel, dat voortjachtte naar alle kanten. Veel te
+voorbarig hadden ze hem uit 't ziekenhuis gedreven! Waar moest hij
+naar toe?
+
+De vlijme wind joeg snijdend op hem toe, schrijnde door zijn dunne
+kleeren, en 't ijle hoofd leek hem bij al het tumult weg te zijn,
+ergens naast zijn schouders te zweven. In die drukke straten hield
+hij 't heelemaal niet vol. Zou hij naar de Hesselaars gaan? Nee,
+die had-ie zelf afgewezen, ze zoûen niet vriendelijk wezen, zeker
+over zijn vrouw spreken en daar wilde hij niets van weten.
+
+Hij moest eens naar z'n huisboeltje kijken. Z'n huisboeltje...? Ja,
+daar had hij wat 'an. 't Beste was dadelijk een jood mee te nemen! Hij
+bezat geen rooie cent, geen halve zelfs, had z'n laatste geld die
+verschrikkelijke Zondag uitgegeven. Eten moest hij hebben en voor
+van avond onderdak. Niets, niets stak er in z'n zak, als een mes,
+een paar spijkers, een paar knoopen. Dus maar naar de timmertuin,
+dan schoot hij op en was 't gauw afgedaan!
+
+De eerste rommelkoopman die hij zag klampte hij aan en nam hem mee.
+
+
+
+'t Armelijke boeltje onder 'n afdak opgestapeld, doorvocht,
+verschimmeld, uitgeslagen, het ijzer roestig en vervuild, leek eêr
+inelkaar getrapt dan neergelegd; 't lag er als een saamgeworpen rommel
+zonder eenige orde of waarde.
+
+Met tranen in de keel liep Baller er omheen. Dan vroeg hij hoeveel
+hij ervoor zou kunnen krijgen.
+
+De koopman, een gladde sjacherjood die snel takseerde, zei smalend:
+
+--Nah... 't is niet waard om 't voor niks weg te hale, dat zie je
+me zoo!
+
+Gelijk deed hij of-ie wegging, bleef weer aarzelen, zei dan, bij
+wijze van gratie:
+
+--Weet je wat... 'k geef je drie honderd cente!
+
+De opzichter van de stadstimmertuin die deze streken kende, joeg de
+rommeljood van 't erf. Hij vond dat al te kras.
+
+Baller ging op zoek naar een ander.
+
+En die kwam. Door de eerste koopman er op afgestuurd, beneusde,
+besnuffelde, betastte hij 't boeltje, trok een gezicht en bood nog
+minder. Meer dan een daalder kon hij er niet van maken!
+
+Ook deze ging van de werf.
+
+Een derde sjacherde aan, maar de opzichter liet hem niet toe, snauwde
+al van verre:
+
+--Ruk uit, leelijke smauzen. Aasvogels benne jullie, anders niet!!
+
+Hij wist nog wel 'n ander, stuurde een jongen op hem af,--en Baller zat
+nu, de handen onder 't leeg-aanvoelend hoofd, van ellende te bibberen
+in de Februari-kou. Drie gulden, wat moest-ie daarmee beginnen? Hij
+begon de wrakke spullen uit elkaar te halen, om 't overschot van z'n
+kleeren voor zich te houden.
+
+De bestelde koopman kwam, bekeek met vies gezicht de roestige kachel,
+betastte de tafel, wrikte aan de stoelpooten, zei kermend:
+
+--'t Hêt veel geleje... met recht erg gerampeneerd... 'k krijg heel wat
+koste. Meer dan 'n tientje kan ik onmogelik geve! Wat vraag je ervoor?
+
+Dan wroetten z'n handen weer in 't boeltje, terwijl hij hard-op
+herhaalde:
+
+--Ik kan niet meer geve!!
+
+Tien gulden. 't Klonk al beter, in elk geval meer dan drie, maar
+'t was toch nog niets. Baller aarzelde, vroeg toen nuchter-weg
+vijf-en-twintig.
+
+De koopman keek spottend en zei:
+
+--Nou, dan mot ik je groete...
+
+--Maak er twintig van, kwam de opzichter tusschenbeide.
+
+--Twintig, waar mot ik 't uithale? ik doe tweehonderd cente erbij,
+dat zijn twaalf volle guldes! Ja of nee? Een ander biedt het niet!
+
+Baller moest wel toeslaan. In vergelijking met de anderen leek 't
+zelfs een kapitale som. Hij ooge-vroeg de opzichter om z'n meening,
+maar die keerde zich om, trok de schouders op.
+
+--Geef op dan maar! zei hij kort ademig en hield zijn hand al op.
+
+Twaalf blanke stukken vischte de koopman uit 'n grauw zakje, tikkelde
+ze één voor één in z'n hand, van koû krom en bibberend.
+
+Zie zoo, dat was afgedaan!
+
+Baller bood de opzichter een guldenstuk aan voor z'n moeite, doch de
+man weigerde, zei welwillend:
+
+--Welnee, je kunt ze zelf beter gebruiken... geef alleen de jonge
+'n dubbeltje, dan is 't in orde!
+
+
+
+'t Handje vol geld nu in zijn zak voelde hij zich rijk en armer dan
+ooit. Dat was de laatste uitzet, het laatste anker, nou stond-ie
+voor goed op straat, zou nooit eigen spullen meer hebben! 't Ging
+scherp door hem heen, beet zich dadelijk in hem vast. Dan haalde hij
+de schouders op, keerde zich om en strompelde dankend en nogeens
+dankend, 't erf af, de stad weer in. Waar moest hij naar toe? wat
+zou-ie beginnen? Zijn maag liet zich al gelden.
+
+Hij kon ergens 'n kosthuis zoeken, maar met zijn geld rekte hij
+'t dan niet lang. 't Duurde voor twee, hoogstens drie weken en wat dan?
+
+Tot regelmatig werk deugde hij niet. Niemand zou zoo'n uitgepieterde
+als hij in dienst nemen, dat kon-ie op z'n fikken natellen. Nee,
+hij moest met dat drupje geld een negocie beginnen en daarmee de
+boer op, er zou niets anders opzitten. Eerst nachtlogies zoeken,
+voor één nacht en daarna verder zien.
+
+De onzekerheid van 't bestaan, 't zonder werk-zijn loerde op hem aan,
+en 't dakloos rondzwerven, dat z'n vrouw afschrikte, haar naar huis
+terug joeg, zag hij voor zich heel klaar. Hij ontkwam 't niet, moest
+nu van dag tot dag 't leven bergen. Hij werd een zwerver.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Deze schets en ook de hier achtervolgende zijn uit Machteloozen,
+dat uitverkocht niet meer in den handel is,--en in De Ontredderden
+geheel wordt opgenomen.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De ontredderden. Eerste bundel, by
+Gertrudis Hendricus Ignaaz van Hulzen
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42858 ***