summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/41675-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '41675-8.txt')
-rw-r--r--41675-8.txt4570
1 files changed, 0 insertions, 4570 deletions
diff --git a/41675-8.txt b/41675-8.txt
deleted file mode 100644
index eb51d03..0000000
--- a/41675-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4570 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Uit Ons Dorp, by P. J. Andriessen
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-
-Title: Uit Ons Dorp
- Drie Verhalen voor Meisjes
-
-Author: P. J. Andriessen
-
-Release Date: December 20, 2012 [EBook #41675]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT ONS DORP ***
-
-
-
-
-Produced by Branko Collin, Joke Van Dorst and the Online
-Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
-
-
-
-
-
-
-
-OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER
-
-
-De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde
-spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
-
-Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend
-hersteld.
-
-Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd.
-
-Variaties in spelling (met of zonder accent, met of zonder
-koppelteken, met of zonder extra spatie) zijn behouden.
-
-_Cursieve tekst_ is in deze tekst weergegeven met _een laag streepje_.
-
-=Gespatieerde tekst= is in deze tekst weergegeven met =een
-isgelijkteken=.
-
-Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind
-van dit bestand.
-
-
-
-
- [Illustratie]
-
-
-
-
-P. J. ANDRIESSEN
-
-UIT ONS DORP
-
- [Illustratie]
-
-
-
-
-UIT ONS DORP
-
-
- Drie Verhalen
- VOOR
- MEISJES
-
- DOOR
- P. J. ANDRIESSEN
-
- _Schrijver van "Emma van Bergen". -- "Op Markestein".
- "De Dochter van den Fabrikant," enz. enz._
-
- MET 6 PLATEN.
-
- _2e Druk._
-
- AMSTERDAM
- TJ. VAN HOLKEMA
-
-
- Stoomdrukkerij van Roeloffzen & Hübner, te Amsterdam.
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-Dat er behoefte bestaat aan goede en geschikte lectuur voor onze lieve
-meisjes op den leeftijd van acht tot elf jaren, is een reeds lang
-gevoelde en geuite, tot hiertoe slecht bevredigde klacht. De meeste
-meisjesboeken toch zijn voor haar of te hoog of veel te kinderachtig.
-
-En waarom zouden onze lieve landgenootjes op dien leeftijd ook niet
-haar eigen lectuur mogen hebben? Ze willen toch ook wel eens iets uit
-haar eigen wereld lezen en niet zich behoeven te bewegen in een kring,
-waarin ze nog niet thuis behooren en waarvan ze geen juiste begrippen
-hebben; 't verveelt haar, zich steeds te moeten behelpen met die eeuwige
-poppenhistories, die voor haar leeftijd veel te laf zijn.
-
-Mij kwam die klacht ter oore. Steeds bezield met den wensch, om zooveel
-mogelijk voor allen nuttig te zijn, en wetende, hoe er in dat
-belangrijke levenstijdperk voor meisjes genoeg voorvalt, om haar te
-worden voorgesteld, heb ik de hand aan den ploeg geslagen, en vinden
-mijn jeugdige lezeressen hier drie verhalen uit het dorpsleven, en wel:
-_Jansje de sloddervos_, waarin ze veel pleizier zullen hebben, _Anna en
-haar kanarievogeltje_, een schets van kinderliefde, en _Het verdwaalde
-kind_, dat ze zeker met belangstelling zullen lezen.
-
-Ik twijfel niet, of onze uitgaaf zal sympathie verwekken; 't is om aan
-de bestaande behoefte te voldoen, dat we twee boekjes te gelijk de
-wereld inzenden.
-
- AMSTERDAM, 1877.
-
- P. J. ANDRIESSEN.
-
-
-Dat onze edele kindervriend juist heeft gezien, bewijst het succès dat
-aan deze boekjes te beurt viel en een tweeden druk noodzakelijk maakte.
-
- AMSTERDAM, 1882.
-
- TJ. VAN HOLKEMA
-
- _Uitgever_.
-
-
-
-
-JANSJE DE SLODDERVOS.
-
-
-I
-
-JANSJE EN HAAR MOEDER.
-
-Slordiger meisje dan Jansje Klimveld, geloof ik wel niet dat er op 't
-heele dorp was. En toch kwam 't bij haar minder uit een slordigen aard
-dan uit onbedachtzaamheid voort. Haar moeder, een weduwe, wier eenig
-kind ze was, had er vrij wat verdriet van, en wel des te meer, omdat ze
-zelf zoo keurig netjes op alles was.
-
-"Laat me je eerst eens bekijken, Jansje," was 't elken morgen, eer 't
-meisje naar school ging.
-
-En dan was er geen enkele morgen, of daar was wat op haar aan te merken.
-Den eenen keer zat heur haar slordig, dan was haar jurk dwars en scheef
-toegehaakt. Op een anderen tijd had ze een winkelhaak in haar jurk of
-gaten in haar kousen, en soms waren haar laarzen slordig geregen;
-kortom, er ging schier geen morgen voorbij, dat er niet wat op haar
-toilet aan te merken viel. Maar op zekeren morgen en dat is de dag,
-waarvan ik u vertellen wil, liep het, zooals men zegt, de spuigaten uit.
-Ondanks haar knorrigheid, moest juffrouw Klimveld toch om haar
-sloddervos van een Jansje lachen.
-
-"Maar, hoe is 't mogelijk voor een meisje, dat over drie maanden twaalf
-jaren wordt, zich zoo te kleeden!" riep zij uit, terwijl ze haar beide
-handen in elkaar sloeg. "Kom toch eens hier, Griet! dan zul je een
-spektakel zien, zooals je er nog nooit een aanschouwd hebt."
-
-"Wat scheelt er dan aan, Moe?" vroeg Jansje, die meende, dat ze vandaag
-erg netjes was en er niets aan haar toilet mankeerde.
-
-Griet kwam binnen. "Heb je ooit zoo'n spektakel beleefd, Griet?" vroeg
-juffrouw Klimveld aan haar dienstmaagd, terwijl zij op Jansje wees. "En
-dat wil zóó naar school. Zou ze er niet ten spot van allen zitten?"
-
-"Nu, 't zou een pretje zijn!" zeide de oude Griet. "Ik denk, dat ons
-jongejuffertje terstond naar huis gestuurd werd, want iedereen zou haar
-zeker uitlachen."
-
-"Maar wat is het dan toch, Moe?" vroeg Jansje, die nog maar niet kon
-begrijpen, wat er toch voor vreemds aan haar was.
-
-Haar moeder pakte haar bij haar beide schouders, zette haar
-achterstevoren voor den spiegel en zei:
-
-"Draai nu je hoofd eens om, en zie!"
-
-Jansje kon, hoe beschaamd zij was, zich bijna niet van lachen onthouden.
-Wat denkt gij, dat het geval was? Als naar gewoonte smeet ze alles maar
-neer, of het er de plaats voor was of niet. Zoo had ze nu haar
-handdoek, nadat ze hem gebruikt had, neergeworpen op haar jurk en was
-hij aan een der haken vast gaan zitten. Onoplettend als ze was, had ze
-dat niet gemerkt, toen ze de jurk aantrok; wel had ze gevonden, dat het
-lijf vandaag zoo moeilijk toeging; maar ze had het toch op een paar
-haken na, toegekregen. En aan een paar haken stoorde Jansje zich niet;
-dat kwam er bij haar zoo nauw niet op aan. Nu hing die handdoek, evenals
-de lamfer van een aanspreker, of een soort van ander ornament achter op
-haar rug te bengelen, hetgeen natuurlijk met elke beweging den spotlust
-harer schoolmakkertjes zou opgewekt hebben.
-
- [Illustratie]
-
-"Welnu, wat zeg je wel van zoo'n toiletje, Griet?" vroeg juffrouw
-Klimveld. "'t Spijt me, dat ik niet teekenen kan, anders zou ik het
-uitteekenen en 't naar Parijs sturen, om er een modeplaatje van te
-maken. Misschien zou 't wel opgang vinden en een nieuw soort van
-polonaise vormen."
-
-Jansje was er toch erg verlegen mee, dat ze er zoo uitzag.
-
-"Och, Griet!" zeide ze. "Doe er dat ding toch af! Ik kan er zoo slecht
-bij!"
-
-Griet deed, wat Jansje haar vroeg, maar nauwelijks had ze den handdoek
-van 't haakje losgemaakt, of ze sloeg haar handen ineen.
-
-"Lieve hemel, kind!" riep ze uit. "Wat heb je vandaag een toilet
-gemaakt. Je hebt waarlijk je halsdoek vergeten om te doen!"
-
-"Zul je dan nooit leeren, om je zelf fatsoenlijk te kleeden!" riep
-juffrouw Klimveld uit. "Een meisje van bijna twaalf jaren moet toch
-waarlijk wel daartoe in staat zijn!"
-
-"Och! ik had zoo'n haast, moe!" zeide Jansje.
-
-"'t Is met jou ook wel: Haastige spoed, is zelden goed!" zeide haar
-moeder. "Want eer je nu klaar bent, is 't nog later, dan wanneer je je
-bedaard en ordelijk hadt aangekleed. Griet, ga even met haar naar boven
-en kleed haar fatsoenlijk aan. Wat zouden de menschen wel van mij
-denken, als ik je zoo naar school liet gaan?"
-
-Terstond ging Griet met haar naar het kamertje, dat Jansje geheel in
-eigendom had, waar ze sliep, haar werk maakte, haar lessen leerde;
-kortom, dat haar "eigen kamertje" was en hetwelk ze met haar elfden
-verjaardag gekregen had, op voorwaarde dat ze het heel netjes zou
-houden. Maar, o! die voorwaarde was zoo slecht nagekomen. Laat ons maar
-eens met haar en Griet meegaan, -- dan zult ge u verwonderen over de
-slordigheid, die er heerscht. Ik denk niet, dat ge ooit zoo iets gezien
-hebt; ten minste geloof ik, dat, als gij een eigen kamertje hebt, het
-zeker beter in orde zal zijn.
-
-'t Is een allerliefst kamertje, met een groot raam, dat op het tuintje
-uitziet, en voor 't welk een zestal bloempotten staan, die slecht
-onderhouden, dikwijls zeer ongeregeld water krijgen, en daardoor er
-allesbehalve florissant uitzien. Het bevat een bedstee, waarin Jansje
-slaapt, een kleerkast in den muur, waarin zij haar jurken kan ophangen,
-een chiffonnière met zes laden, waarin zij haar ondergoed en kleine
-zaken kan bergen, een waschtafel met toebehooren, een tafel, vier
-stoelen, een spiegel, een boekenhanger en twee schilderijen. Wanneer 't
-netjes gehouden werd, zou 't een allerliefst kamertje zijn, zoowel wat
-de inrichting als 't uitzicht betreft; doch evenals slordigheid en
-onordelijkheid aan alle dingen een onaangenaam voorkomen geven, mag men
-dit wel in volle mate van Jansjes kamertje zeggen.
-
-Niet alleen zouden zes frissche, ferm bloeiende potten 't uitzicht
-vervroolijken, en maken nu die halfverdroogde, kwijnende en armelijk
-uitziende planten een somberen en treurigen indruk; maar 't inwendige
-van 't kamertje is weinig geschikt, om dien indruk weg te nemen. Geen
-stoel, of hij licht vol, op de tafel is alles door elkander, van de
-boeken staan sommige onderstboven op de boekenplank, andere liggen er
-op. En als ge eens in de laden van de chiffonnière kwaamt, -- ge zoudt er
-een voddenmarkt meenen te vinden. Haar moeder, die heel goed weet, hoe
-'t er op dat kamertje uitziet, heeft Griet bevolen, om als ze Jansjes
-bed maakt, niets aan die wanorde te veranderen.
-
-Wat is 't gevolg van dit alles? Dat Jansje, als ze iets moet hebben, een
-half uur moet zoeken, eer ze 't heeft. En 't ergst van alles is, dat ze,
-wanneer ze dan zoekt, den boel nog meer door elkander schommelt; want in
-plaats van bedaard alles op te lichten of er uit te halen, om te zien,
-of 't geen ze zoekt, er ook tusschen of onder licht,--haalt ze den
-heelen boel onderstboven en laat dien dan zoo maar liggen. O, 't is een
-wanhopig ding, als men zoo slordig is! Mij dunkt, zoo'n meisje moet een
-hekel aan zichzelf krijgen.
-
-En nog zou 't gaan, als ze bijvoorbeeld maar eenmaal 's weeks
-opreddering hield, en alle dingen op hun plaats legde; -- dan ten minste
-bleef er nog eenige orde heerschen. Maar onze onbedachtzame Jansje heeft
-daar geen lust in en stapelt het eene maar op het andere, totdat ze er
-niet meer wijs uit kan worden. Dat het met haar boeken en andere
-schoolzaken weinig beter gesteld is, zult ge wel begrijpen. Daar is
-insgelijks een onophoudelijke wanorde in. Nu eens brengt ze 't verkeerde
-cahier of een geheel verkeerd boek mee; dan heeft ze 't werk voor een
-verkeerden dag gemaakt, dan weder is er een blad uit het boek, waaruit
-ze haar les had moeten leeren. Haar boeken zien er slordig uit, en 't is
-al meer dan eens gebeurd, dat ze er onder weg een verloren heeft.
-Gelukkig, dat haar naam op haar boeken staat; daardoor komen ze altijd
-terug door den een of ander, die ze thuis brengt; maar 't was ook wel
-gebeurd dat het erg regende en dan was 't verloren boek geheel en al
-bedorven.
-
-Intusschen was nu Jansje door de oude Griet opgeknapt en naar school
-gegaan. Volgens haar gewoonte ging de goede meid naar boven, om 't bed,
-dat de jongejuffrouw afgehaald had, op te maken, versch water in
-lampetkan en karaf te doen, en verder 't een en ander te verrichten.
-Terwijl ze daar zoo bezig was, bekeek ze de bloemen, en gaf die wat
-water.
-
-"Arme bloemen!" zei ze. "'t Is waarlijk zonde en jammer, dat je hier
-staat te verkwijnen door gebrek aan goede oppassing. Dat moest bloemen
-voor haar venster hebben! Had ze ze liever in den tuin laten staan; dan
-hadden ze ten minste gelegenheid om te bloeien!"
-
-Zoo sprekende keek ze naar buiten in den tuin waar alles zoo bloeiend
-was, en merkte te gelijk, dat zij met het geven van water aan de bloemen
-wat langs 't kozijn gemorst had. Zij veegde dit af, en willende zien of
-het schoon was, sloeg ze toevallig haar blik op den grond beneden aan 't
-raam.
-
-"Maar hoe is 't mogelijk!" riep ze uit. "Dat is 't ringetje, hetwelk ze
-van haar moeder gekregen heeft ter gedachtenis aan haar lieven overleden
-vader! Hoe komt die ring daar te liggen? O! ik begrijp 't al: -- ze heeft
-hem bij 't handen wasschen afgedaan en in 't kozijn neergelegd en toen
-zeker met den handdoek 't raam uitgeslagen. En dan niet eens te merken,
-dat ze hem verloren heeft! We zullen toch zien, wanneer ze hem mist. Of
-liever, ik zal hem aan haar moeder geven. Maar die mocht hem eens tot
-haar straf houden. Wat nood! Zulk een sloddervos is geen ring waard, en
-in allen gevalle is het toch beter, dat ik hem haar geef. Ik denk, dat
-ze er Jansje naar zal laten zoeken!"
-
-Griet snelde naar beneden en raapte het ringetje op, dat ze aandachtig
-bekeek. 't Was een allerliefst ringetje met een keurig juweelen
-steentje, en met 't haar van haar overleden vader omvlochten. Haar
-moeder had het, bij diens dood, laten maken tot een gedachtenis aan haar
-vader.
-
-"Als ik een ringetje met haar van mijn overleden vader had," zei Grietje
-bij zichzelf, "dan zou ik er wel beter oppassen! -- En wat flonkert die
-steen! Wat is hij helder, helder als glas, nog helderder! En wat een
-kleuren, als 't licht er op valt! 't Is toch een mooie steen; maar hoe
-de menschen er zooveel geld voor geven, begrijp ik niet. 't Zou mij
-zooveel niet waard zijn."
-
-Dit zeggende, ging Griet de deur weer in en regelrecht naar haar
-meesteres, die ze als naar gewoonte druk bezig aan den huiselijken
-arbeid vond.
-
-"Wat is er, Griet?" vroeg deze, verwonderd op dit tijdstip haar
-dienstbode naar zich toe te zien komen. Dat was anders haar gewoonte
-niet, daar beiden haar vaste werk hadden en dit zoo geregeld ging, alsof
-'t een uurwerk geweest ware.
-
-"Ja, juffrouw," antwoordde Griet. "Zie eens, wat ik daar in den tuin
-voor Jansjes venster vind." En ze liet haar den gevonden ring zien.
-
-"Maar, Griet! Dat is verschrikkelijk! Den ring met het haar van haar
-vader! Hoe licht had die tusschen 't gras kunnen wegrollen, en dan had
-er geen haan naar gekraaid."
-
-"Ja, dan was hij weg geweest, juffrouw," zeide Griet.
-
-"'t Is toch ongelukkig met dat kind!" zuchtte juffrouw Klimveld, terwijl
-zij den ring aannam. "Men kan haar niets toevertrouwen. Zeker heeft ze
-met het handen wasschen den ring op 't kozijn neergelegd, en toen in
-haar onbesuisdheid met den handdoek weggeslagen! Want anders kan het
-niet gebeurd zijn. En hoe is 't mogelijk, dat ze hem niet gemist heeft!
-Er niets tegen haar van zeggen, Griet! We zullen haar eens in onrust
-laten en haar eens laten zoeken. Maar eerst zullen we eens zien, wanneer
-ze den ring mist. -- Zooveel is zeker, dat ze hem in den eersten tijd
-niet weer aan krijgt."
-
-"Of u gelijk hebt, juffrouw," antwoordde Griet. "Jansje toont, dat ze
-nog te jong is, om op zoo'n kostbaarheid te passen."
-
-Griet wilde heengaan.
-
-"A-propos, Griet," zeide juffrouw Klimveld. "Eer ik 't vergeet het je te
-zeggen: sluit de kleerkast van Jans op 't slot en breng mij den sleutel.
-Ik merkte vanochtend, dat ze haar bruine jurk aanhad, en gisteren had ze
-haar paarsche aan. Door 't lachen over haar toilet, heb ik er vanmorgen
-niet aan gedacht. Zeker is haar paarsche stuk en dan trekt de juffrouw
-maar een andere jurk aan, totdat ze alle 't zelfde zijn. Dat gaat niet;
-daar zal ik een schotje voorschieten."
-
-Een oogenblik daarna kwam Griet terug.
-
-"Haar kast is gesloten, maar de sleutel steekt niet in 't slot.
-Waarschijnlijk heeft ze dien in haar zak meegenomen," zeide ze.
-
-"Aha! Daar heb je 't al! Zeker haar paarsche jurk, die ze gisteren
-aanhad, gescheurd! Wanneer zal dat kind toch eens veranderen!"
-
-Jansje zat intusschen op school en dacht aan niets minder dan aan haar
-ring. 't Scheen vandaag nog al goed met haar en haar lessen te zijn
-afgeloopen, ten minste haar naam stond niet op de lijst van strafwerk,
-'t geen bijna onder de bijzonderheden mocht gerekend worden. Hoe zou ze
-ook om haar ring denken; -- ze had wel wat anders in haar hoofd. Met
-Cato, een harer schoolvriendinnetjes, had ze afspraak gemaakt om
-dadelijk na den eten met haar naar een naburig dorp te gaan, waar een
-tante van haar (Cato) woonde, die een fermen kersenboomgaard had. Cato
-moest een boodschap voor haar moeder doen en had Jansje, die ze graag
-mocht lijden, gevraagd om haar te vergezellen.
-
-"Je moet het maar, dadelijk als je thuis komt, aan je moeder vragen,"
-zei Cato, "en dan wacht ik je precies om twee uren ginds bij 't
-bruggetje over de vaart. Want als ik je eerst moet komen halen, dan zou
-ik weer een heel eind terug moeten, en 't is voor jou toch 't zelfde."
-
-"Wel zeker," antwoordde Jansje. "Ik moet dat eind toch loopen, en 't
-haalt jou een heel eind uit!"
-
-"Je hebt toch zeker om twee uren wel gegeten, hé?" vroeg Cato.
-
-"O, ja. Moeder is altijd zoo precies op de klok. Om halftwee staat het
-eten op tafel, en daar zorgt Griet voor."
-
-"Nu, Griet is preciezer dan jij," zeide Cato lachende. "Als jij voor 't
-eten moest zorgen, dan stond het nooit op zijn tijd op tafel, denk ik."
-
-"Dat vrees ik ook," antwoordde Jansje. "Dus tot twee uren, aan 't
-bruggetje over de vaart. Je zult eens zien, hoe precies ik er op mijn
-tijd ben. Ik watertand al bij de gedachte aan de kersen, die ik eten
-zal!"
-
-"Tot straks," zeide Cato, en spoedde zich naar haar huis evenals Jansje
-naar het hare.
-
-
-II.
-
-WAT ER VAN DEN TOCHT NAAR DEN KERSENBOOMGAARD KWAM.
-
-Toen Jansje thuis kwam, was 't op slag van halftwee, dus dadelijk
-etenstijd. Ze begreep, dat ze niet zou behoeven te wachten, en trad
-vroolijk en opgeruimd de kamer binnen. Ze vond er haar moeder.
-
-"Moe!" zei ze, "mag ik na den eten met Cato naar Henbergen wandelen?
-Daar woont haar tante. Ze moet er een boodschap voor haar moeder doen en
-had graag dat ik met haar meeging. Haar tante heeft een grooten
-kersenboomgaard, en daar de kersen nu rijp zijn . . ."
-
-"En wou je zóó gaan!" riep haar moeder uit, terwijl ze haar handen in
-elkander sloeg en Jansje hoofdschuddende aanzag.
-
-En inderdaad, juffrouw Klimveld had wel reden haar handen in een te
-slaan en haar hoofd te schudden over het toilet harer dochter, en haar
-met nadruk te vragen: "En wou je zóó gaan?"
-
-'t Jurkje, waaraan vanmorgen nog geen steekje gemankeerd had, zag er nu
-uit als was 't van een bedelaarster. De strook was er van onderen een
-eind afgetrokken en door Jansje, in plaats van 't er aan te spelden, als
-een bundel opgerold, die er nu allerbevalligst aan hing te bengelen. Met
-het stoeien was 't veterband losgeraakt, en in plaats van dat vast te
-maken, had ze 't maar laten hangen, en dat hing daar nu als een
-schommel.
-
-"Neen, Moe!" zeide Jansje. "Ik wou mijn roode jurk aantrekken."
-
-"O, dat is wat anders," antwoordde juffrouw Klimveld. "Ik dacht, dat je
-met zoo'n bedeljurk naar de menschen toe woudt gaan. Ga het dan maar
-terstond doen."
-
-"Dus mag ik?"
-
-"Wel zeker, als je er maar knap uitziet, wanneer je bij vreemde menschen
-komt. Maar zeg eens, waarom heb je vandaag je bruine jurk aangedaan en
-niet je paarsche van gisteren?"
-
-"Ach! moe! Ik speelde gisterenavond met Fidèl van Jansen, -- dat is zoo'n
-goede lobbes van een hond, -- en toen hield hij zich met zijn tanden aan
-mijn jurk vast en trok er aan, en toen scheurde hij er een heel stuk
-uit. Maar hij kon 't niet helpen, -- 't goede beest!" voegde ze er
-vergoelijkend bij. "'t Wou maar spelen en 't wist niet, dat het kwaad
-deed om mijn jurk te scheuren."
-
-"Neen, daar ben ik wel van verzekerd," zei haar moeder. "Maar ik denk,
-dat als Fidèl een jurk had, hij er zeker voorzichtiger mee zou zijn dan
-jij. Je paarsche jurk een stuk uit, deze van strook en veterband
-genoegzaam beroofd, vanavond je roode in den kersenboomgaard gescheurd,
-of wie weet wat nog erger, en dan morgen met je beste naar school, om er
-de hemel weet hoe mee thuis te komen . . . Dan heb je er geen enkele meer
-om aan te trekken. Weet je, wat je doet, kind?" vervolgde haar moeder.
-"Zie, dat je iemand krijgt, die je een dozijn jurken geeft; dan kun je
-er ten minste twaalf dagen achter elkander mee toe."
-
-Juist bracht Griet het eten op, en men zette zich aan den maaltijd, 't
-Was geen diner als aan de open tafel, en men had dus gauw genoeg gedaan.
-Jansje vroeg verlof om wat eerder te eindigen, en haar moeder
-veroorloofde 't haar.
-
-"Nu heeft ze alweer haar jurk gescheurd," zei haar moeder tegen Griet,
-die volgens buitenmanier mee aan tafel zat. "En de paarsche ook, net als
-ik dacht. Waar moet dat met dit kind naar toe!"
-
-"Als ik in uw plaats was, had ik haar niet laten gaan," zeide Griet.
-
-"'t Is meer dan erg, alle dagen een andere jurk," hernam Juffrouw
-Klimveld. "Dat kan zoo niet gaan. Maar met die jurk kon ze toch niet bij
-vreemde menschen komen. En haar dit genoegen te onthouden, dat gaat ook
-niet. Ze heeft toch al weinig genoeg."
-
-Op 'tzelfde oogenblik kwam Jansje met een paar groote oogen binnen.
-
-"Moe!" zeide ze, "heeft u den sleutel van mijn kleerkast genomen? Of
-Griet, jij?"
-
-"Hoe dat, Jansje?" vroeg haar moeder.
-
-"Wel, vanmorgen zat hij er nog in, want toen heb ik er mijn bruine jurk
-uitgehaald, en nu is hij er uit," hernam zij.
-
-"Je zult hem zeker hier of daar neergegooid hebben, zooals je gewoonte
-is; zoek er dus maar naar," zeide haar moeder. "Of heb je hem ook in je
-zak gestoken en soms verloren?"
-
-"Heb jij hem ook gezien, Griet?" vroeg ze aan deze.
-
-"Heb je 'm ook soms weggeveegd, toen je mijn kamertje bijstoftet?"
-
-"Neen, Jansje," antwoordde Griet. "Ik heb je sleutel niet gezien."
-
-"Maar als ik mijn sleutel niet vind, dan kan ik mijn roode jurk niet
-aandoen," riep Jansje half huilende uit.
-
-"Kan =ik= het helpen?" vroeg haar moeder. "Als jij wist, waar je je goed
-liet, dan zou niet steeds alles zoek wezen. Maar ik weet goeden raad.
-Wanneer ik jou was, en ik kon den sleutel niet vinden, -- dan verbeuzelde
-ik mijn tijd niet langer: ik nam naald en draad, naaide er den strook
-aan en tornde er zoolang het nog vastzittende veterband af; dat kun je
-er dan morgenochtend wel omzetten. Maar doe 't vooral netjes; want
-bedenk, dat Cato's tante ook haar oogen heeft gekregen, om ze te
-gebruiken. En ik zou niet graag hebben, dat je daar zoo kwaamt. Dus, als
-je den strook aanzet, keurig, hoor! En zorg dat, als je 't veterband
-aftornt, er geen vezels of draden blijven zitten."
-
-"Maar 't is al bij tweeën en om twee uren zou ik aan de brug over de
-vaart zijn."
-
-"Welnu, zorg dan maar, dat je den sleutel hebt; dan kun je je roode jurk
-aantrekken, of anders deze jurk opgeknapt!" antwoordde haar moeder. "Zóó
-ga je niet!"
-
-Half schreiend ging Jansje naar boven.
-
-"Waar kan ik den sleutel toch gelaten hebben?" zei ze. "Hij is er zeker
-uitgevallen, en Griet heeft hem weggestopt. O, nu weet ik 't al. Ik heb
-hem vanmorgen in mijn zak gestoken. Zeker heb ik hem hier of daar met
-het uithalen van mijn zakdoek verloren." Daar ze geen trek had, om heen
-en weer naar school te loopen, 't geen toch misschien tevergeefs zou
-zijn, begreep ze dat het maar 't best was, om 't veterband verder af te
-tornen en er den strook weer aan te zetten. Ze zocht dus eerst naar haar
-schaar. Doch toen ze in de la kwam, waar haar werkdoosje stond, vond ze
-dit heelemaal onderstboven liggen, en den inhoud verstrooid. Ze
-herinnerde zich nu, dat ze dit zelf een dag of wat geleden gedaan had,
-daar ze iets in die la moest zoeken, en, in plaats van dat bedaard en
-ordelijk te doen, den boel maar zoo wat omgerommeld had. 't Speet haar
-nu wel, dat ze toen niet wat voorzichtiger geweest was en wat bedaarder;
-maar er was nu niets aan te doen.
-
-Eindelijk, na de lade braaf omgewoeld en nog wat meer in wanorde
-gebracht te hebben, dan die 't al was, vond ze achter in een hoek haar
-vingerhoed en aan de tegenovergestelde zijde een klosje met zwart
-naaigaren. Nu moest er wel bruin ook in de la liggen, maar eer ze dat
-gevonden had, kon er wel een kwartier verloopen.
-
-"'t Zal met zwart ook wel gaan," zei ze. "'t Is wel geen donkerbruin,
-maar 't is ook slechts om een strook op te naaien, en dan maak ik van
-buiten maar kleine steekjes. Maar waar is nu mijn schaar?"
-
-Alweer werd de la omgerommeld, als door een aardbeving onderstboven
-gegooid, en kwam de schaar aan het daglicht. Maar in haar vuur om de
-schaar te zoeken, was, zonder dat ze 't merkte, haar vingerhoed
-afgestroopt. 't Was inderdaad een hopelooze arbeid, dat zoeken, en
-daarbij nog zoo'n gejaagdheid. Wanneer ons Jansje een ordinair net
-meisje was geweest, niet eens overnet, -- dan had ze de la van haar
-chiffonnière opengeschoven, even haar hand uitgestoken, er de naaidoos
-uitgehaald, schaar, vingerhoed, garen en naald uitgekregen en had ze
-zeker al tien minuten aan den arbeid gezeten; terwijl ze nu nog aan 't
-zoeken was naar benoodigdheden.
-
-"Ik zal 't maar zonder vingerhoed probeeren," zeide Jansje. "Want anders
-kom ik nooit klaar. Als Cato maar niet weggaat! 't Is al lang over
-tweeën. Had ik den sleutel der kast maar niet verloren. Ik kan maar niet
-begrijpen, dat ik 't niet gemerkt heb. Dat ik ook zoo dom kon zijn!"
-
-Zoo sprekende, had ze een stoel bij 't raam gezet, haar jurk
-uitgetrokken, was gaan zitten en nam nu het te repareeren kleedingstuk
-op haar schoot, toen ze bemerkte dat ze nog geen -- naald had.
-
-Naaien zonder naald gaat niet.
-
-"Als ik maar naar beneden durfde gaan om er moeder een te vragen," zei
-ze. "Maar ik denk, dat ze me zou zien aankomen! Gisteren heeft ze me er
-twee gegeven, om een eind van 't boordsel van mijn paarsche jurk vast te
-naaien. Zorg er nu voor, Jans, zei ze; want in geen acht dagen krijg je
-een nieuwe. Je zoudt me wel arm kunnen maken aan naalden! Maar waar kan
-ik die naalden gelaten hebben? Ik heb ze toch geborgen."
-
-Dat bergen van Jansje was er me bergen naar. Ze borg de dingen dikwijls
-zoo goed, dat ze die niet terug kon vinden; d.i. ze borg ze overal,
-behalve op hun plaats. En als 't op zoeken aankomt, dan zoek ik liever
-een pook of een tang dan een naald en heb tienmaal meer kans de eerste
-te vinden dan de laatste. Maar met een pook of een tang zou Jansje
-weinig uitgericht hebben.
-
-"Had ik den sleutel van de kast maar!" riep ze uit. "Waarschijnlijk heb
-ik een der naalden aan 't lijf van mijn paarsche jurk gestoken, toen ik
-er gisteren 't boordsel aan vastnaaide."
-
-Maar de sleutel was weg en bleef weg, en zonder naald kon ze onmogelijk
-naaien.
-
-"Ik zal maar eerst het veterband lostornen," zeide ze, zich met de
-stille gelatenheid der wanhoop nederzettende. Terwijl ze dat deed en zoo
-goed mogelijk de vezels en draden uithaalde, sloeg ze haar oogen uit het
-venster, en -- wat zag ze daar in 't stammetje van haar half verdroogde
-Spaansche peper? Daar staken de twee naalden heel deftig naast elkander,
-een zelfs nog met den paarschen draad er in, als ware 't een vlag
-geweest, die voor de een of andere gelegenheid was uitgestoken.
-
-Nu herinnerde ze zich, dat ze gisteren haar jurk voor 't open raam
-gerepareerd had en toen geen beter plaats wetende om ze te bergen, haar
-naalden in 't boompje gestoken had. Terstond werd een der naalden
-gebruikt en met den grootsten ijver aan 't repareeren gegaan. Doch zoo'n
-strook is er gauwer afgetrokken dan aangezet, vooral als men 't zonder
-vingerhoed doet. Dat ging dan ook niet, en andermaal zag Jansje zich
-genoodzaakt, op te staan en naar haar vingerhoed te zoeken. Gelukkig
-vond ze dien ditmaal gauwer dan ze gedacht had, en nu ontbrak haar niets
-meer en ging ze aan 't werk.
-
-Eindelijk was de jurk af; zij trok haar aan, deed hoed en mantel om en
-begaf zich naar beneden, om zich aan haar moeder te vertoonen. Gelukkig
-zag deze de zwarte steken niet; want Jansje had er zorg voor gedragen,
-ze bovenop zoo klein te maken, dat ze niet in 't oog vielen.
-
-"Je kunt wel gaan Jansje," zeide haar moeder. "Maar ik vrees, dat je te
-laat komt. 't Is al bij vieren, en Cato zal natuurlijk geen twee uren op
-je hebben staan wachten."
-
-"Nu, dan ga ik haar te gemoet," zei Jansje. "Misschien brengt ze wat
-kersen voor me mee."
-
-"Ik help 't je wenschen," zei haar moeder. "Maar ik denk niet, dat ze
-zoo vriendelijk zal zijn voor een meisje, dat zoo lang op zich heeft
-laten wachten."
-
-Jansje spoedde zich nu naar de brug over de vaart, waar ze natuurlijk
-Cato niet meer vond, en van daar den weg op naar Cato's tante. Ze zal
-zoowat halfweg geweest zijn, toen ze in de verte twee meisjes zag
-aankomen, die erg pret samen hadden. Weldra bemerkte ze, dat het Cato
-met Sijtje Hamer, een harer schoolkameraadjes, was. Spoedig waren ze bij
-haar.
-
-"Nu, je bent me ook een fraaie!" riep Cato uit. "Om twee uren sta ik op
-de brug te wachten, maar wie er komt -- Jansje niet. Gelukkig kwam Sijtje
-aan en die ging 't gauw aan haar moeder vragen; anders had ik alleen
-moeten gaan. Waar ben je toch zoo lang gebleven?"
-
-"Och! Je weet, hoe mijn jurk er uitzag," zei Jansje. "Moeder verkoos
-niet, dat ik met zulk een jurk naar je tante zou gaan."
-
-"Daar had ze waarlijk gelijk in," zeide Cato. "Wat zou tante er wel van
-gezegd hebben, als je met zoo'n gehavende jurk gekomen waart? Maar
-waarom trok je dan geen andere jurk aan?"
-
-"Ja, waarom niet?" zeide Jansje. "Omdat de sleutel van mijn kleerkast
-weg is en ik dien nergens kon vinden. Ik moest dus wel, of ik wilde of
-niet, aan 't repareeren van deze jurk."
-
-"'t Spijt me geducht, Jansje," zeide Cato, "dat het zoo geloopen is. Je
-hebt vrij wat pret gemist, en heerlijke kersen ook; we hebben er onze
-buikjes aan vol gegeten."
-
-"Je hadt er wel wat voor mij kunnen meebrengen," zeide Jansje.
-
-"Wel ja! eten en sleepen! Dat gaat niet in een kersenboomgaard.
-Daarenboven kan ik niet zeggen, dat ik er erg over gesticht was, toen je
-me daar zoo liet wachten. Je hadt het me toch wel even kunnen laten
-zeggen."
-
-"Vooreerst wou moeder me de deur niet laten uitgaan, eer ik er
-fatsoenlijk uitzag, en ten tweede hoopte ik altijd nog tijdig gereed te
-zijn, om je, als ik klaar was, nog te achterhalen."
-
-"Je bent ook verschrikkelijk lang bezig geweest aan 't aanzetten van
-zoo'n eind strook. Ik kan 't wel in het vierdepart van den tijd," zeide
-Cato.
-
-"Ja, als alles in orde is," antwoordde Jansje. "Maar ik kon mijn boel
-niet vinden, en 't zoeken daarnaar heeft mij erg opgehouden."
-
-Toen ze weer aan de brug kwamen, namen de beide vriendinnen afscheid van
-elkander. Cato en Sijtje gingen samen den eenen en Jansje den anderen
-kant.
-
-Jansje was recht treurig.
-
-"Misschien gaat Sijtje nu wel met Cato naar huis en heeft ze nog den
-heelen avond pret!" bromde Jansje. "O, wat heb ik mij toch door mijn
-slordigheid en onachtzaamheid een verdriet op den hals gehaald!"
-
-Had dat verdriet er maar toe gestrekt, dat ze zich verbeterde!
-
-
-III.
-
-VADERS GEDACHTENIS.
-
-"Door dien mallen sleutel heb ik 't pretje heelemaal misgeloopen,"
-bromde Jansje, toen ze thuis kwam, tegen Griet.
-
-"Dat is je eigen schuld, Jansje," zei Griet. "Je moeder denkt voor 't
-naast, dat je hem in je zak gestoken en met je zakdoek er uitgehaald en
-hem zoo verloren hebt."
-
-"'t Beste was, dat moeder den smid maar liet komen; dan kon die de deur
-van de kast opensteken en er een nieuwen sleutel op maken."
-
-"Ja, dat kan hij best doen," hernam Griet. "Maar opensteken en nieuwe
-sleutels maken kost geld. En 't geld groeit hier ook maar niet zoo
-tusschen de steenen."
-
-"Zoo, ben je daar terug, jongejuffrouw sloddervos!" zei haar moeder, die
-ook in de keuken kwam. "Ik ben daar eens boven op je kamertje geweest en
-heb de laden van je chiffonnière nagekeken. Dat is me een boel! Hoe is
-'t mogelijk, dat een meisje van jou leeftijd zich in zulk een rommel
-bewegen kan! 't Is meer dan erg, en ik denk er sterk aan, je maar weer
-als een klein kind te behandelen en je over geen stuk kleeding meer
-meester te laten. En dan op 't kamertje zelf. Er is haast geen stoel om
-fatsoenlijk op te zitten. In je kleerkast zal 't er wel niet beter
-uitzien! A-propos! heb je den sleutel al gevonden?"
-
-"Ik zal er morgen op school eens naar vragen," zeide Jansje. "Ik denk
-voor 't naast, dat ik hem met mijn zakdoek uit mijn zak gehaald en
-tusschen de banken verloren heb."
-
-"Of onder weg," zeide haar moeder. "Ik heb nooit grooter sloddervos
-gezien, dan jij bent. En dan zoo onverschillig. Waar ben je na den
-middag naar toe geweest?"
-
-"Den weg op naar de tante van Cato," antwoordde Jansje. "Ik hoopte, dat
-ze er nog zou zijn; maar reeds halfweg kwam ze me tegen met Sijtje
-Hamer."
-
-"Ik had, in jou plaats, liever eens naar mijn sleutel vernomen," zeide
-haar moeder. "'t Is een mooi geval, zoo maar zijn sleutel kwijt te zijn
-en er dan niet eens werk van te maken. Maar om tot je kamertje terug te
-keeren: morgen na den middag, als je van school komt, zullen we samen
-den boel eens opredderen, en dan zorg je er voor, dat die in orde
-blijft, of -- ik neem je eenvoudig je kamertje af en al je goed weer
-onder mijn bestuur. 't Is wel schande, dat een meisje van bijna twaalf
-jaren geen orde en regel op haar eigen zaken kan houden. Maar dat is nu
-eenmaal zoo niet, en wat ik er ook aan doe, 't schijnt maar niet te
-veranderen."
-
-Jansje durfde er niets tegenzeggen. Ze stond met haar mond vol tanden.
-
-"En waar is je ringetje, kind?" riep haar moeder eensklaps uit, alsof ze
-'t nu eerst miste. "'t Ringetje, dat je van je overleden vader hebt
-gekregen, en waarin zijn haar is?"
-
-Verschrikt keek Jansje naar haar linkerhand; ze had het niet eens
-gemist; maar nu bemerkte zij haar verlies eensklaps.
-
-"Ik zal het misschien op mijn kamertje op den schoorsteenmantel hebben
-laten liggen, toen ik vanmorgen mijn handen wiesch en 't afgedaan heb,"
-antwoordde zij.
-
-"Ga dan terstond eens kijken," zeide haar moeder. "Mijn hemel! hoe is 't
-mogelijk, dat je zoo weinig achting hebt voor je braven overleden vader,
-om zoo achteloos met wat je tot gedachtenis van hem gekregen hebt, om te
-gaan."
-
-Jansje spoedde zich naar boven, doch kwam weldra terug met een treurig
-gelaat en de boodschap, dat ze 't ringetje nergens vond.
-
-"'t Is wat te zeggen, meisje!" riep haar moeder uit, die zich zeer
-ontsteld hield. "En kom je maar zoo gauw terug met de tijding, dat je 't
-niet vinden kunt. 't Is waarlijk wat moois! Als 't mij gebeurde, zou ik
-niet ophouden te zoeken, vóór ik 't had."
-
-"Maar 't wordt al zoo donker; ik kan niet meer in de hoeken zien," zeide
-Jansje.
-
-"Wel, steek dan licht op en zoek overal," zeide haar moeder. "'t Is
-waarlijk wat te zeggen! Dat lieve, kostbare ringetje van je braven,
-goeden vader! 't Is waarlijk, of je hoe ouder hoe slordiger wordt!
-Jongens! jongens! 't is wat te zeggen! Kind, kind! wat beleef ik een
-verdriet van je!"
-
-"Mag Griet mij dan eens helpen zoeken, Moe?" vroeg Jansje.
-
-"Griet heeft het ringetje niet weggemaakt," hernam haar moeder.
-"Daarenboven, Griet heeft haar werk en geen tijd om jou te helpen
-zoeken. -- Geef haar een kaars op een blaker, Griet; dan kan ze met licht
-zoeken."
-
-Griet voldeed aan 't bevel harer meesteres, en Jansje ging weer naar
-boven.
-
-"Hoe is het mogelijk, dat zoo'n kind het ringetje niet eens gemist
-heeft!" zeide juffrouw Klimveld tegen Griet.
-
-"Ja, juffrouw! 't is onbegrijpelijk!" antwoordde Griet. "Ze scheen er
-echter wel van te weten."
-
-"Te weten! Ja, omdat ik er nog al drukte over maakte," zeide juffrouw
-Klimveld. "Als dat het geval niet geweest was, had ze 't langs haar
-koude kleeren laten afzakken. O, o! wist ik maar eens een middel om dat
-kind te verbeteren!"
-
-"Misschien zal ze door den tijd wel verstandiger worden!" zeide Griet
-troostend.
-
-"Dan wordt het toch waarlijk tijd," hernam juffrouw Klimveld. "Ze is
-toch haast twaalf jaren! Nu, dan was ik op dien leeftijd anders; dat
-verzeker ik u."
-
-"Ja, juffrouw! De meeste meisjes zijn ook anders," hernam Griet. "Ik heb
-er in mijn jeugd ook nog al wat gekend, maar nooit een aangetroffen, die
-zoo slordig was als Jansje, dat moet ik bekennen."
-
-"Ik zal haar ten minste over dien ring lang in ongerustheid laten,"
-zeide juffrouw Klimveld. "En vooreerst zal ze hem niet terug hebben ook,
-dat verzeker ik je."
-
-Natuurlijk kwam Jansje eenigen tijd daarna terug met de tijding, dat de
-ring nergens te vinden was, en toonde haar moeder zich erg boos.
-
-"Je komt bij me zitten, om 't veterband om je jurk te zetten, hoor,"
-zeide zij. "Want met zoo'n havelooze jurk ga je morgen niet naar
-school!"
-
-Jansje ging naar boven, trok haar nachtjapon aan, kwam met haar jurk en
-'t veterband beneden en bracht te gelijk haar beide naalden en 't zwarte
-garen mede.
-
-"Waar is je naaidoos?" vroeg haar moeder.
-
-"In mijn chiffonnière," antwoordde Jansje.
-
-"O, ja, 't is waar," zeide haar moeder met een bitteren glimlach. "Ik
-heb een doos onderstboven in je la zien liggen; dat was zeker je
-naaidoos, maar naaigereedschap was er niet in."
-
-"Ze was omgevallen," zeide Jansje, zich verontschuldigende, "toen ik
-vanmiddag naar garen en ander naaigereedschap zocht."
-
-"O, zeker vanzelf!" zeide haar moeder zuchtend. "Nu, dat zullen we
-morgenmiddag wel vinden. Ga nu maar terstond aan 't werk."
-
-Jansje ging aan 't werk. Doch daar merkte haar moeder, dat ze haar
-strook met zwart garen had aangezet.
-
-"Ben je nu heelemaal dwaas, kind?" vroeg ze. "Wie krijgt het in de
-hersens, om licht bruin goed met zwart te naaien! Terstond dien boel er
-afgetarnd en 't overgenaaid."
-
-"Maar ik had geen bruin garen," zeide Jansje.
-
-"Dat had je wel, als je maar niet alles door elkander gesmeten had," zei
-haar moeder, die naar haar eigen naaidoos ging en bruin garen voor den
-dag haalde.
-
-'t Was voor Jansje een allesbehalve pleizierige avond, en ze had dien
-honderdmaal liever bij Cato aan huis doorgebracht.
-
-Ze had dan ook ruimschoots tijd om na te denken, en menig meisje zou, in
-haar geval, een moedig besluit genomen hebben, en 't voornemen opgevat,
-om voortaan netter en ordelijker te zijn. Maar dat kwam bij Jansje niet
-op. Ze wist niet, dat ze slordig was en geen orde op haar zaken stelde;
-ze gevoelde wel, dat ze er zich zelf vrij wat last en verdriet mee op
-den hals haalde, maar ze was zoozeer op die soort van gemakzucht
-gesteld, dat het haar onmogelijk scheen, haar gedrag te veranderen.
-Ofschoon het slechts denkbeeldig was, vond zij het b.v. gemakkelijker,
-een dasje dat zij gebruikt had, in elkander te frommelen en 't in een
-der laden harer chiffonnière te smijten, dan 't even netjes op te vouwen
-en 't keurig in een hoekje van haar la te leggen. Ze sprak geen woord
-en haar moeder liet haar stil begaan.
-
-"Ik krijg 't vanavond niet af, moeder," zeide ze eensklaps. "Er is ook
-zooveel aan te doen."
-
-"Ik heb den boel zoo niet gehavend, Jansje," antwoordde haar moeder.
-"Licht, dat je ziet te herstellen, wat je bedorven hebt."
-
-"Maar ik krijg slaap," hernam Jansje. "'t Is ook zoo'n vervelend,
-slaperig werk."
-
-"Dan moet je maar naar bed gaan, en morgen heel vroeg opstaan,"
-antwoordde haar moeder. "Ik verkies, dat je met een fatsoenlijke jurk
-naar school gaat. Wat zouden de menschen anders wel van mij denken, als
-mijn dochter er zoo haveloos uitzag."
-
-"Maar zou u 't voor ditmaal niet willen afmaken?" vroeg Jansje. "Als 't
-weer gebeurt . . . ."
-
-"Ik je verknoeid werk afmaken, nadat je zoo weinig achting voor de
-nagedachtenis van je vader betoond hebt? Neen kind, dat doe ik niet."
-
-"Och! Maar die ring zal immers wel terechtkomen, moeder," hernam zij.
-"Als ik morgen bij het daglicht maar eens goed zoek."
-
-"Wanneer heb je hem 't laatst aangehad, Jansje?"
-
-"Ik geloof gisteren, moeder," antwoordde Jansje. "Ik meen, dat ik hem
-vanmorgen nog op den schoorsteenmantel gelegd heb."
-
-"Misschien wel op 't kozijn, toen je je gingt wasschen," zeide de
-moeder, "en is hij vanmorgen zoo naar buiten gerold. Indien dit het
-geval is, dan ben je hem kwijt, want wie weet, waar hij dan heengerold
-is."
-
-"Ik zal er morgen dadelijk naar kijken," zeide Jansje. "Met den dag kan
-men beter zien dan met den avond. 't Zou mij niet verwonderen, of ik
-vind hem."
-
-"Nu, ik mag 't lijden," zeide haar moeder; "ofschoon ik vrees, dat hij
-wel weg zal zijn. 't Is toch wat te zeggen! De eenige gedachtenis van je
-overleden vader."
-
-Jansje begreep toch, dat het verstandiger was, om te blijven naaien. Ze
-moest morgen nog werk voor de school maken; want ze had dien namiddag
-niets uitgevoerd. Doch de slaap was haar te machtig, en ze kon op 't
-laatst niet meer.
-
-"Nu, laat het voor ditmaal dan maar liggen," zeide haar moeder. "Eet je
-boterham en ga naar bed. Ik zal de jurk wel afmaken, dan kun jij morgen
-je werk voor de school in orde brengen en naar den ring zoeken. Ga maar
-bij Griet; die zal je wel je boterham geven."
-
-Jansje liet zich dit geen tweemaal zeggen, zeide moeder goedennacht,
-ging naar de keuken, waar ze toch haar boterham met minder graagte dan
-anders at, -- daarop naar boven, kleedde zich zoo gauw mogelijk uit,
-stapte in 't bed en . . . . sliep in een oogenblik.
-
-Dat moet u niet verwonderen en ge moet dat gauwe slapen niet voor
-onverschilligheid uitkrijten. Jansje had dien dag veel verdriet gehad,
-en verdriet maakt iemand soms heel slaperig. Daarbij had ze een ferme
-wandeling gedaan en was over haar tijd opgebleven; -- geen wonder, dat
-haar oogen spoedig toevielen.
-
-Ze was den volgenden morgen tijdig op en zoodra ze zich gekleed en
-gewasschen had, begon ze naar den verloren ring te zoeken. Ze zocht
-lang, en natuurlijk tevergeefs. Toen ging ze haar werk maken en leerde
-haar lessen; daarop begon ze weer te zoeken.
-
-Moedeloos ging zij naar de keuken, in de hoop, dat Griet haar soms
-goeden raad zou geven.
-
-"Och, Griet," zeide zij half snikkend, "zou jij ook kunnen denken, waar
-die ring is gebleven?"
-
-"Maar Jansje," antwoordde deze, "hoe kun je mij zoo iets vragen. Ik heb
-den ring volstrekt niet aangehad. Maar weet je, wat ik je wel kan
-zeggen?"
-
-"Nu, wat dan?" vroeg Jansje haastig.
-
-"Dat als ik een ring, en dan nog wel zoo'n mooien ring, met haar van
-mijn vader had, ik er zoo op zou passen, dat hij nooit of nimmer weg zou
-kunnen raken."
-
-"Ja, Griet," zeide Jansje teleurgesteld, "dat is wel allemaal waar, wat
-je daar zegt, maar o! het helpt mij alles op het oogenblik zoo bitter
-weinig. Als ik hem weeromvind, dan zal ik er ook zuinig oppassen."
-
-"Als je hem weeromvindt! Daar mag je wel een heel groot vraagteeken
-achter zetten, kind. Zoek nog maar eens goed; misschien is hij wel uit
-het raam gevallen en ligt nu in het gras," gaf Griet den raad.
-
-Jansje ging naar buiten.
-
-"O, wee," dacht zij, "als de ring in den tuin ligt, dan vind ik hem
-zeker niet weerom. En wat zal Moe wel zeggen, als zij dat hoort. Ach,
-ach, wat ben ik toch een ongelukkig schepseltje! Gisteren al geen kersen
-kunnen eten, en nu deze ellende weer!"
-
-Nadat zij nog een oogenblikje rondgekeken had, kwam Griet haar roepen om
-te ontbijten.
-
-"Den ring gevonden, Jansje?" was 't eerste wat haar moeder zeide, toen
-ze beneden kwam. "O, neen, ik zie het al . . . hij is er niet. Hij is
-zeker weg, kind!"
-
-"Ach moeder! Ik heb er zoo'n spijt van!" zeide Jansje.
-
-"En ik zou wel wat kwijt willen zijn, als hij er weer was! Dan zou ik
-hem nooit anders dan Zondags dragen en in de week hem in mijn werkdoosje
-bewaren . . ."
-
-"Om hem als een stuk oud vuil door je la te smijten," zei haar moeder.
-"Denk er om, dat je vanmiddag geen afspraakjes maakt; het is noodig dat
-we de laden van je chiffonnière eens in orde maken, en je kleerkast ook;
-want daar zal 't er niet beter in uitzien. Ten minste als je den sleutel
-vindt."
-
-"En als hij eens niet terechtkomt, moeder?" vroeg Jansje.
-
-"Dan moet je die jurk maar Zondag en werkdag blijven dragen; -- er zit
-niet anders op."
-
-"Als u dan den smid eens liet komen, om 't slot open te steken en een
-nieuwen sleutel te maken," zeide Jansje.
-
-"Alsof 't opensteken en 't maken van een nieuwen sleutel geen geld
-kost," zeide haar moeder. "Zul jij 't betalen, Jansje?"
-
-Jansje keek verlegen vóór zich, at haar boterham op, nam haar boeken mee
-en ging vervolgens naar school. 't Eerste wat ze deed, was aan de
-dienstmeid van den meester te vragen, of die gisteren bij 't aanvegen
-der school geen sleutel gevonden had; en tot haar groote vreugde
-antwoordde deze van ja, en liet ze haar den sleutel zien, welken Jans
-terstond voor dien van haar kleerkast herkende.
-
-"Dank je, Maartje," zei ze. "Ja, 't is de sleutel, dien ik verloren heb
-en waar ik gisteren mooi verlegen om ben geweest."
-
-"Geen wonder, jongejuffrouw," antwoordde Maartje. "Een mensch is mooi
-onthand, als hij een sleutel kwijt is. Was je gisterenmiddag maar
-gekomen, dan had je niet in verlegenheid behoeven te zitten."
-
-"Ja, Maartje! dat was zeker heel verstandig van me geweest," zeide
-Jansje. "Maar ik dacht, dat hij thuis zou zijn, en daar heb ik er me
-half mal naar gezocht. Later eerst herinnerde ik mij, dat ik hem in mijn
-zak gestoken en zeker met het uithalen van mijn zakdoek kwijtgeraakt
-was."
-
-"Nu, 't is maar gelukkig, dat het hier in school was," hernam Maartje.
-"Als het zoowel op straat, of wat nog erger zou zijn, in 't weiland of
-ergens anders in 't gras geweest was, dan was je hem zeker kwijt
-geweest."
-
-"Nu, Maartje, nogmaals hartelijk bedankt!" zei Jansje.
-
-"'t Is de moeite dan ook wel waard, om voor te bedanken," zei Maartje.
-"Ik ben maar blij, dat hij terecht is."
-
-Met een meer verlicht hart ging Jansje 't schoolvertrek binnen.
-Misschien kwam de gedachtenis haars vaders ook nog wel terecht.
-
-"Hé!" dacht ze, "had ik er Maartje ook eens naar gevraagd. Maar neen,"
-zei ze een oogenblik daarna. "Op school kan ik den ring niet verloren
-hebben; dat is onmogelijk. Ik moet hem zeker hier of daar hebben
-neergelegd, waar hij afgerold is. Ik zal vanmiddag nog eens goed
-kijken."
-
-Toen Jansje dien middag van school kwam, om te eten, was het eerste,
-hetwelk ze deed, haar moeder den sleutel te toonen.
-
-"Wel! Waar heb je hem nu vandaan?" vroeg haar moeder.
-
-"Maartje, de meid van den meester, had hem bij 't vegen van de school
-gevonden," zeide Jansje.
-
-"Geef hem mij nu maar," zeide haar moeder. "We hebben hem vanmiddag toch
-noodig."
-
-Jansje durfde niet weigeren en gaf den sleutel over. Daar 't pas een
-kwartier over eenen was en ze dus nog vijftien minuten had, voor 't
-halftwee sloeg, ging ze weer naar haar ring zoeken, en dat deed haar
-moeder genoegen, die nog beter haar slordigheid en onordelijkheid kon
-velen dan haar onverschilligheid omtrent iets, dat weg was; en toen ze
-van de middagschool terugkwam, ging moeder met haar aan 't uitpakken der
-laden. Jansje moest toch zelf bekennen, dat de rommel meer dan erg was.
-Haar moeder pakte la voor la uit, maakte die schoon, liet Jansje haar
-goed netjes opvouwen en wees waar ze 't leggen moest. Ook de naaidoos
-werd weer keurig ingepakt en in een hoekje van de la gezet.
-
-"Bevalt je nu zulk een la niet beter dan zoo'n overhoop liggende boel?"
-vroeg haar moeder. "Als je nu 't een of ander moet krijgen, b.v. een
-halsdoek, dan kun je 't wel in het donker doen. Kom, nu gaan we de
-kleerkast opredderen."
-
-Ook deze werd leeggehaald, schoongemaakt en weer in orde gebracht.
-Eindelijk kwam ook de boekenplank aan de beurt, en toen zag 't kamertje
-er allerliefst uit, zoodat Jansje er zelf schik in had.
-
-"Was nu ook de ring maar terug!" zeide Jansje.
-
-"Ja kind! Elk gevolg van je slordigheid is niet zoo licht weg te nemen
-als 't maken van je jurken, het opredderen van je kast en chiffonnière
-en het terugvinden van een sleutel! Misschien komt de ring nog wel hier
-of daar vandaan. Men kan 't soms niet weten!"
-
-Door deze taal harer moeder bemoedigd, voelde Jansje zich wel eenigszins
-geruster.
-
-"Weet u er ook wat van, Moe?" vroeg Jansje. "Ik geloof het wel."
-
-"Hoe zou ik er iets van weten, Jansje?" antwoordde juffrouw Klimveld,
-verwonderd. "Ik zou je maar raden goed te zoeken."
-
-"Ja, Moe, dat zal ik doen," antwoordde deze geduldig; en haar moeder
-kreeg bijna medelijden met haar. Zij begreep echter, dat zij zich goed
-moest houden, wilde zij haar kind verbeteren. Zij ging dus naar beneden
-en zeide tegen Griet: "Hoor eens, je moet volstrekt niet meer met Jansje
-over den verloren ring spreken; ik wil eens zien, hoe zij er zich onder
-zal houden."
-
-"Goed, juffrouw," zeide Griet en ging weer aan haar werk.
-
-'t Werd schooltijd, en Jansje moest dus weg. Zij ging met een bedrukt
-hart en kwam op haar tijd in de klasse. Zij keek bedrukt en treurig, was
-stil en maakte bedaard haar werk af. Dit verwonderde haar
-vriendinnetjes, want die waren dit niet van haar gewend, daar zij den
-naam had van een prettige vroolijke meid te zijn, en doorgaans nog al in
-trek was.
-
-"Wat zou Jans schelen," fluisterde Sijtje, terwijl zij Cato een stomp
-gaf. "Weet jij het ook?"
-
-"Misschien is zij boos, dat ik niet op haar gewacht heb, toen ik naar
-tante ging," antwoordde de gevraagde. "Maar ik kon toch niet zoo lang
-wachten, want dan zou Moe niet geweten hebben, waar ik bleef."
-
-"Zou je denken, dat zij daarom zoo stil is?" zeide Sijtje. "Hé, anders
-is zij toch zoo kwalijknemend niet."
-
-"Ja maar, vergeet niet dat wij kersen zouden gaan eten, en dat zij dus
-die smulpartij is misgeloopen," gaf Cato ten antwoord. "'t Spijt me nu
-eigenlijk wel, dat we niet wat kersen voor haar hebben meegebracht, want
-ze houdt er dol veel van."
-
-"Als we er maar aan gedacht hadden," fluisterde Sijtje; "we hadden ze
-best in onzen zakdoek kunnen knoopen: ik had een schoonen in mijn zak."
-
-"'t Is dom van ons, en eigenlijk niet aardig ook," zeide Cato met
-zelfverwijt. "Jansje is nog al mijn vriendin, en dus had ik haar dat
-pleiziertje wel aan kunnen doen."
-
-"Meisjes, stilte!" werd er nu geroepen, en dus durfden zij het gesprek
-niet langer voortzetten; zij namen zich echter voor, om dadelijk na
-schooltijd Jansje naar de oorzaak harer bedruktheid ronduit te vragen.
-Nauwelijks waren de lessen dan ook afgeloopen, of Cato en Sijtje stonden
-naast Jansje.
-
-"Zeg eens, Jans," begon Cato, "ben je boos, omdat ik laatst niet op je
-gewacht heb? Zeg het me dan maar ronduit, want ik vind het naar, als je
-er over loopt te pruilen."
-
-"Ja, Jans," viel nu Sijtje in, "'t spijt ons erg, dat wij er niet aan
-gedacht hebben om wat kersen voor je mee te brengen! Maar heusch,
-meidlief, wij hebben er niet aan gedacht."
-
-"Och, Sijtje, och Cato, ik ben zoo ongelukkig," barstte Jansje nu los.
-
-"Omdat je geen kersen hebt gehad?" riepen de vriendinnetjes verwonderd
-uit.
-
-"Ik denk niet om de kersen," antwoordde Jansje snikkende; "daarom ben ik
-volstrekt niet boos, dat weet jelui toch ook wel. Maar boos ben ik ook
-niet, of 't moest op mezelf zijn! O! ik wou dat ik netter was, ik wou
-dat ik niet zoo'n akelig, slordig schepsel was!"
-
-"Wat is er dan?" vroeg Cato belangstellend. "Kom Jans, vertrouw ons je
-verdriet toe. Sijtje en ik zullen je zooveel mogelijk troosten."
-
-"Ja, vertel het gerust, Jans! Of wil je het liever aan Cato alleen
-zeggen; dan zal ik wel op zij gaan," zeide Sijtje goedhartig.
-
-"Je moogt het ook wel hooren, Sijtje; dan zul je eens begrijpen, wat een
-verdriet ik heb, en dan zie je me misschien nooit weer aan," zeide
-Jansje treurig. "Begrijp eens: je weet immers wel, dat ik na vaders dood
-zoo'n beelderig ringetje heb gekregen, met een juweelen steentje er in
-en vaders haar er omgevlochten? Nu, dat ringetje ben ik kwijt en ik kan
-het nergens vinden. Misschien is het uit het raam gevallen, en dan vind
-ik het nooit terug."
-
-"O, Jansje, hoe kon je daar zoo slordig op zijn!" riep Cato verwijtend
-uit.
-
-"Zie je wel, daar heb je het al," riep Jans wanhopend uit. "Zeg, Sijtje,
-hoe vind jij het wel?"
-
-"Erg aardig kan ik het nu niet vinden," antwoordde Sijtje, "maar 't is
-misschien zoo erg niet, als je denkt. Heb je wel goed overal gekeken, in
-alle hoekjes en gaatjes gezocht?"
-
-"Ik weet wat, Jans," zeide nu Cato; "laten wij beiden met je mee gaan
-zoeken: zes oogen zien meer dan twee. Wat zeg jij er van, Sijtje?"
-
-"Mij goed," antwoordde deze, "als ten minste Jans het goedvindt en
-juffrouw Klimveld er niets tegen heeft."
-
-"Ik zal het even aan moeder gaan vragen," zeide nu Jansje, die weer een
-weinig hoop begon te koesteren.
-
-In een oogenblik was zij weerom met de tijding, dat moeder het heel goed
-vond. Zij gingen met haar drieën naar binnen, en nu bedacht Jansje
-eensklaps, hoe gelukkig het was, dat moeder haar kamertje juist had
-opgeredderd, want, als haar vriendinnetjes in zulk een vreeselijken
-rommel hadden moeten komen, als het den vorigen dag was geweest, dan zou
-zij zich de oogen uit het hoofd geschaamd hebben.
-
-"Hier de trap op," zeide Jansje, "en dan de deur links, dat is mijn
-kamertje."
-
-Een uitroep van verrassing ontglipte aan Sijtjes lippen, toen zij
-binnentrad. 't Zag er dan ook lief uit. De zon scheen zoo vriendelijk
-naar binnen en de bloempotten, die nu sedert een paar dagen water hadden
-gehad, lachten haar tegen. Alles zag er zoo gezellig en prettig uit dat
-het geen wonder was, dat Sijtje zoo verrukt was.
-
-"Wel, Jansje, wat heb je hier een allerliefst kamertje!" riep Sijtje
-uit. "Hè, als ik er ook eens zulk een had!"
-
-"Heb jij geen eigen kamertje?" vroeg Jansje verwonderd. "Je bent toch
-even oud als ik."
-
-"Ja maar, jij bent alleen, en wij zijn met ons zevenen," antwoordde
-Sijtje vroolijk. "Wij mochten wel een paleis hebben, als wij allen eigen
-kamertjes hadden. Ik slaap met Keetje en Mina in een tusschenkamer, -- je
-weet wel, die het licht uit dat steegje krijgt," voegde zij er bij.
-
-"En wat ziet alles er keurig netjes uit," riep Cato uit. "Jansje, ik
-geloof heusch, dat je je verbeterd hebt!"
-
-Jans zuchtte diep, zoo diep zelfs, dat Sijtje, die voor het raam stond,
-er van opkeek.
-
-"Wel Jans, dat is geen reden om te zuchten," zeide zij lachend. "Je
-moest integendeel van louter pret over die verbetering dansen. Maar
-neen," voegde zij er ernstiger bij, "ik kan me wel begrijpen, dat je
-daar nu geen pleizier in zoudt hebben. Laten wij nu maar eens gauw aan
-'t zoeken gaan."
-
-"Ja," zeide Cato. "Weet je wat we nu moesten doen? Ieder moet om de
-beurt in een hoek of la zoeken, wat de een niet ziet, ziet de ander
-misschien. Ik zal de bovenste la nemen, en Sijtje bijvoorbeeld de
-schoorsteenmantel; dan komen we er vanzelf. Ik beloof je, dat ik alles
-weer even netjes in de la zal leggen."
-
-"Neen, de la behoef je niet na te kijken," zeide Jansje nu, "want die
-heb ik gisteren al met moeder opgeredderd; daarom is zij zoo netjes:
-gisteren zou je er mij geen prijsje voor gegeven hebben."
-
-"Nu, dan zal ik onder de chiffonnière kijken," zeide Cato vol moed.
-
-"En ikzelf zal eens in dien hoek bij de bedstede zoeken," zuchtte
-Jansje.
-
-Weldra waren zij alle drie druk aan 't zoeken.
-
-"Hè, dat is om warm te worden," zeide Cato blazend. "Hier zie ik hem
-niet; misschien ligt hij tusschen de bloempotten. Wacht laat ik eens
-kijken. -- Wat is dat?" riep zij eensklaps uit.
-
-"Heb je hem?" werd er nu in koor door de beide anderen geroepen.
-
-"Ach, neen, maar ik dacht het heusch," zeide Cato. "Zie eens, dat gele
-blaadje lag half onder den pot, en toen de zon er op scheen, dacht ik
-heusch, dat het de ring was, zoo glinsterde het."
-
-"Ja, maar ik vrees, dat jelui evenmin den ring zult vinden als ik,"
-zuchtte Jans. "Laten wij maar eens naar den tuin gaan, want hier is hij
-toch niet."
-
-"Nu, dan maar naar beneden," zeide Sijtje. "Ik zou hier wel den geheelen
-dag kunnen blijven zitten, zoo lief vind ik het hier," voegde zij er
-bij. "Wel meisje, wat ben jij een gelukskind, dat je zoo'n lief mooi
-kamertje hebt!"
-
-"Ik, een gelukskind!" zeide Jansje. "Nu dat meen je niet. Ik ben ten
-minste op 't oogenblik zoo diep ongelukkig, als je maar denken kunt."
-
-"Maar ik begrijp niet, hoe je den ring verloren hebt," zeide Cato. "Is
-hij van je vinger gegleden?"
-
-"Neen; ik geloof, dat hij weg is geraakt, onderwijl ik mijn handen
-wiesch," antwoordde Jansje. "Ten minste ik kan het mij anders zelf niet
-begrijpen; hij was mij niets te wijd, maar paste precies."
-
-Onderwijl waren de vriendinnetjes in den tuin gekomen.
-
-"'t Zal een werk zijn om hem te vinden, als hij hier is," merkte Sijtje
-aan. "Jongens, als hij tusschen het gras is gevallen, zie ik er geen
-kans op, maar 't is te probeeren."
-
-Weer begonnen de meisjes ernstig en ijverig te zoeken, maar natuurlijk
-zonder gevolg. Nu zult ge het misschien niet aardig van juffrouw
-Klimveld vinden, dat zij Cato en Sijtje zooveel noodelooze moeite liet
-doen, en dat speet haar ook wel; maar wat kon ze er aan doen? Als zij
-het aan de meisjes gezegd had, dan zou zij haar plan op hebben moeten
-geven, en zij wilde zoo graag Jansje verbeteren.
-
-Na een poosje zeide Cato:
-
-"Hoor eens, Jans, 't spijt me wel, maar ik moet naar huis, want straks
-is het etenstijd, en je weet wel, dat moeder graag heeft, dat ik precies
-op mijn tijd thuis kom."
-
-"'t Is mijn tijd ook," voegde Sijtje er bij. "Ik zal straks nog eens
-weeromkomen, om weer te zoeken, en dan komt Cato zeker ook mee."
-
-"Wel zeker," zeide deze. "Nu tot straks, Jans; eet lekker. Misschien
-vind je den ring in dien tijd wel."
-
-Zij lekker eten! Neen 't was alsof de stukken haar in de keel bleven
-steken. Moeder vroeg haar, wat haar mankeerde; maar zij kon niet
-antwoorden. Eindelijk kreeg het medelijden toch de overhand bij de goede
-vrouw, en zeide zij:
-
-"Ik geloof, dat het om den ring is, dat je niet kunt eten, Jansje."
-
-"Ja, Moe," antwoordde deze haperend. "O, ik vind het nu zoo
-verschrikkelijk, dat ik hem verloren heb. De gedachtenis van mijn lieven
-vader!"
-
-"Nu, Jansje," zeide haar moeder, "ik zal je dan maar uit de ongerustheid
-helpen. Ik zie wel, dat je er wezenlijk en oprecht spijt van hebt. Griet
-heeft hem in den tuin gevonden. 't Was waarlijk een geluk, dat ze hem
-zag liggen; want als dat niet het geval geweest was, dan was hij onder
-de aarde geraakt en weg geweest. En nog een geluk, dat hij niet
-voortgerold is, want dan was hij onder 't gras terechtgekomen en nooit
-weer teruggevonden."
-
-"O, hoe gelukkig, Moe!" riep Jansje uit. "Waar is hij?"
-
-"Hou wat, Jansje!" hernam haar moeder. "Aan kinderen, die zoo slordig
-zijn als jij, vertrouwt men geen juweelen ringen toe. Tot hiertoe heb ik
-je maar met je slordigheid laten begaan, daar ik zag, dat al mijn
-vermaningen toch niet hielpen. Je hebt gisteren gezien, waartoe de
-slordigheid leidt; en ik verzeker je, dat het maar een klein proefje is
-van 't geen er uit kan voortkomen. Slordigheid is niet alleen een
-hatelijke en afzichtelijke ondeugd, -- ze is ook hoogst gevaarlijk, want
-menigeen is door haar tot armoede vervallen. Zeg nu: wil je doen, wat
-je reeds gisteren beloofdet en van nu af aan beginnen, je op orde en
-netheid toe te leggen?"
-
-"Ja, Moe! als u me helpen wilt," zeide Jansje.
-
-"Welnu, dat wil ik doen," antwoordde haar moeder.
-
-"Elken morgen, eer je naar school gaat, gaan we samen je kamertje
-bekijken en brengen terstond in orde wat maar eenigszins verkeerd ligt.
-Zoodra je thuis komt, maak je je werk en leer je lessen voor de school,
-en dan worden de boeken, welke je den volgenden morgen mee naar school
-moet nemen, behoorlijk klaargelegd. Het minste torntje in je goed wordt
-terstond gemaakt; een torn of een winkelhaakje, dat men laat zitten,
-wordt een groote scheur. Beloof je me dat?"
-
-"Ja, Moe!" zeide Jansje, terwijl ze haar moeder een kus gaf.
-
-"Welnu," zei de moeder. "Morgen over drie maanden word je twaalf jaren.
-Wanneer je dan een knappe, nette meid bent, krijg je vaders ring terug
-en laat ik een van zijn portretten in een lijstje zetten, en dat mag je
-dan op je kamer hangen!"
-
-"O, heerlijk!" riep Jansje uit. "Nu, Moe! u zult eens zien, of ik mij
-niet verbeter!"
-
-Van dien dag af begon Jansje zich werkelijk te verbeteren. Maar 't ging
-niet zoo gemakkelijk, als ze 't zich wel had voorgesteld. De slordigheid
-was reeds te diep in haar geworteld.
-
-Doch dat haar moeder haar hielp, was een groote steun. De eerste morgens
-was er nog al wat te verbeteren, maar langzamerhand kreeg alles zulk een
-vaste plaats, dat ze 't wel in het donker kon vinden. Als ze soms thuis
-kwam en weer dadelijk uit wilde gaan, was het:
-
-"Jansje! Je weet, wat de afspraak is: eerst je werk maken en je lessen
-leeren!"
-
-In den beginne had Jansje er wat spijt van, dat ze die afspraak gemaakt
-had, maar langzamerhand vond ze het toch veel pleizieriger, dat ze eerst
-haar werk afdeed en haar lessen leerde; want het was of ze nu veel
-lichter was en meer pleizier had. Ook op haar kleeding bleef ze nog
-eenigen tijd slordig, maar moeder hield voet bij stuk en zette haar
-terstond aan 't herstellen.
-
-'t Was een heele tijd, drie maanden: dertien weken! Maar er was ook een
-heele tijd toe noodig. En toen eindelijk Jansjes verjaardag kwam, en ze
-'s morgens haar oogen opendeed, -- toen hing daar 't photographisch
-portret van haar lieven vader in een mooie vergulde lijst, en op dat
-portret hing de juweelen haarring aan een keurig lint.
-
-Spoedig sprong Jansje uit haar bed, kuste portret en ring, wiesch zich,
-kleedde zich netjes aan en wilde juist naar beneden snellen, toen haar
-moeder de deur opendeed en haar in heur armen sloot.
-
-"O, Moe! Ik dank u! Ik dank u!" zeide Jansje. "Wat hebt u mij gelukkig
-gemaakt!"
-
-"Je bent het nu waard, Jansje," zeide haar moeder, "want je hebt er
-schik in gekregen om alles in orde te houden."
-
-"O, ja! dat heb ik! En ik vind het vrij wat pleizieriger om netjes te
-zijn en ordelijk, dan slordig!"
-
-"Geloof me, lieve: daar zul je je altijd wel bij bevinden," hervatte de
-moeder. "En is 't niet veel pleizieriger, dat de menschen op het dorp
-tegenwoordig tegen mij zeggen: "Juffrouw Klimveld, wat heb je een nette,
-knappe dochter," dan dat ze je vroeger met vingers nawezen en je
-nariepen:
-
- JANSJE DE SLODDERVOS!"
-
-
-
-
- [Illustratie]
-
-ANNES KANARIETJE.
-
-
-I.
-
-HOE ANNE AAN HAAR KANARIEVOGEL KWAM.
-
-Ze was zeven jaren oud, de kleine Anne, en ze had nooit een broertje of
-zusje gehad. Dit had haar, toen zij nog klein was, nooit gehinderd of
-verdriet gedaan, maar toen zij zoo langzamerhand zeven jaren werd, vond
-zij het toch wel akelig dat andere kinderen broertjes en zusjes hadden
-en zij niet. Zij verlangde erg naar den tijd, dat zij naar school zou
-gaan en dan vriendinnetjes zou krijgen, en menigmaal vroeg zij dan ook
-aan haar moeder, wanneer dat zou gebeuren.
-
-"Ja, lieve Anne," zeide de goede vrouw dan, "als de zomervacantie
-voorbij is, zul je naar school gaan. Maar ik vind het niets prettig, dat
-mijn lieve meisje dan den geheelen dag de deur uitgaat."
-
-"En waarom niet, Moe?" vroeg zij.
-
-"Wel, bedenk eens, dan ben ik den heelen langen dag alleen, en heb zoo'n
-aardig snapstertje niet om mij heen."
-
-"Dat is wel zoo, Moe," zeide Anne nadenkend, "maar ik kom toch thuis om
-te eten en dan den geheelen avond ook; en wat is dat dan niet een
-vreeselijk lange tijd!"
-
-"Nu, Anneke, 't doet mij pleizier, dat je er naar verlangt om te gaan
-leeren," zeide haar moeder. "Want daar verlang je toch zeker ook naar,
-niet waar?"
-
-Anna keek een beetje op haar kleine neusje. Daar had zij nog niet aan
-gedacht, dat zij dan op school moest leeren. Zij vond alleen het
-vooruitzicht maar zoo heel erg prettig, dat zij dan vriendinnetjes zou
-krijgen. Eensklaps zeide zij echter:
-
-"Ja, Moe, ik wil heusch graag wat leeren; dan kan ik u misschien wel
-eens een verhaaltje voorlezen. O, wat zal dat aardig zijn!"
-
-"Of het aardig zal zijn," zeide haar moeder glimlachend.
-
-"En wat zal zoo aardig zijn?" vroeg een stem in de deur.
-
-"O, Pa, is u daar!" riep Anna vroolijk uit. "Ik had u niet binnen hooren
-komen."
-
-"Maar vertel me toch eens, wat er zoo aardig zal zijn," vroeg haar vader
-weder. "Zal ik het ook zoo aardig vinden, of is het iets tusschen mijn
-kindje en haar moeder?"
-
-"Wat dunkt u, Moe?" zeide Anne, schalksch tegen haar moeder knipoogend.
-"Mag Pa er ook bij zijn?"
-
-"'k Zou er Pa ook maar bij laten komen," antwoordde de goede vrouw
-opgeruimd.
-
-"Welnu, dan zal ik 't u zeggen," zeide Anne, naar haar vader toegaande.
-"Ik zei tegen Moe, dat ik, als ik op school ben en lezen kan, haar
-verhaaltjes zal voorlezen, en daar mag u dan ook bij zijn!"
-
-"Dat vind ik heerlijk," antwoordde haar vader. "Nu, Anne, ik verlang al,
-dat je zoo ver bent."
-
-"Ja, Anne zelf verlangt er ook al naar," zeide haar moeder. "Zij wou zoo
-graag vriendinnetjes hebben, omdat zij zoo alleen is."
-
-"Na de zomervacantie gaat zij er heen; tot zoolang moet zij nog geduld
-hebben. En dat wil mijn Anneke ook wel, niet waar?" vroeg haar vader.
-
-"Ja, Pa, maar verbeeld u eens, 't is nu pas April. Hoe komen al die
-weken om!" zeide Anne zuchtend.
-
-"Nu daar zal ik misschien wel wat op weten te bedenken," zeide de goede
-man troostend.
-
-"Weet u wat?" vroeg Anne nieuwsgierig. "Wat dan?"
-
-"Daar moet ik mij eerst op beslapen," zeide haar vader lachend. "Dan
-droom ik misschien wel iets."
-
-Zoo gingen er een paar dagen voorbij, en Anne dacht bijna niet meer
-om hetgeen haar vader haar gezegd had. 't Was in 't einde van April, en
-prachtig mooi weer, een van de zomersche dagen, zooals men dat noemt.
-Anne had achter in den tuin wat gespeeld en kwam nu binnen om eens een
-beetje te babbelen.
-
-"Zeg, Anne, zou je lust hebben om een eindje met mij te gaan wandelen?"
-zeide haar moeder, die wel zag, dat het meisje uitgespeeld was.
-
-"Hè ja, Moe, wat graag! Gaan wij dan achter de buitenplaatsen? Daar
-groeien zooveel mooie bloemen in 't wild," vleide Anne.
-
-"We kunnen dien kant wel opgaan, Annelief," antwoordde haar moeder,
-"maar veel bloemen zul je nog niet vinden, want 't is nog veel te vroeg
-en er zijn te weinig warme dagen geweest."
-
-"Nu dat hindert dan ook niet; laten wij toch dien kant maar opgaan, dan
-weet ik van den zomer goed de plekjes, waar ze kunnen staan."
-
-"Zet je hoed dan maar gauw op, en doe je manteltje om, want 't is nog
-geen weer om zonder mantel uit te gaan; de wind is te scherp," zeide
-haar moeder.
-
-Hoe gauw was Anne niet gekleed en gereed! Zij moest nog even op haar
-moeder wachten, want die moest nog 't een en ander in het huishouden
-beredderen. Weldra echter waren beiden op weg, en Anne was zoo vroolijk,
-dat zij dansende en springende vooruitliep. Na een uurtje gewandeld te
-hebben, gingen zij weer naar huis, want het werd zoo langzamerhand
-etenstijd. Na het eten ging Annes vader uit en kwam een poosje later
-heel geheimzinnig met iets terug. Hij droeg het in een doek en zeide
-tegen zijn dochtertje:
-
-"Je klaagdet er laatst over, dat je zoo alleen waart, en daarom heb ik
-gemeend, mijn Anneke een kameraad te moeten meebrengen, die haar
-gezelschap kan houden, als ze alleen is, en haar vermaken zal door zijn
-lief gezang."
-
-Dit zeggende, deed hij den doek van 't pak af; en Anne zag een
-allerliefst kooitje en daarin -- een prachtigen, gelen kanarie. Haar
-vader zette de kooi voor haar neder, en Annes oogen schitterden van
-blijdschap.
-
-"Is die kanarie voor mij?" vroeg ze, want ze kon niet gelooven, dat dit
-waar kon zijn.
-
-"Ja, Anne." antwoordde haar vader. "Die kanarie is je eigendom, en ik
-hoop, dat je er goed op zult passen ook."
-
-"O, wat een lief diertje!" riep Anne uit, terwijl ze het bekeek.
-"Hartelijk dank, Pa, hartelijk dank!"
-
-En ze sloeg haar armpjes om zijn hals en kuste hem.
-
-"Dat is een aardig speelkameraadje!" zeide ze. "En kan het zingen ook?"
-
-"'t Is nog een jong beestje," antwoordde haar vader. "Maar spoedig zal
-het leeren zingen, en dan zul je eens hooren, hoe mooi het dat doet."
-
-"O, Moe! kijk eens, wat een fijn bekje!" riep Anne uit. "En wat een
-heldere, dottige oogjes! Is 't niet, alsof het mij aankijkt!"
-
-"Ja, Anne," zeide haar moeder. "En ik denk, dat het je wel gauw zal
-leeren kennen."
-
-"O, en dan zal ik het leeren, om uit zijn kooitje te komen en de
-kruimels uit mijn hand te pikken, net als 't kanarietje van Klaartje
-hiernaast doet. Dat vliegt de heele kamer rond, en als ze 't raam
-openzet, vliegt het er niet eens uit."
-
-"Dat laatste zou ik toch vooreerst maar niet wagen, en ook zelfs niet om
-zijn kooi open te zetten, want het mocht eens wegvliegen, en dan was je
-'t kwijt," zei haar moeder.
-
-"En mag ik het nu zelf schoonmaken en eten geven?" vroeg Anne.
-
-"Wel zeker, Anne," antwoordde haar moeder. "En dan mag het op jou
-kamertje hangen."
-
-"O, dat is heerlijk! Dat is prettig!" riep Anne uit.
-
-"Maar dan moet je ook maar alles doen, wat moeder zegt," zeide haar
-vader.
-
-"Nu, dat beloof ik u, Pa!" antwoordde Anne, die haar oogen niet van haar
-kanarietje kon afhouden.
-
-'t Was dan ook werkelijk een allerliefst diertje. Geel als goud, van dat
-mooie heldere geel, en zoo'n lief glad kopje. En dan die vriendelijke
-dottige oogjes, en dat fijne, ivoorwitte bekje, waarmee 't zoo aardig
-langs zijn stokje streek, als wou 't het schoonmaken, of het zaad
-oppikte dat aan den eenen kant van 't kooitje in een bakje was, terwijl
-aan den anderen een glazen fonteintje met helder water hing. 't Beestje
-was nu nog wat schuw; maar dat zou wel spoedig beter worden, zei haar
-vader, als het eerst Anne maar wat kende.
-
-"O, wat een lief kooitje, Pa!" zei Anne, terwijl ze de woning van haar
-kanarietje bekeek.
-
-"Niet waar, Anne?" zei haar vader. "Zoo'n lief kanarietje moet ook in
-een lief kooitje zitten, dacht ik."
-
-"En mag 't nu hier in de kamer blijven, zoolang als ik op ben?" vroeg
-Anne.
-
-"Wel zeker. Ik zal even een hamer en een spijker halen, en dan zullen we
-het daar ophangen. Als je dan aan tafel zit, dan kun je er vlak op
-zien."
-
-"O, dat is aardig! Als ik nu 's morgens wakker word, is 't eerste wat
-ik zie, mijn kanarietje. En als het dan zingen kan, is 't eerste wat ik
-hoor een morgengroet, net of het wil zeggen: Goeden morgen, Anne! Heb je
-goed geslapen?"
-
-"Als het je maar niet wakker zingt," zeide haar vader. "Want de kanaries
-worden zoo vroeg wakker. Reeds met het eerste krieken van den dag."
-
-"Nu, dat zijn vlugge diertjes," zei Anne. "Zoo vlug ben ik niet. Als het
-me dan wakker zingt, ga ik deftig weer slapen."
-
-Haar vader ging nu een hamer en een spijker halen en kwam spoedig terug.
-Hij sloeg den spijker in den muur en hing er 't kooitje aan.
-
-"Kijk, Anne," zeide hij, "nu kun je den kanarie precies zien. Is 't zoo
-nu niet goed?"
-
-"O, heerlijk!" riep ze uit. "Ik denk zeker, dat ik morgen heel vroeg
-wakker ben, uit nieuwsgierigheid om mijn kanarietje te zien. =Mijn=
-kanarietje. Wat een aardig idee is dat, =mijn= kanarietje! Ik ben nog
-nooit zoo rijk geweest. Slaat u nu ook een spijker op mijn kamertje?"
-
-"Dat beloof ik je, en zoo, dat je het uit je bedje zien kunt."
-
-"En nu zet u het toch weer op de tafel, niet waar? Want ik wou het
-vandaag graag dicht bij mij hebben, om het goed te kunnen zien."
-
-"Wel zeker, Anne." antwoordde haar vader. "Als het voor je staat, kun je
-het des te beter bekijken."
-
-'t Was een heel pleizier voor 't lieve kind, haar kanarietje te zien, en
-'t was of ze er telkens iets nieuws aan opmerkte. Zoo vond ze onder
-andere, dat het diertje zulke lieve, fijne pootjes en zulke aardige
-nageltjes had; kortom, ze werd niet moede het te bewonderen.
-
-Zij zou haast eten en drinken vergeten hebben, maar daar dacht moeder
-wel om, want als Anne het eten had vergeten, dan zou zij niet veel
-pleizier van haar vogeltje hebben gehad.
-
-"Moe," zei zij, toen zij er zich een heelen tijd mee geamuseerd had,
-"Moe, zou ik het vogeltje niet even aan Betje hier naast laten zien? U
-weet wel, die oude vrouw; ze is wel doof, maar ze kan toch heel goed
-zien, hoe mooi geel het is, en het zingt toch nog niet."
-
-"Ga voor mijn part je gang," antwoordde haar moeder vriendelijk; "'t
-oude mensch zal er misschien wel schik in hebben. Maar zet je hoed op,
-want 't is veel kouder, dan het geweest is."
-
-"Hé, Moe, voor dat kleine eindje, niet meer dan een voetstapje!" riep
-Anne uit.
-
-"Dat is wel zoo, maar in dat oogenblikje kun je toch best kou vatten, en
-ik zou niet graag willen, dat je ziek werd," antwoordde haar moeder.
-"Daar is je hoed, en nu dit dasje om. Zie zoo, maak nu maar gauw, dat je
-wegkomt, maar blijf niet te lang, want je weet dat bedtijd niet zoo ver
-af is."
-
-"Ik zal er aan denken, Moe," riep Anne vroolijk en sprong met haar
-kooitje in de hand de kamer uit.
-
-Toen zij bij de oude vrouw kwam, werd zij erg vriendelijk ontvangen,
-want deze had wat graag, dat zoo'n lief, vroolijk meisje haar eens op
-kwam zoeken.
-
-"Wel, kind, daar doe je goed aan, dat je eens over komt wippen. En wat
-heb je daar? Een kooitje met een kanarie er in, wel, wel! Of vader en
-moeder ook gek met hun Anneke zijn," zeide de oude vrouw.
-
-"Ja, Betje, vind je het geen lief diertje?" riep Anne zoo hard ze kon,
-want Betje was immers doof. "Ik heb het van vader gekregen, die het voor
-mij heeft gekocht."
-
-"Hing het beestje in den tocht? Daar moet je vooral op passen," zeide de
-oude vrouw hoofdschuddend. "Bedenk, dat die diertjes heel teer zijn."
-
-"'t Hing niet in den tocht, Betje; ik zei, dat vader het voor mij
-gekocht heeft," riep Anne nu.
-
-"Zoo, heeft je vader het gekocht?" zeide de oude vrouw. "Ja, zie je,
-kind, ik ben een beetje hardhoorend."
-
-"Vind je het niet een mooi beestje?" vroeg Anne luid. "Hoe zacht en geel
-zijn de veertjes; en vader zegt, dat het mooi zal gaan zingen ook!"
-
-"Zingt het, al hangt het in den rook," zeide Betje, die haar weer half
-verstond. "Dat is er toch niet goed voor; breng het diertje dan liever
-bij mij: het rookt hier nooit. Of ik zou het maar op mijn eigen kamertje
-hangen; daar is toch geen schoorsteen," riep het oude mensch.
-
-Met veel moeite bracht Anne haar nu aan 't verstand, wat zij bedoelde,
-maar daardoor was het zoo laat geworden, dat zij naar huis moest.
-
-"Nu, Betje, ik ga naar huis," riep Anne; "moeder zei, dat ik niet te
-lang moest blijven, en bovendien ik verlang al om mijn kanarietje op
-mijn eigen kamertje te zien hangen. Dag, Betje!"
-
-"Dag, Anneke," zeide de oude vrouw, die haar nu meer begreep dan
-verstond, want al schreeuwde zij nog zoo, haar stemmetje was veel te
-fijn, dan dat de oude vrouw haar zou kunnen verstaan. Zij konden het
-echter altijd goed met elkaar vinden, want Betje hield veel van haar.
-
-Toen zij thuis kwam, ging moeder met haar mee naar boven en hing de kooi
-op.
-
-Haar vader was recht gelukkig, dat hij 't kanarietje voor haar gekocht
-had. 't Was hem heel toevallig in de handen gekomen en hij had er niet
-eens heel veel voor gegeven. Hij was namelijk bij een kennis geweest,
-wiens kanarie gebroeid had en die hem een der jongen voor weinig geld te
-koop aanbood.
-
-"Dat wil ik graag aannemen," had hij gezegd. "Maar dan moet ik eerst een
-kooitje koopen."
-
-En toen hij dat gedaan had, was hij bij zijn vriend teruggekomen; en
-deze had den mooisten vogel uit het nest uitgezocht, omdat het voor de
-lieve Anne was, en een mannetje, opdat het zou leeren zingen. Want de
-wijfjes-kanaries of poppen, zooals men ze noemt, zingen niet; ze piepen
-maar "pie, pie!" en anders hoort men van haar niet.
-
-Nu werd de kooi in een rooden zakdoek gepakt, en verheugde de goede man
-zich al in de verrassing, welke hij zijn Anne bereiden zou. We zagen 't,
-hoe gelukkig hij haar maakte en hoe ze met zijn geschenk in haar schik
-was. En 't mooiste van alles was, dat het geen present was waar de
-aardigheid gauw af was, maar een, dat haar alle dagen liever zou
-worden. Den geheelen dag stond haar mondje niet stil van den kanarie;
-en haar moeder was blij, dat ze zoo'n afleiding had, want ze wist heusch
-niet hoe ze haar den geheelen dag bezig zou houden. Dat kon nu wel eens
-een paar uurtjes met haar pop gaan, maar toch den geheelen dag niet.
-
-Met de oogen op haar kanarietje gericht viel ze in slaap, en zeker
-droomde ze 's nachts wel van kanarietjes. En toen ze 's morgens wakker
-werd en haar oogjes opsloeg, was 't eerste wat ze zag, haar kleine
-lieveling, die haar met zijn "pie! pie!" goedenmorgen toeriep. Ze
-praatte met haar diertje, en dan was 't net, alsof het haar antwoord
-gaf!
-
-Van dien dag af verveelde Anne zich niet meer, en vlogen de dagen om,
-want elk oogenblik ontdekte zij nieuwe deugden in haar vogeltje, die zij
-dan aan haar moeder of aan de oude Betje ging vertellen.
-
-
-II.
-
-HOE ANNES KANARIETJE HET MAAKTE.
-
-Annes ouders woonden op een dorp, waar haar vader timmerman was.
-Ofschoon een timmerman op een dorp niet zooveel verdient als in een
-stad, had hij toch een fatsoenlijk bestaan en woonden ze in een lief
-huis, waaraan de werkplaats in een groote houten schuur was gebouwd. Een
-aardig klein tuintje lag achter het huis, en in dat tuintje kon Anne
-zich best amuseeren, vooral des zomers, als er mooie bloemen in stonden.
-Annes kamertje zag op dien tuin uit, en 's morgens scheen het zonnetje
-door haar raam, en als ze het dan openzette, hoorde ze de vogeltjes in
-de boomen kwinkeleeren.
-
-Maar 't liefste van alle vogeltjes was haar kanarietje, dat haar elken
-morgen begroette, en nu niet meer met zijn "pie! pie!" O, neen, 't begon
-langzamerhand al wat te zingen, nog wel niet veel en lang na elkander,
-maar toch van week op week al mooier. Haar vader zei, dat het diertje
-heel mooi zou zingen, als het oud genoeg was, en werkelijk deed het er
-zijn best genoeg toe om zich te oefenen en 't was soms, als luisterde
-het naar de in den grooten boom bij 't huis zingende vogels, om te
-hooren, hoe die het wel deden.
-
-Van al haar speelgoed was haar kanarietje haar toch het liefst, en haar
-moeder had haar geleerd, hoe ze het kooitje schoonmaken moest, 't water
-uit het fonteintje doen, en er versch ingieten, en hoe ze het zaadbakje
-schudden en afblazen en er weer nieuw zaad bijvoegen moest. En 't was,
-alsof het diertje haar kende, want het deed niet zooals andere kanaries,
-die als men ze schoonmaakt blazen en bijten en hun veeren opzetten, -- o,
-neen 't was, alsof het zich dankbaar betoonde, dat Anne zijn kooitje
-weer zoo lekker frisch maakte en 't versch water en nieuw zaad gaf.
-Eenmaal 't weeks en wel des Zaterdags maakte zij het schoon, en moeder
-had een vasten dag daarvoor gesteld, opdat ze 't niet vergeten zou. Dan
-kreeg ze ook van moeder een klontje witte suiker, en daar was ons
-kanarietje zoo mee in zijn schik; daar pikte het in en dan was 't net,
-alsof hij met zijn kopje knikte, en of hij zei: "Dank je wel, lieve
-Anna! O, wat ben je toch goed op mij!"
-
-Maar 't werd hoog tijd, dat Anne wat zou leeren en naar de dorpsschool
-zou gaan.
-
-Anne was er, zooals wij weten, wat mee in haar schik, want zoo'n heelen
-dag spelen beviel haar al lang niet meer, en ze zou nu met de andere
-meisjes van haar leeftijd naar school gaan en bij haar zitten. En moeder
-vond het ook heel prettig, want ze merkte wel, dat Anne zich van tijd
-tot tijd begon te vervelen. Geen wonder ook voor een meisje van zeven,
-bijna acht jaren, dat geen broertje of zusje heeft om mee te spelen. 't
-Werd voor haar een toer, om den geheelen dag door te brengen, en daarom
-was ze heel blij, toen haar vader tot haar zeide: "Anne, je gaat morgen
-naar school!"
-
-"O, dat vind ik heerlijk, Pa!" zeide zij. "Ik heb er al naar verlangd.
-Dan zal ik vragen of Suze en Keetje en Betje mij 's morgens komen halen;
-en wat zal dat aardig zijn, als ik daar dan bij al de meisjes van ons
-dorp zit, en lezen en schrijven leer."
-
-Den eersten dag vond ze het toch al heel vreemd op school; want, al
-kende ze ook de meesten der dorpsmeisjes, ze zat, omdat ze nog geen _a_
-voor een _b_ kende, onder veel kleinere kinderen dan zij was. 't Kwam
-omdat ze zoo achteruit was. Maar Anne was een slim en vlug kind. Ze
-vroeg aan den meester, om het leerboek mee naar huis te nemen en toen
-verzocht ze haar moeder, om bij haar te mogen opzeggen en de volgende
-les te leeren. Als ze dan op school kwam, zei ze tegen den meester:
-"Meester, ik ken die les al," en dan was de man er geducht over
-verwonderd. Het gevolg daarvan was, dat ze heel spoedig zoover was, dat
-ze in een andere klasse werd overgeplaatst en nu bij meisjes zat, die
-meer met haar in leeftijd overeenkwamen. Dat vond ze recht pleizierig;
-en, nu ze eens begonnen was, met zoo haar best te doen, kon 't niet
-anders of ze bleef goed vorderen, zoodat ze zeker een van de beste
-leerlingen der school was.
-
-Maar met al haar leeren vergat ze toch haar kanarievogeltje niet. Dat
-bleef vóór en na den schooltijd haar uitspanning en genoegen. Niet
-alleen, dat het beestje prachtig zong, zoodat kenners haar vader
-verzekerd hadden, dat het zeven gulden waard was, maar het diertje was
-zoo mak, dat ze zijn kooitje openzette. Dan kwam het er uit en ging op
-haar hand zitten en pikte de kruimeltjes brood of de zaadjes er uit, en
-als het dan genoeg gegeten had, dan sprong het op haar schouder en
-beloonde haar met een alleraardigst deuntje. Ze hield dan ook zooveel
-van het diertje, dat ze het voor alles ter wereld niet zou hebben willen
-missen. 't Zal u dan ook zeker niet verwonderen, dat ze er alle zorg
-voor droeg en dat het nooit aan iets gebrek had.
-
-Onder de menigte vriendinnetjes, die zij op school gemaakt had, behoorde
-ook Emmie, het dochtertje van den burgemeester. Van haar hield Anne het
-meest van allen, en dikwijls, als ze samen van school kwamen en ze vóór
-haars vaders deur stonden, moest Emmie mee naar boven, om haar
-kanarievogeltje te zien. En dat deed Emmie graag, want ze hield ook veel
-van dieren. Maar zulk een lief kanarievogeltje had ze nog nooit gezien.
-Ze hadden thuis wel een paar kanarievogels, die heel mooi zongen, maar
-dat waren zulke nijdige dieren. Als men maar bij hun kooi kwam, dan
-zetten ze hun veeren op en waren erg boos. En als de meid hen schoon
-wilde maken, dan beten ze haar, net alsof ze hun kwaad wou doen, en toch
-meende ze 't goed met hen.
-
-"O, o, wat is je kanarietje toch een lief dier!" zeide Emmie. "Ik heb er
-nog nooit zoo'n lief gezien."
-
-"Ja, Emmie," zeide Anne. "Je zult er ook op de geheele wereld geen zoo
-vinden. En hoe aardig, dat het diertje voor jou ook niet bang is. Maar
-dat komt, omdat je zoo'n lief meisje bent. Dat weten die diertjes ook
-wel."
-
-"Maar het wil toch niet op mijn hand gaan zitten," zeide Emmie.
-
-"Nu, dat is ook geen wonder," hernam Anne. "Al is hij niet bang voor je,
-dan kan hij toch zoo familiaar niet met jou zijn als met mij. Want ik
-ben zijn beste vriendin en daarenboven zijn meesteres."
-
-"Ik zou zoo graag ook zulk een kanarievogeltje hebben," hernam Emmie.
-"Mama zegt echter: we hebben al genoeg aan twee. Nu, als ze aan 't
-zingen zijn, kunnen ze ook leven genoeg maken, dat verzeker ik je!"
-
-Zoo praatten onze beide vriendinnetjes meermalen over Annes kanarietje;
-ook anderen die het zagen vonden het een allerliefst beestje, en
-natuurlijk deed dit Anne goed, want ze had graag, dat men het prees. En
-wie heeft dat niet gaarne van een diertje, dat hij liefheeft!
-
-Toen nu de winter aankwam, zei Annes vader, dat het op haar kamertje
-voor haar kanarietje te koud zou worden, en dat ze het dus in de
-huiskamer moest hangen. En Anne, die niet eigenwijs was zooals sommige
-kinderen, begreep zeer goed, dat haar vader gelijk had.
-
-"De kanaries," zeide hij, "zijn oorspronkelijk geen vogels die in dit
-klimaat thuis behooren; vandaar, dat men ze ook nooit hier in 't wild
-vindt, zooals de musschen, vinken, sijsjes, meezen en andere vogels.
-Lang, heel lang geleden zijn ze van de Kanarische eilanden, dicht bij de
-kust van Afrika, hier te lande gebracht, en sedert zijn ze hier
-langzamerhand zóó aan het klimaat gewend, dat ze ook in deze koudere
-luchtstreek gezond blijven. Maar tegen een vinnige kou zouden ze slecht
-kunnen. En daarom is 't veel beter, dat je je kanarietje van den winter
-in de huiskamer brengt, waar 't voortdurend warm is."
-
-Anne kwam dus, zoodra het koud begon te worden, met haar vogeltje
-beneden, en haar vader hing het kooitje daar aan den wand. 't Was Anne
-wel een heel gemis, dat ze haar lieve kanarie niet meer op haar kamertje
-had, en 't was haar in den beginne of ze minder pleizierig wakker werd,
-nu 't lieve diertje haar geen vroolijken morgenzang toezong, maar
-spoedig was ze er aan gewoon en haastte ze zich om zich te wasschen en
-aan te kleeden. En als ze dan in de huiskamer kwam, dan was 't alsof
-haar vogeltje haar bemerkte, want dan begon het terstond uit volle borst
-te zingen en wel zoo schel, dat men elkander schier niet verstaan kon.
-En dat duurde dan zoolang, totdat Anne op een stoel klom, het kooitje
-opendeed en het er uitliet, waarna het op haar hand kwam zitten en de
-kruimeltjes van haar ontbijt oppikte. Als het dan genoeg gegeten had,
-plaatste 't zich op haar schouder en dan hief 't een zijner schoonste
-liederen aan.
-
-Daarna sloot ze het weer in zijn kooitje en begaf ze zich naar school,
-waar ze nog maar altijd even braaf en vlijtig leerde en daarbij zoo goed
-met de andere meisjes kon omgaan, dat allen veel van haar hielden. En
-dat was vooral pleizierig voor haar, omdat ze geen broer of zuster had,
-met wie ze spelen kon. Daar was ze wel eens verdrietig over, want hoe
-goed vriendinnetjes ook zijn, -- ze zijn niet te vergelijken met broeders
-of zusters, die van den morgen tot den avond bij ons zijn, en ons lief
-en ons leed met ons deelen. Ze was echter nog te jong, om dat in zijn
-geheele uitgestrektheid te gevoelen, en daarom treurde ze er ook niet
-over en gevoelde zich heel gelukkig in de liefde harer ouders en in de
-toegenegenheid harer vriendinnen.
-
-Zoo ging er een gedeelte van den winter om, en 't was een koude winter
-ook, zoodat Anne maar heel blij was, dat ze haar kanarietje in de
-huiskamer gebracht had. 't Beestje bleef dan ook heel frisch en gezond
-en steeds even vroolijk. Doch toen 't voorjaar aankwam, begon 't minder
-lustig te zingen en zette het tusschenbeide zijn veertjes op. Anne
-bemerkte dat en maakte er zich vrij ongerust over. Ze vroeg er haar
-vader naar.
-
-"Maak je maar niet ongerust, lieve Anne," zeide hij. "Je kanarietje is
-aan 't ruien, en dat is nu voor 't eerst; daarom is het heel erg. We
-zullen een roestigen spijker in zijn drinkglas leggen; dat is er goed
-voor, zooals ik wel eens gehoord heb."
-
-"Maar zou 't geen kwaad kunnen, Pa?" vroeg Anne.
-
-"Geen nood, kindlief! Alle vogels ruien om dezen tijd, dat wil zeggen,
-ze verliezen wat van hun oude veeren en krijgen er nieuwe."
-
-"O, dat is aardig," zei Anne.
-
-"Ja, wel aardig en zeer opmerkelijk," zeide Annes vader. "Zoo krijgen ze
-van moeder natuur alle jaren een nieuw rokje, en blijven altijd even
-mooi en keurig; want, in plaats van de oude vederen die zij verliezen,
-krijgen zij er nieuwe voor in de plaats."
-
-"Nu, dat is goedkooper dan wij," zeide Anne. "Want als onze kleederen
-versleten zijn, moeten wij er nieuwe koopen en nog maken ook."
-
-Langzamerhand verloor Annes kanarietje minder veeren en zat het minder
-bol; spoedig begon het weer te zingen en 't was toen, of het zijn scha
-wenschte in te halen en nog eens zoo mooi als vroeger zong. En toen de
-winter over was en de lieve, zachte lente weer aankwam, bracht Anne haar
-lieveling weer op haar kamertje en werd ze 's morgens weer wakker van
-zijn luid gezang, dat hij even opgewekt en prettig als vroeger deed
-hooren.
-
-"O, Moe," zeide ze, "wat ben ik gelukkig, dat mijn lieve diertje nu weer
-geheel beter is. Ik was wezenlijk zoo bang, dat het sterven zou."
-
-"Je ziet, dat je vader gelijk had," zeide haar moeder. "Oudere menschen
-weten veel meer van die zaken dan kinderen. Daarom moet je ons ook
-altijd gelooven."
-
-"Doe ik dit dan niet, Moe?" vroeg ze haar vleiend.
-
-"Ja, dat doe je, en dat is heel verstandig. Blijf het altijd doen, en je
-zult er je steeds goed bij bevinden. Eigenwijze kinderen komen doorgaans
-verkeerd terecht; daar kunnen ze op rekenen."
-
-Nu, eigenwijs was Anne niet, en dat was ook heel verstandig van haar.
-
-
-III.
-
-WAT ANNES MOEDER HAAR VAN OOM FRANS VERTELDE.
-
-Zoo gingen er twee jaren om; Anne was intusschen tien en Emmie, de
-dochter van den burgemeester, elf jaren geworden. De burgemeester, een
-man die veel geld had en graag wenschte dat zijn dochtertje nog wat meer
-leerde dan 't geen ze op de dorpsschool kon te weten komen, had
-besloten, dat Emmie naar een kostschool zou gaan. Reeds lang had Emmie
-dat geweten en 't aan Anne verteld, en ze zag er wel tegen op om het
-dorp en 't huis harer ouders te verlaten en onder vreemde menschen te
-gaan.
-
-"O, Anne!" zeide zij meermalen, "wat zal het mij raar zijn, als ik daar
-bij die vreemde menschen ben, als ik daar 's avonds naar bed ga, zonder
-Pa en Ma een nachtzoen te geven en 's morgens hun bij 't opstaan geen
-goedenmorgen kan zeggen."
-
-"O, ik zou 't verschrikkelijk vinden!" riep Anne uit. "Ik zou 't niet
-uithouden, dat kan ik je verzekeren. Trouwens, vader en moeder zouden 't
-ook niet lang kunnen uithouden; ze zouden mij zeker gauw terughalen."
-
-"Geen wonder: jij bent ook hun eenig dochtertje, ja hun eenig kind, dus
-alles wat ze hebben. Wanneer ik Pa en Ma verlaat, dan houden ze nog mijn
-broertjes en zusjes over; dat maakt groot verschil. Maar weet je, wat ik
-nog erger vind, Anne! 't Is, dat ik jelui verlaten moet en onder vreemde
-meisjes zal komen, die me niet kennen en me misschien uitlachen om mijn
-boersche manieren. Want de meesten zijn meisjes uit de stad en misschien
-wel erge nuffen."
-
-"O, je zult wel spoedig vriendinnen met elkander zijn," zeide Anne. "En
-als je daar onder je nieuwe kornuiten bent, zul je je oude vriendinnen
-wel gauw vergeten en onder die deftige stadsdametjes zullen de
-boerendeerntjes van ons dorp weldra niet meer in tel bij je zijn."
-
-"Neen, Anne, daar hoef je niet bang voor te zijn," zeide Emmie. "Ik zal
-jou en mijn lieve dorpsvriendinnetjes niet vergeten. Daarenboven kom ik
-tweemaal in 't jaar over, -- eens in de groote en eens in de
-kerstvacantie, en dan zoek ik je allen weer op, en dan zullen we, vooral
-'s zomers, weer een heelen boel pret hebben, net als tegenwoordig."
-
-"Nu, dan verlang ik nu al naar de zomervacantie, ofschoon ik daar nog
-bijna een jaar op moet wachten; want je gaat juist na die vacantie naar
-de kostschool, niet waar?"
-
-"Ja, en dat is over veertien dagen," zeide Emmie. "'t Is dus al heel
-gauw, dat we van elkander scheiden zullen! Nog maar veertien dagen! En
-die zijn zoo gauw om!"
-
-En ze waren gauw om, die veertien dagen, en Anne was heel bedroefd, toen
-Emmie haar voor de laatste maal bezocht, en ze klaagde haar verdriet aan
-haar kanarievogeltje, en 't klonk haar net in de ooren, of het diertje
-veel treuriger zong. Maar dat was slechts in haar verbeelding; want hoe
-zou een vogel er gevoel van hebben, als de vriendin harer meesteres haar
-verlaat? Of zoudt ge misschien denken, dat de kanarie het aan Anne zag,
-dat ze bedroefd was? Een hond moge dat merken, en ik geloof, dat die wel
-'t eenige beest is, hetwelk dit doen kan; maar van een kanarie, -- nu,
-dat zou toch ook wel wat veel gevergd zijn.
-
-Intusschen, Anne verbeeldde 't zich, en dat was genoeg.
-
-"Ja, lieveling," zeide ze, "nu is Emmie weg, die zooveel van je hield
-en die je zoo graag hoorde zingen. Je zult ze in lang niet weer zien, de
-lieve Emmie; want ze komt in een heelen tijd niet terug!"
-
-En 't was haar, of haar kanarietje haar verstond, zoo keek het haar aan.
-
-Anne was dien heelen dag niet in haar schik, en 't was alsof haar 't
-eten minder smaakte dan anders. Toen ze 's avonds alleen bij haar moeder
-zat, want haar vader was nog op den winkel, waar 't heel druk was, zag
-deze wel, dat Anne bijzonder stil was en in 't geheel niet zoo opgewekt
-als anders.
-
-"Lieve Anne," vroeg ze, "wat scheelt je toch? Je bent zoo stil. Voel je
-je niet wel?"
-
-"O, lieve Moe!" antwoordde Anne, "mij deert niets."
-
-"Dat moet je nu niet zeggen, kind! Ik heb het al den heelen dag aan je
-gemerkt; ook vanmiddag at je niet met zoo'n smaak als anders. Ik wou er
-je toen niet naar vragen, omdat vader zich dan maar ongerust maakt. Maar
-nu we alleen zijn, moet je 't me eens vertellen, wat er aan scheelt."
-
-"Ach, Moe!" zeide Anne, -- en de waterlanders kwamen voor den dag, -- "ik
-ben zoo bedroefd, omdat Emmie naar de kostschool vertrokken is. Ze was
-zoo'n lief vriendinnetje voor mij."
-
-"Nu, je hebt toch nog vriendinnetjes genoeg onder de dorpsmeisjes," zei
-Annes moeder. "Daar heb je Truitje en Keetje, en . . . . ."
-
-"Maar geen een, van wie ik zooveel houd als van Emmie," zeide Anne.
-
-"Kom, kom, dat verdriet zal wel slijten, Anne," zeide haar moeder. "En
-als Emmie dan eens met de vacantie overkomt, is het des te pleizieriger
-voor je."
-
-"Dat is wel waar, Moe," antwoordde Anne. "'t Zou zeker erger zijn, als
-ik haar nooit terugzag."
-
-"Dat zou het," antwoordde haar moeder. "Als 't je bijvoorbeeld eens
-ging, zooals mij. Ik had een broer, die twee jaren ouder was dan ik, een
-allerliefsten jongen en van wien ik veel hield. Die is eens weggegaan,
-en nooit hebben we weer iets van hem gehoord; zoodat we niet weten, of
-hij leeft dan of hij dood is."
-
-"O, Moe! daar hebt ge me nog nooit iets van gezegd," zeide Anne.
-"Hoe kwam dat?"
-
-"Hoe dat kwam? 't Is een treurige geschiedenis, Anne, maar ik wil je
-haar vertellen. Je moet weten, dat toen ik twaalf en mijn broer Frans
-veertien jaren oud was, we onze lieve moeder verloren. Dat was een heele
-slag voor vader en voor ons. Maar vooral voor Frans, die een
-levenslustige jongen was en dien ze met een vriendelijk woord kon
-regeeren."
-
-"Dan zal hij wel heel bedroefd geweest zijn, toen zijn lieve moeder
-stierf," zeide Anne.
-
-"Dat was hij," hervatte Annes moeder. "Hij had ook zooveel van haar
-gehouden. En 't zou zoo gelukkig voor hem geweest zijn, als hij haar
-behouden had."
-
-"Gij waart toch ook zeker wel erg bedroefd over haar dood?" vroeg Anne.
-
-"Dat kun je begrijpen. Daarenboven was mijn arme vader sedert moeders
-dood zoo terneergeslagen, dat hij steeds in sombere droefheid verzonken
-was. Hij kon zijn verlies maar niet verzetten! Hij had ook zooveel van
-haar gehouden! Daar ik nog te jong was, om zijn huishouden waar te
-nemen, nam hij een huishoudster. We troffen 't slecht. Ze was geen
-pleizierige vrouw, juist het tegenbeeld van onze lieve moeder. Nooit
-kregen we een goed woord van haar, altijd bromde en knorde ze, en dat
-verveelde mijn broer Frans geducht, die nu zoo weinig mogelijk thuis
-kwam. Vader, die den geheelen dag in den winkel zat, -- hij was
-horlogemaker, -- merkte daar weinig van, vooral omdat ze jegens hem
-altijd vriendelijk was. Daarenboven, sedert moeders dood was hij zoo in
-zichzelf gekeerd, dat hij zich weinig of niet met ons bemoeide."
-
-"Die arme grootvader!" zeide Anne. "Was hij zoo bedroefd?"
-
-"Ja, en 't ergst van alles was, dat hij in 't geheel niet op Frans
-lette, die nu langzamerhand kameraden kreeg, welke niet voor hem
-deugden. Ik wist daar niets van; anders had ik hem wel gebeden en
-gesmeekt, om die slechte kameraden te laten loopen; want het spreekwoord
-zegt niet tevergeefs: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet. Had vader
-op hem gelet en had de huishoudster 't hem in ons huis pleizierig
-gemaakt, -- het was nooit zoover met hem gekomen."
-
-"'t Was dan ook wel ongelukkig voor hem," zeide Anne. "Maar klaagde oom
-Frans dan nooit bij zijn vader?"
-
-"Hij had dit wel eens gedaan en ik ook; maar 't hielp niet, en de
-ondeugende vrouw wist er altijd zooveel tegen in te brengen, dat vader
-haar wel moest gelooven en wij steeds de schuld kregen. Daar we nu
-zagen, dat het ons toch niet baatte en we altijd ongelijk kregen en
-daarbij bemerkten, dat vader er maar verdrietig onder werd, besloten we,
-niet weder te klagen en zwegen. 't Ware te wenschen geweest, dat hij
-naar onze klachten geluisterd en ons geloofd had, -- hij zou zich en mij
-vrij wat leed en verdriet gespaard hebben."
-
-"Die arme oom Frans!" riep Anne uit. "Hij moet daar vrij wat verdriet
-over gehad hebben."
-
-"'t Verdriet was nog het ergste niet, wel de omgang met zijn slechte
-kameraads," hernam de moeder. "Had vader niet in zulk een treurige
-gemoedsgesteldheid verkeerd, zeker zou hij er op gelet hebben. Hoe 't
-zij, op zekeren avond kwam je oom niet thuis. Vol onrust en angst
-wachtte ik den geheelen nacht; maar wie er verscheen, Frans niet. Later
-hoorden we, dat hij iets heel verkeerds gedaan had en uit angst voor de
-politie gevlucht was. Sedert hebben we nooit weer van hem gehoord."
-
-"En wat had hij gedaan, moeder?" vroeg Anne.
-
-"'t Was geen zaak van zooveel belang," antwoordde de moeder, "maar ze
-hadden hem bang gemaakt voor ernstige gevolgen, en toen was hij
-gevlucht. We hebben er nooit achter kunnen komen waarheen, hoeveel
-moeite vader ook heeft aangewend. Ach! ware hij slechts
-teruggekeerd; -- alles zou met een kleine moeite zijn afgeloopen, en de
-zaak zou misschien tot zijn verbetering gestrekt hebben!"
-
-"En wat zei grootvader toen wel?"
-
-"De goede man was er wanhopig over, en zag nu maar al te goed in, dat
-hij zich door zijn droefheid te veel had laten beheerschen en meer acht
-op Frans had moeten geven. Maar 't was nu te laat en er was niets meer
-aan te doen. Ik treurde nacht en dag over hem. Hij was inderdaad mijn
-eenige troost geweest in 't verdrietelijke leven, hetwelk ik leidde, en
-dat nu des te verdrietelijker werd, omdat ik niemand had, aan wien ik
-mijn smart kon toevertrouwen."
-
-"En dus denkt gij, dat oom Frans dood is, moeder?" zeide Anne. "Als hij
-nog geleefd had, zou hij toch ten minste wel eens aan u geschreven
-hebben."
-
-"Ik zeg je, dat we nooit weer iets van hem gehoord hebben," hervatte
-Annes moeder. "En toch is 't mogelijk, dat hij nog wel eens geschreven
-heeft, maar dat zijn brieven niet terechtgekomen zijn. Want een half
-jaar na 't verdwijnen van Frans stierf mijn vader, wien deze nieuwe slag
-vreeselijk had aangedaan, aan een kwijnende ziekte, en nu stond ik
-alleen op de wereld. Een oudtante van moeders kant, die in een andere
-stad woonde, nam mij nu tot zich, en dus is 't heel wel mogelijk,
-dat er nog brieven van Frans gekomen zijn, die niet bezorgd zijn.
-Ofschoon -- ik geloof het niet en houd het er voor, dat de jongen dood
-is. 't Is nu bijna twintig jaren geleden, sedert hij ons verliet. En al
-kwam hij ooit terug; -- wie zal hem zeggen, waar ik woon. We hadden in
-mijn geboortestad slechts verre neven en nichten, en die weten niet,
-waar ik gebleven ben. 't Zou hem dus niet licht mogelijk zijn, mij te
-vinden. Maar hij zal wel nooit terugkomen."
-
-'t Waren treurige herinneringen voor Annes moeder geweest, en Anne vond,
-dat zij al heel weinig reden had, om bedroefd te zijn over 't vertrek
-van Emmie, waar haar moeder van zulk een smartelijk verlies gesproken
-had als dat van haar oom Frans.
-
-"O, Moe!" zeide zij, "ik ben blij, dat u mij dat verteld heeft, en ik
-zal mij troosten over 't vertrek van Emmie. Want dat verlies komt in de
-verste verte niet bij dat van mijn oom Frans. Ik zou zoo graag hebben,
-dat hij nog eens terugkwam. Wat zou dat aardig zijn! Dan had ik een
-oom!"
-
-"Dat is nu niet anders, lieve," hernam haar moeder. "En we moeten daarin
-berusten."
-
-'t Binnenkomen van Annes vader maakte een einde aan dit gesprek. Anne
-zelf was nu opgeruimder geworden. Doch ze kon dien nacht niet gauw in
-slaap komen; want steeds stond die geschiedenis van oom Frans haar voor
-den geest: ze zou zoo gaarne eens weten, wat er van haar oom geworden
-was.
-
-En toen ze 's morgens wakker werd, vertelde ze de geheele geschiedenis
-aan haar kanarietje, maar 't beestje scheen er niet naar te luisteren,
-want het zong even luid en schel als anders. Hoe zou ook een kanarie
-luisteren naar de geschiedenis van een jongen, die uit zijn ouders huis
-was weggeloopen!
-
-Maar Anne stortte haar hart voor hem uit, en dat deed haar goed, al was
-'t ook slechts aan een redeloos wezen gelijk haar kanarie, die haar niet
-verstond. Doch moeder had haar verboden, er iets van tegen haar
-schoolkameraadjes te zeggen, en ongehoorzaam zijn wou ze niet; dat zou
-ze niet gedaan hebben, en daarom maakte ze haar kanarie maar tot haar
-vertrouweling, die het wel aan niemand zou oververtellen.
-
-
-IV.
-
-WAT ER OP ZEKEREN NACHT GEBEURDE.
-
-'t Was op zekeren nacht, ruim een half jaar na dit gesprek, dat Anne
-rustig op haar kamertje lag te slapen. De winter was om, 't schoone
-voorjaar was weer aangekomen, en sedert eenige dagen had haar kanarie de
-huiskamer weer verwisseld voor haar eigen kamertje. Hoelang ze reeds
-geslapen had, wist ze niet, toen ze op eens verschrikt wakker werd door
-de stem van haar moeder, die voor haar bed stond, haar wakker schudde en
-uitriep:
-
-"Gauw, Anne! sta op en doe je goed aan."
-
-Eensklaps was Anne opgerezen en schier even gauw het bed uitgesprongen.
-
-"Wat is er, Moe?" vroeg ze.
-
-"Hier schuins over is brand," antwoordde de moeder. "Kom, trek gauw je
-goed aan!"
-
-Anne haastte zich zooveel zij kon, en haar moeder hielp haar. Ze trok
-haar ondergoed aan, nam 't verdere op den arm en was juist op 't punt,
-om de deur uit te gaan, toen ze eensklaps bleef stilstaan, terugtrok en
-uitriep:
-
-"O, Moe! mijn kanarietje! Als dat maar niet verbrandt!"
-
-"Nu, dan zullen we 't meenemen," zeide de steeds angstige moeder, kreeg
-'t kooitje van den spijker en snelde met Anne de trap af. Weldra waren
-zij beneden en daar zagen zij, hoe het huis van den burgemeester in
-lichtlaaie vlam stond.
-
-"Maar, Moe," zeide Anne, "waarom is u toch zoo bang? De brand is immers
-nog ver genoeg van ons vandaan."
-
-"Op 't oogenblik nog wel," antwoordde haar moeder, "maar je kunt niet
-weten; 't is droog weer en de wind is juist dezen kant op."
-
-"Waar is vader toch?" vroeg Anne, verwonderd, dat zij hem niet zag.
-
-"O, vader is al lang weg, om mee te helpen blusschen, Anne. Je begrijpt,
-dat ieder nu mee moet doen," antwoordde haar moeder.
-
-"Ja, Moe, dat begrijp ik," zeide Anne. "Ik hoop, dat Emmie en de andere
-broertjes en zusjes maar gered worden, en de kanarietjes ook. Wat zou ik
-bedroefd zijn, als mijn vogeltje moest verbranden," voegde zij er bij,
-terwijl zij haar vinger tusschen de traliën stak en het diertje over
-zijn kop aaide.
-
-"Maar de kanarietjes zijn toch het ergste niet," merkte haar moeder
-glimlachend aan. "Hé, zie eens, daar komt oude Betje ook aan. Moet je
-ook eens kijken naar den brand?" vroeg zij aan het oude moedertje, dat
-juist binnenkwam.
-
-"Wel, wel, is het bij een klant van uw man?" zeide deze hoofdschuddend.
-"Nu, aan den eenen kant is het goed, dan krijgt hij ten minste weer
-groot werk. Want dat zeg ik maar, een timmerman kun je altijd goed
-gebruiken."
-
-"Burgemeester is wel een klant van ons," antwoordde Annes moeder, die
-niet bemerkte, dat de oude vrouw haar verkeerd verstond. "Maar ik vind
-het toch met dat al maar een angstig ding, die brand in het dorp. Hoe
-licht vallen er stukken vuur!"
-
-"'t Kwam aan in de schuur?" vroeg Betje. "Ja zie je, ik wou graag het
-naadje van de kous weten en daarom kwam ik eens even overloopen. Zeker
-heeft de tuinman een vonk uit zijn pijp in de schuur laten vallen. Ik
-zeg maar, een mensch kan niet te voorzichtig wezen!"
-
-"We weten niet, of de brand in de schuur aangekomen is," riep Anne nu
-zoo hard ze kon. "Vader is er naar toe om te helpen blusschen; als hij
-weeromkomt, zullen we alles wel nader hooren."
-
-"Zoo!" antwoordde Betje, die nu verstond wat Anne had gezegd. "Als u er
-dan niet tegen hebt, buurvrouw, dan wacht ik zoolang tot uw man komt."
-
-"Heel goed," riep Annes moeder, met het hoofd knikkende, "ga dan maar
-zoolang op een stoel zitten."
-
-"Och moe, wat ben ik ongerust over Emmie," zeide Anne na een poosje. "Ik
-zou zoo graag eens gaan kijken, of zij wel gered is!"
-
-"'t Zou wat moois zijn, zoo'n klein meisje met die drukte op straat,"
-antwoordde haar moeder. "Wel, je zoudt misschien overreden worden door
-de brandspuiten. Neen, Anneke, blijf jij maar stilletjes bij mij."
-
-"Dat zal ik ook doen, Moe, maar ik verlang al dat vader thuis komt,"
-antwoordde Anne. "Misschien brengt hij Emmie wel mee," voegde zij er
-bij.
-
-Er verliep een half uurtje en 't scheen, dat men den brand meester was,
-want de vlammen verminderden. Na verloop van dien tijd kwam Annes vader
-in huis.
-
-"Wel, man, hoe is het met den brand?" vroeg Annes moeder. "'t Schijnt
-wel, dat hij vermindert; ten minste ik zou zeggen, dat de vlammen
-bedaren."
-
-"Ja, vrouw, dat is zoo, en daarom kom ik eens even thuis. Foei! is dat
-werken!" voegde hij er bij, terwijl hij met de mouw van zijn jas het
-voorhoofd afveegde.
-
-"Ik heb wat koffie gezet," zeide zijn vrouw nu. "Daar zul je zeker wel
-trek in hebben, en buurvrouw ook?"
-
-"Wat graag," antwoordde haar man. "Ik ben dorstig geworden."
-
-"Vader, is Emmie gered?" vroeg Anne, toen haar vader zijn kopje leeg had
-gedronken.
-
-"Jawel, Anneke. Iedereen is gered. De brand heeft zich gelukkig bepaald
-tot de schuren en een zijvleugel. Wij waren er te gauw bij!" zeide haar
-vader.
-
-"Komaan, dat is een zegen," riep Annes moeder uit.
-
-"Nu behoeft mijn kleine meisje niet zoo ongerust meer te zijn."
-
-Een poosje daarna ging Annes vader weer naar buiten, om eens te zien hoe
-het er mee stond. Hij hielp nu nog zooveel mogelijk meubelen en kostbare
-zaken redden, en aangevuurd door zijn voorbeeld deden de andere mannen
-ook hun best. Eensklaps stond de burgemeester tusschen hen in.
-
-"Wel, mannen," zeide hij, "dank, hartelijk dank, voor 't geen ge
-vannacht voor mij gedaan hebt!"
-
-"Wij willen er geen dank voor hebben, burgemeester," antwoordde Annes
-vader, "'t Spijt ons maar, dat wij niet meer hebben kunnen redden."
-
-"Komt nu allen eens bij mij binnen," hernam de burgemeester; "wij hebben
-'t een en ander klaargemaakt, om u te verkwikken."
-
-Zij gingen naar binnen, en hier vonden zij de vrouw van den
-burgemeester, die hen ook hartelijk bedankte voor de verleende hulp.
-
-Daarna gingen de mannen, die zoo moedig geholpen hadden, naar huis; dus
-ook Annes vader, wiens vrouw en dochtertje recht blij waren, toen ze hem
-zagen.
-
-Er zullen zoo wat acht dagen na den brand zijn voorbijgegaan, toen Annes
-vader er over klaagde, dat hij zoo'n pijn aan zijn rechterhand had.
-
-"Ik begrijp niet wat het is," zeide hij. "Sinds den nacht van den brand
-klopt en gloeit die hand mij van belang. Als er maar geen splinter of
-zoo iets in is."
-
-"Laat mij de hand eens zien," zeide zijn vrouw. "Neen, ik zie er niets
-bijzonders aan, maar men kan niet weten. Zou je er den dokter niet eens
-bij laten komen?"
-
-"Kom, vrouw, zoo erg is het niet," antwoordde hij. "Misschien heb ik
-haar wat verrekt of gestooten; ik zal er vanavond eens een kompres van
-water en azijn op leggen."
-
-Maar wat Annes vader er aan deed, niets hielp, zoodat hij ten laatste
-wel verplicht was er den dokter bij te halen. Deze trok een bedenkelijk
-gezicht en zeide:
-
-"Ik geloof waarlijk, dat er een splinter inzit, en dat is gevaarlijk,
-vooral daar je zoo lang gewacht hebt om mij te laten halen. Ik raad u
-echter de hand goed te laten pappen, want 't gaat natuurlijk zweren."
-
-Zij deden nu trouw wat de dokter zeide, maar 't scheen wel of niets
-hielp, ten minste de ongelukkige hand wou maar niet beter worden.
-Eindelijk zeide de dokter:
-
-"'t Spijt mij, dat ik u zulk een treurmare moet mededeelen, maar ik houd
-het er voor, dat als de wond genezen is, de hand stijf blijft."
-
-Dat was een schrik voor Anne en haar moeder, zooals ge kunt begrijpen.
-Vaders hand stijf en dat van een timmerman! In 't eerste oogenblik
-schreiden allen naar hartelust, maar eindelijk bedaarden zij, en nu zei
-de vader:
-
-"Hoort eens, moeder en Anne, we moeten zoo gauw den moed niet laten
-zinken. Komaan, 't zal alles nog wel schikken. Ik kan wel is waar niet
-meer zoo goed werken, maar de goede God zal wel zorgen, dat wij geen
-gebrek lijden."
-
-"Ja, man, dat is wel zoo," antwoordde Annes moeder, "maar je hebt al
-zooveel klanten verloren in dien tijd, en die nieuwe timmerman op het
-dorp doet ons zooveel nadeel. Waar zullen wij van leven?"
-
-"Kom, geen zorgen voor den tijd; kleine karweitjes kan ik nog wel
-waarnemen," antwoordde haar man; "en dan zullen wij later wel zien, wat
-wij moeten beginnen."
-
-Nu moeten mijn lezers weten, dat er sedert een korten tijd nog een
-timmerman op het dorp was komen wonen, die Annes vader veel schade deed.
-Ge zult wel zeggen, dat het niet heel mooi van de dorpelingen was om
-Annes vader, die altijd zoo goed voor hen gewerkt had, de klandizie te
-onthouden en naar een ander te gaan; maar och! dat gebeurt zoo dikwijls.
-Het spreekwoord, nieuwe bezems vegen schoon is er niet tevergeefs, en
-vooral op een dorp is dat dikwijls het geval. Als Annes vader nu maar
-geld genoeg had gehad om een tijdlang te kunnen leven, zonder dat hij
-werk kreeg, dan zou alles wel terecht zijn gekomen; want als het eerste
-nieuwtje er af was, zouden de oude klanten wel terugkomen. Maar
-ongelukkig had de goede man volstrekt geen geld en moest leven van 't
-geen hij verdiende. Dus werd het al schraler en schraler in huis, en
-verdiende hij nog maar op zijn best zooveel, dat zij rond konden komen.
-Nu zult ge wel zeggen: waarom vroeg hij den burgemeester niet om hulp?
-Hij had hem met den brand toch zoo geholpen. Maar och, dat deed hij ook
-niet graag, en de burgemeester wist niet, dat de timmerman het zoo hard
-te verantwoorden had. Dus leefden zij zuinig en bijna armoedig voort.
-Annes vader trok het zich op 't laatst zoo erg aan, dat hij begon te
-sukkelen. Hij kreeg anderendaagschen koorts, en hoeveel koortskruiden
-hij dronk, niets hielp. Toen de dokter kwam, zag hij wel, dat er voor
-den man geen kruid gewassen was, en op een morgen vond Annes moeder hem
-ingeslapen om nooit weer te ontwaken.
-
-Dat was een heele droefheid in huis, zooals ge kunt begrijpen.
-
-"Moeder," zeide Anne den dag daarna, "waar zullen wij nu van leven?"
-
-"We zullen dit huis, waar wij in wonen, verkoopen, Annelief," antwoordde
-haar moeder, "en dan zal ik zien om naaiwerk te krijgen; dan zullen wij
-er ons, hoop ik, wel doorslaan."
-
-"En dan gaan wij zeker op een kamertje wonen, niet waar, moederlief?"
-vroeg Anne. "Dan neem ik den kanarie mee, en hang dien in 't zonnetje;
-dan vroolijkt hij ons op door zijn gezang, en dat is toch nog een
-gedachtenis aan vader."
-
-"Zeker, Anne, we zullen veel van het diertje houden; want 't is niet
-alleen een gedachtenis van vader, maar ook een mooi, lief beestje,"
-antwoordde haar moeder.
-
-Zij deden zooals zij gezegd hadden, verkochten hun huis, en nu besloot
-Annes moeder haar brood met naaien te verdienen. Eerst betaalde zij den
-dokter, en nu bleef er maar een heel klein beetje over, dat zij voor
-slechte tijden bewaarde.
-
-
-V.
-
-HOE DE KANARIE EEN GROOTE ROL IN ANNES LOT SPEELT.
-
-Sedert dien tijd is er ruim anderhalf jaar verloopen; Anne is nu een
-meisje van twaalf jaren en heeft de school verlaten, om haar moeder
-behulpzaam te zijn. Ze wonen in een heel klein huisje, met slechts een
-kamer en een klein zolderkamertje; want ze hebben 't vrij armoedig.
-
-Toen Annes vader begraven was, bleven ze nog voorloopig bij de doove
-buurvrouw, die er niet van wilde hooren, dat ze naar een ander zouden
-gaan, maar haar wilde houden, tot ze zelf een huisje gehuurd hadden. De
-burgemeester en de notaris, die erg met Anne en haar moeder te doen
-hadden, namen op zich, haar zaken te regelen. Van de meubelen hadden zij
-slechts enkele gehouden.
-
-Met behulp nu van den burgemeester en den notaris had Annes moeder dit
-onaanzienlijk huisje gehuurd, waarvoor zij jaarlijks een heel kleine
-huur betaalde; en zij leefden van het weinige, dat haar overgeschoten
-was, terwijl de weduwe van de notabelen van het dorp naaiwerk kreeg, om
-verder in de behoeften van zich en haar dochtertje te voorzien. En zoo
-hadden ze tot hiertoe tamelijk onbekrompen geleefd, en thans was Anne
-van school gekomen, om haar moeder te helpen.
-
-Wat Annes kanarietje aangaat, dat zong nog steeds even fraai en helder,
-en 't was een troost voor moeder en dochter, die er dikwijls over
-spraken, hoe haar lieve vader er haar voor vier jaren mee was komen
-verrassen.
-
-"Ik zou het voor geen geld ter wereld willen missen," zeide Anne dan
-dikwijls.
-
-"Zoudt ge wel willen gelooven, dat je kanarie mij dikwijls een anderen
-herinnert, dien we thuis hadden, toen mijn moeder nog leefde?" zei Annes
-moeder eens.
-
-"Och, Moe! is 't mogelijk?"
-
-"Dat beest zong net zoo prachtig als dit," antwoordde de moeder. "En
-evenals dit at het uit moeders hand en zette 't zich op haar schouder.
-En wat wonderlijk was: toen moeder gestorven was, begon het kanarietje
-te treuren, kwijnde weg en stierf een half jaar later."
-
-"O, dat moet ook een allerliefst dier geweest zijn," zeide Anne. "Zeker
-net zoo lief als mijn snoesje."
-
-Om haar kanarietje pleizier te doen, bracht Anne het alle dagen naar 't
-kleine bovenkamertje, waar ze, toen ze nog school ging, haar lessen
-leerde en haar werk maakte, want dan zat het in 't zonnetje, en dat vond
-het zoo prettig en dan zong het nog eens zoo hard. En zoo leefden moeder
-en dochter gelukkig samen, toen ze op eens de eerste zware koortsen
-kreeg, en de dokter moest gehaald worden. Deze oordeelde de koortsen
-niet gevaarlijk, maar vreesde slechts, dat ze nog al lang zouden duren
-en haar vreeselijk verzwakken. En dat was een heele beproeving voor Anne
-en haar moeder; want nu kon de goede vrouw geen geld verdienen, en Anne
-was nog te weinig gevorderd in het naaien, dan dat ze 't werk van haar
-moeder had kunnen doen. Na een week of vier verliet haar de koorts, maar
-de zieke was zoo verzwakt, dat ze nog niets kon uitvoeren, en de dokter
-beval versterkende middelen aan.
-
-Toen Annes moeder ziek was geworden, had ze Anne gewezen, waar 't geld
-lag om huis van te houden, en Anne had dat zoo zuinig gebruikt, als
-mogelijk was. Maar zieken vorderen bijzondere uitgaven, en dus was 't
-geld, dat er nog in kas was, op en zou Anne haar lieve moeder geen
-versterking kunnen geven, en dan zou de goede vrouw haar krachten niet
-kunnen terugkrijgen. Wat moest Anne doen? Ze had dezen dag het laatste
-geld uitgegeven; hoe zou ze 't morgen maken? Terwijl ze daar naast haar
-moeder wakker lag, die gerust sliep, en zij den slaap niet vatten kon,
-kwam haar eensklaps een denkbeeld voor den geest. Sedert ze op de
-kostschool was, had Emmie, die daar andere vriendinnen gevonden had,
-minder werk van haar gemaakt, en nu ze tot armoede vervallen was, scheen
-de vriendschap geheel en al te zijn opgehouden. Nu wil ik niet zeggen,
-dat de schuld geheel en al bij Emmie lag; Anne, die gevoelde hoezeer ze
-nu bij haar vroegere vriendin in stand verschilde, had zich ook wel wat
-teruggetrokken. Intusschen, wanneer Emmie haar ontmoette, was ze altijd
-even vriendelijk jegens haar; maar 't was niet meer die innige
-hartelijkheid van vroeger. In één ding was Emmie niet veranderd, en dat
-was in haar bewondering van Annes kanarievogel; en als ze voorbijkwam en
-de kanarie stond voor 't open bovenraam, dan bleef ze altijd luisteren,
-en als Anne haar dan zag, zeide ze: "Ik gaf tien gulden, als ik zoo'n
-vogel had!" -- "Tien gulden voor mijn kanarievogel!" dacht Anne. "Als ik
-tien gulden had, dan kon ik moeder de noodige versterking verschaffen.
-Maar ach! dan moet ik afscheid nemen van mijn lieveling! Dan moet ik de
-eenige nagedachtenis van mijn lieven vader vaarwelzeggen! Doch moeder
-kan toch niet zonder versterking blijven! De dokter heeft het zoo
-bevolen! En is moeder mij niet meer waard dan alle kanarievogels ter
-wereld! Daarenboven -- hij krijgt een goed huis en een lieve meesteres,
-die niet minder van hem zal houden, dan ik van hem hield! 't Moet, -- het
-kan niet anders."
-
-En met deze gedachte sliep ze in.
-
-Den volgenden morgen, terwijl haar moeder nog sliep, volvoerde zij haar
-plan.
-
-"Nu, lieveling!" zei ze, "je krijgt een andere meesteres, maar een
-vriendin, die veel van je houdt en bij wie je 't goed zult hebben."
-
-Dit zeggende, pakte ze de kooi in een rooden zakdoek, dien haar vader
-nog gebruikt had, droogde haar tranen en stapte moedig en vastberaden
-naar 't huis van den burgemeester, waar zij vroeg om juffrouw Emmie te
-spreken.
-
-De meid kwam met de boodschap terug, dat Anne maar in de huiskamer moest
-komen, waar de familie aan 't ontbijt zat. Anne had daar wel niet veel
-lust in, maar ze kon het toch niet weigeren.
-
-Beleefd groette ze allen, toen Emmie naar haar toe kwam.
-
-"Wel, Anne! wat kom je al zoo vroeg doen, en hoe is 't met je moeder?"
-
-"Moeder begint beter te worden; maar ze is nog zwak en moet versterking
-hebben, zegt de dokter."
-
-"Wel, wel! dat heeft zich gelukkig geschikt," zei Emmies mama.
-
-"Ja, mevrouw! Wel gelukkig geschikt!" antwoordde Anne. "Want wat ik
-zonder moeder op de wereld zou begonnen hebben, weet ik waarlijk
-niet. -- Emmie," vervolgde ze tot deze, "je hebt altijd zooveel zin in
-mijn kanarievogel gehad en dikwijls gezegd, dat je er tien gulden voor
-woudt geven. Is je dat ernst geweest, dan kun je hem er voor krijgen."
-
-Meer kon ze niet zeggen; want de tranen schoten haar in de oogen. Ze
-deed den doek van de kooi af, en daar zat hij, de prachtige gele vogel,
-wiens gezang 't geheele dorp in verrukking bracht, zoodat de
-voorbijgangers, als hij voor 't open raam stond, dikwerf bleven staan
-luisteren.
-
-"Maar, Anne," zeide Emmie, "dat kan je geen ernst zijn? Een
-kanarievogel, waaraan je zoo gehecht bent, het laatste geschenk van je
-vader kun je niet verkoopen."
-
-"'t Is mij volle ernst," antwoordde Anne. "Ik zou hem dan ook aan
-niemand verkoopen dan aan u, die even goed voor hem zult zijn, als ik 't
-altijd geweest ben."
-
-Emmie keek haar papa aan, en deze gaf haar een wenk, dat zij het doen
-moest.
-
-"Och, papa! leen mij eens even de tien gulden!" zeide ze.
-
-De burgemeester gaf haar vier rijksdaalders, welke Emmie aan Anne ter
-hand stelde. Zonder verder een woord te spreken haastte Anne zich om weg
-te komen, want ze voelde het, dat ze 't niet langer kon uithouden. Toen
-ze dan ook op straat gekomen was, barstte ze in tranen los: de
-opoffering van haar kanarie was haar schier te groot. Doch toen ze thuis
-kwam en haar moeder juist wakker werd, had zij zich reeds weer hersteld
-en haar tranen gedroogd, en het denkbeeld, dat ze nu geld had, om voor
-haar lieve moeder versterking te koopen, maakte, dat ze zich troostte
-over 't verlies van haar kanarievogel.
-
-Dien dag bemerkte haar moeder 't verdwijnen van Annes lieveling niet;
-doch toen ze hem 's avonds niet, volgens haar gewoonte, naar beneden
-haalde, vroeg ze haar, waarom ze dat niet deed.
-
-"Och, Moe! 't is warm genoeg voor hem om boven te blijven. Hij zingt 's
-morgens zoo vroeg, en dan ben ik altijd zoo bang, dat hij u wakker zal
-maken. De dokter heeft gezegd, dat gij zooveel slaap noodig hebt en dat
-die u versterkt."
-
-"Maar hoe komt het, dat ik hem den geheelen dag niet heb hooren zingen,
-Anne? Scheelt hem wat?"
-
-Nu kon Anne zich niet langer achter uitvluchten verschuilen. Eensklaps
-sprongen haar de tranen in de oogen en bekende ze wat ze gedaan had.
-
-"Maar, Anne! 't liefste, wat je hebt, verkoopen!" riep haar moeder met
-tranen in de oogen uit.
-
-"U is me duizendmaal liever dan mijn kanarie!" zeide Anne, terwijl ze
-zich weenend aan haar borst wierp. "Er was geen geld meer in huis en de
-dokter had gezegd, dat gij versterking moest hebben."
-
-"Lief kind!" zeide haar moeder. "Maar ik verkies dat offer niet. Ga
-terstond naar den burgemeester, geef de tien gulden terug en breng je
-kanarie weer mee."
-
-"Dat kan ik niet meer doen, Moe!" antwoordde Anne. "Ik heb reeds van dat
-geld uitgegeven en kan het dus niet terugbrengen. Daarenboven -- we
-moeten immers geld hebben; anders kunnen we niet leven. En dan, mijn
-kanarietje is in goede handen, en van tijd tot tijd zal ik 't wel eens
-mogen zien."
-
-Annes moeder drukte het lieve meisje aan haar borst.
-
-"Je bent een goed, braaf kind!" zeide zij. "God zal je zegenen voor 't
-geen je gedaan hebt."
-
-"En u gauw beter maken, lieve moeder," voegde Anne er bij.
-
-Hoe gewillig Anne ook haar offer gebracht had, 't was haar den volgenden
-ochtend toch heel treurig te moede, toen ze geen morgengroet van haar
-kanarie ontving. Terwijl haar moeder nog sliep, redderde zij den boel
-wat op; toen ging zij naar 't bovenkamertje, om daar 't raam open te
-zetten.
-
-Maar wat zat daar in de vensterbank op 't opengaan van 't venster te
-wachten? Droomde ze, of was ze wakker? 't Was een kanarie, haar kanarie!
-Ja, 't was geen andere; want toen ze 't raam had opengeschoven, sprong
-het diertje op haar vinger, en toen op haar schouder; waarop het een
-zijner mooiste deuntjes aanhief.
-
-Anne was zoo gelukkig, dat ze het lieve beestje wel aan haar hart had
-willen drukken. Doch eensklaps bedacht zij zich.
-
- [Illustratie]
-
-"Je bent mijn eigendom niet meer, lieveling, en als ik je hield, zou ik
-een diefstal begaan. Emmie heeft je eerlijk van mij gekocht, en 't is
-zeker bij ongeluk, dat je weggevlogen bent. Hoe lief ik je ook heb, -- ik
-mag je niet houden!"
-
-Dit zeggende, deed ze den kanarie weer in den rooden zakdoek en snelde
-er mee naar 't huis van den burgemeester, waar ze weder in de
-ontbijtkamer moest komen. Daar zag ze het ledige kooitje of tafel staan.
-
-"Emmie," zeide ze, "mijn -- neen, uw kanarievogel is bij mij komen
-invliegen. Ik breng je hem hier terug. Een geluk, dat hij juist bij mij
-is gekomen; anders was hij misschien weg geweest."
-
-"Mijn zusje had zijn kooi opengezet, terwijl 't raam openstond, en
-toen is hij weggevlogen," zeide Emmie. "Ik was al bang, dat het lieve
-dier weg zou zijn en nooit weerom zou komen."
-
-"'t Zat bij ons in de vensterbank tegen de ruiten te pikken," zeide
-Anne. "Zoodra ik 't raam opendeed, sprong 't op mijn vinger en toen op
-mijn schouder. Maar hier is de lieveling. Eigenlijk moest hij knorren
-hebben, dat hij zoo stout is geweest; maar je moet het hem maar
-vergeven. En je zusje mag wel oppassen; want hij had wel eens weg kunnen
-zijn, of door de een of andere kat gepakt zijn geworden."
-
-Dit zeggende, zette ze den kanarie in het kooitje, sloot het, en wilde
-heengaan.
-
-"Neen, Anne," zeide Emmie, "dat gaat zoo niet. Ik weet zeer goed, waarom
-je je kanarietje verkocht hebt. Ik heb 't je betaald, en 't was mijn
-rechtmatig eigendom. Maar nu ik het toch kwijt was, al was het dan ook
-door onvoorzichtigheid van een ander, -- wil ik het niet terug hebben.
-Het is naar jou toegevlogen en heeft daardoor te kennen gegeven, bij wie
-'t het liefst is. Thans is het jou eigendom."
-
-"Maar de tien gulden . . . ." zeide Anne aarzelend.
-
-"Die zijn voor jou, brave dochter," zeide de burgemeester. "Ik zal die
-aan Emmie teruggeven, omdat ze zoo edelmoedig is. 't Is een geschenk,
-hetwelk ik je doe, en dat ge den burgemeester niet moogt weigeren."
-
-"O, dank, dank! mijnheer de burgemeester! Dank, lieve Emmie!" riep Anne
-met betraande oogen uit. Toen snelde ze met de kooi, waarin haar
-lieveling was, naar huis, waar ze juichend het gebeurde aan haar moeder
-vertelde. En 't was, alsof de goede vrouw zich veel beter gevoelde op
-die tijding en ze herhaalde de woorden, welke ze gisteren sprak:
-
-"Heb ik 't je niet gezegd, dat God je zou zegenen voor 't geen je gedaan
-hebt?"
-
-Door de versterkende spijzen, welke Anne voor haar moeder gereedmaakte,
-was deze spoedig weer in staat, het onvoltooide naaiwerk af te maken; en
-daar Anne haar nu hielp, kwam er weldra weer geld in huis, hetgeen zeer
-gelukkig was, want de tien gulden duurden zoo lang niet. En 't was
-zeker, dat de burgemeester of zijn vrouw of Emmie de zaak met den
-kanarievogel aan hun kennissen verteld had; want Annes moeder kreeg een
-paar nieuwe klanten, waardoor ze vrij wat meer werk hadden en dus meer
-geld konden verdienen.
-
-Zoo gingen er twee maanden voorbij, en Annes moeder was geheel beter,
-terwijl de kanarievogel de lieveling van beiden bleef. Op zekeren dag
-had Anne hem weer voor 't raam van 't bovenkamertje in de zon gehangen
-en zong hij luidkeels zijn schoonste lied, toen een goed gekleede
-vreemdeling voor het venster bleef staan en aandachtig naar dat gezang
-luisterde. 't Was alsof hij er niet vandaan kon komen, zoo boeide het
-hem. Eindelijk trok hij zijn stoute schoenen aan en schelde. Anne deed
-hem open.
-
-"Lief meisje!" zeide de heer vriendelijk, "is dat uw kanarievogel?"
-
-"Ja, mijnheer," antwoordde Anne.
-
-"Zou ik hem dan wel eens mogen zien?"
-
-"Waarom niet? Ga als 't u belieft maar binnen; dan zal ik hem van boven
-halen."
-
-En ze liet den vreemden heer in de kamer, waar haar moeder bezig was met
-naaien. De heer groette Annes moeder beleefd.
-
-"Ik ben misschien heel brutaal, juffrouw," zeide de vreemdeling; "maar
-gij moet het mij niet kwalijk nemen. Ik kwam hier toevallig voorbij en
-hoorde uw kanarievogel zingen. Dat schoone gezang herinnerde mij een
-dergelijken vogel, dien we thuis in mijn jeugd hadden en die even mooi
-kon zingen. 't Was mij, als was ik weer in dien gelukkigen tijd, toen
-mijn lieve moeder nog leefde, wier lieveling hij was. En daarom vroeg ik
-uw dochtertje, of ik dien kanarievogel eens mocht zien."
-
-"Ga toch zitten, mijnheer," zeide Annes moeder. "Anne zal wel terstond
-met den vogel komen. 't Is haar lieveling, vooral sedert hij haar een
-gedachtenis is van haar lieven vader."
-
-Juist kwam Anne binnen en zette den kanarievogel op de tafel.
-
-"Wilt gij eens zien, hoe mak hij is, mijnheer?" vroeg ze en deed het
-kooitje open. De kanarie sprong op haar vinger, toen op haar schouder en
-begon te zingen.
-
-"O!" riep de vreemdeling uit. "Zoo deed ook de kanarie mijner lieve
-moeder. En zoudt ge wel willen gelooven, dat het dier, toen zij stierf,
-aan 't kwijnen is gegaan en haar geen half jaar overleefde?"
-
-Annes moeder keek den vreemdeling oplettend aan.
-
-"Heette de zoon uwer moeder, die zoo bedroefd over haar dood was, soms
-ook Frans?" vroeg zij.
-
-"Hoe weet gij dat, juffrouw?" riep hij verwonderd uit.
-
-"En ging hij niet op zestienjarigen leeftijd de wijde wereld in, zonder
-ooit weer iets van zich te laten hooren?"
-
-"Maar dat is onbegrijpelijk!" riep de vreemdeling uit. "Ik ben die
-Frans, die de wijde wereld inging en die nu, na twintig jaren weg te
-zijn geweest, rijk teruggekomen ben en sedert maanden naar mijn zuster
-Leida zoek, wier adres ik maar niet kan uitvinden. Slechts dit heb ik
-kunnen opsporen, dat ze zich ergens in deze streken moet ophouden;
-indien ze ten minste nog leeft."
-
-"Frans!" riep nu Annes moeder uit, terwijl ze opstond en den vreemdeling
-de hand reikte, "Frans, mijn verloren broeder! Ik ben je zuster Leida,
-die jaren lang smachtend naar je verlangd heb."
-
-"Lieve, lieve Leida!" riep Frans, en drukte zijn zuster in de armen.
-
-"Oom Frans!" zeide Anne. "O, moeder heeft zooveel jaren naar u verlangd,
-en ik ook!"
-
-"En jij heet Anne, evenals onze dierbare moeder?" riep oom Frans uit.
-
-"Naar mijn grootmoeder," zeide Anne, die door haar oom in de armen
-gesloten werd.
-
-Natuurlijk bleef oom Frans dien geheelen dag bij zuster en nichtje. Daar
-was wat te vertellen van weerskanten, en er werd dien dag weinig
-uitgevoerd, behalve dat Anne voor een goed middagmaal zorgde.
-
-Oom Frans had vrij wat lotgevallen gehad in die twintig jaren; doch nu
-hij rijk geworden was, dreef hem zijn verlangen naar het vaderland
-terug. In zijn geboortestad gekomen, had hij vreemden in 't ouderlijke
-huis gevonden en vernomen, dat zijn vader gestorven en zijn zuster
-naar elders verhuisd was. Bij toeval was hij er achter gekomen, dat
-hun oudtante haar in huis had genomen. Toen reisde hij derwaarts; doch
-ook de oudtante was al sedert jaren dood en niemand kon hem iets
-bepaalds van zijn zuster zeggen; slechts een voormalige dienstmeid
-herinnerde zich, dat ze met een timmerman getrouwd was, die ergens op
-een dorp in Gelderland moest wonen. Den naam echter van den timmerman
-en van het dorp herinnerde zij zich niet. Reeds had oom Frans
-verscheidene dorpen bezocht en bij de burgemeesters aanzoek gedaan, om
-het bevolkingsregister te mogen naslaan, om te zien, of hij daar ook
-den naam zijner zuster zou vinden; doch tevergeefs. Wel had hij op een
-paar registers een naam gevonden, geheel gelijk aan dien, welken hij
-zocht, maar bij nader onderzoek was hem gebleken, dat de bedoelde
-persoon niet zij was, welke hij zocht. En zoo was hij gisterenavond
-hier gekomen en had zijn intrek genomen in 't logement. Juist was hij
-op weg naar den burgemeester, toen 't gezang van den kanarievogel hem
-deed stilstaan en -- hij zijn zoo lang gezochte zuster vond.
-
-Het eind onzer geschiedenis is gauw verteld. Oom Frans kocht een
-allerliefst huisje, dat toevallig leeg stond, en trok daarin met Anne en
-haar moeder, die nu niet meer voor de lui behoefden te naaien, maar
-zich bezighielden met de bezorging van ooms huishouding. Het huis werd
-knap gemeubeld en de tuin van bloemen voorzien. Maar wie in 't nieuwe
-huis een eereplaats kreeg, ge kunt het wel begrijpen, was
-
- ANNES KANARIE.
-
-
-
-
- [Illustratie]
-
-HET VERDWAALDE KIND.
-
-
-I.
-
-WAARIN WE KENNIS MET LOTJE MAKEN.
-
-Lotje was een alleraardigst meisje van negen jaren. Zeker zoudt ge van
-haar gehouden hebben, als ge ze gekend hadt. Daar ge haar nu niet kent,
-wil ik u wat meer van haar vertellen, opdat ge belang in haar moogt
-stellen.
-
-Vooreerst wil ik u dan mededeelen, dat Lotje in een groot dorp woonde en
-dat ze dus geen stadsjuffertje was. Daarom was ze echter geen boerin en
-zag ze er niet minder lief uit, -- dat behoeft ge niet te denken. Ze had
-een allerliefst, fijn besneden gezichtje, een paar helder blauwe oogen,
-een paar roode wangen en een blonden krullebol, die haar allerliefst
-stond. Ze was echter geen eenig kind, o neen, volstrekt niet, maar wel
-'t eenige dochtertje. Vooreerst had ze een ouderen broer, Anton, een
-jongen van bijna twaalf jaren, een stevigen kerel, die als 't op
-vechten aankwam, zijn vijand stond. Overigens was hij een lobbes van een
-jongen en Lotje vooral zijn lieveling; zeker omdat zij zijn eenig zusje
-was, kon zij alles van hem gedaan krijgen. En dat wist de slimmerd ook
-wel; daarom kwam ze, als ze wat hebben wou, altijd bij Anton, van wien
-ze dan trouwens ook veel hield, dat moet ik zeggen. Dan had Lotje nog
-drie broertjes, een van zeven, die Karel heette, een aardig kereltje,
-dat al aan de hand van Lotje mee naar de dorpsschool ging en al wat
-flink leerde lezen; verder Jakob, die pas vijf jaren oud was, en dan het
-kleine driejarige Pietje.
-
-Van dat jongste ventje hield Lotje al heel veel en ze kon tusschenbeide
-net met hem doen, alsof ze zijn moedertje was. En Pietje hield ook veel
-van Lot, zooals hij haar noemde. Dragen mocht Lotje hem echter niet: dat
-was haar volstrekt verboden; want er is niets gevaarlijker, dan wanneer
-kleine meisjes haar broertjes of zusjes dragen. Vooreerst voor de
-kinderen, want kleine meisjes hebben geen kracht genoeg om hen recht te
-houden, en als ze zwikken, zijn ze soms voor hun leven ongelukkig. En
-welk lief meisje zou er graag de schuld van zijn, dat haar broertje of
-zusje, als het door haar schuld mank ging, of een bochel had, later tot
-haar zeide: "'t Is jou schuld, dat ik zoo ongelukkig ben. Als je moeder
-gehoorzaamd hadt, dan zou je mij niet gedragen hebben, dan was ik niet
-gezwikt en voor mijn leven misvormd geworden." En ten tweede is het
-dragen van kinderen zeer gevaarlijk voor de kleine meisjes zelf. Ik ken
-er, die er zelf door gezwikt zijn en nu aan beide kanten mank gaan, en
-anderen die er scheef door geworden zijn. Laat u dus raden en draagt
-nooit kleine kinderen!
-
-Lotje dan deed het nooit. Als ze met Pietje in den tuin speelde, die
-achter hun huis was, en 't kleine ventje werd moe en riep: "Draag, Lot!"
-dan zei Lotje: "Wel zeker, mannetje! We zullen een koetsje voor je
-bestellen, hoor!" En dan zette ze hem op een grasperk neder, ging naast
-hem zitten, en plukte gras en gooide hem daarmee, en dan had het kleine
-kereltje een plezier, dat het omverrolde, met zijn kleine mollige
-beentjes in de hoogte, welke Lotje dan greep, terwijl hij zich zoo
-dapper verweerde en zoo hartelijk lachte, dat Lotje met hem mee moest
-lachen. Gewoonlijk als hij dan lang genoeg gespeeld had, kwam zijn
-moeder of de meid hem halen, want hij was dan te moê, om naar huis te
-loopen; hij had ook zulke kleine beentjes, en die moesten zoo'n zwaar
-lichaampje dragen. Want ons Pietje was een kleine dikkerd. Soms was
-Pietje wel eens wat knorrig, en dan wist Lotje wel hoe laat het was. Dan
-ging ze met hem op het gras zitten, nam hem op haar schoot, hield hem in
-haar armen en zong:
-
- "Slaap, kindje! slaap!
- Daar buiten loopt een schaap!
- Een schaap met witte voetjes,
- Dat drinkt zijn melk zoo zoetjes,
- Een schaap met witte wol, wol, wol!
- Dat drinkt zijn buikje vol!"
-
-En dan viel Pietje op haar schoot in slaap en bleef zij geduldig met hem
-zitten, totdat haar mama of de meid het slapende kind kwam halen, 't
-heel voorzichtig optilde en zoo zacht mogelijk in zijn wiegje legde, om
-zijn tukje te voleindigen. Dikwijls gebeurde het, dat Lotje dan bij zijn
-wiegje bleef zitten, tot hij weer wakker werd. Kleine Pietje was voor
-Lotje een groote pop; maar een levende pop, waar ze mee speelde. En
-evenals een meisje niet altijd met een pop speelt, zoo was Lotje ook
-natuurlijk niet altijd met Pietje bezig.
-
-Dat zou ze ook niet hebben kunnen doen. Vooreerst toch ging Lotje op
-school en daar had ze haar vriendinnetjes, met wie ze soms op het
-kerkhof touwtje sprong of naloopertje speelde. Op het kerkhof, vraagt
-ge? Dat is een rare plaats om te spelen. Maar 't was niet het kerkhof,
-waar de menschen van het dorp begraven werden. Dat was voor jaren wel
-het geval geweest, maar nu sinds een onheuglijken tijd niet meer. Het
-kerkhof was een ruime hof of plaats om de kerk van het dorp, voor een
-groot deel met een muurtje omgeven en waarop hooge, dikke populieren
-stonden en gras groeide. O, 't was daar zoo prettig om stuivertje
-wisselen te doen; want de boomen stonden heel geregeld. En
-schuilevinkje! Dat was 't niet minder; want er stond aan den achterkant
-van 't kerkhof heel dicht struikgewas, waarachter men zich kon
-verschuilen, en dan waren er de beeren van de kerk, van die groote
-schuins toeloopende steenklompen. Ik verzeker u, dat Lotje en haar
-kornuitjes daar pret genoeg konden maken; en Lotje was niet de minst
-dolle, dat verzeker ik u. 't Gebeurde dan ook dikwijls, dat ze thuis
-kwam met haar hoed in de hand, haar krullebol in wanorde, zoodat die
-veel van een raagbol had, een kleur als bloed en een paar oogen
-glinsterend van de pret. Dan zei haar moeder wel eens: "Lot! Lot! Wat
-ben je weer aan 't ravotten geweest!" en dan antwoordde Lotje: "O, Moe!
-ik heb zoo'n pret gehad; dat weet u niet half!" Dikwijls echter kwam ze
-met een winkelhaak of een scheur in haar jurk thuis, die ze in 't
-kreupelboschje had opgedaan of was haar jurk bij 't "kruipdoor
-sluipdoor" van achteren geheel uit de plooien getrokken. Maar als dat
-het geval was, dan liep het niet zoo af; want Lotjes moeder mocht wel
-eens de zon in het water zien schijnen; maar ze was er toch op gesteld,
-dat Lotje haar goede jurken wat ontzag. Dan kreeg Lotje knorren en
-beloofde zij, dat ze voortaan voorzichtiger zou zijn; maar 't
-onbedachtzame meisje hield die belofte niet lang: want, al nam ze zich
-ook nog zoo stellig voor, om voorzichtig te zijn, -- in 't vuur van 't
-spelen vergat ze haar belofte ten eenen male. Nu, dat gebeurt wel meer
-meisjes van mijn kennis!
-
-Dat spelen ging echter alleen in den zomertijd en bij mooi weer; in den
-winter moest ze zich thuis vermaken, en dan speelde ze 't liefst met
-haar broer Anton. Maar die was zoo groot en had gewoonlijk zooveel werk
-voor zijn meester (want behalve dat hij de school bezocht, kreeg hij nog
-extra lessen), dat hij niet veel tijd had om met Lotje te spelen, en dan
-moest ze zich maar met den zevenjarigen Karel vergenoegen, met wien ze
-paardje of andere jongensachtige spelen deed. Nu moet ge niet denken,
-dat Lotje zoo'n halve jongen was, -- 't geen wel het geval had kunnen
-zijn, daar ze één meisje onder vier jongens was. Daar had haar
-moeder voor gezorgd: want die verzocht van tijd tot tijd een paar
-vriendinnetjes bij haar, en die brachten haar poppen mee, waarmede men
-speelde. En dan mocht Lotje uit haar lieve, kleine serviesje koffie
-schenken en liet moeder van die aardige kleine broodjes bakken, die zoo
-goed op de bordjes van haar serviesje pasten. Dan moesten de poppen ook
-aan tafel zitten, en kregen meer knorren, omdat ze niet recht zaten, of
-omdat ze zoo stuursch keken, dan eten of drinken, -- want dat kregen ze
-in 't geheel niet; waar ze trouwens ook niet rouwig om waren, om de
-eenvoudige reden, dat ze toch niet eten of drinken konden.
-
-Ik denk, dat ge nu ons Lotje genoegzaam hebt leeren kennen en 't wel een
-heel aardig meisje zult vinden, dat u zeker wel bevallen zal en waarmee
-ge gaarne zoudt omgaan. Ik moet u toch nog in 't voorbijgaan zeggen, dat
-Lotje, al was ze pas negen jaren, heel goed leerde en ook veel lust en
-ijver bezat, waarom de meester haar dikwijls prees. Dat is zeker: nooit
-zou ze gaan spelen, vóór ze haar lessen kende of haar werk voor de
-school gemaakt had; want moeder had haar reeds vroeg geleerd, dat er
-niets verkeerder is dan uitstellen, dat er dikwerf van uitstel afstel
-komt, en dat het allerpleizierigste is, als men zijn werk achter den rug
-heeft, vóór men gaat spelen.
-
-En nu wil ik u eens vertellen, wat Lotjes vader was. Lotjes vader was
-kapitein op een koopvaardijschip, en daarom dikwijls maanden lang van
-huis. Vroeger hadden ze in een zeestad gewoond; maar om de gezondheid
-van vrouw en kinderen had hij hier een woning gehuurd. 't Kon hem dan
-ook eigenlijk weinig schelen, waar hij woonde: want een groot deel van
-'t jaar was hij op reis. Zijn vrouw echter vond het buiten heel
-pleizierig, vooral des zomers. Maar, daar haar man altijd zoo lang van
-huis was, vond ze het toch wel wat eentonig altijd onder kinderen te
-zijn en nooit eens een groot mensch te zien om, vooral wanneer de
-kinderen naar bed waren, een toespraak aan te hebben. Daarom had ze,
-zoodra ze buiten gingen wonen, een jongere, ongetrouwde zuster bij zich
-in huis genomen, die haar niet alleen tot een allerpleizierigst
-gezelschap verstrekte, maar haar ook in 't huishouden een trouwe hulp
-was. Die zuster, een allerliefst mensch, die veel van kinderen en nog
-meer van de kinderen van haar zuster hield, heette Eva en werd door hen
-bij verkorting tante Eef genoemd. 't Was een lieve tante, die tante Eef,
-en al de kinderen hielden veel van haar, vooral Lotje, die dan ook haar
-lievelingetje was en die veel van haar gedaan kon krijgen, waarom ze
-tante nog al eens in den arm nam.
-
-De reden, waarom tante Eef zooveel van Lotje hield, was niet alleen,
-omdat zij het eenige meisje onder vier jongens was, maar ook omdat er
-eens iets gebeurd was, toen Lotje nog heel klein was en dat ik u wil
-vertellen. Zooals ge weet, woonden zij vroeger in een zeestad, en daar
-kan het erg druk zijn met allerlei vreemde matrozen en ander volk. Toen
-ter tijde was tante Eef nog niet in huis bij Lotjes moeder, maar
-logeerde er nu en dan een poosje. Nu moet ge echter niet denken, dat die
-stad, waarin zij woonden, vlak aan zee lag. Jongens neen, men moest nog
-wel een half uurtje door een rivier varen, alvorens men aan zee kwam. Ge
-begrijpt wel, dat bijna al de menschen die daar woonden een eigen
-roeibootje hadden, want dat was pleizierig en gemakkelijk meteen. Als 't
-nu zomeravonds mooi weer was, dan krioelde het op de rivier van bootjes,
-met menschen natuurlijk er in. Lotjes vader had ook zoo'n bootje
-gekocht, en als hij op reis was, en dus zijn familie niet zelf kon
-roeien, dan werd er een stevige, groote man aangenomen, die dat voor een
-kleinigheidje deed. Zijn vrouw echter was altijd wel een beetje angstig
-op het water, vooral als de kleine peuzels er bij waren, en daarom ging
-zij dan ook niet dikwijls met hem uit roeien. Tante Eef echter was
-dapperder, en dus kwamen de kinderen altijd maar bij haar bedelen, als
-zij graag geroeid willen worden. Lotje was destijds vier jaren en Anton
-zeven. Op een dag kwam de laatste bij haar en vroeg: "Och tante, gaat u
-eens met ons roeien, 't is zulk mooi weer?"
-
-"Hoor eens, jongens," antwoordde tante Eef, "dat zou ik wel willen doen,
-maar 't zal zoo vol zijn op de rivier, en je weet moe heeft het niet
-graag."
-
-"Roeien, tante, roeien," riep nu de kleine Lotje. "Lotje graag roeit!"
-
-"Wel, kinderen," zeide nu tante Eef, die door het vleiende stemmetje van
-Lotje bijna overgehaald was, "'k Wou zelf ook graag. Nu, dan zal ik het
-eens vragen!"
-
-En nu ging tante Eef naar haar zuster toe en bepleitte de zaak der
-kinderen. Hoewel ongaarne, gaf deze eindelijk haar toestemming en in een
-wip was Anton weg, om den man die hen roeien zou te gaan roepen. Lotje
-liep dansende door de kamer en zong: "Lotje mag roeien; o, wat een
-pret!"
-
-"Maar, Eef," zeide nu Lotjes moeder, "ik vind toch, dat je Lotje niet
-mee moet nemen, want ze is nog zoo klein en zoo wild. Als het maar goed
-afloopt."
-
-Nu was de pret van het kleine meisje heelemaal over en liet zij haar
-lipje hangen, hoewel zij niet ondeugend werd. Traantjes sprongen er uit
-haar oogjes, haar lippen trilden en zij keek Moes en tante Eef zoo
-smeekend aan, dat beiden overwonnen werden.
-
-"Och, zuster," zeide tante Eef, "ik zal goed op haar passen; laat haar
-meegaan!"
-
-Lotjes gezichtje helderde op, en zij drong zich tegen haar moeder aan,
-terwijl zij zeide:
-
-"Lotje zal zoet zijn, Moes! Heel zoet zijn!"
-
-Nu gaf moeder eindelijk haar toestemming, en maakten zij zich gereed om
-heen te gaan.
-
-Toen zij het huis uitgingen, riep moeder hen nog na, om vooral goed op
-te passen en gehoorzaam te zijn.
-
-Vroolijk gingen zij met hun drieën naar de rivier, waar het bootje al
-gereedlag. Tante Eef hield Lotje stevig vast, en toen stapten zij er in.
-Anton kwam daarna, en een oogenblik later stiet de roeier van wal.
-
-Zij voeren heel pleizierig een poosje de rivier op, maar toen zij
-weeromgingen, kwamen zij verscheidene bootjes tegen, die stroomopwaarts
-roeiden, en 't werd eindelijk zoo vol, dat zij slechts langzaam vooruit
-konden komen. 't Werd ook al wat donkerder, en dus zeide tante Eef aan
-den roeier, dat hij gauw moest maken dat zij thuis kwamen. De man deed
-zijn best, maar juist door de haast die hij maakte stootten een paar
-bootjes tegen elkaar. Het kleine Lotje verloor haar evenwicht en viel in
-het water!
-
-Ge kunt u de vreeselijke schrik en onsteltenis van tante Eef en Anton
-voorstellen. Lang bedenken kwam hier niet te pas; er moest gehandeld
-worden. Gelukkig echter zonk Lotje niet dadelijk, maar bleef met haar
-jurk aan de pin, die van buiten in de boot zat, haken. Tante Eef greep
-haar, maar ongelukkig scheurde de jurk door Lotjes zwaarte verder af,
-zoodat zij hoe langer hoe dieper zonk. Op dit gevaarlijke oogenblik boog
-tante Eef zich echter over haar heen, stak beide armen in het water en
-had het geluk, het kleine meisje om het middel te vatten en haar dus op
-te halen.
-
-Lotje schreide erg, zooals ge kunt begrijpen, maar had echter geen
-letsel bekomen. Weldra waren zij thuis en nu nam de man, die hen geroeid
-had, het kleine meisje op den arm en droeg haar naar binnen. Het eerste
-wat zij riep, toen zij bij haar moeder kwam, was: "Lotje is zoet
-geweest, Moe. Heusch zoet geweest!"
-
-Nu vertelde tante Eef de toedracht der zaak en werd Lotje uitgekleed en
-warmpjes in haar bedje gestopt. Gelukkig liep alles goed af en kon
-Lotje den volgenden dag weer opstaan, en behalve een kleine verkoudheid
-wist zij er later niets van af.
-
-Ge kunt echter begrijpen, dat na dit voorval tante Eef nog veel meer van
-Lotje ging houden, en deze, die wel wist, welke armen haar uit het water
-hadden gehaald, hing met haar geheele hart aan haar lieve tante Eef.
-
-Verder moet ik u nog zeggen, dat er vlak bij het dorp een groot bosch
-was, waardoor een rijweg liep, die van naburige steden of dorpen naar
-het dorp van Lotjes ouders voerde. Dat bosch was heel groot, en behalve
-den rijweg had men er nog verscheidene voetpaden in; zoodat hij, die er
-niet in bekend was, er gemakkelijk in kon verdwalen.
-
-En nu denk ik, dat ge alles weet, wat ge noodig hebt, om 't vervolg van
-mijn verhaal te verstaan, hetwelk ik hoop, dat u wel bevallen zal.
-
-
-II.
-
-DE VREEMDE KUNSTENMAKERS.
-
-"Kom, Lot! dat moeten we gauw gaan zien," zeide Keetje, Lotjes
-schoolvriendinnetje en buurmeisje tot haar, toen de school uitging. "Ik
-hoor, dat er op het plein voor den Gouden Valk kunstenmakers bezig zijn
-hun kunsten te vertoonen."
-
-"Och, kom!" zeide Lotje ongeloovig. "Nu hou je me zeker voor den gek.
-Kunstenmakers! Die komen hier nooit dan met de kermis."
-
-"Ik weet het niet," antwoordde Keetje. "Ik hoorde het van de meid, die
-Henriëtte kwam halen, en die 't mij vertelde."
-
-"Nu, dat moeten we dan eens gauw gaan zien," zeide Lotje. "Maar lang
-durf ik niet; want Moe wacht me straks met eten."
-
-"Een kijkje kunnen we toch wel even nemen," zei Keetje. "Zóó lang zal
-dat niet duren."
-
-"Laat ons dan maar geen tijd verliezen," zei Lotje.
-
-En veel harder dan anders liepen onze beide vriendinnetjes naar 't plein
-voor den Gouden Valk. Ze kwamen echter te laat en maar juist bijtijds
-genoeg, om de heele kunstenmakersfamilie de herberg te zien binnengaan,
-waar ze zeker haar middagmaal zouden gebruiken.
-
-"Kijk eens," zei Lotje. "Die man is bijna geheel naakt!"
-
-"Ben je dwaas!" antwoordde Keetje. "Die man heeft een gebreid
-vleeschkleurig pak aan, en dat noemt men tricot. Die juffrouwen met haar
-korte rokjes hebben ook geen bloote beenen, maar broeken van tricot aan.
-Alleen haar armen zijn bloot."
-
-"Nu, dat is grappig," zei Lotje. "Ik dacht al, dat is niet heel
-fatsoenlijk, om zoo naakt langs de straat te loopen."
-
-"Kom, laat ons gauw naar huis gaan en eten," hernam Keetje. "Na den eten
-zullen ze wel weer beginnen; want zie, ze hebben al hun boel buiten
-laten staan, en daar past die kleine jongen op."
-
-"Zou die dan niet moeten eten?" vroeg Lotje.
-
-"Wel zeker: ze zullen hem 't eten wel brengen, of anders zal er een
-vooruit eten, om hem te vervangen," antwoordde Keetje.
-
-Daaromtrent gerustgesteld, ging Lotje met haar buurmeisje naar huis.
-
-"Nu, tot straks," zeide deze. "Ik zal dadelijk aan moeder vragen, of ik
-na den eten eens mag gaan kijken."
-
-"Ik ook," zeide Lotje. "Moeder zal het mij zeker wel toestaan."
-
-"Ik zou niet weten, waarom niet," zeide Keetje. "'t Was iets anders, als
-je zelf kunsten moest doen."
-
-Lotje moest lachen om die aanmerking van Keetje.
-
-"Nu, dat zou me mooi afgaan," zeide ze. "Adieu! tot straks."
-
-En met deze woorden deed ze de voordeur open en stapte haar huis in.
-
-Ze vond hier alles in vroolijke opgewondenheid, en vroeg Anton naar de
-reden daarvan.
-
-"Dat zal ik je zeggen, Lot. Vanmorgen, terwijl we in school waren, is er
-een brief van vader gekomen, met het bericht dat zijn schip te
-Nieuwediep is binnengeloopen en dat hij hoopt nog vanavond thuis te
-zijn."
-
-"O, dat is heerlijk!" zeide Lotje. "Die goede, lieve Pa! Ik verlang al
-om hem te zien! En wat zal moeder blij zijn!"
-
-"Dat kun je begrijpen!" zeide Anton. "Nu, 't zal vanavond een recht
-feest zijn!"
-
-"Heb je de kunstenmakers al gezien, die op 't plein voor den Gouden Valk
-hun kunsten verrichten?" vroeg Lotje.
-
-"Kunstenmakers? Neen!" antwoordde Anton. "Ik ben regelrecht van school
-hier naar toe gekomen en daar ik er niets van wist, ben ik niet naar den
-Gouden Valk gegaan."
-
-"Veel heb je er niet bij verloren," zeide Lotje. "Ik hoorde het
-toevallig van Keetje, aan wie de meid van Henriëtte 't verteld had. We
-zijn naar den Gouden Valk gegaan, maar kwamen net bijtijds, om de drie
-laatsten binnen te zien gaan."
-
-"O, maar na den eten zullen ze wel weer hun kunsten vertoonen, en dan ga
-ik er eens naar kijken. 't Is gelukkig Woensdag en er is dus geen
-middagschool."
-
-"En dan ga ik toch met je mee, Anton?" zeide Lotje. "Alleen zou ik
-misschien niet mogen."
-
-"Wel zeker ga je met me mee," zeide Anton. "Als Moe het ten minste wil
-hebben."
-
-"Waarom zou Moe 't niet hebben willen, vooral als jij bij me bent?"
-vroeg Lotje.
-
-"Dan moet je 't straks maar vragen; dat is het beste, wat ik er op
-weet," zeide Anton. "En als je dan moogt, dan gaan we samen."
-
-Ditmaal deed Lotje iets tegen haar gewoonte: ze ging uit, eer ze haar
-lessen geleerd en haar werk gemaakt had. Maar 't was haar ook onmogelijk
-te wachten, totdat ze dat afhad. Daarenboven had ze er nu geen hoofd
-naar. Wie toch kan aan werk maken of lessen leeren denken, als daar
-ginds een troep kunstenmakers hun toeren laten zien en we er naar toe
-gaan kunnen. Daarbij zou Anton ook geen geduld gehad hebben om op haar
-te wachten; want ook hij verlangde nu de kunstenmakers te zien, die een
-bijzonderheid op het dorp waren en er waarlijk niet alle dagen
-doorkwamen.
-
-Lotje vroeg of zij mee mocht, en haar moeder had er niets tegen, want
-zooals ik al gezegd heb, zij was een goede vrouw, die haar kinderen wat
-graag een pleiziertje gunde. Nu zeide zij echter nog tot het kleine
-meisje:
-
-"Lot, denk er aan om niet te lang weg te blijven, want je weet wel, dat
-vader elk oogenblik thuis kan komen, en je zoudt toch zeker niet graag
-willen, dat je uit waart, als het rijtuig voor de deur stilhield."
-
-"Hè, moe, dat weet u wel beter," antwoordde Lotje, terwijl haar
-levendige kijkers glinsterden van genot bij de gedachte aan de
-ontmoeting. "Neen, we moeten allemaal thuis zijn, als Pa komt, en dan
-vlieg ik hem meteen om zijn hals!"
-
-"Wel zoo, dus jij wilt de eerste begroeting hebben," zeide Anton, haar
-met den vinger dreigend. "'t Is wat moois, Lot, om zoo begeerig te
-zijn."
-
-Op dit oogenblik kwam Jaantje binnen met het verzoek, of zij een paar
-eieren uit den kelder mocht krijgen.
-
-"Eieren?" vroeg Lotje nieuwsgierig. "Waarvoor moet Jaan eieren hebben,
-Moe?"
-
-"Wat ben je weer nieuwsgierig," zeide haar moeder lachend. "Begrijp je
-dan niet, dat wij vanavond toch wat bijzonders moeten hebben, om vaders
-terugkomst luisterrijk te vieren?"
-
-"Wat zal dat een heerlijke avond zijn," antwoordde Lotje, met een zucht
-van genot. "Is het een tulband, of bakt Jaan wafelen?"
-
-"Dat moet je nu maar eens afwachten, juffrouw vraagal," antwoordde haar
-moeder.
-
-"Kom, Lot, ga je nu mee?" vroeg Anton. "Anders heb je kans, dat ze hun
-kunsten allemaal al gedaan hebben."
-
-"Ja, komaan dan," antwoordde Lotje. "Ik ben wat verlangend, om al dat
-moois eens te zien."
-
-"Hier heb je wat centen, kinderen," zei Lotjes moeder, terwijl ze er
-ieder een stuk of drie gaf. "Je begrijpt wel, dat die menschen hun
-kunsten niet voor niemendal doen; daarom gaan ze eenige keeren met het
-bakje rond en halen centen op, en 't is niet meer dan billijk, dat
-ieder, die toekijkt, hun wat geeft; want het kunsten maken is
-allesbehalve gemakkelijk en daarenboven hun broodwinning."
-
-"Elke cent apart geven," zeide Anton tegen Lotje, toen ze op weg naar
-den Gouden Valk waren. "Want ze komen meermalen rond, en dan zou je al
-den tweeden keer moeten weigeren."
-
-Toen ze aan 't plein vóór den Gouden Valk kwamen, vonden ze er al een
-heelen troep menschen en vooral kinderen verzameld. Het scheen echter,
-dat de kunstenmakers wat lang aan den maaltijd zaten, of dat ze wat van
-hun vermoeienis moesten uitrusten, of dat ze een middagslaapje deden;
-ze waren ten minste nog in de herberg en kwamen in 't eerste halfuur
-niet voor den dag.
-
-Daar kwamen ze eindelijk in volle statie aan. Vooruit een man met een
-trompet, die zoo geweldig daarop blies, dat men doof dacht te worden,
-terwijl een ander man den kring grooter maakte, opdat allen konden zien.
-En dat was wel noodig; want de menschen stonden zoo op elkaar, dat de
-een den ander in den weg was. Die man verzocht dan ook, dat men de
-kinderen in de voorste rij zou laten staan, omdat de anderen over hen
-konden heenzien. Aan dat verzoek voldeed men; want het hinderde niemand,
-al stond er een kind vóór hem.
-
-En nu begonnen de kunsten opnieuw. Eerst kwam er een Herkules, een
-dikke, ferme kerel, die groote gewichten opnam en er allerlei toeren mee
-deed; vervolgens nam hij twee mannen op zijn beide schouders, en op de
-schouders van die mannen ging een derde staan, en zoo wandelde hij met
-die drie mannen den kring rond, zoo gemakkelijk alsof hij niets te
-dragen had.
-
-"Hè! die man moet kracht hebben," zeide Lotje tegen Anton.
-
-"Nu, dat zou ik ook meenen," antwoordde Anton. "Maar daarom heet hij ook
-een Herkules."
-
-"Wat is dat dan, een Herkules?" vroeg Lotje.
-
-"Wel een man, die heel sterk is," antwoordde Anton. "Er is vroeger,
-heel, heel lang geleden, een man geweest, die Herkules heette, en die
-man was zoo geducht sterk; en nu noemt men alle sterke mannen naar hem,
-Herkulessen."
-
-"Dus is de knecht van vrouw Teunissen, die zoo sterk is, ook een
-Herkules?"
-
-"Neen, die niet," hernam Anton. "Men geeft dien naam alleen aan
-menschen, die er hun brood mee verdienen en op de manier gekleed zijn
-als deze. Doch kijk nu liever."
-
-"Wat doet hij nu? Met ballen gooien?" vroeg Lotje.
-
-"Dat noemt men jongleeren," antwoordde Anton. "Je zult eens zien, hoe
-raar hij die ballen door elkander gooit, en ze toch opvangt."
-
-Inderdaad -- Lotje kon zich maar niet genoeg verwonderen, hoe 't mogelijk
-was, dat de Herkules ze wist niet hoeveel ballen altijd maar in de
-hoogte gooide en ze weer opving. Daar was geen oog op te houden.
-Eindelijk nam de Herkules groote ijzeren ballen, die hij over zijn
-armen, zijn borst, zijn rug liet loopen en die toch altijd weer in zijn
-handen terugkwamen.
-
-Zoo iets had ons Lotje nooit gezien! Ze kon dan ook haar verbazing niet
-verbergen. Intusschen kwam de vrouw met het bakje rond en zoowel Anton
-als Lotje wierpen er een cent in.
-
-Nu werden er twee in 't midden aan elkander vastgebonden stokken aan den
-eenen kant, en twee even zulke stokken aan den anderen kant van 't plein
-gezet. Daarover werd een dik touw gespannen, wel zoo dik als Lotjes arm,
-en op dat touw ging een man, die een langen stok in zijn beide handen
-hield, loopen, springen en dansen en allerlei kunsten doen.
-
-"Dat noemt men koordedansen," zei Anton. "Met dien stok houden ze
-zich in balans of rechtop; daarom heet die balanceerstok."
-
- [Illustratie]
-
-"Nu, ik zou niet graag op zoo'n touw loopen en er nog minder op dansen
-en springen," zeide Lotje.
-
-"Dat wil ik wel gelooven," antwoordde Anton. "Je bent ook geen
-koordedanseres. Je begrijpt wel, dat het een heelen tijd kost, eer men
-dat kent."
-
-Nadat de man een tijdlang met zijn balanceerstok gedanst had, gaf hij
-dien aan den Herkules over, en danste zonder stok.
-
-"Dat is nu nog grooter kunst," zei Anton.
-
-"Ik wil 't graag gelooven," zeide Lotje; "maar als ik 't moest doen, deê
-ik 't liever zonder zoo'n zwaren stok."
-
-Nadat de man zijn kunsten op de koord lang genoeg vertoond had, ging de
-vrouw weer met het bakje rond, om centen op te halen.
-
-'t Koord werd onderwijl afgebroken, en een groot karpet over den grond
-gelegd. Wat Lotje nu zag, verwonderde haar nog meer. Mannen, die op hun
-handen liepen; die op hun rug gingen liggen en kleine jongens op hun
-voeten als ballen in de hoogte gooiden en weer opvingen, die zich als
-een bal ineen- en naar alle kanten heenrolden, of die hun hoofd tusschen
-hun beenen staken, en de allerzotste figuren vormden. Lotje had geen
-oogen genoeg om te kijken; daar had ze maar geen begrip van. Ze had dan
-trouwens ook nooit zoo iets gezien, en 't was dus geheel en al nieuw
-voor haar.
-
-Eindelijk was de voorstelling afgeloopen: koord, stokken, kleed en al
-wat de kunstenmakers al meer bij zich gehad hadden, werd in een klein
-wagentje gepakt, dat door een ezel werd getrokken, en weg ging de troep,
-voorafgegaan door den man met de trompet, die er helder op blies. De
-dorpelingen gingen zeer tevreden over 't geen ze gezien hadden naar hun
-woningen, maar een heele troep kinderen volgde de kunstenmakers in het
-bosch, waar ze den straatweg namen: 't was den dorpskleinen nog niet
-mogelijk afscheid te nemen van die wonderlijke mannen. Nadat echter de
-trompetter zijn muziekinstrument op 't wagentje geborgen had,
-verspreidden velen der kinderen zich in 't bosch om blauwbessen te
-zoeken of boschbloemen te plukken; anderen keerden naar huis terug.
-
-Ook Keetje was er tegenwoordig geweest, en de beide meisjes waren niet
-tevreden, alvorens zij bij elkander waren, toen alles afgeloopen was.
-
-"Zoo, Kee, mocht je ook komen?" zeide Lotje, toen zij dicht genoeg bij
-haar vriendinnetje was.
-
-"Wel zeker, Lotje," antwoordde Keetje. "Moeder zei tegen me, dat ik
-gerust mocht gaan kijken, als ik maar maakte, dat ik op mijn tijd thuis
-was."
-
-"Ja, zie je," zeide Lotje, "ik wist wel, dat je moeder het zou willen
-hebben, maar ik dacht dat je misschien eerst je werk zoudt maken."
-
-"Dat zou wat moois zijn," lachte Keetje; "de kunstenmakers wachten niet
-op mij. 't Is beter dat wij op hen wachten."
-
-"Nu, we hebben lang genoeg op hen gewacht," merkte Anton aan. "Ik dacht,
-dat ze nooit voor den dag zouden komen."
-
-"Ze hebben zeker een stevig diner gebruikt," zeide Keetje. "Want me
-dunkt, ze moeten goed eten om zoo vreeselijk sterk te zijn."
-
-"Ik geloof, dat hun diner niet zoo schitterend geweest zal zijn," zeide
-Anton lachend. "Aardappelen met zout en spek misschien. Je zoudt zeker
-niet met hen hebben willen ruilen."
-
-"Neen, heusch niet," antwoordde Keetje. "Ik heb vanmiddag veel te lekker
-gegeten."
-
-"En ik," voegde Lotje er bij. "Wij eten vanavond ook nog wat erg
-lekkers, Kee; want Pa komt dan thuis."
-
-"Wel zoo," antwoordde Keetje. "Ik féliciteer jelui, want dat zal een
-heel feest zijn."
-
-"Dat kun je begrijpen," zeide Lotje opgeruimd. "'t Is maar naar, dat Pa
-altijd weer weg moet. Wat zou het niet erg veel prettiger zijn, als Pa
-altijd aan wal bleef."
-
-"Ja, dat vind ik ook," bevestigde Keetje. "Ik zou het volstrekt niet
-prettig vinden, als mijn vader elk oogenblik weg moest. Zijn jelui niet
-soms erg angstig?"
-
-"Ja zeker," antwoordde Lotje, "vooral als het stormt. Dan huilt Moe wat
-dikwijls, want dan zijn wij altijd bang, dat Pa verdrinken zal."
-
-"Weet je wat," zeide nu Keetje, na zich een oogenblik bedacht te hebben.
-"Als je Pa nu vanavond thuis komt, dan moet je meteen vragen, of hij
-jelui den volgenden keer mee op het schip neemt; dan blijven jelui bij
-elkander."
-
-"Hé ja, dat zou aardig zijn," riep Lotje vroolijk uit. "Verbeeld je op
-zoo'n schip! En dan moeten we allemaal meegaan, tante Eef en Jaan ook!"
-
-"Ik geloof niet, dat Jaan mee hoeft," zeide Keetje. "Want ik heb altijd
-gehoord, dat er op zoo'n schip een kok of zoo iemand meegaat."
-
-"Maar dan kunnen we niet schoolgaan," riep Lotje eensklaps uit. "Want de
-school kunnen wij toch niet meenemen!"
-
-"Niet de school, maar je Pa kan toch een meester mee aan boord nemen,"
-helderde Keetje op. "Dan kunnen jelui allemaal net zoo goed leeren, als
-hier op 't dorp!"
-
-"Nu, ik zal het heusch vanavond eens aan Pa vragen, of hij het doen
-wil," betuigde Lotje. "Misschien gebeurt het wel; wat zou dat prettig
-zijn!"
-
-"Ja, ik hoop het voor je," antwoordde Keetje.
-
-Druk over 't een of ander pratende, wandelden de vriendinnen voort,
-zonder te merken dat zij Anton kwijt waren geraakt.
-
-Deze keerde na een poosje weder huiswaarts. Door een toeval was hij haar
-kwijtgeraakt, en nu hij op 't punt was van om te keeren, zocht hij haar,
-doch vond geen van beiden de meisjes. Hij vroeg een ander buurmeisje
-naar haar.
-
-"Ik geloof, dat ik haar daar straks naar het dorp heb zien terugkeeren,"
-zei er een.
-
-"Was ze niet met Keetje?" vroeg een ander.
-
-"Ja," zeide Anton. "Ze waren ten minste samen, toen we het dorp
-verlieten."
-
-"Nu, dan zijn ze straks weggegaan," hernam ze. "Ze scheen nog naar je
-rond te zien, maar je niet te vinden."
-
-Gerustgesteld door deze berichten, wandelde Anton naar huis.
-
-"Is Lotje al thuis?" was 't eerste, wat hij vroeg, toen hij de kamer
-binnentrad.
-
-"Lotje?" vroeg zijn moeder verwonderd. "En jij bent met haar uitgegaan
-en je zoudt op haar passen!"
-
-"Ik ben haar door de drukte kwijtgeraakt," zeide Anton, "zoowat een goed
-kwartier van het dorp. Ze liep met Keetje."
-
-"Maar je hadt haar niet moeten kwijtraken," zei zijn moeder berispend.
-"Loop eens even naar Keetje en vraag of Lotje daar is."
-
-Anton deed het.
-
-"Ze zijn nog niet thuis," was de boodschap, welke hij meebracht. "Maar
-Keetjes moeder denkt, dat ze bij de een of andere harer kennisjes aan 't
-praten zijn."
-
-"Dat is wel mogelijk," zeide Antons moeder. "Maar 't neemt niet weg, dat
-het ondeugend van Lotje is, dat ze niet bij je is gebleven. Ze moet
-knorren hebben."
-
-Niemand echter maakte zich bepaald ongerust over Lotje, die immers met
-Keetje naar het dorp was teruggekeerd en dus wel bij den een of ander
-van de kennisjes zou zijn.
-
-"Hoe laat denkt ge, Moe, dat Pa zal komen?" vroeg Anton een poos later.
-
-"Ja, dat zal wel niet vóór den donker zijn," antwoordde de moeder. "Tot
-H. kan hij 't per spoor afleggen; doch dan moet hij extra rijtuig nemen.
-Zoo gauw kan hij niet van boord, of hij moet een namiddagtrein nemen."
-
-"Maar hij komt toch stellig, niet waar?" zeide Anton.
-
-"Dat heeft hij beloofd," antwoordde zijn moeder. "En je weet wel, dat
-als vader iets belooft, hij het ook volbrengt."
-
-"Zoo, Anton, ben je eindelijk terug?" zei tante Eef, die de kamer
-binnenkwam. "Die kunstenmakers hebben je lang beziggehouden, mannetje!"
-
-"Dat hebben ze, tante," antwoordde Anton. "Maar we zijn ze nog een
-kwartiertje buiten het dorp nagegaan."
-
-"Wat een dwaasheid!" zei tante Eef. "Dacht je dan, dat ze op den
-straatweg nog eens hun kunsten zouden vertoonen?"
-
-"Dat wel niet," antwoordde Anton; "maar al de dorpskinderen gingen met
-hen mee; en ik zou wel teruggekeerd zijn, maar Lotje wou zoo graag nog
-een eindje meegaan."
-
-"'t Hielp ook wat, of hij haar vergezelde," zeide de moeder glimlachend.
-"Begrijp eens, Eef! hij komt zonder zijn zusje thuis. Hoe vind je dat?"
-
-"Dat vind ik al heel fraai," zeide tante Eef. "Moeder vertrouwt je je
-zusje toe, en je laat het in den steek. En waar is Lotje nu?"
-
-"Dat weet ik niet," antwoordde Anton. "Denkelijk bij 't een of ander
-schoolkameraadje, waar ze over de kunstenmakers praat."
-
-"Je moogt wel aan je werk gaan, Anton," zeide zijn moeder, "want je hebt
-een heelen tijd verzuimd."
-
-"Dat zal ik doen; want om halfacht moet ik les hebben. Ofschoon, ik heb
-'t bijna af; ik moet mijn lessen nog maar even overzien."
-
-Dit zeggende, ging Anton naar zijn kamertje, om zich voor zijn extra les
-gereed te maken. Hij was er spoedig mee klaar en begaf zich met de
-boeken onder zijn arm naar zijn meester.
-
-"Als je Lotje soms onder weg tegenkomt, zeg haar dan, dat ze terstond
-naar huis moet komen," zeide zijn moeder.
-
-"Dat beloof ik u, moeder," antwoordde hij, zeide haar goedendag en
-vertrok, om zich naar 't schoolhuis te begeven.
-
-
-III.
-
-HET VERDWAALDE KIND.
-
-Zooals we weten, waren Lotje en Keetje met Anton den troep kunstenmakers
-op den straatweg in 't bosch gevolgd. Anton had een kennis aangetroffen
-en was zoo druk met hem aan 't praten geraakt, dat hij van Lotje en
-Keetje, die ook al met haar kornuitjes babbelden, was afgeraakt. Nu was
-daar niets gevaarlijks in; want als ze straks naar het dorp
-terugkeerden, zouden ze elkander vanzelf wel terugvinden. Maar terwijl
-de kinderen daar zoo voortgingen, waren er een paar van Lotjes
-kennisjes, die met haar en Keetje liepen, welke eensklaps bleven staan.
-
-"O, zie eens, Lot! wat een heerlijke blauwbessen! Die moesten we eens
-even plukken."
-
-"Ja, maar dan gaan de anderen voort, Truitje," zei Lotje, "en dan raken
-we ten achteren."
-
-"O, dat is niets," antwoordde Truitje. "Zoover zullen ze niet meegaan,
-en ze komen toch altijd dezen weg terug."
-
-"Dat is waar," zeide Lotje. "'t Zijn heerlijke blauwbessen!" en dit
-zeggende, ging zij met haar buurmeisjes het bosch in, om blauwbessen te
-zoeken. Ze vonden er verscheidene en die smaakten heerlijk.
-
-Nu is blauwbessen zoeken een gevaarlijk werk, -- niet het zoeken op
-zichzelf; daar is geen ander gevaar bij dan dat men blauwe handen en,
-door 't eten, een blauwen mond krijgt. Maar er is een ander gevaar bij.
-Door 't zoeken naar de blauwbessen is men ieder voor zich zoo druk
-bezig, dat men van elkander af raakt; want de een gaat dezen en de ander
-weer een anderen kant op. Dat is nu niets, wanneer men op een bekende
-plaats of in een dennenbosch is, waar hooge dennen staan en men elkander
-op een grooten afstand kan zien; erger is het, wanneer men op onbekende
-plaatsen en te midden van laag dennenhout of kreupelbosch is, want dan
-raakt men elkander zoo licht kwijt en verdwaalt men. En als men eenmaal
-te midden van zoo'n bosch verdwaald is, dan slaat men soms een
-verkeerden weg in, vooral omdat men door het bessen zoeken allerlei
-kringen en bochten gemaakt heeft en dus den koers kwijt is.
-
-Zoo ten minste ging het onze Lotje. Al zoekende was ze eerst van haar
-vriendinnetjes afgedwaald, welke ze van tijd tot tijd nog door 't
-kreupelhout hoorde lachen; doch daar kwam ze aan een plaats, die zoo
-rijk bezet was, dat ze er spijt van had hier alleen te zijn. Ze riep ze
-dus, maar kreeg geen antwoord: ze waren zeker een anderen kant opgegaan.
-Toen ze nu haar buikje vol gegeten had, begon ze er aan te denken, om
-haar kameraadjes op te zoeken.
-
-"Ik ben dezen weg afgekomen," zei ze bij zichzelf, "en ik moet dien dus
-terug."
-
-En zonder aarzelen sloeg ze dan ook dien weg in. Jammer echter, dat ze
-dien weg niet was afgekomen, maar de wegen in zulk een bosch gelijken
-ook zooveel op elkander. Nu had ze 't ongeluk, om er juist een in te
-slaan, die net regelrecht van den weg afliep, waardoor ze hoe langer hoe
-dieper in 't bosch verdwaalde. Ze begon angstig te worden; want voor
-zoo'n klein meisje alleen in een bosch, en dat tegen den nacht, is niet
-alles. Intusschen liep ze nu her- dan derwaarts, zonder dat ze eigenlijk
-iets verder kwam.
-
-"Kon ik den straatweg maar bereiken!" zeide zij, terwijl haar de tranen
-langs de wangen liepen; "dan zou ik den weg naar huis wel vinden."
-
-Van tijd tot tijd liet ze haar stemmetje hooren; maar dat zwakke
-stemmetje werd door niemand vernomen. Langzamerhand begon de zon te
-dalen en gingen de vogels naar bed; het zou niet lang duren, of 't was
-donker, en dan zou ze den geheelen nacht in 't bosch moeten blijven! Den
-geheelen nacht in 't bosch! O, daar moest ze niet aan denken! In 't
-bosch, waar ze haar lekker warm bedje zou missen, -- in 't bosch, waar
-allerlei beesten waren; wel geen leeuwen en tijgers, maar toch vossen
-en bunzings, herten met zulke groote horens, en wat haar angstige
-verbeelding daar al bij schiep. O, 't was vreeselijk! In den donker
-alleen in een bosch!
-
-Op eens hoorde ze een geritsel door de bladeren. Ze stond stil en keek
-op. Ze dacht, dat het 't een of ander dier zou zijn. Maar neen, daar
-stond eensklaps voor haar een leelijk oud wijf, met een hengselmand aan
-den arm en een takkenbos op den rug. Het wijf was misschien niet minder
-verwonderd, een klein meisje van negen jaren daar zoo alleen in het
-bosch aan te treffen, dan Lotje toen ze op eens zoo'n leelijk schepsel
-voor zich zag. Hoe afschuwelijk het wijf er echter ook uitzag, -- 't was
-voor Lotje toch een rust, dat ze een menschelijk wezen ontmoette.
-
-"Wat moet jij hier?" vroeg het oude wijf met een heesche stem en een
-grimmig gezicht.
-
-"Ach, lieve juffrouw," zeide Lotje, "ik heb blauwbessen gezocht en ben
-verdwaald. Zou je me niet op den rechten weg willen helpen?"
-
-"Ja, dat gaat zoo maar niet," hernam het oude wijf scherp. "Onze Lieve
-Heer laat de blauwbessen groeien voor ons arme lui, om ze te plukken en
-bij de rijke lui op het dorp te verkoopen. Maar dan gaan de kinderen van
-die rijke lui ze plukken, en dan kunnen wij er geen geld voor maken. En
-dan verdwalen ze en zouden nog willen, dat we hun den weg wezen, om
-terug te komen. Zeg eens, kind, heb je geld bij je?"
-
-"Ach neen, juffrouw! geen cent," antwoordde Lotje.
-
-"Voor niemendal wijs ik je den weg niet," hernam de vrouw grijnzend.
-
-"Maar als je me thuis wilt brengen, zal Moe je wel beloonen, juffrouw,"
-zeide Lotje.
-
-"Ja, misschien met een paar centen, een dubbeltje of op zijn hoogst een
-kwartje," hernam het oude wijf. "Ik zou je bedanken, om daar zoo'n end
-voor te loopen. Maar ik weet beter. Je hebt daar een paar gouden
-belletjes in je ooren en een granaten ketting met een gouden slotje om
-den hals. Als je mij die geeft, dan wijs ik je den weg."
-
-"Maar dan zal moeder knorren," zeide Lotje.
-
-"Wat knorren! Nu wil ik ze hebben en wijs je toch den weg niet!" En dit
-zeggende, zette het oude wijf haar mandje neer, wiep haar takkenbos op
-den grond en pakte het arme Lotje beet, wie ze haar gouden belletjes en
-haar granaten ketting met gouden slotje afnam.
-
-"Ja, schreeuw maar!" riep ze, toen Lotje hard om hulp riep. "'t Helpt je
-toch niet; geen mensch kan je hier hooren! Had je 't me gewillig
-gegeven, dan zou ik je den weg gewezen hebben; maar nu kun je vannacht
-in 't bosch blijven, waar de een of andere hongerige wolf je wel zal
-komen opkluiven. Nu, ik wensch hem smakelijk eten; want je bent een vet,
-lekker boutje, -- dat ben je."
-
-'t Afschuwelijke wijf deed de belletjes en den ketting grijnzend in haar
-mandje, nam den takkenbos weer op den rug, knikte Lotje goedenavond en
-vertrok.
-
-Schreiend en over al haar leden bevende stond onze arme Lotje daar!
-Haar mooie belletjes haar ontstolen, welke ze van moeder op haar
-negenden verjaardag gekregen had! 't Was verschrikkelijk! Wat zou moeder
-knorren, als ze thuis kwam! En toch, was ze maar thuis! Ze had wel
-knorren willen hebben van moeder, van tante Eef, ja, van Jaan de meid er
-bij, als ze maar weer in haar lekkere, warme huis was. En vanavond kwam
-haar vader thuis! O, als die zijn lieve Lotje niet vond, wat zou hij
-bedroefd zijn! En wie weet, of hij zijn Lotje wel ooit zou weerzien!
-Want had dat leelijke wijf niet gezegd, dat er wolven in 't bosch waren.
-En wolven eten kinderen op; dat had ze immers in 't sprookje van
-Roodkapje duidelijk gelezen. Al die akelige gedachten en nog zoo veel
-andere kwamen in haar op, terwijl ze daar bitter schreiend het oude wijf
-stond na te kijken.
-
-Ons Lotje was voor haar jaren een heel verstandig kind.
-
-"Als ik den weg eens opging, dien het oude wijf gegaan is," zei ze bij
-zichzelf, "dan kom ik zeker terecht!" En, hoe bang ze ook voor de
-dievegge van haar sieraden was, liep ze snel dien kant uit. Juist was
-zij den hoek van 't pad om, toen ze het oude wijf op een heelen afstand
-een hoek zag omslaan. Zoo gauw ze nu kon, liep ze het rechte pad af;
-doch aan den hoek gekomen, welken 't wijf was omgeslagen, kwam ze aan
-een kronkelpad en zag ze haar in geen velden of wegen. Toch sloeg ze dat
-kronkelpad in, en -- wat hoorde ze daar? . . . Een rijtuig op den grooten
-weg!
-
-"Dus ben ik dicht bij den straatweg!" riep ze uit. "Laat mij nu goed
-luisteren, waar het rijtuig rijdt; dan ga ik dien kant op."
-
-Duidelijk hoorde ze 't ratelen der wielen harder worden, toen weer
-verminderen, eindelijk wegsterven. Maar 't was nu geheel donker geworden
-en 't zou haar dus moeilijk vallen om de gebaande paden te houden.
-Daarenboven hield ze die ook niet, want ze vreesde, en niet ten
-onrechte, dat die haar van den rechten koers mochten afleiden. Ze drong
-dus regelrecht naar 't punt toe, door 't lage dennenhout heen, dat hier
-gelukkig niet dicht op elkander stond; want ze smachtte er naar om op
-den straatweg te komen, waar ze waarschijnlijk menschen zou vinden, die
-haar den weg naar 't dorp konden wijzen, of wellicht een rijtuig, dat
-haar zou meenemen. Hier en daar bleef ze aan de dennentakken vastzitten,
-waardoor ze een winkelhaak in haar jurkje haalde. Daar reed weer een
-rijtuig over den grooten weg. 't Scheen een boerenwagen te zijn, dat kon
-ze aan 't zware rollen hooren. Maar hij was dichter bij dan 't vorige
-rijtuig, dat was zeker. Met moed zette ze dus haar koers voort, dwars
-door 't geboomte heen, en -- tot haar onuitsprekelijke blijdschap, stond
-ze eenige minuten later op den straatweg.
-
-Intusschen was er nu wel veel, maar niet alles gewonnen. Ze wist niet,
-of ze rechts of links moest gaan. Ging ze den verkeerden kant op, dan
-verwijderde zij zich hoe langer meer van het dorp. Daarenboven -- zouden
-er, bij den avond op den zoo zelden bereden weg nog rijtuigen komen?
-Wandelaars zeker niet; daarvoor was het te laat.
-
-Daar stond ze weer in diepe gedachten stil, en hoe blij ze ook was, dat
-ze ten minste uit het bosch was, ze was nog allesbehalve thuis. Bedroefd
-zette ze zich op een steenhoop aan den weg neder.
-
-"Ik zal wachten, tot ik de klok van ons dorp hoor slaan," zeide ze. "Dan
-weet ik ten minste, welken kant ik gaan moet."
-
-Dat was heel verstandig van haar. Maar ik heb u ook al gezegd, dat ze
-voor haar leeftijd heel verstandig was. Het duurde echter lang, eer haar
-verlangen vervuld werd en ze de klok hoorde slaan. Waarschijnlijk had
-die juist geslagen, toen ze nog in 't lage dennenhout was, en had ze
-haar daardoor niet gehoord; daarbij valt de tijd altoos dubbel lang, als
-men op iets wacht, en daarom scheen 't haar toe, alsof die klok nooit
-zou slaan. Eindelijk, daar klonk het: "een, twee, drie, vier, vijf, zes,
-zeven, acht."
-
-"Halfacht of acht uur!" zeide zij verschrikt. "O, wat zal moeder
-ongerust zijn! Wie weet, waar ze mij zoeken! -- Maar wat is die klok
-veraf. O, wat ben ik een eind van ons dorp afgedwaald! Wie weet, hoe
-laat ik thuis kom! Maar thuis kom ik toch vóór den nacht! Als ik maar
-niet zoo moe was! Ik moet nog een oogenblik blijven zitten, maar niet te
-lang: want ik heb zoo'n vaak, en als ik lang zat, dan had ik kans dat ik
-in slaap viel."
-
-'t Was heel verstandig geredeneerd; maar 't zou nog vrij wat
-verstandiger geweest zijn, als ze maar terstond was opgestaan; want
-zonder dat ze 't wist viel ze, terwijl ze slechts een oogenblik wilde
-uitrusten, in een diepen slaap, waaruit haar zelfs 't geratel der wielen
-van een aankomend rijtuig niet wakker deed worden. Ze droomde juist van
-huis en van haar moeder, van Anton en kleine Pietje, toen ze wakker
-gemaakt werd door een heer, die over haar heen boog, en nog half slapend
-een rijtuig met twee brandende lantaarns op 't midden van den weg zag
-stilstaan. Zoo slaperig was ze, dat ze weer ingesluimerd zou zijn, had
-de heer haar niet met een paar stevige armen opgenomen en in 't rijtuig
-gedragen, waar hij haar naast zich neerzette.
-
-
-IV.
-
-HOE 'T BIJ LOTJE AAN HUIS WAS.
-
-Anton was naar zijn meester gegaan en had Lotje natuurlijk niet ontmoet.
-Enkele dorpsmeisjes, welke hij tegengekomen was en naar haar gevraagd
-had, konden hem geen uitsluitsel geven. Zoo kwam hij bij zijn meester,
-nam zijn les, en was zoo bezig met hetgeen hij leerde, dat hij Lotje
-geheel vergat. Toen hij echter 't schoolhuis verlaten had en op straat
-was, kwam ze hem weer in de gedachten.
-
-"O, ze zal nu wel al lang thuis zijn," dacht hij, en stapte onbekommerd
-voort.
-
-Maar in huis vond hij alles in rep en roer: moeder in doodelijke onrust
-over haar Lotje; tante Eef en Jaantje het dorp in, om bij al de
-kennissen te vernemen, of ze daar ook was.
-
-"En ieder oogenblik kan je vader thuis komen," riep zijn moeder uit. "En
-wat zal de goede man zeggen, als hij zijn Lotje niet vindt!"
-
-"Moeder," zeide Anton, "natuurlijk is Lotje in het bosch verdwaald. Hoe
-ze echter in 't bosch gekomen is, begrijp ik niet."
-
-"Ik wel, of liever ik weet het," antwoordde zijn moeder. "Met Keetje van
-hiernaast, Truitje en nog een ander meisje, is ze, door de heerlijke
-blauwbessen, die er stonden, verlokt geworden. De drie andere meisjes
-hebben zich dichter bij elkander gehouden; maar Lotje schijnt van haar
-afgedwaald te zijn; ten minste, toen ze naar huis wilden gaan en door
-elkaar te roepen, weer bij elkander kwamen, kwam, ondanks al haar
-schreeuwen, Lotje niet voor den dag. Wel een bewijs dus, dat zij verder
-afgedwaald was, dan zij vermoedden. Na nog eenigen tijd gezocht te
-hebben, gaven ze 't zoeken op, en, eensdeels zich verbeeldende dat Lotje
-alweer op den straatweg zou zijn, in aantocht huiswaarts, misschien
-reeds lang thuis, voor zij 't nog waren, anderdeels zelf niet langer uit
-durvende blijven, gingen ze terug en kwamen laat genoeg in het dorp aan,
-om ook haar ouders in onrust te brengen. En zoo zijn ze zonder ons lieve
-Lotje teruggekeerd."
-
-"'t Eenige wat er aan te doen is, moeder," zeide Anton, "is, dat eenige
-mannen met fakkels mij vergezellen en we in 't bosch zoeken. Zoo ver af
-kan ze toch niet gedwaald zijn, of we zullen haar spoedig vinden."
-
-"We zullen eerst de terugkomst van tante Eef en Jaantje afwachten,"
-zeide de angstige moeder. "Als Lotje soms hier of daar bij den een of
-ander aan 't praten was, zouden we voor niet een geheele opschudding in
-het dorp veroorzaken. 't Ergst van alles is, dat vader vanavond komt; en
-wat zal die wel zeggen, als hij Lotje niet vindt?"
-
-"Misschien is ze vóór dien tijd wel thuis," zeide Anton troostend. "Ik
-wou, dat tante Eef en Jaan maar terugkwamen; dan zouden we ten minste
-weten, wat we moeten doen."
-
-'t Duurde wel een half uur, eer beiden terug waren. Ze waren elk aan een
-kant van het dorp in de verschillende huizen geweest, waar Lotje
-kennissen had; maar Lotje hadden ze er niet getroffen.
-
-"Och wat zou er toch met Lotje gebeurd zijn?" riep tante Eef schreiend
-uit, zoodra zij in huis kwam. "Begrijp eens, niemand heeft haar gezien!"
-
-"Neen, juffrouw," zeide nu Jaantje, die ook binnen kwam, "aan den
-anderen kant is Lotje ook niet geweest. Ik ben bij vrouw Jansen geweest,
-en die woont heel aan 't eind van 't dorp, maar zij wist er niets van."
-
-Terwijl men aan 't beraadslagen was over 't geen men doen zou, kwam er
-een rijtuig de straat oprijden.
-
-"Dat zal vader zijn," riep Anton uit. "O, op welk een ongelukkig
-oogenblik komt hij!"
-
-"We kunnen hem met geen treurige gezichten ontvangen!" zeide zijn
-moeder, terwijl ze haar tranen droogde. "Eerst, als hij in ons midden
-zit, zullen we 't hem vertellen. Mocht hij naar Lotje vragen, dan zeggen
-we, dat ze naar bed is. Eigenlijk ben ik blij, dat hij thuis komt; dan
-kan hijzelf maatregelen nemen, om haar te zoeken."
-
-Op dit oogenblik hield het rijtuig voor 't huis stil, en snelde ze naar
-de deur, om haar man te verwelkomen. Spoedig was deze in de helder
-verlichte kamer, waar hij door zijn schoonzuster, Anton en Karel
-verwelkomd werd. Jacob en Pietje waren nog te klein om op te blijven en
-dus naar bed gebracht, omdat moeder niet wist, hoe laat vader misschien
-thuis zou komen.
-
-Dat was een ontmoeting! Ge kunt begrijpen, dat de kapitein in de eerste
-verrukking zijn kleine Lotje zoo gauw niet miste. Hij zag ook niet, dat
-zijn vrouw en tante Eef roodgeschreide oogen hadden, en dat Anton een
-erg benauwd gezicht zette.
-
-"Jongens, wat is het toch heerlijk om thuis te zijn," riep hij uit,
-zoodra de eerste begroeting afgeloopen was. "'t Oude spreekwoord: "Oost,
-west, thuis best!" is wel waar. De man die het bedacht heeft, is zeker
-ook zeekapitein geweest!"
-
-"Maar, Pa," merkte Karel nu aan, "dat kan ik aan u toch niet merken. Als
-u het thuis dan zoo prettig vindt, waarom blijft u dan niet bij ons?"
-
-"O, lepidum!" zeide de kapitein hartelijk lachend. "Weet je dan niet,
-dat ik juist telkens weg moet, om het hier zoo prettig, gezellig en
-huiselijk te maken? Als ik niet op reis ging, waar zou de schoorsteen
-dan van rooken?"
-
-"Ja, dat is waar," antwoordde Karel, "maar er blijven zooveel menschen
-thuis, bij wie de schoorsteen toch rookt! Als u nu eens iets anders
-werd?"
-
-"Op mijn leeftijd, mijn jongen, gaat dat maar zoo gemakkelijk niet,"
-antwoordde de kapitein, "en daarenboven ik houd veel van de blauwe
-baren: de zee is mijn element!"
-
-Onder het gesprek zaten tante Eef en Lotjes moeder elkander angstig aan
-te kijken, en zagen vol vrees het oogenblik te gemoet, waarop de
-kapitein naar Lotje zou vragen. Eensklaps gebeurde dit, en zeide hij:
-
-"Waar is Lot?"
-
-"Ze had zoo'n slaap en is naar bed gegaan," zeide zijn vrouw.
-
-"O, die luie meid! Kon ze niet opblijven, totdat haar vader thuis was?"
-zeide hij. "Kom, ik ga even naar boven en moet haar en de beide anderen
-toch eens kussen. Misschien wordt ze wel wakker, en dan breng ik haar
-mee naar beneden."
-
-Lotjes moeder zat in pijnlijke onrust. Als haar man boven kwam en hij
-vond Lotje niet in haar bedje, -- dan zou hij zeker vreeselijk ontstellen
-en niet weten, wat er gebeurd was. Daarom zeide zij:
-
-"Wacht nog even. Ze mocht eens schrikken, als ze je zoo in eens zag.
-Laat Eef liever naar boven gaan en zien, dat ze haar wakker krijgt.
-Slaapt ze dan zoo vast, welnu, dan kunt ge gerust gaan."
-
-"Nu, mij is 't goed," antwoordde de kapitein. "Eef, als je 't wilt doen,
-ga dan maar gauw; want je begrijpt wel, dat ik erg naar Lot verlang."
-
-Toen tante Eef naar boven was, begon Lotjes moeder:
-
-"Hoor eens, lieve man! Ik moet je iets mededeelen. . ."
-
-"Wacht even met je mededeeling," viel hij zijn vrouw in de rede, "want
-daar hoor ik voetstappen op straat. 't Zijn zeker de mannen met het
-cadeau, hetwelk ik je uit de Oost heb meegebracht. Ik moet er zelf bij
-zijn, dat ze 't voorzichtig dragen; anders mocht het eens breken."
-
-"Laat Anton dat maar doen," zeide zijn vrouw.
-
-"Neen, ik vertrouw 't niemand toe dan aan mijzelf. Ik heb het
-opzettelijk in den Gouden Valk van de imperiaal der vigilante laten
-afhijschen, om dat ik bang was dat de koetsier met Jaan het niet
-voorzichtig genoeg zouden doen. Ha! daar schellen ze reeds!"
-
-En eer zijn vrouw er iets tegen doen kon, was hij de kamer al uit en
-naar de voordeur.
-
-Kort daarna kwamen er twee mannen met een lange, vierkante mand binnen.
-De kapitein liep er naast.
-
-"Voorzichtig maar! Voorzichtig!" riep hij.
-
-Nadat de mannen de mand voorzichtig hadden neergezet en ze, na van den
-kapitein een fooi gekregen te hebben, vertrokken waren, zette deze de
-lamp dicht bij den rand der tafel, en een oogenblik vergat Lotjes moeder
-haar verdriet, uit nieuwsgierigheid, wat er toch voor kostbaars uit die
-mand zou komen. Ook Anton en Karel stonden er vol verwachting bij. Juist
-kwam tante Eef van boven. Haar zuster wenkte haar, dat ze haar man nog
-niets van Lotje gezegd had.
-
-"Lot slaapt zoo vast, dat ik haar niet wakker kan krijgen," zeide ze.
-
-"Nu, dat is niets," zei de kapitein. "Dan zal ik haar straks wel wakker
-kussen. Kom nu echter hier, Eef; dan zal ik je eens laten zien, wat ik
-voor mijn vrouw uit de Oost heb medegebracht. Je zult zeker nog nooit
-zoo'n cadeau aanschouwd hebben."
-
-Ook tante Eef kwam bij de mand staan, waarvan de kapitein de touwen heel
-bedaard lossneed. Toen nam hij er het deksel af, en -- daar verrees met
-een lachend gezicht en beide armen naar moeder uitgestrekt, de kleine
-verlorene dochter, de lieve Lotje.
-
-Met een kreet van blijdschap nam de verrukte moeder het kind uit de mand
-en barstte in tranen van lang opgehouden aandoening uit.
-
-"Moe! lieve Moe! Ik zal 't nooit weer doen!" riep Lotje.
-
-"Goddank! dat ik je terug heb!" riep de moeder. "Ondeugende man! om mij
-zoo te doen schrikken," zeide ze onder haar tranen door lachende.
-
-"Ondeugend?" vroeg de kapitein. "Omdat ik je ons Lotje terugbreng?"
-
-"Maar hoe hebt ge haar toch gevonden?" vroeg zij.
-
-"Dat zal ik je straks vertellen, en daarna mag Lotje spreken. Doch gaat
-eerst allen zitten, en tante Eef, krijg een fijne flesch wijn en laat
-Jaan dan glazen geven; dan zullen we straks op mijn welkomst en den
-gelukkigen terugkeer van ons lieve Lotje drinken."
-
-"Dat is goed," zeide zijn vrouw, die met Lotje op haar schoot aan de
-tafel ging zitten. 't Was alsof ze bang was, dat het kind haar weer
-ontnomen zou worden.
-
-"Je bent je belletjes kwijt, en je ketting ook!" zei ze, toen ze haar
-Lotje goed bekeek. "Waar heb je die gelaten, Lot?"
-
-"Dat zal ze je straks wel vertellen," zeide de kapitein. "Ha, daar is
-Eef al met den wijn en Jaan met de glazen! Geef nu maar hier, dan zal ik
-de flesch opentrekken, en schenken we de glazen vol, om straks te
-drinken."
-
-Nadat hij dit gedaan had, vertelde de kapitein:
-
-"Ik reed langs den straatweg, toen de koetsier eensklaps
-ophield. -- "Wat is er?" -- vroeg ik hem. "Is er wat met de paarden of
-'t rijtuig gebeurd?" -- "Neen, mijnheer," antwoordde hij. "Wees maar
-volkomen gerust. Doch zie eens, daar aan den kant van den weg, daar zit
-een klein meisje op een hoop steenen te slapen." -- "'t Zal een
-bedelaarskind zijn," zeide ik. -- "Ik geloof 't niet, mijnheer,"
-antwoordde hij; "'t heeft ten minste, voor zooveel ik zien kan, een
-hoedje op." -- In een oogenblik was ik het rijtuig uit, en daar zag ik
-werkelijk bij 't licht, dat de lantaarns op haar wierpen, een klein
-slapend meisje zitten. Ik riep haar wakker; ze keek even op, maar liet
-haar hoofdje weer zakken. -- "Ik zal haar in 't rijtuig nemen," zeide ik
-en tilde haar op. "'t Is zeker een kind van ons dorp, dat te ver
-geloopen en hier in slaap gevallen is." -- Dit zeggende, nam ik het
-slapende kind op en droeg het naar 't rijtuig. Doch eer ik er het kind
-inlegde, hield ik het dicht bij een der lantaarns van 't rijtuig, om te
-zien, of ik 't ook kende. Verbeeldt u, hoe verbaasd ik opkeek, toen ik
-daar mijn lieve Lotje zag, ofschoon met blauwe lippen en blauwe vingers,
-die mij verrieden, dat ze aan 't boschbessen plukken geweest was. Nu
-maakte ik haar wakker. En toen ze mij herkende en de armpjes om mijn
-hals sloeg, om mij met haar blauwe bekje te kussen, week alle slaap uit
-haar oogen. Ik zette haar nu in 't rijtuig, nam haar op mijn schoot en
-nu moest ze me vertellen, hoe ze hier gekomen en wat haar al zoo
-gebeurd was; en dat mag ze straks nog eens aan u allen doen. Doch eerst
-moet ik mijn vertelling afmaken. Ik beval nu den koetsier, om aan den
-Gouden Valk stil te houden. -- "Hemel! kapitein," riep de kasteleines
-uit. "U hier! En Lotje bij u! Nu, dat is een geluk! Uw vrouw heeft al
-door 't heele dorp naar haar laten zoeken en is mooi in angst." -- "Kom,
-dan zullen we eens een grap hebben. Vooreerst, juffrouw, moest je eens
-even de blauwe dame schoonmaken; en dan, kastelein, heb je geen leege
-champagnemand, waar ze in kan? Dan rijd ik naar huis, en laat jij de
-mand voorzichtig door een paar mannen aan huis brengen. Als ze te gelijk
-met mij de deur uitgaan, zijn ze er juist op hun tijd." -- De kastelein
-vond die verrassing zoo aardig, dat hij spoedig met een leege mand kwam
-aandragen. Nu vertelde ik Lotje, dat ze heel zoet in de mand moest gaan
-liggen en vooral heel stil zijn, als ze bij Moe in de kamer kwam; en 't
-kleine ding heeft zich goed gehouden. Heeft ze niet, Moe?"
-
-"Nu, dat zou ik zeggen!" zeide Lotjes moeder, terwijl ze haar lieveling
-nog eens aan haar hart drukte.
-
-"En nu," zei de kapitein, zijn glas opnemende, "nu op mijn terugkomst en
-de gelukkige terugvinding van onze lieve Lotje!"
-
-"Daar drinken we volgaarne op," zei tante Eef. "En dat je nooit weer in
-de noodzakelijkheid moogt komen, om je vrouw zulke presenten uit de
-Oost mee te brengen!"
-
-"Dat wensch ik van harte!" zei de kapitein lachende.
-
-"Maar nu is de beurt aan Lotje, om te vertellen," vervolgde hij, nadat
-men gedronken had. "En als je haar gehoord hebt, zul je moeten
-toestemmen, dat het kleine ding geducht bijdehand is! Was ze dat niet
-geweest, dan zat ze misschien nog midden in 't bosch te slapen, en dan
-konden we met een aantal fakkeldragers haar gaan opzoeken. Door haar
-gevatheid heeft ze gemaakt, dat mijn thuiskomst een dubbel feest is."
-
-Lotje vertelde nu, wat ze haar vader reeds verhaald had, en wat we ook
-alreeds weten.
-
-"Hoe slim, niet waar?" zei de kapitein, toen Lotje haar vertelling
-gedaan had, "om ondanks haar verdriet en angst dat oude wijf in de verte
-te volgen en toen door dik en dun regelrecht op den rijweg af te gaan en
-te wachten tot de klok sloeg, om geen verkeerden kant in te slaan."
-
-"Maar 't was niet slim van je, Lot, dat je gingt slapen," zeide Anton.
-
-"Ik had zoo'n slaap en ik was zoo moe," zei Lotje heel onnoozel.
-
-"En zouden we niets kunnen doen, om haar belletjes en haar ketting terug
-te krijgen?" vroeg haar moeder.
-
-"Ik vrees, dat alles tevergeefs zal zijn," antwoordde de kapitein. "De
-dievegge zal wel zorgen, dat ze vooreerst niet hier op het dorp komt;
-want Lotje heeft haar gezegd, waar ze woonde; -- dus dat weet ze. En waar
-zul je 't wijf vinden, dat waarschijnlijk een landloopster is en 't
-gestolen goed zoo gauw mogelijk van de hand zal doen. Ze zijn nu eenmaal
-weg, en 't is geen doodwond. Laat ons er dus maar geen moeite voor
-doen. -- Lot krijgt van mij andere belletjes en een anderen ketting,
-zoodra ik naar Amsterdam moet, hetgeen over een paar dagen 't geval zal
-zijn, als mijn schip in 't Oosterdok ligt. Laat ons maar tevreden zijn,
-dat we ons lieve kind gezond en ongedeerd weer hebben! Beter de
-belletjes en de ketting weg, dan mijn Lotje."
-
-Toen de eerste verrukking een weinig bedaard was, herinnerde Lotje zich
-het gesprek, dat zij met Keetje had gehad, en zij besloot nu dadelijk
-met haar verzoek voor den dag te komen. Zij bedacht zich even en zette,
-terwijl ze dat deed, zulk een ernstig gezichtje, dat de kapitein
-uitriep: "Wel, Lot, waar zit je zoo vreeselijk ernstig over te denken?
-Je zet een gezicht, alsof je weer naar het bosch moest."
-
-"Pa, ik wou u wel eens wat vragen," zeide Lotje bedeesd, "en ik zou zoo
-heel graag willen, dat u het deed."
-
-"Wat is dat een geheimzinnig begin," zeide haar vader lachend. "Ik kan
-toch vooruit niet beloven, dat ik doen zal wat je wilt. Wie weet, welke
-dwaze gedachten er in dat kleine hoofdje huizen!"
-
-"Neen, Pa, 't is heusch niet dwaas," beweerde Lotje ernstig.
-
-"Kom, biecht dan maar op," zeide Anton vroolijk. "Wie weet, welke slimme
-gedachten Lot in het bosch gekregen heeft!"
-
-"Jongen, je begrijpt er niets van," antwoordde Lotje. "En ik zou het wel
-aan uw oor willen vragen, Pa," voegde zij er vleiend bij. "Nu, kom dan
-maar hier, op mijn knie," zeide de kapitein. "En vertel mij dan eens,
-wat voor vreeselijke zaken je te zeggen hebt." Lotje zat nu op haar
-vaders knie, sloeg haar beide armpjes liefkoozend om zijn hals en legde
-haar wang tegen zijn baard, terwijl zij fluisterde:
-
-"Als u weer naar zee gaat, Paatje, dan moet u ons allemaal mee op 't
-schip nemen."
-
-"Jullie allemaal meenemen!" riep de kapitein uit, die groote oogen
-opzette. "Lot, hoe kom je aan dat dwaze denkbeeld? Begrijp eens," voegde
-hij er tot de anderen bij, "Lotje wil, dat ik jullie allemaal mee op 't
-schip neem, als ik weer op reis ga!"
-
-"O, hoe kom je daaraan?" riep haar moeder lachend uit. "Nu, man, je
-zoudt een schip vol krijgen."
-
-"Lotje is zeker bang, dat zij weer verdwalen zal," merkte Anton nu aan,
-"en ze denkt, dat we haar op het schip gauwer zullen vinden."
-
-"Vindt u het dan zoo heel gek?" vroeg Lotje onschuldig. "Wij konden dan
-allemaal bij elkander blijven, en Moe zou niet meer huilen, als het zoo
-hard waait."
-
-"Ik zou het ook wel prettig vinden, als wij bij elkander konden
-blijven," antwoordde de kapitein, terwijl hij haar over haar krullebol
-streelde. "Maar op zee zou ik jullie toch liefst niet bij mij hebben; ik
-zou maar bang zijn, dat je in het water vielt of zeeziek werdt."
-
-"En, Lot, hoe moest het dan met je schoolgaan?" vroeg Anton. "Of zou je
-het leeren er maar aan geven?"
-
-"Wel neen, Pa moest een meester mee aan boord nemen, en dan was het
-toch even zoo goed alsof wij schoolgingen: we konden dan immers ook
-leeren," zeide Lotje.
-
-"'t Is heel aardig van je bedacht, Lotje; en 't zou voor mij heel
-gezellig wezen, maar het zou je aan boord volstrekt niet bevallen. We
-zullen de zaken dus maar laten, zooals ze zijn; en daar heb je een
-lekkere wafel, eet die nu maar eens smakelijk op."
-
-Lotje was de heldin van dien avond. Maar dit beloofde ze, dat ze nooit
-weer met een of meer van haar vriendinnetjes blauwbessen in het bosch
-zou gaan plukken. Als ze het dan wou doen, zou ze vragen, of vader of
-moeder of tante Eef meeging.
-
-Den volgenden ochtend ging Lotje weer naar school. Zoodra zij op de
-plaats voor het schoolhuis kwam, werd zij aan alle kanten met vragen
-bestormd, want het was nog een minuut of tien te vroeg, en dus stonden
-de meisjes buiten een beetje met elkander te praten.
-
-"Welkom in het leven, Lot!" riep Truitje uit.
-
-"Lot, waar heb je gisteren toch gezeten?" riep Keetje.
-
-"We dachten, dat je verongelukt waart," zeide een ander.
-
-"Of door de kunstenmakers meegepakt!" zeide Truitje.
-
-"Meisjes, weest nu eens stil, dan zal ik jelui op de hoogte brengen,"
-zeide Lotje.
-
-"Maar waar was je toch, Lot?" vroeg nu Keetje weer.
-
-"Ik mag wel vragen, waar jelui waart," antwoordde Lotje. "'t Is wat
-moois, om mij in den steek te laten. Ik heb jullie geroepen en
-geschreeuwd van belang, want ik had zoo'n heerlijk plekje gevonden! 't
-Stond er vol blauwbessen; ik kon ze allemaal niet opeten. En ze waren
-zoo lekker rijp! Jullie hebben wat gemist!"
-
-"Maar waar heb je toch gezeten, Lot?" herhaalde Keetje. "Iedereen is
-doodelijk ongerust over je geweest."
-
-"Ik was verdwaald," antwoordde Lotje en vertelde nu in kleuren, hoe
-alles zich had toegedragen. Toen zij aan die ontmoeting met de dievegge
-kwam, zeide Keetje:
-
-"Hoe jammer, dat je je belletjes en kralen kwijt bent! Heb je knorren
-gehad?"
-
-"Wel neen, Keetje, volstrekt niet. Moe was veel te blij, dat ze me
-weerom had," antwoordde Lotje. "En Pa gaat gauw naar Amsterdam en zal
-dan nieuwe voor mij koopen."
-
-"Nu, dat is prettig," riep Truitje uit. "Maar daar slaat het negen uren;
-kom, ga mee naar binnen."
-
-Een dag of wat later ging de kapitein met Anton naar Amsterdam en
-bracht, behalve verschillende cadeaux, voor Lotje een klein pakje mede,
-waarin een paar oorbelletjes en een bloedkoralen ketting met gouden slot
-waren; en op dat pakje stond met groote letters: Voor
-
-HET VERDWAALDE KIND.
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- 1. JANSJE DE SLODDERVOS.
-
- bladz.
-
- I. Jansje en haar moeder 7
-
- II. Wat er van den tocht naar den kersenboomgaard kwam 17
-
- III. Vaders gedachtenis 26
-
-
- 2. ANNES KANARIETJE.
-
- I. Hoe Anne aan haar kanarievogeltje kwam 49
-
- II. Hoe Annes kanarietje 't maakte 60
-
- III. Wat Annes moeder haar van oom Frans vertelde 68
-
- IV. Wat er op zekeren nacht gebeurde 76
-
- V. Hoe de kanarie een groote rol in Annes lot speelt 84
-
-
- 3. HET VERDWAALDE KIND.
-
- I. Waarin we kennis met Lotje maken 97
-
- II. De vreemde kunstenmakers 107
-
- III. Het verdwaalde kind 121
-
- IV. Hoe 't bij Lotje aan huis was 129
-
-
-
-
-CORRECTIES
-
- aanhalingsteken toegevoegd of verwijderd
- komma toegevoegd of verwijderd
- punt toegevoegd
- 'ze' toegevoegd (toen ze opeens de)
- ! toegevoegd
- 'een' toegevoegd (Daar 't pas een kwartier over eenen was)
- zie => zei (voor den spiegel en zei)
- achterstvoren => achterstevoren (haar achterstevoren voor den spiegel)
- laaste => laatste (te vinden dan de laatste)
- kamerje => kamertje (en dan op 't kamertje)
- aande => aan de (ook de boekenplank aan de)
- . => :
- een => eens (Hoor eens, Jans,)
- hatelijk => hatelijke (een hatelijke en afzichtelijke ondeugd)
- langzamerhad => langzamerhand (maar langzamerhand vond ze het)
- haud => hand (waarna het op haar hand)
- intuschen => intusschen (Anne was intusschen)
- vrindinnetje => vriendinnetje (zoo'n lief vriendinnetje)
- angsting => angstig (maar een angstig ding)
- antwoorde => antwoordde (vader thuis komt," antwoordde Anne.)
- plinter => splinter (dat er een splinter inzit)
- daar => haar (zich en haar dochtertje)
- verassen => verrassen (mee was komen verrassen)
- . => ?
- den => dan (liever dan mijn kanarie)
- kenissen => kennissen (hun kennissen verteld had)
- volstekt => volstrekt (o neen, volstrekt niet)
- ge makkelijk => gemakkelijk (pleizierig en gemakkelijk)
- 'k wou => 'k Wou ('k Wou zelf ook graag)
- . => ,
- eensklap => eensklaps (eensklaps uit)
- anstig => angstig (angstig te worden)
- anstige => angstige (haar angstige verbeelding)
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Uit Ons Dorp, by P. J. Andriessen
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT ONS DORP ***
-
-***** This file should be named 41675-8.txt or 41675-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/4/1/6/7/41675/
-
-Produced by Branko Collin, Joke Van Dorst and the Online
-Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License available with this file or online at
- www.gutenberg.org/license.
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation information page at www.gutenberg.org
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at 809
-North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
-contact links and up to date contact information can be found at the
-Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.