diff options
Diffstat (limited to '41675-8.txt')
| -rw-r--r-- | 41675-8.txt | 4570 |
1 files changed, 0 insertions, 4570 deletions
diff --git a/41675-8.txt b/41675-8.txt deleted file mode 100644 index eb51d03..0000000 --- a/41675-8.txt +++ /dev/null @@ -1,4570 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Uit Ons Dorp, by P. J. Andriessen - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Uit Ons Dorp - Drie Verhalen voor Meisjes - -Author: P. J. Andriessen - -Release Date: December 20, 2012 [EBook #41675] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT ONS DORP *** - - - - -Produced by Branko Collin, Joke Van Dorst and the Online -Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - - - - - - -OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER - - -De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde -spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. - -Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend -hersteld. - -Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. - -Variaties in spelling (met of zonder accent, met of zonder -koppelteken, met of zonder extra spatie) zijn behouden. - -_Cursieve tekst_ is in deze tekst weergegeven met _een laag streepje_. - -=Gespatieerde tekst= is in deze tekst weergegeven met =een -isgelijkteken=. - -Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind -van dit bestand. - - - - - [Illustratie] - - - - -P. J. ANDRIESSEN - -UIT ONS DORP - - [Illustratie] - - - - -UIT ONS DORP - - - Drie Verhalen - VOOR - MEISJES - - DOOR - P. J. ANDRIESSEN - - _Schrijver van "Emma van Bergen". -- "Op Markestein". - "De Dochter van den Fabrikant," enz. enz._ - - MET 6 PLATEN. - - _2e Druk._ - - AMSTERDAM - TJ. VAN HOLKEMA - - - Stoomdrukkerij van Roeloffzen & Hübner, te Amsterdam. - - - - -VOORBERICHT. - - -Dat er behoefte bestaat aan goede en geschikte lectuur voor onze lieve -meisjes op den leeftijd van acht tot elf jaren, is een reeds lang -gevoelde en geuite, tot hiertoe slecht bevredigde klacht. De meeste -meisjesboeken toch zijn voor haar of te hoog of veel te kinderachtig. - -En waarom zouden onze lieve landgenootjes op dien leeftijd ook niet -haar eigen lectuur mogen hebben? Ze willen toch ook wel eens iets uit -haar eigen wereld lezen en niet zich behoeven te bewegen in een kring, -waarin ze nog niet thuis behooren en waarvan ze geen juiste begrippen -hebben; 't verveelt haar, zich steeds te moeten behelpen met die eeuwige -poppenhistories, die voor haar leeftijd veel te laf zijn. - -Mij kwam die klacht ter oore. Steeds bezield met den wensch, om zooveel -mogelijk voor allen nuttig te zijn, en wetende, hoe er in dat -belangrijke levenstijdperk voor meisjes genoeg voorvalt, om haar te -worden voorgesteld, heb ik de hand aan den ploeg geslagen, en vinden -mijn jeugdige lezeressen hier drie verhalen uit het dorpsleven, en wel: -_Jansje de sloddervos_, waarin ze veel pleizier zullen hebben, _Anna en -haar kanarievogeltje_, een schets van kinderliefde, en _Het verdwaalde -kind_, dat ze zeker met belangstelling zullen lezen. - -Ik twijfel niet, of onze uitgaaf zal sympathie verwekken; 't is om aan -de bestaande behoefte te voldoen, dat we twee boekjes te gelijk de -wereld inzenden. - - AMSTERDAM, 1877. - - P. J. ANDRIESSEN. - - -Dat onze edele kindervriend juist heeft gezien, bewijst het succès dat -aan deze boekjes te beurt viel en een tweeden druk noodzakelijk maakte. - - AMSTERDAM, 1882. - - TJ. VAN HOLKEMA - - _Uitgever_. - - - - -JANSJE DE SLODDERVOS. - - -I - -JANSJE EN HAAR MOEDER. - -Slordiger meisje dan Jansje Klimveld, geloof ik wel niet dat er op 't -heele dorp was. En toch kwam 't bij haar minder uit een slordigen aard -dan uit onbedachtzaamheid voort. Haar moeder, een weduwe, wier eenig -kind ze was, had er vrij wat verdriet van, en wel des te meer, omdat ze -zelf zoo keurig netjes op alles was. - -"Laat me je eerst eens bekijken, Jansje," was 't elken morgen, eer 't -meisje naar school ging. - -En dan was er geen enkele morgen, of daar was wat op haar aan te merken. -Den eenen keer zat heur haar slordig, dan was haar jurk dwars en scheef -toegehaakt. Op een anderen tijd had ze een winkelhaak in haar jurk of -gaten in haar kousen, en soms waren haar laarzen slordig geregen; -kortom, er ging schier geen morgen voorbij, dat er niet wat op haar -toilet aan te merken viel. Maar op zekeren morgen en dat is de dag, -waarvan ik u vertellen wil, liep het, zooals men zegt, de spuigaten uit. -Ondanks haar knorrigheid, moest juffrouw Klimveld toch om haar -sloddervos van een Jansje lachen. - -"Maar, hoe is 't mogelijk voor een meisje, dat over drie maanden twaalf -jaren wordt, zich zoo te kleeden!" riep zij uit, terwijl ze haar beide -handen in elkaar sloeg. "Kom toch eens hier, Griet! dan zul je een -spektakel zien, zooals je er nog nooit een aanschouwd hebt." - -"Wat scheelt er dan aan, Moe?" vroeg Jansje, die meende, dat ze vandaag -erg netjes was en er niets aan haar toilet mankeerde. - -Griet kwam binnen. "Heb je ooit zoo'n spektakel beleefd, Griet?" vroeg -juffrouw Klimveld aan haar dienstmaagd, terwijl zij op Jansje wees. "En -dat wil zóó naar school. Zou ze er niet ten spot van allen zitten?" - -"Nu, 't zou een pretje zijn!" zeide de oude Griet. "Ik denk, dat ons -jongejuffertje terstond naar huis gestuurd werd, want iedereen zou haar -zeker uitlachen." - -"Maar wat is het dan toch, Moe?" vroeg Jansje, die nog maar niet kon -begrijpen, wat er toch voor vreemds aan haar was. - -Haar moeder pakte haar bij haar beide schouders, zette haar -achterstevoren voor den spiegel en zei: - -"Draai nu je hoofd eens om, en zie!" - -Jansje kon, hoe beschaamd zij was, zich bijna niet van lachen onthouden. -Wat denkt gij, dat het geval was? Als naar gewoonte smeet ze alles maar -neer, of het er de plaats voor was of niet. Zoo had ze nu haar -handdoek, nadat ze hem gebruikt had, neergeworpen op haar jurk en was -hij aan een der haken vast gaan zitten. Onoplettend als ze was, had ze -dat niet gemerkt, toen ze de jurk aantrok; wel had ze gevonden, dat het -lijf vandaag zoo moeilijk toeging; maar ze had het toch op een paar -haken na, toegekregen. En aan een paar haken stoorde Jansje zich niet; -dat kwam er bij haar zoo nauw niet op aan. Nu hing die handdoek, evenals -de lamfer van een aanspreker, of een soort van ander ornament achter op -haar rug te bengelen, hetgeen natuurlijk met elke beweging den spotlust -harer schoolmakkertjes zou opgewekt hebben. - - [Illustratie] - -"Welnu, wat zeg je wel van zoo'n toiletje, Griet?" vroeg juffrouw -Klimveld. "'t Spijt me, dat ik niet teekenen kan, anders zou ik het -uitteekenen en 't naar Parijs sturen, om er een modeplaatje van te -maken. Misschien zou 't wel opgang vinden en een nieuw soort van -polonaise vormen." - -Jansje was er toch erg verlegen mee, dat ze er zoo uitzag. - -"Och, Griet!" zeide ze. "Doe er dat ding toch af! Ik kan er zoo slecht -bij!" - -Griet deed, wat Jansje haar vroeg, maar nauwelijks had ze den handdoek -van 't haakje losgemaakt, of ze sloeg haar handen ineen. - -"Lieve hemel, kind!" riep ze uit. "Wat heb je vandaag een toilet -gemaakt. Je hebt waarlijk je halsdoek vergeten om te doen!" - -"Zul je dan nooit leeren, om je zelf fatsoenlijk te kleeden!" riep -juffrouw Klimveld uit. "Een meisje van bijna twaalf jaren moet toch -waarlijk wel daartoe in staat zijn!" - -"Och! ik had zoo'n haast, moe!" zeide Jansje. - -"'t Is met jou ook wel: Haastige spoed, is zelden goed!" zeide haar -moeder. "Want eer je nu klaar bent, is 't nog later, dan wanneer je je -bedaard en ordelijk hadt aangekleed. Griet, ga even met haar naar boven -en kleed haar fatsoenlijk aan. Wat zouden de menschen wel van mij -denken, als ik je zoo naar school liet gaan?" - -Terstond ging Griet met haar naar het kamertje, dat Jansje geheel in -eigendom had, waar ze sliep, haar werk maakte, haar lessen leerde; -kortom, dat haar "eigen kamertje" was en hetwelk ze met haar elfden -verjaardag gekregen had, op voorwaarde dat ze het heel netjes zou -houden. Maar, o! die voorwaarde was zoo slecht nagekomen. Laat ons maar -eens met haar en Griet meegaan, -- dan zult ge u verwonderen over de -slordigheid, die er heerscht. Ik denk niet, dat ge ooit zoo iets gezien -hebt; ten minste geloof ik, dat, als gij een eigen kamertje hebt, het -zeker beter in orde zal zijn. - -'t Is een allerliefst kamertje, met een groot raam, dat op het tuintje -uitziet, en voor 't welk een zestal bloempotten staan, die slecht -onderhouden, dikwijls zeer ongeregeld water krijgen, en daardoor er -allesbehalve florissant uitzien. Het bevat een bedstee, waarin Jansje -slaapt, een kleerkast in den muur, waarin zij haar jurken kan ophangen, -een chiffonnière met zes laden, waarin zij haar ondergoed en kleine -zaken kan bergen, een waschtafel met toebehooren, een tafel, vier -stoelen, een spiegel, een boekenhanger en twee schilderijen. Wanneer 't -netjes gehouden werd, zou 't een allerliefst kamertje zijn, zoowel wat -de inrichting als 't uitzicht betreft; doch evenals slordigheid en -onordelijkheid aan alle dingen een onaangenaam voorkomen geven, mag men -dit wel in volle mate van Jansjes kamertje zeggen. - -Niet alleen zouden zes frissche, ferm bloeiende potten 't uitzicht -vervroolijken, en maken nu die halfverdroogde, kwijnende en armelijk -uitziende planten een somberen en treurigen indruk; maar 't inwendige -van 't kamertje is weinig geschikt, om dien indruk weg te nemen. Geen -stoel, of hij licht vol, op de tafel is alles door elkander, van de -boeken staan sommige onderstboven op de boekenplank, andere liggen er -op. En als ge eens in de laden van de chiffonnière kwaamt, -- ge zoudt er -een voddenmarkt meenen te vinden. Haar moeder, die heel goed weet, hoe -'t er op dat kamertje uitziet, heeft Griet bevolen, om als ze Jansjes -bed maakt, niets aan die wanorde te veranderen. - -Wat is 't gevolg van dit alles? Dat Jansje, als ze iets moet hebben, een -half uur moet zoeken, eer ze 't heeft. En 't ergst van alles is, dat ze, -wanneer ze dan zoekt, den boel nog meer door elkander schommelt; want in -plaats van bedaard alles op te lichten of er uit te halen, om te zien, -of 't geen ze zoekt, er ook tusschen of onder licht,--haalt ze den -heelen boel onderstboven en laat dien dan zoo maar liggen. O, 't is een -wanhopig ding, als men zoo slordig is! Mij dunkt, zoo'n meisje moet een -hekel aan zichzelf krijgen. - -En nog zou 't gaan, als ze bijvoorbeeld maar eenmaal 's weeks -opreddering hield, en alle dingen op hun plaats legde; -- dan ten minste -bleef er nog eenige orde heerschen. Maar onze onbedachtzame Jansje heeft -daar geen lust in en stapelt het eene maar op het andere, totdat ze er -niet meer wijs uit kan worden. Dat het met haar boeken en andere -schoolzaken weinig beter gesteld is, zult ge wel begrijpen. Daar is -insgelijks een onophoudelijke wanorde in. Nu eens brengt ze 't verkeerde -cahier of een geheel verkeerd boek mee; dan heeft ze 't werk voor een -verkeerden dag gemaakt, dan weder is er een blad uit het boek, waaruit -ze haar les had moeten leeren. Haar boeken zien er slordig uit, en 't is -al meer dan eens gebeurd, dat ze er onder weg een verloren heeft. -Gelukkig, dat haar naam op haar boeken staat; daardoor komen ze altijd -terug door den een of ander, die ze thuis brengt; maar 't was ook wel -gebeurd dat het erg regende en dan was 't verloren boek geheel en al -bedorven. - -Intusschen was nu Jansje door de oude Griet opgeknapt en naar school -gegaan. Volgens haar gewoonte ging de goede meid naar boven, om 't bed, -dat de jongejuffrouw afgehaald had, op te maken, versch water in -lampetkan en karaf te doen, en verder 't een en ander te verrichten. -Terwijl ze daar zoo bezig was, bekeek ze de bloemen, en gaf die wat -water. - -"Arme bloemen!" zei ze. "'t Is waarlijk zonde en jammer, dat je hier -staat te verkwijnen door gebrek aan goede oppassing. Dat moest bloemen -voor haar venster hebben! Had ze ze liever in den tuin laten staan; dan -hadden ze ten minste gelegenheid om te bloeien!" - -Zoo sprekende keek ze naar buiten in den tuin waar alles zoo bloeiend -was, en merkte te gelijk, dat zij met het geven van water aan de bloemen -wat langs 't kozijn gemorst had. Zij veegde dit af, en willende zien of -het schoon was, sloeg ze toevallig haar blik op den grond beneden aan 't -raam. - -"Maar hoe is 't mogelijk!" riep ze uit. "Dat is 't ringetje, hetwelk ze -van haar moeder gekregen heeft ter gedachtenis aan haar lieven overleden -vader! Hoe komt die ring daar te liggen? O! ik begrijp 't al: -- ze heeft -hem bij 't handen wasschen afgedaan en in 't kozijn neergelegd en toen -zeker met den handdoek 't raam uitgeslagen. En dan niet eens te merken, -dat ze hem verloren heeft! We zullen toch zien, wanneer ze hem mist. Of -liever, ik zal hem aan haar moeder geven. Maar die mocht hem eens tot -haar straf houden. Wat nood! Zulk een sloddervos is geen ring waard, en -in allen gevalle is het toch beter, dat ik hem haar geef. Ik denk, dat -ze er Jansje naar zal laten zoeken!" - -Griet snelde naar beneden en raapte het ringetje op, dat ze aandachtig -bekeek. 't Was een allerliefst ringetje met een keurig juweelen -steentje, en met 't haar van haar overleden vader omvlochten. Haar -moeder had het, bij diens dood, laten maken tot een gedachtenis aan haar -vader. - -"Als ik een ringetje met haar van mijn overleden vader had," zei Grietje -bij zichzelf, "dan zou ik er wel beter oppassen! -- En wat flonkert die -steen! Wat is hij helder, helder als glas, nog helderder! En wat een -kleuren, als 't licht er op valt! 't Is toch een mooie steen; maar hoe -de menschen er zooveel geld voor geven, begrijp ik niet. 't Zou mij -zooveel niet waard zijn." - -Dit zeggende, ging Griet de deur weer in en regelrecht naar haar -meesteres, die ze als naar gewoonte druk bezig aan den huiselijken -arbeid vond. - -"Wat is er, Griet?" vroeg deze, verwonderd op dit tijdstip haar -dienstbode naar zich toe te zien komen. Dat was anders haar gewoonte -niet, daar beiden haar vaste werk hadden en dit zoo geregeld ging, alsof -'t een uurwerk geweest ware. - -"Ja, juffrouw," antwoordde Griet. "Zie eens, wat ik daar in den tuin -voor Jansjes venster vind." En ze liet haar den gevonden ring zien. - -"Maar, Griet! Dat is verschrikkelijk! Den ring met het haar van haar -vader! Hoe licht had die tusschen 't gras kunnen wegrollen, en dan had -er geen haan naar gekraaid." - -"Ja, dan was hij weg geweest, juffrouw," zeide Griet. - -"'t Is toch ongelukkig met dat kind!" zuchtte juffrouw Klimveld, terwijl -zij den ring aannam. "Men kan haar niets toevertrouwen. Zeker heeft ze -met het handen wasschen den ring op 't kozijn neergelegd, en toen in -haar onbesuisdheid met den handdoek weggeslagen! Want anders kan het -niet gebeurd zijn. En hoe is 't mogelijk, dat ze hem niet gemist heeft! -Er niets tegen haar van zeggen, Griet! We zullen haar eens in onrust -laten en haar eens laten zoeken. Maar eerst zullen we eens zien, wanneer -ze den ring mist. -- Zooveel is zeker, dat ze hem in den eersten tijd -niet weer aan krijgt." - -"Of u gelijk hebt, juffrouw," antwoordde Griet. "Jansje toont, dat ze -nog te jong is, om op zoo'n kostbaarheid te passen." - -Griet wilde heengaan. - -"A-propos, Griet," zeide juffrouw Klimveld. "Eer ik 't vergeet het je te -zeggen: sluit de kleerkast van Jans op 't slot en breng mij den sleutel. -Ik merkte vanochtend, dat ze haar bruine jurk aanhad, en gisteren had ze -haar paarsche aan. Door 't lachen over haar toilet, heb ik er vanmorgen -niet aan gedacht. Zeker is haar paarsche stuk en dan trekt de juffrouw -maar een andere jurk aan, totdat ze alle 't zelfde zijn. Dat gaat niet; -daar zal ik een schotje voorschieten." - -Een oogenblik daarna kwam Griet terug. - -"Haar kast is gesloten, maar de sleutel steekt niet in 't slot. -Waarschijnlijk heeft ze dien in haar zak meegenomen," zeide ze. - -"Aha! Daar heb je 't al! Zeker haar paarsche jurk, die ze gisteren -aanhad, gescheurd! Wanneer zal dat kind toch eens veranderen!" - -Jansje zat intusschen op school en dacht aan niets minder dan aan haar -ring. 't Scheen vandaag nog al goed met haar en haar lessen te zijn -afgeloopen, ten minste haar naam stond niet op de lijst van strafwerk, -'t geen bijna onder de bijzonderheden mocht gerekend worden. Hoe zou ze -ook om haar ring denken; -- ze had wel wat anders in haar hoofd. Met -Cato, een harer schoolvriendinnetjes, had ze afspraak gemaakt om -dadelijk na den eten met haar naar een naburig dorp te gaan, waar een -tante van haar (Cato) woonde, die een fermen kersenboomgaard had. Cato -moest een boodschap voor haar moeder doen en had Jansje, die ze graag -mocht lijden, gevraagd om haar te vergezellen. - -"Je moet het maar, dadelijk als je thuis komt, aan je moeder vragen," -zei Cato, "en dan wacht ik je precies om twee uren ginds bij 't -bruggetje over de vaart. Want als ik je eerst moet komen halen, dan zou -ik weer een heel eind terug moeten, en 't is voor jou toch 't zelfde." - -"Wel zeker," antwoordde Jansje. "Ik moet dat eind toch loopen, en 't -haalt jou een heel eind uit!" - -"Je hebt toch zeker om twee uren wel gegeten, hé?" vroeg Cato. - -"O, ja. Moeder is altijd zoo precies op de klok. Om halftwee staat het -eten op tafel, en daar zorgt Griet voor." - -"Nu, Griet is preciezer dan jij," zeide Cato lachende. "Als jij voor 't -eten moest zorgen, dan stond het nooit op zijn tijd op tafel, denk ik." - -"Dat vrees ik ook," antwoordde Jansje. "Dus tot twee uren, aan 't -bruggetje over de vaart. Je zult eens zien, hoe precies ik er op mijn -tijd ben. Ik watertand al bij de gedachte aan de kersen, die ik eten -zal!" - -"Tot straks," zeide Cato, en spoedde zich naar haar huis evenals Jansje -naar het hare. - - -II. - -WAT ER VAN DEN TOCHT NAAR DEN KERSENBOOMGAARD KWAM. - -Toen Jansje thuis kwam, was 't op slag van halftwee, dus dadelijk -etenstijd. Ze begreep, dat ze niet zou behoeven te wachten, en trad -vroolijk en opgeruimd de kamer binnen. Ze vond er haar moeder. - -"Moe!" zei ze, "mag ik na den eten met Cato naar Henbergen wandelen? -Daar woont haar tante. Ze moet er een boodschap voor haar moeder doen en -had graag dat ik met haar meeging. Haar tante heeft een grooten -kersenboomgaard, en daar de kersen nu rijp zijn . . ." - -"En wou je zóó gaan!" riep haar moeder uit, terwijl ze haar handen in -elkander sloeg en Jansje hoofdschuddende aanzag. - -En inderdaad, juffrouw Klimveld had wel reden haar handen in een te -slaan en haar hoofd te schudden over het toilet harer dochter, en haar -met nadruk te vragen: "En wou je zóó gaan?" - -'t Jurkje, waaraan vanmorgen nog geen steekje gemankeerd had, zag er nu -uit als was 't van een bedelaarster. De strook was er van onderen een -eind afgetrokken en door Jansje, in plaats van 't er aan te spelden, als -een bundel opgerold, die er nu allerbevalligst aan hing te bengelen. Met -het stoeien was 't veterband losgeraakt, en in plaats van dat vast te -maken, had ze 't maar laten hangen, en dat hing daar nu als een -schommel. - -"Neen, Moe!" zeide Jansje. "Ik wou mijn roode jurk aantrekken." - -"O, dat is wat anders," antwoordde juffrouw Klimveld. "Ik dacht, dat je -met zoo'n bedeljurk naar de menschen toe woudt gaan. Ga het dan maar -terstond doen." - -"Dus mag ik?" - -"Wel zeker, als je er maar knap uitziet, wanneer je bij vreemde menschen -komt. Maar zeg eens, waarom heb je vandaag je bruine jurk aangedaan en -niet je paarsche van gisteren?" - -"Ach! moe! Ik speelde gisterenavond met Fidèl van Jansen, -- dat is zoo'n -goede lobbes van een hond, -- en toen hield hij zich met zijn tanden aan -mijn jurk vast en trok er aan, en toen scheurde hij er een heel stuk -uit. Maar hij kon 't niet helpen, -- 't goede beest!" voegde ze er -vergoelijkend bij. "'t Wou maar spelen en 't wist niet, dat het kwaad -deed om mijn jurk te scheuren." - -"Neen, daar ben ik wel van verzekerd," zei haar moeder. "Maar ik denk, -dat als Fidèl een jurk had, hij er zeker voorzichtiger mee zou zijn dan -jij. Je paarsche jurk een stuk uit, deze van strook en veterband -genoegzaam beroofd, vanavond je roode in den kersenboomgaard gescheurd, -of wie weet wat nog erger, en dan morgen met je beste naar school, om er -de hemel weet hoe mee thuis te komen . . . Dan heb je er geen enkele meer -om aan te trekken. Weet je, wat je doet, kind?" vervolgde haar moeder. -"Zie, dat je iemand krijgt, die je een dozijn jurken geeft; dan kun je -er ten minste twaalf dagen achter elkander mee toe." - -Juist bracht Griet het eten op, en men zette zich aan den maaltijd, 't -Was geen diner als aan de open tafel, en men had dus gauw genoeg gedaan. -Jansje vroeg verlof om wat eerder te eindigen, en haar moeder -veroorloofde 't haar. - -"Nu heeft ze alweer haar jurk gescheurd," zei haar moeder tegen Griet, -die volgens buitenmanier mee aan tafel zat. "En de paarsche ook, net als -ik dacht. Waar moet dat met dit kind naar toe!" - -"Als ik in uw plaats was, had ik haar niet laten gaan," zeide Griet. - -"'t Is meer dan erg, alle dagen een andere jurk," hernam Juffrouw -Klimveld. "Dat kan zoo niet gaan. Maar met die jurk kon ze toch niet bij -vreemde menschen komen. En haar dit genoegen te onthouden, dat gaat ook -niet. Ze heeft toch al weinig genoeg." - -Op 'tzelfde oogenblik kwam Jansje met een paar groote oogen binnen. - -"Moe!" zeide ze, "heeft u den sleutel van mijn kleerkast genomen? Of -Griet, jij?" - -"Hoe dat, Jansje?" vroeg haar moeder. - -"Wel, vanmorgen zat hij er nog in, want toen heb ik er mijn bruine jurk -uitgehaald, en nu is hij er uit," hernam zij. - -"Je zult hem zeker hier of daar neergegooid hebben, zooals je gewoonte -is; zoek er dus maar naar," zeide haar moeder. "Of heb je hem ook in je -zak gestoken en soms verloren?" - -"Heb jij hem ook gezien, Griet?" vroeg ze aan deze. - -"Heb je 'm ook soms weggeveegd, toen je mijn kamertje bijstoftet?" - -"Neen, Jansje," antwoordde Griet. "Ik heb je sleutel niet gezien." - -"Maar als ik mijn sleutel niet vind, dan kan ik mijn roode jurk niet -aandoen," riep Jansje half huilende uit. - -"Kan =ik= het helpen?" vroeg haar moeder. "Als jij wist, waar je je goed -liet, dan zou niet steeds alles zoek wezen. Maar ik weet goeden raad. -Wanneer ik jou was, en ik kon den sleutel niet vinden, -- dan verbeuzelde -ik mijn tijd niet langer: ik nam naald en draad, naaide er den strook -aan en tornde er zoolang het nog vastzittende veterband af; dat kun je -er dan morgenochtend wel omzetten. Maar doe 't vooral netjes; want -bedenk, dat Cato's tante ook haar oogen heeft gekregen, om ze te -gebruiken. En ik zou niet graag hebben, dat je daar zoo kwaamt. Dus, als -je den strook aanzet, keurig, hoor! En zorg dat, als je 't veterband -aftornt, er geen vezels of draden blijven zitten." - -"Maar 't is al bij tweeën en om twee uren zou ik aan de brug over de -vaart zijn." - -"Welnu, zorg dan maar, dat je den sleutel hebt; dan kun je je roode jurk -aantrekken, of anders deze jurk opgeknapt!" antwoordde haar moeder. "Zóó -ga je niet!" - -Half schreiend ging Jansje naar boven. - -"Waar kan ik den sleutel toch gelaten hebben?" zei ze. "Hij is er zeker -uitgevallen, en Griet heeft hem weggestopt. O, nu weet ik 't al. Ik heb -hem vanmorgen in mijn zak gestoken. Zeker heb ik hem hier of daar met -het uithalen van mijn zakdoek verloren." Daar ze geen trek had, om heen -en weer naar school te loopen, 't geen toch misschien tevergeefs zou -zijn, begreep ze dat het maar 't best was, om 't veterband verder af te -tornen en er den strook weer aan te zetten. Ze zocht dus eerst naar haar -schaar. Doch toen ze in de la kwam, waar haar werkdoosje stond, vond ze -dit heelemaal onderstboven liggen, en den inhoud verstrooid. Ze -herinnerde zich nu, dat ze dit zelf een dag of wat geleden gedaan had, -daar ze iets in die la moest zoeken, en, in plaats van dat bedaard en -ordelijk te doen, den boel maar zoo wat omgerommeld had. 't Speet haar -nu wel, dat ze toen niet wat voorzichtiger geweest was en wat bedaarder; -maar er was nu niets aan te doen. - -Eindelijk, na de lade braaf omgewoeld en nog wat meer in wanorde -gebracht te hebben, dan die 't al was, vond ze achter in een hoek haar -vingerhoed en aan de tegenovergestelde zijde een klosje met zwart -naaigaren. Nu moest er wel bruin ook in de la liggen, maar eer ze dat -gevonden had, kon er wel een kwartier verloopen. - -"'t Zal met zwart ook wel gaan," zei ze. "'t Is wel geen donkerbruin, -maar 't is ook slechts om een strook op te naaien, en dan maak ik van -buiten maar kleine steekjes. Maar waar is nu mijn schaar?" - -Alweer werd de la omgerommeld, als door een aardbeving onderstboven -gegooid, en kwam de schaar aan het daglicht. Maar in haar vuur om de -schaar te zoeken, was, zonder dat ze 't merkte, haar vingerhoed -afgestroopt. 't Was inderdaad een hopelooze arbeid, dat zoeken, en -daarbij nog zoo'n gejaagdheid. Wanneer ons Jansje een ordinair net -meisje was geweest, niet eens overnet, -- dan had ze de la van haar -chiffonnière opengeschoven, even haar hand uitgestoken, er de naaidoos -uitgehaald, schaar, vingerhoed, garen en naald uitgekregen en had ze -zeker al tien minuten aan den arbeid gezeten; terwijl ze nu nog aan 't -zoeken was naar benoodigdheden. - -"Ik zal 't maar zonder vingerhoed probeeren," zeide Jansje. "Want anders -kom ik nooit klaar. Als Cato maar niet weggaat! 't Is al lang over -tweeën. Had ik den sleutel der kast maar niet verloren. Ik kan maar niet -begrijpen, dat ik 't niet gemerkt heb. Dat ik ook zoo dom kon zijn!" - -Zoo sprekende, had ze een stoel bij 't raam gezet, haar jurk -uitgetrokken, was gaan zitten en nam nu het te repareeren kleedingstuk -op haar schoot, toen ze bemerkte dat ze nog geen -- naald had. - -Naaien zonder naald gaat niet. - -"Als ik maar naar beneden durfde gaan om er moeder een te vragen," zei -ze. "Maar ik denk, dat ze me zou zien aankomen! Gisteren heeft ze me er -twee gegeven, om een eind van 't boordsel van mijn paarsche jurk vast te -naaien. Zorg er nu voor, Jans, zei ze; want in geen acht dagen krijg je -een nieuwe. Je zoudt me wel arm kunnen maken aan naalden! Maar waar kan -ik die naalden gelaten hebben? Ik heb ze toch geborgen." - -Dat bergen van Jansje was er me bergen naar. Ze borg de dingen dikwijls -zoo goed, dat ze die niet terug kon vinden; d.i. ze borg ze overal, -behalve op hun plaats. En als 't op zoeken aankomt, dan zoek ik liever -een pook of een tang dan een naald en heb tienmaal meer kans de eerste -te vinden dan de laatste. Maar met een pook of een tang zou Jansje -weinig uitgericht hebben. - -"Had ik den sleutel van de kast maar!" riep ze uit. "Waarschijnlijk heb -ik een der naalden aan 't lijf van mijn paarsche jurk gestoken, toen ik -er gisteren 't boordsel aan vastnaaide." - -Maar de sleutel was weg en bleef weg, en zonder naald kon ze onmogelijk -naaien. - -"Ik zal maar eerst het veterband lostornen," zeide ze, zich met de -stille gelatenheid der wanhoop nederzettende. Terwijl ze dat deed en zoo -goed mogelijk de vezels en draden uithaalde, sloeg ze haar oogen uit het -venster, en -- wat zag ze daar in 't stammetje van haar half verdroogde -Spaansche peper? Daar staken de twee naalden heel deftig naast elkander, -een zelfs nog met den paarschen draad er in, als ware 't een vlag -geweest, die voor de een of andere gelegenheid was uitgestoken. - -Nu herinnerde ze zich, dat ze gisteren haar jurk voor 't open raam -gerepareerd had en toen geen beter plaats wetende om ze te bergen, haar -naalden in 't boompje gestoken had. Terstond werd een der naalden -gebruikt en met den grootsten ijver aan 't repareeren gegaan. Doch zoo'n -strook is er gauwer afgetrokken dan aangezet, vooral als men 't zonder -vingerhoed doet. Dat ging dan ook niet, en andermaal zag Jansje zich -genoodzaakt, op te staan en naar haar vingerhoed te zoeken. Gelukkig -vond ze dien ditmaal gauwer dan ze gedacht had, en nu ontbrak haar niets -meer en ging ze aan 't werk. - -Eindelijk was de jurk af; zij trok haar aan, deed hoed en mantel om en -begaf zich naar beneden, om zich aan haar moeder te vertoonen. Gelukkig -zag deze de zwarte steken niet; want Jansje had er zorg voor gedragen, -ze bovenop zoo klein te maken, dat ze niet in 't oog vielen. - -"Je kunt wel gaan Jansje," zeide haar moeder. "Maar ik vrees, dat je te -laat komt. 't Is al bij vieren, en Cato zal natuurlijk geen twee uren op -je hebben staan wachten." - -"Nu, dan ga ik haar te gemoet," zei Jansje. "Misschien brengt ze wat -kersen voor me mee." - -"Ik help 't je wenschen," zei haar moeder. "Maar ik denk niet, dat ze -zoo vriendelijk zal zijn voor een meisje, dat zoo lang op zich heeft -laten wachten." - -Jansje spoedde zich nu naar de brug over de vaart, waar ze natuurlijk -Cato niet meer vond, en van daar den weg op naar Cato's tante. Ze zal -zoowat halfweg geweest zijn, toen ze in de verte twee meisjes zag -aankomen, die erg pret samen hadden. Weldra bemerkte ze, dat het Cato -met Sijtje Hamer, een harer schoolkameraadjes, was. Spoedig waren ze bij -haar. - -"Nu, je bent me ook een fraaie!" riep Cato uit. "Om twee uren sta ik op -de brug te wachten, maar wie er komt -- Jansje niet. Gelukkig kwam Sijtje -aan en die ging 't gauw aan haar moeder vragen; anders had ik alleen -moeten gaan. Waar ben je toch zoo lang gebleven?" - -"Och! Je weet, hoe mijn jurk er uitzag," zei Jansje. "Moeder verkoos -niet, dat ik met zulk een jurk naar je tante zou gaan." - -"Daar had ze waarlijk gelijk in," zeide Cato. "Wat zou tante er wel van -gezegd hebben, als je met zoo'n gehavende jurk gekomen waart? Maar -waarom trok je dan geen andere jurk aan?" - -"Ja, waarom niet?" zeide Jansje. "Omdat de sleutel van mijn kleerkast -weg is en ik dien nergens kon vinden. Ik moest dus wel, of ik wilde of -niet, aan 't repareeren van deze jurk." - -"'t Spijt me geducht, Jansje," zeide Cato, "dat het zoo geloopen is. Je -hebt vrij wat pret gemist, en heerlijke kersen ook; we hebben er onze -buikjes aan vol gegeten." - -"Je hadt er wel wat voor mij kunnen meebrengen," zeide Jansje. - -"Wel ja! eten en sleepen! Dat gaat niet in een kersenboomgaard. -Daarenboven kan ik niet zeggen, dat ik er erg over gesticht was, toen je -me daar zoo liet wachten. Je hadt het me toch wel even kunnen laten -zeggen." - -"Vooreerst wou moeder me de deur niet laten uitgaan, eer ik er -fatsoenlijk uitzag, en ten tweede hoopte ik altijd nog tijdig gereed te -zijn, om je, als ik klaar was, nog te achterhalen." - -"Je bent ook verschrikkelijk lang bezig geweest aan 't aanzetten van -zoo'n eind strook. Ik kan 't wel in het vierdepart van den tijd," zeide -Cato. - -"Ja, als alles in orde is," antwoordde Jansje. "Maar ik kon mijn boel -niet vinden, en 't zoeken daarnaar heeft mij erg opgehouden." - -Toen ze weer aan de brug kwamen, namen de beide vriendinnen afscheid van -elkander. Cato en Sijtje gingen samen den eenen en Jansje den anderen -kant. - -Jansje was recht treurig. - -"Misschien gaat Sijtje nu wel met Cato naar huis en heeft ze nog den -heelen avond pret!" bromde Jansje. "O, wat heb ik mij toch door mijn -slordigheid en onachtzaamheid een verdriet op den hals gehaald!" - -Had dat verdriet er maar toe gestrekt, dat ze zich verbeterde! - - -III. - -VADERS GEDACHTENIS. - -"Door dien mallen sleutel heb ik 't pretje heelemaal misgeloopen," -bromde Jansje, toen ze thuis kwam, tegen Griet. - -"Dat is je eigen schuld, Jansje," zei Griet. "Je moeder denkt voor 't -naast, dat je hem in je zak gestoken en met je zakdoek er uitgehaald en -hem zoo verloren hebt." - -"'t Beste was, dat moeder den smid maar liet komen; dan kon die de deur -van de kast opensteken en er een nieuwen sleutel op maken." - -"Ja, dat kan hij best doen," hernam Griet. "Maar opensteken en nieuwe -sleutels maken kost geld. En 't geld groeit hier ook maar niet zoo -tusschen de steenen." - -"Zoo, ben je daar terug, jongejuffrouw sloddervos!" zei haar moeder, die -ook in de keuken kwam. "Ik ben daar eens boven op je kamertje geweest en -heb de laden van je chiffonnière nagekeken. Dat is me een boel! Hoe is -'t mogelijk, dat een meisje van jou leeftijd zich in zulk een rommel -bewegen kan! 't Is meer dan erg, en ik denk er sterk aan, je maar weer -als een klein kind te behandelen en je over geen stuk kleeding meer -meester te laten. En dan op 't kamertje zelf. Er is haast geen stoel om -fatsoenlijk op te zitten. In je kleerkast zal 't er wel niet beter -uitzien! A-propos! heb je den sleutel al gevonden?" - -"Ik zal er morgen op school eens naar vragen," zeide Jansje. "Ik denk -voor 't naast, dat ik hem met mijn zakdoek uit mijn zak gehaald en -tusschen de banken verloren heb." - -"Of onder weg," zeide haar moeder. "Ik heb nooit grooter sloddervos -gezien, dan jij bent. En dan zoo onverschillig. Waar ben je na den -middag naar toe geweest?" - -"Den weg op naar de tante van Cato," antwoordde Jansje. "Ik hoopte, dat -ze er nog zou zijn; maar reeds halfweg kwam ze me tegen met Sijtje -Hamer." - -"Ik had, in jou plaats, liever eens naar mijn sleutel vernomen," zeide -haar moeder. "'t Is een mooi geval, zoo maar zijn sleutel kwijt te zijn -en er dan niet eens werk van te maken. Maar om tot je kamertje terug te -keeren: morgen na den middag, als je van school komt, zullen we samen -den boel eens opredderen, en dan zorg je er voor, dat die in orde -blijft, of -- ik neem je eenvoudig je kamertje af en al je goed weer -onder mijn bestuur. 't Is wel schande, dat een meisje van bijna twaalf -jaren geen orde en regel op haar eigen zaken kan houden. Maar dat is nu -eenmaal zoo niet, en wat ik er ook aan doe, 't schijnt maar niet te -veranderen." - -Jansje durfde er niets tegenzeggen. Ze stond met haar mond vol tanden. - -"En waar is je ringetje, kind?" riep haar moeder eensklaps uit, alsof ze -'t nu eerst miste. "'t Ringetje, dat je van je overleden vader hebt -gekregen, en waarin zijn haar is?" - -Verschrikt keek Jansje naar haar linkerhand; ze had het niet eens -gemist; maar nu bemerkte zij haar verlies eensklaps. - -"Ik zal het misschien op mijn kamertje op den schoorsteenmantel hebben -laten liggen, toen ik vanmorgen mijn handen wiesch en 't afgedaan heb," -antwoordde zij. - -"Ga dan terstond eens kijken," zeide haar moeder. "Mijn hemel! hoe is 't -mogelijk, dat je zoo weinig achting hebt voor je braven overleden vader, -om zoo achteloos met wat je tot gedachtenis van hem gekregen hebt, om te -gaan." - -Jansje spoedde zich naar boven, doch kwam weldra terug met een treurig -gelaat en de boodschap, dat ze 't ringetje nergens vond. - -"'t Is wat te zeggen, meisje!" riep haar moeder uit, die zich zeer -ontsteld hield. "En kom je maar zoo gauw terug met de tijding, dat je 't -niet vinden kunt. 't Is waarlijk wat moois! Als 't mij gebeurde, zou ik -niet ophouden te zoeken, vóór ik 't had." - -"Maar 't wordt al zoo donker; ik kan niet meer in de hoeken zien," zeide -Jansje. - -"Wel, steek dan licht op en zoek overal," zeide haar moeder. "'t Is -waarlijk wat te zeggen! Dat lieve, kostbare ringetje van je braven, -goeden vader! 't Is waarlijk, of je hoe ouder hoe slordiger wordt! -Jongens! jongens! 't is wat te zeggen! Kind, kind! wat beleef ik een -verdriet van je!" - -"Mag Griet mij dan eens helpen zoeken, Moe?" vroeg Jansje. - -"Griet heeft het ringetje niet weggemaakt," hernam haar moeder. -"Daarenboven, Griet heeft haar werk en geen tijd om jou te helpen -zoeken. -- Geef haar een kaars op een blaker, Griet; dan kan ze met licht -zoeken." - -Griet voldeed aan 't bevel harer meesteres, en Jansje ging weer naar -boven. - -"Hoe is het mogelijk, dat zoo'n kind het ringetje niet eens gemist -heeft!" zeide juffrouw Klimveld tegen Griet. - -"Ja, juffrouw! 't is onbegrijpelijk!" antwoordde Griet. "Ze scheen er -echter wel van te weten." - -"Te weten! Ja, omdat ik er nog al drukte over maakte," zeide juffrouw -Klimveld. "Als dat het geval niet geweest was, had ze 't langs haar -koude kleeren laten afzakken. O, o! wist ik maar eens een middel om dat -kind te verbeteren!" - -"Misschien zal ze door den tijd wel verstandiger worden!" zeide Griet -troostend. - -"Dan wordt het toch waarlijk tijd," hernam juffrouw Klimveld. "Ze is -toch haast twaalf jaren! Nu, dan was ik op dien leeftijd anders; dat -verzeker ik u." - -"Ja, juffrouw! De meeste meisjes zijn ook anders," hernam Griet. "Ik heb -er in mijn jeugd ook nog al wat gekend, maar nooit een aangetroffen, die -zoo slordig was als Jansje, dat moet ik bekennen." - -"Ik zal haar ten minste over dien ring lang in ongerustheid laten," -zeide juffrouw Klimveld. "En vooreerst zal ze hem niet terug hebben ook, -dat verzeker ik je." - -Natuurlijk kwam Jansje eenigen tijd daarna terug met de tijding, dat de -ring nergens te vinden was, en toonde haar moeder zich erg boos. - -"Je komt bij me zitten, om 't veterband om je jurk te zetten, hoor," -zeide zij. "Want met zoo'n havelooze jurk ga je morgen niet naar -school!" - -Jansje ging naar boven, trok haar nachtjapon aan, kwam met haar jurk en -'t veterband beneden en bracht te gelijk haar beide naalden en 't zwarte -garen mede. - -"Waar is je naaidoos?" vroeg haar moeder. - -"In mijn chiffonnière," antwoordde Jansje. - -"O, ja, 't is waar," zeide haar moeder met een bitteren glimlach. "Ik -heb een doos onderstboven in je la zien liggen; dat was zeker je -naaidoos, maar naaigereedschap was er niet in." - -"Ze was omgevallen," zeide Jansje, zich verontschuldigende, "toen ik -vanmiddag naar garen en ander naaigereedschap zocht." - -"O, zeker vanzelf!" zeide haar moeder zuchtend. "Nu, dat zullen we -morgenmiddag wel vinden. Ga nu maar terstond aan 't werk." - -Jansje ging aan 't werk. Doch daar merkte haar moeder, dat ze haar -strook met zwart garen had aangezet. - -"Ben je nu heelemaal dwaas, kind?" vroeg ze. "Wie krijgt het in de -hersens, om licht bruin goed met zwart te naaien! Terstond dien boel er -afgetarnd en 't overgenaaid." - -"Maar ik had geen bruin garen," zeide Jansje. - -"Dat had je wel, als je maar niet alles door elkander gesmeten had," zei -haar moeder, die naar haar eigen naaidoos ging en bruin garen voor den -dag haalde. - -'t Was voor Jansje een allesbehalve pleizierige avond, en ze had dien -honderdmaal liever bij Cato aan huis doorgebracht. - -Ze had dan ook ruimschoots tijd om na te denken, en menig meisje zou, in -haar geval, een moedig besluit genomen hebben, en 't voornemen opgevat, -om voortaan netter en ordelijker te zijn. Maar dat kwam bij Jansje niet -op. Ze wist niet, dat ze slordig was en geen orde op haar zaken stelde; -ze gevoelde wel, dat ze er zich zelf vrij wat last en verdriet mee op -den hals haalde, maar ze was zoozeer op die soort van gemakzucht -gesteld, dat het haar onmogelijk scheen, haar gedrag te veranderen. -Ofschoon het slechts denkbeeldig was, vond zij het b.v. gemakkelijker, -een dasje dat zij gebruikt had, in elkander te frommelen en 't in een -der laden harer chiffonnière te smijten, dan 't even netjes op te vouwen -en 't keurig in een hoekje van haar la te leggen. Ze sprak geen woord -en haar moeder liet haar stil begaan. - -"Ik krijg 't vanavond niet af, moeder," zeide ze eensklaps. "Er is ook -zooveel aan te doen." - -"Ik heb den boel zoo niet gehavend, Jansje," antwoordde haar moeder. -"Licht, dat je ziet te herstellen, wat je bedorven hebt." - -"Maar ik krijg slaap," hernam Jansje. "'t Is ook zoo'n vervelend, -slaperig werk." - -"Dan moet je maar naar bed gaan, en morgen heel vroeg opstaan," -antwoordde haar moeder. "Ik verkies, dat je met een fatsoenlijke jurk -naar school gaat. Wat zouden de menschen anders wel van mij denken, als -mijn dochter er zoo haveloos uitzag." - -"Maar zou u 't voor ditmaal niet willen afmaken?" vroeg Jansje. "Als 't -weer gebeurt . . . ." - -"Ik je verknoeid werk afmaken, nadat je zoo weinig achting voor de -nagedachtenis van je vader betoond hebt? Neen kind, dat doe ik niet." - -"Och! Maar die ring zal immers wel terechtkomen, moeder," hernam zij. -"Als ik morgen bij het daglicht maar eens goed zoek." - -"Wanneer heb je hem 't laatst aangehad, Jansje?" - -"Ik geloof gisteren, moeder," antwoordde Jansje. "Ik meen, dat ik hem -vanmorgen nog op den schoorsteenmantel gelegd heb." - -"Misschien wel op 't kozijn, toen je je gingt wasschen," zeide de -moeder, "en is hij vanmorgen zoo naar buiten gerold. Indien dit het -geval is, dan ben je hem kwijt, want wie weet, waar hij dan heengerold -is." - -"Ik zal er morgen dadelijk naar kijken," zeide Jansje. "Met den dag kan -men beter zien dan met den avond. 't Zou mij niet verwonderen, of ik -vind hem." - -"Nu, ik mag 't lijden," zeide haar moeder; "ofschoon ik vrees, dat hij -wel weg zal zijn. 't Is toch wat te zeggen! De eenige gedachtenis van je -overleden vader." - -Jansje begreep toch, dat het verstandiger was, om te blijven naaien. Ze -moest morgen nog werk voor de school maken; want ze had dien namiddag -niets uitgevoerd. Doch de slaap was haar te machtig, en ze kon op 't -laatst niet meer. - -"Nu, laat het voor ditmaal dan maar liggen," zeide haar moeder. "Eet je -boterham en ga naar bed. Ik zal de jurk wel afmaken, dan kun jij morgen -je werk voor de school in orde brengen en naar den ring zoeken. Ga maar -bij Griet; die zal je wel je boterham geven." - -Jansje liet zich dit geen tweemaal zeggen, zeide moeder goedennacht, -ging naar de keuken, waar ze toch haar boterham met minder graagte dan -anders at, -- daarop naar boven, kleedde zich zoo gauw mogelijk uit, -stapte in 't bed en . . . . sliep in een oogenblik. - -Dat moet u niet verwonderen en ge moet dat gauwe slapen niet voor -onverschilligheid uitkrijten. Jansje had dien dag veel verdriet gehad, -en verdriet maakt iemand soms heel slaperig. Daarbij had ze een ferme -wandeling gedaan en was over haar tijd opgebleven; -- geen wonder, dat -haar oogen spoedig toevielen. - -Ze was den volgenden morgen tijdig op en zoodra ze zich gekleed en -gewasschen had, begon ze naar den verloren ring te zoeken. Ze zocht -lang, en natuurlijk tevergeefs. Toen ging ze haar werk maken en leerde -haar lessen; daarop begon ze weer te zoeken. - -Moedeloos ging zij naar de keuken, in de hoop, dat Griet haar soms -goeden raad zou geven. - -"Och, Griet," zeide zij half snikkend, "zou jij ook kunnen denken, waar -die ring is gebleven?" - -"Maar Jansje," antwoordde deze, "hoe kun je mij zoo iets vragen. Ik heb -den ring volstrekt niet aangehad. Maar weet je, wat ik je wel kan -zeggen?" - -"Nu, wat dan?" vroeg Jansje haastig. - -"Dat als ik een ring, en dan nog wel zoo'n mooien ring, met haar van -mijn vader had, ik er zoo op zou passen, dat hij nooit of nimmer weg zou -kunnen raken." - -"Ja, Griet," zeide Jansje teleurgesteld, "dat is wel allemaal waar, wat -je daar zegt, maar o! het helpt mij alles op het oogenblik zoo bitter -weinig. Als ik hem weeromvind, dan zal ik er ook zuinig oppassen." - -"Als je hem weeromvindt! Daar mag je wel een heel groot vraagteeken -achter zetten, kind. Zoek nog maar eens goed; misschien is hij wel uit -het raam gevallen en ligt nu in het gras," gaf Griet den raad. - -Jansje ging naar buiten. - -"O, wee," dacht zij, "als de ring in den tuin ligt, dan vind ik hem -zeker niet weerom. En wat zal Moe wel zeggen, als zij dat hoort. Ach, -ach, wat ben ik toch een ongelukkig schepseltje! Gisteren al geen kersen -kunnen eten, en nu deze ellende weer!" - -Nadat zij nog een oogenblikje rondgekeken had, kwam Griet haar roepen om -te ontbijten. - -"Den ring gevonden, Jansje?" was 't eerste wat haar moeder zeide, toen -ze beneden kwam. "O, neen, ik zie het al . . . hij is er niet. Hij is -zeker weg, kind!" - -"Ach moeder! Ik heb er zoo'n spijt van!" zeide Jansje. - -"En ik zou wel wat kwijt willen zijn, als hij er weer was! Dan zou ik -hem nooit anders dan Zondags dragen en in de week hem in mijn werkdoosje -bewaren . . ." - -"Om hem als een stuk oud vuil door je la te smijten," zei haar moeder. -"Denk er om, dat je vanmiddag geen afspraakjes maakt; het is noodig dat -we de laden van je chiffonnière eens in orde maken, en je kleerkast ook; -want daar zal 't er niet beter in uitzien. Ten minste als je den sleutel -vindt." - -"En als hij eens niet terechtkomt, moeder?" vroeg Jansje. - -"Dan moet je die jurk maar Zondag en werkdag blijven dragen; -- er zit -niet anders op." - -"Als u dan den smid eens liet komen, om 't slot open te steken en een -nieuwen sleutel te maken," zeide Jansje. - -"Alsof 't opensteken en 't maken van een nieuwen sleutel geen geld -kost," zeide haar moeder. "Zul jij 't betalen, Jansje?" - -Jansje keek verlegen vóór zich, at haar boterham op, nam haar boeken mee -en ging vervolgens naar school. 't Eerste wat ze deed, was aan de -dienstmeid van den meester te vragen, of die gisteren bij 't aanvegen -der school geen sleutel gevonden had; en tot haar groote vreugde -antwoordde deze van ja, en liet ze haar den sleutel zien, welken Jans -terstond voor dien van haar kleerkast herkende. - -"Dank je, Maartje," zei ze. "Ja, 't is de sleutel, dien ik verloren heb -en waar ik gisteren mooi verlegen om ben geweest." - -"Geen wonder, jongejuffrouw," antwoordde Maartje. "Een mensch is mooi -onthand, als hij een sleutel kwijt is. Was je gisterenmiddag maar -gekomen, dan had je niet in verlegenheid behoeven te zitten." - -"Ja, Maartje! dat was zeker heel verstandig van me geweest," zeide -Jansje. "Maar ik dacht, dat hij thuis zou zijn, en daar heb ik er me -half mal naar gezocht. Later eerst herinnerde ik mij, dat ik hem in mijn -zak gestoken en zeker met het uithalen van mijn zakdoek kwijtgeraakt -was." - -"Nu, 't is maar gelukkig, dat het hier in school was," hernam Maartje. -"Als het zoowel op straat, of wat nog erger zou zijn, in 't weiland of -ergens anders in 't gras geweest was, dan was je hem zeker kwijt -geweest." - -"Nu, Maartje, nogmaals hartelijk bedankt!" zei Jansje. - -"'t Is de moeite dan ook wel waard, om voor te bedanken," zei Maartje. -"Ik ben maar blij, dat hij terecht is." - -Met een meer verlicht hart ging Jansje 't schoolvertrek binnen. -Misschien kwam de gedachtenis haars vaders ook nog wel terecht. - -"Hé!" dacht ze, "had ik er Maartje ook eens naar gevraagd. Maar neen," -zei ze een oogenblik daarna. "Op school kan ik den ring niet verloren -hebben; dat is onmogelijk. Ik moet hem zeker hier of daar hebben -neergelegd, waar hij afgerold is. Ik zal vanmiddag nog eens goed -kijken." - -Toen Jansje dien middag van school kwam, om te eten, was het eerste, -hetwelk ze deed, haar moeder den sleutel te toonen. - -"Wel! Waar heb je hem nu vandaan?" vroeg haar moeder. - -"Maartje, de meid van den meester, had hem bij 't vegen van de school -gevonden," zeide Jansje. - -"Geef hem mij nu maar," zeide haar moeder. "We hebben hem vanmiddag toch -noodig." - -Jansje durfde niet weigeren en gaf den sleutel over. Daar 't pas een -kwartier over eenen was en ze dus nog vijftien minuten had, voor 't -halftwee sloeg, ging ze weer naar haar ring zoeken, en dat deed haar -moeder genoegen, die nog beter haar slordigheid en onordelijkheid kon -velen dan haar onverschilligheid omtrent iets, dat weg was; en toen ze -van de middagschool terugkwam, ging moeder met haar aan 't uitpakken der -laden. Jansje moest toch zelf bekennen, dat de rommel meer dan erg was. -Haar moeder pakte la voor la uit, maakte die schoon, liet Jansje haar -goed netjes opvouwen en wees waar ze 't leggen moest. Ook de naaidoos -werd weer keurig ingepakt en in een hoekje van de la gezet. - -"Bevalt je nu zulk een la niet beter dan zoo'n overhoop liggende boel?" -vroeg haar moeder. "Als je nu 't een of ander moet krijgen, b.v. een -halsdoek, dan kun je 't wel in het donker doen. Kom, nu gaan we de -kleerkast opredderen." - -Ook deze werd leeggehaald, schoongemaakt en weer in orde gebracht. -Eindelijk kwam ook de boekenplank aan de beurt, en toen zag 't kamertje -er allerliefst uit, zoodat Jansje er zelf schik in had. - -"Was nu ook de ring maar terug!" zeide Jansje. - -"Ja kind! Elk gevolg van je slordigheid is niet zoo licht weg te nemen -als 't maken van je jurken, het opredderen van je kast en chiffonnière -en het terugvinden van een sleutel! Misschien komt de ring nog wel hier -of daar vandaan. Men kan 't soms niet weten!" - -Door deze taal harer moeder bemoedigd, voelde Jansje zich wel eenigszins -geruster. - -"Weet u er ook wat van, Moe?" vroeg Jansje. "Ik geloof het wel." - -"Hoe zou ik er iets van weten, Jansje?" antwoordde juffrouw Klimveld, -verwonderd. "Ik zou je maar raden goed te zoeken." - -"Ja, Moe, dat zal ik doen," antwoordde deze geduldig; en haar moeder -kreeg bijna medelijden met haar. Zij begreep echter, dat zij zich goed -moest houden, wilde zij haar kind verbeteren. Zij ging dus naar beneden -en zeide tegen Griet: "Hoor eens, je moet volstrekt niet meer met Jansje -over den verloren ring spreken; ik wil eens zien, hoe zij er zich onder -zal houden." - -"Goed, juffrouw," zeide Griet en ging weer aan haar werk. - -'t Werd schooltijd, en Jansje moest dus weg. Zij ging met een bedrukt -hart en kwam op haar tijd in de klasse. Zij keek bedrukt en treurig, was -stil en maakte bedaard haar werk af. Dit verwonderde haar -vriendinnetjes, want die waren dit niet van haar gewend, daar zij den -naam had van een prettige vroolijke meid te zijn, en doorgaans nog al in -trek was. - -"Wat zou Jans schelen," fluisterde Sijtje, terwijl zij Cato een stomp -gaf. "Weet jij het ook?" - -"Misschien is zij boos, dat ik niet op haar gewacht heb, toen ik naar -tante ging," antwoordde de gevraagde. "Maar ik kon toch niet zoo lang -wachten, want dan zou Moe niet geweten hebben, waar ik bleef." - -"Zou je denken, dat zij daarom zoo stil is?" zeide Sijtje. "Hé, anders -is zij toch zoo kwalijknemend niet." - -"Ja maar, vergeet niet dat wij kersen zouden gaan eten, en dat zij dus -die smulpartij is misgeloopen," gaf Cato ten antwoord. "'t Spijt me nu -eigenlijk wel, dat we niet wat kersen voor haar hebben meegebracht, want -ze houdt er dol veel van." - -"Als we er maar aan gedacht hadden," fluisterde Sijtje; "we hadden ze -best in onzen zakdoek kunnen knoopen: ik had een schoonen in mijn zak." - -"'t Is dom van ons, en eigenlijk niet aardig ook," zeide Cato met -zelfverwijt. "Jansje is nog al mijn vriendin, en dus had ik haar dat -pleiziertje wel aan kunnen doen." - -"Meisjes, stilte!" werd er nu geroepen, en dus durfden zij het gesprek -niet langer voortzetten; zij namen zich echter voor, om dadelijk na -schooltijd Jansje naar de oorzaak harer bedruktheid ronduit te vragen. -Nauwelijks waren de lessen dan ook afgeloopen, of Cato en Sijtje stonden -naast Jansje. - -"Zeg eens, Jans," begon Cato, "ben je boos, omdat ik laatst niet op je -gewacht heb? Zeg het me dan maar ronduit, want ik vind het naar, als je -er over loopt te pruilen." - -"Ja, Jans," viel nu Sijtje in, "'t spijt ons erg, dat wij er niet aan -gedacht hebben om wat kersen voor je mee te brengen! Maar heusch, -meidlief, wij hebben er niet aan gedacht." - -"Och, Sijtje, och Cato, ik ben zoo ongelukkig," barstte Jansje nu los. - -"Omdat je geen kersen hebt gehad?" riepen de vriendinnetjes verwonderd -uit. - -"Ik denk niet om de kersen," antwoordde Jansje snikkende; "daarom ben ik -volstrekt niet boos, dat weet jelui toch ook wel. Maar boos ben ik ook -niet, of 't moest op mezelf zijn! O! ik wou dat ik netter was, ik wou -dat ik niet zoo'n akelig, slordig schepsel was!" - -"Wat is er dan?" vroeg Cato belangstellend. "Kom Jans, vertrouw ons je -verdriet toe. Sijtje en ik zullen je zooveel mogelijk troosten." - -"Ja, vertel het gerust, Jans! Of wil je het liever aan Cato alleen -zeggen; dan zal ik wel op zij gaan," zeide Sijtje goedhartig. - -"Je moogt het ook wel hooren, Sijtje; dan zul je eens begrijpen, wat een -verdriet ik heb, en dan zie je me misschien nooit weer aan," zeide -Jansje treurig. "Begrijp eens: je weet immers wel, dat ik na vaders dood -zoo'n beelderig ringetje heb gekregen, met een juweelen steentje er in -en vaders haar er omgevlochten? Nu, dat ringetje ben ik kwijt en ik kan -het nergens vinden. Misschien is het uit het raam gevallen, en dan vind -ik het nooit terug." - -"O, Jansje, hoe kon je daar zoo slordig op zijn!" riep Cato verwijtend -uit. - -"Zie je wel, daar heb je het al," riep Jans wanhopend uit. "Zeg, Sijtje, -hoe vind jij het wel?" - -"Erg aardig kan ik het nu niet vinden," antwoordde Sijtje, "maar 't is -misschien zoo erg niet, als je denkt. Heb je wel goed overal gekeken, in -alle hoekjes en gaatjes gezocht?" - -"Ik weet wat, Jans," zeide nu Cato; "laten wij beiden met je mee gaan -zoeken: zes oogen zien meer dan twee. Wat zeg jij er van, Sijtje?" - -"Mij goed," antwoordde deze, "als ten minste Jans het goedvindt en -juffrouw Klimveld er niets tegen heeft." - -"Ik zal het even aan moeder gaan vragen," zeide nu Jansje, die weer een -weinig hoop begon te koesteren. - -In een oogenblik was zij weerom met de tijding, dat moeder het heel goed -vond. Zij gingen met haar drieën naar binnen, en nu bedacht Jansje -eensklaps, hoe gelukkig het was, dat moeder haar kamertje juist had -opgeredderd, want, als haar vriendinnetjes in zulk een vreeselijken -rommel hadden moeten komen, als het den vorigen dag was geweest, dan zou -zij zich de oogen uit het hoofd geschaamd hebben. - -"Hier de trap op," zeide Jansje, "en dan de deur links, dat is mijn -kamertje." - -Een uitroep van verrassing ontglipte aan Sijtjes lippen, toen zij -binnentrad. 't Zag er dan ook lief uit. De zon scheen zoo vriendelijk -naar binnen en de bloempotten, die nu sedert een paar dagen water hadden -gehad, lachten haar tegen. Alles zag er zoo gezellig en prettig uit dat -het geen wonder was, dat Sijtje zoo verrukt was. - -"Wel, Jansje, wat heb je hier een allerliefst kamertje!" riep Sijtje -uit. "Hè, als ik er ook eens zulk een had!" - -"Heb jij geen eigen kamertje?" vroeg Jansje verwonderd. "Je bent toch -even oud als ik." - -"Ja maar, jij bent alleen, en wij zijn met ons zevenen," antwoordde -Sijtje vroolijk. "Wij mochten wel een paleis hebben, als wij allen eigen -kamertjes hadden. Ik slaap met Keetje en Mina in een tusschenkamer, -- je -weet wel, die het licht uit dat steegje krijgt," voegde zij er bij. - -"En wat ziet alles er keurig netjes uit," riep Cato uit. "Jansje, ik -geloof heusch, dat je je verbeterd hebt!" - -Jans zuchtte diep, zoo diep zelfs, dat Sijtje, die voor het raam stond, -er van opkeek. - -"Wel Jans, dat is geen reden om te zuchten," zeide zij lachend. "Je -moest integendeel van louter pret over die verbetering dansen. Maar -neen," voegde zij er ernstiger bij, "ik kan me wel begrijpen, dat je -daar nu geen pleizier in zoudt hebben. Laten wij nu maar eens gauw aan -'t zoeken gaan." - -"Ja," zeide Cato. "Weet je wat we nu moesten doen? Ieder moet om de -beurt in een hoek of la zoeken, wat de een niet ziet, ziet de ander -misschien. Ik zal de bovenste la nemen, en Sijtje bijvoorbeeld de -schoorsteenmantel; dan komen we er vanzelf. Ik beloof je, dat ik alles -weer even netjes in de la zal leggen." - -"Neen, de la behoef je niet na te kijken," zeide Jansje nu, "want die -heb ik gisteren al met moeder opgeredderd; daarom is zij zoo netjes: -gisteren zou je er mij geen prijsje voor gegeven hebben." - -"Nu, dan zal ik onder de chiffonnière kijken," zeide Cato vol moed. - -"En ikzelf zal eens in dien hoek bij de bedstede zoeken," zuchtte -Jansje. - -Weldra waren zij alle drie druk aan 't zoeken. - -"Hè, dat is om warm te worden," zeide Cato blazend. "Hier zie ik hem -niet; misschien ligt hij tusschen de bloempotten. Wacht laat ik eens -kijken. -- Wat is dat?" riep zij eensklaps uit. - -"Heb je hem?" werd er nu in koor door de beide anderen geroepen. - -"Ach, neen, maar ik dacht het heusch," zeide Cato. "Zie eens, dat gele -blaadje lag half onder den pot, en toen de zon er op scheen, dacht ik -heusch, dat het de ring was, zoo glinsterde het." - -"Ja, maar ik vrees, dat jelui evenmin den ring zult vinden als ik," -zuchtte Jans. "Laten wij maar eens naar den tuin gaan, want hier is hij -toch niet." - -"Nu, dan maar naar beneden," zeide Sijtje. "Ik zou hier wel den geheelen -dag kunnen blijven zitten, zoo lief vind ik het hier," voegde zij er -bij. "Wel meisje, wat ben jij een gelukskind, dat je zoo'n lief mooi -kamertje hebt!" - -"Ik, een gelukskind!" zeide Jansje. "Nu dat meen je niet. Ik ben ten -minste op 't oogenblik zoo diep ongelukkig, als je maar denken kunt." - -"Maar ik begrijp niet, hoe je den ring verloren hebt," zeide Cato. "Is -hij van je vinger gegleden?" - -"Neen; ik geloof, dat hij weg is geraakt, onderwijl ik mijn handen -wiesch," antwoordde Jansje. "Ten minste ik kan het mij anders zelf niet -begrijpen; hij was mij niets te wijd, maar paste precies." - -Onderwijl waren de vriendinnetjes in den tuin gekomen. - -"'t Zal een werk zijn om hem te vinden, als hij hier is," merkte Sijtje -aan. "Jongens, als hij tusschen het gras is gevallen, zie ik er geen -kans op, maar 't is te probeeren." - -Weer begonnen de meisjes ernstig en ijverig te zoeken, maar natuurlijk -zonder gevolg. Nu zult ge het misschien niet aardig van juffrouw -Klimveld vinden, dat zij Cato en Sijtje zooveel noodelooze moeite liet -doen, en dat speet haar ook wel; maar wat kon ze er aan doen? Als zij -het aan de meisjes gezegd had, dan zou zij haar plan op hebben moeten -geven, en zij wilde zoo graag Jansje verbeteren. - -Na een poosje zeide Cato: - -"Hoor eens, Jans, 't spijt me wel, maar ik moet naar huis, want straks -is het etenstijd, en je weet wel, dat moeder graag heeft, dat ik precies -op mijn tijd thuis kom." - -"'t Is mijn tijd ook," voegde Sijtje er bij. "Ik zal straks nog eens -weeromkomen, om weer te zoeken, en dan komt Cato zeker ook mee." - -"Wel zeker," zeide deze. "Nu tot straks, Jans; eet lekker. Misschien -vind je den ring in dien tijd wel." - -Zij lekker eten! Neen 't was alsof de stukken haar in de keel bleven -steken. Moeder vroeg haar, wat haar mankeerde; maar zij kon niet -antwoorden. Eindelijk kreeg het medelijden toch de overhand bij de goede -vrouw, en zeide zij: - -"Ik geloof, dat het om den ring is, dat je niet kunt eten, Jansje." - -"Ja, Moe," antwoordde deze haperend. "O, ik vind het nu zoo -verschrikkelijk, dat ik hem verloren heb. De gedachtenis van mijn lieven -vader!" - -"Nu, Jansje," zeide haar moeder, "ik zal je dan maar uit de ongerustheid -helpen. Ik zie wel, dat je er wezenlijk en oprecht spijt van hebt. Griet -heeft hem in den tuin gevonden. 't Was waarlijk een geluk, dat ze hem -zag liggen; want als dat niet het geval geweest was, dan was hij onder -de aarde geraakt en weg geweest. En nog een geluk, dat hij niet -voortgerold is, want dan was hij onder 't gras terechtgekomen en nooit -weer teruggevonden." - -"O, hoe gelukkig, Moe!" riep Jansje uit. "Waar is hij?" - -"Hou wat, Jansje!" hernam haar moeder. "Aan kinderen, die zoo slordig -zijn als jij, vertrouwt men geen juweelen ringen toe. Tot hiertoe heb ik -je maar met je slordigheid laten begaan, daar ik zag, dat al mijn -vermaningen toch niet hielpen. Je hebt gisteren gezien, waartoe de -slordigheid leidt; en ik verzeker je, dat het maar een klein proefje is -van 't geen er uit kan voortkomen. Slordigheid is niet alleen een -hatelijke en afzichtelijke ondeugd, -- ze is ook hoogst gevaarlijk, want -menigeen is door haar tot armoede vervallen. Zeg nu: wil je doen, wat -je reeds gisteren beloofdet en van nu af aan beginnen, je op orde en -netheid toe te leggen?" - -"Ja, Moe! als u me helpen wilt," zeide Jansje. - -"Welnu, dat wil ik doen," antwoordde haar moeder. - -"Elken morgen, eer je naar school gaat, gaan we samen je kamertje -bekijken en brengen terstond in orde wat maar eenigszins verkeerd ligt. -Zoodra je thuis komt, maak je je werk en leer je lessen voor de school, -en dan worden de boeken, welke je den volgenden morgen mee naar school -moet nemen, behoorlijk klaargelegd. Het minste torntje in je goed wordt -terstond gemaakt; een torn of een winkelhaakje, dat men laat zitten, -wordt een groote scheur. Beloof je me dat?" - -"Ja, Moe!" zeide Jansje, terwijl ze haar moeder een kus gaf. - -"Welnu," zei de moeder. "Morgen over drie maanden word je twaalf jaren. -Wanneer je dan een knappe, nette meid bent, krijg je vaders ring terug -en laat ik een van zijn portretten in een lijstje zetten, en dat mag je -dan op je kamer hangen!" - -"O, heerlijk!" riep Jansje uit. "Nu, Moe! u zult eens zien, of ik mij -niet verbeter!" - -Van dien dag af begon Jansje zich werkelijk te verbeteren. Maar 't ging -niet zoo gemakkelijk, als ze 't zich wel had voorgesteld. De slordigheid -was reeds te diep in haar geworteld. - -Doch dat haar moeder haar hielp, was een groote steun. De eerste morgens -was er nog al wat te verbeteren, maar langzamerhand kreeg alles zulk een -vaste plaats, dat ze 't wel in het donker kon vinden. Als ze soms thuis -kwam en weer dadelijk uit wilde gaan, was het: - -"Jansje! Je weet, wat de afspraak is: eerst je werk maken en je lessen -leeren!" - -In den beginne had Jansje er wat spijt van, dat ze die afspraak gemaakt -had, maar langzamerhand vond ze het toch veel pleizieriger, dat ze eerst -haar werk afdeed en haar lessen leerde; want het was of ze nu veel -lichter was en meer pleizier had. Ook op haar kleeding bleef ze nog -eenigen tijd slordig, maar moeder hield voet bij stuk en zette haar -terstond aan 't herstellen. - -'t Was een heele tijd, drie maanden: dertien weken! Maar er was ook een -heele tijd toe noodig. En toen eindelijk Jansjes verjaardag kwam, en ze -'s morgens haar oogen opendeed, -- toen hing daar 't photographisch -portret van haar lieven vader in een mooie vergulde lijst, en op dat -portret hing de juweelen haarring aan een keurig lint. - -Spoedig sprong Jansje uit haar bed, kuste portret en ring, wiesch zich, -kleedde zich netjes aan en wilde juist naar beneden snellen, toen haar -moeder de deur opendeed en haar in heur armen sloot. - -"O, Moe! Ik dank u! Ik dank u!" zeide Jansje. "Wat hebt u mij gelukkig -gemaakt!" - -"Je bent het nu waard, Jansje," zeide haar moeder, "want je hebt er -schik in gekregen om alles in orde te houden." - -"O, ja! dat heb ik! En ik vind het vrij wat pleizieriger om netjes te -zijn en ordelijk, dan slordig!" - -"Geloof me, lieve: daar zul je je altijd wel bij bevinden," hervatte de -moeder. "En is 't niet veel pleizieriger, dat de menschen op het dorp -tegenwoordig tegen mij zeggen: "Juffrouw Klimveld, wat heb je een nette, -knappe dochter," dan dat ze je vroeger met vingers nawezen en je -nariepen: - - JANSJE DE SLODDERVOS!" - - - - - [Illustratie] - -ANNES KANARIETJE. - - -I. - -HOE ANNE AAN HAAR KANARIEVOGEL KWAM. - -Ze was zeven jaren oud, de kleine Anne, en ze had nooit een broertje of -zusje gehad. Dit had haar, toen zij nog klein was, nooit gehinderd of -verdriet gedaan, maar toen zij zoo langzamerhand zeven jaren werd, vond -zij het toch wel akelig dat andere kinderen broertjes en zusjes hadden -en zij niet. Zij verlangde erg naar den tijd, dat zij naar school zou -gaan en dan vriendinnetjes zou krijgen, en menigmaal vroeg zij dan ook -aan haar moeder, wanneer dat zou gebeuren. - -"Ja, lieve Anne," zeide de goede vrouw dan, "als de zomervacantie -voorbij is, zul je naar school gaan. Maar ik vind het niets prettig, dat -mijn lieve meisje dan den geheelen dag de deur uitgaat." - -"En waarom niet, Moe?" vroeg zij. - -"Wel, bedenk eens, dan ben ik den heelen langen dag alleen, en heb zoo'n -aardig snapstertje niet om mij heen." - -"Dat is wel zoo, Moe," zeide Anne nadenkend, "maar ik kom toch thuis om -te eten en dan den geheelen avond ook; en wat is dat dan niet een -vreeselijk lange tijd!" - -"Nu, Anneke, 't doet mij pleizier, dat je er naar verlangt om te gaan -leeren," zeide haar moeder. "Want daar verlang je toch zeker ook naar, -niet waar?" - -Anna keek een beetje op haar kleine neusje. Daar had zij nog niet aan -gedacht, dat zij dan op school moest leeren. Zij vond alleen het -vooruitzicht maar zoo heel erg prettig, dat zij dan vriendinnetjes zou -krijgen. Eensklaps zeide zij echter: - -"Ja, Moe, ik wil heusch graag wat leeren; dan kan ik u misschien wel -eens een verhaaltje voorlezen. O, wat zal dat aardig zijn!" - -"Of het aardig zal zijn," zeide haar moeder glimlachend. - -"En wat zal zoo aardig zijn?" vroeg een stem in de deur. - -"O, Pa, is u daar!" riep Anna vroolijk uit. "Ik had u niet binnen hooren -komen." - -"Maar vertel me toch eens, wat er zoo aardig zal zijn," vroeg haar vader -weder. "Zal ik het ook zoo aardig vinden, of is het iets tusschen mijn -kindje en haar moeder?" - -"Wat dunkt u, Moe?" zeide Anne, schalksch tegen haar moeder knipoogend. -"Mag Pa er ook bij zijn?" - -"'k Zou er Pa ook maar bij laten komen," antwoordde de goede vrouw -opgeruimd. - -"Welnu, dan zal ik 't u zeggen," zeide Anne, naar haar vader toegaande. -"Ik zei tegen Moe, dat ik, als ik op school ben en lezen kan, haar -verhaaltjes zal voorlezen, en daar mag u dan ook bij zijn!" - -"Dat vind ik heerlijk," antwoordde haar vader. "Nu, Anne, ik verlang al, -dat je zoo ver bent." - -"Ja, Anne zelf verlangt er ook al naar," zeide haar moeder. "Zij wou zoo -graag vriendinnetjes hebben, omdat zij zoo alleen is." - -"Na de zomervacantie gaat zij er heen; tot zoolang moet zij nog geduld -hebben. En dat wil mijn Anneke ook wel, niet waar?" vroeg haar vader. - -"Ja, Pa, maar verbeeld u eens, 't is nu pas April. Hoe komen al die -weken om!" zeide Anne zuchtend. - -"Nu daar zal ik misschien wel wat op weten te bedenken," zeide de goede -man troostend. - -"Weet u wat?" vroeg Anne nieuwsgierig. "Wat dan?" - -"Daar moet ik mij eerst op beslapen," zeide haar vader lachend. "Dan -droom ik misschien wel iets." - -Zoo gingen er een paar dagen voorbij, en Anne dacht bijna niet meer -om hetgeen haar vader haar gezegd had. 't Was in 't einde van April, en -prachtig mooi weer, een van de zomersche dagen, zooals men dat noemt. -Anne had achter in den tuin wat gespeeld en kwam nu binnen om eens een -beetje te babbelen. - -"Zeg, Anne, zou je lust hebben om een eindje met mij te gaan wandelen?" -zeide haar moeder, die wel zag, dat het meisje uitgespeeld was. - -"Hè ja, Moe, wat graag! Gaan wij dan achter de buitenplaatsen? Daar -groeien zooveel mooie bloemen in 't wild," vleide Anne. - -"We kunnen dien kant wel opgaan, Annelief," antwoordde haar moeder, -"maar veel bloemen zul je nog niet vinden, want 't is nog veel te vroeg -en er zijn te weinig warme dagen geweest." - -"Nu dat hindert dan ook niet; laten wij toch dien kant maar opgaan, dan -weet ik van den zomer goed de plekjes, waar ze kunnen staan." - -"Zet je hoed dan maar gauw op, en doe je manteltje om, want 't is nog -geen weer om zonder mantel uit te gaan; de wind is te scherp," zeide -haar moeder. - -Hoe gauw was Anne niet gekleed en gereed! Zij moest nog even op haar -moeder wachten, want die moest nog 't een en ander in het huishouden -beredderen. Weldra echter waren beiden op weg, en Anne was zoo vroolijk, -dat zij dansende en springende vooruitliep. Na een uurtje gewandeld te -hebben, gingen zij weer naar huis, want het werd zoo langzamerhand -etenstijd. Na het eten ging Annes vader uit en kwam een poosje later -heel geheimzinnig met iets terug. Hij droeg het in een doek en zeide -tegen zijn dochtertje: - -"Je klaagdet er laatst over, dat je zoo alleen waart, en daarom heb ik -gemeend, mijn Anneke een kameraad te moeten meebrengen, die haar -gezelschap kan houden, als ze alleen is, en haar vermaken zal door zijn -lief gezang." - -Dit zeggende, deed hij den doek van 't pak af; en Anne zag een -allerliefst kooitje en daarin -- een prachtigen, gelen kanarie. Haar -vader zette de kooi voor haar neder, en Annes oogen schitterden van -blijdschap. - -"Is die kanarie voor mij?" vroeg ze, want ze kon niet gelooven, dat dit -waar kon zijn. - -"Ja, Anne." antwoordde haar vader. "Die kanarie is je eigendom, en ik -hoop, dat je er goed op zult passen ook." - -"O, wat een lief diertje!" riep Anne uit, terwijl ze het bekeek. -"Hartelijk dank, Pa, hartelijk dank!" - -En ze sloeg haar armpjes om zijn hals en kuste hem. - -"Dat is een aardig speelkameraadje!" zeide ze. "En kan het zingen ook?" - -"'t Is nog een jong beestje," antwoordde haar vader. "Maar spoedig zal -het leeren zingen, en dan zul je eens hooren, hoe mooi het dat doet." - -"O, Moe! kijk eens, wat een fijn bekje!" riep Anne uit. "En wat een -heldere, dottige oogjes! Is 't niet, alsof het mij aankijkt!" - -"Ja, Anne," zeide haar moeder. "En ik denk, dat het je wel gauw zal -leeren kennen." - -"O, en dan zal ik het leeren, om uit zijn kooitje te komen en de -kruimels uit mijn hand te pikken, net als 't kanarietje van Klaartje -hiernaast doet. Dat vliegt de heele kamer rond, en als ze 't raam -openzet, vliegt het er niet eens uit." - -"Dat laatste zou ik toch vooreerst maar niet wagen, en ook zelfs niet om -zijn kooi open te zetten, want het mocht eens wegvliegen, en dan was je -'t kwijt," zei haar moeder. - -"En mag ik het nu zelf schoonmaken en eten geven?" vroeg Anne. - -"Wel zeker, Anne," antwoordde haar moeder. "En dan mag het op jou -kamertje hangen." - -"O, dat is heerlijk! Dat is prettig!" riep Anne uit. - -"Maar dan moet je ook maar alles doen, wat moeder zegt," zeide haar -vader. - -"Nu, dat beloof ik u, Pa!" antwoordde Anne, die haar oogen niet van haar -kanarietje kon afhouden. - -'t Was dan ook werkelijk een allerliefst diertje. Geel als goud, van dat -mooie heldere geel, en zoo'n lief glad kopje. En dan die vriendelijke -dottige oogjes, en dat fijne, ivoorwitte bekje, waarmee 't zoo aardig -langs zijn stokje streek, als wou 't het schoonmaken, of het zaad -oppikte dat aan den eenen kant van 't kooitje in een bakje was, terwijl -aan den anderen een glazen fonteintje met helder water hing. 't Beestje -was nu nog wat schuw; maar dat zou wel spoedig beter worden, zei haar -vader, als het eerst Anne maar wat kende. - -"O, wat een lief kooitje, Pa!" zei Anne, terwijl ze de woning van haar -kanarietje bekeek. - -"Niet waar, Anne?" zei haar vader. "Zoo'n lief kanarietje moet ook in -een lief kooitje zitten, dacht ik." - -"En mag 't nu hier in de kamer blijven, zoolang als ik op ben?" vroeg -Anne. - -"Wel zeker. Ik zal even een hamer en een spijker halen, en dan zullen we -het daar ophangen. Als je dan aan tafel zit, dan kun je er vlak op -zien." - -"O, dat is aardig! Als ik nu 's morgens wakker word, is 't eerste wat -ik zie, mijn kanarietje. En als het dan zingen kan, is 't eerste wat ik -hoor een morgengroet, net of het wil zeggen: Goeden morgen, Anne! Heb je -goed geslapen?" - -"Als het je maar niet wakker zingt," zeide haar vader. "Want de kanaries -worden zoo vroeg wakker. Reeds met het eerste krieken van den dag." - -"Nu, dat zijn vlugge diertjes," zei Anne. "Zoo vlug ben ik niet. Als het -me dan wakker zingt, ga ik deftig weer slapen." - -Haar vader ging nu een hamer en een spijker halen en kwam spoedig terug. -Hij sloeg den spijker in den muur en hing er 't kooitje aan. - -"Kijk, Anne," zeide hij, "nu kun je den kanarie precies zien. Is 't zoo -nu niet goed?" - -"O, heerlijk!" riep ze uit. "Ik denk zeker, dat ik morgen heel vroeg -wakker ben, uit nieuwsgierigheid om mijn kanarietje te zien. =Mijn= -kanarietje. Wat een aardig idee is dat, =mijn= kanarietje! Ik ben nog -nooit zoo rijk geweest. Slaat u nu ook een spijker op mijn kamertje?" - -"Dat beloof ik je, en zoo, dat je het uit je bedje zien kunt." - -"En nu zet u het toch weer op de tafel, niet waar? Want ik wou het -vandaag graag dicht bij mij hebben, om het goed te kunnen zien." - -"Wel zeker, Anne." antwoordde haar vader. "Als het voor je staat, kun je -het des te beter bekijken." - -'t Was een heel pleizier voor 't lieve kind, haar kanarietje te zien, en -'t was of ze er telkens iets nieuws aan opmerkte. Zoo vond ze onder -andere, dat het diertje zulke lieve, fijne pootjes en zulke aardige -nageltjes had; kortom, ze werd niet moede het te bewonderen. - -Zij zou haast eten en drinken vergeten hebben, maar daar dacht moeder -wel om, want als Anne het eten had vergeten, dan zou zij niet veel -pleizier van haar vogeltje hebben gehad. - -"Moe," zei zij, toen zij er zich een heelen tijd mee geamuseerd had, -"Moe, zou ik het vogeltje niet even aan Betje hier naast laten zien? U -weet wel, die oude vrouw; ze is wel doof, maar ze kan toch heel goed -zien, hoe mooi geel het is, en het zingt toch nog niet." - -"Ga voor mijn part je gang," antwoordde haar moeder vriendelijk; "'t -oude mensch zal er misschien wel schik in hebben. Maar zet je hoed op, -want 't is veel kouder, dan het geweest is." - -"Hé, Moe, voor dat kleine eindje, niet meer dan een voetstapje!" riep -Anne uit. - -"Dat is wel zoo, maar in dat oogenblikje kun je toch best kou vatten, en -ik zou niet graag willen, dat je ziek werd," antwoordde haar moeder. -"Daar is je hoed, en nu dit dasje om. Zie zoo, maak nu maar gauw, dat je -wegkomt, maar blijf niet te lang, want je weet dat bedtijd niet zoo ver -af is." - -"Ik zal er aan denken, Moe," riep Anne vroolijk en sprong met haar -kooitje in de hand de kamer uit. - -Toen zij bij de oude vrouw kwam, werd zij erg vriendelijk ontvangen, -want deze had wat graag, dat zoo'n lief, vroolijk meisje haar eens op -kwam zoeken. - -"Wel, kind, daar doe je goed aan, dat je eens over komt wippen. En wat -heb je daar? Een kooitje met een kanarie er in, wel, wel! Of vader en -moeder ook gek met hun Anneke zijn," zeide de oude vrouw. - -"Ja, Betje, vind je het geen lief diertje?" riep Anne zoo hard ze kon, -want Betje was immers doof. "Ik heb het van vader gekregen, die het voor -mij heeft gekocht." - -"Hing het beestje in den tocht? Daar moet je vooral op passen," zeide de -oude vrouw hoofdschuddend. "Bedenk, dat die diertjes heel teer zijn." - -"'t Hing niet in den tocht, Betje; ik zei, dat vader het voor mij -gekocht heeft," riep Anne nu. - -"Zoo, heeft je vader het gekocht?" zeide de oude vrouw. "Ja, zie je, -kind, ik ben een beetje hardhoorend." - -"Vind je het niet een mooi beestje?" vroeg Anne luid. "Hoe zacht en geel -zijn de veertjes; en vader zegt, dat het mooi zal gaan zingen ook!" - -"Zingt het, al hangt het in den rook," zeide Betje, die haar weer half -verstond. "Dat is er toch niet goed voor; breng het diertje dan liever -bij mij: het rookt hier nooit. Of ik zou het maar op mijn eigen kamertje -hangen; daar is toch geen schoorsteen," riep het oude mensch. - -Met veel moeite bracht Anne haar nu aan 't verstand, wat zij bedoelde, -maar daardoor was het zoo laat geworden, dat zij naar huis moest. - -"Nu, Betje, ik ga naar huis," riep Anne; "moeder zei, dat ik niet te -lang moest blijven, en bovendien ik verlang al om mijn kanarietje op -mijn eigen kamertje te zien hangen. Dag, Betje!" - -"Dag, Anneke," zeide de oude vrouw, die haar nu meer begreep dan -verstond, want al schreeuwde zij nog zoo, haar stemmetje was veel te -fijn, dan dat de oude vrouw haar zou kunnen verstaan. Zij konden het -echter altijd goed met elkaar vinden, want Betje hield veel van haar. - -Toen zij thuis kwam, ging moeder met haar mee naar boven en hing de kooi -op. - -Haar vader was recht gelukkig, dat hij 't kanarietje voor haar gekocht -had. 't Was hem heel toevallig in de handen gekomen en hij had er niet -eens heel veel voor gegeven. Hij was namelijk bij een kennis geweest, -wiens kanarie gebroeid had en die hem een der jongen voor weinig geld te -koop aanbood. - -"Dat wil ik graag aannemen," had hij gezegd. "Maar dan moet ik eerst een -kooitje koopen." - -En toen hij dat gedaan had, was hij bij zijn vriend teruggekomen; en -deze had den mooisten vogel uit het nest uitgezocht, omdat het voor de -lieve Anne was, en een mannetje, opdat het zou leeren zingen. Want de -wijfjes-kanaries of poppen, zooals men ze noemt, zingen niet; ze piepen -maar "pie, pie!" en anders hoort men van haar niet. - -Nu werd de kooi in een rooden zakdoek gepakt, en verheugde de goede man -zich al in de verrassing, welke hij zijn Anne bereiden zou. We zagen 't, -hoe gelukkig hij haar maakte en hoe ze met zijn geschenk in haar schik -was. En 't mooiste van alles was, dat het geen present was waar de -aardigheid gauw af was, maar een, dat haar alle dagen liever zou -worden. Den geheelen dag stond haar mondje niet stil van den kanarie; -en haar moeder was blij, dat ze zoo'n afleiding had, want ze wist heusch -niet hoe ze haar den geheelen dag bezig zou houden. Dat kon nu wel eens -een paar uurtjes met haar pop gaan, maar toch den geheelen dag niet. - -Met de oogen op haar kanarietje gericht viel ze in slaap, en zeker -droomde ze 's nachts wel van kanarietjes. En toen ze 's morgens wakker -werd en haar oogjes opsloeg, was 't eerste wat ze zag, haar kleine -lieveling, die haar met zijn "pie! pie!" goedenmorgen toeriep. Ze -praatte met haar diertje, en dan was 't net, alsof het haar antwoord -gaf! - -Van dien dag af verveelde Anne zich niet meer, en vlogen de dagen om, -want elk oogenblik ontdekte zij nieuwe deugden in haar vogeltje, die zij -dan aan haar moeder of aan de oude Betje ging vertellen. - - -II. - -HOE ANNES KANARIETJE HET MAAKTE. - -Annes ouders woonden op een dorp, waar haar vader timmerman was. -Ofschoon een timmerman op een dorp niet zooveel verdient als in een -stad, had hij toch een fatsoenlijk bestaan en woonden ze in een lief -huis, waaraan de werkplaats in een groote houten schuur was gebouwd. Een -aardig klein tuintje lag achter het huis, en in dat tuintje kon Anne -zich best amuseeren, vooral des zomers, als er mooie bloemen in stonden. -Annes kamertje zag op dien tuin uit, en 's morgens scheen het zonnetje -door haar raam, en als ze het dan openzette, hoorde ze de vogeltjes in -de boomen kwinkeleeren. - -Maar 't liefste van alle vogeltjes was haar kanarietje, dat haar elken -morgen begroette, en nu niet meer met zijn "pie! pie!" O, neen, 't begon -langzamerhand al wat te zingen, nog wel niet veel en lang na elkander, -maar toch van week op week al mooier. Haar vader zei, dat het diertje -heel mooi zou zingen, als het oud genoeg was, en werkelijk deed het er -zijn best genoeg toe om zich te oefenen en 't was soms, als luisterde -het naar de in den grooten boom bij 't huis zingende vogels, om te -hooren, hoe die het wel deden. - -Van al haar speelgoed was haar kanarietje haar toch het liefst, en haar -moeder had haar geleerd, hoe ze het kooitje schoonmaken moest, 't water -uit het fonteintje doen, en er versch ingieten, en hoe ze het zaadbakje -schudden en afblazen en er weer nieuw zaad bijvoegen moest. En 't was, -alsof het diertje haar kende, want het deed niet zooals andere kanaries, -die als men ze schoonmaakt blazen en bijten en hun veeren opzetten, -- o, -neen 't was, alsof het zich dankbaar betoonde, dat Anne zijn kooitje -weer zoo lekker frisch maakte en 't versch water en nieuw zaad gaf. -Eenmaal 't weeks en wel des Zaterdags maakte zij het schoon, en moeder -had een vasten dag daarvoor gesteld, opdat ze 't niet vergeten zou. Dan -kreeg ze ook van moeder een klontje witte suiker, en daar was ons -kanarietje zoo mee in zijn schik; daar pikte het in en dan was 't net, -alsof hij met zijn kopje knikte, en of hij zei: "Dank je wel, lieve -Anna! O, wat ben je toch goed op mij!" - -Maar 't werd hoog tijd, dat Anne wat zou leeren en naar de dorpsschool -zou gaan. - -Anne was er, zooals wij weten, wat mee in haar schik, want zoo'n heelen -dag spelen beviel haar al lang niet meer, en ze zou nu met de andere -meisjes van haar leeftijd naar school gaan en bij haar zitten. En moeder -vond het ook heel prettig, want ze merkte wel, dat Anne zich van tijd -tot tijd begon te vervelen. Geen wonder ook voor een meisje van zeven, -bijna acht jaren, dat geen broertje of zusje heeft om mee te spelen. 't -Werd voor haar een toer, om den geheelen dag door te brengen, en daarom -was ze heel blij, toen haar vader tot haar zeide: "Anne, je gaat morgen -naar school!" - -"O, dat vind ik heerlijk, Pa!" zeide zij. "Ik heb er al naar verlangd. -Dan zal ik vragen of Suze en Keetje en Betje mij 's morgens komen halen; -en wat zal dat aardig zijn, als ik daar dan bij al de meisjes van ons -dorp zit, en lezen en schrijven leer." - -Den eersten dag vond ze het toch al heel vreemd op school; want, al -kende ze ook de meesten der dorpsmeisjes, ze zat, omdat ze nog geen _a_ -voor een _b_ kende, onder veel kleinere kinderen dan zij was. 't Kwam -omdat ze zoo achteruit was. Maar Anne was een slim en vlug kind. Ze -vroeg aan den meester, om het leerboek mee naar huis te nemen en toen -verzocht ze haar moeder, om bij haar te mogen opzeggen en de volgende -les te leeren. Als ze dan op school kwam, zei ze tegen den meester: -"Meester, ik ken die les al," en dan was de man er geducht over -verwonderd. Het gevolg daarvan was, dat ze heel spoedig zoover was, dat -ze in een andere klasse werd overgeplaatst en nu bij meisjes zat, die -meer met haar in leeftijd overeenkwamen. Dat vond ze recht pleizierig; -en, nu ze eens begonnen was, met zoo haar best te doen, kon 't niet -anders of ze bleef goed vorderen, zoodat ze zeker een van de beste -leerlingen der school was. - -Maar met al haar leeren vergat ze toch haar kanarievogeltje niet. Dat -bleef vóór en na den schooltijd haar uitspanning en genoegen. Niet -alleen, dat het beestje prachtig zong, zoodat kenners haar vader -verzekerd hadden, dat het zeven gulden waard was, maar het diertje was -zoo mak, dat ze zijn kooitje openzette. Dan kwam het er uit en ging op -haar hand zitten en pikte de kruimeltjes brood of de zaadjes er uit, en -als het dan genoeg gegeten had, dan sprong het op haar schouder en -beloonde haar met een alleraardigst deuntje. Ze hield dan ook zooveel -van het diertje, dat ze het voor alles ter wereld niet zou hebben willen -missen. 't Zal u dan ook zeker niet verwonderen, dat ze er alle zorg -voor droeg en dat het nooit aan iets gebrek had. - -Onder de menigte vriendinnetjes, die zij op school gemaakt had, behoorde -ook Emmie, het dochtertje van den burgemeester. Van haar hield Anne het -meest van allen, en dikwijls, als ze samen van school kwamen en ze vóór -haars vaders deur stonden, moest Emmie mee naar boven, om haar -kanarievogeltje te zien. En dat deed Emmie graag, want ze hield ook veel -van dieren. Maar zulk een lief kanarievogeltje had ze nog nooit gezien. -Ze hadden thuis wel een paar kanarievogels, die heel mooi zongen, maar -dat waren zulke nijdige dieren. Als men maar bij hun kooi kwam, dan -zetten ze hun veeren op en waren erg boos. En als de meid hen schoon -wilde maken, dan beten ze haar, net alsof ze hun kwaad wou doen, en toch -meende ze 't goed met hen. - -"O, o, wat is je kanarietje toch een lief dier!" zeide Emmie. "Ik heb er -nog nooit zoo'n lief gezien." - -"Ja, Emmie," zeide Anne. "Je zult er ook op de geheele wereld geen zoo -vinden. En hoe aardig, dat het diertje voor jou ook niet bang is. Maar -dat komt, omdat je zoo'n lief meisje bent. Dat weten die diertjes ook -wel." - -"Maar het wil toch niet op mijn hand gaan zitten," zeide Emmie. - -"Nu, dat is ook geen wonder," hernam Anne. "Al is hij niet bang voor je, -dan kan hij toch zoo familiaar niet met jou zijn als met mij. Want ik -ben zijn beste vriendin en daarenboven zijn meesteres." - -"Ik zou zoo graag ook zulk een kanarievogeltje hebben," hernam Emmie. -"Mama zegt echter: we hebben al genoeg aan twee. Nu, als ze aan 't -zingen zijn, kunnen ze ook leven genoeg maken, dat verzeker ik je!" - -Zoo praatten onze beide vriendinnetjes meermalen over Annes kanarietje; -ook anderen die het zagen vonden het een allerliefst beestje, en -natuurlijk deed dit Anne goed, want ze had graag, dat men het prees. En -wie heeft dat niet gaarne van een diertje, dat hij liefheeft! - -Toen nu de winter aankwam, zei Annes vader, dat het op haar kamertje -voor haar kanarietje te koud zou worden, en dat ze het dus in de -huiskamer moest hangen. En Anne, die niet eigenwijs was zooals sommige -kinderen, begreep zeer goed, dat haar vader gelijk had. - -"De kanaries," zeide hij, "zijn oorspronkelijk geen vogels die in dit -klimaat thuis behooren; vandaar, dat men ze ook nooit hier in 't wild -vindt, zooals de musschen, vinken, sijsjes, meezen en andere vogels. -Lang, heel lang geleden zijn ze van de Kanarische eilanden, dicht bij de -kust van Afrika, hier te lande gebracht, en sedert zijn ze hier -langzamerhand zóó aan het klimaat gewend, dat ze ook in deze koudere -luchtstreek gezond blijven. Maar tegen een vinnige kou zouden ze slecht -kunnen. En daarom is 't veel beter, dat je je kanarietje van den winter -in de huiskamer brengt, waar 't voortdurend warm is." - -Anne kwam dus, zoodra het koud begon te worden, met haar vogeltje -beneden, en haar vader hing het kooitje daar aan den wand. 't Was Anne -wel een heel gemis, dat ze haar lieve kanarie niet meer op haar kamertje -had, en 't was haar in den beginne of ze minder pleizierig wakker werd, -nu 't lieve diertje haar geen vroolijken morgenzang toezong, maar -spoedig was ze er aan gewoon en haastte ze zich om zich te wasschen en -aan te kleeden. En als ze dan in de huiskamer kwam, dan was 't alsof -haar vogeltje haar bemerkte, want dan begon het terstond uit volle borst -te zingen en wel zoo schel, dat men elkander schier niet verstaan kon. -En dat duurde dan zoolang, totdat Anne op een stoel klom, het kooitje -opendeed en het er uitliet, waarna het op haar hand kwam zitten en de -kruimeltjes van haar ontbijt oppikte. Als het dan genoeg gegeten had, -plaatste 't zich op haar schouder en dan hief 't een zijner schoonste -liederen aan. - -Daarna sloot ze het weer in zijn kooitje en begaf ze zich naar school, -waar ze nog maar altijd even braaf en vlijtig leerde en daarbij zoo goed -met de andere meisjes kon omgaan, dat allen veel van haar hielden. En -dat was vooral pleizierig voor haar, omdat ze geen broer of zuster had, -met wie ze spelen kon. Daar was ze wel eens verdrietig over, want hoe -goed vriendinnetjes ook zijn, -- ze zijn niet te vergelijken met broeders -of zusters, die van den morgen tot den avond bij ons zijn, en ons lief -en ons leed met ons deelen. Ze was echter nog te jong, om dat in zijn -geheele uitgestrektheid te gevoelen, en daarom treurde ze er ook niet -over en gevoelde zich heel gelukkig in de liefde harer ouders en in de -toegenegenheid harer vriendinnen. - -Zoo ging er een gedeelte van den winter om, en 't was een koude winter -ook, zoodat Anne maar heel blij was, dat ze haar kanarietje in de -huiskamer gebracht had. 't Beestje bleef dan ook heel frisch en gezond -en steeds even vroolijk. Doch toen 't voorjaar aankwam, begon 't minder -lustig te zingen en zette het tusschenbeide zijn veertjes op. Anne -bemerkte dat en maakte er zich vrij ongerust over. Ze vroeg er haar -vader naar. - -"Maak je maar niet ongerust, lieve Anne," zeide hij. "Je kanarietje is -aan 't ruien, en dat is nu voor 't eerst; daarom is het heel erg. We -zullen een roestigen spijker in zijn drinkglas leggen; dat is er goed -voor, zooals ik wel eens gehoord heb." - -"Maar zou 't geen kwaad kunnen, Pa?" vroeg Anne. - -"Geen nood, kindlief! Alle vogels ruien om dezen tijd, dat wil zeggen, -ze verliezen wat van hun oude veeren en krijgen er nieuwe." - -"O, dat is aardig," zei Anne. - -"Ja, wel aardig en zeer opmerkelijk," zeide Annes vader. "Zoo krijgen ze -van moeder natuur alle jaren een nieuw rokje, en blijven altijd even -mooi en keurig; want, in plaats van de oude vederen die zij verliezen, -krijgen zij er nieuwe voor in de plaats." - -"Nu, dat is goedkooper dan wij," zeide Anne. "Want als onze kleederen -versleten zijn, moeten wij er nieuwe koopen en nog maken ook." - -Langzamerhand verloor Annes kanarietje minder veeren en zat het minder -bol; spoedig begon het weer te zingen en 't was toen, of het zijn scha -wenschte in te halen en nog eens zoo mooi als vroeger zong. En toen de -winter over was en de lieve, zachte lente weer aankwam, bracht Anne haar -lieveling weer op haar kamertje en werd ze 's morgens weer wakker van -zijn luid gezang, dat hij even opgewekt en prettig als vroeger deed -hooren. - -"O, Moe," zeide ze, "wat ben ik gelukkig, dat mijn lieve diertje nu weer -geheel beter is. Ik was wezenlijk zoo bang, dat het sterven zou." - -"Je ziet, dat je vader gelijk had," zeide haar moeder. "Oudere menschen -weten veel meer van die zaken dan kinderen. Daarom moet je ons ook -altijd gelooven." - -"Doe ik dit dan niet, Moe?" vroeg ze haar vleiend. - -"Ja, dat doe je, en dat is heel verstandig. Blijf het altijd doen, en je -zult er je steeds goed bij bevinden. Eigenwijze kinderen komen doorgaans -verkeerd terecht; daar kunnen ze op rekenen." - -Nu, eigenwijs was Anne niet, en dat was ook heel verstandig van haar. - - -III. - -WAT ANNES MOEDER HAAR VAN OOM FRANS VERTELDE. - -Zoo gingen er twee jaren om; Anne was intusschen tien en Emmie, de -dochter van den burgemeester, elf jaren geworden. De burgemeester, een -man die veel geld had en graag wenschte dat zijn dochtertje nog wat meer -leerde dan 't geen ze op de dorpsschool kon te weten komen, had -besloten, dat Emmie naar een kostschool zou gaan. Reeds lang had Emmie -dat geweten en 't aan Anne verteld, en ze zag er wel tegen op om het -dorp en 't huis harer ouders te verlaten en onder vreemde menschen te -gaan. - -"O, Anne!" zeide zij meermalen, "wat zal het mij raar zijn, als ik daar -bij die vreemde menschen ben, als ik daar 's avonds naar bed ga, zonder -Pa en Ma een nachtzoen te geven en 's morgens hun bij 't opstaan geen -goedenmorgen kan zeggen." - -"O, ik zou 't verschrikkelijk vinden!" riep Anne uit. "Ik zou 't niet -uithouden, dat kan ik je verzekeren. Trouwens, vader en moeder zouden 't -ook niet lang kunnen uithouden; ze zouden mij zeker gauw terughalen." - -"Geen wonder: jij bent ook hun eenig dochtertje, ja hun eenig kind, dus -alles wat ze hebben. Wanneer ik Pa en Ma verlaat, dan houden ze nog mijn -broertjes en zusjes over; dat maakt groot verschil. Maar weet je, wat ik -nog erger vind, Anne! 't Is, dat ik jelui verlaten moet en onder vreemde -meisjes zal komen, die me niet kennen en me misschien uitlachen om mijn -boersche manieren. Want de meesten zijn meisjes uit de stad en misschien -wel erge nuffen." - -"O, je zult wel spoedig vriendinnen met elkander zijn," zeide Anne. "En -als je daar onder je nieuwe kornuiten bent, zul je je oude vriendinnen -wel gauw vergeten en onder die deftige stadsdametjes zullen de -boerendeerntjes van ons dorp weldra niet meer in tel bij je zijn." - -"Neen, Anne, daar hoef je niet bang voor te zijn," zeide Emmie. "Ik zal -jou en mijn lieve dorpsvriendinnetjes niet vergeten. Daarenboven kom ik -tweemaal in 't jaar over, -- eens in de groote en eens in de -kerstvacantie, en dan zoek ik je allen weer op, en dan zullen we, vooral -'s zomers, weer een heelen boel pret hebben, net als tegenwoordig." - -"Nu, dan verlang ik nu al naar de zomervacantie, ofschoon ik daar nog -bijna een jaar op moet wachten; want je gaat juist na die vacantie naar -de kostschool, niet waar?" - -"Ja, en dat is over veertien dagen," zeide Emmie. "'t Is dus al heel -gauw, dat we van elkander scheiden zullen! Nog maar veertien dagen! En -die zijn zoo gauw om!" - -En ze waren gauw om, die veertien dagen, en Anne was heel bedroefd, toen -Emmie haar voor de laatste maal bezocht, en ze klaagde haar verdriet aan -haar kanarievogeltje, en 't klonk haar net in de ooren, of het diertje -veel treuriger zong. Maar dat was slechts in haar verbeelding; want hoe -zou een vogel er gevoel van hebben, als de vriendin harer meesteres haar -verlaat? Of zoudt ge misschien denken, dat de kanarie het aan Anne zag, -dat ze bedroefd was? Een hond moge dat merken, en ik geloof, dat die wel -'t eenige beest is, hetwelk dit doen kan; maar van een kanarie, -- nu, -dat zou toch ook wel wat veel gevergd zijn. - -Intusschen, Anne verbeeldde 't zich, en dat was genoeg. - -"Ja, lieveling," zeide ze, "nu is Emmie weg, die zooveel van je hield -en die je zoo graag hoorde zingen. Je zult ze in lang niet weer zien, de -lieve Emmie; want ze komt in een heelen tijd niet terug!" - -En 't was haar, of haar kanarietje haar verstond, zoo keek het haar aan. - -Anne was dien heelen dag niet in haar schik, en 't was alsof haar 't -eten minder smaakte dan anders. Toen ze 's avonds alleen bij haar moeder -zat, want haar vader was nog op den winkel, waar 't heel druk was, zag -deze wel, dat Anne bijzonder stil was en in 't geheel niet zoo opgewekt -als anders. - -"Lieve Anne," vroeg ze, "wat scheelt je toch? Je bent zoo stil. Voel je -je niet wel?" - -"O, lieve Moe!" antwoordde Anne, "mij deert niets." - -"Dat moet je nu niet zeggen, kind! Ik heb het al den heelen dag aan je -gemerkt; ook vanmiddag at je niet met zoo'n smaak als anders. Ik wou er -je toen niet naar vragen, omdat vader zich dan maar ongerust maakt. Maar -nu we alleen zijn, moet je 't me eens vertellen, wat er aan scheelt." - -"Ach, Moe!" zeide Anne, -- en de waterlanders kwamen voor den dag, -- "ik -ben zoo bedroefd, omdat Emmie naar de kostschool vertrokken is. Ze was -zoo'n lief vriendinnetje voor mij." - -"Nu, je hebt toch nog vriendinnetjes genoeg onder de dorpsmeisjes," zei -Annes moeder. "Daar heb je Truitje en Keetje, en . . . . ." - -"Maar geen een, van wie ik zooveel houd als van Emmie," zeide Anne. - -"Kom, kom, dat verdriet zal wel slijten, Anne," zeide haar moeder. "En -als Emmie dan eens met de vacantie overkomt, is het des te pleizieriger -voor je." - -"Dat is wel waar, Moe," antwoordde Anne. "'t Zou zeker erger zijn, als -ik haar nooit terugzag." - -"Dat zou het," antwoordde haar moeder. "Als 't je bijvoorbeeld eens -ging, zooals mij. Ik had een broer, die twee jaren ouder was dan ik, een -allerliefsten jongen en van wien ik veel hield. Die is eens weggegaan, -en nooit hebben we weer iets van hem gehoord; zoodat we niet weten, of -hij leeft dan of hij dood is." - -"O, Moe! daar hebt ge me nog nooit iets van gezegd," zeide Anne. -"Hoe kwam dat?" - -"Hoe dat kwam? 't Is een treurige geschiedenis, Anne, maar ik wil je -haar vertellen. Je moet weten, dat toen ik twaalf en mijn broer Frans -veertien jaren oud was, we onze lieve moeder verloren. Dat was een heele -slag voor vader en voor ons. Maar vooral voor Frans, die een -levenslustige jongen was en dien ze met een vriendelijk woord kon -regeeren." - -"Dan zal hij wel heel bedroefd geweest zijn, toen zijn lieve moeder -stierf," zeide Anne. - -"Dat was hij," hervatte Annes moeder. "Hij had ook zooveel van haar -gehouden. En 't zou zoo gelukkig voor hem geweest zijn, als hij haar -behouden had." - -"Gij waart toch ook zeker wel erg bedroefd over haar dood?" vroeg Anne. - -"Dat kun je begrijpen. Daarenboven was mijn arme vader sedert moeders -dood zoo terneergeslagen, dat hij steeds in sombere droefheid verzonken -was. Hij kon zijn verlies maar niet verzetten! Hij had ook zooveel van -haar gehouden! Daar ik nog te jong was, om zijn huishouden waar te -nemen, nam hij een huishoudster. We troffen 't slecht. Ze was geen -pleizierige vrouw, juist het tegenbeeld van onze lieve moeder. Nooit -kregen we een goed woord van haar, altijd bromde en knorde ze, en dat -verveelde mijn broer Frans geducht, die nu zoo weinig mogelijk thuis -kwam. Vader, die den geheelen dag in den winkel zat, -- hij was -horlogemaker, -- merkte daar weinig van, vooral omdat ze jegens hem -altijd vriendelijk was. Daarenboven, sedert moeders dood was hij zoo in -zichzelf gekeerd, dat hij zich weinig of niet met ons bemoeide." - -"Die arme grootvader!" zeide Anne. "Was hij zoo bedroefd?" - -"Ja, en 't ergst van alles was, dat hij in 't geheel niet op Frans -lette, die nu langzamerhand kameraden kreeg, welke niet voor hem -deugden. Ik wist daar niets van; anders had ik hem wel gebeden en -gesmeekt, om die slechte kameraden te laten loopen; want het spreekwoord -zegt niet tevergeefs: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet. Had vader -op hem gelet en had de huishoudster 't hem in ons huis pleizierig -gemaakt, -- het was nooit zoover met hem gekomen." - -"'t Was dan ook wel ongelukkig voor hem," zeide Anne. "Maar klaagde oom -Frans dan nooit bij zijn vader?" - -"Hij had dit wel eens gedaan en ik ook; maar 't hielp niet, en de -ondeugende vrouw wist er altijd zooveel tegen in te brengen, dat vader -haar wel moest gelooven en wij steeds de schuld kregen. Daar we nu -zagen, dat het ons toch niet baatte en we altijd ongelijk kregen en -daarbij bemerkten, dat vader er maar verdrietig onder werd, besloten we, -niet weder te klagen en zwegen. 't Ware te wenschen geweest, dat hij -naar onze klachten geluisterd en ons geloofd had, -- hij zou zich en mij -vrij wat leed en verdriet gespaard hebben." - -"Die arme oom Frans!" riep Anne uit. "Hij moet daar vrij wat verdriet -over gehad hebben." - -"'t Verdriet was nog het ergste niet, wel de omgang met zijn slechte -kameraads," hernam de moeder. "Had vader niet in zulk een treurige -gemoedsgesteldheid verkeerd, zeker zou hij er op gelet hebben. Hoe 't -zij, op zekeren avond kwam je oom niet thuis. Vol onrust en angst -wachtte ik den geheelen nacht; maar wie er verscheen, Frans niet. Later -hoorden we, dat hij iets heel verkeerds gedaan had en uit angst voor de -politie gevlucht was. Sedert hebben we nooit weer van hem gehoord." - -"En wat had hij gedaan, moeder?" vroeg Anne. - -"'t Was geen zaak van zooveel belang," antwoordde de moeder, "maar ze -hadden hem bang gemaakt voor ernstige gevolgen, en toen was hij -gevlucht. We hebben er nooit achter kunnen komen waarheen, hoeveel -moeite vader ook heeft aangewend. Ach! ware hij slechts -teruggekeerd; -- alles zou met een kleine moeite zijn afgeloopen, en de -zaak zou misschien tot zijn verbetering gestrekt hebben!" - -"En wat zei grootvader toen wel?" - -"De goede man was er wanhopig over, en zag nu maar al te goed in, dat -hij zich door zijn droefheid te veel had laten beheerschen en meer acht -op Frans had moeten geven. Maar 't was nu te laat en er was niets meer -aan te doen. Ik treurde nacht en dag over hem. Hij was inderdaad mijn -eenige troost geweest in 't verdrietelijke leven, hetwelk ik leidde, en -dat nu des te verdrietelijker werd, omdat ik niemand had, aan wien ik -mijn smart kon toevertrouwen." - -"En dus denkt gij, dat oom Frans dood is, moeder?" zeide Anne. "Als hij -nog geleefd had, zou hij toch ten minste wel eens aan u geschreven -hebben." - -"Ik zeg je, dat we nooit weer iets van hem gehoord hebben," hervatte -Annes moeder. "En toch is 't mogelijk, dat hij nog wel eens geschreven -heeft, maar dat zijn brieven niet terechtgekomen zijn. Want een half -jaar na 't verdwijnen van Frans stierf mijn vader, wien deze nieuwe slag -vreeselijk had aangedaan, aan een kwijnende ziekte, en nu stond ik -alleen op de wereld. Een oudtante van moeders kant, die in een andere -stad woonde, nam mij nu tot zich, en dus is 't heel wel mogelijk, -dat er nog brieven van Frans gekomen zijn, die niet bezorgd zijn. -Ofschoon -- ik geloof het niet en houd het er voor, dat de jongen dood -is. 't Is nu bijna twintig jaren geleden, sedert hij ons verliet. En al -kwam hij ooit terug; -- wie zal hem zeggen, waar ik woon. We hadden in -mijn geboortestad slechts verre neven en nichten, en die weten niet, -waar ik gebleven ben. 't Zou hem dus niet licht mogelijk zijn, mij te -vinden. Maar hij zal wel nooit terugkomen." - -'t Waren treurige herinneringen voor Annes moeder geweest, en Anne vond, -dat zij al heel weinig reden had, om bedroefd te zijn over 't vertrek -van Emmie, waar haar moeder van zulk een smartelijk verlies gesproken -had als dat van haar oom Frans. - -"O, Moe!" zeide zij, "ik ben blij, dat u mij dat verteld heeft, en ik -zal mij troosten over 't vertrek van Emmie. Want dat verlies komt in de -verste verte niet bij dat van mijn oom Frans. Ik zou zoo graag hebben, -dat hij nog eens terugkwam. Wat zou dat aardig zijn! Dan had ik een -oom!" - -"Dat is nu niet anders, lieve," hernam haar moeder. "En we moeten daarin -berusten." - -'t Binnenkomen van Annes vader maakte een einde aan dit gesprek. Anne -zelf was nu opgeruimder geworden. Doch ze kon dien nacht niet gauw in -slaap komen; want steeds stond die geschiedenis van oom Frans haar voor -den geest: ze zou zoo gaarne eens weten, wat er van haar oom geworden -was. - -En toen ze 's morgens wakker werd, vertelde ze de geheele geschiedenis -aan haar kanarietje, maar 't beestje scheen er niet naar te luisteren, -want het zong even luid en schel als anders. Hoe zou ook een kanarie -luisteren naar de geschiedenis van een jongen, die uit zijn ouders huis -was weggeloopen! - -Maar Anne stortte haar hart voor hem uit, en dat deed haar goed, al was -'t ook slechts aan een redeloos wezen gelijk haar kanarie, die haar niet -verstond. Doch moeder had haar verboden, er iets van tegen haar -schoolkameraadjes te zeggen, en ongehoorzaam zijn wou ze niet; dat zou -ze niet gedaan hebben, en daarom maakte ze haar kanarie maar tot haar -vertrouweling, die het wel aan niemand zou oververtellen. - - -IV. - -WAT ER OP ZEKEREN NACHT GEBEURDE. - -'t Was op zekeren nacht, ruim een half jaar na dit gesprek, dat Anne -rustig op haar kamertje lag te slapen. De winter was om, 't schoone -voorjaar was weer aangekomen, en sedert eenige dagen had haar kanarie de -huiskamer weer verwisseld voor haar eigen kamertje. Hoelang ze reeds -geslapen had, wist ze niet, toen ze op eens verschrikt wakker werd door -de stem van haar moeder, die voor haar bed stond, haar wakker schudde en -uitriep: - -"Gauw, Anne! sta op en doe je goed aan." - -Eensklaps was Anne opgerezen en schier even gauw het bed uitgesprongen. - -"Wat is er, Moe?" vroeg ze. - -"Hier schuins over is brand," antwoordde de moeder. "Kom, trek gauw je -goed aan!" - -Anne haastte zich zooveel zij kon, en haar moeder hielp haar. Ze trok -haar ondergoed aan, nam 't verdere op den arm en was juist op 't punt, -om de deur uit te gaan, toen ze eensklaps bleef stilstaan, terugtrok en -uitriep: - -"O, Moe! mijn kanarietje! Als dat maar niet verbrandt!" - -"Nu, dan zullen we 't meenemen," zeide de steeds angstige moeder, kreeg -'t kooitje van den spijker en snelde met Anne de trap af. Weldra waren -zij beneden en daar zagen zij, hoe het huis van den burgemeester in -lichtlaaie vlam stond. - -"Maar, Moe," zeide Anne, "waarom is u toch zoo bang? De brand is immers -nog ver genoeg van ons vandaan." - -"Op 't oogenblik nog wel," antwoordde haar moeder, "maar je kunt niet -weten; 't is droog weer en de wind is juist dezen kant op." - -"Waar is vader toch?" vroeg Anne, verwonderd, dat zij hem niet zag. - -"O, vader is al lang weg, om mee te helpen blusschen, Anne. Je begrijpt, -dat ieder nu mee moet doen," antwoordde haar moeder. - -"Ja, Moe, dat begrijp ik," zeide Anne. "Ik hoop, dat Emmie en de andere -broertjes en zusjes maar gered worden, en de kanarietjes ook. Wat zou ik -bedroefd zijn, als mijn vogeltje moest verbranden," voegde zij er bij, -terwijl zij haar vinger tusschen de traliën stak en het diertje over -zijn kop aaide. - -"Maar de kanarietjes zijn toch het ergste niet," merkte haar moeder -glimlachend aan. "Hé, zie eens, daar komt oude Betje ook aan. Moet je -ook eens kijken naar den brand?" vroeg zij aan het oude moedertje, dat -juist binnenkwam. - -"Wel, wel, is het bij een klant van uw man?" zeide deze hoofdschuddend. -"Nu, aan den eenen kant is het goed, dan krijgt hij ten minste weer -groot werk. Want dat zeg ik maar, een timmerman kun je altijd goed -gebruiken." - -"Burgemeester is wel een klant van ons," antwoordde Annes moeder, die -niet bemerkte, dat de oude vrouw haar verkeerd verstond. "Maar ik vind -het toch met dat al maar een angstig ding, die brand in het dorp. Hoe -licht vallen er stukken vuur!" - -"'t Kwam aan in de schuur?" vroeg Betje. "Ja zie je, ik wou graag het -naadje van de kous weten en daarom kwam ik eens even overloopen. Zeker -heeft de tuinman een vonk uit zijn pijp in de schuur laten vallen. Ik -zeg maar, een mensch kan niet te voorzichtig wezen!" - -"We weten niet, of de brand in de schuur aangekomen is," riep Anne nu -zoo hard ze kon. "Vader is er naar toe om te helpen blusschen; als hij -weeromkomt, zullen we alles wel nader hooren." - -"Zoo!" antwoordde Betje, die nu verstond wat Anne had gezegd. "Als u er -dan niet tegen hebt, buurvrouw, dan wacht ik zoolang tot uw man komt." - -"Heel goed," riep Annes moeder, met het hoofd knikkende, "ga dan maar -zoolang op een stoel zitten." - -"Och moe, wat ben ik ongerust over Emmie," zeide Anne na een poosje. "Ik -zou zoo graag eens gaan kijken, of zij wel gered is!" - -"'t Zou wat moois zijn, zoo'n klein meisje met die drukte op straat," -antwoordde haar moeder. "Wel, je zoudt misschien overreden worden door -de brandspuiten. Neen, Anneke, blijf jij maar stilletjes bij mij." - -"Dat zal ik ook doen, Moe, maar ik verlang al dat vader thuis komt," -antwoordde Anne. "Misschien brengt hij Emmie wel mee," voegde zij er -bij. - -Er verliep een half uurtje en 't scheen, dat men den brand meester was, -want de vlammen verminderden. Na verloop van dien tijd kwam Annes vader -in huis. - -"Wel, man, hoe is het met den brand?" vroeg Annes moeder. "'t Schijnt -wel, dat hij vermindert; ten minste ik zou zeggen, dat de vlammen -bedaren." - -"Ja, vrouw, dat is zoo, en daarom kom ik eens even thuis. Foei! is dat -werken!" voegde hij er bij, terwijl hij met de mouw van zijn jas het -voorhoofd afveegde. - -"Ik heb wat koffie gezet," zeide zijn vrouw nu. "Daar zul je zeker wel -trek in hebben, en buurvrouw ook?" - -"Wat graag," antwoordde haar man. "Ik ben dorstig geworden." - -"Vader, is Emmie gered?" vroeg Anne, toen haar vader zijn kopje leeg had -gedronken. - -"Jawel, Anneke. Iedereen is gered. De brand heeft zich gelukkig bepaald -tot de schuren en een zijvleugel. Wij waren er te gauw bij!" zeide haar -vader. - -"Komaan, dat is een zegen," riep Annes moeder uit. - -"Nu behoeft mijn kleine meisje niet zoo ongerust meer te zijn." - -Een poosje daarna ging Annes vader weer naar buiten, om eens te zien hoe -het er mee stond. Hij hielp nu nog zooveel mogelijk meubelen en kostbare -zaken redden, en aangevuurd door zijn voorbeeld deden de andere mannen -ook hun best. Eensklaps stond de burgemeester tusschen hen in. - -"Wel, mannen," zeide hij, "dank, hartelijk dank, voor 't geen ge -vannacht voor mij gedaan hebt!" - -"Wij willen er geen dank voor hebben, burgemeester," antwoordde Annes -vader, "'t Spijt ons maar, dat wij niet meer hebben kunnen redden." - -"Komt nu allen eens bij mij binnen," hernam de burgemeester; "wij hebben -'t een en ander klaargemaakt, om u te verkwikken." - -Zij gingen naar binnen, en hier vonden zij de vrouw van den -burgemeester, die hen ook hartelijk bedankte voor de verleende hulp. - -Daarna gingen de mannen, die zoo moedig geholpen hadden, naar huis; dus -ook Annes vader, wiens vrouw en dochtertje recht blij waren, toen ze hem -zagen. - -Er zullen zoo wat acht dagen na den brand zijn voorbijgegaan, toen Annes -vader er over klaagde, dat hij zoo'n pijn aan zijn rechterhand had. - -"Ik begrijp niet wat het is," zeide hij. "Sinds den nacht van den brand -klopt en gloeit die hand mij van belang. Als er maar geen splinter of -zoo iets in is." - -"Laat mij de hand eens zien," zeide zijn vrouw. "Neen, ik zie er niets -bijzonders aan, maar men kan niet weten. Zou je er den dokter niet eens -bij laten komen?" - -"Kom, vrouw, zoo erg is het niet," antwoordde hij. "Misschien heb ik -haar wat verrekt of gestooten; ik zal er vanavond eens een kompres van -water en azijn op leggen." - -Maar wat Annes vader er aan deed, niets hielp, zoodat hij ten laatste -wel verplicht was er den dokter bij te halen. Deze trok een bedenkelijk -gezicht en zeide: - -"Ik geloof waarlijk, dat er een splinter inzit, en dat is gevaarlijk, -vooral daar je zoo lang gewacht hebt om mij te laten halen. Ik raad u -echter de hand goed te laten pappen, want 't gaat natuurlijk zweren." - -Zij deden nu trouw wat de dokter zeide, maar 't scheen wel of niets -hielp, ten minste de ongelukkige hand wou maar niet beter worden. -Eindelijk zeide de dokter: - -"'t Spijt mij, dat ik u zulk een treurmare moet mededeelen, maar ik houd -het er voor, dat als de wond genezen is, de hand stijf blijft." - -Dat was een schrik voor Anne en haar moeder, zooals ge kunt begrijpen. -Vaders hand stijf en dat van een timmerman! In 't eerste oogenblik -schreiden allen naar hartelust, maar eindelijk bedaarden zij, en nu zei -de vader: - -"Hoort eens, moeder en Anne, we moeten zoo gauw den moed niet laten -zinken. Komaan, 't zal alles nog wel schikken. Ik kan wel is waar niet -meer zoo goed werken, maar de goede God zal wel zorgen, dat wij geen -gebrek lijden." - -"Ja, man, dat is wel zoo," antwoordde Annes moeder, "maar je hebt al -zooveel klanten verloren in dien tijd, en die nieuwe timmerman op het -dorp doet ons zooveel nadeel. Waar zullen wij van leven?" - -"Kom, geen zorgen voor den tijd; kleine karweitjes kan ik nog wel -waarnemen," antwoordde haar man; "en dan zullen wij later wel zien, wat -wij moeten beginnen." - -Nu moeten mijn lezers weten, dat er sedert een korten tijd nog een -timmerman op het dorp was komen wonen, die Annes vader veel schade deed. -Ge zult wel zeggen, dat het niet heel mooi van de dorpelingen was om -Annes vader, die altijd zoo goed voor hen gewerkt had, de klandizie te -onthouden en naar een ander te gaan; maar och! dat gebeurt zoo dikwijls. -Het spreekwoord, nieuwe bezems vegen schoon is er niet tevergeefs, en -vooral op een dorp is dat dikwijls het geval. Als Annes vader nu maar -geld genoeg had gehad om een tijdlang te kunnen leven, zonder dat hij -werk kreeg, dan zou alles wel terecht zijn gekomen; want als het eerste -nieuwtje er af was, zouden de oude klanten wel terugkomen. Maar -ongelukkig had de goede man volstrekt geen geld en moest leven van 't -geen hij verdiende. Dus werd het al schraler en schraler in huis, en -verdiende hij nog maar op zijn best zooveel, dat zij rond konden komen. -Nu zult ge wel zeggen: waarom vroeg hij den burgemeester niet om hulp? -Hij had hem met den brand toch zoo geholpen. Maar och, dat deed hij ook -niet graag, en de burgemeester wist niet, dat de timmerman het zoo hard -te verantwoorden had. Dus leefden zij zuinig en bijna armoedig voort. -Annes vader trok het zich op 't laatst zoo erg aan, dat hij begon te -sukkelen. Hij kreeg anderendaagschen koorts, en hoeveel koortskruiden -hij dronk, niets hielp. Toen de dokter kwam, zag hij wel, dat er voor -den man geen kruid gewassen was, en op een morgen vond Annes moeder hem -ingeslapen om nooit weer te ontwaken. - -Dat was een heele droefheid in huis, zooals ge kunt begrijpen. - -"Moeder," zeide Anne den dag daarna, "waar zullen wij nu van leven?" - -"We zullen dit huis, waar wij in wonen, verkoopen, Annelief," antwoordde -haar moeder, "en dan zal ik zien om naaiwerk te krijgen; dan zullen wij -er ons, hoop ik, wel doorslaan." - -"En dan gaan wij zeker op een kamertje wonen, niet waar, moederlief?" -vroeg Anne. "Dan neem ik den kanarie mee, en hang dien in 't zonnetje; -dan vroolijkt hij ons op door zijn gezang, en dat is toch nog een -gedachtenis aan vader." - -"Zeker, Anne, we zullen veel van het diertje houden; want 't is niet -alleen een gedachtenis van vader, maar ook een mooi, lief beestje," -antwoordde haar moeder. - -Zij deden zooals zij gezegd hadden, verkochten hun huis, en nu besloot -Annes moeder haar brood met naaien te verdienen. Eerst betaalde zij den -dokter, en nu bleef er maar een heel klein beetje over, dat zij voor -slechte tijden bewaarde. - - -V. - -HOE DE KANARIE EEN GROOTE ROL IN ANNES LOT SPEELT. - -Sedert dien tijd is er ruim anderhalf jaar verloopen; Anne is nu een -meisje van twaalf jaren en heeft de school verlaten, om haar moeder -behulpzaam te zijn. Ze wonen in een heel klein huisje, met slechts een -kamer en een klein zolderkamertje; want ze hebben 't vrij armoedig. - -Toen Annes vader begraven was, bleven ze nog voorloopig bij de doove -buurvrouw, die er niet van wilde hooren, dat ze naar een ander zouden -gaan, maar haar wilde houden, tot ze zelf een huisje gehuurd hadden. De -burgemeester en de notaris, die erg met Anne en haar moeder te doen -hadden, namen op zich, haar zaken te regelen. Van de meubelen hadden zij -slechts enkele gehouden. - -Met behulp nu van den burgemeester en den notaris had Annes moeder dit -onaanzienlijk huisje gehuurd, waarvoor zij jaarlijks een heel kleine -huur betaalde; en zij leefden van het weinige, dat haar overgeschoten -was, terwijl de weduwe van de notabelen van het dorp naaiwerk kreeg, om -verder in de behoeften van zich en haar dochtertje te voorzien. En zoo -hadden ze tot hiertoe tamelijk onbekrompen geleefd, en thans was Anne -van school gekomen, om haar moeder te helpen. - -Wat Annes kanarietje aangaat, dat zong nog steeds even fraai en helder, -en 't was een troost voor moeder en dochter, die er dikwijls over -spraken, hoe haar lieve vader er haar voor vier jaren mee was komen -verrassen. - -"Ik zou het voor geen geld ter wereld willen missen," zeide Anne dan -dikwijls. - -"Zoudt ge wel willen gelooven, dat je kanarie mij dikwijls een anderen -herinnert, dien we thuis hadden, toen mijn moeder nog leefde?" zei Annes -moeder eens. - -"Och, Moe! is 't mogelijk?" - -"Dat beest zong net zoo prachtig als dit," antwoordde de moeder. "En -evenals dit at het uit moeders hand en zette 't zich op haar schouder. -En wat wonderlijk was: toen moeder gestorven was, begon het kanarietje -te treuren, kwijnde weg en stierf een half jaar later." - -"O, dat moet ook een allerliefst dier geweest zijn," zeide Anne. "Zeker -net zoo lief als mijn snoesje." - -Om haar kanarietje pleizier te doen, bracht Anne het alle dagen naar 't -kleine bovenkamertje, waar ze, toen ze nog school ging, haar lessen -leerde en haar werk maakte, want dan zat het in 't zonnetje, en dat vond -het zoo prettig en dan zong het nog eens zoo hard. En zoo leefden moeder -en dochter gelukkig samen, toen ze op eens de eerste zware koortsen -kreeg, en de dokter moest gehaald worden. Deze oordeelde de koortsen -niet gevaarlijk, maar vreesde slechts, dat ze nog al lang zouden duren -en haar vreeselijk verzwakken. En dat was een heele beproeving voor Anne -en haar moeder; want nu kon de goede vrouw geen geld verdienen, en Anne -was nog te weinig gevorderd in het naaien, dan dat ze 't werk van haar -moeder had kunnen doen. Na een week of vier verliet haar de koorts, maar -de zieke was zoo verzwakt, dat ze nog niets kon uitvoeren, en de dokter -beval versterkende middelen aan. - -Toen Annes moeder ziek was geworden, had ze Anne gewezen, waar 't geld -lag om huis van te houden, en Anne had dat zoo zuinig gebruikt, als -mogelijk was. Maar zieken vorderen bijzondere uitgaven, en dus was 't -geld, dat er nog in kas was, op en zou Anne haar lieve moeder geen -versterking kunnen geven, en dan zou de goede vrouw haar krachten niet -kunnen terugkrijgen. Wat moest Anne doen? Ze had dezen dag het laatste -geld uitgegeven; hoe zou ze 't morgen maken? Terwijl ze daar naast haar -moeder wakker lag, die gerust sliep, en zij den slaap niet vatten kon, -kwam haar eensklaps een denkbeeld voor den geest. Sedert ze op de -kostschool was, had Emmie, die daar andere vriendinnen gevonden had, -minder werk van haar gemaakt, en nu ze tot armoede vervallen was, scheen -de vriendschap geheel en al te zijn opgehouden. Nu wil ik niet zeggen, -dat de schuld geheel en al bij Emmie lag; Anne, die gevoelde hoezeer ze -nu bij haar vroegere vriendin in stand verschilde, had zich ook wel wat -teruggetrokken. Intusschen, wanneer Emmie haar ontmoette, was ze altijd -even vriendelijk jegens haar; maar 't was niet meer die innige -hartelijkheid van vroeger. In één ding was Emmie niet veranderd, en dat -was in haar bewondering van Annes kanarievogel; en als ze voorbijkwam en -de kanarie stond voor 't open bovenraam, dan bleef ze altijd luisteren, -en als Anne haar dan zag, zeide ze: "Ik gaf tien gulden, als ik zoo'n -vogel had!" -- "Tien gulden voor mijn kanarievogel!" dacht Anne. "Als ik -tien gulden had, dan kon ik moeder de noodige versterking verschaffen. -Maar ach! dan moet ik afscheid nemen van mijn lieveling! Dan moet ik de -eenige nagedachtenis van mijn lieven vader vaarwelzeggen! Doch moeder -kan toch niet zonder versterking blijven! De dokter heeft het zoo -bevolen! En is moeder mij niet meer waard dan alle kanarievogels ter -wereld! Daarenboven -- hij krijgt een goed huis en een lieve meesteres, -die niet minder van hem zal houden, dan ik van hem hield! 't Moet, -- het -kan niet anders." - -En met deze gedachte sliep ze in. - -Den volgenden morgen, terwijl haar moeder nog sliep, volvoerde zij haar -plan. - -"Nu, lieveling!" zei ze, "je krijgt een andere meesteres, maar een -vriendin, die veel van je houdt en bij wie je 't goed zult hebben." - -Dit zeggende, pakte ze de kooi in een rooden zakdoek, dien haar vader -nog gebruikt had, droogde haar tranen en stapte moedig en vastberaden -naar 't huis van den burgemeester, waar zij vroeg om juffrouw Emmie te -spreken. - -De meid kwam met de boodschap terug, dat Anne maar in de huiskamer moest -komen, waar de familie aan 't ontbijt zat. Anne had daar wel niet veel -lust in, maar ze kon het toch niet weigeren. - -Beleefd groette ze allen, toen Emmie naar haar toe kwam. - -"Wel, Anne! wat kom je al zoo vroeg doen, en hoe is 't met je moeder?" - -"Moeder begint beter te worden; maar ze is nog zwak en moet versterking -hebben, zegt de dokter." - -"Wel, wel! dat heeft zich gelukkig geschikt," zei Emmies mama. - -"Ja, mevrouw! Wel gelukkig geschikt!" antwoordde Anne. "Want wat ik -zonder moeder op de wereld zou begonnen hebben, weet ik waarlijk -niet. -- Emmie," vervolgde ze tot deze, "je hebt altijd zooveel zin in -mijn kanarievogel gehad en dikwijls gezegd, dat je er tien gulden voor -woudt geven. Is je dat ernst geweest, dan kun je hem er voor krijgen." - -Meer kon ze niet zeggen; want de tranen schoten haar in de oogen. Ze -deed den doek van de kooi af, en daar zat hij, de prachtige gele vogel, -wiens gezang 't geheele dorp in verrukking bracht, zoodat de -voorbijgangers, als hij voor 't open raam stond, dikwerf bleven staan -luisteren. - -"Maar, Anne," zeide Emmie, "dat kan je geen ernst zijn? Een -kanarievogel, waaraan je zoo gehecht bent, het laatste geschenk van je -vader kun je niet verkoopen." - -"'t Is mij volle ernst," antwoordde Anne. "Ik zou hem dan ook aan -niemand verkoopen dan aan u, die even goed voor hem zult zijn, als ik 't -altijd geweest ben." - -Emmie keek haar papa aan, en deze gaf haar een wenk, dat zij het doen -moest. - -"Och, papa! leen mij eens even de tien gulden!" zeide ze. - -De burgemeester gaf haar vier rijksdaalders, welke Emmie aan Anne ter -hand stelde. Zonder verder een woord te spreken haastte Anne zich om weg -te komen, want ze voelde het, dat ze 't niet langer kon uithouden. Toen -ze dan ook op straat gekomen was, barstte ze in tranen los: de -opoffering van haar kanarie was haar schier te groot. Doch toen ze thuis -kwam en haar moeder juist wakker werd, had zij zich reeds weer hersteld -en haar tranen gedroogd, en het denkbeeld, dat ze nu geld had, om voor -haar lieve moeder versterking te koopen, maakte, dat ze zich troostte -over 't verlies van haar kanarievogel. - -Dien dag bemerkte haar moeder 't verdwijnen van Annes lieveling niet; -doch toen ze hem 's avonds niet, volgens haar gewoonte, naar beneden -haalde, vroeg ze haar, waarom ze dat niet deed. - -"Och, Moe! 't is warm genoeg voor hem om boven te blijven. Hij zingt 's -morgens zoo vroeg, en dan ben ik altijd zoo bang, dat hij u wakker zal -maken. De dokter heeft gezegd, dat gij zooveel slaap noodig hebt en dat -die u versterkt." - -"Maar hoe komt het, dat ik hem den geheelen dag niet heb hooren zingen, -Anne? Scheelt hem wat?" - -Nu kon Anne zich niet langer achter uitvluchten verschuilen. Eensklaps -sprongen haar de tranen in de oogen en bekende ze wat ze gedaan had. - -"Maar, Anne! 't liefste, wat je hebt, verkoopen!" riep haar moeder met -tranen in de oogen uit. - -"U is me duizendmaal liever dan mijn kanarie!" zeide Anne, terwijl ze -zich weenend aan haar borst wierp. "Er was geen geld meer in huis en de -dokter had gezegd, dat gij versterking moest hebben." - -"Lief kind!" zeide haar moeder. "Maar ik verkies dat offer niet. Ga -terstond naar den burgemeester, geef de tien gulden terug en breng je -kanarie weer mee." - -"Dat kan ik niet meer doen, Moe!" antwoordde Anne. "Ik heb reeds van dat -geld uitgegeven en kan het dus niet terugbrengen. Daarenboven -- we -moeten immers geld hebben; anders kunnen we niet leven. En dan, mijn -kanarietje is in goede handen, en van tijd tot tijd zal ik 't wel eens -mogen zien." - -Annes moeder drukte het lieve meisje aan haar borst. - -"Je bent een goed, braaf kind!" zeide zij. "God zal je zegenen voor 't -geen je gedaan hebt." - -"En u gauw beter maken, lieve moeder," voegde Anne er bij. - -Hoe gewillig Anne ook haar offer gebracht had, 't was haar den volgenden -ochtend toch heel treurig te moede, toen ze geen morgengroet van haar -kanarie ontving. Terwijl haar moeder nog sliep, redderde zij den boel -wat op; toen ging zij naar 't bovenkamertje, om daar 't raam open te -zetten. - -Maar wat zat daar in de vensterbank op 't opengaan van 't venster te -wachten? Droomde ze, of was ze wakker? 't Was een kanarie, haar kanarie! -Ja, 't was geen andere; want toen ze 't raam had opengeschoven, sprong -het diertje op haar vinger, en toen op haar schouder; waarop het een -zijner mooiste deuntjes aanhief. - -Anne was zoo gelukkig, dat ze het lieve beestje wel aan haar hart had -willen drukken. Doch eensklaps bedacht zij zich. - - [Illustratie] - -"Je bent mijn eigendom niet meer, lieveling, en als ik je hield, zou ik -een diefstal begaan. Emmie heeft je eerlijk van mij gekocht, en 't is -zeker bij ongeluk, dat je weggevlogen bent. Hoe lief ik je ook heb, -- ik -mag je niet houden!" - -Dit zeggende, deed ze den kanarie weer in den rooden zakdoek en snelde -er mee naar 't huis van den burgemeester, waar ze weder in de -ontbijtkamer moest komen. Daar zag ze het ledige kooitje of tafel staan. - -"Emmie," zeide ze, "mijn -- neen, uw kanarievogel is bij mij komen -invliegen. Ik breng je hem hier terug. Een geluk, dat hij juist bij mij -is gekomen; anders was hij misschien weg geweest." - -"Mijn zusje had zijn kooi opengezet, terwijl 't raam openstond, en -toen is hij weggevlogen," zeide Emmie. "Ik was al bang, dat het lieve -dier weg zou zijn en nooit weerom zou komen." - -"'t Zat bij ons in de vensterbank tegen de ruiten te pikken," zeide -Anne. "Zoodra ik 't raam opendeed, sprong 't op mijn vinger en toen op -mijn schouder. Maar hier is de lieveling. Eigenlijk moest hij knorren -hebben, dat hij zoo stout is geweest; maar je moet het hem maar -vergeven. En je zusje mag wel oppassen; want hij had wel eens weg kunnen -zijn, of door de een of andere kat gepakt zijn geworden." - -Dit zeggende, zette ze den kanarie in het kooitje, sloot het, en wilde -heengaan. - -"Neen, Anne," zeide Emmie, "dat gaat zoo niet. Ik weet zeer goed, waarom -je je kanarietje verkocht hebt. Ik heb 't je betaald, en 't was mijn -rechtmatig eigendom. Maar nu ik het toch kwijt was, al was het dan ook -door onvoorzichtigheid van een ander, -- wil ik het niet terug hebben. -Het is naar jou toegevlogen en heeft daardoor te kennen gegeven, bij wie -'t het liefst is. Thans is het jou eigendom." - -"Maar de tien gulden . . . ." zeide Anne aarzelend. - -"Die zijn voor jou, brave dochter," zeide de burgemeester. "Ik zal die -aan Emmie teruggeven, omdat ze zoo edelmoedig is. 't Is een geschenk, -hetwelk ik je doe, en dat ge den burgemeester niet moogt weigeren." - -"O, dank, dank! mijnheer de burgemeester! Dank, lieve Emmie!" riep Anne -met betraande oogen uit. Toen snelde ze met de kooi, waarin haar -lieveling was, naar huis, waar ze juichend het gebeurde aan haar moeder -vertelde. En 't was, alsof de goede vrouw zich veel beter gevoelde op -die tijding en ze herhaalde de woorden, welke ze gisteren sprak: - -"Heb ik 't je niet gezegd, dat God je zou zegenen voor 't geen je gedaan -hebt?" - -Door de versterkende spijzen, welke Anne voor haar moeder gereedmaakte, -was deze spoedig weer in staat, het onvoltooide naaiwerk af te maken; en -daar Anne haar nu hielp, kwam er weldra weer geld in huis, hetgeen zeer -gelukkig was, want de tien gulden duurden zoo lang niet. En 't was -zeker, dat de burgemeester of zijn vrouw of Emmie de zaak met den -kanarievogel aan hun kennissen verteld had; want Annes moeder kreeg een -paar nieuwe klanten, waardoor ze vrij wat meer werk hadden en dus meer -geld konden verdienen. - -Zoo gingen er twee maanden voorbij, en Annes moeder was geheel beter, -terwijl de kanarievogel de lieveling van beiden bleef. Op zekeren dag -had Anne hem weer voor 't raam van 't bovenkamertje in de zon gehangen -en zong hij luidkeels zijn schoonste lied, toen een goed gekleede -vreemdeling voor het venster bleef staan en aandachtig naar dat gezang -luisterde. 't Was alsof hij er niet vandaan kon komen, zoo boeide het -hem. Eindelijk trok hij zijn stoute schoenen aan en schelde. Anne deed -hem open. - -"Lief meisje!" zeide de heer vriendelijk, "is dat uw kanarievogel?" - -"Ja, mijnheer," antwoordde Anne. - -"Zou ik hem dan wel eens mogen zien?" - -"Waarom niet? Ga als 't u belieft maar binnen; dan zal ik hem van boven -halen." - -En ze liet den vreemden heer in de kamer, waar haar moeder bezig was met -naaien. De heer groette Annes moeder beleefd. - -"Ik ben misschien heel brutaal, juffrouw," zeide de vreemdeling; "maar -gij moet het mij niet kwalijk nemen. Ik kwam hier toevallig voorbij en -hoorde uw kanarievogel zingen. Dat schoone gezang herinnerde mij een -dergelijken vogel, dien we thuis in mijn jeugd hadden en die even mooi -kon zingen. 't Was mij, als was ik weer in dien gelukkigen tijd, toen -mijn lieve moeder nog leefde, wier lieveling hij was. En daarom vroeg ik -uw dochtertje, of ik dien kanarievogel eens mocht zien." - -"Ga toch zitten, mijnheer," zeide Annes moeder. "Anne zal wel terstond -met den vogel komen. 't Is haar lieveling, vooral sedert hij haar een -gedachtenis is van haar lieven vader." - -Juist kwam Anne binnen en zette den kanarievogel op de tafel. - -"Wilt gij eens zien, hoe mak hij is, mijnheer?" vroeg ze en deed het -kooitje open. De kanarie sprong op haar vinger, toen op haar schouder en -begon te zingen. - -"O!" riep de vreemdeling uit. "Zoo deed ook de kanarie mijner lieve -moeder. En zoudt ge wel willen gelooven, dat het dier, toen zij stierf, -aan 't kwijnen is gegaan en haar geen half jaar overleefde?" - -Annes moeder keek den vreemdeling oplettend aan. - -"Heette de zoon uwer moeder, die zoo bedroefd over haar dood was, soms -ook Frans?" vroeg zij. - -"Hoe weet gij dat, juffrouw?" riep hij verwonderd uit. - -"En ging hij niet op zestienjarigen leeftijd de wijde wereld in, zonder -ooit weer iets van zich te laten hooren?" - -"Maar dat is onbegrijpelijk!" riep de vreemdeling uit. "Ik ben die -Frans, die de wijde wereld inging en die nu, na twintig jaren weg te -zijn geweest, rijk teruggekomen ben en sedert maanden naar mijn zuster -Leida zoek, wier adres ik maar niet kan uitvinden. Slechts dit heb ik -kunnen opsporen, dat ze zich ergens in deze streken moet ophouden; -indien ze ten minste nog leeft." - -"Frans!" riep nu Annes moeder uit, terwijl ze opstond en den vreemdeling -de hand reikte, "Frans, mijn verloren broeder! Ik ben je zuster Leida, -die jaren lang smachtend naar je verlangd heb." - -"Lieve, lieve Leida!" riep Frans, en drukte zijn zuster in de armen. - -"Oom Frans!" zeide Anne. "O, moeder heeft zooveel jaren naar u verlangd, -en ik ook!" - -"En jij heet Anne, evenals onze dierbare moeder?" riep oom Frans uit. - -"Naar mijn grootmoeder," zeide Anne, die door haar oom in de armen -gesloten werd. - -Natuurlijk bleef oom Frans dien geheelen dag bij zuster en nichtje. Daar -was wat te vertellen van weerskanten, en er werd dien dag weinig -uitgevoerd, behalve dat Anne voor een goed middagmaal zorgde. - -Oom Frans had vrij wat lotgevallen gehad in die twintig jaren; doch nu -hij rijk geworden was, dreef hem zijn verlangen naar het vaderland -terug. In zijn geboortestad gekomen, had hij vreemden in 't ouderlijke -huis gevonden en vernomen, dat zijn vader gestorven en zijn zuster -naar elders verhuisd was. Bij toeval was hij er achter gekomen, dat -hun oudtante haar in huis had genomen. Toen reisde hij derwaarts; doch -ook de oudtante was al sedert jaren dood en niemand kon hem iets -bepaalds van zijn zuster zeggen; slechts een voormalige dienstmeid -herinnerde zich, dat ze met een timmerman getrouwd was, die ergens op -een dorp in Gelderland moest wonen. Den naam echter van den timmerman -en van het dorp herinnerde zij zich niet. Reeds had oom Frans -verscheidene dorpen bezocht en bij de burgemeesters aanzoek gedaan, om -het bevolkingsregister te mogen naslaan, om te zien, of hij daar ook -den naam zijner zuster zou vinden; doch tevergeefs. Wel had hij op een -paar registers een naam gevonden, geheel gelijk aan dien, welken hij -zocht, maar bij nader onderzoek was hem gebleken, dat de bedoelde -persoon niet zij was, welke hij zocht. En zoo was hij gisterenavond -hier gekomen en had zijn intrek genomen in 't logement. Juist was hij -op weg naar den burgemeester, toen 't gezang van den kanarievogel hem -deed stilstaan en -- hij zijn zoo lang gezochte zuster vond. - -Het eind onzer geschiedenis is gauw verteld. Oom Frans kocht een -allerliefst huisje, dat toevallig leeg stond, en trok daarin met Anne en -haar moeder, die nu niet meer voor de lui behoefden te naaien, maar -zich bezighielden met de bezorging van ooms huishouding. Het huis werd -knap gemeubeld en de tuin van bloemen voorzien. Maar wie in 't nieuwe -huis een eereplaats kreeg, ge kunt het wel begrijpen, was - - ANNES KANARIE. - - - - - [Illustratie] - -HET VERDWAALDE KIND. - - -I. - -WAARIN WE KENNIS MET LOTJE MAKEN. - -Lotje was een alleraardigst meisje van negen jaren. Zeker zoudt ge van -haar gehouden hebben, als ge ze gekend hadt. Daar ge haar nu niet kent, -wil ik u wat meer van haar vertellen, opdat ge belang in haar moogt -stellen. - -Vooreerst wil ik u dan mededeelen, dat Lotje in een groot dorp woonde en -dat ze dus geen stadsjuffertje was. Daarom was ze echter geen boerin en -zag ze er niet minder lief uit, -- dat behoeft ge niet te denken. Ze had -een allerliefst, fijn besneden gezichtje, een paar helder blauwe oogen, -een paar roode wangen en een blonden krullebol, die haar allerliefst -stond. Ze was echter geen eenig kind, o neen, volstrekt niet, maar wel -'t eenige dochtertje. Vooreerst had ze een ouderen broer, Anton, een -jongen van bijna twaalf jaren, een stevigen kerel, die als 't op -vechten aankwam, zijn vijand stond. Overigens was hij een lobbes van een -jongen en Lotje vooral zijn lieveling; zeker omdat zij zijn eenig zusje -was, kon zij alles van hem gedaan krijgen. En dat wist de slimmerd ook -wel; daarom kwam ze, als ze wat hebben wou, altijd bij Anton, van wien -ze dan trouwens ook veel hield, dat moet ik zeggen. Dan had Lotje nog -drie broertjes, een van zeven, die Karel heette, een aardig kereltje, -dat al aan de hand van Lotje mee naar de dorpsschool ging en al wat -flink leerde lezen; verder Jakob, die pas vijf jaren oud was, en dan het -kleine driejarige Pietje. - -Van dat jongste ventje hield Lotje al heel veel en ze kon tusschenbeide -net met hem doen, alsof ze zijn moedertje was. En Pietje hield ook veel -van Lot, zooals hij haar noemde. Dragen mocht Lotje hem echter niet: dat -was haar volstrekt verboden; want er is niets gevaarlijker, dan wanneer -kleine meisjes haar broertjes of zusjes dragen. Vooreerst voor de -kinderen, want kleine meisjes hebben geen kracht genoeg om hen recht te -houden, en als ze zwikken, zijn ze soms voor hun leven ongelukkig. En -welk lief meisje zou er graag de schuld van zijn, dat haar broertje of -zusje, als het door haar schuld mank ging, of een bochel had, later tot -haar zeide: "'t Is jou schuld, dat ik zoo ongelukkig ben. Als je moeder -gehoorzaamd hadt, dan zou je mij niet gedragen hebben, dan was ik niet -gezwikt en voor mijn leven misvormd geworden." En ten tweede is het -dragen van kinderen zeer gevaarlijk voor de kleine meisjes zelf. Ik ken -er, die er zelf door gezwikt zijn en nu aan beide kanten mank gaan, en -anderen die er scheef door geworden zijn. Laat u dus raden en draagt -nooit kleine kinderen! - -Lotje dan deed het nooit. Als ze met Pietje in den tuin speelde, die -achter hun huis was, en 't kleine ventje werd moe en riep: "Draag, Lot!" -dan zei Lotje: "Wel zeker, mannetje! We zullen een koetsje voor je -bestellen, hoor!" En dan zette ze hem op een grasperk neder, ging naast -hem zitten, en plukte gras en gooide hem daarmee, en dan had het kleine -kereltje een plezier, dat het omverrolde, met zijn kleine mollige -beentjes in de hoogte, welke Lotje dan greep, terwijl hij zich zoo -dapper verweerde en zoo hartelijk lachte, dat Lotje met hem mee moest -lachen. Gewoonlijk als hij dan lang genoeg gespeeld had, kwam zijn -moeder of de meid hem halen, want hij was dan te moê, om naar huis te -loopen; hij had ook zulke kleine beentjes, en die moesten zoo'n zwaar -lichaampje dragen. Want ons Pietje was een kleine dikkerd. Soms was -Pietje wel eens wat knorrig, en dan wist Lotje wel hoe laat het was. Dan -ging ze met hem op het gras zitten, nam hem op haar schoot, hield hem in -haar armen en zong: - - "Slaap, kindje! slaap! - Daar buiten loopt een schaap! - Een schaap met witte voetjes, - Dat drinkt zijn melk zoo zoetjes, - Een schaap met witte wol, wol, wol! - Dat drinkt zijn buikje vol!" - -En dan viel Pietje op haar schoot in slaap en bleef zij geduldig met hem -zitten, totdat haar mama of de meid het slapende kind kwam halen, 't -heel voorzichtig optilde en zoo zacht mogelijk in zijn wiegje legde, om -zijn tukje te voleindigen. Dikwijls gebeurde het, dat Lotje dan bij zijn -wiegje bleef zitten, tot hij weer wakker werd. Kleine Pietje was voor -Lotje een groote pop; maar een levende pop, waar ze mee speelde. En -evenals een meisje niet altijd met een pop speelt, zoo was Lotje ook -natuurlijk niet altijd met Pietje bezig. - -Dat zou ze ook niet hebben kunnen doen. Vooreerst toch ging Lotje op -school en daar had ze haar vriendinnetjes, met wie ze soms op het -kerkhof touwtje sprong of naloopertje speelde. Op het kerkhof, vraagt -ge? Dat is een rare plaats om te spelen. Maar 't was niet het kerkhof, -waar de menschen van het dorp begraven werden. Dat was voor jaren wel -het geval geweest, maar nu sinds een onheuglijken tijd niet meer. Het -kerkhof was een ruime hof of plaats om de kerk van het dorp, voor een -groot deel met een muurtje omgeven en waarop hooge, dikke populieren -stonden en gras groeide. O, 't was daar zoo prettig om stuivertje -wisselen te doen; want de boomen stonden heel geregeld. En -schuilevinkje! Dat was 't niet minder; want er stond aan den achterkant -van 't kerkhof heel dicht struikgewas, waarachter men zich kon -verschuilen, en dan waren er de beeren van de kerk, van die groote -schuins toeloopende steenklompen. Ik verzeker u, dat Lotje en haar -kornuitjes daar pret genoeg konden maken; en Lotje was niet de minst -dolle, dat verzeker ik u. 't Gebeurde dan ook dikwijls, dat ze thuis -kwam met haar hoed in de hand, haar krullebol in wanorde, zoodat die -veel van een raagbol had, een kleur als bloed en een paar oogen -glinsterend van de pret. Dan zei haar moeder wel eens: "Lot! Lot! Wat -ben je weer aan 't ravotten geweest!" en dan antwoordde Lotje: "O, Moe! -ik heb zoo'n pret gehad; dat weet u niet half!" Dikwijls echter kwam ze -met een winkelhaak of een scheur in haar jurk thuis, die ze in 't -kreupelboschje had opgedaan of was haar jurk bij 't "kruipdoor -sluipdoor" van achteren geheel uit de plooien getrokken. Maar als dat -het geval was, dan liep het niet zoo af; want Lotjes moeder mocht wel -eens de zon in het water zien schijnen; maar ze was er toch op gesteld, -dat Lotje haar goede jurken wat ontzag. Dan kreeg Lotje knorren en -beloofde zij, dat ze voortaan voorzichtiger zou zijn; maar 't -onbedachtzame meisje hield die belofte niet lang: want, al nam ze zich -ook nog zoo stellig voor, om voorzichtig te zijn, -- in 't vuur van 't -spelen vergat ze haar belofte ten eenen male. Nu, dat gebeurt wel meer -meisjes van mijn kennis! - -Dat spelen ging echter alleen in den zomertijd en bij mooi weer; in den -winter moest ze zich thuis vermaken, en dan speelde ze 't liefst met -haar broer Anton. Maar die was zoo groot en had gewoonlijk zooveel werk -voor zijn meester (want behalve dat hij de school bezocht, kreeg hij nog -extra lessen), dat hij niet veel tijd had om met Lotje te spelen, en dan -moest ze zich maar met den zevenjarigen Karel vergenoegen, met wien ze -paardje of andere jongensachtige spelen deed. Nu moet ge niet denken, -dat Lotje zoo'n halve jongen was, -- 't geen wel het geval had kunnen -zijn, daar ze één meisje onder vier jongens was. Daar had haar -moeder voor gezorgd: want die verzocht van tijd tot tijd een paar -vriendinnetjes bij haar, en die brachten haar poppen mee, waarmede men -speelde. En dan mocht Lotje uit haar lieve, kleine serviesje koffie -schenken en liet moeder van die aardige kleine broodjes bakken, die zoo -goed op de bordjes van haar serviesje pasten. Dan moesten de poppen ook -aan tafel zitten, en kregen meer knorren, omdat ze niet recht zaten, of -omdat ze zoo stuursch keken, dan eten of drinken, -- want dat kregen ze -in 't geheel niet; waar ze trouwens ook niet rouwig om waren, om de -eenvoudige reden, dat ze toch niet eten of drinken konden. - -Ik denk, dat ge nu ons Lotje genoegzaam hebt leeren kennen en 't wel een -heel aardig meisje zult vinden, dat u zeker wel bevallen zal en waarmee -ge gaarne zoudt omgaan. Ik moet u toch nog in 't voorbijgaan zeggen, dat -Lotje, al was ze pas negen jaren, heel goed leerde en ook veel lust en -ijver bezat, waarom de meester haar dikwijls prees. Dat is zeker: nooit -zou ze gaan spelen, vóór ze haar lessen kende of haar werk voor de -school gemaakt had; want moeder had haar reeds vroeg geleerd, dat er -niets verkeerder is dan uitstellen, dat er dikwerf van uitstel afstel -komt, en dat het allerpleizierigste is, als men zijn werk achter den rug -heeft, vóór men gaat spelen. - -En nu wil ik u eens vertellen, wat Lotjes vader was. Lotjes vader was -kapitein op een koopvaardijschip, en daarom dikwijls maanden lang van -huis. Vroeger hadden ze in een zeestad gewoond; maar om de gezondheid -van vrouw en kinderen had hij hier een woning gehuurd. 't Kon hem dan -ook eigenlijk weinig schelen, waar hij woonde: want een groot deel van -'t jaar was hij op reis. Zijn vrouw echter vond het buiten heel -pleizierig, vooral des zomers. Maar, daar haar man altijd zoo lang van -huis was, vond ze het toch wel wat eentonig altijd onder kinderen te -zijn en nooit eens een groot mensch te zien om, vooral wanneer de -kinderen naar bed waren, een toespraak aan te hebben. Daarom had ze, -zoodra ze buiten gingen wonen, een jongere, ongetrouwde zuster bij zich -in huis genomen, die haar niet alleen tot een allerpleizierigst -gezelschap verstrekte, maar haar ook in 't huishouden een trouwe hulp -was. Die zuster, een allerliefst mensch, die veel van kinderen en nog -meer van de kinderen van haar zuster hield, heette Eva en werd door hen -bij verkorting tante Eef genoemd. 't Was een lieve tante, die tante Eef, -en al de kinderen hielden veel van haar, vooral Lotje, die dan ook haar -lievelingetje was en die veel van haar gedaan kon krijgen, waarom ze -tante nog al eens in den arm nam. - -De reden, waarom tante Eef zooveel van Lotje hield, was niet alleen, -omdat zij het eenige meisje onder vier jongens was, maar ook omdat er -eens iets gebeurd was, toen Lotje nog heel klein was en dat ik u wil -vertellen. Zooals ge weet, woonden zij vroeger in een zeestad, en daar -kan het erg druk zijn met allerlei vreemde matrozen en ander volk. Toen -ter tijde was tante Eef nog niet in huis bij Lotjes moeder, maar -logeerde er nu en dan een poosje. Nu moet ge echter niet denken, dat die -stad, waarin zij woonden, vlak aan zee lag. Jongens neen, men moest nog -wel een half uurtje door een rivier varen, alvorens men aan zee kwam. Ge -begrijpt wel, dat bijna al de menschen die daar woonden een eigen -roeibootje hadden, want dat was pleizierig en gemakkelijk meteen. Als 't -nu zomeravonds mooi weer was, dan krioelde het op de rivier van bootjes, -met menschen natuurlijk er in. Lotjes vader had ook zoo'n bootje -gekocht, en als hij op reis was, en dus zijn familie niet zelf kon -roeien, dan werd er een stevige, groote man aangenomen, die dat voor een -kleinigheidje deed. Zijn vrouw echter was altijd wel een beetje angstig -op het water, vooral als de kleine peuzels er bij waren, en daarom ging -zij dan ook niet dikwijls met hem uit roeien. Tante Eef echter was -dapperder, en dus kwamen de kinderen altijd maar bij haar bedelen, als -zij graag geroeid willen worden. Lotje was destijds vier jaren en Anton -zeven. Op een dag kwam de laatste bij haar en vroeg: "Och tante, gaat u -eens met ons roeien, 't is zulk mooi weer?" - -"Hoor eens, jongens," antwoordde tante Eef, "dat zou ik wel willen doen, -maar 't zal zoo vol zijn op de rivier, en je weet moe heeft het niet -graag." - -"Roeien, tante, roeien," riep nu de kleine Lotje. "Lotje graag roeit!" - -"Wel, kinderen," zeide nu tante Eef, die door het vleiende stemmetje van -Lotje bijna overgehaald was, "'k Wou zelf ook graag. Nu, dan zal ik het -eens vragen!" - -En nu ging tante Eef naar haar zuster toe en bepleitte de zaak der -kinderen. Hoewel ongaarne, gaf deze eindelijk haar toestemming en in een -wip was Anton weg, om den man die hen roeien zou te gaan roepen. Lotje -liep dansende door de kamer en zong: "Lotje mag roeien; o, wat een -pret!" - -"Maar, Eef," zeide nu Lotjes moeder, "ik vind toch, dat je Lotje niet -mee moet nemen, want ze is nog zoo klein en zoo wild. Als het maar goed -afloopt." - -Nu was de pret van het kleine meisje heelemaal over en liet zij haar -lipje hangen, hoewel zij niet ondeugend werd. Traantjes sprongen er uit -haar oogjes, haar lippen trilden en zij keek Moes en tante Eef zoo -smeekend aan, dat beiden overwonnen werden. - -"Och, zuster," zeide tante Eef, "ik zal goed op haar passen; laat haar -meegaan!" - -Lotjes gezichtje helderde op, en zij drong zich tegen haar moeder aan, -terwijl zij zeide: - -"Lotje zal zoet zijn, Moes! Heel zoet zijn!" - -Nu gaf moeder eindelijk haar toestemming, en maakten zij zich gereed om -heen te gaan. - -Toen zij het huis uitgingen, riep moeder hen nog na, om vooral goed op -te passen en gehoorzaam te zijn. - -Vroolijk gingen zij met hun drieën naar de rivier, waar het bootje al -gereedlag. Tante Eef hield Lotje stevig vast, en toen stapten zij er in. -Anton kwam daarna, en een oogenblik later stiet de roeier van wal. - -Zij voeren heel pleizierig een poosje de rivier op, maar toen zij -weeromgingen, kwamen zij verscheidene bootjes tegen, die stroomopwaarts -roeiden, en 't werd eindelijk zoo vol, dat zij slechts langzaam vooruit -konden komen. 't Werd ook al wat donkerder, en dus zeide tante Eef aan -den roeier, dat hij gauw moest maken dat zij thuis kwamen. De man deed -zijn best, maar juist door de haast die hij maakte stootten een paar -bootjes tegen elkaar. Het kleine Lotje verloor haar evenwicht en viel in -het water! - -Ge kunt u de vreeselijke schrik en onsteltenis van tante Eef en Anton -voorstellen. Lang bedenken kwam hier niet te pas; er moest gehandeld -worden. Gelukkig echter zonk Lotje niet dadelijk, maar bleef met haar -jurk aan de pin, die van buiten in de boot zat, haken. Tante Eef greep -haar, maar ongelukkig scheurde de jurk door Lotjes zwaarte verder af, -zoodat zij hoe langer hoe dieper zonk. Op dit gevaarlijke oogenblik boog -tante Eef zich echter over haar heen, stak beide armen in het water en -had het geluk, het kleine meisje om het middel te vatten en haar dus op -te halen. - -Lotje schreide erg, zooals ge kunt begrijpen, maar had echter geen -letsel bekomen. Weldra waren zij thuis en nu nam de man, die hen geroeid -had, het kleine meisje op den arm en droeg haar naar binnen. Het eerste -wat zij riep, toen zij bij haar moeder kwam, was: "Lotje is zoet -geweest, Moe. Heusch zoet geweest!" - -Nu vertelde tante Eef de toedracht der zaak en werd Lotje uitgekleed en -warmpjes in haar bedje gestopt. Gelukkig liep alles goed af en kon -Lotje den volgenden dag weer opstaan, en behalve een kleine verkoudheid -wist zij er later niets van af. - -Ge kunt echter begrijpen, dat na dit voorval tante Eef nog veel meer van -Lotje ging houden, en deze, die wel wist, welke armen haar uit het water -hadden gehaald, hing met haar geheele hart aan haar lieve tante Eef. - -Verder moet ik u nog zeggen, dat er vlak bij het dorp een groot bosch -was, waardoor een rijweg liep, die van naburige steden of dorpen naar -het dorp van Lotjes ouders voerde. Dat bosch was heel groot, en behalve -den rijweg had men er nog verscheidene voetpaden in; zoodat hij, die er -niet in bekend was, er gemakkelijk in kon verdwalen. - -En nu denk ik, dat ge alles weet, wat ge noodig hebt, om 't vervolg van -mijn verhaal te verstaan, hetwelk ik hoop, dat u wel bevallen zal. - - -II. - -DE VREEMDE KUNSTENMAKERS. - -"Kom, Lot! dat moeten we gauw gaan zien," zeide Keetje, Lotjes -schoolvriendinnetje en buurmeisje tot haar, toen de school uitging. "Ik -hoor, dat er op het plein voor den Gouden Valk kunstenmakers bezig zijn -hun kunsten te vertoonen." - -"Och, kom!" zeide Lotje ongeloovig. "Nu hou je me zeker voor den gek. -Kunstenmakers! Die komen hier nooit dan met de kermis." - -"Ik weet het niet," antwoordde Keetje. "Ik hoorde het van de meid, die -Henriëtte kwam halen, en die 't mij vertelde." - -"Nu, dat moeten we dan eens gauw gaan zien," zeide Lotje. "Maar lang -durf ik niet; want Moe wacht me straks met eten." - -"Een kijkje kunnen we toch wel even nemen," zei Keetje. "Zóó lang zal -dat niet duren." - -"Laat ons dan maar geen tijd verliezen," zei Lotje. - -En veel harder dan anders liepen onze beide vriendinnetjes naar 't plein -voor den Gouden Valk. Ze kwamen echter te laat en maar juist bijtijds -genoeg, om de heele kunstenmakersfamilie de herberg te zien binnengaan, -waar ze zeker haar middagmaal zouden gebruiken. - -"Kijk eens," zei Lotje. "Die man is bijna geheel naakt!" - -"Ben je dwaas!" antwoordde Keetje. "Die man heeft een gebreid -vleeschkleurig pak aan, en dat noemt men tricot. Die juffrouwen met haar -korte rokjes hebben ook geen bloote beenen, maar broeken van tricot aan. -Alleen haar armen zijn bloot." - -"Nu, dat is grappig," zei Lotje. "Ik dacht al, dat is niet heel -fatsoenlijk, om zoo naakt langs de straat te loopen." - -"Kom, laat ons gauw naar huis gaan en eten," hernam Keetje. "Na den eten -zullen ze wel weer beginnen; want zie, ze hebben al hun boel buiten -laten staan, en daar past die kleine jongen op." - -"Zou die dan niet moeten eten?" vroeg Lotje. - -"Wel zeker: ze zullen hem 't eten wel brengen, of anders zal er een -vooruit eten, om hem te vervangen," antwoordde Keetje. - -Daaromtrent gerustgesteld, ging Lotje met haar buurmeisje naar huis. - -"Nu, tot straks," zeide deze. "Ik zal dadelijk aan moeder vragen, of ik -na den eten eens mag gaan kijken." - -"Ik ook," zeide Lotje. "Moeder zal het mij zeker wel toestaan." - -"Ik zou niet weten, waarom niet," zeide Keetje. "'t Was iets anders, als -je zelf kunsten moest doen." - -Lotje moest lachen om die aanmerking van Keetje. - -"Nu, dat zou me mooi afgaan," zeide ze. "Adieu! tot straks." - -En met deze woorden deed ze de voordeur open en stapte haar huis in. - -Ze vond hier alles in vroolijke opgewondenheid, en vroeg Anton naar de -reden daarvan. - -"Dat zal ik je zeggen, Lot. Vanmorgen, terwijl we in school waren, is er -een brief van vader gekomen, met het bericht dat zijn schip te -Nieuwediep is binnengeloopen en dat hij hoopt nog vanavond thuis te -zijn." - -"O, dat is heerlijk!" zeide Lotje. "Die goede, lieve Pa! Ik verlang al -om hem te zien! En wat zal moeder blij zijn!" - -"Dat kun je begrijpen!" zeide Anton. "Nu, 't zal vanavond een recht -feest zijn!" - -"Heb je de kunstenmakers al gezien, die op 't plein voor den Gouden Valk -hun kunsten verrichten?" vroeg Lotje. - -"Kunstenmakers? Neen!" antwoordde Anton. "Ik ben regelrecht van school -hier naar toe gekomen en daar ik er niets van wist, ben ik niet naar den -Gouden Valk gegaan." - -"Veel heb je er niet bij verloren," zeide Lotje. "Ik hoorde het -toevallig van Keetje, aan wie de meid van Henriëtte 't verteld had. We -zijn naar den Gouden Valk gegaan, maar kwamen net bijtijds, om de drie -laatsten binnen te zien gaan." - -"O, maar na den eten zullen ze wel weer hun kunsten vertoonen, en dan ga -ik er eens naar kijken. 't Is gelukkig Woensdag en er is dus geen -middagschool." - -"En dan ga ik toch met je mee, Anton?" zeide Lotje. "Alleen zou ik -misschien niet mogen." - -"Wel zeker ga je met me mee," zeide Anton. "Als Moe het ten minste wil -hebben." - -"Waarom zou Moe 't niet hebben willen, vooral als jij bij me bent?" -vroeg Lotje. - -"Dan moet je 't straks maar vragen; dat is het beste, wat ik er op -weet," zeide Anton. "En als je dan moogt, dan gaan we samen." - -Ditmaal deed Lotje iets tegen haar gewoonte: ze ging uit, eer ze haar -lessen geleerd en haar werk gemaakt had. Maar 't was haar ook onmogelijk -te wachten, totdat ze dat afhad. Daarenboven had ze er nu geen hoofd -naar. Wie toch kan aan werk maken of lessen leeren denken, als daar -ginds een troep kunstenmakers hun toeren laten zien en we er naar toe -gaan kunnen. Daarbij zou Anton ook geen geduld gehad hebben om op haar -te wachten; want ook hij verlangde nu de kunstenmakers te zien, die een -bijzonderheid op het dorp waren en er waarlijk niet alle dagen -doorkwamen. - -Lotje vroeg of zij mee mocht, en haar moeder had er niets tegen, want -zooals ik al gezegd heb, zij was een goede vrouw, die haar kinderen wat -graag een pleiziertje gunde. Nu zeide zij echter nog tot het kleine -meisje: - -"Lot, denk er aan om niet te lang weg te blijven, want je weet wel, dat -vader elk oogenblik thuis kan komen, en je zoudt toch zeker niet graag -willen, dat je uit waart, als het rijtuig voor de deur stilhield." - -"Hè, moe, dat weet u wel beter," antwoordde Lotje, terwijl haar -levendige kijkers glinsterden van genot bij de gedachte aan de -ontmoeting. "Neen, we moeten allemaal thuis zijn, als Pa komt, en dan -vlieg ik hem meteen om zijn hals!" - -"Wel zoo, dus jij wilt de eerste begroeting hebben," zeide Anton, haar -met den vinger dreigend. "'t Is wat moois, Lot, om zoo begeerig te -zijn." - -Op dit oogenblik kwam Jaantje binnen met het verzoek, of zij een paar -eieren uit den kelder mocht krijgen. - -"Eieren?" vroeg Lotje nieuwsgierig. "Waarvoor moet Jaan eieren hebben, -Moe?" - -"Wat ben je weer nieuwsgierig," zeide haar moeder lachend. "Begrijp je -dan niet, dat wij vanavond toch wat bijzonders moeten hebben, om vaders -terugkomst luisterrijk te vieren?" - -"Wat zal dat een heerlijke avond zijn," antwoordde Lotje, met een zucht -van genot. "Is het een tulband, of bakt Jaan wafelen?" - -"Dat moet je nu maar eens afwachten, juffrouw vraagal," antwoordde haar -moeder. - -"Kom, Lot, ga je nu mee?" vroeg Anton. "Anders heb je kans, dat ze hun -kunsten allemaal al gedaan hebben." - -"Ja, komaan dan," antwoordde Lotje. "Ik ben wat verlangend, om al dat -moois eens te zien." - -"Hier heb je wat centen, kinderen," zei Lotjes moeder, terwijl ze er -ieder een stuk of drie gaf. "Je begrijpt wel, dat die menschen hun -kunsten niet voor niemendal doen; daarom gaan ze eenige keeren met het -bakje rond en halen centen op, en 't is niet meer dan billijk, dat -ieder, die toekijkt, hun wat geeft; want het kunsten maken is -allesbehalve gemakkelijk en daarenboven hun broodwinning." - -"Elke cent apart geven," zeide Anton tegen Lotje, toen ze op weg naar -den Gouden Valk waren. "Want ze komen meermalen rond, en dan zou je al -den tweeden keer moeten weigeren." - -Toen ze aan 't plein vóór den Gouden Valk kwamen, vonden ze er al een -heelen troep menschen en vooral kinderen verzameld. Het scheen echter, -dat de kunstenmakers wat lang aan den maaltijd zaten, of dat ze wat van -hun vermoeienis moesten uitrusten, of dat ze een middagslaapje deden; -ze waren ten minste nog in de herberg en kwamen in 't eerste halfuur -niet voor den dag. - -Daar kwamen ze eindelijk in volle statie aan. Vooruit een man met een -trompet, die zoo geweldig daarop blies, dat men doof dacht te worden, -terwijl een ander man den kring grooter maakte, opdat allen konden zien. -En dat was wel noodig; want de menschen stonden zoo op elkaar, dat de -een den ander in den weg was. Die man verzocht dan ook, dat men de -kinderen in de voorste rij zou laten staan, omdat de anderen over hen -konden heenzien. Aan dat verzoek voldeed men; want het hinderde niemand, -al stond er een kind vóór hem. - -En nu begonnen de kunsten opnieuw. Eerst kwam er een Herkules, een -dikke, ferme kerel, die groote gewichten opnam en er allerlei toeren mee -deed; vervolgens nam hij twee mannen op zijn beide schouders, en op de -schouders van die mannen ging een derde staan, en zoo wandelde hij met -die drie mannen den kring rond, zoo gemakkelijk alsof hij niets te -dragen had. - -"Hè! die man moet kracht hebben," zeide Lotje tegen Anton. - -"Nu, dat zou ik ook meenen," antwoordde Anton. "Maar daarom heet hij ook -een Herkules." - -"Wat is dat dan, een Herkules?" vroeg Lotje. - -"Wel een man, die heel sterk is," antwoordde Anton. "Er is vroeger, -heel, heel lang geleden, een man geweest, die Herkules heette, en die -man was zoo geducht sterk; en nu noemt men alle sterke mannen naar hem, -Herkulessen." - -"Dus is de knecht van vrouw Teunissen, die zoo sterk is, ook een -Herkules?" - -"Neen, die niet," hernam Anton. "Men geeft dien naam alleen aan -menschen, die er hun brood mee verdienen en op de manier gekleed zijn -als deze. Doch kijk nu liever." - -"Wat doet hij nu? Met ballen gooien?" vroeg Lotje. - -"Dat noemt men jongleeren," antwoordde Anton. "Je zult eens zien, hoe -raar hij die ballen door elkander gooit, en ze toch opvangt." - -Inderdaad -- Lotje kon zich maar niet genoeg verwonderen, hoe 't mogelijk -was, dat de Herkules ze wist niet hoeveel ballen altijd maar in de -hoogte gooide en ze weer opving. Daar was geen oog op te houden. -Eindelijk nam de Herkules groote ijzeren ballen, die hij over zijn -armen, zijn borst, zijn rug liet loopen en die toch altijd weer in zijn -handen terugkwamen. - -Zoo iets had ons Lotje nooit gezien! Ze kon dan ook haar verbazing niet -verbergen. Intusschen kwam de vrouw met het bakje rond en zoowel Anton -als Lotje wierpen er een cent in. - -Nu werden er twee in 't midden aan elkander vastgebonden stokken aan den -eenen kant, en twee even zulke stokken aan den anderen kant van 't plein -gezet. Daarover werd een dik touw gespannen, wel zoo dik als Lotjes arm, -en op dat touw ging een man, die een langen stok in zijn beide handen -hield, loopen, springen en dansen en allerlei kunsten doen. - -"Dat noemt men koordedansen," zei Anton. "Met dien stok houden ze -zich in balans of rechtop; daarom heet die balanceerstok." - - [Illustratie] - -"Nu, ik zou niet graag op zoo'n touw loopen en er nog minder op dansen -en springen," zeide Lotje. - -"Dat wil ik wel gelooven," antwoordde Anton. "Je bent ook geen -koordedanseres. Je begrijpt wel, dat het een heelen tijd kost, eer men -dat kent." - -Nadat de man een tijdlang met zijn balanceerstok gedanst had, gaf hij -dien aan den Herkules over, en danste zonder stok. - -"Dat is nu nog grooter kunst," zei Anton. - -"Ik wil 't graag gelooven," zeide Lotje; "maar als ik 't moest doen, deê -ik 't liever zonder zoo'n zwaren stok." - -Nadat de man zijn kunsten op de koord lang genoeg vertoond had, ging de -vrouw weer met het bakje rond, om centen op te halen. - -'t Koord werd onderwijl afgebroken, en een groot karpet over den grond -gelegd. Wat Lotje nu zag, verwonderde haar nog meer. Mannen, die op hun -handen liepen; die op hun rug gingen liggen en kleine jongens op hun -voeten als ballen in de hoogte gooiden en weer opvingen, die zich als -een bal ineen- en naar alle kanten heenrolden, of die hun hoofd tusschen -hun beenen staken, en de allerzotste figuren vormden. Lotje had geen -oogen genoeg om te kijken; daar had ze maar geen begrip van. Ze had dan -trouwens ook nooit zoo iets gezien, en 't was dus geheel en al nieuw -voor haar. - -Eindelijk was de voorstelling afgeloopen: koord, stokken, kleed en al -wat de kunstenmakers al meer bij zich gehad hadden, werd in een klein -wagentje gepakt, dat door een ezel werd getrokken, en weg ging de troep, -voorafgegaan door den man met de trompet, die er helder op blies. De -dorpelingen gingen zeer tevreden over 't geen ze gezien hadden naar hun -woningen, maar een heele troep kinderen volgde de kunstenmakers in het -bosch, waar ze den straatweg namen: 't was den dorpskleinen nog niet -mogelijk afscheid te nemen van die wonderlijke mannen. Nadat echter de -trompetter zijn muziekinstrument op 't wagentje geborgen had, -verspreidden velen der kinderen zich in 't bosch om blauwbessen te -zoeken of boschbloemen te plukken; anderen keerden naar huis terug. - -Ook Keetje was er tegenwoordig geweest, en de beide meisjes waren niet -tevreden, alvorens zij bij elkander waren, toen alles afgeloopen was. - -"Zoo, Kee, mocht je ook komen?" zeide Lotje, toen zij dicht genoeg bij -haar vriendinnetje was. - -"Wel zeker, Lotje," antwoordde Keetje. "Moeder zei tegen me, dat ik -gerust mocht gaan kijken, als ik maar maakte, dat ik op mijn tijd thuis -was." - -"Ja, zie je," zeide Lotje, "ik wist wel, dat je moeder het zou willen -hebben, maar ik dacht dat je misschien eerst je werk zoudt maken." - -"Dat zou wat moois zijn," lachte Keetje; "de kunstenmakers wachten niet -op mij. 't Is beter dat wij op hen wachten." - -"Nu, we hebben lang genoeg op hen gewacht," merkte Anton aan. "Ik dacht, -dat ze nooit voor den dag zouden komen." - -"Ze hebben zeker een stevig diner gebruikt," zeide Keetje. "Want me -dunkt, ze moeten goed eten om zoo vreeselijk sterk te zijn." - -"Ik geloof, dat hun diner niet zoo schitterend geweest zal zijn," zeide -Anton lachend. "Aardappelen met zout en spek misschien. Je zoudt zeker -niet met hen hebben willen ruilen." - -"Neen, heusch niet," antwoordde Keetje. "Ik heb vanmiddag veel te lekker -gegeten." - -"En ik," voegde Lotje er bij. "Wij eten vanavond ook nog wat erg -lekkers, Kee; want Pa komt dan thuis." - -"Wel zoo," antwoordde Keetje. "Ik féliciteer jelui, want dat zal een -heel feest zijn." - -"Dat kun je begrijpen," zeide Lotje opgeruimd. "'t Is maar naar, dat Pa -altijd weer weg moet. Wat zou het niet erg veel prettiger zijn, als Pa -altijd aan wal bleef." - -"Ja, dat vind ik ook," bevestigde Keetje. "Ik zou het volstrekt niet -prettig vinden, als mijn vader elk oogenblik weg moest. Zijn jelui niet -soms erg angstig?" - -"Ja zeker," antwoordde Lotje, "vooral als het stormt. Dan huilt Moe wat -dikwijls, want dan zijn wij altijd bang, dat Pa verdrinken zal." - -"Weet je wat," zeide nu Keetje, na zich een oogenblik bedacht te hebben. -"Als je Pa nu vanavond thuis komt, dan moet je meteen vragen, of hij -jelui den volgenden keer mee op het schip neemt; dan blijven jelui bij -elkander." - -"Hé ja, dat zou aardig zijn," riep Lotje vroolijk uit. "Verbeeld je op -zoo'n schip! En dan moeten we allemaal meegaan, tante Eef en Jaan ook!" - -"Ik geloof niet, dat Jaan mee hoeft," zeide Keetje. "Want ik heb altijd -gehoord, dat er op zoo'n schip een kok of zoo iemand meegaat." - -"Maar dan kunnen we niet schoolgaan," riep Lotje eensklaps uit. "Want de -school kunnen wij toch niet meenemen!" - -"Niet de school, maar je Pa kan toch een meester mee aan boord nemen," -helderde Keetje op. "Dan kunnen jelui allemaal net zoo goed leeren, als -hier op 't dorp!" - -"Nu, ik zal het heusch vanavond eens aan Pa vragen, of hij het doen -wil," betuigde Lotje. "Misschien gebeurt het wel; wat zou dat prettig -zijn!" - -"Ja, ik hoop het voor je," antwoordde Keetje. - -Druk over 't een of ander pratende, wandelden de vriendinnen voort, -zonder te merken dat zij Anton kwijt waren geraakt. - -Deze keerde na een poosje weder huiswaarts. Door een toeval was hij haar -kwijtgeraakt, en nu hij op 't punt was van om te keeren, zocht hij haar, -doch vond geen van beiden de meisjes. Hij vroeg een ander buurmeisje -naar haar. - -"Ik geloof, dat ik haar daar straks naar het dorp heb zien terugkeeren," -zei er een. - -"Was ze niet met Keetje?" vroeg een ander. - -"Ja," zeide Anton. "Ze waren ten minste samen, toen we het dorp -verlieten." - -"Nu, dan zijn ze straks weggegaan," hernam ze. "Ze scheen nog naar je -rond te zien, maar je niet te vinden." - -Gerustgesteld door deze berichten, wandelde Anton naar huis. - -"Is Lotje al thuis?" was 't eerste, wat hij vroeg, toen hij de kamer -binnentrad. - -"Lotje?" vroeg zijn moeder verwonderd. "En jij bent met haar uitgegaan -en je zoudt op haar passen!" - -"Ik ben haar door de drukte kwijtgeraakt," zeide Anton, "zoowat een goed -kwartier van het dorp. Ze liep met Keetje." - -"Maar je hadt haar niet moeten kwijtraken," zei zijn moeder berispend. -"Loop eens even naar Keetje en vraag of Lotje daar is." - -Anton deed het. - -"Ze zijn nog niet thuis," was de boodschap, welke hij meebracht. "Maar -Keetjes moeder denkt, dat ze bij de een of andere harer kennisjes aan 't -praten zijn." - -"Dat is wel mogelijk," zeide Antons moeder. "Maar 't neemt niet weg, dat -het ondeugend van Lotje is, dat ze niet bij je is gebleven. Ze moet -knorren hebben." - -Niemand echter maakte zich bepaald ongerust over Lotje, die immers met -Keetje naar het dorp was teruggekeerd en dus wel bij den een of ander -van de kennisjes zou zijn. - -"Hoe laat denkt ge, Moe, dat Pa zal komen?" vroeg Anton een poos later. - -"Ja, dat zal wel niet vóór den donker zijn," antwoordde de moeder. "Tot -H. kan hij 't per spoor afleggen; doch dan moet hij extra rijtuig nemen. -Zoo gauw kan hij niet van boord, of hij moet een namiddagtrein nemen." - -"Maar hij komt toch stellig, niet waar?" zeide Anton. - -"Dat heeft hij beloofd," antwoordde zijn moeder. "En je weet wel, dat -als vader iets belooft, hij het ook volbrengt." - -"Zoo, Anton, ben je eindelijk terug?" zei tante Eef, die de kamer -binnenkwam. "Die kunstenmakers hebben je lang beziggehouden, mannetje!" - -"Dat hebben ze, tante," antwoordde Anton. "Maar we zijn ze nog een -kwartiertje buiten het dorp nagegaan." - -"Wat een dwaasheid!" zei tante Eef. "Dacht je dan, dat ze op den -straatweg nog eens hun kunsten zouden vertoonen?" - -"Dat wel niet," antwoordde Anton; "maar al de dorpskinderen gingen met -hen mee; en ik zou wel teruggekeerd zijn, maar Lotje wou zoo graag nog -een eindje meegaan." - -"'t Hielp ook wat, of hij haar vergezelde," zeide de moeder glimlachend. -"Begrijp eens, Eef! hij komt zonder zijn zusje thuis. Hoe vind je dat?" - -"Dat vind ik al heel fraai," zeide tante Eef. "Moeder vertrouwt je je -zusje toe, en je laat het in den steek. En waar is Lotje nu?" - -"Dat weet ik niet," antwoordde Anton. "Denkelijk bij 't een of ander -schoolkameraadje, waar ze over de kunstenmakers praat." - -"Je moogt wel aan je werk gaan, Anton," zeide zijn moeder, "want je hebt -een heelen tijd verzuimd." - -"Dat zal ik doen; want om halfacht moet ik les hebben. Ofschoon, ik heb -'t bijna af; ik moet mijn lessen nog maar even overzien." - -Dit zeggende, ging Anton naar zijn kamertje, om zich voor zijn extra les -gereed te maken. Hij was er spoedig mee klaar en begaf zich met de -boeken onder zijn arm naar zijn meester. - -"Als je Lotje soms onder weg tegenkomt, zeg haar dan, dat ze terstond -naar huis moet komen," zeide zijn moeder. - -"Dat beloof ik u, moeder," antwoordde hij, zeide haar goedendag en -vertrok, om zich naar 't schoolhuis te begeven. - - -III. - -HET VERDWAALDE KIND. - -Zooals we weten, waren Lotje en Keetje met Anton den troep kunstenmakers -op den straatweg in 't bosch gevolgd. Anton had een kennis aangetroffen -en was zoo druk met hem aan 't praten geraakt, dat hij van Lotje en -Keetje, die ook al met haar kornuitjes babbelden, was afgeraakt. Nu was -daar niets gevaarlijks in; want als ze straks naar het dorp -terugkeerden, zouden ze elkander vanzelf wel terugvinden. Maar terwijl -de kinderen daar zoo voortgingen, waren er een paar van Lotjes -kennisjes, die met haar en Keetje liepen, welke eensklaps bleven staan. - -"O, zie eens, Lot! wat een heerlijke blauwbessen! Die moesten we eens -even plukken." - -"Ja, maar dan gaan de anderen voort, Truitje," zei Lotje, "en dan raken -we ten achteren." - -"O, dat is niets," antwoordde Truitje. "Zoover zullen ze niet meegaan, -en ze komen toch altijd dezen weg terug." - -"Dat is waar," zeide Lotje. "'t Zijn heerlijke blauwbessen!" en dit -zeggende, ging zij met haar buurmeisjes het bosch in, om blauwbessen te -zoeken. Ze vonden er verscheidene en die smaakten heerlijk. - -Nu is blauwbessen zoeken een gevaarlijk werk, -- niet het zoeken op -zichzelf; daar is geen ander gevaar bij dan dat men blauwe handen en, -door 't eten, een blauwen mond krijgt. Maar er is een ander gevaar bij. -Door 't zoeken naar de blauwbessen is men ieder voor zich zoo druk -bezig, dat men van elkander af raakt; want de een gaat dezen en de ander -weer een anderen kant op. Dat is nu niets, wanneer men op een bekende -plaats of in een dennenbosch is, waar hooge dennen staan en men elkander -op een grooten afstand kan zien; erger is het, wanneer men op onbekende -plaatsen en te midden van laag dennenhout of kreupelbosch is, want dan -raakt men elkander zoo licht kwijt en verdwaalt men. En als men eenmaal -te midden van zoo'n bosch verdwaald is, dan slaat men soms een -verkeerden weg in, vooral omdat men door het bessen zoeken allerlei -kringen en bochten gemaakt heeft en dus den koers kwijt is. - -Zoo ten minste ging het onze Lotje. Al zoekende was ze eerst van haar -vriendinnetjes afgedwaald, welke ze van tijd tot tijd nog door 't -kreupelhout hoorde lachen; doch daar kwam ze aan een plaats, die zoo -rijk bezet was, dat ze er spijt van had hier alleen te zijn. Ze riep ze -dus, maar kreeg geen antwoord: ze waren zeker een anderen kant opgegaan. -Toen ze nu haar buikje vol gegeten had, begon ze er aan te denken, om -haar kameraadjes op te zoeken. - -"Ik ben dezen weg afgekomen," zei ze bij zichzelf, "en ik moet dien dus -terug." - -En zonder aarzelen sloeg ze dan ook dien weg in. Jammer echter, dat ze -dien weg niet was afgekomen, maar de wegen in zulk een bosch gelijken -ook zooveel op elkander. Nu had ze 't ongeluk, om er juist een in te -slaan, die net regelrecht van den weg afliep, waardoor ze hoe langer hoe -dieper in 't bosch verdwaalde. Ze begon angstig te worden; want voor -zoo'n klein meisje alleen in een bosch, en dat tegen den nacht, is niet -alles. Intusschen liep ze nu her- dan derwaarts, zonder dat ze eigenlijk -iets verder kwam. - -"Kon ik den straatweg maar bereiken!" zeide zij, terwijl haar de tranen -langs de wangen liepen; "dan zou ik den weg naar huis wel vinden." - -Van tijd tot tijd liet ze haar stemmetje hooren; maar dat zwakke -stemmetje werd door niemand vernomen. Langzamerhand begon de zon te -dalen en gingen de vogels naar bed; het zou niet lang duren, of 't was -donker, en dan zou ze den geheelen nacht in 't bosch moeten blijven! Den -geheelen nacht in 't bosch! O, daar moest ze niet aan denken! In 't -bosch, waar ze haar lekker warm bedje zou missen, -- in 't bosch, waar -allerlei beesten waren; wel geen leeuwen en tijgers, maar toch vossen -en bunzings, herten met zulke groote horens, en wat haar angstige -verbeelding daar al bij schiep. O, 't was vreeselijk! In den donker -alleen in een bosch! - -Op eens hoorde ze een geritsel door de bladeren. Ze stond stil en keek -op. Ze dacht, dat het 't een of ander dier zou zijn. Maar neen, daar -stond eensklaps voor haar een leelijk oud wijf, met een hengselmand aan -den arm en een takkenbos op den rug. Het wijf was misschien niet minder -verwonderd, een klein meisje van negen jaren daar zoo alleen in het -bosch aan te treffen, dan Lotje toen ze op eens zoo'n leelijk schepsel -voor zich zag. Hoe afschuwelijk het wijf er echter ook uitzag, -- 't was -voor Lotje toch een rust, dat ze een menschelijk wezen ontmoette. - -"Wat moet jij hier?" vroeg het oude wijf met een heesche stem en een -grimmig gezicht. - -"Ach, lieve juffrouw," zeide Lotje, "ik heb blauwbessen gezocht en ben -verdwaald. Zou je me niet op den rechten weg willen helpen?" - -"Ja, dat gaat zoo maar niet," hernam het oude wijf scherp. "Onze Lieve -Heer laat de blauwbessen groeien voor ons arme lui, om ze te plukken en -bij de rijke lui op het dorp te verkoopen. Maar dan gaan de kinderen van -die rijke lui ze plukken, en dan kunnen wij er geen geld voor maken. En -dan verdwalen ze en zouden nog willen, dat we hun den weg wezen, om -terug te komen. Zeg eens, kind, heb je geld bij je?" - -"Ach neen, juffrouw! geen cent," antwoordde Lotje. - -"Voor niemendal wijs ik je den weg niet," hernam de vrouw grijnzend. - -"Maar als je me thuis wilt brengen, zal Moe je wel beloonen, juffrouw," -zeide Lotje. - -"Ja, misschien met een paar centen, een dubbeltje of op zijn hoogst een -kwartje," hernam het oude wijf. "Ik zou je bedanken, om daar zoo'n end -voor te loopen. Maar ik weet beter. Je hebt daar een paar gouden -belletjes in je ooren en een granaten ketting met een gouden slotje om -den hals. Als je mij die geeft, dan wijs ik je den weg." - -"Maar dan zal moeder knorren," zeide Lotje. - -"Wat knorren! Nu wil ik ze hebben en wijs je toch den weg niet!" En dit -zeggende, zette het oude wijf haar mandje neer, wiep haar takkenbos op -den grond en pakte het arme Lotje beet, wie ze haar gouden belletjes en -haar granaten ketting met gouden slotje afnam. - -"Ja, schreeuw maar!" riep ze, toen Lotje hard om hulp riep. "'t Helpt je -toch niet; geen mensch kan je hier hooren! Had je 't me gewillig -gegeven, dan zou ik je den weg gewezen hebben; maar nu kun je vannacht -in 't bosch blijven, waar de een of andere hongerige wolf je wel zal -komen opkluiven. Nu, ik wensch hem smakelijk eten; want je bent een vet, -lekker boutje, -- dat ben je." - -'t Afschuwelijke wijf deed de belletjes en den ketting grijnzend in haar -mandje, nam den takkenbos weer op den rug, knikte Lotje goedenavond en -vertrok. - -Schreiend en over al haar leden bevende stond onze arme Lotje daar! -Haar mooie belletjes haar ontstolen, welke ze van moeder op haar -negenden verjaardag gekregen had! 't Was verschrikkelijk! Wat zou moeder -knorren, als ze thuis kwam! En toch, was ze maar thuis! Ze had wel -knorren willen hebben van moeder, van tante Eef, ja, van Jaan de meid er -bij, als ze maar weer in haar lekkere, warme huis was. En vanavond kwam -haar vader thuis! O, als die zijn lieve Lotje niet vond, wat zou hij -bedroefd zijn! En wie weet, of hij zijn Lotje wel ooit zou weerzien! -Want had dat leelijke wijf niet gezegd, dat er wolven in 't bosch waren. -En wolven eten kinderen op; dat had ze immers in 't sprookje van -Roodkapje duidelijk gelezen. Al die akelige gedachten en nog zoo veel -andere kwamen in haar op, terwijl ze daar bitter schreiend het oude wijf -stond na te kijken. - -Ons Lotje was voor haar jaren een heel verstandig kind. - -"Als ik den weg eens opging, dien het oude wijf gegaan is," zei ze bij -zichzelf, "dan kom ik zeker terecht!" En, hoe bang ze ook voor de -dievegge van haar sieraden was, liep ze snel dien kant uit. Juist was -zij den hoek van 't pad om, toen ze het oude wijf op een heelen afstand -een hoek zag omslaan. Zoo gauw ze nu kon, liep ze het rechte pad af; -doch aan den hoek gekomen, welken 't wijf was omgeslagen, kwam ze aan -een kronkelpad en zag ze haar in geen velden of wegen. Toch sloeg ze dat -kronkelpad in, en -- wat hoorde ze daar? . . . Een rijtuig op den grooten -weg! - -"Dus ben ik dicht bij den straatweg!" riep ze uit. "Laat mij nu goed -luisteren, waar het rijtuig rijdt; dan ga ik dien kant op." - -Duidelijk hoorde ze 't ratelen der wielen harder worden, toen weer -verminderen, eindelijk wegsterven. Maar 't was nu geheel donker geworden -en 't zou haar dus moeilijk vallen om de gebaande paden te houden. -Daarenboven hield ze die ook niet, want ze vreesde, en niet ten -onrechte, dat die haar van den rechten koers mochten afleiden. Ze drong -dus regelrecht naar 't punt toe, door 't lage dennenhout heen, dat hier -gelukkig niet dicht op elkander stond; want ze smachtte er naar om op -den straatweg te komen, waar ze waarschijnlijk menschen zou vinden, die -haar den weg naar 't dorp konden wijzen, of wellicht een rijtuig, dat -haar zou meenemen. Hier en daar bleef ze aan de dennentakken vastzitten, -waardoor ze een winkelhaak in haar jurkje haalde. Daar reed weer een -rijtuig over den grooten weg. 't Scheen een boerenwagen te zijn, dat kon -ze aan 't zware rollen hooren. Maar hij was dichter bij dan 't vorige -rijtuig, dat was zeker. Met moed zette ze dus haar koers voort, dwars -door 't geboomte heen, en -- tot haar onuitsprekelijke blijdschap, stond -ze eenige minuten later op den straatweg. - -Intusschen was er nu wel veel, maar niet alles gewonnen. Ze wist niet, -of ze rechts of links moest gaan. Ging ze den verkeerden kant op, dan -verwijderde zij zich hoe langer meer van het dorp. Daarenboven -- zouden -er, bij den avond op den zoo zelden bereden weg nog rijtuigen komen? -Wandelaars zeker niet; daarvoor was het te laat. - -Daar stond ze weer in diepe gedachten stil, en hoe blij ze ook was, dat -ze ten minste uit het bosch was, ze was nog allesbehalve thuis. Bedroefd -zette ze zich op een steenhoop aan den weg neder. - -"Ik zal wachten, tot ik de klok van ons dorp hoor slaan," zeide ze. "Dan -weet ik ten minste, welken kant ik gaan moet." - -Dat was heel verstandig van haar. Maar ik heb u ook al gezegd, dat ze -voor haar leeftijd heel verstandig was. Het duurde echter lang, eer haar -verlangen vervuld werd en ze de klok hoorde slaan. Waarschijnlijk had -die juist geslagen, toen ze nog in 't lage dennenhout was, en had ze -haar daardoor niet gehoord; daarbij valt de tijd altoos dubbel lang, als -men op iets wacht, en daarom scheen 't haar toe, alsof die klok nooit -zou slaan. Eindelijk, daar klonk het: "een, twee, drie, vier, vijf, zes, -zeven, acht." - -"Halfacht of acht uur!" zeide zij verschrikt. "O, wat zal moeder -ongerust zijn! Wie weet, waar ze mij zoeken! -- Maar wat is die klok -veraf. O, wat ben ik een eind van ons dorp afgedwaald! Wie weet, hoe -laat ik thuis kom! Maar thuis kom ik toch vóór den nacht! Als ik maar -niet zoo moe was! Ik moet nog een oogenblik blijven zitten, maar niet te -lang: want ik heb zoo'n vaak, en als ik lang zat, dan had ik kans dat ik -in slaap viel." - -'t Was heel verstandig geredeneerd; maar 't zou nog vrij wat -verstandiger geweest zijn, als ze maar terstond was opgestaan; want -zonder dat ze 't wist viel ze, terwijl ze slechts een oogenblik wilde -uitrusten, in een diepen slaap, waaruit haar zelfs 't geratel der wielen -van een aankomend rijtuig niet wakker deed worden. Ze droomde juist van -huis en van haar moeder, van Anton en kleine Pietje, toen ze wakker -gemaakt werd door een heer, die over haar heen boog, en nog half slapend -een rijtuig met twee brandende lantaarns op 't midden van den weg zag -stilstaan. Zoo slaperig was ze, dat ze weer ingesluimerd zou zijn, had -de heer haar niet met een paar stevige armen opgenomen en in 't rijtuig -gedragen, waar hij haar naast zich neerzette. - - -IV. - -HOE 'T BIJ LOTJE AAN HUIS WAS. - -Anton was naar zijn meester gegaan en had Lotje natuurlijk niet ontmoet. -Enkele dorpsmeisjes, welke hij tegengekomen was en naar haar gevraagd -had, konden hem geen uitsluitsel geven. Zoo kwam hij bij zijn meester, -nam zijn les, en was zoo bezig met hetgeen hij leerde, dat hij Lotje -geheel vergat. Toen hij echter 't schoolhuis verlaten had en op straat -was, kwam ze hem weer in de gedachten. - -"O, ze zal nu wel al lang thuis zijn," dacht hij, en stapte onbekommerd -voort. - -Maar in huis vond hij alles in rep en roer: moeder in doodelijke onrust -over haar Lotje; tante Eef en Jaantje het dorp in, om bij al de -kennissen te vernemen, of ze daar ook was. - -"En ieder oogenblik kan je vader thuis komen," riep zijn moeder uit. "En -wat zal de goede man zeggen, als hij zijn Lotje niet vindt!" - -"Moeder," zeide Anton, "natuurlijk is Lotje in het bosch verdwaald. Hoe -ze echter in 't bosch gekomen is, begrijp ik niet." - -"Ik wel, of liever ik weet het," antwoordde zijn moeder. "Met Keetje van -hiernaast, Truitje en nog een ander meisje, is ze, door de heerlijke -blauwbessen, die er stonden, verlokt geworden. De drie andere meisjes -hebben zich dichter bij elkander gehouden; maar Lotje schijnt van haar -afgedwaald te zijn; ten minste, toen ze naar huis wilden gaan en door -elkaar te roepen, weer bij elkander kwamen, kwam, ondanks al haar -schreeuwen, Lotje niet voor den dag. Wel een bewijs dus, dat zij verder -afgedwaald was, dan zij vermoedden. Na nog eenigen tijd gezocht te -hebben, gaven ze 't zoeken op, en, eensdeels zich verbeeldende dat Lotje -alweer op den straatweg zou zijn, in aantocht huiswaarts, misschien -reeds lang thuis, voor zij 't nog waren, anderdeels zelf niet langer uit -durvende blijven, gingen ze terug en kwamen laat genoeg in het dorp aan, -om ook haar ouders in onrust te brengen. En zoo zijn ze zonder ons lieve -Lotje teruggekeerd." - -"'t Eenige wat er aan te doen is, moeder," zeide Anton, "is, dat eenige -mannen met fakkels mij vergezellen en we in 't bosch zoeken. Zoo ver af -kan ze toch niet gedwaald zijn, of we zullen haar spoedig vinden." - -"We zullen eerst de terugkomst van tante Eef en Jaantje afwachten," -zeide de angstige moeder. "Als Lotje soms hier of daar bij den een of -ander aan 't praten was, zouden we voor niet een geheele opschudding in -het dorp veroorzaken. 't Ergst van alles is, dat vader vanavond komt; en -wat zal die wel zeggen, als hij Lotje niet vindt?" - -"Misschien is ze vóór dien tijd wel thuis," zeide Anton troostend. "Ik -wou, dat tante Eef en Jaan maar terugkwamen; dan zouden we ten minste -weten, wat we moeten doen." - -'t Duurde wel een half uur, eer beiden terug waren. Ze waren elk aan een -kant van het dorp in de verschillende huizen geweest, waar Lotje -kennissen had; maar Lotje hadden ze er niet getroffen. - -"Och wat zou er toch met Lotje gebeurd zijn?" riep tante Eef schreiend -uit, zoodra zij in huis kwam. "Begrijp eens, niemand heeft haar gezien!" - -"Neen, juffrouw," zeide nu Jaantje, die ook binnen kwam, "aan den -anderen kant is Lotje ook niet geweest. Ik ben bij vrouw Jansen geweest, -en die woont heel aan 't eind van 't dorp, maar zij wist er niets van." - -Terwijl men aan 't beraadslagen was over 't geen men doen zou, kwam er -een rijtuig de straat oprijden. - -"Dat zal vader zijn," riep Anton uit. "O, op welk een ongelukkig -oogenblik komt hij!" - -"We kunnen hem met geen treurige gezichten ontvangen!" zeide zijn -moeder, terwijl ze haar tranen droogde. "Eerst, als hij in ons midden -zit, zullen we 't hem vertellen. Mocht hij naar Lotje vragen, dan zeggen -we, dat ze naar bed is. Eigenlijk ben ik blij, dat hij thuis komt; dan -kan hijzelf maatregelen nemen, om haar te zoeken." - -Op dit oogenblik hield het rijtuig voor 't huis stil, en snelde ze naar -de deur, om haar man te verwelkomen. Spoedig was deze in de helder -verlichte kamer, waar hij door zijn schoonzuster, Anton en Karel -verwelkomd werd. Jacob en Pietje waren nog te klein om op te blijven en -dus naar bed gebracht, omdat moeder niet wist, hoe laat vader misschien -thuis zou komen. - -Dat was een ontmoeting! Ge kunt begrijpen, dat de kapitein in de eerste -verrukking zijn kleine Lotje zoo gauw niet miste. Hij zag ook niet, dat -zijn vrouw en tante Eef roodgeschreide oogen hadden, en dat Anton een -erg benauwd gezicht zette. - -"Jongens, wat is het toch heerlijk om thuis te zijn," riep hij uit, -zoodra de eerste begroeting afgeloopen was. "'t Oude spreekwoord: "Oost, -west, thuis best!" is wel waar. De man die het bedacht heeft, is zeker -ook zeekapitein geweest!" - -"Maar, Pa," merkte Karel nu aan, "dat kan ik aan u toch niet merken. Als -u het thuis dan zoo prettig vindt, waarom blijft u dan niet bij ons?" - -"O, lepidum!" zeide de kapitein hartelijk lachend. "Weet je dan niet, -dat ik juist telkens weg moet, om het hier zoo prettig, gezellig en -huiselijk te maken? Als ik niet op reis ging, waar zou de schoorsteen -dan van rooken?" - -"Ja, dat is waar," antwoordde Karel, "maar er blijven zooveel menschen -thuis, bij wie de schoorsteen toch rookt! Als u nu eens iets anders -werd?" - -"Op mijn leeftijd, mijn jongen, gaat dat maar zoo gemakkelijk niet," -antwoordde de kapitein, "en daarenboven ik houd veel van de blauwe -baren: de zee is mijn element!" - -Onder het gesprek zaten tante Eef en Lotjes moeder elkander angstig aan -te kijken, en zagen vol vrees het oogenblik te gemoet, waarop de -kapitein naar Lotje zou vragen. Eensklaps gebeurde dit, en zeide hij: - -"Waar is Lot?" - -"Ze had zoo'n slaap en is naar bed gegaan," zeide zijn vrouw. - -"O, die luie meid! Kon ze niet opblijven, totdat haar vader thuis was?" -zeide hij. "Kom, ik ga even naar boven en moet haar en de beide anderen -toch eens kussen. Misschien wordt ze wel wakker, en dan breng ik haar -mee naar beneden." - -Lotjes moeder zat in pijnlijke onrust. Als haar man boven kwam en hij -vond Lotje niet in haar bedje, -- dan zou hij zeker vreeselijk ontstellen -en niet weten, wat er gebeurd was. Daarom zeide zij: - -"Wacht nog even. Ze mocht eens schrikken, als ze je zoo in eens zag. -Laat Eef liever naar boven gaan en zien, dat ze haar wakker krijgt. -Slaapt ze dan zoo vast, welnu, dan kunt ge gerust gaan." - -"Nu, mij is 't goed," antwoordde de kapitein. "Eef, als je 't wilt doen, -ga dan maar gauw; want je begrijpt wel, dat ik erg naar Lot verlang." - -Toen tante Eef naar boven was, begon Lotjes moeder: - -"Hoor eens, lieve man! Ik moet je iets mededeelen. . ." - -"Wacht even met je mededeeling," viel hij zijn vrouw in de rede, "want -daar hoor ik voetstappen op straat. 't Zijn zeker de mannen met het -cadeau, hetwelk ik je uit de Oost heb meegebracht. Ik moet er zelf bij -zijn, dat ze 't voorzichtig dragen; anders mocht het eens breken." - -"Laat Anton dat maar doen," zeide zijn vrouw. - -"Neen, ik vertrouw 't niemand toe dan aan mijzelf. Ik heb het -opzettelijk in den Gouden Valk van de imperiaal der vigilante laten -afhijschen, om dat ik bang was dat de koetsier met Jaan het niet -voorzichtig genoeg zouden doen. Ha! daar schellen ze reeds!" - -En eer zijn vrouw er iets tegen doen kon, was hij de kamer al uit en -naar de voordeur. - -Kort daarna kwamen er twee mannen met een lange, vierkante mand binnen. -De kapitein liep er naast. - -"Voorzichtig maar! Voorzichtig!" riep hij. - -Nadat de mannen de mand voorzichtig hadden neergezet en ze, na van den -kapitein een fooi gekregen te hebben, vertrokken waren, zette deze de -lamp dicht bij den rand der tafel, en een oogenblik vergat Lotjes moeder -haar verdriet, uit nieuwsgierigheid, wat er toch voor kostbaars uit die -mand zou komen. Ook Anton en Karel stonden er vol verwachting bij. Juist -kwam tante Eef van boven. Haar zuster wenkte haar, dat ze haar man nog -niets van Lotje gezegd had. - -"Lot slaapt zoo vast, dat ik haar niet wakker kan krijgen," zeide ze. - -"Nu, dat is niets," zei de kapitein. "Dan zal ik haar straks wel wakker -kussen. Kom nu echter hier, Eef; dan zal ik je eens laten zien, wat ik -voor mijn vrouw uit de Oost heb medegebracht. Je zult zeker nog nooit -zoo'n cadeau aanschouwd hebben." - -Ook tante Eef kwam bij de mand staan, waarvan de kapitein de touwen heel -bedaard lossneed. Toen nam hij er het deksel af, en -- daar verrees met -een lachend gezicht en beide armen naar moeder uitgestrekt, de kleine -verlorene dochter, de lieve Lotje. - -Met een kreet van blijdschap nam de verrukte moeder het kind uit de mand -en barstte in tranen van lang opgehouden aandoening uit. - -"Moe! lieve Moe! Ik zal 't nooit weer doen!" riep Lotje. - -"Goddank! dat ik je terug heb!" riep de moeder. "Ondeugende man! om mij -zoo te doen schrikken," zeide ze onder haar tranen door lachende. - -"Ondeugend?" vroeg de kapitein. "Omdat ik je ons Lotje terugbreng?" - -"Maar hoe hebt ge haar toch gevonden?" vroeg zij. - -"Dat zal ik je straks vertellen, en daarna mag Lotje spreken. Doch gaat -eerst allen zitten, en tante Eef, krijg een fijne flesch wijn en laat -Jaan dan glazen geven; dan zullen we straks op mijn welkomst en den -gelukkigen terugkeer van ons lieve Lotje drinken." - -"Dat is goed," zeide zijn vrouw, die met Lotje op haar schoot aan de -tafel ging zitten. 't Was alsof ze bang was, dat het kind haar weer -ontnomen zou worden. - -"Je bent je belletjes kwijt, en je ketting ook!" zei ze, toen ze haar -Lotje goed bekeek. "Waar heb je die gelaten, Lot?" - -"Dat zal ze je straks wel vertellen," zeide de kapitein. "Ha, daar is -Eef al met den wijn en Jaan met de glazen! Geef nu maar hier, dan zal ik -de flesch opentrekken, en schenken we de glazen vol, om straks te -drinken." - -Nadat hij dit gedaan had, vertelde de kapitein: - -"Ik reed langs den straatweg, toen de koetsier eensklaps -ophield. -- "Wat is er?" -- vroeg ik hem. "Is er wat met de paarden of -'t rijtuig gebeurd?" -- "Neen, mijnheer," antwoordde hij. "Wees maar -volkomen gerust. Doch zie eens, daar aan den kant van den weg, daar zit -een klein meisje op een hoop steenen te slapen." -- "'t Zal een -bedelaarskind zijn," zeide ik. -- "Ik geloof 't niet, mijnheer," -antwoordde hij; "'t heeft ten minste, voor zooveel ik zien kan, een -hoedje op." -- In een oogenblik was ik het rijtuig uit, en daar zag ik -werkelijk bij 't licht, dat de lantaarns op haar wierpen, een klein -slapend meisje zitten. Ik riep haar wakker; ze keek even op, maar liet -haar hoofdje weer zakken. -- "Ik zal haar in 't rijtuig nemen," zeide ik -en tilde haar op. "'t Is zeker een kind van ons dorp, dat te ver -geloopen en hier in slaap gevallen is." -- Dit zeggende, nam ik het -slapende kind op en droeg het naar 't rijtuig. Doch eer ik er het kind -inlegde, hield ik het dicht bij een der lantaarns van 't rijtuig, om te -zien, of ik 't ook kende. Verbeeldt u, hoe verbaasd ik opkeek, toen ik -daar mijn lieve Lotje zag, ofschoon met blauwe lippen en blauwe vingers, -die mij verrieden, dat ze aan 't boschbessen plukken geweest was. Nu -maakte ik haar wakker. En toen ze mij herkende en de armpjes om mijn -hals sloeg, om mij met haar blauwe bekje te kussen, week alle slaap uit -haar oogen. Ik zette haar nu in 't rijtuig, nam haar op mijn schoot en -nu moest ze me vertellen, hoe ze hier gekomen en wat haar al zoo -gebeurd was; en dat mag ze straks nog eens aan u allen doen. Doch eerst -moet ik mijn vertelling afmaken. Ik beval nu den koetsier, om aan den -Gouden Valk stil te houden. -- "Hemel! kapitein," riep de kasteleines -uit. "U hier! En Lotje bij u! Nu, dat is een geluk! Uw vrouw heeft al -door 't heele dorp naar haar laten zoeken en is mooi in angst." -- "Kom, -dan zullen we eens een grap hebben. Vooreerst, juffrouw, moest je eens -even de blauwe dame schoonmaken; en dan, kastelein, heb je geen leege -champagnemand, waar ze in kan? Dan rijd ik naar huis, en laat jij de -mand voorzichtig door een paar mannen aan huis brengen. Als ze te gelijk -met mij de deur uitgaan, zijn ze er juist op hun tijd." -- De kastelein -vond die verrassing zoo aardig, dat hij spoedig met een leege mand kwam -aandragen. Nu vertelde ik Lotje, dat ze heel zoet in de mand moest gaan -liggen en vooral heel stil zijn, als ze bij Moe in de kamer kwam; en 't -kleine ding heeft zich goed gehouden. Heeft ze niet, Moe?" - -"Nu, dat zou ik zeggen!" zeide Lotjes moeder, terwijl ze haar lieveling -nog eens aan haar hart drukte. - -"En nu," zei de kapitein, zijn glas opnemende, "nu op mijn terugkomst en -de gelukkige terugvinding van onze lieve Lotje!" - -"Daar drinken we volgaarne op," zei tante Eef. "En dat je nooit weer in -de noodzakelijkheid moogt komen, om je vrouw zulke presenten uit de -Oost mee te brengen!" - -"Dat wensch ik van harte!" zei de kapitein lachende. - -"Maar nu is de beurt aan Lotje, om te vertellen," vervolgde hij, nadat -men gedronken had. "En als je haar gehoord hebt, zul je moeten -toestemmen, dat het kleine ding geducht bijdehand is! Was ze dat niet -geweest, dan zat ze misschien nog midden in 't bosch te slapen, en dan -konden we met een aantal fakkeldragers haar gaan opzoeken. Door haar -gevatheid heeft ze gemaakt, dat mijn thuiskomst een dubbel feest is." - -Lotje vertelde nu, wat ze haar vader reeds verhaald had, en wat we ook -alreeds weten. - -"Hoe slim, niet waar?" zei de kapitein, toen Lotje haar vertelling -gedaan had, "om ondanks haar verdriet en angst dat oude wijf in de verte -te volgen en toen door dik en dun regelrecht op den rijweg af te gaan en -te wachten tot de klok sloeg, om geen verkeerden kant in te slaan." - -"Maar 't was niet slim van je, Lot, dat je gingt slapen," zeide Anton. - -"Ik had zoo'n slaap en ik was zoo moe," zei Lotje heel onnoozel. - -"En zouden we niets kunnen doen, om haar belletjes en haar ketting terug -te krijgen?" vroeg haar moeder. - -"Ik vrees, dat alles tevergeefs zal zijn," antwoordde de kapitein. "De -dievegge zal wel zorgen, dat ze vooreerst niet hier op het dorp komt; -want Lotje heeft haar gezegd, waar ze woonde; -- dus dat weet ze. En waar -zul je 't wijf vinden, dat waarschijnlijk een landloopster is en 't -gestolen goed zoo gauw mogelijk van de hand zal doen. Ze zijn nu eenmaal -weg, en 't is geen doodwond. Laat ons er dus maar geen moeite voor -doen. -- Lot krijgt van mij andere belletjes en een anderen ketting, -zoodra ik naar Amsterdam moet, hetgeen over een paar dagen 't geval zal -zijn, als mijn schip in 't Oosterdok ligt. Laat ons maar tevreden zijn, -dat we ons lieve kind gezond en ongedeerd weer hebben! Beter de -belletjes en de ketting weg, dan mijn Lotje." - -Toen de eerste verrukking een weinig bedaard was, herinnerde Lotje zich -het gesprek, dat zij met Keetje had gehad, en zij besloot nu dadelijk -met haar verzoek voor den dag te komen. Zij bedacht zich even en zette, -terwijl ze dat deed, zulk een ernstig gezichtje, dat de kapitein -uitriep: "Wel, Lot, waar zit je zoo vreeselijk ernstig over te denken? -Je zet een gezicht, alsof je weer naar het bosch moest." - -"Pa, ik wou u wel eens wat vragen," zeide Lotje bedeesd, "en ik zou zoo -heel graag willen, dat u het deed." - -"Wat is dat een geheimzinnig begin," zeide haar vader lachend. "Ik kan -toch vooruit niet beloven, dat ik doen zal wat je wilt. Wie weet, welke -dwaze gedachten er in dat kleine hoofdje huizen!" - -"Neen, Pa, 't is heusch niet dwaas," beweerde Lotje ernstig. - -"Kom, biecht dan maar op," zeide Anton vroolijk. "Wie weet, welke slimme -gedachten Lot in het bosch gekregen heeft!" - -"Jongen, je begrijpt er niets van," antwoordde Lotje. "En ik zou het wel -aan uw oor willen vragen, Pa," voegde zij er vleiend bij. "Nu, kom dan -maar hier, op mijn knie," zeide de kapitein. "En vertel mij dan eens, -wat voor vreeselijke zaken je te zeggen hebt." Lotje zat nu op haar -vaders knie, sloeg haar beide armpjes liefkoozend om zijn hals en legde -haar wang tegen zijn baard, terwijl zij fluisterde: - -"Als u weer naar zee gaat, Paatje, dan moet u ons allemaal mee op 't -schip nemen." - -"Jullie allemaal meenemen!" riep de kapitein uit, die groote oogen -opzette. "Lot, hoe kom je aan dat dwaze denkbeeld? Begrijp eens," voegde -hij er tot de anderen bij, "Lotje wil, dat ik jullie allemaal mee op 't -schip neem, als ik weer op reis ga!" - -"O, hoe kom je daaraan?" riep haar moeder lachend uit. "Nu, man, je -zoudt een schip vol krijgen." - -"Lotje is zeker bang, dat zij weer verdwalen zal," merkte Anton nu aan, -"en ze denkt, dat we haar op het schip gauwer zullen vinden." - -"Vindt u het dan zoo heel gek?" vroeg Lotje onschuldig. "Wij konden dan -allemaal bij elkander blijven, en Moe zou niet meer huilen, als het zoo -hard waait." - -"Ik zou het ook wel prettig vinden, als wij bij elkander konden -blijven," antwoordde de kapitein, terwijl hij haar over haar krullebol -streelde. "Maar op zee zou ik jullie toch liefst niet bij mij hebben; ik -zou maar bang zijn, dat je in het water vielt of zeeziek werdt." - -"En, Lot, hoe moest het dan met je schoolgaan?" vroeg Anton. "Of zou je -het leeren er maar aan geven?" - -"Wel neen, Pa moest een meester mee aan boord nemen, en dan was het -toch even zoo goed alsof wij schoolgingen: we konden dan immers ook -leeren," zeide Lotje. - -"'t Is heel aardig van je bedacht, Lotje; en 't zou voor mij heel -gezellig wezen, maar het zou je aan boord volstrekt niet bevallen. We -zullen de zaken dus maar laten, zooals ze zijn; en daar heb je een -lekkere wafel, eet die nu maar eens smakelijk op." - -Lotje was de heldin van dien avond. Maar dit beloofde ze, dat ze nooit -weer met een of meer van haar vriendinnetjes blauwbessen in het bosch -zou gaan plukken. Als ze het dan wou doen, zou ze vragen, of vader of -moeder of tante Eef meeging. - -Den volgenden ochtend ging Lotje weer naar school. Zoodra zij op de -plaats voor het schoolhuis kwam, werd zij aan alle kanten met vragen -bestormd, want het was nog een minuut of tien te vroeg, en dus stonden -de meisjes buiten een beetje met elkander te praten. - -"Welkom in het leven, Lot!" riep Truitje uit. - -"Lot, waar heb je gisteren toch gezeten?" riep Keetje. - -"We dachten, dat je verongelukt waart," zeide een ander. - -"Of door de kunstenmakers meegepakt!" zeide Truitje. - -"Meisjes, weest nu eens stil, dan zal ik jelui op de hoogte brengen," -zeide Lotje. - -"Maar waar was je toch, Lot?" vroeg nu Keetje weer. - -"Ik mag wel vragen, waar jelui waart," antwoordde Lotje. "'t Is wat -moois, om mij in den steek te laten. Ik heb jullie geroepen en -geschreeuwd van belang, want ik had zoo'n heerlijk plekje gevonden! 't -Stond er vol blauwbessen; ik kon ze allemaal niet opeten. En ze waren -zoo lekker rijp! Jullie hebben wat gemist!" - -"Maar waar heb je toch gezeten, Lot?" herhaalde Keetje. "Iedereen is -doodelijk ongerust over je geweest." - -"Ik was verdwaald," antwoordde Lotje en vertelde nu in kleuren, hoe -alles zich had toegedragen. Toen zij aan die ontmoeting met de dievegge -kwam, zeide Keetje: - -"Hoe jammer, dat je je belletjes en kralen kwijt bent! Heb je knorren -gehad?" - -"Wel neen, Keetje, volstrekt niet. Moe was veel te blij, dat ze me -weerom had," antwoordde Lotje. "En Pa gaat gauw naar Amsterdam en zal -dan nieuwe voor mij koopen." - -"Nu, dat is prettig," riep Truitje uit. "Maar daar slaat het negen uren; -kom, ga mee naar binnen." - -Een dag of wat later ging de kapitein met Anton naar Amsterdam en -bracht, behalve verschillende cadeaux, voor Lotje een klein pakje mede, -waarin een paar oorbelletjes en een bloedkoralen ketting met gouden slot -waren; en op dat pakje stond met groote letters: Voor - -HET VERDWAALDE KIND. - - - - -INHOUD. - - - 1. JANSJE DE SLODDERVOS. - - bladz. - - I. Jansje en haar moeder 7 - - II. Wat er van den tocht naar den kersenboomgaard kwam 17 - - III. Vaders gedachtenis 26 - - - 2. ANNES KANARIETJE. - - I. Hoe Anne aan haar kanarievogeltje kwam 49 - - II. Hoe Annes kanarietje 't maakte 60 - - III. Wat Annes moeder haar van oom Frans vertelde 68 - - IV. Wat er op zekeren nacht gebeurde 76 - - V. Hoe de kanarie een groote rol in Annes lot speelt 84 - - - 3. HET VERDWAALDE KIND. - - I. Waarin we kennis met Lotje maken 97 - - II. De vreemde kunstenmakers 107 - - III. Het verdwaalde kind 121 - - IV. Hoe 't bij Lotje aan huis was 129 - - - - -CORRECTIES - - aanhalingsteken toegevoegd of verwijderd - komma toegevoegd of verwijderd - punt toegevoegd - 'ze' toegevoegd (toen ze opeens de) - ! toegevoegd - 'een' toegevoegd (Daar 't pas een kwartier over eenen was) - zie => zei (voor den spiegel en zei) - achterstvoren => achterstevoren (haar achterstevoren voor den spiegel) - laaste => laatste (te vinden dan de laatste) - kamerje => kamertje (en dan op 't kamertje) - aande => aan de (ook de boekenplank aan de) - . => : - een => eens (Hoor eens, Jans,) - hatelijk => hatelijke (een hatelijke en afzichtelijke ondeugd) - langzamerhad => langzamerhand (maar langzamerhand vond ze het) - haud => hand (waarna het op haar hand) - intuschen => intusschen (Anne was intusschen) - vrindinnetje => vriendinnetje (zoo'n lief vriendinnetje) - angsting => angstig (maar een angstig ding) - antwoorde => antwoordde (vader thuis komt," antwoordde Anne.) - plinter => splinter (dat er een splinter inzit) - daar => haar (zich en haar dochtertje) - verassen => verrassen (mee was komen verrassen) - . => ? - den => dan (liever dan mijn kanarie) - kenissen => kennissen (hun kennissen verteld had) - volstekt => volstrekt (o neen, volstrekt niet) - ge makkelijk => gemakkelijk (pleizierig en gemakkelijk) - 'k wou => 'k Wou ('k Wou zelf ook graag) - . => , - eensklap => eensklaps (eensklaps uit) - anstig => angstig (angstig te worden) - anstige => angstige (haar angstige verbeelding) - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Uit Ons Dorp, by P. J. Andriessen - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK UIT ONS DORP *** - -***** This file should be named 41675-8.txt or 41675-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/1/6/7/41675/ - -Produced by Branko Collin, Joke Van Dorst and the Online -Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
