diff options
122 files changed, 3 insertions, 30472 deletions
diff --git a/41427-0.txt b/41427-0.txt index 92aea53..8ac13e7 100644 --- a/41427-0.txt +++ b/41427-0.txt @@ -1,4 +1,4 @@ -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41427 *** +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41427 *** HET LEVEN @@ -9577,5 +9577,4 @@ verhalen. End of the Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 (of 2), by Daniel De Foe - *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41427 *** diff --git a/41427-8.txt b/41427-8.txt deleted file mode 100644 index 174d978..0000000 --- a/41427-8.txt +++ /dev/null @@ -1,9966 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van Robinson -Crusoe, t. 1 (of 2), by Daniel De Foe - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 (of 2) - -Author: Daniel De Foe - -Release Date: November 21, 2012 [EBook #41427] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 1 *** - - - - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - - - - -HET LEVEN - -EN - -DE LOTGEVALLEN - -VAN - -ROBINSON CRUSOE, - - -DOOR - -DANIËL DE FOE. - - -EERSTE DEEL. - -OP NIEUW UIT HET ENGELSCH VERTAALD. - - -TE AMSTERDAM, BIJ - -J.F. SCHLEIJER. - -1843 - - - - -HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN - -van - -ROBINSON CRUSOE - - -Ik ben geboren in de stad York, in 1632, van eene deftige familie, die -daar echter niet inheemsch was. Mijn vader was van Bremen afkomstig en -had zich eerst te Hull gevestigd. Na in den koophandel eene tamelijke -fortuin verworven te hebben, liet hij dien varen en ging te York wonen, -waar hij met mijne moeder trouwde, die tot eene deftige oude familie, -Robinson genaamd, aldaar behoorde. Naar deze ontving ik den naam van -Robinson Kreutznaer; maar door eene in Engeland niet ongewone -verbastering van naam, noemde men ons, en noemen en schrijven wij zelven -ons Crusoe; en mijne vrienden hebben mij nimmer anders dan onder dien -naam gekend. - -Ik had twee broeders, die ouder waren dan ik; de oudste diende als -luitenant-kolonel bij een regement voetvolk in Vlaanderen, toen hij in -den slag tegen de Spanjaarden bij Duinkerken sneuvelde. Ik heb nimmer -vernomen wat er van mijn tweeden broeder geworden is, even als mijne -ouders nimmer wisten waar ik gebleven was. - -Ik was de derde zoon en tot geenerlei bedrijf opgeleid, terwijl mijn -hoofd reeds vroeg met allerlei luchtkasteelen opgevuld was. Mijn vader, -die reeds hoog bejaard was, had mij zooveel onderrigt verschaft als hij -kon, zoowel door zijne lessen te huis als door mij op eene school te -laten gaan. Hij had mij tot een regtsgeleerde bestemd, maar ik dacht -alleen aan ter zee te varen; en deze neiging maakte mij zoo doof voor de -wenschen, zelfs voor de bevelen mijns vaders, en al het smeeken en -afraden mijner moeder en mijner bloedverwanten, dat het scheen alsof -hierin een zeker noodlot lag, dat mij aandreef tot het rampzalige leven, -dat ik sedert geleid heb. - -Mijn vader, een bezadigd en verstandig man, deed mij de ernstigste en -uitmuntendste vertoogen, om mij van mijne voornemens af te brengen. Op -een morgen riep hij mij tot zich in zijne kamer, die de jicht hem -belette te verlaten, en onderhield mij dienaangaande op het -nadrukkelijkst. "Welke redenen," vroeg hij, "behalve de dwaze zucht om -de wereld rond te zwerven, drijven u aan uw vaders huis en uw vaderland, -waar gij voortgeholpen kunt worden, door uwe vlijt aangenaam leven, en -een ruim bestaan kunt erlangen. Alleen menschen, die niets te verliezen -hebben of die groote rijkdommen bezitten, mogen zich door gevaarlijke -middelen rijkdom of beroemdheid verwerven; zulke middelen zijn ver boven -u of ver beneden u." Hij voegde er bij, dat ik tot den middelstand -behoorde, dat is tot dien, welke den hoogsten trap onder de mindere -klassen beslaat; een staat, die de ervaring hem geleerd had, dat de -gelukkigste voor den mensch is; dewijl men er niet blootgesteld is aan -den zwaren arbeid en de ontberingen, waaraan zij, die van hunnen -handenarbeid leven, zich moeten onderwerpen, en te gelijker tijd bevrijd -blijft van de weelde, en den hoogmoed, en de afgunst van iedereen, -waaraan de grooten blootstaan. "Alleen hieruit," zeide hij, "kunt gij -over het geluk van dezen staat oordeelen, dat dikwijls koningen de -treurige gevolgen van hunnen verheven stand hebben betreurd, en -gewenscht, dat zij in het midden tusschen grootheid en geringheid waren -geboren. Het beste boek getuigt ook van het geluk van dezen staat, als -de wijze den Hemel smeekt hem noch armoede noch rijkdom te geven." - -Hij deed mij wijders opmerken, dat de zwaarste rampen gewoonlijk de -hoogste en laagste standen der maatschappij troffen; maar dat de -middelklasse de minste lotwisselingen onderging, en veel minder bloot -stond aan een aantal ziekten en kwalen van ligchaam en geest, die bij de -grooten door ondeugden, verwenning en onmatigheid, en aan den anderen -kant bij de geringen door slecht voedsel, gebrek en zwaren arbeid, -worden voortgebragt. "De middelstand," zeide hij, "is volkomen geschikt -om alle deugden te ontwikkelen, en alle soort van genoegens op te -leveren; rust en overvloed zijn de natuurlijke gevolgen van een -middelmatig fortuin; bezadigdheid, matigheid, gemoedsrust, alle -maatschappelijke genoegens gaan daarmede gepaard. Langs dezen weg gaat -men onopgemerkt en zonder moeite de wereld door, bevrijd van zwaren -hand- en hoofdarbeid, niet gedoemd tot eene dagelijksche slavernij om -zijn brood te verdienen, noch tot zulke ingewikkelde zaken, die de ziel -van haren vrede, het ligchaam van zijne rust berooven; verwijderd van de -knagingen der afgunst, niet verteerd door bedekte eerzucht; aldus -wandelt men welgemoed het leven door, smaakt de zuiverste geneugten des -levens, gevoelt zijn geluk en leert dagelijks zijn lot meer naar waarde -schatten." - -Hierop drong hij ernstig en op de liefderijkste wijze er bij mij op aan, -dat ik niet als een loszinnige jongen zou handelen, en mij niet in -ellenden zou storten, voor welke de natuur, en de staat waarin ik -geboren was, mij behoedden. Hij zeide, dat ik niet noodig had mijn brood -te zoeken, dat ik op zijne ondersteuning rekenen kon, en hij zijn best -zou doen mij in den staat, dien hij mij zoo aangeprezen had, te stellen. -"Zoo gij niet in een onbezorgden toestand geraakt," zeide hij, "zal het -alleen uw eigen schuld en ik er niet verantwoordelijk voor zijn. Ik heb -mijn pligt gedaan door u te waarschuwen tegen stappen, die ik weet dat -tot uw ongeluk leiden. In een woord, ik wil veel voor u doen, als gij u -hier naar mijn wensen wilt nederzetten; maar ik wil niets tot uw ongeluk -bijdragen, door u de uitvoering uwer voorgenomen zwerftogten gemakkelijk -te maken." Eindelijk hield hij mij het voorbeeld van mijn oudsten -broeder voor oogen, bij wien hij dezelfde drangredenen had aangevoerd, -om hem van zijn vertrek naar het leger in de Nederlanden terug te -houden, waar hij zijn dood had gevonden. Hij verzekerde mij, dat hij -nimmer zou ophouden voor mijn welzijn te bidden, maar dat hij mij durfde -voorspellen, dat, zoo ik den onzinnigen stap, waartoe ik voornemens -scheen, uitvoerde, ik niet op 's Hemels zegen hopen mogt, en dat het -naderhand mij eenmaal zou berouwen, dat ik zijn raad niet gevolgd had, -als ik in het ongeluk geraakte en niemand mij te hulp kwam. - -Bij dit laatste deel van zijne rede, die inderdaad door de uitkomst -volkomen bevestigd werd, schoon mijn vader dit zelf niet vermoeden kon, -zag ik dat de tranen hem over het gelaat stroomden, vooral toen hij van -mijn gesneuvelden broeder sprak; en toen hij van mijn berouw in later -tijd gewaagde, en dat mij alsdan niemand zou te hulp komen, was hij zoo -aangedaan, dat hij het gesprek afbrak, en mij verklaarde, dat zijn hart -te vol was en hij niet meer spreken kon. - -Ik was ernstig getroffen door dit gesprek, en wie zou dit niet geweest -zijn? Ik besloot er niet meer aan te denken het land te verlaten, maar -mij er, zoo als mijn vader verlangde, te vestigen. Maar helaas, in -weinige dagen was deze indruk geheel uitgewischt, en om mijns vaders -verwijtingen te ontgaan, vormde ik het besluit stilletjes de vlugt te -nemen. Ik handelde echter niet zoo overijld, als mijne eigene drift mij -wel aandreef. Ik maakte mij een oogenblik ten nutte, waarin mijne moeder -mij beter geluimd dan gewoonlijk toescheen, om haar te bekennen, dat het -verlangen, de wereld te zien, mijne ziel zoo geheel had ingenomen, dat -het mij onmogelijk zou zijn mij op iets toe te leggen met die -standvastigheid, die tot het welslagen vereischt wordt; dat mijn vader -beter zou doen mij zijne toestemming te geven, dan mij te dwingen zonder -dezelve te vertrekken; dat ik thans achttien jaren oud en het dus te -laat was om als leerling bij een koopman, of klerk bij een regtsgeleerde -te gaan, en dat, zoo ik mij tot het een of ander vak begaf, ik gewis dit -vóór het einde van mijn leertijd zou vaarwel zeggen; en dat, zoo zij -mijn vader wilde overhalen mij eene enkele reis buiten 's lands te laten -doen, ik bij mijne terugkomst, zoo deze levenswijs mij niet beviel, -haar zou vaarwel zeggen, en door verdubbelde vlijt den verloren tijd -inhalen. - -Bij deze mededeeling werd mijne moeder zeer boos. Zij zeide mij, dat het -niet baten zou mijn vader hierover te spreken, want dat deze te wel mijn -waar belang kende, om zulke schadelijke ontwerpen te bevorderen; zij -begreep niet hoe ik er nog aan durfde denken, na hetgeen mijn vader mij -had voorgehouden, en na de woorden van genegenheid, waarvan hij zich -alstoen bediend had. "Wilt gij u overigens volstrekt ongelukkig maken," -zeide zij, "niemand kan het u beletten, maar gij kunt verzekerd zijn, -dat wij daarin nimmer zullen toestemmen; wat mij betreft, ik zal nimmer -tot uw verderf de hand leenen, en gij zult nimmer kunnen zeggen, dat uwe -moeder goedvond wat uw vader afgekeurd heeft." - -Hoewel nu mijne moeder weigerde mijn voornemen aan mijn vader mede te -deelen, heb ik naderhand vernomen, dat zij hem ons geheele gesprek had -verhaald, en dat hij, na vele blijken van droefheid, gezegd had: "Dit -kind kon zeer gelukkig leven als hij hier bleef; maar als hij ons -verlaat, kan hij de ongelukkigste mensch der wereld worden; ik kan er -niet in toestemmen." - -Ik bleef nog bijkans een jaar in huis, zonder te trachten mijne boeijen -te verbreken, maar altijd halsstarrig het oor sluitende voor elk -voorstel, om mij op het een of ander toe te leggen. Dikwijls stelde ik -mijnen ouders voor, dat zij verkeerd deden met zich zoo te verzetten -tegen mijne besliste neiging. Eindelijk was ik eens te Hull, waar ik -toevallig, en zonder oogmerk om weg te loopen, was heengegaan; en vond -daar een mijner schoolmakkers, die over zee naar Londen ging in een -schip, dat zijn vader toekwam. Hij noodigde mij uit hem te vergezellen, -met de gewone drangreden van een zeeman, namelijk, dat de overtogt mij -niets zou kosten. Zonder alstoen mijne ouders te raadplegen, zonder hen -kennis te geven van mijn vertrek, liet ik het aan het toeval over, -wanneer en op welke wijze zij hiervan berigt zouden bekomen; zonder te -denken om mijns vaders zegen of dien van God te vragen, zonder op de -omstandigheden of gevolgen van mijn stap te letten, en God weet het, te -kwader ure, den 1en September 1651, begaf ik mij scheep op het naar -Londen bestemde vaartuig. - -Nimmer begonnen de ongelukken van een jongen avonturier spoediger, noch -duurden langer dan de mijne. Naauwelijks waren wij de haven uit, of de -wind begon op te steken en de zee geweldig hoog te gaan; en daar ik voor -de eerste maal op zee was, werd ik allerijsselijkst ziek en benaauwd. Ik -begon thans ernstig te bedenken wat ik gedaan had, en ik gevoelde hoe -welverdiend de straf was, die de Hemel mij toeschikte, omdat ik op eene -zoo laakbare wijs mijn vaders huis en mijn pligt verlaten had. Al de -goede raadgevingen mijner ouders, de tranen mijns vaders, de gebeden -mijner moeder kwamen mij voor den geest, en mijn geweten, dat nog niet -zoo verhard was als naderhand, verweet mij, dat ik wijzen raad -veronachtzaamd, het vaderlijk gezag miskend en Gods wetten overtreden -had. - -Middelerwijl werd de storm steeds heviger, en de zee begon zeer hoog te -gaan, hoewel op verre na zoo niet, als ik het later meermalen heb -gezien, en het weinige dagen daarna reeds bijwoonde, maar toch genoeg om -iemand als ik, die nimmer op zee geweest was, angst aan te jagen. Bij -elke golf verwachtte ik, dat zij ons zou inzwelgen, en als het schip van -voren tot op den bodem der zee zonk, zoo als ik mij verbeeldde, dacht -ik, dat het zich nimmer zou opheffen. In deze oogenblikken van angst -deed ik menigmaal de gelofte, dat als het God behaagde mij op deze reis -te sparen, ik, zoodra ik voet aan wal zette, dadelijk naar mijn vaders -huis gaan en nimmer weder een schip betreden zou, maar mij naar zijn -raad gedragen en mij nimmer weder in zulk gevaar begeven. Thans zag ik -duidelijk hoe waar mijn vader gesproken had over den middelstand, hoe -gerust hij zijne dagen gesleten had, evenzeer behoed voor de stormen des -oceaans, als voor de zorg en onrust van het land. Ik besloot dus, met -een opregt berouw, als de verloren zoon, naar mijn ouders huis terug te -keeren. - -Deze goede en verstandige voornemens duurden zoo lang de storm aanhield -en zelfs nog eenigen tijd daarna, maar den volgenden dag werd de wind -bedaard, de zee werd kalm, en ik begon er mij aan te gewennen; echter -was ik dien geheelen dag zeer ernstig, want ik was nog een weinig -zeeziek. Tegen den avond klaarde de lucht op, de wind ging geheel -liggen, en het werd een verrukkelijk schoone avond. De zon ging -onbewolkt onder en even zoo den volgenden dag op. Hare stralen vielen op -eene effene en kalme zee, een zacht windje dreef ons voort, en dit -schouwspel scheen mij het heerlijkste wat ik immer zag. - -Ik had goed geslapen; ik was niet ziek meer, en zag met eene vrolijke -verbazing die zee, die gisteren zoo onstuimig en verschrikkelijk, en -heden zoo schoon en rustig was. Mijn vriend, die mij werkelijk weggelokt -had, en zeker vreesde, dat mijne goede voornemens zouden stand houden, -kwam thans bij mij, en zeide: "Wel, Robinson, hoe gaat het u thans? Ik -wed dat gij gisteren, toen wij die bui hadden, bang waart?"--"Noemt gij -dat eene bui?" vroeg ik; "het was waarachtig een verschrikkelijke -storm."--"Een storm, domoor die gij zijt!" hervatte hij, "het geleek er -niet naar. Met een goed schip, en als wij in het ruime sop zijn, -bekommeren wij ons weinig om zulke vlagen. Maar gij zijt een -zoet-waterschipper, Robinson; eene kom punsch zal u dat alles doen -vergeten. Zie eens welk verrukkelijk weder wij thans hebben." - -Om bij dit droevig gedeelte van mijne geschiedenis niet langer stil te -staan, zal ik alleen maar zeggen, dat wij deden als zoo vele zeelieden. -De punsch werd gereed gemaakt, en mijn berouw over het verledene en al -mijne wijze voornemens voor het toekomende, daarin verdronken. In een -woord, gelijk de zee, na het ophouden van den storm, tot hare gewone -kalmte terugkeerde, zoo hervatte ik, na bevrijd te zijn van de vrees, om -door de zee verzwolgen te worden, mijne gewone wijze van denken, en -vergat al de geloften, die ik gedurende mijn angst had afgelegd. Er -waren echter nog oogenblikken, waarin de rede hare heerschappij trachtte -te hernemen, maar ik verzette mij daartegen als tegen eene zwakheid, en -terwijl ik mij aan den sterken drank en het gezelschap mijner makkers -overgaf, geraakte ik weldra van deze vlagen, gelijk ik ze noemde, -ontslagen. Na verloop van vijf of zes dagen had ik over mijn geweten -eene zoo volkomene overwinning behaald, als een jongeling, die van -deszelfs vermaningen ontslagen wenscht te zijn, slechts kon verlangen. -Evenwel moest ik van dien kant nog een anderen aanval doorstaan, en -gelijk gewoonlijk in zulke gevallen geschiedt, wilde de Voorzienigheid -mij alle verontschuldigingen benemen; want zoo ik de genade des Hemels -niet wilde erkennen in den afloop van de voorgaande gebeurtenis, was de -volgende van dien aard, dat de verdorvenste en meest verharde onder ons, -niet weigeren kon, er de kastijdende en reddende hand des Hemels in te -zien. - -Den zesden dag onzer reis kwamen wij op de reede van Yarmouth, daar de -tegenwinden en windstilten ons niet veel hadden doen vorderen, sedert -den storm. Wij waren verpligt op deze reede te ankeren, omdat de wind -voor ons ongunstig was, dat wil zeggen, dat hij Z.W. bleef, gedurende -zeven of acht dagen. Verscheidene groote schepen van New-Castle bleven -daar om dezelfde reden als wij liggen. De wind, die eerst stevig, en -vervolgens allerhevigst was, verhinderde ons den Teems op te varen; -maar de ankergrond was goed (deze reede wordt zoo veilig geacht als eene -haven) en ons ankertouw was stevig; zoodat ons volk niet het minste -gevaar duchtte en volgens de gewoonte der matrozen, den tijd sleet met -allerlei vrolijkheid. Eindelijk werd den achtsten dag, des morgens, de -wind zoo hevig, dat alle man aan het werk moest om de stengen te -strijken, ten einde den wind zoo weinig vat als mogelijk te laten. Tegen -den middag ging de zee vreesselijk hoog, ons schip kreeg verscheidene -stortzeeën over, en eens of twee malen dachten wij dat het anker te huis -kwam, zoodat de schipper besloot het plegtanker te laten vallen, waarop -wij met twee ankers vooruit lagen en met de touwen tot aan het einde -uitgestoken. - -Weldra stak er een allervreesselijkste orkaan op, en thans zag ik op de -gezigten der matrozen zelve schrik en neêrslagtigheid. De kapitein hield -zich ijverig met de zorg voor zijn vaartuig bezig, maar ik hoorde hem -binnen 's monds zeggen, terwijl hij digt langs mij heen, in de kajuit -ging: "Heere, heb medelijden met ons! het is met ons gedaan! alles is -verloren!" en dergelijke uitdrukkingen meer. In de eerste oogenblikken -van verwarring, was ik als verplet op de kooi in mijne hut -nedergevallen. Wat ik gevoelde, zou ik onmogelijk kunnen beschrijven. -Het kostte mij moeite mijn vorig berouw te herdenken, en ik trachtte mij -daartegen te verharden. Ik zeide tot mijzelven, dat de eerste bitterheid -van den angst voorbij was, en dat deze onrust niets zou zijn in -vergelijking van de eerste. Maar toen ik den kapitein zelf hoorde -zeggen, dat wij allen in gevaar waren van te vergaan, gevoelde ik een -ontzettenden angst. Ik vloog uit de kajuit, sloeg de oogen rondom mij en -zag een allerverschrikkelijkst schouwspel. De golven gingen berghoog, en -braken om de drie of vier minuten over ons schip. Waar ik de oogen -wendde zag ik niets dan nood. Twee zwaar geladen schepen, digt bij ons, -hadden hunne masten tot op het dek gekapt, en de matrozen riepen dat een -ander vaartuig, dat op eene mijl ongeveer voor ons lag, aan het zinken -was. Twee anderen, die van hunne ankers geslagen waren, waren in zee -gedreven, ten speelbal van wind en golven, daar geen hunner een mast -had opstaan. De ligtste vaartuigen hadden het minst te lijden, doch van -deze sloegen eenigen los en kwamen digt langs ons heen, terwijl zij met -de fok alleen bijgezet, voor den wind afliepen. - -Tegen den avond verzochten de stuurman en de bootsman den kapitein, dat -zij den fokkemast mogten kappen; waartoe hij weinig lust had; doch de -bootsman beweerde, dat, zoo het niet gebeurde, het schip zinken moest. -Toen het geschied was stond de groote mast zoo los, en gaf het schip -zulke geweldige rukken, dat wij verpligt waren dien ook te kappen, en -niets op het dek te laten. - -Men kan zich ligt voorstellen in welken toestand ik was, terwijl dit -alles voorviel; ik, pas op zee gekomen, en die zoo kort geleden zoo veel -angst had uitgestaan. Doch, bijaldien ik na een zoo lang tijdverloop, de -denkbeelden, die mij toen bezig hielden, mij nog kan te binnen brengen, -dunkt mij, dat mijn vorig berouw en de verstoktheid, waarmede ik dit had -laten varen, mij tienmaal meer kwelling veroorzaakten, dan het naderen -van den dood; deze denkbeelden, gevoegd bij het woeden van den storm, -bragten mij in een toestand, die niet door woorden kan beschreven -worden. Doch het ergste was nog niet gekomen. - -De storm bleef met zooveel woede aanhouden, dat de zeelieden zelf -erkenden nimmer een heviger te hebben bijgewoond. Ons schip was goed, -maar het was zwaar geladen, en het zonk zoo diep, dat de matrozen elk -oogenblik riepen, dat het naar den bodem zou gaan. De storm was -zoodanig, dat ik zag, wat men niet dikwijls ziet, den kapitein, den -stuurman, den bootsman, en eenigen der verstandigsten van het volk, -geknield hunne gebeden opzeggen en zich voorbereiden op een graf in den -oceaan. - -Midden in den nacht, en bij al onzen nood, riep een van het volk, die -hierom naar omlaag was gezonden, dat wij een lek hadden; een ander -zeide, dat er vier voet water in het ruim stond. Daarop werd iedereen -aan de pompen geroepen. Bij dit woord ontzonk mij het hart, en ik viel -achterover, van den rand der kooi, waarop ik zat, in de hut. De matrozen -echter riepen mij en zeiden, dat schoon ik tot hiertoe tot niets nut was -geweest, ik thans even zeer in staat was te pompen als een ander. Ik -stond dadelijk op, strompelde naar de pomp en ging ijverig aan het werk. -Terwijl dit gebeurde, zag de kapitein eenige ligte kolenschepen, die -niet in staat zijnde den storm uit te rijden, hunne ankers hadden laten -glippen en naar zee gingen, terwijl zij digt langs ons heen liepen. Hij -gaf last een noodschot te doen. Ik, die niet wist wat dit beteekende, -dacht dat het schip in tweeën scheurde, of iets dergelijks; kortom ik -ontstelde zoo, dat ik in flaauwte viel. Iedereen had thans genoeg aan -zijn eigen leven te denken, niemand zag naar mij om, of dacht er aan wat -er van mij geworden was; een ander kwam mij aan de pomp vervangen en -stiet mij met zijn voet ter zijde, denkende, dat ik dood was, en het -duurde lang voor ik weder tot mij zelve kwam. - -Wij werkten voort, maar het water klom. Het was blijkbaar, dat wij -moesten zinken, en hoewel de storm een weinig bedaard was, was het niet -mogelijk dat het schip drijvende kon blijven, totdat wij eene haven -konden bereiken. De kapitein bleef derhalve noodseinen doen, en een -klein schip, dat voor ons had gelegen, waagde het ons eene boot toe te -zenden. Met het grootste gevaar naderde deze ons, maar het was ons -onmogelijk er in te gaan, en voor de boot, bij ons op zijde te komen -liggen; tot eindelijk het volk zoo hard roeide, dat zij met levensgevaar -ons zoo nabij kwamen, dat wij een touw, met een boei er op gestoken, -hun konden toewerpen; na veel moeite en gevaar maakten zij het vast, en -wij haalden hen digt achter ons en gingen er allen in. Wij konden er -niet aan denken het vaartuig, waarvan men ons te hulp was gekomen, te -bereiken, en besloten dus de boot te laten drijven en zoo veel mogelijk -haar naar den wal te roeijen, en onze kapitein beloofde, dat als de boot -verbrijzelde, hij die aan hunnen kapitein zou betalen. Aldus kwamen wij -deels roeijende, deels drijvende, bij Wintertonness aan wal. - -Wij hadden geen kwartier ons schip verlaten of wij zagen het zinken. -Toen de matrozen zeiden, dat het schip zinkende was, was de moed mij -geheel ontzonken, en van het oogenblik af, dat ik meer in de boot -gedragen dan geleid werd, bleef ik half dood, deels van schrik, deels -van ontzetting, deels van vrees, voor hetgeen nog volgen zou. - -Toen het volk aldus hard aan het roeijen was, om de boot strandwaarts te -brengen, zagen wij, als eene golf onze sloep ophief, eene menigte volks -langs het strand loopen, om ons te hulp te schieten, als wij digter bij -zouden komen. Wij naderden echter slechts langzaam het strand, en -bereikten het eerst voorbij de vuurtoren van Winterton, waar het strand -westwaarts inloopt, en hierdoor een weinig het geweld van den wind -breekt. Niet zonder veel moeite kwamen wij eindelijk behouden aan wal, -en begaven ons te voet naar Yarmouth. Wij werden daar met veel -menschlievendheid behandeld; zoowel door de overheid als door de -kooplieden en reeders van schepen, die geld bijeen bragten, dat voor ons -voldoende was, om naar Londen of terug naar Hull te gaan. - -Was ik nu zoo verstandig geweest, naar Hull terug en vandaar naar huis -te gaan, ik ware gelukkig geweest, en mijn vader zou, even als die in de -gelijkenis van den verloren zoon, zelfs het gemeste kalf geslagt hebben; -want na gehoord te hebben dat het schip, waarop ik gegaan was, op de -reede van Yarmouth was verbrijzeld, duurde het lang, alvorens hij vernam -dat ik niet verdronken was. - -Doch mijn ongelukkig noodlot dreef mij met onweerstaanbaar geweld voort; -en schoon in bezadigde oogenblikken mijne rede en mijn gezond oordeel -mij aanrieden, naar het ouderlijk huis te gaan, kon ik er niet toe -besluiten. Ik weet niet hoe ik dit noemen zal; ik wil ook niet beweren, -dat eene geheime magt ons aandrijft ons in ons verderf te storten, al is -het dat het bloot voor ons ligt en wij er met open oogen ons in begeven. -Zeker kon niets dan eene allerkrachtigste magt mij op de betredene baan -voortdrijven, in weerwil van de grondigste bewijzen, de blijkbaarste -redenen daartegen, en de onloochenbare waarschuwingen, die ik bij mijne -eerste onderneming had ondervonden. - -Mijn vriend, de zoon van den kapitein, die mij vroeger geholpen had de -vermaningen van mijn geweten te smoren, was thans schroomvalliger dan -ik. Daar wij ieder aan het ander einde der stad onder dak gekomen waren, -was ik reeds twee of drie dagen te Yarmouth, alvorens ik hem ontmoette. -Met eene geheel andere stem dan vroeger, vroeg hij mij, op een treurigen -toon, hoe ik voer. Hij zeide daarop aan zijn vader wie ik was, en dat -dit mijne eerste reis was tot een proef, om naderhand buiten 's lands te -gaan. Zijn vader keerde zich tot mij, en zeide op een ernstigen en -treffenden toon: "Jongeling, gij moest nimmer weder naar zee gaan; gij -behoort dit als een zigtbaar teeken te beschouwen, dat gij niet tot een -zeeman bestemd zijt."--"Hoe zoo, mijnheer," zeide ik, "zult gij dan niet -weder naar zee gaan?"--"Dat is iets anders," hernam hij, "het is mijn -beroep, en dus mijn pligt; maar als dit een proefreisje van u was, hebt -gij een voorsmaak van hetgeen de Hemel u bestemd heeft, als gij in uw -voornemen volhardt. Misschien zijn al deze ongelukken ons om uwentwil -overkomen, even als Jona het vergaan van het schip van Tarsis verwekte. -Zeg mij, bid ik u, wie zijt gij, en waarom gingt gij op zee?"--Ik -verhaalde hem het een en ander van mij, en toen ik geëindigd had, riep -hij driftig: "Wat heb ik gedaan, dat zulk een rampzalige bij mij aan -boord moest komen? Voor geen duizend pond zou ik weder een voet met u op -hetzelfde schip willen zetten!" Deze uitbarsting was zekerlijk een -gevolg van zijn geleden verlies, en meer dan hij zeggen mogt. Echter -sprak hij vervolgens zeer bezadigd tot mij, en vermaande mij naar mijn -vader terug te keeren en de Voorzienigheid niet te verzoeken, die zich -zigtbaar tegen mijn voornemen verklaard had. "Wees verzekerd, -jongeling," zeide hij, "dat, zoo gij niet terugkeert, gij overal -teleurstellingen en tegenspoed zult ondervinden, en de voorspellingen -uws vaders nopens u vervuld zullen worden."--Ik antwoordde hem weinig, -en spoedig daarna scheidden wij; ik weet niet waar hij heengegaan is. -Ik, die een weinig geld in den zak had, ging over land naar Londen, en -zoowel onder weg als toen ik daar was, had ik een harden tweestrijd, -welke levenswijze ik thans zou aanvangen, of ik naar mijns vaders huis -of naar zee zou gaan. - -Wat betreft het naar huis gaan: de schaamte weerstond de beste redenen -daartoe; ik stelde mij voor hoe onze bekenden mij zouden uitlagchen, en -hoe beschaamd ik zijn zou, niet alleen om mijne ouders, maar ieder ander -onder de oogen te treden. Later heb ik dikwijls opgemerkt, hoe eenzijdig -en onverstandig de mensch, bijzonder de jeugd, is, namelijk, dat zij -meer schaamte over het berouw dan over hare misstappen gevoelt, en dat -zij niet over hare dwaasheden bloost, maar wel zoo zij die varen laat. - -Ik bleef eenigen tijd weifelend welken weg ik zou inslaan. Ik gevoelde -grooten weerzin in naar huis terug te keeren, en naar gelang het -geheugen mijner tegenspoeden verflaauwde, vermeerderde deze, tot ik -eindelijk alle denkbeeld daaraan varen liet, en ik aan boord ging van -een schip, dat naar de Afrikaansche, of gelijk men gewoonlijk zegt, naar -de Goudkust, bestemd was. - -Mijn grootste ongeluk bij al deze avonturen, was, dat ik niet als -matroos scheep ging; ik had dan wel wat zwaarder moeten werken, maar zou -te gelijker tijd het scheepswerk geleerd, en mij voor onder- of -opperstuurman, of zelfs voor kapitein bekwaam gemaakt hebben. Maar -steeds was het mijn lot den verkeerden weg in te slaan, zoo als ook hier -geschiedde. Ik had nu geld op zak en goede kleederen aan, en wilde dus -altijd als een heer scheep gaan; hier had ik niets te doen en leerde dus -ook niets. - -Bij mijne komst te Londen was ik zoo gelukkig in goed gezelschap te -geraken, hetgeen een loszinnig jongeling zonder opzigt, gelijk ik, niet -altoos te beurt valt. Mijne eerste kennismaking was met den kapitein van -een schip, die van de kust van Guinea teruggekomen was, en eene goede -reis gemaakt en dus besloten had derwaarts terug te keeren. Mijn -voorkomen geviel dezen man, en daar hij van mij hoorde, dat ik verlangde -de wereld te zien, zeide hij, dat, zoo ik met hem wilde gaan, het mij -niets kosten zou; ik kon aan zijne tafel eten, en zoo ik eenige -koopwaren wilde medenemen, die zoo voordeelig mogelijk trachten te -verkoopen; misschien met zoo veel winst, dat dit mij voor liet vervolg -aanmoediging gaf. - -Ik nam dit aan, en hechtte mij naauw aan den kapitein, die een eerlijk -en rondborstig man was. Ik deed de reis met hem, en nam eenige goederen -op avontuur mede; want ik besteedde ongeveer 40 [£] Sterl. aan zoodanige -snuisterijen als hij mij opgaf. Deze 40 [£] Sterl. had ik bijeengebragt -door behulp van eenige mijner bloedverwanten, waarmede ik briefwisseling -hield en die, geloof ik, mijn vader, of althans mijne moeder, -overgehaald hadden mij die som af te staan. - -Dit was, mag ik zeggen, van al mijne avonturen, de eenigste gelukkige -reis, hetgeen ik aan mijn vriend, den kapitein te danken had, van wien -ik eene tamelijke kennis der wiskunde en van de stuurmanskunst leerde. -Ook leerde hij mij het journaal houden, het bestek opmaken, kortom al -wat een zeeman noodig heeft; want hij had even veel vermaak in mij te -onderrigten, als ik in het leeren. In een woord, deze reis maakte van -mij een zeeman en een koopman; want ik bragt vijf pond negen oncen -goudstof voor mijne goederen mede, die mij te Londen 300 guinjes -opbragten. Dit boezemde mij die begeerlijke denkbeelden in, die mij -later in het verderf hebben gestort. - -Echter bleef ik op deze reis zelfs niet van tegenspoed bevrijd, -bijzonder was ik op de kust schier aanhoudend ziek door de geweldige -hitte, die mij eene heete koorts op het lijf joeg. - -Ik was dus thans koopman op de kust van Guinea, en daar mijn vriend -ongelukkig, kort na zijne aankomst, overleden was, besloot ik op zijn -schip, waar de stuurman thans kapitein op geworden was, eene tweede reis -te doen. Nimmer deed iemand ongelukkiger reis. Ik nam slechts voor 100 -[£] Sterl. mede en liet de overige 200 bij mijn vriends weduwe achter, -doch ik onderging vreesselijke tegenspoeden. Eerst toen wij op de hoogte -der Kanarische eilanden, of liever, tusschen deze en de Afrikaansche -kust waren, werden wij in den vroegen morgen een Moorschen roover van -Salé gewaar. Hij maakte jagt op ons, met alle zeilen bijgezet. Wij -zetten ook zoo veel zeilen bij als wij konden voeren; doch bespeurende, -dat de roover op ons won en ons zeker binnen weinige uren bereiken zou, -maakten wij ons gereed om te slaan. Wij hadden twaalf stukken en de -roover achttien. - -Tegen drie uren des middags was hij bij ons; maar daar hij door een -misslag ons op zijde kwam, in plaats van achter onzen spiegel, bragten -wij acht stukken aan die zijde en gaven hem daarmede de volle laag, die -hem deed afhouden, na ons de laag en het klein geweervuur van -tweehonderd man gegeven te hebben. Niemand was echter bij ons getroffen, -daar al ons volk zich omlaag hield. Hij maakte zich tot een nieuwen -aanval, en wij tot verdediging gereed; doch toen hij ons op de andere -zijde aan boord kwam, enterde hij met negentig man, die dadelijk het -tuig kapten en het dek. Twee maal dreven wij hen met klein geweervuur, -halve pieken, handgranaten, enz., van ons dek af. Eindelijk echter, om -deze treurige geschiedenis te bekorten, was ons schip reddeloos, twee of -drie van ons volk gedood en acht gewond; en wij, genoodzaakt ons over te -geven, werden allen als gevangenen in Salé, eene Moorsche haven op de -Barbarijsche kust, binnengebragt. - -De Mooren behandelden mij niet zoo verschrikkelijk als ik gevreesd had, -en ik werd niet, zoo als al de overigen, naar den keizer gebragt; maar -door den kapitein van den kaper tot zijn slaaf genomen, daar ik jong en -vlug was en hij begreep dienst van mij te zullen hebben. Bij deze -droevige lotwisseling, van een koopman in een armen slaaf, was ik als -verplet; en thans herinnerde ik mij mijns vaders voorzegging dat ik -ongelukkig worden, en niemand mij troosten zou. Ik dacht, dat dit -oogenblik thans gekomen en de straffende hand des Hemels op mij lag. -Helaas, het was slechts eene voorproef van de ellende die mij in 't -vervolg te wachten stond. - -Daar mijn meester mij met zich naar zijn huis genomen had, hoopte ik dat -hij mij mede naar zee zou nemen; en dat hij dan te eeniger tijd door een -Spaansch of Portugeesch schip genomen worden en ik mijne vrijheid -hierdoor verkrijgen zou. Doch deze hoop verdween spoedig, want toen hij -in zee stak, liet hij mij aan den wal om zijn tuintje in orde te houden -en het gewone huiswerk der slaven te verrigten; en toen hij van zijn -kruistogt terug kwam, liet hij mij aan boord slapen om op het schip te -passen. - -Ik dacht aan niets dan aan de vlugt, maar hoe ik zon, ik kon geen -uitvoerlijk middel uitdenken, en ik had niemand met wien ik overleggen -of die met mij gaan kon, want buiten mij was er geen enkele Engelschman, -Ier of Schot. Twee jaren lang bleef ik dan ook het denkbeeld, van te -ontvlugten, koesteren, zonder dat zich immer eene gunstige gelegenheid -voordeed, het uit te voeren. - -Na twee jaren verlevendigde eene gebeurtenis weder al mijne gedachten -van ontvlugting. Mijn meester bleef langer tijd dan gewoonlijk aan wal, -zonder zijn schip uit te rusten, uit gebrek aan geld, naar ik hoorde, en -in dien tijd ging hij een paar malen 's weeks en meer, als het goed -weder was, met de scheepspinas op de reede visschen. Hij nam dan altijd -mij en een jongen Moor mede om te roeijen; wij trachtten dan hem te -vermaken, en daar ik behendig en gelukkig in het visschen was, zond hij -mij somtijds, als hij visch verlangde, met een zijner bloedverwanten en -den knaap op de vischvangst uit. - -Op een morgen waren wij bij stil weder met hem uit visschen, toen er -plotseling zulk een dikke mist opkwam, dat wij de kust uit het oog -verloren, schoon wij er geene halve mijl van af waren. Wij roeiden dus -den geheelen dag en nacht, zonder te weten waarheen, en toen de zon -opkwam zagen wij, dat wij zeewaarts, in plaats van naar den wal, geroeid -hadden, en er wel twee mijlen van af waren. Wij kwamen behouden weder -binnen, schoon niet zonder gevaar en met zwaar werken; en bovenal -duchtig uitgehongerd. - -Hierdoor geleerd, besloot de kapitein in het vervolg voorzigtiger te -zijn, en daar hij de groote boot van ons schip medegenomen had, besloot -hij niet meer zonder een kompas en eenige mondbehoeften uit visschen te -gaan. Hij gelastte hierom zijn scheepstimmerman (een Engelsche slaaf -even als ik), midden in de boot eene hut of roef te bouwen, even als van -een tentjagtje, van achteren met een stuurstoel en van voren plaats voor -een paar man, om de zeilen te hanteren. Deze boot voerde een latijn- of -driehoekig zeil, en de giek liep over de tent, waarin hij met een paar -slaven zitten en slapen kon, en een tafel had om aan te eten en eenige -kastjes, om eenige flesschen drank, benevens rijst, brood en koffij te -bewaren. - -Met deze boot gingen wij dikwijls uit visschen, en daar ik zeer bedreven -er in was, nam hij mij altijd mede. Op zekeren dag zou ik er mede -uitgaan, hetzij om te visschen of alleen tot vermaak, met twee of drie -Mooren van eenigen rang. Hij had derhalve den vorigen avond veel meer -mondbehoeften dan gewoonlijk aan boord gezonden, en mij gelast drie -geweren met kruid en lood, die aan boord van het schip waren, gereed te -leggen, om tevens eenig gevogelte te kunnen schieten. - -Ik maakte alles gereed en den volgenden morgen lag de boot schoon -gemaakt, en met vlag en wimpel, mijn meester en zijne gasten af te -wachten, toen de eerste alleen kwam en mij zeide, dat zijne gasten door -bezigheden verhinderd werden; ik moest dus maar met den matroos en den -jongen, volgens gewoonte, uit visschen gaan, want zijne vrienden zouden -het avondmaal bij hem komen gebruiken. Zoodra ik eenigen visch had, -moest ik naar huis keeren en hem dien brengen. - -Thans kwam het oude denkbeeld van te ontvlugten bij mij weder boven. Nu -ik een vaartuig had en mijn meester weg was, maakte ik alles gereed, -niet om te visschen, maar voor eene reis. Ik wist wel niet waarheen ik -den steven zou wenden, maar hieraan bekreunde ik mij niet, zoo ik -slechts vandaar weg kwam. - -Eerst zocht ik een voorwendsel, om den Moor over te halen, dat hij wat -eten aan boord bragt; ik zeide hem, dat het ons niet paste het eten van -onzen meester aan te spreken. Dat is waar, zeide hij, en bragt een -grooten zak roesk, of Moorsche beschuit, en drie groote kruiken met -water in de boot. Ik wist waar mijn meesters likeurkist stond, die, naar -het maaksel te zien, uit een Engelschen prijs afkomstig was, en bragt -die aan boord terwijl de Moor aan den wal was. Ook nam ik nog een klomp -was van wel vijftig pond aan boord, om kaarsen van te maken, met een pak -garen, eene bijl, een zaag, en een hamer, 't geen ons alles naderhand -voortreffelijk te pas kwam, vooral het was. Ik spande mijn makker nog -een strik, naar hij argeloos in liep. "Muley," zeide ik, "de geweren van -onzen meester zijn aan boord; zoo gij wat kruid en lood verschaffen -kondt, zouden wij misschien voor ons eenige alkamis (eene soort van -wulpen) kunnen schieten, want ik weet dat er kruid en lood aan boord van -het schip is."--"Ja," zeide hij, "ik zal het gaan halen." Hij bragt ook -een lederen zak, die ongeveer anderhalf pond kruid bevatte, en een -anderen met hagel en eenige kogels. Middelerwijl had ik ook nog eenig -kruid in de tent gevonden en daarmede eene flesch gevuld, na hetgeen er -in was, in eene andere overgegoten te hebben. - -Aldus van het noodige voorzien, zeilden wij de haven uit. Aan het -kasteel, dat aan den ingang van de haven ligt, kende men ons, en liet -ons ongehinderd doorgaan, en toen wij een vierde mijl in zee waren, -haalden wij het zeil in en gingen aan het visschen. De wind was N.N.O., -hetgeen ik zeer ongelukkig trof. Zoo hij zuidelijk geweest was, had ik -ligtelijk de Spaansche kust, ten minste de baai van Cadix kunnen -bereiken. Ik besloot echter deze akelige plaats te ontvlugten, hoe ook -de wind zijn mogt, en het verdere aan het lot over te laten. - -Na eenigen tijd gevischt en niets gevangen te hebben, want als ik beet -had, haalde ik niet op, zeide ik tot den Moor: "zoo gaat het niet; dit -zal onzen meester weinig baten, wij moeten dieper in zee gaan." Hij -vermoedde niets kwaads, maar stemde er in toe, en daar hij voor in de -boot was, stelde hij de zeilen. Daar ik aan het roer zat, liet ik het -eene mijl in zee loopen, en draaide toen bij als om te visschen. Ik gaf -daarop den jongen het roer, liep naar voren, bukte als om iets op te -rapen, greep den Moor onverhoeds bij den gordel, en wierp hem over -boord. Hij kwam bijkans op hetzelfde oogenblik boven, want hij zwom als -een visch, en smeekte mij hem op te nemen, terwijl hij zwoer mij overal -ter wereld te willen volgen. Hij zwom zoo vlug, dat hij, daar er weinig -wind was, de boot spoedig ingehaald zou hebben. Ik ging dus naar de -kajuit, haalde er een geweer uit en legde op hem aan. "Zoo gij mij -ongemoeid laat, zal ik u geen kwaad doen," zeide ik, "maar zoo gij de -boot nadert, zal ik u een kogel door het hoofd jagen. De zee is stil, en -gij kunt gemakkelijk naar den wal zwemmen. Ik wil mijne vrijheid weder -hebben." Hij keerde zich om en zwom naar het strand, dat hij zeker zal -bereikt hebben, want hij zwom uitmuntend. - -Ik zou dezen Moor wel hebben kunnen medenemen en den jongen over boord -werpen, maar het was niet raadzaam geweest hem te vertrouwen. Toen hij -weg was zeide ik tot den knaap, die Xury heette: "Zoo gij mij getrouw -wilt blijven, Xury, zal ik een man van u maken, maar zoo gij niet bij -Mahomed en zijn vaders baard mij trouw wilt zweren, zal ik u ook over -boord werpen." De knaap zag mij zoo onschuldig aan, dat ik hem niet kon -wantrouwen, en zwoer mij getrouw te zijn, en tot aan het einde der -wereld te zullen vergezellen. - -Zoo lang ik in het gezigt van den Moor bleef, hield ik het bij den wind, -opdat hij denken zou, dat ik naar den mond van de Straat van Gibraltar -stevende (gelijk ieder verstandig mensch verwachten moest); want wie kon -onderstellen, dat ik zuidwaarts naar de Barbarijsche kust zoude gaan, -waar geheele negerstammen ons met hunne kanoes konden omringen en -dooden; waar wij nimmer aan wal konden gaan, om niet door wilde dieren -of nog woester menschen verslonden te worden? - -Zoodra het echter duister werd, veranderde ik van koers, en stuurde -Z.Z.O., om niet te ver van de kust af te raken. De wind was stevig, de -zee kalm, zoo dat ik geloof, dat ik den volgenden middag te drie uren, -toen ik het eerst land zag, ten minste vijftig mijlen van Salé, buiten -het gebied van den Marokkaanschen keizer of eenig ander vorst was, want -wij zagen niemand. - -De angst en vrees van weder in de handen der Mooren te vallen, weerhield -mij aan land te gaan of te ankeren, ik bleef vijf dagen lang met -denzelfden wind voortzeilen; daar toen de wind zuidelijk liep, besloot -ik, dat, zoo men mij nagejaagd had, de Mooren nu ook de jagt moesten -opgeven. Dus ankerde ik in den mond van een riviertje, ik weet niet op -wat hoogte, noch in welk land of bij wat volk. Ik zag niemand, waar ik -ook niet naar verlangde; zoet water was het voornaamste wat ik noodig -had. Met den avond liepen wij de kreek binnen, en besloten, zoodra het -duister zou zijn, naar den wal te zwemmen, en het land te verkennen; -maar weldra hoorden wij zulk een verschrikkelijk gebrul, gehuil en -geblaf van wilde dieren, welke, was ons onbekend, dat de arme knaap -schier van vrees bezweek en mij bezwoer niet vóór den dag aan land te -gaan. "Ik zal wachten tot het dag is, Xury," zeide ik, "maar dan kunnen -wij menschen ontmoeten, die even kwaad jegens ons gezind zijn als deze -leeuwen."--"Dan zullen wij schieten en ze wegjagen," zeide Xury -lagchende. Hij had van Engelsche slaven wat gebroken Engelsch geleerd. -Ik was blijde, dat hij zoo welgemoed was, en gaf hem een slokje uit mijn -meesters likeurkistje.--Ook scheen zijn raad het verstandigst; dus -lieten wij ons anker vallen en rustten dien nacht; hoewel wij niet -slapen konden, want twee of drie uren later zagen wij groote wilde -beesten, wier naam ons onbekend was, naar het strand komen, en zich in -het water storten als om zich af te koelen, onder een gehuil en gebrul -zoo hevig als ik nimmer gehoord had. - -Xury was half dood van angst en ik ook; maar het werd nog erger, toen -wij een dier geweldige beesten naar onze boot hoorden toezwemmen; wij -konden hem niet zien, maar hoorden zijn verschrikkelijk gesnuif. Xury -zeide, dat het een leeuw was, hetgeen wel waar zijn kon, en riep, dat -wij het anker ligten en wegroeijen moesten. "Neen Xury," zeide ik, "wij -kunnen ons touw laten glippen met een boei er op; hij kan ons niet -vervolgen." Naauwelijks had ik dit gezegd, of ik zag geen twee -riemslengten van mij af het beest, hetgeen mij een weinig van mijn stuk -bragt. Ik ging echter dadelijk in de tent, nam een geweer en schoot op -het dier, dat dadelijk omkeerde en naar het strand zwom. - -Maar onmogelijk is 't dat akelig gehuil en gebrul te beschrijven, dat -zoowel aan het strand als dieper in het land ontstond, na het geraas van -het schot, iets, wat deze dieren waarschijnlijk nimmer te voren gehoord -hadden. Dit bewees, dat het niet veilig was dien nacht op de kust te -gaan; en hoe het bij dag zijn zou, was eene andere vraag, want het was -even erg in de handen der wilden, als in de klaauwen der leeuwen en -tijgers te vallen; wij althans waren voor beide even bang. - -Wij moesten evenwel hier of daar aan wal gaan, om water in te nemen, -want wij hadden geen pintje meer; de vraag was maar waar wij het zouden -vinden. Xury zeide dat, als ik hem met een der kruiken naar den wal liet -gaan, hij wel water vinden en mij brengen zou. Ik vroeg hem waarom hij -gaan en niet liever in de boot blijven wilde. Hij antwoordde mij met -eene genegenheid, die mij hem voor altijd deed liefhebben: "Als de -wildemans komen, zij mij eten en gij heengaan."--"Neen Xury," zeide ik, -"wij zullen beide gaan, en als de wilden komen zullen wij hen -doodschieten en zij ons geen van beiden eten." Vervolgens gaf ik Xury -een stuk beschuit en een borrel, en wij haalden de boot zoo digt naar -den wal als wij konden, en waadden daarop naar het strand, met niets dan -onze wapenen en twee kruiken om te vullen, bij ons. Naderhand vonden -wij, dat wij zoo veel moeite niet noodig gehad hadden om water, want een -weinig verder in de kreek vonden wij bij laag water het water zoet. - -Ik wilde de boot niet uit het oog verliezen, uit vrees, dat de wilden -met kanoes de rivier af mogten komen, maar de knaap zag een kwartier -uurs verder eene laagte, en liep daarheen; na korten tijd zag ik hem -terug komen. Denkende, dat hij door een verscheurend dier of wilden -vervolgd werd, liep ik naar hem toe, om hem bij te staan. Toen ik echter -digt bij hem kwam, zag ik, dat hij over zijn schouder een dier had -hangen, dat hij geschoten had, naar een haas gelijkende, maar langer van -beenen en anders van haar. Wij waren er zeer mede in onzen schik, want -het leverde ons een uitmuntend middagmaal op. Xury had er vooral zijne -vreugde in, dat hij goed water en geene wilden aangetroffen had. - -Wij vulden dus onze kruiken, aten den haas, dien wij gedood hadden, en -besloten te vertrekken, zonder dat wij eenig spoor van menschen -voetstappen in die landstreek gezien hadden. - -Daar ik reeds eene reis op de kust gedaan had, wist ik, dat de -Kanarische en Kaap Verdische eilanden niet veraf waren; maar daar ik -geen werktuigen had, om hoogte te nemen, wist ik niet juist waar wij -waren, noch op welke hoogte zij lagen, anders had ik gemakkelijk een -kunnen bereiken. Ik hoopte echter het langs de kust te houden, tot daar, -waar de Engelschen handel drijven, en daar een hunner vaartuigen te -ontmoeten. - -Voor zoo veel ik berekenen kon was ik in de landstreek, die tusschen het -gebied van den Marokkaanschen keizer en het land der Negers ligt, en -woest en alleen door wilde dieren bewoond is; daar de Negers haar -verlaten hebben, en uit vrees voor de Mooren zuidelijker getrokken zijn; -terwijl de laatsten haar om hare barheid niet willen bewonen; en er -slechts komen om er groote jagten, met twee- tot drieduizend man, te -houden. Ook zagen wij bij dag niets dan een dor onbewoond land, en -hoorden 's nachts niets dan het gehuil der wilde dieren. - -Eens of twee maal meende ik den Piek van Teneriffe te zien, en had veel -lust te trachten dien te bereiken; maar twee maal werd ik door -tegenwinden teruggedreven, ook ging de zee dan te hoog voor mijne boot, -dus besloot ik mijn eerste voornemen te volgen, en het langs de kust te -houden. - -Verscheidene malen moest ik aan land gaan, om zoet water in te nemen. -Eens lieten wij daarom het anker vallen bij eene hooge landtong. Het was -vroeg in den ochtend, en daar de vloed doorkwam, wilden wij wachten om -dieper landwaarts in te kunnen gaan. Xury, wiens gezigt scherper was dan -het mijne, riep mij zacht en zeide, dat het best ware zoo wij verder van -het strand gingen, terwijl hij mij een verschrikkelijk grooten leeuw -wees, die tegen de zijde van den heuvel lag te slapen. "Ga naar den wal, -Xury," zeide ik, "en schiet dien leeuw dood." Hij beefde echter van -schrik, en zeide: "Hij mij dooden! Ik een mond voor hem." Hij meende een -mond vol. Zonder hem meer te zeggen wenkte ik hem, dat hij stil zou -zijn, en nam mijn grootste geweer, en laadde het met twee kogels en eene -goede lading kruid; even zoo het tweede, en op het derde geweer deed ik -vijf kleinere kogels. Ik mikte zoo goed ik kon met het eerste, om hem in -den kop te treffen; maar daar hij op zijn buik lag, met zijne voorpooten -voor zijn muil, trof ik een van deze op de hoogte van de knie. Brullende -sprong hij op, doch viel dadelijk weder neder; spoedig echter stond hij -weder op drie pooten en liet een allerafgrijsselijkst gebrul hooren. Ik -nam dadelijk het tweede geweer en juist toen hij heen wilde gaan, trof -ik hem in den kop, en had het genoegen hem in stuiptrekkingen te zien -neerzijgen, terwijl hij weinig geluid meer gaf. Toen kreeg Xury weder -moed en wilde, dat ik hem aan wal liet gaan. "Welnu ga," zeide ik. Hij -nam in de eene hand een geweer, zwom met de andere naar het strand, en -bij het dier gekomen, hield hij den tromp van het geweer in zijn oor, en -schoot hem nogmaals door het hoofd, waarop hij dadelijk stierf. - -Het was een fraaije jagt, maar slecht voedsel voor ons, en het speet mij -thans genoeg, dat ik drie ladingen kruid en lood verspild had, om een -dier te dooden, dat ons tot niets nut was. Xury wilde toch iets van hem -hebben, dus kwam hij weder aan boord en verzocht mij om de bijl. "Waarom -Xury?" vroeg ik. "Ik hem den kop afhakken," zeide hij. Dit kon hij -echter niet en dus vergenoegde hij zich met een poot, die waarlijk -monsterachtig groot was. - -Ik bedacht mij echter, dat misschien zijne huid ons van eenige dienst -kon zijn, dus besloot ik hem te villen. Xury en ik gingen aan het werk, -maar Xury verstond zich veel beter op dit werk dan ik. Wij waren er den -geheelen dag mede bezig; maar eindelijk waren wij er mede gereed en -spanden de huid over de tent van onze boot; de zon droogde haar in twee -dagen, en naderhand diende zij mij om op te liggen. - -Vervolgens liepen wij tien of twaalf dagen zuidwaarts, en hielden zeer -zuinig met onze levensmiddelen huis, die echter sterk verminderden, en -gingen alleen aan land als wij water moesten innemen. Ik wilde de rivier -Gambia of Senegal, dat wil zeggen, de hoogte van Kaap Verd bereiken, -omdat ik daar Europesche schepen hoopte te ontmoeten. Zoo dit niet het -geval was, wist ik niet wat te doen, dan de eilanden op te zoeken of -onder de Negers om te komen. Ik wist, dat al de schepen van Europa, naar -de kust van Guinea of Brazilië bestemd, de Kaap Verdische eilanden -naderen. In één woord, ik had geen ander uitzigt, dan de kans van door -een schip gezien te worden of den dood. - -Gelijk gezegd is, had ik tien dagen lang dit plan gevolgd, toen ik begon -te bespeuren, dat het land bewoond was; op twee of drie plaatsen zagen -wij, toen wij voorbij zeilden, volk op het strand staan; zij waren zwart -en geheel naakt. Eens was ik voornemens aan land en naar hen toe te -gaan, maar Xury ried mij ten beste, en zeide: "Niet gaan, niet gaan." -Echter hield ik het digt langs de kust, om tot hen te kunnen spreken, en -zag, dat zij een groot eind weegs mede liepen. Zij waren zonder wapenen, -behalve een man, die een langen dunnen stok in de hand had, welke Xury -mij zeide, dat een werpspies was, en dat zij daar op verren afstand -zeer juist mede weten te treffen; ik hield mij dus op een voegzamen -afstand, maar gaf hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat -eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en -dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk -en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een -halfuur daarna terug, met twee stukken gedroogd vleesch, en eenig koorn, -gelijk het land daar oplevert. Hoewel wij niet wisten wat een van beide -was, wilden wij het gaarne aannemen. Maar de vraag was hoe er aan te -komen, want ik wilde mij niet op het strand tusschen hen wagen, en zij -schenen even bevreesd voor ons. Zij wisten echter raad, want zij bragten -en legden het aan het strand, gingen een groot eind weegs terug tot wij -het aan boord genomen hadden, en kwamen toen weder digter bij ons. - -Wij maakten hun teekens van dankzegging, want anders hadden wij niet; -doch op datzelfde oogenblik had ik gelegenheid hun eene goede dienst te -doen. Toen wij vlak bij het strand lagen, kwamen er twee verschrikkelijk -groote wilde dieren, de een den ander vervolgende (naar het ons -toescheen) van het gebergte zeewaarts loopen. Wij wisten niet of het -mannetje het wijfje achtervolgde, en evenmin of hunne verschijning iets -gewoons of ongewoons was. Ik geloof echter het laatste, want vooreerst -komen de verscheurende dieren zelden anders dan des nachts te -voorschijn; ten tweede waren de Negers, vooral de vrouwen, doodelijk -verschrikt. De man die de lans droeg hield stand, maar al de overigen -sloegen op de vlugt. Echter liepen de dieren regt op de zee aan, zonder -er aan te denken de Negers aan te vallen, en sprongen in het water, naar -het scheen, om zich te verfrisschen. Ten laatste kwam een hunner digter -bij de boot dan ik verwachtte, maar ik was gereed hem te ontvangen, want -ik had zoo spoedig mogelijk mijn geweer geladen, en zeide Xury, dat hij -de beide anderen zou laden. Zoodra hij binnen schot kwam, gaf ik vuur en -trof hem vlak in den kop. Oogenblikkelijk dook hij, doch kwam spoedig -weder boven, hetgeen hij verscheidene malen herhaalde, naar het scheen -met den dood worstelende. Hij trachtte het strand te bereiken, maar vóór -dien tijd was hij reeds dood. - -Het is onmogelijk de verbazing van die arme schepsels te beschrijven, -bij het zien en hooren van mijn schot. Velen schenen half dood van vrees -en vielen van schrik neder. Doch toen zij het dier dood zagen, en ik hun -wees, dat zij naar het water zouden komen, vatten zij moed en begonnen -het dier op te zoeken. Aan het bloed, dat op het water opkwam, bespeurde -ik waar hij lag, en met een touw, dat ik om hem sloeg en de Negers liet -inhalen, sleepten zij het op strand. Het was een bijzonder gevlekte en -schoone luipaard, en de Negers hieven van verbazing, dat ik hem gedood -had, de handen omhoog. - -Het andere beest, door den slag en het vuur van mijn geweer verschrikt, -zwom naar den wal en vloog naar het gebergte, vanwaar het gekomen was. -De verte belette mij te zien welk dier het was. Ik bemerkte spoedig dat -de Negers het luipaardenvleesch eten, en wilde het dus als eene gunst -van mij geven. Toen ik hun door teekens te kennen gaf, dat zij hem nemen -zouden, waren zij er zeer dankbaar voor. Ofschoon zij geen messen -hadden, vilden zij hem met een scherp hout zoo vlug, ja veel vlugger dan -wij het met messen hadden kunnen doen. Zij boden mij een deel van het -vleesch aan, dat ik weigerde en hun door teekens te kennen gaf, dat ik -hun alles schonk, doch ik wees hun dat ik de huid hebben wilde, die zij -mij dadelijk gaven, met eene menigte van hunnen voorraad, dien ik -aannam, zonder te weten wat ik er mede doen zou. Vervolgens gaf ik door -teekens mijn verlangen naar water te kennen, en hield hun ten dien einde -eene onzer ledige kruiken omgekeerd voor, om hun te doen zien, dat die -ledig was, en gevuld moest worden. Zij riepen dadelijk eenigen hunner, -en twee vrouwen kwamen met eene groote pot, van klei gemaakt en in de -zon gedroogd, naar ik denk; deze plaatsten zij voor mij, en ik zond Xury -met mijne kruiken aan het strand, die ze daaruit vulde. De vrouwen waren -zoo wel naakt als de mannen. - -Ik was thans voorzien van wortelen en koorn, zoo als het was, en van -water. Ik verliet dan mijne vriendelijke Negers, en stevende nog elf -dagen in dezelfde rigting, zonder te beproeven de kust te naderen; tot -dat ik het land een groot eind in zee zag loopen, op ongeveer vier of -vijf mijlen voor mij uit. Daar de zee zeer kalm was, hield ik zeewaarts, -om deze landtong om te zeilen. Eindelijk dezelve op ongeveer twee mijlen -van het land omgezeild zijnde, zag ik duidelijk land aan de andere zijde -zeewaarts. Ik besloot dus, gelijk zeker wel het geval zal geweest zijn, -dat dit Kaap Verd was, en dat gindsche eilanden, die waren, welke naar -dezelve Kaap Verdische eilanden heeten. Zij lagen echter op een grooten -afstand; en ik wist niet wat mij best te doen stond, want zoo ik door -eene windvlaag overvallen werd, zou ik nimmer de eene noch de andere -bereiken. - -In deze verlegenheid stapte ik geheel verslagen in de tent en ging daar -zitten, terwijl ik Xury aan het roer had gelaten. Eensklaps riep de -jongen: "Meester, meester, een schip, een zeil!" De arme jongen bestierf -het schier van angst, denkende, dat het niet anders zijn kon dan een van -zijn meesters schepen, uitgezonden om ons te vervolgen. Ik echter wist -wel, dat wij ver genoeg buiten zijn bereik waren. Ik sprong uit de -kajuit, en zag niet alleen dadelijk het schip, maar ook wat het was; -namelijk een Portugeesch schip, en, zoo als ik dacht, naar de kust van -Guinea bestemd, om slaven te halen. Toen ik echter zag welken koers het -hield, werd ik spoedig overtuigd dat het eene andere bestemming had, en -niet voornemens was digter bij de kust te komen. Ik hield het dus -zeewaarts, zoo veel ik kon, met oogmerk, zoo mogelijk, het te praaijen. - -Ik bemerkte dat ik met al het zeil, dat ik voeren kon, bijgezet, nog -niet in hunnen koers kon komen, maar dat zij mij voorbij zijn zouden, -voor ik hun eenig sein had kunnen doen, doch na zoo veel ik kon -opgeloefd te hebben, en toen ik reeds begon te wanhopen, zagen zij, naar -het scheen, mij door hunne kijkers, en dat het eene boot van Europeesch -maaksel was, die zij onderstelden dat een schip moest behooren, dat -vergaan was; dus minderden zij zeil, om mij op zijde te laten komen. Dit -moedigde mij aan, en daar ik een vlag van mijn ouden meester aan boord -had, heesch ik die in sjouw, tot een noodsein, en vuurde een geweer af. -Zij zagen beide, want naderhand werd mij verhaald, dat zij den rook -gezien, maar den slag niet gehoord hadden. Op deze seinen brasten zij -tegen, en in ongeveer drie uren tijds was ik hen op zijde. - -Men vroeg mij in het Portugeesch, in het Spaansch en in het Fransch wie -ik was; van al hetwelk ik niets verstond; maar eindelijk sprak een -Schotsche zeeman, die aan boord was, mij aan, en ik antwoordde hem, -zeggende, dat ik een Engelschman was, die de slavernij der Mooren van -Salé ontvlugt was. Daarop verzocht men mij aan boord te komen, en nam -mij en al mijne goederen zeer goedhartig op. - -Het was eene onuitsprekelijke vreugde voor mij, gelijk iedereen wel zal -willen gelooven, dat ik mij uit een zoo jammerlijken en schier -hopeloozen toestand, waarin ik mij bevonden had, gelijk ik begreep, -gered zag. Oogenblikkelijk bood ik den kapitein van het schip alles aan -wat ik bezat, tot vergelding van mijne bevrijding; maar hij gaf mij -edelmoediglijk te kennen, dat hij niets van mij aannemen, maar dat mij -alles wat ik had zou ter hand gesteld worden, als wij behouden in -Brazilië aankwamen. "Want," zeide hij, "ik heb u het leven gered, even -zoo als ik in uwen toestand gaarne zou gered willen worden; en het kan -te een of anderen tijd gebeuren, dat dit ook mijn lot wordt. Bovendien," -vervolgde hij, "als ik u naar Brazilië medeneem, zoo ver van uw -vaderland, en ik zou u het weinige ontnemen wat gij hebt, zoudt gij daar -van honger sterven, en ik zou dan u slechts gered hebben, om u weder in -doodsgevaar te brengen. Neen, neen, Senhor Inglese (mijnheer de -Engelschman), ik zal u uit Christelijke liefde daarheen brengen, en wat -gij hebt zal u daar wel te pas komen, om er van te leven, en uwe -tehuisreis te bekostigen." - -Even menschlievend als dit voorstel was, even strikt was hij in de -uitvoering daarvan, want hij gelastte den matrozen volstrekt niets aan -te raken van hetgeen ik had; daarna nam hij zelf alles in ontvangst, en -gaf er mij eene juiste inventaris van, ten einde mij bij onze aankomst -alles te kunnen terug geven, zelfs tot mijne drie aarden kruiken toe. - -Hij zag dat mijne boot zeer goed was, en stelde mij voor die aan hem ten -gebruike van het schip te verkoopen, en vroeg mij wat ik er voor hebben -wilde. Ik zeide, dat hij in alles zoo edelmoedig jegens mij gehandeld -had, dat ik geenerlei prijs op de boot kon stellen, maar alles aan hem -overliet. Hij zeide mij daarop, dat hij mij een briefje van zijne hand -zou geven, om er mij 80 stukken van achten te Brazilië voor te geven; en -als iemand er mij daar meer voor wilde geven, zou hij mij haar terug -geven. Hij bood mij ook nog 60 stukken van achten voor den knaap, Xury. -Ik had hier veel tegen, niet dat ik hem niet aan den kapitein wilde -afstaan, maar ik had een weêrzin om de vrijheid van den armen knaap te -verkoopen, die mij zoo trouw geholpen had, de mijne te herkrijgen. Toen -ik den kapitein mijne redenen zeide, billijkte hij die volkomen, en bood -mij, als een middel om alles te vereffenen, aan, den knaap eene -verbindtenis te geven, dat hij hem, zoo hij Christen werd, binnen tien -jaren zou vrijlaten. Daar Xury zeide, dat hij hiermede tevreden was, -stond ik hem aan den kapitein af. - -Wij hadden eene zeer goede reis naar Brazilië, en kwamen tweeëntwintig -dagen daarna in de baai de Todos los Santos of Allerheiligenbaai aan. En -nu was ik weder gered uit den allerrampzaligsten toestand. Thans moest -ik overleggen wat mij nu te doen stond. Het edelmoedige gedrag van den -kapitein jegens mij, kan ik nimmer genoeg prijzen. Hij wilde niets van -geld voor den overtogt hooren, gaf mij 20 dukaten voor de huid van den -luipaard, 40 voor die van den leeuw, welke ik in de boot had gehad, en -zorgde, dat al wat ik aan boord gebragt had, mij stipt werd -teruggegeven. Wat ik verkoopen wilde, kocht hij; zoo als den -flesschenkelder; twee van mijne geweren, en een gedeelte van den klomp -was, want van het overige had ik kaarsen gemaakt. In een woord, ik -maakte ongeveer 220 stukken van achten van mijne geheele lading, en met -dit geld ging ik in Brazilië aan wal. - -Ik begaf mij kort daarop, op aanbeveling van den kapitein naar het huis -van een zoo goed, braaf man als hij zelf was, die een ingenio, gelijk -men het noemt, dat is, eene plantaadje en suikerfabrijk had. Ik bleef -daar eenigen tijd, en leerde de wijze, waarop de suiker geteeld en -gefabriceerd wordt. Ziende hoe goed de planters leefden, en hoe spoedig -rijk zij werden, besloot ik, als ik er verlof toe bekomen kon, mij daar -te vestigen, en even als zij, een planter te worden; terwijl ik tevens -op middelen zon, om mijn geld, dat ik te Londen had, aan mij overgemaakt -te krijgen. Te dien einde verschafte ik mij eene soort van brieven van -naturalisatie, kocht zoo veel onbebouwd land als ik betalen kon, en -maakte een plan tot eene plantaadje, geëvenredigd naar het kapitaal, dat -ik uit Engeland verwachtte. - -Ik had een buurman, Wells genaamd, die te Lissabon, doch van Engelsche -ouders geboren was, en zich nagenoeg in gelijke omstandigheden als ik -bevond. Ik noem hem mijn buurman, om dat zijne plantaadje naast de mijne -lag, en wij zeer vriendschappelijk omgingen. Mijn kapitaal was even -gering als het zijne, en gedurende twee jaren plantten wij slechts, om -onze dagelijksche nooddruft te winnen. Wij begonnen echter vooruit te -gaan, en onze landerijen in orde te komen, zoodat wij in het derde jaar -eenigen tabak plantten, en ieder eene groote plek gronds gereed maakten, -om het volgend jaar suikerrietstekken op te zetten. Het ontbrak ons -echter aan hulp, en nu gevoelde ik meer dan te voren, dat ik verkeerd -gedaan had, mijn jongen, Xury, niet te houden. - -Maar helaas, was het wonder dat ik, die nimmer iets goed deed, zulk een -misslag beging! Er zat thans niet anders op dan vol te houden. Ik had -thans een beroep, dat geheel strijdig was met mijn karakter, en met de -levenswijze waarnaar ik haakte, waarvoor ik mijn vaders huis verlaten, -en al zijn goeden raad in den wind had geslagen. Ja, ik was thans -inderdaad in dien levenstoestand geraakt, waarvoor mijn vader mij -gewaarschuwd had, en welken ik even goed had kunnen bereiken als ik te -huis was gebleven, zonder mij ooit zoo in de wereld af te slooven, als -ik gedaan had. Dikwijls zeide ik tot mijzelven: "Zoo had ik even goed in -Engeland, onder mijne bloedverwanten, kunnen werken, en daarvoor -behoefde ik geen 5000 (Eng.) mijlen ver van huis te gaan, om dit onder -vreemdelingen in eene wildernis te doen, zoo ver weg, dat ik nimmer iets -van mijn vaderland, of iemand, die mij kent, hoor." - -Aldus beschouwde ik mijn toestand met bittere spijt. Ik had niemand met -wien ik omging, dan nu en dan met mijn buurman, waarvan ik gesproken -heb; geen anderen, dan handenarbeid te verrigten, en ik leefde, gelijk -ik dikwijls zeide, als iemand, die alleen op een woest eiland geworpen -is. Maar o, hoe behoorden alle menschen te bedenken, dat, zoo zij den -toestand, waarin zij zich bevinden, met een veel rampzaliger gelijk -stellen, de Hemel hen noodzaken kan hunnen tegenwoordigen daarvoor te -verwisselen, en hun vroeger geluk, door de ondervinding te leeren -erkennen! En hoe regtvaardig was het, dat juist dat eenzame leven op een -woest eiland mij te beurt viel, mij, die het zoo dikwijls vergeleken had -bij het leven dat ik toen leidde, en in hetwelk ik, naar alle -waarschijnlijkheid, met der tijd, rijkdom en schatten zou verworven -hebben. - -Ik had reeds eenige maatregelen genomen om mij te vestigen, voor mijn -goede vriend, de kapitein, die mij op zee opgenomen had, weder afzeilde, -want hij had drie maanden in lading gelegen. Ik sprak hem over het geld, -dat ik in Londen achtergelaten had, en hij gaf mij dezen welgezinden en -opregten raad: "Senhor Inglese (want zoo noemde hij mij altijd) als gij -mij brieven en een volmagt geven wilt, met last aan den persoon, die in -Londen uw geld heeft, van dit naar Lissabon te zenden, aan zoodanige -lieden als ik u zal opgeven, en in goederen, die in dit land aftrek -hebben, dan zal ik u, als het God behaagt, deze bij mijne terugkomst -medebrengen; maar daar alle zaken aan tegenspoeden onderhevig zijn, zou -ik u raden slechts 100 [£] Sterl., dat, gelijk gij zegt, de helft van uw -kapitaal is, op te vragen, en deze eerst wagen. Zoo die goed overkomen, -kunt gij het overige op gelijke wijze ontbieden, en zoo het verloren -gaat, hebt gij de andere helft nog." - -Dit was zulk een verstandige en vriendelijke raad, dat ik niet twijfelen -kon, of hij was de beste dien ik volgen kon; ik maakte dus brieven aan -de weduwe, wie ik mijn geld achtergelaten had, en eene volmagt voor den -Portugeschen kapitein, volgens zijn verlangen, gereed. Ik schreef aan de -weduwe al mijne avonturen, mijne vlugt; hoe ik den Portugeschen kapitein -op zee ontmoet had; hoe menschlievend hij zich gedragen had, en wijders -alle aanwijzingen omtrent de overzending mijner gelden. Toen de brave -kapitein te Lissabon kwam, vond hij gelegenheid dit door eenige -Engelsche kooplieden aldaar, te doen toekomen aan een koopman te Londen; -waarop zij niet alleen het geld gaf, maar bovendien den Portugeschen -kapitein een fraai geschenk overzond, voor zijne menschlievende -handelwijze jegens mij. - -De koopman te Londen besteedde deze 100 [£] aan Engelsche goederen, -gelijk de kapitein opgegeven had, en zond die naar Lissabon, vanwaar hij -ze allen behouden in Brazilië bragt. Hieronder had hij buiten mijn -weten, (want ik was te onervaren in mijne zaken om er aan te denken) -gezorgd voor alle soorten van ijzerwerk en gereedschappen, die mij op -mijne plantaadje noodig waren, en waar ik groot nut van trok. - -Toen deze lading aankwam, achtte ik mijne fortuin gemaakt. Ik was -verrukt van vreugde er over; en mijn goede vriend de kapitein had de 5 -[£] Sterl., die de weduwe hem tot een geschenk had gezonden, besteed, om -voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te -schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak, -omdat ik dien zelf geteeld had. - -Dit was echter nog niet alles; daar al mijne goederen Engelsche -manufacturen waren, zoo als lakens, wollen stoffen, baai, enz., en -alles dingen, die hier te lande bijzonder geacht en van waarde waren, -kon ik dezelve zeer voordeelig verkoopen, zoodat ik zeggen kan, dat ik -meer dan vier malen de waarde van mijne eerste lading had. Nu was ik -mijn armen buurman oneindig ver vooruit, in den staat mijner plantaadje -bedoel ik, want ik kocht een negerslaaf, en schafte mij ook een -Europeschen knecht aan, behalve dien, welken de kapitein mij van -Lissabon had medegebragt. - -Gelijk echter misbruikte voorspoed dikwijls de oorzaak van onzen -tegenspoed is, zoo ging het ook met mij. Het volgende jaar ging het met -mijne plantaadje zeer goed; ik trok van mijn eigen grond vijftig groote -rollen tabak, ieder van meer dan 100 [lb = gewicht], en deze vijftig -rollen werden gepakt en bleven liggen, in afwachting, dat de vloot van -Lissabon zou terugkomen. En daar nu mijne bezigheden en goederen -vermeerderden, begon ik over allerlei ontwerpen, en ondernemingen boven -mijn bereik, te broeden, gelijk inderdaad dikwijls de verstandigste -kooplieden het hoofd op hol brengen. - -Zoo ik in den stand gebleven was, waarin ik mij nu bevond, had ik -ruimschoots al dat geluk kunnen genieten, waarvoor mijn vader mij een -stil, rustig leven aanried; en waarvan, gelijk hij zeide, de middelbare -stand overvloeide. Doch andere gebeurtenissen wachtten mij, en ik moest -op nieuw de bewerker van mijn eigen ongeluk zijn. Wat mijn misslag -vermeerderde, en in het vervolg mijn berouw verdubbelde: al mijne -ongevallen waren het gevolg van mijn halsstarrig aanhoudend verlangen, -om de wereld rond te zwerven, en van het opvolgen dezer begeerte, in -weerwil van de duidelijkste vooruitzigten van welvaart en geluk, die de -Voorzienigheid mij schonk. - -Om dit wel te verstaan, moet men onderstellen, dat ik thans vier jaren -in Brazilië gewoond had, dat ik thans het plantaadjewerk vrij wel begon -te verstaan, en vooruit te gaan in welvaart. Ik had niet alleen de taal -geleerd, maar ook met mijne medeplanters bekendschap gemaakt, zoo wel -als met de kooplieden van San Salvador, dat onze haven was. In mijne -gesprekken had ik hun dikwijls verhaald van mijne twee reizen naar de -kust van Guinea; van de wijze, waarop daar de slavenhandel gedreven -werd, en hoe gemakkelijk het daar op de kust viel, voor beuzelingen, zoo -als kralen, snuisterijen, messen, scharen, bijlen, spiegeltjes, niet -alleen goudstof en olifantstanden, maar ook Negers in te ruilen, ten -dienste van dit land. - -Zij luisterden altijd zeer oplettend naar mijne gesprekken hierover, -maar vooral naar datgene, wat betrekking tot het koopen van Negers had, -een handel, die toen daar weinig gedreven werd, om dat men er assientos -of verlofbrieven van de koningen van Spanje en Portugal toe moest -hebben, zoodat er weinig Negers, en deze zeer duur, gekocht werden. - -Op zekeren dag was ik met eenige kooplieden en planters van mijne kennis -hierover aan het praten. Den volgenden morgen kwamen drie hunner bij -mij, en zeiden, dat zij zeer ernstig over het gesprek van den vorigen -avond hadden nagedacht, en mij thans een voorstel kwamen doen. Na mij -geheimhouding afgevraagd te hebben, zeiden zij mij, dat zij lust hadden -een schip naar de kust van Guinea uit te rusten. Alle drie hadden -plantaadjen zoo wel als ik, en zij hadden aan niets meer behoefte dan -aan werklieden. Zij konden geen slavenhandel drijven, omdat de Negers in -het openbaar moesten verkocht worden; dus wilden zij slechts ééne reis -doen, de Negers heimelijk aan wal brengen, en die onderling op hunne -plantaadjen verdeelen. Kortom, de vraag was, of ik als hun supercargo -aan boord wilde gaan, om dien handel op de kust te drijven; daarvoor -boden zij mij een gelijk aandeel in de Negers aan, zonder dat ik tot de -uitrusting iets behoefde bij te dragen. - -Dit, moet men bekennen, was een verleidelijk voorstel, zoo het gedaan -ware aan iemand, die geen eigen plantaadje te besturen had, welke fraai -op weg was om van belang te worden, en die reeds van waarde was. Voor -mij echter, gevestigd als ik was, die nog slechts drie of vier jaren zoo -behoefde voort te gaan, en de andere 100 [£] Sterl. uit Engeland te -ontbieden, en alsdan zeker 3 tot 4000 [£] Sterl. waarde bezitten zou; -voor mij was zulk eene reis de onverstandigste zaak die ik bedenken kon. - -Maar ik, die altijd geneigd was mij zelven te verderven, kon evenmin dit -aanbod weêrstaan, als mijn eerste verlangen om in de wereld rond te -zwerven, hetgeen mijn vader mij zoo welmeenend afgeraden had. Ik zeide -hun, dat ik gaarne vertrekken wilde, als zij mij beloofden in mijne -afwezigheid het opzigt over mijne plantaadje te houden, en ingeval mij -een ongeluk overkwam, daarmede te handelen, gelijk ik hun zou opgeven. -Dit namen zij aan, en verbonden zich hier schriftelijk toe. Ik maakte -een testament, en beschikte over mijne plantaadje en goederen, ingeval -ik mogt komen te overlijden. Ik stelde tot mijn eenigsten erfgenaam den -kapitein aan, die mij het leven gered had, onder verpligting van de -helft mijner roerende goederen voor zich te houden, doch de andere helft -naar Engeland te voeren. Kortom, ik nam alle mogelijke voorzorgen, ter -bewaring mijner bezittingen. Zoo ik half zoo veel zorg betoond had voor -mijn waar belang, zou ik zeker nimmer zulk eene voorspoedige zaak -vaarwel gezegd hebben, om eene zeereis, met al hare gevaren, te gaan -doen, zonder te rekenen hoe veel reden ik had van ongelukken voor mij te -verwachten. - -Maar ik werd door mijne verbeelding weggesleept, en gehoorzaamde deze -blindelings, zonder naar mijn verstand te luisteren. Toen dus het schip -uitgerust, de lading gereed en alles met mijne medereeders geschikt was, -ging ik wederom te kwader ure, scheep, den 1sten September 1659, -denzelfden dag waarop ik acht jaren geleden, mijne ouders te Hull -verlaten had, om hun gezag te braveren en mijn eigen belang tegen te -werken. - -Ons schip was van ongeveer 120 ton, en voerde veertien man, behalve den -kapitein, zijn jongen en ik. Wij hadden slechts weinig lading, behalve -de snuisterijen, die voor den handel met de Negers geschikt waren, zoo -als glazen kralen, spiegeltjes en dergelijke. - -Denzelfden dag, dat ik aan boord kwam, gingen wij onder zeil, en hielden -het noordwaarts langs onze eigene kust, met oogmerk naar de Afrikaansche -kust over te steken, als wij op de hoogte van 10° of 12° N. breedte -zouden gekomen zijn, een koers dien men toen gewoonlijk hield, naar ik -geloof. Wij hadden goed weder, maar uiterst warm, tot wij op de hoogte -van kaap St. Augustijn kwamen, waar wij zeewaarts hielden en koers -stelden, alsof wij naar het eiland Fernand de Norouba bestemd waren, -koers stellende N.O. ten N. In ongeveer twaalf dagen passeerden wij de -linie, en waren naar ons laatste bestek op 7°, 22' N. breedte, toen een -geweldige tornado of orkaan ons geheel buiten ons bestek bragt. Deze -begon in het Z.O., liep toen naar het N.W. en zette zich eindelijk in -het N.O., waaruit hij zoo verschrikkelijk blies, dat wij twaalf dagen -lang voor top en takel dreven, waar het lot en de wind ons heen voerde; -en gedurende deze twaalf dagen behoef ik niet te zeggen, dat ik alle -dagen verwachtte te vergaan, en niemand aan boord dacht er het leven af -te brengen. - -Behalve dezen woedenden storm, hadden wij ook nog het ongeluk, een man -aan de heete koorts te verliezen, en een man en een jongen werden over -boord geslagen. Toen het weder op den twaalfden dag wat bedaarde, maakte -de kapitein zijn bestek op, zoo goed als hij kon, en bevond, dat hij op -ongeveer 11° N. breedte was, maar dat hij op 22° lengte bewesten kaap -St. Augustijn was; zoodat hij berekende op de kust van Guiana of het -noordergedeelte van Brazilië te zijn, tusschen de Amazonerivier en de -Orenoko, gewoonlijk de Groote Rivier genaamd. Thans was de vraag welken -koers te houden, want het schip was lek en zeer ontzet; en de kapitein -was er voor regt naar de Brazilische kust terug te keeren. - -Hier was ik stellig tegen; en toen wij bij het nazien der kaarten van de -Amerikaansche kusten zagen, dat er geen ander bewoond eiland was, waar -wij hulp konden verwachten, voor dat wij de Caraïben bereikten, besloten -wij naar Barbados koers te stellen, hetwelk wij gemakkelijk in vijftien -dagen zeilens hoopten te kunnen doen, als wij hooger in zee opwerkten, -om den Mexikaanschen Golfstroom te vermijden. Het was ons onmogelijk -zonder hulp onze reis naar de kust van Afrika voort te zetten. - -Ten dien einde veranderden wij van koers en stuurden N.W. ten W., ten -einde een der Engelsche eilanden te bereiken. Maar onze reis was anders -bepaald, want op 12°, 15' breedte gekomen, sloeg een tweede storm ons -even geweldig westwaarts, en voerde ons buiten alle handelswegen van -beschaafde volkeren. Zoo dus al ons leven op zee gespaard werd, hadden -wij meer kans van door wilden vermoord te worden, dan ooit ons vaderland -weder te zien. In dezen nood, en terwijl de wind nog zeer hevig was, -riep een van ons volk op een morgen: "Land!" en naauwelijks waren wij -uit de kajuit gekomen, in de hoop van te kunnen zien in wat hoek van de -wereld wij waren, of het schip stiet op eene zandbank, en in een -oogenblik sloeg de zee er zoo geweldig over heen, dat wij alle -oogenblikken dachten te vergaan, en wij naar omlaag moesten gaan, om ons -voor de golven te beschutten. - -Iemand, die zoo iets nimmer bijgewoond heeft, kan moeijelijk de -heerschende ontsteltenis begrijpen. Wij wisten niet waar wij waren, noch -op welk land wij geworpen waren; of het een eiland of vast land, bewoond -of onbewoond was. Daar de wind nog hevig was, schoon het niet meer zoo -geweldig stormde, konden wij niet hopen, dat het schip het langer dan -eenige minuten kon houden, zonder verbrijzeld te worden, ten ware de -wind, door een wonder, onmiddellijk omliep. Kortom, wij zagen elkander -aan, en verwachtten elk oogenblik den dood; ons voorbereidende op den -overgang in eene andere wereld, want in deze hadden wij weinig meer te -verrigten. Onze eenigste hoop was, dat het schip nog heel bleef, en de -kapitein opmerkte, dat de wind begon te gaan liggen. - -Maar al bedaarde de wind ook, dan bleef onze toestand toch vreesselijk. -Ons schip zat zoo vast, dat wij niet hopen konden het weder vlot te -krijgen, en wij moesten slechts denken, het lijf er af te brengen. Wij -hadden de boot aan den spiegel hangen toen de storm begon, maar zij was -eerst tegen het roer beschadigd en vervolgens door de zeeën verbrijzeld -of weggeslagen; in een woord deze was voor ons verloren. Wij hadden nog -wel eene boot op het dek, maar of wij die in zee konden brengen was -twijfelachtig. Er was echter geen tijd tot beraad, want alle -oogenblikken wachtten wij, dat het schip in stukken zou breken, en -sommigen riepen, dat het al verbrijzeld was. - -In dezen nood sloeg de stuurman het eerst handen aan het werk, en bragt -met hulp van het volk, de boot uit, en wij gingen allen er in, lieten de -vanglijn los, en ons op Gods genade drijven, want de zee ging nog -geweldig hoog op het strand. - -Wij zagen allen duidelijk in, dat de zee zoo hoog stond, dat de boot het -niet houden kon en wij ontwijfelbaar moesten verdrinken. Zeil hadden wij -niet, en hadden het toch ook niet kunnen gebruiken; dus roeiden wij naar -het land, schoon met bezwaarde harten, als mannen, die hun doodvonnis te -gemoet gingen, want wij allen wisten zeer goed, dat als wij digt bij het -strand kwamen, de branding alsdan de boot in duizend stukken zou -verbrijzelen. Wij bevalen Gode onze ziel, en terwijl de wind ons naar de -kust dreef, verhaastten wij de beslissing van ons lot, door zoo hard wij -konden naar den wal te roeijen. - -Hoe het strand was, klippen of zand, steil of effen wisten wij niet; de -eenigste zweem van hoop die wij nog konden koesteren, was, dat wij bij -geluk in eene baai of golf, of in den mond van eene of andere rivier -komen mogten, waar wij door bijzonder toeval onze boot inbragten, of dat -wij aan lager wal van het land en daardoor in stil water geraakten. Er -was echter niets dat daarnaar geleek, maar toen wij digter bij het -strand kwamen, zag het land er nog veel verschrikkelijker uit dan de -zee. - -Na, naar gissing, ongeveer anderhalve mijl roeijens of liever drijvens, -kwam eene geweldige zee achter ons aan rollen, en gaf ons duidelijk te -kennen, dat dit onze genadeslag was. Zij sloeg met zoo veel geweld over -ons heen, dat de boot dadelijk omsloeg, en ons zoo wel van de boot als -van elkander scheidde, zoo dat wij naauwelijks konden uitroepen: "o, -God!" want wij waren in een oogenblik allen door de zee verzwolgen. - -Ik kan niet beschrijven welke verwarring van denkbeelden ik gevoelde, -toen ik in het water zonk; want schoon ik zeer goed zwem, kon ik mij -niet zoo uit de golven opheffen, dat ik adem kon halen, totdat de golf -mij een groot eind naar den wal gedragen of liever geworpen hebbende, -daar brak en terug liep, en mij op het land bijkans droog, maar half -dood van het ingezwolgen water, achterliet. Ik had zoo veel -tegenwoordigheid van geest, en kracht nog dat ik, ziende, dat ik digter -bij het vaste land was dan ik verwachtte, op de been sprong en zoo snel -ik kon, naar het land trachtte te loopen, voor eene andere golf mij -inhaalde en weder wegrukte. Spoedig vond ik echter, dat dit onmogelijk -was, want ik zag de zee achter mij aan komen opzetten, zoo hoog als een -hooge heuvel, en verwoed als een vijand, waartegen ik niet opgewassen -was. Mij schoot niet anders over dan mijn adem in te houden, en als ik -kon mij boven water te houden, en zoo, door te zwemmen, mij zoo mogelijk -naar de kust te laten brengen. Mijne grootste vrees was dat de zee, die -mij op het strand sloeg, mij, als zij terug liep, weder in zee mogt -slepen. - -De eerste zee, die weder opkwam, ging omtrent twintig of dertig voet -over mij heen, en ik gevoelde, dat ik met ontzettend geweld en -snelheid naar het strand werd gedreven. Ik hield den adem in, en -trachtte zoo veel ik kon vooruit te komen. Ik kon eindelijk niet langer -den adem inhouden, toen ik gevoelde dat ik oprees, en mijn hoofd en -handen boven het water uitkwamen. Dit duurde geen twee sekonden, maar -gaf mij den tijd adem te halen. Wederom werd ik door het water -overstelpt, maar niet zoo lang of ik kon het uithouden, en bemerkende, -dat het water terugliep, zwom ik daar tegen in, en gevoelde weder grond. -Nog een oogenblik stond ik stil om adem te halen, en tot ik van het -water vrij was; toen zette ik het op een loopen, zoo snel ik kon naar -het land. Maar ik kon de woede van eene volgende zee niet ontgaan, die -weder achter mij aankwam, en nog twee malen werd ik door de golven -opgeligt en als de vorige reizen voortgestuwd, want het strand was zeer -vlak. - -De laatste maal dat dit gebeurde was het bijkans noodlottig met mij -afgeloopen; want nadat de zee mij, gelijk te voren, naar land had -gesleept, wierp zij mij tegen eene klip, en dat met zoo veel geweld, dat -ik bewusteloos nederzeeg. De stoot, dien ik op mijne zijde en borst -ontving, benam mij den adem, en zoo de zee onmiddellijk terug gekomen -ware, zou ik verstikt zijn in het water; maar voor dat dit gebeurde, was -ik een weinig tot mij zelven gekomen, en ziende, dat de zee weder over -mij heen zou slaan, besloot ik mij aan een stuk van de rots vast te -houden, zoo mogelijk, tot de golf terug liep. Daar nu de golven zoo hoog -niet meer liepen, omdat ik digt bij het land was, hield ik het staande -tot de golf terug liep, en nam toen weder een loopje, dat mij zoo digt -bij het strand bragt, dat de volgende golf, schoon die over mij heen -sloeg, mij niet medesleepte, en toen bereikte ik, met nog een loopje, -den vasten wal, waar ik, zeer tot mijne vreugde, de klippen van het -strand overklom en op het gras ging zitten, gered uit het gevaar, en -buiten bereik der golven. - -Ik was nu aan land en begon rond te zien en God voor mijn behoud te -danken, in een geval waarin, eenige oogenblikken te voren, schier geene -hoop op redding was. Ik geloof, dat het onmogelijk is de verrukking te -schilderen, die men gevoelt als men zoo, als het ware uit het graf zelf -gered wordt, en het verwondert mij thans niet meer, dat men gewoon is, -als een ter dood veroordeelde genade ontvangt, tevens een heelmeester te -zenden, om hem ader te laten zoodra hij het verneemt, ten einde de -verrassing hem niet zou dooden. - -Ik liep het strand langs, met opgeheven handen, en geheel verloren in -het denkbeeld van mijne redding, terwijl ik duizend gebaren en -bewegingen maakte, als ik bedacht, dat al mijne makkers verdronken -waren, en niemand gered was dan ik alleen; want ik zag van hen niets -weder dan naderhand twee of drie hoeden, eene muts en twee schoenen, die -niet bij elkander behoorden. - -Toen ik naar het gestrande schip zag, hetwelk zoo ver lag, dat ik het -door het schuim en spatten der zee naauwelijks zien kon, stond ik op -nieuw verbaasd hoe het mogelijk was, dat ik gered had kunnen worden! - -Na door deze overwegingen mij met het troostrijke gedeelte van mijn -toestand bekend gemaakt te hebben, begon ik rond te zien, op welke soort -van plaats ik was, en wat mij thans te doen stond. Spoedig ontdekte ik, -dat ik eene vreesselijke bevrijding had gedaan, want ik was nat, had -geene andere drooge kleederen, noch iets te eten of te drinken. Ik zag -ook geen ander vooruitzigt dan om van honger te sterven, of door wilde -beesten verscheurd te worden. Wat mij tevens niet weinig neêrslagtig -maakte, was, dat ik geen wapen had om eenig beest tot mijn voedsel, te -dooden, of om mij te verdedigen tegen hen, die mij welligt tot voedsel -zouden begeeren. Ik had niets bij mij dan een mes, eene pijp en eenigen -tabak in eene doos; dit was al mijn voorraad, hetgeen mij zoo beangst -maakte, dat ik eene poos als buiten mijne zinnen was. Toen de avond -viel, begon ik met een bezwaard hart te bedenken wat mijn lot zou zijn, -als er in dit land verscheurende dieren waren; omdat deze altijd des -nachts op roof uitgaan. - -Het eenigste middel wat mij te binnen schoot, was op een digtbegroeiden -boom te gaan zitten, eene soort van den, maar doornachtig, die digt bij -mij stond en waarop ik besloot den geheelen nacht te blijven zitten, en -den volgenden dag te overdenken welken dood ik zou sterven, want ik zag -geene andere uitkomst voor mij. Ik liep een eind weegs van het strand -af, om drinkbaar water te zoeken, dat ik gelukkig vond. Na gedronken, en -voor den honger wat tabak in den mond genomen te hebben, klom ik in den -boom, en na een korten stok tot mijne verdediging, daar af te hebben -gesneden, viel ik, daar ik zeer vermoeid was, in slaap. Ik sliep zoo -gerust, als weinigen in mijn toestand zouden gedaan hebben, en ik -geloof, dat nimmer een slaap mij zoo verkwikt heeft. - -Toen ik ontwaakte was het helder dag, fraai weder en de storm bedaard, -zoodat de zee kalm was. Tot mijne verbazing zag ik, dat het schip des -nachts, van de zandbank, waarop het lag, door den vloed vlot geraakt, en -tot bij de klip gedreven was, waar ik, gelijk ik zeide, zoo tegen aan -was geworpen. Daar het dus nu slechts eene (Eng.) mijl van den wal -aflag, wenschte ik, dat ik aan boord was, om ten minste eenige -noodwendigheden voor mij te redden. - -Toen ik mijne slaapplaats in den boom verliet, zag ik nogmaals in het -rond, en het eerst wat ik bespeurde was de sloep, die ongeveer een half -uur regts van mij, op het strand lag, waar de wind en de golven haar -geworpen hadden. Ik ging in die rigting de kust langs, om bij haar te -komen, maar trof een inham of kreek aan, die mij dit belette. Ik keerde -dus terug, daar ik voor het oogenblik voornamelijk verlangde het schip -te bereiken, waar ik eenig voedsel voor mij hoopte te vinden. - -Kort na den middag werd de zee zeer kalm, en het getij liep zoo laag, -dat ik het schip tot op een vierde mijl kon bereiken. Hier vond ik -nieuwe reden tot droefheid; want ik zag duidelijk, dat, zoo wij allen -aan boord gebleven waren, wij gered zouden geweest zijn; althans hadden -wij allen behouden aan den wal kunnen komen; en mij had het ongeluk niet -getroffen van allen troost en alle gezelschap beroofd te zijn, gelijk -thans het geval was. Deze gedachte perste mij de tranen uit de oogen, -maar deze baatten mij weinig, en ik besloot zoo mogelijk het schip te -bereiken. Ik ontkleedde mij, want het was smoor heet, en ging te water; -maar toen ik het schip bereikte, wist ik niet hoe ik aan boord zou -komen. Het lag hoog en droog, en ik zag niets dat ik grijpen kon. Twee -maal zwom ik er omheen, en de derde maal ontdekte ik een dun touw, dat -over de fokkerusten hing, zoo laag, dat ik het met moeite kon bereiken, -en met behulp er van op het voorschip komen. Hier zag ik, dat het schip -gebarsten was en vrij wat water in het ruim had; maar het lag zoo op -eene bank van hard zand of liever aarde, dat het van achteren hoog op de -bank, en met den kop bijkans in het water lag; hierdoor was het geheele -achterschip heel, en al wat daar was, droog gebleven. Mijne eerste zorg -was te onderzoeken wat beschadigd en wat goed gebleven was, gelijk men -wel gelooven zal. Ik vond, dat al de provisie droog en goed gebleven -was, en daar ik uitgehongerd was, vulde ik mijne zakken met beschuit, en -at die op, terwijl ik naar andere dingen rondzag, want ik had geen tijd -te verliezen. Ik vond ook wat rum in de groote kajuit, en nam eene -goede teug, die ik wel noodig had, om mij kracht te geven tot al wat ik -nog te doen had. - -Nu had ik slechts eene boot noodig, om mij van vele dingen te voorzien, -die ik voorzag, dat mij van veel nut zouden zijn. Stil te zitten en te -wenschen naar wat ik niet had, baatte mij echter weinig, en de nood -scherpte mijn vernuft. Wij hadden verscheidene waarlooze rondhouten, -twee of drie marsstengen, en een paar waarlooze marszera's aan boord. Ik -besloot deze te gebruiken, en werkte er zooveel over boord als hare -zwaarte dit toeliet, na aan ieder een touw gebonden te hebben, voor het -wegdrijven. Nadat dit gedaan was, ging ik over boord, trok ze naar mij -toe, en bond er zoo goed ik kon vier van aan beide einden vast, in den -vorm van een vlot, en na er twee of drie korte planken kruiselings over -gelegd te hebben, vond ik, dat ik er vrij wel over loopen kon, maar dat -het niet veel zwaarte dragen kon, omdat de stukken hout te ligt waren, -dus ging ik aan het werk, en zaagde met des timmermans zaag, een -waarlooze steng in drieën, en maakte deze stukken aan mijn vlot vast, -met veel arbeid en moeite, maar de hoop, mij van vele noodwendigheden te -voorzien, deed mij boven mijn vermogen werken. - -Thans was mijn vlot sterk genoeg, om eene tamelijke zwaarte te dragen. -Het voornaamste was thans te weten wat ik er op laden zou, en hoe ik, -hetgeen er op lag, voor de branding zou bewaren, doch hierover bedacht -ik mij niet lang. Ik legde er eerst al de planken op, die ik bekomen -kon, en na wel overwogen te hebben, wat ik het meest noodig had, maakte -ik drie matrozenkisten ledig, en streek die op het vlot. De eerste vulde -ik met eetwaren, te weten brood, rijst, drie Hollandsche kazen, vijf -stukken gedroogd geitenvleesch, dat wij veel aten, en een klein weinig -Europeesch koorn, dat wij voor eenig gevogelte aan boord hadden genomen, -hetgeen echter reeds geslagt was. Er was eenige garst en tarwe onder -elkander aan boord geweest, maar tot mijne spijt vond ik, dat de ratten -het alles opgegeten of oneetbaar gemaakt hadden. Ik vond verscheidene -flesschenkelders van den kapitein met sterken drank, en in het geheel -ongeveer vijf of zes gallons arak; deze plaatste ik los op het vlot, -daar ik ze niet in de kist kon bergen. Toen ik hiermede bezig was, -begon de vloed door te komen, en ik had het verdriet van mijn buis, hemd -en vest, die ik aan het strand gelegd had, te zien wegdrijven. Mijn -linnen broek en kousen had ik aangehouden, toen ik naar het schip zwom. -Dit deed mij echter naar kleederen zoeken, die ik genoeg vond; maar -waarvan ik geen meer medenam, dan ik oogenblikkelijk noodig had, want ik -had andere dingen op het oog; en in de eerste plaats, gereedschap om -mede te werken. Na lang zoeken vond ik de timmermanskist, dat inderdaad -een belangrijke vond voor mij was, en toen van meer waarde voor mij dan -eene scheepslading goud. Ik bragt die geheel op mijn vlot, zonder mij -den tijd te gunnen van na te zien wat er in was, want dit wist ik over -het geheel wel. - -Thans was mijne zorg voor wapens en kruid en lood. Er waren in de kajuit -twee zeer goede jagtgeweren en twee pistolen; deze nam ik eerst met -eenige kruidhorens, en een zakje met kogels. Ik wist, dat er drie -vaatjes kruid aan boord waren, maar niet waar de konstapel ze gestuwd -had. Na veel zoekens vond ik ze echter; twee waren droog en goed -gebleven, het derde was vochtig; deze twee bragt ik met de wapens op het -vlot. En nu begreep ik vrij goed geladen te zijn, en begon er aan te -denken, hoe ik mijne lading aan wal zou brengen, daar ik zeilen, riemen, -noch roer had, en het minste aanwakkeren van den wind al mijne -zeemanschap zou teleurgesteld hebben. - -Drie dingen moedigden mij aan; eerstens was de zee volkomen kalm; ten -tweede dreef het getij naar het strand en eindelijk was de weinige wind -die er was, regt op de kust aan. Na dus twee of drie gebroken riemen van -de boot, en behalve mijne kist met gereedschappen, nog twee zagen, eene -bijl en een hamer gevonden te hebben, stak ik met mijne lading af. Eene -mijl ongeveer ging alles goed; alleen bespeurde ik, dat ik een weinig -zijwaarts afdreef van de plaats, waar ik eerst aan land gekomen was, -zoodat ik bemerkte, dat daar eenige strooming in het water was, wat mij -hoop gaf, daar eene kreek of rivier te zullen vinden, die mij als eene -haven kon dienen, om mijne lading aan wal te brengen. - -Het was zoo als ik gedacht had; voor mij lag een kleine inham, waar eene -sterke strooming inliep; dus stuurde ik mijn vlot zoo goed ik kon, om -het midden van den stroom te houden. Hier had ik bijkans ten tweeden -male schipbreuk geleden, hetgeen mij het hart zou gebroken hebben. Daar -ik niets van de kust wist, geraakte mijn vlot aan het eene einde op eene -zandbank vast, en daar het andere einde vlot was, scheelde het weinig, -of al mijne lading was naar dien kant gerold, die vlot was, en zoo in -het water gevallen. Ik deed mijn uiterste best, door met mijn rug de -kisten tegen te houden, alles op zijne plaats te doen blijven; maar al -mijne kracht was niet voldoende om het vlot af te duwen; ook durfde ik -niet van houding veranderen, maar stond bijkans een halfuur op die wijze -tegen te houden. Gedurende dien tijd maakte de vloed het vlot allengs -meer gelijk, en kort daarop, daar het water nog rees, was ik weder vlot, -en duwde mijn vlot af met den riem, dien ik had, in het kanaal. Toen ik -daar hooger op kwam, bevond ik mij eindelijk in den mond van eene -kleine rivier, met land aan weerszijden, en waar het getij zeer sterk -liep. - -Eindelijk bespeurde ik een kleinen inham aan de regterzijde, en bragt -met veel moeite en arbeid mijn vlot daarheen, en kwam er op het laatst -zoo nabij, dat ik met mijn riem den grond bereiken kon, en toen stuurde -ik erbinnen. Hier was bijkans weder al mijne lading in zee gevallen, -want het strand liep hier met zulk eene steile helling, dat ik nergens -kon naderen, of het eene einde van het vlot zou als het aan den wal -stiet, zoo hoog en het andere einde zoo laag liggen, dat de lading op -nieuw groot gevaar moest loopen. Al wat ik doen kon, was te wachten, tot -dat het getij op zijn hoogst was, terwijl ik met mijn riem mij nabij den -wal hield, en digt bij eene streek vlakken grond, die ik verwachtte, dat -het water bedekken zou, gelijk ook het geval was. Zoodra ik water genoeg -vond (want mijn vlot had bijkans een voet diepgang,) bragt ik het boven -dien vlakken grond, en zette het daar vast door mijne twee gebroken -riemen in den grond te steken, aan weerszijden een, en zoo bleef ik -liggen, tot het water begon af te loopen, en mij en mijne lading droog -op het strand liet. - -Mijn eerste werk was thans het land te bezien, en eene geschikte plaats -te zoeken, waar ik wonen kon, en mijne goederen tegen alle mogelijke -ongevallen beveiligen. Waar ik was, wist ik echter niet, of op vast land -of op een eiland, in een bewoond of onbewoond land, met of zonder wilde -dieren. Geene mijl van mij af was een heuvel, die zeer steil en hoog -opliep, en mij toescheen eene reeks van heuvelen, die noordwaarts zich -uitstrekten, te overzien. Ik nam een der jagtgeweren, eene pistool en -een kruidhoorn, en aldus gewapend ging ik naar den top des heuvels op -ontdekking uit. Toen ik dien met veel moeite en arbeid bereikt had, zag -ik dadelijk mijn lot; namelijk, dat ik op een eiland was, overal door de -zee omringd, zonder land in het gezigt, behalve zeer in de verte eenige -klippen, en twee eilanden, kleiner dan dit, die drie mijlen ongeveer -westwaarts van mij lagen. - -Ik zag tevens, dat het eiland, waarop ik mij bevond, woest, en gelijk ik -met grond vermoedde, onbewoond was, ten ware van wilde dieren, waarvan -ik echter geenerlei spoor zag. Ik zag eene menigte van vogels, wier -soort ik niet kende, en waarvan ik niet wist of hun vleesch eetbaar was -of niet. Toen ik terugkeerde, schoot ik een grooten vogel, dien ik op -een boom aan den zoom van een groot bosch zag zitten. Ik geloof, dat het -het eerste schot was, dat daar, sedert de schepping, gevallen was. -Naauwelijks had ik gevuurd, of uit alle deelen van het bosch rees eene -ontzettende menigte vogels van allerlei soort op, die ieder hun -eigenaardig geschreeuw en gekrijsch aanhieven; doch geen was er onder, -die ik kende. Dien ik gedood had, hield ik voor eene soort van havik, -naar zijne vederen en bek te oordeelen, echter waren zijne klaauwen niet -buitengewoon; zijn vleesch was taai en oneetbaar. - -Ik hield mij vooreerst met deze ontdekking tevreden, ging naar mijn vlot -terug, en ging aan het werk, om mijne lading aan land te brengen, dat -mij het overige van den dag bezig hield. Waar ik mijn nachtverblijf -kiezen zou, wist ik niet; ik was bevreesd, om op den grond te gaan -liggen, niet wetende, of een wild dier mij verscheuren zou. Naderhand -vond ik echter, dat ik hiervoor geene vrees behoefde te hebben. - -Zoo goed ik kon maakte ik echter eene verschansing van de kisten en -planken, die ik aan wal had gebragt, en vormde daarvan eene soort van -hut, voor dien nacht. Ik zag nog niet in, hoe ik mij van voedsel zou -voorzien, behalve, dat ik twee of drie dieren, naar hazen gelijkende, -uit het bosch had zien loopen, toen ik den vogel schoot. - -Ik begon nu te bedenken, dat ik nog veel uit het schip zou kunnen halen, -wat mij nuttig kon zijn; vooral eenig touwwerk en zeilen, en wat mij -maar van dienst zou kunnen zijn. Ik besloot dus, zoo mogelijk nog eene -reis naar het schip te doen, en daar ik wist, dat de eerste opkomende -storm het noodwendig verbrijzelen moest, besloot ik mij nergens mede -bezig te houden, voor ik al wat ik kon uit het schip had gehaald. Ik -belegde toen scheepsraad, dat wil zeggen in mijne gedachten, of ik zou -trachten met het vlot terug te gaan, maar dit achtte ik onuitvoerlijk; -dus besloot ik, even als te voren, bij laag water te gaan, gelijk ik -deed, alleen een gestreept hemd en een linnen broek aanhoudende. - -Ik kwam gelijk te voren aan boord, en maakte een vlot, doch door de -ondervinding van het eerste geleerd, maakte ik dit niet zoo -onhandelbaar, en belaadde het zoo zwaar niet. Thans bragt ik -verscheidene allernuttigste dingen voor mij mede; eerstelijk vond ik -twee of drie zakken spijkers, een groote boor, een vijfentwintig bijlen, -en bovenal, een zoo allernuttigst werktuig, een slijpsteen. Dit alles -borg ik, met verscheidene dingen van den konstapel, twee of drie -koevoeten, twee vaatjes met geweerkogels, zeven geweren en een jagtroer, -met nog eenig buskruid, een grooten zak met hagel en een groote rol -lood; maar deze laatste was te zwaar, en kon ik niet over boord -hijschen. - -Behalve dit nam ik al de kleederen mede, die ik vinden kon, en een -waarloos voormarszeil, eene hangmat en eenig beddegoed, en hiermede -belaadde ik mijn tweede vlot, en bragt alles, tot mijn groot genoegen, -behouden aan land. - -Ik was gedurende mijne afwezigheid van het land eenigzins bevreesd, dat -althans mijne mondbehoeften zouden weggeroofd zijn, maar toen ik -terugkwam, vond ik geen spoor van eenig bezoek, behalve eene soort van -wilde kat, die op eene der kisten zat, en bij mijne aankomst een eind -weegs wegliep, en toen stilstond. Zij zat zeer bedaard en gerust, en zag -mij stijf aan, alsof zij wel lust had, nader kennis met mij te maken. Ik -legde een geweer op haar aan, maar daar zij hiervan niets begreep, bleef -zij zeer bedaard zitten; daarop wierp ik haar een stuk beschuit toe, -waarmede ik echter niet zeer mild was, want mijn voorraad was niet -groot. Echter gaf ik haar een stukje, gelijk ik zeide, en zij ging er -naar toe, berook het, en at het op, en scheen naar meer te verlangen; -maar ik bedankte er voor en kon niet meer missen, dus ging zij heen. - -Na mijne tweede lading aan land gebragt te hebben, schoon ik verpligt -was de kruidvaatjes open te slaan, en bij gedeelten te ledigen, want zij -waren in hun geheel te zwaar, ging ik aan het werk, om van de zeilen, en -eenige staken, die ik daarvoor gekapt had, eene kleine tent te maken, en -in deze tent bragt ik alles wat ik wist, dat door regen of zon bederven -kon, en al de ledige kisten en vaten stapelde ik in een kring rondom de -tent, om die te versterken tegen eenigen onverhoedschen aanval van -menschen of beesten. - -Toen ik dit gedaan had, sloot ik den ingang der tent met eenige planken -van binnen, en eene overeind staande ledige kist van buiten, legde een -bed op den grond, mijne twee pistolen aan het hoofdeinde, en mijn geweer -aan mijne zijde. Hierop ging ik voor de eerste maal naar bed en sliep -zeer gerust den geheelen nacht, daar ik zeer vermoeid en uitgeput was, -want ik had den vorigen nacht zeer weinig geslapen, en den geheelen dag -hard gewerkt, om al die zaken van het schip te halen, en aan land te -brengen. - -Ik had nu het grootste magazijn van allerlei voorraad, dat ooit geloof -ik, voor één mensch was neergelegd; maar ik was nog niet voldaan, want -zoo lang het schip in dier voege bleef zitten, achtte ik het raadzaam er -alles uit te halen wat ik kon; dus ging ik elken dag met laag water naar -boord, en bragt telkens het een of ander mede. Vooral de derde maal toen -ik ging, nam ik zooveel touwwerk mede als ik kon, en zooveel dun touw en -garen als ik vinden kon, benevens een waarloos stuk zeildoek, dat -medegenomen was, om de zeilen te herstellen, en het vat vochtig -buskruid. Kortom ik bragt al de zeilen er af, hoewel ik genoodzaakt was -ze in stukken te snijden, en zooveel te gelijk mede te nemen als ik kon; -want ik kon ze niet als zeilen, maar alleen het doek gebruiken. - -Niet minder aangenaam was het mij, dat ik het laatst van alles, nadat ik -vijf of zes reizen gedaan had, en dacht niets meer van het schip te -kunnen bekomen, wat der moeite waardig was, nog vond een groot vat met -beschuit, drie vaatjes rum of sterken drank, een kistje met suiker en -een vat met best meel. Dit was eene aangename verrassing voor mij, omdat -ik niet verwachtte andere mondbehoeften aan te treffen, dan die door het -water bedorven waren. Ik maakte spoedig de ton met beschuit ledig, en -wikkelde die in stukken van de zeilen, en, om kort te gaan, ik bragt dit -alles, hoewel op verschillende tijden, behouden aan land. - -Den volgenden dag deed ik weder eene reis, en nu ik al wat draagbaar was -uit het schip geplunderd had, begon ik met de kabels, die ik aan stukken -kapte, die ik verwerken kon, en bragt twee kabels en een tros aan wal, -met al het ijzerwerk, dat ik bekomen kon, en na de sprietzeilra en de -bezaansra gekapt te hebben, en al wat ik kon, om een groot vlot te -maken, belaadde ik het met al deze zware goederen en zette af. Maar -mijn goed geluk begon mij te verlaten, want dit vlot was zoo -onhandelbaar en zoo overladen, dat, nadat ik den kleinen inham -binnengevaren was, waar ik de overige goederen aan land had gebragt, -daar ik dit niet zoo goed besturen kon als de andere, het omsloeg, en ik -met al de lading in het water viel. Voor mij was dit van weinig belang, -want ik was digt bij land; maar van mijne lading ging het grootste -gedeelte verloren, vooral het ijzer, dat ik gehoopt had mij van veel nut -te zullen zijn. Toen het echter laag water was, bragt ik nog -verscheidene stukken touw aan wal, en eenig ijzerwerk, schoon met -ontzettend veel moeite, want ik moest er naar duiken, hetgeen voor mij -een allerafmattendst werk was. Ik ging daarop ieder dag naar boord, en -bragt mede wat ik kon. - -Ik was nu dertien dagen aan wal geweest, en elf malen naar boord van het -schip gegaan, in welken tijd ik alles aan wal gebragt had, wat een -mensch met twee handen redelijkerwijs kon doen; hoewel ik waarlijk -geloof, dat, als het stil weder gebleven was, ik het geheele schip, stuk -voor stuk, zou gesloopt hebben. Toen ik de twaalfde maal aan boord wilde -gaan, bemerkte ik, dat de wind begon op te steken; ik ging echter met -laag water aan boord, en schoon ik gedacht had, dat ik de kajuit zoo -goed doorgesnuffeld had, dat ik er niets meer in vinden kon, ontdekte ik -toch een kistje met laden. In eene daarvan vond ik twee of drie -scheermessen en eene groote schaar, met een dozijn goede lepels en -vorken; in eene andere vond ik de waarde van ongeveer 36 [£] in geld; -eenige Europesche en eenige Brazilische munten, eenige stukken van -achten, eenig goud, eenig zilver. - -Ik glimlachte toen ik dat geld zag: "O slijk," zeide ik, "waar zijt gij -goed voor? Gij zijt mij niet waardig, dat ik u van den grond opneem. Een -van deze messen is meer waard dan die geheele hoop. Ik kan u niet -gebruiken, blijf waar gij zijt, en verzink naar den bodem, als iets, dat -niet waardig is gered te worden." Bij nadere overweging nam ik het -echter mede, en wikkelde alles in een stuk zeildoek, en begon te denken -om nog een vlot te maken. Toen ik echter hiermede bezig was, betrok de -lucht en de wind begon op te steken, en in een kwartier blies het eene -stijve koelte van het land. Thans begreep ik, dat het vruchteloos was -een vlot te maken, met den wind van het land af, en dat het zaak was te -vertrekken, voordat de vloed doorkwam; anders had ik het strand in het -geheel niet kunnen bereiken; dus liet ik mij in het water afzakken en -zwom het kanaal over, dat tusschen het schip en het strand lag, en dit -ging moeijelijk genoeg, gedeeltelijk om de zwaarte van hetgeen ik bij -mij had, en gedeeltelijk om de deining in het water, want de wind -wakkerde gestadig aan, en voordat het hoog water was, woei er een felle -storm. - -Maar ik had mijne kleine tent bereikt, waar ik met al mijn goed zeer -veilig lag. Het stormde den geheelen nacht door, en toen ik den -volgenden morgen uitzag, was er geen schip meer te zien! Ik stond -eenigzins verrast, maar troostte mij met de gedachte, dat ik geen tijd -noch vlijt verloren had, om alles er uit te halen wat mij van nut kon -zijn; en dat er inderdaad weinig in overgebleven was, wat ik nog aan wal -had kunnen brengen, als ik er den tijd toe gehad had. Ik liet nu alle -gedachten varen aan het schip en wat er in was, behalve aan hetgeen nog -van het wrak op de kust mogt aanspoelen, gelijk inderdaad met -verscheidene stukken het geval was, die echter voor mij van weinig nut -waren. - -Thans waren mijne gedachten geheel gevestigd op mij tegen de wilden, als -die zich mogten vertoonen, of tegen wilde dieren, als die op het eiland -mogten zijn, te beschermen, en ik overwoog lang, hoe ik dit doen, en -welke soort van woning ik maken zou; of ik een hol in den grond of eene -tent op denzelven zou opslaan. Eindelijk besloot ik tot beide, en het -zal niet ongepast zijn hier eene beschrijving van dezelve te geven. - -Spoedig bemerkte ik, dat de plaats waar ik was, niet tot mijne vestiging -geschikt was, vooral omdat het een lage, moerassige grond, digt bij de -zee was, die ik geloofde dat niet gezond zou zijn, en vooral, omdat er -geen zoet water in de nabijheid was; dus besloot ik eene gezonder en -meer geschikte plek op te zoeken. - -Ik nam verscheidene zaken in aanmerking: eerstelijk, gezondheid en zoet -water, gelijk ik zeide; vervolgens beschutting voor de zon, benevens -veiligheid voor vijanden, hetzij menschen of dieren, en eindelijk het -gezigt op de zee; opdat, als het God behaagde, eenig schip in het gezigt -te zenden, ik geene gelegenheid mogt verzuimen tot mijne bevrijding, -waarop ik nog niet alle hoop opgegeven had. - -Terwijl ik eene geschikte plaats hiertoe zocht, vond ik eene kleine -vlakte aan de zijde van een heuvel, die aldaar regtstandig als een muur -omhoog rees, zoodat ik van de hoogte niet kon overvallen worden. Aan den -kant van deze rots was eene holte, die naar den ingang van eene spelonk -geleek, schoon er geenerlei opening of spelonk in de rots was. - -Op de grazige vlakte, regt voor deze uitholling, besloot ik mijne tent -op te slaan. De vlakte was niet meer dan honderd ellen lang en tweemaal -zoo breed, en lag als eene weide voor mijne deur, en liep aan het einde -onregelmatig af naar het lager land aan het strand. Zij lag op de N.N.W. -zijde van den heuvel, hetgeen mij voor de zonnehitte den geheelen dag -beschermde, tot de zon in het W.t.Z. stond, hetgeen in deze hemelstreken -bij het ondergaan plaats heeft. - -Alvorens ik mijne tent opsloeg, trok ik voor de uitholling een halven -cirkel, die van de rots tot aan het einde, tien ellen wijd, en van het -eene einde tot het andere twintig ellen in doorsnede had. In dezen -halven cirkel sloeg ik twee rijen zware staken, en sloeg die in den -grond tot zij zoo vast stonden als pilaren, terwijl het zwaarste einde, -dat ik van boven puntig maakte, ongeveer vijf en een half voet uit den -grond zat; de twee rijen stonden geen zes duim van elkander. - -Vervolgens nam ik de stukken kabeltouw, die ik op het schip gekapt had, -en legde die op elkander in den kring tusschen deze twee rijen van -staken, tot boven aan toe, terwijl ik andere staken van binnen plaatste, -ongeveer twee en een half voet hoog, om de voorsten te versterken, en -deze palissaden waren zoo sterk, dat mensch noch beest er over noch door -kon. Dit kostte mij veel tijd en arbeid, vooral het kappen van de staken -in het bosch, hen huiswaarts te slepen en in den grond te slaan. - -De ingang tot deze plaats was geene deur, maar eene korte ladder, -waarmede ik over de omheining klom en die ik, als ik er in was, naar -binnen haalde. Aldus was ik, naar ik dacht, volkomen ingesloten en -verschanst voor iedereen, en sliep dus des nachts gerust, hetgeen ik -anders niet had kunnen doen; schoon, gelijk naderhand bleek, al deze -voorzorgen voor de vijanden die ik vreesde, noodeloos waren. - -In deze omheining of verschansing, bragt ik met eindeloos veel moeite al -mijn rijkdom, al mijne mondbehoeften, mijn kruid en lood en al mijne -goederen, die ik vroeger opgenoemd heb. Ik maakte ook eene groote tent, -en om mij voor de regens, die hier een gedeelte van het jaar zeer hevig -zijn, te beveiligen, maakte ik eene dubbele, namelijk eene kleinere tent -van binnen en eene grootere er over heen, en de bovenste bedekte ik met -eene presenning, die ik onder de zeilen gered had. - -En nu lag ik niet meer in het bed, dat ik aan wal had gebragt, maar in -eene hangmat, die zeer goed was, en aan den stuurman behoord had. - -In deze tent bragt ik al mijne mondbehoeften, en al wat door den regen -bederven kon, en maakte vervolgens den ingang toe, dien ik tot hiertoe -opengelaten had, en ging na dien tijd altijd met eene korte ladder, -gelijk ik zeide, in en uit. - -Toen dit gedaan was, ging ik aan het uitdelven van de rots, en bragt al -de aarde en steenen, die ik uitgroef, door mijne tent, en legde die -tusschen deze en de palissaden. Ik verhoogde den grond aldus anderhalf -voet, en maakte hierdoor een kelder vlak achter mijne tent. Dit kostte -mij veel tijd en arbeid, voor dat alles gereed was, en ik moet dus -terugkeeren tot eenige andere zaken, die mijne gedachten bezig hielden. - -Toen ik het ontwerp gevormd had, een tent op te slaan en den kelder te -maken, viel er een allerhevigste stortregen uit eene dikke, zwarte wolk, -en een bliksemstraal werd door een allerontzettendsten donderslag -gevolgd, gelijk natuurlijk is. Ik was niet zoo zeer ontsteld van den -bliksem, als van het denkbeeld, dat even snel als de bliksem mij voor -den geest kwam: "mijn buskruid!" Mijn hart kromp ineen, als ik bedacht, -dat een bliksemstraal al mijn kruid kon vernielen, waarvan naar ik -dacht, niet alleen mijne veiligheid, maar ook mijn onderhoud geheel -afhing. Ik was volstrekt niet bekommerd over mijn eigen gevaar, schoon, -als het kruid vlam gevat had, ik zeer ligt doodelijk getroffen had -kunnen worden. - -Dit maakte zulk een indruk op mij, dat, nadat de storm over was, ik al -mijn werk, mijn bouwen en verschansen liggen liet, en aan het maken van -dozen en kisten ging, om mijn kruid bij kleine gedeelten te bergen, in -de hoop, dat, wat er ook gebeuren mogt, het niet alles te gelijk vlam -zou vatten, en ik het zoo afgescheiden kon houden, dat het eene het -andere niet kon aansteken. Ik bragt hiermede veertien dagen door; en -mijn kruid, dat ongeveer 140 [lb = gewicht] zal bedragen hebben, had ik -toen in wel honderd partijen verdeeld. Van het vaatje, dat nat geweest -was, vreesde ik geenerlei gevaar, dus plaatste ik het in mijn nieuwen -kelder, dien ik goedvond mijn keuken te noemen, en het overige verborg -ik hier en daar in holten tusschen de klippen, in dier voege, dat er -geen nat bij komen kon, terwijl ik zorgvuldig de plaatsen merkte, waar -ik het legde. - -Middelerwijl ik hieraan bezig was, ging ik dagelijks ten minste eens met -mijn geweer uit, zoowel tot mijne uitspanning, als om te zien of ik iets -schieten kon, dat eetbaar was, en, zooveel ik kon, mij bekend te maken -met wat het eiland opleverde. De eerste maal dat ik thans uitging, -ontdekte ik, dat er geiten op het eiland waren, hetgeen mij veel -genoegen deed; er was echter een ongeluk bij, dat zij namelijk zoo -schuw, zoo scherp van gezigt en reuk, en zoo snel ter been waren, dat -het allermoeijelijkst was, haar te bereiken. - -Ik werd hierdoor echter geenszins ontmoedigd, niet twijfelende of ik zou -er weldra een onder schot krijgen, gelijk ook spoedig het geval was. -Want, nadat ik eenigzins hare gewone verblijfplaatsen op het spoor was -gekomen, ging ik op haar loeren. Ik had bemerkt, dat, als zij mij in het -dal zagen, al waren zij op de klippen, zij dan altijd verschrikt -wegliepen, en dat, als ik op de klippen was, zij geen acht op mij -sloegen. Ik besloot hieruit, dat haar oog zoodanig gevormd was, dat zij -met gemakkelijk voorwerpen zagen, die boven haar verheven waren. Ik -begon derhalve altijd eerst op de rotsen te klimmen, om boven haar -gezigt te zijn, en had dan gewoonlijk een goed schot op haar. - -De eerste maal, dat ik op haar schoot, doodde ik eene geit, die een -zuigend jong bij zich had, hetgeen mij van harte speet. Toen de moeder -viel, bleef het jong stokstijf bij haar staan, tot ik kwam en haar -opnam. Toen ik de oude geit op mijne schouders laadde en haar wegdroeg, -volgde het jong mij tot aan mijne heining. Ik legde daar de oude neder, -nam het jong in mijne armen en droeg het over de palissaden, in de hoop -van het tam te maken; maar het wilde niet eten, dus was ik gedwongen het -te dooden en het zelf te eten. Deze twee geiten voorzagen mij voor -langen tijd van vleesch; want ik at matig, en spaarde mijne eetwaren -(vooral mijn brood), zooveel ik bij mogelijkheid kon. - -Na thans mijne woning bepaald te hebben, achtte ik het volstrekt -noodzakelijk eene plaats te hebben waar, en brandhout waarmede ik stoken -kon. Ik zal op zijne plaats verhalen, hoe ik dit alles deed, en hoe ik -mijn kelder vergrootte, maar ik moet eenig verslag van mijzelven en van -mijne denkbeelden over mijne verdere levenswijze, die inderdaad niet -weinig waren, geven. - -Mijn toestand leverde een treurig vooruitzigt op. De storm, die mij op -dit eiland geworpen had, had mij tevens geheel buiten den koers van onze -voorgenomen reis geslagen, en wel honderd mijlen buiten het gewone -vaarwater der koopvaarders. Ik had dus groote reden, het als een besluit -des Hemels te beschouwen, dat ik in deze eenzame plaats en op deze -verlatene wijze mijn leven zou eindigen. Mijne tranen stroomden bij -deze gedachten, en somwijlen vroeg ik mij zelven af, waarom de -Voorzienigheid sommige harer schepselen zoo diep rampzalig maakte, zoo -hulpeloos en verlaten, dat het leven naauwelijks een reden tot -dankbaarheid was. - -Maar altijd kwam er iets in mij op, dat deze gedachten stuitte, en mij -er over berispte. Op zekeren dag in het bijzonder, toen ik met mijn -geweer in de hand langs het strand wandelde, peinsde ik ernstig over -mijn tegenwoordigen toestand, toen mijne rede als het ware toetrad, en -mij de zaak van eene andere zijde deed beschouwen. Het is waar, zeide -zij, gij zijt in een rampzaligen toestand, maar ei lieve, waar zijn uwe -kameraden? Waart gij niet elf personen in de boot? waar zijn de tien -overigen? Waarom zijn zij niet gered, en zijt gij niet vergaan? Waarom -zijt gij uitgezonderd? Is het beter hier of daar te zijn? Hierbij wees -ik op de zee. Het kwaad moet men beschouwen met het goede, dat er mede -gepaard gaat, en het kwade, waarvan het bevrijd is gebleven. - -Vervolgens bedacht ik, hoe goed voor mijn onderhoud gezorgd was, en wat -mijn lot zou geweest zijn, als niet (hetgeen honderdduizend tegen een -was) het schip van de plaats, waar het eerst gestooten had, vlot -geraakt, en zoo digt bij den wal gedreven was, dat ik in staat was -geweest, er al die goederen uit te halen. Hoe zou mijn toestand geweest -zijn, als ik had moeten leven in den staat, waarin ik het eerst aan wal -kwam, zonder levensmiddelen en zonder eenig middel, mij die te -verschaffen. Wat vooral zoudt gij gedaan hebben, zeide ik luid tot -mijzelven, zonder geweer, zonder kruid of lood, zonder eenig gereedschap -om iets te maken of mede te werken, zonder kleederen, beddegoed of eenig -deksel? - -Nu ik dit alles in genoegzame hoeveelheid had, en fraai op weg was, mij -zoodanig in te rigten, dat ik zonder mijn geweer zou kunnen leven als -mijn kruid op was, zoo dat ik een gegrond vooruitzigt op voedsel had, -zoo lang als ik leefde, want van den beginne af had ik er mijne -gedachten over laten gaan, hoe in verschillende omstandigheden te -handelen, in het toekomende, niet alleen als mijn kruid en lood op zou -zijn, maar zelfs als mijne gezondheid en krachten zouden afnemen. - -Ik moet echter bekennen, dat ik toen echter volstrekt er niet aan dacht, -dat ik mijn kruid in eens, door den bliksem meen ik, kon verliezen, en -hierdoor was ik zoo ontsteld, toen dit denkbeeld voor de eerste maal bij -het onweder, bij mij op kwam. - -En, daar ik nu het droevig verslag van een eenzaam leven moet beginnen, -gelijk men welligt nimmer in de wereld meer gehoord heeft, zal ik dit -van den beginne af en met orde verhalen. Het was, naar mijne rekening, -de 30ste September, toen ik op de vermelde wijze het eerst den voet op -het woest eiland zette, toen de zon, bij ons in de herfstevening, -bijkans regt boven mijn hoofd stond, want ik rekende, dat ik mij op 9°, -22' ten noorden van de linie bevond. - -Na een verblijf van tien of twaalf dagen, kwam het mij in de gedachten, -dat ik, bij gebrek van boeken en schrijfgereedschap, met de tijdtelling -verward raken zou, en zelfs den zondag niet van de werkdagen -onderscheiden kunnen. Om dit te voorkomen sneed ik met mijn mes op een -grooten staak, met kapitale letters, het volgende opschrift: - -IK KWAM HIER AAN WAL DEN 30 SEPTEMBER 1659. - -en plaatste dit op een staak, in den vorm van een kruis, aan het strand, -waar ik het eerst aan land gekomen was. Op de zijden van dezen stijl -sneed ik elken dag een kerf met mijn mes, en elke zevende kerf eens zoo -lang als de overigen, en elken eersten dag van de maand weder eens zoo -lang, en aldus hield ik mijn almanak, en berekende de weken, maanden en -jaren. - -Ik moet nog zeggen, dat onder de vele goederen, die ik op verschillende -reizen, van het schip afbragt, zich verscheidene zaken van minder waarde -bevonden, die mij echter niet minder van nut waren, en welke ik vroeger -vergeten had te vermelden, zoo als vooreerst pennen, inkt en papier, -verscheidene zaken van den kapitein, stuurman, konstapel en timmerman -afkomstig, als drie of vier kompassen, eenige zeevaartkundige -instrumenten, zonnewijzers, verrekijkers, kaarten en boeken over de -stuurmanskunst, hetwelk ik alles ondereen wierp, of ik het soms noodig -mogt hebben. Ook vond ik drie goede Bijbels, die bij de lading, mij uit -Engeland gezonden, geweest waren, en die ik onder mijne bagaadje gepakt -had, ook eenige Portugesche boeken, en daar onder twee of drie Roomsche -gebedenboeken en andere werken, die ik allen zorgvuldig borg. En ik moet -niet vergeten, dat wij aan boord een hond en twee katten hadden, wier -zonderlinge geschiedenis ik in het vervolg vermelden zal. Ik nam de -beide katten mede, en de hond sprong uit zichzelve over boord en zwom -naar den wal, den dag, nadat ik voor het eerst eene lading aan land -gebragt had, en was mij vele jaren een trouw dienaar; mij ontbrak niets -wat hij mij kon verschaffen; hij was voor mij een uitmuntend gezelschap -geweest, zoo hij slechts had kunnen spreken, maar dat ging niet. Gelijk -ik zeide, ik vond pennen, inkt en papier, en was daar zoo zuinig op, als -mogelijk; en het zal den lezer blijken, dat ik, zoo lang mijne inkt -duurde, alles zeer naauwkeurig opteekende, maar toen deze op was, was -dit onmogelijk, want ik kon geene inkt maken, wat ik ook verzon. - -Dit herinnert mij, dat mij nog vele dingen ontbraken, niettegenstaande -al wat ik bijeengeraapt had; hieronder behoorde de inkt, eene spade, -houweel en schop, om den grond te bewerken; naalden, spelden en garen. -Wat linnen betrof, dit leerde ik spoedig zonder moeite ontberen. - -Dit gebrek aan gereedschap maakte, dat al mijn werk langzaam van de hand -ging, en het duurde bijkans een jaar, alvorens ik mijne kleine schans, -of met palissaden bezette woning, voltooid had; het kappen der palen en -staken, die zoo zwaar waren als ik ze slechts vervoeren kon, vereischte -veel tijd, en nog meer het bewerken en naar huis slepen. Ik bragt -somtijds twee dagen door met een dezer palen te kappen en naar huis te -brengen, en een derden met dien in den grond te slaan, waartoe ik eerst -een zwaar stuk hout gebruikte, maar eindelijk bedacht mijn koevoet te -gebruiken; doch ook hiermede bleef het inslaan van deze palen een zeer -moeijelijk en vervelend werk. - -Maar wat behoefde ik mij te bekommeren of iets wat ik te doen had, -vervelend was, aangezien ik tijd genoeg had, om het te verrigten? Als -dit afgeloopen was, had ik toch geene andere bezigheid, ten minste niet -die ik voorzien kon, behalve het rondgaan van het eiland, om voedsel te -zoeken, wat ik elken dag meer of minder deed. - -Ik begon nu ernstig over mijn toestand, en de omstandigheden waarin ik -mij bevond, na te denken, en ik maakte schriftelijk een staat van mijne -zaken, niet zoo zeer voor iemand, die na mij hier komen zou, want -waarschijnlijk zou ik weinig erfgenamen hebben, maar wel om mijne -gedachten, die daar dagelijks op gevestigd waren en mijn geest -neêrdrukten, lucht te geven, en dewijl de rede thans bij mij de overhand -begon te krijgen, begon ik mij te troosten zoo goed ik kon en plaatste -het goede tegenover het kwade, om mijn toestand van een nog ergeren te -onderscheiden. Ik stelde dan zeer onpartijdig, als debiteur en -crediteur, het goede, dat ik genoot, tegenover de rampen, die ik leed; -op deze wijze: - - - _het kwaad._ _het goed._ - -_Ik ben op een akelig Maar ik ben in leven en -onbewoond eiland geworpen, niet verdronken, zoo als al -buiten alle hoop op verlossing. mijne scheepsmakkers. - -Ik ben uitgekipt en als het Maar ik ben ook uitgekipt -ware afgezonderd van de uit al het scheepsvolk, -geheele wereld, om ongelukkig om van den dood gespaard -te zijn. te worden, en Hij, die mij - wonderbaarlijk van den dood - bevrijdde, kan mij ook uit - dezen toestand redden. - -Ik ben van het menschdom Maar ik ben niet verhongerd, -afgesneden als een kluizenaar, en verga niet op eene -als een balling uit onvruchtbare plaats, die geen -de maatschappij. voedsel oplevert. - -Ik heb geene kleederen, Maar ik ben in een warm -om mij te bedekken. klimaat, waar ik naauwelijks - kleederen zou kunnen - verdragen; als ik ze had. - -Ik ben genoegzaam weerloos, Maar ik ben op een eiland -zonder de middelen, geworpen, waar ik geene wilde -om mij tegen menschen of dieren zie, gelijk op de -beesten te verdedigen. Afrikaansche kust. Wat - zou het zijn, zoo ik daar - schipbreuk geleden had? - -Ik heb niemand tegen Maar God heeft wonderdadig -wien ik spreken, of die het schip digt genoeg -mij opbeuren kan. bij den wal gezonden, opdat - ik daar zoo velerlei - noodwendigheden uit kon - bekomen, als mijne behoeften - vereischen of althans mij - in staat zullen stellen, zelf - zoo lang ik leef, daarin te - voorzien._ - - -Over het geheel blijkt het uit deze balans duidelijk, dat er naauwelijks -eenige toestand in de wereld zoo rampzalig is, dat men niet, hetzij, om -het gemis van eenig kwaad, hetzij, om het bezit van eenig goed, dankbaar -moet zijn. Volgens mijne ervaring van een der bedroevendste toestanden -in de wereld, vinden wij er altoos iets in, om ons mede te troosten, en -bij onze overweging van denzelven, op de creditzijde te plaatsen. - -Na op deze wijze mij eenigzins in mijn toestand getroost te hebben, -staarde ik niet meer zoo onophoudelijk zeewaarts, of ik een schip kon -zien; maar begon mij het leven zoo aangenaam als mogelijk te maken. - -Reeds heb ik mijne woning beschreven, die eene tent was, tegen eene rots -aan, omringd met sterke palissaden, die men wel een muur mogt heeten, -want ik maakte er eenen wal tegen van zoden, van twee voet breed, aan de -buitenzijde, en na eenigen tijd (ongeveer anderhalf jaar denk ik), -bragt ik staken er van tegen de rots, en bedekte die met boomtakken, en -al wat ik dienstig achtte, om den regen af te weren, die sommige tijden -van het jaar allerhevigst viel. - -Ik heb reeds aangemerkt, hoe ik al mijne goederen binnen deze schans -bragt en in den kelder, dien ik gemaakt had, maar ik moet er bij -vermelden, dat dit in den beginne een verwarde hoop goederen was, die, -daar zij ordeloos door elkander lagen, de geheele plaats vulden. Ik kon -mij keeren noch wenden, dus begon ik mijn kelder te vergrooten, en -dieper in den grond te werken, want de rots bestond uit lossen -zandsteen, die gemakkelijk te bewerken was; en toen ik vond, dat ik voor -verscheurende dieren veilig was, werkte ik zijwaarts in de rots, en toen -weder regtsaf werkende, groef ik tot naar buiten, en maakte eene deur, -waardoor ik buiten mijne palen of schans kwam. - -Dat verschafte mij niet alleen een uitgang van achteren, maar gaf mij -ook ruimte, om veel goed te bergen. - -En nu ging ik aan het werk, om zoodanige goederen te maken, als ik vond -het meest benoodigd te zijn, vooral een stoel en tafel, want zonder deze -kon ik de weinige geneugten, die ik in de wereld had, niet smaken; ik -kon niet met genoegen eten of schrijven, of verschillende andere zaken -verrigten, als ik niet aan eene tafel zat. Ik moet hier aanmerken, dat -de rede de grondslag der wiskunde is, en dat iedereen, die gezond over -berekeningen en evenredigheden kan oordeelen, alle werktuigelijke -kunsten begrijpen en leeren kan. Ik had nimmer gereedschap gehanteerd, -maar ten laatste vond ik, dat mij niets ontbrak of ik had het kunnen -maken, vooral, als ik gereedschap had gehad. Zonder gereedschap -vervaardigde ik echter ook nog veel, en sommige dingen met geen ander -gereedschap dan een dissel en een bijl, die welligt nimmer op die wijze -vroeger zijn vervaardigd geworden. Dit ging echter niet zonder -ontzettende moeite. Als ik bij voorbeeld eene plank noodig had, zat er -niet anders voor mij op, dan een boom te vellen, dien op een helling -voor mij te leggen, en aan weerszijden met mijn bijl af te hakken, tot -ik hem zoo dun als eene plank had gemaakt, die ik dan met mijn dissel -vlak maakte. Wel is waar, ik kon op die wijze van een geheelen boom -slechts eene plank maken; maar hier zat niets op dan geduld te hebben, -dat hoog noodig was, voor den ontzettenden tijd en arbeid, dien het -maken van eene plank mij kostte; maar mijn tijd of arbeid was weinig -waard, en dus kon ik die even goed op de eene als op de andere wijze -besteden. - -Ik maakte mij echter in de eerste plaats een stoel en tafel, zoo als ik -zeide; en dit deed ik van de korte planken, die ik op mijn vlot van -boord had gebragt; maar toen ik op de bovengemelde wijze eenige planken -gemaakt had, maakte ik groote vakken van anderhalf voet breed, boven -elkander, langs de eene zijde van mijn kelder, om er al mijn -gereedschap, spijkers en ijzerwerk in te leggen, en ieder ding zijne -afzonderlijke plaats te geven, om het gemakkelijk te kunnen vinden; ook -sloeg ik krammen in den muur van de rots, om mijne geweren, en wat -verder hangen kon, aan op te hangen; zoodat, als men mijn kelder gezien -had, men dien als een magazijn van allerlei noodwendigheden zou -beschouwd hebben. Ik had alles zoo bij de hand, dat het mij tot een -groot genoegen strekte, al mijne goederen in zoo goede orde te zien, en -vooral, dat mijn voorraad zoo groot was. - -Thans begon ik een dagboek van mijne verrigtingen van elken dag te -houden. In den beginne was ik hiertoe te veel bezig geweest, niet alleen -met werk, maar ook overladen met neêrslagtigheid, en mijn journaal ware -met allerhande buitensporigheden gevuld geworden. Ik had bij voorbeeld -moeten zeggen: den 30sten September. Na aan wal gekomen en voor -verdrinken bewaard te zijn, in stede van toen God voor mijne bevrijding -te danken, ontlastte ik eerst mijne maag van al het zeewater, dat ik in -menigte binnen gekregen had, en eenigzins hersteld zijnde, liep ik langs -het strand, mijne handen wringende, mij tegen het voorhoofd slaande, -over mijne ellende jammerende, en uitroepende: "Ik ben verloren! ik ben -verloren!" totdat de afgematheid mij dwong op den grond te gaan liggen, -om te rusten, want ik durfde niet slapen, uit vrees van aan wilde dieren -ten prooi te vallen. - -Eenige dagen daarna, en nadat ik aan boord van het schip was geweest, en -al wat ik kon er uit gehaald had, kon ik toch niet nalaten een heuvel te -beklimmen en in zee te zien, op hoop van een schip te bespeuren, totdat -mijne verhitte verbeelding mij een zeil deed zien, dat, nadat mijne -oogen schier blind gestaard waren, weder verdween, waarna ik ging zitten -weenen als een kind, en op deze wijze door mijne dwaasheid mijn ongeluk -vermeerderde. - -Toen ik dit echter eenigzins te boven was, en mijne huishouding en -woning in orde bragt, mij een tafel en stoel maakte, en alles rondom mij -zoo goed opknapte als ik kon, begon ik een journaal te houden, hetgeen -ik hier laat volgen (schoon al de bijzonderheden reeds vermeld zijn) zoo -lang het duurde, want, toen ik op het laatst geen inkt meer had, moest -ik het staken. - - -HET JOURNAAL. - - -1659. 30 September. Ik, arme, ongelukkige Robinson Crusoe, kwam, na -schipbreuk geleden te hebben, op dit rampzalig, woest eiland, dat ik het -_Wanhoops-eiland_ noemde, al mijne scheepsmakkers zijn verdronken, en ik -zelf half dood. - -Den geheelen verderen dag bragt ik door met mijn ongelukkig lot te -bejammeren. Ik had geen voedsel, woning, kleederen, wapenen noch -toevlugtsoord, en aan alle uitkomst wanhopende, niets dan den dood voor -oogen, hetzij, dat ik door wilde dieren verslonden, door wilden -vermoord, of uit gebrek aan voedsel verhongeren moest. Bij het aanbreken -van den nacht, ging ik, uit vrees voor wilde dieren, in een boom slapen, -maar sliep gerust, schoon het den geheelen nacht regende. - - * * * * * - -1 October. In den morgen zag ik met verwondering, dat het schip met den -vloed vlot was geraakt en op het strand veel digter bij het eiland was -gedreven; hetwelk aan den eenen kant eene vertroosting was, want daar -het overeind was en niet in stukken gebroken, hoopte ik, als de wind -bedaarde, er aan boord te komen en eenig voedsel en noodwendigheden voor -mij uit te halen. Aan den anderen kant hernieuwde het mijn jammer over -het verlies mijner makkers, die, als wij allen aan boord gebleven waren, -welligt het schip behouden hadden; althans zouden zij niet allen -verdronken zijn, gelijk thans. En zoo zij gered waren, hadden wij -misschien uit de overblijfselen van het schip eene boot kunnen bouwen, -om ons naar een ander deel der wereld te brengen. Ik bragt den geheelen -dag door met hierover te peinzen, maar, toen ik eindelijk zag, dat het -schip bijkans droog zat, ging ik op het zand er zoo digt bij als ik kon, -en zwom toen aan boord. Het regende ook heden den geheelen dag, schoon -zonder eenigen wind. - - * * * * * - -Van 1 tot 24 October. Al deze dagen doorgebragt in het doen van -verschillende togten, om al wat ik kon uit het schip te halen, hetgeen -ik telkens, als de vloed doorkwam, op vlotten aan wal bragt. Veel regen -in deze dagen, doch tusschenbeide mooi weder; het schijnt, dat dit het -regenachtige jaargetijde is. - - * * * * * - -24 October. Mijn vlot viel om en al wat er op lag, maar, daar het in -ondiep water was, en er veel zware goederen bij waren, bekwam ik er bij -laag water veel van terug. - - * * * * * - -25 October. Het regende den geheelen nacht en dag, met eenige -windvlagen, gedurende welken tijd het schip verbrijzeld werd, en er -niets meer van te zien bleef, dan alleen bij laag water het wrak. Ik -bragt den dag door met de goederen, die ik gered had, te bergen en te -bedekken, opdat de regen ze niet zou bederven. - - * * * * * - -26 October. Bijkans den geheelen dag liep ik het strand langs, om eene -plaats te zoeken, waar ik mijn verblijf zou kiezen, vooral bezorgd, om -mij voor eenigen nachtelijken overval van menschen of beesten te -beveiligen. Tegen den avond koos ik eene geschikte plaats uit, tegen -eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn verblijf, dat ik -besloot te versterken met een wal of schans, uit twee rijen palen, van -binnen met kabeltouw belegd, en van buiten met zoden. - - * * * * * - -Van den 26sten tot 30sten werkte ik zeer hard, om al mijn goed naar -mijne nieuwe woning te vervoeren, schoon het somtijds zeer hard regende. - - * * * * * - -Den 31sten. In den morgen ging ik uit met mijn geweer, om eenig voedsel -te zoeken en het land te ontdekken. Ik doodde eene geit en haar jong -volgde mij naar huis, dat ik naderhand ook doodde, omdat het niet eten -wilde. - - * * * * * - -1 November. Ik sloeg mijne tent op onder eene rots, en bragt daarin den -eersten nacht door; ik heb die zoo wijd gemaakt als ik kon, en er palen -in geslagen, om mijne hangmat aan te hangen. - - * * * * * - -2 November. Ik zette al mijne kisten en planken en de rondhouten van -mijne vlotten op, en maakte daarvan eene verschansing, een weinig binnen -de plaats, die ik gekozen had, om mij te vestigen. - - * * * * * - -3 November. Ik ging uit met mijn geweer, en schoot twee vogels, naar -eendvogels gelijkende, die zeer goed waren om te eten. Des namiddags -ging ik aan het werk, om eene tafel te maken. - - * * * * * - -4 November. Dezen morgen begon ik mijn tijd te verdeelen, in werkuren, -een tijd, om met mijn geweer uit te gaan, een tijd, om te slapen en een -tijd tot uitspanning. Elken morgen ging ik, als het niet regende, twee -of drie uren met mijn geweer uit; dan ging ik aan het werk tot tegen elf -uren; dan at ik wat ik had, en van twaalf tot twee uren deed ik een -slaapje, daar het alsdan drukkend heet was, en ging dan weder tot den -avond aan het werk. Dezen en den volgenden dag besteedde ik al mijne -werkuren aan het maken van eene tafel; maar ik was een bedroefde -timmerman, hoewel de tijd en de noodzakelijkheid mij spoedig een goed -handwerksman maakten, gelijk zij, geloof ik, iedereen zouden doen. - - * * * * * - -5 November. Dezen dag ging ik met mijn geweer en mijn hond uit, en -schoot eene wilde kat; hare huid was zeer zacht, maar haar vleesch -deugde niets. Ieder dier, dat ik doodde, stroopte ik de huid af en -bewaarde die. Toen ik langs het strand terugkeerde, zag ik verscheidene -zeevogels, die ik niet kende, maar ik was verrast en bijkans verschrikt -door het zien van twee robben, die, terwijl ik er op staarde, en -alvorens ik zag wat dit waren, in zee doken en mij voor dat oogenblik -ontsnapten. - - * * * * * - -6 November. Na mijne ochtendwandeling ging ik weder aan mijne tafel aan -het werk, en maakte die af, schoon zij mij niet beviel; het duurde -echter niet lang of ik kon haar verbeteren. - - * * * * * - -7 November. Het werd thans bestendig weder. Den 7den, 8sten, 9den, 10den -en een gedeelte van den 12den (want naar mijne rekening was het den -11den, zondag) besteedde ik geheel in het maken van een stoel, en gaf -daar met veel moeite een redelijk fatsoen aan, schoon hij mij nimmer -beviel, en ik onder het maken hem verscheidene malen weder aan stukken -brak. Ik moet hierbij aanmerken, dat ik spoedig vergat de zondagen te -rekenen, omdat ik hun merk op den stijl vergeten had. - - * * * * * - -13 November. Dezen dag regende het, hetgeen mij zeer verfrischte, en de -aarde verkoelde; maar de regen ging met een verschrikkelijk onweder -gepaard, hetgeen mij voor mijn kruid veel angst deed uitstaan. Zoodra -dat voorbij was, besloot ik al mijn kruid in kleine gedeelten te bergen, -opdat het geen gevaar zou loopen. - - * * * * * - -14, 15 en 16 November. Deze drie dagen sleet ik geheel met het maken van -vierkante kistjes of doozen, die een of op zijn hoogst twee pond kruid -konden bevatten, en na het kruid er in geborgen te hebben, zette ik die -in zoo veilige en afgelegen plaatsen als ik kon. Op een van deze drie -dagen schoot ik een grooten vogel, die goed om te eten was, maar wiens -naam ik niet kende. - - * * * * * - -17 November. Dezen dag begon ik achter mijne tent in de rots te graven, -om meerder ruimte voor mij te verkrijgen. Drie dingen had ik hiertoe -vooral noodig; te weten een houweel, een schop en een kruiwagen. Ik liet -dus het werk staan, en begon te overwegen, hoe ik in dit gebrek voorzien -en mij eenige werktuigen vervaardigen zou. In plaats van het houweel, -kon ik een der ijzeren koevoeten gebruiken, hoewel die zwaar genoeg -waren; maar thans had ik eene spade noodig; deze was zoo noodig, dat ik -zonder haar niet veel uitrigten kon; maar hoe ik er eene maken zou wist -ik niet. - - * * * * * - -18 November. Den volgenden dag vond ik in het bosch een boom van het -hout, dat men in Brazilië ijzerhout noemt, omdat het zoo hard is. Ik -kapte hiervan een gedeelte, schoon met veel moeite, en hoewel het mij -bijkans mijne bijl gekost had, en bragt het moeijelijk genoeg naar huis, -want het was zeer zwaar. - -De ontzettende hardheid van dit hout, hield mij lang op, hoewel ik er -echter van lieverlede het fatsoen van een spade aan gaf, van boven met -een handvatsel gelijk de onze; maar daar het ondereinde niet van ijzer -was, kon zij zoo lang niet duren. Zij was echter voldoende voor hetgeen -ik ermede doen wilde. Ik geloof niet, dat men ooit eene spade op die -manier, of die zooveel tijd kostte, gemaakt heeft. - -Ik had nog niet al wat ik noodig had; ik moest nog eene mand of een -kruiwagen hebben. Eene mand kon ik niet maken, omdat ik geen buigzame -teenen bezat, ik vond ze althans niet; en wat den kruiwagen betreft, ik -verbeeldde mij, dat ik die zeer goed zou kunnen maken, behalve het wiel; -daar had ik geen begrip van, en wist niet, hoe ik het aan zou vangen; -bovendien had ik geen ijzeren banden, waarin de as van het wiel kon -loopen; dus gaf ik dit op. Om dus de aarde, die ik uitdelfde, weg te -dragen, maakte ik eene soort van bak, gelijk die, waarin de metselaars -hunne kalk dragen. Dit maken ging gemakkelijker dan de spade, en toch -had ik aan het een en ander, en aan mijne vergeefsche pogingen, om een -kruiwagen zamen te stellen, vier dagen noodig; altijd daar afgerekend -mijne morgenwandelingen, die ik zelden verzuimde, en waarvan ik ook -meestal iets eetbaars te huis bragt. - - * * * * * - -23 November. Daar mijn ander werk stil gestaan had, terwijl ik mijne -gereedschappen maakte, hervatte ik dit thans, en werkte er zooveel aan -als mijne krachten mij toelieten, achttien dagen achtereen aan het -verwijden en uitdiepen van mijn kelder, ten einde al mijne goederen er -gemakkelijk in zouden kunnen staan. - -Al dien tijd werkte ik, om eene kamer of kelder te maken, groot genoeg -om mij tot magazijn, tot keuken, tot eetkamer en tot kelder te -verstrekken. De tent was mijne eigenlijke woning; maar in het -regensaisoen regende het somtijds zoo hard, dat ik er mij niet droog kon -houden, daarom bedekte ik naderhand mijn geheele verblijf binnen de -palissaden, met lange staken in den vorm van latten, tegen de rots aan -liggende, en bedekte die met takken en bladeren. - - * * * * * - -10 December. Ik had thans gedacht, dat mijn kelder zoo goed als gereed -was; toen plotseling (naar het schijnt, had ik te wijd uitgegraven) een -zoo groote menigte aarde, van boven en van een der zijden, viel, dat ik -er hevig van ontroerde, en geen wonder, want ware ik er onder geweest, -men had nimmer een graf voor mij behoeven te graven. Deze tegenspoed -verschafte mij op nieuw een groot deel werk, want ik moest de losse -aarde naar buiten brengen, en, wat van meer belang was, het gewelf -stutten, opdat ik voor geene herhaling van dit ongeval behoefde te -vreezen. - - * * * * * - -11 December. Ik ging hieraan werken, en stutte den zolder met twee -stijlen met twee planken dwars er over; den volgenden dag was dit -afgewerkt, en door nog meer stutten te plaatsen, had ik in eene week het -dak in orde, en de op rijen staande palen, dienden thans om de -verdeelingen van mijn huis te maken. - - * * * * * - -17 December. Van dezen dag tot den 20sten hield ik mij bezig met planken -te leggen en spijkers te slaan in de stijlen, om alles, wat ik kon, -daaraan te hangen, en thans begon ik binnen 's huis eenigzins op orde te -komen. - - * * * * * - -20 December. Thans droeg ik alles in den kelder en begon mijne woning te -meubeleren, en eenige planken te plaatsen, om levensmiddelen op te -leggen; maar de planken werden schraal. Ook maakte ik eene andere tafel. - - * * * * * - -24 December. Het regent den geheelen nacht en dag, zoodat ik niet kan -uitgaan. - - * * * * * - -25 December. Den geheelen dag regen. - - * * * * * - -26 December. Droog weder en de grond veel koeler en aangenamer dan te -voren. - - * * * * * - -27 December. Ik schoot een jonge geit, en kwetste een andere, zoodat ik -haar ving en naar huis droeg. Daar gekomen bond ik het dier vast en -spalkte haar poot. - -NB. Ik droeg zooveel zorg voor haar, dat zij in leven bleef, en de poot -genas en werd zoo goed als te voren. Door haar zoo lang op te passen -werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde -niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme dieren -aan te fokken, ten einde voedsel van hen te hebben als mijn kruid op zou -zijn. - - * * * * * - -28, 29 en 30 December. Zware hitte en geen wind, zoodat ik niet naar -buiten kon, dan tegen den avond op wild uitgaan. Dezen tijd bragt ik -door met in mijne huishouding alles in orde te brengen. - - * * * * * - -1 Januarij. Het was nog drukkend warm; maar ik ging 's morgens en 's -avonds met mijn geweer uit, en nam op het midden van den dag rust. Dezen -avond was ik verder de valleijen ingegaan, die naar het midden van het -eiland voerden, en vond, dat daar geiten in menigte waren, schoon -uiterst schuw en moeijelijk te bekruipen. Ik besloot echter te -beproeven, of ik mijn hond er geen jagt op kon doen maken. - - * * * * * - -2 Januarij. Ik ging derhalve den volgenden dag met mijn hond uit, en -hitste hem op de geiten aan; maar ik had mij misrekend, want zij hielden -stand tegen den hond, en deze besefte zijn gevaar, want hij durfde haar -niet naderen. - - * * * * * - -3 Januarij. Ik begon aan mijne heining of wal, dien ik zoo sterk als -mogelijk besloot te maken, om dat ik nog altijd vreesde overvallen te -zullen worden. - -NB. Daar deze wal vroeger beschreven is, zal ik hier weglaten wat -deswege in mijn journaal staat; alleen zal ik vermelden, dat ik van den -3 Januarij tot den 14 April bezig was aan het maken, voltooijen en -verbeteren van dezen muur, schoon hij niet meer dan vierentwintig el -lang was, zijnde een halve cirkel, van eene plaats in de rots, tot aan -eene andere, acht el vandaar, terwijl de deur van den kelder in het -midden achter denzelven was. - -Al dien tijd werkte ik hard, hoewel de regen mij vele dagen, ja weken -achtereen hinderde; maar ik achtte mij niet veilig voor de geheele muur -af was; en men kan naauwelijks gelooven, welken ontzettenden arbeid -alles vereischte, vooral het halen van de palen uit het bosch, en hen in -den grond te slaan; want ik nam veel zwaarder dan noodig was. - -Toen deze muur voltooid, en van buiten met een wal van zoden beschermd -was, achtte ik het voor zeker, dat, zoo er eenig volk aan het strand -kwam, zij niets, wat naar eene woning geleek, zouden bemerken; en een -merkwaardig geval bewees naderhand, dat ik wel geoordeeld had. - -Gedurende dezen tijd deed ik alle dagen, als de regen het toeliet, de -ronde in het bosch, en ontdekte dikwijls op deze togten veel, dat mij -van nut was. Zoo vond ik eene soort van wilde duiven, die niet gelijk de -houtduiven op boomen, maar als huisduiven in spleten van de rotsen -nestelden. Ik nam eenige jongen mede en trachtte die tam te maken; maar -toen zij ouder werden vlogen zij allen weg, misschien, omdat ik haar -geen eten gaf, want ik had dit niet. Ik vond echter dikwijls hare -nesten, en nam de jongen er uit, die zeer goed om te eten waren. - -Ik begon thans te denken om verscheidene dingen, die mij in mijn -huishouding ontbraken, te maken, hetgeen ik eerst als geheel onmogelijk -had beschouwd, gelijk ook met sommigen het geval was; ik kon bij -voorbeeld nimmer een ton maken; ik had een paar vaatjes, gelijk ik -gezegd heb, maar ik kon er nimmer een paar maken, schoon ik er -verscheidene weken aan zoek bragt; ik kon nimmer den bodem of de duigen -zoo goed bijeenbrengen, dat het water hield; dus gaf ik het op. Ik was -zeer verlegen ook om kaarsen, want zoodra het duister was, dat is te -zeven ure gewoonlijk, moest ik naar bed gaan. Ik wenschte thans wel dien -klomp was te bezitten, dien ik op mijne reis langs de Afrikaansche kust -had; maar al wat mij thans overschoot was, als ik eene geit gedood had, -dat ik dan het vet bewaarde, in eene kom van klei, in de zon gedroogd, -en een pit van eiken schors daarin brandde. Te midden van mijn arbeid -kwam mij een zakje in de hand, waarin koorn was geweest, om het vorige -gevogelte mede te voeden, ik denk toen het schip van Lissabon kwam. Wat -er in overgebleven was, hadden de ratten opgegeten, en ik zag niets in -den zak dan stof en vuilnis, en daar ik het zakje wilde gebruiken (ik -denk om kruid in te doen, dat ik toen verdeelde, uit vrees voor den -bliksem) schudde ik den zak uit, aan de eene zijde van mijne schans -onder de rots. - -Kort voor den grooten regen, waarvan ik sprak, had ik dit gedaan, zonder -er verder over te denken. Maar eene maand of zoo daarna zag ik iets -groens opschieten, hetwelk ik eene plant dacht te zijn, die ik nog niet -kende, maar ik stond geheel verbaasd, toen ik eene poos daarna tien of -twaalf aren zag opschieten, die volmaakt naar het Europesche, ja naar -het Engelsche graan geleken. - -Het is mij onmogelijk de verbazing en verbijstering, waarin dit mij -bragt, uit te drukken. Ik had tot hiertoe naar geenerlei godsdienstige -gronden in het geheel gehandeld; ik had zeer weinig begrip van de -godsdienst, noch iets wat mij overkomen was anders beschouwd, dan alsof -het toeval dit zoo gewild, of gelijk men zonder nadenken zegt, zoo als -het den Hemel behaagd had; maar zonder na te denken over de redenen, -waarom de Voorzienigheid de wereldsche gebeurtenissen aldus schikt. Maar -toen ik daar rogge zag groeijen, in eene hemelstreek, die ik wist, dat -geen koorn opleverde; en terwijl ik niet wist hoe het daar kwam, trof -mij dit ten sterkste, en ik begon te vermoeden, dat God dit graan -wonderbaarlijk had laten groeijen, zonder dat het gezaaid was geworden, -en dat het alleen tot mijn onderhoud in deze woeste eenzame plaats -opgeschoten was. - -Dit perste mij de tranen uit de oogen, en ik beschouwde mij als door den -Hemel bijzonder begunstigd, dat zulk een wonderlijke gebeurtenis voor -mij geschied was. Het verwonderde mij te meer, omdat ik daar digtbij, -langs de zijde van de rots, hier en daar eenige weinige halmen zag van -rijst, die ik kende, omdat ik ze in Afrika, toen ik daar was, had zien -groeijen. - -Niet twijfelende, dat de Voorzienigheid dit aldus voor mij beschikt had -en dat er nog meer aldaar was, ging ik alle deelen van het eiland door, -waar ik vroeger geweest was, zocht in iederen hoek en onder iedere rots, -om nog meer te zien, maar kon niets meer vinden. Eindelijk kwam het mij -in de gedachten, dat ik den zak, waarin het voedsel voor de kiekens -geweest was, daar uitgeschud had, en toen was het wonder opgehelderd, en -daarmede, ik moet het bekennen, mijne erkentelijkheid voor Gods -goedertierenheid, ten einde. Ik had echter dezelfde reden tot -dankbaarheid, alsof het daar door een wonder gekomen was, want het was -waarlijk eene bestiering der Voorzienigheid, dat tien of twaalf korrels -graan onbedorven waren gebleven, terwijl de ratten al het overige -vernield hadden; vervolgens, dat ik het juist op die plek had moeten -werpen, waar het, doordien het onder de schaduw van eene hooge rots -stond, onmiddellijk kon opschieten, terwijl, zoo het te dier tijd ergens -anders gevallen ware, het verzengd en vernield zou geworden zijn. - -Ik gaarde zorgvuldig de aren op, gelijk men wel denken kan, toen zij -rijp waren, hetgeen in het laatst van Junij was, en ieder korrel -bewarende, besloot ik die op nieuw te zaaijen, in de hoop van met der -tijd genoeg te bekomen, om mij brood te verschaffen. Het was echter -eerst in het vierde jaar, dat ik mij veroorloofde iets van het graan te -eten, en dit nog zeer spaarzaam, gelijk men later vernemen zal. - -Behalve dit graan waren er twintig of dertig rijsthalmen opgeschoten, -die ik even zorgvuldig en met hetzelfde oogmerk bewaarde, namelijk, om -later mij tot brood, of liever tot spijs te verstrekken; want ik vond -middel om het te koken, zonder het te bakken, schoon ik dit naderhand -ook deed. Doch ik keer tot mijn journaal terug. - -Ik werkte deze drie of vier maanden uiterst hard, om mijn muur gereed te -krijgen, en den 14 April sloot ik dien geheel, en ging naar buiten, niet -door eene deur, maar over eene ladder, ten einde er aan de buitenzijde -geen spoor van mogt overblijven. - - * * * * * - -16 April. Ik maakte de ladder af; klom met dezelve naar boven, haalde -die achter mij op, en liet die van binnen zakken. Ik had thans een -volkomen omheining voor mij; en van buiten kon men mij niet dan over den -muur genaken. - -Den dag nadat ik dezen muur voltooid had, was bijkans al mijn arbeid -vruchteloos geweest, en ik zelf verongelukt. Dit was het geval. Toen ik -van binnen bezig was achter mijne tent, vlak in den ingang van mijn -kelder, schrikte ik allerhevigst door iets, dat waarlijk ook -allerverbazendst was. De aarde kwam van den zolder, van mijn kelder en -van de zijde van den heuvel over mijn hoofd rollen, en twee van de -stijlen, die ik in den kelder overeinde had gezet, kraakten -allerhevigst. Ik was ernstig geschrikt, maar dacht volstrekt niet aan de -ware oorzaak; alleenlijk begreep ik, dat de zolder van mijn kelder -instortte, gelijk vroeger nog eens gebeurd was. Uit vrees dus van -daaronder bedolven te worden, ijlde ik weg, en achtte mij niet veilig -voor ik over den muur was, uit vrees, dat de stukken rots op mijn hoofd -mogten vallen. Naauwelijks was ik op vasten grond, of ik zag duidelijk, -dat het eene verschrikkelijke aardbeving was, want de grond, waarop ik -stond, schudde driemaal, ongeveer acht minuten na elkander, zoo hevig, -dat de sterkste gebouwen er door hadden moeten instorten, en een top van -eene rots, die een halfuur van mij af, digt aan zee stond, viel met zulk -een verschrikkelijk geraas naar beneden, als ik nimmer hoorde. Ik -bemerkte ook dat de zee in hevige beweging was, en ik geloof, dat de -schokken onder het water sterker dan op het eiland waren. - -Ik was hiervan zoo verbaasd, daar ik nooit in mijn leven zoo iets had -gevoeld, of van gehoord had, dat ik als geheel verplet was; en de -beweging van de aarde maakte mij ziek, als iemand, die zeeziek is. Het -geraas van de neêrstortende rots bragt mij weder tot bezinning, en ik -vreesde ieder oogenblik, dat de rots op mijne tent en al mijne goederen -zou vallen en alles in eens bedelven; en dit denkbeeld deed mij schier -bezwijken. - -Toen de derde schok voorbij was, en ik eenigen tijd niets meer voelde, -begon ik moed te scheppen, maar had toch nog het hart niet, weder over -den muur te gaan, uit vrees van levende begraven te worden. Ik bleef -neêrslagtig en mistroostig op den grond zitten, niet wetende wat te -doen. Al dien tijd had ik niet het minste godsdienstige denkbeeld, -behalve, dat ik werktuigelijk uitriep: "Heer, wees mij genadig!" en toen -het gevaar over was waren alle gedachten aan den Hemel daarbij -verdwenen. - -Terwijl ik aldus zat, betrok de lucht alsof het zou gaan regenen, en in -minder dan een half uur blies er een allergeweldigste orkaan. De zee was -plotseling met schuim bedekt, de golven sloegen over het strand, de -boomen werden ontworteld; en deze verschrikkelijke storm duurde omtrent -drie uren, toen begon hij te bedaren, en twee uren later was het weder -kalm, en begon het geweldig te regenen. - -Al dien tijd zat ik op den grond, zeer beducht en neêrslagtig, toen het -mij plotseling inviel, dat, daar deze wind en regen het gevolg van de -aardbeving waren, deze zelve voorbij was, en ik het wagen kon in mijn -kelder te gaan. Deze gedachte herlevendigde mijn moed, en de regen deed -er het zijne toe, om mij over te halen, dus ging ik naar binnen, en in -mijne tent; doch de regen was zoo geweldig, dat mijne tent bijkans er -door neergeslagen werd, dus was ik gedwongen in mijn kelder te gaan, -hetgeen ik met veel zorg en onrust deed. Deze stortbui dwong mij tot -nieuwen arbeid, want ik moest onder den muur een greppel graven, om het -water een afloop te geven, anders zou mijn kelder ondergeloopen hebben. -Nadat ik eenigen tijd in mijn kelder doorgebragt, en geene schokken meer -gevoeld had, schepte ik wat moed, en om dien te versterken, ging ik naar -mijn magazijn, en nam een slok rum; hetgeen ik echter toen en naderhand -altijd zeer spaarzaam deed, wetende dat ik, als deze op was, geen meer -kon bekomen. Den geheelen dag en een groot deel van den nacht bleef het -doorregenen, zoodat ik niet kon uitgaan; maar van mijne ontsteltenis -bekomen, dacht ik na over hetgeen mij thans te doen stond. Als dit -eiland aan aardbevingen onderhevig was, kon ik niet in den kelder -blijven wonen; maar moest ik een hutje voor mij bouwen, dat ik ook met -een muur omringen kon, en mij daardoor voor menschen en beesten -beveiligen; want zoo ik bleef waar ik was, liep ik gevaar van te eeniger -tijd levend begraven te worden. - -Ik besloot mijne tent, die vlak tegen de rots aan stond, te verplaatsen, -daar deze bij eene nieuwe aardbeving er ligtelijk op kon storten. De -twee volgende dagen (19 en 20 April) besteedde ik met te overleggen -werwaarts en hoe ik mijne woning verleggen zou. De vrees van levend -bedolven te worden belette mij allen gerusten slaap, en toch was ik even -bevreesd, in het open veld, zonder eenige beschutting, te slapen; en -wanneer ik rond zag, en alles zoo goed in orde vond, en hoe veilig ik -gehuisvest en verborgen was, gevoelde ik grooten weerzin in deze plaats -te verlaten. - -Middelerwijl kwam het mij in de gedachten, dat met dit te maken veel -tijd zou verloopen, en dat ik mij er in moest schikken het gevaar te -blijven loopen waar ik was, totdat ik een kamp voor mij gemaakt had en -dat zoo versterkt, dat ik daarheen kon verhuizen. Ik besloot dus zoo -spoedig mogelijk aan het werk te gaan, en mij een wal te maken met palen -en kabeltouw, gelijk de vorige, omringd, en in het midden daarvan mijne -tent op te slaan, als die voltooid was, maar tot dien tijd zou ik het -wagen te blijven waar ik was. Dit was den 21sten. - - * * * * * - -22 April. Den volgenden morgen begon ik de middelen, om dit besluit uit -te voeren, te overwegen, maar ik was in groote verlegenheid om -gereedschappen. Ik had drie groote bijlen en eene menigte kleine, want -deze hadden wij medegenomen, om met de negers te handelen; maar door het -kappen en behakken van hard hout, waren zij allen bot en vol scharen -geworden. Ik had wel een slijpsteen, maar kon dien niet draaijen, en -tegelijk mijn gereedschap er op slijpen. Dit kostte mij meer tijd, dan -een staatsman noodig heeft om over landen en volken, of een regter om -over leven en dood uitspraak te doen. Eindelijk maakte ik een wiel met -een strop, dat ik met mijn voet kon draaijen, zoodat ik mijne beide -handen vrij had.--Ik had zoo iets in Engeland nimmer gezien, of er -althans nooit geen acht op geslagen; hoewel ik naderhand vond, dat zij -daar zeer algemeen waren; ook was mijn slijpsteen groot en zeer zwaar. -Het gereed maken van dit werktuig kostte mij eene geheele week tijd. - - - * * * * * - -28, 29 April. Deze twee dagen bragt ik door met mijne gereedschappen te -slijpen; mijn werktuig om den steen te draaijen ging zeer goed. - - * * * * * - -30 April. Daar ik bespeurde, dat mijn voorraad van brood sterk minderde, -nam ik eens op wat er nog was, en stelde mij op rantsoen van een -beschuit per dag, hetgeen mij zeer neêrslagtig maakte. - - * * * * * - -1 Mei. Toen ik dezen morgen naar zee ging, zag ik, terwijl het zeer laag -water was, iets op het strand liggen. Toen ik er bij kwam vond ik een -vaatje en twee of drie stukken van het wrak, die door den laatsten storm -op het strand waren geslagen; en naar het wrak ziende, meende ik, dat -het hooger uit het water uitstak dan anders. Ik onderzocht het vaatje, -dat op strand lag, en vond dat het een kruidvaatje was, doch dat nat -geworden was; het kruid was als een koek ineen gebakken, en zoo hard als -steen. Ik rolde het hooger op het strand vooreerst, en ging verder op -zoo digt bij het wrak als ik kon. - -Toen ik bij het schip kwam vond ik het geheel verplaatst; het voorschip, -dat vroeger in het zand begraven lag, was ten minste zes voet opgebeurd, -en het achterschip, dat door de woede der golven aan stukken geslagen en -van het overige als het ware afgerukt was geworden, kort na mijne -laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand -was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans -bij laag water naar toe kon wandelen. In het eerst stond ik hierover -verbaasd, maar weldra begreep ik, dat het door de aardbeving moest -geschied zijn, en daar thans het schip meer dan te voren opengeslagen -was, kwamen er dagelijks vele dingen aan strand spoelen, die de zee -lossloeg en door de wind en golven op het strand geworpen werden. - -Dit bragt mij weder alle denkbeeld aan verhuizen uit het hoofd, en ik -hield mij ijverig, vooral dien dag, bezig, met te zien of ik ook op -eenigerlei wijze in het schip kon komen; doch ik vond dat dit niet ging, -daar het vol zand was. Daar ik echter geleerd had niets op te geven, -besloot ik van het schip te slopen wat ik kon, overtuigd, dat alles mij -op eene of andere wijze van nut kon zijn. - - * * * * * - -3 Mei. Ik ging aan het visschen, maar vong geen een visch, dien ik eten -dorst, tot juist toen ik er wilde uitscheiden, daar het mij verdroot, ik -een jongen dolfijn ving. Ik had eene lange lijn van dun touw gemaakt, -maar had geen hoeken; ik ving echter dikwijls veel visch; althans zoo -veel als ik lustte; die ik allen in de zon droogde, en gedroogd at. - - * * * * * - -4 Mei. Ik begon met mijne zaag een balk door te zagen, die ik mij -verbeeldde, dat een deel van het halfdek bijeenhield; en toen hij -doorgezaagd was, ruimde ik zoo veel ik kon het zand weg van den kant, -die het hoogst lag, maar toen de vloed doorkwam, was ik verpligt dit -werk voor 's hands te staken. - - * * * * * - -5 Mei. Op het wrak gewerkt, een anderen balk doorgezaagd, en drie groote -planken van het dek gesloopt, die ik vastbond en met den vloed naar wal -liet drijven. - - * * * * * - -6 Mei. Op het wrak gewerkt, verscheidene ijzeren bouten en ander -ijzerwerk er af gebragt; zeer hard gewerkt en doodmoede te huis gekomen, -met veel lust het werk te staken. - - * * * * * - -7 Mei. Weder naar het wrak gegaan, maar met oogmerk er niet te werken. -Ik vond dat het schip door zijne eigene zwaarte zich begeven had, de -balken waren gebroken en verscheidene stukken van het schip schenen los -te liggen; en de binnenzijde van het ruim lag zoo open, dat ik er in -zien kon; het was schier geheel vol met water en zand. - - * * * * * - -8 Mei. Ik ging weder naar het wrak en nam een ijzeren koevoet mede, om -het dek op te breken, dat nu geheel vrij van water en zand lag. Ik -werkte twee planken er af en bragt die met den vloed naar den wal. Ik -liet den koevoet op het wrak achter tot den volgenden dag. - - * * * * * - -9 Mei. Ik maakte met den koevoet eene opening naar het ruim, en vond -verscheidene vaten, die ik los werkte, maar kon ze niet openbreken. Ook -vond ik eene rol Engelsen lood, maar dit was te zwaar voor mij, om het -op te heffen. - - * * * * * - -10, 11, 12, 13, 14 Mei. Ik ging alle dagen naar het wrak, en haalde er -vele stukken hout en planken af, en wel twee- of driehonderd [lb = -gewicht] ijzer. - - * * * * * - -15 Mei. Ik ging met twee kleine bijlen naar het wrak en beproefde of ik -geen stuk van het lood kon afkappen, door de eene bijl als eene wig te -gebruiken, maar daar het lood anderhalf voet onder water lag, kon ik er -niet genoeg bijkomen. - - * * * * * - -16 Mei. Het had 's nachts hard gewaaid, en het wrak scheen door de -golven meer gebroken te zijn; maar ik was zoo lang in het bosch geweest -om duiven te schieten, dat het getij mij dien dag belette aan boord te -gaan. - - * * * * * - -17 Mei. Ik zag eenige stukken van het wrak, die op een half uur -afstands, door den wind op het strand waren gedreven; ik ging er heen, -maar vond dat het een stuk van den kop was, maar te zwaar voor mij om -het te huis te brengen. - - * * * * * - -24 Mei. Alle dagen tot heden op het wrak gewerkt, en met zwaren arbeid -eenige dingen zoo verre losgewerkt met den koevoet, dat met hoog water -eenige vaten en twee matrozenkisten er uit spoelden, maar daar de wind -van het land blies, kwam er dien dag niets aan strand spoelen dan eenig -brandhout, en een okshoofd met eenig spek, doch het zeewater en het zand -hadden het onbruikbaar gemaakt. Ik hield met dit werk aan tot den 15 -Junij, uitgezonderd den tijd dien ik dagelijks er af nam, om mijn -voedsel op te sporen, bij hoog water, ten einde altijd gereed te zijn -als het afgeloopen was. Ik had thans rondhouten, planken en ijzerwerk -genoeg bijeen, om eene goede boot te bouwen, als ik maar geweten had, -hoe; ook had ik op verschillende tijden bijkans honderd pond van de rol -lood afgehaald. - - * * * * * - -16 Junij. Naar den zeekant gaande vond ik eene groote schildpad; dit was -de eerste dien ik gezien had, hetgeen echter niet uit hare schaarschheid -voortsproot, want ware ik aan de andere zijde van het eiland geweest, -dan had ik ze bij honderden kunnen vinden, gelijk naderhand bleek, doch -ze dan misschien duur genoeg moeten betalen. - - * * * * * - -17 Junij. Bragt ik door in het koken van de schildpad. Ik vond er zestig -eijeren in, en haar vleesch scheen mij het geurigste en lekkerste dat ik -ooit geproefd had; en geen wonder, daar ik sedert mijne komst op dit -akelig eiland slechts geitenvleesch en vogels geproefd had. - - * * * * * - -18 Junij. Het regende den geheelen dag en ik bleef binnen 's huis. Mij -dacht, dat de regen koud nederviel, en ik was eenigzins huiverig, -hetgeen ik wist dat op deze breedte ongewoon is. - - * * * * * - -19 Junij. Ik was zeer ongesteld en huiverig, alsof het koud weder was. - - * * * * * - -20 Junij. Den geheelen nacht niet geslapen, zware pijn in het hoofd en -koortsig. - - * * * * * - -21 Junij. Zeer ziek, en doodsangst uitstaande over mijn jammerlijken -toestand, ziek te zijn zonder hulp. Ik bad tot God de eerste maal sedert -den storm voor Hull; maar wist naauwelijks wat ik zeide, daar mijne -denkbeelden geheel verward waren. - - * * * * * - -22 Junij. Een weinig beter, maar vreesselijk beangst. - - * * * * * - -23 Junij. Weder erger, koud en huiverig met geweldige hoofdpijn. - - * * * * * - -24 Junij. Veel beter. - - * * * * * - -25 Junij. Zeer zware koorts, heet en koud, die zeven uren achtereen -duurde, en van eenig zweet gevolgd werd. - - * * * * * - -26 Junij. Ik gevoelde mij beter, en daar ik niets te eten had, nam ik -mijn geweer, maar vond dat ik zeer zwak was. Ik schoot echter eene geit -en bragt die met veel moeite te huis, braadde er een stukje van en at -dat op. Ik had er gaarne wat vleeschnat van willen koken, maar ik had -geen pot. - - * * * * * - -27 Junij. De koorts was weder zoo hevig, dat ik den geheelen dag liggen -bleef, zonder te eten of te drinken. Ik stierf schier van dorst, maar -was te zwak om op te staan en water te halen. Ik bad weder tot God, maar -was bedwelmd van hoofd, en als dit niet het geval was, was ik toch zoo -onwetend, dat ik niet wist wat ik zeggen zou, en niet anders riep dan: -"Heere, wees mij genadig, Heere, heb medelijden met mij!" Ik geloof dat -ik twee of drie uren lang niets anders deed, tot ik bij het afgaan der -koorts in slaap viel, en eerst laat in den nacht wakker werd. Toen ik -ontwaakte bevond ik mij veel verkwikt, maar zwak en zeer dorstig; daar -ik echter geen water in mijn verblijf had, was ik verpligt tot den -morgenstond te wachten, en viel weder in slaap. In dezen slaap had ik -den volgenden verschrikkelijken droom. - -Ik verbeeldde mij dat ik op den grond zat, buiten mijn wal, waar ik na -de aardbeving, gedurende den storm gezeten had, en dat ik een man, uit -eene groote zwarte wolk, in eene heldere vuurvlam zag nederdalen. Hij -was geheel en al zoo schitterend als eene vlam, zoo dat ik naauwelijks -op hem zien kon; zijn gelaat was ontzaggelijker, dan woorden kunnen -uitdrukken; toen hij met zijnen voet op den grond trad, dreunde deze, -even als bij de aardbeving, en de geheele lucht scheen als met -vuurvlammen bezet. - -Toen hij op den grond stond trad hij naar mij toe, met een speer of -dergelijk wapen in de hand, als om mij te dooden, en toen hij op eenigen -afstand van mij op eene hoogte stond, sprak hij tot mij, of hoorde ik -eene zoo ontzaggelijke stem, welks vreesselijkheid niet te beschrijven -is, tot mij zeggen: "Dewijl al deze dingen u niet tot berouw verwekt -hebben, zult gij sterven!" Bij deze woorden meende ik, dat hij de speer, -die hij in de hand hield, ophief, als om mij te dooden. - -Ik zal niet trachten den schrik te beschrijven, dien dit verschrikkelijk -gezigt in mijne ziel verwekte. Zelfs toen ik droomde, verwonderde ik mij -over mijn eigen angst; en evenmin kon ik den indruk beschrijven, dien -mij bijbleef, toen ik wakker geworden zijnde, ontdekte dat het slechts -een droom was. - -Ik had, helaas, geenerlei godsdienstige kennis; die welke ik uit het -onderrigt mijns vaders verkregen had, was door een omgang van acht jaren -met ruwe en losbandige zeelieden geheel uitgewischt geworden. Ik -herinner mij niet, dat ik in al dien tijd eenige gedachte tot God -gerigt, of over het gepaste mijner handelingen nagedacht had. Eene -zekere dofheid van geest, zonder verlangen naar het goede, zonder -bewustheid van het kwade, had mij geheel overmeesterd, en ik was een van -de verhardste, meest gedachtenlooze en bedorvene wezens die men onder de -matrozen kan ontmoeten, die niet het minste gevoel der vreeze Gods had, -in gevaren, of van dankbaarheid jegens hem, bij hunne redding uit -dezelve. - -Dit zal men te ligter gelooven, als ik bij het verhaal mijner vorige -lotgevallen bijvoeg, dat ik bij al de reeks van ongelukken, die mij tot -op dezen dag getroffen hadden, nimmer een enkel oogenblik gedacht had, -dat hierin Gods hand was, of dat zij eene regtmatige straf waren voor -mijn ongehoorzaam gedrag jegens mijn vader, of mijne latere -overtredingen, die zeer groot waren. Toen ik dien wanhopigen togt deed -langs de Afrikaansche kust, had ik nimmer een oogenblik gedacht wat er -van mij worden zou, of eenmaal van God gebeden mij te geleiden, of mij -voor het gevaar te behoeden, dat mij zoo blijkbaar omringde van -verscheurende dieren en onbeschaafde volken; ik dacht volstrekt niet aan -Gods voorzienigheid, maar handelde als een dier, dat alleen door zucht -tot zelfbehoud gedreven wordt. - -Toen ik op zee door den Portugeschen kapitein gered en opgenomen, goed -verzorgd, billijk en liefderijk behandeld werd; gevoelde ik niet de -minste dankbaarheid jegens God; en toen ik op nieuw schipbreuk leed, en -uit de kaken des doods gered, op dit eiland werd geworpen, was ik ver af -van eenige wroeging, of van dit als eene straf des Hemels te beschouwen; -alleen zeide ik dikwijls tot mijzelven, dat ik een rampspoedig mensch en -tot het ongeluk geboren was. - -Wel is waar, toen ik hier het eerst aan land kwam, al mijne -scheepsmakkers verdronken en mij alleen gered vond, geraakte ik in eene -soort van verrukking, die onder Gods genade, tot ware dankbaarheid had -kunnen aangroeijen; maar het bleef bij eene gewone opwelling van -vreugde. Ik was blijde dat ik gered was, zonder acht te geven op de -goedheid van de hand Gods, die mij bewaard en uitverkoren had om gered -te worden, terwijl al de overigen vergaan waren, noch na te denken -waarom de Voorzienigheid zoo barmhartig jegens mij geweest was. Het -bleef bij die vreugde, die zeelieden dikwijls hebben als zij behouden -van eene schipbreuk aan land komen; die zij verdrinken in een kom -punsch, en die gelijk met dezelve eindigt. - -Zelfs toen ik naderhand mijn toestand ernstig overwoog, hoe ik op dit -akelig verblijf buiten allen menschelijken bijstand, buiten alle hoop op -bevrijding mij bevond; was al mijne neêrslagtigheid voorbij, zoodra ik -de waarschijnlijkheid inzag, dat ik niet van honger zou sterven; en ik -begon zeer welgemoed aan den arbeid, die tot mijn behoud en voedsel -noodig was, en dacht er niet aan mijn toestand als eene straf des Hemels -te beschouwen; deze gedachten kwamen zelden bij mij op. - -Het opschieten van het graan, gelijk ik in mijn journaal gemeld heb, -maakte in het eerst eenigen indruk op mij, en bragt mij tot ernstige -nagedachten, zoo lang ik dacht, dat hierin iets wonderdadigs lag. Maar -zoodra dit denkbeeld verdwenen was, ging ook die indruk, gelijk ik -zeide, geheel verloren. Zelfs de aardbeving, dat verschrikkelijke -natuurverschijnsel, dat zoo onmiddellijk aan eene onzigtbare magt doet -denken, bragt, nadat de eerste schrik voorbij was, geen blijvenden -indruk te weeg. Ik dacht evenmin aan God en zijne oordeelen, veel -minder, dat mijn tegenwoordige toestand van zijne hand kwam, dan of ik -mij in den voorspoedigsten staat mijns levens bevonden had. - -Maar nu ik ziek werd, en langzamerhand de dood met al zijne -verschrikkingen, zich voor mijne oogen vertoonde; nu mijn moed door eene -zware ongesteldheid vernietigd werd, en de natuur door de hevigheid der -koorts uitgeput was; begon mijn geweten, dat zoo lang gesluimerd had, te -ontwaken. Ik verweet mij mijn vorig leven, dat mij zoo blijkbaar de -straffende hand Gods op den hals had gehaald. - -Deze overwegingen kwelden mij van den tweeden of derden dag mijner -ziekte, en zoo wel de hevigheid der koorts als de strenge berispingen -van mijn geweten persten mij eenige biddende woorden af, schoon het geen -eigenlijk gebed, maar slechts klanken waren, door droefheid en angst mij -ontwrongen. Mijne gedachten waren verward, en de angst van in zulk een -rampzaligen toestand te sterven deed mij beven; ik wist niet wat ik -zeide, doch het waren uitroepen, als: "Hemel, wat ben ik rampzalig; ik -zal gewis van gebrek aan bijstand sterven als ik ziek worde! Wat zal er -van mij worden?" De tranen stroomden uit mijne oogen, en ik bleef -eenigen tijd zonder te kunnen spreken. - -Thans kwamen mij de goede raadgevingen mijns vaders in de gedachten, en -vervolgens zijne voorspelling, die ik in het begin van mijne -geschiedenis vermeld heb, namelijk, dat als ik dezen dwazen stap deed, -God mij niet zegenen zoude, en ik nog lang berouw zou hebben, dat ik -zijn raad in den wind geslagen had, als er niemand was om mij te helpen -dien te herstellen. Nu, zeide ik luid, zijn mijns vaders woorden -vervuld, Gods geregtigheid heeft mij bereikt, en niemand is er die mij -hoort of helpt. Ik weigerde naar de stem der Voorzienigheid te hooren, -die mij in een toestand geplaatst had, waarin ik een gelukkig en kalm -leven had kunnen leiden; maar ik wilde dit niet erkennen; noch deszelfs -zegeningen van mijn vader leeren. Ik liet hen mijne dwaasheden -betreuren, en thans moet ik derzelver gevolgen beweenen. Ik weigerde de -hulp mijner verwanten, die mij gemakkelijk door de wereld hadden kunnen -helpen, en nu moet ik moeijelijkheden overwinnen, waartegen menschelijke -kracht niet opgewassen is, zonder hulp, zonder bijstand, zonder raad, -zonder troost. Hier riep ik uit: "Heere, wees mij ter hulpe, want mijn -jammer is groot!" Dit was, mag ik zeggen, het eerste gebed, dat sedert -jaren over mijne lippen kwam.--Doch ik keer tot mijn journaal terug. - - * * * * * - -28 Junij. Een weinig verfrischt door den slaap, en geheel zonder koorts -stond ik op; en schoon de angst en schrik van mijn droom nog zeer groot -waren, bedacht ik toch, dat ik zeker morgen weder een aanval van de -koorts zou hebben, en het nu de tijd was mij eenige verkwikking tegen -dien tijd te bezorgen. Het eerste wat ik deed was eene groote -kelderflesch vol met water te vullen en op de tafel te zetten, zoo dat -ik die uit mijn bed bereiken kon, en om de koude van het water weg te -nemen, goot ik er ongeveer een kwart pint rum bij; daarop nam ik een -stuk geitenvleesch en braadde dit, maar ik kon er slechts weinig van -eten. Ik ging naar buiten, maar was zeer zwak en neêrslagtig en kon -naauwelijks mijn geweer dragen, zonder hetwelk ik nimmer uitging. Ik -liep dus niet ver, maar ging op eene hoogte zitten, en zag naar de zee, -die kalm en effen voor mij lag. Terwijl ik hier zat kwamen de volgende -denkbeelden bij mij op. Wat is deze aarde en zee waarvan ik zoo veel -gezien heb? Vanwaar is zij ontstaan? En wat ben ik en alle schepselen, -menschen en beesten? Vanwaar zijn zij gekomen? Ongetwijfeld zijn zij het -werk van die Magt, die de aarde en het water, de lucht en den hemel -heeft gemaakt, en wie is dat? Natuurlijk was het antwoord: het is God, -die dit alles gemaakt heeft. Maar dan is het ook zeker, dat als God dit -alles gemaakt heeft, Hij het ook bestiert en leidt, want wie alles kan -maken, kan het ook regelen en bestieren. En dan gebeurt er ook niets in -den geheelen omkring zijner werken, zonder dat hij het weet of gebiedt. -En dan weet Hij ook dat ik hier, in dezen akeligen toestand ben, en zoo -niets buiten zijn wil geschiedt, dan was het zijn wil, dat mij dit -gebeuren zou. - -Niets bood zich aan mijn geest aan, dat een dezer gevolgtrekkingen -logenstrafte, en dus bleef ik overtuigd, dat het Gods wil was, dat mij -dit alles zou overkomen; dat ik door zijne leiding in dezen ellendigen -toestand was gebragt; daar Hij alleen alles in de wereld beschikt. - -Nu volgde dadelijk de vraag: Waarom heeft God mij aldus behandeld? Wat -heb ik gedaan, dat mij dit treft? - -Mijn geweten kwam dadelijk op tegen deze vraag, als ware zij eene -lastering, en ik meende eene inwendige stem te hooren, die mij zeide: -"Rampzalige, vraagt gij wat gij gedaan hebt, Zie terug op uw vorig -leven, en vraag u zelven wat gij niet gedaan hebt. Vraag waarom gij niet -reeds voor lang vernietigd zijt? Waarom zijt gij niet op de reede van -Yarmouth verdronken? gedood in het gevecht met den kaper van Salé? door -de wilde dieren op de Afrikaansche kust verscheurd? of hier verdronken, -toen al het scheepsvolk, buiten u, verging? Vraagt gij nog, wat gij -gedaan hebt?" - -Deze overwegingen verbijsterden mij geheel en al, en ik kon mij zelven -geen woord antwoorden, maar ging treurig en peinzende naar huis, en over -den muur, met oogmerk te bed te gaan; maar mijn hoofd was vol, ik had -geen lust tot slapen; dus ging ik op mijn stoel zitten en stak mijne -lamp op, want het begon donker te worden. Daar ik nu zeer bevreesd was -voor de terugkomst van de koorts, schoot het mij in de gedachten, dat -men in Brazilië schier geene andere geneesmiddelen dan tabak gebruikt, -en ik had eene rol tabak in een der kisten, die goed droog en rijp was, -en eene die groen en niet geheel rijp was. - -Ongetwijfeld gaf de Hemel mij dit in, want in deze kist vond ik een -geneesmiddel voor de ziel zoo wel als voor het ligchaam. Ik opende de -kist en vond wat ik zocht, namelijk den tabak, en daar de weinige -boeken, die ik gered had, daar ook bij lagen, nam ik een van de bijbels, -waarvan ik vroeger gesproken heb, en die ik tot hiertoe tijd noch lust -gehad had, in te zien, en legde dezen met den tabak op de tafel. - -Hoe ik den tabak gebruiken zou tegen mijne ziekte, wist ik niet, en -evenmin of hij goed voor mij was of niet; maar ik besloot dien op -verschillende wijzen te gebruiken, ten einde het een of het ander mij -helpen zou. Eerst nam ik een stuk en kaauwde dit, hetgeen mij eenigzins -bedwelmde, daar de tabak zwaar en ik er niet zeer aan gewoon was; daarop -nam ik eenigen en weekte dien een paar uren in rum, en besloot daar wat -van te nemen als ik slapen ging, eindelijk brandde ik wat op kolen en -hield mijn neus daarover, zoo lang ik het uithouden kon. - -Middelerwijl sloeg ik den bijbel open en trachtte te lezen, maar mijn -hoofd was hiervoor thans te veel bedwelmd door den tabak, echter toen ik -het boek liet openvallen, waren de eerste woorden daar mijn oog op viel, -deze: "Roep mij aan in den dag der benaauwing, en ik zal u redden en gij -zult mijn naam prijzen." Deze woorden waren zeer gepast op mijnen -toestand, en maakten toen indruk op mij, schoon zoo sterk niet als -naderhand; want het woord bevrijding had voor mij geen zin als het ware; -dit scheen mij zoo onwaarschijnlijk, zoo onmogelijk, dat ik begon te -zeggen even als de kinderen Israëls, toen hun vleesch beloofd was: -vanwaar zou dit komen? En daar vele jaren geenerlei hoop zich opdeed, -kwam mij dit dikwijls in de gedachten. - -Het werd nu laat, en de tabak had, gelijk ik zeide, mijn hoofd zoo -bedwelmd, dat ik slaperig werd, ik liet dan mijne lamp branden, om te -kunnen zien als ik des nachts wat noodig mogt hebben, en ging naar bed. -Maar voor ik mij nederlegde, deed ik wat ik nog nimmer had gedaan, ik -viel op mijne knieën, en bad God zijne belofte gestand te doen, en mij -te bevrijden als ik Hem aanriep in den dag der benaauwing. Na dit -afgebroken en onvolkomen gebed dronk ik den rum, waarin ik den tabak had -geweekt, die zoo scherp en sterk van den tabak was, dat ik hem -naauwelijks kon inzwelgen. Onmiddellijk daarop ging ik naar bed, en vond -dat de rum mij geweldig naar het hoofd steeg, maar ik viel in een diepen -slaap en werd niet weder wakker voor het, naar de zon te zien, drie uren -in den namiddag van den volgenden dag was; ja, ik geloof zelfs, dat ik -nog een dag en een nacht langer sliep, want anders weet ik niet hoe ik -uit mijne rekening een dag had kunnen verliezen, gelijk het eenige -jaren later bleek, dat ik gedaan had, want had ik een verkeerd merk op -mijn almanak gezet, dan zou ik meer dagen verloren hebben. - -Dit zij zoo het wil, toen ik wakker werd was ik uiterst verkwikt, en -mijn geest vlug en opgeruimd. Toen ik opstond was ik veel beter dan den -vorigen dag en mijne maag ook, want ik had honger en om kort te gaan ik -had den volgenden dag geene koorts, maar bleef aan de beterhand. Dit was -den 29en. - - * * * * * - -Den 30en was het mijn vrije dag, en ik ging met mijn geweer uit, maar -had geen lust om ver te loopen. Ik schoot een paar zeevogels, naar -ganzen gelijkende, maar had weinig lust er van te proeven, dus at ik -eenige schildpadeijeren, die zeer goed waren. Dezen avond nam ik weder -dat geneesmiddel in, dat naar ik meende mij den vorigen keer goed gedaan -had, namelijk tabak in rum gelegd, maar minder sterk dan de vorige reis, -ook kaauwde of rookte ik ze niet. Echter was ik den volgenden dag, den -1 Julij, zoo goed niet als ik gehoopt had, want ik had eene koortsige -huivering, schoon niet veel. - - * * * * * - -2 Julij. Ik gebruikte het geneesmiddel weder op alle drie de wijzen, en -bedwelmde mij gelijk de eerste reis, en verdubbelde de hoeveelheid -drank. - - * * * * * - -3 Julij. Ik was de koorts voor goed kwijt, schoon ik eerst verscheidene -weken later mijne vorige krachten terug ontving. Gedurende mijne -herstelling vestigden mijne gedachten zich dikwijls op de woorden der H. -Schrift: _Ik zal u bevrijden_, en de onmogelijkheid mijner bevrijding -drukte mij te zeer ter neder, om die te durven verwachten. Maar, terwijl -ik mij met deze gedachten pijnigde, schoot het mij te binnen, dat ik mij -zoo zeer kwelde met het denkbeeld mijner bevrijding van dit eiland, dat -ik geheel vergat, dat ik als door een wonder van mijne ziekte bevrijd -was geworden, uit den jammerlijksten toestand, en die mij zoo veel -schrik had ingeboezemd. Welke aandacht had ik daarop geslagen? Hoe had -ik mij hierin gedragen? God had mij bevrijd, maar ik had Hem niet -verheerlijkt, dat is te zeggen, ik had mijne bevrijding niet aan Hem -alleen toegeschreven, en Hem daarvoor gedankt. Dit trof mij tot in de -ziel, en dadelijk knielde ik neder, en dankte God met luider stem voor -mijne herstelling uit mijne ziekte. - - * * * * * - -4 Julij. In den ochtend nam ik den bijbel op, en met het Nieuwe -Testament beginnende, zette ik mij ernstig aan het lezen, en stelde mij -ten taak er elken morgen en avond eene poos in te lezen, zonder mij aan -een vast getal hoofdstukken te binden, maar zoo lang als mij gepast -scheen. Niet lang nadat ik hieraan begonnen was, vond ik mijn hart diep -ter nedergeslagen over de ongeregtigheden van mijn vroeger leven. De -indruk van mijn droom werd weder levendig, en de woorden: "Al deze -dingen hebben u niet tot berouw kunnen brengen," stonden mij ernstig -voor den geest. Ik smeekte God vurig mij tot berouw te stemmen, toen ik -op denzelfden dag op de woorden stiet: "Hij is tot een Vorst en -Middellaar verheven, om berouw en verzoening aan te brengen." Ik legde -het boek neder, en verhief zoo wel mijn hart als mijne handen ten Hemel, -terwijl ik in vervoering uitriep: "o, Jezus, zoon van David; verheven -Vorst en Middellaar, wil mij berouw schenken." - -Dit was, naar ik zeggen kan, de eerste maal in mijn geheele leven dat -ik, in den waren zin des woords, bad, want thans bad ik met een waar -besef van mijn toestand, en met eene ware Christelijke hoop, en van dien -tijd af, mag ik zeggen, begon ik te hopen dat God mij verhooren zou. - -Nu begon ik de woorden: "Roep mij aan en ik zal u verlossen, in een -geheel anderen zin dan vroeger op te vatten, want ik had geenerlei -denkbeeld van eenige andere bevrijding, dan die uit mijne gevangenschap; -want schoon ik hier werkelijk ruimte genoeg had, was dit eiland toch -voor mij eene gevangenis, in den ongunstigsten zin des woords; maar -thans begon ik dit op eene andere wijze op te vatten. Nu zag ik met zulk -een afschuw op mijn vorig leven terug, en kwamen mijne zonden mij zoo -vreesselijk voor, dat mijne ziel van God alleen bevrijding smeekte van -den last der schuld, die mij geheel ter neder drukte. Mijn eenzaam leven -was niets, hierbij vergeleken, ik dacht er zelfs niet aan, om bevrijding -daarvan te smeeken." Ik zeg dit hier, om mijnen lezers te bewijzen, dat -zoo zij ooit een regt inzigt van de waarheid verkrijgen, zij de -bevrijding der zonde een veel grooter zegen zullen bevinden, dan de -bevrijding van ellenden. Doch ik keer terug tot mijn journaal. - -Mijn toestand, ofschoon nog altijd mijne levenswijze rampzalig was, -begon mij thans dragelijker te worden; en mijne gedachten werden door -het bestendig lezen der H. Schrift en aanhoudend gebed, tot zaken van -hoogeren aard geleid. Ik bezat thans eene groote mate van vertroosting, -die ik voorheen niet kende. Bovendien trachtte ik, toen mijne gezondheid -en krachten terugkeerden, mij allerlei noodwendigheden te verschaffen, -en zoo geregeld te leven als ik kon. Van den 4 tot 14 Julij was ik -hoofdzakelijk aan het doen van korte wandelingen, met mijn geweer in de -hand, geëvenredigd naar mijn zwakken toestand. Het geneesmiddel, dat ik -gebruikt had, was nieuw, en nimmer misschien te voren had het iemand van -de koorts verlost, ook zou ik het niet gaarne iemand aanbevelen, want -schoon het mij van de koorts bevrijdde, bleef ik nog lang zwak, en had -dikwijls zenuwachtige trekkingen in mijne leden gedurende eene poos. Ik -leerde hierbij tevens, dat niets mij nadeeliger was dan in het -regenachtig saizoen uit te gaan, vooral bij die regens, die met zware -stormen gepaard gingen; als er regen in het drooge jaargetij viel, was -er altijd zware storm bij. - -Ik was nu meer dan tien maanden op dit ongelukkig eiland geweest; alle -vooruitzigt op bevrijding uit mijn toestand scheen geheel verdwenen; en -ik geloofde vast, dat nimmer dit land vroeger door eens menschen voet -betreden was geworden. Mijne woning was thans geheel naar mijn zin in -orde, en ik verlangde zeer het eiland geheel en al te doorzoeken, en te -zien wat het opleverde, buiten hetgeen ik reeds kende. - - * * * * * - -Den 15 Julij begon ik mijne ontdekkingsreis. Ik ging eerst langs de -kreek, waarin ik, gelijk ik gezegd heb, mijne vlotten aan wal had -gebragt. Na omtrent een half uur gegaan te zijn, vond ik dat het getij -niet hooger liep, en dat het slechts een beekje van loopend water, zeer -frisch en goed, was; doch daar het thans het drooge saizoen was, was er -hier en daar naauwelijks water in, althans niet genoeg om het te doen -vloeijen. Aan de banken van deze beek vond ik verscheidene zeer fraaije, -effene vlakten en met gras bedekt, en waar de grond opliep, en die door -het water waarschijnlijk nimmer overstroomd werd, vond ik veel tabak, -die tot een zwaren, sterken stengel opschoot. Ook verscheidene andere -heesters die ik niet kende, en misschien zeer goede eigenschappen -hadden, doch dit was mij onbekend. Ik zocht naar de cassave, waarvan de -Indianen overal hun brood bereiden, maar vond deze niet. Ik zag groote -aloë's, doch die waren mij toen onbekend; ook veel suikerriet, doch -wild, bij gebrek aan kweeking. Ik stelde mij hiermede voor 's hands -tevreden, en keerde terug, peinzende over de middelen, om de deugd of -het schadelijke van vruchten of planten, die ik vinden mogt, te -ontdekken; maar kon hierop niets vinden, want ik had in Brazilië hierop -zoo weinig acht geslagen, dat ik weinig kennis van de planten had, -althans geene die mij thans te stade kwam. - - * * * * * - -Den volgenden dag, den 16den, ging ik denzelfden weg, doch iets verder -dan den vorigen dag. Ik vond dat de beek en de weiden hier eindigden, en -het land boschachtiger werd dan vroeger. Hier vond ik verschillende -vruchten, in het bijzonder meloenen, in menigte op den grond liggen, en -druiven aan de takken. De wijngaarden hadden zich over de takken -geslingerd en de trossen waren thans in volle rijpheid. Dit was eene -aangename ontdekking, die mij zeer verheugde, doch de ondervinding had -mij geleerd er matig van te eten, want ik herinnerde mij, dat ik tijdens -mijn verblijf in Barbarije, er vele Engelsche slaven had zien sterven -aan buikloop en koortsen, door te veel druiven te eten. Ik bedacht -echter een uitmuntend gebruik van deze druiven, namelijk ze te droogen, -en als rozijnen te gebruiken, welke ik meende, gelijk ook inderdaad het -geval was, dat even heilzaam en aangenaam zouden zijn, als er geene -druiven waren. - -Ik bragt den geheelen avond daar door, en ging niet naar mijne woning -terug om te slapen, en dit was, mag ik zeggen, de eerste maal dat ik -buiten 's huis sliep. Ik ging des avonds weder als de eerste maal op een -boom, waar ik zeer goed sliep, en den volgenden morgen ging ik weder op -ontdekking uit, en legde bijkans vier (Eng.) mijlen af, gelijk ik naar -de lengte van het dal rekenen mag. Ik hield regt noordwaarts aan, met -eene reeks van heuvelen ten zuiden en noorden van mij. - -Aan het einde van dezen togt kwam ik aan eene opene vlakte, waar het -land naar het westen scheen af te dalen; terwijl een beekje van zoet -water, dat uit de zijde van een heuvel naast mij ontsproot, den anderen -weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo -bloeijend, zoo groen, daar alles in het lentegroen stond, dat het naar -een beplanten lusttuin geleek. - -Ik daalde een weinig naar de zijde van die bekoorlijke vallei af, en -overzag het met een heimelijk genoegen (schoon er ook treurige -denkbeelden bij mij opwelden) als ik bedacht, dat dit alles mijn -eigendom was; dat ik buiten alle tegenspraak koning en heer van dit -geheele land was, en regt op deszelfs bezit had, en zoo ik het slechts -kon overbrengen, het even goed erfelijk zou bezitten, als eenig edelman -zijne heerlijkheid. Ik zag hier eene menigte kokos-, oranje-, limoen- en -citroenboomen, doch allen wild, en althans tegenwoordig, weinig vrucht -dragende. De groene limmetjes, die ik bijeenzamelde, waren echter niet -alleen lekker maar ook zeer gezond, en naderhand mengde ik hun sap met -water, waardoor het zeer gezond, koel en verfrisschend was. Ik vond hier -werk genoeg en besloot een voorraad aan te leggen van druiven, zoo wel -als van limmetjes en limoenen, om mij te voorzien voor het regenachtig -jaargetij, hetwelk ik wist dat naderde. - -Te dien tijd legde ik hier een grooten hoop druiven, en op eene andere -plaats een kleineren, en een grooten voorraad limmetjes op eene derde, -en trok met eenigen van elk naar huis, en besloot met een mand of zak -terug te keeren, om het overige naar huis te brengen. Ik kwam dus te -huis, na drie dagen uit geweest te zijn, maar voor dien tijd waren de -druiven, die overrijp waren, gebroken, en dus nergens goed voor; doch de -limmetjes waren zeer goed, hoewel er weinig waren. - - * * * * * - -Den volgenden dag den 19den, ging ik terug met twee zakken, die ik -gemaakt had, om mijn oogst te huis te halen; maar ik stond geheel -verbaasd, toen ik bij mijne druiven komende, die geheel verstrooid, -vertrapt, en ginds en herwaarts gesleept, en grootendeels opgegeten -vond. Ik besloot hieruit, dat daar ergens wilde dieren waren, die dezen -roof gepleegd hadden, schoon ik niet wist welke. - -Daar ik vond dat ik ze niet op hoopen leggen kon, en niet in een zak -wegdragen, daar ze hierbij vertrapt worden of aan stukken gaan zouden, -sloeg ik een anderen weg in; want ik verzamelde eene menigte druiven, en -hing die aan de uiteinden der takken, om ze in de zon te laten droogen; -en van de limmetjes en limoenen nam ik zoo veel mede als ik dragen kon. - -Toen ik van deze reis te huis kwam, herdacht ik met veel genoegen, de -vruchtbaarheid van dit dal en deszelfs aangename ligging, de veiligheid -voor stormen aan die zijde van het water en van het bosch; en ik begreep -thans dat ik eene plek tot mijn verblijf had uitgekozen, die verreweg de -slechtste van het geheele eiland was. Over het geheel begon ik aan eene -verplaatsing van mijne woning te denken, en naar eene plek te zoeken, -even veilig als waar ik thans was, zoo mogelijk in dat aangename, -vruchtbare gedeelte des eilands. - -Dit was langen tijd een geliefkoosd denkbeeld van mij, uithoofde van de -aangenaamheid dezer streek; maar toen ik het nader overwoog, bedacht ik -dat ik thans aan de zeekust was, waar het althans mogelijk was, dat iets -tot mijn voordeel zou kunnen gebeuren, en hetzelfde onheil dat mij -hierheen had gebragt, eenige andere ongelukkigen daar zou kunnen -brengen. En schoon het naauwelijks mogelijk was dat het ooit zou -gebeuren, zou ik echter door mij tusschen de heuvels en boschaadjen in -het midden des eilands op te sluiten, mijne gevangenschap verlengen, en -eene zoodanige gebeurtenis niet alleen onwaarschijnlijk, maar zelfs -onmogelijk maken. Ik begreep dus in geen geval te moeten verhuizen. Om -echter een middelweg te kiezen, begreep ik hier eene soort van lusthuis -aan te leggen, en dit te omringen met eene dubbele heining, zoo sterk en -hoog als ik die maken kon, met palen versterkt en met takken en loof -opgevuld. Hier sliep ik veilig, soms twee of drie nachten achtereen, -terwijl ik er altoos met eene ladder overklom, zoodat ik thans begreep -mijne buitenplaats en mijn woonhuis aan de zeekust te hebben. Dit werk -hield mij tot in het begin van Augustus bezig. - -Ik had pas mijne heining voltooid, toen het regensaizoen inviel, en mij -in mijn eerste woning deed blijven, want schoon ik elders ook eene tent -van een zeil gemaakt, en dit zeer goed uitgespannen had, was ik hier -toch niet door een heuvel voor de stormen beschut, en had geen kelder -achter mij, waarin ik bij zware slagregens de vlugt kon nemen. - -Tegen het begin van Augustus had ik, gelijk ik zeide, mijn lusthuis -voltooid, en had het genoegen het te bewonen. Den 3 Augustus vond ik dat -de druiven, die ik opgehangen had, volkomen gedroogd door de zon en zeer -goede rozijnen geworden waren. Ik begon ze dus af te nemen en te goeder -ure, want de regen zou ze anders spoedig bedorven en mij van het beste -deel van mijn wintervoorraad beroofd hebben; want ik had meer dan -tweehonderd trossen, die ik naauwelijks had afgenomen of het begon te -regenen, en van den 14 Augustus tot het midden van October, had ik elken -dag meer of minder regen; somtijds zoo zwaar, dat ik verscheidene dagen -mijn kelder niet verlaten kon. - -In dien tijd werd ik verrast met de vermeerdering van mijn huisgezin. Ik -had veel spijt gehad van een mijner katten, die weggeloopen, en hier of -daar naar ik dacht gestorven zou zijn; maar op zekeren dag kwam zij met -drie jongen te huis. Dit bevreemdde mij te meer omdat, hoewel ik een -wilde kat geschoten had, deze eene geheel andere soort dan onze -Europesche katten was; de jonge katjes waren echter in alles aan onze -huiskatten gelijk. Van deze drie katten kwam echter naderhand zulk eene -talrijke nakomelingschap, dat deze eene ware plaag voor mij werd, en ik -genoodzaakt was ze dood te schieten, en zoo ver mogelijk van huis te -jagen. - - * * * * * - -Van den 14 tot den 26 Augustus regende het onophoudelijk, zoodat ik niet -kon uitgaan; want ik was thans zeer bezorgd niet nat te worden. Terwijl -ik aldus opgesloten was, werd mijn voedsel schraal; doch tweemaal waagde -ik het buiten te gaan, en den eersten dag doodde ik eene geit, en den -tweeden (den 26) vond ik een zeer groote schildpad, dat voor mij eene -ware lekkernij was. Mijne maaltijden waren thans de volgende. Ik at een -tros rozijnen voor mijn ontbijt, een stuk gebraden geiten- of -schildpadvleesch (want ik had ongelukkig geen vaatwerk om in te koken of -te stoven) voor mijn middagmaal, en twee of drie schildpadeijeren -maakten mijn avondmaal uit. - -In dien tijd werkte ik alle dagen twee of drie uren aan het verwijden -van mijn kelder, en delfde die langzamerhand van eene zijde uit, tot ik -aan de buitenzijde van den heuvel kwam, en daar een uitgang maakte, die -buiten mijn heining of muur uitkwam, en waardoor ik in en uit kon gaan. -Doch zoo geheel open te leggen beviel mij maar half, want terwijl ik te -voren gezorgd had, geheel afgesloten te zijn, lag ik thans eenigzins -open, hoewel ik geen levend wezen gezien had, waarvoor ik behoefde te -vreezen, want het grootste dier dat ik op het eiland had bespeurd was -eene geit. - - * * * * * - -Den 30 September. Het was thans de ongelukkige verjaardag van mijne -aankomst. Ik telde de kerven op mijn staak, en vond dat ik driehonderd -vijfenzestig dagen aan land was geweest. Ik beschouwde dezen dag als een -feestdag, en bragt dien door in godsdienstige overdenkingen. Ik wierp -mij met de opregtste nederigheid neder, beleed mijne zonden aan God, en -erkende de regtvaardigheid zijner oordeelen jegens mij, en smeekte hem -om genade door Jezus Christus; en na den geheelen dag tot na den -ondergang der zon gevast te hebben, at ik eene beschuit en een tros -rozijnen, ging naar bed en besloot den dag, gelijk ik dien begonnen had, -met het gebed. Ik had al dien tijd geen zondag gehouden, want daar ik in -den beginne geenszins godsdienstig gestemd was, had ik vergeten den -zevenden dag door eene langere kerf op te teekenen, zoo dat ik niet wist -welke dag het was. Nu ik echter vond, dat ik daar een jaar geweest was, -verdeelde ik dit in weken en rekende elken zevenden dag voor een zondag; -schoon ik bij het einde mijner rekening vond, dat ik een paar dagen -verloren had. - -Kort daarop begon de inkt mij te ontbreken, en ik gebruikte die dus meer -spaarzaam en alleen om het merkwaardigste wat mij gebeurde op te -teekenen, zonder een journaal te blijven houden. - -Ik leerde thans den tijd van het natte en drooge saizoen kennen, en -trachtte mij voor derzelver komst van de vereischte noodwendigheden te -voorzien. De ondervinding, die ik verkreeg, kwam mij echter soms duur te -staan, vooral bij de navolgende gelegenheid, die de treurigste -ondervinding was die ik opdeed. - -Ik heb reeds gezegd, dat ik de weinige airen graan en rijst, die zoo -verrassend, en naar ik eerst dacht, uit zichzelven opgeschoten waren, -had bewaard, en ik geloof dat er ongeveer dertig rijst- en twintig -graanhalmen waren, en nu achtte ik het, na het regenachtig jaargetij, de -geschikte tijd dit te zaaijen. Ik spitte dus eene plek grond om, zoo -goed ik kon, met mijne houten spade, en deelde die in twee deelen af om -mijn graan te zaaijen; maar terwijl ik dit deed bedacht ik toevallig, -dat ik beter zou doen het niet alles te gelijk te zaaijen, omdat ik niet -wist of het de geschikte tijd er toe was; dus zaaide ik ongeveer twee -derde gedeelten, en hield van ieder eene hand vol over. Het bleek -naderhand, dat het zeer gelukkig was dat ik dit gedaan had, want van al -wat ik gezaaid had, schoot thans niets op, zoo lang de thans volgende -drooge maanden duurden; doch toen het natte jaargetijde weder gekomen -was, schoot het op, alsof het pas gezaaid was geworden. Toen ik vond -dat mijn eerste zaaisel niet opschoot, schreef ik dit natuurlijk aan de -droogte toe, en zocht eene vochtiger plek grond om het te beproeven; en -spitte eene plek om nabij mijn nieuw lustverblijf. Hier zaaide ik het -overige van mijn zaad in Februarij, kort voor de herfstevening, en daar -dit de regenachtige maanden Maart en April had, om het te bewateren, -schoot het welig op en leverde een goeden oogst, doch daar ik niet alles -had durven zaaijen wat ik had, was dit toch nog slechts weinig. Deze -proefneming had mij thans echter geleerd hoe te handelen; ik wist thans -wanneer ik zaaijen moest, en dat ik jaarlijks tweemaal in plaats van -eens zou kunnen oogsten. - -Terwijl dit koorn groeide deed ik eene kleine ontdekking, die mij -naderhand van nut was. Zoodra de regens over waren en het weder -bestendig begon te worden, hetgeen tegen November was, ging ik -landwaarts in, mijn buitenplaats een bezoek geven, en vond, ofschoon ik -er in verscheidene maanden niet geweest was, alles juist zoo als ik het -verlaten had. De dubbele heining was niet alleen stevig en gaaf, maar de -staken, die ik van eenige boomen daar in den omtrek afgesneden had, -waren allen met lange takken uitgeschoten, even als de wilgen, het -eerste jaar nadat zij geknot zijn. Ik kon niet zeggen welke boom het -was, waarvan deze staken gekapt waren; maar het was mij zeer aangenaam -ze zoo te zien uitwassen. Ik leidde ze en gaf ze eene zoo gelijke -rigting in het groeijen als mogelijk was, en het is naauwelijks te -gelooven hoe schoon zij in drie jaren tijds opgroeiden, zoodat, ofschoon -de heining een cirkel van ongeveer vijfentwintig ellen in doorsnede -maakte, deze boomen zoo veel schaduw gaven, dat ik er in het drooge -jaargetij volkomen door beschut werd. - -Dit deed mij besluiten nog eenige staken te kappen, en van deze in een -halven cirkel een heining te maken rondom mijn oud verblijf, gelijk ik -deed, en ik plaatste de takken in eene dubbele rij op ongeveer acht -ellen afstands van mijn eerste heining; zij groeiden welig op, en waren -eerst eene fraaije beschutting en naderhand zelfs eene verdediging voor -mijne woning, gelijk ik later verhalen zal. - -Ik vond thans dat de jaargetijden hier niet, als in Europa, in zomer en -winter, maar in het regenachtige en drooge jaargetij verdeeld moesten -worden; als volgt: van half Februarij tot half April regen; daar de zon -alsdan in of bij de evennachtslijn was; van half April tot half Augustus -droogte, zijnde de zon dan benoorden de linie; van half Augustus tot -half October regen; keerende de zon alsdan terug, en van half October -tot half Februarij regen, zijnde de zon dan bezuiden de linie. - -Het regensaizoen duurde wat langer of korter naar gelang van den wind, -doch over het algemeen was het gelijk ik hierboven gemeld heb. Nadat de -ondervinding mij geleerd had hoe schadelijk het was mij aan den regen -bloot te stellen, zorgde ik mij vooraf van levensmiddelen te voorzien, -ten einde niet te behoeven uit te gaan, en ik bleef zoo veel mogelijk -binnen in de regenmaanden. Ik had alsdan veel en gepast werk; want ik -had dan de beste gelegenheid mij dingen aan te schaffen, die niet dan -door handenarbeid en aanhoudende vlijt konden gelukken; ik beproefde bij -voorbeeld dikwijls eene mand te vlechten; maar al de takken, die ik -hiertoe vinden kon, waren zoo broos, dat zij mij niet dienen konden. -Thans was het mij een groot voordeel, dat ik als een jongen dikwijls bij -een mandemaker, die digt bij mijn vader woonde, had staan te zien naar -zijn werk, en gelijk jongens zijn, had ik dan dikwijls gedienstig -geweest om den man te helpen; en hierdoor wist ik zooveel van het -mandemaken, dat mij slechts de grondstoffen ontbraken. Toen ik nu -bedacht dat de takken van de boomen, waarvan ik mijne staken, die -uitgeschoten waren, had gekapt, misschien buigzaam waren, als het -wilgenrijs, besloot ik dit te beproeven. Den volgenden dag ging ik dus -naar mijne buitenplaats, en na eenig rijs afgesneden te hebben, vond ik -het zoo lenig als ik wenschen kon; dus ging ik er den volgenden dag met -eene bijl naar toe en kapte eene groote menigte. Deze zette ik binnen -mijne heining overeind om te droogen, en bragt ze toen ze goed waren in -mijn kelder. In de eerstvolgende regenmaanden hield ik mij nu bezig met -een groote menigte manden te vlechten, om aarde in weg te dragen, of om -het een en ander in te bewaren; en hoewel ik ze niet zeer fraai maakte, -waren zij mij echter bij uitstek van dienst, en ik zorgde dus er altijd -van voorzien te zijn, en toen zij oud werden, maakte ik nieuwe; vooral -sterke diepe manden, om mijn koorn in te bewaren, in plaats van in -zakken, als ik er meer van zou verkrijgen. - -Na deze moeijelijkheid overwonnen te hebben, schoon ik er een -ontzettenden tijd aan besteedde, trachtte ik zoo mogelijk in nog twee -behoeften te voorzien. Ik had niets om vloeistoffen in te bewaren, dan -een paar vaatjes, die bijkans vol rum waren, en eenige flesschen, -sommigen gewone, anderen vierkante kelderflesschen. Ik had zelfs geen -pot om iets in te koken, behalve een grooten ketel, dien ik uit het -schip gered had, maar die te zwaar was voor het gebruik, dat ik er van -maken wilde, namelijk om vleesch en soep in te koken. Het tweede, dat ik -gaarne wenschte, was eene tabakspijp; maar het was mij onmogelijk die te -maken; eindelijk echter vond ik iets uit om die te vervangen. Den -geheelen zomer hield ik mij voorts bezig met dit mandenmaken en met het -planten van mijne tweede rij staken, toen eene andere bezigheid mij meer -tijd wegnam, dan ik dacht. - -Ik heb reeds gezegd, dat ik zeer verlangde het geheele eiland te zien, -en dat ik langs de beek getrokken was en zoo verder tot waar ik mijn -buitenverblijf aanlegde; en vanwaar ik de zee had kunnen zien, aan de -andere zijde van het eiland. Ik besloot nu aan dien kant dwars door te -steken tot aan den zeekant; dus nam ik mijn geweer, eene bijl en mijn -hond mede, en een grooter hoeveelheid kruid en kogels dan gewoonlijk, -met een paar beschuiten en een tros rozijnen in mijn zak, en begon mijne -reis. Toen ik het dal doorkwam, waar mijn lusthuis stond, zag ik de zee -westwaarts, en daar het een zeer heldere dag was, ontdekte ik duidelijk -land, hetzij een eiland of vast land, dat zich van het W. ten W. Z. W. -tot op grooten afstand uitstrekte; naar mijne gissing kon het niet -verder dan vijftien of twintig mijlen verwijderd zijn. - -Ik wist niet welk deel van de wereld dit anders zijn kon, dan een -gedeelte van Amerika, en naar mijne berekeningen moest het nabij de -Spaansche bezittingen zijn, en was welligt geheel bewoond door wilden, -waarbij, zoo ik daar geland was, ik in een erger toestand zou geweest -zijn dan in mijn tegenwoordigen, waarin ik nu de beschikking der -Voorzienigheid erkende; welke ik thans begon te erkennen en te gelooven, -dat alles ten beste schikte. Hiermede stelde ik mij tevreden, en het -alle vruchtelooze wenschen, dat ik daar wezen mogt, varen. - -Bovendien besloot ik, dat als dit land de Spaansche kust was, ik zeker -den een of anderen tijd, eenig vaartuig her- of derwaarts zou zien -trekken; maar zoo niet, dan was het de woeste kust tusschen de Spaansche -landen en Brazilië; waar de ergste wilden wonen; want het zijn -kannibalen of menscheneters, die alle menschen, welke hun in handen -vallen, vermoorden en verslinden. Onder deze gedachten wandelde ik -langzaam verder. Ik vond, dat deze zijde van het eiland veel -bekoorlijker was dan die waar mijne woning stond. De opene vlakten waren -met bloemen en gras bedekt, en vol fraai houtgewas. Ik zag eene -menigte papegaaijen en had er gaarne een willen vangen, om dien tam te -maken en te leeren spreken. Na eenige moeite ving ik een jongen -papegaai, dien ik met een stokslag nedervelde. Toen hij weder bijkwam, -nam ik hem mede naar huis, maar het duurde eenige jaren alvorens hij -leerde spreken. Eindelijk echter leerde ik hem mij zeer gemeenzaam bij -mijn naam te noemen, en het gevolg hiervan, schoon eene beuzeling, zal -later den lezer genoegen geven. - -Deze reis was mij zeer aangenaam. In de lage gronden vond ik hazen, -althans ik hield ze daarvoor, en vossen; doch zij verschilden veel van -de soorten, die ik gezien had; ook kon ik niet van mij verkrijgen er van -te eten, schoon ik verscheidene schoot. Doch dit behoefde ook niet; want -ik had geen gebrek aan zeer goed voedsel. Geiten, duiven en -schildpadden, leverden met mijne rozijnen mij een maaltijd, dien ik in -Engeland niet beter had kunnen verlangen, behalve wat het gezelschap -betreft. En schoon mijn lot ongelukkig genoeg was, had ik groote reden -tot dankbaarheid, dat mijn voedsel zoo overvloedig was. - -Ik kwam op deze reis nimmer meer dan twee mijlen per dag in eene regte -lijn vooruit; maar ik deed zoo vele uitstapjes ter zijde af, om iets te -ontdekken, dat ik doodmoede was toen ik de plaats bereikte, waar ik den -nacht wilde doorbrengen, en dan ging ik of in een boom zitten, of ik -omringde mij met eene rij van staken, die ik op den grond of van den -eenen boom tot den anderen plaatste, zoodat geen wild dier mij kon -bereiken, zonder mij wakker te maken. - -Toen ik aan de zeekust kwam, werd ik gewaar, dat het lot mij op de -ongunstigste zijde van het eiland geworpen had; want hier was het strand -met eene menigte schildpadden bedekt, terwijl ik aan de andere zijde er -slechts drie in anderhalf jaar gevonden had. Ook was hier eene -onnoembare menigte vogels van allerlei aard, van welke ik sommigen -vroeger en sommigen nimmer gezien had, en waarvan vele zeer goed om te -eten waren, maar van welke ik alleen de pinguïns kende. Ik had er zoo -veel kunnen schieten als ik wilde, maar ik was zeer zuinig met mijn -kruid en lood, en derhalve wenschte ik liever eene geit te schieten -daar meer aan te eten was. Schoon hier meer geiten waren dan aan mijne -zijde van het eiland, kon ik haar echter moeijelijker genaken, omdat het -land zoo vlak en effen was, en zij mij veel spoediger zagen dan als ik -op de heuvels was. - -Hoezeer nu deze kant van het land veel aangenamer dan de mijne was, had -ik toch niet den minsten lust daarheen te verhuizen; want ik was thans -in mijne woning te huis, en het scheen mij toe alsof ik thans op reis -was en van mijn huis af. Ik trok echter langs de zeekust, naar gissing -twaalf (Eng.) mijlen, en zette daar een grooten staak op het strand tot -eene baak; waarna ik besloot naar huis te keeren, en de volgende maal -een togt te doen, oostwaarts van mijn woning, en zoo het eiland rond, -tot ik weder op deze plaats kwam waar ik den staak gezet had. - -Ik sloeg een anderen weg in om huiswaarts te keeren, denkende dat ik -gemakkelijk het geheele eiland zou kunnen overzien, en mijn weg niet -missen; maar hierin vergiste ik mij, want toen ik een half uur afgelegd -had, bevond ik mij in een diep dal, dat door heuvels met geboomte bezet, -omringd was, zoodat ik mijn weg alleen houden kon door mij naar de zon -te rigten, en dit was nog moeijelijk, tenzij ik den juisten stand der -zon op dat uur van den dag kende. Tot mijn ongeluk werd het weder -bovendien mistig, gedurende de drie of vier dagen die ik in dit dal -doorbragt, en daar ik de zon niet zien kon, bragt ik dezelve zeer -onaangenaam door, en was eindelijk verpligt naar het strand terug te -keeren, mijne baak op te zoeken, en langs denzelfden weg dien ik gegaan -had, terug te keeren. Ik deed dit met kleine dagreizen, daar het zeer -heet was, en mijn geweer, ammunitie, bijl en andere dingen een zware -last waren. - -Op deze reis verraste mijn hond eene jonge geit; ik schoot toe, en het -gelukte mij het dier nog levend te redden. Ik wilde het gaarne naar huis -brengen, want ik had lang gewenscht een paar geiten op te kweeken en zoo -mogelijk eene kudde te bekomen, om mij tot voedsel te dienen als al mijn -kruid en lood op was. Ik maakte een halsband voor het beestje, en met -een touw, dat ik altijd bij mij droeg, voerde ik het, schoon niet -zonder moeite mede, tot aan mijn buitenverblijf, waar ik het in de -heining achterliet, want ik verlangde zeer naar mijn huis, waarvan ik -thans eene maand afwezig was geweest. - -Ik kan niet zeggen met welk genoegen ik dit weder bereikte en in mijne -hangmat liggen ging. Deze kleine zwerftogt, zonder eenig vast verblijf, -was mij zoo onaangenaam geweest, dat mijn huis, zoo als ik het noemde, -mij daarbij vergeleken, eene volmaakte woning toescheen. Ik had zoo veel -genoegen daar, dat ik besloot er nimmer weder zulk een tijd, zoo lang ik -op het eiland was, mij van te verwijderen. - -Ik bragt eene week door met van mijne vermoeijenissen uit te rusten, en -besteedde gedurende dezelve mijn tijd aan het gewigtig werk om een kooi -voor mijne papegaai te maken, die nu meer tam en reeds zeer aan mij -gewoon werd. Daarna begon ik aan het geitje te denken, dat ik in mijne -kleine heining had achtergelaten; ik besloot het te huis te halen of -eenig voedsel te brengen; ik ging er dus heen en vond het waar ik het -gelaten had. Het kon er ook moeijelijk uit, want het was schier dood van -honger. Ik sneed eenige takjes en heesters af en wierp haar die toe, en -nadat zij gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de -honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en -daar ik het altijd voederde, werd het zoo mak en vrolijk en aan mij -gehecht, dat het ook tot mijne huisdieren behoorde, en mij naderhand -nimmer verliet. - -De regentijd van de herfstevening was thans gekomen, en ik bragt den 30 -September, den tweeden verjaardag dat ik hier aan land kwam, op dezelfde -wijze als den eersten door. Ik was hier nu twee jaren geweest, en had -geen meer vooruitzigt van bevrijd te worden dan den eersten dag toen ik -hier kwam. Den geheelen dag bragt ik door in dankzeggingen over de vele -genadebewijzen, mij in mijn eenzamen toestand te beurt gevallen. Ik -dankte God dat Hij mij ontdekt had, dat ik zelfs in dezen toestand -gelukkiger kon zijn dan in het midden der maatschappij en van al de -genoegens der wereld, en mij het gebrek aan menschelijken omgang -vergoedde door zijne tegenwoordigheid, en de uitstorting zijner genade -op mijne ziel, mij steunende, troostende en bemoedigende door op zijne -Voorzienigheid hier, en op zijn eeuwig bijzijn hier namaals te hopen. - -Ik begon thans levendig te gevoelen hoe veel gelukkiger het leven was, -dat ik thans leidde, met al de ongemakken daaraan verknocht, dan het -slechte en ruwe gedrag, dat ik tot hiertoe geleid had. Mijne begeerten, -genoegens en wenschen veranderden geheel bij hetgeen zij te voren -geweest waren. - -Vroeger, als ik uitging om te jagen of het land te onderzoeken, kon mijn -jammer over mijn toestand eensklaps losbarsten, en mijn hart bezweek -schier als ik dacht aan de bosschen, bergen en woestijnen, waarin ik mij -bevond, en hoe ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde -wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit als een kind, -en wrong mij de handen. Somtijds te midden van mijn werk ging ik zitten, -en staarde zuchtend een paar uren op den grond. Dit was het ergste, -want als ik mijne borst in tranen en jammerklagten kon lucht geven, -verminderde mijne neêrslagtigheid van lieverlede. - -Thans echter begon ik mij met andere denkbeelden bezig te houden. Ik las -dagelijks het Woord van God, en paste al de vertroostingen daarin op -mijn toestand toe. Op zekeren morgen toen ik zoo neêrslagtig was, opende -ik den bijbel bij deze woorden: "Ik zal u nimmer verlaten!" - -Dadelijk viel het mij in, dat deze woorden voor mij geschreven waren; -waarom anders zou ik ze juist aangetroffen hebben, toen ik treurde over -mijn toestand, als van God en menschen verlaten. Welaan, zeide ik, zoo -God mij niet verlaat, wat scheelt het of de geheele wereld mij verlaat. -Zoo ik aan den anderen kant de geheele wereld had, en Gods gunst en -zegen verloor, zou het verlies oneindig grooter zijn. - -Van dit oogenblik af begreep ik, dat ik in mijn eenzamen, verlaten -toestand gelukkiger kon zijn, dan ik waarschijnlijk in eenigen anderen -staat in de wereld ooit zou geweest zijn; en deze gedachte deed mij op -het punt staan van God te danken, dat Hij mij op dit eiland gevoerd had. -Er was echter iets in mij, dat zich hiertegen verzette, en mij de -woorden belette uit te spreken. Hoe kunt gij zulk een huichelaar zijn, -zeide ik tot mij zelven, dat gij God dankt voor een toestand, waarmede -gij wel moogt trachten tevreden te zijn, maar waarbij gij gaarne zoudt -willen bidden, dat God u er uit bevrijdde?--Schoon ik dus God niet -dankte, dat ik mij hier bevond, dankte ik hem toch opregt, dat Hij door -mijne tegenspoeden mij mijn vorig leven had doen inzien en tot berouw -over hetzelve gebragt. Nimmer vatte ik den Bijbel op, of ik dankte God, -dat Hij mijn vriend in Engeland dien zonder mijn orders onder mijne -goederen had doen pakken, en mij dien naderhand uit het wrak laten -redden. - -In deze gemoedsgesteldheid trad ik het derde jaar in, en hoewel ik den -lezer niet met zulk een uitvoerig verslag van mijn arbeid als in het -eerste jaar lastig gevallen heb, kan ik over het algemeen aanmerken, dat -ik zelden ledig was, daar ik regelmatig mijn tijd verdeelde. Eerstelijk -bad ik God en las eenigen tijd in den Bijbel, een gezetten tijd -driemalen daags; vervolgens ging ik met mijn geweer uit om voedsel te -zoeken, hetwelk mij gewoonlijk drie uren elken morgen bezig hield, als -het niet regende. Eindelijk het afhalen en braden van hetgeen ik -geschoten of gevangen had, waarmede een groot deel van den dag verliep. -Ook moet men bedenken, dat het op het midden van den dag te warm was om -uit te gaan, zoodat ik slechts tegen vier ure na den middag kon werken; -somtijds ook werkte ik des morgens, en ging tegen den avond met mijn -geweer uit. - -Bij deze korte werkuren moet men voegen de groote moeijelijkheid van -mijn werk, en de vele uren die ieder ding, dat ik maakte, mij kostte, -uit gebrek aan werktuigen, aan hulp en aan bekwaamheid. Ik was bij -voorbeeld tweeënveertig dagen bezig met eene plank te maken tot eene -lange tafel, die ik noodig had, terwijl twee timmerlieden met eene zaag -uit denzelfden boom zes planken in een halven dag zouden vervaardigd -hebben. - -Ik moest in de eerste plaats een grooten boom vellen, omdat ik eene -breede plank wilde hebben. Hiermede bragt ik drie dagen door en nog twee -dagen met het afkappen van de takken. Ik hakte toen met ontzettende -moeite zoo veel van den stam af tot hij bewogen kon worden; toen keerde -ik hem op zijde, en maakte een kant, van het begin tot het einde, zoo -vlak en effen als eene plank, en keerde toen hem om, en bewerkte de -andere zijde even zoo, tot ik een plank van drie duim dik had, die aan -beide zijden vlak was. Men oordeele welk een arbeid dit was; maar geduld -en vlijt hielpen mij dit en vele andere dingen verrigten. Ik voer dit -aan ten bewijze, waarom een zoo gering werk mij zoo veel tijd kostte. -Hetgeen met hulp van anderen en geschikte werktuigen eene kleinigheid -was, werd voor een mensch alleen een allerzwaarste en langzaamste -arbeid. Desniettemin deden vlijt en volharding mij vele, ja alle zaken -tot stand brengen, die ik in mijne omstandigheden behoefde. - -Ik was nu in November en December, en wachtte den oogst van mijne rijst -en graan. De grond, dien ik er voor omgespit had was niet groot, omdat -ik, gelijk ik zeide, slechts weinig had. Het graan stond echter zeer -goed, toen ik plotseling weder in gevaar kwam alles te verliezen, door -verschillende vijanden, die ik moeijelijk kon afweren, als eerstelijk de -geiten, en de beesten, die ik hazen noemde, kregen smaak in de -graanhalmen, en aten het op zoodra het uitschoot, zoodat het geen airen -kon schieten. - -Ik zag geen middel hiertegen, dan om eene heining om mijn akker te -maken, hetgeen mij zwaren arbeid kostte, vooral omdat het spoed eischte. -Daar de omtrek echter klein was, had ik er in drie weken eene heining -om, en over dag schoot ik sommige beesten, en bij nacht liet ik mijn -hond de wacht houden, dien ik aan een paal bij den ingang vast bond, -waar hij den geheelen nacht door blafte; dus ruimden de vijanden -spoedig het veld, en het graan begon welig op te schieten. - -Maar hadden de beesten mijn graan vernield toen het opschoot, de vogels -zouden mij waarschijnlijk alles ontrooven nu het airen schoot. Toen ik -er langs ging om te zien hoe het stond, zag ik eene menigte vogels van -allerlei soort er nabij, die slechts schenen te wachten tot ik zou -vertrokken zijn. Dadelijk schoot ik onder hen, (want ik had altijd mijn -geweer bij mij) maar terstond daarop verhief zich eene wolk van vogels -uit het graan, die ik nog niet gezien had. - -Dat was mij eene groote teleurstelling; ik voorzag, dat zij in weinige -dagen mij van alles zouden berooven, dat ik eindelijk verhongeren en -geen enkelen graankorrel ooit oogsten zou. Wat ik doen zou, wist ik -niet. Ik besloot echter zoo mogelijk mijn koorn te bewaren, al zou ik er -nacht en dag de wacht bij houden. In de eerste plaats ging ik zien welke -schade zij alreeds aangerigt hadden, en vond, dat hoewel zij reeds veel -gegeten hadden, de schade nog niet zoo groot was, en het overige nog een -goeden oogst zou geven als het behouden kon worden. - -Toen ik mijn geweer laadde, zag ik de dieven overal rondom mij op de -boomen zitten, alsof zij wachtten tot ik vertrokken zou zijn; ik deed -alsof ik heen ging, en naauwelijks was ik uit hun gezigt of zij vielen -weder in het graan. Ik was zoo verbitterd, dat ik niet wachten kon tot -er nog meer waren, maar schoot weder en doodde er drie van. Dit was -hetgeen ik wenschte, en ik behandelde ze gelijk men de dieven in -Engeland doet, namelijk, ik hing ze op, ten voorbeeld voor anderen. Het -is bijkans niet te begrijpen welk eene uitwerking dit had; want niet -alleen streken de vogels niet meer in het koorn, maar kort daarop -verlieten zij dat geheele gedeelte van het eiland, en ik zag geen vogel -meer, zoo lang mijne vogelverschrikkers daar hingen. Ik was hierover -verrukt, gelijk men wel denken kan, en in het laatst van December haalde -ik mijn oogst binnen. - -Ik had geen sikkel om het te snijden en moest dit dus met een groot mes -doen, hetgeen echter gemakkelijk was, daar de oogst niet groot was. Ik -sneed alleen de airen af, en bragt die in eene groote mand naar huis, -waar ik met mijn handen er het graan uitwreef. Toen dit afgeloopen was, -vond ik, dat ik van mijn zaad bijkans twee schepels rijst en twee en een -half schepel graan geoogst had, dat wil zeggen naar gissing, want ik had -geen maat. - -Dit was mij eene groote aanmoediging en ik hoopte, dat God mij met der -tijd brood zou beschikken. Hier deden zich echter weder zwarigheden op; -want ik wist niet hoe ik mijn koorn zou malen, om er meel van te maken, -noch hoe ik, als het tot meel was, er brood van zou maken, en al wist ik -dit, hoe ik het bakken zou. Deze zwarigheden, gevoegd bij mijn verlangen -naar eene groote hoeveelheid zaaikoorn, deden mij besluiten al het koorn -voor het volgende saizoen te bewaren, en middelerwijl mijn gedachten en -mijn tijd te besteden, om mij van meel en brood te voorzien. - -Ik mag letterlijk zeggen, dat ik thans voor mijn brood werkte. Het is -zonderling en ik geloof dat er weinig menschen over nagedacht hebben, -hoe veel kleine zaken er noodig zijn tot het voortbrengen van die eene -enkele zaak, het brood. Ik, die in een blooten natuurstaat mij bevond, -ondervond dit tot mijn dagelijksch verdriet, en gevoelde dit ieder uur, -van het oogenblik af, dat ik zoo onverwachts met zaaikoorn verrast werd. -Eerstelijk had ik geen ploeg om den grond te beploegen, noch eene spade -of schop om dien om te spitten. Dit overwon ik door eene houten spade te -maken; maar schoon hare vervaardiging mij vele dagen kostte, was zij -niet alleen veel spoediger versleten dan eene ijzeren, maar het werken -er mede ook veel zwaarder en slechter. Ik deed het er echter mede, zoo -goed als ik kon. Toen het koorn gezaaid was, had ik geen eg om het land -te eggen, maar moest een zwaren boomtak achter mij aan slepen, om -hiermede de kluiten te breken. Terwijl het rijpte ontdekte ik weder -hoeveel werk ik had om het af te sluiten, te bewaren, te oogsten, naar -huis te brengen, te dorschen, van het kaf te scheiden en te bewaren. -Vervolgens ontbrak mij een molen om het te malen, een zeef om het te -builen, gest en zout om er brood van te maken, en een oven om het in te -bakken; en echter wist ik al deze dingen te maken of te doen vervangen, -gelijk men in het vervolg zien zal, en het graan werd eene onschatbare -aanwinst voor mij. Al mijn werk ging hierdoor langzaam en moeijelijk, -maar dit was niet te verhelpen; en ook had ik er tijd genoeg voor; omdat -ik er dagelijks vaste uren toe bestemd had. Daar ik besloten had niets -van mijn koorn tot brood te gebruiken, voor ik er meer van zou hebben, -had ik zes maanden voor mij om mij de gereedschappen aan te schaffen, -die noodig waren om brood van het koorn te bereiden. - -Maar eerst moest ik meer land toebereiden, want ik had nu zaad genoeg -voor meer dan een morgen lands. Vooraf had ik ten minste eene week werk -om mij eene spade te maken, die nog slecht en zwaar genoeg was, en mij -den arbeid verdubbelde. Ik deed het echter er mede, en zaaide mijn zaad -op twee groote vlakke stukken gronds, zoo digt bij mijn huis als ik die -vinden kon. Ik maakte er eene goede heining om, van stekken gelijk ik er -te voren om gezet had, en die ik wist dat goed groeiden, zoodat ik -rekenen kon binnen het jaar eene goede heining te hebben, die slechts -weinig herstelling zou behoeven. Hoezeer dit werk niet zwaar was, gingen -er echter drie maanden mede heen, omdat het meerendeels in het -regensaizoen was, waarin ik weinig kon uitgaan. Binnen 's huis vond ik, -als het regende en ik niet kon uitgaan, altijd bezigheid genoeg, en -onder het werk vermaakte ik mij met tot mijn papegaai te praten en hem -te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: -_Koo_, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen -mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar -eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk dat ik voor mij -had. - -Ik had namelijk lang gepeinsd hoe ik op de eene of andere wijze aarden -potten zou kunnen maken, die ik hoog noodig had. De hitte van het -klimaat echter deed mij denken, dat als ik slechts goede klei vond, ik -wel eene pot daarvan zou kunnen vormen, die in de zon gedroogd, hard en -sterk genoeg zou zijn om gehanteerd te worden en drooge goederen in te -bewaren. Ik had die noodig voor koorn, vleesch, enz. Ik besloot dus -potten te maken, zoo groot als ik kon, en alleen geschikt om iets in te -bewaren. - -De lezer zou mij beklagen of liever uitlagchen, als ik hem verhaalde, -welke zonderlinge middelen ik bedacht om hierin te slagen; welke -leelijke en wanvormige dingen uit mijne handen kwamen, en hoe dikwijls -mijne potten invielen, omdat de klei niet sterk genoeg was om haar eigen -gewigt te dragen; hoe velen er barstten door de zware zonnehitte, -waaraan ik ze te haastig blootstelde; en hoe velen aan stukken vielen, -als ik ze wilde optillen, zoo wel voor als nadat zij gedroogd waren; en -om kort te gaan, hoe, nadat ik met veel moeite klei gevonden, -uitgedolven, naar huis gebragt, aangemengd en bewerkt had, ik slechts -twee groote leelijke aarden dingen, die men geen potten noemen mogt, na -een arbeid van twee maanden, tot stand had gebragt. - -Toen de zon deze twee echter zeer goed droog en hard had gemaakt, tilde -ik ze voorzigtig op, en plaatste ze in twee groote manden, die ik -daarvoor gevlochten had, ten einde zij niet zouden breken, en daar zij -niet juist er inpasten, vulde ik de tusschenruimten aan met het stroo -van mijne rijst en graan. Deze twee potten, die altoos droog stonden, -begreep ik dat mijn koorn en misschien mijn meel zouden kunnen bevatten. - -Hoe weinig het vervaardigen van groote potten mij nu gelukt was, slaagde -ik echter beter met het maken van kleine ronde potten, schotels en -dergelijke, die door de zonnewarmte zeer hard droogden. Dit alles -voldeed echter niet aan mijn wensch, van eene aarden pot te hebben om -vloeistoffen in te bewaren, en die het vuur verdragen kon, hetgeen bij -deze het geval niet was. Toen ik eenigen tijd daarna een groot vuur -aangemaakt had, om mijn vleesch te braden, en het later wilde uitdooven, -vond ik in het vuur een stuk van een mijner gebroken potten, dat zoo -hard als een steen, en zoo rood als een tegel gebakken was. Dit gezigt -verraste mij en dadelijk begreep ik, dat de geheele pot zoo goed hard -worden zou op het vuur, als een stuk daarvan. Ik dacht na hoe ik het -best vuur zou aanleggen, om eenige potten te bakken. Van een oven, -gelijk de pottenbakkers gebruiken, had ik geen begrip, evenmin van de -wijze om die te verglazen, maar ik plaatste drie groote kruiken, en twee -of drie potten boven op elkander, en het brandhout er om heen, met een -grooten hoop asch er onder. Ik stookte het vuur steeds aan, totdat ik -zag dat de potten van binnen gloeijend waren, en dat zij geen van allen -barstten. Toen zij helder gloeiden, hield ik het vuur op dezelfde -hoogte, gedurende vijf of zes uren; toen ik zag dat eene daarvan, -ofschoon niet barstende, begon te smelten, of vloeibaar te worden, want -het zand, dat onder de klei zat begon te smelten en zou tot glas -geworden zijn, als ik voortgegaan had. Ik liet dus het vuur -langzamerhand uitgaan, tot de potten niet meer gloeiden, en bleef er den -geheelen nacht bij om het vuur niet te snel te laten uitdooven. In den -morgen had ik drie goede, ik zal niet zeggen fraaije kruiken, en twee -potten, zoo hard als ik wenschen kon, en een daarvan was door het -gesmolten zand volkomen verglaasd. - -Ik behoef niet te zeggen, dat ik na deze proefneming geen gebrek aan -aardewerk meer had, maar ik moet bekennen, dat de vorm er van soms vrij -zonderling was, want ik maakte ze gelijk kinderen soms voorwerpen van -klei of stopverw maken. - -Nimmer echter verheugde iemand zich over eene geringe zaak meer dan ik, -toen ik gewaar werd, dat ik een aarden pot gemaakt had, die tegen het -vuur bestand was; en ik had naauwelijks geduld genoeg om te wachten tot -zij koud waren geworden, om een er van met wat water weder op het vuur -te zetten, om er eenig vleesch in te koken, hetgeen zeer goed ging, en -ik verkreeg eene zeer goede soep, schoon het mij aan meel en -verscheidene andere dingen ontbrak, om die zoo goed te maken als ik -wenschte. - -Thans was mijne eerste zorg een steenen vijzel mij te verschaffen, om -mijn koorn in te stampen, want om met mijne twee handen een molen te -maken, daaraan was niet te denken. Hoe ik dit echter zou aanvangen was -mij langen tijd een raadsel, want van alle handwerken ter wereld, was ik -voor dat van steenzager nog minder bekwaam dan voor eenig ander. Menigen -dag besteedde ik met naar een steen te zoeken, die groot genoeg was om -uitgehold te worden en voor een vijzel geschikt te maken, maar ik kon er -geen vinden, behalve een stuk van de rots, dat ik niet er af kon hakken. -Geen der rotsen op het eiland waren ook hard genoeg; allen waren van -eene soort van zandsteen, die de zwaarte van een grooten stamper niet -zoude kunnen verduren, en het koorn met zand zoude vermengen bij het -kneuzen. Na dus veel tijd met het zoeken naar een steen verloren te -hebben, gaf ik het op, en besloot liever een groot blok van hard hout te -zoeken, dat ik veel gemakkelijker vond, en toen ik er een gevonden had, -zoo groot als ik slechts bewegen kon, maakte ik het rond met mijn bijl, -en holde het toen uit met behulp van vuur en met oneindige moeite, op de -wijze als de Indianen in Brazilië hunne kanoe's maken. Daarna maakte ik -een grooten zwaren stamper van ijzerhout, en bewaarde dit toen, tegen -dat ik mijn eerstvolgenden oogst zou te huis hebben gehaald, wanneer ik -voornemens was mijn koorn tot meel te stampen, om daarvan brood te -maken. - -Thans moest ik zorgen om eene zeef te maken, om mijn meel van de zemelen -te scheiden, zonder hetwelk ik begreep geen goed brood te zullen -verkrijgen. Dit was allermoeijelijkst, want van hetgeen ik er toe noodig -had, had ik niets, ik bedoel, fijn dun linnen of gaas. Maanden lang wist -ik niet wat hieraan te doen; ik had geen ander linnen dan eenige lappen. -Ik had wel geitenhaar, maar wist niet hoe dit gesponnen of geweven moest -worden, en al had ik het geweten, dan had ik er geen gereedschap toe. -Eindelijk echter bedacht ik, dat ik onder de matrozenkleederen, die ik -uit het schip gered had, eenige neteldoeksche halsdoeken had. Van deze -maakte ik drie kleine zeven, die echter voor het gebruik tamelijk -geschikt waren, en waarmede ik mij eenige jaren behielp. Hoe ik later -deed zal ik op zijne plaats vermelden. - -Nu moest ik om het bakken denken, en hoe ik deeg zou maken als ik meel -had, want ik had geen gest. Daar hieraan niets te doen viel, dacht ik er -ook niet lang over, maar ik had meer zorg over een oven. Eindelijk -bedacht ik een middel om mij hierin te helpen; ik maakte namelijk eenige -aarden potten zeer breed maar niet diep, dat is zeggen van ongeveer twee -voet in doorsnede, en negen duim hoog; deze bakte ik in het vuur gelijk -de vorigen en bewaarde ze, en als ik brood wilde bakken legde ik een -groot vuur op mijn haard aan, dien ik met eenige tegels, ook al van mijn -eigen baksel, belegd had, maar die alles behalve volkomen vierkant -waren. - -Als het hout goed tot kolen gebrand was, plaatste ik deze op den haard, -zoodat hij er geheel mede bedekt was en liet ze daar liggen tot de haard -gloeijend heet was, dan schoof ik ze ter zijde en plaatste er mijn -potten of vormen op, en hoopte de kolen op zijde daartegen aan, om de -hitte te vermeerderen. Aldus bakte ik mijn deeg, zoo goed als in den -besten oven van de wereld, en werd weldra een heele pastijbakker, want -ik maakte al aardige rijstkoekjes en poddings, maar geen pastijtjes, -want daar had ik alleen geitenvleesch of dat van gevogelte in kunnen -doen. - -Men moet zich niet verwonderen, dat ik hiermede bijkans geheel het derde -jaar van mijn verblijf bezig was, want men moet bedenken, dat ik onder -de hand tevens mijn nieuwen oogsten akkerbouw moest bestieren. Ik maaide -mijn koorn op zijn tijd, en bragt het naar huis zoo goed ik kon, in -mijne groote manden, waarin ik het in de airen liggen liet, tot ik tijd -had het er uit te wrijven; want ik had geen dorschvloer, en geen vlegel -om het mede te dorschen. - -En daar nu mijn voorraad van koorn vermeerderde, had ik ook een grooter -bergplaats noodig. Ik had nu ongeveer twintig schepels graan en schier -even veel rijst, zoodat ik het nu vrij durfde gebruiken, want mijn brood -was reeds lang op. Ik besloot nu ook te zien hoe veel ik voor een geheel -jaar noodig had, en dan slechts eenmaal 's jaars te zaaijen. - -Ik bevond ten laatste dat ik aan de veertig schepels rijst en graan voor -een jaar meer dan genoeg had, dus nam ik voor alle jaren even veel als -de laatste maal te zaaijen, in de hoop, dat ik aan den oogst hiervan ten -volle genoeg zou hebben, voor brood voor een geheel jaar. - -Terwijl ik mij met deze dingen onledig hield, waren mijne gedachten -dikwijls gevestigd op het land, dat ik van den anderen kant van het -eiland had gezien, en wenschte ik heimelijk, dat ik daar aan wal zijn -mogt, in de verbeelding, dat ik het vaste land en een bewoonde plaats -zien, en eenig middel ontdekken zou, om verder te komen. Ik dacht echter -weinig aan de gevaren van zulk een toestand, en hoe ik in de handen der -wilden zou kunnen vallen, welke welligt meer te vreezen waren dan de -leeuwen en tijgers van Afrika, en dat zoo ik in hunne handen viel, het -duizend tegen een was, dat ik gedood en welligt opgegeten zou worden; -want ik had gehoord, dat de bewoners van de Caraïbische kust kannibalen -of menscheneters waren; en naar de breedte te oordeelen, kon ik niet ver -van hen verwijderd zijn. En al waren zij geene menscheneters, dan konden -zij mij ligtelijk dooden, gelijk zoo vele Europeanen gebeurd was, die in -hunne handen waren gevallen, zelfs bij tien en twintig te gelijk, hoe -veel meer dan mij, die alleen was en mij weinig of niet verdedigen kon. -Dit alles, zeg ik, hetgeen ik toen had moeten bedenken, en dat mij later -inviel, boezemde mij toen geen de minste vrees in, en steeds peinsde ik -op middelen om naar die kust over te steken. Hoe verlangde ik thans naar -den Moorschen jongen en de boot, met welke ik wel duizend mijlen langs -de Afrikaansche kust had afgelegd; maar deze had ik thans niet. Toen -bedacht ik de boot van ons schip te gaan opzoeken, die, gelijk ik zeide, -een groot eind weegs op het strand was geslagen, bij het begin van den -storm. Deze lag nog bijkans op dezelfde plaats en was door het geweld -van wind en golven bijkans onderst boven gekeerd, tegen eenen hoogen -zandheuvel aan, waar zij hoog en droog lag. Zoo ik volk bij mij gehad -had, om deze boot te herstellen en te water te brengen, had dit wel -kunnen geschieden, en ik er mede naar Brazilië teruggekeerd zijn; maar -ik kon ligt beseffen, dat ik haar evenmin kon opheffen en omkeeren als -het eiland zelf. Ik ging echter naar het bosch, en kapte hefboomen en -rollen, en bragt die naar de boot, om te zien wat ik er mede zou kunnen -doen, daar ik dacht, dat als ik haar maar eerst omgekeerd had, ik -gemakkelijk de schade zou kunnen herstellen, en daar het eene zeer goede -sloep was, er mede in zee steken. - -Ik spaarde geene moeite aan dezen vruchteloozen arbeid, en bragt er, -geloof ik, drie of vier weken mede zoek. Toen ik eindelijk vond, dat het -mij onmogelijk was haar om te keeren, bedacht ik, het zand er onder uit -te delven, en haar zoo te doen vallen, nadat ik er verscheidene stukken -hout onder geplaatst had, om den val te breken en te regelen. - -Maar toen ik dit gedaan had, kon ik haar evenmin verwrikken, of er onder -komen, laat staan haar te water brengen; dus moest ik dit opgeven; -schoon ik echter alle hoop op de boot varen liet, groeide mijne -begeerte, om naar het vaste land over te steken, steeds aan, naar gelang -de middelen daartoe onmogelijker schenen. - -Dit bragt mij op de gedachten, of het mij niet mogelijk zou zijn eene -kanoe of praauw te maken, gelijk de inboorlingen onder deze hemelstreek -gebruiken, zelfs zonder gereedschappen, namelijk uit een grooten -boomstam. Ik achtte dit niet alleen mogelijk, maar zelfs gemakkelijk, en -verheugde mij zeer in het vooruitzigt, die te maken, en dat ik daartoe -meer hulpmiddelen zelfs had dan de Negers en Indianen. Maar ik dacht -niet aan hetgeen, waarin ik bij de Indianen te kort schoot, namelijk -gebrek aan volk om te roeijen, als zij klaar was, eene zwarigheid, die -voor mij veel moeijelijker te overwinnen was dan al het gebrek aan -gereedschappen voor hen; want wat baatte het mij als ik een grooten boom -uit het bosch had uitgekipt, dien met veel moeite gekapt, en ik daarna -met behulp van mijne werktuigen in staat was, dien van buiten den vorm -van een boot te geven, en van binnen met vuur of ijzer uit te hollen, -zoo dat het eene boot werd; als ik na dat alles die moest laten waar zij -lag, en niet in staat was haar te water te brengen? - -Men zal niet kunnen begrijpen, dat ik niet de minste nagedachten over -mijn toestand had, terwijl ik de boot maakte, anders had ik dadelijk -moeten denken hoe ik haar in zee zou brengen; maar mijne gedachten waren -zoo geheel vervuld met mijne reis over zee met haar, dat ik er zelfs -nimmer aan dacht, hoe ik van het land zou komen, en toch was het -inderdaad voor mij veel gemakkelijker de boot vijftien mijlen over zee -te brengen, dan vijfenveertig over land, van de plaats waar zij lag tot -in het water. - -Ik toog te werk aan deze boot, meer als een gek, dan als iemand, die -zijn gezond verstand heeft. De voorgenomen reis streelde mij, zonder dat -ik ooit overwoog of ik wel in staat zou zijn die te beginnen. Wel dacht -ik dikwijls, dat het mij moeijelijk zou zijn mijne boot te water -brengen, maar dan stopte ik mij zelven den mond met het dwaze antwoord: -"Laat mij maar eerst de kanoe gereed hebben, dan zal ik wel middel -vinden haar te gebruiken." - -Dit was eene alleronverstandigste handelwijze, maar mijne verbeelding -bragt mij het hoofd op hol, en dus ging ik aan het werk, en deed een -cederboom vallen. Ik weet niet of Salomo ooit een grooter had bij de -bouwing van den tempel te Jeruzalem, want hij was van onderen bij den -wortel vijf voet en tien duim in doorsnede, en vier voet elf duim aan -het andere einde, tweeëntwintig voet hooger, daarna werd hij dunner en -liep in takken uit. Met eindelooze moeite velde ik dezen boom. Twintig -dagen hakte ik aan den stam, toen had ik nog veertien dagen noodig om -er de takken en armen, en de wijd uitgespreide kruin af te kappen, -hetgeen met mijne bijlen een ontzettende arbeid voor mij was. Daarna -ging er nog eene maand heen met den stam te vormen, en er eenigermate -den vorm van eene sloep aan te geven, zoodat hij, gelijk het behoorde, -regt op in het water kon drijven. Het uithollen, zoo dat hij den juisten -vorm van eene sloep verkreeg, deed ik zonder behulp van vuur, maar door -zwaren arbeid met een hamer en beitel, tot ik eindelijk eene vrij knappe -praauw voor den dag bragt, groot genoeg om zesentwintig man te voeren, -en dus althans groot genoeg voor mij en mijne lading. - -Toen mijn werk zoo ver gedaan was, had ik er regt genoegen in. De boot -was vrij wat grooter dan ik ooit in mijn leven eene kanoe of praauw, uit -één stam gemaakt, had gezien. Menig droppel zweet had zij mij gekost, -dat kan ik verzekeren. Nu bleef er slechts over haar te water te laten -loopen. Zoo ik dit had kunnen doen, twijfel ik niet of ik zou de -dolzinnigste en gewaagdste reis ondernomen hebben, die ooit bij iemand -opgekomen was. - -Maar al mijne uitvindingen, om haar te water te brengen, mislukten, -schoon zij mij ontzettenden arbeid kostten. De boot lag wel niet verder -dan ongeveer honderd ellen van het water, maar in de eerste plaats liep -de grond hoog op bij de kreek. Ik besloot deze hoogte weg te graven, zoo -dat de grond daar laag afliep. Hieraan begon ik weder met ontzettende -moeite; maar wie vraagt naar moeite bij het vooruitzigt op zijne -bevrijding? Maar toen deze moeijelijkheid uit den weg geruimd was, was -er slechts één bezwaar overwonnen, want ik kon de kanoe even min bewegen -als vroeger de andere boot. - -Ik mat daarop den afstand, en daar ik de kanoe niet naar het water kon -brengen, besloot ik het water naar de kanoe te brengen, door een kanaal -te graven tot aan de plaats, waar zij lag. Ik begon ook hieraan, maar -toen ik nu eens narekende hoe diep en breed ik dit moest graven, hoe ik -de aarde er uit moest werken, vond ik, dat bij het aantal handen, -waarover ik beschikken kon, te weten mijne eigene twee, er tien of -twaalf jaren zouden verloopen voor ik dit kon volbrengen, want de kust -lag hoog, zoo dat ik aan het einde twintig voet diep had moeten graven. -Hoezeer met grooten weerzin, moest ik dus eindelijk mijn plan opgeven. -Dit griefde mij bitter, en nu zag ik te laat in hoe dwaas het is een -werk te beginnen, zonder eerst te bedenken, of wij in staat zijn het te -volvoeren. - -Midden in dit werk was ik, toen het vierde jaar van mijn verblijf alhier -eindigde, en ik bragt dien dag evenzeer in gebeden door als de vorige, -en met gelijke vertroosting, want door eene gestadige beoefening van -Gods Woord, en ondersteund door Gods genade, had ik thans geheel andere -begrippen dan te voren. Ik beschouwde nu de wereld als een afgelegen -oord, als iets, waarmede ik niets te maken, waarvan ik niets te -verwachten had, en waarnaar ik waarlijk niet verlangde. Kortom, daar ik -er waarschijnlijk nimmer weder iets mede te maken zou hebben, beschouwde -ik de wereld gelijk ik dacht, dat wij die welligt hier namaals zullen -beschouwen, namelijk als een plaats, waarin ik geleefd, doch die ik -thans verlaten had. Ik mogt er wel van zeggen gelijk Abraham tot den -rijken man in het Evangelie: "Tusschen mij en ulieden is eene groote -kloof gevestigd." - -Ik was inderdaad buiten het bereik van de verzoekingen der wereld. Noch -den lust des vleesches, noch den lust der oogen, noch de hoogmoed des -levens had ik hier te duchten. Ik had niets te benijden, want al wat mij -hier eenig genot kon verschaffen was in mijn bezit. Ik was heer van het -geheele land, en kon mij keizer of koning van hetzelve noemen als ik het -goed vond. Ik had geene mededingers, niemand die mij de heerschappij of -het oppergezag betwistte. Ik had scheepsladingen koorn kunnen teelen, -maar kon ze niet gebruiken, dus liet ik niet meer groeijen dan ik voor -mij noodig achtte. Ik had overvloed van schildpadvleesch, nu en dan een -was voor mij genoeg. Ik had hout genoeg om eene geheele vloot te bouwen, -en genoeg druiven om die vloot met wijn of rozijnen te laden, als zij -gebouwd was. - -Maar voor mij was datgene alleen van waarde, wat ik gebruiken kon. Ik -had genoeg om in mijne behoeften te voorzien, en wat zou mij meer gebaat -hebben? Had ik meer wild geschoten dan ik nuttigen kon, mijn hond of de -roofvogels hadden het moeten eten; had ik meer koorn gezaaid dan ik -noodig had, het had moeten bederven. De boomen, die ik geveld had, lagen -op den grond te verrotten. Ik kon ze alleen als brandhout gebruiken, en -dit had ik alleen noodig om mijn eten op te koken. - -In één woord, de natuur en mijne ondervinding leerden mij, na rijp -nadenken, dat alle goederen der wereld voor ons niet verder goed zijn -dan zij voor ons gebruik geschikt zijn, en dat van al wat wij -bijeenschrapen, om anderen te geven, wij zoo veel genieten als wij -gebruiken kunnen en meer niet. De schraapzuchtigste vrek der wereld zou -van zijne gierigheid genezen zijn geworden, als hij in mijn toestand -ware geweest, want ik bezat oneindig meer dan ik wist te gebruiken. Ik -had niets te verlangen, dan eenige beuzelingen, die ik niet bezat, maar -die mij van groot nut zouden geweest zijn. Ik had, gelijk ik vroeger -gezegd had, eenig geld in goud en zilver, ter waarde van ruim -zesendertig pond sterling. Helaas, daar lag dat ellendig, nietswaardig -goed! Ik kon er niets mede aanvangen, en dacht dikwijls bij mij zelven, -dat ik er handen vol van had willen geven voor een gros tabakspijpen of -een molen om mijn koorn te malen; ik had het altemaal willen geven voor -de waarde van een paar dubbeltjes aan zaad van peenen en knollen, of -voor eene hand vol erwten en boonen en eene flesch inkt. Thans had ik er -niet het minste voordeel van, het lag in eene lade te beschimmelen door -de vochtigheid in het regensaizoen; en al was die lade vol diamanten -geweest, het zou hetzelfde geweest zijn, en daar zij mij van geen nut -waren, hadden zij geene waarde voor mij. - -Mijn levenswijze was thans voor mij veel aangenamer en geruster naar -ligchaam en ziel, dan in den beginne. Dikwijls zette ik mij met een -dankbaar hart aan tafel, en bewonderde de bestiering der Goddelijke -Voorzienigheid, die aldus in de wildernis mij spijs had bereid. Ik -leerde meer op de gunstige en minder op de ongunstige zijde van mijn -toestand zien, en meer te denken aan hetgeen ik bezat dan aan hetgeen -mij ontbrak, en dit verschafte mij somwijlen meer opbeuring dan ik hier -kan zeggen, en waarvan ik hier melding maak, om dit te doen bedenken aan -hen, die onvergenoegd zijn en niet rustig kunnen genieten wat God hun -geschonken heeft, omdat zij datgene zien en benijden, wat Hij hun heeft -onthouden. Al ons verdriet over hetgeen ons ontbreekt, schijnt mij toe -te ontstaan uit gebrek aan dankbaarheid voor hetgeen wij bezitten. - -Eene andere bedenking was mij zeer nuttig, en zal dit ongetwijfeld zijn -voor ieder, die zich in een tegenspoed als de mijne bevindt; deze -bestond daarin, dat ik mijn tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, -welken ik in den beginne te gemoet zag, en die zeker mijn lot zou -geweest zijn, als Gods genadige Voorzienigheid niet het schip nader bij -het strand had geworpen, zoodat ik er niet alleen kon bijkomen, maar er -alles uit naar den wal brengen, wat ik noodig had; zonder hetwelk ik -noch gereedschap om te werken, noch wapens tot mijne verdediging, noch -kruid en lood om mijn voedsel te verkrijgen, zou gehad hebben. - -Geheele uren, ja geheele dagen bragt ik aldus door met mij op het -levendigst voor te stellen hoe ik had moeten handelen, als ik niets uit -het schip had kunnen halen; hoe ik geen ander voedsel dan visch en -schildpadden had bekomen, of liever, daar het lang duurde eer ik dezen -vond, hoe ik voor dien tijd van honger had moeten sterven, of zoo niet, -hoe ik dan als een wilde had moeten leven, en zoo ik bij toeval mij van -een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen -afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als -een beest vaneen scheuren. - -Deze gedachten deden mij de goedheid der Voorzienigheid jegens mij -beseffen, en mij dankbaar zijn voor mijn tegenwoordigen toestand, met al -zijne gevaren en ongemakken; en ik moet dus ook dit ernstig ter -overweging aanbevelen aan hen, die in hunne ellende zeggen: "Is er -eenige droefenis als de mijne?" Laat hen bedenken hoe veel erger sommige -lieden er aan toe zijn, en zij zelven zouden zijn, als de Voorzienigheid -dit gewild had. - -Nog eene bedenking vertroostte mijn geest, en deze was, als ik mijn -tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, welken ik verdiende, en dus -billijk van de Voorzienigheid had mogen verwachten. Ik had geleefd -buiten alle kennis en vreeze Gods. Wel hadden mijne ouders mij -onderwezen en vroegtijdig getracht mij de vreeze Gods in te boezemen, -met een besef van mijne pligten en van de bestemming en het doel mijns -levens. Maar, helaas, vroegtijdig was ik tot een zwervend leven -vervallen, en in een gezelschap, waarin het weinige van de godsdienst -werd uitgeroeid, dat ik nog bezat, door den spot mijner makkers, door -eene hardvochtige verachting van gevaren en het zien van den dood, -waaraan ik gewoon raakte; door mijn langdurig verstoken zijn van alle -gelegenheid om met iemand van andere beginselen dan ik omtegaan, of iets -te hooren, dat goed was, of eene goede strekking had. - -Zoo geheel was ik buiten het bezit van al wat goed was, of van alle -denkbeeld daaraan, dat bij mijn grootste weldaden, zoo als mijne -ontsnapping van Salé, toen ik door den Portugeschen kapitein opgenomen -werd, toen ik zoo wel slaagde in Brazilië, mijne lading uit Engeland -ontving, enz., ik nimmer de woorden: "Gode zij dank," in mijn hart of in -mijn mond had; en bij mijne grootste tegenspoeden dacht ik zelfs niet -aan het gebed, en gebruikte Gods naam alleen tot vloeken en lasteren. - -Verscheidene maanden, gelijk ik reeds gezegd heb, was mijn geest zeer -bedrukt over mijn vorig snood en verhard leven; en toen ik alles om mij -heen beschouwde en overwoog, welke bijzondere bestieringen ik sedert -mijne komst alhier had ontwaard, en hoe goedertieren God met mij -gehandeld had; hoe Hij mij niet alleen minder gestraft had, dan mijne -overtredingen verdienden, maar zoo genadig voor mij gezorgd had; gaf dit -mij groote hoop, dat God mijn berouw had aangenomen, en ik nog in 't -vervolg op zijne goedertierenheid hopen mogt. - -Deze overwegingen maakten mij niet alleen onderworpen aan den wil van -God, in mijn tegenwoordigen toestand, maar zelfs opregt dankbaar voor -denzelven. Ik bedacht, dat ik, die nog in leven was, mij niet mogt -beklagen, daar ik geenszins de regtmatige straf voor mijne zonden had -ontvangen; maar dat ik dagelijks mij verheugen en dankbaar zijn moest -voor dat dagelijksch brood, dat mij als door een wonder geschonken was, -een wonder zoo groot, als dat van de voeding door de raven van den -Profeet Elias, of liever door eene reeks van wonderen. Ik bedacht, dat -ik van al de onbewoonde plaatsen op de wereld, geene plaats kon -bedenken, waar ik gunstiger omstandigheden had kunnen aantreffen. Ik was -aan den eenen kant van alle menschelijk gezelschap beroofd, hetgeen mij -eene groote droefheid was, maar aan den anderen kant werd mijn leven -niet bedreigd door verscheurende dieren; er waren geene venijnige dieren -of giftige planten, geene wilden om mij te slagten. Kortom, schoon mijn -leven aan den eenen kant zeer treurig was, was het aan den anderen kant -gezegend; zoo ik slechts een regt besef had van Gods goedheid en zorg -voor mij, en hieruit mijne dagelijksche vertroosting putte. Toen ik -deze dingen goed inzag, was ik niet meer ter nedergeslagen. - -Ik was hier nu zoo lang geweest, dat verscheidene zaken, die ik aan wal -had gebragt of geheel versleten of gebruikt waren. Mijne inkt -bijvoorbeeld was geheel verbruikt, sedert eenigen tijd, op een weinig -na, dat ik zoo dikwijls met water had aangelengd, tot hij zoo bleek was, -dat men hem naauwelijks op het papier zien kon. Zoo lang hij duurde had -ik hem gebruikt, om de dagen van de maand op te teekenen, waarin mij -iets merkwaardigs gebeurde, en bij overweging van het verledene, -ontdekte ik een zonderling zamentreffen van de dagen, waarop mij -verschillende gewigtige gebeurtenissen bejegend waren, en zoo ik -bijgeloovig genoeg was geweest, om aan ongelukkige of gelukkige dagen te -gelooven, zouden mij deze niet zonder reden sterk getroffen hebben. - -In de eerste plaats vond ik, dat op denzelfden dag van het jaar, dat ik -mijn vaders huis verliet en naar Hull ging, om in zee te gaan, op -dienzelfden dag werd ik door een Saleschen kaper genomen en tot slaaf -gemaakt. Ik ontkwam aan de schipbreuk op de reede van Yarraouth op -denzelfden dag, dat ik naderhand van Salé in de boot vlugtte. Eindelijk, -op mijn geboortedag, te weten den 30 September, werd mijn leven zoo -wonderdadig gespaard, toen ik op dit eiland op het strand geworpen werd; -zoo dat mijn zondig leven en mijn eenzaam leven op dit eiland op -denzelfden dag begonnen waren. - -Het eerst wat na mijn inkt op raakte was mijn brood, ik bedoel de -beschuit, die ik uit het schip bragt. Met deze was ik zoo spaarzaam als -mogelijk geweest, en had meer dan een jaar lang er dagelijks slechts een -van gebruikt; en toch had ik een geheel jaar lang geen brood, tot ik -zelf eenig koorn verkreeg, hetgeen zoo wonderdadig bewaard en eene -groote weldaad voor mij was. - -Mijne kleederen begonnen jammerlijk te verslijten. Ik had geen linnen -meer dan eenige oude hemden, die ik in de kisten van andere matrozen had -gevonden, en die ik zorgvuldig bewaarde, omdat ik dikwijls niets anders -dragen kon dan een hemd, en het was een groot geluk voor mij, dat er bij -de matrozen kleederen schier drie dozijn hemden waren. Er waren ook -verscheidene dikke buizen van de matrozen, maar deze waren te warm om te -dragen, en hoewel het luchtgestel zoo geweldig heet was, dat men geene -kleederen behoefde, kon ik toch niet geheel naakt gaan, al had ik er -lust toe gehad, hetgeen in 't geheel het geval niet was, want ik kon, -ofschoon ik geheel alleen was, het denkbeeld er van niet verdragen. - -Eene reden, waarom ik niet geheel naakt kon gaan, was, dat ik geheel -naakt, niet zoo goed de zonnehitte verdragen kon, als wanneer ik eenige -kleederen aan had; want de zon verschroeide letterlijk mijne huid, -terwijl, als ik een hemd aan had, de wind mij eenige koelte gaf, door -onder hetzelve te spelen. Even min kon ik het zoo ver brengen, dat ik -zonder een hoed of muts in de zon liep; want dadelijk zou de zonnehitte -mij hoofdpijn gegeven hebben, als de zonnestralen zoo regt op mijn hoofd -vielen, terwijl ik door het dragen van een hoed of muts hiervoor bewaard -werd. - -Te dien einde besloot ik eens schouwing te houden van al de lappen, die -ik over had, en die ik mijne garderobe noemde. Al mijne kamizolen waren -versleten, ik trachtte dus anderen te maken van de groote jassen, die ik -had. Ik ging dus aan het kleedermaken of liever lappen. Het ging echter -nog al dragelijk; maar de broeken, die ik alstoen maakte, zagen er -jammerlijk uit. - -Ik heb reeds gezegd, dat ik de huiden van al de viervoetige beesten, die -ik gedood had, had bewaard, en die met eenige stokken in de zon -uitgespannen, waardoor sommigen zoo hard geworden waren, dat zij -genoegzaam onbruikbaar waren; van anderen echter had ik veel nut. Het -eerste wat ik van deze maakte was eene groote muts met het haar naar -buiten, opdat de regen er langs zou loopen. Dit ging zoo goed, dat ik -een geheel stel kleederen van deze huiden maakte, namelijk eene buis en -broek, aan de knieën open en zeer ruim, want zij moesten mij eer koel -houden dan verwarmen. Ik moet bekennen, dat zij er jammerlijk uitzagen -en dat, ofschoon een slechte timmerman, ik nog tienmaal slechter snijder -was. Echter kwamen zij mij zeer goed te stade, en als ik in den regen -liep, bleef ik volkomen droog, omdat er geen regen doordrong. - -Daarna besteedde ik veel tijd en arbeid, om mij een zonnescherm te -maken; ik had er een hoog noodig en verlangde er zeer naar. Ik had ze te -Brazilië gezien, waar zij bij de zware hitte zeer nuttig zijn; en hier, -nog digter bij de evennachtslijn, was de hitte zelfs nog heviger. -Bovendien was zulk een scherm voor mij even nuttig voor den regen als -voor de zon. Ik gaf mij ontzettende moeite, en het duurde lang voor ik -iets maken kon, dat opstond. Toen ik eindelijk dacht er achter te zijn, -mislukten er nog twee of drie, maar eindelijk had ik er een die tamelijk -naar mijn zin was. De grootste moeijelijkheid was om te maken, dat het -neêr sloeg. Ik kon er wel een maken dat opgezet kon worden, maar als ik -dit niet kon neêr doen, had ik het altijd boven mijn hoofd moeten dragen -en dat ging niet. Eindelijk echter maakte ik een goed, en bedekte het -met huiden, met het haar naar buiten, zoo dat de regen er goed afliep; -en het weerde de zon zoo goed af, dat ik thans veel beter in het warmste -weder dan vroeger in het koelste kon uitgaan. Als ik mijn scherm niet -noodig had, droeg ik het toegeslagen onder mijn arm. - -Aldus leefde ik zeer rustig, mijn geest was zeer bedaard, doordien ik -mij geheel aan Gods wil onderworpen en aan zijne voorzienigheid -toevertrouwd had. Hierdoor leefde ik beter dan in de maatschappij, want -als ik naar verkeering met menschen verlangde, dan vroeg ik mij zelven -af, of aldus met mij zelven en naar ik hoopte, in mijne gebeden, met -mijnen Schepper te verkeeren, niet beter was dan de grootste genietingen -van den omgang met anderen in de wereld? - -Ik kan niet zeggen, dat mij na dien tijd, vijf jaren lang, iets -buitengewoons gebeurde, ik leefde op dezelfde wijze en op dezelfde -plaats voort. Hoofdzakelijk hield ik mij bezig, behalve met mijn -jaarlijkschen arbeid van graan en rijst te teelen, en van mijne druiven -te droogen, waarvan ik altijd voor een jaar in voorraad had; ik zeg -behalve dezen arbeid en mijn dagelijks uitgaan met mijn geweer, had ik -ondernomen eene kanoe te maken, die ik ten laatste voltooid had; zoodat -ik, door er een kanaal van zes voet wijd en vier voet diep voor te -delven, die eene halve mijl ver, in de kreek bragt. De eerste kanoe was, -gelijk ik gezegd heb, zoo groot, dat ik die niet naar het water, en het -water evenmin naar de kanoe kon brengen; dus lag zij daar als eene -herinnering voor mij, om in het vervolg verstandiger te werk te gaan. - -Den volgenden keer dan ook, schoon ik er geen geschikten boom toe vinden -kon, en het op eene plek was, waar het water eene halve (Eng.) mijl ver -moest gebragt worden, gaf ik het echter geenszins op, zoodra ik zag dat -het uitvoerbaar was, en schoon ik er bijkans twee jaren aan bezig was, -verdroot mij deze arbeid nimmer, omdat ik hoop had van eindelijk eene -boot te verkrijgen, waarmede ik naar zee zou kunnen gaan. - -Toen echter eindelijk mijne kleine praauw voltooid was, beantwoordde -hare grootte echter volstrekt niet aan het doel, dat ik beoogde toen ik -de groote maakte; ik meen van er mede naar het vaste land over te -steken, waar dit ongeveer veertig (Eng.) mijlen ver af lag. De kleinte -van mijn boot droeg er ook toe bij, aan dat voornemen een einde te -maken, en eindelijk dacht ik er niet meer aan. Maar daar ik nu eene boot -had, vatte ik thans het voornemen op eene reis rondom mijn eiland te -maken. Ik was, gelijk ik verhaald heb, toen ik het eiland dwars -doorgetrokken was, op eene plaats aan de andere zijde geweest, en mijne -op dien togt gemaakte ontdekkingen maakten mij zeer verlangend ook de -andere deelen der kust te zien, en nu ik eene boot had, maalde het -denkbeeld van het eiland rond te varen, mij den geheelen dag door het -hoofd. - -Te dien einde, en om alles met beleid en bezadigdheid te doen, -vervaardigde ik een mastje voor mijne boot, en maakte er een zeil voor, -uit sommige stukken van scheepszeilen, die in groote menigte, in mijne -voorraadschuur lagen. - -Toen de mast en het zeil gereed waren, beproefde ik de boot, en vond dat -zij zeer goed zeilde. Toen maakte ik kleine kasten of bergplaatsen van -voren en achteren in mijne boot, om er leeftogt, kruid, lood en andere -noodwendigheden in droog te houden, hetzij voor regen of voor het schuim -der zee, en aan de binnenzijde maakte ik eene lange geul, waarin ik mijn -geweer kon leggen, met eene klep er over heen, om het droog te houden. - -Ik maakte mijn zonnescherm van achteren vast in de boot, zoodat het -overeind stond, boven mijn hoofd, en mij even als eene zonnetent voor de -hitte beschermde. Op deze wijze deed ik nu en dan een togtje naar zee, -maar ging nimmer diep in zee, of ver van de kleine kreek. Eindelijk -echter verlangde ik zoo, om den omtrek van mijn koningrijkje te bezien, -dat ik de reis rondom hetzelve besloot te ondernemen. Diensvolgens -rustte ik mijn scheepje uit voor de reis. Ik deed er in twee brooden, of -liever koeken, van mijn meel gebakken, eene aarden pot vol gepelde -rijst, (een voedsel dat ik veel gebruikte) een klein fleschje rum, eene -halve geit en kruid en lood om er meer te schieten; en twee grove -jassen, die ik, gelijk ik gezegd heb, uit de matrozenkisten gered had. -Deze laatste dienden, de een om op te liggen, de ander om mij des nachts -te bedekken. - -Het was den 6 November, in het zesde jaar mijner regering of van mijne -gevangenschap, zoo als men het noemen wil, dat ik op deze reis onderzeil -ging. Ik vond dat de reis veel verder was dan ik verwacht had, want -schoon het eiland op zich zelf niet zoo groot was, vond ik, toen ik aan -de oostzijde kwam, een groot rif van klippen, dat zich ongeveer twee -mijlen ver in zee uitstrekte, sommige waren boven water, andere blind; -en achter deze strekte eene drooge zandbank zich nog eene mijl verder -uit, zoodat ik verpligt was een groot eind in zee te steken, om deze -kaap te omzeilen. - -Toen ik dit rif het eerst ontdekte, stond ik op het punt, mijne -onderneming op te geven en terug te keeren, daar ik niet wist hoe ver ik -genoodzaakt zou zijn in zee te gaan, en bovenal hoe ik zou terugkeeren, -dus ging ik voor anker liggen, want ik had van eene gebroken dreg, die -ik uit het schip gehaald had, eene soort van anker gemaakt. Na mijne -boot goed vastgelegd te hebben, nam ik mijn geweer en stapte aan land, -waar ik op een heuvel klom, van welken ik dacht die kaap te kunnen -overzien, en waar ik hare geheele uitgestrektheid waarnam, en besloot -het te wagen. - -Toen ik van den heuvel, waarop ik stond, de zee overzag, bespeurde ik -eene sterke, ja eene allergeweldigste strooming, die oostelijk liep, en -zelfs digt langs het rif heen; en ik nam dit te naauwkeuriger op, omdat -ik inzag dat er eenig gevaar bestond, dat als ik in deze strooming -geraakte, ik door hare hevigheid zeewaarts kon gesleept worden, zonder -dat ik het eiland weder zou kunnen bereiken. En waarlijk, als ik niet -eerst op den heuvel was geklommen, geloof ik, dat dit ook zou gebeurd -zijn, want aan de andere zijde was dezelfde strooming, behalve, dat die -op een verderen afstand liep, en digt onder de kust liep eene sterke -tegenstrooming, zoo dat ik niets te doen had dan slechts buiten de -eerste strooming te blijven, en ik zou ongetwijfeld naar de kust -teruggevoerd worden. - -Ik bleef echter twee dagen voor anker liggen, omdat de wind, die vrij -stevig was (uit het O.Z.O., en dus juist tegen de gezegde strooming -inblies) op dat punt eene zware branding maakte, zoo dat het uithoofde -van de branding niet veilig voor mij was, al te digt bij de kust te -houden, en niet al te ver af, uithoofde van de strooming. - -Den derden dag was des morgens de zee stil, daar de wind gedurende den -nacht was gaan liggen, en ik waagde den togt; maar het volgende is eene -les voor alle onbedreven loodsen. Naauwelijks was ik aan het rif, zelfs -nog geen bootslengte van den wal, of ik bevond mij in zeer diep water, -en eene strooming, die als een molensluis liep. Deze sleepte mijne boot -met zoo veel geweld mede, dat ik, wat ik ook deed, haar niet aan den -rand der strooming kon houden, maar zij mij, naar ik bemerkte, al verder -en verder van de tegenstrooming, die aan mijne linkerhand was, -afsleepte. Er was geen wind genoeg om mij te helpen, en wat ik met mijne -riemen doen kon beteekende niets. Ik begon mij thans verloren te achten, -want daar de strooming aan beide kanten van het eiland was, wist ik dat -zij op weinige mijlen afstands met elkander zamentreffen moesten, en dan -was ik onherstelbaar verloren. Ik zag ook geene mogelijkheid het te -vermijden, zoodat ik niets voor oogen had dan den dood, niet van de zee, -want die was kalm genoeg, maar van den dood door honger. Ik had wel is -waar, eene schildpad, zoo groot als ik maar optillen kon, aan het strand -gevonden, en in de boot geworpen, en ik had eene groote kruik met zoet -water, dat is te zeggen een van mijne gebakken potten; maar wat zou mij -dit baten als ik in den uitgestrekten Oceaan gedreven werd, waar op -misschien duizend mijlen afstands, geene kust, geen vast land of eiland -was. - -En nu zag ik, hoe gemakkelijk de Goddelijke Voorzienigheid den -rampzaligsten toestand, waarin zich iemand bevindt, nog veel erger kan -maken. Nu zag ik naar mijn eenzaam eiland uit, als naar de aangenaamste -plaats der wereld, en het grootste geluk, waarnaar ik wenschen kon, was, -dat ik daar maar weder zijn mogt. Verlangend strekte ik er de handen -naar uit. "O, gelukkig oord," zeide ik, "ik zal u nimmer wederzien! -Rampzalige, die ik ben, waar ga ik heen?" Vervolgens verweet ik -mijzelven mijne ondankbaarheid, en hoe ik over mijn eenzamen toestand -getreurd had, en wat ik nu wel niet zou willen geven als ik daar slechts -weder aan wal was! Zoo zien wij nimmer onzen toestand in het ware licht, -voor wij door het tegendeel, er een helderder inzigt in verkrijgen; en -datgene wat wij genieten, leeren wij eerst waarderen als wij het moeten -missen. Het is naauwelijks mogelijk zich de ontroering te verbeelden, -waarin ik mij thans bevond, nu ik van mijn geliefd eiland (zoo -beschouwde ik het thans) op den wijden Oceaan was gedreven, schier twee -mijlen ver, en genoegzaam wanhopende het ooit weder te zullen zien. Ik -werkte echter hard, tot mijne kracht genoegzaam uitgeput was, en hield -mijne boot zooveel noordelijk, dat wil zeggen naar den kant der -strooming, waar de tegenstrooming lag, als ik bij mogelijkheid kon. -Tegen den middag meende ik een windje in mijn gezigt te voelen, dat uit -het Z. Z. O. kwam. Dit beurde mijn moed een weinig op, vooral toen het -een half uur later eene frissche koelte begon te waaijen. Ik was thans -op een vreesselijken afstand van het eiland, en als er mistig weder was -opgekomen, was ik ook verloren geweest, want ik had geen kompas aan -boord, en zou nooit geweten hebben hoe ik naar het eiland had moeten -sturen, als ik het eens uit het gezigt had verloren, maar daar het weder -helder bleef, zette ik mijn mast weder op en mijn zeil bij, en hield zoo -veel noordelijk als ik kon, om uit de strooming te geraken. - -Juist toen ik mijn mast en zeil bijgezet had, en er vaart in de boot was -gekomen, zag ik zelfs aan de helderheid van het water, dat de strooming -eenigzins veranderen moest; want waar de strooming zoo sterk was, was -het water dik; maar daar ik hier de zee helder zag, bemerkte ik tevens -dat de strooming afnam; en thans vond ik tien minuten verder oostelijk, -dat de zee op eenige klippen brandde; deze rotsen scheidden de strooming -weder, de voornaamste liep meer zuidelijk, en liet de klippen in het -noord-oosten; de tweede, op de klippen stuitende, keerde met eene zware -strooming weder naar het N. W. terug. - -Hij, die aan den voet van het schavot pardon erlangt, of die onverwachts -uit de opgeheven dolken van moordenaars gered wordt, kan zich mijne -tegenwoordige vreugde voorstellen, en hoe gretig ik mijne boot in deze -tegenstrooming bragt, hoe vrolijk ik, daar de wind ook aanwakkerde, mijn -zeil bijzette, en aldus door wind en stroom naar het land aanhield. De -stroom voerde mij omtrent eene mijl naar het land, maar ongeveer twee -mijlen noordelijker dan de andere strooming, die mij naar zee had -gebragt. Toen ik dus digt bij het eiland was bevond ik mij aan de -noordkust, of vlak de tegenovergestelde zijde van die welke ik verlaten -had. - -Toen de stroom mij aldus meer dan eene mijl ver had gebragt, vond ik dat -hij ophield en mij niet verder hielp. Ik vond echter, dat tusschen de -twee groote stroomingen, namelijk, die aan de zuidzijde, die mij naar -zee gedreven had, en die aan de noordzijde, het water ten westen van het -eiland stil en zonder stroom was, en daar de wind nog gunstig was, hield -ik regt op het eiland aan, schoon niet met zoo veel spoed als vroeger. - -Tegen vier uren des namiddags, toen ik nog ongeveer eene mijl van het -land af was, trof ik het einde van het rif aan, dat de oorzaak van mijn -gevaar was, en zich zuidwaarts uitstrekte, en door de strooming ook dien -kant heen te brengen, eene tegenstrooming noordwaarts veroorzaakte, die -zeer sterk, doch niet regt in mijn koers liep, daar ik W. N. W. moest -aanleggen. Met een goeden wind kwam ik echter door deze strooming, en na -verloop van een uur was ik op een kwartier uurs afstand van het land, -hetwelk ik, daar het effen water was, spoedig bereikte. - -Toen ik aan wal was viel ik op mijne knieën, en dankte God voor mijne -redding, en besloot alle denkbeeld van bevrijding door mijne boot op te -geven. Na mijn maaltijd gedaan te hebben met hetgeen ik had, legde ik -mijne boot vast in een kleinen inham, dien ik onder eenige boomen -ontdekt had, en begaf mij daarop ter rust, daar ik uitgeput was door de -vermoeijenissen der reis. - -Ik was thans zeer in het onzekere, op welke wijze ik met mijne boot naar -huis zou keeren. Ik had zoo veel gevaar geloopen, en te veel kennis van -den toestand, om er aan te denken van den weg te kiezen dien ik gekomen -was. Wat er aan de andere zijde (de westzijde) van het eiland was, wist -ik niet, en ik verlangde niet om nieuwe gevaren te loopen; dus besloot -ik in den morgen, mijn weg westwaarts langs het strand voort te zetten, -en te zien of er geen kreek was, waarin ik mijn vaartuig veilig liggen -kon, zoo dat ik het weder vinden kon, als ik het begreep noodig te -achten. Na een uur bijkans langs het strand te hebben gevaren, kwam ik -aan eene zeer goede baai of inham, van ongeveer een vierde uur diep, die -steeds naauwer uitliep tot in een kleine beek, waarin ik eene zeer -goede ligplaats voor mijne boot vond; alsof zij daar lag in een dok, dat -daar opzettelijk voor gemaakt was. Hier legde ik ze vast en ging -vervolgens aan wal, om te zien waar ik mij bevond. - -Spoedig vond ik, dat ik slechts weinig voorbij de plaats was, waar ik -vroeger was geweest, toen ik te voet het eiland was doorgetrokken. Ik -nam dus niets uit mijne boot dan mijn geweer en mijn zonnescherm, want -het was bijzonder heet, en ging op marsch. De weg was gemakkelijk -genoeg, na eene reis als ik gedaan had, en tegen den avond bereikte ik -mijne oude buitenplaats, waar ik alles vond zoo als ik het gelaten had, -want ik hield mijn landhuis altijd in goede orde. - -Ik klom over de heining, en ging in de schaduw uitrusten, waar ik, want -ik was zeer vermoeid, weldra in slaap viel. Maar oordeel, zoo gij kunt, -lezer, over mijne verrassing, toen ik uit mijnen slaap wakker gemaakt -werd, door eene stem, die mij verscheidene malen bij mijn naam riep: -"Robinson, Robin, Robinson Crusoe! Arme Robinson Crusoe! Waar zijt gij, -Robinson Crusoe? Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest?" - -Ik was eerst zoo vast in slaap, omdat ik zeer vermoeid was van het -roeijen of liever pagaaijen, dat ik in het begin van den dag gedaan had, -en van het wandelen naderhand, dat ik maar half wakker werd, en tusschen -slapen en waken in, dacht dat ik droomde, dat iemand mij riep. Maar toen -de stem herhaaldelijk bleef roepen: "Robin, Robinson Crusoe!" begon ik -eindelijk volkomen wakker te worden, en was in het allerhevigst -verschrikt en sprong op in de uiterste ontsteltenis. Maar naauwelijks -waren mijne oogen open of ik zag mijn papegaai op den top van de heining -zitten; en nu wist ik dadelijk dat hij tegen mij gesproken had, want ik -had hem geleerd zulke beklagende woorden tegen mij te spreken, en hij -had dit zoo volkomen aangeleerd, dat hij dikwijls een uur lang op mijne -hand zat, met zijn bek vlak tegen mijn gelaat aan, roepende: "arme -Robinson Crusoe! Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest? Hoe komt gij -hier?" - -Maar, ofschoon ik wist dat het de papegaai was, en niemand anders wezen -kon, duurde het eene geruime poos eer ik weder bedaard was van mijne -ontroering. Eerst stond ik verwonderd hoe de vogel daar gekomen was, en -dan hoe hij juist daar en nergens anders was gaan zitten. Maar daar ik -wel overtuigd was dat het mijn papegaai en niemand anders was, hield ik -mijne hand op en riep hem bij zijn naam. Oogenblikkelijk kwam de -gezellige vogel op mijn vinger zitten, gelijk hij gewoon was, en bleef -voortsnappen: "arme Robinson! en: Hoe zijt gij hier gekomen? Waar zijt -gij geweest?" alsof hij blijde was dat hij mij weder zag, en zoo bragt -ik hem naar huis terug. - -Ik was nu voor eenigen tijd verzadigd van togtjes op zee, en had -verscheidene dagen genoeg te doen met te bedenken in welk gevaar ik -geweest was. Het zou mij zeer aangenaam geweest zijn als ik mijne boot -weder aan de andere zijde van het eiland had gehad, waar ik woonde; maar -ik wist niet hoe ik haar daar zou brengen. Ik kende de oostzijde van het -eiland, langs welke ik gekomen was, thans te goed, om niet te weten dat -ik niet wagen kon, dien weg te nemen; mijn bloed verstijfde in mijne -aderen als ik er slechts aan dacht. Hoe het aan den anderen kant van het -eiland was, wist ik niet, maar onderstellende, dat daar de stroom even -hevig oostelijk tegen de kust aanliep, zou ik hetzelfde gevaar loopen -van door den stroom medegesleept en tegen het eiland geworpen te worden, -als ik vroeger geloopen had van er afgesleept te worden. Deze gedachten -deden mij tevreden zijn zonder boot, schoon ik zooveel maanden had -gewerkt om er eene te maken, en nog zoovele maanden om die te water te -brengen. - -In deze gemoedsgesteldheid bleef ik bijkans een jaar, een zeer rustig -leven leidende, gelijk men denken kan, en daar ik thans met mijn -toestand verzoend was en mij geheel aan den wil der Voorzienigheid -onderworpen had, begreep ik dat ik in alle opzigten zeer gelukkig -leefde, behalve in het gemis aan gezelschap. Ik maakte mij in dien tijd -bekwamer in al die werktuigkundige verrigtingen, waartoe de nood mij -dwong, en ik geloof dat ik thans een zeer goed timmerman mogt heeten; -vooral als men in het oog houdt hoe weinig gereedschappen ik had. -Bovendien bragt ik eene onverwachte verbetering in mijn aardenwerk te -weeg; hetgeen ik thans met een rad vervaardigde, dat ik oneindig beter -en gemakkelijker vond, daar ik thans de voorwerpen rond en van een -goeden vorm maken kon, terwijl het vroeger leelijke, onbehouwen dingen -waren. Maar ik geloof niet dat ik ooit hoovaardiger was op iets wat ik -vervaardigd heb, of mij meer over eenige uitvinding verheugd, dan toen -ik in staat was eene tabakspijp te maken, en schoon het een leelijk -wanschapen ding, en even als mijne andere potten roodgebakken was, was -ik er toch zeer mede verheugd, want zij was hard en vast en ik kon er -uit rooken. Ik was dit altoos gewoon geweest, en er waren ook pijpen aan -boord van het schip geweest, maar ik had die eerst laten liggen, omdat -ik niet wist dat er tabak op het eiland was, en toen ik naderhand het -schip weder doorzocht, kon ik ze niet terugvinden. - -Ook vermeerderde ik mijn voorraad van mandewerk, en maakte eene menigte -manden, zoo goed ik ze bedenken kon. Schoon niet zeer fraai, waren zij -toch zeer handig en gemakkelijk, om er goederen in te bewaren, of die -naar huis te dragen. Als ik bij voorbeeld, eene geit geschoten had, kon -ik die aan eenen boom hangen, afhalen, aan stukken snijden, en dan in -eene mand naar huis dragen, en even zoo als ik eene schildpad aantrof, -kon ik die opensnijden, de eijeren er uithalen, met een paar stukken -vleesch, waaraan ik genoeg had, en dragen dit alles in eene mand naar -huis. Ook bewaarde ik mijn koorn in groote diepe manden; ik wreef dit -altijd uit de airen zoodra het droog was, en bergde het dan in de -manden. - -Ik begon thans te bemerken dat mijn buskruid zeer verminderde, en dat ik -dit gebrek nimmer zou kunnen aanvullen. Ik begon er ernstig over na te -denken, wat te doen als ik geen kruid meer zou hebben, namelijk hoe ik -dan van tijd tot tijd eene geit zou dooden. Ik had, gelijk ik verhaald -heb, in het derde jaar van mijn verblijf een jong geitje gevangen en tam -gemaakt. Ik had altijd gehoopt er een bok bij te zullen bekomen; maar -dit mogt mij nimmer gelukken. Eindelijk werd mijne geit oud, en ik kon -het nimmer van mij verkrijgen haar te slagten, totdat zij ten laatste -van ouderdom stierf. - -Nu ik echter in het elfde jaar van mijn verblijf was, en mijn kruid -gelijk ik zeide, sterk verminderde, begon ik mij te bedenken op een -strik of val, om te zien of ik niet eenige geiten levende zou kunnen -vangen, vooral eene geit met jongen wenschte ik. Ik maakte te dien einde -strikken, en ik geloof dat zij er meermalen in verward raakten, maar -daar zij niet zeer sterk waren, omdat het mij aan koord ontbrak, vond ik -ze altijd aan stukken en het aas opgegeten. Eindelijk besloot ik het met -vallen te beproeven; ik delfde dus verscheidene kuilen, op plaatsen waar -ik opgemerkt had dat de geiten gewoonlijk kwamen weiden, en op deze -kuilen plaatste ik horden, van mijn eigen maaksel ook, met eene groote -zwaarte er op, en verscheidene malen plaatste ik hoopjes graan en -drooge rijst er op, zonder den val te zetten, en ik kon gemakkelijk zien -aan het spoor harer pooten dat de geiten er in geweest waren en het -graan opgegeten hadden. Eindelijk zette ik drie vallen op eenen nacht, -en toen ik er den volgenden morgen bij kwam, vond ik ze allen staan, en -toch was het aas opgegeten en weg. Dit was ontmoedigend, doch ik -veranderde mijne vallen, en om kort te gaan, toen ik er op een morgen -naar ging zien, vond ik in een kuil een ouden bok, en in een anderen -twee geiten en een bokje. - -Wat ik met den ouden bok zou aanvangen, wist ik niet; hij was zoo woest -dat ik niet bij hem in den kuil dorst gaan; dat wil zeggen om er hem -levend uit te halen, hetgeen eigenlijk mijne bedoeling was. Ik had hem -kunnen doodschieten, maar dat zou mij niet gebaat hebben; dus liet ik -hem er uit en hij liep weg als of hij dol was; maar ik wist toen niet, -hetgeen ik naderhand leerde dat honger zelfs een leeuw kan temmen. Als -ik hem daar drie of vier dagen zonder voedsel had gelaten, en hem dan -eenig water om te drinken en eenig graan had gebragt, zou hij zoo tam -als een geitje geweest zijn, want dit waren zeer scherpzinnige en makke -dieren, als men ze goed behandelde. - -Ik liet hem dus voor het tegenwoordige gaan, daar ik toen niets beters -wist te doen; daarop ging ik naar de drie geiten, en bond die een voor -een met strikken vast en bragt ze niet zonder moeite naar huis. Het -duurde lang voor zij wilden eten, maar door haar eenig rijp graan voor -te werpen haalde ik ze er toe over en zij begonnen tam te worden. En nu -begreep ik dat als ik mij zelven met geitenvleesch wilde voeden, wanneer -mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige -tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde -rondom mijne woning zou kunnen laten weiden. - -Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest -afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd -wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands -met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten -waren, dat die er binnen waren er niet uit, en die er buiten waren er -niet in konden komen. Dit was eene groote onderneming voor iemand met -slechts twee handen. Daar ik er echter de volstrekte noodzakelijkheid -van inzag, was mijn eerste werk eene geschikte plek grond te vinden, -namelijk waar waarschijnlijk gras voor haar om te eten, water om te -drinken, en beschutting voor de zonnehitte zou zijn. - -Degenen, die van dergelijke inrigtingen verstand hebben, zullen zeggen -dat ik zeer weinig inzigt van de zaak had, toen ik als eene allezins -geschikte plek eene opene vlakke weide uitkoos, met twee of drie beekjes -van loopend water, en dat aan het eene einde met boomen bezet was. Zij -zullen over mijn voornemen lagchen als ik zeg, dat ik dit stuk grond, -zoodanig begon te omheinen, dat mijn heining of paalwerk ongeveer twee -(Eng.) mijlen groot zou worden. De dwaasheid bestond niet in den omtrek, -want al was die tien mijlen geweest, zou ik waarschijnlijk tijd genoeg -gehad hebben om het in te doen, maar ik bedacht niet, dat mijne geiten -in zulk eene groote ruimte even wild zouden zijn, als of zij het geheele -eiland voor zich hadden; en ik zou zooveel ruimte hebben om haar in te -jagen dat ik ze er waarschijnlijk nooit zou kunnen vangen. - -Toen ik met mijne heining ongeveer vijftig ellen gevorderd was, kwam dat -denkbeeld het eerst bij mij op en deed mij dadelijk mijn werk staken. Ik -besloot daarop vooreerst een stuk af te perken van honderd en vijftig el -lang, en honderd el breed, hetwelk voor 's hands genoeg was ter voeding -van degeen, die ik vooreerst zou hebben, en als mijne kudde -vermeerderde, kon ik altijd meer grond afperken. Dit was verstandiger -overlegd en ik ging met ijver aan het werk. Ik had ongeveer drie maanden -werk er aan, en in dien tijd bond ik de drie geiten op de beste plek er -in vast en gewende ze zoo digt bij mij te grazen als mogelijk, om ze mak -te maken. Ik ging er dikwijls heen met eene hand vol graan of rijst en -liet ze uit mijne hand eten, zoodat toen mijne heining af was, en ik ze -los liet, zij mij blatende achterna liepen, om een handvol koorn. - -Dit was juist wat ik verlangde, en in anderhalf jaar had ik eene kudde -van twaalf geiten, de jongen medegerekend, en twee jaren daarna had ik -er drieënveertig, behalve verscheidene, die ik geslagt en opgegeten had, -en na dien tijd perkte ik vijf verschillende stukken gronds af, met -smalle doorgangen om haar in te drijven en te vangen als ik ze noodig -had, of van het eene perk in het andere wilde drijven. Doch dit was niet -alles, want niet alleen dat ik nu als ik het verlangde geitenvleesch -had, maar ik had ook melk, iets waaraan ik in den beginne zelfs niet -gedacht had, en dat later mij eene aangename verrassing was, want ik had -soms tien of twaalf pinten melk per dag; en daar de natuur als zij ons -iets schenkt, ons gewoonlijk het ook leert gebruiken, zoo bragt ik het -eindelijk zoo ver, hoewel ik nimmer eene koe of geit gemolken had, noch -boter of kaas ooit had zien maken, dat ik, schoon na vele mislukte -proeven, eindelijk boter en kaas maakte, en er naderhand nimmer gebrek -aan had. Hoe genadig kan toch onze Schepper zijne schepselen behandelen, -zelfs in omstandigheden, in welke zij door de onoverkomelijkste rampen -getroffen schijnen! Hoe kan Hij onzen bittersten toestand verzachten, en -ons reden geven Hem zelfs in den diepsten kerker te loven! Welk eene -tafel was thans voor mij gespreid in eene wildernis, waarin ik in den -beginne niets dan den hongerdood voor oogen zag! - -De ernstigste mensch zou gelagchen hebben, als hij mij met mijn -huisgezin aan tafel had zien zitten. In de eerste plaats was er zijne -majesteit, de onbeperkte gebieder van het geheele eiland, de heer over -leven en dood van alle schepselen daarop. Ik kon al mijne onderdanen -gevangen zetten, ter dood brengen of genade schenken, naar ik zulks goed -vond, en ik had voor geene rebellie onder hen te vreezen. Ik at, als een -koning, geheel alleen, omringd door al mijne dienaren! Mijn papegaai, -als mijn gunsteling, had alleen het regt tot mij het woord te voeren; -mijn hond, die nu oud en afgeleefd was, en zijn geslacht niet had kunnen -voortplanten, zat altijd aan mijne regterhand, en twee katten, een aan -weerszijden van de tafel, verwachtten nu en dan een stuk uit mijne hand, -als een blijk van hooge gunst. Het waren echter niet de twee katten, die -ik van boord had medegebragt, deze waren beide gestorven, en door mij -digt bij mijne woning begraven; het waren afstammelingen van eene van -haar, met eene soort van wilde kat, naar ik denk. Dit waren de eenigste, -die ik tam gehouden had, de overigen zworven wild in de bosschen, en -waren mij geweldig lastig, want zij kwamen dikwijls in mijn huis alles -wegstelen; eindelijk schoot ik er eene menigte dood, waarna de overigen -mij van haar bezoek verschoonden. Aldus leefde ik in overvloed zonder -dat ik zeggen kon iets te missen dan gezelschap, en dat ontving ik -eenigen tijd later meer dan mij lief was. - -Ik verlangde dikwijls, gelijk ik vroeger zeide, mijne boot weder tot -mijn gebruik te hebben, maar ik had weinig lust, de vorige gevaren te -wagen; en dus zat ik somwijlen op middelen te denken om haar aan deze -zijde van het eiland te brengen, en op een anderen tijd was ik weder -zonder haar tevreden. Ik verlangde echter zeer dat gedeelte van het -eiland te zien, waar ik bij mijn laatste reis op den heuvel klom, om te -zien hoe het strand en de strooming liep. Alle dagen werd dit verlangen -sterker, en eindelijk besloot ik te land daarheen te trekken, en ik deed -dit langs het strand. Maar zoo iemand in Engeland een mensch ontmoet -had, zoo uitgerust als ik, zou hij doodelijk verschrikt, of in lagchen -uitgebarsten zijn. Ik lachte dikwijls als ik mij zelf bezag, en dacht -hoe men zou opzien als ik zoo eens door Yorkshire trok. Luister slechts -hoe ik er uitzag. - -Ik had eene groote, hooge, onbehouwen muts op, van geitenvellen, met een -klep van achteren, zoowel voor het branden van de zon, als omdat de -regen niet in mijn hals zou loopen, want in dit klimaat is niets -nadeeliger dan dat de regen onder iemands kleederen en op de huid komt. - -Ik droeg eene korte buis van geitenvellen die mij tot halverwege de -knieën kwam, en een broek, die tot over de knieën hing, van de huid van -een ouden bok gemaakt, wiens haar zoolang was dat het mij tot aan den -voet reikte. Ik had geen kousen of schoenen, maar een paar laarzen -gemaakt, die ik om mijne beenen sloeg en vastreeg, maar van een -allerleelijkst maaksel, gelijk eigenlijk mijne geheele kleeding was. - -Ik had een breeden gordel van gedroogd geitenvel, dien ik met een paar -riempjes zamenbond, en aan weêrszijden daarvan, in plaats van een -ponjaard of dolk, aan den eenen kant eene zaag, aan den anderen eene -bijl hangen. Nog een andere band, maar zoo breed niet, hing over mijn -schouder, en onder aan denzelven, onder mijn linkerarm, hingen een paar -zakjes, ook van geitenvel gemaakt; in het eene was kruid, in het andere -hagel. Op mijn rug droeg ik eene mand, op mijn schouder een geweer, en -boven mijn hoofd, een groot, leelijk, vuil, geitenvellen zonnescherm, -dat ik na mijn geweer het allerminst missen kon. Mijn gelaat was echter -niet zoo bruin als men wel had kunnen verwachten van iemand, die zich -nooit daarvoor in acht genomen en tien of twaalf jaren tusschen de -keerkringen geleefd had. Mijn baard had ik eens meer dan een voet lang -laten groeijen; maar daar ik genoeg scharen en scheermessen had, hield -ik dien gewoonlijk kort, met uitzondering van een paar knevels, zoo als -ik eenige Turken te Salé heb zien dragen, (want de Mooren deden dit -nooit). Deze knevels waren wel niet lang genoeg om mijne muts aan te -hangen, maar zouden toch in Engeland monsterachtig genoemd zijn -geworden. - -Doch dit is in het voorbijgaan, ik werd door niemand gezien, en sloeg er -dus ook weinig acht op hoe ik er uitzag. Ik zal dus hierover in het -vervolg zwijgen. Aldus uitgerust ging ik op reis, en bleef vijf of zes -dagen uit. Ik trok eerst het strand langs, regt naar de plaats waar ik -met mijne boot geankerd had, om op de klippen te klimmen, en daar ik nu -voor geene boot behoefde te zorgen, ging ik over land een nader weg, -naar dezelfde hoogte waarop ik vroeger geweest was, toen ik naar het rif -uitzag, dat ik omzeilen moest. Daar zag ik tot mijne verbazing, dat de -zee geheel effen en kalm was, er was noch rimpeling, noch beweging noch -strooming, niets meer dan op andere plaatsen. Ik begreep dit niet, en -besloot eenigen tijd te besteden om hiervan de oorzaak te ontdekken, en -weldra zag ik die, namelijk dat de eb, die uit het westen opkwam, en -zich met de uitstrooming van eene groote rivier op de kust vereenigde, -de oorzaak dezer strooming was, en dat naar gelang de wind meer -westelijk of noordelijk was, zij digter of verder van de kust af was. -Duidelijk zag ik ook de strooming weder toen de eb doorkwam, behalve, -dat zij bijkans een vierde mijl van het strand liep, terwijl zij vroeger -langs de kust loopende, mij medegesleept had, hetgeen op een ander tijd -niet zou gebeurd zijn. - -Dit overtuigde mij, dat als ik slechts op eb en vloed acht gaf, ik mijne -boot zeer gemakkelijk weder aan het ander einde van het eiland kon -brengen; maar als ik om de uitvoering dacht, werd ik weder zoo beangst -bij de herdenking van het gevaar, waarin ik geweest was, dat ik het niet -ondernemen durfde. Ik besloot dus eene veiliger maar moeijelijker partij -te kiezen, namelijk van eene andere kanoe of praauw te maken, ten einde -aan iedere zijde van het eiland een vaartuig te hebben. - -Men moet in het oog houden, dat ik nu als het ware, twee plantaadjen op -het eiland had. De eerste was mijne tent of kasteel, met het paalwerk er -omheen, en de kelder er achter, onder de rots, welken laatsten ik in -verschillende kelders had afgeschoten. De eene, die de grootste en -droogste was, die een uitgang had buiten mijn muur, namelijk waar die -aan de rots stiet, stond vol met groote aarden potten en met veertien of -vijftien groote manden, waarin ik mijn koorn en rijst bewaarde. - -De muur had ik, gelijk ik gezegd heb, met takken omzet, die allen tot -boomen opgroeiden, en thans zoo zwaar geworden waren, dat niemand daar -door heen mijne woning had kunnen ontdekken. Nabij deze woning, doch een -weinig meer landwaarts in en in lager grond, lagen mijne twee -graanakkers, die ik behoorlijk bebouwde, en die mij jaarlijks goeden -oogst opleverden. Als ik meer graan had willen hebben, had ik geschikte -stukken grond, daarnevens liggen. - -Bovendien had ik mijne buitenplaats, en daar thans ook eene tamelijke -plantaadje. Vooreerst had ik mijn priëel, gelijk ik het noemde, dat uit -eene ronde heining bestond, die ik altijd op dezelfde hoogte hield, met -eene ladder in het midden. Ik hield de boomen, waaruit het bestond, -altijd zoo, dat zij zich wijd uitspreidden en eene alleraangenaamste -schaduw opleverden. Midden hierin stond mijne tent, een stuk zeildoek -over palen uitgespreid, en die nimmer eenig herstel noodig had, en -hieronder had ik eene legerstede van dierenhuiden gemaakt, met eene -deken en een jas, beide uit het schip gered. Als ik gelegenheid had mij -van mijne woning te verwijderen, dan ging ik mijne buitenplaats -betrekken. - -Bovendien had ik verscheidene afperkingen voor mijne kudde geiten. Het -maken daarvan had mij ontzettende moeite gekost, zoodat ik altijd -vreesde, dat de geiten er eens mogten doorbreken, en ik had geen rust, -voordat ik eene zoo groote menigte kleine stekken er bijgezet had, dat -het veeleer palissaden dan eene heining geleek, en toen naderhand in het -regensaisoen deze stekken wortel schoten, maakte dit de omheining -sterker dan een muur had kunnen zijn. - -Hieruit ziet men, dat ik niet ledig was, en geene moeite spaarde voor -hetgeen tot mijn onderhoud noodig was, want ik begreep, dat het -aanfokken van tamme dieren, voor mij een levend magazijn van vleesch, -melk, boter en kaas zou zijn, al moest ik hier ook nog veertig jaren -leven. Dit hing echter geheel af van de sterkte der omheining, die ik nu -ook zoo sterk had gemaakt, dat ik van de opgroeijende staken naderhand -eenigen moest rooijen. - -Hier groeiden ook mijne druiven, die mij mijn voorraad van rozijnen voor -den winter leverden; en die ik allerzorgvuldigst bewaarde als mijne -aangenaamste spijs. Zij waren niet alleen lekker, maar allergezondst, -voedzaamst en verkwikkend. Daar deze plaats ook halfweg was tusschen -mijne woning en de plaats waar mijne boot lag, kwam ik hier dikwijls, -want ik bezocht mijne boot menigwerf, en hield die, met alles wat er bij -behoorde, in goede orde. Somtijds ging ik er mede varen, maar geen -gevaarlijke togten, geen twee steenworpen ging ik van de kust af, zoo -vreesde ik door onbekende stroomingen, den wind of andere toevallen, -weder weggeslagen te worden. Doch thans kom ik tot een ander tooneel van -mijn leven. - -Op zekeren dag, tegen den middag, ging ik naar mijne boot, maar stond -niet weinig verbaasd, toen ik duidelijk op het zand den indruk van een -naakten menschenvoet zag. Ik stond als van den donder getroffen, of als -of ik een geest gezien had. Ik luisterde, ik zag in het rond, maar -hoorde noch zag niets. Ik ging op eene hoogte om verder te kunnen zien, -ik ging het strand op en neder, maar zag geen anderen indruk dan dien -enkelen. Weer ging ik er heen om te zien, of er ook meer waren, of dat -het bloot verbeelding van mij was; maar het was de volmaaktste indruk -van een voet, de teenen, de hiel en alles; hoe dit daar kwam kon ik -volstrekt niet begrijpen. Maar na ontelbare gissingen, ging ik geheel -verward en buiten mij zelven naar huis terug; zonder dat ik, gelijk men -zegt, den grond onder mijne voeten voelde, terwijl ik bij elke schrede -omzag, en iederen geknotten boomstam voor een mensch aanzag. Het is niet -te beschrijven, wat ik mij niet al verbeeldde, en welke uitsporige -denkbeelden niet al bij mij opkwamen. - -Toen ik aan mijn kasteel kwam, gelijk ik het na dien tijd altijd noemde, -vloog ik naar binnen alsof ik vervolgd werd, ik weet zelfs niet of ik -met de ladder of door het gat in de rots, dat ik mijne deur noemde, er -in ging, maar nimmer vloog een verschrikte haas of gejaagde vos naar -zijn hol met meer schrik, dan ik naar mijne schuilplaats. Ik sliep den -geheelen nacht niet, en wat zonderling is, mijn angst was heviger -geworden, naarmate ik verder van de oorzaak van denzelven verwijderd -was. Hoe meer ik er over dacht, des te schrikkelijker beelden stelde -mijne verbeelding mij voor oogen. Somtijds dacht ik aan den duivel, want -hoe kon een mensch het gedaan hebben? Waar was het schip, dat hem daar -gebragt had? Welke sporen waren er nog meer van voetstappen? Hoe kon een -mensch daar komen? Maar aan den anderen kant was het niet te denken, dat -de satan de menschelijke gestalte zou aangenomen hebben, alleen om daar -een indruk van zijn voet achter te laten. Hij had mij op duizend andere -wijzen kunnen plagen, zonder zoo dom te zijn den voetstap te zetten op -de andere zijde van het eiland; waar het tienduizend tegen een was, dat -ik hem ooit zien zou, en dat nog wel in het zand, waar de eerste golf, -bij een hoogen vloed, en harden wind, dien moest uitwisschen. Dit alles -scheen onbestaanbaar en geheel strijdig met de slimheid, die men den -duivel toeschrijft. - -Eene menigte redenen stelden mij aan dien kant gerust, en ik besloot -eindelijk, dat het een van de wilden van het vasteland aan de overzijde -moest geweest zijn, die op zee met hunne kanoe door strooming of -tegenwind, op het eiland gedreven, maar weder in zee gestoken waren, als -zijnde welligt even afkeerig van een verblijf daarop, als ik van een -bezoek van hen. - -Toen mij dit inviel, achtte ik mij gelukkig, dat ik te dier tijd daar -niet geweest was, noch zij mijne boot gezien hadden, wanneer zij -begrepen konden hebben, dat het eiland bewoond was, en daarnaar -onderzocht hebben. Nu vreesde ik, dat zij mijne boot gevonden zouden -hebben, en in dat geval in groot aantal terugkomen, om mij op te eten; -en al vonden zij mij niet, zouden zij toch mijne heining en al mijn -graan vernielen, mijne kudde stelen, en ik zou ten laatste van honger -moeten omkomen. - -Aldus verbande de vrees al dat vertrouwen op God, dat gegrond was op de -vele bewijzen zijner goedheid jegens mij; als of Hij, die mij tot -hiertoe zoo wonderdadig gespijsd had, niet door zijne magt, ook den mij -geschonken voorraad kon beschermen. Ik verweet mij thans mijne luiheid, -dat ik niet meer koorn had gezaaid, dan ik voor een jaar zou genoeg -hebben, als of het te veld staande niet door eenig toeval kon te loor -gaan; en deze bedenking achtte ik zoo gegrond, dat ik besloot in het -vervolg altijd voor twee of drie jaar koorn in voorraad te hebben, ten -einde wat er ook gebeuren mogt, niet aan broodgebrek te sterven. - -Welk een raadselachtig wezen is de mensch, en door welke bedekte -springveren komen zijne hartstogten in werking? Wat wij heden beminnen, -zullen wij morgen haten; heden zoeken wij wat wij morgen zullen -ontvlugten. Dit bleek thans ten duidelijkste aan mij. Mijne eenigste -droefenis was, dat ik, als het ware, van alle menschelijke gezelschap -verbannen was, ik die alleen en van het geheele menschdom door den -grenzenloozen Oceaan gescheiden, tot een als het ware zwijgend leven -veroordeeld, die als onwaardig geacht was, om onder de levenden gerekend -te worden, ik, wien het zien van een mijner natuurgenooten, als een -overgang van den dood tot het leven, als de grootste gunst, die de hemel -mij schenken kon, buiten mijn eeuwig heil, zou beschouwd hebben; ik -sidderde thans op het denkbeeld van een mensch te zien, en dacht door -den grond te zinken voor het zwijgend bewijs, dat een mensch zijn voet -op het eiland had gezet. - -Zoo wuft is ons gemoed, gelijk ik naderhand dikwerf dacht, toen ik van -mijne eerste verbazing tot mij zelven was gekomen. Ik bedacht toen, dat -dit de levenswijze was, mij door de oneindig goede Voorzienigheid -opgelegd, dat ik, die de oogmerken der Almagt niet doorzien kon, niet -tegen dezelve murmureren mogt; daar de Schepper allezins met Zijn -schepsel handelen kon gelijk Zijne Alwijsheid goeddacht, en evenzeer -mij, die Hem zoo dikwerf beleedigd had, naar zijn goedvinden kon -bestraffen, en dat het mijn pligt was Hem te bidden en mij rustig aan de -leiding der Voorzienigheid te onderwerpen. - -Deze denkbeelden hielden mij vele uren, dagen, ja zelfs weken en maanden -bezig, en eene uitwerking van mijne gepeinzen te dier gelegenheid, mag -ik niet onvermeld laten; namelijk, op een morgen vroeg toen ik te bed -lag, vol gedachten over het gevaar, dat mij van het verschijnen van -wilden dreigde, was ik zeer bedrukt, waarop mij de woorden der Heilige -Schrift invielen: "Roep Mij aan in den dag der benaauwing, en Ik zal u -verlossen en gij zult Mij verheerlijken." - -Hierop stapte ik welgemoed ten bedde uit; niet alleen was mijn hart -gesterkt, maar ik was geleid en bemoedigd om God ernstig om verlossing -te smeeken. Het is onmogelijk te zeggen, welk eene gerustheid dit mij -verschafte, en ik was niet meer neêrslagtig, althans te dier tijd niet. - -Te midden van al deze vrees, vermoedens en nagedachten kwam het eens bij -mij op, dat het alles wel verbeelding van mij zelven kon geweest zijn, -en dat het mijn eigen voetstap was geweest, dien ik uit de boot komende, -in het zand had gedrukt. Dit beurde mij wel op, en ik trachtte mij te -overreden, dat het alles verbeelding was geweest, en mijn eigen -voetstap, want ik had even goed langs dien kant van de boot als daar -naar toe kunnen gaan. Ik bedacht, dat ik geenszins zeker was, welken weg -ik gegaan was, en dat als het zoo was, ik even zot was geweest, als die -dwazen, die hun eigen schaduw voor een spook of geest aanzien en -daarvoor vreezen. - -Alstoen begon ik wat moed te scheppen en weder uit te gaan. Drie dagen -en drie nachten had ik mijn kasteel niet verlaten, zoodat ik reeds -gebrek aan levensmiddelen begon te krijgen. want ik had niets bij mij, -dan eenige gebakken koeken en wat water. Ook wist ik, dat mijne geiten -gemolken moesten worden, dat gewoonlijk mijn avonduitspanning was, en -de arme dieren moesten er veel ongemak van hebben. Ook droogde de melk -bij eenigen er van schier geheel op, en velen hadden er van geleden. Ik -begon dus mij op te beuren met de gedachte, dat ik den afdruk van mijn -eigen voet gezien had, en dus voor mijn eigen schim bang was, en ging -weder uit om mijne geiten te melken. Maar zoo men mij gezien had, hoe -vreesachtig ik liep, hoe dikwijls ik omzag, hoe ik nu en dan zelfs op -het punt stond mijne mand neder te werpen en op den loop te gaan, zou -iedereen gedacht hebben, dat mijn geweten door het een of ander -verontrust was, of dat ik, gelijk inderdaad zoo was, kortelings -doodelijk verschrikt was. Toen ik echter twee of drie dagen uitgegaan -was, en niets had gezien, begon ik wat moediger te worden; en te -begrijpen, dat mijne verbeelding, mij dien schrik had veroorzaakt. Ik -kon echter mij zelven hiervan niet geheel overtuigen, dus besloot ik -naar het strand te gaan, om dien voetstap met den mijnen te vergelijken. -Toen ik echter op de plaats kwam, bleek het mij duidelijk, dat ik daar -niet geweest was bij het vastleggen van de boot. Ten tweede was de voet -veel grooter en breeder dan de mijne. Dit alles deed mijn angst weder -stijgen, zoodat ik klappertandde als of ik de koorts had, en naar huis -ging, in het vaste geloof, dat een of meer menschen aan den wal waren -geweest, kortom, dat het eiland bewoond was, en ik onverhoeds overvallen -kon worden. Welken weg ik thans moest inslaan om mij te beveiligen, wist -ik niet. - -Welke dwaze denkbeelden boezemt de vrees ons in! Hij berooft ons van het -gebruik dier middelen, die ons verstand ons leert. Het eerste, wat ik -bedacht, was, al mijne heiningen omver te werpen, mijn tamme vee in het -bosch te jagen, opdat de vijand het niet zien zou, en niet verlangen -meer soortgelijken buit te maken; vervolgens mijne twee graanvelden om -te spitten, opdat het vinden van het graan hen niet zou overhalen het -eiland meermalen te bezoeken, en eindelijk mijne buitenplaats en tent te -slechten, opdat zij geenerlei blijk van bewoners zouden vinden, en -hierdoor lust verkrijgen, die te zoeken. - -Dit alles bedacht ik in den nacht, nadat ik weder te huis gekomen was, -toen mijn angst nog allerlevendigst was. De vrees voor het gevaar -verwekt waarlijk tienduizend maal meer schrik, dan het gevaar zelf, als -wij dit zien, en de angst voor eenig kwaad drukt ons veel meer, dan het -onheil zelf. Het ergste was, dat ik thans niet geschraagd werd door die -vrome berusting in Gods wil, die ik gehoopt had altijd te zullen -behouden. Mij dacht ik was even als Saul, die niet alleen klaagde, dat -de Filistijnen hem bedrogen, maar ook dat God hem verlaten had; want ik -koos niet den waren weg tot gerustheid, door God in mijne bedruktheid -aan te roepen, en gelijk vroeger, mijne verdediging en bevrijding van -Hem te verwachten. Zoo ik dit gedaan had, zou ik dit nieuwe ongeval -moediger en meer getroost hebben gedragen. - -Mijne onrust hield mij den geheelen nacht wakker, doch tegen den morgen -viel ik van vermoeijenis in een diepen slaap, en toen ik wakker werd -was ik veel kalmer dan den vorigen dag. En nu begon ik bedaard na te -denken, en na veel redekavelens met mij zelven, kwam ik tot het besluit, -dat dit eiland, hetwelk zoo uiterst aangenaam, vruchtbaar, en gelijk ik -gezien had, niet ver van het vaste land af was, niet zoo geheel verlaten -was, als ik mij wel verbeeld had; dat schoon het geene vaste bewoners -bezat, er echter somtijds booten van den vasten wal konden komen, hetzij -opzettelijk, hetzij door tegenwinden daarheen gedreven; dat ik er nu -vijftien jaren lang geweest was, zonder schijn of schaduw van eenig -menschelijk wezen te zien, en dat zoo er ten eeniger tijd, deze gekomen -waren, zij waarschijnlijk zoo spoedig zij konden weder vertrokken waren, -aangezien zij tot hiertoe nimmer zich hier hadden gevestigd; dat het -eenigste gevaar voor mij te wachten was uit het toevallig hier landen -van eenig volk van het vaste land. Als deze echter hierheen geslagen -werden, was dit tegen hunnen wil, en dus zouden zij dan wel zoo spoedig -zij konden weder vertrekken, en zelden een nacht overblijven, ten ware -om het getij en het daglicht te hebben; en dus behoefde ik alleen op -eene veilige schuilplaats bedacht te zijn, in geval eenige wilden mogten -landen. - -Nu begon het mij te spijten, dat ik mijn kelder zoo wijd uitgegraven -had, dat hij met eene deur buiten de rots uitkwam. Na rijp nadenken -besloot ik mij eene tweede verschansing te maken, even zoo in een halven -cirkel, op eene afstand van den muur, juist waar ik, twaalf jaren -geleden, eene dubbele rij boomen had geplant. Deze boomen waren zoo digt -bijeen gezet, dat ik er slechts eenige palen tusschen behoefde te slaan -ter meerdere stevigheid, en dan was mijn muur spoedig voltooid. Ik had -dus een dubbelen muur, en de buitenste was opgevuld met stukken oud -hout, oud touw, en al wat ik ter versterking geschikt achtte. Ik maakte -er zeven gaten in, waar ik mijn arm door kon steken. Van binnen bragt ik -er tot tien voet aarde tegen aan, die ik uit mijn kelder haalde en vast -trapte. Door de zeven gaten stak ik de trompen der geweren, waarvan ik, -gelijk ik gezegd heb, zeven uit het schip had gehaald. Ik zette deze -vast op eene soort van stellaadje, zoodat ik ze alle zeven in een paar -minuten kon afschieten. Menige maand werkte ik hieraan hard, en achtte -mij niet veilig voor het af was. - -Daarna beplantte ik den grond, op een grooten afstand, met zooveel -stekken van die soort van wilgenboom, als er slechts groeijen konden, ik -geloof wel twintigduizend. Ik liet eene vrij groote ruimte tusschen deze -en mijn muur, ten einde een gezigt van den vijand te hebben, en opdat -deze geene beschutting daarvan zou hebben. Twee jaren later was ik door -digt kreupelhout omgeven, en vier jaren later had ik voor mijn kasteel -zulk een digt bosch, dat het waarlijk ondoordringbaar was, en niemand -zich ooit zou verbeeld hebben, dat er iets, laat staan eene woning -achter was. - -Ik had geen uitgang aan mijn kasteel gelaten, maar ging er met twee -ladders in en uit. Een zette ik tegen de rots, waarmede ik op eene plek -kwam waar ik de andere kon zetten, en als ik ze eens achter mij -weggehaald had, kon niemand mij zonder levensgevaar genaken, en alsdan -was hij nog slechts aan de buitenzijde van mijn buitensten muur. - -Aldus nam ik alle maatregelen, die de voorzigtigheid mij tot mijne -beveiliging kon aan de hand doen, en men zal zien, dat zij niet geheel -onverstandig waren, schoon ik te dier tijd niets meer voorzag dan wat -mijne vrees mij voorspiegelde. - -Middelerwijl verwaarloosde ik geenszins mijne overige bezigheden, want -ik was zeer bezorgd voor mijn kudde geiten; deze toch leverden mij niet -alleen thans spijs op, zonder dat ik mijn kruid of lood behoefde te -verspillen, maar zij onthieven mij ook van de vermoeijenis der jagt op -de wilden, en ik wilde ongaarne dit groote voordeel verliezen, en van -nieuws af weder eenige tam maken. - -Om dit te verhoeden zag ik, na rijpe overweging, slechts twee middelen, -het eerste was, eene andere onderaardsche grot te delven, en ze daar -alle avonden in te drijven; en het andere bestond in het afperken van -twee of drie verschillende stukjes land, ver van elkander, en zoo -verborgen als ik vinden kon, in elke waarvan ik een half dozijn jonge -geiten kon houden, zoodat, als de groote kudde eenig ongeluk overkwam, -ik die gemakkelijk weder kon aanvullen. Dit laatste middel, hoe -moeijelijk ook, achtte ik het verstandigst, en begon er dadelijk aan. - -Eerst zocht ik uit de verborgenste plaatsen van het eiland, een dat mij -het geschiktste voorkwam. Het was eene kleine, vochtige plek gronds, -midden tusschen digt geboomte, waar ik, bij mijn eersten togt door het -eiland, zelf verdwaalde. Daar ontdekte ik drie morgen ongeveer, die zoo -door geboomte omringd waren, dat dit haast eene natuurlijke heining -vormde; althans kostte het maken van eene mij daar veel minder arbeid -dan bij de anderen het geval was geweest. - -Binnen eene maand had ik die geheel omheind, zoodat mijne kudde, die -thans makker was dan men wel denken zou, daar thans veilig genoeg was. -Ik bragt er dadelijk tien geiten en twee bokken heen, en bleef -vervolgens de heining versterken, tot zij zoo sterk was als de vorige; -doch dit deed ik meer op mijn gemak. - -Al deze arbeid was alleen ontstaan uit de vrees, die de afdruk van een -menschenvoet bij mij verwekt had; want tot hiertoe had ik nog geen -menschelijk wezen het eiland zien naderen; en thans had deze -ongerustheid mij twee jaren lang het leven verbitterd, gelijk iedereen -gelooven zal, die weet wat het is, in voortdurenden angst te leven. Ik -moet ook bekennen, dat deze angst veel invloed op mijne godsdienstige -stemming had; want de vrees, dat ik in handen der wilden en -menscheneters mogt vallen, drukte mijn geest zoo ter neder, dat ik -zelden in eene behoorlijke stemming was om mij tot mijnen Schepper te -wenden, althans niet met die kalmte en onderworpenheid, waarmede ik -gewoon was te bidden. Ik bad tot God in den angst van elken nacht -overvallen en geslagt te worden, en uit ondervinding kan ik betuigen, -dat eene rustige, dankbare, blijmoedige stemming veel geschikter ons tot -het gebed maakt dan angst en vrees voor onheil; zulk een mensch is even -ongeschikt om God te bidden, als hij, die op een ziekbed uitgestrekt -ligt; ziekten van den geest toch maken onbekwamer tot het gebed, dan die -van het ligchaam, daar het bidden eene verrigting van den geest en niet -van het ligchaam is. - -Doch om met mijn verhaal voort te gaan. Na aldus een deel mijner kudde -in veiligheid gebragt te hebben, ging ik het geheele eiland door om nog -een verborgen plek te zoeken, voor eene tweede bewaarplaats. Ik kwam -hierbij verder aan de westzijde van het eiland dan ik ooit geweest -was, en zeewaarts ziende, meende ik op verren afstand eene groote boot -te zien. Ik had in een der geredde matrozenkisten een paar kijkers -gevonden, maar geen daarvan bij mij, en het voorwerp was zoo ver af, dat -ik niet wist wat ik er van maken zou, schoon ik er mij half blind op -tuurde. - -Toen ik den heuvel opging verloor ik het voorwerp uit het gezigt, en gaf -het dus op, maar besloot nimmer weder uit te gaan zonder een kijker bij -mij. Toen ik den heuvel af, en op de westzijde van het eiland was -gekomen, waar ik nog nimmer geweest was, zag ik duidelijk, dat het spoor -van een menschenvoet hier niet zoo buitengewoon was als ik mij verbeeld -had, maar dat het eene bijzondere bestiering der Voorzienigheid was -geweest, dat ik op een deel des eilands was geworpen waar de wilden -nimmer kwamen. Zoo ik hier vroeger gekomen was, had ik ingezien, dat de -kanoes, die wat ver in zee geraakt waren, dit eiland dikwijls aandeden, -om daar te overnachten. Ook na in hunne kanoes gevochten en gevangenen -gemaakt te hebben, bragten zij die volgens hunne gewoonte hierheen, om -ze te slagten en op te eten, daar het allen hier omstreeks kannibalen -waren. Ik zal in het vervolg hierover meer spreken. - -Toen ik, gelijk ik zeide, aan het westeinde van het eiland kwam, stond -ik van schrik en afschuw als verplet, daar ik het strand met -hersenpannen, handen, voeten en andere gebeenten van menschen bedekt -zag. Ik ontdekte eene plek waar een vuur gebrand had, en een kuil in den -grond rondom liep, waar ongetwijfeld de ellendelingen bij hun -afschuwelijk feest gegeten hadden. - -Dit schouwspel trof mij zoo geweldig, dat ik eene poos om mijn eigen -gevaar niet dacht. Mijn geest was geheel vervuld met de gedachte aan -zulke helsche barbaarschheid, en den afschuw voor zulk eene ontaarding -van alle menschelijk gevoel, waarvan ik vroeger wel gehoord, maar dat ik -nimmer zoo van nabij had gezien. Met walging wendde ik mijn gelaat af -van dit afschuwelijk tooneel, en eerst na eene hevige braking kwam ik -een weinig tot mij zelven, maar kon hier niet langer blijven; dus klom -ik zoo spoedig ik kon den heuvel weder op en ging naar huis terug. - -Toen ik een weinig van dat gedeelte des eilands af was, stond ik eene -poos als verplet, en daarna dankte ik God, met de uiterste aandoening en -onder een vloed van tranen, dat Hij mij in een werelddeel had doen -geboren worden, waardoor ik van zulke afschuwelijke wezens onderscheiden -was, en dat, ofschoon ik mijn tegenwoordigen toestand zeer ongelukkig -had geacht, ik meer reden tot dankbaarheid dan tot klagen had, en -bovenal, dat ik vertroost was door de kennisse Gods en de hoop op zijne -genade, een geluk, dat verre weg opwoog tegen al de ellende, die ik -ondergaan had of nog kon ondergaan. In deze dankbare stemming ging ik -naar mijn kasteel terug, veel geruster omtrent mijne veiligheid dan ik -sedert lang geweest was, want ik zag in, dat deze schepsels nimmer op -het eiland kwamen om te zoeken wat daar te halen was; misschien dewijl -zij er niets zochten of gevonden hadden wat hun aanstond. Ik was hier -thans bijkans achttien jaar geweest, zonder het minste spoor van -menschelijke schreden te zien, en welligt kon ik er nog achttien jaren -even verborgen leven, als ik mij niet aan hen ontdekte, waartoe ik geene -de minste roeping gevoelde, daar het mijne zaak was mij zoo verborgen -als mogelijk te houden, ten ware ik betere lieden dan menscheneters -vond. Nogtans was mijn afschuw voor die woestaards en hunne zeden zoo -groot, dat ik langen tijd neêrslagtig bleef, en schier twee jaren lang -mij niet buiten mijn kring bewoog. Ik bedoel buiten mijn kasteel, mijn -buitenplaats en mijne omheinde weiden; welke laatste ik alleen om mijne -geiten bezocht; want ik had voor de wilden een afschuw als voor den -duivel zelf. Al dien tijd zag ik zelfs niet naar mijne boot om; want ik -kon er niet aan denken de andere boot het eiland om te brengen, uit -vrees, dat ik op zee eenige dier wezens ontmoeten mogt; want ik wist wat -mijn lot zou zijn, als ik in hunne handen mogt vallen. - -Met ter tijd echter en door het bewustzijn, dat ik geen gevaar liep van -door dit volk ontdekt te worden, begon mijne ongerustheid te slijten, en -mijn leven zoo kalm als vroeger te worden; met dit onderscheid, dat ik -behoedzamer was, en meer rondzag of een hunner mij ook ontdekken kon. -Het was dus zeer gelukkig, dat ik eene tamme kudde geiten had, en niet -meer op de wilde behoefde te jagen, en in het vervolg ving ik eenigen -nog wel, maar alleen door strikken of vallen. Ik geloof, dat ik in geen -twee jaren mijn geweer afschoot, schoon ik nimmer zonder hetzelve -uitging, en bovendien altijd in mijn gordel twee of drie pistolen droeg, -die ik uit het schip gered had, ook sleep ik een van de groote messen, -die ik uit het schip gehaald had, en stak dit ook in mijn gordel, maar -zonder scheede. - -Aldus bleef alles gedurende eenigen tijd, en behalve deze voorzorgen -leefde ik op den ouden rustigen voet. Al deze gebeurtenissen toonden mij -meer en meer, dat mijn toestand, verre af was van rampzalig te zijn, -als ik dien bij dien van anderen vergeleek, waarin God ook mij had -kunnen plaatsen. Dit deed mij denken hoe weinig de menschen zich zouden -beklagen over hun lot, als zij dit vergeleken, bij dat wat rampzaliger, -en niet bij hetgeen gelukkiger was. In mijn tegenwoordigen toestand had -ik aan weinig gebrek, zoodat ik werkelijk dacht, dat de schrik voor de -wilden mijne verbeeldingskracht tot het uitdenken van gerijfelijkheden -verstompt had. Ik had zelfs geheel een voornemen laten varen, dat ik -eens gekoesterd had, namelijk van te beproeven, of ik niet van mijn -graan wat mout kon maken, en hiermede bier brouwen. Dit was inderdaad -een uitsporig denkbeeld, en dikwijls bespotte ik mij zelven er over; -want ik zag thans in, dat ik om bier te brouwen, verscheidene dingen -noodig had, die ik onmogelijk vervaardigen kon; als vooreerst vaten om -het in te bewaren; die ik in spijt van al mijne pogingen nimmer kon -maken, gelijk ik reeds gezegd heb, schoon ik het weken, zelfs maanden -lang, doch vruchteloos, beproefde. Vervolgens had ik geen hop om het -duurzaam te maken, noch gest, noch ketels om het in te koken, en toch, -zoo al die schrik van de wilden niet tusschenbeide gekomen was, zou ik -het beproefd en er misschien in geslaagd hebben, want ik gaf niet ligt -iets op wat ik mij eenmaal in het hoofd had gezet. - -Doch thans liepen mijne denkbeelden in eene andere rigting. Nacht en dag -dacht ik alleen hoe ik eenige dier monsters zou vernielen in hun -bloeddorstig vermaak, en zoo mogelijk hunne medegebragte slagtoffers -redden. Ik zou een grooter werk dan dit boek vullen, als ik al de -ontwerpen waarover ik broedde, wilde vermelden, ter vernieling dier -schepselen, althans om hun zulk een schrik aan te jagen, dat zij hier -nimmer weder kwamen, maar alles vergeefs. Ik kon niets bedenken, of ik -moest het zelf verrigten, en wat kon een man tegen misschien twintig of -dertig wilden uitrigten, met boog en pijl gewapend, waarmede zij hun wit -zoo zeker raken als ik met mijn geweer doen kon. - -Somtijds wilde ik een hol graven onder de plaats waar zij hun vuur -aanlegden, en dat met vijf of zes pond buskruid vullen, hetwelk, als zij -hun vuur ontstoken hadden, hen allen in de lucht zou doen vliegen. Maar -in de eerste plaats wilde ik ongaarne zooveel kruid verspillen, waarvan -ik thans nog slechts een vat had. Ook was ik niet zeker, dat het op zijn -tijd ontvlammen zou, en misschien zou het hen slechts wat aarde om de -ooren doen vliegen, maar niet genoeg verschrikken om hen de plaats te -doen verlaten. Op een anderen tijd wilde ik met mijne drie geweren, -allen dubbel geladen, in hinderlaag gaan liggen, en als zij midden in -hun bloeddorstig werk waren, op hen vuur geven; ik was zeker, twee of -drie hunner met elk schot te dooden of te kwetsen, en ik twijfelde niet -of met behulp van mijne sabel, zou ik ze allen ombrengen, al waren er -twintig. Eenige weken lang speelde dit mij zoo door het hoofd, dat ik er -des nachts soms van droomde. - -Ik dreef dit zoo ver, dat ik verscheidene dagen besteedde met het zoeken -naar geschikte plaatsen, om mij in hinderlaag te liggen, ten einde hen -gade te slaan, en ik ging dikwijls naar de plaats zelf, die mij thans -gemeenzaam was geworden, en vooral terwijl mijn geest met wraakgierige -denkbeelden, en het voornemen om er twintig of dertig over de kling te -jagen, was opgevuld; de afschuw, dien ik voor de plek had, en de -blijken, dat de barbaren elkander verslonden hadden, voedden mijne -woede. - -Ik vond dan ook eindelijk eene plek in de zijde van den heuvel, waar ik -begreep veilig te kunnen wachten, tot ik eenige hunner booten zag -aankomen, als wanneer ik, zelfs voor dat zij gereed waren aan wal te -gaan, mij in een hollen boom verbergen kon, waarin ik geheel verholen -was, en al hunne bloeddorstige handelingen zou kunnen gadeslaan, en -bedaard op hen aanleggen, als zij zoo digt bijeen zouden zijn, dat het -bijkans onmogelijk was hen te missen en niet drie of vier hunner bij het -eerste schot te treffen. Deze plaats eenmaal gekozen, maakte ik twee -geweren en mijn gewoon jagtgeweer gereed. De eersten laadde ik ieder met -schroot en vier of vijf pistoolkogels; het laatste met eene handvol -groven ganzenhagel. Ik deed ook vier kogels op ieder mijner pistolen, en -aldus, voorzien van kruid en lood voor eene tweede en derde lading, -maakte ik mij tot mijne expeditie gereed. - -Na aldus mijn plan tot den veldtogt gemaakt te hebben, klom ik elken -morgen op den top des heuvels, die ongeveer een uur van mijn kasteel af -lag, om te zien of ik op zee eenige booten kon bespeuren, die op het -eiland aanhielden of het naderden. Na twee of drie maanden aldus de -wacht gehouden te hebben, begon mij dit te vervelen echter, daar ik in -al dien tijd niet het minste nabij het strand, noch op den geheelen -oceaan, zoo ver mijn kijker reikte, kon ontdekken. - -Zoo lang ik dagelijks naar den heuvel ging, zoo lang bleef ik even vurig -in mijn ontwerp; en mijn moed scheen al dien tijd onverzwakt, ter -uitvoering van het uitsporig denkbeeld van twintig of dertig naakte -wilden dood te schieten, voor eene misdaad, die ik volstrekt niet -overdacht had, daar ik alleen geleid werd door mijn afschuw voor dit -onnatuurlijk gebruik van de wilden, welke de Voorzienigheid, naar het -schijnt, goedgevonden heeft, alleen door hunne lage en beestachtige -driften te laten regeren, en die daardoor misschien sedert eeuwen aan -zulke afschuwelijke zeden en gewoonten waren overgegeven, waaraan alleen -zij, die van den Hemel verlaten, en beneden de menschelijke natuur -verlaagd zijn, zich kunnen overgeven. Doch nu begonnen, gelijk ik zeide, -mijne langdurige vruchtelooze togten mij te vermoeijen, en mijne wijze -van zien nopens hunne handelwijze begon ook te veranderen, en ik begon -koeler en bezadigder te overwegen wat ik wilde ondernemen; welk regt of -gezag ik had om mij tot regter en beul te maken, en deze lieden als -misdadigers te behandelen, wien de Hemel goedgevonden had, gedurende zoo -vele eeuwen straffeloos hunnen gang te laten gaan, en als het ware tot -de uitvoerders zijner straffen jegens hen onder elkander te maken; -alsmede welk regt ik had mij in dien bloedigen strijd te mengen, dien -zij onderling voerden. Ik redekavelde dikwerf aldus met mij zelven: "Hoe -weet ik wat Gods oordeel daaromtrent is? Het is zeker, dat dit volk dit -niet als eene misdaad beschouwt; hun geweten bestraft er hen niet over. -Zij weten niet, dat het eene misdaad is, en bedrijven die niet in spijt -der Goddelijke geregtigheid, gelijk wij onze zonden plegen. Zij achten -het evenmin eene misdaad, een krijgsgevangene te slagten, als wij eenen -os te dooden, en hebben even weinig tegen menschenvleesch als wij tegen -schapenvleesch." - -Eenige overdenkingen dienaangaande deden mij besluiten, dat ik ongelijk -had, dat dit volk geen moordenaars waren in dien zin als ik ze beschouwd -had; dat zij daaromtrent gelijk stonden met verscheidene -Christenveldheeren, die krijgsgevangenen, of geheele troepen, schoon zij -geen weerstand boden, kwartier weigerden en ze over de kling joegen. - -Vervolgens bedacht ik, dat ofschoon hun gebruik beestachtig en -barbaarsch was, het mij echter niet aanging; dat zij mij geenszins kwaad -gedaan hadden; dat het welligt verschoonbaar was als zij mij aanvielen, -of als ik het tot mijn behoud noodig achtte hen te overvallen; maar dat -ik voor als nog buiten hunne magt was, en zij metterdaad van mij geene -kennis droegen, en diensvolgens geen kwaad oogmerk tegen mij hadden. -Derhalve kon het van mij niet regtvaardig zijn hen te overvallen; dit -zou de onmenschelijkheden der Spanjaarden in Amerika, die daar duizenden -vermoord hebben, regtvaardigen; en hoewel dit afgodendienaars en -barbaren waren, die vele bloedige en onmenschelijke gebruiken hadden, -zoo als het offeren van menschen aan hunne afgoden, toch waren zij -jegens de Spanjaarden onschuldig; en van hunne uitroeijing is altijd -gesproken met de uiterste afkeuring en verfoeijing, door de Spanjaarden -zelven, en door alle Christen natiën in Europa is zij beschouwd als eene -bloeddorstige menschenslagting, voor God noch menschen te regtvaardigen, -en waardoor de naam van een Spanjaard zelfs bij alle Christenvolkeren in -verschrikking is gekomen; alsof Spanje in het bijzonder een menschenras -voortbragt, geheel en al zonder eenige gevoelens van menschlievendheid -of medelijden, die men als aan welgeschapen harten eigen beschouwt. - -Deze bedenkingen bragten mij tot beter inzien, en ik begon van -lieverlede mijn oogmerk op te geven, en te besluiten, dat ik mij -verkeerde maatregelen had voorgenomen, ten einde de wilden aan te -vallen; dat het mijne zaak niet was mij met hen in te laten, ten ware -zij mij het eerst aanvielen, hetwelk ik zoo veel in mij was moest -trachten te voorkomen; maar als ik ontdekt en aangevallen werd, dan wist -ik wat mij te doen stond. - -Aan den anderen kant bragt ik mij zelven onder het oog, dat dit waarlijk -de weg niet was om mij te bevrijden, maar mij geheel en al in het -verderf te storten. Immers als ik niet zeker was, dat ik iedereen dooden -kon, die alsdan aan het strand was, als ook hen, die er naderhand mogten -komen, dan, als er slechts een ontsnapte, om zijnen landslieden het -gebeurde mede te deelen, zouden zij weder bij duizenden overkomen om den -dood van hunne makkers te wreken; en ik mij zelven een gewissen dood op -den hals halen, waartoe ik voor als nog in het geheel geen roeping -gevoelde. - -Om kort te gaan, ik besloot, dat het mij geraden was, mij hierin -volstrekt niet te mengen, maar mij zoo veel mogelijk voor hen verborgen -te houden, en niet het minste spoor achter te laten, waardoor zij gissen -konden, dat er eenig menschelijk wezen zich op het eiland bevond. De -godsdienst sterkte mij in dit voorzigtig besluit, en ik was thans door -verschillende redenen overtuigd, dat ik geheel en al mijn pligt te -buiten ging, als ik zulke bloeddorstige ontwerpen bleef voeden, om -onschuldige wezens te dooden; ik bedoel onschuldig jegens mij. Met de -misdaden, waaraan zij zich jegens elkander schuldig maakten, had ik -niets te maken; het waren hunne zeden, en ik moest die aan de Goddelijke -geregtigheid overlaten, daar God de volkeren bestiert en zijne oordeelen -op de wijze, die Hij goedvindt, over hen kan doen losbarsten. - -Dit scheen mij thans zoo klaar toe, dat niets mij meer verheugde, dan -dat het mij niet toegelaten was te doen, hetgeen ik thans als niet -minder dan moedwilligen doodslag beschouwde, en ik dankte God op mijne -knieën, dat Hij mij aldus van mijn bloeddorst had genezen; smeekte om -zijne bescherming, dat ik niet in hunne handen mogt vallen, of de hand -aan hen slaan, ten ware de Hemel mij dit duidelijk en ter verdediging -van mijn eigen leven aanwees. - -In deze gemoedsgesteldheid bragt ik nog een jaar door, en ik verlangde -zoo weinig die rampzaligen aan te vallen, dat ik in al dien tijd geene -enkele maal den heuvel opklom, om te zien of er ook eenigen in het -gezigt waren, of te weten, of zij al of niet het eiland hadden -aangedaan; ten einde niet in verzoeking te geraken mijne vroegere -middelen te bezigen, of door eenig voordeel tot een aanval op hen -verlokt te worden. Echter haalde ik mijne boot van de andere zijde van -het eiland, en bragt die aan de oostzijde, waar ik die in een inham -onder eenige hooge rotsen legde, waar ik wist, dat de wilden, uithoofde -der stroomingen, niet met hunne kanoes zouden durven komen. Met de boot -nam ik alles mede, wat ik daar achtergelaten had, namelijk een mast en -een zeil, dat ik gemaakt had, benevens eene soort van anker of dreg, -schoon eigenlijk naar geen van beide gelijkende, maar dat ik niet beter -had kunnen maken. Dit deed ik om niet het minste blijk van menschelijke -wezens, of spoor van eene boot op het eiland achter te laten. - -Bovendien leefde ik stiller dan ooit, en verliet zelden mijne kluis dan -voor mijne dagelijksche bezigheden, het melken mijner geiten en het -nazien mijner kudde in het bosch, die als geheel aan de andere zijde van -het eiland, buiten alle gevaar was; want het was zeker, dat de wilden, -die somtijds het eiland aandeden, er nimmer iets dachten te vinden, en -dus nooit het strand verlieten. Ik twijfel niet of zij waren er -verscheidene malen, nadat ik hun spoor ontdekt had, geweest; en ik -huiverde bij de gedachte wat mijn toestand zou geweest zijn, als ik op -hen gestooten had, en zij mij ontdekt hadden, alleen gewapend met een -geweer, soms met eenigen hagel slechts geladen. Welk een verrassing zou -het geweest zijn als ik in plaats van een afdruk van een voet, een -vijftien of twintig wilden aangetroffen had, en zij mij vervolgd hadden. -Bij hunnen snellen loop zou er aan ontkomen niet te denken zijn geweest. -Deze denkbeelden maakten mij soms bitter neêrslagtig. Met schrik dacht -ik wat ik in dat geval zou gedaan hebben; zonder hen te kunnen -weerstaan, misschien zonder tegenwoordigheid van geest om van mijne -eerst na lang nadenken uitgevonden middelen tot verdediging gebruik te -maken. Maar ik eindigde met dankbaar aan de Voorzienigheid te zijn, die -mij voor deze schrikkelijke ramp bewaard had, terwijl ik zelfs het -gevaar, waarin ik was, niet bevroedde. Dit bragt mij tot de overweging, -die ik reeds meermalen, bij mijn leven, had gemaakt, hoe de -Voorzienigheid ons in gevaren beschermt en leidt door schikkingen, -waarvan wij het doel niet begrijpen. Dikwijls toch worden wij door -geheel onverwachte gebeurtenissen uit groote gevaren bevrijd; dikwijls -drijft een geheime aandrang, in hagchelijke oogenblikken, ons aan, om -veeleer dezen dan genen weg in te slaan, die onfeilbaar tot ons verderf -zou geleid hebben. - -Ten gevolge dezer overwegingen stelde ik het mij naderhand tot een -vasten regel, dat wanneer naderhand, als het ware, eene geheime stem mij -ried deze of gene zaak te doen of te laten, of dezen of genen weg in te -slaan, ik altoos die aanwijzing volgde, schoon ik er geene andere reden -dan dezen aandrang voor had. Meer dan een voorbeeld uit mijn leven zou -ik kunnen bijbrengen, om het welslagen van deze handelwijze te bewijzen; -maar vooral in den laatsten tijd van mijn verblijf op dit eiland; -behalve dat ik vroeger waarschijnlijk veel dergelijks had kunnen -bespeuren, zoo ik toenmaals de zaken uit hetzelfde oogpunt had -beschouwd. Doch het is nimmer te laat om verstandig te worden, en ik kan -ieder verstandig mensch, wiens leven even als het mijne aan zoo -buitenwone wisselvalligheden, of zelfs aan min bijzondere onderhevig is, -aanraden, zulke geheime wenken der Voorzienigheid niet in den wind te -slaan, door welke onzigtbare werking zij ons medegedeeld worden. Ik kan -deze noch verklaren, noch er over redetwisten, maar gewis zijn het -onwraakbare bewijzen voor de werking van onstoffelijke wezens buiten -ons. Hiervan zal ik in het overige van mijn eenzaam verblijf op het -eiland merkwaardige bewijzen kunnen geven. - -Mijne lezers zullen het, geloof ik, niet vreemd vinden, als ik beken, -dat deze aanhoudende angst en gevaren waarin ik verkeerde, en de -daardoor verwekte zorgen, mij alle uitvindingen en alle ondernemingen, -die ik tot mijn verder gemak bedacht had, deden staken. Ik werd thans -meer door de zorg voor mijne veiligheid, dan voor mijn onderhoud, -beziggehouden. Ik durfde geen spijker slaan, geen hout kappen, uit -vrees, dat het geraas hiervan gehoord zou worden; veel minder durfde ik -een geweer afschieten, en vooral baarde mijn vuur mij veel vrees. De -rook, die over dag zeer ver zigtbaar is, kon mij verraden, en ten dien -einde verrigtte ik mijn werk, waarbij ik vuur noodig had, als potten en -pijpen bakken, in mijn nieuw verblijf in het bosch, waar ik voor eenigen -tijd, tot mijne groote vreugde, een natuurlijke onderaardsche grot had -gevonden, die een heel eind weegs diep inliep; en ik was verzekerd, dat -geen wilde, als hij den ingang vond, er zou durven ingaan, en niemand -zou dit doen ten ware hij, gelijk ik, een veilige schuilplaats zoo hoog -noodig had. - -De ingang van deze grot was aan den voet van eene groote rots, waar het -toeval, (zou ik vroeger gezegd hebben, maar het was inderdaad de -Voorzienigheid) mij heenvoerde, terwijl ik eenige zware takken kapte om -houtskolen te branden. Vooraf moet ik zeggen waarom ik houtskolen -maakte. Ik was bevreesd bij mijne woning vuur te stoken, gelijk ik -zeide, en toch kon ik niet leven zonder mijn brood te bakken, mijn -vleesch te koken enz.; en dus beproefde ik eenig hout, gelijk ik in -Engeland gezien had, met aarde overdekt, te branden tot het kolen waren, -alsdan doofde ik het vuur uit, bragt de houtskolen naar huis, en -gebruikte die om vuur te maken, zonder gevaar van den rook. Doch om tot -mijn verhaal terug te keeren. - -Terwijl ik daar aan het houtkappen was, bemerkte ik, dat er achter eenig -zeer dik kreupelhout of heestergewas, eene zekere opening was. Ik was -nieuwsgierig, die te zien, en toen ik met moeite aan den ingang kwam, -vond ik, dat, die vrij groot was, namelijk, dat ik er, en nog iemand -naast mij, regt op in kon staan. Maar ik moet bekennen, dat ik er veel -harder uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar -het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig -schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden, -en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in -weêrkaatste. Echter kwam ik na eenige oogenblikken wat tot mij zelven, -en schold mij zelven voor een tiendubbelen gek, en zeide, dat hij, die -bang was den duivel onder de oogen te zien, niet geschikt was om twintig -jaren geheel alleen op een woest eiland te leven, en dat er zeker niets -in de grot was, dat meer schrik kon verwekken dan mijn eigen persoon. -Hierna raapte ik al mijn moed bijeen, nam een vlammend hout in de hand, -en stoof daarmede gewapend, de grot in. Ik had nog geen drie stappen -gedaan, of ik schrikte weder even hevig als vroeger, want ik hoorde een -luid steenen, als van iemand, die zware pijn lijdt, dan weder een dof -geluid, als of men binnen 's monds sprak, gevolgd door een diepen zucht. -Ik trad terug en was zoo ontsteld, dat het koude zweet mij uitbrak, en -had ik een hoed op gehad, dan zouden mijne te berge staande haren dien -misschien opgeligt hebben. Maar nog trachtte ik moed te scheppen met het -denkbeeld, dat God alomtegenwoordig was en mij kon beschermen, en weder -voorwaarts stappende, zag ik bij het licht van het brandend hout, dat ik -boven mijn hoofd hield, zag ik, zeg ik, een allermonsterachtigsten, -vreesselijken ouden bok op den grond liggen, die daar lag te zieltogen -en van ouderdom scheen te sterven. Ik beproefde hem weg te jagen; hij -trachtte op te staan, maar kon niet; en ik dacht bij mij zelven: blijf -dan maar liggen, want hebt gij mij zoo verschrikt, dan zult gij -zekerlijk de wilden, zoo die het durven wagen naar binnen te dringen -terwijl gij nog leeft, nog veel meer schrik aanjagen. - -Van mijne verbazing bekomen, begon ik rond te zien en ontdekte, dat de -grot inderdaad zeer klein was, namelijk ongeveer twaalf voet, maar -onregelmatig, noch rond noch vierkant gevormd, daar de natuur dit -alleen, zonder hulp van menschenhanden gedaan had. Ik bemerkte ook, dat -er aarde op eene plaats was, die dieper inliep, maar zoo laag, dat ik er -op handen en voeten in moest kruipen. Daar ik nu geen kaars bij mij had, -stelde ik dit uit, maar besloot den volgenden dag met kaarsen en een -tinteldoos terug te komen. Mijn tinteldoos had ik van het slot van een -oud geweer gemaakt. - -Ik kwam dan ook den volgenden dag terug met zes kaarsen van mijn eigen -maaksel, want ik maakte thans zeer goede kaarsen van geitenvet; en de -grot ingaande, was ik, gelijk ik zeide, genoodzaakt ongeveer tien ellen -op handen en voeten voort te kruipen, hetgeen, naar mij dacht, al een -groot waagstuk was, daar ik niet wist hoe ver zij liep, of waar ik zou -uitkomen. Na deze engte doorgegaan te zijn, verhief het gewelf zich -ongeveer tot twintig voet; maar nimmer, durf ik zeggen, zag men op het -eiland schitterender gezigt, dan de wanden dezer grot opleverden. Deze -weerkaatsten honderdduizend maal het licht mijner twee kaarsen; wat er -in de rots zat, of diamanten of andere edelgesteenten, of goud, wist ik -niet. Ik bevond mij nu in de allerbevalligste grot, die men bedenken -kon, schoon het er geheel duister was; de grond was droog en effen, en -er lag eene soort van keizelzand op, zoodat er geenerlei stinkend of -venijnig gedierte, noch eenige vochtigheid aan de wanden te bespeuren -was. De ingang alleen was wat moeijelijk, hetgeen mij echter een -voordeel toescheen, daar het juist zulk eene veilige schuilplaats was -als ik verlangde. Ik besloot dus onverwijld daar eenige dingen te -brengen, waarvoor ik het meest bezorgd was, bovenal mijn -buskruidmagazijn en al mijne wapenen, die ik niet gestadig gebruikte, -bestaande uit twee jagtgeweren en drie musketten. Van deze laatste -behield ik dus vijf in mijn kasteel, die als kanonnen op mijne buitenste -schans geplant stonden, en er ook des noodig konden uitgenomen worden. -Bij deze gelegenheid moest ik het kruidvaatje, dat ik uit zee opgevischt -had, openslaan, en ik vond, dat het zeewater er aan alle kanten drie tot -vier duim doorgedrongen was, en het kruid daar zoo hard had gemaakt als -een steen, waardoor het overige als de kern in een pit volkomen bewaard -was gebleven. Ik had dus midden in het vat ongeveer zestig pond zeer -goed kruid, hetgeen voor mij eene aangename verrassing was. Ik bragt dat -alles er heen, en hield slechts twee of drie pond in mijn kasteel, om -tegen elke verrassing gewapend te zijn, ook bragt ik er al het lood, dat -ik voor kogels bewaard had. Alstoen vergeleek ik mij bij de reuzen uit -den ouden tijd, die men zegt, dat in grotten en rotsholen leefden, waar -niemand hen kon bereiken. Ik hield mij overtuigd, dat al zaten mij -vijfhonderd wilden na, zij mij niet zouden vinden, en al was dit zoo, -mij hier nog niet zouden durven aanvallen. - -De oude bok, dien ik zieltogende had gevonden, stierf den volgenden dag -na mijne ontdekking, en ik vond het veel gemakkelijker hem daarin een -graf te delven dan hem er uit te slepen, dus begroef ik hem daar, om -mijn neus voor den stank te waarborgen. - -Ik was nu in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf op het eiland; -en er zoo genaturaliseerd en aan mijne levenswijze gewoon, dat zoo ik -slechts zeker ware geweest, dat er geene wilden zouden komen, ik -tevreden zou geweest zijn met daar het overschot mijns levens te -slijten, zelfs tot mijn laatste uur, tot ik, even als de oude bok, mij -zou nederleggen en sterven. Ik had mij eenige vermakelijkheden -verschaft, die mij den tijd aangenamer deden omgaan dan vroeger. -Vooreerst had ik mijn papegaai leeren spreken, en hij klapte zoo aardig -en vertrouwelijk, dat ik geloof, dat nooit een vogel beter sprak. Hij -leefde niet minder dan zesentwintig jaren met mij, en hoe lang hij -naderhand kon leven wist ik niet. In Brazilië zegt men, dat zij honderd -jaar oud kunnen worden. Mijn hond was mij meer dan zestien jaren een -trouwe makker, en toen stierf hij van ouderdom. Mijne katten -vermenigvuldigden zoo, gelijk ik gezegd heb, dat ik er in den beginne -verscheidene van moest dood schieten, ten einde zij niet mij en al wat -ik had opvraten; maar toen eindelijk de ouden dood waren, en ik ze -gestadig verjoeg en niets binnen haar bereik liet, verwilderden zij en -liepen het bosch in, behalve twee of drie, die ik tam hield, en wier -jongen ik altijd verdronk. Bovendien had ik altijd twee of drie tamme -geitjes om mij heen, die ik leerde uit mijne hand te komen eten. Ik had -ook nog twee papegaaijen, die tamelijk goed spraken, en allen: Robinson -Crusoe! riepen, maar geen zoo goed als mijn eerste; ook had ik mij met -hen zoo veel moeite niet gegeven. Ik had ook verscheidene tamme -zeevogels, wier naam ik niet kende, die ik op het strand gevangen en -gekortwiekt had. De stekken, die ik om mijn muur geplant had, waren nu -tot een digt bosch gegroeid, en daarin leefden en nestelden zij, hetgeen -mij zeer aangenaam was. Aldus leefde ik zeer tevreden, behalve dat ik -steeds door vrees voor de wilden geplaagd werd. - -Doch het was anders besloten, en het zal hier niet ongepast zijn mijnen -Lezers te doen opmerken, hoe dikwijls datgene, wat wij het meest -trachten te vermijden en voor ons het vreesselijkst is, toch het -eenigste middel is om ons uit onze ongelukken te redden. Ik zou uit mijn -buitengewonen levensloop vele voorbeelden tot staving hiervan kunnen -aanhalen; maar nergens bleek dit duidelijker in dan in de -omstandigheden, die de laatste jaren van mijn verblijf alhier -kenmerkten. - -Het was nu in December, in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf -alhier, en daar dit de zuidelijke zonnestand (want winter kan men het -niet noemen) was, en dus mijn oogsttijd, moest ik dikwijls op het veld -wezen. Op een vroegen morgen vóór den dag uitgaande, verbaasde het mij -op het strand, een half uur van mij af, een groot vuur te zien, en tot -mijn grooten schrik aan mijne zijde van het eiland. - -Bij dit gezigt stond ik als verplet, en bleef in mijn boschaadje, waar -ik niet durfde uitgaan; en toch was ik even ongerust, uit vrees, dat zoo -deze wilden het eiland mogten rondzwerven, zij mijn te veld staande -graan of eenig ander werk van mij mogten vinden en vernielen, en -dadelijk daaruit begrijpen, dat er menschen op het eiland waren. Dan -zouden zij niet rusten voor zij mij gevonden hadden. Ik keerde dus in -mijn kasteel terug, en trok de ladder achter mij op. - -Daarop maakte ik mij tot verdediging gereed. Ik laadde al mijn geschut, -dat op mijne schans stond, en al mijne pistolen, en besloot mij ten -uiterste te verdedigen, niet vergetende mij in Gods bescherming te -bevelen en Hem te smeeken mij uit de handen der barbaren te redden. Ik -bleef aldus twee uren, maar verlangde toen magtig te weten wat er -omging, want ik kon geene verspieders uitzenden. Eindelijk kon ik deze -onzekerheid niet langer verdragen, ik zette dus mijne ladder tegen de -rots, en klom zoo naar den top. Daar ging ik plat op den grond liggen, -en begon met mijn kijker naar hen uit te zien. Ik zag niet minder dan -negen naakte wilden rondom een vuur zitten, niet om zich te warmen, want -het was geweldig heet, maar naar ik denk, om een hunner afschuwelijke -gastmalen van menschenvleesch te houden, dat zij levend of dood hadden -medegebragt. - -Zij hadden twee kanoes aan het strand liggen, en daar het eb was, -begreep ik, dat zij op hoogwater wachtten, om weder in zee te gaan. Men -kan zich niet begrijpen, welke verwarring dit gerigt bij mij te weeg -bragt, vooral dat zij aan mijne zijde van het eiland en zoo digt bij mij -geland waren. Toen ik echter begreep, dat zij altijd alleen met de eb -konden komen, werd ik wat bedaarder, daar ik inzag, dat ik al den tijd, -dat het hoogwater was, gerust van huis kon gaan, zoo zij alsdan niet -vroeger aan wal waren gekomen. Hierdoor eenigzins gerust gesteld, ging -met meer gerustheid aan mijn oogst aan het werk. - -Het ging zoo als ik dacht, want zoodra de vloed doorkwam, zag ik hen -allen naar hunne kanoes gaan, en heenroeijen, of liever pagaaijen. Ik -moet nog vermelden, dat een uur of zoo voor zij vertrokken, zij aan het -dansen gingen, en ik kon door mijn kijker al hunne gebaren en houdingen -duidelijk zien. Zij waren geheel naakt, schoon ik niet onderscheiden kon -of het allen mannen dan of er ook vrouwen bij waren. - -Zoodra ik hen vertrokken zag, nam ik twee geweren op schouder, stak twee -pistolen in mijn gordel met mijne sabel zonder scheede, en begaf mij zoo -spoedig ik kon naar den heuvel, waar ik het eerste spoor van hen gezien -had. Zoodra ik daar kwam, waarmede twee uren verliepen (want ik kon zoo -met wapenen beladen, niet hard voort) bespeurde ik, dat er daar nog drie -kanoes met wilden geweest waren, en verder op ziende, bemerkte ik, dat -zij allen in zee waren gestoken en op het vaste land aanhielden. - -Dit was een vreesselijk gezigt voor mij, vooral toen ik naar het strand -afgaande, de blijken kon zien, die zij van hun afschuwelijk werk hadden -achtergelaten; namelijk het bloed, de beenderen en een deel -menschenvleesch, dat deze rampzaligen daar met vreugde en vrolijkheid -hadden verslonden. Dit gezigt vervulde mij met zoo veel -verontwaardiging, dat ik thans voornam de eersten, die weder kwamen, -dood te schieten, al waren er ook nog zooveel. - -Het scheen mij blijkbaar, dat de bezoeken, die zij aldus aan het eiland -gaven, niet veelvuldig waren; want het duurde meer dan vijftien maanden -eer ik weder iets van hen zag. Gedurende het regensaizoen zouden zij -zeker niet uitgaan, althans niet zoo ver van huis; echter was ik al dien -tijd in gestadige onrust en vrees, dat zij mij onverwachts zouden -overvallen. Dit bragt mij tot de opmerking, dat de verwachting van eenig -onheil erger is dan het ondergaan van hetzelve, vooral als men niet in -staat is zich van den angst of van die verwachting te ontslaan. - -Al dien tijd was ik in eene allerbloeddorstigste stemming, en besteedde -meest al mijnen tijd (dien ik beter had kunnen aanwenden) in te -overwegen hoe ik de volgende maal, dat ik hen zag, hen zou overvallen en -aantasten, vooral als zij, gelijk de laatste maal het geval was, in twee -partijen verdeeld zouden zijn. Ik bedacht echter niet, dat zoo ik de -eene week een troep doodde, ik de volgende week of maand een tweeden kon -moeten doodslaan, en zoo voorts tot in het oneindige, tot ik eindelijk -niet minder een moordenaar zou zijn dan deze menscheneters, en misschien -nog meer. - -Dit alles deed mij thans mijne dagen in groote verslagenheid en angst -doorbrengen, daar ik verwachtte, dat ik, den een of anderen dag, in de -handen dezer meêdoogenlooze barbaren zou vallen. Als ik nu en dan -uitging, deed ik dit met de meeste voorzorg en zag onophoudelijk rond. -Nu zag ik in hoe gelukkig het was, dat ik mij eene kudde tamme geiten -had weten te verschaffen; want ik durfde volstrekt mijn geweer niet af -te schieten, vooral niet bij dien kant van het eiland, waar zij -gewoonlijk kwamen, ten einde hun geen alarm te geven; en al namen zij -eerst de vlugt voor mij, dan kon ik toch zeker rekenen, dat zij -misschien eenige dagen daarna met twee- of driehonderd kanoes zouden -terugkeeren, en dan wist ik wat mijn lot zijn zou. - -Het duurde echter vijftien maanden voor ik iets van de wilden zag of -hoorde, en toen vertoonden zij zich weder, zoo als ik straks verhalen -zal. Wel is het mogelijk, dat zij er in dien tijd eens of tweemaal -geweest waren, maar dan kort en zonder dat ik er iets van gemerkt had, -doch in de maand Mei, zoo ver ik berekenen kan, en in mijn -vierentwintigste jaar, had ik eene zeer zonderlinge ontmoeting, die ik -zoo aanstonds verhalen zal. - -Al die vijftien of zestien maanden bragt ik in de grootste onrust door. -Ik sliep onrustig, had altijd akelige droomen, en werd dikwijls met -schrik wakker. Over dag verbijsterde mij de angst en des nachts droomde -ik van het dooden van wilden, en zocht naar redenen, die dit -regtvaardigden. Doch die zullen wij voor een oogenblik daar laten. - -Op zekeren dag, den 16den Mei, naar mijn houten almanak te rekenen, dien -ik nog dagelijks bijhield, woei het den geheelen dag een fellen storm -met donder en bliksem, en de nacht was even ruw. Ik zat in den Bijbel te -lezen, en ernstig over mijn toestand na te denken, toen ik eensklaps -schrikte van een kanonschot, dat, naar ik meende, in zee gelost werd. -Dit was een geheel andere verrassing dan de vroegere, en bragt mij -geheel andere denkbeelden in het hoofd. In een oogenblik stond mijne -ladder tegen de rots; ik haalde die op, en beklom toen den top; op dat -oogenblik deed eene flikkering van vuur mij een tweede schot verwachten, -welks geluid ik ook eene halve minuut daarna hoorde, en daaruit vernam, -dat het van dien kant van de zee kwam, waar ik in mijne boot door de -strooming in zee was gedreven. - -Oogenblikkelijk begreep ik, dat er een schip in nood was, en dat het -een ander in de nabijheid had, en noodschoten deed om hulp te vragen. Ik -had tegenwoordigheid van geest genoeg, om te begrijpen, dat zoo ik hen -niet kon helpen, zij dit mij konden doen; dus haalde ik al het drooge -hout bijeen, dat ik vinden kon, stapelde het op een hoop en stak het in -brand. Het hout was droog en brandde fel op, en hoe hard het ook woei, -brandde het geheel op, zoodat als er een schip was, men het daar zien -moest. Ongetwijfeld was dit ook zoo, want zoodra het vuur opbrandde, -deed men weder een schot en naderhand nog verscheidene. Ik hield het -vuur den geheelen nacht aan, en toen het dag werd en de lucht opklaarde, -zag ik op een grooten afstand in zee een zeil of een romp van een schip. -De afstand was te groot en het weder nog wat mistig, om met mijn kijker -er meer van te kunnen onderscheiden. - -Dikwijls zag ik er dien dag naar uit, en bemerkte spoedig, dat het stil -lag; dus begreep ik, dat het een schip was, dat voor anker lag, en -verlangende het juiste te weten, gelijk men wel kan denken, liep ik, met -mijn geweer in de hand, naar den Zuidoostkant van het eiland, naar de -klippen, waar de strooming mij vroeger had medegesleept, en daar -gekomen, en het weder thans geheel opgeklaard zijnde, zag ik duidelijk, -tot mijn groot verdriet, het wrak van een schip, dat in den nacht op -deze blinde klippen geworpen was, die ik, toen ik in mijne boot was, had -aangetroffen, en welke klippen daar de kracht van den stroom stuitten, -en eene soort van tegenstroom vormden, die mij toen uit den -hagchelijksten toestand, waarin ik ooit in mijn geheele leven geweest -was, had gered. - -Wat echter den een redt, stort den ander in het verderf, want het -schijnt, dat deze menschen, buiten hun bestek geslagen, geen kennis -droegen van die geheel onder water staande klippen, en daar de wind des -nachts fel uit het O. en O. N. O. geblazen had, er op geslagen waren. -Ongetwijfeld zouden zij getracht hebben zich met de boot te redden, maar -hunne noodschoten, vooral toen zij, naar ik mij verbeeldde, mijn vuur -gezien hadden, bragten mij op verschillende gedachten. Eerst begreep ik, -dat zij, op het zien van mijn vuur, zich in de boot begeven hadden, en -getracht het strand te bereiken, maar door de hooge zee weggeslagen -waren. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij vroeger hunne boot zouden -verloren hebben, gelijk meermalen gebeurt, vooral door het overkomen van -zware stortzeeën, die het volk dikwijls dwingen de verbrijzelde sloep -met eigen handen over boord te werpen. Dan weder vermoedde ik, dat zij -andere schepen bij zich hadden gehad, en deze op hunne noodschoten hen -opgenomen en gered hadden. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij allen in -de boot gegaan waren, en door de strooming op den wijden oceaan -geslagen, waar niets dan de dood hun wachtte, en dat zij thans misschien -dachten van honger te sterven en in eenen toestand waren om elkander te -verslinden. - -Dit alles waren evenwel slechts gissingen, en ik kon niets doen dan hen -beklagen, hetgeen echter nog die goede uitwerking op mij had, dat het -mij meer en meer aanleiding gaf om God te danken, dat Hij zoo liefderijk -voor mij in mijn verlaten toestand gezorgd had; en dat van twee -scheepsbemanningen, die nu in dezen hoek der wereld gedreven waren, geen -ander leven dan het mijne gespaard was. Op nieuw moest ik hier opmerken, -dat Gods voorzienigheid ons zeer zelden in zulk een jammerlijken -toestand of in zoo groote ellende doet vallen, waarin wij niet voor het -een of ander mogen dankbaar zijn, en bespeuren, dat anderen er nog erger -aan toe zijn dan wij. - -In dit laatste geval was zeker deze bemanning, waarvan ik niet mogt -onderstellen, dat een gered was; niets kon doen vermoeden, dat zij niet -allen vergaan waren, dan de mogelijkheid, dat zij door een ander schip -waren opgenomen; en dit was niet waarschijnlijk, want ik zag daar niet -het minste blijk van. - -Het is mij volstrekt onmogelijk met woorden uit te drukken, welk een -vurig verlangen mijne ziel verteerde bij het zien van het wrak, en hoe -dikwijls ik uitriep: "O, waren er slechts twee, slechts ééne ziel gered, -die mij gevonden had, zoo dat ik een makker, een natuurgenoot had, tot -wien ik spreken en met wien ik omgaan kon!" Gedurende geheel mijn -eenzaam leven had ik zulk een hevig verlangen niet gehad naar het -gezelschap van een mijner medemenschen, noch zulk een diepe spijt over -deszelfs gemis. Er bestaan in onze hartstogten zekere drijfveren, die -zoo zij door eenig zigtbaar voorwerp of door de werking van onze -verbeelding gaande gemaakt worden, onze ziel zoo krachtig daarheen doen -neigen, dat deszelfs gemis ondragelijk wordt. Zoo ging het mij met den -wensch, dat er slechts een man gered ware geworden: "Ware er slechts -één, slechts één mensch het ontkomen!" Duizendmaal, geloof ik, herhaalde -ik deze woorden, en dan wrong ik zoo hevig de handen, dat zoo er eenig -voorwerp in geweest ware, het verbrijzeld zou geworden zijn, en ik -klemde mijne tanden zoo stijf opeen, dat ik eenigen tijd den mond niet -openen kon. De natuurkundigen mogen mijnenthalve het verklaren; ik kan -slechts mededeelen wat er gebeurde, en hoe ik zelf mij er over -verbaasde. Ongetwijfeld was dit de uitwerking van mijn vurigen wensch, -en mijne gespannen verbeelding over het genoegen, dat de verkeering met -een mijner mede-christenen mij zou opgeleverd hebben. - -Doch dit mogt zoo niet zijn; hun lot of het mijne was anders besloten; -want tot het laatste jaar van mijn verblijf op het eiland wist ik niet -of er iemand uit het schip gered was of niet; alleen had ik eenige dagen -later het verdriet, het lijk van een verdronken jongen aan land te zien -spoelen, aan het einde des eilands, digt bij de plaats der schipbreuk. -Hij had geene andere kleederen aan dan een matrozenbuisje, een linnen -broek en een blaauw hemd; maar niets, waaruit ik gissen kon, tot welke -natie hij behoorde. Hij had niets in zijn zak dan twee stukken van -achten en eene tabakspijp, de laatste was mij tienmalen meer van waarde -dan de eersten. - -Het was nu stil en ik verlangde zeer in mijne boot naar het wrak te -gaan, niet twijfelende of ik zou aan boord wel iets vinden, dat mij van -nut kon zijn; doch dit was niet mijne sterkste drijfveer, maar wel de -mogelijkheid, dat er nog een levend wezen aan boord zou zijn, wiens -leven ik redden kon niet alleen, maar daardoor tevens mijn eigen lot ten -uiterste verzoeten. Dit denkbeeld lag mij zoo aan het hart, dat ik dag -noch nacht rust had; maar besloot in mijne boot mij naar het wrak te -wagen, en den uitslag aan Gods voorzienigheid over te laten. De indruk, -dien dit op mijn geest gemaakt had, was zoo sterk, dat ik meende dien -niet te kunnen wederstaan, en begreep, dat eene onzigtbare magt mij -daartoe aandreef, en ik mij zelven nadeel meende te doen, als ik dien -niet opvolgde. - -Hierdoor aangedreven, spoedde ik mij naar mijn kasteel, maakte alles tot -mijne reis gereed, nam wat brood, eene groote pot vol zoet water, een -kompas om naar te sturen, een flesch rum (want ik had daar nog vrij wat -van) en eene mand vol rozijnen, en aldus met al het noodige beladen, -ging ik naar mijne boot, schepte er het water uit, en maakte haar vlot, -legde er mijne lading in, en ging meer van huis halen. Mijne tweede -lading bestond uit een zak vol rijst, mijn zonnescherm, om mij voor zon -en regen te beschutten, nog eene groote pot vol water en ongeveer twee -dozijn van mijne brooden of koeken, benevens eene flesch geitenmelk en -eene kaas. Dit alles bragt ik onder veel arbeid en zweet naar mijne -boot, en na God voor den gelukkigen afloop der reis gebeden te hebben, -stak ik af, en de kanoe langs het strand roeijende of pagaaijende, kwam -ik eindelijk aan het einde van het eiland aan dien kant, namelijk aan -het N. O. Nu moest ik, als ik het wagen durfde, in zee steken. Ik sloeg -een blik op de felle stroomingen, die gestadig op eenigen afstand aan -weerszijden van het eiland liepen, en die door de herinnering van het -gevaar, dat zij mij hadden doen loopen, voor mij zeer vreesselijk waren; -en toen begon mijn moed te bezwijken, want ik voorzag, dat als ik in -eene dier stroomingen geraakte, ik een groot eind weegs in zee zou -gedreven worden, misschien zoo ver, dat ik het eiland niet meer bereiken -of zien zou, en daar mijne boot maar klein was, ware ik, zoodra maar de -wind opwakkerde tot eene stijve koelte, onvermijdelijk verloren. - -Deze denkbeelden maakten mij zoo neêrslagtig, dat ik mijne onderneming -begon op te geven, en na mijne boot in eene kleine kreek aan het strand -gebragt te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging, -zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de -reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en -de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield, -onuitvoerbaar werd. Nu viel het mij in, dat het best ware op de hoogste -plek gronds te gaan, die ik vinden kon, en, als ik kon, waarnemen hoe de -stroomingen met het getij liepen, wanneer de vloed doorkwam, zoo dat ik -oordeelen kon, dat als ik eens langs den eenen weg naar buiten gedreven -werd, of ik ook hopen kon langs een anderen weg naar binnen gedreven te -worden, met de stroomingen. Naauwelijks kwam dit denkbeeld bij mij op, -of ik sloeg mijn oog op een heuvel, vanwaar ik de zee aan weerszijden -voldoende overzien kon, en waar ik een duidelijk gezigt van de -stroomingen had, en hoe ik op mijn terugreis sturen moest. Ik vond, dat -de strooming van de eb digt langs de zuidelijke punt van het eiland heen -liep, terwijl de strooming van den vloed aan de noordelijke zijde digt -langs het strand liep, en ik dus niets te doen had dan bij mijne -terugkomst de noordzijde van het eiland te houden. - -Hierdoor aangemoedigd, besloot ik den volgenden morgen met het begin van -het getij uit te gaan, gelijk ik deed, na dien nacht in de kanoe, onder -de dikke jas, geslapen te hebben. Ik stuurde eerst een eindweegs in zee -regt noordwaarts aan, tot ik de kracht van de strooming begon te -bemerken, die mij oostwaarts en met vrij groote snelheid voortdreef, -maar niet zoo geweldig als de zuidelijke strooming te voren gedaan had, -en mij het bestuur over mijne boot latende, zoo dat ik die, met mijn -roeiriem sturende, met groote snelheid regt op het wrak aanhield, en het -binnen twee uren bereikte. - -Het was een treurig gezigt; het schip, dat van Spaansche bouworde was, -zat tusschen twee rotsen vastgeklemd; de zee had het van achteren en op -zijde reeds geheel aan stukken geslagen, en daar het voorschip met -groot geweld tusschen de klippen was geworpen, waren de fokke en groote -mast kort afgebroken, maar de boegspriet was heel en de voorsteven -scheen nog geheel onbeschadigd. Toen ik dezen naderde kwam er een hond -te voorschijn, die, mij ziende, begon te janken en te blaffen, en zoodra -ik hem riep, in zee sprong en naar mij toezwom. Ik nam hem in de boot, -maar hij was halfdood van honger en dorst. Ik gaf hem een stuk brood en -hij at als een wolf, die veertien dagen lang honger geleden heeft. Toen -gaf ik hem wat zoet water, maar zoo ik hem had laten begaan, zou hij -zich te bersten hebben gedronken. - -Daarna ging ik aan boord. Het eerst wat ik zag was twee mannen, die in -de konstapelskamer verdronken waren, met de armen stijf om elkander -geslagen. Ik begreep, gelijk zeer waarschijnlijk was, dat toen het schip -in den storm vastraakte, de zee zoo hoog liep en er zoo hevig in gekomen -was, dat deze arme lieden er door verdronken of gesmoord waren, zoo goed -als of zij onder water hadden gelegen. Behalve den hond was er geen -levend schepsel aan boord, en voor zoo verre ik zien kon, geene -goederen, die niet door het water bedorven waren. Lager in het ruim -lagen eenige vaten met wijn of sterken drank, die ik, toen het water op -het laagst was, zien kon, maar zij waren voor mij te zwaar. Ik zag -verscheidene kisten, die waarschijnlijk aan de matrozen behoord hadden, -en ik nam er twee van in de boot, zonder te onderzoeken wat er in was. - -Zoo het schip van achteren vast gezeten had, en het voorschip -verbrijzeld ware geweest, zou ik eene zeer goede reis gedaan hebben, -want naar hetgeen ik in die twee kisten vond, begreep ik, dat het schip -zeer rijk geladen moest geweest zijn; en naar den koers, dien het -gehouden had, te rekenen, was het waarschijnlijk bestemd naar Buenos -Ayros of Rio de la Plata, boven Brazilië, vandaar naar de Havanna, en -zoo misschien naar Spanje. Er waren zeker groote schatten in, maar daar -had ik niets aan, en ik wist niet waar de bemanning gebleven was. - -Behalve deze twee kisten vond ik een vaatje sterken drank van ongeveer -twintig flesschen, dat ik met veel moeite in mijne boot bragt. In eene -hut vond ik eene menigte geweren en een grooten kruidhoorn met ongeveer -vier pond kruid; daar ik de geweren niet noodig had, liet ik die liggen -en nam den kruidhoorn alleen mede. Ook nam ik mede een blaasbalg en een -tang, die ik beide hoog noodig had, als ook twee koperen keteltjes, een -chocoladepot en een rooster, en met dit alles, benevens den hond, -vertrok ik, daar het getij mij naar huis dreef, en denzelfden avond, -ongeveer een uur na zonsondergang bereikte ik het eiland weder, uiterst -vermoeid van dezen togt. - -Ik sliep dien nacht in de boot, en den volgenden morgen besloot ik -hetgeen ik medegebragt had, in mijn nieuw ontdekte grot, en niet naar -mijn kasteel te brengen. Na ontbeten te hebben, bragt ik al mijne lading -aan den wal en begon die na te zien. Het vaatje met sterken drank was -vol rum, zoo als wij in Brazilië hadden, dat wil zeggen, die niets -deugde. Maar bij het openen der kisten vond ik verscheidene zaken, die -mij ontbraken; in een vond ik bij voorbeeld een zeer fraaije -flesschenkelder, geheel met allerlei fijne likeuren, in flesschen met -zilveren stoppen, gevuld. Ik vond twee potten met confituren, zoo goed -digt gemaakt, dat het water er niet had kunnen bijkomen, en nog twee, -die bedorven waren, bovendien vond ik eenige zeer goede hemden, die mij -zeer aangenaam waren, en anderhalf dozijn witte en gekleurde zakdoeken, -die mij zeer goed te pas kwamen, om op een warmen dag mijn zweet af te -droogen. Bovendien vond ik onder in de kist drie groote zakken, te zamen -ongeveer elfhonderd stukken van achten bevattende, en zes gouden -dubloenen in een papier gewikkeld, en nog eenige kleine staven goud, die -ik denk, dat gezamenlijk een pond zouden wegen. - -In de andere kist waren eenige kleederen, doch van minder waarde; ik -denk, dat die aan den konstapelsmaat behoord had, schoon er geen kruid -in was dan een paar pond zeer fijn, dat in drie fleschjes was, en naar -ik denk, bestemd was om voor jagtgeweren te gebruiken. Over het geheel -had ik op deze reis weinig opgedaan wat mij van nut was; want het geld -was mij niet meer waard dan het slijk onder mijne voeten; en ik had -alles wel willen geven voor drie of vier paar Engelsche schoenen en -kousen, daar ik groot gebrek aan had en die ik in vele jaren niet aan -mijne voeten gedragen had. Ik had nu, wel is waar, twee paar schoenen, -die ik den twee verdronken mannen, die ik op het wrak vond, van de -beenen had genomen; maar zij waren noch zoo stevig, noch zoo gemakkelijk -als onze Engelsche schoenen, maar geleken meer naar dansschoenen. Ik -vond in deze matrozenkist ongeveer vijftig stukken van achten, maar geen -goud, ik begreep dus, dat de eerste kist aan een officier toebehoord -had. - -Ik bragt het geld naar mijne grot en legde het neder, gelijk ik vroeger -gedaan had met dat, hetwelk ik uit ons eigen schip gehaald had; maar het -was zeer jammer, dat het andere einde van het schip niet voor mij -toegankelijk was geweest, want ik had mijne kanoe dan zeker -verscheidene malen vol met geld kunnen laden, en zoo ik ooit naar -Engeland had kunnen komen, had het daar veilig genoeg kunnen liggen, tot -ik terug kwam, om het te halen. - -Na alles aan wal gebragt en geborgen te hebben, ging ik naar mijne boot -terug en bragt die langs het strand naar hare oude haven; daarna keerde -ik naar mijne woning terug, waar ik alles in orde vond. Ik rustte thans -van mijne vermoeijenissen, leefde op mijne oude wijze, en zorgde voor -mijne huishouding. Eene poos leefde ik zeer rustig, behalve dat ik -waakzamer dan gewoonlijk was, meermalen naar zee zag en niet dikwijls -uitging, en zoo ik een togtje naar het eiland deed, was dit altijd naar -de oostzijde, waar ik vrij zeker was, dat de wilden nimmer kwamen, en -waar ik, zonder zoo vele voorzorgen en al die zwaarte van kruid en lood -en wapens, gaan kon, die ik altijd medesleepte, als ik den anderen kant -uitging. - -Ik bragt bijkans twee jaren in dien toestand door, maar mijn ongelukkig -hoofd, dat geschapen scheen om mij alle soort van ellende aan te -brengen, was al dien tijd opgevuld met ontwerpen, hoe ik, als het -mogelijk was, van dit eiland af zou raken; dan wilde ik eene tweede reis -naar het wrak doen, schoon mijn verstand mij zeide, dat er niets was, -wat de gevaren der reis zou beloonen; somtijds wilde ik dezen of dien -weg heen een togtje doen, en ik geloof waarlijk, dat zoo ik de boot had -bezeten, waarmede ik te Salé in zee stak, ik op goed geluk in zee zou -gegaan zijn. In alle mijne lotgevallen was ik een waarschuwend voorbeeld -voor hen, die met de gewone kwaal behebt zijn, waaruit ik geloof, dat de -helft der menschelijke ellenden voortvloeijen, namelijk dat men niet -tevreden is met den staat, waarin God en de natuur ons geplaatst hebben. -Want zonder nu terug te komen op mijne eerste bestemming, en de -uitstekende raadgevingen mijns vaders, welker tegenstreving ik mijne -oorspronkelijke zonde noemen mag, waren mijne volgende misslagen van -dien aard de oorzaken van mijn tegenwoordigen rampzaligen toestand. Want -zoo de Voorzienigheid, die mij in Brazilië zoo gelukkig als planter -gevestigd had, mij gematigde begeerten geschonken had, en hadde ik mij -tevreden gesteld met langzaam vooruit te gaan, dan kon ik in den tijd, -dien ik thans op het eiland had doorgebragt, een der aanzienlijkste -planters van Brazilië geweest zijn, ja, ik ben overtuigd, dat ik, naar -de wijze, waarop ik reeds vooruitgegaan was, ik thans ligtelijk -honderdduizend moidores rijk had kunnen zijn. Wat behoefde ik ook eene -winstgevende zaak, een goed ingerigte plantaadje te verlaten, om als -supercargo naar de kust van Guinea te gaan, om slaven te halen, terwijl -met der tijd en geduld onzen rijkdom zoo vermeerderd zou hebben, dat wij -gemakkelijk hen voor onze deur hadden kunnen koopen, van degenen, wier -taak het was hen te halen. Al had dit iets meer gekost, die hooger prijs -verdiende niet met zoo veel gevaar uitgewonnen te worden. Maar -gewoonlijk handelen jonge lieden zoo, terwijl zij eerst bij meerdere -jaren en duurgekochte ervaring de dwaasheid daarvan inzien. Zoo ging het -mij ook, maar toch had die verkeerde neiging zoo diep in mijn geest -wortel geschoten, dat ik in mijn tegenwoordigen toestand niet tevreden -was, maar aanhoudend peinsde over de mogelijkheid en de middelen, om van -deze plaats te ontkomen. En ten einde de lezer mijn verder verhaal te -aangenamer zij, zal het niet ongepast zijn eenig verslag van mijne -eerste ontwerpen aangaande mijne ontkoming te geven, en op welken grond -ik handelde. - -Men verbeelde zich thans, dat ik na mijne laatste reis naar het wrak, in -het kasteel teruggekeerd ben, mijn schip is geborgen en onder water -gelegd, als gewoonlijk, en mijn toestand dezelfde als vroeger. Ik had nu -zeker meer geld dan te voren, maar was er niet rijker om, want ik kon -het evenmin gebruiken als de Indianen te Peru hun goud, voor de -Spanjaarden daar kwamen. - -In een der nachten, in het regensaizoen, in Maart, het vierentwintigste -jaar van mijn verblijf in dit eenzaam eiland, lag ik in mijn bed of -hangmat, wakker, zeer gezond, ik had geenerlei pijn of ongemak, en ook -geene meerdere gemoedskwelling dan anders, maar kon toch niet slapen, -zelfs geen oogenblik insluimeren. Het is even onmogelijk als noodeloos -de menigte van gedachten te vermelden, die gedurende dien geheelen nacht -bij mij opkwamen. Mijn geheele leven kwam mij als in een kort bestek, -achtervolgens voor den geest, tot aan mijne komst op het eiland, en even -zoo dat gedeelte mijns levens, dat ik op hetzelve doorgebragt had. -Terwijl ik mijnen toestand alhier sedert ik aan wal gekomen was, lag te -overpeinzen, vergeleek ik den gelukkigen gang der zaken in het eerste -jaar van mijn verblijf alhier, met dien voortdurenden angst, vrees en -zorg, waarin ik steeds geleefd had, sedert ik een afdruk van een voet op -het zand gezien had. Ik geloofde wel niet, dat de wilden het eiland al -dien tijd aanhoudend bezocht hadden, en er honderden malen aan wal -geweest waren; maar daar ik er toen niets van wist en dus volstrekt -geene vrees voor voeden kon, was ik volkomen gerust, schoon het gevaar -even eens was; en bij mijne onbekendheid met hetzelve was ik even -welgemoed alsof ik er in het geheel niet aan blootgesteld was. Dit bragt -mij op verscheidene nuttige opmerkingen, en bijzonder op deze, hoe -oneindig goed de Voorzienigheid is, die den mensch zoo kortzigtig heeft -gemaakt, waardoor hij, ofschoon te midden van vele duizenden gevaren, -welke, zoo hij ze bespeurde, hem geheel verbijsteren zouden, volkomen -kalm en gerust blijft, omdat hij de gevaren, die hem omringen, ziet noch -kent. - -Nadat deze gedachten mij eenigen tijd hadden bezig gehouden, dacht ik -ernstig na over het wezenlijk gevaar, dat ik op dit eiland zoo vele -jaren geloopen had, en hoe ik altijd met de grootste gerustheid -rondgezworven had, terwijl misschien niets dan de top eens heuvels, de -stam eens booms of het invallen van de duisternis tusschen mij en den -ergsten dood geweest was, dien namelijk, van in de handen van -menschenetende wilden te vallen, die mij zouden beschouwd hebben met -hetzelfde oog, waarmede ik een geitje of schildpad aanzag, en even -weinig zwarigheid er in zouden gevonden hebben, mij te slagten en op te -eten, als ik een duif of een wulp. Ik zou de waarheid te kort doen als -ik niet zeide, dat ik opregt dankbaar was aan mijn Behoeder, aan wiens -bijzondere bescherming ik nederig erkende al mijne redding uit deze -onbekende gevaren verschuldigd te zijn, en zonder welke ik -onvermijdelijk in hunne wreedaardige handen zou gevallen zijn. - -Toen deze gedachten voorbij waren, hield ik mij eenigen tijd bezig met -het overwegen van den aard van deze rampzaligen, ik meen de wilden, en -hoe het kwam, dat de alwijze Bestierder der wereld aan eenige zijner -schepselen zulke barbaarschheid toeliet, ja, dat beneden het -beestachtige was, van namelijk zijns gelijken te verslinden. Doch dit -bleef bij eenige vruchtelooze bespiegelingen, maar bragt mij op het -nagaan in welk deel der wereld deze rampzaligen leefden, hoe ver de kust -was vanwaar zij kwamen, waarom zij zich zoo ver van huis begaven, en -waarom ik het niet zoo ver kon brengen, dat ik in staat was naar hen toe -te gaan, zoo goed als zij tot mij over kwamen. - -Ik bekommerde er mij op dat oogenblik niet om, wat ik doen zou om daar -te komen; wat er van mij worden zou als ik den wilden in handen viel, of -hoe ik, zoo zij mij vervolgden, hun zou kunnen ontsnappen; zelfs niet -hoe het mogelijk zou zijn de kust te bereiken, zonder dat eenigen hunner -mij aanvallen zouden, zonder dat ik hoop had van te ontkomen, en als ik -niet in hunne handen viel, wat ik doen zou om leeftogt te bekomen of -welken koers ik nemen zou; geen dezer gedachten kwam zelfs bij mij op; -maar mijn geest hield zich alleen bezig met het denkbeeld van in mijne -boot naar het vaste land over te steken. Ik beschouwde thans mijn -toestand, als de ongelukkigste, die er zijn kon; en dat niets erger kon -worden voor mij, dan alleen de dood; dat zoo ik de kust van het vaste -land bereikte, ik misschien redding kon vinden, of langs het strand -gaan, gelijk ik in Afrika gedaan had, toen ik aan een bewoond land kwam. -Misschien kon ik ook een Europeesch schip ontmoeten, dat mij opnam, en -zoo al het ergste gebeurde, kon ik slechts den dood vinden, die in eens -aan al mijne ellenden een einde zou maken. Men bedenke, dat dit alles de -vrucht was van een overspannen en ongeduldig gemoed, dat als het ware -wanhopig was geworden door het langdurige mijner zorgen, en de -teleurstelling, die mij op het wrak, waarop ik geweest was, wedervaren -was, waar ik zoo nabij de vervulling van mijne vurigste wenschen geweest -was, namelijk iemand tot wien ik spreken en van wien ik eenige kennis -nopens de plaats waar ik mij bevond, verkrijgen kon. Ik was geheel -ontroerd door deze bedenkingen. Al mijne gemoedsrust, mijne onderwerping -aan de Voorzienigheid en mijne berusting in des Hemels raadsbesluiten, -schenen verdwenen, en ik kon mijne gedachten nergens anders op vestigen -dan op het ontwerp eener reis naar het vasteland, dat mij met zoo veel -kracht en zoo geweldig overviel, dat ik dit niet weerstaan kon. - -Nadat mij dit twee uren of langer het hoofd zoo op hol had gebragt, dat -mijn bloed kookte en mijn pols klopte alsof ik de koorts had, alleen -door de drift mijner denkbeelden, deed de natuur, daar ik door het -woelen dezer gedachten zeer uitgeput was, mij in een diepen slaap -vallen. Men zou denken, dat ik er van had moeten droomen, maar dat was -het geval niet, ook niet van iets wat daarop betrekking had; maar ik -droomde, dat ik in den morgen, gelijk gewoonlijk, buiten mijn kasteel -ging, en op het strand twee kanoes zag, waaruit elf wilden stapten, en -dat zij een anderen wilde medebragten, dien zij wilden dooden om hem op -te eten, maar juist toen zij hem wilden slagten, rukte de wilde zich -plotseling los, en nam de vlugt. Daarop verbeeldde ik mij, dat hij door -het digte bosch voor mijne vesting zwierf om zich daarin te verbergen; -en dat ik, ziende dat hij alleen was, en niet bemerkende, dat de anderen -hem dien kant uit zochten, mij aan hem vertoonde, met bemoedigende -gebaren; dat hij voor mij knielde, en mij om bijstand scheen te smeeken, -waarop ik hem mijne ladder wees, hem die deed opstijgen, en hem in mijn -kelder bragt, waar hij mijn knecht werd, en zoodra ik dien man verkregen -had, zeide ik tot mijzelven: "Nu kan ik mij gerust naar het vaste land -wagen; want deze man kan mij tot loods strekken, en zal mij zeggen wat -ik doen moet en waar ik lijftogt kan bekomen, en waar ik niet gaan moet -om niet verslonden te worden; in welke plaatsen ik mij wagen kan en -welke ik ontwijken moet!" Met deze gedachten ontwaakte ik, en was zoo -onbeschrijfelijk verheugd over het vooruitzigt mijner ontkoming in den -droom, dat de teleurstelling, die ik gevoelde, toen ik tot mijzelven -komende, bevond, dat het slechts een droom was, even buitensporig was, -en mij geheel neêrslagtig maakte. - -Ik besloot echter bij deze gelegenheid, dat de eenigste weg, dien ik had -om eene ontkoming te beproeven, daarin bestond om zoo mogelijk een wilde -in mijne magt te erlangen, en als het kon een hunner gevangenen, dien -zij veroordeeld hadden om gegeten te worden, en hierheen bragten om te -slagten. Maar hier deed zich nog de zwarigheid op, dat dit onmogelijk -was zonder een geheelen troep van hen aan te vallen en hen allen te -dooden; en dit was niet alleen een zeer roekelooze aanslag, die ligt kon -mislukken, maar ik twijfelde aan den anderen kant of hij wel geoorloofd -was, en mijn hart beefde bij de gedachte van zooveel bloed te vergieten, -al was het ook ter mijner bevrijding. Ik behoef de redenen hier niet te -herhalen, die zich bij mij hier tegen stelden, daar het dezelfde waren -als vroeger, maar schoon ik nu andere redenen had, namelijk, dat het -vijanden van mij waren, en zij mij zouden slagten als zij konden; dat -het niet dan zelfbehoud was om mij uit een toestand te redden, die erger -dan de dood was, en dat ik even goed tot mijne zelfverdediging handelde, -als wanneer ik werkelijk door hen aangevallen werd, en zoo voorts; toch -kon ik mij met het denkbeeld van zoo veel menschenbloed te vergieten, -niet vereenigen. - -Eindelijk echter, na lang met mij zelven getwist en op twee gedachten -gehinkt te hebben, behield het verlangen naar mijne bevrijding de -overhand, en ik besloot, mij van een dier wilden meester te maken, het -kostte wat het wilde. Nu was de vraag hoe ik dit aanleggen zou, en deze -was niet gemakkelijk te beantwoorden; maar daar ik er geene -waarschijnlijke middelen toe kon uitdenken, besloot ik de wacht te -houden, om te zien als zij aan wal kwamen, en het overige aan het lot -over te laten, en zulke maatregelen te nemen als de omstandigheden -zouden vereischen. - -Met dit voornemen ging ik zoo dikwijls mogelijk op bespieding uit, tot -dat het mij ten laatste hartelijk begon te vervelen; want het duurde -meer dan anderhalf jaar, dat ik schier elken dag vruchteloos naar den -westelijken en zuidwestelijken hoek van het eiland ging, om naar de -kanoes uit te zien, doch er kwamen geene te voorschijn. Dit was zeer -ontmoedigend, en daar ik niet kan zeggen, gelijk anders het geval was, -dat met der tijd mijn verlangen verdween, werd ik er te gretiger naar -hoe langer het duurde. Ik verlangde nu evenzeer naar de wilden als ik -vroeger ze verlangde te vermijden. Ik vleide mij zelfs een, ja twee of -drie wilden te verkrijgen, en die geheel tot mijne slaven te maken, om -te doen wat ik hun zou gelasten, terwijl ik te gelijk belette, dat zij -mij eenig leed deden. Lang verheugde ik mij met dit denkbeeld, maar er -scheen niets van te zullen komen, al mijne verwachtingen waren -vruchteloos, want gedurende een langen tijd kwamen er geene wilden -opdagen. - -Ongeveer anderhalf jaar na dat ik mij deze denkbeelden het eerst in het -hoofd had gehaald, en toen ik reeds dacht, dat er nimmer iets van komen -zou, werd ik op een morgen verrast door het zien van niet minder dan -vijf kanoes, die allen aan mijne zijde van het eiland op het strand -zaten, terwijl al de daarbij behoorende lieden aan land en buiten mijn -gezigt waren. Hun aantal verijdelde al mijne voornemens, ik wist, dat er -altijd vijf of zes en soms meer in eene kanoe kwamen, en wist dus niet -hoe ik alleen twintig of dertig menschen zou aantasten, dus bleef ik -misnoegd en teleurgesteld in mijn kasteel. Ik maakte echter alles tot -een aanval gereed als de gelegenheid zich mogt voordoen. Na eene lange -poos gewacht te hebben of ik ook eenig gerucht hoorde, werd ik -ongeduldig, en klom met mijne ladder tot boven op den heuvel, en bleef -daar zoo staan, dat men mijn hoofd niet boven den heuvel kon uitzien, en -zij mij volstrekt niet konden gewaar worden. Hier bespeurde ik met -behulp van mijn kijker, dat zij niet minder dan vijfendertig in getal -waren, dat zij een vuur aangemaakt en vleesch toebereid hadden; hoe zij -het braadden of wat het was, wist ik niet; maar zij dansten allen met -allerlei zonderlinge en barbaarsche gebaren rondom het vuur. - -Terwijl ik hen aldus gadesloeg, zag ik, dat men twee ongelukkigen uit de -kanoes haalde, waarin zij, naar het schijnt, gelegen hadden, en thans -ter slagtbank leidde. Een hunner viel oogenblikkelijk neder, naar ik -denk, nedergeveld door een knods of houten zwaard, gelijk zij gebruiken, -en twee of drie hunner begonnen hem aan stukken te houwen. Het andere -slagtoffer bleef staan, in afwachting, dat het zijne beurt werd. Op dit -oogenblik, terwijl deze ongelukkige zich eenigermate in vrijheid zag, -ontwaakte bij hem de zucht tot zelfbehoud; hij nam de vlugt, en liep met -onbegrijpelijke snelheid langs het strand, regt op mij aan, dat is te -zeggen, naar dat gedeelte van de kust, waar mijne woning stond. Ik moet -bekennen, dat ik vreesselijk schrikte, toen hij mijn kant uit kwam, en -vooral toen ik verwachtte, dat allen hem zouden volgen. Nu verwachtte -ik, dat mijn droom zou uitkomen en hij in mijne schans eene schuilplaats -zou zoeken, maar ik kon er niet op rekenen, dat, even als in mijn droom, -de andere wilden hem niet zouden vervolgen en daar vinden. Ik bleef -echter staan en begon weder moed te scheppen, toen ik bemerkte, dat -slechts drie man hem volgden, en vooral toen ik zag, dat hij veel harder -liep dan zij en grond op hen won, zoodat ik begreep, dat, als hij het -nog een half uur kon uithouden, hij buiten hun bereik zou zijn. - -Tusschen hen en mijn kasteel lag de kreek, waarvan ik vroeger gesproken -heb, en in welke ik mijne ladingen uit het schip aan land bragt, en ik -wist, dat hij deze overzwemmen moest, anders zou hij gegrepen worden. -Toen de wilde echter deze kreek bereikte, sprong hij er dadelijk in, -hoewel het hoog water was, en zwom naar de overzijde, waar hij met -verbazende snelheid weder aan het loopen ging. Toen de anderen aan de -kreek kwamen, sprongen twee van zijne vervolgers er in, maar de derde, -die naar het scheen, niet zwemmen kon, bleef eerst aan den oever hen -staan nazien, en keerde toen langzaam terug, hetwelk voor hem zeer -gelukkig was. - -Ik bemerkte, dat de twee vervolgers meer dan tweemaal zoolang werk -hadden met door de kreek te zwemmen als de vlugteling. Op dit oogenblik -begreep ik, dat thans het tijdstip gekomen was, om mij een knecht te -verschaffen, misschien wel een makker en medehelper, en dat de -Voorzienigheid mij riep om dezen ongelukkige het leven te redden. -Oogenblikkelijk steeg ik de ladders af, en greep mijne beide geweren, -die aan den voet derzelve lagen, en even haastig den heuvel weder -opklimmende, begaf ik mij naar het strand, en stelde mij aldus tusschen -de vervolgers en den vervolgde, welken laatste ik met eene luide stem -toeriep. Deze omziende, was misschien eerst voor mij even bevreesd als -voor hen, maar ik wenkte hem met de hand, dat hij zou terugkeeren, en -trad middelerwijl langzaam de beide vervolgers te gemoet; den voorste -velde ik met een slag met den kolf van mijn geweer neder. Ik wilde -liefst niet vuren, opdat de anderen het niet zouden hooren; schoon dat -op dien afstand niet gemakkelijk zou geweest zijn, en daar zij buiten -het gezigt van den rook waren, toch niet zouden geweten hebben wat er -van te maken. Toen ik dezen nedergeveld had, bleef de ander als -verschrikt staan, en ik trad naar hem toe, maar naderbij gekomen -bespeurde ik, dat hij een boog en pijlen had, en op mij wilde aanleggen. -Ik was dus genoodzaakt hem voor te komen, en schoot hem met het eerste -schot dood. De arme wilde die gevlugt was, doch naderhand blijven staan, -was, schoon hij zijne vervolgers zag vallen, door den slag en het vuur -van mijn geweer zoo verschrikt, dat hij als versteend staan bleef, en -meer geneigd scheen mij te ontvlugten dan te naderen. Ik riep hem weder -toe, en wenkte hem naderbij te komen, hetgeen hij gemakkelijk begreep, -hij deed eenige stappen voorwaarts en bleef toen weder staan; nog eenige -stappen en toen stond hij weder stil, en ik zag dat hij beefde, en -begreep, dat hij thans dacht door mij gevangen genomen en geslagt te -zullen worden. Ik wenkte hem toe, en gaf hem alle mogelijke blijken van -genegenheid. Eindelijk kwam hij, van tijd tot tijd nederknielende, -naderbij, knielde voor mij, kuste den grond, en zette mijn voet op zijn -hoofd. Met dit laatste scheen hij te zweren, dat hij voor altijd mijn -slaaf was. Ik beurde hem op, en trachtte hem zoo veel mogelijk gerust -te stellen. Maar ik had nog meer te verrigten, want de wilde dien ik -nedergeveld had was niet dood, maar alleen bedwelmd door den slag, en -begon bij te komen. De wilde, wien ik naar hem wees, zeide mij eenige -woorden, die ik niet verstond, maar die mij de aangenaamste geluiden -toeschenen, die ik in vijfentwintig jaren gehoord had; want het was de -eerste menschelijke stem, buiten de mijne, die ik in al dien tijd -gehoord had. Ik had echter thans geen tijd daar aan te denken. De wilde, -die bijkwam, zat thans op den grond, en toen ik mijn geweer op hem -aanlegde, verzocht mijn wilde (zoo zal ik hem nu noemen) door teekens -mij om mijne sabel, die aan mijne zijde hing. Ik gaf hem die, en -naauwelijks had hij ze in handen of hij vloog naar zijn vijand en sloeg -hem met één slag het hoofd af. Dit verwonderde mij van iemand, die zeker -nooit geen andere sabel gezien had dan de houten zwaarden, die deze -volken gebruiken. Het schijnt echter, gelijk ik naderhand vernam, dat -zij hunne houten sabels zoo scherp en zoo zwaar maken, en dat het hout -zoo hard is, dat zij er met een slag een arm of been mede kunnen -afhouwen. Dit gedaan zijnde kwam hij lagchende, en als in zegepraal naar -mij toe, en bragt mij mijne sabel terug, en legde die met eene menigte -gebaren, die ik niet begreep, met het hoofd van den wilde voor mijne -voeten. - -Wat hem echter het meest verbaasde, was dat ik den anderen op zulk een -verren afstand gedood had. Hij wees op hem en scheen mij te vragen of -hij er heen mogt gaan. Ik gaf hem mijne toestemming zoo goed ik kon, te -kennen. Toen hij bij hem kwam stond hij een oogenblik als versteend van -verbazing, keerde hem op de eene en de andere zijde, bezag zijne wond -waaruit weinig bloed gekomen was, omdat de kogel in de borst zat en de -wond inwendig gebloed had. Daarop kwam hij met zijn boog en pijlen -terug, en ik keerde mij om, om heen te gaan, en wenkte hem door teekens -mij te volgen. Hij gaf mij echter te kennen, dat hij de lijken eerst in -het zand wilde begraven, opdat de anderen ze niet zouden vinden, hetgeen -ik toestond. In een oogenblik had hij met zijne handen een gat gegraven, -groot genoeg om den eerste te bevatten, dien hij er ook dadelijk -insleepte en overdekte, gelijk daarop ook den tweede; ik geloof dat hij -er geen vierde uurs aan besteedde. Daarop nam ik hem mede, maar bragt -hem niet in mijn kasteel, maar in mijne grot aan het andere einde van -het eiland; zoodat mijn droom, dat hij in mijn kasteel een schuilplaats -zocht, in dat opzigt niet vervuld werd. Ik gaf hem hier brood, een tros -rozijnen en wat water, welk laatste hij na zijn loopen hoog noodig had; -en nadat hij gegeten had, wenkte ik hem te gaan liggen slapen, op een -plaats waar een hoop stroo en een deken lag, en ik somtijds zelf sliep; -het arme schepsel ging liggen en sliep dadelijk. - -Het was een kloeke, welgemaakte knaap, rijzig en gespierd, slank en -welgevormd, en naar ik denk ongeveer zesentwintig jaren oud; zijne -trekken waren in het geheel niet woest, maar toch mannelijk; hij bezat -echter al het aanvallige van een Europeesch gelaat, vooral als hij -glimlachte, zijn haar was lang en zwart, maar niet gekroesd, zijn -voorhoofd bijzonder breed en hoog en zijne oogen uiterst kloek en -levendig. Zijne kleur was niet volkomen zwart, maar donker bruin, -evenwel niet zoo vuil bruin als men bij de inboorlingen van Brazilië, -Virginië en andere Amerikaansche inboorlingen vindt; maar meer -olijfkleurig en moeijelijk te beschrijven. Zijn gelaat was rond, zijn -neus klein en niet zoo plat als bij de negers, zijn mond was niet te -groot, zijne lippen dun, en zijne tanden fraai en zoo wit als ivoor. Na -een half uurtje sluimerens werd hij wakker en kwam uit de grot naar mij -toe. Ik had juist de geiten gemolken, die ik daar hield, hij vloog naar -mij toe, en viel ter aarde, met alle mogelijke teekens van dankbaarheid. -Eindelijk legde hij zijn hoofd vlak voor mijne voeten op den grond, en -plaatste, even als den vorigen keer, mijn voet op zijn hoofd, en maakte -daarna alle mogelijke teekens van onderwerping en dienstbaarheid, om mij -te kennen te geven, dat hij mij dienen wilde zoo lang hij leefde. Ik -begreep grootendeels wat hij mij zeggen wilde, en gaf hem wederkeerig te -kennen, dat ik over hem voldaan was. Weldra beproefde ik hem te leeren -spreken en mij van hem te doen verstaan. Ik gaf hem vooreerst te kennen, -dat hij _Vrijdag_ zou heeten, omdat ik hem op Vrijdag het leven gered -had. Ik leerde hem daarop _meester_ zeggen, en wees hem dat ik dit was, -en leerde hem _ja_ en _neen_ zeggen, en wat dit beduidde. Ik gaf hem -melk in een aarden schotel, nadat ik er mijn brood in gedoopt had, en -gaf hem een stuk brood om mij dit na te doen, hetgeen hij spoedig -begreep en mij door teekens beduidde, dat hij dit zeer smakelijk vond. -Ik hield hem den geheelen nacht bij mij, en zoodra het dag werd gelastte -ik hem mij te volgen, en deed hem begrijpen, dat ik hem eenige kleederen -zou geven, want hij was geheel naakt. Toen wij de plaats langs gingen, -waar de twee wilden begraven waren, wees hij mij de plek, en de teekens, -waaraan hij ze kon herkennen, en gaf mij te kennen, dat hij ze wilde -uitgraven en opeten. Hierover hield ik mij zeer boos, en gaf hem mijn -afkeer er van te kennen, door mij te houden, als of ik er van braken -moest, en wenkte hem met de hand, dadelijk verder te gaan, hetgeen hij -zeer gewillig deed. Ik klom daarop met hem den heuvel op, om te zien of -zijne vijanden vertrokken waren, en mijn kijker uithalende, zag ik -duidelijk de plaats, waar zij geweest waren, maar van hen, noch hunne -kanoes niet het minste spoor. Het was dus blijkbaar, dat zij vertrokken -waren, en twee hunner makkers achtergelaten hadden, zonder naar hen te -zoeken. - -Doch ik was hiermede niet tevreden, mijn moed en mijne nieuwsgierigheid -groeiden thans te gelijk aan; dus nam ik mijn slaaf Vrijdag mede, gaf -hem eene sabel in de hand, terwijl hij een boog en pijlen, in welker -behandeling ik bevond, dat hij zeer bedreven was, op den rug, en in -zijne hand een mijner geweren droeg, terwijl ik zelfde beide anderen -nam, en zoo trokken wij naar de plaats, waar de wilden geweest waren, -want ik wilde thans iets meer van hen weten. - -Toen wij daar kwamen, verstijfde mij het bloed in de aderen, en mijn -hart kromp ineen bij het akelig schouwspel, dat zich opdeed. Het was -waarlijk een vreesselijk schouwspel, althans voor mij, want Vrijdag trok -het zich volstrekt niet aan. De plek was bezaaid met menschenbeenderen, -de grond met bloed bedekt, hier en daar lagen groote, half gebraden -stukken vleesch; kortom al de blijken van een zegefeest na eene -overwinning. Vrijdag gaf mij te kennen, dat zij vier gevangenen hadden -medegebragt; drie waren geslagt en de vierde was hij; dat er een groot -gevecht plaats gehad had tusschen hen en een naburigen koning, tot wiens -onderdanen hij scheen te behooren, en dat zij een groot aantal -gevangenen hadden gemaakt, die ieder naar verschillende plaatsen waren -gevoerd, door degenen, die ze gevangen hadden genomen, om hen te -slagten, gelijk de wilden, die hier gekomen waren, de hunne hadden -gedaan. - -Ik deed Vrijdag al de overblijfselen van hun gruwelijk feestmaal -bijeenzamelen, op een hoop leggen, er een groot vuur rondom maken, en -liet alles tot asch verbranden. Ik bemerkte, dat Vrijdag grooten trek -naar het vleesch had, en van aard nog een menscheneter was, maar ik liet -bij den minsten schijn daarvan zoo veel afschuw blijken, dat hij het -niet durfde te kennen geven, want ik had hem beduid, dat als hij het -durfde doen, ik hem zou doodslaan. - -Nadat dit gedaan was keerden wij naar ons kasteel terug, en ik ging voor -hem aan het werk. Eerst gaf ik hem uit de konstapelskist een linnen -broek, die hem vrij wel paste. Daarna maakte ik hem eene buis van -geitenvellen, zoo goed ik kon, en ik was nu een dragelijke snijder -geworden, en gaf hem eene muts van een hazenvel, die hem zeer deftig -stond, zoo dat hij voor 's hands vrij goed gekleed was, en niet weinig -in zijn schik, dat hij schier zoo deftig uitgedost was als zijn meester. -Wel was hij in het eerst zeer linksch in al zijne bewegingen, zijn broek -belemmerde hem geweldig, en de mouwen van zijne buis knelden hem, maar -nadat ik ze hier en daar wat wijder gemaakt had, en hij er aan gewoon -raakte, kon hij er zeer goed mede te regt komen. - -Den volgenden dag nadat ik met hem te huis was gekomen, begon ik te -bedenken, waar ik hem zou bergen, zonder dat hij mij tot last was. Ik -maakte daarom een kleine tent voor hem, op de ledige plaats tusschen -mijne beide schansen. Daar er hier een ingang in mijnen kelder was, -maakte ik eene hechte deur van planken in den gang digt bij de opening, -die van binnen open ging. Des nachts sloot ik die met een boom, en nam -ook mijne ladders in, zoo dat Vrijdag niet binnen mijn binnensten muur -kon komen, zonder bij het overklimmen zoo veel gerucht te maken, dat ik -daarvan wakker moest worden, want mijn binnenste wal was nu geheel met -een dak voorzien van lange staken, die mijn geheele tent overdekten, en -tegen den kant van den heuvel steunden, die weder dwars met kleine -stokken en vervolgens met stroo van rijst bedekt waren, welk laatste zoo -sterk als riet was. Aan de opening, met welke ik door de ladder in of -uitging, had ik eene soort van valdeur gemaakt, die niet naar buiten -openging, maar als men dit beproefd had, met groot gedruisch naar binnen -moest openvallen. Mijne wapens had ik des nachts ook altijd naast mij -liggen. Al deze voorzorgen waren echter overbodig, niemand had ooit een -dienaar, die trouwer, opregter en meer aan hem gehecht was dan Vrijdag -aan mij; hij was zonder arglist, en beminde mij als een kind zijn vader, -en ik durf zeggen, dat hij altijd zijn leven voor het mijne zou gegeven -hebben. De veelvuldige blijken, die hij hiervan gaf, stelden dit buiten -twijfel, en overtuigden mij spoedig, dat ik geene voorzorgen jegens hem -behoefde te gebruiken. - -Dit deed mij dikwijls overdenken, dat hoezeer het God in zijne wijsheid -behaagd heeft, een groot deel zijner schepselen op deze aarde te -versteken van de beste oefeningen, waartoe hunne geestvermogens vatbaar -zijn, Hij hun toch dezelfde vermogens geschonken heeft, dezelfde rede, -dezelfde neigingen; hetzelfde gevoel van dankbaarheid en verpligting, -dezelfde hartstogten en gevoel van verongelijkingen, hetzelfde besef van -opregtheid en trouw, en alles wat hun in staat stelt goed te doen, en -weldaden te ontvangen, zoo wel als ons. Als de gelegenheid zich er toe -aanbiedt, zijn zij even bereid, ja bereidvaardiger dan wij, om deze ten -beste aan te wenden. Dit maakte mij somtijds zeer neêrslagtig, als ik -overwoog, hoe dikwijls wij bij voorkomende gelegenheden, van deze allen -zulk een slecht gebruik maken, zelfs schoon onze vermogens verlicht zijn -door onderrigt en de kennis van Gods woord; en waarom het God behaagd -heeft deze zaligmakende kennis te onthouden aan zoo vele millioenen, -die, naar dezen armen wilde te oordeelen, er een beter gebruik dan wij -van zouden maken. Hierdoor waagde ik mij somwijlen te ver in het -beoordeelen van het oppermagtig wereldbestuur, en tot eene beoordeeling, -als het ware van het regtvaardige eener zoodanige beschikking, die -sommigen het licht onthouden, en het aan anderen geschonken had, en toch -van allen gelijke pligten vorderde. Maar ik bedwong ten laatste mijne -overwegingen door de bedenking, dat ik niet wist naar welken maatstaf -zijlieden geoordeeld zouden worden; maar dat, daar God noodwendig en -door de natuur van zijn wezen, oneindig heilig en regtvaardig was, zoo -deze schepselen veroordeeld zouden worden, dat zij zich van hem -verwijderd hadden, dit uit hoofde van hunne zonden tegen dat licht, dat -hun wet was, en de regels, die hun geweten hun voorschreef, zou zijn; en -ik eindigde met de bedenking, dat daar wij allen als leem in de handen -des pottebakkers zijn, geen schepsel tegen zijnen Formeerder zeggen kon: -waarom hebt gij mij aldus gevormd? - -Maar om tot mijn nieuwen knecht terug te keeren; ik was zeer met dezen -in mijn schik, en trachtte hem alles te leeren wat hem nuttig, handig en -behulpzaam kon maken; maar vooral hem te leeren met mij te spreken en -mij te verstaan. Hij was de beste scholier, zoo vrolijk, vlijtig, en -blijde als hij mij begrijpen kon of zich aan mij doen verstaan, dat het -mij een genot was met hem om te gaan. Nu was mijne levenswijze zoo -aangenaam, dat, ware ik slechts van de vrees voor de wilden ontslagen -geweest, ik gaarne mijn verder leven hier had willen slijten. - -Nadat ik twee of drie dagen op mijn kasteel was geweest, begreep ik, dat -het goed was, ten einde Vrijdag van zijn afschuwelijk eten van -menschenvleesch af te brengen, hem eenig ander vleesch te laten proeven. -Ik nam hem derhalve op een ochtend mede naar het bosch, met oogmerk een -geitje uit mijne kudde naar huis te brengen en te slagten, maar onder -weg zag ik eene geit met twee jongen in de schaduw liggen. Ik greep -Vrijdag bij den arm. "Sta stil," zeide ik, en wees hem, dat hij zou -blijven staan. Daarop legde ik mijn geweer aan, en schoot een der -geitjes. De arme knaap, die mij een zijner vijanden op een afstand had -zien dooden, zonder te weten of te begrijpen hoe, was zoo verschrikt en -verbaasd, dat hij van angst trilde en ik dacht dat hij neergevallen zou -zijn. Hij zag het geitje niet, dat ik gedood had, en had ook niet -bemerkt dat ik er op aangelegd had, maar hij rukte zijn buis open, om te -zien of hij ook gewond was, en begreep, dat ik voornemens was hem te -dooden, want hij viel voor mij neder, omhelsde mijne knieën, en zeide -mij veel dat ik niet verstaan kon, maar gemakkelijk begrijpen, dat hij -mij smeekte hem niet te dooden. - -Spoedig vond ik middel hem te overtuigen, dat ik hem geen kwaad wilde -doen, ik beurde hem lagchend op, wees op de geit die ik geschoten had, -en gelastte hem die te gaan halen, gelijk hij deed. Terwijl hij zich -over haren dood verwonderde, laadde ik mijn geweer weder, en zag -toevallig een vogel van grootte als een havik, binnen schot op een boom -zitten. Om nu Vrijdag eenigzins te doen begrijpen wat ik doen wilde, -wees ik hem den vogel, dat een papegaai was, schoon ik dien eerst voor -een havik hield, en op mijn geweer en op den grond onder den boom, om -hem te doen begrijpen, dat ik dien vogel uit den boom zou schieten. -Daarop schoot ik en de vogel viel. In weêrwil van hetgeen ik gezegd had -was hij echter weder hevig verschrikt, en vooral omdat hij mij niets in -het geweer had zien doen. Hij begreep, dat dit een tooverwerktuig moest -zijn, dat alles, mensch en beest, van verre en nabij dooden kon. Deze -indruk bleef hem lang bij, en als ik het toegelaten had, zou hij, geloof -ik, mij en mijn geweer aangebeden hebben. Verscheidene dagen daarna -durfde hij het geweer nog niet aanraken, maar sprak er dikwijls tegen, -als hij alleen was, en smeekte het, gelijk ik naderhand van hem vernam, -hem niet te dooden. - -Zoodra hij van zijne eerste verbazing wat bekomen was, gelastte ik hem -den vogel te gaan halen, hetgeen hij deed, maar eenigen tijd wegbleef, -want ik had hem slechts aangeschoten, en hij was een eind weegs -weggefladderd. Terwijl hij hem opzocht, maakte ik van deze gelegenheid -gebruik om mijn geweer weder te laden, daar hij van hetzelve nog niets -begreep, zonder dat hij het zag, opdat ik, als hij terug kwam, gereed -mogt zijn als zich eenig ander wild opdeed, hetgeen echter thans het -geval niet was. Ik bragt het geitje naar huis, haalde het nog denzelfden -avond af, en hakte het zoo goed ik kon in stukken. Vervolgens kookte ik -er een stuk van tot soep, en na er wat van gegeten te hebben, gaf ik er -Vrijdag ook wat van, dien het zeer goed scheen te smaken, doch wat hem -het meest verwonderde, was dat hij er mij zout bij zag eten. Hij gaf mij -door teekens te kennen, dat zout niet goed om te eten was; hij stak een -weinig in den mond, en hield zich alsof hij er van walgde en zou gaan -braken, waarna hij met water zijn mond uitwiesch; daarentegen nam ik een -stuk vleesch zonder zout, en hield mij alsof ik van het gebrek aan zout -walgde, maar het baatte niets, nimmer wilde hij zout bij zijne spijs -voegen. - -Na hem den eersten dag soep gegeven te hebben, besloot ik hem den -tweeden dag op gebraad te onthalen, door een stuk geitenvleesch aan het -spit te steken. Ik deed dit, gelijk ik in Engeland dikwijls gezien had, -door het vleesch in een stuk aan een staak te hangen, die op twee andere -staken steunde, en deze te draaijen. Vrijdag stond dit verbaasd aan te -zien, maar toen hij het vleesch proefde, gaf hij mij op allerlei wijzen -te verstaan hoe goed het hem smaakte, en eindelijk gaf hij te kennen, -dat hij nimmer meer menschenvleesch wilde eten, hetwelk mij zeer -aangenaam was. - -Den volgenden dag zette ik hem aan het werk om eenig koorn te dorschen, -gelijk ik dat gewoon was, en spoedig kon hij dit zoo goed doen als ik, -vooral nadat hij gezien had waarvoor dit geschiedde, want ik liet hem -zien hoe ik mijn brood bereidde en bakte, en kort daarna kon Vrijdag dit -alles voor mij doen zoo goed als ik zelf. Ik begon nu te begrijpen, dat -ik voor twee man eten moest hebben in plaats van voor een, en dus meer -graan dan vroeger aankweeken; ik stak dus een grooter stuk land af, en -begon dit te omheinen even als het vorige. Vrijdag werkte hieraan zeer -gewillig en vlijtig mede, en ik vertelde, dat dit was om graan te -bekomen ten einde meer brood te maken, omdat hij nu bij mij was. Hij -scheen hierdoor zeer getroffen en beduidde mij, dat ik thans door hem -meer werk had dan vroeger voor mij alleen; maar dat ik slechts te zeggen -had wat ik gedaan wilde hebben, en dat hij te harder voor mij zou -werken. - -Dit jaar was voor mij het aangenaamste van allen, die ik hier -doorgebragt had, Vrijdag begon tamelijk wel te spreken en kende spoedig -de namen van al wat ik hem wijzen kon, en van elke plaats, waar ik hem -naar toe zenden kon. Ik begon dus thans mijne tong weder te kunnen -gebruiken, waartoe ik, om te spreken bedoel ik, tot hiertoe weinig -gelegenheid had gehad. Behalve het genoegen van met hem te spreken, had -ik veel vermaak in zijn karakter; zijne eenvoudige, brave en argelooze -aard bleek mij dagelijks meer, en ik begon hem hartelijk lief te hebben; -en van zijnen kant geloof ik, dat hij mij meer dan iets ter wereld -beminde. - -Ik wilde eens beproeven of hij weder naar zijn land verlangde, en daar -hij nu genoeg Engelsch kende om mij eenige vragen te beantwoorden, vroeg -ik hem of zijn volk nimmer in een gevecht overwinnaar was, waarop hij -glimlagchend antwoordde: "Ja wel, wij vechten altijd het best;" hij -bedoelde beter dan hunne vijanden. Hierop hielden wij het volgende -gesprek: - -"Gij vecht het best," zeide ik, "hoe komt het dan, dat gij gevangen -genomen zijt." - -Vrijdag. Mijn volk verslaat ze toch. - -Meester. Hoe verslaan? Dat begrijp ik niet, als uw volk hen versloeg, -hoe kwaamt gij dan gevangen? - -Vrijdag. Zij waren meer dan mijn volk op de plek waar ik was. Zij nemen -een, twee, drie en mij gevangen. Mijn volk versloeg hen elders, waar ik -niet was, daar nam mijn volk een, twee, drie, veel duizend gevangen. - -Meester. Maar waarom heeft uw volk u dan niet uit de handen uwer -vijanden verlost? - -Vrijdag. Zij bragten gaauw een, twee, drie en mij in de kanoe; mijn volk -daar geen kanoe had. - -Meester. Zoo. En wat doet uw volk met de lieden, die zij genomen hebben. -Voeren zij hen weg en eten ze op, gelijk die anderen? - -Vrijdag. Ja, mijn volk eet ook menschen, eet ze allen op. - -Meester. Waar brengen zij die heen? - -Vrijdag. Zij gaan naar andere plaats, waar zij willen. - -Meester. Komen zij hierheen? - -Vrijdag. Ja hierheen, hier en op andere plaatsen. - -Meester. Zijt gij vroeger hier met hen geweest? - -Vrijdag. Ja, ik hier geweest ben. (Hierbij wees hij naar den N.W. kant -van het eiland, waar het schijnt dat hunne landingplaats was). - -Hieruit maakte ik op, dat hij vroeger onder de wilden geweest was, die -gewoon waren op de verder afliggende gedeelten van het eiland aan wal te -gaan, met dezelfde oogmerken, waartoe hij thans hier gebragt was, en -toen ik hem eenigen tijd daarna aan dien kant bragt, herkende hij -dadelijk de plaats, en zeide mij, dat hij daar eens geweest was, toen -zij twintig mannen, twee vrouwen en een kind hadden gegeten. Hij kon in -het Engelsch niet tot twintig tellen, maar hij wees het mij door zooveel -steentjes naast elkander te leggen en mij die te laten tellen. - -Ik heb dit gesprek medegedeeld, omdat er het volgende uit ontstond. Ik -vroeg hem namelijk hoe ver ons eiland van de kust af lag, en of de -kanoes op den togt herwaarts niet dikwijls verongelukten. Hij zeide, dat -er geen gevaar was, en de kanoes nimmer vergingen, maar dat er een eind -weegs in zee eene strooming en een wind was, naar de eene zijde in den -morgen, en in den namiddag naar de andere zijde. - -Ik begreep, dat dit niets anders was dan de loop van het getij, naarmate -het water wies of afliep, maar naderhand heb ik geleerd, dat dit -ontstond uit de sterke eb en vloed van de groote Oronoko-rivier, in -welker mond ik naderhand begreep, dat ons eiland lag, en dat het land -hetwelk ik ten W. en N.W. gewaar werd, het groote eiland Trinidad, aan -den noordelijken hoek van gemelde rivier, was. Ik deed Vrijdag duizend -vragen over het land, de bewoners, de zee, de kust, en welke de naburige -volken waren; hij verhaalde mij met de meest mogelijke openhartigheid al -wat hij wist. Ik vroeg hem de namen der verschillende volken -daaromstreeks; maar kon niets anders uit hem krijgen dan Caribs; waaruit -ik begreep, dat het Caraïben waren, die volgens onze kaarten, dat deel -van Amerika bewonen, dat zich van de Oronoko tot aan Guiana, en aan de -andere zijde tot St. Martha uitstrekt. Hij verhaalde mij, dat ver achter -de maan (waarmede hij bedoelde in die strekking, waar de maan -onderging), dat is ten westen van hun land, witte, baardige mannen -woonden, zoo als ik (hierbij wees hij op mijne knevels) en dat deze veel -mannen gedood hadden, zoo als hij zeide. Ik besloot hieruit, dat hij de -Spanjaarden bedoelde, wier wreedheden in Amerika, het geheele land door -bekend zijn geraakt, en door alle volkeren van vader tot zoon bewaard -zijn gebleven. - -Ik vroeg hem of hij mij zeggen kon, hoe ik van dit eiland en bij die -blanke menschen komen kon. Hij zeide ja, en dat dit gaan kon in "twee -kanoes." Ik begreep eerst niet wat hij met "twee kanoes" meende, maar -kwam er eindelijk met veel moeite achter, dat hij wilde zeggen in eene -kanoe, zoo groot als twee anderen. Deze verklaring beviel mij zeer goed, -en van dit oogenblik af koesterde ik eenige hoop, dat ik den een of -anderen tijd gelegenheid zou vinden van deze plaats te ontkomen, en dat -deze arme wilde mij ter uitvoering daarvan behulpzaam zou kunnen zijn. - -Gedurende al den tijd, dat Vrijdag nu bij mij was geweest, en begon te -leeren met mij te spreken en mij te verstaan, had ik niet nagelaten hem -de eerste begrippen der godsdienst in te prenten; zoo vroeg ik hem eens -wie hem geschapen had. De arme knaap begreep mij volstrekt niet, maar -dacht, dat ik vroeg wie zijn vader was. Ik vatte dus de zaak anders aan, -wees hem op de zee, den grond waarop hij trad, de heuvels en de -bosschen. Hij zeide, dat dit gemaakt was door den ouden Benamoekie, die -verder dan alle menschen woonde. Hij wist van dien grooten persoon niets -anders te zeggen, dan dat hij zeer oud was, veel ouder, zeide hij, dan -de zee of het land, dan de maan of de sterren. Ik vroeg hem daarop, dat -zoo die oude persoon alle dingen gemaakt had, waarom niet alle dingen -hem eer bewezen. Hij zag zeer ernstig, en zeide met eene onnoozele -eenvoudigheid: "Alle dingen zeggen, O! tegen hem." Ik vroeg hem of de -lieden, die in zijn land stierven, ergens heen gingen. "Ja, ja," zeide -hij, "zij gaan allen naar Benamoekie." Daarop vroeg ik of degeen, die -zij opaten, daar ook heen gingen, en hij zeide, "ja." - -Dit gaf mij aanleiding hem in de kennis van den eenigen waren God te -onderrigten. Ik zeide hem, terwijl ik naar den hemel wees, dat de groote -maker van alle dingen daar woonde, en dat Hij de wereld met dezelfde -almagt en wijsheid bestierde, waarmede Hij ze geschapen heeft; dat Hij -almagtig was, ons alles doen, alles geven, alles ontnemen kon; en zoo -opende ik van lieverlede hem de oogen. - -Hij luisterde zeer oplettend, en hoorde met veel genoegen hoe Christus -gezonden was om ons te verlossen, en hoe wij God behoorden te bidden, en -hoe deze ons altijd hoorde, waar wij ook waren. Hij zeide mij eens, dat -zoo God ons hooren kon, terwijl Hij verder dan de zon was, dat Hij dan -een grooter God dan hun Benamoekie was, die niet veraf woonde, en toch -hen niet hooren kon, ten ware zij den hoogen berg opstegen, waarop hij -woonde om tegen hem te spreken. Ik vroeg hem of hij daar ooit gegaan -was; hij zeide neen, en dat dit alleen de oude lieden deden, die hij -Oewokakie noemde, dat is, gelijk ik uit zijne verklaring begreep, zoo -veel als hunne priesters, en dat deze heengingen om "O!" te zeggen (zoo -noemde hij het bidden), en als zij terugkwamen, verhaalden wat -Benamoekie gezegd had. Hieruit bemerkte ik, dat er zelfs onder de -domste en verblindste Heidenen eene priesterschap en zekere -verborgenheden bestaan, om het gemeen ontzag voor de priesters in te -boezemen. - -Ik trachtte Vrijdag omtrent deze bedriegerijen in te lichten, en zeide -hem, dat het voorgeven hunner oude lieden, dat zij den berg opgingen, om -hunnen God Benamoekie aan te roepen, bedriegerij was, zoo wel als, dat -zij vandaar komende, verhaalden wat hij hun gezegd had; dat, zoo zij -daar iemand ontmoetten, of iemand tot hen sprak, dit dan een booze geest -moest zijn. Hierop had ik een lang gesprek met hem over den duivel, zijn -oorsprong, zijn opstand tegen God, zijne vijandschap tegen de menschen, -hare oorzaak, zijn verblijf in de duistere plaatsen der wereld, om daar, -in stede van God, en als God aangebeden te worden; en over zijne vele -listen, om den mensch in het verderf te storten; hoe hij tot onze ziel -toegang kreeg door onze hartstogten strikken te spannen, waardoor wij -ons zelven in verzoeking bragten, en vrijwillig ons eigen verderf te -gemoet gingen. - -Ik vond, dat het niet zoo gemakkelijk ging hem juiste denkbeelden in te -prenten, aangaande den duivel, als aangaande den aard en het wezen der -Godheid. De geheele natuur was mij behulpzaam in mijne bewijzen voor het -noodwendig bestaan van eene eerste oorzaak, een onbegrijpelijke, -allesbestierende magt, en voor de verpligting van onzen Schepper onze -hulde toe te brengen; maar niets van dat alles ondersteunde het -denkbeeld van een boozen geest, zijn oorsprong, zijn aard en wezen, en -bovenal zijne geneigdheid tot het kwade, en zijne verleidingen daartoe. -Mijn arme eenvoudige wilde bragt mij eens door eene zeer natuurlijke en -eenvoudige vraag zoodanig in de engte, dat ik naauwelijks wist wat ik -hem zeggen zou. Ik had hem veel gezegd van Gods almagt, zijne afkeer van -zonde, hoe hij een verterend vuur was voor de werkers van -ongeregtigheid; hoe Hij, die ons allen geschapen had, ons en de geheele -wereld door zijn wil vernietigen kon, en al dien tijd had hij met de -grootste aandacht naar mij geluisterd. - -Daarna verhaalde ik hem hoe de duivel, Gods vijand, in de harten der -menschen was, en al zijne list besteedde om de goede voornemens der -Voorzienigheid tegen te werken, en het rijk van Christus hier op aarde -afbreuk te doen, en dergelijke meer. "Maar," zeide Vrijdag, "gij zegt, -dat God zoo groot en zoo magtig is, is hij niet veel magtiger dan de -duivel?"--"Ja, ja, Vrijdag," zeide ik, "God is veel magtiger dan de -duivel, en daarom bidden wij God, dat hij ons toelaat hem te vertreden, -en ons zijne verzoekingen doet wederstaan en zijn arglist -teleurstellen."--"Maar," voerde hij weder aan, "als God zooveel magtiger -en sterker is dan de duivel, waarom slaat Hij dan den duivel niet dood, -en belet hem meer kwaad te doen?" - -Ik stond bij deze vraag geheel verplet; schoon een oud man, was ik nog -een jongeling in de godgeleerdheid, en weinig in staat om leerstellige -vragen en zwarigheden op te lossen. Eerst wist ik niet wat te -antwoorden, dus hield ik mij alsof ik hem niet verstaan had, en vroeg -wat hij zeide. Maar hij verlangde te veel naar een antwoord, om zijne -vraag vergeten te hebben, dus herhaalde hij die in dezelfde woorden als -boven. Middelerwijl had ik mijne gedachten een weinig bijeengezameld, en -zeide: "God zal hem in het laatste der dagen gestrengelijk straffen; hij -wordt bespaard tot den dag des oordeels, wanneer hij in een bodemloozen -afgrond zal worden geworpen, om daar met eeuwig vuur te blijven."--Dit -voldeed Vrijdag niet. Hij herhaalde mijne woorden: "tot het laatste der -dagen; dat begrijp ik niet. Waarom den duivel niet nu, niet lang geleden -al gedood?"--"Gij kondt even goed vragen," hernam ik, "waarom God u en -mij niet doodt, als wij zonden bedrijven; wij blijven gespaard om berouw -te hebben en vergiffenis te erlangen."--Hij dacht eene poos hierover na, -en zeide eindelijk: "Dat goed, zeer goed is; dus gij, ik, de duivel, -alle zondaars bewaard blijven, allen berouw hebben, allen vergiffenis -ontvangen." - -Dit antwoord bragt mij geheel in verlegenheid, en het was voor mij een -nieuw blijk, hoe natuurlijke begrippen, wel een redelijk wezen tot de -kennis en tot de vereering van een Hoogst Wezen leiden, maar dat alleen -eene goddelijke openbaring ons tot de kennis van Jezus Christus, en van -eene verlossing, voor ons verworven door zijnen dood, en van Hem als -middelaar van een nieuw Verbond; dat niets zeg ik, dan eene goddelijke -openbaring ons deze begrippen kon geven, en daarom het Evangelie van -onzen Heer en Zaligmaker volstrekt noodig is, om den mensch de ware -kennisse Gods en der middelen tot zijne zaligheid te geven. Ik brak -daarom het bovengemelde gesprek haastig af, alsof ik plotseling wilde -uitgaan, daarop zond ik hem een ver eind weg om iets te verrigten, en -smeekte toen God vurig, dat hij mij in staat mogt stellen dezen armen -wilde te onderrigten, hem door zijnen geest vatbaar maken om het licht -der kennisse Gods in Christus te ontvangen, en mij van Zijn woord -zoodanig doen spreken, dat zijn hart overtuigd, zijne oogen geopend en -zijne ziel gered mogt worden. Toen hij terugkwam had ik een lang gesprek -met hem over de verlossing der menschen door den Zaligmaker, en de leer -der Evangeliën, namelijk berouw voor God en geloof in onzen Heiland. Ik -verklaarde hem toen, zoo goed als ik kon, waarom onze Verlosser niet de -gedaante der Engelen maar den aard der menschen had aangenomen; dat hij -gekomen was om de verloren schapen van het huis Israëls bijeen te -zamelen en zoo voorts. - -God weet het, ik bezat meer welmeenendheid dan kunde, in mijne pogingen -tot onderrigt van dezen wilde, en ik moet bekennen, hetgeen geloof ik -allen, die even zoo handelen, zullen ondervinden, dat terwijl ik hem -leerde, ik mij zelve vele dingen eigen maakte en opmerkte, die ik -vroeger niet wist of nimmer aan gedacht had, maar mij thans voor den -geest kwamen, nu ik ze ter onderrigting voor dezen armen wilde bijeen -zamelde; en ik onderzocht deze zaken thans met meer lust dan ooit te -voren. Het zij dus deze arme wilde mij genoegen of gevaren zou -aanbrengen, altijd had ik groote reden tot dankbaarheid. Mijn verdriet -werd thans ligter, mijne woning was mij genoeglijker, en als ik bedacht, -dat ik in dit eenzaam leven, waartoe ik veroordeeld was, niet alleen -zelf naar den hemel had leeren opzien, en nadenken door wiens bestier ik -hier gekomen was, maar thans zelf tot een werktuig verkoren was, om met -hulp der Voorzienigheid, niet alleen het ligchaam maar ook de ziel van -dezen armen man te redden, en hem de kennis van den waren God en de -Christelijke leer in te prenten; ik zeg, wanneer ik dit alles bedacht, -gevoelde ik mij van eene heimelijke vreugde doordrongen, en verheugde -mij alsdan, dat ik naar deze plaats gevoerd was, hetgeen ik vroeger -beschouwde als de grootste ramp, die mij ooit treffen kon. - -Deze dankbare gemoedsstemming bleef mij van dien tijd af gestadig bij, -en de gesprekken, die Vrijdag en mij in onze ledige uren, drie jaren -achtereen bezig hielden, waren zoodanig, dat wij al dien tijd zoo -volkomen tevreden en gelukkig waren, als men dit in deze ondermaansche -wereld wezen kan. De wilde was thans een goed Christen, een beter -Christen dan ik, schoon ik met grond en met dankbaarheid jegens God, -zeggen durf, dat wij beide boetvaardige en berouwhebbende zondaren -waren. Wij hadden het woord Gods tot ons onderrigt, en zijn geest was -ons even nabij alsof wij in Engeland waren. - -Gestadig las ik hem de Heilige Schrift voor, en trachtte hem naar mijn -beste vermogen te doen begrijpen, wat ik las; terwijl hij door zijne -ernstige vragen mij, gelijk ik gezegd heb, veel ervarener in -schriftuurlijke kennis maakte dan ik ooit door het bloote lezen zou -geworden zijn. Ik mag ook niet voorbij gaan hier uit ervaring in dit -mijn eenzaam leven te doen opmerken, welk een oneindig groote zegen het -is, dat de kennisse Gods en de leer der zaligmaking door Jezus Christus, -zoo duidelijk in Gods woord bevat is, dat alleen het lezen der Heilige -Schrift mij genoegzaam mijne pligten deed kennen, om mij dadelijk tot -opregt berouw te bewegen over mijne zonden, en tot het aankleven van -onzen Zaligmaker, door wien ik behouden moest worden; als ook tot eene -duurzame verbetering van mijn gedrag, en gehoorzaamheid aan Gods -geboden, en dit zonder eenigen menschelijken leermeester. Even zoo was -dit eenvoudig onderrigt genoegzaam voor dezen wilde, om hem tot een -Christen te maken, zoo als ik in mijn leven slechts weinigen gezien heb. - -Wat betreft de twisten en geschillen, die er in de wereld over de -godsdienst bestaan hebben, hetzij over de leer of over derzelver -bedienaars, deze waren voor ons even nutteloos, als zij, naar ik zien -kan, steeds voor de geheele wereld zijn geweest. Wij hadden den zekeren -gids ten hemel, namelijk Gods woord, en, Gode zij dank, genoegzame -ondersteuning van zijnen geest om ons het te doen verstaan, en geneigd -en gehoorzaam aan deszelfs onderrigtingen te maken. Ik kan niet inzien -wat de uitgestrekte kennis in godsdienstige geschillen, die in de wereld -zooveel onrust verwekt hebben, ons voor nut zou gedaan hebben, al hadden -wij die kunnen verwerven. - -Doch om tot mijne geschiedenis terug te keeren, en iedere zaak op hare -beurt te vermelden. Nadat Vrijdag en ik bevriend waren geworden, en hij -schier alles verstaan kon wat ik tot hem zeide, en mij vloeijend, -ofschoon in gebroken Engelsch, antwoorden, verhaalde ik hem mijne eigene -geschiedenis; althans wat mijne komst alhier aangaat, hoe ik hier huis -gehouden had en hoe lang. Ik leerde hem het geheim (want dit was het -voor hem) van kruid en lood en hoe hij een geweer afschieten moest. Ik -gaf hem een mes, waarmede hij zeer in zijn schik was, en maakte hem een -draagband om het in eene scheede in te dragen; in plaats van eene sabel -gaf ik hem om daaraan te hangen eene bijl, die als wapen in sommige -gevallen nuttig kan zijn, maar nog veel nuttiger in vele andere -omstandigheden. - -Ik beschreef hem de landen van Europa, maar in het bijzonder mijn -vaderland, hoe wij daar leefden, hoe wij God dienden, hoe wij ons in de -maatschappij gedroegen, en hoe wij in schepen naar alle deelen der -wereld gingen. Ik verhaalde hem van het wrak, waar ik aan boord was -geweest, en wees hem de plaats zoo nabij als ik kon, want het was lang -te voren aan stukken geslagen en geheel verdwenen. - -Ik toonde hem hetgeen er nog over was van de boot, die bij mijne redding -op het strand geslagen werd, en welke ik nimmer had kunnen bewegen, maar -die thans in stukken was gevallen. Toen Vrijdag deze boot zag stond hij -eene poos in gedachten en zeide niets. Eindelijk echter toen ik vroeg -waar hij zoo op peinsde, zeide hij: "Ik heb eene boot zoo zien komen op -eene plaats van mijn volk." - -Ik begreep hem eerst niet, maar bij nader onderzoek maakte ik uit hem -op, dat zulk eene soort van boot op de plaats waar hij woonde, gekomen -was, namelijk, gelijk hij mij verklaarde, door slecht weder daar heen -geslagen. Ik verbeeldde mij thans, dat de sloep van een Europeesch schip -op die hoogte, verloren geraakt en op strand geworpen was; ik was echter -zoo dom, dat ik er met eens aan dacht, dat er wel menschen zich daarmede -bij eene schipbreuk hadden kunnen redden, en vroeg hem dus alleen hoe de -boot er uitzag. - -Vrijdag beschreef mij die vrij wel, maar ik begreep hem nog beter toen -hij er met eenige warmte bijvoegde: "Wij redden die blanke menschen van -verdrinken!" Ik vroeg dadelijk of er eenige blanken in de boot waren -geweest.--"Ja de boot vol," zeide hij. Ik vroeg, hoeveel? Hij telde op -zijne vingers tot zeventien. Op mijne vraag wat er van hen geworden was, -zeide hij: "Zij leven, zij wonen bij mijn volk." - -Dit deed weder nieuwe gissingen bij mij ontstaan; ik geloofde thans, dat -deze menschen misschien tot het schip behoord hadden, dat naar mijn -eiland heengeslagen was, en dat nadat het schip op de rots gestooten -had, en zij een onvermijdelijken dood voor oogen zagen, zij zich in de -boot gered hadden en op de woeste kust onder de wilden geland waren. Ik -vroeg vervolgens naauwkeuriger wat er van hen geworden was; hij -verzekerde mij dat zij daar nog leefden, dat zij er ongeveer vier jaren -geweest waren, dat de wilden hen geen leed deden en hun voedsel gaven. -Ik vroeg hem hoe het kwam, dat zij hen niet dood sloegen en opaten. Hij -zeide: "neen, zij maken broeders met hen," waarmede hij een verbond of -wapenstilstand, naar het scheen, wilde te kennen geven. "Zij eten geen -mannen, als die niet in den oorlog zijn gevangen genomen." - -Eene geruime poos daarna waren wij op den top van den heuvel aan de -oostzijde des eilands, vanwaar, gelijk ik verhaald heb, ik op een -helderen dag weder het vaste land van Amerika gezien had. Vrijdag zag -met inspanning eene poos derwaarts, en in eene vlaag van verrukking -begon hij te dansen en te springen, en mij te roepen, want ik was een -eind weegs vandaar. Ik vroeg hem wat het was. "O vreugde, o blijdschap!" -riep hij uit. "Dáár mijn land, dáár mijn volk zien!" - -Ik bespeurde, dat het genoegen uit zijne trekken blonk, en zijne oogen -fonkelden, en uit zijn geheele voorkomen scheen te blijken, dat hij naar -zijn vaderland verlangde. Dit bragt mij op ernstige gedachten, zoodat ik -in den beginne niet zoo gerust omtrent hem was als vroeger, en ik -twijfelde niet of, als hij weder tot zijn eigen natie kon terugkeeren, -hij niet alleen al zijne godsdienst zou vergeten, maar ook zijne -verpligtingen jegens mij, en welligt ondankbaar genoeg zijn om met een -paar honderd wilden terug te keeren, om mij op te eten, en een feest te -houden, zoo als hij gewoon was met zoodanige vijanden, als zij in den -oorlog krijgsgevangen maakten. Maar ik deed den armen eerlijken jongen -groot ongelijk, hetgeen mij naderhand genoeg speet; daar echter mijn -argwaan aangroeide, en eenige weken stand hield, was ik wat omzigtiger -en niet zoo gemeenzaam en vriendelijk jegens hem, waaraan ik gewis groot -onregt deed; want de eerlijke brave knaap, had geene andere dan de beste -voornemens, en was zoowel een opregt Christen als een dankbare vriend, -gelijk mij naderhand ten duidelijkste bleek. - -Terwijl mijn argwaan jegens hem stand hield, was ik elken dag bezig hem -uit te hooren, om te zien of hij ook eenige dier denkbeelden koesterde, -waarvan ik hem verdacht hield; maar alles wat hij zeide was zoo opregt -en zoo onschuldig, dat ik niets vond wat mijne achterdocht voedsel kon -geven, en in weerwil mijner ongerustheid werd ik weder jegens hem even -als vroeger; ook had hij niets van mijnen argwaan bespeurd, zoo dat er -aan geene veinzerij van zijn kant te denken viel. - -Toen wij op zekeren dag weder op dienzelfden heuvel waren, maar met -mistig weder, zoodat wij het vaste land niet zien konden, riep ik hem en -zeide: "Vrijdag, zoudt gij niet gaarne in uw land, onder uw eigen volk -willen terugzijn?"--"Ja," zeide hij. "O hoe blijd zou ik weer bij mijn -volk zijn."--"Wat zoudt gij daar doen," zeide ik, "zoudt gij weder een -wilde worden, gelijk te voren, en menschenvleesch eten?"--Hij zette een -ernstig gelaat en schudde het hoofd, zeggende: "Neen, Vrijdag zou hun -zeggen braaf te leven, hun zeggen God te bidden, hun zeggen brood te -bakken, vleesch van dieren te eten, melk te drinken, geen -menschenvleesch eten."--"Maar," hernam ik, "dan zouden zij u doodslaan." -Hij zette weder een ernstig gezigt, en zeide: "Neen, zij mij niet -dooden, willen gaarne leeren." Hij voegde er verder bij, dat zij veel -leerden van de mannen met baarden uit de boot. Daarop vroeg ik hem of -hij naar hen terug wilde keeren. Glimlagchend zeide hij, dat hij zoo ver -niet zwemmen kon. Ik zeide, dat ik eene kanoe voor hem wilde maken. Hij -antwoordde wel te willen gaan als ik mede ging. "Ik!" zeide ik; "wel zij -zouden mij opeten als ik daar kwam."--"Neen, neen," zeide hij, "ik zal -maken dat zij u niet eten, maken, dat zij u veel liefhebben." Hij zou -hun zeggen, voegde hij er bij, hoe ik zijne vijanden gedood en hem het -leven gered had, en zoo zou hij maken dat zij mij liefhadden. Daarop -verhaalde hij mij zoo goed hij kon, hoe welgezind zij waren jegens die -zeventien blanken of gebaarde mannen, gelijk hij ze noemde, die daar op -het strand schipbreuk hadden geleden. - -Ik moet bekennen, dat ik, van dit oogenblik af begon te verlangen om een -overtogt te wagen, en te zien of ik welligt bij die gebaarde mannen -komen kon, die ik niet twijfelde, dat Spanjaarden of Portugezen waren. -Ik begreep, dat wij welligt daar, op het vaste land en met gezelschap, -beter eenig middel zouden vinden om te ontkomen, dan ik alleen, op een -eiland, en veertig (Eng.) mijlen van den vasten wal en zonder hulp. Na -eenige dagen bragt ik het gesprek met Vrijdag weder hierop, en zeide -hem, dat ik hem eene boot wilde geven om naar zijn volk terug te keeren, -en bragt hem daarop naar mijne boot, die aan de andere zijde van het -eiland lag, en na het water er uit geschept te hebben (want ik liet die -altijd onder water liggen) haalde ik ze uit, wees ze hem en wij gingen -er beide in. - -Ik zag, dat hij er zeer goed mede te regt kon, en ze bijkans zoo snel -roeide als ik; toen hij er dus in was, zeide ik: "Wel, Vrijdag, willen -wij nu naar uwe natie gaan?" Hij scheen over dit gezegde zeer verslagen, -naar het schijnt, omdat hij begreep, dat de boot daartoe te klein was. -"Ik heb nog een grooter," zeide ik, en dus bragt ik hem den volgenden -dag naar de boot, die ik het eerst gemaakt had, maar welke ik niet te -water had kunnen brengen. Hij zeide, dat deze groot genoeg was, maar -daar ik er geen zorg voor gedragen had, en zij daar drieëntwintig jaren -gelegen had, was zij door de zon vaneen gespleten, uitgedroogd en half -vermolmd. Vrijdag zeide, dat zulk eene boot goed was, en genoeg eten en -drinken kon meenemen, zoo als hij zich uitdrukte. - -Mijn voornemen om met hem naar het vaste land over te steken, had thans -zoo diep wortel bij mij geschoten, dat ik hem zeide, dat wij er eene -zouden maken, die even groot was, en dat hij daarmede vertrekken kon. -Hij antwoordde niet, maar zag er zeer bedrukt uit. Ik vroeg wat hem -deerde. Hij antwoordde met de vraag waarom ik boos op Vrijdag was? Wat -hij mij gedaan had? Ik vroeg wat hij hiermede bedoelde, en zeide, dat ik -in het geheel niet boos op hem was. "Niet boos! niet boos!" herhaalde -hij verscheidene malen, "waarom wilt gij dan Vrijdag naar zijn volk -terugzenden?"--"Wel," zeide ik, "hebt gij niet gezegd, dat gij wenschte -daar te zijn, Vrijdag?"--"Ja, ja," zeide hij, "ik wenschte, dat wij -beiden daar waren, Vrijdag daar niet, als meester daar niet -is."--Kortom, hij wilde er niet aan denken daarheen te gaan zonder mij. -"Zou ik daarheen gaan, Vrijdag?" hernam ik, "wat zou ik daar doen?" -Driftig keerde hij zich naar mij toe, en zeide: "Gij daar zeer veel goed -doen, gij leeren de wilden goede, brave menschen zijn, gij hun leeren -God kennen, God bidden en een nieuw leven leiden."--"Helaas, gij weet -niet wat gij zegt, Vrijdag," hernam ik, "ik ben zelf een onwetend -mensch."--"Ja, ja," vervolgde hij, "gij mij goed leeren, gij hun ook -goed leeren."--"Neen," zeide ik, "gij zult zonder mij gaan Vrijdag, en -mij hier alleen laten leven, gelijk vroeger." Hij zag er zeer verslagen -uit, en daarop spoedig eene bijl halende, die hij gewoonlijk bij zich -droeg, gaf hij mij die in de hand. "Wat moet ik daarmede doen?" vroeg -ik. "Gij Vrijdag doodslaan," zeide hij. "Waarom zou ik u doodslaan?" -vroeg ik weder. Hij antwoordde driftig: "Waarom gij Vrijdag wegzenden? -Vrijdag doodslaan, Vrijdag niet wegzenden." Dit sprak hij zoo ernstig, -dat ik een traan in zijne oogen zag. Kortom, ik ontdekte zoo duidelijk -in hem de uiterste genegenheid jegens mij en zijn vast besluit, dat ik -hem toen zeide, en naderhand dikwijls herhaalde, dat ik hem nimmer zou -wegzenden als hij bij mij wilde blijven. - -Daar ik over het geheel in al zijne woorden zulk eene gehechtheid aan -mij vond, en dat niets hem mij zou doen verlaten, begreep ik, dat de -grondoorzaak van zijn verlangen om zijn vaderland terug te zien, uit de -vurige liefde voor zijn volk en de hoop het wel te doen ontsproot; eene -zaak tot welke ik niet den minsten lust of verlangen gevoelde. Mijne -grootste zucht om derwaarts te vertrekken ontstond uit het berigt dat ik -van hem vernomen had, dat namelijk zich daar zeventien blanken bevonden. -Zonder verder dralen ging ik derhalve met Vrijdag aan het werk om een -grooten boom te vinden, die geschikt was voor eene groote praauw of -kanoe om de reis te ondernemen. Er was hout genoeg op het eiland om eene -geheele vloot te bouwen, niet alleen van praauwen of kanoes, maar van -groote schepen zelfs. De hoofdzaak echter waarnaar ik verlangde, was er -een te vinden, die zoo digt bij het water stond, dat wij die, als zij af -was, te water konden brengen, ten einde niet weder in denzelfden misslag -als vroeger te vervallen. - -Eindelijk wees Vrijdag mij een boom, want ik vond, dat hij veel beter -wist dan ik welke soort van hout de geschiktste was. Ik weet nog niet -tot welke soort de boom behoorde, die wij velden, behalve dat hij veel -naar verwhout geleek. Vrijdag was er voor den stam met vuur uit te -hollen, maar ik zeide hem dit liever met werktuigen te doen, en nadat ik -hem het gebruik daarvan gewezen had, kon hij er spoedig goed mede te -regt. Na eene maand harden arbeid, hadden wij hem af, en zeer goed -gevormd, vooral toen wij met onze bijlen, die ik hem had leeren -behandelen, er de goede gedaante van eene sloep aan hadden gegeven. -Vervolgens kostte het ons nog wel veertien dagen tijds om haar als het -ware duim voor duim, op groote rollen naar het water te brengen; maar -toen zij er in was, had zij zeer goed twintig man kunnen dragen. - -Toen de sloep te water was, zag ik met genoegen hoe vlug en behendig -Vrijdag haar, in weêrwil van hare grootte, kon behandelen, doen -voortgaan en wenden. Ik vroeg hem dus of hij er thans mede zou willen -en durven oversteken? "Ja," zeide hij, "ik er zeer goed mede overkomen, -al waait het ook harden wind!" Maar ik had een ander voornemen, waarvan -hij niets wist, en dat was om een mast en zeil te maken, en haar van een -anker en ankertouw te voorzien. Een mast was gemakkelijk te vinden, ik -koos hiertoe een jongen, regten cederboom, dien ik daar digt bij vond, -en waarvan er op het eiland eene menigte waren, en ik liet Vrijdag dien -vellen, en wees hem hoe hij dien afkappen en in orde brengen moest. Met -het zeil hield ik mij zelf onledig. Ik wist, dat ik oude zeilen of -liever stukken van oude zeilen genoeg had, maar daar ik die nu -zesentwintig jaren lang gehad en niet zeer zorgvuldig bewaard had, omdat -ik mij niet verbeeld had ze ooit op die wijze te kunnen gebruiken, -twijfelde ik niet of zij zouden allen verrot zijn, hetgeen ook met de -meesten het geval was. Ik vond echter twee stukken, die nog vrij gaaf -waren, en met deze ging ik aan het werk, en na vrij wat moeite, en -naaijen, dat, gelijk men denken kan, bij gebrek aan naalden uiterst -links en vervelend van de hand ging, maakte ik eindelijk een leelijk -driehoekig zeil, met een gaffel en een giek, gelijk onze sloepen -gewoonlijk voeren, en waarmede ik het best wist om te gaan, omdat ik -zulk een gebruikt had in de boot, waarmede ik uit Barbarije vlugtte, -gelijk ik hiervoor verhaald heb. - -Ik bragt bijkans twee maanden zoek aan het in orde brengen van mijn mast -en zeilen; want ik maakte ook nog een kleine vlieger en een fok er bij, -om te helpen als wij door den wind moesten gaan, en ik maakte er van -achteren een roer aan om te sturen; en schoon dit er vrij onbehouwen -uitzag, kende ik echter het nuttige en noodzakelijke er te goed van, om -mij niet zoo veel moeite te geven, dat het eindelijk tot stand kwam, -schoon, als ik bedenk hoe dikwijls mijne proefnemingen hiertoe -mislukten, ik geloof, dat het mij schier even veel moeite kostte als de -boot zelve. - -Nadat dit gedaan was moest ik Vrijdag leeren hoe met de boot te zeilen, -want schoon hij zeer goed eene kanoe wist te roeijen, begreep hij van -zeil en roer niets en stond niet weinig verbaasd toen hij mij mijne boot -bij den wind zag brengen, en weder afvallen, door behulp van mijn roer, -en hoe het zeil over dezen of dien boeg vol stond, naarmate ik van koers -veranderde. Toen hij, zeg ik, dit zag, stond hij van verbazing verstomd, -weldra echter geraakte hij door eenige oefening er gemeenzaam mede, en -hij werd een vlug matroos, behalve ten aanzien van het kompas, dat ik -hem nimmer goed kon doen begrijpen; aan den anderen kant, daar het zeer -zelden bewolkte lucht en bijkans nimmer nevelachtig in deze streken was, -was er weinig behoefte aan een kompas, daar bij nacht altijd de sterren, -en over dag het strand zigtbaar was, behalve in het regensaizoen, en dan -verlangde niemand buiten's huis te zijn, noch te land noch ter zee. - -Ik was nu het zevenentwintigste jaar mijner gevangenschap op deze plaats -ingetreden, schoon de drie laatste jaren van mijn verblijf eigenlijk met -de vorige niet kunnen vergeleken worden, daar het in dien tijd geheel -anders was geworden dan vroeger. Ik vierde dit jaarfeest van mijne komst -alhier met dezelfde dankbaarheid jegens God, voor zijne goedheid, als -het eerste; en had ik toen reeds zoo veel stof tot dankbaarheid, nu was -dit nog veel meer het geval, daar ik zoo veel meer blijken van Gods -vaderlijke zorg voor mij had ontvangen, en de hoop op eene spoedige -bevrijding koesterde, want ik hield mij vast overtuigd, dat mijne -bevrijding spoedig op handen was, en ik geen volgende verjaring mijner -komst aldaar zou vieren. Ik bleef echter even zoo voor mijne huishouding -zorgen als te voren; ik spitte en plantte en omheinde, droogde mijne -druiven, en deed al wat noodig was, als te voren. - -Middelerwijl viel het regensaizoen in, waarin ik meer binnen 's huis -bleef dan anders; dus had ik onze boot zoo goed mogelijk geborgen, door -haar in de kreek te brengen, waar ik, gelijk ik gezegd heb, in den -beginne mijne vlotten van het schip aan land bragt. Nadat ik haar bij -hoog water op den wal gehaald had, deed ik Vrijdag een klein dok graven, -dat juist groot en diep genoeg was om de sloep te bevatten, en toen het -water afliep, sloten wij het met een stevigen dam af om er het water uit -te houden; dus lag zij droog, en om den regen af te keeren, maakten wij -er met zware takken eene soort van stevig afdak over heen; en aldus -wachtten wij de maanden November en December af, waarin ik besloten had -het avontuur te ondernemen. - -Toen het weder gestadig werd, en de gedachte aan mijn voornemen, met de -schoone dagen tegelijk terug kwam, maakte ik dagelijks toebereidselen -tot onze reis. Het eerste wat ik deed, was een aantal levensmiddelen, -voor de reis bestemd, bijeen te brengen; met oogmerk, om een of twee -weken later het dok te openen en onze boot te water te brengen. Op een -morgen was ik aan iets hiertoe bezig, toen ik Vrijdag riep en hem -gelastte naar het strand te gaan, om te zien of hij een schildpad vinden -kon, iets waarnaar wij gewoonlijk alle weken eens zochten, zoowel om de -eijeren als om het vleesch. Vrijdag was nog niet lang weg geweest, toen -hij terug kwam loopen, over mijn buitensten wal vloog als iemand, die -den grond onder zijne voeten niet voelt, en voor ik den tijd had hem toe -te spreken, riep hij: "O meester, meester! o verdriet! o kwaad!"--"Wat -is het, Vrijdag?" zeide ik.--"O, ginder," zeide hij, "ginder een, twee, -drie kanoes, een, twee, drie kanoes!" Uit zijne wijs van zich uit te -drukken maakte ik op, dat er zes waren; maar bij verdere navraag hoorde -ik, dat er slechts drie waren. "Nu goed, Vrijdag, wees niet bang," -zeide ik, en zoo trachtte ik hem een riem onder het hart te steken. Ik -zag echter, dat de arme knaap doodelijk beangst was, want hij had zich -in het hoofd gezet, dat zij alleen gekomen waren om hem te zoeken, en -dat zij hem in stukken zouden houwen. Hij beefde zoo, dat ik niet wist -wat ik met hem zou beginnen. Ik stelde hem gerust zooveel ik kon, en -zeide, dat ik even veel gevaar liep als hij, en dat zij mij zoowel als -hem zouden opeten. "Maar," zeide ik, "Vrijdag, wij moeten besluiten, met -hen te vechten. Kunt gij vechten, Vrijdag?"--"Ik kan schieten," zeide -hij, "maar er zijn er zooveel."--"Wees daar niet bang voor," hernam ik, -"die wij niet doodschieten zullen door ons vuur bevreesd geworden zijn." -Ik vroeg hem daarop, als ik besloot hem te verdedigen, of hij mij zou -bijstaan en stipt doen wat ik hem gelastte. Hij zeide: "Ik sterven zal -als gij mij gelast te sterven, meester." Ik ging daarop heen en nam een -goeden slok rum en gaf hem ook een borrel; want ik had met mijn rum zoo -zuinig huis gehouden, dat er nog vrij wat over was. Daarop liet ik hem -de twee jagtgeweren, die wij altoos bij ons hadden, geven, en laadde die -met groven ganzenhagel, die bijkans zoo zwaar was als pistoolkogels; -daarop nam ik vier geweren, en laadde die ieder met twee patronen en -vijf kogels, en op mijne twee pistolen deed ik ook twee kogels op ieder. -Volgens gewoonte hing ik mijne groote sabel op zijde en gaf Vrijdag -zijne bijl. - -Na ons aldus uitgerust te hebben, nam ik mijn kijker en klom den heuvel -op, om te zien wat ik ontdekken kon. Weldra bemerkte ik, dat er -eenentwintig wilden waren, drie gevangenen en drie kanoes; en dat hunne -geheele bezigheid scheen te zijn om van deze drie mannen een gastmaal te -houden--een barbaarsch feest waarlijk, maar dat bij hen niets ongewoons -was. - -Ik bemerkte ook, dat zij niet geland waren op de plek waar Vrijdag -ontsnapt was, maar digter bij mijne kreek, waar het strand laag was, en -een digt bosch zich tot vlak bij de zee uitstrekte. Deze omstandigheid -en de afschuw van het onmenschelijk oogmerk dezer barbaren, maakten -mijne verontwaardiging zoo gaande, dat ik naar Vrijdag terugkeerde en -hem zeide, dat ik besloten had op hen af te gaan, en hen allen dood te -schieten, en hem vroeg of hij mij wilde bijstaan. Zijn angst was thans -bedaard, en zijn moed door den sterken drank wat opgewekt, zoodat hij -zeer wel gemoed was, en mij zeide, even als vroeger, dat hij wilde -sterven als ik hem gelastte te sterven. - -In deze eerste vlaag van woede deelde ik de wapens, die ik geladen had -zoo als ik verhaald heb, tusschen ons; ik gaf Vrijdag eene pistool om in -zijn gordel te steken en drie geweren op zijne schouders; ik nam zelf -eene pistool en ook drie geweren, en aldus trokken wij op weg. Ik stak -een fleschje rum bij mij, en gaf Vrijdag een zak met kruid en lood te -dragen. Ik gelastte hem digt achter mij te blijven, en niet vooruit te -gaan, noch te schieten noch iets te doen buiten mijn orders, en tevens -geen enkel woord te spreken. Aldus uitgerust, maakte ik een omweg van -bijkans eene (Eng.) mijl, zoo wel om de kreek over te trekken als om in -het bosch te komen; opdat ik hen binnen bereik van mijn schot mogt -bekomen, zonder dat zij mij ontdekten, hetgeen naar ik met mijn kijker -gezien had, gemakkelijk te doen was. - -Terwijl ik op weg was, kwamen mijne vroegere bezwaren bij mij op en mijn -besluit begon te wankelen. Ik wil niet zeggen, dat ik eenige vrees voor -hun aantal voedde; want daar zij naakt en ongewapend waren, was ik gewis -de overhand te hebben, al ware ik geheel alleen geweest. Maar ik bedacht -welke roeping, welke reden ik had, laat staan welke noodzakelijkheid er -bestond, dat ik mijne handen in bloed zou doopen, en heden aantasten, -die mij nimmer eenig leed hadden gedaan, en hiertoe ook geen voornemen -hadden; die ten mijnen aanzien schuldeloos waren, en wier barbaarsche -zeden hun eigen ongeluk waren, daar dit een teeken was, dat God hen met -andere volken van dit werelddeel aan diepe onwetendheid ten prooi had -gelaten. Maar dit gaf mij geen regt om over hunne daden het vonnis uit -te spreken, veel minder mij tot uitvoerder der goddelijke geregtigheid -op te werpen; want zoo God het goedvond zou Hij zelf hen straffen, en -door rampen over hun geheele volk te brengen, de zonden des volks -bestraffen; maar dit was geenszins eene taak, die mij toekwam. Wel is -waar, in Vrijdag kon dit verschoonbaar zijn, omdat hij hun verklaarde -vijand en als het ware in staat van oorlog met deze natie was; maar zoo -het hem vrijstond hen aan te vallen, was dit niet bij mij het geval. -Deze gedachten kwamen mij zoo levendig voor den geest, terwijl ik op weg -naar hen toe was, dat ik besloot in hunne nabijheid post te vatten, en -dan te handelen zoo als God mij zou aanwijzen; maar zoo ik geen -duidelijker roeping dan thans ontving, mij niet met hen in te laten. - -Met dit besluit trad ik het bosch in, en trok met de meeste stilte en -omzigtigheid, terwijl Vrijdag mij digt op de hielen volgde, tot aan den -zoom van het bosch, aan den kant, die het digtst bij hen was, behalve, -dat een uithoek van het bosch mij van hen afscheidde. Hier gekomen riep -ik Vrijdag zachtjes bij mij, en hem een grooten boom, die juist aan den -hoek stond, wijzende, gelastte ik hem daarin te klimmen, en mij tijding -te brengen als hij duidelijk zien kon wat zij verrigtten. Dit deed hij -en kwam onmiddellijk terug, zeggende, dat men ze vandaar duidelijk zien -kon; dat zij allen om het vuur zaten, het vleesch van een hunner -gevangenen etende, terwijl een ander, niet ver van hen af, gebonden op -het zand lag, die zij volgens zijn zeggen, daarna zouden doodslaan; -hetgeen mij buiten mij zelven van drift maakte. Hij zeide mij, dat het -niet een van zijne natie was, maar een dier witte gebaarde mannen, die -bij zijn volk in de boot waren gekomen. Dit berigt, dat het een blanke -was, deed mijn afschuw ten top stijgen, en naar den boom gaande zag ik -door mijn kijker duidelijk den blanke, die op het strand lag, aan handen -en voeten gekneveld met eene soort van biezen, en dat hij een Europeër -was, en kleederen aanhad. - -Er was nog een andere boom met eenig struikgewas er om heen, ongeveer -vijftig schreden digter bij hen dan de plek waar ik stond, en door een -kleinen omweg te maken kon ik zonder gezien te worden, daar komen, en -dan was ik op een half geweerschot afstands van hen. Ik bedwong mijne -drift derhalve, ofschoon die ten hoogsten top gestegen was, en ongeveer -twintig schreden teruggaande, begaf ik mij achter eenig kreupelhout, dat -zich uitstrekte tot aan den anderen boom, en toen kwam ik aan eene -kleine hoogte, die mij op ongeveer tachtig schreden afstands, een -duidelijk gezigt van hen opleverde. - -Ik had geen tijd te verliezen, want negentien dier rampzaligen zaten op -den grond allen digt bij elkander, en hadden juist de twee anderen -afgezonden om den armen Christen te slagten, en hem misschien aan -stukken gehouwen, naar hun vuur te brengen, en zij bukten om de banden -aan zijne voeten los te maken. Ik keerde mij tot Vrijdag. "Doe nu zoo -als ik gelast heb," zeide ik. Hij antwoordde van ja, en ik herhaalde: -"Vrijdag, doe juist wat gij mij ziet doen, en geef wel acht." Ik zette -een der musketten en het jagtgeweer op den grond, en Vrijdag deed -hetzelfde. Met het andere geweer legde ik op de wilden aan, waarin hij -mij navolgde. Ik vroeg daarop of hij gereed was. "Ja," was zijn -antwoord. "Geef dan vuur," zeide ik, en op hetzelfde oogenblik brandde -ik ook los. - -Vrijdag had veel beter gemikt dan ik, aan den kant waar bij heenschoot -had hij twee man gedood en drie gekwetst, en ik had aan mijne zijde een -gedood en twee gekwetst. De wilden geraakten in vreesselijke -opschudding, gelijk men wel denken kan; allen, die niet gekwetst waren, -sprongen dadelijk op de been, maar zij wisten niet waarheen zij vlugten -noch waarheen zij uitzien moesten; want zij zagen niet vanwaar het -verderf hen naderde. Vrijdag hield mij gestadig in het oog, ten einde, -gelijk ik hem gelast had, te zien wat ik deed; onmiddellijk na het -eerste schot liet ik dus het geweer vallen en nam het jagtgeweer op, en -Vrijdag deed hetzelfde; hij zag mij den haan overhalen en deed evenzoo. -"Zijt gij gereed, Vrijdag?" vroeg ik. "Ja," hernam hij. "Vuur dan, in -Gods naam," zeide ik, en ik brandde weder los op de verbijsterde wilden, -en Vrijdag deed evenzoo, en daar onze geweren nu met groven ganzenhagel -of kleine pistoolkogels geladen waren, zagen wij slechts twee vallen, -maar eene groote menigte waren gewond, die als razenden heen en weder -liepen, gillende en schreeuwende, terwijl spoedig daarna er nog drie of -vier, die zwaar gekwetst waren, nederstortten. - -"Volg mij nu, Vrijdag," zeide ik, het afgeschoten geweer nederleggende, -en het nog geladen musket opnemende. Hij deed het moedig, en ik kwam -het bosch uit en vertoonde mij, met Vrijdag vlak achter mij. Zoodra ik -bemerkte, dat zij mij zagen schreeuwde ik zoo luid als ik kon, en -gelastte Vrijdag dit ook te doen; en zoo hard als ik loopen kon, hetgeen -in het voorbijgaan gezegd, door de wapens waarmede ik beladen was, niet -zeer snel ging, begaf ik mij regt naar den armen mensch toe, die gelijk -ik zeide, op het strand lag, tusschen de plaats waar zij zaten en de -zee. De twee wilden, die hem juist hadden willen slagten, hadden de -vlugt genomen in den schrik voor ons eerste vuur, en waren in eene kanoe -gesprongen, en nog drie begaven zich ook daarheen. Ik keerde mij naar -Vrijdag, gelastte hem verder te gaan en op hen vuur te geven. Hij -begreep mij dadelijk, en ongeveer veertig schreden vooruitgaande, om te -digter bij hen te zijn, gaf hij vuur op hen, en ik meende, dat hij hen -allen gedood had; want ik zag ze allen over elkander in de boot -tuimelen, doch twee hunner stonden spoedig weder op. Hij had echter twee -er van gedood en den derde gekwetst, zoodat deze als dood op den bodem -van de kanoe lag. - -Terwijl Vrijdag op hen vuurde haalde ik mijn mes uit, en sneed de banden -door, waarmede de arme mensch gebonden was; hielp hem op de been en -vroeg hem in het Portugeesch wie hij was. Hij antwoordde mij in het -Latijn een Christen; maar was zoo zwak en flaauw, dat hij naauwelijks -staan of spreken kon. Ik haalde mijne flesch uit den zak en wenkte hem, -dat hij drinken zou, hetgeen hij deed; en ik gaf hem een stuk brood, -hetgeen hij opat. Toen vroeg ik hem wat landsman hij was, en hij zeide -een Spanjaard, en zich een weinig hersteld hebbende, gaf hij mij door -alle mogelijke teekens te kennen hoezeer hij mij dankbaar was voor zijne -bevrijding. "Sennor," zeide ik, in zoo goed Spaansch als ik bijeen kon -brengen, "daar zullen wij later over spreken, maar nu moeten wij -vechten, als uwe krachten het toelaten, neem dus deze pistool en die -sabel, en weer u daarmede." Hij nam ze met dankzegging aan, en -naauwelijks had hij de wapens in de hand, of hij scheen nieuwe kracht te -krijgen, vloog als woedend op zijne moordenaars aan, en had twee hunner -in een oogenblik neergeveld; want om de waarheid te zeggen, de arme -schepsels, wien dit alles zoo onverwachts overkwam, waren zoo verschrikt -van de losbranding onzer geweren, dat zij van verbazing en angst -nederstortten, en even weinig in staat waren op de vlugt te denken, als -om onze kogels af te weren, en zoo ging het ook met de vijf, die in de -boot waren, want toen Vrijdag schoot en er drie die getroffen waren, -nedervielen, stortten de andere twee van blooten schrik neder. - -Ik hield mijn geweer nog in de hand, maar zonder vuur te geven, omdat ik -mijn schot bewaren wilde, daar ik den Spanjaard mijne pistool en sabel -had gegeven; ik riep Vrijdag dus, en zond hem terug naar den boom -vanwaar wij het eerst gevuurd hadden, om de ongeladen geweren te halen, -die wij daar hadden laten liggen, hetgeen hij met groote vlugheid deed; -en na hem mijn geweer gegeven te hebben, ging ik zitten om de anderen -weder te laden; en gelastte hem naar mij toe te komen als hij ze noodig -had. Terwijl ik ze laadde geraakte de Spanjaard in een fel gevecht met -een der wilden, die hem met een dier houten zwaarden aanviel, hetzelfde -wapen, waarmede hij zou geslagt zijn geworden, als ik het niet belet -had. De Spanjaard, die ofschoon zwak, zoo moedig was als een leeuw, had -dezen Indiaan eene geruime poos bevochten en hem twee wonden aan het -hoofd toegebragt; maar de wilde, een kloeke sterke kerel zijnde, had den -afgematten man nedergeworpen en trachtte hem mijne sabel uit de hand te -wringen, toen de Spanjaard, hoewel onderliggende, wijsselijk de sabel -losliet, mijne pistool uit zijn gordel trok en den Indiaan door het -ligchaam schoot, zoodat hij op de plek dood bleef, alvorens ik, die hem -te hulp kwam, bij hem was gekomen. - -Vrijdag, die nu naar eigen willekeur handelen kon, vervolgde de -vlugtende wilden met geen ander wapen dan zijne bijl, en hiermede maakte -hij de drie af, die gelijk ik gezegd heb, bij het eerste schot gevallen -waren, en al die hij verder bereiken kon. Den Spanjaard, die mij om een -geweer vroeg, gaf ik een der jagtgeweren, waarmede hij twee wilden -vervolgde, en ze beide kwetste; maar daar hij bezwaarlijk loopen kon, -ontsnapten zij hem beide in het bosch, waar Vrijdag ze vervolgde, en er -een van doodde; maar de andere was hem te vlug af; en ofschoon gewond, -sprong hij echter in zee, en zwom uit al zijne magt naar de twee, die -nog in de kanoe waren, welke drie personen, waaronder een gekwetste, die -wij niet wisten of hij leven kon of niet, alles was wat ons van de -eenentwintig ontsnapte. Zie hier den uitslag van het gevecht. - - - 3 Gedood bij ons eerste vuur van den boom. - 2 Gedood bij het volgende schot. - 2 Door Vrijdag in de kanoe gedood. - 2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt. - 1 Door hem in het bosch gedood. - 3 Door den Spanjaard gedood. - 4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven - of door Vrijdag afgemaakt. - 4 Ontsnapt in de boot, waaronder een gewond of dood. - ---- - 21 in het geheel. - - -Die in de kanoe waren roeiden zoo hard zij konden om buiten ons schot te -komen, en hoewel Vrijdag twee of drie schoten op hen deed, kon ik niet -bespeuren, dat hij een hunner getroffen had. Vrijdag had wel gewild, dat -ik een hunner kanoes genomen en hen vervolgd had; hunne ontvlugting -baarde mij ook veel zorg, uit vrees, dat zij, na hunnen landslieden deze -tijding gebragt te hebben, misschien met twee of driehonderd kanoes -terug mogten keeren, en ons door hun aantal overweldigen. Ik gaf dus -mijn toestemming hen op zee te vervolgen, sprong in een der kanoes en -gelastte Vrijdag mij te volgen; maar in de kanoe gekomen stond ik niet -weinig verwonderd daar nog een levend wezen in te vinden, even als de -Spanjaard aan handen en voeten gebonden om geslagt te worden, en schier -dood van schrik, niet wetende wat er gebeurde, daar hij niet over de -zijde der kanoe heen had kunnen zien; hij was zoo stijf gebonden, en zoo -lang gekneveld geweest, dat er schier geen leven meer in hem was. - -Oogenblikkelijk sneed ik de gestrengelde biezen los, waarmede zij hem -gebonden hadden; en wilde hem ophelpen; maar hij kon niet staan of -spreken; maar kermde jammerlijk, meenende naar het schijnt, dat hij -alleen losgemaakt werd om geslagt te worden. - -Toen Vrijdag er bij kwam, gelastte ik dezen hem zijne bevrijding bekend -te maken, en mijne flesch uithalende, gaf ik den armen drommel een slok, -hetwelk, met de tijding van zijne bevrijding, hem weder bij bragt, en -hij ging in de kanoe zitten; maar toen Vrijdag hem hoorde spreken en hem -in het gelaat zag, zou het iedereen tot tranen bewogen hebben, die -gezien had hoe Vrijdag hem kuste, omhelsde en troetelde, hoe hij -schreeuwde, lachte, juichte, sprong, danste, zong, dan weder schreeuwde, -de handen wrong, zich op het gelaat en de borst sloeg, en dan weder als -een razende danste en sprong. Het duurde eene geruime poos eer ik het -zoo ver brengen kon, dat hij tot mij sprak en mij zeide wat er van de -zaak was, maar toen hij een weinig tot zichzelven kwam verhaalde hij -mij, dat dit zijn vader was. - -Ik zou moeijelijk kunnen uitdrukken hoe het mij trof, toen ik zag hoe -krachtig de verrukking en kinderliefde waren bij dezen wilde, toen hij -zijn vader, en dat wel van den dood gered wederzag; ik kan inderdaad -niet half al de volgende uitsporige blijken zijner kinderlijke liefde -beschrijven, want hij was nu eens in de kanoe en dan weder er uit. Als -hij er in kwam, ging hij naast zijn vader zitten en hield diens hoofd -tegen zijne borst gedrukt, gelijk eene moeder haren zuigeling, een half -uur achtereen om hem te koesteren; dan nam hij zijne armen en beenen, -die geschaafd en stijf van het binden waren, en verwarmde en wreef die -met zijne handen; en ik dit ziende gaf hem wat rum uit mijne flesch om -ze te wrijven, hetgeen ze zeer veel goed deed. - -Dit maakte een einde aan onze vervolging van de andere kanoe met de -wilden, die thans genoegzaam uit het gezigt geraakt was, en dit was een -geluk voor ons, want twee uren later woei het zoo hard, terwijl zij nog -geen kwartier ver konden zijn, en het bleef den geheelen nacht zoo hard -uit het noordwesten doorstormen, dat ik niet onderstellen kon, dat bij -dien zwaren tegenwind hunne kanoe zee kon bouwen noch zij hunne kust -bereiken konden. - -Doch om tot Vrijdag terug te keeren: hij had het zoo druk met zijn -vader, dat het mij eenigen tijd niet van het hart kon hem te roepen, -maar eindelijk deed ik het, en hij kwam lagchende en dansende naar mij -toe. Ik vroeg hem of hij zijn vader wat brood had gegeven. Hij schudde -het hoofd, en zeide: "Neen, ik slechte kerel, alles opgegeten heb." Ik -gaf hem dus een stuk, dat ik nog in mijn zak had, voor zijn vader en een -slok rum voor hem, maar hij wilde het niet drinken maar bragt het ook -aan zijn vader. Ik had twee of drie trossen rozijnen in mijn zak, die ik -hem ook gaf voor hem en zijn vader. Maar naauwelijks had hij dit gedaan, -of ik zag hem uit de kanoe springen en wegloopen alsof hij dol was. Hij -liep zoo vlug (ik heb nimmer iemand gezien, die zoo snel kon loopen als -hij) dat hij in een oogenblik uit het gezigt was, en of ik hem toeriep -en naschreeuwde, het hielp niet. Een kwartier daarna zag ik hem -terugkomen, schoon niet zoo snel als vroeger, omdat hij iets droeg, en -naderbij gekomen, zag ik, dat het eene pot met water was. - -Toen hij bij mij kwam zag ik, dat hij een aarden pot of pan gehaald had -om zijn vader wat zoet water te brengen, en hij had ook een paar koeken -of brooden medegebragt. Het brood gaf hij mij, maar het water bragt hij -aan zijn vader, hoewel ik, die zeer dorstig was, er ook een slokje van -nam. Het water verkwikte zijn vader meer dan al de sterke drank, dien ik -hem gegeven had, want hij bezweek schier van dorst. Toen zijn vader -gedronken had, riep ik hem of er nog water over was, en daar hij ja -zeide, gelastte ik hem dit aan den armen Spanjaard te geven, die het -even hoog noodig had als zijn vader, en ik zond tevens een stuk brood -naar dien man, die zeer afgemat was, en in de schaduw van een boom lag -uit te rusten, en wiens leden ook zeer stijf en gezwollen waren van het -zware knevelen, dat men hem gedaan had. Ik zag, dat toen Vrijdag met het -water bij hem kwam, hij overeind ging zitten en dronk en ook een stuk -brood at; ik ging dus naar hem toe en gaf hem ook een tros rozijnen. Hij -zag mij aan met een gelaat, waarop de dankbaarheid ten duidelijkste te -lezen stond, maar was zoo zwak, niettegenstaande hij zich in het -gevecht zoo dapper geweerd had, dat hij niet opstaan kon; hij beproefde -het twee of drie malen, maar kon niet op de been komen; zijne enkels -waren zoo gezwollen en zoo pijnlijk, dat ik hem verzocht te blijven -zitten en Vrijdag gelastte zijne beenen te wrijven en met rum te -wasschen, gelijk hij zijn vader gedaan had. - -Gedurende al den tijd, dat hij dit deed, vergingen er geen twee minuten -of de arme jonge keerde het hoofd om, om te zien of zijn vader nog op -dezelfde plaats en in dezelfde houding zat, waarin hij hem verlaten had, -en toen hij eindelijk hem eens niet zag, sprong hij, zonder een woord te -spreken op, en liep er zoo snel naar toe, dat het scheen alsof zijne -voeten den grond niet raakten, maar bij hem komende bespeurde hij, dat -hij alleen gemakshalve was gaan liggen. Dus kwam hij tot mij terug, en -ik zeide den Spanjaard, dat Vrijdag hem zou helpen om als hij kon naar -de boot te gaan, en dan zou ik hem naar onze woning voeren om verder -voor hem te zorgen; maar Vrijdag, die een sterke knaap was, nam den -Spanjaard op zijn rug en droeg hem zoo naar de boot, zette hem -voorzigtig op het boord van de kanoe, met zijne voeten er in, ligtte hem -vervolgens er geheel in en zette hem naast zijn vader, en vervolgens de -boot afzettende, pagaaide hij die langs de kust sneller dan ik loopen -kon, schoon het vrij hard woei. Zoo bragt hij ze behouden in de kreek, -en hen in de boot latende, liep hij heen om de andere kanoe te halen. -Terwijl hij mij voorbij liep vroeg ik waar hij heenging. Hij zeide: -"Meer boot halen," en weg vloog hij als de wind, want nimmer liep een -mensch of paard harder, en hij was met de andere kanoe bijkans zoo -spoedig aan de kreek als ik er over land kwam, dus haalde hij mij over, -en ging toen onze nieuwe gasten uit de boot halen, maar zij waren geen -van beide in staat om te loopen, dus wist de arme Vrijdag niet wat hij -doen zou. - -Om hier te helpen, spande ik mijne hersens in, en toen Vrijdag roepende, -zeide ik hem hen te verzoeken op het strand te blijven zitten. Spoedig -had ik daarop eene soort van draagbaar gemaakt en Vrijdag en ik droegen -hen daarop tusschen ons in. Maar aan onzen buitenwal gekomen, waren wij -nog meer in verlegenheid, want het was ons onmogelijk hen er over te -helpen, en ik wilde die niet gaarne afbreken. Vrijdag en ik gingen dus -weder aan het werk, en binnen een paar uren hadden wij een vrij knappe -tent opgeslagen, met oude zeilen en daarover takken bedekt, op de opene -plek, tusschen mijn buitenste schans en de streek jong hout, door mij -geplant, en hier maakten wij hun twee bedden van hetgeen ik had, -namelijk van rijsten stroo, met dekens er over om op te liggen, en op -ieder bed een deken om hen te dekken. - -Nu was mijn eiland bevolkt, en ik achtte mij reeds ruim voorzien van -onderdanen, en verheugde mij thans dikwijls met het denkbeeld hoeveel ik -van een koning had. In de eerste plaats was het eiland geheel en al mijn -eigendom, zoodat mijn regt van heerschappij onbetwistbaar was. Ten -tweede was mijn volk mij volkomen onderdanig; ik was hun oppermagtig -heer en wetgever; zij hadden allen hun leven aan mij te danken, en waren -bereidwillig hun leven voor mij op te offeren, als daartoe de -gelegenheid zich opdeed. Het was ook opmerkelijk, dat hoewel ik slechts -drie onderdanen had, deze allen een verschillend geloof hadden. Vrijdag -was een Protestant, zijn vader een Heiden en Kannibaal, en de Spanjaard -een Roomschgezinde. Ik liet echter door mijn geheele gebied, volkomen -vrijheid van godsdienst heerschen. Doch dit in het voorbijgaan. - -Naauwelijks had ik mijne twee verloste, zwakke gevangenen te huis -gebragt, en hun huisvesting en eene slaapplaats verschaft, of ik begon -aan eenigen leeftogt voor hen te denken. Het eerste wat ik deed was -Vrijdag te gelasten een halfwassen, eenjarige geit uit mijne kudde, te -dooden; ik nam daarop het achterdeel, en hakte dat aan kleine stukjes; -daarop zette ik Vrijdag aan het koken en braden, en maakte hun een zeer -goeden maaltijd van vleesch en soep gereed; in welke laatste ik ook -eenige rijst en wat koren gedaan had; en na het buiten's huis gekookt te -hebben, want ik stookte nimmer vuur binnen mijne schans, bragt ik het -eten naar de nieuwe tent. Na eene tafel voor hen geplaatst te hebben, -ging ik met hen het middagmaal houden, en sprak hen zooveel mogelijk -moed in, met behulp van Vrijdag, die mijn tolk was bij zijn vader, en -ook bij den Spanjaard, want deze sprak de taal der wilden zeer goed. - -Na gegeten te hebben, gelastte ik Vrijdag eene kanoe te nemen en onze -geweren en andere wapens te halen, die wij in de haast op het slagveld -hadden laten liggen, en den volgenden dag zond ik hem uit om de lijken -der gedoode wilden te gaan begraven, die thans in de zon lagen, en -tevens de overblijfselen van hun afschuwelijk gastmaal onder den grond -te bedelven. Ik kon er niet aan denken dit zelf te doen, noch zelfs het -aan te zien als ik dien kant uitging. Dit alles volbragt hij zeer stipt, -en deed zelfs alle sporen, dat hier wilden geweest waren, verdwijnen, -zoodat toen ik weder dien kant uitkwam, ik niet vinden kon waar het -geweest was, dan aan den hoek van het bosch, die zich naar het strand -uitstrekte. - -Ik begon toen mij een weinig te onderhouden met mijne twee nieuwe -onderdanen, en het eerst deed ik Vrijdag aan zijn vader vragen wat hij -dacht van de vlugt dier wilden in de kanoe, en of wij mogten verwachten -hen te zien terugkeeren met eene overmagt, die wij niet zouden kunnen -wederstaan. Zijne eerste meening was, dat de wilden nimmer den storm -zouden hebben kunnen doorstaan, die des avonds, nadat zij vertrokken -waren, was opgestoken, maar dat zij noodwendig verdronken of zuidwaarts -verder op de kust moesten geslagen zijn, en dan zouden zij even zeker -geslagt worden. Maar wat zij doen zouden als zij behouden aan hunne kust -kwamen, wist hij niet, maar hij was van meening, dat de wijze waarop zij -overvallen waren geworden, dat de schoten en het vuur hun zooveel schrik -zouden aangejaagd hebben, dat zij hunnen landslieden zouden zeggen, dat -zij door donder en bliksem en niet door menschenhanden gedood waren; en -dat de twee, die zij gezien hadden (namelijk Vrijdag en ik) geen -gewapende menschen, maar twee hemelsche of helsche geesten waren, -gekomen om hen te verdelgen. Dit wist hij, zeide hij, omdat hij hen dit -in hunne taal elkander had hooren toeroepen, want het was hun onmogelijk -te begrijpen, dat een man vuur spuwen en donder spreken en van uit de -verte dooden kon, zonder de hand op te heffen, gelijk thans geschied -was.--De oude wilde had gelijk, want gelijk ik naderhand langs een -anderen weg vernam, de wilden uit die streek hebben nimmer weder -beproefd het eiland te naderen. Zij waren zoo ontzet door het verhaal -van die vier menschen, (want deze waren naar het schijnt, niet op zee -vergaan) dat zij geloofden, dat ieder, die zich op dit betooverd eiland -waagde, door de goden met vuur zou verdelgd worden. Ik, die dit echter -niet wist, bleef een geruimen tijd in aanhoudende vrees, en was altijd -op mijne hoede, met mijn geheele leger, en daar wij nu met ons vieren -waren, zou ik mij altijd tegen honderd van hen in het open veld gewaagd -hebben. - -Daar er echter na eene poos geene kanoes kwamen opdagen, sleet de vrees -voor hunne komst uit, en ik begon mijne vroegere denkbeelden van een -togt naar het vaste land weder op te vatten, daar nu ook Vrijdags vader -mij verzekerd had, dat ik door hem op een goed onthaal bij zijn volk -mogt rekenen als ik daarheen ging. - -Echter schorste ik mijn voornemen eenigen tijd op, na een ernstig -gesprek met den Spanjaard, en toen ik vernam, dat er nog zestien zijner -landslieden en Portugezen, in den storm daar het leven gered hadden, en -daar wel in vrede met de wilden leefden, maar niets meer ontvingen dan -hoog noodig was om niet van honger te sterven. Ik vroeg hem al de -bijzonderheden zijner reis, en vernam, dat zij op een Spaansch schip -behoord hadden van Rio de la Plata naar Havanna bestemd, met last om -daar hunne lading, die hoofdzakelijk uit huiden en zilver bestond, te -lossen, en zoodanige Europesche goederen als zij daar konden vinden, -terug te brengen; dat zij vijf Portugesche matrozen aan boord hadden -gehad, die door hen van een ander wrak gered waren; dat bij het vergaan -van hun schip vijf man van hun eigen volk verdronken waren, en dat de -geredden onnoemelijke gevaren hadden doorgestaan, en half dood van -honger op de Kannibaalsche kust gekomen waren, waar zij verwachtten elk -oogenblik vermoord te zullen worden. - -Hij verhaalde mij, dat zij eenige wapens hadden, die hun echter -volstrekt van geen nut waren, omdat zij kruid noch lood hadden; het -zeewater had al hun kruid bedorven, op een klein weinig na, dat zij -gebruikt hadden toen zij het eerst aan land waren gekomen, om zich eenig -voedsel te verschaffen. Ik vroeg hem wat hij dacht, dat er daar van hen -worden zou, en of zij geen plan tot ontvlugting ooit gemaakt hadden. -Hierover zeide hij, hadden zij dikwijls beraadslaagd, maar daar zij noch -vaartuigen, noch werktuigen om ze te bouwen, bezaten, noch eenigen -voorraad hoegenaamd, was hunne overlegging altijd in wanhoop en tranen -geëindigd. Ik vroeg hem hoe hij dacht, dat een voorstel van mij ten -aanzien van hunne redding, zou opgenomen worden, en of dit niet -geschieden kon als zij allen hier waren. Ik zeide hem ronduit, dat ik -bovenal vreesde voor verraad en mishandeling van hunnentwege, als ik -mijn leven in hunne handen stelde, want dat de dankbaarheid geene -aangeboren deugd der menschen is; en dewijl de menschen niet alleen -handelen naar gelang van hunne verpligtingen, maar veeleer naar het -voordeel, dat zij verwachten. Ik zeide hem, dat het zeer hard zou zijn, -als ik de bewerker hunner bevrijding was, en dat zij mij naderhand in -Nieuw-Spanje tot hun gevangene maakten, waar een Engelschman van zijn -dood zeker was, welke nooddwang of welk toeval hem ook derwaarts voerde, -en dat ik liever aan de wilden overgeleverd en geslagt wilde worden, dan -in de onbarmhartige handen der inquisitie te vallen. Ik voegde er bij, -dat ik mij overigens overtuigd hield, dat zoo zij allen hier waren, wij -een boot konden bouwen, groot genoeg om ons allen of zuidwaarts naar -Brazilië of de eilanden, of noordwaarts naar de Spaansche kust te -voeren; maar, dat als zij ter vergelding, als ik hen eens wapens in de -hand had gegeven, mij met geweld naar hun eigen land voerden, mijne -goedheid jegens hen slecht beloond worden, en ik er erger aan toe zijn -zou dan vroeger. - -Hij antwoordde met veel openhartigheid en verstand, dat hun toestand zoo -jammerlijk was, en zij dit zoo zeer inzagen, dat hij geloofde, dat zij -het denkbeeld van iemand, die iets tot hunne bevrijding had bijgedragen, -ondankbaar te behandelen, zouden verafschuwen; en dat hij, als ik het -verkoos, met den ouden man naar hen toe zou gaan, er met hen over -spreken, en mij hun antwoord terug komen brengen; dat hij hen een -plegtigen eed zou afeischen, dat zij zich geheel onder mijn bevel -stelden, als hun kapitein en bevelhebber; en dat zij mij op de Heilige -Sacramenten en het Evangelie trouw zouden zweren, en naar zoodanig -Christenland gaan als ik verlangde, en naar geen ander; dat zij zich -geheel en volkomen onder mijne orders zouden beschouwen tot wij behouden -geland waren, in zoodanig land als ik verkoos, en dat hij een contract -daarover, door hen onderteekend, zou medebrengen. - -Vervolgens zeide hij, dat hij zelf eerst wilde zweren mij nimmer, -zoolang hij leefde, te zullen verlaten, zonder mijn bevel, en dat hij -zijn laatsten druppel bloed voor mij zou vergieten; als zijne -landslieden zich aan de minste verbreking hunner beloften schuldig -maakten. - -Hij verhaalde mij, dat het allen zeer beschaafde, brave lieden waren, -die zich in den jammerlijksten toestand bevonden, dien men zich kan -verbeelden, daar zij noch wapens, noch kleederen, noch eenig voedsel -hadden, maar geheel van de genade der wilden afhingen, en dat hij -verzekerd was, dat, als ik ondernam hen te verlossen, ik in leven en -dood op hen kon rekenen. - -Op deze verzekeringen besloot ik het te wagen hen zoo mogelijk te -verlossen, en den ouden wilde en den Spanjaard naar hen toe te zenden, -om met hen te onderhandelen. Maar toen de Spanjaard gereed stond om te -vertrekken, maakte hij zelf mij een zwarigheid, die aan den eenen kant -zoo gegrond was, en aan den anderen kant zoo van zijne opregtheid -getuigde, dat ik niet anders dan met hem instemmen kon, en naar zijn -raad, de bevrijding zijner makkers, ten minste een half jaar uitstelde. -Het geval was namelijk dit. - -Hij was nu ongeveer eene maand bij mij geweest, gedurende welke ik hem -had laten zien hoe ik, met bijstand der Voorzienigheid, voor mijn -levensonderhoud gezorgd had; en hij zag toen mijn voorraad van rijst en -graan, die hoewel meer dan genoeg voor mij zelven, echter niet voldoende -was, ten minste slechts schraal, voor mijn nieuw gezin, nu dit uit vier -personen bestond; maar nog veel minder zou het genoeg zijn als zijne -landslieden, waarvan, gelijk hij zeide, nog veertien in leven waren, -overkwamen, en nog veel minder was er genoeg om ons vaartuig te -provianderen, als wij er een gebouwd hadden, voor eene reis naar een -der vestigingen in Amerika. Dus zeide hij mij, dat hij het raadzamer -achtte, als ik hem en de twee anderen nog eenig land liet omspitten en -bezaaijen, met zooveel zaaikoren als ik thans besparen kon, opdat wij -genoeg graan in voorraad mogten hebben voor zijne landslieden, als die -komen mogten; want het gebrek mogt hen in verzoeking brengen om hunne -belofte te verbreken, en zij zich slechts uit de eene ongelegenheid in -de andere gestort zien. "Gij weet," zeide hij, "dat schoon de kinderen -Israëls zich eerst verheugden over hunne verlossing uit Egypte, zij -echter tegen God zelf, die hun verlost had, opstonden, toen zij in de -woestijn aan brood gebrek leden." - -Zijne omzigtigheid was zoo prijsselijk en zijn raad zoo goed, dat ik -niet dan genoegen in zijn voorstel kon nemen, zoowel als voldaan zijn -over zijne getrouwheid. Dus gingen wij alle vier aan het spitten, zoo -goed als dit met onze houten spaden ging, en ongeveer na eene maand, -wanneer het zaaitijd was, hadden wij zooveel land ontgind, dat wij -tweeëntwintig schepels graan en zestien potten rijst zaaiden, hetwelk al -het zaaikoren was, dat wij missen konden, zelfs hielden wij naauwelijks -genoeg graan over voor ons eigen voedsel, voor de zes maanden, waarin -wij op onzen oogst moesten wachten, dat wil zeggen, te rekenen van den -tijd, dat wij ons zaaikoren hadden afgezonderd, want men moet niet -onderstellen, dat het daar te lande zes maanden in den grond bleef. - -Daar ik nu gezelschap had, en wij ook talrijk genoeg waren om niets te -vreezen van de wilden, als die gekomen waren, tenzij hun aantal -bovenmate groot was, gingen wij zoo dikwijls wij er den tijd toe hadden, -het geheele eiland door; en daar nu onze bevrijding ons steeds voor den -geest zweefde, was het ons, althans mij, onmogelijk niet telkens de -middelen daartoe te overdenken. Te dien einde merkte ik verscheidene -boomen, die ik voor ons werk geschikt achtte, en zette Vrijdag en zijn -vader aan het vellen daarvan, en dan liet ik den Spanjaard, wien ik -mijne gedachten daaromtrent mededeelde, hun werk nagaan en bestieren. Ik -wees hem met wat onvermoeiden arbeid ik zware boomen tot planken had -gekapt, en liet hem hetzelfde verrigten, tot zij ongeveer een dozijn -eikenhouten planken bijeen hadden, van bijkans twee voet breed, -vijfendertig voet lang en van twee tot vier duim dik. Welke ontzettende -arbeid dit vereischte, zal iedereen ligt begrijpen. - -Te gelijker tijd trachtte ik mijne kudde van tamme geiten zooveel -mogelijk te vermenigvuldigen, en te dien einde gingen Vrijdag en de -Spanjaard den eenen dag, en Vrijdag en ik den anderen dag, beurtelings -uit, en vingen ongeveer twintig jonge geiten, om bij de overigen op te -kweeken, want als wij de moeder doodschoten, spaarden wij de jongen en -voegden die bij onze kudde. Maar vooral deed ik, toen de tijd tot het -droogen van druiven gekomen was, zulk eene groote menigte in de zon -hangen, dat ik geloof, als wij te Alicante, waar men de druiven in de -zon droogt, geweest waren, wij zestig tot tachtig vaten gevuld zouden -hebben. Deze maakten met ons brood, grootendeels onze spijs uit; en het -was een zeer goed voedsel, dat kan ik verzekeren, want zij zijn zeer -voedzaam. - -Het was nu herfst en de oogst stond zeer goed. Wel was hij niet zoo -overvloedig als ik wel eens beleefd had, maar toch voor ons oogmerk -voldoende, want van de tweeëntwintig schepels zaaikoorn, oogstten en -dorschten wij ongeveer tweehonderd-en-twintig schepels, en van de rijst -naar evenredigheid; hetwelk voor ons voedsel genoeg was tot aan den -volgenden oogst, al waren ook al de zestien Spanjaarden bij mij geweest, -of zoo wij tot eene reis gereed waren hadden wij hiermede ons ruim -kunnen provianderen voor eene reis naar iedere plaats, dat is te zeggen -van Amerika. Toen wij aldus ons koorn te huis gehaald hadden, gingen wij -aan het vlechten van groote manden om het in te bewaren, waarin de -Spanjaard vooral zeer handig was, die mij dikwijls laakte, dat ik -hiervan geene verdedigingsmiddelen maakte, maar ik zag er de -noodzakelijkheid niet van in. - -Nu ik voor al de gasten, die ik verwachtte, genoeg te eten had, gaf ik -den Spanjaard verlof den overtogt te doen en te zien, wat hij kon doen -met de achtergeblevenen. Ik gaf hem een schriftelijken last, niemand -mede te brengen, die niet eerst in tegenwoordigheid van hem en den ouden -wilde gezworen had, dat hij op geenerlei wijze den persoon, dien hij op -het eiland vinden zou, die zoo goed was hen te hunner bevrijding af te -halen, zou beleedigen, bevechten of aanvallen, maar dat zij hem zouden -bijstaan en verdedigen tegen al zoodanige ondernemingen, en dat waar zij -ook gingen, zij geheel en al onder zijn bevel en gezag zouden staan, en -dat dit in schrift gesteld en door hen onderteekend zou worden. Hoe dat -laatste zou geschieden, daar ik wist, dat zij pen noch inkt hadden, was -eene zaak daar wij in het geheel niet over gedacht hadden. - -Met deze lastgevingen vertrokken de Spanjaard en de oude wilde, de vader -van Vrijdag, in een der kanoes, waarmede zij gekomen of liever gebragt -waren door de wilden om verslonden te worden. Ik gaf ieder een geweer en -zes of acht scherpe patronen mede, met last hiermede zuinig te zijn en -ze niet dan bij dringende noodzakelijkheid te gebruiken. Dit was voor -mij eene aangename verrigting, want het waren de eerste maatregelen, die -ik sedert meer dan zeven-en-twintig jaren, ter mijner bevrijding genomen -had. Ik gaf hun zooveel brood en rozijnen mede, als niet alleen genoeg -was voor hen gedurende een geruimen tijd, maar ook voor al hunne -landslieden voor acht dagen; en na hun goede reis gewenscht te hebben, -liet ik hen vertrekken, na een sein met hen afgesproken te hebben, dat -zij bij hunne terugkomst zouden laten waaijen, en waaraan ik hen op een -afstand en vóór zij aan den wal kwamen, kon herkennen. - -Zij vertrokken bij gunstigen wind en met volle maan, volgens mijne -rekening in de maand October, doch nadat eens mijne rekening van de -dagen in de war was geraakt, kon ik die nimmer weder in orde brengen; -zelfs wist ik niet zeker, of ik de jaren wel volkomen juist had -berekend, doch naderhand bleek het, dat mijne rekening van de jaren -volkomen juist was. - -Het was nu acht dagen, dat ik reeds op hen wachtte, toen een zeldzaam -en onverwacht voorval, en welks gelijken welligt niet in de geschiedenis -is vermeld, gebeurde. Ik lag op een morgen gerust te slapen toen Vrijdag -kwam binnenstuiven, luidkeels roepende: "Meester, meester, daar komen -zij, daar komen zij!"--Ik sprong op, en zonder om eenig gevaar te -denken, ging ik, zoodra ik mijne kleederen aangeschoten had, door mijn -boschje, dat thans een dik bosch geworden was, ik zeg, zonder aan eenig -gevaar te denken, ging ik zonder wapens uit, hetgeen anders mijne -gewoonte niet was; maar ik zag verbaasd op, toen ik, zeewaarts ziende, -op ongeveer een half uur afstands, eene boot naar den wal zag zeilen, -met eene gunstige koelte, zoodat zij spoedig moest aankomen. Ook merkte -ik thans op, dat zij niet van dien kant kwam waar het vaste land lag, -maar van het zuidelijkste einde van het eiland. Hierom riep ik Vrijdag -en gelastte hem zich te verbergen, want dat dit niet de lieden waren, -die wij verwachtten; en wij nog niet wisten of dit vrienden of vijanden -waren. - -In de eerste plaats ging ik mijn kijker halen, om te zien wat ik van hen -ontdekken kon, en na de ladder opgezet te hebben, klom ik naar den top -van den heuvel, gelijk ik gewoon was als ik ergens voor vreesde, en goed -wenschte te zien zonder ontdekt te worden. Ik had naauwelijks mijn voet -op den heuvel gezet, of ik ontdekte duidelijk een schip, dat op twee en -een halve mijl van mij af, maar slechts anderhalve mijl van het strand -in het Z. Z. O. voor anker lag, en scherper toeziende bemerkte ik -duidelijk, dat het een Engelsch schip, en de boot eene Engelsche sloep -was. - -Ik kan niet zeggen, hoezeer mij dit verraste; schoon de vreugde van een -schip te zien, hetwelk ik reden had te gelooven, dat door landgenooten -en dus bevriend volk van mij, bemand was, onbeschrijfelijk was, werd ik -echter door eene geheime en onverklaarbare angstvalligheid aangedreven, -om op mijne hoede te zijn. In de eerste plaats begreep ik niet wat een -Engelsch schip in dit oord kon komen doen, daar dit niet de weg was naar -of van eenig deel der wereld, waarop de Engelschen handel dreven; en ik -wist, dat er geen stormen geheerscht hadden, die hen daarheen hadden -kunnen slaan; zoodat als zij werkelijk Engelschen waren, zij met geen -goed oogmerk hier waren, en ik beter deed te blijven waar ik was dan in -de handen van dieven en moordenaars te vallen. - -Laat niemand dit geheime voorgevoel van gevaar verachten, dat hij -somwijlen ontvangt, als hij zelfs aan de mogelijkheid van het gevaar -geen geloof kan slaan. Weinigen geloof ik, die gewoon zijn gade te slaan -wat er om hen heen gebeurt, kunnen ontkennen, dat ons zulke -waarschuwingen gegeven worden; wij kunnen niet dan die aan de werking -van eene onzigtbare magt, buiten ons, toeschrijven, en waarom zouden wij -niet onderstellen, dat die ons tot ons bestwil gegeven worden. - -Hetgeen er thans voorviel, levert hiervan een blijk op, want zoo deze -geheime stem mij niet tot behoedzaamheid had aangedreven, ware ik mijn -verderf in den mond geloopen, en in veel erger toestand dan te voren -geraakt, gelijk men zien zal. - -Ik was niet lang op den heuvel geweest, of ik zag de sloep digt langs -het strand komen, alsof men naar eene kreek zocht om haar in te brengen, -om gemakkelijker aan land te kunnen komen. Daar zij echter niet ver -genoeg gingen, zagen zij den kleinen inham niet, waar ik vroeger mijne -vlotten aan land gebragt had, maar zetten de boot op het strand op eene -halve (Eng.) mijl van mij af, hetgeen zeer gelukkig was, want anders -zouden zij als het ware voor mijne deur geland, en mij spoedig uit mijn -kasteel gejaagd, en welligt van alles beroofd hebben wat ik had. - -Toen zij aan wal waren zag ik duidelijk, dat het Engelschen waren, -althans de meesten; een of twee hield ik voor Hollanders, maar dit was -zoo niet. Er waren in het geheel elf mannen, waarvan drie ongewapend, en -naar ik meende, gebonden; en toen er vier of vijf van de eersten op -strand gesprongen waren, deden zij de drie gevangenen uit de boot gaan. -Een van de drie stelde zich aan als een wanhopige, de beide anderen -hieven slechts een paar malen de handen hemelwaarts, en schenen zeer -neêrslagtig, schoon niet zoo ontsteld als de eerste. Ik was geheel -verbaasd over hetgeen ik zag, en wist niet wat ik er van begrijpen -moest. Vrijdag riep mij toe: "O meester, gij ziet, dat de Engelsche -mannen ook hunne gevangenen opeten, zoo goed als de wilden!"--"Denkt -gij, dat zij hen zullen opeten, Vrijdag?" vroeg ik.--"Ja," zeide hij, -"zij zullen hen opeten."--"Neen, neen, Vrijdag," hernam ik, "ik vrees -wel, dat zij hen zullen vermoorden, maar gij kunt er op aan, dat zij hen -niet zullen opeten." - -Al dien tijd wist ik niet wat ik denken moest, maar stond te beven van -afschuw, daar ik ieder oogenblik verwachtte, dat de gevangenen vermoord -zouden worden; en zelfs zag ik, dat een der schurken zijn sabel ophief, -om een der gevangenen te dreigen, en ik verwachtte ieder oogenblik, hem -te zien toeslaan, bij welk gezigt mij het bloed in de aderen verstijfde. -Ik wenschte thans hartelijk, dat de Spanjaard en de oude wilde, die met -hem vertrokken was, bij mij waren, of dat ik eenig middel wist, om, -zonder ontdekt te worden, hen binnen bereik van mijn geweer te brengen, -om de drie mannen te verlossen, want ik zag geen vuurwapenen bij hen; -maar mij werd eene andere gelegenheid hiertoe verschaft. - -Nadat de matrozen deze drie lieden zoo mishandeld hadden, zag ik, dat -zij hier en daar heenzwierven, als om het land te gaan bezien. Ik -bemerkte ook, dat de drie mannen konden gaan, waar zij wilden, maar zij -bleven alle drie op het strand zitten in een allerneêrslagtigste -houding. Dit herinnerde mij hoe ik voor de eerste maal aan land kwam en -in het rond zag; hoe ik mij verloren achtte, hoe ik verwilderd in het -rond staarde, welken schrikkelijken angst ik uitstond, en hoe ik, uit -vrees voor wilde dieren, den geheelen nacht op een boom doorbragt. Even -als ik dien nacht niets wist van den onderstand, dien ik ontvangen zou, -doordien wind en tij het schip digter bij het land drijven zouden, -waardoor ik sedert zoo lang voedsel en kleederen had erlangd, evenzoo -wisten deze drie wanhopigen niet, hoe gewis zij op bijstand en -bevrijding konden rekenen, en hoe zij werkelijk in veiligheid Waren, -toen zij zich verloren en hunne zaak wanhopig achtten. - -Zoo weinig kunnen wij in de wereld vooruitzien, en zooveel reden hebben -wij om welgemoed van onzen Schepper te vertrouwen, dat hij zijne -schepselen niet zoo geheel zal verlaten, maar dat zij in de -ongelukkigste omstandigheden altijd stof tot dankbaarheid hebben, en -somtijds nader bij hunne redding zijn dan zij zich verbeelden, ja hunne -redding zelfs te danken hebben aan de middelen, die zij als oorzaak van -hun verderf beschouwen. - -Het water was juist op zijn hoogst toen deze lieden aan den wal kwamen, -en terwijl zij gedeeltelijk stonden te spreken met de gevangenen, die -zij medegebragt hadden, en gedeeltelijk rondzwierven om te zien, op -welke soort van plaats zij waren, hadden zij zorgeloos getoefd, totdat -de eb was doorgekomen, en hunne sloep hoog en droog op het strand zat. -Zij hadden twee man in de boot achtergelaten, die, gelijk ik naderhand -bevond, wat te veel brandewijn gedronken hadden en vast in slaap -gevallen waren. Een van hen echter ontwaakte, en vindende, dat hij de -boot niet in beweging kon brengen, riep hij zijne kameraden, die in de -nabijheid rondzwierven, maar zij waren met hun allen niet sterk genoeg, -om de sloep, die zeer zwaar was, vlot te krijgen, daar het strand aldaar -uit fijn en los zand bestond. - -In dezen staat van zaken gaven zij het op, als echte zeelieden, die van -alle menschen misschien het minste gewoon zijn aan voorzorgen te denken, -en gingen weder landwaarts in, en ik hoorde een hunner luid tot een -ander roepen, terwijl hij hem uit de boot riep: "Kom, Jack, laat haar -liggen; het volgende tij zal haar vlot maken." Hierdoor wist ik thans -zeker van welke natie zij waren. - -Al dien tijd hield ik mij verborgen, en durfde zelfs niet verder dan -mijn schuilhoek op den heuvel, mijn kasteel verlaten, en ik was blijde -als ik bedacht, hoe goed het versterkt was. Ik wist, dat de sloep niet -dan na tien uren vlot kon komen, en dan zou het duister zijn, en ik -hunne bewegingen gade slaan, en hunne gesprekken, als zij die voerden, -afluisteren. Middelerwijl maakte ik mij tot een gevecht gereed, even als -vroeger, maar met meer behoedzaamheid, daar ik wist, dat ik thans met -een geheel ander slag van vijanden dan de vorige te doen had. Ik -gelastte Vrijdag, die thans een zeer goed schutter was geworden, zich te -wapenen. Ik nam twee jagtgeweren en gaf hem drie geweren. Mijn voorkomen -was waarlijk schrikbarend genoeg. Ik had mijn rok van geitenvellen aan, -en mijne muts op, waarvan ik vroeger gesproken heb, een bloote sabel in -de hand, twee pistolen in mijn gordel, en op ieder schouder een geweer. - -Het was gelijk ik hiervoor zeide, mijn oogmerk, niets te ondernemen voor -het duister was, maar tegen twee ure, op het heetste van den dag, vond -ik, dat zij allen het bosch ingegaan, en waarschijnlijk in slaap -gevallen waren. De drie ongelukkigen, te ongerust over hunnen toestand -om te slapen, waren echter in de schaduw van een grooten boom gaan -zitten, ongeveer een kwartier van mij af, en naar ik meende, buiten het -gezigt van een der overigen. Ik besloot hierop mij aan hen te ontdekken, -en iets naders omtrent hunnen toestand te vernemen. Onmiddellijk trok -ik, in bovengemelde uitrusting op weg; en Vrijdag een eind weegs achter -mij, die om zijne wapens ontzag genoeg moest inboezemen, maar niet zulk -een schrikbarende spookgestalte als ik was. Ik naderde hen zonder -opgemerkt te worden, en toen, voor een hunner mij bespeurd had, riep ik -hen luid in het Spaansch toe: "Wie zijt gij, heeren?" - -Zij sprongen verbaasd op, maar stonden tienmaal meer verbijsterd, toen -zij mijn schrikbaarlijke gestalte zagen. Zij gaven geen antwoord, maar -ik verbeeldde mij, dat zij de vlugt wilden nemen, waarop ik hen in het -Engelsch toesprak: "Ontstel u niet, heeren; misschien vindt gij in mij -een vriend, naderbij u dan gij verwachtte."--"Dan moet gij regtstreeks -van den hemel gezonden zijn," zeide een hunner ernstig, en te gelijk den -hoed afnemende, "want menschelijke bijstand kan ons niet baten."--"Alle -bijstand komt van den hemel," zeide ik. "Maar kunt gij een vreemdeling -onderrigten, hoe hij u helpen kan, want gij schijnt in groote -ongelegenheid te zijn? Ik zag u toen gij aan land kwaamt, en toen gij de -kerels, die u hier bragten, iets scheent af te smeeken, zag ik, dat een -hunner zijne sabel tegen u ophief." - -De arme man, wien de tranen over het gelaat biggelden, stond geheel -verbijsterd, en zeide: "Spreek ik tot een mensch of tot een -engel?"--"Wees daar niet ontsteld over," zeide ik. "Zoo God u een engel -toegezonden had, zoude deze beter gekleed en anders gewapend zijn dan -ik. Leg uwe vrees af; ik ben een mensch, een Engelschman, en geneigd u -van dienst te zijn, dat ziet gij. Ik heb maar een knecht, doch wij -hebben kruid en lood. Zeg ons ronduit: kunnen wij u van dienst zijn? Wat -is het geval?" - -"Ons geval," zeide hij, "is te lang om u te verhalen, mijnheer, terwijl -onze moordenaars zoo nabij zijn; doch in korte woorden, ik was kapitein -op gindsch schip; mijn volk is aan het muiten geslagen; zij zijn met -moeite overgehaald om mijn leven te sparen, en hebben mij eindelijk op -dit woeste eiland aan land gezet, met deze twee lieden, mijn stuurman is -de eene, en de andere is een passagier, waar wij den dood verwachtten, -daar wij niet wisten, dat het eiland bewoond was, en nog niet weten wat -er van te denken." - -"Waar zijn die schelmen, uwe vijanden?" vroeg ik. "Weet gij waar zij -heengegaan zijn?"--"Daar zijn zij, mijnheer," zeide hij, naar een bosch -wijzende. "Ik beef van angst, dat zij ons gezien en u hebben hooren -spreken, want dan zullen zij ons zeker allen vermoorden." - -"Hebben zij vuurwapenen?" vroeg ik. Hij zeide, dat zij slechts twee -geweren hadden, waarvan een in de sloep was gebleven. "Welnu, laat dan -alles aan mij over," zeide ik. "Het is gemakkelijk hen allen te dooden, -maar willen wij ze niet liever gevangen maken?" Hij zeide, dat er twee -aartsschurken onder hen waren, wien het ongeraden was genade te -verleenen, maar dat hij geloofde, dat zoo zij vermeesterd waren, de -overigen wel tot hunnen pligt zouden terugkeeren. Ik vroeg hem wie dat -waren. Hij zeide, dat hij ze mij op dien afstand niet uitduiden kon, -maar dat hij bereid was, mij in alles te gehoorzamen.--"Welnu," zeide -ik, "laat ons dan buiten hun gehoor gaan, om hen niet wakker te maken, -en dan zullen wij verder zien." Zij gingen daarop met mij terug tot de -boomen, om voor hen verborgen te zijn. - -"Nu, mijnheer," zeide ik, "als ik het waag u te bevrijden, zult gij dan -twee voorwaarden met mij willen aangaan?" Hij kwam mijn voorstel voor -door mij te verzekeren, dat hij en zijn schip, als hij bevrijd werd, -geheel tot mijn bevel, en volkomen tot mijne beschikking waren, en dat -zoo het schip niet weder bekomen mogt worden, hij met mij wilde leven en -sterven, in welk werelddeel ik hem ook wilde voeren, en de twee anderen -zeiden hetzelfde. - -"Welnu," zeide ik, "ik heb slechts twee voorwaarden. Vooreerst, dat -zoolang gij hier op het eiland vertoeft, gij op geenerlei gezag hier -aanspraak maakt, en dat zoo ik u wapens ter hand stel, gij die bij alle -gelegenheden, mij zult teruggeven, en mij noch het mijne op dit eiland -eenige schade toebrengen, en middelerwijl mijne bevelen gehoorzamen. - -"Ten tweede, dat als het schip hernomen mogt worden, gij mij en mijne -goederen, zonder passagegeld te vorderen, naar Engeland zult medenemen." - -Hij gaf mij alle verzekeringen van zijne trouw, die hij slechts kon -bedenken, en dat hij aan deze allerbillijkste eischen zou voldoen, en -bovendien zoolang hij leefde erkennen zou, dat hij zijn leven aan mij te -danken had. - -"Welnu dan," zeide ik, "hier zijn drie geweren voor u met kruid en lood. -Zeg mij nu wat gij thans geraden acht te doen." Hij herhaalde zijne -betuigingen, maar bood aan, zich geheel door mij te laten leiden. Ik -zeide hem, dat het altijd gevaarlijk was wat wij ook ondernamen, maar -dat het best wat ik bedenken kon was, te gelijk op hen vuur te geven, in -hunnen slaap, en dat, als sommigen hunner bij deze eerste losbranding -niet gedood werden, en om genade vroegen, wij hen dan konden sparen, en -aldus aan de Voorzienigheid over te laten hoedanig onze kogels te -rigten. Hij antwoordde zeer menschlievend, dat hij ongaarne -menschenbloed zou vergieten, maar dat die twee lieden onverbeterlijke -schurken en de aanleggers der geheele muiterij waren; dat zoo zij -gespaard werden, zij zeker aan boord zouden terugkeeren en al het -scheepsvolk medebrengen en ons allen vermoorden. "Welnu," zeide ik, "dan -wettigt de noodzakelijkheid, hetgeen ik geraden heb, want het is het -eenigste middel om ons leven te sparen." Daar ik echter zag, dat hij nog -huiverde voor bloedvergieten, zeide ik, dat ik alles aan hem overliet, -en dat zij konden handelen, zoo als zij goed vonden. - -Onder dit gesprek hoorden wij, dat eenigen hunner ontwaakten, en kort -daarna zagen wij twee man vertrekken. Ik vroeg hem of een van deze ook -onder de belhamels behoorde. Hij zeide: "neen." "Welnu," zeide ik, "laat -hen dan gaan, de Voorzienigheid schijnt het, heeft hen doen ontwaken, om -hun leven te sparen. Zoo de overigen u nu ontgaan, is het uwe eigene -schuld." - -Hierdoor aangemoedigd nam hij het geweer op, dat ik hem gegeven had, en -stak een pistool in zijn gordel, en ging met zijne twee makkers, ieder -met een geweer in de hand, heen. De twee mannen, die bij hem waren en -vooruit gingen, maakten eenig gerucht, waardoor een der matrozen, die -wakker was, zich omkeerde, en hen ziende naderen, de overige te hulp -riep; maar het was te laat; want op het oogenblik, dat hij riep gaven -zij vuur, terwijl de kapitein wijsselijk zijn schot bespaarde. Zij -hadden zoo goed de mannen uitgekozen, die zij kenden, dat een hunner op -de plek dood bleef, en de ander zwaar gewond was; maar toch overeind -kwam, en de anderen luid te hulp riep. De kapitein echter trad naar hem -toe, en zeide hem, dat het thans te laat was om hulp te vragen, dat hij -God vergiffenis mogt vragen voor zijne euveldaden, en velde hem daarop -met de kolf van zijn geweer neder, en sloot hem den mond voor altoos. Er -waren nog drie over, waarvan een ligt gekwetst was. Thans was ik er bij -gekomen en toen zij hun gevaar zagen, en dat alle tegenstand vruchteloos -was, smeekten zij om genade. De kapitein zeide hun, dat hij hun leven -sparen zou, als zij hem betuigden, dat zij hunne verraderij verfoeiden, -en beloofden hem getrouw te zullen bijstaan in het hernemen van zijn -schip, en het terug te voeren naar Jamaica, vanwaar hij kwam. Zij gaven -hem alle beloften, die hij verlangde, en hij wilde gaarne hun leven -sparen, waar ik niet tegen was, evenwel ried ik hem hen aan handen en -voeten gebonden, te bewaren, zoolang hij op het eiland was. - -Terwijl dit voorviel zond ik Vrijdag met den stuurman naar de sloep, met -last die vast te leggen, en de riemen en het zeil er uit te nemen, -hetgeen zij deden, en kort daarop kwamen drie knapen, die, gelukkig voor -hen, van hunne rondzwervende makkers afgeraakt waren, terug op het -hooren der geweerschoten, en ziende, dat hun kapitein van hun gevangene -nu hun overwinnaar geworden was, onderwierpen zij zich om op dezelfde -wijze als de anderen gebonden te worden, en dus was onze overwinning -voltooid. - -Nu bleef er slechts over, dat de kapitein en ik elkander mededeelden wat -ons overkomen was. Ik begon het eerst en verhaalde hem mijne geheele -geschiedenis, die hij met opmerkzame verbazing aanhoorde, bijzonder over -de wondervolle wijze, waarop ik met levensmiddelen en kruid en lood -voorzien was geworden; en daar inderdaad mijne geheele geschiedenis eene -reeks van wonderen is, trof dezelve hem diep; maar wanneer hij -vervolgens om zichzelven dacht, en hoe ik scheen gespaard te zijn om hem -het leven te redden, liepen de tranen hem over het gelaat, en hij was -niet in staat een woord te uiten. - -Na deze mededeeling bragt ik hem en zijne twee makkers in mijn vertrek, -langs denzelfden weg, waarop ik er uitgekomen was, zette hun zoodanige -verkwikkingen voor als ik had, en wees hun al de inrigtingen, die ik -gedurende mijn lang, lang verblijf in deze plaats had tot stand gebragt. -Zij verwonderden zich over al wat ik hun aanwees, al wat ik hun -verhaalde, maar bovenal stond de kapitein verbaasd over mijne -verschansingen, en hoe volkomen ik mijn verblijf had verborgen door eene -reeks van boomen, die daar zij nu omstreeks twintig jaren gestaan -hadden, en het hout hier veel sneller groeide dan in Engeland, een klein -bosch en zoo digt was geworden, dat het overal ondoordringbaar was -geworden, behalve op die plaats waar een smal kronkelend pad liep. Ik -verhaalde hem, dat dit mijn kasteel en residentie was; maar dat ik, -gelijk de meeste vorsten een landverblijf had, waar ik nu en dan -heentrok, en dat ik hem bij gelegenheid zou aanwijzen, maar thans was -het zaak te bedenken hoe wij ons weder van het schip zouden meester -maken. Hij stemde zulks toe, maar bekende, dat hij volstrekt niet wist -wat maatregelen te nemen, want dat er nog zesentwintig man aan boord -waren, die daar zij in eene muiterij hadden deel genomen, waardoor zij -volgens de wet het leven verbeurd hadden, thans door wanhoop gedreven, -daarin zouden volharden, wetende, dat als zij zich onderwierpen, de galg -hun lot zou zijn, zoodra zij in Engeland of een der Engelsche koloniën -kwamen, en dat het derhalve ongeraden zou zijn hen met ons klein getal -aan te tasten. - -Ik dacht eenigen tijd na over hetgeen hij gezegd had, en vond zijne -gevolgtrekking allezins gegrond, en dat er derhalve tot nog niets anders -kon gedaan worden, dan het volk aan boord door verrassing in een -valstrik te lokken, zoodat zij niet aan land kwamen en ons vermoordden. -Het viel mij thans in, dat het scheepsvolk, niet begrijpende wat er van -hunne makkers en van de sloep geworden was, zeker binnen korten tijd in -de andere boot aan land zou komen, om hen op te zoeken, en dat zij dan -misschien gewapend en met te groote overmagt voor ons zouden komen; dit -moest hij ook toestemmen. - -Ik zeide hem daarop, dat het eerst wat ons te doen stond, was, een gat -in de sloep, die op het strand stond, te maken, en er alles uit te -nemen, zoodat zij onbruikbaar werd en geen zee kon bouwen. Diensvolgens -gingen wij er heen, namen er de wapens uit en wat wij er verder in -vonden, hetgeen bestond uit eene flesch brandewijn en eene met rum, -eenige scheepsbeschuiten, een kruidhoorn en een groot stuk suiker, in -een zeildoekschen zak; het stuk suiker was vijf of zes pond zwaar; en -dit alles was mij hoogst welkom, vooral de brandewijn en suiker, die ik -sedert vele jaren niet geproefd had. Toen wij dit alles aan wal gebragt -hadden (de riemen, mast, zeil en roer hadden wij, gelijk ik gezegd heb, -er reeds vroeger uitgenomen), hakten wij een groot gat in den bodem, -zoodat als zij in te groot getal voor ons kwamen, om hen te -overmeesteren, zij toch de boot niet konden medenemen. - -Ik had er weinig gedachten op, dat wij in staat zouden zijn het schip te -herwinnen; maar ik begreep, dat als zij vertrokken zonder de boot mede -te nemen, het ons gemakkelijk zou vallen die weder in staat te brengen, -om ons naar de benedenwinds eilanden te brengen, en onze vrienden, de -Spanjaarden, onder weg op te nemen, want ik had hen niet vergeten. - -Terwijl wij aldus onze toebereidselen maakten, en met alle man de boot -zoo hoog op het strand haalden, dat zij met hoog water niet weder vlot -kon komen, en er bovendien een gat van onderen in gehakt hadden, te -groot om gemakkelijk te stoppen, en zaten te overdenken wat ons thans te -doen stond, hoorden wij van het schip een schot doen, en zagen het eene -vlag hijschen, als een sein voor de boot om terug te keeren; maar er -kwam geene boot opdagen, en zij deden verscheidene schoten en maakten -andere seinen voor de boot. - -Toen eindelijk al hun seinen en schieten vruchteloos bleef, en hun boot -onbewegelijk bleef, zagen wij door mijn kijker hen eene andere boot -uitzetten, en naar den wal roeijen, en wij bespeurden, toen deze -naderkwam, dat er niet minder dan tien man in waren, en dat deze -vuurwapens bij zich hadden. Daar het schip bijkans twee mijlen van den -wal aflag, hadden wij een goed gezigt van hen toen zij aankwamen, en wij -konden zelfs hunne gelaatstrekken duidelijk zien, omdat, daar het getij -hen een weinig oostelijk medegesleept had, zij onder het strand -heenroeiden, om op dezelfde plaats, waar de andere boot lag, te landen. - -Hierdoor, zeide ik, konden wij hen duidelijk zien, en de kapitein, die -al de personen en hun karakter kende, zeide, dat er drie brave knapen -onder hen waren, die, hiervan was hij zeker, door de overigen door -bedreigingen tot de zamenspanning gedwongen waren; maar dat de -bootsman, die naar het scheen hun opperhoofd was, en al de overigen zoo -slecht waren als het verdere scheepsvolk, en ongetwijfeld in hunnen -aanslag zouden volharden. Hij beefde van angst, dat zij voor ons te -sterk zouden zijn. - -Ik lachte er om, en zeide, dat menschen in onzen toestand boven de vrees -verheven waren; dat aangezien schier elke bedenkelijke toestand beter -was dan die, waarin wij rekenen mogten te zijn, wij op bevrijding, -hetzij dan levend of door den dood, behoorden bedacht te zijn. Ik vroeg -hem wat hij van mijne lotgevallen dacht, en of hij niet meende, dat eene -bevrijding wel verdiende, dat men er iets voor waagde. "En waar," zeide -ik, "blijft uw geloof, dat ik hier gespaard ben geworden, ten einde u -het leven te redden, hetwelk u kort geleden zoo veel moeds gaf? Wat mij -betreft, ik vind in dit alles slechts eene zwarigheid."--"En welke is -die?" vroeg hij.--"Deze," antwoordde ik, "dat er, gelijk gij mij gezegd -hebt, drie of vier brave knapen onder hen zijn, die gespaard moeten -worden; zoo zij allen tot het slechtste deel van het scheepsvolk behoord -hadden, zou ik gedacht hebben, dat de Voorzienigheid hen uitgekozen had, -om hen in uwe handen te leveren; want reken er op, dat ieder man, die -aan wal komt, in onze magt is, en leven of sterven zal, naar gelang hij -zich gedraagt." - -Toen ik dit met eene krachtige stem en opgeruimd gelaat zeide, bemerkte -ik, dat hij wat meer moed schepte, en dus gingen wij onverwijld aan het -werk. Zoodra wij de sloep van het schip hadden zien afsteken, hadden wij -besloten de gevangenen afgescheiden van elkander en in veilige bewaring -te houden. Twee hunner, waarop de kapitein het minste staat maakte, zond -ik met Vrijdag en een der bevrijden naar mijne grot, waar zij goed -bewaard waren, en buiten gevaar van gehoord of ontdekt te worden, of uit -het bosch den weg te vinden als zij zich wisten los te maken. Hier -lieten zij hen gebonden achter, maar met levensmiddelen, en onder -belofte van, zoo zij zich stil hielden, binnen een dag of twee in -vrijheid gesteld te worden, maar dat zoo zij poogden te ontsnappen, zij -zonder genade ter dood gebragt zouden worden. Zij beloofden hunne -gevangenschap geduldig te dragen, en waren zeer dankbaar, dat zij zulke -goede levensmiddelen en licht hadden, want Vrijdag had hun eenige -kaarsen gegeven, en zij wisten niet beter of hij stond als schildwacht -aan den ingang. - -De andere gevangenen werden beter behandeld; wel werden twee hunner -geboeid, omdat de kapitein hen niet vertrouwde, maar de beide anderen in -mijne dienst genomen op zijne aanbeveling, en hunne plegtige belofte van -met ons te leven en te sterven, dus waren wij met hen zeven man sterk, -en ik twijfelde niet of wij zouden tegen de tien, die er kwamen, -opgewassen zijn; vooral daar de kapitein zeide, dat er onder deze ook -drie of vier brave knapen waren. - -Zoodra zij aan de plaats kwamen, waar de andere sloep lag, liepen zij -met hunne boot op het strand, en kwamen allen aan wal, hetgeen mij zeer -verheugde, want ik was bang, dat zij de boot op eenigen afstand, en met -eenig volk er in, om er op te passen, zouden gelegd hebben; wij hadden -in dat geval de boot niet kunnen vermeesteren. - -Het eerst, dat zij, aan den wal gekomen, deden, was, dat zij naar de -andere sloep gingen, en wij zagen, dat zij zeer verbaasd stonden van -haar zonder roer of riemen, en met een gat in den bodem terug te vinden. -Na eenig nadenken begonnen zij uit alle magt te schreeuwen, ten einde -hunne makkers hen zouden hooren, doch dit hielp niet, toen gingen zij -allen bij elkander staan en gaven te gelijk vuur met hun klein geweer, -zoodat het door het bosch weergalmde, doch dit was even vruchteloos; die -in de grot waren konden het, dit wisten wij, niet hooren, en zij, die in -onze bewaring waren, hoorden het wel zeer goed, maar durfden er geen -antwoord op geven. Zij waren hierover zoo verbaasd, dat zij, gelijk zij -naderhand ons verhaalden, besloten dadelijk naar boord terug te keeren, -en daar te berigten, dat al hunne makkers vermoord, en in de boot een -gat gemaakt was, derhalve gingen zij allen weder in de boot en staken -onmiddellijk af. - -De kapitein was bij dit gezigt zeer ontsteld, daar hij geloofde, dat zij -naar boord terugkeeren en onder zeil zouden gaan, en hunne makkers als -verongelukt beschouwen; en hij het schip verliezen zou, dat hij nog -hoopte te herkrijgen; doch spoedig nam zijne ontsteltenis eene andere -rigting. - -Zij waren niet lang weg geweest of wij zagen hen terugkeeren, maar -ditmaal gingen zij anders te werk, gelijk zij naar het schijnt beraamd -hadden, namelijk, zij lieten drie man in de boot, terwijl de anderen aan -wal gingen en landwaarts in liepen om hunne makkers te zoeken. Dit was -voor ons eene groote teleurstelling, want nu wisten wij niet wat wij -doen zouden. Het zou ons niet gebaat hebben de zeven man, die aan land -waren, te vatten, zoo wij de overige lieten ontsnappen, die dan zeker -naar het schip roeijen zouden en onder zeil gaan, waardoor wij alle hoop -zouden verliezen van het schip te hernemen. - -Er was echter niet aan te doen dan af te wachten, welken loop de zaken -zouden nemen. De zeven matrozen stapten aan wal, en de drie, die in de -boot bleven, roeiden haar op een goeden afstand van den wal af, en -gingen daar voor anker liggen, om hen af te wachten, zoodat het ons -onmogelijk was hen te bereiken. Degenen, die geland waren, bleven digt -bijeen en klommen op den top van den heuvel, waar onder mijne woning -lag, en wij zagen hen duidelijk, schoon zij ons niet konden gewaar -worden. Wij zouden gaarne gezien hebben, dat zij digterbij waren -gekomen, zoodat wij op hen hadden kunnen vuren, of verder weggegaan, -zoodat wij naar buiten konden komen. Toen zij echter op den heuvel -geklommen waren, vanwaar zij een wijd uitzigt over de dalen en bosschen -hadden, die aan de noord-oostzijde, en waar het eiland het laagste was, -lagen, begonnen zij zoo hard te schreeuwen als zij konden, en daar zij, -naar het schijnt, het niet durfden wagen te ver van de kust te gaan, of -zich in kleine partijen te verdeelen, gingen zij onder een boom zitten -om te raadplegen. Zoo zij goedgevonden hadden daar te gaan slapen, zoo -als de anderen gedaan hadden, zouden zij ons ligt werk gemaakt hebben; -maar zij vreesden te veel gevaar om te durven slapen, schoon zij niet -wisten voor welk gevaar zij te vreezen hadden. - -Terwijl zij zaten te beraadslagen, deed de kapitein een zeer verstandig -voorstel. Hij begreep namelijk, dat zij weder allen te gelijk hunne -geweren zouden afvuren, ten einde hunne makkers dit zouden hooren, en -dan stelde hij voor hen te overvallen, op het oogenblik, dat hun -schietgeweer nog niet weder geladen was, wanneer zij zich waarschijnlijk -zouden overgeven, en wij ons zonder bloedstorting van hen meester maken. -Ik stemde hierin toe, mits het gebeuren kon als wij digt genoeg bij hen -waren, om bij hen te zijn voor zij weder konden geladen hebben. Zij -deden dit echter niet, en wij lagen nog een langen tijd, zonder te weten -wat wij zouden doen. Eindelijk zeide ik, dat naar mijn gevoelen er niets -kon gedaan worden voor het avond was, en dat als zij dan niet naar hunne -boot terugkeerden, wij misschien tusschen hen en het strand konden -komen, en door eene of andere list de matrozen in de boot aan land -lokken. - -Wij wachtten eene lange poos, zeer ongerust en zeer verlangend hen te -zien vertrekken. Eindelijk zagen wij hen na eene lange beraadslaging, -allen opstaan en naar het strand gaan. Het schijnt, dat zij zoo bevreesd -waren voor de gevaren van dit eiland, dat zij besloten hadden naar boord -terug te keeren, hunne verloren makkers in de steek te laten en hunne -voorgenomen reis met het schip te vervolgen. - -Zoodra ik hen naar het strand zag gaan, verbeeldde ik mij, gelijk het -waarlijk was, dat zij hunne nasporingen hadden opgegeven, en terug -wilden keeren, en de kapitein wien ik mijn vermoeden mededeelde, bezweek -schier van angst. Ik had echter thans eene krijgslist bedacht om hen -terug te lokken, die mij volmaakt gelukte. - -Ik gelastte Vrijdag en den stuurman, de kleine kreek westwaarts, waar de -wilden met Vrijdag bij zich aan land waren gekomen, over te trekken, en -zoodra zij op eene kleine hoogte op ongeveer een half kwartier uurs -afstand gekomen waren, zoo hard te schreeuwen als zij konden, en te -wachten of zij bespeurden, dat de matrozen hen hoorden, dat zoodra zij -dezen hun hoorden antwoorden, zij weder moesten roepen, en dan steeds -uit hun gezigt blijvende, in de rondte trekken, altijd op het geroep der -anderen antwoordende, ten einde hen zoo ver landwaarts in en tusschen de -bosschen te lokken, als mogelijk was, en dan weder op de wijze als ik -hun voorschreef, tot mij terug keeren. - -Zij gingen juist in de boot toen Vrijdag en de stuurman begonnen te -roepen. Zij hoorden en antwoordden hen en liepen westwaarts het strand -langs, op de stemmen af, die zij gehoord hadden. Hier stuitten zij op de -kreek, waar zij, daar het hoog water was, niet over konden, en de -matrozen in de boot riepen om bij hen te komen en hen over te zetten, -gelijk ik vermoed had. - -Nadat deze hen overgezet hadden, zag ik, dat zij de boot een goed eind -weegs in de kreek, en dus als het ware in een haven gelegd hadden; zij -namen dan ook een van de drie man er uit met hen mede, en lieten er -slechts twee in de boot, die zij met een touw aan den stam van een boom -hadden vastgemaakt. - -Dit was juist wat ik verlangde, en terwijl ik Vrijdag en den stuurman -aan hunne taak liet, nam ik de overigen mede, en na de kreek buiten hun -gezigt overgetrokken te zijn, verrasten wij de twee man, waarvan een op -het strand en een in de boot zat, voor zij ons bemerkt hadden. Die aan -den wal was half slapende, en wilde juist opspringen, toen de kapitein, -die de voorste was hem nedervelde, en daarop den matroos in de boot -gelastte zich over te geven als hij zijn leven lief had. Er was weinig -aandrang noodig om den man te bewegen zich over te geven, toen hij zijn -makker geveld, en vijf lieden voor zich zag; bovendien was dit, naar het -schijnt, een van de drie, die niet zoo ijverig als de overigen in de -muiterij had deel genomen, en derhalve werd hij niet alleen gemakkelijk -overreed om zich over te geven, maar later ook om gemeene zaak met ons -te maken. - -Middelerwijl hadden Vrijdag en den stuurman zich zoowel van hunne taak -gekweten, dat zij de matrozen door hun geroep van den eenen heuvel naar -den anderen, en van het eene boschje in het andere gelokt hadden, totdat -zij hen niet alleen verschrikkelijk afgemat, maar ook verlaten hadden -met de zekerheid, dat zij voor den donker den weg niet naar de boot -zouden kunnen terugvinden, en zij zelven waren geheel afgemat toen zij -bij ons terugkwamen. Wij hadden nu niets anders te doen dan hen in het -duister te bespieden en te overvallen, om ligt werk met hen te hebben. - -Verscheidene uren, nadat Vrijdag bij mij teruggekomen was, kwamen zij -weder bij hunne boot, en lang voor zij bij ons waren, hoorden wij de -voorsten de achtersten van hen toeroepen: toch spoed te maken, en wij -hoorden de laatsten antwoorden, en klagen hoe zij lam van vermoeijenis -waren en niet harder voort konden, hetgeen voor ons eene aangename -tijding was. Eindelijk kwamen zij aan de boot, maar onmogelijk is het -hunne verbijstering te beschrijven, toen zij de boot vast zitten, het -water afgeloopen en hunne twee makkers verdwenen vonden. Wij hoorden hoe -zij elkander op den klagendsten toon toeschreeuwden, dat zij op een -betooverd eiland waren, dat er of inwoners op waren, die hen allen -zouden vermoorden, of dat het door duivels of helsche geesten bewoond -was, die hen verscheuren of naar de hel slepen zouden. - -Zij begonnen weder te schreeuwen en hunne makkers herhaalde malen bij -hunnen naam te roepen. Na eenigen tijd konden wij hen bij het weinige -licht, dat er was, als wanhopigen en de handen wringende, heen en weder -zien loopen; somwijlen gingen zij om wat te rusten in de boot zitten, -dan weder sprongen zij op den wal en liepen heen en weder, en zoo -telkens weder. - -Mijn volk had gaarne verlof van mij willen hebben, om hen in het duister -te overvallen; maar ik wilde er zooveel van sparen, en zoo weinig van -doodschieten als mogelijk, en vooral wilde ik niet gaarne een van ons -volk aan het gevaar blootstellen van een kogel van hen te ontvangen; -daar ik wist, dat zij zeer goed gewapend waren. Ik besloot af te wachten -of zij zich niet zouden verdeelen, en om derhalve te beter de overmagt -op hen te hebben, liet ik mijne hinderlaag naderbij rukken, en gelastte -Vrijdag en den kapitein op handen en voeten, en zoo digt langs den grond -als zij konden, naar hen toe te kruipen en hen zoo digt mogelijk te -naderen, alvorens zij vuur gaven. Niet lang waren zij in die houding -gebleven of de bootsman, die de voornaamste belhamel van de muiterij was -geweest, en die zich van allen het snoodst en laaghartigst gedragen had, -kwam met nog twee van het volk naar hen toe. De kapitein werd woedend, -toen hij den voornaamsten aanlegger zoo digt onder zijn bereik zag, dat -hij zich naauwelijks tijd gunde om hem zoo digt te laten naderen, dat -hij zeker van hem was, want hij had nog alleen zijne stem gehoord; maar -toen zij naderkwamen sprongen de kapitein en Vrijdag op de been en gaven -vuur op hen. De bootsman viel dood neder; de man, die bij hem was, had -een kogel in het lijf gekregen en viel naast hem, schoon hij eerst een -paar uur daarna stierf, en de derde liep weg. - -Toen ik het vuren hoorde, rukte ik onmiddellijk met mijn geheele leger -op, dat thans uit acht man bestond, te weten, ik als generaal en chef, -Vrijdag als mijn luitenant-generaal; de kapitein en zijne twee lieden, -en de drie gevangenen, dien wij wapens hadden toevertrouwd. Wij -overvielen hen in het duister, zoodat zij ons getal niet zien konden, -en ik liet den man, dien zij in de boot hadden achtergelaten, en nu tot -onze partij behoorde, hen bij hunne namen noemen, om te trachten met hen -tot onderhandeling te komen, hetgeen volkomen naar wensch uitviel. Zoo -riep hij, zoo hard hij kon, tot een hunner: "Thomas Smith! Thomas Smith! -Thomas Smith!"--Thomas Smith antwoordde dadelijk: "Wie is daar, is het -Robinson?" want hij scheen de stem te herkennen. De ander Antwoordde: -"Ja, ja, om Gods wil, leg de wapens neder, Thomas Smith, en geef u over, -of gij zijt allen kinderen des doods!" - -"Aan wie moeten wij ons overgeven? Waar zijn zij?" riep Thomas Smith -weder. "Hier zijn zij," antwoordde de ander. "Hier is onze kapitein met -vijftig man, die u twee uren lang heeft nagezeten. De bootsman is -doodgeschoten, Willem Frije gewond en ik gevangen, en zoo gij u niet -overgeeft, zijt gij allen verloren." - -"Zal men ons dan kwartier geven als wij ons overgeven?" vroeg Thomas -Smith. "Ik zal heengaan en het vragen, als gij belooft u over te geven," -zeide Robinson. Hij vroeg het den kapitein, en deze riep: "Thomas Smith, -gij kent mijne stem, zoo gij dadelijk de wapens nederlegt en u -overgeeft, zal u allen het leven geschonken worden, behalve aan Willem -Atkins."--Dit hoorende, begon Willem Atkins te roepen: "Om Gods wil, -kapitein, geef mij kwartier. Wat heb ik misdreven? Zij zijn allen even -slecht geweest als ik," hetwelk eigenlijk niet waar was, want het -schijnt, dat Willem Atkins de eerste was geweest, die de hand aan den -kapitein had durven slaan, en hem ruw behandeld, de handen gebonden, en -uitgescholden had. Echter zeide de kapitein hem, dat hij zich op genade -of ongenade moest overgeven, en op de genade van den gouverneur hopen, -waarmede hij mij meende, want allen noemden mij gouverneur. - -Om kort te gaan, allen legden de wapens neder en smeekten om -lijfsgenade, en ik zond den man, die met hen gesproken had, met nog twee -af, die hen allen bonden; en toen rukte mijn leger van vijftig man op, -maar dat met die drie eigenlijk uit acht man bestond, en maakte zich van -hen en van hunne boot meester, schoon ik mij met nog een man, uit -staatkundige redenen, buiten gezigt hield. - -Ons eerste werk was thans de boot weder in orde te brengen, en te denken -om de herovering van het schip, en de kapitein, die nu den tijd had om -met hen te onderhandelen, haalde hen scherp door over hun schelmsch -gedrag jegens hem, en vervolgens over hunne verdere snoode oogmerken, en -hoe dit alles op het laatst hen gewis tot ellende en armoede en -misschien tot de galg moest leiden. Zij schenen allen vol berouw en -smeekten ootmoedig om genade. Hierop zeide hij, dat zij niet zijn -gevangenen, maar van den kommandant van het eiland waren; dat zij -gedacht hadden hen in een woest onbewoond eiland aan wal te zetten, maar -dat het God behaagd had dit anders te beschikken, dat het eiland bewoond -en de gouverneur een Engelschman was; dat hij hen allen kon ophangen als -hij het goed vond; maar dat, daar hij hun allen lijfsgenade geschonken -had, hij begreep, dat hij hen naar Engeland zou zenden om daar aan de -justitie overgeleverd te worden; behalve Atkins, dat de gouverneur hem -gelast had dezen aan te zeggen, dat hij zich ter dood moest bereiden, -want dat hij met den morgenstond zou opgehangen worden. - -Schoon dit alles slechts een verdichtsel van hem was, had het echter de -gewenschte uitwerking, Atkins viel op zijne knieën om des kapiteins -voorspraak bij den gouverneur om zijn leven, en al de overigen smeekten -hem, om Gods wil, niet naar Engeland gezonden te worden. - -Thans begreep ik, dat het tijdstip onzer bevrijding naderde, en dat het -gemakkelijk zou zijn, deze knapen tot een aanslag op het schip over te -halen. Dus sloop ik in het duister vandaar weg, opdat zij niet zien -zouden wat slag van een gouverneur zij hadden, en ontbood den kapitein -tot mij. Toen ik op een afstand was, werd een der mannen bevolen als -voren te spreken, en te zeggen: "kapitein, de kommandant laat u roepen!" -De kapitein antwoordde: "zeg aan zijne excellentie, dat ik -oogenblikkelijk kom." Dit bragt hen geheel in den waan, dat ik met mijne -vijftig man vlak in de nabijheid stond. Toen de kapitein bij mij kwam, -deelde ik hem mijn ontwerp om het schip te overmeesteren mede, waarmede -hij van harten instemde, en wij besloten het den volgenden morgen ten -uitvoer te brengen. Ten einde het echter te geruster en goed doordacht -te verrigten, zeide ik hem, dat wij de gevangenen moesten verdeelen, en -dat hij Atkins en nog twee van de ergsten gebonden naar de grot moest -laten brengen. Dit werd aan Vrijdag en de twee mannen, die met den -kapitein aan wal gekomen waren, toevertrouwd. Zij bragten hen naar de -grot, alsof dit de gevangenis was, en werkelijk was het eene treurige -plaats, vooral voor lieden in hunnen toestand. - -De anderen liet ik naar mijne buitenplaats brengen, die ik hiervoor -uitvoerig genoeg beschreven heb, en daar deze omheind en zij gekneveld -waren, was de plaats sterk genoeg om hen te bewaren. Naar deze zond ik -in den ochtend den kapitein om met hen in onderhandeling te treden, -namelijk hen te toetsen en mij te zeggen, of hij het geraden achtte hen -mede naar boord te nemen om het schip te verrassen. Hij sprak hen aan -over hunne handelwijze jegens hem, den toestand, waarin zij zich gebragt -hadden, en zeide, dat schoon de gouverneur hen allen voor het oogenblik, -lijfsgenade geschonken had, zij allen naar Engeland gevoerd en daar -ongetwijfeld in ketens opgehangen zouden worden; maar, dat als zij mede -wilden werken tot het heroveren van het schip, hij den gouverneur zou -overhalen hun pardon te geven. - -Iedereen kan begrijpen, hoe gretig menschen in hunnen toestand zulk een -voorstel aannemen, zij vielen voor den kapitein op de knieën, en -beloofden hem met de krachtigste betuigingen, dat zij hem tot den -laatsten druppel bloeds zouden bijstaan, hun leven lang hem zouden -dankbaar zijn en hem door de geheele wereld volgen, en zoolang zij -leefden zijn gedrag als dat van eenen vader jegens hen beschouwen. - -"Nu," zeide de kapitein, "ik zal den gouverneur mededeelen, wat gij -zegt, en zien wat ik doen kan, om hem over te halen." Hij verhaalde mij -daarop hunne gemoedsgesteldheid, en dat hij geloofde, dat zij inderdaad -getrouw zouden zijn. Om echter zeker te gaan, zeide ik hem, dat hij -terugkeeren zou en vijf van hen uitkiezen, en zeggen, dat zij zien -zouden, dat wij hunne hulp niet noodig hadden; maar dat hij deze vijf -zou medenemen om hem bij te staan, en dat de gouverneur de andere twee -benevens de drie, die als gevangenen naar het kasteel (mijne grot) -gezonden waren, als gijzelaars zou houden, en dat zoo zij hunnen pligt -niet getrouw volbragten, deze vijf gijzelaars allen in ketens op het -strand zouden opgehangen worden.--Dit zag er ernstig uit, en overtuigde -hen, dat de gouverneur het ernstig meende; er schoot hun echter niet -anders over dan het aan te nemen, en het was thans evenzeer het belang -van de achterblijvende gevangenen als van den kapitein, de anderen te -overreden, zich trouw van hunnen pligt te kwijten. - -Onze strijdmagt voor den kapitein werd thans geregeld als volgt: -Eerstelijk de kapitein, zijn stuurman en de passagier. Dan de twee -gevangenen van den eersten troep, dien ik op aanbeveling van den -kapitein, hunne vrijheid gegeven, en wien ik wapens toevertrouwd had. -Ten derde, de andere twee, die ik tot nu toe in mijne buitenplaats -bewaard, maar op des kapiteins verzoek ontslagen had. Ten vierde, de -vijf die het laatst ontslagen waren, zoodat zij in alles met hun -twaalven waren, behalve vijf, die wij als gijzelaars in de grot hadden -achtergehouden. Ik vroeg den kapitein of hij met dit volk het durfde -wagen het schip te enteren, want dat ik het best oordeelde, dat ik en -mijn knecht Vrijdag niet medegingen, omdat zij zeven man hier -achterlieten en wij genoeg te doen hadden met hen gescheiden te houden -en van levensmiddelen te voorzien. Wat aangaat de vijf man in de grot, -ik besloot hen daar te houden, en Vrijdag ging tweemaal des daags hun -levensmiddelen brengen. De twee andere gevangenen droegen de leeftogt -een eind weegs en dan nam Vrijdag ze hen af. - -Toen ik mij aan de twee gijzelaars vertoonde, was ik vergezeld van den -kapitein, die hun zeide, dat ik afgezonden was door den gouverneur, en -dat deze gelast had, dat zij niets zouden doen zonder mijn bevel, en zoo -zij dit bevel overtraden, zouden zij naar het kasteel gebragt en daar in -de boeijen geslagen worden. Daar ik als gouverneur nimmer voor den dag -was gekomen, verscheen ik nu als een ander persoon, en sprak waar het te -pas kwam van den gouverneur, van de bezetting, het kasteel en -dergelijke. - -De kapitein had nu niet anders te doen dan zijne booten gereed te maken, -het lek in de eene te stoppen, en ze te bemannen. Hij gaf zijn passagier -het bevel over de eene boot met vier man, en ging zelf met zijn stuurman -en de vijf overigen in de andere. Zij overlegden hunne zaak goed, zoodat -zij tegen middernacht aan boord kwamen. Zoodra zij digtbij genoeg waren, -deed hij Robinson het scheepsvolk toeroepen en hem zeggen, dat zij het -volk in de sloep terugbragten, maar dat het lang geduurd had, eer zij -hen hadden kunnen vinden. Aldus hield hij hen aan de praat, totdat zij -aan boord kwamen, waarop de kapitein en zijn stuurman, die het eerst met -hunne wapens op het dek gesprongen waren, dadelijk den tweeden stuurman -en den timmerman met de kolf van hunne geweren nedervelden, terwijl hun -volk hen dapper bijstond. De overigen, die op het halfdek en den bak -waren, maakten zij gevangen, en gingen de luiken digt maken, om hen, die -beneden waren, daar te houden, toen het volk van de andere boot over de -fokkerusten klom, en het voorschip en de kombuis, waarin drie man waren, -vermeesterden. - -Toen dit afgeloopen was, gelastte de kapitein den stuurman met drie man -de kajuit open te breken, waar de nieuwe kapitein lag, die het alarm -gehoord had, en met twee man en een jongen zich van vuurwapens voorzien -had; en toen de stuurman met een koevoet de deur opengebroken had, gaf -de nieuwe kapitein met zijne makkers vuur op hen en wondde den stuurman -in zijn arm met nog twee man, doch niemand werd er gedood. - -De stuurman riep om hulp doch drong te gelijk de kajuit binnen, zoo -gewond als hij was, en schoot met een pistool den nieuwen kapitein dwars -door de keel, zoodat de kogel zijn mond inging, achter het oor weder -uitkwam en hij zonder een woord te uiten, dood nederviel, waarop de -anderen zich overgaven en het schip zonder meer bloedvergieten hernomen -was. Zoodra de kapitein weder meester van zijn schip was, liet hij -zeven schoten doen, welk sein hij met mij afgesproken had, om mij van -den goeden uitslag te verwittigen. Men kan denken of ik verheugd was dit -te hooren, daar ik tot bijkans twee uren in den morgen er op had zitten -wachten. - -Na het sein gehoord te hebben, begaf ik mij te rust, en daar ik dien dag -vele vermoeijenissen had doorgestaan, sliep ik zeer vast tot ik door een -geweerschot gewekt werd, en op de been springende, hoorde ik iemand mij -roepen: "gouverneur! gouverneur!" en herkende de stem van den kapitein, -die den heuvel opgeklommen, op het schip wees. Hij drukte mij in zijne -armen. "Mijn waarde vriend en redder," zeide hij, "daar ligt uw schip, -want het is geheel ter uwer beschikking, even als wij en al wat tot het -schip behoort." Ik sloeg mijne oogen op het schip, dat op ongeveer eene -halve (Eng.) mijl van het strand voor anker lag; want zoodra zij het -vermeesterd hadden, hadden zij het anker geligt, en daar het fraai weder -was het vlak voor den mond van eene kleine kreek gelegd, en daar het -hoog water was, was de kapitein met de pinnas tot bij de plaats -gekomen, waar ik het eerst mijne vlotten aan land gebragt had, en dus -als het ware vlak voor mijne deur geland. - -Ik dacht in den beginne van verrassing door den grond te zinken, want nu -zag ik inderdaad mijne redding zigtbaar voor oogen, alles was in orde, -en een goed schip gereed mij te brengen, waarheen ik verlangde. Eerst -was ik eenigen tijd niet in staat een woord te antwoorden, maar daar hij -mij in zijne armen gesloten had, hield ik mij aan hem vast, want ik was -bang van op den grond neder te zijgen. Hij bespeurde mijne verrassing en -eene flesch uit zijn zak halende, gaf hij mij dadelijk een hartsterking, -die hij opzettelijk voor mij had medegebragt. Na gedronken te hebben, -ging ik op den grond zitten, en schoon ik weder tot mijzelven was -gekomen, duurde het nog eene geruime poos voor ik een woord tot hem -spreken kon. Al dien tijd was de arme man even verrukt als ik, schoon -niet zoo van verrassing; echter zeide hij mij duizend dingen om mij tot -bedaren te brengen; maar mijn hart was zoo vervuld van vreugde, dat mijn -geest geheel verbijsterd was; eindelijk barstte ik in een vloed van -tranen uit, en kort daarop was ik weder in staat te spreken. - -Toen omhelsde ik hem op mijne beurt als mijn bevrijder, en onze vreugde -was wederkeerig. Ik zeide, dat ik hem als iemand beschouwde, dien de -hemel ter mijner redding gezonden had, en dat al wat er gebeurd was, -eene reeks van wonderen scheen; dat zulke dingen een blijk van het -onzigtbaar wereldbestier der Voorzienigheid waren, en een bewijs, dat de -oogen van den Almagtige tot in de afgelegenste schuilhoeken der aarde -doordringen, en de ongelukkigen te hulp kwamen als het zijne wijsheid -behaagde. - -Ik vergat niet mijn hart dankbaar hemelwaarts te verheffen, en welk hart -kon nalaten Hem te danken, die niet alleen iemand wonderdadig in de -wildernis verzorgd had, en in zulk een jammerlijken verlaten toestand, -maar van wien altijd elke redding erkend moet worden afkomstig te zijn? - -Na eene poos gesproken te hebben verhaalde de kapitein mij, dat hij -eenige ververschingen, die hij aan boord had, en waarvan de schelmen, -die er eenigen tijd meester van waren geweest, hem niet beroofd hadden, -voor mij had medegebragt. Daarna riep hij het bootsvolk toe, dat zij de -presenten voor den Gouverneur aan den wal zouden brengen; en inderdaad -waren het geschenken, die voor een Gouverneur voegden, en alsof ik niet -met hen zou medereizen, maar op het eiland blijven wonen, en zij zonder -mij vertrekken. - -Eerstelijk had hij mij eene flesschenkelder met uitmuntende likeuren, -zes groote flesschen, ieder van twee pinten, maderawijn, twee pond -besten tabak, twaalf stukken ossenvleesch, en zes stukken spek, met een -zak erwten en een honderd pond beschuit medegebragt. - -Wijders bragt hij mij een kistje met suiker, een kistje met fijn meel, -een kistje met limmetjes en twee flesschen citroensap mede, benevens -eene menigte andere dingen. Maar bovendien bragt hij, hetgeen mij -duizendmaal nuttiger was, mij zes schoone, nieuwe hemden, zes zeer goede -halsdoeken, twee paar handschoenen, een paar schoenen, een hoed en een -zeer goeden broek van hem zelven, met één woord, hij stak mij van top -tot teen in de kleeren. Dit was voor iemand in mijne omstandigheden een -zeer aangenaam geschenk, gelijk men ligt denken kan, maar nimmer viel -een ding in de wereld mij zoo onaangenaam en ongemakkelijk, of ging mij -zoo linksch af, als het dragen van die kleederen, toen ik ze pas -aangetrokken had. - -Nadat dit afgeloopen en al de goederen in mijn klein verblijf gebragt -waren, begonnen wij raad te plegen, wat met onze gevangenen te doen; -want het was eene zaak van rijp overleg, of wij het wagen zouden hen -mede te nemen, of niet, vooral een paar van hen, die in den hoogsten -graad onverbeterlijk en muitziek waren; en die de kapitein zeide, als -zulke schelmen te kennen, dat er geen goed aan te doen was, en dat als -hij ze meênam, dit in de boeijen moest zijn, om ze in de eerste -Engelsche kolonie, daar hij binnen vallen kon, aan de regtbank over te -geven. Hiervan vond ik, dat de kapitein niet af te brengen was. - -Hierop zeide ik, dat, als hij het verlangde, ik op mij nam de twee -kerels zoo ver te brengen, dat zij zelfs verzoeken zouden op het -eiland te mogen blijven. "Met al mijn hart," zeide de kapitein; "niets -zou mij aangenamer zijn." - -"Goed," zeide ik, "ik zal hen laten halen en in uw bijzijn met hen -spreken." Ik zond dus Vrijdag en de twee gijzelaars, die thans, omdat -hunne kameraden hun woord hadden gehouden, losgelaten waren, naar de -grot, en liet hen de vijf man, zoo gebonden als zij waren, naar mijn -priëel brengen. Eenigen tijd daarna kwam ik daar in mijn nieuw gewaad -aanstappen, en heette nu weder Gouverneur. Toen de kapitein bij mij was, -liet ik het volk voor mij brengen, en zeide hun thans een volledig -verslag van hunne schelmsche handelwijze van den kapitein ontvangen te -hebben, en hoe zij met het schip hadden willen vertrekken, en verdere -rooverijen bedrijven, maar dat de Voorzienigheid hen in den kuil had -doen vallen, dien zij voor anderen gegraven hadden. Ik zeide hun, dat -men op mijn bevel zich van het schip verzekerd had, dat nu op de reede -lag, en dat zij zien konden hoe hun nieuwe kapitein de belooning voor -zijn verraderij had bekomen, want dat zij hem aan den nok van de ra -konden zien hangen. Dat ik thans verlangde te weten of zij iets hadden -bij te brengen, waarom ik hen niet, als zeeroovers, op heeterdaad -betrapt, ter dood zou doen brengen, waartoe mijne aanstelling mij -ontwijfelbaar regt gaf. - -Een hunner antwoordde voor de overigen, dat zij niets hadden bij te -brengen, dan alleen, dat de kapitein, toen zij gevangen genomen waren, -hun lijfsbehoud had toegezegd, en dat zij mijne barmhartigheid inriepen. -Ik zeide echter, dat ik niet wist, welke barmhartigheid ik hun zou -bewijzen, daar ik besloten had met al mijn volk het eiland te verlaten, -en met den kapitein den overtogt naar Engeland te doen. De kapitein kon -hen niet anders naar Engeland medenemen dan als gevangenen in de ijzers, -om daar wegens muiterij en zeeroof teregt te staan; waarvan, gelijk zij -wisten, de galg het einde zou zijn, zoodat ik hun niet zeggen kon wat -voor hen het best was, ten ware zij besloten hadden hun lot op het -eiland te beproeven, hetgeen mij, daar ik verlof had het te verlaten, -onverschillig was, en dat ik niet ongeneigd was hun het leven te -schenken, als zij begrepen, dat zij zich aan den wal zouden kunnen -redden. Hiervoor schenen zij zeer dankbaar te zijn, en verklaarden veel -liever hier te willen blijven dan naar Engeland te gaan, om daar -opgehangen te worden; dus liet ik het daarbij berusten. De kapitein -maakte echter eenige tegenwerpingen, alsof hij hen daar niet mogt -achterlaten. Ik hield mij hierop zeer boos, en zeide den kapitein, dat -zij mijne gevangenen en niet de zijne waren, en dat ik, na hun deze -gunst beloofd te hebben, mijn woord zou houden, en als hij er iets tegen -had, hij maar zien moest, dat hij hen weder in zijne magt kreeg, als hij -kon. - -Zij schenen hiervoor zeer dankbaar, en ik stelde hen in vrijheid, met -last het bosch in te gaan, vanwaar zij gekomen waren, en de belofte van -eenige geweren en kruid en lood, benevens aanwijzingen hoe zij, als zij -wilden, hier een zeer goed leven konden leiden. Vervolgens maakte ik mij -gereed aan boord te gaan, maar zeide den kapitein, dat ik dien nacht aan -wal zou blijven, om mijne goederen gereed te maken, maar dat hij -middelerwijl het schip in orde brengen en den volgenden morgen de boot -naar den wal zenden zou om mij te halen; terwijl ik hem tevens gelastte -den nieuwen kapitein, die doodgeschoten was, aan den nok van de ra te -laten hangen, opdat het volk hier hem zou kunnen zien. - -Toen de kapitein vertrokken was, liet ik de matrozen bij mij in mijn -verblijf komen, en hield een ernstig gesprek met hen over hunnen -toestand. Ik zeide, dat hunne keus zeer verstandig was, want dat, zoo de -kapitein hen medenam, zij zeker zouden opgehangen worden. Ik wees hun -hun vorigen aanvoerder, die aan den nok van de ra hing, en zeide, dat -zij niets minder te wachten hadden. Toen zij allen verklaard hadden te -willen achterblijven, zeide ik hun, hun mijn geheelen levensloop aldaar -te zullen verhalen, en te dien einde verhaalde ik hun hoe het eiland -was, hoe ik er gekomen was; toonde hun mijne verschansingen, hoe ik er -mijn brood gebakken, mijn koorn geplant, mijne druiven gedroogd had, in -een woord, al wat hun van nut kon zijn. Ook verhaalde ik hun van de -zestien Spanjaarden, die verwacht werden, voor welke ik een brief -achterliet, en die ik hen deed beloven, als hunne makkers te zullen -behandelen. - -Ik liet hun mijne wapenen, namelijk vijf musketten, drie jagtgeweren en -twee sabels achter. Ik had nog anderhalf vat buskruid, want na het -eerste jaar of twee had ik er weinig van gebruikt, en niets van -verspild. Ik beschreef hun hoe ik de geiten behandelde, hoe zij gemolken -en verzorgd moesten worden, om er boter en kaas van te erlangen. Kortom, -ik verhaalde hun al mijn wedervaren, en beloofde den kapitein te zullen -overhalen hun nog twee vaatjes kruid en wat tuinzaden achter te laten; -ook gaf ik hun den zak met erwten, die de kapitein medegebragt had, en -noodigde hen uit die te zaaijen. - -Na den afloop hiervan verliet ik hun den volgenden dag en ging aan -boord. Wij maakten ons zeilree, maar bleven dien nacht voor anker -liggen. Den volgenden morgen vroeg kwamen twee man van de vijf aan boord -zwemmen, en terwijl zij allerbitterst over de andere drie klaagden, -smeekten zij dat men hen, om Gods wil, aan boord zou nemen, want dat zij -vermoord zouden worden; en of de kapitein hen aan bood wilde laten -komen, al liet hij hen ook dadelijk ophangen. De kapitein beweerde -hierop, dat hij buiten mij niets doen kon, maar na eenige bedenkingen en -op hunne plegtige beloften van beterschap werden zij aan boord genomen, -en eene poos daarna duchtig afgestraft; vervolgens zijn zij steeds -rustige en knappe kerels gebleven. - -Wat later ging ik met den vloed naar den wal, om den matrozen het hun -beloofde te brengen, waarbij de kapitein door mijne bemiddeling hunne -kleederen en kisten gevoegd had, waarvoor zij zeer dankbaar waren. Ik -moedigde hen wat aan door de verzekering, dat als ik eenig vaartuig -ontmoette dat het eiland kon aandoen en hen innemen, ik hen niet -vergeten zou. - -Toen ik het eiland verliet, nam ik tot eene gedachtenis, de groote -geitenvellen muts, mijn zonnescherm en een mijne papegaaijen mede; ook -vergat ik het geld niet, waarvan ik vroeger gesproken heb, en dat zoo -lang stil had gelegen, dat het roestig of zwart geworden was, en -naauwelijks voor zilver kon doorgaan, voor het wat gewreven en -gehanteerd was geworden, alsook het geld, dat ik op het Spaansche wrak -had gevonden. - -Aldus verliet ik het eiland, gelijk ik op het scheepsjournaal zag, den -19 December 1686, nadat ik er achtentwintig jaren, twee maanden en -negentien dagen op had doorgebragt, terwijl ik mijne ballingschap -verliet op denzelfden dag der maand, waarop ik van de Mooren te Salé -wegvlugtte. Na een lange reis kwam ik den 11 Junij 1687 in Engeland aan, -waarvan ik vijfendertig jaren afwezig was geweest. Toen ik daar kwam, -stond ik in de wereld als een vreemdeling, die er nimmer geweest was. -Mijne weldoenster, wie ik mijn geld had achtergelaten, was nog in leven, -maar had veel tegenspoeden gehad, was ten tweedenmale weduwe en in zeer -behoeftige omstandigheden. Ik stelde haar omtrent mijne schuldbekentenis -gerust, en verzekerde, dat ik haar niet lastig zou vallen, maar -integendeel uit dankbaarheid voor hare vroegere zorgen voor mij, -ondersteunde ik haar zooveel mijne geringe bezittingen toelieten, -hetgeen op dit oogenblik slechts weinig was, doch ik verzekerde haar, -dat ik haar niet zou vergeten als ik in staat zou zijn haar krachtiger -te helpen, gelijk ik ook later deed. - -Ik ging daarop naar Yorkshire, maar mijne ouders vond ik overleden, en -mijne geheele familie uitgestorven, op twee zusters na, en twee kinderen -van een mijner broeders, en daar men mij lang voor dood gehouden had, -had men mij niets nagelaten; kortom ik begreep, dat ik geenerlei -ondersteuning te wachten had en dat het weinige geld dat ik had, mij -weinig baten zou om door de wereld te komen. Echter ondervond ik een -staaltje van dankbaarheid, dat ik niet verwacht had; de kapitein van het -schip, dien ik zoo gelukkig gered, en daardoor schip en lading behouden -had, had van al het gebeurde een trouw verslag aan zijne reeders gedaan. -Deze verzochten mij hun een bezoek te geven; allen overlaadden mij met -loftuitingen, en boden mij een geschenk van tweehonderd pond Sterling -aan. - -Doch na rijp beraad, en ziende hoe moeijelijk ik mij hiermede een -bestaan zou verschaffen, besloot ik naar Lissabon te gaan, om te -trachten iets nopens mijne plantaadje in Brazilië te vernemen, en wat er -van mijn compagnon was geworden, die ik onderstelde dat mij thans -verscheidene jaren voor dood had gehouden. Ten dien einde scheepte ik -mij in naar Lissabon, waar ik in April aankwam, terwijl Vrijdag mij -trouw volgde, en steeds bewees mijn trouwe dienaar te zijn. Toen ik te -Lissabon kwam, vond ik na eenige navraag, en tot mijn groot genoegen -mijn ouden vriend, den kapitein van het schip, die mij het eerst op de -Afrikaansche kust aan boord had genomen. Hij was nu oud geworden; had de -zee vaarwel gezegd, en zijn zoon, die nu ook reeds een bejaard man was, -voer thans in zijne plaats op Brazilië. De oude man kende mij niet meer, -en ik zou hem ook moeijelijk herkend hebben, echter herinnerde hij zich -spoedig mijner, toen ik hem verhaalde wie ik was. - -Na onze oude kennis met hartelijkheid vernieuwd te hebben, vroeg ik, -gelijk men wel denken kan, naar mijne plantaadje en mijn compagnon. De -oude man verhaalde mij, dat hij thans in geen negen jaren in Brazilië -was geweest, maar hij kon mij verzekeren, dat de laatste maal dat hij -daar was, mijn compagnon nog leefde, maar de beide gevolmagtigden, die -met hem toezigt zouden houden, waren beide overleden. Hij geloofde -echter, dat ik goed zou staan bij de verbetering mijner plantaadje, want -dat, daar men algemeen geloofde dat ik verongelukt was, mijne -gemagtigden hunne rekening van mijn deel in de plantaadje aan den -fiscaal hadden ingeleverd, die, zoo ik niet terug mogt komen, verklaard -had dat een derde den koning, en twee derden aan het Augustijner -klooster zouden toevallen, voor de armen en tot uitbreiding van het -Christendom onder de Indianen. Zoo ik of iemand van mijnentwege echter -opkwam, zou het mij teruggegeven worden, hoewel de jaarlijksche -opbrengst niet, als zijnde tot werken van liefdadigheid besteed, maar -hij verzekerde mij, dat de opzigter der koninklijke inkomsten van -landerijen, en die van het klooster er voor gezorgd hadden, dat mijn -compagnon hen jaarlijks prompt verrekening deed, waarvan zij de helft -ontvingen. Ik vroeg hem of hij wist hoe ver de verbeteringen der -plantaadje gegaan waren, en of hij begreep dat zij verdiende opgezocht -te worden, of als ik daarheen ging, mij mijn regt op de helft niet zou -betwist worden. - -Hij zeide mij niet juist te kunnen bepalen, wat de plantaadje waard was, -maar dat mijn compagnon alleen van de helft een zeer rijk man was -geworden, en hij had gehoord dat het derde deel van den koning, dat naar -het schijnt een of ander klooster geschonken was, jaarlijks meer dan -tweehonderd moidores bedroeg. Dat er geen twijfel aan de teruggave -bestond, daar mijn compagnon nog leefde om mijn regt te bevestigen, en -mijn naam ook op de lands registers ingeschreven was. Ook zeide hij mij, -dat de opvolgers van mijne twee gevolmagtigden brave eerlijke lieden en -zeer gegoed waren, en hij geloofde, dat zij mij niet alleen aan het -bezit helpen, maar bovendien eene goede som gelds ter hand zouden -stellen, zijnde de opbrengst tijdens de vorige gevolmagtigden het -bestuurden, en vóór de in beslagneming, die voor ongeveer twaalf jaren -voorgevallen was. - -Dit verslag stelde mij echter niet geheel gerust, en ik vroeg den -kapitein hoe het kwam, dat de gemagtigden zoo over mijne goederen -beschikt hadden, daar hij wist dat ik een testament gemaakt en hem, den -Portugeschen kapitein, tot mijn eenigen erfgenaam had benoemd. Hij -zeide, dat dit ook waar was, maar daar er geen bewijs van mijn dood -bestond, hij niet als executeur kon handelen; bovendien had hij zulk -eene afgelegene zaak niet willen aanvaarden. Wel had hij mijn testament -doen registreren, en zijn regt bewezen, en zoo hij eenig bewijs van mijn -leven of dood had kunnen geven, zou hij als procuratiehouder gehandeld, -en mijne plantaadje in bezit genomen hebben, of zijn zoon hiermede -belast. - -"Maar," zeide de oude man, "ik heb u ander nieuws te vertellen, dat u -misschien minder aangenaam zal zijn dan het overige; dat is, dat daar -iedereen u verongelukt waande, uw compagnon en gemagtigden mij in uwen -naam de verrekening aanboden van de opbrengsten van de zes of acht -eerste jaren, die ik ontving; doch daar er tweemaal groote -verbeteringen gemaakt werden, als het bouwen van een suikermolen, het -aankoopen van slaven enz., waren die opbrengsten zoo groot niet als de -volgende. Echter," vervolgde de oude man, "zal ik u eene behoorlijke -rekening geven van al wat ik ontvangen, en hoe ik er mede gehandeld -heb." - -Eenige dagen later bragt mijn oude vriend mij de rekening van de -inkomsten der vijf of zes eerste jaren der plantaadje, geteekend door -mijn compagnon en de gemagtigden, die altijd goederen afgeleverd hadden, -zooals tabak in rollen en suiker in kisten, benevens rum en melassie, de -voortbrengselen van eene suikerplantaadje, en ik zag hieruit, dat de -inkomsten telken jare aanmerkelijk grooter geworden waren. Doch daar in -den beginne de uitgaven groot waren geweest, was de som eerst gering. -Echter liet de oude man mij zien, dat hij mij vierhonderd en zeventig -gouden moidores schuldig was, behalve zestig kisten suiker en vijftien -dubbele rollen tabak, die verloren waren gegaan, toen hij ongeveer elf -jaren na mijn vertrek, te Lissabon, met verlies van zijn schip, was -gekomen. - -De oude man begon over zijne ongelukken te klagen, hoe hij verpligt was -geweest mijn geld te besteden om zijn verlies te herstellen, en een -aandeel in een nieuw schip te koopen. "Doch, mijn oude vriend," zeide -hij, "gij zult voor 's hands wat op rekening hebben, en zoodra mijn zoon -terugkomt, alles wat u toekomt." Daarop haalde hij eene oude beurs voor -den dag en gaf mij honderd en zestig gouden moidores, en zijne bewijzen -van het aandeel dat hij en zijn zoon ieder voor een vierde in hun schip -hadden, uithalende, stelde hij die als onderpand voor het overschot in -mijne handen. - -Deze blijken van eerlijkheid en braafheid van den ouden man troffen mij -geweldig, en bedenkende wat hij voor mij gedaan had, hoe hij mij op zee -opgenomen, en hoe edelmoedig hij mij bij alle gelegenheden behandeld -had, en in het bijzonder welk een opregte vriend hij thans bewees te -zijn, kon ik mijne tranen niet bedwingen. Ik vroeg hem dus eerst of hij -op dat oogenblik zooveel geld missen kon en of het hem niet eenigzins -belemmeren zou. Hij zeide, dat hij er zeker op het oogenblik een weinig -door in de engte kwam; maar dat het altijd mijn geld was en ik er -misschien meer behoefte aan had dan hij. - -Alles wat de goede man zeide, was zoo welgemeend, dat ik, terwijl hij -sprak, mijne tranen naauwelijks bedwingen kon. Om kort te gaan, ik nam -honderd moidores, en vroeg om pen en inkt, om er hem kwitantie van te -geven, daarop gaf ik hem het overige terug, en zeide, dat zoo ik ooit in -het bezit der plantaadje geraakte, ik ook het overige hem zou -teruggeven, gelijk ik ook naderhand deed; dat ik zijn bewijs van aandeel -in zijn zoons schip volstrekt niet wilde aannemen, daar ik begreep, dat -zoo ik geldgebrek had, hij braaf genoeg was om mij te betalen; en zoo -dit niet het geval was, maar ik datgene ontving, waarop hij mij hoop -gaf, ik nimmer van hem een penning meer wilde aannemen. - -Toen dit afgeloopen was, vroeg de oude man hoe ik mij weder in het bezit -van mijne plantaadje dacht te stellen. Ik zeide er zelf heen te willen -gaan. Als ik dit goed vond kon ik dit doen, zeide hij, maar zoo niet dan -waren er middelen genoeg om mijne regten te handhaven, en mij -onmiddellijk de voordeelen toe te eigenen; en daar te Lissabon schepen -op de rivier zeilree lagen naar Brazilië, deed hij mijn naam in een -openbaar register inschrijven, terwijl hij beëedigde, dat ik in leven en -dezelfde persoon was, die het eerst voor de bedoelde plantaadje het land -had aangevraagd. Nadat dit door een notaris met eene procuratie -opgemaakt was, deed hij het mij naar een koopman aldaar zenden, dien hij -kende, en stelde mij toen voor, tot aan het ontvangen van een antwoord -bij hem te blijven. - -Nimmer handelde men eerlijker dan bij het ontvangen van deze procuratie, -want binnen zeven maanden ontving ik een groot pakket van de -overgeblevenen mijner gemagtigden, de kooplieden, voor wier rekening ik -naar zee was gegaan. Hierin bevonden zich eerstelijk eene rekening -courant van de opbrengst mijner plantaadje, van het jaar af, waarin -hunne vaders met den ouden Portugeschen kapitein hadden gesloten, zijnde -voor zes jaren, de balans sloot met elfhonderd vier en zeventig moidores -in mijn voordeel. Ten tweede was er de verrekening van nog vier jaren, -gedurende welke zij het bewind gevoerd hadden, vóór de regering de -administratie eischte, als van een persoon, dien men burgerlijk dood -achtte, en deze balans sloot, daar de waarde der plantaadje vermeerderd -was, met een batig slot van drie duizend twee honderd en een en veertig -moidores. Ten derde was er een brief bij van den prioor van het -Augustijner klooster, die ruim veertien jaren de inkomsten ontvangen -had, doch daar hij niet in staat was datgene te verrekenen wat tot -liefdadige einden uitgegeven was, eerlijk verklaarde, dat hij nog -achthonderd twee en zeventig moidores niet uitgegeven had, die ter -mijner beschikking waren. Het deel des konings leverde niets op. - -Wijders was er een brief van mijn compagnon, die mij hartelijk geluk -wenschte, dat ik nog in leven was, en mij verslag deed hoe veel de -plantaadje verbeterd was, en wat zij 's jaarlijks opbragt, met opgave -hoe veel morgen zij besloeg, hoe sterk de slavenmagt was en eindigende -met het berigt, dat hij twee-en-twintig _Ave Maria's_ had opgezegd tot -dankbaarheid aan de H. Maagd voor mijne wonderbare behoudenis; terwijl -hij mij ten sterkste uitnoodigde over te komen en van mijn eigendom -bezit te nemen, en hem, zoo ik niet zelf kwam, orders te geven aan wien -mijne goederen af te schepen, en eindigende met eene hartelijke -verzekering van zijne vriendschap en die van zijne familie. Tot een -geschenk zond hij mij zeven fraaije tijgervellen, die hij naar het -schijnt van Afrika ontvangen had met een ander schip, dat hij derwaarts -gezonden had, en dat eene voorspoediger reis scheen aan te hebben dan -ik. Hij zond mij ook vijf kisten met confituren en een honderd stukken -ongemunt goud, niet wel zoo groot als moidores. - -Met dezelfde vloot zonden mijne twee gevolmagtigden mij twaalf honderd -kisten suiker, achthonderd rollen tabak en het overige van onze rekening -in goud. - -Thans mogt ik wel zeggen, dat het laatste einde van Job beter was dan -het begin. Onmogelijk is het mijne aandoeningen te beschrijven, toen ik -deze brieven doorlas, en vooral toen ik al mijn rijkdom voor mij zag; -want daar de schepen uit Brazilië altijd met eene geheele vloot te -gelijk komen, ontving ik mijne brieven te gelijk met mijne goederen, en -deze laatsten lagen reeds veilig op de Taag, voor de brieven mij ter -hand gesteld worden. Ik werd bleek en ongesteld, en zoo niet de oude man -mij eene hartsterking had gehaald, geloof ik dat de plotselinge vreugde -mij te sterk geweest, en ik op de plaats dood gebleven zou zijn. Zelfs -bleef ik nog ziek, tot eenige uren daarna een geneesheer geroepen werd, -en deze de ware reden van mijne ongesteldheid vernemende, mij eene -aderlating liet doen, die mij veel verligtte, en waarna ik beter werd. - -Ik was nu plotseling bezitter geworden van meer dan vijfduizend pond -sterling in geld, en had eene bezitting in Brazilië, die meer dan -duizend ponden 's jaars opleverde, zoo goed als eenig landgoed in -Engeland; in een woord, in een toestand, waarin ik mij naauwelijks wist -te voegen, of hoe ik dien genieten zou. - -Het eerste wat ik deed was mijn ouden weldoener, den goeden kapitein, te -beloonen, die mij het eerst in mijn tegenspoed had bijgestaan, van den -beginne af menschlievend, en tot aan het einde eerlijk jegens mij -gehandeld had. Ik toonde hem al wat mij gezonden was. Ik zeide hem, dat -na de Voorzienigheid, die alles bestiert, ik dat alles aan hem te danken -had, en dat het nu mijn pligt was hem te beloonen, hetwelk ik -honderdvoudig doen wilde. Vooreerst gaf ik hem dus de honderd moidores, -die ik van hem ontvangen had, terug, daarop liet ik een notaris roepen, -en deze een volkomen kwijtschelding opmaken, zoo volledig als mogelijk, -van de vierhonderd en zeventig moidores, die hij opgegeven had mij -schuldig te zijn, waarna ik eene procuratie op hem liet vervaardigen, -tot den ontvangst der jaarlijksche inkomsten mijner plantaadje, en mijn -compagnon opdroeg met hem te sluiten, en de jaarlijksche opbrengst op de -gewone wijze met de vloot aan hem over te maken. Een clausule in het -einde behelsde eene jaarlijksche gift aan hem van honderd moidores, zoo -lang hij leefde, en van vijftig aan zijn zoon, zoo lang deze leefde, -alles uit de goederen te voldoen. Op deze wijze vergold ik den ouden man -zijne goedheden. - -Nu moest ik begrijpen welken koers thans in te slaan, en wat te doen met -het goud, dat de Voorzienigheid mij aldus gegeven had. Ik had thans -waarlijk meer zorg en hoofdbreken dan in mijne stille levenswijze op het -eiland; waar ik geene behoeften had dan die ik voldoen kon; terwijl ik -nu een grooten last op mijne schouders had. Ik had hier geene grot om -mijn geld in te bergen, noch geen plaats waar ik dit zonder slot of -grendel kon nederleggen, tot het roestig en beschimmeld werd; -integendeel, ik wist niet waar ik het laten of wien ik het toevertrouwen -zou; mijn oude beschermer, de kapitein, die een braaf man was, was -inderdaad mijne eenigste toevlugt. - -Mijne bezittingen in Brazilië schenen vroeger mijne tegenwoordigheid -aldaar te vereischen, maar nu kon ik niet denken daar naar toe te gaan, -voor ik eerst mijne zaken beschikt en mijne goederen in vertrouwde -handen achtergelaten had. Eerst dacht ik aan mijne oude vriendin, de -weduwe, wier eerlijkheid mij bekend was, maar zij was hoogbejaard en -arm, misschien wel in schulden stekende; zoodat ik begreep zelf naar -Engeland te moeten terugkeeren en mijne bezittingen mede te nemen. - -Het duurde echter eenige maanden, voor ik hiertoe besluiten kon, en na -derhalve mijn voormaligen weldoener, den kapitein, voldoende en naar -zijn genoegen beloond te hebben, begon ik aan de weduwe te denken, wier -echtgenoot mijn eerste weldoener was geweest, en zij, zoo veel in hare -magt was, mijne trouwe geldbewaarster. Het eerst wat ik dus deed was -door een Lissabonsche koopman aan zijn correspondent in Londen te doen -schrijven, haar op te zoeken, en haar niet een wissel, maar honderd pond -in geld te brengen, haar te gaan spreken en in hare armoede te troosten, -door haar te zeggen, dat zij, zoo lang ik leefde, onderstand van mij zou -ontvangen. Tegelijker tijd zond ik honderd pond aan ieder van mijne -zusters, die, ofschoon niet behoeftig, toch in geene ruime -omstandigheden waren, de eene was eene weduwe, en de andere had een -echtgenoot, die zich jegens haar niet zoo gedroeg als hij wel mogt. Doch -onder al mijne bekenden wist ik niemand te bedenken, wien ik al mijn -geld durfde vertrouwen, zoodat ik naar Brazilië kon gaan, en alles -gerust achterlaten. Dit bragt mij in groote verlegenheid. - -Eens vatte ik het plan op naar Brazilië te gaan, om er mij voor altijd -neder te zetten, want ik was er als het ware genaturaliseerd, maar ik -had eenige godsdienstige bezwaren, die mij daarvan terughielden. Ik had -wel niet geaarzeld om zoo lang ik onder hen was, mij te houden alsof ik -hunne godsdienst aankleefde, en dit deed ik ook nog niet, maar er thans -meer dan vroeger over denkende om daar te leven en te sterven, berouwde -het mij, dat ik mij voor een Katholijk uitgegeven had, daar ik niet -gaarne in de belijdenis van die leer wilde sterven. Echter was het dit -niet, wat mij voornamelijk terughield van naar Brazilië te gaan; maar de -onzekerheid wien ik mijne bezittingen zou toevertrouwen. Dus besloot ik -die eerst naar Engeland te brengen, waar ik alsdan wel eenige kennissen -zou weten of bloedverwanten vinden, die mij vertrouwd toeschenen; en -diensvolgens maakte ik mij gereed met al mijn geld naar Engeland terug -te gaan. - -Te dien einde besloot ik in de eerste plaats, daar de vloot naar -Brazilië weder zeilree lag, op de eerlijke en brave verrekeningen, die -ik van daar ontvangen had, antwoord te geven. Eerst schreef ik den -prioor van het Augustijner klooster een brief tot dankzegging voor zijne -edelmoedige handelwijze en de aanbieding der 872 onuitgegeven moidores, -waarvan ik verlangde, dat vijfhonderd aan het klooster, en de overige -aan de armen zouden gegeven worden, naar des prioors goedvinden; terwijl -ik den goeden Pater verzocht mij in zijne gebeden te bedenken. - -Daarop schreef ik een dankbaren brief aan mijne twee gemagtigden, met al -de erkentelijkheid, die hunne braafheid en eerlijkheid verdienden; hun -eenig geschenk te zenden, ware water in de zee dragen geweest. Eindelijk -schreef ik aan mijn compagnon mijn dank, voor de verbetering mijner -plantaadje, en zijn ijver daarin; gaf hem last omtrent zijn verder -bestier derzelve van mijn aandeel; in overeenstemming met de volmagt, -die ik aan den ouden kapitein had gegeven, aan wien ik hem verzocht -alles wat mij toekwam over te maken, tot hij nader van mij zou hooren. -Ik verzekerde hem, dat ik niet alleen voornemens was naar hem toe te -komen, maar ook het overschot mijns levens er te blijven doorbrengen. -Hierbij voegde ik een fraai geschenk van eenige Italiaansche zijde voor -zijne vrouw en twee dochters, (welke hij, volgens berigt van des -kapiteins zoon had) met twee stukken fijn Engelsch laken, het beste dat -ik in Lissabon bekomen kon, en eenige Vlaamsche kant van hooge waarde. - -Na op deze wijze mijne zaken geschikt, mijne lading verkocht, en voor al -mijne goederen wissels gekocht te hebben, was de vraag, hoe ik naar -Engeland zou gaan. Hoezeer ik ook aan de zee gewoon was, had ik toen een -sterken tegenzin om ter zee naar Engeland te gaan. Schoon ik er geene -reden voor had, werd deze tegenzin zoo sterk, dat toen mijne bagaadje -reeds aan boord was, ik nog van gedachten veranderde, en dat wel niet -eens maar twee- of driemalen. Het is waar, ik was op zee zeer ongelukkig -geweest, en dit kon er de reden van zijn, doch het is niemand geraden in -zaken van zooveel belang zijn voorgevoel te verachten. Twee der schepen, -waar ik het oog meer bijzonder op geslagen had, zoodat ik reeds mijne -goederen in het eene gezonden had, en met den kapitein van het andere -mijnen overtogt reeds bepaald; deze twee zelfde schepen verongelukten; -het eene namelijk werd door Algerijnsche kapers genomen en het andere -bij Torbay verbrijzeld, en al het volk op drie na, verdronk; zodat ik -niet weet op welk schip ik ongelukkiger zou geweest zijn. - -In dezen tweestrijd nam ik mijne toevlugt tot mijn ouden raadsman, die -mij ernstig ried niet ter zee de reis te doen, maar te land, en de golf -van Biscaye over te steken naar Rochelle, vanwaar ik veilig en -gemakkelijk naar Parijs en zoo over Calais naar Dover reizen kon; of -naar Madrid te gaan en geheel Frankrijk door de reis te land te doen. Om -kort te gaan, ik had zooveel tegen eene zeereis, behalve van Calais naar -Dover, dat ik besloot den geheelen weg te land af te leggen; hetwelk, -daar ik geen haast had en het geld niet behoefde te ontzien, verre weg -de aangenaamste was; vooral toen mijn oude kapitein een Engelsen heer, -den zoon van een koopman uit Lissabon, bij mij bragt, die de reis mede -wilde maken, waarna wij nog twee Engelsche kooplieden en twee jonge -Portugesche heeren vonden, waarvan de laatsten alleen naar Parijs -gingen; zoodat wij in alles met ons zessen en vijf knechten waren. De -twee kooplieden en de Portugezen namen ieder een knecht met hun beide om -de onkosten, en ik nam voor mij als knecht een Engelsch matroos mede, -behalve Vrijdag, die veel te onbedreven was om op reis als knecht te -gebruiken. - -Op deze wijze vertrokken wij van Lissabon, allen goed bereden en -gewapend, zoodat wij een kleinen troep uitmaakten. Men deed mij de eer -aan mij kapitein te noemen, omdat ik de oudste was en twee knechts bij -mij had, en ook de eigenlijke oorzaak van de geheele reis was. Daar ik -den lezer met geen mijner zeetogten lastig gevallen ben, wil ik dit ook -niet met het journaal van mijne landreis doen; echter mag ik eenige -avonturen niet verzwijgen, die wij op deze lange en bezwaarlijke reis -ontmoetten. - -Te Madrid gekomen, bleven wij daar eenigen tijd vertoeven, daar wij -allen vreemdelingen in Spanje waren, om het Spaansche hof en al wat -merkwaardig was te bezigtigen, doch daar het laat in den zomer was, -hielden wij er ons niet lang op, en verlieten Madrid omstreeks het -midden van October. Maar toen wij aan de grenzen van Navarra kwamen, -werden wij op verscheidene plaatsen verontrust door de tijding, dat er -aan de Fransche zijde zoo veel sneeuw was gevallen, dat verscheidene -reizigers verpligt waren geweest naar Pampeluna terug te keeren, na met -veel gevaar den overtogt beproefd te hebben. - -Te Pampeluna aangekomen, vonden wij dat dit de waarheid was, en voor -mij, die altijd in een heet klimaat, waar men naauwelijks kleederen -verdragen kon, had geleefd, was de koude onuitstaanbaar. Nog -onaangenamer dan verrassend was het, dat wij slechts tien dagen te voren -Oud-Kastilië hadden verlaten, waar het niet alleen warm, maar zeer heet -was, en onmiddellijk een zoo strengen, snijdenden wind uit het -Pyrenesche gebergte voelden, dat die ondragelijk was, en wij bang -werden, dat onze handen en voeten zouden bevriezen. De arme Vrijdag was -inderdaad in doodsangst, toen hij de bergen met sneeuw bedekt zag, en -voor het eerst van zijn leven de koude gevoelde. - -Tot meerder ongeluk bleef het, toen wij te Pampeluna gekomen waren, zoo -geweldig doorsneeuwen en zoo lang, dat men zeide, dat de winter vóór -zijn tijd was gekomen, en de vroeger moeijelijke wegen thans geheel -ontoegankelijk waren; in één woord, de sneeuw lag op sommige plaatsen te -hoog om er door te komen, en daar zij niet bevrozen was, gelijk in -noordelijke landen, kon men niet voorttrekken, zonder bij iedere schrede -gevaar te loopen van levend begraven te worden. Wij bleven niet minder -dan twintig dagen te Pampeluna, toen ik, ziende dat de winter inviel en -er geene waarschijnlijkheid op zachter weder was (want strenger winter -had men in vele jaren in Europa niet vernomen) voorstelde dat wij allen -naar Fontarabia zouden gaan, en ons daar inschepen naar Bordeaux, dat -een korte reis was. - -Toen wij echter hierover beraadslaagden, kwamen er vier Fransche heeren -aan, die aan de Fransche zijde, even als wij aan de Spaansche, gebleven -waren, tot zij een gids hadden gevonden, die het land bij het hoofd van -Languedoc doortrekkende, hen langs wegen had gevoerd, waar zij slechts -weinig sneeuw hadden aangetroffen, en deze was nog zoo hard bevroren, -zeiden zij, dat zij hen en hunne paarden had kunnen dragen. Wij lieten -dezen gids roepen, die zeide te willen aannemen ons langs denzelfden weg -te brengen, zonder eenig gevaar van de sneeuw, mits wij genoeg gewapend -waren, om ons voor de wilde dieren te beschermen; want als er zoo veel -sneeuw viel, zeide hij, kwamen de wolven dikwijls van het gebergte naar -beneden, razende van honger, omdat de met sneeuw bedekte grond hun geen -voedsel aanbood. Wij zeiden, dat wij voor zulke beesten genoeg gewapend -waren, als hij ons beveiligen kon voor eene soort van wolven op twee -beenen, waarvan naar men ons gezegd had, wij vooral aan de Fransche -zijde van het gebergte het meeste gevaar liepen. Hij verzekerde ons, dat -op den weg, dien hij wilde nemen, wij daarvan geen gevaar zouden loopen. -Dus besloten wij hem te volgen, even als twaalf andere heeren met hunne -knechten, Spanjaarden en Franschen, die gelijk ik zeide, den overtogt -beproefd hadden, maar genoodzaakt waren geweest terug te keeren. - -Wij verlieten dan allen Pampeluna, den vijftienden November, met onzen -gids aan het hoofd, die tot mijne verbazing, in plaats van vooruit te -gaan, met ons terugkeerde, wel twintig Engelsche mijlen op den weg, dien -wij van Madrid afgekomen waren; waarna wij twee rivieren overtrokken en -de vlakte bereikt hebbende, ons wederom in een warm klimaat en -aangename landstreek bevonden, waar geen sneeuw te zien was; maar -plotseling links afslaande, naderde hij het gebergte langs een anderen -weg, en schoon de hoogten en afgronden verschrikkelijk zich vertoonden, -maakte hij zooveel bogten en wendingen, dat hij ons zonder het te weten -over de hoogste gebergten had gebragt, zonder dat wij veel last van de -sneeuw hadden gehad, en plotseling wees hij ons de aangename lagchende -gewesten van Languedoc en Gascogne, die allen groen en bloeijend er -uitzagen, schoon zij nog ver af lagen en wij nog een bezwaarlijken weg -tot daartoe hadden. Wij werden wel eenigzins ongerust, toen het -vier-en-twintig uren achtereen zoo hevig sneeuwde, dat wij stil moesten -houden, doch hij stelde ons gerust en verzekerde, dat wij spoedig alles -te boven zouden zijn. Inderdaad vonden wij elken dag, dat wij afdaalden, -en dus trokken wij, in vertrouwen op onzen gids, voort. - -Ongeveer twee uren voor het donker werd, was onze gids ons een eind -weegs vooruit, en toevallig buiten ons gezigt. Eensklaps kwamen drie -monsterachtige wolven uit een hollen weg, die in een digt bosch uitkwam, -tevoorschijn. Twee wolven vlogen op den gids aan, en zoo hij een half -kwartier verder vooruit was geweest, zouden zij hem verslonden hebben, -voor wij hem te hulp hadden kunnen schieten. Een hunner greep het paard, -en de andere den man zoo onstuimig aan, dat hij geen tijd of geen -tegenwoordigheid van geest genoeg had om zijn pistool uit te halen, maar -allergeweldigst om hulp riep. Vrijdag was juist naast mij, ik gelastte -hem vooruit te rijden, om te zien wat er te doen was. Zoodra Vrijdag hem -in het gezigt kreeg, riep hij zoo hard als de ander: "O meester, -meester!" maar daar hij een moedige kerel was, reed hij tot vlak bij den -man, en schoot den wolf met een pistool door den kop. - -Het was gelukkig voor den armen man, dat het Vrijdag was, die hem te -hulp kwam, want hij, die in zijn vaderland die beesten gezien had, was -er niet bang voor, terwijl zoo een onzer op een verderen afstand -geschoten had, hij misschien den wolf gemist of welligt den gids -getroffen had. Het was genoeg om een moediger man dan ik te ontzetten, -en ons geheele gezelschap was er inderdaad van verschrikt, toen wij na -het afschieten van Vrijdags pistool, aan weerszijden het afschuwelijkst -wolvengehuil hoorden, dat door de echo's in het gebergte verdubbeld -werd, zoodat het scheen alsof er eene ontzettende menigte was, en -misschien waren er genoeg om ons reden tot vrees te geven. - -Toen echter Vrijdag den eenen wolf had doodgeschoten, liet de ander -dadelijk het paard los, en nam de vlugt. Gelukkig had hij het bij den -kop gegrepen en het gebit in zijn bek gepakt, zoo dat hij het paard -weinig kwaad had gedaan. De gids had meer geleden; want hij was tweemaal -door het beest gebeten, eens in den arm en eens in de dij, en hij stond -op het punt om van zijn verschrikt paard te vallen, toen Vrijdag hem -bereikte. - -Gemakkelijk begrijpt men, dat wij op het hooren van Vrijdags schot, -allen onze paarden aanzetten, en zoo hard als de weg, die zeer -moeijelijk was, toeliet, opreden, om te zien wat er te doen was. Zoodra -wij de boomen, die ons het uitzigt benamen, voorbij waren, zagen wij wat -het geval was, en hoe Vrijdag den armen gids ontzet had, schoon wij nog -niet zien konden, welk beest hij gedood had. - -Maar nimmer zag men een moediger en zonderlinger gevecht dan hetgeen nu -volgde tusschen Vrijdag en den beer, die ons (schoon wij in het eerst -zeer bang voor hem waren) veel vermaak gaf. Daar de beer een zwaar en -plomp schepsel is, die niet zoo vlug loopt als de wolf, handelt hij -gewoonlijk naar twee regels. Den mensch, die zijn eigenlijke prooi niet -uitmaakt, schoon ik niet zeggen kan wat groote honger, als de sneeuw, -gelijk thans het geval was, den grond bedekt, bij hem kan uitwerken, den -mensch, zeg ik, valt hij zelden het eerst aan; integendeel, zoo gij u -met hem niet inlaat, zal hij zich met u niet bemoeijen. Maar men moet -toch zeer beleefd tegen hem zijn, en laten hem den weg vrij; want hij is -zeer trotsch en zou voor geen prins uit den weg gaan; het best is een -anderen weg heen te zien en bedaard voort te gaan, want zoo men -stilstaat en hem stijf aanziet, wil hij dit wel eens als eene -beleediging opnemen. Zoo men hem echter met iets gooit, dat hem raakt, -al ware het maar een takje zoo dun als een pink, dan wordt hij boos, en -laat alles staan om zijne wraak te koelen; want hij staat magtig op het -punt van eer; dit is zijn eerste eigenschap. De tweede is, dat als gij -hem beleedigd hebt, hij u nacht en dag volgen zal, om zich te wreken, -tot hij u ingehaald heeft. - -Vrijdag had onzen gids gered, en toen wij bij hem kwamen, was hij bezig -hem van zijn paard te helpen, want de man was zoo wel verschrikt als -gekwetst, vooral het eerste; toen wij eensklaps den beer uit het bosch -zagen komen; het was een monsterachtige; de grootste, dien ik ooit zag. -Wij waren allen een weinig ontsteld bij dit gezigt, maar toen Vrijdag -hem gewaar werd, kon men de vreugde op zijn gelaat lezen. "O! o! o!" -riep hij, "meester, geef mij verlof hem goeden dag te zeggen, gij zult -lagchen om hem." - -Ik verwonderde mij over zijne vreugde, en zeide: "Gek, hij zal u -opeten!"--"Mij opeten! mij opeten!" riep Vrijdag. "Ik zal hem opeten -liever, en u laten lagchen. Blijft allen hier staan, ik zal u laten -lagchen." Hij ging zitten en had in een oogenblik zijne laarzen uit en -een paar ligte schoenen aan, die hij in zijn zak had; daarop gaf hij -mijn anderen knecht zijn paard en liep weg als de wind. De beer kuijerde -zachtjes voort, en scheen zich met niemand te willen inlaten, tot -Vrijdag nader gekomen, hem toeriep: "Hoor eens, hoor eens, ik moet u -eens spreken!" alsof de beer hem verstaan kon. Wij volgden op een -afstand, want wij waren nu in een bosch gekomen, waar de grond effen, en -vrij open was, schoon hier en daar verscheidene boomen stonden. Vrijdag, -die den beer achterna liep, was spoedig digt bij hem gekomen, waarop hij -een steen opnam, en hem dien juist op het hoofd wierp, maar het was zoo -goed alsof hij hem tegen een muur had geworpen, schoon Vrijdag er zijn -doel mede bereikte, dat namelijk de beer op hem afkwam, ten einde ons te -laten lagchen, zoo als hij zeide. - -Zoodra de beer den steenworp gevoeld had, keerde hij zich om en kwam met -zoo duchtig groote stappen voortschuiven, dat een paard in een galop hem -naauwelijks had kunnen bijhouden. Weg vloog Vrijdag, en nam zijn weg -naar ons toe als om hulp; dus besloten wij allen te gelijk op den beer -te schieten, en mijn knecht te ontzetten; schoon ik niet weinig boos op -hem was, dat hij ons den beer op den hals had gehaald, terwijl die een -anderen weg uitkuijerde, en vooral omdat hij eerst den beer naar ons -toelokte, en toen wegliep. "Is dat ons aan het lagchen maken, kerel?" -riep ik. "Kom hier en neem uw paard, dan zullen wij op den beer -schieten." Hij hoorde mij, en riep: "niet schieten! niet schieten! Blijf -staan, gij zult veel lagchen." En terwijl de vlugge knaap slechts twee -voet voor den beer uit was, keerde hij zich plotseling om, en een -grooten eikenboom ziende, die hij tot zijn oogmerk geschikt achtte, -wenkte hij ons hem te volgen, en zijn gang versnellende, klom hij vlug -in den boom, na zijn geweer op vijf of zes ellen afstands van den boom -nedergelegd te hebben. - -Spoedig was de beer bij den boom gekomen, en wij volgden op een afstand. -Eerst bleef hij bij het geweer staan, berook het, maar liet het liggen, -en klom toen als eene kat in den boom, schoon hij zulk een plomp dier -was. Ik stond versteld van de dolheid van mijn knecht, en kon nog maar -niets zien om te lagchen, doch toen wij den beer op den boom zagen, -reden wij allen er digter naar toe. Toen wij er bij kwamen, was Vrijdag -aan het dunne eind van een zwaren arm van den boom gekomen, en de beer -was er halverwege op. Zoodra Vrijdag zag, dat hij het einde van den tak -naderde, riep hij ons toe: "Nu zult gij een beer zien leeren dansen." -Hij begon dus den tak te schudden en er op te dansen, zoodat de beer -begon te waggelen en achterom keek, alsof hij den aftogt wilde slaan, en -wij ons van lagchen niet konden bedwingen. Maar Vrijdag had nog niet met -hem gedaan; toen hij zag, dat hij stil stond, riep hij hem weder toe, -alsof het beest hem verstaan kon: "Kom wat nader, vriend; kom wat nader -als het u belieft!" Daarop bleef hij stil zitten, waarop de beer wat -verder vooruit kwam, toen begon hij weder te springen, en de beer bleef -stokstijf staan. - -Wij dachten, dat het nu een geschikt tijdstip was, om hem voor den kop -te schieten, en dus riep ik Vrijdag toe, stil te zitten, dat wij den -beer zouden schieten, maar hij riep: "Niet schieten! niet schieten! Ik -zal hem straks wel schieten." Om kort te gaan Vrijdag danste zoo lustig -en de beer stond zoo uit het veld geslagen, dat wij ons lagchen niet -konden bedwingen, schoon ik nog niet begrijpen kon, wat hij doen wilde. -Eerst dachten wij, dat hij den beer uit den boom zou laten tuimelen, -maar daar was de beer te slim toe, want hij kwam niet ver genoeg, en -hield zich met zijne breede klaauwen zoo stevig vast, dat wij niet -begrepen, hoe het af zou loopen. - -Eindelijk maakte Vrijdag er een einde aan, en riep den beer toe: "Komt -gij niet bij mij, dan zal ik bij u komen." Daarop schoof hij achteruit -tot aan het uiterste einde van den tak, die door zijne zwaarte -nederboog, zoodat hij gemakkelijk op den grond kon springen, gelijk hij -deed, en toen zijn geweer halen ging. "Wel Vrijdag, waarom schiet gij -hem nu niet?" vroeg ik. "Nog niet schieten," zeide Vrijdag, "eerst nog -wat lagchen, dan zal ik hem schieten." Toen de beer zijn vijand -vertrekken zag, klom hij van den zijtak af, maar uiterst benaauwd en bij -iederen stap achterom ziende, tot dat hij den stam bereikt had. Toen -klom hij verder zeer langzaam en zeer schroomvallig, voetje voor voetje -achteruit, en even voor hij zijn achterpoot op den grond zette, liep -Vrijdag naar hem toe, stak den tromp van zijn snaphaan in zijn oor en -schoot hem zoo dood als een steen. - -Toen keerde de knaap zich naar ons toe, en toen hij zag dat wij tevreden -waren, begon hij hartelijk te lagchen, en zeide: "Zoo schieten wij de -beeren in ons land."--"Hoe wilt gij die schieten zonder geweren?" vroeg -ik.--"Niet met geweer, maar met zeer lange bogen," zeide hij.--Dit -voorval had ons eene aangename afleiding gegeven, maar wij waren nog -altijd in eene woeste streek, onze gids was gekwetst, en wij wisten -naauwelijks wat nu te doen; het gehuil der wolven klonk ons nog in de -ooren, en behalve het geraas, dat ik aan de Afrikaansche kust hoorde, -waarvan ik vroeger gesproken heb, herinner ik mij niet ooit iets gehoord -te hebben, dat zoo afgrijsselijk was. De bedenking hiervan en dat het -duister werd, riep ons van daar, anders hadden wij zeker, gelijk Vrijdag -begeerde, dien monsterachtigen beer de huid afgestroopt, die het wel -waard was, doch wij hadden nog drie mijlen af te leggen en onze gids -haastte ons; dus lieten wij hem liggen en vervolgden onze reis. De grond -bleef nog met sneeuw bedekt, schoon niet zoo diep en gevaarlijk als op -het gebergte, en de wolven waren, gelijk wij naderhand hoorden, door den -honger gedreven tot in de vlakte afgedaald, en hadden in de dorpen veel -kwaads gedaan, schapen en paarden en ook eenige menschen gedood. Wij -moesten nog eene gevaarlijke engte door, waar wij, gelijk onze gids -zeide, zoo er nog wolven in die streek waren, ze zouden aantreffen; dit -was eene kleine vlakte, die tusschen digte bosschen, als eene lange laan -doorliep, en die wij door moesten, om het dorp te bereiken, waar wij ons -nachtverblijf zouden houden. - -Een half uur voor zonsondergang trokken wij het eerste bosch door, en -even na zonsondergang kwamen wij in de vlakte. In het eerste vonden wij -niets, dan op eene opene plek van geen twee roeden breed, zagen wij vijf -wolven den weg oversteken, alsof zij eene prooi najaagden. Zij sloegen -op ons geen acht en waren in een oogenblik uit ons gezigt. Hierop ried -onze gids, die in zijn hart een lafaard was, ons aan op onze hoede te -zijn, want dat hij geloofde, dat er meer wolven kwamen. - -Wij hielden onze wapenen gereed, doch zagen geen meer wolven voor wij -het bosch door en op de vlakte gekomen waren. Daar gekomen hadden wij -genoeg te zien. In de eerste plaats zagen wij een paard, dat de wolven -gedood hadden, en waar wel een dozijn aan bezig waren de beenen af te -kluiven, want het vleesch was er reeds geheel af. Wij achtten het niet -geraden hen in hunnen maaltijd te storen, en zij sloegen op ons geen -acht. Vrijdag wilde op hen schieten, maar ik verbood het, want ik -begreep, dat wij spoedig genoeg te doen zouden hebben. Wij waren nog -niet halverwege de vlakte door, toen wij in het bosch aan de linkerzijde -van ons, de wolven allerverschrikkelijkst hoorden huilen; en kort daarop -zagen wij een troep van wel honderd regt op ons aankomen, zoo geregeld -als een troep soldaten. Ik wist niet hoe hen best te ontvangen, maar -begreep, dat wij allen een digtgesloten linie moesten maken. Dit -geschiedde in een oogenblik, en nu gelastte ik, dat men slechts om den -anderen man schieten zou, terwijl de anderen zich gereed zouden houden -tot eene tweede losbranding als zij bleven naderen, terwijl dan de -eersten niet hunne geweren laden, maar ieder met eene pistool gereed -zouden staan, want wij hadden ieder een geweer en twee pistolen, dus -konden wij zes maal achtereen vuur geven. Dit was echter niet noodig, -want bij de eerste laag bleef de vijand staan, verschrikt van het vuur -en het schieten; vier waren doodgeschoten en verscheidenen gewond, -gelijk wij aan het bloed op de sneeuw zagen. Daar zij nu stand hielden -en niet terugtrokken, bragt ik mij te binnen, dat mij wel eens verhaald -was, dat de woestste dieren voor de stem van een mensch vreezen; en liet -dus ons geheele gezelschap een luid geschreeuw aanheffen. Dit middel had -het gewenschte gevolg, zij keerden zich om en begonnen af te trekken. -Eene tweede laag van ons deed hen daarop ijlings wegvlugten. - -Dit gaf ons tijd onze wapenen weder te laden, gelijk wij zonder dralen -deden; naauwelijks was dit echter geschied of wij hoorden aan onze -linkerzijde, in hetzelfde bosch doch verder af, weder een -verschrikkelijk geweld, van den kant dien wij moesten heentrekken. De -nacht begon in te vallen, en de duisternis maakte onzen toestand nog -hagchelijker; doch wij konden, toen het rumoer heviger werd, duidelijk -het gehuil dier helsche beesten onderkennen, en plotseling zagen wij -twee of drie troepen wolven, een op zijde, een van achteren en een voor -ons uit, zoodat wij geheel omringd schenen. Daar zij ons echter niet -aanvielen, zetten wij onzen weg voort, zoo snel onze paarden voort komen -konden, hetgeen slechts op een middelmatigen draf was, daar de weg -slecht was. Op deze wijze kwamen wij aan den ingang van het bosch, dat -wij na de vlakte, door moesten trekken, maar wij zagen met leede oogen, -toen wij bij den engen weg of laan, die er door liep, kwamen, dat vlak -aan den ingang eene groote troep wolven stond. Plotseling hoorden wij -van eene andere opening in het bosch een geweerschot, en een paard met -zadel en toom kwam er uitvliegen als de wind met zestien of zeventien -wolven achter zich. Het paard liep sneller, maar kon het niet lang zoo -uithouden, en zij moesten het weldra inhalen. - -Toen wij daarop den ingang, waar het paard uitgekomen was, binnengereden -waren, zagen wij een verschrikkelijk tooneel. Wij vonden nog een paard -en twee menschen, die de wolven verscheurden. Ongetwijfeld had een der -mannen het geweer afgeschoten, want dit lag naast hem, doch de wolven -hadden hem reeds half verslonden. Vol afgrijzen wisten wij eerst niet -wat te doen, doch de wolven lieten ons weinig tijd van beraad, want zij -verzamelden zich om ons heen, en schenen ons tot hunne prooi uitgekozen -te hebben. Ik geloof, dat er wel driehonderd waren. Tot ons geluk lagen -digt bij den ingang van het bosch eenige zware boomstammen, die den -vorigen zomer zeker geveld en nog niet weggehaald waren. Ik plaatste -mijne kleine troep achter deze, en vormde zoo een driehoekig front met -de paarden in het midden. Het was tijd, want weldra kwamen zij met een -dof gegrom aanzetten en beklommen onze borstwering, als waren zij zeker -van hunnen buit. Het schijnt, dat zij vooral woedend werden door onze -paarden achter ons te zien. Ik gelastte, dat men om den anderen man -weder zou vuren, en ieder mikte zoo goed, dat bij de eerste losbranding -verscheidene wolven sneuvelden, maar wij moesten aanhoudend doorvuren, -want de achtersten dreven de voorsten aanhoudend als ware duivels -vooruit. Bij onze tweede losbranding schenen zij tot staan gebragt, maar -het was slechts voor een oogenblik, want er kwamen weder anderen -opzetten, dus deden wij twee losbrandingen met onze pistolen, en doodden -geloof ik wel zeventien of achttien en kwetsten zeker eens zooveel, maar -toch kwamen er meer opzetten. - -Ik wilde ongaarne onze laatste losbranding te haastig geven, dus riep ik -mijn knecht, niet Vrijdag, want die was beter bezig met mijn geweer en -het zijne telkens met de grootste vlugheid weder te laden, maar de -ander, gaf hem een kruidhoorn, en gelastte hem onder den boomstam een -breeden loop kruid te leggen. Hij deed dit en was naauwelijks weg, of de -wolven kwamen opzetten en sommigen er opspringen, toen ik eene pistool -op het kruid losbrandde, en dat ontstak. Die op den stam waren, vielen -gezengd neder, verscheidene sprongen tot midden onder ons. Deze werden -dadelijk afgemaakt en de overigen waren zoo verschrikt van het vuur, dat -zij een weinig terugtrokken. Hierop gelastte ik al onze pistolen gelijk -af te vuren en tevens hard te schreeuwen, waarop de wolven het hazenpad -kozen, en wij op een twintig gekwetsten aanvielen, die op den grond -lagen, en ze in een oogenblik afmaakten, hetwelk een gelukkig gevolg -had, want hun gekerm en gehuil werd door hunne makkers zeer goed -begrepen, die de vlugt kozen en ons verlieten. - -Wij hadden zeker zestig wolven gedood, en zouden, zoo het dag geweest -was, er nog meer nedergeveld hebben. Na dus ruim baan gemaakt te hebben, -trokken wij weder vooruit, want wij hadden nog ongeveer een uur gaans -voor ons. Onderweg hoorden wij de hongerige beesten gestadig huilen, en -verbeeldden ons somtijds ze te zien, doch konden dit niet zeker zeggen, -daar onze oogen van de schittering der sneeuw verblind waren. Een uur -later kwamen wij in het dorp, waar wij ons nachtverblijf moesten houden, -en hier vonden wij alles in onrust en beweging, want den vorigen nacht -waren eenige wolven en beeren tot in het dorp doorgedrongen en hadden -hun een doodschrik op het lijf gejaagd, en zij waren verpligt altijd en -vooral des nachts de wacht te houden, ten einde hun vee en hun eigen -leven te beveiligen. - -Den volgenden morgen was onze gids zoo ziek en zijne kwetsuren zoo -ontstoken, dat wij niet verder voort konden, dus waren wij verpligt een -nieuwen gids aan te nemen en naar Toulouse te gaan, waar wij weder in -een warm luchtgestel en een aangenaam, vruchtbaar land waren. Maar toen -wij te Toulouse ons wedervaren verhaalden, zeide men ons, dat dit in het -groote bosch aan den voet van het gebergte, niets ongewoons was, vooral -als de grond met sneeuw bedekt was. Maar men vroeg ons, welk slag van -een gids wij gevonden hadden, die het had durven wagen ons in dat -strenge jaargetij te geleiden en verzekerde, dat het een wonder was, dat -wij niet allen verongelukt waren. Toen wij verhaalden, welke stelling -wij hadden aangenomen en onze paarden in het midden geplaatst hadden, -keurden zij dit sterk af, en zeiden dat het vijftig tegen een was, dat -wij niet allen verscheurd waren geworden; want de wolven zijn vooral zoo -verhit op paarden, maar anders zeer bang voor geweerschoten. Daar zij -echter uitgehongerd waren, had de trek naar paardenvleesch hen het -gevaar doen verachten, en zonder ons aanhoudend vuur en den loop -buskruid zouden wij hoogst waarschijnlijk allen verscheurd zijn. In -allen geval zouden wij, als wij onze paarden in den steek hadden -gelaten, en gezamenlijk afgetrokken waren, veilig hebben kunnen -aftrekken, vooral met onze vuurwapens en in zoo groot getal zijnde. Wat -mij betreft, ik heb nimmer grooter gevaar onder de oogen gezien, want -toen ik driehonderd duivels huilende en met open muil op ons zag afkomen -en geenerlei beschutting of veiligen aftogt voor ons zag, hield ik mij -voor verloren, en liever dan weder het gebergte over te trekken, zou ik -duizend mijlen ter zee afleggen, al wist ik ook, dat ik alle weken een -storm zou moeten doorstaan. - -Ik zou van mijne reis door Frankrijk niets kunnen mededeelen, dan -hetgeen anderen beter vóór mij gedaan hebben. Ik reisde van Toulouse -naar Parijs en kwam kort daarop te Calais en landde veilig te Dover den -14 Januarij, na veel koude uitgestaan te hebben. Thans was mijn doel -bereikt, en ik spoedig in het bezit van mijn sedert kort ontdekten -rijkdom, daar de medegebragte wissels weldra allen betaald werden. Mijne -voornaamste raadsvrouw was thans weder de goede oude weduwe, die vol -dankbaarheid voor het geld dat ik haar gezonden had, geene moeite of -zorg te groot voor mij achtte, en daar ik op hare onkreukbare -eerlijkheid bouwen kon, kon ik haar gerust alles toevertrouwen. - -Ik schreef thans aan mijn vriend in Lissabon over den verkoop mijner -plantaadje, en op zijn raad bood ik die aan de zoons van mijne -gemagtigden te koop aan. Deze namen mijn eisch aan, en deden mij door -een bankier te Lissabon drie-en-dertig duizend stukken van achten -daarvoor toekomen, terwijl de lijfrente van honderd moidores aan den -kapitein en vijftig aan zijn zoon als eene grondrente ten laste van de -plantaadje bleven. - -Aldus eindigde het eerste deel van een wisselvallig leven, een blijk van -de bestieringen der Voorzienigheid, en welks lotwisselingen zelden -geëvenaard zijn. Dwaselijk begonnen, eindigde het gelukkiger dan eenig -gedeelte van hetzelve mij reden gaf te verwachten. - -Men zou denken, dat ik in een toestand, zoo gezegend in alle opzigten, -buiten alle gevaren was, en dit zou ook zoo geweest zijn als ik niet tot -een zwervend leven bestemd was geweest. Ik had vrouw noch kinderen, -weinig bloedverwanten, en hoezeer rijk, weinig bekenden, en schoon ik -mijne plantaadje verkocht had, lag Brazilië mij nog altijd in het hoofd. -Nog meer verlangde ik mijn eiland weder te zien en te vernemen of de -arme Spanjaards daar gekomen, en hoe zij door de daar achtergelaten -schurken behandeld waren. - -De ernstige raadgevingen der weduwe weêrhielden mij zeven jaren lang -hiervan, gedurende welken tijd ik twee neven, kinderen van een mijner -broeders, naar mij nam. De oudste, die eenig vermogen bezat, voedde ik -als een heer op, en vermaakte hem een deel van mijne bezittingen; den -jongste gaf ik aan een scheepskapitein mede, en toen hij na vijf jaren -een knap, bedaard en ondernemend jongman was, plaatste ik hem op een -schip als kapitein, en zond hem naar zee. Deze jonge knaap verlokte mij -naderhand, zoo oud als ik was, tot verdere avonturen. - -Middelerwijl had ik mij in Engeland nedergezet, en was in het huwelijk -getreden, en dat zeer tot mijn genoegen, want mijne vrouw schonk mij -twee zonen en eene dochter. Maar mijne vrouw stierf, en mijn neef kwam -terug van eene voorspoedige reis naar Spanje, en mijne neiging en zijn -aanhouden verlokten mij, om als koopman naar Oost-Indië scheep te gaan. -Dit was in 1694. - -Op deze reis bezocht ik mijne nieuwe kolonie, zag mijne opvolgers, de -Spanjaarden, vernam hunne geheele geschiedenis en die van de -achtergelaten kerels; hoe zij eerst de Spanjaards plaagden, daarna vrede -maakten, weder twist zochten, dien bijlegden en weder hernieuwden, tot -eindelijk de Spanjaarden, tot geweld genoodzaakt, hen aan zich -onderwierpen; hoe goed zij door deze behandeld werden; een verhaal even -buitengewoon als mijn eigen leven; vooral van hunne gevechten met de -Caraïben, die verscheidene malen op het eiland landden; de verbeteringen -door hen daarop gemaakt, en hoe vijf hunner een togt naar het vasteland -deden, en elf mannen en vijf vrouwen als gevangenen medebragten, waarvan -het gevolg was, dat ik bij mijne komst een twintigtal jonge kinderen op -het eiland vond. - -Ik bleef er ongeveer twintig dagen, en liet hen allerlei -noodwendigheden, vooral wapens, kruid en lood, gereedschappen, kleederen -en twee handwerkslieden, een timmerman en een smid, die ik uit Engeland -medegebragt had. Voorts verdeelde ik het eiland onder hen, doch behield -den eigendom van het geheel voor mij, en na alles met hen geschikt en -hen verzocht te hebben het eiland niet te verlaten, verliet ik hen. -Daarop deed ik Brazilië aan, vanwaar ik met een daar gekocht scheepje, -behalve vele andere zaken, hun zeven vrouwen toezond, hetzij als -dienstboden of om als echtgenooten te nemen. Den Engelschen beloofde ik -eenige wouwen uit Engeland te zullen zenden, als zij daar wilden -blijven, hetgeen mij later niet mogelijk was. Deze knapen gedroegen zich -zeer goed nu zij onder strenge tucht stonden. Ook zond ik hun uit -Brazilië vijf koeijen, waarvan drie kalven moesten, eenige schapen en -varkens, die bij mijne wederkomst zich aanmerkelijk vermeerderd hadden. - -Doch dit alles, en hoe driehonderd Caraïben het eiland overvielen, hen -eerst versloegen, één hunner doodden, en hunne aanplantingen vernielden; -doch hoe later een storm des vijands kanoes vernielde, deze door honger -en hunne geweren gedood werden, en zij weder in het bezit van het -eiland geraakten; dit alles, met nog eenige buitengewone lotgevallen -van mijzelven, gedurende nog tien jaren, zal ik misschien later -verhalen. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van -Robinson Crusoe, t. 1 (of 2), by Daniel De Foe - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 1 *** - -***** This file should be named 41427-8.txt or 41427-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/1/4/2/41427/ - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/41427-8.zip b/41427-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 8cab816..0000000 --- a/41427-8.zip +++ /dev/null diff --git a/41427-h.zip b/41427-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 7ae229a..0000000 --- a/41427-h.zip +++ /dev/null diff --git a/41427-h/41427-h.htm b/41427-h/41427-h.htm index 42a5c2c..d7b7847 100644 --- a/41427-h/41427-h.htm +++ b/41427-h/41427-h.htm @@ -96,9 +96,9 @@ table { </style> </head> <body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41427 ***</div> -<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41427 ***</div> @@ -10122,7 +10122,7 @@ verhalen.</p> -<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41427 ***</div> +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41427 ***</div> </body> </html> diff --git a/41427.json b/41427.json deleted file mode 100644 index f0a1809..0000000 --- a/41427.json +++ /dev/null @@ -1,5 +0,0 @@ -{
- "DATA": {
- "CREDIT": "Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe (Images generously made available by the Hathi Trust)"
- }
-}
diff --git a/old/41427-8.txt b/old/41427-8.txt deleted file mode 100644 index 174d978..0000000 --- a/old/41427-8.txt +++ /dev/null @@ -1,9966 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van Robinson -Crusoe, t. 1 (of 2), by Daniel De Foe - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 (of 2) - -Author: Daniel De Foe - -Release Date: November 21, 2012 [EBook #41427] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 1 *** - - - - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - - - - -HET LEVEN - -EN - -DE LOTGEVALLEN - -VAN - -ROBINSON CRUSOE, - - -DOOR - -DANIËL DE FOE. - - -EERSTE DEEL. - -OP NIEUW UIT HET ENGELSCH VERTAALD. - - -TE AMSTERDAM, BIJ - -J.F. SCHLEIJER. - -1843 - - - - -HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN - -van - -ROBINSON CRUSOE - - -Ik ben geboren in de stad York, in 1632, van eene deftige familie, die -daar echter niet inheemsch was. Mijn vader was van Bremen afkomstig en -had zich eerst te Hull gevestigd. Na in den koophandel eene tamelijke -fortuin verworven te hebben, liet hij dien varen en ging te York wonen, -waar hij met mijne moeder trouwde, die tot eene deftige oude familie, -Robinson genaamd, aldaar behoorde. Naar deze ontving ik den naam van -Robinson Kreutznaer; maar door eene in Engeland niet ongewone -verbastering van naam, noemde men ons, en noemen en schrijven wij zelven -ons Crusoe; en mijne vrienden hebben mij nimmer anders dan onder dien -naam gekend. - -Ik had twee broeders, die ouder waren dan ik; de oudste diende als -luitenant-kolonel bij een regement voetvolk in Vlaanderen, toen hij in -den slag tegen de Spanjaarden bij Duinkerken sneuvelde. Ik heb nimmer -vernomen wat er van mijn tweeden broeder geworden is, even als mijne -ouders nimmer wisten waar ik gebleven was. - -Ik was de derde zoon en tot geenerlei bedrijf opgeleid, terwijl mijn -hoofd reeds vroeg met allerlei luchtkasteelen opgevuld was. Mijn vader, -die reeds hoog bejaard was, had mij zooveel onderrigt verschaft als hij -kon, zoowel door zijne lessen te huis als door mij op eene school te -laten gaan. Hij had mij tot een regtsgeleerde bestemd, maar ik dacht -alleen aan ter zee te varen; en deze neiging maakte mij zoo doof voor de -wenschen, zelfs voor de bevelen mijns vaders, en al het smeeken en -afraden mijner moeder en mijner bloedverwanten, dat het scheen alsof -hierin een zeker noodlot lag, dat mij aandreef tot het rampzalige leven, -dat ik sedert geleid heb. - -Mijn vader, een bezadigd en verstandig man, deed mij de ernstigste en -uitmuntendste vertoogen, om mij van mijne voornemens af te brengen. Op -een morgen riep hij mij tot zich in zijne kamer, die de jicht hem -belette te verlaten, en onderhield mij dienaangaande op het -nadrukkelijkst. "Welke redenen," vroeg hij, "behalve de dwaze zucht om -de wereld rond te zwerven, drijven u aan uw vaders huis en uw vaderland, -waar gij voortgeholpen kunt worden, door uwe vlijt aangenaam leven, en -een ruim bestaan kunt erlangen. Alleen menschen, die niets te verliezen -hebben of die groote rijkdommen bezitten, mogen zich door gevaarlijke -middelen rijkdom of beroemdheid verwerven; zulke middelen zijn ver boven -u of ver beneden u." Hij voegde er bij, dat ik tot den middelstand -behoorde, dat is tot dien, welke den hoogsten trap onder de mindere -klassen beslaat; een staat, die de ervaring hem geleerd had, dat de -gelukkigste voor den mensch is; dewijl men er niet blootgesteld is aan -den zwaren arbeid en de ontberingen, waaraan zij, die van hunnen -handenarbeid leven, zich moeten onderwerpen, en te gelijker tijd bevrijd -blijft van de weelde, en den hoogmoed, en de afgunst van iedereen, -waaraan de grooten blootstaan. "Alleen hieruit," zeide hij, "kunt gij -over het geluk van dezen staat oordeelen, dat dikwijls koningen de -treurige gevolgen van hunnen verheven stand hebben betreurd, en -gewenscht, dat zij in het midden tusschen grootheid en geringheid waren -geboren. Het beste boek getuigt ook van het geluk van dezen staat, als -de wijze den Hemel smeekt hem noch armoede noch rijkdom te geven." - -Hij deed mij wijders opmerken, dat de zwaarste rampen gewoonlijk de -hoogste en laagste standen der maatschappij troffen; maar dat de -middelklasse de minste lotwisselingen onderging, en veel minder bloot -stond aan een aantal ziekten en kwalen van ligchaam en geest, die bij de -grooten door ondeugden, verwenning en onmatigheid, en aan den anderen -kant bij de geringen door slecht voedsel, gebrek en zwaren arbeid, -worden voortgebragt. "De middelstand," zeide hij, "is volkomen geschikt -om alle deugden te ontwikkelen, en alle soort van genoegens op te -leveren; rust en overvloed zijn de natuurlijke gevolgen van een -middelmatig fortuin; bezadigdheid, matigheid, gemoedsrust, alle -maatschappelijke genoegens gaan daarmede gepaard. Langs dezen weg gaat -men onopgemerkt en zonder moeite de wereld door, bevrijd van zwaren -hand- en hoofdarbeid, niet gedoemd tot eene dagelijksche slavernij om -zijn brood te verdienen, noch tot zulke ingewikkelde zaken, die de ziel -van haren vrede, het ligchaam van zijne rust berooven; verwijderd van de -knagingen der afgunst, niet verteerd door bedekte eerzucht; aldus -wandelt men welgemoed het leven door, smaakt de zuiverste geneugten des -levens, gevoelt zijn geluk en leert dagelijks zijn lot meer naar waarde -schatten." - -Hierop drong hij ernstig en op de liefderijkste wijze er bij mij op aan, -dat ik niet als een loszinnige jongen zou handelen, en mij niet in -ellenden zou storten, voor welke de natuur, en de staat waarin ik -geboren was, mij behoedden. Hij zeide, dat ik niet noodig had mijn brood -te zoeken, dat ik op zijne ondersteuning rekenen kon, en hij zijn best -zou doen mij in den staat, dien hij mij zoo aangeprezen had, te stellen. -"Zoo gij niet in een onbezorgden toestand geraakt," zeide hij, "zal het -alleen uw eigen schuld en ik er niet verantwoordelijk voor zijn. Ik heb -mijn pligt gedaan door u te waarschuwen tegen stappen, die ik weet dat -tot uw ongeluk leiden. In een woord, ik wil veel voor u doen, als gij u -hier naar mijn wensen wilt nederzetten; maar ik wil niets tot uw ongeluk -bijdragen, door u de uitvoering uwer voorgenomen zwerftogten gemakkelijk -te maken." Eindelijk hield hij mij het voorbeeld van mijn oudsten -broeder voor oogen, bij wien hij dezelfde drangredenen had aangevoerd, -om hem van zijn vertrek naar het leger in de Nederlanden terug te -houden, waar hij zijn dood had gevonden. Hij verzekerde mij, dat hij -nimmer zou ophouden voor mijn welzijn te bidden, maar dat hij mij durfde -voorspellen, dat, zoo ik den onzinnigen stap, waartoe ik voornemens -scheen, uitvoerde, ik niet op 's Hemels zegen hopen mogt, en dat het -naderhand mij eenmaal zou berouwen, dat ik zijn raad niet gevolgd had, -als ik in het ongeluk geraakte en niemand mij te hulp kwam. - -Bij dit laatste deel van zijne rede, die inderdaad door de uitkomst -volkomen bevestigd werd, schoon mijn vader dit zelf niet vermoeden kon, -zag ik dat de tranen hem over het gelaat stroomden, vooral toen hij van -mijn gesneuvelden broeder sprak; en toen hij van mijn berouw in later -tijd gewaagde, en dat mij alsdan niemand zou te hulp komen, was hij zoo -aangedaan, dat hij het gesprek afbrak, en mij verklaarde, dat zijn hart -te vol was en hij niet meer spreken kon. - -Ik was ernstig getroffen door dit gesprek, en wie zou dit niet geweest -zijn? Ik besloot er niet meer aan te denken het land te verlaten, maar -mij er, zoo als mijn vader verlangde, te vestigen. Maar helaas, in -weinige dagen was deze indruk geheel uitgewischt, en om mijns vaders -verwijtingen te ontgaan, vormde ik het besluit stilletjes de vlugt te -nemen. Ik handelde echter niet zoo overijld, als mijne eigene drift mij -wel aandreef. Ik maakte mij een oogenblik ten nutte, waarin mijne moeder -mij beter geluimd dan gewoonlijk toescheen, om haar te bekennen, dat het -verlangen, de wereld te zien, mijne ziel zoo geheel had ingenomen, dat -het mij onmogelijk zou zijn mij op iets toe te leggen met die -standvastigheid, die tot het welslagen vereischt wordt; dat mijn vader -beter zou doen mij zijne toestemming te geven, dan mij te dwingen zonder -dezelve te vertrekken; dat ik thans achttien jaren oud en het dus te -laat was om als leerling bij een koopman, of klerk bij een regtsgeleerde -te gaan, en dat, zoo ik mij tot het een of ander vak begaf, ik gewis dit -vóór het einde van mijn leertijd zou vaarwel zeggen; en dat, zoo zij -mijn vader wilde overhalen mij eene enkele reis buiten 's lands te laten -doen, ik bij mijne terugkomst, zoo deze levenswijs mij niet beviel, -haar zou vaarwel zeggen, en door verdubbelde vlijt den verloren tijd -inhalen. - -Bij deze mededeeling werd mijne moeder zeer boos. Zij zeide mij, dat het -niet baten zou mijn vader hierover te spreken, want dat deze te wel mijn -waar belang kende, om zulke schadelijke ontwerpen te bevorderen; zij -begreep niet hoe ik er nog aan durfde denken, na hetgeen mijn vader mij -had voorgehouden, en na de woorden van genegenheid, waarvan hij zich -alstoen bediend had. "Wilt gij u overigens volstrekt ongelukkig maken," -zeide zij, "niemand kan het u beletten, maar gij kunt verzekerd zijn, -dat wij daarin nimmer zullen toestemmen; wat mij betreft, ik zal nimmer -tot uw verderf de hand leenen, en gij zult nimmer kunnen zeggen, dat uwe -moeder goedvond wat uw vader afgekeurd heeft." - -Hoewel nu mijne moeder weigerde mijn voornemen aan mijn vader mede te -deelen, heb ik naderhand vernomen, dat zij hem ons geheele gesprek had -verhaald, en dat hij, na vele blijken van droefheid, gezegd had: "Dit -kind kon zeer gelukkig leven als hij hier bleef; maar als hij ons -verlaat, kan hij de ongelukkigste mensch der wereld worden; ik kan er -niet in toestemmen." - -Ik bleef nog bijkans een jaar in huis, zonder te trachten mijne boeijen -te verbreken, maar altijd halsstarrig het oor sluitende voor elk -voorstel, om mij op het een of ander toe te leggen. Dikwijls stelde ik -mijnen ouders voor, dat zij verkeerd deden met zich zoo te verzetten -tegen mijne besliste neiging. Eindelijk was ik eens te Hull, waar ik -toevallig, en zonder oogmerk om weg te loopen, was heengegaan; en vond -daar een mijner schoolmakkers, die over zee naar Londen ging in een -schip, dat zijn vader toekwam. Hij noodigde mij uit hem te vergezellen, -met de gewone drangreden van een zeeman, namelijk, dat de overtogt mij -niets zou kosten. Zonder alstoen mijne ouders te raadplegen, zonder hen -kennis te geven van mijn vertrek, liet ik het aan het toeval over, -wanneer en op welke wijze zij hiervan berigt zouden bekomen; zonder te -denken om mijns vaders zegen of dien van God te vragen, zonder op de -omstandigheden of gevolgen van mijn stap te letten, en God weet het, te -kwader ure, den 1en September 1651, begaf ik mij scheep op het naar -Londen bestemde vaartuig. - -Nimmer begonnen de ongelukken van een jongen avonturier spoediger, noch -duurden langer dan de mijne. Naauwelijks waren wij de haven uit, of de -wind begon op te steken en de zee geweldig hoog te gaan; en daar ik voor -de eerste maal op zee was, werd ik allerijsselijkst ziek en benaauwd. Ik -begon thans ernstig te bedenken wat ik gedaan had, en ik gevoelde hoe -welverdiend de straf was, die de Hemel mij toeschikte, omdat ik op eene -zoo laakbare wijs mijn vaders huis en mijn pligt verlaten had. Al de -goede raadgevingen mijner ouders, de tranen mijns vaders, de gebeden -mijner moeder kwamen mij voor den geest, en mijn geweten, dat nog niet -zoo verhard was als naderhand, verweet mij, dat ik wijzen raad -veronachtzaamd, het vaderlijk gezag miskend en Gods wetten overtreden -had. - -Middelerwijl werd de storm steeds heviger, en de zee begon zeer hoog te -gaan, hoewel op verre na zoo niet, als ik het later meermalen heb -gezien, en het weinige dagen daarna reeds bijwoonde, maar toch genoeg om -iemand als ik, die nimmer op zee geweest was, angst aan te jagen. Bij -elke golf verwachtte ik, dat zij ons zou inzwelgen, en als het schip van -voren tot op den bodem der zee zonk, zoo als ik mij verbeeldde, dacht -ik, dat het zich nimmer zou opheffen. In deze oogenblikken van angst -deed ik menigmaal de gelofte, dat als het God behaagde mij op deze reis -te sparen, ik, zoodra ik voet aan wal zette, dadelijk naar mijn vaders -huis gaan en nimmer weder een schip betreden zou, maar mij naar zijn -raad gedragen en mij nimmer weder in zulk gevaar begeven. Thans zag ik -duidelijk hoe waar mijn vader gesproken had over den middelstand, hoe -gerust hij zijne dagen gesleten had, evenzeer behoed voor de stormen des -oceaans, als voor de zorg en onrust van het land. Ik besloot dus, met -een opregt berouw, als de verloren zoon, naar mijn ouders huis terug te -keeren. - -Deze goede en verstandige voornemens duurden zoo lang de storm aanhield -en zelfs nog eenigen tijd daarna, maar den volgenden dag werd de wind -bedaard, de zee werd kalm, en ik begon er mij aan te gewennen; echter -was ik dien geheelen dag zeer ernstig, want ik was nog een weinig -zeeziek. Tegen den avond klaarde de lucht op, de wind ging geheel -liggen, en het werd een verrukkelijk schoone avond. De zon ging -onbewolkt onder en even zoo den volgenden dag op. Hare stralen vielen op -eene effene en kalme zee, een zacht windje dreef ons voort, en dit -schouwspel scheen mij het heerlijkste wat ik immer zag. - -Ik had goed geslapen; ik was niet ziek meer, en zag met eene vrolijke -verbazing die zee, die gisteren zoo onstuimig en verschrikkelijk, en -heden zoo schoon en rustig was. Mijn vriend, die mij werkelijk weggelokt -had, en zeker vreesde, dat mijne goede voornemens zouden stand houden, -kwam thans bij mij, en zeide: "Wel, Robinson, hoe gaat het u thans? Ik -wed dat gij gisteren, toen wij die bui hadden, bang waart?"--"Noemt gij -dat eene bui?" vroeg ik; "het was waarachtig een verschrikkelijke -storm."--"Een storm, domoor die gij zijt!" hervatte hij, "het geleek er -niet naar. Met een goed schip, en als wij in het ruime sop zijn, -bekommeren wij ons weinig om zulke vlagen. Maar gij zijt een -zoet-waterschipper, Robinson; eene kom punsch zal u dat alles doen -vergeten. Zie eens welk verrukkelijk weder wij thans hebben." - -Om bij dit droevig gedeelte van mijne geschiedenis niet langer stil te -staan, zal ik alleen maar zeggen, dat wij deden als zoo vele zeelieden. -De punsch werd gereed gemaakt, en mijn berouw over het verledene en al -mijne wijze voornemens voor het toekomende, daarin verdronken. In een -woord, gelijk de zee, na het ophouden van den storm, tot hare gewone -kalmte terugkeerde, zoo hervatte ik, na bevrijd te zijn van de vrees, om -door de zee verzwolgen te worden, mijne gewone wijze van denken, en -vergat al de geloften, die ik gedurende mijn angst had afgelegd. Er -waren echter nog oogenblikken, waarin de rede hare heerschappij trachtte -te hernemen, maar ik verzette mij daartegen als tegen eene zwakheid, en -terwijl ik mij aan den sterken drank en het gezelschap mijner makkers -overgaf, geraakte ik weldra van deze vlagen, gelijk ik ze noemde, -ontslagen. Na verloop van vijf of zes dagen had ik over mijn geweten -eene zoo volkomene overwinning behaald, als een jongeling, die van -deszelfs vermaningen ontslagen wenscht te zijn, slechts kon verlangen. -Evenwel moest ik van dien kant nog een anderen aanval doorstaan, en -gelijk gewoonlijk in zulke gevallen geschiedt, wilde de Voorzienigheid -mij alle verontschuldigingen benemen; want zoo ik de genade des Hemels -niet wilde erkennen in den afloop van de voorgaande gebeurtenis, was de -volgende van dien aard, dat de verdorvenste en meest verharde onder ons, -niet weigeren kon, er de kastijdende en reddende hand des Hemels in te -zien. - -Den zesden dag onzer reis kwamen wij op de reede van Yarmouth, daar de -tegenwinden en windstilten ons niet veel hadden doen vorderen, sedert -den storm. Wij waren verpligt op deze reede te ankeren, omdat de wind -voor ons ongunstig was, dat wil zeggen, dat hij Z.W. bleef, gedurende -zeven of acht dagen. Verscheidene groote schepen van New-Castle bleven -daar om dezelfde reden als wij liggen. De wind, die eerst stevig, en -vervolgens allerhevigst was, verhinderde ons den Teems op te varen; -maar de ankergrond was goed (deze reede wordt zoo veilig geacht als eene -haven) en ons ankertouw was stevig; zoodat ons volk niet het minste -gevaar duchtte en volgens de gewoonte der matrozen, den tijd sleet met -allerlei vrolijkheid. Eindelijk werd den achtsten dag, des morgens, de -wind zoo hevig, dat alle man aan het werk moest om de stengen te -strijken, ten einde den wind zoo weinig vat als mogelijk te laten. Tegen -den middag ging de zee vreesselijk hoog, ons schip kreeg verscheidene -stortzeeën over, en eens of twee malen dachten wij dat het anker te huis -kwam, zoodat de schipper besloot het plegtanker te laten vallen, waarop -wij met twee ankers vooruit lagen en met de touwen tot aan het einde -uitgestoken. - -Weldra stak er een allervreesselijkste orkaan op, en thans zag ik op de -gezigten der matrozen zelve schrik en neêrslagtigheid. De kapitein hield -zich ijverig met de zorg voor zijn vaartuig bezig, maar ik hoorde hem -binnen 's monds zeggen, terwijl hij digt langs mij heen, in de kajuit -ging: "Heere, heb medelijden met ons! het is met ons gedaan! alles is -verloren!" en dergelijke uitdrukkingen meer. In de eerste oogenblikken -van verwarring, was ik als verplet op de kooi in mijne hut -nedergevallen. Wat ik gevoelde, zou ik onmogelijk kunnen beschrijven. -Het kostte mij moeite mijn vorig berouw te herdenken, en ik trachtte mij -daartegen te verharden. Ik zeide tot mijzelven, dat de eerste bitterheid -van den angst voorbij was, en dat deze onrust niets zou zijn in -vergelijking van de eerste. Maar toen ik den kapitein zelf hoorde -zeggen, dat wij allen in gevaar waren van te vergaan, gevoelde ik een -ontzettenden angst. Ik vloog uit de kajuit, sloeg de oogen rondom mij en -zag een allerverschrikkelijkst schouwspel. De golven gingen berghoog, en -braken om de drie of vier minuten over ons schip. Waar ik de oogen -wendde zag ik niets dan nood. Twee zwaar geladen schepen, digt bij ons, -hadden hunne masten tot op het dek gekapt, en de matrozen riepen dat een -ander vaartuig, dat op eene mijl ongeveer voor ons lag, aan het zinken -was. Twee anderen, die van hunne ankers geslagen waren, waren in zee -gedreven, ten speelbal van wind en golven, daar geen hunner een mast -had opstaan. De ligtste vaartuigen hadden het minst te lijden, doch van -deze sloegen eenigen los en kwamen digt langs ons heen, terwijl zij met -de fok alleen bijgezet, voor den wind afliepen. - -Tegen den avond verzochten de stuurman en de bootsman den kapitein, dat -zij den fokkemast mogten kappen; waartoe hij weinig lust had; doch de -bootsman beweerde, dat, zoo het niet gebeurde, het schip zinken moest. -Toen het geschied was stond de groote mast zoo los, en gaf het schip -zulke geweldige rukken, dat wij verpligt waren dien ook te kappen, en -niets op het dek te laten. - -Men kan zich ligt voorstellen in welken toestand ik was, terwijl dit -alles voorviel; ik, pas op zee gekomen, en die zoo kort geleden zoo veel -angst had uitgestaan. Doch, bijaldien ik na een zoo lang tijdverloop, de -denkbeelden, die mij toen bezig hielden, mij nog kan te binnen brengen, -dunkt mij, dat mijn vorig berouw en de verstoktheid, waarmede ik dit had -laten varen, mij tienmaal meer kwelling veroorzaakten, dan het naderen -van den dood; deze denkbeelden, gevoegd bij het woeden van den storm, -bragten mij in een toestand, die niet door woorden kan beschreven -worden. Doch het ergste was nog niet gekomen. - -De storm bleef met zooveel woede aanhouden, dat de zeelieden zelf -erkenden nimmer een heviger te hebben bijgewoond. Ons schip was goed, -maar het was zwaar geladen, en het zonk zoo diep, dat de matrozen elk -oogenblik riepen, dat het naar den bodem zou gaan. De storm was -zoodanig, dat ik zag, wat men niet dikwijls ziet, den kapitein, den -stuurman, den bootsman, en eenigen der verstandigsten van het volk, -geknield hunne gebeden opzeggen en zich voorbereiden op een graf in den -oceaan. - -Midden in den nacht, en bij al onzen nood, riep een van het volk, die -hierom naar omlaag was gezonden, dat wij een lek hadden; een ander -zeide, dat er vier voet water in het ruim stond. Daarop werd iedereen -aan de pompen geroepen. Bij dit woord ontzonk mij het hart, en ik viel -achterover, van den rand der kooi, waarop ik zat, in de hut. De matrozen -echter riepen mij en zeiden, dat schoon ik tot hiertoe tot niets nut was -geweest, ik thans even zeer in staat was te pompen als een ander. Ik -stond dadelijk op, strompelde naar de pomp en ging ijverig aan het werk. -Terwijl dit gebeurde, zag de kapitein eenige ligte kolenschepen, die -niet in staat zijnde den storm uit te rijden, hunne ankers hadden laten -glippen en naar zee gingen, terwijl zij digt langs ons heen liepen. Hij -gaf last een noodschot te doen. Ik, die niet wist wat dit beteekende, -dacht dat het schip in tweeën scheurde, of iets dergelijks; kortom ik -ontstelde zoo, dat ik in flaauwte viel. Iedereen had thans genoeg aan -zijn eigen leven te denken, niemand zag naar mij om, of dacht er aan wat -er van mij geworden was; een ander kwam mij aan de pomp vervangen en -stiet mij met zijn voet ter zijde, denkende, dat ik dood was, en het -duurde lang voor ik weder tot mij zelve kwam. - -Wij werkten voort, maar het water klom. Het was blijkbaar, dat wij -moesten zinken, en hoewel de storm een weinig bedaard was, was het niet -mogelijk dat het schip drijvende kon blijven, totdat wij eene haven -konden bereiken. De kapitein bleef derhalve noodseinen doen, en een -klein schip, dat voor ons had gelegen, waagde het ons eene boot toe te -zenden. Met het grootste gevaar naderde deze ons, maar het was ons -onmogelijk er in te gaan, en voor de boot, bij ons op zijde te komen -liggen; tot eindelijk het volk zoo hard roeide, dat zij met levensgevaar -ons zoo nabij kwamen, dat wij een touw, met een boei er op gestoken, -hun konden toewerpen; na veel moeite en gevaar maakten zij het vast, en -wij haalden hen digt achter ons en gingen er allen in. Wij konden er -niet aan denken het vaartuig, waarvan men ons te hulp was gekomen, te -bereiken, en besloten dus de boot te laten drijven en zoo veel mogelijk -haar naar den wal te roeijen, en onze kapitein beloofde, dat als de boot -verbrijzelde, hij die aan hunnen kapitein zou betalen. Aldus kwamen wij -deels roeijende, deels drijvende, bij Wintertonness aan wal. - -Wij hadden geen kwartier ons schip verlaten of wij zagen het zinken. -Toen de matrozen zeiden, dat het schip zinkende was, was de moed mij -geheel ontzonken, en van het oogenblik af, dat ik meer in de boot -gedragen dan geleid werd, bleef ik half dood, deels van schrik, deels -van ontzetting, deels van vrees, voor hetgeen nog volgen zou. - -Toen het volk aldus hard aan het roeijen was, om de boot strandwaarts te -brengen, zagen wij, als eene golf onze sloep ophief, eene menigte volks -langs het strand loopen, om ons te hulp te schieten, als wij digter bij -zouden komen. Wij naderden echter slechts langzaam het strand, en -bereikten het eerst voorbij de vuurtoren van Winterton, waar het strand -westwaarts inloopt, en hierdoor een weinig het geweld van den wind -breekt. Niet zonder veel moeite kwamen wij eindelijk behouden aan wal, -en begaven ons te voet naar Yarmouth. Wij werden daar met veel -menschlievendheid behandeld; zoowel door de overheid als door de -kooplieden en reeders van schepen, die geld bijeen bragten, dat voor ons -voldoende was, om naar Londen of terug naar Hull te gaan. - -Was ik nu zoo verstandig geweest, naar Hull terug en vandaar naar huis -te gaan, ik ware gelukkig geweest, en mijn vader zou, even als die in de -gelijkenis van den verloren zoon, zelfs het gemeste kalf geslagt hebben; -want na gehoord te hebben dat het schip, waarop ik gegaan was, op de -reede van Yarmouth was verbrijzeld, duurde het lang, alvorens hij vernam -dat ik niet verdronken was. - -Doch mijn ongelukkig noodlot dreef mij met onweerstaanbaar geweld voort; -en schoon in bezadigde oogenblikken mijne rede en mijn gezond oordeel -mij aanrieden, naar het ouderlijk huis te gaan, kon ik er niet toe -besluiten. Ik weet niet hoe ik dit noemen zal; ik wil ook niet beweren, -dat eene geheime magt ons aandrijft ons in ons verderf te storten, al is -het dat het bloot voor ons ligt en wij er met open oogen ons in begeven. -Zeker kon niets dan eene allerkrachtigste magt mij op de betredene baan -voortdrijven, in weerwil van de grondigste bewijzen, de blijkbaarste -redenen daartegen, en de onloochenbare waarschuwingen, die ik bij mijne -eerste onderneming had ondervonden. - -Mijn vriend, de zoon van den kapitein, die mij vroeger geholpen had de -vermaningen van mijn geweten te smoren, was thans schroomvalliger dan -ik. Daar wij ieder aan het ander einde der stad onder dak gekomen waren, -was ik reeds twee of drie dagen te Yarmouth, alvorens ik hem ontmoette. -Met eene geheel andere stem dan vroeger, vroeg hij mij, op een treurigen -toon, hoe ik voer. Hij zeide daarop aan zijn vader wie ik was, en dat -dit mijne eerste reis was tot een proef, om naderhand buiten 's lands te -gaan. Zijn vader keerde zich tot mij, en zeide op een ernstigen en -treffenden toon: "Jongeling, gij moest nimmer weder naar zee gaan; gij -behoort dit als een zigtbaar teeken te beschouwen, dat gij niet tot een -zeeman bestemd zijt."--"Hoe zoo, mijnheer," zeide ik, "zult gij dan niet -weder naar zee gaan?"--"Dat is iets anders," hernam hij, "het is mijn -beroep, en dus mijn pligt; maar als dit een proefreisje van u was, hebt -gij een voorsmaak van hetgeen de Hemel u bestemd heeft, als gij in uw -voornemen volhardt. Misschien zijn al deze ongelukken ons om uwentwil -overkomen, even als Jona het vergaan van het schip van Tarsis verwekte. -Zeg mij, bid ik u, wie zijt gij, en waarom gingt gij op zee?"--Ik -verhaalde hem het een en ander van mij, en toen ik geëindigd had, riep -hij driftig: "Wat heb ik gedaan, dat zulk een rampzalige bij mij aan -boord moest komen? Voor geen duizend pond zou ik weder een voet met u op -hetzelfde schip willen zetten!" Deze uitbarsting was zekerlijk een -gevolg van zijn geleden verlies, en meer dan hij zeggen mogt. Echter -sprak hij vervolgens zeer bezadigd tot mij, en vermaande mij naar mijn -vader terug te keeren en de Voorzienigheid niet te verzoeken, die zich -zigtbaar tegen mijn voornemen verklaard had. "Wees verzekerd, -jongeling," zeide hij, "dat, zoo gij niet terugkeert, gij overal -teleurstellingen en tegenspoed zult ondervinden, en de voorspellingen -uws vaders nopens u vervuld zullen worden."--Ik antwoordde hem weinig, -en spoedig daarna scheidden wij; ik weet niet waar hij heengegaan is. -Ik, die een weinig geld in den zak had, ging over land naar Londen, en -zoowel onder weg als toen ik daar was, had ik een harden tweestrijd, -welke levenswijze ik thans zou aanvangen, of ik naar mijns vaders huis -of naar zee zou gaan. - -Wat betreft het naar huis gaan: de schaamte weerstond de beste redenen -daartoe; ik stelde mij voor hoe onze bekenden mij zouden uitlagchen, en -hoe beschaamd ik zijn zou, niet alleen om mijne ouders, maar ieder ander -onder de oogen te treden. Later heb ik dikwijls opgemerkt, hoe eenzijdig -en onverstandig de mensch, bijzonder de jeugd, is, namelijk, dat zij -meer schaamte over het berouw dan over hare misstappen gevoelt, en dat -zij niet over hare dwaasheden bloost, maar wel zoo zij die varen laat. - -Ik bleef eenigen tijd weifelend welken weg ik zou inslaan. Ik gevoelde -grooten weerzin in naar huis terug te keeren, en naar gelang het -geheugen mijner tegenspoeden verflaauwde, vermeerderde deze, tot ik -eindelijk alle denkbeeld daaraan varen liet, en ik aan boord ging van -een schip, dat naar de Afrikaansche, of gelijk men gewoonlijk zegt, naar -de Goudkust, bestemd was. - -Mijn grootste ongeluk bij al deze avonturen, was, dat ik niet als -matroos scheep ging; ik had dan wel wat zwaarder moeten werken, maar zou -te gelijker tijd het scheepswerk geleerd, en mij voor onder- of -opperstuurman, of zelfs voor kapitein bekwaam gemaakt hebben. Maar -steeds was het mijn lot den verkeerden weg in te slaan, zoo als ook hier -geschiedde. Ik had nu geld op zak en goede kleederen aan, en wilde dus -altijd als een heer scheep gaan; hier had ik niets te doen en leerde dus -ook niets. - -Bij mijne komst te Londen was ik zoo gelukkig in goed gezelschap te -geraken, hetgeen een loszinnig jongeling zonder opzigt, gelijk ik, niet -altoos te beurt valt. Mijne eerste kennismaking was met den kapitein van -een schip, die van de kust van Guinea teruggekomen was, en eene goede -reis gemaakt en dus besloten had derwaarts terug te keeren. Mijn -voorkomen geviel dezen man, en daar hij van mij hoorde, dat ik verlangde -de wereld te zien, zeide hij, dat, zoo ik met hem wilde gaan, het mij -niets kosten zou; ik kon aan zijne tafel eten, en zoo ik eenige -koopwaren wilde medenemen, die zoo voordeelig mogelijk trachten te -verkoopen; misschien met zoo veel winst, dat dit mij voor liet vervolg -aanmoediging gaf. - -Ik nam dit aan, en hechtte mij naauw aan den kapitein, die een eerlijk -en rondborstig man was. Ik deed de reis met hem, en nam eenige goederen -op avontuur mede; want ik besteedde ongeveer 40 [£] Sterl. aan zoodanige -snuisterijen als hij mij opgaf. Deze 40 [£] Sterl. had ik bijeengebragt -door behulp van eenige mijner bloedverwanten, waarmede ik briefwisseling -hield en die, geloof ik, mijn vader, of althans mijne moeder, -overgehaald hadden mij die som af te staan. - -Dit was, mag ik zeggen, van al mijne avonturen, de eenigste gelukkige -reis, hetgeen ik aan mijn vriend, den kapitein te danken had, van wien -ik eene tamelijke kennis der wiskunde en van de stuurmanskunst leerde. -Ook leerde hij mij het journaal houden, het bestek opmaken, kortom al -wat een zeeman noodig heeft; want hij had even veel vermaak in mij te -onderrigten, als ik in het leeren. In een woord, deze reis maakte van -mij een zeeman en een koopman; want ik bragt vijf pond negen oncen -goudstof voor mijne goederen mede, die mij te Londen 300 guinjes -opbragten. Dit boezemde mij die begeerlijke denkbeelden in, die mij -later in het verderf hebben gestort. - -Echter bleef ik op deze reis zelfs niet van tegenspoed bevrijd, -bijzonder was ik op de kust schier aanhoudend ziek door de geweldige -hitte, die mij eene heete koorts op het lijf joeg. - -Ik was dus thans koopman op de kust van Guinea, en daar mijn vriend -ongelukkig, kort na zijne aankomst, overleden was, besloot ik op zijn -schip, waar de stuurman thans kapitein op geworden was, eene tweede reis -te doen. Nimmer deed iemand ongelukkiger reis. Ik nam slechts voor 100 -[£] Sterl. mede en liet de overige 200 bij mijn vriends weduwe achter, -doch ik onderging vreesselijke tegenspoeden. Eerst toen wij op de hoogte -der Kanarische eilanden, of liever, tusschen deze en de Afrikaansche -kust waren, werden wij in den vroegen morgen een Moorschen roover van -Salé gewaar. Hij maakte jagt op ons, met alle zeilen bijgezet. Wij -zetten ook zoo veel zeilen bij als wij konden voeren; doch bespeurende, -dat de roover op ons won en ons zeker binnen weinige uren bereiken zou, -maakten wij ons gereed om te slaan. Wij hadden twaalf stukken en de -roover achttien. - -Tegen drie uren des middags was hij bij ons; maar daar hij door een -misslag ons op zijde kwam, in plaats van achter onzen spiegel, bragten -wij acht stukken aan die zijde en gaven hem daarmede de volle laag, die -hem deed afhouden, na ons de laag en het klein geweervuur van -tweehonderd man gegeven te hebben. Niemand was echter bij ons getroffen, -daar al ons volk zich omlaag hield. Hij maakte zich tot een nieuwen -aanval, en wij tot verdediging gereed; doch toen hij ons op de andere -zijde aan boord kwam, enterde hij met negentig man, die dadelijk het -tuig kapten en het dek. Twee maal dreven wij hen met klein geweervuur, -halve pieken, handgranaten, enz., van ons dek af. Eindelijk echter, om -deze treurige geschiedenis te bekorten, was ons schip reddeloos, twee of -drie van ons volk gedood en acht gewond; en wij, genoodzaakt ons over te -geven, werden allen als gevangenen in Salé, eene Moorsche haven op de -Barbarijsche kust, binnengebragt. - -De Mooren behandelden mij niet zoo verschrikkelijk als ik gevreesd had, -en ik werd niet, zoo als al de overigen, naar den keizer gebragt; maar -door den kapitein van den kaper tot zijn slaaf genomen, daar ik jong en -vlug was en hij begreep dienst van mij te zullen hebben. Bij deze -droevige lotwisseling, van een koopman in een armen slaaf, was ik als -verplet; en thans herinnerde ik mij mijns vaders voorzegging dat ik -ongelukkig worden, en niemand mij troosten zou. Ik dacht, dat dit -oogenblik thans gekomen en de straffende hand des Hemels op mij lag. -Helaas, het was slechts eene voorproef van de ellende die mij in 't -vervolg te wachten stond. - -Daar mijn meester mij met zich naar zijn huis genomen had, hoopte ik dat -hij mij mede naar zee zou nemen; en dat hij dan te eeniger tijd door een -Spaansch of Portugeesch schip genomen worden en ik mijne vrijheid -hierdoor verkrijgen zou. Doch deze hoop verdween spoedig, want toen hij -in zee stak, liet hij mij aan den wal om zijn tuintje in orde te houden -en het gewone huiswerk der slaven te verrigten; en toen hij van zijn -kruistogt terug kwam, liet hij mij aan boord slapen om op het schip te -passen. - -Ik dacht aan niets dan aan de vlugt, maar hoe ik zon, ik kon geen -uitvoerlijk middel uitdenken, en ik had niemand met wien ik overleggen -of die met mij gaan kon, want buiten mij was er geen enkele Engelschman, -Ier of Schot. Twee jaren lang bleef ik dan ook het denkbeeld, van te -ontvlugten, koesteren, zonder dat zich immer eene gunstige gelegenheid -voordeed, het uit te voeren. - -Na twee jaren verlevendigde eene gebeurtenis weder al mijne gedachten -van ontvlugting. Mijn meester bleef langer tijd dan gewoonlijk aan wal, -zonder zijn schip uit te rusten, uit gebrek aan geld, naar ik hoorde, en -in dien tijd ging hij een paar malen 's weeks en meer, als het goed -weder was, met de scheepspinas op de reede visschen. Hij nam dan altijd -mij en een jongen Moor mede om te roeijen; wij trachtten dan hem te -vermaken, en daar ik behendig en gelukkig in het visschen was, zond hij -mij somtijds, als hij visch verlangde, met een zijner bloedverwanten en -den knaap op de vischvangst uit. - -Op een morgen waren wij bij stil weder met hem uit visschen, toen er -plotseling zulk een dikke mist opkwam, dat wij de kust uit het oog -verloren, schoon wij er geene halve mijl van af waren. Wij roeiden dus -den geheelen dag en nacht, zonder te weten waarheen, en toen de zon -opkwam zagen wij, dat wij zeewaarts, in plaats van naar den wal, geroeid -hadden, en er wel twee mijlen van af waren. Wij kwamen behouden weder -binnen, schoon niet zonder gevaar en met zwaar werken; en bovenal -duchtig uitgehongerd. - -Hierdoor geleerd, besloot de kapitein in het vervolg voorzigtiger te -zijn, en daar hij de groote boot van ons schip medegenomen had, besloot -hij niet meer zonder een kompas en eenige mondbehoeften uit visschen te -gaan. Hij gelastte hierom zijn scheepstimmerman (een Engelsche slaaf -even als ik), midden in de boot eene hut of roef te bouwen, even als van -een tentjagtje, van achteren met een stuurstoel en van voren plaats voor -een paar man, om de zeilen te hanteren. Deze boot voerde een latijn- of -driehoekig zeil, en de giek liep over de tent, waarin hij met een paar -slaven zitten en slapen kon, en een tafel had om aan te eten en eenige -kastjes, om eenige flesschen drank, benevens rijst, brood en koffij te -bewaren. - -Met deze boot gingen wij dikwijls uit visschen, en daar ik zeer bedreven -er in was, nam hij mij altijd mede. Op zekeren dag zou ik er mede -uitgaan, hetzij om te visschen of alleen tot vermaak, met twee of drie -Mooren van eenigen rang. Hij had derhalve den vorigen avond veel meer -mondbehoeften dan gewoonlijk aan boord gezonden, en mij gelast drie -geweren met kruid en lood, die aan boord van het schip waren, gereed te -leggen, om tevens eenig gevogelte te kunnen schieten. - -Ik maakte alles gereed en den volgenden morgen lag de boot schoon -gemaakt, en met vlag en wimpel, mijn meester en zijne gasten af te -wachten, toen de eerste alleen kwam en mij zeide, dat zijne gasten door -bezigheden verhinderd werden; ik moest dus maar met den matroos en den -jongen, volgens gewoonte, uit visschen gaan, want zijne vrienden zouden -het avondmaal bij hem komen gebruiken. Zoodra ik eenigen visch had, -moest ik naar huis keeren en hem dien brengen. - -Thans kwam het oude denkbeeld van te ontvlugten bij mij weder boven. Nu -ik een vaartuig had en mijn meester weg was, maakte ik alles gereed, -niet om te visschen, maar voor eene reis. Ik wist wel niet waarheen ik -den steven zou wenden, maar hieraan bekreunde ik mij niet, zoo ik -slechts vandaar weg kwam. - -Eerst zocht ik een voorwendsel, om den Moor over te halen, dat hij wat -eten aan boord bragt; ik zeide hem, dat het ons niet paste het eten van -onzen meester aan te spreken. Dat is waar, zeide hij, en bragt een -grooten zak roesk, of Moorsche beschuit, en drie groote kruiken met -water in de boot. Ik wist waar mijn meesters likeurkist stond, die, naar -het maaksel te zien, uit een Engelschen prijs afkomstig was, en bragt -die aan boord terwijl de Moor aan den wal was. Ook nam ik nog een klomp -was van wel vijftig pond aan boord, om kaarsen van te maken, met een pak -garen, eene bijl, een zaag, en een hamer, 't geen ons alles naderhand -voortreffelijk te pas kwam, vooral het was. Ik spande mijn makker nog -een strik, naar hij argeloos in liep. "Muley," zeide ik, "de geweren van -onzen meester zijn aan boord; zoo gij wat kruid en lood verschaffen -kondt, zouden wij misschien voor ons eenige alkamis (eene soort van -wulpen) kunnen schieten, want ik weet dat er kruid en lood aan boord van -het schip is."--"Ja," zeide hij, "ik zal het gaan halen." Hij bragt ook -een lederen zak, die ongeveer anderhalf pond kruid bevatte, en een -anderen met hagel en eenige kogels. Middelerwijl had ik ook nog eenig -kruid in de tent gevonden en daarmede eene flesch gevuld, na hetgeen er -in was, in eene andere overgegoten te hebben. - -Aldus van het noodige voorzien, zeilden wij de haven uit. Aan het -kasteel, dat aan den ingang van de haven ligt, kende men ons, en liet -ons ongehinderd doorgaan, en toen wij een vierde mijl in zee waren, -haalden wij het zeil in en gingen aan het visschen. De wind was N.N.O., -hetgeen ik zeer ongelukkig trof. Zoo hij zuidelijk geweest was, had ik -ligtelijk de Spaansche kust, ten minste de baai van Cadix kunnen -bereiken. Ik besloot echter deze akelige plaats te ontvlugten, hoe ook -de wind zijn mogt, en het verdere aan het lot over te laten. - -Na eenigen tijd gevischt en niets gevangen te hebben, want als ik beet -had, haalde ik niet op, zeide ik tot den Moor: "zoo gaat het niet; dit -zal onzen meester weinig baten, wij moeten dieper in zee gaan." Hij -vermoedde niets kwaads, maar stemde er in toe, en daar hij voor in de -boot was, stelde hij de zeilen. Daar ik aan het roer zat, liet ik het -eene mijl in zee loopen, en draaide toen bij als om te visschen. Ik gaf -daarop den jongen het roer, liep naar voren, bukte als om iets op te -rapen, greep den Moor onverhoeds bij den gordel, en wierp hem over -boord. Hij kwam bijkans op hetzelfde oogenblik boven, want hij zwom als -een visch, en smeekte mij hem op te nemen, terwijl hij zwoer mij overal -ter wereld te willen volgen. Hij zwom zoo vlug, dat hij, daar er weinig -wind was, de boot spoedig ingehaald zou hebben. Ik ging dus naar de -kajuit, haalde er een geweer uit en legde op hem aan. "Zoo gij mij -ongemoeid laat, zal ik u geen kwaad doen," zeide ik, "maar zoo gij de -boot nadert, zal ik u een kogel door het hoofd jagen. De zee is stil, en -gij kunt gemakkelijk naar den wal zwemmen. Ik wil mijne vrijheid weder -hebben." Hij keerde zich om en zwom naar het strand, dat hij zeker zal -bereikt hebben, want hij zwom uitmuntend. - -Ik zou dezen Moor wel hebben kunnen medenemen en den jongen over boord -werpen, maar het was niet raadzaam geweest hem te vertrouwen. Toen hij -weg was zeide ik tot den knaap, die Xury heette: "Zoo gij mij getrouw -wilt blijven, Xury, zal ik een man van u maken, maar zoo gij niet bij -Mahomed en zijn vaders baard mij trouw wilt zweren, zal ik u ook over -boord werpen." De knaap zag mij zoo onschuldig aan, dat ik hem niet kon -wantrouwen, en zwoer mij getrouw te zijn, en tot aan het einde der -wereld te zullen vergezellen. - -Zoo lang ik in het gezigt van den Moor bleef, hield ik het bij den wind, -opdat hij denken zou, dat ik naar den mond van de Straat van Gibraltar -stevende (gelijk ieder verstandig mensch verwachten moest); want wie kon -onderstellen, dat ik zuidwaarts naar de Barbarijsche kust zoude gaan, -waar geheele negerstammen ons met hunne kanoes konden omringen en -dooden; waar wij nimmer aan wal konden gaan, om niet door wilde dieren -of nog woester menschen verslonden te worden? - -Zoodra het echter duister werd, veranderde ik van koers, en stuurde -Z.Z.O., om niet te ver van de kust af te raken. De wind was stevig, de -zee kalm, zoo dat ik geloof, dat ik den volgenden middag te drie uren, -toen ik het eerst land zag, ten minste vijftig mijlen van Salé, buiten -het gebied van den Marokkaanschen keizer of eenig ander vorst was, want -wij zagen niemand. - -De angst en vrees van weder in de handen der Mooren te vallen, weerhield -mij aan land te gaan of te ankeren, ik bleef vijf dagen lang met -denzelfden wind voortzeilen; daar toen de wind zuidelijk liep, besloot -ik, dat, zoo men mij nagejaagd had, de Mooren nu ook de jagt moesten -opgeven. Dus ankerde ik in den mond van een riviertje, ik weet niet op -wat hoogte, noch in welk land of bij wat volk. Ik zag niemand, waar ik -ook niet naar verlangde; zoet water was het voornaamste wat ik noodig -had. Met den avond liepen wij de kreek binnen, en besloten, zoodra het -duister zou zijn, naar den wal te zwemmen, en het land te verkennen; -maar weldra hoorden wij zulk een verschrikkelijk gebrul, gehuil en -geblaf van wilde dieren, welke, was ons onbekend, dat de arme knaap -schier van vrees bezweek en mij bezwoer niet vóór den dag aan land te -gaan. "Ik zal wachten tot het dag is, Xury," zeide ik, "maar dan kunnen -wij menschen ontmoeten, die even kwaad jegens ons gezind zijn als deze -leeuwen."--"Dan zullen wij schieten en ze wegjagen," zeide Xury -lagchende. Hij had van Engelsche slaven wat gebroken Engelsch geleerd. -Ik was blijde, dat hij zoo welgemoed was, en gaf hem een slokje uit mijn -meesters likeurkistje.--Ook scheen zijn raad het verstandigst; dus -lieten wij ons anker vallen en rustten dien nacht; hoewel wij niet -slapen konden, want twee of drie uren later zagen wij groote wilde -beesten, wier naam ons onbekend was, naar het strand komen, en zich in -het water storten als om zich af te koelen, onder een gehuil en gebrul -zoo hevig als ik nimmer gehoord had. - -Xury was half dood van angst en ik ook; maar het werd nog erger, toen -wij een dier geweldige beesten naar onze boot hoorden toezwemmen; wij -konden hem niet zien, maar hoorden zijn verschrikkelijk gesnuif. Xury -zeide, dat het een leeuw was, hetgeen wel waar zijn kon, en riep, dat -wij het anker ligten en wegroeijen moesten. "Neen Xury," zeide ik, "wij -kunnen ons touw laten glippen met een boei er op; hij kan ons niet -vervolgen." Naauwelijks had ik dit gezegd, of ik zag geen twee -riemslengten van mij af het beest, hetgeen mij een weinig van mijn stuk -bragt. Ik ging echter dadelijk in de tent, nam een geweer en schoot op -het dier, dat dadelijk omkeerde en naar het strand zwom. - -Maar onmogelijk is 't dat akelig gehuil en gebrul te beschrijven, dat -zoowel aan het strand als dieper in het land ontstond, na het geraas van -het schot, iets, wat deze dieren waarschijnlijk nimmer te voren gehoord -hadden. Dit bewees, dat het niet veilig was dien nacht op de kust te -gaan; en hoe het bij dag zijn zou, was eene andere vraag, want het was -even erg in de handen der wilden, als in de klaauwen der leeuwen en -tijgers te vallen; wij althans waren voor beide even bang. - -Wij moesten evenwel hier of daar aan wal gaan, om water in te nemen, -want wij hadden geen pintje meer; de vraag was maar waar wij het zouden -vinden. Xury zeide dat, als ik hem met een der kruiken naar den wal liet -gaan, hij wel water vinden en mij brengen zou. Ik vroeg hem waarom hij -gaan en niet liever in de boot blijven wilde. Hij antwoordde mij met -eene genegenheid, die mij hem voor altijd deed liefhebben: "Als de -wildemans komen, zij mij eten en gij heengaan."--"Neen Xury," zeide ik, -"wij zullen beide gaan, en als de wilden komen zullen wij hen -doodschieten en zij ons geen van beiden eten." Vervolgens gaf ik Xury -een stuk beschuit en een borrel, en wij haalden de boot zoo digt naar -den wal als wij konden, en waadden daarop naar het strand, met niets dan -onze wapenen en twee kruiken om te vullen, bij ons. Naderhand vonden -wij, dat wij zoo veel moeite niet noodig gehad hadden om water, want een -weinig verder in de kreek vonden wij bij laag water het water zoet. - -Ik wilde de boot niet uit het oog verliezen, uit vrees, dat de wilden -met kanoes de rivier af mogten komen, maar de knaap zag een kwartier -uurs verder eene laagte, en liep daarheen; na korten tijd zag ik hem -terug komen. Denkende, dat hij door een verscheurend dier of wilden -vervolgd werd, liep ik naar hem toe, om hem bij te staan. Toen ik echter -digt bij hem kwam, zag ik, dat hij over zijn schouder een dier had -hangen, dat hij geschoten had, naar een haas gelijkende, maar langer van -beenen en anders van haar. Wij waren er zeer mede in onzen schik, want -het leverde ons een uitmuntend middagmaal op. Xury had er vooral zijne -vreugde in, dat hij goed water en geene wilden aangetroffen had. - -Wij vulden dus onze kruiken, aten den haas, dien wij gedood hadden, en -besloten te vertrekken, zonder dat wij eenig spoor van menschen -voetstappen in die landstreek gezien hadden. - -Daar ik reeds eene reis op de kust gedaan had, wist ik, dat de -Kanarische en Kaap Verdische eilanden niet veraf waren; maar daar ik -geen werktuigen had, om hoogte te nemen, wist ik niet juist waar wij -waren, noch op welke hoogte zij lagen, anders had ik gemakkelijk een -kunnen bereiken. Ik hoopte echter het langs de kust te houden, tot daar, -waar de Engelschen handel drijven, en daar een hunner vaartuigen te -ontmoeten. - -Voor zoo veel ik berekenen kon was ik in de landstreek, die tusschen het -gebied van den Marokkaanschen keizer en het land der Negers ligt, en -woest en alleen door wilde dieren bewoond is; daar de Negers haar -verlaten hebben, en uit vrees voor de Mooren zuidelijker getrokken zijn; -terwijl de laatsten haar om hare barheid niet willen bewonen; en er -slechts komen om er groote jagten, met twee- tot drieduizend man, te -houden. Ook zagen wij bij dag niets dan een dor onbewoond land, en -hoorden 's nachts niets dan het gehuil der wilde dieren. - -Eens of twee maal meende ik den Piek van Teneriffe te zien, en had veel -lust te trachten dien te bereiken; maar twee maal werd ik door -tegenwinden teruggedreven, ook ging de zee dan te hoog voor mijne boot, -dus besloot ik mijn eerste voornemen te volgen, en het langs de kust te -houden. - -Verscheidene malen moest ik aan land gaan, om zoet water in te nemen. -Eens lieten wij daarom het anker vallen bij eene hooge landtong. Het was -vroeg in den ochtend, en daar de vloed doorkwam, wilden wij wachten om -dieper landwaarts in te kunnen gaan. Xury, wiens gezigt scherper was dan -het mijne, riep mij zacht en zeide, dat het best ware zoo wij verder van -het strand gingen, terwijl hij mij een verschrikkelijk grooten leeuw -wees, die tegen de zijde van den heuvel lag te slapen. "Ga naar den wal, -Xury," zeide ik, "en schiet dien leeuw dood." Hij beefde echter van -schrik, en zeide: "Hij mij dooden! Ik een mond voor hem." Hij meende een -mond vol. Zonder hem meer te zeggen wenkte ik hem, dat hij stil zou -zijn, en nam mijn grootste geweer, en laadde het met twee kogels en eene -goede lading kruid; even zoo het tweede, en op het derde geweer deed ik -vijf kleinere kogels. Ik mikte zoo goed ik kon met het eerste, om hem in -den kop te treffen; maar daar hij op zijn buik lag, met zijne voorpooten -voor zijn muil, trof ik een van deze op de hoogte van de knie. Brullende -sprong hij op, doch viel dadelijk weder neder; spoedig echter stond hij -weder op drie pooten en liet een allerafgrijsselijkst gebrul hooren. Ik -nam dadelijk het tweede geweer en juist toen hij heen wilde gaan, trof -ik hem in den kop, en had het genoegen hem in stuiptrekkingen te zien -neerzijgen, terwijl hij weinig geluid meer gaf. Toen kreeg Xury weder -moed en wilde, dat ik hem aan wal liet gaan. "Welnu ga," zeide ik. Hij -nam in de eene hand een geweer, zwom met de andere naar het strand, en -bij het dier gekomen, hield hij den tromp van het geweer in zijn oor, en -schoot hem nogmaals door het hoofd, waarop hij dadelijk stierf. - -Het was een fraaije jagt, maar slecht voedsel voor ons, en het speet mij -thans genoeg, dat ik drie ladingen kruid en lood verspild had, om een -dier te dooden, dat ons tot niets nut was. Xury wilde toch iets van hem -hebben, dus kwam hij weder aan boord en verzocht mij om de bijl. "Waarom -Xury?" vroeg ik. "Ik hem den kop afhakken," zeide hij. Dit kon hij -echter niet en dus vergenoegde hij zich met een poot, die waarlijk -monsterachtig groot was. - -Ik bedacht mij echter, dat misschien zijne huid ons van eenige dienst -kon zijn, dus besloot ik hem te villen. Xury en ik gingen aan het werk, -maar Xury verstond zich veel beter op dit werk dan ik. Wij waren er den -geheelen dag mede bezig; maar eindelijk waren wij er mede gereed en -spanden de huid over de tent van onze boot; de zon droogde haar in twee -dagen, en naderhand diende zij mij om op te liggen. - -Vervolgens liepen wij tien of twaalf dagen zuidwaarts, en hielden zeer -zuinig met onze levensmiddelen huis, die echter sterk verminderden, en -gingen alleen aan land als wij water moesten innemen. Ik wilde de rivier -Gambia of Senegal, dat wil zeggen, de hoogte van Kaap Verd bereiken, -omdat ik daar Europesche schepen hoopte te ontmoeten. Zoo dit niet het -geval was, wist ik niet wat te doen, dan de eilanden op te zoeken of -onder de Negers om te komen. Ik wist, dat al de schepen van Europa, naar -de kust van Guinea of Brazilië bestemd, de Kaap Verdische eilanden -naderen. In één woord, ik had geen ander uitzigt, dan de kans van door -een schip gezien te worden of den dood. - -Gelijk gezegd is, had ik tien dagen lang dit plan gevolgd, toen ik begon -te bespeuren, dat het land bewoond was; op twee of drie plaatsen zagen -wij, toen wij voorbij zeilden, volk op het strand staan; zij waren zwart -en geheel naakt. Eens was ik voornemens aan land en naar hen toe te -gaan, maar Xury ried mij ten beste, en zeide: "Niet gaan, niet gaan." -Echter hield ik het digt langs de kust, om tot hen te kunnen spreken, en -zag, dat zij een groot eind weegs mede liepen. Zij waren zonder wapenen, -behalve een man, die een langen dunnen stok in de hand had, welke Xury -mij zeide, dat een werpspies was, en dat zij daar op verren afstand -zeer juist mede weten te treffen; ik hield mij dus op een voegzamen -afstand, maar gaf hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat -eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en -dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk -en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een -halfuur daarna terug, met twee stukken gedroogd vleesch, en eenig koorn, -gelijk het land daar oplevert. Hoewel wij niet wisten wat een van beide -was, wilden wij het gaarne aannemen. Maar de vraag was hoe er aan te -komen, want ik wilde mij niet op het strand tusschen hen wagen, en zij -schenen even bevreesd voor ons. Zij wisten echter raad, want zij bragten -en legden het aan het strand, gingen een groot eind weegs terug tot wij -het aan boord genomen hadden, en kwamen toen weder digter bij ons. - -Wij maakten hun teekens van dankzegging, want anders hadden wij niet; -doch op datzelfde oogenblik had ik gelegenheid hun eene goede dienst te -doen. Toen wij vlak bij het strand lagen, kwamen er twee verschrikkelijk -groote wilde dieren, de een den ander vervolgende (naar het ons -toescheen) van het gebergte zeewaarts loopen. Wij wisten niet of het -mannetje het wijfje achtervolgde, en evenmin of hunne verschijning iets -gewoons of ongewoons was. Ik geloof echter het laatste, want vooreerst -komen de verscheurende dieren zelden anders dan des nachts te -voorschijn; ten tweede waren de Negers, vooral de vrouwen, doodelijk -verschrikt. De man die de lans droeg hield stand, maar al de overigen -sloegen op de vlugt. Echter liepen de dieren regt op de zee aan, zonder -er aan te denken de Negers aan te vallen, en sprongen in het water, naar -het scheen, om zich te verfrisschen. Ten laatste kwam een hunner digter -bij de boot dan ik verwachtte, maar ik was gereed hem te ontvangen, want -ik had zoo spoedig mogelijk mijn geweer geladen, en zeide Xury, dat hij -de beide anderen zou laden. Zoodra hij binnen schot kwam, gaf ik vuur en -trof hem vlak in den kop. Oogenblikkelijk dook hij, doch kwam spoedig -weder boven, hetgeen hij verscheidene malen herhaalde, naar het scheen -met den dood worstelende. Hij trachtte het strand te bereiken, maar vóór -dien tijd was hij reeds dood. - -Het is onmogelijk de verbazing van die arme schepsels te beschrijven, -bij het zien en hooren van mijn schot. Velen schenen half dood van vrees -en vielen van schrik neder. Doch toen zij het dier dood zagen, en ik hun -wees, dat zij naar het water zouden komen, vatten zij moed en begonnen -het dier op te zoeken. Aan het bloed, dat op het water opkwam, bespeurde -ik waar hij lag, en met een touw, dat ik om hem sloeg en de Negers liet -inhalen, sleepten zij het op strand. Het was een bijzonder gevlekte en -schoone luipaard, en de Negers hieven van verbazing, dat ik hem gedood -had, de handen omhoog. - -Het andere beest, door den slag en het vuur van mijn geweer verschrikt, -zwom naar den wal en vloog naar het gebergte, vanwaar het gekomen was. -De verte belette mij te zien welk dier het was. Ik bemerkte spoedig dat -de Negers het luipaardenvleesch eten, en wilde het dus als eene gunst -van mij geven. Toen ik hun door teekens te kennen gaf, dat zij hem nemen -zouden, waren zij er zeer dankbaar voor. Ofschoon zij geen messen -hadden, vilden zij hem met een scherp hout zoo vlug, ja veel vlugger dan -wij het met messen hadden kunnen doen. Zij boden mij een deel van het -vleesch aan, dat ik weigerde en hun door teekens te kennen gaf, dat ik -hun alles schonk, doch ik wees hun dat ik de huid hebben wilde, die zij -mij dadelijk gaven, met eene menigte van hunnen voorraad, dien ik -aannam, zonder te weten wat ik er mede doen zou. Vervolgens gaf ik door -teekens mijn verlangen naar water te kennen, en hield hun ten dien einde -eene onzer ledige kruiken omgekeerd voor, om hun te doen zien, dat die -ledig was, en gevuld moest worden. Zij riepen dadelijk eenigen hunner, -en twee vrouwen kwamen met eene groote pot, van klei gemaakt en in de -zon gedroogd, naar ik denk; deze plaatsten zij voor mij, en ik zond Xury -met mijne kruiken aan het strand, die ze daaruit vulde. De vrouwen waren -zoo wel naakt als de mannen. - -Ik was thans voorzien van wortelen en koorn, zoo als het was, en van -water. Ik verliet dan mijne vriendelijke Negers, en stevende nog elf -dagen in dezelfde rigting, zonder te beproeven de kust te naderen; tot -dat ik het land een groot eind in zee zag loopen, op ongeveer vier of -vijf mijlen voor mij uit. Daar de zee zeer kalm was, hield ik zeewaarts, -om deze landtong om te zeilen. Eindelijk dezelve op ongeveer twee mijlen -van het land omgezeild zijnde, zag ik duidelijk land aan de andere zijde -zeewaarts. Ik besloot dus, gelijk zeker wel het geval zal geweest zijn, -dat dit Kaap Verd was, en dat gindsche eilanden, die waren, welke naar -dezelve Kaap Verdische eilanden heeten. Zij lagen echter op een grooten -afstand; en ik wist niet wat mij best te doen stond, want zoo ik door -eene windvlaag overvallen werd, zou ik nimmer de eene noch de andere -bereiken. - -In deze verlegenheid stapte ik geheel verslagen in de tent en ging daar -zitten, terwijl ik Xury aan het roer had gelaten. Eensklaps riep de -jongen: "Meester, meester, een schip, een zeil!" De arme jongen bestierf -het schier van angst, denkende, dat het niet anders zijn kon dan een van -zijn meesters schepen, uitgezonden om ons te vervolgen. Ik echter wist -wel, dat wij ver genoeg buiten zijn bereik waren. Ik sprong uit de -kajuit, en zag niet alleen dadelijk het schip, maar ook wat het was; -namelijk een Portugeesch schip, en, zoo als ik dacht, naar de kust van -Guinea bestemd, om slaven te halen. Toen ik echter zag welken koers het -hield, werd ik spoedig overtuigd dat het eene andere bestemming had, en -niet voornemens was digter bij de kust te komen. Ik hield het dus -zeewaarts, zoo veel ik kon, met oogmerk, zoo mogelijk, het te praaijen. - -Ik bemerkte dat ik met al het zeil, dat ik voeren kon, bijgezet, nog -niet in hunnen koers kon komen, maar dat zij mij voorbij zijn zouden, -voor ik hun eenig sein had kunnen doen, doch na zoo veel ik kon -opgeloefd te hebben, en toen ik reeds begon te wanhopen, zagen zij, naar -het scheen, mij door hunne kijkers, en dat het eene boot van Europeesch -maaksel was, die zij onderstelden dat een schip moest behooren, dat -vergaan was; dus minderden zij zeil, om mij op zijde te laten komen. Dit -moedigde mij aan, en daar ik een vlag van mijn ouden meester aan boord -had, heesch ik die in sjouw, tot een noodsein, en vuurde een geweer af. -Zij zagen beide, want naderhand werd mij verhaald, dat zij den rook -gezien, maar den slag niet gehoord hadden. Op deze seinen brasten zij -tegen, en in ongeveer drie uren tijds was ik hen op zijde. - -Men vroeg mij in het Portugeesch, in het Spaansch en in het Fransch wie -ik was; van al hetwelk ik niets verstond; maar eindelijk sprak een -Schotsche zeeman, die aan boord was, mij aan, en ik antwoordde hem, -zeggende, dat ik een Engelschman was, die de slavernij der Mooren van -Salé ontvlugt was. Daarop verzocht men mij aan boord te komen, en nam -mij en al mijne goederen zeer goedhartig op. - -Het was eene onuitsprekelijke vreugde voor mij, gelijk iedereen wel zal -willen gelooven, dat ik mij uit een zoo jammerlijken en schier -hopeloozen toestand, waarin ik mij bevonden had, gelijk ik begreep, -gered zag. Oogenblikkelijk bood ik den kapitein van het schip alles aan -wat ik bezat, tot vergelding van mijne bevrijding; maar hij gaf mij -edelmoediglijk te kennen, dat hij niets van mij aannemen, maar dat mij -alles wat ik had zou ter hand gesteld worden, als wij behouden in -Brazilië aankwamen. "Want," zeide hij, "ik heb u het leven gered, even -zoo als ik in uwen toestand gaarne zou gered willen worden; en het kan -te een of anderen tijd gebeuren, dat dit ook mijn lot wordt. Bovendien," -vervolgde hij, "als ik u naar Brazilië medeneem, zoo ver van uw -vaderland, en ik zou u het weinige ontnemen wat gij hebt, zoudt gij daar -van honger sterven, en ik zou dan u slechts gered hebben, om u weder in -doodsgevaar te brengen. Neen, neen, Senhor Inglese (mijnheer de -Engelschman), ik zal u uit Christelijke liefde daarheen brengen, en wat -gij hebt zal u daar wel te pas komen, om er van te leven, en uwe -tehuisreis te bekostigen." - -Even menschlievend als dit voorstel was, even strikt was hij in de -uitvoering daarvan, want hij gelastte den matrozen volstrekt niets aan -te raken van hetgeen ik had; daarna nam hij zelf alles in ontvangst, en -gaf er mij eene juiste inventaris van, ten einde mij bij onze aankomst -alles te kunnen terug geven, zelfs tot mijne drie aarden kruiken toe. - -Hij zag dat mijne boot zeer goed was, en stelde mij voor die aan hem ten -gebruike van het schip te verkoopen, en vroeg mij wat ik er voor hebben -wilde. Ik zeide, dat hij in alles zoo edelmoedig jegens mij gehandeld -had, dat ik geenerlei prijs op de boot kon stellen, maar alles aan hem -overliet. Hij zeide mij daarop, dat hij mij een briefje van zijne hand -zou geven, om er mij 80 stukken van achten te Brazilië voor te geven; en -als iemand er mij daar meer voor wilde geven, zou hij mij haar terug -geven. Hij bood mij ook nog 60 stukken van achten voor den knaap, Xury. -Ik had hier veel tegen, niet dat ik hem niet aan den kapitein wilde -afstaan, maar ik had een weêrzin om de vrijheid van den armen knaap te -verkoopen, die mij zoo trouw geholpen had, de mijne te herkrijgen. Toen -ik den kapitein mijne redenen zeide, billijkte hij die volkomen, en bood -mij, als een middel om alles te vereffenen, aan, den knaap eene -verbindtenis te geven, dat hij hem, zoo hij Christen werd, binnen tien -jaren zou vrijlaten. Daar Xury zeide, dat hij hiermede tevreden was, -stond ik hem aan den kapitein af. - -Wij hadden eene zeer goede reis naar Brazilië, en kwamen tweeëntwintig -dagen daarna in de baai de Todos los Santos of Allerheiligenbaai aan. En -nu was ik weder gered uit den allerrampzaligsten toestand. Thans moest -ik overleggen wat mij nu te doen stond. Het edelmoedige gedrag van den -kapitein jegens mij, kan ik nimmer genoeg prijzen. Hij wilde niets van -geld voor den overtogt hooren, gaf mij 20 dukaten voor de huid van den -luipaard, 40 voor die van den leeuw, welke ik in de boot had gehad, en -zorgde, dat al wat ik aan boord gebragt had, mij stipt werd -teruggegeven. Wat ik verkoopen wilde, kocht hij; zoo als den -flesschenkelder; twee van mijne geweren, en een gedeelte van den klomp -was, want van het overige had ik kaarsen gemaakt. In een woord, ik -maakte ongeveer 220 stukken van achten van mijne geheele lading, en met -dit geld ging ik in Brazilië aan wal. - -Ik begaf mij kort daarop, op aanbeveling van den kapitein naar het huis -van een zoo goed, braaf man als hij zelf was, die een ingenio, gelijk -men het noemt, dat is, eene plantaadje en suikerfabrijk had. Ik bleef -daar eenigen tijd, en leerde de wijze, waarop de suiker geteeld en -gefabriceerd wordt. Ziende hoe goed de planters leefden, en hoe spoedig -rijk zij werden, besloot ik, als ik er verlof toe bekomen kon, mij daar -te vestigen, en even als zij, een planter te worden; terwijl ik tevens -op middelen zon, om mijn geld, dat ik te Londen had, aan mij overgemaakt -te krijgen. Te dien einde verschafte ik mij eene soort van brieven van -naturalisatie, kocht zoo veel onbebouwd land als ik betalen kon, en -maakte een plan tot eene plantaadje, geëvenredigd naar het kapitaal, dat -ik uit Engeland verwachtte. - -Ik had een buurman, Wells genaamd, die te Lissabon, doch van Engelsche -ouders geboren was, en zich nagenoeg in gelijke omstandigheden als ik -bevond. Ik noem hem mijn buurman, om dat zijne plantaadje naast de mijne -lag, en wij zeer vriendschappelijk omgingen. Mijn kapitaal was even -gering als het zijne, en gedurende twee jaren plantten wij slechts, om -onze dagelijksche nooddruft te winnen. Wij begonnen echter vooruit te -gaan, en onze landerijen in orde te komen, zoodat wij in het derde jaar -eenigen tabak plantten, en ieder eene groote plek gronds gereed maakten, -om het volgend jaar suikerrietstekken op te zetten. Het ontbrak ons -echter aan hulp, en nu gevoelde ik meer dan te voren, dat ik verkeerd -gedaan had, mijn jongen, Xury, niet te houden. - -Maar helaas, was het wonder dat ik, die nimmer iets goed deed, zulk een -misslag beging! Er zat thans niet anders op dan vol te houden. Ik had -thans een beroep, dat geheel strijdig was met mijn karakter, en met de -levenswijze waarnaar ik haakte, waarvoor ik mijn vaders huis verlaten, -en al zijn goeden raad in den wind had geslagen. Ja, ik was thans -inderdaad in dien levenstoestand geraakt, waarvoor mijn vader mij -gewaarschuwd had, en welken ik even goed had kunnen bereiken als ik te -huis was gebleven, zonder mij ooit zoo in de wereld af te slooven, als -ik gedaan had. Dikwijls zeide ik tot mijzelven: "Zoo had ik even goed in -Engeland, onder mijne bloedverwanten, kunnen werken, en daarvoor -behoefde ik geen 5000 (Eng.) mijlen ver van huis te gaan, om dit onder -vreemdelingen in eene wildernis te doen, zoo ver weg, dat ik nimmer iets -van mijn vaderland, of iemand, die mij kent, hoor." - -Aldus beschouwde ik mijn toestand met bittere spijt. Ik had niemand met -wien ik omging, dan nu en dan met mijn buurman, waarvan ik gesproken -heb; geen anderen, dan handenarbeid te verrigten, en ik leefde, gelijk -ik dikwijls zeide, als iemand, die alleen op een woest eiland geworpen -is. Maar o, hoe behoorden alle menschen te bedenken, dat, zoo zij den -toestand, waarin zij zich bevinden, met een veel rampzaliger gelijk -stellen, de Hemel hen noodzaken kan hunnen tegenwoordigen daarvoor te -verwisselen, en hun vroeger geluk, door de ondervinding te leeren -erkennen! En hoe regtvaardig was het, dat juist dat eenzame leven op een -woest eiland mij te beurt viel, mij, die het zoo dikwijls vergeleken had -bij het leven dat ik toen leidde, en in hetwelk ik, naar alle -waarschijnlijkheid, met der tijd, rijkdom en schatten zou verworven -hebben. - -Ik had reeds eenige maatregelen genomen om mij te vestigen, voor mijn -goede vriend, de kapitein, die mij op zee opgenomen had, weder afzeilde, -want hij had drie maanden in lading gelegen. Ik sprak hem over het geld, -dat ik in Londen achtergelaten had, en hij gaf mij dezen welgezinden en -opregten raad: "Senhor Inglese (want zoo noemde hij mij altijd) als gij -mij brieven en een volmagt geven wilt, met last aan den persoon, die in -Londen uw geld heeft, van dit naar Lissabon te zenden, aan zoodanige -lieden als ik u zal opgeven, en in goederen, die in dit land aftrek -hebben, dan zal ik u, als het God behaagt, deze bij mijne terugkomst -medebrengen; maar daar alle zaken aan tegenspoeden onderhevig zijn, zou -ik u raden slechts 100 [£] Sterl., dat, gelijk gij zegt, de helft van uw -kapitaal is, op te vragen, en deze eerst wagen. Zoo die goed overkomen, -kunt gij het overige op gelijke wijze ontbieden, en zoo het verloren -gaat, hebt gij de andere helft nog." - -Dit was zulk een verstandige en vriendelijke raad, dat ik niet twijfelen -kon, of hij was de beste dien ik volgen kon; ik maakte dus brieven aan -de weduwe, wie ik mijn geld achtergelaten had, en eene volmagt voor den -Portugeschen kapitein, volgens zijn verlangen, gereed. Ik schreef aan de -weduwe al mijne avonturen, mijne vlugt; hoe ik den Portugeschen kapitein -op zee ontmoet had; hoe menschlievend hij zich gedragen had, en wijders -alle aanwijzingen omtrent de overzending mijner gelden. Toen de brave -kapitein te Lissabon kwam, vond hij gelegenheid dit door eenige -Engelsche kooplieden aldaar, te doen toekomen aan een koopman te Londen; -waarop zij niet alleen het geld gaf, maar bovendien den Portugeschen -kapitein een fraai geschenk overzond, voor zijne menschlievende -handelwijze jegens mij. - -De koopman te Londen besteedde deze 100 [£] aan Engelsche goederen, -gelijk de kapitein opgegeven had, en zond die naar Lissabon, vanwaar hij -ze allen behouden in Brazilië bragt. Hieronder had hij buiten mijn -weten, (want ik was te onervaren in mijne zaken om er aan te denken) -gezorgd voor alle soorten van ijzerwerk en gereedschappen, die mij op -mijne plantaadje noodig waren, en waar ik groot nut van trok. - -Toen deze lading aankwam, achtte ik mijne fortuin gemaakt. Ik was -verrukt van vreugde er over; en mijn goede vriend de kapitein had de 5 -[£] Sterl., die de weduwe hem tot een geschenk had gezonden, besteed, om -voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te -schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak, -omdat ik dien zelf geteeld had. - -Dit was echter nog niet alles; daar al mijne goederen Engelsche -manufacturen waren, zoo als lakens, wollen stoffen, baai, enz., en -alles dingen, die hier te lande bijzonder geacht en van waarde waren, -kon ik dezelve zeer voordeelig verkoopen, zoodat ik zeggen kan, dat ik -meer dan vier malen de waarde van mijne eerste lading had. Nu was ik -mijn armen buurman oneindig ver vooruit, in den staat mijner plantaadje -bedoel ik, want ik kocht een negerslaaf, en schafte mij ook een -Europeschen knecht aan, behalve dien, welken de kapitein mij van -Lissabon had medegebragt. - -Gelijk echter misbruikte voorspoed dikwijls de oorzaak van onzen -tegenspoed is, zoo ging het ook met mij. Het volgende jaar ging het met -mijne plantaadje zeer goed; ik trok van mijn eigen grond vijftig groote -rollen tabak, ieder van meer dan 100 [lb = gewicht], en deze vijftig -rollen werden gepakt en bleven liggen, in afwachting, dat de vloot van -Lissabon zou terugkomen. En daar nu mijne bezigheden en goederen -vermeerderden, begon ik over allerlei ontwerpen, en ondernemingen boven -mijn bereik, te broeden, gelijk inderdaad dikwijls de verstandigste -kooplieden het hoofd op hol brengen. - -Zoo ik in den stand gebleven was, waarin ik mij nu bevond, had ik -ruimschoots al dat geluk kunnen genieten, waarvoor mijn vader mij een -stil, rustig leven aanried; en waarvan, gelijk hij zeide, de middelbare -stand overvloeide. Doch andere gebeurtenissen wachtten mij, en ik moest -op nieuw de bewerker van mijn eigen ongeluk zijn. Wat mijn misslag -vermeerderde, en in het vervolg mijn berouw verdubbelde: al mijne -ongevallen waren het gevolg van mijn halsstarrig aanhoudend verlangen, -om de wereld rond te zwerven, en van het opvolgen dezer begeerte, in -weerwil van de duidelijkste vooruitzigten van welvaart en geluk, die de -Voorzienigheid mij schonk. - -Om dit wel te verstaan, moet men onderstellen, dat ik thans vier jaren -in Brazilië gewoond had, dat ik thans het plantaadjewerk vrij wel begon -te verstaan, en vooruit te gaan in welvaart. Ik had niet alleen de taal -geleerd, maar ook met mijne medeplanters bekendschap gemaakt, zoo wel -als met de kooplieden van San Salvador, dat onze haven was. In mijne -gesprekken had ik hun dikwijls verhaald van mijne twee reizen naar de -kust van Guinea; van de wijze, waarop daar de slavenhandel gedreven -werd, en hoe gemakkelijk het daar op de kust viel, voor beuzelingen, zoo -als kralen, snuisterijen, messen, scharen, bijlen, spiegeltjes, niet -alleen goudstof en olifantstanden, maar ook Negers in te ruilen, ten -dienste van dit land. - -Zij luisterden altijd zeer oplettend naar mijne gesprekken hierover, -maar vooral naar datgene, wat betrekking tot het koopen van Negers had, -een handel, die toen daar weinig gedreven werd, om dat men er assientos -of verlofbrieven van de koningen van Spanje en Portugal toe moest -hebben, zoodat er weinig Negers, en deze zeer duur, gekocht werden. - -Op zekeren dag was ik met eenige kooplieden en planters van mijne kennis -hierover aan het praten. Den volgenden morgen kwamen drie hunner bij -mij, en zeiden, dat zij zeer ernstig over het gesprek van den vorigen -avond hadden nagedacht, en mij thans een voorstel kwamen doen. Na mij -geheimhouding afgevraagd te hebben, zeiden zij mij, dat zij lust hadden -een schip naar de kust van Guinea uit te rusten. Alle drie hadden -plantaadjen zoo wel als ik, en zij hadden aan niets meer behoefte dan -aan werklieden. Zij konden geen slavenhandel drijven, omdat de Negers in -het openbaar moesten verkocht worden; dus wilden zij slechts ééne reis -doen, de Negers heimelijk aan wal brengen, en die onderling op hunne -plantaadjen verdeelen. Kortom, de vraag was, of ik als hun supercargo -aan boord wilde gaan, om dien handel op de kust te drijven; daarvoor -boden zij mij een gelijk aandeel in de Negers aan, zonder dat ik tot de -uitrusting iets behoefde bij te dragen. - -Dit, moet men bekennen, was een verleidelijk voorstel, zoo het gedaan -ware aan iemand, die geen eigen plantaadje te besturen had, welke fraai -op weg was om van belang te worden, en die reeds van waarde was. Voor -mij echter, gevestigd als ik was, die nog slechts drie of vier jaren zoo -behoefde voort te gaan, en de andere 100 [£] Sterl. uit Engeland te -ontbieden, en alsdan zeker 3 tot 4000 [£] Sterl. waarde bezitten zou; -voor mij was zulk eene reis de onverstandigste zaak die ik bedenken kon. - -Maar ik, die altijd geneigd was mij zelven te verderven, kon evenmin dit -aanbod weêrstaan, als mijn eerste verlangen om in de wereld rond te -zwerven, hetgeen mijn vader mij zoo welmeenend afgeraden had. Ik zeide -hun, dat ik gaarne vertrekken wilde, als zij mij beloofden in mijne -afwezigheid het opzigt over mijne plantaadje te houden, en ingeval mij -een ongeluk overkwam, daarmede te handelen, gelijk ik hun zou opgeven. -Dit namen zij aan, en verbonden zich hier schriftelijk toe. Ik maakte -een testament, en beschikte over mijne plantaadje en goederen, ingeval -ik mogt komen te overlijden. Ik stelde tot mijn eenigsten erfgenaam den -kapitein aan, die mij het leven gered had, onder verpligting van de -helft mijner roerende goederen voor zich te houden, doch de andere helft -naar Engeland te voeren. Kortom, ik nam alle mogelijke voorzorgen, ter -bewaring mijner bezittingen. Zoo ik half zoo veel zorg betoond had voor -mijn waar belang, zou ik zeker nimmer zulk eene voorspoedige zaak -vaarwel gezegd hebben, om eene zeereis, met al hare gevaren, te gaan -doen, zonder te rekenen hoe veel reden ik had van ongelukken voor mij te -verwachten. - -Maar ik werd door mijne verbeelding weggesleept, en gehoorzaamde deze -blindelings, zonder naar mijn verstand te luisteren. Toen dus het schip -uitgerust, de lading gereed en alles met mijne medereeders geschikt was, -ging ik wederom te kwader ure, scheep, den 1sten September 1659, -denzelfden dag waarop ik acht jaren geleden, mijne ouders te Hull -verlaten had, om hun gezag te braveren en mijn eigen belang tegen te -werken. - -Ons schip was van ongeveer 120 ton, en voerde veertien man, behalve den -kapitein, zijn jongen en ik. Wij hadden slechts weinig lading, behalve -de snuisterijen, die voor den handel met de Negers geschikt waren, zoo -als glazen kralen, spiegeltjes en dergelijke. - -Denzelfden dag, dat ik aan boord kwam, gingen wij onder zeil, en hielden -het noordwaarts langs onze eigene kust, met oogmerk naar de Afrikaansche -kust over te steken, als wij op de hoogte van 10° of 12° N. breedte -zouden gekomen zijn, een koers dien men toen gewoonlijk hield, naar ik -geloof. Wij hadden goed weder, maar uiterst warm, tot wij op de hoogte -van kaap St. Augustijn kwamen, waar wij zeewaarts hielden en koers -stelden, alsof wij naar het eiland Fernand de Norouba bestemd waren, -koers stellende N.O. ten N. In ongeveer twaalf dagen passeerden wij de -linie, en waren naar ons laatste bestek op 7°, 22' N. breedte, toen een -geweldige tornado of orkaan ons geheel buiten ons bestek bragt. Deze -begon in het Z.O., liep toen naar het N.W. en zette zich eindelijk in -het N.O., waaruit hij zoo verschrikkelijk blies, dat wij twaalf dagen -lang voor top en takel dreven, waar het lot en de wind ons heen voerde; -en gedurende deze twaalf dagen behoef ik niet te zeggen, dat ik alle -dagen verwachtte te vergaan, en niemand aan boord dacht er het leven af -te brengen. - -Behalve dezen woedenden storm, hadden wij ook nog het ongeluk, een man -aan de heete koorts te verliezen, en een man en een jongen werden over -boord geslagen. Toen het weder op den twaalfden dag wat bedaarde, maakte -de kapitein zijn bestek op, zoo goed als hij kon, en bevond, dat hij op -ongeveer 11° N. breedte was, maar dat hij op 22° lengte bewesten kaap -St. Augustijn was; zoodat hij berekende op de kust van Guiana of het -noordergedeelte van Brazilië te zijn, tusschen de Amazonerivier en de -Orenoko, gewoonlijk de Groote Rivier genaamd. Thans was de vraag welken -koers te houden, want het schip was lek en zeer ontzet; en de kapitein -was er voor regt naar de Brazilische kust terug te keeren. - -Hier was ik stellig tegen; en toen wij bij het nazien der kaarten van de -Amerikaansche kusten zagen, dat er geen ander bewoond eiland was, waar -wij hulp konden verwachten, voor dat wij de Caraïben bereikten, besloten -wij naar Barbados koers te stellen, hetwelk wij gemakkelijk in vijftien -dagen zeilens hoopten te kunnen doen, als wij hooger in zee opwerkten, -om den Mexikaanschen Golfstroom te vermijden. Het was ons onmogelijk -zonder hulp onze reis naar de kust van Afrika voort te zetten. - -Ten dien einde veranderden wij van koers en stuurden N.W. ten W., ten -einde een der Engelsche eilanden te bereiken. Maar onze reis was anders -bepaald, want op 12°, 15' breedte gekomen, sloeg een tweede storm ons -even geweldig westwaarts, en voerde ons buiten alle handelswegen van -beschaafde volkeren. Zoo dus al ons leven op zee gespaard werd, hadden -wij meer kans van door wilden vermoord te worden, dan ooit ons vaderland -weder te zien. In dezen nood, en terwijl de wind nog zeer hevig was, -riep een van ons volk op een morgen: "Land!" en naauwelijks waren wij -uit de kajuit gekomen, in de hoop van te kunnen zien in wat hoek van de -wereld wij waren, of het schip stiet op eene zandbank, en in een -oogenblik sloeg de zee er zoo geweldig over heen, dat wij alle -oogenblikken dachten te vergaan, en wij naar omlaag moesten gaan, om ons -voor de golven te beschutten. - -Iemand, die zoo iets nimmer bijgewoond heeft, kan moeijelijk de -heerschende ontsteltenis begrijpen. Wij wisten niet waar wij waren, noch -op welk land wij geworpen waren; of het een eiland of vast land, bewoond -of onbewoond was. Daar de wind nog hevig was, schoon het niet meer zoo -geweldig stormde, konden wij niet hopen, dat het schip het langer dan -eenige minuten kon houden, zonder verbrijzeld te worden, ten ware de -wind, door een wonder, onmiddellijk omliep. Kortom, wij zagen elkander -aan, en verwachtten elk oogenblik den dood; ons voorbereidende op den -overgang in eene andere wereld, want in deze hadden wij weinig meer te -verrigten. Onze eenigste hoop was, dat het schip nog heel bleef, en de -kapitein opmerkte, dat de wind begon te gaan liggen. - -Maar al bedaarde de wind ook, dan bleef onze toestand toch vreesselijk. -Ons schip zat zoo vast, dat wij niet hopen konden het weder vlot te -krijgen, en wij moesten slechts denken, het lijf er af te brengen. Wij -hadden de boot aan den spiegel hangen toen de storm begon, maar zij was -eerst tegen het roer beschadigd en vervolgens door de zeeën verbrijzeld -of weggeslagen; in een woord deze was voor ons verloren. Wij hadden nog -wel eene boot op het dek, maar of wij die in zee konden brengen was -twijfelachtig. Er was echter geen tijd tot beraad, want alle -oogenblikken wachtten wij, dat het schip in stukken zou breken, en -sommigen riepen, dat het al verbrijzeld was. - -In dezen nood sloeg de stuurman het eerst handen aan het werk, en bragt -met hulp van het volk, de boot uit, en wij gingen allen er in, lieten de -vanglijn los, en ons op Gods genade drijven, want de zee ging nog -geweldig hoog op het strand. - -Wij zagen allen duidelijk in, dat de zee zoo hoog stond, dat de boot het -niet houden kon en wij ontwijfelbaar moesten verdrinken. Zeil hadden wij -niet, en hadden het toch ook niet kunnen gebruiken; dus roeiden wij naar -het land, schoon met bezwaarde harten, als mannen, die hun doodvonnis te -gemoet gingen, want wij allen wisten zeer goed, dat als wij digt bij het -strand kwamen, de branding alsdan de boot in duizend stukken zou -verbrijzelen. Wij bevalen Gode onze ziel, en terwijl de wind ons naar de -kust dreef, verhaastten wij de beslissing van ons lot, door zoo hard wij -konden naar den wal te roeijen. - -Hoe het strand was, klippen of zand, steil of effen wisten wij niet; de -eenigste zweem van hoop die wij nog konden koesteren, was, dat wij bij -geluk in eene baai of golf, of in den mond van eene of andere rivier -komen mogten, waar wij door bijzonder toeval onze boot inbragten, of dat -wij aan lager wal van het land en daardoor in stil water geraakten. Er -was echter niets dat daarnaar geleek, maar toen wij digter bij het -strand kwamen, zag het land er nog veel verschrikkelijker uit dan de -zee. - -Na, naar gissing, ongeveer anderhalve mijl roeijens of liever drijvens, -kwam eene geweldige zee achter ons aan rollen, en gaf ons duidelijk te -kennen, dat dit onze genadeslag was. Zij sloeg met zoo veel geweld over -ons heen, dat de boot dadelijk omsloeg, en ons zoo wel van de boot als -van elkander scheidde, zoo dat wij naauwelijks konden uitroepen: "o, -God!" want wij waren in een oogenblik allen door de zee verzwolgen. - -Ik kan niet beschrijven welke verwarring van denkbeelden ik gevoelde, -toen ik in het water zonk; want schoon ik zeer goed zwem, kon ik mij -niet zoo uit de golven opheffen, dat ik adem kon halen, totdat de golf -mij een groot eind naar den wal gedragen of liever geworpen hebbende, -daar brak en terug liep, en mij op het land bijkans droog, maar half -dood van het ingezwolgen water, achterliet. Ik had zoo veel -tegenwoordigheid van geest, en kracht nog dat ik, ziende, dat ik digter -bij het vaste land was dan ik verwachtte, op de been sprong en zoo snel -ik kon, naar het land trachtte te loopen, voor eene andere golf mij -inhaalde en weder wegrukte. Spoedig vond ik echter, dat dit onmogelijk -was, want ik zag de zee achter mij aan komen opzetten, zoo hoog als een -hooge heuvel, en verwoed als een vijand, waartegen ik niet opgewassen -was. Mij schoot niet anders over dan mijn adem in te houden, en als ik -kon mij boven water te houden, en zoo, door te zwemmen, mij zoo mogelijk -naar de kust te laten brengen. Mijne grootste vrees was dat de zee, die -mij op het strand sloeg, mij, als zij terug liep, weder in zee mogt -slepen. - -De eerste zee, die weder opkwam, ging omtrent twintig of dertig voet -over mij heen, en ik gevoelde, dat ik met ontzettend geweld en -snelheid naar het strand werd gedreven. Ik hield den adem in, en -trachtte zoo veel ik kon vooruit te komen. Ik kon eindelijk niet langer -den adem inhouden, toen ik gevoelde dat ik oprees, en mijn hoofd en -handen boven het water uitkwamen. Dit duurde geen twee sekonden, maar -gaf mij den tijd adem te halen. Wederom werd ik door het water -overstelpt, maar niet zoo lang of ik kon het uithouden, en bemerkende, -dat het water terugliep, zwom ik daar tegen in, en gevoelde weder grond. -Nog een oogenblik stond ik stil om adem te halen, en tot ik van het -water vrij was; toen zette ik het op een loopen, zoo snel ik kon naar -het land. Maar ik kon de woede van eene volgende zee niet ontgaan, die -weder achter mij aankwam, en nog twee malen werd ik door de golven -opgeligt en als de vorige reizen voortgestuwd, want het strand was zeer -vlak. - -De laatste maal dat dit gebeurde was het bijkans noodlottig met mij -afgeloopen; want nadat de zee mij, gelijk te voren, naar land had -gesleept, wierp zij mij tegen eene klip, en dat met zoo veel geweld, dat -ik bewusteloos nederzeeg. De stoot, dien ik op mijne zijde en borst -ontving, benam mij den adem, en zoo de zee onmiddellijk terug gekomen -ware, zou ik verstikt zijn in het water; maar voor dat dit gebeurde, was -ik een weinig tot mij zelven gekomen, en ziende, dat de zee weder over -mij heen zou slaan, besloot ik mij aan een stuk van de rots vast te -houden, zoo mogelijk, tot de golf terug liep. Daar nu de golven zoo hoog -niet meer liepen, omdat ik digt bij het land was, hield ik het staande -tot de golf terug liep, en nam toen weder een loopje, dat mij zoo digt -bij het strand bragt, dat de volgende golf, schoon die over mij heen -sloeg, mij niet medesleepte, en toen bereikte ik, met nog een loopje, -den vasten wal, waar ik, zeer tot mijne vreugde, de klippen van het -strand overklom en op het gras ging zitten, gered uit het gevaar, en -buiten bereik der golven. - -Ik was nu aan land en begon rond te zien en God voor mijn behoud te -danken, in een geval waarin, eenige oogenblikken te voren, schier geene -hoop op redding was. Ik geloof, dat het onmogelijk is de verrukking te -schilderen, die men gevoelt als men zoo, als het ware uit het graf zelf -gered wordt, en het verwondert mij thans niet meer, dat men gewoon is, -als een ter dood veroordeelde genade ontvangt, tevens een heelmeester te -zenden, om hem ader te laten zoodra hij het verneemt, ten einde de -verrassing hem niet zou dooden. - -Ik liep het strand langs, met opgeheven handen, en geheel verloren in -het denkbeeld van mijne redding, terwijl ik duizend gebaren en -bewegingen maakte, als ik bedacht, dat al mijne makkers verdronken -waren, en niemand gered was dan ik alleen; want ik zag van hen niets -weder dan naderhand twee of drie hoeden, eene muts en twee schoenen, die -niet bij elkander behoorden. - -Toen ik naar het gestrande schip zag, hetwelk zoo ver lag, dat ik het -door het schuim en spatten der zee naauwelijks zien kon, stond ik op -nieuw verbaasd hoe het mogelijk was, dat ik gered had kunnen worden! - -Na door deze overwegingen mij met het troostrijke gedeelte van mijn -toestand bekend gemaakt te hebben, begon ik rond te zien, op welke soort -van plaats ik was, en wat mij thans te doen stond. Spoedig ontdekte ik, -dat ik eene vreesselijke bevrijding had gedaan, want ik was nat, had -geene andere drooge kleederen, noch iets te eten of te drinken. Ik zag -ook geen ander vooruitzigt dan om van honger te sterven, of door wilde -beesten verscheurd te worden. Wat mij tevens niet weinig neêrslagtig -maakte, was, dat ik geen wapen had om eenig beest tot mijn voedsel, te -dooden, of om mij te verdedigen tegen hen, die mij welligt tot voedsel -zouden begeeren. Ik had niets bij mij dan een mes, eene pijp en eenigen -tabak in eene doos; dit was al mijn voorraad, hetgeen mij zoo beangst -maakte, dat ik eene poos als buiten mijne zinnen was. Toen de avond -viel, begon ik met een bezwaard hart te bedenken wat mijn lot zou zijn, -als er in dit land verscheurende dieren waren; omdat deze altijd des -nachts op roof uitgaan. - -Het eenigste middel wat mij te binnen schoot, was op een digtbegroeiden -boom te gaan zitten, eene soort van den, maar doornachtig, die digt bij -mij stond en waarop ik besloot den geheelen nacht te blijven zitten, en -den volgenden dag te overdenken welken dood ik zou sterven, want ik zag -geene andere uitkomst voor mij. Ik liep een eind weegs van het strand -af, om drinkbaar water te zoeken, dat ik gelukkig vond. Na gedronken, en -voor den honger wat tabak in den mond genomen te hebben, klom ik in den -boom, en na een korten stok tot mijne verdediging, daar af te hebben -gesneden, viel ik, daar ik zeer vermoeid was, in slaap. Ik sliep zoo -gerust, als weinigen in mijn toestand zouden gedaan hebben, en ik -geloof, dat nimmer een slaap mij zoo verkwikt heeft. - -Toen ik ontwaakte was het helder dag, fraai weder en de storm bedaard, -zoodat de zee kalm was. Tot mijne verbazing zag ik, dat het schip des -nachts, van de zandbank, waarop het lag, door den vloed vlot geraakt, en -tot bij de klip gedreven was, waar ik, gelijk ik zeide, zoo tegen aan -was geworpen. Daar het dus nu slechts eene (Eng.) mijl van den wal -aflag, wenschte ik, dat ik aan boord was, om ten minste eenige -noodwendigheden voor mij te redden. - -Toen ik mijne slaapplaats in den boom verliet, zag ik nogmaals in het -rond, en het eerst wat ik bespeurde was de sloep, die ongeveer een half -uur regts van mij, op het strand lag, waar de wind en de golven haar -geworpen hadden. Ik ging in die rigting de kust langs, om bij haar te -komen, maar trof een inham of kreek aan, die mij dit belette. Ik keerde -dus terug, daar ik voor het oogenblik voornamelijk verlangde het schip -te bereiken, waar ik eenig voedsel voor mij hoopte te vinden. - -Kort na den middag werd de zee zeer kalm, en het getij liep zoo laag, -dat ik het schip tot op een vierde mijl kon bereiken. Hier vond ik -nieuwe reden tot droefheid; want ik zag duidelijk, dat, zoo wij allen -aan boord gebleven waren, wij gered zouden geweest zijn; althans hadden -wij allen behouden aan den wal kunnen komen; en mij had het ongeluk niet -getroffen van allen troost en alle gezelschap beroofd te zijn, gelijk -thans het geval was. Deze gedachte perste mij de tranen uit de oogen, -maar deze baatten mij weinig, en ik besloot zoo mogelijk het schip te -bereiken. Ik ontkleedde mij, want het was smoor heet, en ging te water; -maar toen ik het schip bereikte, wist ik niet hoe ik aan boord zou -komen. Het lag hoog en droog, en ik zag niets dat ik grijpen kon. Twee -maal zwom ik er omheen, en de derde maal ontdekte ik een dun touw, dat -over de fokkerusten hing, zoo laag, dat ik het met moeite kon bereiken, -en met behulp er van op het voorschip komen. Hier zag ik, dat het schip -gebarsten was en vrij wat water in het ruim had; maar het lag zoo op -eene bank van hard zand of liever aarde, dat het van achteren hoog op de -bank, en met den kop bijkans in het water lag; hierdoor was het geheele -achterschip heel, en al wat daar was, droog gebleven. Mijne eerste zorg -was te onderzoeken wat beschadigd en wat goed gebleven was, gelijk men -wel gelooven zal. Ik vond, dat al de provisie droog en goed gebleven -was, en daar ik uitgehongerd was, vulde ik mijne zakken met beschuit, en -at die op, terwijl ik naar andere dingen rondzag, want ik had geen tijd -te verliezen. Ik vond ook wat rum in de groote kajuit, en nam eene -goede teug, die ik wel noodig had, om mij kracht te geven tot al wat ik -nog te doen had. - -Nu had ik slechts eene boot noodig, om mij van vele dingen te voorzien, -die ik voorzag, dat mij van veel nut zouden zijn. Stil te zitten en te -wenschen naar wat ik niet had, baatte mij echter weinig, en de nood -scherpte mijn vernuft. Wij hadden verscheidene waarlooze rondhouten, -twee of drie marsstengen, en een paar waarlooze marszera's aan boord. Ik -besloot deze te gebruiken, en werkte er zooveel over boord als hare -zwaarte dit toeliet, na aan ieder een touw gebonden te hebben, voor het -wegdrijven. Nadat dit gedaan was, ging ik over boord, trok ze naar mij -toe, en bond er zoo goed ik kon vier van aan beide einden vast, in den -vorm van een vlot, en na er twee of drie korte planken kruiselings over -gelegd te hebben, vond ik, dat ik er vrij wel over loopen kon, maar dat -het niet veel zwaarte dragen kon, omdat de stukken hout te ligt waren, -dus ging ik aan het werk, en zaagde met des timmermans zaag, een -waarlooze steng in drieën, en maakte deze stukken aan mijn vlot vast, -met veel arbeid en moeite, maar de hoop, mij van vele noodwendigheden te -voorzien, deed mij boven mijn vermogen werken. - -Thans was mijn vlot sterk genoeg, om eene tamelijke zwaarte te dragen. -Het voornaamste was thans te weten wat ik er op laden zou, en hoe ik, -hetgeen er op lag, voor de branding zou bewaren, doch hierover bedacht -ik mij niet lang. Ik legde er eerst al de planken op, die ik bekomen -kon, en na wel overwogen te hebben, wat ik het meest noodig had, maakte -ik drie matrozenkisten ledig, en streek die op het vlot. De eerste vulde -ik met eetwaren, te weten brood, rijst, drie Hollandsche kazen, vijf -stukken gedroogd geitenvleesch, dat wij veel aten, en een klein weinig -Europeesch koorn, dat wij voor eenig gevogelte aan boord hadden genomen, -hetgeen echter reeds geslagt was. Er was eenige garst en tarwe onder -elkander aan boord geweest, maar tot mijne spijt vond ik, dat de ratten -het alles opgegeten of oneetbaar gemaakt hadden. Ik vond verscheidene -flesschenkelders van den kapitein met sterken drank, en in het geheel -ongeveer vijf of zes gallons arak; deze plaatste ik los op het vlot, -daar ik ze niet in de kist kon bergen. Toen ik hiermede bezig was, -begon de vloed door te komen, en ik had het verdriet van mijn buis, hemd -en vest, die ik aan het strand gelegd had, te zien wegdrijven. Mijn -linnen broek en kousen had ik aangehouden, toen ik naar het schip zwom. -Dit deed mij echter naar kleederen zoeken, die ik genoeg vond; maar -waarvan ik geen meer medenam, dan ik oogenblikkelijk noodig had, want ik -had andere dingen op het oog; en in de eerste plaats, gereedschap om -mede te werken. Na lang zoeken vond ik de timmermanskist, dat inderdaad -een belangrijke vond voor mij was, en toen van meer waarde voor mij dan -eene scheepslading goud. Ik bragt die geheel op mijn vlot, zonder mij -den tijd te gunnen van na te zien wat er in was, want dit wist ik over -het geheel wel. - -Thans was mijne zorg voor wapens en kruid en lood. Er waren in de kajuit -twee zeer goede jagtgeweren en twee pistolen; deze nam ik eerst met -eenige kruidhorens, en een zakje met kogels. Ik wist, dat er drie -vaatjes kruid aan boord waren, maar niet waar de konstapel ze gestuwd -had. Na veel zoekens vond ik ze echter; twee waren droog en goed -gebleven, het derde was vochtig; deze twee bragt ik met de wapens op het -vlot. En nu begreep ik vrij goed geladen te zijn, en begon er aan te -denken, hoe ik mijne lading aan wal zou brengen, daar ik zeilen, riemen, -noch roer had, en het minste aanwakkeren van den wind al mijne -zeemanschap zou teleurgesteld hebben. - -Drie dingen moedigden mij aan; eerstens was de zee volkomen kalm; ten -tweede dreef het getij naar het strand en eindelijk was de weinige wind -die er was, regt op de kust aan. Na dus twee of drie gebroken riemen van -de boot, en behalve mijne kist met gereedschappen, nog twee zagen, eene -bijl en een hamer gevonden te hebben, stak ik met mijne lading af. Eene -mijl ongeveer ging alles goed; alleen bespeurde ik, dat ik een weinig -zijwaarts afdreef van de plaats, waar ik eerst aan land gekomen was, -zoodat ik bemerkte, dat daar eenige strooming in het water was, wat mij -hoop gaf, daar eene kreek of rivier te zullen vinden, die mij als eene -haven kon dienen, om mijne lading aan wal te brengen. - -Het was zoo als ik gedacht had; voor mij lag een kleine inham, waar eene -sterke strooming inliep; dus stuurde ik mijn vlot zoo goed ik kon, om -het midden van den stroom te houden. Hier had ik bijkans ten tweeden -male schipbreuk geleden, hetgeen mij het hart zou gebroken hebben. Daar -ik niets van de kust wist, geraakte mijn vlot aan het eene einde op eene -zandbank vast, en daar het andere einde vlot was, scheelde het weinig, -of al mijne lading was naar dien kant gerold, die vlot was, en zoo in -het water gevallen. Ik deed mijn uiterste best, door met mijn rug de -kisten tegen te houden, alles op zijne plaats te doen blijven; maar al -mijne kracht was niet voldoende om het vlot af te duwen; ook durfde ik -niet van houding veranderen, maar stond bijkans een halfuur op die wijze -tegen te houden. Gedurende dien tijd maakte de vloed het vlot allengs -meer gelijk, en kort daarop, daar het water nog rees, was ik weder vlot, -en duwde mijn vlot af met den riem, dien ik had, in het kanaal. Toen ik -daar hooger op kwam, bevond ik mij eindelijk in den mond van eene -kleine rivier, met land aan weerszijden, en waar het getij zeer sterk -liep. - -Eindelijk bespeurde ik een kleinen inham aan de regterzijde, en bragt -met veel moeite en arbeid mijn vlot daarheen, en kwam er op het laatst -zoo nabij, dat ik met mijn riem den grond bereiken kon, en toen stuurde -ik erbinnen. Hier was bijkans weder al mijne lading in zee gevallen, -want het strand liep hier met zulk eene steile helling, dat ik nergens -kon naderen, of het eene einde van het vlot zou als het aan den wal -stiet, zoo hoog en het andere einde zoo laag liggen, dat de lading op -nieuw groot gevaar moest loopen. Al wat ik doen kon, was te wachten, tot -dat het getij op zijn hoogst was, terwijl ik met mijn riem mij nabij den -wal hield, en digt bij eene streek vlakken grond, die ik verwachtte, dat -het water bedekken zou, gelijk ook het geval was. Zoodra ik water genoeg -vond (want mijn vlot had bijkans een voet diepgang,) bragt ik het boven -dien vlakken grond, en zette het daar vast door mijne twee gebroken -riemen in den grond te steken, aan weerszijden een, en zoo bleef ik -liggen, tot het water begon af te loopen, en mij en mijne lading droog -op het strand liet. - -Mijn eerste werk was thans het land te bezien, en eene geschikte plaats -te zoeken, waar ik wonen kon, en mijne goederen tegen alle mogelijke -ongevallen beveiligen. Waar ik was, wist ik echter niet, of op vast land -of op een eiland, in een bewoond of onbewoond land, met of zonder wilde -dieren. Geene mijl van mij af was een heuvel, die zeer steil en hoog -opliep, en mij toescheen eene reeks van heuvelen, die noordwaarts zich -uitstrekten, te overzien. Ik nam een der jagtgeweren, eene pistool en -een kruidhoorn, en aldus gewapend ging ik naar den top des heuvels op -ontdekking uit. Toen ik dien met veel moeite en arbeid bereikt had, zag -ik dadelijk mijn lot; namelijk, dat ik op een eiland was, overal door de -zee omringd, zonder land in het gezigt, behalve zeer in de verte eenige -klippen, en twee eilanden, kleiner dan dit, die drie mijlen ongeveer -westwaarts van mij lagen. - -Ik zag tevens, dat het eiland, waarop ik mij bevond, woest, en gelijk ik -met grond vermoedde, onbewoond was, ten ware van wilde dieren, waarvan -ik echter geenerlei spoor zag. Ik zag eene menigte van vogels, wier -soort ik niet kende, en waarvan ik niet wist of hun vleesch eetbaar was -of niet. Toen ik terugkeerde, schoot ik een grooten vogel, dien ik op -een boom aan den zoom van een groot bosch zag zitten. Ik geloof, dat het -het eerste schot was, dat daar, sedert de schepping, gevallen was. -Naauwelijks had ik gevuurd, of uit alle deelen van het bosch rees eene -ontzettende menigte vogels van allerlei soort op, die ieder hun -eigenaardig geschreeuw en gekrijsch aanhieven; doch geen was er onder, -die ik kende. Dien ik gedood had, hield ik voor eene soort van havik, -naar zijne vederen en bek te oordeelen, echter waren zijne klaauwen niet -buitengewoon; zijn vleesch was taai en oneetbaar. - -Ik hield mij vooreerst met deze ontdekking tevreden, ging naar mijn vlot -terug, en ging aan het werk, om mijne lading aan land te brengen, dat -mij het overige van den dag bezig hield. Waar ik mijn nachtverblijf -kiezen zou, wist ik niet; ik was bevreesd, om op den grond te gaan -liggen, niet wetende, of een wild dier mij verscheuren zou. Naderhand -vond ik echter, dat ik hiervoor geene vrees behoefde te hebben. - -Zoo goed ik kon maakte ik echter eene verschansing van de kisten en -planken, die ik aan wal had gebragt, en vormde daarvan eene soort van -hut, voor dien nacht. Ik zag nog niet in, hoe ik mij van voedsel zou -voorzien, behalve, dat ik twee of drie dieren, naar hazen gelijkende, -uit het bosch had zien loopen, toen ik den vogel schoot. - -Ik begon nu te bedenken, dat ik nog veel uit het schip zou kunnen halen, -wat mij nuttig kon zijn; vooral eenig touwwerk en zeilen, en wat mij -maar van dienst zou kunnen zijn. Ik besloot dus, zoo mogelijk nog eene -reis naar het schip te doen, en daar ik wist, dat de eerste opkomende -storm het noodwendig verbrijzelen moest, besloot ik mij nergens mede -bezig te houden, voor ik al wat ik kon uit het schip had gehaald. Ik -belegde toen scheepsraad, dat wil zeggen in mijne gedachten, of ik zou -trachten met het vlot terug te gaan, maar dit achtte ik onuitvoerlijk; -dus besloot ik, even als te voren, bij laag water te gaan, gelijk ik -deed, alleen een gestreept hemd en een linnen broek aanhoudende. - -Ik kwam gelijk te voren aan boord, en maakte een vlot, doch door de -ondervinding van het eerste geleerd, maakte ik dit niet zoo -onhandelbaar, en belaadde het zoo zwaar niet. Thans bragt ik -verscheidene allernuttigste dingen voor mij mede; eerstelijk vond ik -twee of drie zakken spijkers, een groote boor, een vijfentwintig bijlen, -en bovenal, een zoo allernuttigst werktuig, een slijpsteen. Dit alles -borg ik, met verscheidene dingen van den konstapel, twee of drie -koevoeten, twee vaatjes met geweerkogels, zeven geweren en een jagtroer, -met nog eenig buskruid, een grooten zak met hagel en een groote rol -lood; maar deze laatste was te zwaar, en kon ik niet over boord -hijschen. - -Behalve dit nam ik al de kleederen mede, die ik vinden kon, en een -waarloos voormarszeil, eene hangmat en eenig beddegoed, en hiermede -belaadde ik mijn tweede vlot, en bragt alles, tot mijn groot genoegen, -behouden aan land. - -Ik was gedurende mijne afwezigheid van het land eenigzins bevreesd, dat -althans mijne mondbehoeften zouden weggeroofd zijn, maar toen ik -terugkwam, vond ik geen spoor van eenig bezoek, behalve eene soort van -wilde kat, die op eene der kisten zat, en bij mijne aankomst een eind -weegs wegliep, en toen stilstond. Zij zat zeer bedaard en gerust, en zag -mij stijf aan, alsof zij wel lust had, nader kennis met mij te maken. Ik -legde een geweer op haar aan, maar daar zij hiervan niets begreep, bleef -zij zeer bedaard zitten; daarop wierp ik haar een stuk beschuit toe, -waarmede ik echter niet zeer mild was, want mijn voorraad was niet -groot. Echter gaf ik haar een stukje, gelijk ik zeide, en zij ging er -naar toe, berook het, en at het op, en scheen naar meer te verlangen; -maar ik bedankte er voor en kon niet meer missen, dus ging zij heen. - -Na mijne tweede lading aan land gebragt te hebben, schoon ik verpligt -was de kruidvaatjes open te slaan, en bij gedeelten te ledigen, want zij -waren in hun geheel te zwaar, ging ik aan het werk, om van de zeilen, en -eenige staken, die ik daarvoor gekapt had, eene kleine tent te maken, en -in deze tent bragt ik alles wat ik wist, dat door regen of zon bederven -kon, en al de ledige kisten en vaten stapelde ik in een kring rondom de -tent, om die te versterken tegen eenigen onverhoedschen aanval van -menschen of beesten. - -Toen ik dit gedaan had, sloot ik den ingang der tent met eenige planken -van binnen, en eene overeind staande ledige kist van buiten, legde een -bed op den grond, mijne twee pistolen aan het hoofdeinde, en mijn geweer -aan mijne zijde. Hierop ging ik voor de eerste maal naar bed en sliep -zeer gerust den geheelen nacht, daar ik zeer vermoeid en uitgeput was, -want ik had den vorigen nacht zeer weinig geslapen, en den geheelen dag -hard gewerkt, om al die zaken van het schip te halen, en aan land te -brengen. - -Ik had nu het grootste magazijn van allerlei voorraad, dat ooit geloof -ik, voor één mensch was neergelegd; maar ik was nog niet voldaan, want -zoo lang het schip in dier voege bleef zitten, achtte ik het raadzaam er -alles uit te halen wat ik kon; dus ging ik elken dag met laag water naar -boord, en bragt telkens het een of ander mede. Vooral de derde maal toen -ik ging, nam ik zooveel touwwerk mede als ik kon, en zooveel dun touw en -garen als ik vinden kon, benevens een waarloos stuk zeildoek, dat -medegenomen was, om de zeilen te herstellen, en het vat vochtig -buskruid. Kortom ik bragt al de zeilen er af, hoewel ik genoodzaakt was -ze in stukken te snijden, en zooveel te gelijk mede te nemen als ik kon; -want ik kon ze niet als zeilen, maar alleen het doek gebruiken. - -Niet minder aangenaam was het mij, dat ik het laatst van alles, nadat ik -vijf of zes reizen gedaan had, en dacht niets meer van het schip te -kunnen bekomen, wat der moeite waardig was, nog vond een groot vat met -beschuit, drie vaatjes rum of sterken drank, een kistje met suiker en -een vat met best meel. Dit was eene aangename verrassing voor mij, omdat -ik niet verwachtte andere mondbehoeften aan te treffen, dan die door het -water bedorven waren. Ik maakte spoedig de ton met beschuit ledig, en -wikkelde die in stukken van de zeilen, en, om kort te gaan, ik bragt dit -alles, hoewel op verschillende tijden, behouden aan land. - -Den volgenden dag deed ik weder eene reis, en nu ik al wat draagbaar was -uit het schip geplunderd had, begon ik met de kabels, die ik aan stukken -kapte, die ik verwerken kon, en bragt twee kabels en een tros aan wal, -met al het ijzerwerk, dat ik bekomen kon, en na de sprietzeilra en de -bezaansra gekapt te hebben, en al wat ik kon, om een groot vlot te -maken, belaadde ik het met al deze zware goederen en zette af. Maar -mijn goed geluk begon mij te verlaten, want dit vlot was zoo -onhandelbaar en zoo overladen, dat, nadat ik den kleinen inham -binnengevaren was, waar ik de overige goederen aan land had gebragt, -daar ik dit niet zoo goed besturen kon als de andere, het omsloeg, en ik -met al de lading in het water viel. Voor mij was dit van weinig belang, -want ik was digt bij land; maar van mijne lading ging het grootste -gedeelte verloren, vooral het ijzer, dat ik gehoopt had mij van veel nut -te zullen zijn. Toen het echter laag water was, bragt ik nog -verscheidene stukken touw aan wal, en eenig ijzerwerk, schoon met -ontzettend veel moeite, want ik moest er naar duiken, hetgeen voor mij -een allerafmattendst werk was. Ik ging daarop ieder dag naar boord, en -bragt mede wat ik kon. - -Ik was nu dertien dagen aan wal geweest, en elf malen naar boord van het -schip gegaan, in welken tijd ik alles aan wal gebragt had, wat een -mensch met twee handen redelijkerwijs kon doen; hoewel ik waarlijk -geloof, dat, als het stil weder gebleven was, ik het geheele schip, stuk -voor stuk, zou gesloopt hebben. Toen ik de twaalfde maal aan boord wilde -gaan, bemerkte ik, dat de wind begon op te steken; ik ging echter met -laag water aan boord, en schoon ik gedacht had, dat ik de kajuit zoo -goed doorgesnuffeld had, dat ik er niets meer in vinden kon, ontdekte ik -toch een kistje met laden. In eene daarvan vond ik twee of drie -scheermessen en eene groote schaar, met een dozijn goede lepels en -vorken; in eene andere vond ik de waarde van ongeveer 36 [£] in geld; -eenige Europesche en eenige Brazilische munten, eenige stukken van -achten, eenig goud, eenig zilver. - -Ik glimlachte toen ik dat geld zag: "O slijk," zeide ik, "waar zijt gij -goed voor? Gij zijt mij niet waardig, dat ik u van den grond opneem. Een -van deze messen is meer waard dan die geheele hoop. Ik kan u niet -gebruiken, blijf waar gij zijt, en verzink naar den bodem, als iets, dat -niet waardig is gered te worden." Bij nadere overweging nam ik het -echter mede, en wikkelde alles in een stuk zeildoek, en begon te denken -om nog een vlot te maken. Toen ik echter hiermede bezig was, betrok de -lucht en de wind begon op te steken, en in een kwartier blies het eene -stijve koelte van het land. Thans begreep ik, dat het vruchteloos was -een vlot te maken, met den wind van het land af, en dat het zaak was te -vertrekken, voordat de vloed doorkwam; anders had ik het strand in het -geheel niet kunnen bereiken; dus liet ik mij in het water afzakken en -zwom het kanaal over, dat tusschen het schip en het strand lag, en dit -ging moeijelijk genoeg, gedeeltelijk om de zwaarte van hetgeen ik bij -mij had, en gedeeltelijk om de deining in het water, want de wind -wakkerde gestadig aan, en voordat het hoog water was, woei er een felle -storm. - -Maar ik had mijne kleine tent bereikt, waar ik met al mijn goed zeer -veilig lag. Het stormde den geheelen nacht door, en toen ik den -volgenden morgen uitzag, was er geen schip meer te zien! Ik stond -eenigzins verrast, maar troostte mij met de gedachte, dat ik geen tijd -noch vlijt verloren had, om alles er uit te halen wat mij van nut kon -zijn; en dat er inderdaad weinig in overgebleven was, wat ik nog aan wal -had kunnen brengen, als ik er den tijd toe gehad had. Ik liet nu alle -gedachten varen aan het schip en wat er in was, behalve aan hetgeen nog -van het wrak op de kust mogt aanspoelen, gelijk inderdaad met -verscheidene stukken het geval was, die echter voor mij van weinig nut -waren. - -Thans waren mijne gedachten geheel gevestigd op mij tegen de wilden, als -die zich mogten vertoonen, of tegen wilde dieren, als die op het eiland -mogten zijn, te beschermen, en ik overwoog lang, hoe ik dit doen, en -welke soort van woning ik maken zou; of ik een hol in den grond of eene -tent op denzelven zou opslaan. Eindelijk besloot ik tot beide, en het -zal niet ongepast zijn hier eene beschrijving van dezelve te geven. - -Spoedig bemerkte ik, dat de plaats waar ik was, niet tot mijne vestiging -geschikt was, vooral omdat het een lage, moerassige grond, digt bij de -zee was, die ik geloofde dat niet gezond zou zijn, en vooral, omdat er -geen zoet water in de nabijheid was; dus besloot ik eene gezonder en -meer geschikte plek op te zoeken. - -Ik nam verscheidene zaken in aanmerking: eerstelijk, gezondheid en zoet -water, gelijk ik zeide; vervolgens beschutting voor de zon, benevens -veiligheid voor vijanden, hetzij menschen of dieren, en eindelijk het -gezigt op de zee; opdat, als het God behaagde, eenig schip in het gezigt -te zenden, ik geene gelegenheid mogt verzuimen tot mijne bevrijding, -waarop ik nog niet alle hoop opgegeven had. - -Terwijl ik eene geschikte plaats hiertoe zocht, vond ik eene kleine -vlakte aan de zijde van een heuvel, die aldaar regtstandig als een muur -omhoog rees, zoodat ik van de hoogte niet kon overvallen worden. Aan den -kant van deze rots was eene holte, die naar den ingang van eene spelonk -geleek, schoon er geenerlei opening of spelonk in de rots was. - -Op de grazige vlakte, regt voor deze uitholling, besloot ik mijne tent -op te slaan. De vlakte was niet meer dan honderd ellen lang en tweemaal -zoo breed, en lag als eene weide voor mijne deur, en liep aan het einde -onregelmatig af naar het lager land aan het strand. Zij lag op de N.N.W. -zijde van den heuvel, hetgeen mij voor de zonnehitte den geheelen dag -beschermde, tot de zon in het W.t.Z. stond, hetgeen in deze hemelstreken -bij het ondergaan plaats heeft. - -Alvorens ik mijne tent opsloeg, trok ik voor de uitholling een halven -cirkel, die van de rots tot aan het einde, tien ellen wijd, en van het -eene einde tot het andere twintig ellen in doorsnede had. In dezen -halven cirkel sloeg ik twee rijen zware staken, en sloeg die in den -grond tot zij zoo vast stonden als pilaren, terwijl het zwaarste einde, -dat ik van boven puntig maakte, ongeveer vijf en een half voet uit den -grond zat; de twee rijen stonden geen zes duim van elkander. - -Vervolgens nam ik de stukken kabeltouw, die ik op het schip gekapt had, -en legde die op elkander in den kring tusschen deze twee rijen van -staken, tot boven aan toe, terwijl ik andere staken van binnen plaatste, -ongeveer twee en een half voet hoog, om de voorsten te versterken, en -deze palissaden waren zoo sterk, dat mensch noch beest er over noch door -kon. Dit kostte mij veel tijd en arbeid, vooral het kappen van de staken -in het bosch, hen huiswaarts te slepen en in den grond te slaan. - -De ingang tot deze plaats was geene deur, maar eene korte ladder, -waarmede ik over de omheining klom en die ik, als ik er in was, naar -binnen haalde. Aldus was ik, naar ik dacht, volkomen ingesloten en -verschanst voor iedereen, en sliep dus des nachts gerust, hetgeen ik -anders niet had kunnen doen; schoon, gelijk naderhand bleek, al deze -voorzorgen voor de vijanden die ik vreesde, noodeloos waren. - -In deze omheining of verschansing, bragt ik met eindeloos veel moeite al -mijn rijkdom, al mijne mondbehoeften, mijn kruid en lood en al mijne -goederen, die ik vroeger opgenoemd heb. Ik maakte ook eene groote tent, -en om mij voor de regens, die hier een gedeelte van het jaar zeer hevig -zijn, te beveiligen, maakte ik eene dubbele, namelijk eene kleinere tent -van binnen en eene grootere er over heen, en de bovenste bedekte ik met -eene presenning, die ik onder de zeilen gered had. - -En nu lag ik niet meer in het bed, dat ik aan wal had gebragt, maar in -eene hangmat, die zeer goed was, en aan den stuurman behoord had. - -In deze tent bragt ik al mijne mondbehoeften, en al wat door den regen -bederven kon, en maakte vervolgens den ingang toe, dien ik tot hiertoe -opengelaten had, en ging na dien tijd altijd met eene korte ladder, -gelijk ik zeide, in en uit. - -Toen dit gedaan was, ging ik aan het uitdelven van de rots, en bragt al -de aarde en steenen, die ik uitgroef, door mijne tent, en legde die -tusschen deze en de palissaden. Ik verhoogde den grond aldus anderhalf -voet, en maakte hierdoor een kelder vlak achter mijne tent. Dit kostte -mij veel tijd en arbeid, voor dat alles gereed was, en ik moet dus -terugkeeren tot eenige andere zaken, die mijne gedachten bezig hielden. - -Toen ik het ontwerp gevormd had, een tent op te slaan en den kelder te -maken, viel er een allerhevigste stortregen uit eene dikke, zwarte wolk, -en een bliksemstraal werd door een allerontzettendsten donderslag -gevolgd, gelijk natuurlijk is. Ik was niet zoo zeer ontsteld van den -bliksem, als van het denkbeeld, dat even snel als de bliksem mij voor -den geest kwam: "mijn buskruid!" Mijn hart kromp ineen, als ik bedacht, -dat een bliksemstraal al mijn kruid kon vernielen, waarvan naar ik -dacht, niet alleen mijne veiligheid, maar ook mijn onderhoud geheel -afhing. Ik was volstrekt niet bekommerd over mijn eigen gevaar, schoon, -als het kruid vlam gevat had, ik zeer ligt doodelijk getroffen had -kunnen worden. - -Dit maakte zulk een indruk op mij, dat, nadat de storm over was, ik al -mijn werk, mijn bouwen en verschansen liggen liet, en aan het maken van -dozen en kisten ging, om mijn kruid bij kleine gedeelten te bergen, in -de hoop, dat, wat er ook gebeuren mogt, het niet alles te gelijk vlam -zou vatten, en ik het zoo afgescheiden kon houden, dat het eene het -andere niet kon aansteken. Ik bragt hiermede veertien dagen door; en -mijn kruid, dat ongeveer 140 [lb = gewicht] zal bedragen hebben, had ik -toen in wel honderd partijen verdeeld. Van het vaatje, dat nat geweest -was, vreesde ik geenerlei gevaar, dus plaatste ik het in mijn nieuwen -kelder, dien ik goedvond mijn keuken te noemen, en het overige verborg -ik hier en daar in holten tusschen de klippen, in dier voege, dat er -geen nat bij komen kon, terwijl ik zorgvuldig de plaatsen merkte, waar -ik het legde. - -Middelerwijl ik hieraan bezig was, ging ik dagelijks ten minste eens met -mijn geweer uit, zoowel tot mijne uitspanning, als om te zien of ik iets -schieten kon, dat eetbaar was, en, zooveel ik kon, mij bekend te maken -met wat het eiland opleverde. De eerste maal dat ik thans uitging, -ontdekte ik, dat er geiten op het eiland waren, hetgeen mij veel -genoegen deed; er was echter een ongeluk bij, dat zij namelijk zoo -schuw, zoo scherp van gezigt en reuk, en zoo snel ter been waren, dat -het allermoeijelijkst was, haar te bereiken. - -Ik werd hierdoor echter geenszins ontmoedigd, niet twijfelende of ik zou -er weldra een onder schot krijgen, gelijk ook spoedig het geval was. -Want, nadat ik eenigzins hare gewone verblijfplaatsen op het spoor was -gekomen, ging ik op haar loeren. Ik had bemerkt, dat, als zij mij in het -dal zagen, al waren zij op de klippen, zij dan altijd verschrikt -wegliepen, en dat, als ik op de klippen was, zij geen acht op mij -sloegen. Ik besloot hieruit, dat haar oog zoodanig gevormd was, dat zij -met gemakkelijk voorwerpen zagen, die boven haar verheven waren. Ik -begon derhalve altijd eerst op de rotsen te klimmen, om boven haar -gezigt te zijn, en had dan gewoonlijk een goed schot op haar. - -De eerste maal, dat ik op haar schoot, doodde ik eene geit, die een -zuigend jong bij zich had, hetgeen mij van harte speet. Toen de moeder -viel, bleef het jong stokstijf bij haar staan, tot ik kwam en haar -opnam. Toen ik de oude geit op mijne schouders laadde en haar wegdroeg, -volgde het jong mij tot aan mijne heining. Ik legde daar de oude neder, -nam het jong in mijne armen en droeg het over de palissaden, in de hoop -van het tam te maken; maar het wilde niet eten, dus was ik gedwongen het -te dooden en het zelf te eten. Deze twee geiten voorzagen mij voor -langen tijd van vleesch; want ik at matig, en spaarde mijne eetwaren -(vooral mijn brood), zooveel ik bij mogelijkheid kon. - -Na thans mijne woning bepaald te hebben, achtte ik het volstrekt -noodzakelijk eene plaats te hebben waar, en brandhout waarmede ik stoken -kon. Ik zal op zijne plaats verhalen, hoe ik dit alles deed, en hoe ik -mijn kelder vergrootte, maar ik moet eenig verslag van mijzelven en van -mijne denkbeelden over mijne verdere levenswijze, die inderdaad niet -weinig waren, geven. - -Mijn toestand leverde een treurig vooruitzigt op. De storm, die mij op -dit eiland geworpen had, had mij tevens geheel buiten den koers van onze -voorgenomen reis geslagen, en wel honderd mijlen buiten het gewone -vaarwater der koopvaarders. Ik had dus groote reden, het als een besluit -des Hemels te beschouwen, dat ik in deze eenzame plaats en op deze -verlatene wijze mijn leven zou eindigen. Mijne tranen stroomden bij -deze gedachten, en somwijlen vroeg ik mij zelven af, waarom de -Voorzienigheid sommige harer schepselen zoo diep rampzalig maakte, zoo -hulpeloos en verlaten, dat het leven naauwelijks een reden tot -dankbaarheid was. - -Maar altijd kwam er iets in mij op, dat deze gedachten stuitte, en mij -er over berispte. Op zekeren dag in het bijzonder, toen ik met mijn -geweer in de hand langs het strand wandelde, peinsde ik ernstig over -mijn tegenwoordigen toestand, toen mijne rede als het ware toetrad, en -mij de zaak van eene andere zijde deed beschouwen. Het is waar, zeide -zij, gij zijt in een rampzaligen toestand, maar ei lieve, waar zijn uwe -kameraden? Waart gij niet elf personen in de boot? waar zijn de tien -overigen? Waarom zijn zij niet gered, en zijt gij niet vergaan? Waarom -zijt gij uitgezonderd? Is het beter hier of daar te zijn? Hierbij wees -ik op de zee. Het kwaad moet men beschouwen met het goede, dat er mede -gepaard gaat, en het kwade, waarvan het bevrijd is gebleven. - -Vervolgens bedacht ik, hoe goed voor mijn onderhoud gezorgd was, en wat -mijn lot zou geweest zijn, als niet (hetgeen honderdduizend tegen een -was) het schip van de plaats, waar het eerst gestooten had, vlot -geraakt, en zoo digt bij den wal gedreven was, dat ik in staat was -geweest, er al die goederen uit te halen. Hoe zou mijn toestand geweest -zijn, als ik had moeten leven in den staat, waarin ik het eerst aan wal -kwam, zonder levensmiddelen en zonder eenig middel, mij die te -verschaffen. Wat vooral zoudt gij gedaan hebben, zeide ik luid tot -mijzelven, zonder geweer, zonder kruid of lood, zonder eenig gereedschap -om iets te maken of mede te werken, zonder kleederen, beddegoed of eenig -deksel? - -Nu ik dit alles in genoegzame hoeveelheid had, en fraai op weg was, mij -zoodanig in te rigten, dat ik zonder mijn geweer zou kunnen leven als -mijn kruid op was, zoo dat ik een gegrond vooruitzigt op voedsel had, -zoo lang als ik leefde, want van den beginne af had ik er mijne -gedachten over laten gaan, hoe in verschillende omstandigheden te -handelen, in het toekomende, niet alleen als mijn kruid en lood op zou -zijn, maar zelfs als mijne gezondheid en krachten zouden afnemen. - -Ik moet echter bekennen, dat ik toen echter volstrekt er niet aan dacht, -dat ik mijn kruid in eens, door den bliksem meen ik, kon verliezen, en -hierdoor was ik zoo ontsteld, toen dit denkbeeld voor de eerste maal bij -het onweder, bij mij op kwam. - -En, daar ik nu het droevig verslag van een eenzaam leven moet beginnen, -gelijk men welligt nimmer in de wereld meer gehoord heeft, zal ik dit -van den beginne af en met orde verhalen. Het was, naar mijne rekening, -de 30ste September, toen ik op de vermelde wijze het eerst den voet op -het woest eiland zette, toen de zon, bij ons in de herfstevening, -bijkans regt boven mijn hoofd stond, want ik rekende, dat ik mij op 9°, -22' ten noorden van de linie bevond. - -Na een verblijf van tien of twaalf dagen, kwam het mij in de gedachten, -dat ik, bij gebrek van boeken en schrijfgereedschap, met de tijdtelling -verward raken zou, en zelfs den zondag niet van de werkdagen -onderscheiden kunnen. Om dit te voorkomen sneed ik met mijn mes op een -grooten staak, met kapitale letters, het volgende opschrift: - -IK KWAM HIER AAN WAL DEN 30 SEPTEMBER 1659. - -en plaatste dit op een staak, in den vorm van een kruis, aan het strand, -waar ik het eerst aan land gekomen was. Op de zijden van dezen stijl -sneed ik elken dag een kerf met mijn mes, en elke zevende kerf eens zoo -lang als de overigen, en elken eersten dag van de maand weder eens zoo -lang, en aldus hield ik mijn almanak, en berekende de weken, maanden en -jaren. - -Ik moet nog zeggen, dat onder de vele goederen, die ik op verschillende -reizen, van het schip afbragt, zich verscheidene zaken van minder waarde -bevonden, die mij echter niet minder van nut waren, en welke ik vroeger -vergeten had te vermelden, zoo als vooreerst pennen, inkt en papier, -verscheidene zaken van den kapitein, stuurman, konstapel en timmerman -afkomstig, als drie of vier kompassen, eenige zeevaartkundige -instrumenten, zonnewijzers, verrekijkers, kaarten en boeken over de -stuurmanskunst, hetwelk ik alles ondereen wierp, of ik het soms noodig -mogt hebben. Ook vond ik drie goede Bijbels, die bij de lading, mij uit -Engeland gezonden, geweest waren, en die ik onder mijne bagaadje gepakt -had, ook eenige Portugesche boeken, en daar onder twee of drie Roomsche -gebedenboeken en andere werken, die ik allen zorgvuldig borg. En ik moet -niet vergeten, dat wij aan boord een hond en twee katten hadden, wier -zonderlinge geschiedenis ik in het vervolg vermelden zal. Ik nam de -beide katten mede, en de hond sprong uit zichzelve over boord en zwom -naar den wal, den dag, nadat ik voor het eerst eene lading aan land -gebragt had, en was mij vele jaren een trouw dienaar; mij ontbrak niets -wat hij mij kon verschaffen; hij was voor mij een uitmuntend gezelschap -geweest, zoo hij slechts had kunnen spreken, maar dat ging niet. Gelijk -ik zeide, ik vond pennen, inkt en papier, en was daar zoo zuinig op, als -mogelijk; en het zal den lezer blijken, dat ik, zoo lang mijne inkt -duurde, alles zeer naauwkeurig opteekende, maar toen deze op was, was -dit onmogelijk, want ik kon geene inkt maken, wat ik ook verzon. - -Dit herinnert mij, dat mij nog vele dingen ontbraken, niettegenstaande -al wat ik bijeengeraapt had; hieronder behoorde de inkt, eene spade, -houweel en schop, om den grond te bewerken; naalden, spelden en garen. -Wat linnen betrof, dit leerde ik spoedig zonder moeite ontberen. - -Dit gebrek aan gereedschap maakte, dat al mijn werk langzaam van de hand -ging, en het duurde bijkans een jaar, alvorens ik mijne kleine schans, -of met palissaden bezette woning, voltooid had; het kappen der palen en -staken, die zoo zwaar waren als ik ze slechts vervoeren kon, vereischte -veel tijd, en nog meer het bewerken en naar huis slepen. Ik bragt -somtijds twee dagen door met een dezer palen te kappen en naar huis te -brengen, en een derden met dien in den grond te slaan, waartoe ik eerst -een zwaar stuk hout gebruikte, maar eindelijk bedacht mijn koevoet te -gebruiken; doch ook hiermede bleef het inslaan van deze palen een zeer -moeijelijk en vervelend werk. - -Maar wat behoefde ik mij te bekommeren of iets wat ik te doen had, -vervelend was, aangezien ik tijd genoeg had, om het te verrigten? Als -dit afgeloopen was, had ik toch geene andere bezigheid, ten minste niet -die ik voorzien kon, behalve het rondgaan van het eiland, om voedsel te -zoeken, wat ik elken dag meer of minder deed. - -Ik begon nu ernstig over mijn toestand, en de omstandigheden waarin ik -mij bevond, na te denken, en ik maakte schriftelijk een staat van mijne -zaken, niet zoo zeer voor iemand, die na mij hier komen zou, want -waarschijnlijk zou ik weinig erfgenamen hebben, maar wel om mijne -gedachten, die daar dagelijks op gevestigd waren en mijn geest -neêrdrukten, lucht te geven, en dewijl de rede thans bij mij de overhand -begon te krijgen, begon ik mij te troosten zoo goed ik kon en plaatste -het goede tegenover het kwade, om mijn toestand van een nog ergeren te -onderscheiden. Ik stelde dan zeer onpartijdig, als debiteur en -crediteur, het goede, dat ik genoot, tegenover de rampen, die ik leed; -op deze wijze: - - - _het kwaad._ _het goed._ - -_Ik ben op een akelig Maar ik ben in leven en -onbewoond eiland geworpen, niet verdronken, zoo als al -buiten alle hoop op verlossing. mijne scheepsmakkers. - -Ik ben uitgekipt en als het Maar ik ben ook uitgekipt -ware afgezonderd van de uit al het scheepsvolk, -geheele wereld, om ongelukkig om van den dood gespaard -te zijn. te worden, en Hij, die mij - wonderbaarlijk van den dood - bevrijdde, kan mij ook uit - dezen toestand redden. - -Ik ben van het menschdom Maar ik ben niet verhongerd, -afgesneden als een kluizenaar, en verga niet op eene -als een balling uit onvruchtbare plaats, die geen -de maatschappij. voedsel oplevert. - -Ik heb geene kleederen, Maar ik ben in een warm -om mij te bedekken. klimaat, waar ik naauwelijks - kleederen zou kunnen - verdragen; als ik ze had. - -Ik ben genoegzaam weerloos, Maar ik ben op een eiland -zonder de middelen, geworpen, waar ik geene wilde -om mij tegen menschen of dieren zie, gelijk op de -beesten te verdedigen. Afrikaansche kust. Wat - zou het zijn, zoo ik daar - schipbreuk geleden had? - -Ik heb niemand tegen Maar God heeft wonderdadig -wien ik spreken, of die het schip digt genoeg -mij opbeuren kan. bij den wal gezonden, opdat - ik daar zoo velerlei - noodwendigheden uit kon - bekomen, als mijne behoeften - vereischen of althans mij - in staat zullen stellen, zelf - zoo lang ik leef, daarin te - voorzien._ - - -Over het geheel blijkt het uit deze balans duidelijk, dat er naauwelijks -eenige toestand in de wereld zoo rampzalig is, dat men niet, hetzij, om -het gemis van eenig kwaad, hetzij, om het bezit van eenig goed, dankbaar -moet zijn. Volgens mijne ervaring van een der bedroevendste toestanden -in de wereld, vinden wij er altoos iets in, om ons mede te troosten, en -bij onze overweging van denzelven, op de creditzijde te plaatsen. - -Na op deze wijze mij eenigzins in mijn toestand getroost te hebben, -staarde ik niet meer zoo onophoudelijk zeewaarts, of ik een schip kon -zien; maar begon mij het leven zoo aangenaam als mogelijk te maken. - -Reeds heb ik mijne woning beschreven, die eene tent was, tegen eene rots -aan, omringd met sterke palissaden, die men wel een muur mogt heeten, -want ik maakte er eenen wal tegen van zoden, van twee voet breed, aan de -buitenzijde, en na eenigen tijd (ongeveer anderhalf jaar denk ik), -bragt ik staken er van tegen de rots, en bedekte die met boomtakken, en -al wat ik dienstig achtte, om den regen af te weren, die sommige tijden -van het jaar allerhevigst viel. - -Ik heb reeds aangemerkt, hoe ik al mijne goederen binnen deze schans -bragt en in den kelder, dien ik gemaakt had, maar ik moet er bij -vermelden, dat dit in den beginne een verwarde hoop goederen was, die, -daar zij ordeloos door elkander lagen, de geheele plaats vulden. Ik kon -mij keeren noch wenden, dus begon ik mijn kelder te vergrooten, en -dieper in den grond te werken, want de rots bestond uit lossen -zandsteen, die gemakkelijk te bewerken was; en toen ik vond, dat ik voor -verscheurende dieren veilig was, werkte ik zijwaarts in de rots, en toen -weder regtsaf werkende, groef ik tot naar buiten, en maakte eene deur, -waardoor ik buiten mijne palen of schans kwam. - -Dat verschafte mij niet alleen een uitgang van achteren, maar gaf mij -ook ruimte, om veel goed te bergen. - -En nu ging ik aan het werk, om zoodanige goederen te maken, als ik vond -het meest benoodigd te zijn, vooral een stoel en tafel, want zonder deze -kon ik de weinige geneugten, die ik in de wereld had, niet smaken; ik -kon niet met genoegen eten of schrijven, of verschillende andere zaken -verrigten, als ik niet aan eene tafel zat. Ik moet hier aanmerken, dat -de rede de grondslag der wiskunde is, en dat iedereen, die gezond over -berekeningen en evenredigheden kan oordeelen, alle werktuigelijke -kunsten begrijpen en leeren kan. Ik had nimmer gereedschap gehanteerd, -maar ten laatste vond ik, dat mij niets ontbrak of ik had het kunnen -maken, vooral, als ik gereedschap had gehad. Zonder gereedschap -vervaardigde ik echter ook nog veel, en sommige dingen met geen ander -gereedschap dan een dissel en een bijl, die welligt nimmer op die wijze -vroeger zijn vervaardigd geworden. Dit ging echter niet zonder -ontzettende moeite. Als ik bij voorbeeld eene plank noodig had, zat er -niet anders voor mij op, dan een boom te vellen, dien op een helling -voor mij te leggen, en aan weerszijden met mijn bijl af te hakken, tot -ik hem zoo dun als eene plank had gemaakt, die ik dan met mijn dissel -vlak maakte. Wel is waar, ik kon op die wijze van een geheelen boom -slechts eene plank maken; maar hier zat niets op dan geduld te hebben, -dat hoog noodig was, voor den ontzettenden tijd en arbeid, dien het -maken van eene plank mij kostte; maar mijn tijd of arbeid was weinig -waard, en dus kon ik die even goed op de eene als op de andere wijze -besteden. - -Ik maakte mij echter in de eerste plaats een stoel en tafel, zoo als ik -zeide; en dit deed ik van de korte planken, die ik op mijn vlot van -boord had gebragt; maar toen ik op de bovengemelde wijze eenige planken -gemaakt had, maakte ik groote vakken van anderhalf voet breed, boven -elkander, langs de eene zijde van mijn kelder, om er al mijn -gereedschap, spijkers en ijzerwerk in te leggen, en ieder ding zijne -afzonderlijke plaats te geven, om het gemakkelijk te kunnen vinden; ook -sloeg ik krammen in den muur van de rots, om mijne geweren, en wat -verder hangen kon, aan op te hangen; zoodat, als men mijn kelder gezien -had, men dien als een magazijn van allerlei noodwendigheden zou -beschouwd hebben. Ik had alles zoo bij de hand, dat het mij tot een -groot genoegen strekte, al mijne goederen in zoo goede orde te zien, en -vooral, dat mijn voorraad zoo groot was. - -Thans begon ik een dagboek van mijne verrigtingen van elken dag te -houden. In den beginne was ik hiertoe te veel bezig geweest, niet alleen -met werk, maar ook overladen met neêrslagtigheid, en mijn journaal ware -met allerhande buitensporigheden gevuld geworden. Ik had bij voorbeeld -moeten zeggen: den 30sten September. Na aan wal gekomen en voor -verdrinken bewaard te zijn, in stede van toen God voor mijne bevrijding -te danken, ontlastte ik eerst mijne maag van al het zeewater, dat ik in -menigte binnen gekregen had, en eenigzins hersteld zijnde, liep ik langs -het strand, mijne handen wringende, mij tegen het voorhoofd slaande, -over mijne ellende jammerende, en uitroepende: "Ik ben verloren! ik ben -verloren!" totdat de afgematheid mij dwong op den grond te gaan liggen, -om te rusten, want ik durfde niet slapen, uit vrees van aan wilde dieren -ten prooi te vallen. - -Eenige dagen daarna, en nadat ik aan boord van het schip was geweest, en -al wat ik kon er uit gehaald had, kon ik toch niet nalaten een heuvel te -beklimmen en in zee te zien, op hoop van een schip te bespeuren, totdat -mijne verhitte verbeelding mij een zeil deed zien, dat, nadat mijne -oogen schier blind gestaard waren, weder verdween, waarna ik ging zitten -weenen als een kind, en op deze wijze door mijne dwaasheid mijn ongeluk -vermeerderde. - -Toen ik dit echter eenigzins te boven was, en mijne huishouding en -woning in orde bragt, mij een tafel en stoel maakte, en alles rondom mij -zoo goed opknapte als ik kon, begon ik een journaal te houden, hetgeen -ik hier laat volgen (schoon al de bijzonderheden reeds vermeld zijn) zoo -lang het duurde, want, toen ik op het laatst geen inkt meer had, moest -ik het staken. - - -HET JOURNAAL. - - -1659. 30 September. Ik, arme, ongelukkige Robinson Crusoe, kwam, na -schipbreuk geleden te hebben, op dit rampzalig, woest eiland, dat ik het -_Wanhoops-eiland_ noemde, al mijne scheepsmakkers zijn verdronken, en ik -zelf half dood. - -Den geheelen verderen dag bragt ik door met mijn ongelukkig lot te -bejammeren. Ik had geen voedsel, woning, kleederen, wapenen noch -toevlugtsoord, en aan alle uitkomst wanhopende, niets dan den dood voor -oogen, hetzij, dat ik door wilde dieren verslonden, door wilden -vermoord, of uit gebrek aan voedsel verhongeren moest. Bij het aanbreken -van den nacht, ging ik, uit vrees voor wilde dieren, in een boom slapen, -maar sliep gerust, schoon het den geheelen nacht regende. - - * * * * * - -1 October. In den morgen zag ik met verwondering, dat het schip met den -vloed vlot was geraakt en op het strand veel digter bij het eiland was -gedreven; hetwelk aan den eenen kant eene vertroosting was, want daar -het overeind was en niet in stukken gebroken, hoopte ik, als de wind -bedaarde, er aan boord te komen en eenig voedsel en noodwendigheden voor -mij uit te halen. Aan den anderen kant hernieuwde het mijn jammer over -het verlies mijner makkers, die, als wij allen aan boord gebleven waren, -welligt het schip behouden hadden; althans zouden zij niet allen -verdronken zijn, gelijk thans. En zoo zij gered waren, hadden wij -misschien uit de overblijfselen van het schip eene boot kunnen bouwen, -om ons naar een ander deel der wereld te brengen. Ik bragt den geheelen -dag door met hierover te peinzen, maar, toen ik eindelijk zag, dat het -schip bijkans droog zat, ging ik op het zand er zoo digt bij als ik kon, -en zwom toen aan boord. Het regende ook heden den geheelen dag, schoon -zonder eenigen wind. - - * * * * * - -Van 1 tot 24 October. Al deze dagen doorgebragt in het doen van -verschillende togten, om al wat ik kon uit het schip te halen, hetgeen -ik telkens, als de vloed doorkwam, op vlotten aan wal bragt. Veel regen -in deze dagen, doch tusschenbeide mooi weder; het schijnt, dat dit het -regenachtige jaargetijde is. - - * * * * * - -24 October. Mijn vlot viel om en al wat er op lag, maar, daar het in -ondiep water was, en er veel zware goederen bij waren, bekwam ik er bij -laag water veel van terug. - - * * * * * - -25 October. Het regende den geheelen nacht en dag, met eenige -windvlagen, gedurende welken tijd het schip verbrijzeld werd, en er -niets meer van te zien bleef, dan alleen bij laag water het wrak. Ik -bragt den dag door met de goederen, die ik gered had, te bergen en te -bedekken, opdat de regen ze niet zou bederven. - - * * * * * - -26 October. Bijkans den geheelen dag liep ik het strand langs, om eene -plaats te zoeken, waar ik mijn verblijf zou kiezen, vooral bezorgd, om -mij voor eenigen nachtelijken overval van menschen of beesten te -beveiligen. Tegen den avond koos ik eene geschikte plaats uit, tegen -eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn verblijf, dat ik -besloot te versterken met een wal of schans, uit twee rijen palen, van -binnen met kabeltouw belegd, en van buiten met zoden. - - * * * * * - -Van den 26sten tot 30sten werkte ik zeer hard, om al mijn goed naar -mijne nieuwe woning te vervoeren, schoon het somtijds zeer hard regende. - - * * * * * - -Den 31sten. In den morgen ging ik uit met mijn geweer, om eenig voedsel -te zoeken en het land te ontdekken. Ik doodde eene geit en haar jong -volgde mij naar huis, dat ik naderhand ook doodde, omdat het niet eten -wilde. - - * * * * * - -1 November. Ik sloeg mijne tent op onder eene rots, en bragt daarin den -eersten nacht door; ik heb die zoo wijd gemaakt als ik kon, en er palen -in geslagen, om mijne hangmat aan te hangen. - - * * * * * - -2 November. Ik zette al mijne kisten en planken en de rondhouten van -mijne vlotten op, en maakte daarvan eene verschansing, een weinig binnen -de plaats, die ik gekozen had, om mij te vestigen. - - * * * * * - -3 November. Ik ging uit met mijn geweer, en schoot twee vogels, naar -eendvogels gelijkende, die zeer goed waren om te eten. Des namiddags -ging ik aan het werk, om eene tafel te maken. - - * * * * * - -4 November. Dezen morgen begon ik mijn tijd te verdeelen, in werkuren, -een tijd, om met mijn geweer uit te gaan, een tijd, om te slapen en een -tijd tot uitspanning. Elken morgen ging ik, als het niet regende, twee -of drie uren met mijn geweer uit; dan ging ik aan het werk tot tegen elf -uren; dan at ik wat ik had, en van twaalf tot twee uren deed ik een -slaapje, daar het alsdan drukkend heet was, en ging dan weder tot den -avond aan het werk. Dezen en den volgenden dag besteedde ik al mijne -werkuren aan het maken van eene tafel; maar ik was een bedroefde -timmerman, hoewel de tijd en de noodzakelijkheid mij spoedig een goed -handwerksman maakten, gelijk zij, geloof ik, iedereen zouden doen. - - * * * * * - -5 November. Dezen dag ging ik met mijn geweer en mijn hond uit, en -schoot eene wilde kat; hare huid was zeer zacht, maar haar vleesch -deugde niets. Ieder dier, dat ik doodde, stroopte ik de huid af en -bewaarde die. Toen ik langs het strand terugkeerde, zag ik verscheidene -zeevogels, die ik niet kende, maar ik was verrast en bijkans verschrikt -door het zien van twee robben, die, terwijl ik er op staarde, en -alvorens ik zag wat dit waren, in zee doken en mij voor dat oogenblik -ontsnapten. - - * * * * * - -6 November. Na mijne ochtendwandeling ging ik weder aan mijne tafel aan -het werk, en maakte die af, schoon zij mij niet beviel; het duurde -echter niet lang of ik kon haar verbeteren. - - * * * * * - -7 November. Het werd thans bestendig weder. Den 7den, 8sten, 9den, 10den -en een gedeelte van den 12den (want naar mijne rekening was het den -11den, zondag) besteedde ik geheel in het maken van een stoel, en gaf -daar met veel moeite een redelijk fatsoen aan, schoon hij mij nimmer -beviel, en ik onder het maken hem verscheidene malen weder aan stukken -brak. Ik moet hierbij aanmerken, dat ik spoedig vergat de zondagen te -rekenen, omdat ik hun merk op den stijl vergeten had. - - * * * * * - -13 November. Dezen dag regende het, hetgeen mij zeer verfrischte, en de -aarde verkoelde; maar de regen ging met een verschrikkelijk onweder -gepaard, hetgeen mij voor mijn kruid veel angst deed uitstaan. Zoodra -dat voorbij was, besloot ik al mijn kruid in kleine gedeelten te bergen, -opdat het geen gevaar zou loopen. - - * * * * * - -14, 15 en 16 November. Deze drie dagen sleet ik geheel met het maken van -vierkante kistjes of doozen, die een of op zijn hoogst twee pond kruid -konden bevatten, en na het kruid er in geborgen te hebben, zette ik die -in zoo veilige en afgelegen plaatsen als ik kon. Op een van deze drie -dagen schoot ik een grooten vogel, die goed om te eten was, maar wiens -naam ik niet kende. - - * * * * * - -17 November. Dezen dag begon ik achter mijne tent in de rots te graven, -om meerder ruimte voor mij te verkrijgen. Drie dingen had ik hiertoe -vooral noodig; te weten een houweel, een schop en een kruiwagen. Ik liet -dus het werk staan, en begon te overwegen, hoe ik in dit gebrek voorzien -en mij eenige werktuigen vervaardigen zou. In plaats van het houweel, -kon ik een der ijzeren koevoeten gebruiken, hoewel die zwaar genoeg -waren; maar thans had ik eene spade noodig; deze was zoo noodig, dat ik -zonder haar niet veel uitrigten kon; maar hoe ik er eene maken zou wist -ik niet. - - * * * * * - -18 November. Den volgenden dag vond ik in het bosch een boom van het -hout, dat men in Brazilië ijzerhout noemt, omdat het zoo hard is. Ik -kapte hiervan een gedeelte, schoon met veel moeite, en hoewel het mij -bijkans mijne bijl gekost had, en bragt het moeijelijk genoeg naar huis, -want het was zeer zwaar. - -De ontzettende hardheid van dit hout, hield mij lang op, hoewel ik er -echter van lieverlede het fatsoen van een spade aan gaf, van boven met -een handvatsel gelijk de onze; maar daar het ondereinde niet van ijzer -was, kon zij zoo lang niet duren. Zij was echter voldoende voor hetgeen -ik ermede doen wilde. Ik geloof niet, dat men ooit eene spade op die -manier, of die zooveel tijd kostte, gemaakt heeft. - -Ik had nog niet al wat ik noodig had; ik moest nog eene mand of een -kruiwagen hebben. Eene mand kon ik niet maken, omdat ik geen buigzame -teenen bezat, ik vond ze althans niet; en wat den kruiwagen betreft, ik -verbeeldde mij, dat ik die zeer goed zou kunnen maken, behalve het wiel; -daar had ik geen begrip van, en wist niet, hoe ik het aan zou vangen; -bovendien had ik geen ijzeren banden, waarin de as van het wiel kon -loopen; dus gaf ik dit op. Om dus de aarde, die ik uitdelfde, weg te -dragen, maakte ik eene soort van bak, gelijk die, waarin de metselaars -hunne kalk dragen. Dit maken ging gemakkelijker dan de spade, en toch -had ik aan het een en ander, en aan mijne vergeefsche pogingen, om een -kruiwagen zamen te stellen, vier dagen noodig; altijd daar afgerekend -mijne morgenwandelingen, die ik zelden verzuimde, en waarvan ik ook -meestal iets eetbaars te huis bragt. - - * * * * * - -23 November. Daar mijn ander werk stil gestaan had, terwijl ik mijne -gereedschappen maakte, hervatte ik dit thans, en werkte er zooveel aan -als mijne krachten mij toelieten, achttien dagen achtereen aan het -verwijden en uitdiepen van mijn kelder, ten einde al mijne goederen er -gemakkelijk in zouden kunnen staan. - -Al dien tijd werkte ik, om eene kamer of kelder te maken, groot genoeg -om mij tot magazijn, tot keuken, tot eetkamer en tot kelder te -verstrekken. De tent was mijne eigenlijke woning; maar in het -regensaisoen regende het somtijds zoo hard, dat ik er mij niet droog kon -houden, daarom bedekte ik naderhand mijn geheele verblijf binnen de -palissaden, met lange staken in den vorm van latten, tegen de rots aan -liggende, en bedekte die met takken en bladeren. - - * * * * * - -10 December. Ik had thans gedacht, dat mijn kelder zoo goed als gereed -was; toen plotseling (naar het schijnt, had ik te wijd uitgegraven) een -zoo groote menigte aarde, van boven en van een der zijden, viel, dat ik -er hevig van ontroerde, en geen wonder, want ware ik er onder geweest, -men had nimmer een graf voor mij behoeven te graven. Deze tegenspoed -verschafte mij op nieuw een groot deel werk, want ik moest de losse -aarde naar buiten brengen, en, wat van meer belang was, het gewelf -stutten, opdat ik voor geene herhaling van dit ongeval behoefde te -vreezen. - - * * * * * - -11 December. Ik ging hieraan werken, en stutte den zolder met twee -stijlen met twee planken dwars er over; den volgenden dag was dit -afgewerkt, en door nog meer stutten te plaatsen, had ik in eene week het -dak in orde, en de op rijen staande palen, dienden thans om de -verdeelingen van mijn huis te maken. - - * * * * * - -17 December. Van dezen dag tot den 20sten hield ik mij bezig met planken -te leggen en spijkers te slaan in de stijlen, om alles, wat ik kon, -daaraan te hangen, en thans begon ik binnen 's huis eenigzins op orde te -komen. - - * * * * * - -20 December. Thans droeg ik alles in den kelder en begon mijne woning te -meubeleren, en eenige planken te plaatsen, om levensmiddelen op te -leggen; maar de planken werden schraal. Ook maakte ik eene andere tafel. - - * * * * * - -24 December. Het regent den geheelen nacht en dag, zoodat ik niet kan -uitgaan. - - * * * * * - -25 December. Den geheelen dag regen. - - * * * * * - -26 December. Droog weder en de grond veel koeler en aangenamer dan te -voren. - - * * * * * - -27 December. Ik schoot een jonge geit, en kwetste een andere, zoodat ik -haar ving en naar huis droeg. Daar gekomen bond ik het dier vast en -spalkte haar poot. - -NB. Ik droeg zooveel zorg voor haar, dat zij in leven bleef, en de poot -genas en werd zoo goed als te voren. Door haar zoo lang op te passen -werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde -niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme dieren -aan te fokken, ten einde voedsel van hen te hebben als mijn kruid op zou -zijn. - - * * * * * - -28, 29 en 30 December. Zware hitte en geen wind, zoodat ik niet naar -buiten kon, dan tegen den avond op wild uitgaan. Dezen tijd bragt ik -door met in mijne huishouding alles in orde te brengen. - - * * * * * - -1 Januarij. Het was nog drukkend warm; maar ik ging 's morgens en 's -avonds met mijn geweer uit, en nam op het midden van den dag rust. Dezen -avond was ik verder de valleijen ingegaan, die naar het midden van het -eiland voerden, en vond, dat daar geiten in menigte waren, schoon -uiterst schuw en moeijelijk te bekruipen. Ik besloot echter te -beproeven, of ik mijn hond er geen jagt op kon doen maken. - - * * * * * - -2 Januarij. Ik ging derhalve den volgenden dag met mijn hond uit, en -hitste hem op de geiten aan; maar ik had mij misrekend, want zij hielden -stand tegen den hond, en deze besefte zijn gevaar, want hij durfde haar -niet naderen. - - * * * * * - -3 Januarij. Ik begon aan mijne heining of wal, dien ik zoo sterk als -mogelijk besloot te maken, om dat ik nog altijd vreesde overvallen te -zullen worden. - -NB. Daar deze wal vroeger beschreven is, zal ik hier weglaten wat -deswege in mijn journaal staat; alleen zal ik vermelden, dat ik van den -3 Januarij tot den 14 April bezig was aan het maken, voltooijen en -verbeteren van dezen muur, schoon hij niet meer dan vierentwintig el -lang was, zijnde een halve cirkel, van eene plaats in de rots, tot aan -eene andere, acht el vandaar, terwijl de deur van den kelder in het -midden achter denzelven was. - -Al dien tijd werkte ik hard, hoewel de regen mij vele dagen, ja weken -achtereen hinderde; maar ik achtte mij niet veilig voor de geheele muur -af was; en men kan naauwelijks gelooven, welken ontzettenden arbeid -alles vereischte, vooral het halen van de palen uit het bosch, en hen in -den grond te slaan; want ik nam veel zwaarder dan noodig was. - -Toen deze muur voltooid, en van buiten met een wal van zoden beschermd -was, achtte ik het voor zeker, dat, zoo er eenig volk aan het strand -kwam, zij niets, wat naar eene woning geleek, zouden bemerken; en een -merkwaardig geval bewees naderhand, dat ik wel geoordeeld had. - -Gedurende dezen tijd deed ik alle dagen, als de regen het toeliet, de -ronde in het bosch, en ontdekte dikwijls op deze togten veel, dat mij -van nut was. Zoo vond ik eene soort van wilde duiven, die niet gelijk de -houtduiven op boomen, maar als huisduiven in spleten van de rotsen -nestelden. Ik nam eenige jongen mede en trachtte die tam te maken; maar -toen zij ouder werden vlogen zij allen weg, misschien, omdat ik haar -geen eten gaf, want ik had dit niet. Ik vond echter dikwijls hare -nesten, en nam de jongen er uit, die zeer goed om te eten waren. - -Ik begon thans te denken om verscheidene dingen, die mij in mijn -huishouding ontbraken, te maken, hetgeen ik eerst als geheel onmogelijk -had beschouwd, gelijk ook met sommigen het geval was; ik kon bij -voorbeeld nimmer een ton maken; ik had een paar vaatjes, gelijk ik -gezegd heb, maar ik kon er nimmer een paar maken, schoon ik er -verscheidene weken aan zoek bragt; ik kon nimmer den bodem of de duigen -zoo goed bijeenbrengen, dat het water hield; dus gaf ik het op. Ik was -zeer verlegen ook om kaarsen, want zoodra het duister was, dat is te -zeven ure gewoonlijk, moest ik naar bed gaan. Ik wenschte thans wel dien -klomp was te bezitten, dien ik op mijne reis langs de Afrikaansche kust -had; maar al wat mij thans overschoot was, als ik eene geit gedood had, -dat ik dan het vet bewaarde, in eene kom van klei, in de zon gedroogd, -en een pit van eiken schors daarin brandde. Te midden van mijn arbeid -kwam mij een zakje in de hand, waarin koorn was geweest, om het vorige -gevogelte mede te voeden, ik denk toen het schip van Lissabon kwam. Wat -er in overgebleven was, hadden de ratten opgegeten, en ik zag niets in -den zak dan stof en vuilnis, en daar ik het zakje wilde gebruiken (ik -denk om kruid in te doen, dat ik toen verdeelde, uit vrees voor den -bliksem) schudde ik den zak uit, aan de eene zijde van mijne schans -onder de rots. - -Kort voor den grooten regen, waarvan ik sprak, had ik dit gedaan, zonder -er verder over te denken. Maar eene maand of zoo daarna zag ik iets -groens opschieten, hetwelk ik eene plant dacht te zijn, die ik nog niet -kende, maar ik stond geheel verbaasd, toen ik eene poos daarna tien of -twaalf aren zag opschieten, die volmaakt naar het Europesche, ja naar -het Engelsche graan geleken. - -Het is mij onmogelijk de verbazing en verbijstering, waarin dit mij -bragt, uit te drukken. Ik had tot hiertoe naar geenerlei godsdienstige -gronden in het geheel gehandeld; ik had zeer weinig begrip van de -godsdienst, noch iets wat mij overkomen was anders beschouwd, dan alsof -het toeval dit zoo gewild, of gelijk men zonder nadenken zegt, zoo als -het den Hemel behaagd had; maar zonder na te denken over de redenen, -waarom de Voorzienigheid de wereldsche gebeurtenissen aldus schikt. Maar -toen ik daar rogge zag groeijen, in eene hemelstreek, die ik wist, dat -geen koorn opleverde; en terwijl ik niet wist hoe het daar kwam, trof -mij dit ten sterkste, en ik begon te vermoeden, dat God dit graan -wonderbaarlijk had laten groeijen, zonder dat het gezaaid was geworden, -en dat het alleen tot mijn onderhoud in deze woeste eenzame plaats -opgeschoten was. - -Dit perste mij de tranen uit de oogen, en ik beschouwde mij als door den -Hemel bijzonder begunstigd, dat zulk een wonderlijke gebeurtenis voor -mij geschied was. Het verwonderde mij te meer, omdat ik daar digtbij, -langs de zijde van de rots, hier en daar eenige weinige halmen zag van -rijst, die ik kende, omdat ik ze in Afrika, toen ik daar was, had zien -groeijen. - -Niet twijfelende, dat de Voorzienigheid dit aldus voor mij beschikt had -en dat er nog meer aldaar was, ging ik alle deelen van het eiland door, -waar ik vroeger geweest was, zocht in iederen hoek en onder iedere rots, -om nog meer te zien, maar kon niets meer vinden. Eindelijk kwam het mij -in de gedachten, dat ik den zak, waarin het voedsel voor de kiekens -geweest was, daar uitgeschud had, en toen was het wonder opgehelderd, en -daarmede, ik moet het bekennen, mijne erkentelijkheid voor Gods -goedertierenheid, ten einde. Ik had echter dezelfde reden tot -dankbaarheid, alsof het daar door een wonder gekomen was, want het was -waarlijk eene bestiering der Voorzienigheid, dat tien of twaalf korrels -graan onbedorven waren gebleven, terwijl de ratten al het overige -vernield hadden; vervolgens, dat ik het juist op die plek had moeten -werpen, waar het, doordien het onder de schaduw van eene hooge rots -stond, onmiddellijk kon opschieten, terwijl, zoo het te dier tijd ergens -anders gevallen ware, het verzengd en vernield zou geworden zijn. - -Ik gaarde zorgvuldig de aren op, gelijk men wel denken kan, toen zij -rijp waren, hetgeen in het laatst van Junij was, en ieder korrel -bewarende, besloot ik die op nieuw te zaaijen, in de hoop van met der -tijd genoeg te bekomen, om mij brood te verschaffen. Het was echter -eerst in het vierde jaar, dat ik mij veroorloofde iets van het graan te -eten, en dit nog zeer spaarzaam, gelijk men later vernemen zal. - -Behalve dit graan waren er twintig of dertig rijsthalmen opgeschoten, -die ik even zorgvuldig en met hetzelfde oogmerk bewaarde, namelijk, om -later mij tot brood, of liever tot spijs te verstrekken; want ik vond -middel om het te koken, zonder het te bakken, schoon ik dit naderhand -ook deed. Doch ik keer tot mijn journaal terug. - -Ik werkte deze drie of vier maanden uiterst hard, om mijn muur gereed te -krijgen, en den 14 April sloot ik dien geheel, en ging naar buiten, niet -door eene deur, maar over eene ladder, ten einde er aan de buitenzijde -geen spoor van mogt overblijven. - - * * * * * - -16 April. Ik maakte de ladder af; klom met dezelve naar boven, haalde -die achter mij op, en liet die van binnen zakken. Ik had thans een -volkomen omheining voor mij; en van buiten kon men mij niet dan over den -muur genaken. - -Den dag nadat ik dezen muur voltooid had, was bijkans al mijn arbeid -vruchteloos geweest, en ik zelf verongelukt. Dit was het geval. Toen ik -van binnen bezig was achter mijne tent, vlak in den ingang van mijn -kelder, schrikte ik allerhevigst door iets, dat waarlijk ook -allerverbazendst was. De aarde kwam van den zolder, van mijn kelder en -van de zijde van den heuvel over mijn hoofd rollen, en twee van de -stijlen, die ik in den kelder overeinde had gezet, kraakten -allerhevigst. Ik was ernstig geschrikt, maar dacht volstrekt niet aan de -ware oorzaak; alleenlijk begreep ik, dat de zolder van mijn kelder -instortte, gelijk vroeger nog eens gebeurd was. Uit vrees dus van -daaronder bedolven te worden, ijlde ik weg, en achtte mij niet veilig -voor ik over den muur was, uit vrees, dat de stukken rots op mijn hoofd -mogten vallen. Naauwelijks was ik op vasten grond, of ik zag duidelijk, -dat het eene verschrikkelijke aardbeving was, want de grond, waarop ik -stond, schudde driemaal, ongeveer acht minuten na elkander, zoo hevig, -dat de sterkste gebouwen er door hadden moeten instorten, en een top van -eene rots, die een halfuur van mij af, digt aan zee stond, viel met zulk -een verschrikkelijk geraas naar beneden, als ik nimmer hoorde. Ik -bemerkte ook dat de zee in hevige beweging was, en ik geloof, dat de -schokken onder het water sterker dan op het eiland waren. - -Ik was hiervan zoo verbaasd, daar ik nooit in mijn leven zoo iets had -gevoeld, of van gehoord had, dat ik als geheel verplet was; en de -beweging van de aarde maakte mij ziek, als iemand, die zeeziek is. Het -geraas van de neêrstortende rots bragt mij weder tot bezinning, en ik -vreesde ieder oogenblik, dat de rots op mijne tent en al mijne goederen -zou vallen en alles in eens bedelven; en dit denkbeeld deed mij schier -bezwijken. - -Toen de derde schok voorbij was, en ik eenigen tijd niets meer voelde, -begon ik moed te scheppen, maar had toch nog het hart niet, weder over -den muur te gaan, uit vrees van levende begraven te worden. Ik bleef -neêrslagtig en mistroostig op den grond zitten, niet wetende wat te -doen. Al dien tijd had ik niet het minste godsdienstige denkbeeld, -behalve, dat ik werktuigelijk uitriep: "Heer, wees mij genadig!" en toen -het gevaar over was waren alle gedachten aan den Hemel daarbij -verdwenen. - -Terwijl ik aldus zat, betrok de lucht alsof het zou gaan regenen, en in -minder dan een half uur blies er een allergeweldigste orkaan. De zee was -plotseling met schuim bedekt, de golven sloegen over het strand, de -boomen werden ontworteld; en deze verschrikkelijke storm duurde omtrent -drie uren, toen begon hij te bedaren, en twee uren later was het weder -kalm, en begon het geweldig te regenen. - -Al dien tijd zat ik op den grond, zeer beducht en neêrslagtig, toen het -mij plotseling inviel, dat, daar deze wind en regen het gevolg van de -aardbeving waren, deze zelve voorbij was, en ik het wagen kon in mijn -kelder te gaan. Deze gedachte herlevendigde mijn moed, en de regen deed -er het zijne toe, om mij over te halen, dus ging ik naar binnen, en in -mijne tent; doch de regen was zoo geweldig, dat mijne tent bijkans er -door neergeslagen werd, dus was ik gedwongen in mijn kelder te gaan, -hetgeen ik met veel zorg en onrust deed. Deze stortbui dwong mij tot -nieuwen arbeid, want ik moest onder den muur een greppel graven, om het -water een afloop te geven, anders zou mijn kelder ondergeloopen hebben. -Nadat ik eenigen tijd in mijn kelder doorgebragt, en geene schokken meer -gevoeld had, schepte ik wat moed, en om dien te versterken, ging ik naar -mijn magazijn, en nam een slok rum; hetgeen ik echter toen en naderhand -altijd zeer spaarzaam deed, wetende dat ik, als deze op was, geen meer -kon bekomen. Den geheelen dag en een groot deel van den nacht bleef het -doorregenen, zoodat ik niet kon uitgaan; maar van mijne ontsteltenis -bekomen, dacht ik na over hetgeen mij thans te doen stond. Als dit -eiland aan aardbevingen onderhevig was, kon ik niet in den kelder -blijven wonen; maar moest ik een hutje voor mij bouwen, dat ik ook met -een muur omringen kon, en mij daardoor voor menschen en beesten -beveiligen; want zoo ik bleef waar ik was, liep ik gevaar van te eeniger -tijd levend begraven te worden. - -Ik besloot mijne tent, die vlak tegen de rots aan stond, te verplaatsen, -daar deze bij eene nieuwe aardbeving er ligtelijk op kon storten. De -twee volgende dagen (19 en 20 April) besteedde ik met te overleggen -werwaarts en hoe ik mijne woning verleggen zou. De vrees van levend -bedolven te worden belette mij allen gerusten slaap, en toch was ik even -bevreesd, in het open veld, zonder eenige beschutting, te slapen; en -wanneer ik rond zag, en alles zoo goed in orde vond, en hoe veilig ik -gehuisvest en verborgen was, gevoelde ik grooten weerzin in deze plaats -te verlaten. - -Middelerwijl kwam het mij in de gedachten, dat met dit te maken veel -tijd zou verloopen, en dat ik mij er in moest schikken het gevaar te -blijven loopen waar ik was, totdat ik een kamp voor mij gemaakt had en -dat zoo versterkt, dat ik daarheen kon verhuizen. Ik besloot dus zoo -spoedig mogelijk aan het werk te gaan, en mij een wal te maken met palen -en kabeltouw, gelijk de vorige, omringd, en in het midden daarvan mijne -tent op te slaan, als die voltooid was, maar tot dien tijd zou ik het -wagen te blijven waar ik was. Dit was den 21sten. - - * * * * * - -22 April. Den volgenden morgen begon ik de middelen, om dit besluit uit -te voeren, te overwegen, maar ik was in groote verlegenheid om -gereedschappen. Ik had drie groote bijlen en eene menigte kleine, want -deze hadden wij medegenomen, om met de negers te handelen; maar door het -kappen en behakken van hard hout, waren zij allen bot en vol scharen -geworden. Ik had wel een slijpsteen, maar kon dien niet draaijen, en -tegelijk mijn gereedschap er op slijpen. Dit kostte mij meer tijd, dan -een staatsman noodig heeft om over landen en volken, of een regter om -over leven en dood uitspraak te doen. Eindelijk maakte ik een wiel met -een strop, dat ik met mijn voet kon draaijen, zoodat ik mijne beide -handen vrij had.--Ik had zoo iets in Engeland nimmer gezien, of er -althans nooit geen acht op geslagen; hoewel ik naderhand vond, dat zij -daar zeer algemeen waren; ook was mijn slijpsteen groot en zeer zwaar. -Het gereed maken van dit werktuig kostte mij eene geheele week tijd. - - - * * * * * - -28, 29 April. Deze twee dagen bragt ik door met mijne gereedschappen te -slijpen; mijn werktuig om den steen te draaijen ging zeer goed. - - * * * * * - -30 April. Daar ik bespeurde, dat mijn voorraad van brood sterk minderde, -nam ik eens op wat er nog was, en stelde mij op rantsoen van een -beschuit per dag, hetgeen mij zeer neêrslagtig maakte. - - * * * * * - -1 Mei. Toen ik dezen morgen naar zee ging, zag ik, terwijl het zeer laag -water was, iets op het strand liggen. Toen ik er bij kwam vond ik een -vaatje en twee of drie stukken van het wrak, die door den laatsten storm -op het strand waren geslagen; en naar het wrak ziende, meende ik, dat -het hooger uit het water uitstak dan anders. Ik onderzocht het vaatje, -dat op strand lag, en vond dat het een kruidvaatje was, doch dat nat -geworden was; het kruid was als een koek ineen gebakken, en zoo hard als -steen. Ik rolde het hooger op het strand vooreerst, en ging verder op -zoo digt bij het wrak als ik kon. - -Toen ik bij het schip kwam vond ik het geheel verplaatst; het voorschip, -dat vroeger in het zand begraven lag, was ten minste zes voet opgebeurd, -en het achterschip, dat door de woede der golven aan stukken geslagen en -van het overige als het ware afgerukt was geworden, kort na mijne -laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand -was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans -bij laag water naar toe kon wandelen. In het eerst stond ik hierover -verbaasd, maar weldra begreep ik, dat het door de aardbeving moest -geschied zijn, en daar thans het schip meer dan te voren opengeslagen -was, kwamen er dagelijks vele dingen aan strand spoelen, die de zee -lossloeg en door de wind en golven op het strand geworpen werden. - -Dit bragt mij weder alle denkbeeld aan verhuizen uit het hoofd, en ik -hield mij ijverig, vooral dien dag, bezig, met te zien of ik ook op -eenigerlei wijze in het schip kon komen; doch ik vond dat dit niet ging, -daar het vol zand was. Daar ik echter geleerd had niets op te geven, -besloot ik van het schip te slopen wat ik kon, overtuigd, dat alles mij -op eene of andere wijze van nut kon zijn. - - * * * * * - -3 Mei. Ik ging aan het visschen, maar vong geen een visch, dien ik eten -dorst, tot juist toen ik er wilde uitscheiden, daar het mij verdroot, ik -een jongen dolfijn ving. Ik had eene lange lijn van dun touw gemaakt, -maar had geen hoeken; ik ving echter dikwijls veel visch; althans zoo -veel als ik lustte; die ik allen in de zon droogde, en gedroogd at. - - * * * * * - -4 Mei. Ik begon met mijne zaag een balk door te zagen, die ik mij -verbeeldde, dat een deel van het halfdek bijeenhield; en toen hij -doorgezaagd was, ruimde ik zoo veel ik kon het zand weg van den kant, -die het hoogst lag, maar toen de vloed doorkwam, was ik verpligt dit -werk voor 's hands te staken. - - * * * * * - -5 Mei. Op het wrak gewerkt, een anderen balk doorgezaagd, en drie groote -planken van het dek gesloopt, die ik vastbond en met den vloed naar wal -liet drijven. - - * * * * * - -6 Mei. Op het wrak gewerkt, verscheidene ijzeren bouten en ander -ijzerwerk er af gebragt; zeer hard gewerkt en doodmoede te huis gekomen, -met veel lust het werk te staken. - - * * * * * - -7 Mei. Weder naar het wrak gegaan, maar met oogmerk er niet te werken. -Ik vond dat het schip door zijne eigene zwaarte zich begeven had, de -balken waren gebroken en verscheidene stukken van het schip schenen los -te liggen; en de binnenzijde van het ruim lag zoo open, dat ik er in -zien kon; het was schier geheel vol met water en zand. - - * * * * * - -8 Mei. Ik ging weder naar het wrak en nam een ijzeren koevoet mede, om -het dek op te breken, dat nu geheel vrij van water en zand lag. Ik -werkte twee planken er af en bragt die met den vloed naar den wal. Ik -liet den koevoet op het wrak achter tot den volgenden dag. - - * * * * * - -9 Mei. Ik maakte met den koevoet eene opening naar het ruim, en vond -verscheidene vaten, die ik los werkte, maar kon ze niet openbreken. Ook -vond ik eene rol Engelsen lood, maar dit was te zwaar voor mij, om het -op te heffen. - - * * * * * - -10, 11, 12, 13, 14 Mei. Ik ging alle dagen naar het wrak, en haalde er -vele stukken hout en planken af, en wel twee- of driehonderd [lb = -gewicht] ijzer. - - * * * * * - -15 Mei. Ik ging met twee kleine bijlen naar het wrak en beproefde of ik -geen stuk van het lood kon afkappen, door de eene bijl als eene wig te -gebruiken, maar daar het lood anderhalf voet onder water lag, kon ik er -niet genoeg bijkomen. - - * * * * * - -16 Mei. Het had 's nachts hard gewaaid, en het wrak scheen door de -golven meer gebroken te zijn; maar ik was zoo lang in het bosch geweest -om duiven te schieten, dat het getij mij dien dag belette aan boord te -gaan. - - * * * * * - -17 Mei. Ik zag eenige stukken van het wrak, die op een half uur -afstands, door den wind op het strand waren gedreven; ik ging er heen, -maar vond dat het een stuk van den kop was, maar te zwaar voor mij om -het te huis te brengen. - - * * * * * - -24 Mei. Alle dagen tot heden op het wrak gewerkt, en met zwaren arbeid -eenige dingen zoo verre losgewerkt met den koevoet, dat met hoog water -eenige vaten en twee matrozenkisten er uit spoelden, maar daar de wind -van het land blies, kwam er dien dag niets aan strand spoelen dan eenig -brandhout, en een okshoofd met eenig spek, doch het zeewater en het zand -hadden het onbruikbaar gemaakt. Ik hield met dit werk aan tot den 15 -Junij, uitgezonderd den tijd dien ik dagelijks er af nam, om mijn -voedsel op te sporen, bij hoog water, ten einde altijd gereed te zijn -als het afgeloopen was. Ik had thans rondhouten, planken en ijzerwerk -genoeg bijeen, om eene goede boot te bouwen, als ik maar geweten had, -hoe; ook had ik op verschillende tijden bijkans honderd pond van de rol -lood afgehaald. - - * * * * * - -16 Junij. Naar den zeekant gaande vond ik eene groote schildpad; dit was -de eerste dien ik gezien had, hetgeen echter niet uit hare schaarschheid -voortsproot, want ware ik aan de andere zijde van het eiland geweest, -dan had ik ze bij honderden kunnen vinden, gelijk naderhand bleek, doch -ze dan misschien duur genoeg moeten betalen. - - * * * * * - -17 Junij. Bragt ik door in het koken van de schildpad. Ik vond er zestig -eijeren in, en haar vleesch scheen mij het geurigste en lekkerste dat ik -ooit geproefd had; en geen wonder, daar ik sedert mijne komst op dit -akelig eiland slechts geitenvleesch en vogels geproefd had. - - * * * * * - -18 Junij. Het regende den geheelen dag en ik bleef binnen 's huis. Mij -dacht, dat de regen koud nederviel, en ik was eenigzins huiverig, -hetgeen ik wist dat op deze breedte ongewoon is. - - * * * * * - -19 Junij. Ik was zeer ongesteld en huiverig, alsof het koud weder was. - - * * * * * - -20 Junij. Den geheelen nacht niet geslapen, zware pijn in het hoofd en -koortsig. - - * * * * * - -21 Junij. Zeer ziek, en doodsangst uitstaande over mijn jammerlijken -toestand, ziek te zijn zonder hulp. Ik bad tot God de eerste maal sedert -den storm voor Hull; maar wist naauwelijks wat ik zeide, daar mijne -denkbeelden geheel verward waren. - - * * * * * - -22 Junij. Een weinig beter, maar vreesselijk beangst. - - * * * * * - -23 Junij. Weder erger, koud en huiverig met geweldige hoofdpijn. - - * * * * * - -24 Junij. Veel beter. - - * * * * * - -25 Junij. Zeer zware koorts, heet en koud, die zeven uren achtereen -duurde, en van eenig zweet gevolgd werd. - - * * * * * - -26 Junij. Ik gevoelde mij beter, en daar ik niets te eten had, nam ik -mijn geweer, maar vond dat ik zeer zwak was. Ik schoot echter eene geit -en bragt die met veel moeite te huis, braadde er een stukje van en at -dat op. Ik had er gaarne wat vleeschnat van willen koken, maar ik had -geen pot. - - * * * * * - -27 Junij. De koorts was weder zoo hevig, dat ik den geheelen dag liggen -bleef, zonder te eten of te drinken. Ik stierf schier van dorst, maar -was te zwak om op te staan en water te halen. Ik bad weder tot God, maar -was bedwelmd van hoofd, en als dit niet het geval was, was ik toch zoo -onwetend, dat ik niet wist wat ik zeggen zou, en niet anders riep dan: -"Heere, wees mij genadig, Heere, heb medelijden met mij!" Ik geloof dat -ik twee of drie uren lang niets anders deed, tot ik bij het afgaan der -koorts in slaap viel, en eerst laat in den nacht wakker werd. Toen ik -ontwaakte bevond ik mij veel verkwikt, maar zwak en zeer dorstig; daar -ik echter geen water in mijn verblijf had, was ik verpligt tot den -morgenstond te wachten, en viel weder in slaap. In dezen slaap had ik -den volgenden verschrikkelijken droom. - -Ik verbeeldde mij dat ik op den grond zat, buiten mijn wal, waar ik na -de aardbeving, gedurende den storm gezeten had, en dat ik een man, uit -eene groote zwarte wolk, in eene heldere vuurvlam zag nederdalen. Hij -was geheel en al zoo schitterend als eene vlam, zoo dat ik naauwelijks -op hem zien kon; zijn gelaat was ontzaggelijker, dan woorden kunnen -uitdrukken; toen hij met zijnen voet op den grond trad, dreunde deze, -even als bij de aardbeving, en de geheele lucht scheen als met -vuurvlammen bezet. - -Toen hij op den grond stond trad hij naar mij toe, met een speer of -dergelijk wapen in de hand, als om mij te dooden, en toen hij op eenigen -afstand van mij op eene hoogte stond, sprak hij tot mij, of hoorde ik -eene zoo ontzaggelijke stem, welks vreesselijkheid niet te beschrijven -is, tot mij zeggen: "Dewijl al deze dingen u niet tot berouw verwekt -hebben, zult gij sterven!" Bij deze woorden meende ik, dat hij de speer, -die hij in de hand hield, ophief, als om mij te dooden. - -Ik zal niet trachten den schrik te beschrijven, dien dit verschrikkelijk -gezigt in mijne ziel verwekte. Zelfs toen ik droomde, verwonderde ik mij -over mijn eigen angst; en evenmin kon ik den indruk beschrijven, dien -mij bijbleef, toen ik wakker geworden zijnde, ontdekte dat het slechts -een droom was. - -Ik had, helaas, geenerlei godsdienstige kennis; die welke ik uit het -onderrigt mijns vaders verkregen had, was door een omgang van acht jaren -met ruwe en losbandige zeelieden geheel uitgewischt geworden. Ik -herinner mij niet, dat ik in al dien tijd eenige gedachte tot God -gerigt, of over het gepaste mijner handelingen nagedacht had. Eene -zekere dofheid van geest, zonder verlangen naar het goede, zonder -bewustheid van het kwade, had mij geheel overmeesterd, en ik was een van -de verhardste, meest gedachtenlooze en bedorvene wezens die men onder de -matrozen kan ontmoeten, die niet het minste gevoel der vreeze Gods had, -in gevaren, of van dankbaarheid jegens hem, bij hunne redding uit -dezelve. - -Dit zal men te ligter gelooven, als ik bij het verhaal mijner vorige -lotgevallen bijvoeg, dat ik bij al de reeks van ongelukken, die mij tot -op dezen dag getroffen hadden, nimmer een enkel oogenblik gedacht had, -dat hierin Gods hand was, of dat zij eene regtmatige straf waren voor -mijn ongehoorzaam gedrag jegens mijn vader, of mijne latere -overtredingen, die zeer groot waren. Toen ik dien wanhopigen togt deed -langs de Afrikaansche kust, had ik nimmer een oogenblik gedacht wat er -van mij worden zou, of eenmaal van God gebeden mij te geleiden, of mij -voor het gevaar te behoeden, dat mij zoo blijkbaar omringde van -verscheurende dieren en onbeschaafde volken; ik dacht volstrekt niet aan -Gods voorzienigheid, maar handelde als een dier, dat alleen door zucht -tot zelfbehoud gedreven wordt. - -Toen ik op zee door den Portugeschen kapitein gered en opgenomen, goed -verzorgd, billijk en liefderijk behandeld werd; gevoelde ik niet de -minste dankbaarheid jegens God; en toen ik op nieuw schipbreuk leed, en -uit de kaken des doods gered, op dit eiland werd geworpen, was ik ver af -van eenige wroeging, of van dit als eene straf des Hemels te beschouwen; -alleen zeide ik dikwijls tot mijzelven, dat ik een rampspoedig mensch en -tot het ongeluk geboren was. - -Wel is waar, toen ik hier het eerst aan land kwam, al mijne -scheepsmakkers verdronken en mij alleen gered vond, geraakte ik in eene -soort van verrukking, die onder Gods genade, tot ware dankbaarheid had -kunnen aangroeijen; maar het bleef bij eene gewone opwelling van -vreugde. Ik was blijde dat ik gered was, zonder acht te geven op de -goedheid van de hand Gods, die mij bewaard en uitverkoren had om gered -te worden, terwijl al de overigen vergaan waren, noch na te denken -waarom de Voorzienigheid zoo barmhartig jegens mij geweest was. Het -bleef bij die vreugde, die zeelieden dikwijls hebben als zij behouden -van eene schipbreuk aan land komen; die zij verdrinken in een kom -punsch, en die gelijk met dezelve eindigt. - -Zelfs toen ik naderhand mijn toestand ernstig overwoog, hoe ik op dit -akelig verblijf buiten allen menschelijken bijstand, buiten alle hoop op -bevrijding mij bevond; was al mijne neêrslagtigheid voorbij, zoodra ik -de waarschijnlijkheid inzag, dat ik niet van honger zou sterven; en ik -begon zeer welgemoed aan den arbeid, die tot mijn behoud en voedsel -noodig was, en dacht er niet aan mijn toestand als eene straf des Hemels -te beschouwen; deze gedachten kwamen zelden bij mij op. - -Het opschieten van het graan, gelijk ik in mijn journaal gemeld heb, -maakte in het eerst eenigen indruk op mij, en bragt mij tot ernstige -nagedachten, zoo lang ik dacht, dat hierin iets wonderdadigs lag. Maar -zoodra dit denkbeeld verdwenen was, ging ook die indruk, gelijk ik -zeide, geheel verloren. Zelfs de aardbeving, dat verschrikkelijke -natuurverschijnsel, dat zoo onmiddellijk aan eene onzigtbare magt doet -denken, bragt, nadat de eerste schrik voorbij was, geen blijvenden -indruk te weeg. Ik dacht evenmin aan God en zijne oordeelen, veel -minder, dat mijn tegenwoordige toestand van zijne hand kwam, dan of ik -mij in den voorspoedigsten staat mijns levens bevonden had. - -Maar nu ik ziek werd, en langzamerhand de dood met al zijne -verschrikkingen, zich voor mijne oogen vertoonde; nu mijn moed door eene -zware ongesteldheid vernietigd werd, en de natuur door de hevigheid der -koorts uitgeput was; begon mijn geweten, dat zoo lang gesluimerd had, te -ontwaken. Ik verweet mij mijn vorig leven, dat mij zoo blijkbaar de -straffende hand Gods op den hals had gehaald. - -Deze overwegingen kwelden mij van den tweeden of derden dag mijner -ziekte, en zoo wel de hevigheid der koorts als de strenge berispingen -van mijn geweten persten mij eenige biddende woorden af, schoon het geen -eigenlijk gebed, maar slechts klanken waren, door droefheid en angst mij -ontwrongen. Mijne gedachten waren verward, en de angst van in zulk een -rampzaligen toestand te sterven deed mij beven; ik wist niet wat ik -zeide, doch het waren uitroepen, als: "Hemel, wat ben ik rampzalig; ik -zal gewis van gebrek aan bijstand sterven als ik ziek worde! Wat zal er -van mij worden?" De tranen stroomden uit mijne oogen, en ik bleef -eenigen tijd zonder te kunnen spreken. - -Thans kwamen mij de goede raadgevingen mijns vaders in de gedachten, en -vervolgens zijne voorspelling, die ik in het begin van mijne -geschiedenis vermeld heb, namelijk, dat als ik dezen dwazen stap deed, -God mij niet zegenen zoude, en ik nog lang berouw zou hebben, dat ik -zijn raad in den wind geslagen had, als er niemand was om mij te helpen -dien te herstellen. Nu, zeide ik luid, zijn mijns vaders woorden -vervuld, Gods geregtigheid heeft mij bereikt, en niemand is er die mij -hoort of helpt. Ik weigerde naar de stem der Voorzienigheid te hooren, -die mij in een toestand geplaatst had, waarin ik een gelukkig en kalm -leven had kunnen leiden; maar ik wilde dit niet erkennen; noch deszelfs -zegeningen van mijn vader leeren. Ik liet hen mijne dwaasheden -betreuren, en thans moet ik derzelver gevolgen beweenen. Ik weigerde de -hulp mijner verwanten, die mij gemakkelijk door de wereld hadden kunnen -helpen, en nu moet ik moeijelijkheden overwinnen, waartegen menschelijke -kracht niet opgewassen is, zonder hulp, zonder bijstand, zonder raad, -zonder troost. Hier riep ik uit: "Heere, wees mij ter hulpe, want mijn -jammer is groot!" Dit was, mag ik zeggen, het eerste gebed, dat sedert -jaren over mijne lippen kwam.--Doch ik keer tot mijn journaal terug. - - * * * * * - -28 Junij. Een weinig verfrischt door den slaap, en geheel zonder koorts -stond ik op; en schoon de angst en schrik van mijn droom nog zeer groot -waren, bedacht ik toch, dat ik zeker morgen weder een aanval van de -koorts zou hebben, en het nu de tijd was mij eenige verkwikking tegen -dien tijd te bezorgen. Het eerste wat ik deed was eene groote -kelderflesch vol met water te vullen en op de tafel te zetten, zoo dat -ik die uit mijn bed bereiken kon, en om de koude van het water weg te -nemen, goot ik er ongeveer een kwart pint rum bij; daarop nam ik een -stuk geitenvleesch en braadde dit, maar ik kon er slechts weinig van -eten. Ik ging naar buiten, maar was zeer zwak en neêrslagtig en kon -naauwelijks mijn geweer dragen, zonder hetwelk ik nimmer uitging. Ik -liep dus niet ver, maar ging op eene hoogte zitten, en zag naar de zee, -die kalm en effen voor mij lag. Terwijl ik hier zat kwamen de volgende -denkbeelden bij mij op. Wat is deze aarde en zee waarvan ik zoo veel -gezien heb? Vanwaar is zij ontstaan? En wat ben ik en alle schepselen, -menschen en beesten? Vanwaar zijn zij gekomen? Ongetwijfeld zijn zij het -werk van die Magt, die de aarde en het water, de lucht en den hemel -heeft gemaakt, en wie is dat? Natuurlijk was het antwoord: het is God, -die dit alles gemaakt heeft. Maar dan is het ook zeker, dat als God dit -alles gemaakt heeft, Hij het ook bestiert en leidt, want wie alles kan -maken, kan het ook regelen en bestieren. En dan gebeurt er ook niets in -den geheelen omkring zijner werken, zonder dat hij het weet of gebiedt. -En dan weet Hij ook dat ik hier, in dezen akeligen toestand ben, en zoo -niets buiten zijn wil geschiedt, dan was het zijn wil, dat mij dit -gebeuren zou. - -Niets bood zich aan mijn geest aan, dat een dezer gevolgtrekkingen -logenstrafte, en dus bleef ik overtuigd, dat het Gods wil was, dat mij -dit alles zou overkomen; dat ik door zijne leiding in dezen ellendigen -toestand was gebragt; daar Hij alleen alles in de wereld beschikt. - -Nu volgde dadelijk de vraag: Waarom heeft God mij aldus behandeld? Wat -heb ik gedaan, dat mij dit treft? - -Mijn geweten kwam dadelijk op tegen deze vraag, als ware zij eene -lastering, en ik meende eene inwendige stem te hooren, die mij zeide: -"Rampzalige, vraagt gij wat gij gedaan hebt, Zie terug op uw vorig -leven, en vraag u zelven wat gij niet gedaan hebt. Vraag waarom gij niet -reeds voor lang vernietigd zijt? Waarom zijt gij niet op de reede van -Yarmouth verdronken? gedood in het gevecht met den kaper van Salé? door -de wilde dieren op de Afrikaansche kust verscheurd? of hier verdronken, -toen al het scheepsvolk, buiten u, verging? Vraagt gij nog, wat gij -gedaan hebt?" - -Deze overwegingen verbijsterden mij geheel en al, en ik kon mij zelven -geen woord antwoorden, maar ging treurig en peinzende naar huis, en over -den muur, met oogmerk te bed te gaan; maar mijn hoofd was vol, ik had -geen lust tot slapen; dus ging ik op mijn stoel zitten en stak mijne -lamp op, want het begon donker te worden. Daar ik nu zeer bevreesd was -voor de terugkomst van de koorts, schoot het mij in de gedachten, dat -men in Brazilië schier geene andere geneesmiddelen dan tabak gebruikt, -en ik had eene rol tabak in een der kisten, die goed droog en rijp was, -en eene die groen en niet geheel rijp was. - -Ongetwijfeld gaf de Hemel mij dit in, want in deze kist vond ik een -geneesmiddel voor de ziel zoo wel als voor het ligchaam. Ik opende de -kist en vond wat ik zocht, namelijk den tabak, en daar de weinige -boeken, die ik gered had, daar ook bij lagen, nam ik een van de bijbels, -waarvan ik vroeger gesproken heb, en die ik tot hiertoe tijd noch lust -gehad had, in te zien, en legde dezen met den tabak op de tafel. - -Hoe ik den tabak gebruiken zou tegen mijne ziekte, wist ik niet, en -evenmin of hij goed voor mij was of niet; maar ik besloot dien op -verschillende wijzen te gebruiken, ten einde het een of het ander mij -helpen zou. Eerst nam ik een stuk en kaauwde dit, hetgeen mij eenigzins -bedwelmde, daar de tabak zwaar en ik er niet zeer aan gewoon was; daarop -nam ik eenigen en weekte dien een paar uren in rum, en besloot daar wat -van te nemen als ik slapen ging, eindelijk brandde ik wat op kolen en -hield mijn neus daarover, zoo lang ik het uithouden kon. - -Middelerwijl sloeg ik den bijbel open en trachtte te lezen, maar mijn -hoofd was hiervoor thans te veel bedwelmd door den tabak, echter toen ik -het boek liet openvallen, waren de eerste woorden daar mijn oog op viel, -deze: "Roep mij aan in den dag der benaauwing, en ik zal u redden en gij -zult mijn naam prijzen." Deze woorden waren zeer gepast op mijnen -toestand, en maakten toen indruk op mij, schoon zoo sterk niet als -naderhand; want het woord bevrijding had voor mij geen zin als het ware; -dit scheen mij zoo onwaarschijnlijk, zoo onmogelijk, dat ik begon te -zeggen even als de kinderen Israëls, toen hun vleesch beloofd was: -vanwaar zou dit komen? En daar vele jaren geenerlei hoop zich opdeed, -kwam mij dit dikwijls in de gedachten. - -Het werd nu laat, en de tabak had, gelijk ik zeide, mijn hoofd zoo -bedwelmd, dat ik slaperig werd, ik liet dan mijne lamp branden, om te -kunnen zien als ik des nachts wat noodig mogt hebben, en ging naar bed. -Maar voor ik mij nederlegde, deed ik wat ik nog nimmer had gedaan, ik -viel op mijne knieën, en bad God zijne belofte gestand te doen, en mij -te bevrijden als ik Hem aanriep in den dag der benaauwing. Na dit -afgebroken en onvolkomen gebed dronk ik den rum, waarin ik den tabak had -geweekt, die zoo scherp en sterk van den tabak was, dat ik hem -naauwelijks kon inzwelgen. Onmiddellijk daarop ging ik naar bed, en vond -dat de rum mij geweldig naar het hoofd steeg, maar ik viel in een diepen -slaap en werd niet weder wakker voor het, naar de zon te zien, drie uren -in den namiddag van den volgenden dag was; ja, ik geloof zelfs, dat ik -nog een dag en een nacht langer sliep, want anders weet ik niet hoe ik -uit mijne rekening een dag had kunnen verliezen, gelijk het eenige -jaren later bleek, dat ik gedaan had, want had ik een verkeerd merk op -mijn almanak gezet, dan zou ik meer dagen verloren hebben. - -Dit zij zoo het wil, toen ik wakker werd was ik uiterst verkwikt, en -mijn geest vlug en opgeruimd. Toen ik opstond was ik veel beter dan den -vorigen dag en mijne maag ook, want ik had honger en om kort te gaan ik -had den volgenden dag geene koorts, maar bleef aan de beterhand. Dit was -den 29en. - - * * * * * - -Den 30en was het mijn vrije dag, en ik ging met mijn geweer uit, maar -had geen lust om ver te loopen. Ik schoot een paar zeevogels, naar -ganzen gelijkende, maar had weinig lust er van te proeven, dus at ik -eenige schildpadeijeren, die zeer goed waren. Dezen avond nam ik weder -dat geneesmiddel in, dat naar ik meende mij den vorigen keer goed gedaan -had, namelijk tabak in rum gelegd, maar minder sterk dan de vorige reis, -ook kaauwde of rookte ik ze niet. Echter was ik den volgenden dag, den -1 Julij, zoo goed niet als ik gehoopt had, want ik had eene koortsige -huivering, schoon niet veel. - - * * * * * - -2 Julij. Ik gebruikte het geneesmiddel weder op alle drie de wijzen, en -bedwelmde mij gelijk de eerste reis, en verdubbelde de hoeveelheid -drank. - - * * * * * - -3 Julij. Ik was de koorts voor goed kwijt, schoon ik eerst verscheidene -weken later mijne vorige krachten terug ontving. Gedurende mijne -herstelling vestigden mijne gedachten zich dikwijls op de woorden der H. -Schrift: _Ik zal u bevrijden_, en de onmogelijkheid mijner bevrijding -drukte mij te zeer ter neder, om die te durven verwachten. Maar, terwijl -ik mij met deze gedachten pijnigde, schoot het mij te binnen, dat ik mij -zoo zeer kwelde met het denkbeeld mijner bevrijding van dit eiland, dat -ik geheel vergat, dat ik als door een wonder van mijne ziekte bevrijd -was geworden, uit den jammerlijksten toestand, en die mij zoo veel -schrik had ingeboezemd. Welke aandacht had ik daarop geslagen? Hoe had -ik mij hierin gedragen? God had mij bevrijd, maar ik had Hem niet -verheerlijkt, dat is te zeggen, ik had mijne bevrijding niet aan Hem -alleen toegeschreven, en Hem daarvoor gedankt. Dit trof mij tot in de -ziel, en dadelijk knielde ik neder, en dankte God met luider stem voor -mijne herstelling uit mijne ziekte. - - * * * * * - -4 Julij. In den ochtend nam ik den bijbel op, en met het Nieuwe -Testament beginnende, zette ik mij ernstig aan het lezen, en stelde mij -ten taak er elken morgen en avond eene poos in te lezen, zonder mij aan -een vast getal hoofdstukken te binden, maar zoo lang als mij gepast -scheen. Niet lang nadat ik hieraan begonnen was, vond ik mijn hart diep -ter nedergeslagen over de ongeregtigheden van mijn vroeger leven. De -indruk van mijn droom werd weder levendig, en de woorden: "Al deze -dingen hebben u niet tot berouw kunnen brengen," stonden mij ernstig -voor den geest. Ik smeekte God vurig mij tot berouw te stemmen, toen ik -op denzelfden dag op de woorden stiet: "Hij is tot een Vorst en -Middellaar verheven, om berouw en verzoening aan te brengen." Ik legde -het boek neder, en verhief zoo wel mijn hart als mijne handen ten Hemel, -terwijl ik in vervoering uitriep: "o, Jezus, zoon van David; verheven -Vorst en Middellaar, wil mij berouw schenken." - -Dit was, naar ik zeggen kan, de eerste maal in mijn geheele leven dat -ik, in den waren zin des woords, bad, want thans bad ik met een waar -besef van mijn toestand, en met eene ware Christelijke hoop, en van dien -tijd af, mag ik zeggen, begon ik te hopen dat God mij verhooren zou. - -Nu begon ik de woorden: "Roep mij aan en ik zal u verlossen, in een -geheel anderen zin dan vroeger op te vatten, want ik had geenerlei -denkbeeld van eenige andere bevrijding, dan die uit mijne gevangenschap; -want schoon ik hier werkelijk ruimte genoeg had, was dit eiland toch -voor mij eene gevangenis, in den ongunstigsten zin des woords; maar -thans begon ik dit op eene andere wijze op te vatten. Nu zag ik met zulk -een afschuw op mijn vorig leven terug, en kwamen mijne zonden mij zoo -vreesselijk voor, dat mijne ziel van God alleen bevrijding smeekte van -den last der schuld, die mij geheel ter neder drukte. Mijn eenzaam leven -was niets, hierbij vergeleken, ik dacht er zelfs niet aan, om bevrijding -daarvan te smeeken." Ik zeg dit hier, om mijnen lezers te bewijzen, dat -zoo zij ooit een regt inzigt van de waarheid verkrijgen, zij de -bevrijding der zonde een veel grooter zegen zullen bevinden, dan de -bevrijding van ellenden. Doch ik keer terug tot mijn journaal. - -Mijn toestand, ofschoon nog altijd mijne levenswijze rampzalig was, -begon mij thans dragelijker te worden; en mijne gedachten werden door -het bestendig lezen der H. Schrift en aanhoudend gebed, tot zaken van -hoogeren aard geleid. Ik bezat thans eene groote mate van vertroosting, -die ik voorheen niet kende. Bovendien trachtte ik, toen mijne gezondheid -en krachten terugkeerden, mij allerlei noodwendigheden te verschaffen, -en zoo geregeld te leven als ik kon. Van den 4 tot 14 Julij was ik -hoofdzakelijk aan het doen van korte wandelingen, met mijn geweer in de -hand, geëvenredigd naar mijn zwakken toestand. Het geneesmiddel, dat ik -gebruikt had, was nieuw, en nimmer misschien te voren had het iemand van -de koorts verlost, ook zou ik het niet gaarne iemand aanbevelen, want -schoon het mij van de koorts bevrijdde, bleef ik nog lang zwak, en had -dikwijls zenuwachtige trekkingen in mijne leden gedurende eene poos. Ik -leerde hierbij tevens, dat niets mij nadeeliger was dan in het -regenachtig saizoen uit te gaan, vooral bij die regens, die met zware -stormen gepaard gingen; als er regen in het drooge jaargetij viel, was -er altijd zware storm bij. - -Ik was nu meer dan tien maanden op dit ongelukkig eiland geweest; alle -vooruitzigt op bevrijding uit mijn toestand scheen geheel verdwenen; en -ik geloofde vast, dat nimmer dit land vroeger door eens menschen voet -betreden was geworden. Mijne woning was thans geheel naar mijn zin in -orde, en ik verlangde zeer het eiland geheel en al te doorzoeken, en te -zien wat het opleverde, buiten hetgeen ik reeds kende. - - * * * * * - -Den 15 Julij begon ik mijne ontdekkingsreis. Ik ging eerst langs de -kreek, waarin ik, gelijk ik gezegd heb, mijne vlotten aan wal had -gebragt. Na omtrent een half uur gegaan te zijn, vond ik dat het getij -niet hooger liep, en dat het slechts een beekje van loopend water, zeer -frisch en goed, was; doch daar het thans het drooge saizoen was, was er -hier en daar naauwelijks water in, althans niet genoeg om het te doen -vloeijen. Aan de banken van deze beek vond ik verscheidene zeer fraaije, -effene vlakten en met gras bedekt, en waar de grond opliep, en die door -het water waarschijnlijk nimmer overstroomd werd, vond ik veel tabak, -die tot een zwaren, sterken stengel opschoot. Ook verscheidene andere -heesters die ik niet kende, en misschien zeer goede eigenschappen -hadden, doch dit was mij onbekend. Ik zocht naar de cassave, waarvan de -Indianen overal hun brood bereiden, maar vond deze niet. Ik zag groote -aloë's, doch die waren mij toen onbekend; ook veel suikerriet, doch -wild, bij gebrek aan kweeking. Ik stelde mij hiermede voor 's hands -tevreden, en keerde terug, peinzende over de middelen, om de deugd of -het schadelijke van vruchten of planten, die ik vinden mogt, te -ontdekken; maar kon hierop niets vinden, want ik had in Brazilië hierop -zoo weinig acht geslagen, dat ik weinig kennis van de planten had, -althans geene die mij thans te stade kwam. - - * * * * * - -Den volgenden dag, den 16den, ging ik denzelfden weg, doch iets verder -dan den vorigen dag. Ik vond dat de beek en de weiden hier eindigden, en -het land boschachtiger werd dan vroeger. Hier vond ik verschillende -vruchten, in het bijzonder meloenen, in menigte op den grond liggen, en -druiven aan de takken. De wijngaarden hadden zich over de takken -geslingerd en de trossen waren thans in volle rijpheid. Dit was eene -aangename ontdekking, die mij zeer verheugde, doch de ondervinding had -mij geleerd er matig van te eten, want ik herinnerde mij, dat ik tijdens -mijn verblijf in Barbarije, er vele Engelsche slaven had zien sterven -aan buikloop en koortsen, door te veel druiven te eten. Ik bedacht -echter een uitmuntend gebruik van deze druiven, namelijk ze te droogen, -en als rozijnen te gebruiken, welke ik meende, gelijk ook inderdaad het -geval was, dat even heilzaam en aangenaam zouden zijn, als er geene -druiven waren. - -Ik bragt den geheelen avond daar door, en ging niet naar mijne woning -terug om te slapen, en dit was, mag ik zeggen, de eerste maal dat ik -buiten 's huis sliep. Ik ging des avonds weder als de eerste maal op een -boom, waar ik zeer goed sliep, en den volgenden morgen ging ik weder op -ontdekking uit, en legde bijkans vier (Eng.) mijlen af, gelijk ik naar -de lengte van het dal rekenen mag. Ik hield regt noordwaarts aan, met -eene reeks van heuvelen ten zuiden en noorden van mij. - -Aan het einde van dezen togt kwam ik aan eene opene vlakte, waar het -land naar het westen scheen af te dalen; terwijl een beekje van zoet -water, dat uit de zijde van een heuvel naast mij ontsproot, den anderen -weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo -bloeijend, zoo groen, daar alles in het lentegroen stond, dat het naar -een beplanten lusttuin geleek. - -Ik daalde een weinig naar de zijde van die bekoorlijke vallei af, en -overzag het met een heimelijk genoegen (schoon er ook treurige -denkbeelden bij mij opwelden) als ik bedacht, dat dit alles mijn -eigendom was; dat ik buiten alle tegenspraak koning en heer van dit -geheele land was, en regt op deszelfs bezit had, en zoo ik het slechts -kon overbrengen, het even goed erfelijk zou bezitten, als eenig edelman -zijne heerlijkheid. Ik zag hier eene menigte kokos-, oranje-, limoen- en -citroenboomen, doch allen wild, en althans tegenwoordig, weinig vrucht -dragende. De groene limmetjes, die ik bijeenzamelde, waren echter niet -alleen lekker maar ook zeer gezond, en naderhand mengde ik hun sap met -water, waardoor het zeer gezond, koel en verfrisschend was. Ik vond hier -werk genoeg en besloot een voorraad aan te leggen van druiven, zoo wel -als van limmetjes en limoenen, om mij te voorzien voor het regenachtig -jaargetij, hetwelk ik wist dat naderde. - -Te dien tijd legde ik hier een grooten hoop druiven, en op eene andere -plaats een kleineren, en een grooten voorraad limmetjes op eene derde, -en trok met eenigen van elk naar huis, en besloot met een mand of zak -terug te keeren, om het overige naar huis te brengen. Ik kwam dus te -huis, na drie dagen uit geweest te zijn, maar voor dien tijd waren de -druiven, die overrijp waren, gebroken, en dus nergens goed voor; doch de -limmetjes waren zeer goed, hoewel er weinig waren. - - * * * * * - -Den volgenden dag den 19den, ging ik terug met twee zakken, die ik -gemaakt had, om mijn oogst te huis te halen; maar ik stond geheel -verbaasd, toen ik bij mijne druiven komende, die geheel verstrooid, -vertrapt, en ginds en herwaarts gesleept, en grootendeels opgegeten -vond. Ik besloot hieruit, dat daar ergens wilde dieren waren, die dezen -roof gepleegd hadden, schoon ik niet wist welke. - -Daar ik vond dat ik ze niet op hoopen leggen kon, en niet in een zak -wegdragen, daar ze hierbij vertrapt worden of aan stukken gaan zouden, -sloeg ik een anderen weg in; want ik verzamelde eene menigte druiven, en -hing die aan de uiteinden der takken, om ze in de zon te laten droogen; -en van de limmetjes en limoenen nam ik zoo veel mede als ik dragen kon. - -Toen ik van deze reis te huis kwam, herdacht ik met veel genoegen, de -vruchtbaarheid van dit dal en deszelfs aangename ligging, de veiligheid -voor stormen aan die zijde van het water en van het bosch; en ik begreep -thans dat ik eene plek tot mijn verblijf had uitgekozen, die verreweg de -slechtste van het geheele eiland was. Over het geheel begon ik aan eene -verplaatsing van mijne woning te denken, en naar eene plek te zoeken, -even veilig als waar ik thans was, zoo mogelijk in dat aangename, -vruchtbare gedeelte des eilands. - -Dit was langen tijd een geliefkoosd denkbeeld van mij, uithoofde van de -aangenaamheid dezer streek; maar toen ik het nader overwoog, bedacht ik -dat ik thans aan de zeekust was, waar het althans mogelijk was, dat iets -tot mijn voordeel zou kunnen gebeuren, en hetzelfde onheil dat mij -hierheen had gebragt, eenige andere ongelukkigen daar zou kunnen -brengen. En schoon het naauwelijks mogelijk was dat het ooit zou -gebeuren, zou ik echter door mij tusschen de heuvels en boschaadjen in -het midden des eilands op te sluiten, mijne gevangenschap verlengen, en -eene zoodanige gebeurtenis niet alleen onwaarschijnlijk, maar zelfs -onmogelijk maken. Ik begreep dus in geen geval te moeten verhuizen. Om -echter een middelweg te kiezen, begreep ik hier eene soort van lusthuis -aan te leggen, en dit te omringen met eene dubbele heining, zoo sterk en -hoog als ik die maken kon, met palen versterkt en met takken en loof -opgevuld. Hier sliep ik veilig, soms twee of drie nachten achtereen, -terwijl ik er altoos met eene ladder overklom, zoodat ik thans begreep -mijne buitenplaats en mijn woonhuis aan de zeekust te hebben. Dit werk -hield mij tot in het begin van Augustus bezig. - -Ik had pas mijne heining voltooid, toen het regensaizoen inviel, en mij -in mijn eerste woning deed blijven, want schoon ik elders ook eene tent -van een zeil gemaakt, en dit zeer goed uitgespannen had, was ik hier -toch niet door een heuvel voor de stormen beschut, en had geen kelder -achter mij, waarin ik bij zware slagregens de vlugt kon nemen. - -Tegen het begin van Augustus had ik, gelijk ik zeide, mijn lusthuis -voltooid, en had het genoegen het te bewonen. Den 3 Augustus vond ik dat -de druiven, die ik opgehangen had, volkomen gedroogd door de zon en zeer -goede rozijnen geworden waren. Ik begon ze dus af te nemen en te goeder -ure, want de regen zou ze anders spoedig bedorven en mij van het beste -deel van mijn wintervoorraad beroofd hebben; want ik had meer dan -tweehonderd trossen, die ik naauwelijks had afgenomen of het begon te -regenen, en van den 14 Augustus tot het midden van October, had ik elken -dag meer of minder regen; somtijds zoo zwaar, dat ik verscheidene dagen -mijn kelder niet verlaten kon. - -In dien tijd werd ik verrast met de vermeerdering van mijn huisgezin. Ik -had veel spijt gehad van een mijner katten, die weggeloopen, en hier of -daar naar ik dacht gestorven zou zijn; maar op zekeren dag kwam zij met -drie jongen te huis. Dit bevreemdde mij te meer omdat, hoewel ik een -wilde kat geschoten had, deze eene geheel andere soort dan onze -Europesche katten was; de jonge katjes waren echter in alles aan onze -huiskatten gelijk. Van deze drie katten kwam echter naderhand zulk eene -talrijke nakomelingschap, dat deze eene ware plaag voor mij werd, en ik -genoodzaakt was ze dood te schieten, en zoo ver mogelijk van huis te -jagen. - - * * * * * - -Van den 14 tot den 26 Augustus regende het onophoudelijk, zoodat ik niet -kon uitgaan; want ik was thans zeer bezorgd niet nat te worden. Terwijl -ik aldus opgesloten was, werd mijn voedsel schraal; doch tweemaal waagde -ik het buiten te gaan, en den eersten dag doodde ik eene geit, en den -tweeden (den 26) vond ik een zeer groote schildpad, dat voor mij eene -ware lekkernij was. Mijne maaltijden waren thans de volgende. Ik at een -tros rozijnen voor mijn ontbijt, een stuk gebraden geiten- of -schildpadvleesch (want ik had ongelukkig geen vaatwerk om in te koken of -te stoven) voor mijn middagmaal, en twee of drie schildpadeijeren -maakten mijn avondmaal uit. - -In dien tijd werkte ik alle dagen twee of drie uren aan het verwijden -van mijn kelder, en delfde die langzamerhand van eene zijde uit, tot ik -aan de buitenzijde van den heuvel kwam, en daar een uitgang maakte, die -buiten mijn heining of muur uitkwam, en waardoor ik in en uit kon gaan. -Doch zoo geheel open te leggen beviel mij maar half, want terwijl ik te -voren gezorgd had, geheel afgesloten te zijn, lag ik thans eenigzins -open, hoewel ik geen levend wezen gezien had, waarvoor ik behoefde te -vreezen, want het grootste dier dat ik op het eiland had bespeurd was -eene geit. - - * * * * * - -Den 30 September. Het was thans de ongelukkige verjaardag van mijne -aankomst. Ik telde de kerven op mijn staak, en vond dat ik driehonderd -vijfenzestig dagen aan land was geweest. Ik beschouwde dezen dag als een -feestdag, en bragt dien door in godsdienstige overdenkingen. Ik wierp -mij met de opregtste nederigheid neder, beleed mijne zonden aan God, en -erkende de regtvaardigheid zijner oordeelen jegens mij, en smeekte hem -om genade door Jezus Christus; en na den geheelen dag tot na den -ondergang der zon gevast te hebben, at ik eene beschuit en een tros -rozijnen, ging naar bed en besloot den dag, gelijk ik dien begonnen had, -met het gebed. Ik had al dien tijd geen zondag gehouden, want daar ik in -den beginne geenszins godsdienstig gestemd was, had ik vergeten den -zevenden dag door eene langere kerf op te teekenen, zoo dat ik niet wist -welke dag het was. Nu ik echter vond, dat ik daar een jaar geweest was, -verdeelde ik dit in weken en rekende elken zevenden dag voor een zondag; -schoon ik bij het einde mijner rekening vond, dat ik een paar dagen -verloren had. - -Kort daarop begon de inkt mij te ontbreken, en ik gebruikte die dus meer -spaarzaam en alleen om het merkwaardigste wat mij gebeurde op te -teekenen, zonder een journaal te blijven houden. - -Ik leerde thans den tijd van het natte en drooge saizoen kennen, en -trachtte mij voor derzelver komst van de vereischte noodwendigheden te -voorzien. De ondervinding, die ik verkreeg, kwam mij echter soms duur te -staan, vooral bij de navolgende gelegenheid, die de treurigste -ondervinding was die ik opdeed. - -Ik heb reeds gezegd, dat ik de weinige airen graan en rijst, die zoo -verrassend, en naar ik eerst dacht, uit zichzelven opgeschoten waren, -had bewaard, en ik geloof dat er ongeveer dertig rijst- en twintig -graanhalmen waren, en nu achtte ik het, na het regenachtig jaargetij, de -geschikte tijd dit te zaaijen. Ik spitte dus eene plek grond om, zoo -goed ik kon, met mijne houten spade, en deelde die in twee deelen af om -mijn graan te zaaijen; maar terwijl ik dit deed bedacht ik toevallig, -dat ik beter zou doen het niet alles te gelijk te zaaijen, omdat ik niet -wist of het de geschikte tijd er toe was; dus zaaide ik ongeveer twee -derde gedeelten, en hield van ieder eene hand vol over. Het bleek -naderhand, dat het zeer gelukkig was dat ik dit gedaan had, want van al -wat ik gezaaid had, schoot thans niets op, zoo lang de thans volgende -drooge maanden duurden; doch toen het natte jaargetijde weder gekomen -was, schoot het op, alsof het pas gezaaid was geworden. Toen ik vond -dat mijn eerste zaaisel niet opschoot, schreef ik dit natuurlijk aan de -droogte toe, en zocht eene vochtiger plek grond om het te beproeven; en -spitte eene plek om nabij mijn nieuw lustverblijf. Hier zaaide ik het -overige van mijn zaad in Februarij, kort voor de herfstevening, en daar -dit de regenachtige maanden Maart en April had, om het te bewateren, -schoot het welig op en leverde een goeden oogst, doch daar ik niet alles -had durven zaaijen wat ik had, was dit toch nog slechts weinig. Deze -proefneming had mij thans echter geleerd hoe te handelen; ik wist thans -wanneer ik zaaijen moest, en dat ik jaarlijks tweemaal in plaats van -eens zou kunnen oogsten. - -Terwijl dit koorn groeide deed ik eene kleine ontdekking, die mij -naderhand van nut was. Zoodra de regens over waren en het weder -bestendig begon te worden, hetgeen tegen November was, ging ik -landwaarts in, mijn buitenplaats een bezoek geven, en vond, ofschoon ik -er in verscheidene maanden niet geweest was, alles juist zoo als ik het -verlaten had. De dubbele heining was niet alleen stevig en gaaf, maar de -staken, die ik van eenige boomen daar in den omtrek afgesneden had, -waren allen met lange takken uitgeschoten, even als de wilgen, het -eerste jaar nadat zij geknot zijn. Ik kon niet zeggen welke boom het -was, waarvan deze staken gekapt waren; maar het was mij zeer aangenaam -ze zoo te zien uitwassen. Ik leidde ze en gaf ze eene zoo gelijke -rigting in het groeijen als mogelijk was, en het is naauwelijks te -gelooven hoe schoon zij in drie jaren tijds opgroeiden, zoodat, ofschoon -de heining een cirkel van ongeveer vijfentwintig ellen in doorsnede -maakte, deze boomen zoo veel schaduw gaven, dat ik er in het drooge -jaargetij volkomen door beschut werd. - -Dit deed mij besluiten nog eenige staken te kappen, en van deze in een -halven cirkel een heining te maken rondom mijn oud verblijf, gelijk ik -deed, en ik plaatste de takken in eene dubbele rij op ongeveer acht -ellen afstands van mijn eerste heining; zij groeiden welig op, en waren -eerst eene fraaije beschutting en naderhand zelfs eene verdediging voor -mijne woning, gelijk ik later verhalen zal. - -Ik vond thans dat de jaargetijden hier niet, als in Europa, in zomer en -winter, maar in het regenachtige en drooge jaargetij verdeeld moesten -worden; als volgt: van half Februarij tot half April regen; daar de zon -alsdan in of bij de evennachtslijn was; van half April tot half Augustus -droogte, zijnde de zon dan benoorden de linie; van half Augustus tot -half October regen; keerende de zon alsdan terug, en van half October -tot half Februarij regen, zijnde de zon dan bezuiden de linie. - -Het regensaizoen duurde wat langer of korter naar gelang van den wind, -doch over het algemeen was het gelijk ik hierboven gemeld heb. Nadat de -ondervinding mij geleerd had hoe schadelijk het was mij aan den regen -bloot te stellen, zorgde ik mij vooraf van levensmiddelen te voorzien, -ten einde niet te behoeven uit te gaan, en ik bleef zoo veel mogelijk -binnen in de regenmaanden. Ik had alsdan veel en gepast werk; want ik -had dan de beste gelegenheid mij dingen aan te schaffen, die niet dan -door handenarbeid en aanhoudende vlijt konden gelukken; ik beproefde bij -voorbeeld dikwijls eene mand te vlechten; maar al de takken, die ik -hiertoe vinden kon, waren zoo broos, dat zij mij niet dienen konden. -Thans was het mij een groot voordeel, dat ik als een jongen dikwijls bij -een mandemaker, die digt bij mijn vader woonde, had staan te zien naar -zijn werk, en gelijk jongens zijn, had ik dan dikwijls gedienstig -geweest om den man te helpen; en hierdoor wist ik zooveel van het -mandemaken, dat mij slechts de grondstoffen ontbraken. Toen ik nu -bedacht dat de takken van de boomen, waarvan ik mijne staken, die -uitgeschoten waren, had gekapt, misschien buigzaam waren, als het -wilgenrijs, besloot ik dit te beproeven. Den volgenden dag ging ik dus -naar mijne buitenplaats, en na eenig rijs afgesneden te hebben, vond ik -het zoo lenig als ik wenschen kon; dus ging ik er den volgenden dag met -eene bijl naar toe en kapte eene groote menigte. Deze zette ik binnen -mijne heining overeind om te droogen, en bragt ze toen ze goed waren in -mijn kelder. In de eerstvolgende regenmaanden hield ik mij nu bezig met -een groote menigte manden te vlechten, om aarde in weg te dragen, of om -het een en ander in te bewaren; en hoewel ik ze niet zeer fraai maakte, -waren zij mij echter bij uitstek van dienst, en ik zorgde dus er altijd -van voorzien te zijn, en toen zij oud werden, maakte ik nieuwe; vooral -sterke diepe manden, om mijn koorn in te bewaren, in plaats van in -zakken, als ik er meer van zou verkrijgen. - -Na deze moeijelijkheid overwonnen te hebben, schoon ik er een -ontzettenden tijd aan besteedde, trachtte ik zoo mogelijk in nog twee -behoeften te voorzien. Ik had niets om vloeistoffen in te bewaren, dan -een paar vaatjes, die bijkans vol rum waren, en eenige flesschen, -sommigen gewone, anderen vierkante kelderflesschen. Ik had zelfs geen -pot om iets in te koken, behalve een grooten ketel, dien ik uit het -schip gered had, maar die te zwaar was voor het gebruik, dat ik er van -maken wilde, namelijk om vleesch en soep in te koken. Het tweede, dat ik -gaarne wenschte, was eene tabakspijp; maar het was mij onmogelijk die te -maken; eindelijk echter vond ik iets uit om die te vervangen. Den -geheelen zomer hield ik mij voorts bezig met dit mandenmaken en met het -planten van mijne tweede rij staken, toen eene andere bezigheid mij meer -tijd wegnam, dan ik dacht. - -Ik heb reeds gezegd, dat ik zeer verlangde het geheele eiland te zien, -en dat ik langs de beek getrokken was en zoo verder tot waar ik mijn -buitenverblijf aanlegde; en vanwaar ik de zee had kunnen zien, aan de -andere zijde van het eiland. Ik besloot nu aan dien kant dwars door te -steken tot aan den zeekant; dus nam ik mijn geweer, eene bijl en mijn -hond mede, en een grooter hoeveelheid kruid en kogels dan gewoonlijk, -met een paar beschuiten en een tros rozijnen in mijn zak, en begon mijne -reis. Toen ik het dal doorkwam, waar mijn lusthuis stond, zag ik de zee -westwaarts, en daar het een zeer heldere dag was, ontdekte ik duidelijk -land, hetzij een eiland of vast land, dat zich van het W. ten W. Z. W. -tot op grooten afstand uitstrekte; naar mijne gissing kon het niet -verder dan vijftien of twintig mijlen verwijderd zijn. - -Ik wist niet welk deel van de wereld dit anders zijn kon, dan een -gedeelte van Amerika, en naar mijne berekeningen moest het nabij de -Spaansche bezittingen zijn, en was welligt geheel bewoond door wilden, -waarbij, zoo ik daar geland was, ik in een erger toestand zou geweest -zijn dan in mijn tegenwoordigen, waarin ik nu de beschikking der -Voorzienigheid erkende; welke ik thans begon te erkennen en te gelooven, -dat alles ten beste schikte. Hiermede stelde ik mij tevreden, en het -alle vruchtelooze wenschen, dat ik daar wezen mogt, varen. - -Bovendien besloot ik, dat als dit land de Spaansche kust was, ik zeker -den een of anderen tijd, eenig vaartuig her- of derwaarts zou zien -trekken; maar zoo niet, dan was het de woeste kust tusschen de Spaansche -landen en Brazilië; waar de ergste wilden wonen; want het zijn -kannibalen of menscheneters, die alle menschen, welke hun in handen -vallen, vermoorden en verslinden. Onder deze gedachten wandelde ik -langzaam verder. Ik vond, dat deze zijde van het eiland veel -bekoorlijker was dan die waar mijne woning stond. De opene vlakten waren -met bloemen en gras bedekt, en vol fraai houtgewas. Ik zag eene -menigte papegaaijen en had er gaarne een willen vangen, om dien tam te -maken en te leeren spreken. Na eenige moeite ving ik een jongen -papegaai, dien ik met een stokslag nedervelde. Toen hij weder bijkwam, -nam ik hem mede naar huis, maar het duurde eenige jaren alvorens hij -leerde spreken. Eindelijk echter leerde ik hem mij zeer gemeenzaam bij -mijn naam te noemen, en het gevolg hiervan, schoon eene beuzeling, zal -later den lezer genoegen geven. - -Deze reis was mij zeer aangenaam. In de lage gronden vond ik hazen, -althans ik hield ze daarvoor, en vossen; doch zij verschilden veel van -de soorten, die ik gezien had; ook kon ik niet van mij verkrijgen er van -te eten, schoon ik verscheidene schoot. Doch dit behoefde ook niet; want -ik had geen gebrek aan zeer goed voedsel. Geiten, duiven en -schildpadden, leverden met mijne rozijnen mij een maaltijd, dien ik in -Engeland niet beter had kunnen verlangen, behalve wat het gezelschap -betreft. En schoon mijn lot ongelukkig genoeg was, had ik groote reden -tot dankbaarheid, dat mijn voedsel zoo overvloedig was. - -Ik kwam op deze reis nimmer meer dan twee mijlen per dag in eene regte -lijn vooruit; maar ik deed zoo vele uitstapjes ter zijde af, om iets te -ontdekken, dat ik doodmoede was toen ik de plaats bereikte, waar ik den -nacht wilde doorbrengen, en dan ging ik of in een boom zitten, of ik -omringde mij met eene rij van staken, die ik op den grond of van den -eenen boom tot den anderen plaatste, zoodat geen wild dier mij kon -bereiken, zonder mij wakker te maken. - -Toen ik aan de zeekust kwam, werd ik gewaar, dat het lot mij op de -ongunstigste zijde van het eiland geworpen had; want hier was het strand -met eene menigte schildpadden bedekt, terwijl ik aan de andere zijde er -slechts drie in anderhalf jaar gevonden had. Ook was hier eene -onnoembare menigte vogels van allerlei aard, van welke ik sommigen -vroeger en sommigen nimmer gezien had, en waarvan vele zeer goed om te -eten waren, maar van welke ik alleen de pinguïns kende. Ik had er zoo -veel kunnen schieten als ik wilde, maar ik was zeer zuinig met mijn -kruid en lood, en derhalve wenschte ik liever eene geit te schieten -daar meer aan te eten was. Schoon hier meer geiten waren dan aan mijne -zijde van het eiland, kon ik haar echter moeijelijker genaken, omdat het -land zoo vlak en effen was, en zij mij veel spoediger zagen dan als ik -op de heuvels was. - -Hoezeer nu deze kant van het land veel aangenamer dan de mijne was, had -ik toch niet den minsten lust daarheen te verhuizen; want ik was thans -in mijne woning te huis, en het scheen mij toe alsof ik thans op reis -was en van mijn huis af. Ik trok echter langs de zeekust, naar gissing -twaalf (Eng.) mijlen, en zette daar een grooten staak op het strand tot -eene baak; waarna ik besloot naar huis te keeren, en de volgende maal -een togt te doen, oostwaarts van mijn woning, en zoo het eiland rond, -tot ik weder op deze plaats kwam waar ik den staak gezet had. - -Ik sloeg een anderen weg in om huiswaarts te keeren, denkende dat ik -gemakkelijk het geheele eiland zou kunnen overzien, en mijn weg niet -missen; maar hierin vergiste ik mij, want toen ik een half uur afgelegd -had, bevond ik mij in een diep dal, dat door heuvels met geboomte bezet, -omringd was, zoodat ik mijn weg alleen houden kon door mij naar de zon -te rigten, en dit was nog moeijelijk, tenzij ik den juisten stand der -zon op dat uur van den dag kende. Tot mijn ongeluk werd het weder -bovendien mistig, gedurende de drie of vier dagen die ik in dit dal -doorbragt, en daar ik de zon niet zien kon, bragt ik dezelve zeer -onaangenaam door, en was eindelijk verpligt naar het strand terug te -keeren, mijne baak op te zoeken, en langs denzelfden weg dien ik gegaan -had, terug te keeren. Ik deed dit met kleine dagreizen, daar het zeer -heet was, en mijn geweer, ammunitie, bijl en andere dingen een zware -last waren. - -Op deze reis verraste mijn hond eene jonge geit; ik schoot toe, en het -gelukte mij het dier nog levend te redden. Ik wilde het gaarne naar huis -brengen, want ik had lang gewenscht een paar geiten op te kweeken en zoo -mogelijk eene kudde te bekomen, om mij tot voedsel te dienen als al mijn -kruid en lood op was. Ik maakte een halsband voor het beestje, en met -een touw, dat ik altijd bij mij droeg, voerde ik het, schoon niet -zonder moeite mede, tot aan mijn buitenverblijf, waar ik het in de -heining achterliet, want ik verlangde zeer naar mijn huis, waarvan ik -thans eene maand afwezig was geweest. - -Ik kan niet zeggen met welk genoegen ik dit weder bereikte en in mijne -hangmat liggen ging. Deze kleine zwerftogt, zonder eenig vast verblijf, -was mij zoo onaangenaam geweest, dat mijn huis, zoo als ik het noemde, -mij daarbij vergeleken, eene volmaakte woning toescheen. Ik had zoo veel -genoegen daar, dat ik besloot er nimmer weder zulk een tijd, zoo lang ik -op het eiland was, mij van te verwijderen. - -Ik bragt eene week door met van mijne vermoeijenissen uit te rusten, en -besteedde gedurende dezelve mijn tijd aan het gewigtig werk om een kooi -voor mijne papegaai te maken, die nu meer tam en reeds zeer aan mij -gewoon werd. Daarna begon ik aan het geitje te denken, dat ik in mijne -kleine heining had achtergelaten; ik besloot het te huis te halen of -eenig voedsel te brengen; ik ging er dus heen en vond het waar ik het -gelaten had. Het kon er ook moeijelijk uit, want het was schier dood van -honger. Ik sneed eenige takjes en heesters af en wierp haar die toe, en -nadat zij gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de -honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en -daar ik het altijd voederde, werd het zoo mak en vrolijk en aan mij -gehecht, dat het ook tot mijne huisdieren behoorde, en mij naderhand -nimmer verliet. - -De regentijd van de herfstevening was thans gekomen, en ik bragt den 30 -September, den tweeden verjaardag dat ik hier aan land kwam, op dezelfde -wijze als den eersten door. Ik was hier nu twee jaren geweest, en had -geen meer vooruitzigt van bevrijd te worden dan den eersten dag toen ik -hier kwam. Den geheelen dag bragt ik door in dankzeggingen over de vele -genadebewijzen, mij in mijn eenzamen toestand te beurt gevallen. Ik -dankte God dat Hij mij ontdekt had, dat ik zelfs in dezen toestand -gelukkiger kon zijn dan in het midden der maatschappij en van al de -genoegens der wereld, en mij het gebrek aan menschelijken omgang -vergoedde door zijne tegenwoordigheid, en de uitstorting zijner genade -op mijne ziel, mij steunende, troostende en bemoedigende door op zijne -Voorzienigheid hier, en op zijn eeuwig bijzijn hier namaals te hopen. - -Ik begon thans levendig te gevoelen hoe veel gelukkiger het leven was, -dat ik thans leidde, met al de ongemakken daaraan verknocht, dan het -slechte en ruwe gedrag, dat ik tot hiertoe geleid had. Mijne begeerten, -genoegens en wenschen veranderden geheel bij hetgeen zij te voren -geweest waren. - -Vroeger, als ik uitging om te jagen of het land te onderzoeken, kon mijn -jammer over mijn toestand eensklaps losbarsten, en mijn hart bezweek -schier als ik dacht aan de bosschen, bergen en woestijnen, waarin ik mij -bevond, en hoe ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde -wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit als een kind, -en wrong mij de handen. Somtijds te midden van mijn werk ging ik zitten, -en staarde zuchtend een paar uren op den grond. Dit was het ergste, -want als ik mijne borst in tranen en jammerklagten kon lucht geven, -verminderde mijne neêrslagtigheid van lieverlede. - -Thans echter begon ik mij met andere denkbeelden bezig te houden. Ik las -dagelijks het Woord van God, en paste al de vertroostingen daarin op -mijn toestand toe. Op zekeren morgen toen ik zoo neêrslagtig was, opende -ik den bijbel bij deze woorden: "Ik zal u nimmer verlaten!" - -Dadelijk viel het mij in, dat deze woorden voor mij geschreven waren; -waarom anders zou ik ze juist aangetroffen hebben, toen ik treurde over -mijn toestand, als van God en menschen verlaten. Welaan, zeide ik, zoo -God mij niet verlaat, wat scheelt het of de geheele wereld mij verlaat. -Zoo ik aan den anderen kant de geheele wereld had, en Gods gunst en -zegen verloor, zou het verlies oneindig grooter zijn. - -Van dit oogenblik af begreep ik, dat ik in mijn eenzamen, verlaten -toestand gelukkiger kon zijn, dan ik waarschijnlijk in eenigen anderen -staat in de wereld ooit zou geweest zijn; en deze gedachte deed mij op -het punt staan van God te danken, dat Hij mij op dit eiland gevoerd had. -Er was echter iets in mij, dat zich hiertegen verzette, en mij de -woorden belette uit te spreken. Hoe kunt gij zulk een huichelaar zijn, -zeide ik tot mij zelven, dat gij God dankt voor een toestand, waarmede -gij wel moogt trachten tevreden te zijn, maar waarbij gij gaarne zoudt -willen bidden, dat God u er uit bevrijdde?--Schoon ik dus God niet -dankte, dat ik mij hier bevond, dankte ik hem toch opregt, dat Hij door -mijne tegenspoeden mij mijn vorig leven had doen inzien en tot berouw -over hetzelve gebragt. Nimmer vatte ik den Bijbel op, of ik dankte God, -dat Hij mijn vriend in Engeland dien zonder mijn orders onder mijne -goederen had doen pakken, en mij dien naderhand uit het wrak laten -redden. - -In deze gemoedsgesteldheid trad ik het derde jaar in, en hoewel ik den -lezer niet met zulk een uitvoerig verslag van mijn arbeid als in het -eerste jaar lastig gevallen heb, kan ik over het algemeen aanmerken, dat -ik zelden ledig was, daar ik regelmatig mijn tijd verdeelde. Eerstelijk -bad ik God en las eenigen tijd in den Bijbel, een gezetten tijd -driemalen daags; vervolgens ging ik met mijn geweer uit om voedsel te -zoeken, hetwelk mij gewoonlijk drie uren elken morgen bezig hield, als -het niet regende. Eindelijk het afhalen en braden van hetgeen ik -geschoten of gevangen had, waarmede een groot deel van den dag verliep. -Ook moet men bedenken, dat het op het midden van den dag te warm was om -uit te gaan, zoodat ik slechts tegen vier ure na den middag kon werken; -somtijds ook werkte ik des morgens, en ging tegen den avond met mijn -geweer uit. - -Bij deze korte werkuren moet men voegen de groote moeijelijkheid van -mijn werk, en de vele uren die ieder ding, dat ik maakte, mij kostte, -uit gebrek aan werktuigen, aan hulp en aan bekwaamheid. Ik was bij -voorbeeld tweeënveertig dagen bezig met eene plank te maken tot eene -lange tafel, die ik noodig had, terwijl twee timmerlieden met eene zaag -uit denzelfden boom zes planken in een halven dag zouden vervaardigd -hebben. - -Ik moest in de eerste plaats een grooten boom vellen, omdat ik eene -breede plank wilde hebben. Hiermede bragt ik drie dagen door en nog twee -dagen met het afkappen van de takken. Ik hakte toen met ontzettende -moeite zoo veel van den stam af tot hij bewogen kon worden; toen keerde -ik hem op zijde, en maakte een kant, van het begin tot het einde, zoo -vlak en effen als eene plank, en keerde toen hem om, en bewerkte de -andere zijde even zoo, tot ik een plank van drie duim dik had, die aan -beide zijden vlak was. Men oordeele welk een arbeid dit was; maar geduld -en vlijt hielpen mij dit en vele andere dingen verrigten. Ik voer dit -aan ten bewijze, waarom een zoo gering werk mij zoo veel tijd kostte. -Hetgeen met hulp van anderen en geschikte werktuigen eene kleinigheid -was, werd voor een mensch alleen een allerzwaarste en langzaamste -arbeid. Desniettemin deden vlijt en volharding mij vele, ja alle zaken -tot stand brengen, die ik in mijne omstandigheden behoefde. - -Ik was nu in November en December, en wachtte den oogst van mijne rijst -en graan. De grond, dien ik er voor omgespit had was niet groot, omdat -ik, gelijk ik zeide, slechts weinig had. Het graan stond echter zeer -goed, toen ik plotseling weder in gevaar kwam alles te verliezen, door -verschillende vijanden, die ik moeijelijk kon afweren, als eerstelijk de -geiten, en de beesten, die ik hazen noemde, kregen smaak in de -graanhalmen, en aten het op zoodra het uitschoot, zoodat het geen airen -kon schieten. - -Ik zag geen middel hiertegen, dan om eene heining om mijn akker te -maken, hetgeen mij zwaren arbeid kostte, vooral omdat het spoed eischte. -Daar de omtrek echter klein was, had ik er in drie weken eene heining -om, en over dag schoot ik sommige beesten, en bij nacht liet ik mijn -hond de wacht houden, dien ik aan een paal bij den ingang vast bond, -waar hij den geheelen nacht door blafte; dus ruimden de vijanden -spoedig het veld, en het graan begon welig op te schieten. - -Maar hadden de beesten mijn graan vernield toen het opschoot, de vogels -zouden mij waarschijnlijk alles ontrooven nu het airen schoot. Toen ik -er langs ging om te zien hoe het stond, zag ik eene menigte vogels van -allerlei soort er nabij, die slechts schenen te wachten tot ik zou -vertrokken zijn. Dadelijk schoot ik onder hen, (want ik had altijd mijn -geweer bij mij) maar terstond daarop verhief zich eene wolk van vogels -uit het graan, die ik nog niet gezien had. - -Dat was mij eene groote teleurstelling; ik voorzag, dat zij in weinige -dagen mij van alles zouden berooven, dat ik eindelijk verhongeren en -geen enkelen graankorrel ooit oogsten zou. Wat ik doen zou, wist ik -niet. Ik besloot echter zoo mogelijk mijn koorn te bewaren, al zou ik er -nacht en dag de wacht bij houden. In de eerste plaats ging ik zien welke -schade zij alreeds aangerigt hadden, en vond, dat hoewel zij reeds veel -gegeten hadden, de schade nog niet zoo groot was, en het overige nog een -goeden oogst zou geven als het behouden kon worden. - -Toen ik mijn geweer laadde, zag ik de dieven overal rondom mij op de -boomen zitten, alsof zij wachtten tot ik vertrokken zou zijn; ik deed -alsof ik heen ging, en naauwelijks was ik uit hun gezigt of zij vielen -weder in het graan. Ik was zoo verbitterd, dat ik niet wachten kon tot -er nog meer waren, maar schoot weder en doodde er drie van. Dit was -hetgeen ik wenschte, en ik behandelde ze gelijk men de dieven in -Engeland doet, namelijk, ik hing ze op, ten voorbeeld voor anderen. Het -is bijkans niet te begrijpen welk eene uitwerking dit had; want niet -alleen streken de vogels niet meer in het koorn, maar kort daarop -verlieten zij dat geheele gedeelte van het eiland, en ik zag geen vogel -meer, zoo lang mijne vogelverschrikkers daar hingen. Ik was hierover -verrukt, gelijk men wel denken kan, en in het laatst van December haalde -ik mijn oogst binnen. - -Ik had geen sikkel om het te snijden en moest dit dus met een groot mes -doen, hetgeen echter gemakkelijk was, daar de oogst niet groot was. Ik -sneed alleen de airen af, en bragt die in eene groote mand naar huis, -waar ik met mijn handen er het graan uitwreef. Toen dit afgeloopen was, -vond ik, dat ik van mijn zaad bijkans twee schepels rijst en twee en een -half schepel graan geoogst had, dat wil zeggen naar gissing, want ik had -geen maat. - -Dit was mij eene groote aanmoediging en ik hoopte, dat God mij met der -tijd brood zou beschikken. Hier deden zich echter weder zwarigheden op; -want ik wist niet hoe ik mijn koorn zou malen, om er meel van te maken, -noch hoe ik, als het tot meel was, er brood van zou maken, en al wist ik -dit, hoe ik het bakken zou. Deze zwarigheden, gevoegd bij mijn verlangen -naar eene groote hoeveelheid zaaikoorn, deden mij besluiten al het koorn -voor het volgende saizoen te bewaren, en middelerwijl mijn gedachten en -mijn tijd te besteden, om mij van meel en brood te voorzien. - -Ik mag letterlijk zeggen, dat ik thans voor mijn brood werkte. Het is -zonderling en ik geloof dat er weinig menschen over nagedacht hebben, -hoe veel kleine zaken er noodig zijn tot het voortbrengen van die eene -enkele zaak, het brood. Ik, die in een blooten natuurstaat mij bevond, -ondervond dit tot mijn dagelijksch verdriet, en gevoelde dit ieder uur, -van het oogenblik af, dat ik zoo onverwachts met zaaikoorn verrast werd. -Eerstelijk had ik geen ploeg om den grond te beploegen, noch eene spade -of schop om dien om te spitten. Dit overwon ik door eene houten spade te -maken; maar schoon hare vervaardiging mij vele dagen kostte, was zij -niet alleen veel spoediger versleten dan eene ijzeren, maar het werken -er mede ook veel zwaarder en slechter. Ik deed het er echter mede, zoo -goed als ik kon. Toen het koorn gezaaid was, had ik geen eg om het land -te eggen, maar moest een zwaren boomtak achter mij aan slepen, om -hiermede de kluiten te breken. Terwijl het rijpte ontdekte ik weder -hoeveel werk ik had om het af te sluiten, te bewaren, te oogsten, naar -huis te brengen, te dorschen, van het kaf te scheiden en te bewaren. -Vervolgens ontbrak mij een molen om het te malen, een zeef om het te -builen, gest en zout om er brood van te maken, en een oven om het in te -bakken; en echter wist ik al deze dingen te maken of te doen vervangen, -gelijk men in het vervolg zien zal, en het graan werd eene onschatbare -aanwinst voor mij. Al mijn werk ging hierdoor langzaam en moeijelijk, -maar dit was niet te verhelpen; en ook had ik er tijd genoeg voor; omdat -ik er dagelijks vaste uren toe bestemd had. Daar ik besloten had niets -van mijn koorn tot brood te gebruiken, voor ik er meer van zou hebben, -had ik zes maanden voor mij om mij de gereedschappen aan te schaffen, -die noodig waren om brood van het koorn te bereiden. - -Maar eerst moest ik meer land toebereiden, want ik had nu zaad genoeg -voor meer dan een morgen lands. Vooraf had ik ten minste eene week werk -om mij eene spade te maken, die nog slecht en zwaar genoeg was, en mij -den arbeid verdubbelde. Ik deed het echter er mede, en zaaide mijn zaad -op twee groote vlakke stukken gronds, zoo digt bij mijn huis als ik die -vinden kon. Ik maakte er eene goede heining om, van stekken gelijk ik er -te voren om gezet had, en die ik wist dat goed groeiden, zoodat ik -rekenen kon binnen het jaar eene goede heining te hebben, die slechts -weinig herstelling zou behoeven. Hoezeer dit werk niet zwaar was, gingen -er echter drie maanden mede heen, omdat het meerendeels in het -regensaizoen was, waarin ik weinig kon uitgaan. Binnen 's huis vond ik, -als het regende en ik niet kon uitgaan, altijd bezigheid genoeg, en -onder het werk vermaakte ik mij met tot mijn papegaai te praten en hem -te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: -_Koo_, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen -mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar -eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk dat ik voor mij -had. - -Ik had namelijk lang gepeinsd hoe ik op de eene of andere wijze aarden -potten zou kunnen maken, die ik hoog noodig had. De hitte van het -klimaat echter deed mij denken, dat als ik slechts goede klei vond, ik -wel eene pot daarvan zou kunnen vormen, die in de zon gedroogd, hard en -sterk genoeg zou zijn om gehanteerd te worden en drooge goederen in te -bewaren. Ik had die noodig voor koorn, vleesch, enz. Ik besloot dus -potten te maken, zoo groot als ik kon, en alleen geschikt om iets in te -bewaren. - -De lezer zou mij beklagen of liever uitlagchen, als ik hem verhaalde, -welke zonderlinge middelen ik bedacht om hierin te slagen; welke -leelijke en wanvormige dingen uit mijne handen kwamen, en hoe dikwijls -mijne potten invielen, omdat de klei niet sterk genoeg was om haar eigen -gewigt te dragen; hoe velen er barstten door de zware zonnehitte, -waaraan ik ze te haastig blootstelde; en hoe velen aan stukken vielen, -als ik ze wilde optillen, zoo wel voor als nadat zij gedroogd waren; en -om kort te gaan, hoe, nadat ik met veel moeite klei gevonden, -uitgedolven, naar huis gebragt, aangemengd en bewerkt had, ik slechts -twee groote leelijke aarden dingen, die men geen potten noemen mogt, na -een arbeid van twee maanden, tot stand had gebragt. - -Toen de zon deze twee echter zeer goed droog en hard had gemaakt, tilde -ik ze voorzigtig op, en plaatste ze in twee groote manden, die ik -daarvoor gevlochten had, ten einde zij niet zouden breken, en daar zij -niet juist er inpasten, vulde ik de tusschenruimten aan met het stroo -van mijne rijst en graan. Deze twee potten, die altoos droog stonden, -begreep ik dat mijn koorn en misschien mijn meel zouden kunnen bevatten. - -Hoe weinig het vervaardigen van groote potten mij nu gelukt was, slaagde -ik echter beter met het maken van kleine ronde potten, schotels en -dergelijke, die door de zonnewarmte zeer hard droogden. Dit alles -voldeed echter niet aan mijn wensch, van eene aarden pot te hebben om -vloeistoffen in te bewaren, en die het vuur verdragen kon, hetgeen bij -deze het geval niet was. Toen ik eenigen tijd daarna een groot vuur -aangemaakt had, om mijn vleesch te braden, en het later wilde uitdooven, -vond ik in het vuur een stuk van een mijner gebroken potten, dat zoo -hard als een steen, en zoo rood als een tegel gebakken was. Dit gezigt -verraste mij en dadelijk begreep ik, dat de geheele pot zoo goed hard -worden zou op het vuur, als een stuk daarvan. Ik dacht na hoe ik het -best vuur zou aanleggen, om eenige potten te bakken. Van een oven, -gelijk de pottenbakkers gebruiken, had ik geen begrip, evenmin van de -wijze om die te verglazen, maar ik plaatste drie groote kruiken, en twee -of drie potten boven op elkander, en het brandhout er om heen, met een -grooten hoop asch er onder. Ik stookte het vuur steeds aan, totdat ik -zag dat de potten van binnen gloeijend waren, en dat zij geen van allen -barstten. Toen zij helder gloeiden, hield ik het vuur op dezelfde -hoogte, gedurende vijf of zes uren; toen ik zag dat eene daarvan, -ofschoon niet barstende, begon te smelten, of vloeibaar te worden, want -het zand, dat onder de klei zat begon te smelten en zou tot glas -geworden zijn, als ik voortgegaan had. Ik liet dus het vuur -langzamerhand uitgaan, tot de potten niet meer gloeiden, en bleef er den -geheelen nacht bij om het vuur niet te snel te laten uitdooven. In den -morgen had ik drie goede, ik zal niet zeggen fraaije kruiken, en twee -potten, zoo hard als ik wenschen kon, en een daarvan was door het -gesmolten zand volkomen verglaasd. - -Ik behoef niet te zeggen, dat ik na deze proefneming geen gebrek aan -aardewerk meer had, maar ik moet bekennen, dat de vorm er van soms vrij -zonderling was, want ik maakte ze gelijk kinderen soms voorwerpen van -klei of stopverw maken. - -Nimmer echter verheugde iemand zich over eene geringe zaak meer dan ik, -toen ik gewaar werd, dat ik een aarden pot gemaakt had, die tegen het -vuur bestand was; en ik had naauwelijks geduld genoeg om te wachten tot -zij koud waren geworden, om een er van met wat water weder op het vuur -te zetten, om er eenig vleesch in te koken, hetgeen zeer goed ging, en -ik verkreeg eene zeer goede soep, schoon het mij aan meel en -verscheidene andere dingen ontbrak, om die zoo goed te maken als ik -wenschte. - -Thans was mijne eerste zorg een steenen vijzel mij te verschaffen, om -mijn koorn in te stampen, want om met mijne twee handen een molen te -maken, daaraan was niet te denken. Hoe ik dit echter zou aanvangen was -mij langen tijd een raadsel, want van alle handwerken ter wereld, was ik -voor dat van steenzager nog minder bekwaam dan voor eenig ander. Menigen -dag besteedde ik met naar een steen te zoeken, die groot genoeg was om -uitgehold te worden en voor een vijzel geschikt te maken, maar ik kon er -geen vinden, behalve een stuk van de rots, dat ik niet er af kon hakken. -Geen der rotsen op het eiland waren ook hard genoeg; allen waren van -eene soort van zandsteen, die de zwaarte van een grooten stamper niet -zoude kunnen verduren, en het koorn met zand zoude vermengen bij het -kneuzen. Na dus veel tijd met het zoeken naar een steen verloren te -hebben, gaf ik het op, en besloot liever een groot blok van hard hout te -zoeken, dat ik veel gemakkelijker vond, en toen ik er een gevonden had, -zoo groot als ik slechts bewegen kon, maakte ik het rond met mijn bijl, -en holde het toen uit met behulp van vuur en met oneindige moeite, op de -wijze als de Indianen in Brazilië hunne kanoe's maken. Daarna maakte ik -een grooten zwaren stamper van ijzerhout, en bewaarde dit toen, tegen -dat ik mijn eerstvolgenden oogst zou te huis hebben gehaald, wanneer ik -voornemens was mijn koorn tot meel te stampen, om daarvan brood te -maken. - -Thans moest ik zorgen om eene zeef te maken, om mijn meel van de zemelen -te scheiden, zonder hetwelk ik begreep geen goed brood te zullen -verkrijgen. Dit was allermoeijelijkst, want van hetgeen ik er toe noodig -had, had ik niets, ik bedoel, fijn dun linnen of gaas. Maanden lang wist -ik niet wat hieraan te doen; ik had geen ander linnen dan eenige lappen. -Ik had wel geitenhaar, maar wist niet hoe dit gesponnen of geweven moest -worden, en al had ik het geweten, dan had ik er geen gereedschap toe. -Eindelijk echter bedacht ik, dat ik onder de matrozenkleederen, die ik -uit het schip gered had, eenige neteldoeksche halsdoeken had. Van deze -maakte ik drie kleine zeven, die echter voor het gebruik tamelijk -geschikt waren, en waarmede ik mij eenige jaren behielp. Hoe ik later -deed zal ik op zijne plaats vermelden. - -Nu moest ik om het bakken denken, en hoe ik deeg zou maken als ik meel -had, want ik had geen gest. Daar hieraan niets te doen viel, dacht ik er -ook niet lang over, maar ik had meer zorg over een oven. Eindelijk -bedacht ik een middel om mij hierin te helpen; ik maakte namelijk eenige -aarden potten zeer breed maar niet diep, dat is zeggen van ongeveer twee -voet in doorsnede, en negen duim hoog; deze bakte ik in het vuur gelijk -de vorigen en bewaarde ze, en als ik brood wilde bakken legde ik een -groot vuur op mijn haard aan, dien ik met eenige tegels, ook al van mijn -eigen baksel, belegd had, maar die alles behalve volkomen vierkant -waren. - -Als het hout goed tot kolen gebrand was, plaatste ik deze op den haard, -zoodat hij er geheel mede bedekt was en liet ze daar liggen tot de haard -gloeijend heet was, dan schoof ik ze ter zijde en plaatste er mijn -potten of vormen op, en hoopte de kolen op zijde daartegen aan, om de -hitte te vermeerderen. Aldus bakte ik mijn deeg, zoo goed als in den -besten oven van de wereld, en werd weldra een heele pastijbakker, want -ik maakte al aardige rijstkoekjes en poddings, maar geen pastijtjes, -want daar had ik alleen geitenvleesch of dat van gevogelte in kunnen -doen. - -Men moet zich niet verwonderen, dat ik hiermede bijkans geheel het derde -jaar van mijn verblijf bezig was, want men moet bedenken, dat ik onder -de hand tevens mijn nieuwen oogsten akkerbouw moest bestieren. Ik maaide -mijn koorn op zijn tijd, en bragt het naar huis zoo goed ik kon, in -mijne groote manden, waarin ik het in de airen liggen liet, tot ik tijd -had het er uit te wrijven; want ik had geen dorschvloer, en geen vlegel -om het mede te dorschen. - -En daar nu mijn voorraad van koorn vermeerderde, had ik ook een grooter -bergplaats noodig. Ik had nu ongeveer twintig schepels graan en schier -even veel rijst, zoodat ik het nu vrij durfde gebruiken, want mijn brood -was reeds lang op. Ik besloot nu ook te zien hoe veel ik voor een geheel -jaar noodig had, en dan slechts eenmaal 's jaars te zaaijen. - -Ik bevond ten laatste dat ik aan de veertig schepels rijst en graan voor -een jaar meer dan genoeg had, dus nam ik voor alle jaren even veel als -de laatste maal te zaaijen, in de hoop, dat ik aan den oogst hiervan ten -volle genoeg zou hebben, voor brood voor een geheel jaar. - -Terwijl ik mij met deze dingen onledig hield, waren mijne gedachten -dikwijls gevestigd op het land, dat ik van den anderen kant van het -eiland had gezien, en wenschte ik heimelijk, dat ik daar aan wal zijn -mogt, in de verbeelding, dat ik het vaste land en een bewoonde plaats -zien, en eenig middel ontdekken zou, om verder te komen. Ik dacht echter -weinig aan de gevaren van zulk een toestand, en hoe ik in de handen der -wilden zou kunnen vallen, welke welligt meer te vreezen waren dan de -leeuwen en tijgers van Afrika, en dat zoo ik in hunne handen viel, het -duizend tegen een was, dat ik gedood en welligt opgegeten zou worden; -want ik had gehoord, dat de bewoners van de Caraïbische kust kannibalen -of menscheneters waren; en naar de breedte te oordeelen, kon ik niet ver -van hen verwijderd zijn. En al waren zij geene menscheneters, dan konden -zij mij ligtelijk dooden, gelijk zoo vele Europeanen gebeurd was, die in -hunne handen waren gevallen, zelfs bij tien en twintig te gelijk, hoe -veel meer dan mij, die alleen was en mij weinig of niet verdedigen kon. -Dit alles, zeg ik, hetgeen ik toen had moeten bedenken, en dat mij later -inviel, boezemde mij toen geen de minste vrees in, en steeds peinsde ik -op middelen om naar die kust over te steken. Hoe verlangde ik thans naar -den Moorschen jongen en de boot, met welke ik wel duizend mijlen langs -de Afrikaansche kust had afgelegd; maar deze had ik thans niet. Toen -bedacht ik de boot van ons schip te gaan opzoeken, die, gelijk ik zeide, -een groot eind weegs op het strand was geslagen, bij het begin van den -storm. Deze lag nog bijkans op dezelfde plaats en was door het geweld -van wind en golven bijkans onderst boven gekeerd, tegen eenen hoogen -zandheuvel aan, waar zij hoog en droog lag. Zoo ik volk bij mij gehad -had, om deze boot te herstellen en te water te brengen, had dit wel -kunnen geschieden, en ik er mede naar Brazilië teruggekeerd zijn; maar -ik kon ligt beseffen, dat ik haar evenmin kon opheffen en omkeeren als -het eiland zelf. Ik ging echter naar het bosch, en kapte hefboomen en -rollen, en bragt die naar de boot, om te zien wat ik er mede zou kunnen -doen, daar ik dacht, dat als ik haar maar eerst omgekeerd had, ik -gemakkelijk de schade zou kunnen herstellen, en daar het eene zeer goede -sloep was, er mede in zee steken. - -Ik spaarde geene moeite aan dezen vruchteloozen arbeid, en bragt er, -geloof ik, drie of vier weken mede zoek. Toen ik eindelijk vond, dat het -mij onmogelijk was haar om te keeren, bedacht ik, het zand er onder uit -te delven, en haar zoo te doen vallen, nadat ik er verscheidene stukken -hout onder geplaatst had, om den val te breken en te regelen. - -Maar toen ik dit gedaan had, kon ik haar evenmin verwrikken, of er onder -komen, laat staan haar te water brengen; dus moest ik dit opgeven; -schoon ik echter alle hoop op de boot varen liet, groeide mijne -begeerte, om naar het vaste land over te steken, steeds aan, naar gelang -de middelen daartoe onmogelijker schenen. - -Dit bragt mij op de gedachten, of het mij niet mogelijk zou zijn eene -kanoe of praauw te maken, gelijk de inboorlingen onder deze hemelstreek -gebruiken, zelfs zonder gereedschappen, namelijk uit een grooten -boomstam. Ik achtte dit niet alleen mogelijk, maar zelfs gemakkelijk, en -verheugde mij zeer in het vooruitzigt, die te maken, en dat ik daartoe -meer hulpmiddelen zelfs had dan de Negers en Indianen. Maar ik dacht -niet aan hetgeen, waarin ik bij de Indianen te kort schoot, namelijk -gebrek aan volk om te roeijen, als zij klaar was, eene zwarigheid, die -voor mij veel moeijelijker te overwinnen was dan al het gebrek aan -gereedschappen voor hen; want wat baatte het mij als ik een grooten boom -uit het bosch had uitgekipt, dien met veel moeite gekapt, en ik daarna -met behulp van mijne werktuigen in staat was, dien van buiten den vorm -van een boot te geven, en van binnen met vuur of ijzer uit te hollen, -zoo dat het eene boot werd; als ik na dat alles die moest laten waar zij -lag, en niet in staat was haar te water te brengen? - -Men zal niet kunnen begrijpen, dat ik niet de minste nagedachten over -mijn toestand had, terwijl ik de boot maakte, anders had ik dadelijk -moeten denken hoe ik haar in zee zou brengen; maar mijne gedachten waren -zoo geheel vervuld met mijne reis over zee met haar, dat ik er zelfs -nimmer aan dacht, hoe ik van het land zou komen, en toch was het -inderdaad voor mij veel gemakkelijker de boot vijftien mijlen over zee -te brengen, dan vijfenveertig over land, van de plaats waar zij lag tot -in het water. - -Ik toog te werk aan deze boot, meer als een gek, dan als iemand, die -zijn gezond verstand heeft. De voorgenomen reis streelde mij, zonder dat -ik ooit overwoog of ik wel in staat zou zijn die te beginnen. Wel dacht -ik dikwijls, dat het mij moeijelijk zou zijn mijne boot te water -brengen, maar dan stopte ik mij zelven den mond met het dwaze antwoord: -"Laat mij maar eerst de kanoe gereed hebben, dan zal ik wel middel -vinden haar te gebruiken." - -Dit was eene alleronverstandigste handelwijze, maar mijne verbeelding -bragt mij het hoofd op hol, en dus ging ik aan het werk, en deed een -cederboom vallen. Ik weet niet of Salomo ooit een grooter had bij de -bouwing van den tempel te Jeruzalem, want hij was van onderen bij den -wortel vijf voet en tien duim in doorsnede, en vier voet elf duim aan -het andere einde, tweeëntwintig voet hooger, daarna werd hij dunner en -liep in takken uit. Met eindelooze moeite velde ik dezen boom. Twintig -dagen hakte ik aan den stam, toen had ik nog veertien dagen noodig om -er de takken en armen, en de wijd uitgespreide kruin af te kappen, -hetgeen met mijne bijlen een ontzettende arbeid voor mij was. Daarna -ging er nog eene maand heen met den stam te vormen, en er eenigermate -den vorm van eene sloep aan te geven, zoodat hij, gelijk het behoorde, -regt op in het water kon drijven. Het uithollen, zoo dat hij den juisten -vorm van eene sloep verkreeg, deed ik zonder behulp van vuur, maar door -zwaren arbeid met een hamer en beitel, tot ik eindelijk eene vrij knappe -praauw voor den dag bragt, groot genoeg om zesentwintig man te voeren, -en dus althans groot genoeg voor mij en mijne lading. - -Toen mijn werk zoo ver gedaan was, had ik er regt genoegen in. De boot -was vrij wat grooter dan ik ooit in mijn leven eene kanoe of praauw, uit -één stam gemaakt, had gezien. Menig droppel zweet had zij mij gekost, -dat kan ik verzekeren. Nu bleef er slechts over haar te water te laten -loopen. Zoo ik dit had kunnen doen, twijfel ik niet of ik zou de -dolzinnigste en gewaagdste reis ondernomen hebben, die ooit bij iemand -opgekomen was. - -Maar al mijne uitvindingen, om haar te water te brengen, mislukten, -schoon zij mij ontzettenden arbeid kostten. De boot lag wel niet verder -dan ongeveer honderd ellen van het water, maar in de eerste plaats liep -de grond hoog op bij de kreek. Ik besloot deze hoogte weg te graven, zoo -dat de grond daar laag afliep. Hieraan begon ik weder met ontzettende -moeite; maar wie vraagt naar moeite bij het vooruitzigt op zijne -bevrijding? Maar toen deze moeijelijkheid uit den weg geruimd was, was -er slechts één bezwaar overwonnen, want ik kon de kanoe even min bewegen -als vroeger de andere boot. - -Ik mat daarop den afstand, en daar ik de kanoe niet naar het water kon -brengen, besloot ik het water naar de kanoe te brengen, door een kanaal -te graven tot aan de plaats, waar zij lag. Ik begon ook hieraan, maar -toen ik nu eens narekende hoe diep en breed ik dit moest graven, hoe ik -de aarde er uit moest werken, vond ik, dat bij het aantal handen, -waarover ik beschikken kon, te weten mijne eigene twee, er tien of -twaalf jaren zouden verloopen voor ik dit kon volbrengen, want de kust -lag hoog, zoo dat ik aan het einde twintig voet diep had moeten graven. -Hoezeer met grooten weerzin, moest ik dus eindelijk mijn plan opgeven. -Dit griefde mij bitter, en nu zag ik te laat in hoe dwaas het is een -werk te beginnen, zonder eerst te bedenken, of wij in staat zijn het te -volvoeren. - -Midden in dit werk was ik, toen het vierde jaar van mijn verblijf alhier -eindigde, en ik bragt dien dag evenzeer in gebeden door als de vorige, -en met gelijke vertroosting, want door eene gestadige beoefening van -Gods Woord, en ondersteund door Gods genade, had ik thans geheel andere -begrippen dan te voren. Ik beschouwde nu de wereld als een afgelegen -oord, als iets, waarmede ik niets te maken, waarvan ik niets te -verwachten had, en waarnaar ik waarlijk niet verlangde. Kortom, daar ik -er waarschijnlijk nimmer weder iets mede te maken zou hebben, beschouwde -ik de wereld gelijk ik dacht, dat wij die welligt hier namaals zullen -beschouwen, namelijk als een plaats, waarin ik geleefd, doch die ik -thans verlaten had. Ik mogt er wel van zeggen gelijk Abraham tot den -rijken man in het Evangelie: "Tusschen mij en ulieden is eene groote -kloof gevestigd." - -Ik was inderdaad buiten het bereik van de verzoekingen der wereld. Noch -den lust des vleesches, noch den lust der oogen, noch de hoogmoed des -levens had ik hier te duchten. Ik had niets te benijden, want al wat mij -hier eenig genot kon verschaffen was in mijn bezit. Ik was heer van het -geheele land, en kon mij keizer of koning van hetzelve noemen als ik het -goed vond. Ik had geene mededingers, niemand die mij de heerschappij of -het oppergezag betwistte. Ik had scheepsladingen koorn kunnen teelen, -maar kon ze niet gebruiken, dus liet ik niet meer groeijen dan ik voor -mij noodig achtte. Ik had overvloed van schildpadvleesch, nu en dan een -was voor mij genoeg. Ik had hout genoeg om eene geheele vloot te bouwen, -en genoeg druiven om die vloot met wijn of rozijnen te laden, als zij -gebouwd was. - -Maar voor mij was datgene alleen van waarde, wat ik gebruiken kon. Ik -had genoeg om in mijne behoeften te voorzien, en wat zou mij meer gebaat -hebben? Had ik meer wild geschoten dan ik nuttigen kon, mijn hond of de -roofvogels hadden het moeten eten; had ik meer koorn gezaaid dan ik -noodig had, het had moeten bederven. De boomen, die ik geveld had, lagen -op den grond te verrotten. Ik kon ze alleen als brandhout gebruiken, en -dit had ik alleen noodig om mijn eten op te koken. - -In één woord, de natuur en mijne ondervinding leerden mij, na rijp -nadenken, dat alle goederen der wereld voor ons niet verder goed zijn -dan zij voor ons gebruik geschikt zijn, en dat van al wat wij -bijeenschrapen, om anderen te geven, wij zoo veel genieten als wij -gebruiken kunnen en meer niet. De schraapzuchtigste vrek der wereld zou -van zijne gierigheid genezen zijn geworden, als hij in mijn toestand -ware geweest, want ik bezat oneindig meer dan ik wist te gebruiken. Ik -had niets te verlangen, dan eenige beuzelingen, die ik niet bezat, maar -die mij van groot nut zouden geweest zijn. Ik had, gelijk ik vroeger -gezegd had, eenig geld in goud en zilver, ter waarde van ruim -zesendertig pond sterling. Helaas, daar lag dat ellendig, nietswaardig -goed! Ik kon er niets mede aanvangen, en dacht dikwijls bij mij zelven, -dat ik er handen vol van had willen geven voor een gros tabakspijpen of -een molen om mijn koorn te malen; ik had het altemaal willen geven voor -de waarde van een paar dubbeltjes aan zaad van peenen en knollen, of -voor eene hand vol erwten en boonen en eene flesch inkt. Thans had ik er -niet het minste voordeel van, het lag in eene lade te beschimmelen door -de vochtigheid in het regensaizoen; en al was die lade vol diamanten -geweest, het zou hetzelfde geweest zijn, en daar zij mij van geen nut -waren, hadden zij geene waarde voor mij. - -Mijn levenswijze was thans voor mij veel aangenamer en geruster naar -ligchaam en ziel, dan in den beginne. Dikwijls zette ik mij met een -dankbaar hart aan tafel, en bewonderde de bestiering der Goddelijke -Voorzienigheid, die aldus in de wildernis mij spijs had bereid. Ik -leerde meer op de gunstige en minder op de ongunstige zijde van mijn -toestand zien, en meer te denken aan hetgeen ik bezat dan aan hetgeen -mij ontbrak, en dit verschafte mij somwijlen meer opbeuring dan ik hier -kan zeggen, en waarvan ik hier melding maak, om dit te doen bedenken aan -hen, die onvergenoegd zijn en niet rustig kunnen genieten wat God hun -geschonken heeft, omdat zij datgene zien en benijden, wat Hij hun heeft -onthouden. Al ons verdriet over hetgeen ons ontbreekt, schijnt mij toe -te ontstaan uit gebrek aan dankbaarheid voor hetgeen wij bezitten. - -Eene andere bedenking was mij zeer nuttig, en zal dit ongetwijfeld zijn -voor ieder, die zich in een tegenspoed als de mijne bevindt; deze -bestond daarin, dat ik mijn tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, -welken ik in den beginne te gemoet zag, en die zeker mijn lot zou -geweest zijn, als Gods genadige Voorzienigheid niet het schip nader bij -het strand had geworpen, zoodat ik er niet alleen kon bijkomen, maar er -alles uit naar den wal brengen, wat ik noodig had; zonder hetwelk ik -noch gereedschap om te werken, noch wapens tot mijne verdediging, noch -kruid en lood om mijn voedsel te verkrijgen, zou gehad hebben. - -Geheele uren, ja geheele dagen bragt ik aldus door met mij op het -levendigst voor te stellen hoe ik had moeten handelen, als ik niets uit -het schip had kunnen halen; hoe ik geen ander voedsel dan visch en -schildpadden had bekomen, of liever, daar het lang duurde eer ik dezen -vond, hoe ik voor dien tijd van honger had moeten sterven, of zoo niet, -hoe ik dan als een wilde had moeten leven, en zoo ik bij toeval mij van -een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen -afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als -een beest vaneen scheuren. - -Deze gedachten deden mij de goedheid der Voorzienigheid jegens mij -beseffen, en mij dankbaar zijn voor mijn tegenwoordigen toestand, met al -zijne gevaren en ongemakken; en ik moet dus ook dit ernstig ter -overweging aanbevelen aan hen, die in hunne ellende zeggen: "Is er -eenige droefenis als de mijne?" Laat hen bedenken hoe veel erger sommige -lieden er aan toe zijn, en zij zelven zouden zijn, als de Voorzienigheid -dit gewild had. - -Nog eene bedenking vertroostte mijn geest, en deze was, als ik mijn -tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, welken ik verdiende, en dus -billijk van de Voorzienigheid had mogen verwachten. Ik had geleefd -buiten alle kennis en vreeze Gods. Wel hadden mijne ouders mij -onderwezen en vroegtijdig getracht mij de vreeze Gods in te boezemen, -met een besef van mijne pligten en van de bestemming en het doel mijns -levens. Maar, helaas, vroegtijdig was ik tot een zwervend leven -vervallen, en in een gezelschap, waarin het weinige van de godsdienst -werd uitgeroeid, dat ik nog bezat, door den spot mijner makkers, door -eene hardvochtige verachting van gevaren en het zien van den dood, -waaraan ik gewoon raakte; door mijn langdurig verstoken zijn van alle -gelegenheid om met iemand van andere beginselen dan ik omtegaan, of iets -te hooren, dat goed was, of eene goede strekking had. - -Zoo geheel was ik buiten het bezit van al wat goed was, of van alle -denkbeeld daaraan, dat bij mijn grootste weldaden, zoo als mijne -ontsnapping van Salé, toen ik door den Portugeschen kapitein opgenomen -werd, toen ik zoo wel slaagde in Brazilië, mijne lading uit Engeland -ontving, enz., ik nimmer de woorden: "Gode zij dank," in mijn hart of in -mijn mond had; en bij mijne grootste tegenspoeden dacht ik zelfs niet -aan het gebed, en gebruikte Gods naam alleen tot vloeken en lasteren. - -Verscheidene maanden, gelijk ik reeds gezegd heb, was mijn geest zeer -bedrukt over mijn vorig snood en verhard leven; en toen ik alles om mij -heen beschouwde en overwoog, welke bijzondere bestieringen ik sedert -mijne komst alhier had ontwaard, en hoe goedertieren God met mij -gehandeld had; hoe Hij mij niet alleen minder gestraft had, dan mijne -overtredingen verdienden, maar zoo genadig voor mij gezorgd had; gaf dit -mij groote hoop, dat God mijn berouw had aangenomen, en ik nog in 't -vervolg op zijne goedertierenheid hopen mogt. - -Deze overwegingen maakten mij niet alleen onderworpen aan den wil van -God, in mijn tegenwoordigen toestand, maar zelfs opregt dankbaar voor -denzelven. Ik bedacht, dat ik, die nog in leven was, mij niet mogt -beklagen, daar ik geenszins de regtmatige straf voor mijne zonden had -ontvangen; maar dat ik dagelijks mij verheugen en dankbaar zijn moest -voor dat dagelijksch brood, dat mij als door een wonder geschonken was, -een wonder zoo groot, als dat van de voeding door de raven van den -Profeet Elias, of liever door eene reeks van wonderen. Ik bedacht, dat -ik van al de onbewoonde plaatsen op de wereld, geene plaats kon -bedenken, waar ik gunstiger omstandigheden had kunnen aantreffen. Ik was -aan den eenen kant van alle menschelijk gezelschap beroofd, hetgeen mij -eene groote droefheid was, maar aan den anderen kant werd mijn leven -niet bedreigd door verscheurende dieren; er waren geene venijnige dieren -of giftige planten, geene wilden om mij te slagten. Kortom, schoon mijn -leven aan den eenen kant zeer treurig was, was het aan den anderen kant -gezegend; zoo ik slechts een regt besef had van Gods goedheid en zorg -voor mij, en hieruit mijne dagelijksche vertroosting putte. Toen ik -deze dingen goed inzag, was ik niet meer ter nedergeslagen. - -Ik was hier nu zoo lang geweest, dat verscheidene zaken, die ik aan wal -had gebragt of geheel versleten of gebruikt waren. Mijne inkt -bijvoorbeeld was geheel verbruikt, sedert eenigen tijd, op een weinig -na, dat ik zoo dikwijls met water had aangelengd, tot hij zoo bleek was, -dat men hem naauwelijks op het papier zien kon. Zoo lang hij duurde had -ik hem gebruikt, om de dagen van de maand op te teekenen, waarin mij -iets merkwaardigs gebeurde, en bij overweging van het verledene, -ontdekte ik een zonderling zamentreffen van de dagen, waarop mij -verschillende gewigtige gebeurtenissen bejegend waren, en zoo ik -bijgeloovig genoeg was geweest, om aan ongelukkige of gelukkige dagen te -gelooven, zouden mij deze niet zonder reden sterk getroffen hebben. - -In de eerste plaats vond ik, dat op denzelfden dag van het jaar, dat ik -mijn vaders huis verliet en naar Hull ging, om in zee te gaan, op -dienzelfden dag werd ik door een Saleschen kaper genomen en tot slaaf -gemaakt. Ik ontkwam aan de schipbreuk op de reede van Yarraouth op -denzelfden dag, dat ik naderhand van Salé in de boot vlugtte. Eindelijk, -op mijn geboortedag, te weten den 30 September, werd mijn leven zoo -wonderdadig gespaard, toen ik op dit eiland op het strand geworpen werd; -zoo dat mijn zondig leven en mijn eenzaam leven op dit eiland op -denzelfden dag begonnen waren. - -Het eerst wat na mijn inkt op raakte was mijn brood, ik bedoel de -beschuit, die ik uit het schip bragt. Met deze was ik zoo spaarzaam als -mogelijk geweest, en had meer dan een jaar lang er dagelijks slechts een -van gebruikt; en toch had ik een geheel jaar lang geen brood, tot ik -zelf eenig koorn verkreeg, hetgeen zoo wonderdadig bewaard en eene -groote weldaad voor mij was. - -Mijne kleederen begonnen jammerlijk te verslijten. Ik had geen linnen -meer dan eenige oude hemden, die ik in de kisten van andere matrozen had -gevonden, en die ik zorgvuldig bewaarde, omdat ik dikwijls niets anders -dragen kon dan een hemd, en het was een groot geluk voor mij, dat er bij -de matrozen kleederen schier drie dozijn hemden waren. Er waren ook -verscheidene dikke buizen van de matrozen, maar deze waren te warm om te -dragen, en hoewel het luchtgestel zoo geweldig heet was, dat men geene -kleederen behoefde, kon ik toch niet geheel naakt gaan, al had ik er -lust toe gehad, hetgeen in 't geheel het geval niet was, want ik kon, -ofschoon ik geheel alleen was, het denkbeeld er van niet verdragen. - -Eene reden, waarom ik niet geheel naakt kon gaan, was, dat ik geheel -naakt, niet zoo goed de zonnehitte verdragen kon, als wanneer ik eenige -kleederen aan had; want de zon verschroeide letterlijk mijne huid, -terwijl, als ik een hemd aan had, de wind mij eenige koelte gaf, door -onder hetzelve te spelen. Even min kon ik het zoo ver brengen, dat ik -zonder een hoed of muts in de zon liep; want dadelijk zou de zonnehitte -mij hoofdpijn gegeven hebben, als de zonnestralen zoo regt op mijn hoofd -vielen, terwijl ik door het dragen van een hoed of muts hiervoor bewaard -werd. - -Te dien einde besloot ik eens schouwing te houden van al de lappen, die -ik over had, en die ik mijne garderobe noemde. Al mijne kamizolen waren -versleten, ik trachtte dus anderen te maken van de groote jassen, die ik -had. Ik ging dus aan het kleedermaken of liever lappen. Het ging echter -nog al dragelijk; maar de broeken, die ik alstoen maakte, zagen er -jammerlijk uit. - -Ik heb reeds gezegd, dat ik de huiden van al de viervoetige beesten, die -ik gedood had, had bewaard, en die met eenige stokken in de zon -uitgespannen, waardoor sommigen zoo hard geworden waren, dat zij -genoegzaam onbruikbaar waren; van anderen echter had ik veel nut. Het -eerste wat ik van deze maakte was eene groote muts met het haar naar -buiten, opdat de regen er langs zou loopen. Dit ging zoo goed, dat ik -een geheel stel kleederen van deze huiden maakte, namelijk eene buis en -broek, aan de knieën open en zeer ruim, want zij moesten mij eer koel -houden dan verwarmen. Ik moet bekennen, dat zij er jammerlijk uitzagen -en dat, ofschoon een slechte timmerman, ik nog tienmaal slechter snijder -was. Echter kwamen zij mij zeer goed te stade, en als ik in den regen -liep, bleef ik volkomen droog, omdat er geen regen doordrong. - -Daarna besteedde ik veel tijd en arbeid, om mij een zonnescherm te -maken; ik had er een hoog noodig en verlangde er zeer naar. Ik had ze te -Brazilië gezien, waar zij bij de zware hitte zeer nuttig zijn; en hier, -nog digter bij de evennachtslijn, was de hitte zelfs nog heviger. -Bovendien was zulk een scherm voor mij even nuttig voor den regen als -voor de zon. Ik gaf mij ontzettende moeite, en het duurde lang voor ik -iets maken kon, dat opstond. Toen ik eindelijk dacht er achter te zijn, -mislukten er nog twee of drie, maar eindelijk had ik er een die tamelijk -naar mijn zin was. De grootste moeijelijkheid was om te maken, dat het -neêr sloeg. Ik kon er wel een maken dat opgezet kon worden, maar als ik -dit niet kon neêr doen, had ik het altijd boven mijn hoofd moeten dragen -en dat ging niet. Eindelijk echter maakte ik een goed, en bedekte het -met huiden, met het haar naar buiten, zoo dat de regen er goed afliep; -en het weerde de zon zoo goed af, dat ik thans veel beter in het warmste -weder dan vroeger in het koelste kon uitgaan. Als ik mijn scherm niet -noodig had, droeg ik het toegeslagen onder mijn arm. - -Aldus leefde ik zeer rustig, mijn geest was zeer bedaard, doordien ik -mij geheel aan Gods wil onderworpen en aan zijne voorzienigheid -toevertrouwd had. Hierdoor leefde ik beter dan in de maatschappij, want -als ik naar verkeering met menschen verlangde, dan vroeg ik mij zelven -af, of aldus met mij zelven en naar ik hoopte, in mijne gebeden, met -mijnen Schepper te verkeeren, niet beter was dan de grootste genietingen -van den omgang met anderen in de wereld? - -Ik kan niet zeggen, dat mij na dien tijd, vijf jaren lang, iets -buitengewoons gebeurde, ik leefde op dezelfde wijze en op dezelfde -plaats voort. Hoofdzakelijk hield ik mij bezig, behalve met mijn -jaarlijkschen arbeid van graan en rijst te teelen, en van mijne druiven -te droogen, waarvan ik altijd voor een jaar in voorraad had; ik zeg -behalve dezen arbeid en mijn dagelijks uitgaan met mijn geweer, had ik -ondernomen eene kanoe te maken, die ik ten laatste voltooid had; zoodat -ik, door er een kanaal van zes voet wijd en vier voet diep voor te -delven, die eene halve mijl ver, in de kreek bragt. De eerste kanoe was, -gelijk ik gezegd heb, zoo groot, dat ik die niet naar het water, en het -water evenmin naar de kanoe kon brengen; dus lag zij daar als eene -herinnering voor mij, om in het vervolg verstandiger te werk te gaan. - -Den volgenden keer dan ook, schoon ik er geen geschikten boom toe vinden -kon, en het op eene plek was, waar het water eene halve (Eng.) mijl ver -moest gebragt worden, gaf ik het echter geenszins op, zoodra ik zag dat -het uitvoerbaar was, en schoon ik er bijkans twee jaren aan bezig was, -verdroot mij deze arbeid nimmer, omdat ik hoop had van eindelijk eene -boot te verkrijgen, waarmede ik naar zee zou kunnen gaan. - -Toen echter eindelijk mijne kleine praauw voltooid was, beantwoordde -hare grootte echter volstrekt niet aan het doel, dat ik beoogde toen ik -de groote maakte; ik meen van er mede naar het vaste land over te -steken, waar dit ongeveer veertig (Eng.) mijlen ver af lag. De kleinte -van mijn boot droeg er ook toe bij, aan dat voornemen een einde te -maken, en eindelijk dacht ik er niet meer aan. Maar daar ik nu eene boot -had, vatte ik thans het voornemen op eene reis rondom mijn eiland te -maken. Ik was, gelijk ik verhaald heb, toen ik het eiland dwars -doorgetrokken was, op eene plaats aan de andere zijde geweest, en mijne -op dien togt gemaakte ontdekkingen maakten mij zeer verlangend ook de -andere deelen der kust te zien, en nu ik eene boot had, maalde het -denkbeeld van het eiland rond te varen, mij den geheelen dag door het -hoofd. - -Te dien einde, en om alles met beleid en bezadigdheid te doen, -vervaardigde ik een mastje voor mijne boot, en maakte er een zeil voor, -uit sommige stukken van scheepszeilen, die in groote menigte, in mijne -voorraadschuur lagen. - -Toen de mast en het zeil gereed waren, beproefde ik de boot, en vond dat -zij zeer goed zeilde. Toen maakte ik kleine kasten of bergplaatsen van -voren en achteren in mijne boot, om er leeftogt, kruid, lood en andere -noodwendigheden in droog te houden, hetzij voor regen of voor het schuim -der zee, en aan de binnenzijde maakte ik eene lange geul, waarin ik mijn -geweer kon leggen, met eene klep er over heen, om het droog te houden. - -Ik maakte mijn zonnescherm van achteren vast in de boot, zoodat het -overeind stond, boven mijn hoofd, en mij even als eene zonnetent voor de -hitte beschermde. Op deze wijze deed ik nu en dan een togtje naar zee, -maar ging nimmer diep in zee, of ver van de kleine kreek. Eindelijk -echter verlangde ik zoo, om den omtrek van mijn koningrijkje te bezien, -dat ik de reis rondom hetzelve besloot te ondernemen. Diensvolgens -rustte ik mijn scheepje uit voor de reis. Ik deed er in twee brooden, of -liever koeken, van mijn meel gebakken, eene aarden pot vol gepelde -rijst, (een voedsel dat ik veel gebruikte) een klein fleschje rum, eene -halve geit en kruid en lood om er meer te schieten; en twee grove -jassen, die ik, gelijk ik gezegd heb, uit de matrozenkisten gered had. -Deze laatste dienden, de een om op te liggen, de ander om mij des nachts -te bedekken. - -Het was den 6 November, in het zesde jaar mijner regering of van mijne -gevangenschap, zoo als men het noemen wil, dat ik op deze reis onderzeil -ging. Ik vond dat de reis veel verder was dan ik verwacht had, want -schoon het eiland op zich zelf niet zoo groot was, vond ik, toen ik aan -de oostzijde kwam, een groot rif van klippen, dat zich ongeveer twee -mijlen ver in zee uitstrekte, sommige waren boven water, andere blind; -en achter deze strekte eene drooge zandbank zich nog eene mijl verder -uit, zoodat ik verpligt was een groot eind in zee te steken, om deze -kaap te omzeilen. - -Toen ik dit rif het eerst ontdekte, stond ik op het punt, mijne -onderneming op te geven en terug te keeren, daar ik niet wist hoe ver ik -genoodzaakt zou zijn in zee te gaan, en bovenal hoe ik zou terugkeeren, -dus ging ik voor anker liggen, want ik had van eene gebroken dreg, die -ik uit het schip gehaald had, eene soort van anker gemaakt. Na mijne -boot goed vastgelegd te hebben, nam ik mijn geweer en stapte aan land, -waar ik op een heuvel klom, van welken ik dacht die kaap te kunnen -overzien, en waar ik hare geheele uitgestrektheid waarnam, en besloot -het te wagen. - -Toen ik van den heuvel, waarop ik stond, de zee overzag, bespeurde ik -eene sterke, ja eene allergeweldigste strooming, die oostelijk liep, en -zelfs digt langs het rif heen; en ik nam dit te naauwkeuriger op, omdat -ik inzag dat er eenig gevaar bestond, dat als ik in deze strooming -geraakte, ik door hare hevigheid zeewaarts kon gesleept worden, zonder -dat ik het eiland weder zou kunnen bereiken. En waarlijk, als ik niet -eerst op den heuvel was geklommen, geloof ik, dat dit ook zou gebeurd -zijn, want aan de andere zijde was dezelfde strooming, behalve, dat die -op een verderen afstand liep, en digt onder de kust liep eene sterke -tegenstrooming, zoo dat ik niets te doen had dan slechts buiten de -eerste strooming te blijven, en ik zou ongetwijfeld naar de kust -teruggevoerd worden. - -Ik bleef echter twee dagen voor anker liggen, omdat de wind, die vrij -stevig was (uit het O.Z.O., en dus juist tegen de gezegde strooming -inblies) op dat punt eene zware branding maakte, zoo dat het uithoofde -van de branding niet veilig voor mij was, al te digt bij de kust te -houden, en niet al te ver af, uithoofde van de strooming. - -Den derden dag was des morgens de zee stil, daar de wind gedurende den -nacht was gaan liggen, en ik waagde den togt; maar het volgende is eene -les voor alle onbedreven loodsen. Naauwelijks was ik aan het rif, zelfs -nog geen bootslengte van den wal, of ik bevond mij in zeer diep water, -en eene strooming, die als een molensluis liep. Deze sleepte mijne boot -met zoo veel geweld mede, dat ik, wat ik ook deed, haar niet aan den -rand der strooming kon houden, maar zij mij, naar ik bemerkte, al verder -en verder van de tegenstrooming, die aan mijne linkerhand was, -afsleepte. Er was geen wind genoeg om mij te helpen, en wat ik met mijne -riemen doen kon beteekende niets. Ik begon mij thans verloren te achten, -want daar de strooming aan beide kanten van het eiland was, wist ik dat -zij op weinige mijlen afstands met elkander zamentreffen moesten, en dan -was ik onherstelbaar verloren. Ik zag ook geene mogelijkheid het te -vermijden, zoodat ik niets voor oogen had dan den dood, niet van de zee, -want die was kalm genoeg, maar van den dood door honger. Ik had wel is -waar, eene schildpad, zoo groot als ik maar optillen kon, aan het strand -gevonden, en in de boot geworpen, en ik had eene groote kruik met zoet -water, dat is te zeggen een van mijne gebakken potten; maar wat zou mij -dit baten als ik in den uitgestrekten Oceaan gedreven werd, waar op -misschien duizend mijlen afstands, geene kust, geen vast land of eiland -was. - -En nu zag ik, hoe gemakkelijk de Goddelijke Voorzienigheid den -rampzaligsten toestand, waarin zich iemand bevindt, nog veel erger kan -maken. Nu zag ik naar mijn eenzaam eiland uit, als naar de aangenaamste -plaats der wereld, en het grootste geluk, waarnaar ik wenschen kon, was, -dat ik daar maar weder zijn mogt. Verlangend strekte ik er de handen -naar uit. "O, gelukkig oord," zeide ik, "ik zal u nimmer wederzien! -Rampzalige, die ik ben, waar ga ik heen?" Vervolgens verweet ik -mijzelven mijne ondankbaarheid, en hoe ik over mijn eenzamen toestand -getreurd had, en wat ik nu wel niet zou willen geven als ik daar slechts -weder aan wal was! Zoo zien wij nimmer onzen toestand in het ware licht, -voor wij door het tegendeel, er een helderder inzigt in verkrijgen; en -datgene wat wij genieten, leeren wij eerst waarderen als wij het moeten -missen. Het is naauwelijks mogelijk zich de ontroering te verbeelden, -waarin ik mij thans bevond, nu ik van mijn geliefd eiland (zoo -beschouwde ik het thans) op den wijden Oceaan was gedreven, schier twee -mijlen ver, en genoegzaam wanhopende het ooit weder te zullen zien. Ik -werkte echter hard, tot mijne kracht genoegzaam uitgeput was, en hield -mijne boot zooveel noordelijk, dat wil zeggen naar den kant der -strooming, waar de tegenstrooming lag, als ik bij mogelijkheid kon. -Tegen den middag meende ik een windje in mijn gezigt te voelen, dat uit -het Z. Z. O. kwam. Dit beurde mijn moed een weinig op, vooral toen het -een half uur later eene frissche koelte begon te waaijen. Ik was thans -op een vreesselijken afstand van het eiland, en als er mistig weder was -opgekomen, was ik ook verloren geweest, want ik had geen kompas aan -boord, en zou nooit geweten hebben hoe ik naar het eiland had moeten -sturen, als ik het eens uit het gezigt had verloren, maar daar het weder -helder bleef, zette ik mijn mast weder op en mijn zeil bij, en hield zoo -veel noordelijk als ik kon, om uit de strooming te geraken. - -Juist toen ik mijn mast en zeil bijgezet had, en er vaart in de boot was -gekomen, zag ik zelfs aan de helderheid van het water, dat de strooming -eenigzins veranderen moest; want waar de strooming zoo sterk was, was -het water dik; maar daar ik hier de zee helder zag, bemerkte ik tevens -dat de strooming afnam; en thans vond ik tien minuten verder oostelijk, -dat de zee op eenige klippen brandde; deze rotsen scheidden de strooming -weder, de voornaamste liep meer zuidelijk, en liet de klippen in het -noord-oosten; de tweede, op de klippen stuitende, keerde met eene zware -strooming weder naar het N. W. terug. - -Hij, die aan den voet van het schavot pardon erlangt, of die onverwachts -uit de opgeheven dolken van moordenaars gered wordt, kan zich mijne -tegenwoordige vreugde voorstellen, en hoe gretig ik mijne boot in deze -tegenstrooming bragt, hoe vrolijk ik, daar de wind ook aanwakkerde, mijn -zeil bijzette, en aldus door wind en stroom naar het land aanhield. De -stroom voerde mij omtrent eene mijl naar het land, maar ongeveer twee -mijlen noordelijker dan de andere strooming, die mij naar zee had -gebragt. Toen ik dus digt bij het eiland was bevond ik mij aan de -noordkust, of vlak de tegenovergestelde zijde van die welke ik verlaten -had. - -Toen de stroom mij aldus meer dan eene mijl ver had gebragt, vond ik dat -hij ophield en mij niet verder hielp. Ik vond echter, dat tusschen de -twee groote stroomingen, namelijk, die aan de zuidzijde, die mij naar -zee gedreven had, en die aan de noordzijde, het water ten westen van het -eiland stil en zonder stroom was, en daar de wind nog gunstig was, hield -ik regt op het eiland aan, schoon niet met zoo veel spoed als vroeger. - -Tegen vier uren des namiddags, toen ik nog ongeveer eene mijl van het -land af was, trof ik het einde van het rif aan, dat de oorzaak van mijn -gevaar was, en zich zuidwaarts uitstrekte, en door de strooming ook dien -kant heen te brengen, eene tegenstrooming noordwaarts veroorzaakte, die -zeer sterk, doch niet regt in mijn koers liep, daar ik W. N. W. moest -aanleggen. Met een goeden wind kwam ik echter door deze strooming, en na -verloop van een uur was ik op een kwartier uurs afstand van het land, -hetwelk ik, daar het effen water was, spoedig bereikte. - -Toen ik aan wal was viel ik op mijne knieën, en dankte God voor mijne -redding, en besloot alle denkbeeld van bevrijding door mijne boot op te -geven. Na mijn maaltijd gedaan te hebben met hetgeen ik had, legde ik -mijne boot vast in een kleinen inham, dien ik onder eenige boomen -ontdekt had, en begaf mij daarop ter rust, daar ik uitgeput was door de -vermoeijenissen der reis. - -Ik was thans zeer in het onzekere, op welke wijze ik met mijne boot naar -huis zou keeren. Ik had zoo veel gevaar geloopen, en te veel kennis van -den toestand, om er aan te denken van den weg te kiezen dien ik gekomen -was. Wat er aan de andere zijde (de westzijde) van het eiland was, wist -ik niet, en ik verlangde niet om nieuwe gevaren te loopen; dus besloot -ik in den morgen, mijn weg westwaarts langs het strand voort te zetten, -en te zien of er geen kreek was, waarin ik mijn vaartuig veilig liggen -kon, zoo dat ik het weder vinden kon, als ik het begreep noodig te -achten. Na een uur bijkans langs het strand te hebben gevaren, kwam ik -aan eene zeer goede baai of inham, van ongeveer een vierde uur diep, die -steeds naauwer uitliep tot in een kleine beek, waarin ik eene zeer -goede ligplaats voor mijne boot vond; alsof zij daar lag in een dok, dat -daar opzettelijk voor gemaakt was. Hier legde ik ze vast en ging -vervolgens aan wal, om te zien waar ik mij bevond. - -Spoedig vond ik, dat ik slechts weinig voorbij de plaats was, waar ik -vroeger was geweest, toen ik te voet het eiland was doorgetrokken. Ik -nam dus niets uit mijne boot dan mijn geweer en mijn zonnescherm, want -het was bijzonder heet, en ging op marsch. De weg was gemakkelijk -genoeg, na eene reis als ik gedaan had, en tegen den avond bereikte ik -mijne oude buitenplaats, waar ik alles vond zoo als ik het gelaten had, -want ik hield mijn landhuis altijd in goede orde. - -Ik klom over de heining, en ging in de schaduw uitrusten, waar ik, want -ik was zeer vermoeid, weldra in slaap viel. Maar oordeel, zoo gij kunt, -lezer, over mijne verrassing, toen ik uit mijnen slaap wakker gemaakt -werd, door eene stem, die mij verscheidene malen bij mijn naam riep: -"Robinson, Robin, Robinson Crusoe! Arme Robinson Crusoe! Waar zijt gij, -Robinson Crusoe? Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest?" - -Ik was eerst zoo vast in slaap, omdat ik zeer vermoeid was van het -roeijen of liever pagaaijen, dat ik in het begin van den dag gedaan had, -en van het wandelen naderhand, dat ik maar half wakker werd, en tusschen -slapen en waken in, dacht dat ik droomde, dat iemand mij riep. Maar toen -de stem herhaaldelijk bleef roepen: "Robin, Robinson Crusoe!" begon ik -eindelijk volkomen wakker te worden, en was in het allerhevigst -verschrikt en sprong op in de uiterste ontsteltenis. Maar naauwelijks -waren mijne oogen open of ik zag mijn papegaai op den top van de heining -zitten; en nu wist ik dadelijk dat hij tegen mij gesproken had, want ik -had hem geleerd zulke beklagende woorden tegen mij te spreken, en hij -had dit zoo volkomen aangeleerd, dat hij dikwijls een uur lang op mijne -hand zat, met zijn bek vlak tegen mijn gelaat aan, roepende: "arme -Robinson Crusoe! Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest? Hoe komt gij -hier?" - -Maar, ofschoon ik wist dat het de papegaai was, en niemand anders wezen -kon, duurde het eene geruime poos eer ik weder bedaard was van mijne -ontroering. Eerst stond ik verwonderd hoe de vogel daar gekomen was, en -dan hoe hij juist daar en nergens anders was gaan zitten. Maar daar ik -wel overtuigd was dat het mijn papegaai en niemand anders was, hield ik -mijne hand op en riep hem bij zijn naam. Oogenblikkelijk kwam de -gezellige vogel op mijn vinger zitten, gelijk hij gewoon was, en bleef -voortsnappen: "arme Robinson! en: Hoe zijt gij hier gekomen? Waar zijt -gij geweest?" alsof hij blijde was dat hij mij weder zag, en zoo bragt -ik hem naar huis terug. - -Ik was nu voor eenigen tijd verzadigd van togtjes op zee, en had -verscheidene dagen genoeg te doen met te bedenken in welk gevaar ik -geweest was. Het zou mij zeer aangenaam geweest zijn als ik mijne boot -weder aan de andere zijde van het eiland had gehad, waar ik woonde; maar -ik wist niet hoe ik haar daar zou brengen. Ik kende de oostzijde van het -eiland, langs welke ik gekomen was, thans te goed, om niet te weten dat -ik niet wagen kon, dien weg te nemen; mijn bloed verstijfde in mijne -aderen als ik er slechts aan dacht. Hoe het aan den anderen kant van het -eiland was, wist ik niet, maar onderstellende, dat daar de stroom even -hevig oostelijk tegen de kust aanliep, zou ik hetzelfde gevaar loopen -van door den stroom medegesleept en tegen het eiland geworpen te worden, -als ik vroeger geloopen had van er afgesleept te worden. Deze gedachten -deden mij tevreden zijn zonder boot, schoon ik zooveel maanden had -gewerkt om er eene te maken, en nog zoovele maanden om die te water te -brengen. - -In deze gemoedsgesteldheid bleef ik bijkans een jaar, een zeer rustig -leven leidende, gelijk men denken kan, en daar ik thans met mijn -toestand verzoend was en mij geheel aan den wil der Voorzienigheid -onderworpen had, begreep ik dat ik in alle opzigten zeer gelukkig -leefde, behalve in het gemis aan gezelschap. Ik maakte mij in dien tijd -bekwamer in al die werktuigkundige verrigtingen, waartoe de nood mij -dwong, en ik geloof dat ik thans een zeer goed timmerman mogt heeten; -vooral als men in het oog houdt hoe weinig gereedschappen ik had. -Bovendien bragt ik eene onverwachte verbetering in mijn aardenwerk te -weeg; hetgeen ik thans met een rad vervaardigde, dat ik oneindig beter -en gemakkelijker vond, daar ik thans de voorwerpen rond en van een -goeden vorm maken kon, terwijl het vroeger leelijke, onbehouwen dingen -waren. Maar ik geloof niet dat ik ooit hoovaardiger was op iets wat ik -vervaardigd heb, of mij meer over eenige uitvinding verheugd, dan toen -ik in staat was eene tabakspijp te maken, en schoon het een leelijk -wanschapen ding, en even als mijne andere potten roodgebakken was, was -ik er toch zeer mede verheugd, want zij was hard en vast en ik kon er -uit rooken. Ik was dit altoos gewoon geweest, en er waren ook pijpen aan -boord van het schip geweest, maar ik had die eerst laten liggen, omdat -ik niet wist dat er tabak op het eiland was, en toen ik naderhand het -schip weder doorzocht, kon ik ze niet terugvinden. - -Ook vermeerderde ik mijn voorraad van mandewerk, en maakte eene menigte -manden, zoo goed ik ze bedenken kon. Schoon niet zeer fraai, waren zij -toch zeer handig en gemakkelijk, om er goederen in te bewaren, of die -naar huis te dragen. Als ik bij voorbeeld, eene geit geschoten had, kon -ik die aan eenen boom hangen, afhalen, aan stukken snijden, en dan in -eene mand naar huis dragen, en even zoo als ik eene schildpad aantrof, -kon ik die opensnijden, de eijeren er uithalen, met een paar stukken -vleesch, waaraan ik genoeg had, en dragen dit alles in eene mand naar -huis. Ook bewaarde ik mijn koorn in groote diepe manden; ik wreef dit -altijd uit de airen zoodra het droog was, en bergde het dan in de -manden. - -Ik begon thans te bemerken dat mijn buskruid zeer verminderde, en dat ik -dit gebrek nimmer zou kunnen aanvullen. Ik begon er ernstig over na te -denken, wat te doen als ik geen kruid meer zou hebben, namelijk hoe ik -dan van tijd tot tijd eene geit zou dooden. Ik had, gelijk ik verhaald -heb, in het derde jaar van mijn verblijf een jong geitje gevangen en tam -gemaakt. Ik had altijd gehoopt er een bok bij te zullen bekomen; maar -dit mogt mij nimmer gelukken. Eindelijk werd mijne geit oud, en ik kon -het nimmer van mij verkrijgen haar te slagten, totdat zij ten laatste -van ouderdom stierf. - -Nu ik echter in het elfde jaar van mijn verblijf was, en mijn kruid -gelijk ik zeide, sterk verminderde, begon ik mij te bedenken op een -strik of val, om te zien of ik niet eenige geiten levende zou kunnen -vangen, vooral eene geit met jongen wenschte ik. Ik maakte te dien einde -strikken, en ik geloof dat zij er meermalen in verward raakten, maar -daar zij niet zeer sterk waren, omdat het mij aan koord ontbrak, vond ik -ze altijd aan stukken en het aas opgegeten. Eindelijk besloot ik het met -vallen te beproeven; ik delfde dus verscheidene kuilen, op plaatsen waar -ik opgemerkt had dat de geiten gewoonlijk kwamen weiden, en op deze -kuilen plaatste ik horden, van mijn eigen maaksel ook, met eene groote -zwaarte er op, en verscheidene malen plaatste ik hoopjes graan en -drooge rijst er op, zonder den val te zetten, en ik kon gemakkelijk zien -aan het spoor harer pooten dat de geiten er in geweest waren en het -graan opgegeten hadden. Eindelijk zette ik drie vallen op eenen nacht, -en toen ik er den volgenden morgen bij kwam, vond ik ze allen staan, en -toch was het aas opgegeten en weg. Dit was ontmoedigend, doch ik -veranderde mijne vallen, en om kort te gaan, toen ik er op een morgen -naar ging zien, vond ik in een kuil een ouden bok, en in een anderen -twee geiten en een bokje. - -Wat ik met den ouden bok zou aanvangen, wist ik niet; hij was zoo woest -dat ik niet bij hem in den kuil dorst gaan; dat wil zeggen om er hem -levend uit te halen, hetgeen eigenlijk mijne bedoeling was. Ik had hem -kunnen doodschieten, maar dat zou mij niet gebaat hebben; dus liet ik -hem er uit en hij liep weg als of hij dol was; maar ik wist toen niet, -hetgeen ik naderhand leerde dat honger zelfs een leeuw kan temmen. Als -ik hem daar drie of vier dagen zonder voedsel had gelaten, en hem dan -eenig water om te drinken en eenig graan had gebragt, zou hij zoo tam -als een geitje geweest zijn, want dit waren zeer scherpzinnige en makke -dieren, als men ze goed behandelde. - -Ik liet hem dus voor het tegenwoordige gaan, daar ik toen niets beters -wist te doen; daarop ging ik naar de drie geiten, en bond die een voor -een met strikken vast en bragt ze niet zonder moeite naar huis. Het -duurde lang voor zij wilden eten, maar door haar eenig rijp graan voor -te werpen haalde ik ze er toe over en zij begonnen tam te worden. En nu -begreep ik dat als ik mij zelven met geitenvleesch wilde voeden, wanneer -mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige -tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde -rondom mijne woning zou kunnen laten weiden. - -Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest -afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd -wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands -met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten -waren, dat die er binnen waren er niet uit, en die er buiten waren er -niet in konden komen. Dit was eene groote onderneming voor iemand met -slechts twee handen. Daar ik er echter de volstrekte noodzakelijkheid -van inzag, was mijn eerste werk eene geschikte plek grond te vinden, -namelijk waar waarschijnlijk gras voor haar om te eten, water om te -drinken, en beschutting voor de zonnehitte zou zijn. - -Degenen, die van dergelijke inrigtingen verstand hebben, zullen zeggen -dat ik zeer weinig inzigt van de zaak had, toen ik als eene allezins -geschikte plek eene opene vlakke weide uitkoos, met twee of drie beekjes -van loopend water, en dat aan het eene einde met boomen bezet was. Zij -zullen over mijn voornemen lagchen als ik zeg, dat ik dit stuk grond, -zoodanig begon te omheinen, dat mijn heining of paalwerk ongeveer twee -(Eng.) mijlen groot zou worden. De dwaasheid bestond niet in den omtrek, -want al was die tien mijlen geweest, zou ik waarschijnlijk tijd genoeg -gehad hebben om het in te doen, maar ik bedacht niet, dat mijne geiten -in zulk eene groote ruimte even wild zouden zijn, als of zij het geheele -eiland voor zich hadden; en ik zou zooveel ruimte hebben om haar in te -jagen dat ik ze er waarschijnlijk nooit zou kunnen vangen. - -Toen ik met mijne heining ongeveer vijftig ellen gevorderd was, kwam dat -denkbeeld het eerst bij mij op en deed mij dadelijk mijn werk staken. Ik -besloot daarop vooreerst een stuk af te perken van honderd en vijftig el -lang, en honderd el breed, hetwelk voor 's hands genoeg was ter voeding -van degeen, die ik vooreerst zou hebben, en als mijne kudde -vermeerderde, kon ik altijd meer grond afperken. Dit was verstandiger -overlegd en ik ging met ijver aan het werk. Ik had ongeveer drie maanden -werk er aan, en in dien tijd bond ik de drie geiten op de beste plek er -in vast en gewende ze zoo digt bij mij te grazen als mogelijk, om ze mak -te maken. Ik ging er dikwijls heen met eene hand vol graan of rijst en -liet ze uit mijne hand eten, zoodat toen mijne heining af was, en ik ze -los liet, zij mij blatende achterna liepen, om een handvol koorn. - -Dit was juist wat ik verlangde, en in anderhalf jaar had ik eene kudde -van twaalf geiten, de jongen medegerekend, en twee jaren daarna had ik -er drieënveertig, behalve verscheidene, die ik geslagt en opgegeten had, -en na dien tijd perkte ik vijf verschillende stukken gronds af, met -smalle doorgangen om haar in te drijven en te vangen als ik ze noodig -had, of van het eene perk in het andere wilde drijven. Doch dit was niet -alles, want niet alleen dat ik nu als ik het verlangde geitenvleesch -had, maar ik had ook melk, iets waaraan ik in den beginne zelfs niet -gedacht had, en dat later mij eene aangename verrassing was, want ik had -soms tien of twaalf pinten melk per dag; en daar de natuur als zij ons -iets schenkt, ons gewoonlijk het ook leert gebruiken, zoo bragt ik het -eindelijk zoo ver, hoewel ik nimmer eene koe of geit gemolken had, noch -boter of kaas ooit had zien maken, dat ik, schoon na vele mislukte -proeven, eindelijk boter en kaas maakte, en er naderhand nimmer gebrek -aan had. Hoe genadig kan toch onze Schepper zijne schepselen behandelen, -zelfs in omstandigheden, in welke zij door de onoverkomelijkste rampen -getroffen schijnen! Hoe kan Hij onzen bittersten toestand verzachten, en -ons reden geven Hem zelfs in den diepsten kerker te loven! Welk eene -tafel was thans voor mij gespreid in eene wildernis, waarin ik in den -beginne niets dan den hongerdood voor oogen zag! - -De ernstigste mensch zou gelagchen hebben, als hij mij met mijn -huisgezin aan tafel had zien zitten. In de eerste plaats was er zijne -majesteit, de onbeperkte gebieder van het geheele eiland, de heer over -leven en dood van alle schepselen daarop. Ik kon al mijne onderdanen -gevangen zetten, ter dood brengen of genade schenken, naar ik zulks goed -vond, en ik had voor geene rebellie onder hen te vreezen. Ik at, als een -koning, geheel alleen, omringd door al mijne dienaren! Mijn papegaai, -als mijn gunsteling, had alleen het regt tot mij het woord te voeren; -mijn hond, die nu oud en afgeleefd was, en zijn geslacht niet had kunnen -voortplanten, zat altijd aan mijne regterhand, en twee katten, een aan -weerszijden van de tafel, verwachtten nu en dan een stuk uit mijne hand, -als een blijk van hooge gunst. Het waren echter niet de twee katten, die -ik van boord had medegebragt, deze waren beide gestorven, en door mij -digt bij mijne woning begraven; het waren afstammelingen van eene van -haar, met eene soort van wilde kat, naar ik denk. Dit waren de eenigste, -die ik tam gehouden had, de overigen zworven wild in de bosschen, en -waren mij geweldig lastig, want zij kwamen dikwijls in mijn huis alles -wegstelen; eindelijk schoot ik er eene menigte dood, waarna de overigen -mij van haar bezoek verschoonden. Aldus leefde ik in overvloed zonder -dat ik zeggen kon iets te missen dan gezelschap, en dat ontving ik -eenigen tijd later meer dan mij lief was. - -Ik verlangde dikwijls, gelijk ik vroeger zeide, mijne boot weder tot -mijn gebruik te hebben, maar ik had weinig lust, de vorige gevaren te -wagen; en dus zat ik somwijlen op middelen te denken om haar aan deze -zijde van het eiland te brengen, en op een anderen tijd was ik weder -zonder haar tevreden. Ik verlangde echter zeer dat gedeelte van het -eiland te zien, waar ik bij mijn laatste reis op den heuvel klom, om te -zien hoe het strand en de strooming liep. Alle dagen werd dit verlangen -sterker, en eindelijk besloot ik te land daarheen te trekken, en ik deed -dit langs het strand. Maar zoo iemand in Engeland een mensch ontmoet -had, zoo uitgerust als ik, zou hij doodelijk verschrikt, of in lagchen -uitgebarsten zijn. Ik lachte dikwijls als ik mij zelf bezag, en dacht -hoe men zou opzien als ik zoo eens door Yorkshire trok. Luister slechts -hoe ik er uitzag. - -Ik had eene groote, hooge, onbehouwen muts op, van geitenvellen, met een -klep van achteren, zoowel voor het branden van de zon, als omdat de -regen niet in mijn hals zou loopen, want in dit klimaat is niets -nadeeliger dan dat de regen onder iemands kleederen en op de huid komt. - -Ik droeg eene korte buis van geitenvellen die mij tot halverwege de -knieën kwam, en een broek, die tot over de knieën hing, van de huid van -een ouden bok gemaakt, wiens haar zoolang was dat het mij tot aan den -voet reikte. Ik had geen kousen of schoenen, maar een paar laarzen -gemaakt, die ik om mijne beenen sloeg en vastreeg, maar van een -allerleelijkst maaksel, gelijk eigenlijk mijne geheele kleeding was. - -Ik had een breeden gordel van gedroogd geitenvel, dien ik met een paar -riempjes zamenbond, en aan weêrszijden daarvan, in plaats van een -ponjaard of dolk, aan den eenen kant eene zaag, aan den anderen eene -bijl hangen. Nog een andere band, maar zoo breed niet, hing over mijn -schouder, en onder aan denzelven, onder mijn linkerarm, hingen een paar -zakjes, ook van geitenvel gemaakt; in het eene was kruid, in het andere -hagel. Op mijn rug droeg ik eene mand, op mijn schouder een geweer, en -boven mijn hoofd, een groot, leelijk, vuil, geitenvellen zonnescherm, -dat ik na mijn geweer het allerminst missen kon. Mijn gelaat was echter -niet zoo bruin als men wel had kunnen verwachten van iemand, die zich -nooit daarvoor in acht genomen en tien of twaalf jaren tusschen de -keerkringen geleefd had. Mijn baard had ik eens meer dan een voet lang -laten groeijen; maar daar ik genoeg scharen en scheermessen had, hield -ik dien gewoonlijk kort, met uitzondering van een paar knevels, zoo als -ik eenige Turken te Salé heb zien dragen, (want de Mooren deden dit -nooit). Deze knevels waren wel niet lang genoeg om mijne muts aan te -hangen, maar zouden toch in Engeland monsterachtig genoemd zijn -geworden. - -Doch dit is in het voorbijgaan, ik werd door niemand gezien, en sloeg er -dus ook weinig acht op hoe ik er uitzag. Ik zal dus hierover in het -vervolg zwijgen. Aldus uitgerust ging ik op reis, en bleef vijf of zes -dagen uit. Ik trok eerst het strand langs, regt naar de plaats waar ik -met mijne boot geankerd had, om op de klippen te klimmen, en daar ik nu -voor geene boot behoefde te zorgen, ging ik over land een nader weg, -naar dezelfde hoogte waarop ik vroeger geweest was, toen ik naar het rif -uitzag, dat ik omzeilen moest. Daar zag ik tot mijne verbazing, dat de -zee geheel effen en kalm was, er was noch rimpeling, noch beweging noch -strooming, niets meer dan op andere plaatsen. Ik begreep dit niet, en -besloot eenigen tijd te besteden om hiervan de oorzaak te ontdekken, en -weldra zag ik die, namelijk dat de eb, die uit het westen opkwam, en -zich met de uitstrooming van eene groote rivier op de kust vereenigde, -de oorzaak dezer strooming was, en dat naar gelang de wind meer -westelijk of noordelijk was, zij digter of verder van de kust af was. -Duidelijk zag ik ook de strooming weder toen de eb doorkwam, behalve, -dat zij bijkans een vierde mijl van het strand liep, terwijl zij vroeger -langs de kust loopende, mij medegesleept had, hetgeen op een ander tijd -niet zou gebeurd zijn. - -Dit overtuigde mij, dat als ik slechts op eb en vloed acht gaf, ik mijne -boot zeer gemakkelijk weder aan het ander einde van het eiland kon -brengen; maar als ik om de uitvoering dacht, werd ik weder zoo beangst -bij de herdenking van het gevaar, waarin ik geweest was, dat ik het niet -ondernemen durfde. Ik besloot dus eene veiliger maar moeijelijker partij -te kiezen, namelijk van eene andere kanoe of praauw te maken, ten einde -aan iedere zijde van het eiland een vaartuig te hebben. - -Men moet in het oog houden, dat ik nu als het ware, twee plantaadjen op -het eiland had. De eerste was mijne tent of kasteel, met het paalwerk er -omheen, en de kelder er achter, onder de rots, welken laatsten ik in -verschillende kelders had afgeschoten. De eene, die de grootste en -droogste was, die een uitgang had buiten mijn muur, namelijk waar die -aan de rots stiet, stond vol met groote aarden potten en met veertien of -vijftien groote manden, waarin ik mijn koorn en rijst bewaarde. - -De muur had ik, gelijk ik gezegd heb, met takken omzet, die allen tot -boomen opgroeiden, en thans zoo zwaar geworden waren, dat niemand daar -door heen mijne woning had kunnen ontdekken. Nabij deze woning, doch een -weinig meer landwaarts in en in lager grond, lagen mijne twee -graanakkers, die ik behoorlijk bebouwde, en die mij jaarlijks goeden -oogst opleverden. Als ik meer graan had willen hebben, had ik geschikte -stukken grond, daarnevens liggen. - -Bovendien had ik mijne buitenplaats, en daar thans ook eene tamelijke -plantaadje. Vooreerst had ik mijn priëel, gelijk ik het noemde, dat uit -eene ronde heining bestond, die ik altijd op dezelfde hoogte hield, met -eene ladder in het midden. Ik hield de boomen, waaruit het bestond, -altijd zoo, dat zij zich wijd uitspreidden en eene alleraangenaamste -schaduw opleverden. Midden hierin stond mijne tent, een stuk zeildoek -over palen uitgespreid, en die nimmer eenig herstel noodig had, en -hieronder had ik eene legerstede van dierenhuiden gemaakt, met eene -deken en een jas, beide uit het schip gered. Als ik gelegenheid had mij -van mijne woning te verwijderen, dan ging ik mijne buitenplaats -betrekken. - -Bovendien had ik verscheidene afperkingen voor mijne kudde geiten. Het -maken daarvan had mij ontzettende moeite gekost, zoodat ik altijd -vreesde, dat de geiten er eens mogten doorbreken, en ik had geen rust, -voordat ik eene zoo groote menigte kleine stekken er bijgezet had, dat -het veeleer palissaden dan eene heining geleek, en toen naderhand in het -regensaisoen deze stekken wortel schoten, maakte dit de omheining -sterker dan een muur had kunnen zijn. - -Hieruit ziet men, dat ik niet ledig was, en geene moeite spaarde voor -hetgeen tot mijn onderhoud noodig was, want ik begreep, dat het -aanfokken van tamme dieren, voor mij een levend magazijn van vleesch, -melk, boter en kaas zou zijn, al moest ik hier ook nog veertig jaren -leven. Dit hing echter geheel af van de sterkte der omheining, die ik nu -ook zoo sterk had gemaakt, dat ik van de opgroeijende staken naderhand -eenigen moest rooijen. - -Hier groeiden ook mijne druiven, die mij mijn voorraad van rozijnen voor -den winter leverden; en die ik allerzorgvuldigst bewaarde als mijne -aangenaamste spijs. Zij waren niet alleen lekker, maar allergezondst, -voedzaamst en verkwikkend. Daar deze plaats ook halfweg was tusschen -mijne woning en de plaats waar mijne boot lag, kwam ik hier dikwijls, -want ik bezocht mijne boot menigwerf, en hield die, met alles wat er bij -behoorde, in goede orde. Somtijds ging ik er mede varen, maar geen -gevaarlijke togten, geen twee steenworpen ging ik van de kust af, zoo -vreesde ik door onbekende stroomingen, den wind of andere toevallen, -weder weggeslagen te worden. Doch thans kom ik tot een ander tooneel van -mijn leven. - -Op zekeren dag, tegen den middag, ging ik naar mijne boot, maar stond -niet weinig verbaasd, toen ik duidelijk op het zand den indruk van een -naakten menschenvoet zag. Ik stond als van den donder getroffen, of als -of ik een geest gezien had. Ik luisterde, ik zag in het rond, maar -hoorde noch zag niets. Ik ging op eene hoogte om verder te kunnen zien, -ik ging het strand op en neder, maar zag geen anderen indruk dan dien -enkelen. Weer ging ik er heen om te zien, of er ook meer waren, of dat -het bloot verbeelding van mij was; maar het was de volmaaktste indruk -van een voet, de teenen, de hiel en alles; hoe dit daar kwam kon ik -volstrekt niet begrijpen. Maar na ontelbare gissingen, ging ik geheel -verward en buiten mij zelven naar huis terug; zonder dat ik, gelijk men -zegt, den grond onder mijne voeten voelde, terwijl ik bij elke schrede -omzag, en iederen geknotten boomstam voor een mensch aanzag. Het is niet -te beschrijven, wat ik mij niet al verbeeldde, en welke uitsporige -denkbeelden niet al bij mij opkwamen. - -Toen ik aan mijn kasteel kwam, gelijk ik het na dien tijd altijd noemde, -vloog ik naar binnen alsof ik vervolgd werd, ik weet zelfs niet of ik -met de ladder of door het gat in de rots, dat ik mijne deur noemde, er -in ging, maar nimmer vloog een verschrikte haas of gejaagde vos naar -zijn hol met meer schrik, dan ik naar mijne schuilplaats. Ik sliep den -geheelen nacht niet, en wat zonderling is, mijn angst was heviger -geworden, naarmate ik verder van de oorzaak van denzelven verwijderd -was. Hoe meer ik er over dacht, des te schrikkelijker beelden stelde -mijne verbeelding mij voor oogen. Somtijds dacht ik aan den duivel, want -hoe kon een mensch het gedaan hebben? Waar was het schip, dat hem daar -gebragt had? Welke sporen waren er nog meer van voetstappen? Hoe kon een -mensch daar komen? Maar aan den anderen kant was het niet te denken, dat -de satan de menschelijke gestalte zou aangenomen hebben, alleen om daar -een indruk van zijn voet achter te laten. Hij had mij op duizend andere -wijzen kunnen plagen, zonder zoo dom te zijn den voetstap te zetten op -de andere zijde van het eiland; waar het tienduizend tegen een was, dat -ik hem ooit zien zou, en dat nog wel in het zand, waar de eerste golf, -bij een hoogen vloed, en harden wind, dien moest uitwisschen. Dit alles -scheen onbestaanbaar en geheel strijdig met de slimheid, die men den -duivel toeschrijft. - -Eene menigte redenen stelden mij aan dien kant gerust, en ik besloot -eindelijk, dat het een van de wilden van het vasteland aan de overzijde -moest geweest zijn, die op zee met hunne kanoe door strooming of -tegenwind, op het eiland gedreven, maar weder in zee gestoken waren, als -zijnde welligt even afkeerig van een verblijf daarop, als ik van een -bezoek van hen. - -Toen mij dit inviel, achtte ik mij gelukkig, dat ik te dier tijd daar -niet geweest was, noch zij mijne boot gezien hadden, wanneer zij -begrepen konden hebben, dat het eiland bewoond was, en daarnaar -onderzocht hebben. Nu vreesde ik, dat zij mijne boot gevonden zouden -hebben, en in dat geval in groot aantal terugkomen, om mij op te eten; -en al vonden zij mij niet, zouden zij toch mijne heining en al mijn -graan vernielen, mijne kudde stelen, en ik zou ten laatste van honger -moeten omkomen. - -Aldus verbande de vrees al dat vertrouwen op God, dat gegrond was op de -vele bewijzen zijner goedheid jegens mij; als of Hij, die mij tot -hiertoe zoo wonderdadig gespijsd had, niet door zijne magt, ook den mij -geschonken voorraad kon beschermen. Ik verweet mij thans mijne luiheid, -dat ik niet meer koorn had gezaaid, dan ik voor een jaar zou genoeg -hebben, als of het te veld staande niet door eenig toeval kon te loor -gaan; en deze bedenking achtte ik zoo gegrond, dat ik besloot in het -vervolg altijd voor twee of drie jaar koorn in voorraad te hebben, ten -einde wat er ook gebeuren mogt, niet aan broodgebrek te sterven. - -Welk een raadselachtig wezen is de mensch, en door welke bedekte -springveren komen zijne hartstogten in werking? Wat wij heden beminnen, -zullen wij morgen haten; heden zoeken wij wat wij morgen zullen -ontvlugten. Dit bleek thans ten duidelijkste aan mij. Mijne eenigste -droefenis was, dat ik, als het ware, van alle menschelijke gezelschap -verbannen was, ik die alleen en van het geheele menschdom door den -grenzenloozen Oceaan gescheiden, tot een als het ware zwijgend leven -veroordeeld, die als onwaardig geacht was, om onder de levenden gerekend -te worden, ik, wien het zien van een mijner natuurgenooten, als een -overgang van den dood tot het leven, als de grootste gunst, die de hemel -mij schenken kon, buiten mijn eeuwig heil, zou beschouwd hebben; ik -sidderde thans op het denkbeeld van een mensch te zien, en dacht door -den grond te zinken voor het zwijgend bewijs, dat een mensch zijn voet -op het eiland had gezet. - -Zoo wuft is ons gemoed, gelijk ik naderhand dikwerf dacht, toen ik van -mijne eerste verbazing tot mij zelven was gekomen. Ik bedacht toen, dat -dit de levenswijze was, mij door de oneindig goede Voorzienigheid -opgelegd, dat ik, die de oogmerken der Almagt niet doorzien kon, niet -tegen dezelve murmureren mogt; daar de Schepper allezins met Zijn -schepsel handelen kon gelijk Zijne Alwijsheid goeddacht, en evenzeer -mij, die Hem zoo dikwerf beleedigd had, naar zijn goedvinden kon -bestraffen, en dat het mijn pligt was Hem te bidden en mij rustig aan de -leiding der Voorzienigheid te onderwerpen. - -Deze denkbeelden hielden mij vele uren, dagen, ja zelfs weken en maanden -bezig, en eene uitwerking van mijne gepeinzen te dier gelegenheid, mag -ik niet onvermeld laten; namelijk, op een morgen vroeg toen ik te bed -lag, vol gedachten over het gevaar, dat mij van het verschijnen van -wilden dreigde, was ik zeer bedrukt, waarop mij de woorden der Heilige -Schrift invielen: "Roep Mij aan in den dag der benaauwing, en Ik zal u -verlossen en gij zult Mij verheerlijken." - -Hierop stapte ik welgemoed ten bedde uit; niet alleen was mijn hart -gesterkt, maar ik was geleid en bemoedigd om God ernstig om verlossing -te smeeken. Het is onmogelijk te zeggen, welk eene gerustheid dit mij -verschafte, en ik was niet meer neêrslagtig, althans te dier tijd niet. - -Te midden van al deze vrees, vermoedens en nagedachten kwam het eens bij -mij op, dat het alles wel verbeelding van mij zelven kon geweest zijn, -en dat het mijn eigen voetstap was geweest, dien ik uit de boot komende, -in het zand had gedrukt. Dit beurde mij wel op, en ik trachtte mij te -overreden, dat het alles verbeelding was geweest, en mijn eigen -voetstap, want ik had even goed langs dien kant van de boot als daar -naar toe kunnen gaan. Ik bedacht, dat ik geenszins zeker was, welken weg -ik gegaan was, en dat als het zoo was, ik even zot was geweest, als die -dwazen, die hun eigen schaduw voor een spook of geest aanzien en -daarvoor vreezen. - -Alstoen begon ik wat moed te scheppen en weder uit te gaan. Drie dagen -en drie nachten had ik mijn kasteel niet verlaten, zoodat ik reeds -gebrek aan levensmiddelen begon te krijgen. want ik had niets bij mij, -dan eenige gebakken koeken en wat water. Ook wist ik, dat mijne geiten -gemolken moesten worden, dat gewoonlijk mijn avonduitspanning was, en -de arme dieren moesten er veel ongemak van hebben. Ook droogde de melk -bij eenigen er van schier geheel op, en velen hadden er van geleden. Ik -begon dus mij op te beuren met de gedachte, dat ik den afdruk van mijn -eigen voet gezien had, en dus voor mijn eigen schim bang was, en ging -weder uit om mijne geiten te melken. Maar zoo men mij gezien had, hoe -vreesachtig ik liep, hoe dikwijls ik omzag, hoe ik nu en dan zelfs op -het punt stond mijne mand neder te werpen en op den loop te gaan, zou -iedereen gedacht hebben, dat mijn geweten door het een of ander -verontrust was, of dat ik, gelijk inderdaad zoo was, kortelings -doodelijk verschrikt was. Toen ik echter twee of drie dagen uitgegaan -was, en niets had gezien, begon ik wat moediger te worden; en te -begrijpen, dat mijne verbeelding, mij dien schrik had veroorzaakt. Ik -kon echter mij zelven hiervan niet geheel overtuigen, dus besloot ik -naar het strand te gaan, om dien voetstap met den mijnen te vergelijken. -Toen ik echter op de plaats kwam, bleek het mij duidelijk, dat ik daar -niet geweest was bij het vastleggen van de boot. Ten tweede was de voet -veel grooter en breeder dan de mijne. Dit alles deed mijn angst weder -stijgen, zoodat ik klappertandde als of ik de koorts had, en naar huis -ging, in het vaste geloof, dat een of meer menschen aan den wal waren -geweest, kortom, dat het eiland bewoond was, en ik onverhoeds overvallen -kon worden. Welken weg ik thans moest inslaan om mij te beveiligen, wist -ik niet. - -Welke dwaze denkbeelden boezemt de vrees ons in! Hij berooft ons van het -gebruik dier middelen, die ons verstand ons leert. Het eerste, wat ik -bedacht, was, al mijne heiningen omver te werpen, mijn tamme vee in het -bosch te jagen, opdat de vijand het niet zien zou, en niet verlangen -meer soortgelijken buit te maken; vervolgens mijne twee graanvelden om -te spitten, opdat het vinden van het graan hen niet zou overhalen het -eiland meermalen te bezoeken, en eindelijk mijne buitenplaats en tent te -slechten, opdat zij geenerlei blijk van bewoners zouden vinden, en -hierdoor lust verkrijgen, die te zoeken. - -Dit alles bedacht ik in den nacht, nadat ik weder te huis gekomen was, -toen mijn angst nog allerlevendigst was. De vrees voor het gevaar -verwekt waarlijk tienduizend maal meer schrik, dan het gevaar zelf, als -wij dit zien, en de angst voor eenig kwaad drukt ons veel meer, dan het -onheil zelf. Het ergste was, dat ik thans niet geschraagd werd door die -vrome berusting in Gods wil, die ik gehoopt had altijd te zullen -behouden. Mij dacht ik was even als Saul, die niet alleen klaagde, dat -de Filistijnen hem bedrogen, maar ook dat God hem verlaten had; want ik -koos niet den waren weg tot gerustheid, door God in mijne bedruktheid -aan te roepen, en gelijk vroeger, mijne verdediging en bevrijding van -Hem te verwachten. Zoo ik dit gedaan had, zou ik dit nieuwe ongeval -moediger en meer getroost hebben gedragen. - -Mijne onrust hield mij den geheelen nacht wakker, doch tegen den morgen -viel ik van vermoeijenis in een diepen slaap, en toen ik wakker werd -was ik veel kalmer dan den vorigen dag. En nu begon ik bedaard na te -denken, en na veel redekavelens met mij zelven, kwam ik tot het besluit, -dat dit eiland, hetwelk zoo uiterst aangenaam, vruchtbaar, en gelijk ik -gezien had, niet ver van het vaste land af was, niet zoo geheel verlaten -was, als ik mij wel verbeeld had; dat schoon het geene vaste bewoners -bezat, er echter somtijds booten van den vasten wal konden komen, hetzij -opzettelijk, hetzij door tegenwinden daarheen gedreven; dat ik er nu -vijftien jaren lang geweest was, zonder schijn of schaduw van eenig -menschelijk wezen te zien, en dat zoo er ten eeniger tijd, deze gekomen -waren, zij waarschijnlijk zoo spoedig zij konden weder vertrokken waren, -aangezien zij tot hiertoe nimmer zich hier hadden gevestigd; dat het -eenigste gevaar voor mij te wachten was uit het toevallig hier landen -van eenig volk van het vaste land. Als deze echter hierheen geslagen -werden, was dit tegen hunnen wil, en dus zouden zij dan wel zoo spoedig -zij konden weder vertrekken, en zelden een nacht overblijven, ten ware -om het getij en het daglicht te hebben; en dus behoefde ik alleen op -eene veilige schuilplaats bedacht te zijn, in geval eenige wilden mogten -landen. - -Nu begon het mij te spijten, dat ik mijn kelder zoo wijd uitgegraven -had, dat hij met eene deur buiten de rots uitkwam. Na rijp nadenken -besloot ik mij eene tweede verschansing te maken, even zoo in een halven -cirkel, op eene afstand van den muur, juist waar ik, twaalf jaren -geleden, eene dubbele rij boomen had geplant. Deze boomen waren zoo digt -bijeen gezet, dat ik er slechts eenige palen tusschen behoefde te slaan -ter meerdere stevigheid, en dan was mijn muur spoedig voltooid. Ik had -dus een dubbelen muur, en de buitenste was opgevuld met stukken oud -hout, oud touw, en al wat ik ter versterking geschikt achtte. Ik maakte -er zeven gaten in, waar ik mijn arm door kon steken. Van binnen bragt ik -er tot tien voet aarde tegen aan, die ik uit mijn kelder haalde en vast -trapte. Door de zeven gaten stak ik de trompen der geweren, waarvan ik, -gelijk ik gezegd heb, zeven uit het schip had gehaald. Ik zette deze -vast op eene soort van stellaadje, zoodat ik ze alle zeven in een paar -minuten kon afschieten. Menige maand werkte ik hieraan hard, en achtte -mij niet veilig voor het af was. - -Daarna beplantte ik den grond, op een grooten afstand, met zooveel -stekken van die soort van wilgenboom, als er slechts groeijen konden, ik -geloof wel twintigduizend. Ik liet eene vrij groote ruimte tusschen deze -en mijn muur, ten einde een gezigt van den vijand te hebben, en opdat -deze geene beschutting daarvan zou hebben. Twee jaren later was ik door -digt kreupelhout omgeven, en vier jaren later had ik voor mijn kasteel -zulk een digt bosch, dat het waarlijk ondoordringbaar was, en niemand -zich ooit zou verbeeld hebben, dat er iets, laat staan eene woning -achter was. - -Ik had geen uitgang aan mijn kasteel gelaten, maar ging er met twee -ladders in en uit. Een zette ik tegen de rots, waarmede ik op eene plek -kwam waar ik de andere kon zetten, en als ik ze eens achter mij -weggehaald had, kon niemand mij zonder levensgevaar genaken, en alsdan -was hij nog slechts aan de buitenzijde van mijn buitensten muur. - -Aldus nam ik alle maatregelen, die de voorzigtigheid mij tot mijne -beveiliging kon aan de hand doen, en men zal zien, dat zij niet geheel -onverstandig waren, schoon ik te dier tijd niets meer voorzag dan wat -mijne vrees mij voorspiegelde. - -Middelerwijl verwaarloosde ik geenszins mijne overige bezigheden, want -ik was zeer bezorgd voor mijn kudde geiten; deze toch leverden mij niet -alleen thans spijs op, zonder dat ik mijn kruid of lood behoefde te -verspillen, maar zij onthieven mij ook van de vermoeijenis der jagt op -de wilden, en ik wilde ongaarne dit groote voordeel verliezen, en van -nieuws af weder eenige tam maken. - -Om dit te verhoeden zag ik, na rijpe overweging, slechts twee middelen, -het eerste was, eene andere onderaardsche grot te delven, en ze daar -alle avonden in te drijven; en het andere bestond in het afperken van -twee of drie verschillende stukjes land, ver van elkander, en zoo -verborgen als ik vinden kon, in elke waarvan ik een half dozijn jonge -geiten kon houden, zoodat, als de groote kudde eenig ongeluk overkwam, -ik die gemakkelijk weder kon aanvullen. Dit laatste middel, hoe -moeijelijk ook, achtte ik het verstandigst, en begon er dadelijk aan. - -Eerst zocht ik uit de verborgenste plaatsen van het eiland, een dat mij -het geschiktste voorkwam. Het was eene kleine, vochtige plek gronds, -midden tusschen digt geboomte, waar ik, bij mijn eersten togt door het -eiland, zelf verdwaalde. Daar ontdekte ik drie morgen ongeveer, die zoo -door geboomte omringd waren, dat dit haast eene natuurlijke heining -vormde; althans kostte het maken van eene mij daar veel minder arbeid -dan bij de anderen het geval was geweest. - -Binnen eene maand had ik die geheel omheind, zoodat mijne kudde, die -thans makker was dan men wel denken zou, daar thans veilig genoeg was. -Ik bragt er dadelijk tien geiten en twee bokken heen, en bleef -vervolgens de heining versterken, tot zij zoo sterk was als de vorige; -doch dit deed ik meer op mijn gemak. - -Al deze arbeid was alleen ontstaan uit de vrees, die de afdruk van een -menschenvoet bij mij verwekt had; want tot hiertoe had ik nog geen -menschelijk wezen het eiland zien naderen; en thans had deze -ongerustheid mij twee jaren lang het leven verbitterd, gelijk iedereen -gelooven zal, die weet wat het is, in voortdurenden angst te leven. Ik -moet ook bekennen, dat deze angst veel invloed op mijne godsdienstige -stemming had; want de vrees, dat ik in handen der wilden en -menscheneters mogt vallen, drukte mijn geest zoo ter neder, dat ik -zelden in eene behoorlijke stemming was om mij tot mijnen Schepper te -wenden, althans niet met die kalmte en onderworpenheid, waarmede ik -gewoon was te bidden. Ik bad tot God in den angst van elken nacht -overvallen en geslagt te worden, en uit ondervinding kan ik betuigen, -dat eene rustige, dankbare, blijmoedige stemming veel geschikter ons tot -het gebed maakt dan angst en vrees voor onheil; zulk een mensch is even -ongeschikt om God te bidden, als hij, die op een ziekbed uitgestrekt -ligt; ziekten van den geest toch maken onbekwamer tot het gebed, dan die -van het ligchaam, daar het bidden eene verrigting van den geest en niet -van het ligchaam is. - -Doch om met mijn verhaal voort te gaan. Na aldus een deel mijner kudde -in veiligheid gebragt te hebben, ging ik het geheele eiland door om nog -een verborgen plek te zoeken, voor eene tweede bewaarplaats. Ik kwam -hierbij verder aan de westzijde van het eiland dan ik ooit geweest -was, en zeewaarts ziende, meende ik op verren afstand eene groote boot -te zien. Ik had in een der geredde matrozenkisten een paar kijkers -gevonden, maar geen daarvan bij mij, en het voorwerp was zoo ver af, dat -ik niet wist wat ik er van maken zou, schoon ik er mij half blind op -tuurde. - -Toen ik den heuvel opging verloor ik het voorwerp uit het gezigt, en gaf -het dus op, maar besloot nimmer weder uit te gaan zonder een kijker bij -mij. Toen ik den heuvel af, en op de westzijde van het eiland was -gekomen, waar ik nog nimmer geweest was, zag ik duidelijk, dat het spoor -van een menschenvoet hier niet zoo buitengewoon was als ik mij verbeeld -had, maar dat het eene bijzondere bestiering der Voorzienigheid was -geweest, dat ik op een deel des eilands was geworpen waar de wilden -nimmer kwamen. Zoo ik hier vroeger gekomen was, had ik ingezien, dat de -kanoes, die wat ver in zee geraakt waren, dit eiland dikwijls aandeden, -om daar te overnachten. Ook na in hunne kanoes gevochten en gevangenen -gemaakt te hebben, bragten zij die volgens hunne gewoonte hierheen, om -ze te slagten en op te eten, daar het allen hier omstreeks kannibalen -waren. Ik zal in het vervolg hierover meer spreken. - -Toen ik, gelijk ik zeide, aan het westeinde van het eiland kwam, stond -ik van schrik en afschuw als verplet, daar ik het strand met -hersenpannen, handen, voeten en andere gebeenten van menschen bedekt -zag. Ik ontdekte eene plek waar een vuur gebrand had, en een kuil in den -grond rondom liep, waar ongetwijfeld de ellendelingen bij hun -afschuwelijk feest gegeten hadden. - -Dit schouwspel trof mij zoo geweldig, dat ik eene poos om mijn eigen -gevaar niet dacht. Mijn geest was geheel vervuld met de gedachte aan -zulke helsche barbaarschheid, en den afschuw voor zulk eene ontaarding -van alle menschelijk gevoel, waarvan ik vroeger wel gehoord, maar dat ik -nimmer zoo van nabij had gezien. Met walging wendde ik mijn gelaat af -van dit afschuwelijk tooneel, en eerst na eene hevige braking kwam ik -een weinig tot mij zelven, maar kon hier niet langer blijven; dus klom -ik zoo spoedig ik kon den heuvel weder op en ging naar huis terug. - -Toen ik een weinig van dat gedeelte des eilands af was, stond ik eene -poos als verplet, en daarna dankte ik God, met de uiterste aandoening en -onder een vloed van tranen, dat Hij mij in een werelddeel had doen -geboren worden, waardoor ik van zulke afschuwelijke wezens onderscheiden -was, en dat, ofschoon ik mijn tegenwoordigen toestand zeer ongelukkig -had geacht, ik meer reden tot dankbaarheid dan tot klagen had, en -bovenal, dat ik vertroost was door de kennisse Gods en de hoop op zijne -genade, een geluk, dat verre weg opwoog tegen al de ellende, die ik -ondergaan had of nog kon ondergaan. In deze dankbare stemming ging ik -naar mijn kasteel terug, veel geruster omtrent mijne veiligheid dan ik -sedert lang geweest was, want ik zag in, dat deze schepsels nimmer op -het eiland kwamen om te zoeken wat daar te halen was; misschien dewijl -zij er niets zochten of gevonden hadden wat hun aanstond. Ik was hier -thans bijkans achttien jaar geweest, zonder het minste spoor van -menschelijke schreden te zien, en welligt kon ik er nog achttien jaren -even verborgen leven, als ik mij niet aan hen ontdekte, waartoe ik geene -de minste roeping gevoelde, daar het mijne zaak was mij zoo verborgen -als mogelijk te houden, ten ware ik betere lieden dan menscheneters -vond. Nogtans was mijn afschuw voor die woestaards en hunne zeden zoo -groot, dat ik langen tijd neêrslagtig bleef, en schier twee jaren lang -mij niet buiten mijn kring bewoog. Ik bedoel buiten mijn kasteel, mijn -buitenplaats en mijne omheinde weiden; welke laatste ik alleen om mijne -geiten bezocht; want ik had voor de wilden een afschuw als voor den -duivel zelf. Al dien tijd zag ik zelfs niet naar mijne boot om; want ik -kon er niet aan denken de andere boot het eiland om te brengen, uit -vrees, dat ik op zee eenige dier wezens ontmoeten mogt; want ik wist wat -mijn lot zou zijn, als ik in hunne handen mogt vallen. - -Met ter tijd echter en door het bewustzijn, dat ik geen gevaar liep van -door dit volk ontdekt te worden, begon mijne ongerustheid te slijten, en -mijn leven zoo kalm als vroeger te worden; met dit onderscheid, dat ik -behoedzamer was, en meer rondzag of een hunner mij ook ontdekken kon. -Het was dus zeer gelukkig, dat ik eene tamme kudde geiten had, en niet -meer op de wilde behoefde te jagen, en in het vervolg ving ik eenigen -nog wel, maar alleen door strikken of vallen. Ik geloof, dat ik in geen -twee jaren mijn geweer afschoot, schoon ik nimmer zonder hetzelve -uitging, en bovendien altijd in mijn gordel twee of drie pistolen droeg, -die ik uit het schip gered had, ook sleep ik een van de groote messen, -die ik uit het schip gehaald had, en stak dit ook in mijn gordel, maar -zonder scheede. - -Aldus bleef alles gedurende eenigen tijd, en behalve deze voorzorgen -leefde ik op den ouden rustigen voet. Al deze gebeurtenissen toonden mij -meer en meer, dat mijn toestand, verre af was van rampzalig te zijn, -als ik dien bij dien van anderen vergeleek, waarin God ook mij had -kunnen plaatsen. Dit deed mij denken hoe weinig de menschen zich zouden -beklagen over hun lot, als zij dit vergeleken, bij dat wat rampzaliger, -en niet bij hetgeen gelukkiger was. In mijn tegenwoordigen toestand had -ik aan weinig gebrek, zoodat ik werkelijk dacht, dat de schrik voor de -wilden mijne verbeeldingskracht tot het uitdenken van gerijfelijkheden -verstompt had. Ik had zelfs geheel een voornemen laten varen, dat ik -eens gekoesterd had, namelijk van te beproeven, of ik niet van mijn -graan wat mout kon maken, en hiermede bier brouwen. Dit was inderdaad -een uitsporig denkbeeld, en dikwijls bespotte ik mij zelven er over; -want ik zag thans in, dat ik om bier te brouwen, verscheidene dingen -noodig had, die ik onmogelijk vervaardigen kon; als vooreerst vaten om -het in te bewaren; die ik in spijt van al mijne pogingen nimmer kon -maken, gelijk ik reeds gezegd heb, schoon ik het weken, zelfs maanden -lang, doch vruchteloos, beproefde. Vervolgens had ik geen hop om het -duurzaam te maken, noch gest, noch ketels om het in te koken, en toch, -zoo al die schrik van de wilden niet tusschenbeide gekomen was, zou ik -het beproefd en er misschien in geslaagd hebben, want ik gaf niet ligt -iets op wat ik mij eenmaal in het hoofd had gezet. - -Doch thans liepen mijne denkbeelden in eene andere rigting. Nacht en dag -dacht ik alleen hoe ik eenige dier monsters zou vernielen in hun -bloeddorstig vermaak, en zoo mogelijk hunne medegebragte slagtoffers -redden. Ik zou een grooter werk dan dit boek vullen, als ik al de -ontwerpen waarover ik broedde, wilde vermelden, ter vernieling dier -schepselen, althans om hun zulk een schrik aan te jagen, dat zij hier -nimmer weder kwamen, maar alles vergeefs. Ik kon niets bedenken, of ik -moest het zelf verrigten, en wat kon een man tegen misschien twintig of -dertig wilden uitrigten, met boog en pijl gewapend, waarmede zij hun wit -zoo zeker raken als ik met mijn geweer doen kon. - -Somtijds wilde ik een hol graven onder de plaats waar zij hun vuur -aanlegden, en dat met vijf of zes pond buskruid vullen, hetwelk, als zij -hun vuur ontstoken hadden, hen allen in de lucht zou doen vliegen. Maar -in de eerste plaats wilde ik ongaarne zooveel kruid verspillen, waarvan -ik thans nog slechts een vat had. Ook was ik niet zeker, dat het op zijn -tijd ontvlammen zou, en misschien zou het hen slechts wat aarde om de -ooren doen vliegen, maar niet genoeg verschrikken om hen de plaats te -doen verlaten. Op een anderen tijd wilde ik met mijne drie geweren, -allen dubbel geladen, in hinderlaag gaan liggen, en als zij midden in -hun bloeddorstig werk waren, op hen vuur geven; ik was zeker, twee of -drie hunner met elk schot te dooden of te kwetsen, en ik twijfelde niet -of met behulp van mijne sabel, zou ik ze allen ombrengen, al waren er -twintig. Eenige weken lang speelde dit mij zoo door het hoofd, dat ik er -des nachts soms van droomde. - -Ik dreef dit zoo ver, dat ik verscheidene dagen besteedde met het zoeken -naar geschikte plaatsen, om mij in hinderlaag te liggen, ten einde hen -gade te slaan, en ik ging dikwijls naar de plaats zelf, die mij thans -gemeenzaam was geworden, en vooral terwijl mijn geest met wraakgierige -denkbeelden, en het voornemen om er twintig of dertig over de kling te -jagen, was opgevuld; de afschuw, dien ik voor de plek had, en de -blijken, dat de barbaren elkander verslonden hadden, voedden mijne -woede. - -Ik vond dan ook eindelijk eene plek in de zijde van den heuvel, waar ik -begreep veilig te kunnen wachten, tot ik eenige hunner booten zag -aankomen, als wanneer ik, zelfs voor dat zij gereed waren aan wal te -gaan, mij in een hollen boom verbergen kon, waarin ik geheel verholen -was, en al hunne bloeddorstige handelingen zou kunnen gadeslaan, en -bedaard op hen aanleggen, als zij zoo digt bijeen zouden zijn, dat het -bijkans onmogelijk was hen te missen en niet drie of vier hunner bij het -eerste schot te treffen. Deze plaats eenmaal gekozen, maakte ik twee -geweren en mijn gewoon jagtgeweer gereed. De eersten laadde ik ieder met -schroot en vier of vijf pistoolkogels; het laatste met eene handvol -groven ganzenhagel. Ik deed ook vier kogels op ieder mijner pistolen, en -aldus, voorzien van kruid en lood voor eene tweede en derde lading, -maakte ik mij tot mijne expeditie gereed. - -Na aldus mijn plan tot den veldtogt gemaakt te hebben, klom ik elken -morgen op den top des heuvels, die ongeveer een uur van mijn kasteel af -lag, om te zien of ik op zee eenige booten kon bespeuren, die op het -eiland aanhielden of het naderden. Na twee of drie maanden aldus de -wacht gehouden te hebben, begon mij dit te vervelen echter, daar ik in -al dien tijd niet het minste nabij het strand, noch op den geheelen -oceaan, zoo ver mijn kijker reikte, kon ontdekken. - -Zoo lang ik dagelijks naar den heuvel ging, zoo lang bleef ik even vurig -in mijn ontwerp; en mijn moed scheen al dien tijd onverzwakt, ter -uitvoering van het uitsporig denkbeeld van twintig of dertig naakte -wilden dood te schieten, voor eene misdaad, die ik volstrekt niet -overdacht had, daar ik alleen geleid werd door mijn afschuw voor dit -onnatuurlijk gebruik van de wilden, welke de Voorzienigheid, naar het -schijnt, goedgevonden heeft, alleen door hunne lage en beestachtige -driften te laten regeren, en die daardoor misschien sedert eeuwen aan -zulke afschuwelijke zeden en gewoonten waren overgegeven, waaraan alleen -zij, die van den Hemel verlaten, en beneden de menschelijke natuur -verlaagd zijn, zich kunnen overgeven. Doch nu begonnen, gelijk ik zeide, -mijne langdurige vruchtelooze togten mij te vermoeijen, en mijne wijze -van zien nopens hunne handelwijze begon ook te veranderen, en ik begon -koeler en bezadigder te overwegen wat ik wilde ondernemen; welk regt of -gezag ik had om mij tot regter en beul te maken, en deze lieden als -misdadigers te behandelen, wien de Hemel goedgevonden had, gedurende zoo -vele eeuwen straffeloos hunnen gang te laten gaan, en als het ware tot -de uitvoerders zijner straffen jegens hen onder elkander te maken; -alsmede welk regt ik had mij in dien bloedigen strijd te mengen, dien -zij onderling voerden. Ik redekavelde dikwerf aldus met mij zelven: "Hoe -weet ik wat Gods oordeel daaromtrent is? Het is zeker, dat dit volk dit -niet als eene misdaad beschouwt; hun geweten bestraft er hen niet over. -Zij weten niet, dat het eene misdaad is, en bedrijven die niet in spijt -der Goddelijke geregtigheid, gelijk wij onze zonden plegen. Zij achten -het evenmin eene misdaad, een krijgsgevangene te slagten, als wij eenen -os te dooden, en hebben even weinig tegen menschenvleesch als wij tegen -schapenvleesch." - -Eenige overdenkingen dienaangaande deden mij besluiten, dat ik ongelijk -had, dat dit volk geen moordenaars waren in dien zin als ik ze beschouwd -had; dat zij daaromtrent gelijk stonden met verscheidene -Christenveldheeren, die krijgsgevangenen, of geheele troepen, schoon zij -geen weerstand boden, kwartier weigerden en ze over de kling joegen. - -Vervolgens bedacht ik, dat ofschoon hun gebruik beestachtig en -barbaarsch was, het mij echter niet aanging; dat zij mij geenszins kwaad -gedaan hadden; dat het welligt verschoonbaar was als zij mij aanvielen, -of als ik het tot mijn behoud noodig achtte hen te overvallen; maar dat -ik voor als nog buiten hunne magt was, en zij metterdaad van mij geene -kennis droegen, en diensvolgens geen kwaad oogmerk tegen mij hadden. -Derhalve kon het van mij niet regtvaardig zijn hen te overvallen; dit -zou de onmenschelijkheden der Spanjaarden in Amerika, die daar duizenden -vermoord hebben, regtvaardigen; en hoewel dit afgodendienaars en -barbaren waren, die vele bloedige en onmenschelijke gebruiken hadden, -zoo als het offeren van menschen aan hunne afgoden, toch waren zij -jegens de Spanjaarden onschuldig; en van hunne uitroeijing is altijd -gesproken met de uiterste afkeuring en verfoeijing, door de Spanjaarden -zelven, en door alle Christen natiën in Europa is zij beschouwd als eene -bloeddorstige menschenslagting, voor God noch menschen te regtvaardigen, -en waardoor de naam van een Spanjaard zelfs bij alle Christenvolkeren in -verschrikking is gekomen; alsof Spanje in het bijzonder een menschenras -voortbragt, geheel en al zonder eenige gevoelens van menschlievendheid -of medelijden, die men als aan welgeschapen harten eigen beschouwt. - -Deze bedenkingen bragten mij tot beter inzien, en ik begon van -lieverlede mijn oogmerk op te geven, en te besluiten, dat ik mij -verkeerde maatregelen had voorgenomen, ten einde de wilden aan te -vallen; dat het mijne zaak niet was mij met hen in te laten, ten ware -zij mij het eerst aanvielen, hetwelk ik zoo veel in mij was moest -trachten te voorkomen; maar als ik ontdekt en aangevallen werd, dan wist -ik wat mij te doen stond. - -Aan den anderen kant bragt ik mij zelven onder het oog, dat dit waarlijk -de weg niet was om mij te bevrijden, maar mij geheel en al in het -verderf te storten. Immers als ik niet zeker was, dat ik iedereen dooden -kon, die alsdan aan het strand was, als ook hen, die er naderhand mogten -komen, dan, als er slechts een ontsnapte, om zijnen landslieden het -gebeurde mede te deelen, zouden zij weder bij duizenden overkomen om den -dood van hunne makkers te wreken; en ik mij zelven een gewissen dood op -den hals halen, waartoe ik voor als nog in het geheel geen roeping -gevoelde. - -Om kort te gaan, ik besloot, dat het mij geraden was, mij hierin -volstrekt niet te mengen, maar mij zoo veel mogelijk voor hen verborgen -te houden, en niet het minste spoor achter te laten, waardoor zij gissen -konden, dat er eenig menschelijk wezen zich op het eiland bevond. De -godsdienst sterkte mij in dit voorzigtig besluit, en ik was thans door -verschillende redenen overtuigd, dat ik geheel en al mijn pligt te -buiten ging, als ik zulke bloeddorstige ontwerpen bleef voeden, om -onschuldige wezens te dooden; ik bedoel onschuldig jegens mij. Met de -misdaden, waaraan zij zich jegens elkander schuldig maakten, had ik -niets te maken; het waren hunne zeden, en ik moest die aan de Goddelijke -geregtigheid overlaten, daar God de volkeren bestiert en zijne oordeelen -op de wijze, die Hij goedvindt, over hen kan doen losbarsten. - -Dit scheen mij thans zoo klaar toe, dat niets mij meer verheugde, dan -dat het mij niet toegelaten was te doen, hetgeen ik thans als niet -minder dan moedwilligen doodslag beschouwde, en ik dankte God op mijne -knieën, dat Hij mij aldus van mijn bloeddorst had genezen; smeekte om -zijne bescherming, dat ik niet in hunne handen mogt vallen, of de hand -aan hen slaan, ten ware de Hemel mij dit duidelijk en ter verdediging -van mijn eigen leven aanwees. - -In deze gemoedsgesteldheid bragt ik nog een jaar door, en ik verlangde -zoo weinig die rampzaligen aan te vallen, dat ik in al dien tijd geene -enkele maal den heuvel opklom, om te zien of er ook eenigen in het -gezigt waren, of te weten, of zij al of niet het eiland hadden -aangedaan; ten einde niet in verzoeking te geraken mijne vroegere -middelen te bezigen, of door eenig voordeel tot een aanval op hen -verlokt te worden. Echter haalde ik mijne boot van de andere zijde van -het eiland, en bragt die aan de oostzijde, waar ik die in een inham -onder eenige hooge rotsen legde, waar ik wist, dat de wilden, uithoofde -der stroomingen, niet met hunne kanoes zouden durven komen. Met de boot -nam ik alles mede, wat ik daar achtergelaten had, namelijk een mast en -een zeil, dat ik gemaakt had, benevens eene soort van anker of dreg, -schoon eigenlijk naar geen van beide gelijkende, maar dat ik niet beter -had kunnen maken. Dit deed ik om niet het minste blijk van menschelijke -wezens, of spoor van eene boot op het eiland achter te laten. - -Bovendien leefde ik stiller dan ooit, en verliet zelden mijne kluis dan -voor mijne dagelijksche bezigheden, het melken mijner geiten en het -nazien mijner kudde in het bosch, die als geheel aan de andere zijde van -het eiland, buiten alle gevaar was; want het was zeker, dat de wilden, -die somtijds het eiland aandeden, er nimmer iets dachten te vinden, en -dus nooit het strand verlieten. Ik twijfel niet of zij waren er -verscheidene malen, nadat ik hun spoor ontdekt had, geweest; en ik -huiverde bij de gedachte wat mijn toestand zou geweest zijn, als ik op -hen gestooten had, en zij mij ontdekt hadden, alleen gewapend met een -geweer, soms met eenigen hagel slechts geladen. Welk een verrassing zou -het geweest zijn als ik in plaats van een afdruk van een voet, een -vijftien of twintig wilden aangetroffen had, en zij mij vervolgd hadden. -Bij hunnen snellen loop zou er aan ontkomen niet te denken zijn geweest. -Deze denkbeelden maakten mij soms bitter neêrslagtig. Met schrik dacht -ik wat ik in dat geval zou gedaan hebben; zonder hen te kunnen -weerstaan, misschien zonder tegenwoordigheid van geest om van mijne -eerst na lang nadenken uitgevonden middelen tot verdediging gebruik te -maken. Maar ik eindigde met dankbaar aan de Voorzienigheid te zijn, die -mij voor deze schrikkelijke ramp bewaard had, terwijl ik zelfs het -gevaar, waarin ik was, niet bevroedde. Dit bragt mij tot de overweging, -die ik reeds meermalen, bij mijn leven, had gemaakt, hoe de -Voorzienigheid ons in gevaren beschermt en leidt door schikkingen, -waarvan wij het doel niet begrijpen. Dikwijls toch worden wij door -geheel onverwachte gebeurtenissen uit groote gevaren bevrijd; dikwijls -drijft een geheime aandrang, in hagchelijke oogenblikken, ons aan, om -veeleer dezen dan genen weg in te slaan, die onfeilbaar tot ons verderf -zou geleid hebben. - -Ten gevolge dezer overwegingen stelde ik het mij naderhand tot een -vasten regel, dat wanneer naderhand, als het ware, eene geheime stem mij -ried deze of gene zaak te doen of te laten, of dezen of genen weg in te -slaan, ik altoos die aanwijzing volgde, schoon ik er geene andere reden -dan dezen aandrang voor had. Meer dan een voorbeeld uit mijn leven zou -ik kunnen bijbrengen, om het welslagen van deze handelwijze te bewijzen; -maar vooral in den laatsten tijd van mijn verblijf op dit eiland; -behalve dat ik vroeger waarschijnlijk veel dergelijks had kunnen -bespeuren, zoo ik toenmaals de zaken uit hetzelfde oogpunt had -beschouwd. Doch het is nimmer te laat om verstandig te worden, en ik kan -ieder verstandig mensch, wiens leven even als het mijne aan zoo -buitenwone wisselvalligheden, of zelfs aan min bijzondere onderhevig is, -aanraden, zulke geheime wenken der Voorzienigheid niet in den wind te -slaan, door welke onzigtbare werking zij ons medegedeeld worden. Ik kan -deze noch verklaren, noch er over redetwisten, maar gewis zijn het -onwraakbare bewijzen voor de werking van onstoffelijke wezens buiten -ons. Hiervan zal ik in het overige van mijn eenzaam verblijf op het -eiland merkwaardige bewijzen kunnen geven. - -Mijne lezers zullen het, geloof ik, niet vreemd vinden, als ik beken, -dat deze aanhoudende angst en gevaren waarin ik verkeerde, en de -daardoor verwekte zorgen, mij alle uitvindingen en alle ondernemingen, -die ik tot mijn verder gemak bedacht had, deden staken. Ik werd thans -meer door de zorg voor mijne veiligheid, dan voor mijn onderhoud, -beziggehouden. Ik durfde geen spijker slaan, geen hout kappen, uit -vrees, dat het geraas hiervan gehoord zou worden; veel minder durfde ik -een geweer afschieten, en vooral baarde mijn vuur mij veel vrees. De -rook, die over dag zeer ver zigtbaar is, kon mij verraden, en ten dien -einde verrigtte ik mijn werk, waarbij ik vuur noodig had, als potten en -pijpen bakken, in mijn nieuw verblijf in het bosch, waar ik voor eenigen -tijd, tot mijne groote vreugde, een natuurlijke onderaardsche grot had -gevonden, die een heel eind weegs diep inliep; en ik was verzekerd, dat -geen wilde, als hij den ingang vond, er zou durven ingaan, en niemand -zou dit doen ten ware hij, gelijk ik, een veilige schuilplaats zoo hoog -noodig had. - -De ingang van deze grot was aan den voet van eene groote rots, waar het -toeval, (zou ik vroeger gezegd hebben, maar het was inderdaad de -Voorzienigheid) mij heenvoerde, terwijl ik eenige zware takken kapte om -houtskolen te branden. Vooraf moet ik zeggen waarom ik houtskolen -maakte. Ik was bevreesd bij mijne woning vuur te stoken, gelijk ik -zeide, en toch kon ik niet leven zonder mijn brood te bakken, mijn -vleesch te koken enz.; en dus beproefde ik eenig hout, gelijk ik in -Engeland gezien had, met aarde overdekt, te branden tot het kolen waren, -alsdan doofde ik het vuur uit, bragt de houtskolen naar huis, en -gebruikte die om vuur te maken, zonder gevaar van den rook. Doch om tot -mijn verhaal terug te keeren. - -Terwijl ik daar aan het houtkappen was, bemerkte ik, dat er achter eenig -zeer dik kreupelhout of heestergewas, eene zekere opening was. Ik was -nieuwsgierig, die te zien, en toen ik met moeite aan den ingang kwam, -vond ik, dat, die vrij groot was, namelijk, dat ik er, en nog iemand -naast mij, regt op in kon staan. Maar ik moet bekennen, dat ik er veel -harder uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar -het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig -schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden, -en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in -weêrkaatste. Echter kwam ik na eenige oogenblikken wat tot mij zelven, -en schold mij zelven voor een tiendubbelen gek, en zeide, dat hij, die -bang was den duivel onder de oogen te zien, niet geschikt was om twintig -jaren geheel alleen op een woest eiland te leven, en dat er zeker niets -in de grot was, dat meer schrik kon verwekken dan mijn eigen persoon. -Hierna raapte ik al mijn moed bijeen, nam een vlammend hout in de hand, -en stoof daarmede gewapend, de grot in. Ik had nog geen drie stappen -gedaan, of ik schrikte weder even hevig als vroeger, want ik hoorde een -luid steenen, als van iemand, die zware pijn lijdt, dan weder een dof -geluid, als of men binnen 's monds sprak, gevolgd door een diepen zucht. -Ik trad terug en was zoo ontsteld, dat het koude zweet mij uitbrak, en -had ik een hoed op gehad, dan zouden mijne te berge staande haren dien -misschien opgeligt hebben. Maar nog trachtte ik moed te scheppen met het -denkbeeld, dat God alomtegenwoordig was en mij kon beschermen, en weder -voorwaarts stappende, zag ik bij het licht van het brandend hout, dat ik -boven mijn hoofd hield, zag ik, zeg ik, een allermonsterachtigsten, -vreesselijken ouden bok op den grond liggen, die daar lag te zieltogen -en van ouderdom scheen te sterven. Ik beproefde hem weg te jagen; hij -trachtte op te staan, maar kon niet; en ik dacht bij mij zelven: blijf -dan maar liggen, want hebt gij mij zoo verschrikt, dan zult gij -zekerlijk de wilden, zoo die het durven wagen naar binnen te dringen -terwijl gij nog leeft, nog veel meer schrik aanjagen. - -Van mijne verbazing bekomen, begon ik rond te zien en ontdekte, dat de -grot inderdaad zeer klein was, namelijk ongeveer twaalf voet, maar -onregelmatig, noch rond noch vierkant gevormd, daar de natuur dit -alleen, zonder hulp van menschenhanden gedaan had. Ik bemerkte ook, dat -er aarde op eene plaats was, die dieper inliep, maar zoo laag, dat ik er -op handen en voeten in moest kruipen. Daar ik nu geen kaars bij mij had, -stelde ik dit uit, maar besloot den volgenden dag met kaarsen en een -tinteldoos terug te komen. Mijn tinteldoos had ik van het slot van een -oud geweer gemaakt. - -Ik kwam dan ook den volgenden dag terug met zes kaarsen van mijn eigen -maaksel, want ik maakte thans zeer goede kaarsen van geitenvet; en de -grot ingaande, was ik, gelijk ik zeide, genoodzaakt ongeveer tien ellen -op handen en voeten voort te kruipen, hetgeen, naar mij dacht, al een -groot waagstuk was, daar ik niet wist hoe ver zij liep, of waar ik zou -uitkomen. Na deze engte doorgegaan te zijn, verhief het gewelf zich -ongeveer tot twintig voet; maar nimmer, durf ik zeggen, zag men op het -eiland schitterender gezigt, dan de wanden dezer grot opleverden. Deze -weerkaatsten honderdduizend maal het licht mijner twee kaarsen; wat er -in de rots zat, of diamanten of andere edelgesteenten, of goud, wist ik -niet. Ik bevond mij nu in de allerbevalligste grot, die men bedenken -kon, schoon het er geheel duister was; de grond was droog en effen, en -er lag eene soort van keizelzand op, zoodat er geenerlei stinkend of -venijnig gedierte, noch eenige vochtigheid aan de wanden te bespeuren -was. De ingang alleen was wat moeijelijk, hetgeen mij echter een -voordeel toescheen, daar het juist zulk eene veilige schuilplaats was -als ik verlangde. Ik besloot dus onverwijld daar eenige dingen te -brengen, waarvoor ik het meest bezorgd was, bovenal mijn -buskruidmagazijn en al mijne wapenen, die ik niet gestadig gebruikte, -bestaande uit twee jagtgeweren en drie musketten. Van deze laatste -behield ik dus vijf in mijn kasteel, die als kanonnen op mijne buitenste -schans geplant stonden, en er ook des noodig konden uitgenomen worden. -Bij deze gelegenheid moest ik het kruidvaatje, dat ik uit zee opgevischt -had, openslaan, en ik vond, dat het zeewater er aan alle kanten drie tot -vier duim doorgedrongen was, en het kruid daar zoo hard had gemaakt als -een steen, waardoor het overige als de kern in een pit volkomen bewaard -was gebleven. Ik had dus midden in het vat ongeveer zestig pond zeer -goed kruid, hetgeen voor mij eene aangename verrassing was. Ik bragt dat -alles er heen, en hield slechts twee of drie pond in mijn kasteel, om -tegen elke verrassing gewapend te zijn, ook bragt ik er al het lood, dat -ik voor kogels bewaard had. Alstoen vergeleek ik mij bij de reuzen uit -den ouden tijd, die men zegt, dat in grotten en rotsholen leefden, waar -niemand hen kon bereiken. Ik hield mij overtuigd, dat al zaten mij -vijfhonderd wilden na, zij mij niet zouden vinden, en al was dit zoo, -mij hier nog niet zouden durven aanvallen. - -De oude bok, dien ik zieltogende had gevonden, stierf den volgenden dag -na mijne ontdekking, en ik vond het veel gemakkelijker hem daarin een -graf te delven dan hem er uit te slepen, dus begroef ik hem daar, om -mijn neus voor den stank te waarborgen. - -Ik was nu in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf op het eiland; -en er zoo genaturaliseerd en aan mijne levenswijze gewoon, dat zoo ik -slechts zeker ware geweest, dat er geene wilden zouden komen, ik -tevreden zou geweest zijn met daar het overschot mijns levens te -slijten, zelfs tot mijn laatste uur, tot ik, even als de oude bok, mij -zou nederleggen en sterven. Ik had mij eenige vermakelijkheden -verschaft, die mij den tijd aangenamer deden omgaan dan vroeger. -Vooreerst had ik mijn papegaai leeren spreken, en hij klapte zoo aardig -en vertrouwelijk, dat ik geloof, dat nooit een vogel beter sprak. Hij -leefde niet minder dan zesentwintig jaren met mij, en hoe lang hij -naderhand kon leven wist ik niet. In Brazilië zegt men, dat zij honderd -jaar oud kunnen worden. Mijn hond was mij meer dan zestien jaren een -trouwe makker, en toen stierf hij van ouderdom. Mijne katten -vermenigvuldigden zoo, gelijk ik gezegd heb, dat ik er in den beginne -verscheidene van moest dood schieten, ten einde zij niet mij en al wat -ik had opvraten; maar toen eindelijk de ouden dood waren, en ik ze -gestadig verjoeg en niets binnen haar bereik liet, verwilderden zij en -liepen het bosch in, behalve twee of drie, die ik tam hield, en wier -jongen ik altijd verdronk. Bovendien had ik altijd twee of drie tamme -geitjes om mij heen, die ik leerde uit mijne hand te komen eten. Ik had -ook nog twee papegaaijen, die tamelijk goed spraken, en allen: Robinson -Crusoe! riepen, maar geen zoo goed als mijn eerste; ook had ik mij met -hen zoo veel moeite niet gegeven. Ik had ook verscheidene tamme -zeevogels, wier naam ik niet kende, die ik op het strand gevangen en -gekortwiekt had. De stekken, die ik om mijn muur geplant had, waren nu -tot een digt bosch gegroeid, en daarin leefden en nestelden zij, hetgeen -mij zeer aangenaam was. Aldus leefde ik zeer tevreden, behalve dat ik -steeds door vrees voor de wilden geplaagd werd. - -Doch het was anders besloten, en het zal hier niet ongepast zijn mijnen -Lezers te doen opmerken, hoe dikwijls datgene, wat wij het meest -trachten te vermijden en voor ons het vreesselijkst is, toch het -eenigste middel is om ons uit onze ongelukken te redden. Ik zou uit mijn -buitengewonen levensloop vele voorbeelden tot staving hiervan kunnen -aanhalen; maar nergens bleek dit duidelijker in dan in de -omstandigheden, die de laatste jaren van mijn verblijf alhier -kenmerkten. - -Het was nu in December, in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf -alhier, en daar dit de zuidelijke zonnestand (want winter kan men het -niet noemen) was, en dus mijn oogsttijd, moest ik dikwijls op het veld -wezen. Op een vroegen morgen vóór den dag uitgaande, verbaasde het mij -op het strand, een half uur van mij af, een groot vuur te zien, en tot -mijn grooten schrik aan mijne zijde van het eiland. - -Bij dit gezigt stond ik als verplet, en bleef in mijn boschaadje, waar -ik niet durfde uitgaan; en toch was ik even ongerust, uit vrees, dat zoo -deze wilden het eiland mogten rondzwerven, zij mijn te veld staande -graan of eenig ander werk van mij mogten vinden en vernielen, en -dadelijk daaruit begrijpen, dat er menschen op het eiland waren. Dan -zouden zij niet rusten voor zij mij gevonden hadden. Ik keerde dus in -mijn kasteel terug, en trok de ladder achter mij op. - -Daarop maakte ik mij tot verdediging gereed. Ik laadde al mijn geschut, -dat op mijne schans stond, en al mijne pistolen, en besloot mij ten -uiterste te verdedigen, niet vergetende mij in Gods bescherming te -bevelen en Hem te smeeken mij uit de handen der barbaren te redden. Ik -bleef aldus twee uren, maar verlangde toen magtig te weten wat er -omging, want ik kon geene verspieders uitzenden. Eindelijk kon ik deze -onzekerheid niet langer verdragen, ik zette dus mijne ladder tegen de -rots, en klom zoo naar den top. Daar ging ik plat op den grond liggen, -en begon met mijn kijker naar hen uit te zien. Ik zag niet minder dan -negen naakte wilden rondom een vuur zitten, niet om zich te warmen, want -het was geweldig heet, maar naar ik denk, om een hunner afschuwelijke -gastmalen van menschenvleesch te houden, dat zij levend of dood hadden -medegebragt. - -Zij hadden twee kanoes aan het strand liggen, en daar het eb was, -begreep ik, dat zij op hoogwater wachtten, om weder in zee te gaan. Men -kan zich niet begrijpen, welke verwarring dit gerigt bij mij te weeg -bragt, vooral dat zij aan mijne zijde van het eiland en zoo digt bij mij -geland waren. Toen ik echter begreep, dat zij altijd alleen met de eb -konden komen, werd ik wat bedaarder, daar ik inzag, dat ik al den tijd, -dat het hoogwater was, gerust van huis kon gaan, zoo zij alsdan niet -vroeger aan wal waren gekomen. Hierdoor eenigzins gerust gesteld, ging -met meer gerustheid aan mijn oogst aan het werk. - -Het ging zoo als ik dacht, want zoodra de vloed doorkwam, zag ik hen -allen naar hunne kanoes gaan, en heenroeijen, of liever pagaaijen. Ik -moet nog vermelden, dat een uur of zoo voor zij vertrokken, zij aan het -dansen gingen, en ik kon door mijn kijker al hunne gebaren en houdingen -duidelijk zien. Zij waren geheel naakt, schoon ik niet onderscheiden kon -of het allen mannen dan of er ook vrouwen bij waren. - -Zoodra ik hen vertrokken zag, nam ik twee geweren op schouder, stak twee -pistolen in mijn gordel met mijne sabel zonder scheede, en begaf mij zoo -spoedig ik kon naar den heuvel, waar ik het eerste spoor van hen gezien -had. Zoodra ik daar kwam, waarmede twee uren verliepen (want ik kon zoo -met wapenen beladen, niet hard voort) bespeurde ik, dat er daar nog drie -kanoes met wilden geweest waren, en verder op ziende, bemerkte ik, dat -zij allen in zee waren gestoken en op het vaste land aanhielden. - -Dit was een vreesselijk gezigt voor mij, vooral toen ik naar het strand -afgaande, de blijken kon zien, die zij van hun afschuwelijk werk hadden -achtergelaten; namelijk het bloed, de beenderen en een deel -menschenvleesch, dat deze rampzaligen daar met vreugde en vrolijkheid -hadden verslonden. Dit gezigt vervulde mij met zoo veel -verontwaardiging, dat ik thans voornam de eersten, die weder kwamen, -dood te schieten, al waren er ook nog zooveel. - -Het scheen mij blijkbaar, dat de bezoeken, die zij aldus aan het eiland -gaven, niet veelvuldig waren; want het duurde meer dan vijftien maanden -eer ik weder iets van hen zag. Gedurende het regensaizoen zouden zij -zeker niet uitgaan, althans niet zoo ver van huis; echter was ik al dien -tijd in gestadige onrust en vrees, dat zij mij onverwachts zouden -overvallen. Dit bragt mij tot de opmerking, dat de verwachting van eenig -onheil erger is dan het ondergaan van hetzelve, vooral als men niet in -staat is zich van den angst of van die verwachting te ontslaan. - -Al dien tijd was ik in eene allerbloeddorstigste stemming, en besteedde -meest al mijnen tijd (dien ik beter had kunnen aanwenden) in te -overwegen hoe ik de volgende maal, dat ik hen zag, hen zou overvallen en -aantasten, vooral als zij, gelijk de laatste maal het geval was, in twee -partijen verdeeld zouden zijn. Ik bedacht echter niet, dat zoo ik de -eene week een troep doodde, ik de volgende week of maand een tweeden kon -moeten doodslaan, en zoo voorts tot in het oneindige, tot ik eindelijk -niet minder een moordenaar zou zijn dan deze menscheneters, en misschien -nog meer. - -Dit alles deed mij thans mijne dagen in groote verslagenheid en angst -doorbrengen, daar ik verwachtte, dat ik, den een of anderen dag, in de -handen dezer meêdoogenlooze barbaren zou vallen. Als ik nu en dan -uitging, deed ik dit met de meeste voorzorg en zag onophoudelijk rond. -Nu zag ik in hoe gelukkig het was, dat ik mij eene kudde tamme geiten -had weten te verschaffen; want ik durfde volstrekt mijn geweer niet af -te schieten, vooral niet bij dien kant van het eiland, waar zij -gewoonlijk kwamen, ten einde hun geen alarm te geven; en al namen zij -eerst de vlugt voor mij, dan kon ik toch zeker rekenen, dat zij -misschien eenige dagen daarna met twee- of driehonderd kanoes zouden -terugkeeren, en dan wist ik wat mijn lot zijn zou. - -Het duurde echter vijftien maanden voor ik iets van de wilden zag of -hoorde, en toen vertoonden zij zich weder, zoo als ik straks verhalen -zal. Wel is het mogelijk, dat zij er in dien tijd eens of tweemaal -geweest waren, maar dan kort en zonder dat ik er iets van gemerkt had, -doch in de maand Mei, zoo ver ik berekenen kan, en in mijn -vierentwintigste jaar, had ik eene zeer zonderlinge ontmoeting, die ik -zoo aanstonds verhalen zal. - -Al die vijftien of zestien maanden bragt ik in de grootste onrust door. -Ik sliep onrustig, had altijd akelige droomen, en werd dikwijls met -schrik wakker. Over dag verbijsterde mij de angst en des nachts droomde -ik van het dooden van wilden, en zocht naar redenen, die dit -regtvaardigden. Doch die zullen wij voor een oogenblik daar laten. - -Op zekeren dag, den 16den Mei, naar mijn houten almanak te rekenen, dien -ik nog dagelijks bijhield, woei het den geheelen dag een fellen storm -met donder en bliksem, en de nacht was even ruw. Ik zat in den Bijbel te -lezen, en ernstig over mijn toestand na te denken, toen ik eensklaps -schrikte van een kanonschot, dat, naar ik meende, in zee gelost werd. -Dit was een geheel andere verrassing dan de vroegere, en bragt mij -geheel andere denkbeelden in het hoofd. In een oogenblik stond mijne -ladder tegen de rots; ik haalde die op, en beklom toen den top; op dat -oogenblik deed eene flikkering van vuur mij een tweede schot verwachten, -welks geluid ik ook eene halve minuut daarna hoorde, en daaruit vernam, -dat het van dien kant van de zee kwam, waar ik in mijne boot door de -strooming in zee was gedreven. - -Oogenblikkelijk begreep ik, dat er een schip in nood was, en dat het -een ander in de nabijheid had, en noodschoten deed om hulp te vragen. Ik -had tegenwoordigheid van geest genoeg, om te begrijpen, dat zoo ik hen -niet kon helpen, zij dit mij konden doen; dus haalde ik al het drooge -hout bijeen, dat ik vinden kon, stapelde het op een hoop en stak het in -brand. Het hout was droog en brandde fel op, en hoe hard het ook woei, -brandde het geheel op, zoodat als er een schip was, men het daar zien -moest. Ongetwijfeld was dit ook zoo, want zoodra het vuur opbrandde, -deed men weder een schot en naderhand nog verscheidene. Ik hield het -vuur den geheelen nacht aan, en toen het dag werd en de lucht opklaarde, -zag ik op een grooten afstand in zee een zeil of een romp van een schip. -De afstand was te groot en het weder nog wat mistig, om met mijn kijker -er meer van te kunnen onderscheiden. - -Dikwijls zag ik er dien dag naar uit, en bemerkte spoedig, dat het stil -lag; dus begreep ik, dat het een schip was, dat voor anker lag, en -verlangende het juiste te weten, gelijk men wel kan denken, liep ik, met -mijn geweer in de hand, naar den Zuidoostkant van het eiland, naar de -klippen, waar de strooming mij vroeger had medegesleept, en daar -gekomen, en het weder thans geheel opgeklaard zijnde, zag ik duidelijk, -tot mijn groot verdriet, het wrak van een schip, dat in den nacht op -deze blinde klippen geworpen was, die ik, toen ik in mijne boot was, had -aangetroffen, en welke klippen daar de kracht van den stroom stuitten, -en eene soort van tegenstroom vormden, die mij toen uit den -hagchelijksten toestand, waarin ik ooit in mijn geheele leven geweest -was, had gered. - -Wat echter den een redt, stort den ander in het verderf, want het -schijnt, dat deze menschen, buiten hun bestek geslagen, geen kennis -droegen van die geheel onder water staande klippen, en daar de wind des -nachts fel uit het O. en O. N. O. geblazen had, er op geslagen waren. -Ongetwijfeld zouden zij getracht hebben zich met de boot te redden, maar -hunne noodschoten, vooral toen zij, naar ik mij verbeeldde, mijn vuur -gezien hadden, bragten mij op verschillende gedachten. Eerst begreep ik, -dat zij, op het zien van mijn vuur, zich in de boot begeven hadden, en -getracht het strand te bereiken, maar door de hooge zee weggeslagen -waren. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij vroeger hunne boot zouden -verloren hebben, gelijk meermalen gebeurt, vooral door het overkomen van -zware stortzeeën, die het volk dikwijls dwingen de verbrijzelde sloep -met eigen handen over boord te werpen. Dan weder vermoedde ik, dat zij -andere schepen bij zich hadden gehad, en deze op hunne noodschoten hen -opgenomen en gered hadden. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij allen in -de boot gegaan waren, en door de strooming op den wijden oceaan -geslagen, waar niets dan de dood hun wachtte, en dat zij thans misschien -dachten van honger te sterven en in eenen toestand waren om elkander te -verslinden. - -Dit alles waren evenwel slechts gissingen, en ik kon niets doen dan hen -beklagen, hetgeen echter nog die goede uitwerking op mij had, dat het -mij meer en meer aanleiding gaf om God te danken, dat Hij zoo liefderijk -voor mij in mijn verlaten toestand gezorgd had; en dat van twee -scheepsbemanningen, die nu in dezen hoek der wereld gedreven waren, geen -ander leven dan het mijne gespaard was. Op nieuw moest ik hier opmerken, -dat Gods voorzienigheid ons zeer zelden in zulk een jammerlijken -toestand of in zoo groote ellende doet vallen, waarin wij niet voor het -een of ander mogen dankbaar zijn, en bespeuren, dat anderen er nog erger -aan toe zijn dan wij. - -In dit laatste geval was zeker deze bemanning, waarvan ik niet mogt -onderstellen, dat een gered was; niets kon doen vermoeden, dat zij niet -allen vergaan waren, dan de mogelijkheid, dat zij door een ander schip -waren opgenomen; en dit was niet waarschijnlijk, want ik zag daar niet -het minste blijk van. - -Het is mij volstrekt onmogelijk met woorden uit te drukken, welk een -vurig verlangen mijne ziel verteerde bij het zien van het wrak, en hoe -dikwijls ik uitriep: "O, waren er slechts twee, slechts ééne ziel gered, -die mij gevonden had, zoo dat ik een makker, een natuurgenoot had, tot -wien ik spreken en met wien ik omgaan kon!" Gedurende geheel mijn -eenzaam leven had ik zulk een hevig verlangen niet gehad naar het -gezelschap van een mijner medemenschen, noch zulk een diepe spijt over -deszelfs gemis. Er bestaan in onze hartstogten zekere drijfveren, die -zoo zij door eenig zigtbaar voorwerp of door de werking van onze -verbeelding gaande gemaakt worden, onze ziel zoo krachtig daarheen doen -neigen, dat deszelfs gemis ondragelijk wordt. Zoo ging het mij met den -wensch, dat er slechts een man gered ware geworden: "Ware er slechts -één, slechts één mensch het ontkomen!" Duizendmaal, geloof ik, herhaalde -ik deze woorden, en dan wrong ik zoo hevig de handen, dat zoo er eenig -voorwerp in geweest ware, het verbrijzeld zou geworden zijn, en ik -klemde mijne tanden zoo stijf opeen, dat ik eenigen tijd den mond niet -openen kon. De natuurkundigen mogen mijnenthalve het verklaren; ik kan -slechts mededeelen wat er gebeurde, en hoe ik zelf mij er over -verbaasde. Ongetwijfeld was dit de uitwerking van mijn vurigen wensch, -en mijne gespannen verbeelding over het genoegen, dat de verkeering met -een mijner mede-christenen mij zou opgeleverd hebben. - -Doch dit mogt zoo niet zijn; hun lot of het mijne was anders besloten; -want tot het laatste jaar van mijn verblijf op het eiland wist ik niet -of er iemand uit het schip gered was of niet; alleen had ik eenige dagen -later het verdriet, het lijk van een verdronken jongen aan land te zien -spoelen, aan het einde des eilands, digt bij de plaats der schipbreuk. -Hij had geene andere kleederen aan dan een matrozenbuisje, een linnen -broek en een blaauw hemd; maar niets, waaruit ik gissen kon, tot welke -natie hij behoorde. Hij had niets in zijn zak dan twee stukken van -achten en eene tabakspijp, de laatste was mij tienmalen meer van waarde -dan de eersten. - -Het was nu stil en ik verlangde zeer in mijne boot naar het wrak te -gaan, niet twijfelende of ik zou aan boord wel iets vinden, dat mij van -nut kon zijn; doch dit was niet mijne sterkste drijfveer, maar wel de -mogelijkheid, dat er nog een levend wezen aan boord zou zijn, wiens -leven ik redden kon niet alleen, maar daardoor tevens mijn eigen lot ten -uiterste verzoeten. Dit denkbeeld lag mij zoo aan het hart, dat ik dag -noch nacht rust had; maar besloot in mijne boot mij naar het wrak te -wagen, en den uitslag aan Gods voorzienigheid over te laten. De indruk, -dien dit op mijn geest gemaakt had, was zoo sterk, dat ik meende dien -niet te kunnen wederstaan, en begreep, dat eene onzigtbare magt mij -daartoe aandreef, en ik mij zelven nadeel meende te doen, als ik dien -niet opvolgde. - -Hierdoor aangedreven, spoedde ik mij naar mijn kasteel, maakte alles tot -mijne reis gereed, nam wat brood, eene groote pot vol zoet water, een -kompas om naar te sturen, een flesch rum (want ik had daar nog vrij wat -van) en eene mand vol rozijnen, en aldus met al het noodige beladen, -ging ik naar mijne boot, schepte er het water uit, en maakte haar vlot, -legde er mijne lading in, en ging meer van huis halen. Mijne tweede -lading bestond uit een zak vol rijst, mijn zonnescherm, om mij voor zon -en regen te beschutten, nog eene groote pot vol water en ongeveer twee -dozijn van mijne brooden of koeken, benevens eene flesch geitenmelk en -eene kaas. Dit alles bragt ik onder veel arbeid en zweet naar mijne -boot, en na God voor den gelukkigen afloop der reis gebeden te hebben, -stak ik af, en de kanoe langs het strand roeijende of pagaaijende, kwam -ik eindelijk aan het einde van het eiland aan dien kant, namelijk aan -het N. O. Nu moest ik, als ik het wagen durfde, in zee steken. Ik sloeg -een blik op de felle stroomingen, die gestadig op eenigen afstand aan -weerszijden van het eiland liepen, en die door de herinnering van het -gevaar, dat zij mij hadden doen loopen, voor mij zeer vreesselijk waren; -en toen begon mijn moed te bezwijken, want ik voorzag, dat als ik in -eene dier stroomingen geraakte, ik een groot eind weegs in zee zou -gedreven worden, misschien zoo ver, dat ik het eiland niet meer bereiken -of zien zou, en daar mijne boot maar klein was, ware ik, zoodra maar de -wind opwakkerde tot eene stijve koelte, onvermijdelijk verloren. - -Deze denkbeelden maakten mij zoo neêrslagtig, dat ik mijne onderneming -begon op te geven, en na mijne boot in eene kleine kreek aan het strand -gebragt te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging, -zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de -reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en -de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield, -onuitvoerbaar werd. Nu viel het mij in, dat het best ware op de hoogste -plek gronds te gaan, die ik vinden kon, en, als ik kon, waarnemen hoe de -stroomingen met het getij liepen, wanneer de vloed doorkwam, zoo dat ik -oordeelen kon, dat als ik eens langs den eenen weg naar buiten gedreven -werd, of ik ook hopen kon langs een anderen weg naar binnen gedreven te -worden, met de stroomingen. Naauwelijks kwam dit denkbeeld bij mij op, -of ik sloeg mijn oog op een heuvel, vanwaar ik de zee aan weerszijden -voldoende overzien kon, en waar ik een duidelijk gezigt van de -stroomingen had, en hoe ik op mijn terugreis sturen moest. Ik vond, dat -de strooming van de eb digt langs de zuidelijke punt van het eiland heen -liep, terwijl de strooming van den vloed aan de noordelijke zijde digt -langs het strand liep, en ik dus niets te doen had dan bij mijne -terugkomst de noordzijde van het eiland te houden. - -Hierdoor aangemoedigd, besloot ik den volgenden morgen met het begin van -het getij uit te gaan, gelijk ik deed, na dien nacht in de kanoe, onder -de dikke jas, geslapen te hebben. Ik stuurde eerst een eindweegs in zee -regt noordwaarts aan, tot ik de kracht van de strooming begon te -bemerken, die mij oostwaarts en met vrij groote snelheid voortdreef, -maar niet zoo geweldig als de zuidelijke strooming te voren gedaan had, -en mij het bestuur over mijne boot latende, zoo dat ik die, met mijn -roeiriem sturende, met groote snelheid regt op het wrak aanhield, en het -binnen twee uren bereikte. - -Het was een treurig gezigt; het schip, dat van Spaansche bouworde was, -zat tusschen twee rotsen vastgeklemd; de zee had het van achteren en op -zijde reeds geheel aan stukken geslagen, en daar het voorschip met -groot geweld tusschen de klippen was geworpen, waren de fokke en groote -mast kort afgebroken, maar de boegspriet was heel en de voorsteven -scheen nog geheel onbeschadigd. Toen ik dezen naderde kwam er een hond -te voorschijn, die, mij ziende, begon te janken en te blaffen, en zoodra -ik hem riep, in zee sprong en naar mij toezwom. Ik nam hem in de boot, -maar hij was halfdood van honger en dorst. Ik gaf hem een stuk brood en -hij at als een wolf, die veertien dagen lang honger geleden heeft. Toen -gaf ik hem wat zoet water, maar zoo ik hem had laten begaan, zou hij -zich te bersten hebben gedronken. - -Daarna ging ik aan boord. Het eerst wat ik zag was twee mannen, die in -de konstapelskamer verdronken waren, met de armen stijf om elkander -geslagen. Ik begreep, gelijk zeer waarschijnlijk was, dat toen het schip -in den storm vastraakte, de zee zoo hoog liep en er zoo hevig in gekomen -was, dat deze arme lieden er door verdronken of gesmoord waren, zoo goed -als of zij onder water hadden gelegen. Behalve den hond was er geen -levend schepsel aan boord, en voor zoo verre ik zien kon, geene -goederen, die niet door het water bedorven waren. Lager in het ruim -lagen eenige vaten met wijn of sterken drank, die ik, toen het water op -het laagst was, zien kon, maar zij waren voor mij te zwaar. Ik zag -verscheidene kisten, die waarschijnlijk aan de matrozen behoord hadden, -en ik nam er twee van in de boot, zonder te onderzoeken wat er in was. - -Zoo het schip van achteren vast gezeten had, en het voorschip -verbrijzeld ware geweest, zou ik eene zeer goede reis gedaan hebben, -want naar hetgeen ik in die twee kisten vond, begreep ik, dat het schip -zeer rijk geladen moest geweest zijn; en naar den koers, dien het -gehouden had, te rekenen, was het waarschijnlijk bestemd naar Buenos -Ayros of Rio de la Plata, boven Brazilië, vandaar naar de Havanna, en -zoo misschien naar Spanje. Er waren zeker groote schatten in, maar daar -had ik niets aan, en ik wist niet waar de bemanning gebleven was. - -Behalve deze twee kisten vond ik een vaatje sterken drank van ongeveer -twintig flesschen, dat ik met veel moeite in mijne boot bragt. In eene -hut vond ik eene menigte geweren en een grooten kruidhoorn met ongeveer -vier pond kruid; daar ik de geweren niet noodig had, liet ik die liggen -en nam den kruidhoorn alleen mede. Ook nam ik mede een blaasbalg en een -tang, die ik beide hoog noodig had, als ook twee koperen keteltjes, een -chocoladepot en een rooster, en met dit alles, benevens den hond, -vertrok ik, daar het getij mij naar huis dreef, en denzelfden avond, -ongeveer een uur na zonsondergang bereikte ik het eiland weder, uiterst -vermoeid van dezen togt. - -Ik sliep dien nacht in de boot, en den volgenden morgen besloot ik -hetgeen ik medegebragt had, in mijn nieuw ontdekte grot, en niet naar -mijn kasteel te brengen. Na ontbeten te hebben, bragt ik al mijne lading -aan den wal en begon die na te zien. Het vaatje met sterken drank was -vol rum, zoo als wij in Brazilië hadden, dat wil zeggen, die niets -deugde. Maar bij het openen der kisten vond ik verscheidene zaken, die -mij ontbraken; in een vond ik bij voorbeeld een zeer fraaije -flesschenkelder, geheel met allerlei fijne likeuren, in flesschen met -zilveren stoppen, gevuld. Ik vond twee potten met confituren, zoo goed -digt gemaakt, dat het water er niet had kunnen bijkomen, en nog twee, -die bedorven waren, bovendien vond ik eenige zeer goede hemden, die mij -zeer aangenaam waren, en anderhalf dozijn witte en gekleurde zakdoeken, -die mij zeer goed te pas kwamen, om op een warmen dag mijn zweet af te -droogen. Bovendien vond ik onder in de kist drie groote zakken, te zamen -ongeveer elfhonderd stukken van achten bevattende, en zes gouden -dubloenen in een papier gewikkeld, en nog eenige kleine staven goud, die -ik denk, dat gezamenlijk een pond zouden wegen. - -In de andere kist waren eenige kleederen, doch van minder waarde; ik -denk, dat die aan den konstapelsmaat behoord had, schoon er geen kruid -in was dan een paar pond zeer fijn, dat in drie fleschjes was, en naar -ik denk, bestemd was om voor jagtgeweren te gebruiken. Over het geheel -had ik op deze reis weinig opgedaan wat mij van nut was; want het geld -was mij niet meer waard dan het slijk onder mijne voeten; en ik had -alles wel willen geven voor drie of vier paar Engelsche schoenen en -kousen, daar ik groot gebrek aan had en die ik in vele jaren niet aan -mijne voeten gedragen had. Ik had nu, wel is waar, twee paar schoenen, -die ik den twee verdronken mannen, die ik op het wrak vond, van de -beenen had genomen; maar zij waren noch zoo stevig, noch zoo gemakkelijk -als onze Engelsche schoenen, maar geleken meer naar dansschoenen. Ik -vond in deze matrozenkist ongeveer vijftig stukken van achten, maar geen -goud, ik begreep dus, dat de eerste kist aan een officier toebehoord -had. - -Ik bragt het geld naar mijne grot en legde het neder, gelijk ik vroeger -gedaan had met dat, hetwelk ik uit ons eigen schip gehaald had; maar het -was zeer jammer, dat het andere einde van het schip niet voor mij -toegankelijk was geweest, want ik had mijne kanoe dan zeker -verscheidene malen vol met geld kunnen laden, en zoo ik ooit naar -Engeland had kunnen komen, had het daar veilig genoeg kunnen liggen, tot -ik terug kwam, om het te halen. - -Na alles aan wal gebragt en geborgen te hebben, ging ik naar mijne boot -terug en bragt die langs het strand naar hare oude haven; daarna keerde -ik naar mijne woning terug, waar ik alles in orde vond. Ik rustte thans -van mijne vermoeijenissen, leefde op mijne oude wijze, en zorgde voor -mijne huishouding. Eene poos leefde ik zeer rustig, behalve dat ik -waakzamer dan gewoonlijk was, meermalen naar zee zag en niet dikwijls -uitging, en zoo ik een togtje naar het eiland deed, was dit altijd naar -de oostzijde, waar ik vrij zeker was, dat de wilden nimmer kwamen, en -waar ik, zonder zoo vele voorzorgen en al die zwaarte van kruid en lood -en wapens, gaan kon, die ik altijd medesleepte, als ik den anderen kant -uitging. - -Ik bragt bijkans twee jaren in dien toestand door, maar mijn ongelukkig -hoofd, dat geschapen scheen om mij alle soort van ellende aan te -brengen, was al dien tijd opgevuld met ontwerpen, hoe ik, als het -mogelijk was, van dit eiland af zou raken; dan wilde ik eene tweede reis -naar het wrak doen, schoon mijn verstand mij zeide, dat er niets was, -wat de gevaren der reis zou beloonen; somtijds wilde ik dezen of dien -weg heen een togtje doen, en ik geloof waarlijk, dat zoo ik de boot had -bezeten, waarmede ik te Salé in zee stak, ik op goed geluk in zee zou -gegaan zijn. In alle mijne lotgevallen was ik een waarschuwend voorbeeld -voor hen, die met de gewone kwaal behebt zijn, waaruit ik geloof, dat de -helft der menschelijke ellenden voortvloeijen, namelijk dat men niet -tevreden is met den staat, waarin God en de natuur ons geplaatst hebben. -Want zonder nu terug te komen op mijne eerste bestemming, en de -uitstekende raadgevingen mijns vaders, welker tegenstreving ik mijne -oorspronkelijke zonde noemen mag, waren mijne volgende misslagen van -dien aard de oorzaken van mijn tegenwoordigen rampzaligen toestand. Want -zoo de Voorzienigheid, die mij in Brazilië zoo gelukkig als planter -gevestigd had, mij gematigde begeerten geschonken had, en hadde ik mij -tevreden gesteld met langzaam vooruit te gaan, dan kon ik in den tijd, -dien ik thans op het eiland had doorgebragt, een der aanzienlijkste -planters van Brazilië geweest zijn, ja, ik ben overtuigd, dat ik, naar -de wijze, waarop ik reeds vooruitgegaan was, ik thans ligtelijk -honderdduizend moidores rijk had kunnen zijn. Wat behoefde ik ook eene -winstgevende zaak, een goed ingerigte plantaadje te verlaten, om als -supercargo naar de kust van Guinea te gaan, om slaven te halen, terwijl -met der tijd en geduld onzen rijkdom zoo vermeerderd zou hebben, dat wij -gemakkelijk hen voor onze deur hadden kunnen koopen, van degenen, wier -taak het was hen te halen. Al had dit iets meer gekost, die hooger prijs -verdiende niet met zoo veel gevaar uitgewonnen te worden. Maar -gewoonlijk handelen jonge lieden zoo, terwijl zij eerst bij meerdere -jaren en duurgekochte ervaring de dwaasheid daarvan inzien. Zoo ging het -mij ook, maar toch had die verkeerde neiging zoo diep in mijn geest -wortel geschoten, dat ik in mijn tegenwoordigen toestand niet tevreden -was, maar aanhoudend peinsde over de mogelijkheid en de middelen, om van -deze plaats te ontkomen. En ten einde de lezer mijn verder verhaal te -aangenamer zij, zal het niet ongepast zijn eenig verslag van mijne -eerste ontwerpen aangaande mijne ontkoming te geven, en op welken grond -ik handelde. - -Men verbeelde zich thans, dat ik na mijne laatste reis naar het wrak, in -het kasteel teruggekeerd ben, mijn schip is geborgen en onder water -gelegd, als gewoonlijk, en mijn toestand dezelfde als vroeger. Ik had nu -zeker meer geld dan te voren, maar was er niet rijker om, want ik kon -het evenmin gebruiken als de Indianen te Peru hun goud, voor de -Spanjaarden daar kwamen. - -In een der nachten, in het regensaizoen, in Maart, het vierentwintigste -jaar van mijn verblijf in dit eenzaam eiland, lag ik in mijn bed of -hangmat, wakker, zeer gezond, ik had geenerlei pijn of ongemak, en ook -geene meerdere gemoedskwelling dan anders, maar kon toch niet slapen, -zelfs geen oogenblik insluimeren. Het is even onmogelijk als noodeloos -de menigte van gedachten te vermelden, die gedurende dien geheelen nacht -bij mij opkwamen. Mijn geheele leven kwam mij als in een kort bestek, -achtervolgens voor den geest, tot aan mijne komst op het eiland, en even -zoo dat gedeelte mijns levens, dat ik op hetzelve doorgebragt had. -Terwijl ik mijnen toestand alhier sedert ik aan wal gekomen was, lag te -overpeinzen, vergeleek ik den gelukkigen gang der zaken in het eerste -jaar van mijn verblijf alhier, met dien voortdurenden angst, vrees en -zorg, waarin ik steeds geleefd had, sedert ik een afdruk van een voet op -het zand gezien had. Ik geloofde wel niet, dat de wilden het eiland al -dien tijd aanhoudend bezocht hadden, en er honderden malen aan wal -geweest waren; maar daar ik er toen niets van wist en dus volstrekt -geene vrees voor voeden kon, was ik volkomen gerust, schoon het gevaar -even eens was; en bij mijne onbekendheid met hetzelve was ik even -welgemoed alsof ik er in het geheel niet aan blootgesteld was. Dit bragt -mij op verscheidene nuttige opmerkingen, en bijzonder op deze, hoe -oneindig goed de Voorzienigheid is, die den mensch zoo kortzigtig heeft -gemaakt, waardoor hij, ofschoon te midden van vele duizenden gevaren, -welke, zoo hij ze bespeurde, hem geheel verbijsteren zouden, volkomen -kalm en gerust blijft, omdat hij de gevaren, die hem omringen, ziet noch -kent. - -Nadat deze gedachten mij eenigen tijd hadden bezig gehouden, dacht ik -ernstig na over het wezenlijk gevaar, dat ik op dit eiland zoo vele -jaren geloopen had, en hoe ik altijd met de grootste gerustheid -rondgezworven had, terwijl misschien niets dan de top eens heuvels, de -stam eens booms of het invallen van de duisternis tusschen mij en den -ergsten dood geweest was, dien namelijk, van in de handen van -menschenetende wilden te vallen, die mij zouden beschouwd hebben met -hetzelfde oog, waarmede ik een geitje of schildpad aanzag, en even -weinig zwarigheid er in zouden gevonden hebben, mij te slagten en op te -eten, als ik een duif of een wulp. Ik zou de waarheid te kort doen als -ik niet zeide, dat ik opregt dankbaar was aan mijn Behoeder, aan wiens -bijzondere bescherming ik nederig erkende al mijne redding uit deze -onbekende gevaren verschuldigd te zijn, en zonder welke ik -onvermijdelijk in hunne wreedaardige handen zou gevallen zijn. - -Toen deze gedachten voorbij waren, hield ik mij eenigen tijd bezig met -het overwegen van den aard van deze rampzaligen, ik meen de wilden, en -hoe het kwam, dat de alwijze Bestierder der wereld aan eenige zijner -schepselen zulke barbaarschheid toeliet, ja, dat beneden het -beestachtige was, van namelijk zijns gelijken te verslinden. Doch dit -bleef bij eenige vruchtelooze bespiegelingen, maar bragt mij op het -nagaan in welk deel der wereld deze rampzaligen leefden, hoe ver de kust -was vanwaar zij kwamen, waarom zij zich zoo ver van huis begaven, en -waarom ik het niet zoo ver kon brengen, dat ik in staat was naar hen toe -te gaan, zoo goed als zij tot mij over kwamen. - -Ik bekommerde er mij op dat oogenblik niet om, wat ik doen zou om daar -te komen; wat er van mij worden zou als ik den wilden in handen viel, of -hoe ik, zoo zij mij vervolgden, hun zou kunnen ontsnappen; zelfs niet -hoe het mogelijk zou zijn de kust te bereiken, zonder dat eenigen hunner -mij aanvallen zouden, zonder dat ik hoop had van te ontkomen, en als ik -niet in hunne handen viel, wat ik doen zou om leeftogt te bekomen of -welken koers ik nemen zou; geen dezer gedachten kwam zelfs bij mij op; -maar mijn geest hield zich alleen bezig met het denkbeeld van in mijne -boot naar het vaste land over te steken. Ik beschouwde thans mijn -toestand, als de ongelukkigste, die er zijn kon; en dat niets erger kon -worden voor mij, dan alleen de dood; dat zoo ik de kust van het vaste -land bereikte, ik misschien redding kon vinden, of langs het strand -gaan, gelijk ik in Afrika gedaan had, toen ik aan een bewoond land kwam. -Misschien kon ik ook een Europeesch schip ontmoeten, dat mij opnam, en -zoo al het ergste gebeurde, kon ik slechts den dood vinden, die in eens -aan al mijne ellenden een einde zou maken. Men bedenke, dat dit alles de -vrucht was van een overspannen en ongeduldig gemoed, dat als het ware -wanhopig was geworden door het langdurige mijner zorgen, en de -teleurstelling, die mij op het wrak, waarop ik geweest was, wedervaren -was, waar ik zoo nabij de vervulling van mijne vurigste wenschen geweest -was, namelijk iemand tot wien ik spreken en van wien ik eenige kennis -nopens de plaats waar ik mij bevond, verkrijgen kon. Ik was geheel -ontroerd door deze bedenkingen. Al mijne gemoedsrust, mijne onderwerping -aan de Voorzienigheid en mijne berusting in des Hemels raadsbesluiten, -schenen verdwenen, en ik kon mijne gedachten nergens anders op vestigen -dan op het ontwerp eener reis naar het vasteland, dat mij met zoo veel -kracht en zoo geweldig overviel, dat ik dit niet weerstaan kon. - -Nadat mij dit twee uren of langer het hoofd zoo op hol had gebragt, dat -mijn bloed kookte en mijn pols klopte alsof ik de koorts had, alleen -door de drift mijner denkbeelden, deed de natuur, daar ik door het -woelen dezer gedachten zeer uitgeput was, mij in een diepen slaap -vallen. Men zou denken, dat ik er van had moeten droomen, maar dat was -het geval niet, ook niet van iets wat daarop betrekking had; maar ik -droomde, dat ik in den morgen, gelijk gewoonlijk, buiten mijn kasteel -ging, en op het strand twee kanoes zag, waaruit elf wilden stapten, en -dat zij een anderen wilde medebragten, dien zij wilden dooden om hem op -te eten, maar juist toen zij hem wilden slagten, rukte de wilde zich -plotseling los, en nam de vlugt. Daarop verbeeldde ik mij, dat hij door -het digte bosch voor mijne vesting zwierf om zich daarin te verbergen; -en dat ik, ziende dat hij alleen was, en niet bemerkende, dat de anderen -hem dien kant uit zochten, mij aan hem vertoonde, met bemoedigende -gebaren; dat hij voor mij knielde, en mij om bijstand scheen te smeeken, -waarop ik hem mijne ladder wees, hem die deed opstijgen, en hem in mijn -kelder bragt, waar hij mijn knecht werd, en zoodra ik dien man verkregen -had, zeide ik tot mijzelven: "Nu kan ik mij gerust naar het vaste land -wagen; want deze man kan mij tot loods strekken, en zal mij zeggen wat -ik doen moet en waar ik lijftogt kan bekomen, en waar ik niet gaan moet -om niet verslonden te worden; in welke plaatsen ik mij wagen kan en -welke ik ontwijken moet!" Met deze gedachten ontwaakte ik, en was zoo -onbeschrijfelijk verheugd over het vooruitzigt mijner ontkoming in den -droom, dat de teleurstelling, die ik gevoelde, toen ik tot mijzelven -komende, bevond, dat het slechts een droom was, even buitensporig was, -en mij geheel neêrslagtig maakte. - -Ik besloot echter bij deze gelegenheid, dat de eenigste weg, dien ik had -om eene ontkoming te beproeven, daarin bestond om zoo mogelijk een wilde -in mijne magt te erlangen, en als het kon een hunner gevangenen, dien -zij veroordeeld hadden om gegeten te worden, en hierheen bragten om te -slagten. Maar hier deed zich nog de zwarigheid op, dat dit onmogelijk -was zonder een geheelen troep van hen aan te vallen en hen allen te -dooden; en dit was niet alleen een zeer roekelooze aanslag, die ligt kon -mislukken, maar ik twijfelde aan den anderen kant of hij wel geoorloofd -was, en mijn hart beefde bij de gedachte van zooveel bloed te vergieten, -al was het ook ter mijner bevrijding. Ik behoef de redenen hier niet te -herhalen, die zich bij mij hier tegen stelden, daar het dezelfde waren -als vroeger, maar schoon ik nu andere redenen had, namelijk, dat het -vijanden van mij waren, en zij mij zouden slagten als zij konden; dat -het niet dan zelfbehoud was om mij uit een toestand te redden, die erger -dan de dood was, en dat ik even goed tot mijne zelfverdediging handelde, -als wanneer ik werkelijk door hen aangevallen werd, en zoo voorts; toch -kon ik mij met het denkbeeld van zoo veel menschenbloed te vergieten, -niet vereenigen. - -Eindelijk echter, na lang met mij zelven getwist en op twee gedachten -gehinkt te hebben, behield het verlangen naar mijne bevrijding de -overhand, en ik besloot, mij van een dier wilden meester te maken, het -kostte wat het wilde. Nu was de vraag hoe ik dit aanleggen zou, en deze -was niet gemakkelijk te beantwoorden; maar daar ik er geene -waarschijnlijke middelen toe kon uitdenken, besloot ik de wacht te -houden, om te zien als zij aan wal kwamen, en het overige aan het lot -over te laten, en zulke maatregelen te nemen als de omstandigheden -zouden vereischen. - -Met dit voornemen ging ik zoo dikwijls mogelijk op bespieding uit, tot -dat het mij ten laatste hartelijk begon te vervelen; want het duurde -meer dan anderhalf jaar, dat ik schier elken dag vruchteloos naar den -westelijken en zuidwestelijken hoek van het eiland ging, om naar de -kanoes uit te zien, doch er kwamen geene te voorschijn. Dit was zeer -ontmoedigend, en daar ik niet kan zeggen, gelijk anders het geval was, -dat met der tijd mijn verlangen verdween, werd ik er te gretiger naar -hoe langer het duurde. Ik verlangde nu evenzeer naar de wilden als ik -vroeger ze verlangde te vermijden. Ik vleide mij zelfs een, ja twee of -drie wilden te verkrijgen, en die geheel tot mijne slaven te maken, om -te doen wat ik hun zou gelasten, terwijl ik te gelijk belette, dat zij -mij eenig leed deden. Lang verheugde ik mij met dit denkbeeld, maar er -scheen niets van te zullen komen, al mijne verwachtingen waren -vruchteloos, want gedurende een langen tijd kwamen er geene wilden -opdagen. - -Ongeveer anderhalf jaar na dat ik mij deze denkbeelden het eerst in het -hoofd had gehaald, en toen ik reeds dacht, dat er nimmer iets van komen -zou, werd ik op een morgen verrast door het zien van niet minder dan -vijf kanoes, die allen aan mijne zijde van het eiland op het strand -zaten, terwijl al de daarbij behoorende lieden aan land en buiten mijn -gezigt waren. Hun aantal verijdelde al mijne voornemens, ik wist, dat er -altijd vijf of zes en soms meer in eene kanoe kwamen, en wist dus niet -hoe ik alleen twintig of dertig menschen zou aantasten, dus bleef ik -misnoegd en teleurgesteld in mijn kasteel. Ik maakte echter alles tot -een aanval gereed als de gelegenheid zich mogt voordoen. Na eene lange -poos gewacht te hebben of ik ook eenig gerucht hoorde, werd ik -ongeduldig, en klom met mijne ladder tot boven op den heuvel, en bleef -daar zoo staan, dat men mijn hoofd niet boven den heuvel kon uitzien, en -zij mij volstrekt niet konden gewaar worden. Hier bespeurde ik met -behulp van mijn kijker, dat zij niet minder dan vijfendertig in getal -waren, dat zij een vuur aangemaakt en vleesch toebereid hadden; hoe zij -het braadden of wat het was, wist ik niet; maar zij dansten allen met -allerlei zonderlinge en barbaarsche gebaren rondom het vuur. - -Terwijl ik hen aldus gadesloeg, zag ik, dat men twee ongelukkigen uit de -kanoes haalde, waarin zij, naar het schijnt, gelegen hadden, en thans -ter slagtbank leidde. Een hunner viel oogenblikkelijk neder, naar ik -denk, nedergeveld door een knods of houten zwaard, gelijk zij gebruiken, -en twee of drie hunner begonnen hem aan stukken te houwen. Het andere -slagtoffer bleef staan, in afwachting, dat het zijne beurt werd. Op dit -oogenblik, terwijl deze ongelukkige zich eenigermate in vrijheid zag, -ontwaakte bij hem de zucht tot zelfbehoud; hij nam de vlugt, en liep met -onbegrijpelijke snelheid langs het strand, regt op mij aan, dat is te -zeggen, naar dat gedeelte van de kust, waar mijne woning stond. Ik moet -bekennen, dat ik vreesselijk schrikte, toen hij mijn kant uit kwam, en -vooral toen ik verwachtte, dat allen hem zouden volgen. Nu verwachtte -ik, dat mijn droom zou uitkomen en hij in mijne schans eene schuilplaats -zou zoeken, maar ik kon er niet op rekenen, dat, even als in mijn droom, -de andere wilden hem niet zouden vervolgen en daar vinden. Ik bleef -echter staan en begon weder moed te scheppen, toen ik bemerkte, dat -slechts drie man hem volgden, en vooral toen ik zag, dat hij veel harder -liep dan zij en grond op hen won, zoodat ik begreep, dat, als hij het -nog een half uur kon uithouden, hij buiten hun bereik zou zijn. - -Tusschen hen en mijn kasteel lag de kreek, waarvan ik vroeger gesproken -heb, en in welke ik mijne ladingen uit het schip aan land bragt, en ik -wist, dat hij deze overzwemmen moest, anders zou hij gegrepen worden. -Toen de wilde echter deze kreek bereikte, sprong hij er dadelijk in, -hoewel het hoog water was, en zwom naar de overzijde, waar hij met -verbazende snelheid weder aan het loopen ging. Toen de anderen aan de -kreek kwamen, sprongen twee van zijne vervolgers er in, maar de derde, -die naar het scheen, niet zwemmen kon, bleef eerst aan den oever hen -staan nazien, en keerde toen langzaam terug, hetwelk voor hem zeer -gelukkig was. - -Ik bemerkte, dat de twee vervolgers meer dan tweemaal zoolang werk -hadden met door de kreek te zwemmen als de vlugteling. Op dit oogenblik -begreep ik, dat thans het tijdstip gekomen was, om mij een knecht te -verschaffen, misschien wel een makker en medehelper, en dat de -Voorzienigheid mij riep om dezen ongelukkige het leven te redden. -Oogenblikkelijk steeg ik de ladders af, en greep mijne beide geweren, -die aan den voet derzelve lagen, en even haastig den heuvel weder -opklimmende, begaf ik mij naar het strand, en stelde mij aldus tusschen -de vervolgers en den vervolgde, welken laatste ik met eene luide stem -toeriep. Deze omziende, was misschien eerst voor mij even bevreesd als -voor hen, maar ik wenkte hem met de hand, dat hij zou terugkeeren, en -trad middelerwijl langzaam de beide vervolgers te gemoet; den voorste -velde ik met een slag met den kolf van mijn geweer neder. Ik wilde -liefst niet vuren, opdat de anderen het niet zouden hooren; schoon dat -op dien afstand niet gemakkelijk zou geweest zijn, en daar zij buiten -het gezigt van den rook waren, toch niet zouden geweten hebben wat er -van te maken. Toen ik dezen nedergeveld had, bleef de ander als -verschrikt staan, en ik trad naar hem toe, maar naderbij gekomen -bespeurde ik, dat hij een boog en pijlen had, en op mij wilde aanleggen. -Ik was dus genoodzaakt hem voor te komen, en schoot hem met het eerste -schot dood. De arme wilde die gevlugt was, doch naderhand blijven staan, -was, schoon hij zijne vervolgers zag vallen, door den slag en het vuur -van mijn geweer zoo verschrikt, dat hij als versteend staan bleef, en -meer geneigd scheen mij te ontvlugten dan te naderen. Ik riep hem weder -toe, en wenkte hem naderbij te komen, hetgeen hij gemakkelijk begreep, -hij deed eenige stappen voorwaarts en bleef toen weder staan; nog eenige -stappen en toen stond hij weder stil, en ik zag dat hij beefde, en -begreep, dat hij thans dacht door mij gevangen genomen en geslagt te -zullen worden. Ik wenkte hem toe, en gaf hem alle mogelijke blijken van -genegenheid. Eindelijk kwam hij, van tijd tot tijd nederknielende, -naderbij, knielde voor mij, kuste den grond, en zette mijn voet op zijn -hoofd. Met dit laatste scheen hij te zweren, dat hij voor altijd mijn -slaaf was. Ik beurde hem op, en trachtte hem zoo veel mogelijk gerust -te stellen. Maar ik had nog meer te verrigten, want de wilde dien ik -nedergeveld had was niet dood, maar alleen bedwelmd door den slag, en -begon bij te komen. De wilde, wien ik naar hem wees, zeide mij eenige -woorden, die ik niet verstond, maar die mij de aangenaamste geluiden -toeschenen, die ik in vijfentwintig jaren gehoord had; want het was de -eerste menschelijke stem, buiten de mijne, die ik in al dien tijd -gehoord had. Ik had echter thans geen tijd daar aan te denken. De wilde, -die bijkwam, zat thans op den grond, en toen ik mijn geweer op hem -aanlegde, verzocht mijn wilde (zoo zal ik hem nu noemen) door teekens -mij om mijne sabel, die aan mijne zijde hing. Ik gaf hem die, en -naauwelijks had hij ze in handen of hij vloog naar zijn vijand en sloeg -hem met één slag het hoofd af. Dit verwonderde mij van iemand, die zeker -nooit geen andere sabel gezien had dan de houten zwaarden, die deze -volken gebruiken. Het schijnt echter, gelijk ik naderhand vernam, dat -zij hunne houten sabels zoo scherp en zoo zwaar maken, en dat het hout -zoo hard is, dat zij er met een slag een arm of been mede kunnen -afhouwen. Dit gedaan zijnde kwam hij lagchende, en als in zegepraal naar -mij toe, en bragt mij mijne sabel terug, en legde die met eene menigte -gebaren, die ik niet begreep, met het hoofd van den wilde voor mijne -voeten. - -Wat hem echter het meest verbaasde, was dat ik den anderen op zulk een -verren afstand gedood had. Hij wees op hem en scheen mij te vragen of -hij er heen mogt gaan. Ik gaf hem mijne toestemming zoo goed ik kon, te -kennen. Toen hij bij hem kwam stond hij een oogenblik als versteend van -verbazing, keerde hem op de eene en de andere zijde, bezag zijne wond -waaruit weinig bloed gekomen was, omdat de kogel in de borst zat en de -wond inwendig gebloed had. Daarop kwam hij met zijn boog en pijlen -terug, en ik keerde mij om, om heen te gaan, en wenkte hem door teekens -mij te volgen. Hij gaf mij echter te kennen, dat hij de lijken eerst in -het zand wilde begraven, opdat de anderen ze niet zouden vinden, hetgeen -ik toestond. In een oogenblik had hij met zijne handen een gat gegraven, -groot genoeg om den eerste te bevatten, dien hij er ook dadelijk -insleepte en overdekte, gelijk daarop ook den tweede; ik geloof dat hij -er geen vierde uurs aan besteedde. Daarop nam ik hem mede, maar bragt -hem niet in mijn kasteel, maar in mijne grot aan het andere einde van -het eiland; zoodat mijn droom, dat hij in mijn kasteel een schuilplaats -zocht, in dat opzigt niet vervuld werd. Ik gaf hem hier brood, een tros -rozijnen en wat water, welk laatste hij na zijn loopen hoog noodig had; -en nadat hij gegeten had, wenkte ik hem te gaan liggen slapen, op een -plaats waar een hoop stroo en een deken lag, en ik somtijds zelf sliep; -het arme schepsel ging liggen en sliep dadelijk. - -Het was een kloeke, welgemaakte knaap, rijzig en gespierd, slank en -welgevormd, en naar ik denk ongeveer zesentwintig jaren oud; zijne -trekken waren in het geheel niet woest, maar toch mannelijk; hij bezat -echter al het aanvallige van een Europeesch gelaat, vooral als hij -glimlachte, zijn haar was lang en zwart, maar niet gekroesd, zijn -voorhoofd bijzonder breed en hoog en zijne oogen uiterst kloek en -levendig. Zijne kleur was niet volkomen zwart, maar donker bruin, -evenwel niet zoo vuil bruin als men bij de inboorlingen van Brazilië, -Virginië en andere Amerikaansche inboorlingen vindt; maar meer -olijfkleurig en moeijelijk te beschrijven. Zijn gelaat was rond, zijn -neus klein en niet zoo plat als bij de negers, zijn mond was niet te -groot, zijne lippen dun, en zijne tanden fraai en zoo wit als ivoor. Na -een half uurtje sluimerens werd hij wakker en kwam uit de grot naar mij -toe. Ik had juist de geiten gemolken, die ik daar hield, hij vloog naar -mij toe, en viel ter aarde, met alle mogelijke teekens van dankbaarheid. -Eindelijk legde hij zijn hoofd vlak voor mijne voeten op den grond, en -plaatste, even als den vorigen keer, mijn voet op zijn hoofd, en maakte -daarna alle mogelijke teekens van onderwerping en dienstbaarheid, om mij -te kennen te geven, dat hij mij dienen wilde zoo lang hij leefde. Ik -begreep grootendeels wat hij mij zeggen wilde, en gaf hem wederkeerig te -kennen, dat ik over hem voldaan was. Weldra beproefde ik hem te leeren -spreken en mij van hem te doen verstaan. Ik gaf hem vooreerst te kennen, -dat hij _Vrijdag_ zou heeten, omdat ik hem op Vrijdag het leven gered -had. Ik leerde hem daarop _meester_ zeggen, en wees hem dat ik dit was, -en leerde hem _ja_ en _neen_ zeggen, en wat dit beduidde. Ik gaf hem -melk in een aarden schotel, nadat ik er mijn brood in gedoopt had, en -gaf hem een stuk brood om mij dit na te doen, hetgeen hij spoedig -begreep en mij door teekens beduidde, dat hij dit zeer smakelijk vond. -Ik hield hem den geheelen nacht bij mij, en zoodra het dag werd gelastte -ik hem mij te volgen, en deed hem begrijpen, dat ik hem eenige kleederen -zou geven, want hij was geheel naakt. Toen wij de plaats langs gingen, -waar de twee wilden begraven waren, wees hij mij de plek, en de teekens, -waaraan hij ze kon herkennen, en gaf mij te kennen, dat hij ze wilde -uitgraven en opeten. Hierover hield ik mij zeer boos, en gaf hem mijn -afkeer er van te kennen, door mij te houden, als of ik er van braken -moest, en wenkte hem met de hand, dadelijk verder te gaan, hetgeen hij -zeer gewillig deed. Ik klom daarop met hem den heuvel op, om te zien of -zijne vijanden vertrokken waren, en mijn kijker uithalende, zag ik -duidelijk de plaats, waar zij geweest waren, maar van hen, noch hunne -kanoes niet het minste spoor. Het was dus blijkbaar, dat zij vertrokken -waren, en twee hunner makkers achtergelaten hadden, zonder naar hen te -zoeken. - -Doch ik was hiermede niet tevreden, mijn moed en mijne nieuwsgierigheid -groeiden thans te gelijk aan; dus nam ik mijn slaaf Vrijdag mede, gaf -hem eene sabel in de hand, terwijl hij een boog en pijlen, in welker -behandeling ik bevond, dat hij zeer bedreven was, op den rug, en in -zijne hand een mijner geweren droeg, terwijl ik zelfde beide anderen -nam, en zoo trokken wij naar de plaats, waar de wilden geweest waren, -want ik wilde thans iets meer van hen weten. - -Toen wij daar kwamen, verstijfde mij het bloed in de aderen, en mijn -hart kromp ineen bij het akelig schouwspel, dat zich opdeed. Het was -waarlijk een vreesselijk schouwspel, althans voor mij, want Vrijdag trok -het zich volstrekt niet aan. De plek was bezaaid met menschenbeenderen, -de grond met bloed bedekt, hier en daar lagen groote, half gebraden -stukken vleesch; kortom al de blijken van een zegefeest na eene -overwinning. Vrijdag gaf mij te kennen, dat zij vier gevangenen hadden -medegebragt; drie waren geslagt en de vierde was hij; dat er een groot -gevecht plaats gehad had tusschen hen en een naburigen koning, tot wiens -onderdanen hij scheen te behooren, en dat zij een groot aantal -gevangenen hadden gemaakt, die ieder naar verschillende plaatsen waren -gevoerd, door degenen, die ze gevangen hadden genomen, om hen te -slagten, gelijk de wilden, die hier gekomen waren, de hunne hadden -gedaan. - -Ik deed Vrijdag al de overblijfselen van hun gruwelijk feestmaal -bijeenzamelen, op een hoop leggen, er een groot vuur rondom maken, en -liet alles tot asch verbranden. Ik bemerkte, dat Vrijdag grooten trek -naar het vleesch had, en van aard nog een menscheneter was, maar ik liet -bij den minsten schijn daarvan zoo veel afschuw blijken, dat hij het -niet durfde te kennen geven, want ik had hem beduid, dat als hij het -durfde doen, ik hem zou doodslaan. - -Nadat dit gedaan was keerden wij naar ons kasteel terug, en ik ging voor -hem aan het werk. Eerst gaf ik hem uit de konstapelskist een linnen -broek, die hem vrij wel paste. Daarna maakte ik hem eene buis van -geitenvellen, zoo goed ik kon, en ik was nu een dragelijke snijder -geworden, en gaf hem eene muts van een hazenvel, die hem zeer deftig -stond, zoo dat hij voor 's hands vrij goed gekleed was, en niet weinig -in zijn schik, dat hij schier zoo deftig uitgedost was als zijn meester. -Wel was hij in het eerst zeer linksch in al zijne bewegingen, zijn broek -belemmerde hem geweldig, en de mouwen van zijne buis knelden hem, maar -nadat ik ze hier en daar wat wijder gemaakt had, en hij er aan gewoon -raakte, kon hij er zeer goed mede te regt komen. - -Den volgenden dag nadat ik met hem te huis was gekomen, begon ik te -bedenken, waar ik hem zou bergen, zonder dat hij mij tot last was. Ik -maakte daarom een kleine tent voor hem, op de ledige plaats tusschen -mijne beide schansen. Daar er hier een ingang in mijnen kelder was, -maakte ik eene hechte deur van planken in den gang digt bij de opening, -die van binnen open ging. Des nachts sloot ik die met een boom, en nam -ook mijne ladders in, zoo dat Vrijdag niet binnen mijn binnensten muur -kon komen, zonder bij het overklimmen zoo veel gerucht te maken, dat ik -daarvan wakker moest worden, want mijn binnenste wal was nu geheel met -een dak voorzien van lange staken, die mijn geheele tent overdekten, en -tegen den kant van den heuvel steunden, die weder dwars met kleine -stokken en vervolgens met stroo van rijst bedekt waren, welk laatste zoo -sterk als riet was. Aan de opening, met welke ik door de ladder in of -uitging, had ik eene soort van valdeur gemaakt, die niet naar buiten -openging, maar als men dit beproefd had, met groot gedruisch naar binnen -moest openvallen. Mijne wapens had ik des nachts ook altijd naast mij -liggen. Al deze voorzorgen waren echter overbodig, niemand had ooit een -dienaar, die trouwer, opregter en meer aan hem gehecht was dan Vrijdag -aan mij; hij was zonder arglist, en beminde mij als een kind zijn vader, -en ik durf zeggen, dat hij altijd zijn leven voor het mijne zou gegeven -hebben. De veelvuldige blijken, die hij hiervan gaf, stelden dit buiten -twijfel, en overtuigden mij spoedig, dat ik geene voorzorgen jegens hem -behoefde te gebruiken. - -Dit deed mij dikwijls overdenken, dat hoezeer het God in zijne wijsheid -behaagd heeft, een groot deel zijner schepselen op deze aarde te -versteken van de beste oefeningen, waartoe hunne geestvermogens vatbaar -zijn, Hij hun toch dezelfde vermogens geschonken heeft, dezelfde rede, -dezelfde neigingen; hetzelfde gevoel van dankbaarheid en verpligting, -dezelfde hartstogten en gevoel van verongelijkingen, hetzelfde besef van -opregtheid en trouw, en alles wat hun in staat stelt goed te doen, en -weldaden te ontvangen, zoo wel als ons. Als de gelegenheid zich er toe -aanbiedt, zijn zij even bereid, ja bereidvaardiger dan wij, om deze ten -beste aan te wenden. Dit maakte mij somtijds zeer neêrslagtig, als ik -overwoog, hoe dikwijls wij bij voorkomende gelegenheden, van deze allen -zulk een slecht gebruik maken, zelfs schoon onze vermogens verlicht zijn -door onderrigt en de kennis van Gods woord; en waarom het God behaagd -heeft deze zaligmakende kennis te onthouden aan zoo vele millioenen, -die, naar dezen armen wilde te oordeelen, er een beter gebruik dan wij -van zouden maken. Hierdoor waagde ik mij somwijlen te ver in het -beoordeelen van het oppermagtig wereldbestuur, en tot eene beoordeeling, -als het ware van het regtvaardige eener zoodanige beschikking, die -sommigen het licht onthouden, en het aan anderen geschonken had, en toch -van allen gelijke pligten vorderde. Maar ik bedwong ten laatste mijne -overwegingen door de bedenking, dat ik niet wist naar welken maatstaf -zijlieden geoordeeld zouden worden; maar dat, daar God noodwendig en -door de natuur van zijn wezen, oneindig heilig en regtvaardig was, zoo -deze schepselen veroordeeld zouden worden, dat zij zich van hem -verwijderd hadden, dit uit hoofde van hunne zonden tegen dat licht, dat -hun wet was, en de regels, die hun geweten hun voorschreef, zou zijn; en -ik eindigde met de bedenking, dat daar wij allen als leem in de handen -des pottebakkers zijn, geen schepsel tegen zijnen Formeerder zeggen kon: -waarom hebt gij mij aldus gevormd? - -Maar om tot mijn nieuwen knecht terug te keeren; ik was zeer met dezen -in mijn schik, en trachtte hem alles te leeren wat hem nuttig, handig en -behulpzaam kon maken; maar vooral hem te leeren met mij te spreken en -mij te verstaan. Hij was de beste scholier, zoo vrolijk, vlijtig, en -blijde als hij mij begrijpen kon of zich aan mij doen verstaan, dat het -mij een genot was met hem om te gaan. Nu was mijne levenswijze zoo -aangenaam, dat, ware ik slechts van de vrees voor de wilden ontslagen -geweest, ik gaarne mijn verder leven hier had willen slijten. - -Nadat ik twee of drie dagen op mijn kasteel was geweest, begreep ik, dat -het goed was, ten einde Vrijdag van zijn afschuwelijk eten van -menschenvleesch af te brengen, hem eenig ander vleesch te laten proeven. -Ik nam hem derhalve op een ochtend mede naar het bosch, met oogmerk een -geitje uit mijne kudde naar huis te brengen en te slagten, maar onder -weg zag ik eene geit met twee jongen in de schaduw liggen. Ik greep -Vrijdag bij den arm. "Sta stil," zeide ik, en wees hem, dat hij zou -blijven staan. Daarop legde ik mijn geweer aan, en schoot een der -geitjes. De arme knaap, die mij een zijner vijanden op een afstand had -zien dooden, zonder te weten of te begrijpen hoe, was zoo verschrikt en -verbaasd, dat hij van angst trilde en ik dacht dat hij neergevallen zou -zijn. Hij zag het geitje niet, dat ik gedood had, en had ook niet -bemerkt dat ik er op aangelegd had, maar hij rukte zijn buis open, om te -zien of hij ook gewond was, en begreep, dat ik voornemens was hem te -dooden, want hij viel voor mij neder, omhelsde mijne knieën, en zeide -mij veel dat ik niet verstaan kon, maar gemakkelijk begrijpen, dat hij -mij smeekte hem niet te dooden. - -Spoedig vond ik middel hem te overtuigen, dat ik hem geen kwaad wilde -doen, ik beurde hem lagchend op, wees op de geit die ik geschoten had, -en gelastte hem die te gaan halen, gelijk hij deed. Terwijl hij zich -over haren dood verwonderde, laadde ik mijn geweer weder, en zag -toevallig een vogel van grootte als een havik, binnen schot op een boom -zitten. Om nu Vrijdag eenigzins te doen begrijpen wat ik doen wilde, -wees ik hem den vogel, dat een papegaai was, schoon ik dien eerst voor -een havik hield, en op mijn geweer en op den grond onder den boom, om -hem te doen begrijpen, dat ik dien vogel uit den boom zou schieten. -Daarop schoot ik en de vogel viel. In weêrwil van hetgeen ik gezegd had -was hij echter weder hevig verschrikt, en vooral omdat hij mij niets in -het geweer had zien doen. Hij begreep, dat dit een tooverwerktuig moest -zijn, dat alles, mensch en beest, van verre en nabij dooden kon. Deze -indruk bleef hem lang bij, en als ik het toegelaten had, zou hij, geloof -ik, mij en mijn geweer aangebeden hebben. Verscheidene dagen daarna -durfde hij het geweer nog niet aanraken, maar sprak er dikwijls tegen, -als hij alleen was, en smeekte het, gelijk ik naderhand van hem vernam, -hem niet te dooden. - -Zoodra hij van zijne eerste verbazing wat bekomen was, gelastte ik hem -den vogel te gaan halen, hetgeen hij deed, maar eenigen tijd wegbleef, -want ik had hem slechts aangeschoten, en hij was een eind weegs -weggefladderd. Terwijl hij hem opzocht, maakte ik van deze gelegenheid -gebruik om mijn geweer weder te laden, daar hij van hetzelve nog niets -begreep, zonder dat hij het zag, opdat ik, als hij terug kwam, gereed -mogt zijn als zich eenig ander wild opdeed, hetgeen echter thans het -geval niet was. Ik bragt het geitje naar huis, haalde het nog denzelfden -avond af, en hakte het zoo goed ik kon in stukken. Vervolgens kookte ik -er een stuk van tot soep, en na er wat van gegeten te hebben, gaf ik er -Vrijdag ook wat van, dien het zeer goed scheen te smaken, doch wat hem -het meest verwonderde, was dat hij er mij zout bij zag eten. Hij gaf mij -door teekens te kennen, dat zout niet goed om te eten was; hij stak een -weinig in den mond, en hield zich alsof hij er van walgde en zou gaan -braken, waarna hij met water zijn mond uitwiesch; daarentegen nam ik een -stuk vleesch zonder zout, en hield mij alsof ik van het gebrek aan zout -walgde, maar het baatte niets, nimmer wilde hij zout bij zijne spijs -voegen. - -Na hem den eersten dag soep gegeven te hebben, besloot ik hem den -tweeden dag op gebraad te onthalen, door een stuk geitenvleesch aan het -spit te steken. Ik deed dit, gelijk ik in Engeland dikwijls gezien had, -door het vleesch in een stuk aan een staak te hangen, die op twee andere -staken steunde, en deze te draaijen. Vrijdag stond dit verbaasd aan te -zien, maar toen hij het vleesch proefde, gaf hij mij op allerlei wijzen -te verstaan hoe goed het hem smaakte, en eindelijk gaf hij te kennen, -dat hij nimmer meer menschenvleesch wilde eten, hetwelk mij zeer -aangenaam was. - -Den volgenden dag zette ik hem aan het werk om eenig koorn te dorschen, -gelijk ik dat gewoon was, en spoedig kon hij dit zoo goed doen als ik, -vooral nadat hij gezien had waarvoor dit geschiedde, want ik liet hem -zien hoe ik mijn brood bereidde en bakte, en kort daarna kon Vrijdag dit -alles voor mij doen zoo goed als ik zelf. Ik begon nu te begrijpen, dat -ik voor twee man eten moest hebben in plaats van voor een, en dus meer -graan dan vroeger aankweeken; ik stak dus een grooter stuk land af, en -begon dit te omheinen even als het vorige. Vrijdag werkte hieraan zeer -gewillig en vlijtig mede, en ik vertelde, dat dit was om graan te -bekomen ten einde meer brood te maken, omdat hij nu bij mij was. Hij -scheen hierdoor zeer getroffen en beduidde mij, dat ik thans door hem -meer werk had dan vroeger voor mij alleen; maar dat ik slechts te zeggen -had wat ik gedaan wilde hebben, en dat hij te harder voor mij zou -werken. - -Dit jaar was voor mij het aangenaamste van allen, die ik hier -doorgebragt had, Vrijdag begon tamelijk wel te spreken en kende spoedig -de namen van al wat ik hem wijzen kon, en van elke plaats, waar ik hem -naar toe zenden kon. Ik begon dus thans mijne tong weder te kunnen -gebruiken, waartoe ik, om te spreken bedoel ik, tot hiertoe weinig -gelegenheid had gehad. Behalve het genoegen van met hem te spreken, had -ik veel vermaak in zijn karakter; zijne eenvoudige, brave en argelooze -aard bleek mij dagelijks meer, en ik begon hem hartelijk lief te hebben; -en van zijnen kant geloof ik, dat hij mij meer dan iets ter wereld -beminde. - -Ik wilde eens beproeven of hij weder naar zijn land verlangde, en daar -hij nu genoeg Engelsch kende om mij eenige vragen te beantwoorden, vroeg -ik hem of zijn volk nimmer in een gevecht overwinnaar was, waarop hij -glimlagchend antwoordde: "Ja wel, wij vechten altijd het best;" hij -bedoelde beter dan hunne vijanden. Hierop hielden wij het volgende -gesprek: - -"Gij vecht het best," zeide ik, "hoe komt het dan, dat gij gevangen -genomen zijt." - -Vrijdag. Mijn volk verslaat ze toch. - -Meester. Hoe verslaan? Dat begrijp ik niet, als uw volk hen versloeg, -hoe kwaamt gij dan gevangen? - -Vrijdag. Zij waren meer dan mijn volk op de plek waar ik was. Zij nemen -een, twee, drie en mij gevangen. Mijn volk versloeg hen elders, waar ik -niet was, daar nam mijn volk een, twee, drie, veel duizend gevangen. - -Meester. Maar waarom heeft uw volk u dan niet uit de handen uwer -vijanden verlost? - -Vrijdag. Zij bragten gaauw een, twee, drie en mij in de kanoe; mijn volk -daar geen kanoe had. - -Meester. Zoo. En wat doet uw volk met de lieden, die zij genomen hebben. -Voeren zij hen weg en eten ze op, gelijk die anderen? - -Vrijdag. Ja, mijn volk eet ook menschen, eet ze allen op. - -Meester. Waar brengen zij die heen? - -Vrijdag. Zij gaan naar andere plaats, waar zij willen. - -Meester. Komen zij hierheen? - -Vrijdag. Ja hierheen, hier en op andere plaatsen. - -Meester. Zijt gij vroeger hier met hen geweest? - -Vrijdag. Ja, ik hier geweest ben. (Hierbij wees hij naar den N.W. kant -van het eiland, waar het schijnt dat hunne landingplaats was). - -Hieruit maakte ik op, dat hij vroeger onder de wilden geweest was, die -gewoon waren op de verder afliggende gedeelten van het eiland aan wal te -gaan, met dezelfde oogmerken, waartoe hij thans hier gebragt was, en -toen ik hem eenigen tijd daarna aan dien kant bragt, herkende hij -dadelijk de plaats, en zeide mij, dat hij daar eens geweest was, toen -zij twintig mannen, twee vrouwen en een kind hadden gegeten. Hij kon in -het Engelsch niet tot twintig tellen, maar hij wees het mij door zooveel -steentjes naast elkander te leggen en mij die te laten tellen. - -Ik heb dit gesprek medegedeeld, omdat er het volgende uit ontstond. Ik -vroeg hem namelijk hoe ver ons eiland van de kust af lag, en of de -kanoes op den togt herwaarts niet dikwijls verongelukten. Hij zeide, dat -er geen gevaar was, en de kanoes nimmer vergingen, maar dat er een eind -weegs in zee eene strooming en een wind was, naar de eene zijde in den -morgen, en in den namiddag naar de andere zijde. - -Ik begreep, dat dit niets anders was dan de loop van het getij, naarmate -het water wies of afliep, maar naderhand heb ik geleerd, dat dit -ontstond uit de sterke eb en vloed van de groote Oronoko-rivier, in -welker mond ik naderhand begreep, dat ons eiland lag, en dat het land -hetwelk ik ten W. en N.W. gewaar werd, het groote eiland Trinidad, aan -den noordelijken hoek van gemelde rivier, was. Ik deed Vrijdag duizend -vragen over het land, de bewoners, de zee, de kust, en welke de naburige -volken waren; hij verhaalde mij met de meest mogelijke openhartigheid al -wat hij wist. Ik vroeg hem de namen der verschillende volken -daaromstreeks; maar kon niets anders uit hem krijgen dan Caribs; waaruit -ik begreep, dat het Caraïben waren, die volgens onze kaarten, dat deel -van Amerika bewonen, dat zich van de Oronoko tot aan Guiana, en aan de -andere zijde tot St. Martha uitstrekt. Hij verhaalde mij, dat ver achter -de maan (waarmede hij bedoelde in die strekking, waar de maan -onderging), dat is ten westen van hun land, witte, baardige mannen -woonden, zoo als ik (hierbij wees hij op mijne knevels) en dat deze veel -mannen gedood hadden, zoo als hij zeide. Ik besloot hieruit, dat hij de -Spanjaarden bedoelde, wier wreedheden in Amerika, het geheele land door -bekend zijn geraakt, en door alle volkeren van vader tot zoon bewaard -zijn gebleven. - -Ik vroeg hem of hij mij zeggen kon, hoe ik van dit eiland en bij die -blanke menschen komen kon. Hij zeide ja, en dat dit gaan kon in "twee -kanoes." Ik begreep eerst niet wat hij met "twee kanoes" meende, maar -kwam er eindelijk met veel moeite achter, dat hij wilde zeggen in eene -kanoe, zoo groot als twee anderen. Deze verklaring beviel mij zeer goed, -en van dit oogenblik af koesterde ik eenige hoop, dat ik den een of -anderen tijd gelegenheid zou vinden van deze plaats te ontkomen, en dat -deze arme wilde mij ter uitvoering daarvan behulpzaam zou kunnen zijn. - -Gedurende al den tijd, dat Vrijdag nu bij mij was geweest, en begon te -leeren met mij te spreken en mij te verstaan, had ik niet nagelaten hem -de eerste begrippen der godsdienst in te prenten; zoo vroeg ik hem eens -wie hem geschapen had. De arme knaap begreep mij volstrekt niet, maar -dacht, dat ik vroeg wie zijn vader was. Ik vatte dus de zaak anders aan, -wees hem op de zee, den grond waarop hij trad, de heuvels en de -bosschen. Hij zeide, dat dit gemaakt was door den ouden Benamoekie, die -verder dan alle menschen woonde. Hij wist van dien grooten persoon niets -anders te zeggen, dan dat hij zeer oud was, veel ouder, zeide hij, dan -de zee of het land, dan de maan of de sterren. Ik vroeg hem daarop, dat -zoo die oude persoon alle dingen gemaakt had, waarom niet alle dingen -hem eer bewezen. Hij zag zeer ernstig, en zeide met eene onnoozele -eenvoudigheid: "Alle dingen zeggen, O! tegen hem." Ik vroeg hem of de -lieden, die in zijn land stierven, ergens heen gingen. "Ja, ja," zeide -hij, "zij gaan allen naar Benamoekie." Daarop vroeg ik of degeen, die -zij opaten, daar ook heen gingen, en hij zeide, "ja." - -Dit gaf mij aanleiding hem in de kennis van den eenigen waren God te -onderrigten. Ik zeide hem, terwijl ik naar den hemel wees, dat de groote -maker van alle dingen daar woonde, en dat Hij de wereld met dezelfde -almagt en wijsheid bestierde, waarmede Hij ze geschapen heeft; dat Hij -almagtig was, ons alles doen, alles geven, alles ontnemen kon; en zoo -opende ik van lieverlede hem de oogen. - -Hij luisterde zeer oplettend, en hoorde met veel genoegen hoe Christus -gezonden was om ons te verlossen, en hoe wij God behoorden te bidden, en -hoe deze ons altijd hoorde, waar wij ook waren. Hij zeide mij eens, dat -zoo God ons hooren kon, terwijl Hij verder dan de zon was, dat Hij dan -een grooter God dan hun Benamoekie was, die niet veraf woonde, en toch -hen niet hooren kon, ten ware zij den hoogen berg opstegen, waarop hij -woonde om tegen hem te spreken. Ik vroeg hem of hij daar ooit gegaan -was; hij zeide neen, en dat dit alleen de oude lieden deden, die hij -Oewokakie noemde, dat is, gelijk ik uit zijne verklaring begreep, zoo -veel als hunne priesters, en dat deze heengingen om "O!" te zeggen (zoo -noemde hij het bidden), en als zij terugkwamen, verhaalden wat -Benamoekie gezegd had. Hieruit bemerkte ik, dat er zelfs onder de -domste en verblindste Heidenen eene priesterschap en zekere -verborgenheden bestaan, om het gemeen ontzag voor de priesters in te -boezemen. - -Ik trachtte Vrijdag omtrent deze bedriegerijen in te lichten, en zeide -hem, dat het voorgeven hunner oude lieden, dat zij den berg opgingen, om -hunnen God Benamoekie aan te roepen, bedriegerij was, zoo wel als, dat -zij vandaar komende, verhaalden wat hij hun gezegd had; dat, zoo zij -daar iemand ontmoetten, of iemand tot hen sprak, dit dan een booze geest -moest zijn. Hierop had ik een lang gesprek met hem over den duivel, zijn -oorsprong, zijn opstand tegen God, zijne vijandschap tegen de menschen, -hare oorzaak, zijn verblijf in de duistere plaatsen der wereld, om daar, -in stede van God, en als God aangebeden te worden; en over zijne vele -listen, om den mensch in het verderf te storten; hoe hij tot onze ziel -toegang kreeg door onze hartstogten strikken te spannen, waardoor wij -ons zelven in verzoeking bragten, en vrijwillig ons eigen verderf te -gemoet gingen. - -Ik vond, dat het niet zoo gemakkelijk ging hem juiste denkbeelden in te -prenten, aangaande den duivel, als aangaande den aard en het wezen der -Godheid. De geheele natuur was mij behulpzaam in mijne bewijzen voor het -noodwendig bestaan van eene eerste oorzaak, een onbegrijpelijke, -allesbestierende magt, en voor de verpligting van onzen Schepper onze -hulde toe te brengen; maar niets van dat alles ondersteunde het -denkbeeld van een boozen geest, zijn oorsprong, zijn aard en wezen, en -bovenal zijne geneigdheid tot het kwade, en zijne verleidingen daartoe. -Mijn arme eenvoudige wilde bragt mij eens door eene zeer natuurlijke en -eenvoudige vraag zoodanig in de engte, dat ik naauwelijks wist wat ik -hem zeggen zou. Ik had hem veel gezegd van Gods almagt, zijne afkeer van -zonde, hoe hij een verterend vuur was voor de werkers van -ongeregtigheid; hoe Hij, die ons allen geschapen had, ons en de geheele -wereld door zijn wil vernietigen kon, en al dien tijd had hij met de -grootste aandacht naar mij geluisterd. - -Daarna verhaalde ik hem hoe de duivel, Gods vijand, in de harten der -menschen was, en al zijne list besteedde om de goede voornemens der -Voorzienigheid tegen te werken, en het rijk van Christus hier op aarde -afbreuk te doen, en dergelijke meer. "Maar," zeide Vrijdag, "gij zegt, -dat God zoo groot en zoo magtig is, is hij niet veel magtiger dan de -duivel?"--"Ja, ja, Vrijdag," zeide ik, "God is veel magtiger dan de -duivel, en daarom bidden wij God, dat hij ons toelaat hem te vertreden, -en ons zijne verzoekingen doet wederstaan en zijn arglist -teleurstellen."--"Maar," voerde hij weder aan, "als God zooveel magtiger -en sterker is dan de duivel, waarom slaat Hij dan den duivel niet dood, -en belet hem meer kwaad te doen?" - -Ik stond bij deze vraag geheel verplet; schoon een oud man, was ik nog -een jongeling in de godgeleerdheid, en weinig in staat om leerstellige -vragen en zwarigheden op te lossen. Eerst wist ik niet wat te -antwoorden, dus hield ik mij alsof ik hem niet verstaan had, en vroeg -wat hij zeide. Maar hij verlangde te veel naar een antwoord, om zijne -vraag vergeten te hebben, dus herhaalde hij die in dezelfde woorden als -boven. Middelerwijl had ik mijne gedachten een weinig bijeengezameld, en -zeide: "God zal hem in het laatste der dagen gestrengelijk straffen; hij -wordt bespaard tot den dag des oordeels, wanneer hij in een bodemloozen -afgrond zal worden geworpen, om daar met eeuwig vuur te blijven."--Dit -voldeed Vrijdag niet. Hij herhaalde mijne woorden: "tot het laatste der -dagen; dat begrijp ik niet. Waarom den duivel niet nu, niet lang geleden -al gedood?"--"Gij kondt even goed vragen," hernam ik, "waarom God u en -mij niet doodt, als wij zonden bedrijven; wij blijven gespaard om berouw -te hebben en vergiffenis te erlangen."--Hij dacht eene poos hierover na, -en zeide eindelijk: "Dat goed, zeer goed is; dus gij, ik, de duivel, -alle zondaars bewaard blijven, allen berouw hebben, allen vergiffenis -ontvangen." - -Dit antwoord bragt mij geheel in verlegenheid, en het was voor mij een -nieuw blijk, hoe natuurlijke begrippen, wel een redelijk wezen tot de -kennis en tot de vereering van een Hoogst Wezen leiden, maar dat alleen -eene goddelijke openbaring ons tot de kennis van Jezus Christus, en van -eene verlossing, voor ons verworven door zijnen dood, en van Hem als -middelaar van een nieuw Verbond; dat niets zeg ik, dan eene goddelijke -openbaring ons deze begrippen kon geven, en daarom het Evangelie van -onzen Heer en Zaligmaker volstrekt noodig is, om den mensch de ware -kennisse Gods en der middelen tot zijne zaligheid te geven. Ik brak -daarom het bovengemelde gesprek haastig af, alsof ik plotseling wilde -uitgaan, daarop zond ik hem een ver eind weg om iets te verrigten, en -smeekte toen God vurig, dat hij mij in staat mogt stellen dezen armen -wilde te onderrigten, hem door zijnen geest vatbaar maken om het licht -der kennisse Gods in Christus te ontvangen, en mij van Zijn woord -zoodanig doen spreken, dat zijn hart overtuigd, zijne oogen geopend en -zijne ziel gered mogt worden. Toen hij terugkwam had ik een lang gesprek -met hem over de verlossing der menschen door den Zaligmaker, en de leer -der Evangeliën, namelijk berouw voor God en geloof in onzen Heiland. Ik -verklaarde hem toen, zoo goed als ik kon, waarom onze Verlosser niet de -gedaante der Engelen maar den aard der menschen had aangenomen; dat hij -gekomen was om de verloren schapen van het huis Israëls bijeen te -zamelen en zoo voorts. - -God weet het, ik bezat meer welmeenendheid dan kunde, in mijne pogingen -tot onderrigt van dezen wilde, en ik moet bekennen, hetgeen geloof ik -allen, die even zoo handelen, zullen ondervinden, dat terwijl ik hem -leerde, ik mij zelve vele dingen eigen maakte en opmerkte, die ik -vroeger niet wist of nimmer aan gedacht had, maar mij thans voor den -geest kwamen, nu ik ze ter onderrigting voor dezen armen wilde bijeen -zamelde; en ik onderzocht deze zaken thans met meer lust dan ooit te -voren. Het zij dus deze arme wilde mij genoegen of gevaren zou -aanbrengen, altijd had ik groote reden tot dankbaarheid. Mijn verdriet -werd thans ligter, mijne woning was mij genoeglijker, en als ik bedacht, -dat ik in dit eenzaam leven, waartoe ik veroordeeld was, niet alleen -zelf naar den hemel had leeren opzien, en nadenken door wiens bestier ik -hier gekomen was, maar thans zelf tot een werktuig verkoren was, om met -hulp der Voorzienigheid, niet alleen het ligchaam maar ook de ziel van -dezen armen man te redden, en hem de kennis van den waren God en de -Christelijke leer in te prenten; ik zeg, wanneer ik dit alles bedacht, -gevoelde ik mij van eene heimelijke vreugde doordrongen, en verheugde -mij alsdan, dat ik naar deze plaats gevoerd was, hetgeen ik vroeger -beschouwde als de grootste ramp, die mij ooit treffen kon. - -Deze dankbare gemoedsstemming bleef mij van dien tijd af gestadig bij, -en de gesprekken, die Vrijdag en mij in onze ledige uren, drie jaren -achtereen bezig hielden, waren zoodanig, dat wij al dien tijd zoo -volkomen tevreden en gelukkig waren, als men dit in deze ondermaansche -wereld wezen kan. De wilde was thans een goed Christen, een beter -Christen dan ik, schoon ik met grond en met dankbaarheid jegens God, -zeggen durf, dat wij beide boetvaardige en berouwhebbende zondaren -waren. Wij hadden het woord Gods tot ons onderrigt, en zijn geest was -ons even nabij alsof wij in Engeland waren. - -Gestadig las ik hem de Heilige Schrift voor, en trachtte hem naar mijn -beste vermogen te doen begrijpen, wat ik las; terwijl hij door zijne -ernstige vragen mij, gelijk ik gezegd heb, veel ervarener in -schriftuurlijke kennis maakte dan ik ooit door het bloote lezen zou -geworden zijn. Ik mag ook niet voorbij gaan hier uit ervaring in dit -mijn eenzaam leven te doen opmerken, welk een oneindig groote zegen het -is, dat de kennisse Gods en de leer der zaligmaking door Jezus Christus, -zoo duidelijk in Gods woord bevat is, dat alleen het lezen der Heilige -Schrift mij genoegzaam mijne pligten deed kennen, om mij dadelijk tot -opregt berouw te bewegen over mijne zonden, en tot het aankleven van -onzen Zaligmaker, door wien ik behouden moest worden; als ook tot eene -duurzame verbetering van mijn gedrag, en gehoorzaamheid aan Gods -geboden, en dit zonder eenigen menschelijken leermeester. Even zoo was -dit eenvoudig onderrigt genoegzaam voor dezen wilde, om hem tot een -Christen te maken, zoo als ik in mijn leven slechts weinigen gezien heb. - -Wat betreft de twisten en geschillen, die er in de wereld over de -godsdienst bestaan hebben, hetzij over de leer of over derzelver -bedienaars, deze waren voor ons even nutteloos, als zij, naar ik zien -kan, steeds voor de geheele wereld zijn geweest. Wij hadden den zekeren -gids ten hemel, namelijk Gods woord, en, Gode zij dank, genoegzame -ondersteuning van zijnen geest om ons het te doen verstaan, en geneigd -en gehoorzaam aan deszelfs onderrigtingen te maken. Ik kan niet inzien -wat de uitgestrekte kennis in godsdienstige geschillen, die in de wereld -zooveel onrust verwekt hebben, ons voor nut zou gedaan hebben, al hadden -wij die kunnen verwerven. - -Doch om tot mijne geschiedenis terug te keeren, en iedere zaak op hare -beurt te vermelden. Nadat Vrijdag en ik bevriend waren geworden, en hij -schier alles verstaan kon wat ik tot hem zeide, en mij vloeijend, -ofschoon in gebroken Engelsch, antwoorden, verhaalde ik hem mijne eigene -geschiedenis; althans wat mijne komst alhier aangaat, hoe ik hier huis -gehouden had en hoe lang. Ik leerde hem het geheim (want dit was het -voor hem) van kruid en lood en hoe hij een geweer afschieten moest. Ik -gaf hem een mes, waarmede hij zeer in zijn schik was, en maakte hem een -draagband om het in eene scheede in te dragen; in plaats van eene sabel -gaf ik hem om daaraan te hangen eene bijl, die als wapen in sommige -gevallen nuttig kan zijn, maar nog veel nuttiger in vele andere -omstandigheden. - -Ik beschreef hem de landen van Europa, maar in het bijzonder mijn -vaderland, hoe wij daar leefden, hoe wij God dienden, hoe wij ons in de -maatschappij gedroegen, en hoe wij in schepen naar alle deelen der -wereld gingen. Ik verhaalde hem van het wrak, waar ik aan boord was -geweest, en wees hem de plaats zoo nabij als ik kon, want het was lang -te voren aan stukken geslagen en geheel verdwenen. - -Ik toonde hem hetgeen er nog over was van de boot, die bij mijne redding -op het strand geslagen werd, en welke ik nimmer had kunnen bewegen, maar -die thans in stukken was gevallen. Toen Vrijdag deze boot zag stond hij -eene poos in gedachten en zeide niets. Eindelijk echter toen ik vroeg -waar hij zoo op peinsde, zeide hij: "Ik heb eene boot zoo zien komen op -eene plaats van mijn volk." - -Ik begreep hem eerst niet, maar bij nader onderzoek maakte ik uit hem -op, dat zulk eene soort van boot op de plaats waar hij woonde, gekomen -was, namelijk, gelijk hij mij verklaarde, door slecht weder daar heen -geslagen. Ik verbeeldde mij thans, dat de sloep van een Europeesch schip -op die hoogte, verloren geraakt en op strand geworpen was; ik was echter -zoo dom, dat ik er met eens aan dacht, dat er wel menschen zich daarmede -bij eene schipbreuk hadden kunnen redden, en vroeg hem dus alleen hoe de -boot er uitzag. - -Vrijdag beschreef mij die vrij wel, maar ik begreep hem nog beter toen -hij er met eenige warmte bijvoegde: "Wij redden die blanke menschen van -verdrinken!" Ik vroeg dadelijk of er eenige blanken in de boot waren -geweest.--"Ja de boot vol," zeide hij. Ik vroeg, hoeveel? Hij telde op -zijne vingers tot zeventien. Op mijne vraag wat er van hen geworden was, -zeide hij: "Zij leven, zij wonen bij mijn volk." - -Dit deed weder nieuwe gissingen bij mij ontstaan; ik geloofde thans, dat -deze menschen misschien tot het schip behoord hadden, dat naar mijn -eiland heengeslagen was, en dat nadat het schip op de rots gestooten -had, en zij een onvermijdelijken dood voor oogen zagen, zij zich in de -boot gered hadden en op de woeste kust onder de wilden geland waren. Ik -vroeg vervolgens naauwkeuriger wat er van hen geworden was; hij -verzekerde mij dat zij daar nog leefden, dat zij er ongeveer vier jaren -geweest waren, dat de wilden hen geen leed deden en hun voedsel gaven. -Ik vroeg hem hoe het kwam, dat zij hen niet dood sloegen en opaten. Hij -zeide: "neen, zij maken broeders met hen," waarmede hij een verbond of -wapenstilstand, naar het scheen, wilde te kennen geven. "Zij eten geen -mannen, als die niet in den oorlog zijn gevangen genomen." - -Eene geruime poos daarna waren wij op den top van den heuvel aan de -oostzijde des eilands, vanwaar, gelijk ik verhaald heb, ik op een -helderen dag weder het vaste land van Amerika gezien had. Vrijdag zag -met inspanning eene poos derwaarts, en in eene vlaag van verrukking -begon hij te dansen en te springen, en mij te roepen, want ik was een -eind weegs vandaar. Ik vroeg hem wat het was. "O vreugde, o blijdschap!" -riep hij uit. "Dáár mijn land, dáár mijn volk zien!" - -Ik bespeurde, dat het genoegen uit zijne trekken blonk, en zijne oogen -fonkelden, en uit zijn geheele voorkomen scheen te blijken, dat hij naar -zijn vaderland verlangde. Dit bragt mij op ernstige gedachten, zoodat ik -in den beginne niet zoo gerust omtrent hem was als vroeger, en ik -twijfelde niet of, als hij weder tot zijn eigen natie kon terugkeeren, -hij niet alleen al zijne godsdienst zou vergeten, maar ook zijne -verpligtingen jegens mij, en welligt ondankbaar genoeg zijn om met een -paar honderd wilden terug te keeren, om mij op te eten, en een feest te -houden, zoo als hij gewoon was met zoodanige vijanden, als zij in den -oorlog krijgsgevangen maakten. Maar ik deed den armen eerlijken jongen -groot ongelijk, hetgeen mij naderhand genoeg speet; daar echter mijn -argwaan aangroeide, en eenige weken stand hield, was ik wat omzigtiger -en niet zoo gemeenzaam en vriendelijk jegens hem, waaraan ik gewis groot -onregt deed; want de eerlijke brave knaap, had geene andere dan de beste -voornemens, en was zoowel een opregt Christen als een dankbare vriend, -gelijk mij naderhand ten duidelijkste bleek. - -Terwijl mijn argwaan jegens hem stand hield, was ik elken dag bezig hem -uit te hooren, om te zien of hij ook eenige dier denkbeelden koesterde, -waarvan ik hem verdacht hield; maar alles wat hij zeide was zoo opregt -en zoo onschuldig, dat ik niets vond wat mijne achterdocht voedsel kon -geven, en in weerwil mijner ongerustheid werd ik weder jegens hem even -als vroeger; ook had hij niets van mijnen argwaan bespeurd, zoo dat er -aan geene veinzerij van zijn kant te denken viel. - -Toen wij op zekeren dag weder op dienzelfden heuvel waren, maar met -mistig weder, zoodat wij het vaste land niet zien konden, riep ik hem en -zeide: "Vrijdag, zoudt gij niet gaarne in uw land, onder uw eigen volk -willen terugzijn?"--"Ja," zeide hij. "O hoe blijd zou ik weer bij mijn -volk zijn."--"Wat zoudt gij daar doen," zeide ik, "zoudt gij weder een -wilde worden, gelijk te voren, en menschenvleesch eten?"--Hij zette een -ernstig gelaat en schudde het hoofd, zeggende: "Neen, Vrijdag zou hun -zeggen braaf te leven, hun zeggen God te bidden, hun zeggen brood te -bakken, vleesch van dieren te eten, melk te drinken, geen -menschenvleesch eten."--"Maar," hernam ik, "dan zouden zij u doodslaan." -Hij zette weder een ernstig gezigt, en zeide: "Neen, zij mij niet -dooden, willen gaarne leeren." Hij voegde er verder bij, dat zij veel -leerden van de mannen met baarden uit de boot. Daarop vroeg ik hem of -hij naar hen terug wilde keeren. Glimlagchend zeide hij, dat hij zoo ver -niet zwemmen kon. Ik zeide, dat ik eene kanoe voor hem wilde maken. Hij -antwoordde wel te willen gaan als ik mede ging. "Ik!" zeide ik; "wel zij -zouden mij opeten als ik daar kwam."--"Neen, neen," zeide hij, "ik zal -maken dat zij u niet eten, maken, dat zij u veel liefhebben." Hij zou -hun zeggen, voegde hij er bij, hoe ik zijne vijanden gedood en hem het -leven gered had, en zoo zou hij maken dat zij mij liefhadden. Daarop -verhaalde hij mij zoo goed hij kon, hoe welgezind zij waren jegens die -zeventien blanken of gebaarde mannen, gelijk hij ze noemde, die daar op -het strand schipbreuk hadden geleden. - -Ik moet bekennen, dat ik, van dit oogenblik af begon te verlangen om een -overtogt te wagen, en te zien of ik welligt bij die gebaarde mannen -komen kon, die ik niet twijfelde, dat Spanjaarden of Portugezen waren. -Ik begreep, dat wij welligt daar, op het vaste land en met gezelschap, -beter eenig middel zouden vinden om te ontkomen, dan ik alleen, op een -eiland, en veertig (Eng.) mijlen van den vasten wal en zonder hulp. Na -eenige dagen bragt ik het gesprek met Vrijdag weder hierop, en zeide -hem, dat ik hem eene boot wilde geven om naar zijn volk terug te keeren, -en bragt hem daarop naar mijne boot, die aan de andere zijde van het -eiland lag, en na het water er uit geschept te hebben (want ik liet die -altijd onder water liggen) haalde ik ze uit, wees ze hem en wij gingen -er beide in. - -Ik zag, dat hij er zeer goed mede te regt kon, en ze bijkans zoo snel -roeide als ik; toen hij er dus in was, zeide ik: "Wel, Vrijdag, willen -wij nu naar uwe natie gaan?" Hij scheen over dit gezegde zeer verslagen, -naar het schijnt, omdat hij begreep, dat de boot daartoe te klein was. -"Ik heb nog een grooter," zeide ik, en dus bragt ik hem den volgenden -dag naar de boot, die ik het eerst gemaakt had, maar welke ik niet te -water had kunnen brengen. Hij zeide, dat deze groot genoeg was, maar -daar ik er geen zorg voor gedragen had, en zij daar drieëntwintig jaren -gelegen had, was zij door de zon vaneen gespleten, uitgedroogd en half -vermolmd. Vrijdag zeide, dat zulk eene boot goed was, en genoeg eten en -drinken kon meenemen, zoo als hij zich uitdrukte. - -Mijn voornemen om met hem naar het vaste land over te steken, had thans -zoo diep wortel bij mij geschoten, dat ik hem zeide, dat wij er eene -zouden maken, die even groot was, en dat hij daarmede vertrekken kon. -Hij antwoordde niet, maar zag er zeer bedrukt uit. Ik vroeg wat hem -deerde. Hij antwoordde met de vraag waarom ik boos op Vrijdag was? Wat -hij mij gedaan had? Ik vroeg wat hij hiermede bedoelde, en zeide, dat ik -in het geheel niet boos op hem was. "Niet boos! niet boos!" herhaalde -hij verscheidene malen, "waarom wilt gij dan Vrijdag naar zijn volk -terugzenden?"--"Wel," zeide ik, "hebt gij niet gezegd, dat gij wenschte -daar te zijn, Vrijdag?"--"Ja, ja," zeide hij, "ik wenschte, dat wij -beiden daar waren, Vrijdag daar niet, als meester daar niet -is."--Kortom, hij wilde er niet aan denken daarheen te gaan zonder mij. -"Zou ik daarheen gaan, Vrijdag?" hernam ik, "wat zou ik daar doen?" -Driftig keerde hij zich naar mij toe, en zeide: "Gij daar zeer veel goed -doen, gij leeren de wilden goede, brave menschen zijn, gij hun leeren -God kennen, God bidden en een nieuw leven leiden."--"Helaas, gij weet -niet wat gij zegt, Vrijdag," hernam ik, "ik ben zelf een onwetend -mensch."--"Ja, ja," vervolgde hij, "gij mij goed leeren, gij hun ook -goed leeren."--"Neen," zeide ik, "gij zult zonder mij gaan Vrijdag, en -mij hier alleen laten leven, gelijk vroeger." Hij zag er zeer verslagen -uit, en daarop spoedig eene bijl halende, die hij gewoonlijk bij zich -droeg, gaf hij mij die in de hand. "Wat moet ik daarmede doen?" vroeg -ik. "Gij Vrijdag doodslaan," zeide hij. "Waarom zou ik u doodslaan?" -vroeg ik weder. Hij antwoordde driftig: "Waarom gij Vrijdag wegzenden? -Vrijdag doodslaan, Vrijdag niet wegzenden." Dit sprak hij zoo ernstig, -dat ik een traan in zijne oogen zag. Kortom, ik ontdekte zoo duidelijk -in hem de uiterste genegenheid jegens mij en zijn vast besluit, dat ik -hem toen zeide, en naderhand dikwijls herhaalde, dat ik hem nimmer zou -wegzenden als hij bij mij wilde blijven. - -Daar ik over het geheel in al zijne woorden zulk eene gehechtheid aan -mij vond, en dat niets hem mij zou doen verlaten, begreep ik, dat de -grondoorzaak van zijn verlangen om zijn vaderland terug te zien, uit de -vurige liefde voor zijn volk en de hoop het wel te doen ontsproot; eene -zaak tot welke ik niet den minsten lust of verlangen gevoelde. Mijne -grootste zucht om derwaarts te vertrekken ontstond uit het berigt dat ik -van hem vernomen had, dat namelijk zich daar zeventien blanken bevonden. -Zonder verder dralen ging ik derhalve met Vrijdag aan het werk om een -grooten boom te vinden, die geschikt was voor eene groote praauw of -kanoe om de reis te ondernemen. Er was hout genoeg op het eiland om eene -geheele vloot te bouwen, niet alleen van praauwen of kanoes, maar van -groote schepen zelfs. De hoofdzaak echter waarnaar ik verlangde, was er -een te vinden, die zoo digt bij het water stond, dat wij die, als zij af -was, te water konden brengen, ten einde niet weder in denzelfden misslag -als vroeger te vervallen. - -Eindelijk wees Vrijdag mij een boom, want ik vond, dat hij veel beter -wist dan ik welke soort van hout de geschiktste was. Ik weet nog niet -tot welke soort de boom behoorde, die wij velden, behalve dat hij veel -naar verwhout geleek. Vrijdag was er voor den stam met vuur uit te -hollen, maar ik zeide hem dit liever met werktuigen te doen, en nadat ik -hem het gebruik daarvan gewezen had, kon hij er spoedig goed mede te -regt. Na eene maand harden arbeid, hadden wij hem af, en zeer goed -gevormd, vooral toen wij met onze bijlen, die ik hem had leeren -behandelen, er de goede gedaante van eene sloep aan hadden gegeven. -Vervolgens kostte het ons nog wel veertien dagen tijds om haar als het -ware duim voor duim, op groote rollen naar het water te brengen; maar -toen zij er in was, had zij zeer goed twintig man kunnen dragen. - -Toen de sloep te water was, zag ik met genoegen hoe vlug en behendig -Vrijdag haar, in weêrwil van hare grootte, kon behandelen, doen -voortgaan en wenden. Ik vroeg hem dus of hij er thans mede zou willen -en durven oversteken? "Ja," zeide hij, "ik er zeer goed mede overkomen, -al waait het ook harden wind!" Maar ik had een ander voornemen, waarvan -hij niets wist, en dat was om een mast en zeil te maken, en haar van een -anker en ankertouw te voorzien. Een mast was gemakkelijk te vinden, ik -koos hiertoe een jongen, regten cederboom, dien ik daar digt bij vond, -en waarvan er op het eiland eene menigte waren, en ik liet Vrijdag dien -vellen, en wees hem hoe hij dien afkappen en in orde brengen moest. Met -het zeil hield ik mij zelf onledig. Ik wist, dat ik oude zeilen of -liever stukken van oude zeilen genoeg had, maar daar ik die nu -zesentwintig jaren lang gehad en niet zeer zorgvuldig bewaard had, omdat -ik mij niet verbeeld had ze ooit op die wijze te kunnen gebruiken, -twijfelde ik niet of zij zouden allen verrot zijn, hetgeen ook met de -meesten het geval was. Ik vond echter twee stukken, die nog vrij gaaf -waren, en met deze ging ik aan het werk, en na vrij wat moeite, en -naaijen, dat, gelijk men denken kan, bij gebrek aan naalden uiterst -links en vervelend van de hand ging, maakte ik eindelijk een leelijk -driehoekig zeil, met een gaffel en een giek, gelijk onze sloepen -gewoonlijk voeren, en waarmede ik het best wist om te gaan, omdat ik -zulk een gebruikt had in de boot, waarmede ik uit Barbarije vlugtte, -gelijk ik hiervoor verhaald heb. - -Ik bragt bijkans twee maanden zoek aan het in orde brengen van mijn mast -en zeilen; want ik maakte ook nog een kleine vlieger en een fok er bij, -om te helpen als wij door den wind moesten gaan, en ik maakte er van -achteren een roer aan om te sturen; en schoon dit er vrij onbehouwen -uitzag, kende ik echter het nuttige en noodzakelijke er te goed van, om -mij niet zoo veel moeite te geven, dat het eindelijk tot stand kwam, -schoon, als ik bedenk hoe dikwijls mijne proefnemingen hiertoe -mislukten, ik geloof, dat het mij schier even veel moeite kostte als de -boot zelve. - -Nadat dit gedaan was moest ik Vrijdag leeren hoe met de boot te zeilen, -want schoon hij zeer goed eene kanoe wist te roeijen, begreep hij van -zeil en roer niets en stond niet weinig verbaasd toen hij mij mijne boot -bij den wind zag brengen, en weder afvallen, door behulp van mijn roer, -en hoe het zeil over dezen of dien boeg vol stond, naarmate ik van koers -veranderde. Toen hij, zeg ik, dit zag, stond hij van verbazing verstomd, -weldra echter geraakte hij door eenige oefening er gemeenzaam mede, en -hij werd een vlug matroos, behalve ten aanzien van het kompas, dat ik -hem nimmer goed kon doen begrijpen; aan den anderen kant, daar het zeer -zelden bewolkte lucht en bijkans nimmer nevelachtig in deze streken was, -was er weinig behoefte aan een kompas, daar bij nacht altijd de sterren, -en over dag het strand zigtbaar was, behalve in het regensaizoen, en dan -verlangde niemand buiten's huis te zijn, noch te land noch ter zee. - -Ik was nu het zevenentwintigste jaar mijner gevangenschap op deze plaats -ingetreden, schoon de drie laatste jaren van mijn verblijf eigenlijk met -de vorige niet kunnen vergeleken worden, daar het in dien tijd geheel -anders was geworden dan vroeger. Ik vierde dit jaarfeest van mijne komst -alhier met dezelfde dankbaarheid jegens God, voor zijne goedheid, als -het eerste; en had ik toen reeds zoo veel stof tot dankbaarheid, nu was -dit nog veel meer het geval, daar ik zoo veel meer blijken van Gods -vaderlijke zorg voor mij had ontvangen, en de hoop op eene spoedige -bevrijding koesterde, want ik hield mij vast overtuigd, dat mijne -bevrijding spoedig op handen was, en ik geen volgende verjaring mijner -komst aldaar zou vieren. Ik bleef echter even zoo voor mijne huishouding -zorgen als te voren; ik spitte en plantte en omheinde, droogde mijne -druiven, en deed al wat noodig was, als te voren. - -Middelerwijl viel het regensaizoen in, waarin ik meer binnen 's huis -bleef dan anders; dus had ik onze boot zoo goed mogelijk geborgen, door -haar in de kreek te brengen, waar ik, gelijk ik gezegd heb, in den -beginne mijne vlotten van het schip aan land bragt. Nadat ik haar bij -hoog water op den wal gehaald had, deed ik Vrijdag een klein dok graven, -dat juist groot en diep genoeg was om de sloep te bevatten, en toen het -water afliep, sloten wij het met een stevigen dam af om er het water uit -te houden; dus lag zij droog, en om den regen af te keeren, maakten wij -er met zware takken eene soort van stevig afdak over heen; en aldus -wachtten wij de maanden November en December af, waarin ik besloten had -het avontuur te ondernemen. - -Toen het weder gestadig werd, en de gedachte aan mijn voornemen, met de -schoone dagen tegelijk terug kwam, maakte ik dagelijks toebereidselen -tot onze reis. Het eerste wat ik deed, was een aantal levensmiddelen, -voor de reis bestemd, bijeen te brengen; met oogmerk, om een of twee -weken later het dok te openen en onze boot te water te brengen. Op een -morgen was ik aan iets hiertoe bezig, toen ik Vrijdag riep en hem -gelastte naar het strand te gaan, om te zien of hij een schildpad vinden -kon, iets waarnaar wij gewoonlijk alle weken eens zochten, zoowel om de -eijeren als om het vleesch. Vrijdag was nog niet lang weg geweest, toen -hij terug kwam loopen, over mijn buitensten wal vloog als iemand, die -den grond onder zijne voeten niet voelt, en voor ik den tijd had hem toe -te spreken, riep hij: "O meester, meester! o verdriet! o kwaad!"--"Wat -is het, Vrijdag?" zeide ik.--"O, ginder," zeide hij, "ginder een, twee, -drie kanoes, een, twee, drie kanoes!" Uit zijne wijs van zich uit te -drukken maakte ik op, dat er zes waren; maar bij verdere navraag hoorde -ik, dat er slechts drie waren. "Nu goed, Vrijdag, wees niet bang," -zeide ik, en zoo trachtte ik hem een riem onder het hart te steken. Ik -zag echter, dat de arme knaap doodelijk beangst was, want hij had zich -in het hoofd gezet, dat zij alleen gekomen waren om hem te zoeken, en -dat zij hem in stukken zouden houwen. Hij beefde zoo, dat ik niet wist -wat ik met hem zou beginnen. Ik stelde hem gerust zooveel ik kon, en -zeide, dat ik even veel gevaar liep als hij, en dat zij mij zoowel als -hem zouden opeten. "Maar," zeide ik, "Vrijdag, wij moeten besluiten, met -hen te vechten. Kunt gij vechten, Vrijdag?"--"Ik kan schieten," zeide -hij, "maar er zijn er zooveel."--"Wees daar niet bang voor," hernam ik, -"die wij niet doodschieten zullen door ons vuur bevreesd geworden zijn." -Ik vroeg hem daarop, als ik besloot hem te verdedigen, of hij mij zou -bijstaan en stipt doen wat ik hem gelastte. Hij zeide: "Ik sterven zal -als gij mij gelast te sterven, meester." Ik ging daarop heen en nam een -goeden slok rum en gaf hem ook een borrel; want ik had met mijn rum zoo -zuinig huis gehouden, dat er nog vrij wat over was. Daarop liet ik hem -de twee jagtgeweren, die wij altoos bij ons hadden, geven, en laadde die -met groven ganzenhagel, die bijkans zoo zwaar was als pistoolkogels; -daarop nam ik vier geweren, en laadde die ieder met twee patronen en -vijf kogels, en op mijne twee pistolen deed ik ook twee kogels op ieder. -Volgens gewoonte hing ik mijne groote sabel op zijde en gaf Vrijdag -zijne bijl. - -Na ons aldus uitgerust te hebben, nam ik mijn kijker en klom den heuvel -op, om te zien wat ik ontdekken kon. Weldra bemerkte ik, dat er -eenentwintig wilden waren, drie gevangenen en drie kanoes; en dat hunne -geheele bezigheid scheen te zijn om van deze drie mannen een gastmaal te -houden--een barbaarsch feest waarlijk, maar dat bij hen niets ongewoons -was. - -Ik bemerkte ook, dat zij niet geland waren op de plek waar Vrijdag -ontsnapt was, maar digter bij mijne kreek, waar het strand laag was, en -een digt bosch zich tot vlak bij de zee uitstrekte. Deze omstandigheid -en de afschuw van het onmenschelijk oogmerk dezer barbaren, maakten -mijne verontwaardiging zoo gaande, dat ik naar Vrijdag terugkeerde en -hem zeide, dat ik besloten had op hen af te gaan, en hen allen dood te -schieten, en hem vroeg of hij mij wilde bijstaan. Zijn angst was thans -bedaard, en zijn moed door den sterken drank wat opgewekt, zoodat hij -zeer wel gemoed was, en mij zeide, even als vroeger, dat hij wilde -sterven als ik hem gelastte te sterven. - -In deze eerste vlaag van woede deelde ik de wapens, die ik geladen had -zoo als ik verhaald heb, tusschen ons; ik gaf Vrijdag eene pistool om in -zijn gordel te steken en drie geweren op zijne schouders; ik nam zelf -eene pistool en ook drie geweren, en aldus trokken wij op weg. Ik stak -een fleschje rum bij mij, en gaf Vrijdag een zak met kruid en lood te -dragen. Ik gelastte hem digt achter mij te blijven, en niet vooruit te -gaan, noch te schieten noch iets te doen buiten mijn orders, en tevens -geen enkel woord te spreken. Aldus uitgerust, maakte ik een omweg van -bijkans eene (Eng.) mijl, zoo wel om de kreek over te trekken als om in -het bosch te komen; opdat ik hen binnen bereik van mijn schot mogt -bekomen, zonder dat zij mij ontdekten, hetgeen naar ik met mijn kijker -gezien had, gemakkelijk te doen was. - -Terwijl ik op weg was, kwamen mijne vroegere bezwaren bij mij op en mijn -besluit begon te wankelen. Ik wil niet zeggen, dat ik eenige vrees voor -hun aantal voedde; want daar zij naakt en ongewapend waren, was ik gewis -de overhand te hebben, al ware ik geheel alleen geweest. Maar ik bedacht -welke roeping, welke reden ik had, laat staan welke noodzakelijkheid er -bestond, dat ik mijne handen in bloed zou doopen, en heden aantasten, -die mij nimmer eenig leed hadden gedaan, en hiertoe ook geen voornemen -hadden; die ten mijnen aanzien schuldeloos waren, en wier barbaarsche -zeden hun eigen ongeluk waren, daar dit een teeken was, dat God hen met -andere volken van dit werelddeel aan diepe onwetendheid ten prooi had -gelaten. Maar dit gaf mij geen regt om over hunne daden het vonnis uit -te spreken, veel minder mij tot uitvoerder der goddelijke geregtigheid -op te werpen; want zoo God het goedvond zou Hij zelf hen straffen, en -door rampen over hun geheele volk te brengen, de zonden des volks -bestraffen; maar dit was geenszins eene taak, die mij toekwam. Wel is -waar, in Vrijdag kon dit verschoonbaar zijn, omdat hij hun verklaarde -vijand en als het ware in staat van oorlog met deze natie was; maar zoo -het hem vrijstond hen aan te vallen, was dit niet bij mij het geval. -Deze gedachten kwamen mij zoo levendig voor den geest, terwijl ik op weg -naar hen toe was, dat ik besloot in hunne nabijheid post te vatten, en -dan te handelen zoo als God mij zou aanwijzen; maar zoo ik geen -duidelijker roeping dan thans ontving, mij niet met hen in te laten. - -Met dit besluit trad ik het bosch in, en trok met de meeste stilte en -omzigtigheid, terwijl Vrijdag mij digt op de hielen volgde, tot aan den -zoom van het bosch, aan den kant, die het digtst bij hen was, behalve, -dat een uithoek van het bosch mij van hen afscheidde. Hier gekomen riep -ik Vrijdag zachtjes bij mij, en hem een grooten boom, die juist aan den -hoek stond, wijzende, gelastte ik hem daarin te klimmen, en mij tijding -te brengen als hij duidelijk zien kon wat zij verrigtten. Dit deed hij -en kwam onmiddellijk terug, zeggende, dat men ze vandaar duidelijk zien -kon; dat zij allen om het vuur zaten, het vleesch van een hunner -gevangenen etende, terwijl een ander, niet ver van hen af, gebonden op -het zand lag, die zij volgens zijn zeggen, daarna zouden doodslaan; -hetgeen mij buiten mij zelven van drift maakte. Hij zeide mij, dat het -niet een van zijne natie was, maar een dier witte gebaarde mannen, die -bij zijn volk in de boot waren gekomen. Dit berigt, dat het een blanke -was, deed mijn afschuw ten top stijgen, en naar den boom gaande zag ik -door mijn kijker duidelijk den blanke, die op het strand lag, aan handen -en voeten gekneveld met eene soort van biezen, en dat hij een Europeër -was, en kleederen aanhad. - -Er was nog een andere boom met eenig struikgewas er om heen, ongeveer -vijftig schreden digter bij hen dan de plek waar ik stond, en door een -kleinen omweg te maken kon ik zonder gezien te worden, daar komen, en -dan was ik op een half geweerschot afstands van hen. Ik bedwong mijne -drift derhalve, ofschoon die ten hoogsten top gestegen was, en ongeveer -twintig schreden teruggaande, begaf ik mij achter eenig kreupelhout, dat -zich uitstrekte tot aan den anderen boom, en toen kwam ik aan eene -kleine hoogte, die mij op ongeveer tachtig schreden afstands, een -duidelijk gezigt van hen opleverde. - -Ik had geen tijd te verliezen, want negentien dier rampzaligen zaten op -den grond allen digt bij elkander, en hadden juist de twee anderen -afgezonden om den armen Christen te slagten, en hem misschien aan -stukken gehouwen, naar hun vuur te brengen, en zij bukten om de banden -aan zijne voeten los te maken. Ik keerde mij tot Vrijdag. "Doe nu zoo -als ik gelast heb," zeide ik. Hij antwoordde van ja, en ik herhaalde: -"Vrijdag, doe juist wat gij mij ziet doen, en geef wel acht." Ik zette -een der musketten en het jagtgeweer op den grond, en Vrijdag deed -hetzelfde. Met het andere geweer legde ik op de wilden aan, waarin hij -mij navolgde. Ik vroeg daarop of hij gereed was. "Ja," was zijn -antwoord. "Geef dan vuur," zeide ik, en op hetzelfde oogenblik brandde -ik ook los. - -Vrijdag had veel beter gemikt dan ik, aan den kant waar bij heenschoot -had hij twee man gedood en drie gekwetst, en ik had aan mijne zijde een -gedood en twee gekwetst. De wilden geraakten in vreesselijke -opschudding, gelijk men wel denken kan; allen, die niet gekwetst waren, -sprongen dadelijk op de been, maar zij wisten niet waarheen zij vlugten -noch waarheen zij uitzien moesten; want zij zagen niet vanwaar het -verderf hen naderde. Vrijdag hield mij gestadig in het oog, ten einde, -gelijk ik hem gelast had, te zien wat ik deed; onmiddellijk na het -eerste schot liet ik dus het geweer vallen en nam het jagtgeweer op, en -Vrijdag deed hetzelfde; hij zag mij den haan overhalen en deed evenzoo. -"Zijt gij gereed, Vrijdag?" vroeg ik. "Ja," hernam hij. "Vuur dan, in -Gods naam," zeide ik, en ik brandde weder los op de verbijsterde wilden, -en Vrijdag deed evenzoo, en daar onze geweren nu met groven ganzenhagel -of kleine pistoolkogels geladen waren, zagen wij slechts twee vallen, -maar eene groote menigte waren gewond, die als razenden heen en weder -liepen, gillende en schreeuwende, terwijl spoedig daarna er nog drie of -vier, die zwaar gekwetst waren, nederstortten. - -"Volg mij nu, Vrijdag," zeide ik, het afgeschoten geweer nederleggende, -en het nog geladen musket opnemende. Hij deed het moedig, en ik kwam -het bosch uit en vertoonde mij, met Vrijdag vlak achter mij. Zoodra ik -bemerkte, dat zij mij zagen schreeuwde ik zoo luid als ik kon, en -gelastte Vrijdag dit ook te doen; en zoo hard als ik loopen kon, hetgeen -in het voorbijgaan gezegd, door de wapens waarmede ik beladen was, niet -zeer snel ging, begaf ik mij regt naar den armen mensch toe, die gelijk -ik zeide, op het strand lag, tusschen de plaats waar zij zaten en de -zee. De twee wilden, die hem juist hadden willen slagten, hadden de -vlugt genomen in den schrik voor ons eerste vuur, en waren in eene kanoe -gesprongen, en nog drie begaven zich ook daarheen. Ik keerde mij naar -Vrijdag, gelastte hem verder te gaan en op hen vuur te geven. Hij -begreep mij dadelijk, en ongeveer veertig schreden vooruitgaande, om te -digter bij hen te zijn, gaf hij vuur op hen, en ik meende, dat hij hen -allen gedood had; want ik zag ze allen over elkander in de boot -tuimelen, doch twee hunner stonden spoedig weder op. Hij had echter twee -er van gedood en den derde gekwetst, zoodat deze als dood op den bodem -van de kanoe lag. - -Terwijl Vrijdag op hen vuurde haalde ik mijn mes uit, en sneed de banden -door, waarmede de arme mensch gebonden was; hielp hem op de been en -vroeg hem in het Portugeesch wie hij was. Hij antwoordde mij in het -Latijn een Christen; maar was zoo zwak en flaauw, dat hij naauwelijks -staan of spreken kon. Ik haalde mijne flesch uit den zak en wenkte hem, -dat hij drinken zou, hetgeen hij deed; en ik gaf hem een stuk brood, -hetgeen hij opat. Toen vroeg ik hem wat landsman hij was, en hij zeide -een Spanjaard, en zich een weinig hersteld hebbende, gaf hij mij door -alle mogelijke teekens te kennen hoezeer hij mij dankbaar was voor zijne -bevrijding. "Sennor," zeide ik, in zoo goed Spaansch als ik bijeen kon -brengen, "daar zullen wij later over spreken, maar nu moeten wij -vechten, als uwe krachten het toelaten, neem dus deze pistool en die -sabel, en weer u daarmede." Hij nam ze met dankzegging aan, en -naauwelijks had hij de wapens in de hand, of hij scheen nieuwe kracht te -krijgen, vloog als woedend op zijne moordenaars aan, en had twee hunner -in een oogenblik neergeveld; want om de waarheid te zeggen, de arme -schepsels, wien dit alles zoo onverwachts overkwam, waren zoo verschrikt -van de losbranding onzer geweren, dat zij van verbazing en angst -nederstortten, en even weinig in staat waren op de vlugt te denken, als -om onze kogels af te weren, en zoo ging het ook met de vijf, die in de -boot waren, want toen Vrijdag schoot en er drie die getroffen waren, -nedervielen, stortten de andere twee van blooten schrik neder. - -Ik hield mijn geweer nog in de hand, maar zonder vuur te geven, omdat ik -mijn schot bewaren wilde, daar ik den Spanjaard mijne pistool en sabel -had gegeven; ik riep Vrijdag dus, en zond hem terug naar den boom -vanwaar wij het eerst gevuurd hadden, om de ongeladen geweren te halen, -die wij daar hadden laten liggen, hetgeen hij met groote vlugheid deed; -en na hem mijn geweer gegeven te hebben, ging ik zitten om de anderen -weder te laden; en gelastte hem naar mij toe te komen als hij ze noodig -had. Terwijl ik ze laadde geraakte de Spanjaard in een fel gevecht met -een der wilden, die hem met een dier houten zwaarden aanviel, hetzelfde -wapen, waarmede hij zou geslagt zijn geworden, als ik het niet belet -had. De Spanjaard, die ofschoon zwak, zoo moedig was als een leeuw, had -dezen Indiaan eene geruime poos bevochten en hem twee wonden aan het -hoofd toegebragt; maar de wilde, een kloeke sterke kerel zijnde, had den -afgematten man nedergeworpen en trachtte hem mijne sabel uit de hand te -wringen, toen de Spanjaard, hoewel onderliggende, wijsselijk de sabel -losliet, mijne pistool uit zijn gordel trok en den Indiaan door het -ligchaam schoot, zoodat hij op de plek dood bleef, alvorens ik, die hem -te hulp kwam, bij hem was gekomen. - -Vrijdag, die nu naar eigen willekeur handelen kon, vervolgde de -vlugtende wilden met geen ander wapen dan zijne bijl, en hiermede maakte -hij de drie af, die gelijk ik gezegd heb, bij het eerste schot gevallen -waren, en al die hij verder bereiken kon. Den Spanjaard, die mij om een -geweer vroeg, gaf ik een der jagtgeweren, waarmede hij twee wilden -vervolgde, en ze beide kwetste; maar daar hij bezwaarlijk loopen kon, -ontsnapten zij hem beide in het bosch, waar Vrijdag ze vervolgde, en er -een van doodde; maar de andere was hem te vlug af; en ofschoon gewond, -sprong hij echter in zee, en zwom uit al zijne magt naar de twee, die -nog in de kanoe waren, welke drie personen, waaronder een gekwetste, die -wij niet wisten of hij leven kon of niet, alles was wat ons van de -eenentwintig ontsnapte. Zie hier den uitslag van het gevecht. - - - 3 Gedood bij ons eerste vuur van den boom. - 2 Gedood bij het volgende schot. - 2 Door Vrijdag in de kanoe gedood. - 2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt. - 1 Door hem in het bosch gedood. - 3 Door den Spanjaard gedood. - 4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven - of door Vrijdag afgemaakt. - 4 Ontsnapt in de boot, waaronder een gewond of dood. - ---- - 21 in het geheel. - - -Die in de kanoe waren roeiden zoo hard zij konden om buiten ons schot te -komen, en hoewel Vrijdag twee of drie schoten op hen deed, kon ik niet -bespeuren, dat hij een hunner getroffen had. Vrijdag had wel gewild, dat -ik een hunner kanoes genomen en hen vervolgd had; hunne ontvlugting -baarde mij ook veel zorg, uit vrees, dat zij, na hunnen landslieden deze -tijding gebragt te hebben, misschien met twee of driehonderd kanoes -terug mogten keeren, en ons door hun aantal overweldigen. Ik gaf dus -mijn toestemming hen op zee te vervolgen, sprong in een der kanoes en -gelastte Vrijdag mij te volgen; maar in de kanoe gekomen stond ik niet -weinig verwonderd daar nog een levend wezen in te vinden, even als de -Spanjaard aan handen en voeten gebonden om geslagt te worden, en schier -dood van schrik, niet wetende wat er gebeurde, daar hij niet over de -zijde der kanoe heen had kunnen zien; hij was zoo stijf gebonden, en zoo -lang gekneveld geweest, dat er schier geen leven meer in hem was. - -Oogenblikkelijk sneed ik de gestrengelde biezen los, waarmede zij hem -gebonden hadden; en wilde hem ophelpen; maar hij kon niet staan of -spreken; maar kermde jammerlijk, meenende naar het schijnt, dat hij -alleen losgemaakt werd om geslagt te worden. - -Toen Vrijdag er bij kwam, gelastte ik dezen hem zijne bevrijding bekend -te maken, en mijne flesch uithalende, gaf ik den armen drommel een slok, -hetwelk, met de tijding van zijne bevrijding, hem weder bij bragt, en -hij ging in de kanoe zitten; maar toen Vrijdag hem hoorde spreken en hem -in het gelaat zag, zou het iedereen tot tranen bewogen hebben, die -gezien had hoe Vrijdag hem kuste, omhelsde en troetelde, hoe hij -schreeuwde, lachte, juichte, sprong, danste, zong, dan weder schreeuwde, -de handen wrong, zich op het gelaat en de borst sloeg, en dan weder als -een razende danste en sprong. Het duurde eene geruime poos eer ik het -zoo ver brengen kon, dat hij tot mij sprak en mij zeide wat er van de -zaak was, maar toen hij een weinig tot zichzelven kwam verhaalde hij -mij, dat dit zijn vader was. - -Ik zou moeijelijk kunnen uitdrukken hoe het mij trof, toen ik zag hoe -krachtig de verrukking en kinderliefde waren bij dezen wilde, toen hij -zijn vader, en dat wel van den dood gered wederzag; ik kan inderdaad -niet half al de volgende uitsporige blijken zijner kinderlijke liefde -beschrijven, want hij was nu eens in de kanoe en dan weder er uit. Als -hij er in kwam, ging hij naast zijn vader zitten en hield diens hoofd -tegen zijne borst gedrukt, gelijk eene moeder haren zuigeling, een half -uur achtereen om hem te koesteren; dan nam hij zijne armen en beenen, -die geschaafd en stijf van het binden waren, en verwarmde en wreef die -met zijne handen; en ik dit ziende gaf hem wat rum uit mijne flesch om -ze te wrijven, hetgeen ze zeer veel goed deed. - -Dit maakte een einde aan onze vervolging van de andere kanoe met de -wilden, die thans genoegzaam uit het gezigt geraakt was, en dit was een -geluk voor ons, want twee uren later woei het zoo hard, terwijl zij nog -geen kwartier ver konden zijn, en het bleef den geheelen nacht zoo hard -uit het noordwesten doorstormen, dat ik niet onderstellen kon, dat bij -dien zwaren tegenwind hunne kanoe zee kon bouwen noch zij hunne kust -bereiken konden. - -Doch om tot Vrijdag terug te keeren: hij had het zoo druk met zijn -vader, dat het mij eenigen tijd niet van het hart kon hem te roepen, -maar eindelijk deed ik het, en hij kwam lagchende en dansende naar mij -toe. Ik vroeg hem of hij zijn vader wat brood had gegeven. Hij schudde -het hoofd, en zeide: "Neen, ik slechte kerel, alles opgegeten heb." Ik -gaf hem dus een stuk, dat ik nog in mijn zak had, voor zijn vader en een -slok rum voor hem, maar hij wilde het niet drinken maar bragt het ook -aan zijn vader. Ik had twee of drie trossen rozijnen in mijn zak, die ik -hem ook gaf voor hem en zijn vader. Maar naauwelijks had hij dit gedaan, -of ik zag hem uit de kanoe springen en wegloopen alsof hij dol was. Hij -liep zoo vlug (ik heb nimmer iemand gezien, die zoo snel kon loopen als -hij) dat hij in een oogenblik uit het gezigt was, en of ik hem toeriep -en naschreeuwde, het hielp niet. Een kwartier daarna zag ik hem -terugkomen, schoon niet zoo snel als vroeger, omdat hij iets droeg, en -naderbij gekomen, zag ik, dat het eene pot met water was. - -Toen hij bij mij kwam zag ik, dat hij een aarden pot of pan gehaald had -om zijn vader wat zoet water te brengen, en hij had ook een paar koeken -of brooden medegebragt. Het brood gaf hij mij, maar het water bragt hij -aan zijn vader, hoewel ik, die zeer dorstig was, er ook een slokje van -nam. Het water verkwikte zijn vader meer dan al de sterke drank, dien ik -hem gegeven had, want hij bezweek schier van dorst. Toen zijn vader -gedronken had, riep ik hem of er nog water over was, en daar hij ja -zeide, gelastte ik hem dit aan den armen Spanjaard te geven, die het -even hoog noodig had als zijn vader, en ik zond tevens een stuk brood -naar dien man, die zeer afgemat was, en in de schaduw van een boom lag -uit te rusten, en wiens leden ook zeer stijf en gezwollen waren van het -zware knevelen, dat men hem gedaan had. Ik zag, dat toen Vrijdag met het -water bij hem kwam, hij overeind ging zitten en dronk en ook een stuk -brood at; ik ging dus naar hem toe en gaf hem ook een tros rozijnen. Hij -zag mij aan met een gelaat, waarop de dankbaarheid ten duidelijkste te -lezen stond, maar was zoo zwak, niettegenstaande hij zich in het -gevecht zoo dapper geweerd had, dat hij niet opstaan kon; hij beproefde -het twee of drie malen, maar kon niet op de been komen; zijne enkels -waren zoo gezwollen en zoo pijnlijk, dat ik hem verzocht te blijven -zitten en Vrijdag gelastte zijne beenen te wrijven en met rum te -wasschen, gelijk hij zijn vader gedaan had. - -Gedurende al den tijd, dat hij dit deed, vergingen er geen twee minuten -of de arme jonge keerde het hoofd om, om te zien of zijn vader nog op -dezelfde plaats en in dezelfde houding zat, waarin hij hem verlaten had, -en toen hij eindelijk hem eens niet zag, sprong hij, zonder een woord te -spreken op, en liep er zoo snel naar toe, dat het scheen alsof zijne -voeten den grond niet raakten, maar bij hem komende bespeurde hij, dat -hij alleen gemakshalve was gaan liggen. Dus kwam hij tot mij terug, en -ik zeide den Spanjaard, dat Vrijdag hem zou helpen om als hij kon naar -de boot te gaan, en dan zou ik hem naar onze woning voeren om verder -voor hem te zorgen; maar Vrijdag, die een sterke knaap was, nam den -Spanjaard op zijn rug en droeg hem zoo naar de boot, zette hem -voorzigtig op het boord van de kanoe, met zijne voeten er in, ligtte hem -vervolgens er geheel in en zette hem naast zijn vader, en vervolgens de -boot afzettende, pagaaide hij die langs de kust sneller dan ik loopen -kon, schoon het vrij hard woei. Zoo bragt hij ze behouden in de kreek, -en hen in de boot latende, liep hij heen om de andere kanoe te halen. -Terwijl hij mij voorbij liep vroeg ik waar hij heenging. Hij zeide: -"Meer boot halen," en weg vloog hij als de wind, want nimmer liep een -mensch of paard harder, en hij was met de andere kanoe bijkans zoo -spoedig aan de kreek als ik er over land kwam, dus haalde hij mij over, -en ging toen onze nieuwe gasten uit de boot halen, maar zij waren geen -van beide in staat om te loopen, dus wist de arme Vrijdag niet wat hij -doen zou. - -Om hier te helpen, spande ik mijne hersens in, en toen Vrijdag roepende, -zeide ik hem hen te verzoeken op het strand te blijven zitten. Spoedig -had ik daarop eene soort van draagbaar gemaakt en Vrijdag en ik droegen -hen daarop tusschen ons in. Maar aan onzen buitenwal gekomen, waren wij -nog meer in verlegenheid, want het was ons onmogelijk hen er over te -helpen, en ik wilde die niet gaarne afbreken. Vrijdag en ik gingen dus -weder aan het werk, en binnen een paar uren hadden wij een vrij knappe -tent opgeslagen, met oude zeilen en daarover takken bedekt, op de opene -plek, tusschen mijn buitenste schans en de streek jong hout, door mij -geplant, en hier maakten wij hun twee bedden van hetgeen ik had, -namelijk van rijsten stroo, met dekens er over om op te liggen, en op -ieder bed een deken om hen te dekken. - -Nu was mijn eiland bevolkt, en ik achtte mij reeds ruim voorzien van -onderdanen, en verheugde mij thans dikwijls met het denkbeeld hoeveel ik -van een koning had. In de eerste plaats was het eiland geheel en al mijn -eigendom, zoodat mijn regt van heerschappij onbetwistbaar was. Ten -tweede was mijn volk mij volkomen onderdanig; ik was hun oppermagtig -heer en wetgever; zij hadden allen hun leven aan mij te danken, en waren -bereidwillig hun leven voor mij op te offeren, als daartoe de -gelegenheid zich opdeed. Het was ook opmerkelijk, dat hoewel ik slechts -drie onderdanen had, deze allen een verschillend geloof hadden. Vrijdag -was een Protestant, zijn vader een Heiden en Kannibaal, en de Spanjaard -een Roomschgezinde. Ik liet echter door mijn geheele gebied, volkomen -vrijheid van godsdienst heerschen. Doch dit in het voorbijgaan. - -Naauwelijks had ik mijne twee verloste, zwakke gevangenen te huis -gebragt, en hun huisvesting en eene slaapplaats verschaft, of ik begon -aan eenigen leeftogt voor hen te denken. Het eerste wat ik deed was -Vrijdag te gelasten een halfwassen, eenjarige geit uit mijne kudde, te -dooden; ik nam daarop het achterdeel, en hakte dat aan kleine stukjes; -daarop zette ik Vrijdag aan het koken en braden, en maakte hun een zeer -goeden maaltijd van vleesch en soep gereed; in welke laatste ik ook -eenige rijst en wat koren gedaan had; en na het buiten's huis gekookt te -hebben, want ik stookte nimmer vuur binnen mijne schans, bragt ik het -eten naar de nieuwe tent. Na eene tafel voor hen geplaatst te hebben, -ging ik met hen het middagmaal houden, en sprak hen zooveel mogelijk -moed in, met behulp van Vrijdag, die mijn tolk was bij zijn vader, en -ook bij den Spanjaard, want deze sprak de taal der wilden zeer goed. - -Na gegeten te hebben, gelastte ik Vrijdag eene kanoe te nemen en onze -geweren en andere wapens te halen, die wij in de haast op het slagveld -hadden laten liggen, en den volgenden dag zond ik hem uit om de lijken -der gedoode wilden te gaan begraven, die thans in de zon lagen, en -tevens de overblijfselen van hun afschuwelijk gastmaal onder den grond -te bedelven. Ik kon er niet aan denken dit zelf te doen, noch zelfs het -aan te zien als ik dien kant uitging. Dit alles volbragt hij zeer stipt, -en deed zelfs alle sporen, dat hier wilden geweest waren, verdwijnen, -zoodat toen ik weder dien kant uitkwam, ik niet vinden kon waar het -geweest was, dan aan den hoek van het bosch, die zich naar het strand -uitstrekte. - -Ik begon toen mij een weinig te onderhouden met mijne twee nieuwe -onderdanen, en het eerst deed ik Vrijdag aan zijn vader vragen wat hij -dacht van de vlugt dier wilden in de kanoe, en of wij mogten verwachten -hen te zien terugkeeren met eene overmagt, die wij niet zouden kunnen -wederstaan. Zijne eerste meening was, dat de wilden nimmer den storm -zouden hebben kunnen doorstaan, die des avonds, nadat zij vertrokken -waren, was opgestoken, maar dat zij noodwendig verdronken of zuidwaarts -verder op de kust moesten geslagen zijn, en dan zouden zij even zeker -geslagt worden. Maar wat zij doen zouden als zij behouden aan hunne kust -kwamen, wist hij niet, maar hij was van meening, dat de wijze waarop zij -overvallen waren geworden, dat de schoten en het vuur hun zooveel schrik -zouden aangejaagd hebben, dat zij hunnen landslieden zouden zeggen, dat -zij door donder en bliksem en niet door menschenhanden gedood waren; en -dat de twee, die zij gezien hadden (namelijk Vrijdag en ik) geen -gewapende menschen, maar twee hemelsche of helsche geesten waren, -gekomen om hen te verdelgen. Dit wist hij, zeide hij, omdat hij hen dit -in hunne taal elkander had hooren toeroepen, want het was hun onmogelijk -te begrijpen, dat een man vuur spuwen en donder spreken en van uit de -verte dooden kon, zonder de hand op te heffen, gelijk thans geschied -was.--De oude wilde had gelijk, want gelijk ik naderhand langs een -anderen weg vernam, de wilden uit die streek hebben nimmer weder -beproefd het eiland te naderen. Zij waren zoo ontzet door het verhaal -van die vier menschen, (want deze waren naar het schijnt, niet op zee -vergaan) dat zij geloofden, dat ieder, die zich op dit betooverd eiland -waagde, door de goden met vuur zou verdelgd worden. Ik, die dit echter -niet wist, bleef een geruimen tijd in aanhoudende vrees, en was altijd -op mijne hoede, met mijn geheele leger, en daar wij nu met ons vieren -waren, zou ik mij altijd tegen honderd van hen in het open veld gewaagd -hebben. - -Daar er echter na eene poos geene kanoes kwamen opdagen, sleet de vrees -voor hunne komst uit, en ik begon mijne vroegere denkbeelden van een -togt naar het vaste land weder op te vatten, daar nu ook Vrijdags vader -mij verzekerd had, dat ik door hem op een goed onthaal bij zijn volk -mogt rekenen als ik daarheen ging. - -Echter schorste ik mijn voornemen eenigen tijd op, na een ernstig -gesprek met den Spanjaard, en toen ik vernam, dat er nog zestien zijner -landslieden en Portugezen, in den storm daar het leven gered hadden, en -daar wel in vrede met de wilden leefden, maar niets meer ontvingen dan -hoog noodig was om niet van honger te sterven. Ik vroeg hem al de -bijzonderheden zijner reis, en vernam, dat zij op een Spaansch schip -behoord hadden van Rio de la Plata naar Havanna bestemd, met last om -daar hunne lading, die hoofdzakelijk uit huiden en zilver bestond, te -lossen, en zoodanige Europesche goederen als zij daar konden vinden, -terug te brengen; dat zij vijf Portugesche matrozen aan boord hadden -gehad, die door hen van een ander wrak gered waren; dat bij het vergaan -van hun schip vijf man van hun eigen volk verdronken waren, en dat de -geredden onnoemelijke gevaren hadden doorgestaan, en half dood van -honger op de Kannibaalsche kust gekomen waren, waar zij verwachtten elk -oogenblik vermoord te zullen worden. - -Hij verhaalde mij, dat zij eenige wapens hadden, die hun echter -volstrekt van geen nut waren, omdat zij kruid noch lood hadden; het -zeewater had al hun kruid bedorven, op een klein weinig na, dat zij -gebruikt hadden toen zij het eerst aan land waren gekomen, om zich eenig -voedsel te verschaffen. Ik vroeg hem wat hij dacht, dat er daar van hen -worden zou, en of zij geen plan tot ontvlugting ooit gemaakt hadden. -Hierover zeide hij, hadden zij dikwijls beraadslaagd, maar daar zij noch -vaartuigen, noch werktuigen om ze te bouwen, bezaten, noch eenigen -voorraad hoegenaamd, was hunne overlegging altijd in wanhoop en tranen -geëindigd. Ik vroeg hem hoe hij dacht, dat een voorstel van mij ten -aanzien van hunne redding, zou opgenomen worden, en of dit niet -geschieden kon als zij allen hier waren. Ik zeide hem ronduit, dat ik -bovenal vreesde voor verraad en mishandeling van hunnentwege, als ik -mijn leven in hunne handen stelde, want dat de dankbaarheid geene -aangeboren deugd der menschen is; en dewijl de menschen niet alleen -handelen naar gelang van hunne verpligtingen, maar veeleer naar het -voordeel, dat zij verwachten. Ik zeide hem, dat het zeer hard zou zijn, -als ik de bewerker hunner bevrijding was, en dat zij mij naderhand in -Nieuw-Spanje tot hun gevangene maakten, waar een Engelschman van zijn -dood zeker was, welke nooddwang of welk toeval hem ook derwaarts voerde, -en dat ik liever aan de wilden overgeleverd en geslagt wilde worden, dan -in de onbarmhartige handen der inquisitie te vallen. Ik voegde er bij, -dat ik mij overigens overtuigd hield, dat zoo zij allen hier waren, wij -een boot konden bouwen, groot genoeg om ons allen of zuidwaarts naar -Brazilië of de eilanden, of noordwaarts naar de Spaansche kust te -voeren; maar, dat als zij ter vergelding, als ik hen eens wapens in de -hand had gegeven, mij met geweld naar hun eigen land voerden, mijne -goedheid jegens hen slecht beloond worden, en ik er erger aan toe zijn -zou dan vroeger. - -Hij antwoordde met veel openhartigheid en verstand, dat hun toestand zoo -jammerlijk was, en zij dit zoo zeer inzagen, dat hij geloofde, dat zij -het denkbeeld van iemand, die iets tot hunne bevrijding had bijgedragen, -ondankbaar te behandelen, zouden verafschuwen; en dat hij, als ik het -verkoos, met den ouden man naar hen toe zou gaan, er met hen over -spreken, en mij hun antwoord terug komen brengen; dat hij hen een -plegtigen eed zou afeischen, dat zij zich geheel onder mijn bevel -stelden, als hun kapitein en bevelhebber; en dat zij mij op de Heilige -Sacramenten en het Evangelie trouw zouden zweren, en naar zoodanig -Christenland gaan als ik verlangde, en naar geen ander; dat zij zich -geheel en volkomen onder mijne orders zouden beschouwen tot wij behouden -geland waren, in zoodanig land als ik verkoos, en dat hij een contract -daarover, door hen onderteekend, zou medebrengen. - -Vervolgens zeide hij, dat hij zelf eerst wilde zweren mij nimmer, -zoolang hij leefde, te zullen verlaten, zonder mijn bevel, en dat hij -zijn laatsten druppel bloed voor mij zou vergieten; als zijne -landslieden zich aan de minste verbreking hunner beloften schuldig -maakten. - -Hij verhaalde mij, dat het allen zeer beschaafde, brave lieden waren, -die zich in den jammerlijksten toestand bevonden, dien men zich kan -verbeelden, daar zij noch wapens, noch kleederen, noch eenig voedsel -hadden, maar geheel van de genade der wilden afhingen, en dat hij -verzekerd was, dat, als ik ondernam hen te verlossen, ik in leven en -dood op hen kon rekenen. - -Op deze verzekeringen besloot ik het te wagen hen zoo mogelijk te -verlossen, en den ouden wilde en den Spanjaard naar hen toe te zenden, -om met hen te onderhandelen. Maar toen de Spanjaard gereed stond om te -vertrekken, maakte hij zelf mij een zwarigheid, die aan den eenen kant -zoo gegrond was, en aan den anderen kant zoo van zijne opregtheid -getuigde, dat ik niet anders dan met hem instemmen kon, en naar zijn -raad, de bevrijding zijner makkers, ten minste een half jaar uitstelde. -Het geval was namelijk dit. - -Hij was nu ongeveer eene maand bij mij geweest, gedurende welke ik hem -had laten zien hoe ik, met bijstand der Voorzienigheid, voor mijn -levensonderhoud gezorgd had; en hij zag toen mijn voorraad van rijst en -graan, die hoewel meer dan genoeg voor mij zelven, echter niet voldoende -was, ten minste slechts schraal, voor mijn nieuw gezin, nu dit uit vier -personen bestond; maar nog veel minder zou het genoeg zijn als zijne -landslieden, waarvan, gelijk hij zeide, nog veertien in leven waren, -overkwamen, en nog veel minder was er genoeg om ons vaartuig te -provianderen, als wij er een gebouwd hadden, voor eene reis naar een -der vestigingen in Amerika. Dus zeide hij mij, dat hij het raadzamer -achtte, als ik hem en de twee anderen nog eenig land liet omspitten en -bezaaijen, met zooveel zaaikoren als ik thans besparen kon, opdat wij -genoeg graan in voorraad mogten hebben voor zijne landslieden, als die -komen mogten; want het gebrek mogt hen in verzoeking brengen om hunne -belofte te verbreken, en zij zich slechts uit de eene ongelegenheid in -de andere gestort zien. "Gij weet," zeide hij, "dat schoon de kinderen -Israëls zich eerst verheugden over hunne verlossing uit Egypte, zij -echter tegen God zelf, die hun verlost had, opstonden, toen zij in de -woestijn aan brood gebrek leden." - -Zijne omzigtigheid was zoo prijsselijk en zijn raad zoo goed, dat ik -niet dan genoegen in zijn voorstel kon nemen, zoowel als voldaan zijn -over zijne getrouwheid. Dus gingen wij alle vier aan het spitten, zoo -goed als dit met onze houten spaden ging, en ongeveer na eene maand, -wanneer het zaaitijd was, hadden wij zooveel land ontgind, dat wij -tweeëntwintig schepels graan en zestien potten rijst zaaiden, hetwelk al -het zaaikoren was, dat wij missen konden, zelfs hielden wij naauwelijks -genoeg graan over voor ons eigen voedsel, voor de zes maanden, waarin -wij op onzen oogst moesten wachten, dat wil zeggen, te rekenen van den -tijd, dat wij ons zaaikoren hadden afgezonderd, want men moet niet -onderstellen, dat het daar te lande zes maanden in den grond bleef. - -Daar ik nu gezelschap had, en wij ook talrijk genoeg waren om niets te -vreezen van de wilden, als die gekomen waren, tenzij hun aantal -bovenmate groot was, gingen wij zoo dikwijls wij er den tijd toe hadden, -het geheele eiland door; en daar nu onze bevrijding ons steeds voor den -geest zweefde, was het ons, althans mij, onmogelijk niet telkens de -middelen daartoe te overdenken. Te dien einde merkte ik verscheidene -boomen, die ik voor ons werk geschikt achtte, en zette Vrijdag en zijn -vader aan het vellen daarvan, en dan liet ik den Spanjaard, wien ik -mijne gedachten daaromtrent mededeelde, hun werk nagaan en bestieren. Ik -wees hem met wat onvermoeiden arbeid ik zware boomen tot planken had -gekapt, en liet hem hetzelfde verrigten, tot zij ongeveer een dozijn -eikenhouten planken bijeen hadden, van bijkans twee voet breed, -vijfendertig voet lang en van twee tot vier duim dik. Welke ontzettende -arbeid dit vereischte, zal iedereen ligt begrijpen. - -Te gelijker tijd trachtte ik mijne kudde van tamme geiten zooveel -mogelijk te vermenigvuldigen, en te dien einde gingen Vrijdag en de -Spanjaard den eenen dag, en Vrijdag en ik den anderen dag, beurtelings -uit, en vingen ongeveer twintig jonge geiten, om bij de overigen op te -kweeken, want als wij de moeder doodschoten, spaarden wij de jongen en -voegden die bij onze kudde. Maar vooral deed ik, toen de tijd tot het -droogen van druiven gekomen was, zulk eene groote menigte in de zon -hangen, dat ik geloof, als wij te Alicante, waar men de druiven in de -zon droogt, geweest waren, wij zestig tot tachtig vaten gevuld zouden -hebben. Deze maakten met ons brood, grootendeels onze spijs uit; en het -was een zeer goed voedsel, dat kan ik verzekeren, want zij zijn zeer -voedzaam. - -Het was nu herfst en de oogst stond zeer goed. Wel was hij niet zoo -overvloedig als ik wel eens beleefd had, maar toch voor ons oogmerk -voldoende, want van de tweeëntwintig schepels zaaikoorn, oogstten en -dorschten wij ongeveer tweehonderd-en-twintig schepels, en van de rijst -naar evenredigheid; hetwelk voor ons voedsel genoeg was tot aan den -volgenden oogst, al waren ook al de zestien Spanjaarden bij mij geweest, -of zoo wij tot eene reis gereed waren hadden wij hiermede ons ruim -kunnen provianderen voor eene reis naar iedere plaats, dat is te zeggen -van Amerika. Toen wij aldus ons koorn te huis gehaald hadden, gingen wij -aan het vlechten van groote manden om het in te bewaren, waarin de -Spanjaard vooral zeer handig was, die mij dikwijls laakte, dat ik -hiervan geene verdedigingsmiddelen maakte, maar ik zag er de -noodzakelijkheid niet van in. - -Nu ik voor al de gasten, die ik verwachtte, genoeg te eten had, gaf ik -den Spanjaard verlof den overtogt te doen en te zien, wat hij kon doen -met de achtergeblevenen. Ik gaf hem een schriftelijken last, niemand -mede te brengen, die niet eerst in tegenwoordigheid van hem en den ouden -wilde gezworen had, dat hij op geenerlei wijze den persoon, dien hij op -het eiland vinden zou, die zoo goed was hen te hunner bevrijding af te -halen, zou beleedigen, bevechten of aanvallen, maar dat zij hem zouden -bijstaan en verdedigen tegen al zoodanige ondernemingen, en dat waar zij -ook gingen, zij geheel en al onder zijn bevel en gezag zouden staan, en -dat dit in schrift gesteld en door hen onderteekend zou worden. Hoe dat -laatste zou geschieden, daar ik wist, dat zij pen noch inkt hadden, was -eene zaak daar wij in het geheel niet over gedacht hadden. - -Met deze lastgevingen vertrokken de Spanjaard en de oude wilde, de vader -van Vrijdag, in een der kanoes, waarmede zij gekomen of liever gebragt -waren door de wilden om verslonden te worden. Ik gaf ieder een geweer en -zes of acht scherpe patronen mede, met last hiermede zuinig te zijn en -ze niet dan bij dringende noodzakelijkheid te gebruiken. Dit was voor -mij eene aangename verrigting, want het waren de eerste maatregelen, die -ik sedert meer dan zeven-en-twintig jaren, ter mijner bevrijding genomen -had. Ik gaf hun zooveel brood en rozijnen mede, als niet alleen genoeg -was voor hen gedurende een geruimen tijd, maar ook voor al hunne -landslieden voor acht dagen; en na hun goede reis gewenscht te hebben, -liet ik hen vertrekken, na een sein met hen afgesproken te hebben, dat -zij bij hunne terugkomst zouden laten waaijen, en waaraan ik hen op een -afstand en vóór zij aan den wal kwamen, kon herkennen. - -Zij vertrokken bij gunstigen wind en met volle maan, volgens mijne -rekening in de maand October, doch nadat eens mijne rekening van de -dagen in de war was geraakt, kon ik die nimmer weder in orde brengen; -zelfs wist ik niet zeker, of ik de jaren wel volkomen juist had -berekend, doch naderhand bleek het, dat mijne rekening van de jaren -volkomen juist was. - -Het was nu acht dagen, dat ik reeds op hen wachtte, toen een zeldzaam -en onverwacht voorval, en welks gelijken welligt niet in de geschiedenis -is vermeld, gebeurde. Ik lag op een morgen gerust te slapen toen Vrijdag -kwam binnenstuiven, luidkeels roepende: "Meester, meester, daar komen -zij, daar komen zij!"--Ik sprong op, en zonder om eenig gevaar te -denken, ging ik, zoodra ik mijne kleederen aangeschoten had, door mijn -boschje, dat thans een dik bosch geworden was, ik zeg, zonder aan eenig -gevaar te denken, ging ik zonder wapens uit, hetgeen anders mijne -gewoonte niet was; maar ik zag verbaasd op, toen ik, zeewaarts ziende, -op ongeveer een half uur afstands, eene boot naar den wal zag zeilen, -met eene gunstige koelte, zoodat zij spoedig moest aankomen. Ook merkte -ik thans op, dat zij niet van dien kant kwam waar het vaste land lag, -maar van het zuidelijkste einde van het eiland. Hierom riep ik Vrijdag -en gelastte hem zich te verbergen, want dat dit niet de lieden waren, -die wij verwachtten; en wij nog niet wisten of dit vrienden of vijanden -waren. - -In de eerste plaats ging ik mijn kijker halen, om te zien wat ik van hen -ontdekken kon, en na de ladder opgezet te hebben, klom ik naar den top -van den heuvel, gelijk ik gewoon was als ik ergens voor vreesde, en goed -wenschte te zien zonder ontdekt te worden. Ik had naauwelijks mijn voet -op den heuvel gezet, of ik ontdekte duidelijk een schip, dat op twee en -een halve mijl van mij af, maar slechts anderhalve mijl van het strand -in het Z. Z. O. voor anker lag, en scherper toeziende bemerkte ik -duidelijk, dat het een Engelsch schip, en de boot eene Engelsche sloep -was. - -Ik kan niet zeggen, hoezeer mij dit verraste; schoon de vreugde van een -schip te zien, hetwelk ik reden had te gelooven, dat door landgenooten -en dus bevriend volk van mij, bemand was, onbeschrijfelijk was, werd ik -echter door eene geheime en onverklaarbare angstvalligheid aangedreven, -om op mijne hoede te zijn. In de eerste plaats begreep ik niet wat een -Engelsch schip in dit oord kon komen doen, daar dit niet de weg was naar -of van eenig deel der wereld, waarop de Engelschen handel dreven; en ik -wist, dat er geen stormen geheerscht hadden, die hen daarheen hadden -kunnen slaan; zoodat als zij werkelijk Engelschen waren, zij met geen -goed oogmerk hier waren, en ik beter deed te blijven waar ik was dan in -de handen van dieven en moordenaars te vallen. - -Laat niemand dit geheime voorgevoel van gevaar verachten, dat hij -somwijlen ontvangt, als hij zelfs aan de mogelijkheid van het gevaar -geen geloof kan slaan. Weinigen geloof ik, die gewoon zijn gade te slaan -wat er om hen heen gebeurt, kunnen ontkennen, dat ons zulke -waarschuwingen gegeven worden; wij kunnen niet dan die aan de werking -van eene onzigtbare magt, buiten ons, toeschrijven, en waarom zouden wij -niet onderstellen, dat die ons tot ons bestwil gegeven worden. - -Hetgeen er thans voorviel, levert hiervan een blijk op, want zoo deze -geheime stem mij niet tot behoedzaamheid had aangedreven, ware ik mijn -verderf in den mond geloopen, en in veel erger toestand dan te voren -geraakt, gelijk men zien zal. - -Ik was niet lang op den heuvel geweest, of ik zag de sloep digt langs -het strand komen, alsof men naar eene kreek zocht om haar in te brengen, -om gemakkelijker aan land te kunnen komen. Daar zij echter niet ver -genoeg gingen, zagen zij den kleinen inham niet, waar ik vroeger mijne -vlotten aan land gebragt had, maar zetten de boot op het strand op eene -halve (Eng.) mijl van mij af, hetgeen zeer gelukkig was, want anders -zouden zij als het ware voor mijne deur geland, en mij spoedig uit mijn -kasteel gejaagd, en welligt van alles beroofd hebben wat ik had. - -Toen zij aan wal waren zag ik duidelijk, dat het Engelschen waren, -althans de meesten; een of twee hield ik voor Hollanders, maar dit was -zoo niet. Er waren in het geheel elf mannen, waarvan drie ongewapend, en -naar ik meende, gebonden; en toen er vier of vijf van de eersten op -strand gesprongen waren, deden zij de drie gevangenen uit de boot gaan. -Een van de drie stelde zich aan als een wanhopige, de beide anderen -hieven slechts een paar malen de handen hemelwaarts, en schenen zeer -neêrslagtig, schoon niet zoo ontsteld als de eerste. Ik was geheel -verbaasd over hetgeen ik zag, en wist niet wat ik er van begrijpen -moest. Vrijdag riep mij toe: "O meester, gij ziet, dat de Engelsche -mannen ook hunne gevangenen opeten, zoo goed als de wilden!"--"Denkt -gij, dat zij hen zullen opeten, Vrijdag?" vroeg ik.--"Ja," zeide hij, -"zij zullen hen opeten."--"Neen, neen, Vrijdag," hernam ik, "ik vrees -wel, dat zij hen zullen vermoorden, maar gij kunt er op aan, dat zij hen -niet zullen opeten." - -Al dien tijd wist ik niet wat ik denken moest, maar stond te beven van -afschuw, daar ik ieder oogenblik verwachtte, dat de gevangenen vermoord -zouden worden; en zelfs zag ik, dat een der schurken zijn sabel ophief, -om een der gevangenen te dreigen, en ik verwachtte ieder oogenblik, hem -te zien toeslaan, bij welk gezigt mij het bloed in de aderen verstijfde. -Ik wenschte thans hartelijk, dat de Spanjaard en de oude wilde, die met -hem vertrokken was, bij mij waren, of dat ik eenig middel wist, om, -zonder ontdekt te worden, hen binnen bereik van mijn geweer te brengen, -om de drie mannen te verlossen, want ik zag geen vuurwapenen bij hen; -maar mij werd eene andere gelegenheid hiertoe verschaft. - -Nadat de matrozen deze drie lieden zoo mishandeld hadden, zag ik, dat -zij hier en daar heenzwierven, als om het land te gaan bezien. Ik -bemerkte ook, dat de drie mannen konden gaan, waar zij wilden, maar zij -bleven alle drie op het strand zitten in een allerneêrslagtigste -houding. Dit herinnerde mij hoe ik voor de eerste maal aan land kwam en -in het rond zag; hoe ik mij verloren achtte, hoe ik verwilderd in het -rond staarde, welken schrikkelijken angst ik uitstond, en hoe ik, uit -vrees voor wilde dieren, den geheelen nacht op een boom doorbragt. Even -als ik dien nacht niets wist van den onderstand, dien ik ontvangen zou, -doordien wind en tij het schip digter bij het land drijven zouden, -waardoor ik sedert zoo lang voedsel en kleederen had erlangd, evenzoo -wisten deze drie wanhopigen niet, hoe gewis zij op bijstand en -bevrijding konden rekenen, en hoe zij werkelijk in veiligheid Waren, -toen zij zich verloren en hunne zaak wanhopig achtten. - -Zoo weinig kunnen wij in de wereld vooruitzien, en zooveel reden hebben -wij om welgemoed van onzen Schepper te vertrouwen, dat hij zijne -schepselen niet zoo geheel zal verlaten, maar dat zij in de -ongelukkigste omstandigheden altijd stof tot dankbaarheid hebben, en -somtijds nader bij hunne redding zijn dan zij zich verbeelden, ja hunne -redding zelfs te danken hebben aan de middelen, die zij als oorzaak van -hun verderf beschouwen. - -Het water was juist op zijn hoogst toen deze lieden aan den wal kwamen, -en terwijl zij gedeeltelijk stonden te spreken met de gevangenen, die -zij medegebragt hadden, en gedeeltelijk rondzwierven om te zien, op -welke soort van plaats zij waren, hadden zij zorgeloos getoefd, totdat -de eb was doorgekomen, en hunne sloep hoog en droog op het strand zat. -Zij hadden twee man in de boot achtergelaten, die, gelijk ik naderhand -bevond, wat te veel brandewijn gedronken hadden en vast in slaap -gevallen waren. Een van hen echter ontwaakte, en vindende, dat hij de -boot niet in beweging kon brengen, riep hij zijne kameraden, die in de -nabijheid rondzwierven, maar zij waren met hun allen niet sterk genoeg, -om de sloep, die zeer zwaar was, vlot te krijgen, daar het strand aldaar -uit fijn en los zand bestond. - -In dezen staat van zaken gaven zij het op, als echte zeelieden, die van -alle menschen misschien het minste gewoon zijn aan voorzorgen te denken, -en gingen weder landwaarts in, en ik hoorde een hunner luid tot een -ander roepen, terwijl hij hem uit de boot riep: "Kom, Jack, laat haar -liggen; het volgende tij zal haar vlot maken." Hierdoor wist ik thans -zeker van welke natie zij waren. - -Al dien tijd hield ik mij verborgen, en durfde zelfs niet verder dan -mijn schuilhoek op den heuvel, mijn kasteel verlaten, en ik was blijde -als ik bedacht, hoe goed het versterkt was. Ik wist, dat de sloep niet -dan na tien uren vlot kon komen, en dan zou het duister zijn, en ik -hunne bewegingen gade slaan, en hunne gesprekken, als zij die voerden, -afluisteren. Middelerwijl maakte ik mij tot een gevecht gereed, even als -vroeger, maar met meer behoedzaamheid, daar ik wist, dat ik thans met -een geheel ander slag van vijanden dan de vorige te doen had. Ik -gelastte Vrijdag, die thans een zeer goed schutter was geworden, zich te -wapenen. Ik nam twee jagtgeweren en gaf hem drie geweren. Mijn voorkomen -was waarlijk schrikbarend genoeg. Ik had mijn rok van geitenvellen aan, -en mijne muts op, waarvan ik vroeger gesproken heb, een bloote sabel in -de hand, twee pistolen in mijn gordel, en op ieder schouder een geweer. - -Het was gelijk ik hiervoor zeide, mijn oogmerk, niets te ondernemen voor -het duister was, maar tegen twee ure, op het heetste van den dag, vond -ik, dat zij allen het bosch ingegaan, en waarschijnlijk in slaap -gevallen waren. De drie ongelukkigen, te ongerust over hunnen toestand -om te slapen, waren echter in de schaduw van een grooten boom gaan -zitten, ongeveer een kwartier van mij af, en naar ik meende, buiten het -gezigt van een der overigen. Ik besloot hierop mij aan hen te ontdekken, -en iets naders omtrent hunnen toestand te vernemen. Onmiddellijk trok -ik, in bovengemelde uitrusting op weg; en Vrijdag een eind weegs achter -mij, die om zijne wapens ontzag genoeg moest inboezemen, maar niet zulk -een schrikbarende spookgestalte als ik was. Ik naderde hen zonder -opgemerkt te worden, en toen, voor een hunner mij bespeurd had, riep ik -hen luid in het Spaansch toe: "Wie zijt gij, heeren?" - -Zij sprongen verbaasd op, maar stonden tienmaal meer verbijsterd, toen -zij mijn schrikbaarlijke gestalte zagen. Zij gaven geen antwoord, maar -ik verbeeldde mij, dat zij de vlugt wilden nemen, waarop ik hen in het -Engelsch toesprak: "Ontstel u niet, heeren; misschien vindt gij in mij -een vriend, naderbij u dan gij verwachtte."--"Dan moet gij regtstreeks -van den hemel gezonden zijn," zeide een hunner ernstig, en te gelijk den -hoed afnemende, "want menschelijke bijstand kan ons niet baten."--"Alle -bijstand komt van den hemel," zeide ik. "Maar kunt gij een vreemdeling -onderrigten, hoe hij u helpen kan, want gij schijnt in groote -ongelegenheid te zijn? Ik zag u toen gij aan land kwaamt, en toen gij de -kerels, die u hier bragten, iets scheent af te smeeken, zag ik, dat een -hunner zijne sabel tegen u ophief." - -De arme man, wien de tranen over het gelaat biggelden, stond geheel -verbijsterd, en zeide: "Spreek ik tot een mensch of tot een -engel?"--"Wees daar niet ontsteld over," zeide ik. "Zoo God u een engel -toegezonden had, zoude deze beter gekleed en anders gewapend zijn dan -ik. Leg uwe vrees af; ik ben een mensch, een Engelschman, en geneigd u -van dienst te zijn, dat ziet gij. Ik heb maar een knecht, doch wij -hebben kruid en lood. Zeg ons ronduit: kunnen wij u van dienst zijn? Wat -is het geval?" - -"Ons geval," zeide hij, "is te lang om u te verhalen, mijnheer, terwijl -onze moordenaars zoo nabij zijn; doch in korte woorden, ik was kapitein -op gindsch schip; mijn volk is aan het muiten geslagen; zij zijn met -moeite overgehaald om mijn leven te sparen, en hebben mij eindelijk op -dit woeste eiland aan land gezet, met deze twee lieden, mijn stuurman is -de eene, en de andere is een passagier, waar wij den dood verwachtten, -daar wij niet wisten, dat het eiland bewoond was, en nog niet weten wat -er van te denken." - -"Waar zijn die schelmen, uwe vijanden?" vroeg ik. "Weet gij waar zij -heengegaan zijn?"--"Daar zijn zij, mijnheer," zeide hij, naar een bosch -wijzende. "Ik beef van angst, dat zij ons gezien en u hebben hooren -spreken, want dan zullen zij ons zeker allen vermoorden." - -"Hebben zij vuurwapenen?" vroeg ik. Hij zeide, dat zij slechts twee -geweren hadden, waarvan een in de sloep was gebleven. "Welnu, laat dan -alles aan mij over," zeide ik. "Het is gemakkelijk hen allen te dooden, -maar willen wij ze niet liever gevangen maken?" Hij zeide, dat er twee -aartsschurken onder hen waren, wien het ongeraden was genade te -verleenen, maar dat hij geloofde, dat zoo zij vermeesterd waren, de -overigen wel tot hunnen pligt zouden terugkeeren. Ik vroeg hem wie dat -waren. Hij zeide, dat hij ze mij op dien afstand niet uitduiden kon, -maar dat hij bereid was, mij in alles te gehoorzamen.--"Welnu," zeide -ik, "laat ons dan buiten hun gehoor gaan, om hen niet wakker te maken, -en dan zullen wij verder zien." Zij gingen daarop met mij terug tot de -boomen, om voor hen verborgen te zijn. - -"Nu, mijnheer," zeide ik, "als ik het waag u te bevrijden, zult gij dan -twee voorwaarden met mij willen aangaan?" Hij kwam mijn voorstel voor -door mij te verzekeren, dat hij en zijn schip, als hij bevrijd werd, -geheel tot mijn bevel, en volkomen tot mijne beschikking waren, en dat -zoo het schip niet weder bekomen mogt worden, hij met mij wilde leven en -sterven, in welk werelddeel ik hem ook wilde voeren, en de twee anderen -zeiden hetzelfde. - -"Welnu," zeide ik, "ik heb slechts twee voorwaarden. Vooreerst, dat -zoolang gij hier op het eiland vertoeft, gij op geenerlei gezag hier -aanspraak maakt, en dat zoo ik u wapens ter hand stel, gij die bij alle -gelegenheden, mij zult teruggeven, en mij noch het mijne op dit eiland -eenige schade toebrengen, en middelerwijl mijne bevelen gehoorzamen. - -"Ten tweede, dat als het schip hernomen mogt worden, gij mij en mijne -goederen, zonder passagegeld te vorderen, naar Engeland zult medenemen." - -Hij gaf mij alle verzekeringen van zijne trouw, die hij slechts kon -bedenken, en dat hij aan deze allerbillijkste eischen zou voldoen, en -bovendien zoolang hij leefde erkennen zou, dat hij zijn leven aan mij te -danken had. - -"Welnu dan," zeide ik, "hier zijn drie geweren voor u met kruid en lood. -Zeg mij nu wat gij thans geraden acht te doen." Hij herhaalde zijne -betuigingen, maar bood aan, zich geheel door mij te laten leiden. Ik -zeide hem, dat het altijd gevaarlijk was wat wij ook ondernamen, maar -dat het best wat ik bedenken kon was, te gelijk op hen vuur te geven, in -hunnen slaap, en dat, als sommigen hunner bij deze eerste losbranding -niet gedood werden, en om genade vroegen, wij hen dan konden sparen, en -aldus aan de Voorzienigheid over te laten hoedanig onze kogels te -rigten. Hij antwoordde zeer menschlievend, dat hij ongaarne -menschenbloed zou vergieten, maar dat die twee lieden onverbeterlijke -schurken en de aanleggers der geheele muiterij waren; dat zoo zij -gespaard werden, zij zeker aan boord zouden terugkeeren en al het -scheepsvolk medebrengen en ons allen vermoorden. "Welnu," zeide ik, "dan -wettigt de noodzakelijkheid, hetgeen ik geraden heb, want het is het -eenigste middel om ons leven te sparen." Daar ik echter zag, dat hij nog -huiverde voor bloedvergieten, zeide ik, dat ik alles aan hem overliet, -en dat zij konden handelen, zoo als zij goed vonden. - -Onder dit gesprek hoorden wij, dat eenigen hunner ontwaakten, en kort -daarna zagen wij twee man vertrekken. Ik vroeg hem of een van deze ook -onder de belhamels behoorde. Hij zeide: "neen." "Welnu," zeide ik, "laat -hen dan gaan, de Voorzienigheid schijnt het, heeft hen doen ontwaken, om -hun leven te sparen. Zoo de overigen u nu ontgaan, is het uwe eigene -schuld." - -Hierdoor aangemoedigd nam hij het geweer op, dat ik hem gegeven had, en -stak een pistool in zijn gordel, en ging met zijne twee makkers, ieder -met een geweer in de hand, heen. De twee mannen, die bij hem waren en -vooruit gingen, maakten eenig gerucht, waardoor een der matrozen, die -wakker was, zich omkeerde, en hen ziende naderen, de overige te hulp -riep; maar het was te laat; want op het oogenblik, dat hij riep gaven -zij vuur, terwijl de kapitein wijsselijk zijn schot bespaarde. Zij -hadden zoo goed de mannen uitgekozen, die zij kenden, dat een hunner op -de plek dood bleef, en de ander zwaar gewond was; maar toch overeind -kwam, en de anderen luid te hulp riep. De kapitein echter trad naar hem -toe, en zeide hem, dat het thans te laat was om hulp te vragen, dat hij -God vergiffenis mogt vragen voor zijne euveldaden, en velde hem daarop -met de kolf van zijn geweer neder, en sloot hem den mond voor altoos. Er -waren nog drie over, waarvan een ligt gekwetst was. Thans was ik er bij -gekomen en toen zij hun gevaar zagen, en dat alle tegenstand vruchteloos -was, smeekten zij om genade. De kapitein zeide hun, dat hij hun leven -sparen zou, als zij hem betuigden, dat zij hunne verraderij verfoeiden, -en beloofden hem getrouw te zullen bijstaan in het hernemen van zijn -schip, en het terug te voeren naar Jamaica, vanwaar hij kwam. Zij gaven -hem alle beloften, die hij verlangde, en hij wilde gaarne hun leven -sparen, waar ik niet tegen was, evenwel ried ik hem hen aan handen en -voeten gebonden, te bewaren, zoolang hij op het eiland was. - -Terwijl dit voorviel zond ik Vrijdag met den stuurman naar de sloep, met -last die vast te leggen, en de riemen en het zeil er uit te nemen, -hetgeen zij deden, en kort daarop kwamen drie knapen, die, gelukkig voor -hen, van hunne rondzwervende makkers afgeraakt waren, terug op het -hooren der geweerschoten, en ziende, dat hun kapitein van hun gevangene -nu hun overwinnaar geworden was, onderwierpen zij zich om op dezelfde -wijze als de anderen gebonden te worden, en dus was onze overwinning -voltooid. - -Nu bleef er slechts over, dat de kapitein en ik elkander mededeelden wat -ons overkomen was. Ik begon het eerst en verhaalde hem mijne geheele -geschiedenis, die hij met opmerkzame verbazing aanhoorde, bijzonder over -de wondervolle wijze, waarop ik met levensmiddelen en kruid en lood -voorzien was geworden; en daar inderdaad mijne geheele geschiedenis eene -reeks van wonderen is, trof dezelve hem diep; maar wanneer hij -vervolgens om zichzelven dacht, en hoe ik scheen gespaard te zijn om hem -het leven te redden, liepen de tranen hem over het gelaat, en hij was -niet in staat een woord te uiten. - -Na deze mededeeling bragt ik hem en zijne twee makkers in mijn vertrek, -langs denzelfden weg, waarop ik er uitgekomen was, zette hun zoodanige -verkwikkingen voor als ik had, en wees hun al de inrigtingen, die ik -gedurende mijn lang, lang verblijf in deze plaats had tot stand gebragt. -Zij verwonderden zich over al wat ik hun aanwees, al wat ik hun -verhaalde, maar bovenal stond de kapitein verbaasd over mijne -verschansingen, en hoe volkomen ik mijn verblijf had verborgen door eene -reeks van boomen, die daar zij nu omstreeks twintig jaren gestaan -hadden, en het hout hier veel sneller groeide dan in Engeland, een klein -bosch en zoo digt was geworden, dat het overal ondoordringbaar was -geworden, behalve op die plaats waar een smal kronkelend pad liep. Ik -verhaalde hem, dat dit mijn kasteel en residentie was; maar dat ik, -gelijk de meeste vorsten een landverblijf had, waar ik nu en dan -heentrok, en dat ik hem bij gelegenheid zou aanwijzen, maar thans was -het zaak te bedenken hoe wij ons weder van het schip zouden meester -maken. Hij stemde zulks toe, maar bekende, dat hij volstrekt niet wist -wat maatregelen te nemen, want dat er nog zesentwintig man aan boord -waren, die daar zij in eene muiterij hadden deel genomen, waardoor zij -volgens de wet het leven verbeurd hadden, thans door wanhoop gedreven, -daarin zouden volharden, wetende, dat als zij zich onderwierpen, de galg -hun lot zou zijn, zoodra zij in Engeland of een der Engelsche koloniën -kwamen, en dat het derhalve ongeraden zou zijn hen met ons klein getal -aan te tasten. - -Ik dacht eenigen tijd na over hetgeen hij gezegd had, en vond zijne -gevolgtrekking allezins gegrond, en dat er derhalve tot nog niets anders -kon gedaan worden, dan het volk aan boord door verrassing in een -valstrik te lokken, zoodat zij niet aan land kwamen en ons vermoordden. -Het viel mij thans in, dat het scheepsvolk, niet begrijpende wat er van -hunne makkers en van de sloep geworden was, zeker binnen korten tijd in -de andere boot aan land zou komen, om hen op te zoeken, en dat zij dan -misschien gewapend en met te groote overmagt voor ons zouden komen; dit -moest hij ook toestemmen. - -Ik zeide hem daarop, dat het eerst wat ons te doen stond, was, een gat -in de sloep, die op het strand stond, te maken, en er alles uit te -nemen, zoodat zij onbruikbaar werd en geen zee kon bouwen. Diensvolgens -gingen wij er heen, namen er de wapens uit en wat wij er verder in -vonden, hetgeen bestond uit eene flesch brandewijn en eene met rum, -eenige scheepsbeschuiten, een kruidhoorn en een groot stuk suiker, in -een zeildoekschen zak; het stuk suiker was vijf of zes pond zwaar; en -dit alles was mij hoogst welkom, vooral de brandewijn en suiker, die ik -sedert vele jaren niet geproefd had. Toen wij dit alles aan wal gebragt -hadden (de riemen, mast, zeil en roer hadden wij, gelijk ik gezegd heb, -er reeds vroeger uitgenomen), hakten wij een groot gat in den bodem, -zoodat als zij in te groot getal voor ons kwamen, om hen te -overmeesteren, zij toch de boot niet konden medenemen. - -Ik had er weinig gedachten op, dat wij in staat zouden zijn het schip te -herwinnen; maar ik begreep, dat als zij vertrokken zonder de boot mede -te nemen, het ons gemakkelijk zou vallen die weder in staat te brengen, -om ons naar de benedenwinds eilanden te brengen, en onze vrienden, de -Spanjaarden, onder weg op te nemen, want ik had hen niet vergeten. - -Terwijl wij aldus onze toebereidselen maakten, en met alle man de boot -zoo hoog op het strand haalden, dat zij met hoog water niet weder vlot -kon komen, en er bovendien een gat van onderen in gehakt hadden, te -groot om gemakkelijk te stoppen, en zaten te overdenken wat ons thans te -doen stond, hoorden wij van het schip een schot doen, en zagen het eene -vlag hijschen, als een sein voor de boot om terug te keeren; maar er -kwam geene boot opdagen, en zij deden verscheidene schoten en maakten -andere seinen voor de boot. - -Toen eindelijk al hun seinen en schieten vruchteloos bleef, en hun boot -onbewegelijk bleef, zagen wij door mijn kijker hen eene andere boot -uitzetten, en naar den wal roeijen, en wij bespeurden, toen deze -naderkwam, dat er niet minder dan tien man in waren, en dat deze -vuurwapens bij zich hadden. Daar het schip bijkans twee mijlen van den -wal aflag, hadden wij een goed gezigt van hen toen zij aankwamen, en wij -konden zelfs hunne gelaatstrekken duidelijk zien, omdat, daar het getij -hen een weinig oostelijk medegesleept had, zij onder het strand -heenroeiden, om op dezelfde plaats, waar de andere boot lag, te landen. - -Hierdoor, zeide ik, konden wij hen duidelijk zien, en de kapitein, die -al de personen en hun karakter kende, zeide, dat er drie brave knapen -onder hen waren, die, hiervan was hij zeker, door de overigen door -bedreigingen tot de zamenspanning gedwongen waren; maar dat de -bootsman, die naar het scheen hun opperhoofd was, en al de overigen zoo -slecht waren als het verdere scheepsvolk, en ongetwijfeld in hunnen -aanslag zouden volharden. Hij beefde van angst, dat zij voor ons te -sterk zouden zijn. - -Ik lachte er om, en zeide, dat menschen in onzen toestand boven de vrees -verheven waren; dat aangezien schier elke bedenkelijke toestand beter -was dan die, waarin wij rekenen mogten te zijn, wij op bevrijding, -hetzij dan levend of door den dood, behoorden bedacht te zijn. Ik vroeg -hem wat hij van mijne lotgevallen dacht, en of hij niet meende, dat eene -bevrijding wel verdiende, dat men er iets voor waagde. "En waar," zeide -ik, "blijft uw geloof, dat ik hier gespaard ben geworden, ten einde u -het leven te redden, hetwelk u kort geleden zoo veel moeds gaf? Wat mij -betreft, ik vind in dit alles slechts eene zwarigheid."--"En welke is -die?" vroeg hij.--"Deze," antwoordde ik, "dat er, gelijk gij mij gezegd -hebt, drie of vier brave knapen onder hen zijn, die gespaard moeten -worden; zoo zij allen tot het slechtste deel van het scheepsvolk behoord -hadden, zou ik gedacht hebben, dat de Voorzienigheid hen uitgekozen had, -om hen in uwe handen te leveren; want reken er op, dat ieder man, die -aan wal komt, in onze magt is, en leven of sterven zal, naar gelang hij -zich gedraagt." - -Toen ik dit met eene krachtige stem en opgeruimd gelaat zeide, bemerkte -ik, dat hij wat meer moed schepte, en dus gingen wij onverwijld aan het -werk. Zoodra wij de sloep van het schip hadden zien afsteken, hadden wij -besloten de gevangenen afgescheiden van elkander en in veilige bewaring -te houden. Twee hunner, waarop de kapitein het minste staat maakte, zond -ik met Vrijdag en een der bevrijden naar mijne grot, waar zij goed -bewaard waren, en buiten gevaar van gehoord of ontdekt te worden, of uit -het bosch den weg te vinden als zij zich wisten los te maken. Hier -lieten zij hen gebonden achter, maar met levensmiddelen, en onder -belofte van, zoo zij zich stil hielden, binnen een dag of twee in -vrijheid gesteld te worden, maar dat zoo zij poogden te ontsnappen, zij -zonder genade ter dood gebragt zouden worden. Zij beloofden hunne -gevangenschap geduldig te dragen, en waren zeer dankbaar, dat zij zulke -goede levensmiddelen en licht hadden, want Vrijdag had hun eenige -kaarsen gegeven, en zij wisten niet beter of hij stond als schildwacht -aan den ingang. - -De andere gevangenen werden beter behandeld; wel werden twee hunner -geboeid, omdat de kapitein hen niet vertrouwde, maar de beide anderen in -mijne dienst genomen op zijne aanbeveling, en hunne plegtige belofte van -met ons te leven en te sterven, dus waren wij met hen zeven man sterk, -en ik twijfelde niet of wij zouden tegen de tien, die er kwamen, -opgewassen zijn; vooral daar de kapitein zeide, dat er onder deze ook -drie of vier brave knapen waren. - -Zoodra zij aan de plaats kwamen, waar de andere sloep lag, liepen zij -met hunne boot op het strand, en kwamen allen aan wal, hetgeen mij zeer -verheugde, want ik was bang, dat zij de boot op eenigen afstand, en met -eenig volk er in, om er op te passen, zouden gelegd hebben; wij hadden -in dat geval de boot niet kunnen vermeesteren. - -Het eerst, dat zij, aan den wal gekomen, deden, was, dat zij naar de -andere sloep gingen, en wij zagen, dat zij zeer verbaasd stonden van -haar zonder roer of riemen, en met een gat in den bodem terug te vinden. -Na eenig nadenken begonnen zij uit alle magt te schreeuwen, ten einde -hunne makkers hen zouden hooren, doch dit hielp niet, toen gingen zij -allen bij elkander staan en gaven te gelijk vuur met hun klein geweer, -zoodat het door het bosch weergalmde, doch dit was even vruchteloos; die -in de grot waren konden het, dit wisten wij, niet hooren, en zij, die in -onze bewaring waren, hoorden het wel zeer goed, maar durfden er geen -antwoord op geven. Zij waren hierover zoo verbaasd, dat zij, gelijk zij -naderhand ons verhaalden, besloten dadelijk naar boord terug te keeren, -en daar te berigten, dat al hunne makkers vermoord, en in de boot een -gat gemaakt was, derhalve gingen zij allen weder in de boot en staken -onmiddellijk af. - -De kapitein was bij dit gezigt zeer ontsteld, daar hij geloofde, dat zij -naar boord terugkeeren en onder zeil zouden gaan, en hunne makkers als -verongelukt beschouwen; en hij het schip verliezen zou, dat hij nog -hoopte te herkrijgen; doch spoedig nam zijne ontsteltenis eene andere -rigting. - -Zij waren niet lang weg geweest of wij zagen hen terugkeeren, maar -ditmaal gingen zij anders te werk, gelijk zij naar het schijnt beraamd -hadden, namelijk, zij lieten drie man in de boot, terwijl de anderen aan -wal gingen en landwaarts in liepen om hunne makkers te zoeken. Dit was -voor ons eene groote teleurstelling, want nu wisten wij niet wat wij -doen zouden. Het zou ons niet gebaat hebben de zeven man, die aan land -waren, te vatten, zoo wij de overige lieten ontsnappen, die dan zeker -naar het schip roeijen zouden en onder zeil gaan, waardoor wij alle hoop -zouden verliezen van het schip te hernemen. - -Er was echter niet aan te doen dan af te wachten, welken loop de zaken -zouden nemen. De zeven matrozen stapten aan wal, en de drie, die in de -boot bleven, roeiden haar op een goeden afstand van den wal af, en -gingen daar voor anker liggen, om hen af te wachten, zoodat het ons -onmogelijk was hen te bereiken. Degenen, die geland waren, bleven digt -bijeen en klommen op den top van den heuvel, waar onder mijne woning -lag, en wij zagen hen duidelijk, schoon zij ons niet konden gewaar -worden. Wij zouden gaarne gezien hebben, dat zij digterbij waren -gekomen, zoodat wij op hen hadden kunnen vuren, of verder weggegaan, -zoodat wij naar buiten konden komen. Toen zij echter op den heuvel -geklommen waren, vanwaar zij een wijd uitzigt over de dalen en bosschen -hadden, die aan de noord-oostzijde, en waar het eiland het laagste was, -lagen, begonnen zij zoo hard te schreeuwen als zij konden, en daar zij, -naar het schijnt, het niet durfden wagen te ver van de kust te gaan, of -zich in kleine partijen te verdeelen, gingen zij onder een boom zitten -om te raadplegen. Zoo zij goedgevonden hadden daar te gaan slapen, zoo -als de anderen gedaan hadden, zouden zij ons ligt werk gemaakt hebben; -maar zij vreesden te veel gevaar om te durven slapen, schoon zij niet -wisten voor welk gevaar zij te vreezen hadden. - -Terwijl zij zaten te beraadslagen, deed de kapitein een zeer verstandig -voorstel. Hij begreep namelijk, dat zij weder allen te gelijk hunne -geweren zouden afvuren, ten einde hunne makkers dit zouden hooren, en -dan stelde hij voor hen te overvallen, op het oogenblik, dat hun -schietgeweer nog niet weder geladen was, wanneer zij zich waarschijnlijk -zouden overgeven, en wij ons zonder bloedstorting van hen meester maken. -Ik stemde hierin toe, mits het gebeuren kon als wij digt genoeg bij hen -waren, om bij hen te zijn voor zij weder konden geladen hebben. Zij -deden dit echter niet, en wij lagen nog een langen tijd, zonder te weten -wat wij zouden doen. Eindelijk zeide ik, dat naar mijn gevoelen er niets -kon gedaan worden voor het avond was, en dat als zij dan niet naar hunne -boot terugkeerden, wij misschien tusschen hen en het strand konden -komen, en door eene of andere list de matrozen in de boot aan land -lokken. - -Wij wachtten eene lange poos, zeer ongerust en zeer verlangend hen te -zien vertrekken. Eindelijk zagen wij hen na eene lange beraadslaging, -allen opstaan en naar het strand gaan. Het schijnt, dat zij zoo bevreesd -waren voor de gevaren van dit eiland, dat zij besloten hadden naar boord -terug te keeren, hunne verloren makkers in de steek te laten en hunne -voorgenomen reis met het schip te vervolgen. - -Zoodra ik hen naar het strand zag gaan, verbeeldde ik mij, gelijk het -waarlijk was, dat zij hunne nasporingen hadden opgegeven, en terug -wilden keeren, en de kapitein wien ik mijn vermoeden mededeelde, bezweek -schier van angst. Ik had echter thans eene krijgslist bedacht om hen -terug te lokken, die mij volmaakt gelukte. - -Ik gelastte Vrijdag en den stuurman, de kleine kreek westwaarts, waar de -wilden met Vrijdag bij zich aan land waren gekomen, over te trekken, en -zoodra zij op eene kleine hoogte op ongeveer een half kwartier uurs -afstand gekomen waren, zoo hard te schreeuwen als zij konden, en te -wachten of zij bespeurden, dat de matrozen hen hoorden, dat zoodra zij -dezen hun hoorden antwoorden, zij weder moesten roepen, en dan steeds -uit hun gezigt blijvende, in de rondte trekken, altijd op het geroep der -anderen antwoordende, ten einde hen zoo ver landwaarts in en tusschen de -bosschen te lokken, als mogelijk was, en dan weder op de wijze als ik -hun voorschreef, tot mij terug keeren. - -Zij gingen juist in de boot toen Vrijdag en de stuurman begonnen te -roepen. Zij hoorden en antwoordden hen en liepen westwaarts het strand -langs, op de stemmen af, die zij gehoord hadden. Hier stuitten zij op de -kreek, waar zij, daar het hoog water was, niet over konden, en de -matrozen in de boot riepen om bij hen te komen en hen over te zetten, -gelijk ik vermoed had. - -Nadat deze hen overgezet hadden, zag ik, dat zij de boot een goed eind -weegs in de kreek, en dus als het ware in een haven gelegd hadden; zij -namen dan ook een van de drie man er uit met hen mede, en lieten er -slechts twee in de boot, die zij met een touw aan den stam van een boom -hadden vastgemaakt. - -Dit was juist wat ik verlangde, en terwijl ik Vrijdag en den stuurman -aan hunne taak liet, nam ik de overigen mede, en na de kreek buiten hun -gezigt overgetrokken te zijn, verrasten wij de twee man, waarvan een op -het strand en een in de boot zat, voor zij ons bemerkt hadden. Die aan -den wal was half slapende, en wilde juist opspringen, toen de kapitein, -die de voorste was hem nedervelde, en daarop den matroos in de boot -gelastte zich over te geven als hij zijn leven lief had. Er was weinig -aandrang noodig om den man te bewegen zich over te geven, toen hij zijn -makker geveld, en vijf lieden voor zich zag; bovendien was dit, naar het -schijnt, een van de drie, die niet zoo ijverig als de overigen in de -muiterij had deel genomen, en derhalve werd hij niet alleen gemakkelijk -overreed om zich over te geven, maar later ook om gemeene zaak met ons -te maken. - -Middelerwijl hadden Vrijdag en den stuurman zich zoowel van hunne taak -gekweten, dat zij de matrozen door hun geroep van den eenen heuvel naar -den anderen, en van het eene boschje in het andere gelokt hadden, totdat -zij hen niet alleen verschrikkelijk afgemat, maar ook verlaten hadden -met de zekerheid, dat zij voor den donker den weg niet naar de boot -zouden kunnen terugvinden, en zij zelven waren geheel afgemat toen zij -bij ons terugkwamen. Wij hadden nu niets anders te doen dan hen in het -duister te bespieden en te overvallen, om ligt werk met hen te hebben. - -Verscheidene uren, nadat Vrijdag bij mij teruggekomen was, kwamen zij -weder bij hunne boot, en lang voor zij bij ons waren, hoorden wij de -voorsten de achtersten van hen toeroepen: toch spoed te maken, en wij -hoorden de laatsten antwoorden, en klagen hoe zij lam van vermoeijenis -waren en niet harder voort konden, hetgeen voor ons eene aangename -tijding was. Eindelijk kwamen zij aan de boot, maar onmogelijk is het -hunne verbijstering te beschrijven, toen zij de boot vast zitten, het -water afgeloopen en hunne twee makkers verdwenen vonden. Wij hoorden hoe -zij elkander op den klagendsten toon toeschreeuwden, dat zij op een -betooverd eiland waren, dat er of inwoners op waren, die hen allen -zouden vermoorden, of dat het door duivels of helsche geesten bewoond -was, die hen verscheuren of naar de hel slepen zouden. - -Zij begonnen weder te schreeuwen en hunne makkers herhaalde malen bij -hunnen naam te roepen. Na eenigen tijd konden wij hen bij het weinige -licht, dat er was, als wanhopigen en de handen wringende, heen en weder -zien loopen; somwijlen gingen zij om wat te rusten in de boot zitten, -dan weder sprongen zij op den wal en liepen heen en weder, en zoo -telkens weder. - -Mijn volk had gaarne verlof van mij willen hebben, om hen in het duister -te overvallen; maar ik wilde er zooveel van sparen, en zoo weinig van -doodschieten als mogelijk, en vooral wilde ik niet gaarne een van ons -volk aan het gevaar blootstellen van een kogel van hen te ontvangen; -daar ik wist, dat zij zeer goed gewapend waren. Ik besloot af te wachten -of zij zich niet zouden verdeelen, en om derhalve te beter de overmagt -op hen te hebben, liet ik mijne hinderlaag naderbij rukken, en gelastte -Vrijdag en den kapitein op handen en voeten, en zoo digt langs den grond -als zij konden, naar hen toe te kruipen en hen zoo digt mogelijk te -naderen, alvorens zij vuur gaven. Niet lang waren zij in die houding -gebleven of de bootsman, die de voornaamste belhamel van de muiterij was -geweest, en die zich van allen het snoodst en laaghartigst gedragen had, -kwam met nog twee van het volk naar hen toe. De kapitein werd woedend, -toen hij den voornaamsten aanlegger zoo digt onder zijn bereik zag, dat -hij zich naauwelijks tijd gunde om hem zoo digt te laten naderen, dat -hij zeker van hem was, want hij had nog alleen zijne stem gehoord; maar -toen zij naderkwamen sprongen de kapitein en Vrijdag op de been en gaven -vuur op hen. De bootsman viel dood neder; de man, die bij hem was, had -een kogel in het lijf gekregen en viel naast hem, schoon hij eerst een -paar uur daarna stierf, en de derde liep weg. - -Toen ik het vuren hoorde, rukte ik onmiddellijk met mijn geheele leger -op, dat thans uit acht man bestond, te weten, ik als generaal en chef, -Vrijdag als mijn luitenant-generaal; de kapitein en zijne twee lieden, -en de drie gevangenen, dien wij wapens hadden toevertrouwd. Wij -overvielen hen in het duister, zoodat zij ons getal niet zien konden, -en ik liet den man, dien zij in de boot hadden achtergelaten, en nu tot -onze partij behoorde, hen bij hunne namen noemen, om te trachten met hen -tot onderhandeling te komen, hetgeen volkomen naar wensch uitviel. Zoo -riep hij, zoo hard hij kon, tot een hunner: "Thomas Smith! Thomas Smith! -Thomas Smith!"--Thomas Smith antwoordde dadelijk: "Wie is daar, is het -Robinson?" want hij scheen de stem te herkennen. De ander Antwoordde: -"Ja, ja, om Gods wil, leg de wapens neder, Thomas Smith, en geef u over, -of gij zijt allen kinderen des doods!" - -"Aan wie moeten wij ons overgeven? Waar zijn zij?" riep Thomas Smith -weder. "Hier zijn zij," antwoordde de ander. "Hier is onze kapitein met -vijftig man, die u twee uren lang heeft nagezeten. De bootsman is -doodgeschoten, Willem Frije gewond en ik gevangen, en zoo gij u niet -overgeeft, zijt gij allen verloren." - -"Zal men ons dan kwartier geven als wij ons overgeven?" vroeg Thomas -Smith. "Ik zal heengaan en het vragen, als gij belooft u over te geven," -zeide Robinson. Hij vroeg het den kapitein, en deze riep: "Thomas Smith, -gij kent mijne stem, zoo gij dadelijk de wapens nederlegt en u -overgeeft, zal u allen het leven geschonken worden, behalve aan Willem -Atkins."--Dit hoorende, begon Willem Atkins te roepen: "Om Gods wil, -kapitein, geef mij kwartier. Wat heb ik misdreven? Zij zijn allen even -slecht geweest als ik," hetwelk eigenlijk niet waar was, want het -schijnt, dat Willem Atkins de eerste was geweest, die de hand aan den -kapitein had durven slaan, en hem ruw behandeld, de handen gebonden, en -uitgescholden had. Echter zeide de kapitein hem, dat hij zich op genade -of ongenade moest overgeven, en op de genade van den gouverneur hopen, -waarmede hij mij meende, want allen noemden mij gouverneur. - -Om kort te gaan, allen legden de wapens neder en smeekten om -lijfsgenade, en ik zond den man, die met hen gesproken had, met nog twee -af, die hen allen bonden; en toen rukte mijn leger van vijftig man op, -maar dat met die drie eigenlijk uit acht man bestond, en maakte zich van -hen en van hunne boot meester, schoon ik mij met nog een man, uit -staatkundige redenen, buiten gezigt hield. - -Ons eerste werk was thans de boot weder in orde te brengen, en te denken -om de herovering van het schip, en de kapitein, die nu den tijd had om -met hen te onderhandelen, haalde hen scherp door over hun schelmsch -gedrag jegens hem, en vervolgens over hunne verdere snoode oogmerken, en -hoe dit alles op het laatst hen gewis tot ellende en armoede en -misschien tot de galg moest leiden. Zij schenen allen vol berouw en -smeekten ootmoedig om genade. Hierop zeide hij, dat zij niet zijn -gevangenen, maar van den kommandant van het eiland waren; dat zij -gedacht hadden hen in een woest onbewoond eiland aan wal te zetten, maar -dat het God behaagd had dit anders te beschikken, dat het eiland bewoond -en de gouverneur een Engelschman was; dat hij hen allen kon ophangen als -hij het goed vond; maar dat, daar hij hun allen lijfsgenade geschonken -had, hij begreep, dat hij hen naar Engeland zou zenden om daar aan de -justitie overgeleverd te worden; behalve Atkins, dat de gouverneur hem -gelast had dezen aan te zeggen, dat hij zich ter dood moest bereiden, -want dat hij met den morgenstond zou opgehangen worden. - -Schoon dit alles slechts een verdichtsel van hem was, had het echter de -gewenschte uitwerking, Atkins viel op zijne knieën om des kapiteins -voorspraak bij den gouverneur om zijn leven, en al de overigen smeekten -hem, om Gods wil, niet naar Engeland gezonden te worden. - -Thans begreep ik, dat het tijdstip onzer bevrijding naderde, en dat het -gemakkelijk zou zijn, deze knapen tot een aanslag op het schip over te -halen. Dus sloop ik in het duister vandaar weg, opdat zij niet zien -zouden wat slag van een gouverneur zij hadden, en ontbood den kapitein -tot mij. Toen ik op een afstand was, werd een der mannen bevolen als -voren te spreken, en te zeggen: "kapitein, de kommandant laat u roepen!" -De kapitein antwoordde: "zeg aan zijne excellentie, dat ik -oogenblikkelijk kom." Dit bragt hen geheel in den waan, dat ik met mijne -vijftig man vlak in de nabijheid stond. Toen de kapitein bij mij kwam, -deelde ik hem mijn ontwerp om het schip te overmeesteren mede, waarmede -hij van harten instemde, en wij besloten het den volgenden morgen ten -uitvoer te brengen. Ten einde het echter te geruster en goed doordacht -te verrigten, zeide ik hem, dat wij de gevangenen moesten verdeelen, en -dat hij Atkins en nog twee van de ergsten gebonden naar de grot moest -laten brengen. Dit werd aan Vrijdag en de twee mannen, die met den -kapitein aan wal gekomen waren, toevertrouwd. Zij bragten hen naar de -grot, alsof dit de gevangenis was, en werkelijk was het eene treurige -plaats, vooral voor lieden in hunnen toestand. - -De anderen liet ik naar mijne buitenplaats brengen, die ik hiervoor -uitvoerig genoeg beschreven heb, en daar deze omheind en zij gekneveld -waren, was de plaats sterk genoeg om hen te bewaren. Naar deze zond ik -in den ochtend den kapitein om met hen in onderhandeling te treden, -namelijk hen te toetsen en mij te zeggen, of hij het geraden achtte hen -mede naar boord te nemen om het schip te verrassen. Hij sprak hen aan -over hunne handelwijze jegens hem, den toestand, waarin zij zich gebragt -hadden, en zeide, dat schoon de gouverneur hen allen voor het oogenblik, -lijfsgenade geschonken had, zij allen naar Engeland gevoerd en daar -ongetwijfeld in ketens opgehangen zouden worden; maar, dat als zij mede -wilden werken tot het heroveren van het schip, hij den gouverneur zou -overhalen hun pardon te geven. - -Iedereen kan begrijpen, hoe gretig menschen in hunnen toestand zulk een -voorstel aannemen, zij vielen voor den kapitein op de knieën, en -beloofden hem met de krachtigste betuigingen, dat zij hem tot den -laatsten druppel bloeds zouden bijstaan, hun leven lang hem zouden -dankbaar zijn en hem door de geheele wereld volgen, en zoolang zij -leefden zijn gedrag als dat van eenen vader jegens hen beschouwen. - -"Nu," zeide de kapitein, "ik zal den gouverneur mededeelen, wat gij -zegt, en zien wat ik doen kan, om hem over te halen." Hij verhaalde mij -daarop hunne gemoedsgesteldheid, en dat hij geloofde, dat zij inderdaad -getrouw zouden zijn. Om echter zeker te gaan, zeide ik hem, dat hij -terugkeeren zou en vijf van hen uitkiezen, en zeggen, dat zij zien -zouden, dat wij hunne hulp niet noodig hadden; maar dat hij deze vijf -zou medenemen om hem bij te staan, en dat de gouverneur de andere twee -benevens de drie, die als gevangenen naar het kasteel (mijne grot) -gezonden waren, als gijzelaars zou houden, en dat zoo zij hunnen pligt -niet getrouw volbragten, deze vijf gijzelaars allen in ketens op het -strand zouden opgehangen worden.--Dit zag er ernstig uit, en overtuigde -hen, dat de gouverneur het ernstig meende; er schoot hun echter niet -anders over dan het aan te nemen, en het was thans evenzeer het belang -van de achterblijvende gevangenen als van den kapitein, de anderen te -overreden, zich trouw van hunnen pligt te kwijten. - -Onze strijdmagt voor den kapitein werd thans geregeld als volgt: -Eerstelijk de kapitein, zijn stuurman en de passagier. Dan de twee -gevangenen van den eersten troep, dien ik op aanbeveling van den -kapitein, hunne vrijheid gegeven, en wien ik wapens toevertrouwd had. -Ten derde, de andere twee, die ik tot nu toe in mijne buitenplaats -bewaard, maar op des kapiteins verzoek ontslagen had. Ten vierde, de -vijf die het laatst ontslagen waren, zoodat zij in alles met hun -twaalven waren, behalve vijf, die wij als gijzelaars in de grot hadden -achtergehouden. Ik vroeg den kapitein of hij met dit volk het durfde -wagen het schip te enteren, want dat ik het best oordeelde, dat ik en -mijn knecht Vrijdag niet medegingen, omdat zij zeven man hier -achterlieten en wij genoeg te doen hadden met hen gescheiden te houden -en van levensmiddelen te voorzien. Wat aangaat de vijf man in de grot, -ik besloot hen daar te houden, en Vrijdag ging tweemaal des daags hun -levensmiddelen brengen. De twee andere gevangenen droegen de leeftogt -een eind weegs en dan nam Vrijdag ze hen af. - -Toen ik mij aan de twee gijzelaars vertoonde, was ik vergezeld van den -kapitein, die hun zeide, dat ik afgezonden was door den gouverneur, en -dat deze gelast had, dat zij niets zouden doen zonder mijn bevel, en zoo -zij dit bevel overtraden, zouden zij naar het kasteel gebragt en daar in -de boeijen geslagen worden. Daar ik als gouverneur nimmer voor den dag -was gekomen, verscheen ik nu als een ander persoon, en sprak waar het te -pas kwam van den gouverneur, van de bezetting, het kasteel en -dergelijke. - -De kapitein had nu niet anders te doen dan zijne booten gereed te maken, -het lek in de eene te stoppen, en ze te bemannen. Hij gaf zijn passagier -het bevel over de eene boot met vier man, en ging zelf met zijn stuurman -en de vijf overigen in de andere. Zij overlegden hunne zaak goed, zoodat -zij tegen middernacht aan boord kwamen. Zoodra zij digtbij genoeg waren, -deed hij Robinson het scheepsvolk toeroepen en hem zeggen, dat zij het -volk in de sloep terugbragten, maar dat het lang geduurd had, eer zij -hen hadden kunnen vinden. Aldus hield hij hen aan de praat, totdat zij -aan boord kwamen, waarop de kapitein en zijn stuurman, die het eerst met -hunne wapens op het dek gesprongen waren, dadelijk den tweeden stuurman -en den timmerman met de kolf van hunne geweren nedervelden, terwijl hun -volk hen dapper bijstond. De overigen, die op het halfdek en den bak -waren, maakten zij gevangen, en gingen de luiken digt maken, om hen, die -beneden waren, daar te houden, toen het volk van de andere boot over de -fokkerusten klom, en het voorschip en de kombuis, waarin drie man waren, -vermeesterden. - -Toen dit afgeloopen was, gelastte de kapitein den stuurman met drie man -de kajuit open te breken, waar de nieuwe kapitein lag, die het alarm -gehoord had, en met twee man en een jongen zich van vuurwapens voorzien -had; en toen de stuurman met een koevoet de deur opengebroken had, gaf -de nieuwe kapitein met zijne makkers vuur op hen en wondde den stuurman -in zijn arm met nog twee man, doch niemand werd er gedood. - -De stuurman riep om hulp doch drong te gelijk de kajuit binnen, zoo -gewond als hij was, en schoot met een pistool den nieuwen kapitein dwars -door de keel, zoodat de kogel zijn mond inging, achter het oor weder -uitkwam en hij zonder een woord te uiten, dood nederviel, waarop de -anderen zich overgaven en het schip zonder meer bloedvergieten hernomen -was. Zoodra de kapitein weder meester van zijn schip was, liet hij -zeven schoten doen, welk sein hij met mij afgesproken had, om mij van -den goeden uitslag te verwittigen. Men kan denken of ik verheugd was dit -te hooren, daar ik tot bijkans twee uren in den morgen er op had zitten -wachten. - -Na het sein gehoord te hebben, begaf ik mij te rust, en daar ik dien dag -vele vermoeijenissen had doorgestaan, sliep ik zeer vast tot ik door een -geweerschot gewekt werd, en op de been springende, hoorde ik iemand mij -roepen: "gouverneur! gouverneur!" en herkende de stem van den kapitein, -die den heuvel opgeklommen, op het schip wees. Hij drukte mij in zijne -armen. "Mijn waarde vriend en redder," zeide hij, "daar ligt uw schip, -want het is geheel ter uwer beschikking, even als wij en al wat tot het -schip behoort." Ik sloeg mijne oogen op het schip, dat op ongeveer eene -halve (Eng.) mijl van het strand voor anker lag; want zoodra zij het -vermeesterd hadden, hadden zij het anker geligt, en daar het fraai weder -was het vlak voor den mond van eene kleine kreek gelegd, en daar het -hoog water was, was de kapitein met de pinnas tot bij de plaats -gekomen, waar ik het eerst mijne vlotten aan land gebragt had, en dus -als het ware vlak voor mijne deur geland. - -Ik dacht in den beginne van verrassing door den grond te zinken, want nu -zag ik inderdaad mijne redding zigtbaar voor oogen, alles was in orde, -en een goed schip gereed mij te brengen, waarheen ik verlangde. Eerst -was ik eenigen tijd niet in staat een woord te antwoorden, maar daar hij -mij in zijne armen gesloten had, hield ik mij aan hem vast, want ik was -bang van op den grond neder te zijgen. Hij bespeurde mijne verrassing en -eene flesch uit zijn zak halende, gaf hij mij dadelijk een hartsterking, -die hij opzettelijk voor mij had medegebragt. Na gedronken te hebben, -ging ik op den grond zitten, en schoon ik weder tot mijzelven was -gekomen, duurde het nog eene geruime poos voor ik een woord tot hem -spreken kon. Al dien tijd was de arme man even verrukt als ik, schoon -niet zoo van verrassing; echter zeide hij mij duizend dingen om mij tot -bedaren te brengen; maar mijn hart was zoo vervuld van vreugde, dat mijn -geest geheel verbijsterd was; eindelijk barstte ik in een vloed van -tranen uit, en kort daarop was ik weder in staat te spreken. - -Toen omhelsde ik hem op mijne beurt als mijn bevrijder, en onze vreugde -was wederkeerig. Ik zeide, dat ik hem als iemand beschouwde, dien de -hemel ter mijner redding gezonden had, en dat al wat er gebeurd was, -eene reeks van wonderen scheen; dat zulke dingen een blijk van het -onzigtbaar wereldbestier der Voorzienigheid waren, en een bewijs, dat de -oogen van den Almagtige tot in de afgelegenste schuilhoeken der aarde -doordringen, en de ongelukkigen te hulp kwamen als het zijne wijsheid -behaagde. - -Ik vergat niet mijn hart dankbaar hemelwaarts te verheffen, en welk hart -kon nalaten Hem te danken, die niet alleen iemand wonderdadig in de -wildernis verzorgd had, en in zulk een jammerlijken verlaten toestand, -maar van wien altijd elke redding erkend moet worden afkomstig te zijn? - -Na eene poos gesproken te hebben verhaalde de kapitein mij, dat hij -eenige ververschingen, die hij aan boord had, en waarvan de schelmen, -die er eenigen tijd meester van waren geweest, hem niet beroofd hadden, -voor mij had medegebragt. Daarna riep hij het bootsvolk toe, dat zij de -presenten voor den Gouverneur aan den wal zouden brengen; en inderdaad -waren het geschenken, die voor een Gouverneur voegden, en alsof ik niet -met hen zou medereizen, maar op het eiland blijven wonen, en zij zonder -mij vertrekken. - -Eerstelijk had hij mij eene flesschenkelder met uitmuntende likeuren, -zes groote flesschen, ieder van twee pinten, maderawijn, twee pond -besten tabak, twaalf stukken ossenvleesch, en zes stukken spek, met een -zak erwten en een honderd pond beschuit medegebragt. - -Wijders bragt hij mij een kistje met suiker, een kistje met fijn meel, -een kistje met limmetjes en twee flesschen citroensap mede, benevens -eene menigte andere dingen. Maar bovendien bragt hij, hetgeen mij -duizendmaal nuttiger was, mij zes schoone, nieuwe hemden, zes zeer goede -halsdoeken, twee paar handschoenen, een paar schoenen, een hoed en een -zeer goeden broek van hem zelven, met één woord, hij stak mij van top -tot teen in de kleeren. Dit was voor iemand in mijne omstandigheden een -zeer aangenaam geschenk, gelijk men ligt denken kan, maar nimmer viel -een ding in de wereld mij zoo onaangenaam en ongemakkelijk, of ging mij -zoo linksch af, als het dragen van die kleederen, toen ik ze pas -aangetrokken had. - -Nadat dit afgeloopen en al de goederen in mijn klein verblijf gebragt -waren, begonnen wij raad te plegen, wat met onze gevangenen te doen; -want het was eene zaak van rijp overleg, of wij het wagen zouden hen -mede te nemen, of niet, vooral een paar van hen, die in den hoogsten -graad onverbeterlijk en muitziek waren; en die de kapitein zeide, als -zulke schelmen te kennen, dat er geen goed aan te doen was, en dat als -hij ze meênam, dit in de boeijen moest zijn, om ze in de eerste -Engelsche kolonie, daar hij binnen vallen kon, aan de regtbank over te -geven. Hiervan vond ik, dat de kapitein niet af te brengen was. - -Hierop zeide ik, dat, als hij het verlangde, ik op mij nam de twee -kerels zoo ver te brengen, dat zij zelfs verzoeken zouden op het -eiland te mogen blijven. "Met al mijn hart," zeide de kapitein; "niets -zou mij aangenamer zijn." - -"Goed," zeide ik, "ik zal hen laten halen en in uw bijzijn met hen -spreken." Ik zond dus Vrijdag en de twee gijzelaars, die thans, omdat -hunne kameraden hun woord hadden gehouden, losgelaten waren, naar de -grot, en liet hen de vijf man, zoo gebonden als zij waren, naar mijn -priëel brengen. Eenigen tijd daarna kwam ik daar in mijn nieuw gewaad -aanstappen, en heette nu weder Gouverneur. Toen de kapitein bij mij was, -liet ik het volk voor mij brengen, en zeide hun thans een volledig -verslag van hunne schelmsche handelwijze van den kapitein ontvangen te -hebben, en hoe zij met het schip hadden willen vertrekken, en verdere -rooverijen bedrijven, maar dat de Voorzienigheid hen in den kuil had -doen vallen, dien zij voor anderen gegraven hadden. Ik zeide hun, dat -men op mijn bevel zich van het schip verzekerd had, dat nu op de reede -lag, en dat zij zien konden hoe hun nieuwe kapitein de belooning voor -zijn verraderij had bekomen, want dat zij hem aan den nok van de ra -konden zien hangen. Dat ik thans verlangde te weten of zij iets hadden -bij te brengen, waarom ik hen niet, als zeeroovers, op heeterdaad -betrapt, ter dood zou doen brengen, waartoe mijne aanstelling mij -ontwijfelbaar regt gaf. - -Een hunner antwoordde voor de overigen, dat zij niets hadden bij te -brengen, dan alleen, dat de kapitein, toen zij gevangen genomen waren, -hun lijfsbehoud had toegezegd, en dat zij mijne barmhartigheid inriepen. -Ik zeide echter, dat ik niet wist, welke barmhartigheid ik hun zou -bewijzen, daar ik besloten had met al mijn volk het eiland te verlaten, -en met den kapitein den overtogt naar Engeland te doen. De kapitein kon -hen niet anders naar Engeland medenemen dan als gevangenen in de ijzers, -om daar wegens muiterij en zeeroof teregt te staan; waarvan, gelijk zij -wisten, de galg het einde zou zijn, zoodat ik hun niet zeggen kon wat -voor hen het best was, ten ware zij besloten hadden hun lot op het -eiland te beproeven, hetgeen mij, daar ik verlof had het te verlaten, -onverschillig was, en dat ik niet ongeneigd was hun het leven te -schenken, als zij begrepen, dat zij zich aan den wal zouden kunnen -redden. Hiervoor schenen zij zeer dankbaar te zijn, en verklaarden veel -liever hier te willen blijven dan naar Engeland te gaan, om daar -opgehangen te worden; dus liet ik het daarbij berusten. De kapitein -maakte echter eenige tegenwerpingen, alsof hij hen daar niet mogt -achterlaten. Ik hield mij hierop zeer boos, en zeide den kapitein, dat -zij mijne gevangenen en niet de zijne waren, en dat ik, na hun deze -gunst beloofd te hebben, mijn woord zou houden, en als hij er iets tegen -had, hij maar zien moest, dat hij hen weder in zijne magt kreeg, als hij -kon. - -Zij schenen hiervoor zeer dankbaar, en ik stelde hen in vrijheid, met -last het bosch in te gaan, vanwaar zij gekomen waren, en de belofte van -eenige geweren en kruid en lood, benevens aanwijzingen hoe zij, als zij -wilden, hier een zeer goed leven konden leiden. Vervolgens maakte ik mij -gereed aan boord te gaan, maar zeide den kapitein, dat ik dien nacht aan -wal zou blijven, om mijne goederen gereed te maken, maar dat hij -middelerwijl het schip in orde brengen en den volgenden morgen de boot -naar den wal zenden zou om mij te halen; terwijl ik hem tevens gelastte -den nieuwen kapitein, die doodgeschoten was, aan den nok van de ra te -laten hangen, opdat het volk hier hem zou kunnen zien. - -Toen de kapitein vertrokken was, liet ik de matrozen bij mij in mijn -verblijf komen, en hield een ernstig gesprek met hen over hunnen -toestand. Ik zeide, dat hunne keus zeer verstandig was, want dat, zoo de -kapitein hen medenam, zij zeker zouden opgehangen worden. Ik wees hun -hun vorigen aanvoerder, die aan den nok van de ra hing, en zeide, dat -zij niets minder te wachten hadden. Toen zij allen verklaard hadden te -willen achterblijven, zeide ik hun, hun mijn geheelen levensloop aldaar -te zullen verhalen, en te dien einde verhaalde ik hun hoe het eiland -was, hoe ik er gekomen was; toonde hun mijne verschansingen, hoe ik er -mijn brood gebakken, mijn koorn geplant, mijne druiven gedroogd had, in -een woord, al wat hun van nut kon zijn. Ook verhaalde ik hun van de -zestien Spanjaarden, die verwacht werden, voor welke ik een brief -achterliet, en die ik hen deed beloven, als hunne makkers te zullen -behandelen. - -Ik liet hun mijne wapenen, namelijk vijf musketten, drie jagtgeweren en -twee sabels achter. Ik had nog anderhalf vat buskruid, want na het -eerste jaar of twee had ik er weinig van gebruikt, en niets van -verspild. Ik beschreef hun hoe ik de geiten behandelde, hoe zij gemolken -en verzorgd moesten worden, om er boter en kaas van te erlangen. Kortom, -ik verhaalde hun al mijn wedervaren, en beloofde den kapitein te zullen -overhalen hun nog twee vaatjes kruid en wat tuinzaden achter te laten; -ook gaf ik hun den zak met erwten, die de kapitein medegebragt had, en -noodigde hen uit die te zaaijen. - -Na den afloop hiervan verliet ik hun den volgenden dag en ging aan -boord. Wij maakten ons zeilree, maar bleven dien nacht voor anker -liggen. Den volgenden morgen vroeg kwamen twee man van de vijf aan boord -zwemmen, en terwijl zij allerbitterst over de andere drie klaagden, -smeekten zij dat men hen, om Gods wil, aan boord zou nemen, want dat zij -vermoord zouden worden; en of de kapitein hen aan bood wilde laten -komen, al liet hij hen ook dadelijk ophangen. De kapitein beweerde -hierop, dat hij buiten mij niets doen kon, maar na eenige bedenkingen en -op hunne plegtige beloften van beterschap werden zij aan boord genomen, -en eene poos daarna duchtig afgestraft; vervolgens zijn zij steeds -rustige en knappe kerels gebleven. - -Wat later ging ik met den vloed naar den wal, om den matrozen het hun -beloofde te brengen, waarbij de kapitein door mijne bemiddeling hunne -kleederen en kisten gevoegd had, waarvoor zij zeer dankbaar waren. Ik -moedigde hen wat aan door de verzekering, dat als ik eenig vaartuig -ontmoette dat het eiland kon aandoen en hen innemen, ik hen niet -vergeten zou. - -Toen ik het eiland verliet, nam ik tot eene gedachtenis, de groote -geitenvellen muts, mijn zonnescherm en een mijne papegaaijen mede; ook -vergat ik het geld niet, waarvan ik vroeger gesproken heb, en dat zoo -lang stil had gelegen, dat het roestig of zwart geworden was, en -naauwelijks voor zilver kon doorgaan, voor het wat gewreven en -gehanteerd was geworden, alsook het geld, dat ik op het Spaansche wrak -had gevonden. - -Aldus verliet ik het eiland, gelijk ik op het scheepsjournaal zag, den -19 December 1686, nadat ik er achtentwintig jaren, twee maanden en -negentien dagen op had doorgebragt, terwijl ik mijne ballingschap -verliet op denzelfden dag der maand, waarop ik van de Mooren te Salé -wegvlugtte. Na een lange reis kwam ik den 11 Junij 1687 in Engeland aan, -waarvan ik vijfendertig jaren afwezig was geweest. Toen ik daar kwam, -stond ik in de wereld als een vreemdeling, die er nimmer geweest was. -Mijne weldoenster, wie ik mijn geld had achtergelaten, was nog in leven, -maar had veel tegenspoeden gehad, was ten tweedenmale weduwe en in zeer -behoeftige omstandigheden. Ik stelde haar omtrent mijne schuldbekentenis -gerust, en verzekerde, dat ik haar niet lastig zou vallen, maar -integendeel uit dankbaarheid voor hare vroegere zorgen voor mij, -ondersteunde ik haar zooveel mijne geringe bezittingen toelieten, -hetgeen op dit oogenblik slechts weinig was, doch ik verzekerde haar, -dat ik haar niet zou vergeten als ik in staat zou zijn haar krachtiger -te helpen, gelijk ik ook later deed. - -Ik ging daarop naar Yorkshire, maar mijne ouders vond ik overleden, en -mijne geheele familie uitgestorven, op twee zusters na, en twee kinderen -van een mijner broeders, en daar men mij lang voor dood gehouden had, -had men mij niets nagelaten; kortom ik begreep, dat ik geenerlei -ondersteuning te wachten had en dat het weinige geld dat ik had, mij -weinig baten zou om door de wereld te komen. Echter ondervond ik een -staaltje van dankbaarheid, dat ik niet verwacht had; de kapitein van het -schip, dien ik zoo gelukkig gered, en daardoor schip en lading behouden -had, had van al het gebeurde een trouw verslag aan zijne reeders gedaan. -Deze verzochten mij hun een bezoek te geven; allen overlaadden mij met -loftuitingen, en boden mij een geschenk van tweehonderd pond Sterling -aan. - -Doch na rijp beraad, en ziende hoe moeijelijk ik mij hiermede een -bestaan zou verschaffen, besloot ik naar Lissabon te gaan, om te -trachten iets nopens mijne plantaadje in Brazilië te vernemen, en wat er -van mijn compagnon was geworden, die ik onderstelde dat mij thans -verscheidene jaren voor dood had gehouden. Ten dien einde scheepte ik -mij in naar Lissabon, waar ik in April aankwam, terwijl Vrijdag mij -trouw volgde, en steeds bewees mijn trouwe dienaar te zijn. Toen ik te -Lissabon kwam, vond ik na eenige navraag, en tot mijn groot genoegen -mijn ouden vriend, den kapitein van het schip, die mij het eerst op de -Afrikaansche kust aan boord had genomen. Hij was nu oud geworden; had de -zee vaarwel gezegd, en zijn zoon, die nu ook reeds een bejaard man was, -voer thans in zijne plaats op Brazilië. De oude man kende mij niet meer, -en ik zou hem ook moeijelijk herkend hebben, echter herinnerde hij zich -spoedig mijner, toen ik hem verhaalde wie ik was. - -Na onze oude kennis met hartelijkheid vernieuwd te hebben, vroeg ik, -gelijk men wel denken kan, naar mijne plantaadje en mijn compagnon. De -oude man verhaalde mij, dat hij thans in geen negen jaren in Brazilië -was geweest, maar hij kon mij verzekeren, dat de laatste maal dat hij -daar was, mijn compagnon nog leefde, maar de beide gevolmagtigden, die -met hem toezigt zouden houden, waren beide overleden. Hij geloofde -echter, dat ik goed zou staan bij de verbetering mijner plantaadje, want -dat, daar men algemeen geloofde dat ik verongelukt was, mijne -gemagtigden hunne rekening van mijn deel in de plantaadje aan den -fiscaal hadden ingeleverd, die, zoo ik niet terug mogt komen, verklaard -had dat een derde den koning, en twee derden aan het Augustijner -klooster zouden toevallen, voor de armen en tot uitbreiding van het -Christendom onder de Indianen. Zoo ik of iemand van mijnentwege echter -opkwam, zou het mij teruggegeven worden, hoewel de jaarlijksche -opbrengst niet, als zijnde tot werken van liefdadigheid besteed, maar -hij verzekerde mij, dat de opzigter der koninklijke inkomsten van -landerijen, en die van het klooster er voor gezorgd hadden, dat mijn -compagnon hen jaarlijks prompt verrekening deed, waarvan zij de helft -ontvingen. Ik vroeg hem of hij wist hoe ver de verbeteringen der -plantaadje gegaan waren, en of hij begreep dat zij verdiende opgezocht -te worden, of als ik daarheen ging, mij mijn regt op de helft niet zou -betwist worden. - -Hij zeide mij niet juist te kunnen bepalen, wat de plantaadje waard was, -maar dat mijn compagnon alleen van de helft een zeer rijk man was -geworden, en hij had gehoord dat het derde deel van den koning, dat naar -het schijnt een of ander klooster geschonken was, jaarlijks meer dan -tweehonderd moidores bedroeg. Dat er geen twijfel aan de teruggave -bestond, daar mijn compagnon nog leefde om mijn regt te bevestigen, en -mijn naam ook op de lands registers ingeschreven was. Ook zeide hij mij, -dat de opvolgers van mijne twee gevolmagtigden brave eerlijke lieden en -zeer gegoed waren, en hij geloofde, dat zij mij niet alleen aan het -bezit helpen, maar bovendien eene goede som gelds ter hand zouden -stellen, zijnde de opbrengst tijdens de vorige gevolmagtigden het -bestuurden, en vóór de in beslagneming, die voor ongeveer twaalf jaren -voorgevallen was. - -Dit verslag stelde mij echter niet geheel gerust, en ik vroeg den -kapitein hoe het kwam, dat de gemagtigden zoo over mijne goederen -beschikt hadden, daar hij wist dat ik een testament gemaakt en hem, den -Portugeschen kapitein, tot mijn eenigen erfgenaam had benoemd. Hij -zeide, dat dit ook waar was, maar daar er geen bewijs van mijn dood -bestond, hij niet als executeur kon handelen; bovendien had hij zulk -eene afgelegene zaak niet willen aanvaarden. Wel had hij mijn testament -doen registreren, en zijn regt bewezen, en zoo hij eenig bewijs van mijn -leven of dood had kunnen geven, zou hij als procuratiehouder gehandeld, -en mijne plantaadje in bezit genomen hebben, of zijn zoon hiermede -belast. - -"Maar," zeide de oude man, "ik heb u ander nieuws te vertellen, dat u -misschien minder aangenaam zal zijn dan het overige; dat is, dat daar -iedereen u verongelukt waande, uw compagnon en gemagtigden mij in uwen -naam de verrekening aanboden van de opbrengsten van de zes of acht -eerste jaren, die ik ontving; doch daar er tweemaal groote -verbeteringen gemaakt werden, als het bouwen van een suikermolen, het -aankoopen van slaven enz., waren die opbrengsten zoo groot niet als de -volgende. Echter," vervolgde de oude man, "zal ik u eene behoorlijke -rekening geven van al wat ik ontvangen, en hoe ik er mede gehandeld -heb." - -Eenige dagen later bragt mijn oude vriend mij de rekening van de -inkomsten der vijf of zes eerste jaren der plantaadje, geteekend door -mijn compagnon en de gemagtigden, die altijd goederen afgeleverd hadden, -zooals tabak in rollen en suiker in kisten, benevens rum en melassie, de -voortbrengselen van eene suikerplantaadje, en ik zag hieruit, dat de -inkomsten telken jare aanmerkelijk grooter geworden waren. Doch daar in -den beginne de uitgaven groot waren geweest, was de som eerst gering. -Echter liet de oude man mij zien, dat hij mij vierhonderd en zeventig -gouden moidores schuldig was, behalve zestig kisten suiker en vijftien -dubbele rollen tabak, die verloren waren gegaan, toen hij ongeveer elf -jaren na mijn vertrek, te Lissabon, met verlies van zijn schip, was -gekomen. - -De oude man begon over zijne ongelukken te klagen, hoe hij verpligt was -geweest mijn geld te besteden om zijn verlies te herstellen, en een -aandeel in een nieuw schip te koopen. "Doch, mijn oude vriend," zeide -hij, "gij zult voor 's hands wat op rekening hebben, en zoodra mijn zoon -terugkomt, alles wat u toekomt." Daarop haalde hij eene oude beurs voor -den dag en gaf mij honderd en zestig gouden moidores, en zijne bewijzen -van het aandeel dat hij en zijn zoon ieder voor een vierde in hun schip -hadden, uithalende, stelde hij die als onderpand voor het overschot in -mijne handen. - -Deze blijken van eerlijkheid en braafheid van den ouden man troffen mij -geweldig, en bedenkende wat hij voor mij gedaan had, hoe hij mij op zee -opgenomen, en hoe edelmoedig hij mij bij alle gelegenheden behandeld -had, en in het bijzonder welk een opregte vriend hij thans bewees te -zijn, kon ik mijne tranen niet bedwingen. Ik vroeg hem dus eerst of hij -op dat oogenblik zooveel geld missen kon en of het hem niet eenigzins -belemmeren zou. Hij zeide, dat hij er zeker op het oogenblik een weinig -door in de engte kwam; maar dat het altijd mijn geld was en ik er -misschien meer behoefte aan had dan hij. - -Alles wat de goede man zeide, was zoo welgemeend, dat ik, terwijl hij -sprak, mijne tranen naauwelijks bedwingen kon. Om kort te gaan, ik nam -honderd moidores, en vroeg om pen en inkt, om er hem kwitantie van te -geven, daarop gaf ik hem het overige terug, en zeide, dat zoo ik ooit in -het bezit der plantaadje geraakte, ik ook het overige hem zou -teruggeven, gelijk ik ook naderhand deed; dat ik zijn bewijs van aandeel -in zijn zoons schip volstrekt niet wilde aannemen, daar ik begreep, dat -zoo ik geldgebrek had, hij braaf genoeg was om mij te betalen; en zoo -dit niet het geval was, maar ik datgene ontving, waarop hij mij hoop -gaf, ik nimmer van hem een penning meer wilde aannemen. - -Toen dit afgeloopen was, vroeg de oude man hoe ik mij weder in het bezit -van mijne plantaadje dacht te stellen. Ik zeide er zelf heen te willen -gaan. Als ik dit goed vond kon ik dit doen, zeide hij, maar zoo niet dan -waren er middelen genoeg om mijne regten te handhaven, en mij -onmiddellijk de voordeelen toe te eigenen; en daar te Lissabon schepen -op de rivier zeilree lagen naar Brazilië, deed hij mijn naam in een -openbaar register inschrijven, terwijl hij beëedigde, dat ik in leven en -dezelfde persoon was, die het eerst voor de bedoelde plantaadje het land -had aangevraagd. Nadat dit door een notaris met eene procuratie -opgemaakt was, deed hij het mij naar een koopman aldaar zenden, dien hij -kende, en stelde mij toen voor, tot aan het ontvangen van een antwoord -bij hem te blijven. - -Nimmer handelde men eerlijker dan bij het ontvangen van deze procuratie, -want binnen zeven maanden ontving ik een groot pakket van de -overgeblevenen mijner gemagtigden, de kooplieden, voor wier rekening ik -naar zee was gegaan. Hierin bevonden zich eerstelijk eene rekening -courant van de opbrengst mijner plantaadje, van het jaar af, waarin -hunne vaders met den ouden Portugeschen kapitein hadden gesloten, zijnde -voor zes jaren, de balans sloot met elfhonderd vier en zeventig moidores -in mijn voordeel. Ten tweede was er de verrekening van nog vier jaren, -gedurende welke zij het bewind gevoerd hadden, vóór de regering de -administratie eischte, als van een persoon, dien men burgerlijk dood -achtte, en deze balans sloot, daar de waarde der plantaadje vermeerderd -was, met een batig slot van drie duizend twee honderd en een en veertig -moidores. Ten derde was er een brief bij van den prioor van het -Augustijner klooster, die ruim veertien jaren de inkomsten ontvangen -had, doch daar hij niet in staat was datgene te verrekenen wat tot -liefdadige einden uitgegeven was, eerlijk verklaarde, dat hij nog -achthonderd twee en zeventig moidores niet uitgegeven had, die ter -mijner beschikking waren. Het deel des konings leverde niets op. - -Wijders was er een brief van mijn compagnon, die mij hartelijk geluk -wenschte, dat ik nog in leven was, en mij verslag deed hoe veel de -plantaadje verbeterd was, en wat zij 's jaarlijks opbragt, met opgave -hoe veel morgen zij besloeg, hoe sterk de slavenmagt was en eindigende -met het berigt, dat hij twee-en-twintig _Ave Maria's_ had opgezegd tot -dankbaarheid aan de H. Maagd voor mijne wonderbare behoudenis; terwijl -hij mij ten sterkste uitnoodigde over te komen en van mijn eigendom -bezit te nemen, en hem, zoo ik niet zelf kwam, orders te geven aan wien -mijne goederen af te schepen, en eindigende met eene hartelijke -verzekering van zijne vriendschap en die van zijne familie. Tot een -geschenk zond hij mij zeven fraaije tijgervellen, die hij naar het -schijnt van Afrika ontvangen had met een ander schip, dat hij derwaarts -gezonden had, en dat eene voorspoediger reis scheen aan te hebben dan -ik. Hij zond mij ook vijf kisten met confituren en een honderd stukken -ongemunt goud, niet wel zoo groot als moidores. - -Met dezelfde vloot zonden mijne twee gevolmagtigden mij twaalf honderd -kisten suiker, achthonderd rollen tabak en het overige van onze rekening -in goud. - -Thans mogt ik wel zeggen, dat het laatste einde van Job beter was dan -het begin. Onmogelijk is het mijne aandoeningen te beschrijven, toen ik -deze brieven doorlas, en vooral toen ik al mijn rijkdom voor mij zag; -want daar de schepen uit Brazilië altijd met eene geheele vloot te -gelijk komen, ontving ik mijne brieven te gelijk met mijne goederen, en -deze laatsten lagen reeds veilig op de Taag, voor de brieven mij ter -hand gesteld worden. Ik werd bleek en ongesteld, en zoo niet de oude man -mij eene hartsterking had gehaald, geloof ik dat de plotselinge vreugde -mij te sterk geweest, en ik op de plaats dood gebleven zou zijn. Zelfs -bleef ik nog ziek, tot eenige uren daarna een geneesheer geroepen werd, -en deze de ware reden van mijne ongesteldheid vernemende, mij eene -aderlating liet doen, die mij veel verligtte, en waarna ik beter werd. - -Ik was nu plotseling bezitter geworden van meer dan vijfduizend pond -sterling in geld, en had eene bezitting in Brazilië, die meer dan -duizend ponden 's jaars opleverde, zoo goed als eenig landgoed in -Engeland; in een woord, in een toestand, waarin ik mij naauwelijks wist -te voegen, of hoe ik dien genieten zou. - -Het eerste wat ik deed was mijn ouden weldoener, den goeden kapitein, te -beloonen, die mij het eerst in mijn tegenspoed had bijgestaan, van den -beginne af menschlievend, en tot aan het einde eerlijk jegens mij -gehandeld had. Ik toonde hem al wat mij gezonden was. Ik zeide hem, dat -na de Voorzienigheid, die alles bestiert, ik dat alles aan hem te danken -had, en dat het nu mijn pligt was hem te beloonen, hetwelk ik -honderdvoudig doen wilde. Vooreerst gaf ik hem dus de honderd moidores, -die ik van hem ontvangen had, terug, daarop liet ik een notaris roepen, -en deze een volkomen kwijtschelding opmaken, zoo volledig als mogelijk, -van de vierhonderd en zeventig moidores, die hij opgegeven had mij -schuldig te zijn, waarna ik eene procuratie op hem liet vervaardigen, -tot den ontvangst der jaarlijksche inkomsten mijner plantaadje, en mijn -compagnon opdroeg met hem te sluiten, en de jaarlijksche opbrengst op de -gewone wijze met de vloot aan hem over te maken. Een clausule in het -einde behelsde eene jaarlijksche gift aan hem van honderd moidores, zoo -lang hij leefde, en van vijftig aan zijn zoon, zoo lang deze leefde, -alles uit de goederen te voldoen. Op deze wijze vergold ik den ouden man -zijne goedheden. - -Nu moest ik begrijpen welken koers thans in te slaan, en wat te doen met -het goud, dat de Voorzienigheid mij aldus gegeven had. Ik had thans -waarlijk meer zorg en hoofdbreken dan in mijne stille levenswijze op het -eiland; waar ik geene behoeften had dan die ik voldoen kon; terwijl ik -nu een grooten last op mijne schouders had. Ik had hier geene grot om -mijn geld in te bergen, noch geen plaats waar ik dit zonder slot of -grendel kon nederleggen, tot het roestig en beschimmeld werd; -integendeel, ik wist niet waar ik het laten of wien ik het toevertrouwen -zou; mijn oude beschermer, de kapitein, die een braaf man was, was -inderdaad mijne eenigste toevlugt. - -Mijne bezittingen in Brazilië schenen vroeger mijne tegenwoordigheid -aldaar te vereischen, maar nu kon ik niet denken daar naar toe te gaan, -voor ik eerst mijne zaken beschikt en mijne goederen in vertrouwde -handen achtergelaten had. Eerst dacht ik aan mijne oude vriendin, de -weduwe, wier eerlijkheid mij bekend was, maar zij was hoogbejaard en -arm, misschien wel in schulden stekende; zoodat ik begreep zelf naar -Engeland te moeten terugkeeren en mijne bezittingen mede te nemen. - -Het duurde echter eenige maanden, voor ik hiertoe besluiten kon, en na -derhalve mijn voormaligen weldoener, den kapitein, voldoende en naar -zijn genoegen beloond te hebben, begon ik aan de weduwe te denken, wier -echtgenoot mijn eerste weldoener was geweest, en zij, zoo veel in hare -magt was, mijne trouwe geldbewaarster. Het eerst wat ik dus deed was -door een Lissabonsche koopman aan zijn correspondent in Londen te doen -schrijven, haar op te zoeken, en haar niet een wissel, maar honderd pond -in geld te brengen, haar te gaan spreken en in hare armoede te troosten, -door haar te zeggen, dat zij, zoo lang ik leefde, onderstand van mij zou -ontvangen. Tegelijker tijd zond ik honderd pond aan ieder van mijne -zusters, die, ofschoon niet behoeftig, toch in geene ruime -omstandigheden waren, de eene was eene weduwe, en de andere had een -echtgenoot, die zich jegens haar niet zoo gedroeg als hij wel mogt. Doch -onder al mijne bekenden wist ik niemand te bedenken, wien ik al mijn -geld durfde vertrouwen, zoodat ik naar Brazilië kon gaan, en alles -gerust achterlaten. Dit bragt mij in groote verlegenheid. - -Eens vatte ik het plan op naar Brazilië te gaan, om er mij voor altijd -neder te zetten, want ik was er als het ware genaturaliseerd, maar ik -had eenige godsdienstige bezwaren, die mij daarvan terughielden. Ik had -wel niet geaarzeld om zoo lang ik onder hen was, mij te houden alsof ik -hunne godsdienst aankleefde, en dit deed ik ook nog niet, maar er thans -meer dan vroeger over denkende om daar te leven en te sterven, berouwde -het mij, dat ik mij voor een Katholijk uitgegeven had, daar ik niet -gaarne in de belijdenis van die leer wilde sterven. Echter was het dit -niet, wat mij voornamelijk terughield van naar Brazilië te gaan; maar de -onzekerheid wien ik mijne bezittingen zou toevertrouwen. Dus besloot ik -die eerst naar Engeland te brengen, waar ik alsdan wel eenige kennissen -zou weten of bloedverwanten vinden, die mij vertrouwd toeschenen; en -diensvolgens maakte ik mij gereed met al mijn geld naar Engeland terug -te gaan. - -Te dien einde besloot ik in de eerste plaats, daar de vloot naar -Brazilië weder zeilree lag, op de eerlijke en brave verrekeningen, die -ik van daar ontvangen had, antwoord te geven. Eerst schreef ik den -prioor van het Augustijner klooster een brief tot dankzegging voor zijne -edelmoedige handelwijze en de aanbieding der 872 onuitgegeven moidores, -waarvan ik verlangde, dat vijfhonderd aan het klooster, en de overige -aan de armen zouden gegeven worden, naar des prioors goedvinden; terwijl -ik den goeden Pater verzocht mij in zijne gebeden te bedenken. - -Daarop schreef ik een dankbaren brief aan mijne twee gemagtigden, met al -de erkentelijkheid, die hunne braafheid en eerlijkheid verdienden; hun -eenig geschenk te zenden, ware water in de zee dragen geweest. Eindelijk -schreef ik aan mijn compagnon mijn dank, voor de verbetering mijner -plantaadje, en zijn ijver daarin; gaf hem last omtrent zijn verder -bestier derzelve van mijn aandeel; in overeenstemming met de volmagt, -die ik aan den ouden kapitein had gegeven, aan wien ik hem verzocht -alles wat mij toekwam over te maken, tot hij nader van mij zou hooren. -Ik verzekerde hem, dat ik niet alleen voornemens was naar hem toe te -komen, maar ook het overschot mijns levens er te blijven doorbrengen. -Hierbij voegde ik een fraai geschenk van eenige Italiaansche zijde voor -zijne vrouw en twee dochters, (welke hij, volgens berigt van des -kapiteins zoon had) met twee stukken fijn Engelsch laken, het beste dat -ik in Lissabon bekomen kon, en eenige Vlaamsche kant van hooge waarde. - -Na op deze wijze mijne zaken geschikt, mijne lading verkocht, en voor al -mijne goederen wissels gekocht te hebben, was de vraag, hoe ik naar -Engeland zou gaan. Hoezeer ik ook aan de zee gewoon was, had ik toen een -sterken tegenzin om ter zee naar Engeland te gaan. Schoon ik er geene -reden voor had, werd deze tegenzin zoo sterk, dat toen mijne bagaadje -reeds aan boord was, ik nog van gedachten veranderde, en dat wel niet -eens maar twee- of driemalen. Het is waar, ik was op zee zeer ongelukkig -geweest, en dit kon er de reden van zijn, doch het is niemand geraden in -zaken van zooveel belang zijn voorgevoel te verachten. Twee der schepen, -waar ik het oog meer bijzonder op geslagen had, zoodat ik reeds mijne -goederen in het eene gezonden had, en met den kapitein van het andere -mijnen overtogt reeds bepaald; deze twee zelfde schepen verongelukten; -het eene namelijk werd door Algerijnsche kapers genomen en het andere -bij Torbay verbrijzeld, en al het volk op drie na, verdronk; zodat ik -niet weet op welk schip ik ongelukkiger zou geweest zijn. - -In dezen tweestrijd nam ik mijne toevlugt tot mijn ouden raadsman, die -mij ernstig ried niet ter zee de reis te doen, maar te land, en de golf -van Biscaye over te steken naar Rochelle, vanwaar ik veilig en -gemakkelijk naar Parijs en zoo over Calais naar Dover reizen kon; of -naar Madrid te gaan en geheel Frankrijk door de reis te land te doen. Om -kort te gaan, ik had zooveel tegen eene zeereis, behalve van Calais naar -Dover, dat ik besloot den geheelen weg te land af te leggen; hetwelk, -daar ik geen haast had en het geld niet behoefde te ontzien, verre weg -de aangenaamste was; vooral toen mijn oude kapitein een Engelsen heer, -den zoon van een koopman uit Lissabon, bij mij bragt, die de reis mede -wilde maken, waarna wij nog twee Engelsche kooplieden en twee jonge -Portugesche heeren vonden, waarvan de laatsten alleen naar Parijs -gingen; zoodat wij in alles met ons zessen en vijf knechten waren. De -twee kooplieden en de Portugezen namen ieder een knecht met hun beide om -de onkosten, en ik nam voor mij als knecht een Engelsch matroos mede, -behalve Vrijdag, die veel te onbedreven was om op reis als knecht te -gebruiken. - -Op deze wijze vertrokken wij van Lissabon, allen goed bereden en -gewapend, zoodat wij een kleinen troep uitmaakten. Men deed mij de eer -aan mij kapitein te noemen, omdat ik de oudste was en twee knechts bij -mij had, en ook de eigenlijke oorzaak van de geheele reis was. Daar ik -den lezer met geen mijner zeetogten lastig gevallen ben, wil ik dit ook -niet met het journaal van mijne landreis doen; echter mag ik eenige -avonturen niet verzwijgen, die wij op deze lange en bezwaarlijke reis -ontmoetten. - -Te Madrid gekomen, bleven wij daar eenigen tijd vertoeven, daar wij -allen vreemdelingen in Spanje waren, om het Spaansche hof en al wat -merkwaardig was te bezigtigen, doch daar het laat in den zomer was, -hielden wij er ons niet lang op, en verlieten Madrid omstreeks het -midden van October. Maar toen wij aan de grenzen van Navarra kwamen, -werden wij op verscheidene plaatsen verontrust door de tijding, dat er -aan de Fransche zijde zoo veel sneeuw was gevallen, dat verscheidene -reizigers verpligt waren geweest naar Pampeluna terug te keeren, na met -veel gevaar den overtogt beproefd te hebben. - -Te Pampeluna aangekomen, vonden wij dat dit de waarheid was, en voor -mij, die altijd in een heet klimaat, waar men naauwelijks kleederen -verdragen kon, had geleefd, was de koude onuitstaanbaar. Nog -onaangenamer dan verrassend was het, dat wij slechts tien dagen te voren -Oud-Kastilië hadden verlaten, waar het niet alleen warm, maar zeer heet -was, en onmiddellijk een zoo strengen, snijdenden wind uit het -Pyrenesche gebergte voelden, dat die ondragelijk was, en wij bang -werden, dat onze handen en voeten zouden bevriezen. De arme Vrijdag was -inderdaad in doodsangst, toen hij de bergen met sneeuw bedekt zag, en -voor het eerst van zijn leven de koude gevoelde. - -Tot meerder ongeluk bleef het, toen wij te Pampeluna gekomen waren, zoo -geweldig doorsneeuwen en zoo lang, dat men zeide, dat de winter vóór -zijn tijd was gekomen, en de vroeger moeijelijke wegen thans geheel -ontoegankelijk waren; in één woord, de sneeuw lag op sommige plaatsen te -hoog om er door te komen, en daar zij niet bevrozen was, gelijk in -noordelijke landen, kon men niet voorttrekken, zonder bij iedere schrede -gevaar te loopen van levend begraven te worden. Wij bleven niet minder -dan twintig dagen te Pampeluna, toen ik, ziende dat de winter inviel en -er geene waarschijnlijkheid op zachter weder was (want strenger winter -had men in vele jaren in Europa niet vernomen) voorstelde dat wij allen -naar Fontarabia zouden gaan, en ons daar inschepen naar Bordeaux, dat -een korte reis was. - -Toen wij echter hierover beraadslaagden, kwamen er vier Fransche heeren -aan, die aan de Fransche zijde, even als wij aan de Spaansche, gebleven -waren, tot zij een gids hadden gevonden, die het land bij het hoofd van -Languedoc doortrekkende, hen langs wegen had gevoerd, waar zij slechts -weinig sneeuw hadden aangetroffen, en deze was nog zoo hard bevroren, -zeiden zij, dat zij hen en hunne paarden had kunnen dragen. Wij lieten -dezen gids roepen, die zeide te willen aannemen ons langs denzelfden weg -te brengen, zonder eenig gevaar van de sneeuw, mits wij genoeg gewapend -waren, om ons voor de wilde dieren te beschermen; want als er zoo veel -sneeuw viel, zeide hij, kwamen de wolven dikwijls van het gebergte naar -beneden, razende van honger, omdat de met sneeuw bedekte grond hun geen -voedsel aanbood. Wij zeiden, dat wij voor zulke beesten genoeg gewapend -waren, als hij ons beveiligen kon voor eene soort van wolven op twee -beenen, waarvan naar men ons gezegd had, wij vooral aan de Fransche -zijde van het gebergte het meeste gevaar liepen. Hij verzekerde ons, dat -op den weg, dien hij wilde nemen, wij daarvan geen gevaar zouden loopen. -Dus besloten wij hem te volgen, even als twaalf andere heeren met hunne -knechten, Spanjaarden en Franschen, die gelijk ik zeide, den overtogt -beproefd hadden, maar genoodzaakt waren geweest terug te keeren. - -Wij verlieten dan allen Pampeluna, den vijftienden November, met onzen -gids aan het hoofd, die tot mijne verbazing, in plaats van vooruit te -gaan, met ons terugkeerde, wel twintig Engelsche mijlen op den weg, dien -wij van Madrid afgekomen waren; waarna wij twee rivieren overtrokken en -de vlakte bereikt hebbende, ons wederom in een warm klimaat en -aangename landstreek bevonden, waar geen sneeuw te zien was; maar -plotseling links afslaande, naderde hij het gebergte langs een anderen -weg, en schoon de hoogten en afgronden verschrikkelijk zich vertoonden, -maakte hij zooveel bogten en wendingen, dat hij ons zonder het te weten -over de hoogste gebergten had gebragt, zonder dat wij veel last van de -sneeuw hadden gehad, en plotseling wees hij ons de aangename lagchende -gewesten van Languedoc en Gascogne, die allen groen en bloeijend er -uitzagen, schoon zij nog ver af lagen en wij nog een bezwaarlijken weg -tot daartoe hadden. Wij werden wel eenigzins ongerust, toen het -vier-en-twintig uren achtereen zoo hevig sneeuwde, dat wij stil moesten -houden, doch hij stelde ons gerust en verzekerde, dat wij spoedig alles -te boven zouden zijn. Inderdaad vonden wij elken dag, dat wij afdaalden, -en dus trokken wij, in vertrouwen op onzen gids, voort. - -Ongeveer twee uren voor het donker werd, was onze gids ons een eind -weegs vooruit, en toevallig buiten ons gezigt. Eensklaps kwamen drie -monsterachtige wolven uit een hollen weg, die in een digt bosch uitkwam, -tevoorschijn. Twee wolven vlogen op den gids aan, en zoo hij een half -kwartier verder vooruit was geweest, zouden zij hem verslonden hebben, -voor wij hem te hulp hadden kunnen schieten. Een hunner greep het paard, -en de andere den man zoo onstuimig aan, dat hij geen tijd of geen -tegenwoordigheid van geest genoeg had om zijn pistool uit te halen, maar -allergeweldigst om hulp riep. Vrijdag was juist naast mij, ik gelastte -hem vooruit te rijden, om te zien wat er te doen was. Zoodra Vrijdag hem -in het gezigt kreeg, riep hij zoo hard als de ander: "O meester, -meester!" maar daar hij een moedige kerel was, reed hij tot vlak bij den -man, en schoot den wolf met een pistool door den kop. - -Het was gelukkig voor den armen man, dat het Vrijdag was, die hem te -hulp kwam, want hij, die in zijn vaderland die beesten gezien had, was -er niet bang voor, terwijl zoo een onzer op een verderen afstand -geschoten had, hij misschien den wolf gemist of welligt den gids -getroffen had. Het was genoeg om een moediger man dan ik te ontzetten, -en ons geheele gezelschap was er inderdaad van verschrikt, toen wij na -het afschieten van Vrijdags pistool, aan weerszijden het afschuwelijkst -wolvengehuil hoorden, dat door de echo's in het gebergte verdubbeld -werd, zoodat het scheen alsof er eene ontzettende menigte was, en -misschien waren er genoeg om ons reden tot vrees te geven. - -Toen echter Vrijdag den eenen wolf had doodgeschoten, liet de ander -dadelijk het paard los, en nam de vlugt. Gelukkig had hij het bij den -kop gegrepen en het gebit in zijn bek gepakt, zoo dat hij het paard -weinig kwaad had gedaan. De gids had meer geleden; want hij was tweemaal -door het beest gebeten, eens in den arm en eens in de dij, en hij stond -op het punt om van zijn verschrikt paard te vallen, toen Vrijdag hem -bereikte. - -Gemakkelijk begrijpt men, dat wij op het hooren van Vrijdags schot, -allen onze paarden aanzetten, en zoo hard als de weg, die zeer -moeijelijk was, toeliet, opreden, om te zien wat er te doen was. Zoodra -wij de boomen, die ons het uitzigt benamen, voorbij waren, zagen wij wat -het geval was, en hoe Vrijdag den armen gids ontzet had, schoon wij nog -niet zien konden, welk beest hij gedood had. - -Maar nimmer zag men een moediger en zonderlinger gevecht dan hetgeen nu -volgde tusschen Vrijdag en den beer, die ons (schoon wij in het eerst -zeer bang voor hem waren) veel vermaak gaf. Daar de beer een zwaar en -plomp schepsel is, die niet zoo vlug loopt als de wolf, handelt hij -gewoonlijk naar twee regels. Den mensch, die zijn eigenlijke prooi niet -uitmaakt, schoon ik niet zeggen kan wat groote honger, als de sneeuw, -gelijk thans het geval was, den grond bedekt, bij hem kan uitwerken, den -mensch, zeg ik, valt hij zelden het eerst aan; integendeel, zoo gij u -met hem niet inlaat, zal hij zich met u niet bemoeijen. Maar men moet -toch zeer beleefd tegen hem zijn, en laten hem den weg vrij; want hij is -zeer trotsch en zou voor geen prins uit den weg gaan; het best is een -anderen weg heen te zien en bedaard voort te gaan, want zoo men -stilstaat en hem stijf aanziet, wil hij dit wel eens als eene -beleediging opnemen. Zoo men hem echter met iets gooit, dat hem raakt, -al ware het maar een takje zoo dun als een pink, dan wordt hij boos, en -laat alles staan om zijne wraak te koelen; want hij staat magtig op het -punt van eer; dit is zijn eerste eigenschap. De tweede is, dat als gij -hem beleedigd hebt, hij u nacht en dag volgen zal, om zich te wreken, -tot hij u ingehaald heeft. - -Vrijdag had onzen gids gered, en toen wij bij hem kwamen, was hij bezig -hem van zijn paard te helpen, want de man was zoo wel verschrikt als -gekwetst, vooral het eerste; toen wij eensklaps den beer uit het bosch -zagen komen; het was een monsterachtige; de grootste, dien ik ooit zag. -Wij waren allen een weinig ontsteld bij dit gezigt, maar toen Vrijdag -hem gewaar werd, kon men de vreugde op zijn gelaat lezen. "O! o! o!" -riep hij, "meester, geef mij verlof hem goeden dag te zeggen, gij zult -lagchen om hem." - -Ik verwonderde mij over zijne vreugde, en zeide: "Gek, hij zal u -opeten!"--"Mij opeten! mij opeten!" riep Vrijdag. "Ik zal hem opeten -liever, en u laten lagchen. Blijft allen hier staan, ik zal u laten -lagchen." Hij ging zitten en had in een oogenblik zijne laarzen uit en -een paar ligte schoenen aan, die hij in zijn zak had; daarop gaf hij -mijn anderen knecht zijn paard en liep weg als de wind. De beer kuijerde -zachtjes voort, en scheen zich met niemand te willen inlaten, tot -Vrijdag nader gekomen, hem toeriep: "Hoor eens, hoor eens, ik moet u -eens spreken!" alsof de beer hem verstaan kon. Wij volgden op een -afstand, want wij waren nu in een bosch gekomen, waar de grond effen, en -vrij open was, schoon hier en daar verscheidene boomen stonden. Vrijdag, -die den beer achterna liep, was spoedig digt bij hem gekomen, waarop hij -een steen opnam, en hem dien juist op het hoofd wierp, maar het was zoo -goed alsof hij hem tegen een muur had geworpen, schoon Vrijdag er zijn -doel mede bereikte, dat namelijk de beer op hem afkwam, ten einde ons te -laten lagchen, zoo als hij zeide. - -Zoodra de beer den steenworp gevoeld had, keerde hij zich om en kwam met -zoo duchtig groote stappen voortschuiven, dat een paard in een galop hem -naauwelijks had kunnen bijhouden. Weg vloog Vrijdag, en nam zijn weg -naar ons toe als om hulp; dus besloten wij allen te gelijk op den beer -te schieten, en mijn knecht te ontzetten; schoon ik niet weinig boos op -hem was, dat hij ons den beer op den hals had gehaald, terwijl die een -anderen weg uitkuijerde, en vooral omdat hij eerst den beer naar ons -toelokte, en toen wegliep. "Is dat ons aan het lagchen maken, kerel?" -riep ik. "Kom hier en neem uw paard, dan zullen wij op den beer -schieten." Hij hoorde mij, en riep: "niet schieten! niet schieten! Blijf -staan, gij zult veel lagchen." En terwijl de vlugge knaap slechts twee -voet voor den beer uit was, keerde hij zich plotseling om, en een -grooten eikenboom ziende, die hij tot zijn oogmerk geschikt achtte, -wenkte hij ons hem te volgen, en zijn gang versnellende, klom hij vlug -in den boom, na zijn geweer op vijf of zes ellen afstands van den boom -nedergelegd te hebben. - -Spoedig was de beer bij den boom gekomen, en wij volgden op een afstand. -Eerst bleef hij bij het geweer staan, berook het, maar liet het liggen, -en klom toen als eene kat in den boom, schoon hij zulk een plomp dier -was. Ik stond versteld van de dolheid van mijn knecht, en kon nog maar -niets zien om te lagchen, doch toen wij den beer op den boom zagen, -reden wij allen er digter naar toe. Toen wij er bij kwamen, was Vrijdag -aan het dunne eind van een zwaren arm van den boom gekomen, en de beer -was er halverwege op. Zoodra Vrijdag zag, dat hij het einde van den tak -naderde, riep hij ons toe: "Nu zult gij een beer zien leeren dansen." -Hij begon dus den tak te schudden en er op te dansen, zoodat de beer -begon te waggelen en achterom keek, alsof hij den aftogt wilde slaan, en -wij ons van lagchen niet konden bedwingen. Maar Vrijdag had nog niet met -hem gedaan; toen hij zag, dat hij stil stond, riep hij hem weder toe, -alsof het beest hem verstaan kon: "Kom wat nader, vriend; kom wat nader -als het u belieft!" Daarop bleef hij stil zitten, waarop de beer wat -verder vooruit kwam, toen begon hij weder te springen, en de beer bleef -stokstijf staan. - -Wij dachten, dat het nu een geschikt tijdstip was, om hem voor den kop -te schieten, en dus riep ik Vrijdag toe, stil te zitten, dat wij den -beer zouden schieten, maar hij riep: "Niet schieten! niet schieten! Ik -zal hem straks wel schieten." Om kort te gaan Vrijdag danste zoo lustig -en de beer stond zoo uit het veld geslagen, dat wij ons lagchen niet -konden bedwingen, schoon ik nog niet begrijpen kon, wat hij doen wilde. -Eerst dachten wij, dat hij den beer uit den boom zou laten tuimelen, -maar daar was de beer te slim toe, want hij kwam niet ver genoeg, en -hield zich met zijne breede klaauwen zoo stevig vast, dat wij niet -begrepen, hoe het af zou loopen. - -Eindelijk maakte Vrijdag er een einde aan, en riep den beer toe: "Komt -gij niet bij mij, dan zal ik bij u komen." Daarop schoof hij achteruit -tot aan het uiterste einde van den tak, die door zijne zwaarte -nederboog, zoodat hij gemakkelijk op den grond kon springen, gelijk hij -deed, en toen zijn geweer halen ging. "Wel Vrijdag, waarom schiet gij -hem nu niet?" vroeg ik. "Nog niet schieten," zeide Vrijdag, "eerst nog -wat lagchen, dan zal ik hem schieten." Toen de beer zijn vijand -vertrekken zag, klom hij van den zijtak af, maar uiterst benaauwd en bij -iederen stap achterom ziende, tot dat hij den stam bereikt had. Toen -klom hij verder zeer langzaam en zeer schroomvallig, voetje voor voetje -achteruit, en even voor hij zijn achterpoot op den grond zette, liep -Vrijdag naar hem toe, stak den tromp van zijn snaphaan in zijn oor en -schoot hem zoo dood als een steen. - -Toen keerde de knaap zich naar ons toe, en toen hij zag dat wij tevreden -waren, begon hij hartelijk te lagchen, en zeide: "Zoo schieten wij de -beeren in ons land."--"Hoe wilt gij die schieten zonder geweren?" vroeg -ik.--"Niet met geweer, maar met zeer lange bogen," zeide hij.--Dit -voorval had ons eene aangename afleiding gegeven, maar wij waren nog -altijd in eene woeste streek, onze gids was gekwetst, en wij wisten -naauwelijks wat nu te doen; het gehuil der wolven klonk ons nog in de -ooren, en behalve het geraas, dat ik aan de Afrikaansche kust hoorde, -waarvan ik vroeger gesproken heb, herinner ik mij niet ooit iets gehoord -te hebben, dat zoo afgrijsselijk was. De bedenking hiervan en dat het -duister werd, riep ons van daar, anders hadden wij zeker, gelijk Vrijdag -begeerde, dien monsterachtigen beer de huid afgestroopt, die het wel -waard was, doch wij hadden nog drie mijlen af te leggen en onze gids -haastte ons; dus lieten wij hem liggen en vervolgden onze reis. De grond -bleef nog met sneeuw bedekt, schoon niet zoo diep en gevaarlijk als op -het gebergte, en de wolven waren, gelijk wij naderhand hoorden, door den -honger gedreven tot in de vlakte afgedaald, en hadden in de dorpen veel -kwaads gedaan, schapen en paarden en ook eenige menschen gedood. Wij -moesten nog eene gevaarlijke engte door, waar wij, gelijk onze gids -zeide, zoo er nog wolven in die streek waren, ze zouden aantreffen; dit -was eene kleine vlakte, die tusschen digte bosschen, als eene lange laan -doorliep, en die wij door moesten, om het dorp te bereiken, waar wij ons -nachtverblijf zouden houden. - -Een half uur voor zonsondergang trokken wij het eerste bosch door, en -even na zonsondergang kwamen wij in de vlakte. In het eerste vonden wij -niets, dan op eene opene plek van geen twee roeden breed, zagen wij vijf -wolven den weg oversteken, alsof zij eene prooi najaagden. Zij sloegen -op ons geen acht en waren in een oogenblik uit ons gezigt. Hierop ried -onze gids, die in zijn hart een lafaard was, ons aan op onze hoede te -zijn, want dat hij geloofde, dat er meer wolven kwamen. - -Wij hielden onze wapenen gereed, doch zagen geen meer wolven voor wij -het bosch door en op de vlakte gekomen waren. Daar gekomen hadden wij -genoeg te zien. In de eerste plaats zagen wij een paard, dat de wolven -gedood hadden, en waar wel een dozijn aan bezig waren de beenen af te -kluiven, want het vleesch was er reeds geheel af. Wij achtten het niet -geraden hen in hunnen maaltijd te storen, en zij sloegen op ons geen -acht. Vrijdag wilde op hen schieten, maar ik verbood het, want ik -begreep, dat wij spoedig genoeg te doen zouden hebben. Wij waren nog -niet halverwege de vlakte door, toen wij in het bosch aan de linkerzijde -van ons, de wolven allerverschrikkelijkst hoorden huilen; en kort daarop -zagen wij een troep van wel honderd regt op ons aankomen, zoo geregeld -als een troep soldaten. Ik wist niet hoe hen best te ontvangen, maar -begreep, dat wij allen een digtgesloten linie moesten maken. Dit -geschiedde in een oogenblik, en nu gelastte ik, dat men slechts om den -anderen man schieten zou, terwijl de anderen zich gereed zouden houden -tot eene tweede losbranding als zij bleven naderen, terwijl dan de -eersten niet hunne geweren laden, maar ieder met eene pistool gereed -zouden staan, want wij hadden ieder een geweer en twee pistolen, dus -konden wij zes maal achtereen vuur geven. Dit was echter niet noodig, -want bij de eerste laag bleef de vijand staan, verschrikt van het vuur -en het schieten; vier waren doodgeschoten en verscheidenen gewond, -gelijk wij aan het bloed op de sneeuw zagen. Daar zij nu stand hielden -en niet terugtrokken, bragt ik mij te binnen, dat mij wel eens verhaald -was, dat de woestste dieren voor de stem van een mensch vreezen; en liet -dus ons geheele gezelschap een luid geschreeuw aanheffen. Dit middel had -het gewenschte gevolg, zij keerden zich om en begonnen af te trekken. -Eene tweede laag van ons deed hen daarop ijlings wegvlugten. - -Dit gaf ons tijd onze wapenen weder te laden, gelijk wij zonder dralen -deden; naauwelijks was dit echter geschied of wij hoorden aan onze -linkerzijde, in hetzelfde bosch doch verder af, weder een -verschrikkelijk geweld, van den kant dien wij moesten heentrekken. De -nacht begon in te vallen, en de duisternis maakte onzen toestand nog -hagchelijker; doch wij konden, toen het rumoer heviger werd, duidelijk -het gehuil dier helsche beesten onderkennen, en plotseling zagen wij -twee of drie troepen wolven, een op zijde, een van achteren en een voor -ons uit, zoodat wij geheel omringd schenen. Daar zij ons echter niet -aanvielen, zetten wij onzen weg voort, zoo snel onze paarden voort komen -konden, hetgeen slechts op een middelmatigen draf was, daar de weg -slecht was. Op deze wijze kwamen wij aan den ingang van het bosch, dat -wij na de vlakte, door moesten trekken, maar wij zagen met leede oogen, -toen wij bij den engen weg of laan, die er door liep, kwamen, dat vlak -aan den ingang eene groote troep wolven stond. Plotseling hoorden wij -van eene andere opening in het bosch een geweerschot, en een paard met -zadel en toom kwam er uitvliegen als de wind met zestien of zeventien -wolven achter zich. Het paard liep sneller, maar kon het niet lang zoo -uithouden, en zij moesten het weldra inhalen. - -Toen wij daarop den ingang, waar het paard uitgekomen was, binnengereden -waren, zagen wij een verschrikkelijk tooneel. Wij vonden nog een paard -en twee menschen, die de wolven verscheurden. Ongetwijfeld had een der -mannen het geweer afgeschoten, want dit lag naast hem, doch de wolven -hadden hem reeds half verslonden. Vol afgrijzen wisten wij eerst niet -wat te doen, doch de wolven lieten ons weinig tijd van beraad, want zij -verzamelden zich om ons heen, en schenen ons tot hunne prooi uitgekozen -te hebben. Ik geloof, dat er wel driehonderd waren. Tot ons geluk lagen -digt bij den ingang van het bosch eenige zware boomstammen, die den -vorigen zomer zeker geveld en nog niet weggehaald waren. Ik plaatste -mijne kleine troep achter deze, en vormde zoo een driehoekig front met -de paarden in het midden. Het was tijd, want weldra kwamen zij met een -dof gegrom aanzetten en beklommen onze borstwering, als waren zij zeker -van hunnen buit. Het schijnt, dat zij vooral woedend werden door onze -paarden achter ons te zien. Ik gelastte, dat men om den anderen man -weder zou vuren, en ieder mikte zoo goed, dat bij de eerste losbranding -verscheidene wolven sneuvelden, maar wij moesten aanhoudend doorvuren, -want de achtersten dreven de voorsten aanhoudend als ware duivels -vooruit. Bij onze tweede losbranding schenen zij tot staan gebragt, maar -het was slechts voor een oogenblik, want er kwamen weder anderen -opzetten, dus deden wij twee losbrandingen met onze pistolen, en doodden -geloof ik wel zeventien of achttien en kwetsten zeker eens zooveel, maar -toch kwamen er meer opzetten. - -Ik wilde ongaarne onze laatste losbranding te haastig geven, dus riep ik -mijn knecht, niet Vrijdag, want die was beter bezig met mijn geweer en -het zijne telkens met de grootste vlugheid weder te laden, maar de -ander, gaf hem een kruidhoorn, en gelastte hem onder den boomstam een -breeden loop kruid te leggen. Hij deed dit en was naauwelijks weg, of de -wolven kwamen opzetten en sommigen er opspringen, toen ik eene pistool -op het kruid losbrandde, en dat ontstak. Die op den stam waren, vielen -gezengd neder, verscheidene sprongen tot midden onder ons. Deze werden -dadelijk afgemaakt en de overigen waren zoo verschrikt van het vuur, dat -zij een weinig terugtrokken. Hierop gelastte ik al onze pistolen gelijk -af te vuren en tevens hard te schreeuwen, waarop de wolven het hazenpad -kozen, en wij op een twintig gekwetsten aanvielen, die op den grond -lagen, en ze in een oogenblik afmaakten, hetwelk een gelukkig gevolg -had, want hun gekerm en gehuil werd door hunne makkers zeer goed -begrepen, die de vlugt kozen en ons verlieten. - -Wij hadden zeker zestig wolven gedood, en zouden, zoo het dag geweest -was, er nog meer nedergeveld hebben. Na dus ruim baan gemaakt te hebben, -trokken wij weder vooruit, want wij hadden nog ongeveer een uur gaans -voor ons. Onderweg hoorden wij de hongerige beesten gestadig huilen, en -verbeeldden ons somtijds ze te zien, doch konden dit niet zeker zeggen, -daar onze oogen van de schittering der sneeuw verblind waren. Een uur -later kwamen wij in het dorp, waar wij ons nachtverblijf moesten houden, -en hier vonden wij alles in onrust en beweging, want den vorigen nacht -waren eenige wolven en beeren tot in het dorp doorgedrongen en hadden -hun een doodschrik op het lijf gejaagd, en zij waren verpligt altijd en -vooral des nachts de wacht te houden, ten einde hun vee en hun eigen -leven te beveiligen. - -Den volgenden morgen was onze gids zoo ziek en zijne kwetsuren zoo -ontstoken, dat wij niet verder voort konden, dus waren wij verpligt een -nieuwen gids aan te nemen en naar Toulouse te gaan, waar wij weder in -een warm luchtgestel en een aangenaam, vruchtbaar land waren. Maar toen -wij te Toulouse ons wedervaren verhaalden, zeide men ons, dat dit in het -groote bosch aan den voet van het gebergte, niets ongewoons was, vooral -als de grond met sneeuw bedekt was. Maar men vroeg ons, welk slag van -een gids wij gevonden hadden, die het had durven wagen ons in dat -strenge jaargetij te geleiden en verzekerde, dat het een wonder was, dat -wij niet allen verongelukt waren. Toen wij verhaalden, welke stelling -wij hadden aangenomen en onze paarden in het midden geplaatst hadden, -keurden zij dit sterk af, en zeiden dat het vijftig tegen een was, dat -wij niet allen verscheurd waren geworden; want de wolven zijn vooral zoo -verhit op paarden, maar anders zeer bang voor geweerschoten. Daar zij -echter uitgehongerd waren, had de trek naar paardenvleesch hen het -gevaar doen verachten, en zonder ons aanhoudend vuur en den loop -buskruid zouden wij hoogst waarschijnlijk allen verscheurd zijn. In -allen geval zouden wij, als wij onze paarden in den steek hadden -gelaten, en gezamenlijk afgetrokken waren, veilig hebben kunnen -aftrekken, vooral met onze vuurwapens en in zoo groot getal zijnde. Wat -mij betreft, ik heb nimmer grooter gevaar onder de oogen gezien, want -toen ik driehonderd duivels huilende en met open muil op ons zag afkomen -en geenerlei beschutting of veiligen aftogt voor ons zag, hield ik mij -voor verloren, en liever dan weder het gebergte over te trekken, zou ik -duizend mijlen ter zee afleggen, al wist ik ook, dat ik alle weken een -storm zou moeten doorstaan. - -Ik zou van mijne reis door Frankrijk niets kunnen mededeelen, dan -hetgeen anderen beter vóór mij gedaan hebben. Ik reisde van Toulouse -naar Parijs en kwam kort daarop te Calais en landde veilig te Dover den -14 Januarij, na veel koude uitgestaan te hebben. Thans was mijn doel -bereikt, en ik spoedig in het bezit van mijn sedert kort ontdekten -rijkdom, daar de medegebragte wissels weldra allen betaald werden. Mijne -voornaamste raadsvrouw was thans weder de goede oude weduwe, die vol -dankbaarheid voor het geld dat ik haar gezonden had, geene moeite of -zorg te groot voor mij achtte, en daar ik op hare onkreukbare -eerlijkheid bouwen kon, kon ik haar gerust alles toevertrouwen. - -Ik schreef thans aan mijn vriend in Lissabon over den verkoop mijner -plantaadje, en op zijn raad bood ik die aan de zoons van mijne -gemagtigden te koop aan. Deze namen mijn eisch aan, en deden mij door -een bankier te Lissabon drie-en-dertig duizend stukken van achten -daarvoor toekomen, terwijl de lijfrente van honderd moidores aan den -kapitein en vijftig aan zijn zoon als eene grondrente ten laste van de -plantaadje bleven. - -Aldus eindigde het eerste deel van een wisselvallig leven, een blijk van -de bestieringen der Voorzienigheid, en welks lotwisselingen zelden -geëvenaard zijn. Dwaselijk begonnen, eindigde het gelukkiger dan eenig -gedeelte van hetzelve mij reden gaf te verwachten. - -Men zou denken, dat ik in een toestand, zoo gezegend in alle opzigten, -buiten alle gevaren was, en dit zou ook zoo geweest zijn als ik niet tot -een zwervend leven bestemd was geweest. Ik had vrouw noch kinderen, -weinig bloedverwanten, en hoezeer rijk, weinig bekenden, en schoon ik -mijne plantaadje verkocht had, lag Brazilië mij nog altijd in het hoofd. -Nog meer verlangde ik mijn eiland weder te zien en te vernemen of de -arme Spanjaards daar gekomen, en hoe zij door de daar achtergelaten -schurken behandeld waren. - -De ernstige raadgevingen der weduwe weêrhielden mij zeven jaren lang -hiervan, gedurende welken tijd ik twee neven, kinderen van een mijner -broeders, naar mij nam. De oudste, die eenig vermogen bezat, voedde ik -als een heer op, en vermaakte hem een deel van mijne bezittingen; den -jongste gaf ik aan een scheepskapitein mede, en toen hij na vijf jaren -een knap, bedaard en ondernemend jongman was, plaatste ik hem op een -schip als kapitein, en zond hem naar zee. Deze jonge knaap verlokte mij -naderhand, zoo oud als ik was, tot verdere avonturen. - -Middelerwijl had ik mij in Engeland nedergezet, en was in het huwelijk -getreden, en dat zeer tot mijn genoegen, want mijne vrouw schonk mij -twee zonen en eene dochter. Maar mijne vrouw stierf, en mijn neef kwam -terug van eene voorspoedige reis naar Spanje, en mijne neiging en zijn -aanhouden verlokten mij, om als koopman naar Oost-Indië scheep te gaan. -Dit was in 1694. - -Op deze reis bezocht ik mijne nieuwe kolonie, zag mijne opvolgers, de -Spanjaarden, vernam hunne geheele geschiedenis en die van de -achtergelaten kerels; hoe zij eerst de Spanjaards plaagden, daarna vrede -maakten, weder twist zochten, dien bijlegden en weder hernieuwden, tot -eindelijk de Spanjaarden, tot geweld genoodzaakt, hen aan zich -onderwierpen; hoe goed zij door deze behandeld werden; een verhaal even -buitengewoon als mijn eigen leven; vooral van hunne gevechten met de -Caraïben, die verscheidene malen op het eiland landden; de verbeteringen -door hen daarop gemaakt, en hoe vijf hunner een togt naar het vasteland -deden, en elf mannen en vijf vrouwen als gevangenen medebragten, waarvan -het gevolg was, dat ik bij mijne komst een twintigtal jonge kinderen op -het eiland vond. - -Ik bleef er ongeveer twintig dagen, en liet hen allerlei -noodwendigheden, vooral wapens, kruid en lood, gereedschappen, kleederen -en twee handwerkslieden, een timmerman en een smid, die ik uit Engeland -medegebragt had. Voorts verdeelde ik het eiland onder hen, doch behield -den eigendom van het geheel voor mij, en na alles met hen geschikt en -hen verzocht te hebben het eiland niet te verlaten, verliet ik hen. -Daarop deed ik Brazilië aan, vanwaar ik met een daar gekocht scheepje, -behalve vele andere zaken, hun zeven vrouwen toezond, hetzij als -dienstboden of om als echtgenooten te nemen. Den Engelschen beloofde ik -eenige wouwen uit Engeland te zullen zenden, als zij daar wilden -blijven, hetgeen mij later niet mogelijk was. Deze knapen gedroegen zich -zeer goed nu zij onder strenge tucht stonden. Ook zond ik hun uit -Brazilië vijf koeijen, waarvan drie kalven moesten, eenige schapen en -varkens, die bij mijne wederkomst zich aanmerkelijk vermeerderd hadden. - -Doch dit alles, en hoe driehonderd Caraïben het eiland overvielen, hen -eerst versloegen, één hunner doodden, en hunne aanplantingen vernielden; -doch hoe later een storm des vijands kanoes vernielde, deze door honger -en hunne geweren gedood werden, en zij weder in het bezit van het -eiland geraakten; dit alles, met nog eenige buitengewone lotgevallen -van mijzelven, gedurende nog tien jaren, zal ik misschien later -verhalen. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van -Robinson Crusoe, t. 1 (of 2), by Daniel De Foe - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 1 *** - -***** This file should be named 41427-8.txt or 41427-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/1/4/2/41427/ - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/41427-8.zip b/old/41427-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 8cab816..0000000 --- a/old/41427-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h.zip b/old/41427-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 7ae229a..0000000 --- a/old/41427-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/41427-h.htm b/old/41427-h/41427-h.htm deleted file mode 100644 index e2b3e86..0000000 --- a/old/41427-h/41427-h.htm +++ /dev/null @@ -1,10531 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" - "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> -<!-- $Id: header.txt 236 2009-12-07 18:57:00Z vlsimpson $ --> - -<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="en" lang="en"> - <head> - <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> - <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> - <title> - The Project Gutenberg eBook of Het Leven en de Lotgevallen van Robinson Crusoe, by DanielDeFoe. - </title> - <style type="text/css"> - -body { - margin-left: 10%; - margin-right: 10%; -} - - h1,h2,h3,h4,h5,h6 { - text-align: center; /* all headings centered */ - clear: both; -} - -p { - margin-top: .75em; - text-align: justify; - margin-bottom: .75em; -} - -hr { - width: 33%; - margin-top: 2em; - margin-bottom: 2em; - margin-left: auto; - margin-right: auto; - clear: both; -} - -table { - margin-left: auto; - margin-right: auto; -} - -.blockquot { - margin-left: 5%; - margin-right: 10%; -} - -.bb {border-bottom: solid 2px;} - -.bl {border-left: solid 2px;} - -.bt {border-top: solid 2px;} - -.br {border-right: solid 2px;} - -.bbox {border: solid 2px;} - -.center {text-align: center;} - -.smcap {font-variant: small-caps;} - -.u {text-decoration: underline;} - -.caption {font-weight: bold;} - -/* Images */ -.figcenter { - margin: auto; - text-align: center; -} - -.figleft { - float: left; - clear: left; - margin-left: 0; - margin-bottom: 1em; - margin-top: 1em; - margin-right: 1em; - padding: 0; - text-align: center; -} - -.figright { - float: right; - clear: right; - margin-left: 1em; - margin-bottom: - 1em; - margin-top: 1em; - margin-right: 0; - padding: 0; - text-align: center; -} - - </style> - </head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van Robinson -Crusoe, t. 1 (of 2), by Daniel De Foe - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 (of 2) - -Author: Daniel De Foe - -Release Date: November 21, 2012 [EBook #41427] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 1 *** - - - - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - - - - - -</pre> - - - - -<h1>HET LEVEN</h1> - -<h3>EN</h3> - -<h1>DE LOTGEVALLEN</h1> - -<h3>VAN</h3> - -<h1>ROBINSON CRUSOE,</h1> - -<h3>DOOR</h3> - -<h2>DANIËL DE FOE.</h2> - - -<h4>EERSTE DEEL.</h4> - -<h4>OP NIEUW UIT HET ENGELSCH VERTAALD.</h4> - - -<h5>TE AMSTERDAM, BIJ</h5> - -<h5>J.F. SCHLEIJER.</h5> - -<h5>1843</h5> - - - - -<hr style="width: 65%;" /> - - -<div class="figcenter" style="width: 535px;"> -<img src="images/crusoe_001.jpg" width="535" alt="" title="" /> -</div> - -<div class="figleft" style="width: 189px;"> -<img src="images/crusoe_002.jpg" width="175" alt="" title="" /> -</div> -<p>Ik ben geboren in de stad York, in 1632, van eene deftige familie, die -daar echter niet inheemsch was. Mijn vader was van Bremen afkomstig en -had zich eerst te Hull gevestigd. Na in den koophandel eene tamelijke -fortuin verworven te hebben, liet hij dien varen en ging te York wonen, -waar hij met mijne moeder trouwde, die tot eene deftige oude familie, -Robinson genaamd, aldaar behoorde. Naar deze ontving ik den naam van -Robinson Kreutznaer; maar door eene in Engeland niet ongewone -verbastering van naam, noemde men ons, en noemen en schrijven wij zelven -ons Crusoe; en mijne vrienden hebben mij nimmer anders dan onder dien -naam gekend.</p> - -<p>Ik had twee broeders, die ouder waren dan ik; de oudste diende als -luitenant-kolonel bij een regement voetvolk in Vlaanderen, toen hij in -den slag tegen de Spanjaarden bij Duinkerken sneuvelde. Ik heb nimmer -vernomen wat er van mijn tweeden broeder geworden is, even als mijne -ouders nimmer wisten waar ik gebleven was.</p> - -<p>Ik was de derde zoon en tot geenerlei bedrijf opgeleid, terwijl mijn -hoofd reeds vroeg met allerlei luchtkasteelen opgevuld was. Mijn vader, -die reeds hoog bejaard was, had mij zooveel onderrigt verschaft als hij -kon, zoowel door zijne lessen te huis als door mij op eene school te -laten gaan. Hij had mij tot een regtsgeleerde bestemd, maar ik dacht -alleen aan ter zee te varen; en deze neiging maakte mij zoo doof voor de -wenschen, zelfs voor de bevelen mijns vaders, en al het smeeken en -afraden mijner moeder en mijner bloedverwanten, dat het scheen alsof -hierin een zeker noodlot lag, dat mij aandreef tot het rampzalige leven, -dat ik sedert geleid heb.</p> - -<p>Mijn vader, een bezadigd en verstandig man, deed mij de ernstigste en -uitmuntendste vertoogen, om mij van mijne voornemens af te brengen. Op -een morgen riep hij mij tot zich in zijne kamer, die de jicht hem -belette te verlaten, en onderhield mij dienaangaande op het -nadrukkelijkst. "Welke redenen," vroeg hij, "behalve de dwaze zucht om -de wereld rond te zwerven, drijven u aan uw vaders huis en uw vaderland, -waar gij voortgeholpen kunt worden, door uwe vlijt aangenaam leven, en -een ruim bestaan kunt erlangen. Alleen menschen, die niets te verliezen -hebben of die groote rijkdommen bezitten, mogen zich door gevaarlijke -middelen rijkdom of beroemdheid verwerven; zulke middelen zijn ver boven -u of ver beneden u." Hij voegde er bij, dat ik tot den middelstand -behoorde, dat is tot dien, welke den hoogsten trap onder de mindere -klassen beslaat; een staat, die de ervaring hem geleerd had, dat de -gelukkigste voor den mensch is; dewijl men er niet blootgesteld is aan -den zwaren arbeid en de ontberingen, waaraan zij, die van hunnen -handenarbeid leven, zich moeten onderwerpen, en te gelijker tijd bevrijd -blijft van de weelde, en den hoogmoed, en de afgunst van iedereen, -waaraan de grooten blootstaan. "Alleen hieruit," zeide hij, "kunt gij -over het geluk van dezen staat oordeelen, dat dikwijls koningen de -treurige gevolgen van hunnen verheven stand hebben betreurd, en -gewenscht, dat zij in het midden tusschen grootheid en geringheid waren -geboren. Het beste boek getuigt ook van het geluk van dezen staat, als -de wijze den Hemel smeekt hem noch armoede noch rijkdom te geven."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crusoe_003.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Hij deed mij wijders opmerken, dat de zwaarste rampen gewoonlijk de -hoogste en laagste standen der maatschappij troffen; maar dat de -middelklasse de minste lotwisselingen onderging, en veel minder bloot -stond aan een aantal ziekten en kwalen van ligchaam en geest, die bij de -grooten door ondeugden, verwenning en onmatigheid, en aan den anderen -kant bij de geringen door slecht voedsel, gebrek en zwaren arbeid, -worden voortgebragt. "De middelstand," zeide hij, "is volkomen geschikt -om alle deugden te ontwikkelen, en alle soort van genoegens op te -leveren; rust en overvloed zijn de natuurlijke gevolgen van een -middelmatig fortuin; bezadigdheid, matigheid, gemoedsrust, alle -maatschappelijke genoegens gaan daarmede gepaard. Langs dezen weg gaat -men onopgemerkt en zonder moeite de wereld door, bevrijd van zwaren -hand- en hoofdarbeid, niet gedoemd tot eene dagelijksche slavernij om -zijn brood te verdienen, noch tot zulke ingewikkelde zaken, die de ziel -van haren vrede, het ligchaam van zijne rust berooven; verwijderd van de -knagingen der afgunst, niet verteerd door bedekte eerzucht; aldus -wandelt men welgemoed het leven door, smaakt de zuiverste geneugten des -levens, gevoelt zijn geluk en leert dagelijks zijn lot meer naar waarde -schatten."</p> - -<p>Hierop drong hij ernstig en op de liefderijkste wijze er bij mij op aan, -dat ik niet als een loszinnige jongen zou handelen, en mij niet in -ellenden zou storten, voor welke de natuur, en de staat waarin ik -geboren was, mij behoedden. Hij zeide, dat ik niet noodig had mijn brood -te zoeken, dat ik op zijne ondersteuning rekenen kon, en hij zijn best -zou doen mij in den staat, dien hij mij zoo aangeprezen had, te stellen. -"Zoo gij niet in een onbezorgden toestand geraakt," zeide hij, "zal het -alleen uw eigen schuld en ik er niet verantwoordelijk voor zijn. Ik heb -mijn pligt gedaan door u te waarschuwen tegen stappen, die ik weet dat -tot uw ongeluk leiden. In een woord, ik wil veel voor u doen, als gij u -hier naar mijn wensen wilt nederzetten; maar ik wil niets tot uw ongeluk -bijdragen, door u de uitvoering uwer voorgenomen zwerftogten gemakkelijk -te maken." Eindelijk hield hij mij het voorbeeld van mijn oudsten -broeder voor oogen, bij wien hij dezelfde drangredenen had aangevoerd, -om hem van zijn vertrek naar het leger in de Nederlanden terug te -houden, waar hij zijn dood had gevonden. Hij verzekerde mij, dat hij -nimmer zou ophouden voor mijn welzijn te bidden, maar dat hij mij durfde -voorspellen, dat, zoo ik den onzinnigen stap, waartoe ik voornemens -scheen, uitvoerde, ik niet op 's Hemels zegen hopen mogt, en dat het -naderhand mij eenmaal zou berouwen, dat ik zijn raad niet gevolgd had, -als ik in het ongeluk geraakte en niemand mij te hulp kwam.</p> - -<p>Bij dit laatste deel van zijne rede, die inderdaad door de uitkomst -volkomen bevestigd werd, schoon mijn vader dit zelf niet vermoeden kon, -zag ik dat de tranen hem over het gelaat stroomden, vooral toen hij van -mijn gesneuvelden broeder sprak; en toen hij van mijn berouw in later -tijd gewaagde, en dat mij alsdan niemand zou te hulp komen, was hij zoo -aangedaan, dat hij het gesprek afbrak, en mij verklaarde, dat zijn hart -te vol was en hij niet meer spreken kon.</p> - -<p>Ik was ernstig getroffen door dit gesprek, en wie zou dit niet geweest -zijn? Ik besloot er niet meer aan te denken het land te verlaten, maar -mij er, zoo als mijn vader verlangde, te vestigen. Maar helaas, in -weinige dagen was deze indruk geheel uitgewischt, en om mijns vaders -verwijtingen te ontgaan, vormde ik het besluit stilletjes de vlugt te -nemen. Ik handelde echter niet zoo overijld, als mijne eigene drift mij -wel aandreef. Ik maakte mij een oogenblik ten nutte, waarin mijne moeder -mij beter geluimd dan gewoonlijk toescheen, om haar te bekennen, dat het -verlangen, de wereld te zien, mijne ziel zoo geheel had ingenomen, dat -het mij onmogelijk zou zijn mij op iets toe te leggen met die -standvastigheid, die tot het welslagen vereischt wordt; dat mijn vader -beter zou doen mij zijne toestemming te geven, dan mij te dwingen zonder -dezelve te vertrekken; dat ik thans achttien jaren oud en het dus te -laat was om als leerling bij een koopman, of klerk bij een regtsgeleerde -te gaan, en dat, zoo ik mij tot het een of ander vak begaf, ik gewis dit -vóór het einde van mijn leertijd zou vaarwel zeggen; en dat, zoo zij -mijn vader wilde overhalen mij eene enkele reis buiten 's lands te laten -doen, ik bij mijne terugkomst, zoo deze levenswijs mij niet beviel, -haar zou vaarwel zeggen, en door verdubbelde vlijt den verloren tijd -inhalen.</p> - -<p>Bij deze mededeeling werd mijne moeder zeer boos. Zij zeide mij, dat het -niet baten zou mijn vader hierover te spreken, want dat deze te wel mijn -waar belang kende, om zulke schadelijke ontwerpen te bevorderen; zij -begreep niet hoe ik er nog aan durfde denken, na hetgeen mijn vader mij -had voorgehouden, en na de woorden van genegenheid, waarvan hij zich -alstoen bediend had. "Wilt gij u overigens volstrekt ongelukkig maken," -zeide zij, "niemand kan het u beletten, maar gij kunt verzekerd zijn, -dat wij daarin nimmer zullen toestemmen; wat mij betreft, ik zal nimmer -tot uw verderf de hand leenen, en gij zult nimmer kunnen zeggen, dat uwe -moeder goedvond wat uw vader afgekeurd heeft."</p> - -<p>Hoewel nu mijne moeder weigerde mijn voornemen aan mijn vader mede te -deelen, heb ik naderhand vernomen, dat zij hem ons geheele gesprek had -verhaald, en dat hij, na vele blijken van droefheid, gezegd had: "Dit -kind kon zeer gelukkig leven als hij hier bleef; maar als hij ons -verlaat, kan hij de ongelukkigste mensch der wereld worden; ik kan er -niet in toestemmen."</p> - -<p>Ik bleef nog bijkans een jaar in huis, zonder te trachten mijne boeijen -te verbreken, maar altijd halsstarrig het oor sluitende voor elk -voorstel, om mij op het een of ander toe te leggen. Dikwijls stelde ik -mijnen ouders voor, dat zij verkeerd deden met zich zoo te verzetten -tegen mijne besliste neiging. Eindelijk was ik eens te Hull, waar ik -toevallig, en zonder oogmerk om weg te loopen, was heengegaan; en vond -daar een mijner schoolmakkers, die over zee naar Londen ging in een -schip, dat zijn vader toekwam. Hij noodigde mij uit hem te vergezellen, -met de gewone drangreden van een zeeman, namelijk, dat de overtogt mij -niets zou kosten. Zonder alstoen mijne ouders te raadplegen, zonder hen -kennis te geven van mijn vertrek, liet ik het aan het toeval over, -wanneer en op welke wijze zij hiervan berigt zouden bekomen; zonder te -denken om mijns vaders zegen of dien van God te vragen, zonder op de -omstandigheden of gevolgen van mijn stap te letten, en God weet het, te -kwader ure, den 1en September 1651, begaf ik mij scheep op het naar -Londen bestemde vaartuig.</p> - -<p>Nimmer begonnen de ongelukken van een jongen avonturier spoediger, noch -duurden langer dan de mijne. Naauwelijks waren wij de haven uit, of de -wind begon op te steken en de zee geweldig hoog te gaan; en daar ik voor -de eerste maal op zee was, werd ik allerijsselijkst ziek en benaauwd. Ik -begon thans ernstig te bedenken wat ik gedaan had, en ik gevoelde hoe -welverdiend de straf was, die de Hemel mij toeschikte, omdat ik op eene -zoo laakbare wijs mijn vaders huis en mijn pligt verlaten had. Al de -goede raadgevingen mijner ouders, de tranen mijns vaders, de gebeden -mijner moeder kwamen mij voor den geest, en mijn geweten, dat nog niet -zoo verhard was als naderhand, verweet mij, dat ik wijzen raad -veronachtzaamd, het vaderlijk gezag miskend en Gods wetten overtreden -had.</p> - -<p>Middelerwijl werd de storm steeds heviger, en de zee begon zeer hoog te -gaan, hoewel op verre na zoo niet, als ik het later meermalen heb -gezien, en het weinige dagen daarna reeds bijwoonde, maar toch genoeg om -iemand als ik, die nimmer op zee geweest was, angst aan te jagen. Bij -elke golf verwachtte ik, dat zij ons zou inzwelgen, en als het schip van -voren tot op den bodem der zee zonk, zoo als ik mij verbeeldde, dacht -ik, dat het zich nimmer zou opheffen. In deze oogenblikken van angst -deed ik menigmaal de gelofte, dat als het God behaagde mij op deze reis -te sparen, ik, zoodra ik voet aan wal zette, dadelijk naar mijn vaders -huis gaan en nimmer weder een schip betreden zou, maar mij naar zijn -raad gedragen en mij nimmer weder in zulk gevaar begeven. Thans zag ik -duidelijk hoe waar mijn vader gesproken had over den middelstand, hoe -gerust hij zijne dagen gesleten had, evenzeer behoed voor de stormen des -oceaans, als voor de zorg en onrust van het land. Ik besloot dus, met -een opregt berouw, als de verloren zoon, naar mijn ouders huis terug te -keeren.</p> - -<p>Deze goede en verstandige voornemens duurden zoo lang de storm aanhield -en zelfs nog eenigen tijd daarna, maar den volgenden dag werd de wind -bedaard, de zee werd kalm, en ik begon er mij aan te gewennen; echter -was ik dien geheelen dag zeer ernstig, want ik was nog een weinig -zeeziek. Tegen den avond klaarde de lucht op, de wind ging geheel -liggen, en het werd een verrukkelijk schoone avond. De zon ging -onbewolkt onder en even zoo den volgenden dag op. Hare stralen vielen op -eene effene en kalme zee, een zacht windje dreef ons voort, en dit -schouwspel scheen mij het heerlijkste wat ik immer zag.</p> - -<p>Ik had goed geslapen; ik was niet ziek meer, en zag met eene vrolijke -verbazing die zee, die gisteren zoo onstuimig en verschrikkelijk, en -heden zoo schoon en rustig was. Mijn vriend, die mij werkelijk weggelokt -had, en zeker vreesde, dat mijne goede voornemens zouden stand houden, -kwam thans bij mij, en zeide: "Wel, Robinson, hoe gaat het u thans? Ik -wed dat gij gisteren, toen wij die bui hadden, bang waart?"—"Noemt gij -dat eene bui?" vroeg ik; "het was waarachtig een verschrikkelijke -storm."—"Een storm, domoor die gij zijt!" hervatte hij, "het geleek er -niet naar. Met een goed schip, en als wij in het ruime sop zijn, -bekommeren wij ons weinig om zulke vlagen. Maar gij zijt een -zoet-waterschipper, Robinson; eene kom punsch zal u dat alles doen -vergeten. Zie eens welk verrukkelijk weder wij thans hebben."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_004.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Om bij dit droevig gedeelte van mijne geschiedenis niet langer stil te -staan, zal ik alleen maar zeggen, dat wij deden als zoo vele zeelieden. -De punsch werd gereed gemaakt, en mijn berouw over het verledene en al -mijne wijze voornemens voor het toekomende, daarin verdronken. In een -woord, gelijk de zee, na het ophouden van den storm, tot hare gewone -kalmte terugkeerde, zoo hervatte ik, na bevrijd te zijn van de vrees, om -door de zee verzwolgen te worden, mijne gewone wijze van denken, en -vergat al de geloften, die ik gedurende mijn angst had afgelegd. Er -waren echter nog oogenblikken, waarin de rede hare heerschappij trachtte -te hernemen, maar ik verzette mij daartegen als tegen eene zwakheid, en -terwijl ik mij aan den sterken drank en het gezelschap mijner makkers -overgaf, geraakte ik weldra van deze vlagen, gelijk ik ze noemde, -ontslagen. Na verloop van vijf of zes dagen had ik over mijn geweten -eene zoo volkomene overwinning behaald, als een jongeling, die van -deszelfs vermaningen ontslagen wenscht te zijn, slechts kon verlangen. -Evenwel moest ik van dien kant nog een anderen aanval doorstaan, en -gelijk gewoonlijk in zulke gevallen geschiedt, wilde de Voorzienigheid -mij alle verontschuldigingen benemen; want zoo ik de genade des Hemels -niet wilde erkennen in den afloop van de voorgaande gebeurtenis, was de -volgende van dien aard, dat de verdorvenste en meest verharde onder ons, -niet weigeren kon, er de kastijdende en reddende hand des Hemels in te -zien.</p> - -<p>Den zesden dag onzer reis kwamen wij op de reede van Yarmouth, daar de -tegenwinden en windstilten ons niet veel hadden doen vorderen, sedert -den storm. Wij waren verpligt op deze reede te ankeren, omdat de wind -voor ons ongunstig was, dat wil zeggen, dat hij Z.W. bleef, gedurende -zeven of acht dagen. Verscheidene groote schepen van New-Castle bleven -daar om dezelfde reden als wij liggen. De wind, die eerst stevig, en -vervolgens allerhevigst was, verhinderde ons den Teems op te varen; -maar de ankergrond was goed (deze reede wordt zoo veilig geacht als eene -haven) en ons ankertouw was stevig; zoodat ons volk niet het minste -gevaar duchtte en volgens de gewoonte der matrozen, den tijd sleet met -allerlei vrolijkheid. Eindelijk werd den achtsten dag, des morgens, de -wind zoo hevig, dat alle man aan het werk moest om de stengen te -strijken, ten einde den wind zoo weinig vat als mogelijk te laten. Tegen -den middag ging de zee vreesselijk hoog, ons schip kreeg verscheidene -stortzeeën over, en eens of twee malen dachten wij dat het anker te huis -kwam, zoodat de schipper besloot het plegtanker te laten vallen, waarop -wij met twee ankers vooruit lagen en met de touwen tot aan het einde -uitgestoken.</p> - -<p>Weldra stak er een allervreesselijkste orkaan op, en thans zag ik op de -gezigten der matrozen zelve schrik en neêrslagtigheid. De kapitein hield -zich ijverig met de zorg voor zijn vaartuig bezig, maar ik hoorde hem -binnen 's monds zeggen, terwijl hij digt langs mij heen, in de kajuit -ging: "Heere, heb medelijden met ons! het is met ons gedaan! alles is -verloren!" en dergelijke uitdrukkingen meer. In de eerste oogenblikken -van verwarring, was ik als verplet op de kooi in mijne hut -nedergevallen. Wat ik gevoelde, zou ik onmogelijk kunnen beschrijven. -Het kostte mij moeite mijn vorig berouw te herdenken, en ik trachtte mij -daartegen te verharden. Ik zeide tot mijzelven, dat de eerste bitterheid -van den angst voorbij was, en dat deze onrust niets zou zijn in -vergelijking van de eerste. Maar toen ik den kapitein zelf hoorde -zeggen, dat wij allen in gevaar waren van te vergaan, gevoelde ik een -ontzettenden angst. Ik vloog uit de kajuit, sloeg de oogen rondom mij en -zag een allerverschrikkelijkst schouwspel. De golven gingen berghoog, en -braken om de drie of vier minuten over ons schip. Waar ik de oogen -wendde zag ik niets dan nood. Twee zwaar geladen schepen, digt bij ons, -hadden hunne masten tot op het dek gekapt, en de matrozen riepen dat een -ander vaartuig, dat op eene mijl ongeveer voor ons lag, aan het zinken -was. Twee anderen, die van hunne ankers geslagen waren, waren in zee -gedreven, ten speelbal van wind en golven, daar geen hunner een mast -had opstaan. De ligtste vaartuigen hadden het minst te lijden, doch van -deze sloegen eenigen los en kwamen digt langs ons heen, terwijl zij met -de fok alleen bijgezet, voor den wind afliepen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 400px;"> -<img src="images/crusoe_005.jpg" width="400" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Tegen den avond verzochten de stuurman en de bootsman den kapitein, dat -zij den fokkemast mogten kappen; waartoe hij weinig lust had; doch de -bootsman beweerde, dat, zoo het niet gebeurde, het schip zinken moest. -Toen het geschied was stond de groote mast zoo los, en gaf het schip -zulke geweldige rukken, dat wij verpligt waren dien ook te kappen, en -niets op het dek te laten.</p> - -<p>Men kan zich ligt voorstellen in welken toestand ik was, terwijl dit -alles voorviel; ik, pas op zee gekomen, en die zoo kort geleden zoo veel -angst had uitgestaan. Doch, bijaldien ik na een zoo lang tijdverloop, de -denkbeelden, die mij toen bezig hielden, mij nog kan te binnen brengen, -dunkt mij, dat mijn vorig berouw en de verstoktheid, waarmede ik dit had -laten varen, mij tienmaal meer kwelling veroorzaakten, dan het naderen -van den dood; deze denkbeelden, gevoegd bij het woeden van den storm, -bragten mij in een toestand, die niet door woorden kan beschreven -worden. Doch het ergste was nog niet gekomen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 400px;"> -<img src="images/crusoe_006.jpg" width="400" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De storm bleef met zooveel woede aanhouden, dat de zeelieden zelf -erkenden nimmer een heviger te hebben bijgewoond. Ons schip was goed, -maar het was zwaar geladen, en het zonk zoo diep, dat de matrozen elk -oogenblik riepen, dat het naar den bodem zou gaan. De storm was -zoodanig, dat ik zag, wat men niet dikwijls ziet, den kapitein, den -stuurman, den bootsman, en eenigen der verstandigsten van het volk, -geknield hunne gebeden opzeggen en zich voorbereiden op een graf in den -oceaan.</p> - -<p>Midden in den nacht, en bij al onzen nood, riep een van het volk, die -hierom naar omlaag was gezonden, dat wij een lek hadden; een ander -zeide, dat er vier voet water in het ruim stond. Daarop werd iedereen -aan de pompen geroepen. Bij dit woord ontzonk mij het hart, en ik viel -achterover, van den rand der kooi, waarop ik zat, in de hut. De matrozen -echter riepen mij en zeiden, dat schoon ik tot hiertoe tot niets nut was -geweest, ik thans even zeer in staat was te pompen als een ander. Ik -stond dadelijk op, strompelde naar de pomp en ging ijverig aan het werk. -Terwijl dit gebeurde, zag de kapitein eenige ligte kolenschepen, die -niet in staat zijnde den storm uit te rijden, hunne ankers hadden laten -glippen en naar zee gingen, terwijl zij digt langs ons heen liepen. Hij -gaf last een noodschot te doen. Ik, die niet wist wat dit beteekende, -dacht dat het schip in tweeën scheurde, of iets dergelijks; kortom ik -ontstelde zoo, dat ik in flaauwte viel. Iedereen had thans genoeg aan -zijn eigen leven te denken, niemand zag naar mij om, of dacht er aan wat -er van mij geworden was; een ander kwam mij aan de pomp vervangen en -stiet mij met zijn voet ter zijde, denkende, dat ik dood was, en het -duurde lang voor ik weder tot mij zelve kwam.</p> - -<p>Wij werkten voort, maar het water klom. Het was blijkbaar, dat wij -moesten zinken, en hoewel de storm een weinig bedaard was, was het niet -mogelijk dat het schip drijvende kon blijven, totdat wij eene haven -konden bereiken. De kapitein bleef derhalve noodseinen doen, en een -klein schip, dat voor ons had gelegen, waagde het ons eene boot toe te -zenden. Met het grootste gevaar naderde deze ons, maar het was ons -onmogelijk er in te gaan, en voor de boot, bij ons op zijde te komen -liggen; tot eindelijk het volk zoo hard roeide, dat zij met levensgevaar -ons zoo nabij kwamen, dat wij een touw, met een boei er op gestoken, -hun konden toewerpen; na veel moeite en gevaar maakten zij het vast, en -wij haalden hen digt achter ons en gingen er allen in. Wij konden er -niet aan denken het vaartuig, waarvan men ons te hulp was gekomen, te -bereiken, en besloten dus de boot te laten drijven en zoo veel mogelijk -haar naar den wal te roeijen, en onze kapitein beloofde, dat als de boot -verbrijzelde, hij die aan hunnen kapitein zou betalen. Aldus kwamen wij -deels roeijende, deels drijvende, bij Wintertonness aan wal.</p> - -<p>Wij hadden geen kwartier ons schip verlaten of wij zagen het zinken. -Toen de matrozen zeiden, dat het schip zinkende was, was de moed mij -geheel ontzonken, en van het oogenblik af, dat ik meer in de boot -gedragen dan geleid werd, bleef ik half dood, deels van schrik, deels -van ontzetting, deels van vrees, voor hetgeen nog volgen zou.</p> - -<p>Toen het volk aldus hard aan het roeijen was, om de boot strandwaarts te -brengen, zagen wij, als eene golf onze sloep ophief, eene menigte volks -langs het strand loopen, om ons te hulp te schieten, als wij digter bij -zouden komen. Wij naderden echter slechts langzaam het strand, en -bereikten het eerst voorbij de vuurtoren van Winterton, waar het strand -westwaarts inloopt, en hierdoor een weinig het geweld van den wind -breekt. Niet zonder veel moeite kwamen wij eindelijk behouden aan wal, -en begaven ons te voet naar Yarmouth. Wij werden daar met veel -menschlievendheid behandeld; zoowel door de overheid als door de -kooplieden en reeders van schepen, die geld bijeen bragten, dat voor ons -voldoende was, om naar Londen of terug naar Hull te gaan.</p> - -<p>Was ik nu zoo verstandig geweest, naar Hull terug en vandaar naar huis -te gaan, ik ware gelukkig geweest, en mijn vader zou, even als die in de -gelijkenis van den verloren zoon, zelfs het gemeste kalf geslagt hebben; -want na gehoord te hebben dat het schip, waarop ik gegaan was, op de -reede van Yarmouth was verbrijzeld, duurde het lang, alvorens hij vernam -dat ik niet verdronken was.</p> - -<p>Doch mijn ongelukkig noodlot dreef mij met onweerstaanbaar geweld voort; -en schoon in bezadigde oogenblikken mijne rede en mijn gezond oordeel -mij aanrieden, naar het ouderlijk huis te gaan, kon ik er niet toe -besluiten. Ik weet niet hoe ik dit noemen zal; ik wil ook niet beweren, -dat eene geheime magt ons aandrijft ons in ons verderf te storten, al is -het dat het bloot voor ons ligt en wij er met open oogen ons in begeven. -Zeker kon niets dan eene allerkrachtigste magt mij op de betredene baan -voortdrijven, in weerwil van de grondigste bewijzen, de blijkbaarste -redenen daartegen, en de onloochenbare waarschuwingen, die ik bij mijne -eerste onderneming had ondervonden.</p> - -<p>Mijn vriend, de zoon van den kapitein, die mij vroeger geholpen had de -vermaningen van mijn geweten te smoren, was thans schroomvalliger dan -ik. Daar wij ieder aan het ander einde der stad onder dak gekomen waren, -was ik reeds twee of drie dagen te Yarmouth, alvorens ik hem ontmoette. -Met eene geheel andere stem dan vroeger, vroeg hij mij, op een treurigen -toon, hoe ik voer. Hij zeide daarop aan zijn vader wie ik was, en dat -dit mijne eerste reis was tot een proef, om naderhand buiten 's lands te -gaan. Zijn vader keerde zich tot mij, en zeide op een ernstigen en -treffenden toon: "Jongeling, gij moest nimmer weder naar zee gaan; gij -behoort dit als een zigtbaar teeken te beschouwen, dat gij niet tot een -zeeman bestemd zijt."—"Hoe zoo, mijnheer," zeide ik, "zult gij dan niet -weder naar zee gaan?"—"Dat is iets anders," hernam hij, "het is mijn -beroep, en dus mijn pligt; maar als dit een proefreisje van u was, hebt -gij een voorsmaak van hetgeen de Hemel u bestemd heeft, als gij in uw -voornemen volhardt. Misschien zijn al deze ongelukken ons om uwentwil -overkomen, even als Jona het vergaan van het schip van Tarsis verwekte. -Zeg mij, bid ik u, wie zijt gij, en waarom gingt gij op zee?"—Ik -verhaalde hem het een en ander van mij, en toen ik geëindigd had, riep -hij driftig: "Wat heb ik gedaan, dat zulk een rampzalige bij mij aan -boord moest komen? Voor geen duizend pond zou ik weder een voet met u op -hetzelfde schip willen zetten!" Deze uitbarsting was zekerlijk een -gevolg van zijn geleden verlies, en meer dan hij zeggen mogt. Echter -sprak hij vervolgens zeer bezadigd tot mij, en vermaande mij naar mijn -vader terug te keeren en de Voorzienigheid niet te verzoeken, die zich -zigtbaar tegen mijn voornemen verklaard had. "Wees verzekerd, -jongeling," zeide hij, "dat, zoo gij niet terugkeert, gij overal -teleurstellingen en tegenspoed zult ondervinden, en de voorspellingen -uws vaders nopens u vervuld zullen worden."—Ik antwoordde hem weinig, -en spoedig daarna scheidden wij; ik weet niet waar hij heengegaan is. -Ik, die een weinig geld in den zak had, ging over land naar Londen, en -zoowel onder weg als toen ik daar was, had ik een harden tweestrijd, -welke levenswijze ik thans zou aanvangen, of ik naar mijns vaders huis -of naar zee zou gaan.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crusoe_007.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wat betreft het naar huis gaan: de schaamte weerstond de beste redenen -daartoe; ik stelde mij voor hoe onze bekenden mij zouden uitlagchen, en -hoe beschaamd ik zijn zou, niet alleen om mijne ouders, maar ieder ander -onder de oogen te treden. Later heb ik dikwijls opgemerkt, hoe eenzijdig -en onverstandig de mensch, bijzonder de jeugd, is, namelijk, dat zij -meer schaamte over het berouw dan over hare misstappen gevoelt, en dat -zij niet over hare dwaasheden bloost, maar wel zoo zij die varen laat.</p> - -<p>Ik bleef eenigen tijd weifelend welken weg ik zou inslaan. Ik gevoelde -grooten weerzin in naar huis terug te keeren, en naar gelang het -geheugen mijner tegenspoeden verflaauwde, vermeerderde deze, tot ik -eindelijk alle denkbeeld daaraan varen liet, en ik aan boord ging van -een schip, dat naar de Afrikaansche, of gelijk men gewoonlijk zegt, naar -de Goudkust, bestemd was.</p> - -<p>Mijn grootste ongeluk bij al deze avonturen, was, dat ik niet als -matroos scheep ging; ik had dan wel wat zwaarder moeten werken, maar zou -te gelijker tijd het scheepswerk geleerd, en mij voor onder- of -opperstuurman, of zelfs voor kapitein bekwaam gemaakt hebben. Maar -steeds was het mijn lot den verkeerden weg in te slaan, zoo als ook hier -geschiedde. Ik had nu geld op zak en goede kleederen aan, en wilde dus -altijd als een heer scheep gaan; hier had ik niets te doen en leerde dus -ook niets.</p> - -<p>Bij mijne komst te Londen was ik zoo gelukkig in goed gezelschap te -geraken, hetgeen een loszinnig jongeling zonder opzigt, gelijk ik, niet -altoos te beurt valt. Mijne eerste kennismaking was met den kapitein van -een schip, die van de kust van Guinea teruggekomen was, en eene goede -reis gemaakt en dus besloten had derwaarts terug te keeren. Mijn -voorkomen geviel dezen man, en daar hij van mij hoorde, dat ik verlangde -de wereld te zien, zeide hij, dat, zoo ik met hem wilde gaan, het mij -niets kosten zou; ik kon aan zijne tafel eten, en zoo ik eenige -koopwaren wilde medenemen, die zoo voordeelig mogelijk trachten te -verkoopen; misschien met zoo veel winst, dat dit mij voor liet vervolg -aanmoediging gaf.</p> - -<p>Ik nam dit aan, en hechtte mij naauw aan den kapitein, die een eerlijk -en rondborstig man was. Ik deed de reis met hem, en nam eenige goederen -op avontuur mede; want ik besteedde ongeveer 40 [£] Sterl. aan zoodanige -snuisterijen als hij mij opgaf. Deze 40 [£] Sterl. had ik bijeengebragt -door behulp van eenige mijner bloedverwanten, waarmede ik briefwisseling -hield en die, geloof ik, mijn vader, of althans mijne moeder, -overgehaald hadden mij die som af te staan.</p> - -<p>Dit was, mag ik zeggen, van al mijne avonturen, de eenigste gelukkige -reis, hetgeen ik aan mijn vriend, den kapitein te danken had, van wien -ik eene tamelijke kennis der wiskunde en van de stuurmanskunst leerde. -Ook leerde hij mij het journaal houden, het bestek opmaken, kortom al -wat een zeeman noodig heeft; want hij had even veel vermaak in mij te -onderrigten, als ik in het leeren. In een woord, deze reis maakte van -mij een zeeman en een koopman; want ik bragt vijf pond negen oncen -goudstof voor mijne goederen mede, die mij te Londen 300 guinjes -opbragten. Dit boezemde mij die begeerlijke denkbeelden in, die mij -later in het verderf hebben gestort.</p> - -<p>Echter bleef ik op deze reis zelfs niet van tegenspoed bevrijd, -bijzonder was ik op de kust schier aanhoudend ziek door de geweldige -hitte, die mij eene heete koorts op het lijf joeg.</p> - -<p>Ik was dus thans koopman op de kust van Guinea, en daar mijn vriend -ongelukkig, kort na zijne aankomst, overleden was, besloot ik op zijn -schip, waar de stuurman thans kapitein op geworden was, eene tweede reis -te doen. Nimmer deed iemand ongelukkiger reis. Ik nam slechts voor 100 -[£] Sterl. mede en liet de overige 200 bij mijn vriends weduwe achter, -doch ik onderging vreesselijke tegenspoeden. Eerst toen wij op de hoogte -der Kanarische eilanden, of liever, tusschen deze en de Afrikaansche -kust waren, werden wij in den vroegen morgen een Moorschen roover van -Salé gewaar. Hij maakte jagt op ons, met alle zeilen bijgezet. Wij -zetten ook zoo veel zeilen bij als wij konden voeren; doch bespeurende, -dat de roover op ons won en ons zeker binnen weinige uren bereiken zou, -maakten wij ons gereed om te slaan. Wij hadden twaalf stukken en de -roover achttien.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 375px;"> -<img src="images/crusoe_008.jpg" width="375" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Tegen drie uren des middags was hij bij ons; maar daar hij door een -misslag ons op zijde kwam, in plaats van achter onzen spiegel, bragten -wij acht stukken aan die zijde en gaven hem daarmede de volle laag, die -hem deed afhouden, na ons de laag en het klein geweervuur van -tweehonderd man gegeven te hebben. Niemand was echter bij ons getroffen, -daar al ons volk zich omlaag hield. Hij maakte zich tot een nieuwen -aanval, en wij tot verdediging gereed; doch toen hij ons op de andere -zijde aan boord kwam, enterde hij met negentig man, die dadelijk het -tuig kapten en het dek. Twee maal dreven wij hen met klein geweervuur, -halve pieken, handgranaten, enz., van ons dek af. Eindelijk echter, om -deze treurige geschiedenis te bekorten, was ons schip reddeloos, twee of -drie van ons volk gedood en acht gewond; en wij, genoodzaakt ons over te -geven, werden allen als gevangenen in Salé, eene Moorsche haven op de -Barbarijsche kust, binnengebragt.</p> - -<p>De Mooren behandelden mij niet zoo verschrikkelijk als ik gevreesd had, -en ik werd niet, zoo als al de overigen, naar den keizer gebragt; maar -door den kapitein van den kaper tot zijn slaaf genomen, daar ik jong en -vlug was en hij begreep dienst van mij te zullen hebben. Bij deze -droevige lotwisseling, van een koopman in een armen slaaf, was ik als -verplet; en thans herinnerde ik mij mijns vaders voorzegging dat ik -ongelukkig worden, en niemand mij troosten zou. Ik dacht, dat dit -oogenblik thans gekomen en de straffende hand des Hemels op mij lag. -Helaas, het was slechts eene voorproef van de ellende die mij in 't -vervolg te wachten stond.</p> - -<p>Daar mijn meester mij met zich naar zijn huis genomen had, hoopte ik dat -hij mij mede naar zee zou nemen; en dat hij dan te eeniger tijd door een -Spaansch of Portugeesch schip genomen worden en ik mijne vrijheid -hierdoor verkrijgen zou. Doch deze hoop verdween spoedig, want toen hij -in zee stak, liet hij mij aan den wal om zijn tuintje in orde te houden -en het gewone huiswerk der slaven te verrigten; en toen hij van zijn -kruistogt terug kwam, liet hij mij aan boord slapen om op het schip te -passen.</p> - -<p>Ik dacht aan niets dan aan de vlugt, maar hoe ik zon, ik kon geen -uitvoerlijk middel uitdenken, en ik had niemand met wien ik overleggen -of die met mij gaan kon, want buiten mij was er geen enkele Engelschman, -Ier of Schot. Twee jaren lang bleef ik dan ook het denkbeeld, van te -ontvlugten, koesteren, zonder dat zich immer eene gunstige gelegenheid -voordeed, het uit te voeren.</p> - -<p>Na twee jaren verlevendigde eene gebeurtenis weder al mijne gedachten -van ontvlugting. Mijn meester bleef langer tijd dan gewoonlijk aan wal, -zonder zijn schip uit te rusten, uit gebrek aan geld, naar ik hoorde, en -in dien tijd ging hij een paar malen 's weeks en meer, als het goed -weder was, met de scheepspinas op de reede visschen. Hij nam dan altijd -mij en een jongen Moor mede om te roeijen; wij trachtten dan hem te -vermaken, en daar ik behendig en gelukkig in het visschen was, zond hij -mij somtijds, als hij visch verlangde, met een zijner bloedverwanten en -den knaap op de vischvangst uit.</p> - -<p>Op een morgen waren wij bij stil weder met hem uit visschen, toen er -plotseling zulk een dikke mist opkwam, dat wij de kust uit het oog -verloren, schoon wij er geene halve mijl van af waren. Wij roeiden dus -den geheelen dag en nacht, zonder te weten waarheen, en toen de zon -opkwam zagen wij, dat wij zeewaarts, in plaats van naar den wal, geroeid -hadden, en er wel twee mijlen van af waren. Wij kwamen behouden weder -binnen, schoon niet zonder gevaar en met zwaar werken; en bovenal -duchtig uitgehongerd.</p> - -<p>Hierdoor geleerd, besloot de kapitein in het vervolg voorzigtiger te -zijn, en daar hij de groote boot van ons schip medegenomen had, besloot -hij niet meer zonder een kompas en eenige mondbehoeften uit visschen te -gaan. Hij gelastte hierom zijn scheepstimmerman (een Engelsche slaaf -even als ik), midden in de boot eene hut of roef te bouwen, even als van -een tentjagtje, van achteren met een stuurstoel en van voren plaats voor -een paar man, om de zeilen te hanteren. Deze boot voerde een latijn- of -driehoekig zeil, en de giek liep over de tent, waarin hij met een paar -slaven zitten en slapen kon, en een tafel had om aan te eten en eenige -kastjes, om eenige flesschen drank, benevens rijst, brood en koffij te -bewaren.</p> - -<p>Met deze boot gingen wij dikwijls uit visschen, en daar ik zeer bedreven -er in was, nam hij mij altijd mede. Op zekeren dag zou ik er mede -uitgaan, hetzij om te visschen of alleen tot vermaak, met twee of drie -Mooren van eenigen rang. Hij had derhalve den vorigen avond veel meer -mondbehoeften dan gewoonlijk aan boord gezonden, en mij gelast drie -geweren met kruid en lood, die aan boord van het schip waren, gereed te -leggen, om tevens eenig gevogelte te kunnen schieten.</p> - -<p>Ik maakte alles gereed en den volgenden morgen lag de boot schoon -gemaakt, en met vlag en wimpel, mijn meester en zijne gasten af te -wachten, toen de eerste alleen kwam en mij zeide, dat zijne gasten door -bezigheden verhinderd werden; ik moest dus maar met den matroos en den -jongen, volgens gewoonte, uit visschen gaan, want zijne vrienden zouden -het avondmaal bij hem komen gebruiken. Zoodra ik eenigen visch had, -moest ik naar huis keeren en hem dien brengen.</p> - -<p>Thans kwam het oude denkbeeld van te ontvlugten bij mij weder boven. Nu -ik een vaartuig had en mijn meester weg was, maakte ik alles gereed, -niet om te visschen, maar voor eene reis. Ik wist wel niet waarheen ik -den steven zou wenden, maar hieraan bekreunde ik mij niet, zoo ik -slechts vandaar weg kwam.</p> - -<p>Eerst zocht ik een voorwendsel, om den Moor over te halen, dat hij wat -eten aan boord bragt; ik zeide hem, dat het ons niet paste het eten van -onzen meester aan te spreken. Dat is waar, zeide hij, en bragt een -grooten zak roesk, of Moorsche beschuit, en drie groote kruiken met -water in de boot. Ik wist waar mijn meesters likeurkist stond, die, naar -het maaksel te zien, uit een Engelschen prijs afkomstig was, en bragt -die aan boord terwijl de Moor aan den wal was. Ook nam ik nog een klomp -was van wel vijftig pond aan boord, om kaarsen van te maken, met een pak -garen, eene bijl, een zaag, en een hamer, 't geen ons alles naderhand -voortreffelijk te pas kwam, vooral het was. Ik spande mijn makker nog -een strik, naar hij argeloos in liep. "Muley," zeide ik, "de geweren van -onzen meester zijn aan boord; zoo gij wat kruid en lood verschaffen -kondt, zouden wij misschien voor ons eenige alkamis (eene soort van -wulpen) kunnen schieten, want ik weet dat er kruid en lood aan boord van -het schip is."—"Ja," zeide hij, "ik zal het gaan halen." Hij bragt ook -een lederen zak, die ongeveer anderhalf pond kruid bevatte, en een -anderen met hagel en eenige kogels. Middelerwijl had ik ook nog eenig -kruid in de tent gevonden en daarmede eene flesch gevuld, na hetgeen er -in was, in eene andere overgegoten te hebben.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_009.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Aldus van het noodige voorzien, zeilden wij de haven uit. Aan het -kasteel, dat aan den ingang van de haven ligt, kende men ons, en liet -ons ongehinderd doorgaan, en toen wij een vierde mijl in zee waren, -haalden wij het zeil in en gingen aan het visschen. De wind was N.N.O., -hetgeen ik zeer ongelukkig trof. Zoo hij zuidelijk geweest was, had ik -ligtelijk de Spaansche kust, ten minste de baai van Cadix kunnen -bereiken. Ik besloot echter deze akelige plaats te ontvlugten, hoe ook -de wind zijn mogt, en het verdere aan het lot over te laten.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_010.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Na eenigen tijd gevischt en niets gevangen te hebben, want als ik beet -had, haalde ik niet op, zeide ik tot den Moor: "zoo gaat het niet; dit -zal onzen meester weinig baten, wij moeten dieper in zee gaan." Hij -vermoedde niets kwaads, maar stemde er in toe, en daar hij voor in de -boot was, stelde hij de zeilen. Daar ik aan het roer zat, liet ik het -eene mijl in zee loopen, en draaide toen bij als om te visschen. Ik gaf -daarop den jongen het roer, liep naar voren, bukte als om iets op te -rapen, greep den Moor onverhoeds bij den gordel, en wierp hem over -boord. Hij kwam bijkans op hetzelfde oogenblik boven, want hij zwom als -een visch, en smeekte mij hem op te nemen, terwijl hij zwoer mij overal -ter wereld te willen volgen. Hij zwom zoo vlug, dat hij, daar er weinig -wind was, de boot spoedig ingehaald zou hebben. Ik ging dus naar de -kajuit, haalde er een geweer uit en legde op hem aan. "Zoo gij mij -ongemoeid laat, zal ik u geen kwaad doen," zeide ik, "maar zoo gij de -boot nadert, zal ik u een kogel door het hoofd jagen. De zee is stil, en -gij kunt gemakkelijk naar den wal zwemmen. Ik wil mijne vrijheid weder -hebben." Hij keerde zich om en zwom naar het strand, dat hij zeker zal -bereikt hebben, want hij zwom uitmuntend.</p> - -<p>Ik zou dezen Moor wel hebben kunnen medenemen en den jongen over boord -werpen, maar het was niet raadzaam geweest hem te vertrouwen. Toen hij -weg was zeide ik tot den knaap, die Xury heette: "Zoo gij mij getrouw -wilt blijven, Xury, zal ik een man van u maken, maar zoo gij niet bij -Mahomed en zijn vaders baard mij trouw wilt zweren, zal ik u ook over -boord werpen." De knaap zag mij zoo onschuldig aan, dat ik hem niet kon -wantrouwen, en zwoer mij getrouw te zijn, en tot aan het einde der -wereld te zullen vergezellen.</p> - -<p>Zoo lang ik in het gezigt van den Moor bleef, hield ik het bij den wind, -opdat hij denken zou, dat ik naar den mond van de Straat van Gibraltar -stevende (gelijk ieder verstandig mensch verwachten moest); want wie kon -onderstellen, dat ik zuidwaarts naar de Barbarijsche kust zoude gaan, -waar geheele negerstammen ons met hunne kanoes konden omringen en -dooden; waar wij nimmer aan wal konden gaan, om niet door wilde dieren -of nog woester menschen verslonden te worden?</p> - -<p>Zoodra het echter duister werd, veranderde ik van koers, en stuurde -Z.Z.O., om niet te ver van de kust af te raken. De wind was stevig, de -zee kalm, zoo dat ik geloof, dat ik den volgenden middag te drie uren, -toen ik het eerst land zag, ten minste vijftig mijlen van Salé, buiten -het gebied van den Marokkaanschen keizer of eenig ander vorst was, want -wij zagen niemand.</p> - -<p>De angst en vrees van weder in de handen der Mooren te vallen, weerhield -mij aan land te gaan of te ankeren, ik bleef vijf dagen lang met -denzelfden wind voortzeilen; daar toen de wind zuidelijk liep, besloot -ik, dat, zoo men mij nagejaagd had, de Mooren nu ook de jagt moesten -opgeven. Dus ankerde ik in den mond van een riviertje, ik weet niet op -wat hoogte, noch in welk land of bij wat volk. Ik zag niemand, waar ik -ook niet naar verlangde; zoet water was het voornaamste wat ik noodig -had. Met den avond liepen wij de kreek binnen, en besloten, zoodra het -duister zou zijn, naar den wal te zwemmen, en het land te verkennen; -maar weldra hoorden wij zulk een verschrikkelijk gebrul, gehuil en -geblaf van wilde dieren, welke, was ons onbekend, dat de arme knaap -schier van vrees bezweek en mij bezwoer niet vóór den dag aan land te -gaan. "Ik zal wachten tot het dag is, Xury," zeide ik, "maar dan kunnen -wij menschen ontmoeten, die even kwaad jegens ons gezind zijn als deze -leeuwen."—"Dan zullen wij schieten en ze wegjagen," zeide Xury -lagchende. Hij had van Engelsche slaven wat gebroken Engelsch geleerd. -Ik was blijde, dat hij zoo welgemoed was, en gaf hem een slokje uit mijn -meesters likeurkistje.—Ook scheen zijn raad het verstandigst; dus -lieten wij ons anker vallen en rustten dien nacht; hoewel wij niet -slapen konden, want twee of drie uren later zagen wij groote wilde -beesten, wier naam ons onbekend was, naar het strand komen, en zich in -het water storten als om zich af te koelen, onder een gehuil en gebrul -zoo hevig als ik nimmer gehoord had.</p> - -<p>Xury was half dood van angst en ik ook; maar het werd nog erger, toen -wij een dier geweldige beesten naar onze boot hoorden toezwemmen; wij -konden hem niet zien, maar hoorden zijn verschrikkelijk gesnuif. Xury -zeide, dat het een leeuw was, hetgeen wel waar zijn kon, en riep, dat -wij het anker ligten en wegroeijen moesten. "Neen Xury," zeide ik, "wij -kunnen ons touw laten glippen met een boei er op; hij kan ons niet -vervolgen." Naauwelijks had ik dit gezegd, of ik zag geen twee -riemslengten van mij af het beest, hetgeen mij een weinig van mijn stuk -bragt. Ik ging echter dadelijk in de tent, nam een geweer en schoot op -het dier, dat dadelijk omkeerde en naar het strand zwom.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crusoe_011.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Maar onmogelijk is 't dat akelig gehuil en gebrul te beschrijven, dat -zoowel aan het strand als dieper in het land ontstond, na het geraas van -het schot, iets, wat deze dieren waarschijnlijk nimmer te voren gehoord -hadden. Dit bewees, dat het niet veilig was dien nacht op de kust te -gaan; en hoe het bij dag zijn zou, was eene andere vraag, want het was -even erg in de handen der wilden, als in de klaauwen der leeuwen en -tijgers te vallen; wij althans waren voor beide even bang.</p> - -<p>Wij moesten evenwel hier of daar aan wal gaan, om water in te nemen, -want wij hadden geen pintje meer; de vraag was maar waar wij het zouden -vinden. Xury zeide dat, als ik hem met een der kruiken naar den wal liet -gaan, hij wel water vinden en mij brengen zou. Ik vroeg hem waarom hij -gaan en niet liever in de boot blijven wilde. Hij antwoordde mij met -eene genegenheid, die mij hem voor altijd deed liefhebben: "Als de -wildemans komen, zij mij eten en gij heengaan."—"Neen Xury," zeide ik, -"wij zullen beide gaan, en als de wilden komen zullen wij hen -doodschieten en zij ons geen van beiden eten." Vervolgens gaf ik Xury -een stuk beschuit en een borrel, en wij haalden de boot zoo digt naar -den wal als wij konden, en waadden daarop naar het strand, met niets dan -onze wapenen en twee kruiken om te vullen, bij ons. Naderhand vonden -wij, dat wij zoo veel moeite niet noodig gehad hadden om water, want een -weinig verder in de kreek vonden wij bij laag water het water zoet.</p> - -<p>Ik wilde de boot niet uit het oog verliezen, uit vrees, dat de wilden -met kanoes de rivier af mogten komen, maar de knaap zag een kwartier -uurs verder eene laagte, en liep daarheen; na korten tijd zag ik hem -terug komen. Denkende, dat hij door een verscheurend dier of wilden -vervolgd werd, liep ik naar hem toe, om hem bij te staan. Toen ik echter -digt bij hem kwam, zag ik, dat hij over zijn schouder een dier had -hangen, dat hij geschoten had, naar een haas gelijkende, maar langer van -beenen en anders van haar. Wij waren er zeer mede in onzen schik, want -het leverde ons een uitmuntend middagmaal op. Xury had er vooral zijne -vreugde in, dat hij goed water en geene wilden aangetroffen had.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 400px;"> -<img src="images/crusoe_012.jpg" width="400" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wij vulden dus onze kruiken, aten den haas, dien wij gedood hadden, en -besloten te vertrekken, zonder dat wij eenig spoor van menschen -voetstappen in die landstreek gezien hadden.</p> - -<p>Daar ik reeds eene reis op de kust gedaan had, wist ik, dat de -Kanarische en Kaap Verdische eilanden niet veraf waren; maar daar ik -geen werktuigen had, om hoogte te nemen, wist ik niet juist waar wij -waren, noch op welke hoogte zij lagen, anders had ik gemakkelijk een -kunnen bereiken. Ik hoopte echter het langs de kust te houden, tot daar, -waar de Engelschen handel drijven, en daar een hunner vaartuigen te -ontmoeten.</p> - -<p>Voor zoo veel ik berekenen kon was ik in de landstreek, die tusschen het -gebied van den Marokkaanschen keizer en het land der Negers ligt, en -woest en alleen door wilde dieren bewoond is; daar de Negers haar -verlaten hebben, en uit vrees voor de Mooren zuidelijker getrokken zijn; -terwijl de laatsten haar om hare barheid niet willen bewonen; en er -slechts komen om er groote jagten, met twee- tot drieduizend man, te -houden. Ook zagen wij bij dag niets dan een dor onbewoond land, en -hoorden 's nachts niets dan het gehuil der wilde dieren.</p> - -<p>Eens of twee maal meende ik den Piek van Teneriffe te zien, en had veel -lust te trachten dien te bereiken; maar twee maal werd ik door -tegenwinden teruggedreven, ook ging de zee dan te hoog voor mijne boot, -dus besloot ik mijn eerste voornemen te volgen, en het langs de kust te -houden.</p> - -<p>Verscheidene malen moest ik aan land gaan, om zoet water in te nemen. -Eens lieten wij daarom het anker vallen bij eene hooge landtong. Het was -vroeg in den ochtend, en daar de vloed doorkwam, wilden wij wachten om -dieper landwaarts in te kunnen gaan. Xury, wiens gezigt scherper was dan -het mijne, riep mij zacht en zeide, dat het best ware zoo wij verder van -het strand gingen, terwijl hij mij een verschrikkelijk grooten leeuw -wees, die tegen de zijde van den heuvel lag te slapen. "Ga naar den wal, -Xury," zeide ik, "en schiet dien leeuw dood." Hij beefde echter van -schrik, en zeide: "Hij mij dooden! Ik een mond voor hem." Hij meende een -mond vol. Zonder hem meer te zeggen wenkte ik hem, dat hij stil zou -zijn, en nam mijn grootste geweer, en laadde het met twee kogels en eene -goede lading kruid; even zoo het tweede, en op het derde geweer deed ik -vijf kleinere kogels. Ik mikte zoo goed ik kon met het eerste, om hem in -den kop te treffen; maar daar hij op zijn buik lag, met zijne voorpooten -voor zijn muil, trof ik een van deze op de hoogte van de knie. Brullende -sprong hij op, doch viel dadelijk weder neder; spoedig echter stond hij -weder op drie pooten en liet een allerafgrijsselijkst gebrul hooren. Ik -nam dadelijk het tweede geweer en juist toen hij heen wilde gaan, trof -ik hem in den kop, en had het genoegen hem in stuiptrekkingen te zien -neerzijgen, terwijl hij weinig geluid meer gaf. Toen kreeg Xury weder -moed en wilde, dat ik hem aan wal liet gaan. "Welnu ga," zeide ik. Hij -nam in de eene hand een geweer, zwom met de andere naar het strand, en -bij het dier gekomen, hield hij den tromp van het geweer in zijn oor, en -schoot hem nogmaals door het hoofd, waarop hij dadelijk stierf.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 675px;"> -<img src="images/crusoe_013.jpg" width="675" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het was een fraaije jagt, maar slecht voedsel voor ons, en het speet mij -thans genoeg, dat ik drie ladingen kruid en lood verspild had, om een -dier te dooden, dat ons tot niets nut was. Xury wilde toch iets van hem -hebben, dus kwam hij weder aan boord en verzocht mij om de bijl. "Waarom -Xury?" vroeg ik. "Ik hem den kop afhakken," zeide hij. Dit kon hij -echter niet en dus vergenoegde hij zich met een poot, die waarlijk -monsterachtig groot was.</p> - -<p>Ik bedacht mij echter, dat misschien zijne huid ons van eenige dienst -kon zijn, dus besloot ik hem te villen. Xury en ik gingen aan het werk, -maar Xury verstond zich veel beter op dit werk dan ik. Wij waren er den -geheelen dag mede bezig; maar eindelijk waren wij er mede gereed en -spanden de huid over de tent van onze boot; de zon droogde haar in twee -dagen, en naderhand diende zij mij om op te liggen.</p> - -<p>Vervolgens liepen wij tien of twaalf dagen zuidwaarts, en hielden zeer -zuinig met onze levensmiddelen huis, die echter sterk verminderden, en -gingen alleen aan land als wij water moesten innemen. Ik wilde de rivier -Gambia of Senegal, dat wil zeggen, de hoogte van Kaap Verd bereiken, -omdat ik daar Europesche schepen hoopte te ontmoeten. Zoo dit niet het -geval was, wist ik niet wat te doen, dan de eilanden op te zoeken of -onder de Negers om te komen. Ik wist, dat al de schepen van Europa, naar -de kust van Guinea of Brazilië bestemd, de Kaap Verdische eilanden -naderen. In één woord, ik had geen ander uitzigt, dan de kans van door -een schip gezien te worden of den dood.</p> - -<p>Gelijk gezegd is, had ik tien dagen lang dit plan gevolgd, toen ik begon -te bespeuren, dat het land bewoond was; op twee of drie plaatsen zagen -wij, toen wij voorbij zeilden, volk op het strand staan; zij waren zwart -en geheel naakt. Eens was ik voornemens aan land en naar hen toe te -gaan, maar Xury ried mij ten beste, en zeide: "Niet gaan, niet gaan." -Echter hield ik het digt langs de kust, om tot hen te kunnen spreken, en -zag, dat zij een groot eind weegs mede liepen. Zij waren zonder wapenen, -behalve een man, die een langen dunnen stok in de hand had, welke Xury -mij zeide, dat een werpspies was, en dat zij daar op verren afstand -zeer juist mede weten te treffen; ik hield mij dus op een voegzamen -afstand, maar gaf hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat -eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en -dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk -en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een -halfuur daarna terug, met twee stukken gedroogd vleesch, en eenig koorn, -gelijk het land daar oplevert. Hoewel wij niet wisten wat een van beide -was, wilden wij het gaarne aannemen. Maar de vraag was hoe er aan te -komen, want ik wilde mij niet op het strand tusschen hen wagen, en zij -schenen even bevreesd voor ons. Zij wisten echter raad, want zij bragten -en legden het aan het strand, gingen een groot eind weegs terug tot wij -het aan boord genomen hadden, en kwamen toen weder digter bij ons.</p> - -<p>Wij maakten hun teekens van dankzegging, want anders hadden wij niet; -doch op datzelfde oogenblik had ik gelegenheid hun eene goede dienst te -doen. Toen wij vlak bij het strand lagen, kwamen er twee verschrikkelijk -groote wilde dieren, de een den ander vervolgende (naar het ons -toescheen) van het gebergte zeewaarts loopen. Wij wisten niet of het -mannetje het wijfje achtervolgde, en evenmin of hunne verschijning iets -gewoons of ongewoons was. Ik geloof echter het laatste, want vooreerst -komen de verscheurende dieren zelden anders dan des nachts te -voorschijn; ten tweede waren de Negers, vooral de vrouwen, doodelijk -verschrikt. De man die de lans droeg hield stand, maar al de overigen -sloegen op de vlugt. Echter liepen de dieren regt op de zee aan, zonder -er aan te denken de Negers aan te vallen, en sprongen in het water, naar -het scheen, om zich te verfrisschen. Ten laatste kwam een hunner digter -bij de boot dan ik verwachtte, maar ik was gereed hem te ontvangen, want -ik had zoo spoedig mogelijk mijn geweer geladen, en zeide Xury, dat hij -de beide anderen zou laden. Zoodra hij binnen schot kwam, gaf ik vuur en -trof hem vlak in den kop. Oogenblikkelijk dook hij, doch kwam spoedig -weder boven, hetgeen hij verscheidene malen herhaalde, naar het scheen -met den dood worstelende. Hij trachtte het strand te bereiken, maar vóór -dien tijd was hij reeds dood.</p> - -<p>Het is onmogelijk de verbazing van die arme schepsels te beschrijven, -bij het zien en hooren van mijn schot. Velen schenen half dood van vrees -en vielen van schrik neder. Doch toen zij het dier dood zagen, en ik hun -wees, dat zij naar het water zouden komen, vatten zij moed en begonnen -het dier op te zoeken. Aan het bloed, dat op het water opkwam, bespeurde -ik waar hij lag, en met een touw, dat ik om hem sloeg en de Negers liet -inhalen, sleepten zij het op strand. Het was een bijzonder gevlekte en -schoone luipaard, en de Negers hieven van verbazing, dat ik hem gedood -had, de handen omhoog.</p> - -<p>Het andere beest, door den slag en het vuur van mijn geweer verschrikt, -zwom naar den wal en vloog naar het gebergte, vanwaar het gekomen was. -De verte belette mij te zien welk dier het was. Ik bemerkte spoedig dat -de Negers het luipaardenvleesch eten, en wilde het dus als eene gunst -van mij geven. Toen ik hun door teekens te kennen gaf, dat zij hem nemen -zouden, waren zij er zeer dankbaar voor. Ofschoon zij geen messen -hadden, vilden zij hem met een scherp hout zoo vlug, ja veel vlugger dan -wij het met messen hadden kunnen doen. Zij boden mij een deel van het -vleesch aan, dat ik weigerde en hun door teekens te kennen gaf, dat ik -hun alles schonk, doch ik wees hun dat ik de huid hebben wilde, die zij -mij dadelijk gaven, met eene menigte van hunnen voorraad, dien ik -aannam, zonder te weten wat ik er mede doen zou. Vervolgens gaf ik door -teekens mijn verlangen naar water te kennen, en hield hun ten dien einde -eene onzer ledige kruiken omgekeerd voor, om hun te doen zien, dat die -ledig was, en gevuld moest worden. Zij riepen dadelijk eenigen hunner, -en twee vrouwen kwamen met eene groote pot, van klei gemaakt en in de -zon gedroogd, naar ik denk; deze plaatsten zij voor mij, en ik zond Xury -met mijne kruiken aan het strand, die ze daaruit vulde. De vrouwen waren -zoo wel naakt als de mannen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_014.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik was thans voorzien van wortelen en koorn, zoo als het was, en van -water. Ik verliet dan mijne vriendelijke Negers, en stevende nog elf -dagen in dezelfde rigting, zonder te beproeven de kust te naderen; tot -dat ik het land een groot eind in zee zag loopen, op ongeveer vier of -vijf mijlen voor mij uit. Daar de zee zeer kalm was, hield ik zeewaarts, -om deze landtong om te zeilen. Eindelijk dezelve op ongeveer twee mijlen -van het land omgezeild zijnde, zag ik duidelijk land aan de andere zijde -zeewaarts. Ik besloot dus, gelijk zeker wel het geval zal geweest zijn, -dat dit Kaap Verd was, en dat gindsche eilanden, die waren, welke naar -dezelve Kaap Verdische eilanden heeten. Zij lagen echter op een grooten -afstand; en ik wist niet wat mij best te doen stond, want zoo ik door -eene windvlaag overvallen werd, zou ik nimmer de eene noch de andere -bereiken.</p> - -<p>In deze verlegenheid stapte ik geheel verslagen in de tent en ging daar -zitten, terwijl ik Xury aan het roer had gelaten. Eensklaps riep de -jongen: "Meester, meester, een schip, een zeil!" De arme jongen bestierf -het schier van angst, denkende, dat het niet anders zijn kon dan een van -zijn meesters schepen, uitgezonden om ons te vervolgen. Ik echter wist -wel, dat wij ver genoeg buiten zijn bereik waren. Ik sprong uit de -kajuit, en zag niet alleen dadelijk het schip, maar ook wat het was; -namelijk een Portugeesch schip, en, zoo als ik dacht, naar de kust van -Guinea bestemd, om slaven te halen. Toen ik echter zag welken koers het -hield, werd ik spoedig overtuigd dat het eene andere bestemming had, en -niet voornemens was digter bij de kust te komen. Ik hield het dus -zeewaarts, zoo veel ik kon, met oogmerk, zoo mogelijk, het te praaijen.</p> - -<p>Ik bemerkte dat ik met al het zeil, dat ik voeren kon, bijgezet, nog -niet in hunnen koers kon komen, maar dat zij mij voorbij zijn zouden, -voor ik hun eenig sein had kunnen doen, doch na zoo veel ik kon -opgeloefd te hebben, en toen ik reeds begon te wanhopen, zagen zij, naar -het scheen, mij door hunne kijkers, en dat het eene boot van Europeesch -maaksel was, die zij onderstelden dat een schip moest behooren, dat -vergaan was; dus minderden zij zeil, om mij op zijde te laten komen. Dit -moedigde mij aan, en daar ik een vlag van mijn ouden meester aan boord -had, heesch ik die in sjouw, tot een noodsein, en vuurde een geweer af. -Zij zagen beide, want naderhand werd mij verhaald, dat zij den rook -gezien, maar den slag niet gehoord hadden. Op deze seinen brasten zij -tegen, en in ongeveer drie uren tijds was ik hen op zijde.</p> - -<p>Men vroeg mij in het Portugeesch, in het Spaansch en in het Fransch wie -ik was; van al hetwelk ik niets verstond; maar eindelijk sprak een -Schotsche zeeman, die aan boord was, mij aan, en ik antwoordde hem, -zeggende, dat ik een Engelschman was, die de slavernij der Mooren van -Salé ontvlugt was. Daarop verzocht men mij aan boord te komen, en nam -mij en al mijne goederen zeer goedhartig op.</p> - -<p>Het was eene onuitsprekelijke vreugde voor mij, gelijk iedereen wel zal -willen gelooven, dat ik mij uit een zoo jammerlijken en schier -hopeloozen toestand, waarin ik mij bevonden had, gelijk ik begreep, -gered zag. Oogenblikkelijk bood ik den kapitein van het schip alles aan -wat ik bezat, tot vergelding van mijne bevrijding; maar hij gaf mij -edelmoediglijk te kennen, dat hij niets van mij aannemen, maar dat mij -alles wat ik had zou ter hand gesteld worden, als wij behouden in -Brazilië aankwamen. "Want," zeide hij, "ik heb u het leven gered, even -zoo als ik in uwen toestand gaarne zou gered willen worden; en het kan -te een of anderen tijd gebeuren, dat dit ook mijn lot wordt. Bovendien," -vervolgde hij, "als ik u naar Brazilië medeneem, zoo ver van uw -vaderland, en ik zou u het weinige ontnemen wat gij hebt, zoudt gij daar -van honger sterven, en ik zou dan u slechts gered hebben, om u weder in -doodsgevaar te brengen. Neen, neen, Senhor Inglese (mijnheer de -Engelschman), ik zal u uit Christelijke liefde daarheen brengen, en wat -gij hebt zal u daar wel te pas komen, om er van te leven, en uwe -tehuisreis te bekostigen."</p> - -<p>Even menschlievend als dit voorstel was, even strikt was hij in de -uitvoering daarvan, want hij gelastte den matrozen volstrekt niets aan -te raken van hetgeen ik had; daarna nam hij zelf alles in ontvangst, en -gaf er mij eene juiste inventaris van, ten einde mij bij onze aankomst -alles te kunnen terug geven, zelfs tot mijne drie aarden kruiken toe.</p> - -<p>Hij zag dat mijne boot zeer goed was, en stelde mij voor die aan hem ten -gebruike van het schip te verkoopen, en vroeg mij wat ik er voor hebben -wilde. Ik zeide, dat hij in alles zoo edelmoedig jegens mij gehandeld -had, dat ik geenerlei prijs op de boot kon stellen, maar alles aan hem -overliet. Hij zeide mij daarop, dat hij mij een briefje van zijne hand -zou geven, om er mij 80 stukken van achten te Brazilië voor te geven; en -als iemand er mij daar meer voor wilde geven, zou hij mij haar terug -geven. Hij bood mij ook nog 60 stukken van achten voor den knaap, Xury. -Ik had hier veel tegen, niet dat ik hem niet aan den kapitein wilde -afstaan, maar ik had een weêrzin om de vrijheid van den armen knaap te -verkoopen, die mij zoo trouw geholpen had, de mijne te herkrijgen. Toen -ik den kapitein mijne redenen zeide, billijkte hij die volkomen, en bood -mij, als een middel om alles te vereffenen, aan, den knaap eene -verbindtenis te geven, dat hij hem, zoo hij Christen werd, binnen tien -jaren zou vrijlaten. Daar Xury zeide, dat hij hiermede tevreden was, -stond ik hem aan den kapitein af.</p> - -<p>Wij hadden eene zeer goede reis naar Brazilië, en kwamen tweeëntwintig -dagen daarna in de baai de Todos los Santos of Allerheiligenbaai aan. En -nu was ik weder gered uit den allerrampzaligsten toestand. Thans moest -ik overleggen wat mij nu te doen stond. Het edelmoedige gedrag van den -kapitein jegens mij, kan ik nimmer genoeg prijzen. Hij wilde niets van -geld voor den overtogt hooren, gaf mij 20 dukaten voor de huid van den -luipaard, 40 voor die van den leeuw, welke ik in de boot had gehad, en -zorgde, dat al wat ik aan boord gebragt had, mij stipt werd -teruggegeven. Wat ik verkoopen wilde, kocht hij; zoo als den -flesschenkelder; twee van mijne geweren, en een gedeelte van den klomp -was, want van het overige had ik kaarsen gemaakt. In een woord, ik -maakte ongeveer 220 stukken van achten van mijne geheele lading, en met -dit geld ging ik in Brazilië aan wal.</p> - -<p>Ik begaf mij kort daarop, op aanbeveling van den kapitein naar het huis -van een zoo goed, braaf man als hij zelf was, die een ingenio, gelijk -men het noemt, dat is, eene plantaadje en suikerfabrijk had. Ik bleef -daar eenigen tijd, en leerde de wijze, waarop de suiker geteeld en -gefabriceerd wordt. Ziende hoe goed de planters leefden, en hoe spoedig -rijk zij werden, besloot ik, als ik er verlof toe bekomen kon, mij daar -te vestigen, en even als zij, een planter te worden; terwijl ik tevens -op middelen zon, om mijn geld, dat ik te Londen had, aan mij overgemaakt -te krijgen. Te dien einde verschafte ik mij eene soort van brieven van -naturalisatie, kocht zoo veel onbebouwd land als ik betalen kon, en -maakte een plan tot eene plantaadje, geëvenredigd naar het kapitaal, dat -ik uit Engeland verwachtte.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 460px;"> -<img src="images/crusoe_015.jpg" width="460" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik had een buurman, Wells genaamd, die te Lissabon, doch van Engelsche -ouders geboren was, en zich nagenoeg in gelijke omstandigheden als ik -bevond. Ik noem hem mijn buurman, om dat zijne plantaadje naast de mijne -lag, en wij zeer vriendschappelijk omgingen. Mijn kapitaal was even -gering als het zijne, en gedurende twee jaren plantten wij slechts, om -onze dagelijksche nooddruft te winnen. Wij begonnen echter vooruit te -gaan, en onze landerijen in orde te komen, zoodat wij in het derde jaar -eenigen tabak plantten, en ieder eene groote plek gronds gereed maakten, -om het volgend jaar suikerrietstekken op te zetten. Het ontbrak ons -echter aan hulp, en nu gevoelde ik meer dan te voren, dat ik verkeerd -gedaan had, mijn jongen, Xury, niet te houden.</p> - -<p>Maar helaas, was het wonder dat ik, die nimmer iets goed deed, zulk een -misslag beging! Er zat thans niet anders op dan vol te houden. Ik had -thans een beroep, dat geheel strijdig was met mijn karakter, en met de -levenswijze waarnaar ik haakte, waarvoor ik mijn vaders huis verlaten, -en al zijn goeden raad in den wind had geslagen. Ja, ik was thans -inderdaad in dien levenstoestand geraakt, waarvoor mijn vader mij -gewaarschuwd had, en welken ik even goed had kunnen bereiken als ik te -huis was gebleven, zonder mij ooit zoo in de wereld af te slooven, als -ik gedaan had. Dikwijls zeide ik tot mijzelven: "Zoo had ik even goed in -Engeland, onder mijne bloedverwanten, kunnen werken, en daarvoor -behoefde ik geen 5000 (Eng.) mijlen ver van huis te gaan, om dit onder -vreemdelingen in eene wildernis te doen, zoo ver weg, dat ik nimmer iets -van mijn vaderland, of iemand, die mij kent, hoor."</p> - -<p>Aldus beschouwde ik mijn toestand met bittere spijt. Ik had niemand met -wien ik omging, dan nu en dan met mijn buurman, waarvan ik gesproken -heb; geen anderen, dan handenarbeid te verrigten, en ik leefde, gelijk -ik dikwijls zeide, als iemand, die alleen op een woest eiland geworpen -is. Maar o, hoe behoorden alle menschen te bedenken, dat, zoo zij den -toestand, waarin zij zich bevinden, met een veel rampzaliger gelijk -stellen, de Hemel hen noodzaken kan hunnen tegenwoordigen daarvoor te -verwisselen, en hun vroeger geluk, door de ondervinding te leeren -erkennen! En hoe regtvaardig was het, dat juist dat eenzame leven op een -woest eiland mij te beurt viel, mij, die het zoo dikwijls vergeleken had -bij het leven dat ik toen leidde, en in hetwelk ik, naar alle -waarschijnlijkheid, met der tijd, rijkdom en schatten zou verworven -hebben.</p> - -<p>Ik had reeds eenige maatregelen genomen om mij te vestigen, voor mijn -goede vriend, de kapitein, die mij op zee opgenomen had, weder afzeilde, -want hij had drie maanden in lading gelegen. Ik sprak hem over het geld, -dat ik in Londen achtergelaten had, en hij gaf mij dezen welgezinden en -opregten raad: "Senhor Inglese (want zoo noemde hij mij altijd) als gij -mij brieven en een volmagt geven wilt, met last aan den persoon, die in -Londen uw geld heeft, van dit naar Lissabon te zenden, aan zoodanige -lieden als ik u zal opgeven, en in goederen, die in dit land aftrek -hebben, dan zal ik u, als het God behaagt, deze bij mijne terugkomst -medebrengen; maar daar alle zaken aan tegenspoeden onderhevig zijn, zou -ik u raden slechts 100 [£] Sterl., dat, gelijk gij zegt, de helft van uw -kapitaal is, op te vragen, en deze eerst wagen. Zoo die goed overkomen, -kunt gij het overige op gelijke wijze ontbieden, en zoo het verloren -gaat, hebt gij de andere helft nog."</p> - -<p>Dit was zulk een verstandige en vriendelijke raad, dat ik niet twijfelen -kon, of hij was de beste dien ik volgen kon; ik maakte dus brieven aan -de weduwe, wie ik mijn geld achtergelaten had, en eene volmagt voor den -Portugeschen kapitein, volgens zijn verlangen, gereed. Ik schreef aan de -weduwe al mijne avonturen, mijne vlugt; hoe ik den Portugeschen kapitein -op zee ontmoet had; hoe menschlievend hij zich gedragen had, en wijders -alle aanwijzingen omtrent de overzending mijner gelden. Toen de brave -kapitein te Lissabon kwam, vond hij gelegenheid dit door eenige -Engelsche kooplieden aldaar, te doen toekomen aan een koopman te Londen; -waarop zij niet alleen het geld gaf, maar bovendien den Portugeschen -kapitein een fraai geschenk overzond, voor zijne menschlievende -handelwijze jegens mij.</p> - -<p>De koopman te Londen besteedde deze 100 [£] aan Engelsche goederen, -gelijk de kapitein opgegeven had, en zond die naar Lissabon, vanwaar hij -ze allen behouden in Brazilië bragt. Hieronder had hij buiten mijn -weten, (want ik was te onervaren in mijne zaken om er aan te denken) -gezorgd voor alle soorten van ijzerwerk en gereedschappen, die mij op -mijne plantaadje noodig waren, en waar ik groot nut van trok.</p> - -<p>Toen deze lading aankwam, achtte ik mijne fortuin gemaakt. Ik was -verrukt van vreugde er over; en mijn goede vriend de kapitein had de 5 -[£] Sterl., die de weduwe hem tot een geschenk had gezonden, besteed, om -voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te -schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak, -omdat ik dien zelf geteeld had.</p> - -<p>Dit was echter nog niet alles; daar al mijne goederen Engelsche -manufacturen waren, zoo als lakens, wollen stoffen, baai, enz., en -alles dingen, die hier te lande bijzonder geacht en van waarde waren, -kon ik dezelve zeer voordeelig verkoopen, zoodat ik zeggen kan, dat ik -meer dan vier malen de waarde van mijne eerste lading had. Nu was ik -mijn armen buurman oneindig ver vooruit, in den staat mijner plantaadje -bedoel ik, want ik kocht een negerslaaf, en schafte mij ook een -Europeschen knecht aan, behalve dien, welken de kapitein mij van -Lissabon had medegebragt.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 485px;"> -<img src="images/crusoe_016.jpg" width="485" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Gelijk echter misbruikte voorspoed dikwijls de oorzaak van onzen -tegenspoed is, zoo ging het ook met mij. Het volgende jaar ging het met -mijne plantaadje zeer goed; ik trok van mijn eigen grond vijftig groote -rollen tabak, ieder van meer dan 100 [lb = gewicht], en deze vijftig -rollen werden gepakt en bleven liggen, in afwachting, dat de vloot van -Lissabon zou terugkomen. En daar nu mijne bezigheden en goederen -vermeerderden, begon ik over allerlei ontwerpen, en ondernemingen boven -mijn bereik, te broeden, gelijk inderdaad dikwijls de verstandigste -kooplieden het hoofd op hol brengen.</p> - -<p>Zoo ik in den stand gebleven was, waarin ik mij nu bevond, had ik -ruimschoots al dat geluk kunnen genieten, waarvoor mijn vader mij een -stil, rustig leven aanried; en waarvan, gelijk hij zeide, de middelbare -stand overvloeide. Doch andere gebeurtenissen wachtten mij, en ik moest -op nieuw de bewerker van mijn eigen ongeluk zijn. Wat mijn misslag -vermeerderde, en in het vervolg mijn berouw verdubbelde: al mijne -ongevallen waren het gevolg van mijn halsstarrig aanhoudend verlangen, -om de wereld rond te zwerven, en van het opvolgen dezer begeerte, in -weerwil van de duidelijkste vooruitzigten van welvaart en geluk, die de -Voorzienigheid mij schonk.</p> - -<p>Om dit wel te verstaan, moet men onderstellen, dat ik thans vier jaren -in Brazilië gewoond had, dat ik thans het plantaadjewerk vrij wel begon -te verstaan, en vooruit te gaan in welvaart. Ik had niet alleen de taal -geleerd, maar ook met mijne medeplanters bekendschap gemaakt, zoo wel -als met de kooplieden van San Salvador, dat onze haven was. In mijne -gesprekken had ik hun dikwijls verhaald van mijne twee reizen naar de -kust van Guinea; van de wijze, waarop daar de slavenhandel gedreven -werd, en hoe gemakkelijk het daar op de kust viel, voor beuzelingen, zoo -als kralen, snuisterijen, messen, scharen, bijlen, spiegeltjes, niet -alleen goudstof en olifantstanden, maar ook Negers in te ruilen, ten -dienste van dit land.</p> - -<p>Zij luisterden altijd zeer oplettend naar mijne gesprekken hierover, -maar vooral naar datgene, wat betrekking tot het koopen van Negers had, -een handel, die toen daar weinig gedreven werd, om dat men er assientos -of verlofbrieven van de koningen van Spanje en Portugal toe moest -hebben, zoodat er weinig Negers, en deze zeer duur, gekocht werden.</p> - -<p>Op zekeren dag was ik met eenige kooplieden en planters van mijne kennis -hierover aan het praten. Den volgenden morgen kwamen drie hunner bij -mij, en zeiden, dat zij zeer ernstig over het gesprek van den vorigen -avond hadden nagedacht, en mij thans een voorstel kwamen doen. Na mij -geheimhouding afgevraagd te hebben, zeiden zij mij, dat zij lust hadden -een schip naar de kust van Guinea uit te rusten. Alle drie hadden -plantaadjen zoo wel als ik, en zij hadden aan niets meer behoefte dan -aan werklieden. Zij konden geen slavenhandel drijven, omdat de Negers in -het openbaar moesten verkocht worden; dus wilden zij slechts ééne reis -doen, de Negers heimelijk aan wal brengen, en die onderling op hunne -plantaadjen verdeelen. Kortom, de vraag was, of ik als hun supercargo -aan boord wilde gaan, om dien handel op de kust te drijven; daarvoor -boden zij mij een gelijk aandeel in de Negers aan, zonder dat ik tot de -uitrusting iets behoefde bij te dragen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_017.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dit, moet men bekennen, was een verleidelijk voorstel, zoo het gedaan -ware aan iemand, die geen eigen plantaadje te besturen had, welke fraai -op weg was om van belang te worden, en die reeds van waarde was. Voor -mij echter, gevestigd als ik was, die nog slechts drie of vier jaren zoo -behoefde voort te gaan, en de andere 100 [£] Sterl. uit Engeland te -ontbieden, en alsdan zeker 3 tot 4000 [£] Sterl. waarde bezitten zou; -voor mij was zulk eene reis de onverstandigste zaak die ik bedenken kon.</p> - -<p>Maar ik, die altijd geneigd was mij zelven te verderven, kon evenmin dit -aanbod weêrstaan, als mijn eerste verlangen om in de wereld rond te -zwerven, hetgeen mijn vader mij zoo welmeenend afgeraden had. Ik zeide -hun, dat ik gaarne vertrekken wilde, als zij mij beloofden in mijne -afwezigheid het opzigt over mijne plantaadje te houden, en ingeval mij -een ongeluk overkwam, daarmede te handelen, gelijk ik hun zou opgeven. -Dit namen zij aan, en verbonden zich hier schriftelijk toe. Ik maakte -een testament, en beschikte over mijne plantaadje en goederen, ingeval -ik mogt komen te overlijden. Ik stelde tot mijn eenigsten erfgenaam den -kapitein aan, die mij het leven gered had, onder verpligting van de -helft mijner roerende goederen voor zich te houden, doch de andere helft -naar Engeland te voeren. Kortom, ik nam alle mogelijke voorzorgen, ter -bewaring mijner bezittingen. Zoo ik half zoo veel zorg betoond had voor -mijn waar belang, zou ik zeker nimmer zulk eene voorspoedige zaak -vaarwel gezegd hebben, om eene zeereis, met al hare gevaren, te gaan -doen, zonder te rekenen hoe veel reden ik had van ongelukken voor mij te -verwachten.</p> - -<p>Maar ik werd door mijne verbeelding weggesleept, en gehoorzaamde deze -blindelings, zonder naar mijn verstand te luisteren. Toen dus het schip -uitgerust, de lading gereed en alles met mijne medereeders geschikt was, -ging ik wederom te kwader ure, scheep, den 1sten September 1659, -denzelfden dag waarop ik acht jaren geleden, mijne ouders te Hull -verlaten had, om hun gezag te braveren en mijn eigen belang tegen te -werken.</p> - -<p>Ons schip was van ongeveer 120 ton, en voerde veertien man, behalve den -kapitein, zijn jongen en ik. Wij hadden slechts weinig lading, behalve -de snuisterijen, die voor den handel met de Negers geschikt waren, zoo -als glazen kralen, spiegeltjes en dergelijke.</p> - -<p>Denzelfden dag, dat ik aan boord kwam, gingen wij onder zeil, en hielden -het noordwaarts langs onze eigene kust, met oogmerk naar de Afrikaansche -kust over te steken, als wij op de hoogte van 10° of 12° N. breedte -zouden gekomen zijn, een koers dien men toen gewoonlijk hield, naar ik -geloof. Wij hadden goed weder, maar uiterst warm, tot wij op de hoogte -van kaap St. Augustijn kwamen, waar wij zeewaarts hielden en koers -stelden, alsof wij naar het eiland Fernand de Norouba bestemd waren, -koers stellende N.O. ten N. In ongeveer twaalf dagen passeerden wij de -linie, en waren naar ons laatste bestek op 7°, 22' N. breedte, toen een -geweldige tornado of orkaan ons geheel buiten ons bestek bragt. Deze -begon in het Z.O., liep toen naar het N.W. en zette zich eindelijk in -het N.O., waaruit hij zoo verschrikkelijk blies, dat wij twaalf dagen -lang voor top en takel dreven, waar het lot en de wind ons heen voerde; -en gedurende deze twaalf dagen behoef ik niet te zeggen, dat ik alle -dagen verwachtte te vergaan, en niemand aan boord dacht er het leven af -te brengen.</p> - -<p>Behalve dezen woedenden storm, hadden wij ook nog het ongeluk, een man -aan de heete koorts te verliezen, en een man en een jongen werden over -boord geslagen. Toen het weder op den twaalfden dag wat bedaarde, maakte -de kapitein zijn bestek op, zoo goed als hij kon, en bevond, dat hij op -ongeveer 11° N. breedte was, maar dat hij op 22° lengte bewesten kaap -St. Augustijn was; zoodat hij berekende op de kust van Guiana of het -noordergedeelte van Brazilië te zijn, tusschen de Amazonerivier en de -Orenoko, gewoonlijk de Groote Rivier genaamd. Thans was de vraag welken -koers te houden, want het schip was lek en zeer ontzet; en de kapitein -was er voor regt naar de Brazilische kust terug te keeren.</p> - -<p>Hier was ik stellig tegen; en toen wij bij het nazien der kaarten van de -Amerikaansche kusten zagen, dat er geen ander bewoond eiland was, waar -wij hulp konden verwachten, voor dat wij de Caraïben bereikten, besloten -wij naar Barbados koers te stellen, hetwelk wij gemakkelijk in vijftien -dagen zeilens hoopten te kunnen doen, als wij hooger in zee opwerkten, -om den Mexikaanschen Golfstroom te vermijden. Het was ons onmogelijk -zonder hulp onze reis naar de kust van Afrika voort te zetten.</p> - -<p>Ten dien einde veranderden wij van koers en stuurden N.W. ten W., ten -einde een der Engelsche eilanden te bereiken. Maar onze reis was anders -bepaald, want op 12°, 15' breedte gekomen, sloeg een tweede storm ons -even geweldig westwaarts, en voerde ons buiten alle handelswegen van -beschaafde volkeren. Zoo dus al ons leven op zee gespaard werd, hadden -wij meer kans van door wilden vermoord te worden, dan ooit ons vaderland -weder te zien. In dezen nood, en terwijl de wind nog zeer hevig was, -riep een van ons volk op een morgen: "Land!" en naauwelijks waren wij -uit de kajuit gekomen, in de hoop van te kunnen zien in wat hoek van de -wereld wij waren, of het schip stiet op eene zandbank, en in een -oogenblik sloeg de zee er zoo geweldig over heen, dat wij alle -oogenblikken dachten te vergaan, en wij naar omlaag moesten gaan, om ons -voor de golven te beschutten.</p> - -<p>Iemand, die zoo iets nimmer bijgewoond heeft, kan moeijelijk de -heerschende ontsteltenis begrijpen. Wij wisten niet waar wij waren, noch -op welk land wij geworpen waren; of het een eiland of vast land, bewoond -of onbewoond was. Daar de wind nog hevig was, schoon het niet meer zoo -geweldig stormde, konden wij niet hopen, dat het schip het langer dan -eenige minuten kon houden, zonder verbrijzeld te worden, ten ware de -wind, door een wonder, onmiddellijk omliep. Kortom, wij zagen elkander -aan, en verwachtten elk oogenblik den dood; ons voorbereidende op den -overgang in eene andere wereld, want in deze hadden wij weinig meer te -verrigten. Onze eenigste hoop was, dat het schip nog heel bleef, en de -kapitein opmerkte, dat de wind begon te gaan liggen.</p> - -<p>Maar al bedaarde de wind ook, dan bleef onze toestand toch vreesselijk. -Ons schip zat zoo vast, dat wij niet hopen konden het weder vlot te -krijgen, en wij moesten slechts denken, het lijf er af te brengen. Wij -hadden de boot aan den spiegel hangen toen de storm begon, maar zij was -eerst tegen het roer beschadigd en vervolgens door de zeeën verbrijzeld -of weggeslagen; in een woord deze was voor ons verloren. Wij hadden nog -wel eene boot op het dek, maar of wij die in zee konden brengen was -twijfelachtig. Er was echter geen tijd tot beraad, want alle -oogenblikken wachtten wij, dat het schip in stukken zou breken, en -sommigen riepen, dat het al verbrijzeld was.</p> - -<p>In dezen nood sloeg de stuurman het eerst handen aan het werk, en bragt -met hulp van het volk, de boot uit, en wij gingen allen er in, lieten de -vanglijn los, en ons op Gods genade drijven, want de zee ging nog -geweldig hoog op het strand.</p> - -<p>Wij zagen allen duidelijk in, dat de zee zoo hoog stond, dat de boot het -niet houden kon en wij ontwijfelbaar moesten verdrinken. Zeil hadden wij -niet, en hadden het toch ook niet kunnen gebruiken; dus roeiden wij naar -het land, schoon met bezwaarde harten, als mannen, die hun doodvonnis te -gemoet gingen, want wij allen wisten zeer goed, dat als wij digt bij het -strand kwamen, de branding alsdan de boot in duizend stukken zou -verbrijzelen. Wij bevalen Gode onze ziel, en terwijl de wind ons naar de -kust dreef, verhaastten wij de beslissing van ons lot, door zoo hard wij -konden naar den wal te roeijen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crusoe_018.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Hoe het strand was, klippen of zand, steil of effen wisten wij niet; de -eenigste zweem van hoop die wij nog konden koesteren, was, dat wij bij -geluk in eene baai of golf, of in den mond van eene of andere rivier -komen mogten, waar wij door bijzonder toeval onze boot inbragten, of dat -wij aan lager wal van het land en daardoor in stil water geraakten. Er -was echter niets dat daarnaar geleek, maar toen wij digter bij het -strand kwamen, zag het land er nog veel verschrikkelijker uit dan de -zee.</p> - -<p>Na, naar gissing, ongeveer anderhalve mijl roeijens of liever drijvens, -kwam eene geweldige zee achter ons aan rollen, en gaf ons duidelijk te -kennen, dat dit onze genadeslag was. Zij sloeg met zoo veel geweld over -ons heen, dat de boot dadelijk omsloeg, en ons zoo wel van de boot als -van elkander scheidde, zoo dat wij naauwelijks konden uitroepen: "o, -God!" want wij waren in een oogenblik allen door de zee verzwolgen.</p> - -<p>Ik kan niet beschrijven welke verwarring van denkbeelden ik gevoelde, -toen ik in het water zonk; want schoon ik zeer goed zwem, kon ik mij -niet zoo uit de golven opheffen, dat ik adem kon halen, totdat de golf -mij een groot eind naar den wal gedragen of liever geworpen hebbende, -daar brak en terug liep, en mij op het land bijkans droog, maar half -dood van het ingezwolgen water, achterliet. Ik had zoo veel -tegenwoordigheid van geest, en kracht nog dat ik, ziende, dat ik digter -bij het vaste land was dan ik verwachtte, op de been sprong en zoo snel -ik kon, naar het land trachtte te loopen, voor eene andere golf mij -inhaalde en weder wegrukte. Spoedig vond ik echter, dat dit onmogelijk -was, want ik zag de zee achter mij aan komen opzetten, zoo hoog als een -hooge heuvel, en verwoed als een vijand, waartegen ik niet opgewassen -was. Mij schoot niet anders over dan mijn adem in te houden, en als ik -kon mij boven water te houden, en zoo, door te zwemmen, mij zoo mogelijk -naar de kust te laten brengen. Mijne grootste vrees was dat de zee, die -mij op het strand sloeg, mij, als zij terug liep, weder in zee mogt -slepen.</p> - -<p>De eerste zee, die weder opkwam, ging omtrent twintig of dertig voet -over mij heen, en ik gevoelde, dat ik met ontzettend geweld en -snelheid naar het strand werd gedreven. Ik hield den adem in, en -trachtte zoo veel ik kon vooruit te komen. Ik kon eindelijk niet langer -den adem inhouden, toen ik gevoelde dat ik oprees, en mijn hoofd en -handen boven het water uitkwamen. Dit duurde geen twee sekonden, maar -gaf mij den tijd adem te halen. Wederom werd ik door het water -overstelpt, maar niet zoo lang of ik kon het uithouden, en bemerkende, -dat het water terugliep, zwom ik daar tegen in, en gevoelde weder grond. -Nog een oogenblik stond ik stil om adem te halen, en tot ik van het -water vrij was; toen zette ik het op een loopen, zoo snel ik kon naar -het land. Maar ik kon de woede van eene volgende zee niet ontgaan, die -weder achter mij aankwam, en nog twee malen werd ik door de golven -opgeligt en als de vorige reizen voortgestuwd, want het strand was zeer -vlak.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 535px;"> -<img src="images/crusoe_019.jpg" width="535" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De laatste maal dat dit gebeurde was het bijkans noodlottig met mij -afgeloopen; want nadat de zee mij, gelijk te voren, naar land had -gesleept, wierp zij mij tegen eene klip, en dat met zoo veel geweld, dat -ik bewusteloos nederzeeg. De stoot, dien ik op mijne zijde en borst -ontving, benam mij den adem, en zoo de zee onmiddellijk terug gekomen -ware, zou ik verstikt zijn in het water; maar voor dat dit gebeurde, was -ik een weinig tot mij zelven gekomen, en ziende, dat de zee weder over -mij heen zou slaan, besloot ik mij aan een stuk van de rots vast te -houden, zoo mogelijk, tot de golf terug liep. Daar nu de golven zoo hoog -niet meer liepen, omdat ik digt bij het land was, hield ik het staande -tot de golf terug liep, en nam toen weder een loopje, dat mij zoo digt -bij het strand bragt, dat de volgende golf, schoon die over mij heen -sloeg, mij niet medesleepte, en toen bereikte ik, met nog een loopje, -den vasten wal, waar ik, zeer tot mijne vreugde, de klippen van het -strand overklom en op het gras ging zitten, gered uit het gevaar, en -buiten bereik der golven.</p> - -<p>Ik was nu aan land en begon rond te zien en God voor mijn behoud te -danken, in een geval waarin, eenige oogenblikken te voren, schier geene -hoop op redding was. Ik geloof, dat het onmogelijk is de verrukking te -schilderen, die men gevoelt als men zoo, als het ware uit het graf zelf -gered wordt, en het verwondert mij thans niet meer, dat men gewoon is, -als een ter dood veroordeelde genade ontvangt, tevens een heelmeester te -zenden, om hem ader te laten zoodra hij het verneemt, ten einde de -verrassing hem niet zou dooden.</p> - -<p>Ik liep het strand langs, met opgeheven handen, en geheel verloren in -het denkbeeld van mijne redding, terwijl ik duizend gebaren en -bewegingen maakte, als ik bedacht, dat al mijne makkers verdronken -waren, en niemand gered was dan ik alleen; want ik zag van hen niets -weder dan naderhand twee of drie hoeden, eene muts en twee schoenen, die -niet bij elkander behoorden.</p> - -<p>Toen ik naar het gestrande schip zag, hetwelk zoo ver lag, dat ik het -door het schuim en spatten der zee naauwelijks zien kon, stond ik op -nieuw verbaasd hoe het mogelijk was, dat ik gered had kunnen worden!</p> - -<p>Na door deze overwegingen mij met het troostrijke gedeelte van mijn -toestand bekend gemaakt te hebben, begon ik rond te zien, op welke soort -van plaats ik was, en wat mij thans te doen stond. Spoedig ontdekte ik, -dat ik eene vreesselijke bevrijding had gedaan, want ik was nat, had -geene andere drooge kleederen, noch iets te eten of te drinken. Ik zag -ook geen ander vooruitzigt dan om van honger te sterven, of door wilde -beesten verscheurd te worden. Wat mij tevens niet weinig neêrslagtig -maakte, was, dat ik geen wapen had om eenig beest tot mijn voedsel, te -dooden, of om mij te verdedigen tegen hen, die mij welligt tot voedsel -zouden begeeren. Ik had niets bij mij dan een mes, eene pijp en eenigen -tabak in eene doos; dit was al mijn voorraad, hetgeen mij zoo beangst -maakte, dat ik eene poos als buiten mijne zinnen was. Toen de avond -viel, begon ik met een bezwaard hart te bedenken wat mijn lot zou zijn, -als er in dit land verscheurende dieren waren; omdat deze altijd des -nachts op roof uitgaan.</p> - -<p>Het eenigste middel wat mij te binnen schoot, was op een digtbegroeiden -boom te gaan zitten, eene soort van den, maar doornachtig, die digt bij -mij stond en waarop ik besloot den geheelen nacht te blijven zitten, en -den volgenden dag te overdenken welken dood ik zou sterven, want ik zag -geene andere uitkomst voor mij. Ik liep een eind weegs van het strand -af, om drinkbaar water te zoeken, dat ik gelukkig vond. Na gedronken, en -voor den honger wat tabak in den mond genomen te hebben, klom ik in den -boom, en na een korten stok tot mijne verdediging, daar af te hebben -gesneden, viel ik, daar ik zeer vermoeid was, in slaap. Ik sliep zoo -gerust, als weinigen in mijn toestand zouden gedaan hebben, en ik -geloof, dat nimmer een slaap mij zoo verkwikt heeft.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 485px;"> -<img src="images/crusoe_020.jpg" width="485" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen ik ontwaakte was het helder dag, fraai weder en de storm bedaard, -zoodat de zee kalm was. Tot mijne verbazing zag ik, dat het schip des -nachts, van de zandbank, waarop het lag, door den vloed vlot geraakt, en -tot bij de klip gedreven was, waar ik, gelijk ik zeide, zoo tegen aan -was geworpen. Daar het dus nu slechts eene (Eng.) mijl van den wal -aflag, wenschte ik, dat ik aan boord was, om ten minste eenige -noodwendigheden voor mij te redden.</p> - -<p>Toen ik mijne slaapplaats in den boom verliet, zag ik nogmaals in het -rond, en het eerst wat ik bespeurde was de sloep, die ongeveer een half -uur regts van mij, op het strand lag, waar de wind en de golven haar -geworpen hadden. Ik ging in die rigting de kust langs, om bij haar te -komen, maar trof een inham of kreek aan, die mij dit belette. Ik keerde -dus terug, daar ik voor het oogenblik voornamelijk verlangde het schip -te bereiken, waar ik eenig voedsel voor mij hoopte te vinden.</p> - -<p>Kort na den middag werd de zee zeer kalm, en het getij liep zoo laag, -dat ik het schip tot op een vierde mijl kon bereiken. Hier vond ik -nieuwe reden tot droefheid; want ik zag duidelijk, dat, zoo wij allen -aan boord gebleven waren, wij gered zouden geweest zijn; althans hadden -wij allen behouden aan den wal kunnen komen; en mij had het ongeluk niet -getroffen van allen troost en alle gezelschap beroofd te zijn, gelijk -thans het geval was. Deze gedachte perste mij de tranen uit de oogen, -maar deze baatten mij weinig, en ik besloot zoo mogelijk het schip te -bereiken. Ik ontkleedde mij, want het was smoor heet, en ging te water; -maar toen ik het schip bereikte, wist ik niet hoe ik aan boord zou -komen. Het lag hoog en droog, en ik zag niets dat ik grijpen kon. Twee -maal zwom ik er omheen, en de derde maal ontdekte ik een dun touw, dat -over de fokkerusten hing, zoo laag, dat ik het met moeite kon bereiken, -en met behulp er van op het voorschip komen. Hier zag ik, dat het schip -gebarsten was en vrij wat water in het ruim had; maar het lag zoo op -eene bank van hard zand of liever aarde, dat het van achteren hoog op de -bank, en met den kop bijkans in het water lag; hierdoor was het geheele -achterschip heel, en al wat daar was, droog gebleven. Mijne eerste zorg -was te onderzoeken wat beschadigd en wat goed gebleven was, gelijk men -wel gelooven zal. Ik vond, dat al de provisie droog en goed gebleven -was, en daar ik uitgehongerd was, vulde ik mijne zakken met beschuit, en -at die op, terwijl ik naar andere dingen rondzag, want ik had geen tijd -te verliezen. Ik vond ook wat rum in de groote kajuit, en nam eene -goede teug, die ik wel noodig had, om mij kracht te geven tot al wat ik -nog te doen had.</p> - -<p>Nu had ik slechts eene boot noodig, om mij van vele dingen te voorzien, -die ik voorzag, dat mij van veel nut zouden zijn. Stil te zitten en te -wenschen naar wat ik niet had, baatte mij echter weinig, en de nood -scherpte mijn vernuft. Wij hadden verscheidene waarlooze rondhouten, -twee of drie marsstengen, en een paar waarlooze marszera's aan boord. Ik -besloot deze te gebruiken, en werkte er zooveel over boord als hare -zwaarte dit toeliet, na aan ieder een touw gebonden te hebben, voor het -wegdrijven. Nadat dit gedaan was, ging ik over boord, trok ze naar mij -toe, en bond er zoo goed ik kon vier van aan beide einden vast, in den -vorm van een vlot, en na er twee of drie korte planken kruiselings over -gelegd te hebben, vond ik, dat ik er vrij wel over loopen kon, maar dat -het niet veel zwaarte dragen kon, omdat de stukken hout te ligt waren, -dus ging ik aan het werk, en zaagde met des timmermans zaag, een -waarlooze steng in drieën, en maakte deze stukken aan mijn vlot vast, -met veel arbeid en moeite, maar de hoop, mij van vele noodwendigheden te -voorzien, deed mij boven mijn vermogen werken.</p> - -<p>Thans was mijn vlot sterk genoeg, om eene tamelijke zwaarte te dragen. -Het voornaamste was thans te weten wat ik er op laden zou, en hoe ik, -hetgeen er op lag, voor de branding zou bewaren, doch hierover bedacht -ik mij niet lang. Ik legde er eerst al de planken op, die ik bekomen -kon, en na wel overwogen te hebben, wat ik het meest noodig had, maakte -ik drie matrozenkisten ledig, en streek die op het vlot. De eerste vulde -ik met eetwaren, te weten brood, rijst, drie Hollandsche kazen, vijf -stukken gedroogd geitenvleesch, dat wij veel aten, en een klein weinig -Europeesch koorn, dat wij voor eenig gevogelte aan boord hadden genomen, -hetgeen echter reeds geslagt was. Er was eenige garst en tarwe onder -elkander aan boord geweest, maar tot mijne spijt vond ik, dat de ratten -het alles opgegeten of oneetbaar gemaakt hadden. Ik vond verscheidene -flesschenkelders van den kapitein met sterken drank, en in het geheel -ongeveer vijf of zes gallons arak; deze plaatste ik los op het vlot, -daar ik ze niet in de kist kon bergen. Toen ik hiermede bezig was, -begon de vloed door te komen, en ik had het verdriet van mijn buis, hemd -en vest, die ik aan het strand gelegd had, te zien wegdrijven. Mijn -linnen broek en kousen had ik aangehouden, toen ik naar het schip zwom. -Dit deed mij echter naar kleederen zoeken, die ik genoeg vond; maar -waarvan ik geen meer medenam, dan ik oogenblikkelijk noodig had, want ik -had andere dingen op het oog; en in de eerste plaats, gereedschap om -mede te werken. Na lang zoeken vond ik de timmermanskist, dat inderdaad -een belangrijke vond voor mij was, en toen van meer waarde voor mij dan -eene scheepslading goud. Ik bragt die geheel op mijn vlot, zonder mij -den tijd te gunnen van na te zien wat er in was, want dit wist ik over -het geheel wel.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_021.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Thans was mijne zorg voor wapens en kruid en lood. Er waren in de kajuit -twee zeer goede jagtgeweren en twee pistolen; deze nam ik eerst met -eenige kruidhorens, en een zakje met kogels. Ik wist, dat er drie -vaatjes kruid aan boord waren, maar niet waar de konstapel ze gestuwd -had. Na veel zoekens vond ik ze echter; twee waren droog en goed -gebleven, het derde was vochtig; deze twee bragt ik met de wapens op het -vlot. En nu begreep ik vrij goed geladen te zijn, en begon er aan te -denken, hoe ik mijne lading aan wal zou brengen, daar ik zeilen, riemen, -noch roer had, en het minste aanwakkeren van den wind al mijne -zeemanschap zou teleurgesteld hebben.</p> - -<p>Drie dingen moedigden mij aan; eerstens was de zee volkomen kalm; ten -tweede dreef het getij naar het strand en eindelijk was de weinige wind -die er was, regt op de kust aan. Na dus twee of drie gebroken riemen van -de boot, en behalve mijne kist met gereedschappen, nog twee zagen, eene -bijl en een hamer gevonden te hebben, stak ik met mijne lading af. Eene -mijl ongeveer ging alles goed; alleen bespeurde ik, dat ik een weinig -zijwaarts afdreef van de plaats, waar ik eerst aan land gekomen was, -zoodat ik bemerkte, dat daar eenige strooming in het water was, wat mij -hoop gaf, daar eene kreek of rivier te zullen vinden, die mij als eene -haven kon dienen, om mijne lading aan wal te brengen.</p> - -<p>Het was zoo als ik gedacht had; voor mij lag een kleine inham, waar eene -sterke strooming inliep; dus stuurde ik mijn vlot zoo goed ik kon, om -het midden van den stroom te houden. Hier had ik bijkans ten tweeden -male schipbreuk geleden, hetgeen mij het hart zou gebroken hebben. Daar -ik niets van de kust wist, geraakte mijn vlot aan het eene einde op eene -zandbank vast, en daar het andere einde vlot was, scheelde het weinig, -of al mijne lading was naar dien kant gerold, die vlot was, en zoo in -het water gevallen. Ik deed mijn uiterste best, door met mijn rug de -kisten tegen te houden, alles op zijne plaats te doen blijven; maar al -mijne kracht was niet voldoende om het vlot af te duwen; ook durfde ik -niet van houding veranderen, maar stond bijkans een halfuur op die wijze -tegen te houden. Gedurende dien tijd maakte de vloed het vlot allengs -meer gelijk, en kort daarop, daar het water nog rees, was ik weder vlot, -en duwde mijn vlot af met den riem, dien ik had, in het kanaal. Toen ik -daar hooger op kwam, bevond ik mij eindelijk in den mond van eene -kleine rivier, met land aan weerszijden, en waar het getij zeer sterk -liep.</p> - -<p>Eindelijk bespeurde ik een kleinen inham aan de regterzijde, en bragt -met veel moeite en arbeid mijn vlot daarheen, en kwam er op het laatst -zoo nabij, dat ik met mijn riem den grond bereiken kon, en toen stuurde -ik erbinnen. Hier was bijkans weder al mijne lading in zee gevallen, -want het strand liep hier met zulk eene steile helling, dat ik nergens -kon naderen, of het eene einde van het vlot zou als het aan den wal -stiet, zoo hoog en het andere einde zoo laag liggen, dat de lading op -nieuw groot gevaar moest loopen. Al wat ik doen kon, was te wachten, tot -dat het getij op zijn hoogst was, terwijl ik met mijn riem mij nabij den -wal hield, en digt bij eene streek vlakken grond, die ik verwachtte, dat -het water bedekken zou, gelijk ook het geval was. Zoodra ik water genoeg -vond (want mijn vlot had bijkans een voet diepgang,) bragt ik het boven -dien vlakken grond, en zette het daar vast door mijne twee gebroken -riemen in den grond te steken, aan weerszijden een, en zoo bleef ik -liggen, tot het water begon af te loopen, en mij en mijne lading droog -op het strand liet.</p> - -<p>Mijn eerste werk was thans het land te bezien, en eene geschikte plaats -te zoeken, waar ik wonen kon, en mijne goederen tegen alle mogelijke -ongevallen beveiligen. Waar ik was, wist ik echter niet, of op vast land -of op een eiland, in een bewoond of onbewoond land, met of zonder wilde -dieren. Geene mijl van mij af was een heuvel, die zeer steil en hoog -opliep, en mij toescheen eene reeks van heuvelen, die noordwaarts zich -uitstrekten, te overzien. Ik nam een der jagtgeweren, eene pistool en -een kruidhoorn, en aldus gewapend ging ik naar den top des heuvels op -ontdekking uit. Toen ik dien met veel moeite en arbeid bereikt had, zag -ik dadelijk mijn lot; namelijk, dat ik op een eiland was, overal door de -zee omringd, zonder land in het gezigt, behalve zeer in de verte eenige -klippen, en twee eilanden, kleiner dan dit, die drie mijlen ongeveer -westwaarts van mij lagen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 640px;"> -<img src="images/crusoe_022.jpg" width="640" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik zag tevens, dat het eiland, waarop ik mij bevond, woest, en gelijk ik -met grond vermoedde, onbewoond was, ten ware van wilde dieren, waarvan -ik echter geenerlei spoor zag. Ik zag eene menigte van vogels, wier -soort ik niet kende, en waarvan ik niet wist of hun vleesch eetbaar was -of niet. Toen ik terugkeerde, schoot ik een grooten vogel, dien ik op -een boom aan den zoom van een groot bosch zag zitten. Ik geloof, dat het -het eerste schot was, dat daar, sedert de schepping, gevallen was. -Naauwelijks had ik gevuurd, of uit alle deelen van het bosch rees eene -ontzettende menigte vogels van allerlei soort op, die ieder hun -eigenaardig geschreeuw en gekrijsch aanhieven; doch geen was er onder, -die ik kende. Dien ik gedood had, hield ik voor eene soort van havik, -naar zijne vederen en bek te oordeelen, echter waren zijne klaauwen niet -buitengewoon; zijn vleesch was taai en oneetbaar.</p> - -<p>Ik hield mij vooreerst met deze ontdekking tevreden, ging naar mijn vlot -terug, en ging aan het werk, om mijne lading aan land te brengen, dat -mij het overige van den dag bezig hield. Waar ik mijn nachtverblijf -kiezen zou, wist ik niet; ik was bevreesd, om op den grond te gaan -liggen, niet wetende, of een wild dier mij verscheuren zou. Naderhand -vond ik echter, dat ik hiervoor geene vrees behoefde te hebben.</p> - -<p>Zoo goed ik kon maakte ik echter eene verschansing van de kisten en -planken, die ik aan wal had gebragt, en vormde daarvan eene soort van -hut, voor dien nacht. Ik zag nog niet in, hoe ik mij van voedsel zou -voorzien, behalve, dat ik twee of drie dieren, naar hazen gelijkende, -uit het bosch had zien loopen, toen ik den vogel schoot.</p> - -<p>Ik begon nu te bedenken, dat ik nog veel uit het schip zou kunnen halen, -wat mij nuttig kon zijn; vooral eenig touwwerk en zeilen, en wat mij -maar van dienst zou kunnen zijn. Ik besloot dus, zoo mogelijk nog eene -reis naar het schip te doen, en daar ik wist, dat de eerste opkomende -storm het noodwendig verbrijzelen moest, besloot ik mij nergens mede -bezig te houden, voor ik al wat ik kon uit het schip had gehaald. Ik -belegde toen scheepsraad, dat wil zeggen in mijne gedachten, of ik zou -trachten met het vlot terug te gaan, maar dit achtte ik onuitvoerlijk; -dus besloot ik, even als te voren, bij laag water te gaan, gelijk ik -deed, alleen een gestreept hemd en een linnen broek aanhoudende.</p> - -<p>Ik kwam gelijk te voren aan boord, en maakte een vlot, doch door de -ondervinding van het eerste geleerd, maakte ik dit niet zoo -onhandelbaar, en belaadde het zoo zwaar niet. Thans bragt ik -verscheidene allernuttigste dingen voor mij mede; eerstelijk vond ik -twee of drie zakken spijkers, een groote boor, een vijfentwintig bijlen, -en bovenal, een zoo allernuttigst werktuig, een slijpsteen. Dit alles -borg ik, met verscheidene dingen van den konstapel, twee of drie -koevoeten, twee vaatjes met geweerkogels, zeven geweren en een jagtroer, -met nog eenig buskruid, een grooten zak met hagel en een groote rol -lood; maar deze laatste was te zwaar, en kon ik niet over boord -hijschen.</p> - -<p>Behalve dit nam ik al de kleederen mede, die ik vinden kon, en een -waarloos voormarszeil, eene hangmat en eenig beddegoed, en hiermede -belaadde ik mijn tweede vlot, en bragt alles, tot mijn groot genoegen, -behouden aan land.</p> - -<p>Ik was gedurende mijne afwezigheid van het land eenigzins bevreesd, dat -althans mijne mondbehoeften zouden weggeroofd zijn, maar toen ik -terugkwam, vond ik geen spoor van eenig bezoek, behalve eene soort van -wilde kat, die op eene der kisten zat, en bij mijne aankomst een eind -weegs wegliep, en toen stilstond. Zij zat zeer bedaard en gerust, en zag -mij stijf aan, alsof zij wel lust had, nader kennis met mij te maken. Ik -legde een geweer op haar aan, maar daar zij hiervan niets begreep, bleef -zij zeer bedaard zitten; daarop wierp ik haar een stuk beschuit toe, -waarmede ik echter niet zeer mild was, want mijn voorraad was niet -groot. Echter gaf ik haar een stukje, gelijk ik zeide, en zij ging er -naar toe, berook het, en at het op, en scheen naar meer te verlangen; -maar ik bedankte er voor en kon niet meer missen, dus ging zij heen.</p> - -<p>Na mijne tweede lading aan land gebragt te hebben, schoon ik verpligt -was de kruidvaatjes open te slaan, en bij gedeelten te ledigen, want zij -waren in hun geheel te zwaar, ging ik aan het werk, om van de zeilen, en -eenige staken, die ik daarvoor gekapt had, eene kleine tent te maken, en -in deze tent bragt ik alles wat ik wist, dat door regen of zon bederven -kon, en al de ledige kisten en vaten stapelde ik in een kring rondom de -tent, om die te versterken tegen eenigen onverhoedschen aanval van -menschen of beesten.</p> - -<p>Toen ik dit gedaan had, sloot ik den ingang der tent met eenige planken -van binnen, en eene overeind staande ledige kist van buiten, legde een -bed op den grond, mijne twee pistolen aan het hoofdeinde, en mijn geweer -aan mijne zijde. Hierop ging ik voor de eerste maal naar bed en sliep -zeer gerust den geheelen nacht, daar ik zeer vermoeid en uitgeput was, -want ik had den vorigen nacht zeer weinig geslapen, en den geheelen dag -hard gewerkt, om al die zaken van het schip te halen, en aan land te -brengen.</p> - -<p>Ik had nu het grootste magazijn van allerlei voorraad, dat ooit geloof -ik, voor één mensch was neergelegd; maar ik was nog niet voldaan, want -zoo lang het schip in dier voege bleef zitten, achtte ik het raadzaam er -alles uit te halen wat ik kon; dus ging ik elken dag met laag water naar -boord, en bragt telkens het een of ander mede. Vooral de derde maal toen -ik ging, nam ik zooveel touwwerk mede als ik kon, en zooveel dun touw en -garen als ik vinden kon, benevens een waarloos stuk zeildoek, dat -medegenomen was, om de zeilen te herstellen, en het vat vochtig -buskruid. Kortom ik bragt al de zeilen er af, hoewel ik genoodzaakt was -ze in stukken te snijden, en zooveel te gelijk mede te nemen als ik kon; -want ik kon ze niet als zeilen, maar alleen het doek gebruiken.</p> - -<p>Niet minder aangenaam was het mij, dat ik het laatst van alles, nadat ik -vijf of zes reizen gedaan had, en dacht niets meer van het schip te -kunnen bekomen, wat der moeite waardig was, nog vond een groot vat met -beschuit, drie vaatjes rum of sterken drank, een kistje met suiker en -een vat met best meel. Dit was eene aangename verrassing voor mij, omdat -ik niet verwachtte andere mondbehoeften aan te treffen, dan die door het -water bedorven waren. Ik maakte spoedig de ton met beschuit ledig, en -wikkelde die in stukken van de zeilen, en, om kort te gaan, ik bragt dit -alles, hoewel op verschillende tijden, behouden aan land.</p> - -<p>Den volgenden dag deed ik weder eene reis, en nu ik al wat draagbaar was -uit het schip geplunderd had, begon ik met de kabels, die ik aan stukken -kapte, die ik verwerken kon, en bragt twee kabels en een tros aan wal, -met al het ijzerwerk, dat ik bekomen kon, en na de sprietzeilra en de -bezaansra gekapt te hebben, en al wat ik kon, om een groot vlot te -maken, belaadde ik het met al deze zware goederen en zette af. Maar -mijn goed geluk begon mij te verlaten, want dit vlot was zoo -onhandelbaar en zoo overladen, dat, nadat ik den kleinen inham -binnengevaren was, waar ik de overige goederen aan land had gebragt, -daar ik dit niet zoo goed besturen kon als de andere, het omsloeg, en ik -met al de lading in het water viel. Voor mij was dit van weinig belang, -want ik was digt bij land; maar van mijne lading ging het grootste -gedeelte verloren, vooral het ijzer, dat ik gehoopt had mij van veel nut -te zullen zijn. Toen het echter laag water was, bragt ik nog -verscheidene stukken touw aan wal, en eenig ijzerwerk, schoon met -ontzettend veel moeite, want ik moest er naar duiken, hetgeen voor mij -een allerafmattendst werk was. Ik ging daarop ieder dag naar boord, en -bragt mede wat ik kon.</p> - -<p>Ik was nu dertien dagen aan wal geweest, en elf malen naar boord van het -schip gegaan, in welken tijd ik alles aan wal gebragt had, wat een -mensch met twee handen redelijkerwijs kon doen; hoewel ik waarlijk -geloof, dat, als het stil weder gebleven was, ik het geheele schip, stuk -voor stuk, zou gesloopt hebben. Toen ik de twaalfde maal aan boord wilde -gaan, bemerkte ik, dat de wind begon op te steken; ik ging echter met -laag water aan boord, en schoon ik gedacht had, dat ik de kajuit zoo -goed doorgesnuffeld had, dat ik er niets meer in vinden kon, ontdekte ik -toch een kistje met laden. In eene daarvan vond ik twee of drie -scheermessen en eene groote schaar, met een dozijn goede lepels en -vorken; in eene andere vond ik de waarde van ongeveer 36 [£] in geld; -eenige Europesche en eenige Brazilische munten, eenige stukken van -achten, eenig goud, eenig zilver.</p> - -<p>Ik glimlachte toen ik dat geld zag: "O slijk," zeide ik, "waar zijt gij -goed voor? Gij zijt mij niet waardig, dat ik u van den grond opneem. Een -van deze messen is meer waard dan die geheele hoop. Ik kan u niet -gebruiken, blijf waar gij zijt, en verzink naar den bodem, als iets, dat -niet waardig is gered te worden." Bij nadere overweging nam ik het -echter mede, en wikkelde alles in een stuk zeildoek, en begon te denken -om nog een vlot te maken. Toen ik echter hiermede bezig was, betrok de -lucht en de wind begon op te steken, en in een kwartier blies het eene -stijve koelte van het land. Thans begreep ik, dat het vruchteloos was -een vlot te maken, met den wind van het land af, en dat het zaak was te -vertrekken, voordat de vloed doorkwam; anders had ik het strand in het -geheel niet kunnen bereiken; dus liet ik mij in het water afzakken en -zwom het kanaal over, dat tusschen het schip en het strand lag, en dit -ging moeijelijk genoeg, gedeeltelijk om de zwaarte van hetgeen ik bij -mij had, en gedeeltelijk om de deining in het water, want de wind -wakkerde gestadig aan, en voordat het hoog water was, woei er een felle -storm.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 440px;"> -<img src="images/crusoe_023.jpg" width="440" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Maar ik had mijne kleine tent bereikt, waar ik met al mijn goed zeer -veilig lag. Het stormde den geheelen nacht door, en toen ik den -volgenden morgen uitzag, was er geen schip meer te zien! Ik stond -eenigzins verrast, maar troostte mij met de gedachte, dat ik geen tijd -noch vlijt verloren had, om alles er uit te halen wat mij van nut kon -zijn; en dat er inderdaad weinig in overgebleven was, wat ik nog aan wal -had kunnen brengen, als ik er den tijd toe gehad had. Ik liet nu alle -gedachten varen aan het schip en wat er in was, behalve aan hetgeen nog -van het wrak op de kust mogt aanspoelen, gelijk inderdaad met -verscheidene stukken het geval was, die echter voor mij van weinig nut -waren.</p> - -<p>Thans waren mijne gedachten geheel gevestigd op mij tegen de wilden, als -die zich mogten vertoonen, of tegen wilde dieren, als die op het eiland -mogten zijn, te beschermen, en ik overwoog lang, hoe ik dit doen, en -welke soort van woning ik maken zou; of ik een hol in den grond of eene -tent op denzelven zou opslaan. Eindelijk besloot ik tot beide, en het -zal niet ongepast zijn hier eene beschrijving van dezelve te geven.</p> - -<p>Spoedig bemerkte ik, dat de plaats waar ik was, niet tot mijne vestiging -geschikt was, vooral omdat het een lage, moerassige grond, digt bij de -zee was, die ik geloofde dat niet gezond zou zijn, en vooral, omdat er -geen zoet water in de nabijheid was; dus besloot ik eene gezonder en -meer geschikte plek op te zoeken.</p> - -<p>Ik nam verscheidene zaken in aanmerking: eerstelijk, gezondheid en zoet -water, gelijk ik zeide; vervolgens beschutting voor de zon, benevens -veiligheid voor vijanden, hetzij menschen of dieren, en eindelijk het -gezigt op de zee; opdat, als het God behaagde, eenig schip in het gezigt -te zenden, ik geene gelegenheid mogt verzuimen tot mijne bevrijding, -waarop ik nog niet alle hoop opgegeven had.</p> - -<p>Terwijl ik eene geschikte plaats hiertoe zocht, vond ik eene kleine -vlakte aan de zijde van een heuvel, die aldaar regtstandig als een muur -omhoog rees, zoodat ik van de hoogte niet kon overvallen worden. Aan den -kant van deze rots was eene holte, die naar den ingang van eene spelonk -geleek, schoon er geenerlei opening of spelonk in de rots was.</p> - -<p>Op de grazige vlakte, regt voor deze uitholling, besloot ik mijne tent -op te slaan. De vlakte was niet meer dan honderd ellen lang en tweemaal -zoo breed, en lag als eene weide voor mijne deur, en liep aan het einde -onregelmatig af naar het lager land aan het strand. Zij lag op de N.N.W. -zijde van den heuvel, hetgeen mij voor de zonnehitte den geheelen dag -beschermde, tot de zon in het W.t.Z. stond, hetgeen in deze hemelstreken -bij het ondergaan plaats heeft.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 400px;"> -<img src="images/crusoe_024.jpg" width="400" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Alvorens ik mijne tent opsloeg, trok ik voor de uitholling een halven -cirkel, die van de rots tot aan het einde, tien ellen wijd, en van het -eene einde tot het andere twintig ellen in doorsnede had. In dezen -halven cirkel sloeg ik twee rijen zware staken, en sloeg die in den -grond tot zij zoo vast stonden als pilaren, terwijl het zwaarste einde, -dat ik van boven puntig maakte, ongeveer vijf en een half voet uit den -grond zat; de twee rijen stonden geen zes duim van elkander.</p> - -<p>Vervolgens nam ik de stukken kabeltouw, die ik op het schip gekapt had, -en legde die op elkander in den kring tusschen deze twee rijen van -staken, tot boven aan toe, terwijl ik andere staken van binnen plaatste, -ongeveer twee en een half voet hoog, om de voorsten te versterken, en -deze palissaden waren zoo sterk, dat mensch noch beest er over noch door -kon. Dit kostte mij veel tijd en arbeid, vooral het kappen van de staken -in het bosch, hen huiswaarts te slepen en in den grond te slaan.</p> - -<p>De ingang tot deze plaats was geene deur, maar eene korte ladder, -waarmede ik over de omheining klom en die ik, als ik er in was, naar -binnen haalde. Aldus was ik, naar ik dacht, volkomen ingesloten en -verschanst voor iedereen, en sliep dus des nachts gerust, hetgeen ik -anders niet had kunnen doen; schoon, gelijk naderhand bleek, al deze -voorzorgen voor de vijanden die ik vreesde, noodeloos waren.</p> - -<p>In deze omheining of verschansing, bragt ik met eindeloos veel moeite al -mijn rijkdom, al mijne mondbehoeften, mijn kruid en lood en al mijne -goederen, die ik vroeger opgenoemd heb. Ik maakte ook eene groote tent, -en om mij voor de regens, die hier een gedeelte van het jaar zeer hevig -zijn, te beveiligen, maakte ik eene dubbele, namelijk eene kleinere tent -van binnen en eene grootere er over heen, en de bovenste bedekte ik met -eene presenning, die ik onder de zeilen gered had.</p> - -<p>En nu lag ik niet meer in het bed, dat ik aan wal had gebragt, maar in -eene hangmat, die zeer goed was, en aan den stuurman behoord had.</p> - -<p>In deze tent bragt ik al mijne mondbehoeften, en al wat door den regen -bederven kon, en maakte vervolgens den ingang toe, dien ik tot hiertoe -opengelaten had, en ging na dien tijd altijd met eene korte ladder, -gelijk ik zeide, in en uit.</p> - -<p>Toen dit gedaan was, ging ik aan het uitdelven van de rots, en bragt al -de aarde en steenen, die ik uitgroef, door mijne tent, en legde die -tusschen deze en de palissaden. Ik verhoogde den grond aldus anderhalf -voet, en maakte hierdoor een kelder vlak achter mijne tent. Dit kostte -mij veel tijd en arbeid, voor dat alles gereed was, en ik moet dus -terugkeeren tot eenige andere zaken, die mijne gedachten bezig hielden.</p> - -<p>Toen ik het ontwerp gevormd had, een tent op te slaan en den kelder te -maken, viel er een allerhevigste stortregen uit eene dikke, zwarte wolk, -en een bliksemstraal werd door een allerontzettendsten donderslag -gevolgd, gelijk natuurlijk is. Ik was niet zoo zeer ontsteld van den -bliksem, als van het denkbeeld, dat even snel als de bliksem mij voor -den geest kwam: "mijn buskruid!" Mijn hart kromp ineen, als ik bedacht, -dat een bliksemstraal al mijn kruid kon vernielen, waarvan naar ik -dacht, niet alleen mijne veiligheid, maar ook mijn onderhoud geheel -afhing. Ik was volstrekt niet bekommerd over mijn eigen gevaar, schoon, -als het kruid vlam gevat had, ik zeer ligt doodelijk getroffen had -kunnen worden.</p> - -<p>Dit maakte zulk een indruk op mij, dat, nadat de storm over was, ik al -mijn werk, mijn bouwen en verschansen liggen liet, en aan het maken van -dozen en kisten ging, om mijn kruid bij kleine gedeelten te bergen, in -de hoop, dat, wat er ook gebeuren mogt, het niet alles te gelijk vlam -zou vatten, en ik het zoo afgescheiden kon houden, dat het eene het -andere niet kon aansteken. Ik bragt hiermede veertien dagen door; en -mijn kruid, dat ongeveer 140 [lb = gewicht] zal bedragen hebben, had ik -toen in wel honderd partijen verdeeld. Van het vaatje, dat nat geweest -was, vreesde ik geenerlei gevaar, dus plaatste ik het in mijn nieuwen -kelder, dien ik goedvond mijn keuken te noemen, en het overige verborg -ik hier en daar in holten tusschen de klippen, in dier voege, dat er -geen nat bij komen kon, terwijl ik zorgvuldig de plaatsen merkte, waar -ik het legde.</p> - -<p>Middelerwijl ik hieraan bezig was, ging ik dagelijks ten minste eens met -mijn geweer uit, zoowel tot mijne uitspanning, als om te zien of ik iets -schieten kon, dat eetbaar was, en, zooveel ik kon, mij bekend te maken -met wat het eiland opleverde. De eerste maal dat ik thans uitging, -ontdekte ik, dat er geiten op het eiland waren, hetgeen mij veel -genoegen deed; er was echter een ongeluk bij, dat zij namelijk zoo -schuw, zoo scherp van gezigt en reuk, en zoo snel ter been waren, dat -het allermoeijelijkst was, haar te bereiken.</p> - -<p>Ik werd hierdoor echter geenszins ontmoedigd, niet twijfelende of ik zou -er weldra een onder schot krijgen, gelijk ook spoedig het geval was. -Want, nadat ik eenigzins hare gewone verblijfplaatsen op het spoor was -gekomen, ging ik op haar loeren. Ik had bemerkt, dat, als zij mij in het -dal zagen, al waren zij op de klippen, zij dan altijd verschrikt -wegliepen, en dat, als ik op de klippen was, zij geen acht op mij -sloegen. Ik besloot hieruit, dat haar oog zoodanig gevormd was, dat zij -met gemakkelijk voorwerpen zagen, die boven haar verheven waren. Ik -begon derhalve altijd eerst op de rotsen te klimmen, om boven haar -gezigt te zijn, en had dan gewoonlijk een goed schot op haar.</p> - -<p>De eerste maal, dat ik op haar schoot, doodde ik eene geit, die een -zuigend jong bij zich had, hetgeen mij van harte speet. Toen de moeder -viel, bleef het jong stokstijf bij haar staan, tot ik kwam en haar -opnam. Toen ik de oude geit op mijne schouders laadde en haar wegdroeg, -volgde het jong mij tot aan mijne heining. Ik legde daar de oude neder, -nam het jong in mijne armen en droeg het over de palissaden, in de hoop -van het tam te maken; maar het wilde niet eten, dus was ik gedwongen het -te dooden en het zelf te eten. Deze twee geiten voorzagen mij voor -langen tijd van vleesch; want ik at matig, en spaarde mijne eetwaren -(vooral mijn brood), zooveel ik bij mogelijkheid kon.</p> - -<p>Na thans mijne woning bepaald te hebben, achtte ik het volstrekt -noodzakelijk eene plaats te hebben waar, en brandhout waarmede ik stoken -kon. Ik zal op zijne plaats verhalen, hoe ik dit alles deed, en hoe ik -mijn kelder vergrootte, maar ik moet eenig verslag van mijzelven en van -mijne denkbeelden over mijne verdere levenswijze, die inderdaad niet -weinig waren, geven.</p> - -<p>Mijn toestand leverde een treurig vooruitzigt op. De storm, die mij op -dit eiland geworpen had, had mij tevens geheel buiten den koers van onze -voorgenomen reis geslagen, en wel honderd mijlen buiten het gewone -vaarwater der koopvaarders. Ik had dus groote reden, het als een besluit -des Hemels te beschouwen, dat ik in deze eenzame plaats en op deze -verlatene wijze mijn leven zou eindigen. Mijne tranen stroomden bij -deze gedachten, en somwijlen vroeg ik mij zelven af, waarom de -Voorzienigheid sommige harer schepselen zoo diep rampzalig maakte, zoo -hulpeloos en verlaten, dat het leven naauwelijks een reden tot -dankbaarheid was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crusoe_025.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Maar altijd kwam er iets in mij op, dat deze gedachten stuitte, en mij -er over berispte. Op zekeren dag in het bijzonder, toen ik met mijn -geweer in de hand langs het strand wandelde, peinsde ik ernstig over -mijn tegenwoordigen toestand, toen mijne rede als het ware toetrad, en -mij de zaak van eene andere zijde deed beschouwen. Het is waar, zeide -zij, gij zijt in een rampzaligen toestand, maar ei lieve, waar zijn uwe -kameraden? Waart gij niet elf personen in de boot? waar zijn de tien -overigen? Waarom zijn zij niet gered, en zijt gij niet vergaan? Waarom -zijt gij uitgezonderd? Is het beter hier of daar te zijn? Hierbij wees -ik op de zee. Het kwaad moet men beschouwen met het goede, dat er mede -gepaard gaat, en het kwade, waarvan het bevrijd is gebleven.</p> - -<p>Vervolgens bedacht ik, hoe goed voor mijn onderhoud gezorgd was, en wat -mijn lot zou geweest zijn, als niet (hetgeen honderdduizend tegen een -was) het schip van de plaats, waar het eerst gestooten had, vlot -geraakt, en zoo digt bij den wal gedreven was, dat ik in staat was -geweest, er al die goederen uit te halen. Hoe zou mijn toestand geweest -zijn, als ik had moeten leven in den staat, waarin ik het eerst aan wal -kwam, zonder levensmiddelen en zonder eenig middel, mij die te -verschaffen. Wat vooral zoudt gij gedaan hebben, zeide ik luid tot -mijzelven, zonder geweer, zonder kruid of lood, zonder eenig gereedschap -om iets te maken of mede te werken, zonder kleederen, beddegoed of eenig -deksel?</p> - -<p>Nu ik dit alles in genoegzame hoeveelheid had, en fraai op weg was, mij -zoodanig in te rigten, dat ik zonder mijn geweer zou kunnen leven als -mijn kruid op was, zoo dat ik een gegrond vooruitzigt op voedsel had, -zoo lang als ik leefde, want van den beginne af had ik er mijne -gedachten over laten gaan, hoe in verschillende omstandigheden te -handelen, in het toekomende, niet alleen als mijn kruid en lood op zou -zijn, maar zelfs als mijne gezondheid en krachten zouden afnemen.</p> - -<p>Ik moet echter bekennen, dat ik toen echter volstrekt er niet aan dacht, -dat ik mijn kruid in eens, door den bliksem meen ik, kon verliezen, en -hierdoor was ik zoo ontsteld, toen dit denkbeeld voor de eerste maal bij -het onweder, bij mij op kwam.</p> - -<p>En, daar ik nu het droevig verslag van een eenzaam leven moet beginnen, -gelijk men welligt nimmer in de wereld meer gehoord heeft, zal ik dit -van den beginne af en met orde verhalen. Het was, naar mijne rekening, -de 30ste September, toen ik op de vermelde wijze het eerst den voet op -het woest eiland zette, toen de zon, bij ons in de herfstevening, -bijkans regt boven mijn hoofd stond, want ik rekende, dat ik mij op 9°, -22' ten noorden van de linie bevond.</p> - -<p>Na een verblijf van tien of twaalf dagen, kwam het mij in de gedachten, -dat ik, bij gebrek van boeken en schrijfgereedschap, met de tijdtelling -verward raken zou, en zelfs den zondag niet van de werkdagen -onderscheiden kunnen. Om dit te voorkomen sneed ik met mijn mes op een -grooten staak, met kapitale letters, het volgende opschrift:</p> - -<p>IK KWAM HIER AAN WAL DEN 30 SEPTEMBER 1659.</p> - -<p>en plaatste dit op een staak, in den vorm van een kruis, aan het strand, -waar ik het eerst aan land gekomen was. Op de zijden van dezen stijl -sneed ik elken dag een kerf met mijn mes, en elke zevende kerf eens zoo -lang als de overigen, en elken eersten dag van de maand weder eens zoo -lang, en aldus hield ik mijn almanak, en berekende de weken, maanden en -jaren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 435px;"> -<img src="images/crusoe_026.jpg" width="435" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik moet nog zeggen, dat onder de vele goederen, die ik op verschillende -reizen, van het schip afbragt, zich verscheidene zaken van minder waarde -bevonden, die mij echter niet minder van nut waren, en welke ik vroeger -vergeten had te vermelden, zoo als vooreerst pennen, inkt en papier, -verscheidene zaken van den kapitein, stuurman, konstapel en timmerman -afkomstig, als drie of vier kompassen, eenige zeevaartkundige -instrumenten, zonnewijzers, verrekijkers, kaarten en boeken over de -stuurmanskunst, hetwelk ik alles ondereen wierp, of ik het soms noodig -mogt hebben. Ook vond ik drie goede Bijbels, die bij de lading, mij uit -Engeland gezonden, geweest waren, en die ik onder mijne bagaadje gepakt -had, ook eenige Portugesche boeken, en daar onder twee of drie Roomsche -gebedenboeken en andere werken, die ik allen zorgvuldig borg. En ik moet -niet vergeten, dat wij aan boord een hond en twee katten hadden, wier -zonderlinge geschiedenis ik in het vervolg vermelden zal. Ik nam de -beide katten mede, en de hond sprong uit zichzelve over boord en zwom -naar den wal, den dag, nadat ik voor het eerst eene lading aan land -gebragt had, en was mij vele jaren een trouw dienaar; mij ontbrak niets -wat hij mij kon verschaffen; hij was voor mij een uitmuntend gezelschap -geweest, zoo hij slechts had kunnen spreken, maar dat ging niet. Gelijk -ik zeide, ik vond pennen, inkt en papier, en was daar zoo zuinig op, als -mogelijk; en het zal den lezer blijken, dat ik, zoo lang mijne inkt -duurde, alles zeer naauwkeurig opteekende, maar toen deze op was, was -dit onmogelijk, want ik kon geene inkt maken, wat ik ook verzon.</p> - -<p>Dit herinnert mij, dat mij nog vele dingen ontbraken, niettegenstaande -al wat ik bijeengeraapt had; hieronder behoorde de inkt, eene spade, -houweel en schop, om den grond te bewerken; naalden, spelden en garen. -Wat linnen betrof, dit leerde ik spoedig zonder moeite ontberen.</p> - -<p>Dit gebrek aan gereedschap maakte, dat al mijn werk langzaam van de hand -ging, en het duurde bijkans een jaar, alvorens ik mijne kleine schans, -of met palissaden bezette woning, voltooid had; het kappen der palen en -staken, die zoo zwaar waren als ik ze slechts vervoeren kon, vereischte -veel tijd, en nog meer het bewerken en naar huis slepen. Ik bragt -somtijds twee dagen door met een dezer palen te kappen en naar huis te -brengen, en een derden met dien in den grond te slaan, waartoe ik eerst -een zwaar stuk hout gebruikte, maar eindelijk bedacht mijn koevoet te -gebruiken; doch ook hiermede bleef het inslaan van deze palen een zeer -moeijelijk en vervelend werk.</p> - -<p>Maar wat behoefde ik mij te bekommeren of iets wat ik te doen had, -vervelend was, aangezien ik tijd genoeg had, om het te verrigten? Als -dit afgeloopen was, had ik toch geene andere bezigheid, ten minste niet -die ik voorzien kon, behalve het rondgaan van het eiland, om voedsel te -zoeken, wat ik elken dag meer of minder deed.</p> - -<p>Ik begon nu ernstig over mijn toestand, en de omstandigheden waarin ik -mij bevond, na te denken, en ik maakte schriftelijk een staat van mijne -zaken, niet zoo zeer voor iemand, die na mij hier komen zou, want -waarschijnlijk zou ik weinig erfgenamen hebben, maar wel om mijne -gedachten, die daar dagelijks op gevestigd waren en mijn geest -neêrdrukten, lucht te geven, en dewijl de rede thans bij mij de overhand -begon te krijgen, begon ik mij te troosten zoo goed ik kon en plaatste -het goede tegenover het kwade, om mijn toestand van een nog ergeren te -onderscheiden. Ik stelde dan zeer onpartijdig, als debiteur en -crediteur, het goede, dat ik genoot, tegenover de rampen, die ik leed; -op deze wijze:</p> - - -<table> -<col width="50%" /> -<tr> -<th>het kwaad.</th> -<th>het goed.</th> -</tr> -<tr> -<td><i>Ik ben op een akelig onbewoond eiland geworpen, buiten alle hoop op -verlossing.</i></td> -<td><i>Maar ik ben in leven en niet verdronken, zoo als al mijne scheepsmakkers.</i></td> -</tr> -<tr> -<td><i>Ik ben uitgekipt en als het ware afgezonderd van de geheele wereld, om -ongelukkig te zijn.</i></td> -<td><i>Maar ik ben ook uitgekipt uit al het scheepsvolk, om van den dood gespaard -te worden, en Hij, die mij wonderbaarlijk van den dood bevrijdde, kan mij -ook uit dezen toestand redden.</i></td> -</tr> -<tr> -<td><i>Ik ben van het menschdom afgesneden als een kluizenaar, als een balling uit -de maatschappij.</i></td> -<td><i>Maar ik ben niet verhongerd, en verga niet op eene onvruchtbare plaats, -die geen voedsel oplevert.</i></td> -</tr> -<tr> -<td><i>Ik heb geene kleederen, om mij te bedekken.</i></td> -<td><i>Maar ik ben in een warm klimaat, waar ik naauwelijks kleederen zou kunnen -verdragen; als ik ze had.</i></td> -</tr> -<tr> -<td><i>Ik ben genoegzaam weerloos, zonder de middelen, om mij tegen menschen of -beesten te verdedigen.</i></td> -<td><i>Maar ik ben op een eiland geworpen, waar ik geene wilde dieren zie, -gelijk op de Afrikaansche kust. Wat zou het zijn, zoo ik daar -schipbreuk geleden had?</i></td> -</tr> -<tr> -<td><i>Ik heb niemand tegen wien ik spreken, of die mij opbeuren kan.</i></td> -<td><i>Maar God heeft wonderdadig het schip digt genoeg bij den wal gezonden, -opdat ik daar zoo velerlei noodwendigheden uit kon bekomen, als -mijne behoeften vereischen of althans mij in staat zullen stellen, zelf -zoo lang ik leef, daarin te voorzien.</i></td> -</tr> -</table> - - -<p>Over het geheel blijkt het uit deze balans duidelijk, dat er naauwelijks -eenige toestand in de wereld zoo rampzalig is, dat men niet, hetzij, om -het gemis van eenig kwaad, hetzij, om het bezit van eenig goed, dankbaar -moet zijn. Volgens mijne ervaring van een der bedroevendste toestanden -in de wereld, vinden wij er altoos iets in, om ons mede te troosten, en -bij onze overweging van denzelven, op de creditzijde te plaatsen.</p> - -<p>Na op deze wijze mij eenigzins in mijn toestand getroost te hebben, -staarde ik niet meer zoo onophoudelijk zeewaarts, of ik een schip kon -zien; maar begon mij het leven zoo aangenaam als mogelijk te maken.</p> - -<p>Reeds heb ik mijne woning beschreven, die eene tent was, tegen eene rots -aan, omringd met sterke palissaden, die men wel een muur mogt heeten, -want ik maakte er eenen wal tegen van zoden, van twee voet breed, aan de -buitenzijde, en na eenigen tijd (ongeveer anderhalf jaar denk ik), -bragt ik staken er van tegen de rots, en bedekte die met boomtakken, en -al wat ik dienstig achtte, om den regen af te weren, die sommige tijden -van het jaar allerhevigst viel.</p> - -<p>Ik heb reeds aangemerkt, hoe ik al mijne goederen binnen deze schans -bragt en in den kelder, dien ik gemaakt had, maar ik moet er bij -vermelden, dat dit in den beginne een verwarde hoop goederen was, die, -daar zij ordeloos door elkander lagen, de geheele plaats vulden. Ik kon -mij keeren noch wenden, dus begon ik mijn kelder te vergrooten, en -dieper in den grond te werken, want de rots bestond uit lossen -zandsteen, die gemakkelijk te bewerken was; en toen ik vond, dat ik voor -verscheurende dieren veilig was, werkte ik zijwaarts in de rots, en toen -weder regtsaf werkende, groef ik tot naar buiten, en maakte eene deur, -waardoor ik buiten mijne palen of schans kwam.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 425px;"> -<img src="images/crusoe_027.jpg" width="425" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dat verschafte mij niet alleen een uitgang van achteren, maar gaf mij -ook ruimte, om veel goed te bergen.</p> - -<p>En nu ging ik aan het werk, om zoodanige goederen te maken, als ik vond -het meest benoodigd te zijn, vooral een stoel en tafel, want zonder deze -kon ik de weinige geneugten, die ik in de wereld had, niet smaken; ik -kon niet met genoegen eten of schrijven, of verschillende andere zaken -verrigten, als ik niet aan eene tafel zat. Ik moet hier aanmerken, dat -de rede de grondslag der wiskunde is, en dat iedereen, die gezond over -berekeningen en evenredigheden kan oordeelen, alle werktuigelijke -kunsten begrijpen en leeren kan. Ik had nimmer gereedschap gehanteerd, -maar ten laatste vond ik, dat mij niets ontbrak of ik had het kunnen -maken, vooral, als ik gereedschap had gehad. Zonder gereedschap -vervaardigde ik echter ook nog veel, en sommige dingen met geen ander -gereedschap dan een dissel en een bijl, die welligt nimmer op die wijze -vroeger zijn vervaardigd geworden. Dit ging echter niet zonder -ontzettende moeite. Als ik bij voorbeeld eene plank noodig had, zat er -niet anders voor mij op, dan een boom te vellen, dien op een helling -voor mij te leggen, en aan weerszijden met mijn bijl af te hakken, tot -ik hem zoo dun als eene plank had gemaakt, die ik dan met mijn dissel -vlak maakte. Wel is waar, ik kon op die wijze van een geheelen boom -slechts eene plank maken; maar hier zat niets op dan geduld te hebben, -dat hoog noodig was, voor den ontzettenden tijd en arbeid, dien het -maken van eene plank mij kostte; maar mijn tijd of arbeid was weinig -waard, en dus kon ik die even goed op de eene als op de andere wijze -besteden.</p> - -<p>Ik maakte mij echter in de eerste plaats een stoel en tafel, zoo als ik -zeide; en dit deed ik van de korte planken, die ik op mijn vlot van -boord had gebragt; maar toen ik op de bovengemelde wijze eenige planken -gemaakt had, maakte ik groote vakken van anderhalf voet breed, boven -elkander, langs de eene zijde van mijn kelder, om er al mijn -gereedschap, spijkers en ijzerwerk in te leggen, en ieder ding zijne -afzonderlijke plaats te geven, om het gemakkelijk te kunnen vinden; ook -sloeg ik krammen in den muur van de rots, om mijne geweren, en wat -verder hangen kon, aan op te hangen; zoodat, als men mijn kelder gezien -had, men dien als een magazijn van allerlei noodwendigheden zou -beschouwd hebben. Ik had alles zoo bij de hand, dat het mij tot een -groot genoegen strekte, al mijne goederen in zoo goede orde te zien, en -vooral, dat mijn voorraad zoo groot was.</p> - -<p>Thans begon ik een dagboek van mijne verrigtingen van elken dag te -houden. In den beginne was ik hiertoe te veel bezig geweest, niet alleen -met werk, maar ook overladen met neêrslagtigheid, en mijn journaal ware -met allerhande buitensporigheden gevuld geworden. Ik had bij voorbeeld -moeten zeggen: den 30sten September. Na aan wal gekomen en voor -verdrinken bewaard te zijn, in stede van toen God voor mijne bevrijding -te danken, ontlastte ik eerst mijne maag van al het zeewater, dat ik in -menigte binnen gekregen had, en eenigzins hersteld zijnde, liep ik langs -het strand, mijne handen wringende, mij tegen het voorhoofd slaande, -over mijne ellende jammerende, en uitroepende: "Ik ben verloren! ik ben -verloren!" totdat de afgematheid mij dwong op den grond te gaan liggen, -om te rusten, want ik durfde niet slapen, uit vrees van aan wilde dieren -ten prooi te vallen.</p> - -<p>Eenige dagen daarna, en nadat ik aan boord van het schip was geweest, en -al wat ik kon er uit gehaald had, kon ik toch niet nalaten een heuvel te -beklimmen en in zee te zien, op hoop van een schip te bespeuren, totdat -mijne verhitte verbeelding mij een zeil deed zien, dat, nadat mijne -oogen schier blind gestaard waren, weder verdween, waarna ik ging zitten -weenen als een kind, en op deze wijze door mijne dwaasheid mijn ongeluk -vermeerderde.</p> - -<p>Toen ik dit echter eenigzins te boven was, en mijne huishouding en -woning in orde bragt, mij een tafel en stoel maakte, en alles rondom mij -zoo goed opknapte als ik kon, begon ik een journaal te houden, hetgeen -ik hier laat volgen (schoon al de bijzonderheden reeds vermeld zijn) zoo -lang het duurde, want, toen ik op het laatst geen inkt meer had, moest -ik het staken.</p> - - -<p>HET JOURNAAL.</p> - - -<p>1659. 30 September. Ik, arme, ongelukkige Robinson Crusoe, kwam, na -schipbreuk geleden te hebben, op dit rampzalig, woest eiland, dat ik het -<i>Wanhoops-eiland</i> noemde, al mijne scheepsmakkers zijn verdronken, en ik -zelf half dood.</p> - -<p>Den geheelen verderen dag bragt ik door met mijn ongelukkig lot te -bejammeren. Ik had geen voedsel, woning, kleederen, wapenen noch -toevlugtsoord, en aan alle uitkomst wanhopende, niets dan den dood voor -oogen, hetzij, dat ik door wilde dieren verslonden, door wilden -vermoord, of uit gebrek aan voedsel verhongeren moest. Bij het aanbreken -van den nacht, ging ik, uit vrees voor wilde dieren, in een boom slapen, -maar sliep gerust, schoon het den geheelen nacht regende.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>1 October. In den morgen zag ik met verwondering, dat het schip met den -vloed vlot was geraakt en op het strand veel digter bij het eiland was -gedreven; hetwelk aan den eenen kant eene vertroosting was, want daar -het overeind was en niet in stukken gebroken, hoopte ik, als de wind -bedaarde, er aan boord te komen en eenig voedsel en noodwendigheden voor -mij uit te halen. Aan den anderen kant hernieuwde het mijn jammer over -het verlies mijner makkers, die, als wij allen aan boord gebleven waren, -welligt het schip behouden hadden; althans zouden zij niet allen -verdronken zijn, gelijk thans. En zoo zij gered waren, hadden wij -misschien uit de overblijfselen van het schip eene boot kunnen bouwen, -om ons naar een ander deel der wereld te brengen. Ik bragt den geheelen -dag door met hierover te peinzen, maar, toen ik eindelijk zag, dat het -schip bijkans droog zat, ging ik op het zand er zoo digt bij als ik kon, -en zwom toen aan boord. Het regende ook heden den geheelen dag, schoon -zonder eenigen wind.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>Van 1 tot 24 October. Al deze dagen doorgebragt in het doen van -verschillende togten, om al wat ik kon uit het schip te halen, hetgeen -ik telkens, als de vloed doorkwam, op vlotten aan wal bragt. Veel regen -in deze dagen, doch tusschenbeide mooi weder; het schijnt, dat dit het -regenachtige jaargetijde is.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>24 October. Mijn vlot viel om en al wat er op lag, maar, daar het in -ondiep water was, en er veel zware goederen bij waren, bekwam ik er bij -laag water veel van terug.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>25 October. Het regende den geheelen nacht en dag, met eenige -windvlagen, gedurende welken tijd het schip verbrijzeld werd, en er -niets meer van te zien bleef, dan alleen bij laag water het wrak. Ik -bragt den dag door met de goederen, die ik gered had, te bergen en te -bedekken, opdat de regen ze niet zou bederven.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>26 October. Bijkans den geheelen dag liep ik het strand langs, om eene -plaats te zoeken, waar ik mijn verblijf zou kiezen, vooral bezorgd, om -mij voor eenigen nachtelijken overval van menschen of beesten te -beveiligen. Tegen den avond koos ik eene geschikte plaats uit, tegen -eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn verblijf, dat ik -besloot te versterken met een wal of schans, uit twee rijen palen, van -binnen met kabeltouw belegd, en van buiten met zoden.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>Van den 26sten tot 30sten werkte ik zeer hard, om al mijn goed naar -mijne nieuwe woning te vervoeren, schoon het somtijds zeer hard regende.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>Den 31sten. In den morgen ging ik uit met mijn geweer, om eenig voedsel -te zoeken en het land te ontdekken. Ik doodde eene geit en haar jong -volgde mij naar huis, dat ik naderhand ook doodde, omdat het niet eten -wilde.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>1 November. Ik sloeg mijne tent op onder eene rots, en bragt daarin den -eersten nacht door; ik heb die zoo wijd gemaakt als ik kon, en er palen -in geslagen, om mijne hangmat aan te hangen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>2 November. Ik zette al mijne kisten en planken en de rondhouten van -mijne vlotten op, en maakte daarvan eene verschansing, een weinig binnen -de plaats, die ik gekozen had, om mij te vestigen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>3 November. Ik ging uit met mijn geweer, en schoot twee vogels, naar -eendvogels gelijkende, die zeer goed waren om te eten. Des namiddags -ging ik aan het werk, om eene tafel te maken.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>4 November. Dezen morgen begon ik mijn tijd te verdeelen, in werkuren, -een tijd, om met mijn geweer uit te gaan, een tijd, om te slapen en een -tijd tot uitspanning. Elken morgen ging ik, als het niet regende, twee -of drie uren met mijn geweer uit; dan ging ik aan het werk tot tegen elf -uren; dan at ik wat ik had, en van twaalf tot twee uren deed ik een -slaapje, daar het alsdan drukkend heet was, en ging dan weder tot den -avond aan het werk. Dezen en den volgenden dag besteedde ik al mijne -werkuren aan het maken van eene tafel; maar ik was een bedroefde -timmerman, hoewel de tijd en de noodzakelijkheid mij spoedig een goed -handwerksman maakten, gelijk zij, geloof ik, iedereen zouden doen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>5 November. Dezen dag ging ik met mijn geweer en mijn hond uit, en -schoot eene wilde kat; hare huid was zeer zacht, maar haar vleesch -deugde niets. Ieder dier, dat ik doodde, stroopte ik de huid af en -bewaarde die. Toen ik langs het strand terugkeerde, zag ik verscheidene -zeevogels, die ik niet kende, maar ik was verrast en bijkans verschrikt -door het zien van twee robben, die, terwijl ik er op staarde, en -alvorens ik zag wat dit waren, in zee doken en mij voor dat oogenblik -ontsnapten.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>6 November. Na mijne ochtendwandeling ging ik weder aan mijne tafel aan -het werk, en maakte die af, schoon zij mij niet beviel; het duurde -echter niet lang of ik kon haar verbeteren.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>7 November. Het werd thans bestendig weder. Den 7den, 8sten, 9den, 10den -en een gedeelte van den 12den (want naar mijne rekening was het den -11den, zondag) besteedde ik geheel in het maken van een stoel, en gaf -daar met veel moeite een redelijk fatsoen aan, schoon hij mij nimmer -beviel, en ik onder het maken hem verscheidene malen weder aan stukken -brak. Ik moet hierbij aanmerken, dat ik spoedig vergat de zondagen te -rekenen, omdat ik hun merk op den stijl vergeten had.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 400px;"> -<img src="images/crusoe_028.jpg" width="400" alt="" title="" /> -</div> - -<p>13 November. Dezen dag regende het, hetgeen mij zeer verfrischte, en de -aarde verkoelde; maar de regen ging met een verschrikkelijk onweder -gepaard, hetgeen mij voor mijn kruid veel angst deed uitstaan. Zoodra -dat voorbij was, besloot ik al mijn kruid in kleine gedeelten te bergen, -opdat het geen gevaar zou loopen.</p> - - -<p>14, 15 en 16 November. Deze drie dagen sleet ik geheel met het maken van -vierkante kistjes of doozen, die een of op zijn hoogst twee pond kruid -konden bevatten, en na het kruid er in geborgen te hebben, zette ik die -in zoo veilige en afgelegen plaatsen als ik kon. Op een van deze drie -dagen schoot ik een grooten vogel, die goed om te eten was, maar wiens -naam ik niet kende.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>17 November. Dezen dag begon ik achter mijne tent in de rots te graven, -om meerder ruimte voor mij te verkrijgen. Drie dingen had ik hiertoe -vooral noodig; te weten een houweel, een schop en een kruiwagen. Ik liet -dus het werk staan, en begon te overwegen, hoe ik in dit gebrek voorzien -en mij eenige werktuigen vervaardigen zou. In plaats van het houweel, -kon ik een der ijzeren koevoeten gebruiken, hoewel die zwaar genoeg -waren; maar thans had ik eene spade noodig; deze was zoo noodig, dat ik -zonder haar niet veel uitrigten kon; maar hoe ik er eene maken zou wist -ik niet.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>18 November. Den volgenden dag vond ik in het bosch een boom van het -hout, dat men in Brazilië ijzerhout noemt, omdat het zoo hard is. Ik -kapte hiervan een gedeelte, schoon met veel moeite, en hoewel het mij -bijkans mijne bijl gekost had, en bragt het moeijelijk genoeg naar huis, -want het was zeer zwaar.</p> - -<p>De ontzettende hardheid van dit hout, hield mij lang op, hoewel ik er -echter van lieverlede het fatsoen van een spade aan gaf, van boven met -een handvatsel gelijk de onze; maar daar het ondereinde niet van ijzer -was, kon zij zoo lang niet duren. Zij was echter voldoende voor hetgeen -ik ermede doen wilde. Ik geloof niet, dat men ooit eene spade op die -manier, of die zooveel tijd kostte, gemaakt heeft.</p> - -<p>Ik had nog niet al wat ik noodig had; ik moest nog eene mand of een -kruiwagen hebben. Eene mand kon ik niet maken, omdat ik geen buigzame -teenen bezat, ik vond ze althans niet; en wat den kruiwagen betreft, ik -verbeeldde mij, dat ik die zeer goed zou kunnen maken, behalve het wiel; -daar had ik geen begrip van, en wist niet, hoe ik het aan zou vangen; -bovendien had ik geen ijzeren banden, waarin de as van het wiel kon -loopen; dus gaf ik dit op. Om dus de aarde, die ik uitdelfde, weg te -dragen, maakte ik eene soort van bak, gelijk die, waarin de metselaars -hunne kalk dragen. Dit maken ging gemakkelijker dan de spade, en toch -had ik aan het een en ander, en aan mijne vergeefsche pogingen, om een -kruiwagen zamen te stellen, vier dagen noodig; altijd daar afgerekend -mijne morgenwandelingen, die ik zelden verzuimde, en waarvan ik ook -meestal iets eetbaars te huis bragt.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>23 November. Daar mijn ander werk stil gestaan had, terwijl ik mijne -gereedschappen maakte, hervatte ik dit thans, en werkte er zooveel aan -als mijne krachten mij toelieten, achttien dagen achtereen aan het -verwijden en uitdiepen van mijn kelder, ten einde al mijne goederen er -gemakkelijk in zouden kunnen staan.</p> - -<p>Al dien tijd werkte ik, om eene kamer of kelder te maken, groot genoeg -om mij tot magazijn, tot keuken, tot eetkamer en tot kelder te -verstrekken. De tent was mijne eigenlijke woning; maar in het -regensaisoen regende het somtijds zoo hard, dat ik er mij niet droog kon -houden, daarom bedekte ik naderhand mijn geheele verblijf binnen de -palissaden, met lange staken in den vorm van latten, tegen de rots aan -liggende, en bedekte die met takken en bladeren.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>10 December. Ik had thans gedacht, dat mijn kelder zoo goed als gereed -was; toen plotseling (naar het schijnt, had ik te wijd uitgegraven) een -zoo groote menigte aarde, van boven en van een der zijden, viel, dat ik -er hevig van ontroerde, en geen wonder, want ware ik er onder geweest, -men had nimmer een graf voor mij behoeven te graven. Deze tegenspoed -verschafte mij op nieuw een groot deel werk, want ik moest de losse -aarde naar buiten brengen, en, wat van meer belang was, het gewelf -stutten, opdat ik voor geene herhaling van dit ongeval behoefde te -vreezen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>11 December. Ik ging hieraan werken, en stutte den zolder met twee -stijlen met twee planken dwars er over; den volgenden dag was dit -afgewerkt, en door nog meer stutten te plaatsen, had ik in eene week het -dak in orde, en de op rijen staande palen, dienden thans om de -verdeelingen van mijn huis te maken.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>17 December. Van dezen dag tot den 20sten hield ik mij bezig met planken -te leggen en spijkers te slaan in de stijlen, om alles, wat ik kon, -daaraan te hangen, en thans begon ik binnen 's huis eenigzins op orde te -komen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 365px;"> -<img src="images/crusoe_029.jpg" width="365" alt="" title="" /> -</div> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>20 December. Thans droeg ik alles in den kelder en begon mijne woning te -meubeleren, en eenige planken te plaatsen, om levensmiddelen op te -leggen; maar de planken werden schraal. Ook maakte ik eene andere tafel.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>24 December. Het regent den geheelen nacht en dag, zoodat ik niet kan -uitgaan.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>25 December. Den geheelen dag regen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>26 December. Droog weder en de grond veel koeler en aangenamer dan te -voren.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>27 December. Ik schoot een jonge geit, en kwetste een andere, zoodat ik -haar ving en naar huis droeg. Daar gekomen bond ik het dier vast en -spalkte haar poot.</p> - -<p>NB. Ik droeg zooveel zorg voor haar, dat zij in leven bleef, en de poot -genas en werd zoo goed als te voren. Door haar zoo lang op te passen -werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde -niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme dieren -aan te fokken, ten einde voedsel van hen te hebben als mijn kruid op zou -zijn.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>28, 29 en 30 December. Zware hitte en geen wind, zoodat ik niet naar -buiten kon, dan tegen den avond op wild uitgaan. Dezen tijd bragt ik -door met in mijne huishouding alles in orde te brengen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>1 Januarij. Het was nog drukkend warm; maar ik ging 's morgens en 's -avonds met mijn geweer uit, en nam op het midden van den dag rust. Dezen -avond was ik verder de valleijen ingegaan, die naar het midden van het -eiland voerden, en vond, dat daar geiten in menigte waren, schoon -uiterst schuw en moeijelijk te bekruipen. Ik besloot echter te -beproeven, of ik mijn hond er geen jagt op kon doen maken.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>2 Januarij. Ik ging derhalve den volgenden dag met mijn hond uit, en -hitste hem op de geiten aan; maar ik had mij misrekend, want zij hielden -stand tegen den hond, en deze besefte zijn gevaar, want hij durfde haar -niet naderen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>3 Januarij. Ik begon aan mijne heining of wal, dien ik zoo sterk als -mogelijk besloot te maken, om dat ik nog altijd vreesde overvallen te -zullen worden.</p> - -<p>NB. Daar deze wal vroeger beschreven is, zal ik hier weglaten wat -deswege in mijn journaal staat; alleen zal ik vermelden, dat ik van den -3 Januarij tot den 14 April bezig was aan het maken, voltooijen en -verbeteren van dezen muur, schoon hij niet meer dan vierentwintig el -lang was, zijnde een halve cirkel, van eene plaats in de rots, tot aan -eene andere, acht el vandaar, terwijl de deur van den kelder in het -midden achter denzelven was.</p> - -<p>Al dien tijd werkte ik hard, hoewel de regen mij vele dagen, ja weken -achtereen hinderde; maar ik achtte mij niet veilig voor de geheele muur -af was; en men kan naauwelijks gelooven, welken ontzettenden arbeid -alles vereischte, vooral het halen van de palen uit het bosch, en hen in -den grond te slaan; want ik nam veel zwaarder dan noodig was.</p> - -<p>Toen deze muur voltooid, en van buiten met een wal van zoden beschermd -was, achtte ik het voor zeker, dat, zoo er eenig volk aan het strand -kwam, zij niets, wat naar eene woning geleek, zouden bemerken; en een -merkwaardig geval bewees naderhand, dat ik wel geoordeeld had.</p> - -<p>Gedurende dezen tijd deed ik alle dagen, als de regen het toeliet, de -ronde in het bosch, en ontdekte dikwijls op deze togten veel, dat mij -van nut was. Zoo vond ik eene soort van wilde duiven, die niet gelijk de -houtduiven op boomen, maar als huisduiven in spleten van de rotsen -nestelden. Ik nam eenige jongen mede en trachtte die tam te maken; maar -toen zij ouder werden vlogen zij allen weg, misschien, omdat ik haar -geen eten gaf, want ik had dit niet. Ik vond echter dikwijls hare -nesten, en nam de jongen er uit, die zeer goed om te eten waren.</p> - -<p>Ik begon thans te denken om verscheidene dingen, die mij in mijn -huishouding ontbraken, te maken, hetgeen ik eerst als geheel onmogelijk -had beschouwd, gelijk ook met sommigen het geval was; ik kon bij -voorbeeld nimmer een ton maken; ik had een paar vaatjes, gelijk ik -gezegd heb, maar ik kon er nimmer een paar maken, schoon ik er -verscheidene weken aan zoek bragt; ik kon nimmer den bodem of de duigen -zoo goed bijeenbrengen, dat het water hield; dus gaf ik het op. Ik was -zeer verlegen ook om kaarsen, want zoodra het duister was, dat is te -zeven ure gewoonlijk, moest ik naar bed gaan. Ik wenschte thans wel dien -klomp was te bezitten, dien ik op mijne reis langs de Afrikaansche kust -had; maar al wat mij thans overschoot was, als ik eene geit gedood had, -dat ik dan het vet bewaarde, in eene kom van klei, in de zon gedroogd, -en een pit van eiken schors daarin brandde. Te midden van mijn arbeid -kwam mij een zakje in de hand, waarin koorn was geweest, om het vorige -gevogelte mede te voeden, ik denk toen het schip van Lissabon kwam. Wat -er in overgebleven was, hadden de ratten opgegeten, en ik zag niets in -den zak dan stof en vuilnis, en daar ik het zakje wilde gebruiken (ik -denk om kruid in te doen, dat ik toen verdeelde, uit vrees voor den -bliksem) schudde ik den zak uit, aan de eene zijde van mijne schans -onder de rots.</p> - -<p>Kort voor den grooten regen, waarvan ik sprak, had ik dit gedaan, zonder -er verder over te denken. Maar eene maand of zoo daarna zag ik iets -groens opschieten, hetwelk ik eene plant dacht te zijn, die ik nog niet -kende, maar ik stond geheel verbaasd, toen ik eene poos daarna tien of -twaalf aren zag opschieten, die volmaakt naar het Europesche, ja naar -het Engelsche graan geleken.</p> - -<p>Het is mij onmogelijk de verbazing en verbijstering, waarin dit mij -bragt, uit te drukken. Ik had tot hiertoe naar geenerlei godsdienstige -gronden in het geheel gehandeld; ik had zeer weinig begrip van de -godsdienst, noch iets wat mij overkomen was anders beschouwd, dan alsof -het toeval dit zoo gewild, of gelijk men zonder nadenken zegt, zoo als -het den Hemel behaagd had; maar zonder na te denken over de redenen, -waarom de Voorzienigheid de wereldsche gebeurtenissen aldus schikt. Maar -toen ik daar rogge zag groeijen, in eene hemelstreek, die ik wist, dat -geen koorn opleverde; en terwijl ik niet wist hoe het daar kwam, trof -mij dit ten sterkste, en ik begon te vermoeden, dat God dit graan -wonderbaarlijk had laten groeijen, zonder dat het gezaaid was geworden, -en dat het alleen tot mijn onderhoud in deze woeste eenzame plaats -opgeschoten was.</p> - -<p>Dit perste mij de tranen uit de oogen, en ik beschouwde mij als door den -Hemel bijzonder begunstigd, dat zulk een wonderlijke gebeurtenis voor -mij geschied was. Het verwonderde mij te meer, omdat ik daar digtbij, -langs de zijde van de rots, hier en daar eenige weinige halmen zag van -rijst, die ik kende, omdat ik ze in Afrika, toen ik daar was, had zien -groeijen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_030.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Niet twijfelende, dat de Voorzienigheid dit aldus voor mij beschikt had -en dat er nog meer aldaar was, ging ik alle deelen van het eiland door, -waar ik vroeger geweest was, zocht in iederen hoek en onder iedere rots, -om nog meer te zien, maar kon niets meer vinden. Eindelijk kwam het mij -in de gedachten, dat ik den zak, waarin het voedsel voor de kiekens -geweest was, daar uitgeschud had, en toen was het wonder opgehelderd, en -daarmede, ik moet het bekennen, mijne erkentelijkheid voor Gods -goedertierenheid, ten einde. Ik had echter dezelfde reden tot -dankbaarheid, alsof het daar door een wonder gekomen was, want het was -waarlijk eene bestiering der Voorzienigheid, dat tien of twaalf korrels -graan onbedorven waren gebleven, terwijl de ratten al het overige -vernield hadden; vervolgens, dat ik het juist op die plek had moeten -werpen, waar het, doordien het onder de schaduw van eene hooge rots -stond, onmiddellijk kon opschieten, terwijl, zoo het te dier tijd ergens -anders gevallen ware, het verzengd en vernield zou geworden zijn.</p> - -<p>Ik gaarde zorgvuldig de aren op, gelijk men wel denken kan, toen zij -rijp waren, hetgeen in het laatst van Junij was, en ieder korrel -bewarende, besloot ik die op nieuw te zaaijen, in de hoop van met der -tijd genoeg te bekomen, om mij brood te verschaffen. Het was echter -eerst in het vierde jaar, dat ik mij veroorloofde iets van het graan te -eten, en dit nog zeer spaarzaam, gelijk men later vernemen zal.</p> - -<p>Behalve dit graan waren er twintig of dertig rijsthalmen opgeschoten, -die ik even zorgvuldig en met hetzelfde oogmerk bewaarde, namelijk, om -later mij tot brood, of liever tot spijs te verstrekken; want ik vond -middel om het te koken, zonder het te bakken, schoon ik dit naderhand -ook deed. Doch ik keer tot mijn journaal terug.</p> - -<p>Ik werkte deze drie of vier maanden uiterst hard, om mijn muur gereed te -krijgen, en den 14 April sloot ik dien geheel, en ging naar buiten, niet -door eene deur, maar over eene ladder, ten einde er aan de buitenzijde -geen spoor van mogt overblijven.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>16 April. Ik maakte de ladder af; klom met dezelve naar boven, haalde -die achter mij op, en liet die van binnen zakken. Ik had thans een -volkomen omheining voor mij; en van buiten kon men mij niet dan over den -muur genaken.</p> - -<p>Den dag nadat ik dezen muur voltooid had, was bijkans al mijn arbeid -vruchteloos geweest, en ik zelf verongelukt. Dit was het geval. Toen ik -van binnen bezig was achter mijne tent, vlak in den ingang van mijn -kelder, schrikte ik allerhevigst door iets, dat waarlijk ook -allerverbazendst was. De aarde kwam van den zolder, van mijn kelder en -van de zijde van den heuvel over mijn hoofd rollen, en twee van de -stijlen, die ik in den kelder overeinde had gezet, kraakten -allerhevigst. Ik was ernstig geschrikt, maar dacht volstrekt niet aan de -ware oorzaak; alleenlijk begreep ik, dat de zolder van mijn kelder -instortte, gelijk vroeger nog eens gebeurd was. Uit vrees dus van -daaronder bedolven te worden, ijlde ik weg, en achtte mij niet veilig -voor ik over den muur was, uit vrees, dat de stukken rots op mijn hoofd -mogten vallen. Naauwelijks was ik op vasten grond, of ik zag duidelijk, -dat het eene verschrikkelijke aardbeving was, want de grond, waarop ik -stond, schudde driemaal, ongeveer acht minuten na elkander, zoo hevig, -dat de sterkste gebouwen er door hadden moeten instorten, en een top van -eene rots, die een halfuur van mij af, digt aan zee stond, viel met zulk -een verschrikkelijk geraas naar beneden, als ik nimmer hoorde. Ik -bemerkte ook dat de zee in hevige beweging was, en ik geloof, dat de -schokken onder het water sterker dan op het eiland waren.</p> - -<p>Ik was hiervan zoo verbaasd, daar ik nooit in mijn leven zoo iets had -gevoeld, of van gehoord had, dat ik als geheel verplet was; en de -beweging van de aarde maakte mij ziek, als iemand, die zeeziek is. Het -geraas van de neêrstortende rots bragt mij weder tot bezinning, en ik -vreesde ieder oogenblik, dat de rots op mijne tent en al mijne goederen -zou vallen en alles in eens bedelven; en dit denkbeeld deed mij schier -bezwijken.</p> - -<p>Toen de derde schok voorbij was, en ik eenigen tijd niets meer voelde, -begon ik moed te scheppen, maar had toch nog het hart niet, weder over -den muur te gaan, uit vrees van levende begraven te worden. Ik bleef -neêrslagtig en mistroostig op den grond zitten, niet wetende wat te -doen. Al dien tijd had ik niet het minste godsdienstige denkbeeld, -behalve, dat ik werktuigelijk uitriep: "Heer, wees mij genadig!" en toen -het gevaar over was waren alle gedachten aan den Hemel daarbij -verdwenen.</p> - -<p>Terwijl ik aldus zat, betrok de lucht alsof het zou gaan regenen, en in -minder dan een half uur blies er een allergeweldigste orkaan. De zee was -plotseling met schuim bedekt, de golven sloegen over het strand, de -boomen werden ontworteld; en deze verschrikkelijke storm duurde omtrent -drie uren, toen begon hij te bedaren, en twee uren later was het weder -kalm, en begon het geweldig te regenen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 555px;"> -<img src="images/crusoe_031.jpg" width="555" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Al dien tijd zat ik op den grond, zeer beducht en neêrslagtig, toen het -mij plotseling inviel, dat, daar deze wind en regen het gevolg van de -aardbeving waren, deze zelve voorbij was, en ik het wagen kon in mijn -kelder te gaan. Deze gedachte herlevendigde mijn moed, en de regen deed -er het zijne toe, om mij over te halen, dus ging ik naar binnen, en in -mijne tent; doch de regen was zoo geweldig, dat mijne tent bijkans er -door neergeslagen werd, dus was ik gedwongen in mijn kelder te gaan, -hetgeen ik met veel zorg en onrust deed. Deze stortbui dwong mij tot -nieuwen arbeid, want ik moest onder den muur een greppel graven, om het -water een afloop te geven, anders zou mijn kelder ondergeloopen hebben. -Nadat ik eenigen tijd in mijn kelder doorgebragt, en geene schokken meer -gevoeld had, schepte ik wat moed, en om dien te versterken, ging ik naar -mijn magazijn, en nam een slok rum; hetgeen ik echter toen en naderhand -altijd zeer spaarzaam deed, wetende dat ik, als deze op was, geen meer -kon bekomen. Den geheelen dag en een groot deel van den nacht bleef het -doorregenen, zoodat ik niet kon uitgaan; maar van mijne ontsteltenis -bekomen, dacht ik na over hetgeen mij thans te doen stond. Als dit -eiland aan aardbevingen onderhevig was, kon ik niet in den kelder -blijven wonen; maar moest ik een hutje voor mij bouwen, dat ik ook met -een muur omringen kon, en mij daardoor voor menschen en beesten -beveiligen; want zoo ik bleef waar ik was, liep ik gevaar van te eeniger -tijd levend begraven te worden.</p> - -<p>Ik besloot mijne tent, die vlak tegen de rots aan stond, te verplaatsen, -daar deze bij eene nieuwe aardbeving er ligtelijk op kon storten. De -twee volgende dagen (19 en 20 April) besteedde ik met te overleggen -werwaarts en hoe ik mijne woning verleggen zou. De vrees van levend -bedolven te worden belette mij allen gerusten slaap, en toch was ik even -bevreesd, in het open veld, zonder eenige beschutting, te slapen; en -wanneer ik rond zag, en alles zoo goed in orde vond, en hoe veilig ik -gehuisvest en verborgen was, gevoelde ik grooten weerzin in deze plaats -te verlaten.</p> - -<p>Middelerwijl kwam het mij in de gedachten, dat met dit te maken veel -tijd zou verloopen, en dat ik mij er in moest schikken het gevaar te -blijven loopen waar ik was, totdat ik een kamp voor mij gemaakt had en -dat zoo versterkt, dat ik daarheen kon verhuizen. Ik besloot dus zoo -spoedig mogelijk aan het werk te gaan, en mij een wal te maken met palen -en kabeltouw, gelijk de vorige, omringd, en in het midden daarvan mijne -tent op te slaan, als die voltooid was, maar tot dien tijd zou ik het -wagen te blijven waar ik was. Dit was den 21sten.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>22 April. Den volgenden morgen begon ik de middelen, om dit besluit uit -te voeren, te overwegen, maar ik was in groote verlegenheid om -gereedschappen. Ik had drie groote bijlen en eene menigte kleine, want -deze hadden wij medegenomen, om met de negers te handelen; maar door het -kappen en behakken van hard hout, waren zij allen bot en vol scharen -geworden. Ik had wel een slijpsteen, maar kon dien niet draaijen, en -tegelijk mijn gereedschap er op slijpen. Dit kostte mij meer tijd, dan -een staatsman noodig heeft om over landen en volken, of een regter om -over leven en dood uitspraak te doen. Eindelijk maakte ik een wiel met -een strop, dat ik met mijn voet kon draaijen, zoodat ik mijne beide -handen vrij had.—Ik had zoo iets in Engeland nimmer gezien, of er -althans nooit geen acht op geslagen; hoewel ik naderhand vond, dat zij -daar zeer algemeen waren; ook was mijn slijpsteen groot en zeer zwaar. -Het gereed maken van dit werktuig kostte mij eene geheele week tijd.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 400px;"> -<img src="images/crusoe_032.jpg" width="400" alt="" title="" /> -</div> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>28, 29 April. Deze twee dagen bragt ik door met mijne gereedschappen te -slijpen; mijn werktuig om den steen te draaijen ging zeer goed.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>30 April. Daar ik bespeurde, dat mijn voorraad van brood sterk minderde, -nam ik eens op wat er nog was, en stelde mij op rantsoen van een -beschuit per dag, hetgeen mij zeer neêrslagtig maakte.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>1 Mei. Toen ik dezen morgen naar zee ging, zag ik, terwijl het zeer laag -water was, iets op het strand liggen. Toen ik er bij kwam vond ik een -vaatje en twee of drie stukken van het wrak, die door den laatsten storm -op het strand waren geslagen; en naar het wrak ziende, meende ik, dat -het hooger uit het water uitstak dan anders. Ik onderzocht het vaatje, -dat op strand lag, en vond dat het een kruidvaatje was, doch dat nat -geworden was; het kruid was als een koek ineen gebakken, en zoo hard als -steen. Ik rolde het hooger op het strand vooreerst, en ging verder op -zoo digt bij het wrak als ik kon.</p> - -<p>Toen ik bij het schip kwam vond ik het geheel verplaatst; het voorschip, -dat vroeger in het zand begraven lag, was ten minste zes voet opgebeurd, -en het achterschip, dat door de woede der golven aan stukken geslagen en -van het overige als het ware afgerukt was geworden, kort na mijne -laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand -was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans -bij laag water naar toe kon wandelen. In het eerst stond ik hierover -verbaasd, maar weldra begreep ik, dat het door de aardbeving moest -geschied zijn, en daar thans het schip meer dan te voren opengeslagen -was, kwamen er dagelijks vele dingen aan strand spoelen, die de zee -lossloeg en door de wind en golven op het strand geworpen werden.</p> - -<p>Dit bragt mij weder alle denkbeeld aan verhuizen uit het hoofd, en ik -hield mij ijverig, vooral dien dag, bezig, met te zien of ik ook op -eenigerlei wijze in het schip kon komen; doch ik vond dat dit niet ging, -daar het vol zand was. Daar ik echter geleerd had niets op te geven, -besloot ik van het schip te slopen wat ik kon, overtuigd, dat alles mij -op eene of andere wijze van nut kon zijn.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_033.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>3 Mei. Ik ging aan het visschen, maar vong geen een visch, dien ik eten -dorst, tot juist toen ik er wilde uitscheiden, daar het mij verdroot, ik -een jongen dolfijn ving. Ik had eene lange lijn van dun touw gemaakt, -maar had geen hoeken; ik ving echter dikwijls veel visch; althans zoo -veel als ik lustte; die ik allen in de zon droogde, en gedroogd at.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>4 Mei. Ik begon met mijne zaag een balk door te zagen, die ik mij -verbeeldde, dat een deel van het halfdek bijeenhield; en toen hij -doorgezaagd was, ruimde ik zoo veel ik kon het zand weg van den kant, -die het hoogst lag, maar toen de vloed doorkwam, was ik verpligt dit -werk voor 's hands te staken.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>5 Mei. Op het wrak gewerkt, een anderen balk doorgezaagd, en drie groote -planken van het dek gesloopt, die ik vastbond en met den vloed naar wal -liet drijven.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>6 Mei. Op het wrak gewerkt, verscheidene ijzeren bouten en ander -ijzerwerk er af gebragt; zeer hard gewerkt en doodmoede te huis gekomen, -met veel lust het werk te staken.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>7 Mei. Weder naar het wrak gegaan, maar met oogmerk er niet te werken. -Ik vond dat het schip door zijne eigene zwaarte zich begeven had, de -balken waren gebroken en verscheidene stukken van het schip schenen los -te liggen; en de binnenzijde van het ruim lag zoo open, dat ik er in -zien kon; het was schier geheel vol met water en zand.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>8 Mei. Ik ging weder naar het wrak en nam een ijzeren koevoet mede, om -het dek op te breken, dat nu geheel vrij van water en zand lag. Ik -werkte twee planken er af en bragt die met den vloed naar den wal. Ik -liet den koevoet op het wrak achter tot den volgenden dag.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>9 Mei. Ik maakte met den koevoet eene opening naar het ruim, en vond -verscheidene vaten, die ik los werkte, maar kon ze niet openbreken. Ook -vond ik eene rol Engelsen lood, maar dit was te zwaar voor mij, om het -op te heffen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>10, 11, 12, 13, 14 Mei. Ik ging alle dagen naar het wrak, en haalde er -vele stukken hout en planken af, en wel twee- of driehonderd [lb = -gewicht] ijzer.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>15 Mei. Ik ging met twee kleine bijlen naar het wrak en beproefde of ik -geen stuk van het lood kon afkappen, door de eene bijl als eene wig te -gebruiken, maar daar het lood anderhalf voet onder water lag, kon ik er -niet genoeg bijkomen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>16 Mei. Het had 's nachts hard gewaaid, en het wrak scheen door de -golven meer gebroken te zijn; maar ik was zoo lang in het bosch geweest -om duiven te schieten, dat het getij mij dien dag belette aan boord te -gaan.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>17 Mei. Ik zag eenige stukken van het wrak, die op een half uur -afstands, door den wind op het strand waren gedreven; ik ging er heen, -maar vond dat het een stuk van den kop was, maar te zwaar voor mij om -het te huis te brengen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>24 Mei. Alle dagen tot heden op het wrak gewerkt, en met zwaren arbeid -eenige dingen zoo verre losgewerkt met den koevoet, dat met hoog water -eenige vaten en twee matrozenkisten er uit spoelden, maar daar de wind -van het land blies, kwam er dien dag niets aan strand spoelen dan eenig -brandhout, en een okshoofd met eenig spek, doch het zeewater en het zand -hadden het onbruikbaar gemaakt. Ik hield met dit werk aan tot den 15 -Junij, uitgezonderd den tijd dien ik dagelijks er af nam, om mijn -voedsel op te sporen, bij hoog water, ten einde altijd gereed te zijn -als het afgeloopen was. Ik had thans rondhouten, planken en ijzerwerk -genoeg bijeen, om eene goede boot te bouwen, als ik maar geweten had, -hoe; ook had ik op verschillende tijden bijkans honderd pond van de rol -lood afgehaald.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>16 Junij. Naar den zeekant gaande vond ik eene groote schildpad; dit was -de eerste dien ik gezien had, hetgeen echter niet uit hare schaarschheid -voortsproot, want ware ik aan de andere zijde van het eiland geweest, -dan had ik ze bij honderden kunnen vinden, gelijk naderhand bleek, doch -ze dan misschien duur genoeg moeten betalen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>17 Junij. Bragt ik door in het koken van de schildpad. Ik vond er zestig -eijeren in, en haar vleesch scheen mij het geurigste en lekkerste dat ik -ooit geproefd had; en geen wonder, daar ik sedert mijne komst op dit -akelig eiland slechts geitenvleesch en vogels geproefd had.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>18 Junij. Het regende den geheelen dag en ik bleef binnen 's huis. Mij -dacht, dat de regen koud nederviel, en ik was eenigzins huiverig, -hetgeen ik wist dat op deze breedte ongewoon is.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>19 Junij. Ik was zeer ongesteld en huiverig, alsof het koud weder was.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>20 Junij. Den geheelen nacht niet geslapen, zware pijn in het hoofd en -koortsig.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>21 Junij. Zeer ziek, en doodsangst uitstaande over mijn jammerlijken -toestand, ziek te zijn zonder hulp. Ik bad tot God de eerste maal sedert -den storm voor Hull; maar wist naauwelijks wat ik zeide, daar mijne -denkbeelden geheel verward waren.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>22 Junij. Een weinig beter, maar vreesselijk beangst.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>23 Junij. Weder erger, koud en huiverig met geweldige hoofdpijn.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>24 Junij. Veel beter.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>25 Junij. Zeer zware koorts, heet en koud, die zeven uren achtereen -duurde, en van eenig zweet gevolgd werd.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>26 Junij. Ik gevoelde mij beter, en daar ik niets te eten had, nam ik -mijn geweer, maar vond dat ik zeer zwak was. Ik schoot echter eene geit -en bragt die met veel moeite te huis, braadde er een stukje van en at -dat op. Ik had er gaarne wat vleeschnat van willen koken, maar ik had -geen pot.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>27 Junij. De koorts was weder zoo hevig, dat ik den geheelen dag liggen -bleef, zonder te eten of te drinken. Ik stierf schier van dorst, maar -was te zwak om op te staan en water te halen. Ik bad weder tot God, maar -was bedwelmd van hoofd, en als dit niet het geval was, was ik toch zoo -onwetend, dat ik niet wist wat ik zeggen zou, en niet anders riep dan: -"Heere, wees mij genadig, Heere, heb medelijden met mij!" Ik geloof dat -ik twee of drie uren lang niets anders deed, tot ik bij het afgaan der -koorts in slaap viel, en eerst laat in den nacht wakker werd. Toen ik -ontwaakte bevond ik mij veel verkwikt, maar zwak en zeer dorstig; daar -ik echter geen water in mijn verblijf had, was ik verpligt tot den -morgenstond te wachten, en viel weder in slaap. In dezen slaap had ik -den volgenden verschrikkelijken droom.</p> - -<p>Ik verbeeldde mij dat ik op den grond zat, buiten mijn wal, waar ik na -de aardbeving, gedurende den storm gezeten had, en dat ik een man, uit -eene groote zwarte wolk, in eene heldere vuurvlam zag nederdalen. Hij -was geheel en al zoo schitterend als eene vlam, zoo dat ik naauwelijks -op hem zien kon; zijn gelaat was ontzaggelijker, dan woorden kunnen -uitdrukken; toen hij met zijnen voet op den grond trad, dreunde deze, -even als bij de aardbeving, en de geheele lucht scheen als met -vuurvlammen bezet.</p> - -<p>Toen hij op den grond stond trad hij naar mij toe, met een speer of -dergelijk wapen in de hand, als om mij te dooden, en toen hij op eenigen -afstand van mij op eene hoogte stond, sprak hij tot mij, of hoorde ik -eene zoo ontzaggelijke stem, welks vreesselijkheid niet te beschrijven -is, tot mij zeggen: "Dewijl al deze dingen u niet tot berouw verwekt -hebben, zult gij sterven!" Bij deze woorden meende ik, dat hij de speer, -die hij in de hand hield, ophief, als om mij te dooden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 400px;"> -<img src="images/crusoe_034.jpg" width="400" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik zal niet trachten den schrik te beschrijven, dien dit verschrikkelijk -gezigt in mijne ziel verwekte. Zelfs toen ik droomde, verwonderde ik mij -over mijn eigen angst; en evenmin kon ik den indruk beschrijven, dien -mij bijbleef, toen ik wakker geworden zijnde, ontdekte dat het slechts -een droom was.</p> - -<p>Ik had, helaas, geenerlei godsdienstige kennis; die welke ik uit het -onderrigt mijns vaders verkregen had, was door een omgang van acht jaren -met ruwe en losbandige zeelieden geheel uitgewischt geworden. Ik -herinner mij niet, dat ik in al dien tijd eenige gedachte tot God -gerigt, of over het gepaste mijner handelingen nagedacht had. Eene -zekere dofheid van geest, zonder verlangen naar het goede, zonder -bewustheid van het kwade, had mij geheel overmeesterd, en ik was een van -de verhardste, meest gedachtenlooze en bedorvene wezens die men onder de -matrozen kan ontmoeten, die niet het minste gevoel der vreeze Gods had, -in gevaren, of van dankbaarheid jegens hem, bij hunne redding uit -dezelve.</p> - -<p>Dit zal men te ligter gelooven, als ik bij het verhaal mijner vorige -lotgevallen bijvoeg, dat ik bij al de reeks van ongelukken, die mij tot -op dezen dag getroffen hadden, nimmer een enkel oogenblik gedacht had, -dat hierin Gods hand was, of dat zij eene regtmatige straf waren voor -mijn ongehoorzaam gedrag jegens mijn vader, of mijne latere -overtredingen, die zeer groot waren. Toen ik dien wanhopigen togt deed -langs de Afrikaansche kust, had ik nimmer een oogenblik gedacht wat er -van mij worden zou, of eenmaal van God gebeden mij te geleiden, of mij -voor het gevaar te behoeden, dat mij zoo blijkbaar omringde van -verscheurende dieren en onbeschaafde volken; ik dacht volstrekt niet aan -Gods voorzienigheid, maar handelde als een dier, dat alleen door zucht -tot zelfbehoud gedreven wordt.</p> - -<p>Toen ik op zee door den Portugeschen kapitein gered en opgenomen, goed -verzorgd, billijk en liefderijk behandeld werd; gevoelde ik niet de -minste dankbaarheid jegens God; en toen ik op nieuw schipbreuk leed, en -uit de kaken des doods gered, op dit eiland werd geworpen, was ik ver af -van eenige wroeging, of van dit als eene straf des Hemels te beschouwen; -alleen zeide ik dikwijls tot mijzelven, dat ik een rampspoedig mensch en -tot het ongeluk geboren was.</p> - -<p>Wel is waar, toen ik hier het eerst aan land kwam, al mijne -scheepsmakkers verdronken en mij alleen gered vond, geraakte ik in eene -soort van verrukking, die onder Gods genade, tot ware dankbaarheid had -kunnen aangroeijen; maar het bleef bij eene gewone opwelling van -vreugde. Ik was blijde dat ik gered was, zonder acht te geven op de -goedheid van de hand Gods, die mij bewaard en uitverkoren had om gered -te worden, terwijl al de overigen vergaan waren, noch na te denken -waarom de Voorzienigheid zoo barmhartig jegens mij geweest was. Het -bleef bij die vreugde, die zeelieden dikwijls hebben als zij behouden -van eene schipbreuk aan land komen; die zij verdrinken in een kom -punsch, en die gelijk met dezelve eindigt.</p> - -<p>Zelfs toen ik naderhand mijn toestand ernstig overwoog, hoe ik op dit -akelig verblijf buiten allen menschelijken bijstand, buiten alle hoop op -bevrijding mij bevond; was al mijne neêrslagtigheid voorbij, zoodra ik -de waarschijnlijkheid inzag, dat ik niet van honger zou sterven; en ik -begon zeer welgemoed aan den arbeid, die tot mijn behoud en voedsel -noodig was, en dacht er niet aan mijn toestand als eene straf des Hemels -te beschouwen; deze gedachten kwamen zelden bij mij op.</p> - -<p>Het opschieten van het graan, gelijk ik in mijn journaal gemeld heb, -maakte in het eerst eenigen indruk op mij, en bragt mij tot ernstige -nagedachten, zoo lang ik dacht, dat hierin iets wonderdadigs lag. Maar -zoodra dit denkbeeld verdwenen was, ging ook die indruk, gelijk ik -zeide, geheel verloren. Zelfs de aardbeving, dat verschrikkelijke -natuurverschijnsel, dat zoo onmiddellijk aan eene onzigtbare magt doet -denken, bragt, nadat de eerste schrik voorbij was, geen blijvenden -indruk te weeg. Ik dacht evenmin aan God en zijne oordeelen, veel -minder, dat mijn tegenwoordige toestand van zijne hand kwam, dan of ik -mij in den voorspoedigsten staat mijns levens bevonden had.</p> - -<p>Maar nu ik ziek werd, en langzamerhand de dood met al zijne -verschrikkingen, zich voor mijne oogen vertoonde; nu mijn moed door eene -zware ongesteldheid vernietigd werd, en de natuur door de hevigheid der -koorts uitgeput was; begon mijn geweten, dat zoo lang gesluimerd had, te -ontwaken. Ik verweet mij mijn vorig leven, dat mij zoo blijkbaar de -straffende hand Gods op den hals had gehaald.</p> - -<p>Deze overwegingen kwelden mij van den tweeden of derden dag mijner -ziekte, en zoo wel de hevigheid der koorts als de strenge berispingen -van mijn geweten persten mij eenige biddende woorden af, schoon het geen -eigenlijk gebed, maar slechts klanken waren, door droefheid en angst mij -ontwrongen. Mijne gedachten waren verward, en de angst van in zulk een -rampzaligen toestand te sterven deed mij beven; ik wist niet wat ik -zeide, doch het waren uitroepen, als: "Hemel, wat ben ik rampzalig; ik -zal gewis van gebrek aan bijstand sterven als ik ziek worde! Wat zal er -van mij worden?" De tranen stroomden uit mijne oogen, en ik bleef -eenigen tijd zonder te kunnen spreken.</p> - -<p>Thans kwamen mij de goede raadgevingen mijns vaders in de gedachten, en -vervolgens zijne voorspelling, die ik in het begin van mijne -geschiedenis vermeld heb, namelijk, dat als ik dezen dwazen stap deed, -God mij niet zegenen zoude, en ik nog lang berouw zou hebben, dat ik -zijn raad in den wind geslagen had, als er niemand was om mij te helpen -dien te herstellen. Nu, zeide ik luid, zijn mijns vaders woorden -vervuld, Gods geregtigheid heeft mij bereikt, en niemand is er die mij -hoort of helpt. Ik weigerde naar de stem der Voorzienigheid te hooren, -die mij in een toestand geplaatst had, waarin ik een gelukkig en kalm -leven had kunnen leiden; maar ik wilde dit niet erkennen; noch deszelfs -zegeningen van mijn vader leeren. Ik liet hen mijne dwaasheden -betreuren, en thans moet ik derzelver gevolgen beweenen. Ik weigerde de -hulp mijner verwanten, die mij gemakkelijk door de wereld hadden kunnen -helpen, en nu moet ik moeijelijkheden overwinnen, waartegen menschelijke -kracht niet opgewassen is, zonder hulp, zonder bijstand, zonder raad, -zonder troost. Hier riep ik uit: "Heere, wees mij ter hulpe, want mijn -jammer is groot!" Dit was, mag ik zeggen, het eerste gebed, dat sedert -jaren over mijne lippen kwam.—Doch ik keer tot mijn journaal terug.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>28 Junij. Een weinig verfrischt door den slaap, en geheel zonder koorts -stond ik op; en schoon de angst en schrik van mijn droom nog zeer groot -waren, bedacht ik toch, dat ik zeker morgen weder een aanval van de -koorts zou hebben, en het nu de tijd was mij eenige verkwikking tegen -dien tijd te bezorgen. Het eerste wat ik deed was eene groote -kelderflesch vol met water te vullen en op de tafel te zetten, zoo dat -ik die uit mijn bed bereiken kon, en om de koude van het water weg te -nemen, goot ik er ongeveer een kwart pint rum bij; daarop nam ik een -stuk geitenvleesch en braadde dit, maar ik kon er slechts weinig van -eten. Ik ging naar buiten, maar was zeer zwak en neêrslagtig en kon -naauwelijks mijn geweer dragen, zonder hetwelk ik nimmer uitging. Ik -liep dus niet ver, maar ging op eene hoogte zitten, en zag naar de zee, -die kalm en effen voor mij lag. Terwijl ik hier zat kwamen de volgende -denkbeelden bij mij op. Wat is deze aarde en zee waarvan ik zoo veel -gezien heb? Vanwaar is zij ontstaan? En wat ben ik en alle schepselen, -menschen en beesten? Vanwaar zijn zij gekomen? Ongetwijfeld zijn zij het -werk van die Magt, die de aarde en het water, de lucht en den hemel -heeft gemaakt, en wie is dat? Natuurlijk was het antwoord: het is God, -die dit alles gemaakt heeft. Maar dan is het ook zeker, dat als God dit -alles gemaakt heeft, Hij het ook bestiert en leidt, want wie alles kan -maken, kan het ook regelen en bestieren. En dan gebeurt er ook niets in -den geheelen omkring zijner werken, zonder dat hij het weet of gebiedt. -En dan weet Hij ook dat ik hier, in dezen akeligen toestand ben, en zoo -niets buiten zijn wil geschiedt, dan was het zijn wil, dat mij dit -gebeuren zou.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_036.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Niets bood zich aan mijn geest aan, dat een dezer gevolgtrekkingen -logenstrafte, en dus bleef ik overtuigd, dat het Gods wil was, dat mij -dit alles zou overkomen; dat ik door zijne leiding in dezen ellendigen -toestand was gebragt; daar Hij alleen alles in de wereld beschikt.</p> - -<p>Nu volgde dadelijk de vraag: Waarom heeft God mij aldus behandeld? Wat -heb ik gedaan, dat mij dit treft?</p> - -<p>Mijn geweten kwam dadelijk op tegen deze vraag, als ware zij eene -lastering, en ik meende eene inwendige stem te hooren, die mij zeide: -"Rampzalige, vraagt gij wat gij gedaan hebt, Zie terug op uw vorig -leven, en vraag u zelven wat gij niet gedaan hebt. Vraag waarom gij niet -reeds voor lang vernietigd zijt? Waarom zijt gij niet op de reede van -Yarmouth verdronken? gedood in het gevecht met den kaper van Salé? door -de wilde dieren op de Afrikaansche kust verscheurd? of hier verdronken, -toen al het scheepsvolk, buiten u, verging? Vraagt gij nog, wat gij -gedaan hebt?"</p> - -<p>Deze overwegingen verbijsterden mij geheel en al, en ik kon mij zelven -geen woord antwoorden, maar ging treurig en peinzende naar huis, en over -den muur, met oogmerk te bed te gaan; maar mijn hoofd was vol, ik had -geen lust tot slapen; dus ging ik op mijn stoel zitten en stak mijne -lamp op, want het begon donker te worden. Daar ik nu zeer bevreesd was -voor de terugkomst van de koorts, schoot het mij in de gedachten, dat -men in Brazilië schier geene andere geneesmiddelen dan tabak gebruikt, -en ik had eene rol tabak in een der kisten, die goed droog en rijp was, -en eene die groen en niet geheel rijp was.</p> - -<p>Ongetwijfeld gaf de Hemel mij dit in, want in deze kist vond ik een -geneesmiddel voor de ziel zoo wel als voor het ligchaam. Ik opende de -kist en vond wat ik zocht, namelijk den tabak, en daar de weinige -boeken, die ik gered had, daar ook bij lagen, nam ik een van de bijbels, -waarvan ik vroeger gesproken heb, en die ik tot hiertoe tijd noch lust -gehad had, in te zien, en legde dezen met den tabak op de tafel.</p> - -<p>Hoe ik den tabak gebruiken zou tegen mijne ziekte, wist ik niet, en -evenmin of hij goed voor mij was of niet; maar ik besloot dien op -verschillende wijzen te gebruiken, ten einde het een of het ander mij -helpen zou. Eerst nam ik een stuk en kaauwde dit, hetgeen mij eenigzins -bedwelmde, daar de tabak zwaar en ik er niet zeer aan gewoon was; daarop -nam ik eenigen en weekte dien een paar uren in rum, en besloot daar wat -van te nemen als ik slapen ging, eindelijk brandde ik wat op kolen en -hield mijn neus daarover, zoo lang ik het uithouden kon.</p> - -<p>Middelerwijl sloeg ik den bijbel open en trachtte te lezen, maar mijn -hoofd was hiervoor thans te veel bedwelmd door den tabak, echter toen ik -het boek liet openvallen, waren de eerste woorden daar mijn oog op viel, -deze: "Roep mij aan in den dag der benaauwing, en ik zal u redden en gij -zult mijn naam prijzen." Deze woorden waren zeer gepast op mijnen -toestand, en maakten toen indruk op mij, schoon zoo sterk niet als -naderhand; want het woord bevrijding had voor mij geen zin als het ware; -dit scheen mij zoo onwaarschijnlijk, zoo onmogelijk, dat ik begon te -zeggen even als de kinderen Israëls, toen hun vleesch beloofd was: -vanwaar zou dit komen? En daar vele jaren geenerlei hoop zich opdeed, -kwam mij dit dikwijls in de gedachten.</p> - -<p>Het werd nu laat, en de tabak had, gelijk ik zeide, mijn hoofd zoo -bedwelmd, dat ik slaperig werd, ik liet dan mijne lamp branden, om te -kunnen zien als ik des nachts wat noodig mogt hebben, en ging naar bed. -Maar voor ik mij nederlegde, deed ik wat ik nog nimmer had gedaan, ik -viel op mijne knieën, en bad God zijne belofte gestand te doen, en mij -te bevrijden als ik Hem aanriep in den dag der benaauwing. Na dit -afgebroken en onvolkomen gebed dronk ik den rum, waarin ik den tabak had -geweekt, die zoo scherp en sterk van den tabak was, dat ik hem -naauwelijks kon inzwelgen. Onmiddellijk daarop ging ik naar bed, en vond -dat de rum mij geweldig naar het hoofd steeg, maar ik viel in een diepen -slaap en werd niet weder wakker voor het, naar de zon te zien, drie uren -in den namiddag van den volgenden dag was; ja, ik geloof zelfs, dat ik -nog een dag en een nacht langer sliep, want anders weet ik niet hoe ik -uit mijne rekening een dag had kunnen verliezen, gelijk het eenige -jaren later bleek, dat ik gedaan had, want had ik een verkeerd merk op -mijn almanak gezet, dan zou ik meer dagen verloren hebben.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 385px;"> -<img src="images/crusoe_037.jpg" width="385" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dit zij zoo het wil, toen ik wakker werd was ik uiterst verkwikt, en -mijn geest vlug en opgeruimd. Toen ik opstond was ik veel beter dan den -vorigen dag en mijne maag ook, want ik had honger en om kort te gaan ik -had den volgenden dag geene koorts, maar bleef aan de beterhand. Dit was -den 29en.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>Den 30en was het mijn vrije dag, en ik ging met mijn geweer uit, maar -had geen lust om ver te loopen. Ik schoot een paar zeevogels, naar -ganzen gelijkende, maar had weinig lust er van te proeven, dus at ik -eenige schildpadeijeren, die zeer goed waren. Dezen avond nam ik weder -dat geneesmiddel in, dat naar ik meende mij den vorigen keer goed gedaan -had, namelijk tabak in rum gelegd, maar minder sterk dan de vorige reis, -ook kaauwde of rookte ik ze niet. Echter was ik den volgenden dag, den -1 Julij, zoo goed niet als ik gehoopt had, want ik had eene koortsige -huivering, schoon niet veel.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>2 Julij. Ik gebruikte het geneesmiddel weder op alle drie de wijzen, en -bedwelmde mij gelijk de eerste reis, en verdubbelde de hoeveelheid -drank.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>3 Julij. Ik was de koorts voor goed kwijt, schoon ik eerst verscheidene -weken later mijne vorige krachten terug ontving. Gedurende mijne -herstelling vestigden mijne gedachten zich dikwijls op de woorden der H. -Schrift: <i>Ik zal u bevrijden</i>, en de onmogelijkheid mijner bevrijding -drukte mij te zeer ter neder, om die te durven verwachten. Maar, terwijl -ik mij met deze gedachten pijnigde, schoot het mij te binnen, dat ik mij -zoo zeer kwelde met het denkbeeld mijner bevrijding van dit eiland, dat -ik geheel vergat, dat ik als door een wonder van mijne ziekte bevrijd -was geworden, uit den jammerlijksten toestand, en die mij zoo veel -schrik had ingeboezemd. Welke aandacht had ik daarop geslagen? Hoe had -ik mij hierin gedragen? God had mij bevrijd, maar ik had Hem niet -verheerlijkt, dat is te zeggen, ik had mijne bevrijding niet aan Hem -alleen toegeschreven, en Hem daarvoor gedankt. Dit trof mij tot in de -ziel, en dadelijk knielde ik neder, en dankte God met luider stem voor -mijne herstelling uit mijne ziekte.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>4 Julij. In den ochtend nam ik den bijbel op, en met het Nieuwe -Testament beginnende, zette ik mij ernstig aan het lezen, en stelde mij -ten taak er elken morgen en avond eene poos in te lezen, zonder mij aan -een vast getal hoofdstukken te binden, maar zoo lang als mij gepast -scheen. Niet lang nadat ik hieraan begonnen was, vond ik mijn hart diep -ter nedergeslagen over de ongeregtigheden van mijn vroeger leven. De -indruk van mijn droom werd weder levendig, en de woorden: "Al deze -dingen hebben u niet tot berouw kunnen brengen," stonden mij ernstig -voor den geest. Ik smeekte God vurig mij tot berouw te stemmen, toen ik -op denzelfden dag op de woorden stiet: "Hij is tot een Vorst en -Middellaar verheven, om berouw en verzoening aan te brengen." Ik legde -het boek neder, en verhief zoo wel mijn hart als mijne handen ten Hemel, -terwijl ik in vervoering uitriep: "o, Jezus, zoon van David; verheven -Vorst en Middellaar, wil mij berouw schenken."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 465px;"> -<img src="images/crusoe_038.jpg" width="465" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dit was, naar ik zeggen kan, de eerste maal in mijn geheele leven dat -ik, in den waren zin des woords, bad, want thans bad ik met een waar -besef van mijn toestand, en met eene ware Christelijke hoop, en van dien -tijd af, mag ik zeggen, begon ik te hopen dat God mij verhooren zou.</p> - -<p>Nu begon ik de woorden: "Roep mij aan en ik zal u verlossen, in een -geheel anderen zin dan vroeger op te vatten, want ik had geenerlei -denkbeeld van eenige andere bevrijding, dan die uit mijne gevangenschap; -want schoon ik hier werkelijk ruimte genoeg had, was dit eiland toch -voor mij eene gevangenis, in den ongunstigsten zin des woords; maar -thans begon ik dit op eene andere wijze op te vatten. Nu zag ik met zulk -een afschuw op mijn vorig leven terug, en kwamen mijne zonden mij zoo -vreesselijk voor, dat mijne ziel van God alleen bevrijding smeekte van -den last der schuld, die mij geheel ter neder drukte. Mijn eenzaam leven -was niets, hierbij vergeleken, ik dacht er zelfs niet aan, om bevrijding -daarvan te smeeken." Ik zeg dit hier, om mijnen lezers te bewijzen, dat -zoo zij ooit een regt inzigt van de waarheid verkrijgen, zij de -bevrijding der zonde een veel grooter zegen zullen bevinden, dan de -bevrijding van ellenden. Doch ik keer terug tot mijn journaal.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 425px;"> -<img src="images/crusoe_039.jpg" width="425" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Mijn toestand, ofschoon nog altijd mijne levenswijze rampzalig was, -begon mij thans dragelijker te worden; en mijne gedachten werden door -het bestendig lezen der H. Schrift en aanhoudend gebed, tot zaken van -hoogeren aard geleid. Ik bezat thans eene groote mate van vertroosting, -die ik voorheen niet kende. Bovendien trachtte ik, toen mijne gezondheid -en krachten terugkeerden, mij allerlei noodwendigheden te verschaffen, -en zoo geregeld te leven als ik kon. Van den 4 tot 14 Julij was ik -hoofdzakelijk aan het doen van korte wandelingen, met mijn geweer in de -hand, geëvenredigd naar mijn zwakken toestand. Het geneesmiddel, dat ik -gebruikt had, was nieuw, en nimmer misschien te voren had het iemand van -de koorts verlost, ook zou ik het niet gaarne iemand aanbevelen, want -schoon het mij van de koorts bevrijdde, bleef ik nog lang zwak, en had -dikwijls zenuwachtige trekkingen in mijne leden gedurende eene poos. Ik -leerde hierbij tevens, dat niets mij nadeeliger was dan in het -regenachtig saizoen uit te gaan, vooral bij die regens, die met zware -stormen gepaard gingen; als er regen in het drooge jaargetij viel, was -er altijd zware storm bij.</p> - -<p>Ik was nu meer dan tien maanden op dit ongelukkig eiland geweest; alle -vooruitzigt op bevrijding uit mijn toestand scheen geheel verdwenen; en -ik geloofde vast, dat nimmer dit land vroeger door eens menschen voet -betreden was geworden. Mijne woning was thans geheel naar mijn zin in -orde, en ik verlangde zeer het eiland geheel en al te doorzoeken, en te -zien wat het opleverde, buiten hetgeen ik reeds kende.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>Den 15 Julij begon ik mijne ontdekkingsreis. Ik ging eerst langs de -kreek, waarin ik, gelijk ik gezegd heb, mijne vlotten aan wal had -gebragt. Na omtrent een half uur gegaan te zijn, vond ik dat het getij -niet hooger liep, en dat het slechts een beekje van loopend water, zeer -frisch en goed, was; doch daar het thans het drooge saizoen was, was er -hier en daar naauwelijks water in, althans niet genoeg om het te doen -vloeijen. Aan de banken van deze beek vond ik verscheidene zeer fraaije, -effene vlakten en met gras bedekt, en waar de grond opliep, en die door -het water waarschijnlijk nimmer overstroomd werd, vond ik veel tabak, -die tot een zwaren, sterken stengel opschoot. Ook verscheidene andere -heesters die ik niet kende, en misschien zeer goede eigenschappen -hadden, doch dit was mij onbekend. Ik zocht naar de cassave, waarvan de -Indianen overal hun brood bereiden, maar vond deze niet. Ik zag groote -aloë's, doch die waren mij toen onbekend; ook veel suikerriet, doch -wild, bij gebrek aan kweeking. Ik stelde mij hiermede voor 's hands -tevreden, en keerde terug, peinzende over de middelen, om de deugd of -het schadelijke van vruchten of planten, die ik vinden mogt, te -ontdekken; maar kon hierop niets vinden, want ik had in Brazilië hierop -zoo weinig acht geslagen, dat ik weinig kennis van de planten had, -althans geene die mij thans te stade kwam.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>Den volgenden dag, den 16den, ging ik denzelfden weg, doch iets verder -dan den vorigen dag. Ik vond dat de beek en de weiden hier eindigden, en -het land boschachtiger werd dan vroeger. Hier vond ik verschillende -vruchten, in het bijzonder meloenen, in menigte op den grond liggen, en -druiven aan de takken. De wijngaarden hadden zich over de takken -geslingerd en de trossen waren thans in volle rijpheid. Dit was eene -aangename ontdekking, die mij zeer verheugde, doch de ondervinding had -mij geleerd er matig van te eten, want ik herinnerde mij, dat ik tijdens -mijn verblijf in Barbarije, er vele Engelsche slaven had zien sterven -aan buikloop en koortsen, door te veel druiven te eten. Ik bedacht -echter een uitmuntend gebruik van deze druiven, namelijk ze te droogen, -en als rozijnen te gebruiken, welke ik meende, gelijk ook inderdaad het -geval was, dat even heilzaam en aangenaam zouden zijn, als er geene -druiven waren.</p> - -<p>Ik bragt den geheelen avond daar door, en ging niet naar mijne woning -terug om te slapen, en dit was, mag ik zeggen, de eerste maal dat ik -buiten 's huis sliep. Ik ging des avonds weder als de eerste maal op een -boom, waar ik zeer goed sliep, en den volgenden morgen ging ik weder op -ontdekking uit, en legde bijkans vier (Eng.) mijlen af, gelijk ik naar -de lengte van het dal rekenen mag. Ik hield regt noordwaarts aan, met -eene reeks van heuvelen ten zuiden en noorden van mij.</p> - -<p>Aan het einde van dezen togt kwam ik aan eene opene vlakte, waar het -land naar het westen scheen af te dalen; terwijl een beekje van zoet -water, dat uit de zijde van een heuvel naast mij ontsproot, den anderen -weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo -bloeijend, zoo groen, daar alles in het lentegroen stond, dat het naar -een beplanten lusttuin geleek.</p> - -<p>Ik daalde een weinig naar de zijde van die bekoorlijke vallei af, en -overzag het met een heimelijk genoegen (schoon er ook treurige -denkbeelden bij mij opwelden) als ik bedacht, dat dit alles mijn -eigendom was; dat ik buiten alle tegenspraak koning en heer van dit -geheele land was, en regt op deszelfs bezit had, en zoo ik het slechts -kon overbrengen, het even goed erfelijk zou bezitten, als eenig edelman -zijne heerlijkheid. Ik zag hier eene menigte kokos-, oranje-, limoen- en -citroenboomen, doch allen wild, en althans tegenwoordig, weinig vrucht -dragende. De groene limmetjes, die ik bijeenzamelde, waren echter niet -alleen lekker maar ook zeer gezond, en naderhand mengde ik hun sap met -water, waardoor het zeer gezond, koel en verfrisschend was. Ik vond hier -werk genoeg en besloot een voorraad aan te leggen van druiven, zoo wel -als van limmetjes en limoenen, om mij te voorzien voor het regenachtig -jaargetij, hetwelk ik wist dat naderde.</p> - -<p>Te dien tijd legde ik hier een grooten hoop druiven, en op eene andere -plaats een kleineren, en een grooten voorraad limmetjes op eene derde, -en trok met eenigen van elk naar huis, en besloot met een mand of zak -terug te keeren, om het overige naar huis te brengen. Ik kwam dus te -huis, na drie dagen uit geweest te zijn, maar voor dien tijd waren de -druiven, die overrijp waren, gebroken, en dus nergens goed voor; doch de -limmetjes waren zeer goed, hoewel er weinig waren.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>Den volgenden dag den 19den, ging ik terug met twee zakken, die ik -gemaakt had, om mijn oogst te huis te halen; maar ik stond geheel -verbaasd, toen ik bij mijne druiven komende, die geheel verstrooid, -vertrapt, en ginds en herwaarts gesleept, en grootendeels opgegeten -vond. Ik besloot hieruit, dat daar ergens wilde dieren waren, die dezen -roof gepleegd hadden, schoon ik niet wist welke.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crusoe_040.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Daar ik vond dat ik ze niet op hoopen leggen kon, en niet in een zak -wegdragen, daar ze hierbij vertrapt worden of aan stukken gaan zouden, -sloeg ik een anderen weg in; want ik verzamelde eene menigte druiven, en -hing die aan de uiteinden der takken, om ze in de zon te laten droogen; -en van de limmetjes en limoenen nam ik zoo veel mede als ik dragen kon.</p> - -<p>Toen ik van deze reis te huis kwam, herdacht ik met veel genoegen, de -vruchtbaarheid van dit dal en deszelfs aangename ligging, de veiligheid -voor stormen aan die zijde van het water en van het bosch; en ik begreep -thans dat ik eene plek tot mijn verblijf had uitgekozen, die verreweg de -slechtste van het geheele eiland was. Over het geheel begon ik aan eene -verplaatsing van mijne woning te denken, en naar eene plek te zoeken, -even veilig als waar ik thans was, zoo mogelijk in dat aangename, -vruchtbare gedeelte des eilands.</p> - -<p>Dit was langen tijd een geliefkoosd denkbeeld van mij, uithoofde van de -aangenaamheid dezer streek; maar toen ik het nader overwoog, bedacht ik -dat ik thans aan de zeekust was, waar het althans mogelijk was, dat iets -tot mijn voordeel zou kunnen gebeuren, en hetzelfde onheil dat mij -hierheen had gebragt, eenige andere ongelukkigen daar zou kunnen -brengen. En schoon het naauwelijks mogelijk was dat het ooit zou -gebeuren, zou ik echter door mij tusschen de heuvels en boschaadjen in -het midden des eilands op te sluiten, mijne gevangenschap verlengen, en -eene zoodanige gebeurtenis niet alleen onwaarschijnlijk, maar zelfs -onmogelijk maken. Ik begreep dus in geen geval te moeten verhuizen. Om -echter een middelweg te kiezen, begreep ik hier eene soort van lusthuis -aan te leggen, en dit te omringen met eene dubbele heining, zoo sterk en -hoog als ik die maken kon, met palen versterkt en met takken en loof -opgevuld. Hier sliep ik veilig, soms twee of drie nachten achtereen, -terwijl ik er altoos met eene ladder overklom, zoodat ik thans begreep -mijne buitenplaats en mijn woonhuis aan de zeekust te hebben. Dit werk -hield mij tot in het begin van Augustus bezig.</p> - -<p>Ik had pas mijne heining voltooid, toen het regensaizoen inviel, en mij -in mijn eerste woning deed blijven, want schoon ik elders ook eene tent -van een zeil gemaakt, en dit zeer goed uitgespannen had, was ik hier -toch niet door een heuvel voor de stormen beschut, en had geen kelder -achter mij, waarin ik bij zware slagregens de vlugt kon nemen.</p> - -<p>Tegen het begin van Augustus had ik, gelijk ik zeide, mijn lusthuis -voltooid, en had het genoegen het te bewonen. Den 3 Augustus vond ik dat -de druiven, die ik opgehangen had, volkomen gedroogd door de zon en zeer -goede rozijnen geworden waren. Ik begon ze dus af te nemen en te goeder -ure, want de regen zou ze anders spoedig bedorven en mij van het beste -deel van mijn wintervoorraad beroofd hebben; want ik had meer dan -tweehonderd trossen, die ik naauwelijks had afgenomen of het begon te -regenen, en van den 14 Augustus tot het midden van October, had ik elken -dag meer of minder regen; somtijds zoo zwaar, dat ik verscheidene dagen -mijn kelder niet verlaten kon.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 465px;"> -<img src="images/crusoe_041.jpg" width="465" alt="" title="" /> -</div> - -<p>In dien tijd werd ik verrast met de vermeerdering van mijn huisgezin. Ik -had veel spijt gehad van een mijner katten, die weggeloopen, en hier of -daar naar ik dacht gestorven zou zijn; maar op zekeren dag kwam zij met -drie jongen te huis. Dit bevreemdde mij te meer omdat, hoewel ik een -wilde kat geschoten had, deze eene geheel andere soort dan onze -Europesche katten was; de jonge katjes waren echter in alles aan onze -huiskatten gelijk. Van deze drie katten kwam echter naderhand zulk eene -talrijke nakomelingschap, dat deze eene ware plaag voor mij werd, en ik -genoodzaakt was ze dood te schieten, en zoo ver mogelijk van huis te -jagen.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>Van den 14 tot den 26 Augustus regende het onophoudelijk, zoodat ik niet -kon uitgaan; want ik was thans zeer bezorgd niet nat te worden. Terwijl -ik aldus opgesloten was, werd mijn voedsel schraal; doch tweemaal waagde -ik het buiten te gaan, en den eersten dag doodde ik eene geit, en den -tweeden (den 26) vond ik een zeer groote schildpad, dat voor mij eene -ware lekkernij was. Mijne maaltijden waren thans de volgende. Ik at een -tros rozijnen voor mijn ontbijt, een stuk gebraden geiten- of -schildpadvleesch (want ik had ongelukkig geen vaatwerk om in te koken of -te stoven) voor mijn middagmaal, en twee of drie schildpadeijeren -maakten mijn avondmaal uit.</p> - -<p>In dien tijd werkte ik alle dagen twee of drie uren aan het verwijden -van mijn kelder, en delfde die langzamerhand van eene zijde uit, tot ik -aan de buitenzijde van den heuvel kwam, en daar een uitgang maakte, die -buiten mijn heining of muur uitkwam, en waardoor ik in en uit kon gaan. -Doch zoo geheel open te leggen beviel mij maar half, want terwijl ik te -voren gezorgd had, geheel afgesloten te zijn, lag ik thans eenigzins -open, hoewel ik geen levend wezen gezien had, waarvoor ik behoefde te -vreezen, want het grootste dier dat ik op het eiland had bespeurd was -eene geit.</p> - -<hr style="width: 45%;" /> - -<p>Den 30 September. Het was thans de ongelukkige verjaardag van mijne -aankomst. Ik telde de kerven op mijn staak, en vond dat ik driehonderd -vijfenzestig dagen aan land was geweest. Ik beschouwde dezen dag als een -feestdag, en bragt dien door in godsdienstige overdenkingen. Ik wierp -mij met de opregtste nederigheid neder, beleed mijne zonden aan God, en -erkende de regtvaardigheid zijner oordeelen jegens mij, en smeekte hem -om genade door Jezus Christus; en na den geheelen dag tot na den -ondergang der zon gevast te hebben, at ik eene beschuit en een tros -rozijnen, ging naar bed en besloot den dag, gelijk ik dien begonnen had, -met het gebed. Ik had al dien tijd geen zondag gehouden, want daar ik in -den beginne geenszins godsdienstig gestemd was, had ik vergeten den -zevenden dag door eene langere kerf op te teekenen, zoo dat ik niet wist -welke dag het was. Nu ik echter vond, dat ik daar een jaar geweest was, -verdeelde ik dit in weken en rekende elken zevenden dag voor een zondag; -schoon ik bij het einde mijner rekening vond, dat ik een paar dagen -verloren had.</p> - -<p>Kort daarop begon de inkt mij te ontbreken, en ik gebruikte die dus meer -spaarzaam en alleen om het merkwaardigste wat mij gebeurde op te -teekenen, zonder een journaal te blijven houden.</p> - -<p>Ik leerde thans den tijd van het natte en drooge saizoen kennen, en -trachtte mij voor derzelver komst van de vereischte noodwendigheden te -voorzien. De ondervinding, die ik verkreeg, kwam mij echter soms duur te -staan, vooral bij de navolgende gelegenheid, die de treurigste -ondervinding was die ik opdeed.</p> - -<p>Ik heb reeds gezegd, dat ik de weinige airen graan en rijst, die zoo -verrassend, en naar ik eerst dacht, uit zichzelven opgeschoten waren, -had bewaard, en ik geloof dat er ongeveer dertig rijst- en twintig -graanhalmen waren, en nu achtte ik het, na het regenachtig jaargetij, de -geschikte tijd dit te zaaijen. Ik spitte dus eene plek grond om, zoo -goed ik kon, met mijne houten spade, en deelde die in twee deelen af om -mijn graan te zaaijen; maar terwijl ik dit deed bedacht ik toevallig, -dat ik beter zou doen het niet alles te gelijk te zaaijen, omdat ik niet -wist of het de geschikte tijd er toe was; dus zaaide ik ongeveer twee -derde gedeelten, en hield van ieder eene hand vol over. Het bleek -naderhand, dat het zeer gelukkig was dat ik dit gedaan had, want van al -wat ik gezaaid had, schoot thans niets op, zoo lang de thans volgende -drooge maanden duurden; doch toen het natte jaargetijde weder gekomen -was, schoot het op, alsof het pas gezaaid was geworden. Toen ik vond -dat mijn eerste zaaisel niet opschoot, schreef ik dit natuurlijk aan de -droogte toe, en zocht eene vochtiger plek grond om het te beproeven; en -spitte eene plek om nabij mijn nieuw lustverblijf. Hier zaaide ik het -overige van mijn zaad in Februarij, kort voor de herfstevening, en daar -dit de regenachtige maanden Maart en April had, om het te bewateren, -schoot het welig op en leverde een goeden oogst, doch daar ik niet alles -had durven zaaijen wat ik had, was dit toch nog slechts weinig. Deze -proefneming had mij thans echter geleerd hoe te handelen; ik wist thans -wanneer ik zaaijen moest, en dat ik jaarlijks tweemaal in plaats van -eens zou kunnen oogsten.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_042.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Terwijl dit koorn groeide deed ik eene kleine ontdekking, die mij -naderhand van nut was. Zoodra de regens over waren en het weder -bestendig begon te worden, hetgeen tegen November was, ging ik -landwaarts in, mijn buitenplaats een bezoek geven, en vond, ofschoon ik -er in verscheidene maanden niet geweest was, alles juist zoo als ik het -verlaten had. De dubbele heining was niet alleen stevig en gaaf, maar de -staken, die ik van eenige boomen daar in den omtrek afgesneden had, -waren allen met lange takken uitgeschoten, even als de wilgen, het -eerste jaar nadat zij geknot zijn. Ik kon niet zeggen welke boom het -was, waarvan deze staken gekapt waren; maar het was mij zeer aangenaam -ze zoo te zien uitwassen. Ik leidde ze en gaf ze eene zoo gelijke -rigting in het groeijen als mogelijk was, en het is naauwelijks te -gelooven hoe schoon zij in drie jaren tijds opgroeiden, zoodat, ofschoon -de heining een cirkel van ongeveer vijfentwintig ellen in doorsnede -maakte, deze boomen zoo veel schaduw gaven, dat ik er in het drooge -jaargetij volkomen door beschut werd.</p> - -<p>Dit deed mij besluiten nog eenige staken te kappen, en van deze in een -halven cirkel een heining te maken rondom mijn oud verblijf, gelijk ik -deed, en ik plaatste de takken in eene dubbele rij op ongeveer acht -ellen afstands van mijn eerste heining; zij groeiden welig op, en waren -eerst eene fraaije beschutting en naderhand zelfs eene verdediging voor -mijne woning, gelijk ik later verhalen zal.</p> - -<p>Ik vond thans dat de jaargetijden hier niet, als in Europa, in zomer en -winter, maar in het regenachtige en drooge jaargetij verdeeld moesten -worden; als volgt: van half Februarij tot half April regen; daar de zon -alsdan in of bij de evennachtslijn was; van half April tot half Augustus -droogte, zijnde de zon dan benoorden de linie; van half Augustus tot -half October regen; keerende de zon alsdan terug, en van half October -tot half Februarij regen, zijnde de zon dan bezuiden de linie.</p> - -<p>Het regensaizoen duurde wat langer of korter naar gelang van den wind, -doch over het algemeen was het gelijk ik hierboven gemeld heb. Nadat de -ondervinding mij geleerd had hoe schadelijk het was mij aan den regen -bloot te stellen, zorgde ik mij vooraf van levensmiddelen te voorzien, -ten einde niet te behoeven uit te gaan, en ik bleef zoo veel mogelijk -binnen in de regenmaanden. Ik had alsdan veel en gepast werk; want ik -had dan de beste gelegenheid mij dingen aan te schaffen, die niet dan -door handenarbeid en aanhoudende vlijt konden gelukken; ik beproefde bij -voorbeeld dikwijls eene mand te vlechten; maar al de takken, die ik -hiertoe vinden kon, waren zoo broos, dat zij mij niet dienen konden. -Thans was het mij een groot voordeel, dat ik als een jongen dikwijls bij -een mandemaker, die digt bij mijn vader woonde, had staan te zien naar -zijn werk, en gelijk jongens zijn, had ik dan dikwijls gedienstig -geweest om den man te helpen; en hierdoor wist ik zooveel van het -mandemaken, dat mij slechts de grondstoffen ontbraken. Toen ik nu -bedacht dat de takken van de boomen, waarvan ik mijne staken, die -uitgeschoten waren, had gekapt, misschien buigzaam waren, als het -wilgenrijs, besloot ik dit te beproeven. Den volgenden dag ging ik dus -naar mijne buitenplaats, en na eenig rijs afgesneden te hebben, vond ik -het zoo lenig als ik wenschen kon; dus ging ik er den volgenden dag met -eene bijl naar toe en kapte eene groote menigte. Deze zette ik binnen -mijne heining overeind om te droogen, en bragt ze toen ze goed waren in -mijn kelder. In de eerstvolgende regenmaanden hield ik mij nu bezig met -een groote menigte manden te vlechten, om aarde in weg te dragen, of om -het een en ander in te bewaren; en hoewel ik ze niet zeer fraai maakte, -waren zij mij echter bij uitstek van dienst, en ik zorgde dus er altijd -van voorzien te zijn, en toen zij oud werden, maakte ik nieuwe; vooral -sterke diepe manden, om mijn koorn in te bewaren, in plaats van in -zakken, als ik er meer van zou verkrijgen.</p> - -<p>Na deze moeijelijkheid overwonnen te hebben, schoon ik er een -ontzettenden tijd aan besteedde, trachtte ik zoo mogelijk in nog twee -behoeften te voorzien. Ik had niets om vloeistoffen in te bewaren, dan -een paar vaatjes, die bijkans vol rum waren, en eenige flesschen, -sommigen gewone, anderen vierkante kelderflesschen. Ik had zelfs geen -pot om iets in te koken, behalve een grooten ketel, dien ik uit het -schip gered had, maar die te zwaar was voor het gebruik, dat ik er van -maken wilde, namelijk om vleesch en soep in te koken. Het tweede, dat ik -gaarne wenschte, was eene tabakspijp; maar het was mij onmogelijk die te -maken; eindelijk echter vond ik iets uit om die te vervangen. Den -geheelen zomer hield ik mij voorts bezig met dit mandenmaken en met het -planten van mijne tweede rij staken, toen eene andere bezigheid mij meer -tijd wegnam, dan ik dacht.</p> - -<p>Ik heb reeds gezegd, dat ik zeer verlangde het geheele eiland te zien, -en dat ik langs de beek getrokken was en zoo verder tot waar ik mijn -buitenverblijf aanlegde; en vanwaar ik de zee had kunnen zien, aan de -andere zijde van het eiland. Ik besloot nu aan dien kant dwars door te -steken tot aan den zeekant; dus nam ik mijn geweer, eene bijl en mijn -hond mede, en een grooter hoeveelheid kruid en kogels dan gewoonlijk, -met een paar beschuiten en een tros rozijnen in mijn zak, en begon mijne -reis. Toen ik het dal doorkwam, waar mijn lusthuis stond, zag ik de zee -westwaarts, en daar het een zeer heldere dag was, ontdekte ik duidelijk -land, hetzij een eiland of vast land, dat zich van het W. ten W. Z. W. -tot op grooten afstand uitstrekte; naar mijne gissing kon het niet -verder dan vijftien of twintig mijlen verwijderd zijn.</p> - -<p>Ik wist niet welk deel van de wereld dit anders zijn kon, dan een -gedeelte van Amerika, en naar mijne berekeningen moest het nabij de -Spaansche bezittingen zijn, en was welligt geheel bewoond door wilden, -waarbij, zoo ik daar geland was, ik in een erger toestand zou geweest -zijn dan in mijn tegenwoordigen, waarin ik nu de beschikking der -Voorzienigheid erkende; welke ik thans begon te erkennen en te gelooven, -dat alles ten beste schikte. Hiermede stelde ik mij tevreden, en het -alle vruchtelooze wenschen, dat ik daar wezen mogt, varen.</p> - -<p>Bovendien besloot ik, dat als dit land de Spaansche kust was, ik zeker -den een of anderen tijd, eenig vaartuig her- of derwaarts zou zien -trekken; maar zoo niet, dan was het de woeste kust tusschen de Spaansche -landen en Brazilië; waar de ergste wilden wonen; want het zijn -kannibalen of menscheneters, die alle menschen, welke hun in handen -vallen, vermoorden en verslinden. Onder deze gedachten wandelde ik -langzaam verder. Ik vond, dat deze zijde van het eiland veel -bekoorlijker was dan die waar mijne woning stond. De opene vlakten waren -met bloemen en gras bedekt, en vol fraai houtgewas. Ik zag eene -menigte papegaaijen en had er gaarne een willen vangen, om dien tam te -maken en te leeren spreken. Na eenige moeite ving ik een jongen -papegaai, dien ik met een stokslag nedervelde. Toen hij weder bijkwam, -nam ik hem mede naar huis, maar het duurde eenige jaren alvorens hij -leerde spreken. Eindelijk echter leerde ik hem mij zeer gemeenzaam bij -mijn naam te noemen, en het gevolg hiervan, schoon eene beuzeling, zal -later den lezer genoegen geven.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 575px;"> -<img src="images/crusoe_043.jpg" width="575" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Deze reis was mij zeer aangenaam. In de lage gronden vond ik hazen, -althans ik hield ze daarvoor, en vossen; doch zij verschilden veel van -de soorten, die ik gezien had; ook kon ik niet van mij verkrijgen er van -te eten, schoon ik verscheidene schoot. Doch dit behoefde ook niet; want -ik had geen gebrek aan zeer goed voedsel. Geiten, duiven en -schildpadden, leverden met mijne rozijnen mij een maaltijd, dien ik in -Engeland niet beter had kunnen verlangen, behalve wat het gezelschap -betreft. En schoon mijn lot ongelukkig genoeg was, had ik groote reden -tot dankbaarheid, dat mijn voedsel zoo overvloedig was.</p> - -<p>Ik kwam op deze reis nimmer meer dan twee mijlen per dag in eene regte -lijn vooruit; maar ik deed zoo vele uitstapjes ter zijde af, om iets te -ontdekken, dat ik doodmoede was toen ik de plaats bereikte, waar ik den -nacht wilde doorbrengen, en dan ging ik of in een boom zitten, of ik -omringde mij met eene rij van staken, die ik op den grond of van den -eenen boom tot den anderen plaatste, zoodat geen wild dier mij kon -bereiken, zonder mij wakker te maken.</p> - -<p>Toen ik aan de zeekust kwam, werd ik gewaar, dat het lot mij op de -ongunstigste zijde van het eiland geworpen had; want hier was het strand -met eene menigte schildpadden bedekt, terwijl ik aan de andere zijde er -slechts drie in anderhalf jaar gevonden had. Ook was hier eene -onnoembare menigte vogels van allerlei aard, van welke ik sommigen -vroeger en sommigen nimmer gezien had, en waarvan vele zeer goed om te -eten waren, maar van welke ik alleen de pinguïns kende. Ik had er zoo -veel kunnen schieten als ik wilde, maar ik was zeer zuinig met mijn -kruid en lood, en derhalve wenschte ik liever eene geit te schieten -daar meer aan te eten was. Schoon hier meer geiten waren dan aan mijne -zijde van het eiland, kon ik haar echter moeijelijker genaken, omdat het -land zoo vlak en effen was, en zij mij veel spoediger zagen dan als ik -op de heuvels was.</p> - -<p>Hoezeer nu deze kant van het land veel aangenamer dan de mijne was, had -ik toch niet den minsten lust daarheen te verhuizen; want ik was thans -in mijne woning te huis, en het scheen mij toe alsof ik thans op reis -was en van mijn huis af. Ik trok echter langs de zeekust, naar gissing -twaalf (Eng.) mijlen, en zette daar een grooten staak op het strand tot -eene baak; waarna ik besloot naar huis te keeren, en de volgende maal -een togt te doen, oostwaarts van mijn woning, en zoo het eiland rond, -tot ik weder op deze plaats kwam waar ik den staak gezet had.</p> - -<p>Ik sloeg een anderen weg in om huiswaarts te keeren, denkende dat ik -gemakkelijk het geheele eiland zou kunnen overzien, en mijn weg niet -missen; maar hierin vergiste ik mij, want toen ik een half uur afgelegd -had, bevond ik mij in een diep dal, dat door heuvels met geboomte bezet, -omringd was, zoodat ik mijn weg alleen houden kon door mij naar de zon -te rigten, en dit was nog moeijelijk, tenzij ik den juisten stand der -zon op dat uur van den dag kende. Tot mijn ongeluk werd het weder -bovendien mistig, gedurende de drie of vier dagen die ik in dit dal -doorbragt, en daar ik de zon niet zien kon, bragt ik dezelve zeer -onaangenaam door, en was eindelijk verpligt naar het strand terug te -keeren, mijne baak op te zoeken, en langs denzelfden weg dien ik gegaan -had, terug te keeren. Ik deed dit met kleine dagreizen, daar het zeer -heet was, en mijn geweer, ammunitie, bijl en andere dingen een zware -last waren.</p> - -<p>Op deze reis verraste mijn hond eene jonge geit; ik schoot toe, en het -gelukte mij het dier nog levend te redden. Ik wilde het gaarne naar huis -brengen, want ik had lang gewenscht een paar geiten op te kweeken en zoo -mogelijk eene kudde te bekomen, om mij tot voedsel te dienen als al mijn -kruid en lood op was. Ik maakte een halsband voor het beestje, en met -een touw, dat ik altijd bij mij droeg, voerde ik het, schoon niet -zonder moeite mede, tot aan mijn buitenverblijf, waar ik het in de -heining achterliet, want ik verlangde zeer naar mijn huis, waarvan ik -thans eene maand afwezig was geweest.</p> - -<p>Ik kan niet zeggen met welk genoegen ik dit weder bereikte en in mijne -hangmat liggen ging. Deze kleine zwerftogt, zonder eenig vast verblijf, -was mij zoo onaangenaam geweest, dat mijn huis, zoo als ik het noemde, -mij daarbij vergeleken, eene volmaakte woning toescheen. Ik had zoo veel -genoegen daar, dat ik besloot er nimmer weder zulk een tijd, zoo lang ik -op het eiland was, mij van te verwijderen.</p> - -<p>Ik bragt eene week door met van mijne vermoeijenissen uit te rusten, en -besteedde gedurende dezelve mijn tijd aan het gewigtig werk om een kooi -voor mijne papegaai te maken, die nu meer tam en reeds zeer aan mij -gewoon werd. Daarna begon ik aan het geitje te denken, dat ik in mijne -kleine heining had achtergelaten; ik besloot het te huis te halen of -eenig voedsel te brengen; ik ging er dus heen en vond het waar ik het -gelaten had. Het kon er ook moeijelijk uit, want het was schier dood van -honger. Ik sneed eenige takjes en heesters af en wierp haar die toe, en -nadat zij gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de -honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en -daar ik het altijd voederde, werd het zoo mak en vrolijk en aan mij -gehecht, dat het ook tot mijne huisdieren behoorde, en mij naderhand -nimmer verliet.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crusoe_044.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De regentijd van de herfstevening was thans gekomen, en ik bragt den 30 -September, den tweeden verjaardag dat ik hier aan land kwam, op dezelfde -wijze als den eersten door. Ik was hier nu twee jaren geweest, en had -geen meer vooruitzigt van bevrijd te worden dan den eersten dag toen ik -hier kwam. Den geheelen dag bragt ik door in dankzeggingen over de vele -genadebewijzen, mij in mijn eenzamen toestand te beurt gevallen. Ik -dankte God dat Hij mij ontdekt had, dat ik zelfs in dezen toestand -gelukkiger kon zijn dan in het midden der maatschappij en van al de -genoegens der wereld, en mij het gebrek aan menschelijken omgang -vergoedde door zijne tegenwoordigheid, en de uitstorting zijner genade -op mijne ziel, mij steunende, troostende en bemoedigende door op zijne -Voorzienigheid hier, en op zijn eeuwig bijzijn hier namaals te hopen.</p> - -<p>Ik begon thans levendig te gevoelen hoe veel gelukkiger het leven was, -dat ik thans leidde, met al de ongemakken daaraan verknocht, dan het -slechte en ruwe gedrag, dat ik tot hiertoe geleid had. Mijne begeerten, -genoegens en wenschen veranderden geheel bij hetgeen zij te voren -geweest waren.</p> - -<p>Vroeger, als ik uitging om te jagen of het land te onderzoeken, kon mijn -jammer over mijn toestand eensklaps losbarsten, en mijn hart bezweek -schier als ik dacht aan de bosschen, bergen en woestijnen, waarin ik mij -bevond, en hoe ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde -wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit als een kind, -en wrong mij de handen. Somtijds te midden van mijn werk ging ik zitten, -en staarde zuchtend een paar uren op den grond. Dit was het ergste, -want als ik mijne borst in tranen en jammerklagten kon lucht geven, -verminderde mijne neêrslagtigheid van lieverlede.</p> - -<p>Thans echter begon ik mij met andere denkbeelden bezig te houden. Ik las -dagelijks het Woord van God, en paste al de vertroostingen daarin op -mijn toestand toe. Op zekeren morgen toen ik zoo neêrslagtig was, opende -ik den bijbel bij deze woorden: "Ik zal u nimmer verlaten!"</p> - -<div class="figcenter" style="width: 435px;"> -<img src="images/crusoe_045.jpg" width="435" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dadelijk viel het mij in, dat deze woorden voor mij geschreven waren; -waarom anders zou ik ze juist aangetroffen hebben, toen ik treurde over -mijn toestand, als van God en menschen verlaten. Welaan, zeide ik, zoo -God mij niet verlaat, wat scheelt het of de geheele wereld mij verlaat. -Zoo ik aan den anderen kant de geheele wereld had, en Gods gunst en -zegen verloor, zou het verlies oneindig grooter zijn.</p> - -<p>Van dit oogenblik af begreep ik, dat ik in mijn eenzamen, verlaten -toestand gelukkiger kon zijn, dan ik waarschijnlijk in eenigen anderen -staat in de wereld ooit zou geweest zijn; en deze gedachte deed mij op -het punt staan van God te danken, dat Hij mij op dit eiland gevoerd had. -Er was echter iets in mij, dat zich hiertegen verzette, en mij de -woorden belette uit te spreken. Hoe kunt gij zulk een huichelaar zijn, -zeide ik tot mij zelven, dat gij God dankt voor een toestand, waarmede -gij wel moogt trachten tevreden te zijn, maar waarbij gij gaarne zoudt -willen bidden, dat God u er uit bevrijdde?—Schoon ik dus God niet -dankte, dat ik mij hier bevond, dankte ik hem toch opregt, dat Hij door -mijne tegenspoeden mij mijn vorig leven had doen inzien en tot berouw -over hetzelve gebragt. Nimmer vatte ik den Bijbel op, of ik dankte God, -dat Hij mijn vriend in Engeland dien zonder mijn orders onder mijne -goederen had doen pakken, en mij dien naderhand uit het wrak laten -redden.</p> - -<p>In deze gemoedsgesteldheid trad ik het derde jaar in, en hoewel ik den -lezer niet met zulk een uitvoerig verslag van mijn arbeid als in het -eerste jaar lastig gevallen heb, kan ik over het algemeen aanmerken, dat -ik zelden ledig was, daar ik regelmatig mijn tijd verdeelde. Eerstelijk -bad ik God en las eenigen tijd in den Bijbel, een gezetten tijd -driemalen daags; vervolgens ging ik met mijn geweer uit om voedsel te -zoeken, hetwelk mij gewoonlijk drie uren elken morgen bezig hield, als -het niet regende. Eindelijk het afhalen en braden van hetgeen ik -geschoten of gevangen had, waarmede een groot deel van den dag verliep. -Ook moet men bedenken, dat het op het midden van den dag te warm was om -uit te gaan, zoodat ik slechts tegen vier ure na den middag kon werken; -somtijds ook werkte ik des morgens, en ging tegen den avond met mijn -geweer uit.</p> - -<p>Bij deze korte werkuren moet men voegen de groote moeijelijkheid van -mijn werk, en de vele uren die ieder ding, dat ik maakte, mij kostte, -uit gebrek aan werktuigen, aan hulp en aan bekwaamheid. Ik was bij -voorbeeld tweeënveertig dagen bezig met eene plank te maken tot eene -lange tafel, die ik noodig had, terwijl twee timmerlieden met eene zaag -uit denzelfden boom zes planken in een halven dag zouden vervaardigd -hebben.</p> - -<p>Ik moest in de eerste plaats een grooten boom vellen, omdat ik eene -breede plank wilde hebben. Hiermede bragt ik drie dagen door en nog twee -dagen met het afkappen van de takken. Ik hakte toen met ontzettende -moeite zoo veel van den stam af tot hij bewogen kon worden; toen keerde -ik hem op zijde, en maakte een kant, van het begin tot het einde, zoo -vlak en effen als eene plank, en keerde toen hem om, en bewerkte de -andere zijde even zoo, tot ik een plank van drie duim dik had, die aan -beide zijden vlak was. Men oordeele welk een arbeid dit was; maar geduld -en vlijt hielpen mij dit en vele andere dingen verrigten. Ik voer dit -aan ten bewijze, waarom een zoo gering werk mij zoo veel tijd kostte. -Hetgeen met hulp van anderen en geschikte werktuigen eene kleinigheid -was, werd voor een mensch alleen een allerzwaarste en langzaamste -arbeid. Desniettemin deden vlijt en volharding mij vele, ja alle zaken -tot stand brengen, die ik in mijne omstandigheden behoefde.</p> - -<p>Ik was nu in November en December, en wachtte den oogst van mijne rijst -en graan. De grond, dien ik er voor omgespit had was niet groot, omdat -ik, gelijk ik zeide, slechts weinig had. Het graan stond echter zeer -goed, toen ik plotseling weder in gevaar kwam alles te verliezen, door -verschillende vijanden, die ik moeijelijk kon afweren, als eerstelijk de -geiten, en de beesten, die ik hazen noemde, kregen smaak in de -graanhalmen, en aten het op zoodra het uitschoot, zoodat het geen airen -kon schieten.</p> - -<p>Ik zag geen middel hiertegen, dan om eene heining om mijn akker te -maken, hetgeen mij zwaren arbeid kostte, vooral omdat het spoed eischte. -Daar de omtrek echter klein was, had ik er in drie weken eene heining -om, en over dag schoot ik sommige beesten, en bij nacht liet ik mijn -hond de wacht houden, dien ik aan een paal bij den ingang vast bond, -waar hij den geheelen nacht door blafte; dus ruimden de vijanden -spoedig het veld, en het graan begon welig op te schieten.</p> - -<p>Maar hadden de beesten mijn graan vernield toen het opschoot, de vogels -zouden mij waarschijnlijk alles ontrooven nu het airen schoot. Toen ik -er langs ging om te zien hoe het stond, zag ik eene menigte vogels van -allerlei soort er nabij, die slechts schenen te wachten tot ik zou -vertrokken zijn. Dadelijk schoot ik onder hen, (want ik had altijd mijn -geweer bij mij) maar terstond daarop verhief zich eene wolk van vogels -uit het graan, die ik nog niet gezien had.</p> - -<p>Dat was mij eene groote teleurstelling; ik voorzag, dat zij in weinige -dagen mij van alles zouden berooven, dat ik eindelijk verhongeren en -geen enkelen graankorrel ooit oogsten zou. Wat ik doen zou, wist ik -niet. Ik besloot echter zoo mogelijk mijn koorn te bewaren, al zou ik er -nacht en dag de wacht bij houden. In de eerste plaats ging ik zien welke -schade zij alreeds aangerigt hadden, en vond, dat hoewel zij reeds veel -gegeten hadden, de schade nog niet zoo groot was, en het overige nog een -goeden oogst zou geven als het behouden kon worden.</p> - -<p>Toen ik mijn geweer laadde, zag ik de dieven overal rondom mij op de -boomen zitten, alsof zij wachtten tot ik vertrokken zou zijn; ik deed -alsof ik heen ging, en naauwelijks was ik uit hun gezigt of zij vielen -weder in het graan. Ik was zoo verbitterd, dat ik niet wachten kon tot -er nog meer waren, maar schoot weder en doodde er drie van. Dit was -hetgeen ik wenschte, en ik behandelde ze gelijk men de dieven in -Engeland doet, namelijk, ik hing ze op, ten voorbeeld voor anderen. Het -is bijkans niet te begrijpen welk eene uitwerking dit had; want niet -alleen streken de vogels niet meer in het koorn, maar kort daarop -verlieten zij dat geheele gedeelte van het eiland, en ik zag geen vogel -meer, zoo lang mijne vogelverschrikkers daar hingen. Ik was hierover -verrukt, gelijk men wel denken kan, en in het laatst van December haalde -ik mijn oogst binnen.</p> - -<p>Ik had geen sikkel om het te snijden en moest dit dus met een groot mes -doen, hetgeen echter gemakkelijk was, daar de oogst niet groot was. Ik -sneed alleen de airen af, en bragt die in eene groote mand naar huis, -waar ik met mijn handen er het graan uitwreef. Toen dit afgeloopen was, -vond ik, dat ik van mijn zaad bijkans twee schepels rijst en twee en een -half schepel graan geoogst had, dat wil zeggen naar gissing, want ik had -geen maat.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crusoe_046.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dit was mij eene groote aanmoediging en ik hoopte, dat God mij met der -tijd brood zou beschikken. Hier deden zich echter weder zwarigheden op; -want ik wist niet hoe ik mijn koorn zou malen, om er meel van te maken, -noch hoe ik, als het tot meel was, er brood van zou maken, en al wist ik -dit, hoe ik het bakken zou. Deze zwarigheden, gevoegd bij mijn verlangen -naar eene groote hoeveelheid zaaikoorn, deden mij besluiten al het koorn -voor het volgende saizoen te bewaren, en middelerwijl mijn gedachten en -mijn tijd te besteden, om mij van meel en brood te voorzien.</p> - -<p>Ik mag letterlijk zeggen, dat ik thans voor mijn brood werkte. Het is -zonderling en ik geloof dat er weinig menschen over nagedacht hebben, -hoe veel kleine zaken er noodig zijn tot het voortbrengen van die eene -enkele zaak, het brood. Ik, die in een blooten natuurstaat mij bevond, -ondervond dit tot mijn dagelijksch verdriet, en gevoelde dit ieder uur, -van het oogenblik af, dat ik zoo onverwachts met zaaikoorn verrast werd. -Eerstelijk had ik geen ploeg om den grond te beploegen, noch eene spade -of schop om dien om te spitten. Dit overwon ik door eene houten spade te -maken; maar schoon hare vervaardiging mij vele dagen kostte, was zij -niet alleen veel spoediger versleten dan eene ijzeren, maar het werken -er mede ook veel zwaarder en slechter. Ik deed het er echter mede, zoo -goed als ik kon. Toen het koorn gezaaid was, had ik geen eg om het land -te eggen, maar moest een zwaren boomtak achter mij aan slepen, om -hiermede de kluiten te breken. Terwijl het rijpte ontdekte ik weder -hoeveel werk ik had om het af te sluiten, te bewaren, te oogsten, naar -huis te brengen, te dorschen, van het kaf te scheiden en te bewaren. -Vervolgens ontbrak mij een molen om het te malen, een zeef om het te -builen, gest en zout om er brood van te maken, en een oven om het in te -bakken; en echter wist ik al deze dingen te maken of te doen vervangen, -gelijk men in het vervolg zien zal, en het graan werd eene onschatbare -aanwinst voor mij. Al mijn werk ging hierdoor langzaam en moeijelijk, -maar dit was niet te verhelpen; en ook had ik er tijd genoeg voor; omdat -ik er dagelijks vaste uren toe bestemd had. Daar ik besloten had niets -van mijn koorn tot brood te gebruiken, voor ik er meer van zou hebben, -had ik zes maanden voor mij om mij de gereedschappen aan te schaffen, -die noodig waren om brood van het koorn te bereiden.</p> - -<p>Maar eerst moest ik meer land toebereiden, want ik had nu zaad genoeg -voor meer dan een morgen lands. Vooraf had ik ten minste eene week werk -om mij eene spade te maken, die nog slecht en zwaar genoeg was, en mij -den arbeid verdubbelde. Ik deed het echter er mede, en zaaide mijn zaad -op twee groote vlakke stukken gronds, zoo digt bij mijn huis als ik die -vinden kon. Ik maakte er eene goede heining om, van stekken gelijk ik er -te voren om gezet had, en die ik wist dat goed groeiden, zoodat ik -rekenen kon binnen het jaar eene goede heining te hebben, die slechts -weinig herstelling zou behoeven. Hoezeer dit werk niet zwaar was, gingen -er echter drie maanden mede heen, omdat het meerendeels in het -regensaizoen was, waarin ik weinig kon uitgaan. Binnen 's huis vond ik, -als het regende en ik niet kon uitgaan, altijd bezigheid genoeg, en -onder het werk vermaakte ik mij met tot mijn papegaai te praten en hem -te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: -<i>Koo</i>, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen -mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar -eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk dat ik voor mij -had.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 350px;"> -<img src="images/crusoe_047.jpg" width="350" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik had namelijk lang gepeinsd hoe ik op de eene of andere wijze aarden -potten zou kunnen maken, die ik hoog noodig had. De hitte van het -klimaat echter deed mij denken, dat als ik slechts goede klei vond, ik -wel eene pot daarvan zou kunnen vormen, die in de zon gedroogd, hard en -sterk genoeg zou zijn om gehanteerd te worden en drooge goederen in te -bewaren. Ik had die noodig voor koorn, vleesch, enz. Ik besloot dus -potten te maken, zoo groot als ik kon, en alleen geschikt om iets in te -bewaren.</p> - -<p>De lezer zou mij beklagen of liever uitlagchen, als ik hem verhaalde, -welke zonderlinge middelen ik bedacht om hierin te slagen; welke -leelijke en wanvormige dingen uit mijne handen kwamen, en hoe dikwijls -mijne potten invielen, omdat de klei niet sterk genoeg was om haar eigen -gewigt te dragen; hoe velen er barstten door de zware zonnehitte, -waaraan ik ze te haastig blootstelde; en hoe velen aan stukken vielen, -als ik ze wilde optillen, zoo wel voor als nadat zij gedroogd waren; en -om kort te gaan, hoe, nadat ik met veel moeite klei gevonden, -uitgedolven, naar huis gebragt, aangemengd en bewerkt had, ik slechts -twee groote leelijke aarden dingen, die men geen potten noemen mogt, na -een arbeid van twee maanden, tot stand had gebragt.</p> - -<p>Toen de zon deze twee echter zeer goed droog en hard had gemaakt, tilde -ik ze voorzigtig op, en plaatste ze in twee groote manden, die ik -daarvoor gevlochten had, ten einde zij niet zouden breken, en daar zij -niet juist er inpasten, vulde ik de tusschenruimten aan met het stroo -van mijne rijst en graan. Deze twee potten, die altoos droog stonden, -begreep ik dat mijn koorn en misschien mijn meel zouden kunnen bevatten.</p> - -<p>Hoe weinig het vervaardigen van groote potten mij nu gelukt was, slaagde -ik echter beter met het maken van kleine ronde potten, schotels en -dergelijke, die door de zonnewarmte zeer hard droogden. Dit alles -voldeed echter niet aan mijn wensch, van eene aarden pot te hebben om -vloeistoffen in te bewaren, en die het vuur verdragen kon, hetgeen bij -deze het geval niet was. Toen ik eenigen tijd daarna een groot vuur -aangemaakt had, om mijn vleesch te braden, en het later wilde uitdooven, -vond ik in het vuur een stuk van een mijner gebroken potten, dat zoo -hard als een steen, en zoo rood als een tegel gebakken was. Dit gezigt -verraste mij en dadelijk begreep ik, dat de geheele pot zoo goed hard -worden zou op het vuur, als een stuk daarvan. Ik dacht na hoe ik het -best vuur zou aanleggen, om eenige potten te bakken. Van een oven, -gelijk de pottenbakkers gebruiken, had ik geen begrip, evenmin van de -wijze om die te verglazen, maar ik plaatste drie groote kruiken, en twee -of drie potten boven op elkander, en het brandhout er om heen, met een -grooten hoop asch er onder. Ik stookte het vuur steeds aan, totdat ik -zag dat de potten van binnen gloeijend waren, en dat zij geen van allen -barstten. Toen zij helder gloeiden, hield ik het vuur op dezelfde -hoogte, gedurende vijf of zes uren; toen ik zag dat eene daarvan, -ofschoon niet barstende, begon te smelten, of vloeibaar te worden, want -het zand, dat onder de klei zat begon te smelten en zou tot glas -geworden zijn, als ik voortgegaan had. Ik liet dus het vuur -langzamerhand uitgaan, tot de potten niet meer gloeiden, en bleef er den -geheelen nacht bij om het vuur niet te snel te laten uitdooven. In den -morgen had ik drie goede, ik zal niet zeggen fraaije kruiken, en twee -potten, zoo hard als ik wenschen kon, en een daarvan was door het -gesmolten zand volkomen verglaasd.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_048.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik behoef niet te zeggen, dat ik na deze proefneming geen gebrek aan -aardewerk meer had, maar ik moet bekennen, dat de vorm er van soms vrij -zonderling was, want ik maakte ze gelijk kinderen soms voorwerpen van -klei of stopverw maken.</p> - -<p>Nimmer echter verheugde iemand zich over eene geringe zaak meer dan ik, -toen ik gewaar werd, dat ik een aarden pot gemaakt had, die tegen het -vuur bestand was; en ik had naauwelijks geduld genoeg om te wachten tot -zij koud waren geworden, om een er van met wat water weder op het vuur -te zetten, om er eenig vleesch in te koken, hetgeen zeer goed ging, en -ik verkreeg eene zeer goede soep, schoon het mij aan meel en -verscheidene andere dingen ontbrak, om die zoo goed te maken als ik -wenschte.</p> - -<p>Thans was mijne eerste zorg een steenen vijzel mij te verschaffen, om -mijn koorn in te stampen, want om met mijne twee handen een molen te -maken, daaraan was niet te denken. Hoe ik dit echter zou aanvangen was -mij langen tijd een raadsel, want van alle handwerken ter wereld, was ik -voor dat van steenzager nog minder bekwaam dan voor eenig ander. Menigen -dag besteedde ik met naar een steen te zoeken, die groot genoeg was om -uitgehold te worden en voor een vijzel geschikt te maken, maar ik kon er -geen vinden, behalve een stuk van de rots, dat ik niet er af kon hakken. -Geen der rotsen op het eiland waren ook hard genoeg; allen waren van -eene soort van zandsteen, die de zwaarte van een grooten stamper niet -zoude kunnen verduren, en het koorn met zand zoude vermengen bij het -kneuzen. Na dus veel tijd met het zoeken naar een steen verloren te -hebben, gaf ik het op, en besloot liever een groot blok van hard hout te -zoeken, dat ik veel gemakkelijker vond, en toen ik er een gevonden had, -zoo groot als ik slechts bewegen kon, maakte ik het rond met mijn bijl, -en holde het toen uit met behulp van vuur en met oneindige moeite, op de -wijze als de Indianen in Brazilië hunne kanoe's maken. Daarna maakte ik -een grooten zwaren stamper van ijzerhout, en bewaarde dit toen, tegen -dat ik mijn eerstvolgenden oogst zou te huis hebben gehaald, wanneer ik -voornemens was mijn koorn tot meel te stampen, om daarvan brood te -maken.</p> - -<p>Thans moest ik zorgen om eene zeef te maken, om mijn meel van de zemelen -te scheiden, zonder hetwelk ik begreep geen goed brood te zullen -verkrijgen. Dit was allermoeijelijkst, want van hetgeen ik er toe noodig -had, had ik niets, ik bedoel, fijn dun linnen of gaas. Maanden lang wist -ik niet wat hieraan te doen; ik had geen ander linnen dan eenige lappen. -Ik had wel geitenhaar, maar wist niet hoe dit gesponnen of geweven moest -worden, en al had ik het geweten, dan had ik er geen gereedschap toe. -Eindelijk echter bedacht ik, dat ik onder de matrozenkleederen, die ik -uit het schip gered had, eenige neteldoeksche halsdoeken had. Van deze -maakte ik drie kleine zeven, die echter voor het gebruik tamelijk -geschikt waren, en waarmede ik mij eenige jaren behielp. Hoe ik later -deed zal ik op zijne plaats vermelden.</p> - -<p>Nu moest ik om het bakken denken, en hoe ik deeg zou maken als ik meel -had, want ik had geen gest. Daar hieraan niets te doen viel, dacht ik er -ook niet lang over, maar ik had meer zorg over een oven. Eindelijk -bedacht ik een middel om mij hierin te helpen; ik maakte namelijk eenige -aarden potten zeer breed maar niet diep, dat is zeggen van ongeveer twee -voet in doorsnede, en negen duim hoog; deze bakte ik in het vuur gelijk -de vorigen en bewaarde ze, en als ik brood wilde bakken legde ik een -groot vuur op mijn haard aan, dien ik met eenige tegels, ook al van mijn -eigen baksel, belegd had, maar die alles behalve volkomen vierkant -waren.</p> - -<p>Als het hout goed tot kolen gebrand was, plaatste ik deze op den haard, -zoodat hij er geheel mede bedekt was en liet ze daar liggen tot de haard -gloeijend heet was, dan schoof ik ze ter zijde en plaatste er mijn -potten of vormen op, en hoopte de kolen op zijde daartegen aan, om de -hitte te vermeerderen. Aldus bakte ik mijn deeg, zoo goed als in den -besten oven van de wereld, en werd weldra een heele pastijbakker, want -ik maakte al aardige rijstkoekjes en poddings, maar geen pastijtjes, -want daar had ik alleen geitenvleesch of dat van gevogelte in kunnen -doen.</p> - -<p>Men moet zich niet verwonderen, dat ik hiermede bijkans geheel het derde -jaar van mijn verblijf bezig was, want men moet bedenken, dat ik onder -de hand tevens mijn nieuwen oogsten akkerbouw moest bestieren. Ik maaide -mijn koorn op zijn tijd, en bragt het naar huis zoo goed ik kon, in -mijne groote manden, waarin ik het in de airen liggen liet, tot ik tijd -had het er uit te wrijven; want ik had geen dorschvloer, en geen vlegel -om het mede te dorschen.</p> - -<p>En daar nu mijn voorraad van koorn vermeerderde, had ik ook een grooter -bergplaats noodig. Ik had nu ongeveer twintig schepels graan en schier -even veel rijst, zoodat ik het nu vrij durfde gebruiken, want mijn brood -was reeds lang op. Ik besloot nu ook te zien hoe veel ik voor een geheel -jaar noodig had, en dan slechts eenmaal 's jaars te zaaijen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_049.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik bevond ten laatste dat ik aan de veertig schepels rijst en graan voor -een jaar meer dan genoeg had, dus nam ik voor alle jaren even veel als -de laatste maal te zaaijen, in de hoop, dat ik aan den oogst hiervan ten -volle genoeg zou hebben, voor brood voor een geheel jaar.</p> - -<p>Terwijl ik mij met deze dingen onledig hield, waren mijne gedachten -dikwijls gevestigd op het land, dat ik van den anderen kant van het -eiland had gezien, en wenschte ik heimelijk, dat ik daar aan wal zijn -mogt, in de verbeelding, dat ik het vaste land en een bewoonde plaats -zien, en eenig middel ontdekken zou, om verder te komen. Ik dacht echter -weinig aan de gevaren van zulk een toestand, en hoe ik in de handen der -wilden zou kunnen vallen, welke welligt meer te vreezen waren dan de -leeuwen en tijgers van Afrika, en dat zoo ik in hunne handen viel, het -duizend tegen een was, dat ik gedood en welligt opgegeten zou worden; -want ik had gehoord, dat de bewoners van de Caraïbische kust kannibalen -of menscheneters waren; en naar de breedte te oordeelen, kon ik niet ver -van hen verwijderd zijn. En al waren zij geene menscheneters, dan konden -zij mij ligtelijk dooden, gelijk zoo vele Europeanen gebeurd was, die in -hunne handen waren gevallen, zelfs bij tien en twintig te gelijk, hoe -veel meer dan mij, die alleen was en mij weinig of niet verdedigen kon. -Dit alles, zeg ik, hetgeen ik toen had moeten bedenken, en dat mij later -inviel, boezemde mij toen geen de minste vrees in, en steeds peinsde ik -op middelen om naar die kust over te steken. Hoe verlangde ik thans naar -den Moorschen jongen en de boot, met welke ik wel duizend mijlen langs -de Afrikaansche kust had afgelegd; maar deze had ik thans niet. Toen -bedacht ik de boot van ons schip te gaan opzoeken, die, gelijk ik zeide, -een groot eind weegs op het strand was geslagen, bij het begin van den -storm. Deze lag nog bijkans op dezelfde plaats en was door het geweld -van wind en golven bijkans onderst boven gekeerd, tegen eenen hoogen -zandheuvel aan, waar zij hoog en droog lag. Zoo ik volk bij mij gehad -had, om deze boot te herstellen en te water te brengen, had dit wel -kunnen geschieden, en ik er mede naar Brazilië teruggekeerd zijn; maar -ik kon ligt beseffen, dat ik haar evenmin kon opheffen en omkeeren als -het eiland zelf. Ik ging echter naar het bosch, en kapte hefboomen en -rollen, en bragt die naar de boot, om te zien wat ik er mede zou kunnen -doen, daar ik dacht, dat als ik haar maar eerst omgekeerd had, ik -gemakkelijk de schade zou kunnen herstellen, en daar het eene zeer goede -sloep was, er mede in zee steken.</p> - -<p>Ik spaarde geene moeite aan dezen vruchteloozen arbeid, en bragt er, -geloof ik, drie of vier weken mede zoek. Toen ik eindelijk vond, dat het -mij onmogelijk was haar om te keeren, bedacht ik, het zand er onder uit -te delven, en haar zoo te doen vallen, nadat ik er verscheidene stukken -hout onder geplaatst had, om den val te breken en te regelen.</p> - -<p>Maar toen ik dit gedaan had, kon ik haar evenmin verwrikken, of er onder -komen, laat staan haar te water brengen; dus moest ik dit opgeven; -schoon ik echter alle hoop op de boot varen liet, groeide mijne -begeerte, om naar het vaste land over te steken, steeds aan, naar gelang -de middelen daartoe onmogelijker schenen.</p> - -<p>Dit bragt mij op de gedachten, of het mij niet mogelijk zou zijn eene -kanoe of praauw te maken, gelijk de inboorlingen onder deze hemelstreek -gebruiken, zelfs zonder gereedschappen, namelijk uit een grooten -boomstam. Ik achtte dit niet alleen mogelijk, maar zelfs gemakkelijk, en -verheugde mij zeer in het vooruitzigt, die te maken, en dat ik daartoe -meer hulpmiddelen zelfs had dan de Negers en Indianen. Maar ik dacht -niet aan hetgeen, waarin ik bij de Indianen te kort schoot, namelijk -gebrek aan volk om te roeijen, als zij klaar was, eene zwarigheid, die -voor mij veel moeijelijker te overwinnen was dan al het gebrek aan -gereedschappen voor hen; want wat baatte het mij als ik een grooten boom -uit het bosch had uitgekipt, dien met veel moeite gekapt, en ik daarna -met behulp van mijne werktuigen in staat was, dien van buiten den vorm -van een boot te geven, en van binnen met vuur of ijzer uit te hollen, -zoo dat het eene boot werd; als ik na dat alles die moest laten waar zij -lag, en niet in staat was haar te water te brengen?</p> - -<p>Men zal niet kunnen begrijpen, dat ik niet de minste nagedachten over -mijn toestand had, terwijl ik de boot maakte, anders had ik dadelijk -moeten denken hoe ik haar in zee zou brengen; maar mijne gedachten waren -zoo geheel vervuld met mijne reis over zee met haar, dat ik er zelfs -nimmer aan dacht, hoe ik van het land zou komen, en toch was het -inderdaad voor mij veel gemakkelijker de boot vijftien mijlen over zee -te brengen, dan vijfenveertig over land, van de plaats waar zij lag tot -in het water.</p> - -<p>Ik toog te werk aan deze boot, meer als een gek, dan als iemand, die -zijn gezond verstand heeft. De voorgenomen reis streelde mij, zonder dat -ik ooit overwoog of ik wel in staat zou zijn die te beginnen. Wel dacht -ik dikwijls, dat het mij moeijelijk zou zijn mijne boot te water -brengen, maar dan stopte ik mij zelven den mond met het dwaze antwoord: -"Laat mij maar eerst de kanoe gereed hebben, dan zal ik wel middel -vinden haar te gebruiken."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crusoe_050.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dit was eene alleronverstandigste handelwijze, maar mijne verbeelding -bragt mij het hoofd op hol, en dus ging ik aan het werk, en deed een -cederboom vallen. Ik weet niet of Salomo ooit een grooter had bij de -bouwing van den tempel te Jeruzalem, want hij was van onderen bij den -wortel vijf voet en tien duim in doorsnede, en vier voet elf duim aan -het andere einde, tweeëntwintig voet hooger, daarna werd hij dunner en -liep in takken uit. Met eindelooze moeite velde ik dezen boom. Twintig -dagen hakte ik aan den stam, toen had ik nog veertien dagen noodig om -er de takken en armen, en de wijd uitgespreide kruin af te kappen, -hetgeen met mijne bijlen een ontzettende arbeid voor mij was. Daarna -ging er nog eene maand heen met den stam te vormen, en er eenigermate -den vorm van eene sloep aan te geven, zoodat hij, gelijk het behoorde, -regt op in het water kon drijven. Het uithollen, zoo dat hij den juisten -vorm van eene sloep verkreeg, deed ik zonder behulp van vuur, maar door -zwaren arbeid met een hamer en beitel, tot ik eindelijk eene vrij knappe -praauw voor den dag bragt, groot genoeg om zesentwintig man te voeren, -en dus althans groot genoeg voor mij en mijne lading.</p> - -<p>Toen mijn werk zoo ver gedaan was, had ik er regt genoegen in. De boot -was vrij wat grooter dan ik ooit in mijn leven eene kanoe of praauw, uit -één stam gemaakt, had gezien. Menig droppel zweet had zij mij gekost, -dat kan ik verzekeren. Nu bleef er slechts over haar te water te laten -loopen. Zoo ik dit had kunnen doen, twijfel ik niet of ik zou de -dolzinnigste en gewaagdste reis ondernomen hebben, die ooit bij iemand -opgekomen was.</p> - -<p>Maar al mijne uitvindingen, om haar te water te brengen, mislukten, -schoon zij mij ontzettenden arbeid kostten. De boot lag wel niet verder -dan ongeveer honderd ellen van het water, maar in de eerste plaats liep -de grond hoog op bij de kreek. Ik besloot deze hoogte weg te graven, zoo -dat de grond daar laag afliep. Hieraan begon ik weder met ontzettende -moeite; maar wie vraagt naar moeite bij het vooruitzigt op zijne -bevrijding? Maar toen deze moeijelijkheid uit den weg geruimd was, was -er slechts één bezwaar overwonnen, want ik kon de kanoe even min bewegen -als vroeger de andere boot.</p> - -<p>Ik mat daarop den afstand, en daar ik de kanoe niet naar het water kon -brengen, besloot ik het water naar de kanoe te brengen, door een kanaal -te graven tot aan de plaats, waar zij lag. Ik begon ook hieraan, maar -toen ik nu eens narekende hoe diep en breed ik dit moest graven, hoe ik -de aarde er uit moest werken, vond ik, dat bij het aantal handen, -waarover ik beschikken kon, te weten mijne eigene twee, er tien of -twaalf jaren zouden verloopen voor ik dit kon volbrengen, want de kust -lag hoog, zoo dat ik aan het einde twintig voet diep had moeten graven. -Hoezeer met grooten weerzin, moest ik dus eindelijk mijn plan opgeven. -Dit griefde mij bitter, en nu zag ik te laat in hoe dwaas het is een -werk te beginnen, zonder eerst te bedenken, of wij in staat zijn het te -volvoeren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 425px;"> -<img src="images/crusoe_051.jpg" width="425" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Midden in dit werk was ik, toen het vierde jaar van mijn verblijf alhier -eindigde, en ik bragt dien dag evenzeer in gebeden door als de vorige, -en met gelijke vertroosting, want door eene gestadige beoefening van -Gods Woord, en ondersteund door Gods genade, had ik thans geheel andere -begrippen dan te voren. Ik beschouwde nu de wereld als een afgelegen -oord, als iets, waarmede ik niets te maken, waarvan ik niets te -verwachten had, en waarnaar ik waarlijk niet verlangde. Kortom, daar ik -er waarschijnlijk nimmer weder iets mede te maken zou hebben, beschouwde -ik de wereld gelijk ik dacht, dat wij die welligt hier namaals zullen -beschouwen, namelijk als een plaats, waarin ik geleefd, doch die ik -thans verlaten had. Ik mogt er wel van zeggen gelijk Abraham tot den -rijken man in het Evangelie: "Tusschen mij en ulieden is eene groote -kloof gevestigd."</p> - -<p>Ik was inderdaad buiten het bereik van de verzoekingen der wereld. Noch -den lust des vleesches, noch den lust der oogen, noch de hoogmoed des -levens had ik hier te duchten. Ik had niets te benijden, want al wat mij -hier eenig genot kon verschaffen was in mijn bezit. Ik was heer van het -geheele land, en kon mij keizer of koning van hetzelve noemen als ik het -goed vond. Ik had geene mededingers, niemand die mij de heerschappij of -het oppergezag betwistte. Ik had scheepsladingen koorn kunnen teelen, -maar kon ze niet gebruiken, dus liet ik niet meer groeijen dan ik voor -mij noodig achtte. Ik had overvloed van schildpadvleesch, nu en dan een -was voor mij genoeg. Ik had hout genoeg om eene geheele vloot te bouwen, -en genoeg druiven om die vloot met wijn of rozijnen te laden, als zij -gebouwd was.</p> - -<p>Maar voor mij was datgene alleen van waarde, wat ik gebruiken kon. Ik -had genoeg om in mijne behoeften te voorzien, en wat zou mij meer gebaat -hebben? Had ik meer wild geschoten dan ik nuttigen kon, mijn hond of de -roofvogels hadden het moeten eten; had ik meer koorn gezaaid dan ik -noodig had, het had moeten bederven. De boomen, die ik geveld had, lagen -op den grond te verrotten. Ik kon ze alleen als brandhout gebruiken, en -dit had ik alleen noodig om mijn eten op te koken.</p> - -<p>In één woord, de natuur en mijne ondervinding leerden mij, na rijp -nadenken, dat alle goederen der wereld voor ons niet verder goed zijn -dan zij voor ons gebruik geschikt zijn, en dat van al wat wij -bijeenschrapen, om anderen te geven, wij zoo veel genieten als wij -gebruiken kunnen en meer niet. De schraapzuchtigste vrek der wereld zou -van zijne gierigheid genezen zijn geworden, als hij in mijn toestand -ware geweest, want ik bezat oneindig meer dan ik wist te gebruiken. Ik -had niets te verlangen, dan eenige beuzelingen, die ik niet bezat, maar -die mij van groot nut zouden geweest zijn. Ik had, gelijk ik vroeger -gezegd had, eenig geld in goud en zilver, ter waarde van ruim -zesendertig pond sterling. Helaas, daar lag dat ellendig, nietswaardig -goed! Ik kon er niets mede aanvangen, en dacht dikwijls bij mij zelven, -dat ik er handen vol van had willen geven voor een gros tabakspijpen of -een molen om mijn koorn te malen; ik had het altemaal willen geven voor -de waarde van een paar dubbeltjes aan zaad van peenen en knollen, of -voor eene hand vol erwten en boonen en eene flesch inkt. Thans had ik er -niet het minste voordeel van, het lag in eene lade te beschimmelen door -de vochtigheid in het regensaizoen; en al was die lade vol diamanten -geweest, het zou hetzelfde geweest zijn, en daar zij mij van geen nut -waren, hadden zij geene waarde voor mij.</p> - -<p>Mijn levenswijze was thans voor mij veel aangenamer en geruster naar -ligchaam en ziel, dan in den beginne. Dikwijls zette ik mij met een -dankbaar hart aan tafel, en bewonderde de bestiering der Goddelijke -Voorzienigheid, die aldus in de wildernis mij spijs had bereid. Ik -leerde meer op de gunstige en minder op de ongunstige zijde van mijn -toestand zien, en meer te denken aan hetgeen ik bezat dan aan hetgeen -mij ontbrak, en dit verschafte mij somwijlen meer opbeuring dan ik hier -kan zeggen, en waarvan ik hier melding maak, om dit te doen bedenken aan -hen, die onvergenoegd zijn en niet rustig kunnen genieten wat God hun -geschonken heeft, omdat zij datgene zien en benijden, wat Hij hun heeft -onthouden. Al ons verdriet over hetgeen ons ontbreekt, schijnt mij toe -te ontstaan uit gebrek aan dankbaarheid voor hetgeen wij bezitten.</p> - -<p>Eene andere bedenking was mij zeer nuttig, en zal dit ongetwijfeld zijn -voor ieder, die zich in een tegenspoed als de mijne bevindt; deze -bestond daarin, dat ik mijn tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, -welken ik in den beginne te gemoet zag, en die zeker mijn lot zou -geweest zijn, als Gods genadige Voorzienigheid niet het schip nader bij -het strand had geworpen, zoodat ik er niet alleen kon bijkomen, maar er -alles uit naar den wal brengen, wat ik noodig had; zonder hetwelk ik -noch gereedschap om te werken, noch wapens tot mijne verdediging, noch -kruid en lood om mijn voedsel te verkrijgen, zou gehad hebben.</p> - -<p>Geheele uren, ja geheele dagen bragt ik aldus door met mij op het -levendigst voor te stellen hoe ik had moeten handelen, als ik niets uit -het schip had kunnen halen; hoe ik geen ander voedsel dan visch en -schildpadden had bekomen, of liever, daar het lang duurde eer ik dezen -vond, hoe ik voor dien tijd van honger had moeten sterven, of zoo niet, -hoe ik dan als een wilde had moeten leven, en zoo ik bij toeval mij van -een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen -afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als -een beest vaneen scheuren.</p> - -<p>Deze gedachten deden mij de goedheid der Voorzienigheid jegens mij -beseffen, en mij dankbaar zijn voor mijn tegenwoordigen toestand, met al -zijne gevaren en ongemakken; en ik moet dus ook dit ernstig ter -overweging aanbevelen aan hen, die in hunne ellende zeggen: "Is er -eenige droefenis als de mijne?" Laat hen bedenken hoe veel erger sommige -lieden er aan toe zijn, en zij zelven zouden zijn, als de Voorzienigheid -dit gewild had.</p> - -<p>Nog eene bedenking vertroostte mijn geest, en deze was, als ik mijn -tegenwoordigen toestand vergeleek met dien, welken ik verdiende, en dus -billijk van de Voorzienigheid had mogen verwachten. Ik had geleefd -buiten alle kennis en vreeze Gods. Wel hadden mijne ouders mij -onderwezen en vroegtijdig getracht mij de vreeze Gods in te boezemen, -met een besef van mijne pligten en van de bestemming en het doel mijns -levens. Maar, helaas, vroegtijdig was ik tot een zwervend leven -vervallen, en in een gezelschap, waarin het weinige van de godsdienst -werd uitgeroeid, dat ik nog bezat, door den spot mijner makkers, door -eene hardvochtige verachting van gevaren en het zien van den dood, -waaraan ik gewoon raakte; door mijn langdurig verstoken zijn van alle -gelegenheid om met iemand van andere beginselen dan ik omtegaan, of iets -te hooren, dat goed was, of eene goede strekking had.</p> - -<p>Zoo geheel was ik buiten het bezit van al wat goed was, of van alle -denkbeeld daaraan, dat bij mijn grootste weldaden, zoo als mijne -ontsnapping van Salé, toen ik door den Portugeschen kapitein opgenomen -werd, toen ik zoo wel slaagde in Brazilië, mijne lading uit Engeland -ontving, enz., ik nimmer de woorden: "Gode zij dank," in mijn hart of in -mijn mond had; en bij mijne grootste tegenspoeden dacht ik zelfs niet -aan het gebed, en gebruikte Gods naam alleen tot vloeken en lasteren.</p> - -<p>Verscheidene maanden, gelijk ik reeds gezegd heb, was mijn geest zeer -bedrukt over mijn vorig snood en verhard leven; en toen ik alles om mij -heen beschouwde en overwoog, welke bijzondere bestieringen ik sedert -mijne komst alhier had ontwaard, en hoe goedertieren God met mij -gehandeld had; hoe Hij mij niet alleen minder gestraft had, dan mijne -overtredingen verdienden, maar zoo genadig voor mij gezorgd had; gaf dit -mij groote hoop, dat God mijn berouw had aangenomen, en ik nog in 't -vervolg op zijne goedertierenheid hopen mogt.</p> - -<p>Deze overwegingen maakten mij niet alleen onderworpen aan den wil van -God, in mijn tegenwoordigen toestand, maar zelfs opregt dankbaar voor -denzelven. Ik bedacht, dat ik, die nog in leven was, mij niet mogt -beklagen, daar ik geenszins de regtmatige straf voor mijne zonden had -ontvangen; maar dat ik dagelijks mij verheugen en dankbaar zijn moest -voor dat dagelijksch brood, dat mij als door een wonder geschonken was, -een wonder zoo groot, als dat van de voeding door de raven van den -Profeet Elias, of liever door eene reeks van wonderen. Ik bedacht, dat -ik van al de onbewoonde plaatsen op de wereld, geene plaats kon -bedenken, waar ik gunstiger omstandigheden had kunnen aantreffen. Ik was -aan den eenen kant van alle menschelijk gezelschap beroofd, hetgeen mij -eene groote droefheid was, maar aan den anderen kant werd mijn leven -niet bedreigd door verscheurende dieren; er waren geene venijnige dieren -of giftige planten, geene wilden om mij te slagten. Kortom, schoon mijn -leven aan den eenen kant zeer treurig was, was het aan den anderen kant -gezegend; zoo ik slechts een regt besef had van Gods goedheid en zorg -voor mij, en hieruit mijne dagelijksche vertroosting putte. Toen ik -deze dingen goed inzag, was ik niet meer ter nedergeslagen.</p> - -<p>Ik was hier nu zoo lang geweest, dat verscheidene zaken, die ik aan wal -had gebragt of geheel versleten of gebruikt waren. Mijne inkt -bijvoorbeeld was geheel verbruikt, sedert eenigen tijd, op een weinig -na, dat ik zoo dikwijls met water had aangelengd, tot hij zoo bleek was, -dat men hem naauwelijks op het papier zien kon. Zoo lang hij duurde had -ik hem gebruikt, om de dagen van de maand op te teekenen, waarin mij -iets merkwaardigs gebeurde, en bij overweging van het verledene, -ontdekte ik een zonderling zamentreffen van de dagen, waarop mij -verschillende gewigtige gebeurtenissen bejegend waren, en zoo ik -bijgeloovig genoeg was geweest, om aan ongelukkige of gelukkige dagen te -gelooven, zouden mij deze niet zonder reden sterk getroffen hebben.</p> - -<p>In de eerste plaats vond ik, dat op denzelfden dag van het jaar, dat ik -mijn vaders huis verliet en naar Hull ging, om in zee te gaan, op -dienzelfden dag werd ik door een Saleschen kaper genomen en tot slaaf -gemaakt. Ik ontkwam aan de schipbreuk op de reede van Yarraouth op -denzelfden dag, dat ik naderhand van Salé in de boot vlugtte. Eindelijk, -op mijn geboortedag, te weten den 30 September, werd mijn leven zoo -wonderdadig gespaard, toen ik op dit eiland op het strand geworpen werd; -zoo dat mijn zondig leven en mijn eenzaam leven op dit eiland op -denzelfden dag begonnen waren.</p> - -<p>Het eerst wat na mijn inkt op raakte was mijn brood, ik bedoel de -beschuit, die ik uit het schip bragt. Met deze was ik zoo spaarzaam als -mogelijk geweest, en had meer dan een jaar lang er dagelijks slechts een -van gebruikt; en toch had ik een geheel jaar lang geen brood, tot ik -zelf eenig koorn verkreeg, hetgeen zoo wonderdadig bewaard en eene -groote weldaad voor mij was.</p> - -<p>Mijne kleederen begonnen jammerlijk te verslijten. Ik had geen linnen -meer dan eenige oude hemden, die ik in de kisten van andere matrozen had -gevonden, en die ik zorgvuldig bewaarde, omdat ik dikwijls niets anders -dragen kon dan een hemd, en het was een groot geluk voor mij, dat er bij -de matrozen kleederen schier drie dozijn hemden waren. Er waren ook -verscheidene dikke buizen van de matrozen, maar deze waren te warm om te -dragen, en hoewel het luchtgestel zoo geweldig heet was, dat men geene -kleederen behoefde, kon ik toch niet geheel naakt gaan, al had ik er -lust toe gehad, hetgeen in 't geheel het geval niet was, want ik kon, -ofschoon ik geheel alleen was, het denkbeeld er van niet verdragen.</p> - -<p>Eene reden, waarom ik niet geheel naakt kon gaan, was, dat ik geheel -naakt, niet zoo goed de zonnehitte verdragen kon, als wanneer ik eenige -kleederen aan had; want de zon verschroeide letterlijk mijne huid, -terwijl, als ik een hemd aan had, de wind mij eenige koelte gaf, door -onder hetzelve te spelen. Even min kon ik het zoo ver brengen, dat ik -zonder een hoed of muts in de zon liep; want dadelijk zou de zonnehitte -mij hoofdpijn gegeven hebben, als de zonnestralen zoo regt op mijn hoofd -vielen, terwijl ik door het dragen van een hoed of muts hiervoor bewaard -werd.</p> - -<p>Te dien einde besloot ik eens schouwing te houden van al de lappen, die -ik over had, en die ik mijne garderobe noemde. Al mijne kamizolen waren -versleten, ik trachtte dus anderen te maken van de groote jassen, die ik -had. Ik ging dus aan het kleedermaken of liever lappen. Het ging echter -nog al dragelijk; maar de broeken, die ik alstoen maakte, zagen er -jammerlijk uit.</p> - -<p>Ik heb reeds gezegd, dat ik de huiden van al de viervoetige beesten, die -ik gedood had, had bewaard, en die met eenige stokken in de zon -uitgespannen, waardoor sommigen zoo hard geworden waren, dat zij -genoegzaam onbruikbaar waren; van anderen echter had ik veel nut. Het -eerste wat ik van deze maakte was eene groote muts met het haar naar -buiten, opdat de regen er langs zou loopen. Dit ging zoo goed, dat ik -een geheel stel kleederen van deze huiden maakte, namelijk eene buis en -broek, aan de knieën open en zeer ruim, want zij moesten mij eer koel -houden dan verwarmen. Ik moet bekennen, dat zij er jammerlijk uitzagen -en dat, ofschoon een slechte timmerman, ik nog tienmaal slechter snijder -was. Echter kwamen zij mij zeer goed te stade, en als ik in den regen -liep, bleef ik volkomen droog, omdat er geen regen doordrong.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 465px;"> -<img src="images/crusoe_052.jpg" width="465" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Daarna besteedde ik veel tijd en arbeid, om mij een zonnescherm te -maken; ik had er een hoog noodig en verlangde er zeer naar. Ik had ze te -Brazilië gezien, waar zij bij de zware hitte zeer nuttig zijn; en hier, -nog digter bij de evennachtslijn, was de hitte zelfs nog heviger. -Bovendien was zulk een scherm voor mij even nuttig voor den regen als -voor de zon. Ik gaf mij ontzettende moeite, en het duurde lang voor ik -iets maken kon, dat opstond. Toen ik eindelijk dacht er achter te zijn, -mislukten er nog twee of drie, maar eindelijk had ik er een die tamelijk -naar mijn zin was. De grootste moeijelijkheid was om te maken, dat het -neêr sloeg. Ik kon er wel een maken dat opgezet kon worden, maar als ik -dit niet kon neêr doen, had ik het altijd boven mijn hoofd moeten dragen -en dat ging niet. Eindelijk echter maakte ik een goed, en bedekte het -met huiden, met het haar naar buiten, zoo dat de regen er goed afliep; -en het weerde de zon zoo goed af, dat ik thans veel beter in het warmste -weder dan vroeger in het koelste kon uitgaan. Als ik mijn scherm niet -noodig had, droeg ik het toegeslagen onder mijn arm.</p> - -<p>Aldus leefde ik zeer rustig, mijn geest was zeer bedaard, doordien ik -mij geheel aan Gods wil onderworpen en aan zijne voorzienigheid -toevertrouwd had. Hierdoor leefde ik beter dan in de maatschappij, want -als ik naar verkeering met menschen verlangde, dan vroeg ik mij zelven -af, of aldus met mij zelven en naar ik hoopte, in mijne gebeden, met -mijnen Schepper te verkeeren, niet beter was dan de grootste genietingen -van den omgang met anderen in de wereld?</p> - -<p>Ik kan niet zeggen, dat mij na dien tijd, vijf jaren lang, iets -buitengewoons gebeurde, ik leefde op dezelfde wijze en op dezelfde -plaats voort. Hoofdzakelijk hield ik mij bezig, behalve met mijn -jaarlijkschen arbeid van graan en rijst te teelen, en van mijne druiven -te droogen, waarvan ik altijd voor een jaar in voorraad had; ik zeg -behalve dezen arbeid en mijn dagelijks uitgaan met mijn geweer, had ik -ondernomen eene kanoe te maken, die ik ten laatste voltooid had; zoodat -ik, door er een kanaal van zes voet wijd en vier voet diep voor te -delven, die eene halve mijl ver, in de kreek bragt. De eerste kanoe was, -gelijk ik gezegd heb, zoo groot, dat ik die niet naar het water, en het -water evenmin naar de kanoe kon brengen; dus lag zij daar als eene -herinnering voor mij, om in het vervolg verstandiger te werk te gaan.</p> - -<p>Den volgenden keer dan ook, schoon ik er geen geschikten boom toe vinden -kon, en het op eene plek was, waar het water eene halve (Eng.) mijl ver -moest gebragt worden, gaf ik het echter geenszins op, zoodra ik zag dat -het uitvoerbaar was, en schoon ik er bijkans twee jaren aan bezig was, -verdroot mij deze arbeid nimmer, omdat ik hoop had van eindelijk eene -boot te verkrijgen, waarmede ik naar zee zou kunnen gaan.</p> - -<p>Toen echter eindelijk mijne kleine praauw voltooid was, beantwoordde -hare grootte echter volstrekt niet aan het doel, dat ik beoogde toen ik -de groote maakte; ik meen van er mede naar het vaste land over te -steken, waar dit ongeveer veertig (Eng.) mijlen ver af lag. De kleinte -van mijn boot droeg er ook toe bij, aan dat voornemen een einde te -maken, en eindelijk dacht ik er niet meer aan. Maar daar ik nu eene boot -had, vatte ik thans het voornemen op eene reis rondom mijn eiland te -maken. Ik was, gelijk ik verhaald heb, toen ik het eiland dwars -doorgetrokken was, op eene plaats aan de andere zijde geweest, en mijne -op dien togt gemaakte ontdekkingen maakten mij zeer verlangend ook de -andere deelen der kust te zien, en nu ik eene boot had, maalde het -denkbeeld van het eiland rond te varen, mij den geheelen dag door het -hoofd.</p> - -<p>Te dien einde, en om alles met beleid en bezadigdheid te doen, -vervaardigde ik een mastje voor mijne boot, en maakte er een zeil voor, -uit sommige stukken van scheepszeilen, die in groote menigte, in mijne -voorraadschuur lagen.</p> - -<p>Toen de mast en het zeil gereed waren, beproefde ik de boot, en vond dat -zij zeer goed zeilde. Toen maakte ik kleine kasten of bergplaatsen van -voren en achteren in mijne boot, om er leeftogt, kruid, lood en andere -noodwendigheden in droog te houden, hetzij voor regen of voor het schuim -der zee, en aan de binnenzijde maakte ik eene lange geul, waarin ik mijn -geweer kon leggen, met eene klep er over heen, om het droog te houden.</p> - -<p>Ik maakte mijn zonnescherm van achteren vast in de boot, zoodat het -overeind stond, boven mijn hoofd, en mij even als eene zonnetent voor de -hitte beschermde. Op deze wijze deed ik nu en dan een togtje naar zee, -maar ging nimmer diep in zee, of ver van de kleine kreek. Eindelijk -echter verlangde ik zoo, om den omtrek van mijn koningrijkje te bezien, -dat ik de reis rondom hetzelve besloot te ondernemen. Diensvolgens -rustte ik mijn scheepje uit voor de reis. Ik deed er in twee brooden, of -liever koeken, van mijn meel gebakken, eene aarden pot vol gepelde -rijst, (een voedsel dat ik veel gebruikte) een klein fleschje rum, eene -halve geit en kruid en lood om er meer te schieten; en twee grove -jassen, die ik, gelijk ik gezegd heb, uit de matrozenkisten gered had. -Deze laatste dienden, de een om op te liggen, de ander om mij des nachts -te bedekken.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crusoe_053.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het was den 6 November, in het zesde jaar mijner regering of van mijne -gevangenschap, zoo als men het noemen wil, dat ik op deze reis onderzeil -ging. Ik vond dat de reis veel verder was dan ik verwacht had, want -schoon het eiland op zich zelf niet zoo groot was, vond ik, toen ik aan -de oostzijde kwam, een groot rif van klippen, dat zich ongeveer twee -mijlen ver in zee uitstrekte, sommige waren boven water, andere blind; -en achter deze strekte eene drooge zandbank zich nog eene mijl verder -uit, zoodat ik verpligt was een groot eind in zee te steken, om deze -kaap te omzeilen.</p> - -<p>Toen ik dit rif het eerst ontdekte, stond ik op het punt, mijne -onderneming op te geven en terug te keeren, daar ik niet wist hoe ver ik -genoodzaakt zou zijn in zee te gaan, en bovenal hoe ik zou terugkeeren, -dus ging ik voor anker liggen, want ik had van eene gebroken dreg, die -ik uit het schip gehaald had, eene soort van anker gemaakt. Na mijne -boot goed vastgelegd te hebben, nam ik mijn geweer en stapte aan land, -waar ik op een heuvel klom, van welken ik dacht die kaap te kunnen -overzien, en waar ik hare geheele uitgestrektheid waarnam, en besloot -het te wagen.</p> - -<p>Toen ik van den heuvel, waarop ik stond, de zee overzag, bespeurde ik -eene sterke, ja eene allergeweldigste strooming, die oostelijk liep, en -zelfs digt langs het rif heen; en ik nam dit te naauwkeuriger op, omdat -ik inzag dat er eenig gevaar bestond, dat als ik in deze strooming -geraakte, ik door hare hevigheid zeewaarts kon gesleept worden, zonder -dat ik het eiland weder zou kunnen bereiken. En waarlijk, als ik niet -eerst op den heuvel was geklommen, geloof ik, dat dit ook zou gebeurd -zijn, want aan de andere zijde was dezelfde strooming, behalve, dat die -op een verderen afstand liep, en digt onder de kust liep eene sterke -tegenstrooming, zoo dat ik niets te doen had dan slechts buiten de -eerste strooming te blijven, en ik zou ongetwijfeld naar de kust -teruggevoerd worden.</p> - -<p>Ik bleef echter twee dagen voor anker liggen, omdat de wind, die vrij -stevig was (uit het O.Z.O., en dus juist tegen de gezegde strooming -inblies) op dat punt eene zware branding maakte, zoo dat het uithoofde -van de branding niet veilig voor mij was, al te digt bij de kust te -houden, en niet al te ver af, uithoofde van de strooming.</p> - -<p>Den derden dag was des morgens de zee stil, daar de wind gedurende den -nacht was gaan liggen, en ik waagde den togt; maar het volgende is eene -les voor alle onbedreven loodsen. Naauwelijks was ik aan het rif, zelfs -nog geen bootslengte van den wal, of ik bevond mij in zeer diep water, -en eene strooming, die als een molensluis liep. Deze sleepte mijne boot -met zoo veel geweld mede, dat ik, wat ik ook deed, haar niet aan den -rand der strooming kon houden, maar zij mij, naar ik bemerkte, al verder -en verder van de tegenstrooming, die aan mijne linkerhand was, -afsleepte. Er was geen wind genoeg om mij te helpen, en wat ik met mijne -riemen doen kon beteekende niets. Ik begon mij thans verloren te achten, -want daar de strooming aan beide kanten van het eiland was, wist ik dat -zij op weinige mijlen afstands met elkander zamentreffen moesten, en dan -was ik onherstelbaar verloren. Ik zag ook geene mogelijkheid het te -vermijden, zoodat ik niets voor oogen had dan den dood, niet van de zee, -want die was kalm genoeg, maar van den dood door honger. Ik had wel is -waar, eene schildpad, zoo groot als ik maar optillen kon, aan het strand -gevonden, en in de boot geworpen, en ik had eene groote kruik met zoet -water, dat is te zeggen een van mijne gebakken potten; maar wat zou mij -dit baten als ik in den uitgestrekten Oceaan gedreven werd, waar op -misschien duizend mijlen afstands, geene kust, geen vast land of eiland -was.</p> - -<p>En nu zag ik, hoe gemakkelijk de Goddelijke Voorzienigheid den -rampzaligsten toestand, waarin zich iemand bevindt, nog veel erger kan -maken. Nu zag ik naar mijn eenzaam eiland uit, als naar de aangenaamste -plaats der wereld, en het grootste geluk, waarnaar ik wenschen kon, was, -dat ik daar maar weder zijn mogt. Verlangend strekte ik er de handen -naar uit. "O, gelukkig oord," zeide ik, "ik zal u nimmer wederzien! -Rampzalige, die ik ben, waar ga ik heen?" Vervolgens verweet ik -mijzelven mijne ondankbaarheid, en hoe ik over mijn eenzamen toestand -getreurd had, en wat ik nu wel niet zou willen geven als ik daar slechts -weder aan wal was! Zoo zien wij nimmer onzen toestand in het ware licht, -voor wij door het tegendeel, er een helderder inzigt in verkrijgen; en -datgene wat wij genieten, leeren wij eerst waarderen als wij het moeten -missen. Het is naauwelijks mogelijk zich de ontroering te verbeelden, -waarin ik mij thans bevond, nu ik van mijn geliefd eiland (zoo -beschouwde ik het thans) op den wijden Oceaan was gedreven, schier twee -mijlen ver, en genoegzaam wanhopende het ooit weder te zullen zien. Ik -werkte echter hard, tot mijne kracht genoegzaam uitgeput was, en hield -mijne boot zooveel noordelijk, dat wil zeggen naar den kant der -strooming, waar de tegenstrooming lag, als ik bij mogelijkheid kon. -Tegen den middag meende ik een windje in mijn gezigt te voelen, dat uit -het Z.Z.O. kwam. Dit beurde mijn moed een weinig op, vooral toen het -een half uur later eene frissche koelte begon te waaijen. Ik was thans -op een vreesselijken afstand van het eiland, en als er mistig weder was -opgekomen, was ik ook verloren geweest, want ik had geen kompas aan -boord, en zou nooit geweten hebben hoe ik naar het eiland had moeten -sturen, als ik het eens uit het gezigt had verloren, maar daar het weder -helder bleef, zette ik mijn mast weder op en mijn zeil bij, en hield zoo -veel noordelijk als ik kon, om uit de strooming te geraken.</p> - -<p>Juist toen ik mijn mast en zeil bijgezet had, en er vaart in de boot was -gekomen, zag ik zelfs aan de helderheid van het water, dat de strooming -eenigzins veranderen moest; want waar de strooming zoo sterk was, was -het water dik; maar daar ik hier de zee helder zag, bemerkte ik tevens -dat de strooming afnam; en thans vond ik tien minuten verder oostelijk, -dat de zee op eenige klippen brandde; deze rotsen scheidden de strooming -weder, de voornaamste liep meer zuidelijk, en liet de klippen in het -noord-oosten; de tweede, op de klippen stuitende, keerde met eene zware -strooming weder naar het N. W. terug.</p> - -<p>Hij, die aan den voet van het schavot pardon erlangt, of die onverwachts -uit de opgeheven dolken van moordenaars gered wordt, kan zich mijne -tegenwoordige vreugde voorstellen, en hoe gretig ik mijne boot in deze -tegenstrooming bragt, hoe vrolijk ik, daar de wind ook aanwakkerde, mijn -zeil bijzette, en aldus door wind en stroom naar het land aanhield. De -stroom voerde mij omtrent eene mijl naar het land, maar ongeveer twee -mijlen noordelijker dan de andere strooming, die mij naar zee had -gebragt. Toen ik dus digt bij het eiland was bevond ik mij aan de -noordkust, of vlak de tegenovergestelde zijde van die welke ik verlaten -had.</p> - -<p>Toen de stroom mij aldus meer dan eene mijl ver had gebragt, vond ik dat -hij ophield en mij niet verder hielp. Ik vond echter, dat tusschen de -twee groote stroomingen, namelijk, die aan de zuidzijde, die mij naar -zee gedreven had, en die aan de noordzijde, het water ten westen van het -eiland stil en zonder stroom was, en daar de wind nog gunstig was, hield -ik regt op het eiland aan, schoon niet met zoo veel spoed als vroeger.</p> - -<p>Tegen vier uren des namiddags, toen ik nog ongeveer eene mijl van het -land af was, trof ik het einde van het rif aan, dat de oorzaak van mijn -gevaar was, en zich zuidwaarts uitstrekte, en door de strooming ook dien -kant heen te brengen, eene tegenstrooming noordwaarts veroorzaakte, die -zeer sterk, doch niet regt in mijn koers liep, daar ik W. N. W. moest -aanleggen. Met een goeden wind kwam ik echter door deze strooming, en na -verloop van een uur was ik op een kwartier uurs afstand van het land, -hetwelk ik, daar het effen water was, spoedig bereikte.</p> - -<p>Toen ik aan wal was viel ik op mijne knieën, en dankte God voor mijne -redding, en besloot alle denkbeeld van bevrijding door mijne boot op te -geven. Na mijn maaltijd gedaan te hebben met hetgeen ik had, legde ik -mijne boot vast in een kleinen inham, dien ik onder eenige boomen -ontdekt had, en begaf mij daarop ter rust, daar ik uitgeput was door de -vermoeijenissen der reis.</p> - -<p>Ik was thans zeer in het onzekere, op welke wijze ik met mijne boot naar -huis zou keeren. Ik had zoo veel gevaar geloopen, en te veel kennis van -den toestand, om er aan te denken van den weg te kiezen dien ik gekomen -was. Wat er aan de andere zijde (de westzijde) van het eiland was, wist -ik niet, en ik verlangde niet om nieuwe gevaren te loopen; dus besloot -ik in den morgen, mijn weg westwaarts langs het strand voort te zetten, -en te zien of er geen kreek was, waarin ik mijn vaartuig veilig liggen -kon, zoo dat ik het weder vinden kon, als ik het begreep noodig te -achten. Na een uur bijkans langs het strand te hebben gevaren, kwam ik -aan eene zeer goede baai of inham, van ongeveer een vierde uur diep, die -steeds naauwer uitliep tot in een kleine beek, waarin ik eene zeer -goede ligplaats voor mijne boot vond; alsof zij daar lag in een dok, dat -daar opzettelijk voor gemaakt was. Hier legde ik ze vast en ging -vervolgens aan wal, om te zien waar ik mij bevond.</p> - -<p>Spoedig vond ik, dat ik slechts weinig voorbij de plaats was, waar ik -vroeger was geweest, toen ik te voet het eiland was doorgetrokken. Ik -nam dus niets uit mijne boot dan mijn geweer en mijn zonnescherm, want -het was bijzonder heet, en ging op marsch. De weg was gemakkelijk -genoeg, na eene reis als ik gedaan had, en tegen den avond bereikte ik -mijne oude buitenplaats, waar ik alles vond zoo als ik het gelaten had, -want ik hield mijn landhuis altijd in goede orde.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_054.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik klom over de heining, en ging in de schaduw uitrusten, waar ik, want -ik was zeer vermoeid, weldra in slaap viel. Maar oordeel, zoo gij kunt, -lezer, over mijne verrassing, toen ik uit mijnen slaap wakker gemaakt -werd, door eene stem, die mij verscheidene malen bij mijn naam riep: -"Robinson, Robin, Robinson Crusoe! Arme Robinson Crusoe! Waar zijt gij, -Robinson Crusoe? Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest?"</p> - -<p>Ik was eerst zoo vast in slaap, omdat ik zeer vermoeid was van het -roeijen of liever pagaaijen, dat ik in het begin van den dag gedaan had, -en van het wandelen naderhand, dat ik maar half wakker werd, en tusschen -slapen en waken in, dacht dat ik droomde, dat iemand mij riep. Maar toen -de stem herhaaldelijk bleef roepen: "Robin, Robinson Crusoe!" begon ik -eindelijk volkomen wakker te worden, en was in het allerhevigst -verschrikt en sprong op in de uiterste ontsteltenis. Maar naauwelijks -waren mijne oogen open of ik zag mijn papegaai op den top van de heining -zitten; en nu wist ik dadelijk dat hij tegen mij gesproken had, want ik -had hem geleerd zulke beklagende woorden tegen mij te spreken, en hij -had dit zoo volkomen aangeleerd, dat hij dikwijls een uur lang op mijne -hand zat, met zijn bek vlak tegen mijn gelaat aan, roepende: "arme -Robinson Crusoe! Waar zijt gij? Waar zijt gij geweest? Hoe komt gij -hier?"</p> - -<p>Maar, ofschoon ik wist dat het de papegaai was, en niemand anders wezen -kon, duurde het eene geruime poos eer ik weder bedaard was van mijne -ontroering. Eerst stond ik verwonderd hoe de vogel daar gekomen was, en -dan hoe hij juist daar en nergens anders was gaan zitten. Maar daar ik -wel overtuigd was dat het mijn papegaai en niemand anders was, hield ik -mijne hand op en riep hem bij zijn naam. Oogenblikkelijk kwam de -gezellige vogel op mijn vinger zitten, gelijk hij gewoon was, en bleef -voortsnappen: "arme Robinson! en: Hoe zijt gij hier gekomen? Waar zijt -gij geweest?" alsof hij blijde was dat hij mij weder zag, en zoo bragt -ik hem naar huis terug.</p> - -<p>Ik was nu voor eenigen tijd verzadigd van togtjes op zee, en had -verscheidene dagen genoeg te doen met te bedenken in welk gevaar ik -geweest was. Het zou mij zeer aangenaam geweest zijn als ik mijne boot -weder aan de andere zijde van het eiland had gehad, waar ik woonde; maar -ik wist niet hoe ik haar daar zou brengen. Ik kende de oostzijde van het -eiland, langs welke ik gekomen was, thans te goed, om niet te weten dat -ik niet wagen kon, dien weg te nemen; mijn bloed verstijfde in mijne -aderen als ik er slechts aan dacht. Hoe het aan den anderen kant van het -eiland was, wist ik niet, maar onderstellende, dat daar de stroom even -hevig oostelijk tegen de kust aanliep, zou ik hetzelfde gevaar loopen -van door den stroom medegesleept en tegen het eiland geworpen te worden, -als ik vroeger geloopen had van er afgesleept te worden. Deze gedachten -deden mij tevreden zijn zonder boot, schoon ik zooveel maanden had -gewerkt om er eene te maken, en nog zoovele maanden om die te water te -brengen.</p> - -<p>In deze gemoedsgesteldheid bleef ik bijkans een jaar, een zeer rustig -leven leidende, gelijk men denken kan, en daar ik thans met mijn -toestand verzoend was en mij geheel aan den wil der Voorzienigheid -onderworpen had, begreep ik dat ik in alle opzigten zeer gelukkig -leefde, behalve in het gemis aan gezelschap. Ik maakte mij in dien tijd -bekwamer in al die werktuigkundige verrigtingen, waartoe de nood mij -dwong, en ik geloof dat ik thans een zeer goed timmerman mogt heeten; -vooral als men in het oog houdt hoe weinig gereedschappen ik had. -Bovendien bragt ik eene onverwachte verbetering in mijn aardenwerk te -weeg; hetgeen ik thans met een rad vervaardigde, dat ik oneindig beter -en gemakkelijker vond, daar ik thans de voorwerpen rond en van een -goeden vorm maken kon, terwijl het vroeger leelijke, onbehouwen dingen -waren. Maar ik geloof niet dat ik ooit hoovaardiger was op iets wat ik -vervaardigd heb, of mij meer over eenige uitvinding verheugd, dan toen -ik in staat was eene tabakspijp te maken, en schoon het een leelijk -wanschapen ding, en even als mijne andere potten roodgebakken was, was -ik er toch zeer mede verheugd, want zij was hard en vast en ik kon er -uit rooken. Ik was dit altoos gewoon geweest, en er waren ook pijpen aan -boord van het schip geweest, maar ik had die eerst laten liggen, omdat -ik niet wist dat er tabak op het eiland was, en toen ik naderhand het -schip weder doorzocht, kon ik ze niet terugvinden.</p> - -<p>Ook vermeerderde ik mijn voorraad van mandewerk, en maakte eene menigte -manden, zoo goed ik ze bedenken kon. Schoon niet zeer fraai, waren zij -toch zeer handig en gemakkelijk, om er goederen in te bewaren, of die -naar huis te dragen. Als ik bij voorbeeld, eene geit geschoten had, kon -ik die aan eenen boom hangen, afhalen, aan stukken snijden, en dan in -eene mand naar huis dragen, en even zoo als ik eene schildpad aantrof, -kon ik die opensnijden, de eijeren er uithalen, met een paar stukken -vleesch, waaraan ik genoeg had, en dragen dit alles in eene mand naar -huis. Ook bewaarde ik mijn koorn in groote diepe manden; ik wreef dit -altijd uit de airen zoodra het droog was, en bergde het dan in de -manden.</p> - -<p>Ik begon thans te bemerken dat mijn buskruid zeer verminderde, en dat ik -dit gebrek nimmer zou kunnen aanvullen. Ik begon er ernstig over na te -denken, wat te doen als ik geen kruid meer zou hebben, namelijk hoe ik -dan van tijd tot tijd eene geit zou dooden. Ik had, gelijk ik verhaald -heb, in het derde jaar van mijn verblijf een jong geitje gevangen en tam -gemaakt. Ik had altijd gehoopt er een bok bij te zullen bekomen; maar -dit mogt mij nimmer gelukken. Eindelijk werd mijne geit oud, en ik kon -het nimmer van mij verkrijgen haar te slagten, totdat zij ten laatste -van ouderdom stierf.</p> - -<p>Nu ik echter in het elfde jaar van mijn verblijf was, en mijn kruid -gelijk ik zeide, sterk verminderde, begon ik mij te bedenken op een -strik of val, om te zien of ik niet eenige geiten levende zou kunnen -vangen, vooral eene geit met jongen wenschte ik. Ik maakte te dien einde -strikken, en ik geloof dat zij er meermalen in verward raakten, maar -daar zij niet zeer sterk waren, omdat het mij aan koord ontbrak, vond ik -ze altijd aan stukken en het aas opgegeten. Eindelijk besloot ik het met -vallen te beproeven; ik delfde dus verscheidene kuilen, op plaatsen waar -ik opgemerkt had dat de geiten gewoonlijk kwamen weiden, en op deze -kuilen plaatste ik horden, van mijn eigen maaksel ook, met eene groote -zwaarte er op, en verscheidene malen plaatste ik hoopjes graan en -drooge rijst er op, zonder den val te zetten, en ik kon gemakkelijk zien -aan het spoor harer pooten dat de geiten er in geweest waren en het -graan opgegeten hadden. Eindelijk zette ik drie vallen op eenen nacht, -en toen ik er den volgenden morgen bij kwam, vond ik ze allen staan, en -toch was het aas opgegeten en weg. Dit was ontmoedigend, doch ik -veranderde mijne vallen, en om kort te gaan, toen ik er op een morgen -naar ging zien, vond ik in een kuil een ouden bok, en in een anderen -twee geiten en een bokje.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 465px;"> -<img src="images/crusoe_055.jpg" width="465" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wat ik met den ouden bok zou aanvangen, wist ik niet; hij was zoo woest -dat ik niet bij hem in den kuil dorst gaan; dat wil zeggen om er hem -levend uit te halen, hetgeen eigenlijk mijne bedoeling was. Ik had hem -kunnen doodschieten, maar dat zou mij niet gebaat hebben; dus liet ik -hem er uit en hij liep weg als of hij dol was; maar ik wist toen niet, -hetgeen ik naderhand leerde dat honger zelfs een leeuw kan temmen. Als -ik hem daar drie of vier dagen zonder voedsel had gelaten, en hem dan -eenig water om te drinken en eenig graan had gebragt, zou hij zoo tam -als een geitje geweest zijn, want dit waren zeer scherpzinnige en makke -dieren, als men ze goed behandelde.</p> - -<p>Ik liet hem dus voor het tegenwoordige gaan, daar ik toen niets beters -wist te doen; daarop ging ik naar de drie geiten, en bond die een voor -een met strikken vast en bragt ze niet zonder moeite naar huis. Het -duurde lang voor zij wilden eten, maar door haar eenig rijp graan voor -te werpen haalde ik ze er toe over en zij begonnen tam te worden. En nu -begreep ik dat als ik mij zelven met geitenvleesch wilde voeden, wanneer -mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige -tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde -rondom mijne woning zou kunnen laten weiden.</p> - -<p>Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest -afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd -wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands -met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten -waren, dat die er binnen waren er niet uit, en die er buiten waren er -niet in konden komen. Dit was eene groote onderneming voor iemand met -slechts twee handen. Daar ik er echter de volstrekte noodzakelijkheid -van inzag, was mijn eerste werk eene geschikte plek grond te vinden, -namelijk waar waarschijnlijk gras voor haar om te eten, water om te -drinken, en beschutting voor de zonnehitte zou zijn.</p> - -<p>Degenen, die van dergelijke inrigtingen verstand hebben, zullen zeggen -dat ik zeer weinig inzigt van de zaak had, toen ik als eene allezins -geschikte plek eene opene vlakke weide uitkoos, met twee of drie beekjes -van loopend water, en dat aan het eene einde met boomen bezet was. Zij -zullen over mijn voornemen lagchen als ik zeg, dat ik dit stuk grond, -zoodanig begon te omheinen, dat mijn heining of paalwerk ongeveer twee -(Eng.) mijlen groot zou worden. De dwaasheid bestond niet in den omtrek, -want al was die tien mijlen geweest, zou ik waarschijnlijk tijd genoeg -gehad hebben om het in te doen, maar ik bedacht niet, dat mijne geiten -in zulk eene groote ruimte even wild zouden zijn, als of zij het geheele -eiland voor zich hadden; en ik zou zooveel ruimte hebben om haar in te -jagen dat ik ze er waarschijnlijk nooit zou kunnen vangen.</p> - -<p>Toen ik met mijne heining ongeveer vijftig ellen gevorderd was, kwam dat -denkbeeld het eerst bij mij op en deed mij dadelijk mijn werk staken. Ik -besloot daarop vooreerst een stuk af te perken van honderd en vijftig el -lang, en honderd el breed, hetwelk voor 's hands genoeg was ter voeding -van degeen, die ik vooreerst zou hebben, en als mijne kudde -vermeerderde, kon ik altijd meer grond afperken. Dit was verstandiger -overlegd en ik ging met ijver aan het werk. Ik had ongeveer drie maanden -werk er aan, en in dien tijd bond ik de drie geiten op de beste plek er -in vast en gewende ze zoo digt bij mij te grazen als mogelijk, om ze mak -te maken. Ik ging er dikwijls heen met eene hand vol graan of rijst en -liet ze uit mijne hand eten, zoodat toen mijne heining af was, en ik ze -los liet, zij mij blatende achterna liepen, om een handvol koorn.</p> - -<p>Dit was juist wat ik verlangde, en in anderhalf jaar had ik eene kudde -van twaalf geiten, de jongen medegerekend, en twee jaren daarna had ik -er drieënveertig, behalve verscheidene, die ik geslagt en opgegeten had, -en na dien tijd perkte ik vijf verschillende stukken gronds af, met -smalle doorgangen om haar in te drijven en te vangen als ik ze noodig -had, of van het eene perk in het andere wilde drijven. Doch dit was niet -alles, want niet alleen dat ik nu als ik het verlangde geitenvleesch -had, maar ik had ook melk, iets waaraan ik in den beginne zelfs niet -gedacht had, en dat later mij eene aangename verrassing was, want ik had -soms tien of twaalf pinten melk per dag; en daar de natuur als zij ons -iets schenkt, ons gewoonlijk het ook leert gebruiken, zoo bragt ik het -eindelijk zoo ver, hoewel ik nimmer eene koe of geit gemolken had, noch -boter of kaas ooit had zien maken, dat ik, schoon na vele mislukte -proeven, eindelijk boter en kaas maakte, en er naderhand nimmer gebrek -aan had. Hoe genadig kan toch onze Schepper zijne schepselen behandelen, -zelfs in omstandigheden, in welke zij door de onoverkomelijkste rampen -getroffen schijnen! Hoe kan Hij onzen bittersten toestand verzachten, en -ons reden geven Hem zelfs in den diepsten kerker te loven! Welk eene -tafel was thans voor mij gespreid in eene wildernis, waarin ik in den -beginne niets dan den hongerdood voor oogen zag!</p> - -<div class="figcenter" style="width: 515px;"> -<img src="images/crusoe_056.jpg" width="515" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De ernstigste mensch zou gelagchen hebben, als hij mij met mijn -huisgezin aan tafel had zien zitten. In de eerste plaats was er zijne -majesteit, de onbeperkte gebieder van het geheele eiland, de heer over -leven en dood van alle schepselen daarop. Ik kon al mijne onderdanen -gevangen zetten, ter dood brengen of genade schenken, naar ik zulks goed -vond, en ik had voor geene rebellie onder hen te vreezen. Ik at, als een -koning, geheel alleen, omringd door al mijne dienaren! Mijn papegaai, -als mijn gunsteling, had alleen het regt tot mij het woord te voeren; -mijn hond, die nu oud en afgeleefd was, en zijn geslacht niet had kunnen -voortplanten, zat altijd aan mijne regterhand, en twee katten, een aan -weerszijden van de tafel, verwachtten nu en dan een stuk uit mijne hand, -als een blijk van hooge gunst. Het waren echter niet de twee katten, die -ik van boord had medegebragt, deze waren beide gestorven, en door mij -digt bij mijne woning begraven; het waren afstammelingen van eene van -haar, met eene soort van wilde kat, naar ik denk. Dit waren de eenigste, -die ik tam gehouden had, de overigen zworven wild in de bosschen, en -waren mij geweldig lastig, want zij kwamen dikwijls in mijn huis alles -wegstelen; eindelijk schoot ik er eene menigte dood, waarna de overigen -mij van haar bezoek verschoonden. Aldus leefde ik in overvloed zonder -dat ik zeggen kon iets te missen dan gezelschap, en dat ontving ik -eenigen tijd later meer dan mij lief was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 575px;"> -<img src="images/crusoe_057.jpg" width="575" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik verlangde dikwijls, gelijk ik vroeger zeide, mijne boot weder tot -mijn gebruik te hebben, maar ik had weinig lust, de vorige gevaren te -wagen; en dus zat ik somwijlen op middelen te denken om haar aan deze -zijde van het eiland te brengen, en op een anderen tijd was ik weder -zonder haar tevreden. Ik verlangde echter zeer dat gedeelte van het -eiland te zien, waar ik bij mijn laatste reis op den heuvel klom, om te -zien hoe het strand en de strooming liep. Alle dagen werd dit verlangen -sterker, en eindelijk besloot ik te land daarheen te trekken, en ik deed -dit langs het strand. Maar zoo iemand in Engeland een mensch ontmoet -had, zoo uitgerust als ik, zou hij doodelijk verschrikt, of in lagchen -uitgebarsten zijn. Ik lachte dikwijls als ik mij zelf bezag, en dacht -hoe men zou opzien als ik zoo eens door Yorkshire trok. Luister slechts -hoe ik er uitzag.</p> - -<p>Ik had eene groote, hooge, onbehouwen muts op, van geitenvellen, met een -klep van achteren, zoowel voor het branden van de zon, als omdat de -regen niet in mijn hals zou loopen, want in dit klimaat is niets -nadeeliger dan dat de regen onder iemands kleederen en op de huid komt.</p> - -<p>Ik droeg eene korte buis van geitenvellen die mij tot halverwege de -knieën kwam, en een broek, die tot over de knieën hing, van de huid van -een ouden bok gemaakt, wiens haar zoolang was dat het mij tot aan den -voet reikte. Ik had geen kousen of schoenen, maar een paar laarzen -gemaakt, die ik om mijne beenen sloeg en vastreeg, maar van een -allerleelijkst maaksel, gelijk eigenlijk mijne geheele kleeding was.</p> - -<p>Ik had een breeden gordel van gedroogd geitenvel, dien ik met een paar -riempjes zamenbond, en aan weêrszijden daarvan, in plaats van een -ponjaard of dolk, aan den eenen kant eene zaag, aan den anderen eene -bijl hangen. Nog een andere band, maar zoo breed niet, hing over mijn -schouder, en onder aan denzelven, onder mijn linkerarm, hingen een paar -zakjes, ook van geitenvel gemaakt; in het eene was kruid, in het andere -hagel. Op mijn rug droeg ik eene mand, op mijn schouder een geweer, en -boven mijn hoofd, een groot, leelijk, vuil, geitenvellen zonnescherm, -dat ik na mijn geweer het allerminst missen kon. Mijn gelaat was echter -niet zoo bruin als men wel had kunnen verwachten van iemand, die zich -nooit daarvoor in acht genomen en tien of twaalf jaren tusschen de -keerkringen geleefd had. Mijn baard had ik eens meer dan een voet lang -laten groeijen; maar daar ik genoeg scharen en scheermessen had, hield -ik dien gewoonlijk kort, met uitzondering van een paar knevels, zoo als -ik eenige Turken te Salé heb zien dragen, (want de Mooren deden dit -nooit). Deze knevels waren wel niet lang genoeg om mijne muts aan te -hangen, maar zouden toch in Engeland monsterachtig genoemd zijn -geworden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 300px;"> -<img src="images/crusoe_058.jpg" width="300" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Doch dit is in het voorbijgaan, ik werd door niemand gezien, en sloeg er -dus ook weinig acht op hoe ik er uitzag. Ik zal dus hierover in het -vervolg zwijgen. Aldus uitgerust ging ik op reis, en bleef vijf of zes -dagen uit. Ik trok eerst het strand langs, regt naar de plaats waar ik -met mijne boot geankerd had, om op de klippen te klimmen, en daar ik nu -voor geene boot behoefde te zorgen, ging ik over land een nader weg, -naar dezelfde hoogte waarop ik vroeger geweest was, toen ik naar het rif -uitzag, dat ik omzeilen moest. Daar zag ik tot mijne verbazing, dat de -zee geheel effen en kalm was, er was noch rimpeling, noch beweging noch -strooming, niets meer dan op andere plaatsen. Ik begreep dit niet, en -besloot eenigen tijd te besteden om hiervan de oorzaak te ontdekken, en -weldra zag ik die, namelijk dat de eb, die uit het westen opkwam, en -zich met de uitstrooming van eene groote rivier op de kust vereenigde, -de oorzaak dezer strooming was, en dat naar gelang de wind meer -westelijk of noordelijk was, zij digter of verder van de kust af was. -Duidelijk zag ik ook de strooming weder toen de eb doorkwam, behalve, -dat zij bijkans een vierde mijl van het strand liep, terwijl zij vroeger -langs de kust loopende, mij medegesleept had, hetgeen op een ander tijd -niet zou gebeurd zijn.</p> - -<p>Dit overtuigde mij, dat als ik slechts op eb en vloed acht gaf, ik mijne -boot zeer gemakkelijk weder aan het ander einde van het eiland kon -brengen; maar als ik om de uitvoering dacht, werd ik weder zoo beangst -bij de herdenking van het gevaar, waarin ik geweest was, dat ik het niet -ondernemen durfde. Ik besloot dus eene veiliger maar moeijelijker partij -te kiezen, namelijk van eene andere kanoe of praauw te maken, ten einde -aan iedere zijde van het eiland een vaartuig te hebben.</p> - -<p>Men moet in het oog houden, dat ik nu als het ware, twee plantaadjen op -het eiland had. De eerste was mijne tent of kasteel, met het paalwerk er -omheen, en de kelder er achter, onder de rots, welken laatsten ik in -verschillende kelders had afgeschoten. De eene, die de grootste en -droogste was, die een uitgang had buiten mijn muur, namelijk waar die -aan de rots stiet, stond vol met groote aarden potten en met veertien of -vijftien groote manden, waarin ik mijn koorn en rijst bewaarde.</p> - -<p>De muur had ik, gelijk ik gezegd heb, met takken omzet, die allen tot -boomen opgroeiden, en thans zoo zwaar geworden waren, dat niemand daar -door heen mijne woning had kunnen ontdekken. Nabij deze woning, doch een -weinig meer landwaarts in en in lager grond, lagen mijne twee -graanakkers, die ik behoorlijk bebouwde, en die mij jaarlijks goeden -oogst opleverden. Als ik meer graan had willen hebben, had ik geschikte -stukken grond, daarnevens liggen.</p> - -<p>Bovendien had ik mijne buitenplaats, en daar thans ook eene tamelijke -plantaadje. Vooreerst had ik mijn priëel, gelijk ik het noemde, dat uit -eene ronde heining bestond, die ik altijd op dezelfde hoogte hield, met -eene ladder in het midden. Ik hield de boomen, waaruit het bestond, -altijd zoo, dat zij zich wijd uitspreidden en eene alleraangenaamste -schaduw opleverden. Midden hierin stond mijne tent, een stuk zeildoek -over palen uitgespreid, en die nimmer eenig herstel noodig had, en -hieronder had ik eene legerstede van dierenhuiden gemaakt, met eene -deken en een jas, beide uit het schip gered. Als ik gelegenheid had mij -van mijne woning te verwijderen, dan ging ik mijne buitenplaats -betrekken.</p> - -<p>Bovendien had ik verscheidene afperkingen voor mijne kudde geiten. Het -maken daarvan had mij ontzettende moeite gekost, zoodat ik altijd -vreesde, dat de geiten er eens mogten doorbreken, en ik had geen rust, -voordat ik eene zoo groote menigte kleine stekken er bijgezet had, dat -het veeleer palissaden dan eene heining geleek, en toen naderhand in het -regensaisoen deze stekken wortel schoten, maakte dit de omheining -sterker dan een muur had kunnen zijn.</p> - -<p>Hieruit ziet men, dat ik niet ledig was, en geene moeite spaarde voor -hetgeen tot mijn onderhoud noodig was, want ik begreep, dat het -aanfokken van tamme dieren, voor mij een levend magazijn van vleesch, -melk, boter en kaas zou zijn, al moest ik hier ook nog veertig jaren -leven. Dit hing echter geheel af van de sterkte der omheining, die ik nu -ook zoo sterk had gemaakt, dat ik van de opgroeijende staken naderhand -eenigen moest rooijen.</p> - -<p>Hier groeiden ook mijne druiven, die mij mijn voorraad van rozijnen voor -den winter leverden; en die ik allerzorgvuldigst bewaarde als mijne -aangenaamste spijs. Zij waren niet alleen lekker, maar allergezondst, -voedzaamst en verkwikkend. Daar deze plaats ook halfweg was tusschen -mijne woning en de plaats waar mijne boot lag, kwam ik hier dikwijls, -want ik bezocht mijne boot menigwerf, en hield die, met alles wat er bij -behoorde, in goede orde. Somtijds ging ik er mede varen, maar geen -gevaarlijke togten, geen twee steenworpen ging ik van de kust af, zoo -vreesde ik door onbekende stroomingen, den wind of andere toevallen, -weder weggeslagen te worden. Doch thans kom ik tot een ander tooneel van -mijn leven.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 435px;"> -<img src="images/crusoe_059.jpg" width="435" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Op zekeren dag, tegen den middag, ging ik naar mijne boot, maar stond -niet weinig verbaasd, toen ik duidelijk op het zand den indruk van een -naakten menschenvoet zag. Ik stond als van den donder getroffen, of als -of ik een geest gezien had. Ik luisterde, ik zag in het rond, maar -hoorde noch zag niets. Ik ging op eene hoogte om verder te kunnen zien, -ik ging het strand op en neder, maar zag geen anderen indruk dan dien -enkelen. Weer ging ik er heen om te zien, of er ook meer waren, of dat -het bloot verbeelding van mij was; maar het was de volmaaktste indruk -van een voet, de teenen, de hiel en alles; hoe dit daar kwam kon ik -volstrekt niet begrijpen. Maar na ontelbare gissingen, ging ik geheel -verward en buiten mij zelven naar huis terug; zonder dat ik, gelijk men -zegt, den grond onder mijne voeten voelde, terwijl ik bij elke schrede -omzag, en iederen geknotten boomstam voor een mensch aanzag. Het is niet -te beschrijven, wat ik mij niet al verbeeldde, en welke uitsporige -denkbeelden niet al bij mij opkwamen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crusoe_060.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen ik aan mijn kasteel kwam, gelijk ik het na dien tijd altijd noemde, -vloog ik naar binnen alsof ik vervolgd werd, ik weet zelfs niet of ik -met de ladder of door het gat in de rots, dat ik mijne deur noemde, er -in ging, maar nimmer vloog een verschrikte haas of gejaagde vos naar -zijn hol met meer schrik, dan ik naar mijne schuilplaats. Ik sliep den -geheelen nacht niet, en wat zonderling is, mijn angst was heviger -geworden, naarmate ik verder van de oorzaak van denzelven verwijderd -was. Hoe meer ik er over dacht, des te schrikkelijker beelden stelde -mijne verbeelding mij voor oogen. Somtijds dacht ik aan den duivel, want -hoe kon een mensch het gedaan hebben? Waar was het schip, dat hem daar -gebragt had? Welke sporen waren er nog meer van voetstappen? Hoe kon een -mensch daar komen? Maar aan den anderen kant was het niet te denken, dat -de satan de menschelijke gestalte zou aangenomen hebben, alleen om daar -een indruk van zijn voet achter te laten. Hij had mij op duizend andere -wijzen kunnen plagen, zonder zoo dom te zijn den voetstap te zetten op -de andere zijde van het eiland; waar het tienduizend tegen een was, dat -ik hem ooit zien zou, en dat nog wel in het zand, waar de eerste golf, -bij een hoogen vloed, en harden wind, dien moest uitwisschen. Dit alles -scheen onbestaanbaar en geheel strijdig met de slimheid, die men den -duivel toeschrijft.</p> - -<p>Eene menigte redenen stelden mij aan dien kant gerust, en ik besloot -eindelijk, dat het een van de wilden van het vasteland aan de overzijde -moest geweest zijn, die op zee met hunne kanoe door strooming of -tegenwind, op het eiland gedreven, maar weder in zee gestoken waren, als -zijnde welligt even afkeerig van een verblijf daarop, als ik van een -bezoek van hen.</p> - -<p>Toen mij dit inviel, achtte ik mij gelukkig, dat ik te dier tijd daar -niet geweest was, noch zij mijne boot gezien hadden, wanneer zij -begrepen konden hebben, dat het eiland bewoond was, en daarnaar -onderzocht hebben. Nu vreesde ik, dat zij mijne boot gevonden zouden -hebben, en in dat geval in groot aantal terugkomen, om mij op te eten; -en al vonden zij mij niet, zouden zij toch mijne heining en al mijn -graan vernielen, mijne kudde stelen, en ik zou ten laatste van honger -moeten omkomen.</p> - -<p>Aldus verbande de vrees al dat vertrouwen op God, dat gegrond was op de -vele bewijzen zijner goedheid jegens mij; als of Hij, die mij tot -hiertoe zoo wonderdadig gespijsd had, niet door zijne magt, ook den mij -geschonken voorraad kon beschermen. Ik verweet mij thans mijne luiheid, -dat ik niet meer koorn had gezaaid, dan ik voor een jaar zou genoeg -hebben, als of het te veld staande niet door eenig toeval kon te loor -gaan; en deze bedenking achtte ik zoo gegrond, dat ik besloot in het -vervolg altijd voor twee of drie jaar koorn in voorraad te hebben, ten -einde wat er ook gebeuren mogt, niet aan broodgebrek te sterven.</p> - -<p>Welk een raadselachtig wezen is de mensch, en door welke bedekte -springveren komen zijne hartstogten in werking? Wat wij heden beminnen, -zullen wij morgen haten; heden zoeken wij wat wij morgen zullen -ontvlugten. Dit bleek thans ten duidelijkste aan mij. Mijne eenigste -droefenis was, dat ik, als het ware, van alle menschelijke gezelschap -verbannen was, ik die alleen en van het geheele menschdom door den -grenzenloozen Oceaan gescheiden, tot een als het ware zwijgend leven -veroordeeld, die als onwaardig geacht was, om onder de levenden gerekend -te worden, ik, wien het zien van een mijner natuurgenooten, als een -overgang van den dood tot het leven, als de grootste gunst, die de hemel -mij schenken kon, buiten mijn eeuwig heil, zou beschouwd hebben; ik -sidderde thans op het denkbeeld van een mensch te zien, en dacht door -den grond te zinken voor het zwijgend bewijs, dat een mensch zijn voet -op het eiland had gezet.</p> - -<p>Zoo wuft is ons gemoed, gelijk ik naderhand dikwerf dacht, toen ik van -mijne eerste verbazing tot mij zelven was gekomen. Ik bedacht toen, dat -dit de levenswijze was, mij door de oneindig goede Voorzienigheid -opgelegd, dat ik, die de oogmerken der Almagt niet doorzien kon, niet -tegen dezelve murmureren mogt; daar de Schepper allezins met Zijn -schepsel handelen kon gelijk Zijne Alwijsheid goeddacht, en evenzeer -mij, die Hem zoo dikwerf beleedigd had, naar zijn goedvinden kon -bestraffen, en dat het mijn pligt was Hem te bidden en mij rustig aan de -leiding der Voorzienigheid te onderwerpen.</p> - -<p>Deze denkbeelden hielden mij vele uren, dagen, ja zelfs weken en maanden -bezig, en eene uitwerking van mijne gepeinzen te dier gelegenheid, mag -ik niet onvermeld laten; namelijk, op een morgen vroeg toen ik te bed -lag, vol gedachten over het gevaar, dat mij van het verschijnen van -wilden dreigde, was ik zeer bedrukt, waarop mij de woorden der Heilige -Schrift invielen: "Roep Mij aan in den dag der benaauwing, en Ik zal u -verlossen en gij zult Mij verheerlijken."</p> - -<p>Hierop stapte ik welgemoed ten bedde uit; niet alleen was mijn hart -gesterkt, maar ik was geleid en bemoedigd om God ernstig om verlossing -te smeeken. Het is onmogelijk te zeggen, welk eene gerustheid dit mij -verschafte, en ik was niet meer neêrslagtig, althans te dier tijd niet.</p> - -<p>Te midden van al deze vrees, vermoedens en nagedachten kwam het eens bij -mij op, dat het alles wel verbeelding van mij zelven kon geweest zijn, -en dat het mijn eigen voetstap was geweest, dien ik uit de boot komende, -in het zand had gedrukt. Dit beurde mij wel op, en ik trachtte mij te -overreden, dat het alles verbeelding was geweest, en mijn eigen -voetstap, want ik had even goed langs dien kant van de boot als daar -naar toe kunnen gaan. Ik bedacht, dat ik geenszins zeker was, welken weg -ik gegaan was, en dat als het zoo was, ik even zot was geweest, als die -dwazen, die hun eigen schaduw voor een spook of geest aanzien en -daarvoor vreezen.</p> - -<p>Alstoen begon ik wat moed te scheppen en weder uit te gaan. Drie dagen -en drie nachten had ik mijn kasteel niet verlaten, zoodat ik reeds -gebrek aan levensmiddelen begon te krijgen. want ik had niets bij mij, -dan eenige gebakken koeken en wat water. Ook wist ik, dat mijne geiten -gemolken moesten worden, dat gewoonlijk mijn avonduitspanning was, en -de arme dieren moesten er veel ongemak van hebben. Ook droogde de melk -bij eenigen er van schier geheel op, en velen hadden er van geleden. Ik -begon dus mij op te beuren met de gedachte, dat ik den afdruk van mijn -eigen voet gezien had, en dus voor mijn eigen schim bang was, en ging -weder uit om mijne geiten te melken. Maar zoo men mij gezien had, hoe -vreesachtig ik liep, hoe dikwijls ik omzag, hoe ik nu en dan zelfs op -het punt stond mijne mand neder te werpen en op den loop te gaan, zou -iedereen gedacht hebben, dat mijn geweten door het een of ander -verontrust was, of dat ik, gelijk inderdaad zoo was, kortelings -doodelijk verschrikt was. Toen ik echter twee of drie dagen uitgegaan -was, en niets had gezien, begon ik wat moediger te worden; en te -begrijpen, dat mijne verbeelding, mij dien schrik had veroorzaakt. Ik -kon echter mij zelven hiervan niet geheel overtuigen, dus besloot ik -naar het strand te gaan, om dien voetstap met den mijnen te vergelijken. -Toen ik echter op de plaats kwam, bleek het mij duidelijk, dat ik daar -niet geweest was bij het vastleggen van de boot. Ten tweede was de voet -veel grooter en breeder dan de mijne. Dit alles deed mijn angst weder -stijgen, zoodat ik klappertandde als of ik de koorts had, en naar huis -ging, in het vaste geloof, dat een of meer menschen aan den wal waren -geweest, kortom, dat het eiland bewoond was, en ik onverhoeds overvallen -kon worden. Welken weg ik thans moest inslaan om mij te beveiligen, wist -ik niet.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 465px;"> -<img src="images/crusoe_061.jpg" width="465" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Welke dwaze denkbeelden boezemt de vrees ons in! Hij berooft ons van het -gebruik dier middelen, die ons verstand ons leert. Het eerste, wat ik -bedacht, was, al mijne heiningen omver te werpen, mijn tamme vee in het -bosch te jagen, opdat de vijand het niet zien zou, en niet verlangen -meer soortgelijken buit te maken; vervolgens mijne twee graanvelden om -te spitten, opdat het vinden van het graan hen niet zou overhalen het -eiland meermalen te bezoeken, en eindelijk mijne buitenplaats en tent te -slechten, opdat zij geenerlei blijk van bewoners zouden vinden, en -hierdoor lust verkrijgen, die te zoeken.</p> - -<p>Dit alles bedacht ik in den nacht, nadat ik weder te huis gekomen was, -toen mijn angst nog allerlevendigst was. De vrees voor het gevaar -verwekt waarlijk tienduizend maal meer schrik, dan het gevaar zelf, als -wij dit zien, en de angst voor eenig kwaad drukt ons veel meer, dan het -onheil zelf. Het ergste was, dat ik thans niet geschraagd werd door die -vrome berusting in Gods wil, die ik gehoopt had altijd te zullen -behouden. Mij dacht ik was even als Saul, die niet alleen klaagde, dat -de Filistijnen hem bedrogen, maar ook dat God hem verlaten had; want ik -koos niet den waren weg tot gerustheid, door God in mijne bedruktheid -aan te roepen, en gelijk vroeger, mijne verdediging en bevrijding van -Hem te verwachten. Zoo ik dit gedaan had, zou ik dit nieuwe ongeval -moediger en meer getroost hebben gedragen.</p> - -<p>Mijne onrust hield mij den geheelen nacht wakker, doch tegen den morgen -viel ik van vermoeijenis in een diepen slaap, en toen ik wakker werd -was ik veel kalmer dan den vorigen dag. En nu begon ik bedaard na te -denken, en na veel redekavelens met mij zelven, kwam ik tot het besluit, -dat dit eiland, hetwelk zoo uiterst aangenaam, vruchtbaar, en gelijk ik -gezien had, niet ver van het vaste land af was, niet zoo geheel verlaten -was, als ik mij wel verbeeld had; dat schoon het geene vaste bewoners -bezat, er echter somtijds booten van den vasten wal konden komen, hetzij -opzettelijk, hetzij door tegenwinden daarheen gedreven; dat ik er nu -vijftien jaren lang geweest was, zonder schijn of schaduw van eenig -menschelijk wezen te zien, en dat zoo er ten eeniger tijd, deze gekomen -waren, zij waarschijnlijk zoo spoedig zij konden weder vertrokken waren, -aangezien zij tot hiertoe nimmer zich hier hadden gevestigd; dat het -eenigste gevaar voor mij te wachten was uit het toevallig hier landen -van eenig volk van het vaste land. Als deze echter hierheen geslagen -werden, was dit tegen hunnen wil, en dus zouden zij dan wel zoo spoedig -zij konden weder vertrekken, en zelden een nacht overblijven, ten ware -om het getij en het daglicht te hebben; en dus behoefde ik alleen op -eene veilige schuilplaats bedacht te zijn, in geval eenige wilden mogten -landen.</p> - -<p>Nu begon het mij te spijten, dat ik mijn kelder zoo wijd uitgegraven -had, dat hij met eene deur buiten de rots uitkwam. Na rijp nadenken -besloot ik mij eene tweede verschansing te maken, even zoo in een halven -cirkel, op eene afstand van den muur, juist waar ik, twaalf jaren -geleden, eene dubbele rij boomen had geplant. Deze boomen waren zoo digt -bijeen gezet, dat ik er slechts eenige palen tusschen behoefde te slaan -ter meerdere stevigheid, en dan was mijn muur spoedig voltooid. Ik had -dus een dubbelen muur, en de buitenste was opgevuld met stukken oud -hout, oud touw, en al wat ik ter versterking geschikt achtte. Ik maakte -er zeven gaten in, waar ik mijn arm door kon steken. Van binnen bragt ik -er tot tien voet aarde tegen aan, die ik uit mijn kelder haalde en vast -trapte. Door de zeven gaten stak ik de trompen der geweren, waarvan ik, -gelijk ik gezegd heb, zeven uit het schip had gehaald. Ik zette deze -vast op eene soort van stellaadje, zoodat ik ze alle zeven in een paar -minuten kon afschieten. Menige maand werkte ik hieraan hard, en achtte -mij niet veilig voor het af was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 345px;"> -<img src="images/crusoe_062.jpg" width="345" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Daarna beplantte ik den grond, op een grooten afstand, met zooveel -stekken van die soort van wilgenboom, als er slechts groeijen konden, ik -geloof wel twintigduizend. Ik liet eene vrij groote ruimte tusschen deze -en mijn muur, ten einde een gezigt van den vijand te hebben, en opdat -deze geene beschutting daarvan zou hebben. Twee jaren later was ik door -digt kreupelhout omgeven, en vier jaren later had ik voor mijn kasteel -zulk een digt bosch, dat het waarlijk ondoordringbaar was, en niemand -zich ooit zou verbeeld hebben, dat er iets, laat staan eene woning -achter was.</p> - -<p>Ik had geen uitgang aan mijn kasteel gelaten, maar ging er met twee -ladders in en uit. Een zette ik tegen de rots, waarmede ik op eene plek -kwam waar ik de andere kon zetten, en als ik ze eens achter mij -weggehaald had, kon niemand mij zonder levensgevaar genaken, en alsdan -was hij nog slechts aan de buitenzijde van mijn buitensten muur.</p> - -<p>Aldus nam ik alle maatregelen, die de voorzigtigheid mij tot mijne -beveiliging kon aan de hand doen, en men zal zien, dat zij niet geheel -onverstandig waren, schoon ik te dier tijd niets meer voorzag dan wat -mijne vrees mij voorspiegelde.</p> - -<p>Middelerwijl verwaarloosde ik geenszins mijne overige bezigheden, want -ik was zeer bezorgd voor mijn kudde geiten; deze toch leverden mij niet -alleen thans spijs op, zonder dat ik mijn kruid of lood behoefde te -verspillen, maar zij onthieven mij ook van de vermoeijenis der jagt op -de wilden, en ik wilde ongaarne dit groote voordeel verliezen, en van -nieuws af weder eenige tam maken.</p> - -<p>Om dit te verhoeden zag ik, na rijpe overweging, slechts twee middelen, -het eerste was, eene andere onderaardsche grot te delven, en ze daar -alle avonden in te drijven; en het andere bestond in het afperken van -twee of drie verschillende stukjes land, ver van elkander, en zoo -verborgen als ik vinden kon, in elke waarvan ik een half dozijn jonge -geiten kon houden, zoodat, als de groote kudde eenig ongeluk overkwam, -ik die gemakkelijk weder kon aanvullen. Dit laatste middel, hoe -moeijelijk ook, achtte ik het verstandigst, en begon er dadelijk aan.</p> - -<p>Eerst zocht ik uit de verborgenste plaatsen van het eiland, een dat mij -het geschiktste voorkwam. Het was eene kleine, vochtige plek gronds, -midden tusschen digt geboomte, waar ik, bij mijn eersten togt door het -eiland, zelf verdwaalde. Daar ontdekte ik drie morgen ongeveer, die zoo -door geboomte omringd waren, dat dit haast eene natuurlijke heining -vormde; althans kostte het maken van eene mij daar veel minder arbeid -dan bij de anderen het geval was geweest.</p> - -<p>Binnen eene maand had ik die geheel omheind, zoodat mijne kudde, die -thans makker was dan men wel denken zou, daar thans veilig genoeg was. -Ik bragt er dadelijk tien geiten en twee bokken heen, en bleef -vervolgens de heining versterken, tot zij zoo sterk was als de vorige; -doch dit deed ik meer op mijn gemak.</p> - -<p>Al deze arbeid was alleen ontstaan uit de vrees, die de afdruk van een -menschenvoet bij mij verwekt had; want tot hiertoe had ik nog geen -menschelijk wezen het eiland zien naderen; en thans had deze -ongerustheid mij twee jaren lang het leven verbitterd, gelijk iedereen -gelooven zal, die weet wat het is, in voortdurenden angst te leven. Ik -moet ook bekennen, dat deze angst veel invloed op mijne godsdienstige -stemming had; want de vrees, dat ik in handen der wilden en -menscheneters mogt vallen, drukte mijn geest zoo ter neder, dat ik -zelden in eene behoorlijke stemming was om mij tot mijnen Schepper te -wenden, althans niet met die kalmte en onderworpenheid, waarmede ik -gewoon was te bidden. Ik bad tot God in den angst van elken nacht -overvallen en geslagt te worden, en uit ondervinding kan ik betuigen, -dat eene rustige, dankbare, blijmoedige stemming veel geschikter ons tot -het gebed maakt dan angst en vrees voor onheil; zulk een mensch is even -ongeschikt om God te bidden, als hij, die op een ziekbed uitgestrekt -ligt; ziekten van den geest toch maken onbekwamer tot het gebed, dan die -van het ligchaam, daar het bidden eene verrigting van den geest en niet -van het ligchaam is.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 515px;"> -<img src="images/crusoe_063.jpg" width="515" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Doch om met mijn verhaal voort te gaan. Na aldus een deel mijner kudde -in veiligheid gebragt te hebben, ging ik het geheele eiland door om nog -een verborgen plek te zoeken, voor eene tweede bewaarplaats. Ik kwam -hierbij verder aan de westzijde van het eiland dan ik ooit geweest -was, en zeewaarts ziende, meende ik op verren afstand eene groote boot -te zien. Ik had in een der geredde matrozenkisten een paar kijkers -gevonden, maar geen daarvan bij mij, en het voorwerp was zoo ver af, dat -ik niet wist wat ik er van maken zou, schoon ik er mij half blind op -tuurde.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crusoe_064.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen ik den heuvel opging verloor ik het voorwerp uit het gezigt, en gaf -het dus op, maar besloot nimmer weder uit te gaan zonder een kijker bij -mij. Toen ik den heuvel af, en op de westzijde van het eiland was -gekomen, waar ik nog nimmer geweest was, zag ik duidelijk, dat het spoor -van een menschenvoet hier niet zoo buitengewoon was als ik mij verbeeld -had, maar dat het eene bijzondere bestiering der Voorzienigheid was -geweest, dat ik op een deel des eilands was geworpen waar de wilden -nimmer kwamen. Zoo ik hier vroeger gekomen was, had ik ingezien, dat de -kanoes, die wat ver in zee geraakt waren, dit eiland dikwijls aandeden, -om daar te overnachten. Ook na in hunne kanoes gevochten en gevangenen -gemaakt te hebben, bragten zij die volgens hunne gewoonte hierheen, om -ze te slagten en op te eten, daar het allen hier omstreeks kannibalen -waren. Ik zal in het vervolg hierover meer spreken.</p> - -<p>Toen ik, gelijk ik zeide, aan het westeinde van het eiland kwam, stond -ik van schrik en afschuw als verplet, daar ik het strand met -hersenpannen, handen, voeten en andere gebeenten van menschen bedekt -zag. Ik ontdekte eene plek waar een vuur gebrand had, en een kuil in den -grond rondom liep, waar ongetwijfeld de ellendelingen bij hun -afschuwelijk feest gegeten hadden.</p> - -<p>Dit schouwspel trof mij zoo geweldig, dat ik eene poos om mijn eigen -gevaar niet dacht. Mijn geest was geheel vervuld met de gedachte aan -zulke helsche barbaarschheid, en den afschuw voor zulk eene ontaarding -van alle menschelijk gevoel, waarvan ik vroeger wel gehoord, maar dat ik -nimmer zoo van nabij had gezien. Met walging wendde ik mijn gelaat af -van dit afschuwelijk tooneel, en eerst na eene hevige braking kwam ik -een weinig tot mij zelven, maar kon hier niet langer blijven; dus klom -ik zoo spoedig ik kon den heuvel weder op en ging naar huis terug.</p> - -<p>Toen ik een weinig van dat gedeelte des eilands af was, stond ik eene -poos als verplet, en daarna dankte ik God, met de uiterste aandoening en -onder een vloed van tranen, dat Hij mij in een werelddeel had doen -geboren worden, waardoor ik van zulke afschuwelijke wezens onderscheiden -was, en dat, ofschoon ik mijn tegenwoordigen toestand zeer ongelukkig -had geacht, ik meer reden tot dankbaarheid dan tot klagen had, en -bovenal, dat ik vertroost was door de kennisse Gods en de hoop op zijne -genade, een geluk, dat verre weg opwoog tegen al de ellende, die ik -ondergaan had of nog kon ondergaan. In deze dankbare stemming ging ik -naar mijn kasteel terug, veel geruster omtrent mijne veiligheid dan ik -sedert lang geweest was, want ik zag in, dat deze schepsels nimmer op -het eiland kwamen om te zoeken wat daar te halen was; misschien dewijl -zij er niets zochten of gevonden hadden wat hun aanstond. Ik was hier -thans bijkans achttien jaar geweest, zonder het minste spoor van -menschelijke schreden te zien, en welligt kon ik er nog achttien jaren -even verborgen leven, als ik mij niet aan hen ontdekte, waartoe ik geene -de minste roeping gevoelde, daar het mijne zaak was mij zoo verborgen -als mogelijk te houden, ten ware ik betere lieden dan menscheneters -vond. Nogtans was mijn afschuw voor die woestaards en hunne zeden zoo -groot, dat ik langen tijd neêrslagtig bleef, en schier twee jaren lang -mij niet buiten mijn kring bewoog. Ik bedoel buiten mijn kasteel, mijn -buitenplaats en mijne omheinde weiden; welke laatste ik alleen om mijne -geiten bezocht; want ik had voor de wilden een afschuw als voor den -duivel zelf. Al dien tijd zag ik zelfs niet naar mijne boot om; want ik -kon er niet aan denken de andere boot het eiland om te brengen, uit -vrees, dat ik op zee eenige dier wezens ontmoeten mogt; want ik wist wat -mijn lot zou zijn, als ik in hunne handen mogt vallen.</p> - -<p>Met ter tijd echter en door het bewustzijn, dat ik geen gevaar liep van -door dit volk ontdekt te worden, begon mijne ongerustheid te slijten, en -mijn leven zoo kalm als vroeger te worden; met dit onderscheid, dat ik -behoedzamer was, en meer rondzag of een hunner mij ook ontdekken kon. -Het was dus zeer gelukkig, dat ik eene tamme kudde geiten had, en niet -meer op de wilde behoefde te jagen, en in het vervolg ving ik eenigen -nog wel, maar alleen door strikken of vallen. Ik geloof, dat ik in geen -twee jaren mijn geweer afschoot, schoon ik nimmer zonder hetzelve -uitging, en bovendien altijd in mijn gordel twee of drie pistolen droeg, -die ik uit het schip gered had, ook sleep ik een van de groote messen, -die ik uit het schip gehaald had, en stak dit ook in mijn gordel, maar -zonder scheede.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_065.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Aldus bleef alles gedurende eenigen tijd, en behalve deze voorzorgen -leefde ik op den ouden rustigen voet. Al deze gebeurtenissen toonden mij -meer en meer, dat mijn toestand, verre af was van rampzalig te zijn, -als ik dien bij dien van anderen vergeleek, waarin God ook mij had -kunnen plaatsen. Dit deed mij denken hoe weinig de menschen zich zouden -beklagen over hun lot, als zij dit vergeleken, bij dat wat rampzaliger, -en niet bij hetgeen gelukkiger was. In mijn tegenwoordigen toestand had -ik aan weinig gebrek, zoodat ik werkelijk dacht, dat de schrik voor de -wilden mijne verbeeldingskracht tot het uitdenken van gerijfelijkheden -verstompt had. Ik had zelfs geheel een voornemen laten varen, dat ik -eens gekoesterd had, namelijk van te beproeven, of ik niet van mijn -graan wat mout kon maken, en hiermede bier brouwen. Dit was inderdaad -een uitsporig denkbeeld, en dikwijls bespotte ik mij zelven er over; -want ik zag thans in, dat ik om bier te brouwen, verscheidene dingen -noodig had, die ik onmogelijk vervaardigen kon; als vooreerst vaten om -het in te bewaren; die ik in spijt van al mijne pogingen nimmer kon -maken, gelijk ik reeds gezegd heb, schoon ik het weken, zelfs maanden -lang, doch vruchteloos, beproefde. Vervolgens had ik geen hop om het -duurzaam te maken, noch gest, noch ketels om het in te koken, en toch, -zoo al die schrik van de wilden niet tusschenbeide gekomen was, zou ik -het beproefd en er misschien in geslaagd hebben, want ik gaf niet ligt -iets op wat ik mij eenmaal in het hoofd had gezet.</p> - -<p>Doch thans liepen mijne denkbeelden in eene andere rigting. Nacht en dag -dacht ik alleen hoe ik eenige dier monsters zou vernielen in hun -bloeddorstig vermaak, en zoo mogelijk hunne medegebragte slagtoffers -redden. Ik zou een grooter werk dan dit boek vullen, als ik al de -ontwerpen waarover ik broedde, wilde vermelden, ter vernieling dier -schepselen, althans om hun zulk een schrik aan te jagen, dat zij hier -nimmer weder kwamen, maar alles vergeefs. Ik kon niets bedenken, of ik -moest het zelf verrigten, en wat kon een man tegen misschien twintig of -dertig wilden uitrigten, met boog en pijl gewapend, waarmede zij hun wit -zoo zeker raken als ik met mijn geweer doen kon.</p> - -<p>Somtijds wilde ik een hol graven onder de plaats waar zij hun vuur -aanlegden, en dat met vijf of zes pond buskruid vullen, hetwelk, als zij -hun vuur ontstoken hadden, hen allen in de lucht zou doen vliegen. Maar -in de eerste plaats wilde ik ongaarne zooveel kruid verspillen, waarvan -ik thans nog slechts een vat had. Ook was ik niet zeker, dat het op zijn -tijd ontvlammen zou, en misschien zou het hen slechts wat aarde om de -ooren doen vliegen, maar niet genoeg verschrikken om hen de plaats te -doen verlaten. Op een anderen tijd wilde ik met mijne drie geweren, -allen dubbel geladen, in hinderlaag gaan liggen, en als zij midden in -hun bloeddorstig werk waren, op hen vuur geven; ik was zeker, twee of -drie hunner met elk schot te dooden of te kwetsen, en ik twijfelde niet -of met behulp van mijne sabel, zou ik ze allen ombrengen, al waren er -twintig. Eenige weken lang speelde dit mij zoo door het hoofd, dat ik er -des nachts soms van droomde.</p> - -<p>Ik dreef dit zoo ver, dat ik verscheidene dagen besteedde met het zoeken -naar geschikte plaatsen, om mij in hinderlaag te liggen, ten einde hen -gade te slaan, en ik ging dikwijls naar de plaats zelf, die mij thans -gemeenzaam was geworden, en vooral terwijl mijn geest met wraakgierige -denkbeelden, en het voornemen om er twintig of dertig over de kling te -jagen, was opgevuld; de afschuw, dien ik voor de plek had, en de -blijken, dat de barbaren elkander verslonden hadden, voedden mijne -woede.</p> - -<p>Ik vond dan ook eindelijk eene plek in de zijde van den heuvel, waar ik -begreep veilig te kunnen wachten, tot ik eenige hunner booten zag -aankomen, als wanneer ik, zelfs voor dat zij gereed waren aan wal te -gaan, mij in een hollen boom verbergen kon, waarin ik geheel verholen -was, en al hunne bloeddorstige handelingen zou kunnen gadeslaan, en -bedaard op hen aanleggen, als zij zoo digt bijeen zouden zijn, dat het -bijkans onmogelijk was hen te missen en niet drie of vier hunner bij het -eerste schot te treffen. Deze plaats eenmaal gekozen, maakte ik twee -geweren en mijn gewoon jagtgeweer gereed. De eersten laadde ik ieder met -schroot en vier of vijf pistoolkogels; het laatste met eene handvol -groven ganzenhagel. Ik deed ook vier kogels op ieder mijner pistolen, en -aldus, voorzien van kruid en lood voor eene tweede en derde lading, -maakte ik mij tot mijne expeditie gereed.</p> - -<p>Na aldus mijn plan tot den veldtogt gemaakt te hebben, klom ik elken -morgen op den top des heuvels, die ongeveer een uur van mijn kasteel af -lag, om te zien of ik op zee eenige booten kon bespeuren, die op het -eiland aanhielden of het naderden. Na twee of drie maanden aldus de -wacht gehouden te hebben, begon mij dit te vervelen echter, daar ik in -al dien tijd niet het minste nabij het strand, noch op den geheelen -oceaan, zoo ver mijn kijker reikte, kon ontdekken.</p> - -<p>Zoo lang ik dagelijks naar den heuvel ging, zoo lang bleef ik even vurig -in mijn ontwerp; en mijn moed scheen al dien tijd onverzwakt, ter -uitvoering van het uitsporig denkbeeld van twintig of dertig naakte -wilden dood te schieten, voor eene misdaad, die ik volstrekt niet -overdacht had, daar ik alleen geleid werd door mijn afschuw voor dit -onnatuurlijk gebruik van de wilden, welke de Voorzienigheid, naar het -schijnt, goedgevonden heeft, alleen door hunne lage en beestachtige -driften te laten regeren, en die daardoor misschien sedert eeuwen aan -zulke afschuwelijke zeden en gewoonten waren overgegeven, waaraan alleen -zij, die van den Hemel verlaten, en beneden de menschelijke natuur -verlaagd zijn, zich kunnen overgeven. Doch nu begonnen, gelijk ik zeide, -mijne langdurige vruchtelooze togten mij te vermoeijen, en mijne wijze -van zien nopens hunne handelwijze begon ook te veranderen, en ik begon -koeler en bezadigder te overwegen wat ik wilde ondernemen; welk regt of -gezag ik had om mij tot regter en beul te maken, en deze lieden als -misdadigers te behandelen, wien de Hemel goedgevonden had, gedurende zoo -vele eeuwen straffeloos hunnen gang te laten gaan, en als het ware tot -de uitvoerders zijner straffen jegens hen onder elkander te maken; -alsmede welk regt ik had mij in dien bloedigen strijd te mengen, dien -zij onderling voerden. Ik redekavelde dikwerf aldus met mij zelven: "Hoe -weet ik wat Gods oordeel daaromtrent is? Het is zeker, dat dit volk dit -niet als eene misdaad beschouwt; hun geweten bestraft er hen niet over. -Zij weten niet, dat het eene misdaad is, en bedrijven die niet in spijt -der Goddelijke geregtigheid, gelijk wij onze zonden plegen. Zij achten -het evenmin eene misdaad, een krijgsgevangene te slagten, als wij eenen -os te dooden, en hebben even weinig tegen menschenvleesch als wij tegen -schapenvleesch."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 455px;"> -<img src="images/crusoe_066.jpg" width="455" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Eenige overdenkingen dienaangaande deden mij besluiten, dat ik ongelijk -had, dat dit volk geen moordenaars waren in dien zin als ik ze beschouwd -had; dat zij daaromtrent gelijk stonden met verscheidene -Christenveldheeren, die krijgsgevangenen, of geheele troepen, schoon zij -geen weerstand boden, kwartier weigerden en ze over de kling joegen.</p> - -<p>Vervolgens bedacht ik, dat ofschoon hun gebruik beestachtig en -barbaarsch was, het mij echter niet aanging; dat zij mij geenszins kwaad -gedaan hadden; dat het welligt verschoonbaar was als zij mij aanvielen, -of als ik het tot mijn behoud noodig achtte hen te overvallen; maar dat -ik voor als nog buiten hunne magt was, en zij metterdaad van mij geene -kennis droegen, en diensvolgens geen kwaad oogmerk tegen mij hadden. -Derhalve kon het van mij niet regtvaardig zijn hen te overvallen; dit -zou de onmenschelijkheden der Spanjaarden in Amerika, die daar duizenden -vermoord hebben, regtvaardigen; en hoewel dit afgodendienaars en -barbaren waren, die vele bloedige en onmenschelijke gebruiken hadden, -zoo als het offeren van menschen aan hunne afgoden, toch waren zij -jegens de Spanjaarden onschuldig; en van hunne uitroeijing is altijd -gesproken met de uiterste afkeuring en verfoeijing, door de Spanjaarden -zelven, en door alle Christen natiën in Europa is zij beschouwd als eene -bloeddorstige menschenslagting, voor God noch menschen te regtvaardigen, -en waardoor de naam van een Spanjaard zelfs bij alle Christenvolkeren in -verschrikking is gekomen; alsof Spanje in het bijzonder een menschenras -voortbragt, geheel en al zonder eenige gevoelens van menschlievendheid -of medelijden, die men als aan welgeschapen harten eigen beschouwt.</p> - -<p>Deze bedenkingen bragten mij tot beter inzien, en ik begon van -lieverlede mijn oogmerk op te geven, en te besluiten, dat ik mij -verkeerde maatregelen had voorgenomen, ten einde de wilden aan te -vallen; dat het mijne zaak niet was mij met hen in te laten, ten ware -zij mij het eerst aanvielen, hetwelk ik zoo veel in mij was moest -trachten te voorkomen; maar als ik ontdekt en aangevallen werd, dan wist -ik wat mij te doen stond.</p> - -<p>Aan den anderen kant bragt ik mij zelven onder het oog, dat dit waarlijk -de weg niet was om mij te bevrijden, maar mij geheel en al in het -verderf te storten. Immers als ik niet zeker was, dat ik iedereen dooden -kon, die alsdan aan het strand was, als ook hen, die er naderhand mogten -komen, dan, als er slechts een ontsnapte, om zijnen landslieden het -gebeurde mede te deelen, zouden zij weder bij duizenden overkomen om den -dood van hunne makkers te wreken; en ik mij zelven een gewissen dood op -den hals halen, waartoe ik voor als nog in het geheel geen roeping -gevoelde.</p> - -<p>Om kort te gaan, ik besloot, dat het mij geraden was, mij hierin -volstrekt niet te mengen, maar mij zoo veel mogelijk voor hen verborgen -te houden, en niet het minste spoor achter te laten, waardoor zij gissen -konden, dat er eenig menschelijk wezen zich op het eiland bevond. De -godsdienst sterkte mij in dit voorzigtig besluit, en ik was thans door -verschillende redenen overtuigd, dat ik geheel en al mijn pligt te -buiten ging, als ik zulke bloeddorstige ontwerpen bleef voeden, om -onschuldige wezens te dooden; ik bedoel onschuldig jegens mij. Met de -misdaden, waaraan zij zich jegens elkander schuldig maakten, had ik -niets te maken; het waren hunne zeden, en ik moest die aan de Goddelijke -geregtigheid overlaten, daar God de volkeren bestiert en zijne oordeelen -op de wijze, die Hij goedvindt, over hen kan doen losbarsten.</p> - -<p>Dit scheen mij thans zoo klaar toe, dat niets mij meer verheugde, dan -dat het mij niet toegelaten was te doen, hetgeen ik thans als niet -minder dan moedwilligen doodslag beschouwde, en ik dankte God op mijne -knieën, dat Hij mij aldus van mijn bloeddorst had genezen; smeekte om -zijne bescherming, dat ik niet in hunne handen mogt vallen, of de hand -aan hen slaan, ten ware de Hemel mij dit duidelijk en ter verdediging -van mijn eigen leven aanwees.</p> - -<p>In deze gemoedsgesteldheid bragt ik nog een jaar door, en ik verlangde -zoo weinig die rampzaligen aan te vallen, dat ik in al dien tijd geene -enkele maal den heuvel opklom, om te zien of er ook eenigen in het -gezigt waren, of te weten, of zij al of niet het eiland hadden -aangedaan; ten einde niet in verzoeking te geraken mijne vroegere -middelen te bezigen, of door eenig voordeel tot een aanval op hen -verlokt te worden. Echter haalde ik mijne boot van de andere zijde van -het eiland, en bragt die aan de oostzijde, waar ik die in een inham -onder eenige hooge rotsen legde, waar ik wist, dat de wilden, uithoofde -der stroomingen, niet met hunne kanoes zouden durven komen. Met de boot -nam ik alles mede, wat ik daar achtergelaten had, namelijk een mast en -een zeil, dat ik gemaakt had, benevens eene soort van anker of dreg, -schoon eigenlijk naar geen van beide gelijkende, maar dat ik niet beter -had kunnen maken. Dit deed ik om niet het minste blijk van menschelijke -wezens, of spoor van eene boot op het eiland achter te laten.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_067.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Bovendien leefde ik stiller dan ooit, en verliet zelden mijne kluis dan -voor mijne dagelijksche bezigheden, het melken mijner geiten en het -nazien mijner kudde in het bosch, die als geheel aan de andere zijde van -het eiland, buiten alle gevaar was; want het was zeker, dat de wilden, -die somtijds het eiland aandeden, er nimmer iets dachten te vinden, en -dus nooit het strand verlieten. Ik twijfel niet of zij waren er -verscheidene malen, nadat ik hun spoor ontdekt had, geweest; en ik -huiverde bij de gedachte wat mijn toestand zou geweest zijn, als ik op -hen gestooten had, en zij mij ontdekt hadden, alleen gewapend met een -geweer, soms met eenigen hagel slechts geladen. Welk een verrassing zou -het geweest zijn als ik in plaats van een afdruk van een voet, een -vijftien of twintig wilden aangetroffen had, en zij mij vervolgd hadden. -Bij hunnen snellen loop zou er aan ontkomen niet te denken zijn geweest. -Deze denkbeelden maakten mij soms bitter neêrslagtig. Met schrik dacht -ik wat ik in dat geval zou gedaan hebben; zonder hen te kunnen -weerstaan, misschien zonder tegenwoordigheid van geest om van mijne -eerst na lang nadenken uitgevonden middelen tot verdediging gebruik te -maken. Maar ik eindigde met dankbaar aan de Voorzienigheid te zijn, die -mij voor deze schrikkelijke ramp bewaard had, terwijl ik zelfs het -gevaar, waarin ik was, niet bevroedde. Dit bragt mij tot de overweging, -die ik reeds meermalen, bij mijn leven, had gemaakt, hoe de -Voorzienigheid ons in gevaren beschermt en leidt door schikkingen, -waarvan wij het doel niet begrijpen. Dikwijls toch worden wij door -geheel onverwachte gebeurtenissen uit groote gevaren bevrijd; dikwijls -drijft een geheime aandrang, in hagchelijke oogenblikken, ons aan, om -veeleer dezen dan genen weg in te slaan, die onfeilbaar tot ons verderf -zou geleid hebben.</p> - -<p>Ten gevolge dezer overwegingen stelde ik het mij naderhand tot een -vasten regel, dat wanneer naderhand, als het ware, eene geheime stem mij -ried deze of gene zaak te doen of te laten, of dezen of genen weg in te -slaan, ik altoos die aanwijzing volgde, schoon ik er geene andere reden -dan dezen aandrang voor had. Meer dan een voorbeeld uit mijn leven zou -ik kunnen bijbrengen, om het welslagen van deze handelwijze te bewijzen; -maar vooral in den laatsten tijd van mijn verblijf op dit eiland; -behalve dat ik vroeger waarschijnlijk veel dergelijks had kunnen -bespeuren, zoo ik toenmaals de zaken uit hetzelfde oogpunt had -beschouwd. Doch het is nimmer te laat om verstandig te worden, en ik kan -ieder verstandig mensch, wiens leven even als het mijne aan zoo -buitenwone wisselvalligheden, of zelfs aan min bijzondere onderhevig is, -aanraden, zulke geheime wenken der Voorzienigheid niet in den wind te -slaan, door welke onzigtbare werking zij ons medegedeeld worden. Ik kan -deze noch verklaren, noch er over redetwisten, maar gewis zijn het -onwraakbare bewijzen voor de werking van onstoffelijke wezens buiten -ons. Hiervan zal ik in het overige van mijn eenzaam verblijf op het -eiland merkwaardige bewijzen kunnen geven.</p> - -<p>Mijne lezers zullen het, geloof ik, niet vreemd vinden, als ik beken, -dat deze aanhoudende angst en gevaren waarin ik verkeerde, en de -daardoor verwekte zorgen, mij alle uitvindingen en alle ondernemingen, -die ik tot mijn verder gemak bedacht had, deden staken. Ik werd thans -meer door de zorg voor mijne veiligheid, dan voor mijn onderhoud, -beziggehouden. Ik durfde geen spijker slaan, geen hout kappen, uit -vrees, dat het geraas hiervan gehoord zou worden; veel minder durfde ik -een geweer afschieten, en vooral baarde mijn vuur mij veel vrees. De -rook, die over dag zeer ver zigtbaar is, kon mij verraden, en ten dien -einde verrigtte ik mijn werk, waarbij ik vuur noodig had, als potten en -pijpen bakken, in mijn nieuw verblijf in het bosch, waar ik voor eenigen -tijd, tot mijne groote vreugde, een natuurlijke onderaardsche grot had -gevonden, die een heel eind weegs diep inliep; en ik was verzekerd, dat -geen wilde, als hij den ingang vond, er zou durven ingaan, en niemand -zou dit doen ten ware hij, gelijk ik, een veilige schuilplaats zoo hoog -noodig had.</p> - -<p>De ingang van deze grot was aan den voet van eene groote rots, waar het -toeval, (zou ik vroeger gezegd hebben, maar het was inderdaad de -Voorzienigheid) mij heenvoerde, terwijl ik eenige zware takken kapte om -houtskolen te branden. Vooraf moet ik zeggen waarom ik houtskolen -maakte. Ik was bevreesd bij mijne woning vuur te stoken, gelijk ik -zeide, en toch kon ik niet leven zonder mijn brood te bakken, mijn -vleesch te koken enz.; en dus beproefde ik eenig hout, gelijk ik in -Engeland gezien had, met aarde overdekt, te branden tot het kolen waren, -alsdan doofde ik het vuur uit, bragt de houtskolen naar huis, en -gebruikte die om vuur te maken, zonder gevaar van den rook. Doch om tot -mijn verhaal terug te keeren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_068.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Terwijl ik daar aan het houtkappen was, bemerkte ik, dat er achter eenig -zeer dik kreupelhout of heestergewas, eene zekere opening was. Ik was -nieuwsgierig, die te zien, en toen ik met moeite aan den ingang kwam, -vond ik, dat, die vrij groot was, namelijk, dat ik er, en nog iemand -naast mij, regt op in kon staan. Maar ik moet bekennen, dat ik er veel -harder uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar -het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig -schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden, -en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in -weêrkaatste. Echter kwam ik na eenige oogenblikken wat tot mij zelven, -en schold mij zelven voor een tiendubbelen gek, en zeide, dat hij, die -bang was den duivel onder de oogen te zien, niet geschikt was om twintig -jaren geheel alleen op een woest eiland te leven, en dat er zeker niets -in de grot was, dat meer schrik kon verwekken dan mijn eigen persoon. -Hierna raapte ik al mijn moed bijeen, nam een vlammend hout in de hand, -en stoof daarmede gewapend, de grot in. Ik had nog geen drie stappen -gedaan, of ik schrikte weder even hevig als vroeger, want ik hoorde een -luid steenen, als van iemand, die zware pijn lijdt, dan weder een dof -geluid, als of men binnen 's monds sprak, gevolgd door een diepen zucht. -Ik trad terug en was zoo ontsteld, dat het koude zweet mij uitbrak, en -had ik een hoed op gehad, dan zouden mijne te berge staande haren dien -misschien opgeligt hebben. Maar nog trachtte ik moed te scheppen met het -denkbeeld, dat God alomtegenwoordig was en mij kon beschermen, en weder -voorwaarts stappende, zag ik bij het licht van het brandend hout, dat ik -boven mijn hoofd hield, zag ik, zeg ik, een allermonsterachtigsten, -vreesselijken ouden bok op den grond liggen, die daar lag te zieltogen -en van ouderdom scheen te sterven. Ik beproefde hem weg te jagen; hij -trachtte op te staan, maar kon niet; en ik dacht bij mij zelven: blijf -dan maar liggen, want hebt gij mij zoo verschrikt, dan zult gij -zekerlijk de wilden, zoo die het durven wagen naar binnen te dringen -terwijl gij nog leeft, nog veel meer schrik aanjagen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 555px;"> -<img src="images/crusoe_069.jpg" width="555" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Van mijne verbazing bekomen, begon ik rond te zien en ontdekte, dat de -grot inderdaad zeer klein was, namelijk ongeveer twaalf voet, maar -onregelmatig, noch rond noch vierkant gevormd, daar de natuur dit -alleen, zonder hulp van menschenhanden gedaan had. Ik bemerkte ook, dat -er aarde op eene plaats was, die dieper inliep, maar zoo laag, dat ik er -op handen en voeten in moest kruipen. Daar ik nu geen kaars bij mij had, -stelde ik dit uit, maar besloot den volgenden dag met kaarsen en een -tinteldoos terug te komen. Mijn tinteldoos had ik van het slot van een -oud geweer gemaakt.</p> - -<p>Ik kwam dan ook den volgenden dag terug met zes kaarsen van mijn eigen -maaksel, want ik maakte thans zeer goede kaarsen van geitenvet; en de -grot ingaande, was ik, gelijk ik zeide, genoodzaakt ongeveer tien ellen -op handen en voeten voort te kruipen, hetgeen, naar mij dacht, al een -groot waagstuk was, daar ik niet wist hoe ver zij liep, of waar ik zou -uitkomen. Na deze engte doorgegaan te zijn, verhief het gewelf zich -ongeveer tot twintig voet; maar nimmer, durf ik zeggen, zag men op het -eiland schitterender gezigt, dan de wanden dezer grot opleverden. Deze -weerkaatsten honderdduizend maal het licht mijner twee kaarsen; wat er -in de rots zat, of diamanten of andere edelgesteenten, of goud, wist ik -niet. Ik bevond mij nu in de allerbevalligste grot, die men bedenken -kon, schoon het er geheel duister was; de grond was droog en effen, en -er lag eene soort van keizelzand op, zoodat er geenerlei stinkend of -venijnig gedierte, noch eenige vochtigheid aan de wanden te bespeuren -was. De ingang alleen was wat moeijelijk, hetgeen mij echter een -voordeel toescheen, daar het juist zulk eene veilige schuilplaats was -als ik verlangde. Ik besloot dus onverwijld daar eenige dingen te -brengen, waarvoor ik het meest bezorgd was, bovenal mijn -buskruidmagazijn en al mijne wapenen, die ik niet gestadig gebruikte, -bestaande uit twee jagtgeweren en drie musketten. Van deze laatste -behield ik dus vijf in mijn kasteel, die als kanonnen op mijne buitenste -schans geplant stonden, en er ook des noodig konden uitgenomen worden. -Bij deze gelegenheid moest ik het kruidvaatje, dat ik uit zee opgevischt -had, openslaan, en ik vond, dat het zeewater er aan alle kanten drie tot -vier duim doorgedrongen was, en het kruid daar zoo hard had gemaakt als -een steen, waardoor het overige als de kern in een pit volkomen bewaard -was gebleven. Ik had dus midden in het vat ongeveer zestig pond zeer -goed kruid, hetgeen voor mij eene aangename verrassing was. Ik bragt dat -alles er heen, en hield slechts twee of drie pond in mijn kasteel, om -tegen elke verrassing gewapend te zijn, ook bragt ik er al het lood, dat -ik voor kogels bewaard had. Alstoen vergeleek ik mij bij de reuzen uit -den ouden tijd, die men zegt, dat in grotten en rotsholen leefden, waar -niemand hen kon bereiken. Ik hield mij overtuigd, dat al zaten mij -vijfhonderd wilden na, zij mij niet zouden vinden, en al was dit zoo, -mij hier nog niet zouden durven aanvallen.</p> - -<p>De oude bok, dien ik zieltogende had gevonden, stierf den volgenden dag -na mijne ontdekking, en ik vond het veel gemakkelijker hem daarin een -graf te delven dan hem er uit te slepen, dus begroef ik hem daar, om -mijn neus voor den stank te waarborgen.</p> - -<p>Ik was nu in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf op het eiland; -en er zoo genaturaliseerd en aan mijne levenswijze gewoon, dat zoo ik -slechts zeker ware geweest, dat er geene wilden zouden komen, ik -tevreden zou geweest zijn met daar het overschot mijns levens te -slijten, zelfs tot mijn laatste uur, tot ik, even als de oude bok, mij -zou nederleggen en sterven. Ik had mij eenige vermakelijkheden -verschaft, die mij den tijd aangenamer deden omgaan dan vroeger. -Vooreerst had ik mijn papegaai leeren spreken, en hij klapte zoo aardig -en vertrouwelijk, dat ik geloof, dat nooit een vogel beter sprak. Hij -leefde niet minder dan zesentwintig jaren met mij, en hoe lang hij -naderhand kon leven wist ik niet. In Brazilië zegt men, dat zij honderd -jaar oud kunnen worden. Mijn hond was mij meer dan zestien jaren een -trouwe makker, en toen stierf hij van ouderdom. Mijne katten -vermenigvuldigden zoo, gelijk ik gezegd heb, dat ik er in den beginne -verscheidene van moest dood schieten, ten einde zij niet mij en al wat -ik had opvraten; maar toen eindelijk de ouden dood waren, en ik ze -gestadig verjoeg en niets binnen haar bereik liet, verwilderden zij en -liepen het bosch in, behalve twee of drie, die ik tam hield, en wier -jongen ik altijd verdronk. Bovendien had ik altijd twee of drie tamme -geitjes om mij heen, die ik leerde uit mijne hand te komen eten. Ik had -ook nog twee papegaaijen, die tamelijk goed spraken, en allen: Robinson -Crusoe! riepen, maar geen zoo goed als mijn eerste; ook had ik mij met -hen zoo veel moeite niet gegeven. Ik had ook verscheidene tamme -zeevogels, wier naam ik niet kende, die ik op het strand gevangen en -gekortwiekt had. De stekken, die ik om mijn muur geplant had, waren nu -tot een digt bosch gegroeid, en daarin leefden en nestelden zij, hetgeen -mij zeer aangenaam was. Aldus leefde ik zeer tevreden, behalve dat ik -steeds door vrees voor de wilden geplaagd werd.</p> - -<p>Doch het was anders besloten, en het zal hier niet ongepast zijn mijnen -Lezers te doen opmerken, hoe dikwijls datgene, wat wij het meest -trachten te vermijden en voor ons het vreesselijkst is, toch het -eenigste middel is om ons uit onze ongelukken te redden. Ik zou uit mijn -buitengewonen levensloop vele voorbeelden tot staving hiervan kunnen -aanhalen; maar nergens bleek dit duidelijker in dan in de -omstandigheden, die de laatste jaren van mijn verblijf alhier -kenmerkten.</p> - -<p>Het was nu in December, in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf -alhier, en daar dit de zuidelijke zonnestand (want winter kan men het -niet noemen) was, en dus mijn oogsttijd, moest ik dikwijls op het veld -wezen. Op een vroegen morgen vóór den dag uitgaande, verbaasde het mij -op het strand, een half uur van mij af, een groot vuur te zien, en tot -mijn grooten schrik aan mijne zijde van het eiland.</p> - -<p>Bij dit gezigt stond ik als verplet, en bleef in mijn boschaadje, waar -ik niet durfde uitgaan; en toch was ik even ongerust, uit vrees, dat zoo -deze wilden het eiland mogten rondzwerven, zij mijn te veld staande -graan of eenig ander werk van mij mogten vinden en vernielen, en -dadelijk daaruit begrijpen, dat er menschen op het eiland waren. Dan -zouden zij niet rusten voor zij mij gevonden hadden. Ik keerde dus in -mijn kasteel terug, en trok de ladder achter mij op.</p> - -<p>Daarop maakte ik mij tot verdediging gereed. Ik laadde al mijn geschut, -dat op mijne schans stond, en al mijne pistolen, en besloot mij ten -uiterste te verdedigen, niet vergetende mij in Gods bescherming te -bevelen en Hem te smeeken mij uit de handen der barbaren te redden. Ik -bleef aldus twee uren, maar verlangde toen magtig te weten wat er -omging, want ik kon geene verspieders uitzenden. Eindelijk kon ik deze -onzekerheid niet langer verdragen, ik zette dus mijne ladder tegen de -rots, en klom zoo naar den top. Daar ging ik plat op den grond liggen, -en begon met mijn kijker naar hen uit te zien. Ik zag niet minder dan -negen naakte wilden rondom een vuur zitten, niet om zich te warmen, want -het was geweldig heet, maar naar ik denk, om een hunner afschuwelijke -gastmalen van menschenvleesch te houden, dat zij levend of dood hadden -medegebragt.</p> - -<p>Zij hadden twee kanoes aan het strand liggen, en daar het eb was, -begreep ik, dat zij op hoogwater wachtten, om weder in zee te gaan. Men -kan zich niet begrijpen, welke verwarring dit gerigt bij mij te weeg -bragt, vooral dat zij aan mijne zijde van het eiland en zoo digt bij mij -geland waren. Toen ik echter begreep, dat zij altijd alleen met de eb -konden komen, werd ik wat bedaarder, daar ik inzag, dat ik al den tijd, -dat het hoogwater was, gerust van huis kon gaan, zoo zij alsdan niet -vroeger aan wal waren gekomen. Hierdoor eenigzins gerust gesteld, ging -met meer gerustheid aan mijn oogst aan het werk.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 575px;"> -<img src="images/crusoe_070.jpg" width="575" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het ging zoo als ik dacht, want zoodra de vloed doorkwam, zag ik hen -allen naar hunne kanoes gaan, en heenroeijen, of liever pagaaijen. Ik -moet nog vermelden, dat een uur of zoo voor zij vertrokken, zij aan het -dansen gingen, en ik kon door mijn kijker al hunne gebaren en houdingen -duidelijk zien. Zij waren geheel naakt, schoon ik niet onderscheiden kon -of het allen mannen dan of er ook vrouwen bij waren.</p> - -<p>Zoodra ik hen vertrokken zag, nam ik twee geweren op schouder, stak twee -pistolen in mijn gordel met mijne sabel zonder scheede, en begaf mij zoo -spoedig ik kon naar den heuvel, waar ik het eerste spoor van hen gezien -had. Zoodra ik daar kwam, waarmede twee uren verliepen (want ik kon zoo -met wapenen beladen, niet hard voort) bespeurde ik, dat er daar nog drie -kanoes met wilden geweest waren, en verder op ziende, bemerkte ik, dat -zij allen in zee waren gestoken en op het vaste land aanhielden.</p> - -<p>Dit was een vreesselijk gezigt voor mij, vooral toen ik naar het strand -afgaande, de blijken kon zien, die zij van hun afschuwelijk werk hadden -achtergelaten; namelijk het bloed, de beenderen en een deel -menschenvleesch, dat deze rampzaligen daar met vreugde en vrolijkheid -hadden verslonden. Dit gezigt vervulde mij met zoo veel -verontwaardiging, dat ik thans voornam de eersten, die weder kwamen, -dood te schieten, al waren er ook nog zooveel.</p> - -<p>Het scheen mij blijkbaar, dat de bezoeken, die zij aldus aan het eiland -gaven, niet veelvuldig waren; want het duurde meer dan vijftien maanden -eer ik weder iets van hen zag. Gedurende het regensaizoen zouden zij -zeker niet uitgaan, althans niet zoo ver van huis; echter was ik al dien -tijd in gestadige onrust en vrees, dat zij mij onverwachts zouden -overvallen. Dit bragt mij tot de opmerking, dat de verwachting van eenig -onheil erger is dan het ondergaan van hetzelve, vooral als men niet in -staat is zich van den angst of van die verwachting te ontslaan.</p> - -<p>Al dien tijd was ik in eene allerbloeddorstigste stemming, en besteedde -meest al mijnen tijd (dien ik beter had kunnen aanwenden) in te -overwegen hoe ik de volgende maal, dat ik hen zag, hen zou overvallen en -aantasten, vooral als zij, gelijk de laatste maal het geval was, in twee -partijen verdeeld zouden zijn. Ik bedacht echter niet, dat zoo ik de -eene week een troep doodde, ik de volgende week of maand een tweeden kon -moeten doodslaan, en zoo voorts tot in het oneindige, tot ik eindelijk -niet minder een moordenaar zou zijn dan deze menscheneters, en misschien -nog meer.</p> - -<p>Dit alles deed mij thans mijne dagen in groote verslagenheid en angst -doorbrengen, daar ik verwachtte, dat ik, den een of anderen dag, in de -handen dezer meêdoogenlooze barbaren zou vallen. Als ik nu en dan -uitging, deed ik dit met de meeste voorzorg en zag onophoudelijk rond. -Nu zag ik in hoe gelukkig het was, dat ik mij eene kudde tamme geiten -had weten te verschaffen; want ik durfde volstrekt mijn geweer niet af -te schieten, vooral niet bij dien kant van het eiland, waar zij -gewoonlijk kwamen, ten einde hun geen alarm te geven; en al namen zij -eerst de vlugt voor mij, dan kon ik toch zeker rekenen, dat zij -misschien eenige dagen daarna met twee- of driehonderd kanoes zouden -terugkeeren, en dan wist ik wat mijn lot zijn zou.</p> - -<p>Het duurde echter vijftien maanden voor ik iets van de wilden zag of -hoorde, en toen vertoonden zij zich weder, zoo als ik straks verhalen -zal. Wel is het mogelijk, dat zij er in dien tijd eens of tweemaal -geweest waren, maar dan kort en zonder dat ik er iets van gemerkt had, -doch in de maand Mei, zoo ver ik berekenen kan, en in mijn -vierentwintigste jaar, had ik eene zeer zonderlinge ontmoeting, die ik -zoo aanstonds verhalen zal.</p> - -<p>Al die vijftien of zestien maanden bragt ik in de grootste onrust door. -Ik sliep onrustig, had altijd akelige droomen, en werd dikwijls met -schrik wakker. Over dag verbijsterde mij de angst en des nachts droomde -ik van het dooden van wilden, en zocht naar redenen, die dit -regtvaardigden. Doch die zullen wij voor een oogenblik daar laten.</p> - -<p>Op zekeren dag, den 16den Mei, naar mijn houten almanak te rekenen, dien -ik nog dagelijks bijhield, woei het den geheelen dag een fellen storm -met donder en bliksem, en de nacht was even ruw. Ik zat in den Bijbel te -lezen, en ernstig over mijn toestand na te denken, toen ik eensklaps -schrikte van een kanonschot, dat, naar ik meende, in zee gelost werd. -Dit was een geheel andere verrassing dan de vroegere, en bragt mij -geheel andere denkbeelden in het hoofd. In een oogenblik stond mijne -ladder tegen de rots; ik haalde die op, en beklom toen den top; op dat -oogenblik deed eene flikkering van vuur mij een tweede schot verwachten, -welks geluid ik ook eene halve minuut daarna hoorde, en daaruit vernam, -dat het van dien kant van de zee kwam, waar ik in mijne boot door de -strooming in zee was gedreven.</p> - -<p>Oogenblikkelijk begreep ik, dat er een schip in nood was, en dat het -een ander in de nabijheid had, en noodschoten deed om hulp te vragen. Ik -had tegenwoordigheid van geest genoeg, om te begrijpen, dat zoo ik hen -niet kon helpen, zij dit mij konden doen; dus haalde ik al het drooge -hout bijeen, dat ik vinden kon, stapelde het op een hoop en stak het in -brand. Het hout was droog en brandde fel op, en hoe hard het ook woei, -brandde het geheel op, zoodat als er een schip was, men het daar zien -moest. Ongetwijfeld was dit ook zoo, want zoodra het vuur opbrandde, -deed men weder een schot en naderhand nog verscheidene. Ik hield het -vuur den geheelen nacht aan, en toen het dag werd en de lucht opklaarde, -zag ik op een grooten afstand in zee een zeil of een romp van een schip. -De afstand was te groot en het weder nog wat mistig, om met mijn kijker -er meer van te kunnen onderscheiden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 435px;"> -<img src="images/crusoe_071.jpg" width="435" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dikwijls zag ik er dien dag naar uit, en bemerkte spoedig, dat het stil -lag; dus begreep ik, dat het een schip was, dat voor anker lag, en -verlangende het juiste te weten, gelijk men wel kan denken, liep ik, met -mijn geweer in de hand, naar den Zuidoostkant van het eiland, naar de -klippen, waar de strooming mij vroeger had medegesleept, en daar -gekomen, en het weder thans geheel opgeklaard zijnde, zag ik duidelijk, -tot mijn groot verdriet, het wrak van een schip, dat in den nacht op -deze blinde klippen geworpen was, die ik, toen ik in mijne boot was, had -aangetroffen, en welke klippen daar de kracht van den stroom stuitten, -en eene soort van tegenstroom vormden, die mij toen uit den -hagchelijksten toestand, waarin ik ooit in mijn geheele leven geweest -was, had gered.</p> - -<p>Wat echter den een redt, stort den ander in het verderf, want het -schijnt, dat deze menschen, buiten hun bestek geslagen, geen kennis -droegen van die geheel onder water staande klippen, en daar de wind des -nachts fel uit het O. en O.N.O. geblazen had, er op geslagen waren. -Ongetwijfeld zouden zij getracht hebben zich met de boot te redden, maar -hunne noodschoten, vooral toen zij, naar ik mij verbeeldde, mijn vuur -gezien hadden, bragten mij op verschillende gedachten. Eerst begreep ik, -dat zij, op het zien van mijn vuur, zich in de boot begeven hadden, en -getracht het strand te bereiken, maar door de hooge zee weggeslagen -waren. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij vroeger hunne boot zouden -verloren hebben, gelijk meermalen gebeurt, vooral door het overkomen van -zware stortzeeën, die het volk dikwijls dwingen de verbrijzelde sloep -met eigen handen over boord te werpen. Dan weder vermoedde ik, dat zij -andere schepen bij zich hadden gehad, en deze op hunne noodschoten hen -opgenomen en gered hadden. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij allen in -de boot gegaan waren, en door de strooming op den wijden oceaan -geslagen, waar niets dan de dood hun wachtte, en dat zij thans misschien -dachten van honger te sterven en in eenen toestand waren om elkander te -verslinden.</p> - -<p>Dit alles waren evenwel slechts gissingen, en ik kon niets doen dan hen -beklagen, hetgeen echter nog die goede uitwerking op mij had, dat het -mij meer en meer aanleiding gaf om God te danken, dat Hij zoo liefderijk -voor mij in mijn verlaten toestand gezorgd had; en dat van twee -scheepsbemanningen, die nu in dezen hoek der wereld gedreven waren, geen -ander leven dan het mijne gespaard was. Op nieuw moest ik hier opmerken, -dat Gods voorzienigheid ons zeer zelden in zulk een jammerlijken -toestand of in zoo groote ellende doet vallen, waarin wij niet voor het -een of ander mogen dankbaar zijn, en bespeuren, dat anderen er nog erger -aan toe zijn dan wij.</p> - -<p>In dit laatste geval was zeker deze bemanning, waarvan ik niet mogt -onderstellen, dat een gered was; niets kon doen vermoeden, dat zij niet -allen vergaan waren, dan de mogelijkheid, dat zij door een ander schip -waren opgenomen; en dit was niet waarschijnlijk, want ik zag daar niet -het minste blijk van.</p> - -<p>Het is mij volstrekt onmogelijk met woorden uit te drukken, welk een -vurig verlangen mijne ziel verteerde bij het zien van het wrak, en hoe -dikwijls ik uitriep: "O, waren er slechts twee, slechts ééne ziel gered, -die mij gevonden had, zoo dat ik een makker, een natuurgenoot had, tot -wien ik spreken en met wien ik omgaan kon!" Gedurende geheel mijn -eenzaam leven had ik zulk een hevig verlangen niet gehad naar het -gezelschap van een mijner medemenschen, noch zulk een diepe spijt over -deszelfs gemis. Er bestaan in onze hartstogten zekere drijfveren, die -zoo zij door eenig zigtbaar voorwerp of door de werking van onze -verbeelding gaande gemaakt worden, onze ziel zoo krachtig daarheen doen -neigen, dat deszelfs gemis ondragelijk wordt. Zoo ging het mij met den -wensch, dat er slechts een man gered ware geworden: "Ware er slechts -één, slechts één mensch het ontkomen!" Duizendmaal, geloof ik, herhaalde -ik deze woorden, en dan wrong ik zoo hevig de handen, dat zoo er eenig -voorwerp in geweest ware, het verbrijzeld zou geworden zijn, en ik -klemde mijne tanden zoo stijf opeen, dat ik eenigen tijd den mond niet -openen kon. De natuurkundigen mogen mijnenthalve het verklaren; ik kan -slechts mededeelen wat er gebeurde, en hoe ik zelf mij er over -verbaasde. Ongetwijfeld was dit de uitwerking van mijn vurigen wensch, -en mijne gespannen verbeelding over het genoegen, dat de verkeering met -een mijner mede-christenen mij zou opgeleverd hebben.</p> - -<p>Doch dit mogt zoo niet zijn; hun lot of het mijne was anders besloten; -want tot het laatste jaar van mijn verblijf op het eiland wist ik niet -of er iemand uit het schip gered was of niet; alleen had ik eenige dagen -later het verdriet, het lijk van een verdronken jongen aan land te zien -spoelen, aan het einde des eilands, digt bij de plaats der schipbreuk. -Hij had geene andere kleederen aan dan een matrozenbuisje, een linnen -broek en een blaauw hemd; maar niets, waaruit ik gissen kon, tot welke -natie hij behoorde. Hij had niets in zijn zak dan twee stukken van -achten en eene tabakspijp, de laatste was mij tienmalen meer van waarde -dan de eersten.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 560px;"> -<img src="images/crusoe_072.jpg" width="560" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het was nu stil en ik verlangde zeer in mijne boot naar het wrak te -gaan, niet twijfelende of ik zou aan boord wel iets vinden, dat mij van -nut kon zijn; doch dit was niet mijne sterkste drijfveer, maar wel de -mogelijkheid, dat er nog een levend wezen aan boord zou zijn, wiens -leven ik redden kon niet alleen, maar daardoor tevens mijn eigen lot ten -uiterste verzoeten. Dit denkbeeld lag mij zoo aan het hart, dat ik dag -noch nacht rust had; maar besloot in mijne boot mij naar het wrak te -wagen, en den uitslag aan Gods voorzienigheid over te laten. De indruk, -dien dit op mijn geest gemaakt had, was zoo sterk, dat ik meende dien -niet te kunnen wederstaan, en begreep, dat eene onzigtbare magt mij -daartoe aandreef, en ik mij zelven nadeel meende te doen, als ik dien -niet opvolgde.</p> - -<p>Hierdoor aangedreven, spoedde ik mij naar mijn kasteel, maakte alles tot -mijne reis gereed, nam wat brood, eene groote pot vol zoet water, een -kompas om naar te sturen, een flesch rum (want ik had daar nog vrij wat -van) en eene mand vol rozijnen, en aldus met al het noodige beladen, -ging ik naar mijne boot, schepte er het water uit, en maakte haar vlot, -legde er mijne lading in, en ging meer van huis halen. Mijne tweede -lading bestond uit een zak vol rijst, mijn zonnescherm, om mij voor zon -en regen te beschutten, nog eene groote pot vol water en ongeveer twee -dozijn van mijne brooden of koeken, benevens eene flesch geitenmelk en -eene kaas. Dit alles bragt ik onder veel arbeid en zweet naar mijne -boot, en na God voor den gelukkigen afloop der reis gebeden te hebben, -stak ik af, en de kanoe langs het strand roeijende of pagaaijende, kwam -ik eindelijk aan het einde van het eiland aan dien kant, namelijk aan -het N. O. Nu moest ik, als ik het wagen durfde, in zee steken. Ik sloeg -een blik op de felle stroomingen, die gestadig op eenigen afstand aan -weerszijden van het eiland liepen, en die door de herinnering van het -gevaar, dat zij mij hadden doen loopen, voor mij zeer vreesselijk waren; -en toen begon mijn moed te bezwijken, want ik voorzag, dat als ik in -eene dier stroomingen geraakte, ik een groot eind weegs in zee zou -gedreven worden, misschien zoo ver, dat ik het eiland niet meer bereiken -of zien zou, en daar mijne boot maar klein was, ware ik, zoodra maar de -wind opwakkerde tot eene stijve koelte, onvermijdelijk verloren.</p> - -<p>Deze denkbeelden maakten mij zoo neêrslagtig, dat ik mijne onderneming -begon op te geven, en na mijne boot in eene kleine kreek aan het strand -gebragt te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging, -zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de -reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en -de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield, -onuitvoerbaar werd. Nu viel het mij in, dat het best ware op de hoogste -plek gronds te gaan, die ik vinden kon, en, als ik kon, waarnemen hoe de -stroomingen met het getij liepen, wanneer de vloed doorkwam, zoo dat ik -oordeelen kon, dat als ik eens langs den eenen weg naar buiten gedreven -werd, of ik ook hopen kon langs een anderen weg naar binnen gedreven te -worden, met de stroomingen. Naauwelijks kwam dit denkbeeld bij mij op, -of ik sloeg mijn oog op een heuvel, vanwaar ik de zee aan weerszijden -voldoende overzien kon, en waar ik een duidelijk gezigt van de -stroomingen had, en hoe ik op mijn terugreis sturen moest. Ik vond, dat -de strooming van de eb digt langs de zuidelijke punt van het eiland heen -liep, terwijl de strooming van den vloed aan de noordelijke zijde digt -langs het strand liep, en ik dus niets te doen had dan bij mijne -terugkomst de noordzijde van het eiland te houden.</p> - -<p>Hierdoor aangemoedigd, besloot ik den volgenden morgen met het begin van -het getij uit te gaan, gelijk ik deed, na dien nacht in de kanoe, onder -de dikke jas, geslapen te hebben. Ik stuurde eerst een eindweegs in zee -regt noordwaarts aan, tot ik de kracht van de strooming begon te -bemerken, die mij oostwaarts en met vrij groote snelheid voortdreef, -maar niet zoo geweldig als de zuidelijke strooming te voren gedaan had, -en mij het bestuur over mijne boot latende, zoo dat ik die, met mijn -roeiriem sturende, met groote snelheid regt op het wrak aanhield, en het -binnen twee uren bereikte.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 700px;"> -<img src="images/crusoe_073.jpg" width="700" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het was een treurig gezigt; het schip, dat van Spaansche bouworde was, -zat tusschen twee rotsen vastgeklemd; de zee had het van achteren en op -zijde reeds geheel aan stukken geslagen, en daar het voorschip met -groot geweld tusschen de klippen was geworpen, waren de fokke en groote -mast kort afgebroken, maar de boegspriet was heel en de voorsteven -scheen nog geheel onbeschadigd. Toen ik dezen naderde kwam er een hond -te voorschijn, die, mij ziende, begon te janken en te blaffen, en zoodra -ik hem riep, in zee sprong en naar mij toezwom. Ik nam hem in de boot, -maar hij was halfdood van honger en dorst. Ik gaf hem een stuk brood en -hij at als een wolf, die veertien dagen lang honger geleden heeft. Toen -gaf ik hem wat zoet water, maar zoo ik hem had laten begaan, zou hij -zich te bersten hebben gedronken.</p> - -<p>Daarna ging ik aan boord. Het eerst wat ik zag was twee mannen, die in -de konstapelskamer verdronken waren, met de armen stijf om elkander -geslagen. Ik begreep, gelijk zeer waarschijnlijk was, dat toen het schip -in den storm vastraakte, de zee zoo hoog liep en er zoo hevig in gekomen -was, dat deze arme lieden er door verdronken of gesmoord waren, zoo goed -als of zij onder water hadden gelegen. Behalve den hond was er geen -levend schepsel aan boord, en voor zoo verre ik zien kon, geene -goederen, die niet door het water bedorven waren. Lager in het ruim -lagen eenige vaten met wijn of sterken drank, die ik, toen het water op -het laagst was, zien kon, maar zij waren voor mij te zwaar. Ik zag -verscheidene kisten, die waarschijnlijk aan de matrozen behoord hadden, -en ik nam er twee van in de boot, zonder te onderzoeken wat er in was.</p> - -<p>Zoo het schip van achteren vast gezeten had, en het voorschip -verbrijzeld ware geweest, zou ik eene zeer goede reis gedaan hebben, -want naar hetgeen ik in die twee kisten vond, begreep ik, dat het schip -zeer rijk geladen moest geweest zijn; en naar den koers, dien het -gehouden had, te rekenen, was het waarschijnlijk bestemd naar Buenos -Ayros of Rio de la Plata, boven Brazilië, vandaar naar de Havanna, en -zoo misschien naar Spanje. Er waren zeker groote schatten in, maar daar -had ik niets aan, en ik wist niet waar de bemanning gebleven was.</p> - -<p>Behalve deze twee kisten vond ik een vaatje sterken drank van ongeveer -twintig flesschen, dat ik met veel moeite in mijne boot bragt. In eene -hut vond ik eene menigte geweren en een grooten kruidhoorn met ongeveer -vier pond kruid; daar ik de geweren niet noodig had, liet ik die liggen -en nam den kruidhoorn alleen mede. Ook nam ik mede een blaasbalg en een -tang, die ik beide hoog noodig had, als ook twee koperen keteltjes, een -chocoladepot en een rooster, en met dit alles, benevens den hond, -vertrok ik, daar het getij mij naar huis dreef, en denzelfden avond, -ongeveer een uur na zonsondergang bereikte ik het eiland weder, uiterst -vermoeid van dezen togt.</p> - -<p>Ik sliep dien nacht in de boot, en den volgenden morgen besloot ik -hetgeen ik medegebragt had, in mijn nieuw ontdekte grot, en niet naar -mijn kasteel te brengen. Na ontbeten te hebben, bragt ik al mijne lading -aan den wal en begon die na te zien. Het vaatje met sterken drank was -vol rum, zoo als wij in Brazilië hadden, dat wil zeggen, die niets -deugde. Maar bij het openen der kisten vond ik verscheidene zaken, die -mij ontbraken; in een vond ik bij voorbeeld een zeer fraaije -flesschenkelder, geheel met allerlei fijne likeuren, in flesschen met -zilveren stoppen, gevuld. Ik vond twee potten met confituren, zoo goed -digt gemaakt, dat het water er niet had kunnen bijkomen, en nog twee, -die bedorven waren, bovendien vond ik eenige zeer goede hemden, die mij -zeer aangenaam waren, en anderhalf dozijn witte en gekleurde zakdoeken, -die mij zeer goed te pas kwamen, om op een warmen dag mijn zweet af te -droogen. Bovendien vond ik onder in de kist drie groote zakken, te zamen -ongeveer elfhonderd stukken van achten bevattende, en zes gouden -dubloenen in een papier gewikkeld, en nog eenige kleine staven goud, die -ik denk, dat gezamenlijk een pond zouden wegen.</p> - -<p>In de andere kist waren eenige kleederen, doch van minder waarde; ik -denk, dat die aan den konstapelsmaat behoord had, schoon er geen kruid -in was dan een paar pond zeer fijn, dat in drie fleschjes was, en naar -ik denk, bestemd was om voor jagtgeweren te gebruiken. Over het geheel -had ik op deze reis weinig opgedaan wat mij van nut was; want het geld -was mij niet meer waard dan het slijk onder mijne voeten; en ik had -alles wel willen geven voor drie of vier paar Engelsche schoenen en -kousen, daar ik groot gebrek aan had en die ik in vele jaren niet aan -mijne voeten gedragen had. Ik had nu, wel is waar, twee paar schoenen, -die ik den twee verdronken mannen, die ik op het wrak vond, van de -beenen had genomen; maar zij waren noch zoo stevig, noch zoo gemakkelijk -als onze Engelsche schoenen, maar geleken meer naar dansschoenen. Ik -vond in deze matrozenkist ongeveer vijftig stukken van achten, maar geen -goud, ik begreep dus, dat de eerste kist aan een officier toebehoord -had.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_074.jpg" width="500" alt="pagina 202" title="" /> -<span class="caption">pagina 202</span> -</div> - -<p>Ik bragt het geld naar mijne grot en legde het neder, gelijk ik vroeger -gedaan had met dat, hetwelk ik uit ons eigen schip gehaald had; maar het -was zeer jammer, dat het andere einde van het schip niet voor mij -toegankelijk was geweest, want ik had mijne kanoe dan zeker -verscheidene malen vol met geld kunnen laden, en zoo ik ooit naar -Engeland had kunnen komen, had het daar veilig genoeg kunnen liggen, tot -ik terug kwam, om het te halen.</p> - -<p>Na alles aan wal gebragt en geborgen te hebben, ging ik naar mijne boot -terug en bragt die langs het strand naar hare oude haven; daarna keerde -ik naar mijne woning terug, waar ik alles in orde vond. Ik rustte thans -van mijne vermoeijenissen, leefde op mijne oude wijze, en zorgde voor -mijne huishouding. Eene poos leefde ik zeer rustig, behalve dat ik -waakzamer dan gewoonlijk was, meermalen naar zee zag en niet dikwijls -uitging, en zoo ik een togtje naar het eiland deed, was dit altijd naar -de oostzijde, waar ik vrij zeker was, dat de wilden nimmer kwamen, en -waar ik, zonder zoo vele voorzorgen en al die zwaarte van kruid en lood -en wapens, gaan kon, die ik altijd medesleepte, als ik den anderen kant -uitging.</p> - -<p>Ik bragt bijkans twee jaren in dien toestand door, maar mijn ongelukkig -hoofd, dat geschapen scheen om mij alle soort van ellende aan te -brengen, was al dien tijd opgevuld met ontwerpen, hoe ik, als het -mogelijk was, van dit eiland af zou raken; dan wilde ik eene tweede reis -naar het wrak doen, schoon mijn verstand mij zeide, dat er niets was, -wat de gevaren der reis zou beloonen; somtijds wilde ik dezen of dien -weg heen een togtje doen, en ik geloof waarlijk, dat zoo ik de boot had -bezeten, waarmede ik te Salé in zee stak, ik op goed geluk in zee zou -gegaan zijn. In alle mijne lotgevallen was ik een waarschuwend voorbeeld -voor hen, die met de gewone kwaal behebt zijn, waaruit ik geloof, dat de -helft der menschelijke ellenden voortvloeijen, namelijk dat men niet -tevreden is met den staat, waarin God en de natuur ons geplaatst hebben. -Want zonder nu terug te komen op mijne eerste bestemming, en de -uitstekende raadgevingen mijns vaders, welker tegenstreving ik mijne -oorspronkelijke zonde noemen mag, waren mijne volgende misslagen van -dien aard de oorzaken van mijn tegenwoordigen rampzaligen toestand. Want -zoo de Voorzienigheid, die mij in Brazilië zoo gelukkig als planter -gevestigd had, mij gematigde begeerten geschonken had, en hadde ik mij -tevreden gesteld met langzaam vooruit te gaan, dan kon ik in den tijd, -dien ik thans op het eiland had doorgebragt, een der aanzienlijkste -planters van Brazilië geweest zijn, ja, ik ben overtuigd, dat ik, naar -de wijze, waarop ik reeds vooruitgegaan was, ik thans ligtelijk -honderdduizend moidores rijk had kunnen zijn. Wat behoefde ik ook eene -winstgevende zaak, een goed ingerigte plantaadje te verlaten, om als -supercargo naar de kust van Guinea te gaan, om slaven te halen, terwijl -met der tijd en geduld onzen rijkdom zoo vermeerderd zou hebben, dat wij -gemakkelijk hen voor onze deur hadden kunnen koopen, van degenen, wier -taak het was hen te halen. Al had dit iets meer gekost, die hooger prijs -verdiende niet met zoo veel gevaar uitgewonnen te worden. Maar -gewoonlijk handelen jonge lieden zoo, terwijl zij eerst bij meerdere -jaren en duurgekochte ervaring de dwaasheid daarvan inzien. Zoo ging het -mij ook, maar toch had die verkeerde neiging zoo diep in mijn geest -wortel geschoten, dat ik in mijn tegenwoordigen toestand niet tevreden -was, maar aanhoudend peinsde over de mogelijkheid en de middelen, om van -deze plaats te ontkomen. En ten einde de lezer mijn verder verhaal te -aangenamer zij, zal het niet ongepast zijn eenig verslag van mijne -eerste ontwerpen aangaande mijne ontkoming te geven, en op welken grond -ik handelde.</p> - -<p>Men verbeelde zich thans, dat ik na mijne laatste reis naar het wrak, in -het kasteel teruggekeerd ben, mijn schip is geborgen en onder water -gelegd, als gewoonlijk, en mijn toestand dezelfde als vroeger. Ik had nu -zeker meer geld dan te voren, maar was er niet rijker om, want ik kon -het evenmin gebruiken als de Indianen te Peru hun goud, voor de -Spanjaarden daar kwamen.</p> - -<p>In een der nachten, in het regensaizoen, in Maart, het vierentwintigste -jaar van mijn verblijf in dit eenzaam eiland, lag ik in mijn bed of -hangmat, wakker, zeer gezond, ik had geenerlei pijn of ongemak, en ook -geene meerdere gemoedskwelling dan anders, maar kon toch niet slapen, -zelfs geen oogenblik insluimeren. Het is even onmogelijk als noodeloos -de menigte van gedachten te vermelden, die gedurende dien geheelen nacht -bij mij opkwamen. Mijn geheele leven kwam mij als in een kort bestek, -achtervolgens voor den geest, tot aan mijne komst op het eiland, en even -zoo dat gedeelte mijns levens, dat ik op hetzelve doorgebragt had. -Terwijl ik mijnen toestand alhier sedert ik aan wal gekomen was, lag te -overpeinzen, vergeleek ik den gelukkigen gang der zaken in het eerste -jaar van mijn verblijf alhier, met dien voortdurenden angst, vrees en -zorg, waarin ik steeds geleefd had, sedert ik een afdruk van een voet op -het zand gezien had. Ik geloofde wel niet, dat de wilden het eiland al -dien tijd aanhoudend bezocht hadden, en er honderden malen aan wal -geweest waren; maar daar ik er toen niets van wist en dus volstrekt -geene vrees voor voeden kon, was ik volkomen gerust, schoon het gevaar -even eens was; en bij mijne onbekendheid met hetzelve was ik even -welgemoed alsof ik er in het geheel niet aan blootgesteld was. Dit bragt -mij op verscheidene nuttige opmerkingen, en bijzonder op deze, hoe -oneindig goed de Voorzienigheid is, die den mensch zoo kortzigtig heeft -gemaakt, waardoor hij, ofschoon te midden van vele duizenden gevaren, -welke, zoo hij ze bespeurde, hem geheel verbijsteren zouden, volkomen -kalm en gerust blijft, omdat hij de gevaren, die hem omringen, ziet noch -kent.</p> - -<p>Nadat deze gedachten mij eenigen tijd hadden bezig gehouden, dacht ik -ernstig na over het wezenlijk gevaar, dat ik op dit eiland zoo vele -jaren geloopen had, en hoe ik altijd met de grootste gerustheid -rondgezworven had, terwijl misschien niets dan de top eens heuvels, de -stam eens booms of het invallen van de duisternis tusschen mij en den -ergsten dood geweest was, dien namelijk, van in de handen van -menschenetende wilden te vallen, die mij zouden beschouwd hebben met -hetzelfde oog, waarmede ik een geitje of schildpad aanzag, en even -weinig zwarigheid er in zouden gevonden hebben, mij te slagten en op te -eten, als ik een duif of een wulp. Ik zou de waarheid te kort doen als -ik niet zeide, dat ik opregt dankbaar was aan mijn Behoeder, aan wiens -bijzondere bescherming ik nederig erkende al mijne redding uit deze -onbekende gevaren verschuldigd te zijn, en zonder welke ik -onvermijdelijk in hunne wreedaardige handen zou gevallen zijn.</p> - -<p>Toen deze gedachten voorbij waren, hield ik mij eenigen tijd bezig met -het overwegen van den aard van deze rampzaligen, ik meen de wilden, en -hoe het kwam, dat de alwijze Bestierder der wereld aan eenige zijner -schepselen zulke barbaarschheid toeliet, ja, dat beneden het -beestachtige was, van namelijk zijns gelijken te verslinden. Doch dit -bleef bij eenige vruchtelooze bespiegelingen, maar bragt mij op het -nagaan in welk deel der wereld deze rampzaligen leefden, hoe ver de kust -was vanwaar zij kwamen, waarom zij zich zoo ver van huis begaven, en -waarom ik het niet zoo ver kon brengen, dat ik in staat was naar hen toe -te gaan, zoo goed als zij tot mij over kwamen.</p> - -<p>Ik bekommerde er mij op dat oogenblik niet om, wat ik doen zou om daar -te komen; wat er van mij worden zou als ik den wilden in handen viel, of -hoe ik, zoo zij mij vervolgden, hun zou kunnen ontsnappen; zelfs niet -hoe het mogelijk zou zijn de kust te bereiken, zonder dat eenigen hunner -mij aanvallen zouden, zonder dat ik hoop had van te ontkomen, en als ik -niet in hunne handen viel, wat ik doen zou om leeftogt te bekomen of -welken koers ik nemen zou; geen dezer gedachten kwam zelfs bij mij op; -maar mijn geest hield zich alleen bezig met het denkbeeld van in mijne -boot naar het vaste land over te steken. Ik beschouwde thans mijn -toestand, als de ongelukkigste, die er zijn kon; en dat niets erger kon -worden voor mij, dan alleen de dood; dat zoo ik de kust van het vaste -land bereikte, ik misschien redding kon vinden, of langs het strand -gaan, gelijk ik in Afrika gedaan had, toen ik aan een bewoond land kwam. -Misschien kon ik ook een Europeesch schip ontmoeten, dat mij opnam, en -zoo al het ergste gebeurde, kon ik slechts den dood vinden, die in eens -aan al mijne ellenden een einde zou maken. Men bedenke, dat dit alles de -vrucht was van een overspannen en ongeduldig gemoed, dat als het ware -wanhopig was geworden door het langdurige mijner zorgen, en de -teleurstelling, die mij op het wrak, waarop ik geweest was, wedervaren -was, waar ik zoo nabij de vervulling van mijne vurigste wenschen geweest -was, namelijk iemand tot wien ik spreken en van wien ik eenige kennis -nopens de plaats waar ik mij bevond, verkrijgen kon. Ik was geheel -ontroerd door deze bedenkingen. Al mijne gemoedsrust, mijne onderwerping -aan de Voorzienigheid en mijne berusting in des Hemels raadsbesluiten, -schenen verdwenen, en ik kon mijne gedachten nergens anders op vestigen -dan op het ontwerp eener reis naar het vasteland, dat mij met zoo veel -kracht en zoo geweldig overviel, dat ik dit niet weerstaan kon.</p> - -<p>Nadat mij dit twee uren of langer het hoofd zoo op hol had gebragt, dat -mijn bloed kookte en mijn pols klopte alsof ik de koorts had, alleen -door de drift mijner denkbeelden, deed de natuur, daar ik door het -woelen dezer gedachten zeer uitgeput was, mij in een diepen slaap -vallen. Men zou denken, dat ik er van had moeten droomen, maar dat was -het geval niet, ook niet van iets wat daarop betrekking had; maar ik -droomde, dat ik in den morgen, gelijk gewoonlijk, buiten mijn kasteel -ging, en op het strand twee kanoes zag, waaruit elf wilden stapten, en -dat zij een anderen wilde medebragten, dien zij wilden dooden om hem op -te eten, maar juist toen zij hem wilden slagten, rukte de wilde zich -plotseling los, en nam de vlugt. Daarop verbeeldde ik mij, dat hij door -het digte bosch voor mijne vesting zwierf om zich daarin te verbergen; -en dat ik, ziende dat hij alleen was, en niet bemerkende, dat de anderen -hem dien kant uit zochten, mij aan hem vertoonde, met bemoedigende -gebaren; dat hij voor mij knielde, en mij om bijstand scheen te smeeken, -waarop ik hem mijne ladder wees, hem die deed opstijgen, en hem in mijn -kelder bragt, waar hij mijn knecht werd, en zoodra ik dien man verkregen -had, zeide ik tot mijzelven: "Nu kan ik mij gerust naar het vaste land -wagen; want deze man kan mij tot loods strekken, en zal mij zeggen wat -ik doen moet en waar ik lijftogt kan bekomen, en waar ik niet gaan moet -om niet verslonden te worden; in welke plaatsen ik mij wagen kan en -welke ik ontwijken moet!" Met deze gedachten ontwaakte ik, en was zoo -onbeschrijfelijk verheugd over het vooruitzigt mijner ontkoming in den -droom, dat de teleurstelling, die ik gevoelde, toen ik tot mijzelven -komende, bevond, dat het slechts een droom was, even buitensporig was, -en mij geheel neêrslagtig maakte.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_075.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik besloot echter bij deze gelegenheid, dat de eenigste weg, dien ik had -om eene ontkoming te beproeven, daarin bestond om zoo mogelijk een wilde -in mijne magt te erlangen, en als het kon een hunner gevangenen, dien -zij veroordeeld hadden om gegeten te worden, en hierheen bragten om te -slagten. Maar hier deed zich nog de zwarigheid op, dat dit onmogelijk -was zonder een geheelen troep van hen aan te vallen en hen allen te -dooden; en dit was niet alleen een zeer roekelooze aanslag, die ligt kon -mislukken, maar ik twijfelde aan den anderen kant of hij wel geoorloofd -was, en mijn hart beefde bij de gedachte van zooveel bloed te vergieten, -al was het ook ter mijner bevrijding. Ik behoef de redenen hier niet te -herhalen, die zich bij mij hier tegen stelden, daar het dezelfde waren -als vroeger, maar schoon ik nu andere redenen had, namelijk, dat het -vijanden van mij waren, en zij mij zouden slagten als zij konden; dat -het niet dan zelfbehoud was om mij uit een toestand te redden, die erger -dan de dood was, en dat ik even goed tot mijne zelfverdediging handelde, -als wanneer ik werkelijk door hen aangevallen werd, en zoo voorts; toch -kon ik mij met het denkbeeld van zoo veel menschenbloed te vergieten, -niet vereenigen.</p> - -<p>Eindelijk echter, na lang met mij zelven getwist en op twee gedachten -gehinkt te hebben, behield het verlangen naar mijne bevrijding de -overhand, en ik besloot, mij van een dier wilden meester te maken, het -kostte wat het wilde. Nu was de vraag hoe ik dit aanleggen zou, en deze -was niet gemakkelijk te beantwoorden; maar daar ik er geene -waarschijnlijke middelen toe kon uitdenken, besloot ik de wacht te -houden, om te zien als zij aan wal kwamen, en het overige aan het lot -over te laten, en zulke maatregelen te nemen als de omstandigheden -zouden vereischen.</p> - -<p>Met dit voornemen ging ik zoo dikwijls mogelijk op bespieding uit, tot -dat het mij ten laatste hartelijk begon te vervelen; want het duurde -meer dan anderhalf jaar, dat ik schier elken dag vruchteloos naar den -westelijken en zuidwestelijken hoek van het eiland ging, om naar de -kanoes uit te zien, doch er kwamen geene te voorschijn. Dit was zeer -ontmoedigend, en daar ik niet kan zeggen, gelijk anders het geval was, -dat met der tijd mijn verlangen verdween, werd ik er te gretiger naar -hoe langer het duurde. Ik verlangde nu evenzeer naar de wilden als ik -vroeger ze verlangde te vermijden. Ik vleide mij zelfs een, ja twee of -drie wilden te verkrijgen, en die geheel tot mijne slaven te maken, om -te doen wat ik hun zou gelasten, terwijl ik te gelijk belette, dat zij -mij eenig leed deden. Lang verheugde ik mij met dit denkbeeld, maar er -scheen niets van te zullen komen, al mijne verwachtingen waren -vruchteloos, want gedurende een langen tijd kwamen er geene wilden -opdagen.</p> - -<p>Ongeveer anderhalf jaar na dat ik mij deze denkbeelden het eerst in het -hoofd had gehaald, en toen ik reeds dacht, dat er nimmer iets van komen -zou, werd ik op een morgen verrast door het zien van niet minder dan -vijf kanoes, die allen aan mijne zijde van het eiland op het strand -zaten, terwijl al de daarbij behoorende lieden aan land en buiten mijn -gezigt waren. Hun aantal verijdelde al mijne voornemens, ik wist, dat er -altijd vijf of zes en soms meer in eene kanoe kwamen, en wist dus niet -hoe ik alleen twintig of dertig menschen zou aantasten, dus bleef ik -misnoegd en teleurgesteld in mijn kasteel. Ik maakte echter alles tot -een aanval gereed als de gelegenheid zich mogt voordoen. Na eene lange -poos gewacht te hebben of ik ook eenig gerucht hoorde, werd ik -ongeduldig, en klom met mijne ladder tot boven op den heuvel, en bleef -daar zoo staan, dat men mijn hoofd niet boven den heuvel kon uitzien, en -zij mij volstrekt niet konden gewaar worden. Hier bespeurde ik met -behulp van mijn kijker, dat zij niet minder dan vijfendertig in getal -waren, dat zij een vuur aangemaakt en vleesch toebereid hadden; hoe zij -het braadden of wat het was, wist ik niet; maar zij dansten allen met -allerlei zonderlinge en barbaarsche gebaren rondom het vuur.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crusoe_076.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Terwijl ik hen aldus gadesloeg, zag ik, dat men twee ongelukkigen uit de -kanoes haalde, waarin zij, naar het schijnt, gelegen hadden, en thans -ter slagtbank leidde. Een hunner viel oogenblikkelijk neder, naar ik -denk, nedergeveld door een knods of houten zwaard, gelijk zij gebruiken, -en twee of drie hunner begonnen hem aan stukken te houwen. Het andere -slagtoffer bleef staan, in afwachting, dat het zijne beurt werd. Op dit -oogenblik, terwijl deze ongelukkige zich eenigermate in vrijheid zag, -ontwaakte bij hem de zucht tot zelfbehoud; hij nam de vlugt, en liep met -onbegrijpelijke snelheid langs het strand, regt op mij aan, dat is te -zeggen, naar dat gedeelte van de kust, waar mijne woning stond. Ik moet -bekennen, dat ik vreesselijk schrikte, toen hij mijn kant uit kwam, en -vooral toen ik verwachtte, dat allen hem zouden volgen. Nu verwachtte -ik, dat mijn droom zou uitkomen en hij in mijne schans eene schuilplaats -zou zoeken, maar ik kon er niet op rekenen, dat, even als in mijn droom, -de andere wilden hem niet zouden vervolgen en daar vinden. Ik bleef -echter staan en begon weder moed te scheppen, toen ik bemerkte, dat -slechts drie man hem volgden, en vooral toen ik zag, dat hij veel harder -liep dan zij en grond op hen won, zoodat ik begreep, dat, als hij het -nog een half uur kon uithouden, hij buiten hun bereik zou zijn.</p> - -<p>Tusschen hen en mijn kasteel lag de kreek, waarvan ik vroeger gesproken -heb, en in welke ik mijne ladingen uit het schip aan land bragt, en ik -wist, dat hij deze overzwemmen moest, anders zou hij gegrepen worden. -Toen de wilde echter deze kreek bereikte, sprong hij er dadelijk in, -hoewel het hoog water was, en zwom naar de overzijde, waar hij met -verbazende snelheid weder aan het loopen ging. Toen de anderen aan de -kreek kwamen, sprongen twee van zijne vervolgers er in, maar de derde, -die naar het scheen, niet zwemmen kon, bleef eerst aan den oever hen -staan nazien, en keerde toen langzaam terug, hetwelk voor hem zeer -gelukkig was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 700px;"> -<img src="images/crusoe_077.jpg" width="700" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik bemerkte, dat de twee vervolgers meer dan tweemaal zoolang werk -hadden met door de kreek te zwemmen als de vlugteling. Op dit oogenblik -begreep ik, dat thans het tijdstip gekomen was, om mij een knecht te -verschaffen, misschien wel een makker en medehelper, en dat de -Voorzienigheid mij riep om dezen ongelukkige het leven te redden. -Oogenblikkelijk steeg ik de ladders af, en greep mijne beide geweren, -die aan den voet derzelve lagen, en even haastig den heuvel weder -opklimmende, begaf ik mij naar het strand, en stelde mij aldus tusschen -de vervolgers en den vervolgde, welken laatste ik met eene luide stem -toeriep. Deze omziende, was misschien eerst voor mij even bevreesd als -voor hen, maar ik wenkte hem met de hand, dat hij zou terugkeeren, en -trad middelerwijl langzaam de beide vervolgers te gemoet; den voorste -velde ik met een slag met den kolf van mijn geweer neder. Ik wilde -liefst niet vuren, opdat de anderen het niet zouden hooren; schoon dat -op dien afstand niet gemakkelijk zou geweest zijn, en daar zij buiten -het gezigt van den rook waren, toch niet zouden geweten hebben wat er -van te maken. Toen ik dezen nedergeveld had, bleef de ander als -verschrikt staan, en ik trad naar hem toe, maar naderbij gekomen -bespeurde ik, dat hij een boog en pijlen had, en op mij wilde aanleggen. -Ik was dus genoodzaakt hem voor te komen, en schoot hem met het eerste -schot dood. De arme wilde die gevlugt was, doch naderhand blijven staan, -was, schoon hij zijne vervolgers zag vallen, door den slag en het vuur -van mijn geweer zoo verschrikt, dat hij als versteend staan bleef, en -meer geneigd scheen mij te ontvlugten dan te naderen. Ik riep hem weder -toe, en wenkte hem naderbij te komen, hetgeen hij gemakkelijk begreep, -hij deed eenige stappen voorwaarts en bleef toen weder staan; nog eenige -stappen en toen stond hij weder stil, en ik zag dat hij beefde, en -begreep, dat hij thans dacht door mij gevangen genomen en geslagt te -zullen worden. Ik wenkte hem toe, en gaf hem alle mogelijke blijken van -genegenheid. Eindelijk kwam hij, van tijd tot tijd nederknielende, -naderbij, knielde voor mij, kuste den grond, en zette mijn voet op zijn -hoofd. Met dit laatste scheen hij te zweren, dat hij voor altijd mijn -slaaf was. Ik beurde hem op, en trachtte hem zoo veel mogelijk gerust -te stellen. Maar ik had nog meer te verrigten, want de wilde dien ik -nedergeveld had was niet dood, maar alleen bedwelmd door den slag, en -begon bij te komen. De wilde, wien ik naar hem wees, zeide mij eenige -woorden, die ik niet verstond, maar die mij de aangenaamste geluiden -toeschenen, die ik in vijfentwintig jaren gehoord had; want het was de -eerste menschelijke stem, buiten de mijne, die ik in al dien tijd -gehoord had. Ik had echter thans geen tijd daar aan te denken. De wilde, -die bijkwam, zat thans op den grond, en toen ik mijn geweer op hem -aanlegde, verzocht mijn wilde (zoo zal ik hem nu noemen) door teekens -mij om mijne sabel, die aan mijne zijde hing. Ik gaf hem die, en -naauwelijks had hij ze in handen of hij vloog naar zijn vijand en sloeg -hem met één slag het hoofd af. Dit verwonderde mij van iemand, die zeker -nooit geen andere sabel gezien had dan de houten zwaarden, die deze -volken gebruiken. Het schijnt echter, gelijk ik naderhand vernam, dat -zij hunne houten sabels zoo scherp en zoo zwaar maken, en dat het hout -zoo hard is, dat zij er met een slag een arm of been mede kunnen -afhouwen. Dit gedaan zijnde kwam hij lagchende, en als in zegepraal naar -mij toe, en bragt mij mijne sabel terug, en legde die met eene menigte -gebaren, die ik niet begreep, met het hoofd van den wilde voor mijne -voeten.</p> - -<p>Wat hem echter het meest verbaasde, was dat ik den anderen op zulk een -verren afstand gedood had. Hij wees op hem en scheen mij te vragen of -hij er heen mogt gaan. Ik gaf hem mijne toestemming zoo goed ik kon, te -kennen. Toen hij bij hem kwam stond hij een oogenblik als versteend van -verbazing, keerde hem op de eene en de andere zijde, bezag zijne wond -waaruit weinig bloed gekomen was, omdat de kogel in de borst zat en de -wond inwendig gebloed had. Daarop kwam hij met zijn boog en pijlen -terug, en ik keerde mij om, om heen te gaan, en wenkte hem door teekens -mij te volgen. Hij gaf mij echter te kennen, dat hij de lijken eerst in -het zand wilde begraven, opdat de anderen ze niet zouden vinden, hetgeen -ik toestond. In een oogenblik had hij met zijne handen een gat gegraven, -groot genoeg om den eerste te bevatten, dien hij er ook dadelijk -insleepte en overdekte, gelijk daarop ook den tweede; ik geloof dat hij -er geen vierde uurs aan besteedde. Daarop nam ik hem mede, maar bragt -hem niet in mijn kasteel, maar in mijne grot aan het andere einde van -het eiland; zoodat mijn droom, dat hij in mijn kasteel een schuilplaats -zocht, in dat opzigt niet vervuld werd. Ik gaf hem hier brood, een tros -rozijnen en wat water, welk laatste hij na zijn loopen hoog noodig had; -en nadat hij gegeten had, wenkte ik hem te gaan liggen slapen, op een -plaats waar een hoop stroo en een deken lag, en ik somtijds zelf sliep; -het arme schepsel ging liggen en sliep dadelijk.</p> - -<p>Het was een kloeke, welgemaakte knaap, rijzig en gespierd, slank en -welgevormd, en naar ik denk ongeveer zesentwintig jaren oud; zijne -trekken waren in het geheel niet woest, maar toch mannelijk; hij bezat -echter al het aanvallige van een Europeesch gelaat, vooral als hij -glimlachte, zijn haar was lang en zwart, maar niet gekroesd, zijn -voorhoofd bijzonder breed en hoog en zijne oogen uiterst kloek en -levendig. Zijne kleur was niet volkomen zwart, maar donker bruin, -evenwel niet zoo vuil bruin als men bij de inboorlingen van Brazilië, -Virginië en andere Amerikaansche inboorlingen vindt; maar meer -olijfkleurig en moeijelijk te beschrijven. Zijn gelaat was rond, zijn -neus klein en niet zoo plat als bij de negers, zijn mond was niet te -groot, zijne lippen dun, en zijne tanden fraai en zoo wit als ivoor. Na -een half uurtje sluimerens werd hij wakker en kwam uit de grot naar mij -toe. Ik had juist de geiten gemolken, die ik daar hield, hij vloog naar -mij toe, en viel ter aarde, met alle mogelijke teekens van dankbaarheid. -Eindelijk legde hij zijn hoofd vlak voor mijne voeten op den grond, en -plaatste, even als den vorigen keer, mijn voet op zijn hoofd, en maakte -daarna alle mogelijke teekens van onderwerping en dienstbaarheid, om mij -te kennen te geven, dat hij mij dienen wilde zoo lang hij leefde. Ik -begreep grootendeels wat hij mij zeggen wilde, en gaf hem wederkeerig te -kennen, dat ik over hem voldaan was. Weldra beproefde ik hem te leeren -spreken en mij van hem te doen verstaan. Ik gaf hem vooreerst te kennen, -dat hij <i>Vrijdag</i> zou heeten, omdat ik hem op Vrijdag het leven gered -had. Ik leerde hem daarop <i>meester</i> zeggen, en wees hem dat ik dit was, -en leerde hem <i>ja</i> en <i>neen</i> zeggen, en wat dit beduidde. Ik gaf hem -melk in een aarden schotel, nadat ik er mijn brood in gedoopt had, en -gaf hem een stuk brood om mij dit na te doen, hetgeen hij spoedig -begreep en mij door teekens beduidde, dat hij dit zeer smakelijk vond. -Ik hield hem den geheelen nacht bij mij, en zoodra het dag werd gelastte -ik hem mij te volgen, en deed hem begrijpen, dat ik hem eenige kleederen -zou geven, want hij was geheel naakt. Toen wij de plaats langs gingen, -waar de twee wilden begraven waren, wees hij mij de plek, en de teekens, -waaraan hij ze kon herkennen, en gaf mij te kennen, dat hij ze wilde -uitgraven en opeten. Hierover hield ik mij zeer boos, en gaf hem mijn -afkeer er van te kennen, door mij te houden, als of ik er van braken -moest, en wenkte hem met de hand, dadelijk verder te gaan, hetgeen hij -zeer gewillig deed. Ik klom daarop met hem den heuvel op, om te zien of -zijne vijanden vertrokken waren, en mijn kijker uithalende, zag ik -duidelijk de plaats, waar zij geweest waren, maar van hen, noch hunne -kanoes niet het minste spoor. Het was dus blijkbaar, dat zij vertrokken -waren, en twee hunner makkers achtergelaten hadden, zonder naar hen te -zoeken.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 465px;"> -<img src="images/crusoe_078.jpg" width="465" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Doch ik was hiermede niet tevreden, mijn moed en mijne nieuwsgierigheid -groeiden thans te gelijk aan; dus nam ik mijn slaaf Vrijdag mede, gaf -hem eene sabel in de hand, terwijl hij een boog en pijlen, in welker -behandeling ik bevond, dat hij zeer bedreven was, op den rug, en in -zijne hand een mijner geweren droeg, terwijl ik zelfde beide anderen -nam, en zoo trokken wij naar de plaats, waar de wilden geweest waren, -want ik wilde thans iets meer van hen weten.</p> - -<p>Toen wij daar kwamen, verstijfde mij het bloed in de aderen, en mijn -hart kromp ineen bij het akelig schouwspel, dat zich opdeed. Het was -waarlijk een vreesselijk schouwspel, althans voor mij, want Vrijdag trok -het zich volstrekt niet aan. De plek was bezaaid met menschenbeenderen, -de grond met bloed bedekt, hier en daar lagen groote, half gebraden -stukken vleesch; kortom al de blijken van een zegefeest na eene -overwinning. Vrijdag gaf mij te kennen, dat zij vier gevangenen hadden -medegebragt; drie waren geslagt en de vierde was hij; dat er een groot -gevecht plaats gehad had tusschen hen en een naburigen koning, tot wiens -onderdanen hij scheen te behooren, en dat zij een groot aantal -gevangenen hadden gemaakt, die ieder naar verschillende plaatsen waren -gevoerd, door degenen, die ze gevangen hadden genomen, om hen te -slagten, gelijk de wilden, die hier gekomen waren, de hunne hadden -gedaan.</p> - -<p>Ik deed Vrijdag al de overblijfselen van hun gruwelijk feestmaal -bijeenzamelen, op een hoop leggen, er een groot vuur rondom maken, en -liet alles tot asch verbranden. Ik bemerkte, dat Vrijdag grooten trek -naar het vleesch had, en van aard nog een menscheneter was, maar ik liet -bij den minsten schijn daarvan zoo veel afschuw blijken, dat hij het -niet durfde te kennen geven, want ik had hem beduid, dat als hij het -durfde doen, ik hem zou doodslaan.</p> - -<p>Nadat dit gedaan was keerden wij naar ons kasteel terug, en ik ging voor -hem aan het werk. Eerst gaf ik hem uit de konstapelskist een linnen -broek, die hem vrij wel paste. Daarna maakte ik hem eene buis van -geitenvellen, zoo goed ik kon, en ik was nu een dragelijke snijder -geworden, en gaf hem eene muts van een hazenvel, die hem zeer deftig -stond, zoo dat hij voor 's hands vrij goed gekleed was, en niet weinig -in zijn schik, dat hij schier zoo deftig uitgedost was als zijn meester. -Wel was hij in het eerst zeer linksch in al zijne bewegingen, zijn broek -belemmerde hem geweldig, en de mouwen van zijne buis knelden hem, maar -nadat ik ze hier en daar wat wijder gemaakt had, en hij er aan gewoon -raakte, kon hij er zeer goed mede te regt komen.</p> - -<p>Den volgenden dag nadat ik met hem te huis was gekomen, begon ik te -bedenken, waar ik hem zou bergen, zonder dat hij mij tot last was. Ik -maakte daarom een kleine tent voor hem, op de ledige plaats tusschen -mijne beide schansen. Daar er hier een ingang in mijnen kelder was, -maakte ik eene hechte deur van planken in den gang digt bij de opening, -die van binnen open ging. Des nachts sloot ik die met een boom, en nam -ook mijne ladders in, zoo dat Vrijdag niet binnen mijn binnensten muur -kon komen, zonder bij het overklimmen zoo veel gerucht te maken, dat ik -daarvan wakker moest worden, want mijn binnenste wal was nu geheel met -een dak voorzien van lange staken, die mijn geheele tent overdekten, en -tegen den kant van den heuvel steunden, die weder dwars met kleine -stokken en vervolgens met stroo van rijst bedekt waren, welk laatste zoo -sterk als riet was. Aan de opening, met welke ik door de ladder in of -uitging, had ik eene soort van valdeur gemaakt, die niet naar buiten -openging, maar als men dit beproefd had, met groot gedruisch naar binnen -moest openvallen. Mijne wapens had ik des nachts ook altijd naast mij -liggen. Al deze voorzorgen waren echter overbodig, niemand had ooit een -dienaar, die trouwer, opregter en meer aan hem gehecht was dan Vrijdag -aan mij; hij was zonder arglist, en beminde mij als een kind zijn vader, -en ik durf zeggen, dat hij altijd zijn leven voor het mijne zou gegeven -hebben. De veelvuldige blijken, die hij hiervan gaf, stelden dit buiten -twijfel, en overtuigden mij spoedig, dat ik geene voorzorgen jegens hem -behoefde te gebruiken.</p> - -<p>Dit deed mij dikwijls overdenken, dat hoezeer het God in zijne wijsheid -behaagd heeft, een groot deel zijner schepselen op deze aarde te -versteken van de beste oefeningen, waartoe hunne geestvermogens vatbaar -zijn, Hij hun toch dezelfde vermogens geschonken heeft, dezelfde rede, -dezelfde neigingen; hetzelfde gevoel van dankbaarheid en verpligting, -dezelfde hartstogten en gevoel van verongelijkingen, hetzelfde besef van -opregtheid en trouw, en alles wat hun in staat stelt goed te doen, en -weldaden te ontvangen, zoo wel als ons. Als de gelegenheid zich er toe -aanbiedt, zijn zij even bereid, ja bereidvaardiger dan wij, om deze ten -beste aan te wenden. Dit maakte mij somtijds zeer neêrslagtig, als ik -overwoog, hoe dikwijls wij bij voorkomende gelegenheden, van deze allen -zulk een slecht gebruik maken, zelfs schoon onze vermogens verlicht zijn -door onderrigt en de kennis van Gods woord; en waarom het God behaagd -heeft deze zaligmakende kennis te onthouden aan zoo vele millioenen, -die, naar dezen armen wilde te oordeelen, er een beter gebruik dan wij -van zouden maken. Hierdoor waagde ik mij somwijlen te ver in het -beoordeelen van het oppermagtig wereldbestuur, en tot eene beoordeeling, -als het ware van het regtvaardige eener zoodanige beschikking, die -sommigen het licht onthouden, en het aan anderen geschonken had, en toch -van allen gelijke pligten vorderde. Maar ik bedwong ten laatste mijne -overwegingen door de bedenking, dat ik niet wist naar welken maatstaf -zijlieden geoordeeld zouden worden; maar dat, daar God noodwendig en -door de natuur van zijn wezen, oneindig heilig en regtvaardig was, zoo -deze schepselen veroordeeld zouden worden, dat zij zich van hem -verwijderd hadden, dit uit hoofde van hunne zonden tegen dat licht, dat -hun wet was, en de regels, die hun geweten hun voorschreef, zou zijn; en -ik eindigde met de bedenking, dat daar wij allen als leem in de handen -des pottebakkers zijn, geen schepsel tegen zijnen Formeerder zeggen kon: -waarom hebt gij mij aldus gevormd?</p> - -<p>Maar om tot mijn nieuwen knecht terug te keeren; ik was zeer met dezen -in mijn schik, en trachtte hem alles te leeren wat hem nuttig, handig en -behulpzaam kon maken; maar vooral hem te leeren met mij te spreken en -mij te verstaan. Hij was de beste scholier, zoo vrolijk, vlijtig, en -blijde als hij mij begrijpen kon of zich aan mij doen verstaan, dat het -mij een genot was met hem om te gaan. Nu was mijne levenswijze zoo -aangenaam, dat, ware ik slechts van de vrees voor de wilden ontslagen -geweest, ik gaarne mijn verder leven hier had willen slijten.</p> - -<p>Nadat ik twee of drie dagen op mijn kasteel was geweest, begreep ik, dat -het goed was, ten einde Vrijdag van zijn afschuwelijk eten van -menschenvleesch af te brengen, hem eenig ander vleesch te laten proeven. -Ik nam hem derhalve op een ochtend mede naar het bosch, met oogmerk een -geitje uit mijne kudde naar huis te brengen en te slagten, maar onder -weg zag ik eene geit met twee jongen in de schaduw liggen. Ik greep -Vrijdag bij den arm. "Sta stil," zeide ik, en wees hem, dat hij zou -blijven staan. Daarop legde ik mijn geweer aan, en schoot een der -geitjes. De arme knaap, die mij een zijner vijanden op een afstand had -zien dooden, zonder te weten of te begrijpen hoe, was zoo verschrikt en -verbaasd, dat hij van angst trilde en ik dacht dat hij neergevallen zou -zijn. Hij zag het geitje niet, dat ik gedood had, en had ook niet -bemerkt dat ik er op aangelegd had, maar hij rukte zijn buis open, om te -zien of hij ook gewond was, en begreep, dat ik voornemens was hem te -dooden, want hij viel voor mij neder, omhelsde mijne knieën, en zeide -mij veel dat ik niet verstaan kon, maar gemakkelijk begrijpen, dat hij -mij smeekte hem niet te dooden.</p> - -<p>Spoedig vond ik middel hem te overtuigen, dat ik hem geen kwaad wilde -doen, ik beurde hem lagchend op, wees op de geit die ik geschoten had, -en gelastte hem die te gaan halen, gelijk hij deed. Terwijl hij zich -over haren dood verwonderde, laadde ik mijn geweer weder, en zag -toevallig een vogel van grootte als een havik, binnen schot op een boom -zitten. Om nu Vrijdag eenigzins te doen begrijpen wat ik doen wilde, -wees ik hem den vogel, dat een papegaai was, schoon ik dien eerst voor -een havik hield, en op mijn geweer en op den grond onder den boom, om -hem te doen begrijpen, dat ik dien vogel uit den boom zou schieten. -Daarop schoot ik en de vogel viel. In weêrwil van hetgeen ik gezegd had -was hij echter weder hevig verschrikt, en vooral omdat hij mij niets in -het geweer had zien doen. Hij begreep, dat dit een tooverwerktuig moest -zijn, dat alles, mensch en beest, van verre en nabij dooden kon. Deze -indruk bleef hem lang bij, en als ik het toegelaten had, zou hij, geloof -ik, mij en mijn geweer aangebeden hebben. Verscheidene dagen daarna -durfde hij het geweer nog niet aanraken, maar sprak er dikwijls tegen, -als hij alleen was, en smeekte het, gelijk ik naderhand van hem vernam, -hem niet te dooden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crusoe_079.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Zoodra hij van zijne eerste verbazing wat bekomen was, gelastte ik hem -den vogel te gaan halen, hetgeen hij deed, maar eenigen tijd wegbleef, -want ik had hem slechts aangeschoten, en hij was een eind weegs -weggefladderd. Terwijl hij hem opzocht, maakte ik van deze gelegenheid -gebruik om mijn geweer weder te laden, daar hij van hetzelve nog niets -begreep, zonder dat hij het zag, opdat ik, als hij terug kwam, gereed -mogt zijn als zich eenig ander wild opdeed, hetgeen echter thans het -geval niet was. Ik bragt het geitje naar huis, haalde het nog denzelfden -avond af, en hakte het zoo goed ik kon in stukken. Vervolgens kookte ik -er een stuk van tot soep, en na er wat van gegeten te hebben, gaf ik er -Vrijdag ook wat van, dien het zeer goed scheen te smaken, doch wat hem -het meest verwonderde, was dat hij er mij zout bij zag eten. Hij gaf mij -door teekens te kennen, dat zout niet goed om te eten was; hij stak een -weinig in den mond, en hield zich alsof hij er van walgde en zou gaan -braken, waarna hij met water zijn mond uitwiesch; daarentegen nam ik een -stuk vleesch zonder zout, en hield mij alsof ik van het gebrek aan zout -walgde, maar het baatte niets, nimmer wilde hij zout bij zijne spijs -voegen.</p> - -<p>Na hem den eersten dag soep gegeven te hebben, besloot ik hem den -tweeden dag op gebraad te onthalen, door een stuk geitenvleesch aan het -spit te steken. Ik deed dit, gelijk ik in Engeland dikwijls gezien had, -door het vleesch in een stuk aan een staak te hangen, die op twee andere -staken steunde, en deze te draaijen. Vrijdag stond dit verbaasd aan te -zien, maar toen hij het vleesch proefde, gaf hij mij op allerlei wijzen -te verstaan hoe goed het hem smaakte, en eindelijk gaf hij te kennen, -dat hij nimmer meer menschenvleesch wilde eten, hetwelk mij zeer -aangenaam was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_080.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Den volgenden dag zette ik hem aan het werk om eenig koorn te dorschen, -gelijk ik dat gewoon was, en spoedig kon hij dit zoo goed doen als ik, -vooral nadat hij gezien had waarvoor dit geschiedde, want ik liet hem -zien hoe ik mijn brood bereidde en bakte, en kort daarna kon Vrijdag dit -alles voor mij doen zoo goed als ik zelf. Ik begon nu te begrijpen, dat -ik voor twee man eten moest hebben in plaats van voor een, en dus meer -graan dan vroeger aankweeken; ik stak dus een grooter stuk land af, en -begon dit te omheinen even als het vorige. Vrijdag werkte hieraan zeer -gewillig en vlijtig mede, en ik vertelde, dat dit was om graan te -bekomen ten einde meer brood te maken, omdat hij nu bij mij was. Hij -scheen hierdoor zeer getroffen en beduidde mij, dat ik thans door hem -meer werk had dan vroeger voor mij alleen; maar dat ik slechts te zeggen -had wat ik gedaan wilde hebben, en dat hij te harder voor mij zou -werken.</p> - -<p>Dit jaar was voor mij het aangenaamste van allen, die ik hier -doorgebragt had, Vrijdag begon tamelijk wel te spreken en kende spoedig -de namen van al wat ik hem wijzen kon, en van elke plaats, waar ik hem -naar toe zenden kon. Ik begon dus thans mijne tong weder te kunnen -gebruiken, waartoe ik, om te spreken bedoel ik, tot hiertoe weinig -gelegenheid had gehad. Behalve het genoegen van met hem te spreken, had -ik veel vermaak in zijn karakter; zijne eenvoudige, brave en argelooze -aard bleek mij dagelijks meer, en ik begon hem hartelijk lief te hebben; -en van zijnen kant geloof ik, dat hij mij meer dan iets ter wereld -beminde.</p> - -<p>Ik wilde eens beproeven of hij weder naar zijn land verlangde, en daar -hij nu genoeg Engelsch kende om mij eenige vragen te beantwoorden, vroeg -ik hem of zijn volk nimmer in een gevecht overwinnaar was, waarop hij -glimlagchend antwoordde: "Ja wel, wij vechten altijd het best;" hij -bedoelde beter dan hunne vijanden. Hierop hielden wij het volgende -gesprek:</p> - -<p>"Gij vecht het best," zeide ik, "hoe komt het dan, dat gij gevangen -genomen zijt."</p> - -<p>Vrijdag. Mijn volk verslaat ze toch.</p> - -<p>Meester. Hoe verslaan? Dat begrijp ik niet, als uw volk hen versloeg, -hoe kwaamt gij dan gevangen?</p> - -<p>Vrijdag. Zij waren meer dan mijn volk op de plek waar ik was. Zij nemen -een, twee, drie en mij gevangen. Mijn volk versloeg hen elders, waar ik -niet was, daar nam mijn volk een, twee, drie, veel duizend gevangen.</p> - -<p>Meester. Maar waarom heeft uw volk u dan niet uit de handen uwer -vijanden verlost?</p> - -<p>Vrijdag. Zij bragten gaauw een, twee, drie en mij in de kanoe; mijn volk -daar geen kanoe had.</p> - -<p>Meester. Zoo. En wat doet uw volk met de lieden, die zij genomen hebben. -Voeren zij hen weg en eten ze op, gelijk die anderen?</p> - -<p>Vrijdag. Ja, mijn volk eet ook menschen, eet ze allen op.</p> - -<p>Meester. Waar brengen zij die heen?</p> - -<p>Vrijdag. Zij gaan naar andere plaats, waar zij willen.</p> - -<p>Meester. Komen zij hierheen?</p> - -<p>Vrijdag. Ja hierheen, hier en op andere plaatsen.</p> - -<p>Meester. Zijt gij vroeger hier met hen geweest?</p> - -<p>Vrijdag. Ja, ik hier geweest ben. (Hierbij wees hij naar den N. W. kant -van het eiland, waar het schijnt dat hunne landingplaats was).</p> - -<p>Hieruit maakte ik op, dat hij vroeger onder de wilden geweest was, die -gewoon waren op de verder afliggende gedeelten van het eiland aan wal te -gaan, met dezelfde oogmerken, waartoe hij thans hier gebragt was, en -toen ik hem eenigen tijd daarna aan dien kant bragt, herkende hij -dadelijk de plaats, en zeide mij, dat hij daar eens geweest was, toen -zij twintig mannen, twee vrouwen en een kind hadden gegeten. Hij kon in -het Engelsch niet tot twintig tellen, maar hij wees het mij door zooveel -steentjes naast elkander te leggen en mij die te laten tellen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_081.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik heb dit gesprek medegedeeld, omdat er het volgende uit ontstond. Ik -vroeg hem namelijk hoe ver ons eiland van de kust af lag, en of de -kanoes op den togt herwaarts niet dikwijls verongelukten. Hij zeide, dat -er geen gevaar was, en de kanoes nimmer vergingen, maar dat er een eind -weegs in zee eene strooming en een wind was, naar de eene zijde in den -morgen, en in den namiddag naar de andere zijde.</p> - -<p>Ik begreep, dat dit niets anders was dan de loop van het getij, naarmate -het water wies of afliep, maar naderhand heb ik geleerd, dat dit -ontstond uit de sterke eb en vloed van de groote Oronoko-rivier, in -welker mond ik naderhand begreep, dat ons eiland lag, en dat het land -hetwelk ik ten W. en N. W. gewaar werd, het groote eiland Trinidad, aan -den noordelijken hoek van gemelde rivier, was. Ik deed Vrijdag duizend -vragen over het land, de bewoners, de zee, de kust, en welke de naburige -volken waren; hij verhaalde mij met de meest mogelijke openhartigheid al -wat hij wist. Ik vroeg hem de namen der verschillende volken -daaromstreeks; maar kon niets anders uit hem krijgen dan Caribs; waaruit -ik begreep, dat het Caraïben waren, die volgens onze kaarten, dat deel -van Amerika bewonen, dat zich van de Oronoko tot aan Guiana, en aan de -andere zijde tot St. Martha uitstrekt. Hij verhaalde mij, dat ver achter -de maan (waarmede hij bedoelde in die strekking, waar de maan -onderging), dat is ten westen van hun land, witte, baardige mannen -woonden, zoo als ik (hierbij wees hij op mijne knevels) en dat deze veel -mannen gedood hadden, zoo als hij zeide. Ik besloot hieruit, dat hij de -Spanjaarden bedoelde, wier wreedheden in Amerika, het geheele land door -bekend zijn geraakt, en door alle volkeren van vader tot zoon bewaard -zijn gebleven.</p> - -<p>Ik vroeg hem of hij mij zeggen kon, hoe ik van dit eiland en bij die -blanke menschen komen kon. Hij zeide ja, en dat dit gaan kon in "twee -kanoes." Ik begreep eerst niet wat hij met "twee kanoes" meende, maar -kwam er eindelijk met veel moeite achter, dat hij wilde zeggen in eene -kanoe, zoo groot als twee anderen. Deze verklaring beviel mij zeer goed, -en van dit oogenblik af koesterde ik eenige hoop, dat ik den een of -anderen tijd gelegenheid zou vinden van deze plaats te ontkomen, en dat -deze arme wilde mij ter uitvoering daarvan behulpzaam zou kunnen zijn.</p> - -<p>Gedurende al den tijd, dat Vrijdag nu bij mij was geweest, en begon te -leeren met mij te spreken en mij te verstaan, had ik niet nagelaten hem -de eerste begrippen der godsdienst in te prenten; zoo vroeg ik hem eens -wie hem geschapen had. De arme knaap begreep mij volstrekt niet, maar -dacht, dat ik vroeg wie zijn vader was. Ik vatte dus de zaak anders aan, -wees hem op de zee, den grond waarop hij trad, de heuvels en de -bosschen. Hij zeide, dat dit gemaakt was door den ouden Benamoekie, die -verder dan alle menschen woonde. Hij wist van dien grooten persoon niets -anders te zeggen, dan dat hij zeer oud was, veel ouder, zeide hij, dan -de zee of het land, dan de maan of de sterren. Ik vroeg hem daarop, dat -zoo die oude persoon alle dingen gemaakt had, waarom niet alle dingen -hem eer bewezen. Hij zag zeer ernstig, en zeide met eene onnoozele -eenvoudigheid: "Alle dingen zeggen, O! tegen hem." Ik vroeg hem of de -lieden, die in zijn land stierven, ergens heen gingen. "Ja, ja," zeide -hij, "zij gaan allen naar Benamoekie." Daarop vroeg ik of degeen, die -zij opaten, daar ook heen gingen, en hij zeide, "ja."</p> - -<p>Dit gaf mij aanleiding hem in de kennis van den eenigen waren God te -onderrigten. Ik zeide hem, terwijl ik naar den hemel wees, dat de groote -maker van alle dingen daar woonde, en dat Hij de wereld met dezelfde -almagt en wijsheid bestierde, waarmede Hij ze geschapen heeft; dat Hij -almagtig was, ons alles doen, alles geven, alles ontnemen kon; en zoo -opende ik van lieverlede hem de oogen.</p> - -<p>Hij luisterde zeer oplettend, en hoorde met veel genoegen hoe Christus -gezonden was om ons te verlossen, en hoe wij God behoorden te bidden, en -hoe deze ons altijd hoorde, waar wij ook waren. Hij zeide mij eens, dat -zoo God ons hooren kon, terwijl Hij verder dan de zon was, dat Hij dan -een grooter God dan hun Benamoekie was, die niet veraf woonde, en toch -hen niet hooren kon, ten ware zij den hoogen berg opstegen, waarop hij -woonde om tegen hem te spreken. Ik vroeg hem of hij daar ooit gegaan -was; hij zeide neen, en dat dit alleen de oude lieden deden, die hij -Oewokakie noemde, dat is, gelijk ik uit zijne verklaring begreep, zoo -veel als hunne priesters, en dat deze heengingen om "O!" te zeggen (zoo -noemde hij het bidden), en als zij terugkwamen, verhaalden wat -Benamoekie gezegd had. Hieruit bemerkte ik, dat er zelfs onder de -domste en verblindste Heidenen eene priesterschap en zekere -verborgenheden bestaan, om het gemeen ontzag voor de priesters in te -boezemen.</p> - -<p>Ik trachtte Vrijdag omtrent deze bedriegerijen in te lichten, en zeide -hem, dat het voorgeven hunner oude lieden, dat zij den berg opgingen, om -hunnen God Benamoekie aan te roepen, bedriegerij was, zoo wel als, dat -zij vandaar komende, verhaalden wat hij hun gezegd had; dat, zoo zij -daar iemand ontmoetten, of iemand tot hen sprak, dit dan een booze geest -moest zijn. Hierop had ik een lang gesprek met hem over den duivel, zijn -oorsprong, zijn opstand tegen God, zijne vijandschap tegen de menschen, -hare oorzaak, zijn verblijf in de duistere plaatsen der wereld, om daar, -in stede van God, en als God aangebeden te worden; en over zijne vele -listen, om den mensch in het verderf te storten; hoe hij tot onze ziel -toegang kreeg door onze hartstogten strikken te spannen, waardoor wij -ons zelven in verzoeking bragten, en vrijwillig ons eigen verderf te -gemoet gingen.</p> - -<p>Ik vond, dat het niet zoo gemakkelijk ging hem juiste denkbeelden in te -prenten, aangaande den duivel, als aangaande den aard en het wezen der -Godheid. De geheele natuur was mij behulpzaam in mijne bewijzen voor het -noodwendig bestaan van eene eerste oorzaak, een onbegrijpelijke, -allesbestierende magt, en voor de verpligting van onzen Schepper onze -hulde toe te brengen; maar niets van dat alles ondersteunde het -denkbeeld van een boozen geest, zijn oorsprong, zijn aard en wezen, en -bovenal zijne geneigdheid tot het kwade, en zijne verleidingen daartoe. -Mijn arme eenvoudige wilde bragt mij eens door eene zeer natuurlijke en -eenvoudige vraag zoodanig in de engte, dat ik naauwelijks wist wat ik -hem zeggen zou. Ik had hem veel gezegd van Gods almagt, zijne afkeer van -zonde, hoe hij een verterend vuur was voor de werkers van -ongeregtigheid; hoe Hij, die ons allen geschapen had, ons en de geheele -wereld door zijn wil vernietigen kon, en al dien tijd had hij met de -grootste aandacht naar mij geluisterd.</p> - -<p>Daarna verhaalde ik hem hoe de duivel, Gods vijand, in de harten der -menschen was, en al zijne list besteedde om de goede voornemens der -Voorzienigheid tegen te werken, en het rijk van Christus hier op aarde -afbreuk te doen, en dergelijke meer. "Maar," zeide Vrijdag, "gij zegt, -dat God zoo groot en zoo magtig is, is hij niet veel magtiger dan de -duivel?"—"Ja, ja, Vrijdag," zeide ik, "God is veel magtiger dan de -duivel, en daarom bidden wij God, dat hij ons toelaat hem te vertreden, -en ons zijne verzoekingen doet wederstaan en zijn arglist -teleurstellen."—"Maar," voerde hij weder aan, "als God zooveel magtiger -en sterker is dan de duivel, waarom slaat Hij dan den duivel niet dood, -en belet hem meer kwaad te doen?"</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_082.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik stond bij deze vraag geheel verplet; schoon een oud man, was ik nog -een jongeling in de godgeleerdheid, en weinig in staat om leerstellige -vragen en zwarigheden op te lossen. Eerst wist ik niet wat te -antwoorden, dus hield ik mij alsof ik hem niet verstaan had, en vroeg -wat hij zeide. Maar hij verlangde te veel naar een antwoord, om zijne -vraag vergeten te hebben, dus herhaalde hij die in dezelfde woorden als -boven. Middelerwijl had ik mijne gedachten een weinig bijeengezameld, en -zeide: "God zal hem in het laatste der dagen gestrengelijk straffen; hij -wordt bespaard tot den dag des oordeels, wanneer hij in een bodemloozen -afgrond zal worden geworpen, om daar met eeuwig vuur te blijven."—Dit -voldeed Vrijdag niet. Hij herhaalde mijne woorden: "tot het laatste der -dagen; dat begrijp ik niet. Waarom den duivel niet nu, niet lang geleden -al gedood?"—"Gij kondt even goed vragen," hernam ik, "waarom God u en -mij niet doodt, als wij zonden bedrijven; wij blijven gespaard om berouw -te hebben en vergiffenis te erlangen."—Hij dacht eene poos hierover na, -en zeide eindelijk: "Dat goed, zeer goed is; dus gij, ik, de duivel, -alle zondaars bewaard blijven, allen berouw hebben, allen vergiffenis -ontvangen."</p> - -<p>Dit antwoord bragt mij geheel in verlegenheid, en het was voor mij een -nieuw blijk, hoe natuurlijke begrippen, wel een redelijk wezen tot de -kennis en tot de vereering van een Hoogst Wezen leiden, maar dat alleen -eene goddelijke openbaring ons tot de kennis van Jezus Christus, en van -eene verlossing, voor ons verworven door zijnen dood, en van Hem als -middelaar van een nieuw Verbond; dat niets zeg ik, dan eene goddelijke -openbaring ons deze begrippen kon geven, en daarom het Evangelie van -onzen Heer en Zaligmaker volstrekt noodig is, om den mensch de ware -kennisse Gods en der middelen tot zijne zaligheid te geven. Ik brak -daarom het bovengemelde gesprek haastig af, alsof ik plotseling wilde -uitgaan, daarop zond ik hem een ver eind weg om iets te verrigten, en -smeekte toen God vurig, dat hij mij in staat mogt stellen dezen armen -wilde te onderrigten, hem door zijnen geest vatbaar maken om het licht -der kennisse Gods in Christus te ontvangen, en mij van Zijn woord -zoodanig doen spreken, dat zijn hart overtuigd, zijne oogen geopend en -zijne ziel gered mogt worden. Toen hij terugkwam had ik een lang gesprek -met hem over de verlossing der menschen door den Zaligmaker, en de leer -der Evangeliën, namelijk berouw voor God en geloof in onzen Heiland. Ik -verklaarde hem toen, zoo goed als ik kon, waarom onze Verlosser niet de -gedaante der Engelen maar den aard der menschen had aangenomen; dat hij -gekomen was om de verloren schapen van het huis Israëls bijeen te -zamelen en zoo voorts.</p> - -<p>God weet het, ik bezat meer welmeenendheid dan kunde, in mijne pogingen -tot onderrigt van dezen wilde, en ik moet bekennen, hetgeen geloof ik -allen, die even zoo handelen, zullen ondervinden, dat terwijl ik hem -leerde, ik mij zelve vele dingen eigen maakte en opmerkte, die ik -vroeger niet wist of nimmer aan gedacht had, maar mij thans voor den -geest kwamen, nu ik ze ter onderrigting voor dezen armen wilde bijeen -zamelde; en ik onderzocht deze zaken thans met meer lust dan ooit te -voren. Het zij dus deze arme wilde mij genoegen of gevaren zou -aanbrengen, altijd had ik groote reden tot dankbaarheid. Mijn verdriet -werd thans ligter, mijne woning was mij genoeglijker, en als ik bedacht, -dat ik in dit eenzaam leven, waartoe ik veroordeeld was, niet alleen -zelf naar den hemel had leeren opzien, en nadenken door wiens bestier ik -hier gekomen was, maar thans zelf tot een werktuig verkoren was, om met -hulp der Voorzienigheid, niet alleen het ligchaam maar ook de ziel van -dezen armen man te redden, en hem de kennis van den waren God en de -Christelijke leer in te prenten; ik zeg, wanneer ik dit alles bedacht, -gevoelde ik mij van eene heimelijke vreugde doordrongen, en verheugde -mij alsdan, dat ik naar deze plaats gevoerd was, hetgeen ik vroeger -beschouwde als de grootste ramp, die mij ooit treffen kon.</p> - -<p>Deze dankbare gemoedsstemming bleef mij van dien tijd af gestadig bij, -en de gesprekken, die Vrijdag en mij in onze ledige uren, drie jaren -achtereen bezig hielden, waren zoodanig, dat wij al dien tijd zoo -volkomen tevreden en gelukkig waren, als men dit in deze ondermaansche -wereld wezen kan. De wilde was thans een goed Christen, een beter -Christen dan ik, schoon ik met grond en met dankbaarheid jegens God, -zeggen durf, dat wij beide boetvaardige en berouwhebbende zondaren -waren. Wij hadden het woord Gods tot ons onderrigt, en zijn geest was -ons even nabij alsof wij in Engeland waren.</p> - -<p>Gestadig las ik hem de Heilige Schrift voor, en trachtte hem naar mijn -beste vermogen te doen begrijpen, wat ik las; terwijl hij door zijne -ernstige vragen mij, gelijk ik gezegd heb, veel ervarener in -schriftuurlijke kennis maakte dan ik ooit door het bloote lezen zou -geworden zijn. Ik mag ook niet voorbij gaan hier uit ervaring in dit -mijn eenzaam leven te doen opmerken, welk een oneindig groote zegen het -is, dat de kennisse Gods en de leer der zaligmaking door Jezus Christus, -zoo duidelijk in Gods woord bevat is, dat alleen het lezen der Heilige -Schrift mij genoegzaam mijne pligten deed kennen, om mij dadelijk tot -opregt berouw te bewegen over mijne zonden, en tot het aankleven van -onzen Zaligmaker, door wien ik behouden moest worden; als ook tot eene -duurzame verbetering van mijn gedrag, en gehoorzaamheid aan Gods -geboden, en dit zonder eenigen menschelijken leermeester. Even zoo was -dit eenvoudig onderrigt genoegzaam voor dezen wilde, om hem tot een -Christen te maken, zoo als ik in mijn leven slechts weinigen gezien heb.</p> - -<p>Wat betreft de twisten en geschillen, die er in de wereld over de -godsdienst bestaan hebben, hetzij over de leer of over derzelver -bedienaars, deze waren voor ons even nutteloos, als zij, naar ik zien -kan, steeds voor de geheele wereld zijn geweest. Wij hadden den zekeren -gids ten hemel, namelijk Gods woord, en, Gode zij dank, genoegzame -ondersteuning van zijnen geest om ons het te doen verstaan, en geneigd -en gehoorzaam aan deszelfs onderrigtingen te maken. Ik kan niet inzien -wat de uitgestrekte kennis in godsdienstige geschillen, die in de wereld -zooveel onrust verwekt hebben, ons voor nut zou gedaan hebben, al hadden -wij die kunnen verwerven.</p> - -<p>Doch om tot mijne geschiedenis terug te keeren, en iedere zaak op hare -beurt te vermelden. Nadat Vrijdag en ik bevriend waren geworden, en hij -schier alles verstaan kon wat ik tot hem zeide, en mij vloeijend, -ofschoon in gebroken Engelsch, antwoorden, verhaalde ik hem mijne eigene -geschiedenis; althans wat mijne komst alhier aangaat, hoe ik hier huis -gehouden had en hoe lang. Ik leerde hem het geheim (want dit was het -voor hem) van kruid en lood en hoe hij een geweer afschieten moest. Ik -gaf hem een mes, waarmede hij zeer in zijn schik was, en maakte hem een -draagband om het in eene scheede in te dragen; in plaats van eene sabel -gaf ik hem om daaraan te hangen eene bijl, die als wapen in sommige -gevallen nuttig kan zijn, maar nog veel nuttiger in vele andere -omstandigheden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 300px;"> -<img src="images/crusoe_083.jpg" width="300" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik beschreef hem de landen van Europa, maar in het bijzonder mijn -vaderland, hoe wij daar leefden, hoe wij God dienden, hoe wij ons in de -maatschappij gedroegen, en hoe wij in schepen naar alle deelen der -wereld gingen. Ik verhaalde hem van het wrak, waar ik aan boord was -geweest, en wees hem de plaats zoo nabij als ik kon, want het was lang -te voren aan stukken geslagen en geheel verdwenen.</p> - -<p>Ik toonde hem hetgeen er nog over was van de boot, die bij mijne redding -op het strand geslagen werd, en welke ik nimmer had kunnen bewegen, maar -die thans in stukken was gevallen. Toen Vrijdag deze boot zag stond hij -eene poos in gedachten en zeide niets. Eindelijk echter toen ik vroeg -waar hij zoo op peinsde, zeide hij: "Ik heb eene boot zoo zien komen op -eene plaats van mijn volk."</p> - -<p>Ik begreep hem eerst niet, maar bij nader onderzoek maakte ik uit hem -op, dat zulk eene soort van boot op de plaats waar hij woonde, gekomen -was, namelijk, gelijk hij mij verklaarde, door slecht weder daar heen -geslagen. Ik verbeeldde mij thans, dat de sloep van een Europeesch schip -op die hoogte, verloren geraakt en op strand geworpen was; ik was echter -zoo dom, dat ik er met eens aan dacht, dat er wel menschen zich daarmede -bij eene schipbreuk hadden kunnen redden, en vroeg hem dus alleen hoe de -boot er uitzag.</p> - -<p>Vrijdag beschreef mij die vrij wel, maar ik begreep hem nog beter toen -hij er met eenige warmte bijvoegde: "Wij redden die blanke menschen van -verdrinken!" Ik vroeg dadelijk of er eenige blanken in de boot waren -geweest.—"Ja de boot vol," zeide hij. Ik vroeg, hoeveel? Hij telde op -zijne vingers tot zeventien. Op mijne vraag wat er van hen geworden was, -zeide hij: "Zij leven, zij wonen bij mijn volk."</p> - -<p>Dit deed weder nieuwe gissingen bij mij ontstaan; ik geloofde thans, dat -deze menschen misschien tot het schip behoord hadden, dat naar mijn -eiland heengeslagen was, en dat nadat het schip op de rots gestooten -had, en zij een onvermijdelijken dood voor oogen zagen, zij zich in de -boot gered hadden en op de woeste kust onder de wilden geland waren. Ik -vroeg vervolgens naauwkeuriger wat er van hen geworden was; hij -verzekerde mij dat zij daar nog leefden, dat zij er ongeveer vier jaren -geweest waren, dat de wilden hen geen leed deden en hun voedsel gaven. -Ik vroeg hem hoe het kwam, dat zij hen niet dood sloegen en opaten. Hij -zeide: "neen, zij maken broeders met hen," waarmede hij een verbond of -wapenstilstand, naar het scheen, wilde te kennen geven. "Zij eten geen -mannen, als die niet in den oorlog zijn gevangen genomen."</p> - -<p>Eene geruime poos daarna waren wij op den top van den heuvel aan de -oostzijde des eilands, vanwaar, gelijk ik verhaald heb, ik op een -helderen dag weder het vaste land van Amerika gezien had. Vrijdag zag -met inspanning eene poos derwaarts, en in eene vlaag van verrukking -begon hij te dansen en te springen, en mij te roepen, want ik was een -eind weegs vandaar. Ik vroeg hem wat het was. "O vreugde, o blijdschap!" -riep hij uit. "Dáár mijn land, dáár mijn volk zien!"</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_084.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik bespeurde, dat het genoegen uit zijne trekken blonk, en zijne oogen -fonkelden, en uit zijn geheele voorkomen scheen te blijken, dat hij naar -zijn vaderland verlangde. Dit bragt mij op ernstige gedachten, zoodat ik -in den beginne niet zoo gerust omtrent hem was als vroeger, en ik -twijfelde niet of, als hij weder tot zijn eigen natie kon terugkeeren, -hij niet alleen al zijne godsdienst zou vergeten, maar ook zijne -verpligtingen jegens mij, en welligt ondankbaar genoeg zijn om met een -paar honderd wilden terug te keeren, om mij op te eten, en een feest te -houden, zoo als hij gewoon was met zoodanige vijanden, als zij in den -oorlog krijgsgevangen maakten. Maar ik deed den armen eerlijken jongen -groot ongelijk, hetgeen mij naderhand genoeg speet; daar echter mijn -argwaan aangroeide, en eenige weken stand hield, was ik wat omzigtiger -en niet zoo gemeenzaam en vriendelijk jegens hem, waaraan ik gewis groot -onregt deed; want de eerlijke brave knaap, had geene andere dan de beste -voornemens, en was zoowel een opregt Christen als een dankbare vriend, -gelijk mij naderhand ten duidelijkste bleek.</p> - -<p>Terwijl mijn argwaan jegens hem stand hield, was ik elken dag bezig hem -uit te hooren, om te zien of hij ook eenige dier denkbeelden koesterde, -waarvan ik hem verdacht hield; maar alles wat hij zeide was zoo opregt -en zoo onschuldig, dat ik niets vond wat mijne achterdocht voedsel kon -geven, en in weerwil mijner ongerustheid werd ik weder jegens hem even -als vroeger; ook had hij niets van mijnen argwaan bespeurd, zoo dat er -aan geene veinzerij van zijn kant te denken viel.</p> - -<p>Toen wij op zekeren dag weder op dienzelfden heuvel waren, maar met -mistig weder, zoodat wij het vaste land niet zien konden, riep ik hem en -zeide: "Vrijdag, zoudt gij niet gaarne in uw land, onder uw eigen volk -willen terugzijn?"—"Ja," zeide hij. "O hoe blijd zou ik weer bij mijn -volk zijn."—"Wat zoudt gij daar doen," zeide ik, "zoudt gij weder een -wilde worden, gelijk te voren, en menschenvleesch eten?"—Hij zette een -ernstig gelaat en schudde het hoofd, zeggende: "Neen, Vrijdag zou hun -zeggen braaf te leven, hun zeggen God te bidden, hun zeggen brood te -bakken, vleesch van dieren te eten, melk te drinken, geen -menschenvleesch eten."—"Maar," hernam ik, "dan zouden zij u doodslaan." -Hij zette weder een ernstig gezigt, en zeide: "Neen, zij mij niet -dooden, willen gaarne leeren." Hij voegde er verder bij, dat zij veel -leerden van de mannen met baarden uit de boot. Daarop vroeg ik hem of -hij naar hen terug wilde keeren. Glimlagchend zeide hij, dat hij zoo ver -niet zwemmen kon. Ik zeide, dat ik eene kanoe voor hem wilde maken. Hij -antwoordde wel te willen gaan als ik mede ging. "Ik!" zeide ik; "wel zij -zouden mij opeten als ik daar kwam."—"Neen, neen," zeide hij, "ik zal -maken dat zij u niet eten, maken, dat zij u veel liefhebben." Hij zou -hun zeggen, voegde hij er bij, hoe ik zijne vijanden gedood en hem het -leven gered had, en zoo zou hij maken dat zij mij liefhadden. Daarop -verhaalde hij mij zoo goed hij kon, hoe welgezind zij waren jegens die -zeventien blanken of gebaarde mannen, gelijk hij ze noemde, die daar op -het strand schipbreuk hadden geleden.</p> - -<p>Ik moet bekennen, dat ik, van dit oogenblik af begon te verlangen om een -overtogt te wagen, en te zien of ik welligt bij die gebaarde mannen -komen kon, die ik niet twijfelde, dat Spanjaarden of Portugezen waren. -Ik begreep, dat wij welligt daar, op het vaste land en met gezelschap, -beter eenig middel zouden vinden om te ontkomen, dan ik alleen, op een -eiland, en veertig (Eng.) mijlen van den vasten wal en zonder hulp. Na -eenige dagen bragt ik het gesprek met Vrijdag weder hierop, en zeide -hem, dat ik hem eene boot wilde geven om naar zijn volk terug te keeren, -en bragt hem daarop naar mijne boot, die aan de andere zijde van het -eiland lag, en na het water er uit geschept te hebben (want ik liet die -altijd onder water liggen) haalde ik ze uit, wees ze hem en wij gingen -er beide in.</p> - -<p>Ik zag, dat hij er zeer goed mede te regt kon, en ze bijkans zoo snel -roeide als ik; toen hij er dus in was, zeide ik: "Wel, Vrijdag, willen -wij nu naar uwe natie gaan?" Hij scheen over dit gezegde zeer verslagen, -naar het schijnt, omdat hij begreep, dat de boot daartoe te klein was. -"Ik heb nog een grooter," zeide ik, en dus bragt ik hem den volgenden -dag naar de boot, die ik het eerst gemaakt had, maar welke ik niet te -water had kunnen brengen. Hij zeide, dat deze groot genoeg was, maar -daar ik er geen zorg voor gedragen had, en zij daar drieëntwintig jaren -gelegen had, was zij door de zon vaneen gespleten, uitgedroogd en half -vermolmd. Vrijdag zeide, dat zulk eene boot goed was, en genoeg eten en -drinken kon meenemen, zoo als hij zich uitdrukte.</p> - -<p>Mijn voornemen om met hem naar het vaste land over te steken, had thans -zoo diep wortel bij mij geschoten, dat ik hem zeide, dat wij er eene -zouden maken, die even groot was, en dat hij daarmede vertrekken kon. -Hij antwoordde niet, maar zag er zeer bedrukt uit. Ik vroeg wat hem -deerde. Hij antwoordde met de vraag waarom ik boos op Vrijdag was? Wat -hij mij gedaan had? Ik vroeg wat hij hiermede bedoelde, en zeide, dat ik -in het geheel niet boos op hem was. "Niet boos! niet boos!" herhaalde -hij verscheidene malen, "waarom wilt gij dan Vrijdag naar zijn volk -terugzenden?"—"Wel," zeide ik, "hebt gij niet gezegd, dat gij wenschte -daar te zijn, Vrijdag?"—"Ja, ja," zeide hij, "ik wenschte, dat wij -beiden daar waren, Vrijdag daar niet, als meester daar niet -is."—Kortom, hij wilde er niet aan denken daarheen te gaan zonder mij. -"Zou ik daarheen gaan, Vrijdag?" hernam ik, "wat zou ik daar doen?" -Driftig keerde hij zich naar mij toe, en zeide: "Gij daar zeer veel goed -doen, gij leeren de wilden goede, brave menschen zijn, gij hun leeren -God kennen, God bidden en een nieuw leven leiden."—"Helaas, gij weet -niet wat gij zegt, Vrijdag," hernam ik, "ik ben zelf een onwetend -mensch."—"Ja, ja," vervolgde hij, "gij mij goed leeren, gij hun ook -goed leeren."—"Neen," zeide ik, "gij zult zonder mij gaan Vrijdag, en -mij hier alleen laten leven, gelijk vroeger." Hij zag er zeer verslagen -uit, en daarop spoedig eene bijl halende, die hij gewoonlijk bij zich -droeg, gaf hij mij die in de hand. "Wat moet ik daarmede doen?" vroeg -ik. "Gij Vrijdag doodslaan," zeide hij. "Waarom zou ik u doodslaan?" -vroeg ik weder. Hij antwoordde driftig: "Waarom gij Vrijdag wegzenden? -Vrijdag doodslaan, Vrijdag niet wegzenden." Dit sprak hij zoo ernstig, -dat ik een traan in zijne oogen zag. Kortom, ik ontdekte zoo duidelijk -in hem de uiterste genegenheid jegens mij en zijn vast besluit, dat ik -hem toen zeide, en naderhand dikwijls herhaalde, dat ik hem nimmer zou -wegzenden als hij bij mij wilde blijven.</p> - -<p>Daar ik over het geheel in al zijne woorden zulk eene gehechtheid aan -mij vond, en dat niets hem mij zou doen verlaten, begreep ik, dat de -grondoorzaak van zijn verlangen om zijn vaderland terug te zien, uit de -vurige liefde voor zijn volk en de hoop het wel te doen ontsproot; eene -zaak tot welke ik niet den minsten lust of verlangen gevoelde. Mijne -grootste zucht om derwaarts te vertrekken ontstond uit het berigt dat ik -van hem vernomen had, dat namelijk zich daar zeventien blanken bevonden. -Zonder verder dralen ging ik derhalve met Vrijdag aan het werk om een -grooten boom te vinden, die geschikt was voor eene groote praauw of -kanoe om de reis te ondernemen. Er was hout genoeg op het eiland om eene -geheele vloot te bouwen, niet alleen van praauwen of kanoes, maar van -groote schepen zelfs. De hoofdzaak echter waarnaar ik verlangde, was er -een te vinden, die zoo digt bij het water stond, dat wij die, als zij af -was, te water konden brengen, ten einde niet weder in denzelfden misslag -als vroeger te vervallen.</p> - -<p>Eindelijk wees Vrijdag mij een boom, want ik vond, dat hij veel beter -wist dan ik welke soort van hout de geschiktste was. Ik weet nog niet -tot welke soort de boom behoorde, die wij velden, behalve dat hij veel -naar verwhout geleek. Vrijdag was er voor den stam met vuur uit te -hollen, maar ik zeide hem dit liever met werktuigen te doen, en nadat ik -hem het gebruik daarvan gewezen had, kon hij er spoedig goed mede te -regt. Na eene maand harden arbeid, hadden wij hem af, en zeer goed -gevormd, vooral toen wij met onze bijlen, die ik hem had leeren -behandelen, er de goede gedaante van eene sloep aan hadden gegeven. -Vervolgens kostte het ons nog wel veertien dagen tijds om haar als het -ware duim voor duim, op groote rollen naar het water te brengen; maar -toen zij er in was, had zij zeer goed twintig man kunnen dragen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_085.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen de sloep te water was, zag ik met genoegen hoe vlug en behendig -Vrijdag haar, in weêrwil van hare grootte, kon behandelen, doen -voortgaan en wenden. Ik vroeg hem dus of hij er thans mede zou willen -en durven oversteken? "Ja," zeide hij, "ik er zeer goed mede overkomen, -al waait het ook harden wind!" Maar ik had een ander voornemen, waarvan -hij niets wist, en dat was om een mast en zeil te maken, en haar van een -anker en ankertouw te voorzien. Een mast was gemakkelijk te vinden, ik -koos hiertoe een jongen, regten cederboom, dien ik daar digt bij vond, -en waarvan er op het eiland eene menigte waren, en ik liet Vrijdag dien -vellen, en wees hem hoe hij dien afkappen en in orde brengen moest. Met -het zeil hield ik mij zelf onledig. Ik wist, dat ik oude zeilen of -liever stukken van oude zeilen genoeg had, maar daar ik die nu -zesentwintig jaren lang gehad en niet zeer zorgvuldig bewaard had, omdat -ik mij niet verbeeld had ze ooit op die wijze te kunnen gebruiken, -twijfelde ik niet of zij zouden allen verrot zijn, hetgeen ook met de -meesten het geval was. Ik vond echter twee stukken, die nog vrij gaaf -waren, en met deze ging ik aan het werk, en na vrij wat moeite, en -naaijen, dat, gelijk men denken kan, bij gebrek aan naalden uiterst -links en vervelend van de hand ging, maakte ik eindelijk een leelijk -driehoekig zeil, met een gaffel en een giek, gelijk onze sloepen -gewoonlijk voeren, en waarmede ik het best wist om te gaan, omdat ik -zulk een gebruikt had in de boot, waarmede ik uit Barbarije vlugtte, -gelijk ik hiervoor verhaald heb.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 625px;"> -<img src="images/crusoe_086.jpg" width="625" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik bragt bijkans twee maanden zoek aan het in orde brengen van mijn mast -en zeilen; want ik maakte ook nog een kleine vlieger en een fok er bij, -om te helpen als wij door den wind moesten gaan, en ik maakte er van -achteren een roer aan om te sturen; en schoon dit er vrij onbehouwen -uitzag, kende ik echter het nuttige en noodzakelijke er te goed van, om -mij niet zoo veel moeite te geven, dat het eindelijk tot stand kwam, -schoon, als ik bedenk hoe dikwijls mijne proefnemingen hiertoe -mislukten, ik geloof, dat het mij schier even veel moeite kostte als de -boot zelve.</p> - -<p>Nadat dit gedaan was moest ik Vrijdag leeren hoe met de boot te zeilen, -want schoon hij zeer goed eene kanoe wist te roeijen, begreep hij van -zeil en roer niets en stond niet weinig verbaasd toen hij mij mijne boot -bij den wind zag brengen, en weder afvallen, door behulp van mijn roer, -en hoe het zeil over dezen of dien boeg vol stond, naarmate ik van koers -veranderde. Toen hij, zeg ik, dit zag, stond hij van verbazing verstomd, -weldra echter geraakte hij door eenige oefening er gemeenzaam mede, en -hij werd een vlug matroos, behalve ten aanzien van het kompas, dat ik -hem nimmer goed kon doen begrijpen; aan den anderen kant, daar het zeer -zelden bewolkte lucht en bijkans nimmer nevelachtig in deze streken was, -was er weinig behoefte aan een kompas, daar bij nacht altijd de sterren, -en over dag het strand zigtbaar was, behalve in het regensaizoen, en dan -verlangde niemand buiten's huis te zijn, noch te land noch ter zee.</p> - -<p>Ik was nu het zevenentwintigste jaar mijner gevangenschap op deze plaats -ingetreden, schoon de drie laatste jaren van mijn verblijf eigenlijk met -de vorige niet kunnen vergeleken worden, daar het in dien tijd geheel -anders was geworden dan vroeger. Ik vierde dit jaarfeest van mijne komst -alhier met dezelfde dankbaarheid jegens God, voor zijne goedheid, als -het eerste; en had ik toen reeds zoo veel stof tot dankbaarheid, nu was -dit nog veel meer het geval, daar ik zoo veel meer blijken van Gods -vaderlijke zorg voor mij had ontvangen, en de hoop op eene spoedige -bevrijding koesterde, want ik hield mij vast overtuigd, dat mijne -bevrijding spoedig op handen was, en ik geen volgende verjaring mijner -komst aldaar zou vieren. Ik bleef echter even zoo voor mijne huishouding -zorgen als te voren; ik spitte en plantte en omheinde, droogde mijne -druiven, en deed al wat noodig was, als te voren.</p> - -<p>Middelerwijl viel het regensaizoen in, waarin ik meer binnen 's huis -bleef dan anders; dus had ik onze boot zoo goed mogelijk geborgen, door -haar in de kreek te brengen, waar ik, gelijk ik gezegd heb, in den -beginne mijne vlotten van het schip aan land bragt. Nadat ik haar bij -hoog water op den wal gehaald had, deed ik Vrijdag een klein dok graven, -dat juist groot en diep genoeg was om de sloep te bevatten, en toen het -water afliep, sloten wij het met een stevigen dam af om er het water uit -te houden; dus lag zij droog, en om den regen af te keeren, maakten wij -er met zware takken eene soort van stevig afdak over heen; en aldus -wachtten wij de maanden November en December af, waarin ik besloten had -het avontuur te ondernemen.</p> - -<p>Toen het weder gestadig werd, en de gedachte aan mijn voornemen, met de -schoone dagen tegelijk terug kwam, maakte ik dagelijks toebereidselen -tot onze reis. Het eerste wat ik deed, was een aantal levensmiddelen, -voor de reis bestemd, bijeen te brengen; met oogmerk, om een of twee -weken later het dok te openen en onze boot te water te brengen. Op een -morgen was ik aan iets hiertoe bezig, toen ik Vrijdag riep en hem -gelastte naar het strand te gaan, om te zien of hij een schildpad vinden -kon, iets waarnaar wij gewoonlijk alle weken eens zochten, zoowel om de -eijeren als om het vleesch. Vrijdag was nog niet lang weg geweest, toen -hij terug kwam loopen, over mijn buitensten wal vloog als iemand, die -den grond onder zijne voeten niet voelt, en voor ik den tijd had hem toe -te spreken, riep hij: "O meester, meester! o verdriet! o kwaad!"—"Wat -is het, Vrijdag?" zeide ik.—"O, ginder," zeide hij, "ginder een, twee, -drie kanoes, een, twee, drie kanoes!" Uit zijne wijs van zich uit te -drukken maakte ik op, dat er zes waren; maar bij verdere navraag hoorde -ik, dat er slechts drie waren. "Nu goed, Vrijdag, wees niet bang," -zeide ik, en zoo trachtte ik hem een riem onder het hart te steken. Ik -zag echter, dat de arme knaap doodelijk beangst was, want hij had zich -in het hoofd gezet, dat zij alleen gekomen waren om hem te zoeken, en -dat zij hem in stukken zouden houwen. Hij beefde zoo, dat ik niet wist -wat ik met hem zou beginnen. Ik stelde hem gerust zooveel ik kon, en -zeide, dat ik even veel gevaar liep als hij, en dat zij mij zoowel als -hem zouden opeten. "Maar," zeide ik, "Vrijdag, wij moeten besluiten, met -hen te vechten. Kunt gij vechten, Vrijdag?"—"Ik kan schieten," zeide -hij, "maar er zijn er zooveel."—"Wees daar niet bang voor," hernam ik, -"die wij niet doodschieten zullen door ons vuur bevreesd geworden zijn." -Ik vroeg hem daarop, als ik besloot hem te verdedigen, of hij mij zou -bijstaan en stipt doen wat ik hem gelastte. Hij zeide: "Ik sterven zal -als gij mij gelast te sterven, meester." Ik ging daarop heen en nam een -goeden slok rum en gaf hem ook een borrel; want ik had met mijn rum zoo -zuinig huis gehouden, dat er nog vrij wat over was. Daarop liet ik hem -de twee jagtgeweren, die wij altoos bij ons hadden, geven, en laadde die -met groven ganzenhagel, die bijkans zoo zwaar was als pistoolkogels; -daarop nam ik vier geweren, en laadde die ieder met twee patronen en -vijf kogels, en op mijne twee pistolen deed ik ook twee kogels op ieder. -Volgens gewoonte hing ik mijne groote sabel op zijde en gaf Vrijdag -zijne bijl.</p> - -<p>Na ons aldus uitgerust te hebben, nam ik mijn kijker en klom den heuvel -op, om te zien wat ik ontdekken kon. Weldra bemerkte ik, dat er -eenentwintig wilden waren, drie gevangenen en drie kanoes; en dat hunne -geheele bezigheid scheen te zijn om van deze drie mannen een gastmaal te -houden—een barbaarsch feest waarlijk, maar dat bij hen niets ongewoons -was.</p> - -<p>Ik bemerkte ook, dat zij niet geland waren op de plek waar Vrijdag -ontsnapt was, maar digter bij mijne kreek, waar het strand laag was, en -een digt bosch zich tot vlak bij de zee uitstrekte. Deze omstandigheid -en de afschuw van het onmenschelijk oogmerk dezer barbaren, maakten -mijne verontwaardiging zoo gaande, dat ik naar Vrijdag terugkeerde en -hem zeide, dat ik besloten had op hen af te gaan, en hen allen dood te -schieten, en hem vroeg of hij mij wilde bijstaan. Zijn angst was thans -bedaard, en zijn moed door den sterken drank wat opgewekt, zoodat hij -zeer wel gemoed was, en mij zeide, even als vroeger, dat hij wilde -sterven als ik hem gelastte te sterven.</p> - -<p>In deze eerste vlaag van woede deelde ik de wapens, die ik geladen had -zoo als ik verhaald heb, tusschen ons; ik gaf Vrijdag eene pistool om in -zijn gordel te steken en drie geweren op zijne schouders; ik nam zelf -eene pistool en ook drie geweren, en aldus trokken wij op weg. Ik stak -een fleschje rum bij mij, en gaf Vrijdag een zak met kruid en lood te -dragen. Ik gelastte hem digt achter mij te blijven, en niet vooruit te -gaan, noch te schieten noch iets te doen buiten mijn orders, en tevens -geen enkel woord te spreken. Aldus uitgerust, maakte ik een omweg van -bijkans eene (Eng.) mijl, zoo wel om de kreek over te trekken als om in -het bosch te komen; opdat ik hen binnen bereik van mijn schot mogt -bekomen, zonder dat zij mij ontdekten, hetgeen naar ik met mijn kijker -gezien had, gemakkelijk te doen was.</p> - -<p>Terwijl ik op weg was, kwamen mijne vroegere bezwaren bij mij op en mijn -besluit begon te wankelen. Ik wil niet zeggen, dat ik eenige vrees voor -hun aantal voedde; want daar zij naakt en ongewapend waren, was ik gewis -de overhand te hebben, al ware ik geheel alleen geweest. Maar ik bedacht -welke roeping, welke reden ik had, laat staan welke noodzakelijkheid er -bestond, dat ik mijne handen in bloed zou doopen, en heden aantasten, -die mij nimmer eenig leed hadden gedaan, en hiertoe ook geen voornemen -hadden; die ten mijnen aanzien schuldeloos waren, en wier barbaarsche -zeden hun eigen ongeluk waren, daar dit een teeken was, dat God hen met -andere volken van dit werelddeel aan diepe onwetendheid ten prooi had -gelaten. Maar dit gaf mij geen regt om over hunne daden het vonnis uit -te spreken, veel minder mij tot uitvoerder der goddelijke geregtigheid -op te werpen; want zoo God het goedvond zou Hij zelf hen straffen, en -door rampen over hun geheele volk te brengen, de zonden des volks -bestraffen; maar dit was geenszins eene taak, die mij toekwam. Wel is -waar, in Vrijdag kon dit verschoonbaar zijn, omdat hij hun verklaarde -vijand en als het ware in staat van oorlog met deze natie was; maar zoo -het hem vrijstond hen aan te vallen, was dit niet bij mij het geval. -Deze gedachten kwamen mij zoo levendig voor den geest, terwijl ik op weg -naar hen toe was, dat ik besloot in hunne nabijheid post te vatten, en -dan te handelen zoo als God mij zou aanwijzen; maar zoo ik geen -duidelijker roeping dan thans ontving, mij niet met hen in te laten.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 650px;"> -<img src="images/crusoe_087.jpg" width="650" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Met dit besluit trad ik het bosch in, en trok met de meeste stilte en -omzigtigheid, terwijl Vrijdag mij digt op de hielen volgde, tot aan den -zoom van het bosch, aan den kant, die het digtst bij hen was, behalve, -dat een uithoek van het bosch mij van hen afscheidde. Hier gekomen riep -ik Vrijdag zachtjes bij mij, en hem een grooten boom, die juist aan den -hoek stond, wijzende, gelastte ik hem daarin te klimmen, en mij tijding -te brengen als hij duidelijk zien kon wat zij verrigtten. Dit deed hij -en kwam onmiddellijk terug, zeggende, dat men ze vandaar duidelijk zien -kon; dat zij allen om het vuur zaten, het vleesch van een hunner -gevangenen etende, terwijl een ander, niet ver van hen af, gebonden op -het zand lag, die zij volgens zijn zeggen, daarna zouden doodslaan; -hetgeen mij buiten mij zelven van drift maakte. Hij zeide mij, dat het -niet een van zijne natie was, maar een dier witte gebaarde mannen, die -bij zijn volk in de boot waren gekomen. Dit berigt, dat het een blanke -was, deed mijn afschuw ten top stijgen, en naar den boom gaande zag ik -door mijn kijker duidelijk den blanke, die op het strand lag, aan handen -en voeten gekneveld met eene soort van biezen, en dat hij een Europeër -was, en kleederen aanhad.</p> - -<p>Er was nog een andere boom met eenig struikgewas er om heen, ongeveer -vijftig schreden digter bij hen dan de plek waar ik stond, en door een -kleinen omweg te maken kon ik zonder gezien te worden, daar komen, en -dan was ik op een half geweerschot afstands van hen. Ik bedwong mijne -drift derhalve, ofschoon die ten hoogsten top gestegen was, en ongeveer -twintig schreden teruggaande, begaf ik mij achter eenig kreupelhout, dat -zich uitstrekte tot aan den anderen boom, en toen kwam ik aan eene -kleine hoogte, die mij op ongeveer tachtig schreden afstands, een -duidelijk gezigt van hen opleverde.</p> - -<p>Ik had geen tijd te verliezen, want negentien dier rampzaligen zaten op -den grond allen digt bij elkander, en hadden juist de twee anderen -afgezonden om den armen Christen te slagten, en hem misschien aan -stukken gehouwen, naar hun vuur te brengen, en zij bukten om de banden -aan zijne voeten los te maken. Ik keerde mij tot Vrijdag. "Doe nu zoo -als ik gelast heb," zeide ik. Hij antwoordde van ja, en ik herhaalde: -"Vrijdag, doe juist wat gij mij ziet doen, en geef wel acht." Ik zette -een der musketten en het jagtgeweer op den grond, en Vrijdag deed -hetzelfde. Met het andere geweer legde ik op de wilden aan, waarin hij -mij navolgde. Ik vroeg daarop of hij gereed was. "Ja," was zijn -antwoord. "Geef dan vuur," zeide ik, en op hetzelfde oogenblik brandde -ik ook los.</p> - -<p>Vrijdag had veel beter gemikt dan ik, aan den kant waar bij heenschoot -had hij twee man gedood en drie gekwetst, en ik had aan mijne zijde een -gedood en twee gekwetst. De wilden geraakten in vreesselijke -opschudding, gelijk men wel denken kan; allen, die niet gekwetst waren, -sprongen dadelijk op de been, maar zij wisten niet waarheen zij vlugten -noch waarheen zij uitzien moesten; want zij zagen niet vanwaar het -verderf hen naderde. Vrijdag hield mij gestadig in het oog, ten einde, -gelijk ik hem gelast had, te zien wat ik deed; onmiddellijk na het -eerste schot liet ik dus het geweer vallen en nam het jagtgeweer op, en -Vrijdag deed hetzelfde; hij zag mij den haan overhalen en deed evenzoo. -"Zijt gij gereed, Vrijdag?" vroeg ik. "Ja," hernam hij. "Vuur dan, in -Gods naam," zeide ik, en ik brandde weder los op de verbijsterde wilden, -en Vrijdag deed evenzoo, en daar onze geweren nu met groven ganzenhagel -of kleine pistoolkogels geladen waren, zagen wij slechts twee vallen, -maar eene groote menigte waren gewond, die als razenden heen en weder -liepen, gillende en schreeuwende, terwijl spoedig daarna er nog drie of -vier, die zwaar gekwetst waren, nederstortten.</p> - -<p>"Volg mij nu, Vrijdag," zeide ik, het afgeschoten geweer nederleggende, -en het nog geladen musket opnemende. Hij deed het moedig, en ik kwam -het bosch uit en vertoonde mij, met Vrijdag vlak achter mij. Zoodra ik -bemerkte, dat zij mij zagen schreeuwde ik zoo luid als ik kon, en -gelastte Vrijdag dit ook te doen; en zoo hard als ik loopen kon, hetgeen -in het voorbijgaan gezegd, door de wapens waarmede ik beladen was, niet -zeer snel ging, begaf ik mij regt naar den armen mensch toe, die gelijk -ik zeide, op het strand lag, tusschen de plaats waar zij zaten en de -zee. De twee wilden, die hem juist hadden willen slagten, hadden de -vlugt genomen in den schrik voor ons eerste vuur, en waren in eene kanoe -gesprongen, en nog drie begaven zich ook daarheen. Ik keerde mij naar -Vrijdag, gelastte hem verder te gaan en op hen vuur te geven. Hij -begreep mij dadelijk, en ongeveer veertig schreden vooruitgaande, om te -digter bij hen te zijn, gaf hij vuur op hen, en ik meende, dat hij hen -allen gedood had; want ik zag ze allen over elkander in de boot -tuimelen, doch twee hunner stonden spoedig weder op. Hij had echter twee -er van gedood en den derde gekwetst, zoodat deze als dood op den bodem -van de kanoe lag.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_088.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Terwijl Vrijdag op hen vuurde haalde ik mijn mes uit, en sneed de banden -door, waarmede de arme mensch gebonden was; hielp hem op de been en -vroeg hem in het Portugeesch wie hij was. Hij antwoordde mij in het -Latijn een Christen; maar was zoo zwak en flaauw, dat hij naauwelijks -staan of spreken kon. Ik haalde mijne flesch uit den zak en wenkte hem, -dat hij drinken zou, hetgeen hij deed; en ik gaf hem een stuk brood, -hetgeen hij opat. Toen vroeg ik hem wat landsman hij was, en hij zeide -een Spanjaard, en zich een weinig hersteld hebbende, gaf hij mij door -alle mogelijke teekens te kennen hoezeer hij mij dankbaar was voor zijne -bevrijding. "Sennor," zeide ik, in zoo goed Spaansch als ik bijeen kon -brengen, "daar zullen wij later over spreken, maar nu moeten wij -vechten, als uwe krachten het toelaten, neem dus deze pistool en die -sabel, en weer u daarmede." Hij nam ze met dankzegging aan, en -naauwelijks had hij de wapens in de hand, of hij scheen nieuwe kracht te -krijgen, vloog als woedend op zijne moordenaars aan, en had twee hunner -in een oogenblik neergeveld; want om de waarheid te zeggen, de arme -schepsels, wien dit alles zoo onverwachts overkwam, waren zoo verschrikt -van de losbranding onzer geweren, dat zij van verbazing en angst -nederstortten, en even weinig in staat waren op de vlugt te denken, als -om onze kogels af te weren, en zoo ging het ook met de vijf, die in de -boot waren, want toen Vrijdag schoot en er drie die getroffen waren, -nedervielen, stortten de andere twee van blooten schrik neder.</p> - -<p>Ik hield mijn geweer nog in de hand, maar zonder vuur te geven, omdat ik -mijn schot bewaren wilde, daar ik den Spanjaard mijne pistool en sabel -had gegeven; ik riep Vrijdag dus, en zond hem terug naar den boom -vanwaar wij het eerst gevuurd hadden, om de ongeladen geweren te halen, -die wij daar hadden laten liggen, hetgeen hij met groote vlugheid deed; -en na hem mijn geweer gegeven te hebben, ging ik zitten om de anderen -weder te laden; en gelastte hem naar mij toe te komen als hij ze noodig -had. Terwijl ik ze laadde geraakte de Spanjaard in een fel gevecht met -een der wilden, die hem met een dier houten zwaarden aanviel, hetzelfde -wapen, waarmede hij zou geslagt zijn geworden, als ik het niet belet -had. De Spanjaard, die ofschoon zwak, zoo moedig was als een leeuw, had -dezen Indiaan eene geruime poos bevochten en hem twee wonden aan het -hoofd toegebragt; maar de wilde, een kloeke sterke kerel zijnde, had den -afgematten man nedergeworpen en trachtte hem mijne sabel uit de hand te -wringen, toen de Spanjaard, hoewel onderliggende, wijsselijk de sabel -losliet, mijne pistool uit zijn gordel trok en den Indiaan door het -ligchaam schoot, zoodat hij op de plek dood bleef, alvorens ik, die hem -te hulp kwam, bij hem was gekomen.</p> - -<p>Vrijdag, die nu naar eigen willekeur handelen kon, vervolgde de -vlugtende wilden met geen ander wapen dan zijne bijl, en hiermede maakte -hij de drie af, die gelijk ik gezegd heb, bij het eerste schot gevallen -waren, en al die hij verder bereiken kon. Den Spanjaard, die mij om een -geweer vroeg, gaf ik een der jagtgeweren, waarmede hij twee wilden -vervolgde, en ze beide kwetste; maar daar hij bezwaarlijk loopen kon, -ontsnapten zij hem beide in het bosch, waar Vrijdag ze vervolgde, en er -een van doodde; maar de andere was hem te vlug af; en ofschoon gewond, -sprong hij echter in zee, en zwom uit al zijne magt naar de twee, die -nog in de kanoe waren, welke drie personen, waaronder een gekwetste, die -wij niet wisten of hij leven kon of niet, alles was wat ons van de -eenentwintig ontsnapte. Zie hier den uitslag van het gevecht.</p> - -<p> -<span style="margin-left: 1.5em;">3 Gedood bij ons eerste vuur van den boom.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">2 Gedood bij het volgende schot.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">2 Door Vrijdag in de kanoe gedood.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">1 Door hem in het bosch gedood.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">3 Door den Spanjaard gedood.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven</span><br /> -<span style="margin-left: 2.5em;">of door Vrijdag afgemaakt.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">4 Ontsnapt in de boot, waaronder een gewond of dood.</span><br /> -<span style="margin-left: 1em;">——</span><br /> -<span style="margin-left: 1em;">21 in het geheel.</span><br /> -</p> - -<p>Die in de kanoe waren roeiden zoo hard zij konden om buiten ons schot te -komen, en hoewel Vrijdag twee of drie schoten op hen deed, kon ik niet -bespeuren, dat hij een hunner getroffen had. Vrijdag had wel gewild, dat -ik een hunner kanoes genomen en hen vervolgd had; hunne ontvlugting -baarde mij ook veel zorg, uit vrees, dat zij, na hunnen landslieden deze -tijding gebragt te hebben, misschien met twee of driehonderd kanoes -terug mogten keeren, en ons door hun aantal overweldigen. Ik gaf dus -mijn toestemming hen op zee te vervolgen, sprong in een der kanoes en -gelastte Vrijdag mij te volgen; maar in de kanoe gekomen stond ik niet -weinig verwonderd daar nog een levend wezen in te vinden, even als de -Spanjaard aan handen en voeten gebonden om geslagt te worden, en schier -dood van schrik, niet wetende wat er gebeurde, daar hij niet over de -zijde der kanoe heen had kunnen zien; hij was zoo stijf gebonden, en zoo -lang gekneveld geweest, dat er schier geen leven meer in hem was.</p> - -<p>Oogenblikkelijk sneed ik de gestrengelde biezen los, waarmede zij hem -gebonden hadden; en wilde hem ophelpen; maar hij kon niet staan of -spreken; maar kermde jammerlijk, meenende naar het schijnt, dat hij -alleen losgemaakt werd om geslagt te worden.</p> - -<p>Toen Vrijdag er bij kwam, gelastte ik dezen hem zijne bevrijding bekend -te maken, en mijne flesch uithalende, gaf ik den armen drommel een slok, -hetwelk, met de tijding van zijne bevrijding, hem weder bij bragt, en -hij ging in de kanoe zitten; maar toen Vrijdag hem hoorde spreken en hem -in het gelaat zag, zou het iedereen tot tranen bewogen hebben, die -gezien had hoe Vrijdag hem kuste, omhelsde en troetelde, hoe hij -schreeuwde, lachte, juichte, sprong, danste, zong, dan weder schreeuwde, -de handen wrong, zich op het gelaat en de borst sloeg, en dan weder als -een razende danste en sprong. Het duurde eene geruime poos eer ik het -zoo ver brengen kon, dat hij tot mij sprak en mij zeide wat er van de -zaak was, maar toen hij een weinig tot zichzelven kwam verhaalde hij -mij, dat dit zijn vader was.</p> - -<p>Ik zou moeijelijk kunnen uitdrukken hoe het mij trof, toen ik zag hoe -krachtig de verrukking en kinderliefde waren bij dezen wilde, toen hij -zijn vader, en dat wel van den dood gered wederzag; ik kan inderdaad -niet half al de volgende uitsporige blijken zijner kinderlijke liefde -beschrijven, want hij was nu eens in de kanoe en dan weder er uit. Als -hij er in kwam, ging hij naast zijn vader zitten en hield diens hoofd -tegen zijne borst gedrukt, gelijk eene moeder haren zuigeling, een half -uur achtereen om hem te koesteren; dan nam hij zijne armen en beenen, -die geschaafd en stijf van het binden waren, en verwarmde en wreef die -met zijne handen; en ik dit ziende gaf hem wat rum uit mijne flesch om -ze te wrijven, hetgeen ze zeer veel goed deed.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_089.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dit maakte een einde aan onze vervolging van de andere kanoe met de -wilden, die thans genoegzaam uit het gezigt geraakt was, en dit was een -geluk voor ons, want twee uren later woei het zoo hard, terwijl zij nog -geen kwartier ver konden zijn, en het bleef den geheelen nacht zoo hard -uit het noordwesten doorstormen, dat ik niet onderstellen kon, dat bij -dien zwaren tegenwind hunne kanoe zee kon bouwen noch zij hunne kust -bereiken konden.</p> - -<p>Doch om tot Vrijdag terug te keeren: hij had het zoo druk met zijn -vader, dat het mij eenigen tijd niet van het hart kon hem te roepen, -maar eindelijk deed ik het, en hij kwam lagchende en dansende naar mij -toe. Ik vroeg hem of hij zijn vader wat brood had gegeven. Hij schudde -het hoofd, en zeide: "Neen, ik slechte kerel, alles opgegeten heb." Ik -gaf hem dus een stuk, dat ik nog in mijn zak had, voor zijn vader en een -slok rum voor hem, maar hij wilde het niet drinken maar bragt het ook -aan zijn vader. Ik had twee of drie trossen rozijnen in mijn zak, die ik -hem ook gaf voor hem en zijn vader. Maar naauwelijks had hij dit gedaan, -of ik zag hem uit de kanoe springen en wegloopen alsof hij dol was. Hij -liep zoo vlug (ik heb nimmer iemand gezien, die zoo snel kon loopen als -hij) dat hij in een oogenblik uit het gezigt was, en of ik hem toeriep -en naschreeuwde, het hielp niet. Een kwartier daarna zag ik hem -terugkomen, schoon niet zoo snel als vroeger, omdat hij iets droeg, en -naderbij gekomen, zag ik, dat het eene pot met water was.</p> - -<p>Toen hij bij mij kwam zag ik, dat hij een aarden pot of pan gehaald had -om zijn vader wat zoet water te brengen, en hij had ook een paar koeken -of brooden medegebragt. Het brood gaf hij mij, maar het water bragt hij -aan zijn vader, hoewel ik, die zeer dorstig was, er ook een slokje van -nam. Het water verkwikte zijn vader meer dan al de sterke drank, dien ik -hem gegeven had, want hij bezweek schier van dorst. Toen zijn vader -gedronken had, riep ik hem of er nog water over was, en daar hij ja -zeide, gelastte ik hem dit aan den armen Spanjaard te geven, die het -even hoog noodig had als zijn vader, en ik zond tevens een stuk brood -naar dien man, die zeer afgemat was, en in de schaduw van een boom lag -uit te rusten, en wiens leden ook zeer stijf en gezwollen waren van het -zware knevelen, dat men hem gedaan had. Ik zag, dat toen Vrijdag met het -water bij hem kwam, hij overeind ging zitten en dronk en ook een stuk -brood at; ik ging dus naar hem toe en gaf hem ook een tros rozijnen. Hij -zag mij aan met een gelaat, waarop de dankbaarheid ten duidelijkste te -lezen stond, maar was zoo zwak, niettegenstaande hij zich in het -gevecht zoo dapper geweerd had, dat hij niet opstaan kon; hij beproefde -het twee of drie malen, maar kon niet op de been komen; zijne enkels -waren zoo gezwollen en zoo pijnlijk, dat ik hem verzocht te blijven -zitten en Vrijdag gelastte zijne beenen te wrijven en met rum te -wasschen, gelijk hij zijn vader gedaan had.</p> - -<p>Gedurende al den tijd, dat hij dit deed, vergingen er geen twee minuten -of de arme jonge keerde het hoofd om, om te zien of zijn vader nog op -dezelfde plaats en in dezelfde houding zat, waarin hij hem verlaten had, -en toen hij eindelijk hem eens niet zag, sprong hij, zonder een woord te -spreken op, en liep er zoo snel naar toe, dat het scheen alsof zijne -voeten den grond niet raakten, maar bij hem komende bespeurde hij, dat -hij alleen gemakshalve was gaan liggen. Dus kwam hij tot mij terug, en -ik zeide den Spanjaard, dat Vrijdag hem zou helpen om als hij kon naar -de boot te gaan, en dan zou ik hem naar onze woning voeren om verder -voor hem te zorgen; maar Vrijdag, die een sterke knaap was, nam den -Spanjaard op zijn rug en droeg hem zoo naar de boot, zette hem -voorzigtig op het boord van de kanoe, met zijne voeten er in, ligtte hem -vervolgens er geheel in en zette hem naast zijn vader, en vervolgens de -boot afzettende, pagaaide hij die langs de kust sneller dan ik loopen -kon, schoon het vrij hard woei. Zoo bragt hij ze behouden in de kreek, -en hen in de boot latende, liep hij heen om de andere kanoe te halen. -Terwijl hij mij voorbij liep vroeg ik waar hij heenging. Hij zeide: -"Meer boot halen," en weg vloog hij als de wind, want nimmer liep een -mensch of paard harder, en hij was met de andere kanoe bijkans zoo -spoedig aan de kreek als ik er over land kwam, dus haalde hij mij over, -en ging toen onze nieuwe gasten uit de boot halen, maar zij waren geen -van beide in staat om te loopen, dus wist de arme Vrijdag niet wat hij -doen zou.</p> - -<p>Om hier te helpen, spande ik mijne hersens in, en toen Vrijdag roepende, -zeide ik hem hen te verzoeken op het strand te blijven zitten. Spoedig -had ik daarop eene soort van draagbaar gemaakt en Vrijdag en ik droegen -hen daarop tusschen ons in. Maar aan onzen buitenwal gekomen, waren wij -nog meer in verlegenheid, want het was ons onmogelijk hen er over te -helpen, en ik wilde die niet gaarne afbreken. Vrijdag en ik gingen dus -weder aan het werk, en binnen een paar uren hadden wij een vrij knappe -tent opgeslagen, met oude zeilen en daarover takken bedekt, op de opene -plek, tusschen mijn buitenste schans en de streek jong hout, door mij -geplant, en hier maakten wij hun twee bedden van hetgeen ik had, -namelijk van rijsten stroo, met dekens er over om op te liggen, en op -ieder bed een deken om hen te dekken.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crusoe_090.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Nu was mijn eiland bevolkt, en ik achtte mij reeds ruim voorzien van -onderdanen, en verheugde mij thans dikwijls met het denkbeeld hoeveel ik -van een koning had. In de eerste plaats was het eiland geheel en al mijn -eigendom, zoodat mijn regt van heerschappij onbetwistbaar was. Ten -tweede was mijn volk mij volkomen onderdanig; ik was hun oppermagtig -heer en wetgever; zij hadden allen hun leven aan mij te danken, en waren -bereidwillig hun leven voor mij op te offeren, als daartoe de -gelegenheid zich opdeed. Het was ook opmerkelijk, dat hoewel ik slechts -drie onderdanen had, deze allen een verschillend geloof hadden. Vrijdag -was een Protestant, zijn vader een Heiden en Kannibaal, en de Spanjaard -een Roomschgezinde. Ik liet echter door mijn geheele gebied, volkomen -vrijheid van godsdienst heerschen. Doch dit in het voorbijgaan.</p> - -<p>Naauwelijks had ik mijne twee verloste, zwakke gevangenen te huis -gebragt, en hun huisvesting en eene slaapplaats verschaft, of ik begon -aan eenigen leeftogt voor hen te denken. Het eerste wat ik deed was -Vrijdag te gelasten een halfwassen, eenjarige geit uit mijne kudde, te -dooden; ik nam daarop het achterdeel, en hakte dat aan kleine stukjes; -daarop zette ik Vrijdag aan het koken en braden, en maakte hun een zeer -goeden maaltijd van vleesch en soep gereed; in welke laatste ik ook -eenige rijst en wat koren gedaan had; en na het buiten's huis gekookt te -hebben, want ik stookte nimmer vuur binnen mijne schans, bragt ik het -eten naar de nieuwe tent. Na eene tafel voor hen geplaatst te hebben, -ging ik met hen het middagmaal houden, en sprak hen zooveel mogelijk -moed in, met behulp van Vrijdag, die mijn tolk was bij zijn vader, en -ook bij den Spanjaard, want deze sprak de taal der wilden zeer goed.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_092.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Na gegeten te hebben, gelastte ik Vrijdag eene kanoe te nemen en onze -geweren en andere wapens te halen, die wij in de haast op het slagveld -hadden laten liggen, en den volgenden dag zond ik hem uit om de lijken -der gedoode wilden te gaan begraven, die thans in de zon lagen, en -tevens de overblijfselen van hun afschuwelijk gastmaal onder den grond -te bedelven. Ik kon er niet aan denken dit zelf te doen, noch zelfs het -aan te zien als ik dien kant uitging. Dit alles volbragt hij zeer stipt, -en deed zelfs alle sporen, dat hier wilden geweest waren, verdwijnen, -zoodat toen ik weder dien kant uitkwam, ik niet vinden kon waar het -geweest was, dan aan den hoek van het bosch, die zich naar het strand -uitstrekte.</p> - -<p>Ik begon toen mij een weinig te onderhouden met mijne twee nieuwe -onderdanen, en het eerst deed ik Vrijdag aan zijn vader vragen wat hij -dacht van de vlugt dier wilden in de kanoe, en of wij mogten verwachten -hen te zien terugkeeren met eene overmagt, die wij niet zouden kunnen -wederstaan. Zijne eerste meening was, dat de wilden nimmer den storm -zouden hebben kunnen doorstaan, die des avonds, nadat zij vertrokken -waren, was opgestoken, maar dat zij noodwendig verdronken of zuidwaarts -verder op de kust moesten geslagen zijn, en dan zouden zij even zeker -geslagt worden. Maar wat zij doen zouden als zij behouden aan hunne kust -kwamen, wist hij niet, maar hij was van meening, dat de wijze waarop zij -overvallen waren geworden, dat de schoten en het vuur hun zooveel schrik -zouden aangejaagd hebben, dat zij hunnen landslieden zouden zeggen, dat -zij door donder en bliksem en niet door menschenhanden gedood waren; en -dat de twee, die zij gezien hadden (namelijk Vrijdag en ik) geen -gewapende menschen, maar twee hemelsche of helsche geesten waren, -gekomen om hen te verdelgen. Dit wist hij, zeide hij, omdat hij hen dit -in hunne taal elkander had hooren toeroepen, want het was hun onmogelijk -te begrijpen, dat een man vuur spuwen en donder spreken en van uit de -verte dooden kon, zonder de hand op te heffen, gelijk thans geschied -was.—De oude wilde had gelijk, want gelijk ik naderhand langs een -anderen weg vernam, de wilden uit die streek hebben nimmer weder -beproefd het eiland te naderen. Zij waren zoo ontzet door het verhaal -van die vier menschen, (want deze waren naar het schijnt, niet op zee -vergaan) dat zij geloofden, dat ieder, die zich op dit betooverd eiland -waagde, door de goden met vuur zou verdelgd worden. Ik, die dit echter -niet wist, bleef een geruimen tijd in aanhoudende vrees, en was altijd -op mijne hoede, met mijn geheele leger, en daar wij nu met ons vieren -waren, zou ik mij altijd tegen honderd van hen in het open veld gewaagd -hebben.</p> - -<p>Daar er echter na eene poos geene kanoes kwamen opdagen, sleet de vrees -voor hunne komst uit, en ik begon mijne vroegere denkbeelden van een -togt naar het vaste land weder op te vatten, daar nu ook Vrijdags vader -mij verzekerd had, dat ik door hem op een goed onthaal bij zijn volk -mogt rekenen als ik daarheen ging.</p> - -<p>Echter schorste ik mijn voornemen eenigen tijd op, na een ernstig -gesprek met den Spanjaard, en toen ik vernam, dat er nog zestien zijner -landslieden en Portugezen, in den storm daar het leven gered hadden, en -daar wel in vrede met de wilden leefden, maar niets meer ontvingen dan -hoog noodig was om niet van honger te sterven. Ik vroeg hem al de -bijzonderheden zijner reis, en vernam, dat zij op een Spaansch schip -behoord hadden van Rio de la Plata naar Havanna bestemd, met last om -daar hunne lading, die hoofdzakelijk uit huiden en zilver bestond, te -lossen, en zoodanige Europesche goederen als zij daar konden vinden, -terug te brengen; dat zij vijf Portugesche matrozen aan boord hadden -gehad, die door hen van een ander wrak gered waren; dat bij het vergaan -van hun schip vijf man van hun eigen volk verdronken waren, en dat de -geredden onnoemelijke gevaren hadden doorgestaan, en half dood van -honger op de Kannibaalsche kust gekomen waren, waar zij verwachtten elk -oogenblik vermoord te zullen worden.</p> - -<p>Hij verhaalde mij, dat zij eenige wapens hadden, die hun echter -volstrekt van geen nut waren, omdat zij kruid noch lood hadden; het -zeewater had al hun kruid bedorven, op een klein weinig na, dat zij -gebruikt hadden toen zij het eerst aan land waren gekomen, om zich eenig -voedsel te verschaffen. Ik vroeg hem wat hij dacht, dat er daar van hen -worden zou, en of zij geen plan tot ontvlugting ooit gemaakt hadden. -Hierover zeide hij, hadden zij dikwijls beraadslaagd, maar daar zij noch -vaartuigen, noch werktuigen om ze te bouwen, bezaten, noch eenigen -voorraad hoegenaamd, was hunne overlegging altijd in wanhoop en tranen -geëindigd. Ik vroeg hem hoe hij dacht, dat een voorstel van mij ten -aanzien van hunne redding, zou opgenomen worden, en of dit niet -geschieden kon als zij allen hier waren. Ik zeide hem ronduit, dat ik -bovenal vreesde voor verraad en mishandeling van hunnentwege, als ik -mijn leven in hunne handen stelde, want dat de dankbaarheid geene -aangeboren deugd der menschen is; en dewijl de menschen niet alleen -handelen naar gelang van hunne verpligtingen, maar veeleer naar het -voordeel, dat zij verwachten. Ik zeide hem, dat het zeer hard zou zijn, -als ik de bewerker hunner bevrijding was, en dat zij mij naderhand in -Nieuw-Spanje tot hun gevangene maakten, waar een Engelschman van zijn -dood zeker was, welke nooddwang of welk toeval hem ook derwaarts voerde, -en dat ik liever aan de wilden overgeleverd en geslagt wilde worden, dan -in de onbarmhartige handen der inquisitie te vallen. Ik voegde er bij, -dat ik mij overigens overtuigd hield, dat zoo zij allen hier waren, wij -een boot konden bouwen, groot genoeg om ons allen of zuidwaarts naar -Brazilië of de eilanden, of noordwaarts naar de Spaansche kust te -voeren; maar, dat als zij ter vergelding, als ik hen eens wapens in de -hand had gegeven, mij met geweld naar hun eigen land voerden, mijne -goedheid jegens hen slecht beloond worden, en ik er erger aan toe zijn -zou dan vroeger.</p> - -<p>Hij antwoordde met veel openhartigheid en verstand, dat hun toestand zoo -jammerlijk was, en zij dit zoo zeer inzagen, dat hij geloofde, dat zij -het denkbeeld van iemand, die iets tot hunne bevrijding had bijgedragen, -ondankbaar te behandelen, zouden verafschuwen; en dat hij, als ik het -verkoos, met den ouden man naar hen toe zou gaan, er met hen over -spreken, en mij hun antwoord terug komen brengen; dat hij hen een -plegtigen eed zou afeischen, dat zij zich geheel onder mijn bevel -stelden, als hun kapitein en bevelhebber; en dat zij mij op de Heilige -Sacramenten en het Evangelie trouw zouden zweren, en naar zoodanig -Christenland gaan als ik verlangde, en naar geen ander; dat zij zich -geheel en volkomen onder mijne orders zouden beschouwen tot wij behouden -geland waren, in zoodanig land als ik verkoos, en dat hij een contract -daarover, door hen onderteekend, zou medebrengen.</p> - -<p>Vervolgens zeide hij, dat hij zelf eerst wilde zweren mij nimmer, -zoolang hij leefde, te zullen verlaten, zonder mijn bevel, en dat hij -zijn laatsten druppel bloed voor mij zou vergieten; als zijne -landslieden zich aan de minste verbreking hunner beloften schuldig -maakten.</p> - -<p>Hij verhaalde mij, dat het allen zeer beschaafde, brave lieden waren, -die zich in den jammerlijksten toestand bevonden, dien men zich kan -verbeelden, daar zij noch wapens, noch kleederen, noch eenig voedsel -hadden, maar geheel van de genade der wilden afhingen, en dat hij -verzekerd was, dat, als ik ondernam hen te verlossen, ik in leven en -dood op hen kon rekenen.</p> - -<p>Op deze verzekeringen besloot ik het te wagen hen zoo mogelijk te -verlossen, en den ouden wilde en den Spanjaard naar hen toe te zenden, -om met hen te onderhandelen. Maar toen de Spanjaard gereed stond om te -vertrekken, maakte hij zelf mij een zwarigheid, die aan den eenen kant -zoo gegrond was, en aan den anderen kant zoo van zijne opregtheid -getuigde, dat ik niet anders dan met hem instemmen kon, en naar zijn -raad, de bevrijding zijner makkers, ten minste een half jaar uitstelde. -Het geval was namelijk dit.</p> - -<p>Hij was nu ongeveer eene maand bij mij geweest, gedurende welke ik hem -had laten zien hoe ik, met bijstand der Voorzienigheid, voor mijn -levensonderhoud gezorgd had; en hij zag toen mijn voorraad van rijst en -graan, die hoewel meer dan genoeg voor mij zelven, echter niet voldoende -was, ten minste slechts schraal, voor mijn nieuw gezin, nu dit uit vier -personen bestond; maar nog veel minder zou het genoeg zijn als zijne -landslieden, waarvan, gelijk hij zeide, nog veertien in leven waren, -overkwamen, en nog veel minder was er genoeg om ons vaartuig te -provianderen, als wij er een gebouwd hadden, voor eene reis naar een -der vestigingen in Amerika. Dus zeide hij mij, dat hij het raadzamer -achtte, als ik hem en de twee anderen nog eenig land liet omspitten en -bezaaijen, met zooveel zaaikoren als ik thans besparen kon, opdat wij -genoeg graan in voorraad mogten hebben voor zijne landslieden, als die -komen mogten; want het gebrek mogt hen in verzoeking brengen om hunne -belofte te verbreken, en zij zich slechts uit de eene ongelegenheid in -de andere gestort zien. "Gij weet," zeide hij, "dat schoon de kinderen -Israëls zich eerst verheugden over hunne verlossing uit Egypte, zij -echter tegen God zelf, die hun verlost had, opstonden, toen zij in de -woestijn aan brood gebrek leden."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 485px;"> -<img src="images/crusoe_092.jpg" width="485" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Zijne omzigtigheid was zoo prijsselijk en zijn raad zoo goed, dat ik -niet dan genoegen in zijn voorstel kon nemen, zoowel als voldaan zijn -over zijne getrouwheid. Dus gingen wij alle vier aan het spitten, zoo -goed als dit met onze houten spaden ging, en ongeveer na eene maand, -wanneer het zaaitijd was, hadden wij zooveel land ontgind, dat wij -tweeëntwintig schepels graan en zestien potten rijst zaaiden, hetwelk al -het zaaikoren was, dat wij missen konden, zelfs hielden wij naauwelijks -genoeg graan over voor ons eigen voedsel, voor de zes maanden, waarin -wij op onzen oogst moesten wachten, dat wil zeggen, te rekenen van den -tijd, dat wij ons zaaikoren hadden afgezonderd, want men moet niet -onderstellen, dat het daar te lande zes maanden in den grond bleef.</p> - -<p>Daar ik nu gezelschap had, en wij ook talrijk genoeg waren om niets te -vreezen van de wilden, als die gekomen waren, tenzij hun aantal -bovenmate groot was, gingen wij zoo dikwijls wij er den tijd toe hadden, -het geheele eiland door; en daar nu onze bevrijding ons steeds voor den -geest zweefde, was het ons, althans mij, onmogelijk niet telkens de -middelen daartoe te overdenken. Te dien einde merkte ik verscheidene -boomen, die ik voor ons werk geschikt achtte, en zette Vrijdag en zijn -vader aan het vellen daarvan, en dan liet ik den Spanjaard, wien ik -mijne gedachten daaromtrent mededeelde, hun werk nagaan en bestieren. Ik -wees hem met wat onvermoeiden arbeid ik zware boomen tot planken had -gekapt, en liet hem hetzelfde verrigten, tot zij ongeveer een dozijn -eikenhouten planken bijeen hadden, van bijkans twee voet breed, -vijfendertig voet lang en van twee tot vier duim dik. Welke ontzettende -arbeid dit vereischte, zal iedereen ligt begrijpen.</p> - -<p>Te gelijker tijd trachtte ik mijne kudde van tamme geiten zooveel -mogelijk te vermenigvuldigen, en te dien einde gingen Vrijdag en de -Spanjaard den eenen dag, en Vrijdag en ik den anderen dag, beurtelings -uit, en vingen ongeveer twintig jonge geiten, om bij de overigen op te -kweeken, want als wij de moeder doodschoten, spaarden wij de jongen en -voegden die bij onze kudde. Maar vooral deed ik, toen de tijd tot het -droogen van druiven gekomen was, zulk eene groote menigte in de zon -hangen, dat ik geloof, als wij te Alicante, waar men de druiven in de -zon droogt, geweest waren, wij zestig tot tachtig vaten gevuld zouden -hebben. Deze maakten met ons brood, grootendeels onze spijs uit; en het -was een zeer goed voedsel, dat kan ik verzekeren, want zij zijn zeer -voedzaam.</p> - -<p>Het was nu herfst en de oogst stond zeer goed. Wel was hij niet zoo -overvloedig als ik wel eens beleefd had, maar toch voor ons oogmerk -voldoende, want van de tweeëntwintig schepels zaaikoorn, oogstten en -dorschten wij ongeveer tweehonderd-en-twintig schepels, en van de rijst -naar evenredigheid; hetwelk voor ons voedsel genoeg was tot aan den -volgenden oogst, al waren ook al de zestien Spanjaarden bij mij geweest, -of zoo wij tot eene reis gereed waren hadden wij hiermede ons ruim -kunnen provianderen voor eene reis naar iedere plaats, dat is te zeggen -van Amerika. Toen wij aldus ons koorn te huis gehaald hadden, gingen wij -aan het vlechten van groote manden om het in te bewaren, waarin de -Spanjaard vooral zeer handig was, die mij dikwijls laakte, dat ik -hiervan geene verdedigingsmiddelen maakte, maar ik zag er de -noodzakelijkheid niet van in.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_093.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Nu ik voor al de gasten, die ik verwachtte, genoeg te eten had, gaf ik -den Spanjaard verlof den overtogt te doen en te zien, wat hij kon doen -met de achtergeblevenen. Ik gaf hem een schriftelijken last, niemand -mede te brengen, die niet eerst in tegenwoordigheid van hem en den ouden -wilde gezworen had, dat hij op geenerlei wijze den persoon, dien hij op -het eiland vinden zou, die zoo goed was hen te hunner bevrijding af te -halen, zou beleedigen, bevechten of aanvallen, maar dat zij hem zouden -bijstaan en verdedigen tegen al zoodanige ondernemingen, en dat waar zij -ook gingen, zij geheel en al onder zijn bevel en gezag zouden staan, en -dat dit in schrift gesteld en door hen onderteekend zou worden. Hoe dat -laatste zou geschieden, daar ik wist, dat zij pen noch inkt hadden, was -eene zaak daar wij in het geheel niet over gedacht hadden.</p> - -<p>Met deze lastgevingen vertrokken de Spanjaard en de oude wilde, de vader -van Vrijdag, in een der kanoes, waarmede zij gekomen of liever gebragt -waren door de wilden om verslonden te worden. Ik gaf ieder een geweer en -zes of acht scherpe patronen mede, met last hiermede zuinig te zijn en -ze niet dan bij dringende noodzakelijkheid te gebruiken. Dit was voor -mij eene aangename verrigting, want het waren de eerste maatregelen, die -ik sedert meer dan zeven-en-twintig jaren, ter mijner bevrijding genomen -had. Ik gaf hun zooveel brood en rozijnen mede, als niet alleen genoeg -was voor hen gedurende een geruimen tijd, maar ook voor al hunne -landslieden voor acht dagen; en na hun goede reis gewenscht te hebben, -liet ik hen vertrekken, na een sein met hen afgesproken te hebben, dat -zij bij hunne terugkomst zouden laten waaijen, en waaraan ik hen op een -afstand en vóór zij aan den wal kwamen, kon herkennen.</p> - -<p>Zij vertrokken bij gunstigen wind en met volle maan, volgens mijne -rekening in de maand October, doch nadat eens mijne rekening van de -dagen in de war was geraakt, kon ik die nimmer weder in orde brengen; -zelfs wist ik niet zeker, of ik de jaren wel volkomen juist had -berekend, doch naderhand bleek het, dat mijne rekening van de jaren -volkomen juist was.</p> - -<p>Het was nu acht dagen, dat ik reeds op hen wachtte, toen een zeldzaam -en onverwacht voorval, en welks gelijken welligt niet in de geschiedenis -is vermeld, gebeurde. Ik lag op een morgen gerust te slapen toen Vrijdag -kwam binnenstuiven, luidkeels roepende: "Meester, meester, daar komen -zij, daar komen zij!"—Ik sprong op, en zonder om eenig gevaar te -denken, ging ik, zoodra ik mijne kleederen aangeschoten had, door mijn -boschje, dat thans een dik bosch geworden was, ik zeg, zonder aan eenig -gevaar te denken, ging ik zonder wapens uit, hetgeen anders mijne -gewoonte niet was; maar ik zag verbaasd op, toen ik, zeewaarts ziende, -op ongeveer een half uur afstands, eene boot naar den wal zag zeilen, -met eene gunstige koelte, zoodat zij spoedig moest aankomen. Ook merkte -ik thans op, dat zij niet van dien kant kwam waar het vaste land lag, -maar van het zuidelijkste einde van het eiland. Hierom riep ik Vrijdag -en gelastte hem zich te verbergen, want dat dit niet de lieden waren, -die wij verwachtten; en wij nog niet wisten of dit vrienden of vijanden -waren.</p> - -<p>In de eerste plaats ging ik mijn kijker halen, om te zien wat ik van hen -ontdekken kon, en na de ladder opgezet te hebben, klom ik naar den top -van den heuvel, gelijk ik gewoon was als ik ergens voor vreesde, en goed -wenschte te zien zonder ontdekt te worden. Ik had naauwelijks mijn voet -op den heuvel gezet, of ik ontdekte duidelijk een schip, dat op twee en -een halve mijl van mij af, maar slechts anderhalve mijl van het strand -in het Z. Z. O. voor anker lag, en scherper toeziende bemerkte ik -duidelijk, dat het een Engelsch schip, en de boot eene Engelsche sloep -was.</p> - -<p>Ik kan niet zeggen, hoezeer mij dit verraste; schoon de vreugde van een -schip te zien, hetwelk ik reden had te gelooven, dat door landgenooten -en dus bevriend volk van mij, bemand was, onbeschrijfelijk was, werd ik -echter door eene geheime en onverklaarbare angstvalligheid aangedreven, -om op mijne hoede te zijn. In de eerste plaats begreep ik niet wat een -Engelsch schip in dit oord kon komen doen, daar dit niet de weg was naar -of van eenig deel der wereld, waarop de Engelschen handel dreven; en ik -wist, dat er geen stormen geheerscht hadden, die hen daarheen hadden -kunnen slaan; zoodat als zij werkelijk Engelschen waren, zij met geen -goed oogmerk hier waren, en ik beter deed te blijven waar ik was dan in -de handen van dieven en moordenaars te vallen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 535px;"> -<img src="images/crusoe_094.jpg" width="535" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Laat niemand dit geheime voorgevoel van gevaar verachten, dat hij -somwijlen ontvangt, als hij zelfs aan de mogelijkheid van het gevaar -geen geloof kan slaan. Weinigen geloof ik, die gewoon zijn gade te slaan -wat er om hen heen gebeurt, kunnen ontkennen, dat ons zulke -waarschuwingen gegeven worden; wij kunnen niet dan die aan de werking -van eene onzigtbare magt, buiten ons, toeschrijven, en waarom zouden wij -niet onderstellen, dat die ons tot ons bestwil gegeven worden.</p> - -<p>Hetgeen er thans voorviel, levert hiervan een blijk op, want zoo deze -geheime stem mij niet tot behoedzaamheid had aangedreven, ware ik mijn -verderf in den mond geloopen, en in veel erger toestand dan te voren -geraakt, gelijk men zien zal.</p> - -<p>Ik was niet lang op den heuvel geweest, of ik zag de sloep digt langs -het strand komen, alsof men naar eene kreek zocht om haar in te brengen, -om gemakkelijker aan land te kunnen komen. Daar zij echter niet ver -genoeg gingen, zagen zij den kleinen inham niet, waar ik vroeger mijne -vlotten aan land gebragt had, maar zetten de boot op het strand op eene -halve (Eng.) mijl van mij af, hetgeen zeer gelukkig was, want anders -zouden zij als het ware voor mijne deur geland, en mij spoedig uit mijn -kasteel gejaagd, en welligt van alles beroofd hebben wat ik had.</p> - -<p>Toen zij aan wal waren zag ik duidelijk, dat het Engelschen waren, -althans de meesten; een of twee hield ik voor Hollanders, maar dit was -zoo niet. Er waren in het geheel elf mannen, waarvan drie ongewapend, en -naar ik meende, gebonden; en toen er vier of vijf van de eersten op -strand gesprongen waren, deden zij de drie gevangenen uit de boot gaan. -Een van de drie stelde zich aan als een wanhopige, de beide anderen -hieven slechts een paar malen de handen hemelwaarts, en schenen zeer -neêrslagtig, schoon niet zoo ontsteld als de eerste. Ik was geheel -verbaasd over hetgeen ik zag, en wist niet wat ik er van begrijpen -moest. Vrijdag riep mij toe: "O meester, gij ziet, dat de Engelsche -mannen ook hunne gevangenen opeten, zoo goed als de wilden!"—"Denkt -gij, dat zij hen zullen opeten, Vrijdag?" vroeg ik.—"Ja," zeide hij, -"zij zullen hen opeten."—"Neen, neen, Vrijdag," hernam ik, "ik vrees -wel, dat zij hen zullen vermoorden, maar gij kunt er op aan, dat zij hen -niet zullen opeten."</p> - -<p>Al dien tijd wist ik niet wat ik denken moest, maar stond te beven van -afschuw, daar ik ieder oogenblik verwachtte, dat de gevangenen vermoord -zouden worden; en zelfs zag ik, dat een der schurken zijn sabel ophief, -om een der gevangenen te dreigen, en ik verwachtte ieder oogenblik, hem -te zien toeslaan, bij welk gezigt mij het bloed in de aderen verstijfde. -Ik wenschte thans hartelijk, dat de Spanjaard en de oude wilde, die met -hem vertrokken was, bij mij waren, of dat ik eenig middel wist, om, -zonder ontdekt te worden, hen binnen bereik van mijn geweer te brengen, -om de drie mannen te verlossen, want ik zag geen vuurwapenen bij hen; -maar mij werd eene andere gelegenheid hiertoe verschaft.</p> - -<p>Nadat de matrozen deze drie lieden zoo mishandeld hadden, zag ik, dat -zij hier en daar heenzwierven, als om het land te gaan bezien. Ik -bemerkte ook, dat de drie mannen konden gaan, waar zij wilden, maar zij -bleven alle drie op het strand zitten in een allerneêrslagtigste -houding. Dit herinnerde mij hoe ik voor de eerste maal aan land kwam en -in het rond zag; hoe ik mij verloren achtte, hoe ik verwilderd in het -rond staarde, welken schrikkelijken angst ik uitstond, en hoe ik, uit -vrees voor wilde dieren, den geheelen nacht op een boom doorbragt. Even -als ik dien nacht niets wist van den onderstand, dien ik ontvangen zou, -doordien wind en tij het schip digter bij het land drijven zouden, -waardoor ik sedert zoo lang voedsel en kleederen had erlangd, evenzoo -wisten deze drie wanhopigen niet, hoe gewis zij op bijstand en -bevrijding konden rekenen, en hoe zij werkelijk in veiligheid Waren, -toen zij zich verloren en hunne zaak wanhopig achtten.</p> - -<p>Zoo weinig kunnen wij in de wereld vooruitzien, en zooveel reden hebben -wij om welgemoed van onzen Schepper te vertrouwen, dat hij zijne -schepselen niet zoo geheel zal verlaten, maar dat zij in de -ongelukkigste omstandigheden altijd stof tot dankbaarheid hebben, en -somtijds nader bij hunne redding zijn dan zij zich verbeelden, ja hunne -redding zelfs te danken hebben aan de middelen, die zij als oorzaak van -hun verderf beschouwen.</p> - -<p>Het water was juist op zijn hoogst toen deze lieden aan den wal kwamen, -en terwijl zij gedeeltelijk stonden te spreken met de gevangenen, die -zij medegebragt hadden, en gedeeltelijk rondzwierven om te zien, op -welke soort van plaats zij waren, hadden zij zorgeloos getoefd, totdat -de eb was doorgekomen, en hunne sloep hoog en droog op het strand zat. -Zij hadden twee man in de boot achtergelaten, die, gelijk ik naderhand -bevond, wat te veel brandewijn gedronken hadden en vast in slaap -gevallen waren. Een van hen echter ontwaakte, en vindende, dat hij de -boot niet in beweging kon brengen, riep hij zijne kameraden, die in de -nabijheid rondzwierven, maar zij waren met hun allen niet sterk genoeg, -om de sloep, die zeer zwaar was, vlot te krijgen, daar het strand aldaar -uit fijn en los zand bestond.</p> - -<p>In dezen staat van zaken gaven zij het op, als echte zeelieden, die van -alle menschen misschien het minste gewoon zijn aan voorzorgen te denken, -en gingen weder landwaarts in, en ik hoorde een hunner luid tot een -ander roepen, terwijl hij hem uit de boot riep: "Kom, Jack, laat haar -liggen; het volgende tij zal haar vlot maken." Hierdoor wist ik thans -zeker van welke natie zij waren.</p> - -<p>Al dien tijd hield ik mij verborgen, en durfde zelfs niet verder dan -mijn schuilhoek op den heuvel, mijn kasteel verlaten, en ik was blijde -als ik bedacht, hoe goed het versterkt was. Ik wist, dat de sloep niet -dan na tien uren vlot kon komen, en dan zou het duister zijn, en ik -hunne bewegingen gade slaan, en hunne gesprekken, als zij die voerden, -afluisteren. Middelerwijl maakte ik mij tot een gevecht gereed, even als -vroeger, maar met meer behoedzaamheid, daar ik wist, dat ik thans met -een geheel ander slag van vijanden dan de vorige te doen had. Ik -gelastte Vrijdag, die thans een zeer goed schutter was geworden, zich te -wapenen. Ik nam twee jagtgeweren en gaf hem drie geweren. Mijn voorkomen -was waarlijk schrikbarend genoeg. Ik had mijn rok van geitenvellen aan, -en mijne muts op, waarvan ik vroeger gesproken heb, een bloote sabel in -de hand, twee pistolen in mijn gordel, en op ieder schouder een geweer.</p> - -<p>Het was gelijk ik hiervoor zeide, mijn oogmerk, niets te ondernemen voor -het duister was, maar tegen twee ure, op het heetste van den dag, vond -ik, dat zij allen het bosch ingegaan, en waarschijnlijk in slaap -gevallen waren. De drie ongelukkigen, te ongerust over hunnen toestand -om te slapen, waren echter in de schaduw van een grooten boom gaan -zitten, ongeveer een kwartier van mij af, en naar ik meende, buiten het -gezigt van een der overigen. Ik besloot hierop mij aan hen te ontdekken, -en iets naders omtrent hunnen toestand te vernemen. Onmiddellijk trok -ik, in bovengemelde uitrusting op weg; en Vrijdag een eind weegs achter -mij, die om zijne wapens ontzag genoeg moest inboezemen, maar niet zulk -een schrikbarende spookgestalte als ik was. Ik naderde hen zonder -opgemerkt te worden, en toen, voor een hunner mij bespeurd had, riep ik -hen luid in het Spaansch toe: "Wie zijt gij, heeren?"</p> - -<p>Zij sprongen verbaasd op, maar stonden tienmaal meer verbijsterd, toen -zij mijn schrikbaarlijke gestalte zagen. Zij gaven geen antwoord, maar -ik verbeeldde mij, dat zij de vlugt wilden nemen, waarop ik hen in het -Engelsch toesprak: "Ontstel u niet, heeren; misschien vindt gij in mij -een vriend, naderbij u dan gij verwachtte."—"Dan moet gij regtstreeks -van den hemel gezonden zijn," zeide een hunner ernstig, en te gelijk den -hoed afnemende, "want menschelijke bijstand kan ons niet baten."—"Alle -bijstand komt van den hemel," zeide ik. "Maar kunt gij een vreemdeling -onderrigten, hoe hij u helpen kan, want gij schijnt in groote -ongelegenheid te zijn? Ik zag u toen gij aan land kwaamt, en toen gij de -kerels, die u hier bragten, iets scheent af te smeeken, zag ik, dat een -hunner zijne sabel tegen u ophief."</p> - -<p>De arme man, wien de tranen over het gelaat biggelden, stond geheel -verbijsterd, en zeide: "Spreek ik tot een mensch of tot een -engel?"—"Wees daar niet ontsteld over," zeide ik. "Zoo God u een engel -toegezonden had, zoude deze beter gekleed en anders gewapend zijn dan -ik. Leg uwe vrees af; ik ben een mensch, een Engelschman, en geneigd u -van dienst te zijn, dat ziet gij. Ik heb maar een knecht, doch wij -hebben kruid en lood. Zeg ons ronduit: kunnen wij u van dienst zijn? Wat -is het geval?"</p> - -<div class="figcenter" style="width: 515px;"> -<img src="images/crusoe_095.jpg" width="515" alt="" title="" /> -</div> - -<p>"Ons geval," zeide hij, "is te lang om u te verhalen, mijnheer, terwijl -onze moordenaars zoo nabij zijn; doch in korte woorden, ik was kapitein -op gindsch schip; mijn volk is aan het muiten geslagen; zij zijn met -moeite overgehaald om mijn leven te sparen, en hebben mij eindelijk op -dit woeste eiland aan land gezet, met deze twee lieden, mijn stuurman is -de eene, en de andere is een passagier, waar wij den dood verwachtten, -daar wij niet wisten, dat het eiland bewoond was, en nog niet weten wat -er van te denken."</p> - -<p>"Waar zijn die schelmen, uwe vijanden?" vroeg ik. "Weet gij waar zij -heengegaan zijn?"—"Daar zijn zij, mijnheer," zeide hij, naar een bosch -wijzende. "Ik beef van angst, dat zij ons gezien en u hebben hooren -spreken, want dan zullen zij ons zeker allen vermoorden."</p> - -<p>"Hebben zij vuurwapenen?" vroeg ik. Hij zeide, dat zij slechts twee -geweren hadden, waarvan een in de sloep was gebleven. "Welnu, laat dan -alles aan mij over," zeide ik. "Het is gemakkelijk hen allen te dooden, -maar willen wij ze niet liever gevangen maken?" Hij zeide, dat er twee -aartsschurken onder hen waren, wien het ongeraden was genade te -verleenen, maar dat hij geloofde, dat zoo zij vermeesterd waren, de -overigen wel tot hunnen pligt zouden terugkeeren. Ik vroeg hem wie dat -waren. Hij zeide, dat hij ze mij op dien afstand niet uitduiden kon, -maar dat hij bereid was, mij in alles te gehoorzamen.—"Welnu," zeide -ik, "laat ons dan buiten hun gehoor gaan, om hen niet wakker te maken, -en dan zullen wij verder zien." Zij gingen daarop met mij terug tot de -boomen, om voor hen verborgen te zijn.</p> - -<p>"Nu, mijnheer," zeide ik, "als ik het waag u te bevrijden, zult gij dan -twee voorwaarden met mij willen aangaan?" Hij kwam mijn voorstel voor -door mij te verzekeren, dat hij en zijn schip, als hij bevrijd werd, -geheel tot mijn bevel, en volkomen tot mijne beschikking waren, en dat -zoo het schip niet weder bekomen mogt worden, hij met mij wilde leven en -sterven, in welk werelddeel ik hem ook wilde voeren, en de twee anderen -zeiden hetzelfde.</p> - -<p>"Welnu," zeide ik, "ik heb slechts twee voorwaarden. Vooreerst, dat -zoolang gij hier op het eiland vertoeft, gij op geenerlei gezag hier -aanspraak maakt, en dat zoo ik u wapens ter hand stel, gij die bij alle -gelegenheden, mij zult teruggeven, en mij noch het mijne op dit eiland -eenige schade toebrengen, en middelerwijl mijne bevelen gehoorzamen.</p> - -<p>"Ten tweede, dat als het schip hernomen mogt worden, gij mij en mijne -goederen, zonder passagegeld te vorderen, naar Engeland zult medenemen."</p> - -<p>Hij gaf mij alle verzekeringen van zijne trouw, die hij slechts kon -bedenken, en dat hij aan deze allerbillijkste eischen zou voldoen, en -bovendien zoolang hij leefde erkennen zou, dat hij zijn leven aan mij te -danken had.</p> - -<p>"Welnu dan," zeide ik, "hier zijn drie geweren voor u met kruid en lood. -Zeg mij nu wat gij thans geraden acht te doen." Hij herhaalde zijne -betuigingen, maar bood aan, zich geheel door mij te laten leiden. Ik -zeide hem, dat het altijd gevaarlijk was wat wij ook ondernamen, maar -dat het best wat ik bedenken kon was, te gelijk op hen vuur te geven, in -hunnen slaap, en dat, als sommigen hunner bij deze eerste losbranding -niet gedood werden, en om genade vroegen, wij hen dan konden sparen, en -aldus aan de Voorzienigheid over te laten hoedanig onze kogels te -rigten. Hij antwoordde zeer menschlievend, dat hij ongaarne -menschenbloed zou vergieten, maar dat die twee lieden onverbeterlijke -schurken en de aanleggers der geheele muiterij waren; dat zoo zij -gespaard werden, zij zeker aan boord zouden terugkeeren en al het -scheepsvolk medebrengen en ons allen vermoorden. "Welnu," zeide ik, "dan -wettigt de noodzakelijkheid, hetgeen ik geraden heb, want het is het -eenigste middel om ons leven te sparen." Daar ik echter zag, dat hij nog -huiverde voor bloedvergieten, zeide ik, dat ik alles aan hem overliet, -en dat zij konden handelen, zoo als zij goed vonden.</p> - -<p>Onder dit gesprek hoorden wij, dat eenigen hunner ontwaakten, en kort -daarna zagen wij twee man vertrekken. Ik vroeg hem of een van deze ook -onder de belhamels behoorde. Hij zeide: "neen." "Welnu," zeide ik, "laat -hen dan gaan, de Voorzienigheid schijnt het, heeft hen doen ontwaken, om -hun leven te sparen. Zoo de overigen u nu ontgaan, is het uwe eigene -schuld."</p> - -<p>Hierdoor aangemoedigd nam hij het geweer op, dat ik hem gegeven had, en -stak een pistool in zijn gordel, en ging met zijne twee makkers, ieder -met een geweer in de hand, heen. De twee mannen, die bij hem waren en -vooruit gingen, maakten eenig gerucht, waardoor een der matrozen, die -wakker was, zich omkeerde, en hen ziende naderen, de overige te hulp -riep; maar het was te laat; want op het oogenblik, dat hij riep gaven -zij vuur, terwijl de kapitein wijsselijk zijn schot bespaarde. Zij -hadden zoo goed de mannen uitgekozen, die zij kenden, dat een hunner op -de plek dood bleef, en de ander zwaar gewond was; maar toch overeind -kwam, en de anderen luid te hulp riep. De kapitein echter trad naar hem -toe, en zeide hem, dat het thans te laat was om hulp te vragen, dat hij -God vergiffenis mogt vragen voor zijne euveldaden, en velde hem daarop -met de kolf van zijn geweer neder, en sloot hem den mond voor altoos. Er -waren nog drie over, waarvan een ligt gekwetst was. Thans was ik er bij -gekomen en toen zij hun gevaar zagen, en dat alle tegenstand vruchteloos -was, smeekten zij om genade. De kapitein zeide hun, dat hij hun leven -sparen zou, als zij hem betuigden, dat zij hunne verraderij verfoeiden, -en beloofden hem getrouw te zullen bijstaan in het hernemen van zijn -schip, en het terug te voeren naar Jamaica, vanwaar hij kwam. Zij gaven -hem alle beloften, die hij verlangde, en hij wilde gaarne hun leven -sparen, waar ik niet tegen was, evenwel ried ik hem hen aan handen en -voeten gebonden, te bewaren, zoolang hij op het eiland was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crusoe_096.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Terwijl dit voorviel zond ik Vrijdag met den stuurman naar de sloep, met -last die vast te leggen, en de riemen en het zeil er uit te nemen, -hetgeen zij deden, en kort daarop kwamen drie knapen, die, gelukkig voor -hen, van hunne rondzwervende makkers afgeraakt waren, terug op het -hooren der geweerschoten, en ziende, dat hun kapitein van hun gevangene -nu hun overwinnaar geworden was, onderwierpen zij zich om op dezelfde -wijze als de anderen gebonden te worden, en dus was onze overwinning -voltooid.</p> - -<p>Nu bleef er slechts over, dat de kapitein en ik elkander mededeelden wat -ons overkomen was. Ik begon het eerst en verhaalde hem mijne geheele -geschiedenis, die hij met opmerkzame verbazing aanhoorde, bijzonder over -de wondervolle wijze, waarop ik met levensmiddelen en kruid en lood -voorzien was geworden; en daar inderdaad mijne geheele geschiedenis eene -reeks van wonderen is, trof dezelve hem diep; maar wanneer hij -vervolgens om zichzelven dacht, en hoe ik scheen gespaard te zijn om hem -het leven te redden, liepen de tranen hem over het gelaat, en hij was -niet in staat een woord te uiten.</p> - -<p>Na deze mededeeling bragt ik hem en zijne twee makkers in mijn vertrek, -langs denzelfden weg, waarop ik er uitgekomen was, zette hun zoodanige -verkwikkingen voor als ik had, en wees hun al de inrigtingen, die ik -gedurende mijn lang, lang verblijf in deze plaats had tot stand gebragt. -Zij verwonderden zich over al wat ik hun aanwees, al wat ik hun -verhaalde, maar bovenal stond de kapitein verbaasd over mijne -verschansingen, en hoe volkomen ik mijn verblijf had verborgen door eene -reeks van boomen, die daar zij nu omstreeks twintig jaren gestaan -hadden, en het hout hier veel sneller groeide dan in Engeland, een klein -bosch en zoo digt was geworden, dat het overal ondoordringbaar was -geworden, behalve op die plaats waar een smal kronkelend pad liep. Ik -verhaalde hem, dat dit mijn kasteel en residentie was; maar dat ik, -gelijk de meeste vorsten een landverblijf had, waar ik nu en dan -heentrok, en dat ik hem bij gelegenheid zou aanwijzen, maar thans was -het zaak te bedenken hoe wij ons weder van het schip zouden meester -maken. Hij stemde zulks toe, maar bekende, dat hij volstrekt niet wist -wat maatregelen te nemen, want dat er nog zesentwintig man aan boord -waren, die daar zij in eene muiterij hadden deel genomen, waardoor zij -volgens de wet het leven verbeurd hadden, thans door wanhoop gedreven, -daarin zouden volharden, wetende, dat als zij zich onderwierpen, de galg -hun lot zou zijn, zoodra zij in Engeland of een der Engelsche koloniën -kwamen, en dat het derhalve ongeraden zou zijn hen met ons klein getal -aan te tasten.</p> - -<p>Ik dacht eenigen tijd na over hetgeen hij gezegd had, en vond zijne -gevolgtrekking allezins gegrond, en dat er derhalve tot nog niets anders -kon gedaan worden, dan het volk aan boord door verrassing in een -valstrik te lokken, zoodat zij niet aan land kwamen en ons vermoordden. -Het viel mij thans in, dat het scheepsvolk, niet begrijpende wat er van -hunne makkers en van de sloep geworden was, zeker binnen korten tijd in -de andere boot aan land zou komen, om hen op te zoeken, en dat zij dan -misschien gewapend en met te groote overmagt voor ons zouden komen; dit -moest hij ook toestemmen.</p> - -<p>Ik zeide hem daarop, dat het eerst wat ons te doen stond, was, een gat -in de sloep, die op het strand stond, te maken, en er alles uit te -nemen, zoodat zij onbruikbaar werd en geen zee kon bouwen. Diensvolgens -gingen wij er heen, namen er de wapens uit en wat wij er verder in -vonden, hetgeen bestond uit eene flesch brandewijn en eene met rum, -eenige scheepsbeschuiten, een kruidhoorn en een groot stuk suiker, in -een zeildoekschen zak; het stuk suiker was vijf of zes pond zwaar; en -dit alles was mij hoogst welkom, vooral de brandewijn en suiker, die ik -sedert vele jaren niet geproefd had. Toen wij dit alles aan wal gebragt -hadden (de riemen, mast, zeil en roer hadden wij, gelijk ik gezegd heb, -er reeds vroeger uitgenomen), hakten wij een groot gat in den bodem, -zoodat als zij in te groot getal voor ons kwamen, om hen te -overmeesteren, zij toch de boot niet konden medenemen.</p> - -<p>Ik had er weinig gedachten op, dat wij in staat zouden zijn het schip te -herwinnen; maar ik begreep, dat als zij vertrokken zonder de boot mede -te nemen, het ons gemakkelijk zou vallen die weder in staat te brengen, -om ons naar de benedenwinds eilanden te brengen, en onze vrienden, de -Spanjaarden, onder weg op te nemen, want ik had hen niet vergeten.</p> - -<p>Terwijl wij aldus onze toebereidselen maakten, en met alle man de boot -zoo hoog op het strand haalden, dat zij met hoog water niet weder vlot -kon komen, en er bovendien een gat van onderen in gehakt hadden, te -groot om gemakkelijk te stoppen, en zaten te overdenken wat ons thans te -doen stond, hoorden wij van het schip een schot doen, en zagen het eene -vlag hijschen, als een sein voor de boot om terug te keeren; maar er -kwam geene boot opdagen, en zij deden verscheidene schoten en maakten -andere seinen voor de boot.</p> - -<p>Toen eindelijk al hun seinen en schieten vruchteloos bleef, en hun boot -onbewegelijk bleef, zagen wij door mijn kijker hen eene andere boot -uitzetten, en naar den wal roeijen, en wij bespeurden, toen deze -naderkwam, dat er niet minder dan tien man in waren, en dat deze -vuurwapens bij zich hadden. Daar het schip bijkans twee mijlen van den -wal aflag, hadden wij een goed gezigt van hen toen zij aankwamen, en wij -konden zelfs hunne gelaatstrekken duidelijk zien, omdat, daar het getij -hen een weinig oostelijk medegesleept had, zij onder het strand -heenroeiden, om op dezelfde plaats, waar de andere boot lag, te landen.</p> - -<p>Hierdoor, zeide ik, konden wij hen duidelijk zien, en de kapitein, die -al de personen en hun karakter kende, zeide, dat er drie brave knapen -onder hen waren, die, hiervan was hij zeker, door de overigen door -bedreigingen tot de zamenspanning gedwongen waren; maar dat de -bootsman, die naar het scheen hun opperhoofd was, en al de overigen zoo -slecht waren als het verdere scheepsvolk, en ongetwijfeld in hunnen -aanslag zouden volharden. Hij beefde van angst, dat zij voor ons te -sterk zouden zijn.</p> - -<p>Ik lachte er om, en zeide, dat menschen in onzen toestand boven de vrees -verheven waren; dat aangezien schier elke bedenkelijke toestand beter -was dan die, waarin wij rekenen mogten te zijn, wij op bevrijding, -hetzij dan levend of door den dood, behoorden bedacht te zijn. Ik vroeg -hem wat hij van mijne lotgevallen dacht, en of hij niet meende, dat eene -bevrijding wel verdiende, dat men er iets voor waagde. "En waar," zeide -ik, "blijft uw geloof, dat ik hier gespaard ben geworden, ten einde u -het leven te redden, hetwelk u kort geleden zoo veel moeds gaf? Wat mij -betreft, ik vind in dit alles slechts eene zwarigheid."—"En welke is -die?" vroeg hij.—"Deze," antwoordde ik, "dat er, gelijk gij mij gezegd -hebt, drie of vier brave knapen onder hen zijn, die gespaard moeten -worden; zoo zij allen tot het slechtste deel van het scheepsvolk behoord -hadden, zou ik gedacht hebben, dat de Voorzienigheid hen uitgekozen had, -om hen in uwe handen te leveren; want reken er op, dat ieder man, die -aan wal komt, in onze magt is, en leven of sterven zal, naar gelang hij -zich gedraagt."</p> - -<p>Toen ik dit met eene krachtige stem en opgeruimd gelaat zeide, bemerkte -ik, dat hij wat meer moed schepte, en dus gingen wij onverwijld aan het -werk. Zoodra wij de sloep van het schip hadden zien afsteken, hadden wij -besloten de gevangenen afgescheiden van elkander en in veilige bewaring -te houden. Twee hunner, waarop de kapitein het minste staat maakte, zond -ik met Vrijdag en een der bevrijden naar mijne grot, waar zij goed -bewaard waren, en buiten gevaar van gehoord of ontdekt te worden, of uit -het bosch den weg te vinden als zij zich wisten los te maken. Hier -lieten zij hen gebonden achter, maar met levensmiddelen, en onder -belofte van, zoo zij zich stil hielden, binnen een dag of twee in -vrijheid gesteld te worden, maar dat zoo zij poogden te ontsnappen, zij -zonder genade ter dood gebragt zouden worden. Zij beloofden hunne -gevangenschap geduldig te dragen, en waren zeer dankbaar, dat zij zulke -goede levensmiddelen en licht hadden, want Vrijdag had hun eenige -kaarsen gegeven, en zij wisten niet beter of hij stond als schildwacht -aan den ingang.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crusoe_097.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De andere gevangenen werden beter behandeld; wel werden twee hunner -geboeid, omdat de kapitein hen niet vertrouwde, maar de beide anderen in -mijne dienst genomen op zijne aanbeveling, en hunne plegtige belofte van -met ons te leven en te sterven, dus waren wij met hen zeven man sterk, -en ik twijfelde niet of wij zouden tegen de tien, die er kwamen, -opgewassen zijn; vooral daar de kapitein zeide, dat er onder deze ook -drie of vier brave knapen waren.</p> - -<p>Zoodra zij aan de plaats kwamen, waar de andere sloep lag, liepen zij -met hunne boot op het strand, en kwamen allen aan wal, hetgeen mij zeer -verheugde, want ik was bang, dat zij de boot op eenigen afstand, en met -eenig volk er in, om er op te passen, zouden gelegd hebben; wij hadden -in dat geval de boot niet kunnen vermeesteren.</p> - -<p>Het eerst, dat zij, aan den wal gekomen, deden, was, dat zij naar de -andere sloep gingen, en wij zagen, dat zij zeer verbaasd stonden van -haar zonder roer of riemen, en met een gat in den bodem terug te vinden. -Na eenig nadenken begonnen zij uit alle magt te schreeuwen, ten einde -hunne makkers hen zouden hooren, doch dit hielp niet, toen gingen zij -allen bij elkander staan en gaven te gelijk vuur met hun klein geweer, -zoodat het door het bosch weergalmde, doch dit was even vruchteloos; die -in de grot waren konden het, dit wisten wij, niet hooren, en zij, die in -onze bewaring waren, hoorden het wel zeer goed, maar durfden er geen -antwoord op geven. Zij waren hierover zoo verbaasd, dat zij, gelijk zij -naderhand ons verhaalden, besloten dadelijk naar boord terug te keeren, -en daar te berigten, dat al hunne makkers vermoord, en in de boot een -gat gemaakt was, derhalve gingen zij allen weder in de boot en staken -onmiddellijk af.</p> - -<p>De kapitein was bij dit gezigt zeer ontsteld, daar hij geloofde, dat zij -naar boord terugkeeren en onder zeil zouden gaan, en hunne makkers als -verongelukt beschouwen; en hij het schip verliezen zou, dat hij nog -hoopte te herkrijgen; doch spoedig nam zijne ontsteltenis eene andere -rigting.</p> - -<p>Zij waren niet lang weg geweest of wij zagen hen terugkeeren, maar -ditmaal gingen zij anders te werk, gelijk zij naar het schijnt beraamd -hadden, namelijk, zij lieten drie man in de boot, terwijl de anderen aan -wal gingen en landwaarts in liepen om hunne makkers te zoeken. Dit was -voor ons eene groote teleurstelling, want nu wisten wij niet wat wij -doen zouden. Het zou ons niet gebaat hebben de zeven man, die aan land -waren, te vatten, zoo wij de overige lieten ontsnappen, die dan zeker -naar het schip roeijen zouden en onder zeil gaan, waardoor wij alle hoop -zouden verliezen van het schip te hernemen.</p> - -<p>Er was echter niet aan te doen dan af te wachten, welken loop de zaken -zouden nemen. De zeven matrozen stapten aan wal, en de drie, die in de -boot bleven, roeiden haar op een goeden afstand van den wal af, en -gingen daar voor anker liggen, om hen af te wachten, zoodat het ons -onmogelijk was hen te bereiken. Degenen, die geland waren, bleven digt -bijeen en klommen op den top van den heuvel, waar onder mijne woning -lag, en wij zagen hen duidelijk, schoon zij ons niet konden gewaar -worden. Wij zouden gaarne gezien hebben, dat zij digterbij waren -gekomen, zoodat wij op hen hadden kunnen vuren, of verder weggegaan, -zoodat wij naar buiten konden komen. Toen zij echter op den heuvel -geklommen waren, vanwaar zij een wijd uitzigt over de dalen en bosschen -hadden, die aan de noord-oostzijde, en waar het eiland het laagste was, -lagen, begonnen zij zoo hard te schreeuwen als zij konden, en daar zij, -naar het schijnt, het niet durfden wagen te ver van de kust te gaan, of -zich in kleine partijen te verdeelen, gingen zij onder een boom zitten -om te raadplegen. Zoo zij goedgevonden hadden daar te gaan slapen, zoo -als de anderen gedaan hadden, zouden zij ons ligt werk gemaakt hebben; -maar zij vreesden te veel gevaar om te durven slapen, schoon zij niet -wisten voor welk gevaar zij te vreezen hadden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_098.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Terwijl zij zaten te beraadslagen, deed de kapitein een zeer verstandig -voorstel. Hij begreep namelijk, dat zij weder allen te gelijk hunne -geweren zouden afvuren, ten einde hunne makkers dit zouden hooren, en -dan stelde hij voor hen te overvallen, op het oogenblik, dat hun -schietgeweer nog niet weder geladen was, wanneer zij zich waarschijnlijk -zouden overgeven, en wij ons zonder bloedstorting van hen meester maken. -Ik stemde hierin toe, mits het gebeuren kon als wij digt genoeg bij hen -waren, om bij hen te zijn voor zij weder konden geladen hebben. Zij -deden dit echter niet, en wij lagen nog een langen tijd, zonder te weten -wat wij zouden doen. Eindelijk zeide ik, dat naar mijn gevoelen er niets -kon gedaan worden voor het avond was, en dat als zij dan niet naar hunne -boot terugkeerden, wij misschien tusschen hen en het strand konden -komen, en door eene of andere list de matrozen in de boot aan land -lokken.</p> - -<p>Wij wachtten eene lange poos, zeer ongerust en zeer verlangend hen te -zien vertrekken. Eindelijk zagen wij hen na eene lange beraadslaging, -allen opstaan en naar het strand gaan. Het schijnt, dat zij zoo bevreesd -waren voor de gevaren van dit eiland, dat zij besloten hadden naar boord -terug te keeren, hunne verloren makkers in de steek te laten en hunne -voorgenomen reis met het schip te vervolgen.</p> - -<p>Zoodra ik hen naar het strand zag gaan, verbeeldde ik mij, gelijk het -waarlijk was, dat zij hunne nasporingen hadden opgegeven, en terug -wilden keeren, en de kapitein wien ik mijn vermoeden mededeelde, bezweek -schier van angst. Ik had echter thans eene krijgslist bedacht om hen -terug te lokken, die mij volmaakt gelukte.</p> - -<p>Ik gelastte Vrijdag en den stuurman, de kleine kreek westwaarts, waar de -wilden met Vrijdag bij zich aan land waren gekomen, over te trekken, en -zoodra zij op eene kleine hoogte op ongeveer een half kwartier uurs -afstand gekomen waren, zoo hard te schreeuwen als zij konden, en te -wachten of zij bespeurden, dat de matrozen hen hoorden, dat zoodra zij -dezen hun hoorden antwoorden, zij weder moesten roepen, en dan steeds -uit hun gezigt blijvende, in de rondte trekken, altijd op het geroep der -anderen antwoordende, ten einde hen zoo ver landwaarts in en tusschen de -bosschen te lokken, als mogelijk was, en dan weder op de wijze als ik -hun voorschreef, tot mij terug keeren.</p> - -<p>Zij gingen juist in de boot toen Vrijdag en de stuurman begonnen te -roepen. Zij hoorden en antwoordden hen en liepen westwaarts het strand -langs, op de stemmen af, die zij gehoord hadden. Hier stuitten zij op de -kreek, waar zij, daar het hoog water was, niet over konden, en de -matrozen in de boot riepen om bij hen te komen en hen over te zetten, -gelijk ik vermoed had.</p> - -<p>Nadat deze hen overgezet hadden, zag ik, dat zij de boot een goed eind -weegs in de kreek, en dus als het ware in een haven gelegd hadden; zij -namen dan ook een van de drie man er uit met hen mede, en lieten er -slechts twee in de boot, die zij met een touw aan den stam van een boom -hadden vastgemaakt.</p> - -<p>Dit was juist wat ik verlangde, en terwijl ik Vrijdag en den stuurman -aan hunne taak liet, nam ik de overigen mede, en na de kreek buiten hun -gezigt overgetrokken te zijn, verrasten wij de twee man, waarvan een op -het strand en een in de boot zat, voor zij ons bemerkt hadden. Die aan -den wal was half slapende, en wilde juist opspringen, toen de kapitein, -die de voorste was hem nedervelde, en daarop den matroos in de boot -gelastte zich over te geven als hij zijn leven lief had. Er was weinig -aandrang noodig om den man te bewegen zich over te geven, toen hij zijn -makker geveld, en vijf lieden voor zich zag; bovendien was dit, naar het -schijnt, een van de drie, die niet zoo ijverig als de overigen in de -muiterij had deel genomen, en derhalve werd hij niet alleen gemakkelijk -overreed om zich over te geven, maar later ook om gemeene zaak met ons -te maken.</p> - -<p>Middelerwijl hadden Vrijdag en den stuurman zich zoowel van hunne taak -gekweten, dat zij de matrozen door hun geroep van den eenen heuvel naar -den anderen, en van het eene boschje in het andere gelokt hadden, totdat -zij hen niet alleen verschrikkelijk afgemat, maar ook verlaten hadden -met de zekerheid, dat zij voor den donker den weg niet naar de boot -zouden kunnen terugvinden, en zij zelven waren geheel afgemat toen zij -bij ons terugkwamen. Wij hadden nu niets anders te doen dan hen in het -duister te bespieden en te overvallen, om ligt werk met hen te hebben.</p> - -<p>Verscheidene uren, nadat Vrijdag bij mij teruggekomen was, kwamen zij -weder bij hunne boot, en lang voor zij bij ons waren, hoorden wij de -voorsten de achtersten van hen toeroepen: toch spoed te maken, en wij -hoorden de laatsten antwoorden, en klagen hoe zij lam van vermoeijenis -waren en niet harder voort konden, hetgeen voor ons eene aangename -tijding was. Eindelijk kwamen zij aan de boot, maar onmogelijk is het -hunne verbijstering te beschrijven, toen zij de boot vast zitten, het -water afgeloopen en hunne twee makkers verdwenen vonden. Wij hoorden hoe -zij elkander op den klagendsten toon toeschreeuwden, dat zij op een -betooverd eiland waren, dat er of inwoners op waren, die hen allen -zouden vermoorden, of dat het door duivels of helsche geesten bewoond -was, die hen verscheuren of naar de hel slepen zouden.</p> - -<p>Zij begonnen weder te schreeuwen en hunne makkers herhaalde malen bij -hunnen naam te roepen. Na eenigen tijd konden wij hen bij het weinige -licht, dat er was, als wanhopigen en de handen wringende, heen en weder -zien loopen; somwijlen gingen zij om wat te rusten in de boot zitten, -dan weder sprongen zij op den wal en liepen heen en weder, en zoo -telkens weder.</p> - -<p>Mijn volk had gaarne verlof van mij willen hebben, om hen in het duister -te overvallen; maar ik wilde er zooveel van sparen, en zoo weinig van -doodschieten als mogelijk, en vooral wilde ik niet gaarne een van ons -volk aan het gevaar blootstellen van een kogel van hen te ontvangen; -daar ik wist, dat zij zeer goed gewapend waren. Ik besloot af te wachten -of zij zich niet zouden verdeelen, en om derhalve te beter de overmagt -op hen te hebben, liet ik mijne hinderlaag naderbij rukken, en gelastte -Vrijdag en den kapitein op handen en voeten, en zoo digt langs den grond -als zij konden, naar hen toe te kruipen en hen zoo digt mogelijk te -naderen, alvorens zij vuur gaven. Niet lang waren zij in die houding -gebleven of de bootsman, die de voornaamste belhamel van de muiterij was -geweest, en die zich van allen het snoodst en laaghartigst gedragen had, -kwam met nog twee van het volk naar hen toe. De kapitein werd woedend, -toen hij den voornaamsten aanlegger zoo digt onder zijn bereik zag, dat -hij zich naauwelijks tijd gunde om hem zoo digt te laten naderen, dat -hij zeker van hem was, want hij had nog alleen zijne stem gehoord; maar -toen zij naderkwamen sprongen de kapitein en Vrijdag op de been en gaven -vuur op hen. De bootsman viel dood neder; de man, die bij hem was, had -een kogel in het lijf gekregen en viel naast hem, schoon hij eerst een -paar uur daarna stierf, en de derde liep weg.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 545px;"> -<img src="images/crusoe_099.jpg" width="545" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen ik het vuren hoorde, rukte ik onmiddellijk met mijn geheele leger -op, dat thans uit acht man bestond, te weten, ik als generaal en chef, -Vrijdag als mijn luitenant-generaal; de kapitein en zijne twee lieden, -en de drie gevangenen, dien wij wapens hadden toevertrouwd. Wij -overvielen hen in het duister, zoodat zij ons getal niet zien konden, -en ik liet den man, dien zij in de boot hadden achtergelaten, en nu tot -onze partij behoorde, hen bij hunne namen noemen, om te trachten met hen -tot onderhandeling te komen, hetgeen volkomen naar wensch uitviel. Zoo -riep hij, zoo hard hij kon, tot een hunner: "Thomas Smith! Thomas Smith! -Thomas Smith!"—Thomas Smith antwoordde dadelijk: "Wie is daar, is het -Robinson?" want hij scheen de stem te herkennen. De ander Antwoordde: -"Ja, ja, om Gods wil, leg de wapens neder, Thomas Smith, en geef u over, -of gij zijt allen kinderen des doods!"</p> - -<p>"Aan wie moeten wij ons overgeven? Waar zijn zij?" riep Thomas Smith -weder. "Hier zijn zij," antwoordde de ander. "Hier is onze kapitein met -vijftig man, die u twee uren lang heeft nagezeten. De bootsman is -doodgeschoten, Willem Frije gewond en ik gevangen, en zoo gij u niet -overgeeft, zijt gij allen verloren."</p> - -<p>"Zal men ons dan kwartier geven als wij ons overgeven?" vroeg Thomas -Smith. "Ik zal heengaan en het vragen, als gij belooft u over te geven," -zeide Robinson. Hij vroeg het den kapitein, en deze riep: "Thomas Smith, -gij kent mijne stem, zoo gij dadelijk de wapens nederlegt en u -overgeeft, zal u allen het leven geschonken worden, behalve aan Willem -Atkins."—Dit hoorende, begon Willem Atkins te roepen: "Om Gods wil, -kapitein, geef mij kwartier. Wat heb ik misdreven? Zij zijn allen even -slecht geweest als ik," hetwelk eigenlijk niet waar was, want het -schijnt, dat Willem Atkins de eerste was geweest, die de hand aan den -kapitein had durven slaan, en hem ruw behandeld, de handen gebonden, en -uitgescholden had. Echter zeide de kapitein hem, dat hij zich op genade -of ongenade moest overgeven, en op de genade van den gouverneur hopen, -waarmede hij mij meende, want allen noemden mij gouverneur.</p> - -<p>Om kort te gaan, allen legden de wapens neder en smeekten om -lijfsgenade, en ik zond den man, die met hen gesproken had, met nog twee -af, die hen allen bonden; en toen rukte mijn leger van vijftig man op, -maar dat met die drie eigenlijk uit acht man bestond, en maakte zich van -hen en van hunne boot meester, schoon ik mij met nog een man, uit -staatkundige redenen, buiten gezigt hield.</p> - -<p>Ons eerste werk was thans de boot weder in orde te brengen, en te denken -om de herovering van het schip, en de kapitein, die nu den tijd had om -met hen te onderhandelen, haalde hen scherp door over hun schelmsch -gedrag jegens hem, en vervolgens over hunne verdere snoode oogmerken, en -hoe dit alles op het laatst hen gewis tot ellende en armoede en -misschien tot de galg moest leiden. Zij schenen allen vol berouw en -smeekten ootmoedig om genade. Hierop zeide hij, dat zij niet zijn -gevangenen, maar van den kommandant van het eiland waren; dat zij -gedacht hadden hen in een woest onbewoond eiland aan wal te zetten, maar -dat het God behaagd had dit anders te beschikken, dat het eiland bewoond -en de gouverneur een Engelschman was; dat hij hen allen kon ophangen als -hij het goed vond; maar dat, daar hij hun allen lijfsgenade geschonken -had, hij begreep, dat hij hen naar Engeland zou zenden om daar aan de -justitie overgeleverd te worden; behalve Atkins, dat de gouverneur hem -gelast had dezen aan te zeggen, dat hij zich ter dood moest bereiden, -want dat hij met den morgenstond zou opgehangen worden.</p> - -<p>Schoon dit alles slechts een verdichtsel van hem was, had het echter de -gewenschte uitwerking, Atkins viel op zijne knieën om des kapiteins -voorspraak bij den gouverneur om zijn leven, en al de overigen smeekten -hem, om Gods wil, niet naar Engeland gezonden te worden.</p> - -<p>Thans begreep ik, dat het tijdstip onzer bevrijding naderde, en dat het -gemakkelijk zou zijn, deze knapen tot een aanslag op het schip over te -halen. Dus sloop ik in het duister vandaar weg, opdat zij niet zien -zouden wat slag van een gouverneur zij hadden, en ontbood den kapitein -tot mij. Toen ik op een afstand was, werd een der mannen bevolen als -voren te spreken, en te zeggen: "kapitein, de kommandant laat u roepen!" -De kapitein antwoordde: "zeg aan zijne excellentie, dat ik -oogenblikkelijk kom." Dit bragt hen geheel in den waan, dat ik met mijne -vijftig man vlak in de nabijheid stond. Toen de kapitein bij mij kwam, -deelde ik hem mijn ontwerp om het schip te overmeesteren mede, waarmede -hij van harten instemde, en wij besloten het den volgenden morgen ten -uitvoer te brengen. Ten einde het echter te geruster en goed doordacht -te verrigten, zeide ik hem, dat wij de gevangenen moesten verdeelen, en -dat hij Atkins en nog twee van de ergsten gebonden naar de grot moest -laten brengen. Dit werd aan Vrijdag en de twee mannen, die met den -kapitein aan wal gekomen waren, toevertrouwd. Zij bragten hen naar de -grot, alsof dit de gevangenis was, en werkelijk was het eene treurige -plaats, vooral voor lieden in hunnen toestand.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crusoe_100.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De anderen liet ik naar mijne buitenplaats brengen, die ik hiervoor -uitvoerig genoeg beschreven heb, en daar deze omheind en zij gekneveld -waren, was de plaats sterk genoeg om hen te bewaren. Naar deze zond ik -in den ochtend den kapitein om met hen in onderhandeling te treden, -namelijk hen te toetsen en mij te zeggen, of hij het geraden achtte hen -mede naar boord te nemen om het schip te verrassen. Hij sprak hen aan -over hunne handelwijze jegens hem, den toestand, waarin zij zich gebragt -hadden, en zeide, dat schoon de gouverneur hen allen voor het oogenblik, -lijfsgenade geschonken had, zij allen naar Engeland gevoerd en daar -ongetwijfeld in ketens opgehangen zouden worden; maar, dat als zij mede -wilden werken tot het heroveren van het schip, hij den gouverneur zou -overhalen hun pardon te geven.</p> - -<p>Iedereen kan begrijpen, hoe gretig menschen in hunnen toestand zulk een -voorstel aannemen, zij vielen voor den kapitein op de knieën, en -beloofden hem met de krachtigste betuigingen, dat zij hem tot den -laatsten druppel bloeds zouden bijstaan, hun leven lang hem zouden -dankbaar zijn en hem door de geheele wereld volgen, en zoolang zij -leefden zijn gedrag als dat van eenen vader jegens hen beschouwen.</p> - -<p>"Nu," zeide de kapitein, "ik zal den gouverneur mededeelen, wat gij -zegt, en zien wat ik doen kan, om hem over te halen." Hij verhaalde mij -daarop hunne gemoedsgesteldheid, en dat hij geloofde, dat zij inderdaad -getrouw zouden zijn. Om echter zeker te gaan, zeide ik hem, dat hij -terugkeeren zou en vijf van hen uitkiezen, en zeggen, dat zij zien -zouden, dat wij hunne hulp niet noodig hadden; maar dat hij deze vijf -zou medenemen om hem bij te staan, en dat de gouverneur de andere twee -benevens de drie, die als gevangenen naar het kasteel (mijne grot) -gezonden waren, als gijzelaars zou houden, en dat zoo zij hunnen pligt -niet getrouw volbragten, deze vijf gijzelaars allen in ketens op het -strand zouden opgehangen worden.—Dit zag er ernstig uit, en overtuigde -hen, dat de gouverneur het ernstig meende; er schoot hun echter niet -anders over dan het aan te nemen, en het was thans evenzeer het belang -van de achterblijvende gevangenen als van den kapitein, de anderen te -overreden, zich trouw van hunnen pligt te kwijten.</p> - -<p>Onze strijdmagt voor den kapitein werd thans geregeld als volgt: -Eerstelijk de kapitein, zijn stuurman en de passagier. Dan de twee -gevangenen van den eersten troep, dien ik op aanbeveling van den -kapitein, hunne vrijheid gegeven, en wien ik wapens toevertrouwd had. -Ten derde, de andere twee, die ik tot nu toe in mijne buitenplaats -bewaard, maar op des kapiteins verzoek ontslagen had. Ten vierde, de -vijf die het laatst ontslagen waren, zoodat zij in alles met hun -twaalven waren, behalve vijf, die wij als gijzelaars in de grot hadden -achtergehouden. Ik vroeg den kapitein of hij met dit volk het durfde -wagen het schip te enteren, want dat ik het best oordeelde, dat ik en -mijn knecht Vrijdag niet medegingen, omdat zij zeven man hier -achterlieten en wij genoeg te doen hadden met hen gescheiden te houden -en van levensmiddelen te voorzien. Wat aangaat de vijf man in de grot, -ik besloot hen daar te houden, en Vrijdag ging tweemaal des daags hun -levensmiddelen brengen. De twee andere gevangenen droegen de leeftogt -een eind weegs en dan nam Vrijdag ze hen af.</p> - -<p>Toen ik mij aan de twee gijzelaars vertoonde, was ik vergezeld van den -kapitein, die hun zeide, dat ik afgezonden was door den gouverneur, en -dat deze gelast had, dat zij niets zouden doen zonder mijn bevel, en zoo -zij dit bevel overtraden, zouden zij naar het kasteel gebragt en daar in -de boeijen geslagen worden. Daar ik als gouverneur nimmer voor den dag -was gekomen, verscheen ik nu als een ander persoon, en sprak waar het te -pas kwam van den gouverneur, van de bezetting, het kasteel en -dergelijke.</p> - -<p>De kapitein had nu niet anders te doen dan zijne booten gereed te maken, -het lek in de eene te stoppen, en ze te bemannen. Hij gaf zijn passagier -het bevel over de eene boot met vier man, en ging zelf met zijn stuurman -en de vijf overigen in de andere. Zij overlegden hunne zaak goed, zoodat -zij tegen middernacht aan boord kwamen. Zoodra zij digtbij genoeg waren, -deed hij Robinson het scheepsvolk toeroepen en hem zeggen, dat zij het -volk in de sloep terugbragten, maar dat het lang geduurd had, eer zij -hen hadden kunnen vinden. Aldus hield hij hen aan de praat, totdat zij -aan boord kwamen, waarop de kapitein en zijn stuurman, die het eerst met -hunne wapens op het dek gesprongen waren, dadelijk den tweeden stuurman -en den timmerman met de kolf van hunne geweren nedervelden, terwijl hun -volk hen dapper bijstond. De overigen, die op het halfdek en den bak -waren, maakten zij gevangen, en gingen de luiken digt maken, om hen, die -beneden waren, daar te houden, toen het volk van de andere boot over de -fokkerusten klom, en het voorschip en de kombuis, waarin drie man waren, -vermeesterden.</p> - -<p>Toen dit afgeloopen was, gelastte de kapitein den stuurman met drie man -de kajuit open te breken, waar de nieuwe kapitein lag, die het alarm -gehoord had, en met twee man en een jongen zich van vuurwapens voorzien -had; en toen de stuurman met een koevoet de deur opengebroken had, gaf -de nieuwe kapitein met zijne makkers vuur op hen en wondde den stuurman -in zijn arm met nog twee man, doch niemand werd er gedood.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crusoe_101.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De stuurman riep om hulp doch drong te gelijk de kajuit binnen, zoo -gewond als hij was, en schoot met een pistool den nieuwen kapitein dwars -door de keel, zoodat de kogel zijn mond inging, achter het oor weder -uitkwam en hij zonder een woord te uiten, dood nederviel, waarop de -anderen zich overgaven en het schip zonder meer bloedvergieten hernomen -was. Zoodra de kapitein weder meester van zijn schip was, liet hij -zeven schoten doen, welk sein hij met mij afgesproken had, om mij van -den goeden uitslag te verwittigen. Men kan denken of ik verheugd was dit -te hooren, daar ik tot bijkans twee uren in den morgen er op had zitten -wachten.</p> - -<p>Na het sein gehoord te hebben, begaf ik mij te rust, en daar ik dien dag -vele vermoeijenissen had doorgestaan, sliep ik zeer vast tot ik door een -geweerschot gewekt werd, en op de been springende, hoorde ik iemand mij -roepen: "gouverneur! gouverneur!" en herkende de stem van den kapitein, -die den heuvel opgeklommen, op het schip wees. Hij drukte mij in zijne -armen. "Mijn waarde vriend en redder," zeide hij, "daar ligt uw schip, -want het is geheel ter uwer beschikking, even als wij en al wat tot het -schip behoort." Ik sloeg mijne oogen op het schip, dat op ongeveer eene -halve (Eng.) mijl van het strand voor anker lag; want zoodra zij het -vermeesterd hadden, hadden zij het anker geligt, en daar het fraai weder -was het vlak voor den mond van eene kleine kreek gelegd, en daar het -hoog water was, was de kapitein met de pinnas tot bij de plaats -gekomen, waar ik het eerst mijne vlotten aan land gebragt had, en dus -als het ware vlak voor mijne deur geland.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 485px;"> -<img src="images/crusoe_102.jpg" width="485" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik dacht in den beginne van verrassing door den grond te zinken, want nu -zag ik inderdaad mijne redding zigtbaar voor oogen, alles was in orde, -en een goed schip gereed mij te brengen, waarheen ik verlangde. Eerst -was ik eenigen tijd niet in staat een woord te antwoorden, maar daar hij -mij in zijne armen gesloten had, hield ik mij aan hem vast, want ik was -bang van op den grond neder te zijgen. Hij bespeurde mijne verrassing en -eene flesch uit zijn zak halende, gaf hij mij dadelijk een hartsterking, -die hij opzettelijk voor mij had medegebragt. Na gedronken te hebben, -ging ik op den grond zitten, en schoon ik weder tot mijzelven was -gekomen, duurde het nog eene geruime poos voor ik een woord tot hem -spreken kon. Al dien tijd was de arme man even verrukt als ik, schoon -niet zoo van verrassing; echter zeide hij mij duizend dingen om mij tot -bedaren te brengen; maar mijn hart was zoo vervuld van vreugde, dat mijn -geest geheel verbijsterd was; eindelijk barstte ik in een vloed van -tranen uit, en kort daarop was ik weder in staat te spreken.</p> - -<p>Toen omhelsde ik hem op mijne beurt als mijn bevrijder, en onze vreugde -was wederkeerig. Ik zeide, dat ik hem als iemand beschouwde, dien de -hemel ter mijner redding gezonden had, en dat al wat er gebeurd was, -eene reeks van wonderen scheen; dat zulke dingen een blijk van het -onzigtbaar wereldbestier der Voorzienigheid waren, en een bewijs, dat de -oogen van den Almagtige tot in de afgelegenste schuilhoeken der aarde -doordringen, en de ongelukkigen te hulp kwamen als het zijne wijsheid -behaagde.</p> - -<p>Ik vergat niet mijn hart dankbaar hemelwaarts te verheffen, en welk hart -kon nalaten Hem te danken, die niet alleen iemand wonderdadig in de -wildernis verzorgd had, en in zulk een jammerlijken verlaten toestand, -maar van wien altijd elke redding erkend moet worden afkomstig te zijn?</p> - -<p>Na eene poos gesproken te hebben verhaalde de kapitein mij, dat hij -eenige ververschingen, die hij aan boord had, en waarvan de schelmen, -die er eenigen tijd meester van waren geweest, hem niet beroofd hadden, -voor mij had medegebragt. Daarna riep hij het bootsvolk toe, dat zij de -presenten voor den Gouverneur aan den wal zouden brengen; en inderdaad -waren het geschenken, die voor een Gouverneur voegden, en alsof ik niet -met hen zou medereizen, maar op het eiland blijven wonen, en zij zonder -mij vertrekken.</p> - -<p>Eerstelijk had hij mij eene flesschenkelder met uitmuntende likeuren, -zes groote flesschen, ieder van twee pinten, maderawijn, twee pond -besten tabak, twaalf stukken ossenvleesch, en zes stukken spek, met een -zak erwten en een honderd pond beschuit medegebragt.</p> - -<p>Wijders bragt hij mij een kistje met suiker, een kistje met fijn meel, -een kistje met limmetjes en twee flesschen citroensap mede, benevens -eene menigte andere dingen. Maar bovendien bragt hij, hetgeen mij -duizendmaal nuttiger was, mij zes schoone, nieuwe hemden, zes zeer goede -halsdoeken, twee paar handschoenen, een paar schoenen, een hoed en een -zeer goeden broek van hem zelven, met één woord, hij stak mij van top -tot teen in de kleeren. Dit was voor iemand in mijne omstandigheden een -zeer aangenaam geschenk, gelijk men ligt denken kan, maar nimmer viel -een ding in de wereld mij zoo onaangenaam en ongemakkelijk, of ging mij -zoo linksch af, als het dragen van die kleederen, toen ik ze pas -aangetrokken had.</p> - -<p>Nadat dit afgeloopen en al de goederen in mijn klein verblijf gebragt -waren, begonnen wij raad te plegen, wat met onze gevangenen te doen; -want het was eene zaak van rijp overleg, of wij het wagen zouden hen -mede te nemen, of niet, vooral een paar van hen, die in den hoogsten -graad onverbeterlijk en muitziek waren; en die de kapitein zeide, als -zulke schelmen te kennen, dat er geen goed aan te doen was, en dat als -hij ze meênam, dit in de boeijen moest zijn, om ze in de eerste -Engelsche kolonie, daar hij binnen vallen kon, aan de regtbank over te -geven. Hiervan vond ik, dat de kapitein niet af te brengen was.</p> - -<p>Hierop zeide ik, dat, als hij het verlangde, ik op mij nam de twee -kerels zoo ver te brengen, dat zij zelfs verzoeken zouden op het -eiland te mogen blijven. "Met al mijn hart," zeide de kapitein; "niets -zou mij aangenamer zijn."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 650px;"> -<img src="images/crusoe_103.jpg" width="650" alt="" title="" /> -</div> - -<p>"Goed," zeide ik, "ik zal hen laten halen en in uw bijzijn met hen -spreken." Ik zond dus Vrijdag en de twee gijzelaars, die thans, omdat -hunne kameraden hun woord hadden gehouden, losgelaten waren, naar de -grot, en liet hen de vijf man, zoo gebonden als zij waren, naar mijn -priëel brengen. Eenigen tijd daarna kwam ik daar in mijn nieuw gewaad -aanstappen, en heette nu weder Gouverneur. Toen de kapitein bij mij was, -liet ik het volk voor mij brengen, en zeide hun thans een volledig -verslag van hunne schelmsche handelwijze van den kapitein ontvangen te -hebben, en hoe zij met het schip hadden willen vertrekken, en verdere -rooverijen bedrijven, maar dat de Voorzienigheid hen in den kuil had -doen vallen, dien zij voor anderen gegraven hadden. Ik zeide hun, dat -men op mijn bevel zich van het schip verzekerd had, dat nu op de reede -lag, en dat zij zien konden hoe hun nieuwe kapitein de belooning voor -zijn verraderij had bekomen, want dat zij hem aan den nok van de ra -konden zien hangen. Dat ik thans verlangde te weten of zij iets hadden -bij te brengen, waarom ik hen niet, als zeeroovers, op heeterdaad -betrapt, ter dood zou doen brengen, waartoe mijne aanstelling mij -ontwijfelbaar regt gaf.</p> - -<p>Een hunner antwoordde voor de overigen, dat zij niets hadden bij te -brengen, dan alleen, dat de kapitein, toen zij gevangen genomen waren, -hun lijfsbehoud had toegezegd, en dat zij mijne barmhartigheid inriepen. -Ik zeide echter, dat ik niet wist, welke barmhartigheid ik hun zou -bewijzen, daar ik besloten had met al mijn volk het eiland te verlaten, -en met den kapitein den overtogt naar Engeland te doen. De kapitein kon -hen niet anders naar Engeland medenemen dan als gevangenen in de ijzers, -om daar wegens muiterij en zeeroof teregt te staan; waarvan, gelijk zij -wisten, de galg het einde zou zijn, zoodat ik hun niet zeggen kon wat -voor hen het best was, ten ware zij besloten hadden hun lot op het -eiland te beproeven, hetgeen mij, daar ik verlof had het te verlaten, -onverschillig was, en dat ik niet ongeneigd was hun het leven te -schenken, als zij begrepen, dat zij zich aan den wal zouden kunnen -redden. Hiervoor schenen zij zeer dankbaar te zijn, en verklaarden veel -liever hier te willen blijven dan naar Engeland te gaan, om daar -opgehangen te worden; dus liet ik het daarbij berusten. De kapitein -maakte echter eenige tegenwerpingen, alsof hij hen daar niet mogt -achterlaten. Ik hield mij hierop zeer boos, en zeide den kapitein, dat -zij mijne gevangenen en niet de zijne waren, en dat ik, na hun deze -gunst beloofd te hebben, mijn woord zou houden, en als hij er iets tegen -had, hij maar zien moest, dat hij hen weder in zijne magt kreeg, als hij -kon.</p> - -<p>Zij schenen hiervoor zeer dankbaar, en ik stelde hen in vrijheid, met -last het bosch in te gaan, vanwaar zij gekomen waren, en de belofte van -eenige geweren en kruid en lood, benevens aanwijzingen hoe zij, als zij -wilden, hier een zeer goed leven konden leiden. Vervolgens maakte ik mij -gereed aan boord te gaan, maar zeide den kapitein, dat ik dien nacht aan -wal zou blijven, om mijne goederen gereed te maken, maar dat hij -middelerwijl het schip in orde brengen en den volgenden morgen de boot -naar den wal zenden zou om mij te halen; terwijl ik hem tevens gelastte -den nieuwen kapitein, die doodgeschoten was, aan den nok van de ra te -laten hangen, opdat het volk hier hem zou kunnen zien.</p> - -<p>Toen de kapitein vertrokken was, liet ik de matrozen bij mij in mijn -verblijf komen, en hield een ernstig gesprek met hen over hunnen -toestand. Ik zeide, dat hunne keus zeer verstandig was, want dat, zoo de -kapitein hen medenam, zij zeker zouden opgehangen worden. Ik wees hun -hun vorigen aanvoerder, die aan den nok van de ra hing, en zeide, dat -zij niets minder te wachten hadden. Toen zij allen verklaard hadden te -willen achterblijven, zeide ik hun, hun mijn geheelen levensloop aldaar -te zullen verhalen, en te dien einde verhaalde ik hun hoe het eiland -was, hoe ik er gekomen was; toonde hun mijne verschansingen, hoe ik er -mijn brood gebakken, mijn koorn geplant, mijne druiven gedroogd had, in -een woord, al wat hun van nut kon zijn. Ook verhaalde ik hun van de -zestien Spanjaarden, die verwacht werden, voor welke ik een brief -achterliet, en die ik hen deed beloven, als hunne makkers te zullen -behandelen.</p> - -<p>Ik liet hun mijne wapenen, namelijk vijf musketten, drie jagtgeweren en -twee sabels achter. Ik had nog anderhalf vat buskruid, want na het -eerste jaar of twee had ik er weinig van gebruikt, en niets van -verspild. Ik beschreef hun hoe ik de geiten behandelde, hoe zij gemolken -en verzorgd moesten worden, om er boter en kaas van te erlangen. Kortom, -ik verhaalde hun al mijn wedervaren, en beloofde den kapitein te zullen -overhalen hun nog twee vaatjes kruid en wat tuinzaden achter te laten; -ook gaf ik hun den zak met erwten, die de kapitein medegebragt had, en -noodigde hen uit die te zaaijen.</p> - -<p>Na den afloop hiervan verliet ik hun den volgenden dag en ging aan -boord. Wij maakten ons zeilree, maar bleven dien nacht voor anker -liggen. Den volgenden morgen vroeg kwamen twee man van de vijf aan boord -zwemmen, en terwijl zij allerbitterst over de andere drie klaagden, -smeekten zij dat men hen, om Gods wil, aan boord zou nemen, want dat zij -vermoord zouden worden; en of de kapitein hen aan bood wilde laten -komen, al liet hij hen ook dadelijk ophangen. De kapitein beweerde -hierop, dat hij buiten mij niets doen kon, maar na eenige bedenkingen en -op hunne plegtige beloften van beterschap werden zij aan boord genomen, -en eene poos daarna duchtig afgestraft; vervolgens zijn zij steeds -rustige en knappe kerels gebleven.</p> - -<p>Wat later ging ik met den vloed naar den wal, om den matrozen het hun -beloofde te brengen, waarbij de kapitein door mijne bemiddeling hunne -kleederen en kisten gevoegd had, waarvoor zij zeer dankbaar waren. Ik -moedigde hen wat aan door de verzekering, dat als ik eenig vaartuig -ontmoette dat het eiland kon aandoen en hen innemen, ik hen niet -vergeten zou.</p> - -<p>Toen ik het eiland verliet, nam ik tot eene gedachtenis, de groote -geitenvellen muts, mijn zonnescherm en een mijne papegaaijen mede; ook -vergat ik het geld niet, waarvan ik vroeger gesproken heb, en dat zoo -lang stil had gelegen, dat het roestig of zwart geworden was, en -naauwelijks voor zilver kon doorgaan, voor het wat gewreven en -gehanteerd was geworden, alsook het geld, dat ik op het Spaansche wrak -had gevonden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crusoe_104.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Aldus verliet ik het eiland, gelijk ik op het scheepsjournaal zag, den -19 December 1686, nadat ik er achtentwintig jaren, twee maanden en -negentien dagen op had doorgebragt, terwijl ik mijne ballingschap -verliet op denzelfden dag der maand, waarop ik van de Mooren te Salé -wegvlugtte. Na een lange reis kwam ik den 11 Junij 1687 in Engeland aan, -waarvan ik vijfendertig jaren afwezig was geweest. Toen ik daar kwam, -stond ik in de wereld als een vreemdeling, die er nimmer geweest was. -Mijne weldoenster, wie ik mijn geld had achtergelaten, was nog in leven, -maar had veel tegenspoeden gehad, was ten tweedenmale weduwe en in zeer -behoeftige omstandigheden. Ik stelde haar omtrent mijne schuldbekentenis -gerust, en verzekerde, dat ik haar niet lastig zou vallen, maar -integendeel uit dankbaarheid voor hare vroegere zorgen voor mij, -ondersteunde ik haar zooveel mijne geringe bezittingen toelieten, -hetgeen op dit oogenblik slechts weinig was, doch ik verzekerde haar, -dat ik haar niet zou vergeten als ik in staat zou zijn haar krachtiger -te helpen, gelijk ik ook later deed.</p> - -<p>Ik ging daarop naar Yorkshire, maar mijne ouders vond ik overleden, en -mijne geheele familie uitgestorven, op twee zusters na, en twee kinderen -van een mijner broeders, en daar men mij lang voor dood gehouden had, -had men mij niets nagelaten; kortom ik begreep, dat ik geenerlei -ondersteuning te wachten had en dat het weinige geld dat ik had, mij -weinig baten zou om door de wereld te komen. Echter ondervond ik een -staaltje van dankbaarheid, dat ik niet verwacht had; de kapitein van het -schip, dien ik zoo gelukkig gered, en daardoor schip en lading behouden -had, had van al het gebeurde een trouw verslag aan zijne reeders gedaan. -Deze verzochten mij hun een bezoek te geven; allen overlaadden mij met -loftuitingen, en boden mij een geschenk van tweehonderd pond Sterling -aan.</p> - -<p>Doch na rijp beraad, en ziende hoe moeijelijk ik mij hiermede een -bestaan zou verschaffen, besloot ik naar Lissabon te gaan, om te -trachten iets nopens mijne plantaadje in Brazilië te vernemen, en wat er -van mijn compagnon was geworden, die ik onderstelde dat mij thans -verscheidene jaren voor dood had gehouden. Ten dien einde scheepte ik -mij in naar Lissabon, waar ik in April aankwam, terwijl Vrijdag mij -trouw volgde, en steeds bewees mijn trouwe dienaar te zijn. Toen ik te -Lissabon kwam, vond ik na eenige navraag, en tot mijn groot genoegen -mijn ouden vriend, den kapitein van het schip, die mij het eerst op de -Afrikaansche kust aan boord had genomen. Hij was nu oud geworden; had de -zee vaarwel gezegd, en zijn zoon, die nu ook reeds een bejaard man was, -voer thans in zijne plaats op Brazilië. De oude man kende mij niet meer, -en ik zou hem ook moeijelijk herkend hebben, echter herinnerde hij zich -spoedig mijner, toen ik hem verhaalde wie ik was.</p> - -<p>Na onze oude kennis met hartelijkheid vernieuwd te hebben, vroeg ik, -gelijk men wel denken kan, naar mijne plantaadje en mijn compagnon. De -oude man verhaalde mij, dat hij thans in geen negen jaren in Brazilië -was geweest, maar hij kon mij verzekeren, dat de laatste maal dat hij -daar was, mijn compagnon nog leefde, maar de beide gevolmagtigden, die -met hem toezigt zouden houden, waren beide overleden. Hij geloofde -echter, dat ik goed zou staan bij de verbetering mijner plantaadje, want -dat, daar men algemeen geloofde dat ik verongelukt was, mijne -gemagtigden hunne rekening van mijn deel in de plantaadje aan den -fiscaal hadden ingeleverd, die, zoo ik niet terug mogt komen, verklaard -had dat een derde den koning, en twee derden aan het Augustijner -klooster zouden toevallen, voor de armen en tot uitbreiding van het -Christendom onder de Indianen. Zoo ik of iemand van mijnentwege echter -opkwam, zou het mij teruggegeven worden, hoewel de jaarlijksche -opbrengst niet, als zijnde tot werken van liefdadigheid besteed, maar -hij verzekerde mij, dat de opzigter der koninklijke inkomsten van -landerijen, en die van het klooster er voor gezorgd hadden, dat mijn -compagnon hen jaarlijks prompt verrekening deed, waarvan zij de helft -ontvingen. Ik vroeg hem of hij wist hoe ver de verbeteringen der -plantaadje gegaan waren, en of hij begreep dat zij verdiende opgezocht -te worden, of als ik daarheen ging, mij mijn regt op de helft niet zou -betwist worden.</p> - -<p>Hij zeide mij niet juist te kunnen bepalen, wat de plantaadje waard was, -maar dat mijn compagnon alleen van de helft een zeer rijk man was -geworden, en hij had gehoord dat het derde deel van den koning, dat naar -het schijnt een of ander klooster geschonken was, jaarlijks meer dan -tweehonderd moidores bedroeg. Dat er geen twijfel aan de teruggave -bestond, daar mijn compagnon nog leefde om mijn regt te bevestigen, en -mijn naam ook op de lands registers ingeschreven was. Ook zeide hij mij, -dat de opvolgers van mijne twee gevolmagtigden brave eerlijke lieden en -zeer gegoed waren, en hij geloofde, dat zij mij niet alleen aan het -bezit helpen, maar bovendien eene goede som gelds ter hand zouden -stellen, zijnde de opbrengst tijdens de vorige gevolmagtigden het -bestuurden, en vóór de in beslagneming, die voor ongeveer twaalf jaren -voorgevallen was.</p> - -<p>Dit verslag stelde mij echter niet geheel gerust, en ik vroeg den -kapitein hoe het kwam, dat de gemagtigden zoo over mijne goederen -beschikt hadden, daar hij wist dat ik een testament gemaakt en hem, den -Portugeschen kapitein, tot mijn eenigen erfgenaam had benoemd. Hij -zeide, dat dit ook waar was, maar daar er geen bewijs van mijn dood -bestond, hij niet als executeur kon handelen; bovendien had hij zulk -eene afgelegene zaak niet willen aanvaarden. Wel had hij mijn testament -doen registreren, en zijn regt bewezen, en zoo hij eenig bewijs van mijn -leven of dood had kunnen geven, zou hij als procuratiehouder gehandeld, -en mijne plantaadje in bezit genomen hebben, of zijn zoon hiermede -belast.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_105.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>"Maar," zeide de oude man, "ik heb u ander nieuws te vertellen, dat u -misschien minder aangenaam zal zijn dan het overige; dat is, dat daar -iedereen u verongelukt waande, uw compagnon en gemagtigden mij in uwen -naam de verrekening aanboden van de opbrengsten van de zes of acht -eerste jaren, die ik ontving; doch daar er tweemaal groote -verbeteringen gemaakt werden, als het bouwen van een suikermolen, het -aankoopen van slaven enz., waren die opbrengsten zoo groot niet als de -volgende. Echter," vervolgde de oude man, "zal ik u eene behoorlijke -rekening geven van al wat ik ontvangen, en hoe ik er mede gehandeld -heb."</p> - -<p>Eenige dagen later bragt mijn oude vriend mij de rekening van de -inkomsten der vijf of zes eerste jaren der plantaadje, geteekend door -mijn compagnon en de gemagtigden, die altijd goederen afgeleverd hadden, -zooals tabak in rollen en suiker in kisten, benevens rum en melassie, de -voortbrengselen van eene suikerplantaadje, en ik zag hieruit, dat de -inkomsten telken jare aanmerkelijk grooter geworden waren. Doch daar in -den beginne de uitgaven groot waren geweest, was de som eerst gering. -Echter liet de oude man mij zien, dat hij mij vierhonderd en zeventig -gouden moidores schuldig was, behalve zestig kisten suiker en vijftien -dubbele rollen tabak, die verloren waren gegaan, toen hij ongeveer elf -jaren na mijn vertrek, te Lissabon, met verlies van zijn schip, was -gekomen.</p> - -<p>De oude man begon over zijne ongelukken te klagen, hoe hij verpligt was -geweest mijn geld te besteden om zijn verlies te herstellen, en een -aandeel in een nieuw schip te koopen. "Doch, mijn oude vriend," zeide -hij, "gij zult voor 's hands wat op rekening hebben, en zoodra mijn zoon -terugkomt, alles wat u toekomt." Daarop haalde hij eene oude beurs voor -den dag en gaf mij honderd en zestig gouden moidores, en zijne bewijzen -van het aandeel dat hij en zijn zoon ieder voor een vierde in hun schip -hadden, uithalende, stelde hij die als onderpand voor het overschot in -mijne handen.</p> - -<p>Deze blijken van eerlijkheid en braafheid van den ouden man troffen mij -geweldig, en bedenkende wat hij voor mij gedaan had, hoe hij mij op zee -opgenomen, en hoe edelmoedig hij mij bij alle gelegenheden behandeld -had, en in het bijzonder welk een opregte vriend hij thans bewees te -zijn, kon ik mijne tranen niet bedwingen. Ik vroeg hem dus eerst of hij -op dat oogenblik zooveel geld missen kon en of het hem niet eenigzins -belemmeren zou. Hij zeide, dat hij er zeker op het oogenblik een weinig -door in de engte kwam; maar dat het altijd mijn geld was en ik er -misschien meer behoefte aan had dan hij.</p> - -<p>Alles wat de goede man zeide, was zoo welgemeend, dat ik, terwijl hij -sprak, mijne tranen naauwelijks bedwingen kon. Om kort te gaan, ik nam -honderd moidores, en vroeg om pen en inkt, om er hem kwitantie van te -geven, daarop gaf ik hem het overige terug, en zeide, dat zoo ik ooit in -het bezit der plantaadje geraakte, ik ook het overige hem zou -teruggeven, gelijk ik ook naderhand deed; dat ik zijn bewijs van aandeel -in zijn zoons schip volstrekt niet wilde aannemen, daar ik begreep, dat -zoo ik geldgebrek had, hij braaf genoeg was om mij te betalen; en zoo -dit niet het geval was, maar ik datgene ontving, waarop hij mij hoop -gaf, ik nimmer van hem een penning meer wilde aannemen.</p> - -<p>Toen dit afgeloopen was, vroeg de oude man hoe ik mij weder in het bezit -van mijne plantaadje dacht te stellen. Ik zeide er zelf heen te willen -gaan. Als ik dit goed vond kon ik dit doen, zeide hij, maar zoo niet dan -waren er middelen genoeg om mijne regten te handhaven, en mij -onmiddellijk de voordeelen toe te eigenen; en daar te Lissabon schepen -op de rivier zeilree lagen naar Brazilië, deed hij mijn naam in een -openbaar register inschrijven, terwijl hij beëedigde, dat ik in leven en -dezelfde persoon was, die het eerst voor de bedoelde plantaadje het land -had aangevraagd. Nadat dit door een notaris met eene procuratie -opgemaakt was, deed hij het mij naar een koopman aldaar zenden, dien hij -kende, en stelde mij toen voor, tot aan het ontvangen van een antwoord -bij hem te blijven.</p> - -<p>Nimmer handelde men eerlijker dan bij het ontvangen van deze procuratie, -want binnen zeven maanden ontving ik een groot pakket van de -overgeblevenen mijner gemagtigden, de kooplieden, voor wier rekening ik -naar zee was gegaan. Hierin bevonden zich eerstelijk eene rekening -courant van de opbrengst mijner plantaadje, van het jaar af, waarin -hunne vaders met den ouden Portugeschen kapitein hadden gesloten, zijnde -voor zes jaren, de balans sloot met elfhonderd vier en zeventig moidores -in mijn voordeel. Ten tweede was er de verrekening van nog vier jaren, -gedurende welke zij het bewind gevoerd hadden, vóór de regering de -administratie eischte, als van een persoon, dien men burgerlijk dood -achtte, en deze balans sloot, daar de waarde der plantaadje vermeerderd -was, met een batig slot van drie duizend twee honderd en een en veertig -moidores. Ten derde was er een brief bij van den prioor van het -Augustijner klooster, die ruim veertien jaren de inkomsten ontvangen -had, doch daar hij niet in staat was datgene te verrekenen wat tot -liefdadige einden uitgegeven was, eerlijk verklaarde, dat hij nog -achthonderd twee en zeventig moidores niet uitgegeven had, die ter -mijner beschikking waren. Het deel des konings leverde niets op.</p> - -<p>Wijders was er een brief van mijn compagnon, die mij hartelijk geluk -wenschte, dat ik nog in leven was, en mij verslag deed hoe veel de -plantaadje verbeterd was, en wat zij 's jaarlijks opbragt, met opgave -hoe veel morgen zij besloeg, hoe sterk de slavenmagt was en eindigende -met het berigt, dat hij twee-en-twintig <i>Ave Maria's</i> had opgezegd tot -dankbaarheid aan de H. Maagd voor mijne wonderbare behoudenis; terwijl -hij mij ten sterkste uitnoodigde over te komen en van mijn eigendom -bezit te nemen, en hem, zoo ik niet zelf kwam, orders te geven aan wien -mijne goederen af te schepen, en eindigende met eene hartelijke -verzekering van zijne vriendschap en die van zijne familie. Tot een -geschenk zond hij mij zeven fraaije tijgervellen, die hij naar het -schijnt van Afrika ontvangen had met een ander schip, dat hij derwaarts -gezonden had, en dat eene voorspoediger reis scheen aan te hebben dan -ik. Hij zond mij ook vijf kisten met confituren en een honderd stukken -ongemunt goud, niet wel zoo groot als moidores.</p> - -<p>Met dezelfde vloot zonden mijne twee gevolmagtigden mij twaalf honderd -kisten suiker, achthonderd rollen tabak en het overige van onze rekening -in goud.</p> - -<p>Thans mogt ik wel zeggen, dat het laatste einde van Job beter was dan -het begin. Onmogelijk is het mijne aandoeningen te beschrijven, toen ik -deze brieven doorlas, en vooral toen ik al mijn rijkdom voor mij zag; -want daar de schepen uit Brazilië altijd met eene geheele vloot te -gelijk komen, ontving ik mijne brieven te gelijk met mijne goederen, en -deze laatsten lagen reeds veilig op de Taag, voor de brieven mij ter -hand gesteld worden. Ik werd bleek en ongesteld, en zoo niet de oude man -mij eene hartsterking had gehaald, geloof ik dat de plotselinge vreugde -mij te sterk geweest, en ik op de plaats dood gebleven zou zijn. Zelfs -bleef ik nog ziek, tot eenige uren daarna een geneesheer geroepen werd, -en deze de ware reden van mijne ongesteldheid vernemende, mij eene -aderlating liet doen, die mij veel verligtte, en waarna ik beter werd.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_106.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik was nu plotseling bezitter geworden van meer dan vijfduizend pond -sterling in geld, en had eene bezitting in Brazilië, die meer dan -duizend ponden 's jaars opleverde, zoo goed als eenig landgoed in -Engeland; in een woord, in een toestand, waarin ik mij naauwelijks wist -te voegen, of hoe ik dien genieten zou.</p> - -<p>Het eerste wat ik deed was mijn ouden weldoener, den goeden kapitein, te -beloonen, die mij het eerst in mijn tegenspoed had bijgestaan, van den -beginne af menschlievend, en tot aan het einde eerlijk jegens mij -gehandeld had. Ik toonde hem al wat mij gezonden was. Ik zeide hem, dat -na de Voorzienigheid, die alles bestiert, ik dat alles aan hem te danken -had, en dat het nu mijn pligt was hem te beloonen, hetwelk ik -honderdvoudig doen wilde. Vooreerst gaf ik hem dus de honderd moidores, -die ik van hem ontvangen had, terug, daarop liet ik een notaris roepen, -en deze een volkomen kwijtschelding opmaken, zoo volledig als mogelijk, -van de vierhonderd en zeventig moidores, die hij opgegeven had mij -schuldig te zijn, waarna ik eene procuratie op hem liet vervaardigen, -tot den ontvangst der jaarlijksche inkomsten mijner plantaadje, en mijn -compagnon opdroeg met hem te sluiten, en de jaarlijksche opbrengst op de -gewone wijze met de vloot aan hem over te maken. Een clausule in het -einde behelsde eene jaarlijksche gift aan hem van honderd moidores, zoo -lang hij leefde, en van vijftig aan zijn zoon, zoo lang deze leefde, -alles uit de goederen te voldoen. Op deze wijze vergold ik den ouden man -zijne goedheden.</p> - -<p>Nu moest ik begrijpen welken koers thans in te slaan, en wat te doen met -het goud, dat de Voorzienigheid mij aldus gegeven had. Ik had thans -waarlijk meer zorg en hoofdbreken dan in mijne stille levenswijze op het -eiland; waar ik geene behoeften had dan die ik voldoen kon; terwijl ik -nu een grooten last op mijne schouders had. Ik had hier geene grot om -mijn geld in te bergen, noch geen plaats waar ik dit zonder slot of -grendel kon nederleggen, tot het roestig en beschimmeld werd; -integendeel, ik wist niet waar ik het laten of wien ik het toevertrouwen -zou; mijn oude beschermer, de kapitein, die een braaf man was, was -inderdaad mijne eenigste toevlugt.</p> - -<p>Mijne bezittingen in Brazilië schenen vroeger mijne tegenwoordigheid -aldaar te vereischen, maar nu kon ik niet denken daar naar toe te gaan, -voor ik eerst mijne zaken beschikt en mijne goederen in vertrouwde -handen achtergelaten had. Eerst dacht ik aan mijne oude vriendin, de -weduwe, wier eerlijkheid mij bekend was, maar zij was hoogbejaard en -arm, misschien wel in schulden stekende; zoodat ik begreep zelf naar -Engeland te moeten terugkeeren en mijne bezittingen mede te nemen.</p> - -<p>Het duurde echter eenige maanden, voor ik hiertoe besluiten kon, en na -derhalve mijn voormaligen weldoener, den kapitein, voldoende en naar -zijn genoegen beloond te hebben, begon ik aan de weduwe te denken, wier -echtgenoot mijn eerste weldoener was geweest, en zij, zoo veel in hare -magt was, mijne trouwe geldbewaarster. Het eerst wat ik dus deed was -door een Lissabonsche koopman aan zijn correspondent in Londen te doen -schrijven, haar op te zoeken, en haar niet een wissel, maar honderd pond -in geld te brengen, haar te gaan spreken en in hare armoede te troosten, -door haar te zeggen, dat zij, zoo lang ik leefde, onderstand van mij zou -ontvangen. Tegelijker tijd zond ik honderd pond aan ieder van mijne -zusters, die, ofschoon niet behoeftig, toch in geene ruime -omstandigheden waren, de eene was eene weduwe, en de andere had een -echtgenoot, die zich jegens haar niet zoo gedroeg als hij wel mogt. Doch -onder al mijne bekenden wist ik niemand te bedenken, wien ik al mijn -geld durfde vertrouwen, zoodat ik naar Brazilië kon gaan, en alles -gerust achterlaten. Dit bragt mij in groote verlegenheid.</p> - -<p>Eens vatte ik het plan op naar Brazilië te gaan, om er mij voor altijd -neder te zetten, want ik was er als het ware genaturaliseerd, maar ik -had eenige godsdienstige bezwaren, die mij daarvan terughielden. Ik had -wel niet geaarzeld om zoo lang ik onder hen was, mij te houden alsof ik -hunne godsdienst aankleefde, en dit deed ik ook nog niet, maar er thans -meer dan vroeger over denkende om daar te leven en te sterven, berouwde -het mij, dat ik mij voor een Katholijk uitgegeven had, daar ik niet -gaarne in de belijdenis van die leer wilde sterven. Echter was het dit -niet, wat mij voornamelijk terughield van naar Brazilië te gaan; maar de -onzekerheid wien ik mijne bezittingen zou toevertrouwen. Dus besloot ik -die eerst naar Engeland te brengen, waar ik alsdan wel eenige kennissen -zou weten of bloedverwanten vinden, die mij vertrouwd toeschenen; en -diensvolgens maakte ik mij gereed met al mijn geld naar Engeland terug -te gaan.</p> - -<p>Te dien einde besloot ik in de eerste plaats, daar de vloot naar -Brazilië weder zeilree lag, op de eerlijke en brave verrekeningen, die -ik van daar ontvangen had, antwoord te geven. Eerst schreef ik den -prioor van het Augustijner klooster een brief tot dankzegging voor zijne -edelmoedige handelwijze en de aanbieding der 872 onuitgegeven moidores, -waarvan ik verlangde, dat vijfhonderd aan het klooster, en de overige -aan de armen zouden gegeven worden, naar des prioors goedvinden; terwijl -ik den goeden Pater verzocht mij in zijne gebeden te bedenken.</p> - -<p>Daarop schreef ik een dankbaren brief aan mijne twee gemagtigden, met al -de erkentelijkheid, die hunne braafheid en eerlijkheid verdienden; hun -eenig geschenk te zenden, ware water in de zee dragen geweest. Eindelijk -schreef ik aan mijn compagnon mijn dank, voor de verbetering mijner -plantaadje, en zijn ijver daarin; gaf hem last omtrent zijn verder -bestier derzelve van mijn aandeel; in overeenstemming met de volmagt, -die ik aan den ouden kapitein had gegeven, aan wien ik hem verzocht -alles wat mij toekwam over te maken, tot hij nader van mij zou hooren. -Ik verzekerde hem, dat ik niet alleen voornemens was naar hem toe te -komen, maar ook het overschot mijns levens er te blijven doorbrengen. -Hierbij voegde ik een fraai geschenk van eenige Italiaansche zijde voor -zijne vrouw en twee dochters, (welke hij, volgens berigt van des -kapiteins zoon had) met twee stukken fijn Engelsch laken, het beste dat -ik in Lissabon bekomen kon, en eenige Vlaamsche kant van hooge waarde.</p> - -<p>Na op deze wijze mijne zaken geschikt, mijne lading verkocht, en voor al -mijne goederen wissels gekocht te hebben, was de vraag, hoe ik naar -Engeland zou gaan. Hoezeer ik ook aan de zee gewoon was, had ik toen een -sterken tegenzin om ter zee naar Engeland te gaan. Schoon ik er geene -reden voor had, werd deze tegenzin zoo sterk, dat toen mijne bagaadje -reeds aan boord was, ik nog van gedachten veranderde, en dat wel niet -eens maar twee- of driemalen. Het is waar, ik was op zee zeer ongelukkig -geweest, en dit kon er de reden van zijn, doch het is niemand geraden in -zaken van zooveel belang zijn voorgevoel te verachten. Twee der schepen, -waar ik het oog meer bijzonder op geslagen had, zoodat ik reeds mijne -goederen in het eene gezonden had, en met den kapitein van het andere -mijnen overtogt reeds bepaald; deze twee zelfde schepen verongelukten; -het eene namelijk werd door Algerijnsche kapers genomen en het andere -bij Torbay verbrijzeld, en al het volk op drie na, verdronk; zodat ik -niet weet op welk schip ik ongelukkiger zou geweest zijn.</p> - -<p>In dezen tweestrijd nam ik mijne toevlugt tot mijn ouden raadsman, die -mij ernstig ried niet ter zee de reis te doen, maar te land, en de golf -van Biscaye over te steken naar Rochelle, vanwaar ik veilig en -gemakkelijk naar Parijs en zoo over Calais naar Dover reizen kon; of -naar Madrid te gaan en geheel Frankrijk door de reis te land te doen. Om -kort te gaan, ik had zooveel tegen eene zeereis, behalve van Calais naar -Dover, dat ik besloot den geheelen weg te land af te leggen; hetwelk, -daar ik geen haast had en het geld niet behoefde te ontzien, verre weg -de aangenaamste was; vooral toen mijn oude kapitein een Engelsen heer, -den zoon van een koopman uit Lissabon, bij mij bragt, die de reis mede -wilde maken, waarna wij nog twee Engelsche kooplieden en twee jonge -Portugesche heeren vonden, waarvan de laatsten alleen naar Parijs -gingen; zoodat wij in alles met ons zessen en vijf knechten waren. De -twee kooplieden en de Portugezen namen ieder een knecht met hun beide om -de onkosten, en ik nam voor mij als knecht een Engelsch matroos mede, -behalve Vrijdag, die veel te onbedreven was om op reis als knecht te -gebruiken.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crusoe_107.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Op deze wijze vertrokken wij van Lissabon, allen goed bereden en -gewapend, zoodat wij een kleinen troep uitmaakten. Men deed mij de eer -aan mij kapitein te noemen, omdat ik de oudste was en twee knechts bij -mij had, en ook de eigenlijke oorzaak van de geheele reis was. Daar ik -den lezer met geen mijner zeetogten lastig gevallen ben, wil ik dit ook -niet met het journaal van mijne landreis doen; echter mag ik eenige -avonturen niet verzwijgen, die wij op deze lange en bezwaarlijke reis -ontmoetten.</p> - -<p>Te Madrid gekomen, bleven wij daar eenigen tijd vertoeven, daar wij -allen vreemdelingen in Spanje waren, om het Spaansche hof en al wat -merkwaardig was te bezigtigen, doch daar het laat in den zomer was, -hielden wij er ons niet lang op, en verlieten Madrid omstreeks het -midden van October. Maar toen wij aan de grenzen van Navarra kwamen, -werden wij op verscheidene plaatsen verontrust door de tijding, dat er -aan de Fransche zijde zoo veel sneeuw was gevallen, dat verscheidene -reizigers verpligt waren geweest naar Pampeluna terug te keeren, na met -veel gevaar den overtogt beproefd te hebben.</p> - -<p>Te Pampeluna aangekomen, vonden wij dat dit de waarheid was, en voor -mij, die altijd in een heet klimaat, waar men naauwelijks kleederen -verdragen kon, had geleefd, was de koude onuitstaanbaar. Nog -onaangenamer dan verrassend was het, dat wij slechts tien dagen te voren -Oud-Kastilië hadden verlaten, waar het niet alleen warm, maar zeer heet -was, en onmiddellijk een zoo strengen, snijdenden wind uit het -Pyrenesche gebergte voelden, dat die ondragelijk was, en wij bang -werden, dat onze handen en voeten zouden bevriezen. De arme Vrijdag was -inderdaad in doodsangst, toen hij de bergen met sneeuw bedekt zag, en -voor het eerst van zijn leven de koude gevoelde.</p> - -<p>Tot meerder ongeluk bleef het, toen wij te Pampeluna gekomen waren, zoo -geweldig doorsneeuwen en zoo lang, dat men zeide, dat de winter vóór -zijn tijd was gekomen, en de vroeger moeijelijke wegen thans geheel -ontoegankelijk waren; in één woord, de sneeuw lag op sommige plaatsen te -hoog om er door te komen, en daar zij niet bevrozen was, gelijk in -noordelijke landen, kon men niet voorttrekken, zonder bij iedere schrede -gevaar te loopen van levend begraven te worden. Wij bleven niet minder -dan twintig dagen te Pampeluna, toen ik, ziende dat de winter inviel en -er geene waarschijnlijkheid op zachter weder was (want strenger winter -had men in vele jaren in Europa niet vernomen) voorstelde dat wij allen -naar Fontarabia zouden gaan, en ons daar inschepen naar Bordeaux, dat -een korte reis was.</p> - -<p>Toen wij echter hierover beraadslaagden, kwamen er vier Fransche heeren -aan, die aan de Fransche zijde, even als wij aan de Spaansche, gebleven -waren, tot zij een gids hadden gevonden, die het land bij het hoofd van -Languedoc doortrekkende, hen langs wegen had gevoerd, waar zij slechts -weinig sneeuw hadden aangetroffen, en deze was nog zoo hard bevroren, -zeiden zij, dat zij hen en hunne paarden had kunnen dragen. Wij lieten -dezen gids roepen, die zeide te willen aannemen ons langs denzelfden weg -te brengen, zonder eenig gevaar van de sneeuw, mits wij genoeg gewapend -waren, om ons voor de wilde dieren te beschermen; want als er zoo veel -sneeuw viel, zeide hij, kwamen de wolven dikwijls van het gebergte naar -beneden, razende van honger, omdat de met sneeuw bedekte grond hun geen -voedsel aanbood. Wij zeiden, dat wij voor zulke beesten genoeg gewapend -waren, als hij ons beveiligen kon voor eene soort van wolven op twee -beenen, waarvan naar men ons gezegd had, wij vooral aan de Fransche -zijde van het gebergte het meeste gevaar liepen. Hij verzekerde ons, dat -op den weg, dien hij wilde nemen, wij daarvan geen gevaar zouden loopen. -Dus besloten wij hem te volgen, even als twaalf andere heeren met hunne -knechten, Spanjaarden en Franschen, die gelijk ik zeide, den overtogt -beproefd hadden, maar genoodzaakt waren geweest terug te keeren.</p> - -<p>Wij verlieten dan allen Pampeluna, den vijftienden November, met onzen -gids aan het hoofd, die tot mijne verbazing, in plaats van vooruit te -gaan, met ons terugkeerde, wel twintig Engelsche mijlen op den weg, dien -wij van Madrid afgekomen waren; waarna wij twee rivieren overtrokken en -de vlakte bereikt hebbende, ons wederom in een warm klimaat en -aangename landstreek bevonden, waar geen sneeuw te zien was; maar -plotseling links afslaande, naderde hij het gebergte langs een anderen -weg, en schoon de hoogten en afgronden verschrikkelijk zich vertoonden, -maakte hij zooveel bogten en wendingen, dat hij ons zonder het te weten -over de hoogste gebergten had gebragt, zonder dat wij veel last van de -sneeuw hadden gehad, en plotseling wees hij ons de aangename lagchende -gewesten van Languedoc en Gascogne, die allen groen en bloeijend er -uitzagen, schoon zij nog ver af lagen en wij nog een bezwaarlijken weg -tot daartoe hadden. Wij werden wel eenigzins ongerust, toen het -vier-en-twintig uren achtereen zoo hevig sneeuwde, dat wij stil moesten -houden, doch hij stelde ons gerust en verzekerde, dat wij spoedig alles -te boven zouden zijn. Inderdaad vonden wij elken dag, dat wij afdaalden, -en dus trokken wij, in vertrouwen op onzen gids, voort.</p> - -<p>Ongeveer twee uren voor het donker werd, was onze gids ons een eind -weegs vooruit, en toevallig buiten ons gezigt. Eensklaps kwamen drie -monsterachtige wolven uit een hollen weg, die in een digt bosch uitkwam, -tevoorschijn. Twee wolven vlogen op den gids aan, en zoo hij een half -kwartier verder vooruit was geweest, zouden zij hem verslonden hebben, -voor wij hem te hulp hadden kunnen schieten. Een hunner greep het paard, -en de andere den man zoo onstuimig aan, dat hij geen tijd of geen -tegenwoordigheid van geest genoeg had om zijn pistool uit te halen, maar -allergeweldigst om hulp riep. Vrijdag was juist naast mij, ik gelastte -hem vooruit te rijden, om te zien wat er te doen was. Zoodra Vrijdag hem -in het gezigt kreeg, riep hij zoo hard als de ander: "O meester, -meester!" maar daar hij een moedige kerel was, reed hij tot vlak bij den -man, en schoot den wolf met een pistool door den kop.</p> - -<p>Het was gelukkig voor den armen man, dat het Vrijdag was, die hem te -hulp kwam, want hij, die in zijn vaderland die beesten gezien had, was -er niet bang voor, terwijl zoo een onzer op een verderen afstand -geschoten had, hij misschien den wolf gemist of welligt den gids -getroffen had. Het was genoeg om een moediger man dan ik te ontzetten, -en ons geheele gezelschap was er inderdaad van verschrikt, toen wij na -het afschieten van Vrijdags pistool, aan weerszijden het afschuwelijkst -wolvengehuil hoorden, dat door de echo's in het gebergte verdubbeld -werd, zoodat het scheen alsof er eene ontzettende menigte was, en -misschien waren er genoeg om ons reden tot vrees te geven.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 600px;"> -<img src="images/crusoe_108.jpg" width="600" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen echter Vrijdag den eenen wolf had doodgeschoten, liet de ander -dadelijk het paard los, en nam de vlugt. Gelukkig had hij het bij den -kop gegrepen en het gebit in zijn bek gepakt, zoo dat hij het paard -weinig kwaad had gedaan. De gids had meer geleden; want hij was tweemaal -door het beest gebeten, eens in den arm en eens in de dij, en hij stond -op het punt om van zijn verschrikt paard te vallen, toen Vrijdag hem -bereikte.</p> - -<p>Gemakkelijk begrijpt men, dat wij op het hooren van Vrijdags schot, -allen onze paarden aanzetten, en zoo hard als de weg, die zeer -moeijelijk was, toeliet, opreden, om te zien wat er te doen was. Zoodra -wij de boomen, die ons het uitzigt benamen, voorbij waren, zagen wij wat -het geval was, en hoe Vrijdag den armen gids ontzet had, schoon wij nog -niet zien konden, welk beest hij gedood had.</p> - -<p>Maar nimmer zag men een moediger en zonderlinger gevecht dan hetgeen nu -volgde tusschen Vrijdag en den beer, die ons (schoon wij in het eerst -zeer bang voor hem waren) veel vermaak gaf. Daar de beer een zwaar en -plomp schepsel is, die niet zoo vlug loopt als de wolf, handelt hij -gewoonlijk naar twee regels. Den mensch, die zijn eigenlijke prooi niet -uitmaakt, schoon ik niet zeggen kan wat groote honger, als de sneeuw, -gelijk thans het geval was, den grond bedekt, bij hem kan uitwerken, den -mensch, zeg ik, valt hij zelden het eerst aan; integendeel, zoo gij u -met hem niet inlaat, zal hij zich met u niet bemoeijen. Maar men moet -toch zeer beleefd tegen hem zijn, en laten hem den weg vrij; want hij is -zeer trotsch en zou voor geen prins uit den weg gaan; het best is een -anderen weg heen te zien en bedaard voort te gaan, want zoo men -stilstaat en hem stijf aanziet, wil hij dit wel eens als eene -beleediging opnemen. Zoo men hem echter met iets gooit, dat hem raakt, -al ware het maar een takje zoo dun als een pink, dan wordt hij boos, en -laat alles staan om zijne wraak te koelen; want hij staat magtig op het -punt van eer; dit is zijn eerste eigenschap. De tweede is, dat als gij -hem beleedigd hebt, hij u nacht en dag volgen zal, om zich te wreken, -tot hij u ingehaald heeft.</p> - -<p>Vrijdag had onzen gids gered, en toen wij bij hem kwamen, was hij bezig -hem van zijn paard te helpen, want de man was zoo wel verschrikt als -gekwetst, vooral het eerste; toen wij eensklaps den beer uit het bosch -zagen komen; het was een monsterachtige; de grootste, dien ik ooit zag. -Wij waren allen een weinig ontsteld bij dit gezigt, maar toen Vrijdag -hem gewaar werd, kon men de vreugde op zijn gelaat lezen. "O! o! o!" -riep hij, "meester, geef mij verlof hem goeden dag te zeggen, gij zult -lagchen om hem."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crusoe_109.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik verwonderde mij over zijne vreugde, en zeide: "Gek, hij zal u -opeten!"—"Mij opeten! mij opeten!" riep Vrijdag. "Ik zal hem opeten -liever, en u laten lagchen. Blijft allen hier staan, ik zal u laten -lagchen." Hij ging zitten en had in een oogenblik zijne laarzen uit en -een paar ligte schoenen aan, die hij in zijn zak had; daarop gaf hij -mijn anderen knecht zijn paard en liep weg als de wind. De beer kuijerde -zachtjes voort, en scheen zich met niemand te willen inlaten, tot -Vrijdag nader gekomen, hem toeriep: "Hoor eens, hoor eens, ik moet u -eens spreken!" alsof de beer hem verstaan kon. Wij volgden op een -afstand, want wij waren nu in een bosch gekomen, waar de grond effen, en -vrij open was, schoon hier en daar verscheidene boomen stonden. Vrijdag, -die den beer achterna liep, was spoedig digt bij hem gekomen, waarop hij -een steen opnam, en hem dien juist op het hoofd wierp, maar het was zoo -goed alsof hij hem tegen een muur had geworpen, schoon Vrijdag er zijn -doel mede bereikte, dat namelijk de beer op hem afkwam, ten einde ons te -laten lagchen, zoo als hij zeide.</p> - -<p>Zoodra de beer den steenworp gevoeld had, keerde hij zich om en kwam met -zoo duchtig groote stappen voortschuiven, dat een paard in een galop hem -naauwelijks had kunnen bijhouden. Weg vloog Vrijdag, en nam zijn weg -naar ons toe als om hulp; dus besloten wij allen te gelijk op den beer -te schieten, en mijn knecht te ontzetten; schoon ik niet weinig boos op -hem was, dat hij ons den beer op den hals had gehaald, terwijl die een -anderen weg uitkuijerde, en vooral omdat hij eerst den beer naar ons -toelokte, en toen wegliep. "Is dat ons aan het lagchen maken, kerel?" -riep ik. "Kom hier en neem uw paard, dan zullen wij op den beer -schieten." Hij hoorde mij, en riep: "niet schieten! niet schieten! Blijf -staan, gij zult veel lagchen." En terwijl de vlugge knaap slechts twee -voet voor den beer uit was, keerde hij zich plotseling om, en een -grooten eikenboom ziende, die hij tot zijn oogmerk geschikt achtte, -wenkte hij ons hem te volgen, en zijn gang versnellende, klom hij vlug -in den boom, na zijn geweer op vijf of zes ellen afstands van den boom -nedergelegd te hebben.</p> - -<p>Spoedig was de beer bij den boom gekomen, en wij volgden op een afstand. -Eerst bleef hij bij het geweer staan, berook het, maar liet het liggen, -en klom toen als eene kat in den boom, schoon hij zulk een plomp dier -was. Ik stond versteld van de dolheid van mijn knecht, en kon nog maar -niets zien om te lagchen, doch toen wij den beer op den boom zagen, -reden wij allen er digter naar toe. Toen wij er bij kwamen, was Vrijdag -aan het dunne eind van een zwaren arm van den boom gekomen, en de beer -was er halverwege op. Zoodra Vrijdag zag, dat hij het einde van den tak -naderde, riep hij ons toe: "Nu zult gij een beer zien leeren dansen." -Hij begon dus den tak te schudden en er op te dansen, zoodat de beer -begon te waggelen en achterom keek, alsof hij den aftogt wilde slaan, en -wij ons van lagchen niet konden bedwingen. Maar Vrijdag had nog niet met -hem gedaan; toen hij zag, dat hij stil stond, riep hij hem weder toe, -alsof het beest hem verstaan kon: "Kom wat nader, vriend; kom wat nader -als het u belieft!" Daarop bleef hij stil zitten, waarop de beer wat -verder vooruit kwam, toen begon hij weder te springen, en de beer bleef -stokstijf staan.</p> - -<p>Wij dachten, dat het nu een geschikt tijdstip was, om hem voor den kop -te schieten, en dus riep ik Vrijdag toe, stil te zitten, dat wij den -beer zouden schieten, maar hij riep: "Niet schieten! niet schieten! Ik -zal hem straks wel schieten." Om kort te gaan Vrijdag danste zoo lustig -en de beer stond zoo uit het veld geslagen, dat wij ons lagchen niet -konden bedwingen, schoon ik nog niet begrijpen kon, wat hij doen wilde. -Eerst dachten wij, dat hij den beer uit den boom zou laten tuimelen, -maar daar was de beer te slim toe, want hij kwam niet ver genoeg, en -hield zich met zijne breede klaauwen zoo stevig vast, dat wij niet -begrepen, hoe het af zou loopen.</p> - -<p>Eindelijk maakte Vrijdag er een einde aan, en riep den beer toe: "Komt -gij niet bij mij, dan zal ik bij u komen." Daarop schoof hij achteruit -tot aan het uiterste einde van den tak, die door zijne zwaarte -nederboog, zoodat hij gemakkelijk op den grond kon springen, gelijk hij -deed, en toen zijn geweer halen ging. "Wel Vrijdag, waarom schiet gij -hem nu niet?" vroeg ik. "Nog niet schieten," zeide Vrijdag, "eerst nog -wat lagchen, dan zal ik hem schieten." Toen de beer zijn vijand -vertrekken zag, klom hij van den zijtak af, maar uiterst benaauwd en bij -iederen stap achterom ziende, tot dat hij den stam bereikt had. Toen -klom hij verder zeer langzaam en zeer schroomvallig, voetje voor voetje -achteruit, en even voor hij zijn achterpoot op den grond zette, liep -Vrijdag naar hem toe, stak den tromp van zijn snaphaan in zijn oor en -schoot hem zoo dood als een steen.</p> - -<p>Toen keerde de knaap zich naar ons toe, en toen hij zag dat wij tevreden -waren, begon hij hartelijk te lagchen, en zeide: "Zoo schieten wij de -beeren in ons land."—"Hoe wilt gij die schieten zonder geweren?" vroeg -ik.—"Niet met geweer, maar met zeer lange bogen," zeide hij.—Dit -voorval had ons eene aangename afleiding gegeven, maar wij waren nog -altijd in eene woeste streek, onze gids was gekwetst, en wij wisten -naauwelijks wat nu te doen; het gehuil der wolven klonk ons nog in de -ooren, en behalve het geraas, dat ik aan de Afrikaansche kust hoorde, -waarvan ik vroeger gesproken heb, herinner ik mij niet ooit iets gehoord -te hebben, dat zoo afgrijsselijk was. De bedenking hiervan en dat het -duister werd, riep ons van daar, anders hadden wij zeker, gelijk Vrijdag -begeerde, dien monsterachtigen beer de huid afgestroopt, die het wel -waard was, doch wij hadden nog drie mijlen af te leggen en onze gids -haastte ons; dus lieten wij hem liggen en vervolgden onze reis. De grond -bleef nog met sneeuw bedekt, schoon niet zoo diep en gevaarlijk als op -het gebergte, en de wolven waren, gelijk wij naderhand hoorden, door den -honger gedreven tot in de vlakte afgedaald, en hadden in de dorpen veel -kwaads gedaan, schapen en paarden en ook eenige menschen gedood. Wij -moesten nog eene gevaarlijke engte door, waar wij, gelijk onze gids -zeide, zoo er nog wolven in die streek waren, ze zouden aantreffen; dit -was eene kleine vlakte, die tusschen digte bosschen, als eene lange laan -doorliep, en die wij door moesten, om het dorp te bereiken, waar wij ons -nachtverblijf zouden houden.</p> - -<p>Een half uur voor zonsondergang trokken wij het eerste bosch door, en -even na zonsondergang kwamen wij in de vlakte. In het eerste vonden wij -niets, dan op eene opene plek van geen twee roeden breed, zagen wij vijf -wolven den weg oversteken, alsof zij eene prooi najaagden. Zij sloegen -op ons geen acht en waren in een oogenblik uit ons gezigt. Hierop ried -onze gids, die in zijn hart een lafaard was, ons aan op onze hoede te -zijn, want dat hij geloofde, dat er meer wolven kwamen.</p> - -<p>Wij hielden onze wapenen gereed, doch zagen geen meer wolven voor wij -het bosch door en op de vlakte gekomen waren. Daar gekomen hadden wij -genoeg te zien. In de eerste plaats zagen wij een paard, dat de wolven -gedood hadden, en waar wel een dozijn aan bezig waren de beenen af te -kluiven, want het vleesch was er reeds geheel af. Wij achtten het niet -geraden hen in hunnen maaltijd te storen, en zij sloegen op ons geen -acht. Vrijdag wilde op hen schieten, maar ik verbood het, want ik -begreep, dat wij spoedig genoeg te doen zouden hebben. Wij waren nog -niet halverwege de vlakte door, toen wij in het bosch aan de linkerzijde -van ons, de wolven allerverschrikkelijkst hoorden huilen; en kort daarop -zagen wij een troep van wel honderd regt op ons aankomen, zoo geregeld -als een troep soldaten. Ik wist niet hoe hen best te ontvangen, maar -begreep, dat wij allen een digtgesloten linie moesten maken. Dit -geschiedde in een oogenblik, en nu gelastte ik, dat men slechts om den -anderen man schieten zou, terwijl de anderen zich gereed zouden houden -tot eene tweede losbranding als zij bleven naderen, terwijl dan de -eersten niet hunne geweren laden, maar ieder met eene pistool gereed -zouden staan, want wij hadden ieder een geweer en twee pistolen, dus -konden wij zes maal achtereen vuur geven. Dit was echter niet noodig, -want bij de eerste laag bleef de vijand staan, verschrikt van het vuur -en het schieten; vier waren doodgeschoten en verscheidenen gewond, -gelijk wij aan het bloed op de sneeuw zagen. Daar zij nu stand hielden -en niet terugtrokken, bragt ik mij te binnen, dat mij wel eens verhaald -was, dat de woestste dieren voor de stem van een mensch vreezen; en liet -dus ons geheele gezelschap een luid geschreeuw aanheffen. Dit middel had -het gewenschte gevolg, zij keerden zich om en begonnen af te trekken. -Eene tweede laag van ons deed hen daarop ijlings wegvlugten.</p> - -<p>Dit gaf ons tijd onze wapenen weder te laden, gelijk wij zonder dralen -deden; naauwelijks was dit echter geschied of wij hoorden aan onze -linkerzijde, in hetzelfde bosch doch verder af, weder een -verschrikkelijk geweld, van den kant dien wij moesten heentrekken. De -nacht begon in te vallen, en de duisternis maakte onzen toestand nog -hagchelijker; doch wij konden, toen het rumoer heviger werd, duidelijk -het gehuil dier helsche beesten onderkennen, en plotseling zagen wij -twee of drie troepen wolven, een op zijde, een van achteren en een voor -ons uit, zoodat wij geheel omringd schenen. Daar zij ons echter niet -aanvielen, zetten wij onzen weg voort, zoo snel onze paarden voort komen -konden, hetgeen slechts op een middelmatigen draf was, daar de weg -slecht was. Op deze wijze kwamen wij aan den ingang van het bosch, dat -wij na de vlakte, door moesten trekken, maar wij zagen met leede oogen, -toen wij bij den engen weg of laan, die er door liep, kwamen, dat vlak -aan den ingang eene groote troep wolven stond. Plotseling hoorden wij -van eene andere opening in het bosch een geweerschot, en een paard met -zadel en toom kwam er uitvliegen als de wind met zestien of zeventien -wolven achter zich. Het paard liep sneller, maar kon het niet lang zoo -uithouden, en zij moesten het weldra inhalen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 575px;"> -<img src="images/crusoe_110.jpg" width="575" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen wij daarop den ingang, waar het paard uitgekomen was, binnengereden -waren, zagen wij een verschrikkelijk tooneel. Wij vonden nog een paard -en twee menschen, die de wolven verscheurden. Ongetwijfeld had een der -mannen het geweer afgeschoten, want dit lag naast hem, doch de wolven -hadden hem reeds half verslonden. Vol afgrijzen wisten wij eerst niet -wat te doen, doch de wolven lieten ons weinig tijd van beraad, want zij -verzamelden zich om ons heen, en schenen ons tot hunne prooi uitgekozen -te hebben. Ik geloof, dat er wel driehonderd waren. Tot ons geluk lagen -digt bij den ingang van het bosch eenige zware boomstammen, die den -vorigen zomer zeker geveld en nog niet weggehaald waren. Ik plaatste -mijne kleine troep achter deze, en vormde zoo een driehoekig front met -de paarden in het midden. Het was tijd, want weldra kwamen zij met een -dof gegrom aanzetten en beklommen onze borstwering, als waren zij zeker -van hunnen buit. Het schijnt, dat zij vooral woedend werden door onze -paarden achter ons te zien. Ik gelastte, dat men om den anderen man -weder zou vuren, en ieder mikte zoo goed, dat bij de eerste losbranding -verscheidene wolven sneuvelden, maar wij moesten aanhoudend doorvuren, -want de achtersten dreven de voorsten aanhoudend als ware duivels -vooruit. Bij onze tweede losbranding schenen zij tot staan gebragt, maar -het was slechts voor een oogenblik, want er kwamen weder anderen -opzetten, dus deden wij twee losbrandingen met onze pistolen, en doodden -geloof ik wel zeventien of achttien en kwetsten zeker eens zooveel, maar -toch kwamen er meer opzetten.</p> - -<p>Ik wilde ongaarne onze laatste losbranding te haastig geven, dus riep ik -mijn knecht, niet Vrijdag, want die was beter bezig met mijn geweer en -het zijne telkens met de grootste vlugheid weder te laden, maar de -ander, gaf hem een kruidhoorn, en gelastte hem onder den boomstam een -breeden loop kruid te leggen. Hij deed dit en was naauwelijks weg, of de -wolven kwamen opzetten en sommigen er opspringen, toen ik eene pistool -op het kruid losbrandde, en dat ontstak. Die op den stam waren, vielen -gezengd neder, verscheidene sprongen tot midden onder ons. Deze werden -dadelijk afgemaakt en de overigen waren zoo verschrikt van het vuur, dat -zij een weinig terugtrokken. Hierop gelastte ik al onze pistolen gelijk -af te vuren en tevens hard te schreeuwen, waarop de wolven het hazenpad -kozen, en wij op een twintig gekwetsten aanvielen, die op den grond -lagen, en ze in een oogenblik afmaakten, hetwelk een gelukkig gevolg -had, want hun gekerm en gehuil werd door hunne makkers zeer goed -begrepen, die de vlugt kozen en ons verlieten.</p> - -<p>Wij hadden zeker zestig wolven gedood, en zouden, zoo het dag geweest -was, er nog meer nedergeveld hebben. Na dus ruim baan gemaakt te hebben, -trokken wij weder vooruit, want wij hadden nog ongeveer een uur gaans -voor ons. Onderweg hoorden wij de hongerige beesten gestadig huilen, en -verbeeldden ons somtijds ze te zien, doch konden dit niet zeker zeggen, -daar onze oogen van de schittering der sneeuw verblind waren. Een uur -later kwamen wij in het dorp, waar wij ons nachtverblijf moesten houden, -en hier vonden wij alles in onrust en beweging, want den vorigen nacht -waren eenige wolven en beeren tot in het dorp doorgedrongen en hadden -hun een doodschrik op het lijf gejaagd, en zij waren verpligt altijd en -vooral des nachts de wacht te houden, ten einde hun vee en hun eigen -leven te beveiligen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 700px;"> -<img src="images/crusoe_111.jpg" width="700" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Den volgenden morgen was onze gids zoo ziek en zijne kwetsuren zoo -ontstoken, dat wij niet verder voort konden, dus waren wij verpligt een -nieuwen gids aan te nemen en naar Toulouse te gaan, waar wij weder in -een warm luchtgestel en een aangenaam, vruchtbaar land waren. Maar toen -wij te Toulouse ons wedervaren verhaalden, zeide men ons, dat dit in het -groote bosch aan den voet van het gebergte, niets ongewoons was, vooral -als de grond met sneeuw bedekt was. Maar men vroeg ons, welk slag van -een gids wij gevonden hadden, die het had durven wagen ons in dat -strenge jaargetij te geleiden en verzekerde, dat het een wonder was, dat -wij niet allen verongelukt waren. Toen wij verhaalden, welke stelling -wij hadden aangenomen en onze paarden in het midden geplaatst hadden, -keurden zij dit sterk af, en zeiden dat het vijftig tegen een was, dat -wij niet allen verscheurd waren geworden; want de wolven zijn vooral zoo -verhit op paarden, maar anders zeer bang voor geweerschoten. Daar zij -echter uitgehongerd waren, had de trek naar paardenvleesch hen het -gevaar doen verachten, en zonder ons aanhoudend vuur en den loop -buskruid zouden wij hoogst waarschijnlijk allen verscheurd zijn. In -allen geval zouden wij, als wij onze paarden in den steek hadden -gelaten, en gezamenlijk afgetrokken waren, veilig hebben kunnen -aftrekken, vooral met onze vuurwapens en in zoo groot getal zijnde. Wat -mij betreft, ik heb nimmer grooter gevaar onder de oogen gezien, want -toen ik driehonderd duivels huilende en met open muil op ons zag afkomen -en geenerlei beschutting of veiligen aftogt voor ons zag, hield ik mij -voor verloren, en liever dan weder het gebergte over te trekken, zou ik -duizend mijlen ter zee afleggen, al wist ik ook, dat ik alle weken een -storm zou moeten doorstaan.</p> - -<p>Ik zou van mijne reis door Frankrijk niets kunnen mededeelen, dan -hetgeen anderen beter vóór mij gedaan hebben. Ik reisde van Toulouse -naar Parijs en kwam kort daarop te Calais en landde veilig te Dover den -14 Januarij, na veel koude uitgestaan te hebben. Thans was mijn doel -bereikt, en ik spoedig in het bezit van mijn sedert kort ontdekten -rijkdom, daar de medegebragte wissels weldra allen betaald werden. Mijne -voornaamste raadsvrouw was thans weder de goede oude weduwe, die vol -dankbaarheid voor het geld dat ik haar gezonden had, geene moeite of -zorg te groot voor mij achtte, en daar ik op hare onkreukbare -eerlijkheid bouwen kon, kon ik haar gerust alles toevertrouwen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 250px;"> -<img src="images/crusoe_112.jpg" width="250" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik schreef thans aan mijn vriend in Lissabon over den verkoop mijner -plantaadje, en op zijn raad bood ik die aan de zoons van mijne -gemagtigden te koop aan. Deze namen mijn eisch aan, en deden mij door -een bankier te Lissabon drie-en-dertig duizend stukken van achten -daarvoor toekomen, terwijl de lijfrente van honderd moidores aan den -kapitein en vijftig aan zijn zoon als eene grondrente ten laste van de -plantaadje bleven.</p> - -<p>Aldus eindigde het eerste deel van een wisselvallig leven, een blijk van -de bestieringen der Voorzienigheid, en welks lotwisselingen zelden -geëvenaard zijn. Dwaselijk begonnen, eindigde het gelukkiger dan eenig -gedeelte van hetzelve mij reden gaf te verwachten.</p> - -<p>Men zou denken, dat ik in een toestand, zoo gezegend in alle opzigten, -buiten alle gevaren was, en dit zou ook zoo geweest zijn als ik niet tot -een zwervend leven bestemd was geweest. Ik had vrouw noch kinderen, -weinig bloedverwanten, en hoezeer rijk, weinig bekenden, en schoon ik -mijne plantaadje verkocht had, lag Brazilië mij nog altijd in het hoofd. -Nog meer verlangde ik mijn eiland weder te zien en te vernemen of de -arme Spanjaards daar gekomen, en hoe zij door de daar achtergelaten -schurken behandeld waren.</p> - -<p>De ernstige raadgevingen der weduwe weêrhielden mij zeven jaren lang -hiervan, gedurende welken tijd ik twee neven, kinderen van een mijner -broeders, naar mij nam. De oudste, die eenig vermogen bezat, voedde ik -als een heer op, en vermaakte hem een deel van mijne bezittingen; den -jongste gaf ik aan een scheepskapitein mede, en toen hij na vijf jaren -een knap, bedaard en ondernemend jongman was, plaatste ik hem op een -schip als kapitein, en zond hem naar zee. Deze jonge knaap verlokte mij -naderhand, zoo oud als ik was, tot verdere avonturen.</p> - -<p>Middelerwijl had ik mij in Engeland nedergezet, en was in het huwelijk -getreden, en dat zeer tot mijn genoegen, want mijne vrouw schonk mij -twee zonen en eene dochter. Maar mijne vrouw stierf, en mijn neef kwam -terug van eene voorspoedige reis naar Spanje, en mijne neiging en zijn -aanhouden verlokten mij, om als koopman naar Oost-Indië scheep te gaan. -Dit was in 1694.</p> - -<p>Op deze reis bezocht ik mijne nieuwe kolonie, zag mijne opvolgers, de -Spanjaarden, vernam hunne geheele geschiedenis en die van de -achtergelaten kerels; hoe zij eerst de Spanjaards plaagden, daarna vrede -maakten, weder twist zochten, dien bijlegden en weder hernieuwden, tot -eindelijk de Spanjaarden, tot geweld genoodzaakt, hen aan zich -onderwierpen; hoe goed zij door deze behandeld werden; een verhaal even -buitengewoon als mijn eigen leven; vooral van hunne gevechten met de -Caraïben, die verscheidene malen op het eiland landden; de verbeteringen -door hen daarop gemaakt, en hoe vijf hunner een togt naar het vasteland -deden, en elf mannen en vijf vrouwen als gevangenen medebragten, waarvan -het gevolg was, dat ik bij mijne komst een twintigtal jonge kinderen op -het eiland vond.</p> - -<p>Ik bleef er ongeveer twintig dagen, en liet hen allerlei -noodwendigheden, vooral wapens, kruid en lood, gereedschappen, kleederen -en twee handwerkslieden, een timmerman en een smid, die ik uit Engeland -medegebragt had. Voorts verdeelde ik het eiland onder hen, doch behield -den eigendom van het geheel voor mij, en na alles met hen geschikt en -hen verzocht te hebben het eiland niet te verlaten, verliet ik hen. -Daarop deed ik Brazilië aan, vanwaar ik met een daar gekocht scheepje, -behalve vele andere zaken, hun zeven vrouwen toezond, hetzij als -dienstboden of om als echtgenooten te nemen. Den Engelschen beloofde ik -eenige wouwen uit Engeland te zullen zenden, als zij daar wilden -blijven, hetgeen mij later niet mogelijk was. Deze knapen gedroegen zich -zeer goed nu zij onder strenge tucht stonden. Ook zond ik hun uit -Brazilië vijf koeijen, waarvan drie kalven moesten, eenige schapen en -varkens, die bij mijne wederkomst zich aanmerkelijk vermeerderd hadden.</p> - -<p>Doch dit alles, en hoe driehonderd Caraïben het eiland overvielen, hen -eerst versloegen, één hunner doodden, en hunne aanplantingen vernielden; -doch hoe later een storm des vijands kanoes vernielde, deze door honger -en hunne geweren gedood werden, en zij weder in het bezit van het -eiland geraakten; dit alles, met nog eenige buitengewone lotgevallen -van mijzelven, gedurende nog tien jaren, zal ik misschien later -verhalen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 400px;"> -<img src="images/crusoe_113.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - - - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van -Robinson Crusoe, t. 1 (of 2), by Daniel De Foe - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 1 *** - -***** This file should be named 41427-h.htm or 41427-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/1/4/2/41427/ - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_001.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_001.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 299e74a..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_001.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_002.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_002.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 955ff2f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_002.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_003.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_003.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2fbd58c..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_003.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_004.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_004.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3b3c0b3..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_004.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_005.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_005.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 407b94a..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_005.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_006.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_006.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 63234e4..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_006.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_007.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_007.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 45f38be..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_007.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_008.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_008.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 18527f2..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_008.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_009.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_009.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e4e69f5..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_009.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_010.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_010.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a18e0d5..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_010.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_011.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_011.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0992cde..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_011.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_012.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_012.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b4f9b65..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_012.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_013.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_013.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1aaf1e8..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_013.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_014.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_014.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d75baa1..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_014.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_015.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_015.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c21e76b..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_015.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_016.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_016.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b49228f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_016.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_017.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_017.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2599fb8..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_017.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_018.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_018.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 25a9f9f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_018.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_019.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_019.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 6c5f652..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_019.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_020.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_020.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index db4b68b..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_020.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_021.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_021.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a5e649c..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_021.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_022.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_022.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3a74416..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_022.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_023.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_023.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 53efdfb..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_023.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_024.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_024.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 14257fe..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_024.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_025.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_025.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3e0966e..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_025.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_026.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_026.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1a0a441..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_026.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_027.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_027.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3f11610..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_027.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_028.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_028.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2a0f588..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_028.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_029.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_029.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 22fab08..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_029.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_030.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_030.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 294d0d8..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_030.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_031.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_031.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b68b0b4..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_031.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_032.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_032.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 695e6f2..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_032.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_033.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_033.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c7d6681..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_033.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_034.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_034.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index fb4a1a4..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_034.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_036.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_036.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0d50b76..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_036.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_037.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_037.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 611e53f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_037.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_038.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_038.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index ce39ffb..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_038.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_039.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_039.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b34a83e..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_039.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_040.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_040.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b9001c2..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_040.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_041.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_041.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 22c5dcb..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_041.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_042.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_042.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 53eee26..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_042.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_043.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_043.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 31ad4a4..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_043.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_044.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_044.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9c674f5..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_044.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_045.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_045.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 06ee88f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_045.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_046.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_046.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8c7c917..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_046.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_047.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_047.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 995539c..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_047.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_048.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_048.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 05c9b1f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_048.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_049.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_049.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4663051..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_049.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_050.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_050.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a3186d1..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_050.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_051.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_051.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index ee635c4..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_051.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_052.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_052.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a3e4619..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_052.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_053.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_053.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8903fbc..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_053.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_054.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_054.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 7361527..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_054.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_055.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_055.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8e43e48..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_055.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_056.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_056.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 11289b3..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_056.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_057.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_057.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5a8f9c8..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_057.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_058.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_058.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 7a46d76..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_058.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_059.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_059.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index be0881e..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_059.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_060.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_060.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 44bc7d9..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_060.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_061.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_061.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 97e6a1b..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_061.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_062.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_062.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0233760..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_062.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_063.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_063.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2601148..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_063.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_064.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_064.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5c77fb8..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_064.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_065.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_065.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9b13e92..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_065.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_066.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_066.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2166375..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_066.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_067.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_067.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index bfdf423..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_067.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_068.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_068.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8fb5ece..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_068.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_069.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_069.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d9078e5..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_069.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_070.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_070.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9de5b6d..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_070.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_071.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_071.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d603220..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_071.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_072.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_072.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1f12dd9..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_072.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_073.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_073.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e5db4ad..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_073.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_074.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_074.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a864e00..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_074.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_075.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_075.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8e4a34f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_075.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_076.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_076.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a9e2042..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_076.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_077.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_077.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 496d2ec..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_077.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_078.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_078.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b588ba3..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_078.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_079.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_079.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 13f1c7d..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_079.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_080.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_080.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e2cd7bd..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_080.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_081.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_081.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0875d09..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_081.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_082.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_082.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 881dba0..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_082.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_083.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_083.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index fbd1d3f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_083.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_084.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_084.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 77a94a0..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_084.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_085.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_085.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 72dfa6d..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_085.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_086.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_086.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e1b14e2..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_086.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_087.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_087.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1942cac..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_087.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_088.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_088.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c2d4344..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_088.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_089.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_089.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 17e7e8f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_089.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_090.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_090.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index f617c17..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_090.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_091.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_091.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e914a69..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_091.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_092.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_092.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 69a38d5..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_092.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_093.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_093.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 06d6d5f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_093.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_094.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_094.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 7b59c78..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_094.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_095.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_095.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2eb15b7..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_095.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_096.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_096.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 7f3aa53..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_096.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_097.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_097.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 63873cc..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_097.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_098.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_098.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3c09e68..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_098.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_099.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_099.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e9fa50a..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_099.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_100.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_100.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 46af864..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_100.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_101.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_101.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e010abf..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_101.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_102.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_102.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8cf649f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_102.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_103.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_103.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d29bd02..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_103.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_104.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_104.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e87363f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_104.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_105.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_105.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 36364c1..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_105.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_106.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_106.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4bd859a..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_106.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_107.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_107.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 768aa20..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_107.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_108.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_108.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8f01990..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_108.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_109.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_109.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3c837b9..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_109.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_110.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_110.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 748fed7..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_110.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_111.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_111.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 749e59e..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_111.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_112.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_112.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 979ec7e..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_112.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41427-h/images/crusoe_113.jpg b/old/41427-h/images/crusoe_113.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index ae2cd8f..0000000 --- a/old/41427-h/images/crusoe_113.jpg +++ /dev/null |
