summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/40417-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '40417-0.txt')
-rw-r--r--40417-0.txt20047
1 files changed, 20047 insertions, 0 deletions
diff --git a/40417-0.txt b/40417-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..04e52aa
--- /dev/null
+++ b/40417-0.txt
@@ -0,0 +1,20047 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 40417 ***
+
+ ZEEMANS-WOORDEBOEK,
+
+ BEHELZENDE EEN VERKLARING DER WOORDEN,
+ BY DE SCHEEPVAART EN DEN HANDEL IN GEBRUIK
+ EN EEN OPGAVE DER ALGEMEENE WETSBEPALINGEN,
+ DAARTOE BETREKKELIJK,
+ EN DER SPREEKWIJZEN, DAARAAN ONTLEEND.
+ EEN EN ANDER VOORZIEN MET
+ TAALKUNDIGE OPMERKINGEN EN AANHALINGEN
+ UIT ONDERSCHEIDENE SCHRIJVERS:
+ TE SAMEN GESTELD
+
+
+ DOOR
+ MR. J. VAN LENNEP.
+
+
+ AMSTERDAM,
+ GEBROEDERS BINGER.
+ 1856.
+
+
+
+
+
+
+
+DEN HEER AARNOUD VAN LENNEP.
+
+
+WAARDE BROEDER!
+
+Onderscheidene redenen dringen my, u dezen arbeid op te dragen. Gy
+zijt de eerste geweest, aan wien ik mijn voornemen om dien tot stand
+te brengen, heb medegedeeld: de eerste, die my, met uwen raad, met
+uwe ondervinding, met uwe voorlichting, hebt bygestaan: gy hebt my de
+werken aan de hand gedaan, meest geschikt om er gepaste bouwstoffen
+uit te ontleenen.
+
+Ik weet, dat u dit werkjen niet onwelkom wezen zal: in de eerste
+plaats, om dat het u de loopbaan zal herinneren, waarin gy de
+lentedagen uws levens hebt doorgebracht, en een vak aan 't welk u
+gewis, ook al mocht gy 't verlaten hebben, nog de oude genegenheid
+boeit; en ten anderen, om dat het komt van hem, wien gy steeds warme
+vriendschap bleeft toedragen, en die van zijnen kant het steeds tot
+een geluk rekende, zich te mogen noemen
+
+
+Uw Broeder en Vriend
+
+J. v. LENNEP.
+
+Augustus 1856.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+By elken Nederlander, immers by den zoodanige, die dezen naam niet
+uit kracht eener wet, maar uit hoofde zijner afkomst voert, bestaat,
+in meerdere of mindere mate, zekere ingenomenheid met het Zeewezen,
+'t zij, dat wy die reeds van kinds af inademen met den zeewind, die
+over onze velden blaast, 't zij, dat wy haar oorsprong zoeken moeten
+in de herinneringen van onzen ouden roem en vervlogen grootheid ter
+zee, 't zij, dat hier die beide oorzaken, de fyzieke en de moreele,
+te samen werken. Ook my waren, van zoo verre my heugt, zeegezichten,
+zeetochtjens, verhalen van zeegevechten en zeeavonturen, welkom en
+aangenaam. Ofschoon tot op een-en-twintigjarigen leeftijd een eenige
+zoon, en dus niet voor de zeedienst bestemd, bleef niet-te-min my ten
+allen tijde de neiging by voor al wat tot de zee betrekking had. De
+omstandigheid, dat ik ten gevolge van een ambt, 't welk ik lange
+jaren bekleedde, gehouden was, telken jare eenige dagen op zee--al was
+het dan ook maar op een binnenzee--door te brengen, en dat my later
+bezigheden van geheel anderen aart nu en dan naar Engeland riepen,
+strekten om die neiging gedeeltelijk te voldoen en tevens om haar aan
+te wakkeren: en meer dan eene episode uit mijn werken is haar oorsprong
+verschuldigd aan de ondervinding, op dergelijke tochtjens verkregen.
+
+Behalve voor 't zeewezen heb ik, mede reeds zeer vroeg, een zonderlinge
+liefde gehad voor Woordeboeken [1]. Het feit moge eenige bevreemding
+baren, het is niet-te-min volkomen waar, en ik was een knaap van nog
+geen tien jaar, toen ik niet alleen talrijke Dictionnaires d'anecdotes
+en Dictionnaires de la fable van buiten kende, maar ook het min
+behagelijke woordeboek van Chomel, en een menigte artikelen van de
+Encyclopédie gelezen had. Men kan alzoo begrijpen welk een byzonderen
+smaak ik moest vinden in een werk, dat niet alleen tot de kategorie der
+woordeboeken behoorde, maar bovendien het Zeewezen betrof, te weten
+Winschotens Seeman. Ik was toen nog op dien gelukkigen leeftijd,
+waarin men gelooft, dat al wat in boeken gedrukt staat, waar is,
+even als alles wat groote menschen zeggen:--latere ondervinding nam
+my op een en ander punt vele begoochelingen weg, en zoo begon ik van
+lieverlede te bemerken, dat ook Winschoten, in zijn narichten, maar
+vooral in zijn afleidingen, geen byzonder vertrouwen verdiende. Deze
+ontdekking deed voor jaren by my de lust ontslaan, een verbeterde
+uitgave van dat werk te bezorgen, waarin niet alleen de misslagen
+van den schrijver hersteld, maar ook de talrijke ruimten zoo veel
+mogelijk zouden aangevuld worden. Reeds lang ging ik van dit ontwerp
+zwanger, toen my de verzameling van Spreekwoorden bekend werd, door
+den Heer Sprenger van Eyk verklaard [2]. Een mijner vrienden, voormalig
+zee-officier, aan wien ik dit werk ter lezing had verstrekt, deelde my
+daaromtrent een tal van aanmerkingen mede, hoofdzakelijk strekkende
+om te bewijzen, dat de geleerde schrijver zich over 't algemeen te
+veel, of door zijn verbeelding of door verkeerde voorlichting, had
+laten leiden, en zijn arbeid alzoo met even veel omzichtigheid diende
+geraadpleegd te worden als die van Winschoten. De overtuiging hiervan
+geleidde my tot een andere, namelijk van het nut om een "verbeterden
+Winschoten" tevens te doen strekken tot een "betere handleiding voor
+hen, die den oorsprong en de beteekenis willen leeren kennen van
+spreekwijzen, aan het zeewezen ontleend." Zoo zette ik my nu aan het
+verzamelen van bouwstoffen en aan het raadplegen van verschillende
+schrijvers, wier arbeid my van dienst kon zijn;--maar jaar op jaar
+weerhielden my verschillende omstandigheden om met ernst de handen
+aan 't werk te slaan en uit den verspreiden voorraad mijn gebouw op
+te timmeren. Gewis zal die vertraging niemand verwonderen. By elk
+ander werk behoeft men alleen de luchtige schets van 't geheel op het
+papier, des noods in 't hoofd, te hebben, en men kan met schrijven
+een aanvang maken. Heeft men den kop, men komt van lieverlede ook
+aan den staart. Maar een Woordeboek is hierin van alle andere werken
+onderscheiden, dat het kop noch staart heeft, dat het als een cirkel
+in 't rond loopt, dat de deelen in gestadige betrekking tot elkander
+staan en dat men niet aan 't drukken, ja niet aan 't overschrijven,
+gaan kan, voor dat het boek volledig is afgewerkt. Volledig!--een
+Woordeboek heeft nog dit eigenaardige, dat het nimmer volledig kan
+genoemd worden, en dat, ook in de beste, op de duizend woorden,
+die er in staan, er doorgaands honderd gemist worden.
+
+Ik was dan ook, toen ik nu drie jaar geleden aan 't drukken begon, ten
+volle overtuigd, dat al mijn moeite en nasporingen my niet in staat
+zouden stellen meer dan een zeer gebrekkig werk te leveren;--doch
+ik begreep, dat my deze bedenking niet moest afschrikken. Waar het
+volkomene onbereikbaar is, moet men zich met het mogelijke te vrede
+stellen, en beter half-werk dan in 't geheel geen. Bovendien kan mijn
+arbeid voor 't minst dit nut hebben, dat hy zaakkundigen, zoo wel
+in 't vak van 't zeewezen als in dat der taal, aanleiding geeft tot
+opmerkingen, tot aanvullingen, tot verbeteringen, waarvan, is het niet
+in een tweede uitgave van dit--(zoo verre gaat mijn verwaandheid niet,
+dat ik daarop rekenen zoû), dan althands in het--Algemeen Woordeboek,
+dat onder handen is, gebruik zal kunnen gemaakt worden.
+
+De omstandigheid, dat met het drukken van een boeksken, dat nog geen
+achttien gewone vellen druks beslaat, byna drie jaren zijn verstreken,
+moge strekken tot een bewijs, dat hiermede niet lichtvaardig is te
+werk gegaan. Ik heb--om in deze voorrede van een Woordeboek over
+'t Zeewezen althands eene spreekwijze te bezigen, aan dat zeewezen
+ontleend--ik heb niet bloot op mijn eigen kompas willen varen, en zoo
+wel mijn handschrift, als de drukproeven zijn herhaaldelijk, sommige
+door meer dan eenen zaakkundige, nagezien. En dat heen en weêr reizen
+der proeven, én dat trekken van menigvuldige reviziën, én de daarover
+gewisselde korrespondentie, heeft--moeilijkheden van anderen aart, by
+woordeboeken meestal onvermijdelijk, niet medegerekend--het afdrukken
+merkelijk vertraagd. Moge nu een weinig belangstelling in dien arbeid
+het bewijs leveren der waarheid van hetgeen ik in de eerste regels
+van dit voorbericht nederschreef.
+
+
+
+
+
+
+
+VERKLARING DER GEBEZIGDE VERKORTINGEN.
+
+
+ z. n. zelfstandig naamwoord.
+ b. n. byvoegelijk naamwoord.
+ voorn. voornaamwoord.
+ m. mannelijk.
+ v. vrouwelijk.
+ o. onzijdig.
+ mv. meervoud.
+ b. w. bedrijvend werkwoord.
+ o. w. onzijdig werkwoord.
+ w. w. wederkeerig werkwoord.
+ onp. w. w. onpersoonlijk werkwoord.
+ p. persoonlijk.
+ bw. bywoord.
+ voorz. voorzetsel.
+ t. w. tusschenwerpsel.
+ komm. kommando.
+ N. Eenig onbepaald getal.
+
+
+Voorts zijn de verklaarde woorden, wanneer zy in het artikel, dat
+hen betreft, nogmaals voorkomen, aangeduid door de aanvangletter en
+een streep. Zoo beduidt op Aak, A-- Aak, A--en Aken. Zoo op Blok --
+B--s, Bloks, enz.
+
+
+
+
+
+
+
+A.
+
+
+Aak, z. n. -- Onder Aken verstond men oudtijds die lastschepen, welke
+met wijnen van Keulen kwamen afdrijven, waarom zy ook doorgaands
+Keulsche aken, en door sommigen, met eene in onze taal vrij gewone
+voorvoeging, Haken werden genaamd. Deze schepen waren plat van bodem,
+van onder breed uitgezet, hoog opgeboeid en boven smal toeloopende:
+voor en achter met een breeden steven, in den vorm van een beitel,
+waarom zy ook beitel-aken werden geheeten. De naam Aken werd echter
+ook gegeven aan zoodanige langwerpige en laag op 't water liggende
+vaartuigen, die achteraan dreven, om daarmede, met een breeden riem
+of schepper, van en aan boord te roeien: thands echter verstaat men
+door A-- meer byzonder een vaartuig, met zoomwerk opgeboeid.
+
+Aal, z. n. -- Rivier- en Zeevisch.
+
+Spreekwijze: Hy is een koopman in A--shuiden (hy doet geringe zaken.)
+
+Aan, v. z. 1o. Op. naar. A-- boord (op het schip). A-- wal (op den
+wal, te land). A-- den grond zitten (vast zitten op een bank of
+droogte). A-- lij (op de lijzijde).
+
+2o. By, naby. A-- zee gelegen (dicht by de zee).
+
+3o. Tot, in handen van. Hy gaf last A-- het volk: -- hy gaf het bevel
+A-- den eersten officier over.
+
+4o. Stijf, dicht. Haal de schoot A--.
+
+5o. Aan 't lijf. Trek uw uniform A--.
+
+6o. Ten. A-- 't werk.--A-- den arbeid!--A-- 't sjouwen.
+
+Aanbeeren, o. w. (veroud.) -- Alle zeilen byzetten en zijn best doen
+om voort te komen.
+
+Aanboorden, b. w. (veroud.) -- Aan Boord komen.
+
+2o. Scheepstimmermans-uitdrukking, waarmede bedoeld wordt: het maken
+der bovenste deelen aan de scheepszijden.
+
+Aanbrassen, o. w. -- In den zin van Bybrassen. Stuurboord,
+bakboord. A--.
+
+Aandiepen, o. w. -- Al loodende naar land varen.
+
+Aandoen, b. w. -- Een haven of kust A--, een haven of kust met een
+vaartuig bezoeken, doorgaands alleen in 't voorbygaan, en zonder
+oogmerk er lang te verblijven. Er binnen loopen, binnen vallen. Door
+het verlies van onzen grooten mast, waren wy genoodzaakt, die haven
+Aan te Doen.
+
+Aandraaien, b. w. -- Een bindsel van lichte lijnen met een draaier
+of spaanspil stijf draaien.
+
+Aandrijven, o. w. -- 1o. Uit zee naar wal drijven. Het lijk van den
+stuurman kwam heden morgen A--.
+
+2o. Tegen iemand: Het schip kwam tegen ons A--. Zie Aanvaren.
+
+Aangaan, o. w. -- Op of Aanhouden. Wy moeten recht op dat eiland A--.
+
+Aangang maken, o. w. (veroud,) -- Voortzeilen, gang of vaart maken.
+
+Aangeven, b. w. -- Verklaring doen van hetgeen men in-, uit- of
+doorvoert. Men mag geene aan belasting onderworpen goederen binnen
+brengen, zonder die Aan te Geven.
+
+De wetsbepalingen omtrent het A-- zijn vervat in het XII Hoofdstuk der
+Algemeene Wet van den 26 Augustus 1822 (Staatsbl. no. 38) art. 118-126.
+
+Aangifte, z. n. -- Daad van aangeven, verklaring. Die schipper heeft
+verzuimd, A-- te doen van zijn lading.--Hy is wegens gebrekkige A--
+beboet.--Art. 120 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 schrijft voor wat
+het biljet van A-- moet inhouden.
+
+Aanhaken, o. en b. w. -- Met een haak of kram ergends aan vasthouden
+of gehouden worden: aan boord haken, klampen.
+
+Aanhalen, b. w. -- 1o. Stijf halen, strak maken. De schoot A--.
+
+2o. In beslag nemen. De gandsche lading is ten gevolge eener verkeerde
+aangifte Aangehaald geworden. Wanneer de ambtenaren goederen A--
+zijn zy verplicht die naar het naaste kantoor op te brengen.
+
+Aanhalen, o. w. -- Krachtiger worden. De wind Haalt Aan (het begint
+harder te waaien).
+
+Spreekwijze: Het haalt wat aan (het geeft vrij wat voordeel).
+
+Aanhaling, z. n. -- In-beslag-neming. Een A-- doen van verboden,
+van verkeerd aangegeven goederen.
+
+Aanhangen, b. w. -- b. v. het Roer. Vastmaken, op zijn plaats brengen.
+
+Aanhouden, o. w. -- Richten, sturen, op een plaats of streek. Wy
+moeten, om de haven binnen te komen, op die lantaren A--.
+
+Aanhouden, b. w. -- 1o. In beslag nemen, beletten verder te gaan. De
+Engelschen Hielden, gedurende dien oorlog, alle schepen Aan, die hun
+verdacht voorkwamen.--De ambtenaren hebben, op vermoeden van sluikery,
+zijn goederen Aangehouden.
+
+2o. t. w. Touw: het vast maken, als er genoeg uitgevierd is.
+
+Aanklampen, b. w. -- Aanhaken, enteren. Zich aan een ander vaartuig
+vasthechten, aan boord klampen.
+
+Spreekwijze: Iemand A-- (iemand op eene, 't zij onvriendelijke, 't
+zij althands lastige wijze aanspreken. Ook wel "iemand--doorgaands
+tegen zijn zin--een arm geven").
+
+Aanklamper, z. n. -- Hy die aanklampt.
+
+Aanklamping, z. n. -- De daad van aanklampen.
+
+Aankomen, o. w. -- Uit zee aan wal of in de haven komen. Er is gebrek
+in 't land: 't is tijd dat de graanschepen A--.
+
+Aankrammen, b. w. -- Met kramgarens hechten.
+
+Aanleggen, o. w. -- Een hoofd of kaai aandoen, aan wal komen. Hier
+is de kaai, waar wy moeten A--.
+
+Spreekwijze: Ergends A-- (een herberg of kroeg in 't voorbygaan
+bezoeken
+
+Zoo: Willen wy hier eens A--. Hy is gewoon aan alle kapelletjens Aan
+te Leggen.)
+
+Aanleggen, o. w. -- Op- of naar een plaats:--Op een plaats
+aanhouden. Hoe legt het aan? (welken koers moeten wy houden?) Tegen
+iemand A-- (met den steven naar een ander schip gericht daarop
+afzeilen.)
+
+
+ Wy leggen 't op de ree
+ De zee van Reden, aan.
+
+ Huygens, Hofwijck.
+
+
+Aanleggen, b. w. -- Omleggen. Het want A--.
+
+Spreekwijze: Het te breed A-- (te veel verteering maken.)
+
+Aanlegplaats, z. n. -- Plaats, bestemd of geschikt om aan te leggen. De
+A-- der stoombooten.
+
+Aanloeven, o. w. -- By- of oploeven: Met een ruimen wind zeilende
+het schip dichter aan den wind doen komen.
+
+Aanloop der zee, z. n. -- Het slaan van een zwaren golf.
+
+Aanloopen, o. w. -- 't Zelfde als Aanvaren.
+
+Aanlijken, b. w. -- Een lijk aan een zeil zetten.
+
+Aanmaken, b. w. -- 1o. Aanzetten, aanhechten, vastmaken, aanslaan:
+en meer in gebruik dan dit laatste.
+
+2o. Maken. De Equipaadje was bezig met het A-- van matten.
+
+3o. Handen reppen. Maak wat Aan!
+
+Aannemen, b. w. -- Werven, in dienst nemen. Er is voor dien tocht
+vrij wat volk Aangenomen.
+
+Aannemend, b. n. Toenemend. A--e koelte (een wind, die toeneemt).
+
+Aanneming, z. n. v. -- Werving, in-dienst-neming. Er heeft nog geen
+A-- van volk plaats gehad.
+
+Aanrakken, o. w. -- De Rakken aanhalen.
+
+Aanranden, b. w. -- Met slechte inzichten overvallen, aanvallen. Wy
+werden op die hoogte door roovers Aangerand.
+
+Aanrijgen, b. w. -- Door een koord, draad of lijn verbinden. De
+bonnet A--.
+
+Aanslaan, b. w. -- 1o. Zie Aanmaken. Een zeil A-- (het hechten
+of aankrammen, aan raas, gaffels of leiders met het lijk daarvoor
+bestemd).
+
+2o. Vatten, grijpen. Een vat A--: (er een strop om heen slaan).
+
+Aanslibbing, z. n. v. -- of Aanspoeling. Land, dat op zee gewonnen
+wordt.
+
+Aanspoelen, o. w. -- Uit zee naar 't strand gedreven worden. Daar
+kwamen vele kisten uit het verongelukte schip A--.
+
+Aanspoeling, z. n. v. -- of Aanslibbing. Land, dat op de zee gewonnen
+wordt.
+
+Aanstampen, b. w. -- Vaststampen, stuwen, vast op elkander pakken.
+
+Aanstellen, b. w. -- Een macht- of lastbrief geven. Hy is tot
+bevelhebber der onderneming Aangesteld.
+
+Aanstelling, z. n. v. -- 1o. Macht- of lastbrief. Hy heeft zijn A--
+als Luitenant, als Tweede Stuurman ontfangen.
+
+2o. De benoeming in dien lastbrief vervat.
+
+Aanvaart, z. n. v. -- Landingsplaats. De plaatsen van Af- en A--
+der stoombooten.
+
+Aanvaren, o. en b. w. -- Tegen een schip op eenig voorwerp varende,
+stooten. Hy is tegen de kaai Aangevaren. De stoomboot heeft hem
+Aangevaren. De schade, door het A-- veroorzaakt, moet vergoed
+worden. Zie Aanzeilen.
+
+Aanvaring, z. n. v. -- De daad van het aanvaren.
+
+Aanwenken, o. w. -- Het doen springen der lijfokkebras en het byvieren
+der magermans en voorbramboelijn op het kommando van Wenk wat aan voor.
+
+Aanzeilen, o. w. -- Koers houden. Oost of West A--. Hy kwam met geen
+vyandelijke inzichten A--.
+
+Aanzeilen, b. w. -- Tegen een ander schip zeilende stooten. In het
+Kanaal loopt men dikwijls gevaar van A--. De schade, door het A--
+veroorzaakt moet vergoed worden. Zie daarover het Wetb. v. Kooph. II
+B. VI Tit. Art. 534-544.
+
+Aanzeiling, z. n. v. -- De daad van Aanzeilen.
+
+Aanzetklos, z. n. m. -- Klos aan 't vooreind van den aanzetstok,
+die in 't kanon gestoken wordt.
+
+Aanzetten, b. w. -- Instampen, stampen, een stuk geschut laden.
+
+Aanzetter, z. n. m. -- Stok, aan het eene eind voorzien van een klos,
+waarmede de kardoes en de kogel in het stuk geschoven en aangezet
+wordt: by kleine stukken is het eene eind van den A-- soms voorzien
+van een wisschersbol.
+
+Aap, z. n. m. (veroud). -- Benaming van het bezaanstagzeil.
+
+Aardewind, z. n. m. -- Zie Gangspil.
+
+Abab, z. n. m. -- Benaming van een vrijen Turkschen matroos.
+
+Abandonnement, z. n. m. -- Bastertwoord, dat de Wetgever heeft
+verkozen te gebruiken, ofschoon hy daarvoor even gemakkelijk Afstand
+of Verlating had kunnen zeggen. Zie Afstand.
+
+Accijnsgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen met accijns bezwaard. Zie
+Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art 3, art. 67-74, art. 78, 144-152.
+
+Achter, bw. -- Door A-- wordt aangeduid wat zich op, of om, of achter
+het A-- schip bevindt. Waar is de bootsman? Hy is A-- (op het A--
+schip). Wy hebben N. diepgang A--. (De diepgang van het A-- schip
+is N.).
+
+Achter af, bw. -- In een verwijderde plaats. A-- brengen: (in de
+provoost, in de gevangenis brengen).
+
+Achterbaks, bw. -- Eigentlijk, Achter den Bak. A--houden (terug houden,
+verborgen houden). Hy heeft zich A-- gehouden (hy heeft niet voor
+den bak durven komen, hy heeft zich schuil gehouden). Doch zie Bak.
+
+Achterdwarstouw, z. n. o. -- Touw, waarmede een schip achter door de
+poorten heen kan vastgemaakt worden.
+
+Achtereb, z. n. v. -- Het laatste gedeelte van de eb.
+
+Achterhalen, b. w. -- Inhalen, bereiken. Wy zeilden te goed. Zy konden
+ons niet A--.
+
+Achterhiel, z. n. v. -- Hoek van den achtersteven met de kiel. Zie
+Hiel.
+
+Achterhoede, z. n. v. -- De Schepen van het derde smaldeel eener vloot,
+wanneer de vloot in gewone orde opzeilt. Meer gebruikelijk plach by
+ons te zijn Achtertocht. Zie ald.
+
+Achterkasteel, z. n. o. of Schans. -- Achterste gedeelte van het
+schip. Het wordt ook genomen voor dat des lichaams.
+
+Achterkiel, z. n. v. -- Hoek van den achtersteven met de kiel, of
+hieling van de kiel.
+
+Achterlastig, b. n. -- Zie Stuurlastig.
+
+Achterluik, z. n. o. -- Luik van het achterschip.
+
+Achterlijk, z. n. o. -- Lijk, langs den opstaanden kant van een zeil
+naar de zijde van het achterschip.
+
+Achterom, bw. -- Achter het schip om. A-- komen (zich achter een
+schip stellen om het te volgen). A-- loopen (zich, uit eerbied voor
+een hooger officier, wiens schip men kruist, hem aan den kant van
+zijn achtersteven voorbygaan).
+
+Achterop, bw. -- Van achteren. Wy kwamen het schip A--. (Wy haalden
+het in).
+
+Achteronder, z. n. o. -- Achterruim. De ruimte, die achter in 't
+onderschip is.
+
+Achterpiek, z. n. v. of alleen Piek. -- Achterste schuinte van
+het schip.
+
+Spreekwijze: Zijn A-- scheeren voor "zich wegpakken."
+
+Achterplecht, z. n. v. -- Zie Plecht.
+
+Achterruim, z. n. o. -- Zie Achteronder.
+
+Achterschip, z. n. o. -- Dat deel van het schip, 't welk van den
+bezaansmast af tot aan het einde toe naar achteren staat. Zie Schip.
+
+Achterslemphout, z. n. o. -- Verzameling van op elkander gestapelde
+houten, benoodigd om den hoek te bewaren van den achtersteven met
+de kiel.
+
+Achterspant, z. n. v. Zie Spant.
+
+Achtersteven, z. n. m. -- Zwaar en rechtstaand stuk hout, dat, aan
+het uiteinde der kiel van een schip opgericht, het sluitstuk van zijn
+romp uitmaakt.
+
+Achtertocht, z n. m. of Achterhoede -- Het smaldeel eener vloot,
+dat achter aan zeilt, en gewoonlijk door den derden Hoofd-officier
+in rang wordt aangevoerd.
+
+Achtertouw, z. n. o. -- Tros of kabeltouw, waarmede men achter aan den
+wal gemeerd is of dat men voor verhalen gebruikt om het Achterschip
+te bedwingen.
+
+Achteruit, bw. -- Beteekent in de samenstelling, wat zich bevindt
+aan de zijde van den achtersteven. Gy moet A--komen: (gy moet by den
+Kapitein in de kajuit komen). A-- viktualieruim (het eerste magazijn,
+dat zich achter den grooten mast bevindt).
+
+Achteruitzeilen, o. w. -- Achterblijven, de schepen, waarby men
+behoort, vooruitzeilen.
+
+Spreekwijze: A-- (achter uit teeren, teruggang ondervinden).
+
+Achtervinkenet, z. n. o. (veroud.) voor Kuildek.--Zie ald.
+
+Achtervloed, z. n. m. of Navloed. -- Het laatste van den Vloed.
+
+Achterwerk, z. n. o. -- Het snijwerk van den achtersteven.
+
+Achterzeilen, z. n. o. mv. -- De zeilen, die tot den grooten en
+bezaansmast behooren. De A-- en doen het schip oploeven, de voorzeilen
+afvallen.
+
+Adelborst, z. n. m. -- Kadet, eerste graad in de Zeedienst. Het
+woord heeft dezelfde beteekenis als Edelknaap: om dat de Adelborsten
+oorspronkelijk vrijwilligers van edelen huize waren.
+
+Admiraal, Admiraliteit enz. -- Zie Amiraal, Amiraliteit, enz.
+
+Adviesboot, fregat, jucht. -- Vaartuig, dat berichten of lastgevingen
+overbrengt.
+
+Afbakenen, b. w. -- Met merken of tonnen bezetten. Men heeft eindelijk
+besloten, die ondiepte Af te Bakenen.
+
+Afbetalen, b. w. -- Betalen en wegzenden. Het schip is opgelegd en
+het scheepsvolk is Afbetaald.
+
+Afblazen, b. w. -- De kanonnen A-- (ze met los kruit afschieten om
+ze schoon te houden.
+
+Afbrassen, o. w. -- Zie Volbrassen.
+
+Spreekwijze: Hy brast af: (hy schuurt zijn piek).
+
+Afbrengen, o. w. -- Vlot maken. Het schip zat op den bank en het
+kostte niet weinig moeite, het er Af te Brengen.
+
+Afbuien, o. w. -- Eindigen met Buien. Het weer Buit Af.
+
+Afdanken, b. w. -- Uit de dienst zenden, naar huis zenden, ontslaan. Al
+de manschappen worden Afgedankt.
+
+Afdanking, z. n. v. -- De daad van afdanken. Nu de oorlog een einde
+nam had er een algemeene A-- der troepen plaats.
+
+Afdeeling, z. n. v. -- Zie Eskader, Smaldeel.
+
+Afdrijven, o. w. -- Wordt van een vaartuig gezegd, dat door den stroom
+wordt mede gevoerd. Met den stroom A--. Met de neer A--. Een schip
+doen A--.
+
+Afdwalen, o. w. -- Wordt van een schip gezegd, als het uit zijn koers
+of van de vloot afraakt: -- en van een man, als hy vermist wordt. Hy
+is Afgedwaald (hy is buiten boord geraakt.)
+
+Afgaand, b. n. -- Vallend. Zie Tij.
+
+Afgetakeld, b. n. -- 1o. Afgetuigd. Zie Aftakelen.
+
+2o. Gehavend. (Dat schip ziet er deerlijk A-- uit).
+
+Spreekwijze: Hy is zeer A-- (hy is mager geworden).
+
+Afgieren, o. w. -- Als men voor anker ligt met een gier van plaats
+veranderen.
+
+Afgrond, z. n. m. -- Zie Diepte, Kolk, Maalstroom.
+
+Afgronden, die geen loot kan peylen, noch beworpen, zegt Vondel. Lof
+der Zeevaart.
+
+Afhangen, b. w. -- 1o. Uit zijne scharnieren lichten. Het roer A--.
+
+2o. Iemand van zijn wapenen enz. ontdoen. Hangt dien man Af (ontneemt
+hem zijn zijdgeweer, enz.)
+
+Afhouden, o. w. -- 1o. Zich ergends van verwijderd houden. Wy moeten
+van die kust A-- anders vervallen wy op de zandgronden.--Hadden wy niet
+nog in tijds Afgehouden, dan had die brik ons overzeild.--Van den wind
+A-- (door de werking der zeilen of van het roer een slag in de rondte
+doen) voor den wind A-- (de richting van den wind volgen, zoo dat men
+hem den achtersteven toekeert). In eens A-- (wanneer de beweging met
+snelheid geschiedt). Gaande weg A-- (wanneer zy langzamerhand plaats
+heeft). Door een kontramarsch in elkanders kielwater A--.
+
+2o. Plaats maken. De schepen die den stroom opvaren, moeten naar den
+wal A-- om de stroom-afkomende te laten voorbygieren.
+
+Afhouden, b. w. -- Verwijderen: het anker van den boeg A-- (ten einde
+schuring te voorkomen). Als een touw, ketting of kabelaring om een
+spil gewonden wordt, zijn er menschen, die de afgewonden part stijf
+houden en terughalen, dat men A-- noemt.
+
+Afkeuren, b. w. -- Ongeschikt, onbruikbaar verklaren. Dat schip werd
+Afgekeurd (het werd geöordeeld, niet langer zee te kunnen bouwen:
+het kreeg den bijl voor den kop.)
+
+Afknijpen, b. w. -- t. w. de loef, wordt van uw schip gezegd, wanneer
+het een ander de loef afwint.
+
+Afkomen, o. w. (Op iemand). Dat schip Kwam op ons Af (naderde ons
+schip.)
+
+Afleggen, b. w. -- Zich verwijderen. Wy moeten van het land A--
+(versta: het roer).
+
+Afloopen, o. w. -- 1o. Van stapel loopen. Zie Stapel.
+
+Spreekwijze: Hoe zal dat A--? Dat Loopt goed Af. (Wat zal de uitslag
+zijn? Die uitkomst is voorspoedig). Het A-- van een schip is namelijk
+altijd een hachlijke zaak, aan het goed slagen waarvan vrij wat
+gelegen is.
+
+Het wel A-- van het scheepjen is van ouds her de dronk, aan een
+vrouw toegebracht, die zich in gezegende omstandigheden bevindt. De
+spreekwijze behoeft geen opheldering.
+
+2o. Afzakken, zich met den wind verwijderen. Voor den wind A--.
+
+Afloopen, b. w. -- De uitdrukking een schip A-- wordt wel gebezigd,
+als het scheepvolk zich oproerig toont.
+
+Aflossen, b. w. -- Verpozen, ontslaan en de plaats of taak innemen
+van den ontslagene. De wacht A--.
+
+Afnemen, o. w. -- Wordt de maan gezegd te doen, wanneer zy vol is
+geweest en haar omtrek schijnbaar vermindert.
+
+Afpassen, b. w. -- Gereed maken, bepalen. Een bestek A-- (een bestek
+zetten).
+
+Afraken, o. w. -- Zich verwijderen. Na een langen strijd Raakten de
+beide schepen van elkander Af.--Wy moeten ons best doen, dat wy van
+die kust A--.
+
+Afreizen, o. w. -- Heenreizen, uitzeilen.
+
+Afschaken, b. w. -- Bot geven, vieren. Een touw A-- (wanneer men
+het vasthoudt, het vieren om het gemakkelijker door een blok te
+laten glijden).
+
+Afschepen, b. w. -- Met een schip wegzenden. Goederen naar Engeland
+A--.
+
+Spreekwijze: Iemand A-- (zich van iemand ontslaan, iemand met een
+kluitjen in 't riet sturen).
+
+Afscheper, z. n. m. -- Bevrachter.
+
+Afslaan, b. w. -- 1o. Afweeren. 't Gelukte hun, des vyands eersten
+aanval Af te Slaan.
+
+2o. Strijken, wegnemen, bergen, het tegenovergestelde van ophijschen,
+bijzetten. De zeilen A--.
+
+Afslaan, o. w. -- Met geweld afraken. Hy is van zijn anker Afgeslagen.
+
+Afslechten, b. w. -- Verdunnen, b. v. een stuk hout.
+
+Afslechten, o. w. -- Bedaren. De zee slecht af (wordt stiller,
+effener).
+
+Afsluitingdeelen, z. n. o. mv. -- De deelen van een schip, die bestemd
+zijn om het Af te sluiten en waterdicht te houden.
+
+Afsnijden, b. w. -- Een schip: het in zijn koers hinderen, of beletten
+dat het zich begeve waar het wil. Een schip van den wal A-- (zich
+tusschen den wal en het schip plaatsen. Een schip den terugtocht A--
+(zich zoo te plaatsen, dat het niet ontwijken kan). Een Afgesneden
+schip. (Een schip, dat door de beweging des vyands zoodanig van de
+vloot waar het toe behoort gescheiden is, dat het zich daarmede niet
+kan hereenigen.)
+
+Afstand, z. n. m. -- 1o. De betrekking, waarin zich eenig voorwerp tot
+een ander bevindt ten opzichte van de plaats waar zy zijn. Op verren
+A-- zijn. Dat schip ligt op een A-- van twee mijlen.--Op den bepaalden
+A-- van zijn voorman blijven. Maans A--. De A-- der maan van de zon,
+planeten en vaste sterren. Het observeeren der A--en dient tot het
+vinden der lengte op zee en vereischt byzondere bekwaamheid.
+
+Spreekwijze: Hy neemt een goeden A-- (hy is een goed waarnemer of
+observateur).
+
+2o. Of verlating. De daad van iets af te staan. Hy heeft A--
+van dat schip gedaan aan de Assuradeurs ('twelk geschieden kan
+behoudens de bepalingen voorkomende in het Wetb. van Kooph. Boek II,
+Tit. IX. Afd. V. Art. 663-680.
+
+Afsteken, o. w. -- Zich in een licht vaartuig verwijderen. Met de
+sloep A--.
+
+Afsteken, b. w. -- Afwinnen. Iemand de loef A--. Zie Loef.
+
+Afstooten, b. w. -- Terugstooten.
+
+Aftakelen, b. w. -- Onttuigen, aftuigen. Een schip A-- (van zijn
+takelaadje ontdoen). Zie Afgetakeld.
+
+Aftocht, z. n. m. -- Terugtocht, meestal zoodanig een die gedwongen
+is. De vyandelijke vloot tot den A-- dwingen:--Den A-- slaan (door
+trommelslag het sein tot den A-- geven).
+
+Aftonnen, b. w. -- Een vaarwater geheel van Tonnen voorzien. Men
+mocht die baai wel A--.
+
+Aftuigen, b. w. w. -- De tuigaadje afnemen, onttuigen, onttakelen. Een
+schip A-- (van zijn tuig ontdoen.)
+
+Afvaart, z. n. v. -- Vertrek van een schip of boot. De A-- van den
+beurtman. De Aan- en A-- der stoombooten.
+
+Afvallen, o. w. -- 1o. Wordt van een schip gezegd, als het door
+tegenwind omzwenkt. Het schip Valt Af. Over bakboord, over stuurboord
+A--.
+
+2o. Ter zijde af wegzeilen, en met of tegen dank niet zoo dicht als
+doenlijk by-de-wind houden.
+
+Afvieren, b. w. -- Een touw laten schieten. Lus van een touwgeer
+afschrikken.
+
+Afvalling, z. n. v. -- Hieling, achterdeel der kiel, het stuk dat
+wegvalt by 't afloopen.
+
+Afvaren, o. w. -- Van de legplaats vertrekken. De schuit Vaart Af. Het
+uur van A-- heeft geslagen. Afgevaren breedte (de breedte waarvan
+men is afgevaren).
+
+Spreekwijze: 't Bestek zetten naar de afgevaren breedte (van een vast
+punt uitgaan).
+
+Afwaaien, onp. w. -- Onophoudelijk waaien. Het heeft in deze laatste
+dagen al schoon wat Afgewaaid.
+
+Spreekwijze: van den wal Afgewaaid (niet tot zijn oogmerk gekomen).
+
+Afwenden, o. w. -- Als men by-de-wind zeilende in den wal ligt,
+er over den anderen boeg uitzeilen.
+
+Spreekwijze: Tegen de nacht van den wal afwenden (tijdig voorzorgen
+nemen).
+
+Afwerken, o. w. -- Tegen wind of stroom A--, d. i. zwaar naar binnen
+komen, uit zee doorlaveeren, op een rivier door het uitbrengen van
+trossen, ook, by stilte, doorboegseeren.
+
+Afwerpen, b. w. -- 1o. Schielijk en onverwacht ergends van daan zeilen
+(veroud.). Afgeworpen worden heeft by het enteren dezelfde beteekenis
+als afgeslagen worden by een beleg.
+
+Afwinnen, b. w. -- Van iemand winnen. Ik heb het hem in snelheid
+Afgewonnen. Iemand de loef A--. Zie Loef.
+
+Afwijken, o. w. -- 1o. Scheuren, gapen: worden b. v. planken gezegd
+te doen, als de naden zich uitzetten.
+
+2o. Zich verwijderen. De magneetnaald Wijkt Af. (Zy verwijdert zich
+van het ware Noord.)
+
+3o. Met een werpanker, dat men met een sloep of boot uitbrengt, het
+schip verhalen; b. v. als men met een schip in de nabyheid van klippen,
+banken als andersins geänkerd is en men kans heeft met zwaaien of
+wat harden wind er op te raken, als men met stilte niet verzeilen
+kan of er geen plaats is om onder zeil te komen en het schip elders
+ten anker te brengen, dan geschiedt dit met behulp van een werp.
+
+Afwijking, z. n. v. Deklinatie. -- Miswijzing van de kompassen.
+
+Afzakken, b. w. -- Afdrijven b. v. een stroom. Het was een fraai
+schouwspel, die vloot de rivier te zien A--.
+
+Spreekwijze: Hy is Afgezakt (hy is zonder gerucht heengegaan).
+
+Afzakkertjes, z. n. o. -- Dronk, dien men by 't heengaan, of om de
+spijs te doen zakken, gebruikt.
+
+Afzeilen, o. w. -- De haven verlaten. Er zijn met dien wind vele
+schepen afgezeild.
+
+Afzeilen, b. w. -- Dat schip kan veel wind A-- (veel wind verdragen).
+
+Afzenden, b. w. -- Heenzenden, verwijderen. Een schip van de vloot
+A--. Goederen A--.
+
+Spreekwijze: De volle laag A--, d. i. al het geschut te gelijk afvuren
+(al zijn kracht op eens aanwenden).
+
+Afzender, z. n. m. -- Hy, die een lading, of goederen heeft Afgezonden.
+
+Afzetten, o. w. -- Zich afstooten. Ook: voor 't stooten vrij houden. Wy
+moesten van den wal A--; Zet Af! (komm.).
+
+Akerkloot, z. n. m. -- (Veroud.) Eikelvormige kogel: heet nu
+druivetros, en bestaat uit kleinere kogels, op een ronde schijf
+opgehoopt en in zeildoek gebonden, waarvan het geheel den vorm heeft
+van een aker of druivetros.
+
+
+ Kardoezen, akerkloots, mammierings en kardeelen.
+
+ Antonides, Ystroom.
+
+
+Aletta, z. n. v. -- Windveringen of galeiwolf. Verlenging van het
+boeghout op den achtersteven der Levantijnsche vaartuigen.
+
+Allarm, z. n. o. -- 1o. Wapenkreet, van 't Ital. All'arme, "te
+wapen." A-- blazen. Valsch, loos A--. Aan boord der Nederlandsche
+oorlogschepen slaat de tamboer op zijn trom A--, waarop ieder naar de
+hem aangewezen plaats in de geschuts- en gevechtsrolle gaat en zorgt,
+dat alles op die plaats tot het gevecht gereed zij.
+
+2o. Oploop, beweging, misbaar, by het ontstaan van onraad of
+gevaar. Een geweldig A-- verwekken.
+
+Allarmrol, z. n. v. -- Verdeeling van de Equipaadje in geval van
+gevecht.
+
+Alle zeilen byzetten, byhouden. -- Zie Byzetten, Zeil.
+
+Alles tot een gevecht klaar maken. Een gedeelte der kooien afnemen
+en naar de brassen brengen om tot verschansingen in te richten en
+tevens tot dekking van de talrepen der wanten, de schotten tusschen de
+vertrekken enz. wegnemen, alles uit den weg ruimen wat aan de vrije
+beweging der strijdenden hinderlijk zoû kunnen, zijn, de pompen,
+brandspuiten, grondschotproppen, stoppers, putsen, het slagverband
+klaar maken, wapens uitdeelen en ieder op zijn aangewezen plaats.
+
+Alles wel! 1o. Gewone begroeting, welke de schepelingen van twee
+elkander praaiende vaartuigen elkander toevoegen, en die zoo wel een
+vraag als een antwoord in zich sluit.
+
+2o. Roep van de uitkijk voor op de bak, op de fokke- en marsenra by
+het slaan der halfuursglazen. Wanneer er van het halfdek door den
+wachthebbenden Officier gepraaid wordt: "wel uitkijker voor!" moet
+deze, om te toonen dat hy niet slaapt, dit beantwoorden met A-- W--!
+
+Alles wel aan boord. -- Gewone uitdrukking om te berichten, dat op een
+vaartuig, 't welk zich op reis bevindt, noch ziekte noch belangrijke
+avery hebben plaats gehad.
+
+Almadie, z. n. v. of Kathurie. -- Soort van vaartuig, in Indiën en
+op de kust van Guinea in gebruik. Het heeft een zeer fijnen romp, aan
+beide einden in een punt uitloopende, en een vierkante verschansing.
+
+Aming, z. n. v. (veroud.) -- Hoogte van 't schip boven 't water.
+
+Amiraal, Ammiraal of Admiraal, (welke laatste schrijfwijze door
+misbruik en navolging der Engelschen is ingeslopen, als zijnde
+het woord afkomstig van Emir, dat Opperhoofd beduidt), z. n. m. --
+Vlootvoogd. Vroeger had men by ons te lande:
+
+Een A-- Generaal, welke waardigheid achtereenvolgends door de
+Stadhouders van Holland is bekleed geworden.
+
+Een Luitenant A-- Generaal, hoedanig de zeehelden Marten
+Harpertz. Tromp, Michiel Adriaansz. de Ruyter, Kornelis Tromp,
+achtereenvolgends zijn geweest.
+
+Luitenant A--en en Vice-A--en van de onderscheidene Amiraliteiten,
+door welke zy benoemd werden. Zie Amiraliteit.
+
+Sints de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden, worden,
+ingevolge de Grondwet, de Amiralen, even als alle andere Officieren,
+door den Koning benoemd.
+
+De benaming A-- wordt by onze schrijvers ook gebezigd om den
+bevelvoerder van eenig afzonderlijk smaldeel aan te duiden. Zoo zeide
+men b. v. De Kapitein A voerde als A-- den middeltocht aan, de Kapitein
+B als Vice-A-- den voortocht en de Kapitein C, als Schout-by-Nacht,
+den achtertocht.
+
+Spreekwijze: De A-- heeft geschoten. (De gastheer heeft zijn glas
+opgenomen en daardoor het sein gegeven.) Elken avond gaat aan boord
+van het Amiraalschip het wachtschot; dan moeten licht, vuur en pijpen
+uit, en de nachtwacht begint. Evenzoo luidt elken morgen het dagschot
+en ieder moet de kooi uit. Ook in een gevecht geeft het Amiraalschip
+het sein om te beginnen.
+
+Amiraal, z. n. m. -- Zeildoeksche slagputs om water te hijschen by
+'t schoon schip maken.
+
+Amiraalschap, z. n. v. (veroud.) -- Het verdrag, dat onder een vloot
+schepen gemaakt werd, wie het opperbevel zal voeren, en naar welk
+verdrag ieder zich in der tijd had te gedragen.
+
+Amiraalschip, z. n. o -- Schip, dat den Amiraal aan boord heeft
+of verwacht.
+
+Amiraalsvlag, z. n. v. -- Vlag, welke de Amiraal laat waaien, en
+waaraan men weten kan, op welk schip hy zijn verblijf houdt.
+
+Amiraalzeilen, o. w. -- Hardzeilery met kleine vaartuigen, hoedanig
+van ouds o. a. op den Aemstel plach te geschieden.
+
+Amiraliteit, z. n. o. -- Kollegie, dat het opperbewind plach te
+hebben over zeezaken. Onder de Republiek had men hier te lande vijf
+zoodanige Kollegiën, t. w. de A-- van de Maas, van Texel, van Zeeland,
+van Friesland en van het Noorder kwartier.
+
+Ammunitie, z. n. v. -- Zie Krijgsvoorraad.
+
+Amplitudo, z. n. v. -- De streek van den op- en ondergang der
+hemellichamen, van het ware Oosten of Westen gerekend.
+
+Anker, z. n. o. -- IJzeren werktuig met dubbelen weêrhaak, dat,
+uitgeworpen wordende, zich in den bodem der zee vastklemt en het schip,
+waaraan het is vastgehecht, belet weg te drijven. Als zware A--s heeft
+men aan boord der schepen: het Daagsch A--: het Boeg A--, het Tui A--
+en het Plecht A--, soms nog het Nood A--; als lichte A--s: het Stop-
+en de Werp A--s.--Het A-- voor den boeg vieren (het gereed stellen als
+men ankeren wil). Het A-- werpen, ten A-- komen, het A-- uitbrengen,
+laten vallen (het in zee laten zakken). Het A-- gaat door, laat los
+(het krast over den grond). Het A-- doen doordringen. (Het uitgeworpen
+A-- al varende over den bodem van het water laten slepen, 't welk
+geschiedt wanneer men, door snel stroomende rivieren varende, by het
+ontmoeten van een ondiepte, onmiddelijk kan ten anker komen). Het A--
+staat stagswijze (de ketting van het A-- staat evenwijdig met het
+fokkestag). Het A-- katten, verkatten. (Een werp-A-- op een zwaar A--
+zetten, om het doordreggen te beletten.) Het A-- kippen. (De bezorging
+van 't A-- na 't katten: de hand van 't A-- over boord halen.) Het A--
+lichten (uit het water ophalen). Het A-- is klaar (als het gezien is by
+'t ophalen en recht naar boven komt). Onklaar A-- (als het in het touw
+of op andere wijze verward is. Hy is gezien! (het A-- is gezien by 't
+uit het water komen.) Het A-- is recht op en neder! (wordt geroepen,
+wanneer de ketting by 't ophalen recht op en neder staat). A-- is
+voor (het is opgehaald en voor aan den boeg). Het A-- vrij houden (te
+beletten, dat het tegen boeg of boord aanslaat). Het A-- t'huis halen
+(het naar boord winden). Het A-- opkatten (het in den ring met het
+katsblok onder den kroonbalk hijschen). Het A-- laten slippen (een boei
+op het eind van het touw steken en dat de kluis doen uitloopen.) Het
+A-- visschen (naar een verloren A-- zoeken en ophalen). Het A--
+kappen (het touw kappen, waar het A-- aan vast zit). Het A-- is blind
+(zonder boei, zoodat men niet zien kan waar het is).
+
+Spreekwijzen: Hy is het A-- mijner hoop (hy is de man waar ik op
+steun). Men weet dat het A-- het zinnebeeld is der hoop.
+
+Van zijn neus een A-- maken (niet verder willen zien dan zijn neus
+lang is).
+
+Hy is zoo vet als een Spaansch A-- (hy is zoo mager als een hout).
+
+Op een A-- te land komen (tegen alle verwachting te recht komen).
+
+De kat op het A-- zetten (zijn koetjens op 't droog zetten--omdat
+een gekat A-- dubbel zeker ligt). Ook wel: (een vast besluit nemen).
+
+Het A-- lichten (vertrekken, zich verwijderen).
+
+Ergends zijn A-- laten vallen (Ergends zijn intrek nemen).
+
+Het A-- is doorgegaan (de grond is hem ontzonken).
+
+Hy slacht de A--s, die altijd te water gaan en nooit leeren zwemmen
+(hy komt nooit voort, hoe gunstig de gelegenheid ook zij).
+
+Zijn A-- houdt niet (wordt van een klaplooper gezegd, die weggestuurd
+wordt).
+
+Hy moet zijn A-- kappen (hy moet overhaast de vlucht nemen).
+
+Hy ligt voor zijn laatste A-- (het is slecht met hem gesteld).
+
+Hy ligt voor twee A--s (hy heeft dubbele hulp).
+
+Hy heeft klaar A-- (hy heeft vasten steun in zijn zaak).
+
+Ankeraadje, z. n. v. -- Oude benaming voor het geld, dat men aan de
+havenmeesters verschuldigd was voor het werpen van de ankers.
+
+Ankerarmen, z. n. m., mv. -- Armen van het anker: de gedeelten,
+welke van onderen, aan beide zijden van de schacht zich boogswijze
+verheffen en aan hun uiteinde van een weêrhaak zijn voorzien.
+
+Ankerbedding, z. n. v. -- De plaats waar het anker vastzit. Een
+bekwame A--.
+
+Ankerbladen, z. n. o., mv. -- De driehoekige bladen of lepels aan
+het uiteinde der armen van het anker.
+
+Ankerbrug, z. n. v. -- Uittimmering tegen den boeg, over welke de
+hand van het anker wordt opgehaald.
+
+Ankeren, o. w. -- Het anker laten vallen, ten anker komen.
+
+Spreekwijze: Ergends geänkerd zijn (zich ergends bevinden, waar men
+zich niet gemakkelijk van daan laat brengen).
+
+Ankergrond, z. n. m. -- Grond, tot ankeren geschikt. Wy vonden hier
+een goeden A--.
+
+
+ De minste vlieten zijn bequaem tot ankergronden.
+
+ Antonides, Ystroom.
+
+
+Ankerhals, z. n. v. -- De plaats waar de ankerstok door de schacht
+gaat, of omgekeerd.
+
+Ankerhanden. Hetzelfde als Ankerbladen. Zie aldaar.
+
+Ankerkip, z. n. v. -- Balk of stut waarover het kiptakel heen loopt.
+
+Ankerkruis, z. n. o. -- Kruis van het anker en plaats waar de armen
+van het anker zich met de schacht vereenigen.
+
+Ankermoeren, z. n. o., mv. -- Zie Ankerneuten.
+
+Ankerneuten, z. n. v., mv. -- Koppen of moeren. Verdikking van de
+schacht, daar waar de stok door heen gaat.
+
+Ankeroog, z. n. o. -- Oog van het anker; gat in de schacht, waar de
+ring door heen gaat.
+
+Ankerpeiling, z. n. v. -- Het bepalen door middel eener kruispeiling,
+waar het anker ligt.
+
+Ankerplaats, z. n. v. -- Plaats, waar een schip ten anker ligt. Wy
+vonden hier een veilige A--.
+
+Ankerpunt, z. n. v. -- Punt of bek van het ankerblad.
+
+Ankerring, z. n. m. -- Ring boven het anker, door welken het kabeltouw
+wordt heengestoken.
+
+Ankerroering, z. n. v. -- Touw en zeildoek, ter bekleeding van den
+ankerring, dienende om het stukscheuren van het touw te beletten.
+
+Ankerschacht, Ankerstuk, Ankerroede, z. n. v. -- De ijzeren staaf,
+die het lichaam van het anker vormt.
+
+Ankerschoen, z. n. m. -- Een hout, dat onder de hand van een anker
+gebracht wordt, by vervoer of verplaatsing.
+
+Ankersmedery, z. n. v. -- Werkplaats, waar ankers vervaardigd worden.
+
+Ankersmid, z. n. m. -- Werkbaas of werkman, die ankers smeedt.
+
+
+ Het ankersmeden zich aenmeten de Tyrrhenen.
+
+ Vondel, Lof der Zeevaert.
+
+
+Ankersteek, z. n. m. -- Wijze van het touw op het anker te bevestigen.
+
+Ankerstok, z. n. m. -- Stok, uit twee deelen zamengesteld, en die
+achter by de neut van het anker gebezigd wordt om de armen beter in
+den grond te doen vatten.
+
+Spreekwijze: Hy is zoo vet als een A-- (zoo mager als een hout).
+
+Ankerstokbouten, z. n. m., mv. -- Bouten, waardoor het verschuiven
+van den ankerstok in de schacht belet wordt.
+
+Ankerstokband, z. n. m. -- IJzeren band, dienende om de twee deelen
+van den ankerstok te verbinden.
+
+Ankertalie, z. n. v. veroud. (Zie Pentertalie, Kat).
+
+Ankertouw, z. n. o. -- Kabel, waaraan het anker vastzit.
+
+Ankervoering, z. n. v. -- IJzeren bekleedsel der ankerbrug, om deze
+van beschadiging vrij te waren.
+
+Antwoorden, o. w. -- Antwoord geven. Wanneer men een schip ontmoet,
+hijscht men de vlag, en dan wordt dat schip, door zijn vlag te
+vertoonen, gezegd te A--. In eigen spraak A-- (schieten op wie eerst
+geschoten heeft).
+
+Apostels-, z. n. m., mv. of Judas-ooren. -- Opstaande houten, die de
+eerste verbreeding van den voorsteven uitmaken.
+
+Appointé, z. n. m. -- In oorlogstijd werden soms twee kapiteins op
+hetzelfde schip geplaatst; doch de een was kommandant, de andere werd
+genaamd A--. Zoo noemde men ook wel een officier, die tot een andere
+equipaadje behoorde.
+
+Spreekwijze: Hy vaart als A-- (hy is een leêglooper, een dagdief).
+
+Arbeid, z. n. m., Werk. -- Aan den A--! (komm.). Zie Zorren.
+
+Arbeiden, o. w. (veroud.) -- Een schip wordt gezegd in zee te A--
+als het veel slingert of rolt.
+
+Archipel, z. n. m. -- Eilandszee. De Grieksche A--, de eilanden van
+den Indischen A--.
+
+Ark, z. n. v. -- Soort van keg, die in de nagels geslagen wordt.
+
+Arm, z. n. m. -- Palm, klaauw, tak, slinker, nok, handvatsel:
+uitstekend of uitspringend end, balk, staaf of bocht, voornamelijk
+zoodanige, als dienen om iets aan te vatten of te hanteeren. De A--
+van een knie, de A-- van een Anker (zie Ankerarm), enz.
+
+Artikelbrieven, z. n. m., mv. (veroud.) -- Verzameling van reglementen
+en ordonnantiën op het zeewezen.
+
+As, z. n. v. -- Spil, waar eenig voorwerp om heen draait.
+
+Assuradeur, Assurantie, Assureeren, enz. -- Zie Verzekeraar,
+Verzekering, enz.
+
+Astragaal, z. n. v. of Kamerband. -- Ring of band tot verzekering
+van een stuk geschut.
+
+Atlantische zee, z. n. v. -- Zie Oceaan.
+
+Atlas, z. n. m. -- Gebruikelijke naam voor verzameling van
+waereldkaarten. Een Zee-A-- (die alleen zeekaarten bevat). Een Hand-A--
+(dien men gemakkelijk hanteeren kan). Een Zak-A-- (dien men by zich
+steken kan).
+
+Avary, avery of havery, van 't Ital. Avaria. -- Zeeschade, op wat wijze
+ook te weeg gebracht. Volgens Art. 696 van het Wetb. van Kooph. worden
+onder A-- begrepen alle buitengewone onkosten, ten dienste van
+het schip en de goederen, gezamentlijk of afzonderlijk gemaakt;
+alle schade, die aan het schip en de goederen overkomt gedurende de
+tijdruimte by het II Boek, Tit. IX, afd. III deszelfden Wetb. ten
+aanzien van het beginnen en eindigen des gevaars bepaald. Voorts stelt
+Art. 698 twee soorten van A--, als A-- gros, die over het schip,
+de vrachtpenningen en de lading wordt omgeslagen, en Eenvoudige
+of Byzondere A--, die ten laste komt van het schip of van het goed
+afzonderlijk, 't welk de schade geleden of de onkosten veroorzaakt
+heeft. Wat verder tot dit onderwerp betrekking heeft wordt in het II
+Boek, XI Tit. Afd. I en II van gezegd Wetb., Art. 696-740, behandeld.
+
+Spreekwijze: daar is A-- (daar is schade geleden); doch daar-en-tegen:
+daar zal A-- vallen (daar zal voordeel vallen), 't welk niet te
+verwonderen is; naardien schippers by zulke gelegenheden doorgaands hun
+rekening wel zoo weten op te maken, dat zy er niet by te kort komen.
+
+Avegaar, z. n. m. -- Soort van boor, waar groote gaten mede geboord,
+en die met twee handen moet omgedraaid worden.
+
+Spreekwijze: Iemand met een A-- door den neus boren (iemand grovelijk
+bedriegen).
+
+Avontuur (op), bijw. -- Zonder bepaalde bestemming, op goed geluk. Op
+A-- zeilen (zich op zee begeven, zonder bepaald te weten waar, of
+welke vracht men bekomen zal).
+
+Axiometer, z. n. m., of Verklikker. -- Een wijzer op een plaat,
+die tegen het stuurrad geplaatst is, welke wijzer aanduidt hoe de
+roerpen ligt, zoodat de roerganger den wachthebbenden Officier op
+dat punt nimmer misleiden kan.
+
+Azimuth, z. n. o. -- De streek, waarin zich een hemellichaam
+bevindt van het Noorden naar het Zuiden. By de op- en ondergang
+der hemellichamen is het A-- dier hemellichamen het komplement der
+Amplitudo.
+
+
+
+
+
+
+
+B.
+
+
+Baai, z. n. v. -- Zeeboezem, inham van de zee in het land, doorgaands
+van binnen breeder dan aan haar opening. De B-- van Napels enz.
+
+Baaitjen, z. n. o. -- Verkleinwoord van baai (wollen stof),
+oorspronkelijk gebezigd om het wollen buisjen, de gewone kleederdracht
+der matrozen, aan te duiden, en, by toepassing, de gebruikelijke
+benaming van alle bovenkleeding van 't zeevolk.
+
+Spreekwijze: Op zijn B-- krijgen (slagen krijgen). Zy hebben op hun
+B-- gehad (Zy hebben de nederlaag geleden).
+
+Baaivanger, z. n. m. -- Oorspronkelijk een wolkvanger van Baai. (zie
+Wolkvanger) en overdrachtelijk gebezigd voor den zeeman, die hem
+aantrekt. Van daar, omdat de matrozen aan wal liefhebbers van zwieren
+zijn, en het daarby ruw toegaat, een zwierbol: Hy is een rechte B--
+(een doordraaier). Men placht ook den naam van B-- aan een hooggetuigd
+schip te geven.
+
+Baak, n. v., of Baken -- is elk teeken, dat aan Loods of Schipper
+het vaarwater aanwijst. Het wordt ook voor kustlicht genomen. Zie ald.
+
+Spreekwijzen: Een schip (of wrak) op strand, een B-- (of Baken) in
+zee (de ramp of het ongeval, den eenen overkomen, is den anderen tot
+waarschuwing): omdat een schip, dat gestrand is, of vastzit, bewijst,
+dat te dier plaatse zich een ondiepte bevindt, en dus de Schippers,
+die voorbyzeilen, waarschuwt af te houden. Zie Cats Zinnebeelden.
+
+
+ Te louver, man te roer, te louver, lieve maet!
+ Kijck, hoe het met schip van onzen buerman staet.
+ Het sit daer op een sant, gegeesselt van de stroomen:
+ En daer en is geen hulp, hoe fier de gasten bomen.
+ Dus soo er nu een wint komt dringen nae de wal,
+ 't Is seker dat de kiel in stucken bersten sal.
+ Ghy sie dan naerstigh toe en let op uwe saken,
+ Een schip op 't droogh gestelt dat is een seker baken,
+ En 't is naer mijn begrip geen onvoorsichtig man,
+ Die op eens anders seyl de syne toomen kan.
+
+
+De Baken komen uit (men kan geruster doorgaan) omdat, wanneer de baken
+"uitkomen", of zich duidelijk vertoonen, het schip gerust zijn weg
+vervolgen kan.
+
+Als het tij (of de stroom) verloopt, moet men de Bakens verzetten
+(by veranderde omstandigheden moeten andere maatregelen genomen
+worden). Dit verzetten van bakens is daarom noodzakelijk, omdat de
+verandering van het tij (de beweging van op- en afloopend water)
+ten gevolge heeft, dat de bevaarbare stroom zich, door aanvoer van
+zand of slijk, verplaatst, en, wat vroeger diepte was, nu ondiepte
+wordt. Geestig wordt dit uitgedrukt door Cats:
+
+
+ Sie, waer ik heden stae, daer speelden eens de baren.
+ Daer quamen alle daegh de schepen ingevaren;
+ Daer sag men menig hulck, die met syn vollen last
+ Quam stuyven uit de zee, de vlaggen op de mast.
+ Nu is hier enkel sant en niet dan drooge platen,
+ Van slibber overgroeyt en van den vloet verlaten;
+ Waer eertijds was de kolck is maer een enge sloot
+ Men siet er niet één schip, men siet er niet één boot.
+
+
+Vuur aan wal, altijd geen B-- (schijn bedriegt).
+
+Baal, z. n. v. -- Zak, die overal is dichtgenaaid. Een B-- rijst,
+een B-- koffy.
+
+Baar, z. n. v. -- Zeebaar of golf, is eene dier oneffenheden of ruggen,
+welke zich boven het woelende water vertoonen en door wind of stroom
+gevormd worden. De wentelende B--en en Door de B--en overstelpt zijn.
+
+
+ Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oogh de baren
+ Der zee kan overzien van al mijn wedervaren.
+
+
+zegt Badeloch by Vondel.
+
+Spreekwijze: Geen B-- (ook wel golf of zee) komt hem te hoog (of te na)
+(niets kan hem schaden).
+
+Hy meent dat hem geen Baren te hoog kunnen gaan (dat hy voor niemand te
+wijken of te zwichten heeft). Zoo schrijft Hooft, "dat de Bondgenooten,
+wanende, dat hun geene zee te hoog mogte gaan, zich onderwonden met een
+nieuwe en ongelooflijke vermetelheid, een koningsgedeelte te vergen."
+
+Baar, z. n. v. -- 't Fr. barre, in zijn verschillende beteekenissen
+van: 1o. staaf; 2o. bank, rug in zee; 3o. dwarsbalk (in de wapenkunde).
+
+Baar, z. n. m. -- Zoo wordt een nieuwling aan boord genoemd. 't
+Woord schijnt van Maleischen oorsprong, in welke taal Baro
+"vreemdeling, nieuw aangekomene" beteekent: Zoo heet het logement
+voor nieuwaangekomenen: roema baro het kantoor der O. I. Kompagnie:
+kantor-baro.
+
+Baarhaven, z. n. v. -- Haven, die door een baar of bank wordt
+afgesloten.
+
+Baarsch, b. n. -- Onnoozel, dom: Een B--e streek (een domme streek).
+
+Baartse, z. n. v. -- Een soort van oorlogschip, by onze voorouders in
+gebruik. In den Gelderschen krijg werd in 1518 by die van Hoorn en de
+omliggende dorpen, ter bevestiging der kust, een groote B-- gebouwd,
+die zeer hoog getuigd was en boven alle andere schepen uitstak. Zy
+kon met riemen geroeid worden, was licht in evenredigheid met haar
+grootte en voerde veel zeil.--De Schutteryen van "de Voetboghe" en
+van "de Handboghe" te Amsterdam moesten oudtijds, en ter vergelding
+der hun in 1480 afgestane visschery in "'t gouden water" (de Binnen-
+en Buiten Amstel zoo ver Stadsvrijheid strekte) onderhouden twee
+bairdzen met hetgeen er toe behoorde ter dienste der stad. Zie den
+giftbrief by Wagenaar, Amsterdam, VI D. II Boek, bylage A.
+
+Baas, z. n. m. -- Meester, opperhoofd B-- van een werf; TimmermansB--.
+
+Baggeren, b. w. -- Modder ophalen, modder visschen.
+
+Baggernet, z. n. o. -- Net, waarmede gebaggerd wordt.
+
+Baggerschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede gebaggerd wordt.
+
+Bagijnbras, z. n. m. -- Bras van de Bagijnra: zie ald.
+
+Bagijnra, z. n. v. -- De onderste Ra aan den bezaansmast. De naam van
+Bagijn is vermoedelijk aan die Ra gegeven, omdat zy geen zeil draagt
+en alleen dient om het bovenwerk in te houden. Zoo worden runderen,
+die horenloos zijn, bagijnen genoemd.
+
+Bagijnzeil, z. n. o. -- Zeil, dat tegenwoordig op vele nieuwe schepen
+aan de Bagijnra gevoerd wordt.
+
+Baidar, z. n. m. -- Met leder bekleede Schuit, by de Kamschadalen
+in gebruik.
+
+Bak, z. n. m.-- 1o. Het voorste bovendek, voor den fokkemast.
+
+2o. Eetbak, schaftplaats, balie.
+
+3o. Scheepsafdeeling. De Equipaadje is afgedeeld in B--ken, als
+BootsmansB-- SchiemansB-- KonstapelsB-- MatrozenB--, volgends Bakrol.
+
+Spreekwijze: Iets achterbaks houden. (iets in zijn kist houden)
+verbergen, er niet mede voor den dag komen. De kist van den Baksmeester
+staat achter de Bakskist: hy heeft de keus by de rantsoenverdeeling
+en bergt het zijne in de kist: welk aandeel alzoo niet ter tafel
+gebracht wordt, niet aan den Bak komt.
+
+Zie Achterbaks, waar een andere verklaring van het woord voorkomt,
+zonder dat ik beslissen wil, welke de ware zij.
+
+Bakbeest, z. n. o. -- Bynaam, dien men aan de zware ankers geeft. Van
+daar ook toegepast op elk lomp, onbehabbeld voorwerp.
+
+Bakboord, z. n. o. -- De linkerzijde van 't schip, wanneer men van den
+achtersteven ziet. Zy draagt den naam van B--, volgends sommigen, om
+dat aan die zijde de Bak of Balie plach gezet te worden als men visch
+of vleesch weekte of ververschte;--volgends anderen, omdat de Stuurman,
+op kleine vaartuigen, wanneer hy aan het roer stond, zijn bak met eten
+aan de linkerzijde zette, ten einde de rechterhand vrij te hebben om
+het roer te regeeren; waarom dan ook de rechterzijde Stuurboord genoemd
+wordt. Volgends een derde, en misschien de eenvoudigste verklaring,
+zoude de oorsprong dezer benaming te zoeken zijn in den tijd der eerste
+uitrustingen, toen de stuurlieden, onderofficieren en roergangers ter
+rechterzijde in zeildoeksche hutten, en de matroozen ter linkerzijde,
+in bakken afgedeeld, logeerden. B-- aanbrassen (De brassen aan B--
+aanhalen) Aan B-- overgehaald zijn, liggen. Een eiland aan B--
+laten. Niet over B-- gieren. B-- vieren! Aan B-- het roer! B-- wat
+(hoû het roer een weinig naar B-- zijde) Haal op aan B-- (haal, roei,
+beter, harder aan B--).
+
+Spreekwijze: Iemand van B-- naar Stuurboord zenden: (iemand om een
+beuzeling heen en weder sturen).
+
+Bakboordsbrassen, z. n. m. mv. -- De touwen, die aan Bakboordzijde
+bestemd zijn tot het omhalen der raas.
+
+Bakboordshalzen, z. n. m. mv. -- De halzen aan Bakboord. B--
+toe! (komm.)
+
+Bakboordsquartier, z. n. o. -- Zie Bakboordswacht.
+
+Bakboordswacht, z. n. v. -- of Bakboordsquartier. Die helft van de
+manschap, welke aan Bakboord huist.
+
+Baken, z. n. o. -- Zie Baak. In 't Fr. D. wordt bakon reeds als
+lichtend teeken, en wel voor de Ster der Oostersche wijzen, gebruikt.
+
+Bakenen, b. w. -- Met Bakens bezetten.
+
+Bakening of Bebakening, z. n. v. -- Het zetten van Bakens.
+
+Bakengeld, z. n. o. -- Geld, dat door de Zeevarenden betaald moet
+worden tot goedmaking der kosten van afbakening.
+
+Bakliggen, o. w. -- Tegenliggen, wordt van een schip gezegd, wanneer
+zijn zeilen de werking van den wind van voren ondervinden.
+
+Baksen, o. w. -- Een stuk van achteren omzetten, rechts of links
+by het pointeeren. Zooveel mogelijk vooruit B-- (Het geschut zoo
+schuins mogelijk op een vluchtend schip uit de geschutpoorten van
+den voorsteven, op een vervolgend schip uit de achterpoorten, richten).
+
+Baksgast, z. n. m. -- Ieder matroos noemt al wie met hem aan denzelfden
+Bak schaft, zijn B--, in den zin van Baksmaat.
+
+Baksjongen, z. n. m. -- Hy die het eten aanbrengt en den kok helpt:
+Zie Baks-Zeuntjen.
+
+Bakskist, z. n. v. -- Kist, waarin het rantsoen wordt bewaard en die
+tot etenstafel dient. Niemand mag op de B-- gaan zitten.
+
+Baksmaten, z. n. m. mv. -- Die aan denzelfden (etens-) Bak aanzitten.
+
+Baksmeester, z. n. m. -- Die het oppertoezicht over den Bak heeft,
+het rantsoen verdeelt en orde houdt aan den Bak. Hy alleen mag zitten
+onder het schaften.
+
+Bakspier, z. n. m. -- Een der stukken hout, die uitgevoerd worden
+op de hoogte van den fokkemast en dienen tot het uitvoeren van de
+buitenschoot van het onderlijzeil, of, wanneer men op een reede ligt,
+tot het vastmaken en van boord vrij houden van sloepen.
+
+Bakstag, z. n. v. -- Benaming der touwen, die den boegspriet, het
+kluif- en het jaaghout zijdelings steunen, en op den Bak worden
+vastgemaakt.
+
+Bakstags, bw. -- Breed, ruim. Een B--wind hebben (ruimhouden,
+ruimschoots zeilen.)
+
+Bakstagswind, z. n. m. -- Een tamelijk harde wind, zoodat de Bakstag,
+daar het zeil tegenkomt, stijf staat en niet labbert.
+
+Bakstagskraag, z. n. m. -- Kraag of strop, waarmede de Bakstag op
+den boegspriet bevestigd wordt.
+
+Bakstent, z. n. v. -- Tent, die voor den fokkemast wordt opgeslagen.
+
+Bakszeuntjen of Zeuntjen, z. n. m. -- Diegene die de schaftery haalt
+en na het maal het scheepsgerij in den Bak moet schoonmaken. Ieder
+doet dit op zijne beurt.
+
+Bakzeilhalen, o. w. -- Het zeil verkeerd halen, waardoor het schip
+terugdeinst. 't Is niet van Bak, maar van 't Eng. Back.
+
+Spreekwijze: B-- inhalen (niet volharden by zijn opzet, achteruit
+krabben.)
+
+Balancella, z. n. v. -- Napelsche schuit met één mast voorzien, puntig
+aan beide zijden uitloopende en ongeveer 18 à 20 riemen voerende.
+
+Balans, z. n v. -- (veroud.) Benaming, die plach gegeven te worden aan
+de verklaring, welke een schipper deed van de door hem aangebrachte
+goederen.
+
+Balanceerspanten, z. n. o. mv. -- Spanten, door het oplichten waarvan
+men plach te berekenen of een schip in aanbouw behoorlijk in evenwicht
+stond.
+
+Balansrif, z. n. o. -- Schuinsch rif in het Bezaan- of Brikzeil.
+
+Balie, z. n. v. -- Groote watertobbe. Voorheen plach men dagelijks
+in de B-- den noodigen drank voor de manschap te gieten. KoelB--
+(die het water bevat, bestemd om gedurende den strijd het geschut
+af te koelen). LoodlijnB--, DeelB-- (waarin, na het looden, de natte
+loodlijn wordt ingelegd).
+
+Baliën, uitbaliën, o. w. -- Met een Balie water uit een open vaartuig
+gieten.
+
+Balk, z. n. m. -- Afgehouwen en vierkant gezaagde boom. Langste
+B-- (de B--, die op de grootspanten rust, en waarvan de lengte de
+hoofdbreedte van het schip bepaalt). B-- van de luizeplecht (die op
+de hoogte van de bovenste battery 't naast aan den boegspriet gelegd
+is.) B-- van de kampanje (de bovenste B-- van den achterspiegel,
+die tot steun dient van de dekplanken der kampanje.) Halve B--,
+halve Dek B-- (die tegenover den rand van een luik ligt.) Last B--
+en (die tot steun van groote schepen dienen en er de koebrug van
+uitmaken). Gelaschte B-- en (die wegens hun lengte uit meer dan een
+stuk moeten worden samengesteld).
+
+Balkhaak, z. n. m. -- Houvast, duivelsklaauw, kanthaak, trekhaak.
+
+1o. Zware ijzeren staak, waarmede men balken toelegt.
+
+2o. Groote ijzeren tang, waarmede men de stukken van een mast
+verplaatst of op de hoogte brengt, waar zy wezen moeten.
+
+Balkschaal, z. n. v. -- Zie Schaal.
+
+Balkweger, z. n. m. -- Weger, waar een dekbalk op rust.
+
+Balkwegering, z. n. v. -- Het inwendig langsscheeps verband tegen de
+boorden van het schip, en waarop de Balken komen te liggen.
+
+Ballast, z. n. m. -- Hierdoor verstaat men het zand, de steenen,
+of andere ruwe waren, die onder in het ruim gebracht worden, om
+het schip dieper in het water te doen zinken, ten einde het niet
+te rank worde en geen nood hebbe van om te slaan. Met B-- varen, op
+zijn B-- vertrekken (zonder lading vertrekken.) IJzerenB--, SteenB--,
+Vliegende B-- (vaten met B-- gevuld, die men naar verkiezing naar deze
+of gene zijde van 't schip, waar meerdere zwaarte vereischt wordt,
+kan vervoeren). Op zijn B-- liggen (wordt van een schip gezegd,
+dat nog geen andere lading bekomen heeft. De B-- schiet (valt van
+de eene plaats naar de andere.) B-- verschieten (dien van plaats
+doen verwisselen.) B-- is eigenlijk slechte, niets deugende last,
+gelijk baldadig, slecht-dadig, en balsturig, slecht van bestuur.
+
+Spreekwijze: Hy is een onnutte B-- (hy is een onnut meubel, een last
+voor de waereld.)
+
+Die B-- is uit den weg (dat bezwaar, dat verdriet, is opgeruimd.)
+
+Ballasten, b. w. -- Met Ballast laden, Ballast innemen. Dat schip
+is goed Geballast (De Ballast is genoegzaam voor de behoefte.) Onze
+voorouders plachten, wanneer zy in de Levant zijde hadden geladen,
+hun schepen met marmer te Ballasten, en van daar die ontzettende
+hoeveelheid marmer, welke men, tot zelfs in geringe woningen, te
+Amsterdam aantreft.
+
+Spreekwijze; Hy is te zwaar Geballast (hy heeft te veel gegeten.)
+
+Ballasting, z. n. v. -- 1o. Bewerking van Ballast.
+
+2o. De daad van Ballasten.
+
+3o. Ongelden, op het Ballasten gevallen.
+
+Ballastkist, z. n. v. -- Afgescheiden schot of afgesloten vak in het
+ruim, waar Ballast in geladen wordt. Op een stoomboot staat een B--
+op 't bovendek en op rollen om haar recht te houden.
+
+Ballastkleed, z. n. o. -- Geteerde stukken zeildoeks. Zie Presenning.
+
+Ballastlichter, z. n. m. -- Schuit, waarmede de Ballast gelost wordt.
+
+Ballastpoort, z. n. v. -- Poort of opening, waar de Ballast door
+geladen wordt.
+
+Ballastschieters, z. n. m. mv. -- Volk, dat zich met Ballasten
+bezig houdt.
+
+Ballastschuitjens, z. n. o. mv. -- Vierkante stukken ijzer, van 12,50,
+25 of 50 Ned. Po. zwaarte, dienende tot het Ballasten van oorlogs-
+of andere schepen, waar de noodige ruimte in bewaard moet worden.
+
+Ballon, z. n. m. -- Pleizierboot te Siam, zeer verheven aan de beide
+uiteinden.
+
+Band, z. n. m. -- Hoepel, beugel. De B--en (de ijzeren hoepels om de
+masten.) Zie BorgB--, RaB--, B--en in het ruim (houten of ijzeren
+B--en, die over het zaadhout of over een oploop heen gezonken en
+verder op de inhouten liggen. B-- in het voor- of achterschip. (Zie
+Dekbanden.)
+
+Spreekwijze: Door den B--. (gewoonlijk, doorloopend.)
+
+Banden, b. w. -- Versterken. Een zeil B--, (er kruislingsche
+stootlappen op zetten.)
+
+Bank, z. n. m. -- Droogte, plaat, klip, blinde rots in zee. ZandB--,
+KoraalB--, SchelpB--, IJsB--, De groote B--, (onderzeesche berg ten
+O. van Nieuw-Foundland.) DoggersB--, (groote B-- tusschen Engeland,
+Finland, en Jutland.)
+
+Spreekwijze: Door den B--, moet zijn Door den Band. Zie Band.
+
+Banken, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het op een
+Bank komt om te visschen.
+
+Barbier, z. n. m. -- Naam, die oudtijds aan den Scheeps-Chirurgijn
+gegeven werd.
+
+Barge, z. n. v. -- of Berge. Soort van trekschuit, dienende tot vervoer
+van personen en goederen en voor de binnenlandsche vaart bestemd. 't
+Is oorspronkelijk hetzelfde als Bark. De B-- van Alkmaar op den Helder,
+Kadetten B--, naam, dien het scheepsvolk wel eens geeft aan het logies
+der Adelborsten.
+
+Barghout of barrighout, z. n. o. -- Een gedeelte der buitenhuid tegen
+de kimmen van het schip, tevens dienende tot verband, als het schip,
+gelijk met een band of gordel, omringende. De rechte spelling van
+'t woord schijnt te wezen Berghout, als dienende die houten om 't
+schip te bergen of te bewaren. Linieschepen hebben een BovenB-- ter
+hoogte van het kuildek, en een OnderB-- ter hoogte van het tusschendek.
+
+Bark, z. n. v. -- Met deze benaming wordt in 't byzonder zekere soort
+van lichte Grieksche en Spaansche vaartuigen, in de Middellandsche
+zee varende, bestempeld. De koopvaardyschepen, die den grooten- en
+fokkemast barksgewijs getuigd hebben, en daarenboven nog een achtermast
+met bezaan- en gaftopzeil zonder raas voeren, worden B--en genaamd. Ook
+wordt B-- in poëzy veelal voor het min edele "schuit" gebezigd.
+
+
+ Een lichte Barck van barstigh Bocken-leder.
+
+
+zegt Vondel in zijn Lofsangh op de Scheepsvaart.
+
+Barkas, z. n. v. -- De zwaarste sloep aan boord van een schip, tot
+alle zwaar werk bestemd, als het lichten en uitbrengen van ankers,
+enz. De B-- wordt met draaibassen gewapend.
+
+Barkoen, z. n. m. -- Rondhout, windboom.
+
+Barkschip, z. n. o. -- Schip met twee overkant getuigde masten,
+terwijl de derde mast slechts een schoenerzeil voert.
+
+Barlaventovloot, z. n. v. -- Benaming van een Eskader kleine Spaansche
+vaartuigen.
+
+Barnen, o. w. -- Branden, koken (van de Zee.)
+
+Barning, z. n. v. -- Zie Branding.
+
+Barometer, z. n. m. -- Weerglas, werktuig, dat de drukking van
+den dampkring meet en waarop de aanwijzingen, overeenkomstig die
+drukking veranderende, in verband met de weersveranderingen worden
+waargenomen. Haarbuizige B--, (die minder dan een streep diameter
+van binnen heeft. (De B-- staat op mooi weer, op regen.)
+
+Barrighout, z. n. o. -- Zie Barghouten.
+
+Barring, z. n. v. -- 1o. Waarloos rondhout. Verzameling van rondhouten,
+ingescheept om de bestaande in geval van nood te vervangen.
+
+2o. De plaats van het bovendek, gemeenlijk tusschen den grooten en
+fokkemast, waar de waarlooze rondhouten geborgen worden.
+
+Bas, z. n. v. -- Soort van klein geschut, oudtijds veel op de schepen
+in gebruik. Zie Draaibas.
+
+Batarde, z. n. v. -- (veroud.) 1o. Soort van galei, minder groot dan
+de koninklijke.
+
+2o. Soort van geschut.
+
+Battery, z. n. v. -- Geschutlaag: wordt aan boord verstaan van al de
+kanonnen, die aan bak- en stuurboordzijde op een en 't zelfde dek aan
+de geschutpoorten liggen. Onder B--, eerste B-- (die het dichtst by de
+waterlijn is), Tusschen deksB--, OnderdeksB-- (die op het tusschendek
+ligt), Bovendeks B-- (die op het bovenste dek van een driedekker
+rust.) De B-- is gesjord (vastgebonden tegen 't rollen.) De B-- staat
+te boord (als de trompen buiten de geschutpoorten staan.) Gladdeks B--
+(onoverdekte B--).
+
+Bed, z. n. o. -- of Bedding 1o. De holte waar een rivier of beek
+doorstroomt.
+
+2o. De bodem der zee.
+
+
+ De moegerende Son zoekt de avondlegersteê
+ En gaêrt zich nieuwe kracht in 't koelend Bed der zee.
+
+ Vr. K. W. Bilderdyk.
+
+
+3o. Indruk, welken een schip achterlaat in den modder, waarin het
+heeft vastgezeten.
+
+4o. Helling, waar een schip op gebouwd wordt.
+
+Bebakening, z. n. v. -- In officiëel gebruik, even als betonning. Ik
+zoû 't eenvoudige Bakening verkiezen.
+
+Bedaren, o. w. -- Kalm worden. De storm begint te B--.
+
+Bedden, z. n. o. mv. -- of Beddingen. Sledebalken.
+
+Bedding, z. n. v. -- Zie Bed. B-- noemde men voorheen ook een
+verzameling van balken, met planken belegen en dienende om geschut
+op te plaatsen, zoo als by de bombardeerkorvetten.--De mortierB--en.
+
+Bedisselen, b. w. -- Hout met behulp van een Dissel effenen en
+scherp maken.
+
+Spreekwijze: Een zaak B-- [of Bedistelen als men gewoon is
+verkeerdelijk te zeggen] (een zaak vereffenen, in orde brengen).
+
+
+ De ouwe wijven die weten toch alle dingh te Bedisselen.
+
+ L. Franssoons Grietjen Wouters.
+
+
+Beeldwerk, z. n. o. -- of Tarmen. Snijwerk, cieraden aan den spiegel
+van een vaartuig.
+
+Beeting, z. n. v. -- Zie Beting.
+
+Begeven, o. w. -- Losraken, stukgaan. Het B-- van een mast, huid,
+plank.
+
+Begeving, z. n. v. -- De daad van Begeven.
+
+Begieten, b. w. -- Nat maken. De scheepszijden B--.
+
+Begroeten, b. w. -- of Salueeren. Teekenen van beleefdheid, ontzach of
+eerbied geven. Het B-- geschiedt op zee door middel van kanonschoten,
+altijd in oneffen getal. De oorlogschepen, die door koopvaardyschepen
+begroet worden, lossen gemeenlijk het derde van het aantal schoten,
+die ter hunner eer gedaan worden. Een vloot, een vlag, een citadel
+B--. Met scherp B-- heeft alleen ter eere van koningen plaats. Het
+B-- geschiedt ook somtijds door het strijken van de vlag, en door
+het laten vallen van het marszeil. Dat de Amiraal van Gent in 1671
+goed vond het Engelsche koningsjacht de Merlijn niet op die wijs te
+begroeten, gaf (onder meer) aanleiding tot oorlog met Engeland. De
+zee begroet den wal, (de schepen B-- de forten.)
+
+Behouden, b. n. -- 1o. Gelukkig, gunstig. B-- koers, breedte,
+vaart. Een B-- aankomst (aankomst met het vaartuig waarmede men is
+afgereisd). Iemand B-- reis wenschen (Voorspoedige reis).
+
+2o. Gered, veilig. Het schip is vergaan; doch de manschap B-- aan
+wal gebracht.
+
+Spreekwijze: Een B-- man (die uit den nood, uit den brand is).
+
+Behouden, b. w. -- achtereenvolgend houden, bewaren. Wy bleven
+denzelfden wind gedurende veertien dagen B--. Het gelukte my, mijn
+koers te B--.
+
+Beitel, z. n. m. -- Timmermans gereedschap, dat van onderen scherp
+en van boven ingericht is om er op te kloppen.
+
+Spreekwijze: Kom voor den B--. (Kom voor den dag: toon, wie ge
+zijt.) Een vaatjen op den B-- zetten (ten beste geven).
+
+Beitelaak, z. n. v. -- Zie Aak.
+
+Bekaaien, o. w. -- Beteekent: op de Kaai of op den wal bederven en
+wordt byzonder gezegd van visch, die zoo lang aldaar gelegen heeft,
+dat zy begint te sterven.
+
+Spreekwijze: 't Is alles Bekaaid (bedorven).
+
+Hy komt er Bekaaid af. (Hy heeft er schande meê behaald: omdat Bekaaide
+visch als een slecht onthaal wordt aangemerkt, waar de huiswaard geen
+eer mede inlegt.) Doch zie Bilderdijk Gesl. op Kade. Ook Witsen legt
+het woord anders uit en beweerd, dat een stuk hout, hetwelk aan boord
+nergends past of sluit, gezegd wordt Bekaaid uit te komen.
+
+Bekaaier, z. n. m. -- B-- van den bezaan wordt de toppenant genoemd,
+die aan de bezaansra vast zit.
+
+Bekabbelen, b. w. -- Kabbelende schuren.
+
+
+ En IJ- en Amstelstroom bekabbelen zijn gront.
+
+ Sylvius, Amsterdam.
+
+
+Bekbout, z. n. m. -- Bout, die met een bek of kromming eindigt.
+
+Bekeuren, b. w. -- Wegens overtreding een boete of andere straf
+aanzeggen.
+
+Bekeuring, z. n. v. -- De daad van Bekeuren.
+
+Bekleeden, b. w. -- Bedekken, bewoelen, verzorgen tegen schuring
+of beschadiging of wrijving. Het buitenwerk van een schip B-- (het
+met dunne planken bedekken, er enden touw om heen woelen of het met
+leder benaaien.)
+
+Bekleeding, z. n. v. -- Huid, bedekking.
+
+Beknijpen, b. w. -- Een end touw beklemmen tot dat het op een klamp
+belegd is: twee touwen, b. v. de stuurrepen, op elkander binden.
+
+Belabberd, b. n. -- Of Labberlottig; wordt het weer gezegd te zijn,
+wanneer de wind, in plaats van frisch door te waaien, slechts
+labbert en met tusschenpozen waait: ('t is 't Maleisch Palabber,
+vergadering--omdat daar by hen alles langzaam toegaat.)
+
+Spreekwijze: Het ziet er B-- uit (ongunstig, onaangenaam uit).
+
+Beladen, b. n. -- Zwaar geladen. Dat schip is te sterk B--. Die boot
+is met te veel goederen B--.
+
+Beleggen, b. w. -- Aanslaan, naaien, sjorren: ook wel een touw
+aan een paal of ander voorwerp vastmaken. De schoot, de bras B--
+(die vastzetten.)
+
+Spreekwijze: Het was: Hou en beleg. (het was: houd het touw en maak
+het ter dege vast: oneigenlijk "goede raad was duur, men had handen
+vol werk".)
+
+Daar is geen touw aan te B-- (Er is geen touw aan te vinden: overdr.:
+Die kwant stuit niet veel: met hem is niet te geworden.)
+
+Belegklampen, z. n. v. mv. -- Kruisklampen, bestaande uit een dwarshout
+en twee halvermaanswijze daarop geplaatste stukken. Zoodanige klampen
+worden tegen het binnenboord van een vaartuig gespijkerd en dienen
+om er enden touw aan te bevestigen.
+
+Beloop, z. n. o. -- Fatsoen van een schip en, meer bepaaldelijk,
+de omloop van den achtersteven.
+
+Beloopen, b. w. -- Bezeilen. B-- worden beteekent: "overvallen worden",
+b. v. door een storm.
+
+Bemallen, b. w. -- Zie Mallen.
+
+Bemannen, b. w. -- 1o. Van manschap of volk voorzien.
+
+2o. Van een loods voorzien. Het schip is Bemand (er is een loods
+aan boord: omdat de loods, zoo lang hy dienst doet, als de Man by
+uitnemendheid beschouwd kan worden.)
+
+Bemanning, z. n. v. -- Het scheepsvolk, dat zich aan boord bevindt. Dat
+schip had maar geringe B--. Zie Manschap, volk.
+
+Bemasten, b. w. -- of Masten. Van Masten voorzien. Dat schip is nog
+niet Bemast.
+
+Benarren, b. w. -- Benaauwen. Wy zaten benard (op lager wal.)
+
+Beneden, bw. -- Onder, omlaag, in het beneden gedeelte van het
+schip. Zend het volk B--.
+
+Benepen, b. n. -- (Veroud.) Werd een schip gezegd te zijn, als het niet
+vlotten of niet over droogten geraken kon door schaarsheid van water.
+
+Bengel, z. n. m. -- De klok op een koopvaardyschip. De B-- luidt om
+te schaften. Zie Klok.
+
+Spreekwijze: Een kwade B-- wordt van een lastigen knaap gezegd,
+die ons met zijn bengelen of janken verveelt.
+
+Benoorden, bw. -- 't zelfde als Noordwaart, ten Noorden. Wy praaiden
+dat schip N mylen B-- de linie. De wind is B-- het oost.
+
+Benoorden-om, bw. -- Om Engeland heen. Wanneer, in oorlogstijd, het
+Kanaal onveilig was, zeilde men Engeland om, wat de reis aanmerkelijk
+verlengde. Hiervan de Spreekwijze: Hy gaat B-- (hy is langzaam in
+zijn doen, in zijn spreken, in zijn werken.)
+
+Beoosten, bw. -- 't zelfde als Oostwaart, ten Oosten. Die eilanden
+liggen B-- Java.
+
+Bepalen, b. w. -- Naar een vaste berekening zich van iets
+verzekeren. De juiste ligging eener plaats B--, den afgelegden
+koers B--.
+
+Bepekt, of Bepikt, b. n. -- Met pek besmeerd: Vondel bezigt in zijn
+Lofsangh op de Scheepsvaart de uitdrukking Bepeckte Vlercken voor
+"zeilen."
+
+Bergen, b. w. -- 1o. Stuwen, pakken. Dit schip kan nog al wat B--
+(nog al wat goederen inhouden).
+
+2o. Oprollen en vastmaken (een zeil B--), het in het dichtst mogelijk
+bestek ineen vouwen en op zijn ra met touwen vastbinden.
+
+3o. Laten vallen: een vlag B--, die nederhalen en wegsluiten.
+
+4o. Redden, bewaren: bepaaldelijk gespaarde personen of goederen. Het
+schip is te gronde gegaan; doch men heeft de ekipaadje nog kunnen
+B--. Hierover handelen art. 545 en volgg. Wetb. v. Kooph.
+
+Berger, z. n. m. -- Hy, die gestrande goederen helpt Bergen.
+
+Berghout, z. n. o. -- Zie Barghout.
+
+Berging, z. n. v. -- Ruimte. Er is weinig B-- in dat schip.
+
+Bergloon, z. n. o. -- Gelden, die uitbetaald worden, tot vergoeding der
+moeite en kosten aan het Bergen van gestrande goederen besteed. Het
+B-- wordt alleen toegestaan in de gevallen, by art. 562 Wetb. van
+Kooph. vermeld. De B--en behooren in de eerste plaats onder de
+bevoorrechte schulden, die op de opbrengst van verkochte zeeschepen
+kunnen worden verhaald. Zie art. 343 Wetb. van Kooph. Vergel. voorts
+art. 547, 548, 750, 757.
+
+Berkhout, z. n. o. -- 't zelfde als Barghout. Zie ald.
+
+Berkoen, z. n. m. -- 't zelfde als Barkoen. Zie ald.
+
+Beschadigd, b. n. -- Zoo noemt men alles wat op de eene of andere wijze
+schade geleden heeft en in minder goeden staat verkeert. Verkoop van
+goederen, door 't zeewater B--.
+
+Beschadigen, b. w. -- Schavielen, wrijven, schade aanbrengen.
+
+Beschieten, b. w. -- 1o. Schotten zetten. Er waren zooveel passagiers
+aan boord, dat men genoodzaakt was de kerk te B--.
+
+2o. Met planken bekleeden. Die kajuit is geheel Beschoten.
+
+3o. Met geschut bevechten.
+
+Beschouwen, b. w. of met den deel hebben -- voor "zijn deel ontfangen"
+is een uitdrukking, in gebruik op onze zeedorpen. By de terugkomst
+van een visscherman heeft de reeder de helft van de netto-opbrengst,
+en de andere helft wordt onder het volk verdeeld, zoodat elk zijn
+aandeel Beschouwt, d. i. bekomt, naarmate hy vaart voor kwart, half,
+drie kwart of volle man.
+
+Beslaan, b. w. -- 1o. Bedekken, bekleeden. Een plank met ijzer B--.
+
+2o. Al de zeilen zijn Beslagen.
+
+3o. In beslag nemen. Zie Beslag.
+
+Beslag, z. n. o. -- Verletting, op-onthoud. Dat schip werd in B--
+genomen (de schipper werd belet weg te zeilen: of wel, hy werd
+gedwongen zijn schip in dienst te stellen van de in beslag nemende
+Mogendheid). Zie Embargo.
+
+Beslagbindsel, z. n. o. -- Bindsel, waarmede men zeilen Beslaat.
+
+Beslagen, b. w. -- met ijzer bekleed.
+
+Beslaglijnen, z. n. v. mv. -- Touwen of Lijnen, waarmede men de bezaan-
+en stagzeilen Beslaat.
+
+Beslagseizings, z. n. v. mv. -- Gevlochten enden touw, tot vasthechting
+der zeilen aan de raas.
+
+Besloten, b. n. -- Dicht. Een B-- reê (waaruit men de volle zee niet
+zien kan.
+
+Besmeeren, b. w. -- Insmeeren, met smeer bestrijken.
+
+Besneden, b. n. -- Gevormd. Een fijn B-- schip (een schip dat een
+fijne Snede heeft).
+
+Bestek, z. n. o. -- 1o. Berekening van de plaats, waar een schip zich
+bevindt, welke dagelijks wordt opgemaakt overeenkomstig de opmeting
+van den weg, dien het heeft afgelegd en den koers, dien het gehouden
+heeft. Met het B-- voor- of achteruit zijn, zijn B-- vooruit loopen,
+achter zijn B-- zeilen, (na gedane waarnemingen ontdekken dat de
+gegiste plaats van het schip meer of min verwijderd is van de plaats,
+waar het zich werkelijk bevindt). Die Loods, die Stuurman heeft zich
+in zijn B-- vergist. Gegist B--: bevonden B--: verbeterd B--: B--
+opmaken: B-- zetten.
+
+2o. In schrift opgemaakte berekening van al de deelen, waaruit een
+schip zal moeten bestaan en van de aan te wenden kosten.
+
+Bestemd, dw. -- wordt gebezigd, om het doel te kennen te geven. Dat
+schip is naar Java B-- (het moet naar Java). Die goederen zijn tot
+geschenken B--.
+
+Bestemming of Bestemmingsplaats, z. n. v. -- Plaats, waarheen iets
+Bestemd was. Dat schip heeft zijn B-- bekomen.
+
+Bestevenen, b. w. -- Den steven ergends heen wenden, waar men met
+goeden wind en groote zee kan heenzeilen, zonder van richting te
+veranderen.
+
+Spreekwijze: Men bezeilt niet altijd wat men Bestevend had (men bekomt
+niet altijd wat men verlangd had).
+
+Bestier, z. n. o. -- Zie Scheepsbestier.
+
+Betakelen, b. w. -- Een touw aan het einde omwinden, om het rafelen
+te beletten.
+
+Betanen, b. w. -- Tanen, met Taan bestrijken.
+
+Beting, z. n. v. of Betings mv. -- Naam van twee sterke staanders,
+door een zwaren balk verbonden, of soort van galg, voor den fokkemast
+geplaatst en dienende om 't ankertouw of ketting aan vast te leggen. 't
+Woord beteekent aflating, van het oude beeten (afdalen).
+
+Betingsbalk, z. n. v. -- Dikke zware dwarsbalk. Zie Beting.
+
+Betingsbout, z. n. m. -- Een der zware ijzeren bouten, die in de
+Beting geslagen worden, om het daarom gelegde touw tegen het afslippen
+te bewaren.
+
+Betingskop, z. n. m. -- De enden van de stijlen, waar zy boven den
+Betingsbalk uitsteken; ook wel Monnik of Speen genaamd.
+
+Betingleggen, o. w. -- De ketting of het touw om den Betingsbalk
+Leggen.
+
+Betingsknie, z. n. v. -- De Knie, die den Betingsstijlen steun verleent
+en tegen omslaan bewaart.
+
+Betingsslag, z. n. m. -- De Slag, dien de ketting of het touw over
+de Beting neemt.
+
+Betingsspenen, z. n. v. mv. -- Zie Betingskop.
+
+Betingsspoor, z. n. o. -- Een stuk of stukken houts, waarop het
+vierkant ondereinde der Betingsstijlen is ingelaten.
+
+Betingsstopper, z. n. m. -- De eerste Stopper, dien men achter de
+Beting op de ketting zet om het uitloopen te beletten.
+
+Beetingsstut, z n. o. -- De recht opstaande Stut, waaraan de
+Betingsbalk is verbonden, en die boven den Balk uitsteekt; hy dient
+om het zwaar touw daarom te leggen.
+
+Betingsstijl, z. n. m. -- Zie Beting.
+
+Betonnen, b. w. -- Met tonnen bezetten, afbakenen. Het B-- van dat
+vaarwater heeft vrij wat gekost.
+
+Beugel, z. n. m. -- Band, hoepel. De B-- van het kompas (koperen
+ring, waar het kompas aan twee zijden in bevestigd is en zich vrij
+in beweegt.
+
+Spreekwijze: Dat kan niet door den B-- (dat kan er niet door).
+
+Iemand door den B-- jagen (iemand door den mostert slepen, door naauwe
+en moeilijke plaatsen heenslepen).
+
+Beugelarm, z. n. m. -- Bevestiging van den Beugel aan het hout.
+
+Beugtijd, z. n. v. -- De tijd van November tot February, wanneer
+de visschers onzer zeedorpen ter schelvisch en kabeljauwvangst
+uitgaan. Zie Overloopers, Schrobtijd.
+
+Beuling, z. n. v. -- Ronde lijst, tusschen het rahout en de zetgang.
+
+Beun, z. n. v. -- of Bun, is de plaats in het schip waar de visch
+levendig gehouden wordt, welke daarvan B--visch genoemd wordt.
+
+Beurtman, z. n. m. -- Eigenlijk de schipper, die op zijn Beurt tusschen
+twee plaatsen varen moet; doch overdrachtelijk voor het schip zelf
+genomen. De B-- op Zwol is afgevaren. De B-- ligt aan den steiger.
+
+Beurtschip, z. n. o. -- Hetzelfde als Beurtman. Zie ald.
+
+Beurtschipper, z. n. m. -- Schipper van een Beurtschip.
+
+Beurs, z. n. v. -- Openbare plaats, waar kooplieden, makelaars,
+reeders, enz. te samen komen om hun zaken te doen. Ter B-- komen:
+Ik heb hem op de B-- gesproken.
+
+Spreekwijze: Hy mag er gerust mede aan de B-- komen (hy mag er gerust
+mede in 't openbaar, in 't gezelschap van menschen, komen).
+
+Beursvaatjen, z. n. o. -- Benaming van een vaatjen met buskruit,
+dat van boven met een lederen Beurs of zak wordt toegebonden, opdat
+er geen vonken in zouden vallen.
+
+Bevaarbaar, b. n. -- Waar gevaren kan worden. Die rivier is twee
+mijlen van haar monding niet langer B--.
+
+Bevaren, b. w. -- Al varende of zeilende over een water gaan. De zee
+B-- (over zee gaan). Hy is een water ingezeild, dat voorheen door
+niemand was B--.
+
+
+ Quam nu een visscher, die voor viermaelhondert jaeren
+ Heeft met zijn kleine boot het eenzaam Y bevaeren.
+
+ Antonides, Ystroom.
+
+
+Bevaren, b. n. -- Die gewoon is te varen. B-- volk. Een B-- matroos
+(die zijn roergang verstaat).
+
+Bevrachten, b. w. -- Laden. Het woord B-- wordt echter niet gebezigd
+voor de daad der inlading zelve, maar voor het zorgen voor de
+Bevrachting. Het is de koopman, die het schip Bevracht, maar het
+zijn waagdragers, of sjouwerlieden, die het vol laden.--Een schip,
+door de Handelmaatschappy, voor byzondere rekening Bevracht.
+
+Bevrachter, z. n. m. -- Hy, die een schip bevracht, of huurt
+om te Bevrachten--in tegenstelling van Vervrachter. Zijn
+verplichtingen worden omschreven in het Wetb. van Kooph. Deel
+II. Tit. V. Afd. II. art. 464-498.
+
+Bevrachting, z. n. v. -- De daad van Bevrachten. De overeenkomst van
+B-- wordt genaamd Cherte-party. Zie ald. De bepalingen aangaande de
+B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Deel II. Tit. V. Afd. I
+art. 453-463 en Afd. III. art. 499-506.
+
+Bevrijden, b. w. -- Vrij maken. Een schip B-- (van water, of van
+den vyand).
+
+Bewaking, z. n. v. -- Maatregel, die somtijds omtrent binnenkomende
+schepen genomen wordt, wanneer men vreest, dat zy hun lading
+geheel of gedeeltelijk in 't geheim en zonder aangifte zullen
+lossen. Zie de bepalingen daaromtrent in de Alg. Wet van 26
+Aug. 1822. Hoofdst. XV. art 153-156.
+
+Bewateren, b. w. -- met water vullen. De pomp B--.
+
+Beweerd, bw. -- Door kwaad weer verhinderd een plaats te verlaten. De
+schepen lagen daar B--.
+
+Beweging, z. n. v. -- Zie Manoeuvre.
+
+Bewesten, bw. -- 't Zelfde als westwaart, ten westen. Wy werden B--
+de Kaap van een storm overvallen.
+
+Bewimpelen, b. w. -- Met wimpels voorzien. By feestelijke gelegenheden
+worden masten en stengen Bewimpeld.
+
+Spreekwijze: Zijn opzet B-- (met bedriegelijken schijn omkleeden,)
+Ergends onbewimpeld voor uitkomen. (De waarheid naakt en zonder
+tooisel voordragen).
+
+Geen koopvaarder mag een wimpel voeren: by ontmoeting van verdachte
+schepen hijscht hy somtijds den wimpel om zich voor te doen als een
+oorlogs- of transportschip.
+
+Bewindhebber, z. n. m. -- Naam, die vroeger gegeven werd aan hem,
+die zitting had in het besturend lichaam der Oost- of West-Indische
+maatschappy.
+
+Bewoelen, b. w. -- Vast en aan alle kanten omwinden: 't geen
+voornamelijk met touw, werk, enz. geschiedt.
+
+Bewoeling, z. n. v. -- De daad van Bewoelen.
+
+Bezaan, z. n. v. -- 1o. Het achterste zeil van een klein vaartuig. De
+B-- op haar gat zetten (de schoot der B-- sterk aanhalen).
+
+2o. of Bezaanzeil. Het achterste gaffelzeil aan boord van een
+driemastschip.
+
+3o. Groote B-- die met schoon weer gebruikt wordt en van licht zeildoek
+vervaardigd is.
+
+Bezaanmast, z. n. m. -- De achterste Mast op een driemastschip.
+
+Bezaansmars, z. n. v. -- Zie Mars.
+
+Bezaansdempgordingen, z. n. v. mv. -- Touwen, waarmede de Bezaan
+wordt weggenomen en de kracht van den wind uit het zeil genomen.
+
+Bezaanspispotten, z n. v. mv. -- De brassen van de bezaansra, nu door
+een gaffel vervangen.
+
+Bezaansroede, z. n. v. -- of Gaffel. (veroud.) Ra van den Bezaansmast,
+die thands niet meer in gebruik is.
+
+Bezaansrusten, z. n. v. -- Zie Rusten.
+
+Bezeild, b. n. w. -- Wordt van den wind gezegd, wanneer deze voordeelig
+is voor den koers. Zie Wind.
+
+Bezeildheid, z. n. v. -- Vaart, gang, in goeden zin genomen. Dit schip
+wint in het in B-- van de meeste anderen (zet meer vaart). Het heeft
+zijn B-- verloren of terug bekomen.
+
+Bezeilen, b. w. -- Bevaren, koershouden zonder te wenden. Wy moeten
+die haven zien te B-- (al zeilende bereiken).
+
+Spreekwijze. Hy heeft het Bezeild (hy is de zwarigheid te boven).
+
+Men kan geen haven met hem B-- (men kan met hem niet te recht komen).
+
+Men kan niet altijd zijn koers B-- (het loopt wel eens tegen).
+
+Bezem, z. n. m. -- gebruikelijk in de
+
+Spreekwijze: den B-- in den mast voeren (de zee schoon vegen).
+
+
+ Toen 't Oosten, ziende allengs den schat van Hollant groeien,
+ Verraderlijk bestont haar scheepvaart te besnoeien,
+ Beslaet in Pomeren en Pruissen, Zont en Belt,
+ De korenvloot van 't Y, en rooft ze met gewelt,
+ Dorst Amsterdam (hoe klein 't zich toonde voor twee eeuwen)
+ Zich met meer koggen, dan gantsch Hollant met de Zeeuwen
+ Te samen rukte, in zee begeven, en het strant
+ Des roovers plonderen, hun vlotten in den brant
+ Vernielen, en gekeert met zege, en trots gewroken,
+ Heeft op het hoog toppet den bezem uitgestoken
+ Als die de ruime zee, van schuimers lang geplaeght,
+ Nu zagh door haren moet geveiligt en gevaegt.
+
+ Antonides Ystroom.
+
+
+Bezet, bw. -- Vast, ingewikkeld, verhinderd. De vloot zat in 't ijs
+B--: op de kust B-- zijn: op lager wal B-- zijn.
+
+Bezuiden, bw. -- 't Zelfde als zuidwaarts, ten zuiden. Dat schip lag
+B-- het eiland.
+
+Bieden, b. w. -- Vertoonen, toekeeren. Wy oordeelden gepast, den vyand
+de breedzijde te B-- (om hem te beschieten namelijk). De kapitein
+deed het fregat de breede zijde B-- aan het fort.
+
+Biezetouw, z. n. o. -- Touw van biezen gemaakt, en in de Middellandsche
+zee wel gebruikelijk.
+
+Bil, z. n. v. -- Ronding van het achterschip.
+
+Billen, z. n. v. mv. -- De uitpuilende deelen van het achterschip.
+
+Binden, b. w. -- Vastmaken met touw of andere wringbare
+zelfstandigheid.
+
+Spreekwijze: Aan een plaats Gebonden zijn (er niet vandaan kunnen).
+
+Bindgaren, z. n. o. -- Bindtouw. Zie Garen, Touw.
+
+Bindsel, z. n. o. -- De uitkomst van het Binden. Een B-- leggen. Zijn
+voor B--. Plat B--. B-- van een ankersteel. KruisB--. NokB-- enz.
+
+Binnen, vz. -- 1o. wordt dikwijls als bw. gebruikt, en de plaats,
+waar iets binnengekomen is, daarby stilzwijgend verstaan. De schepen
+zijn B-- (zy zijn de haven binnengekomen). Haal den Loods B--
+(binnen scheepsboord).
+
+Spreekwijze: Hy is B-- (hy is uit den brand, hy heeft zich gedekt). De
+uitdrukking wordt meest gebezigd van een speler of spekulant, die,
+hoe de kans ook loope, de door hem uitgezette gelden terug heeft en
+nooit meer verliezen kan.
+
+2o. Voor "B-- bereik van": de schepen zijn B-- Schot.
+
+Binnenachtersteven, z. n. m. -- Beplanking, die van Binnen aangebracht
+is en tot steun dient van den achtersteven.
+
+Binnengaets, bw. -- Binnen de monding van een zeegat of stroom.
+
+
+ Die wel ervaren maets
+ En Tritons van het meir ons sturen binnen gaets.
+
+ Vondel.
+
+
+Binnengeschutgang, z. n. v. -- Naam, op geschutdekken, aan de
+tusschenwegers gegeven.
+
+Binnenhaven, z. n. v. -- Haven in een meir, baai of rivier. Rotterdam
+en Dordrecht zijn B--s.
+
+Binnenkiel, z. n. v. -- of Plaat op de kiel: het deel, dat, tot
+versterking der lasschen van de kiel enz. op de kiel komt te liggen
+en zich voor en achter onder de slemphouten verliest.
+
+Binnenkomen, b. w. -- Uit zee in de haven komen. Binnengekomen:
+de vrouw Maria, uit Riga.
+
+Binnenlandsch, b. n. w. -- Wat zich binnen de grenzen van het Rijk
+bepaalt. Hy drijft alleen B--en handel. Dit schip is alleen voor de
+B--e vaart gebouwd.
+
+Binnenlek, z. n. v. -- Naam, door de visschers gegeven aan het gedeelte
+der zee tusschen het strand en de Breêveertien.
+
+Binnenloods, z. n. m. -- Loods, die zijn ambacht uitoefent op de
+binnenwateren.
+
+Binnenloodsen, b. w. -- of Inloodsen. Zie Loodsen.
+
+Binnenloopen, b. w. -- Inzeilen. B-- wordt meestal gezegd, wanneer
+het uit nood geschied.
+
+Binnenrahout, z. n. o. -- of Striem. Gang, wegers, langs den bovenkant
+der poorten tegen het potdeksel van het opperdek gelegd, en over de
+geheele lengte van het schip doorgaande.
+
+Binnensteven, z. n. m. -- De binnenkant van den Steven. Zie Steven.
+
+Binnenvaart, z. n. m. -- De vaart op de stroomen en wateren van
+het Rijk.
+
+Binnenvoorsteven, z. n. m. -- Het verlengde van de binnenkiel,
+loopende van het slemphout tegen den voorsteven op.
+
+Binnenwegering, z. n. v. -- Een langsscheeps-verband, loopende tegen
+de spanten van den voor- naar den achtersteven.
+
+Binnenzeilen, b. w. -- Uit zee binnenkomen.
+
+Bit, z. n. o. -- Vooreinde. De scherpte van het schip, ook snit of
+snede genaamd. Zie ald.
+
+Bitstuk, z. n. o. -- Zie Loefhouder.
+
+Bitterenden of Hondenenden, z. n. o. mv. -- Enden van kabels. Deze,
+als niet vast ineen gedraaid, worden afgekapt en tot schiemansgaren
+gebezigd.
+
+Blaasbalg, z. n. m. -- Vulling van hout, die onder de slooiknieën
+wordt aangebracht om de ruimte aan te vullen tusschen de benedenste
+dikte dier slooiknieën en de buitenhuid, en daardoor te beletten,
+dat de zee er te veel kracht op oefene.
+
+Blaauw inzetten, b. w. -- (veroud). IJzer in het schip zetten of slaan.
+
+Blaauwschuit, z. n. v. -- Oude, echt Hollandsche benaming voor
+scheurbuik. Zie ald.
+
+Bladstil, bw. -- Geen windtjen.
+
+Blafteren, o. w. -- (veroud.) Een schip werd gezegd te B-- als het
+met den neus in den wind stond en de zeilen los lagen of sloegen.
+
+Blad, z. n. o. -- Plaat, platte bekleeding. Een ijzeren B--. B-- van
+een riem (het platte en breede end van een riem). B-- van een anker
+(Zie Ankerblad.)
+
+Blaken of Blakeren, b. w. -- Wordt men gezegd een schip te doen,
+wanneer men het buiten om met brandend riet zengt, om het hout van
+den worm te bevrijden.
+
+Blakeren, -- Zie Blaken. B-- is meer in gebruik.
+
+Blank, b. n. w. -- Zie Zeil.
+
+Blakhol, z. n. o. -- 't Eng. black hole, een donkere kerker aan boord.
+
+Blazen, b. w. -- (veroud.) Een schip B-- noemde men, wanneer het op
+zij gehaald was om te kalfaten en vervolgends dicht gestopt, er met
+blaasbalgen wind in persen om te zien of het dicht was.
+
+Blekhel, z. n. o. -- Zie Hel.
+
+Blikken, o. w. -- of Blikvuren. Met vuren seinen om by matig of donker
+weer van andere schepen ontdekt te worden.
+
+Bliksem, z. n. m. -- Elektrisch lichtverschijnsel in den dampkring.
+
+Blikvuur, z. n. o. -- Seinvuur. Zie Blikken.
+
+Blikvuren, o. w. -- Zie Blikken.
+
+Blind, z. n. o. -- (veroud.) Het zeil, dat of onder of boven aan
+den Boegspriet en zijn steng plach te zitten: het eerste of onderste
+droeg den naam van: het groote B--: het tweede of bovenste dat van:
+het kleine B-- De oorsprong dier benaming wordt daarin gezocht,
+dat de B-- de maats in het uitkijken zeer belemmerde, even als men
+"een blinde muur" zegt, van een muur, waar geen gat of venster in is.
+
+Blind, b. n. w. -- Zie Klippen, Ra, Steng, enz B--e Ra (die onder
+den boegspriet hangt.)
+
+Blinden, z. n. v. mv. -- Luiken.
+
+Blink, z. n. m. 1o. -- Lichte plek aan een bewolkten hemel: ook het
+licht, dat een streep wolken of dampen by 't opstijgen tusschen zich
+en den gezichteinder laat.
+
+2o. Wit, onbegroeid duin.
+
+
+ Geen duin noch witte Blinck, noch Pharos kan voorwaer
+ D'aenstaende zwarichheit, den noot, het leet, 't gevaer
+ Van 't varen overzien.
+
+
+Bloedvlag, z. n. v. -- of roode vlag.
+
+1o. Vlag, waarmede het sein tot den strijd gegeven wordt. De roover
+hijscht, die om te doen kennen, dat hy geen genade geeft als men zich
+verweert. De zeeroover ontdekte zich door de B-- te hijschen.
+
+
+ De bloetvlag uitgesteken
+ Geeft aen den vloteling weêrzijts het oorlogsteeken.
+
+ Antonides, Ystroom.
+
+
+2o. Vlag, die by de uitvoering van een vonnis wordt geheschen.
+
+Blok, z. n. o. -- In 't algemeen een klompvormig stuk houts: op
+schepen wordt het meer byzonder gebruikt voor: katrol en beteekent
+dan zoodanig Blok, 't welk van eene of meer keepen is doorsneden,
+binnen welke eene of meer schijven van pokhout of gegoten ijzer
+vastzitten, die zich vrij bewegen om houten of ijzeren, door het
+lichaam van het blok heen loopende spillen. Van zoodanige katrollen in
+'t mv. sprekende, zegt men niet: de Blokken, maar de Bloks.--Enkel B--
+(dat maar een schijf heeft). Dubbel B-- (dat er twee nevens elkander
+heeft). GeinB--, JijnB-- (groot B-- dat er onderscheidene nevens
+elkander heeft). Drieschijfs B-- Drieschijfs GeinB-- Dubbele B--s
+voor geschuttalies. VioolB--s (die uit twee nevens elkander geplaatste
+B--s bestaan elk met maar eene schijf). MarsschootsB--s (die uit twee
+boven elkander geplaatste B--s bestaan) KatB-- (dat drie schijven
+heeft.) Plat B-- (waarvan het lichaam plat is: als dit het geval is
+met de B--s aan de hoofden der masten, en met de hanger B--s voor
+de marse-draai-reep). KinnebaksB--s (waarvan de zijde opengesneden
+is om het touw te laten doorloopen, zoodat men niet noodig heeft,
+om dit door een opening in de keep te brengen). Schoot B--s (die men
+voor de schoot van het Blindzeil plach te gebruiken). Spoelvormige
+B--s (die den vorm van een schietspoel hebben. Op den top van
+de bezaan gehecht, dienen zy om de bagijns-toppenants te doen
+doorloopen). WartelB--s, DraaiB--s (die, in groot aantal en vertikaal
+geplaatst, horizontaal kunnen draaien, als de B--s voor de buik-
+en dempgordings. VoetB--s (die alleen dienen om een gespannen touw
+een andere richting te doen nemen). LeiB--s (die geplaatst zijn om
+een touw zijn richting te doen bewaren). Buikgording- en geitouwB--s
+(die onder of op de nok van een ra geplaatst, dienen tot doortocht
+der gordings of schooten en geitouwen van een bovenzeil). KardeelB--s
+(die in 't midden van een ra zijn geplaatst voor de kardeelen der
+onderraas en de draaireepen der marsen). ToppenantsB--s (waar de
+toppenants door moeten). StengelwindreepB--s (die men bezigt om een
+mars op te brengen). StagB--s (die aan het einde der stags geplaatst
+zijn). GordingB--, DraaireepB--, GeitouwB--, TalieB-- enz. TopreepB--s
+(dienende om een schip dat by 't kalefateren op zijde ligt, weder op
+te heffen). DrilB--s (zware en lange B--s, waarmede men de schepen
+in of uit de dokken trekt). KielB--s, (dienende om de masten op een
+schip te brengen). StraatB--. HaakB-- enz. (waarvan de strop met een
+zweep, een haak enz. voorzien is). Men heeft Twee-, drie-, vier-,
+tot achtschijfsB--s.
+
+Spreekwijze: Het schijfjen in 't B--jen (de zaak is in orde).
+
+Blokhout, z. n. o. -- Hout, waar Bloks van gezaagd worden.
+
+Blokkenet, z. n. o. -- Net, dat in 't kabelgat hangt tot berging van
+de kleine Bloks.
+
+Blokschijf, z. n. v. -- Schijf, die in het Blok zit.
+
+Blokstrop, z. n. m. -- End touw, dat men om een Blok splitst om het
+ergends aan te bevestigen.
+
+Blokwangen, z. n. v. mv. -- De zijden van een Blok.
+
+Blijven, o. w. -- Vergaan. Er zijn vrij wat schepen Gebleven in
+dezen storm.
+
+Bocht, z. n. v. -- 1o. Rondte, kronkeling. Het touwwerk in B--en
+doen opschieten.
+
+2o. De ronde kant van eenig voorwerp.
+
+3o. Inham, kreek, inwaarts gebogen reede. De B-- van Guinea, de B--
+van Frankrijk.
+
+4o. Plaats op de rivieren, waar de schuiten worden binnengehaald om
+veilig te liggen tegen ijsgang of overstrooming en om de vaart niet
+te belemmeren. Hy heeft zijn schuit uit de B-- gehaald.
+
+5o. of TouwB-- die, welke men voor de Beting heeft, als men ten
+anker komt.
+
+6o. Ontuig, drek. Ik kan die B-- niet drinken.
+
+Spreekwijze: Een B-- achter den arm houden--'twelk een noodzakelijke
+voorzorg is by het vieren--(gepaste voorzorg nemen).
+
+Een ander aan de B-- springen (een bekwamer man by het B-- vieren
+zetten).
+
+Bochtsteek, z. n. m. -- of Engelsche Kink. Een soort van Steek,
+gebruikelijk by het vastmaken van Bloks.
+
+Bodem, z. n. m. -- 1o. Grond, vloer. De B-- van de zee; de B-- van
+het schip.
+
+2o. By toepassing het schip zelf. Zy hadden vijf B--s verloren (voor
+vijf schepen) 's Lands B-- (het schip).
+
+
+ Wy zijn by een gescheept, en ons gemeene waren
+ Die moeten over zee op eenen bodem varen.
+
+ Cats. Samenspr. van Ziel en Lichaam.
+
+
+Bodemery, z. n. v. -- Overeenkomst tusschen een geldschieter en
+een geldopnemer, waarby een som gelds wordt opgeschoten, met beding
+van premie en onder verband van schip of goed, of van beiden, met
+dat gevolg, dat, indien het verbondene geheel of gedeeltelijk door
+toevallen op zee vergaat of vermindert, de geldschieter zijn recht op
+de opgeschotene penningen en op de premie verliest, voor zoo verre dit
+een en ander niet op hetgeen overblijft kan worden verhaald; terwijl,
+wanneer het verbondene behouden ter plaatse zijner bestemming aankomt,
+de hoofdsom benevens de premie betaald moet worden.
+
+De bepalingen omtrent B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Boek
+II. Tit. VIII. art. 569-591.
+
+Bodemerybrief, z. n. m. -- Akte eener overeenkomst van Bodemery. Zie
+daarover art. 273 Wetb. van Kooph.
+
+Bodemstuk, z. n. o. -- 1o. Zool van een rolpaard.
+
+2o. (veroud.) Benaming van het achterste der drie deelen, waaruit
+vroeger een stuk geschut bestond.
+
+Bodemstukken, z. n. o. mv. -- of Fundatiebalken: de zware balken,
+waarop het geraamte van een stoomwerktuig gesteld wordt.
+
+Boeg, z. n. m. -- 1o. De buiging of borst van het schip: alzoo het
+voorste gedeelte van 't schip, 't Beteekent "kromming" even als boog
+en buiging. Een vette, ronde, holle B--. Een magere, scherpe B--. Met
+den B-- in den wal liggen.
+
+2o. Boord. Over beide B--en. Van B-- veranderen, (over een anderen B--
+gaan liggen (wenden)). B-- tegen B-- loopen.
+
+3o. 't Voorste van de kuil, onder den bak, waar de kombuis zich
+bevindt, en 't welk is afgescheiden van den ziekeB--.
+
+Spreekwijze: Iemand dwars voor den B-- komen (iemand in zijn gang
+stuiten, tegenhouden).
+
+Op één B-- zeilen (eene streek houden).
+
+Het op een anderen B-- wenden (van koers veranderen, iets op een
+andere wijze doen dan te voren).
+
+Het moet over dien B-- gaan, of gewend worden (die streek moeten wy
+houden, op dien voet moet het beproefd worden).
+
+Het over alle B--en wenden (alle middelen by de hand nemen).
+
+Wy krijgen al het geld op een B-- (gelijktijdig, niet by gedeelten).
+
+Een mensch met een breeden B-- (een deftig mensch).
+
+
+ Dan scheen zy met een breeden boeg
+ Het vlot voor uit te trekken.
+
+ Bilderdijk. Elius.
+
+
+Boeganker, z. n. o. -- Een der vier of vijf ankers aan boord.
+
+Boegband, z. n. m. -- Voornaam, binnen-scheepsverband in den Boeg,
+dienende tot steun der dekken.
+
+Boegen, o. w. -- (veroud.) Varen, zeilen.
+
+
+ Nu boegt hy, waar de zon de Cingalezen roost.
+
+ J. de Marre.
+
+
+Boeghouten, z. n. o. mv. -- Die lengten van het Barghout, die niet
+gebogen worden.
+
+Boegkruisen, o. w. -- Het water met den Boeg kruisen, alzoo
+Laveeren. Zie ald.
+
+Boeglegger, z. n. m. -- (veroud.) De schipper of het schip, dat het
+eerst na den beurtman op een gezet uur varen moet.
+
+Boegmal, z. n. m. -- De Mal of vorm van den Boeg.
+
+Boegpomp, z. n. v. -- Pomp om zout water te slaan, gebruikt by 't
+schoon schip maken.
+
+Boegseerboot, z. n. v. -- Boot, die tot Boegseeren dient of uitgezet
+wordt.
+
+Boegseeren, b. w. -- Met behulp van sloepen van plaats doen
+veranderen. De sloepen zijn aan het B--. (zy trekken een schip aan
+touwen achter zich). De schepen kunnen die haven niet binnenkomen
+dan met behulp van sloepen, die hen B--.
+
+Spreekwijze: Hy is er binnen Geboegseerd (hy is er schuins (half
+dronken) binnen gekomen).
+
+Boegseertros, z. n. v. -- Tros, waar de sloepen by 't Boegseeren aan
+gespannen zijn.
+
+Boegslag, z. n. m. -- Wending van den Boeg, gang. Zie Slagboeg.
+
+Spreekwijze: Met een B-- (met een slingerslag, met een gelukjen.)
+
+Boegspriet, z. n. m. -- Spriet of lange mastboom, die voor op den
+Boeg uitsteekt en waarvan de bestemming is de zeilen verder buiten
+boord te kunnen brengen: ook dient hy tot voornamen steun van het
+tuig: waarom hy ook wel "sleutel van het tuig" wordt geheeten. Met
+den B-- over het hek liggen (wordt gezegd van een schip, welks B--
+niet verder dan het dubbel zijner lengte van den achtersteven eens
+anderen vaartuigs verwijderd is). Met zijn B-- in het want van een
+ander schip onklaar raken.
+
+Boegsprietbanden, z. n. m. mv. -- IJzeren Banden, die om den koning
+en de schalen van den Boegspriet heensluiten.
+
+Boegsprietkam, z. n. m. -- Klampen, dienende om het verschuiven der
+kragen van de fokkestags te beletten.
+
+Boegsprietkussen, z. n. o. -- of spoor van den Boegspriet. Zie
+Boegsprietspoor.
+
+Boegsprietspoor, z. n. o. -- of Oven, z. n. m. -- Twee staande stukken
+houts, waar het ondereinde van den Boegspriet op rust.
+
+Boegsprietsprong, z. n. m. -- De hoek, dien de Boegspriet met de
+waterlijn maakt.
+
+Boegsprietstijlen, z. n. m. mv. -- De Stijlen, die tot stut van den
+oven of het spoor van den Boegspriet dienen.
+
+Boegsprietviolen, z. n. m. mv. -- of Vioolstukken. Platte stukken
+houts, tegen het vooreinde van den Boegspriet aangebracht.
+
+Boegsprietwoeling, z. n. v. -- Najing of Sjorring. Touw, waarmede de
+Boegspriet omwoeld of verbonden is aan dat gedeelte onder de scheg,
+'t welk den naam draagt van Woelingknie.
+
+Boegstag, z. n. o. -- Touwwerk, dienende om den Boegspriet zijdelings
+te steunen.
+
+Boegtouw, z. n. o. -- Wanneer een schip gemeerd ligt met een anker
+vóór en achter, wordt aan het voortouw de naam van B-- gegeven.
+
+Boei, z. n. m. -- Drijvend stuk hout of kurk, takkebos of ledige ton,
+in den regel een ovaal waterdicht vat, met groote hoepels beslagen,
+en dienende om de gevaarlijke plaatsen, klippen, wrakken, enz. of
+de plaats, waar een anker gezonken is, aan te wijzen. Houten B--,
+Kurken B--, AnkerB--, TonneB--. Klare B--, (die gereed gehouden wordt
+om in 't water geworpen te worden op het oogenblik dat het anker
+zinkt). ReddingB-- drijvend lichaam van kurk, wasdoek enz., dat men
+aan een man, die in 't water valt, toewerpt, opdat hy het aangrijpe
+en er zich mede boven houde tot dat een sloep hem hulp brengt.
+
+Spreekwijze: Hy heeft een kop als een B-- (een hersenloozen kop).
+
+Boeien, z. n. m. mv. -- De ijzers, waarin een matroos wegens misdrijf
+gesloten wordt. Iemand in de B-- sluiten.
+
+Boeien, b. w. -- of Opboeien. Het scheepsboord met planken hooger
+maken. Zie Geboeid, Opboeien.
+
+Boeier, z. n. m. -- Klein lastschip, dat voor en achter is Opgeboeid,
+van waar het zijn naam heeft. Het komt in vele deelen met een Smak
+overeen. De Hollandsche jachten zijn onder dien naam beroemd.
+
+Spreekwijze: Een B-- is een zeeknoeier:--om dat een B-- minder
+geschikt is om zee te bevaren; maar daarentegen zeer bekwaam voor
+de binnenvaart.
+
+Boeiketting, z. n. v. -- Ketting, die een Tonneboei aan zijn anker
+verbindt.
+
+Boeiklamp, z. n. v. -- Plank, die op de naden van een schip gespijkerd
+wordt, om het binnendringen van het water tegen te gaan.
+
+Boeireep, z. n. v. -- Touw, dat den Boei met het anker verbindt. Zie
+Reep.
+
+Boeireepknoop, z. n. m. -- Knoop, waarmede de Boeireep op het anker
+bevestigd wordt.
+
+Boeisel, z. n. o. -- Planken, waarmede een schip wordt opgeboeid.
+
+Boeitang, z. n. v. -- Tang, waarmede planken als aan elkander
+vastgeboeid worden.
+
+Boekanier, z. n. m. -- Naam, die vroeger door Z. Amerikaansche
+zeeroovers gedragen werd.
+
+Boekhouder, z. n. m. -- Naam, door de visschers onzer zeedorpen aan
+den reeder gegeven, als zijnde hy het uitvoerend bewind in alle zaken,
+de vangst betreffende.
+
+Boelijn, z. n. v. -- Lijn, dienende om het loeflijk der vierkante
+zeilen meer aan den wind te halen als men by-de-wind zeilt. Men
+zegt in 't mv. niet Boelijnen maar Boelijns.--LoefB-- (die aan de
+windzijde staat). LyB-- (die onder den wind is). Vaste B--s (die zoo
+stijf staan als zy kunnen). Haal uit de B--s! (komm.). Met de B--s
+uitgehaald zeilen (scherp by-de-wind zeilen). Zie Magerman.
+
+Boelijnspruiten, z. n. v. mv. -- of Leuvers. Touwen, die in den vorm
+van een hanepoot het loeflijk van de zeilen met de Boelijn verbinden.
+
+Boeri, z. n. v. -- Soort van riviervrachtschip in Bengalen.
+
+Boeten, b. w. -- Verbeteren, gelijk Boete "betering" beteekent. Netten
+B-- (de gescheurde mazen herstellen).
+
+Boevenet, z. n. o. -- Vroeger heette B-- een net, van traliewerk
+gemaakt, dat over de opening van een schip geplaatst werd en bestemd
+om af te weeren hen die opkwamen om te enteren of met andere slechte
+voornemens; thands is het een bynaam voor het Enternet, 't welk by
+nacht rondom het boord van een brik of ander laag vaartuig tegen het
+overrompelen geheschen wordt.
+
+Boezem, z. n. m. -- Zie Waterboezem, Zeeboezem.
+
+Boezeroen, z. n. o. -- Soort van korte zeemanskiel.
+
+Bogen, z. n. m. mv. -- Ronde houtjens, waarin zich gaatjens bevinden,
+door welke men het touwwerk kan laten gaan.
+
+Bohei of Boha, z. n. o. -- Geschreeuw. B-- maken (geweld
+maken). Geen B-- aan boord! (geen rumoer, geen geschreeuw!) Dit
+woord is oorspronkelijk maleisch. Wanneer men, met de sloep over den
+modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de roeiers er uit
+om te sleepen: 't welk uithoofde der menigvuldige kaaimans, die zich
+aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer nu de Javanen,
+die op den modderbank visschen, een sloep zien vastzitten, roepen
+zy aan de Ekipaadje toe: bohaya; 't welk in 't maleisch "Kaaiman"
+beteekent, ten einde men hun de sloep doe sleepen en zy er wat aan
+verdienen. Uit dat herhaald en luid geschreeuw der Javanen is ontstaan,
+dat de matrozen een schreeuwer, rumoermaker een B--maker noemen.
+
+Bok, z. n. m. -- 1o. Vaartuig, waar men schuiten of pramen, die aan
+den grond zitten, mede boven water haalt: hetwelk niet kan geschieden,
+zonder dat het vooreind meer en meer naar het water zakt en den kop
+buigt als een bok, die stooten wil.
+
+2o. Twee aan de boveneinden verbonden rondhouten, barkoenen,
+windboomen, waaraan een blok hangt, en wier onderste einden ter
+wederszijden op het dek rusten: dienende tot het lichten van masten
+of andere zware lichamen.
+
+3o. Of Zagersbok. Werktuig, ten gelijken einde dienende, doch bestaande
+uit drie stutten of pooten, die in een driehoek uitstaan en zich in
+den top piramidaalvormig vereenigen.
+
+Bokkebeenen, z. n. o. mv. -- In den top vereenigde en vorksgewijze
+opgerichte spieren of staken, met katrollen voorzien en dienende om
+masten uit te lichten of op te zetten, of om, by den aanbouw van een
+schip, de stukken op hun plaats te brengen.
+
+Bokshoorn, z. n. m. -- of Boksoor. Hieronder verstond men vroeger een
+ijzeren haak, die ter wederzijden van de rampaarden werd vastgehecht
+om de touwen daaraan te beleggen. Hy had zijn naam van zijn gedaante,
+daar de pen van dit werktuig achterover lag, even als de hoorn van een
+bok. Tegenwoordig zijn de B--s van voren rondgebogen ijzeren bouten
+in het boord der schepen, aan welke bouten de Broekings der stukken
+gebonden worden om het inspringen te beletten. Zie Hoornen.
+
+Boksoor, z. n. o. -- Zie Bokshoorn.
+
+Bolkvanger, z. n. m. -- Bolk, of bolg beteekende oudtijds bui: een B--
+was dus een kleed, dat tegen buien beschutte. Vondel noemt, in zijn Lof
+der Zeevaart, de matrozen 't Bolckvangerdragend gilt. Zie Baaivanger,
+Wolkvanger. In 't zelfde gedicht noemt Vondel het:
+
+
+ Een draght, die sterven zal wanneer de schipvaert sterft.
+
+
+Bollen, b. w. -- Korten, inkorten. De bezaan B-- (het zeil van de
+bezaan minderen of minder ter windvang stellen).
+
+Bolster, z. n. v. -- (veroud.) Klos, of kussen, waar de boegspriet
+op rust. Zie Boegsprietkussen.
+
+Bolwerken, b. w. -- (veroud.) Men noemde Een schip in zee B--
+(de goederen op last in een schip verleggen).
+
+Bom, z. n. v. -- Kogel, met brandbare en tot ontploffing bestemde
+bestanddeelen gevuld.
+
+Spreekwijze: De B-- is losgebarsten (de zaak is uitgekomen).
+
+Als een B-- ergends invallen (als een onwelkome gast ergends
+verschijnen).
+
+Bom, z. n. v. -- Visschuit.
+
+Bombalon, z. n. m. -- Zeetrompet, by de negers in gebruik.
+
+Bombarde, z. n. v. -- Bombardeergaljoot, z. n. v. -- Bombardeerschip,
+z. n. o. -- Vaartuig, dat voor den grooten mast een paar mortieren
+voert, bestemd om een havenmond te verdedigen, een ontscheping te
+beschermen of een stad van de zeezijde te Bombardeeren.
+
+Bombardeeren, b. w. -- Met Bommen beschieten.
+
+Bombardement, z. n. o. -- Het beschieten met Bommen. Het B-- van
+Koppenhagen, van Algiers.
+
+Bonnet, z. n. v. -- Lyzeil, broodwinder. Strook zeil, die aan de
+zeilen kan geregen worden om ze te verbreeden of te verlengen. De B--
+aanrijgen, de B-- ontrijgen, afdoen.
+
+Boog, z. n. m. -- 1o. Straal, kromming. Zie Boeg. Ook strook,
+neêrbocht.
+
+2o. (Veroud.) Lang hout, daar men het spil mede omdraait.
+
+Booi, z. n. m. -- 't Eng. Boy, jongen.
+
+Spreekwijze: B-- is kaptein (de knecht is baas).
+
+Boom, z. n. m. -- 1o. Lange stok of spier, die op de binnenvaart
+gebezigd wordt om de vaartuigen voort te duwen, en die zijn naam
+daarvan ontleent, dat hy van een geheelen boom gemaakt wordt.
+
+2o. Spaak van een spil.
+
+3o. Spier, dienende tot het uithalen van eenig zeil. Briksboom,
+kottersboom.
+
+4o. Sluitboom, balk, waar de havens of het vaarwater mede afgesloten
+worden. Met den avond wordt de B-- gesloten.
+
+5o. Huisjen, waar de Beämbten zitten, die op het openen of sluiten
+van den B-- of op de in- en uitgaande goederen te letten hebben.
+
+Boomdirk, z. n. v. -- Boomreep. Het touw, dat het achtereinde van
+den Boom steunt.
+
+Boomen, o. w. -- Met een Boom voortduwen.
+
+
+ Hy boomde met een vlot langs d'oevers.
+
+ Vondel. Lof der Zeevaert.
+
+
+Boomgeld, z. n. o. -- Geld, dat aan den Boom voor 't ontsluiten
+betaald wordt. Zie Havengeld, Sluisgeld.
+
+Boomklerk, z. n. m. -- Koopmansbediende, die voor zijn kantoor de
+verklaringen voor de In- en Uitgaande Rechten der binnen- of aan den
+Boom komende schepen doet.
+
+Boomschoot, z. n. v. -- Het touw of de takel, waarmede de Boom
+bedwongen wordt.
+
+Boomstag, z. n. v. -- Boventouw, Loefstag, Knoopspar. Touw op groote
+vaartuigen, even als de Boomschors op kleinere, tot beteugeling
+dienende van den Boom. Zie Bulletouw.
+
+Boomtouw, z. n. o. -- Touw, dat door de gaten van de Boomen (spaken)
+van het gangspil wordt rondgeschoven om ze te verbinden, en zoo te
+beletten dat ze er niet uitvliegen, wanneer, door 't breken van den
+pal, het spil rondvliegt.
+
+Boon, z. n. v. -- (veroud.) Platbodemd schuitjen; van waar het
+spreekwoord dat in Spieghels Byspraex-Almanak voorkomt:
+
+
+ Bonen by de kant, Houdt het schip midden waters.
+
+
+Boor, z. n. m. -- Houten werktuig, met een ijzeren, van onder scherpe
+halve buis voorzien, welke, op een vast lichaam geplaatst en snel
+omgedraaid, daarin ronde gaten maakt.
+
+Boord, z. n. m. -- Rand of zijde. De B--en van den Aemstel. Als
+ScheepsB-- genomen is het o. Met het B-- tegen den wal liggen. --
+Het B-- wordt echter meestal genomen voor het schip zelf. Aan B--
+komen. Naar B-- gaan. Het B-- verlaten. Iemand aan B-- nemen, of
+onthalen. Van B-- gaan. Over B-- vallen of, beter nog, over B--
+dwalen (in 't water vallen). Iemand aan B-- leggen (by iemand aan
+boord komen).
+
+
+ Zy leggen ons aan boord, die welervaren maets.
+
+ Vondel. Lof der Zeevaert.
+
+ Hier gelt bulderen, noch stampen,
+ Noch geen borstweer van een mijl;
+ Rustigh boort aan boort te klampen
+ Is der Batavieren stijl.
+
+ Vondel. Scheepskroon.
+
+
+Spreekwijze: Aan hooger B-- zijn (van toestand verbeterd zijn) uit
+het Fr. ontleend is, waar de capitaine de frégate tot capitaine de
+haut-bord (van een linieschip) bevorderd werd.
+
+Zich aan hooger B-- houden (zich houden met hen, van wie men het
+meeste voordeel verwacht).
+
+Iemand aan B-- klampen (zich aan iemand vastklampen, iemand op 't
+lijf vallen).
+
+Iemand aan B-- komen (iemand toespreken, lastig vallen).
+
+Iemand met een voorstel aan B-- komen (iemand een min welkom of
+althands onverwacht voorstel doen).
+
+Het B-- kwijt raken (zijn middel van bestaan verliezen).
+
+Een man over B--, een eter te minder (een verlies lijden, waar men
+minder om geeft en even luchtig over denkt als sommige kapiteins over
+hun matrozen).
+
+Daar is veel over B-- (daar is veel verloren, of in de war.) (Zie
+Overstuur).
+
+Achter de puttings over B-- raken (Zie Puttings).
+
+Boorder, z. n. m. -- of Scheepboorder: de man, die met het boren
+belast is.
+
+Boos, b. n. en bw. -- Wordt van den wind, van het weer enz. gezegd,
+als het ongunstig is. Wy hebben B-- weer op reis gehad. Wy hebben
+het B-- te verantwoorden gehad. Het heeft B-- gewaaid.
+
+Boot, z. n. v. -- Grootste roeivaartuig op een koopvaarder, dat
+by gelegenheid dient om ankers op te winden of uit te brengen,
+watervaten in te nemen enz. Groote B-- (Zie Barkas): deze wordt meest
+op koopvaardyvaartuigen gebezigd.
+
+Spreekwijze: Eerst in de B-- keur van riemen (wie eerst komt, die
+eerst maalt: of wie er 't spoedigst by is, mag kiezen).
+
+Iemand in zijn B-- krijgen (iemand in zijn belang of tot zijn denkwijze
+overhalen).
+
+Van de B-- komt men in de schuit (men komt van kwaad tot erger, of van
+'t kleine tot het groote).
+
+De HuwelijksB-- of 't HuwelijksB--jen (is een gewone samenstelling voor
+'t Huwelijk).
+
+Bootklampen, z. n. v. mv. -- De mikken, waarin de Boot op het dek
+staat.
+
+Bootkrabbers, z. n. m. mv. -- 1o. Touwen, met een haak en een kous
+voorzien, en bestemd om Booten aan een vaartuig vast te maken.
+
+2o. Touwen, waarmede de Boot op het dek is vastgesjord.
+
+Bootschoen, z. n. m. -- Plaat, die buiten boord wordt gehangen, en
+tegen welke de Boot rust als zy tegen het schip uit het water wordt
+geheven, om gebreeuwd, geteerd enz. te worden.
+
+Bootsgezel, z. n. m. -- 't Zelfde als Varensgezel of Matroos: omdat
+die met het roeien in de Boot belast is.
+
+
+ Kees quam uyt zee en vocht in kerk en in kapel.
+ Kees was eerst bootsgezel, nu is 't een boos gezel.
+
+ Jan Vos.
+
+
+Bootsleper, z. n. m. of -- Vanglijn. Het touw, waarmede de Boot aan
+het schip bevestigd is en achteraan gesleept wordt.
+
+Bootsman, z. n. m. -- Ook wel Hoogbootsman genoemd: toeziener en
+aanvoerder der Bootsmansgasten en wien het toezicht is opgedragen op
+zeil en treil van den grooten mast. By de manoeuvres blijft hy op het
+dek en wordt alzoo onder de dek-officieren geteld. Op koopvaardyschepen
+is hy de aanvoerder der bemanning en hoogste onderofficier.
+
+Bootsmansgasten, z. n. m. mv. -- De matrozen, die onder den Bootsman
+staan en met hem aan denzelfden bak eten.
+
+Bootsmansmaat, z. n. m. -- De onderofficier, die op den Bootsman in
+rang volgt, en met het toezicht over het achterschip is belast.
+
+Bootsmansstoel, z. n. m. -- Een plank, die tegen den mast hangt,
+en waarop een matroos zit, als hy werk aldaar te verrichten heeft.
+
+Bootsvolk, z. n. o. -- De Bootsgezellen in 't algemeen: oudtijds meer
+bepaaldelijk de bemanning eener Boot.
+
+Bordig, b. n. -- (veroud.) Plat, als een Bord. B--e zeilen (platstaande
+zeilen).
+
+Bording, z. n. v. -- Benaming van zeker Pruissisch vaartuig.
+
+Bordgeld, z. n. o. -- Soort van verval, dat uit de beschouwing (de
+opbrengst) der vischvangst voortspruit.
+
+Boren. b. w. -- Een gat, een opening maken door middel van een
+Boor.--'t Wordt echter ook gebruikt van openingen, door kogels
+gemaakt. Een schip in den grond B-- (zoodanig beschieten dat het lek
+wordt en te gronde gaat).
+
+Borg, b. n. -- of Loos, wordt alles genoemd, wat niet dadelijk
+gebruikt wordt, maar, in geval van nood, dient om iets dat onklaar is
+te vervangen, en dan als 't ware Borg blijft, dat er geen ongerief
+ontstaan zal. B--schoot, B--touwen (schoot, touwen, die, nevens de
+andere, die, gespannen staan of dienst doen, los hangen).
+
+Borrel, z. n. m. -- Letterlijk, een belletjen, dat uit den grond komt
+opborrelen; doch by toepassing, een glas geestrijk vocht.
+
+Borst, z. n. v. -- Wordt somtijds, by toepassing, voor het voorste
+gedeelte van het schip, of den boeg, genomen.
+
+Bos, z. n. v. -- Bus of Buis. Hout, waar op kleine vaartuigen het
+gat in komt tot waterloozing, of uitwatering op den overloop en verder.
+
+Bosbank. -- Zie Potdeksel, Schanddek, Dolboorden.
+
+Bossenwerk, z. n. o. -- Gepluisd touw, dat gepikt is, en waarmede
+een oud schip geblakerd wordt.
+
+Bot, z. n. v. -- Vooreind, 't Fr. bout. Het touw heeft geen B--. Het
+touw heeft niet B--s genoeg. Men moet het touw B-- geven. B-- vieren,
+(laten schieten).
+
+
+ Ja, vier uw zeilen bot, bedien u van de winden.
+
+
+zegt Bilderdijk, in zijn Ziekte der geleerden; doch min juist; want
+wanneer men de zeilen B-- viert, gaat de wind er uit.
+
+Spreekwijze: Zijn lusten B-- vieren (er aan toegeven).
+
+Bos, z. n. v. -- Vierkant stuk metaal, in de schijf van een blok
+ingesloten, en waardoor de pen gaat waarop het draait.
+
+Boterland, z. n. o. -- Land, dat men waant te zien, doch 't welk alleen
+uit een gezichtsbegoocheling ontstaat, en als wegsmelt by 't naderen.
+
+Botloef of Botteloef, z. n. m. -- De balk, waar de fokkehals op
+vaart. Zie Loef.
+
+Botstouwgat, z. n. o. -- Oude benaming van het gat, waar het ankertouw
+doorloopt.
+
+Bottelary, z. n. v. -- Plaats of vertrek, waar de Bottelier zijn
+spijs bewaart en uitdeelt.
+
+Bottelier, z. n. m. -- Eigenlijk iemand, die gesteld is, om de bottels
+of flesschen te bewaren; doch, aan boord, de man, die in 't algemeen
+het toevoorzicht heeft over de eetwaren, om ze aan den kok uit te
+leveren, en die ook het brood, boter, kaas enz., alsmede den drank
+aan de manschap ronddeelt.
+
+Spreekwijze: Als de kok en de B-- kijven, dan weet men, waar de
+boter blijft, (als twee schelmen, die gewoonlijk het eens zijn,
+twist krijgen, dan komen hun boevestukken aan 't licht).
+
+Botteliersmaat, z. n. m. -- of Onderbottelier. Behulp van den
+Bottelier.
+
+Botteloef. Zie Botloef. B--krabbers, B--Schenkel of Strontstagen
+(touwen, die bestemd zijn om den B-- te steunen).
+
+Botter, z. n. m. -- Een vaartuig met één mast en aan zijn ronden,
+Botten boeg, zijn naam ontleenende; doch van achteren als een schokker
+gebouwd.
+
+Bout, z. n. m. -- IJzeren of koperen staaf, tot verbindingsmiddel
+dienende. Stompe B--en (die geen punt hebben, als alle
+spantbouten.) Blinde B--en (die van welke, na het indrijven, alleen het
+einde, waartegen geslagen is, zichtbaar blijft. De B--en verschillen
+hierin van de spijkers, dat zy overal even dik zijn en niet verdunnend
+toeloopen. Zy worden gewoonlijk van rood koper of ijzer gemaakt:
+de ijzeren van rood- of achtkant staafijzer. Zie SpantB--, NaaiB--,
+KoppelB-- enz. enz.
+
+Boutdrevel, z. n. m. -- Bout, waarmede andere Bouten uit hun plaats
+gedreven worden.
+
+Boutjens, z. n. o. mv. -- (veroud.) Vierkante lappen zeil, die tegen
+de lijken aangezet worden, waar het zeil om de aangeslagen touwen
+sterkte noodig heeft.
+
+Bouts, z. n. o. mv. -- (veroud.) Touwen, gebruikt om het want te
+voorzien als 't verbroken is. 't Woord is 't Fr. bouts (enden).
+
+Boutkogels, z. n. m. mv. -- of Kneppelkogel: twee kogels, door een
+Bout verbonden.
+
+Bouw, z. n. m. -- 1o. Maaksel. Dat schip is van zwaren B--.
+
+2o. Konstruktie, scheepsbouw. Zie Scheepsbouw.
+
+Bouwen, b. w. -- 1o. Vervaardigen, timmeren. Een schip B--.
+
+2o. Bebouwen, beploegen. Zoo, by toepassing, Zee B-- (de zee bevaren,
+omdat men die als 't ware met het schip beploegt). Antonides noemt
+in zijn Ystroom Amsterdam:
+
+
+ De grootste zeevorstin, die alle watren bout.
+
+ Hier bout de zeeraadt om de vrye zee te bouwen.
+
+ Jan Vos.
+
+
+Bouwlood, z. n. o. -- Zie Lood.
+
+Boven, byw. -- 1o. De masten met betrekking tot hen, die zich op
+het dek, en het dek met betrekking tot hen, die zich onder in 't
+schip bevinden. Een jongen naar B-- zenden (in den mast). Roep den
+Luitenant eens B-- (op het dek).
+
+2o. De oppervlakte der zee. De man was gezonken: gelukkig kwam hy
+nog even B--, zoo dat men hem grijpen kon.
+
+
+ Waarom koomje boven drijven
+ Jonghe bliecken, kleyne vis?
+ Ghy mocht beter onder blijven,
+ Daer u eyghen wooningh is.
+
+ Cats. Emblem.
+
+
+Boven (te) zijn. Een hoek, klip, punt T-- B-- zeilen (die bovenwind
+te loefwaarts omzeilen).
+
+Spreekwijze: Hy is dien klip T-- B-- (hy is dat gevaar ontkomen).
+
+Bovenbarghout, z. n. o. -- Zie Barghout.
+
+Bovenblind, z. n. o. -- (veroud.) Het zeil, dat vroeger gevoerd werd
+boven de Blinde ra.
+
+Bovendek, z. n. o. -- Het bovenste Dek op een schip.
+
+Bovenhalen, b. w. -- (veroud.) Te boven zeilen.
+
+Bovenkajuit, z. n. v. -- De kajuit, welke de geheele breedte van het
+achterschip beslaat en tusschen de kampanje en het bovendek begrepen
+is. Op de koopvaardyschepen, die geen kampanje hebben, is somtijds
+achterop een groote hut getimmerd, die de B-- wordt genoemd.
+
+Bovenkruiszeil, z. n. o. -- of Grietjen, welke laatste naam de meest
+gebruikelijke is: het zeil, dat tusschen de Grietjensra en Kruisra
+hangt. Zie Grietjen.
+
+Bovenlijk, z. n. o. -- of Ralijk, Het touw, dat aan de bovenzijde van
+een zeil is vastgehecht en het door banden aan de ra verbindt. Zie
+Lijk.
+
+Bovenrabanden, z. n. m. mv. -- Enden touw, dienende om de bovenhoeken
+der zeilen aan de Raas vast te binden. Zie Nokbindsels.
+
+Bovenschip, z. n. o. -- Huizing of Doodwerk: het gedeelte van het
+schip, dat zich boven water bevindt.
+
+Bovenspil, z. n. o. -- Het spil, dat op het dek staat, ter
+onderscheiding van het Onderspil. Zie Spil.
+
+Boventuig, z. n. o. -- Tuig der Bovenmasten.
+
+Spreekwijze: Zijn B-- is in de war (hy is niet wel by 't hoofd).
+
+Bovenzeilen, z. n. o. mv. -- Zie Zeil.
+
+Braadspit, z. n. o. -- Rolspil, verdraagbaar windas op de
+koopvaardyschepen.
+
+Brabbelen, b. w. -- Opborrelen, koken. De zee begint te B--.
+
+Brak, b, n. -- Ondrinkbaar. B-- water, (zoet water, met zout water
+of andere bestanddeelen vermengd).
+
+
+ Reeds lang zagh ik myn naam en grootheit aengebeên,
+ Eer nog uw brakke poel van visschers wert betreên.
+
+
+Zegt de Seine tegen 't Y in Antonides. Ystroom.
+
+Bram, z. n. v. -- of Bramzeil, z. n. o. -- Het zeil boven het
+marszeil: vroeger het hoogste zeil op een mast, dat men by stil weer
+opzette. "Daer by compt nog, dat men de schepen maekt mars boven mars,
+bramseyl boven bramseyl, alles streckende alleen om syraet en oppronck,
+ende nyet tot bequaemheyt, jae streckende tot groote onbequaemheyt,
+alsoo hierdoor de schepen soo rank worden gemaeckt, dat het onderste
+geschut nyet en kan gebruyckt worden daer mede het meeste, jae alle
+het gewelt moet gedaen worden." Memorie ende Aenwysinge hoe dat
+Lants schepen best souden dienen gebout om den vyant den meeste
+afbreuck te doen. Men voert heden niet alleen B--zeilen, maar ook
+BovenB--zeilen. De B--zeilen worden gevoerd tusschen de B--raas en de
+Marseraas. Zy worden onderscheiden in 1o. Voor B--zeil, dat aan den
+fokkemast, 2o. Groot B--zeil, dat aan den grooten mast, 3o. Grietjen,
+dat aan den kruismast gevoerd wordt.
+
+Spreekwijze: Hy voert B-- boven B-- (hy maakt veel uiterlijke
+vertooning).
+
+Hy is een rechte B-- (hy is een windmaker, een bluffert).
+
+Bramsteng, z. n. v. -- De mast van het Bramzeil, en alzoo verlenging
+van de steng.
+
+Bramzaling, z. n. v. -- De mars van de steng.
+
+Bramzeil, z. n. o. -- Zie Bram.
+
+Bramzeilskoelte, z. n. v. -- Een matig windtjen, waarby de schepen
+Bramzeil kunnen voeren.
+
+Bramzijgertjen, z. n. o. -- of Brandezijgertjen: naam, dien de
+visscherslieden geven aan de fosforieke dampen, die nu en dan uit
+zee opstijgen en samensmelten, en waarin de visscher, ze door zijn
+verbeelding vergrootende, gestalten des duivels meent te zien.
+
+Brandaris, z. n. m. -- 1o. Groote lantaren, hangende onder de mars
+van het Amiraalschip.
+
+2o. Vuurtoren. De B-- van ter Schelling. Zie Kustlicht.
+
+Branden, b. w. -- Een schip met brandend riet zengen om den worm
+te verdrijven.
+
+Branden, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer zy schuimende
+over droogten en klippen heenrolt.
+
+Brandrol, z. n. o. -- Lijst van hen, die, aan boord, tegen Brand
+moeten waken.
+
+Brander, z. n. m. -- Een vaartuig, toegerust met buskruit en andere
+ontvlambare stoffen, 't welk op de vyandelijke bodems wordt afgezonden
+om die in brand te steken of te vernielen.
+
+Spreekwijze: Een B-- aan boord krijgen (in groot gevaar verkeeren).
+
+Het is een B-! hou af (laat u niet met hem in).
+
+Brandhaken, z. n. m. mv. -- Haken, waarmede men Branders afweert.
+
+Branding, z. n. v. -- of Barning. Het op- en nedergaan der woelende
+golven, waar zy tegen het strand of de banken breken, en daardoor
+het landen bemoeilijken.
+
+Spreekwijze: Hy geraakt in de B-- (in verlegenheid). B-- in
+lij! (dadelijk wenden, 't gevaar ontwijken!)
+
+Brandstof, z. n. v. -- Al wat tot verwarming of verbranding dient.
+
+Brandijzer, z. n. o. -- Haardijzer, of Wolfsklaauw: IJzer, waarmede
+men aan de buitenhuid van een schip, by 't Branden, haar fatsoen geeft.
+
+Bras, z. n. m. -- Men geeft dien naam aan twee touwen, die, elk
+aan een der beide uiteinden eener ra gehecht, dienen om deze om de
+masten, waar zy aan hangen, te doen draaien, ten einde aan de zeilen
+zoodanige richting te geven als de omstandigheden vorderen. Groote
+B--sen (der groote raas). FokkeB--, MarseB--, BramB-- enz. LoefB--
+(die aan de windzijde is) LyB-- (die aan de tegenovergestelde)
+Stuurboords of BakboordsB-- (die rechts of links is. Looze B-- (die
+uit voorzorg nevens een anderen gesteld wordt). Een B-- aanhalen,
+vastmaken, beleggen. Den LoefB-- stijf aanhalen.
+
+Spreekwijze: Hy heeft er den B-- aan (Hy wil er niet meer aan
+doen;--omdat als men de zeilen zoo na mogelijk by-de-wind gezet
+heeft en de B--sen dus "aanstaan"; men, te dien opzichte althands,
+het mogelijke verricht heeft).
+
+De B--sen vastzetten (In de richting blijven).
+
+Een wilde B-- (Een wildzang: omdat een B--, die los is, in 't wilde
+hangt, en heen en weêr wappert).
+
+Brasklamp, z. n. m. -- Zie Stootschaal.
+
+Brasschenkels, z. n. m. -- Enden touw, die aan den kop van den mast
+hangen en waaraan het blok is gesplitst, door 't welk Brassen loopen.
+
+Brassen, o. w. -- Zie Aanbrassen, Opbrassen, Breedtuigen.
+
+Breêboeg, z. n. m. -- (veroud.) Schip met een breeden Boeg.
+
+Breed, bw. -- Zijlings, van ter zijde. B-- liggen (De zijde bieden,
+'t zij aan een ander schip, 't zij aan den wind).
+
+Breede wimpel. -- Zie Wimpel.
+
+Breedte, z. n. o. -- of Poolshoogte. Noorder- ZuiderBreedte.
+
+Breedte der kiel, z. n. v. -- De afstand tusschen de zijvlakken in
+het midden der kiel.
+
+Breedtuigen, bw. -- Of Vierkant Brassen: De zeilen zoodanig uitzetten,
+dat zy zich in 't vierkant aan den wind blootstellen.
+
+Breêfok, z. n. v. -- Een groot zeil van licht doek, dat, op kleine
+vaartuigen, gebezigd wordt om voor-de-wind te zeilen.
+
+Breêgang, z. n. m. -- Dat gedeelte van de buitenhuid by linieschepen,
+'t welk tusschen het bovenbarghout en onderbarghout begrepen is.
+
+Breekbeitel, z. n. m. -- of Steekbeitel. Een werktuig, bestaande uit
+een plat, smal en gekromd ijzer, aan een staaf gehecht, en waarmede
+het werk, dat vernieuwd moet worden, uit de naden der planken gekrabt
+wordt.
+
+Breekstoppers, z. n. m. mv. -- of Springstoppers. Halfsleten Stoppers,
+die by harden wind op het ankertouw worden gezet, om het geweld van
+den eersten schok te breken, als het schip voor zijn anker opdraait.
+
+Breekwater, z. n. o. -- Waterkeering: Een hoofd, waar de golven op
+breken en de sloepen dus veilig achter kunnen liggen.
+
+Breekijzer, z. n. o. -- Schietbeitel of Fermoirbeitel. Soort van
+grooten Beitel, dienende om keepen te maken.
+
+Breeuwen, b. w. -- Kalefaten: De reten, naden, spleten en voegen met
+werk dicht stoppen.
+
+Breeuwer, z. n. m. -- Die met het Breeuwen of kalfaten belast is.
+
+Breeuwhamer, z n. m. -- Zie Hamer.
+
+Breeuwstoel, z. n. m. -- Een plank, die buiten boord hangt, en waar
+de Breeuwer op zit als hy zijn werk verricht.
+
+Breeuwijzer, z. n. o. -- Zie IJzer.
+
+Breken, o. w. -- Wordt van de golven gezegd, als zy tegen klippen
+of rotsen stuiten en uit elkander spatten. De zee, de golven B--
+op die rots.
+
+Breker, z. n. m. -- voor Golf. De B--s slaan over de hooge rotsen
+heen.--Een B-- aan boord krijgen. (Een golf, die boven het boord
+Breekt en op het schip stort).
+
+Bridsen, b. w. -- of Laarzen. Iemand met een eind touw op de
+natgemaakte broek kastijden.
+
+Brieven van schadeverhaling, z. n. m. mv. -- Brieven, waarby door den
+Soeverein het recht gegeven werd, om den vyand afbreuk te doen op zee.
+
+Bries, z. n. v. -- Koelte, wind. Het waait een stijve B-- (Er waait
+een frissche wind).
+
+Briesjen, z. n. o. -- Een klein windtjen. Dat B-- was juist genoeg
+om ons in de haven te brengen.
+
+Brigantijn, z. n. m. -- Italiaansch vaartuig, oorspronkelijk een
+roofvaartuig, gelijk de naam (Briganten-schip) aanduidt; doch later
+voor alle kleine onoverdekte vaartuigen genomen.
+
+Brik, z. n. v. -- Met Brigantijn verward; doch verkeerdelijk. B--
+is van 't Fr. barrique, "last" en beduidt dus oorspronkelijk
+Lastschip. Thands geeft men dien naam aan een groot vaartuig met twee
+vierkant getuigde masten. Groote B--, B-- van 18 stukken. AdviesB--,
+B-- van 8 stukken.--SchoenerB--, KanonneerB--, OorlogsB--,
+KoopvaardyB--, KorvetB--, B-- met barkstuig.
+
+Brikzeil, z. n. o. -- Voornaam zeil, 't welk de Brikken en andere
+vaartuigen achter den grooten mast aan een gaffel en boom voeren.
+
+Bril, z. n. m. -- (veroud.) Uitgesneden hout op den overloop, ter
+plaatse alwaar de kolderstok droog of in den draaiklos staat: Ook
+wel de klos zelf.
+
+Britsen, b. w. -- Zie Laarzen.
+
+Broek, z. n. v. -- of Twil. 1o. Stuk hout, dat de vrangen van een schip
+kruist, wanneer deze uit twee tegen elkander gestelde stukken bestaan.
+
+2o. of Broeking. Zeildoeksche bekleeding.
+
+Broeking, z. n. v. -- 1o. Een zwaar touw, dienende om het terugloopen
+van een stuk geschut te voorkomen.
+
+2o. Zware takel, met een katrol aan het einde, en in het midden
+vastgehecht aan den achtersteven van een op de werf liggend schip, en
+dienende om dit by 't van stapel loopen naar 't water te doen glijden.
+
+3o. Zeildoeksche bekleeding tegen inwatering van buiten. B-- van den
+mast, van het roer, enz.
+
+4o. Zeildoeksche zoom, die tegen den vlaggestok aankomt, om de vlag
+te versterken.
+
+Broekstuk, z. n. o. -- 1o. Dat gedeelte van een kanon, dat zich achter
+de tappen bevindt. Zie Bodemstuk.
+
+2o. 't zelfde als Broek: zie ald.
+
+Broodkamer, z. n. v. -- Waar het scheepsbrood (de beschuit) wordt
+bewaard.
+
+Broodwinder, z. n. m. -- Vinnetjen, achtergaffelzeil. Zeil, dat achter
+de bezaan wordt geheschen.
+
+Bruischen, o. w. -- Geraas, dat de golven maken, wanneer zy door wind
+of storm bewogen worden.
+
+Bugalet, z. n. o. -- Klein tweemast-vaartuig, dat op de kusten van
+Finisterre de dienst van lichter en transportschip doet. Het heeft
+een fok en een groot vierkant zeil, daarboven een marszeil en voert
+een of twee kluivers.
+
+Bui, z. n. v. -- Vlaag, slecht weer. Een regenB--, een hagelB--,
+een stormB--.
+
+Spreekwijze: Een kwade B-- hebben, (Norsch, gemelijk, driftig zijn).
+
+Een goede B-- hebben, (Opgeruimd vriendelijk zijn).
+
+Buiig, b. n. -- Ongestadig, regenachtig, winderig. 't Is B-- weer.
+
+Spreekwijze: B-- weer, klein zeil, (In onzekere zaken moet men niet
+te veel wagen).
+
+Buik, z. n. v. -- Ronding. De B-- van een zeil (de bolvormige gedaante,
+welke het aanneemt, wanneer het door den wind is opgezet: ook de
+ophooping van een vastgemaakt zeil op het midden der ra. De B-- van een
+schip (de ronding van een schip). Op zijn B-- zeilen (op zij zeilen).
+
+Buikdenning, z. n. v. -- Zie Weger.
+
+Buikgording, z. n. v. -- Gording of touw, op een derde van het lijk
+vastgemaakt en dit aan de ra verbindende.
+
+Buikseizings, z. n. v. mv. -- Breede en platte touwen, die een
+dichtgerold zeil tegen de ra vastklemmen.
+
+Buikstukken, z. n. o. mv. -- Naam, die op sommige plaatsen aan de
+vrangen gegeven wordt. Zie Vrang. Meer algemeen echter noemt men B--
+of Oplangers die verlengstukken, welke by den aanbouw van een schip
+op de uiteinden der halve vrangen geplaatst worden. Zy onderscheiden
+zich in Onder en BovenB--
+
+Buikweger, z. n. m. -- Zie Weger.
+
+Buis, z. n. v. -- 1o. Geleibuis, koker.
+
+2o. Kleedingstuk: rok zonder panden. Een duffelsch B--. Een matrozen
+B--.
+
+3o. Vaartuig, dat meer in 't byzonder gebezigd wordt tot de
+haringvangst. Zie Haringbuis.
+
+Buisch, b. n. -- Dampig, nat, en donker. B-- weer.
+
+Buisharing, z. n. m. -- Haring, die met buizen gevangen wordt.
+
+Buislichter, z. n. m. -- Groote lantaarn op het hek boven de kampanje.
+
+Buisman, z. n. m. -- Zeeman, die op een Buis ter haring vaart.
+
+Buit, z. n. m. -- Roof, op den vyand behaald.
+
+Spreekwijze: Of B-- of slagen.
+
+Buiten, bw. -- Naar buiten: in zee. De schepen zijn naar B--
+gezeild. Zij zijn B-- de haven gebracht.
+
+Buiten gaats, bw. -- In volle zee: het zeegat uit. De schepen zijn
+B-- G--.
+
+Buitenkluiver, z. n. m. -- Driekant zeil, waarvan de eene zijde langs
+den leier gaat, die van den kop der fokkesteng naar het kluishout
+loopt. Zie Kluiver.
+
+Buitenloods, z. n. m. -- of Kustloods. Loods, die de schepen over de
+buitenwateren brengt. Zie Loods.
+
+Buitensteiger, z. n. o. -- Steiger, die aan zee of aan de haven ligt.
+
+Buitenvertuining, z. n. v. -- Gedeelte der buitenhuid, tusschen het
+potdeksel en den uitgang van het rahout.
+
+Bulkhoofden, z. n. o. -- (veroud.) Schotten, welke men dwarsscheeps
+in het hol zette, op dat de ingeladen waren òf de ballast niet
+verschieten zouden.
+
+Bulletouw, z. n o. -- Los end touw, van een haak voorzien, en
+dienende om tijdelijk de fokkehals op den kraanbalk te bevestigen,
+ook om den bezaans-brik-kotterboom, by het overslaan van het zeil,
+tegen den schok te behoeden.
+
+Bultzak, z. n. m. -- Bed van kaf, door de zeevisschers gebruikt.
+
+Bun, z. n. v. -- Zie Beun.
+
+Bunschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede de zeevisch levend vervoerd
+wordt.
+
+Burghaak, z. n. m. -- Soort van Stuik. Zie ald.
+
+Bus, z. n. v. -- 't Zelfde als Bos, Buis, Koker; doch meer
+bepaaldelijk:
+
+1o. Een blikken doos, dienende tot bewaring van licht aan bederf
+onderhevige waren, of proviand, by lange zeereizen.
+
+2o. De oude benaming van alle soort van schietgeweer en soms ook
+
+3o. Het schietgeweer zelf.
+
+Bushuis, z. n. o. -- (veroud.) Zeemagazijn, Arsenaal.
+
+Buskruit, z. n. o. -- of alleen Kruit of Buspoeder. Licht ontvlambaar
+mengsel van houtskool, salpeter en zwavel, en aldus genoemd naar zijn
+voormalige bestemming, om door zijn ontploffing den kogel door een
+bus voor hem uit te drijven.
+
+Spreekwijze: Hy vliegt op als B-- (hy is licht in drift ontstoken).
+
+Busschieter, z. n. m. -- (veroud.) Iemand die met een Bus
+schiet. Voorheen aan boord dezelfde als de Konstabelsmaat.
+
+By, bw. -- B-- laten komen (meer daarheen zeilen, waar de wind van
+daan komt).
+
+By-de-wind, bw. -- Wordt gezegd, wanneer de raas gebrast en de zeilen
+uitgezet zijn en met de kiel een scherpe hoek maken. Dicht B--,
+scherp B-- zeilen (wanneer die hoek zoo scherp mogelijk is). B--
+brassen, opheven, opsteken. Zie Brassen, enz.
+
+Bydraaien, o. w. -- 1o. Onder den wind draaien, met een marszeil vol
+en een tegen, ten einde het schip langzaam te doen voortgaan.
+
+2o. Gedwongen naderen: Wy noodzaakten hem by te draaien. Dat schip
+wilde het klaringsvaartuig ontzeilen; maar een schot met los kruit
+bracht hem tot andere gedachten en deed hem B--.
+
+3o. In 't gevecht B-- is: zich overgeven.
+
+Spreekwijze: Hy draait by (hy drijft zijn opzet niet door, volhardt
+niet in zijn meening, geeft het op.)
+
+Voor de nacht B--, om den wal niet te na te komen (tijdige voorzorg
+nemen).
+
+Byhalen, b. w. -- of Byzetten. 1o. De zeilen bybrengen en ter windvang
+stellen.
+
+2o. Losjens overschilderen. Een sloep buiten om te laten gaan, ten
+einde de kale plekken met teer of verf te laten B--. Binnen boord
+der oorlogschepen is het gebruikelijk, des Saturdags aan boord de
+kale plekken te laten B--, om 's Zondags mooi te zijn.
+
+Byhaven, z. n. v. -- Zie Haven.
+
+Byhouden, b. w. -- Op dezelfde hoogte blijven. Dat schip is een luie
+zeiler: het kon de vloot niet B--. Ook 2o. Naderen. Een schip doen B--
+(het doen naderen).
+
+Bijl, z. n. m. -- Timmermansgereedschap, bestemd om er mede te
+houwen en te kappen; doch ook aan boord bovendien in gebruik, zoo
+als wapentuig. (Zie Enterbijl), als om, in geval van nood, en wanneer
+spoed vereischt wordt, kabels, stengen of masten mede door of om te
+hakken. Zie Kappen.
+
+Den Bijl voor den kop krijgen (afgekeurd worden). Zie Afkeuren.
+
+Spreekwijze: Hy hakt er met een breeden of groven B-- in (hy maakt
+veel verteering: ook wel: hy snijdt geweldig op).
+
+Den B-- voor den kop geven (afkeuren).
+
+Bijl, z. n. m. of Bijltjen, z. n. o. -- Bynaam, waarmede de timmerman
+aan boord door het volk wordt geroepen of aangesproken. Het Bijltjens
+oproer (bekende oploop der Kattenburgers, die voornamelijk uit
+scheepstimmerlieden bestonden).
+
+Bylander, z. n. m. -- Platboomd vaartuig, voornamelijk voor de
+vrachtvaart bestemd en byna als een snaauw getuigd.
+
+By laten komen, b. w. -- 't Schip aan den wind laten komen.
+
+Bijlbrief, z. n. m. -- Zoo werd, naar het oude recht, de akte genoemd,
+waarby hy, die een schip kocht, en de kooppenningen niet geheel kon
+voldoen, het schip voor het overige verbond.
+
+Byleggen, o. w. -- Onder klein zeil met dichtgereefde zeilen en
+aangebraste raas het schip zoo dicht mogelijk aan den wind houden,
+om het tuig van het schip met stormweer niet te vermoeien; daar anders
+het tuig van boven neder, of het schip uit elkander, zoû werken.
+
+Van top en takel B-- (met aangebraste raas B--). Men gaat B-- (wanneer
+men het, voor-de-wind zeilende, met achteroverstaande zeeën niet meer
+houden kan, of dat men het in-de-wind heeft). Voor het groote zeil
+B--. Onder groot-stagzeil B--. By blijven liggen.
+
+Bylegger, z. n. m. -- 1o. Schip, dat bylegt. Het is een goede B--
+(het kan goed Byleggen).
+
+2o. Schip, naar elders bestemd, met hetwelk men uit zee binnen valt
+uit nood of om te overwinteren: of ook een schip, dat geen bepaalde
+bestemming heeft en waarmede men een zeehaven aandoet om nader last
+te ontfangen. De bepalingen omtrent de B--s vindt men in de Alg. wet,
+van 26 Aug. 1822, vierde Hoofdst. art. 25-29.
+
+Spreekwijze: Hy is een B-- (hy draait by. (Zie Bydraaien) ook: hy
+speelt op zien komen).
+
+2o. Tegenwind, die belet zeil te voeren.
+
+Bystaan, o. w. -- Wordt van de zeilen gezegd, als zy op hun plaats
+geheschen en gespannen zijn. Dat schip heeft geen enkel zeil B--.
+
+Bysteken, b. w. -- Het schip met den kop aan den wind laten komen om
+by te draaien of by te gaan liggen.
+
+Bijt, z. n. v. -- Wak, opengehakte plaats in het ijs.
+
+Spreekwijze: Als een eend in de B-- vallen (ergends by ongeluk
+inraken).
+
+Bijten (in of uit), b. w. -- Een schip, dat buiten of binnen de haven
+in 't ijs bezet is, door het hakken van bijten of sloppen in 't ijs,
+weder brengen waar het wezen moet.
+
+Byvieren, b. w. -- Laten schieten. Zie Vieren.
+
+Byvoet, z. n. m. -- (veroud.) of Smeerrak; touwrak tot onderra.
+
+Byzaadhout, z. n. o. -- Stukken hout, aan den voet van den grooten
+mast, evenwijdig met het Zaadhout geplaatst, en dienende tot steun
+voor het spoor van den grooten mast.
+
+Byzeilen, z. n. v. mv. -- Hulpzeilen.
+
+Byzetten, b. w. -- Uitspannen. Een zeil B-- (het op zijn plaats
+brengen en spannen) alle zeilen B--.
+
+Spreekwijze: Alle zeilen B-- (spoed maken).
+
+
+ De zeeman zet gerust dan alle zeilen by
+ En troost zich met de gonst der winden en 't getij.
+
+ Vondel.
+
+
+
+
+
+
+
+C.
+
+
+Zoek de woorden met Ca, Co en Cu gespeld op Ka, Ko, Ku.
+
+
+Chebek, z. n. m. -- Soort van vaartuig, in de Middellandsche zee in
+gebruik, even als een feloek met latijnzeilen getuigd.
+
+Cherteparty, z. n. v. -- of vrachtbrief. Akte van overeenkomst tusschen
+den vervrachter en de bevrachters opgemaakt, en waarin vermeld worden:
+de naam en de grootte van het schip: de naam van schipper, vervrachter
+en inlader: de plaats en de tijd, tot lading on lossing bepaald:
+of het schip geheel of gedeeltelijk vervracht wordt: eindelijk, de
+bedongen schadeloosstelling ter zake van vertraging. Zie art. 454,
+455 Wetb. v. Kooph.
+
+Cirkel, z. n. m. -- Kring, koers, omtrek, door een kromme lijn
+beschreven, wier punten alle even verre van het middelpunt verwijderd
+zijn.
+
+Cingelgrond, z. n. m. -- Bodem of grond van de zee, die noch zand
+noch slijk bevat, zoo als die onder den Engelschen wal by de Cingels.
+
+
+
+
+
+
+
+D.
+
+
+Daagsch anker, z. n. o. -- Het Anker, dat het meest gebruikt
+wordt. Schepen uit het Noorder kwartier, of liever, in Texel en te
+Amsterdam uitgerust, hebben het aan Bakboord varen, terwijl het uit
+de havens bezuiden de Maas aan Stuurboord vaart.
+
+Daagsch Touw, z. n. o. -- Het zware Touw, dat met het Daagsch Anker
+gebruikt wordt. Zie Legger en Volger.
+
+Dag, z. n. m. -- 1o. Tijdverloop tusschen zons op- en ondergang. Het
+heeft den gandschen D-- geregend: eerst met het opkomen der maan is
+de lucht opgeklaard.
+
+2o. Etmaal. Men berekent de hoeveelheid van ingescheepte levensmiddelen
+by D--en. Er is nog voor tien D--en water. Er is niet meer dan voor
+vijf D--en proviand. Zie verder Ligdagen, Waschdagen enz.
+
+Dag, z. n. v. -- Wordt genomen voor het end touw, waarmede
+de scheepsprovoost de misdadigers plach te kastijden. Volgends
+Bilderdijk zoû 't woord verbasterd zijn van tak, en verwant aan takel,
+dus werkelijk de beteekenis hebben van Touw: waarom hy er ook in zijn
+Geslachtlijst het o. gesl. aan geeft. Intusschen is 't hetzelfde woord
+als degen en 't werd in 't Fransch ook dague de prévôt genaamd. Men
+weet dat Dag of Dagge ook ponjaart beteekent. Zie Dag. Wellicht is
+de oorsprong der benaming van Dag, zoowel aan dit endtjen touw als
+aan den dolk gegeven, aan die zelfde beschimpende toespraak ontleend,
+waaraan die oude strijdkolven, welke men Goeden dags heette, hun naam
+verschuldigd zijn. De enden touw, waarmede de strafoefening geschiedt,
+heeten Handdagen. De krijgsraad heeft hem veroordeeld om met Handdagen
+te worden afgestraft.
+
+Dagboek, z. n. o. -- Zie Dagregister.
+
+Dagen, o. w. -- Dag, worden, licht worden. Het begint te D-- (de
+schemering breekt door).
+
+Dagge, z. n. v. -- (veroud.) Entertouw voor de matrozen.
+
+Dagregister, z. n. o. -- of Journaal. Register, hetwelk de schipper
+verplicht is te houden en waarin hy dag aan dag moet opteekenen: "de
+gesteldheid van weer en wind: hoeveel het schip in zijn koers gevorderd
+of teruggegaan is: op welke lengte en breedte het zich bevindt: welke
+onheilen en uit wat oorzaak die aan schip en lading zijn overkomen:
+de gesteldheid, waarin hetgeen door ongeval, door kappen, snijden en
+kerven, verloren is gegaan, zich bevond: welke koersen hy gehouden
+heeft en waarom hy daarvan heeft moeten afwijken; de besluiten
+in den scheepsraad genomen: de afdanking van scheepsofficieren of
+scheepsgezellen en de redenen daarvan: al wat schip en lading betreft
+en tot het doen van rekening of verantwoording, of tot het instellen
+of afweeren van eenige vordering, aanleiding zoû kunnen geven." Zie
+Wetb. v. Kooph. art. 358.
+
+Dagseinen, z. n. o. -- Zie Sein.
+
+Dagwaak slaan (de) of de Reveille slaan. -- De manschap door
+trommelslag opwekken. De D-- wordt in de Dagwacht geslagen.
+
+Dagwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord, die van 's morgens 4 tot 8
+uur duurt.
+
+Daling, z. n. o. of Pompdal. -- Een koker of buis, die van boven
+tot beneden langs de pomp loopt en door welke men het peilijzer laat
+afzakken, om de hoogte van het water by de pomp te meten.
+
+Dam, z. n. m. -- 1o. Stuk houts, dat ergends in gezet wordt om iets
+te stutten en naderhand weêr weggenomen wordt.
+
+2o. Stuk lands, dat dwars door een water gelegd wordt om het te
+stuiten. 't Is in zijn oorsprong 't zelfde als Toom. Hiervan
+
+Damlooper, z. n. m. -- Klein Noordhollandsch vaartuig, geschikt om
+over dijken, dammen en overtoomen gehaald te worden.
+
+Dammen, b. w. -- Met een Dam sluiten.
+
+
+ Geweld van ketenen en krammen,
+ Noch palen om de zee te dammen,
+ Noch zeekasteelen op de strand,
+ Vol solferblakend ingewand,
+ Zijn machtig om den Leeuw te temmen.
+
+ Oudaen. De Leeuw bevredigt.
+
+
+Damp, z. n. m. -- Alle wasem, doch in 't byzonder de rook door het
+geschut veroorzaakt.
+
+Davids, z. n. m. mv. -- IJzeren standers aan de zijden van het
+achterschip, dienende om er lichte vaartuigen aan te hangen.
+
+Deelen, z. n. o. mv. -- Gezaagde en alzoo gedeelde stukken hout. Deelen
+van een balk zijn alzoo Planken. Zie ald.
+
+Deelbalie, z. n. v. -- Zie Loodlijnbalie.
+
+Deining, z. n. v. -- Golvende beweging die, na het ophouden van den
+wind, die haar veroorzaakt heeft, het zeewater blijft beroeren. Er
+staat D--. De D-- is zeer zwaar, de D-- gaat hoog.
+
+Deinzen, o. w. -- Afloopen, teruggaan. Het D-- der golven (het stooten
+der golven omtrent de banken of rotsen) ook Tegenzee, Terugzee,
+Weêrzee genoemd. Zie ald. Het D-- van het schip (het teruggaan van
+het schip in de wending, als de wind vlak van voren komt en 't schip
+niet doordraait).
+
+Spreekwijze: Wanneer het schip Deinst legt men het roer verkeerd aan
+boord--draait men het op de andere zijde--(als het niet gelukken wil
+wendt men het uiterste middel aan).
+
+Deinzig, b. n. -- Dampig, nevelachtig. Een D--e lucht.
+
+Dek, z. n. o. -- Scheepsvloer, eenigzins gewelfd, en uit deelen
+samengesteld, die aan weerszijden op de balken rusten. Ook de
+verschillende verdiepingen van het vaartuig. Het getal der D--s
+wijzigt de benaming van het schip. Zoo heeft men een Tweedek, (een
+schip met twee D--s): een Driedekker, (een met drie batteryen). By
+koopvaardyschepen heeft men gewoonlijk twee D--s. Het aantal
+D--s by oorlogschepen is verschillend. By linieschepen zijn er
+ten minsten vier, als, van boven naar beneden tellende: 1o. Het
+OpperD-- of BovenD-- ('t halfdek van de kajuit tot den grooten mast,
+de loopplanken, den Bak); 2o. het KuilD--; 3o. het TusschenD--, die
+elk een battery voeren, de zwaarste onder; 4o. de Koebrug. By gewone
+oorlogsfregatten en kuilkorvetten heeft men gewoonlijk een OpperD--
+(dat boven is), een KuilD-- en een TusschenD--. Op korvetten met
+gestreken D--s heeft men in stede van het gewone Opperd-- vooruit een
+kort D-- tot even achter den fokkemast en achteruit een kort D-- tot
+even voor den bezaansmast. Het eerste wordt de Bak, het laatste de
+Kampanje genoemd. In dit geval wordt het KuilD-- OpperD--. Brikken
+hebben een OpperD--, somtijds een kleine Kampanje, en verder een
+TusschenD--. De kampanje wordt echter in scheepstaal niet tot de D--s
+gerekend. De kapitein was niet op het D--: hy stond op de kampanje. De
+helft van het KoebrugD-- wordt HalfD-- geheeten: -- Gebroken D--
+(D--, dat op zijn lengte is afgebroken). NegerD-- of SlaveD-- (D--
+waar zich op slavenhaalders de negers bevinden). GladD-- gestrekenD--
+(een D--, dat onafgebroken doorloopt).
+
+Spreekwijze: Dat is een Driedekker (een groot, zwaarlijvig
+vrouwspersoon). De stortzeeën maken GladD-- (slaan alles van 't
+D-- af).
+
+Dekbalken, z. n. m. mv. -- Balken, die het Dek onderschragen, en
+tevens het dwarsscheepsverband uitmaken.
+
+Dekbalkknieën. z. n. v. mv. -- Knieën, waarop de Dekbalken rusten. Zie
+Knie.
+
+Dekbanden, z. n. m. mv. -- Banden van het voor- en achterschip,
+mede dienende tot bevestiging van het dek.
+
+Dekdeelen, z. n. o. mv. -- Planken van het Dek. Zie Deelen.
+
+Dekglas, z. n. o. -- Glazen schijf van ongemeene dikte, hoedanige men
+in de Deks- of patrijspoorten plaatst om licht te geven in de lagere
+gedeelten van het schip. Schroefdekglazen. Leivormige Dekglazen.
+
+Deklinatie, z. n. v. mv. -- De boog aan de hemelsfeer, dien de
+hoeksgewijze afstand van een der hemellichten aan den equator
+beschrijft. D-- van 't kompas of miswijzing. De afwijking van het
+ware Noord.
+
+Dekofficier, z. n. m. -- De hoogste onderofficieren, als schipper,
+bootsman, schieman, worden D--en genoemd, omdat zy by de manoeuvre
+op het Dek blijven.
+
+Dekplaat, z. n. v. -- Stuk eikenhout, dat de koppen der Beting dekt.
+
+Deksel, z. n. o. -- Wat tot bedekking van iets dient en er tevens
+een deel van uitmaakt. Zie Potdeksel.
+
+Dekstoppers, z. n. m. mv. -- Stoppers, die op verschillende punten
+van het Dek aan ringen zijn vastgemaakt en zich alzoo voor de hand
+bevinden.
+
+Dekstrijken, o. w. -- De planken in het Dek leggen, het Dek bevloeren.
+
+Dekworp, z. n. o. -- Het bovenste worp, waar het Dek op rust.
+
+Dekzeegt, z, n. v. -- De projektie van de lijn, volgends welke de
+bovenkanten der balken tegen de binnenoppervlakte der inhouten sluiten,
+op het vlak, dat door het midden van kiel en stevens gaat. Zie Zeegt.
+
+Dempgording, z. n. v. -- Het Touw, op het staande lijk van de zeilen
+opgestoken, op de hoogte van de boelijns, dat het lijk langs de
+ra haalt om het zeil te dempen of er den wind uit te nemen om het
+gemakkelijker te beslaan.
+
+Dennen, z. n. v. mv. -- (veroud.) Het dek op een klein vaartuig,
+b. v. op een Binnenvaarder, wordt meermalen aldus genoemd, naar het
+hout, waarvan het vervaardigd is.
+
+Denning, z. n. v. -- Verouderde benaming voor "vloer."
+
+Derde hand, z. n. v. -- Eigenaardige benaming van een takel, of liever
+van een verbinding van touwen, loopende door katrollen en geëigend
+tot het oplichten van zware lichamen.
+
+Derde waak, z. n. m. -- Vroeger gaf men dezen naam aan de jongste
+officieren op de schepen der O. I. Maatschappy.
+
+Deukel, z. n. m. of
+
+Deutel, z. n. m. -- of Slag. Pennetjen, hoedanige in de enden der
+houten nagels, die doorgeslagen zijn, gevoegd worden en met hun
+puntjens blijven uitsteken.
+
+Deutelen, b. w. -- Deutels inslaan.
+
+Deutelijzer, z. n. o. -- of Plugijzer. IJzer, waarmede men gaten in
+de nagels slaat.
+
+Dicht aan-de-wind of scherp by-de-wind. byw. -- Zoo naby aan den wind
+als de zeilen maar kunnen vatten.
+
+Spreekwijze: Niet al te D-- a. d. W-- houden, (het onderste niet uit
+de kan willen).
+
+Dichtspijkeren, b. w. -- Met Spijkers Dichtmaken.
+
+Spreekwijze: Spijker de kist dicht. Wordt gezegd, wanneer een zaak
+is afgedaan en er niets meer aan te doen of te verhelpen valt. In
+dit gezegde wordt echter onder kist "doodkist" verstaan.
+
+Diep, z. n. o. -- 1o. Diepte; doch in 't byzonder waar van de zee
+gesproken wordt. In 't peilloos D-- der golven.
+
+2. De zee zelve. Hy is in 't D-- verzonken.
+
+
+ Siet hier een versche beeck die met de soute baren
+ Can spelen in het diep, oock sonder eens te paren.
+
+ Cats. Zinnebeelden.
+
+
+Diep, b. n. -- Geeft de hoogte van een gespannen zeil te kennen. Dat
+zeil is niet D-- genoeg. Dat marszeil is ... N ellen D--.
+
+Diepen, o. w. -- Al peilende naar land varen. Zie Aandiepen.
+
+Spreekwijze: Het Diept noch droogt niet, (het geeft noch neemt,
+men vordert er niet mede).
+
+Diepgaan, o. w. -- In 't water zakken. Dat schip gaat ... N ellen
+Diep, het zinkt ... N ellen in 't water. Dat schip Gaat Diep genoeg
+(het gedeelte, dat beneden de waterlijn zinkt, is naar zijn grootte
+en vorm evenredig aan den last, dien het dragen moet om veilig en
+met goed gevolg te varen). Dieper gaan (wanneer een nieuwe last in
+'t schip geladen wordt, en dit daardoor dieper zinkt.)
+
+Spreekwijze: Een Diepgaand schip (iemand, die veel verkwist en veel
+noodig heeft:--omdat Diepgaande schepen veel werks vereischen).
+
+Diepgang z. n. m. of Dieptreding. -- De bepaling van het getal ellen,
+welke het schip in het water zinkt. D-- voor, D-- achter, Gemiddelde
+D--. Zie Stuurlast, Stuurlastigheid.
+
+Diepgangsmeter, z. n. m. -- Werktuig, uitgedacht om de hoegrootheid
+in ellen en palmen van Diepgangen aan voor- en achtersteven tot het
+best bezeild doen zijn van een schip te bepalen.
+
+Diepgangsmerken, z. n. o. mv. -- Schaal, in voeten en halve voeten
+verdeeld en op de zijkanten van den voor- en van den achtersteven
+afgebeeld, en dienende om den Diepgang van het schip te weten.
+
+Dieplood, z. n. o. -- Peillood, of eenvoudig Lood, welk laatste meest
+gebruikelijk is. Zie Lood.
+
+Dieploodlijn, Dieploodworp. Zie Looding, Worp.
+
+Diepte, z. n. v. -- 1o. Wordt somtijds voor de zee genomen. Zie Diep.
+
+
+ Ontsiet de diepte niet, al is haer aensicht straf,
+
+ Vondel. Lofs. op de Scheepsv.
+
+
+2o. De bepaling van de diepte. Wy ankerden op de D-- van zes vademen.
+
+3o. Van een zeil. (de hoogte van een uitgesponnen zeil).
+
+Dieptredend, z. n. v. -- 't zelfde als Diepgaand. Een D-- schip
+(waarvan de romp diep in 't water zinkt. Zie Diepgaan, Diepgang).
+
+Dieptreding, z. n. v. -- Zie Diepgang.
+
+Dikte der kiel, z. n. v. -- De afstand tusschen de onder- en
+bovenkanten der kiel.
+
+Dinga, z. n. v. -- Kromgekield vaartuig, aan de Malabaarsche eilanden
+in gebruik.
+
+Dinguy, z. n. m. -- Vaartuig, op den Ganges in gebruik.
+
+Dirk, z. n. v. -- Looper van den Gaffel, zeilbooms toppenant.
+
+Dissel, z. n. m. -- Grootdissel, Klosdissel. Kromme bijl, dienende
+om hout te effenen en scherp te maken. In de kruitkamer gebruikt men
+een koperen D--.
+
+Distinktievlag, z. n. v. -- Zie Vlag, Wimpel.
+
+Doek, z. n. o. -- Voor zeildoek, en, by de dichters, ook voor het
+zeil zelf genomen.
+
+
+ De doeken hangen slap: men twijfelt of het waait.
+
+ Vondel. Lof der Zeevaart.
+
+
+Zie verder KarrelD--, zeilD--, vlaggeD--.
+
+Doeken, b. w. -- (veroud.) Zeilen aanslaan; op kleine schepen.
+
+Doemen, o. w. -- Zich vertoonen. Zie Opdoemen.
+
+Doft, z. n. v. -- Roeibank. Het woord is Deensch, en beteekent een
+ledigen grond, doch in 't byzonder een zitplank in een schuit.
+
+Dogger, z. n. m. -- Eigenlijk zeehond (als zijnde D-- niet anders dan
+"dog, hond"): van daar voor kabbeljauw genomen, en, by toepassing,
+in gebruik gekomen als benaming voor een soort van vischschepen,
+die naar den Doggersbank varen, om kabbeljauw te vangen. Een D--
+voert een grooten mast in 't midden en een kleinen mast van achteren,
+vierkant getuigd: voorts boegspriet en fok.
+
+Dogschuit, z. n. v. -- Schuit, die by een Dogger behoort.
+
+Dok, z. n. o. of havendok. -- Deze naam werd vroeger aan een besloten
+plaats gegeven, waar schepen gemaakt werden: thands verstaat men er
+een kom door, van sluizen voorzien en met kaaien omringd, die tot
+een veilige ligplaats strekt. D-- van aanbouw. (Zie Droogdok).
+
+Dokken, b. w. -- (veroud.) In een Dok het schip vast aan den grond
+zetten.
+
+Dokkig, b. n. -- Mistig, donker: D-- weer (betrokken lucht).
+
+Dol, z. n. m. -- Pen of nagel, die in het boord van booten of
+andere lichte vaartuigen geslagen wordt, om de riemen by 't roeien
+te bedwingen.
+
+Zoo zingt Hooft, op den duim van 't metalen beeldt des Hertogen
+van Alva.
+
+
+ Den Duim, die rechte wederhandt,
+ Die eertijdt, van gansch Nederlandt,
+ Zich kussen deed, terwijl hy 't schond,
+ Heeft nu matroos in zijnen mond
+ Oft wringt hem, wil hy, in een hol,
+ En bruikt den dwinger voor een dol.
+
+
+Spreekwijze: Het zijn maar oude D--len: "maar lorren": omdat versleten
+D--len weinig waard zijn;--tenzij men hier aan "oude poppen" ['t
+Eng. Doll] te denken hebbe.
+
+Dolborden, z. n. o. mv. of Bosbank. -- Houten, aan weêrskanten eener
+galei of sloep op de boorden geslagen en tusschen welke de riemen
+zich bewegen.
+
+Dolgat, z. n. o. -- Gat, waar de Dol wordt ingestoken of geslagen.
+
+Spreekwijze: Had ik uw vinger in het D-- (kon ik u klemmen als een
+dolpen beklemd wordt, ik zou u wel doen klappen).
+
+Dommekracht, z. n. v. -- Soort van werktuig, met een getand rad en
+zwengel voorzien en strekkende om zware lichamen op te tillen. Het
+woord is eigenaardig van uitdrukking, als zijnde het werktuig zelf
+onbewust van de uitwerking, welke het te weeg brengt.
+
+Dompen, b. w. -- Het geschut met den tromp of 't vooreinde doen zakken
+en achter oplichten, om lager te kunnen schieten zonder het stuk te
+doen zinken. In een rechte lijn pointeeren, vluchten en D--.
+
+Dompelen, b. w. -- Frequentatievum van Dompen, en alzoo:
+"herhaaldelijk, by voortduring Dompen," meer byzonder: "in het water."
+
+
+ Wanneer ik schielyk, op mijn onbedachte beê
+ Wiert over hals en hooft gedompelt in de zee.
+
+ Jan Vos.
+
+
+Spreekwijze: Hy ligt er onder Gedompeld (hy is al dood en begraven).
+
+Donderbus, z. n. v. -- Breed en zwaar handgeweer, in een mik draaiend,
+en waarmede de marsen en barkassen gewapend worden.
+
+Dood, b. w. -- Voor "dicht". D-- aanslaan (dicht aanslaan).
+
+Doodeman, z n. m. -- Zie Snaauw.
+
+Doodemans-oog, z. n. v. -- (veroud.) Eenige kleine touwtjens boven
+aan den bezaan, die, meer tot cieraad dan tot nut strekkende, daarvan
+hun naam ontleenen.
+
+Doodloopen, b. w. -- Zie Doodzeilen.
+
+Doodshoofd, z. n. o. of Stagkous. -- Houten, byna cirkelvormig blok,
+in zijn omtrek met een sleuf voorzien, waar de stagstoppen doorloopen.
+
+Doodstilte, z. n. v. -- Afwezigheid van alle wind, waardoor een stilte
+heerscht als die des Doods.
+
+Doodstroom, z. n. m. -- (veroud.) Afwezigheid van den stroom, waardoor
+men niet vorderen kan: stroom tusschen volle en nieuwe maan, als
+'t water minst wast: ook tusschen eb en vloed. Zie Doodtij.
+
+Spreekwijze: 't Is er D-- (er is geen handel, geen beweging, er valt
+niets voor).
+
+Doodtij, z. n. o. of Dood water. -- Het zwakste Tij.--Ook stil water,
+stilstand tusschen eb en vloed.
+
+Doodwater, z. n. o. -- (veroud.) Water achter den gang van 't schip.
+
+Doodwerk, z. n. o. -- Zie Bovenschip.
+
+Doopen, b. w. -- Met dezen naam bestempelt men een oud scheepsgebruik,
+om de onbevaren maats, en die hun eersten tocht deden, op zekere
+plaatsen, zoo om de Noord als om de West, met zeewater te begieten. Zy,
+wien het niet lustte zich te laten begieten, kochten dit met geld
+af. De jongens werden in een mand gezet, en hun tobben water over
+het lichaam gegoten. Zelfs schepen, die nooit de door de zeelieden
+uitgekozen Doopplaatsen waren voorbygezeild, waren aan het Dooprecht
+onderworpen, en de schipper gehouden, by dat voorval, de maats met een
+drinkpenning te vereeren. Verzuimde hy dit, dan stond het te vreezen,
+dat de snuit stilzwijgend van het schip afgezaagd of eenig scheepsdeel
+verduisterd werd.
+
+Doorbreken, b. w. -- Doordringen, b. v. door een vyandelijke linie,
+zoo dat men zijn schepen tusschen de vyandelijke vloot door laat
+zeilen om zich onder-de-wind in linie te stellen en den vyand alzoo
+tusschen twee vuren te brengen. Men tracht gemeenlijk de linie in
+de achterhoede Door te Breken, die daardoor wordt afgesneden. Is
+zulks gelukt, dan zoekt ieder schip zijn tegenparty. Het D-- van de
+linie door de Engelschen deed de Hollanders den slag van Kamperduin,
+de Franschen en Spanjaarts dien van Trafalgar verliezen.
+
+Doordreggen, o. w. -- Wordt gezegd van een anker, dat niet vatten wil
+en door het schip over den bodem gesleept wordt. Het anker Dregt over
+den grond, Dregt Door, is driftig.
+
+Doordrijven, o. w. -- 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald.
+
+Doorgaan, o. w. -- 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald.
+
+Doorgaande koelte, z. n. v. -- Stijve, gelijke koelte.
+
+Doorgezakt, b. n. -- of Doorgezet, wordt een schip genoemd, dat een
+kromte of katterug heeft. Zie Katterug.
+
+Doorgezet, b. n. -- Zie Doorgezakt.
+
+Doorkaaien, o. w. -- Zie Gijpen.
+
+Doorklieven, b. w. -- Doorsnijden, doorvaren. Hy heeft lange jaren
+de zee Doorkliefd (hy heeft lang gevaren).
+
+Doorploegen, b. w. -- Doorklieven, aanhoudend beploegen. Zie Ploegen.
+
+
+ Waerom sy of, en aen, nu uyt, en weder in,
+ Door-ploeghden 't vochte veld met voorspoet en gewin.
+
+ Vondel. Lofs. op de Scheepsv.
+
+
+Door laten staan, b. w. -- Niet zwichten, met volle zeilen
+voortvaren. Hooft, Ned. Hist. blz. 53, gebruikt het oneigenlijk voor
+"niet krenken."
+
+Doorvoer, z. n. m. -- Zie omtrent den D-- van goederen de Alg. Wet
+van 26 Aug. 1822, Tiende Hoofdst. art. 75-87.
+
+Doorzetten, o. w. -- Een katterug krijgen. Zie Katterug.
+
+Doorzetting, z. n. v. -- Zie Katterug.
+
+Doove jut, z. n. v. -- Zie Jut.
+
+Dop, z. n. m. -- Een ronde houten kring, voor de gaten gespijkerd, waar
+de touwen door gevierd worden. D-- van de kompasroos, hol kegeltjen,
+op het spil van de kompasroos geplaatst ter bevestiging van de naald.
+
+Doppen, b. w. -- De schepen met een Dop of teeken merken, om te weten,
+hoe veel last een schip zoû kunnen voeren, of hoeveel last een schip
+groot is.
+
+Dorpel, z. n. m. -- Zie Drempel.
+
+Draad, z. n. m. -- 1o. Ineengedraaide of gevlochten vezels hennep,
+ook getrokken ijzer of koper. Zie Garen.
+
+2o. De richting, waarmede de vezelen door het hout loopen. Het hout
+met, tegen den D-- kloven, wordt gezegd op gelijke wijze als "het
+vleesch met of tegen den D-- snijden."
+
+Spreekwijze: Er loopt een D-- door (het is niet richtig).--De oorsprong
+van deze spreekwijze wordt op de volgende wijze verklaard. Toen
+er in de laatste helft der achttiende eeuw oneenigheden bestonden
+tusschen ons Gemeenebest en Engeland, en onze vloot langer in
+Texel bleef liggen, dan met den toen zeer oorlogzuchtigen geest
+van onze kooplieden strookte, werd 's Lands Regeering beschuldigd,
+"dat onze schepen met Engelsche Touwen aan den wal vast lagen," met
+andere woorden, dat men zich door Engelsch geld had laten omkoopen
+om geen bevel tot uitzeilen te geven. Daar nu door het touwwerk der
+Engelsche zeemacht een blaauwe draad tot onderscheidingsteeken loopt,
+drukten de misnoegden hun kwaad vermoeden uit door deze beeldspraak:
+"de schepen kunnen niet weg: zy liggen vast aan de kaai, en er loopt
+een D-- door het Touw."
+
+Draadshout, z. n. o. -- Wordt in den scheepsbouw zoodanig hout genoemd
+dat meer in de lengte dan in de breedte gebezigd wordt.
+
+Draadkogels, z. n. m. mv. of Boutkogels. -- Twee kogels, met een bout
+verbonden: Men noemde ze vroeger kneppelkogels, ook kettingkogels,
+als zy met een ketting aan elkander zaten.
+
+Draaibas, z. n. v. -- of Steenstuk. Soort van klein kanon, op een
+staander of mik draaiende, en waarmede somtijds de oorlogsvaartuigen
+gewapend zijn.
+
+Draaiblok, z. n. o. -- Blok met een leirol voorzien.
+
+Draaien, o. w. -- Van richting veranderen. De wind Draait naar
+'t Oosten.
+
+Draaier, z. n. m. -- 1o. Stuk hout, dienende om al draaiende kracht
+uit te oefenen, en gebezigd by het inbinden of stroppen van blokken,
+het aanzetten van bindsels enz.
+
+2o. Zie Peiler.
+
+Draaikolk, z. n. v. -- Maalstroom of Wieling. Hevig draaiende
+waterstroom, waarin de schepen verzwolgen worden. De D-- by Messina.
+
+Draaireep, z. n. v. -- Touwbeslag, waarvan het eene end is vastgemaakt
+aan een op te heffen voorwerp, het andere aan een takel.
+
+Draaispant, z. n. v. -- Spant, wier armen niet loodrecht op het
+middellijnig ontwerp van een schip vallen.
+
+Draagbalk, z. n. m. -- Zie Verbindingsklos.
+
+Dracht, z. n. v. -- Van een schip gezegd, beteekent de grootte of
+het gewicht dat het laden kan. De zeilen staan ter D-- (zy staan zoo,
+dat zy alle dragen en wind vangen).
+
+Dragen, o. w. -- Goed bystaan. De zeilen D-- (vatten wind).--Het
+D--de houden (heen en weder zeilen op dezelfde hoogte). Wy hielden
+het D--de om den wal niet te vroeg te naderen.
+
+Dreg, Dregge, z. n. v. -- Ronde ijzeren bout, hebbende aan het
+eene uiterste vijf binnenwaarts gebogen armen en aan het andere een
+ring, waar een tros of kabel wordt doorgehaald. De D--gen zijn voor
+kleine vaartuigen wat de ankers voor groote zijn; doch zy hebben
+geen ankerstok.
+
+Dreggen, o. w. -- 1o. Met een Dreg den bodem der zee bekrabben, om
+de oesters, mosselen of schelpen los te maken, of de in zee gevallen
+voorwerpen op te visschen.
+
+2o. 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald.
+
+Dregtouw, z. n. o. -- Het Touw, waaraan de Dreg vast is.
+
+Drempel of Dorpel. -- Dik en breed stuk houts, dat den onderkant van
+een geschutpoort bedekt.
+
+Drenkeling, z. n. -- Iemand die in het water verdronken is: by
+toepassing iemand, die zoo verzopen aan boord komt, dat hy, naar allen
+schijn, de reis niet voltrekken, maar onderweg sterven zal en in zee
+begraven worden. Van een, die, beschonken zijnde, over boord valt,
+zegt men wel: hy is geen D--; want hy is zoo vol jenever, dat er geen
+zout water meer by kan loopen.
+
+Dreum, z. n. o. -- Zie Drom.
+
+Drevel, z. n. m. -- Houten pen of nagel, dienende om de beplanking
+op den waterspiegel te bevestigen.
+
+Driedekker, z. n. m. -- Schip met drie Deks. Zie Dek.
+
+Driemast, Driemaster, z. n. m. -- Vaartuig met Drie Masten.
+
+Drift, z. n. v. -- Het dwars afdrijven van het schip, door stroom,
+slechtbezeildheid of anderszins.
+
+Driftig, b. n. -- Al wat van zijn plaats begint te drijven, wordt
+gezegd, D-- te worden. Zoo wordt een plank, zoo het ijs, D--. Een D--
+schip is een schip, dat van zijn ankers laat of waarvan het anker
+doordregt. Zie Doordreggen.
+
+
+ 't Driftigh eicken huis
+
+
+is de eigenaardige naam, dien Vondel aan het schip geeft, in zijn
+Lof der Zeevaart.
+
+Dril, z. n. m. of Drilboor. -- ijzeren werktuig, waarmede gaten in
+ijzer of andere metalen zelfstandigheden kunnen gedrild, gedraaid,
+of geboord worden.
+
+Drillen, b. w. -- 1o. Oorspronkelijk hetzelfde als "Trillen,"
+heen en weder brengen, draaien; doch, by toepassing, "een vaartuig
+voortwinden," omdat het touw, door het sterk aanhalen, gedurig staat
+en Drilt.
+
+2o. Opwinden: 't schip op de helling D--.
+
+Drom, z. n. v. of Dreum. -- Wollen stof, waarvan de harpuiskwasten
+vervaardigd worden.
+
+Droog, z. n. o. -- Drooge plaats, waar geen zee op staat. Het
+afloopende water liet de schuit op D--.
+
+Spreekwijze: Zijn schaapjens (of scheepjens) op 't D-- hebben (in
+behouden haven zijn, voor geen tegenspoed meer te vreezen hebben). Zie
+Scheepjen.
+
+Op D-- varen (zich verderven).
+
+Dat schip houdt altijd D-- dek: er loopt geen zee overheen. (Het gaat
+hem altijd voorspoedig).
+
+Droogdok, z. n. o. of Dok van aanbouw. -- Soort van werf, waar de
+schepen in gebouwd, hersteld en vlot gemaakt kunnen worden.
+
+Droogen, o. w. -- Droog worden. Zie Diepen.
+
+Druif, z. n. v. -- 1o. Knop, die aan het eind van boomen of bootshaken
+vast zit, om tegen de borst te worden gehouden en het door de hand
+glippen te beletten. Zie Hooft, Ned. Hist., bl. 304.
+
+2o. Het bolvormige gedeelte, waar een kanon aan den kant van den
+stortbodem uitloopt.
+
+3o. Schroot, kleine kogels, op een ronden schijf gestapeld in den
+vorm van een druiventros, en door zeildoek en lijn verbonden.
+
+Druil, z. n. m. -- Een klein onderzeil, dat aan een mast op den
+achtersteven van een klein vaartuig geheschen wordt om het beter aan
+den wind te houden.
+
+Spreekwijze: Iets met den D-- doen (iets langzaam doen).
+
+Druilsra of Druilsroede, z. n. v. -- Hout of spriet, die waterpas
+van den achtersteven uitsteekt en waaraan het onderlijk van den Druil
+wordt uitgehaald.
+
+Druipen, o, w. -- Het anker zoetjens laten afzakken tot voor den boeg.
+
+Drukker, z. n. m. -- Een stut, waardoor de kraanbalk van onderen
+gestut of gedrukt wordt.
+
+Drukkingspunt, z. n. o. -- Punt, waar de drukking van den wind
+op werkt.
+
+Drijfbouten, z. n. m. mv. -- Nagels, waarmede de ijzeren banden om
+de masten enz. worden vastgeklonken.
+
+Drijfdok, z. n. o. -- of Drijvend Dok.
+
+Drijfzeil, z. n. o. -- Zoo noemen sommige schrijvers een Zeil, dat
+onder water uitgestrekt werd, wederzijds scherp vast aan zijn schoten,
+om het schip by stilte voort te doen Drijven waar de vloed ging. 't
+Verhaal klinkt echter als een sprookjen.
+
+Drijfzand, z. n. o. -- Zand, dat door den stroom gedreven wordt.
+
+Drijven, o. w. -- 1o. Zich met het water mede laten gaan, zorgende
+door behulp van den wind of door brassen, eenigen stuur in het schip
+te houden. Zoo wordt een schip gezegd te D-- met den vloed, met de eb,
+op zijn ankers enz.
+
+
+ Af drijvend onder zeyl, dat 's mackelixt van alle.
+
+ Huyghens. Tryntje Cornelis.
+
+
+2o. Zich ergends heen begeven. Op de kust D--: by een ander aan
+boord D--.
+
+3o. Van de wolken. Uit het zuiden D--, uit het noorden D--, breed,
+ruim D--. De wolken D-- zuidoost.
+
+Spreekwijze: Het maar laten D--. Op Gods genade D-- (de zaken maar
+laten loopen zoo als het valt.) Iemand op zijn eigen wieken laten D--
+(iemand aan zich zelven overlaten, zijn eigen hoofd laten volgen). Dat
+schip kan zeilen noch D-- (het deugt nergens toe).
+
+Hy Drijft op zijn last (hy heeft een akkoord met zijn schuldeischer
+aangegaan, en houdt het, even als een ontheisterd schip, niet door
+zijn tuig of takelaadje, maar door zijn last of lading--het geld van
+anderen--nog Drijvende).
+
+Drijven, b. w. -- De naden en reeten met werk vullen.
+
+Dubbelblok, z. n. o. -- Blok, met twee nevens elkander geplaatste
+schijven.
+
+Dubbeling, z. n. v. -- Bekleeding of besmeering van een vaartuig met
+de eene of andere stof, geschikt om het tegen bederf te bewaren.
+
+Duikelaar, z. n. m. -- Zie Duiker.
+
+Duiken, o. w. -- Zich onder water begeven. Zie dat schip eens D--
+(den boeg onder water steeken by hooge zee).
+
+Duiker, z. n. m. of Duikelaar. -- 1o. Iemand, die zich onder water
+begeeft.
+
+2o. Water-verlaat.
+
+3o. Kleine spijker zonder kop, die alzoo in 't hout wegduikt.
+
+Duikersklok, z. n. v. -- Werktuig, waarin men onder water mede gaat
+en het een tijd lang kan uithouden, door de lucht, welke er van boven
+wordt ingepompt. Het is aldus genoemd naar zijn oorspronkelijken vorm.
+
+Duim, z. n. m. -- Breed en plat ijzer, regthoekig omgebogen, en
+dienende om er de duimelingen in te hangen. De D--en van de roerhaken,
+aldus naar de gelijkenis genoemd.
+
+Duimelingen, z. n. v. mv. -- (veroud). De ijzers van de achterstevens,
+waar de voorhaken in hangen.
+
+Duin, z. n. o. of Blink. -- Heuvel van zand, en in 't byzonder van dat
+zand, hetwelk door de zee wordt opgeworpen: gelijk dan ook Bilderdijk,
+even waar als treffend, de D--en noemt:
+
+
+ Het bolwerk, dat de zee zichzelf ten teugel wrocht.
+
+
+Duizendbeen, z. n. o. -- (veroud.) Lange smalle kast, die, in
+verscheidene gaten of keepen, ettelijke elkander volgende schijven
+bevatte. De D--en werden vertikaal vastgemaakt, ieder aan elke zijde
+van den mast van den boegspriet en van de woeling van dien mast:
+en zy dienden om den doortocht te bevorderen van het afdalend want.
+
+Duiveljagen, b. w. -- Een soort van stuwen, 'twelk daarin bestaat,
+dat men zware steenen over de lading heenrolt. Ook het inperssen van
+wolzakken in de schepen of het zoo genaamde Traven wordt met dien
+naam bestempeld.
+
+Spreekwijze: Leg my zoo niet te D-- (Plaag my zoo niet, val my niet
+lastig).
+
+Duivelsklaauw, z. n. v. -- Een soort van dubbelde haak, die over iets
+heen komt en het met beide haken pakt.
+
+Duivels toejager, z. n. m. -- 1o. Benaming van de bout, waarop de
+ankerketting gestoken wordt in de kettingbek.
+
+2o. Schimpnaam van ouds aan de zoodanigen gegeven, die voor de wervers
+op een zieltjen uitgaan, en hun die in handen weten te spelen of toe
+te jagen.
+
+Dukdalf, z. n. v. -- Een zwaar paalhoofd, in het water geslagen,
+en dienende om er schepen aan te beleggen. Volgends Winschoten
+is het woord een verbastering van "Duk d'Alva" in welk geval het
+zijn oorsprong daarin zou hebben, dat dit paalwerk even hard en
+onverzettelijk zoude zijn als gemelde Hertog was. Bilderdijk houdt
+het echter voor 't eenvoudige dok-dolf, d. i. paal of blok in een dok.
+
+Durk of Dork, z. n. v. -- De plaats, waar het vuile water onder in het
+schip inloopt, anders ook de Zoo genaamd. Zie Pompzoode. Waarschijnlijk
+is het woord een samentrekking van de Hurk of De Urk, 'twelk een laag
+vaartuig beteekent. Zie Hurk.
+
+
+ O Dorck van alle quaed, o gote van ellende!
+
+ Joh. de Brune. Emblemata.
+
+
+Dwaallicht, z. n. o. of Vreêvuur. -- In 't Eng. Jack with the lanthorn,
+in de zuidelijke talen "het St. Elmus-vuur" genoemd, en waaronder
+men zekere vlammende luchtverhevelingen verstaat, die, by duistere
+nachten en stormweer langs de masttoppen en raas heen en weder dwalen.
+
+Dwalen, o. w. -- Zwerven, verkeerd gaan. Een D--de naald. Zie
+Naald. Buiten boord D-- wordt by wijze van eufemisme gezegd voor
+"buiten boord raken."
+
+Dwarlwind, Dwarrelwind, z. n. m. -- Wervelwind: gedurig draaiende wind.
+
+
+ Een zeestorm op d' Oostzee, neêrstortende met vlaegen,
+ Had in een dwarrelwint de Graenvloot omgeslagen.
+
+ Jan Vos.
+
+
+Dwars, bw. -- Wordt gezegd van hetgeen zoodanig geplaatst is, dat
+zijn lengte niet evenwijdig loopt met die van het schip. D-- stuwen;
+-- D-- liggend vaatwerk; -- D-- voor den boeg komen (Met de zijde
+voor den boeg van een ander schip komen. D-- vertuien (met een anker
+voor- en achteruit, zoo dat het schip niet draaien kan. Dit geschiedt
+b. v. als men zich voor een vyandelijke battery plaatst).
+
+Dwarsdrijven, o. w. -- Dit zegt men van een schip, dat, niet naar
+'t roer luisterende, zijdelings wegdrijft.
+
+Dwars in het vaarwater, bw. -- Wordt gezegd van een schip, dat dwars,
+schuins tegen een ander aankomt.
+
+Dwarsdrijver, z. n. m. -- Schip, dat niet naar 't roer luistert. Van
+hier de
+
+Spreekwijze: Hy is een D-- (hy hoort naar geen rede).
+
+Dwars drijven (kwellen, hinderlijk zijn,) onheil verwekken:--omdat
+het dwars aan komen van een schip zeer hinderlijk is, vooral wanneer
+het met voordacht geschiedt.
+
+Dwars liggen, o. w. -- t. w. van den stroom, van den wind, van de zee:
+en dan beteekent het: aan stroom, wind of zee de breede zijde bieden.
+
+Dwars van, bw. -- Op de hoogte van;--doch zoodanig, dat de zijde van
+het vaartuig op een loodrechte lijn staat met het voorwerp waar men
+D-- v-- is. D-- v-- de haven (op een loodrechte lijn met de monding
+van de haven.)
+
+Dwarsbalk, z. n. m. -- Dwarshout of Dwarsstuk: ieder hout, dat in
+een getimmerte dwars geplaatst wordt.
+
+Dwarshalen, b. w. -- t. w. een schip: Het zoodanig plaatsen, dat het
+de zijde aan eenig bepaald voorwerp biedt.
+
+Dwarsplaat, z. n. v. -- Plaat of zandbank, die Dwars voor de haven
+ligt.
+
+Dwarsscheeps, bw. -- In een Dwarsche lijn: De Amiraal lag D-- van ons.
+
+Dwarsslede, z. n. v. -- Slede der scheepstimmerlieden, waarover een
+vaartuig op het droog gehaald wordt.
+
+Dwarsstroom, z. n. m. -- Stroom, die by het land heenloopt.
+
+Dwarsstrooms, bw. -- Met de breede zijde in den stroom. Wy moeten
+D-- ankeren.
+
+Dwarstouw, z. n. o. -- Touw, dat overdwars en niet langsscheeps
+wordt uitgevierd.
+
+Dwarstij, z. n. o. -- Tij, dat zijlings invalt.
+
+Dwarstijs, bw. -- Met de zijde tegen het Tij.
+
+Dwarszalingen, z. n. v. mv. -- Dwars geplaatste zalingen.
+
+Dwarszees liggen, o. w. -- Met de zijde van het schip tegen den
+golfslag liggen.
+
+Dwarszees zeilen, o. w. -- Tusschen de baren zeilen.
+
+Dweil, z. n. v. -- Een hoop aaneengeregen en aan een langen stok
+gespijkerde lappen, waarmede een schip wordt schoongemaakt, na
+eerst met water te zijn afgespoeld. 't Is hetzelfde woord als dwaal
+(handdoek).
+
+Dweilstok, z. n. m. -- Stok, waaraan de Dweil wordt vastgemaakt.
+
+Dijk, z. n. m. -- Zeeweering. ZeeD--, WierD--, RietD--.
+
+
+
+
+
+
+
+E.
+
+
+Eb of Ebbe, z. n. v. -- Het afloopen of vallen van het water, en alzoo
+het tegenovergestelde van "Vloed". Daar gaat E-- (het water begint
+te vallen). Een zware E-- (het afloopen heeft snel plaats). Halve E--
+(wanneer de E-- in snelheid afneemt). VoorE--, achterE-- (het begin,
+het laatste van de E--).
+
+Spreekwijze: Gewoonlijk wordt E-- altijd voor tegenspoed, gelijk
+Vloed voor voorspoed genomen, in gezegden als: Des Waerelds goed,
+Is E-- en vloed.--Na hooge vloeden lage E--n.
+
+Eeken, z. n. o. of Ekken. -- (veroud.) Achter of voor een E-- zitten
+wordt gezegd, als een schip voor of achter vast zit.
+
+Eendemossel, z. n. o. -- Schelpen, die zich aan den romp van een
+ongekoperd vaartuig hechten.
+
+Eereschoten, z. n. o. mv. -- Kanonschoten, ter begroeting of ter
+viering eener heuchelijke gebeurtenis gelost.
+
+Eerste officier aan boord, z. n. m. -- Officier, in rang op den
+kapitein volgende, en aan wien het algemeen toezicht is opgedragen. Op
+een linieschip volgt de E-- O-- op den Kapitein-Luitenant.
+
+Eerste wacht, z. n. v. -- Wacht van 8 uur tot middernacht.
+
+Eiland, z. n. o. -- Eivormig of rond land: t. w. dat rondom bepaald
+is door de zee. SchierE-- dat met een strook aan 't vaste Land vast
+is. E--en boven den wind. E--en onder den wind.
+
+Einde, z. n. o. -- In zeemanstaal weinig gebruikelijk. Zie End.
+
+Eisch (naar den) bw. -- Overeenkomstig de omstandigheden. Touw steken
+N-- d-- E--, als het Eischt (het zooveel byvieren als dienstig is).
+
+Eischen, o. w. -- Begeeren, verlangen, vorderen. Het touw
+Eischt. (t. w. gevierd, gestoken te worden) Hy (het anker) Eischt
+(houdt vast in den grond).
+
+Ekken, z. n. o. -- Zie Eeken.
+
+Elkander, (in of uit) bw. -- wordt gezegd de betrekkelijke plaatsing
+van twee vaste voorwerpen, die tot merken genomen worden om den koers
+of afstand te bepalen, b. v. Als men den toren en den molen I-- of U--
+E-- ziet, moet men wenden. Als men de vuurbaak en het fort I-- of U--
+E-- krijgt, kan men afhouden. Wanneer men voor een schip over zeilt,
+en men krijgt de masten daarvan U-- E--, dan is men er vrij van. Den
+vuurtoren en 't kasteel een windboomslengte U-- E-- houdende, blijft
+men in 't vaarwater.
+
+Emballaadje, z. n. v. -- Ingepakte balen en zulke goederen. Zie
+Fustaadje.
+
+Embargo, z. n. o. -- Ital. woord: Verbod aan de koopvaardyschepen,
+die zich in een haven of op een zee bevinden, om die zonder verlof
+te verlaten: 't zij, dat de Regeering die in hare dienst wil nemen,
+of dat hy die eener Natie, aan welke hy den oorlog verklaren gaat,
+wil terug houden. Zie Beslag.
+
+Emer, z. n. m. -- (veroud.) Vaartuig, van eem (water).
+
+Emmer, z. n. m. of Eemer. -- Waterhaler, waterschepper. Zie
+Bild. Gesll. op Eimer.--BrandE-- (lederen vat, dienende om brand
+te blusschen). Zie Puts. KoelE-- (houten vat met ijzeren beslag,
+waarmede gedurende het gevecht het water uit de koeltobbe geschept
+wordt om het geschut koel te houden).
+
+Emmerzeil, z. n. o. -- Soort van vierhoekig zeil, waarvan de ra op
+een derde van hare lengte door den mast wordt opgehouden.
+
+End, z. n. o. -- Voor "touw", en meer gebruikelijk dan einde of eind,
+welk woord men nooit uit den mond eens zeemans hooren zal. E-- voor
+E-- (wordt gezegd, wanneer kabels of loopende want ten einde toe
+zijn uitgeloopen: hetgeen geschiedt om gemakkelijk te rijden). By
+stormweer laat men de ankertouwen E-- voor E-- uitloopen.
+
+Spreekwijze: Ik weet niet waar het E-- vast is (ik weet den rechten
+grond der zaak niet). Hy heeft het aan 't rechte E-- (hy begrijpt de
+zaak goed).
+
+Enkhuizer, z. n. m. -- Herhaalde slag van een kabel om de beting. Een
+E-- op het touw leggen.
+
+Enterbijl, z. n. v. -- Bijl, met een scherpe punt aan den
+tegenovergestelden kant van het scherp voorzien, en alzoo geschikt om,
+by 't Enteren, zoo wel te houwen en te kappen, als, wanneer het Enteren
+door Chaloupen geschiedt, door het in 't hout slaan van gemelde punt,
+daarby op te stijgen.
+
+Enterdreg, z. n. v. -- Dreg, die, in 't staande want van een vyandelijk
+vaartuig geworpen, dient om de beide schepen tot elkander te halen
+en alzoo by den vyand aan boord te komen.
+
+Enteren, b. w. -- 1o. Het vyandelijke boord beklimmen. Het woord is
+waarschijnlijk verbasterd van 't Lat. intrare (binnenkomen).
+
+2o. Eenvoudig: "klimmen," In 't want E--. -- Enter op! (komm).
+
+Enterluik, z. n. o. -- (veroud.) Een luik, voor in den bak of achter
+in de kajuit gemaakt, om, in geval van nood, als de vyand meester
+is van het bovenschip, daardoor op den overloop te komen en hem van
+onderen te keer te gaan.
+
+Enternet, z, n. o. -- Zie Vinkenet.
+
+Entrepôt, (spreek uit Antrepoo) z. n. o. -- of Stapelplaats, beteekent
+oorspronkelijk een plaats of haven, waar koopmansgoederen vrij worden
+toegelaten, en alzoo een vrijplaats of vrijhaven. In onze taal heeft
+dit bastertwoord een meer bepaalde beteekenis verkregen. Volgends
+art. 88 der Algemeene Wet van den 26 Augustus 1822 over de heffing der
+regten van In- Uit- en Doorvoer enz. (Staatsbl. no. 38) verstaat men
+door E--s oplagen van goederen in daartoe aangewezen bergplaatsen en
+is de strekking daarvan, den eigenaren of gekonsigneerden van niet
+ten invoer verboden goederen, gedurende den tijd van twee jaren na
+den dag der lossing, of somtijds langer, de gelegenheid te laten, die
+goederen ten verblijve binnen 's Lands of ten doorvoer aan te geven,
+tegen betaling der alsdan daartoe staande rechten. Zy onderscheiden
+zich in Publieke E--s, òf algemeene bewaarplaatsen onder het opzicht
+van het Bestuur en wederzijdsche sluiting zoo van wege dat Bestuur
+als van wege den handel: Partikulier E--, zijnde een bewaarplaats
+in een door den handel aangewezen en door het Bestuur goedgekeurd
+pakhuis of magazijn, mede onder wederzijdsche sluiting: Fiktief E--
+zijnde de oplage van goederen in des handelaars byzonder pakhuis of
+bergplaats, onder zijn toezicht en buiten sluiting van de zijde des
+Bestuurs. De wetsbepalingen, waarby het stelsel van E-- geregeld wordt,
+zijn te vinden in het Elfde Hoofdstuk van gezegde Wet, art 88-107.
+
+Entrepôtdok, z. n. o. -- Besloten Dok, waarin die schepen liggen,
+welke hun goederen in het algemeen Entrepôt lossen.
+
+Equipaadje, z. n. v. -- Bastertwoord voor: Bemanning, Manschap. Zie
+ald. Het schip is door de E-- verlaten. De gandsche E-- is ziek
+geweest.
+
+Equipaadjemeester, z. n. m. -- Direkteur der bewegingen en
+verrichtingen op eene der Rijks werven.
+
+Esch, z. n. m. -- Het hout, dat op de Hollandsche schepen gezien werd,
+en waar op de Leeuw rustte.
+
+Eskader, z. n. m. -- Zie Smaldeel.
+
+Etat-major, z. n. o. -- Staf van een oorlogschip, bestaande
+uit den kapitein, de officieren--ook die van gezondheid en van
+administratie--de adelborsten en scheepsklerken.
+
+Etmaal, z. n. o. -- Vier-en-twintig uur. Wy waren geen E-- in zee of
+kregen tegenwind.
+
+Evennachtslijn, z. n. v. -- Zie Linie.
+
+Expediteur, z. n. m. -- Iemand, die zich met het doen vervoeren
+van koopmanschappen te land of te water bezig houdt. Zijn rechten
+en verplichtingen zijn omschreven in het Wetb. van Kooph. II. B. V
+Tit. II. Afl. art. 86-96 en in art. 118-119 der Alg. Wet van 26
+Aug. 1822.
+
+Ezelshoofd, z. n. o. -- Dik met ijzer beslagen half rond plat hout,
+over den top van den mast gelegd; aan het vooreinde een gat, (hommer)
+hebbende, waardoor de steng loopt. Onder aan dat hout hangen de bloks
+om de stengen op te hijschen of te strijken. De marszeilraas rusten
+op het E-- als zy gestreken zijn. Waarschijnlijk is aan dit blok de
+naam van E-- gegeven, omdat het als een kop op den mast zit, en als
+een Ezel tot het dragen van lasten bestemd is.
+
+
+
+
+
+
+
+F.
+
+
+Fajfena, z. n. v. -- Soort van kleine Japansche galei met twintig
+riemen aan elke zijde.
+
+Fajofsnee, z. n. v. -- Japansch speelvaartuig.
+
+Faktory, z. n. v. -- Plaats of kantoor, waar de agenten (Faktors)
+van een handelshuis zich buiten 's Lands ophouden. De naam van F--
+wordt zelden anders gegeven, dan aan dergelijke instellingen, door
+Europeanen in de O. Indiën gesticht.
+
+Faktuur, z. n. v. -- Lijst van afgeleverde goederen.
+
+Fatsen, z. n. v. mv. -- Onderbonnetten, ten opzichte tot de bovenste,
+waar zy aan geregen worden.
+
+Spreekwijze. Hy is op de F-- (hy is op de loop:)--omdat de F-- worden
+aangezet om meer vaart te maken.
+
+Feloek, z. n. v. -- Licht, lang en smal vaartuig, meest in gebruik
+op de Middellandsche zee. De koraalvisschery geschiedt met F--en.
+
+Figale, z. n. v. -- Oostindisch roeivaartuig.
+
+Fitten, o. w. -- Scheepstimmermans-uitdrukking voor: "meten, hoe diep
+de gaten zijn, welke men geboord heeft," waarschijnlijk 't zelfde als
+'t Eng. to fit.
+
+Flambeeren, b. w. -- In gebruik by 't konvooieeren. Met een sein
+berispen: aan een schip, door middel van een sein en een schot, bewijs
+van ontevredenheid geven, dat het zich niet op zijn post bevindt,
+of van gegeven bevelen afwijkt.
+
+Flap, z. n. m. Of Tappen dekplaat. -- IJzeren halve band, die over de
+Tappen van een stuk geschut door middel van de bekbout en de spijlbout
+bevestigd wordt op het rolpaard.
+
+Fluit, z. n. v. of Fluitschip. -- Een transportschip, dat op alle
+zeeën vaart. De reden der benaming, welke Winschoten opgeeft, als
+zoude het aldus heeten naar zijn lang en smal fatsoen, waardoor het
+op een fluit geleek, schijnt er met de hairen bygehaald. Veeleer
+komt het my voor, dat men het aldus noemde, omdat het groot van
+inhoud was in vergelijking met andere schepen, even als een F--
+(drinkglas) onder andere roemers.--Een linieschip, waaruit men de
+onderste battery heeft weggenomen heet "geärmeerd en flûte."
+
+Fluit, z. n. v. -- Metalen buis, aan het ene end uitloopende in een
+bal met een gaatjen doorboord, welke de Onderofficieren bezigen om
+er bevelen mede te herhalen, gelijk de trompetters of hoornblazers
+by de landtroepen.
+
+Fluitschip, z. n. o. -- Zie Fluit.
+
+Fnee, z. n. v. -- Japansch transportschip.
+
+Fok, z. n. v. -- Een driehoekig zeil op kleine vaartuigen, tusschen den
+Fokkemast en den boegspriet geheschen: op groote schepen heet de F--
+het onderste razeil van den Fokkemast. StormF-- zeil, dat by stormweer
+aan het Fokkestag gevoerd wordt: BrêeF-- breed zeil van licht doek,
+dat op kotters en schoeners wanneer men voor-de-wind zeilt aan een
+lichte ra aan den top van den mast, of, zoo er meer dan een mast is,
+van den Fokkemast gevoerd wordt om sneller te loopen.
+
+Spreekwijze. De F-- opzetten (den bril opzetten), omdat deze
+op den neus gezet wordt, die, als de boegspriet voor het schip,
+even zoo voor het aangezicht uitsteekt; terwijl bovendien de bril
+tot behulp der oogen dient, even als de F-- tot versterking der
+achterzeilen.--Bilderdijk geeft in zijn Gesll. echter een andere
+verklaring van dit spreekwoord.
+
+Fokjen, z. n. o. -- Verzameling van draden, niet meer dan een vadem
+lang en dienende om ruw en uit de hand iets te beslaan.
+
+Fokkeboelijn, Fokkebras enz., Boelijn, Bras enz. aan den Fokkemast. Zie
+ald.
+
+Fokkehals, z. n. m. -- Hals van den Fok.
+
+Spreekwijze. Hy trekt aan de F-- (hy krijgt stank voor dank):--omdat
+de loos van de Fokkenhals onder 't galjoen hangt, en men aan de F--
+trekkende, wel eens iets anders dan zeewater over 't lijf krijgt.
+
+Fokkemast, z. n. m. -- De voorste Mast op een schip. Zie Mast.
+
+Fregat, z. n. o. -- Oorlogsvaartuig met een dek, en meer dan twintig
+en minder dan vijftig of zestig stukken voerende, die boven op het dek
+en op de halfdeks verdeeld zijn. Licht F-- (korvet). Advies F--. Zoo
+snel loopen als een F-- (snel zeilen).
+
+Fregaton, z. n. m. -- Venetiaansch vaartuig, met een vierkanten
+achtersteven, een bezaanmast, een grooten mast en een boegspriet
+voerende, en tot aan de 10,000 quintalen kunnende laden.
+
+Fret, z. n. m. Of Fretboor. -- Zie Drilboor.
+
+Fustaadje, z. n. v. -- Allerlei Vaatwerk, in tegenstelling van
+Pakkaadje, waarmede men kisten, enz. en Emballaadje, waarmede men
+balen en dergelijke ingepakte goederen verstaat. Men voegt gemeenlijk
+de woorden F-- en Emballaadje by elkander, o. a. in art. 209 en
+210 der Alg. wet van 26 Aug. 1822, waarby boeten tegen den schipper
+en stuurman bepaald zijn by het bevinden van een ander getal fust-
+of pakgoederen dan overeenkomstig de gedane verklaring.
+
+
+
+
+
+
+
+G.
+
+
+Gaande houden, b. w. -- 1o. Op denzelfden boeg, als men tot nog toe
+gezeild heeft, voortgaan.
+
+2o. Aan wind of stroom een wederstand bieden, die met hun kracht gelijk
+staat: Wy Hielden het beter tegen den stroom Gaande dan de Adraste.
+
+3o. Gelijk, even hard zeilen. Wy Hielden het met alle schepen van
+ons eskader Gaande, onder onze beide marszeilen.
+
+4o. Niet van plaats veranderen, b. v. om een schip in te wachten.
+
+Spreekwijze, 't G-- H--: het zooveel mogelijk uithouden.
+
+Gaande raken; gaande zijn, o. w. -- Wordt van een schip gezegd,
+als zijn anker aan 't glijden raakt. Ook van de goederen, die in een
+storm komen overhoop te rollen, als b. v. De ballast Raakt Gaande.
+
+Gaande weg, bw. -- Langzamerhand. G-- W-- afhouden. (Zie Afhouden.)
+
+Gaandery, z. n. v. -- Zie Westergang.
+
+Gaarboord, z. n. o. -- De naaste plank aan de kiel, met het aanzetten
+waarvan men een aanvang maakt by den bouw van het boord, zoodat men
+de deelen als 't ware samen gaêrt.
+
+Gaard, -- Zie Geerd.
+
+Gaffel, z. n. m. -- Spriet, aan welken, op boeiers en smakken, het
+smakzeil wordt vastgemaakt. Op de grootere schepen is het de spriet,
+die met een klaauw door de kraallijn aan den bezaansmast vast is,
+en waaraan het bezaanzeil is uitgehaald en opgeheschen wordt. Het
+draagt den naam van G--, omdat het aan het eene einde in een G--,
+vork of klaauw, uitloopt, waarmede het om den mast sluit.
+
+Gaffelval, -- Talie, waarmede de Gaffel geheschen wordt.
+
+Gaffelzeil, -- De langsscheepsche zeilen, aan Gaffels geheschen heeten,
+G--en: zoo zijn b. v. de bezaan-, de bark- en schooner zeilen, G--en.
+
+Galeas, z. n. m. -- Groot Venetiaansch vaartuig, dat met behulp van
+zeilen en riemen bestuurd werd.
+
+
+ Veneedje, laat uw Galeassen
+ Tot roem en eer, eeuw uit eeuw in,
+ De Turxsche heêrschappy verrassen.
+
+ Antonides, Zeetriomf.
+
+
+Galei, z. n. v. -- Lang, smal vaartuig, op de Middellandsche zee
+in gebruik, zeilende met latijnzeilen, of wel door G-- slaven
+of boeven geroeid. Lichte G-- (die naar den antieken vorm met
+een scherpen voorsteven gebouwd is: Bastert- of gewone G--) die
+van middelbare grootte is: HoofdG-- (de voornaamste G-- van een
+Vorstendom). PatroonG-- (de tweede G-- van Frankrijk, Toskane en
+Maltha en de derde G-- van die Zeestaten, welke nog bovendien een
+Koninklijke en HoofdG-- bezitten. Koninklijke G-- (de voornaamste G--
+van een onafhankelijke Mogendheid en de voornaamste G-- van den Paus.
+
+
+ Doorluchte Waterkoningin
+ Venetië, die uw Galeien
+ Tot roem en eer eeu uit eeu in
+ Haer vlugge wieken uit laet spreien.
+
+ Antonides, Ystroom.
+
+
+Galeiroeiers, z. n. m. mv. -- Roeiers eener Galei, gewoonlijk slaven.
+
+Galoëtte, z. n. v. -- Klein Malabaarsch vaartuig.
+
+Galeiwolf, z. n. m. -- Zie Aletta.
+
+Galery, z. n. v. -- Buitenbetimmering tegen de achtereinden der zijden
+van het schip gemaakt en een afgesloten ruimte vormende. De G--en
+dienen tot het bevatten van gemakken en tot cieraad van den spiegel,
+dien zy verbreeden. By linieschepen heeft men soms twee G--en boven
+elkander, by gewone schepen maar eene of geene.
+
+Galg z. n. v. -- Houten stellingen, voor en achter in de kuil staande,
+en dienende om waarlooze rondhouten op te bergen.
+
+Galjas, z. n. m. -- Zie Galeas.
+
+Galjoen, z. n. o. -- 1o. Naam, aan een soort van vrachtschepen
+gegeven, die in den handel van Spanje op de West-Indiën en andere
+volksplantingen gebezigd worden.
+
+2o. Stelling met roosterwerk, geplaatst tusschen het voorschip en
+het bovenste gedeelte van de scheg, en met leuningen voorzien.
+
+3o. Oude benaming van de snuit of de snebbe der fregatten, pinassen
+en andere zware schepen; het plach onder de straffen, op de schepen
+gebruikelijk, te behooren, dat iemand op water en brood in 't G--
+werd gesloten.
+
+4o. Geheim gemak voor de matrozen.
+
+Galjoot, z. n. v. -- Soort van vrachtschip van de grootte van een
+hoeker. Barbarijsche G--: kleine galei, op de Barbarijsche kust in
+gebruik. BombardeerG--, stevig gebouwd vaartuig, van een of twee
+mortieren voorzien en zonder fokkemast, ten einde den boeg tot
+bombardeeren vrij te houden.
+
+Gallen, z. n. v. mv. -- Kleine holten, welke men somtijds in de
+vuurmonden en in de kogels aantreft, en die, wanneer zy een bepaalde
+maat te boven gaan, tot afkeuring daarvan leiden kunnen.
+
+Gang, z. n. v. of Vaart. -- Snelheid, waarmede een schip kan vooruit
+komen in evenredigheid met de kracht van den wind en de uitgezette
+zeilen. Zoo zegt men: een goede G-- hebben, weinig G-- maken (goed,
+weinig vooruitkomen).
+
+Gang, z. n. v. of Slag. -- De weg dien een schip aflegt over denzelfden
+kant, wanneer het laveert. Verscheiden G--en doen. Nog een G--etjen
+en wy zijn er. G-- of slag maken, enz.
+
+Gang, z. n. m. 1o. -- Voortloopende beplanking langs het boord. De G--
+en de buitenhuid.--Zie Brug, Zetg-- en Geschutg--.
+
+2o. Plank, waarmede men uit- en in het schip gaat.
+
+Gang (gebroken). Zie Vertuining.
+
+Gangboord, z. n. o. of Gangwaring. -- Het boord, daar men op koffen,
+smakken en andere kleine vaartuigen langs gaat. Zie Waring.
+
+Spreekwijze: Wat doe je in 't G--? (Hoe staat ge in den weg?)
+
+Gangmeter, z. n. m. -- Werktuig of toestel, met behulp waarvan men
+de vaart van een schip kan berekenen. Zie Log.
+
+Gangspil, z. n. o. -- Kaapstander, aardewind, spil, windas. --
+Geknotte min of meer dikke kegel, waarvan de evenwijdige grondslagen
+in diameter weinig verschillen in grootte, en die vervaardigd is om op
+zijn diametrale en vertikale as rond te draaien. Windboomen of spaken,
+waarvan de enden gestoken worden in gaten, welke in den kop van het
+G-- zijn uitgehold, en dienen om het in de rondte te doen draaien,
+en de touwen, welke men om zijn schacht slaat, aan te halen. Zie Spil.
+
+Ganzevleugel, z. n. m. -- Soort van schippersboom, dienende tot het
+uitzetten van den schoothoorn van het zeil.
+
+Garen, z. n. o. -- Zie Draad. Men onderscheidt kabelG--, schiemansG--,
+touwslagersG--, (met al hetwelk een zware soort van G-- bedoeld
+wordt); wit, ongeteerd G-- (zoo als het van den spinner komt); bruin
+of geteerd G-- (dat met teer doortrokken is); merkG--, (waar een draad
+van een andere kleur doorheen loopt); zeilG-- (dat tot het naaien der
+zeilen dient); lijkG--, wantG--, (dat van de dikste soort is) trosG--
+(van een mindere) en kardoesG-- (om kardoezen mede vast te maken).
+
+Spreekwijze: Zyn eigen G-- rokken (niemand ergends dank voor weten,
+zich zelven alles toeschrijven). Een warG-- (een twistzoeker).
+
+Garenwinder, z. n. m. -- Stuk van een haspel, schiemans wuit.
+
+Garnaal, z. n. m. -- Kleine zeevisch. Spreekwijze: Een hoofd als een
+G-- (een klein hoofd).
+
+Garnaatjens, z. n. o. mv. -- Algemeene benaming voor blokjens van
+dun touwwerk.
+
+Garneeren, b. w. -- Bekleeden, 't Fr. garnir. Een steng of ra G--
+(er een schoot of plank op vast maken tot steun van een zwakke plaats).
+
+Garneering of garniering, z. n. v. -- Bekleeding. G-- van 't ruim
+(bekleeding van 't ruim, b. v. met bindrottings langs het boord,
+om alzoo een glad boord te krijgen tot betere, vastere opstuwing
+der lading).
+
+Gassefat, z. n. o.-- Perzisch vaartuig.
+
+Gat, z. n. o.-- 1o. Elke opening of doortocht, op een schip gemaakt:
+SchootG-- (waar de schoot doorloopt). Soldaten G-- (opening in de
+mars gelaten en waar de soldaten doorheen klimmen, wanneer zy by
+een gevecht zich naar boven moeten begeven). Spy G-- (waar het water
+doorloopt), enz.
+
+2o. Het achterste gedeelte van het schip. Een schip op zijn G-- zetten
+(het met zijn achtersteven op het droog zetten). Het schip ligt te
+veel in zijn G-- (ligt achter te diep).
+
+3o. Voor Zeegat: open vaarwater, waardoor men in elke zee kan
+komen. Het Spanjaarts G--. Het Heer Jan de Witts G--. Binnen Gaats,
+Buiten Gaats (binnen of buiten). Hy is al vroeg het G-- uitgegaan
+(ter zee gaan varen).
+
+Geboeid, b. n. -- Wordt van een schip gezegd, als het geen water genoeg
+meer vindt om te drijven. Aan den grond G-- raken. Het G-- liggen.
+
+Geborgen, b. n. -- 1o. Gered en opgeslagen. G-- goederen. (Zie
+Goederen.)
+
+2o. Vastgemaakt, weggenomen, gestreken. De zeilen zijn G--.
+
+Gebrast, b. n. -- Wordt van een schip gezegd, wanneer zijn zeilen
+goed bystaan. Zeil dat scherp G-- is (dat dicht by den wind staat).
+
+Gebuikt, b. n. -- Het schip is G-- (te veel uitgebouwd van
+zijboorden). De zeilen staan wel G-- (zijn ruim genoeg).
+
+Gebust, b. n. -- Wordt een blok genoemd, wanneer het gat in de schijf,
+waardoor de pen loopt, in metaal is gevat. De spygaten zijn met koper
+G-- voor het inwateren.
+
+Geer, z. n. m. -- Schuinte in een kleed, en van hier bepaaldelijk een
+strook zeildoek, die aan de zeilen wordt toegevoegd om ze van onder
+te verbreeden.
+
+Geerd of Gaard, z. n. v. -- G--en zijn touwen, waarmede men den nok
+van den gaffel dwingt.
+
+Gei, z. n. v. -- Byspriet, is schier alleen in de samenstelling
+gebruikelijk.
+
+Geien, o. w. -- De geitouwen van een zeil ophalen.
+
+Gein, z. n. o. -- Gy, Jy of Gijn. 1o. Talie van de grootste soort.
+
+2o. Blok met twee of drie schijven, waardoor een looper is geschoren,
+dienende om groote kracht mede uit te oefenen.
+
+Geitouw, z. n. o. -- Algemeene naam voor elk touw, dat tot het inkorten
+of gorden der zeilen gebezigd wordt.
+
+Geitouwblok, z. n. o. -- Blok, waar een Geitouw doorloopt.
+
+Gek, z. n. m. -- Werktuig, boven aan het eind van een houten pomp,
+waarin de stok of het handvatsel, met hetwelk men den pompstok ophaalt,
+wordt vastgehecht.
+
+Geklucht, b. n. -- Wordt een mast genoemd, die uit onderscheiden op
+elkander geplaatste stukken is samengesteld.
+
+Gekstok, z. n. m. -- Stok of handvatsel van een bouten pomp.
+
+Geleide, z. n. o. -- Zie Konvooi.
+
+
+ Gelijck de kudden gaen by duizenden te weide,
+ En groeien by het gras, zoo drijft nu 't zeegeleide
+ Van 's lands Geleivloot al wat hongert naar gewin,
+ Den mond van Tessel en den Vliestroom uit en in.
+
+ Vondel, Zeemagazijn.
+
+
+Geleivloot, z. n. v. -- Zie Geleide, Konvooi.
+
+Gelijk, bw. -- 1o. In kommandoos gebruikelijk om te gelasten dat
+een beweging gelijktijdig geschiede. G-- halen! G-- roeien! Haalt
+G--. Roeit G--!
+
+2o. Voor Gelijklastig. Dat schip ligt G--, ligt op een effen kuil
+(als de diepgang voor en achter dezelfde is).
+
+Gemeerd, b. n. -- Is het schip, achter en voor vastgemaakt aan een
+kaai of dukdalven, of door een anker voor en achter.
+
+Geraamte, z. n. o. -- Het G-- van een schip wordt de verzameling
+genoemd der nog onbeplankte en onbekleedde hoofdbalken.
+
+Gescheept, b. n. of Ingescheept. -- Wordt gezegd van de goederen die in
+'t schip gebracht zijn: ook van de menschen.
+
+Spreekwijze: Met iemand G-- zijn (met iemand verlegen zijn, iemand
+niet kwijt kunnen raken). Zoo zegt Hooft in zijn Geeraert van Velzen:
+
+
+ Ik ben daer mee gescheept, daer ik mee over moet.
+
+
+Geschoofd, b. n. -- By elkander gebracht, als in Schoven vereenigd
+om de minste plaats in te nemen. G--e vaten. Die lichte vaartuigen
+liggen G--.
+
+Geschut, z. n. o. -- Oorlogstuig, waarmede geschoten wordt. Klein G--
+(snaphanen, roers, musketten, enz.) Grof G-- (kanonnen, mortieren,
+bomketels, enz.) Het G-- lossen.
+
+Spreekwijze: Met grof G-- schieten (bulderen, razen, schelden).
+
+Het G-- (of het schut) te boord halen (zich vaardig maken tot den
+slag).
+
+Geschutdek, z. n. o. -- Zie Dek.
+
+Geschutgang, z. n. v. -- Dat gedeelte der buitenhuid, 't welk bepaald
+is tusschen den onderkant van het rahout en den bovenkant van het
+barghout.
+
+Geschutleng, z. n. v. -- Touw met ijzeren oogen en haken voorzien,
+en dienende om zware vrachten, als kanonnen enz. binnen boord te
+halen. Zie Leng.
+
+Geschutooren, z. n. o. mv. -- De handvatsels van een stuk Geschut.
+
+Geschutpark, z. n. o. -- Bewaarplaats van het Geschut.
+
+Geschutpoort, z. n. v. -- Vierkante opening in den wand van een
+vaartuig gemaakt, ten einde den doortocht aan den tromp van een stuk
+geschut te verleenen.
+
+Geschutrol, z. n. v. -- Lijst, waarop ieders post by gelegenheid van
+een zeegevecht staat opgeteekend.
+
+Geslurpt, b. n. -- By "Touwen" of by "End" gevoegd beteekent: puntig
+uitloopend. Een Touw wordt G-- om het gemakkelijker in een katrol te
+werken. De strengen van het eind der ankertouwen worden G--, om op
+een ander ankertouw gesplitst te kunnen worden.
+
+Gesmoord, b. n. -- Wordt een schip genoemd, wanneer het, door een zware
+zee zeilende, niet die snelheid kan aanwenden, welke het verkrijgen
+zoû, wanneer de zee effen was. Tusschen de zeeën G-- liggen.
+
+Gespat, b. n. Of uitgespat, -- wordt van de hoofdtouwen gezegd,
+wanneer zy met den mast een meer open hoek maken dan gewoonlijk.
+
+Gespekt, b. n. -- Wordt gezegd van een lap zeildoek, geheel doorregen
+met stukjens kabelgaren. Zoodanige heet men dan Spekwatten en zy
+dienen om daar gebonden te worden, waar schavieling of wrijving door
+aanstooten wordt veroorzaakt.
+
+Gestopt, b. n. -- 1o. Met Stoppers voorzien: Een G-- touw, of tuig
+dat door middel van Stoppers wordt gespannen gehouden.
+
+2o. Aangehouden. Dat schip is in Texel G--.
+
+Gestrand, b. n. -- Aan wal geslagen of gespoeld. Een G-- schip (dat op
+'t strand zit) G--e goederen. Zie Goederen.
+
+Gestreken, b. n. -- 1o. Met planken beschoten. Zie Dek.
+
+2o. Neder gevierd. De zeilen G-- (nedergehaald).
+
+Gestropt, b. n. -- Met een Strop belegd.
+
+Getuigd, b. n. -- Wordt een schip genoemd, dat al zijn Tuig heeft. Hoog
+G-- schip (dat veel bovenzeilen heeft.) Laag G-- schip, (dat zijn
+tuigaadje lager heeft). G-- als een logger, brik, schoener.
+
+Spreekwijze: Hy is G-- als een Portugeesch schip (hy ziet er slordig
+uit).
+
+Getij, z. n. o. -- Zie Tij.
+
+Spreekwijze: Ieder vischt op zijn G-- (elk let op zijn byzonder
+voordeel).
+
+Geul, z. n. v. -- Naauwe vaart of waterloop.
+
+Geus, z. n. m. of Geusjen. -- Een vlag, die van den boegspriet waait,
+aldus genoemd naar de Watergeuzen, die namelijk aldaar hun standaart
+heschen met de kleuren des Prinsen van Oranje, en er alzoo hun
+verschijning mede aankondigden.
+
+Geusjen, z. n. o. Zie Geus.
+
+Geuzen, o. w. --- Men plach te zeggen: het begint te G-- voor:
+"de wind begint voordeelig te worden." Zoo zeiden de Spanjaarts
+ten tijde der omwenteling in de 16de eeuw: Onze Lieve Heer Geust;
+(is den Geuzen gunstig).
+
+Geuzestok, z. n. m. -- Stok op den boegspriet, waar de Geus van waait.
+
+Gewaarborgd, b. n. -- Klaar, gereed. Tegen het oploeven, tegen het
+afvallen G-- zijn, (op het loeven, het vallen passen, op zijn hoede
+zijn).
+
+Gezeegd, b. n. -- Gebogen, krom. Te sterk G--e barghouten.
+
+Gezicht (in 't), bw. -- Zichtbaar, dat men 't zien kan. Een schip In
+'t G-. Wy leden schipbreuk in 't G-- van de haven.
+
+Gezond, b. n. -- Van een schip gezegd beteekent: gaaf, zonder
+letsel. Zie Ongezond.
+
+Geswindpijpjen, z. n. o. -- Ontvlammingstoestel, in een penneschacht
+geplaatst, in het zundgat gezet en aangestoken, ontsteekt het de
+lading.
+
+Giek, z. n. v. -- Smal scheepsgebouw, roeivaartuig, waarvan de banken
+maar een persoon kunnen bevatten en dat voornamelijk by hardroeierijen
+gebezigd wordt. Vierriems G--, Zesriems G--.
+
+Giek, (of liever Gijk, als de Fransche vertaling Gui aanduidt)
+z. n. v. -- is de spriet, waarvan een Latijnzeil wordt uitgezet.
+
+Spreekwijze: wacht u voor de G-- (wacht u voor den weêrstuit.)
+
+Gier, z. n. m. -- Giering of Gierslag; draai, zwenking, uitwijking,
+welke een schip met goeden voor-de-wind maakt, 't zij aan bak- of
+stuurboordzijde.--Een G-- doen (een geänkerd schip met behulp van
+het roer doen Gieren.)
+
+Gieren, o. w. -- Gevolg van de werking van een sterken stroom op
+een Geänkerd schip, waardoor het voorschip meer of min merkbaar van
+de rechter- naar de linkerzijde, of omgekeerd, zwenkt. Op het G--
+passen (het G-- voorkomen met behulp van het roer of van een opgezet
+zeil). Over bakboord, over stuurboord G--. Het schip Giert op zijn
+touw.
+
+Giering, z. n. v. -- De daad van Gieren. Zie Gier, Gieren.
+
+Gieten, o. w. -- Nat maken, hozen.
+
+Gieter, z. n. m. -- Hoosvat, waarmede de zeilen, voornamelijk op een
+klein vaartuig, worden nat gemaakt.
+
+Spreekwijze: Hy ziet er uit alsof hy uit een G-- gedronken en de
+droppels op zijn gezicht gekregen had. (Hy is pokdalig).
+
+Gig, z. n. v. -- Licht Engelsch vaartuig.
+
+Gillen, b. w. -- Schuin afsnijden of afzagen.
+
+Gilling, z. n. v. -- Van Gillen, en dus oorspronkelijk een schuins
+afgezaagd stuk hout. Thands echter verstaat men onder G-- den staanden
+kant van het houten boord, wanneer dit niet onder de geheele lengte van
+het schip doorgaat. Zoo gebeurt het b. v. dat het houten boord langs
+het opperdek zich van achteren af tot by den grooten mast uitstrekt. De
+plaats, waar het aan den voorkant afbreekt, is dan een G--.
+
+Gissing, z. n. v. -- Zie Bestek.
+
+
+ De Naelde wijckt noch wraeckt en alle Gissingh sluyt
+
+ Huygens, Hofwyck.
+
+
+Glas, z. n. o. -- Zandlooper, uur-, halfuur-, kwartier-, minuut
+G--. De tijd wordt aan boord berekend by Glazen van een half uur. Zoo
+is b. v. vier Glazen in de hondenwacht, twee uur na middernacht. Elke
+wacht heeft acht Glazen, dus vier uur.
+
+Gods genade, (op) bw. -- Zonder te weten waarheen. Op G-- G-- drijven.
+
+Goederen, z. n. o. mv. -- Alle voorwerpen van handel. By art. 3 der
+Algem. Wet van 26 Aug. 1822 worden daaronder begrepen alle waren en
+koopmanschappen, geene uitgezonderd, benevens paarden en allerhande
+vee. De bepalingen betreffende sommige verleende vrijdommen van rechten
+op goederen vindt men in art. 5 dezer wet. Gestrande of geborgen G--
+(zie daaromtrent dez. wet, Vijfde Hoofdst. art. 30-36). Verboden
+G--. (zie het Twaalfde Hoofdst. art. 108-117).
+
+Goerabe, z. n. v. -- Indiaansch vaartuig.
+
+Golf, z, n. v. -- Golving. Zie Baar.
+
+Golf, z. n. m. -- Zeeboezem, inham. Zie Bild. Gesl. in V.
+
+Golfslag, z. n. m. -- De kracht, welke de golven op een schip, het
+strand, den oever of elk ander lichaam uitoefenen.
+
+Gondel, z. n. v. -- Venetiaansch vaartuig, tot overtocht en tot
+vermaak gebezigd, en 't welk, in evenredigheid tot zijn breedte,
+langer is dan eenig ander vaartuig van gelijke bestemming.
+
+Gorden, b. w. -- Ophalen van het middelste der marszeils en fok.
+
+Gording, z. n. v. -- Opkorting, t. w. van een zeil. In den grond één
+woord met gordijn.
+
+Gort, z. n. v. -- Was van ouds de scheepskost en nog altijd een
+geliefkoosd ontbijt voor de matrozen.
+
+Spreekwijze: Een G--etelder (een gierigaard, een vrek). 't Is afkomstig
+uit den tijd, toen de scheepsbevelhebbers nog een hoofdgeld kregen
+om de manschap te voeden, en alles op 't zeerst werd uitgezuinigd.
+
+Goteling, z. n. v. -- Een soort van kanon, vroeger op de schepen zeer
+in gebruik, en zijn naam ontleenende van "gieten," om dat deze soort
+tot de eersten behoorde, welke in haar geheel gegoten werden.
+
+Graad, z. n. m. -- Het 360ste gedeelte van den omtrek eens cirkels,
+van 't Lat. Gradus, dat "trap" beteekent.
+
+Graadboog, z. n. m. Of Astrolabe. -- Werktuig, waarvan men zich plach
+te bedienen, om de hoogte der zon te meten.
+
+Grieten, z. n. v. mv. Of zwalpen. -- Steunbogen, die de balken beletten
+tot elkander te komen.
+
+Grietjen of Grietjen van Dijk, z. n. o. -- het Bovenkruiszeil. Volgens
+de overlevering werd op zeker schip "den Eik," een der scheepsjongens,
+die met het los- en vastmaken van het bovenkruiszeil belast was,
+veroordeeld om met de knuttels te worden gestraft: dan toen men
+hieraan zoû beginnen, ontdekte men, dat de bovenkruisraasgast een
+meisjen was, Grietjen van Dijk genoemd. Haar naam werd sedert aan
+dat zeil gegeven. Oude zeelieden herinneren zich nog fragmenten uit
+een zeeliedtjen, dat door Janmaat op lamentabelen toon werd opgedreund:
+
+
+ Op 't schip den Eik, bequaeme
+ Margriet was haer naeme
+
+ Sla my met dagjens op den huid
+ Maar trek mijn kleeren toch niet uit,
+ 'k Ben, vrouwspersoon wil weten.
+ Margriet ben ik geheeten.
+
+
+Grietjenbras, z. n. m. -- Bras van het Grietjen.
+
+Grietjensra, z. n. v. -- of Grietjensteng, steng, waar het Grietjen
+aan is vastgemaakt.
+
+Grietjenssteng, z. n. m. -- Zie Grietjensra.
+
+Gril, z. n. o. -- Woord, vroeger by de scheepstimmerlieden in gebruik
+om daarmede het afscheidsel aan te duiden tusschen het pit van een
+boom of balk en het binnenste, 't Is het gril, de draaijing of ronde
+omtrek van een boom.
+
+Groenlandsvaarder, z. n. m. -- Het schip, of ook de schipper, die
+naar Groenland vaart.
+
+
+ De Groenlandsvaarder tart, op saamgekleefde boomen,
+ In baare zee 't gewelt van stormen en van stroomen,
+ IJsbergen, rotsen en gedrochten.
+
+ Antonides, Ystroom.
+
+
+Groenlandsche sloep, z. n. v. -- Sloep, by een Groenlandsvaarder
+behoorende, en door haar spitse kiel en rankheid zich snel op het water
+bewegende, waarom zy by uitstek geschikt was tot de walvischvangst.
+
+Grond, z. n. m. -- Bodem van het water. G-- peilen (peilen hoe diep
+het water is, eer men G-- voelt). Aan den G-- zitten (geboeid zitten,
+stranden) Te G--e gaan (zinken, vergaan). Een schip in den G-- boren
+(met kogels doorschieten, zoodat het te G-- gaat).
+
+Spreekwijze: Iemands G-- peilen (iemands meening zoeken).
+
+Ik voel G-- (ik begin te bespeuren, dat ik my niet verder wagen moet).
+
+Aan den G-- zitten (zich in verlegenheid bevinden).
+
+Iemand in den G-- helpen, te G--e richten (iemand in zulk een toestand
+brengen, dat er geen redding meer voor hem op zit).
+
+Vuile G--en bederven de kabels (kwaad verkeer bederft de zeden).
+
+Stille waters hebben diepe G--en (met lieden die zich weinig uitlaten,
+dient men voorzichtig te zijn).
+
+Alle G-- is geen ankerG--(men kan zich niet op iedereen (of op elke
+onderneming) verlaten).
+
+Goede ankerG-- is de beste G-- (men moet zijn hoop en zijn verwachting
+stellen op hetgeen vast is).
+
+Grondgat, z. n. o. -- Het gat, dat door het anker in den bodem
+geslagen is.
+
+Spreekwijze: Ik moet dat G-- weten (ik moet het fijne van die zaak
+leeren kennen).
+
+Grondschot, z. n. o. -- Schot, dat een schip onder water treft en
+doet zinken wanneer het lek niet tijdig gestopt wordt.
+
+Spreekwijze: Dat is een G-- (een onherstelbare ramp).
+
+Groot, b. n. -- Wordt toegepast op voorwerpen, die betrekking hebben
+tot den Grooten Mast of zich in de nabyheid daarvan bevinden. Zoo:
+G-- zeil, G-- bovenbrambrassen, G-- bovenbramstengepardoens, enz,
+voor zeil, bovenbrambrassen enz. van den G--en mast. Zoo G-- Luik
+voor het luik voor den G--en mast.
+
+Guds, z. n v. -- Draaiende, holle Beitel. Timmermansbeitel, met
+boogvormig lemmer. Platte G--, SteekG--, HokG--, DopG--. Het woord
+schijnt zijn naam te hebben van het geluid, dat gehoord wordt als de
+beitel door het hout gedrukt wordt.
+
+Guur, b. n. -- Streng, straf. G-- weer, Gure wind.
+
+Guineesvaarder, z. n. m. -- Een schip of schipper, die op de kust
+van Guinee vaart.
+
+Gij, Gijn, Gijen enz. -- Zie op Gein, Geien.
+
+Gijk. -- Zie Giek.
+
+Gijpen, o. w. -- Doorkruizen, overgaan: het naar de andere zijde
+schielijk overslaan van den bezaans brikzeilsboom.
+
+
+ En nu gy 't alles wenscht in uwen klaeu te grijpen,
+ Ziet licht de laege Wael 't gespannen zeil aen 't gijpen.
+
+ Antonides, Ystroom.
+
+
+Spreekwijze: Pas op de Gijp (wacht u voor de wisselvalligheid der
+fortuin).
+
+
+
+
+
+
+
+H.
+
+
+Haai, z. n. m. -- Verslindende visch, en benaming die dikwijls door
+de matrozen aan een schuldeischer gegeven wordt.
+
+Spreekwijze: Hy is naar de H--en (hy is dood en weg: omdat iemand die
+aan boord sterft en in zee geworpen wordt, groote kans loopt van door
+die gedierten te worden verslonden.)
+
+Er zijn H--en op die kust (er is gevaar by.)
+
+Haak, z. n. m. -- Hoekig of gekromd yzer, dienende om eenig ander
+voorwerp mede vast te houden, tot zich te trekken, of er nader by te
+komen. Zie Bootshaak, Dreghaak, Pomphaak, Schippershaak, Taliehaak,
+Wartelhaak.
+
+Spreekwijze: Het zijn Haken en oogen (het is een verwarde zaak:
+omdat haken en oogen in elkander gehecht worden).
+
+Haakblok, Haakbout, enz. -- Blok, bout, enz., met een haak voorzien.
+
+Haaklasch, z. n. v. -- Lasch, waarby het verbindingsvlak schuins of
+Haakswijs ligt.
+
+Haaksleuf, z. n. v. -- Yzeren of metalen Haak, die door de planken
+van het scheprad eener stoomboot heenloopende, elke spaak van dat
+rad omvat.
+
+Haaksteek, z. n. v. -- Zie Hollander.
+
+Haal, z. n. m. -- Beweging van een riem. Men liet de galei loeven,
+goed ophalen, fiksche H--en doen. Nog een H--tjen en wy zijn er.
+
+Haan, z. n. m. -- Een vierkant stukjen koper, in de schijf van een
+blok geslagen en waar de schijf over loopt.
+
+Hairbekleeding, z. n. v. -- Geteerde vermenging van koe- of ander
+beestenhair met papier enz., welke men op de romp van een schip
+aanbrengt, tusschen de buitenhuid en de houten dubbeling.
+
+Haken, b. w. -- Met een Haak tot zich trekken.
+
+Spreekwijzen: Ergends naar H-- (naar verlangen). Het moet vroeg
+krommen, dat H-- zal. Zie Krommen.
+
+Haken, z n. m. mv. -- Schuine endjens van planken, waar kepen in
+gemaakt worden om in elkander te sluiten.
+
+Hakgeld, z. n. o. -- Kosten voor het vellen, door omhakken te weeg
+gebracht.
+
+Hakkebord, z. n. o. -- Letterlijk een Bord, waarop iets gehakt of
+uitgehouwen staat: en in het bijzonder het bovendeel van den spiegel,
+dat uitgehakt werd in verschillenden vorm, ten einde het schip te
+onderkennen.
+
+Halen, b. w. -- 1o. Hijschen, trekken: Haal (d. i. trek harder). Haal
+beter, al stijver! (komm.) De bocht uit een zwaar touw H--. Stijf
+H--. Aan een touw H--. Op een talie H--. Aan boord H--. Haal wat aan!
+
+2o. Roeien. Haal op! (roei op). Haal uit! (doe je best).
+
+Spreekwijze: Haal je niet, zoo heb je niet (verzuim de gelegenheid
+niet).
+
+Halfdek, z. n. o. -- Zie Dek.
+
+Halfsleten, b. n. -- Voor Half versleten. Een H-- zeil.
+
+Halfwind, z. n. w. of Dwarswind. -- Wind, die van terzijde, die dwars
+komt. Met H-- zeilen.
+
+Hals, z. n. m. -- 1o. Een touw, dienende om, by-de-wind zeilende,
+de loef-, fokke- en groote schoot, voor uit te halen. De H--
+van den bezaan en van de slagzeilen dient om het staande lijk er
+van naar beneden te halen. Zwakke H-- (zie Zweeptopper). Looze H--
+(die alleen dient om een gewonen te vervangen). Tusschen twee Halzen
+varen (voor-de-wind varen! omdat de H--zen of H--taliën gemeenlijk
+los of open zijn.) Overdrachtelijk: de keus tusschen twee zaken,
+die op 't zelfde neêrkomen.
+
+2o. Hoek, vereenigingsplaats. De H-- van een anker, de H-- van een
+kanon. H-- van een knie.
+
+Halsklamp, z. n. v. -- Soort van groote klamp met een schijfrad
+voorzien, die aan stuur- en aan bakboord op de buitenhuid wordt
+aangelegd om er den Hals van 't groote zeil door aan te halen.
+
+Halvermast, Halversteng. -- Zie Mast, Steng.
+
+Halzen, o. w. -- Het schip by stormweer doen wenden; ook algemeen in
+gebruik voor: voor-de-wind omwenden.
+
+Hamer, z. n. m. -- Timmermansgereedschap, waarmede geklopt
+wordt. Yzeren H--. Houten H--. Kalfaat H--.
+
+Hamerslag, z. n. o. -- Gruizeltjens, die van het yzer afspringen
+terwijl het gesmeed wordt, en die geschikt zijn om op scheepsdekken
+gestrooid te worden ten einde men niet aan het pek kleve en het
+houtwerk duurzamer blijve.
+
+Hand, z. n. v. -- Het gedeelte van het anker, dat den grond als met
+een H-- vat. Zie Ankerhand.
+
+Handdag, z. n. m. in 't mv. handdagen. -- End touw, dat men in de
+Hand houdt om er strafoefening mede te verrichten.
+
+Hand over hand, bw. -- Beurtlings, zonder rukken. H-- O-- H-- halen,
+H-- O-- H-- inpalmen.
+
+Handgeld, z. n. o. -- Som, die aan de zeelieden op Hand gegeven wordt
+en waarvoor zy zich verbinden, mede te varen.
+
+Handgift, z. n. v. -- Het eerste geld, dat men op een dag ontfangt. Ik
+heb nog geen H-- van u gehad, is de gewone begroeting, waarmede een
+kroeghoudster een binnenkomenden matroos toespreekt.
+
+Handtjen leenen, (een) o. w. -- Helpen, byspringen.
+
+Handplaat, z. n. v. -- Soort van vingerhoed, dien de zeilemakers met
+een lederen riem aan de hand vastbinden.
+
+Handspaak, z. n. v. -- Spaak, die met de hand bewogen wordt, in 't
+byzonder die, waarmede het braadspit wordt opgewonden. Daar de H--en
+altijd voor-de-hand liggen, worden zy ook in een gevecht gereedelijk
+als wapentuig gebezigd--ook om 't kanon te richten.
+
+Handzaam, b. n. -- Wordt de weersgesteldheid genoemd, wanneer zy alle
+soort van verrichtingen toelaat. 't Is H-- weer. Een H--e wind.
+
+Hanepoot, z. n. v. -- Touw, waarvan men de beide enden op eenigen
+afstand van elkander op of aan iets vastmaakt, b. v. aan de staande
+lijnen van de marszeils. (zie Spruit) In het midden dier touwen is
+een ring, waarin de boelijn gesplitst is. De H-- op den bezaansgestel
+dient om dien op te hijschen: de zonnetent hangt aan een H-- onder
+'t bezaansstag.
+
+Hang, z. n. o. -- Plaats, waar haring of bokking opgehangen en
+gerookt wordt.
+
+Hangen, o. w. -- Nederwaarts gebogen zijn. De kiel Hangt. Het H--
+der masten, van den voorsteven, enz.
+
+Hanger, z. n. m. -- Oplanger, stut. Stuk hout, dat tot verlenging
+dient van de spanten van het inhout.
+
+Hanggat, z. n. o. -- Bynaam voor een schip dat van achteren zwaar
+is uitgebouwd.
+
+Hangkompas, z. n. o. -- Kompas, dat aan de zoldering, en dus omgekeerd,
+hangt.
+
+Hangmat, z. n. v. -- Stuk zeildoek van ongeveer twee el lengte en
+anderhalve baan breed, en hetwelk, aan beide einden door vele touwtjens
+(scheerlijnen) in een ring of oog vereenigd een eivormige gedaante
+krijgt. Door die ringen of oogen zijn de vierlijnen, waarmede de H--
+'t hoofdeind aan de klabaai en het voeteneinde aan een ring, die in 't
+boord zit, wordt opgehangen aan de tusschendeksbalken, en de slaapstede
+vormt van den matroos. Oorspronkelijk was zoodanige slaapstede van
+eenvoudig Matwerk en van daar de benaming. Met de H--ten wordt het
+schip verschanst.
+
+Hangstelling, z. n. v. -- Twee of drie planken op twee dwarsbalken
+gespijkerd, en die langs de buitenzijde van het schip worden
+uitgehangen om te breeuwen, te teeren, enz.
+
+Hardzeiler, z. n. m. -- Zie Snelzeiler.
+
+Hardzeilery, z. n. v. -- Watervermaak, waarby eenige vaartuigen
+met elkander wedyveren, wie 't spoedigst door behulp van zeilen een
+gegeven afstand zal afleggen.
+
+Haring, z. n. m. -- Kleine visch, die zich, in tallooze menigte,
+by scholen in de omstreken van Schotland onthoudt, en waarvan de
+vangst en het kaken onderhoud aan menig huisgezin verschaft. GrasH--
+(die dicht onder den wal, als 't ware in 't gras gevangen wordt en
+daarom niet van de beste hoedanigheid is.) Volle H-- (die volwassen
+en vol kuit en hom is). KruisH-- (die na Kruisverheffing gevangen en
+met de drie Amsterdamsche kruisen op de ton gemerkt wordt). BuisH--
+(die met buizen gevangen wordt). PekelH-- (die gezouten is). ZeeH--
+(die gezoden of gekookt wordt). BraadH-- (die geweekt zijnde op den
+rooster gebraden wordt).
+
+
+ O wat een gulden neeringh,
+ En voedsel brenght ons toe de coninghlijcke Heringh,
+
+
+zingt Vondel in zijn Lof op de Scheepv.
+
+Peetjens H-- of Prezent H-- (die van de beste soort is en aan hen
+gezonden wordt, die men verplichten wel).
+
+Spreekwijze: Ik zal daar kuit of H-- van hebben, (ik moet weten,
+wat daar van is, of die zaak goed of kwaad is.--De spreekwijze is
+daarvan ontleend, dat de kuit of zoogenaamde moeder visch niet voor
+het gebruik deugt en niet als goede H-- gerekend wordt).
+
+Van Duinkerken ter H-- varen (er slecht afkomen: omdat de Duinkerkers,
+wanneer zy het waagden, mede op de haringvangst uit te gaan, door de
+Hollandsche visschers doorgaands mishandeld werden).
+
+Zoo gepakt als H-- (zeer naauw gezeten zijn: omdat de H-- in dichte
+scholen zwemt, of dicht opeen getond wordt).
+
+Mijn H-- braadt daar niet, (ik heb daar geen vriendschap te wachten:
+ik sta daar niet in de gunst).
+
+Hy roept van H-- voor Sint Jan (Geen hei roepen, eer men over den
+dam is).
+
+Mooi weer en geen H-- (het innerlijke beäntwoord niet aan het
+uiterlijke).
+
+Haringbuis, z. n. v. -- Zie Buis.
+
+Haringpakkery, z. n. v. -- Een plaats in de steden, waar de Haring
+gepakt, dat is, in tonnen gedaan werd.
+
+Harpoen, z. n. m. -- Yzeren werktuig met een weêrhoek, van achteren
+met een houten kruk voorzien, waaraan een touw bevestigd is, om het,
+wanneer het in het lijf van een visch vast zit, terug te kunnen halen.
+
+Harpoender, z. n. m. -- Iemand, die zich op het Harpoenen verstaat.
+
+Harpoenen, b. w. -- Met een Harpoen treffen.
+
+Harpuis, z. n. o. -- Harstachtige stof, waarmede de huiden der schepen
+bestreken en tegen het gewormte worden vrijgehouden.
+
+Harpuislepel, z. n. m. -- Lepel om 't Harpuis mede te scheppen.
+
+Harpuizen, b. w. -- Met Harpuis bestrijken.
+
+Hart, z. n. o. -- 1o Van een schip: dat gedeelte, waar de planken en
+ribben het dikst zijn.
+
+2o. Van een touw. Wit gestrengeld garen, dat de binnenste ruimte vult
+van een vierstrengs-touw.
+
+3o. Werktuig, dat in houten pompen gebruikt wordt.
+
+Hartbindsel, z. n. o. of Kruisbindsel -- Bindsel of sjorring,
+aangeslagen op de plaats, waar twee lijnen elkander kruisen.
+
+Hartjen, z. n. o. -- Zie Pomphartjen.
+
+Haven, z. n. v. -- Plaats, waar de schepen veilig liggen
+voor stormen en zeegevaren. ZeeH-- (waar de zee een inham
+vormt in 't land). RivierH-- (die by de monding ligt van een
+stroom). KrijgsH--, OorlogsH-- (waar 's Lands oorlogsschepen gehouden
+worden). KoopvaardyH-- (waar alleen koopvaarders in liggen). Sluip-
+of VerverschingsH-- (waar geen werven bestaan). OpenH-- (die men
+beneden winds heeft). Besloten H-- (waar men den mond niet van ziet
+wanneer men er in ligt, zoodat men er geheel beschut is tegen zee en
+wind). TijH-- (waar men de werking in voelt van den vloed). VrijH--
+(waar de koopgoederen geen rechten betalen). By- of HulpH-- (van den
+tweeden rang). NoodH-- (waar men uit nood binnenloopt.)
+
+In Rotterdam, Dordrecht enz. geeft men ook den naam van H-- aan wat
+men elders "gracht" noemt.
+
+Spreekwijze: In behouden H-- zijn (zich buiten gevaar bevinden).
+
+Op een vreemde H-- geweest zijn (gemeenschap gehad hebben met een
+andere dan de echte vrouw:--omdat by de matrozen vrij algemeen de
+leus is: "zoo menige H--, zoo menige vrouw").
+
+Daar is geen H-- mede te bezeilen (men kan met hem niet verder komen).
+
+Alle H--s schutten geen wind (niet alles strekt tot eer en voordeel,
+waar men eer en voordeel van wacht.)
+
+Havenen, b. w. -- 1o. In een Haven bergen. Die goederen worden alleen
+gelost om Gehavend te worden.
+
+2o. (veroud.) Schoonmaken. Zoo vindt men in oude
+weeshuis-verordeningen: "de knechtskens en meiskens zullen eenmaal
+'s weeks Gehavend worden." Hiervan is later H-- in den zin gebruikt
+van "kammen, onder handen nemen."
+
+Havengeld, z. n. o. -- Geld, dat betaald wordt om een Haven te mogen
+binnenloopen of er in te liggen.
+
+Havenmeester, z. n. m. -- Opzichter van een Haven, die voor de
+uitdieping, de kaaien, het paalwerk, het opkorten der schepen, enz.,
+te zorgen heeft.
+
+Havery z. n. v. -- Zie Avery.
+
+
+ De scha van haverye en parken te begraven,
+ In 't onweêr wort met vreught van overwinst begroet.
+
+ Vondel, Inwijding van 't stadthuis.
+
+
+Heien, b. w. -- Palen inslaan. Roemer Visscher, 2e schok 60, bezigt het
+van een schip, dat diepgaande is, en als in zee wordt ingeslagen. Zie
+Stampen.
+
+Heiblok, z. n. o. -- Zwaar blok, dat, aan verscheiden touwen
+vastzittende, op- en nedergelaten wordt om er palen mede in te slaan.
+
+Hek, z. n. o. -- Het slot van het achterschip.
+
+Hekbalk, z. n. m. -- Een gedeelte van den wand, dat de beide zijden
+van het schip verbindt, aan Hek en Wulf tot grondslag strekt, en
+waarop de enden der buitenboords-planken bevestigd worden.
+
+Hekboot, z. n v. -- De kleinste boot, die aan 't hek opgeheschen wordt.
+
+Hekknieën, z. n. v. mv. -- Knieën, die de hekbalken aan het schip
+verbinden.
+
+Heksluiter, z. n. o. -- Eigenaardige naam van het laatstkomende schip
+eener linie.
+
+Hekstut, z. n. m. -- Knievormige stut, met een papegaaisbek, op het
+einde des Hekbalks geplaatst en daaraan vastgehecht.
+
+Hel, z. n. v. -- 1o. Benaming, die vroeger te Amsterdam werd
+gegeven aan een pakhuis, waar gesloken goederen in bewaard
+werden,--waarschijnlijk, om dat zy er niet licht weêr uitkwamen.
+
+2o. Of Blakhel. Hok omlaag op de koebrug, dienende tot berging van
+onderscheidene dagelijksche behoeften, als olie, pek, enz.
+
+Hellen, o. w. -- Overhangen, overhalen. Dat schip helt zwaar, het
+hangt veel over.
+
+Helling, z. n. v. -- Soort van glooiend roosterwerk op den vasten grond
+aangelegd en waarop het vaartuig gebouwd of hersteld wordt. VoorH--
+(dat gedeelte der H--, dat door het water is overdekt). Overdekte H--
+(die een dak heeft). SleepH-- (om vaartuigen te herstellen).
+
+Spreekwijze: 't Moet op de H-- ('t heeft herstelling noodig).
+
+Helmstok, z. n. m. of Roerpen. -- Staaf of stok, die het roer in
+beweging brengt. 't Woord is, volgends sommigen, 't zelfde als halm
+(spriet) wat nog in 't Engelsch voor "roer" gebruikelijk is. Intusschen
+moet men niet vergeten, dat de stokken, vooral op binnenvaartuigen,
+tot knop een hoofd hadden met een Helm voorzien, waarop de stuurman
+zijn hand leî.
+
+
+ 't Verstand, door 't dwalen van zijn werktuig, schokt en zwiert,
+ Niet anders dan het roer dat heel de hulk bestiert,
+ Wanneer de helmstok faalt, door stormweer weggeslagen.
+
+ Bilderdijk, Ziekte der gel.
+
+
+Spreekwijze: De een staat aan den H-- de ander aan den boeg, (de een
+waakt op deze, de andere op gene wijze voor 't algemeen belang).
+
+Helpen, b. w. -- Men wordt gezegd, een schip te H--, wanneer men de
+werking der zeilen by die van het roer voegt, of, by kalmte, de riemen
+gebruikt, en aan de eene zijde goed, aan de andere verkeerd roeit,
+om zoo te wenden.
+
+Hengst, z. n. m. -- Klein zeilvaartuig op onze binnenwateren in
+gebruik.
+
+Hennegat, z. n. o -- 1o. Eivormige opening, boven den achtersteven
+gemaakt, om er den kop van 't roer doorheen te brengen.
+
+2o. Achterste gedeelte van de sloep, afgescheiden door het hekkebord,
+tot een zitplaats voor den kwartiermeester, die aan 't roer zit.
+
+Heude, z. n. v. -- (veroud.) soort van vrachtschip op de binnenwateren.
+
+
+ Ick laet de Binnen-vaert........
+ Van Heuden, Playten, Boots, Smack-seylen ofte stevens,
+
+
+zegt Vondel in zijn Lof op de Scheepv.
+
+Hiel, z. n. m. -- 1o. Hoek van den achtersteven met de kiel.
+
+2o. Onderste gedeelte van de steng, waarin de schijf loopt.
+
+Hielen, o. w. -- Met het achtereinde van het schip tegen den grond
+stooten.
+
+Hieling, z. n. v. -- De verdubbeling onder aan de steng.
+
+Hielingsplaten, z. n. v. mv. -- Platen, aan weêrszijde van het
+achtereinde der kiel aangebracht en door de kiel en door den steven
+aan elkander gebout.
+
+Hielingssteek, z. n. m. -- Knoop, dienende om twee lijnen spoedig
+aan elkander vast te hechten. Zie Mastwerp.
+
+Hobbelen, o. w. -- Freq. van "Hobben" (zich bewegen) en alzoo: "zich
+herhaaldelijk, zich heen en weder bewegen." Bepaaldelijk wordt de
+uitdrukking gebezigd van een vaartuig, dat in 't water ligt.
+
+
+ Daer leit de dicke romp en hobbelt zijght en stijght.
+
+ Vondel, Scheepv.
+
+
+Hoek, z. n. m. -- 1o. Uitstekende landpunt. De H-- van Holland.
+
+Spreekwijzen. Den H-- te boven zijn (de zwarigheid overwonnen hebben):
+om dat H--en altijd hinderlijk zijn voor wie in-de-wind moet oplaveeren
+en het rondkomen van een H-- den schipper altijd groote blijdschap
+geeft.
+
+Het H--jen om zijn (dood zijn:--omdat men dan uit het gezicht en voor
+de nablijvenden weg is).
+
+Uit den H-- komen, (voordeel aanbrengen. Wanneer een baak, toren,
+enz., die aan de andere zijde van den H-- staat, te voorschijn of
+uitkomt, dan is dit een bewijs dat men den H-- te boven is, en dus
+een voordeelig teeken).
+
+2o. Vischangel. Hy heeft den H-- al tot de keel, (de man is al binnen).
+
+Hoeker, z. n. m. -- Groot Noordsch visschers- en transportvaartuig. De
+H-- heeft twee masten, den eenen in 't midden, den anderen achter;
+de groote mast voert een groot- en een marszeil, de achterste mast een
+vierkant zeil boven een klein brikzeil. Nog voert de H-- drie groote
+kluivers en een blindzeil. De naam van H-- schijnt daarvan afgeleid,
+dat zoodanige vaartuigen oorspronkelijk uitgingen om met hoekwant
+te visschen.
+
+Hoekwant, z. n. o. -- Vischwant van hoeken voorzien.
+
+Hoekmannen, z. n. m. mv. -- Beelden, die aan de hoeken van den spiegel
+tot cieraad gesteld worden.
+
+Hoepel, z. n. m. -- Cirkelvormige lat of ijzeren band, tot omsluiting
+dienende van eenig rond voorwerp.
+
+Hoezee. -- Uitroep.--Zie Houzee.
+
+Hofmeester, z. n. m. -- De man, die aan boord van de schepen met de
+kajuitstafel is belast. Op koopvaardy- of beurtvaartuigen zorgt hy
+ook voor die der passagiers.
+
+Hog, z. n. m. (veroud.) -- Toestel, die gebezigd werd om de buitenhuid
+van een schip schoon te maken. 't Woord is Saksisch en beteekent
+"varken".
+
+Hoggen, b. w. of Varkenen. -- Met een Hog schoon maken.
+
+Hol, z. n. o. of Holte. -- Het ruim van de scheepsromp: ook voor de
+romp zelve gebezigd. Hy komt met het H-- boven water (het schip,
+waarvan men eerst slechts de masten kon zien is zoo veel genaderd
+dat men de romp kan zien). Stengen en raas in 't H-- neder strijken.
+
+Hol, b. n., en by. -- H--le of H--gaande zee (onstuimige zee: omdat,
+hoe zwaarder de zee is, hoe grooter en dieper zich de holten tusschen
+de baren vertoonen).
+
+Spreekwijze: Het gaat er H-- toe (men ligt er geweldig overhoop).
+
+Holker, z. n. m. (veroud.) -- Soort van Noordsch vaartuig.
+
+Hollander, z. n. m. of Haaksteek. -- Knoop, dien men met het end van
+een talreep slaat om den hoek van een talie.
+
+Hollander (De vliegende) z. n. m. -- Spookschip, hetwelk de zeelieden
+beweeren, dat zich in de Indiën beneden de Kaap onthoudt en altijd met
+volle zeilen tegen den storm instevent. De ontmoeting van den V-- H--
+spelt een onvermijdelijke schipbreuk. De reden, waarom de manschap
+van dit spookschip de straf zoû verdiend hebben om eeuwig over zee
+te dwalen, wordt verschillend opgegeven.
+
+Holte, z. n. v. -- De H-- of 't Hol van een schip is de afstand,
+die aanwezig is van het bovenste der kiel tot aan de rechte lijn van
+het bovenend der balken van het opperdek. H-- in het ruim (de diepte
+van het ruim, gemeten van boven het zaadhout loodrecht op tot onder
+de hoofdbalk).
+
+Holtertepolter, bw. -- Door elkander verward. Zy vielen H-- (hals over
+kop) naar lij. Omtrent de afkomst van dit woord wordt het volgende
+verhaald. Een Zwolsche beurtman, met grasmaaiers geladen, zeilde met
+een stijve koelte by-de-wind. Eenigen onder de Duitschers, die zeeziek
+voor op 't dek lagen, gleden telkens naar lij. De schippersknecht,
+om dit voor te komen, gelastte hun zich aan elkander, en den bovenste
+loefwaarts, den bolder, daar de fokkeschoot aan belegd wordt, vast te
+honden. Dit middel om niet aan lij over boord te vallen, maakten de
+Duitschers aan hun landlieden bekend, en wanneer zy over de Zuiderzee
+voeren en er doorgaands zeezieken onder hen waren, grepen zy elkander
+aan en riepen tot den sterkste onder hen: holte Er den Polter (hou
+gy den bolder vast), wat echter niet belette, dat zy nog dikwijls
+door elkander tuimelden.
+
+Hommer, z. n. m. -- Schaal op den kop van een voorsteng of
+voorbramsteng, dienende tot steun van de zalingen of touwen.
+
+Hommergat, z. n. o. -- Het gat in het ezelshoofd, waar de steng
+doorloopt.
+
+Hondefok, z. n. v. -- Speeltakel of Vierlinger.--Lichte takel, dien
+men ergends aan vast maakt, b. v. aan de sloep, en dienende om zware
+voorwerpen op te hijschen uit het ruim.
+
+Hondehok, z. n. o. -- Een houten trap voor een luik, dienende om het
+zeewater te keeren, en van zijn vorm zijn naam ontleenende.
+
+Hondenend, z. n. o. -- Het achterste end van kabeltouw, waarvan de
+strengen niet ineengedraaid zijn. Zie Bitterend.
+
+Hondepint, z. n. o. -- Dubbel end touw, tot vastbinden gebezigd.
+
+Hondepunt, z. n. v. -- Vorm, dien men aan het end van een touw geeft,
+om het gemakkelijker door de katrollen heen te werken.
+
+Hondewacht, z. n. v. -- De wacht aan boord van middernacht tot vier
+ure, en aldus genoemd, omdat, op 't land althands, deze de gewone
+tijd is dat ieder zich ter ruste bevindt en het bewaken van huis of
+erf aan de Honden wordt overgelaten.
+
+Hoofd, z. n. o. -- 1o. Soort van kaai van hout of steen, die in een
+zee of rivier uitsteekt, 't zij om de kracht van den stroom te keeren,
+'t zij om het aanleggen gemakkelijker te maken.
+
+2o. Uitstek van een scheepsluik, dienende om het water te keeren.
+
+3o. Het bovenste; als: H-- van den mast, steng, enz.
+
+Hoofd. -- Beteekent in de samenstelling met andere woorden: het
+voornaamste: zoo zijn de H--zeilen, de zeilen van den fokkemast
+en boegspriet, H--touwen, de touwen die ter weêrszijden der masten
+staan, enz.
+
+Hoofdtouwen, z. n. o. mv. -- Het staande want.
+
+Hoofdwinden, z. n. m. mv. -- De winden, die uit de vier hoofdstreken
+waaien. Aldus door Antonides in zijn Ystroom geschetst:
+
+
+ Het lenteblaezend West,
+ Het kielverdelgend Noort en zijn verwoede buien,
+ Het kruitverzengend Oost en waterzuchtig Zuien.
+
+
+Hoofdwindstreken, z. n. v. mv. -- Noord, Oost, Zuid en West.
+
+Hoofdzee, z. n. v. Waereldzee of Oceaan. -- Zee, die niet binnen
+landen geheel of gedeeltelijk besloten is.
+
+Hoogaars, z. n. v. -- Zeilschuit, op Maas, Lek en Yssel in gebruik voor
+de zalmvisschery. Volgens de benaming zoû zy een hoog achterste moeten
+hebben; thands is het echter de boeg, die hoog uit 't water ligt.
+
+Hoogbootsman, z. n. m. (veroud.) -- Zoo werd de Opperbootsman
+genoemd. Thands heet die "Schipper."
+
+
+ D' onwrikbre Noortstar, groote Beer,
+ Daar elk Hoogbootsman koers na richtte.
+ Is zonder glans en straalt niet meer.
+
+ Oudaen, Zweedsche hoogmoed.
+
+
+Hoogte, z. n. v. -- 1o. Opstand van den achtersteven, van den
+voorsteven van de waterlijn van een schip, gemeten van het onderste
+der kiel tot aan de uitersten dier deelen.
+
+2o. De verhevenheid van de zon of van elk ander gesternte boven den
+horizon, op het oogenblik, dat het den meridiaan doorgaat.
+
+Spreekwijze: H-- nemen (onderzoeken, in 't algemeen). Ik heb van die
+zaak geen H-- (zy gaat boven mijn begrip).
+
+3o. Nabyheid, meer bepaaldelijk gelijkheid van stelling met
+betrekking tot de breedte. Op de H-- van deze of gene haven,
+zeestraat, enz. gekomen zijn (zich op dezelfde breedte als gemelde
+plaats bevinden).
+
+Hoornklamp, z. n. v. -- Zie Klamp.
+
+Hoos, z. n. v. -- 1o. Waterschepper, Waterstorter. Zie Hoosvat.
+
+2o. Waterkolom, die door een wervelwind of andere oorzaak opgetrokken,
+zich in de gedaante van een omgekeerden kegel uit zee verheft en zich
+oplost in een wateruitstorting of in een felle windvlaag: vandaar
+WaterH--, WindH--. 't Is het oude oos, dat "water" beteekent. Wanneer
+men een H-- ziet naderen, tracht men er een kanonskogel doorheen
+te schieten, opdat zy zich voor 't naderen ontlade; daar het zeer
+gevaarlijk is er mede in aanraking te komen.
+
+Hoozen, b. w. -- Met water begieten: ook voor uithoozen gebezigd. Zie
+Uithoozen.
+
+Hoosgat, z. n. o. -- Het onderste van de kiel, waar het water
+samenloopt en naar buiten wordt geloosd. Men vindt dit niet op dek-
+of kuilschepen, maar alleen op kleine vaartuigjens.
+
+Hoosvat, z. n. o. -- Langwerpige, smalle, uitgeholde en gekromde
+schepper, waarmede het water geschept en uitgeworpen wordt.
+
+Horizon, z. n. m. of Gezichteinder. -- Streep, die de afscheiding
+maakt tusschen lucht en zee.
+
+Hospitaalschip, z. n. o. -- Stilliggend vaartuig, ingericht tot
+verpleging van zieken.
+
+Houden, b. w. -- 1o. Wederstaan, volharden. Zee H-- (in zee
+blijven). By-de-wind H-- (met zeilen by-de-wind zijn koers
+vervolgen). Dwars; dwars zees H-- (stroom of wind de zijde bieden). De
+ruimte H-- (op zekeren afstand van de kust blijven). Een zeil
+levendig H-- (de wind er uit houden.) Koershouden. (in de opgegeven
+streek zeilen). komm. Houdt wat ge hebt. De kust H-- (haar langs
+zeilen). Zie Houzee.
+
+2o. Vatten, grijpen. Het anker houdt (het vat in den bodem).
+
+
+ Geen anker houdt; geen kabel doet hier baat;
+
+ Bilderdijk, Krijgsmuzyk.
+
+
+Spreekwijze: Het was Hou en beleg. (Zie Beleggen.)
+
+Hout, z. n. o. -- 1o. Al wat van boomen afkomstig is en tot de
+timmeraadje dient. Goed H--, Deugdzaam H--, Vervuurd H--, Gezaagd H--
+enz. H-- voorscheen (het boord van het schip). Het schip staat vol H--
+(de kiel, stevens en inhouten zijn aangebracht en geplaatst).
+
+2o. Naam, die aan de rollen en planken gegeven wordt, waarop een
+visschersschuit geplaatst wordt om haar in zee te brengen. De man is
+op het H-- geholpen (de schuit is op rollen gezet).
+
+Houtverband, z. n. o. -- Verband, dat van Hout is saamgesteld.
+
+Houvast, z. n. m. --- Zie Balkhaak.
+
+Houzee, of Hoezee. -- Echte Hollandsche uitroep, doch verdrongen door
+'t Hoogduitsche of liever Kozaksche Hoera, waarop het geestige vaersjen
+van Staring slaat:
+
+
+ Is 't hoêra, is 't hoerá?
+ Brul, spreek ik, geen Kozakken na,
+ Als Willems batteryen spelen,
+ Als Fredriks oorlogstrommen slaan.
+ Blijve onze kreet val aan!
+ Als jong en oud in 't heil der overwinning deelen,
+ By Quatre-Bras trofee,
+ Blijve ons gejuich: hoezee!
+
+
+En te recht! Hoera is een bloote schreeuw, waar zich geen denkbeeld
+ter waereld aanhecht. Hou-zee daarentegen (zoo als de oude zeelui
+nog roepen) geeft te kennen: "blijf in zee, al splijt de mast, al
+kraakt de kiel, al scheuren de zeilen, blijf in zee, al bulderen de
+orkanen, al ratelt de donder, al zocht elk de haven!"--maar ook op de
+levenszee--"laat u niet afschrikken, door tegenspoeden, door onheilen,
+door laster, door volksgeschreeuw--Hou-zee! hou moedig zee!"
+
+Huid, z. n. v. -- Zie Dubbeling.
+
+Huidspijkers, z. n. m. mv. -- Spijkers, die tot aanhechting der
+dubbeling worden gebezigd.
+
+Huis, z. n. o. -- 1o. Het lichaam van een blok, waar een schijf in
+besloten zit.
+
+2o. Het schip zelf, b. v. in de uitdrukking: het anker te H-- halen,
+(het anker opwinden).
+
+3o. Het vaderland. Een te H-- vaarder (een schip, dat naar 't vaderland
+keert.) De te H-- reis, (de reis naar 't vaderland).
+
+Spreekwijze: Oost, West, t' H-- best.
+
+Hulk, z. n. v. -- Vaartuig, by onze voorouders in gebruik, en waarvan
+de gedaante nog voorkomt op het oude Amsterdamsche wapen.
+
+
+ Ten lesten ick mijn Hulk, op 't vlacke van den stroom,
+ Voor anker ryen zie,
+
+
+zegt Vondel, Lof der Zeevaart.
+
+Hut, z. n. v. -- Vertrek tot logies der officieren: op sommige
+koopvaardyschepen is er een H-- op 't bovendek, tot byeenkomst voor
+de passagiers.
+
+Spreekwijze. Als het in de kajuit regent, druipt het in de hut,
+(als meerderen er van lijden, krijgen minderen ook hun deel:--of wel:
+als de kapitein bromt, knorren de mindere officieren).
+
+Hijschen, b. w. -- Met touwen ophalen. Een marszeil in top H--. De
+sloepen H--. Met alle kracht H-- (met schokken en geweld van
+handen). Langzaam, gestadig aanH--. (met levendigheid en terwijl de
+handen elkander beurtlings vervangen).
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+In, voorz. -- Tegen. I-- de zee, in den wind.
+
+Inhalen, b. w. -- 1o. Naar zich toe Halen. Haal de zeilen In, (vouw
+ze op.) Zie Halen.
+
+2o. Op zijde komen. Het kostte ons geen moeite, dat schip In te halen.
+
+Inham, z. n. m. of Kreek. -- Binnenwaartsche wending van de zee in
+de kust.
+
+Inhout, z. n. o. -- Algemeene benaming, waaronder begrepen worden
+alle staande Houten, die tot den bodem en de wanden, en alle liggende
+Houten, die tot den bodem van een schip behooren en geen deel uitmaken
+van het lange scheepsraamvormige samenstel.
+
+Spreekwijze. Sterk van I-- zijn, (gezond zijn, krachtig zijn.)
+
+Inkeeping, z. n. v. -- Insnijding, in een steen of hout gemaakt, 't
+zij om een ander stuk er in te doen vatten, 't zij uit anderen hoofde.
+
+Inklaren, b. w. -- Op de uiterste wacht de verklaring des
+gezachvoerders van een binnenkomend schip aannemen, omtrent de
+goederen, welke hy aan boord heeft.
+
+Inkrimpen, o. w. -- Dichter samendringen. De wind Krimpt In, (de wind
+gaat tegen den loop der zon, b. v. van 't Westen naar het Zuiden).
+
+Spreekwijze: zich I-- (zijn leeftrant verminderen).
+
+Inbinden, b. w. -- Naauwer binden, en alzoo verminderen. Het zeil en
+reef I--. Zie Innemen.
+
+
+ Hy wist geen wind In zeil te binden.
+
+ Bilderdijk, Zeevaart.
+
+
+Spreekwijze: Hy moet een reef I-- (hy moet zijn staat wat
+verminderen:--ook wel: hy moet zoo veel praats niet hebben).
+
+Inbreken, o. w. -- 1o. Geweldig instorten, b. v. van de zee in
+het schip.
+
+2o. Bochten, rondte in een touw maken.
+
+Indompelen, b. w. -- In 't water zakken, diep liggen. Dat schip is
+N. voet In het water Gedompeld. (Het gaat N. voet diep). Het is van
+voren te veel Ingedompeld, ligt in den neus.
+
+Inkeepen, b. w. -- Door middel van een keep een stuk hout of steen
+in een ander doen vatten.
+
+Inladen, b. w. -- Bevrachten. Ik heb 100 balen rijst Ingeladen.
+
+Inlader, z. n. m. -- Zie Bevrachter.
+
+Inlaten, b. w. -- 't Zelfde als Inkeepen. Zie ald.
+
+Inlating, z. n. v. -- 't Zelfde als Inkeeping. Zie ald.
+
+Inloodsen, b. w. -- Zie Binnenloodsen.
+
+Inloopen, b. w. -- Binnenloopen, b. v. een haven. Het water begint
+In te Loopen, (de vloed komt door).
+
+Innemen, b. w. -- 1o. Aan boord nemen. Hy heeft tabak
+ingenomen. 2o. Inbinden. Een rif I--.
+
+Inpalmen, b. w. -- Een touw of lijn hand over hand naar zich toehalen.
+
+Spreekwijze: Iets I-- (by stukjens en brokjens terug krijgen).
+
+Inpennen, b. w. -- Een Pen in een gat slaan.
+
+Inpikken, b. w. -- Inhaken. Het Kiptakel I-- (den haak van het
+katloopersblok door den ankerring slaan). De slingertaliën I--
+(de haken dier taliën aan het scheepswand bevestigen om tot steun te
+dienen tegen het slingeren van 't vaartuig).
+
+Inschepen, b. w. -- Een lading of vracht aan boord brengen. De waren
+zijn ingescheept (zijn aan boord).
+
+Inschepen, (zich) o. w. -- Aan boord gaan met het doel om met het
+schip te vertrekken. Zich I-- voor de Oost.
+
+Inscheping, z. n. v. -- Daad van Inschepen. Sedert onze I-- zijn wy
+een maand op zee geweest. I--s troepen (troepen, bestemd om in de
+Koloniën of waar ook over zee gebezigd te worden).
+
+Inspit, z. n. o. -- Zie Roerpen.
+
+Insteken, b. w. -- Induwen, doorduwen. Een kabel I-- (te weten,
+door den ankerring.) Ook vastmaken: Een blok In een strop Steken
+(er in vastmaken).
+
+Intrekken, b. w.-- Inhalen, naauwer maken. Dat schip is boven
+Ingetrokken, (naauwer gemaakt). Zie Intrekking.
+
+Intrekking, z. n. v. of Invalling. -- Het Intrekken, of de invulling
+der spanten, d. i. het verschil tusschen de grootste halve breedte
+der spanten, en die, welke met de uiterste einden hunner armen
+overeenstemt. De I--, het invallen der boorden van een schip, (de
+hoeveelheid spanten, welke het boord vermindert van den frontdrempel
+der onderbattery afgerekend). Dit schip heeft te veel of te weinig I--
+(is veel, is weinig ingebouwd).
+
+Invallen, o. w. -- Tegelijk halen, hijschen, enz. Val in! (komm. voor:
+hijsch haal gelijk!)
+
+Invallen, (het) z. n. o. -- Zie Intrekking.
+
+Invalling, z. n. v. -- Zie Intrekking.
+
+Invoer, z. n. m. -- De bepalingen omtrent den I-- van goederen aan
+de zeezijde zijn te vinden in de Algem. Wet van 26 Aug. 1822. Derde
+Hoofdst. Art. 6-24: die omtrent den I-- langs de rivieren, in het
+Zesde Hoofdst. Art. 37-51: die omtrent heimelijken of strafbaren I--
+in Art. 205, 206, 207.
+
+Inwateren, o. w. -- Iets, door water, dat er binnendringt of sypelt,
+bederven. Dat hout is Ingewaterd (dat hout is doortrokken met water
+en alzoo bedorven).
+
+Inwijk, z. n. v. -- (veroud.) voor Inham.
+
+Inzeilen, b. w. -- 1o. Al zeilende binnenkomen. Die schepen zijn
+'t kanaal Ingezeild.
+
+2o. Achterhalen. Wy konden dat schip niet I--.
+
+
+
+
+
+
+
+J.
+
+
+Jaaghout, z. n. o. -- Spriet, die tot verlenging dient van den
+boegspriet, om dezen verder buiten den Voorsteven te doen uitspringen
+en waarop de kluiver wordt uitgehaald. Zie Jager.
+
+Jaagpad, z. n. o. -- Plaats, welke men langs de rivieren of vaarten
+laten moet om tot weg te dienen voor de menschen of paarden, die
+vaartuigen voorttrekken.
+
+Jaagpoorten, z. n. v. mv. -- De voorste poorten van een schip. Zie
+Jagen.
+
+Jaagschuit, z. n. v. -- Schuit, die aan een lijn wordt voorgetrokken
+door een of meer paarden.
+
+Jacht, z. n. o. -- Vaartuig, van vorm en getuigd als een Kits,
+vroeger hier te lande meer bepaald voor den oorlog bestemd en aldus
+genoemd, omdat het snel door zee Joeg. Men kende op 's Lands Vloot
+OorlogsJ--en, (die bepaald ten strijde waren toegerust), en AdviesJ--en
+(die tijdingen en brieven overbrachten). Voorts had men SpeelJ--en,
+(zoo op binnen- als buitenvaart, die alleen als vaartuigen van weelde
+werden gebezigd.) Lands-, Amiraliteits-, Provinciale en Stads J--en,
+die, met weelde vercierd, met beeld- en snijwerk voorzien, meestal
+dienden om de Gekommitteerden van het Lichaam, waaraan zy behoorden,
+op inspektiereizen of by andere gelegenheden over te brengen. By
+de aanzienlijke Engelschen is de liefhebbery voor SpeelJ--en sterk
+toegenomen en worden aan die vaartuigen verbazende sommen besteed.
+
+
+ Ginds spoedt een speeljacht over 't meer.
+
+ Vondel, Rei van Eubeërs.
+
+
+Jacht, z. n. v. -- Voor "vervolging." Hy maakte J-- op dat roofschip
+(hy vervolgde het.)
+
+Jachthaven, z. n. v. -- Legplaats der speeljachten. De AmstelJ--.
+
+Jachtklub, z. n. m. -- Vereeniging van vermogende minnaars van
+de zeilkunst, tot het houden van hardzeileryen en wedstrijden met
+Jachten. Dergelijke vereenigingen zijn 't eerst in Engeland ontstaan,
+en vervolgends elders, ook hier te lande, nagevolgd. Maar wat het
+vreemdste is, en tot schande voor onze natie, is dat, terwijl men zich
+in Engeland tot benoeming eener dergelijke vereeniging bediend had
+van twee echt Hollandsche woorden: Jacht (van jagen) en klub (kluwen,
+vereeniging), de naäpers alhier, by het noemen eener dergelijke
+maatschappy, de verbasterde Engelsche spelling gevolgd, en geschreven
+hebben Yacht-club, wat in 't Neêrduitsch niet te lezen is.
+
+Jachtschip, -- Zie Jacht.
+
+
+ Een Jachtschip, met gezwollen zeil,
+ Het brekend water kneedend.
+
+ Bilderdijk, Elius.
+
+
+Jaffa, z. n. o. -- Stad in Palestina, waar den reizigers en pelgrims
+dikwijls, tot hun ongemak, by gebrek aan vaartuigen, het terugkeeren
+belet werd.
+
+Spreekwijze. Hy komt van J-- (hy is, niemand weet waar,--hy ligt
+in onmacht).
+
+Jagen, b. w. -- Vervolgen.
+
+Jagen, o. w. -- 1o. Zich haasten, met snelheid vorderen. Hy Jaagt
+goed door (hy maakt veel spoed). In de samenstelling geeft J-- veelal
+datgene te kennen, wat by een vervolging 't eerst te pas, of met den
+vyand in betrekking komt. Zoo zijn J--hout de meest vooruitstekende
+spriet, zoo J--poorten de poorten, waar het eerst uit geschoten
+wordt, enz.
+
+2o. Op verkenning uitgaan. De Amiraal deed sein voor de Diana om te
+J-- (om vooruit te zeilen in een gegeven koers). Hy deed sein voor de
+Vloot om te J--, (ongeordend zoo snel mogelijk in een gegeven koers
+te zeilen.)
+
+Jager, z. n. m. -- 1o. De man, die het paard of de paarden bestuurt,
+die voor een jaagschuit gespannen zijn.
+
+
+ Men hoort den Jagerboef zijn ongemack' verfluyten,
+ Of koelen met een lied de bleinen die hy rijdt.
+ Niet nu eens, en eens flus, maar stadigh en altijd,
+ By doncker en by daegh.
+
+ Huyghens, Hofwijck.
+
+
+2o. De betrekkelijke benaming van een vaartuig, dat een ander
+vervolgt. Loefwaartsche, Lywaartsche J--.
+
+3o. Schip, dat ter ontdekking eens vyands vooruitgaat, J-- van een
+vloot. De J--s kracht van zeil doen maken.
+
+4o. Naam van den grooten kluiver.
+
+Jagers, z, n. m. mv. -- De twee stukken geschut, die op den boeg
+geplaatst worden, om vooruit te schieten.
+
+Jagerstukken, z. n. v. mv. -- Zie Jagers.
+
+Jakobsladder, z. n. m. -- Touwen ladder om in het kraaienest te komen.
+
+Janmaat, z. n. m. -- Jan is de naam, waarmede men hier te lande in
+'t algemeen iedereen noemt, wiens naam men niet kent: en J-- is
+by uitnemendheid de naam, dien men aan het scheepsvolk kollektief
+genomen geeft.
+
+Spreekwijze: Maatjan is knap, maar Janmaat is knapper. (Een matroos
+is vlugger dan een tijger, die in 't maleisch matian heet).
+
+Jein, z. n. m. -- Zie Gein.
+
+Jenevertuig, z. n. o. -- Gemeenzame en zinrijke benaming van noodtuig,
+hulptuig.
+
+Jol, z. n. v. -- Klein licht vaartuig, doorgaands van klinkwerk gebouwd
+en gebezigd om boodschappen over te brengen, om in zee gemeenschap
+met andere vaartuigen te hebben, drenkelingen te redden, enz.
+
+Jongen, z. n. m. -- 1o Knaap die dienst doet aan boord. Zie KajuitsJ--,
+ScheepsJ--.
+
+2o. Benaming, waarmeê de matrozen somtijds worden toegesproken,
+bepaaldelijk als men hen tot iets wil aansporen. Toe J--s! Wakker
+aan J--s! Toont nu, dat je ferme J--s bent! enz.
+
+Spreekwijze: Het zijn J--s van Jan de Wit. (Het oorlogschip, dat
+dien naam droeg, had in de vorige eeuw een uitmuntende bemanning,
+doch die bekend was door haar guitenstreken en losbandigheid als zy
+aan wal kwam).
+
+Jonk, z. n. v. -- Sineesch of Indiesch vaartuig.
+
+Journaal, z. n. o. -- Zie Dagregister.
+
+Judasooren, z. n. o. mv. -- Zie Apostelen.
+
+Juffer, z. n. v. -- 1o. Blok met gaten, beslagen met yzer, en dienende
+om de hoofdtouwen van buiten aan de schepen te zetten.
+
+2o. Spar, balk. Vergelijk Huygens Sneld. XVIII B. no. 80 en 144.
+
+Jut, (doove) z. n. v. -- Stuk hout, van voren met een klaauw voorzien,
+'t welk buiten de marsen wordt uitgestoken om de pardoens uit te
+houden.
+
+Jijn, -- Zie Gein.
+
+
+
+
+
+
+
+K.
+
+
+Kaag, z. n. v. -- Platboomd vaartuig op onze binnenwateren in
+gebruik. Het heeft een enkelen schuinschen mast en een halve
+boegspriet. Het voert een sprietzeil en een of twee fokkezeilen.
+
+
+ Een menigte vertrekt met Kagen, smak en jaght,
+ Naar 't Vlie en Tessel, waar hun de oorlogsvloot verwacht.
+
+ Antonides, Ystroom.
+
+
+Spreekwijze. De K-- is nog niet overgewonden--t. w. van 't eene water
+in 't andere--('t gelukt nog niet.)
+
+Kaagman, z. n. m. of Kaagschipper. -- Schipper eener Kaag.
+
+Kaagschipper, z. n. m. -- Zie Kaagman.
+
+Kaai of Kade, z. n. v. -- Dijk, dam: oorspronkelijk een zoodanige,
+die alleen gelegd werd om het zomerwater te keeren: thands meer
+bepaaldelijk een steenen wal, waar schepen aanleggen. Zoo is te
+Amsterdam de Geldersche K-- die, waar de schepen, uit Gelderland
+komende, plachten aan te leggen. Van K-- dat "keer" beteekent, komt
+bekaaid, d. i. verkeerd.
+
+Kaaiboef, Kaailooper, z. n. m. -- Kruier of kraankind, die aan de
+Kaai zijn kost zoekt te verdienen.
+
+Kaaidraaien, o. w. -- Met een klein vaartuig by de schepen rond gaan
+om eetwaren te verkoopen.
+
+Kaaidraaier, z. n. m. -- Het vaartuig, waarmede Gekaaidraaid wordt,
+of de man, die het voert.
+
+Kaaien, b. w. -- Strijken. De raas K-- (de raas schuins overeinde
+toppen, om daardoor by het verhalen in een haven niet aan scheepstuig
+van een ander schip onklaar te raken).
+
+
+ Hoe grote een vlote leght daar met zijn zees Gekaait.
+
+ Antonides, Ystroom.
+
+
+K-- wordt ook in 't algemeen gebruikt, voor: "van richting doen
+veranderen". Wanneer de bramraas opgebracht worden, staan zy overend:
+op 't komm. K--! worden zy horizontaal (vierkant) gehaald. De onderraas
+Gekaaid, d. i. langs scheeps liggende.
+
+Kaaigeld, z. n. o. -- Geld, dat betaald wordt om aan de kaai te
+mogen liggen.
+
+Kaailooper, z. n. m. -- Zie Kaaiboef.
+
+Kaaimeester, z. n. m. -- Beämbte, die voor het onderhoud der Kaaien,
+voor het innen van het Kaaigeld en de legplaats der schepen zorgt.
+
+Kaairing, z. n. m. -- Ring, aan de Kaai bevestigd, en waar de schepen
+aan worden vastgesnoerd.
+
+Kaak, z. n. v. -- 1o. Ton; 2o. Harde wind;--doch in beide beteekenissen
+verouderd.
+
+Kaal, b. n. -- Ontbloot. Een K--le ra (een ra zonder zeilen). Een
+K--le boeg (een boeg zonder ankers), enz.
+
+Kaan, z. n. v. (veroud.) -- Licht vaartuig.
+
+Kaap, z. n. m. of Voorgebergte. -- Van 't Spaansch Cabi en dit van
+'t Lat. Caput, d. i. hoofd, als zijnde een stuk lands of hoofd,
+dat in zee uitsteekt. Den K-- te boven komen (hem omzeilen).
+
+Spreekwijze: Hy zal den K-- niet halen (hy zal van zijn ziekte niet
+opkomen). Door den K-- wordt hier verstaan de K-- de Goede Hoop,
+waar de schepen die naar O. Indiën varen, zich plachten te ververschen.
+
+Kaap, z. n. m. -- Houten gevaarte op het land, dienende tot baken
+by peilingen.
+
+Kaap, z. n. v. -- Roof, alleen gebruikelijk in de uitdrukking ter K--
+varen (ter roof, om buit varen).
+
+Kaapstander, z. n. m. -- Zie Spil, gangspil, aardewind.
+
+Kaapvaarder, z. n. m. -- 1o. Een vaartuig dat op den Kaap de Goede
+Hoop vaart.
+
+2o. Een vaartuig, of
+
+3o. De Kapitein van zoodanig vaartuig, die voor eigen rekening ter
+Kaap vaart en buit gaat halen op de vyanden van den Staat.
+
+Kaapvaart, z. n. v. -- Koopvaardersbedrijf. Een schip ter K--
+uitrusten. De K-- drijven.
+
+Kaart, z. n. v. -- Van 't Ital. carta (blad) en daarom by uitnemendheid
+een blad, een bord of rol papier of andere zelfstandigheid,
+waarop de ligging van eenig land, zee, plaats of hemelstreek is
+uitgedrukt. Zie Paskaart, Waereldkaart, Zeekaart, Platte K-- (waarop
+alleen breedte is afgeteekend en die dus alleen voor de Noord-,
+Oostzee, enz. dient). Ronde K-- (waarop ook lengte is afgeteekend).
+
+Spreekwijze: Hy heeft de K-- niet (hy mist den noodigen leiddraad of
+de inlichtingen, hoe zich in die zaak te gedragen).
+
+Hy vaart maar op een platte K-- (zijn begrip reikt niet ver).
+
+Kaaskamer, z. n. v. -- Plaats, waar de kaas bewaard wordt.
+
+Kabas, z. n. v. (veroud.) -- Fuik.
+
+Kabbeljaauw, z. n. m. -- Bekende zeevisch.
+
+Spreekwijze: Een spiering uitwerpen, om een K-- te vangen (een klein
+geschenk geven om er een grooter te bekomen: een kleinigheid wagen
+om een belangrijke winst te doen, enz.).
+
+De spiering doet den K-- afslaan (de hoeveelheid van slechte waar
+is somtijds oorzaak, dat de goede voor een spotprijs moet verkocht
+worden).
+
+Er kan nog een K-- onderdoor (er is nog genoeg water onder de kiel;
+er is nog geld, wijn enz. genoeg).
+
+Kabel, z. n. m. of Kabeltouw. -- Zwaar touw, uit drie ineengedraaide
+touwen samengesteld, en voornamelijk strekkende om het schip aan
+een uitgeworpen anker bevestigd te houden. K-- insteken (het K--
+in den ankerring vastmaken). K-- korten (het inhalen of inwinden om
+het spil). K-- uitsteken (het uitvieren, bot geven). K-- om (wind het
+anker!). Aan boord is echter over 't algemeen het woord zwaar Touw
+meer in gebruik dan dat van K--. Volgends Bild. zou K-- van Oostersche
+afkomst zijn en "Verdubbeling" beteekenen. Zie zijn Gesl. in v.
+
+Spreekwijzen: Zoo grof als een K-- (ruw, onbehabbeld).
+
+De derde streng maakt den K-- (de derde man brengt de praat aan).
+
+Hy heeft een K-- maar die ligt op zolder (hetgeen men noodig heeft
+is niet by de hand).
+
+Daar is een kink in de K-- (er is een zwarigheid in den weg
+gekomen). Zie Kink.
+
+Zich in een K-- laten beschieten (zich buiten schoots houden).
+
+Kabelaring, z. n. o. of Kabellarga. -- Een, van kabelslag gedraaid,
+van afstand tot afstand van muizings, en aan de beide enden van oogen
+voorzien touw, waarvan het middel voor tusschen de kluizen en de enden
+langs stuur- en bakboordsbattery tot aan het achterspil gebracht met
+drie slagen om dat spil gelegd, en dus de beide enden door die oogen
+aan elkander gebonden worden; voorts met seisings op het ankertouw
+vastgemaakt en dienende om het anker te lichten. Kommando: Maakt klaar
+de K--! Smijt de K-- op het spil! K-- naaien! Spiltuigen. d. i. K--
+op het spil te doen.
+
+Kabelen, b. w. -- Aan kabels vastmaken.
+
+
+ De minder Booten
+ Gekabelt aen den rugh van die haer vorens gaen.
+
+ Huyghens, Spiegel.
+
+
+Kabelgaauw, b. n. -- Die vlug met de kabels kan omgaan. Aardig is de
+woordspeling van Huygens, die in zijn Zedeprinten een matroos noemt
+
+
+ Een Kabeljauws genand, van wegen 't Kabel-gauw.
+
+
+waaruit op nieuw bewezen wordt, wat ik elders herhaaldelijk heb
+aangevoerd omtrent de immer zachte uitspraak der g bij onze vroegere
+schrijvers.
+
+Kabelgaren, z. n. o. -- Uit het hondenend van 't zwaar of ander
+dienstig touw gehaald, dient voor schiemansgaren, platting en andere
+losse bindsels.
+
+Kabelgast, z. n. o. -- Zie Kapitein van het kot.
+
+Kabelgat, z. n. o. -- De scheepsruimte, waar de ankertouwen en ander
+waarloos touwwerk geborgen worden.
+
+Spreekwijze: Hy kruipt in 't K-- (hy is een bloodaart).
+
+Kabelketting, z. n. v. -- Yzeren kabel.
+
+Kabellarga, z. n. v. -- Zie Kabelaring.
+
+Kabellengte, z. n. v. -- Lengte van een Kabel, of 120 vademen. Het
+schip ligt op twee K--n van den wal.
+
+Kabelslaan, o. w. -- Een kabel vervaardigen.
+
+Kabelslag, z. n. o. -- Touw, waarvan de garens by 't slaan rond zijn
+ineengedraaid.
+
+Kabeltouw, z. n. o -- Zie Kabel.
+
+Kade, z. n. v. -- Zie Kaai.
+
+Kadet, z. n. m. -- Aspirant, kweekeling, die voor Officier wordt
+opgeleid.
+
+Kadraaier, z. n. m. -- Zie Kaaidraaier.
+
+Kaïck, z. n. v. -- 1o. (veroud.) Benaming, die gegeven plach te worden
+aan de sloep eener galei.
+
+2o. Klein vaartuig, in gebruik op de Zwarte Zee.
+
+Kajuit, z. n. v. -- Kamer voor den Kommandeur; op schepen, die geen
+westergang hebben, is zy het achterste gedeelte van het kuildek,
+bevattende tot aan den bezaansmast of onder de kampanje. De Voor K--
+is op 't kuildek, van den bezaansmast tot aan het voorste van den
+rooster van 't halfdek. Op de Koopvaardyschepen is zy--gelijk het
+woord aanduidt--oorspronkelijk "stookplaats" van Kaîen (branden,
+stooken) en meer bepaald, de stookplaats op een vaartuig. Deze werden
+langzamerhand ruimer en gemakkelijker; doch de naam bleef bewaard,
+en thands verstaat men door K-- een met slaapstede en andere gemakken
+voorziene kamer aan boord. Groote K-- (de grootste dier kamers, waar
+de hutten der Officiers of passagiers op uitkomen en het middagmaal
+gehouden wordt).
+
+Spreekwijze: Zie Hut.
+
+Kajuitsjongen, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen de kajuit
+en meer byzonder den Kapitein bedient.
+
+Kajuitswachter, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen den
+Kapitein ten dienste staat.
+
+Kaken, b. w. -- De haring in kaken of tonnen slaan.
+
+Kalderstok, z. n. m. -- Zie Holderstok.
+
+Kalefaten, b. w. Kalfaten of Kalfateren.-- Een schip breeuwen by de
+timmering. Zie Breeuwen. 't Is van 't Ital. Calfatare.
+
+Spreekwijze: Ik zal dat wel K-- (ik zal dat gat wel stoppen).
+
+Kalenboeg, z. n. m. (veroud.) -- Schip, dat zijn ankers verloren
+heeft en welks boeg dus kaal is. Zie Kaal.
+
+Kalf, z. n. o. -- 1o. Een stop- of aanvullingsstuk; vanwaar het ook
+in gebruik raakte voor kleine briefjes in grootere gestoken. Het was
+zoo een K--jen, in een brief der Staten aan Neyen en Verreycken door
+Oldenbarneveldt gestoken, 't welk hem later zuur opbrak.
+
+2o. Een inkeep in de zijplanken van de rampaarden, waar de stelhouten
+op worden vastgelegd, om het geschut naar tijdsgelegenheid daarmede
+te doen rijden of dompen.
+
+Kalfaatshamer, z. n. m. -- Hamer, waarvan men zich by 't kalfaten
+bedient.
+
+Kalfaattang, z. n. v. -- Tang om by het zware breeuwen, het kalfaatyzer
+mede vast te houden.
+
+Kalfaatyzer, z. n. o. -- Yzeren beitel, van onderen met een ronden
+kant, waarin een sleuf is.
+
+Kalfateren, b. w. -- Zie Kalefaten.
+
+Kalfatering, z. n. v. -- Het kalfateren.
+
+Kaliber, z. n. o. -- Betrekkelijke zwaarte b. v. van den kogel,
+die uit een stuk geschoten moet worden. Stuk van 30, van 24 ponds
+K--. Een schip van het zwaarste K-- (een driedekker).
+
+Kalken, b. w. -- De buitenhuid van een schip (vooral in de West-Indiën)
+met een dikke kalkpap besmeeren tegen den invloed van den worm in
+'t aangroeien.
+
+Kalmte, z. n. v. -- Windstilte.
+
+Kam, z. n. m. -- Smalle strook houts onder aan den uitlegger,
+hebbende de gedaante van een kam, en met twee gaten voorzien, die
+tot het toezetten der holgen dienen.
+
+Kammen, z. n. m. mv. (veroud.) -- Twee lange houten met ronde gaten,
+die onder de raas gespijkerd worden, om de zeilen daaraan te rijgen.
+
+Kameel, z. n. o. -- Groot gevaarte van byzonderen vorm, in 1698 te
+Amsterdam door Bakker uitgevonden, en dienende om schepen te lichten,
+om die over Pampus te brengen.
+
+Kamerband, z. n. m. -- Ring of astragaal van het Bodemstuk.
+
+Kamerstuk, z. n. o. -- Zie Steenstuk.
+
+Kamhout, z. n. o. -- Opvulling tusschen de slooiknieën tegen de scheg,
+somtijds met snijwerk voorzien.
+
+Kampanje, z. n. v. -- Licht dek, dat op groote schepen gebouwd wordt
+boven het halfdek en van den bezaanmast tot aan het achterschip loopt:
+onder de K-- is de kajuit, doch op linieschepen, die geen westergang
+hebben, zijn de hutten voor de Officieren onder de K-. Antonides
+gebruikt het woord onzijdig.
+
+
+ Klim op dit schip omhoog,
+ Dit oorlogsslot, en laet van 't steil Kampanje 't oog
+ Uitstrecken over 't vlak, van daer de witte duinen
+ Zich schijnen in de lucht te heffen met hun kruinen.
+
+ Antonides Ystroom.
+
+
+Kanaal, z. n. o. -- Zeestraat, zeeëngte. Meer byzonder wordt by ons
+door het K-- verstaan de zeeëngte tusschen Frankrijk en Engeland. Er
+hebben veel aanzeilingen plaats in 't K--: wy werden door tegenwind
+belet door 't K-- te komen.
+
+Kanbeitel, z. n. m. -- Soort van beitel.
+
+Kanetas of Kanevas, z. n. o. -- Van 't Ital. canavaccio, dat weder van
+'t Lat. cannabis (hennip) afkomt. Grof doek, zeildoek.
+
+Kanon, z. n. o. -- 't Ital. canone, pijp, buis.--Stuk geschut.
+
+Kant, z. n. m. -- Zoom, zijde, byzonder van 't Land.
+
+Spreekwijze: Het raakt K-- noch wal (het komt er in 't geheel niet by,
+het heeft zin noch slot.)
+
+Kant (over) b. w. -- Een schip O--K-- (over zijde) halen, om te
+koperen.
+
+Kant zetten, b. w. -- In orde stellen: De zeilen K-- Z--, (ze stellen
+gelijk ze wezen moeten).
+
+Spreekwijze: Kant en klaar (in behoorlijke orde).
+
+Kanterstok, z. n. m. -- Zie Kolderstok.
+
+Kanthaak, z. n. m. -- Zie Balkhaak.
+
+Kantimaroen, z. n. m. -- Zoo noemt men twee of drie saêmverbonden
+kanoos, welke men op de kust van Koromandel tot de vischvangst bezigt.
+
+Kap, z. n. v. -- Beschot van lichte planken, dat aan boord van
+koopvaardyschepen den achtertrap, op oorlogschepen den kop van het
+roer bedekt.
+
+Kapen, b. w. -- Rooven.
+
+Kaper, z. n. m. -- Vaartuig, door byzondere personen uitgerust om
+afbreuk te doen aan de vyanden van den Staat.
+
+Spreekwijze: Er zijn K--s op de kust, (er zijn er, die ons zouden
+benadeelen). De uitdrukking wordt veelal gebezigd door een minnaar
+ten opzichte van zijn medevrijers.
+
+Kapitein of Kaptein, z. n. m. -- 1o. De eerste gezachvoerder aan boord
+van een oorlogschip. K-- van de vlag (de gezachvoerder aan boord van
+het Amiraalschip.) By de manschap gaat de K-- doorgaands onder den
+naam van den Ouwe door.
+
+2o. De gezachvoerder aan boord van elk vaartuig, 't zij
+koopvaardyschip, 't zij trekschuit. In het eerste geval is de
+benaming door 't gebruik gewettigd, in het laatste wordt zy alleen
+beleefdheidshalve of uit scherts gegeven.
+
+Spreekwijze: Booi is K--; zie Booi.
+
+Kapitein-Luitenant, z. n. m. -- Zeeofficier, in rang volgende op den
+Kapitein ter zee, en gelijkstaande in rang met den Luitenant-Kolonel
+der Landtroepen.
+
+Kapitein ter zee, z. n. m. -- Zeeofficier, den rang voerende van
+Kolonel.
+
+Kapitein van het kot, z. n. m., Kabelgast of man in het kabelgat. --
+Matroos, die voor de dagelijksche behoeften, als kaarsen, touwwerk,
+enz., zorg draagt.
+
+Kaplaken, z. n. o. -- Geschenk, aan den gezachvoerder van een
+koopvaardyschip verzekerd by volbrachte reis.
+
+Kappen, b. w. -- Doorhakken. Het anker K-- (het touw doorhakken waar
+het anker aan vast is, als men geen tijd meer heeft het te winden).
+
+
+ Zy kappen d' anckers buiten hoop,
+ En drijven d'een op d'ander.
+
+ Vondel, Neerlaeg der Turksche Vloot.
+
+
+Kapseizen, o. w. -- Omslaan. Wy liepen gevaar van te K--. De
+uitdrukking is zeldzaam in gebruik.
+
+Karak, z. n. v. -- Zie Kraak.
+
+Karakor, z. n. m. -- Borneoosch vaartuig.
+
+Karavaanschip, z. n. o. -- (veroud.) Marseljaansch vaartuig, dat van
+haven tot haven met koopwaren op de Levant plach te varen.
+
+Karavel, z. n. v. -- Zie Karveel.
+
+Karbeel, z. n. v. -- Zie Karveelhout.
+
+Kardeel, z. n. m. of Val. -- Touw, dat gebezigd wordt om een zeil,
+vlag of wimpel op de begeerde hoogte te brengen.
+
+Kardeelbloks, z. n. mv. -- Bloks, dienende om de onderraas op hare
+plaats te hijschen en in de rakken te hangen.
+
+Kardoes, z. n. v. -- 1o. Zakjen van papier waarin een lading kruit voor
+een vuurmond geborgen wordt. 't Woord is verbasterd van kaartedoosjen,
+'t welk nog letterlijk in 't Fr cartouche gehoord wordt. De eerste
+K--zen waren namelijk kokers van kaartblad, en hingen aan de
+bandelieren der schutters.
+
+2o. Stuk hout, onder den verbindingsklos onder elken balk recht op
+en neder geplaatst en van achteren tegen de wegers gesteund.
+
+Kardoeskist, z. n. v. -- Kist, waarin de Kardoezen bewaard worden.
+
+Kardoeskoker, z. n. m. -- Ronde koker van dun hout, geschikt om een
+Kardoes te bevatten.
+
+Kardoesstok, z. n. m. -- Vorm, waar de Kardoezen, volgends de bepaalde
+maat, op genaaid worden.
+
+Karga, z. n. v. -- Lading, vracht.
+
+Kargadoor, z. n. m. -- Spaansch woord, bevrachter, doch by ons ongeveer
+'t zelfde als konvooilooper beteekende. Zie Konvooilooper.
+
+Kargalijst, z. n. v. -- Zie Ladingsbrief.
+
+Kargazoen, z. n. o. -- Spaansch woord, voor vracht en lading.
+
+Karmoezaal, z. n. m. -- Turksch koopvaardyvaartuig, met hoog
+achterschip: het voert een grooten mast, een boegspriet en een
+kleinen bezaan, het draagt een marszeil boven 't groote zeil, een
+klein achterzeiltjen en een stagzeiltjen voor.
+
+Karreldoek, z. n. o. of Noyaalsch Doek. -- Soort van zeildoek, dat
+voornamelijk te Noyalle, dorp in de nabyheid van Rennes in Bretanje,
+gefabriekt wordt.
+
+Karronade, z. n. v. -- Metalen stuk geschut, aldus genoemd naar
+Karron, eigenaar der gietery in Schotland, waar de eerste stukken
+van die soort in 1774 gegoten werden.
+
+Karronadeslede, z. n. v. -- Soort van affuit.
+
+Kartélschip, z. n. o. -- Schip, dat gevangenen vervoert, die
+uitgewisseld moeten worden.
+
+Kartouw of Kortouw, z. n. v. -- Zwaar stuk geschut. 't Woord beteekent
+volgends Bild. kar-toge (kartrekking). Zie Bld. Gesl. in v.
+
+
+ De Sultan dondert zonder nut
+ Met zwangere kortouwen
+
+ Vondel, Neerlaegh der Turksche vloot.
+
+
+Karveel, z. n. v. of Karavel. -- 1o. Portugeesch vaartuig van
+middelbare grootte, en met latijnzeilen getuigd.
+
+2o. Vracht of scheepslading.
+
+3o. (Veroud.) Soort van zwaar blok, van een koperen of palmhouten
+schijf voorzien, en dienende om raas en stengen op te hijschen.
+
+Karveelhout, z. n. o. of Karbeel. -- Balk of stang, die tot stut of
+verbinding strekt onder de ribben langs scheeps.
+
+Karveelnagel, z. n. m. of Knevel. -- Houten of yzeren nagel om touwwerk
+aan te beleggen.
+
+Karveelswerk, z. n. o. -- Houtwerk, waarvan de planken of balken
+met de kanten over elkander heen schieten: welke betimmering de
+krapschuitsgewijze betimmering verving.
+
+Karveelschip, z. n. o. (veroud.) -- Benaming van schepen, waarvan
+Velius gewach maakt in zijne Beschrijving van Hoorn als volgt: "In
+het jaar 1460 werden hier te Hoorn de eerste Karvielschepen gemaakt,
+daar men te voren niet hadde als Hulken, Razeilen en Krajers en die
+altemaal gewrocht crapschuitswijze met de planken op malcander."
+
+Karwylnagel, z. n. m. -- 't Zelfde als Karveelnagel. Zie ald.
+
+Kassen, b. w. -- Elkander door het slaan van water nat maken.
+
+Kasteel (voor of achter) z. n. o. -- (veroud.) Getimmerte op den voor-
+of achtersteven opgericht.
+
+
+ Daer praelt de goude Leeu manhaftig op 't kasteel
+ Van 't zware zeegevaerte.
+
+ Antonides, IJstroom.
+
+
+Kat, z. n. v. -- 1o. of Katankers. Werpanker, dienende om een zwaarder
+anker te katten.
+
+Spreekwijze: Hy heeft de K-- op het anker gezet (zie Anker).
+
+Het Katjen van de baan (de voorste om aan te grijpen; even als de K--
+het anker 't eerst grijpt).
+
+2o. Anker met maar eene tand.
+
+3o. Geitouw onder de kraanbalk, waarmede het anker wordt voorgeheschen.
+
+4o. Paal of stut in 't algemeen, en in 't byzonder een paal, op de
+kaai geslagen, en waar de ankerstok aan gehecht wordt.
+
+5o. Soort van klein vaartuig, tot lichter in de havens gebruikt.
+
+6o. Met negen staarten, zweep van touwen om mede te slaan.
+
+Kathaak, z. n. m. -- Zware ijzeren haak, dienende om den ring van
+'t anker te vatten.
+
+Katrol, z. n. v. en o. -- Voor katte-rol: 't zelfde als Blok, doch
+aan boord min gebruikelijk. Zie Blok.
+
+Katten, b. w. -- 1o. Twee ankers op elkander uitwerpen, ten einde
+het eene by zwaren wind niet medega.
+
+2o. Palen slaan voor een anker, dat op den wal ligt.
+
+Kattekop, z. n. m. -- 1o. Houten spaak, die in de gaten van een
+windas gestoken wordt, om op een klein vaartuig aan een touw tot
+beting te strekken.
+
+2o. Korte houwitser, op kanonneer- en bombardeerbooten in gebruik.
+
+kattespoor, z. n. o. (veroud.) -- Spantvormig samenstel, dwars over
+het zaadhout tegen de binnenoppervlakte der inhouten geplaatst en
+zich tot zekere hoogte tegen het boord uitstrekkende. Het diende om
+de dwarsscheepsche doorzetting tegen te gaan.
+
+kattestaart, z. n. m. -- 1o. Ronde vijl, in eene punt uitloopende en
+dienende om gaten uit te vijlen en te verbreeden.
+
+2o. Wimpel van een koopvaardyvaartuig.
+
+3o. Losgerafeld touw.
+
+kavelen, b. w. -- In den vloed zeilen om de ebbe af te wachten.
+
+
+ Maar, t'wijl een ander, als hy kan;
+ Ook zyn gety niet t' onrecht kavelt.
+
+ Oudaen, Zweedsche hoogmoet.
+
+
+kayak, z. n. m. -- Esquimoosch vaartuig.
+
+keel, z. n. v. (veroud.) -- Smal toeloopende strook van een plank,
+eigentlijk geul, (wat 't zelfde woord is, als zijnde beiden 't
+Lat. gula) en aldus gesneden om beter te voegen.
+
+keep, z. z. m. -- Sleuf, inhaksel, sponning: in 't byzonder de sleuf,
+rondom in het blok gemaakt, om den strop te laten inloopen.
+
+keerkringen, z. n. m. mv. -- Naam van elk der beide kleinere
+kringen van den aardbol, die, evenwijdig met de middellijn, door de
+zonnestanden, d. i. door punten, ongeveer 23 1/2 graad verwijderd
+van de middellijn, getrokken worden, en tusschen welke kringen de
+zon haar jaarlijkschen omloop heeft.
+
+keernagels, z. n. m. mv. -- Nagels, waarmede de kiel bevestigd wordt.
+
+keerring, z. n. m. -- Koker, waar de mast van een haringbuis in staat.
+
+keg, keggen, z. n. v. -- Houten of yzeren wig, dienende om voorwerpen
+mede te splijten of te schoren.
+
+kelder, z. n. v. -- Bergplaats van scheepsvoorraad, doch
+overdrachtelijk voor al wat beneden is, en dus voor de zee zelve.
+
+Spreekwijze: Naar de K-- zijn (in zee vergaan).
+
+kenten, z. n. m. mv. (veroud.) -- Scheepstimmermans kunstwoord,
+waardoor verstaan werden eenige latten, die, ter weêrszijden van
+inhouten werden gespijkerd, tot een schets om het beloop van het schip
+naar aan te leggen. 't Woord is waarschijnlijk 't zelfde als kanten.
+
+kenteren, o. w. -- Letterlijk: herhaaldelijk op zijn Kent (kant),
+draaien, en dus: omwentelen, veranderen. De stroom K-- (de stroom
+is aan 't walen.) De mast K-- (rolt om.) Ook het doorkomen van eb
+of vloed:
+
+
+ Zie daar een derde vloot verschenen,
+ Door 't reeds gekenterd tij geleid.
+
+ V. Haren, de Geuzen.
+
+
+kenteren, o. w. -- Omhalen. Een schip K-- (het op zijde stellen,
+ten einde het te herstellen).
+
+Kenterhaak, z. n. v. -- Haak, gebezigd tot het Kenteren van vaartuigen.
+
+Kentering, z. n. v. -- Het omslaan, in 't byzonder van het tij.
+
+Kerfbijl, z. n. v. -- Bijl, inzonderheid tot Kerven geschikt.
+
+Kerk, z. n. v. -- Logies onder 't halfdek; ook vóór- of groote kajuit.
+
+Kerven, b. w. (veroud.) voor Kappen.
+
+Kesp, z. n. v. -- Recht stuk hout, waarop men in platte schuiten de
+vlakgangen spijkert.
+
+Ketel, z. n. m. -- Groote yzeren pot, waarin de spijs voor de manschap
+gekookt wordt. StoomK-- (groot vat van koper, geslagen of gegoten yzer,
+waarin het water tot stoom overgaat).
+
+Keten, z. n. v. -- Snoer van in elkander geschakelde ringen of
+slingers. Dubbele K-- (zoodanig zamengesteld, dat elke schakel twee
+ringen bevat.) K-- zonder eind (zie Ketenstrop).
+
+Ketenstrop, z. n. m. of Keten zonder end. -- Ketting, waarvan de
+ringen aan elkander geschakeld zijn, zoo dat men elken ring als den
+eersten en als den laatsten van de ketting kan aanmerken.
+
+Ketting, z. n. v. -- Zie Keten.
+
+Kettingknijper, z. n. m. -- Zie Knijper.
+
+Kettingpomp, z. n. v. -- Zie Pomp.
+
+Kettingkogel, z. n. m. -- Kogel, die met een ketting aan een anderen
+is vastgehecht.
+
+Kiel, z. n. v. -- 1o. De grondlagen van een schip, uit den grondbalk en
+de daarin gewerkte ribben bestaande. 't Woord beteekent waarschijnlijk
+(even als in den zin van kleed) "overtrek, huid," eens vaartuigs.
+
+2o. By de dichters het schip zelf:
+
+
+ Gewis hem was de ontrefbre borst
+ Met zevendubbeld staal beslagen,
+ Die 't eerst zijn kiel den golven wagen,
+ Zich zelf der kiel betrouwen dorst.
+
+ Bilderdijk. Zeevaart.
+
+
+ Het steekt der Grajen niet aan tien of twintig kielen,
+
+
+zegt Agamemnon in Vondels Palamedes.
+
+Spreekwijze: Kielen!--Wielen!--Rand om 't Land! (Zeeuwsche dronk,
+waarmede heil gewenscht werd aan de Zeevaart, den Landbouw--men had
+toen nog gewielde ploegen--en de Dijken).
+
+Kielen, b. w. -- Over zijde halen. Een schip K-- (een schip omwenden,
+om het van onderen te timmeren, te breeuwen of de koperen huid te
+herstellen).
+
+Kielhalen, b. w. -- Vroeger gebruikelijke straf aan boord, die
+daarin bestond, dat de overtreder naakt op het boord van het schip
+gezet werd, met eenige zwaarte om het lijf, ten einde te sneller te
+kunnen zinken, en aan een touw gebonden, dat onder de kiel doorging:
+in dien toestand werd hy over boord gesmeten en aan de andere zijde
+gezwind weêr opgehaald: welk een en ander, in geval van zware misdaad,
+eenige malen herhaald werd: een straf, waaraan niet weinig gevaar voor
+den lijder verbonden was, die, by het minste verzuim, arm of been,
+ja het leven verliezen kon: waarom het K-- dan ook als halsgerecht
+werd gerekend.
+
+Een schip K-- (het op zijde leggen om te herstellen).
+
+Spreekwijze: Hy is gekielhaald (hy is door en door nat gemaakt).
+
+Kieling, z. n. v. -- Romp van een schip.
+
+Kielkram, z. n v. -- Kram, waarvan de uiteinden plat en met gaten
+doorboord zijn om er spijkers in te slaan; zy is van buiten omgekruld,
+ten einde het hout te vatten.
+
+Kiellasch, z. n. v. of Vlaamsche Lasch. -- Lasch of stuit van vijf
+of zes voet lang, als die aan de kiel gebezigd worden.
+
+Kiellichter, z. n. m. -- Stevige schuit, plat van bodem, met schuins
+oploopende zijden, een zwaren mast voerende, voorzien van vier
+hoofdtouwen, een zwaar gein en twee kiptakels. De K-- dient in de
+havens tot velerlei gebruik.
+
+Kielstopper, z. n. m. of Stopper van den loefbalk. -- Stopper, die
+gebruikt wordt om een schip over zijde te winden.
+
+Kielstrop, z. n. m. -- Koperen Strop, dienende tot bevestiging van
+een lasch.
+
+Kielverscherving, z. n. v. -- Verscherving van de Kiel.
+
+Kielwater, z. n. o. of Zog. -- Spoor, dat een schip in het Water
+achterlaat.
+
+Spreekwijze: Blijf uit zijn K-- of gy raakt in zijn zog (volg hem
+in zijn handelwijze niet na, of gy raakt in 't verderf:--omdat het
+gevaarlijk is in het zog van een zinkend vaartuig te geraken, wegens
+de sterke zuiging van het water, dat in de gemaakte opening weder
+samen vloeit).
+
+Iemand in zijn K-- zeilen (hem op de hielen volgen).
+
+Kiezen, b. w. -- Zee K--, de ruimte K-- (zich in zee, zich in volle
+zee begeven).
+
+Kikvorsch, z. n. v. -- Poeldier.
+
+Spreekwijze: Hy is overladen met geld als een K-- met veêren.
+
+Kil, z. n. m. -- Stroomkuil of stroomkil.
+
+
+ Ja, wat de stroomvliet met zich voert
+ Laat wei en akkers drooger,
+ Maar zinkt in d'engen stroomkil neêr
+ En 't water wordt steeds hooger.
+
+ Bilderdijk.
+
+
+Killen, o. w. -- Wordt een zeil gezegd te doen, dat zich in de luwte
+van een ander bevindt, en alzoo geen wind kan vatten, maar slap langs
+den mast hangt. 't Woord is afgeleid van kil (koud), het beteekent dus
+oorspronkelijk "koud worden," en van daar "trillen, beven, klapperen".
+
+Spreekwijze: Als de zeilen K-- loopt men gevaar een uil te vangen
+(den wind van voren te vangen).
+
+Kim, z. n. v. -- Rand, gordel, en van daar:
+
+1o. Gezichteinder: cirkel, die getrokken is waar hemel en aarde aan
+elkander schijnen te raken en waarvan de persoon, die hem ziet,
+altijd het middelpunt uitmaakt. OosterK--, WesterK-- (plaatsen,
+waar de hemellichamen schijnen op en onder te gaan).
+
+2o. Gedeelte der buitenhuid van een schip, tusschen de kiel en
+den buik.
+
+3o. Uiteinde van een vrang, waar zy gebogen is om in de knie te
+sluiten.
+
+Kimbedden, z. n. o. mv. -- Houten, waar de Kim of eerste scheepsrondte
+op rust.
+
+Kimduiking, z. n. v. -- Verschil tusschen den zichtbaren en den
+wezenlijken gezichteinder.
+
+Kimgang, z. n. m. -- Breede planken onder aan het schip tusschen de
+kiel en den buik.
+
+Kimlijn, z. n. v. -- Zie Waterspiegel.
+
+Kimschoor, z. n. m. -- Recht op en neder staande schoor, die een deel
+uitmaakt van de bedding en waarvan men een aantal plaatst onder de
+kiel van een schip in aanbouw, dat af moet loopen.
+
+Kimsent, z. n. v. -- Sent, die door het uiteinde der vrangen heen
+loopt.
+
+Kimweger, z. n. m. -- Stevige balk, die de Kim draagt of weegt.
+
+Kin, z. n. v. of Kinnebak. -- Het voorste gedeelte van de kiel.
+
+Kink, z. n. m. -- Kreuk, bocht, die zich in een nat of te nieuw
+touwwerk vormt. Volgends Bilderdijk en Weiland zoû 't woord eigenlijk
+krink (d. i. kreuk) moeten luiden. 't Blijft intusschen nog de vraag
+of kinkhoorn ('t geen volgends hen "geluidhoorn" wezen zoû) niet aldus
+genoemd is wegends zijn bochtigen vorm, en of dus K-- niet evenzeer
+"bocht" beteekent.
+
+Spreekwijze: Sta uit de K--en! (sta ruim! sta uit den weg! omdat hy,
+die in de K--en staat van een touw, dat uitgevierd wordt, gevaar
+loopt te vallen).
+
+Daar is een K-- in de kabels (daar is zwarigheid).
+
+Kinnebak, z. n. v. -- Zie Kin.
+
+Kinnebaksblok, z. n. o. -- Openstaand Blok, waarin men een paardelijn
+of looper kan leggen om langs dek te halen.
+
+Kiosk, z. n. v. -- Soort van Turksch vaartuig.
+
+Kip, z. n. m. -- 1o. Zekere hoeveelheid. Een K-- lonten. Een K--
+stokvisch.
+
+2o. Blok met een haak even als het katblok, dienende om het anker
+voor den boeg te halen met zijn armen. K--hoeken! kommando.
+
+Kippen, b. w. -- Grijpen, vatten. Een anker K-- (een anker dwars
+aangrijpen en de handen langs het boord ophalen).
+
+Spreekwijze: Kip! ik heb je.
+
+Kipstut, z. n. m. -- Zie Jut (Doove).
+
+Kiptakel, Kiptalie. -- Zie Takel, Talie.
+
+Kiptaliehaak, z. n. m. of Penterhaak. -- Groote haak, waarmede het
+anker, als het uit het water komt, gegrepen en binnengehaald wordt.
+
+Kirlanghish, z. n. v. -- Klein Turksch vaartuig, dat het Amiraalschip
+vergezelt.
+
+Kits, z. n. v. -- Vaartuig, dat voornamelijk by de Engelschen in
+gebruik is. Het is gewoonlijk vierkant van vorm, met een galjoen
+versierd, en twee masten voerende. Het groot zeil heeft den vorm
+van een bezaan. Boven het groot zeil voert het een marszeil en een
+bramzeil, en boven het bezaan een kruiszeil.
+
+Klaar, b. n. -- Wordt van een schip gezegd, dat gereed is gemaakt om
+te vechten; ook van ieder voorwerp, dat by de hand is om gebruikt te
+worden. Als bw. komt het in verscheiden scheepskommandoos voor: K--
+om te wenden! (maakt u gereed, om het schip te doen wenden.) K-- by
+het anker (om het anker te werpen.) K-- by de marszeilsvallen! K--
+by de schoten! (om daarmede het noodige te verrichten.) K-- op de
+banken (plach het bevel te zijn, vroeger aan boord eener galei aan
+de roeiers gegeven, om te gaan zitten.)
+
+Klaar staan, o. w. -- Oppassen, uitkijken, zich gereed houden. By
+een schoot, by een val, by een looper K-- S--.
+
+Klaas, z. n. m. of Klaas Jakobsz. (veroud.) -- Een houten nijptang om
+planken te buigen en te bedwingen, waarschijnlijk naar den uitvinder
+aldus genoemd. Ik zoû niet durven beweeren, dat de uitdrukking Een
+houten K-- aan dit woord ontleend is.
+
+Klaauw, z. n. v. -- Arm, hand. De K--en van een anker. De K-- van
+den gaffel.
+
+Klaauwhamer, z. n. m. -- Hamer met gespleten pen.
+
+Klamaai, z. n. m. -- Recht sterk hout, dat tot steun der zwalpen
+dient. In elk zijperk bezigt men drie rijen K--en, die zich van voren
+naar achteren door de geheele lengte van het schip uitstrekken. De
+eene rij ligt tegen den watergang, een tweede tegen den schaarstok
+en de derde op de halve breedte van het zijperk. Ten dienste van het
+middelperk worden langs de binnenzijden der schaarstokken twee rijen
+K--en gelegd.
+
+Klamaaien, o. w. -- Zich van het klamaai-yzer bedienen om het werk
+in de naden te drijven.
+
+Klamaai-yzer, z. n. o. -- Zware geribde yzeren wig, waarop men met
+een moker slaat, ten einde het werk in de naden der planken te drijven.
+
+Klamp, z. n. m. -- Naam van verschillende houten weêrhaken,
+waar touwen aan belegd worden. KruisK--en (die aan hun midden ter
+geschikter plaatse tegen de wanden van een vaartuig, tegen een mast,
+enz. zijn vastgespijkerd en met haar hoornen of ooren gespannen touwen
+vasthouden, die er om heen gestrengeld zijn.) WantK--en (die in het
+Want van een benedenmast vast zitten.) BelegK--en, LipK--en (die maar
+een oor hebben en zoodanig geplaatst worden, dat zy geschikt zijn
+touwen vast te houden, die, als zy gespannen staan, van beneden naar
+boven trekken.) WalreepK--en (weinig uitspringende trappen, buiten
+tegen 't schip gespijkerd, om er by op te klauteren.) MastK--en
+(uitgesneden stukken hout, die op de zijden van den fokkemast
+aangebracht worden op de hoogte der slagkragen, ten einde deze van
+den mast verwijderd te houden.) SpiltK--en (stukken hout, in de
+dikte aangebracht op den as van een spil.) HalsK--en (die een hals
+houden.) NokK--en (die aan de uiteinden der raas vastzitten.) RaK--
+(tanden, die aan de raas vast zitten om de buitenbindsels tegen
+te houden.)
+
+Klampen (aan boord), b. w. -- Zie Boord.
+
+
+ Hy bruist door duizent kogels voort
+ En klampt de Britse magt aen boord.
+
+ Antonides. De Teems in Brant.
+
+
+Klampspijkers, z. n. m. mv. of Knaapspijkers. -- Yzeren spijkers,
+tot het vasthechten van yzeren bogen of metaalwerk gebezigd.
+
+Klaphuis, z. n. o. -- Kroeg op het strand, waar de visch wordt
+afgeslagen, en dat den visscher is wat de beurs den koopman.
+
+Klaplooper, z. n. m. -- Schijfblok, dat overal gebezigd wordt waar
+wat te halen (hijschen) valt.
+
+Spreekwijze: Hy is een K-- (hy is er overal by, waar wat te halen
+valt).
+
+Klapmuts, z. n. v. of Bovenbovenbramzeil. -- Het hoogste zeil aan
+den masttop van een groot schip, welk zeil by fraai weer nog boven
+het bramzeil geheschen wordt. De oorsprong der eigenaardige benaming
+is te duidelijk om verklaring te behoeven.
+
+Spreekwijze: Dat klinkt als een K--.
+
+Klaren, b. w. -- Uit de war maken. Touw K-- (de ankertouwen weder
+in orde brengen, als die door 't zwaaien van 't schip in elkander
+gedraaid zijn).
+
+Klaringsvaartuig, z. n. o. -- Vaartuig, dat ten dienste staat der
+ambtenaren, met het in- en uitklaren der schepen belast.
+
+Klavaatshamer, z. n. m. -- Verbastering van Kalfaathamer, hamer om
+te kalefaten.
+
+Klaver, z. n. o. (veroud.) -- Drie kringen op de klik van het roer.
+
+Kleed, z. n. o. -- Baan zeildoek.
+
+Kleeden, b. w. -- (De ankertouwen, de kluis, het want, enz.) met doek
+of schiemansgaren omleggen, ten einde schomling te voorkomen.
+
+Kleedkuil, z. n. m. -- Hamer, tot bekleeding dienende.
+
+Klein, z. n. o. -- Naam, die op sommige visschersdorpen aan een
+ankertjen met vier klaauwen gegeven wordt.
+
+Klem, z. n. v. of Klemhaak. -- Stuk hout, met een haak aan ieder end,
+dienende om een gespannen touw vast te houden.
+
+Klemmen, o. w. -- Aan den grond raken.
+
+Kleuren, z. n. v. mv. -- Voor "vlag". Het schip wilde zijn K-- niet
+toonen (zijn vlag niet toonen). Hy zeilde onder Engelsche K--.
+
+Klieven, b. w. -- Snijden. De golven K-- (er door heen varen).
+
+Klik, z. n. m. -- Naam van een of meer stukken greenen hout, in de
+richting der schacht van het roer geplaatst en met den voorkant daar
+tegen aan gevoegd.
+
+Klimstag, z. n. o. (veroud.) -- Stag, dienende om tegen den boegspriet
+op te loopen.
+
+Klink, z. n. m. -- Omgeslagen end van een ijzeren bout.
+
+Klinkbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, die, ingeslagen zijnde, aan het
+vooreind geklonken worden.
+
+Klinken, b. w. -- Vastslaan, door hameren een verdikking of kop
+vormen. Een spijker, nagels K--.
+
+Klinker, z. n. m. -- Platboomd kustvaartuig, in gebruik op de
+Baltische Zee.
+
+Klinknagel, z. n. m. -- Nagel of spijker, waarvan de enden zijn
+omgeklonken.
+
+Klinknagelshaak, z. n. m. -- Haak van een Klinknagel.
+
+Klinkring, z. n. m. -- Platte ring, die voor het Klinken om de boot
+wordt gelegd.
+
+Klinkwerk, z. n. o. -- zeer dunne, gedeeltelijk over elkander geklonken
+planken, dienende tot den bouw van lichte vaartuigen.
+
+Klinkwerksloep, z. n. v. -- Sloep met zoom- of Klinkwerk voorzien.
+
+Klip, z. n. v. -- Algemeene benaming van rotsen in zee of aan de
+kusten. 't Woord is waarschijnlijk 't zelfde als klif.
+
+
+ Waar drijft het nu, dit moedig schip?
+ Aan lager wal? of is 't gezonken?
+ Of stiet het op een blinde klip?
+
+ Oudaen. Koninkl. Gedenkpenning.
+
+
+Blinde K-- (die door het water bedekt, en dus onzichtbaar is).
+
+
+ Zy (de Almacht) deed zijn boot de blinde klippen
+ De rots die tot den hemel stiet,
+ Geveiligd langs en over glippen
+ En 't onweêr trof zijn stengen niet.
+
+ Bilderdijk, Zeevaart.
+
+
+Spreekwijzen: Tusschen de K-- door (met vermijding der gevaren, die
+van meer dan eene zijde dreigen). Hy zal die K-- niet te boven komen
+(hy zal dat gevaar niet ontgaan).
+
+Klipper, z. n. m. of Klipperschip. -- Soort van vaartuig. Zie
+Tijdschrift van het Zeewezen, XI, bl. 196.
+
+Kloet, z. n. m. (veroud.) -- Schippersboom.
+
+Kloeten, o. w. (veroud.) -- Boomen, met een kloet voortduwen.
+
+Klok, z. n. v. -- Metalen werktuig, dienende om de uren en halve uren
+te verkondigen, en het volk op de wacht of aan de schaft te roepen.
+
+Klokreep, z. n. v. -- Touw, waarmede de Klok geluid wordt.
+
+Klokkegalg, z. n. v. -- Galg of dwarshout, waar de Klok aan hangt.
+
+Kloot, z. n. m. -- Bal, zoo wel in 't byzonder voor Aard- of
+WaereldK--, als in 't algemeen voor elken ronden knop. K-- van den
+mast. K-- van den vlaggestok.
+
+Spreekwijze: De K-- rolt nog (de zaak is nog niet afgeloopen).
+
+Klopzee, z. n. v. of Stortzee. -- Hevige overstorting eener golf op
+een schip by stormweer.
+
+Klos, z. n. v. -- Blok houts, stut: ook de bril van een Kolderstok. Zie
+Bril.
+
+Klouwen, b. w. (veroud.) -- Eigenlijk krabben; vandaar in 't byzonder
+breeuwen, kalfaten, herstellen.
+
+Spreekwijze: Daar valt wat aan de K-- (wat aan te doen).
+
+Klouwer, z. n. m. (veroud.) -- 1o. Breeuwer; 2o. Kalfaathamer.
+
+Spreekwijze: Dat is een K-- van een jongen, een K-- van een os (een
+baas van een jongen, enz.).
+
+Klucht, z. n. v. -- Mast, die uit vele op elkander geplaatste stukken
+is samengesteld.
+
+Kluchten, b. w. -- Op elkander stellen. Een gekluchte mast. (Zie
+Klucht.)
+
+Kluft, z. n. v. -- Driehoekige uitlating in de geheele diepte van een
+stuk hout gemaakt om er het uiteinde van een ander stuk in te voegen.
+
+Kluiffok, z. n. v. -- Zie Fok.
+
+Kluifhout, z. n. o. -- Boom van den Kluiver.
+
+Kluis, z. n. o. of Kluisgat. -- Naam van ronde, een weinig schuins
+liggende openingen, rechts en links van den boeg onder het galjoen
+geboord, en waardoor men de ankertouwen heenbrengt als men ten
+anker gaat.
+
+Kluisband, z. n. m. -- Zwaar stuk hout, dat zich op de hoogte der
+kluisgaten met het galjoen en de kluisplaten kruist.
+
+Kluisgat, z. n. o. -- Zie Kluis.
+
+Spreekwijze: Daar de K--en, even als de oogen in 't hoofd, vlak voor
+aan staan, worden de oogen by 't zeevolk doorgaands K--en genoemd.
+
+Kluishout, z. n. o. of Kluisplaat. -- Stukken houts, schuins
+boven elkander in den boeg gebracht, om de hoogte van het schip
+te verkrijgen.
+
+Kluisplaat, z. n. v. -- Zie Kluishout.
+
+Kluisprop, z. n. v. -- Prop, waarmede een kluisgat gesloten wordt.
+
+Kluiszak, z. n. m. -- Lange, met werk of krullen gevulde zak, die
+by zwaar weer in de Kluis gestopt wordt om het binnendringen van het
+water te beletten.
+
+Kluiver, z. n. m. -- Driehoekig zeil, dat op het kluifhout uitgehaald
+en langs den leier wordt opgeheschen. Volgends Winschoten zoû
+het woord daaraan zijn naam ontleenen, dat dit zeil, by stil weer
+gebruikt wordende, het minste windtjen als 't ware opslorpte of
+"opkloof". Bilderdijk op Kluiffok, leidt het van luif of luifel
+af.--K--bakstag (bakstag van den K--). K--ring, K--beugel (ring of
+nagel, waar de K-- door loopt).
+
+Kluizen, o. w. (veroud.) -- Stormen.
+
+Klutsen, b. w. (veroud.) -- Houtwerk herstellen.
+
+Knaap, z. n. m. -- Klampjen, in het timmeren gebruikelijk, om iets
+by voorraad vast te slaan.
+
+Knaapspijkers, z. n. m. mv. -- Zie Klampspijkers.
+
+Knecht, z. n. m. -- 1o. Soort van windas, op éénmastkustvaarders,
+dienende om zeilen of goederen uit het ruim te hijschen. Groote K--,
+Bezaans K--, Fokke K--.
+
+2o. Hout om een touw aan vast te leggen.
+
+Knepeling, z. n. v. (veroud.) -- Soort van geschut.
+
+Kneppelkogel, z. n. m. -- Zie Boutkogel.
+
+Knevel, z. n. m. -- Houten nagel, die, tusschen een bindsel gestoken
+en rondgedraaid, dient om het nog sterker toe te halen.
+
+Knie, z. n. v. -- Zwaar gekromd stuk hout, dienende tot verbinding
+van een balk met een vlak, of met een anderen balk. De K-- bestaat
+uit twee gedeelten, waarvan het grootste het lijf, het andere de tak
+genoemd wordt. De plaats, waar beide deelen zich vereenigen, heet de
+Neb. Houten K--en, zie Yzeren K--en, Opgezette K--en, KunstK--en.
+
+Kniehals, z. n. m. -- Hoek, samenloop van twee schotten of wanden;
+bocht van een Knie.
+
+Knikstag, z. n. o. -- Hulp- of bystag.
+
+Knits, z. n. v. of Knitsel. (veroud.) -- Touw, dat maar van twee
+kabelgarens gevlochten is. Zie Knuttel.
+
+Knitsel, z. n. o. -- Zie Knits.
+
+Knoeien, o. w. -- Verkeerde of nuttelooze bewegingen doen.
+
+Knoeier, z. n. m. -- Zoo wordt een vaartuig wel genoemd, waarmede
+men niets kan uitrichten.
+
+Spreekwijze: Een boeier is een ZeeK--, (met een boeier kan men slecht
+zee bevaren).
+
+Knoop, z. n. m. -- 1o. Samentrekking van een of meer touwen. Platte of
+ZeemansK--, door middel waarvan de enden, de rifseizings en rabanden
+om een ra gehecht worden.
+
+2o. Uiteinde van een touw, strekkende om het doorschieten te beletten.
+
+3o. Knoest of slechte steê in het houtwerk.
+
+4o. K-- van de loglijn (dienende om den afstand te berekenen, die in
+een gegeven tijd door een zeilend vaartuig wordt afgelegd).
+
+Spreekwijze: Een K-- draaien (met mooie praatjens bedriegen).
+
+Knoopen, o. en b. w. -- Een knoop leggen.
+
+Knoopstopper, z. n. m. -- Stopper, die den Knoop aan 't eind Stopt
+(weêrhoudt) en alzoo belet door te schieten.
+
+Knuttel, z. n. m. -- Strafwerktuig van gedraaid touw, by de Engelschen
+kat genoemd. Het wordt ook gebezigd voor "kluwen". Een K--tjen
+marlingsgaren.
+
+Knijper, o. w. -- Wordt van een vaartuig gezegd, als het zich zoo na
+mogelijk aan de windstreek opwerkt.
+
+Knijper, z. n. m. -- Stuk hout, dienende om iets te vatten en op zijn
+plaats te houden.
+
+Knijper (ketting), z. n. m. -- Yzeren toestel om aan een ketting het
+doorschieten te beletten.
+
+Koebeis, z. n. m. -- Een opgecierd vaartuig, op de rivieren van
+Japan gebruikelijk.
+
+Koebrug, z. n. v. of Koebrugsdek. -- Soort van dek, onder het
+benedendek. Het verdeelt de ruimte tusschen de onderbattery en het
+scheepsdek in ongelijke deelen. In de K-- is het verblijf van de
+aide-chirurgijns; ook is er de hut van den schipper en die van den
+konstabel-majoor; gedurende den slag heeft men er het slagverband
+voor de gekwetsten.
+
+2o. (Veroud.) Traliewerk boven het middelschip, bestemd om soldaten
+te dragen gedurende een zeegevecht.
+
+Koebrugsdek, z. n. o. -- Zie Koebrug.
+
+Koekkoek, z. n. m. -- Soort van open luik, dienende om licht in de
+hutten te geven.
+
+Koelbalie, z. n. m. -- Tobbe, met water gevuld, dienende om gedurende
+een slag de kanonnen te begieten.
+
+Koelte, z. n. v. -- Wordt op zee altijd genomen in den zin van
+"wind". Het waait een frissche K-- (het waait goed door). MarsK--,
+stijve MarszeilsK--, gereefde MarszeilsK--, dubbel gereefde
+MarszeilsK--, dicht gereefde MarszeilsK--, stijf gereefde MarszeilsK--,
+BramzeilsK--, Bram- in MarszeilsK--, worden alle genomen voor min of
+meer harden K--, LabberK-- voor flaauwen wind.
+
+Koeltjen, z. n. o. -- Windtjen, briesjen. Er stak een lief K-- op.
+
+Koelzeil, z. n. o. -- Groote en breede buis van zeildoek, van boven
+met twee vleugels voorzien, die tot windleider dient en van het groot
+stag boven het groot luik opgeheschen, hangt om aldaar verkoeling
+aan te brengen.
+
+Koelzwabber, z. n. m. -- Zwabber, waarmede men by groote hitte de
+planken vochtig houdt.
+
+Koeralijn, z. n. m. -- Soort van platboomde West-Indische praauw.
+
+Koers, z. n. m. -- Richting, weg, loop. Het schip is uit zijn K--
+geraakt (uit zijn weg). Wy moeten dien K-- houden. Zy hebben K--
+naar Engeland gezet (zy zijn naar Engeland gezeild).
+
+
+ Hy wist van koers noch streek te houden
+ Noch 't reven van 't gespannen doek
+ Maar zeilde met een blind vertrouwen.
+ Onwetend naar wat wareldhoek.
+
+ Bilderdijk, Zeevaart.
+
+
+Spreekwijze: Hy is van den K-- of hy is den K-- kwijt (hy is in de
+war). Welken K-- zullen de zaken nemen? (hoe zullen zy afloopen?)
+
+Koevoet, z. n. v. -- Yzeren handspaak, waarvan de voet gespleten is
+als de klaauw eener Koe. De K-- wordt aan boord gebruikt om zware
+lasten en voornamelijk kanonnen te lichten.
+
+Kof, z. n. v. -- Kustvaartuig met twee masten, en somtijds met een
+druil (tapecul) voorzien, getuigd met sprietzeil, mast en kluiver.
+
+Kogel, z. n. m. -- Gegoten yzeren bal van verschillende grootte,
+waarmede een stuk geschut geladen wordt. Losse K-- (die zonder
+klos in het stuk geladen wordt). Opgekloste K-- (die met een klos
+er in gaat). Holle K-- (granaat, lange yzeren K--, met schroot
+gevuld). Gloeiende K-- (die in 't vuur wordt heet gemaakt, voor dat
+men hem afschiet. K-- in! (komm.).
+
+Kogelbakken, z. n. m. mv. -- Uitgeholde randen tegen boord tusschen
+de kanonstukken, en waarin men kogels voor de hand heeft liggen.
+
+Kogeltang, z. n. m. -- Yzeren tang, dienende om gloeiende kogels mede
+te dragen: kleine yzeren tang om geweerkogels af te gieten.
+
+Kogge, z. n. v. -- Naam van een vaartuig, by onze voorouders zeer
+in gebruik, met 30 tot 32 riemen voorzien, en, wanneer het tot den
+krijg gebezigd werd, ook met tinnen of houten getande beschutsels
+tegen 't enteren beveiligd. 't Woord is kennelijk niets anders
+dan een dialekt-verschil met kof, ofschoon dit laatste thands
+alleen voor koopvaardy- en kustvaartuigen gebruikt wordt; terwijl
+de K--n meest ten strijde waren uitgerust; gelijk blijkt uit den
+naam der vier-noorder-koggen, die nog door een der vijf Ambachten
+in West-Friesland gedragen wordt, omdat het vroeger gehouden was,
+vier uitgeruste K--n aan de Graaflijkheid te leveren.
+
+Kognossement, z. n. o. -- Vrachtbrief, die in moet houden:
+
+1o. Den naam van den bevrachter of inlader.
+
+2o. De opgaaf van hem, aan wien de goederen verzonden worden.
+
+3o. Den naam en de woonplaats van den schipper.
+
+4o. Den naam en de soort van het schip en de plaats waar dit t'huis
+behoort.
+
+5o. Den aart, de hoeveelheid, de merken en getallen der te vervoeren
+goederen.
+
+6o. De plaats van afvaart en die der bestemming.
+
+7o. Hetgeen nopens de vracht bepaald is.
+
+8o. De onderteekening van schipper of inlader of van hem, die voor
+de expeditie zorgt.
+
+Zie verder WB. van Kooph., art. 507-520.
+
+Koinen, z. n. m. mv. (veroud.) -- Driehoekige houtjens, die onder tegen
+het vaatwerk worden aangelegd, 't Is 't fr. coin (hoek). Zie Kortjens.
+
+Kok, z. n. m. -- Hy, die in een schip voor de manschaps kookt.
+
+Spreekwijze: Die den K-- bedilt moet het rookgat uit (die 't werk
+bedilt van zijn meerderen, krijgt slechten dank).
+
+
+ Als K-- en bottelier saem kijft,
+ Weet Janmaat waar de boter blijft.
+
+
+Koker, z. n. m. -- Buis, waar de mast in kleine vaartuigen in vast
+staat. Zie Mastkoker, Kardoesekoker.
+
+Koksmaat, z. n. m. -- Knaap, die den Kok tot behulp strekt.
+
+Kokspomp, z. n. v. -- Pomp van het vaatwerk.
+
+Koldergat, z. n. o. -- Verouderde benaming van het Gat, waardoor de
+kap van het roer gaat.
+
+Kolderstok, z. n. m. of Kalderstok. (veroud.) -- Greep van de roerpen.
+
+Kolk, z. n. v. -- Letterlijk "kuil, diepte," van hier: vergaderplaats,
+'t zij van asch, als de K-- onder den haard, 't zij van water, als
+de BrouwersK-- te Haarlem, 't zij van goederen, als K-- (Tjalkschip,
+in Friesland gebruikelijk) 't zij voor wieling, draaijing.
+
+Kolsem, z. n. m. Kolzwijn of Zaadhout. -- Tegenkiel, die binnen in
+'t schip komt.
+
+Kom, z. n. v. -- Water, en in 't byzonder stilstaand water, dat
+rondom door land is ingesloten, 't zij door de natuur, 't zij
+door menschenarbeid. Men zegt echter ook: De rivier vormt te dier
+plaats een K-- (neemt de gedaante eener K-- aan), zoodat men geen
+afstroomend water, maar een afgesloten vijver meent te zien: als de
+Rijn by St. Goar, de Vecht by Nieuwersluis.
+
+Kombaars, z. n. v. -- Zoo noemt men aan boord de grove wollen dekens,
+ook in 't algemeen de dekens, waarin de visschers onzer zeedorpen
+aan boord slapen. Ook wordt het wel eens voor hangmat gebezigd,
+als b. v. in de volgende
+
+Spreekwijze: Hy is al lang in een K-- genaaid (hy is al lang dood),
+(omdat wie op 't schip sterft, in zijn hangmat genaaid en over boord
+gezet wordt).
+
+Kombof, z. n. n. -- Vuurhaard, van 't Ital. combachio, en dus 't
+zelfde als kajuit, welk laatste woord echter een meer edele beteekenis
+heeft verkregen.
+
+Spreekwijze: 't Rookt als in een K-- (omdat in een stookplaats op
+een klein vaartuig de rook meermalen naar beneden slaat).
+
+Kombuis, z. n. v. van 't Lat. Combustio. -- Op groote schepen is die
+onder den bak, op kleinere op het dek. 't Woord wordt dikwijls met
+Kombof verwisseld.
+
+Spreekwijze: Als 't waait kruipt hy in de K-- (hy is een
+zoetwaterzeeman, een bloodaart).
+
+Komen, o. w. -- Boven den wind, by-de-wind K--, aan-de-wind K--. Den
+wind te boven K--.
+
+Kommaliebehoeften, z. n. v. mv. of Kommaliewant.--Al wat tot
+schaftgerij aan boord behoort, als vorken, lepels, potten, pannen, enz.
+
+Kommaliewant, z. n. o. -- is 't meer gebruikelijke woord. Zie
+Kommaliebehoefte.
+
+Kommandant, z. n. m. -- Gezachvoerder, 't zij over een smaldeel,
+'t zij over een haven of inrichting.
+
+Kommandeur, z. n. m. -- Kapitein van den breeden wimpel, ook
+Standerkapitein, volgt in rang op den Schout-by-nacht en voert een
+stander in top.
+
+Kommando, z. n. o. -- Bevel, orde.
+
+Kommissaris, z. n. m. -- Hy, aan wien eenige opdracht of kommissie
+gegeven is, doorgaands tot het uitoefenen van eenig opgelegd
+toezicht. Zoo had men by ons vroeger K--sen van Zeezaken (die het
+toezicht hadden over het zeewezen). K-- by een veer (die aangesteld
+is om de verzonden goederen of brieven aan te teekenen, de klachten
+der passagiers aan te hooren, enz).
+
+Kommissarishuisjen, z. n. o. -- Kantoortjen, nevens het veer, waar
+de Kommissaris in gezeten is.
+
+Kommodoor, z n. m. -- Engelsche benaming voor Schout-by-nacht,
+Kommandeur van den breeden wimpel.
+
+Kompanje, z. n. v. zie Kampanje. -- 't Woord werd oudtijds ook gebruikt
+voor pakhuis, magazijn, in 't byzonder der Amiraliteiten.
+
+Spreekwijze: 't Was een sobere K-- ('t onthaal was schraal).
+
+Kompanjemeester, z. n. m. (veroud.) -- Verbastering van
+Kompagnie-meester: naam van den Equipaadjemeester op de werven der
+kompagnie.
+
+Kompas, z. n. o. -- van 't Ital. Compasso, 't welk een in streken
+afgedeelden cirkel beteekent. Het K-- is een schijf van bordpapier of
+andere zelfstandigheid, waarop al de windstreken zijn afgeteekend,
+en uit welks midden een met zeilsteen bestreken wijzer altijd naar
+het noorden draait. Verkeerd K-- (zie Hangkompas). Doorschijnend
+K-- (waarvan de letters en streken van achteren verlicht
+worden). Miswijzend K-- (zie Miswijzer). De wind heeft het K--
+rondgewaaid (de wind heeft gewaaid met alle streken die op het kompas
+staan opgeteekend).
+
+Spreekwijze: Op dat K-- mag men veilig zeilen (aan die leiding mag
+men zich veilig toevertrouwen).
+
+Zijn K-- is verdraaid (hy is van de wijs).
+
+Zijn K-- is van de pen (hy is dronken:--omdat een K--, dat van de
+pen is, onbruikbaar is).
+
+Kompasbeugel, z. n. m. -- Naam van twee koncentrische ringen, dienende
+om het Kompas in te hangen. Zy zijn van koper en loshangend by wijze
+van een schommel, om het Kompas, in weêrwil van het slingeren van
+het schip, altijd in evenwicht en waterpas te houden. De K-- wordt
+uit dien hoofde ook Wieg genoemd.
+
+Kompasdoos, z. n. v. -- Doos of bus, waarin het Kompas besloten is.
+
+Kompaskwartier, z. n. v. -- Vierde deel van een Kompas.
+
+Kompaslamp, z. n. v. -- Lamp, die het Kompas verlicht.
+
+Kompasnaald, z. n. v. -- Zie Naald.
+
+Kompasroos, z. n. v. -- Schijf van kaarteblad, waarop de 32 windstreken
+zijn afgebeeld en waarover de Kompasnaald draait.
+
+Kompozitiespijkers, z. n. m. mv. -- Deze zijn voornamelijk van koper
+en komen met de timmerspijkers in vorm overeen: men heeft er van 0,41
+tot 0,103 en zelfs kleineren.
+
+Kondwachter, z. n. m. of Kouswachter. -- 1o. (Veroud.) Langwerpige
+klamp, later rond schijfjen, waar de blinde schenkel werd doorgehaald,
+en Stagkous of Doodshoofd genoemd. Zie ald.
+
+2o. Het touw, dat aan den sleper, waaraan de sloepen liggen, is
+vastgemaakt en dient om ze dichter aan boord te halen.
+
+Koning, z. n. m. -- Staander, as. De K-- van een spil. De K-- van
+het Roer.
+
+Konsignataris, z. n. m. -- De persoon, aan wien een vaartuig is
+beschreven, 't zij om het te onttakelen of weder in zee te brengen,
+'t zij om er de goederen uit te lichten, op te slaan of te verkoopen.
+
+Konsignatie, z. n. v. -- Verpanding, in-bewaar-geving. Die goederen
+liggen daar in K-- (in bewaring). Zy zijn by N. in K--.
+
+Konsigneeren, b. w. -- Opzenden, ter bewaring of verkoop
+toevertrouwen. Een schip K-- (het in handen van een bevrachter
+stellen). Hy heeft de goederen, die aan hem Gekonsigneerd waren,
+niet willen ontfangen.
+
+Konstabel, z. n. m. of Konstapel. -- Opzichter van het geschut.
+
+Konstabelmaat, z. n. m. -- Onderkonstabel.
+
+Konstabelskamer, z. n. v. -- Het achterste gedeelte van het
+tusschendeks: daar logeeren de kadets en de stuurlieden; achter in
+is aan stuurboord een hut voor een officier; aan bakboord een voor
+den opperstuurman.
+
+Konstructie, z. n. v. -- Zie Aanbouw, Scheepsbouw, Bouw.
+
+Konsul, z. n. m. -- Ambtenaar, in 't Buitenland aangesteld om er
+den handel en de zeevaart zijner natie te beschermen, de noodige
+bewijsstukken te legalizeeren, enz. enz. K---Generaal. Vice-K--.
+
+Konsulaat, z. n. o. of Konsulschap. -- 1o. Betrekking van Konsul.
+
+2o. Woning, kantoor van den Konsul.
+
+Kontjens, z. n. o. mv. -- Thands in gebruik voor koinen. 't Is 't
+zelfde woord, maar verkleind, en staat dus voor Kointjens.
+
+Kontramarsch, z. n. m. -- Beweging, waardoor onderscheidene schepen
+eener oorlogsvloot, de linie, waarop zy geplaatst waren, verlaten,
+om zich achtereenvolgends op een nieuwe linie te stellen. In den K--
+door-de-wind gaan (wanneer men met den wind van voren die beweging
+doet). In den K-- loopen (wanneer men dit met den wind van achter
+doet).
+
+Kontra-observatie, z. n. o. -- Tweede op- of waarneming, strekkende
+om de juistheid eener vroeger genomene na te gaan.
+
+Kontra-orde, z. n. v. -- Bevel, waardoor een vroeger last herroepen
+wordt.
+
+Kontra-sein, z. n. o. -- Vlaggetjen, dat geheschen wordt om aan te
+toonen, dat men het sein van den Amiraal heeft gezien en begrepen. By
+nacht gebruikt men daartoe een lantaren.
+
+Konvooi, z. n. o. -- 1o. Schip of vloot, die onder geleide van een
+of meer gewapende vaartuigen vaart. De wakkere verdediging van den
+bevelvoerder gaf gelegenheid aan het K-- om te ontvluchten.
+
+2o. Het geleide zelf. Die schepen varen onder K-- (onder geleide).
+
+3o. In 't mv. K--en en Licenten (veroud.), rechten op vervoer, in-
+en uitvoer.
+
+Konvooibrief, z. n. m. -- Brief, dien de Kommandant van 't Konvooi
+geeft aan de schepen, welke hy te geleiden heeft.
+
+Konvooilinie, z. n. v. -- Lijn, waarin de schepen van 't Konvooi
+zich stellen moeten, om onder de bescherming van het geleideschip
+te blijven.
+
+Kooi, z. n. v. -- Slaapstede aan boord, aldus genoemd, omdat zy even
+als vogelK--en boven en naast elkander tegen den wand vastzitten. Ook
+voor hangmat en slaapstede is 't algemeen. Naar K-- gaan (naar
+bed gaan).
+
+Spreekwijze: De K-- lek varen (een onvoordeelige, schadelijke reis
+doen).
+
+De schipper heeft de K-- lek gevaren (hy is ontschipperd).
+
+Te K-- kruipen. Voor goed naar K-- gaan (sterven, waarvan Huygens in
+zyn Scheepspraat op 't overlijden van Prins Maurits aldus:
+
+
+ Mouringh was te koy ekropen
+ En den endeloosen slaep
+ Had zijn wacker oogh besloopen,
+ En den Leeuw gemaeckt tot Schaep.)
+
+
+Kooken, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer zy zich
+bruischende verheft.
+
+Koopvaarder, z. n. m. of Koopvaardyschip. -- Schip, dat ter Koopvaart
+is uitgerust.
+
+Koopvaardy (ter), bw. -- Tot de Koopvaart. T-- K-- uitgerust--wordt
+van een schip gezegd, om het van een oorlogsvaartuig te onderscheiden.
+
+Koopvaardyschip, z. n. o. -- Zie Koopvaarder.
+
+Koopvaardyvloot, z. n. m. -- Verzameling van Koopvaarders.
+
+Koord, z. n. v. en o. -- Lijn, touw.
+
+Koordaadje, z. n. v. (veroud.) -- Alle soort van touwwerk.
+
+Koot, z. n. v. -- Kooi of kot van den stuurman eener haringbuis.
+
+Kop, z. n. m. -- Het bovenste of voorste. De K-- van de spil. De K--
+van het roer. Met den K-- op de zee zeilen (den voorsteven aan de
+golven bieden). Wy liepen hem met den K-- in de zijde (ons schip voer
+met zijn voorsteven het andere dwars in het boord).
+
+Kopbout, z. n. -- 1o. Zware ring, boven elke geschutpoort der
+onderbattery geplaatst.
+
+2o. Spant- of NaaiB--. Bout, dienende om de deelen van een affuit
+aan elkander te verbinden. Platte, ronde, vierkante K--en.
+
+Koperen, b. w. -- Met koperen platen beleggen, 't geen ten opzichte
+van schepen geschiedt om de aangroeijing van schelpen en weekdieren
+af te weeren. Een Gekoperd fregatschip.
+
+Kophoutjen, z. n. o. -- Houtjen, dat de lijken van een kluiver
+tegenhoudt.
+
+Koppelblad, z. n. o. -- Rechthoekige parallelogram op een blad papier
+afgeteekend en afgedeeld in kleine gelijke vierkanten, door middel
+van evenwijdige lijnen, die noord en zuid of oost en west loopen. Op
+dit Blad vindt men onderscheiden bogen, die hun gemeenschappelijk
+middelpunt hebben in den top van een der hoeken. Een en ander strekt
+tot bepaling zoo na mogelijk van den afgelegden weg in lengte en
+breedte, wanneer men bevorens weet hoe veel weegs men heeft afgelegd
+en in welke richting.
+
+Koppelen, o. w. -- Koppelkoers berekenen; d.i., uit de gedurende het
+etmaal gezeilde koersen en snelheid van vaart, de gegeven breedte
+verkrijgen.
+
+Koppelbouten, z. n. m. mv., Naai- of SpantB--en. -- Bouten, die,
+van achtkante staven afgehakt, aan het eene einde een geringe ronding
+verkrijgen, en dienen om de twee rijen inhouten van hetzelfde spant
+te verbinden.
+
+Koppelkompas, z. n. o. of Uurbord. -- Houten schijf, van een handvatsel
+voorzien, en waarop de 32 windstreken zijn afgebeeld. Boven elke
+windstreek zijn 8 gaatjens geboord om de 8 halve uren van een wacht
+te verbeelden. Elk half uur slaat de voorganger een pen in boven de
+windstreek, waaronder hy gestuurd heeft. Het uurbord, alzoo met den
+afloop der wacht van 8 pennen voorzien, dient den roerganger om den
+weg op te teekenen, dien het vaartuig gehouden heeft.
+
+Koppelstuk, z. n. o. -- Derde Stuk of laatste schaal, die op een balk
+wordt ingelaten om dien volledig te maken.
+
+Koppen, z. n. m. -- 1o. Verhevenheden, gevormd door 't zeeschuim,
+die zich boven de baren vertoonen, waar sterke branding gaat.
+
+2o. Uitspringende gedeelten van zware of donderwolken.
+
+3o. Mannen, personen. Dat vaartuig was met vijftig K-- bemand (had
+vijftig man aan boord).
+
+Koprand, z. n. m. -- Deel van de galery.
+
+Kopstuk, z. n. o. -- Deel van de galery of buiten-betimmering.
+
+Koptouw, z. n. o. -- Touw, waarmede het hoofd van een kanon aan het
+scheepsboord wordt vastgesjord.
+
+Korten, b. w. -- In den zin van "inhalen, verminderen". Een touw K--.
+
+Kort-jan, z. n. o. -- Zakmes. Zy haalden K-- voor den dag (zy trokken
+hun mes). Daar Jan of Janmaat de algemeene benaming is voor "matroos",
+zoo is door K-- het korte zijdgeweer, dat de matroos draagt, aangeduid
+geworden. Zie echter Bild. Gesl. in v.
+
+Kortouw. -- Zie Kartouw.
+
+Korvet, z. n. v. -- Lands oorlogsvaartuig, dat in rang volgt op een
+fregat. StoomK--, KuilK-- (die een bak en halfdek heeft). GladdeksK--
+(die geen halfdek heeft).
+
+Kot, z. n. v. -- Hut of slaapplaats onder de bak.
+
+Kou, z. n. v. -- (voor koude) Wind. Het waait een stijve K-- (een
+frissche wind).
+
+Koubeitel, z. n. m. -- Beitel; bekwaam om gaten te maken in yzer dat
+koud is.
+
+Kous, z. n. v. -- 1o. Koperen of yzeren ring, die de lus of het oog,
+die in 't touw zijn gesplitst, open houden. De K-- van 't touw (de
+binnenste, eerste bocht van het opgeschoten ankertouw).
+
+Spreekwijze: In de K-- van 't touw kruipen (omlaag, wegloopen, zijn
+post verlaten, zich lafhartig gedragen).
+
+2o. (Veroud.) Zeeuwsche uitdrukking, voor: Mislukte reis. Een K-- varen
+(een reis doen met verlies). Hiermede staat wellicht in verband de
+
+Spreekwijze: Met de K-- op het hoofd terugkeeren (met schade en
+schande terugkeeren).
+
+Kouswachter, z. n. m. -- Zie Kondwachter.
+
+Kraag, z. n. v. -- Omwindsel van geteerd prezenning doek, zoo gelijk
+met het dek als aan den top, om den mast geslagen.
+
+Kraai, z. n. m. -- Soort van Noorsch vaartuig.
+
+Kraaienest, z. n. o. -- Ton, vat of ander voorwerp van dien aart,
+dat, aan den masttop van een Poolzeevaarder bevestigd, tot beschutting
+van den uitkijk dient.
+
+Kraaier, z. n. m. -- Vaartuig, by onze voorouders in gebruik, en de
+Oostzee bevarende.
+
+Kraak, z. n. v. -- Van 't Spaansch caraca. Spaansch of Portugeesch
+lastschip, dat zeer zwaar en hoog uit het water plach gebouwd te
+wezen. Van deze schepen werden gedurende den tachtigjarigen oorlog
+vele door de onzen veroverd, en daar zy dikwijls Oost-Indische
+waren en, onder anderen, uitmuntend porcelein vervoerden, verkreeg
+dit buitgemaakte porcelein den naam van K--porcelein. Tegenwoordig
+zijn de K--en kleiner dan voorheen en alleen op de binnenwateren in
+gebruik. Vondel in zijn Lof der Zeevaart, neemt K-- eenvoudig voor
+"schip", waar hy zegt:
+
+
+ Dit alles aengemerckt staet 't evenaren of
+ Mijn kraeck niet evenaert met eenigh keizershof.
+
+
+Kraallijn, z. n. v. -- Lijn, waaraan houten kralen geregen zijn en
+die, om den mast aan de klaauw van den gaffel vastgemaakt, dient om
+deze by het ophijschen of strijken tegen den mast te houden.
+
+Kraalrand, z. n. m., Schrikrollen of rolrand -- Rollen, in de klampen
+van den kaapstander geplaatst, om de werking te bevorderen.
+
+Kraalschaaf, z. n. m. -- Soort van holle schaaf, dienende om voorwerpen
+een afgeronden rand te geven.
+
+Kraan, z. n. v. -- Groot schuins oploopend werktuig, naar zijn vorm
+aldus genoemd en dienende om zware lasten op te hijschen.
+
+Kraanbalk, z. n. m. -- Twee groote uitspringende vierkante balken,
+een aan stuur- en een aan bakboordszijde op den boeg geplaatst,
+en dienende om het anker aan te hangen.
+
+Kraankind, z. n. o. -- Arbeider aan de Kraan.
+
+Kraanmeester, z. n. m. -- Opziener van de Kraan.
+
+Krabber, z. n. m. (veroud.) -- Soort van vischschuit, waarschijnlijk
+gebezigd om krabben, oesters en garnalen te vangen, en daarna geheeten:
+
+
+ Ick laet de Buijsen staen, de Krabbers en de Booten,
+ Die om den Visch-vangh noch op 't zoete water vlooten.
+
+
+zegt Vondel, Lofs. op de Scheepv.
+
+Kracht (met), bw. -- M-- K-- van riemen (door het krachtig bezigen
+der riemen). M-- K-- van zeilen (door zoo vele zeilen mogelijk by
+te zetten).
+
+Kraken, o. w. -- Wordt van een schip gezegd, wanneer, ten gevolge der
+hevigheid van wind of zee, de deelen van de betimmering tegen elkander
+schuren: ook van een mast of ra, die, zonder gebroken te zijn, niet
+meer hun vorige stevigheid bezitten.
+
+Kram, z. n. v. -- 't Woord beteekent "grijping, omklemming," even als
+de meeste woorden die met kr aanvangen, als "krijgen, krabben, krib,"
+enz. Een K-- bestaat uit twee evenwijdig gestelde, gelijke yzeren of
+koperen spijkers, aan hun boveneind rechthoekig of met een bocht te
+samen verbonden.
+
+Krans, z. n. v. -- Geteerd ringvormig touw.
+
+Krapgeslagen, b. n. -- Stijf ineengedraaid. K-- touw.
+
+Krapschuitsgewijze, bw. -- Met de planken schuins over elkander,
+(of op de wijze als men thands "met klinkwerk" heet) -- hoedanig onze
+vaartuigen oudtijds waren ingericht.
+
+Krasser, z. n. m. -- Yzeren schaft, vast gesoldeerd aan twee armen,
+op hun uiteinde gescherpt en spiraalvormig ineengedraaid, zoodat de
+punten vlak tegen elkander over staan. De K-- dient om vuurmonden
+te ontladen. K-- op den wisscherhals (die bestemd is, om, na het
+lossen van het stuk, de kardoesbodems, die er in gebleven zijn,
+er uit te trekken).
+
+Kreek, z. n. v. -- Kleine inham aan een kust, en waarin vaartuigen
+van middelbare grootte kunnen ankeren.
+
+Krengen, o. w. -- Een schip overzijde halen, door ballast of geschut
+naar één kant te brengen, ten einde iets buiten boord schoon te maken
+of te herstellen. Hy kreeg een schot onder water en moest K--. 't Woord
+is van Kreng, omdat een dood lichaam, of kreng, in 't water geworpen,
+altijd op zijde ligt.
+
+Kriel, z. n. m. -- Vischben of mand, die op den rug gedragen wordt. De
+benaming is meest gebruikelijk in onze zeedorpen.
+
+Krikkemik, z. n. m. -- Werktuig van drie palen, die op den grond gezet
+worden, onder wijd van elkander doch boven in een punt toeloopende,
+waar men bloks in hangt om zware balken op te winden en te heffen.
+
+Krimp, z. n. o. -- Bekrimping.
+
+Spreekwijze: Daar is nog geen K-- (daar is nog geen gebrek).
+
+Krimpen, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, als hy minder ruim
+wordt, d. i. minder toelaat om koers te zeilen. 't Is van Krimp
+(gebrek).
+
+Kroeg, z. n. v. (veroud.) -- Vereering, welke de Reeder of Schipper
+plach te geven, als een schip voltooid was, en voor welk geld, gelijk
+Winschoten zich uitdrukt, "gemeenlijk geen land gekocht werd".
+
+Kromhout, z. n. o. -- Hout, dat een natuurlijke kromming heeft.
+
+Spreekwijze: Men kan alle K--en niet recht maken (men kan alles
+niet verbeteren).
+
+Krommen, b. w. -- Krom buigen, krom slaan.
+
+Spreekwijze: Het moet vroeg K--, dat haken zal (men moet zich vroeg
+leeren buigen, om wat te verkrijgen).
+
+Krommer, z. n. m., 't zelfde als Kromhout. -- K-- zonder wan of
+knoesten (die volkomen gaaf is).
+
+Kromsteven, z. n. m. -- Vaartuig met een gebogen steven. De naam
+van K-- werd oudtijds gegeven aan een bepaalde soort van schepen,
+breed van voren, hoog op den boeg en met veel hout voor scheen,
+die op de Maas voeren.
+
+Spreekwijze: Hy is een echte K-- (hy is een vreemdeling, die onze
+taal niet goed kan uitspreken: omdat zijn tong--by een steven
+vergeleken--krom slaat.)
+
+Kromwulf, z. n. m. -- Wulf achter aan het schip. Zie Wulf.
+
+Kronometer, z. n. m. of Tijdmeter. -- Soort van uurwerk, dienende aan
+boord, om zich van den juisten tijd te vergewissen en door vergelijking
+den koers te bepalen.
+
+Kroonbalk, z. n. m. -- Bovenste Balk tusschen de hekstukken, tot
+potdeksel van het hek dienende.
+
+Kropwangen, z. n. v. mv. Zie Boegband. -- Zy zijn aldus genoemd naar
+het zwellend vooruitspringen, waardoor zy als 't ware de wangen van
+het vaartuig uitmaken.
+
+Kruidlezer, z. n. m. (veroud.) -- Geëmployeerde by de
+O. I. Maatschappy, die de kruideryen sorteerde.
+
+Kruien, o. w. -- Wordt het ijs gezegd te doen, als het in de rivieren
+begint los te raken en met over elkander gestapelde schotsen in
+beweging te komen. 't Is eigenlijk de stroom, die 't ijs voortkruit.
+
+Kruimelingen, z. n. v. mv. -- Overschot van Kruimels der ingescheepte
+beschuit.
+
+Kruisbras, Ra, Steng, enz. -- Bras, Ra, Steng enz. van den bezaansmast.
+
+Kruisen, o. w. -- 1o. Zich in een bepaalde streek der zee heen en weder
+begeven, om aldaar de schepen af te wachten, welke men moet beschermen,
+bystaan of aanvallen. Door tegenwind K-- (op en neder zeilen, zonder
+van koers te veranderen, in afwachting van gunstiger wind).
+
+2o. Een voorwerp Kruiswijze voorbygaan. Deze touwen K-- elkander.
+
+Kruiser, z. n. m. -- 1o. Kruisend schip.
+
+2o. De gezachvoerder van zoodanig schip.
+
+Kruishout, z. n. o. -- 1o. Belegbalk der stijlen en knechten.
+
+2o. Hout tot belegging van schoten, halzen en onderbrassen.
+
+Kruising, z. n. v. -- End lijn, waarmede twee touwen zoo stevig aan
+elkander verbonden zijn, dat zy niet van elkander kunnen losraken
+noch verschuiven.
+
+Kruisklamp, z. n. v. -- Zie Klamp.
+
+Kruisklamplasch, z. n. m. -- Lasch, die uit twee Haaklasschen in
+tegengestelde richting bestaat.
+
+Kruispeiling, z. n. v. -- Peiling van twee, op een afstand van elkander
+staande, voorwerpen, b. v. den toren in het N. O. t. N. peilende
+en de vuurbaak in het N. W. t. W. bepaalt men de plaats waar men
+zich bevindt.
+
+Kruispoort, z. n. o. (veroud.) -- Achtergeschutpoort in de
+Konstabelkamer.
+
+Kruispost, z. n. m. -- Uitgestrektheid der zee, waar men Kruisen
+gaat. Er zijn zes schepen op den K-- te Malta.
+
+Kruisscherp, z. n. v. (veroud.) Kneppelkogels.
+
+Kruisverband, z. n. o. -- Verbinding tot versterking van een getimmerte
+Kruiswijze aangebracht.
+
+Kruiszeil, z. n. o. -- Het middelste zeil van den bezaansmast.
+
+Kruit, z. n. o. -- Zie Buskruit.
+
+Kruitboot, z. n. v. -- Vaartuig, bestemd om het Kruit aan of van
+boord te brengen.
+
+Kruitdissel, z. n. m. -- Metalen-dissel, in de Kruitkamer, voor de
+vaten in gebruik.
+
+Kruithoorn, z. n. m. -- Lange hoorn, van boven met een plat deksel
+gesloten, en dienende tot bewaring van het Buskruit, dat op het
+laadgat gedaan wordt.
+
+Kruitkamer, z. n. m. -- Rechthoekig, afgezonderd vertrek in het voor-
+en in het achterruim der schepen, waar het Buskruit in bewaard wordt.
+
+Kruitlantaren, z. n. v. -- Koperen Lantaren, die in het schot van de
+Kruitkamer staat en achter dat schot wordt aangestoken.
+
+Kruitlepel, z. n. m. -- Kleine blikken of koperen scheplepel, die de
+maat van het kaliber houdt en waarvan de Kanonniers zich bedienen om
+Kruit in de kardoezen te doen.
+
+Kruitmaat, z. n. v. -- Koperen maat, welker inhoud berekend is het
+gewicht te bevatten der lading voor een geweer of stuk geschut van
+een bepaald kaliber.
+
+Kruittrechter, z. n. m. -- Koperen Trechter, waar men het Kruit
+laat doorloopen.
+
+Kruitton, z. n. v. of Kruitvat. -- Vat of Ton, dienende om Kruit
+te bewaren.
+
+Kruitvat, z. n. o. -- Zie Kruitton.
+
+Kruitzeil, z. n. o. -- Zeil, dat over het dek (vloer) van de Kruitkamer
+ligt.
+
+Krul, z. n. v. (veroud.) -- Ombuiging van het galjoen.
+
+Krijg, z. n. m. -- Oorlog, gevecht. ZeeK--, WaterK--.
+
+Krijgen, b. w. -- Bekomen. Het in den wind K-- (tegenwind bekomen). De
+loef van hem K--. Zwaar weer K--.
+
+Krijgsraad, z. n. m. -- 1o. Vergadering der Hoofdofficieren eener
+vloot, om te beraadslagen, welke party men in een gegeven omstandigheid
+te kiezen heeft.
+
+2o. Rechtbank van Zeeofficieren, die byeenkomt wanneer er een misdrijf
+heeft plaats gehad aan boord van een Lands-vaartuig.
+
+Krijgsvoorraad, z. n. m. -- Voorraad van krijgsbehoeften.
+
+Kubboot, z. n. v. -- Boot of schuit, waarmede de visschers van Marken
+en andere zeeplaatsjens aal gaan visschen. Zy wordt aldus genoemd
+naar de Kub of Kubbe, een soort van fuik.
+
+Kuil, z. n. m. -- Dat gedeelte van het schip, 't welk van onder het
+halfdek of onder de loopplanken tot onder den bak loopt. Een diepen
+K--, veel boord hebben (wordt gezegd van een vaartuig, welks reehout
+meer dan 1.5 el hoog is). Dit schip is zonder K--, het is een gladdeks
+schip (wanneer het reehout niet meer of weinig meer dan een el boven
+het dek opstaat).
+
+Kuildek, z. n. o. -- Dek, dat in zijn lengte gebroken is. Zie Dek.
+
+Kuilkorvet, z. n. v. -- Korvet van 28 stukken. Korvet met opper-
+en kuildek.
+
+Kuilschip, z. n. o. -- Schip, waarin een Kuil is.
+
+Kunstknie, z. n. v. -- Knie, die niet uit een stuk gewassen is,
+maar waarvan lijf en tak uit afzonderlijke stukken zijn saêmgesteld,
+met yzeren plaatknieën vereenigd.
+
+Kusiforme, z. n. v. -- Smalle en lange roeischuit zonder dek, welke
+de Japaneezen tot de watervischvangst gebruiken.
+
+Kust, z. n. v. -- Strook lands langs de zee. Steile K--, Lage K--,
+Schoone K-- (langs welke de zee een groote diepte blijft behouden en
+niet met rotsen of klippen bezet is). Vuile K-- (die gevaarlijk is).
+
+Kustvaarder, z. n. m. -- Vaartuig, dat zich by de kustvaart bepaalt.
+
+Kustvaart, z. n. v. -- Vaart langs de kust, van kaap tot kaap, van
+haven tot haven. De bepalingen aangaande de K-- zijn te vinden in
+art. 176 der Alg. wet van 26 Aug. 1822.
+
+Kustwachter, z. n. m. -- Vaartuig, dat de kust bewaakt.
+
+Kwadraat, z. n. o. -- Werktuig, gebezigd om aan de spil van een stuk
+geschut de richting te geven, die het schot vereischt.
+
+Kwart, z. n. o. -- 1o. By het uitbetalen aan boord van een
+oorlogsschip, wat om de drie maanden gebeurt, krijgt een matroos
+het vierde gedeelte van zijn traktement; terwijl het overige door
+het Gouvernement voor hem bewaard wordt tot aan het einde van zijn
+diensttijd. Als de tijd nadert, waarop het K-- betaald wordt, is de
+matroos onrustig, en, heeft hy het geld op zak, lastig, tot dat het
+weêr verteerd is; wanneer men met hen doen kan wat men wil.
+
+2o. Wacht, verdeeling van 't etmaal. K-- slaan. 's Nachts als
+het laatste kwartier uurs van de wacht genaderd is wordt er een
+slag aan de bel gedaan en het kwartier opgepord, dat de wacht moet
+aflossen. Dan wrijven zy, die op wacht zijn en naar hun kooi verlangen,
+de handen, en denken: "het K-- heeft geslagen: de wacht is op een oor
+na gevild". Vroeger was het een algemeen gebruik, dat een der gasten
+alsdan het K--lied zong, by het einde waarvan de vervangende wacht
+op het dek moest staan. Dit K--lied luidde zeer deftig, als men uit
+het navolgende fragment kan oordeelen:
+
+
+ Zoo raakt ge niet over de fokkeschoot;
+ Want Kaïn die sloeg Abel dood,
+ Al met een kakebeen bequaam,
+ Reis uit Kwartier in Godes naam.
+
+
+Kwartier, z. n. o. -- Wacht: de helft der manschap, die beurtelings
+de wacht heeft en verdeeld wordt in stuurboords- en bakboordsK--. Van
+daar het lied, dat 's avonds by 't wacht opzetten door den Provoost
+wordt opgedreund:
+
+
+ Stuurboords kwartier heeft de eerste wacht,
+ God verleene haar goeden nacht.
+
+
+Vroeger heetten zy Prinsen- en Graaf Maurits kwartier.
+
+Kwartiermeester, z. n. m. -- Jongste Onderofficier: ieder K-- heeft
+het bestuur over eene der sloepen.
+
+Kwartiervolk, z. n. o. -- Het gedeelte der manschap, dat tot een
+Kwartier behoort.
+
+Kwartslang, z. n. v. (veroud.) -- Soort van geschut.
+
+Kwast, z. n. v. -- 1o. Soort van dik penceel, waarmede men teert,
+of den teer uitstrijkt op een blok, touw, of de buitenhuid.
+
+Spreekwijze: Hy loopt met de TeerK-- (hy is een pluimstrijker,
+een vleier).
+
+2o. Knoop in een stuk hout.
+
+
+
+
+
+
+
+L.
+
+
+Laadgat, z. n. o. -- Zie Zundgat.
+
+Laadpriem, z. n. m. -- Zie Ruimnaald.
+
+Laag, z. n. v. -- 1o. (veroud.) Zog, Kielwater.
+
+2o. De stukken geschut, die op dezelfde rij geplaatst zijn. Bovenste
+GeschutL--, Onderste GeschutL--.
+
+3o. De schoten, uit de op een rij geplaatste stukken gelijktijdig
+gelost. De volle L-- geven (uit al de stukken, die zich aan ééne zijde
+bevinden, tegelijk schieten). Hy heeft een geduchte L-- ontfangen
+(hy is hevig beschoten).
+
+Spreekwijze: Iemand de volle L-- geven (hem geducht de waarheid zeggen:
+ook: hem ruw bejegenen).
+
+Laars, z. n. v. -- End dag, waarmede men iemand afstraft.
+
+Laarzen, b. w. -- De schepelingen met een end dag op de natte broek
+kastijden. Volgends Bild. op Laars zoû 't woord oorspronkelijk Leerzen
+zijn en beteekenen "met lederen riemen slaan". Doch Kiliaan stelt
+leersen synonium met bot-aersen (met schoenen of laarzen slaan).
+
+Labber, b. n. -- Lui, flaauw, naar.
+
+Labberen, o. w. -- Fladderen, wapperen, wordt van een zeil gezegd.
+
+Labberkoelte, z. n. v. -- Flaauwe wind, waarby de zeilen niet gespannen
+staan, maar alleen labberen en fladderen.
+
+Labberlot, z. n. v. -- Naam van eene der sloepen.
+
+Labberlottig, b. n. -- Zie Belabberd.
+
+Labzalven, b. w. -- Zie Lapzalven.
+
+Ladder, z. n. m. -- Samenstelling van planken of van touw, waarmede
+men op- of afstijgt. TouwL--, ScheepsL--.
+
+Laden, b. w. -- Vullen, van zijn lading voorzien: en dus, zoowel
+met betrekking tot de goederen, die in het schip, als tot het kruit
+en lood, die in het geschut gebracht worden. Het schip is Geladen
+(heeft zijn lading ontfangen). De goederen zijn Geladen (zijn binnen
+boord gebracht). De kanonnen zijn Geladen (zijn gereed gemaakt om
+afgeschoten te worden). Zie de bepalingen omtrent het Laden en Lossen
+in de Alg. wet van 26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127-152.
+
+Spreekwijze: Ik heb Geladen waar ik meê over moet (ik heb my een
+ongemak, een kwelling op den hals gehaald, die my zal byblijven).
+
+Lading, z. n. v. -- 1o. De waren, goederen, koopmanschappen, enz. welke
+in een vaartuig worden overgevoerd. In L-- liggen (wordt een schip
+gezegd te doen, als het klaar ligt om ingeladen te worden). L--
+stukgoederen, L-- stootgoederen.
+
+
+ Wanneer de morgenstar zal rijzen,
+ Zal 't licht de rijke lading wijzen.
+
+ Van Haren, de Geuzen.
+
+
+2o. De dracht kruit, die een vuurwapen vereischt.
+
+3o. De hoeveelheid kruit, kogel of kogels, enz. die te samen genomen
+in een vuurmond gebracht wordt.
+
+4o. De daad zelve van het Laden (Gezwinde L--, L-- in 4, in 11
+tempoos).
+
+Lagerwal, z. n. m. -- De oever, waar de wind op staat en alzoo het
+tegenovergestelde van Opperwal of Oppert.
+
+Spreekwijze: Aan L-- zitten, aan L-- zijn (zich in slechte
+omstandigheden bevinden:--omdat een vaartuig, 't welk aan L-- ligt,
+geen beschutting van de landzij hebbende, aan den wind is blootgesteld
+en dikwijls gevaar loopt van stranden).
+
+Laken, z. n. o. (veroud.) -- Oneig. voor Zeil. Voor het L-- gaan
+(voor-de-wind zeilen).
+
+Lampion, z. n. o. -- Blikken ring, waar binnen de pit gevat is,
+wier licht het kompas beschijnt.
+
+Land, z. n. o. -- Ten opzichte van den zeeman, al wat geen water
+is. Beneveld L-- (wat men niet goed onderscheiden kan). Groot L--
+(het vaste L-- met betrekking tot een Eiland, of een groot Eiland met
+betrekking tot een kleiner). Gesloten L-- (Landpunten of Eilanden,
+tusschen welke men niet doorheen kan zien, zoodat zy met elkander
+verward worden). Hakkelig L-- (waarvan het bovenste gedeelte zich
+dor en heuvelachtig voordoet). Hoog L-- (dat zich hoog boven de zee
+verheft). Verkenbaar L-- (dat licht te kennen valt). Vast L-- (dat
+tot het vaste L-- behoort). L-- dat ontvalt (kust, die zich naar de
+regels der perspectief langzamerhand schijnt te verwijderen). L--
+zien, L-- hebben (in de nabyheid van het L-- zijn). Daar is
+L--! L-- vooruit! L--! L-- in het gezicht! L-- te loefwaarts! L--
+aan stuurboord! L-- kraanbalksgewijze te loefwaarts! L-- dwars over
+bakboord! enz. (uitroepen, door den uitkijk gedaan). Over L-- zeilen
+(veroud.), (zeilen, waar men naar de gissing gemeend had L-- te moeten
+vinden, ofschoon men er ver van verwijderd is). Zie Boterland.
+
+Spreekwijze: Ik zie L-- (de bak is byna ledig, ik zie den boôm).
+
+L-- voor den bak slaan (aannemen, alleen den bak ledig te eten.)
+
+Daar sla ik L-- voor (dat is voor my alleen.)
+
+Er is geen L-- met hem te bezeilen (er is geen middel om met hem te
+recht te komen).
+
+Het zal hier op het L-- waaien (daar is wat kwaads naby).
+
+Hy kan wel zien, hoe na by L-- (hoe het met een zaak gelegen is).
+
+Hy durft niet van L-- (hy durft het niet wagen).
+
+Ik heb het L-- (ik ben gemelijk--als een zeeman, die zich aan wal
+verveelt).
+
+Iemand het L-- opjagen (iemand uit zijn humeur brengen).
+
+Landen, o. w. -- Zich aan Land begeven, aan Land komen. Een geschikte
+plaats om te L-- (om aan wal te komen). De troepen zijn Geland (zyn
+aan land gekomen).
+
+
+ Zoo blinckt de zon op 't schoonst, die aanbreeckt uit den damp,
+ Zoo lant de vloot, na storm, gelukkigst in de haven.
+
+ Vondel, Inw. van 't Stadthuis.
+
+
+Landganger, z. n. m. -- Een die van scheepsboord zich aan Land
+begeven heeft.
+
+Landing, z. n. m. -- Het aan wal gaan, byzonder met vyandelijke
+inzichten. De L-- der Engelschen in Noord-Holland. Wy konden ons
+voordeel niet doorzetten by gemis aan L--troepen.
+
+Landingboot, z. n. v. -- Boot, waarmede een Landing verricht wordt.
+
+Landingsplaats, z. n. m. -- Plaats, bekwaam gemaakt om er te landen:
+ook eenvoudig de plaats waar men geland is, of welke men uitkiest om
+er te Landen.
+
+Landkrab, z. n. m. -- Schimpnaam, door 't zeevolk aan de Landsoldaten
+gegeven.
+
+Landmerk, z. n. o. -- Wordt in 't algemeen genomen voor elk vast
+voorwerp, dat, op het land staande, door de richting, waarin men
+het uit zee bespeurt, dienen kan om in het vaarwater te blijven,
+klippen en banken te mijden, enz.
+
+Landontdekking, z. n. v.-- 1o. Het Ontdekken van een te voren
+onbekend Land.
+
+2o. Verkenning van land. Op de hoogte van Mauritius gekomen, zond de
+Amiraal een brik uit op L--.
+
+Spreekwijze: Op L-- uitgaan (zich van een zaak vergewissen).
+
+Landslot, z. n. o. (veroud.) -- Haven, die door bergen of hoogten
+ingesloten, tegen alle winden beschut ligt.
+
+Landstreek, z. n. v. -- Gewest, landouw.
+
+Landtong, z. n. v. -- Strook Lands, die als een Tong in zee
+uitsteekt. Wy liepen langs eene met boomen begroeide L-- die ons in
+de rivier bracht.
+
+Landvalling, z. n. v. (veroud.) -- Ontdekking, opdoeming van eenig
+Land.
+
+Landverkenning, z. n. v. -- 1o. Het verkennen, onderzoeken eener
+landstreek.
+
+2o. Men noemt ook L--en zekere merken, als torens, molens, enz.,
+van welker betrekkelijke plaatsing men den ingang van een stroom of
+van een haven enz. herkent.
+
+Landwind, z. n. m. -- Wind, die van het Land zeewaarts inwaait en op
+gezette tijden, gelijk zulks in bergachtige landen zeer gewoon is.
+
+Landziekig, b. n. -- Door Landziekte of heimwee aangetast; van hier:
+langzaam, traag, verveelend. Wy hadden een L--e reis. (wy waren
+lang onderweg).
+
+Spreekwijze: Een L--e redevoering (die te lang duurt, verveelt).
+
+Landziekte, z. n. v. -- 1o. Ziekte, aan welke men onderworpen is,
+wanneer men aan de luchtgesteldheid of leefregel van een vreemd land
+nog ongewoon is.
+
+2o. Het heimwee aan boord van onbevaren matrozen, waardoor zy zich
+moedeloos, traag, verveeld gevoelen, en langzaam aan het werk worden.
+
+Langeveld, z. n. o. of Mondstuk. -- Het gedeelte van een mortier,
+van waar het topperstuk eindigt tot aan de monding.
+
+Langs, bw. -- Bezijden, voorby. L-- een kust heenzeilen (een kust
+voorbygaan). Dicht L-- den wal loopen. Een schip, een eiland L--
+zeilen.
+
+Langsdennen, z. n. v. mv. of Langshouten. -- Leggers eener helling.
+
+Langshouten, z. n. v. mv. -- Zie Langsdennen.
+
+Langscheepsch, b. n. -- Van voren naar achteren. Een L-- verband
+(een verband, dat zich langs het schip uitstrekt).
+
+Langszalings, z. n. m. mv. -- Eikenhouten dwarsbalken, twee in getal,
+aan weêrskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der
+topmasten geplaatst.
+
+Langs zijde, voorz. voor langs de zijde van. L-- de Argo.
+
+Laning, z. n. v. -- Planken brug, overloop.
+
+Lanspassaat, z. n. m. (veroud.) -- De laagste Onderofficier. 't
+Woord is afgeleid van 't Ital. lancia spezzata (gebroken of geknotte
+lans). In 't Groot-Placaetboek, D. V. bl. 173, vinden wy in een opgave
+van krijgsonkosten den Landtspassaet tusschen den Korporaal en den
+Tamboer geplaatst. Zie De Vries op Hoofts Warenar, bl. 109.
+
+Lantaarn, z. n. v. -- Verschillend in grootte en gebruik. Zie DieveL--,
+GeschutL--, KruitL--, SeinL--. 't Woord wordt ook meer bepaald genomen
+voor de met glazen voorziene kap, waardoor licht in de kajuit gegeven
+wordt.
+
+Lantaarngat, z. n. o. -- Hok achter de kruitkamer, waarin de
+kruitlantaarn wordt ontstoken.
+
+Lantaarnvuur, z. n. o. -- Vuurbaak, in een haven geplaatst om de
+binnenkomende schepen te lichten.
+
+Lantaarnstander, z. n. m. -- Stijl of Stander, waar de Lantaarn
+op rust.
+
+Lantione, z. n. v. -- Soort van Sineesche kustgalei, van een aantal
+riemen voorzien.
+
+Lap, z. n. v. of Lap tegen den achtersteven. -- 1o. Stuk hout, dat
+tegen den achterkant des achterstevens geplaatst is, en dienen moet
+om voor te komen dat dit deel te veel verzwakt worde door het inlaten
+der vingerlingen en het maken van de messing.
+
+2o. Zeil; doch meest gebruikelijk in het m. v. of als diminutief. Zie
+Lapjen.
+
+Alle L--pen uithangen (alle zeilen byzetten). Voor de L--pen afloopen
+(voor-de-wind afloopen).
+
+Spreekwijze: Hy laat het onder de L-- hangen (hy verteert veel geld).
+
+Lapjen, z. n. o. -- Zeiltjen. De wind is vlak voor 't L-- (is
+voordeelig).
+
+Spreekwijze: Het gaat hem voor 't L-- (het gaat hem voorspoedig).
+
+Iemand voor 't L-- houden (iemand voor den mal houden: oorspronkelijk;
+iemand gebruiken, om er zijn doel mede te bereiken).
+
+Lappen, b. w. -- Tijdelijk herstellen.
+
+Lapzalven, b. w. -- Is eigenlijk: "Lappen met zalf bestrijken,"
+waarom ook een heelmeester spotswijze een Lapzalver genoemd wordt. Als
+scheepsterm neemt men het voor: "scheepstuig nazien en teeren".
+
+Lasch, z. n. m. -- Vereeniging van twee of meer in dezelfde
+richting loopende stukken, zoo dat hun breedte en dikte onveranderd
+blijft. Platte L-- (wanneer de enden der deelen schuins op elkander
+sluiten). Zie HaakL--, TandL--, enz.
+
+Laschyzer, z. n. o. -- Soort van dubbele spijker, voor de
+deksverbindingen in gebruik.
+
+Laskaar, z. n. m. -- Indiaansche matroos.
+
+Last, z. n. o. -- Gewicht van twee ton of 4000 Pond. Dat schip voert
+N. L--. Een vaartuig van 100 L--.
+
+Last, z. n. m. -- 1o. Vracht, lading. Het schip heeft zijn L--
+in. Het schip is wel by L-- (is behoorlijk geladen). Zie Lastbreker.
+
+2o. Bevel, kommando.
+
+3o. In 't mv. voor "belasting." Zijn L--en opbrengen.
+
+Lastaadje, z. n. v. (veroud.) -- Scheepstimmerwerf of plaats, waar
+die gelegen is of kan worden opgericht. Een buurt aan den IJkant te
+Amsterdam plach er haar naam van te dragen. Bild. leidt den naam van
+'t Deensch af: zie zijn Gesl. in v.
+
+Lastbalken, z. n. m. mv. of Ruimbalken (veroud.) -- Balken, die
+tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek
+gevormd wordt.
+
+Lastbreken, o. w. -- Een gedeelte van de lading lossen.
+
+Lastgeld, z. n. o. (veroud.) -- Tonnegeld, geld, dat in evenredigheid
+der zwaarte van het schip geheven werd.
+
+Lastlijn, z. n. v. of Eerste Waterlijn. -- Denkbeeldige lijn, welke men
+zich voorstelt langs een schip gelijk met den waterspiegel getrokken
+te zijn, wanneer het zijn gewone lading in heeft en gezonken is op
+de diepte welke de bouwmeester gewild heeft.
+
+Lat, z. n. v. -- Dun, lang en plat stuk hout of yzer.
+
+Laten, b. w. -- 1o. Verlaten. Zijn ankers L-- (voor achterlaten).
+
+2o. Hulpwerkwoord. Een schip L-- loopen (het zijn koers doen
+houden). Het anker L-- vallen (het anker uitwerpen). Een onderzeil L--
+vallen (het byzetten). Een touw L-- vliegen (het in eens losgooien).
+
+Latijnzeil, z. n. o. of Emmerzeil. -- Driehoekig zeil, aldus genoemd,
+omdat het by de Latijnsche volkeren in gebruik was.
+
+Laveeren, o. w. -- 1o. Een zeilend vaartuig beurtlings over den eenen
+en den anderen boeg doen wenden, ten einde in den wind op te werken.
+
+2o. De beweging, welke alsdan het vaartuig zelf doet.
+
+
+ Hetzij wy zeilen of laveeren,
+ Is Godt met ons, niets kan ons deeren.
+
+ Cats.
+
+
+Lazaret, z. n. o. -- Gesticht in eenige havens, voornamelijk der
+Middellandsche Zee, en ingericht om er lieden of goederen, die uit
+besmette of verdachte havens komen, quarantaine te doen houden,
+'t Woord is Ital. en beteekent Lazarushuis.
+
+Leeftocht, z. n. m. -- Voorraad van spijs en drank.
+
+Legdagen, z. n. m. mv. of, naar de hedendaagsche speling, Ligdagen. --
+Dagen, bepaald tot lading of lossing van een schip.
+
+Leggen, o. w. of, naar de latere spelling, Liggen, -- 't welk men
+echter nooit uit den mond van een zeeman hooren zal, in uitdrukkingen
+als: De wind gaat L-- (het wordt stil weer). Voor anker L--.
+
+Leggen, b. w. -- De kiel L-- (haar op blokken stellen). Het geschut
+in de rolpaarden L-- (het op zijn plaats brengen). Het Land L-- (zich
+verwijderen van het Land, zoodat het in 't water schijnt te verzinken).
+
+Legger, z. n. m. -- 1o. Geteerd watervat.
+
+2o. Stutbalk.
+
+3o. Vaartuig, dat men by het kielen of timmeren van een schip by de
+hand heeft liggen om 't een of ander te bergen.
+
+4o. Waker op een ledig schip. 't Schip is opgelegd en heeft een L--
+aan boord.
+
+Leguaan, z. n. m. -- Bekleedsel van touw om de raas, mede dienende ter
+vervanging van het bindwerk der raas. SloepsL-- (Gordel van touwwerk,
+voor aan een sloep gebonden, en dienende om haar by stooten van
+beschadiging vrij te waren.)
+
+Legwaring, z. n. v. -- Lijfhouten op het dek langs het boord.
+
+Leider, of meer gebruikelijk Leier, z. n. m. -- 1o. Touwwerk,
+dat van den masttop naar de richting der stags getrokken wordt, en
+waartegen men de voornaamste foks en middelzeilen ophaalt. Staande L--
+(zwaar touw, dat voor of tegen een schuinschen mast geplaatst wordt,
+om het gebruik van een vierkant zeil gemakkelijker te maken).
+
+2o. Leuning. L-- van het galjoen, L-- van de verschansing, L-- rondom
+het boord, L-- van de helling, L-- van de wieg.
+
+Leissels, z. n. o. voor Lei-zeels. -- Stroppen van de raas.
+
+Leizeil, z. n. o. -- Zeil, dat men by ruimen wind buiten de razeilen
+uitvoert.
+
+Lek, b. n. en bw. -- Open, zoo dat het vocht uitloopt. Dat vat is L--
+(het houdt geen water). Met een L--ke boot is 't slecht varen.
+
+Lek, z. n. o. -- Toevallige opening in een vaartuig, waar het water
+door binnen dringt, veroorzaakt door 't stooten op een klip, baak
+of ander voorwerp, door aanzeiling, door grondschoten, door zwaar
+slingeren, enz.
+
+
+ De bodem slorpte 't nat
+ Door 't stooten op een paal; waardoor een yeder zat
+ In 't water tot de knie en vreesde te versticken,
+ Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken.
+ Doch 't Leck geraeckte dicht en stopte wonderbaer
+ Van zelf.
+
+ Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.
+
+
+Dat schip heeft een L--, Dat L-- moet gestopt. Ook opening van een
+vat, kuip, enz. waar het water door weg loopt. In dat vat is een L--
+gesprongen. Cats bezigt het woord vr.
+
+
+ Ziet door een kleine lek zoo komt een schip te zinken,
+ Al schijnt het maar de zee by droppels in te drinken.
+
+
+Spreekwijze: Het L-- stoppen (het verlies vergoeden).
+
+Lekkaadje, z. n. v. -- Wegsypeling van het vocht, gevolg van een
+Lek. Er is zware L-- geweest: er moet zoo veel worden afgetrokken
+voor L--.
+
+Lekken, o. w. -- Uitloopen, wegsypelen, ledig loopen.
+
+Lelie, z. n. v. -- De punt der kompasnaald, die den vorm eener
+lelie heeft.
+
+Schoon zegt Vondel, Lof der Zeevaart:
+
+
+ De leli doelt naar d' as, en dwaalt en is ontrust
+ Tot dat ze Areturus vint en hem van blijschap kust.
+
+
+Leng, z. n. o. -- Strop, dubbel geslagen touw, dienende om vaten of
+andere zware voorwerpen op te hijschen.
+
+Lengen, b. w. -- Aaneenbinden van de netten voor de steurharingvangst
+in gebruik. Doorgaands wordt het L-- van de eerste vleet (21 netten)
+door vrouwen verricht.
+
+Lengte, z. n. v. -- 1o. Afstand tusschen den meridiaan eener plaats
+en den eersten meridiaan. Die stad ligt op N. graden Wester- of
+Ooster L--.
+
+2o. Astronomische L-- eener planeet (boog der ekliptika, begrepen
+tusschen den evennachtslijn of het eerste punt van Ariës en de plaats
+op de ekliptika, waarmede de planeet loodrecht overeen komt).
+
+3o. Geocentrische L-- (punt der ekliptika, waarop het middelpunt
+eener planeet, van de aarde gezien, loodrecht neêrvalt).
+
+4o. Heliocentrische L-- (punt der ekliptika, waarop het middelpunt
+eener planeet loodrecht zoû neêrkomen, indien zy van de zon gezien
+werd).
+
+Lens, bw. -- Ledig. Een schip L-- pompen (het door middel van pompen
+van het ingezwolgen water bevrijden). De pomp L-- pompen (pompen,
+tot dat het water, dat zich in 't ruim bevindt, lager staat dan het
+benedeneinde der pomp).
+
+Spreekwijze: De beurs is L-- (het geld is op).
+
+Lenspomp, z. n. v. -- Pomp, die in een stoomvaartuig door de
+stoomkracht in beweging gebracht wordt, en die voornamelijk dienstig
+is om het water, door lekkaadje of uit de ketels in het ruim geloopen,
+weder weg te werken.
+
+Lens (ter) gaan, o. w. (veroud.) -- De zeilen met ruime schoten ter
+windvang stellen. Thands zegt men daarvoor "van den wind loopen."
+
+Lenzen, o. w. -- By stormweer met weinig, of zonder zeil voor den
+wind of de zee weg loopen. Het voor tip en takel L--de houden.
+
+Leuning, z. n. v. -- Borstweering. L-- van het galjoen.
+
+Leunstag, z. n. o. -- Stag, waar een schip in aanbouw op steunt.
+
+Leuvers, z. n. m. mv. -- Oogen met yzeren kousen in de lijken der
+zeilen, waarin boelijns, gordings enz. worden vastgemaakt.
+
+Levendig (De zeilen) houden, b. w. -- De zeilen laten wapperen,
+op den wind brassen, doen hellen.
+
+Licenten, z. n. v. mv. (veroud.) -- Rechten op den in- en uitvoer
+gesteld. Zie Konvooien.
+
+Licht, z. n. o. -- Voor kunstlicht, vuurbaak.
+
+Licht, b. n. -- By vaartuig gevoegd, geeft daaraan doorgaands de
+beteekenis van hulpvaartuig. Zoo worden onder de L--e vaartuigen
+genoemd de sloepen, booten, jols, enz. die een groot vaartuig ten
+dienste staan.
+
+Lichten, b. w. -- 1o. Ophalen. Het anker L--.
+
+2o. Uit zijn plaats nemen. Het roer L--.
+
+3o. Ontlasten, Lichter maken. Een schip L-- (er een deel der lading of
+der goederen uit nemen of over boord werpen). Dit mag volgends art. 19
+der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 alleen op bepaalde lichtingsplaatsen
+geschieden.
+
+Spreekwijze: Het anker L-- (vertrekken).
+
+Alle beetjens helpen, alle vrachtens L--, zeî de schipper, en hy
+smeet zijn vrouw over boord.
+
+Lichter, z. n. m. -- Vaartuig, waarmede groote schepen gelost
+worden, wanneer zy te veel diepgang hebben om met ongebroken lading
+hun bestemmingsplaats te bereiken. Vóór de doorgraving van het
+Noord-Hollandsch kanaal, werden de goederen uit de koopvaarders by
+hun aankomst op de reede van Texel, alle door L--s naar Amsterdam
+vervoerd. Zie de bepalingen, omtrent de L--s in artt. 19, 20, 21 en
+22 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.
+
+Spreekwijze: Een L-- aan boord krijgen (ondersteuning krijgen om door
+de bezwaren heen te komen).
+
+Lichter, z. n. m. -- Lichtverschaffer: Hek- of Marslantaarn.
+
+Lichting, z. n. m. (veroud.) -- De kring of draaijing van het touw
+rondom den spil.
+
+Lier, z. n. v. -- Horizontaal geplaatste kaapstander, dienende om
+vrachtgoederen in een schip te hijschen.
+
+Ligdagen, Liggen, enz. -- Zie Legdagen, Leggen.
+
+Ligging, z. n. v. -- Gesteldheid, waar een plaats zich bevindt.
+
+Linie, z. n. v., Evennachtslijn of Equator. -- Cirkel om den aardbol,
+die overal even ver van de beide polen verwijderd is. De L-- passeeren
+(van het N. in het Z. halfrond gaan of omgekeerd).
+
+Spreekwijze: De L-- gepasseerd zijn (50 jaar oud zijn geworden).
+
+Linie, z. n. v. -- Lijn, slagorde. In L-- geschaard zijn. Gesloten L--
+(wanneer de schepen op korten afstand van elkander zijn). Loefwaartsche
+L--, Lywaartsche L-- (wanneer twee vlooten zich op evenwijdige lijnen
+by elkander bevinden).
+
+Linieschip, z. n. o. of Schip van Linie. -- Groot oorlogsvaartuig,
+vroeger "Schip van oorlog" genoemd.
+
+Lip, z. n. v. -- Keep.
+
+Lipklamp, z. n. v. -- Zie Klamp.
+
+Loef, z. n. v., Loefboord of Loefzijde. -- 1o. In een zeilend schip,
+de zijde, waar de wind op staat. Aan L-- zitten.
+
+2o. De benedenhoek van een groot zeil windwaarts.
+
+3o. Het voordeel van den wind. De L-- afwinnen (het voordeel van den
+wind bekomen). De L-- houden (het voordeel van den wind bewaren).
+
+Spreekwijze: Iemand de L-- afsteken (voordeel op iemand behalen,
+iemand voor zijn).
+
+Iets eens L--s doen (iets zonder beraad, zonder aarzelen doen).
+
+Loefbalk, z. n. m., Maststut of Mastschoor. -- Naam van zware stukken
+hout, die tot stut van een benedenmast dienen, als hy in de kiel ligt.
+
+Loefboom, z. n. m. -- Zie Botteloef.
+
+Loefboord, z. n. o. -- Zie Loef.
+
+Loefbras, z. n. m. -- Bras aan de windzijde.
+
+Loefgierig, b. n. -- Zwaar op het roer. L-- schip (dat gemakkelijk
+naar den wind luistert en tegen het roer in geneigd is te Loeven).
+
+Loefhals, z. n. m. -- Hals aan de windzijde.
+
+Loefhouden, o. w. -- Goed by-de-wind zeilen, zonder af te vallen.
+
+Loefhouder, z. n. m. -- 1o. Schip dat goed by-de-wind zeilt.
+
+2o. of Bitstuk. -- Strook hout, tegen den voorkant des voorstevens
+aangebracht.
+
+Loefpardoen, z. n. o. -- Vliegend Pardoen.
+
+Loefschoot, z. n. v. -- Schoot aan de windzijde.
+
+Loefspant, z. n. v. (veroud.) -- Spant, die in verband staat met
+de halsklamp.
+
+Loefwaart (Te), bw. -- Zie Loevert (te).
+
+Loefwal, z. n. m. -- Wal, kust aan de windzijde.
+
+Loefzijde, z. n. v. -- Zie Loef.
+
+Loerding, z. n. v. -- Zie Lording.
+
+Loet, z. n. v. -- Spaansche bezem, waarmede een schip onder water
+geschrobd wordt.
+
+Loeven, o. w. Aanloeven of Oploeven. -- By-de-wind komen,
+den voorsteven van het schip naar den wind brengen. L-- is het
+tegenovergestelde van Afhouden. L--! L-- op! Houd de L--! L-- op
+stijf! (houd dicht by den wind!) L-- op voor de bui! L-- voor de zee!
+
+Loevert (Te), bw. -- Aan de windzijde. Een schip te L-- bespeuren.
+
+Log, b. n. -- Bang, zwaar. L-- in het zeilen. Dat schip ligt L--
+op het water.
+
+Log, z. n. v. -- Werktuig, in zee gebezigd, om de voorwaartsche
+snelheid van een schip te meten.
+
+Logboek, z. n. o. -- Dagregister, scheepsjournaal.
+
+Loggaten, z. n. o. (veroud.) -- Thans Vullingsgaten genoemd. Zie ald.
+
+Loggen, o. w. -- De Log over boord werpen.
+
+Logger, z. n. m. -- Klein oorlogsvaartuig, meestal met zoomwerk
+voorzien. Het heeft veel diepgang achter, voert een grooten mast,
+een fokkemast en een druil, en is met marszeilen getuigd.
+
+Logglas, z. n. o. -- Zandloopertjen, dienende om de tijdruimte te
+bepalen, waarin de Loglijn loopt.
+
+Loglijn, z. n. v. -- Lijn, die van den overlooper af met knoopen
+en halve knoopen voorzien is, de eerstgemelde op 15,5 el,
+de laatstgenoemde op 7,7 el afstands. De knoop maakt het 120ste
+gedeelte van het derde eener zeemijl: de tijdruimte der meting is
+een halve minuut.
+
+Logplankjen, z. n. o. -- Driehoekig plankjen, dat aan de onderste zijde
+met lood voorzien, en door een hanepoot aan de loglijn vastgemaakt,
+van het achterschip in zee geworpen, overeind blijft staan, terwijl
+het schip voortgaat, en alzoo dient om den afstand te meten, welken
+een schip gedurende 15 à 30 seconden heeft afgelegd.
+
+Logrol, z. n. m. of Logwuit. -- Spil, waar de Loglijn over loopt.
+
+Logtafel, z. n. v. -- Zwart geschilderde plank, in kolommen afgedeeld,
+en waarin met het einde van elke wacht wordt opgeteekend, wat noodig
+is om te weten, ten einde den koers van het vaartuig te berekenen en
+den afstand, welken het volgends de Log heeft afgelegd.
+
+Logwuit, z. n. v. -- Zie Logrol.
+
+Lokgat, z. n. o. (veroud.) -- Waterloozing.
+
+Lont, z. n. v. -- Gedraaid touw, dienende om het geschut te doen
+ontbranden.
+
+Lontstok, z. n. v. -- Stok, waar de Lont aan gehecht is.
+
+Lontvat, z. n. o. -- Vat voor de Lonten.
+
+Lood, z. n. o., Diep- of Peillood. -- Langwerpig vierkant stuk
+lood, van boven met een gat, waarin de strop gesplitst is, aan
+welken de loodlijn vast zit, dienende om de diepte van het water
+te peilen. DiepL--, ZwaarL-- (het Lood waarmede groote -), HandL--,
+LichtL-- (waarmede kleine peilingen verricht worden). Aan het onderste
+van 't zwaar L-- is een holte, die met talk gestopt wordt en dient om
+de natuur van den bodem, b. v. zand, modder, steen- of korrelgrond,
+te onderkennen.
+
+Looden, o. w. -- Diepte-peilen.
+
+Loodbalie, z. n. v. -- Tobbe, waar de natte Loodlijn by 't binnen
+halen in wordt geborgen.
+
+Looding, z. n. v. -- Diepte-peiling.
+
+Loodlijn, z. n. v. -- Witte Lijn, waar het Lood aan gehecht is,
+en door welke de diepte van het water gemeten wordt.
+
+Loodlijnblok, z. n. o. -- Blokjen, dat aan het want van een benedenmast
+gehecht wordt, en waarvan men zich bedient om de Loodlijn gemakkelijker
+uit de diepte op te halen.
+
+Loods, z. n. m. -- Iemand, die een schip in zee, of uit zee op de reede
+brengt, en meer byzonder iemand, die een vaste aanstelling heeft om
+zulks te verrichten. BinnenL-- (die zijn bedrijf op de binnenwateren
+uitoefent). BuitenL-- (die met het buitenwater bekend is).
+
+Antonides noemt in zijn IJstroom, de Loodsen:
+
+
+ Een volk, in 't peilen van den gront en droogte ervaren.
+
+
+Spreekwijze: Het zit er niet dieper, zei de L-- en hy peilde in de
+vleeschbalie (op botterikken toe te passen).
+
+Loodsboot, z. n. v., Loodsschuit of Loodsvaartuig. -- Vaartuig, dat
+den Loods ten dienste staat, om hem aan boord der schepen, aan welke
+hy hulp verleenen moet, te brengen, of er hem van daan te halen. De
+L-- is aan een bepaalde vlag of teeken kenbaar.
+
+Loodsen, b. w. -- Een schip naar binnen of naar buiten voeren, met
+behulp, 't zij van theoretische, 't zij van plaatselijke kennis. InL--,
+BinnenL--.
+
+
+ Nu scheen zy eens een kleene boot
+ In 't roeien na te bootsen
+ En 't vlot, by 't kronklen van den stroom
+ De bochten in te lootsen.
+
+ Bilderdijk, Elius.
+
+
+Loodsgeld, z. n. o. -- Geld, dat voor het Loodsen betaald
+wordt. Ontfanger der L--en (ambtenaar, die de L--en ontvangt en aan
+het Departement van Marine verantwoordt).
+
+Loodsman, z. n. m. -- 't Zelfde als Loods.
+
+Loodswezen, z. n. o. -- Al wat tot het bestuur en de inrichting van
+het Loodsen betrekking heeft.
+
+Loog, z. n. v. -- Stukken hout, die volgends 't beloop van 't schip
+moeten gebogen worden en door bevochtiging en branding krom trekken.
+
+Loogen, z. n. v. -- Stukken hout nat maken en buigen.
+
+Loom, b. n. -- Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het traag is
+in zijn bewegingen.
+
+Loop, z. n. m. -- 1o. Richting. De L-- van een stroom.
+
+2o. Bus van een schietgeweer.
+
+3o. Het terugspringen van een losbrandend kanon.
+
+Loopen, o. w. -- 1o. Varen, zeilen. Dat schip Loopt snel. Zie
+Binnenloopen, Uitloopen.--Achterom L-- (Engeland omzeilen, 't geen
+vroeger de retoervloot in oorlogstijden dikwijls genoodzaakt was
+te doen).
+
+2o. Zakken. Het zeil laten L-- (het zeil strijken).
+
+Loopend want. -- Zie Want.
+
+Looper, z. n. m., Uithaalder, Wipper. -- Algemeene benaming van alle
+touwen, die door een blok loopen. L-- die van achteren naar voren vaart
+(die, door een schijf loopende, van het achterschip naar het voorschip
+gestrekt is). Doorgeschoven, geschoren L-- (die van voren naar achteren
+loopt). Beknepen L-- (die tusschen de schijf en het blok vast zit). Ook
+wordt veelal dat gedeelte van een touw, 't welk men by 't hijschen of
+halen in handen heeft, de L-- genoemd. KardeelL--, StengewindreepsL--.
+
+Loopgang, z. n. m., of Loopplank. -- Het bak- en stuurboordsgedeelte
+van het dek, waarmede men van het voor- naar het achterschip gaat.
+
+Loopgraven, z. n. v. mv., van een Brander. -- Kruitloop, in een
+Brander aangebracht, om dien aan te steken.
+
+Loop-in-'t lijntjen, z. n. o. -- Jong matroos.
+
+Loopplank, z. n. v. -- Zie Loopgang.
+
+Loopstags, z. n. o. mv. of Leiers van den Boegspriet. -- Touwen op
+gelijke hoogte evenwijdig aan weêrszijden van den boegspriet gespannen,
+en tot steun dienende van de manschappen, die verplicht zijn langs
+dien mast op en neder te gaan.
+
+Loos, z. n. v. -- Losse bocht in een touw.
+
+Loos, b. n. -- Alles wat men waarloos aan boord heeft. Looze stengen,
+Looze zeilen: ook wat men tot sparing van het bestaande bezigt. Looze
+voorsteven, Looze poorten (borden, waarmede men de geschutpoorten
+sluit als het geschut te boord staat). Looze (ook Losse) kiel (die
+aan de vaste kiel is gehecht van een schip, dat slecht stuurt).
+
+Lording, z. n. v. of Loerding. -- Driedraads geteerd garen.
+
+Los, bw. -- In verscheidene kommandoos gebezigd. Kluiver en
+Stagzeilschoten L--, L-- overal! L-- overal in eens!
+
+Losgooien, b. w. -- Snel losmaken.
+
+Losplaats, z. n. v. -- Werf of Kaai, waar goederen gelost worden.
+
+Losbranden, b. w. -- Afschieten. Een roer, een kanon L--. Brandt er
+op Los! (schiet af!).
+
+Losscherp, z. n. o. (veroud.) -- Allerlei yzerwerk, als staven,
+schroot, enz. dat maar los en zonder kardoezen in 't geschut gestoken
+werd.
+
+Lossen, o. w. -- Zich van zijn vracht ontdoen. Wy werden genoodzaakt
+te L--. Reglement op het laden en L--.
+
+Lossen, b. w. -- 1o. Uitbrengen. Goederen L-- (ze uit het vaartuig
+aan wal brengen). Zie omtrent het L-- van goederen de Alg. Wet van
+26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127-152.
+
+2o. Afschieten. Het geschut L-- (schieten).
+
+3o. Bevrijden, ontslaan.
+
+Lossing, z. n. v. -- Ontscheping van goederen.
+
+Lucht, z. n. v. -- 1o. Hoofdstof, wier inademing den mensch onmisbaar
+is om te leven. L-- maken (de L-- door het openen van luiken, deuren
+of ramen, in een bedompte plaats doen binnen dringen).
+
+2o. Zwerk, uitspansel. Betrokken L--. Dikke, verstopte L--. Heldere
+L--. Mistige L--. De L-- staat naar regen (er zal regen komen).
+
+3o. Wolk, bui. Er hangen zware L--en.
+
+4o. Ruimte tusschen de deelen van een scheepsromp. De L--en
+opvullen. L--en tusschen de wegers.
+
+Luchtjen, z. n. o. -- Windtjen, koeltjen, briesjen.
+
+Luchtgaten, z. n. o. mv. -- Vierkante gaten beneden het kolsem
+door de zitters en buikstukken, waar het pompwater doorgaat. In de
+buikdenningen worden ook L-- gemaakt om het water te doen schieten
+dat daar op staat.
+
+Luchtzeil, z. n. o. -- Zie Koelzeil.
+
+Lui, b. n. (veroud.) -- L--hout heette by de scheepstimmerlieden wat
+niet wel gekromd of gebogen was.
+
+Luien, b. w. -- 1o. Wijze van lossen op koren- en steenkolenschepen.
+
+2o. Voor: "de klok luiden," 't geen men by mistig weer doet; ter
+waarschuwing om aanzeiling te voorkomen:--alsmede om het volk tot
+schaften te roepen.
+
+Spreekwijze: De klok L--, maar niet schoften, iets belooven, maar
+niet volbrengen.
+
+Luik, z. n. o. -- 1o. Sluiting, bord, bepaaldelijk zulk een als
+dient om een opening te Luiken of dicht te maken, en van hier,
+door toepassing:
+
+2o. De opening zelve en wel zoodanig vierkante opening, als in de
+dikte van een dek of bak gemaakt is, om de gemeenschap tusschen de
+verdiepingen van een vaartuig tot stand te brengen. Zoo heeft men
+aan boord van een schip het achterL--, het grootL--, het voorL--,
+en andere meer, genoemd naar de plaats, waar zy heen geleiden.
+
+Luisteren, o. w. -- Gehoor geven. Het schip wordt gezegd naar het
+roer te L--, wanneer het de beweging aanneemt, welke de roerganger
+er aan wenscht mede te deelen.
+
+
+ 't Schip luistert naar geen roer, naer Stuurman noch kompas.
+
+ Vondel. Lof der Zeevaert.
+
+
+Luitenant-Amiraal, z. n. m. -- Zie Amiraal.
+
+Luitenant ter Zee, z. n. m. -- Tytel van den Officier, die op den
+Kapitein-Luitenant volgt. De L-- ter zee der Eerste klasse heeft den
+rang van Kapitein by de Landstroepen. 't Woord is Fransch en beteekent
+letterlijk: "plaats-bekleeder", "stede-houder".
+
+Luiwagen, z. n. m. -- Cirkelvormig dwarshout, waar de roerpen over
+heen en en weêr loopt.
+
+Luizeplecht, z. n. v. (veroud.) -- Verschansing op het voorkasteel.
+
+Lul, z. n. m. -- Stagzeil, voorzeil van een visschersvaartuig.
+
+Lumieren, z. n. v. mv. -- Dageraad, eerste schemering, verhollandschte
+uitspraak van 't Fr. lumière. Wy moeten morgen met de L-- beginnen
+(zoodra de dag aanbreekt).
+
+Luns, z. n. v. -- Gebogen 8vormige yzeren pen, die in de as van een
+roltuig gestoken wordt om het afloopen van 't wiel te beletten.
+
+Lurken, o. w. -- Wordt de pomp gezegd te doen, wanneer het pomphart
+geen grond raakt.
+
+Luwen, o. w. -- Bedaren, kalm worden. Het begint te L-- (het weer
+zal bedaren). De storm is aan 't L-- (aan 't verminderen).
+
+Spreekwijze: Het begint te L--, zei de reiziger, en hy zat achter
+een bies.
+
+Luwte, z. n. v. -- Kalmte, veiligheid. Wy zijn hier in de L--
+(buiten den wind).
+
+Lij, z. n. v. -- Van den wind, het tegenovergestelde van Loef. Wie
+zich aan Loef bevindt, is aan de hoogere, wie zich aan L-- bevindt, aan
+de lagere (dus lijdende) zijde van het vaartuig. Roer aan L--! (breng
+het roer van den wind af).
+
+Spreekwijzen: Iemand in L-- brengen (hem in nood, in lijden brengen).
+
+Iemand in L-- houden (hem bedwingen).
+
+Hy ligt in L-- (hy is overwonnen).
+
+Zich in L-- houden (zich stil, aan lager kant houden).
+
+Lijboord, Lijboelijns, Lijbrassen, enz. -- Het Boord, de Boelijns,
+enz. die zich aan de Lijzijde van het schip bevinden.
+
+Lijf, z. n. o. -- Het grootste gedeelte eener knie.
+
+Lijfhout, z. n. o. -- Zie Watergangen.
+
+Lijfknoop, z. n. m. -- Boelijnsknoop, die een man om 't lijf geslagen
+en waarmede hy naar een kalen mast geheschen wordt.
+
+Lijfnaden, z. n. v. mv. -- Naden tusschen de watergangen.
+
+Lijk, z. n. o. -- De rand, of het touw, waarmede een zeil omboord
+wordt; alzoo het lichaam of lijk, dat de ziel of het zeil omsluit.
+
+Spreekwijze: Uit de L--en geslagen ('onklaar, in de war':--omdat een
+zeil, dat uit zijn L--en slaat, gescheurd en onbruikbaar raakt).
+
+Lijken, b. w. -- Een zeil met touwwerk omzoomen.
+
+Lijkgaren, z. n. o. -- Garen, tot het Lijken gebruikt.
+
+Lijknaald, z. n. o. -- Naald, tot het Lijken gebezigd.
+
+Lijn, z. n. v. -- 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van
+120 vademen lengte. In de L-- loopen (een schuit trekken). Zie Loop in
+'t Lijntjen.
+
+
+ Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege,
+ Daer 't treck-gelt op magh staen; aers moeten w'in de lijn
+ En halen 't met den hals; maer dat's een korte pijn.
+
+ Huyghens, Hofwijck.
+
+
+2o. Denkbeeldige Streep. L-- van de kim, waterL--.
+
+3o. Bocht, op den scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen
+waar het Dek moet komen. Zie DekL--.
+
+Spreekwijze: Zachtjens aan, dan breekt de L-- niet (laat uw ontwerp
+niet door overijling of drift mislukken).
+
+Trek aan dat L--tjen niet (roer die zaak niet aan).
+
+Eene L-- trekken (overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel
+voorstaan).
+
+Lijnbaan, z. n. v. -- Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt:
+van daar de touwslagery zelve.
+
+Lijst, z. n. v. of Sent. -- Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt
+by den aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden.
+
+Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)--Touwen, daar men de bonnetten
+aan de zeilen meê vast rijgt.
+
+Lijstnaald, z. n. v. -- Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra,
+uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst.
+
+Lijwaart, bw. -- Van den wind af. Aan Lij.
+
+Lijwal, z. n. m. -- Kust, wal onder den wind.
+
+Lijzeil, z. n. o. Zie Broodwinder. -- BovenL-- (dat aan het
+marszeil), BramL-- (dat aan het bramzeil), Groot bovenL-- (dat
+aan het grootbovenbramzeil), Groot onderL-- (dat aan de groote ra),
+KruisL-- (dat aan het kruiszeil), KruisbramL-- (dat aan het Grietjen),
+Voor-bovenL-- (dat aan het klein marszeil), VoorbramL-- (dat aan het
+voorbramzeil), VooronderL-- (dat aan het fokkezeil is bygezet).
+
+Lijzijde, z. n. v. -- Zijde onder den wind.
+
+
+
+
+
+
+
+M.
+
+
+Maak vast, u. -- Kommando om te beleggen of te sjorren. M-- V--
+zonder opgaan (zonder dat het touwwerk slap wordt).
+
+Maalstroom, z. n. m. -- Wieling, of draaikolk, die op sommige plaatsen
+zoo sterk is, dat een klein vaartuig, hetwelk er in raakt, groot
+gevaar loopt van vergaan.
+
+Maan, z. n. v. -- Planeet, die in ongeveer 27 dagen om de aarde
+wentelt, en door wier invloed ebbe en vloed geregeld wordt. Volle M--
+(als zich haar schijf geheel verlicht vertoont). Nieuwe M-- (als zy nog
+moet wassen). Wassende M-- (als zy dag aan dag voller wordt). Afnemende
+M-- (als haar schijf telke nacht vermindert). KwartierM-- (als zy
+in haar eerste of laatste kwartier is). Pissende M-- (Halve M--
+die zich met den bovensten hoorn voorover gebogen vertoont: zy
+is volgends de zeelieden een voorbode van regen). Scheppende M--
+(Halve M-- wier onderste hoorn vooruit steekt). Maandagsche M--
+(op welken dag geen visscher zoû afvaren, naar 't oude rijmpjen:
+
+
+ Een maandagsche maan,
+ Kan iets (een vaartuig) zonder wind of regen vergaan.
+
+
+Maas, z. n. v. -- 1o. Knoop van een net.
+
+2o. Opening, tusschen de knoopen ingelaten.
+
+Spreekwijze: Door de Mazen kruipen (de gelegenheid waarnemen om een
+gevaar te ontkomen, waar anderen licht in zouden geraken).
+
+Maat, z. n. m. -- 1o. Iemand, die een ander behulpzaam is of ter
+zijde staat. KoksM--, BotteliersM--, BootsmansM--, SchiemansM--.
+
+2o. Makker, kameraad. Zie Baksmaat.
+
+Magazijn, z. n. o. -- Bergplaats, pakhuis. Het Oost-Indisch M--,
+het West-Indisch M-- (waar Oost- of West-Indische waren werden
+opgeslagen). Zie Zeemagazijn.
+
+Magazijnmeester, z. n. m. -- 1o. Hoofdopzichter van een Magazijn.
+
+2o. Viktualiemeester.
+
+Mager, b. n. -- Schraal, gebrekkig. M-- water (ondiep water).
+
+Magermannen, z. n. m. mv. -- Boelijns van de fok.
+
+Magneet, z. n. m. -- Zie Zeilsteen. Natuurlijke M-- (die uit zijn
+aart het yzer aantrekt). KunstM-- of artificieele M-- (die met
+zeilsteen bestreken is). Beslagen of geladen M-- (die met yzer bekleed
+is). Mededeelzame M-- (die zijn werking gemakkelijk doet). Sterke M--
+(die in evenredigheid met zijn grootte een zwaar gewicht torscht).
+
+Magneetnaald, z. n. v. -- Naald, met yzer beladen of voorzien.
+
+Magneetsteen, z. n. m. -- Zie Zeilsteen.
+
+Mal, z. n. m. -- Vorm, uit dunne planken vervaardigd, hetzij
+van 't geheel, of ter samenstelling van eenig onderdeel. De
+scheepstimmerlieden werken naar den M--, moeten zich houden aan den
+M--, den M-- minnen. 't Woord is 't zelfde als 't Fr. moule, doch
+echt Hollandsch een wortel van Malen.
+
+Spreekwijze: Iemand voor den M-- houden (hem bezigen als een voorwerp,
+waar men nut van trekt.)
+
+Malder, Maller, z. n. m. -- Naam, die men op de scheepstimmerwerven
+geeft aan bekwame werklieden, die den Mal weten te stellen, of de
+stukken er voor samen te brengen.
+
+Mallen, o. w. -- Naar den Mal werken.
+
+Malzolder, z. n. m. -- Ruim vertrek, waarvan de vloer volkomen gaaf
+en horizontaal is en tot bord dient, waarop de spanten, de senten
+enz. van het vaartuig, dat men bouwen wil, worden afgeteekend.
+
+Mamiering, z. n. v. -- Geleibuis van leder, zeildoek of andere zoo
+veel mogelijk ondoordringbaar gemaakte stof, en dienende om vocht
+of gas van de eene naar de andere plaats te doen wegvloeien. M--
+van de spygaten, van de pomp.
+
+
+ Kruitstampers, akerkloots, mammierings en kardeelen.
+
+ Antonides Ystroom.
+
+
+Man, z. n. m. -- Benaming, welke de visschers op sommige zeedorpen
+aan de schuit geven. De M-- is op het hout geholpen (het vaartuig,
+dat op 't zand tegen 't duin aanstond en er ingezakt was, is gelicht
+en op rollen en planken gebracht om het in zee te brengen).
+
+Man, z. n. m. mv. -- Verkorting van Mannen. Hoe veel M-- hebt gy
+aan boord? Het schip is met M-- en muis vergaan (met al wat er zich
+op bevond).
+
+Man te roer, u. -- Kommando om den roerganger te doen vervangen.
+
+Mangat, z. n. o. -- Opening aan boord van een stoomvaartuig, door
+welke men in den stoomketel komen kan.
+
+Manifest, z. n. o. -- Gewaarmerkte Vrachtlijst: een dubbel daarvan
+kan volgends art. 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 voor generale
+verklaring gelden.
+
+Mannen, b. w. -- 1o. Bemannen, van manschap voorzien. De vloot M--.
+
+2o. Van hand tot hand, en alzoo van Man tot Man aangeven, gelijk by
+'t lossen en laden met kleine voorwerpen plaats heeft.
+
+Mannetjens, z. n. m. of Tarmen. -- Steunsels der regelingen van het
+galjoen, tevens de zijwanden van dit laatste vormende en helpende om
+de balkjens in de vloer te dragen.
+
+Manoeuvre, z. n. v. (bastertw.) -- Beweging, wending, verandering van
+front of richting. Een fraaie M--. De M--s kommandeeren. Een stoute,
+gezwinde, voordeelige M--.
+
+Manoeuvreeren, o. w. -- Bastertwoord, gebezigd, als men van een schip
+spreekt, dat de stelling zijner zeilen verandert om de beweging te
+volgen, welke het roer hen mededeelt. Dat schip kan by windstilte
+niet M--. Een vloot wordt gezegd te M-- als de schepen zich, naar
+de gegeven bevelen, in verschillende richtingen begeven, van linie
+veranderen, enz.
+
+Manschap, z. n. v. -- Bemanning, Equipaadje. Wie daartoe behooren,
+verhaalt Vondel in 't Lof der zeevaart.
+
+
+ 't Is koopman of kommijs,
+ De Schipper, Stuurmansmaet en Stuurman, die om prijs
+ En winningh, 't roer bewaeckt; Hoogbootsman, Schimman, Gieter,
+ Seilmaecker, Bottelier, Barbier, en Busseschieter,
+ De Wachter van 't kajuit, de Putjer, de Provoost.
+ En 't statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.
+ De Timmerman, de Kock, die voedsel schaft om 't leven,
+ En op gesette tijdt elck een sijn spijs te geven.
+ By deze komt Matroos, doch hondert in 't getal,
+ Twee vanen kryghsvolck oock als 't ergens gelden sal.
+
+
+Manschappen, z. n. v. mv. -- Mannen, Lieden tot de Manschap
+behoorende. Hy zond de boot met tien M--.
+
+Manshoofd, z. n. o. of Manskop. (veroud.) -- 1o. Blok, om eenig touw
+aan te beleggen.
+
+2o. Koppen aan de roers van jachten en zeilschuiten.
+
+Mantel, z. n. o. -- Takel in het groote en fokkewant, gebezigd om
+zware lasten mede over te hijschen.
+
+Maren, o. w. (veroud.) -- 't Zelfde als Meeren. Zoo Vondel:
+
+
+ Matroos, gemoedigt door sijn winst, begroet alreê
+ Sijn jonge vrouw, die t' huis gesmoort in hartewee,
+ Den hemel smeekt, dat hy zoo lang de wilde baren
+ In toom hou, tot het schip komt voor de paelen maeren.
+
+
+Marine, z. n. v. -- 1o. Zeemacht. Hy dient by de M--. Engeland heeft
+een sterke M--.
+
+2o. De Administratie, het Bestuur van het Zeewezen, in welken zin
+het woord altijd zonder Lidwoord wordt gebruikt. Het Ministerie,
+het Departement van M--. Hy is ambtenaar by M--.
+
+Marinier, z. n. m. -- Zeesoldaat. Het korps M--s. Luitenant van
+de M--s.
+
+Marlen, b. w. -- De onderlijken der zeilen omwinden met Marlijn.
+
+Marling, z. n. v. -- Zie Marlijn.
+
+Marlpriem, z. n. m. -- Yzeren of houten Priem, een weinig gebogen,
+en gebezigd om de strengen te lichten van het touwwerk dat men
+splitsen wil.
+
+Marlreep, z. n. v. -- Lichte hanepoot op het onderlijk der fok,
+dienende om deze op te lichten als men er onder door wil zien.
+
+Marlijn, z. n. v. -- Tegenwoordige naam van Marling of Meerling,
+zijnde touw, geschikt om iets te Meeren of vast te binden.
+
+Mars, z. n. v. -- Houten vlak, zich rondom den mast uitstrekkende,
+ter plaatse waar de hoofdtouwen gespannen worden. Het vervangt de
+oudtijds aldaar aanwezige Mastkorf, die aldus genaamd werd naar
+de gelijkenis op de korf eens Marskramers. Beiden heetten vroeger
+Mersche. Zoo zegt Pharao in Vondels Pascha:
+
+
+ Loopt met u mersche loopt,
+
+
+waar hy op een marskraam doelt; en Cats in de Huisvader:
+
+
+ Een man, die 't seyl noyt soo en stelt,
+ Dat mast en mersche wordt gevelt.
+
+
+Spreekwijze: M-- boven M-- voeren gold eertijds voor een spreekwoord,
+even als Bram boven Bram. Zie Bram. Vondel bedient zich op niet
+onaardige wijze van die uitdrukking in zijn Helden Godes, waar hy,
+de weelde afschilderende der Jonkvrouwen in Noachs dagen, van haar
+wel wat anakronistisch vertelt:
+
+
+ Haar halzen blanck als sneeuw zy preuts en opgeblazen,
+ Omkransten, mars op mars, met krauwels portefrazen.
+
+
+d. i.: Zy droegen dubbele kragen, twee boven elkander.
+
+Marsiliaan, z. n. m. -- Soort van Venetiaansch vaartuig, byna
+uitsluitend in gebruik op de Adriatische zee. Het is van voren zeer
+opgezet en heeft een vierkanten spiegel.
+
+Marsschoot, z. n. v. -- Schoot van de Marszeilen.
+
+Marsval, z. n. m. -- Val van de Marszeilen.
+
+Marszeil, z. n. o. -- Zeil, dat op een schip zich boven de
+benedenzeilen bevindt. Groot M-- (van den grooten mast). VoorM--
+(van den fokkemast). Gestreken M-- (dat niet op zijn lijken gespannen
+is, daar de ra, waartoe het behoort, niet geheschen is). In top
+staand, in top geheschen M-- (dat gespannen staat). Halver steng
+gestreken M-- (waarvan de ra halverwege gestreken is van de steng,
+die haar draagt). M-- op het ezelshoofd of den rand (dat tot op
+den top van den benedenmast gestreken is). Dicht beslagen M--
+(dat geheel op de ra gevouwen is). Een M-- hijschen, byzetten
+(de ra op het hoogste van de steng brengen). Vliegend, los M--
+(waarvan de schoten loshangen). Gereefd M-- (dat gedeeltelijk
+op de ra is ingenomen). Volgebrast M-- (dat den wind van
+achteren ontfangt). Killend M-- (waarvan de oppervlakte in
+de richting van den wind is). Tegengebrast M-- (dat den wind
+van voren bekomt). Dichtgereefd M-- (waarvan alle reeven zijn
+ingenomen). M--skoelte (vaste wind). Gereefde M--skoelte (harde wind).
+
+Spreekwijze: Een vrouwenhair trekt meer dan een M-- (zal wel geen
+verklaring behoeven).
+
+Maskuliet, z. n. v. of Mazuliet. -- Indische Sloep, die met mosch
+gebreeuwd is.
+
+Mast, z. n. v. -- Eigenlijk "boomstam", en van daar meer bepaaldelijk
+zoodanige stam, als recht op of schuins aan boord wordt gesteld,
+om een of meer zeilen op te houden en de werking van den wind op die
+zeilen aan het vaartuig over te brengen. Gekluchte M--, Gewangde M--,
+Geschaalde M-- (die uit verscheiden deelen is saamgesteld). M-- uit
+een stuk (die van een enkelen pijn of den is gevormd). Groote M-- (die
+omtrent 't midden van 't schip staat). Zie verder BezaansM--, FokkeM--,
+DruilsM--, PolakkeM--, SloepsM--, EenM--, TweeM--, DrieM--.--Ter halver
+M-- hijschen (eenig voorwerp, b. v. een vlag, op de helft van de mast
+hijschen). Den M-- laten vallen (op kleine vaartuigen, wanneer men
+bruggen onder door moet, enz.) Looze M-- (dien men in voorraad heeft).
+
+Spreekwijzen: Hy mag zien hoe hy den M-- ophaalt (hy mag zien hoe ver
+hy 't brengen kan, hoe hy aan de kost zal komen. Dit ziet daarop, dat,
+op kleine vaartuigen, de M-- niet vast staat, maar, als hy neêrligt,
+moet worden opgehaald, wat soms een zwaar werk is.
+
+Hy vaart waar de groote M-- vaart (hy volgt waar zijn meerdere hem
+voorgaat, hy doet wat zijn meester wil).
+
+Geen twee (groote) M--en op één schip (maar één moet de baas zijn).
+
+Hooge M--en vangen veel wind (groote, aanzienlijke personen staan
+het meest aan haat en laster bloot). Zoo zegt Pers:
+
+
+ Wat hoogh is lijdt te grooter last,
+ Waar 't rijsken buyght, daar schudt de Mast.
+
+
+Hy maakt van zijn M-- een schoenpen (hy bederft iets goeds om een
+beuzeling).
+
+Den bezem op den M-- voeren (de zee schoon veegen van zeeroovers of
+vyandelijke troepen). Deze laatste spreekwijze vond haar oorsprong
+in een werkelijk gebruik, ook door onze Koopvaarders gevolgd na den
+oorlog tegen de Hanze-steden in 1433. Zoo zingt Vondel:
+
+
+ Dan voert hy op den mast een bezem tot een wapen.
+
+
+Zie voorts Bezem.
+
+Mastband, z. n. m. -- Yzeren band om den Mast.
+
+Masteloos, b. n. -- Zonder Mast, of: van Mast beroofd. Het schip
+dreef M-- heen.
+
+Mastemaker, z. n. m. -- Die Masten vervaardigt.
+
+Mastemakery, z. n. v. -- Plaats, werf, waar Masten vervaardigd worden.
+
+Masten, b. w. -- Bemasten, van Mast of Masten voorzien.
+
+Masthout, z. n. o. -- Hout, geschikt of gebezigd om Masten samen te
+stellen of er aan gebezigd te worden.
+
+Mastkoker, z. n. m. -- Houtverzameling om den voet van den Mast,
+hem tot steun dienende.
+
+Mastschaal, z. n. v. -- Zekere maat van de mastemakers.
+
+Mastschoor, z. n. m. -- Zie Loefbalk.
+
+Maststut, z. n. m. -- Zie Loefbalk.
+
+Mastwangen, z. n. v. mv. -- Houten, tot versterking van den Mast
+aangebracht.
+
+Mat, z. n. v. -- Kleed of dekking van biezen, riet of bladeren
+gevlochten: aan boord veelal gebezigd tot bekleeding der broodkamer of
+andere plaatsen, welke men van vochtigheid wil vrij houden. Ook M--
+van zeildoek met kabelgarens doorspekt, dienende om daar gelegd of
+vastgemaakt te worden, waar schavieling gevreesd wordt.
+
+Matroos, z. n. m. -- Zeeman, en meer bepaaldelijk een, die voor
+gaadje dient. Licht M-- (die 't gewone scheepswerk doet). Vol M--
+(bekwaam voor zijn werk, able seaman). Bevaren M-- (die eenige
+reizen gedaan heeft en des noods den Bootsman, enz. in sommige
+zaken kan vervangen).--De oorsprong van het woord ligt nog in
+'t duister. Volgends Bild. in v. is M-- 't zelfde als "matras"
+of "hangmat", en overdrachtelijk op den bewoner der hangmat
+toegepast. Zeker wijst de uitspraak, welke men aan 't woord geeft,
+een uitheemsche afkomst aan.
+
+Mazuliet, z. n. v. -- Zie Maskuliet.
+
+Medegaan, o. w. -- Wordt het anker gezegd te doen, wanneer het over
+den bodem sliert.
+
+Meerboei, z. n. m. of Verhaalboei. -- Groote, gedubbelde, geteerde
+en goed waterdichte houten kist, hoedanige men er onderscheidene in
+een haven aan ankers met kettingen vast legt en met ringen voorziet,
+om er schepen aan te beleggen.
+
+Meeren, b. w. -- Voor- en achter vastleggen in de haven, aan palen
+of dukdalven. Zie Maren.
+
+
+ Hoe bedrieght ghy dick uw weerd,
+ Als hy aan uw vlotgras meert.
+
+ De Brune. Emblemeta.
+
+
+Meerring, z. n. m. -- Ring aan een kaai, dienende om er een kabel
+door te halen en daar een schip aan vast te leggen.
+
+Meertouw, z. n. o., Ankertouw, Vanglijn. -- Touw, waaraan een schip
+is vastgelegd.
+
+Meesterrib, z. n. v. -- Hoofdrib of zijstuk van een vaartuig.
+
+Meetbrief, z. n. m. -- Verklaring, door beëedigde scheepsmeters
+of andere bevoegde personen afgegeven, en inhoudende, behalve de
+handteekening van den scheepsmeter of ijkmeester, en den dag der
+meting of afgifte, een genoegzame omschrijving ter onderkenning van het
+schip, en wijders een opgave van lengte, wijdte en holte, tonnenlast,
+enz.--Zie verder de bepalingen omtrent den M-- in Tabel XVI der
+Patentwet, gevoegd achter de Wet van 6 April 1823 (Staatsbl. no. 34),
+en meer bepaald in § 33 en volgg. dier Tabel.
+
+Meeuw, z. n. m. -- Zeevogel.
+
+Spreekwyze:
+
+
+ Een meeuw over 't land
+ Is een storm voor de hand.
+
+
+Meir, z. n. v. en o. -- Groote oppervlakte water, binnen 't land
+besloten. By de dichters vindt men het ook voor "zee" genomen, welke
+beteekenis het ook in de samenstelling, gelijk als in 't Fr. en
+H. D. heeft behouden.
+
+Meirman, z. n. m. -- In de diepte der zee levende man, half mensch
+half visch, hoedanige men vroeger geloofde en sommige zeelieden
+wellicht nog gelooven dat daar werkelijk bestaan.
+
+Meirmin, z. n. v. -- Zeevrouw: 't wijfjen van een Meirman. Bekend
+is het sprookjen van de M--, die door Hollandsche visschers in het
+Purmermeir gevangen, na gedoopt, en onderwezen te zijn, langen tijd
+nog te Haarlem geleefd zou hebben.
+
+Melken, b. w. (veroud.) -- Eigenaardige uitdrukking voor op- en
+neêrhalen van touwwerk.
+
+Meridiaan, z. n. m. -- 1o. Groote denkbeeldige cirkel, getrokken
+door de beide polen en door de plaats, waarvan hy de M--
+genoemd wordt, en den Equator met de daaraan evenwijdige cirkels
+rechthoekig doorsnijdende. De Eerste M-- (die, waarmede men, van
+'t O. naar 't W. gaande, begint te tellen). Algemeene M-- (die,
+waarin men by 't berekenen der Eklipsen, onderstelt, dat de zon
+vaststaat). Koperen M-- (cirkel van koper, waarin een aardkloot hangt
+en ronddraait). Magnetische M-- (groote cirkel, die door de polen
+van den zeilsteen heen loopt en waarin zich de magneetnaald beweegt).
+
+2o. Gemeene doorsnede van den M-- en van eenig opstaand, horizontaal
+of schuinsch vlak.
+
+3o. Rechte lijn, van 't N. naar 't Z. getrokken in het vlak van den
+M--, de M-- van Parijs (de lijn van het meest noordelijke tot het
+meest zuidelijke punt van Frankrijk getrokken).
+
+4o. M-- van den middelbaren tijd (lijn, die den middelbaren middag
+aanwijst op den boog, naar de tijdsequatie getrokken.)
+
+Merk, z. n. o. -- 1o. Herkenningsteeken, dat men aan alle voorwerpen
+geeft, die tot een bepaalde instelling, of die tot het vaartuig
+behooren.
+
+2o. Teeken op den steven, van afstand tot afstand geplaatst, om den
+diepgang aan te duiden.
+
+Merkels, z. n. m. mv. -- 1o. Hoepels, dienende om een boven een sloep
+of schuit gespannen zeil te droogen.
+
+2o. Staven vierkant yzer, waarop de roosters, die tot dekking van
+den kuil dienen, rusten.
+
+3o. of Scheerstokken: houten, waar de luiken der luikgaten op rusten.
+
+Mes, z. n. o. -- 1o. Snijdend werktuig, 't welk de matrozen steeds
+op zak hebben, en 't welk in den strijd hun geliefkoosd wapen plach
+te zijn. Zie Kortjan, Opsteker.
+
+2o. of Messing. Benaming, somtijds aan de scherpe sneden van den lap
+op den achtersteven gegeven.
+
+Messing, z. n. v. -- Zie Mes.
+
+Meten, b. w. -- Opnemen, nagaan, onderzoeken. De hoogte van de zon
+of van een ander hemellichaam M--. De ruimte van een schip M--.
+
+Meter of Scheepsmeter. -- Beëedigde ambtenaar, met het meten der
+schepen belast. Zie de Wet van 6 April 1823, Tab. XVI, § 33 en volgg.
+
+Middag, z. n. m. -- Middel van den dag: tijdstip, waarop zich de zon
+in den meridiaan bevindt. Ware M-- (de tijd, waarop hy zich werkelijk
+aldaar bevindt). Middelbare M-- (de tijd, waarop het M-- zijn zoude,
+indien de zon zich regelmatig in de ekliptika bewoog, en deze met
+den equator samenliep).
+
+Middagkring, z. n. m. -- Zie Meridiaan.
+
+Middaglijn, z. n. v. -- 't Zelfde als Meridiaan.
+
+Middelbaar, b. n. -- Zie Tijd.
+
+Middellijn, z. n. v. -- Lijn, die door het midden loopt.
+
+Middelperk, z. n. o. -- Het middelste der drie vakken waarin het
+Dek in de breedte is afgedeeld en 't welk door de schaarstokken
+begrensd wordt.
+
+Middelpunt, z. n. o. of Midden. -- Punt in een cirkel, van hetwelk
+al de punten van den omtrek even ver verwijderd zijn.
+
+Middeltocht, z. n. m. of Centrum. -- Het gedeelte van de vloot,
+dat zich by een zeeslag of by een onderneming, tusschen de voor-
+en achterhoede bevindt en onder bevel van den Vlootvoogd staat.
+
+Middenboords, bw. -- Naar het midden van het boord of schip.
+
+
+ Het Roer light midden-boords, de Vlagghe wijst voor uyt.
+
+ Huyghens, Hofwijck.
+
+
+Midscheeps, bw. -- In of naar het midden van het schip. M-- het roer
+(zoodat de roerpen en de steven in ééne lijn staan. Zie Middenboords.
+
+Mik, z. n. m. -- Staander, steunsel. 't Woord duidt oorspronkelijk
+de kruk aan, waarop men de schietroers lei om te mikken, en van daar
+alle dwarshout dat tot steunsel dient, alsmede dat steunsel zelf. M--
+van den zeilboom. M-- van de pomp, enz.
+
+Minderen, b. w. -- Verminderen. Zeil M-- (door het wegnemen of inbinden
+van sommige zeilen, de vaart van het schip doen verminderen).
+
+Minuutglas, z. n. o. -- Zandglas, dat eene minuut loopt. Sedert lang
+gebruikt men, om de snelheid van een vaartuig te meten, by de loglijn,
+alleen het half en kwart Minuutglas.
+
+Minuutlijn, z. n. v. (veroud.) -- Benaming van de Loglijn.
+
+Misgissing, z. n. v. -- Verschil tusschen het waar en het gegist
+bestek.
+
+Mist, z. n. v. -- Dikke damp, doorgaands koud, en waardoor de lucht
+verduisterd wordt.
+
+
+ Ik zal u met een mist en dicken nevel decken;
+
+
+zegt Rafaël tegen Gijsbreght in Vondels treurspel.
+
+Mistiek, z. n. v. -- Driemastschip, op de Middellandsche Zee in
+gebruik.
+
+Miswijzer, z. n. m. of Miswijzend Kompas. -- Kompas, waarvan de naald
+ten Oosten of ten Westen afwijkt van het ware Noord.
+
+Miswijzing, z. n. v. -- Hoek die de afwijking van de Magneetnaald,
+'t zij ten Oosten, 't zij ten Westen van 't Noorden bepaalt.
+
+Mitis, z. n. v. (veroud.) -- Touwwerk aan den Mast.
+
+Modder, z. n. m. -- Aarde met water vermengd, en een kleevende
+zelfstandigheid vormende, die zeer belemmerend is voor alle soorten
+van vaartuigen.
+
+Modderen, o. w. -- Zich in den Modder bewegen, in den Modder, en in
+'t algemeen over den grond, voortgaan. Het schip Moddert (het schuift
+over den grond).
+
+
+ Te vaak bedriegt men zich in 't kiezen van zijn streek,
+ Verzaakt den ankergrond en moddert in een kreek.
+
+ Bilderdijk, Ziekte der gel.
+
+
+Moelje, z. n. v. -- Steenen hoofd, dat de kracht der golven breken en
+aan de schepen een landingsplaats verschaffen moet. De M-- van Genua,
+van Napels.
+
+Moerzee, z. n. v. -- Onstuimige zee, die tot voorbode strekt van
+zwaar weer.
+
+Moesson, z. n. m. -- Passaatwind, die, na gedurende een bepaalden
+tijd van het jaar uit denzelfden hoek gewaaid te hebben, de
+tegenovergestelde zijde opwaait. OostM--, WestM--.
+
+Spreekwijze: Ik ben in een slechten M-- (het loopt my tegen, ik doe
+niet als verliezen).
+
+Moer, z. n. v. -- Stuk metaal, spiraalswijze doorgestoken om er een
+bout in te wringen.
+
+Moeren, b. w. -- 't Zelfde als Meeren, doch min gebruikelijk. Zie
+Meeren.
+
+Moertouw, z. n. o. -- 't Zelfde als Meertouw. Zie ald.
+
+Moerzee, z. n. v. -- Geweldig onstuimige zee. Zie Hoofdzee.
+
+Moet, z. n. o. -- Rand, overblijvend merk, en wel bepaaldelijk
+het slijmachtige vuil, dat het zeeschuim op het strand achterlaat:
+'t wordt ook genomen voor de Waterlijn. Zie ald.
+
+Moeten, b. w. (veroud.) -- Een schuit M-- (een schuit zachtjens
+voortduwen). Het roer M-- (het zachtjens schuiven). Waarschijnlijk is
+'t woord van 't Fr. mou (week).
+
+Moker, z. n. m. -- Zware yzeren hamer. Zie Hooft, Geer. v. Velz. III.
+
+
+ Naeckt armde reusen
+ Op aenbeeld souden 't met geen logge mookers kneusen.
+
+
+Molenaar, z. n. m. -- Yzeren bout, om wier midden men een touw
+bevestigt, en die men dwars in den band van een ledig stuk plaatst,
+om dit in 't ruim te hijschen.
+
+Mond, z. n. m. -- Opening. De M-- van een rivier. De M-- van een
+baai. De M-- van een stuk geschut. Onnutte M--en (overtollige personen
+aan boord, die mede eten).
+
+Monding, z. n. v. -- Zie Mond.
+
+Mondkost, z. n. v. -- Eetwaren, voorraad.
+
+Monnik, z. n. m. of Sissen. -- 1o. Benaming van kleine kogeltjens
+buspoeder met azijn gemengd, welke men tusschendeks brandt om de
+lucht te zuiveren.
+
+2o. (veroud.) Betingbalk.
+
+Monsteren, b. w. -- Het volk in oogenschouw nemen. Revue houden.
+
+Monstering, z. n. v. -- Het opmaken der monsterrol: 't welk ten
+overstaan van een bevoegd ambtenaar geschiedt. De verplichtingen
+tusschen den schipper en zijn Equipaadje beginnen eerst van het
+oogenblik, dat de M-- gedaan is. Zie voorts betreffende dit onderwerp
+artt. 396, 397, 399, 340, Wetboek van Koophandel.
+
+Monsterrol, z. n. v. -- Rol of lijst, waarop de namen staan
+opgeteekend van hen, die zich aan boord bevinden, 't zij als tot
+de uitrusting behoorende, 't zij als passagiers. De M-- strekt ten
+bewijze van de voorwaarden der verbintenissen tusschen den schipper
+en de schepelingen aangegaan. Wat de M-- moet bevatten wordt geleerd
+in art. 397, Wetb. van Kooph. Zie voorts art. 396 en 393.
+
+Morrelen, o. w. -- Iets in het ruim of hol van het schip zonder licht
+en alzoo by den tast verrichten.
+
+Mortepaie, z. n. v. -- 1o. Los stuk geschut.
+
+2o. Persoon, die zich aan boord bevindt zonder op de monsterrol
+te staan.
+
+Mortier, z. n. o. -- Bomketel, steenstuk.
+
+Mosch, z. n. v. -- Gedroogde plant, die gebezigd wordt tot het stoppen
+der naden aan de buitenhuid.
+
+Moschpapier, z. n. v. -- Soort van papier, uit Mosch vervaardigd,
+en ten zelfden einde dienende.
+
+Moschsponning, z. n. v. -- Sleuf, die voor de helft in een stuk hout
+en voor de wederhelft in het daartegen geplaatste stuk gemaakt is,
+en dienende om met Mosch of moschpapier te vullen.
+
+Moskuil, z. n. m. -- Soort van grooten houten hamer.
+
+
+ Kardoezen, moskuils en kruitkokers wijt van keelen.
+
+ Antonides. Ystroom.
+
+
+Mosselman, z. n. m. -- 1o. Een vaartuig, dat Mosselen vischt.
+
+2o. De man, die ze verkoopt.
+
+Spreekwijze: Daar veel volks is, valt veel te verkoopen: dat wist de
+M-- ook, en liep met mosselen de kerk binnen.
+
+Mosselwagen, z. n. m. -- Ruimte tusschen de twee beetings.
+
+Motse, z. n. v. -- Wijde schippers overbroek.
+
+Motten, onp. w. -- Stofregenen. Het regent niet, het mot slechts.
+
+Motterig hout, z. n. o. -- Eikenhout met kleine vlekjens, als de
+vlerken van Motten, ongeschikt om onder water te dienen.
+
+Muide, z. n. v. -- Mond of monding, waarvan ons Muiden, Arnemuiden,
+IJsselmuiden, de Engelsche steden Pleimuiden, Jaarmuiden, enz.
+
+Muis, z. n. v. -- 1o. Knoop, in een touw gelegd om het doorschieten
+te beletten.
+
+2o. Opgeschoten touw.
+
+3o. Beslag van een riem.
+
+4o. Knoop of beslag van de kabelaring.
+
+Muizen, b. w. -- De kabelaring beslaan.
+
+Muizing, z. n. v. mv. -- Verdikkingen, die van afstand tot afstand
+op de kabelaring gemaakt zijn en dienen om die door de seizing aan
+het zwaar touw te doen houden tot aan het spil.
+
+Mulet, z. n. m. -- Soort van Portugeesch vaartuig, dat veel sprong
+heeft en sterk voorover gebogen masten met latijnzeilen draagt.
+
+Murgpijp, z. n. v. -- Triviale benaming van de looden of houten koker,
+die aan het vuil, de flesschen enz. tot doortocht naar zee strekt.
+
+Musket, z. n. o. -- Schietgeweer. Zie Roer.
+
+Mutsjen, z. n. o. -- Blikken maatjen, het zestiende deel vormende
+van een pint, en het rantsoen van een man aan sterken dank voor één
+maal bevattende. Een M-- jenever. Het wordt ook voor de hoeveelheid
+zelve gebezigd. Ik zou nog wel een half M-- lusten.
+
+
+
+
+
+
+
+N.
+
+
+N, z. n. v. -- Beteekent: 1o. Noord, Noorden. De wind is N. (is
+noord). Texel ligt ten N. van Holland.
+
+2o. Een onbepaald getal. Dat schip ligt op N. mijl afstand (op een
+getal mijlen, onverschillig welk).
+
+Na, bw. -- Dicht, naby. Het zeil staat te N-- aan den wind. Wy liggen
+te N-- aan den wal.
+
+Naad, z. n. v. -- 1o. Afstand tusschen twee nevenplanken. Opene N--
+(verwijdering van dien afstand, ten gevolge van de droogte of van de
+beweging van 't schip).
+
+2o. Vereeniging der banen van een zeil. Platte N-- (welke de
+zeilemakers maken, wanneer zy de banen een duim over elkander doen
+kruisen). Ronde N-- (eenvoudige N--, die de banen van het zeildoek
+baan aan baan verbindt).
+
+Naadhaak, z. n. m. -- Yzeren werktuig, waarmede men het werk, dat
+vernieuwd moet worden, uit de Naden der planken haalt.
+
+Naadprezennings, z. n. v. mv. -- Smalle strooken Prezenning, om de
+Naden en luiken op kleine vaartuigen te dekken.
+
+Naaien, b. w. -- 1o. Met de naald vasthechten.
+
+2o. Aanslaan, beleggen. Een blok N--.
+
+Naaibouten, z. n. m. mv. -- Zie Koppelbouten.
+
+Naald, z. n. v. -- 1o. Puntig werktuig van een oog voorzien en dienende
+om voorwerpen met een draad aan elkander te hechten.
+
+2o. KompasN--, MagneetN--: plat stalen lemmer, in 't midden met
+een spil bevestigd op de roos van 't kompas, en de windstreken
+aanwijzende. Doode N-- (die haar kracht verloren heeft). Walende N--
+(die zich niet dan langzaam richt). Zie Lelie.
+
+
+ De Naelde wijckt noch wraeckt en alle gissingh sluyt.
+
+ Huyghens. Hofwijck.
+
+
+Naald, z. n. v. -- Strook houts, die somtijds tusschen het rahout en
+den zitgang wordt aangebracht.
+
+Nachtglas, z. n. o. -- Zandlooper, die acht glazen of vier volle uren
+loopt eer hy ledig is.
+
+Nachthuisjen, z. n. o. -- Houten kast, gewoonlijk in drie nevens
+elkander gestelde vakken verdeeld, waarvan het middelste een lamp
+bevat, bestemd om de beide anderen, die ieder van een kompas voorzien
+zijn, te verlichten. Het N-- is vlak tegenover den roerganger
+geplaatst.
+
+Nachtschot, z. n. o. -- Schot, dat aan boord van groote schepen gelost
+wordt, om aan te kondigen, dat het werk van den dag verricht is. Elken
+avond te acht ure doet de vlootvoogd het N--.
+
+Nachtschuit, z. n. v. -- Veerschuit, die 's avonds afvaart, om 's
+morgens op haar bestemmingsplaats te komen.
+
+Spreekwijze: Hy komt met de N-- (hy komt laat: hy brengt nieuws,
+dat ieder reeds weet).
+
+Nachtwijzer, z. n. m. -- Werktuig, waarvan men zich aan boord plach te
+bedienen, om 's nachts het uur te weten, door de hoogte der Noordster
+boven den pool te meten.
+
+Naderen, b. en o. w. -- Naby komen. 't Is gevaarlijk, die kust te
+veel te N--. Het vaste land begint reeds te N-- (wy komen reeds in
+de nabyheid van het vaste land).
+
+Nadir, z. n. o. -- Het punt, dat loodrecht onder een aangegeven plaats
+of voorwerp en alzoo tegenover het Zenith staat.
+
+Nagels, z. n. m. mv. -- Houten, ronde, langwerpige cylinders,
+die gebezigd worden tot het vastmaken van buitenhuidsplanken. Zy
+behooren gekloofd te worden uit taai hout, dat niet vatbaar is voor
+zwelling. N-- over N-- schieten (werd vroeger van het vooruitsteken
+van den steven gezegd).
+
+Nagelbank, z. n. m. -- Smalle plank, van bouten voorzien en horizontaal
+in het want geplaatst om tot steunpunt by onderscheiden kleine
+verrichtingen te dienen.
+
+Nageldraaibank, z. n. m. -- Bank, waarop Nagels vervaardigd worden.
+
+Nagelen, b. w. -- Een Nagel inslaan.
+
+Namiddagwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord van 's middags tot 4 uur
+'s avonds.
+
+Naschip, z. n. o. of Achterblijver. -- Schip, dat trager dan de
+overigen aankomt.
+
+Spreekwijze: Hy komt met de Naschepen (hy brengt een tijding, die
+aan iedereen bekend is).
+
+Nasleepen, b. w. -- Op 't sleeptouw hebben, achter zich trekken. Het
+fregat Sleepte de gemaakte prijzen achter zich Na.
+
+Nat, z. n. o. -- Wat vloeibaar is.--Door de dichters wel eens voor zee
+gebezigd, doch dan immer met een b. n. Het zoute N--, het peilloos N--.
+
+
+ Langs 't golvend nat naar de Oosterkust getogen.
+
+ K. W. Bilderdijk.
+
+
+Spreekwijze: Geen N-- of droog hebben (niet te eten noch te drinken
+hebben).
+
+Hy lust zijn N--jen wel (hy is een drinkebroêr).
+
+Nathals, z. n. m. -- Zuiplap, drinkebroêr.
+
+Natten, b. w. -- Nat maken. De zeilen N-- (die bevochtigen, om het
+doek te doen krimpen, en, wanneer het ontplooid wordt, de spanning
+te vermeerderen). Het geschut N-- (bekoelen).
+
+Navette, z. n. v. -- Indiaansch scheepjen.
+
+Navloed, z. n. m. -- Zie Achtervloed.
+
+Neb, Nebbe, z. b. v. -- 1o. De bovenarm van een knie, die tegen een
+balk komt.
+
+2o. 't Zelfde als Sneb. Zie ald.
+
+Nebschuit, z. n. v. -- Schuit, van een Neb of snuit voorzien.
+
+Neer, z. n. v. -- Sterke rafeling of kabbeling in het water,
+veroorzaakt door de ontmoeting van een tij met een byzonderen stroom:
+en in 't algemeen de tegenstroom, die langs den wal loopt. Met de N--
+wegdrijven (van de deining gebruik maken om voort te komen). In de N--
+oproeien (uit den stroom blijven).
+
+Spreekwijze: Hy is in de N-- geraakt (het loopt hem tegen).
+
+Neêrgaan, o. w. -- Van de hoogte naar de laagte gaan. N-- noemen
+onze strandbewoners "in zee steken", omdat zy hun vaartuigen van het
+hoogere strand af moeten brengen.
+
+Neêrhalen, b. w. -- Naar beneden halen. De vlag N--. Zie Strijken.
+
+Neêrhaler, z. n. m. -- Touw.
+
+Neêrlaten, b. w. -- Laten zakken. Een mast N--, de jol N-- (in zee
+strijken).
+
+Neêrtrekken, b. w. -- Het vlot brengen der visschuiten of bommen.
+
+Nering, z. n. v. -- De vrije N-- doen plach gezegd te worden voor:
+"zeeschuimen, op zeeroof uitgaan."
+
+Net, z. n. o. -- Gebreid of geknoopt samenstel van
+garen. VerschansingsN-- (dat langs het boord loopt). MarsN--ten
+(die aan den achterkant der marsen zijn). Zie verder EnterN--,
+VischN--. Ook N--, gebezigd om visch te vangen. De N--ten schieten
+(ze uitwerpen). De N--ten boeten (ze herstellen).
+
+
+ Ziet dat gy hierop naarstig let,
+ De groote visschen scheuren 't net.
+
+ Cats.
+
+
+Spreekwijzen: Achter het N-- visschen (te laat komen om zijn voordeel
+te doen).
+
+Iemand in 't N-- krijgen (iemand verschalken).
+
+Iemand het N-- over 't hoofd halen (hem met geweld verongelijken).
+
+N--jens droogen (zijn uitgaven bekrimpen:--omdat de visscher, door
+zijn N--ten te droogen, zich voorbereidt om later daarmede voordeel
+te behalen).
+
+Neus, z. n. m. -- Benaming, die aan de meest vooruitstekende punt
+van den voorsteven gegeven wordt. Hy haalt zijn N-- lustig onder. Hy
+spoelt lustig zijn N-- (van een schip gezegd, dat met den boeg diep
+onder water gaat). Den N-- in den wind steken (den boeg naar den
+wind wenden).
+
+Spreekwijze: Zijn N-- in den wind steken (onderzoeken).
+
+Neuskijker, z. n. m. -- Jongen, of bootsgezel, die voor op den boeg
+op den uitkijk staat.
+
+Neut, z. n. v. -- Houten of holle gegoten yzeren rol, dienende
+om het verschuiven van twee op elkander geplaatste stukken hout te
+beletten. Yzeren N--en. Pokhouten N--en. N-- van de ankerschacht. (Zie
+Ankerneut)
+
+Spreekwijze: Heeft hy N--jens, hy zal wel doppen maken (hy zal van
+hetgeen hy bekomt wel party trekken).
+
+Een oude N-- (een oude vrijster).
+
+Voor doove N--en zitten (zonder voordeel ergends zitten).
+
+Nevel, z. n. m. -- Damp, mist.
+
+Nevenschip, z. n. o. -- Het schip, dat men, in breede linie zeilende,
+nevens zich moet houden.
+
+Nippertjen, z. n. o. -- Eigenlijk Nijpertjen, als komende van
+Nijpen. Dat was op het N-- (dat scheelde weinig). Een plaats op het
+N--af, by het einde van een gang, te boven zeilen.
+
+N. O., bw. -- Noord-Oost. N. O. ten N. (Noord-Oost ten Noorden).
+
+Nok, z. n. v. -- Uiterste punt of spits; in 't byzonder van een ra
+of zeil.
+
+Nokbindsel, z. n. o. -- Bindsel, waarmede het zeil aan de Nok van de
+ra wordt vastgemaakt.
+
+Nokgording, z. n. v. -- Gording van de Nok. Zie Dempgording.
+
+Nokken, b. w. (veroud) -- De nokbindsels leggen: de razeilen vastmaken.
+
+Nokleuver, z. n. m. -- Boven- of buitenhoek van een vierkant zeil,
+dat aan een ra is vastgebonden.
+
+Nokooren, z. n. o. mv. (veroud.) -- Stevige, wel met marlijn voorziene
+oogen, aan de benedenhoeken der vierkante zeilen, waardoor de schoten
+loopen.
+
+Nood, z. n. m. -- Dit woord duidt in de samenstelling een voorwerp aan,
+dat bewaard wordt om, in tijd van N-- het ontbrekende of onklare te
+vervangen. Zoo zegt men N--anker, N--gordingen, N--mast, N--talie,
+N--want, enz. Zie Borg. Zie Stomp.
+
+Spreekwijze: Die N-- heeft, moet pompen (zie Pompen).
+
+Noodschot, z. n. m. -- Kanonschot, hetwelk, op zee gelost, aankondigt,
+dat men redding of hulp verlangt.
+
+Spreekwijze: Het is een N-- (het is een laatst, doch veelal hopeloos
+middel, waartoe men zijn toevlucht neemt).
+
+Noodsein, z. n. o. -- Teeken, waarmede een vaartuig, 't zij door
+schoten, 't zij door 't hijschen van een vlag, 't zij op andere wijze,
+te kennen geeft, dat het zich in nood bevindt.
+
+Noord, bw. -- Duidt een strekking aan van of naar de noordzij. De
+wind is N-- (het waait uit het noorden). Wy moeten N-- houden (wy
+moeten naar de noordzij koers houden).
+
+Spreekwijze: De wind is N-- (hy is in een kwade luim).
+
+Noord (de), z. n. v. -- 1o. De noordelijk gelegen landen, als
+Noorwegen, IJsland, enz. Om de N-- varen (het Noorden omvaren).
+
+2o. Wat noordelijk gelegen is. Om de N-- houden (Noordelijk opvaren).
+
+Noordelijk, b. n. -- Wat zich ten Noorden bevindt.
+
+Noordelijken, o. w. -- Wordt van den wind gezegd, als hy naar 't
+Noorden loopt.
+
+Noorden, z. n o. -- 1o. Het gedeelte der waereld, dat tegen over het
+zuiden ligt.
+
+2o. Streek, die Noordelijk gelegen is van de plaats waar men zich
+bevindt. Het waait uit het N--.
+
+Noorden (ten), bw. -- Noordelijk, aan den Noordkant. Denemarken is
+T--N-- van Duitschland gelegen.
+
+Noorderbreedte, z. n. v. -- Afstand eener plaats van den Equator
+Noordelijk op gerekend. Calais ligt op 51 graden N-- (Calais ligt op
+51 graden noordelijk van den Equator).
+
+Noorderlicht, z. n. o. -- Lichtverheveling by nacht, welke om de
+Noord dikwijls zeer sterk is.
+
+Noorderzon, z. n. v. -- Ontstentenis der zon, omdat, voor de bewoners
+van 't Noordelijk halfrond, zich de zon nooit aan 't Noorden vertoont:
+alzoo 't zelfde als "stikdonker".
+
+Spreekwijze: Met de N-- vertrekken (zich by duisternis, in 't geheim,
+wegpakken).
+
+Noordewind, z. n. m. -- Wind, die van de Noordzijde waait.
+
+Noordnoordoost, z. n. o. -- Windstreek, tusschen het Noord en
+Noordoost. N-- ten N. N-- ten Z. (windstreken tusschen N-- en het
+N. of Z. gelegen).--Tevens bywoord.
+
+Noordnoordwest, z. n. o. -- Windstreek, tusschen het Noord en
+Noordwest. N-- ten N. N-- ten Z. (windstreken, tusschen het N--
+en het N. of Z. gelegen).--Tevens bywoord.
+
+Noordoost, z. n. o. of ten Noordoosten. -- Windstreek, midden tusschen
+het Noord en Oost gelegen.--Tevens bywoord.
+
+Spreekwijze: Ik gaf hem een opzetter dat hy N-- lag (dat hy niet wist,
+waar hy te land kwam).
+
+Noordoosten (ten), bw. -- Zie Noordoost.
+
+Noordoosteren, o. w. -- Naar 't N. O. loopen. De wind is aan 't N--.
+
+Noordoostering, z. n. v. -- Afwijking der kompasnaald van 't N. naar
+'t N. O.
+
+Noordpool, z. n. m. -- Zie Pool.
+
+Noordsch, b. n. -- Wat uit het Noorden, bepaaldelijk uit Noorwegen
+of Zweden komt. N-- hout. N-e Deelen.
+
+Spreekwijze: Hy heeft N--e buien (hy is gemelijk, knorrig:--omdat N--
+en norsch woorden zijn van eene beteekenis).
+
+Noordstar, z. n. v. -- Star, die in 't N. staat en tot een baak aan
+de zeevarenden strekt.
+
+
+ De Noortstar streckt aldus by nacht op zee
+ Een heldre baeck voor die de zee bevaren:
+ Zy wijst de streeck, de haven, en de reê
+ En baent den wegh in spoorelooze baren.
+
+ Vondel. Danckoffer aan Christine.
+
+
+Spreekwijze: Hy is de N-- waarop ik my richt (hy is mijn gids,
+mijn leidsman).
+
+Noordwest, z. n. o. of Noordwesten. -- De windstreek tusschen het
+Noorden en 't Westen.
+
+Noordwest, bw. -- Wat zich ten N. W. bevindt.
+
+Noordwesten, z. n. o. -- Zie Noordwest.
+
+Noordwesteren, o. w. -- Naar 't N. W. loopen. De wind is aan 't N--.
+
+Noordwestering, z. n. v. -- Afwijking der kompasnaald van 't N. naar
+'t N. W.
+
+N. W., z. n. o. -- Beteekent Noord-West.
+
+Nijptang, z. n. v. -- Tang, waarmede spijkers worden uitgehaald.
+
+
+
+
+
+
+
+O.
+
+
+O., z. n. v. -- Voor Oost, Oostwaarts; ten O. (voor ten Oosten).
+
+Oceaan, z. n. m. -- Waereldzee. De Atlantische O--. By de dichters
+wordt O-- in 't algemeen voor alle groote zeeën genomen.
+
+Odief, z. n. m. (veroud.) -- Benaming eener soort van schaaf.
+
+Oefening, z. n. v. -- Meer gewoon is, waar het bewegingen van schepen
+geldt, het uitheemsche woord manoeuvre.
+
+Oever, z. n. m. -- Strand, kust, zee- of rivierkant.
+
+
+ In de engte, die Calais gescheiden houdt van Doever,
+ Laveerde een Spaansche vloot, die wederzijds den oever
+ Met duizend kielen schuurde.
+
+ S. Styl.
+
+
+Spreekwijze: Aan den O-- van 't verderf, aan den O-- van 't graf
+(aan den rand van 't verderf, enz.).
+
+Officier, z. n. m. -- In 't algemeen ieder, die eenig officie of
+bediening bekleedt. Zie DekO--, VlagO--, enz.
+
+Om, bw. -- 1o. Voor: over, voorby. De tijd is O--. De nacht is O--.
+
+2o. Veranderd: De wind is O--.
+
+Ombaksen, b. w. -- Zijdelings richten, t. w. een stuk geschut. Zie
+Baksen.
+
+Ombrassen, b. w. -- De zeilen van richting doen veranderen.
+
+Omgorden, b. w. -- t. w. een schip, waarvan de inhouten dreigen los
+te gaan, met kabels beleggen om de losse deelen by elkander te houden.
+
+Omhalen, b. w. -- Een andere richting geven. De voorzeilen O--
+(de voorraas over de andere zijde brengen, zoodat de wind in het
+fokkezeil vat).
+
+Omhalzen, b. w. -- Met storm byleggende, voor-de-wind om, over den
+anderen boeg gaan byleggen.
+
+Omkenteren, o. w. -- Omkantelen, 't onderst boven keeren. Het O--
+van een sloep.
+
+Omlaag, bw. -- Onder het dek; gebruikelijk in komms. O-- allen!
+
+Omleggen, b. w. -- 1o. Op zijde leggen. Een hout O--.
+
+2o. Vastmaken, een ring, een oog, een omgeslagen touw in eenig
+voorwerp haken. Een slag O-- (het omslaan en vastmaken van een touw
+om een kruishout, dukdalf, paal, enz).
+
+Omloopen, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy verandert.
+
+Omscheren, b. w. -- Ververschen. Touwwerk O-- (het van plaats doen
+veranderen om het niet bestendig aan dezelfde wrijving bloot te
+stellen).
+
+Omschieten, b. w. -- Omslaan. Een touw O-- (een touw ergends om
+heen slaan).
+
+Omslaan, b. w. -- Omverwerpen. De wind Sloeg het schip Om.
+
+Omslaan, o. w. -- Omvallen. Het schip Sloeg Om.
+
+Omslag, z. n. m. -- Handvatsel. De O-- van een boor.
+
+Omslooien, b. w. (veroud.) -- Omzwikken, omhalen.
+
+Omsmakken, b. w. -- Omgooien, naar een andere zijde brengen, b. v. in
+het nu verouderd komm. Smak het zeil Om.
+
+Omspant, z. n. v. -- Afmeting, vorm. O-- van een schip.
+
+Omwaaien, o. w. -- Door de werking van den wind omver gaan.
+
+Omwenden, o. en b. w. -- Thands wordt meer gewoonlijk Wenden
+gezegd. Zie aldaar.
+
+Omzeilen, b. w. -- Om heen zeilen. Een hoek O--.
+
+Omzwaaien, o. w. -- Zie Zwaaien.
+
+Omzwalpen, b. w. -- Zie Zwalpen.
+
+
+ Geen aardrijk kan zijn kreits bepalen,
+ Geen arm van aard-omzwalpend zout.
+
+ Bilderdijk. Ode aan Napoleon.
+
+
+Onbemand, b. n. -- Zonder bemanning. Het schip is nog O--.
+
+Onbevaren, b. n. -- Ongeöefend, ongewoon aan boord. Het is slecht
+zeilen met O-- manschap.
+
+Onder, voorz. -- Beneden. O-- de lij, O-- den wind van een ander schip
+(wordt een schip gezegd te zijn, wanneer de wind komt van de zijde waar
+dat andere schip ligt.) O-- de kust, O-- den wal (wordt een vaartuig
+gezegd te zijn wanneer het zich op weinig afstands van die kust of
+dien wal bevindt.) O-- zeil gaan (wegzeilen.) O-- Engelsche vlag (een
+Engelsche vlag voerende.) O-- die zeilen, O-- dat zeil loopen (alleen
+die of dat bepaalde zeil voeren.) O-- den wind laten loopen (afhouden,
+zoo dat de wind dwars in de zijde komt.) O-- zee gelegd zijn (door
+een zeeslag op zijde gesmeten en overdekt zijn). O-- water.--Zie Boven.
+
+Onderbarghout, z. n. o. -- Zie Barghout.
+
+Onderdompelen, b. w. -- Geheel onder water brengen. Het Ondergedompeld
+gedeelte van een schip (dat gedeelte, 't welk onder water is).
+
+Onderdompeling, z. n. v. -- Overstrooming. De geheele O-- van een
+sloep.
+
+Onderdoorrijden, Onderrijden, o. w. -- Wordt het schip gezegd te doen,
+als het, voor anker liggende, door hooge zeeën overstelpt, zinkt.
+
+Onderlegger, z. n. m. -- Zie Kiellichter.
+
+Onderloop, z. n. m. -- Zie Voorstuk en Knie.
+
+Onderlijk, z. n. o. -- Onderste gedeelte van een zeil. Dat zeil heeft
+veel breedte in zijn O--.
+
+Onderlijzeil, z. n. o. -- Het Onderste Lijzeil, als dat van de
+groote fokkera.
+
+Onderofficier, z. n. m. -- Officier van minderen rang.
+
+Ondernoktaliestopper, z. n. m.--Kleine Stopper, die, op een galei,
+aan den voet van den mast was gestoken op den strop van den Ondernok,
+en dezen vasthield.
+
+Onderra, z. n. v. -- Benedenra.
+
+Onderruim, z. n. o. -- Diepste van het ruim.
+
+Onderrijden, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het
+door hevige stortzeeën overstelpt wordt.
+
+Onderschip, z. n. o. -- Benedengedeelte van een schip.
+
+Onderschoren, b. w. -- Met schoren of stutten ophouden.
+
+
+ De vlietgodinnen zien ontelbare oorloghskielen
+ En schepen toegerust en onderschooren 't vlot.
+
+ Vondel. Verovering van Grol.
+
+
+Onderschoring, z. n. v. -- Hetgeen onder een schip op de helling of
+onder eenig ander werk op den grond is geplaatst om het te stutten.
+
+Onderstrijken, b. w. (veroud.) -- Met planken van onderen bestrijken
+of beschieten.
+
+Onderstut, z. n. m. -- Zie Stut, Noodstut.
+
+Onderstutten, b. w. -- b. v. een schip; wanneer het op strand ligt
+en men er stutten onder zet om het omslaan te beletten.
+
+Onderstuurman, z. n. m. of Stuurmansmaat.
+
+Onderwant, z. n. o. -- Want, dat lager zit.
+
+Onderzeil, z. n. o. -- De Fok en het Grootzeil worden de O--en
+genoemd. Regel je aan de halzen en schoten van de O--en! O--shalzen
+toe! Geitouwen en gordings van de O--en inhouden! O--en geien en
+gorden! (kommandoos). Benedenzeil of benedenste gedeelte van een zeil.
+
+Onder zeil, bw. -- Zeilend. Het schip is O-- Z-- (het zeilt).
+
+Spreekwijze: O-- Z-- gaan (in slaap vallen),--omdat men dan als
+'t ware het gezelschap verlaat en zich naar een andere waereld begeeft.
+
+Ondiep, b. n. -- Wat laag of niet Diep is.
+
+Ondiepte, z. n. v. -- Plaats, waar minder water staat, terwijl het
+in den omtrek diep is.
+
+Ongeboeid, b. n. -- Nog niet beplankt.
+
+Ongelden, z n. o. mv. -- Kleine averyen.
+
+Ongemak, z. n. o. -- Schade, avery.
+
+Ongemanierd, b. n. -- Wordt een schip genoemd, dat zijn bewegingen
+niet naar behooren volbrengt.
+
+Ongestadig, b. n. -- Veranderlijk. Het weer blijft O--. Wy hadden
+O--en wind.
+
+Ongestuim, Ongestuimig, b. n. -- Dichterl. voor Onstuimig. Zie ald.
+
+Ongeteerd, b. n. -- Niet met teer besmeerd.
+
+Ongezond, b. n. (veroud.) -- Wordt een schip genoemd, waarvan de
+inhouten vervuurd zijn.
+
+Onklaar, b. n. -- Verward, verwikkeld. O-- anker (roept men, als het
+anker boven komt met een of meer slagen van de ketting of het touw
+om den stok of de hand). Dat touw is O-- (dat touw is in een ander
+verward, is geknoopt).
+
+Spreekwijze: 't Is O-- (de zaak is in de war).
+
+Onlandbaar, b. n. -- Waar men niet Landen kan. Een O--e kust.
+
+Onoverdekt, b. n. -- Zonder Dek. Hy heeft de reis met een O--
+vaartuig gedaan.
+
+Onstuim, b. n. -- Zie Onstuimig.
+
+
+ Door barreningen en onstuime wintervlagen,
+
+ Antonides IJstroom.
+
+
+Onstuimig, b. n. -- Ongestuimig, Ongestuim of Onstuim (wild, buijig,
+stormig).
+
+Ontballasten, b. w. -- Van ballast ontladen.
+
+Ontbinden, b. w. -- Losmaken.
+
+Ontdekken, b. w. -- Bespieden, zien. Land O-- (Land zien, dat men te
+voren niet bespeurd had).
+
+Ontdekking, z. n. o. -- Onderzoek. Op O-- uitgaan (zich op weg begeven,
+om b. v. een bosch of landstreek te onderzoeken).
+
+Ontdubbelen, b. w. -- Van dubbeling ontdoen.
+
+Ontkleeden, b. w. -- De bekleeding, b. v. van een touw, wegnemen.
+
+Ontklinken, b. w. -- Het zoom- of klinkwerk van een vaartuig wegnemen.
+
+Ontkuipt, b. n. -- Van banden ontbloot. O--e marsen, masten, enz.
+
+Ontladen, b. w. -- De Lading uitnemen, 't zij van een vaartuig,
+'t zij van een stuk geschut.
+
+Ontlading, z. n. v. -- De daad van Ontladen.
+
+Ontlijken, b. w. -- De lijken van een zeil afnemen.
+
+Ontmast, b. n. -- Van mast beroofd.
+
+Ontmasten, b. w. -- Van masten ontdoen.
+
+Ontmeeren, b. w. -- Losmaken.
+
+
+ Ontmeert d' ondanckbre vloot om door ons' zee te gaan,
+
+
+zegt Vondel in de Amst. Hekuba.
+
+Ontnemen, b. w. -- Afnemen. Het bevel aan een Officier O--, den wind
+aan een ander schip O--.
+
+Ontplanken, b. w. -- Van Planken ontdoen. Het scheepsboord O--.
+
+Ontrakken, b. w. -- De Rakken losmaken.
+
+Ontredderd, b. n. -- Buiten staat om zich te weeren of om behoorlijke
+bewegingen te maken. De schepen waren O--, waren in O--en staat
+aangekomen.
+
+Ontroeien, b. w. -- Door kracht van riemen iets, b. v. een gevaar,
+ontkomen.
+
+Ontrollen, b. w. -- Open rollen. De vlag O--.
+
+Ontschepen, b. w. -- Uit het schip nemen of zetten. Hy liet de lading
+O--, hy liet de manschap O--. Er werden 1000 man landingstroepen
+Ontscheept. Ontscheept zijn (niet langer aan boord gehouden worden).
+
+Ontschipperen, b. w. -- Het bevel van het Schip ontnemen.
+
+Ontslaan, b. w. -- Wegzenden, uit de dienst zenden, afdanken.
+
+Ontslag, z. n. o. -- Afscheid, afdanking. Die lieden hebben eervol O--
+bekomen. Hy heeft O-- van dat schip.
+
+Ontsluiten, b. w. -- Weder open stellen. Er is bevel gegeven, die
+haven weder te O--.
+
+Ontsluiter, z. n. m. -- Overdrachtelijk gebezigd door Vondel, in zijn
+grafschrift op Kortenaar.
+
+
+ De Groote Kortenaer, de schrick van 's vyants vlooten,
+ D' ontsluiter van de Sont ligt in dit graf besloten.
+
+
+Onttakelen, o. w. -- Zijn tuig kwijt raken. Het schip Onttakelt.
+
+Onttakelen, o. w. -- Van takels en want ontdoen, aftuigen. Dat schip
+onttakelt zijn stengen (men neemt de ra en 't want van de stengen af).
+
+Onttakeling, z. n. v. -- De daad van Onttakelen.
+
+Onttuid, b. n. -- Wordt gezegd van een schip, dat zijn tuiankers
+binnen heeft.
+
+Onttuien, b. w. -- Het tuianker binnen halen.
+
+Ontvallen, o. w. -- Verdwijnen: uit het gezicht raken. Het land
+Ontvalt om de noord of de zuid.
+
+Ontwapenen, b. w. -- 1o. Van geschut ontblooten.
+
+2o. Opleggen, de tuigaadje ontnemen.
+
+Ontwerp, z. n. o. -- Schets, plan.
+
+Ontzeilen, b. w. -- Door kracht van Zeilen ontkomen.
+
+Ontzet, b. n. -- Beschadigd. Een O-- schip (een schip, waarvan eenige
+deelen hebben losgelaten, ten gevolge van zwaar weer).
+
+Ontzetten, b. w. -- Verlossen, uit den nood helpen. De Atalante stond
+op het punt genomen te worden, toen de Iris haar kwam O--.
+
+Ontzetten, o. w. -- Inzakken. Dat schip begint te O--.
+
+Ontzetting, z. n. v. -- Nederzakking, inzakking.
+
+Onweer, z. n. o. -- Donder en bliksem. Er broeit een O--, er is O--
+op handen.
+
+
+ 't Vervaarlijk onweer loeit met weerlicht, blixem, donder
+ En donderkloot, en roert, al buldrend, 't opperste onder.
+ Een donkre orkaan rammeit en snort met slag op slag,
+ Als of weêr de aardkloot in een nieuwen baiert lag.
+
+ Antonides. IJstroom.
+
+
+ Wat Onweer datter ruyscht of watter ommegaet,
+ Ziet dat ghy nemmermeer uw eygen post verlaet.
+
+ Cats.
+
+
+Spreekwijze: Er is O-- aan de lucht (er zal braaf gescholden of
+geroerd worden).
+
+Onweersbui, z. n. v. -- Zie Bui.
+
+Oog, z. n. o. -- Gezicht. Een O-- in 't zeil houden (op alles acht
+slaan). In het Grafschrift op Kortenaar noemt Vondel dien held:
+
+
+ Verminkt aan Oog en rechter hant
+ En 't echter 't Oog van 't roer.
+
+
+Oog, z. n. o. -- Opening of gat, aan de kanten van een zeil, aan
+een strop, of in een bout, en dienende om er iets door te halen en
+daardoor het voorwerp aan een ander te bevestigen.
+
+Oogbout, z. n. v. -- Bout, met een Oog voorzien.
+
+Ooren, z. n. o. mv. -- Zie Judasooren.
+
+Oorlam, z. n. o. -- 1o. Benaming van een ervaren zeeman; het woord is
+afkomstig van 't Maleische Orang lama (ervaren, handig, bekwaam man).
+
+2o. Rantsoen van jenever, borrel, slok.
+
+Oorliëtblok, z. n. o. -- Blok, dat als een oorhanger of oorliët aan
+het einde van de ra hangt.
+
+Oorlogschip, z. n. o. -- Zie Schip.
+
+Oorlogsvloot, z. n. v. -- Vloot, die, onder het bevel van een Amiraal,
+ten Oorloge is uitgerust.
+
+Oor over oor, bw. (veroud.) -- In de spreekwijze O-- o-- O-- bouwen
+(het schip boven wijd uitbouwen, waardoor het zeer geschikt wordt om
+te slaan, maar wat rank om goed zee te bouwen).
+
+Ooryzers, z. n. o. mv. -- Yzers ter zijde aan de rampaarden, om die
+te bestieren en te bedwingen.
+
+Oost, bw. -- Oostelijk, tusschen Noord en Zuid. De wind is O--
+(komt van de Oostzijde).
+
+Oost, z. n. v. -- De Oostindische bezittingen. Hy vaart op de O--. Hy
+heeft zijn fortuin in de O-- gemaakt.
+
+Spreekwijze: O-- west, t'huis best (men moge de O-- en de West bezocht
+en het er goed gehad hebben, men zal zich nergends beter bevinden
+dan in het moederland).
+
+Oostelijk, b. n. en bw. -- Wat ten Oosten is.
+
+Oosten, z. n. o. -- De Levant. Die schepen komen uit het O--.
+
+Oosterzon, z. n. v. -- De Zon, als zy zich in 't Oosten bevindt. Hy is
+van de O-- geroost (hij heeft in Oostindiën een bruine kleur opgedaan.)
+
+Oostindiën, z. n. o. -- De eilanden in de Indische Zee.
+
+Spreekwijze: Men ziet op geen aap, als men uit O-- komt (men kan
+gemakkelijk wat weggeven als men 't ruim heeft:--omdat hy, die
+vermogend uit de Oost terug komt, gemakkelijk een aap kan prezent
+doen).
+
+Oostindische kompagnie of Maatschappy. -- Maatschappy, die voorheen
+het bewind voerde over de volkplantingen in den Indischen Archipel.
+
+Oostindievaarder, z. n. m. -- Schip, dat op de Oost vaart.
+
+Oost ten Noorden, Oost-Noord-Oost, Oost ten Zuiden, Oost-Zuid-Oost,
+bw. -- Windstreken aan de Oostzijde, elkander van het Noorden naar
+het Zuiden opvolgende.
+
+Oostwaart, bw. -- Naar de Oostzijde.
+
+Op-allens, t. w. -- Komm. voor: "alle man boven", verbasterd van
+'t Eng. up all hands!
+
+Op en neêr, bw. -- Wordt een schip gezegd te zijn, als zijn
+voorsteven zich vlak boven het uitgeworpen anker bevindt: en ter
+zelver gelegenheid van het touw. Het touw wijst O--. Het schip is O--
+(is gereed om onder zeil te gaan.) De wind is O-- (er is niet genoeg
+wind om den windwijzer te doen draaien).
+
+Opboeien, b. w. -- De staande boorden van een vaartuig verhoogen.
+
+Opboeisel, z. n. o. -- Vloer, looze stelling, zetplank.
+
+Opborrelen, o. w. -- Koken, brabbelen. Zie ald.
+
+Opbrassen, o. w. -- De raas meer vierkant aanhalen. De wind is
+ruimer. Wy moeten O--.
+
+Opbreken, b. w. -- De kabelaring dwingen te rijzen.
+
+Opbreker, z. n. m. -- 1o. Houten keg om de kabelaring Op te breken.
+
+2o. Yzeren helling met metalen rollen.
+
+Opbrengen, b. w. -- 1o. Optuigen, b. v. de bramraas.
+
+2o. In een haven brengen. Een prijs O-- (een prijs gemaakt schip in
+een haven brengen).
+
+Opdoeken, b. w. -- Samenvouwen. De zeilen O--.
+
+Opdoemen, o. w. -- Zich twijfelachtig aan den horizont vertoonen. Wy
+zagen de kust uit zee O--.
+
+Opdoen (zich), ww. -- Zich vertoonen. De rots aan den mond van Rio
+Janeiro Doet Zich Op als een suikerbrood.
+
+Opdoening, z. n. v. -- Aanzicht. De O-- van het land.
+
+Opdokken, o. w. -- Het dok ontsluiten, zoodat het schip in de vaart
+komt.
+
+Spreekwijze: Hy moet O-- (hy moet zijn beurs ontsluiten).
+
+Opdraaien, b. w. -- Naar omhoog draaien.
+
+Opdraaien, o. w. -- Zich Draaiend bewegen. Voor het anker O--. Van
+hier--omdat men met Draaien niet vordert--mislukking in zijn
+poging. Wy dachten in de bocht van Anjer te loopen, maar Draaiden
+voor de Marakbaai O--. Parker dacht onze koopvaardyschepen te nemen,
+maar Draaide voor Zoutman op.
+
+Spreekwijze: Hy is er voor Opgedraaid (hy heeft het niet kunnen
+gedaan krijgen).
+
+Opdrijven, o. w. -- Wordt een vaartuig gezegd te doen, wanneer het
+met den vloed drijft, in tegenstelling van afdrijven, als het met de
+ebbe drijft.
+
+Opdwarsen, b. w. -- Opknappen, afschrappen.
+
+Open, b. n. -- O-- wal (dien men vrijelijk kan naderen.) O-- zee
+(buiten de banken.) O-- wind (waar men een plaats meê bezeilen kan).
+
+Openen, b. w. -- 1o. Open maken. De kluizen O--, de luiken O--.
+
+2o. Uitbreken. De buitenhuid O--.
+
+Openhouden, b. w. -- (veroud.) Men wordt gezegd een schip Open te
+houden, als men te loevert of boven den wind er van is en blijft, om
+het althands te kunnen bezeilen: zoo ook een haven, ree, rivier O--,
+als men er bovenwinds van komt om er te kunnen binnenzeilen.
+
+2o. Voor: uit elkander houden t. w. de landmerken. Den molen en den
+toren O-- (zoodanigen koers te houden, dat men uit het schip tusschen
+die beide voorwerpen doorzeilt).
+
+Op-enteren, o. w. -- Opklimmen, in het want langs de stormladders,
+tegen de puttings. Enter Op! (komm).
+
+Openzeilen, b. w. -- Uit elkander zeilen.
+
+Opgaan, o. w. -- 1o. Aan het spil O-- (het touw om het spil vieren).
+
+2o. Oprijzen. Het O-- van de zon.
+
+Opgeärmd, b. n. -- (veroud.) Werd gezegd van bezaan en fok, als zy
+op een ongewone wijze ter windvang staan, het eene als men bylegt,
+het andere, als men voor-de-wind zeilt.
+
+Opgegeid, b. n. -- Hetzelfde als Gegeid; het zeil is O-- wanneer zijn
+schooten door de geitouwen naar binnen zijn opgehaald, zoodat de wind
+er uit is.
+
+Opgeien, bw. -- 't Zelfde als Geien. Vlak voor-de-wind zeilende met
+alle zeilen bygezet, geit men het grootzeil, om den wind niet te
+benemen aan het fokkezeil.
+
+Ophalen, b. w. -- 1o. Oplichten, naar boven halen. Een bocht van een
+touw O--. Het roer O--. De riemen O--.
+
+2o. Met laveeren vooruit komen, als men door terug zeilen te laag
+vervallen is, of als men door misgissing in de verkeerde passaat is
+gekomen. Het onder de kust van Sumatra O--. Het by de boelijn O--
+(scherp by-de-wind). Het onder den wal in de neer O-- (oproeien).
+
+Ophaler, z. n. m. of Kraallijn. -- Lijn, dienende om de halzen der
+noktakels Op te Halen.
+
+Ophielen, b. w. -- Twee touwen door lusknoopen verbinden.
+
+Ophouder, z. n. m. -- Touw, dienende om eenig blok (by voorbeeld van de
+noktakels, zoolang die niet gebruikt worden) tegen de ra aan te houden.
+
+Ophijschen, b. w. -- Met touwen of kabels een voorwerp loodrecht
+ophalen.
+
+Opkatten, b. w. -- Onder de kraanbalk halen, t. w. een anker.
+
+Opkikken, b. w. -- Zie Kikken.
+
+Opklaren, o. w. -- Helder worden; wordt het weer of de lucht gezegd
+te doen.
+
+Opknappen, b. w. -- Redderen, schoonmaken.
+
+Opknijpen, o. w. -- Zijn best doen om by-de-wind zoo veel mogelijk
+op te werken.
+
+Opkomen, o. w. -- Verschijnen, opgaan. Het O-- van de maan.
+
+Oplanger, z. n. m. -- Stut der kattesporen, hanger boven de poort. Naam
+van de verlengstukken der inhouten.
+
+Oplaveeren, o. w. -- Al laveerende vooruit komen.
+
+Opleggen, b. w. -- 1o. Bezeilen: Een punt bereiken of een hoek omzeilen
+zonder laveeren.
+
+2o. Ontwapenen en buiten gebruik stellen. Dat schip is oud: men moet
+het O--.
+
+Oploeven, o. w. -- Zie Aanloeven.
+
+Oploopen, b. w. -- Inhalen. Wy liepen dat schip hand over hand Op. (Wy
+naderden dat schip, als of het aan een lijn vast zat, welke wy hand
+over hand inpalmden). Land O-- (het land naderen).
+
+Oploopen, z. n. m. mv. -- Voortzettingen van het zaadhout, die
+gewoonlijk voor, onder een dekband, en, achter, met den achtersteven
+eindigen.
+
+Opnemen, b. w. -- Onderzoeken. Een kust O--, een baai O--.
+
+Opper. -- Beteekent in de samenstelling Opperste of hoofd. O--
+stuurman, O-- smid (eerste stuurman, eerste smid).
+
+Opper, z. n. m. -- Oppert, of Oppertjen. Schuilplaats, luwste. Wy
+hebben daar een O-- (wy liggen tegen den wind beschut).
+
+Oppert, z. n. m. -- Zie Opper.
+
+Opperwal, z. n. m. -- Wal aan de zijde van den wind.
+
+Oproeien, o. w. -- Tegen stroom of wind Roeien.
+
+Opschieten, b. w. -- 1o. Voort doen draaien. Tegen zon O-- (van de
+linker- naar de rechterzijde). Met zon O-- (anders om). Touw O--
+(het loopende want op een hoop brengen, in een kring opleggen.) Een
+looper op het dek in de hand O--. Eenige bochten van een looper in
+de hand O--.
+
+Opschieten, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, als het begint
+vooruit te gaan. Hy Schiet Op. In de wind doen O-- (den steven recht
+in-de-wind brengen.)
+
+Opschorting, z. n. v. -- De verenging en snijding van het
+achter-onderschip.
+
+Opseisen, b. w. -- De kabelaring door de seisings aan het zwaar touw
+vast maken.
+
+Opslaan, b. w. -- Opzetten, opstellen. Een schot O--, omslaan. Een
+derde hand O-- (een lichten talie ergends op vast maken, om te
+hijschen.) Uit kabelgarens touw vervaardigen.
+
+Opslechten, b. w. -- Opknappen, voorzien.
+
+Opspitsen, b. w. -- Zie Splitsen.
+
+Opsluiting, z. n. v. -- Keg of wig, die tusschen het handvatsel en
+den hame gestoken wordt, om dezen te doen vastzitten.
+
+Opsteken, b. w. -- 1o. Sterker worden, wordt vooral van den wind
+gezegd, als b. v. by Vondel:
+
+
+ De wind steeckt op: men hoort hem in de vlammen bruisen.
+
+
+2o. Oploeven, by-de-wind opkomen.
+
+3o. In-de-wind opkomen.
+
+Opsteken, b. w. -- 1o. Oplichten. De halzen O--, om hoog steken. Een
+katterug O--, Trossen op elkander Steken.
+
+2o. Losmaken, losgooien. Steek Op (maak los) de fokkehals, de
+marszeilsschoten (komm.).
+
+Opstellen, b. w. -- Opzetten, b. v. de spanten van een schip.
+
+Opstooten, b. w. -- Een luien matroos tegen zijn zin doen werken.
+
+Opstutten, b. w. -- Stutten op- of aanbrengen.
+
+Optakelen, b. w. -- Hetzelfde als Optuigen.
+
+Optoppen, b. w. -- Ophalen. De ra O--. (de ra aan eene zijde ophalen).
+
+Optornen, b. w. -- Van het Eng. to turn. Voor Opdraaien. Het schip
+Tornt Op (het anker houdt, ligt vast).
+
+Spreekwijze: Ergends voor O--. (Zie Opdraaien).
+
+Optuigen, b. w. -- Van tuigaadje voorzien.
+
+Optuiger, z. n. m. of Takelaar. -- Die een schip takelt of Optuigt.
+
+Opvangen, b. w. -- 1o. of Ondervangen. Het eene touw met het andere
+vangen.
+
+2o. Ophangen. De kabelaring O-- (die tusschen deks Ophangen).
+
+Opvaren, b. w. -- Van buiten naar binnen varen. Een rivier O--.
+
+Opwerken, b. w. -- 1o. Met behulp van sloepen of andere hulpmiddelen
+een rivier opvaren, enz.
+
+2o. Met kleine slagen vorderen. Wy zullen by-de-wind O--.
+
+Opwerpen, o. w. -- Opvaren met behulp van werpankers.
+
+Opwerping, z. n. v. -- Aanspoeling. O-- van de zee.
+
+Opzeilen, b. w. -- Met kracht van zeilen opvaren, b. v. een rivier.
+
+Opzetten, b. w. of Stellen. -- Op zijn plaats brengen. Een anker O--,
+stengen, raas O--. Hoog of laag Opgezet dek (een dek dat meer of
+minder rijst).
+
+Opzetting, z. n. v. -- Aanstuwing, toevloejing, t. w. van het water
+in een haven, rivier, enz.
+
+Opzingen, o. w. -- Geluiden of kreten aanheffen, die by het verrichten
+van zwaar werk het sein geven om krachtsinspanning te gebruiken.
+
+Opzinger, z. n. m. -- Hy die door Opzingen het sein geeft.
+
+Opzwaaien, o. w. -- Van een vast punt door stroom of wind Zwaaien. De
+vloed komt door: de schepen Zwaaien Op. Meer bepaald, wordt een schip
+gezegd Op te zwaaien, als men b. v. by het opzeilen eener enge rivier
+te na aan den wal komt en er door den wind niet kunnende afgebracht
+worden, een anker vooruitwerpt en door middel daarvan zich naar het
+midden opwerkt.
+
+Opzwellen, o. w. -- Zie Zwellen.
+
+Orde, z. n. v. -- Rang, regeling. Zie Zeilorde.
+
+Order, z. n. v. -- Bevel, lastgeving.
+
+Orkaan, z. n. m. -- Draaiende stormwind, die met groote hevigheid
+woedt, en dikwerf meer of min plotseling verandert, zoodat hy
+b. v. in weinige uren het halve of het geheele kompas rondloopt. 't
+Woord is byna in elke levende taal 't zelfde en waarschijnlijk een
+klanknabootsing.
+
+Ossenoog, z. n. o. -- Lichte plek aan 't zwerk, die aanduidt, dat de
+wind van dien kant zal komen.
+
+Ouderdom van de maan, z. n. m. -- Het getal dagen, sedert de nieuwe
+maan verloopen, met inbegrip van den dag der nieuwe maan.
+
+Ouwe, (de) z. n. m. -- Naam, waar aan boord de kapitein meê bedoeld
+wordt. Is de O-- welgehumeurd van daag? Is het waar, dat de O--
+bevorderd is?
+
+Over, z. n. m. -- Spoor van den boegspriet.
+
+Over, vz. -- Zie Boeg, Land.
+
+Overal, t. w. -- is ieder morgen de reveille: 's nachts is het: al
+het volk doen opkomen. O-- maken. (komm). O-- houden (in de nacht,
+de geheele Equipaadje op het dek doen blijven.)
+
+Overal maken, b. w. -- van klaar, gereed maken.
+
+Overboord, bw. -- Van het schip. O-- vallen. O-- werpen: 't Is O--
+('t is zoek, 't is verloren).
+
+Overdwars, bw. -- O-- liggen. (Dwars tegen over liggen).
+
+Overdekt, b. n. -- Met een Dek voorzien. Een O-- vaartuig.
+
+Over eb en vloed liggen, o. w. -- Vertuid liggen voor eb en vloed.
+
+Over- en weêr houden, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer
+het, met zware zee en tegenwind, verplicht is met klein zeil te
+laveeren en zonder in eenige dagen vooruit te komen of den omtrek te
+verlaten. Ook: met korte gangen laveeren, op dezelfde hoogte blijven,
+het zij in zee om een schip af te wachten, het zij by nacht voor een
+haven, om den dag af te wachten.
+
+Overgaan, o. w. -- Het, door zwaar slingeren of zeilen, naar eene
+zijde overzakken van de lading, of den ballast.
+
+Overgang, z. n. v. -- Verplaatsing.
+
+Overgeven, b. w. -- Geen wind O-- (geen wind verliezen).
+
+Overgeven, (zich) w. w. -- Zich overwonnen bekennen, de vlag strijken.
+
+Overhalen, o. w. -- voor Overhellen. Dat schip haalt erg over (ligt
+erg op zijde).
+
+Overhalen, b. w. -- 1o zie Afschaken: De tent O-- (de tent spreiden).
+
+2o. Van de overzijde halen, als in 't oude liedtjen
+
+
+ Met mijn schuitjen zal ik je Overhalen.
+
+
+Overhangen, o. w. -- Het O-- der achter- en voorsteven (de sprong of
+valling der achter- en voorsteven).
+
+Overhellen, o. w. -- Naar de zijde buigen, op een zijde liggen. De
+wind deed het schip sterk O--.
+
+Overladen, b. n. -- Te zwaar beladen.
+
+Overladen, b. w. -- In een ander schip overbrengen, t. w. de lading.
+
+Overland zeilen, o. w. -- Wordt gezegd, als men, naar het bestek,
+het land reeds meent bereikt te hebben en er nog ver van af is, zoodat
+men dan niet over 't werkelijke, maar over 't gegiste land zeilt.
+
+Overlast, z. n. m. -- Alle overtollige of overkompleete zaken, die
+zich in een schip bevinden.
+
+Overlating, z. n. v. -- Akte, waarby men aan den Verzekeraar het
+verlies van een vaartuig of van goederen, welke hy verzekerd heeft,
+en welke men hem Overlaat, aankondigt, met sommatie om er de waarde
+van te voldoen. Zie Wetb. van Kooph. art. 663 en volgg.
+
+Overleggen, b. w. -- t. w. het roer. Zie Omleggen.
+
+Overliggen, o. w. -- te weten op een anderen boeg. Zie Boeg.
+
+Overloopen, (het) z. n. o. -- Benaming der steurharingvangst op
+de kusten van Engeland en Schotland (van half September tot half
+December).
+
+Overmast, b. n. -- Te hoog van mast.
+
+Overnemen, b. w. -- Aan boord nemen: Wy kregen een kaag op zijde
+met 24 soldaten, 1 koebeest, 6 schapen, 3 varkens; namen al het vee
+over. In een enger beteekenis heet O--: het volk van een gegeven
+prijs aan boord nemen.
+
+Overschepen, b. w. -- Van het eene vaartuig in 't andere brengen.
+
+Overschieten, b. w. -- t. w. den ballast, voor "doen overgaan."
+
+Overstag gaan, o. w. -- Wenden, over een anderen boeg gaan.
+
+Oversteken, b. w. -- Een rivier, een zee O-- (van den een naar den
+anderen oever gaan).
+
+Oversteken, o. w. -- Zich naar de overzijde begeven. Wy moeten naar
+Engeland O-- (van hier naar Engeland gaan).
+
+Overstrijken, b. w. -- Van boven met planken beleggen. Het Dek O--
+(nieuwe planken over de oude heenleggen).
+
+Overstuur, bw. -- Over een anderen boeg. O-- leggen. Spreekwijze:
+'t Is O-- (de boel loopt verkeerd).
+
+Overtent, z. n. v. -- Zie Touw, Zeil, Tegenzeil.
+
+Overvallen, b. n. -- Verrast. Wy werden door een bui, door storm O--.
+
+Overwenden, o. w. -- Weder, op nieuw, nog eens wenden.
+
+Overwinteren, o. w. -- In winterlaag liggen. Wy hebben in die haven
+Overwinterd.
+
+Overtijden, b. w. -- Het schip met de meest dienstige stroomen voort
+laten drijven en het in het tegentij stoppen of voor anker leggen.
+
+Overzeilen, b. w. -- Op een vaartuig aanzeilen, zoo dat het te gronde
+gaat. Zie omtrent de gevolgen, welke dit voor den Overzeiler hebben
+kan, Wetb. van Kooph. art. 534 en volgg.
+
+Overzeiler, z. n. m. -- Hy die de Overzeiling doet.
+
+Overzeiler, z. n. m. -- Zeefakkel, zeespiegel, zeeboek, graadboek:
+Werk, dat de wegen, de kapen, ankerplaatsen enz. aanwijst. De O--
+der Middellandsche zee.--De groote O-- (groote kaart van den Oceaan).
+
+Overzeiling, z. n. v. -- Het ongeval van Overzeilen.
+
+Overzetten, (goederen) b. w. -- Zie Lichten.
+
+Overzwalpen, b. w. -- Zie Zwalpen,
+
+
+ Wanneer d'oploopenheit van vader Oceaan,
+ Met lossen toom, alreê te hoogh aen 't overvloeien
+ De weiden overzwalpt en stulp en dorp en koeien
+ En vee en velt verdrinckt.
+
+ Vondel. Zeemagazijn.
+
+
+
+
+
+
+
+P.
+
+
+Paai, z. n. m. -- Hy, die belast is met het beheer en de afgifte
+van sommige benoodigdheden tot het scheepwerk. P-- van 't kabelgat
+(voor alle touwwerk). P-- van de zeilkooi (voor de zeilen) enz.
+
+Paaiskist, z. n. v. -- Kist, die naby den mast staat en waarin de
+Paai zijn gereedschappen bewaart, die by den mast benoodigd zijn.
+
+Paal, z. n. m. -- Houten mast, in den grond of in den bodem van het
+water geheid, om, 't zij tot ondersteuning, 't zij tot afsluiting,
+b. v. van een haven, te dienen. Buiten de P-- en binnen de P-- liggen
+(buiten of binnen de haven liggen).
+
+
+ Quam nu een visscher; die voor viermaelhondert jaeren
+ Heeft met zijn kleine boot het eenzaem IJ bevaeren,
+ Terwijl 't nog ongetemt langs grasige oevers schoot,
+ En op geen breydel beet van paelen, 't nat uit noot
+ Gewrongen in den mont, toen Amsterdam aen 't groeien,
+ Dien onbepaelden loop en hoogmoet moest besnoeien.
+
+ Vondel.
+
+
+Spreekwijze: zoo vast als een P-- (omdat een P--, geheid zijnde,
+niet gemakkelijk van zijn plaats te brengen is).
+
+Paalhoofd, z. n. o. -- Hoofd, uit aan elkander verbonden Palen
+saamgesteld.
+
+Paalkist, z. n. v. -- Verzameling van Palen, een kisting van zand
+of steenen omsluitende en dienende om het geweld van den golfslag
+te keeren.
+
+Paalsteek, z. n. v. -- Zie Ankersteek.
+
+Paard, z. n. o. -- 1o. Rijbalken, onder het midden van het onderste
+of op een na onderste dek geplaatst.
+
+2o. Touw, dat in een bocht onder de raas hangt en den matrozen
+dient om er op te staan by het aanslaan, reeven, vast maken van de
+zeilen.--Zie Springpaard.
+
+Paardelijn, z. n. v. -- Lijn, die het midden houdt tusschen een
+tros en een kabel. Fransche P-- (veroud.) touwwerk, dat buiten boord
+wordt gehangen, om hun, die gedurende een gevecht over boord vallen,
+gelegenheid te geven, zich te redden.
+
+Pagaai, z. n. v. -- Korte riem, met een kruk tot handvat, waarvan
+zich de Indianen bedienen, om hun praauwen in beweging te brengen,
+doch die evenzeer op oorlogsloepen gebezigd wordt, wanneer deze te vol
+zijn dan dat de manschappen zich van hun riemen zouden kunnen bedienen.
+
+Pagaaien, o. w. -- Met een Pagaai roeien.
+
+Paketboot, z. n. v. -- Snelzeilend vaartuig, dat op gezette tijden
+de brieven-maal overbrengt, en mede is ingericht tot het vervoeren
+van passagiers. De P--en zijn schier overal door stoombooten vervangen.
+
+Pal, z. n. m. -- Eikenhouten pen, aan het eene uiteinde met een
+cirkelboog voorzien, en met het andere op het dek vastgebout en
+dienende om een kaapstander het omzwaaien te beletten. De P--len
+inzetten (hun uiteinden tusschen de tanden van een kaapstander
+steken). Yzeren P--, spilP--, yzeren spil, tot een gelijk einde
+dienende.
+
+Spreekwijze: P-- staan (vast staan).
+
+
+ De Haas, een fiere leeuw in 't Britsche zeegevecht,
+ Stond pal, in't midde der gepreste waterhonden.
+
+ Brandt, Grafschrift op den kommandeur de Haas.
+
+
+Iemand P-- zetten (iemand vastzetten, hem tot zwijgen brengen).
+
+Paling, z. n. v. -- Riviervisch.
+
+Spreekwijze: Dek de Pan toe: daar is P-- in en maak dat het kind tait
+zeit. (ziet op bedrogen vrijsters).
+
+Palklamp, z. n. v. -- Klamp, die een Pal van achteren steunt.
+
+Palle, z. n. v. -- Soort van Amerikaansch vaartuig.
+
+Palm, z. n. m. -- Maat, volgends welke in de Zeehavens de diameter
+van het masthout wordt berekend. Mast van 20, van 30 P-- omtrek.
+
+Palma, z. n. v. -- Oostindisch vaartuig. De P-- heeft een zeer lagen,
+verlengden voorsteven en een hoogen achtersteven: zy voert een grooten
+mast op het derde van haar lengte, van den voorsteven af gerekend,
+en een kleinen achtermast.
+
+Pampera, z. n. m. -- Snel opkomende wind op de Z. Amerikaansche kust,
+in den zomer doorgaands hevig waaiende, 's winters korter van duur. Hy
+wordt veelal door Z. O. stormen of buijig weer gevolgd.
+
+Panje, z. n. v. -- Beteerd stuk zeildoek, dat de visschers op den
+rug dragen, wanneer zy een schuit op het hout helpen. Zet je P-- reê
+(maak je klaar).
+
+Pankong, z. n. v. -- Sineesch vaartuig.
+
+Papegaaistok, z. n. m. -- Spier, uit den achtersteven van de sloep
+stekende om er de druil op uit te halen.
+
+Papenaad, z. n. v. -- Naad tusschen de zeilen.
+
+Papier, z. n. o. -- Graauw P--, geteerd P-- of Huid P-- wordt tusschen
+de voegen van stukken getimmerte of onder de koperen verdubbeling
+geplaatst.
+
+Pappen, b. w. -- Het hair of papier onder het koper leggen.
+
+Pardoen, z. n. v. -- Lang touw, dat van den masttop loopt naar het
+want, waarop het bevestigd is. Stenge-P--, Bramstenge-P--. Groote,
+fokke- of voorstengsP--, SlingerP--s, ZijP--s (die tot vervanging
+van andere dienen).
+
+Spreekwijze: Een Sinees by zijn slingerP-- trekken (by zijn staart,
+die even als een slingerP-- hem van het hoofd hangt).
+
+Parool, z. n. o. -- Zie Wachtwoord.
+
+Part, z. n. v. -- Loshangend touw. Loopende P--, P-- van een
+boelijnspruit, van een spinnekop, enz.
+
+Partuurlijn, z. n. v. -- Zie Portuurlijn.
+
+Pas, z. n. v. -- 1o. Paspoort. Zie Turksche Pas.
+
+2o. Naauwe doortocht.
+
+Paskaart, z. n. v. -- Zeekaart, kaart die de Passen of doortochten
+aanwijst, en waarop de afgelegde mijlen en koersen worden afgepast.
+
+Passaat, Passaatwind, z. n. m. -- Wind, die op bepaalde tijden tusschen
+de keerkringen van 't Oosten naar 't Westen blaast. OostP--, WestP--,
+Malle P-- (aan de Linie).
+
+Passagiegeld, z. n. o. -- Zie Vervoergeld.
+
+Passagier, z. n. m. -- Die op een vaartuig medereist, zijn overvaart
+betaalt, en geen deel van de manschap uitmaakt. Het schip had weinig
+P--s aan boord. Blinde P-- (die geen vracht betaalt). De bepalingen
+betreffende het vervoergeld, de rechten en verplichtingen eens P--s
+zijn te vinden in de vijfde Afdeel. den vijfden Titel van het Tweede
+Boek des Wetboeks van Kooph. art. 521-533.
+
+Passagieren, o. w. -- Zoo noemt men het voor een dag aan wal gaan.
+
+Passeeren, o. w. -- Overgaan, doorgaan, voorbygaan. De Linie P--
+(de linie overtrekken). Niets Gepasseerd (zeetijding, voor: niets
+voorbygegaan).
+
+Patas, z. n. v. -- Uitlegger, klein vaartuig, dat tot de dienst van
+groote schepen gebezigd wordt, of brieven over en weder brengt, of
+wel gewapend aan den ingang van rivieren en baaien ligt en met het
+onderzoek der inkomende schepen belast is.
+
+Patent, z. n. o. -- Open brief of bewijsstuk, afgegeven door
+het Bestuur, en waarvan elk binnenlandsch vaartuig--op weinige
+uitzonderingen na--moet voorzien zijn. De bepalingen omtrent het
+recht van P--, waaraan de eigenaars dier vaartuigen onderworpen zijn,
+worden gevonden in art. 12 der wet van 6 April 1823 (Staatsbl. no. 14)
+en in de daarby gevoegde Tabel no. 16.
+
+Patrijsbalk, z. n. m. -- Balk, die de benedenste fries van het hek
+ondersteunt.
+
+Patrijspoort, z. n. v. -- Kleine poort in de batterijspoorten
+aangebracht, zoowel om licht en lucht tusschendeks te brengen; als om,
+by het laden van het geschut, wanneer de batterijspoorten dicht zijn,
+den touwen wisser en aanzetter te bezigen.
+
+Paviljoen, z. n. o. -- Eigenlijk "tent," van 't Lat. papilio, en
+gebezigd voor de tentvormige en fraai vercierde achterkajuit van
+stoombooten en andere dergelijke vaartuigen, welke tot het gemak van
+vermogende passagiers is ingericht.
+
+Peil, z. n. o. -- Watermerk; gewone waterstand. Het water is boven
+P-- gerezen (het is boven zijn gemiddelde hoogte), Amsterdamsch P--,
+(gewone stand van het water te Amsterdam).
+
+Peilen, b. w. -- Onderzoeken, hoogte nemen. Den grond P-- (zich
+door het uitwerpen van het Peillood, van de diepte des waters
+verzekeren). Wy Peilden Kijkduin N. O. van ons.
+
+
+ Men moet op 's waerelts stroom met grooten aandacht seylen,
+ Want by een harde kust, daer mach men dikwyls peilen.
+
+ Cats.
+
+
+De zon P-- (hoogte nemen van den stand der zon). Den wind P--
+(onderzoeken).
+
+Spreekwijze: Iemands grond P-- (achter iemands meening of geheim
+komen).
+
+Peiler, z. n. m.-- Zie Draaier.
+
+Peiling, z. n. v. -- De daad van Peilen.
+
+Pek of Pik, z. n. o. -- Teer, harpuis, lijmige zelfstandigheid
+uit de pijn- en dennenboomen gevloeid, die, gesmolten zijnde, op de
+gekalfaterde naden der planken wordt gegoten tegen het inwateren. Vette
+P-- (samenmenging van P-- met vette bestanddeelen, als kaarsvet enz.,
+tot een vloeibare massa gesmolten).
+
+Spreekwijze: Wie met P-- omgaat wordt er meê besmet (kwade
+gezelschappen bederven goede zeden).
+
+
+ Noyt speelde er ymand met het peck
+ Of hy behielt een vuyle vleck.
+
+ Cats.
+
+
+Pekbroek of Pikbroek, z. n. m. -- Zoo noemt men een matroos, die op
+het dek blijft zitten, zoo dat het Pek aan zijn Broek kleeft, alzoo
+een luiaart. In het tuig zijnde, wordt men wel met teer, maar nooit
+met Pek besmet.
+
+Pekel, z. n. o. -- Beteekent het water, waar in gezout wordt. In
+de samenstelling met baren, nat, veld, vloed, enz. wordt het by de
+dichters voor zeewater genomen.
+
+
+ De Maeght van Amsterdam volgt Tromp in 't pekelnat.
+
+ Antonides, Nederl. Zeetriumf.
+
+
+Pekketel, z. n. m. -- Ketel, waarin het Pek bewaard of gekookt wordt.
+
+Peklepel, z. n. m. -- Lepel, waarmede het Pek geschept wordt.
+
+Pen, z. n. v. -- Gedeelte van een stuk hout, dat versneden is om in een
+keep in te laten. P-- van een mast. P-- van een steker van een broek
+of twil.--Yzeren P-- (P-- die van yzer gemaakt is, als de roeiP--nen.)
+
+Penterhaak, z. n. m. -- Zware yzeren haak aan het katblok, waarmede
+men den ring van het anker vat, als dat uit het water komt, om het
+onder den kraanbalk te brengen.
+
+Pentertalie, z. n. v. -- Talie, om ankers te verwerken.
+
+Pente, z. n. v. -- Venetiaansch licht vaartuig.
+
+Peperdoos, z. n. v. -- Naam, dien Huygens aan de Oostindievaarders
+geeft, als keerende die doorgaands met Peper en kruideryen terug:
+
+
+ Siet watter volck van kruyd wil blosen
+ Hier en heel verr' van hier omtrent:
+ Men moet het laden, sou men 't losen,
+ Voor soo veel keelen, soo gewent,
+ Zijn wy niet qualick uitgekosen,
+ Tot sulcke taflen sonder end
+ Behooren sulcke Peperdoosen.
+
+
+Peperland, z. n. o. -- Benaming, die men aan de Oost plach te geven.
+
+Spreekwijzen: Iemand naar het P-- zenden; iemand om Peper zenden
+(iemand naar de Oost, of ver van huis zenden. Ik wou dat hy was,
+waar de Peper groeit (is een verwensching en een vérwensching).
+
+Perken en Vakken, z. n. o. mv. -- Tusschenruimten, luchten in het
+schip.
+
+Perm, z. n. -- Klein Turksch vaartuig.
+
+Piadet, z. n. v. -- Turksche sloep, in de Dardanellen gebezigd.
+
+Piakiep, z. n. v. -- Groot rooversvaartuig, in de Molukken gebezigd.
+
+Piek, z. n. m. -- 't Zelfde als Gaffel, zie ald.
+
+Piekeval, z. n. m. -- Touw, dienende om de Piek op te houden of
+te strijken: men geeft de benaming ook aan een touw, dat, aan het
+bovenste uiteinde van den gaffel vastgemaakt, achtereenvolgends
+loopt door een dubbeld blok, vastgemaakt op het bezaansezelshoofd,
+en door twee enkele bloks, op den gaffel geslagen. Het dient om aan
+den gaffel zijn richting te geven en hem daarin te bewaren.
+
+Pik, z. n. m. -- Zie Pek enz.
+
+Piloot, z. n. m. -- Fr. woord voor Loods of Stuurman: ook by ons
+vroeger veel in gebruik.
+
+
+ Het schip moet op het strant of op de klippen drijven,
+ Als schipper en piloot sich stellen om te kijven.
+
+ Cats.
+
+
+Pimpeltjen, b. w. -- Maatjen drank. Van waar Pimpelen voor: "met
+kleine teugjens drinken."
+
+Pinas, z. n. v. -- Soort van kleine galei, als een sloep, en somtijds
+als een schoener, getuigd.
+
+
+ Niet minder is 't gevaer, wanneer mijn Zeepinas
+ Nu in den ofgront stort, nu slaet de Noorderas.
+
+ Vondel. Lof der Zeevaart.
+
+
+Pink, z. n. v. -- Groote vischschuit; ongeveer als een kaagschip
+getuigd.
+
+Pinters, (ronde) z. n. v. mv. -- Zie Stopper.
+
+Pipris, z. n. v. -- Sloep van de negers aan de kust van Guinea en
+Cabo-Verde.
+
+Pispotten, z. n. v. mv. -- De brassen van de Bezaansroede.
+
+Pitsjaar, z. n. m. -- Witte seinvlag. 't Is 't Eng. pitch-yard
+(uitgestoken steng). Sein, om het volk of de passagiers, die aan den
+wal zijn; aan boord te roepen. Ook, om de sloep naar boord terug te
+doen keeren.
+
+Pitsjaren, o. w. -- Hetzelfde als Passagieren. 't Woord is uit het
+Maleisch, en beduidt daarin: wandelen.
+
+Plaat, z. n. v. -- 1o. Bank, zandbank. Drooge P-- (die zich boven de
+zee vertoont). ZandP--.
+
+
+ Nu is hier enkel sant en niet als dorre platen,
+ Van slibber overgroeyt en van den vloet verlaten.
+
+ Cats. Emblem.
+
+
+2o. Regel, bodemplank.
+
+Plaatknie, z. n. v. -- Yzeren plaat, tot de verbinding eener kunstknie
+gebezigd.
+
+Plaat op de kiel, z. n. v. -- Zie Binnenkiel.
+
+Plank, z. n. v. -- Lang, dun, en smal in evenredigheid zijner lengte
+gezaagd deel van een balk. Zie BoeiP--, BoordP--, LoopP-- enz.
+
+Plas, z. n. m. -- Wordt somtijds, vooral by de dichters, als synoniem
+van "zee" gebezigd. Zoo zegt Vondel:
+
+
+ Tot daer de snelle Don stort in d'Euxijnsche plassen.
+
+
+Platboômd, b. n. -- Plat van bodem. Zie Schip.
+
+Platlood, z. n. o. -- Lood, waarmede het zinkgat van 't kanon wordt
+gedekt.
+
+Platluis, z. n. v. (veroud.)--Benaming, welke aan sommige lage Friesche
+turfschepen gegeven werd.
+
+Platting, z. n. v. -- Platte streng, welke men uit de hand maakt van
+draden, altijd in oneffen getal.
+
+Platvoet, z. n. m. -- Gemeenzame benaming van de wacht van 's namiddags
+4 tot 6 uur.
+
+Spreekwijze: Een buitengewonen P-- doen (een buitengewone wacht
+houden).
+
+Platvoeten, o. w. -- Op en neder gaan, vooral wanneer zulks tegen
+iemands zin geschiedt. De geheele nacht staan P--.
+
+Platvoetwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord van 4 tot 8 uur 's avonds.
+
+Plecht, z. n. v. -- 1o. Het dek, dat voor en achter op een klein
+vaartuig is, van waar de voorP-- en de achterP-- of stuurP--:--nu
+meer bepaaldelijk: klein planken afschutsel voor of achter op een
+licht vaartuig, dienende om eenige voorwerpen in te bergen. VoorP--,
+AchterP--.
+
+Spreekwijze: De P-- is van 't schip (hetgeen plecht te geschieden
+behoeft niet meer te gebeuren).
+
+Van de P-- rollen (zijn ambt verliezen, zijn plaats kwijt raken).
+
+2o. (veroud.)--Verbintenis van het schip tot borg voor gedane onkosten
+buiten 's lands.--Zie Bodemery.
+
+Plechtanker, z. n. o. -- Noodanker: Anker, dat men op de Plecht zet,
+om het als laatste behulp by de hand te hebben.
+
+Spreekwijze: Het is zijn P-- (het is zijn eenigste, zijn laatste
+vertrouwen.)
+
+Plechtgaard, z. n. v. -- Roede of boom, waarmede de bodem gepeild
+wordt.
+
+Plei, z. n. v. -- Vooruitstekende landpunt, aan weêrskanten waarvan
+zich een rivier in twee armen verdeelt.
+
+Pleit, z. n. v. (veroud.) -- Klein vaartuig; op de binnenwateren in
+gebruik. Zie Heude.
+
+Plemp, z. n. m. (veroud.) -- Visschers-schuitjen, voorheen op het
+Haarlemmermeir in gebruik en waarvan het beroemde geslacht der Plempen
+zijn naam ontleende.
+
+Ploeg, z. n. v. -- 1o. Verzameling of afdeeling van werklieden,
+die onder het zelfde opzicht staan en tot denzelfden arbeid gebezigd
+worden. Een P-- arbeiders, timmerlieden, kalfaters.
+
+2o. Soort van schaaf. Veerp-- (uit twee stukken samengesteld),
+MessingP-- (bekleedde P--.) VastP--, VaarP-- (met een wig voorzien),
+GroevingP--, MeersP-- (gekeepte P--).
+
+Ploegen, b. w. -- Beploegen, doorploegen, 't zelfde als klieven,
+wordt het varend schip gelijkenderwijze gezegd de zee te doen:
+
+
+ Toen zag de gave zee zich 't eerst de rug doorploegen
+ En onder 't nieuw gevaart haar blaauwe golven zwoegen.
+
+ Bilderdijk. Bruiloft van Peleus.
+
+
+Plof, z. n. m. -- Dof geluid, hetwelk een vallend lichaam maakt. Een
+P-- in het water.
+
+Ploffen, o. w. -- Met een dof geluid vallen. In het water P--.
+
+Plompen, o. w. -- Met een plof in 't water storten:
+
+
+ Daer valt de zwaerte en plompt en rijt een kuil in 't water.
+
+ Vondel.
+
+
+Plug, z. n. v. of Pen. -- Kleine prop of pen, die in den kop der
+houten nagels gedreven wordt.
+
+Plugyzer, z. n. o. -- Zie Deutelyzer.
+
+Pluimgraaf, z. n. m. -- De man, die aan boord met de zorg voor het
+pluimgedierte is belast.
+
+Pluis, z. n. o. -- Gepluisd touw, werk.
+
+Pluizen, b. w. -- Rafelen, uithalen. Wordt meer bepaald van touwwerk
+gezegd.
+
+Spreekwijze: Hy is niet Pluis (hy deugt niet veel, er valt niet aan
+hem te P--).
+
+Plunje, z. n. v. -- Scheepskleeding. Berg de P-- (pas op uw kleêren).
+
+Poddingzak, z. n. m. of Wrijfworst. -- Benaming van zakken met
+kabelgarens gevuld, aan de buitenzijde van een schip afgehangen,
+om de gevolgen van een schok te voorkomen.
+
+Poespas, z. n. m. -- Soep, dooreen gekookte spijs.
+
+Polakker, z. n. m. -- Naam van een vrachtvaartuig op de Middellandsche
+zee: het voert drie P--masten en vierkante zeilen. Sommige P--s zijn
+getuigd als Chebeks, andere voeren sprieten met een sprietzeil.
+
+Polakkermast, z. n. m. -- Mast, uit drie afzonderlijke masten
+samengesteld, die op elkander vastgebonden zijn, zoo dat zy echter
+kunnen gescheiden worden. Deze soort van Masten is echter alleen op
+de Middellandsche zee in gebruik.
+
+Polis, z. n. v. -- Benaming der Akte, waarby de overeenkomst wegens
+Verzekering wordt bevestigd. De bepaling wat zoodanige P-- meest
+bevat wordt gevonden in art. 256 en 592 van het Wetb. van Kooph.
+
+Pomp, z. n. v. -- Toestel, dienende om het water uit het ruim op
+te voeren. ZuigP--, SlagP--, Aan de P-- (komm. om zich by de P-- te
+begeven en die te doen werken). P-- met dubbelen Zuiger (in gebruik
+op groote schepen). KettingP-- (die in zich metalen platen bevat,
+van afstand tot afstand aan een rondloopende ketting vast en in de
+P--buis sluitende, door welke het water naar boven wordt opgevoerd)
+StevenP--, SpoelP--, kromme, gebogen P-- van het ruim, RuimP--,
+HandP--, PersP--. De P-- geeft water. De P-- is lens (ledig). De P--
+is onklaar, is lek, is verstopt. Volk aan de P-- zetten.
+
+Spreekwijze: Brui naar de P--. (Loop hier van daan en bemoei u met
+uw werk).
+
+Pompen, o. w. -- De Pomp in beweging brengen. Het schip lens P--
+(van water bevrijden).
+
+Spreekwijze: Loop P-- (ga heen en doe uw werk).
+
+'t Is P-- of verzuipen. ('t Is een hachelijke omstandigheid, waarin
+men de laatste middelen tot redding by de hand moet nemen).
+
+Het met P-- boven houden (het ter naauwer nood ophouden).
+
+Laatze P-- die kou hebben (die niet beter geleerd hebben).
+
+Alles komt af behalve P-- (men wordt van alles, behalve van één last,
+ontslagen).
+
+Die nood heeft moet P-- (die in slechte omstandigheden is, moet
+werken).
+
+Pompbout, z. n. m. -- Soort van houten vierkante pen, die tot sleutel
+van de Pomp dient.
+
+Pompdaal, z. n. v. -- Kleine buis op het dek, die het water ontfangt.
+
+Pompemmer, z. n. m. -- Emmer, die in de Pomp hangt.
+
+Pompgat, z. n. o. -- Gat, aan de zijde der Pomp aangebracht, en
+waaruit het water door een arm in het spygat wegloopt.
+
+Pompgek, z. n. m. -- Hefboom, die de Pomp doet werken.
+
+Pomphartjen, z. n. o. -- Houtjen aan den pompstok, dat de gedaante
+heeft van een Hartjen.
+
+Pompketel, z. n. m. -- Looden bak, met verscheiden gaten doorboord
+en aan den voet van de Pomp vastgespijkerd, om te beletten, dat de
+vuilnis uit het ruim er in kome.
+
+Pompkleed, z. n. o. -- Bekleeding van de Pomp.
+
+Pompkrabber, z. n. m. of Pompschraper. -- Soort van Krabber aan een
+steel, dienende om de Pomp van binnen schoon te maken.
+
+Pompschraper, z. n. m. -- Zie Pompkrabber.
+
+Pompslag, z. n. m. -- Het water, dat by elken slag de Pomp uitloopt.
+
+Pompstang, z. n. v. -- Yzeren stang, waar de Pomp mede in beweging
+wordt gebracht.
+
+Pompstok, z. n. m. -- Het op en neder halen van den Pompstok.
+
+Pompstok, z. n. m. -- Houten Pompsteng.
+
+Pompzoode, z. n. v. -- Houten schotwerk, geplaatst in de kiel van
+een schip, om den voet van den grooten mast en om de Pompen, om ze
+te beveiligen tegen het stooten van ingestuwde voorwerpen.
+
+Pompzuiger, z. n. m. -- Cylindrische holle doos, die in de buis der
+pomp sluit en dan boven met een klep voorzien is, die zich opent om
+het water te laten rijzen als men den Zuiger nederdrukt en zich sluit
+om het te houden wanneer de Zuiger rijst.
+
+Pont, z. n. v. of Schouw. -- Platte opene schuit, langs een touw heen
+en weder loopende en dienende om rijtuigen en paarden enz. van de eene
+naar de andere zijde van een rivier of vaart te vervoeren. Een TurfP--
+(een plat turfschip):
+
+
+ Flucx slaet de trommel: men bevraght platboômde Ponten
+ En schepen met geschut, met krijghstuigh, kruit en lonten.
+
+ Vondel. Verovering van Grol.
+
+
+Pontons, z. n. v. mv. -- 1o. Groote en zware Ponten, die men in de
+legers gewoon is tot schipbruggen te gebruiken.
+
+2o. Onttakelde schepen, tot bewaring van krijgsgevangenen ingericht.
+
+Pool, z. n. v. -- 1o. Aspunt: ieder der beide uiteinden van de as,
+waarom de hemelsfeer in 24 uren schijnt te draaien, alsmede ieder der
+beide aspunten van den aardbol. De P-- en der waereld. De NoordP--
+(die aan de noordzijde). De ZuidP-- (die tegen de NoordP-- overstaat).
+
+2o. Punt, waar de zeil steen het sterkst aantrekt. Magnetische P--en.
+
+Poolshoogte, z. n. v. -- De boog van den meridiaan begrepen tusschen
+den naasten hemelpool en den horizon der plaats waar men zich
+bevindt. Zie Hoogte. P--nemen (de breedte onderzoeken).
+
+Spreekwijze: Hy neemt P-- (hy doet onderzoek, hoe 't met de zaak
+gelegen is).
+
+Poort, z. n. v. -- Vierkante opening in 't scheepsboord. Zie
+Ballastpoort, Geschutpoort.
+
+Poortdrempel, z. n. m. -- Zie Drempel.
+
+Poortgat, z. n. o. -- Zie Geschutpoort.
+
+Poortklep, z. n. m. -- Klep, die op en neder valt en dient om een
+Geschutpoort af te sluiten.
+
+Poortlaken, z. n. o. -- Friesch of duffelsch goed, dat door de
+kalefaten gebezigd wordt; ook bepaaldelijk dient om de Poorten dicht
+te stoppen.
+
+Poorttalie, z. n. v. -- Talie, waarmede de Poorten geopend worden.
+
+Poorttalieblok, z. n. o. -- Blok, waardoor de Poorttalie loopt.
+
+Pop, z. n. v. -- 1o. Stuk leder of met leder bekleed zeildoek, om
+het eind van een touw gebonden, tegen het inwateren en uitrafelen.
+
+2o. De punt van het zeil, waarmede het in 't midden by het vastmaken
+wordt opgehaald, zoo dat het glad vast zit. Het zeil in een P--
+vastmaken.
+
+Poplijn, z. n. v. -- De lijn, waarmede het zeil by 't vastmaken in
+'t midden wordt opgehaald.
+
+Porren, b. w. -- De wacht oproepen.
+
+Portuurlijn of Partuurlijn, z. n. v. -- Lang touw, dat door de
+kraanbalk heenloopt, boven welke het met een knoop wordt vastgehouden,
+en dat het anker als het uit het water oprijst, of geworpen zal worden,
+by den ring vasthoudt.
+
+Post, z. n. m. -- 1o. (veroud.) of Schacht n. l. van het roer.
+
+2o. Plaats. Ieder op zijn P-- (komm.).
+
+Potdek, z. n. o. -- Zie Boeiplank, Schanddek.
+
+Potdeksel, z. n. o. -- Planken bedekking van de koppen der inhouten,
+dienende om de inwatering te voorkomen, en veelal tevens een gewichtig
+langsscheeps verbanddeel uitmakende.
+
+Pothuis, z. n. o. -- (veroud.) voor Plecht.
+
+Praaibeurt, z. n. v. -- Ieder ter reede liggend oorlogsvaartuig is
+op zijne beurt met het Praaien belast.
+
+Praaien, b. w. -- 1o. In zee ontmoeten en toespreken. (Het schip
+heeft de Ceres op de hoogte van St. Helena Gepraaid).
+
+2o. De bestemming, herkomst, lading, natie enz. van een uitgaand of
+binnenkomend koopvaardyschip afvragen, wat door een oorlogsvaartuig
+geschiedt.
+
+Spreekwijze: Iemand P-- (iemand tegen 't lijf loopen, ontmoeten,
+toespreken).
+
+Praam, z. n. v. -- 1o. Schouw, plat vaartuig. Een MestP--, een
+ModderP--.
+
+Spreekwijze: Een mannetjen om in een P-- te zetten (een ventjen,
+dat niet veel te beduiden heeft).
+
+2o. Pladbodems kustvaartuig, met acht tot tien stuks geschut gewapend.
+
+Praauw, z. n. v. -- Indisch platboômsvaartuig, waarmede de lading wordt
+gelost of aan boord gebracht. RooversP-- (groot zeil- en roeivaartuig,
+waarvan zich de Indische zeeroovers bedienen.) De grootste P--en zijn
+opgehoogd met zoomwerk. De zwakste voeren uitleggers, die ze beletten
+om te slaan.
+
+
+ En Tarter en Sinees, en wie, verhit op buit,
+ Met oorlogsjonk en praeu op 't water rooft en ruit.
+
+ Antonides. IJstroom.
+
+
+Prangen, o. w. of Knijpen. -- By harden wind onder zeil blijven,
+om boven een punt te geraken.
+
+Prezenning, z. n. v. -- Dekkleeden van geteerd zeildoek, die men over
+de luiken of goederen werpt om ze tegen instortend water te beveiligen.
+
+Spreekwijze: Hy is zoo vlug als een spin op een P--. (Hy is langzaam
+in zijn beweging).
+
+Pressen, b. w. -- By letterkeer, 't zelfde als Perssen: alzoo: iemand
+tegen wil en dank doen voortgaan: van hier: iemand dwingen dienst te
+nemen, gelijk dit in Engeland geschiedt in tijd van oorlog. Volk P--.
+
+Priel, z. n. m. -- Naauwe doortocht.
+
+Priem, z. n. m. -- Puntig yzer. LaadP-- Yzer, waarmede de kardoezen
+door het laadgat worden opengeboord om te ontbranden wanneer het
+laadkruid wordt aangestoken.--Marl P-- die tot het splitsen van touw
+gebruikt wordt.
+
+Prop, z. n. m. -- Stop van werk, hooi, stroo, smeer, hout of andere
+zelfstandigheid, waarmede een opening wordt gedicht.--van kabelgarens,
+(waarmede de lading in het kanon wordt aangezet).
+
+Provoost, z. n. m. -- Hy, die aan boord belast is met de bediening
+van rollezer, stille ronde, lantaarnwachter by de kruitkamer, cipier,
+stokkeknecht, bekeuring-aanzegger, scherprechter enz.
+
+Provoostlantaren, z. n. v. of Dievelantaren. -- Lantaren, waarvan het
+licht verborgen is: aldus genoemd, om dat de Provoost er zijn stille
+ronde meê doet.
+
+Prijs, z. n. m. of Prijsschip. -- Buitgemaakt schip. Een schip P--
+verklaren (er metterdaad bezit van nemen). Een P-- bemannen (er volk
+op overbrengen). Een P-- verbranden, in den grond boren, in een haven
+binnen brengen.
+
+Spreekwijze: 't Is P-- ('t is binnen, 't is genomen).
+
+Prijsgeld, z. n. o. -- Aandeel in de opbrengst van den buit.
+
+Prijsrechter, z. n. m. -- Hy, die de verdeeling van het Prijsgeld
+bepaalt.
+
+Pul, z. n. v. -- Aarden of metalen kan, waarin de drank aan boord
+bewaard wordt.
+
+Put, z. n. v. -- Oude benaming van de Pompzoode of Durk.
+
+Putger, z. n. m. (veroud.) -- Lager officier op een schip. Mesonauta,
+minister abjectus in navi wordt hy by Kiliaan genoemd.
+
+
+ De wachter van 't kajuit, de Putjer, de Provoost,
+
+
+zegt Vondel, Lof der Zeevaart.--En in zijn Harpoen:
+
+
+ Had hy niet reê geweest voor putjer en koksjongen.
+
+
+Waarschijnlijk is 't woord van Puts afgeleid en beteekent den man,
+die 't schip schoon maakt.
+
+Puts, z. v. v. -- Brandputs, emmer, brandbalie. Lederen emmer, zwart
+geverwd met een geel nummer, en dienende om by brand water aan te
+brengen.--Slag P-- zeildoeken P-- tot schoonmaken van 't dek.
+
+Puttings, z. n. v. mv. -- of Puttingwant. Touwen, die, aan de
+Puttingyzers vastgemaakt, van onder de mars schuins afdalen, en,
+door het onderwant gaande, aan den mast bevestigd zijn. Zy dienen om
+het stengewant te zetten.
+
+Spreekwijze: Uit de achterste P-- vallen (reddeloos verloren zijn,
+omdat men als dan terstond achter het schip is).
+
+Puttingwant, z. n. o. -- Zie Puttings.
+
+Puttingwerk, z. n. o. -- Zie Puttingyzers.
+
+Puttingyzers, z. n. o. mv. of Puttingwerk. -- Platte yzers, aan de
+zijwanden van de mars staande, boven aan met juffers (doodshoofden)
+en onder aan met oogen voorzien, dienende op het stengewant boven en
+het Puttingwant onder, vast te maken.
+
+Pijlstaart, z. n. o. -- Naam van een schip of vaartuig, 't welk breed
+van voren en achter smal is.
+
+
+
+
+
+
+
+Q.
+
+
+Quarantaine, z. n. v. -- Gedwongen verblijf, 't welk schepen, personen
+of goederen, die van een besmette of van besmetting verdachte plaats
+komen, voor een langen of korten tijd genoodzaakt zijn op een bepaalde
+plaats te houden.
+
+
+
+
+
+
+
+R.
+
+
+Ra, z. n. v. -- Lange, ronde spier, aan een mast of steng
+hangende en dienende om een zeil op te houden, welks bovenzijde
+er aan verbonden wordt. Groote R--, Fokke R--, Groot MarszeilsR--,
+VoormarszeilsR--, VoormarseR--, BramzeilsR--, BramR--, KruiszeilsR--,
+KruisR--, BagijnR--, (waaraan geen zeil hangt), KruisbovenbramsR--,
+BovengrietjensR--, Blinde R-- (die onder den boegspriet geheschen
+wordt om het want der lijzeilspieren van de kluivers op te houden)
+enz. Van de R-- vallen (plach een straf aan boord te zijn).
+
+Raam van kiel en stevens, z. n. o. -- Het langsscheeps raamvormig
+samenstel, dat den grondslag uitmaakt der samenstelling van een schip.
+
+Raband, z. n. m. -- Kort touw, dienende om voorwerpen samen te
+binden. R--en, waarmede een zeil wordt aangeslagen (waarmede het aan
+de ra wordt vastgemaakt).
+
+Rabatschaaf, z. n. m. -- Soort van schaaf.
+
+Rabatten, b. w. -- Dichtschaven.
+
+Rabatyzer, z. n. o. -- Spijkeryzer, dat in plaats van snede een half
+cirkelvormige keep heeft.
+
+Rad, z. n. o. -- Wiel, dienende om het roer te besturen.
+
+Raderboot, z. n. v. -- Boot of schuit, die door middel van raderen
+in beweging wordt gebracht.
+
+Raderkast, z. n. v. -- Half cylindrisch getimmerte, met geverwde
+planken bekleed, en de raderen eener stoomboot boven de waterlijn
+overdekkende.
+
+Rafeling, z. n. v. -- Kabbeling of brabbeling in het water. De klip is
+alleen kenbaar aan een geringe R--. StroomR-- die by 't kenteren van
+'t tij plaats heeft.
+
+Rafian, z. n. v. -- Klein vaartuig, met een enkel latijnzeil, op de
+Middellandsche zee in gebruik.
+
+Rahout, z. n. o. -- Sent van de gilling, sent die het scheepsboord
+op de hoogte der loopgangen sluit, en op groote schepen als een soort
+van Barghout kan worden aangemerkt.
+
+Rak, z. n. o. -- 1o. Met leder bekleed touw, waarmede de ra tegen
+den mast of steng wordt gehouden: het is met vet besmeerd, om het by
+'t ophijschen of strijken van de ra, om den mast of steng te doen
+glijden: kleine vaartuigen hebben voor hun lichte razeilen een soort
+van kraag, bestaande uit houte ballen, aan een lijn geregen. Fokke,
+groot- en groot MarseR--, BramR--. De kluiverbeugel dient tot R--.
+
+2o. Zeegat.
+
+
+ Hier keert hy z'achter 't rif van Schagen,
+ Daar in het Amelandsche rak.
+
+ Oudaan. Zweedse Hoogmoed.
+
+
+3o. End zees of weegs, dat men nog te zeilen heeft.
+
+Spreekwijze: Daar is een R--jen in den wind (daar is eenige hapering
+of tegenspoed).
+
+Raketting, z. n. v. -- Ketting, die de Ra vasthoudt.
+
+Rakketalie, z. n. v. -- Talie, waarmede de Rakken worden vastgezet,
+ten einde het stooten van de ra te beletten, of bygevierd zijnde
+ruimte geven om de ra by-de-wind te brassen.
+
+Rakketros, z. n. m. -- Tros of lijn, die het Rak ophoudt.
+
+Rakring, z. n. m. -- Yzeren ring, die tot Rak dient aan de kleine Raas.
+
+Ralijk, z. n. o. -- Bovenlijk van een zeil, dat aan de Ra vastzit.
+
+Ram, z. n. m. of Ramblok. -- Kort, zwaar en vierkant stuk hout, dat,
+door vele lieden in beweging gebracht, dient om op wiggen te bonzen,
+die een schip in beweging moeten brengen om het van stapel te doen
+loopen.
+
+Ramhout, z. n. o. -- Werktuig, by het mastemaken in gebruik.
+
+Rammen, b. w. -- Wegbonzen, als met de palen by 't afloopen der
+schepen geschiedt.
+
+Rampaard, z. n. o. of Rolpaard. -- Scheepsaffuit. In de oude
+ordonnantiën staat veelal Rappaert.
+
+Rand, z. n. m. -- Wordt voor den Top van een mast genomen b. v. in
+de uitdrukking De zeils op den R-- laten loopen (de marszeils neer
+te stijken).
+
+Randgaar, z. n. v. -- Buitenverband. De R-- van een boot.
+
+Rank, b. n. -- Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het, by geringen
+wind, sterk overhelt.
+
+Rantsoen, z. n. o. -- 1o. Hoeveelheid brood, mondkost, drank enz. die
+aan de manschap wordt uitgedeeld. Anderhalf R-- (onderofficiers
+R--.) Enkel R-- (matrozen R--).
+
+2o. Voor Rantsoenhouten.
+
+
+ De ronde kimmen en rantsoenen zijn beloopen
+ Van schuim, door zulk een slagh oprijzende uit den grondt.
+
+ Antonides. IJstroom.
+
+
+Rantsoenhouten, z. n. o. mv. -- Twee overhellende en vereenigde stukken
+hout die op den achtersteven dragen en naar de hoogste spanten van
+den achterboeg oprijzende, een deel uitmaken van den spiegel.
+
+Randsoenkist, z. n. v. -- Aan ieder bak is een R--, die tot berging
+van 't Rantsoen en tevens tot etenstafel dient.
+
+Rappaerd. -- Zie Rampaard.
+
+Ras, z. n. v. -- Wiel, draaikolk. Daar gaat een tij als een R--
+(een gevaarlijk tij.) De R--sen van Portland, van de Saintes.
+
+Raschip, z. n. o. -- Vierkant, of met Razeilen getuigd schip. Men
+zegt een R-- in tegenstelling van een smakschip.
+
+Razeil, z. n. o. -- Zeil, dat aan de Ra is vastgemaakt. Het R--
+nae den wint opgehaelt hebbende, hielden sy het nae den oever
+toe. Handel. XXVII. 40.
+
+Recherche-vaartuig, z. n. o. -- Vaartuig met Rijks ambtenaren aan
+boord, dat zich aan de zeegaten en op de groote binnenwateren ophoudt,
+om de schepen te onderzoeken, en tegen alle soorten van sluikery
+te waken.
+
+Recht, z. n. o. -- Belasting. In- en Uitgaande R--en (Rechten op
+sommige, het Rijk binnenkomende en uitgaande goederen) R--en van In-,
+Uit- en doorvoer (de heffing daarvan is geregeld en de bepalingen
+tot die heffing betrekkelijk zijn te vinden in de Algemeene Wet
+van 26 Augustus 1822). Zie verder: AfscheidsR--, StrandR--, ZeeR--,
+ZeilR--, WaterR--.
+
+
+ Tot hem een kogel heeft vooruit naar God gezonden,
+ Om wraak te eischen voor 't geschonden waterrecht.
+
+ Brandt, Grafschrift op de Haas.
+
+
+Recht, bw. -- 1o. Het tegenovergestelde van scheef. R-- liggen,
+R-- zijn, wordt van een schip gezegd, wanneer het aan geene zijde
+overhelt. Het schip R-- leggen, R-- stuwen (het in evenwicht brengen).
+
+2o. Rechtstreeks, in een rechte lijn, langs den kortsten weg. Wy
+varen R-- op de haven aan: Wy zetten R-- door naar Sina koers.
+
+Spreekwijze: R-- door zee (zonder omwegen, op eerlijke wijs).
+
+Recht van onderzoek. -- Recht om alle schepen in zee te onderzoeken,
+ten gevolge het traktaat op 23 December 1841 tusschen de Groote
+Mogendheden ter krachtige beteugeling van den slavenhandel gesloten.
+
+Rechten, b. w. of Richten. -- Recht-op zetten, b. v. een schip,
+dat helt.
+
+Rechtwijzend, b. n. o. -- Zie Kompas.
+
+Reddeloos, b. n. -- Zwaar beschadigd. Dat schip is R-- geschoten
+(is door het vyandelijk geschut van zijn tuigaadje beroofd, zoo dat
+het onbekwaam is tot zeilen.)
+
+Reddingboei, z. n. v. -- Groote drijvende ring of worst, van kurk
+of andere zelfstandigheid met wasdoek overtrokken, en welke men aan
+iemand, die in zee gevallen is, toewerpt, ten einde hy zich met behulp
+daarvan zoo lang boven water houde, tot men hem te hulp kan komen.
+
+Reddingboot, z. n. v. -- Boot, ingericht om door de hoogste branding
+in zee te gaan ter redding van schipbreukelingen.
+
+Reede, Reê, z. n. v. -- Zee, gedeeltelijk door land ingesloten, en
+aan de vaartuigen een ligplaats verschaffende, waar zy min of meer
+tegen wind en stroom beveiligd liggen. Besloten R-- (die geheel beschut
+is.) Open R-- (die gedeeltelijk aan den zeewind is blootgesteld.) Op de
+R-- brengen, op de R-- gaan liggen (een haven verlaten om het anker te
+werpen op de R--.) Een schip op de R-- halen. Ter R-- liggen. De R--
+van Texel, van 't Vlie.
+
+
+ Eerst keek ik door een kleine ruit,
+ Naar oost en west en noord en zuid,
+ Nu kijk ik door een grooter glas,
+ Maar zie de ree van Texel pas.
+
+ C. Loots. 't Prinsenhof.
+
+
+Somtijds wordt ook de stad zelve, waar de R-- aan gelegen is, met
+dien naam bestempeld. Zoo zegt Vondel in zijn Lof der scheepvaart.
+
+
+ Elck deser steden was een wijdvermaarde Reede.
+
+
+En de stad Goedereede of Goeree heeft er haar naam van.
+
+Reeder, z. n. m. -- Hy, die een vaartuig uitrust of helpt uitrusten ter
+kaap- of koopvaart. De rechten en verplichtingen der R--s onderling
+tot den schipper, enz. zijn bepaald in het Wetb. van Kooph. II B II
+T. art. 320-340.
+
+Reeden, b. w. -- Uitrusten, gereed maken.
+
+Reedery, z. n. v. -- Maatschap van Reeders. Zie Reeder.
+
+Reef, z. n. v. -- Smalle strook zeils. Zie Rif.
+
+Reeling, z. n. v. -- Samengetr. uit Regeling. Het dek tot aan de R--s
+vol water.
+
+Reep, z. n. v. -- End touw. Zie DraaiR--, KlokR--, ValR-- enz.
+
+Reeven, o. w. -- Reven innemen, insteken; de zeilen inkorten. Dicht
+Gereefde zeilen (alle zwevende zeilen vastgemaakt, verkort). Voor
+Gereefde fok lenzen voor 't Gereefd grootzeil byleggen.
+
+
+ Reef, o reef en plooi somwijlen
+ Het al te zwellend zeil en schroom het overijlen.
+
+ Bilderdijk. Ziekte der geleerden.
+
+
+Regalen, z. n. o. mv. -- Stukgoederen, niet tot de lading behoorende.
+
+Regatta, z. n. v. -- Zeiloefening te Venetiën.
+
+Regelingen, z. n. v. mv. -- Kromme en met snijwerk voorziene lijsten,
+die den zwanenhals zijdelings schoren, de wanden van het galjoen
+helpen vormen, en tot steun dienen van den botteloef.
+
+Regen, z. n. m. -- Water, dat in druppelen uit den hemel valt.
+
+Spreekwijze:
+
+
+ R-- breekt geen masten
+ Maar maakt slappe gasten.
+
+
+Na R-- komt zonneschijn (voorspoed volgt op tegenspoed).
+
+Reggen, b. w. -- De masten in lichte vaartuigen leggen: een mast op
+zijn Reg of rug leggen.
+
+Reilen, o. w. -- Thands buiten gebruik; maar dat, even als 't
+Eng. reel, "draaien" beteekend moet hebben. Het is alleen nog gebleven
+in de
+
+Spreekwijze: Zoo als het Reilt en zeilt (zoo als het daar is: met al
+zijn toebehooren):--ten zij men hier Treilt en zeilt moet lezen. (Zie
+Treil).
+
+Reiltop, z. n. m. -- Vlaggestok.
+
+Reis, z. n. v. -- Tocht. De schepen hebben een voorspoedige R--
+gemaakt. Wy hebben zwaar weer op R-- gehad. De terugR-- was beter
+dan de heenR--. De R-- aannemen (vertrekken).
+
+Spreekwijze: De groote R-- aannemen (sterven).
+
+Retoer, z. n. v. -- 1o. Retoervracht, teruglading. Goederen, die
+een schip voor zijn terugreis inlaadt en ruilt tegen die welke het
+heeft aangebracht.
+
+2o. De voordeelen dier terugvracht. De R--en zijn niet voordeelig
+geweest (De terugvracht heeft slechte rekening gegeven).
+
+Retoerschip, z. n. o. -- Schip, dat terugkeert. In de oorlogen met
+Engeland werden veel Retoerschepen door den vyand genomen.
+
+Retoervloot, z. n. v. -- Naam, welken men plach te geven aan de
+vloot der Kompagnie, die uit de volkplantingen naar 't moederland
+terugkeerde. De O. I. R--. De W. I. R--.
+
+Retoervracht, z. n. v. -- Zie Retoer.
+
+Reveille, z. n. v. -- Trommelgeroffel, dat met het krieken van den
+dag plaats plaats heeft om het volk aan boord te wekken.
+
+Rib, z. n. v. -- Strook houts, of balk, waarvan de verzameling
+het geraamte van een schip uitmaakt even als de R--ben dat eens
+menschenlichaams.
+
+
+ Ja, dan stoven balk en ribben uit de slingerende kiel.
+
+ K. W. Bilderdijk. Ralowsburg.
+
+
+Ribbetjen, z. n. o. -- Kleine Rib. Het R-- van een luik; het R--
+onder den bovensten spiegelboog.
+
+Richten, b. w. -- Rechten, stellen. Zie Rechten. Het Geschut
+R-- (pointeeren). Op het kernschot R--, recht vooruit R-- (het
+mikpunt horizontaal nemen en het stuk in het midden van de poort
+stellen). Schuins R--, baksen (de monding van het stuk naar den kant
+van het voor- of van het achterschip wenden). Op het vaste boord, op
+den romp R-- (het mikpunt op het midden der hoogte van het vyandelyk
+schip nemen, in de richting van den grooten mast.) Op een grondschot
+R--, dompen (het mikpunt beneden de waterlijn nemen.) Dat tuig is goed
+Gericht, d. i. de raas zijn vierkant en waterpas gebrast en getopt.
+
+Riem, z. n. m. of Roeispaan: -- min of meer lange spaan, tegen het
+uiteinde waarvan een platte lepel of blad vastgespijkerd is, en
+met behulp waarvan men het water terugdrijft en een vaartuig doet
+voortgaan. Met een R-- sturen (door middel van een R-- in plaats
+van roer, het vaartuig in zijn richting houden.) RoeiR--, StuurR--,
+met kracht van R--en. Dubbele R--en (korte R--en, wier lengte twee
+roeiers op denzelfden bank gedoogt). Enkele R--en (waarvan het end
+binnen boords belet, dat er meer dan een roeier gezeten zij op elken
+bank.) ScheepsR--en (zeer lange R--en, welke men door de geschutpoorten
+van het achterschip brengt om brikken en lage vaartuigen by groote
+stilte in beweging te brengen.) R--en snijden (met het vlak boven water
+houden.) Vaartuig van N R--en (zoodanig ingericht, dat men N R--en kan
+gebruiken om het voort te roeien.) Twintig R--en te water! (komm. om
+20 R--en uit te brengen.) R--en op! R-- te boord (komm.).
+
+Spreekwijze: Eerst in de boot, keus van R--en (wie eerst komt, die
+eerst maalt).
+
+Men moet roeien met de R--en die men heeft (men moet zich van de
+bestaande middelen of werktuigen bedienen, al zijn zy de beste niet).
+
+Hy roeit met zijn eigen R--en (hy beproeft zijn eigen krachten).
+
+Iemand op zijn eigen R--en laten drijven (niet naar hem omzien,
+hem laten voortsukkelen).
+
+Een R-- onder 't zeil steken (met een R-- aan den lijkant roeien,
+om het vaartuig meer aan-de-wind te houden: alzoo: meer kracht of
+vaart aan de zaak byzetten).
+
+De R--en binnenhalen (de zaak laten varen).
+
+
+ De siel is als een boot, die met ons gants vermogen
+ Wort tegen stroom geroeit en krachtig opgetogen
+ Gewis soo ons de riem maar eenmaal stille staat
+ Is 't zeker, dat de schuit in haast te rugge gaat.
+
+ Cats.
+
+
+Riemblad, z. n. o. -- Het blad, of plat van een Riem, waarmede het
+water in 't roeien geschept wordt.
+
+Riet, z. n. o. -- Biezen, gewas, dat zich in de binnenwateren en ook
+aan den mond der rivieren veelvuldig voordoet.
+
+Spreekwijze: De boot in 't R-- sturen (iets in de war sturen: omdat een
+schipper, zijn vaartuig in 't R-- sturende, zeker is, vast te raken).
+
+Rietpark, z. m. o. -- Weer, vischput: soort van omtuining, met staken
+enz. aan den oever der zee gemaakt, om visch te vangen en te bewaren.
+
+Rif, z. n. o. of Reef, beide in 't mv. Reven. -- 1o. Gedeelte of strook
+van een zeil, die by te sterken wind moet worden ingenomen. Een R--
+insteken, innemen (het zeil in zijn hoogte inkorten). Een R-- uitsteken
+(de seizings, die het op de ra vasthielden, weder los maken.) Aan
+het laatste R-- zijn al de Reven inhebben.
+
+Spreekwijze: Een Reefjen inbinden (zijn staat verminderen). Een
+Reefjen losmaken (als men zich vol gegeten of gedronken heeft, een
+broek- of vestknoop losmaken, om wat luchtiger te zijn).
+
+2o. In 't mv. Rifs, Riffen: Rei van klippen, koraalbanken, enz., de
+gedaante hebbende van een Rib, welk woord oorspronkelijk dezelfde
+beteekenis had als R--. Het Schager R-- (een plaat aan den mond
+der Oostzee).
+
+
+ Hier keert hy ze achter 't rif van Schagen
+ Daar in het Amelandsche rak.
+
+ Oudaan. Zweedse hoogmoed.
+
+
+Rifband, z. n. m. -- Zie Seizing.
+
+Rifleuvers, z. n. m. mv. -- Zie Leuvers.
+
+Riflijn, z. n. v. -- End touw, dat in het rif van het onderzeil
+gestoken wordt om het op het onderlijk te reeven.
+
+Riftalie, z. n. v. -- Touw, waarmede het zeil by het reeven aan de
+nok van de ra wordt uitgehaald.
+
+Riggel, z. n. m. -- Regel, lat; strook houts, die op de naden tusschen
+de planken gespijkerd wordt.
+
+Ring, z. n. m. -- Cirkel van yzer, hout of koord. Zie AnkerR--,
+RaR-- enz.
+
+Ringbout, z. n. n. -- Yzeren of metalen bout, met een ring er aan,
+in het boord gedreven en dienende om de rolpaarden tegen boord te
+halen en vast te maken: ook midscheeps in het dek om het geschut
+achteruit te halen.
+
+Rob, z. n. v. -- De maag van groote visschen.
+
+Spreekwijze: Hy slokt het al in zijn R-- (hy haalt alles naar zich
+toe).
+
+Roede, z. n. v. -- Ra, die in schuinsche richting aan den bezaansmast
+hangt en dient om de bezaan op te houden.
+
+Roef, z. n. v. -- Overdekte plaats in post- of trekschuiten, en andere
+kleine binnenvaartuigen, waarin zich gewoonlijk de passagiers bevinden
+of waarin men by slecht weer gaat schuilen. De ingang tot de R--
+bevindt zich gewoonlijk tegen over den stuurstoel.
+
+Roei, z. n. m. -- voor Roede (veroud.) voor Riem.
+
+Roeidol, z. n. -- Opstaande pen in het boord van een roeivaartuig
+geslagen om de riemen tegen te houden.
+
+Roeien, o. en b. w. -- Een vaartuig door middel van Roeien, of
+Riemen besturen. Met lange slagen R--, overlangs R-- (zoo dat elke
+riemslag een gelijken cirkel beschrijft en met kracht aangehaald
+wordt.) In-de-wind R--, op het zeetjen R-- (tegen wind, tegen stroom
+R--.) Stuurboord, bakboord R-- (zich alleen bedienen van de riemen,
+die rechts of links geplaatst zijn.) Gelijk R-- (van beide zijden
+R--en.) R-- die klaar is, ophalen (de eenige riemen, die gereed zijn,
+gebruiken). Met hangende bladen R-- (R-- zonder het water te doen
+opspatten.) Komm. Geroeid! (uitscheiden, ophouden met roeien).
+
+Spreekwijze: Men moet R-- met de riemen die men heeft (men moet zich
+weten te behelpen).
+
+Tegen den stroom is 't kwaad R-- (het is moeilijk, zich tegen de
+openbare meening, de omstandigheden, of een overmachtigen invloed,
+te verzetten).
+
+Hy Roeit er aan of onder (hy heeft er de hand in).
+
+Onder het staande zeil is goed R-- (het gaat gemakkelijk als men rijk
+is, of als men krachtige hulp heeft).
+
+
+ Onder 't zeyltjen is goed roeyen,
+ Want 't sal niemant light vermoeyen.
+
+ Cats.
+
+
+Met tien riemen naar lager wal R--. (Den boel opmaken, zoo dat men
+'t verderf te gemoet gaat).
+
+Roeier, z. n. m. -- Hy die roeit. Een handig R--. Een sloep met tien
+R--s bemand.
+
+Roeiklamp, z. n. v. -- Klamp, op het dolboord geplaatst om steun aan
+den riem te geven.
+
+Roeistrop, z. n. m. -- Strop, aan den roeidol vastgemaakt, dienende
+om er een riem door te steken.
+
+Roeper, z. n. m. -- of Scheepsroeper. Blikken of koperen
+spreektrompet, met behulp waarvan men zich op verren afstand kan
+laten hooren. Enkele R--. SchuifR--. Groote R-- (die ingeschoven kan
+worden.) GevechtsR--. BatteryR-- (die recht op en neêr de bevelen,
+die boven gegeven worden, in de batteryen doet verstaan).
+
+Roer, z. n. o. -- Getimmerte, waarvan de beide zijden evenwijdig
+uitgestrekt en gelijk zijn, terwijl haar dikte onbeteekenend is in
+verhouding tot haar overige uitgebreidheid. Het R-- is onmisbaar aan
+elk zeevaartuig, om de werking, welke het ontfangt, daaraan mede te
+deelen, en er een horizontale wending aan te geven, waartoe zijn
+stelling aan het achterschip het in staat stelt. Hoek van het R--
+(hoek, welken het R-- beschrijft, en die nooit grooter wezen kan dan
+34 graden.) Het R-- over een ander boord leggen (de tegenzijde van
+het R-- aan den aandrang van het water blootstellen.) Het R-- verkeerd
+aan boord leggen (als het schip deinst of achteruitzet.) Uit zijn R--
+loopen (als door hooge zee het R-- uit het water komt.) Goed naar het
+R-- luisteren, scherp op zijn R-- zijn (wordt een schip gezegd te doen,
+wanneer het gemakkelijk de werking van het R-- volgt.) Aan het R--
+staan (sturen.) Te R-- staan.
+
+
+ En zoo lang om Noord en Zuyen
+ By den baas te roer gestaen.
+
+ Huyghens.
+
+
+ Het grootst gewelt, de grootste kraght
+ Wort in den haast tot niet gebraght,
+ Ten zy dat wysheit voor en na,
+ Ten zy beleid te roere sta.
+
+ Cats.
+
+
+Spreekwijze: Het R-- in handen hebben (de zaak besturen).
+
+Het R-- van Staat (de regeering, het hoofdbewind).
+
+Hy is aan 't R-- gekomen (aan 't gezach).
+
+Hou uw R-- recht (val niet, waggel niet).
+
+Het R-- is van 't schip (er is geen orde of tucht).
+
+Het R-- ligt er naar (het moet er mede door).
+
+Zijn poos te R-- staan (zijn beurt hebben).
+
+Hy houdt het R-- in het water (hy houdt de zaak aan den gang).
+
+Men luistert niet naar het R-- (men is ongehoorzaam).
+
+Hy steekt het R-- in de heg (hy scheidt uit met varen, hy blijft
+aan land).
+
+Hy hangt het roer aan de scheg (hy werkt geheel verkeerd).
+
+'t R-- aan boord leggen, en vast zetten (binden); dit geschiedt als
+men voor storm bygedraaid is.--(Men heeft in tegenspoed alles gedaan
+wat men konde doen, en moet nu op beter hopen.)
+
+Het hoofd is het R-- van 't schip.
+
+
+ 't Verstand, door 't dwalen van zijn werktuig, schokt en zwiert
+ Niet anders dan het roer dat heel de hulk bestiert.
+
+ Bilderdijk, Ziekte der Gel.
+
+
+Roerband, z. n. m. -- Yzeren band, waarmede het Roer bedwongen
+wordt. Ende als sy de anckers opgehaelt hadden, gaven sy het schip
+de zee over, met eenen de R--en losmakende. Handel. XXVII: 40.
+
+Roerganger, z. n. m. -- Man, die aan 't Roer staat.
+
+Roerhaken, z. n. v. mv. -- Haken, aan het Roer van een schip gehecht,
+met pennen voorzien, die in de openingen van de vingerlingen komen.
+
+Roering, z. n. v. -- Bewoelingsbekleeding van den ring van het
+Anker. Zie Ankerroering.
+
+Roerklomp, z. n. m. -- Zogklomp, hak, klik van 't Roer. Stukken
+eikenhout, aan de schacht vastgeklonken en het buitenste, uitspringende
+gedeelte van het Roer vormende.
+
+Roerpen, z. n. v. of Inspit. -- Hefboom, die met het eene einde in
+de schacht vastzit, en met behulp waarvan men het Roer wendt.
+
+Roersleuf, z. n. v. -- Sleuf, welke men gewoonlijk vindt op den
+smalsten rand van het Roer.
+
+Roerstel, z. n. m. -- Toestel, waarmede het Roer aan het schip hangt
+en waardoor het draaien kan.
+
+Roertalie, z. n. v. -- Talie, met metalen kettingen aan het Roer
+bevestigd en dienende om het vast te zetten. Ook Noodtalie genaamd,
+omdat men er, wanneer de roerpen gebroken is, het roer door moet
+besturen.
+
+Roezemoezig, b. n. -- Wild, onstuimig. R-- weer.--'t Ziet er R-- uit.
+
+Roezemoezen, z. n. m. mv. -- Yzeren of gegoten banden, die den
+voorsteven aan de kiel vastbinden.
+
+Roffel, z. n. m. -- Soort van schaaf, waar het ruigste van de deelen
+of planken meê wordt afgeschaafd.
+
+Spreekwijze: Hy loopt er maar met den R-- over (maar los over heen).
+
+Rog, z. n. v. -- Min geachte zeevisch.
+
+Spreekwijze: Was er slimmer R-- aan zee, die zoû my aan boord komen
+(slechter kon ik het niet treffen).
+
+Rok, z. n. v. -- Lap prezenning, die ergends over getrokken is.
+
+Spreekwijze: Zijn R-- keeren (zijn huik naar den wind hangen).
+
+Rol, z. n. v. of Monsterrol. -- Algemeene lijst der namen en
+hoedanigheden van al de personen aan boord, 't zij in dienst van 't
+schip, 't zij passagiers. Geschutrol, waarby de manschappen aan de
+batteryen zijn geplaatst. Zeilrol, waarby zy aan de onderscheidene
+zeilen zijn verdeeld. Allarmrol, waarby ieder zijn plaats in 't
+gevecht is aangewezen. Baksrol, waarby het volk in bakken is verdeeld.
+
+Roller, z. n. m. -- Zware golf. Er loopt een geweldige zee, met
+gevaarlijke R--s recht de baai in.
+
+Rolling, z. n. v. -- Beweging van het water. Het rif is noch door R--,
+noch door waterverkleuring op eenigen afstand zichtbaar.
+
+Rolpaard, z. n. o. -- Scheepsaffuit.
+
+Rolrand, z. n. m. -- Zie Kraalrand.
+
+Romp, z. n. m. -- Het lichaam van een schip, van mastwiek en tuigaadje
+ontbloot.
+
+Ronde, z. n. v. -- Bezoek, 't welk een officier, 't zij aan boord,
+'t zij in een haven, doet, om te zien of alles in orde is.
+
+Rondgat, z. n. o. -- Schip, waarvan de achtersteven Rond is.
+
+Rondhout, z. n. o. -- Hout, dat rond is, als masten, stengen enz. Al
+zijn R-- is hem afgeschoten.
+
+Roos, z. n. v. -- 1o of Kompasroos.
+
+Spreekwijze: Onder de R-- (in 't geheim, omdat in de kajuit een kompas
+van de zoldering plach te hangen en hetgeen daar gesproken werd dus
+onder de kompasR-- verhandeld werd).
+
+2o. Zie Rozebouten.
+
+Rooster, z. n. m. -- 1o. of Roosterwerk. Verzameling houten, die
+elkander rechthoekig kruisen en tot grondslag dienen voor een schip
+in aanbouw.
+
+2o. Zware latten, in 't vierkant gekruist, die voor luiken op de
+openingen van het dek gelegd worden en licht en lucht binnenlaten. Den
+R-- klaar maken. De door den krijgsraad veroordeelde, wordt aan een
+staanden R-- gebonden en met handdagen (zie Dag) afgestraft.
+
+Rosbank, z. n. m. -- Zie Dolbank.
+
+Rots, z. n. v. -- Steenen klip. De St. Paulus R--. Wy stooten op
+een R--.
+
+Rozebouten, z. n. m. mv. -- Bouten van rond yzer, aan het achtereind
+met een kop voorzien, en aan het vooreinde gedeeltelijk plat, met
+dien verstande, dat er eenige dammetjens of neuten, Rozen genaamd,
+aan gespaard zijn. In het gebruik verschillen zy van de Voorbouten,
+dat er geen spijkers, maar vierkanten krammen over geslagen worden,
+waartegen de Rozen steunen.
+
+Rug, z. n. v. -- Wordt het schip gezegd te hebben, of op te steken,
+als het doorzet.
+
+Ruggeton, z. n. o. (veroud.) -- Net bewerkte inschuifplank, tot
+ruggesteun dienende aan een officier, die achter in een sloep gezeten
+is, en hem afscheidende van den man, die aan 't roer zit; thands:
+Hekkebord.
+
+Ruggegraat, z. n. m. -- Zie Zwanenhals.
+
+Ruggepaarden, z. n. m. -- Touwen, gespannen tot steun van de Rug,
+en om 't vallen te beletten.
+
+Ruilhandel, z. n. m. -- Handel, waarby koopwaren tegen goederen
+verwisseld worden. De R-- wordt nog inzonderheid op de kusten
+van Afrika gedreven, waar men, voor de aangebrachte goederen,
+olifantstanden, stofgoud, gom, enz. in Ruil aanneemt.
+
+Ruim, b. n. -- By zee of sop gevoegd, heeft R-- de beteekenis van
+"open, vol." Wy voeren het R--e sop in (de volle zee in). De R--e
+zee kiezen (zich van de kusten verwijderen).
+
+Ruim, z. n. o. -- Binnenste diepte van een schip, van 't eene einde
+tot het andere, onder het koebrugdek, of wanneer dit niet bestaat,
+onder het tusschendek;--of gedeelte daarvan, als VoorR--, AchterR--,
+WaterR--, WijnR--.
+
+Ruimbalken, z. n. m. mv. -- Zie Lastbalken.
+
+Ruimen, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy, eerst
+minder gunstig zijnde, uit een meer voordeeligen hoek begint te waaien.
+
+Ruimen, b. w. -- Verlaten. De zee R-- (zich uit zee begeven).
+
+Ruimgast, z. n. m. -- Matroos, bekwaam om by laden en ontladen in
+het Ruim te werken.
+
+Ruimschoots, bw. -- Den wind meer achterlijk dan dwars. Zie Schoot. R--
+zeilen.
+
+Ruimte, z. n. v. -- Voor: "de Ruime Zee" De R-- kiezen (zich in volle
+zee begeven, ook: zich verwijderen uit gevaar).
+
+Ruischen, o. w. -- Bruischen: dof geluid, dat de wind of de zee
+maakt. Hoort gy de golven R--?
+
+Ruitsgewijs, bw. -- Zie Orde.
+
+Rukwind, z. n. m. -- Wind, die plotslings en met felheid waait,
+zoodat hy verhevenheden omver Rukt.
+
+Rusten, z. n. v. mv. -- Zware breede met yzeren band beslagen planken,
+die, in hare breedte vlak liggende, aan het buitenboord ter hoogte
+van het bovendek bevestigd zijn. Aan hare buitenzijde bevinden zich
+de Rustyzers, die, schuins afloopende, in het boord zijn gehecht en
+aan wier bovenkant de juffers (doodshoofden) vast zijn, waaraan het
+staande want door de talreepen wordt vastgemaakt. De R-- dienen ook
+om aan de onderwanden breeder te doen uitstaan en dus aan de masten
+meer steun te geven.
+
+Rustyzer, z. n. o. -- Zie Rusten.
+
+Rustlijn, z. n. v. -- Touw, of keten, die het anker ophoudt als het
+op den boeg ligt.
+
+Ruw, b. n. -- Onstuimig, wild. R--weer.
+
+Ry, z. n. v. -- Rang, gelid. Die schepen lagen in de eerste R--.
+
+Rijbed, z. n. o. -- Schaal, die het voorste van een ondermast bedekt.
+
+Rijden, o. w. -- Een schip wordt gezegd te R--, wanneer het voor
+anker liggende vaartuig op en neder geslingerd wordt als een paard
+dat galopeert. Hy is achter zijn anker ondergereden (gezonken).
+
+
+ Wat schaedt een ancker quyt,
+ Soo langh het schip in zee noch op een ander rijdt.
+
+ Huyghens, Mengelingen.
+
+
+Rijgen, b. w. -- Vereenigen, door een klein touw of een raband te halen
+door gaten, langs de lijken, welke men wil te samen voegen. Een zeil,
+een lijzeil, bonnet R--.
+
+Rijzen, o. w. -- Zich verheffen, overheengaan. Gemakkelijk op de zee
+R-- (gemakkelijk over een golf heenglijden).
+
+
+
+
+
+
+
+S.
+
+
+Saaiem, z. n. o. -- Zeer naauw gebreid net, gebruikelijk voor de
+garnalenvisschery.
+
+Saiek, z. n. v. -- Soort van Levantijner vaartuig, met twee masten
+voorzien en geen bramzeil voerende.
+
+
+ Welaen dan, zeit den Turk, met Saiken en Tartanen
+ En Roofgaleien, trots beschaduwt met zijn manen.
+
+ Antonides, Bell. aen bant.
+
+
+Salueeren, b. w. -- Zie Begroeten. Met het geschut S--.
+
+Saluut, z. n. o. -- Begroeting, eerbewijs, welke vaartuigen of vloten
+elkander doen. Zie Begroeten. Het S-- weigeren. Het S-- beäntwoorden.
+
+Saluutschot, z. n. o. -- Schot, dat als groet of eerbewijs gelost
+wordt.
+
+Samenvloeing, z. n. v. -- Plek, waar twee rivieren in elkander vloeien.
+
+Samoreus, z. n. v. -- Groote aak, aldus genoemd omdat zy oorspronkelijk
+op de Sambre en Maas voeren, zijnde S-- een samentrekking van
+Sambre et Meuse.--Het afkomen in grooten getale van dergelijke
+vaartuigen te Amsterdam deed aan de groote brug over den Amstel
+(den zoogen. Hoogesluis) waar zy onder door kwamen, den naam geven
+van Samoreuzenbrug, 't welk in den Franschen tijd door misverstand
+vertaald werd met le pont des amoureux.
+
+Samkyd, z. n. m. -- Turksch kustvaartuig.
+
+Sampan, z. n. m. -- Klein Sineesch of Japansch kustvaartuig, zonder
+spijkers of bouten, en alleen met houten nagels vastgezet.
+
+Sandaal, z. n. m. -- Lichterschuit aan de noordkust van Afrika.
+
+Sas, z. n. v. -- Kom of bassin, in de lengte van een vaart uitgegraven,
+om er het water in te vergaderen, dat men naar vereischten door de
+sluis, boven welke het gebouwd is, laat afloopen. S-- van Gent.
+
+Satie, z. n. v. -- Soort van Levantijnsch vaartuigjen.
+
+Schaaf, z. n. m. -- Werktuig dienende om de oppervlakte van het
+hout gelijk te maken. Met den S-- over een plank gaan.--De S-- bijt
+niet. Het huis, het blok van den S--, BoogS--, BoorS--, PlatS--,
+RondS--, VlakS-- enz.
+
+Schaal, z. n. v. -- 1o. Lijn, die in deelen wordt afgedeeld,
+waarmede strepen, ellen, roeden, graden, minuten, mijlen, enz. worden
+voorgesteld, en die op een plan of teekening gesteld, dient om de
+betrekking der afstanden en hoegrootheden, op de kaart ons aangewezen,
+met de wezenlijke afstanden en hoegrootheden aan te duiden, 't Woord
+is van 't Lat. of Ital. scala (ladder, trap) en geheel iets anders als
+scala, waar 't "schotel of schedel" beteekent. S-- van tien uur gaans,
+S-- van tien mijlen. S-- van een lijn op de roede, van een Ned. duim
+op de Ned. el. Die kaart is op een groote, op een middelbare, op een
+kleine S-- vervaardigd.
+
+2o. Hier 't zelfde als schedel of Wang.--Stuk hout, van meerdere
+of mindere lengte, een weinig hol aan de eene en bol aan de andere
+zijde, en dat men tegen een ander aanbrengt om dit laatste te
+versterken. BalkS-- (op een balk.) Waarlooze S--en (die aan boord zijn
+om in geval van nood te dienen.) ZijS--en (die tot de samenstelling van
+een mast dienen.) Hoofd-- (stuk hout, dat, op het achterste gedeelte
+eener onderra gewangd, strekt om het verwijderd te houden van den mast,
+waar het aan hangt).
+
+3o. De eerste en de laatste plank, die uit een ruwen balk gezaagd
+wordt.
+
+Schaar, z. n. v. -- Snijdend werktuig, dienende om iets af te knippen
+of van een te scheuren. De tongen van dien bank steken uit als een
+geöpende S--.
+
+Schaarstokken, z. n. m. mv. -- Boordplanken, die hooger dan de overige
+planken van het dek en op de balken gekeept zijn; zy begrenzen het
+middel perk.
+
+Schacht, z. n. v. of Stander. -- Spier, steng. S-- (of koning) van
+het roer (zwaar stuk hout, dat zich uitstrekt van den boven- tot den
+onderkant van het roer en gelijk met den onderkant der kiel eindigt).
+
+Schade, z. n. v. -- Zie Zeeschade.
+
+Schadeloos, Schaêloos, b. n. -- Beteekent niet "zonder schade,"
+als men uit de gewone beteekenis van 't woord loos zou opmaken,
+maar "met groote schade". Die schepen zijn S-- geschoten, zijn S--
+binnengeloopen, (zoo, dat zy geen schade meer kunnen doen).
+
+Schaffen, b. w. -- Opdisschen. Wat Schaft de kok van daag?
+
+Schafmeester, z. n. m. -- Die gesteld is, om voor de proviand te
+zorgen.
+
+Schakel, z. n. m. of Schalm. -- Ring van een ketting.
+
+Schaken, b. w. -- Vieren, botvieren. Zie Afschaken.
+
+Schalen, b. w. -- Met Schalen voorzien, sjorren.
+
+Schalm, z. n. m. -- Ring van een ketting. Ketting van 100 S--en.
+
+Schalmen, b. w. -- Men noemt: De luiken S-- (de prezennings, waarmede
+men die by ruw weer overdekt, met latten vastmaken).
+
+Schampdek, z. n. o. -- Zie Schandek.
+
+Schampen, o. w. -- Affluiten. Zie Afschampen.
+
+Schampscheut, z. n. o. -- Schot, dat afschampt.
+
+Spreekwijze: Het is maar een schampscheut. (Het heeft niet veel
+te beduiden).
+
+Schandek, z. n. o. -- Ook wel schampdek genoemd, doch waarschijnlijk
+Schansdek, als zijnde het Dek nevens de Schans of verschansing.
+
+Schans, z. n. v. of Verschansing. -- Het dek van het staande boord
+des voorstevens wordt ook wel S-- genoemd.
+
+Schanskleed, z. n. o. -- Gekleurde strook laken, waarmede men de
+schepen by feestgelegenheden bekleedt. In de masten zijn aan de
+achterzijde twee yzeren staanders, waardoor een yzeren leider loopt,
+aan welken de S--en gespannen zijn.
+
+Schanskleed, z. n. m. of Schanslooper (veroud.) -- Roerkleed, dat hy
+aandoet, die by nacht of guur weer, de verschansing op en neder gaat.
+
+Schanslooper, z. n. m. -- zie Schanskleed.
+
+Schansnet, z. n. o. -- Net van lijnen, 't welk men aan boord van
+oorlogschepen op yzeren leiders, die op staanders met dubbele armen
+rusten, langs het staande boord spant en waartusschen zich geteerd
+zeildoek bevindt. Daarin worden de kooien (hangmatten) gestuwd om
+zich tegen het geweervuur van een vyandelijk schip te verschansen.
+
+Schaven, b. w. -- Met een schaaf arbeiden, Effenen.
+
+Schavielen, o. w. -- 1o. of Stukschavielen. Door gestadige wrijving
+of schaving slijten en bederven. Dat touw begint te S--. 't Woord is
+waarschijnlijk afkomstig van Schaven.
+
+2o. Het S-- van den wind (het langzamerhand veranderen van den wind).
+
+Scheep, bw. -- voor te scheep op of naar het schip. S--gaan, S--komen.
+
+
+ Scheep! Scheep! nu zijt getroost mijn lief! de tijt is kort,
+
+
+zegt Gijsbreght tegen Badeloch.
+
+Spreekwijze: Die voor hond S-- komt, moet knoken eten (men wordt
+geëerd al naar dat men zich voordoet). 't Zelfde beteekent:
+
+Daar men voor S-- komt moet men voor varen.
+
+Ga niet S-- zonder beschuit (neem by het aanvangen uwer onderneming
+de behoorlijke voorzorgen in acht).
+
+Scheepjen, z. n. o. -- Klein Schip. Een net gebouwd S--.
+
+Spreekwijze: Op het wel afloopen van 't S-- (is een oud Hollandsche
+dronk, ingesteld op de voorspoedige bevalling eener aanstaande
+kraamvrouw).
+
+Zijn S--s op het drooge hebben (wat waarschijnlijk de oorspronkelijke
+lezing is van het spreekwoord, in plaats van schaapjens, en met de
+oude uitspraak van laatstgemeld woord overeenkomt). Zie Droog.
+
+Scheeprijk, z. n. v. -- Rijk aan Schepen. Een S--e Haven (een haven,
+waar zich veel Schepen bevinden).
+
+
+ Waarby den welstant groeyt van de Scheeprijcke steden,
+
+
+zegt Vondel in zijn Lofzangh op de Scheepvaart.
+
+Scheepsbehoeften, z. n. v. mv. -- Al wat tot de uitrusting van een
+schip behoort.
+
+Scheepsbeschuit, z. n. v. -- Soort van harde Beschuit, die lang bewaard
+kan worden, en daarom inzonderheid voor zeereizen wordt medegenomen.
+
+Scheepsbestier, z. n. o. -- 1o. Bestier over een Schip.
+
+2o. Bekwaamheid om een Schip te bestieren.
+
+Scheepsboord, z. n. o. -- Boord van het schip.
+
+Scheepsbouw, z. n. m. -- Kunst om Schepen te bouwen of het bouwen
+zelf. De S-- heeft aanmerkelijke vorderingen gemaakt. Die stad heeft
+haar meeste vertier van den S--.
+
+Scheepsch, bw. -- Is naauwelijks meer in gebruik dan in de volgende
+
+Spreekwijzen: Geen S-- verstaan (de taal der zeelieden niet verstaan:
+overdrachtelijk: geen kennis van de scheepvaart hebben).
+
+Op zijn groot S-- (op zijn rijke-luis).
+
+Scheepsgebruik, z. n. o. -- Gewoonte aan boord der schepen heerschende.
+
+Scheepsgelegenheid, z. n. v. -- Gelegenheid om met een schip te
+gaan. Hy is met S-- vertrokken. Hy moet aldaar lang verwijlen, by
+gebrek aan S--.
+
+Scheepsgevecht, z. n. o. -- Gevecht tusschen schepen.
+
+Scheepsgezellen, z. n. m. mv. -- Manschappen. Hun rechten en
+verplichtingen zijn vervat in het Wetb. van Kooph. Boek II Tit. IV,
+art. 394-452.
+
+Scheepsjongen, z. n. m. -- Knaap, die aan boord het geringe werk
+verricht.
+
+Scheepskist, z. n. v. -- Kist, die men aan boord noodig heeft.
+
+Scheepskok, z. n. m. -- Kok van een schip.
+
+Scheepskroon, z. n. v. -- Kroon van scheepssnebben, die by de Romeinen
+vereerd werd aan den vlootvoogd na 't behalen van een zeetriomf,
+en hoedanige in de allegorische voorstellingen op grafsteden van
+zeehelden, op platen enz. veelvuldig voorkomen.
+
+
+ De zee Alciden, die zich wenschen in den brant
+ Te smoren, of bekranst met scheepskroon en laurieren,
+ In 't aanzien van de nijt, te helpen zegevieren,
+
+ Antonides Bellone a. B.
+
+
+Scheepslengte, z. n. v. -- Lengte van het schip als afstandsbepaling
+gebezigd. Wy liepen hem twee S--n afstand vooruit. De sloep was, toen
+zy zonk, naauwlijks eene S-- van ons af. Men moet die twee werken
+een S-- uit elkaêr zeilen.
+
+Scheepsmakelaar, z. n. m. -- Makelaar, die zich met het bezorgen van
+schepen, bevrachting enz. bezig houdt.
+
+Scheepsofficieren, z. n. m. mv.--Benaming van hen, die, op een
+koopvaardyschip, onder den schipper met eenig bevel of toezicht
+belast zijn, als de Stuurlieden, Bootslieden enz. Lees hun rechten
+en verplichtingen in het Wetb. van Kooph. Boek II Tit. IV, art 394-452.
+
+Scheepsraad, z. n. m. -- Krijgsraad, die aan boord van een schip
+belegd wordt. Wy moeten S-- beleggen.
+
+Scheepsrecht, z. n. o. -- Recht, aan boord van een schip gedaan.
+
+Spreekwijze: Drie maal is S-- (alle goede zaken bestaan in drieën):
+het gezegde is daarvan herkomstig, dat aan boord vele zaken in drieën
+gedaan worden. Zoo hoort men by het strakzetten van stag en want Een,
+twee, drie! Zet aan! Zoo wordt een Hoezee driewerf aangeheven. Zoo,
+wanneer een lijk, dat in zee begraven zal worden, op een plank aan
+de valreep gelegd is, wordt het met een: een, twee, drie, in Gods
+naam, over boord gezet. Een onbetamelijkheid gedurende het schaften
+wordt met drie slagen gestraft: by welke gelegenheid hy die met de
+kastijding belast is, de volgende formule opzegt:
+
+"Dat 's voor de bak" (meteen een slag op de bakskist gevende).
+
+"Dat 's voor je g--t."
+
+"Dat 's voor je kwaad doen."
+
+"En dat 's op dat je 't niet weer zult doen."
+
+Verspreekt hy zich, dan moet hy de kastijding zelf ondergaan. Deze
+straf, waarby vooral zout op de bakskist moet gestrooid zijn, wordt
+genaamd: "een kapjen."
+
+Scheepstimmerman, z. n. m. -- Handwerksman, die 't zij schepen bouwt,
+'t zij masten, raas, of andere scheepstoebehooren vervaardigt. De
+Oppertimmerman behoort aan boord tot de scheepsofficieren.
+
+Scheepstoebehooren, z. n. o. -- Masten, raas, enz. al wat tot de
+tuigaadje van een schip behoort.
+
+Scheepstriomf, z. n. m. -- Overwinning, door Schepen behaald.
+
+Scheepstuig, z. n. o. -- 't Zelfde als Scheepstoebehooren.
+
+Scheepsvaarwater, z. n. o. -- Zie Vaarwater.
+
+Scheepsvolk, z. n. o. -- Zy die dienst doen aan boord van schepen. Zie
+Manschap, Zeevolk.
+
+Scheepswerk, z. n. o. -- Werk, dat aan boord verricht wordt. S-- doen.
+
+Scheepvaart, z. n. v. of Zeevaart. -- De vaart met schepen. Handel
+en S-- waren van ouds de bronnen onzer welvaart. Binnenlandsche S--
+(die op de binnenwateren wordt uitgeöefend).
+
+Scheer, z. n. v. -- of Schaar. Zoo worden die banken genaamd die in
+twee verreuitstekende punten even als een geöpende schaar, uitloopen;
+deze zijn daardoor gevaarlijker, dewijl men zich in een dier punten
+kan vergissen.
+
+
+ Gesloopt, verzant, gestrant, op riffen en op scheeren.
+
+ Vondel, het lof der Zeevaart.
+
+
+Scheerbout, z. n. m. of Spiebout. -- Bout, die tot scheer of spijl
+dient.
+
+Scheergang, z. n. v. of Sent. -- Zie ald.
+
+Scheerhaak, z. n. m. -- Benaming voor het hout, de lat, den afstand
+bevattende van het Scheren der Wevelingen (zie Wevelingen).
+
+Scheerlijn, z. n. v. of Zwichtlijn. -- Zie ald.
+
+Scheerstokken, z. n. m. mv. -- Zie Schaarstokken.
+
+Schef, z. n. m. (veroud.) -- Lange stok, gelijk een ragebol gebezigd
+om te duiveljagen, of te traven.
+
+Scheg, z. n. v. -- Getimmerte, dat voor den voorsteven uitspringt,
+en tot steunpunt strekt voor de waterstags en de woeling van den
+boegspriet.
+
+Scheggelood, z. n. o. -- Strook Lood, die langs den voorkant der
+Scheggen van het bitstuk wordt gelegd, en zich van den bovenkant der
+dubbeling tot onder de kiel uitstrekt.
+
+Schelp, z. n. v. -- Zie Schulp.
+
+Schenen, z. n. v. mv. -- Yzeren plaat, waarmede de inlating van een
+roer of van een kaapstander bekleed wordt.
+
+Spreekwijze: Iets voor de S-- hebben (iets hebben, waar men op
+steunen kan). Iemand iets voor de S-- smijten (hem een onaangenaam
+verwijt doen).
+
+Schenkel, z. n. m. -- Zie Schinkel.
+
+Schepeling, z. n. m. -- Al wie zich aan boord bevindt, met uitzondering
+van de passagiers.
+
+Schepen, b. w. voor Inschepen. -- Zelden meer in gebruik, dan in
+zijn afleidingen en samenstellingen. Zie Gescheept, Inschepen,
+Uitschepen enz.
+
+Schepnet, z. n. o. -- Net, waar visch mede geschept wordt.
+
+Scheppen, b. w. -- Eig.: Water putten met een Schepper of
+lepel.--Oneig. inademen, tot zich nemen. Lucht S--. Een zeil laten S--
+(het den wind half laten vatten).
+
+Spreekwijze: Men Schept het hier uit geen sloot ('t is hier zoo
+ruim niet).
+
+Schepper, z. n. m. -- Hoosvat, lepel, waar men mede Schept.
+
+Scheren, b. w.--De touwen zoodanig stellen, dat zy heen schieten door
+de bloks en langs de richtingen, welke zy moeten doorloopen. Die looper
+is goed Geschoren (hy komt waar hy wezen moet). De kabelaring S--
+(die om het spil leggen).
+
+Scherp, b. n.--Snijdend, hoekig. Een S--e kant, S--e rotsen. 't Is
+een S--e wind (een wind die iemand als in 't gezicht snijdt). Een
+S--e zeiler (die de golven met snelheid klieft).
+
+Scherp, b. w. -- 1o. Snijdend, S--e zeilen. Het waait S--.
+
+2o. Hevig. Er werd S-- gevochten. Het ging er S-- toe.
+
+3o. Bekrompen, als 't ware S-- afgemeten. Wy hadden S-- half wind. Wy
+kwamen S-- dien hoek om.
+
+4o. Dicht S-- aan-den-wind zeilen.
+
+Scherp, z. n. o. -- Alle yzerwerk aan boord, 't zij kogels, bouten,
+schroot enz. Met S-- schieten (in tegenoverstelling van "met los
+kruid") Zet er dubbel S-- op (laadt dubbel).
+
+Scherpen, o. w. -- Tegen loopen. De wind begint te S-- (uit een
+verkeerden hoek te waaien).
+
+Schets, z. n. v. -- Afteekening, plan. De S-- van een schip.
+
+Scheur, z. n. v. -- Opening, spleet, loslating der deelen. Er is een
+S-- in 't hout. Er is een S-- in die wolk.--(veroud.) Bui.
+
+Scheurbuik, z. n. v. -- Ziekte, waaraan de zeevarenden by verre tochten
+zijn blootgesteld, en die zich openbaart door het zwellen en bloeden
+van het tandvleesch.
+
+Scheut, z. n. v. -- 't Zelfde als Schot of Schoot.
+
+Spreekwijze: Een S-- onder water krijgen. (Een zet of verwijt krijgen,
+dat die het treft, zeer goed voelt, ofschoon de omstanders 't niet
+merken).
+
+Scheut geven, b. w. -- Bot geven, Vieren.
+
+Schieman, z. n. m. -- Onderofficier aan boord, die met het opzicht
+over de tuigaadje enz. van het voorschip belast is.
+
+Volgends Winschoten zoû het woord eigenlijk Schimman moeten luiden en
+zoo veel beteekenen als Schim of schaduw van den Hoogbootsman. Volgends
+Bilderdijk zoû 't Schuimman zijn, omdat hy, toen de schepen lager en
+kleiner waren, altijd in het schuim stond. Beide afleidingen komen
+my even gedrongen voor. Waarom behoeven wy zoo ver te zoeken wat,
+dunkt my, zich als van zelf voordoet. Schiën beteekent volgends
+Bilderdijk zelf (zie zijn Gesl. in v. Schip) "voortstreven," waarvan
+Schieten een frequent is. Kan dus niet Schieman eenvoudig "voorganger"
+beteekenen, 't zij om dat hy de bootslieden voorgaat, 't zy om dat
+hy zijn werk op de voorplecht verricht? Even zoo beteekent S-- een
+"voortschietende schuit."
+
+Schiemannen, b. w. -- Opredderen, bepaaldelijk: het tuig.
+
+Schiemansgaren, z. n. o. -- Zie Garen.
+
+Schiemansgasten, z. n. m. mv. -- Matrozen van het voorschip.
+
+Schiemansmaat, z. n. m. -- Hulp, adjunkt van den Schieman.
+
+Schieschuit, z. n. v. -- Soort van trekschuit. Zie Schieman.
+
+Schietbout, z. n. m. -- Yzeren Bout, dienende om het kanon te laden.
+
+Schieten, o. w. -- 1o. Geschut of vuurwapenen lossen. Met gloeiende
+kogels, met los kruit, met scherp, met kogels, met een blikken doos
+S--. In het volle hout, in den romp van een schip S--. Met opene
+geschutpoorten S--.
+
+Spreekwijze: Met spek S--. (Dit werd oudtijds gedaan om schepen
+in brand te schieten: by goede voorzorgen deed het echter weinig
+uitwerking, maar gaf des te meer stank. Hiervan werd aan de uitdrukking
+langzamerhand de beteekenis gehecht van: "iets zeggen, dat heel wat
+klinkt (riekt) maar in den grond weinig te beduiden heeft."
+
+2o. Zich met snelheid bewegen. De visch Schoot als een pijl door de
+baren. Een schip voorby S--.
+
+3o. Zich vrij bewegen. Laat dat touw wat S--. (Laat het wat minder
+gespannen staan).
+
+4o. Van zijn plaats gaan. De ballast Schiet. Zie Ballast.
+
+Schieten, b. w. -- 1o. Uitwerpen, omwerpen, byvieren, losgaan. Een touw
+rondS-- (een touw in de rondte op den grond oprollen). De netten S--
+(uitwerpen). Een steng S-- (laten zakken). Ballast S-- (verwerken).
+
+2o. Treffen. Een walvisch S-- (hem met een harpoen treffen). Een
+schip reddeloos S--.
+
+3o. Waarnemen. De zon S--, een ster S--.
+
+
+ Gelijk mijn zanggodin, hier eindlijk meê gelant
+ Geen maghtiger gestarnt kan met haar graadboog schieten
+ Als 't geen de heirbaan wijst aan alle zeen en vlieten.
+
+ Antonides, IJstroom.
+
+
+Schietgat, z. n. o. -- Opening, waardoor geschoten wordt; min
+gebruikelijk dan Geschutpoort.
+
+Schietgeweer, z. n. o. of Vuurwapen. -- Geweer, waarmede geschoten
+wordt.
+
+Schietschuit, z. n. v. of beter nog Schieschuit. -- Soort van markt-
+of trekschuit, wellicht dus genoemd, omdat zy door de vaart Schiet.
+
+Schild, z. n. o. -- Wapenbord, dat op den spiegel van jachten en
+andere schepen prijkt.
+
+Schildbank, z. n. m. -- Zware plank, tot steun dienende aan de enden
+van het braadspit.
+
+Schildhoofd, z. n. o. -- Hout, dat de gedaante van een Hoofd heeft,
+dienende eensdeels tot cieraad, anderdeels om touwen aan te beleggen.
+
+Schildknoop, z. n. m. -- Knoop, in een touw, die als een Schild dient
+om het doorschieten van het touw tegen te gaan.
+
+Schildpad, z. n. v. of Schootbos. -- Plat blok, langer dan de gewone,
+en voorzien met een yzeren hoekstrop, ten einde er een touw in te
+doen keeren. De strop kan met een scharnier geöpend en gesloten worden.
+
+Schinkel, z. n. m. of Schenkel. Zie Draairing. -- Kort en dik
+touw om een mastkop en waarvan de enden op het want hangen. S--
+van het sloeptakel. S-- van een bras, brasS--. S--s voor de
+onderlijzeilsvallen. RiftalieS--. PoortS--. (Touw waarvan de beide
+enden door 't scheepsboord heenloopen en vast gemaakt zijn aan
+de ringen van de geschutpoortluiken, welke daarmede kunnen worden
+opengehaald en opengehouden).
+
+Schinkelhaken, z. n. v. mv. -- Strop of leng, met een Haak aan ieder
+end voorzien en dienende om vaten mede op te hijschen.
+
+Schip, z. n. o. -- Algemeene benaming van alle groote vaartuigen,
+die in zee gaan. OorlogS--. LinieS-- (die ten oorloge uitgerust
+zijn). AmiraalS-- (dat de Amiraalvlag voert). VlaggeS-- (dat een
+kommandant aan boord heeft.) S-- van den eersten rang (dat 120
+stukken voert.) S-- van den tweeden rang (van 100 stukken.) S--
+van den derden rang (van 90 stukken.) S-- van den vierden rang
+(van 80 stukken.) VrachtS--, BeurtS--, VeerS--, StoomS-- enz. S--
+dat in lading ligt. S-- dat voor anker, dat op de reede ligt. S--
+dat onder zeil is. Opgelegd S--. Gehavend, ontredderd S--. Gerazeerd
+S-- (linieschip, waarvan het bovenste is afgezaagd.) Blank S--, (dat
+schoon gespoeld is.) Het S-- Argo, Pallas. De zee maakte schoon S--
+(spoelde alles van het dek af.) Het gaat over S-- en goed. (De schade
+raakt niet alleen de reeders, maar ook de eigenaars der ingeladen
+goederen.) Vrij S-- vrij goed.
+
+Spreekwijze: Dure Schepen blijven aan wal. (Juffers, die haar waar
+te veel op prijs houden, komen niet aan den man).
+
+Hy reedt mede aan dat S-- (hy is mede in de zaak betrokken).
+
+Het is een diepgaand S-- (hy heeft veel noodig om zijn uitgaven
+te dekken).
+
+Groot S-- groot Water (hoe meer uitgaven men doet, hoe meer men
+noodig heeft).
+
+Het S-- aan de zee overgeven (iemand aan zijn lot overlaten, de handen
+van hem aftrekken).
+
+Het is een S-- daar men de hand aan moet houden (het is iemand,
+dien men niet veronachtzamen moet).
+
+Het is tusschen Kaai en S-- gevallen (het is weggeraakt).
+
+Het S-- moet op de helling. Zie Helling.
+
+Een S-- op strand, een baken in zee. Zie Baken.
+
+Daar komen zoo groote Schepen aan als er afvaren (er zal zich nog
+wel een gelegenheid opdoen--meestal tot vertroosting aangewend,
+als een huwelijk afraakt).
+
+Oude Schepen blijven aan land (oude vrijsters vinden geen man).
+
+Schoon S-- maken (zijn maag van het overtollige ontlasten).
+
+Klein S--, klein zeil (kleine huishouding, kleine zorgen).
+
+Het kan beter van een S-- dan van een schuit (rijken kunnen het beter
+missen dan behoeftigen).
+
+Het S-- dragende houden (zich in denzelfde staat houden).
+
+Zie verder Scheep, Scheepsch, Scheepjen, Zeeschip, enz.
+
+Schipbreuk, z. n. v. -- Verlies van een Schip dat strandt of
+vergaat. Het woord wordt zelden anders gebezigd dan als onderwerp van
+het w. w. lijden of ondergaan. Zy hebben op een bank S-- geleden. De
+bepalingen van hetgeen by S-- in acht genomen moet worden zijn te
+vinden in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, Art. 545-568.
+
+Spreekwijze: S-- lijden. (Missen, of verliezen wat men beöogd of
+gewenscht had). Zoo: S-- lijden in zijn verwachting.--Zijn uitzichten
+leden S-- op den tegenzin des mans, van wien de vervulling daarvan
+afhing.
+
+Schipbrug, z. n. v. -- Brug, over een rivier, uit nevens elkander
+liggende platboomsschuiten met planken belegd samengesteld.
+
+Schipper, z. n. v. -- Gezachvoerder op een koopvaardy- of ander schip,
+dat niet ten oorloge is uitgerust. Ook aan hem, die een schuit voert,
+wordt de naam van S-- toegekend. BeurtS--, VeerS--, TurfS--, S-- op
+een trekschuit. Aan boord van een oorlogschip, is de S--, de hoogste
+dekofficier, belast met het bestier van alle scheepswerk, en het beheer
+der scheepsbehoeften. Zie Ouwe (de). De rechten en verplichtingen
+van den S-- zijn aangewezen in het Wetb. van Kooph. Boek I, Tit. V.,
+Afd. III, Art. 91-98, en Boek II, Tit. III, IV Art. 341-452 en in
+Art. 8, 9, 10, 12, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 37, 38, 54, 55,
+59, 60, 61, 62, 69, 153, 205, 209, 210, 211, 212, 221 en 231 der
+Alg. Wet van 26 Aug. 1802.
+
+Spreekwijze: Hy is S-- te voet geraakt (hy is afgezet, van zijn
+bediening ontslagen).
+
+Hy is S-- en stuurman tevens. (Hy neemt de besluiten en voert ze
+uit. Zoo zegt Hooft van Prins Willem I "dat Godt hem wijsheid en
+wakkerheid verleende, om als Schipper en stuurman tevens, in d'
+uiterste raet, zoowel heilsame order te geven, als gedurighlijck aen
+'t roer te staen.")
+
+S--s pozen niet wanneer zy onder zeil zijn. (Knappe lieden laten een
+zaak niet varen die zy begonnen hebben.)
+
+Schipperen, b. w. -- Uitvoeren, verrichten: alleen gebruikelijk in de
+
+Spreekwijzen: Iets S-- (iets klaren, beredderen.)
+
+Ik zal dat wel S-- (wel zorgen, dat de zaak te recht kome).
+
+Schippersboek, z. n. o. -- Inventaris van aan boord zijnde
+scheepsbehoeften.
+
+Schippershut, z. n. v. -- Hut op de koebrug, tot logies voor den
+Schipper.
+
+Schoen, z. n. m. -- Zie Smeerhouten.
+
+Schoener, z. n. m. -- Zie Schooner.
+
+Schoffels, z. n. m. mv. (veroud.) -- Golven, baren, als over elkander
+Schoffelende of schuivende.
+
+Schoft, z. n. v. -- Werktijd. Hoeveel S-- heeft dat werk geduurd?
+
+Schok, z. n. o. -- Een twintig- of zestig tal. Een S-- bloks. Een
+S-- klaphout.
+
+Schokken, o. w. -- Stooten, aanstooten. De ra Schokt tegen den mast.
+
+Schol, z. n. m. -- Zekere zeevisch.
+
+Spreekwijze: Hy droomt van S-- en hy eet platvisch (hy stelt zich
+vrij wat voor; maar het komt sober uit.)
+
+"Wat breeder dingen zijn dat?" vroeg Jan Oom, en hy zag drie S--len
+in een schotel liggen (ziet op de dwaze verwondering, die sommigen
+over de meest gewone zaken aan den dag leggen).
+
+Schol, z. n. v. -- 't Zelfde als Schor, maar meer bepaaldelijk voor
+ijsklomp genomen.
+
+Scholen, o. w. -- Zich in groote menigte verzamelen: wordt van visschen
+gezegd. De haringen S-- omtrent die kust.
+
+Scholken, o.w. (veroud.) -- Hol gaan. De baren beginnen te S--
+(onstuimig te worden).
+
+Schommel, z. n. m. of Wipper. -- Hangend touw, waar een matroos in
+zit of hangt als hy aan 't werk is.
+
+Schommelen, o. w. -- Heen en weder slingeren. Het S-- van een schip.
+
+Schoof, z. n. v. -- 1o. Verzameling van al de deelen, waaruit een
+sloep is samengesteld, en welke men somtijds in een schip brengt,
+om ze, wanneer het noodig is, weder in elkander te zetten.
+
+2o. Duigen tot vaatwerk.
+
+School, z. n. v. -- Verzameling. Een S-- visschen. De haringen zwemmen
+by S--en.
+
+Schoon, b. n. -- Fraai, rein, helder. Van de zee gezegd, beduidt het:
+zonder klippen. De zeestraat is vrij breed en volmaakt S--.
+
+Spreekwijze: S-- schip maken. Zie Schip.
+
+Schooner, z. n. m. -- Klein tweemastvaartuig. KoopvaardyS--,
+OorlogsS--; S--brik (brik van zes tot acht stukken).
+
+Schoor, z. n. m. -- Stijl, stut: meer bepaaldelijk stuk houts,
+dienende 1o. tot ondersteuning of stut van een schip, dat in aanbouw
+is of hersteld wordt.
+
+2o. Tot vorming van kruisverbanden.
+
+Schooren, b. w. -- Stutten, onderschragen.
+
+Schoot, z. n. m. -- Touw, aan den benedenhoek van ieder zeil
+vastgemaakt en dienende om het te spannen. De S--en zijn van
+elkander onderscheiden door de namen der zeilen, waar zy aan vast
+zitten. Groote S-- (van het grootzeil.) Bezaan-, marszeil-, bramzeil-,
+kluiverS--. Aangehaalde S-- (die zoo strak mogelijk staat.) Tusschen
+twee S--en zeilen (voor de wind zeilen.) Op de S-- halen, de S--en
+voorhalen (ze stijf halen.) Den S-- geheel op zijn gat aanhalen
+(dien geheel toehalen.) Zie Ruimschoots.
+
+Spreekwijze: Met vaste S-- in zeilen (volharden in vooruitstreving). De
+S-- in tijds los gooien (zich tijdig voor gevaar hoeden). Hy is S--
+gegaan (hy is weggeloopen).
+
+Schootblok, z. n. o. -- Het Blok van den Schoot.
+
+Schoothoorn, z. n. m. -- Onderste hoek van een zeil, waar de Schoot
+aan vast zit.
+
+Schootknechten, z. n. m. mv. -- Het hout, waar de Schoten aan
+verbonden worden.
+
+Schor, z. n. v. -- Droogte, zandbank, buitendijks gelegen strand.
+
+Schorten, b. w. -- Ophouden, in elkander sluiten. Dat schip is wel
+Geschort (het zit van achteren goed in een).
+
+Schot, z. n. o. of Beschot. -- Planken afsluiting in een schip,
+waardoor de bestaande ruimte wordt afgedeeld. Los S--, loos S--
+(dat weggenomen kan worden.) Vast S-- (dat niet te bewegen is). Men
+begint de S--en van dat schip te zetten.
+
+Spreekwijze: Ik zal daar wel een S--jen voor zetten (ik zal dat
+wel beletten).
+
+Schot, z. n. o. -- Voortgang. S-- geven (bot geven, laten schieten).
+
+Schot, z. n. o. -- De daad van schieten, de ontploffing, de lading,
+en het gevolg van het schieten. Daar valt een S-- (daar wordt
+geschoten). Het eerste S-- trof den mast van het vyandelijk schip. Hy
+kreeg het geheele schot in zijn borst. Hy is aan dat S-- bezweken. Zie
+voorts DagS--, AvondS--, NachtS--, SaluutS--, SeinS--, NoodS--.
+
+Schot, z. n. m. -- Voortgang. Wy raakten door dien S-- vrij van
+het havenhoofd.
+
+Spreekwijze: Er is geen S-- in 't werk (het gaat niet vooruit).
+
+Schotbout, z. n. v. -- Gekromd yzeren werktuig, dienende om planken
+te buigen en te voegen. Een plank door middel van S--n aanbrengen.
+
+Schots, z. n. v. -- Drijvende ijsklomp.
+
+Schotsch, bw. -- Scheef, verkeerd.
+
+
+ En hoe het S-- of scheef moog gaan,
+
+
+zegt Bild. ergends.
+
+Schotspijker, z. n. m. -- Soort van Spijker met een ronden kop,
+00,54 el lang.
+
+Spreekwijze: Er een handvol S--s onder smijten (beuzelingen in 't
+gesprek mengen.)
+
+Schout by nacht, z. n. m. -- Hoofdofficier by de Marine, in rang
+volgende op den Vice-Amiraal. Schout komt van schouwen, toezien,
+in 't oog houden, en zoo was de S-- oudtijds de bevelhebber, wiens
+plicht het was, by nacht toe te zien;--gelijk de Vlootvoogd zulks
+by dag deed. De S--b--N-- beveelt de voorhoede en geleidt de vloot
+in de opgegeven koers. Hy voert by nacht een lantaarnlicht onder de
+kruismars. Het oude scheepsrijmpjen zegt, van den S--b--N-- sprekende:
+
+
+ Om by nacht goed vloot te houen.
+ Moet ge 't licht vooruit beschouwen.
+
+
+De naam van S--b--N-- werd vroeger schertsender wijze ook wel aan
+vroedvrouwen gegeven.
+
+Schout by nachtschip, z. n. o. -- Schip, dat den Schout by Nacht aan
+boord heeft. Hy diende op het S--.
+
+Schout by nachtsvlag, z. n. v. -- Wordt aan de kruissteng gevoerd.
+
+Schouw, z. n. v. -- Bak, hengst, pont of praam. Eigenlijk open bak,
+die over 't water geschouwd, d. i. "getrokken" wordt. Haagsche S--
+(benaming eener plaats aan den Rijn, waar vroeger een overhaal of S--
+was). Later gebezigd voor allerlei kleine open schuiten. ModderS--,
+MistS--, MolenS--.
+
+Schraag, z. n. v. -- Stut, steun.
+
+Schraal, b. n. -- Sober, weinig bevorderlijk, en van daar: ongunstig,
+bar, guur. De wind was maar S-- (was niet zeer gunstig). 't Is S--
+weer ('t is bar, guur weer).
+
+Schraapyzer, z. n. o. -- Zie Schraper.
+
+Schragen, b. w. -- Stutten, steunen.
+
+Schralen, o. w. -- Inkrimpen: wordt de wind gezegd te doen, als hy
+minder gunstig begint te waaien ter bevordering van den koers van
+het vaartuig. De wind begon merkelijk te S--.
+
+Schrapen, b. w. of Schrappen. -- Afkrabben: met een krabber of Schraper
+schoon maken.
+
+Spreekwijze: Alles naar zich toe S-- (alles tot zich halen, zonder
+op de middelen te letten).
+
+Schraper, z. n. m. -- Schrapper of schraapyzer, krabber. Klein
+driehoekig, dun en overal scherp yzer, waarmede het pik van de schepen
+wordt afgehaald.
+
+Schrappen, b. w. -- Zie Schrapen.
+
+Schrapper, z. n. m. -- Zie Schraper.
+
+Schrikken, b. w. -- Byvieren, een gespannen touw voorzichtig vieren. De
+kabelaring S-- (haar ophouden, ten einde die los te krijgen wanneer een
+bocht daarvan om het spil onder de andere bocht is vastgemaakt). Vier
+een el of wat by! S--! steek een el of vier! S--! laat gaan en
+stop! (kommandoos).
+
+Schrikrollen, z. n. v. mv. -- Rollen, in de klampen van den kaapstander
+geplaatst.
+
+Schrobben, b. w. -- Van vuiligheid bevrijden. Een schip S-- (de
+buitenkant ontlasten van het vuil, dat er is aangegroeid).
+
+Schrobber, z. n. m. -- Werktuig, waarmede geschrobd wordt.
+
+Schrobnet, z. n. o. -- Soort van vischnet, waarmede de zee als
+geschrobd wordt.
+
+Schrobtijd, z. n. m. -- De tijd van February tot September, wanneer
+de tarbot en schol gevangen wordt, waartoe men zich van Schrobnetten
+bediende. Zie Overloopen.
+
+Schrobvisschery, z. n. v. of Korde-Visschery. -- Visschery, die met
+Schrobnetten geschiedt, en uithoofde zy het voortteelen van den visch
+belemmert, by herhaalde plakkaten verboden is.
+
+Schrobzaag, z. n. m. -- Soort van handzaag met een recht handvatsel,
+by de scheepstimmerlieden en kuipers in gebruik om ronden te zagen.
+
+Schroef, z. n. m. -- Houten of metalen staafjen, spiraalswijze gesleufd
+en dienende om in een op gelijke wijze gesleufd gat of moer te worden
+ingelaten.
+
+Schroefbouten, z. n. v. mv. -- Bouten, aan het vooreind met een
+schroefdraad voorzien, waarop een moer geschroefd wordt.
+
+Schrooien, b. w. -- Slieren, ergends over heen halen. Weinig meer
+gebezigd dan in
+
+Schrooitouw, z. n. o. -- Touw, gebezigd om een vat of ander cylindrisch
+gevormd lichaam over een helling te doen rollen.
+
+Schroot, z. n. o. -- Allerlei brokken oud yzer, dat in blikken bussen
+in 't kanon geladen wordt. Met S-- laden.
+
+Schrijver, z. n. m. -- Beämbte aan boord, die met het houden der
+registers, enz. belast is.
+
+Schuifblinde, z. n. o. -- Byzonder soort van zeil, dat op den kluiffok
+gezet en binnen het vaartuig geborgen wordt.
+
+Schuifknoop, z. n. m. -- Zie Slipsteek.
+
+Schuim, z. n. o. -- Zie Zeeschuim. By de dichters ook wel voor de
+zee zelve genomen.
+
+Schuimen, z. n. o. -- Schuim opwerpen. De zee is hevig aan 't S--.
+
+Schuinsch, b. n. -- 't Zelfde als Dwarsch. Zie ald. S--e linie:
+(wanneer ieder schip van een eskader gelijk met de loefbil van het
+voorschip zeilt).
+
+Schuit, z. n. v. -- Algemeene benaming van alle kleine vaartuigen. Zie
+BunS--, VischS--, TrekS--, enz. Een open S--. Een lekke S. De Leydsche
+S-- (de veerS--, die op Leyden vaart).
+
+Spreekwijze: Het kan beter van een Schip dan van een S--. Zie Schip.
+
+Ga uit mijn S-- gy bederft de vracht (verlaat mijn gezelschap; want
+gy bederft mijn genoegen, of mijn voordeel).
+
+Ontzeg geen vracht, eer de S-- vol is (sla geen voordeelige kansen af,
+zoo lang gy niet van uw fortuin verzekerd zijt).
+
+De S-- lek varen. Zie Kooi.
+
+Als de bruid is in de S-- dan zijn de mooie praatjes uit (als de bruid
+getrouwd [in de huwelijksS--] is, dan houden de komplimenten op: of,
+overdrachtelijk: als men eens zijn zin heeft verkregen, steurt men
+zich aan geen beloften meer).
+
+Van de boot komt men in de S--. Zie Boot.
+
+Hy komt in mijn S-- (hy wordt mijn meening, mijn stelsel toegedaan).
+
+Geen S-- zoo dicht, of er komt wel een lek in (het is moeilijk een
+geheim te bewaren).
+
+Schuitevoerder, z. n. m. -- Schipper, bestuurder van een Schuit.
+
+Schuitjen, z. n. o. -- Kleine Schuit.
+
+Spreekwijze: Wy zijn in het S-- en moeten meêvaren (wy hebben de zaak
+eens begonnen, en kunnen nu niet terug).
+
+Hy vaart met my in eene S-- (hy is met my van 't zelfde gevoelen).
+
+Hy houdt zich of hy gek was en laat zijn S-- vol loopen (hy slaat
+als zonder erg den drank naar binnen).
+
+Schuiven, o. w. -- Als met moeite over iets heen gaan. Met het schip
+over den grond S--.
+
+Schulpen, z. n. v. mv. of Schelpen. -- Schaaldieren, die zich aan de
+buitenhuid der schepen vasthechten.
+
+Spreekwijze: De S-- wassen op zijn neus (hy heeft lang ter zee
+gevaren).
+
+Schulpzaag, z. n. v. -- Soort van Zaag, dienende om balken in 't lang
+te zagen.
+
+Schuren, b. w. -- Wordt het stroomend water gezegd den oever te doen,
+als het daar met kracht langs gedreven wordt.
+
+
+ D'Eufrates zeker, schoon hy sneller voort komt breken
+ Uit Nisus bergspelonk en schuurt de vruchtbre streken
+ Van 't rijke Armenië.
+
+ Antonides, IJstroom.
+
+
+Schuring, z. n. v. -- De daad, of de uitwerking van het Schuren.
+
+
+ De vogelwijk, de schrik der schelmen, recht in d' oogen
+ Der stad gelegen, heeft op 't water meê vermogen,
+ Dat hier in naauwer kreek geschoten en geparst,
+ Met grooter schuuring weêr in ruimen boezem barst.
+
+ Antonides, IJstroom.
+
+
+Schut, z. n. o. -- voor Geschut. Zoo zingt Huyghens:
+
+
+ Kijck, de takels en de touwen
+ En de vlaggen en het Schutt
+ Staan en pruylen in den rouwen.
+
+
+Schutschepen, z. n. o. mv. -- Schepen, die Geschut waren (veroud.). Wy
+vinden die gesteld tegen over "ongemonteerde" in de "ordonnantie der
+Staten van Holland en Westfriesland, dienende tot versekering van de
+schepen uyt dese landen de do 6 Maart 1602?"
+
+Schutsluis, z. n. v. -- Sluis, waardoor het water Geschut wordt.
+
+Schutten, b. w. -- Afweeren, stuiten: het water beletten verder
+te gaan.
+
+Spreekwijze: Dat Schut ik (dat zal ik tegenhouden, zoo lang ik kan).
+
+
+ Dutten; sprak mooi Heintje, dutten!
+ Stilte maats, een poosje min.
+ Dutten! neen, dat moet ik schutten,
+ Bin ik anders die ik bin.
+
+ Huyghens.
+
+
+Schijf, z. n. v. of Blokschijf. -- Houten of yzeren ronde en
+cylindrische plaat, met een sleuf in haar omtrek, dienende om er
+een touw in te bergen, wanneer zy binnen een blok vast zit of los
+draait om een spil, die door haar middelpunt loopt. Pokhouten S--,
+metalen S--, gegoten yzeren S--.
+
+Spreekwijze: Het loopt over veel Schijven (het is onverschillig wat het
+kost, dewijl zoo velen er aan betalen:--om dat een touw, dat door veel
+bloks, en dus over vele Schijven loopt, gemakkelijker te hanteeren is.
+
+Zijn gat gaat op Schijven (hy leeft als een heertjen).
+
+Het S--jen is in 't blokjen (de zaak is in orde).
+
+Sein, z. n. o. -- Teeken, dat in zee of van de kusten gegeven wordt,
+om bevelen te geven of waarschuwingen te doen of te beäntwoorden. De
+S--en worden gedaan, 't zij met enkele, 't zij met boven elkander
+geplaatste vlaggen, 't zij met lantarens, vuurpijlen, schoten, of
+zelfs met zeilen op een byzondere wijze gesteld. DagS--en (die met
+vlaggen, wimpels, enz. gedaan worden.) NachtS--en (die met lantarens,
+vuren, enz. gedaan worden.) MistS--en (die met het lossen van geschut,
+klokgelui enz. gedaan worden.) Een S-- geven, dat men in nood is. Zie
+NoodS--, S--toren.
+
+Seinboek, z. n. o. -- Register, waarin alle dag- en nachtSeinen
+staan opgeteekend.
+
+Seinen, o. en b. w. -- Seinen doen, teekens geven. Een kust, een klip
+S-- (door teekens te kennen geven, dat men die heeft ontdekt). Onze
+voorzeilers Seinden den vyand des morgens ten acht ure.
+
+Seinschip, z. n. o. (veroud.) -- Adviesjacht, snelzeilend vaartuig,
+dat teekens of lasten overbrengt.
+
+Seinschot, z. n. o. -- Schot, dat tot Sein dient.
+
+Seintoren, z. n. m. -- De torens zijn ook meermalen gebruikt,
+om daarvan Seinen te geven. Zoo lezen wy o. a. in de Resol. van
+HEd. Gr. Mog. in do 3 Aug. 1673: "Wanneer eenighe vyandlijcke scheepen
+voor de wal gesien werden, zal van den toren worden geseint, by nacht
+met een vuur, by dagh met een mande; ende by dagh soowel als by nacht,
+vier quartier uurs aan den anderen, een schot geschoten worden enz."
+
+Seinvlag, z. n. v. -- Vlag, waarmede Sein gedaan wordt.
+
+Seinwachter, z. n. m. -- Wachter hoedanige er, van afstand tot afstand
+op de kusten geplaatst, van de hoogten uitzien wat in zee voorvalt
+en daarvan bericht geven.
+
+Seizen, b. w. -- Aangrijpen, vatten 't Eng. to seize, 't
+Fr. saisir. Meer bepaald 't vast maken van touwen. De kabelaring S--
+(die door Seizings by de muizingen aan het ankertouw vastmaken).
+
+Seizing, z. n. v. -- Min of meer breede, platte, met een punt
+uitloopende streng, dienende om eenig voorwerp te Seizen of te
+vatten. RifS--s, (die dienen om de plooien van een gegrid zeil op
+de ra te bevestigen. KabelaringS--s (die overal van gelijke dikte
+zijn en dienen om een ankertouw samen te houden). S--s aanbrengen,
+aanleggen (er de kabels mede omwinden).
+
+Sent, z. n. v. of Lijst. -- Gording, tijdelijk dienende op het
+geraamte van een schip in aanbouw, om de spanten op hun plaats te
+houden. S--en van den aanbouw (algemeene benaming van al die S--en,
+wier bestemming het is, den omtrek der aanvullingsspanten aan te
+wijzen en de zeegt zoo van het barghout als van de beplanking,
+'t zij der kiel, 't zij van het bovenschip, te bepalen--en die
+weggenomen worden naar mate de beplanking vordert.) S--en aan boord,
+SpanS--en:--S--en op de mal, malS--en. KimS--, SnijS-- (die, door de
+uitersten der vrangen loopt). VlakS--, vloerS-- (tusschen de kims-
+en de kiel geplaatst). ScheerS--. S-- der grootste wijdte (die
+zich op de grootste wijdte van het schip aansluit) 2e, 3e, 4e S--
+(die tusschen de scheer- en kimS-- geplaatst zijn). S--en van het
+levend gedeelte, verschansingS--en, bovenS--en (die dat gedeelte
+van een schip omlijsten, 't welk nimmer onder water komt). TopS--
+(de bovenste dier S--en). S-- van de gilling, (zie Rahout). Bovenste
+S--, S-- van het potdeksel. VertuiningS--en, S--en van den bak,
+van het half dek en de kampanje.--TusschenS--en. Vlakke S--, S--
+van enkele kromming. S--en scheren, omscheren, vastmaken, aanspijkeren.
+
+Serving, z. n. v. -- Bekleeding, van strengen gevlochten. 't Woord
+is van 't Eng. to serve, bewaren.
+
+Sim, z. n. v. -- Touw, snoer:--ook de top van de kurk, die boven den
+hoek van een hengelsnoer op het water drijft.
+
+Spreekwijze: Iemand onder de S-- hebben: (hem in zijn macht, in zijn
+bedwang houden).
+
+Simplankjen, z. n. o. -- Plankjen, dat tot klos dient en waar men
+garen om heen wint om netten te breien.
+
+Sisser, v. n. m. -- Zie Monnik.
+
+Sjampan, z. n. v. -- Klein Sineesch roeivaartuig met een zeil.
+
+Sjappen, b. w. -- Merken, teekenen, b. v. te vellen hout.
+
+Sjorren, b. w. -- Met trossen of lijnen vastbinden.
+
+Spreekwijze: Ergends mee Gesjord zetten (ergends aan vast zijn,
+op een lastige wijze ergends toe verbonden zijn).
+
+Sjorring, z. n. v. -- Band, vastnajing: daad, of gevolg van het binden,
+samentrekking van twee kabels door middel van een dunner touw. Gewone
+S-- van het geschut. S-- van het geschut op dubbele talies.--S--
+der stukken met koptouwen en krabbers.--S-- langs boord.--S-- met de
+keerbroeking of looze broeking, S-- der karronaden, S-- der hangmatten.
+
+Sjort. -- (komm.) t. w., als er vastgemaakt is en men alles een tijd
+lang stijf moet houden.
+
+Sjortouw, z. n. o. -- Touw, tot Sjorren gebezigd.
+
+Sjouw, z. n. m. -- Ruk, Rol. Vlag in S-. Zie Vlag.
+
+Spreekwijze: Aan de S-- zijn (aan de rol zijn, zwieren).
+
+Sjouwen, o. en b. w. -- Rukken, trekken, zwaar werk doen. Wy moeten
+dat pak hier heen S--. Er viel wat aan te S--.
+
+Sjouwer, sjouwerman, z. n. m. -- Man, die voor weinig loon, allerlei
+werk doet. S--s. (Manschappen, die men in daggeld, by 't optuigen,
+laden of ontladen aan boord neemt, en die niet tot de equipaadje
+behooren.)
+
+Spreekwijze: 't Is een S-- ('t is een sukkel: ook: 't is een
+liederlijke vent).
+
+Skoridor, z. n. m. -- Italiaansch vaartuigjen, dat maar een mast en
+een zeer groot zeil voert.
+
+Slaags, bw. -- 1o. Aan 't vechten. Zy raakten S-- op de hoogte van
+Kamperduin (zy kwamen in 't gevecht voor Kamperduin).
+
+2o. Klaar, zeilreê. Door de naauwte van het vaarwater kan men te dier
+plaatse by westelijke winden niet S-- geraken.
+
+Slaak, z. n. o. -- 1o. Stroom, kil. De slag op het S--.
+
+2o. Plaats, waar de zee by onstuimig weer stil en effen is.
+
+Slaan, b. w. -- 1o. Slag leveren, verslaan. Den vyand op de vlucht
+S--. Die Amiraal heeft zich laten S--.
+
+2o. Roeren, aanraken. De zeilen S-- tegen de mast. Het water Slaat
+tegen den voorsteven. De trom S-- (de trom roeren, trommelen.) Allarm
+S-- (door een herhaald geroffel 't volk te wapen roepen.) Appèl S--
+(de manschappen doen opkomen.) De veldmarsch, de generale marsch,
+de stormmarsch S--. De reveille S--.
+
+3o. Omleggen, vastmaken. Een touw om een hout S--.
+
+4o. Vervaardigen. Touw S-- (touw maken).
+
+5o. Geluid geven. De klok Slaat.
+
+Spreekwijzen: Zijn tong Slaat dubbel, of Slaat yzer (men kan aan zijn
+praat wel hooren, dat hy beschonken is).
+
+Hy heeft de klok hooren S--, (hy heeft er iets van vernomen).
+
+Slabber, z. n. m. (veroud.) -- Buisjen.
+
+Slabbing, z. n. v. of Woeling. -- Bewindsel der kabels in de kluizen.
+
+Slag, z. n. m. -- 1o. Stoot, schok. De S-- van het water (het slaan
+van het water tegen 't schip of eenig ander voorwerp). Een S-- aan
+bakboord doen (aan bakboord op roeien).
+
+2o. Strijd, gevecht. Zy zijn aan den S-- geweest. Zie Zeeslag.
+
+3o. Touwbelegging. Ronde S-- (wanneer men een touw om het een of
+ander heenslaat, zonder het verder vast te maken). Beting S--, S--
+om de beting (wanneer men een ankertouw om de beting slaat, ten einde
+het schip met het anker te verbinden). S-- in het touw (wanneer twee
+ankertouwen in elkander verward raken).
+
+Spreekwijze: Ergends een S-- in slaan (er naar raden).
+
+Ergends S-- van hebben (iets met handigheid doen, ergends bekwaam
+toe zijn).
+
+4o. of Gang. Korte, lange S--en doen. Een S-- voortzetten. Zie Gang.
+
+Slagbed, z. n. o. -- Bedding, gelegd of geslagen voor een schip,
+dat af zal loopen.
+
+
+ De scheepsboukonstenaer helpt dus het oorlogsvlot
+ Eerst aen 't bewegen, viert weerzijts het slagbed bot.
+
+ Antonides. IJstroom.
+
+
+Slagboog, z. n. m. of Slag, gang. -- Een goeden S-- doen (by
+'t laveeren.)
+
+Slagvaardig, b. n. -- Gereed tot het gevecht.
+
+Slagverband, z. n. m. -- Plaats op de Koebrug, waar de gekwetsten
+worden verbonden.
+
+Slagwater, z. n. o. -- Zogwater, opborreling.
+
+Slagwind, z. n. m. -- Schrale, onbestendige wind.
+
+Slagzij, z. n. v. -- De zwakke zijde van een schip: de zijde, waar het
+zonder bepaalde aanleiding, naar overhelt. Dat schip heeft een S--,
+dat schip loopt scheef.
+
+Slaken, b. w. -- Losmaken, lossen. De zeilen S--. Het geschut S--
+(veroud.).
+
+Slang, z. n. v. -- 1o. Soort van geschut.
+
+2o. Zeildoeksche of lederen buis tot waterleiding voor de pomp,
+den brandspuit, enz.
+
+Slap, b. n. -- Wordt een schip genoemd als het niet luistert naar den
+wind,--een touw, als het niet gespannen is,--en een wind, die zwak
+is. Dit schip is S-- op zijn roer (is lafwindig.) Dat touw hangt S--
+(los.) De wind is S-- (waait niet door).
+
+Slapers, z. n. m. -- Stukken hout, die met hun lengte min of meer
+langsscheeps en in de voor- en achtervoegen tegen de binnenoppervlakte
+der inhouten geplaatst worden. By het stampen, doen zy de dienst van
+bogen, door de indrukken der achterbogen tegen te gaan. Men kan aan
+elke zijde des stevens twee, drie of meer S-- plaatsen, die aan de
+deelen, waarop zy liggen, worden vastgebout. Ook de stutten van de
+beting, en die van 't braadspil worden S-- genoemd. Oorspronklijk
+is Slaper de eigenaardige benaming van hetgeen alleen in tijd van
+nood dient en behulp kan verleenen. Zoo wordt een binnendijk een S--
+genoemd; om dat hy, zoo lang de buitendijken de zee af keeren, van
+geen dienst is en eerst dan van nut is, of als 't ware wakker wordt,
+wanneer het water door de buitendijken heen gedrongen is.
+
+Slapping, z. n. v. -- Oud touwwerk, dienende tot bekleeding van kabels.
+
+Slavenhaler, z. n. m. -- Schip, dat ingericht en bestemd is om Slaven
+van de Westkust van Afrika af te Halen en naar de Slavenmarkten
+te vervoeren.
+
+Slecht, b. n. -- Glad, effen, waarvan Slechten, S-- water (effen
+water).
+
+Slechten, o. w. -- Vlak, effen worden. De zee wordt gezegd te S--,
+wanneer zy valt en de windstreek volgt.
+
+Slechten, b. w. -- Effenen, gladmaken. Een plaat S--. Den ballast S--
+(dien gelijk pakken).
+
+Slechtjen, z. n. o. -- Tusschenpozing tusschen zee en wind. Wy zullen
+van het S-- gebruik maken.
+
+Slede, z. n. v. -- Werktuig, waarmede of waarvan iets gesleept
+wordt. KaronnadeS--, S-- waarop een schip afloopt. Zie Bedding.
+
+Sleepboot, z. n. v. of stoomsleeper. -- Stoomboot, tot het in- of
+uitboegseeren van vaartuigen dienende.
+
+Sleepen, b. w. -- Trekken, op 't sleeptouw nemen. Die schepen konden
+niet verder komen. Zy moesten zich laten S--.
+
+Sleeper, z. n. m. -- Benaming, die aan de waterschepen en aan de
+schippers daarvan gegeven plach te worden, omdat zy doorgaands
+elkander voortsleepten.
+
+Sleephelling. Helling, waar de schepen worden opgesleept tot
+herstelling.
+
+Sleeptouw, z. n. o. -- Touw, waarmede Gesleept wordt. Een vaartuig
+op het S-- hebben (het aan een kabel voorttrekken).
+
+Spreekwijze: Iemand op 't S-- hebben (met zich mede voeren).
+
+De zaken op 't S-- houden (ze slepende houden, ze onafgedaan laten).
+
+Sleeptros, z. n. m. -- Sleeptouw, boegseertouw. Wy vierden een end
+met een boei af om den S-- aan onzen prijs te geven.
+
+Sleetsch, b. n. -- Wat versleten of wrak is. Dat touw is half-S--.
+
+Slemphout, z. n. o. -- Opstapeling van hout, aan den voor- en
+achtersteven, dienende tot vulling der hoeken, door kiel en steven
+gevormd, en tot verband van beiden. VoorS--. AchterS--.
+
+Sleng, z. n. v. -- Koromandelsch vaartuig.
+
+Sleuf, z. n. v. -- Smalle gootswijze loopende inkeeping. S-- van het
+roer, S-- van de hieling van een steng.
+
+Steutelstuk, z. n. o. -- Wigvormig aanvullingsstuk, dat met kracht
+tusschen de vrangen der verschillende spanten zoo in 't midden als
+aan de uiteinden wordt ingedreven, om ze op vereischten afstand te
+houden. S--ken op de vergaring der vrang. Kalven, S--ken van de kiel
+(veroud.). De S--ken vormen ook een deel van sommige kruisverbanden.
+
+Sleutel van het tuig, z. n. m. -- Naam, die zeer eigenaardig aan den
+boegspriet gegeven wordt.
+
+Slib, z. n. v. -- Kroos, modder.
+
+Spreekwijze: S-- vangen: (niets vangen, zijn oogmerk niet beschieten,
+een verkeerde uitkomst hebben).
+
+
+ En krijge we dun slip
+ En wroete leegh naar huys, dat moete we verdrage.
+
+ Huyghens, Hofwijck.
+
+
+Slieren, o. w. -- Doorslieren, wegglijden, doorglijden. Het touw
+Sliert door de seizings.
+
+Sliersteek, z. n. m. -- Zie Slipsteek.
+
+Slimmering, z. n. v. -- Bederf of vermindering van koopwaren.
+
+Slingeren, o. w. -- Zich beurtelings over bak- en stuurboord bewegen,
+ten gevolge der persing van de golven tegen het scheepsboord.
+
+
+ En recht gelijk een schip op 't water, door 't vergissen
+ Des stuurmans, heen en weer geslingerd wordt.
+
+ Vondel, Faëton.
+
+
+Slingeren, b. w. -- Smijten, slaan. Het schip werd door de golven
+tegen de rots Geslingerd.
+
+Slingerpardoen, z. n. v. -- Zie Pardoen.
+
+Slingerslag, z. n. m. -- Wijze om een touw of looper om den mast
+of om een kruishout zoodanig vast te houden, dat men het door een
+Slinger los kan gooien.
+
+Slippen, o. w. -- Wegglijden, doorglijden. Zy lieten het touw S--. Zy
+lieten het uit het kluisgat wegglijden: 't geen gebeurt, wanneer men,
+een goed heenkomen zoekende, geen tijd heeft om het anker te winden
+en liever het touw laat S-- om los te komen.
+
+Spreekwijze: Iets laten S-- (iets opgeven, er van afkomen).
+
+Slipper, z. n. m. -- Gebezigd in de uitdrukking een S-- maken
+(laten slippen).
+
+Spreekwijze: Hy maakt een S-- (hy maakt zich ongemerkt uit de voeten).
+
+Slipsteek, z. n. m. -- Sliersteek, Schuifknoop: Soort van open strik,
+gebezigd om een voorwerp onder water te vatten. Met een S-- naar het
+anker visschen.
+
+Sloep, z. n. v. -- 1o. Oorlogsvaartuig met
+schoenertuig. 2o. Roeivaartuig, dat aan boord gehouden wordt, ter
+dienste van het schip op zee of op de reede. Groote S--, WeikS--. De
+S-- in orde brengen. De S-- strijken (haar te water laten). De S--
+aan boord halen. Een Groenlandsche S--. Sloep uit! (komm. om die uit
+te zetten). S-- in! (om ze binnen te halen).
+
+Sloeproeier, z. n. m. -- Matroos, die by de bemanning eener Sloep
+behoort.
+
+Sloeren, b. w. -- Meten.
+
+Spreekwijze: Het moet zoo wat heen S-- (het moet zoo maar wat gaan).
+
+Slof, z. n. v -- Stuk onder tegen de klit van 't roer aangebracht.
+
+Slofstukken, z. n. o. mv. -- Rechthoekige eikenhouten stukken plank,
+die somtijds onder de wielen der rolpaarden worden ingelaten, om te
+voorkomen dat by slijting het geheele dek vernieuwd moest worden.
+
+Slooien, o. w. -- Zijdelings van het schip afwijken.
+
+Slooiknieën, z. n. v. mv. -- Lange hoekige en gekromde stukken hout,
+dienende om het galjoen aan den voorsteven te verbinden, en aan de
+scheg het Slooien te beletten.
+
+Sloot, z. n. v. -- Watertjen, dat het eene land van het andere scheidt
+en dus afsluit.
+
+Spreekwijze: Iemand van den wal in de S-- helpen (hem geheel verkeerden
+raad geven).
+
+Sloopen, b. w. -- Uit elkander nemen, van stuk tot stuk losmaken. Een
+schip S-- (het afbreken).
+
+Slotgang, z. n. m. -- Zie Scheerstok.
+
+Slotgat, z. n. o. -- Opening in de hieling van den steng, waar het
+Slothout doorgaat.
+
+Slothout, z. n. o. -- Vierkante yzeren bout, die door het lichaam
+van een steng gaat om deze op de langzalings staande te houden. Een
+steng wordt gezegd, het S-- in te hebben voor: zijn hoogte te hebben,
+te staan. De naam van S-- wordt schimpenderwijze aan de soldaten
+gegeven, om dat deze niet langs de pattings, maar door de zwierlings
+(ook "'t soldaten-gat" genoemd) in de mars klimmen.
+
+Sluiken, o. w. -- De belastingen ontduiken.
+
+Sluiker, z. n. m. of Smokkelaar. -- Die verboden waren invoert of op
+andere wijze de belastingen ontduikt.
+
+Sluikery, z. n. v. of Smokkelhandel. -- Handel in verboden goederen,
+of verboden handel.
+
+Sluiper, z. n. m. -- Soort van spijker.
+
+Sluiphaven, z. n. v. -- Door rotsen en geboomte bedekte Haven,
+waar zeeroovers of sluikers zich bergen. Wy verbrandden eenige
+rooversprauwen, die wy in een S-- ontdekten.
+
+Sluis, z. n. v. -- Sluiting, ophouding van het water. Een steenen S--,
+de S-- openen. De schepen liggen voor de S--.
+
+Sluitbout, z. n. m. -- Bout, dienende om iets af-, in- of vast
+te sluiten.
+
+Sluiten, b. w. -- 1o. Met een slot verzekeren, ook eenvoudig: dicht
+maken. De geschutspoorten S--. Het luik S--. De haven S--.
+
+2o. Besluiten, beëindigen. De laatste plank, rib of balk, ergends
+invoegen.
+
+Sluiten, o. w. -- Zich met iets vereenigen. Die houten S-- in elkaâr:
+de planken doen S--. Dat luik wil niet S-- (de kanten vereenigen zich
+niet met de randen om de opening).
+
+Spreekwijze: Dat Sluit als een tang op een varken (dat sluit niet).
+
+Sluithout, z. n. v. -- Knie, geplaatst in den hoek, gevormd door het
+achterslemphout en den achtersteven.
+
+Sluitplank, z. n. v. -- Plank, waarmede de laatste opening gedicht
+wordt.
+
+Sluitstuk, z. n. o. -- Sluiting, vullingstuk. Stuk, dat volkomen
+ergends in past.
+
+Sluittuig, z. n. n. v. -- Zie Sluitstuk.
+
+Slurp, z. n. m. -- Ineengedraaide punt. De strengen van het zwaar
+(anker) touw worden aan het einde er van losgedraaid en afgepluisd,
+zóó dat ze spits toeloopen, dit dient om de zware touwen op elkander te
+kunnen splissen. De S-- van het daagschtouw, van het Tuittouw. Ook de
+loopers worden Geslurpt, om die gemakkelijker in de blokken te steken.
+
+Slurpen, b. w. -- Een Slurp leggen.
+
+Slijtaadje, z. n. v. -- Al wat door 't gebruik Slijt. Men moet zoo veel
+afrekenen voor S-- (voor 't geen door 't gebruik in waarde vermindert).
+
+Smak, z. n. v. of Smakschip. -- Vaartuig, dat zich in de Noordzee
+met de kustvaart en vischvangst bezig houdt. In een S-- wordt alles
+ingeladen, wat te gering is voor groote scheepsbevrachting. Wanneer
+het een marszeil voert, haalt het dit aan op het dek: het heeft geen
+onderra. Bild. in V. leidt het woord van Som-aak, d. i. "vrachtaak"
+af. Winschoten van Smakken, als zijnde het een vaartuig, waarop het
+zeil van het eene boord naar 't ander gesmakt wordt. Men kieze.
+
+Smakken. b. w. -- Smijten, werpen. Iets Buiten boord S--.
+
+
+ Men smack' hem buiten boort
+ Die de gezelligheit der sterfelicken stoort.
+
+ Vondel.
+
+
+ Smack dan het tou af, Kees.
+
+ Huyghens.
+
+
+S-- wordt ook genomen in den zin van Schoiren. Zie ald.
+
+Smakker, z. n. m. -- 't Zelfde als Sukkelaar.
+
+Spreekwijze: Hy is een rechte S-- (hy neemt alles aan, alles is
+hem goed).
+
+Smakschip, z. n. o. Zie Smak.
+
+Smakzeil, z. n. o. -- Zeil van een Smak.
+
+Smal, z. n. o. -- Dun, rank. Dat schip is te S-- van onderen.
+
+Smaldeel, z. n. o. of Eskader. -- Gedeelte eener vloot: of
+getal schepen, onder het bevel van een Vice Amiraal of minderen
+hoofdofficier.
+
+Smaldeelen, b. w. -- Verdeelen. De vloot moet Gesmaldeeld worden:
+(in Smaldeelen verdeeld).
+
+Spreekwijze: Daar veel kinderen zijn, daar Smaldeelt het zoo (daar
+wordt de erfportie geringer).
+
+Smaldoek, z. n. o. -- Doek, dat Smaller is dan zeildoek, en tot
+bekleeding der naden van de luiken dient.
+
+Spreekwijze: Meenje dat het S-- is? (dat het uit een bekrompen beurs
+is gedaan?)
+
+Smarten, b. w. -- Met zeildoek bekleeden.
+
+Smarting, z. n. v. -- Geteerd zeildoek, waarmede men een kabel of het
+rondhout bekleedt om schavieling te voorkomen, S-- op het zwaar touw
+in de kluis.
+
+Smeeren, b. w. -- Met Smeer bestrijken.
+
+Smeergording, z. n. v. -- Looze Gording, dienende om het onderlijk
+van een zeil te beslaan, en om de gewone gordings by sterken wind te
+steunen in het ophalen van het zeil naar het midden van de ra. Een
+zeil met de S--s geien (dichthalen).
+
+Smeerhouten, z. n. o. of Schoen. -- Stukken dennenhout, die hol aan
+de oppervlakte zijn en waar men een mast op legt, om dien te vervoeren.
+
+Smeerlap, z. n. v. -- Lap, waarmede gesmeerd wordt: overdr. gebezigd:
+matroos, of, in 't algemeen al wie er Smeerig uitziet. De arme
+Duitsche voetreizigers wikkelen zich een lap met kaarssmeer om de
+voeten, tegen het doorgaan; dit werd dan ook zoo bevonden by eenige
+tot scheepssoldaat verronselde mofjens; van daar is het aan boord
+een scheepsnaam gebleven.
+
+Smeerplank, z. n v. -- Plank, waar de lijken worden gelegd om ze,
+daarvan af, in zee te doen glijden.
+
+Smeerprop, z. n. m. -- Zware gelijkvormige Prop van dennenhout,
+gewikkeld in werk, dat met kaarsvet besmeerd is, welke Prop dient
+om gaten te stoppen, die door een kogel of op andere wijze in het
+scheepsboord gemaakt zijn. Een schip met S--pen dicht maken. S--pen
+inslaan, insteken.
+
+Smeerrak, z. n. o. -- Zie Byvoet.
+
+Smeersel, z. n. o. -- Mengel van harpuis, zwavel en kaarsvet, dat men
+heet maakt en waar men de buitenhuid van een schip mede insmeert. S--
+voor zeeschepen. S-- voor opgelegde schepen.
+
+Smetsen, b. w. -- Eten, schranssen. Van het leven aan boord sprekende,
+zegt Vondel, Lof der Zeevaart:
+
+
+ Men smetst er viermael daeghs.
+
+
+Smokkelaar, z. n. m. -- Zie Sluiker.
+
+Smokkelen, o. w. -- Zie Sluiken.
+
+Smokkelhandel, z. n. m. -- Zie Sluikhandel.
+
+Smooren, o. w. -- Diep in de golven duiken, waardoor de vaart wordt
+belet. Het schip is achter zijn ankers Gesmoord (in den grond gereden,
+gezonken).
+
+Smijten, b. w. -- Wenden. Wy moeten het over een anderen boeg S--.
+
+Spreekwijze: Hy smijt het over een anderen boeg (hy verandert van
+maatregel, van verdediging, van gedrag enz.)
+
+Smijter, z. n. m. (veroud.). -- Zie Hals.
+
+Snaauw, z. n. v. of Snaauwschip. -- Groot tweemastschip. Het voert
+een kleinen mast, die achter en evenwijdig met den grooten mast onder
+diens mars staat. Deze kleine mast, die S-- of Doodeman genoemd wordt,
+voert een gaffel en een zeil, dat S--zeil heet. Een S-- voert 180 a
+260 en meer ton.
+
+Snaphaan, z. n. m. -- 1o. Knietjen onder de mars.
+
+2o. Schietgeweer.
+
+Spreekwijze: Hy kan beter met de handspaak dan met den S-- te
+recht. (hy is beter matroos dan soldaat.)
+
+Sneb, snebbe, z. n. v. -- Neb, snuit. Zie Neb.
+
+Snebschuit, z. n. v. -- Schuit met een Sneb, gelijk de warmoeziers-
+en boereschuiten.
+
+Snede, z. n. v. of Bit. -- Scherpte aan den boeg.
+
+Snedig, b. w. -- Scherp. Dat schip is S-- in 't zeilen (het zeilt
+scherp).
+
+Snees, z. n. m. -- 1o. Verkorting van Sinees: werd aan boord genomen
+voor: "schacheraar."
+
+2o. Visschers-woord, waardoor het getal van twintig wordt
+uitgedrukt. Hoeveel het S--schelvisch?
+
+Sneeuw, z. n. v. -- Tot week ijs gekristalliseerde regen.
+
+Spreekwijze: Hy kijkt op als of hy S-- ziet branden (hy kijkt
+vreemd op).
+
+Sneezen, o. w. -- Schacheren.
+
+Snel, b. n. -- By Rif gevoegd, brengt de beteekenis mede van
+"half."--Een S--rif in een marszeil.
+
+Snelzeiler, z. n. m. of Hardzeiler. -- Goed bezeild schip, vaartuig,
+dat, met gelijken wind en zeilaadje, meerdere snelheid ontwikkelt
+dan gewone schepen onder dezelfde omstandigheden zouden doen.
+
+Snert, z. n. v. -- Groenerwtensoep: zeer gewone scheepskost.
+
+Snit, z. n. m. -- Soort van kerfbijl.
+
+Snit der zeilen, z. n. v. -- Kunst om aan de zeilen het vereischt
+fatsoen te geven, zoo dat zy gemakkelijk te ontplooien, te richten
+en uit te spreiden zijn.
+
+Snoek, z. n. m. -- Riviervisch.
+
+Spreekwijze: S-- vangen (in het water vallen).
+
+Hy is bedreven als een S-- op zolder (hy heeft er geen verstand van).
+
+Snoeping, z. n. v. (veroud.) -- Spleet of naad tusschen de planken.
+
+Snoer, z. n. m. en o. -- Rijgdraad, of het daaraan geregene.
+
+Spreekwijze: Iemand aan zijn S-- hebben (tot zijn party). Zie Lijn.
+
+Snoeren, b. w. -- Vasthechten, met een Snoer verbinden.
+
+Snuit, z. n. v. -- 't Zelfde als Neb en Sneb.
+
+
+ Een oorlogstroep, gereet, met afgebroke snuiten
+ En lange riemen van verongelukte schuiten.
+
+ Antonides, IJstroom.
+
+
+Snuiten, b. w. -- Iemand te veel geld afnemen, oplichten. Zy hebben
+ons Gesnoten (zy hebben ons by den neus gehad).
+
+Snijden, b. w. -- In den zin van klieven. Zie ald.--De riemen S--
+wordt gezegd, wanneer de riemen by 't uithalen en voor dat men een
+volgenden slag doet, op hun plat en evenwijdig met het water liggen.
+
+Snijveld, z. n. o. -- Plek, waar op het erf der droogers de visch
+gekorven wordt.
+
+Snijwater, z. n. o. -- 1o. Looze boeg, die door het Water Snijdt.
+
+2o. Het water zelf, dat door den boeg Gesneden wordt.
+
+Soen, z. n. m. -- Sineesch oorlogs- of koopvaardyschip.
+
+Soldaat, z. n. m. -- Zie Zeesoldaat.
+
+Soldatengat, z. n. o. -- Opening in de marsen gelaten, om er den
+top en het want van een benedenmast door te laten. Het draagt zijn
+naam daarvan, dat de Soldaten aan boord, als zy naar boven moeten,
+om uit de masten te vuren, liever dien korteren weg nemen dan buiten
+om te klouteren.
+
+Soldy, z. n. v. -- Gaadje, huur.
+
+Sommer, z. n. m. -- Zware eiken balk.
+
+Sop, z. n. o. -- Nat. 't Ruime S-- (de zee).
+
+
+ Duikt niet de zon in 't ruime Sop?
+ Zoekt niet de maan den plas?
+
+
+zingt Tollens in eene zijner Balladen.
+
+Sorlen, o. w. (veroud.) -- Vlieden, zich wegmaken.
+
+Sorteeren, b. w. -- Uitzoeken, ziften. Een lading S-- (wat beschadigd
+of bedorven is uitwerpen en het minst beschadigde gedeelte in goeden
+staat brengen.)
+
+Spaak, z. n. v. -- Stok, spaan. De S--en van een rad. Zie Hand-S--.
+
+Spreekwijze: Een S-- in 't wiel steken (iets verhinderen).
+
+Spaan, z. n. v. -- Stok, met een blad of lepel voorzien. Zie RoeiS--.
+
+Spaanders, z. n. m. mv. -- Splinters, afgebroken stukjens hout.
+
+Spreekwijze: Daar zullen S-- vallen (daar zullen wonden geslagen
+worden).
+
+Spaandershaak, z. n. m. -- Haak, waarmede op de scheepstimmerwerven
+de Spaanders worden weggeschoffeld.
+
+Spaansch spil. -- Zie Spil.
+
+Span, z. n. o. voor Gespan. -- 1o. Twee of meer paarden nevens
+elkander, die een schip of schuit voorttrekken.
+
+2o. Verdeeling van het staande want; twee hoofdtouwen maken een
+S-- uit.
+
+3o. Maat, welke men tusschen den duim en middelvinger bevatten kan.
+
+Spannen, b. w. -- Stijf uitzetten, stellen.
+
+
+ Gezellen, zoo gy wenscht van druck te zijn bevrijt,
+ Gebruikt een maatigh net en spant het niet te wijt.
+
+ Cats.
+
+
+Spant, z. n. o. -- Naam der dikke en dubbele zijstukken, waaruit het
+geraamte van een schip bestaat. OprichtingsS--en (waarvan de bocht
+bepaald wordt naar de raamteekening van het schip.) AanvullingsS--en
+(die tusschen de oprichtingsS--en geplaatst worden.) VoorS--en,
+achterS--en (volgends hun betrekkelijke plaats dus genoemd.) GrootS--
+(dat met den hoofdbalk overeenkomt.) EvenwichtS--en, balanceerS--
+(waarvan de opening berekend is de deelen van het voor- en achterschip
+in zekere verhouding te brengen.) DraaiS-- (welks armen niet loodrecht
+staan op het dwarsvlak van het schip.) RechtS--, achterraaiS--,
+loodrechtS--.
+
+Spantbouten, z. n. m. mv. -- Zie Koppelbouten.
+
+Spantstut, z. n. o. -- Oplanger.
+
+Spantvullingen, z. n. o. mv. -- 't Zelfde als Aanvullings-spanten. Zie
+Spant.
+
+Spanwant, z. n o. -- Bestaat uit twee hoofdtouwen, in het want.
+
+Spanzaag, z. n. v. -- Soort van Zaag.
+
+Spar, z. n. v. -- Spier, rechte boomstam; hoedanige tot kleine masten,
+raas of stengen gebezigd worden.
+
+Spartelen, o. w. -- Handen en voeten bewegen in het water, als men
+niet kan zwemmen.
+
+Spatpennetjens, z. n. o. -- Pennetjens, waarmede men de houten stutten
+in het dek vastmaakt.
+
+Spatting, z. n. v. -- Wijdte, breedte. S-- van een anker (afstand
+tusschen de beide bladen van een anker.) S-- der touwen (min of meer
+open hoek, dien de hoofdtouwen met den mast vormen).
+
+Speeljacht, z. n. o. -- Jacht, dat tot vermaak gehouden wordt. S--
+staat in tegenstelling van oorlogsjacht.
+
+
+ Ginds spoedt een speeljaght over 't meir.
+
+ Vondel, Palamedes.
+
+
+Speelschuit, z. n. v. -- Schuit, welke tot vermaak gehouden wordt.
+
+Speelvaart, z. n. v. -- Vaart, tocht, die met geen ander doel gedaan
+wordt dan om zich te vermaken.
+
+Speelvaartuig, z. n. o. -- Vaartuig, dat tot vermaak gehouden wordt.
+
+Speen, z. n. v. of Monnik, (veroud.). -- Benaming van de betingstijlen.
+
+Spei, Speil, (veroud.). -- Zie Spij, Spijl.
+
+Spek, z. n. o. -- Vettigheid, van varkens--en ook van walvischvleesch.
+
+Spreekwijze: Met S-- schieten. Zie Schieten.
+
+Spekjan, z. n. o. -- Scheldnaam, dien de zeelieden den Portugeezen
+en Spanjaarts plachten te geven.
+
+Spekken, b. w. -- Korte kabelgarens dicht by elkander door een stuk
+zeildoek steken, zoo dat het een ruige mat gelijk wordt. In 't algemeen
+"voorzien." De bonnetten S--, een mat S-- (met werk besteken).
+
+Speksnijder, z. n. m. -- De man, die den walvisch aan stukken snijdt.
+
+Spelen, o. w. -- Iets tot zijn vermaak of genoegen verrichten. Van
+hier: iets uitrichten, dat geen opzettelijk nuttig doel heeft. De
+wind Speelt in de touwen (hy beweegt de touwen, doch zonder dat dit
+eenig rezultaat te weeg brengt.) De mast Speelt (hy beweegt zich).
+
+Spelevaren, o. w. -- Uit Spelen, (dat is, "voor vermaak") uit rijden
+of uit Varen gaan. 't Woord was oorspr. gescheiden, zoo als by Vondel,
+Lofz. op de Scheepsv.
+
+
+ 't Zy als hy spelen vaert met zijn beschildert jacht.
+
+
+Speling, z. n. v. -- Ruimte om zich te bewegen. De mast staat los,
+heeft S-- in de vissing. Wy bemerkten, dat er overal S-- in het
+schip kwam.
+
+Speronare, z. n. v. -- Malthezer vaartuig met een mast op het voorschip
+en een sprietzeil.
+
+Spie, z. n. v. -- Spei of Spy.--Yzeren werktuig, dat in de enden van
+yzeren bouten gestoken wordt.
+
+Spiebout, z. n. v. -- Zie Scheerbout.
+
+Spiegat, z. n. o. -- Zie Spygat.
+
+Spiegel, z. n. m. of Achterspiegel. -- Het achterwerk van een schip. De
+naam is daarvan afkomstig, dat dit gedeelte, met glasruiten bezet,
+en met lijstwerk opgecierd, op een afstand volkomen de gedaante eens
+grooten S--s vertoonde.
+
+Spiegelbalken, z. n. m. -- Balken tusschen de hekstukken. De onderste
+daarvan wordt wolfbalk, de bovenste krombalk genoemd.
+
+Spiegelboog, z. n. m. -- Bovenlijst van het hakkebord.
+
+Spiegelschip, z. n. v. -- Schip met een vierkanten achtersteven.
+
+Spier, z, n. m. -- Stok, steng; gijk. Zie LijzeilsS--en, BakS--en.
+
+Spierbeugel, z. n. m. -- Yzeren beugel, die den lijzeilspieren tot
+steun strekt. LijzeilsS--s op de onderraas. LijzeilsS--s der marseraas.
+
+Spiering, z. n. v. -- Kleine vischsoort.
+
+Spreekwijze: Een S-- uitwerpen om een kabbeljauw te vangen. (Zie
+Kabbeljauw).
+
+De Spiering doet de kabbeljauw afslaan. (Zie Kabbeljauw).
+
+Spil, z. n. o. -- Zie Gangspil, Kaapstander, Aardewind.--Enkel S--,
+dubbel S--. Het S-- klaarmaken (de kabelaring er om heen leggen
+en de windboomen er insteken.) Het S-- aftuigen (het tegendeel
+verrichten). Voor het S-- gebonden worden (t. w. een scheepsjongen om
+er zekere kastijding te ontvangen.) Aan het S-- winden. Spaansch S--,
+rond stuk hout, dat de matrozen gebruiken by het stroppen van blokken
+en het inbinden van kousen.
+
+Spilbed, z. n. o. of spilspoor. -- Getimmerte, waar het Spil op rust.
+
+Spilgat, spilkop enz. -- Zie Gat, enz.
+
+Spilspoor, z. n. o. -- Zie Spilbed.
+
+Spinnekop, z. n. m. -- Opgestoken lijn, door onderscheiden gaten
+gestoken en loopende in een doodshoofd, dat met een strop op de
+mars zit.
+
+Spit, z. n. o. -- Zie Braadspit.
+
+Spits, z. n. v. en o. -- Top, punt. De S-- van den mast. Het S--
+bieden, afbijten (de punt bieden, afbijten).
+
+Splinter, z. n. m. -- Spaander, afgebroken dunne houtnaald of
+spat. Onze boot werd tegen de rots aan S--s geslagen.
+
+Splitbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, die aan 't vooreind gespleten
+zijn. Na het indrijven van den bout worden de beide helften van het
+vooreind omgeslagen. Deze Bouten komen op groote schepen weinig voor.
+
+Splitsen, b. w. -- 1o. Splijten, losmaken, scheiden. (Touw S--) een
+end touw splijten en, dewijl dit geschiedt met het doel van het weder
+te vlechten,
+
+2o. Aan een hechten. Dat touw is Gesplitst, die enden zijn Gesplitst.
+
+Spreekwijze: Men moet S-- en knoopen (Men moet zuinig zijn).
+
+Splitsgang, z. n. m. -- Gespleten gang of plank.
+
+Spitshamer, z. n. m. -- Hamer om te splitsen.
+
+Splitshoorn, z. n. m. -- Zie Marlpriem.
+
+Splitsing, z. n. v. -- Het losmaken van het einde van een
+driestrengstouw, om dat te slurpen. Korte S--. Lange S--: de
+laatstgenoemde wordt in het loopend touwwerk gebezigd.
+
+Splitstong, z. n. v. -- De gespleten enden van een wimpel.
+
+Spoelen, b. w. -- Schoon schip maken: het zeewater over de deks
+en beplankingen van een schip gooien om het schoon te houden, en
+te beletten, dat er door de warmte spleten in komen. De voeten S--
+(iemand buiten boord werpen: gelijk oudtijds by de Duinkerkers, en,
+uit weêrwraak, by de Zeeuwen ten opzichte van Spanjaarts en zeeroovers
+gebruikelijk was).
+
+Spong, z n. v. -- Sponning, groef, keep, opening, die in de dikte
+van het hout gemaakt wordt, om er een balk, plank of ander houtwerk
+in te brengen.
+
+Spoor, z. n. o. of Spoorbalk. -- Getimmerte, waarin het een of ander
+rust of vaststaat. Zie MastS--, SpilS--.
+
+Spoorbalk, z. n. m. -- Zie Spoor.
+
+Spoorstok, z. n. m. -- Dwarshout op den bodem der lichte vaartuigen,
+tot steunpunt dienende aan de voeten der roeiers.
+
+Sporten, z. n. v. mv. -- Houten klampen in een stormladder, met wier
+dubbele latten de zeilkooi, de walegang enz. zijn afgesloten.
+
+
+ Hy is een yzren sport in 't hek van 't Vaderland,
+
+
+zegt Huyghens.
+
+Spreektrompet, z. n. v. Zie Roeper.
+
+Spreeworst, z. n. v. (veroud.). -- Zie Zwichtingbouten.
+
+Spreiden, b. w. -- Zie Gillen.
+
+Spreiding, z. n. v. -- Meerdere of mindere lengte, waarover de
+hoofdtouwen langs het boord verdeeld zijn.
+
+Spreidsel, z. n. o. -- Dun gezaagd hout, zoomwerk.
+
+Sprenkel, z. n. m. -- Zie Spring.
+
+Spriet, z. n. m. -- Lange mastboom. Zie BoegS--, Met een loopenden S--
+varen, met een geschoten S-- varen.
+
+Spreekwijze:
+
+
+ Hy zeilt met een loopenden S--.
+ Een klein windeken deert hem niet.
+
+
+(omdat, als men den S-- uitzet, men voor geen gevaar beducht is);
+
+Daar en tegen
+
+Met een geschoten S-- varen (zwichten).
+
+Sprietbeugel, z. n. m. -- Soort van leguaan, om een mast geslagen,
+en tot steun strekkende aan den Spriet, waarmede een zeil wordt
+uitgespannen.
+
+Sprietzeil, z. n. o. -- Zie Zeil.
+
+Spring, z. n. m. of Sprenkel. -- Lijn of kabel, gebezigd om een schip
+dwars te halen, 't zij dat die op hetzelfde anker gestoken worde als
+een der kabels, 't zij dat die op een kleinen afstand omgeslagen
+zij. Een S-- opsteken.--Met een S-- op het touw ten anker komen
+(het anker uitwerpen, nadat men daar te voren een S-- op gestoken
+heeft). Met een S-- op het touw onder zeil gaan. (Een S-- steken met
+geen ander doel dan om by 't onder-zeil-gaan te wenden).
+
+Springen, o. w. -- 1o. Losraken. Het anker staat op S-- (is op 't
+punt van los te raken). De grondt houdt zoo vast, dat men moeite
+heeft zijn anker te doen S--.
+
+2o. Splijten, barsten. De mast is Gesprongen:--Het kanon is
+Gesprongen:--Het touw is Gesprongen.
+
+3o. Uit elkander vliegen. Hy deed met zijn eigen buskruit het schip
+in de lucht S--.
+
+Springpaard, z. n. o. -- 1o. Strop van het Paard: lijn, waarvan de
+twee enden aan de ra vastzitten, en het dubbel tot kous verstrekt
+aan een strop, waar het Paard in hangt.
+
+2o. Het buitenste Paard, tot aan de nok van de ra, dienende voor den
+man, die, by reeven, de steekbout moet leggen.
+
+Springstopper, z. n. m. -- Zie Breekstopper.
+
+Springton, z. n. v. -- Ton, hoedanige (naar sommigen beweeren) op
+de kampanjes en hoofddekken der schepen, waar men een entering op
+vreesde, plachten geplaatst te worden, en welke men in de lucht kon
+doen springen.
+
+Springtij, z. n. o. -- De hoogste Tijen by nieuwe en volle maan. Wy
+hebben de S--en, wy zijn in de S--en.
+
+
+ Vloed en Springty moog wat rijzen
+ Boven zijn gewonen peil,
+ Boom en heide en veld vergrijzen
+ En het noord zijn kracht bewijzen
+ Aan het uitgespannen zeil.
+
+ Bilderdijk.
+
+
+Springvloed, z. n. m. -- Hooge vloed.
+
+
+ Gelijck een waterstroom geweld baert op een sluys
+ En elx gehoor verdooft door 't vreesselijck gedruysch.
+ De deuren kanten sich geweldigh tegen 't wringen
+ Des springhvloets, voor een wijl, tot dat sy openspringhen,
+ En geven 't water ruymt', den springhvloet vrijen toom.
+ Die wint dan velt en ruckt de wortels met den boom
+ En huys en hof omveer en zet de laege landen
+ In eene baere zee met groene en nieuwe stranden.
+
+ Vondel, Gysbr. v. Aemstel.
+
+
+Sprong, z. n. m. -- Zeegt, rondte: Dat schip heeft te veel S--.
+
+Spruit, z. n. o. -- Uitschietend touw. Zie BoelijnS--.
+
+Spruitblok, z. n. o. -- Blok, waar een Spruit doorloopt.
+
+Spui of Spei, z. n. o. -- Kolk, watervloeing, verlaat.
+
+Spuien, b. w. -- 1o. Doortocht geven, 't zij aan 't water, 't zij
+aan de lucht. Het overtollige water S-- (het weg laten loopen). Wy
+mochten wel eens S-- (lucht maken).
+
+2o. Het uitdiepen van een haven, door middel van sluizen.
+
+Spuidok, z. n. o. -- Kom, die by hoog tij vol loopt en, by laag tij met
+kracht ledig loopende, het zand, dat voor een haven ligt, medevoert.
+
+Spuigat, z. n. o. -- Zie Spijgat.
+
+Spij, Spei of Spie. -- Yzeren werktuig, dat in de enden van een bout
+gestoken wordt.
+
+Spijbout, z. n. m. -- Bout, die in de lengte doorboord is om een pen
+te ontfangen.
+
+Spijgat, Spiegat of Spuigat, z. n. o. -- Van Spyen (spouwen) of wel
+van Spuien, (loozen). Looden of houten buis, boven de waaiers in
+het scheepsboord aangebracht en dienende om het water, waarmede de
+schepen worden schoongemaakt, of dat door een regenvlaag of door de
+golven op het dek komt, weder weg te laten loopen.
+
+Spreekwijze: Het loopt de S--en uit (het gaat al te grof:--om dat
+het by een scheepsgevecht al zeer hevig moet toegaan als het bloed
+der gekwetsten langs het dek stroomt en de S--en uitloopt).
+
+Spijgatklep, z. n. v. -- Sterk stuk leder, dat op de Spijgaten van
+de eerste battery wordt gespijkerd.
+
+Spijker, z. n. m. -- Stuk gepunt yzer, doorgaands van boven met een kop
+voorzien, en dienende om voorwerpen op elkander te bevestigen. SchotS--
+(met een langen kop, die in het hout wegzinkt.) BoutS-- (die in
+stede van met een kop, met een bout is voorzien.) IJsS-- (die een
+speervormigen kop heeft.) Platkop, MamieringS-- (die een platten kop
+en 2 1/2 duim lengte heeft.) PompS-- (die een vierkanten kop en 2 duim
+lengte heeft.) ZestigpondsS-- (die 6 duim lengte heeft.) SchietS-- (die
+een vierkanten kop en 4 duim lengte heeft.) SchotS-- (die een ronden
+kop en 54 streep lengte heeft.) DuimS--, TimmerS--, KlampS--, KnaapS--;
+DiamantS-- (die een pyramidaalvormigen kop heeft.) RoerS--, BoersS--
+(korte en dikke S--.) SchroefS-- (die van onderen kan ingeschroefd
+worden.) DubbelingS--s, dubbelS--s (die voor de dubbeling gebruikt
+worden.) Een S-- indrijven, inslaan. Een S-- uithalen, klinken. Een
+S-- omslaan (zoo dat die zich in 't hout verliest.) Zie verder
+Timmerspijkers, Nagel, Duiker.
+
+Spreekwijze: Den S-- op zijn kop slaan (de zaak recht beoordeelen).
+
+
+ Hy (Justinianus), koning met of zonder kop
+ Hy sloeg den spijker op zijn kop.
+
+ Bilderdijk.
+
+
+Weet ik een S--, hy weet een gat (hy heeft altijd een uitvlucht;
+ik kan hem niet pal zetten).
+
+S--s op laag water zoeken (met nietige vitteryen voor den dag komen,
+onbeduidende gronden voorbrengen; ook: iets voorwenden om een kwade
+zaak te verheelen). Bilderdijk in zijn Gesl. op 't woord Spei geeft
+van dit spreekwoord, een verklaring, welke ik twijfel dat aan eenig
+zeeman voldoen zal en die bovendien niet met de beteekenis van 't
+spreekwoord rijmt. Hy wil namelijk een schip, dat aan den grond zit,
+weder vlot maken, door 't water, dat zich in 't scheepsruim bevindt,
+door de spijgaten weg te laten loopen--!--en beweert, dat men, op laag
+water zittende, zijn toevlucht dus neemt tot de spijen,--welk woord
+wederom in spijkers zoû zijn veranderd.--!--Ik waag het, een andere
+verklaring voor te stellen. Het is alleen als 't water laag is, dat
+men de gezonken waren en kostbaarheden, die uit een gestrand schip
+te gronde zijn gegaan, op den bodem gaat zoeken. Maar wie daarvoor
+duikt en zijn leven waagt, brengt gaarne iets boven, dat waarde heeft,
+en laat de gezonken spijkers liggen. Die dus, op laag water, beweert,
+S--s te zoeken, is of een dwaas, of iemand, die zijn wezenlijk doel
+verbergen wil.
+
+Spijkeren, b. w. -- Met Spijkers beslaan.
+
+Spijkerhuid, z. n. v. -- Buitenhuid van het schip, die, zoo ver zy in
+'t water komt, geheel met breedkoppige Spijkers beslagen is, om haar
+tegen den worm vrij te waren.
+
+Spijkyzer, z. n. v. -- Yzer, dienende om Spijkers om te klinken.
+
+Spijl, z. n. m. -- Pen, spie.
+
+Spijlbouten, z. n. m. mv. -- Bouten met een gat aan 't vooreinde,
+waardoor een spijl gestoken wordt.
+
+Staaf, z. n. m. -- Baar, metalen strook.
+
+Staal, o. w. of Staalgrond (veroud.) -- Plaats, die met bagger of
+modder is opgehoogd.
+
+Spreekwijze: Noch Grond noch S-- (noch vleesch, noch visch).
+
+Staan, o. w. -- Zich bevinden, in een bepaalden toestand zijn. De
+golven S-- hoog:--Aan het roer S--:--De zeilen S-- goed:--Het glas
+laten S-- (zonder het te ledigen).
+
+Staand, deelw. -- Wat vast staat. S-- en loopend want:--Een S--e wind
+(die uit een vasten hoek blijft waaien.
+
+Staander, z. n. m. -- Koning, as, stijl. S-- van een kraan, van
+een spil.
+
+Staart, z n. m. -- Achterste gedeelte. S-- van een kraanbalk (het
+gedeelte, waarmede die in het schip is vastgemaakt).
+
+Staartblok, z. n. o. -- Balk, waaraan een eind oud touw is gesplitst
+om het ergends mede aan vast te maken.
+
+Staartstoppers, z. n. m. mv. of Zwiepingstoppers. -- Naam van twee
+zware Stoppers, die het dichtst achter aan de betings zijn aan
+bakboord- en stuurboordzijde.
+
+Staat, z. n. m. -- 1o. Rol, lijst, inventaris. S-- van bouw,
+uitrusting en wapening (geschrift, dat de byzonderheden bevat van al
+wat betrekking heeft tot den aanbouw, de tuigaadje, enz. van een uit te
+rusten schip). S-- der mondbehoeften (geschrift, waarop de hoeveelheid
+en hoedanigheid van den ingescheepten leeftocht vermeld wordt). S--
+van kosten, van uitgaven, enz. en S-- van dienst, (waarop iemands
+ouderdom, rang, diensttijd, enz. vermeld staan).
+
+2o. Houding, toestand. Het schip is in goeden S--:--Wy zijn door den
+toevoer van nieuwen voorraad, weder in S-- eenige dagen zee te houden.
+
+Stadig, b. n. -- Langzamerhand, loopsgewijze S-- aanstrijken, hand over
+hand bijvieren (een gespannen koord langzamerhand laten doorschieten).
+
+Staf, z. n. m. -- Benaming, die in 't algemeen gegeven wordt aan
+officieren en onderofficieren zonder troepen:--somtijds ook de
+hoofdofficieren van een korps aanduidt. Generale S-- (het lichaam der
+Hoofdofficieren). Chef van den S-- (officier, belast met het uitdeelen
+van al de bevelen, het verslag geven der militaire operatiën, enz.) Zie
+Etat-major. Op een oorlogschip bestaat de S-- uit den Amiraal, den
+Vlagkapitein (die het Amiraalschip kommandeert) en de Adjudanten.
+
+Stafofficier, z. n. m. -- Kolonel, Luitenantkolonel en alzoo:
+Kapitein-ter-zee, Kapitein Luitenant. De Subalternen, die by den Staf
+dienen, heeten: "Officier naby den Staf."
+
+Stag, z. n. v. -- Staand touw, dienende om een mast te steunen
+en te beletten achterover te slaan. Groot S-- (van den grooten
+mast.) FokkeS-- (van den fokkemast.) Looze S-- (die nevens een ander
+geplaatst is en weêrstand bieden moet, als deze breekt.) StangeS--
+(zwaar touw, waarmede, by slecht weer, de fok geschoord wordt.) Zie
+BakS--. Spaansche S-- (daar de ra van het blind mede vast gehouden
+wordt.) Over S-- smijten (schielijk wenden.) Over S-- loopen (buiten
+nood de hoogte zoeken of loeven).
+
+Spreekwijze: Iemand over S-- werpen (iemand van zijn stuk brengen,
+iemand overreden).
+
+
+ Zy smeken even graegh
+ En smijten endlijck hem gezeghlijck over staegh.
+
+ Vondel. Verovering van Grol.
+
+
+Stagkraag, z. n. m. -- Kraag van een Stag.
+
+Stagzeil, z. n. o. -- Zie Zeil.
+
+Stagzeilringen, z. n. m. mv. -- Ringen, door de oogen van het Stagzeil
+gehaald.
+
+Stampen, o. w. of Heien. -- Een schip wordt gezegd te S-- wanneer de
+boeg diep in zee steekt.
+
+Stampen, b. w. -- Indrukken, inpressen, stuwen. Waren in een ton
+S--. Het kruid in den mond van een stuk geschut S--.
+
+Stamper, z. m. m. -- Werktuig, waarmede een lading wordt aangestampt.
+
+Stampstag, z. n. m. -- Zie Stag.
+
+Stampsteven, z. n. m. (veroud.) -- Breede Steven.
+
+Stampstooten, o. w. -- 't Zelfde als Stampen.
+
+Stampsel, z. n. v. -- Zware baar of golf, die tegen den boeg aanslaat.
+
+Stand, z. n. m. -- Vaste plaats. Vaste S-- van een mast, goede S--,
+goede richting van een mast.
+
+Standert of Standaart, z. n. m. -- 1o. Vlag eener galei. Koninklijke
+S-- (die van de hoofd- of koninklijke galei, breede wimpel, gevoerd
+door een kapitein, die schepen onder zijn bevelen heeft).
+
+2o. 't Zelfde als Staander, met de versterkende t.
+
+Stang, z. n. v. -- Zie Steng.
+
+Stapel, z. n. m. -- 1o. Naam der vereeniging van stijlen, waar een
+schip in aanbouw op rust. Het schip staat op S--. Een schip op S--
+laten zetten.
+
+Spreekwijze: Daar is wat op S-- (daar is wat gaande, gewoonlijk:
+daar is een kleintjen te verwachten).
+
+2o. of Stapelplaats. Marktplaats, vereenigingspunt, waar goederen
+worden heengebracht. De S-- van het koren is van deze naar gene
+plaatse verlegd.
+
+Stapelbocht, z. n. v. -- Bocht, welke men aan een scheepswerf geeft,
+om die aan de kiel van een schip in aanbouw mede te deelen.
+
+Stapelen, b. w. -- Stuwen, ophoogen, op Stapel zetten.
+
+Stapelplaats, z. n. v. -- Zie Stapel.
+
+Stapelrecht, z. n. o. -- Recht, aan deze of gene plaats toegekend,
+om er een bepaald getal goederen te mogen opstapelen.
+
+Station, z. n. o. -- Standplaats, post, kruispad, ligplaats: streek,
+aan een of meer oorlogschepen aangewezen, waar zy belast zijn, voor
+de veiligheid der koopvaardyschepen hunner natie te waken, of de
+onderdanen dier natie te beschermen. Op S-- zijn. Het S-- aflossen.
+
+Steek, z. n. m. -- 1o. Vereeniging van twee saamgevlochten touwen.
+
+2o. End van een kabel, dat door den ring van een ankeroog gestoken
+wordt.
+
+3o. Staketsel van palen, waardoor de zalmen, steuren enz. gestuit en
+in de fuiken gedrongen worden.
+
+Steekspeen, z. n. v. -- Sprong van de beting.
+
+Steel, z. n. m. -- Handvatsel, van een bijl, hamer enz.
+
+Spreekwijze: Hy wint op een eerlijke wijze met S--en de kost (hy is
+een handwerksman).
+
+Steengrond, z. n. m. of Steenrif. -- Rif, uit steenachtige
+zelfstandigheid bestaande.
+
+Steenrif, z. n. o. -- Zie Steengrond.
+
+Steiger, z. n. m. -- Houten getimmerte langs den oever, dat tot
+aanlegplaats dient aan de vaartuigen. Het schip ligt aan den S--. Men
+heeft aan den S-- gelost.--Hooft noemt in zijn Ned. Hist. Calais den
+ZeeS-- van Frankrijk.
+
+Steigeren, o. w. -- Een Steiger maken.
+
+Spreekwijze: Ik heb zoo veel van S-- als van metselen (ik heb zoo
+veel van 't een te doen als van 't ander).
+
+Steigerschuit, z. n. v. -- Schuit, die gewoon is van denzelfden
+Steiger af te varen.
+
+Steil, b. n. -- 1o. Recht opstaande: Een S--e kust.
+
+2o. Strak, scherp. Een S--e wind.
+
+Steken, b. w. -- Een Steek doen, of geven. Een knoop S-- (een knoop
+leggen.) In zee S-- (t. w. het schip); voor: zich in zee begeven,
+uitloopen De zware touwen S-- (Die uit de kluis steken).
+
+Steker, z. n. m. -- Vorkvormige vrang.
+
+Stel, z. n. o. -- 1o. Volledige verzameling. Een S-- zeilen: een S--
+vlaggen: een S-- riemen.
+
+2o. Voor Stal. Op S-- zijn (gereed zijn, klaar zijn).
+
+Stelen, b. w. -- Benemen. Het land Steelt den wind van dat schip.
+
+Stelhout, z. n. o. -- Stelling, dienende om een kanon in goede richting
+te houden.
+
+Stellaadje, z. n. v. of Stelling. -- Opgerichte planken, op palen
+rustende en dienende om de bedden te dragen by het bouwen of
+vertimmeren.
+
+Stellen, b. w. -- Richten. Een stuk geschut S--.
+
+Stelling, z. n. v. -- Zie Stellaadje. S-- van windboomen (driehoek,
+gevormd van drie met de uiteinden in een punt saamgebrachte boomen,
+uit welk punt zy hun kracht uitoefenen).
+
+Stelpnet, z. n. o. -- Soort van bun, in den vorm van een kippehok,
+waarmede men den visch overdekt, die men onder in 't water ziet. Met
+het S-- visschen.
+
+Stelsel, z. n. o. -- Yzerwerk van het roer.
+
+Stempelbout, z. n. m. -- Zie Drevel, Drijfbout.
+
+Stempelen, b. w. -- Uitdrijven, uitjagen. Een bout S--.
+
+Steng, z. n. v. of Stang. -- Bovenmast. Blinde S--, BoegS-- (mast
+van den boegspriet.) Groote BramS--, KruisS--, Groote MarsS--
+enz. (Stengen, waar het Bram-, Kruis- of Marszeil enz. aan vast
+zijn.) De vlag ter halver S-- laten zakken (ten bewijs van rouw.) De
+S-- schieten, (laten zakken.) De S-- om hoog winden (ze op haar plaats
+brengen.) Met een geschoten S-- varen (voor den storm vluchten).
+
+Steun, z. n. m. of Steunder. -- Stut, schoor.
+
+Steunders, z. n. m. mv. -- Verbindingsstukken in sommige
+kruisverbanden. Zie Trekkers.
+
+Steunstuk, z. n. o. -- Rechthoekig stuk hout naast elke poort tegen
+de inhouten geplaatst en zich van den balkweger tot den zetweger
+uitstrekkende, tegen de doorzetting dienende.
+
+Steunwegers, z. n. m. mv. -- Zware wegers, omstreeks de kim en waar
+de Steunders op rusten.
+
+Steven, z. n. m. -- De stijving of sterkte van 't schip, waar de deelen
+zich tot een punt vereenigen. Zie VoorS--, Achter S--, BinnenS--
+of looze S--. Den S-- ergends heen wenden (ergends heen varen.) Het
+schip schiet over S-- (het gaat vooruit.) Wy liepen den vyand op S--
+(wy ontmoetten den vyand.) Met den S-- in den wal (naar het land
+toe leggende).
+
+Stevenen, o. w. -- Den Steven wenden. Wy moeten naar huis S--.
+
+Stevenkroon, z. n. v. -- 't Lat. corona rostralis. Zie Scheepskroon.
+
+Stevig, b. n. en bw. -- Sterk, kras. Een S--en voor-de-wind hebben. Dat
+schip gaat S-- voor den wind.
+
+Stikgrond, z. n. m. -- Bodem van zware klei.
+
+Stiklijn, z. n. v. (veroud.) -- Beslagseizing, zesdraadslijn.
+
+Stil, b. n. -- Wordt de zee genoemd, wanneer zy noch wassende noch
+afnemende, of tusschen eb en vloed is. Wy gingen met S-- water onder
+zeil, om van de eb gebruik te maken.
+
+Stillen, o. w. -- Bedaard worden. De wind begint te S--.
+
+Stilstaand, b. n. -- Dat zich niet van zelf beweegt. S-- water (dat
+geen stroom heeft).
+
+Stilte, z. n. v. -- Kalmte, rust. Wy hadden vier dagen S-- van wind
+(vier dagen, dat het niet woei). S-- overal! (komm.)
+
+Stinkpot, z. n. v. -- Vuurpot, vuurdrager. De S--ten plachten in
+zeeslagen gebruikt te worden, om, by het enteren, den vyand uit
+de hut, kajuit of andere voordeelige stellingen, door den stank te
+doen verhuizen.
+
+Stoel, z. n. m. -- Rustplaats. De S-- van den vlaggestut, of het hout,
+waar de vlaggespil in staat of rust.
+
+Stofregen, z. n. m. of Motregen. -- Fijne regen.
+
+Stok, z. n. m. -- Dun en lang hout. Zie AanzettersS--, HelmS--,
+KolderS--, LontS--, PompS--, VlaggeS-- enz.
+
+Stokken, b. w. -- Van een Stok voorzien. Een Anker S--.
+
+Stokvisch, z. n. m. -- Gedroogde en gebeukte Kabeljauw.
+
+Spreekwijze: Een drooge S-- (een houten klaas, een stijve hark van
+een vent).
+
+Iemand op S-- zonder boter onthalen (hem slagen geven).
+
+Stomp, z. n. v. -- Kleine mast of brok van een mast.
+
+Stooken, o. w. (veroud.) -- Hard waaien.
+
+
+ Als door 't langdurigh stoocken
+ 't Plechtancker naulycx vat.
+
+ Vondel. Lof der Zeevaart.
+
+
+Stooker, z. n. m. -- Harde wind. 't Woei een fikschen S--.
+
+
+ Daer nochtans een eyke stam
+ Die hier aen den Hemel quam,
+ Licht ter aerden wort geruckt,
+ Licht ter neder wort gedruckt,
+ Licht daer henen wort gedrayt,
+ Alser maer een stooker waayt.
+
+ Cats.
+
+
+Stoomboot, z. n. o. -- Zee- of Rivier-Vaartuig, dat door Stoom wordt
+voortgedreven. De S-- op Londen. De S-- op Alkmaar.
+
+Stoomjacht, z. n. o. -- Jacht, dat door Stoom gedreven wordt.
+
+Stoompaket, z. n. o. -- Stoomvaartuig, dat met het overbrengen der
+maal belast is en op vaste beurten vaart.
+
+Stoomschip, z. n. o. of Stoomvaartuig. -- Vaartuig, dat door Stoom
+gedreven wordt.
+
+Stoomsleeper, z. n. m. -- Zie Sleepboot.
+
+Stoomvaartuig, z. n. o. -- Zie Stoomschip.
+
+Stooten, o. w. -- 1o. Stampen, bonzen. Dit vaartuig Stoot geweldig
+(men ondervindt, daarin gezeten, een S--de beweging).
+
+2o. Raken, tegenkomen. Het schip heeft op de Haaks gestooten.
+
+
+ De bodem slorpte 't nat
+ Door 't stooten op een pael,
+
+
+zegt Vosmeer in den Gysbreght.
+
+Stootgaren, z. n. o. -- Wanneer men de beslagbanden van de marszeils
+losmaakt, en deze alleen met kabelgarens op de ra samenbindt, zoo
+dat die maar los te snijden--of als 't ware te Stooten--zijn, noemt
+men dit: de zeilen op S-- zetten.
+
+Stootkeggen, z. n. v. mv. -- Keggen, op de werven in gebruik.
+
+Stootklamp, z. n. m. -- Klamp, die onder een schoor of stut gezet
+wordt.
+
+Stootlap, z. n. m. -- Lap of oordubbeling, op een zeil tot versterking
+aangebracht.
+
+Stootmat, z. n. m. -- Matwerk, ter afweering van 't een of ander
+ingericht.
+
+Stootschaal, z. n. v. of Brasklamp. -- Zie Schaal.
+
+Stoottalie, z. n. v. -- Zie Talie.
+
+Stop, z. n. m. -- 1o. Tap, deuvik, kurk.
+
+2o. Tonnetjen proviand op de vischschuiten.
+
+Stoppegeld, z. n. o. -- Geld voor proviand.
+
+Stoppen, b. w. -- 1o. Doen ophouden. De vaart van een Schip
+S--. Stop! Stop dat! (komm.).
+
+2o. Tegenstand bieden, gaande houden. Wy wierpen het anker om het tij
+te S-- (om te beletten, dat wy door het tij uit onzen koers gedreven
+werden). De vyand bevond zich te loefwaart van ons, hetgeen onzen
+Amiraal deed besluiten om elke eb tij te S--. De zeilen tegenbrassen
+om vaart te S--.
+
+3o. Stoppers opzetten, opvangen. S-- om touw te steken wordt gezegd
+wanneer men de lengte vermeerderen wil van het touw, dat van de
+beting naar een gezonken anker loopt. Men Stopt alsdan dat touw voor
+de beting, waardoor het gemakkelijk valt, het ankertouw om de beting
+te slaan. Het komm. luidt: Stopt en legt beting!
+
+4o. Dicht maken. Een lek S--.
+
+Spreekwijze: Dit lek is niet te S-- (die schuld is te groot dan dat
+er aan te helpen valt).
+
+Stopper, z. n. m. -- Min of meer kort en stevig touwwerk, dat, met het
+eene end aan eenig steunpunt verbonden, om een kabel of ander tuig
+met herhaalde en stijf toegehaalde slagen gewonden wordt, ten einde
+het gespannen te houden. S-- met een zwieping (S-- die het touw vat,
+wanneer het schip ten anker ligt).
+
+Stopstuk, z. n. o. -- Stuk, dat in het boord van een schip wordt
+aangebracht om een gat te stoppen, 't welk men tot het laatste toe
+open houdt om er de groote stukken door te laten gaan.
+
+Storm, z. n. m. of Stormwind. -- Hevige beweging van de lucht,
+doorgaands vergezeld van regen, hagel, onweer enz. Schepen, door den
+S-- geslingerd. De Schepen zijn door S-- beloopen, overvallen. Het
+woei een zwaren S-- uit het N. W.
+
+Stormgolf, z. n. m. -- Een massa water van meer of minder
+uitgebreidheid, naarmate van den stroom, opgeheven boven de gewone
+vlakte des Oceaans door de verminderde dampkringsdrukking en wellicht
+door andere oorzaken, in haar geheel door den Storm voortgedreven en by
+het bereiken van baaien, riviermonden en andere engten, door de rijzing
+ten gevolge der samenpersing, vreeslijke overstroomingen veroorzakende.
+
+Stormfok, z. n. m. -- Voorstagzeil.
+
+Stormhoek, z. n. m. of Stormkaap. -- Landhoek of kaap, waar gewoonlijk
+zware stormen waaien.
+
+Stormkaap, z. n. m. -- Zie Stormhoek.
+
+Stormkluiver, z. n. m. -- Voorstengestagzeil.
+
+Stormladder, z. n. m. -- Touwladders, die achter over het hek hangen.
+
+Stormstroom, z. n. m. -- Cirkelvormige Stroom in den omtrek van een
+cirkelvormigen Storm.
+
+Stormweer, z. n. m. -- Harde wind, wiens richting gedurende eenige
+dagen, ja weken, dezelfde blijft.
+
+Stormwind, z. n. m. -- Zie Storm.
+
+Stormzeil, z. n. o. -- Zie Zeil.
+
+Storten, o. w, -- Nedergaan. De baren S-- (als zy hoog geweest zijn
+en weder dalen).
+
+Stortgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen of waren, die niet ingepakt
+worden, als b. v. granen, zout, enz. Met S-- laden. De bepalingen
+omtrent S--, waarvan by invoer de hoeveelheid in vreemde maat of
+gewicht is uitgedrukt, zijn te vinden in art. 16 der Alg. Wet van 22
+Aug. 1820.
+
+Stortregen, z. n. m. -- Zie Plasregen.
+
+Stortvloed, z. n. m. -- Ondiepe, maar hevige stroom, waarin zich
+gewoonlijk een schuit niet durft wagen.
+
+Stortzee, z. n. v. -- Hooge zee, die, boven het schip brekende en er
+op neêrstortende, alles wegspoelt.
+
+Stouwen, b. w. of Stuwen. -- Goederen in het ruim pakken, dicht op
+elkander drukken. Die kapitein verstaat zich op het S--.
+
+Spreekwijze: Hy kan wat S-- (hy kan wat in zijn maag stoppen).
+
+Straat, z. n. v. of Zeestraat. -- Zeeëngte tusschen twee landen. De
+S-- van Gibraltar: de S-- van Babelmandeb.
+
+Strand, z. n. o. -- De oever die zich langs de zee strekt. Een effen
+S--. Een zandig S--. De scheepjens steken van 't S-- af. Een schip
+van het S-- halen. Hy zit met zijn vaartuig op 't S--.
+
+Stranddief, z. n. m. -- Die op het Strand geredde goederen steelt.
+
+Stranden, o. w. -- Op het Strand geraken. Wy vonden een op de kust
+gestranden walvisch. Ook, eenvoudig, stooten, vastraken. Het fregat
+Strandde op een rots.
+
+Stranding, z. n. v. -- De daad van stranden. Zie Schipbreuk.
+
+Strandjut of Strandjutter, z. n. m. -- voor Stranddief.
+
+Strandrecht, z. n. o. -- Recht van den eigenaar der kust op gestrande
+wrakken of goederen.
+
+Strandvonden, z. n. m. mv. -- Aan Strand gespoelde goederen.
+
+Strandvonder, z. n. m. -- Ambtenaar, belast met het beheer der
+aangespoelde of geborgen goederen uit een gestrand schip.
+
+Strandvondery, z. n. v. -- Het beheer of bestier van den Strandvonder.
+
+Streek, z. n. v. mv. -- 1o. Windstreek, kompasstreek. Eene der
+tweeendertig afdeelingen, waarin het zwerk wordt verondersteld te zijn
+afgedeeld, en het kompas werkelijk afgedeeld is. Dat schip zeilt op
+zes S--en (er zijn maar zes windstreken tusschen de richting van den
+wind en die van het schip.)
+
+Spreekwijze: Dat (het kompas) houdt geen S-- (dat gaat niet door,
+dat is niet juist).
+
+
+ Dat woort moet weer berijmt zijn
+ Of 't streeck houdt of geen streeck of 't dicht soud ongelijmt
+ zijn.
+
+ Huyghens. Hofwijck.
+
+
+Hy is van zijn S-- (hy is ongesteld).
+
+Hy heeft werk om weder op zijn S-- te komen (om weder te herstellen).
+
+RechtS--s (recht door zee).
+
+2o. Plaats, uitgestrektheid, omtrek. Wy hebben in die geheele S--
+geen schip ontmoet. Die S-- wordt door zeeroovery onveilig gemaakt.
+
+3o. Luchtstreek. Wy komen weldra in een heeter S--.
+
+Streektafels, z. n. v. mv. -- Tafels, die het verschil van breedte
+en omtrek aanwijzen.
+
+Strekken, o. w. -- Zich richten. Die kust Strekt 4 mijlen zuidwaarts
+heen.
+
+Strekking, z. n. v. -- Richting, wending, ligging. De S-- eener kust.
+
+Streng, z. n. v. -- Lang verbindsel van in elkander gewerkte draden,
+geschikt om met dergelijke verbindsels gestrengeld te worden en een
+dik touw of kabel te vormen. Drie S--s-touwwerk. Vier S--s-touwwerk.
+
+Spreekwijze: De derde S-- maakt den kabel (Zie Kabel).
+
+Striem, z. n. m. -- Zie Binnenrahout.
+
+Strik, z. n. m. -- Zie Strop.
+
+Strook, z. n. m. -- 1o. Smalle band of baan. Een S-- zeildoeks.
+
+2o. Smal vooruitstekend stuk lands.
+
+Strooken, o. w. -- 1o. Zich voordoen. Dat schip Strookt wel.
+
+2o. Overeenkomen. Dit bevel Strookt niet met de gegevene
+instruktie. Die bepaling van lengte en breedte, waarop die klip is
+gezien, Strookt niet met die van den kapitein N.
+
+Strooking, z. n. v. -- Vorm, voorkomen. De S-- van een schip.
+
+Stroom, z. n. m. -- 1o. Hoeveelheid water, die zich met meer of mindere
+snelheid in een bepaalde richting beweegt. Geregelde S--en (die door
+de beweging des aardbols, of door de bewerking van regelmatige winden,
+of door de zon ontstaan.) Veranderlijke S--en (die aan wisselingen
+onderhevig zijn.) Tegen den S--en op- of ingaan. Het bed, de bedding
+van een S-- (de ruimte, door welke hy gewoonlijk vloeit.) Door den
+S-- medegevoerd worden, afdrijven. Die S-- loopt N. knoopen (heeft
+de snelheid van N.) Op S-- liggen.
+
+
+ Die tegen stroom zijn schuitje roeit
+ Dient nimmermeer te zijn vermoeid.
+
+ Cats.
+
+
+2o. Vloed, rivier, die in zee uitloopt. De RijnS--; e GangesS--
+(de Rijn, de Ganges). De uitleggers zijn gelegd op alle onze S--en.
+
+3o. S--en voor: "de zee." De zilte S--en.
+
+Spreekwijze: Den S-- volgen (denken of handelen gelijk de menigte
+doet).
+
+'t Is doodS-- (er is geen handel, geen bedrijvigheid: om dat een
+doode S-- gelijk staat met een stilstaand water). Zoo zegt Hooft:
+
+
+ De winden zonder toom
+ Aan 't rennen schut ik kort en maak een dooden stroom.
+
+
+Stroomen, o. w. -- Met kracht vloeien.
+
+Strop, z. n. m. -- Touw, waarvan de enden aan elkander zijn gesplitst
+en 't welk men om een blok of kous bindt. S-- met een kous, (om een
+haakblok in te hangen.) Enkele S-- (die ergends omheen wordt geslagen,
+om het op te hijschen, strak te zetten enz.) Yzeren S--, (yzeren band,
+die om het blok is geslagen.) Zoo RoeiS--, RoerS--, WantS--.
+
+Stroppen, b. w. -- Een Strop omleggen. Een blok, een kous, een
+juffer S--.
+
+Strijken, b. w. -- Neêrhalen, doen zakken. Een ra S-- (een ra langs
+den mast doen zakken.) Een vlag S-- (de lijn, waar de vlag aan vast
+zit, om laag halen.) De vlag S-- (zich overgeven, om dat een schip,
+dat voor zijn vyand de vlag strijkt, daarmede sein doet, dat het
+zich overgeeft.)
+
+
+ Ter zee is dit gebruik, daer moet de minder strijcken,
+ Te lant is 't even zoo, daer moet de minder wijcken.
+
+ Cats.
+
+
+Dikwijls wordt het voorwerp verzwegen en er by verstaan: Geheel
+S--. S-- overal, (al de zeilen in eens bergen) of, om by 't in- of
+uithijschen, de takels tegelijk te vieren. Een schip doen S-- (een
+schip tot de overgave dwingen.) Met de riemen S--: S-- stuurboord! het
+tegenovergestelde van roeien, (komm.)
+
+Wy vinden strijken onz. genomen by Cats in 't navolgende gedicht:
+
+
+ Hy is een pijl, die nimmer wijckt,
+ Hy is een zeil, dat nimmer strijkt;
+ Hy is een rots, die nimmer beeft,
+ Wie recht en rond daarhenen leeft.
+
+
+Stuik, z. n. m. -- Vergaring van een oplanger. Eind, waarin een stuk
+hout in een ander sluit. Een S-- oprichten. S-- van een lasch, (het
+schuins gesneden end eener lasch, dat de richting volgt van het stuk,
+waarin het sluiten moet).
+
+Stuinder, z. n. m. -- Zie Staander.
+
+Stuiten, b. w. -- Stoppen, ophouden. De vaart van een schip S--.
+
+Stuitklamp, z. n. v. -- Driehoekig stuk hout, 't welk men achter de
+wielen van een rolpaard plaatst, om, by het slingeren van het schip,
+het kanon vast te zetten.
+
+Stuitwind, z. n. m. -- Zoo noemt men die windvlagen, welke in de
+Japansche zee tegen de opkomende stormwolken waaien.
+
+Stuk, z. n. o. -- Stuk geschut. Dat schip voert 100 S--ken. De S--ken
+zijn aan boord gebracht. De S--ken zijn gesjord.
+
+Stukgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen, die Stuk voor Stuk worden
+ingeladen. Hy heeft een lading S-- aan boord. Ook wordt met S--
+laden gezegd, wanneer verschillende afzenders goederen afzonderlijk
+laden. De bepalingen tot invoer omtrent onbekende S-- worden gevonden
+in art. 15 der Alg. Wet van 26 Aug. 1827.
+
+Stukschavielen, o. w. -- Zie Schavielen.
+
+Stulpluik, z. n. v. -- Luik, dat over een gat heengestolpt wordt.
+
+Sturen, b. w. -- Een schip of schuit, 't zij volgends theoretische of
+praktische ervarenis, 't zij alleen met lokale kennis, geleiden. Het
+schip in behouden haven S--.
+
+Sturen, o. w. -- Het roer besturen. Het is zijn beurt te S--, (aan
+'t roer te staan.) Er is verkeerd Gestuurd. N. S--, op N. streken
+S--, (aan een schip een zekeren afstand doen afleggen, evenredig
+aan zijn snelheid op een gegeven windstreek.) By-de-wind S--,
+(het schip zoodanig richten, dat de wind, er voorlijk inschietende,
+met het schip van een hoek 46° tot 34° make.) In den koers S--, op
+de zee, op 't zeetjen S--, (den voorsteven zoo keeren, dat hy zoo
+min mogelijk de werking der golven ondervinde.) In het kielwater van
+een ander schip S--, (het schip in het zog van een voorgaand schip
+doen volgen.) Met een stuurrad, met een rad S-- (het roer door middel
+van een rad in beweging brengen.) Met een inspit, met de roerpen S--
+(het roer door middel der handen in beweging brengen).
+
+Sturen, b. w. -- Door stuurmanskunst geleiden. Hy nam de taak op sich,
+het schip in behouden haven te S--.
+
+Spreekwijze: Een zaak verkeerd S--, in de war S--, (voor: haar verkeerd
+leiden, in de war brengen).
+
+Het schuitjen in 't riet S-- (de zaak verknoeien).
+
+Iemand om een boodschap naar een ander toe S-- (voor: zenden: omdat
+men hem als 't ware den koers voorhoudt, opgeeft, dien hy volgen moet).
+
+Stut, z. n. m. -- Hout, balk, stijl, die een voorwerp Stut of
+schoort. S-- aan den mast, verkeerde S--, (kromme rib aan het
+achterschip).
+
+Stutten, b. w. -- Ondersteunen. Stut zoo! Stut voor vallen, (komm. aan
+den stuurman, om niet voor den wind te laten vallen).
+
+Stuur, z. n. o. -- Hetzelfde als Roer. S-- hebben, S-- in het schip
+hebben, (gang hebben, zoo, dat het schip naar al de bewegingen van
+het roer luistert).
+
+Spreekwijzen: Hy is het S-- kwijt, (hy weet zich niet meer te helpen).
+
+Hy raakt over S-- (hy raakt achteruit, in de war).
+
+Er is niets over S-- (er is niets aan verbeurd).
+
+Stuurboord, z. n. o. -- Het rechter boord van het schip, wanneer men
+van den achtersteven naar voren ziet. Over S-- liggen. S--s halsen
+toe hebben, (met de zeilen op het rechter boord liggen.) Over S-- met
+bakboordshalzen toe liggen, (over S-- by-de-wind zeilen.) Dat schip
+ligt over S--, (het helt naar de rechterzijde over.) S-- het roer,
+of eenvoudig S--: (komm. aan den roerganger, om de roerpen rechts te
+draaien.) Zie voorts Bakboord.
+
+Spreekwijze: Iemand van S-- naar Bakboord zenden. (Zie Bakboord.)
+
+Stuurboordswacht, z. n. v. -- Zie Wacht.
+
+Stuurlast, z. n. m. of Stuurlastigheid. -- Het verschil in diepgang
+van den voor- met den achtersteven van het schip. Op zijn S-- gebracht
+worden, (wanneer de S-- overeenkomstig de berekeningen des bouwmeesters
+wordt aangebracht, om het schip wel naar het roer te doen luisteren).
+
+Stuurlastig, b. n. -- Geeft het verschil van den Stuurlast te
+kennen. Dat schip is S--. De diepte is van achteren grooter.
+
+Stuurman, z. n. m. -- Oorspronkelijk de man die Stuurde, in welken
+zin thands het woord Roerganger gebezigd wordt: vervolgends hy,
+die met het toezicht over het Sturen belast was. Thands verstaat
+men door S-- den persoon, die, op koopvaardyschepen, onmiddellijk
+in rang volgt op den schipper of kapitein. Eerste S--, tweede S--,
+derde S--. Bepalingen aangaande de verplichtingen des S--s vinden wij
+in art. 398, 406, 407, 408 en 409 Wetb. v. Kooph. In sommige zaken
+rust de verantwoordelijkheid des kapiteins mede op den S--. Zoo is hy
+volgends art. 210 der algemeene Wet van 16 Augustus 1822 voor een derde
+boetschuldig in geval van ontdekte overtredingen, en aan de meeste
+der verplichtingen, op den schipper rustende, mede onderworpen. Zie
+art. 8, 10, 12, 16 en 59 der voormelde wet.
+
+Van de taak, aan dezen betrouwd, gewaagt Vondel in zijn Lof der
+zeevaart op navolgende wijze:
+
+
+ Wat sterfelijcke lippen
+ Oit melden stuurmans zorgh, de blinde en ziende klippen,
+ De staerten, hard van steen, de bancken onder zee,
+ Daer menigh eicken zwaert zijn bodem stoot aan twee,
+ Charybden, Scylles, die nu braecken, dan weêr slorpen,
+ Afgronden, die geen loot kan peilen noch beworpen,
+ En platen, stijf van rugh, draeistroomen diep van kolck,
+ En rotsen, dick ontzien van 't zeebevaren volck.
+ Der winden dwarrelingh, de blixems, donderslagen,
+ Onmatigheit van hitte, en koude, en wintervlagen,
+ De naerheit van de nacht, langdurigh, zonder licht
+ Van sterren, zon van maen, den nevel, die 't gezicht
+ Der baecken hem beneemt, het waken en het braken,
+ Des waters vochtigheit, het klocken en het kraken,
+ Der golven tuimeling, de broosheit van het hout
+ Daer hy zijn leven op onzeker heeft vertrout,
+ De veerheit van de reis, van magen afgescheiden,
+ Van vrou en kinders, die met wenschen hem geleiden,
+ Nootdruftigheit van kost, van takel en van tou,
+ Het spillen van zijn volck door ongemack en kou,
+ Weerbarstigheit van weer, des roovers dreigementen
+ En wat angstvallig brein kan schrick en vrees inprenten.
+
+
+Aan boord van een oorlogschip is de S-- een dekofficier, belast met
+het waarnemen van lengte en breedte, met het houden van den koers,
+met het peilen van de diepte, het berekenen van vooruitgaan, het
+opmaken van 't bestek, het naauwkeurig houden van 't journaal, enz.
+
+Spreekwijze: De beste Stuurlui staan aan wal, (het valt gemakkelijk
+de daden van anderen te beoordeelen, wanneer men zelf niet in hun
+plaats verkeert).
+
+Zoo zegt Cats:
+
+
+ Voorwaer het is so licht geseyt:
+ De lieden hebben geen beleyt
+ De schipper of de man te roer,
+ Dat is voorwaer een rechte loer,
+ Wis, soo ick stuurman wesen mocht,
+ Ick stierd het schip in gene bocht,
+ Ick stierd het schip in genen kolck,
+ Soo hield ick 't schip en al het volck.
+
+
+Stuurrad, z. n. o. -- Rad, dienende om de roerpen, 't zij rechts,
+'t zij links te bewegen.
+
+Stuurreep, z. n. v. -- Lijn, waarvan het middelste gedeelte om het
+stuurrad gerold is; terwijl de beide enden door touwhozen heenloopen
+naar de boorden van het schip boven het tusschendek, om op het uiteinde
+van de roerpen tot elkander te komen. Op schepen, waar de roerpen op
+het bovendek is, loopen de S--en door bloks, die ter wederzijden aan
+het staande boord bevestigd zijn.
+
+Stuurriem, z. n. m. -- of Wrikriem. Riem, die, in een ronde keep
+achter aan een licht vaartuig geplaatst, gebezigd wordt om dat vaartuig
+voort te krijgen of te besturen.
+
+Stuurstoel, z. n. m. -- Bank, waarin de schipper eener trekschuit
+gezeten is en waar de roerpen overloopt.
+
+Stuwaadje, z. n. v. -- Lading, en al wat verder in het ruim van een
+schip is samengestouwd.
+
+Stuwen, b. w. -- Samenpakken, bergen. Die lading valt zwaar te S--. Een
+goed Gestuwd schip. Meer gebruikelijk is Stouwen. Zie ald.
+
+Stijfhalen, b. w. -- Strak aanhalen. De loosbrassen S--.--Een slap
+geworden touw weêr S--.--In de broekings S--.
+
+Stijl, z. n. m. -- Zie Stut.
+
+Superkarga, z. n. m. -- Opzichter eener lading: zaakgelastigde des
+bevrachters, die met de koopwaren medereist en zich met den verkoop
+belast.
+
+Sultane, z. n. v. -- Soort van Turksche galei.
+
+
+
+
+
+
+
+T.
+
+
+Taan, z. n. v. -- Verwstof, van run of eiken schors gekookt, en
+waarmede de zeilen geel geverwd worden.
+
+Spreekwijze: Hy ziet zoo geel als T--.
+
+Tafelgeld, z. n. o. -- Geld, dat aan de zeeofficieren wordt uitbetaald
+boven hun wedde, om er zich levensmiddelen voor te verschaffen.
+
+Tak, z. n. m. -- Het kleinste gedeelte van een knie.
+
+Takbout, z. n. m. -- Bout met een weêrhaak, zoodat die, eens ingedreven
+zijnde, niet weêr kan worden uitgehaald.
+
+Takel, z. n. m. -- Talie, derde hand, vierlooper. Verzameling
+van touwen en katrollen, wier samenstel dient, om met geringe
+krachtsaanwending groote zwaarten op te tillen. GaardT-- (die gebezigd
+wordt om den bezaansgaffel van plaats te doen veranderen.) MantelT--
+(die een mantel of schenkel heeft). NokT--s (die aan de nokken der
+onderraas vast zitten en dienen om vrachten binnen het schip te
+brengen.) Voor-zij-T--, zij- en kipT-- (die aan de toppen der lage
+masten hangen.) SpilT--, stagT-- (die boven het grootluik overhangt).
+
+
+ De takels hijssen uit de schepen
+ Al wat haar ruimte houdt begrepen
+ Of tusschen dekken zich bevindt.
+
+ van Haren, de Geuzen.
+
+
+Zie verder Touw, Tip.
+
+Takbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, aan hun vooreinde met een scherp in
+doorsnede vierkante punt voorzien. Deze wordt op de hoeken ingehakt,
+zoodat er scherpe uitstaande punten of Takken ontstaan, die als
+weêrhaken werken.
+
+Takelaar, z. n. m. -- Matroos, die zich binnen 's lands verhuurt,
+om het schip op te tuigen.
+
+Takelen, b. w. -- Het end van een loopend touw met Takelgaren bewinden
+tegen 't uitrafelen.
+
+Takelgaren, z. n. o. -- Garen, waar een Takel mede bewoeld wordt.
+
+Takeling, z. n. v. -- (veroud.) Alles wat tot de uitrusting van een
+schip behoort. Overdrachtelijk bezigt het Huyghens in zijn Sneldichten.
+
+
+ En all'de takelingh van zenuwen en leden
+
+
+en nog eens:
+
+
+ Een Haegsche joffers hoofd, dry uren langh gehult,
+ Ten breedsten uytgestelt, gevlochten en gekrult
+ Schijnt by een zeilend schip niet kwalick vergeleken
+ Met touw en takelingh en vlaggen uytgestreken.
+
+
+Takelloods, z. n. v. -- Loods, waar, op 's Rijks werven, alles wordt
+gereed gemaakt tot het optuigen der schepen.
+
+Tal, z. n. o. -- 200 stuks. De haring brengt na Paschen niet meer op
+dan 20 Cts. het T--.
+
+Talie, z. n. v. -- Zie Takel.--Van Talen (trekken) dus eigenl.:
+trektouw. AchterT--s, InhaalT-- (die gebezigd worden om het geschut
+uit de geschutpoorten te halen.)--ZijT--s (die tot het vastsjorren
+der stukken gebezigd worden.) Enkele T-- of klaplooper. Dubbele
+T--:--RifT-- (die tot reeven dient.) StagT-- (die aan de stags
+der lage masten gehecht is en tot het oplichten van kleine lasten
+dient.) WantT--s (die dienen om het want aan te halen.) HalsT--,
+RakkeT--, T-- van de topreep, BakstagT--s. T-- van den boom (die dienen
+om een zeil, een rak, enz. aan te halen.) Losse T--s (die geen vaste
+plaats hebben.) StortT-- op de marsera, SlingerT-- (die de raas by
+het slingeren voor een schip in haar stand moeten houden.) PenterT--
+(die tot het openen en sluiten der geschutspoorten dient.) HaakT--
+(die met een haak voorzien is.) Yzeren T--, KettingT-- (die met een
+ketting voorzien is).
+
+Taliën, b. w. -- Optaliën, aan een Talie of Takel ophijschen.
+
+Taliereep, z. n. v. -- Zie Talreep.
+
+Talreep, z. n. v. -- Klein touw, dat, door twee stagkousen of
+doodshoofden loopende, dient om deze tot elkander te brengen en
+daardoor een zwaarder touw aan te halen, dat door een dier stagkousen
+of doodshoofden loopt. T--en van het want, T-- van de pardoens,
+enz. De T--, die door de doodshoofden van de puttingyzers en van het
+staande want loopt, dient om het onder- en staggewant vast te zetten.
+
+Tanden, b. w. -- Met yzeren haken omhalen. Een schuit T--.
+
+Tandlasch, z. n. m. -- Haaklasch, waarvan het schuine vlak als met
+Tanden voorzien is om in keepen te sluiten.
+
+Tanen, b. w. -- Met Taan verwen. Een Getaand zeil.
+
+Tang, z. n. v. -- Nijptang.
+
+Spreekwijze: Het sluit als een T-- op een varken (het sluit niet).
+
+Tap, z. n. m. -- 1o. Plaats waar men Tapt.
+
+Spreekwijze: Hy zal beteren, als Scharrebier op den T-- (hy zal nog
+slimmer worden).
+
+2o. Korte ronde metalen of yzeren klos, aan de zijde van het kanon
+uitstekende, waarmede het in het rolpaard ligt.
+
+Tapbeugel, z. n. m. -- Yzeren beugel op het rolpaard, die over den
+Tap sluit.
+
+Tapbout, z. n. m. of Draaibout. -- Bout, die in de karronade steunt.
+
+Tarm, z. n. m. -- Staanman. Naam der stutten, die boven de boorden
+van een schip uitsteken. 't Is 't Lat. terminus (paal).
+
+Tartaan, z. n. v. -- Vrachtschip op de Middellandsche zee. Het draagt
+maar een mast met een latijnzeil, en is als een galei getuigd. Saïken
+en Tartanen zegt Antonides. Zie Saïck.
+
+Tasse, z. n. v. (veroud.). -- Aangevoegde verbreeding op de
+waterdracht.
+
+Tchichernee, z. n. v. -- Turksch vrachtschip, op de Zwarte zee varende.
+
+Teeken, z. n. o. -- Aanwijzing. Zeezwaluwen in 't kielwater is een
+T--, dat de harde wind zal aanhouden. Den Albatros te zien vliegen,
+is een T--, dat men de Kaap nadert.
+
+Teekenen, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer het water,
+met de eb vallende, een vochtig merk op het strand achterlaat, dat
+aantoont, hoe ver het is afgeloopen sedert het hoog water was. Het
+water Teekent: men moet met het afloopen beginnen.
+
+Teer, z. n. m. -- Zwarte, lijmachtige zelfstandigheid, die uit
+den pijnboom vloeit, wanneer deze aan de werking van 't vuur wordt
+blootgesteld. KoolT-- (die uit steenkolen getrokken wordt). In den T--
+zetten (beteeren).
+
+Teeren, b. w. -- Met Teer besmeeren.
+
+Spreekwijze: T-- en smeeren (slempen en brassen).
+
+Teerketel, z. n. m. -- Ketel, waarin Teer gekookt wordt, waarvan nog
+te Amsterdam de T--steeg haar naam draagt.
+
+Teerkwast, z. n. v. -- Kwast, tot het Teeren gebruikt.
+
+Teerling, z. n. m. -- Neut aan den Top. Zie Neut.
+
+Teers, z. n. m. -- Groote houten marlpriem, met yzer beslagen.
+
+Teerstoof, z. n. v. -- Werkplaats, waar Teer bereid wordt.
+
+Teerton, z. n. v. -- Ton met Teer.
+
+Teertuin, z. n. v. -- Omheinde plaats, binnen welke Teer gesmolten
+en bereid wordt. Een buurt te Amsterdam heet nog de T--en.
+
+Tegen, voorz. -- Tegenover. T-- elkander in liggen (wanneer schepen
+in tegenovergestelde richting varen).
+
+Tegen, bw. -- Onvoordeelig. Wind en stroom waren ons T--.
+
+Tegenbrassen, b. w. -- T-- om hoogte te nemen. De zeilen T-- (de
+zeilen tegen den wind inbrengen, ten einde het vaartuig te doen
+bydraaien of zijn vaart te stoppen).
+
+Tegenliggen, o. w. -- Wordt van de zeilen gezegd, als zy den wind
+van voren ontfangen, zoo dat zy tegen den mast drukken. Een T--d
+marszeil. Dat zeil Ligt Tegen.
+
+Tegenloopen, o. w. -- Schralen: wordt de wind gezegd te doen, wanneer
+hy een by-de-wind zeilend schip niet langer dient. De wind Loopt
+Tegen voor het schip: hy Loopt N. streken Tegen.
+
+Tegenstroom, z. n. m. -- Stroom, die Tegen is.
+
+Tegenwind, z. n. m. -- Wind, die noodzaakt scherp by-de-wind te
+houden en gangen te doen, om zooveel mogelijk den koers te bewaren,
+dien men volgen wil.
+
+Tegenzee, z. n. v. of Weerzee. -- Terugdeinzing van den golf, die
+Tegen een rots of hoogte geslagen heeft.
+
+Teisteren, b. w. -- Sterk bewegen, niet zonder schade aan te
+brengen. De wind Teisterde ons schip. Het schip werd zwaar Geteisterd
+door den storm.
+
+Spreekwijze: Iemand T-- (hem kwellen).
+
+Tengel, z. n. m. -- Strook hout of lat, tusschen verschillende stukken
+getimmerten gesteld, die aan elkander behoorden te sluiten en het
+niet volkomen doen.
+
+Tent, z. n. v. -- Linnen scherm, horizontaal geplaatst, en 't welk men
+over de dekken of de kampanje van een schip op geringe hoogte spant om
+zich tegen den regen of de zon te beschutten. Zie ZonneT--. SloepT--
+(tent met yzeren schepters over de zeet van een sloep).
+
+Term, z. n. m. -- Zie Tarm.
+
+Terugvloeien, o. w. -- Rugwaartsche beweging van vloeibare stoffen. Als
+de zee zich verheft, Vloeien de rivieren Terug.
+
+Tieren, z. n. m. mv. -- Open ruimten tusschen de ingescheepte vaten.
+
+Tillen, o. w. -- By de scheepstimmerlieden in gebruik voor: smal en
+scherp van onderen oprijzen.
+
+Timmeren, o. en b. w. -- In 't algemeen: van hout iets vervaardigen;
+meer bepaaldelijk: een vaartuig bouwen. Ik laat op die werf T--. Ik
+Timmer op deze werf.
+
+Timmerman, z. n. m. -- Zie Scheepstimmerman.
+
+Timmerspijkers, z. n. m. mv -- Gewone benaming der spijkers, tot den
+aanbouw van een schip gebezigd: zy worden onderscheiden in dunne en
+dikke: de dikke van 0,10 tot 0,31: de dikke van 0,10 tot 0,41 lang.
+
+Timmerwerf, z. n. v. -- Zie Werf.
+
+Tip, (end) In de spreekwijze Tip en Takel. Voor T-- en Takel
+lenzen. Zie Top.
+
+Tjalk, z. n. v. of Tjalkschip. -- Friesch vaartuig.
+
+Tobbe, z. n. v. -- Zie Balie, Koelbalie.
+
+Tocht, z. n. m. -- Beweging, trek, van daar ook reis. Zie Zeetocht. De
+T-- naar de Noordpool. Dat schip heeft al menigen T-- gedaan.
+
+Tochtjen, z. n. o. -- Luchtjen, windtjen, briesjen. Dat laatste T--
+bracht ons de haven binnen.
+
+Tochtschuit, z. n. v. -- 't Zelfde als Trekschuit. Schuit, die gebruikt
+wordt, om door Tochtslooten of binnenvaarten te gaan.
+
+
+ Sloepen, booten
+ En speeljacht, toghtschuit, kogge en ponten.
+
+ Antonides. IJstroom.
+
+
+Tochtsloot, z. n. v. -- Breede sloot, waar men een vrijen doortocht
+heeft.
+
+Toe, bw. -- 1o. Dicht, gesloten. De luiken zijn T--. De haven ligt T--
+(het water in de haven is bevroren). Halzen T-- (komm.).
+
+2o. Heen. Waar is de reis naar T--?
+
+Toehakking, z. n. v. -- Het naderen der voor- en achtereinden van
+de kiel.
+
+Toeleggen, b. w. -- Op stapel zetten.
+
+Toerusten, b. w. -- Uitrusten, voorzien. Die schepen zijn van alles
+Toegerust (van al het noodige voorzien).
+
+Toetakelen, b. w. -- Van de noodige takelaadje voorzien. Die schepen
+zijn behoorlijk Toegetakeld.
+
+
+ Zy taeklen vloot op vloot in alle havens toe.
+
+ Antonides, Bellone.
+
+
+Spreekwijze: Hy is zonderling Toegetakeld (vreemd opgeschikt).
+
+Iemand deerlijk T-- (hem afranselen, dat hy blond en blaauw ziet).
+
+Toetuigen, b. w. -- Zie Optuigen.
+
+Toewater, z. n. o. -- Water, dat bevroren is, zoo dat de vaart
+belemmerd is. Het was T--, men was genoodzaakt, de vaartuigen uit
+te ijzen.
+
+Tol, z. n. m. -- Geld, dat aan sommige plaatsen voor den vrijen
+doortocht betaald moet worden. De T-- aan de Sond.
+
+Tolk, z. n. m. -- Staafjen om boutgaten mede te meten.
+
+Ton, z. n. v. -- 1o. Inhoudsmaat van een schip, die 1000 kilo
+weegt. Een schip van 600 T-- (dat 600 maal 1000 kilo voeren kan.) Dat
+schip heeft 800 T-- belastbare ruimte.
+
+2o. Tonvormige boei, hoedanige men aan den ingang van de stroomen
+en zeegaten of aan wederszijden van naauwe vaarwaters plaatst, om
+de vaart af te bakenen. De T--nen zijn van onderen spits toeloopende
+en beschilderd, aan elke zijde des vaarwaters met een verschillende
+kleur. Wy zijn de laatste T-- nog niet voorby (van 't strand komende,
+dus: nog niet in volle zee).
+
+Tong, z. n. v. -- 1o. Split van een standaart.
+
+2o. Uitstekende punt van een strook land, zandbank, enz.
+
+Tonie, z. n. v. -- Soort van Indiaansche schuit.
+
+Tonneboei, z. n. m. -- Boei, uit duigen vervaardigd.
+
+Tonnegeld, z. n. o. -- Belasting, welke geheven wordt naar het aantal
+Tonnen, 't welk de inhoud van een schip bevatten kan. Deze belasting
+was by ons geregeld geworden by de Algemeene Wet van 26 Augustus 1822
+(Stbl. no. 38) Hoofdst. 25, art. 292-310; doch is in 1855 afgeschaft.
+
+Toonen, b. w. -- In de samenstelling: een vlag T--, kleuren T--
+(zich door het hijschen der vlag doen kennen). Zie Vlag.
+
+
+ Zy naadren zonder vlag te toonen,
+ Maar ras ontdekt zich wie ze zendt.
+
+ Van Haren, de Geuzen.
+
+
+Top, z. n. m. -- Het bovenste en naakte gedeelte van den mast of de
+stengen. T-- van den mast. T-- van den bramsteng of bovenbramsteng. De
+vlag in T-- hijschen (de vlag naar den T-- van den mast hijschen.) Het
+zeil in T-- halen (het zoo hoog mogelijk brengen).
+
+
+ Het zeil te trekken in den top
+ Dat rijst veel uit een lossen kop.
+
+ Cats.
+
+
+Voor T-- en takel (d. i. zonder eenig zeil) voor-de-wind afloopen.
+
+Spreekwijze: Het zeil in T-- voeren (een hooger staat voeren).
+
+Top (van) te weten, "van den masttop," bw. V-- T-- was niets van de
+eilanden meer te zien.
+
+Topbocht, z. n. v. -- De hoogste bocht of zeegt van een schip.
+
+Toppen, b. w. of Optoppen. -- In een rechte lijn opzetten. De ra
+T--. In rouw T-- (de raas in den vorm van een Sint Andrieskruis T--).
+
+Toppenant, z. n. m. -- samengetr. uit Toppen-want (want dat aan de
+toppen zit.) Touw, dat, ter weêrszijde aan de nokken van de ra vast
+gemaakt, dient om deze te Toppen. Enkele T-- (die door een strop of
+ring loopt.) Dubbele T-- (die door een blok loopt.) BovenbramT--,
+MarsT--, Groote T--, enz. Looze T--, T-- der bezaansra (Zie Bekaaier).
+
+Toppet, z. n. o. (veroud.). -- Verkleinwoord van Top, gelijk banket
+van bank, klinket van klink, parket van park enz.
+
+
+ Heeft op het hoog Toppet den bezem uitgestoken,
+
+
+zegt Antonides.
+
+Topreep, z. n. v. -- Toppardoen, hanger van den grooten- en fokkemast.
+
+Topsenten, z. n. m. mv. -- De bovenste Senten.
+
+Topstander, z. n. m. -- Vlag, die van de bovenste steng waait.
+
+
+ Wat waepens brommen hier, in wimpels, toppestanders
+ En sluiers, fijn van draet!
+
+
+zegt Vondel in het Lof der Zeevaart.
+
+Topzeil, z. n. o. -- Bovenste zeil op een vaartuig met een mast.
+
+Toren, z. n. m. -- Zie Vuurtoren.
+
+Tornen, b. w. -- Wederhouden. Een schip T-- (beletten, dat het te
+snel afloopt).
+
+Spreekwijze: Er valt wat aan te T-- (er is veel aan vast).
+
+Torntouw, z. n. o. -- Touw, tot Tornen gebezigd.
+
+Totebel, z. n. v. -- Kruisnet zonder handvatsel, dat als een weegschaal
+hangt en met een houten vork wordt opgehaald.
+
+Touw, z. n. o. -- 1o. Algemeene benaming van saamgevlochten
+draadwerk. T-- slaan (T-- vervaardigen).
+
+2o. Kortheidshalve voor KabelT--, AnkerT--, BootsT--, GeiT--,
+HaakT--, PoortT-- enz. T-- dat op en neêr staat (dat strak staat
+op het anker.) T-- dat op zijn end is (dat alleen met het end op
+de betings vast zit.) Het T-- staat recht vooruit (het maakt in de
+richting van het kluisgat tot het anker een rechte lijn uit.) Het T--
+kappen (door midden kappen en met het anker prijs geven.) Het T--
+slippen (het met het anker laten varen met een boei om het terug te
+vinden.) T-- steken (het los laten en laten zakken.) T-- opschieten
+(het hoepelsgewijze laten zakken.) Een slag in het T-- hebben (wanneer
+twee kabels ten gevolge van de bewegingen van het schip in elkander
+verward raken.) T-- klaren (de slagen uit een T-- draaien.) Het T-- is
+onklaar (het is verward.) T-- en Takel worden veel samen gebezigd als:
+
+
+ Men recht er boomen op met takelen en touwen.
+
+ Vondel. Lof der Zeevaart.
+
+
+ Gelyck men niet en kan in een groot schip aanschouwen
+ Noch taekels zonder nut, noch bruykeloose touwen.
+
+ De Groot. Bewijs van den Waren Godsdienst.
+
+
+Spreekwijze: Aan een T-- vastzitten (in zijn handelingen niet vrij
+zijn).
+
+Daar is geen T-- aan te beleggen. Zie Beleggen.
+
+Touwladder, z. n. m. -- Ladder, geheel of hoofdzakelijk van Touw
+vervaardigd.
+
+Touwstopper, z. n. m. -- Touw, waarmede een kabel omwonden en
+stijfgehouden wordt.
+
+Touwstrop, z. n. m. -- Zie Strop.
+
+Touwtjen, z. n. o. -- Dun Touw, als marling, enz.
+
+Spreekwijze: Hy heeft het T-- aan zijn been (hy zit er aan vast).
+
+Men moet het T-- wat vieren (men moet iets toegeven).
+
+Trek niet aan dat T-- (roer die zaak niet aan).
+
+Touwwerk, z. n. o. -- Benaming van de Touwen, die tot optuiging
+van een schip dienen. Zwaar, dik T--. Licht T--. Geteerd T--. Wit
+T--. T-- van de eerste, van de tweede soort. Ndraads T-- (uit N draden
+samengesteld.) Nstrengs-T-- (uit N strengen samengesteld.) Opgeslagen
+T-- (vervaardigd uit touw, dat reeds gediend heeft).
+
+Trabacolo, z. n. m. -- Soort van koopvaardyschip, in gebruik op de
+Adriatische zee. Het voert twee masten en twee loggerzeilen.
+
+Tramontane, z. n. v. -- Italiaansche benaming der poolster, die men,
+op de Middellandsche zee zijnde, boven de Alpen ziet en dus stella
+tramontana (de ster aan gene zijde der bergen) noemt.
+
+Spreekwijze: De T-- kwijt zijn (zijn koers kwijt zijn, in de war
+zijn: om dat voor de uitvinding van het kompas, een schipper, die
+ster uit het oog verliezende, waar hy zich op richtte, gevaar liep,
+zijn koers kwijt te raken).
+
+Transport, z. n. o. -- Vracht.
+
+Transportschip, z. n. o. -- Schip, dat tot vervoer van krijgsvolk, van
+gevangenen, van veroordeelden, van landverhuizers, enz. gebezigd wordt.
+
+Trap, z. n. m. of Ladder. -- Algemeene benaming van de treden,
+langs welke men zoo binnen als buiten het schip op- en afklimt. T--
+van het grootluik (langs welken men van het bovendek op het halfdek
+komt.) T-- van het voorluik van het volk (die naar het verblijf der
+matrozen geleidt.) ValreepT--. TusschendeksT--pen (die zich tusschen
+de dekken bevinden.) T--pen, opgangen van de kampanje (waarmede men
+van het opperdek naar de kampanje klimt.) Groote T-- buiten boord
+(die, als het schip ter reede ligt, op eene der zijden midscheeps
+wordt uitgehangen).
+
+Travaat, z. n. m. -- Korte, doch hevige bui, met stortregen.
+
+Traven, b. w. -- Een soort van stouwen. Zie Duiveljagen.
+
+Trebizonde, z. n. v. -- Turksch vaartuig, op de kusten der Zwarte
+zee in gebruik. Het draagt een vierkant zeil op een grooten mast.
+
+Trechter, z. n. m. -- Buis, door welke men iets laat heen loopen,
+om het van het eene bevattingsvoorwerp in 't andere over te gieten
+of te storten. KruitT--, Zeildoeksche T--.
+
+Treil, z. n. o. -- Oorspronkelijk 't zelfde als treklijn: zoo
+dat de uitdrukking: ik koop uw schuit met zeil en T-- beteekende:
+"uw schuit, met al haar toebehooren". In vervolg van tijd is door
+verloop der beteekenis, het woord overgebracht op al wat tot de
+beweging van een schip even onmisbaar is als de zeilen en het want,
+zoo als: de kaapstanders, het roer, de ankers enz. Door Zeil en T--
+wordt alzoo nu het geheele tuig van een schip verstaan.
+
+Treis, z. n. m. -- Bras van de blinde en schuifblinde ra.
+
+Treisblok, z. n. o. -- Blok, waar iets door Getreisd wordt.
+
+Treissen, b. w. -- Iets door middel van touw en blok ophalen.
+
+Trek, z. n. m. -- Haal: het woord wordt inzonderheid op de vischvangst
+met netten toegepast. Zy vingen een goede zoo visch met den eersten
+T--.
+
+Trekhaak, z. n. m. -- Zie Balkhaak.
+
+Trekken, b. w. -- Voorthalen, bepaaldelijk aan een lijn of touw.
+
+Trekkers, z. n. m. of Steunders. -- Kruisverbanden, die zich van
+de kimwegers tot de verbindingsklossen van het laagste geschutdek
+uitstrekken en naar het midden vallen.
+
+Treklijn, z. n. v. -- Zie Jaaglijn.
+
+Trekschuit, z. n. v. of Jaagschuit. -- Schuit, die door de
+binnenwateren aan een lijn wordt voortgetrokken.
+
+Trekzaag, z. n. m. -- Soort van Zaag.
+
+Trensen, b. w. -- De ruimte opvullen tusschen de touwen, waaruit een
+stag is samengesteld.
+
+Trensing, z. n. v. -- De daad of de uitslag van het Trensen.
+
+Troebel, b. n. -- Bastertwoord, voor bewogen, versteurd, beroerd.
+
+Spreekwijze: In T-- water is goed visschen (wanneer er oneenigheid
+heerscht trekken listige lieden er partij van).
+
+
+ Troebel water, 's visschers zin:
+ Want daar ligt zijn voordeel in.
+
+ Cats.
+
+
+Trommel, z. n. m. -- Losse kast, die het stuurrad overdekt.
+
+Trommelrand, z. n. m. -- Ondergedeelte der galery.
+
+Tromp, z. n. v. -- Het mondstuk van 't kanon.
+
+
+ Tromp die trompte met zijn trompen
+ Op 's vyands vloot.
+ Dat men brein en bloed zag pompen
+ Terwijl hy schoot.
+
+ Brandt.
+
+
+Trompstuk, z. n. o. -- Cirkelvormig stuk hout, op den tweeden
+gangbalkweger van een schip gespijkerd, en tegen hetwelk men een
+gedeelte der monding van een stuk geschut doet steunen, wanneer men
+dit aan den weger vastsjort.
+
+Tros, z. n. m. -- Lijn, uit drie of vier strengen gevlochten.
+
+Trotseering, z. n. v. -- Naam, die aan de schuinte van een helling
+gegeven wordt.
+
+Tuianker, z. n. o. -- Anker, waaraan het schip voor ebbe vast ligt.
+
+Tuig, z. n. o. -- Al wat er noodig is om een mast, een ra, enz. in
+behoorlijken staat te brengen. Een mast van zijn T-- voorzien (van
+blok, touwwerk, enz.) Die mast heeft zijn T-- verloren. Waarloos T--
+(dat in rezerve, dat ongebruikt is).
+
+Tuigaadje, z. n. v. -- Wat tot de optuiging behoort. Het schip is
+van zijn T-- voorzien.
+
+Tuigen, b. w. -- Optuigen, van Tuig voorzien. Een hooggetuigd schip.
+
+Tuimelbank, z. n. m -- Bank, waarvan de ruggesteun kan omgezet,
+of omgetuimeld worden.
+
+Tuipoel, z. n. m. -- Zie Drijfkist, Meerpoel.
+
+Tuits, (een) z. n. o. -- Touw van het Tuianker, ook een tot verbranden
+klein gekapt touw.
+
+Turken, z. n. m. mv. -- Benaming, aan stelbouten gegeven.
+
+Turksche pas, z. n. m. -- Soort van zeebrief of vrijgeleide, waarvan
+de schepen, die de Middellandsche zee bevoeren, zich voorzagen om
+geen overlast te hebben van de Barbarijsche zeeroovers.
+
+Tusschenwegers, z. n. m. mv. -- Langsscheeps geplaatste planken, die
+de ruimte vullen tusschen den balkweger en zetweger. Op geschutdekken
+dragen zy den naam van Binnengeschutgang.
+
+Tweemast, Tweemaster, z. n. m. -- Schip met twee masten.
+
+Twil, z. n. m. -- Zie Broek.
+
+Tij, z. n. o. voor Getij. -- Tijd, welken de zee bezig is om op
+te komen en af te loopen; duur van eb en vloed. Het T-- heeft twee
+malen plaats in een etmaal, met een verloop van 48 min. telken dage;
+ieder vloed en ieder ebbe duurt zes uur en 12 min. Opkomend T--
+(wassend water.) Afgaand T-- (vallend water.) Laag T-- (wanneer de
+eb ophoudt en de vloed gereed staat op te zetten.) Hevig, zwaar T--
+(wanneer de stroom snel loopt) Het T-- loopt met den wind (d. i. in
+de richting van den wind.) Hoog T-- (wanneer de vloed op het hoogste
+staat: dat by sommige gelegenheden, als by nieuwe en volle maan,
+plaats heeft.) Afgaand T-- (staartjen van eb of vloed.) DoodT--
+(wanneer het water maar flaauw opkomt, als by kwartiermaan.) Tij
+stoppen (Zie Stoppen.) T-- kavelen. Het T-- breekt den hals (het
+verzwakt.) Het T-- vergast (is te gast, er is geen T--).
+
+Spreekwijze: Hy laat het T-- verloopen (hy laat de gelegenheid
+voorbygaan).
+
+Het T-- wacht naar niemand (liet de schipper aan Keizer Karel V
+weten, toen deze, na den afstand der Nederlanden, van Vlissingen zoû
+uitzeilen, en niet spoedig genoeg aan boord kwam: en de spreekwijze
+strekt om te herinneren, dat men de gelegenheid behoort waar te nemen).
+
+'t Is Dood T-- (er is geen handel). Zie Stroom.
+
+Hy weet wel T-- te kavelen (zijn slag waar te nemen).
+
+Als het T-- verloopt, verzet men de bakens (Zie Baken).
+
+Tijdmeter, z. n. m. -- Zie Kronometer.
+
+
+
+
+
+
+
+U.
+
+
+Uil (een) vangen, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer
+de roerganger en wachthebbende officier onoplettend zijn geweest
+en het schip by-de-wind zeilende in-de-wind hebben laten loopen,
+zoo dat het door-de-wind gaat en men de raas om moet brassen.
+
+Uitboegseeren, b. w. -- Uitsleepen. Wy hebben ons door den stoomsleeper
+laten U--.
+
+Uitbouwen b. w. -- Het bovenst gedeelte van het schip breed naar
+buiten uitbouwen (dat schip is sterk uitgebouwd.)
+
+Uitbreken, b. w. -- Sloopen. Men is bezig dit schip Uit te Breken
+(er het yzerwerk af te halen of ook hout of touw, door wrijving
+beschadigd).
+
+Uitbrengen, b. w. -- Klaarmaken, gereed houden, buiten boord brengen,
+om elders vast te maken. Een kabel, een anker U-- om daarop te
+verhalen, enz. Een touw op den wal U-- (waarvan het eene end aan het
+vaartuig vastblijft en het andere aan wal wordt vastgemaakt).
+
+Uitbijten, b. w. -- Een schip uit het ijs brengen door het hakken
+van bijten.
+
+Uitdiepen, b. w. -- Dieper maken, door uitbaggering enz. Een haven U--.
+
+Uitdroogen, o. w. -- Wordt een vaartuig gezegd te doen, wanneer de
+boorden door de hitte open naden bekomen. De hitte heeft dit schip
+doen U--.
+
+Uitdrijven, o. w. -- Zich door den stroom naar buiten laten drijven. De
+haven U--. Het zeegat U--.
+
+Uitenteren, o. w. -- Op de paarden langs de ra klimmen: op den
+boegspriet, op den gaffel U--.
+
+Uitgespat, b. n. -- Zie Gespat.
+
+Uitgilling, z. n. v. -- Halvemaanswijze uitsnijding der zeilen,
+hoedanige vroeger meer algemeen in zwang was, maar thands alleen by
+de winterbramzeilen wordt aangewend.
+
+Uithalen, o. w. -- Harder roeien.
+
+Spreekwijze: Hy haalt uit (hy maakt groote cier).
+
+Uithalen, b. w. -- Uittrekken. Een schip U-- (het van de werf en uit
+het dok in 't vaarwater brengen). De boelijns U-- (die stijf zetten).
+
+Uithangen, o. w. -- Wordt het houtwerk gezegd te doen, dat buiten
+boord steekt en over 't water hangt.
+
+Uithangen, b. w. -- Buiten boord Hangen; b. v., een stelling, om iets
+aan de buitenhuid te verrichten.
+
+Uithoek, z. n. m. -- Kaap, landpunt, landtong.
+
+Uithouder, z. n. m. -- Reep, die gebruikt wordt om het takel terug
+te trekken en schade by 't hijschen te verhoeden.
+
+Uithozen, b. w. -- Het water uit de sloep werken.
+
+Uithijschen, b. w. -- Door middel van een touw of ketting goederen
+ophalen uit de plaats, waar zy zich bevonden.
+
+Uitkaauwen, o. w. -- Wordt een vaartuig gezegd te doen wanneer het,
+ten gevolge 't zij van een gebrek in den bouw, 't zij van niet goed
+gebreeuwd te zijn, by ruw weer, het werk uit zijn naden loslaat.
+
+Uitkijk, z. n. m. -- Man of jongen, die in den top van een mast de
+wacht houdt om uit te zien naar den vyand, naar de kust of naar elk
+ander voorwerp, dat men zoekt of dat men ontwijken wil. Zie Neuskijker.
+
+Uitladen, b. w. -- Hetzelfde als Lossen.
+
+Uitlegger, z. n. m. -- 1o. Wachtschip, dat op stroom gelegd wordt
+buiten de havens en zeegaten.
+
+2o. Lange rib of balk, die zich uitstrekt van het begin tot aan het
+end van 't galjoen.
+
+Uitleggershoofd, z. n. o. -- De uiterste knop, die voor aan 't
+galjoen komt.
+
+Uitloodsen, b. w. -- Het schip buiten de tonnen brengen.
+
+Uitloopen, o. w. -- Buiten de haven loopen, en alzoo: onder zeil
+gaan. Door den tegenwind kunnen de schepen niet U--.
+
+Uitluien, b. w. -- Stortgoederen met een blok uit de schepen hijschen.
+
+Uitpikken, b. w. -- Een haakblok uit de kous of den strop halen,
+waarin het hing.
+
+Uitreeden, b. w. -- Reede maken, bevrachten, van het noodige
+voorzien. Zie Uitrusten.
+
+Uitroeien, b. w. -- Met de sloep uitbrengen. Wy deden een jaagtros
+naar het in lij geraakte schip U--.
+
+Uitrusten, b. w. -- In staat stellen om zee te bouwen en verder van
+al het noodige en nuttige voorzien. Een vloot U--. Kapers U--. Een
+oorlogschip als transport U-- (het geschikt maken om als vrachtschip
+dienst te doen).
+
+Uitrusting, z. n. v. -- De daad of de uitkomst van het Uitrusten.
+
+Uitscheren, b. w. -- Van een touw sprekende, bedoelt men door U--,
+het uit de opening halen, waar het ingestoken was.
+
+Uitschieten, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy van
+'t N. naar 't O. enz. met de zon omloopt.
+
+Uitspatting, z. n. v. -- Zie Spatting.
+
+Uitsteken, b. w. -- Aan iets een buitenwaardsche beweging laten
+doen. De reeven U--. De touwen U--. Het touw op zijn end U-- (het end
+over end laten schieten.) U-- (een boom of roede buiten boord steken,
+om grond te peilen).
+
+Uitvieren, b. w. -- Naar buiten vieren.
+
+Uitvoer, z. n. m. -- De bepalingen op den U-- van goederen
+ter zee zijn te vinden in de Alg. Wet van 26 Aug, 1822, Zevende
+Hoofdst. art. 52-62; die omtrent den U-- langs de rivieren in het
+Achtste Hoofdst. art. 63-66; en die omtrent den U-- van accijnsgoederen
+in 't algemeen in het Negende Hoofdst. art. 67-74.
+
+Uitvoeren, b. w. -- 't Zelfde als Uitbrengen. De lijzeilspieren U--.
+
+Uitwaaien, o. w. -- Wapperen, heen en weêr waaien. Zy lieten de
+vlaggen en wimpels U--. Een vlag, die in sjouw was, geheel doen U--.
+
+
+ Waait uit dan, vlaggen van Oranje!
+
+ Van Haren, de Geuzen.
+
+
+Uitwaaien, onp. w. -- Eindigen met Waaien. Het heeft nog niet
+Uitgewaaid.
+
+Uitwateren, o. w. -- Zijn water kwijt worden. Hier is de zij waar de
+polder op Uitwatert. Een U--de sluis (een sluis, die het overtollige
+water uitlaat).
+
+Uitwerken, o. w. -- Tegen stroom of wind uitlaveeren.
+
+Uitwerken, (voor het tij) o. w. -- Wordt een vaartuig gezegd te doen,
+wanneer het zich in beweging stelt, voor dat eb of vloed zich doen
+gevoelen.
+
+Uitwerpen, o. w. -- U-- door middel van werpankers uit de haven.
+
+Uitwerpen, b. w. -- 1o. Over boord gooien. Een tros U--. Zie
+Uitbrengen, Verhalen, Werpen. Vroeger ook gebruikt voor Uitsteken. Een
+vlag U--.
+
+2o. Uithalen, door middel van 't werpanker.
+
+Uitwinden, b. w. -- Met een tros op de kat Uit de haven Winden.
+
+Uitwippen, b. w. -- Met het wiptakel over boord zetten.
+
+Uitwisschen, b. w. -- Het kanon met den wisscher schoon maken.
+
+Uitworp, z. n. m. -- Over-boord-werping. Ende also wy van 't onweder
+geweldiglijck geslingert wierden, deden wy den volgenden daags'
+eenen U--.
+
+Handel. XXVII, 18.
+
+Uitijzen, b. w. -- Uit het IJs losmaken. Een slop door 't ijs hakken
+om een vaartuig door te brengen.
+
+Uitzeilen, o. w. -- Een haven of reede verlaten. Wy Zeilden Uit met
+alle zeilen in top. Met dezen wind zijn vrij wat schepen Uitgezeild.
+
+Uitzeilen, b. w. -- 1o. Voorbyzeilen. Een merk aan den wal U--. Een
+schip U--.
+
+2o. Vrij van elkander zeilen: den toren Uit den vuurbaak Zeilen
+(zoo zeilen dat men die beiden vrij van elkander ziet).
+
+Uitzetten, b. w. -- Van boord laten gaan. Ik verzocht den schipper,
+dat hy my hier zoû U--.
+
+Uitzetten, (zich) w. w. -- Zwellen;--wordt vooral van houtwerk
+gebezigd.
+
+Uurbord, z. n. o. -- Houten kompas, met 8 gaten op elke windstreek. Na
+het afloopen van elk halfuur steekt de stuurman een pen in een der
+gaten van de windstreek volgends welke hy gestuurd heeft, zoo dat,
+na afloop van elke wacht, het U-- met 8 pennetjes is voorzien en hem
+dient om den gehouden koers op te teekenen.
+
+Uurhoek (den) berekenen. -- Den tijd op zee berekenen.
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+
+Vaan, z. n. v. -- Windwijzer.
+
+Vaarder, z. n. m. -- Is alleen in de samenstelling in gebruik, als
+in KustV--, GroenlandsV--, StraatdavisV-- enz.
+
+Vaardig, b. n. -- Reê, handig. Dat schip is V-- in 't zeilen.
+
+Vaart, z. n. m. -- 1o. Voortgaande beweging. Er is veel V-- in dat
+schip. Wy moeten onzen V-- verminderen. Den V-- van een schip stoppen,
+stremmen. Een schip V-- doen zetten. V-- maken. Den V-- gissen.
+
+Spreekwijze: V-- achter iets zetten (haast maken.)
+
+2o. Het Varen zelf. De V-- vermindert.
+
+Spreekwijze: Het zal zulk een V-- niet loopen (het zal zoo erg
+niet gaan).
+
+Vaart, z. n. v. -- 1o. De wijze van gemeenschap met een over zee
+gelegen plaats of streek. De V-- op Oostindiën. De V-- op Bordeaux.
+
+2o. Een Trekvaart of gegraven water om de gemeenschap tusschen twee
+plaatsen tot stand te brengen. De V-- tusschen Amsterdam en Haarlem. De
+Leydsche V--.
+
+3o. Het Vaarwater. Er zijn dit jaar weinig schepen in de V--.
+
+
+ Het is een schippers woort, het is een oude leer,
+ Al waer geen Vaert en is, en hoeft geen baken meer.
+
+ Cats, Emblem.
+
+
+Vaartgeven, o. w. -- Wordt men gezegd te doen, als men by flaauwe
+koelte wat ruimer stuurt eer men gaat wenden.
+
+Vaartuig, z. n. m. -- Algemeene benaming voor elk zeeschip of
+zeeschuit. ZeilV--, RoeiV--, OorlogsV--, DriemastV--. Dat V-- is een
+der grootste onzer vloot. Lichte V--en (sloepen, booten, jols enz.).
+
+Vaarwater, z. n. o. -- Waterweg, welken de vaartuigen gewoonlijk
+volgen. Het Groot Scheeps V--. Een naauw V--.
+
+Spreekwijze: Blijf in dat V-- (volhard in dat gedrag).
+
+Uit het V-- geraken (van zijn onderwerp afdwalen).
+
+Hij zeilt een verkeerd V-- (hy handelt verkeerd).
+
+Het is een gevaarlijk V-- (het is een netelige zaak).
+
+Hy ligt dwars in 't V-- (hy belet den voortgang der zaak).
+
+Blijf uit mijn V-- (wees my niet in den weg).
+
+Elkander in 't V-- zitten (elkander hinderlijk zijn).
+
+Iemand uit zijn eigen V-- dringen (van zijn eigendom berooven).
+
+Vaatjen, z. n. o. -- Klein tonnetjen. Een V-- buskruit.
+
+Vaatwerk, z. n. o. -- Tonnen, kuipen, enz. Wy stuwden het V--.
+
+Vaas, z. n. v. -- Draad, vezel. De benaming Vazen duidde aan boord
+zoodanig gerafeld touwwerk aan, dat hier en daar gelegd werd om
+'t schuren te beletten.
+
+Spreekwijze: Het zijn maar vieze Vazen (maar snorrepijpen, maar
+onbeduidende zaken).
+
+Vadem, z. n. m. -- Maat, waarby al de lijnen by het zeewezen in gebruik
+gemeten worden. Twintig V--en touw. Op die plaats is de diepte twintig
+a dertig V--en. Groote V-- (van 1.884 el), Middelbare V-- (van 1.698
+el), Kleine V-- (van 1.570 el), Fransche V-- (van 1.624 el), Deensche
+V-- (van 1.884 el), Grieksche V-- (van 1.758 el), Engelsche V-- (van
+1.829 el), Zweedsche V-- (van 1.782 el), Spaansche V-- (van 1.674
+el), Portugeesche V-- (van 1.627 el), Napelsche V-- (van 1.624 el),
+Russische V-- (van 1.832 el). Ende het dieploot uytgeworpen hebbende,
+vonden sy twintich V--en. Handel. XXVII, 28. De diepte op alle
+vaarwaters is bij V--en afgeteekend. Aldaar de wal tot op acht V--
+aanloopende, moeten wy wenden.
+
+Val, z. n. m of Kardeel. -- Lijn, die gebezigd wordt om een gaffel, een
+ra, een zeil, enz. op te hijschen. KluiverV--len, StagzeilV--len. V--
+der bonnetten, LijzeilV--len (zie Piekeval). GrootmarszeilV--,
+KruiszeilV--len, BramV--len, MarseV--len.--DobbelV--len (looze V--len,
+dienende om andere in geval van nood te vervangen.) VlaggeV--,
+WimpelV--.
+
+Vallen, o. w. -- Dalen, gaan liggen. Het water is aan 't V-- (aan
+'t ebben.) De wind is aan 't V-- (waait minder hard.) Over boord V--
+(in 't water V--.) Het schip wil niet V-- (niet van-de-wind gaan.) Van
+de ra laten V-- (zie Ra.) In de boot V-- (in de boot springen).
+
+Valling, z. n. v. -- Het overvallen, overhangen, vooruitsteken. De V--
+van een mast. Dat schip heeft weinig V--. (De punt van den steven
+springt niet ver vooruit). V-- der achtersteven (de hellende stand
+van dat deel).
+
+Valluik, z. n. o. -- Luik, dat door hengsels op en neder bewogen wordt.
+
+Valpoort, z. n. v. -- Luik, dat de geschutpoorten eener scheepsbattery
+sluit. Losse, looze V--. Dubbele, halve, halfopenstaande V--en.
+
+Valreep, z. n. v. -- 1o. Touw, van het scheepboord afhangende op
+de plaats, waar men van boord op- en afstijgt, en dienende om hem,
+die den trap opkomt of afgaat te helpen:--van daar
+
+2o. Die plaats zelve.
+
+Spreekwijze: Een glaasjen op de V-- (een glaasjen tot afscheid).
+
+Valwind, z. n. m. -- Wind, die van over een berg of klip invalt. By
+'t inloopen van Porto Prayo, kregen wy een V-- van over de bergen,
+waardoor het voorbramzeil uit de lijken woei.
+
+Vangen, b. w. -- Grijpen, onderscheppen. De boei V--. De onderraas
+met kettingen V-- (ze er in hangen.) Een zeil V-- (Zie Zeil).
+
+Vanglijn, z. n. v. -- Meertouw, touw, daar een vaartuig aan vast ligt.
+
+Varen, o. w. -- 1o. Oorspronkelijk: Met de trekschuit V--. Schuitjen
+V--.
+
+
+ D'uitheemsche, die al dat gewoel ziet op de baren,
+ Meent Amsterdam is van dien avont leegh gevaeren.
+
+ Antonides. IJstroom.
+
+
+2o. Een betrekking aan boord bekleeden. Hy Vaart als schipper, als
+schieman, als licht matroos. Ten oorlog, ten koopvaardij V--.
+
+3o. Strekken, geplaatst zijn, wanneer men van het loopend tuig
+spreekt. De bagijnebras Vaart langs het grootwant. De Marszeilvallen
+Varen langs de masten, enz.
+
+4o. 't woord wordt somwijlen bedr. gebezigd, wanneer men de gevolgen
+van 't V-- aanduidt: hy heeft zich rijk Gevaren; hy heeft zijn schuit
+lek Gevaren.
+
+Spreekwijzen: Hoe Vaart gy? (De vraag naar iemands welstand is aan
+het in Holland oudtijds meest gewoon bedrijf ontleend).
+
+Voor wind en stroom V-- (voorspoedig zijn).
+
+Hy vaart tegen den stroom op (hy biedt alle hindernissen het hoofd).
+
+In een anders zog V-- (een ander navolgen).
+
+By den wal langs V-- (zich niet bloot geven, niets wagen).
+
+Met dubbele passen V--. Zie Pas.
+
+Hy tuigt vroeg en hy Vaart laat (hy maakt veel omslag, hy is niet
+klaar).
+
+Hy roept: lui! en hy Vaart morgen eerst (hy maakt veel leven over
+niets).
+
+Hy Vaart, zoo als de groote mast vaart. (Hy is en blijft even dom).
+
+Zy V-- in ééne beurs (zy handelen voor gemeene rekening).
+
+Wie in de schuit is moet meêV--. Zie Schuit.
+
+Waar men voor scheep komt, daar moet men voor V--. Zie Scheep.
+
+Hy heeft de kooi lek Gevaren. Zie Kooi.
+
+Het is kwalijk met hem Gevaren (slecht met hem afgeloopen).
+
+Van Duinkerken ter haring V--. Zie Haring.
+
+Varensgezel, z. n. m. of Varensman. -- Iemand, die zijn beroep van
+de zeevaart maakt.
+
+Varensman, z. n. m. -- Zie Varensgezel.
+
+Varken, z. n. o. -- 1o. Legger, watervat.
+
+2o. Werktuig, met onderscheiden schrobbers of borstels voorzien.
+
+Varkenen, b. w. -- Een schip met Varkens schoonmaken.
+
+Varsebalie, z. n. v. -- 1o. Kuip, tobbe of Balie, waarin vleesch,
+spek, visch enz. ververscht wordt.
+
+2o. Hy, die zich met dat bedrijf bezig houdt. Hy vaart voor V--.
+
+Vast, t. w. -- V--draaien! V--halen! (komm. van uit te scheiden,
+op te houden).
+
+Vasteland, z. n. o. -- Het land, dat tot een der waerelddeelen behoort.
+
+Vaste wal, z. n. m. -- Benaming van het land, in tegenoverstelling van
+de zee. Hy is aan den V--n Wal gebleven (hy is aan land gebleven). Hy
+is behouden aan W--.
+
+Vastkeggen, b. w. -- Met keggen vastzetten.
+
+Vastliggen, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het,
+door de kracht van den wind op de zeilen, gebogen ligt en niet kan
+slingeren.
+
+Vastmaken zonder opgaan, o. w. -- Een gespannen touw vastmaken,
+zonder dat het minder strak staat.
+
+Vastraken, o. w. -- Stooten, stranden, aan den grond raken. Wy Raakten
+op een zandbank Vast.
+
+Vastspijkeren, b. w. -- Met Spijkers Vastzetten.
+
+Vastwerken, b. w. -- Op het drooge Werken. Pas op, dat gy ons niet op
+het land Vastwerkt. Wy raakten by het inkomen van de haven Vastgewerkt.
+
+Vastzetten, b. w. -- Stijf vastmaken. De brassen V--, vóór dat 't
+volk op de raas uitentert. Het roer V-- (de roertalies stijfhalen,
+op het drooge werken.) De onhandige schipper Zette zijn schuit op
+het zand Vast.
+
+Vastzitten, o. w. -- Aan den grond zitten.
+
+Vat, z. n. o. -- Ton. Zie HoosV--, KruitV--.
+
+Vatten, b. w. -- Grijpen, vangen, houden. Dit zeil wil geen wind V--
+(de wind waait er langs, zonder het op te doen zwellen.) Het anker
+heeft eindelijk Gevat (een zijner armen heeft den grond geraakt).
+
+Vechten, o. w. -- Slaan, strijden.
+
+Vechtvlag, z. n. v. -- Zie Strijdvlag.
+
+Veer, z. n. o. -- Plaats, waar een beurtschip of schuit afvaart en
+aanlegt, en waar de boodschappen en goederen besteld en afgeleverd
+worden. Het Leydsche V--, het Goudsche V-. Kommissaris van het V--
+(die de goederen aanneemt, bestelt, enz.).
+
+Spreekwijze: Over de V--en gaan (overal aanleggen).
+
+Veer, z. n. m. -- Zie Veerbouten.
+
+Veerbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, aan het achtereind met een kop
+en aan het vooreinde met een gedeelte dat plat uitgesmeed is en Veer
+genoemd wordt. De Veer is met eenige in de lengte naast elkander
+geplaatste spijkergaten voorzien. De V-- worden van rond yzer gemaakt
+en komen met het ronde gedeelte in een geboord gat in vol hout. De
+Veer komt tegen een platte oppervlakte van eenig ander houten deel
+aan en dus in het gezicht. Door de spijkergaten slaat men taaie nagels
+of bandnagels.
+
+Veerhuis, z. n. o. -- Huisjen, waar de kommissaris van 't Veer zijn
+kantoor houdt.
+
+Veerman, z. n. m. -- Hy, die met een pont of schouw de lieden overzet.
+
+Veerschip, z. n. o. -- Schip, dat aan een gezet Veer vaart.
+
+Veerschipper, z. n. m. -- Schipper eener beurt- of Veerschuit. Zie
+Beurtschipper.
+
+Veerschuit, z. n. v. -- Schuit, die aan een vast Veer behoort.
+
+Vegen, o. en b. w. -- Wordt overdrachtelijk in verschillende
+beteekenissen gebezigd. De lucht is van wolken schoon Geveegd: Dat
+schip Veegt er goed door (maakt veel gang.) Een Geveegd schip (een
+schip, dat van onder scherp toeloopt.) De zee schoon V-- (vyanden en
+roovers uit zee jagen).
+
+
+ Was nu de Straet geveeght van hun die luttel stuyten.
+
+
+zegt Vondel in zijn klinkd. op het III Deel van 't Licht der Zeevaart.
+
+Vellen, b. w. -- 1o. Omhakken, slechten, kappen. De masten
+Vellen. Kosten van het V--. Zie Hakgeld.
+
+2o. De fok V-- (veroud.) (die scherp in den windvang stellen).
+
+Velling, z. n. v. -- Omhakking, slechting: de daad van Vellen.
+
+Vendumeester, z. n. m. -- Beämbte, aan wien het toevoorzicht over
+den verkoop van goederen is opgedragen.
+
+Ventjager, z. n. m. -- Vaartuig 't welk, langs de schepen varende,
+eetwaren, drank, enz. uitvent, en dikwijls gestolen touw, yzer,
+zeildoek in betaling neemt.
+
+Ventjagery, z. n. v. -- Het bedrijf der Ventjagers.
+
+Veranderen, o. w. -- Van zeilen V-- (die, welke hangen, tegen andere
+verwisselen.) Van koers V-- (een anderen koers nemen.) Van boeg V--
+(wenden.) Van kwartier V-- (de wacht aflossen.) De wind verandert
+(loopt om).
+
+
+ De droogte duurt; de lucht weet nog van geen Veranderen,
+
+
+zegt Abjathar in Vondels Gebroeders.
+
+Verband, z. n. o. -- Samenvoeging der deelen. Het V-- van een schip.
+
+Verbeteren, b. w. -- Fouten herstellen, zich vergewissen. Het bestek,
+den koers van een schip V--. De miswijzing V--. Volgends het uurbord
+V-- (een en ander namelijk ten gevolge van gemaakte berekeningen).
+
+Verbinden, b. w. -- 1o. Weder aanhalen, weder stijfhalen. Het want V--
+(de belegtouwen aanhalen om het weder strak te doen staan).
+
+2o. Een schip V-- (veroud.) Het, door het verstuwen van eenige
+ingeladen goederen of ook wel door het verzetten van eenige vaste
+scheepsdeelen, hoog zeilende maken.
+
+Verbindingsklos, z. n. m. of Draagbalk. -- Boordstuk, op, en tegen
+hetwelk een balk komt te leggen.
+
+Verboden goederen. -- Zie Goederen.
+
+Verbreedingstukken, z. n. o. mv. -- Twee planken, tijdelijk op de
+beide zijden van het achterstuk van het roer gespijkerd, om, in enge
+doortochten, een spoediger werking voort te brengen.
+
+Verdek, z. n. o. -- Naam, dien sommige Romanschrijvers en
+Schoolmeesters (maar nimmer een Zeeman) aan het Dek geven. Zie Dek.
+
+Verdrinken, b. w. -- Te laag by het water brengen. De battery V--
+(de battery, door overlading van het schip, zoo dicht by de waterlijn
+brengen, dat men de geschutpoorten niet zonder gevaar kan openen.) De
+grootste wijdte van het schip V-- (het schip zoodanig door zijn
+dracht laden, dat het in 't midden op zijn grootste wijdte beneden
+de waterlijn komt.)
+
+Verdrinken, o. w. -- In 't water omkomen.
+
+Spreekwijze: V-- eer men water gezien heeft (zich zedelijk of
+lichamelijk bederven zonder er genot van te hebben gehad).
+
+Verdubbelen, b. w. -- Een dubbele huid om een schip spijkeren.
+
+Verdubbeling, z. n. v. -- 1o. Daad van Verdubbelen.
+
+2o. De omgelegde huid zelve.
+
+Vereenigingsbout, z. n. m. -- Zie Knevel.
+
+Vergaan, o. w. -- Te gronde gaan, zinken. Er zijn met den laatsten
+storm vele schepen V--. Met man en muis V--.
+
+
+ Zoo 't al moest zinken en Vergaan,
+ Waar bleef de zwaan?
+
+
+Vraagt de Rei van Staatjufferen in Vondels Noach.
+
+Vergadering, z. n. v. -- Het tegen elkander komen van twee stukken
+van inhouten. V-- van een korte vrang en een onderbuikstuk. De V--en
+worden loodrecht op het inhout gericht.
+
+Vergasten, o. w. (veroud.) -- Veranderen van richting, als een gast
+die vertrekt. Het tij Vergast.
+
+Verhalen, o. w. -- Van ligplaats veranderen, in een dok of haven
+liggende. Wy Verhaalden naar het havenhoofd en brachten een werp op
+stroom om uit te halen.
+
+Verkennen, b. w. -- Onderzoeken. Land V--. Een baai V--. Verkend raken
+(bemerken, waar men is).
+
+Verkenning, z. n. v. -- Onderzoek. Er werden eenige schepen op V--
+vooruitgezonden.
+
+Verklaring (generale), z. n. v. -- Aangifte der lading, door de
+binnenkomende schippers en stuurlieden by 't binnenkomen aan de
+uiterste wacht gedaan. De bepalingen, daaromtrent te volgen, zijn te
+vinden in art. 8, 9, 10, 11 en 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.
+
+Verklikker, z. n. m. -- 1o. of Spaansche waker: kleine windwijzer,
+gevormd van een draad, waaraan een kurk, met veêren bestoken.
+
+2o. of Asciometer. Zie ald.
+
+Verlaat, z. n. o. -- Sluis, uitwatering.
+
+Verlaten, o. w. -- Afwijken. De klamp V-- (wijkt af.)
+
+Verlating, z. n. v. -- Zie Afstand.
+
+Verlegen weer, z. n. o. (veroud.) -- Zeer boos weer op zee.
+
+Verlengen, b. w. -- Rekken, uitbrengen.
+
+Verloop, z. n. m. -- 1o. Verandering, teruggang. Het V-- van het tij:
+het V-- van stroomen en zeegaten.
+
+2o. Hevige windvlaag met regen.
+
+Spreekwijze: V-- van jaren. V-- van zaken.
+
+Verloopen, o. w. -- Wegloopen, wegvloeien. Het getij Verloopt.
+
+Spreekwijze: De neering is V-- (is achter uit, is te niet gegaan).
+
+Verloren, b. n. -- 1o. Te loor gegaan. Een V-- reis (een reis,
+die niets heeft opgebracht.) Er zijn vele schepen V-- geraakt
+(vermist.) Een V-- lip (een lip, waarvan de wedergaê niet te vinden
+is, en die dus verder van geen dienst kan zijn).
+
+2o. Fluitwijze gewerkt. V-- lip (die aan het eene end als een fluit
+eindigt).
+
+Vernaaien, b. w. -- De Naaisels van blokken, proppen, enz. vernieuwen.
+
+Vernagelen, b. w. -- Met Nagels dichtslaan. Het geschut V-- (het,
+door 't in het zinkgat inslaan van Nagels, onbruikbaar maken).
+
+Vernietigen, b. w. -- Te niet doen. Een sein V-- (door middel van
+een sein tegenbevel geven).
+
+Vernieuwen, b. w. -- Het gesletene vervangen.
+
+Verongelukken, o. w. -- Schipbreuk lijden, stranden, vergaan. Op een
+kust, op een klip V--.
+
+Verpoozen, b. w. -- Aflossen. Iemand van zijn vracht V--.
+
+Verrekijker, z. n. m. -- Koperen of houten uitschuivende buis met
+geslepen glazen voorzien, waardoor men verwijderde voorwerpen, welke
+met het bloote oog niet te bereiken zijn, kan waarnemen.
+
+Versche schoot, z. n. m. (veroud.) -- Strook zoet water, die onvermengd
+een eind in zee loopt.
+
+Verscheren, o. w. 1o. (veroud.) -- Voorbyschieten: wordt van balken en
+planken gezegd, die door elkander heenslaan. Hoe meer de buikstukken
+en knieën V--, hoe sterker het schip is.
+
+2o. Het loopend touwwerk in de bloks veranderen.
+
+Verscherven, o. w. -- Het voorby elkander schieten der verschillende
+lengten, die tot een verbinding dienen.
+
+Verschansen, b. w. -- Het gedeelte van een schip, dat boven water
+komt, afwerken.
+
+Verschansing, z. n. v. -- Schans, bovenwerk van een schip.
+
+Verschieten, b. w. -- Van plaats doen veranderen. Den ballast V--.
+
+Verschil, z. n. o. -- Onderscheid. V-- in capaciteit, in
+waterverplaatsing en in gewicht van het voor- en achterschip
+(onderscheid tusschen het gewicht van het voorschip of van de vloeibare
+stof, welke het al drijvende verplaatst, en dat van het gewicht waters,
+door het achterschip verplaatst.) V-- in zee tusschen de gissing
+en de waarneming ('t welk plaats heeft, wanneer, by 't opmaken van
+'t bestek, de lengte en breedte niet overeenkomen met de waarnemingen).
+
+Versebalie, z. n. v. -- Zie Varsebalie.
+
+Versteken, b. w. -- Van plaats doen veranderen. Zie Ververschen.
+
+Versteken, b. n. (veroud.) -- Een V-- schip (een schip, dat zijn
+reisgenoot kwijt is, of dat zelf zijn reis niet volvoeren kan).
+
+Versterking, z. n. v. -- Hulp, bystand.
+
+Verstikt, b. n. -- Zie Touw.
+
+Verstoppen, b. w. -- Lucht- of waterdicht maken. Het zand heeft de
+pomp Verstopt. De ballast Verstopt de loggaten.
+
+Verstouwen of Verstuwen. -- De Stuwaadje van plaats doen
+veranderen. Het ruim opbreken om te V--.
+
+Verstuwen, b. w. -- Zie Verstouwen.
+
+Verteeren, b. w. (veroud.) -- Breken, scheuren. De masten zijn
+Verteerd.
+
+Vertieren, o. w. -- Achteruitgaan. Een schip dat veel
+Vertiert. Oudtijds werd het voor "voortgaan" genomen.
+
+Vertimmeren, b. w. -- Herstellen, op nieuw timmeren.
+
+Vertimmering, z. n. v. -- De daad van Vertimmeren.
+
+Vertooien, o. w. -- Zie Zorren.
+
+Vertuien, b. w. -- Het Tuianker uitwerpen. Een schip V-- (een schip
+tusschen twee ankers vast leggen, het daagsch anker voor den vloed,
+het tuianker voor de Ebbe.) Langsstrooms V-- (een anker recht voor-
+en een ander recht achteruit leggen: wat geschiedt wanneer men vreest
+aan wal te drijven.) Te stijf Vertuid liggen (als de touwen te stijf
+gewonden zijn, zoo dat men niet kan zwaaien.) Ergends Vertuid liggen
+(zich ergends bevinden, waar men door eigen schuld niet gemakkelijk
+van daan kan raken).
+
+Vertuind, b. n. -- Van een Vertuining voorzien.
+
+Vertuining, z. n. v. of Gebroken Gang. -- Gedeelte van het
+scheepsboord, dat over den bak of door de kampanje heenloopt.
+
+Vertuiningsplanken, z. n. v. mv. (veroud.) -- Planken van het
+achterkasteel.
+
+Verval van het water, z. n. o. -- Het verschil van diepte by vloed en
+ebbe. Er is hier een groot V-- van water. -- Op die reede is een V--
+van water van drie tot vier vadem.
+
+Vervallen, o. w. -- Op een plaats komen waar men niet wezen wil. Op
+de kust V--. In een engte V--. Onder den wind V--.
+
+Vervaren, b. w. -- 1o. Afschaken, uitschaken: den afstand
+vermeerderen. De kabelaring schrikken, V-- aan het spil (beletten,
+dat de bochten zich by 't ronddraaien kruissen). Een talie V--.
+
+2o. Veranderen. Met stenge en raas Vervaard liggen (met gestreken
+stengen en de onderraas langsscheeps).
+
+Ververschen, b. w. -- Men wordt gezegd het touw enz. te V--, wanneer
+men het zoodanig omhaalt, dat niet langer dezelfde plekken aan dezelfde
+wrijving, schuring enz. blijven blootgesteld.
+
+Vervuren, o. w. -- Inwendig vergaan. Vervuurd hout.
+
+Vervrachter, z. n. m. -- Hy, die een schip verhuurt om bevracht te
+worden. Zie Bevrachter.
+
+Vervrachting, z. n. v. -- De daad van Vervrachten. Zie Bevrachting.
+
+Verwaaid, b. n. -- Door den wind verhinderd. Zy lagen daar eenige
+dagen V-- (door tegenwind belet hun reis voort te zetten).
+
+Verwateren, b. w. -- Wateren, met water vullen. Het vaatwerk V--
+(het met zout water vullen, ten einde het voor uitdroogen en bersten
+te behoeden.
+
+Verwerken, b. w. -- Omwerken, overpakken. Goederen V--, naar een
+andere legplaats V--.
+
+Verwisselen, b. w. -- Aflossen, De wacht V--, de strengen V--.
+
+Verzanden, o. w. -- Stroomen, baaien, havens, enz. worden gezegd
+te V--, wanneer zy door het in verloop van tijd aangespoelde Zand,
+in diepte verminderen en eindelijk onbruikbaar worden.
+
+Verzegeling, z. n. v. -- Zie de bepalingen omtrent de V-- van geladen
+schepen in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art. 153-156.
+
+Verzeilen, o. w. -- 1o. Te land komen waar men niet wezen wil. Wy
+raakten op een koraalklip Verzeild.
+
+2o. Van ligplaats veranderen. Wy verzeilden naar den zuidwal.
+
+Verzeilen, b. w. -- Verliezen. Een schip V--.
+
+Verzeisen, o. w. (veroud.) -- Veranderen, verschieten. De wind wordt
+gezegd te V--, 't zij hy goed of slecht wordt.
+
+Verzekeraar, z. n. m. -- Hy die tegen schade verzekert.
+
+
+ Men hoeft geen zee-verzekeraer
+ Nu alle watren zijn geveilight voor gevaer.
+
+ Vondel, Zeemagazijn.
+
+
+ Hy wenscht ons toe alreede, en blijft verzekeraer
+ Te vrijen onze kiel van schipbreuk en gevaer.
+
+ Vondel, Lof der Zeevaert.
+
+
+Verzekeren, b. w. -- Aannemen, de schade, die schip of lading mocht
+lijden, te vergoeden. Men vindt de bepalingen betreffende V-- tegen
+zeegevaren in het Wetb. van Kooph. B II, Titel IX, art. 592-683 en
+die betreffende het V-- tegen de gevaren op binnenwateren in den
+volgenden Titel, art. 686-695.
+
+Verzekeren, (de battery). Het kanon met den tromp tegen boord gevlucht
+met dubbele sjorrings voorzien, wat by hevig en langdurig slingeren
+van het schip geschiedt.
+
+Verzekeren, (de vlag). By 't ophalen der vlag een schot doen.
+
+
+ Zoo werd der Geuzen vlag verheven;
+ 't Geschut verzekert dese vlag.
+
+ Van Haren, de Geuzen.
+
+
+Verzekering, z. n. v. of Assurantie. -- De daad of overeenkomst van
+Verzekeren. Polis van V-- (zie Polis).
+
+Verzinken, o. w. -- Geheel zinken, te gronde gaan.
+
+Verzoeken, b. w. (veroud.) -- Onderzoeken, nazien. Het schip V--
+(de naden en openingen nazien, om ze te herstellen en te vullen).
+
+Verzuipen, o. w. -- 't Zelfde als verdrinken, doch plat. Vondel echter
+veredelt het in zijn Lof der Scheepvaart:
+
+
+ Wanhopigen, die hulp in 't uiterste begeeren,
+ En hangen aan een rots, of zwemmen op een planck,
+ d'Een levend, d'ander doot, verzopen, flaeu en kranck.
+
+
+Vice-Amiraal, z. n. m. -- Zie Amiraal.
+
+Vice-Konsul, z. n. m. -- Zie Konsul.
+
+Vierbot, z. n. v. -- Verbasterde, op onze zeedorpen gebruikelijke
+benaming van Vuurbaak.
+
+Vieren, o. w. of Vuren. -- Vuren opsteken, lantarens uithangen,
+illumineeren. De wind Viert (plach men te zeggen, als de lucht rood
+werd aan de zij van waar men wind verwachtte).
+
+
+ En Swanenburregh viert,
+
+
+zegt Egmond in Vondels Gysbrecht.
+
+Vieren, b. w. -- Bot geven, uitpalmen. Een touw V--, stadig aan V--,
+afschrikken.
+
+
+ Men viert het armdick touw zomwijl tweehondert vadem.
+
+ Vondel, Lof der Zeevaart.
+
+
+Spreekwijze: Iemand V-- (iemand zijn zin laten doen, zijn gemak
+laten nemen).
+
+Vierkant, b. n. -- Dat Vier zijden heeft. V-- wulf (de plaats daar
+het wapen achter tegen aan staat).
+
+Vierkant, bw. -- Voor: in 't vierkant. Een schip, dat V-- getuigd is
+(waarvan de zeilen V-- staan). V-- brassen (zie Brassen).
+
+Vierlooper, z. n. m. -- Takel met twee dubbele haakbloks.
+
+Viktualie, z. n. v. -- Mondbehoefte, levensmiddelen. V-- voor een
+zeetocht. De V-- is nog niet aan boord.
+
+Viktualiemeester, z. n. m. of Spijsverzorger. -- Beämbte, die gesteld
+is, om de mondbehoeften te bezorgen.
+
+Viktualiewant, z. n. o. -- Ketels, pannen, lepels, bakken enz. Zie
+Kommaliewant.
+
+Vilhout, z. n. o. -- Schippers boom.
+
+Vin, z. n. o. (veroud.) -- Druil. Zie ald.
+
+Vingerling, z. n. m. -- Benaming van zware poorthengsels, wier armen,
+op den achtersteven vastgenageld, zich over het barghout uitstrekken,
+en een deel van het roerstel uitmaken. Zy zijn voorzien met boven
+elkander geplaatste oogen, om de pennen der roerhaken te ontfangen.
+
+Vinkenet, z. n. o. -- Zie Boevenet.
+
+Vioolblok, z. n. o. -- Langwerpig dubbel blok.
+
+Vioolstukken, z. n. o. mv. -- Zware beplankingen, welke men tegen
+den kop van den boegspriet van een groot vaartuig aanspijkert, om,
+des gevorderd, den kluiver te steunen.
+
+Visch, z. n. m. -- Vliegende V--.
+
+Spreekwijze: Zoo gezond als een V-- (om dat een V-- zelden van koorts
+of rhumatiek schijnt te weten).
+
+Groote Visschen eten de kleine (de grooten verdrukken de geringen).
+
+Groote V--en scheuren het net en springen uit den ketel. (De grooten
+verbreken de wetten en ontkomen aan de straf).
+
+Hoe meer V-- hoe droever water (hoe meer volk hoe minder de bedeeling).
+
+V-- laat den mensch zoo als hy is (V-- is niet voedzaam).
+
+Vischben, z. n. v. -- Zie Vischkorf.
+
+Spreekwijze: Zoo rein als een V--.
+
+Vischjen, z. n. v. -- Kleine Visch.
+
+Spreekwijze: Een klein V-- een zoet V-- (men moet een kleinigheid
+niet verwerpen).
+
+Die een goê V-- heeft, mag het wel in den ketel houden (men moet een
+verkregen voordeel niet rond kraaien).
+
+V-- spring in (man, wees welkom)!
+
+Vischkaar, z. n. v. -- Kaar, waarin men den Visch bergt.
+
+Vischkorf, z. n. m. of Vischben. -- Korf of mand, waarin de Visch
+wordt gedragen en gevent.
+
+Vischnet, z. n. o. -- Net, tot de vischvangst gebezigd.
+
+Vischperk, z. n. o. -- Zie Rietpark.
+
+Vischschuit, z. n. v. of Visscherman. -- Schuit, die ter Vischvangst
+uitgaat.
+
+Vischstaart, z. n. m. -- Bosch hout, met snijwerk voorzien en dienende
+om de galery tegen den aanslag van 't water te beschermen.
+
+Vischvangst, z. n. v. -- De daad of de uitkomst van het Visschen.
+
+Visschen, o. w. -- 1o. Visch vangen.
+
+
+ Recht op luim en tij te gissen
+ Voegt in 't vrijen en in 't visschen.
+
+ Oudaan.
+
+
+Spreekwijze: Achter het net V-- (slib vangen, te laat komen).
+
+Met een zilveren hengel V-- (door geld tot zijn doel komen).
+
+Voor eens visschers deur V-- (vergeefsche moeite doen).
+
+In troebel water is goed V-- (in tijden van omwenteling is het
+gemakkelijk vooruit te komen).
+
+Elk Vischt op zijn getij (ieder zoekt op zijne wijze vooruit te komen).
+
+2o. Eenig voorwerp in het water opzoeken. Naar het anker V--. Naar
+een touw V--.
+
+Visscher, z. n. m. -- Hy, die zijn kostwinning van het visschen
+maakt. Een OesterV--. Een PaerelV--.
+
+Spreekwijze: zie Visschen.
+
+Visschers, z. n. m. mv. -- Zware balken, in het dek, waar de mast
+doorgaat.
+
+Visschersman, z. n. m. -- Zie Visschschuit.
+
+Visschery, z. n. v. -- De uitoefening der vischkunst. De
+KoraalV--. De PaerelV--. De Groote V-- (de HaringV--). De kleine V--
+(de WalvischV--). De binnenkomende schepen der groote V-- zijn niet
+aan inklaring onderworpen. Zie art. 24 A. W. 26 Aug. 1822.
+
+Vissing, z. n. v. -- Ronde of eironde opening in de dekken gemaakt,
+om er masten of kaapstanders door te laten gaan.
+
+Visiteur, z. n. m. -- Beämbte der In- en Uitgaande rechten, die
+byzonder belast is met schepen in- en uit- te klaren of te onderzoeken.
+
+Vlaag, z. n. v. -- Bui, wind, die kort duurt. By V--en (by buien). Een
+zomerV-- (een bui, die spoedig over is). Een onweersV--. Een regenV--.
+
+Spreekwijze: Heer! hoe wonderlijk vallen de V--en (zei de man, die
+by mooi weer bezopen in de sloot geraakt was, en voor zijn vrouw niet
+weten wilde hoe hy zoo nat kwam).
+
+Vlag, z. n. v. -- 1o. Langwerpig vierkante banier, die tot
+herkenningsteeken dient. Vroeger was de V-- niet anders dan het
+blazoen van hem, aan wien het schip behoorde of die er op streed;
+en voerde elk vaartuig de V-- van den Soeverein, van de Stad, van de
+Amiraliteit, van den Edelman of van den Reeder, ten wiens koste het
+was uitgerust. Zoo had men de KoningsV--, de PrinceV--, de StatenV--,
+de AmiraliteitsV--, de V-- van Amsterdam, enz. In vervolg van tijd
+diende de V-- ook om de Smaldeelen of Eskaders hunner vloot te
+onderscheiden: zoo had men, in Engeland: de Amiraals van de blauwe
+V--, van de roode V-- enz. Sedert den oorlog tusschen Engeland en zijn
+Amerikaansche Koloniën, en toen deze, zich onafhankelijk verklarende,
+een eigen V-- aannamen, begon men ook te spreken van een Nationale V--,
+welke uitdrukking zich hooren laat, daar, waar de Natie soeverein is;
+doch louter wartaal is wanneer zy toegepast wordt op de V-- van een
+Land, waar een Vorst regeert, en aan het hoofd der zee- en landmacht
+staat. By het op die wijze verwarren van gezonde begrippen, dient,
+sedert de omwentelingen in 't laatst der vorige eeuw, de V-- meer
+algemeen om te onderscheiden, tot welke natie een schip behoort. Zoo
+spreekt men van: de Fransche V--, de Belgische V-- enz. Echter heeft
+men ook V--gen, die de rangen der scheepsbevelhebbers onderscheiden,
+als: de AmiraalsV--, die van den grooten top, de Vice-AmiraalsV--,
+die aan den voortop, de Schout-by-NachtsV--, die aan den kruistop wordt
+gevoerd op de schepen, waarop die Hoofdofficieren zich bevinden. Voorts
+de Onzijdige of neutrale V-- (in oorlogstijden door de schepen der
+neutrale natie gevoerd.) LoodsV-- (die op de loodsschuit gevoerd
+wordt.) SeinV-- (zie ald.) Witte V-- of VredeV-- (uitgestoken aan
+boord van een schip, dat met krijgsgevangenen of andere vredelievende
+bedoelingen tot den vyand gezonden wordt.) OorlogsV--, strijdV--,
+bloedV-- (waarmede het teeken tot den aanval gegeven wordt.) Roode
+V--, (die aan den voortop geheschen en door een schot verzekerd,
+het sein is tot het houden van krijgsraad.) De V-- hijschen, in
+top halen. De V-- strijken, neêrhalen.--Zijn V-- verzekeren (onder
+'t ophalen der V-- een stuk geschut lossen.) De V-- dekt de lading
+(de handel der onzijdige natiën moet door de krijgvoerende Natiën
+geëerbiedigd worden.) Handel drijven onder N-- sche V--.
+
+2o. De zeemacht zelve. De Britsche V-- heerscht niet langer over alle
+zeeën. Die Amiraal heeft de eer onzer V-- gehandhaafd.
+
+Spreekwijze: Hy voert de V-- (hy is de baas).
+
+Hy voert de groote V-- (hy voert het hoogste woord).
+
+Hy laat zijn V-- geweldig waaien, of hy wil de V-- overal voeren
+(hy wil overal den baas spelen).
+
+Onder iemands V-- varen (onder iemands bescherming staan).
+
+Het met V-- en wimpel winnen (met glans winnen).
+
+Dat staat als een V-- op een modderschuit (die opschik komt niet met
+de rest overeen).
+
+Veel V--gen, luttel boters (het innerlijke beäntwoordt niet aan
+het uiterlijke).
+
+De V-- strijken. Zie Strijken.
+
+Men kan aan de V-- zien, hoe de wind waait, of, als Huygens zegt:
+
+
+ Scheepsvlagghe wijst den wint geduurigh waar hy draayt
+ En elcke kabel dient? Wat doen ons jonge Heeren?
+ Met linten op den broek en op den hoet met veeren?
+ Die vlagghe wijst den wint, die in haar hoofden waayt.
+
+
+Wat voert hy in zijn V-- of in zijn schild--namelijk welk blazoen? (Wat
+is zijn bedoeling? Welk een man is hy)?
+
+V--en en geen schip (veel geschreeuw, en weinig wols).
+
+Vlaggedoek, z. n. o. of Dundoek. -- Stof, waar Vlaggen van vervaardigd
+worden.
+
+Vlaggejongen, z. n. m. -- Algemeene naam voor scheepsjongen,
+ten oorlog.
+
+Vlaggejonker, z. n. o. -- Oude benaming van den oudsten Adelborst
+aan boord.
+
+Vlaggekaart, z. n. v. -- Kaart, waarop de Vlaggen der onderscheiden
+Mogendheden zijn afgebeeld.
+
+Vlaggekapitein, z. n. m. -- Kapitein, die het Amiraalschip kommandeert.
+
+Vlaggekist, z. n. v. -- Kist, waarin de Vlaggen geborgen worden.
+
+Vlaggelijn, z. n. m. -- Lijn, waarmede de Vlag wordt geheschen.
+
+Vlaggen, o. w. -- Alle Vlaggen uitsteken. Het is heden Konings
+verjaardag: alle schepen zullen V--.
+
+Vlaggestok, z. n. m. -- Stok van de Vlag, die midden boven 't hakkebord
+geplaatst is.
+
+Vlak, z. n. o. -- 1o. Kim, buik, denning van een schip. Dat schip
+heeft een fraai V-- (een fraai beloop onder de kim). Het heeft een
+scherp, een plat V-- (heeft veel, heeft weinig opneming in de kim).
+
+2o. Voor "vlakte, watervlak." Het V-- der zee.
+
+Vlak, b. n. -- Effen. De zee is V--. Die kust is V--. V-- water.
+
+Vlak, bw. -- Volkomen, ten eene male. Wy hebben den wind V-- tegen. V--
+voor 't lapjen. Zie Lapjen.
+
+Vlakgang, z. n. v. -- Beplanking der kim.
+
+Vlakwegers, z. n. m. -- Zie Weger.
+
+Vleet, z. n. v. -- 1o. Mast- en tuigwerk. Verloren V-- (verloren
+masten en tuigaadje).
+
+2o. De haringnetten, als zy in zee liggen.
+
+3o. Een net vol, en van daar de ongetelde menigte, waarby de kleine
+visch wordt verkocht.
+
+Spreekwijze: Garnaal is in geen tel, die koopt men by de V--. (Iemand
+wiens oordeel weinig opmerking verdient.)
+
+4o. of Vlet, kleine schuit.
+
+
+ Rondom hen op den grond van 't enge slaapvertrek,
+ Lag al het tuig door een, waarmeê hun vlijt zich voedde,
+ Als zetkorf, schakelnet, en riet en angelroede,
+ Met koord en garen, grom en zeegras, boei en fuik
+ En oude vletschuit, lek en niet meer in gebruik.
+
+ Bilderdijk, de Visschers.
+
+
+Vlerk, z. n. m. -- Dat gedeelte van een scheepswand, 'twelk aan den
+voorkant door de windveeren en aan den achterkant door de hekstutten
+wordt bepaald.
+
+Vlerken, b. w. -- De boegplanken op kleine vaartuigen over elkander
+slaan.
+
+Vlet, z. n. v. of Vleet. -- Kleine schuit of schouw.
+
+Vleugel, z. n. m. -- 1o. Windwijzer of kleine gesplitste vlag op
+een mast.
+
+2o. Afdeeling eener vloot in slagorde. De rechter V--, de linker V--.
+
+Vlieboot, z. n. v. (veroud.) -- Oorspr. een zeeschuit, die de wateren
+van 't Vlie bevaarde. Later werd de benaming gegeven aan de vaartuigen
+der Watergeuzen, die niet veel beter of grooter waren.
+
+Vliegen, (laten) b. w. -- In eens losgooien. De bui was zoo hevig,
+dat wy, om het schip te helpen, genoodzaakt waren, den grooten Schoot
+te L-- V--.
+
+Vliegend, b. n. -- 1o. Wordt gezegd van de zeilen, waarvan de schoten
+niet zijn aangehaald.
+
+2o. Is somtijds gelijkluidend met "geweldig." Een V--e storm (een
+geweldige storm).
+
+Vlieger, z. n. m. -- Zie Middelstagzeil.
+
+Vliet, z. n. m. -- Vloeiend of stroomend water.
+
+Vlieten, o. w. -- Vloeien, stroomen.
+
+Vloed, z. n. m. -- Stroom, en, in 't byzonder, wassend tij. De V--
+duurt doorgaands 6 uur 12 min. en voert de hoogte van het water
+op sommige plaatsen tot 48 voet op. De schepen kwamen met den V--
+opzetten. VoorV-- (het begin van den V--). Zie Eb.
+
+Spreekwijze: By hooge V--en, lage Ebben (Zie Ebben).
+
+
+ Al wat men qualyck won of tegen reden nam
+ Dat is maar eb en vloet, het gaat gelyck het quam.
+
+ Cats.
+
+
+Vloot, z. n. v. -- Scheepsmacht, verzameling van schepen, doorgaands
+van oorlogschepen, die onder het bevel eens Amiraals staan. Al de
+schepen van de V--. De Engelsche V-- is uitgezeild. De onverwinlijke
+V-- (die welke in 1588 door Filips II tegen Engeland uitgezonden
+en byna geheel vernield werd). Zie verder HaringV--, KoopvaardyV--,
+RetoerV--.
+
+Vlooteling, z. n. m. -- Die tot de Vloot behoort.
+
+Vloothouder, z. n. m. -- Vaartuig, dat, ofschoon geen eerste zeiler,
+toch by de Vloot kan blijven, en de andere niet noodzaakt zeil te
+minderen om het in te wachten.
+
+Vlootleider, z. n. m. -- Het schip dat voorzeilt en waarop de overige
+zich richten.
+
+Vlootvoogd, z. n. m. -- Amiraal, hoofdbevelhebber eener Vloot.
+
+Vlot, b. n. -- Drijvend. Wordt van een schip gezegd, dat, na vast
+gezeten te hebben, weêr los komt. Wy zijn met het opkomend tij weder
+V-- geworden, weder V-- geraakt.
+
+Vlot, z. n. o. -- Verzameling van verbonden balken, die een soort
+van vloer vormen, somtijds dienende om menschen, paarden en goederen
+te vervoeren. De schipbreukelingen hebben een V-- gemaakt, waarop
+zy zich gered hebben. Men noemt ook V-- een vereeniging van balken
+timmer- of brandhout, welke men de rivieren laat afzakken. Een V--
+rondhouten, een V-- masten, een V-- scheepstimmerhout.
+
+Vlotgaand, b. n. -- Een V-- schip, dat weinig diepte van water
+noodig heeft.
+
+Vlotgras, z. n. o. -- Zeegras, of Wier, dat met den vloed rijst,
+en met de eb daalt. Zie Wier.
+
+Spreekwijze: Ontgaat u de wal, hou u aan 't V-- (verliest gy den
+sterken steun waar gy op rekenen mocht, klem u aan een geringeren
+vast).
+
+Vlotten, o. w. -- Drijven.
+
+Spreekwijze: Het wil niet V-- (er is geen voortgang by de zaak).
+
+Vlucht, z. n. v. -- Zie Zeegt.
+
+Spreekwijze: In de V-- zijn (verlegen, bedremmeld zijn).
+
+Vluchten, b. w. -- Om hoog pointeeren. Het kanon V--.
+
+Voeg, z. n. v. -- Voeging, verbinding, lasch, verband, klinkwerk.
+
+Voer, z. n. o. -- Wat mede gevoerd wordt.
+
+Spreekwijze: Het is bootsgezels V-- zijn eigen koopmansgoed mede
+te brengen.
+
+Voeren, b. w. -- Dragen, houden, laden, opsteken. Dat schip kan zijn
+heele lading niet V--. Dat oorlogschip is gebouwd om 100 stukken te
+V--. Dat schip Voert slecht zeil (de zeilen staan slecht by). Twee
+reeven in de marszeils V--. De Amiraalsvlag V--.
+
+Spreekwijze: Een groot schip V-- (een zaak van gewicht by de hand
+hebben.)
+
+Voering, z. n. v. (veroud.) -- 1o. Kleine koopmanschap, welke aan de
+manschappen vergund wordt mede aan boord te nemen, ook garniering.
+
+2o. Voor Voeding. In de oude ordonnantiën komt het woord dikwijls voor,
+b. v. Drye man voor huyr en V--.
+
+Voert, z. n. v. (veroud.) -- Inham of zeeboezem.
+
+Voet, z. n. o. -- Onderend van een mast, schoor, stut of stijl.
+
+Voetblok, z. n. o. -- Blok, dat omlaag is vastgemaakt.
+
+Voetstuk, z. n. o. -- Benedenste rand der galerij.
+
+Voetyzer, z. n. o. -- Krom kalfaatyzer.
+
+Vol, b. n. en bw. -- 1o. Gevuld. Met V--le zeilen (gevulde, gepannen
+zeilen). Het schip slaat V-- hout. Zie Hout.
+
+2o. Open. De V--le zee (de open zee). De hoogste vloed.
+
+Volbrassen, b. w. of Afbrassen. -- De Brassen aanhalen om de zeilen
+te doen Volstaan.
+
+Vol-en-by, bw. -- Niet te scherp aan-de-wind. V-- en B-- zeilen.
+
+Volhandig weer, z. n. o. -- Weer, dat de Handen Vol geeft.
+
+Volhouden, o. w. -- Vol-en-Byhouden: ook, na bygedraaid te zijn,
+weder koers zeilen (houden).
+
+Spreekwijze: Men moet V-- (volharden, het niet opgeven).
+
+Volstaan, o. w. -- Wordt een zeil gezegd te doen, wanneer het de Volle
+werking van den wind ondervindt. Dat zeil Staat Vol, Staat goed Vol,
+Staat geheel Vol. De zeilen staan Vol.
+
+Spreekwijze: Laat dat V-- (laat het zijn gang gaan).
+
+Voor, bw. -- 1o. Voor den boeg van het schip. Het anker is V--
+(het hangt V-- den boeg).
+
+2o. Het voorste gedeelte van 't schip, de bak (Wenk aan V--, (fokke
+hals opsteken, losgooien).
+
+Voor en achter dicht, bw. Alle zeilen dicht gereefd.
+
+Voorbyloopen, o. w. -- Voorby zeilen, varen. Een haven V-- (wanneer
+men die wil ingaan, doch by ongeluk, of ten gevolge eener verkeerde
+beweging, er voorby vaart.) Een schip V-- (een schip, dat gelijken
+koers houdt, inhalen en vooruitkomen.
+
+Voor-de-wind, bw. -- Den wind recht van achteren.
+
+Spreekwijze: Het gaat hem V-- (het gaat hem voordeelig).
+
+Voor-de-wind, z. n. m. of Voorwind. -- Voordeelige wind. Met een
+frisschen V-- zeilen.
+
+
+ Hunlieden niets gebrack als voorwind en ghetij,
+
+ Vondel, Lofz. op de Scheepsv.
+
+
+ Wat vint men hier een maght die op haar ankers draeit
+ En wacht een voordewint om voort in zee te steken.
+
+ Vondel.
+
+
+Voordwarstouw, z. n. o. -- Touw, waarmede het schip van voren aan
+eene der zijden is vastgemaakt.
+
+Vooreb, z. n. v. -- Zie Eb.
+
+Voorganger, z. n. m. -- Het voorste end van het touw, 't geen aan
+het anker vast is.
+
+Voorhoede, z. n. v. -- Zie Voortocht.
+
+Voorkasteel, z. n. o. -- Zie Kasteel.
+
+Voorland, z. n. o. -- Land, 't welk men bezeilen wil.
+
+Spreekwijze: Dat is uw V-- (dat is de omstandigheid, waar toe gy
+'t eerst vervallen zult).
+
+Voorlast, z. n. m. of Voorlastigheid. -- 't Zelfde als Achter- of
+Stuurlast, maar met betrekking tot het voorschip.
+
+Voorlastig, b. n. -- Voor te veel Last hebbende: het tegenovergestelde
+van achter- of stuurlastig.
+
+Voorlooper, z. n. m. -- Klein stuk vlaggedoek, in de draden der
+loglijn gestoken op een afstand gelijk aan dien van het vaartuig.
+
+Voorluik, z. n. o. -- Luik aan het Voorschip.
+
+Voorlijk, z. n. o. -- Zie Lijk.
+
+Voorman, z. n. m. -- Die de Voorste roeit, enz.
+
+Voormarszeil, z. n. o. -- Zie Marszeil.
+
+Spreekwijze: Met het V-- betalen (zijn schuldenaars ontloopen).
+
+Voormiddagwacht, z. n. v. -- Wacht van 8 uur tot aan den middag.
+
+Vooronder, z. n. o. -- Kleine kombuis of keukentjen voor in een schuit
+of binnenschip.
+
+Vooroverloopen, o. w. -- Voorby den boeg van een schip heenzeilen: een
+manoeuvre in 't gevecht, om den vyand de laag langsscheeps te geven.
+
+Voorraad, z. n. o. -- Scheepsbehoeften.
+
+Voorscheen, b. w. -- Zie Klimmen.
+
+Voorschip, z. n. o. -- 1o. Voorste gedeelte van het schip, van den
+fokkemast tot aan 't galjoen.
+
+2o. Het schip, dat vooruitzeilt. Zich op zijn V-- richten.
+
+Voorslemphout, z. n. o. -- Zie Slemphout.
+
+Voorsteven, z. n. m. -- Verzameling der kromme stukken, die het
+Voorste gedeelte van een schip uitmaken.
+
+Voortent, z. n. v. -- Tent, die Voor den fokkemast wordt opgeheschen.
+
+Voortocht, z. n. m. of Voorhoede. -- Het Smaldeel eener vloot,
+dat Vooruitzeilt, en doorgaands onder 't bevel staat van den
+Hoofd-Officier, die op den Vlootvoogd in rang volgt.
+
+Vooruit, bw. -- Waarmede de betrekkelijke stelling van een persoon
+of van een vaartuig wordt aangeduid. V-- zijn (zich op de voorhelft
+van een schip, of eener vloot bevinden).
+
+Voorvloed, z. n. m. -- Zie Vloed.
+
+Voorvoet, z. n. m. (veroud.) -- Voorrang. Den V-- hebben (vooruit
+zijn).
+
+Voorwaarts, t. w. komm. -- Om Vooruit te gaan.
+
+Voorwind, z. n. m. -- Zie Voor-de-wind.
+
+
+ Voor-wind maeckt rechte streken.
+
+ Huyghens. Hofwijck.
+
+
+Voorzeiler, z. n. m. -- Schip, dat vooruitzeilt, dat de overigen
+geleidt. Zoo de Loodsboot, of ander vaartuig, dat, by het in- of
+uitloopen van een naauwen doortocht voorzeilt.
+
+Voorzien, b. w. -- Helpen, steunen, beschutten. Een touw V-- (het
+bekleeden). De booten van roeiers V-- (bemannen).
+
+Vracht, z. n. v. -- 1o. Lading: goederen, welke het schip bestemd
+is over te brengen. Op V-- varen (varen, om lading, om V-- te
+bekomen). Een schip, dat V-- zoekt.
+
+2o. Hetgeen voor de overvaart, 't zij van goederen of personen,
+betaald wordt. Voor halve V-- meêvaren. Hoe veel is de V--?
+
+Spreekwijze: Hy heeft de vracht beet (hy heeft geld gewonnen).
+
+Hy heeft de vracht in (hy is dronken).
+
+Alle vrachtjens helpen (veel kleintjens maken een groot).
+
+Vrachtbrief, z. n. m. -- Zie Cherteparty.
+
+Vrachtlijst, z. n. v. -- Lijst, waarop de ingeladen goederen staan
+vermeld.
+
+Vrachtschip, z. n. o. of Vrachtvaarder. -- Schip, dat goederen
+overbrengt.
+
+Vrachtvaarder, z. n. m. -- Zie Vrachtschip.
+
+Vrachtvaart, z. n. v. -- De vaart met Vrachtschepen. De V-- op dat
+land is zeer uitgebreid.
+
+Vrang, z. n. v. -- Het middel- of buikstuk van elk spant, dat
+in de kiel en binnenkiel rechthoekig sluit. Halve V-- van het
+groot spant. De voet, hiel, onderkant van een scherpe V--. Vlakke,
+platte, scherpe V--en. Half scherpe V--en, ingetrokken V--en. V--en
+van het vlak, middelV--en. V--en van een kattespoor. Halve V-- der
+kattesporen. Gemaakte halve of heele V--. Gelaschte halve of heele V--
+(die uit twee stukken is saêmgesteld).
+
+Vredevlag, z. n. v. -- Zie Vlag.
+
+Vreetschepen, z. n. o. mv. -- Eigenaardige benaming, welke men aan
+de konvooischepen plach te geven.
+
+Vreevuur, z. n. o. -- Zie Dwaallicht.
+
+Vriezen, o. w. -- Tot ijs stollen.
+
+Vroegkost, z. n. v. -- Ontbijt.
+
+Vrijbuiten, o. w. -- Op roof uitgaan.
+
+
+ De Britten afgericht op rooven en vrybuiten,
+ Braveerden lang ter zee met zwakke leere schuiten.
+
+ Vondel, Zeevaert.
+
+
+Vrijbuiter, Zeevrijbuiter, z. n. m. -- Zeeroover. Antonides bezigt
+in zijn IJstroom den min gewonen vorm: Vrijbuitenaar:
+
+
+ De zeevrybuitenaars verdelgende in hun vlucht.
+
+
+Vrijhouden, b. w. -- Ontslaan, ontdoen, vrijwaren. Een schip van
+water V--. Zie Lens. Een anker V-- (beletten dat het, by 't ophalen,
+tegen het schip stoote).
+
+Vrijzetten, b. w. -- Nagenoeg 't zelfde als Vrijhouden.
+
+Vuil, b. n. -- Wordt een schip genoemd, als zijn kiel met schelpen of
+andere onreinheden begroeid is, die zijn loop vertragen: of een kust,
+die met verborgen klippen is bezet.
+
+Spreekwijze: V--e gronden bederven de kabels. Zie Kabel.
+
+Vuilebras. z. n. v. (veroud). -- De tobbe of kuip, waar de varsebalie
+het vleesch in plach te ververschen.
+
+Spreekwijze: Hy trekt aan de V-- (hy werkt door, of verkeerd, tot
+eigen schade)--om dat, wie aan de V--B trok, het vuile water over
+'t lijf kreeg.
+
+Vuilen, z. n. m. mv. -- Vuile gronden, gevaarlijk om over te zeilen,
+of waarin het anker niet houdt.
+
+Vuil water maken, o. w. -- Door den modder zeilen zonder vast te raken.
+
+Vuist, z. n. v. -- Zware hamer, by 't scheepssmidgereedschap.
+
+Vulhout, z. n. o. -- Hout, gebezigd om de luchten te vullen.
+
+Vullen, b. w. -- De wind wordt gezegd de zeilen te V-- als hy die
+doet volstaan.
+
+Vullingsgaten, z. n. o. mv. of Walmgaten. -- Zoggaten, sleuven langs
+al de spanten van den binnenkant der karkas van een schip loopende,
+en tot galei dienende, langs welke het water van de uiteinden des
+vaartuigs naar de pompen loopt.
+
+Vullingsplank, z. n. v. -- Plank, waarin de Vullingsgaten zijn
+aangebracht.
+
+Vullings, z. n. v. mv. -- Openingen, die by het bouwen van een schip
+langs de binnenhuid worden gelaten om doortocht te verschaffen aan
+lucht of aan water.
+
+Vuren, o. w. -- 1o. Vuur geven, schieten. Zy hielden niet op met
+V--. Vuur bakboord, Vuur stuurboord (lost het geschut van bakboord,
+van stuurboordzijde).
+
+2o. Lichten. Het water wordt gezegd te V--, wanneer de zee 's nachts
+by elke beweging glanst als Vuur: de branding op de klippen doet zich
+daardoor op een afstand kennen.
+
+Vuur, z. n. o. -- 1o. Baak, kustlicht. Wy hebben het V-- van Marken
+in 't gezicht (het licht van den Vuurtoren.) Op dien kaap is een
+draaiend V-- geplaatst (een kustlicht, waarvan de glazen beweegbaar
+zijn, zoodat het licht schijnt te draaien.) Drijvend V-- (vuurschip,
+dat tot baken dient.) Rood, oranjegeel V-- (gekleurd licht).
+
+2o. Schot. V-- geven (schoten doen.) Over beide boorden V-- geven
+(het geschut van wederszijden van het schip lossen.) Wy dwongen
+den vyand zijn V-- te staken (met schieten op te houden.) Een goed
+onderhouden V--.
+
+3o. Branding. Zie Vuren. Een V-- in lij!
+
+4o. St. Elmus V-- elektrieke vlammen, die zich by stormweer op de
+nokken en toppen vertoonen.
+
+5o. In zijn gewone beteekenis: Als de wacht opgezeten, moet V--,
+licht en pijpjens uit, was de oude consigne aan boord.
+
+6o. Kanker, die het hout wegvreet. Zie Vervuren.
+
+Vuurbaak, z. n. v. -- Zie Baak.
+
+Vuurblaas, z. n. m. -- Benaming, welke men oudtijds aan een schip
+van Vuren hout plach te geven.
+
+Vuurflesch, z. n. v. (veroud.) -- Flesch met buskruit gevuld, en van
+een lont voorzien, hoedanige men onder het gevecht op vyandelijke
+schepen plach te werpen.
+
+Vuurkleeden, z. n. o. mv. (veroud.) -- Natte huiden, waarmede men de
+barrings tegen 't werpen van granaten plach te bedekken.
+
+Vuurschip, z. n. o. -- Schip, dat tot kustlicht dient.
+
+Vuurtoren, z. n. m. -- Vuurbaak, brandaris, toren, aan den ingang
+van een haven of elders geplaatst en op wiens top Vuren of lichten
+branden, om aan de schepen tot baak te dienen.
+
+Vijgetouw, z. n. o. -- Biezetouw, dat in de Middellandsche zee veel
+gebruikt wordt. Touw, van den bast des Vijgebooms geslagen werd
+vroeger zeer algemeen gebezigd.
+
+Vijstingen, z. n. v. mv. (veroud.) -- Bouten, met yzeren banden
+doornageld, dienende om de masten steun te geven en recht in het
+spoor te houden.
+
+
+
+
+
+
+
+W.
+
+
+W, b. n. -- West. De wind is W.
+
+Waaien, onp. w. -- 1o. Blazen, wind maken. Het Woei een stijve koû. Het
+zal van nacht fiks W--. Het Waait een vliegenden storm.
+
+
+ Men ziet de winden vaak van alle kanten Waaien,
+
+
+zegt Phenix in Huydecopers Achilles.
+
+
+ 't Mag waaien, stil staan, vloeien of ebben,
+ Wie niet waagt die zal niet hebben.
+
+ Cats.
+
+
+Spreekwijze: Met alle winden W-- (zich aan elke bovendrijvende party
+aansluiten).
+
+
+ Die met elken wind wil Waaien,
+ Die onthoude bovenal,
+ Dat de wind somtijds kan draaien,
+ Niet altijd bestendig wezen zal.
+ Hy blijv', heeft hy dit vergeten,
+ Voor een wissen val beducht:
+ Hy ligt, eer hy 't zelf kan weten,
+ Met de beenen in de lucht,
+
+
+zingt Maria in 't Dorp aan de Grenzen.
+
+Ik acht het zoo veel als den wind die daar Waait (ik acht het niets).
+
+Het zal er W-- (er zal braaf geraasd worden).
+
+Het is hem door 't hoofd Gewaaid (hy heeft het vergeten).
+
+2o. Wapperen, uitwaaien. De vlaggen W--, of, als het oude liedtjen
+zegt:
+
+
+ Zy zeggen: daar is er geen Prins in 't Land
+ En de vlaggen die Waaien van allen kant.
+
+
+Waak, z. n. m. -- Waking, wacht, kwartier. Ende omtrent de vierde
+Wake des nachts quam hy tot haar, wandelende op de zee. Markus VI. 48.
+
+Waak (derde) z. n. m. -- Vroeger werd een Onderluitenant by de
+O. I. Kompagnie zoo genoemd.
+
+Waal, z. n. m. -- Kolk, walende stroom, waarvan zoowel de rivier,
+als eenige der stadsgrachten te Amsterdam haar naam ontleenen.
+
+
+ De scheepshof van de Waelen
+ Met voorraet opgepropt van schepen klein en groot.
+
+ Antonides, IJstroom.
+
+
+Waan (in) houden, o. w. (veroud.) -- Eenig timmerwerk te scheep naar
+den eisch houden, zoo dat het niet verzet.
+
+Waarachtige grond, (veroud.) -- Steenachtige grond.
+
+Waarloos, b. n. -- Al wat ingescheept wordt om een voorwerp van
+gelijken aart te vervangen. W-- rondhout, touw. W--e bloks, zeilen enz.
+
+Waarnemen, b. w. -- Nagaan, beschouwen, opmeten. Den stand van een
+hemellicht W--.
+
+2o. Aanvatten. Neem Waar dat end (grijp dat touw).
+
+Waauw, b. n. -- Voordeelig. De wind is W--. Zie Wieuw.
+
+Wacht, z. n. v. -- 1o. Daad van waken, t. w. voor de veiligheid van
+'t schip. Men moet goede W-- aan boord houden. Zijn W-- staan (de
+Wacht op zijn beurt hebben).
+
+
+ Een ieder staat zijn Wacht,
+
+
+zegt Vondel, Lof der Zeevaart.
+
+2o. Kwartier, tijd, dat het waken duurt. Eerste W-- (van 8 uur
+tot middernacht). HondeW-- (van middernacht tot 4 uur). DagW--
+(van 4 tot 8 uur 's morgens.) VoormiddagW-- (van 8 uur tot den
+middag.) NamiddagW-- (van den middag tot 4 uur.) PlatvoetW-- (van 4
+tot 8 uur 's avonds.) BakboordsW--, StuurboordsW--.
+
+3o. De personen, die waken. De gandsche W-- kwam er aan te pas.
+
+Wachtrol, z. n. v. -- Lijst, waarop de indeeling der Wachten is
+opgeteekend.
+
+Wachtschip, z. n. o. -- 1o. Schip, dat in den mond van een stroom of
+haven ligt, om die te beschermen.
+
+2o. Ontwapend schip, tot berging van rekruten.
+
+Wachtwoord, z. n. o. of Parool. -- Afwisselend herkenningswoord, door
+den Kommandant gegeven, en aan hen, die op wachten of posten staan,
+of die rondes doen, medegedeeld. Het W-- gaan halen.
+
+Wadde, z. n. v. -- Droogten, ondiepte.
+
+Waden, o. w. -- Door 't water gaan.
+
+Wagenschot, z. n. o. -- Dunne beplanking.
+
+Wagenweg, z. n. m. -- Op de kaarten van de O. I. Kompagnie waren twee
+lijnen afgeteekend, waartusschen de schepen gehouden waren te zeilen,
+immers tot door de Linie. Die tusschenruimte werd W-- genoemd.
+
+Wak, z. n. o. -- Zwakke stede, open plek in het ijs.
+
+Waken, o. w. -- Bovendrijven: wordt gezegd van een rots, klip of ander
+voorwerp, dat met het afloopen van het water zichtbaar wordt. Die bank
+Waakt met de eb (laat zich zien met de eb). Een W--de boei (een boei,
+die aanwijst, waar het anker ligt).
+
+Waker, z. n. m. -- 1o. Windwijzer op een masttop.
+
+2o. Lont, die brandend gehouden wordt in de lontbalie.
+
+3o. Ambtenaar, die van wege het Bestuur van 's Lands middelen aan boord
+van een schip wordt gezonden om toe te zien, dat geene goederen van
+boord worden afgeleverd, of dat een gedane verzegeling ongeschonden
+blijve. Dat schip heeft W--s aan boord gekregen.
+
+Wakker, b. n. -- Vlug, bekwaam.
+
+
+ Wie roergang, splisse, en knoopen kan;
+ Dat is aan boord een wakker man.
+
+ Scheeps rijmpjen.
+
+
+Wakkeren, o. w. -- In kracht toenemen. De wind begint te W--. Zie
+Aanwakkeren.
+
+
+ De wakkerende wind in 't Westen
+ Geeft hun getal der zee ten besten.
+
+ Van Haren, de Geuzen.
+
+
+Wal, z. n. m. -- 1o. Waterkant; vooral een zoodanige, die van hout-
+of metselwerk voorzien is. De stads W--len. OpperW-- (waar de wind
+van de landzijde komt). Lager W-- (waar de wind op de kust staat).
+
+
+ Hy zwiert al waar het water wil,
+ En wort zoo, door een snellen val,
+ Gedreven tegen lager Wal.
+
+ Cats.
+
+
+2o. Algemeene benaming voor land. Aan W-- gaan. Aan W-- blijven
+(aan land blijven). Van W-- steken (afzeilen, afvaren). Zie Hooger
+W--. Vaste W--.
+
+Spreekwijze: Iemand van den W-- in de sloot helpen. Zie Sloot.
+
+Ontgaat u de W-- hou u aan 't vlotgras. Zie Vlotgras.
+
+Het raakt kant noch W--. Zie Kant.
+
+Aan lager W-- zijn (zich in slechten finantieelen toestand bevinden).
+
+By den W-- langs, zoo vaart men zeker (als men zich verdacht houdt
+heeft men geen gevaar te vreezen).
+
+De beste loodsen staan aan W-- (die buiten de zaak zijn, hebben
+doorgaands 't meest er over te zeggen, weten 't altijd beter).
+
+Walen, o. w. -- Draaien. Een W--de naald (een kompasnaald, die niet
+dan langzaam en als aarzelende haar richting neemt).
+
+
+ Daer waelt de lely van 't kompas,
+
+
+zegt Vondel in zijn Lijkdicht op zijn kleindochtertjen.
+
+Walengang, z. n. v. -- Gang, op groote schepen, die op het koebrugdek
+tegen boord het schip rond loopt, als 't ware rond-waalt, en dient
+om den timmerman by een gevecht de grondschoten te doen stoppen.
+
+Walmgat, z. n. o. -- 1o. Het hol gedeelte, voor aan de schacht van
+het roer onder elken vingerling gemaakt, om vrijen doortocht te laten
+aan die van den voorsteven.
+
+2o. Zie Vullinggat.
+
+Wambuis, z. n. o. of Wammes. -- Baaitjen.
+
+Spreekwijze: Op zijn Wammes krijgen (er slecht afkomen).
+
+Wamen, o. w. -- Den modder op doen wellen, 't welk by den stroom
+geschiedt. Het tij Waamt.
+
+Wan, z. n. o. -- 1o. Lek; lekkaadje.
+
+2o. Holte in het hout, welke niet kan weggenomen worden zonder het
+hout in omtrek te doen verliezen.
+
+3o. Een yzer, waaraan in 't midden een lijn is vastgemaakt, dienende
+om in het spongat voor ledige vaten te steken en die daarmede op
+te hijschen.
+
+Wand, z. n. m. -- Binnenzijde van een schip.
+
+Wang, z. n. v. of Schaal. -- Zijstuk, klamp, die tegen een mast
+geslagen wordt om dien te stutten.
+
+Wangen, b. w. -- Met Wangen of schalen voorzien: met klampen
+vastzetten.
+
+Wanhout, z. n. o. -- Wankantig hout: hout, waarvan de oppervlakte
+niet gaaf, maar met Wannen bezet is.
+
+Wankant, z. n. o. -- De ruwe zijde van het hout.
+
+Wankantig, b. n. -- Zie Wanhout.
+
+Wankoers, z. n. m. -- Verkeerde Koers, afwijkende Koers.
+
+Want, z. n. o. -- Oorspronkelijk: netwerk, waarvan Vondel, in zijn
+Lofz. op de Scheepvaart:
+
+
+ Zoo langhe tot sy 't Want optrocken met de visch,
+
+
+en van daar: al het Touwwerk aan boord; Staand en loopend W-- (het
+vaste en losse touwwerk aan boord). Het W-- zwichten (by slecht weer
+in geval het tuig los of gerekt is, het W-- over en weêr vastrijgen).
+
+Spreekwijze: Zijn staand en loopend W-- in orde brengen (zijn kleeding
+in orde schikken).
+
+Die geen W-- heeft naar het schip, moet te gronde gaan (die geen
+vrouw heeft, die hem past).
+
+Te veel W--s overhoop halen (te veel omslag maken).
+
+Hy is vierkant onder zijn staand en loopend W--. (Hy is in alles even
+knap, van alle markten thuis).
+
+Wanten, b. w. -- Het Want in orde brengen, is niet in gebruik, dan
+in de volgende
+
+Spreekwijze: Hy weet van W-- (hy verstaat de zaak).
+
+Wanten, z. n. v.-- Wollen handschoenen zonder vingers, by de visschers
+in gebruik.
+
+Wanthaak, wantknoop, z. n. m. -- Zie Haak, Knoop, enz.
+
+Wantslag, z. n. m. -- Touwwerk, samengesteld uit touwen, die reeds
+afzonderlijk waren gestrengeld geweest.
+
+Wantij, z. n. o. -- Draaijing, tegenstroom.
+
+Wanvangst, z. n. v. -- Gebrekkige, slechte Vangst, of geheel geen
+Vangst.
+
+Wanzij, z. n. v. -- Zie Wankant.
+
+Wapenbord, z. n. o. of Naambord. -- Bord, waarop de naam van het
+schip geschreven staat.
+
+Wapperen, o. w. -- Heen en weder waaien. De zeilen W--. Hy liet zyn
+wimpel W--.
+
+Waring, z. n. v. -- Overloop op kleine vaartuigen. Zie Gangwaring.
+
+Warlen, o. w. -- Heen en weêr slingeren, draaien. In de War raken,
+verwarren. Een W--de zee, (golven die tegen elkander opstaan).
+
+Wartel, z. n. m. -- Soort van kleine ketting of haak, draaiende op het
+end van een ketting, en waarvan men by 't spinnen van schiemansgaren
+gebruik maakt.
+
+Wartelblok, z. n. o. -- Zie Blok.
+
+Wartelhaak, z. n. m. -- Taliehaak, waarvan de kop uit een zeer
+sterke yzeren plaat bestaat, op welke hy draait, en waarvan de beide
+zijden zich sluiten over elkander als een beugel, waarin men een kous
+vastklinkt om den strop te ontfangen van het blok, voor 't welk hy
+dienen moet, om de daardoor loopende touwen, uit elkander te houden.
+
+Wasschen, b. w. -- Spoelen, schoonmaken. De zee Wiesch het dek schoon,
+(de golven sloegen alles van 't dek, spoelden alles weg).
+
+Wassen, o. w. -- Rijzen, opstijgen, aanvoeren. W--d water (water,
+dat met den vloed rijst), in tegenstelling van: vallend water. Een
+W--de maan (als de maan in omtrek schijnbaar toeneemt).
+
+Water, z. n. o. -- Doorschijnende vloeibare zelfstandigheid, die door
+de koude stolt, en door de hitte wegdampt. ZeeW--, RivierW--, BronW--,
+WelW--, PompW-- enz. Zout W-- (dat der zee.) Zoet W-- (dat drinkbaar
+is.) Brak W-- (dat met onzuivere bestanddeelen vermengd is.) Loopend,
+stroomend W--. Woelend W--. Slecht W-- (dat stil is.) Ondiep W--. Hoog
+W-- (volle vloed.) Stil W-- (tusschen vloed en ebbe.) Laag W--
+(afloopende ebbe.) W-- halen, zich van W-- voorzien (van zoet W--.) In
+diep W-- zijn (in volle zee zijn.) Het W-- wast, het W-- valt (het
+vloeit, het ebt.) Open W-- (dat niet bevroren is.) ToeW--, besloten W--
+(bevroren water.) VaarW-- (watering.) Een schip te W-- brengen (het af
+laten loopen.) In 't mv. wordt het voor zee-, rivier- of stroomvaart,
+in 't kort voor al wat zich bevaren laat, genomen. De breede W--en. De
+binnenW--en (die binnen de grenzen liggen), ook voor golven, stroomen.
+
+
+ Hier barst hy (de Nijl) eindlijk uit met neergestorte Wateren.
+
+ Antonides Ystroom.
+
+
+Spreekwijze: Stille W--s hebben diepe gronden (zy die de minste praat
+hebben, zijn dikwijls de knapsten).
+
+W-- in zijn wijn doen (zich een weinig temperen).
+
+Hy is verdronken eer hy W-- gezien had. Zie Verdrinken.
+
+Gods W-- over Gods akker laten loopen (fioolen laten zorgen, zich
+nergends over bekommeren).
+
+Boven W-- zijn (geen vrees voor schade meer hebben).
+
+Tusschen W-- en wind zijn (weifelen, geen party kiezen).
+
+In zulke W--s vangt men zulke visschen (van zulk slach van volk moet
+men zulke dingen verwachten).
+
+Onder W-- zijn (dronken zijn).
+
+Veel W-- vuil maken (veel onnoodigen omslag maken).
+
+Het is laag W-- aan boord (men heeft gedaan met schaften).
+
+Waar de dijk 't laagst is, loopt het W-- 't eerst over (rampen treffen
+arme lieden 't eerst).
+
+
+ Die Water deert
+ Water weert.
+
+ Cats.
+
+
+In die W--en treft men veel N. Wind. (Kruisen zeeroovers).
+
+Waterborden, z. n. o. mv. (veroud.) -- Planken, die op het scheepsboord
+gezet, en afgenomen kunnen worden.
+
+Waterdicht, b. n. -- Ondoordringbaar voor het water. Het eerste
+vereischte van een vaartuig is, dat het W-- zij.
+
+Waterdracht, z. n. v. -- 't Zelfde als Diepgang. Zie ald.
+
+Wateren, b. w. -- Uit het oog verliezen, ten gevolge van de rondte
+des aardbols. Een schip W--. Een eiland W--.
+
+Wateren, o. w. -- Uit het gezicht verdwijnen. Ziedaar een schip,
+dat gedeeltelijk Watert (dat gedeeltelijk in 't water schijnt weg te
+zinken, waarvan men alleen de masten ziet).
+
+Wateren, z. n. o. mv. -- Kogels, die in en uit het water springen.
+
+Watergang, z. n. m. -- Dikke plank, die aan weêrszijden van het dek is
+aangebracht, tot hetwelk zy mede behoort. De W-- rust op den dekbalk,
+ligt op eenigen afstand uit het boord en strekt zich over de geheele
+lengte van het schip uit.
+
+Watergeus, z. n. m. -- Zie Geus.
+
+Waterhoos, z. n. v. -- Zie Hoos.
+
+Waterkant, z. n. m. -- Wal, Kant van het Water.
+
+Waterlanders, z. n. m. mv. -- Inwoners van Waterland.
+
+Spreekwijze: Daar komen de Waterlanders, t. w. op den dijk (daar komen
+de tranen in de oogen, om dat de Waterlanders niet op den dijk komen,
+ten zij er gevaar is).
+
+Waterlegger, z. n. m. -- Vat, waarin zoet Water aan boord bewaard
+wordt.
+
+Waterloopsklos, z. n. m. -- Gedeelte van de bevloering der dekbalken,
+'t welk zich op het uiteinde daarvan tegen boord bevindt, en als den
+rand van het dek vormt.
+
+Waterlijn, z. n. v. -- Zie Kimlijn.
+
+Watermolen, z. n. m. -- Molen, dienende om het Water uit een polder
+te malen.
+
+Waterruim, z. n. o. -- Gedeelte van het Ruim, waarin het Water
+bewaard wordt.
+
+Waterpas, b. n. -- Horizontaal.
+
+Waterrecht, z. n. o. -- Door de zeevarende Mogendheden erkend zeerecht.
+
+
+ Tot hem een kogel heeft vooruit naar God gezonden
+ Om wraak te vergen voor 't geschonden Waterrecht.
+
+ Brandt, Grafschrift op de Haas.
+
+
+Waterschip, z. n. o. -- Schip, dienende om Water aan te voeren.
+
+Spreekwijze: Het doet er weinig toe al krijgt een W-- een gat meer
+(om dat er het Water toch weêr inloopt).
+
+Waterschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede drinkwater wordt aangevoerd.
+
+Waterspiegel, z. n. m. -- 1o. De oppervlakte van het Water.
+
+2o. De Watergordel, die een drijvend schip omvangt.
+
+Watertreder, z. n. m. -- Dichterlijke naam voor "Schip."
+
+
+ Gelijck een vogel, als de dagh begint te kriecken,
+ Ter vlught zich rust en vecht en wackert zijne wiecken,
+ Zoo doet mijn zeilbaer vlot, mijn Watertreder mee,
+ Hy spant zijn vleugels uit, en maakt zijn zeilen ree,
+
+
+zegt Vondel, Lof der Zeevaart.
+
+Watertocht, z. n. m. -- Tocht, reis, door 't Water.
+
+
+ Zoo trotst men Jazons Watertoghten
+ En zijn vermeetlen heldenlof.
+
+ Antonides.
+
+
+Waterrot, z. n. m. -- Bynaam voor een zeevarende.
+
+Waterval, z. n. m. -- Water, dat zich van een hoogte nederstort.
+
+Waterverkleuring. -- Verandering in de kleuren van het Water, welke
+op zee doorgaands wordt waargenomen op sommige breedten of boven een
+rif of bank. Het rif is noch door rollers noch door W-- kenbaar op
+eenigen afstand.
+
+Waterverplaatsing, z. n. v. -- De plaats, welke de kiel van een schip
+in het water beslaat.
+
+Waterverval, z. n. m. -- Verschil van diepte by hoog of laag Water.
+
+Watervloed, z. n. m. -- Overstrooming.
+
+Waterzeilen, z. n. o. mv. (veroud.) -- Zeilen, die men achter tegen
+het schip, tot onder aan het water toe, hing, by het lensen.
+
+Web, z. n. v. -- De scheepstimmerlieden noemen een W-- scheren,
+wanneer zy de latten spijkeren, naar welke het beloop van een schip
+moet gemaakt worden.
+
+Wederzee, z. n. v. -- 't Zelfde als Tegenzee. Zie ald.
+
+Weekbak, z. n. m. (veroud.) -- Groote bak op den overloop, waar de
+varsebalie zijn water in draagt en de spijs in weekt en reinigt.
+
+Weer, z. n. m. -- Zie Rietpark.
+
+Weêr of weer, (naarmate men dit woord als samentrekking van weder--wat
+niemand ooit zegt--of van geweer, van weeren [waaien], beschouwt)
+z. n. o. Luchtgesteldheid. Zwaar W-- (storm.) Gemeen W--, roezemoezig,
+buiig W--. Het W-- klaart op. Het W-- is bestendig. Helder W--. Dik
+W--. Donker W--. Handzaam W--. Deinzig W--. NoodW--.
+
+Spreekwijze: Mooi W-- en geen haring (het doet zich goed voor; maar
+men heeft er niet aan).
+
+W-- en wind dienen hem (het gaat hem naar wensch).
+
+Mooi W-- spelen (den boel er doorbrassen).
+
+'s Avonds rood, morgen goed W-- aan boord.
+
+Weêr aan of weêr an, t. w. Goed zoo: toe maar:
+
+
+ Weer an: riepen de Matroosen:
+ 't Is een man, oft Mouringh waer,
+
+
+zingt Huyghens in zijn Scheepvaart op 't overlijden van Prins Maurits.
+
+Weergal, z. n. m. -- Rood wolkjen, dat doorgaands buiig weer
+aankondigt.
+
+Weerlicht, z. n. o. -- Ontvlamming van elektrieke dampen.
+
+Weêrstroom, z. n. m. -- Keerende stroom. Zie Neer.
+
+Weêrvloed, z. n. m. -- Keerende vloed.
+
+Weerswijs, b. n. -- Die zich verstaat op Weersvoorspellingen.
+
+Wegdrijven, o. w. -- Afdrijven, heendrijven. Met den stroom W--. 't
+Wordt ook gezegd van een schip dat niet goed by-de-wind zeilt. Hij
+drijft te veel weg (d. i. naar tij toe).
+
+Weger, z. n. m. -- Plank of plaat, tegen het binnen-oppervlak der
+inhouten geplaatst, in de richting van voren naar achter. KimW-- (die
+door de uiteinden der vrangen van elk spant heenloopt.) VlakW---,
+BuikW-- (die tusschen de KimW--s en de W--s van het zaadhout
+aangebracht worden.) TusschenkimW--s (die over de uiteinden der halve
+vrangen en de ondereinden der onderbuikstukken liggen.) SteunW--,
+BovenkimW-- (die boven de KimW--s zijn.) DostW--s (op de dikte waarvan,
+in een schuit, de uiteinden der roeibanken gelegd worden).
+
+Wegeren, b. w. -- Wegers aanbrengen, een schip van binnen
+beplanken. VolW-- (geen ruimte tusschen de Wegers laten.) Half vol,
+met luchten W-- (tusschenruimten openlaten).
+
+Wegering, z. n. v. -- Vereeniging van al de Wegers of planken,
+waarmede de romp van een schip van binnen is bekleed.
+
+Wegwijzer, z. n. m. -- Rat, Duizendbeen. Zie ald. Zoo heet ook een
+boeksken voor koffen en smakken die het Katterak en Schagerrak bevaren.
+
+Wegzeilen, o. w. -- Zich zeilende verwijderen.
+
+Weigeren, b. w. -- Haperen, nalaten. Het schip Weigert in het wenden.
+
+Weischuit, z. n. v. -- Lichte schuit, die over de Weiden heen gedragen
+kan worden.
+
+Wel, b. n. -- Goed, in orde, gezond. Alles W-- aan boord.
+
+Welbezeildheid, z. n. v. -- Snelheid, hoedanigheid van zeilen. De
+schepen zullen zich naar hun W-- rangschikken.
+
+Welboot, z. n. v. -- Soort van Hollandsche boot.
+
+Welvaart, z. n. v. -- 's Lands W-- is 't gevolg van 't Wel-varen
+der ingezetenen, en dit weder van de voordeelige Vaarten, die men
+deed. Die zoo wel 't etymologisch als het moreel verband niet inziet,
+weet niet, wat de taal is als uitdrukking van het volkswezen.
+
+Welzand, z. n. o. -- Land, waaruit het water opwelt of opborrelt en
+waarin alles weg zinkt.
+
+Wenden, o. w. -- Over een anderen boeg gaan liggen; by- of voor-de-wind
+over stag gaan: beweging, welke men aan een schip laat doen, om het
+boord, dat vroeger van den wind was, tegen den wind in te brengen. De
+vloot Wendt. De Amiraal deed sein, om door een contra marsch te W--.
+
+Wenken, b. w. (veroud.) -- 1o. Het eerste windvangen der zeilen als
+een schip overstag wendt.
+
+2o. Los gooien. In 't komm. Wenk aan voor! (gooi de boelijns van het
+voormarszeil en voorbramzeil en fok los).
+
+Werf, z. n. v. -- Ruimte of werkplaats, bestemd tot aanbouw van
+vaartuigen. ScheepstimmerW--, GeschutsW--.
+
+Werfbrief, z. n. m. -- Register of bewijs van verbintenis, waarby
+iemand dienst heeft genomen.
+
+Werfhuis, z. n. o. -- Huis, waar volk voor de dienst geworven wordt,
+en dat doorgaands door het uitsteken van een vlag onderscheiden wordt.
+
+Werfofficier, z. n. m. -- Officier, met het aannemen van volk belast.
+
+Werk, z. n. o. -- Gepluisd touwwerk, dienende om de naden en voegen
+der planken te breeuwen.
+
+Werken, o. w. of Kraken. -- Wordt het schip gezegd te doen, wanneer
+zijn onderscheiden deelen ten gevolge van de beweging der zee hoorbaar
+tegen elkander wrijven. Men zegt ook van masten of raas, dat zy
+W--, wanneer hun gekraak aanduidt, dat zy in stevigheid beginnen
+te verminderen. In 't algemeen beduidt het het hevig slingeren en
+stampen van het schip.
+
+Werp, z. n. o. -- By een woord gevoegd, duidt aan, dat men iets
+uitbrengt om zich te verhalen of uit te werken. Een W--anker, een
+W--tros. Zie Anker, Tros, enz. W-- wordt ook wel by verkorting voor
+Werpanker gebezigd. Een W-- uitbrengen.
+
+Werpanker, z. n. o. -- Anker, dat uitgevoerd wordt om een schip daarby
+voort te halen.
+
+Werpen, b. w. -- of Uitwerpen, Een schip, door behulp van ankers of
+trossen, uitwerken: komm. Werp (Werp het dieplood uit).
+
+Werplijn, werptros, enz. -- Zie Lijn, Tros, enz.
+
+Werrie, z. n. v. -- Engelsch roeivaartuigjen.
+
+Wervelwind, z. n. m. -- Dwarrelwind; draaiende Wind, die met hevigheid
+waait.
+
+
+ 't Gegter der Wervelwinden
+ Die eik en ceder knakken,
+ Rukt broederlijke takken,
+ Scheurt teere hartevrinden,
+ In 't stormgewoel van een.
+
+ Bilderdijk.
+
+
+Werven, b. w. -- Aannemen, in dienst nemen. Manschappen W--,
+Matrozen W--.
+
+Werver. Die het volk tot de dienst ten oorlog aanbrengt. De matrozen
+noemen zulk een: zielverkooper.
+
+West, bw. -- Ten Westen, uit het Westen, aan den Westkant. De wind
+is W-- (waait uit het Westen.) Wy zagen een schip W-- van ons af.
+
+West, (de) z. n. v. -- De Westindische Koloniën. Hy vaart op de
+W--. Hy heeft zijn fortuin in de W-- gemaakt.
+
+Westelijk, b. n. -- Wat zich ten Westen bevindt.
+
+Westelijken, o. w. -- Zich naar het Westen begeven. De wind begint
+te W--.
+
+Westen, (het) -- Het Westelijk land.
+
+Westen, (ten) b. w. -- Aan de Westzijde. Zie West.
+
+Westergang, z. n. m. -- Gang, die, zich langs den spiegel van stuur-
+naar bakboord uitstrekkende, aan de eene zijde door den spiegel en
+aan de andere door een leuning bepaald wordt.
+
+Westerkim, z. n. v. -- De gezichteinder ten Westen. Zie Westkim.
+
+Westerzon, z. n. v. -- Avondzon.
+
+Westewind, z. n. m. -- Wind, die uit het Westen waait.
+
+Westkim, z. n. v. -- 't Zelfde als Westerkim.
+
+
+ Hy had den avond en de Westkim reeds gewonnen
+
+ Vondel, Faeton.
+
+
+West ten noorden, west ten zuiden. -- Windstreken. Zie Windstreken.
+
+Westwaart, b. w. -- Naar de Westzijde toe. Wy zeilen W-- (het
+Westen in).
+
+Westzijde, z. n. v. -- De zijde, in het Westen gelegen.
+
+Wevelingen, z. n. v. mv. -- Touwtjens, tusschen de hoofdtouwen
+gespannen, en den bootsgezellen dienende om naar de mars en bramzaling
+te klimmen.
+
+Weven, b. w. -- De Wevelingen scheren.
+
+Wiegen, b. w. -- De scheepstimmerlieden noemen een schip W--, wanneer
+zij het, by 't afloopen, los wrikken en aan 't glijden helpen.
+
+Wiel, z. n. o. -- Het rad van een rampaard.
+
+Wieling, z. n. v. -- Draaikolk.
+
+
+ Wat Wieling dan, wat golving spoelt en drijft
+ En slingert u, onwetend waar gy blijft?
+
+ Bilderdijk.
+
+
+Wieltros, z. n. m. -- Dunne troslijn.
+
+Wier, z. n. o. -- Zeegras, dat, gedroogd, tot het maken van dijken
+gebezigd wordt. Zie Dijk.
+
+
+ Een hand vol zeewier dreef door 't nat,
+ Ten spel van wind en golven,
+ Nu, 't moedig hoofd om hoog gebeurd,
+ En dan, in 't schuim bedolven.
+
+ Bilderdijk.
+
+
+Van dit gras heeft het eiland Wieringen zijn naam.
+
+Spreekwijze: Hy kijkt of hy Wieringen in wou (hy kijkt zuur: om dat
+de doortocht tusschen Wieringen en den vasten wal smal is).
+
+Men moet soms hard prangen om Wieringen te krijgen (men heeft veel
+gevaar door te staan eer men in veilige haven komt: men moet soms
+hard werken aleer men tot rust komt).
+
+Wieuw, b. n. (veroud.) -- Ongunstig. De wind is W-- (het tegendeel
+van Waauw).
+
+Wig, z. n. v. -- Prisma van hout of yzer, dienende om hout te splijten,
+of eenig voorwerp te schoren.
+
+Wik, b. n. -- Ter naauwer nood.
+
+Spreekwijze: Het is W-- of Wak (het is zus of zoo). Zie Wak.
+
+Wikken. Bezien, doelen.
+
+
+ En driemaal wikte van zijn oortip, driemaal mikte:
+ Zóó vreeselijk, dat zelfs de hemelschutter schrikte.
+
+ Vondel, Faeton.
+
+
+Spreekwijze: Men moet W-- en wegen. (Men moet bezien en overleggen).
+
+Wildebras, z. n. m. -- Zie Bras.
+
+Willen, z. n. m. mv. -- 1o. Enden dik touw, die, in de plaats van
+een wrijfhout, voor den boeg van een klein vaartuig gehangen worden.
+
+2o. Platte schijven van platting gemaakt, die over het buitenboord
+van de sloepen gehangen worden tegen het stooten.
+
+Wimpel, z. n. m. -- Lange, smalle strook vlaggedoek, meestal in twee
+punten uitloopende. Koninklijke W-- (die alleen van den grooten mast
+der oorlogsvaartuigen geheschen wordt en de kleur der vlag heeft.) De
+W--, boven de vlag van top gevoerd, dient tot teeken, dat de hoogste
+macht, de Koning of diens vertegenwoordiger, aan boord is. Kommandeur
+van den breeden W-- (tytel van een Hoofdofficier in rang volgende
+op den Schout-by-Nacht). Met Vlaggen en W--s liep het schip de
+haven binnen.
+
+
+ Een gloeiend paviljoen
+ Van Wimpels, geschakeert tot een triomffestoen,
+ Verlicht door duizenden van vieren, langs de stangen
+ En marssen vastgehecht, terwijl kortouw en slangen
+ Matroos verquikten met hun dreunende muzijk.
+
+ Antonides, IJstroom.
+
+
+Spreekwijze: Hy wint het met Vlaggen en W--s. Zie Vlag.
+
+Wimpelman, z. n. m. -- Scheepsjongen, die op den Wimpel moet toezien.
+
+Wimpelstok, z. n. m. -- Stok of standert van den Wimpel.
+
+Wind, z. n. m. -- Beweging van de dampkringslucht. Sterke W--,
+Scherpe W--, Koude W--, Harde W--,
+
+
+ Boghtig yzer kan men rechten;
+ Maar geen harden Wint bevechten.
+
+ Cats.
+
+
+ZeeW-- (die uit zee waait.) LandW-- (die van de landzijde
+komt.) By-de-W-- (als de W-- voorlijker dan dwars inkomt.) Voor-de-W--
+(van achteren inkomende W--.) Bezeilde W-- (dien men voor zijn
+koers behoeft.) De W-- op het zeil (tegen-W--.) De W-- in het zeil
+(voordeelige W--.) Onder den W-- van iemand zijn (te lijwaart van hem
+zijn.) Slecht by-de-W-- zeilen (lafwindig zijn.) W-- en stroom mede
+hebben. Naar den W-- zeilen. Door de W-- gaan (wenden.) De W-- is
+Wieuw: De W-- is Waauw. Zie Wieuw, Waauw. Boven den W-- zijn, beneden
+den W-- zijn (te loef of te lijwaart zijn.) De W-- is op en neêr
+(er is geen W--.) Geen W-- overgeven (van elk zuchtjen gebruik maken).
+
+Spreekwijzen: Het gaat hem voor-de-W-- (het gaat hem voorspoedig).
+
+Er waait geen W-- of hy is iemand dienstig (elke zaak heeft hare
+goede zijde).
+
+Hy ziet in den W-- (hy geeft acht op hetgeen gebeuren kan). Zoo
+schrijft Hooft: "Hoewel de ontsteltenissen, die 't genaaken onzer
+ellenden beteekenen, van heeden nocht gisteren begost zijn, zoo hebben
+wy 't al een wyle laaten heenen gaan op toeverlaat, dat de Mooghenste
+Heeren en Staaten der Gewesten in den wind zouden zien, en uwe Hoogheit
+het opsteekend en nu over 't hooft hangend onweeder aanwijzen."
+
+Iemand den W-- afnemen (hem van zijn voordeel berooven). Zoo zegt
+Hooft: "Dit was de wegh, om dien van Guise, die door den twist in
+'t geloove hunnen aanhang stijfden, t'onderscheppen ende den windt
+af te neemen."
+
+Wind breken, Wind maken (snoeven, pochen, onnoodige drukte
+maken). "d'onzekerheid van den oirsprong des Nyls, daer d'Egyptische
+neuswijzen zoo veel wints om breecken," zegt Vondel in de Opdraght
+van zijn Sofompaneas.
+
+Door-de-W--gaan (met een nat zeil loopen, beschonken zijnde, om
+verre vallen).
+
+In-de- W-- gaan (gaan zwieren).
+
+Tegen W-- en stroom is 't kwaad zeilen. Zie Stroom.
+
+Er is een rakjen in den W--. Zie Rakjen.
+
+Hy waait met alle W--en (hy praat ieder naar den mond).
+
+Alle havens schutten geen W--. Zie Haven.
+
+Iets in den W-- slaan (zich er niet aan stooren).
+
+
+ De booswicht slaet haer klaght en woorden in de wint.
+
+ Vondel.
+
+
+ Die zeilt boven wint,
+ Die zie wat hy vindt.
+
+ Cats.
+
+
+(te hoog zeilen baart ongemak).
+
+Hy heeft den W-- in 't hoofd (hy is wild en woest).
+
+Daar is W-- aan de lucht (men is braaf aan 't pochen).
+
+Men kan van den W-- niet leven.
+
+Een schipper mag geen W-- verleggen (men moet geen gelegenheid
+verzuimen).
+
+In die Waters heeft men veel Noorde-W--. Zie Water.
+
+Windas, z. n. v. -- Verzetbaar draaispil, waar iets aan wordt
+opgewonden.
+
+Windboom, z. n. m. -- Vierkante boom, dien men in 't spil steekt om
+het rond te draaien.
+
+Windbui, z. n. v. of Windvlaag. -- Gewaai uit dezelfde streek, dat
+korter of langer duurt.
+
+Winden, b. w. -- Den kaapstander, het spil draaien, om het anker te
+lichten, in het spil loopen. Op en neder W-- (het spil W--, tot dat
+het touw reeds op en neder boven het gezonken anker staat).
+
+Windgeld, z. n. o. (veroud.) -- Geld, dat den schipper werd toegelegd
+voor het slijten van takels, enz. by 't lossen en laden.
+
+Windhoek, z. n. m. -- Hoek, streek, van waar de Wind komt.
+
+Windhoos, z. n. v. Zie Hoos.
+
+Windmeter, z. n. m. -- Werktuig, waarmede de kracht van den wind
+aangetoond en gemeten wordt.
+
+Windreep, z. n. v. -- Touw, looper, dienende om de stengen te hijschen
+of de bovenste masten op te strijken.
+
+Windroos, z. n. v. -- Benaming van de lelie op 't kompas.
+
+Windspaak, z. n. m. -- 't Zelfde als Windboom. Zie ald.
+
+Windstreken, z. n. v. -- Deze zijn 32 in getal, te weten:
+
+
+ Noord. Zuid.
+ Noord ten Oosten. Zuid ten Westen.
+ Noord Noord Oost. Zuid Zuid West.
+ Noord Oost ten Noorden. Zuid West ten Zuiden.
+ Noord Oost. Zuid West.
+ Noord Oost ten Oosten. Zuid West ten Westen.
+ Oost Noord Oost. West Zuid West.
+ Oost ten Noorden. West ten Zuiden.
+ Oost. West.
+ Oost ten Zuiden. West ten Noorden.
+ Oost Zuid Oost. West Noord West.
+ Zuid Oost ten Oosten. Noord West ten Westen.
+ Zuid Oost. Noord West.
+ Zuid Oost ten Zuiden. Noord West ten Noorden.
+ Zuid Zuid Oost. Noord Noord West.
+ Zuid ten Oosten. Noord ten Westen.
+
+
+Windvang, z. n. v. -- Het opvangen van den Wind. Een zeil ter W--
+stellen (het aan den Wind bloot stellen).
+
+Windveër, z. n. m. -- Streep in de lucht, wind voorspellende.
+
+Windvieren, z. n. v. mv. -- Verlenging van de rantsoenhouten.
+
+Windwijzer, z. n. m. -- Lap of strook, aan een stok gehecht, en op
+'t boord gezet, dienende om de richting van den wind aan te toonen
+by flaauwe koelte.
+
+Windzak, z. n. m. -- Bynaam van het koelzeil.
+
+Spreekwijze: Hy is een W-- (een opgeblazen vent).
+
+Winkelen, b. w. (veroud.) -- Winkelhaaks zetten.
+
+Winnen, b. w. -- 1o. Voordeel behalen. Op een ander schip W-- (het
+naderen, met kans om het vooruit te komen).
+
+2o. 't Net ophalen als men vischt: 't zelfde als winden, even als
+men ook vinnen voor vinden zei.
+
+Winterbramstengen, z. n. m. mv. -- Bramstengen met korte toppen.
+
+Winterlaag, z. n. v. -- Reede, waar de schepen gedurende den winter
+veilig liggen.
+
+Wipper, z. n. m. -- Talie, dienende om iets te hijschen, of neder te
+laten. W-- van de zonnetent. Zie Uithaalder, looper.
+
+Wippertjen, z. n. o. -- Slok, in der haast gedronken.
+
+Wisschersklos, z. n. m. -- Gedraaid stuk hout, op een roede van
+esschen hout of op een touw gezet, en met schaapshuid of varkenshair
+bekleed, en dienende om den loop van een stuk geschut schoon te maken
+na het schot.
+
+Woeling, z. n. v. -- Naaiing van gebruikt touw of ketting, die om
+den boegspriet in de Woelingknie komt en dient om den eerste, die
+met recht den naam van Sleutel van het tuig draagt, neêr te houden.
+
+Woelingknie, z. n. v. -- Hoekige Knie, die de scheg aan den voorsteven
+vastbindt: de eene arm is op den steven, de andere aan de scheg
+vastgebonden. Zy dient om den laatste het opwerken en oplichten
+te beletten.
+
+Woelwater, z. n. o. -- Woelend water.
+
+Spreekwijze: Een W-- (een woelig mensch of kind).
+
+Wol (in het) hakken (veroud.) -- In de gezaagde planken hakken, die,
+om beter te buigen, in het vuur gelegd zijn.
+
+Wolf, z. n. v. -- Draaikuil.
+
+Wolk, z. n. v. -- Vergadering van dampen in de lucht, die in mist,
+regen, sneeuw of hagel nederdalen. RegenW--, SneeuwW--, OnweersW--,
+Drijvende W--en. Er hangen zware W--en.
+
+Wolkdrijvend, b. n. -- Zoo noemt men in de scheepsjournalen het weer,
+als er Wolken door de lucht Drijven.
+
+Wolkvanger, z. n. m. -- Pij van prezenning, waarmede zich de zeelieden
+tegen boos weer beschutten. Zie Bolkvanger, Baaivanger.
+
+Wolkveger, z. n. m. -- Wind, die de lucht van Wolken schoon veegt.
+
+Worm, z. n. v. -- Ongedierte, dat het hout doorknaagt. HoutW--,
+PaalW--. Het hout is van de W-- doorvreten.
+
+Wormgaten, z. n. o. mv. -- Gaten, door de Wormen uitgevreten.
+
+Wormstekig, b. n. -- Door de Worm bedorven of althands aangetast.
+
+Wormvrij, b. n. -- Tegen de Worm beveiligd.
+
+Worpen, z. n. o. mv. -- Zware balken, die de uiterste spanten van
+het achterschip van binnen krui-en.
+
+Worst, z. n. v. -- 1o. End oud touw om tot kabelgarens te worden
+uitgedraaid.
+
+2o. Enden afgekapt zwaar touw, buiten boord gehangen om 't schuren
+te beletten.
+
+3o. Grof doek, met zand gevuld, en in 't rond gevouwen, 't welk men,
+by zware beweging van 't schip, bezigt, om te beletten, dat de schotels
+van tafel rollen.
+
+Woutermannetjens, z. n. o. mv. -- 1o. Strookjens hout, waarvan er
+doorgaands vier op het zaadhout onder een stijl gezet worden om het
+uitglijden van dezen te beletten.
+
+2o. Kleine blokjens zonder schijven, voor dunne lijnen.
+
+Wouwestaart, z. n. m. -- Oude benaming van het roer, om zijn vorm.
+
+
+ Die maeckt den Wouwe-steert, het roer, van achter vast.
+
+ Vondel, Lof der Zeevaart.
+
+
+Wraak, z. n. v. -- Drift, hoek van afdrijving. Dwarsgang van het schip,
+by-de-wind zeilende, waardoor men in den koers verliest en beneden het
+voorgestelde punt geraakt. Het is een gebrek van het schip, wanneer
+het veel W-- heeft. Afdrijven is winnen, zegt men, wanneer het schip,
+bygedraaid liggende, van zelf drijft naar den kant waar men heen wil.
+
+Wraaklijn, z. n. v. -- De streep, welke het kielwater te loefwaart
+op beschrijft, en die de afdrijving van het zeilend schip aanwijst.
+
+Wrak, b. n. -- In slechten staat, beschadigd. Een W--ke lading,
+een W-- tuig.
+
+Wrak, z. n. o. -- Stukken van een gestrand schip. 't Woord heeft,
+met betrekking tot een schip dezelfde beteekenis als dat van ruïne,
+met betrekking tot een gebouw.
+
+Wraken, o. w. -- Afdrijven, van streek gaan. Het schip Wraakt of
+heeft Wraak.
+
+Wrakton, z. n. v. -- Ton, die aanwijst, dat een schip gezonken is.
+
+Wreed, b. n. (veroud.) -- Werd een schip gezegd te zijn, wanneer het,
+zwaar op het water liggende, in een onweer te veel slingerde.
+
+Wrikken, b. w. -- Een Wrik- of stuurriem, aan het achtereind van een
+roeivaartuig uitgebracht, met beide handen rechts en links brengen,
+zoo dat hy by elke slingering een halven cirkel beschrijft en zoo
+vooruit doet gaan.
+
+Wrikriem, z. n. m. -- Zie Stuurriem.
+
+Wrijfhouten, z. n. o. mv. -- Houten, op de buitenzijde van een schip
+gespijkerd om de wrijving en schokking van andere vaartuigen of
+voorwerpen te verminderen.
+
+Wrijfworst, z. n. v. -- Zie Poddingzak, Worst.
+
+Wuit, z. n. v. -- Soort van haspel, waarop men te scheep het
+schiemansgaren vervaardigt. LogW-- (W--, waar men de loglijn van
+af windt).
+
+Wuiten, z. n. o. mv. (veroud.) -- Houten, met gaten doorboord, om
+den kabel van het spil af te houden, als hy beslijkt is.
+
+Wuiven, b. w. -- Heen en weder zwaaien, toewenken. Met den hoed W--,
+Het afscheid W--. Begroeten, by het roepen van hou zee!
+
+Spreekwijze: Ik weet uw W-- wel, zoo als de vrouw zei, toen zy haar
+man aan de galg zag slingeren.
+
+Wulf, z. n. o. -- Boog, gewelfde zoldering. Het W-- boven den watergang
+van een linieschip.
+
+Wulfbalk. z. n. m. -- Onderste balk tusschen de hekstukken.
+
+Wulfhout, z. n. o. -- Stut of oplanger van het Wulf.
+
+Wurm, wurmgaten, enz. -- Zie Worm, Wormgaten, enz.
+
+Wy, p. voorn. -- In 't algemeen gebruikelijk voor "ons schip." W--
+zijn aan lij. Hy is te loefwaart van Ons. Wy moeten ten anker. Wy
+loopen drie mylen.
+
+Wijzen, o. w. -- Zich vertoonen, zich voordoen. Het touw Wijst recht
+vooruit (staat recht vooruit). Het touw Wijst met een hoek naar het
+anker (staat in een hoek tusschen het schip en het anker). Het kompas
+Wijst. Zie Miswijzing.
+
+
+
+
+
+
+
+Y, IJ.
+
+
+IJs, z. n. o. -- Bevroren water. De schepen raakten in 't IJ--
+bezet. DrijfIJ--. GrondIJ--.
+
+Spreekwijze: Op oud IJ-- vriest het licht. (Een oude hebbelijkheid
+wordt spoedig tot een ondeugd).
+
+IJsbank, z. n. m. -- of IJsklip. Vaste IJsmassa.
+
+IJsbreker, z. n. m. -- IJsbord, IJsplank: houten bekleedsel, dienende
+om een schip tegen de schuring van het IJs te beveiligen.
+
+IJsbord, z. n. o. -- Zie IJsbreker.
+
+IJsgang, z. n. m. -- Sterker drift van het IJs, dat door een stroom
+wordt voortgedreven. Daar gaat een zware IJ--. De dijk is voor den
+IJ-- bezweken.
+
+IJsklip, z. n. m. -- Zie IJsbank.
+
+IJsschol, z. n. v. -- Los ijsveld, oppervlakte, drijfijs.
+
+IJsveld, z. n. o. -- Zee, die tot IJs gestold is.
+
+IJszee, z. n. v. -- Zee aan de Noord- en Zuidpool, met IJs bezet.
+
+Yzer, z. n. o. -- Voor: kogels en schroot.
+
+
+ Heemskerck, die dwars door ijs en yzer heen dorst streven.
+
+ Grafschrift op Heemskerk.
+
+
+Yzers, z. n. o. mv. -- Boeien. Hy werd tot de Y-- veroordeeld. Hy
+zit in de Y--.
+
+Yzeren knie, z. n. v. -- Knie, uit Yzer vervaardigd.
+
+Yzertros, z. n. m. -- Tros van de beste hoedanigheid.
+
+Yzervast, bw. -- Een tros, looper, bras, Y-- binden (voor goed
+beleggen, vastzetten).
+
+Yzerziek, b. n. -- Wordt een schip genoemd, waarvan het Yzerwerk oud
+is en los zit.
+
+
+
+
+
+
+
+Z.
+
+
+Zaadhout, z. n. o. -- Benaming van een rij dikke balken, die, de
+een aan den anderen, in de richting der kiel en daarboven geplaatst,
+zich kruissen met al de spanten van een schip, door over 't midden
+der vrangen heen te loopen. Het Z-- dient tot versterking voor het
+raam en tot gelijker verdeeling van het gewicht des masten.
+
+Zaag, z. n. m. -- Lange platte yzeren strook, waarvan de eene zijde
+getand is, en dienende om voorwerpen van hout of steen zuiver te
+verdeelen. Zie HandZ--, SpanZ--, KraanZ--, RaamZ--, SchrobZ--,
+TrekZ--. Volgends het sprookjen hadden de schepen der kruisvaarders
+(waarvan de afbeeldsels nog in de groote kerk te Haarlem hangen)
+Z--en aan den boeg, waarmede zij de kettingen, by Damiate gespannen,
+afzaagden.
+
+Zagen, b. w. -- Door middel van een Zaag verdeelen.
+
+Zagersbok, z. n. m. -- Zie Bok.
+
+Zakken, o. w. -- 1o. Achteruitblijven. Wy lieten ons Z-- (wy bleven
+met ons schip achteruit).
+
+2o. Nederdalen (Die bui is gezakt).
+
+
+ Dauw en donker zyn aan 't zakken.
+
+ Huighens.
+
+
+Zaling, z. n. v. -- Dwarshout aan den top van een mast, dienende om
+een mars te steunen. Zie BramZ--, LangsZ--, enz.
+
+Zand, z. n. o. -- Soort van lichte, fijne, geelachtige aarde, met
+keizels of schulpen vermengd. Grof Z--, Fijn Z--, ZeeZ--, RivierZ--,
+SchelpZ--, Modderig Z--, DriftZ--, WelZ--, DuinZ--. Zie Verzanden. In
+'t Z-- vastwoelen.
+
+
+ Bedolven in 't Javaansche Zand.
+
+ O. Z. Van Haren.
+
+
+Spreekwijze: Wacht u voor Z-- en stranden.
+
+Hy ligt in 't Z-- (hy is dood).
+
+Zandbaai, z. n. v. -- Verzande baai.
+
+Zandgrond, z. n. m. -- Zanderige bodem.
+
+Zandlooper, z. n. m. -- Werktuig, uit twee fleschjens bestaande,
+in een open buis gevat en met de halzen op elkander geplaatst. Het
+bovenste fleschjen is gevuld met Zand, 'twelk door een doorprikte kurk
+in het onderste nedervalt, zoo dat het bovenste fleschjen juist ledig
+is in een vooraf berekenden tijd, b. v. van een uur, een half uur,
+een minuut, al naar de hoeveelheid Zand en de snelheid, waarmede
+het valt. Men keert alsdan den Z-- om en dezelfde operatie wordt
+herhaald. Zie Uurglas, Minuutglas.
+
+Zandplaat, z. n. v. -- Schor, drooge plaat in zee.
+
+Zandstrook, z. n. v. -- Breede gang, die in de sponning van de kiel
+schiet, en zich van den voor- naar den achtersteven uitstrekt.
+
+Zee, z. n. v. -- 1o. of Waereldzee. De uitgestrektheid zout water,
+die al de deelen des aardrijks bespoelt.
+
+2o. Elk afzonderlijk uitgestrekt deel der Waereldzee, 't welk dan
+wordt onderscheiden door een bepaalde benaming, aan de plaatselijke
+gesteldheid of kleur ontleend. Zoo: de Middellandsche Z--, De
+Atlantische Z--, de NoordZ--, de stille ZuidZ--, enz.
+
+3o. Het water der Zee. Hooge, lage Z--, (hoog of laag water, ten
+gevolge van vloed of eb.) Wassende, opkomende Z-- (gedurende den
+vloed.) Afloopende Z--, (gedurende de eb.) De Z-- loopt hoog op,
+(de stroom is hoog.) In Z-- loopen, Z-- kiezen, (uitzeilen.) De Z--
+oversteken, (zich naar een kust over Z-- begeven.) In Z--, op Z--
+zijn.--Een vloot op Z-- brengen, (haar uit de haven of van de reede
+de volle Z-- doen inzeilen.) De Z-- houden, (in Z-- blijven.) Een
+sloep in Z-- zetten, (een sloep uitzetten.) Een zware Z--. (waarvan
+de golven hoog staan.) Een hoog aanschietende, hoog oploopende Z--,
+(als de golven zich by uitstek hoog verheffen). De Z-- schuimt, krult
+om, (wanneer de golven zich al wentelende met schuim bedekken.) Er
+gaat veel Z--, (sterke stroom.) Lange Z--, korte Z--, (waarvan de
+golven lang of kort zijn.) De Z-- kabbelt, (de golven zijn kort en
+tegen elkander invallend). De Z-- breekt, (de golven storten kort
+neder, breken boven het boord.) Het schip krijgt de Z-- voor in,
+op den kop, dwars in, achter in, (de golven stooten zich op den
+voor- of achtersteven, of tegen een der boorden.) De Z-- is slecht,
+(is kalm, effen.) Staande Z--, (waar weinig eb en vloed gaat.) De
+Z-- loopt den wind op, (de wind blaast van den kant, waar de Z--
+heen stroomt.) Daar staat Z--, (de Z-- is onstuimig.) Daar staat
+geen Z-- meer, (zy is kalm). De ruime Z-- kiezen, (zich in de ruimte
+begeven.) Het schip heeft de Z-- op den kop, houdt den kop op de Z--,
+(de Z-- komt vlak op den voorsteven aanzetten.) Z-- en lucht zijn aan
+elkander, (het is boos weer.) Ter Z-- varen. Zie Varen. Z-- winnen,
+(zeewaarts in zeilen.) De zon duikt in Z--, (gaat onder.) De zon
+rijst uit Z--, (gaat op).
+
+
+ De gouden Titan rijst alree
+ Met blaeuwe paerden uyt de zee
+
+ Vondel. Palamedes.
+
+
+4o. Golf, baar. Er kwam een Z-- die het schip overdekte.--Er gaan
+korte Z--en.--De Z-- loopt om de Zuid.
+
+Spreekwijze: Zee voor Levenszee, waarvan van Alphen zingt:
+
+
+ De ontroerde zee, der golven hol geklots,
+ Stuurt ons van lieverlee ter haven in.
+
+
+Z-- voor menigte, overvloed. Een Z-- van rampen, (een menigte
+rampen). Zoo zegt Badeloch:
+
+
+ Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oog de baren
+ Der zee kan overzien van al mijn wedervaren.
+
+
+Hy heeft een Z-- van geld, (overvloed van geld).
+
+Het is koel op Z--, (het gaat er stil toe).
+
+Water in Z-- dragen, (iets geven aan iemand, die er reeds overvloedig
+mede bedeeld is).
+
+In Z-- gaan, (een onderneming wagen).
+
+Recht door Z--, (zonder omwegen).
+
+De Z-- is zonder water, (rijke lieden klagen alsof zy gebrek hadden).
+
+Wat zal de Z-- al opwerpen? (wat zal er al voor den dag komen?)
+
+Daar verdrinken er meer in een wijnglas dan in de Z--.
+
+De Z-- maakt gedwee (zeedienst temt den wilden bras).
+
+Zeearm, z. n. m. -- Die de Eilanden omvat.
+
+Zee-atlas, z. n. m. -- Verzameling van Zeekaarten.
+
+Zeebedding, z. n. m. -- Zandrug, door de Zee op 't strand geworpen.
+
+Zeebeer, z. n. m. -- Muur by een haven, om den golfslag te breken.
+
+Zeeberoering, z. n. v. -- Door aardbeving veroorzaakt.
+
+Zeebrak, z. n. o. -- Zeewater aan de kust.
+
+Zeeboezem, z. n. m. -- of Zeebaai. Zie Golf, Baai.
+
+Zeebocht, z. n. v. -- Zie Zeeboezem.
+
+Zeebonk, z. n. m. -- of Zeerob; bevaren zeeman, zeeman, die van niets
+dan van zijn beroep weet.
+
+Zeebrief, z. n. m. -- Paspoort, door het gouvernement aan de
+koopvaardyschippers afgegeven.
+
+Zeedagen, z. n. m. mv. -- Dagen op reis, buiten 't verblijf in havens
+of op reede.
+
+Zeedamp, z. n. v. -- Die uit zee opkomt en zich over het land
+verspreidt.
+
+Zeeduivel, z. n. m. -- Groote visch met horens: bynaam, wel aan een
+galei gegeven.
+
+Zeedijk, z. n. v. -- Dijk, tegen de zee opgeworpen.
+
+Zeedienst, z. n. v. -- Dienst by het zeewezen. Hy is in 's Lands Z--.
+
+Zeeëngte, z. n. v. -- of Zeestrand, of Straat. Zie Straat.
+
+Zeefakkel, z. n. v. -- Tytel van een verzameling van kaarten en
+landverkenningen met opgaven en opmerkingen verrijkt.
+
+Zeegat, z. n. o. -- Monding der stroomen, waar zy in Zee vallen,
+of plaatsen, waar de Zeeën gemeenschap hebben met elkander. Het Z--
+van Terschelling, van Texel. De Z--en behooren wel voorzien te zijn.
+
+Spreekwijze: Hy moet het Z-- uit, (hy moet ter zee varen).
+
+Zeegast, z. n. m. -- Zeevarende. Matroos.
+
+Zeegevaar, z. n. o. -- Zie Assurantie.
+
+Zeegevecht, z. n. o. -- Zeestrijd, Zeeslag. Gevecht op Zee.
+
+Zeegewest, z. n. o. -- Streek of gewest, aan Zee gelegen.
+
+Zeegewas, z. n. o. -- Gewassen, die in Zee groeien.
+
+Zeegolf, z. n. m. -- Golf, baai van de Zee.
+
+Zeegt, z. n. v. -- Rondte. De Z-- van een schip, zijn bocht in
+'t lang. De Z-- des dekken, der barghouten;--opstaande Z-- van een
+plank. Het schip een Z-- geven.
+
+Zeehaven, z. n. v. -- Haven, die aan Zee ligt.
+
+Zeehanden en -voeten hebben, o. w. -- Op Zee t'huis zijn.
+
+Zeehout, z. n. o. -- of Hout voor scheen. Boord van het schip; hout
+boven den overloop aan de scheepszijde.
+
+Zeekaart, z. n. v. -- Kaart, waarop de Zeeën, windstreken, enz. zijn
+aangewezen. Het is noodzakelijk, goede Z--en aan boord te hebben.
+
+Zeekasteel, z. n. o. -- Dichterlijke benaming voor "schip."
+
+
+ Die zeekasteelen en zeereuzen, die ontaert
+ De starren dreigen met hun steil en trots gevaert.
+
+ Vondel. Lof der Zeevaert.
+
+
+Zeekraal, z. n. v. -- Groente aan de Zeeuwsche kust gevischt. Zeer
+gezond voedsel.
+
+Zeekust, z. n. v. -- De kust, die zich langs de zee strekt.
+
+Zeeland, z. n. o. -- Land, aan of in Zee gelegen, en van daar ook
+synomien met "eiland", voor welk laatste woord het in de gewone
+beteekenis heeft plaats gemaakt om alleen als eigen naam in gebruik
+te blijven voor twee gewesten, een in Denemarken en een in Nederland.
+
+Zeelieden, Zeelui, z. n. m. mv. -- Zeevolk, matrozen.
+
+Zeelingzaad, z. n. o. -- (veroud.) Kuil, dien een schip in den weeken
+bodem waar het in gezeten heeft, achterlaat.
+
+Zeelucht, z. n. v. -- De lucht, die op of uit zee waait. Aan 't strand
+een Z--jen scheppen. De Z-- zal u goed doen.
+
+
+ Wonder is 't dat sterfelijcke menschen
+ Noch smalen op den ploegh, en om een zeelucht wenschen.
+
+ Vondel. Lof der Zeevaert.
+
+
+Zeemaat, z. n. m. -- 't zelfde als Jan-maat.
+
+
+ Ons Zeemaets vliegen met de vlagge op by den mast.
+
+ Vondel, Henriette Marie.
+
+
+Zeemacht, z. n. v. -- 1o. Het getal oorlogschepen, die een Staat in
+zee kan brengen. Engeland heeft er zich steeds op toegelegd zijn Z--
+te vergrooten.
+
+2o. Vloot. Onze Z-- wordt door een wakkeren vlootvoogd aangevoerd.
+
+Zeeman, z. n. m. -- Iemand, wiens beroep het is, ter Zee te
+varen. Varensgast, varensgezel. Een bevaren Z-- (die op zee goed
+t'huis is).
+
+Spreekwijze: Z-- geen man, (klacht van een t'huis gebleven vrouw).
+
+Een goed Z-- wordt ook wel eens nat, (een sober mensch drinkt ook
+wel eens een glaasjen meer dan hem voegt).
+
+Zeemanschap, z. n. o. -- Eigenlijk: kennis van de Zeevaartkunde,
+met overleg gepaard. Z-- gebruiken, (geven en nemen: by voorvallende
+gelegenheden, van weer, wind of vyandelijke ontmoeting, naar de
+omstandigheden handelen, en daarby, somtijds, tegen gewoonte, bericht
+of instruktiën te werk gaan).
+
+Zeemanschap, z. n. v. -- Zeevaartkunde; overleg aan kennis gepaard.
+
+Spreekwijze: Men moet Z-- gebruiken, (men moet met overleg handelen,
+geven en nemen).
+
+Zeemanshuis: z. n. v. -- 1o. Toevluchtsoord voor Zeelieden. Het Z--
+te Rotterdam.
+
+2o. Zeemanswoning; welbezeild, dicht schip, zoo zegt het oude rijmpjen:
+
+
+ Koffen en smakken
+ Zijn waterbakken.
+ Hoeken en buizen
+ Zijn Zeemanshuizen.
+
+
+Zeemanstaal, z. n. v. -- By de Zeelieden in gebruik. Wie die niet
+verstaat, is een onbevarene (baar).
+
+Zeemakelaar, z. n. m. -- Makelaar in schepen en Zeezaken.
+
+Zeemogendheid, z. n. v. -- Mogendheid, die een vloot van den Staat
+bezit, Z-- van den eersten, tweeden, derden rang.
+
+Zeekoningen, z. n. m. mv. -- Naam, die aan de aanvoerders der Noorsche
+en Deensche roofschepen in de negende en tiende eeuw gegeven werd.
+
+Zeemijl, z. n. o. -- Afstandsmaat. De Fransche Z-- is het twintigste
+gedeelte van een graad des meridiaans.
+
+Zeenat, z. n. m. -- Zeewater.
+
+Zeenatie, z. n. v. -- Natie, byzonder tot de Zeevaart geschikt.
+
+Zeerafeling, z. n. v. -- Kabbeling in Zee, door invallenden stroom,
+of langs de banken.
+
+Zeeofficier, z. n. m. -- Officier by 's Lands Zeemacht.
+
+Zeeoorlog, z. n. o. -- Oorlog, die op Zee gevoerd wordt.
+
+Zeeraad, z. n. m. -- Raad, die over Zeezaken oordeelt.
+
+Zeerecht, z. n. o. -- 1o. Recht, waarby de Zeevaart en Zeehandel
+geregeld worden. Het Wisbysche Z--. Het Hanzesche Z--. Het Genueesche
+Z--.
+
+2o. Rechten, die betaald worden wegens al wat tot de scheepvaart
+betrekking heeft. Kantoor van het Z--.
+
+Zeeregister, z. n. o. -- Dagboek, journaal.
+
+Zeereis, z. n. v. -- Reis over Zee.
+
+Zeerob, z. n. m. -- Zeeman: Dus genoemd, omdat hy ruw als een rob
+is. Zie Zeebonk.
+
+Zeeroof, z. n. m. -- Roof, aan een schip op Zee gepleegd.
+
+Zeerol, z. n. v. -- Zie Rol.
+
+Zeeroover, z. n. m. -- Zeeschuimer, die op Zee met een vaartuig kruist,
+om andere vaartuigen te beRooven. Z-- wordt genomen zoo voor den
+bevelvoerder, als voor elk, die tot de bemanning van het roofschip
+behoort; ook wel voor het roofschip zelf. Hariadan Barbarossa was
+een beroemd Z--. Hy is in de handen van Z--s gevallen. Dat vaartuig
+schijnt wel een Z--.
+
+Zeeschade, z. n. v. -- Zie Avary.
+
+Zeeschender, z. n. m. -- Iemand, die op Zee schade aanbrengt. Antonides
+bezigt in zijn IJstroom het woord Zeeschendenaer:
+
+
+ Zeeschendenaers ontzien in 't blinkende geweer
+ Te vliegen.
+
+
+Zeeschip, z. n. o. mv. -- Zeebouwend schip. Zie de bepalingen,
+de Zeeschepen betreffende, in het Wetb. v. Kooph. Boek II, Tit. I,
+art. 309-319.
+
+Spreekwijze, Een lastig, ongemakkelijk Z-- (een lastig, ongemakkelijk
+mensch).
+
+Zeeschuim, z. n. o. -- Witte bellen en mosch, die zich boven de
+oppervlakte der zee vertoonen, wanneer de golven tegen eenig beletsel
+of tegen elkander aan klotsen.
+
+
+ Meldt vry van Cypris, hoe zy Cypers kon bekooren:
+ Ick weet, dat dees Godin uit Zeeschuim is geboren,
+
+
+zegt Vondel van Venus.
+
+Zeeschuimer, z. n. m. -- Zie Zeeroover.
+
+Zeeslag, z. n. o. -- Gevecht op Zee. De Z-- van Duins is het beroemdste
+feit, dat ooit op Zee bedreven is.
+
+Zeeslot, z. n. o. -- 't Zelfde als Zeekasteel, doch min gebruikelijk.
+
+
+ Karel, die de trotse schepen
+ Zaeght verbranden in uw nest,
+ En uw Zeeslot, 's nabuurs pest,
+ Met een klaeu naar Tessel sleepen,
+ Zeg me, o scherpe waterroê
+ Hoe was toen uw hart te moe?
+
+ Vondel, De Zeeleeu op de Teems.
+
+
+Zeesoldaat, z. n. m. -- Zie Marinier.
+
+Zeestad, z. n. v. -- Stad, aan Zee gelegen.
+
+Zeestoel, z. n. m. -- (Veroud.) Stoel, die aan de tafel vast was,
+en even als deze, door zwaar er aangehangen lood, in balans werd
+gehouden tegen 't slingeren van 't schip.
+
+Zeestrand, z. n. o. -- Strand der Zee.
+
+Zeestrijd, z. n. m. -- Zie Zeegevecht.
+
+Zeetaktiek, z. n. v. -- Krijgskunst, toegepast op den oorlog ter Zee.
+
+Zeetocht, z. n. m. -- Tocht, op Zee ondernomen.
+
+Zeeton, z. n. v. -- Ton, die in de Zeegaten ligt, by de ondiepten.
+
+Zeetriomf, z. n. m. -- Zegepraal, op Zee behaald.
+
+Zeevader, z. n. m. -- De officier, die den adelborst in de manoeuvre,
+de stuurman, die den leerling in 't cyferen, de onderofficier, die
+den jongen in 't scheepswerk onderricht.
+
+Zeevaarder, z. n. m. -- Zeeman, doch meer bepaaldelijk een, die
+groote of hachelijke reizen ondernomen heeft. De latere zeelieden
+zijn grooter Z--s geweest dan die der ouden: Die zeeman is een by
+uitstek bekwaam Z--.
+
+Zeevaardy, z. n. v. -- 't Zelfde als Zeevaart, doch minder in gebruik.
+
+
+ Op dezen voet beschermt de Zeevaerdy haer eer.
+
+ Antonides, IJstroom.
+
+
+Zeevaart, z. n. v. -- De Vaart op Zee. Handel en Z-- waren van ouds
+de hoofdbronnen onzer welvaart.
+
+Zeevaartkunde, z. n. v. -- Kennis van al wat tot de Zeevaart behoort.
+
+Zeevak, z. n. o. -- 't Zelfde als Zeevaartkunde. Hy is knap in het Z--
+(hy is in Zeevaartkunde ervaren).
+
+Zeevast, b. n. -- Wat zoodanig is Vastgesjord, dat het door de beweging
+der Zee niet kan heen en weêr gaan. Zet die koffers Z--.
+
+Zeeverzekeraar, z. n. m. -- Verzekeraar tegen schade op Zee.
+
+
+ Men hoeft geen Zeeverzekeraar
+ Nu alle watren rijn geveyligt voor gevaer.
+
+ Vondel, Zeemagazijn.
+
+
+Zeevoeten, z. n. m. mv. -- Voeten, die gewend zijn op het dek te loopen
+Hy heeft Z-- (hy wandelt het dek op en neêr, zonder de slingeringen
+van het schip te tellen).
+
+Zeevolk, z. n. o. -- Matrozen, Zeelieden.
+
+Zeevonden, z. n. m. mv. -- Uit Zee gespoelde goederen. Zie de
+bepalingen daaromtrent in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII,
+art. 545-568.
+
+Zeevrijbuiter, z. n. m. -- Zie Vrijbuiter.
+
+Zeewaardig, b. n. -- Wordt een schip gezegd te zijn, als het in
+behoorlijken staat gebracht is om uit te zeilen, als het "van zessen
+klaar" is, gelijk men van harddravers zeggen zoû.
+
+Zeewaart, bw. -- Naar zee toe.
+
+
+ Stout verweerer, trots bevechter
+ Bey te zeewaart en te velt,
+
+
+noemt Huyghens Prins Maurits.
+
+Zeewater, z. n. o. -- 1o. Water uit de zee. Goederen, door 't Z--
+beschadigd.
+
+Spreekwijze: Dat zal al het Z-- niet afwisschen (iemands slechten
+naam).
+
+2o. voor Golf, in de
+
+Spreekwijze: Hem is al menig Z-- over 't hoofd gegaan.
+
+Zeewacht, z. n. v. -- Zie Kwartier, Wacht.
+
+Zeeweering, z. n. v. -- Dijkwerken tegen het inbreken van de Zee,
+langs de bedreigde kusten, b. v. aan den hoek van Holland.
+
+Zeewetten, z. n. v. -- Wetten op de Zeevaart.
+
+Zeewier, z. n. o. -- Zie Wier.
+
+Zeewezen, z. n. o. -- Al wat tot de Zeevaart en Zeedienst betrekking
+heeft. Tijdschrift voor het Z--. Jan de Witt heeft het Z-- in een
+uitmuntenden staat gebracht. De verdiensten van Hiob De Wildt omtrent
+het Z-- worden niet genoeg erkend.
+
+Zeewind, z. n. m. -- Zie Wind.
+
+Zeezaken, z. n. v. mv. -- Zaken, die tot het Zeewezen betrekking
+hebben. De Kamer van Z-- (Amiraliteit).
+
+Zeeziek, b. n. -- Aangetast door Zeeziekte.
+
+Zeeziekte, z. n. v. -- Onaangename gewaarwording, met misselijkheid
+en veelal met braking vergezeld, die hen kwelt, die de Zee niet
+gewend zijn.
+
+Zeil, z. n. o. -- 1o. Vereeniging van een zeker getal linnen banen,
+wier randen naar vaste berekeningen op elkander genaaid zijn, zoo dat
+zy een min of meer groote oppervlakte vormen, bestemd om den wind op
+te vangen. Zie Vierkant Z--, LatijnZ--, GrootZ--, FokkeZ--, BezaanZ--,
+StagZ--, BovenZ--en, Groot StagZ--, Groot StengestagZ--, AchterZ--en,
+VoorZ--en, LijZ--en, MarsZ--en, enz. Storm-- (dichtgereefde, gezwichte
+fok.) Waarlooze Z--en, Z-- dat tegen, dat op den mast ligt (dat geen
+wind vangt.) Z-- maken, Z-- byzetten, Z-- minderen, Z--en aanslaan
+(tuigen.) Onder Z-- gaan (wegzeilen.) Vondel zegt in dezen zin:
+Te Z-- gaan:
+
+
+ Triomftorts over de neêrlaegh des Koninklijke vlote.
+ 't Gewapend Schelt ging t' Zeil.
+
+
+De Z--en bepalen (hoeveel Z--en de schepen eener vloot moeten voeren om
+haar byeen te houden.) Met klein Z-- varen (weinig Z--en voeren). De
+Z--en liggen blind (worden door andere belet wind te vangen.) De
+Z--en scheppen (zy beginnen wind te vangen).
+
+Spreekwijze: Het waait hem in zijn Z-- (het gelukt hem).
+
+Een oog in 't Z-- houden (toezien).
+
+Met de Z--en tegen den mast liggen (in onmacht liggen).
+
+Met een opgezet Z-- komen (met een grammen moed).
+
+Dat is geen Z-- voor dat schip (die vrouw deugt voor dien man niet).
+
+Als het Z-- scheurt, dan heeft het een gat (die dan leeft, die
+dan zorgt).
+
+Met de Z--en voor den mast liggen (met het beginnen gereed zijn).
+
+Met een nat Z-- loopen (beschonken zijn).
+
+Ergends Z-- op maken (iets bejagen).
+
+Onder Z-- gaan (inslapen).
+
+Met de laatste schepen onder Z-- gaan (laat heen gaan).
+
+Het Z-- inbinden (zijn staat verminderen).
+
+Alle Z--en byzetten (alle moeite doen).
+
+Stijf onder 't Z-- zijn (in staat, iets te kunnen verdragen).
+
+Met een opgezet Z-- aankomen (met drift of geweld aankomen).
+
+Met een staand Z-- is 't goed roeien (als men een goede zaak heeft
+kan men er licht een nevenzaak by waarnemen).
+
+Alle Z--en blank spelen (er alles op wagen).
+
+Schippers pozen niet wanneer zy onder Z-- zijn. (Zie Schipper). Zie
+verder Zeilen, Zeiltjen, enz.
+
+2o. Het schip zelf. Een vloot van N. Z--en (van N. schepen). Een Z--
+ontdekken.
+
+Zeilaadje, z. n. v. -- Vaart, loop van een schip. Dit schip is op Z--
+gebouwd (is op snellen vaart gebouwd).
+
+Zeilboom, z. n. o. -- Lange spar, op binnenvaartuigen, om het Zeil
+by het voor-de-wind zeilen uit te houden.
+
+Zeilbaar, b. n.--Geschikt om te Zeilen.
+
+
+ Zoo doet mijn Zeilbaar schip,
+
+
+zegt Vondel, Lof der Zeevaart.
+
+Zeildoek, z. n. o.--Grof en stevig doek, waar Zeilen van vervaardigd
+worden.
+
+Zeilgaren, z. n. o. -- Garen, tot het naaien van de zeilen.
+
+Zeilemaker. z. n. m. -- Die Zeilen vervaardigt of laat vervaardigen.
+
+Zeilemakery, z. n. v. -- Plaats, waar Zeilen vervaardigd worden.
+
+Zeilen, o. w. -- Met behulp van Zeilen over 't water gaan. Het schip
+kan Z-- noch drijven (het is loom, het wil niet voort.) Op zijn
+buik Z-- (op zij liggende voortZ--.) Ruimschoots Z-- (met goeden
+wind Z--.) Slag-over-slag Z-- (met korte gangen laveeren.) De Z--
+op stootgaren zetten (die nog slechts door eenig kabelgaren aan de ra
+houden, zoo dat men ze op 't spoedigst kan byzetten.) (Deze uitroep
+beduidt, dat de looper, waarmede geheschen werd, is vastgelegd).
+
+Spreekwijze: Men moet Z-- terwijl de wind waait (men moet de
+gelegenheid waarnemen).
+
+De kooi lek Z--. Zie Kooi.
+
+Ruimschoots Z-- (het zoo naauw niet nemen).
+
+Hard achteruit Z-- (arm worden).
+
+Het walletjen langs Z--. Zie Wal.
+
+Iemand in de zijde Z-- (iemand benadeelen).
+
+Z-- of verzuipen (er alles op wagen).
+
+Men moet Z-- terwijl de wind dient (de gelegenheid waarnemen).
+
+Als het maar met een halven wind wil Z-- (als het maar half wil
+gelukken).
+
+Zeilnaald, z. n. m. -- Naald, waarmede de Zeilen genaaid worden.
+
+Zeil-en-treil. -- Zie Treil.
+
+Zeiler, z. n. m. -- Zeilend schip. Dat schip is een goede, is een
+slechte, is een luie Z--.
+
+Zeilkooi, z. n. v. -- Bergplaats voor de Zeilen.
+
+Zeilorde, z. n. v. -- Orde, waarin men Zeilt.
+
+Zeilpunt. z. n. o. -- Het Punt, waarop een loodrechte lijn, staande
+op het zwaartepunt der waterlijn van een schip, de richting der
+werking van het water op den voorsteven ontmoet. Het is op dit
+Punt dat zich de werking van den wind op de Zeilen richten moet,
+ten einde het schip noch naar boven, noch naar achteren overhelle:
+men noemt ook Z-- het zwaartepunt der zeilen.
+
+Zeilreê, b. n. of Zeilvaardig. -- Klaar om uit te Zeilen. Dat schip
+ligt Z--.
+
+Zeilsteen, z. n. m. -- Noordsteen, Magneet: Steen, die de eigenschap
+heeft van het yzer aan te trekken. Zie Kompas.
+
+Zeiltjen, z. n. o. -- Klein Zeil.
+
+Spreekwijze: Het Z-- strijken (van zich zelven vallen).
+
+Zeilvaardig, b. n. -- Zie Zeilreê.
+
+Zeilrol, z. n. m. -- Rol, waarby de manschappen by de zeilen verdeeld
+zijn.
+
+Zeilpriem, z. n. m. -- Priem, waarmede de gaten voor de beslagbanden
+en rifseizing in de Zeilen worden geboord.
+
+Zeinschip, z. n. o. (veroud.) -- Soort van schepen, in oude tijden hier
+in gebruik, open, zonder vast roer of mast, welke beiden zy opzetteden
+als zy in zee gingen. Smal voor zoo wel als achter, en spits toegaande,
+waarvan zy wellicht hun naam van Zein (zen of seis)-schip ontleenden;
+voerden zy niet meer dan drie man en een jongen en zeilden wonder snel.
+
+Zel, z. n. m. of Zelling. -- Plaats in de engte, waar een anker heeft
+vast gezeten. Daar gaat een stroom als van een Z--.
+
+Zelling, z. n. v. -- Zie Zel.
+
+Zeng, z. n. v. -- Plotslinge en kortstondige vermeerdering van den
+heerschenden wind. Met Z--en waaien:--op de Z--en passen.
+
+Zetborden, z. n. o. mv. -- Klein schotwerk, dat in sleuven langs
+de boorden eener sloep gezet wordt, om die te verhoogen en het
+binnendringen van 't water te beletten.
+
+Zetgang, z. n. m. -- 1o. Losse plank, die men op lage vaartuigen
+boven langs 't boord inzet.
+
+2o. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte
+der inhouten wordt geplaatst.
+
+Zet gang, komm. -- Draai het spil harder om!
+
+Zetschipper, z. n. m. -- Persoon, die aangesteld wordt om een Schipper
+tijdelijk te vervangen.
+
+Spreekwijze: Hy is Z-- (hy is tijdelijk met de zaak belast).
+
+Zetten, b. w. -- B. v. op het droog, aan den grond. De kapitein verkoos
+zich liever op het strand te Z-- dan zich over te geven.--De loods
+Zette het schip op het drooge.--Zet aan!--Zet vrij!--Zet af!--(komm. om
+het vaartuig te doen by-, vrij- of afhouden).
+
+Zetjen, z. n. o. -- Ruk. komm. nog een Z-- (nog een ruk).
+
+Spreekwijze: Een Z-- helpt, en alle vrachtjens lichten, zei de
+schipper, zette zyn hond aan 't roer, en smeet zijn vrouw over boord.
+
+Zetweger, z. n. m. -- Benaming van de zware beplankingen, die, op elk
+dek, de binnenhuid van het schip bekleeden van den watergang tot aan
+den onderkant der geschutponten.
+
+Zeuntjen, z. n. o. -- Zie Baksjongen.
+
+Ziekeboeg, z. n. m. of Ziekegrens. -- Plaats aan boord, waar de zieken
+worden nedergelegd.
+
+Ziekegrens, z. n. v. -- Zie Ziekeboeg.
+
+Zieketrooster, z. n. m. -- Of, als Vondel hem in 't Lof der Zeevaart
+noemt,
+
+
+ Het statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.
+
+
+Soort van Kathecheseermeester, die aan boord van elk zeeschip plach te
+zijn om gebeden te lezen, de kranken te bezoeken en ander stichtelijk
+werk te doen.
+
+Ziekevader, z. n. m. -- Oppasser in den Ziekeboeg.
+
+Zielverkooper, z. n. m. -- Zie Werver.
+
+Zilt, b. n. -- Zie Zout. De Z--e stroomen. (De zee).
+
+Zinken, o. w. -- Te gronde gaan. Dat schip gaat Z--. Een schip doen
+Z--. Tot Z--s toe geladen zijn.
+
+Zitten, o. w. -- Gestrand zijn, onbewegelijk zijn. Het schip Zit op
+het droog. Wy Zitten hier veilig.
+
+Spreekwijze: Ergends mede aan den grond Z-- (mede verlegen zijn).
+
+Zitters, z. n. m. mv. (veroud.) -- 1o. Balken, bezijden de buikstukken
+op den bodem van het schip gelegd.
+
+2o. Benaming, op sommige plaatsen aan de buikstukken zelve gegeven.
+
+Zoeken, b. w. -- 1o. Naar iets Zoeken, Onderzoeken. Grond Z--
+(door het werpen van het lood). Het land Z-- (wanneer men meent,
+het in de nabyheid te hebben, moeite doen om het te ontdekken).
+
+2o. Zich ergends heen begeven. Een haven Z--. Een opper, de luwte Z--:
+De naald Zoekt het Noorden.
+
+Zoeker, z. n. m. -- Voorste gedeelte van een Z--bout, 't welk eerst
+door het yzer gaat en na het indrijven van den bout wordt afgehakt.
+
+Zoekerbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, die twee of meer palmen langer
+gekort worden dan zy varen moeten. Het overzijnde gedeelte van de
+lengte wordt dun uitgehaald en vormt den Zoeker.
+
+Zoen, z. n. m. -- Verbetering, (veroud.) Het biedt geen Z-- (de
+onstuimigheid der lucht stilt niet: het weer wil niet bedaren).
+
+Zoet, b. n. -- Drinkbaar. Z-- water. Er is gebrek aan Z-- water.
+
+Zog, z. n. o. -- Spoor, dat het schip in het opborrelend water
+achterlaat.
+
+Spreekwijze: In iemands Z-- varen (hem volgen).
+
+
+ Daar is een kunst van voorbereiden,
+ Die tot des Dichters kunst behoort:
+ Men moet de ziel des hoorders leiden,
+ Of anders stuit hem ieder woord.
+ Men dient hem gants in 't Zog te slepen,
+ En, deze kunstgreep wel begrepen,
+ Dan doet men met hem wat men wil:
+ Dan zal hy, by een matig roeien,
+ Gewillig met de vaerzen vloeien,
+ En zwijgen als een stokvisch stil.
+
+ Bilderdijk.
+
+
+Zoggat, z. n. o. -- Zie Vullingsgat: ook wel genomen voor een hok,
+achter de konstabelskamer, waar scherp in geborgen werd.
+
+Zogstukken, z. n. o. mv. -- Houten gaffels, die voor en achter tegen
+den steven aankomen, in stede van gescheiden inhouten.
+
+Zogwater, z. n. o. -- Het water, dat achter het schip opborrelt. Het
+is gevaarlijk in het Z-- eener stoomboot te komen.
+
+Zon, z. n. v. -- Lichtgevende, vaste ster, om welke de aarde
+draait. De Z-- rijst, daalt, gaat onder:--De Z-- schieten (haar hoogte
+berekenen.) De Z-- staat. De wind loopt voor de Z--.
+
+Spreekwijze: De Zon tot God gaat (verouderde uitdrukking der
+visscherslieden, voor: "de Zon gaat onder").
+
+Zondag, z. n. m. -- Scheur, vlek, plek in de kiel of in eenig ander
+gedeelte van het schip, die verweloos geworden is.
+
+Zonsazimuth, z. n. o. -- Rechte standplaats der Zon by haar ondergang.
+
+Zonsdeclinatie, z. n. v. -- Hare afwijking van de linie.
+
+Zoneclips, z. n. v. -- Hare verduistering door den doorgang van
+een planeet.
+
+Zonshoogte, z. n. v. -- Hare hoogte op den middag, waardoor de breedte
+wordt aangewezen.
+
+Zonnetent, z. n. v. -- Tent, over het dek gespannen.
+
+Zoode, z. n. v. -- Zie Pompzoode, Durk.
+
+Zoomwerk, z. n. o. -- Zie Klinkwerk.
+
+Zorgband, z. n. m. -- Strop, aan den achterkant met klinkbouten
+aan het roer geslagen, ten einde zich tegen het verlies daarvan te
+verzekeren. Deze strop is aan de hoeken met oogen voorzien, aan elk
+waarvan een Zorgketting vaart.
+
+Zorglijn, z. n. v. -- Lijn, die de blokken van de noodtakels tegen
+de ra houdt.
+
+Zorgketting, z. n. v. -- Ketting, die door een oog van den Zorgband
+loopt, zich van het roer naar boord uitstrekt en buiten om tegen de
+huid wordt opgehangen.
+
+Zout, b. n. of Zilt. -- Verkrijgt, door zijn byvoeging aan sommige
+woorden, de beteekenis van "Zee," of "Zeewater." De Z--e baren,
+De Z--e plas, Het Zee-nat (de Zee).
+
+
+ En ghy . . . . . . die op de winden zwiert,
+ En vant lasurigh velt de Soute toomen stiert,
+
+
+zegt Vondel in zijn Lofsangh op de Scheepvaart.
+
+Zout, z. n. o. -- Voor Zee genomen.
+
+Zuchtjen, z. n. o. -- Klein windtjen. Wy moeten van het minste Z--
+gebruik maken.
+
+Zuid, b. n. -- Ten Zuiden, van de Zuidzij. De wind is Z-- (waait van
+de Zuidzij.) Wy hebben het land Z-- van ons.
+
+Zuid, (de) z. n. v. -- Zuidwaart gelegen streek. Zy voeren om de Z--.
+
+Zuidelijk, b. n. en bw. -- Wat zich ten Zuiden bevindt.
+
+Zuidelijken, o. w. -- Naar 't Zuiden schieten. Het begint te Z--
+(de wind loopt Zuid).
+
+Zuiden, (ten) b. w. -- Aan de Zuidkant. Spanje ligt T-- Z-- van
+Frankrijk.
+
+Zuiden, (het) z. n. o. -- Het Zuidelijk gelegen land. Het onbekende
+Z--.
+
+
+ 'k Heb zoo lang om Noord en Zuien
+ By de baas te roer gestaan
+ En voor niet, niet zooveel buien
+ Over deze muts zien gaan.
+
+ Huighens.
+
+
+Zuidewind, z. n. m. -- Zie Wind.
+
+
+ Kom zachte Zuidewindeken
+ Kom wieg het kleine kindeken!
+ Ons Rozalijntje is moé.
+ 't Verveelt haar, meer te luisteren:
+ De dag is aan 't verduisteren:
+ Haar oogjens vallen toe,
+
+
+luidde een oud liedtjen, waar ik als kind mede in slaap werd gezongen.
+
+Zuid oost, bw. -- Windstreek midden tusschen O. en Z.
+
+Zuidwaart, bw. -- Naar het Zuiden. Zy zeilden Z--.
+
+Zuidwest, bw. -- Windstreek midden tusschen Z. en W.
+
+Zuidwester, z. n. m. -- Breedgerande hoed of kap met wasdoek of
+geölied linnen overtrokken, en den zeeman tot bescherming dienende
+tegen regen en wind.
+
+Zuidzeevaarders, z. n. m. -- Schepen, die om de Zuid ter walvischvangst
+varen.
+
+Zuiger, z. n. m. -- 1o. Mastring, mastband, beugel. Yzeren ring, die,
+op een sloep of klein vaartuig, aan een zeil vastzittende, en om een
+mast of spriet geslagen, dient, om dat zeil langs dien mast of spier
+te doen rijzen of zakken.
+
+2o. Van de Pomp. Zie Pompzuiger.
+
+Zuiver, b. n. en bw. -- Zonder gevaar. Een Z-- alleen staande klip
+of rots (by welke men ten anker kan gaan liggen.) Een Z--e haven
+(die men gemakkelijk kan inzeilen.) De kust is Z-- (er zijn klippen
+noch banken).
+
+Zwaaien, b. w. -- Voor anker liggende, van stelling veranderen
+door de werking van wind of stroom. Op den wind Z-- (den voorsteven
+naar den wind keeren.) Op het tij Z-- (den voorsteven naar het tij
+keeren.) Onder den wind met den stroom onder de lij Z-- (wanneer de
+eene zijde aan den wind, de andere aan den stroom is blootgesteld.) Hy
+Zwaait klaar, hy Zwaait voor klare kluizen (hy kruist zijn kabels
+niet by 't omzwaaien.) In die haven is geen ruimte genoeg voor groote
+schepen om te Z--.
+
+Zwaar, b. n. -- Groot, plomp, wijd. Z-- schip (wijd schip, schip van
+grooten omvang.) Z-- weer (stormweer.) Z--e bui (hevige wind.) Z--e
+zee (hooge zee.) Dat schip rijst Z--, valt Z-- in zee (verheft
+zich moeilijk uit de zee) Z--e battery (van Z-- kaliber). Het Z--
+(anker)touw, Een Z-- anker.
+
+Zwaard, z. n. o. -- Verzameling van planken, in den vorm van een
+schuinsch ovaal, die aan de zijde van een klein vaartuig ligt, en
+dient om het afdrijven te beletten.
+
+Zwaartepunt, z. n. o. -- Het punt, aan weerskanten van 't welk de
+deelen van een lichaam gelijke zwaarte hebben. Het algemeen Z--
+van een schip bevindt zich gewoonlijk binnen de lijn, welke het in
+twee gelijke deelen scheidt. Het Z-- der waterverplaatsing van het
+ondergedompeld gedeelte van het schip, of drukkingspunt, bevindt zich
+binnen de vertikale lijn, die de romp in twee gelijke deelen scheidt.
+
+Zwabber, z. n. m. -- Dweil, uit kabelgaren of lappen aan een steel
+gebonden en dienende om schepen en schuiten schoon te houden.
+
+Zwabberen, o. w. -- Met een Zwabber schoonmaken.
+
+Zwabberhalen. -- Spotroep der matrozen, wanneer een onbevarene door
+het slingeren van het schip omverre valt, om de plaats waar de baar
+(onbevarene) gelegen heeft, weder schoon te maken.
+
+Zwabberpaai of Zwabberkaptein. -- Een, die den Zwabber moet uitspoelen
+en droogwringen. Hier wordt doorgaands de minst bekwame matroos
+voor genomen.
+
+Zwakke-hals, z. n. m. -- Soort van stopper, dienende om by ruw weer
+de belegtouwen te stoppen.
+
+Zwalpen, o. w. -- Zich golvend verheffen. Woord, zelden anders dan
+in poëzy gebruikelijk.
+
+Zwalpen, z. n. m. mv. -- Stukken van greenen ribben, in de klamaaien
+rustende en dienende om de dekdeelen te steunen.
+
+Zwaluwstaart, z. n. -- Stuik, die den vorm heeft van een Z--.
+
+Zwanehals, z. n. m. (veroud.) -- 1o. Drager van de roerpen. Zware
+gebogene yzeren dekplaat, waarvan de grootste arm op het end der
+roerpen sluit.
+
+2o. of Ruggegraat (om dat het beeld er met zijn rug tegen aan
+staat). Vooruitspringend verbindingstuk van de scheg, door een
+haaklasch aan de woelingsknie verbonden en daarmede als 't ware een
+geheel uitmakende.
+
+3o. De gebogen yzeren stangen buiten boord, waar een sloep in hangt,
+worden ook Z--en genoemd.
+
+Zweepstopper, z. n. m. -- Stopper, waarvan het end in een gedraaid
+is en met een punt uitloopt.
+
+Zweeten, o. w. -- Wordt het eiken hout gezegd te doen, wanneer het
+vochtig wordt en uitslaat, als dikwijls het geval is op nieuwe schepen,
+by heet weer. Het Z-- van het hout heeft al onze beschuit bedorven.
+
+Zwei, z. n. v. -- Beweegbare Winkelhaak.
+
+Zwellen, o. w. -- Vermeerderen, vol worden, zich uitbreiden. De
+wateren Z--. De wind doet de zeilen Z--.
+
+Zwemmen, o. w. -- Zich in 't water bewegen zonder te zinken.
+
+Zwengel, z. n. m. -- Arm van de pomp.
+
+Zwichten, b. w. -- De hoofdtouwen van het onderwant van stuur- en
+bakboord door touwen onder de mars naar elkander halen. De fok Z--
+(die by stormweer inkorten, door servings).
+
+Zwichtingbouten, z. n. m. mv. -- Kleine ronde yzeren staven, met
+geteerde servings bekleed: zy kruisen het lage want aan bak- en
+stuurboord op de hoogte van den voet der klampen.
+
+Zwichtserving, z. n. v. -- Zwaar en breed gevlochten touw, waarmede
+de fok gezwicht wordt.
+
+Zwiepend, b. n. -- Los, veerkrachtig Korte masten en lange stangen
+maakt Z-- tuig.
+
+Zwieping, z. n. v.-- Planken, die men op verschillende hoogten en
+op bepaalde punten der armen van een spant spijkert, ten einde die
+armen de richting te doen bewaren, waarin men die houden wil.
+
+Zwin, z. n. o. -- Wad, droogte tusschen het water.
+
+Zijde, z. n. v. -- Boord, rechter- of linkerkant van een schip. De
+vyand de breede Z-- bieden (hem uit de bak- of stuurboords-battery
+beschieten.) Een schip op Z-- leggen (om het te kalfaten.) Haal de
+sloep op Z-- (langs boord.) "Kregen de viktualiekaag op Z--, met
+twee soldaten, vier varkens en vier schapen, heschen al het vee over"
+(oud Rapport).
+
+Zijperken, z. n. mv. -- De beide vakken van het Dek aan weerszijde
+van het middelpunt. Het eene Zijperk ligt tusschen den schaarstok en
+waterloopsklos aan stuurboord--het andere tusschen de genoemde deelen
+aan bakboordzijde.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Ik schrijf woordeboek, geen woordenboek, om redenen die ik
+elders heb ontwikkeld. 't Is geen "boek van woorden" maar een "boek
+met woorden," of "tot verklaring van woorden dienende."--Hooft, die
+'t woord het eerst gebezigd heeft, noemt het dan ook: Woordtboek. "Ik
+heb," schrijft hy van Justus Baak (183) "mijn voornaamst Woordtboek
+oft Woordenaar hoe men op 't Duits heeten wil, niet hier."
+
+[2] De volledige tytel is: Handleiding tot de kennis van onze
+Vaderlandsche Spreekwoorden en Spreekwoordelijke zegswijzen, bijzonder
+van de Scheepvaart en het Scheepsleven ontleend, door J. P. Sprenger
+van Eyk, Predikant te Rotterdam. Te Rotterdam, by Mensing en van
+Westreenen 1835--en: Nalezingen en Vervolg op de Vaderlandsche
+Spreekwoorden enz.--1836.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Zeemans-Woordeboek, by J. van Lennep
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 40417 ***