diff options
Diffstat (limited to '40417-0.txt')
| -rw-r--r-- | 40417-0.txt | 20047 |
1 files changed, 20047 insertions, 0 deletions
diff --git a/40417-0.txt b/40417-0.txt new file mode 100644 index 0000000..04e52aa --- /dev/null +++ b/40417-0.txt @@ -0,0 +1,20047 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 40417 *** + + ZEEMANS-WOORDEBOEK, + + BEHELZENDE EEN VERKLARING DER WOORDEN, + BY DE SCHEEPVAART EN DEN HANDEL IN GEBRUIK + EN EEN OPGAVE DER ALGEMEENE WETSBEPALINGEN, + DAARTOE BETREKKELIJK, + EN DER SPREEKWIJZEN, DAARAAN ONTLEEND. + EEN EN ANDER VOORZIEN MET + TAALKUNDIGE OPMERKINGEN EN AANHALINGEN + UIT ONDERSCHEIDENE SCHRIJVERS: + TE SAMEN GESTELD + + + DOOR + MR. J. VAN LENNEP. + + + AMSTERDAM, + GEBROEDERS BINGER. + 1856. + + + + + + + +DEN HEER AARNOUD VAN LENNEP. + + +WAARDE BROEDER! + +Onderscheidene redenen dringen my, u dezen arbeid op te dragen. Gy +zijt de eerste geweest, aan wien ik mijn voornemen om dien tot stand +te brengen, heb medegedeeld: de eerste, die my, met uwen raad, met +uwe ondervinding, met uwe voorlichting, hebt bygestaan: gy hebt my de +werken aan de hand gedaan, meest geschikt om er gepaste bouwstoffen +uit te ontleenen. + +Ik weet, dat u dit werkjen niet onwelkom wezen zal: in de eerste +plaats, om dat het u de loopbaan zal herinneren, waarin gy de +lentedagen uws levens hebt doorgebracht, en een vak aan 't welk u +gewis, ook al mocht gy 't verlaten hebben, nog de oude genegenheid +boeit; en ten anderen, om dat het komt van hem, wien gy steeds warme +vriendschap bleeft toedragen, en die van zijnen kant het steeds tot +een geluk rekende, zich te mogen noemen + + +Uw Broeder en Vriend + +J. v. LENNEP. + +Augustus 1856. + + + + + + + +VOORREDE. + + +By elken Nederlander, immers by den zoodanige, die dezen naam niet +uit kracht eener wet, maar uit hoofde zijner afkomst voert, bestaat, +in meerdere of mindere mate, zekere ingenomenheid met het Zeewezen, +'t zij, dat wy die reeds van kinds af inademen met den zeewind, die +over onze velden blaast, 't zij, dat wy haar oorsprong zoeken moeten +in de herinneringen van onzen ouden roem en vervlogen grootheid ter +zee, 't zij, dat hier die beide oorzaken, de fyzieke en de moreele, +te samen werken. Ook my waren, van zoo verre my heugt, zeegezichten, +zeetochtjens, verhalen van zeegevechten en zeeavonturen, welkom en +aangenaam. Ofschoon tot op een-en-twintigjarigen leeftijd een eenige +zoon, en dus niet voor de zeedienst bestemd, bleef niet-te-min my ten +allen tijde de neiging by voor al wat tot de zee betrekking had. De +omstandigheid, dat ik ten gevolge van een ambt, 't welk ik lange +jaren bekleedde, gehouden was, telken jare eenige dagen op zee--al was +het dan ook maar op een binnenzee--door te brengen, en dat my later +bezigheden van geheel anderen aart nu en dan naar Engeland riepen, +strekten om die neiging gedeeltelijk te voldoen en tevens om haar aan +te wakkeren: en meer dan eene episode uit mijn werken is haar oorsprong +verschuldigd aan de ondervinding, op dergelijke tochtjens verkregen. + +Behalve voor 't zeewezen heb ik, mede reeds zeer vroeg, een zonderlinge +liefde gehad voor Woordeboeken [1]. Het feit moge eenige bevreemding +baren, het is niet-te-min volkomen waar, en ik was een knaap van nog +geen tien jaar, toen ik niet alleen talrijke Dictionnaires d'anecdotes +en Dictionnaires de la fable van buiten kende, maar ook het min +behagelijke woordeboek van Chomel, en een menigte artikelen van de +Encyclopédie gelezen had. Men kan alzoo begrijpen welk een byzonderen +smaak ik moest vinden in een werk, dat niet alleen tot de kategorie der +woordeboeken behoorde, maar bovendien het Zeewezen betrof, te weten +Winschotens Seeman. Ik was toen nog op dien gelukkigen leeftijd, +waarin men gelooft, dat al wat in boeken gedrukt staat, waar is, +even als alles wat groote menschen zeggen:--latere ondervinding nam +my op een en ander punt vele begoochelingen weg, en zoo begon ik van +lieverlede te bemerken, dat ook Winschoten, in zijn narichten, maar +vooral in zijn afleidingen, geen byzonder vertrouwen verdiende. Deze +ontdekking deed voor jaren by my de lust ontslaan, een verbeterde +uitgave van dat werk te bezorgen, waarin niet alleen de misslagen +van den schrijver hersteld, maar ook de talrijke ruimten zoo veel +mogelijk zouden aangevuld worden. Reeds lang ging ik van dit ontwerp +zwanger, toen my de verzameling van Spreekwoorden bekend werd, door +den Heer Sprenger van Eyk verklaard [2]. Een mijner vrienden, voormalig +zee-officier, aan wien ik dit werk ter lezing had verstrekt, deelde my +daaromtrent een tal van aanmerkingen mede, hoofdzakelijk strekkende +om te bewijzen, dat de geleerde schrijver zich over 't algemeen te +veel, of door zijn verbeelding of door verkeerde voorlichting, had +laten leiden, en zijn arbeid alzoo met even veel omzichtigheid diende +geraadpleegd te worden als die van Winschoten. De overtuiging hiervan +geleidde my tot een andere, namelijk van het nut om een "verbeterden +Winschoten" tevens te doen strekken tot een "betere handleiding voor +hen, die den oorsprong en de beteekenis willen leeren kennen van +spreekwijzen, aan het zeewezen ontleend." Zoo zette ik my nu aan het +verzamelen van bouwstoffen en aan het raadplegen van verschillende +schrijvers, wier arbeid my van dienst kon zijn;--maar jaar op jaar +weerhielden my verschillende omstandigheden om met ernst de handen +aan 't werk te slaan en uit den verspreiden voorraad mijn gebouw op +te timmeren. Gewis zal die vertraging niemand verwonderen. By elk +ander werk behoeft men alleen de luchtige schets van 't geheel op het +papier, des noods in 't hoofd, te hebben, en men kan met schrijven +een aanvang maken. Heeft men den kop, men komt van lieverlede ook +aan den staart. Maar een Woordeboek is hierin van alle andere werken +onderscheiden, dat het kop noch staart heeft, dat het als een cirkel +in 't rond loopt, dat de deelen in gestadige betrekking tot elkander +staan en dat men niet aan 't drukken, ja niet aan 't overschrijven, +gaan kan, voor dat het boek volledig is afgewerkt. Volledig!--een +Woordeboek heeft nog dit eigenaardige, dat het nimmer volledig kan +genoemd worden, en dat, ook in de beste, op de duizend woorden, +die er in staan, er doorgaands honderd gemist worden. + +Ik was dan ook, toen ik nu drie jaar geleden aan 't drukken begon, ten +volle overtuigd, dat al mijn moeite en nasporingen my niet in staat +zouden stellen meer dan een zeer gebrekkig werk te leveren;--doch +ik begreep, dat my deze bedenking niet moest afschrikken. Waar het +volkomene onbereikbaar is, moet men zich met het mogelijke te vrede +stellen, en beter half-werk dan in 't geheel geen. Bovendien kan mijn +arbeid voor 't minst dit nut hebben, dat hy zaakkundigen, zoo wel +in 't vak van 't zeewezen als in dat der taal, aanleiding geeft tot +opmerkingen, tot aanvullingen, tot verbeteringen, waarvan, is het niet +in een tweede uitgave van dit--(zoo verre gaat mijn verwaandheid niet, +dat ik daarop rekenen zoû), dan althands in het--Algemeen Woordeboek, +dat onder handen is, gebruik zal kunnen gemaakt worden. + +De omstandigheid, dat met het drukken van een boeksken, dat nog geen +achttien gewone vellen druks beslaat, byna drie jaren zijn verstreken, +moge strekken tot een bewijs, dat hiermede niet lichtvaardig is te +werk gegaan. Ik heb--om in deze voorrede van een Woordeboek over +'t Zeewezen althands eene spreekwijze te bezigen, aan dat zeewezen +ontleend--ik heb niet bloot op mijn eigen kompas willen varen, en zoo +wel mijn handschrift, als de drukproeven zijn herhaaldelijk, sommige +door meer dan eenen zaakkundige, nagezien. En dat heen en weêr reizen +der proeven, én dat trekken van menigvuldige reviziën, én de daarover +gewisselde korrespondentie, heeft--moeilijkheden van anderen aart, by +woordeboeken meestal onvermijdelijk, niet medegerekend--het afdrukken +merkelijk vertraagd. Moge nu een weinig belangstelling in dien arbeid +het bewijs leveren der waarheid van hetgeen ik in de eerste regels +van dit voorbericht nederschreef. + + + + + + + +VERKLARING DER GEBEZIGDE VERKORTINGEN. + + + z. n. zelfstandig naamwoord. + b. n. byvoegelijk naamwoord. + voorn. voornaamwoord. + m. mannelijk. + v. vrouwelijk. + o. onzijdig. + mv. meervoud. + b. w. bedrijvend werkwoord. + o. w. onzijdig werkwoord. + w. w. wederkeerig werkwoord. + onp. w. w. onpersoonlijk werkwoord. + p. persoonlijk. + bw. bywoord. + voorz. voorzetsel. + t. w. tusschenwerpsel. + komm. kommando. + N. Eenig onbepaald getal. + + +Voorts zijn de verklaarde woorden, wanneer zy in het artikel, dat +hen betreft, nogmaals voorkomen, aangeduid door de aanvangletter en +een streep. Zoo beduidt op Aak, A-- Aak, A--en Aken. Zoo op Blok -- +B--s, Bloks, enz. + + + + + + + +A. + + +Aak, z. n. -- Onder Aken verstond men oudtijds die lastschepen, welke +met wijnen van Keulen kwamen afdrijven, waarom zy ook doorgaands +Keulsche aken, en door sommigen, met eene in onze taal vrij gewone +voorvoeging, Haken werden genaamd. Deze schepen waren plat van bodem, +van onder breed uitgezet, hoog opgeboeid en boven smal toeloopende: +voor en achter met een breeden steven, in den vorm van een beitel, +waarom zy ook beitel-aken werden geheeten. De naam Aken werd echter +ook gegeven aan zoodanige langwerpige en laag op 't water liggende +vaartuigen, die achteraan dreven, om daarmede, met een breeden riem +of schepper, van en aan boord te roeien: thands echter verstaat men +door A-- meer byzonder een vaartuig, met zoomwerk opgeboeid. + +Aal, z. n. -- Rivier- en Zeevisch. + +Spreekwijze: Hy is een koopman in A--shuiden (hy doet geringe zaken.) + +Aan, v. z. 1o. Op. naar. A-- boord (op het schip). A-- wal (op den +wal, te land). A-- den grond zitten (vast zitten op een bank of +droogte). A-- lij (op de lijzijde). + +2o. By, naby. A-- zee gelegen (dicht by de zee). + +3o. Tot, in handen van. Hy gaf last A-- het volk: -- hy gaf het bevel +A-- den eersten officier over. + +4o. Stijf, dicht. Haal de schoot A--. + +5o. Aan 't lijf. Trek uw uniform A--. + +6o. Ten. A-- 't werk.--A-- den arbeid!--A-- 't sjouwen. + +Aanbeeren, o. w. (veroud.) -- Alle zeilen byzetten en zijn best doen +om voort te komen. + +Aanboorden, b. w. (veroud.) -- Aan Boord komen. + +2o. Scheepstimmermans-uitdrukking, waarmede bedoeld wordt: het maken +der bovenste deelen aan de scheepszijden. + +Aanbrassen, o. w. -- In den zin van Bybrassen. Stuurboord, +bakboord. A--. + +Aandiepen, o. w. -- Al loodende naar land varen. + +Aandoen, b. w. -- Een haven of kust A--, een haven of kust met een +vaartuig bezoeken, doorgaands alleen in 't voorbygaan, en zonder +oogmerk er lang te verblijven. Er binnen loopen, binnen vallen. Door +het verlies van onzen grooten mast, waren wy genoodzaakt, die haven +Aan te Doen. + +Aandraaien, b. w. -- Een bindsel van lichte lijnen met een draaier +of spaanspil stijf draaien. + +Aandrijven, o. w. -- 1o. Uit zee naar wal drijven. Het lijk van den +stuurman kwam heden morgen A--. + +2o. Tegen iemand: Het schip kwam tegen ons A--. Zie Aanvaren. + +Aangaan, o. w. -- Op of Aanhouden. Wy moeten recht op dat eiland A--. + +Aangang maken, o. w. (veroud,) -- Voortzeilen, gang of vaart maken. + +Aangeven, b. w. -- Verklaring doen van hetgeen men in-, uit- of +doorvoert. Men mag geene aan belasting onderworpen goederen binnen +brengen, zonder die Aan te Geven. + +De wetsbepalingen omtrent het A-- zijn vervat in het XII Hoofdstuk der +Algemeene Wet van den 26 Augustus 1822 (Staatsbl. no. 38) art. 118-126. + +Aangifte, z. n. -- Daad van aangeven, verklaring. Die schipper heeft +verzuimd, A-- te doen van zijn lading.--Hy is wegens gebrekkige A-- +beboet.--Art. 120 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 schrijft voor wat +het biljet van A-- moet inhouden. + +Aanhaken, o. en b. w. -- Met een haak of kram ergends aan vasthouden +of gehouden worden: aan boord haken, klampen. + +Aanhalen, b. w. -- 1o. Stijf halen, strak maken. De schoot A--. + +2o. In beslag nemen. De gandsche lading is ten gevolge eener verkeerde +aangifte Aangehaald geworden. Wanneer de ambtenaren goederen A-- +zijn zy verplicht die naar het naaste kantoor op te brengen. + +Aanhalen, o. w. -- Krachtiger worden. De wind Haalt Aan (het begint +harder te waaien). + +Spreekwijze: Het haalt wat aan (het geeft vrij wat voordeel). + +Aanhaling, z. n. -- In-beslag-neming. Een A-- doen van verboden, +van verkeerd aangegeven goederen. + +Aanhangen, b. w. -- b. v. het Roer. Vastmaken, op zijn plaats brengen. + +Aanhouden, o. w. -- Richten, sturen, op een plaats of streek. Wy +moeten, om de haven binnen te komen, op die lantaren A--. + +Aanhouden, b. w. -- 1o. In beslag nemen, beletten verder te gaan. De +Engelschen Hielden, gedurende dien oorlog, alle schepen Aan, die hun +verdacht voorkwamen.--De ambtenaren hebben, op vermoeden van sluikery, +zijn goederen Aangehouden. + +2o. t. w. Touw: het vast maken, als er genoeg uitgevierd is. + +Aanklampen, b. w. -- Aanhaken, enteren. Zich aan een ander vaartuig +vasthechten, aan boord klampen. + +Spreekwijze: Iemand A-- (iemand op eene, 't zij onvriendelijke, 't +zij althands lastige wijze aanspreken. Ook wel "iemand--doorgaands +tegen zijn zin--een arm geven"). + +Aanklamper, z. n. -- Hy die aanklampt. + +Aanklamping, z. n. -- De daad van aanklampen. + +Aankomen, o. w. -- Uit zee aan wal of in de haven komen. Er is gebrek +in 't land: 't is tijd dat de graanschepen A--. + +Aankrammen, b. w. -- Met kramgarens hechten. + +Aanleggen, o. w. -- Een hoofd of kaai aandoen, aan wal komen. Hier +is de kaai, waar wy moeten A--. + +Spreekwijze: Ergends A-- (een herberg of kroeg in 't voorbygaan +bezoeken + +Zoo: Willen wy hier eens A--. Hy is gewoon aan alle kapelletjens Aan +te Leggen.) + +Aanleggen, o. w. -- Op- of naar een plaats:--Op een plaats +aanhouden. Hoe legt het aan? (welken koers moeten wy houden?) Tegen +iemand A-- (met den steven naar een ander schip gericht daarop +afzeilen.) + + + Wy leggen 't op de ree + De zee van Reden, aan. + + Huygens, Hofwijck. + + +Aanleggen, b. w. -- Omleggen. Het want A--. + +Spreekwijze: Het te breed A-- (te veel verteering maken.) + +Aanlegplaats, z. n. -- Plaats, bestemd of geschikt om aan te leggen. De +A-- der stoombooten. + +Aanloeven, o. w. -- By- of oploeven: Met een ruimen wind zeilende +het schip dichter aan den wind doen komen. + +Aanloop der zee, z. n. -- Het slaan van een zwaren golf. + +Aanloopen, o. w. -- 't Zelfde als Aanvaren. + +Aanlijken, b. w. -- Een lijk aan een zeil zetten. + +Aanmaken, b. w. -- 1o. Aanzetten, aanhechten, vastmaken, aanslaan: +en meer in gebruik dan dit laatste. + +2o. Maken. De Equipaadje was bezig met het A-- van matten. + +3o. Handen reppen. Maak wat Aan! + +Aannemen, b. w. -- Werven, in dienst nemen. Er is voor dien tocht +vrij wat volk Aangenomen. + +Aannemend, b. n. Toenemend. A--e koelte (een wind, die toeneemt). + +Aanneming, z. n. v. -- Werving, in-dienst-neming. Er heeft nog geen +A-- van volk plaats gehad. + +Aanrakken, o. w. -- De Rakken aanhalen. + +Aanranden, b. w. -- Met slechte inzichten overvallen, aanvallen. Wy +werden op die hoogte door roovers Aangerand. + +Aanrijgen, b. w. -- Door een koord, draad of lijn verbinden. De +bonnet A--. + +Aanslaan, b. w. -- 1o. Zie Aanmaken. Een zeil A-- (het hechten +of aankrammen, aan raas, gaffels of leiders met het lijk daarvoor +bestemd). + +2o. Vatten, grijpen. Een vat A--: (er een strop om heen slaan). + +Aanslibbing, z. n. v. -- of Aanspoeling. Land, dat op zee gewonnen +wordt. + +Aanspoelen, o. w. -- Uit zee naar 't strand gedreven worden. Daar +kwamen vele kisten uit het verongelukte schip A--. + +Aanspoeling, z. n. v. -- of Aanslibbing. Land, dat op de zee gewonnen +wordt. + +Aanstampen, b. w. -- Vaststampen, stuwen, vast op elkander pakken. + +Aanstellen, b. w. -- Een macht- of lastbrief geven. Hy is tot +bevelhebber der onderneming Aangesteld. + +Aanstelling, z. n. v. -- 1o. Macht- of lastbrief. Hy heeft zijn A-- +als Luitenant, als Tweede Stuurman ontfangen. + +2o. De benoeming in dien lastbrief vervat. + +Aanvaart, z. n. v. -- Landingsplaats. De plaatsen van Af- en A-- +der stoombooten. + +Aanvaren, o. en b. w. -- Tegen een schip op eenig voorwerp varende, +stooten. Hy is tegen de kaai Aangevaren. De stoomboot heeft hem +Aangevaren. De schade, door het A-- veroorzaakt, moet vergoed +worden. Zie Aanzeilen. + +Aanvaring, z. n. v. -- De daad van het aanvaren. + +Aanwenken, o. w. -- Het doen springen der lijfokkebras en het byvieren +der magermans en voorbramboelijn op het kommando van Wenk wat aan voor. + +Aanzeilen, o. w. -- Koers houden. Oost of West A--. Hy kwam met geen +vyandelijke inzichten A--. + +Aanzeilen, b. w. -- Tegen een ander schip zeilende stooten. In het +Kanaal loopt men dikwijls gevaar van A--. De schade, door het A-- +veroorzaakt moet vergoed worden. Zie daarover het Wetb. v. Kooph. II +B. VI Tit. Art. 534-544. + +Aanzeiling, z. n. v. -- De daad van Aanzeilen. + +Aanzetklos, z. n. m. -- Klos aan 't vooreind van den aanzetstok, +die in 't kanon gestoken wordt. + +Aanzetten, b. w. -- Instampen, stampen, een stuk geschut laden. + +Aanzetter, z. n. m. -- Stok, aan het eene eind voorzien van een klos, +waarmede de kardoes en de kogel in het stuk geschoven en aangezet +wordt: by kleine stukken is het eene eind van den A-- soms voorzien +van een wisschersbol. + +Aap, z. n. m. (veroud). -- Benaming van het bezaanstagzeil. + +Aardewind, z. n. m. -- Zie Gangspil. + +Abab, z. n. m. -- Benaming van een vrijen Turkschen matroos. + +Abandonnement, z. n. m. -- Bastertwoord, dat de Wetgever heeft +verkozen te gebruiken, ofschoon hy daarvoor even gemakkelijk Afstand +of Verlating had kunnen zeggen. Zie Afstand. + +Accijnsgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen met accijns bezwaard. Zie +Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art 3, art. 67-74, art. 78, 144-152. + +Achter, bw. -- Door A-- wordt aangeduid wat zich op, of om, of achter +het A-- schip bevindt. Waar is de bootsman? Hy is A-- (op het A-- +schip). Wy hebben N. diepgang A--. (De diepgang van het A-- schip +is N.). + +Achter af, bw. -- In een verwijderde plaats. A-- brengen: (in de +provoost, in de gevangenis brengen). + +Achterbaks, bw. -- Eigentlijk, Achter den Bak. A--houden (terug houden, +verborgen houden). Hy heeft zich A-- gehouden (hy heeft niet voor +den bak durven komen, hy heeft zich schuil gehouden). Doch zie Bak. + +Achterdwarstouw, z. n. o. -- Touw, waarmede een schip achter door de +poorten heen kan vastgemaakt worden. + +Achtereb, z. n. v. -- Het laatste gedeelte van de eb. + +Achterhalen, b. w. -- Inhalen, bereiken. Wy zeilden te goed. Zy konden +ons niet A--. + +Achterhiel, z. n. v. -- Hoek van den achtersteven met de kiel. Zie +Hiel. + +Achterhoede, z. n. v. -- De Schepen van het derde smaldeel eener vloot, +wanneer de vloot in gewone orde opzeilt. Meer gebruikelijk plach by +ons te zijn Achtertocht. Zie ald. + +Achterkasteel, z. n. o. of Schans. -- Achterste gedeelte van het +schip. Het wordt ook genomen voor dat des lichaams. + +Achterkiel, z. n. v. -- Hoek van den achtersteven met de kiel, of +hieling van de kiel. + +Achterlastig, b. n. -- Zie Stuurlastig. + +Achterluik, z. n. o. -- Luik van het achterschip. + +Achterlijk, z. n. o. -- Lijk, langs den opstaanden kant van een zeil +naar de zijde van het achterschip. + +Achterom, bw. -- Achter het schip om. A-- komen (zich achter een +schip stellen om het te volgen). A-- loopen (zich, uit eerbied voor +een hooger officier, wiens schip men kruist, hem aan den kant van +zijn achtersteven voorbygaan). + +Achterop, bw. -- Van achteren. Wy kwamen het schip A--. (Wy haalden +het in). + +Achteronder, z. n. o. -- Achterruim. De ruimte, die achter in 't +onderschip is. + +Achterpiek, z. n. v. of alleen Piek. -- Achterste schuinte van +het schip. + +Spreekwijze: Zijn A-- scheeren voor "zich wegpakken." + +Achterplecht, z. n. v. -- Zie Plecht. + +Achterruim, z. n. o. -- Zie Achteronder. + +Achterschip, z. n. o. -- Dat deel van het schip, 't welk van den +bezaansmast af tot aan het einde toe naar achteren staat. Zie Schip. + +Achterslemphout, z. n. o. -- Verzameling van op elkander gestapelde +houten, benoodigd om den hoek te bewaren van den achtersteven met +de kiel. + +Achterspant, z. n. v. Zie Spant. + +Achtersteven, z. n. m. -- Zwaar en rechtstaand stuk hout, dat, aan +het uiteinde der kiel van een schip opgericht, het sluitstuk van zijn +romp uitmaakt. + +Achtertocht, z n. m. of Achterhoede -- Het smaldeel eener vloot, +dat achter aan zeilt, en gewoonlijk door den derden Hoofd-officier +in rang wordt aangevoerd. + +Achtertouw, z. n. o. -- Tros of kabeltouw, waarmede men achter aan den +wal gemeerd is of dat men voor verhalen gebruikt om het Achterschip +te bedwingen. + +Achteruit, bw. -- Beteekent in de samenstelling, wat zich bevindt +aan de zijde van den achtersteven. Gy moet A--komen: (gy moet by den +Kapitein in de kajuit komen). A-- viktualieruim (het eerste magazijn, +dat zich achter den grooten mast bevindt). + +Achteruitzeilen, o. w. -- Achterblijven, de schepen, waarby men +behoort, vooruitzeilen. + +Spreekwijze: A-- (achter uit teeren, teruggang ondervinden). + +Achtervinkenet, z. n. o. (veroud.) voor Kuildek.--Zie ald. + +Achtervloed, z. n. m. of Navloed. -- Het laatste van den Vloed. + +Achterwerk, z. n. o. -- Het snijwerk van den achtersteven. + +Achterzeilen, z. n. o. mv. -- De zeilen, die tot den grooten en +bezaansmast behooren. De A-- en doen het schip oploeven, de voorzeilen +afvallen. + +Adelborst, z. n. m. -- Kadet, eerste graad in de Zeedienst. Het +woord heeft dezelfde beteekenis als Edelknaap: om dat de Adelborsten +oorspronkelijk vrijwilligers van edelen huize waren. + +Admiraal, Admiraliteit enz. -- Zie Amiraal, Amiraliteit, enz. + +Adviesboot, fregat, jucht. -- Vaartuig, dat berichten of lastgevingen +overbrengt. + +Afbakenen, b. w. -- Met merken of tonnen bezetten. Men heeft eindelijk +besloten, die ondiepte Af te Bakenen. + +Afbetalen, b. w. -- Betalen en wegzenden. Het schip is opgelegd en +het scheepsvolk is Afbetaald. + +Afblazen, b. w. -- De kanonnen A-- (ze met los kruit afschieten om +ze schoon te houden. + +Afbrassen, o. w. -- Zie Volbrassen. + +Spreekwijze: Hy brast af: (hy schuurt zijn piek). + +Afbrengen, o. w. -- Vlot maken. Het schip zat op den bank en het +kostte niet weinig moeite, het er Af te Brengen. + +Afbuien, o. w. -- Eindigen met Buien. Het weer Buit Af. + +Afdanken, b. w. -- Uit de dienst zenden, naar huis zenden, ontslaan. Al +de manschappen worden Afgedankt. + +Afdanking, z. n. v. -- De daad van afdanken. Nu de oorlog een einde +nam had er een algemeene A-- der troepen plaats. + +Afdeeling, z. n. v. -- Zie Eskader, Smaldeel. + +Afdrijven, o. w. -- Wordt van een vaartuig gezegd, dat door den stroom +wordt mede gevoerd. Met den stroom A--. Met de neer A--. Een schip +doen A--. + +Afdwalen, o. w. -- Wordt van een schip gezegd, als het uit zijn koers +of van de vloot afraakt: -- en van een man, als hy vermist wordt. Hy +is Afgedwaald (hy is buiten boord geraakt.) + +Afgaand, b. n. -- Vallend. Zie Tij. + +Afgetakeld, b. n. -- 1o. Afgetuigd. Zie Aftakelen. + +2o. Gehavend. (Dat schip ziet er deerlijk A-- uit). + +Spreekwijze: Hy is zeer A-- (hy is mager geworden). + +Afgieren, o. w. -- Als men voor anker ligt met een gier van plaats +veranderen. + +Afgrond, z. n. m. -- Zie Diepte, Kolk, Maalstroom. + +Afgronden, die geen loot kan peylen, noch beworpen, zegt Vondel. Lof +der Zeevaart. + +Afhangen, b. w. -- 1o. Uit zijne scharnieren lichten. Het roer A--. + +2o. Iemand van zijn wapenen enz. ontdoen. Hangt dien man Af (ontneemt +hem zijn zijdgeweer, enz.) + +Afhouden, o. w. -- 1o. Zich ergends van verwijderd houden. Wy moeten +van die kust A-- anders vervallen wy op de zandgronden.--Hadden wy niet +nog in tijds Afgehouden, dan had die brik ons overzeild.--Van den wind +A-- (door de werking der zeilen of van het roer een slag in de rondte +doen) voor den wind A-- (de richting van den wind volgen, zoo dat men +hem den achtersteven toekeert). In eens A-- (wanneer de beweging met +snelheid geschiedt). Gaande weg A-- (wanneer zy langzamerhand plaats +heeft). Door een kontramarsch in elkanders kielwater A--. + +2o. Plaats maken. De schepen die den stroom opvaren, moeten naar den +wal A-- om de stroom-afkomende te laten voorbygieren. + +Afhouden, b. w. -- Verwijderen: het anker van den boeg A-- (ten einde +schuring te voorkomen). Als een touw, ketting of kabelaring om een +spil gewonden wordt, zijn er menschen, die de afgewonden part stijf +houden en terughalen, dat men A-- noemt. + +Afkeuren, b. w. -- Ongeschikt, onbruikbaar verklaren. Dat schip werd +Afgekeurd (het werd geöordeeld, niet langer zee te kunnen bouwen: +het kreeg den bijl voor den kop.) + +Afknijpen, b. w. -- t. w. de loef, wordt van uw schip gezegd, wanneer +het een ander de loef afwint. + +Afkomen, o. w. (Op iemand). Dat schip Kwam op ons Af (naderde ons +schip.) + +Afleggen, b. w. -- Zich verwijderen. Wy moeten van het land A-- +(versta: het roer). + +Afloopen, o. w. -- 1o. Van stapel loopen. Zie Stapel. + +Spreekwijze: Hoe zal dat A--? Dat Loopt goed Af. (Wat zal de uitslag +zijn? Die uitkomst is voorspoedig). Het A-- van een schip is namelijk +altijd een hachlijke zaak, aan het goed slagen waarvan vrij wat +gelegen is. + +Het wel A-- van het scheepjen is van ouds her de dronk, aan een +vrouw toegebracht, die zich in gezegende omstandigheden bevindt. De +spreekwijze behoeft geen opheldering. + +2o. Afzakken, zich met den wind verwijderen. Voor den wind A--. + +Afloopen, b. w. -- De uitdrukking een schip A-- wordt wel gebezigd, +als het scheepvolk zich oproerig toont. + +Aflossen, b. w. -- Verpozen, ontslaan en de plaats of taak innemen +van den ontslagene. De wacht A--. + +Afnemen, o. w. -- Wordt de maan gezegd te doen, wanneer zy vol is +geweest en haar omtrek schijnbaar vermindert. + +Afpassen, b. w. -- Gereed maken, bepalen. Een bestek A-- (een bestek +zetten). + +Afraken, o. w. -- Zich verwijderen. Na een langen strijd Raakten de +beide schepen van elkander Af.--Wy moeten ons best doen, dat wy van +die kust A--. + +Afreizen, o. w. -- Heenreizen, uitzeilen. + +Afschaken, b. w. -- Bot geven, vieren. Een touw A-- (wanneer men +het vasthoudt, het vieren om het gemakkelijker door een blok te +laten glijden). + +Afschepen, b. w. -- Met een schip wegzenden. Goederen naar Engeland +A--. + +Spreekwijze: Iemand A-- (zich van iemand ontslaan, iemand met een +kluitjen in 't riet sturen). + +Afscheper, z. n. m. -- Bevrachter. + +Afslaan, b. w. -- 1o. Afweeren. 't Gelukte hun, des vyands eersten +aanval Af te Slaan. + +2o. Strijken, wegnemen, bergen, het tegenovergestelde van ophijschen, +bijzetten. De zeilen A--. + +Afslaan, o. w. -- Met geweld afraken. Hy is van zijn anker Afgeslagen. + +Afslechten, b. w. -- Verdunnen, b. v. een stuk hout. + +Afslechten, o. w. -- Bedaren. De zee slecht af (wordt stiller, +effener). + +Afsluitingdeelen, z. n. o. mv. -- De deelen van een schip, die bestemd +zijn om het Af te sluiten en waterdicht te houden. + +Afsnijden, b. w. -- Een schip: het in zijn koers hinderen, of beletten +dat het zich begeve waar het wil. Een schip van den wal A-- (zich +tusschen den wal en het schip plaatsen. Een schip den terugtocht A-- +(zich zoo te plaatsen, dat het niet ontwijken kan). Een Afgesneden +schip. (Een schip, dat door de beweging des vyands zoodanig van de +vloot waar het toe behoort gescheiden is, dat het zich daarmede niet +kan hereenigen.) + +Afstand, z. n. m. -- 1o. De betrekking, waarin zich eenig voorwerp tot +een ander bevindt ten opzichte van de plaats waar zy zijn. Op verren +A-- zijn. Dat schip ligt op een A-- van twee mijlen.--Op den bepaalden +A-- van zijn voorman blijven. Maans A--. De A-- der maan van de zon, +planeten en vaste sterren. Het observeeren der A--en dient tot het +vinden der lengte op zee en vereischt byzondere bekwaamheid. + +Spreekwijze: Hy neemt een goeden A-- (hy is een goed waarnemer of +observateur). + +2o. Of verlating. De daad van iets af te staan. Hy heeft A-- +van dat schip gedaan aan de Assuradeurs ('twelk geschieden kan +behoudens de bepalingen voorkomende in het Wetb. van Kooph. Boek II, +Tit. IX. Afd. V. Art. 663-680. + +Afsteken, o. w. -- Zich in een licht vaartuig verwijderen. Met de +sloep A--. + +Afsteken, b. w. -- Afwinnen. Iemand de loef A--. Zie Loef. + +Afstooten, b. w. -- Terugstooten. + +Aftakelen, b. w. -- Onttuigen, aftuigen. Een schip A-- (van zijn +takelaadje ontdoen). Zie Afgetakeld. + +Aftocht, z. n. m. -- Terugtocht, meestal zoodanig een die gedwongen +is. De vyandelijke vloot tot den A-- dwingen:--Den A-- slaan (door +trommelslag het sein tot den A-- geven). + +Aftonnen, b. w. -- Een vaarwater geheel van Tonnen voorzien. Men +mocht die baai wel A--. + +Aftuigen, b. w. w. -- De tuigaadje afnemen, onttuigen, onttakelen. Een +schip A-- (van zijn tuig ontdoen.) + +Afvaart, z. n. v. -- Vertrek van een schip of boot. De A-- van den +beurtman. De Aan- en A-- der stoombooten. + +Afvallen, o. w. -- 1o. Wordt van een schip gezegd, als het door +tegenwind omzwenkt. Het schip Valt Af. Over bakboord, over stuurboord +A--. + +2o. Ter zijde af wegzeilen, en met of tegen dank niet zoo dicht als +doenlijk by-de-wind houden. + +Afvieren, b. w. -- Een touw laten schieten. Lus van een touwgeer +afschrikken. + +Afvalling, z. n. v. -- Hieling, achterdeel der kiel, het stuk dat +wegvalt by 't afloopen. + +Afvaren, o. w. -- Van de legplaats vertrekken. De schuit Vaart Af. Het +uur van A-- heeft geslagen. Afgevaren breedte (de breedte waarvan +men is afgevaren). + +Spreekwijze: 't Bestek zetten naar de afgevaren breedte (van een vast +punt uitgaan). + +Afwaaien, onp. w. -- Onophoudelijk waaien. Het heeft in deze laatste +dagen al schoon wat Afgewaaid. + +Spreekwijze: van den wal Afgewaaid (niet tot zijn oogmerk gekomen). + +Afwenden, o. w. -- Als men by-de-wind zeilende in den wal ligt, +er over den anderen boeg uitzeilen. + +Spreekwijze: Tegen de nacht van den wal afwenden (tijdig voorzorgen +nemen). + +Afwerken, o. w. -- Tegen wind of stroom A--, d. i. zwaar naar binnen +komen, uit zee doorlaveeren, op een rivier door het uitbrengen van +trossen, ook, by stilte, doorboegseeren. + +Afwerpen, b. w. -- 1o. Schielijk en onverwacht ergends van daan zeilen +(veroud.). Afgeworpen worden heeft by het enteren dezelfde beteekenis +als afgeslagen worden by een beleg. + +Afwinnen, b. w. -- Van iemand winnen. Ik heb het hem in snelheid +Afgewonnen. Iemand de loef A--. Zie Loef. + +Afwijken, o. w. -- 1o. Scheuren, gapen: worden b. v. planken gezegd +te doen, als de naden zich uitzetten. + +2o. Zich verwijderen. De magneetnaald Wijkt Af. (Zy verwijdert zich +van het ware Noord.) + +3o. Met een werpanker, dat men met een sloep of boot uitbrengt, het +schip verhalen; b. v. als men met een schip in de nabyheid van klippen, +banken als andersins geänkerd is en men kans heeft met zwaaien of +wat harden wind er op te raken, als men met stilte niet verzeilen +kan of er geen plaats is om onder zeil te komen en het schip elders +ten anker te brengen, dan geschiedt dit met behulp van een werp. + +Afwijking, z. n. v. Deklinatie. -- Miswijzing van de kompassen. + +Afzakken, b. w. -- Afdrijven b. v. een stroom. Het was een fraai +schouwspel, die vloot de rivier te zien A--. + +Spreekwijze: Hy is Afgezakt (hy is zonder gerucht heengegaan). + +Afzakkertjes, z. n. o. -- Dronk, dien men by 't heengaan, of om de +spijs te doen zakken, gebruikt. + +Afzeilen, o. w. -- De haven verlaten. Er zijn met dien wind vele +schepen afgezeild. + +Afzeilen, b. w. -- Dat schip kan veel wind A-- (veel wind verdragen). + +Afzenden, b. w. -- Heenzenden, verwijderen. Een schip van de vloot +A--. Goederen A--. + +Spreekwijze: De volle laag A--, d. i. al het geschut te gelijk afvuren +(al zijn kracht op eens aanwenden). + +Afzender, z. n. m. -- Hy, die een lading, of goederen heeft Afgezonden. + +Afzetten, o. w. -- Zich afstooten. Ook: voor 't stooten vrij houden. Wy +moesten van den wal A--; Zet Af! (komm.). + +Akerkloot, z. n. m. -- (Veroud.) Eikelvormige kogel: heet nu +druivetros, en bestaat uit kleinere kogels, op een ronde schijf +opgehoopt en in zeildoek gebonden, waarvan het geheel den vorm heeft +van een aker of druivetros. + + + Kardoezen, akerkloots, mammierings en kardeelen. + + Antonides, Ystroom. + + +Aletta, z. n. v. -- Windveringen of galeiwolf. Verlenging van het +boeghout op den achtersteven der Levantijnsche vaartuigen. + +Allarm, z. n. o. -- 1o. Wapenkreet, van 't Ital. All'arme, "te +wapen." A-- blazen. Valsch, loos A--. Aan boord der Nederlandsche +oorlogschepen slaat de tamboer op zijn trom A--, waarop ieder naar de +hem aangewezen plaats in de geschuts- en gevechtsrolle gaat en zorgt, +dat alles op die plaats tot het gevecht gereed zij. + +2o. Oploop, beweging, misbaar, by het ontstaan van onraad of +gevaar. Een geweldig A-- verwekken. + +Allarmrol, z. n. v. -- Verdeeling van de Equipaadje in geval van +gevecht. + +Alle zeilen byzetten, byhouden. -- Zie Byzetten, Zeil. + +Alles tot een gevecht klaar maken. Een gedeelte der kooien afnemen +en naar de brassen brengen om tot verschansingen in te richten en +tevens tot dekking van de talrepen der wanten, de schotten tusschen de +vertrekken enz. wegnemen, alles uit den weg ruimen wat aan de vrije +beweging der strijdenden hinderlijk zoû kunnen, zijn, de pompen, +brandspuiten, grondschotproppen, stoppers, putsen, het slagverband +klaar maken, wapens uitdeelen en ieder op zijn aangewezen plaats. + +Alles wel! 1o. Gewone begroeting, welke de schepelingen van twee +elkander praaiende vaartuigen elkander toevoegen, en die zoo wel een +vraag als een antwoord in zich sluit. + +2o. Roep van de uitkijk voor op de bak, op de fokke- en marsenra by +het slaan der halfuursglazen. Wanneer er van het halfdek door den +wachthebbenden Officier gepraaid wordt: "wel uitkijker voor!" moet +deze, om te toonen dat hy niet slaapt, dit beantwoorden met A-- W--! + +Alles wel aan boord. -- Gewone uitdrukking om te berichten, dat op een +vaartuig, 't welk zich op reis bevindt, noch ziekte noch belangrijke +avery hebben plaats gehad. + +Almadie, z. n. v. of Kathurie. -- Soort van vaartuig, in Indiën en +op de kust van Guinea in gebruik. Het heeft een zeer fijnen romp, aan +beide einden in een punt uitloopende, en een vierkante verschansing. + +Aming, z. n. v. (veroud.) -- Hoogte van 't schip boven 't water. + +Amiraal, Ammiraal of Admiraal, (welke laatste schrijfwijze door +misbruik en navolging der Engelschen is ingeslopen, als zijnde +het woord afkomstig van Emir, dat Opperhoofd beduidt), z. n. m. -- +Vlootvoogd. Vroeger had men by ons te lande: + +Een A-- Generaal, welke waardigheid achtereenvolgends door de +Stadhouders van Holland is bekleed geworden. + +Een Luitenant A-- Generaal, hoedanig de zeehelden Marten +Harpertz. Tromp, Michiel Adriaansz. de Ruyter, Kornelis Tromp, +achtereenvolgends zijn geweest. + +Luitenant A--en en Vice-A--en van de onderscheidene Amiraliteiten, +door welke zy benoemd werden. Zie Amiraliteit. + +Sints de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden, worden, +ingevolge de Grondwet, de Amiralen, even als alle andere Officieren, +door den Koning benoemd. + +De benaming A-- wordt by onze schrijvers ook gebezigd om den +bevelvoerder van eenig afzonderlijk smaldeel aan te duiden. Zoo zeide +men b. v. De Kapitein A voerde als A-- den middeltocht aan, de Kapitein +B als Vice-A-- den voortocht en de Kapitein C, als Schout-by-Nacht, +den achtertocht. + +Spreekwijze: De A-- heeft geschoten. (De gastheer heeft zijn glas +opgenomen en daardoor het sein gegeven.) Elken avond gaat aan boord +van het Amiraalschip het wachtschot; dan moeten licht, vuur en pijpen +uit, en de nachtwacht begint. Evenzoo luidt elken morgen het dagschot +en ieder moet de kooi uit. Ook in een gevecht geeft het Amiraalschip +het sein om te beginnen. + +Amiraal, z. n. m. -- Zeildoeksche slagputs om water te hijschen by +'t schoon schip maken. + +Amiraalschap, z. n. v. (veroud.) -- Het verdrag, dat onder een vloot +schepen gemaakt werd, wie het opperbevel zal voeren, en naar welk +verdrag ieder zich in der tijd had te gedragen. + +Amiraalschip, z. n. o -- Schip, dat den Amiraal aan boord heeft +of verwacht. + +Amiraalsvlag, z. n. v. -- Vlag, welke de Amiraal laat waaien, en +waaraan men weten kan, op welk schip hy zijn verblijf houdt. + +Amiraalzeilen, o. w. -- Hardzeilery met kleine vaartuigen, hoedanig +van ouds o. a. op den Aemstel plach te geschieden. + +Amiraliteit, z. n. o. -- Kollegie, dat het opperbewind plach te +hebben over zeezaken. Onder de Republiek had men hier te lande vijf +zoodanige Kollegiën, t. w. de A-- van de Maas, van Texel, van Zeeland, +van Friesland en van het Noorder kwartier. + +Ammunitie, z. n. v. -- Zie Krijgsvoorraad. + +Amplitudo, z. n. v. -- De streek van den op- en ondergang der +hemellichamen, van het ware Oosten of Westen gerekend. + +Anker, z. n. o. -- IJzeren werktuig met dubbelen weêrhaak, dat, +uitgeworpen wordende, zich in den bodem der zee vastklemt en het schip, +waaraan het is vastgehecht, belet weg te drijven. Als zware A--s heeft +men aan boord der schepen: het Daagsch A--: het Boeg A--, het Tui A-- +en het Plecht A--, soms nog het Nood A--; als lichte A--s: het Stop- +en de Werp A--s.--Het A-- voor den boeg vieren (het gereed stellen als +men ankeren wil). Het A-- werpen, ten A-- komen, het A-- uitbrengen, +laten vallen (het in zee laten zakken). Het A-- gaat door, laat los +(het krast over den grond). Het A-- doen doordringen. (Het uitgeworpen +A-- al varende over den bodem van het water laten slepen, 't welk +geschiedt wanneer men, door snel stroomende rivieren varende, by het +ontmoeten van een ondiepte, onmiddelijk kan ten anker komen). Het A-- +staat stagswijze (de ketting van het A-- staat evenwijdig met het +fokkestag). Het A-- katten, verkatten. (Een werp-A-- op een zwaar A-- +zetten, om het doordreggen te beletten.) Het A-- kippen. (De bezorging +van 't A-- na 't katten: de hand van 't A-- over boord halen.) Het A-- +lichten (uit het water ophalen). Het A-- is klaar (als het gezien is by +'t ophalen en recht naar boven komt). Onklaar A-- (als het in het touw +of op andere wijze verward is. Hy is gezien! (het A-- is gezien by 't +uit het water komen.) Het A-- is recht op en neder! (wordt geroepen, +wanneer de ketting by 't ophalen recht op en neder staat). A-- is +voor (het is opgehaald en voor aan den boeg). Het A-- vrij houden (te +beletten, dat het tegen boeg of boord aanslaat). Het A-- t'huis halen +(het naar boord winden). Het A-- opkatten (het in den ring met het +katsblok onder den kroonbalk hijschen). Het A-- laten slippen (een boei +op het eind van het touw steken en dat de kluis doen uitloopen.) Het +A-- visschen (naar een verloren A-- zoeken en ophalen). Het A-- +kappen (het touw kappen, waar het A-- aan vast zit). Het A-- is blind +(zonder boei, zoodat men niet zien kan waar het is). + +Spreekwijzen: Hy is het A-- mijner hoop (hy is de man waar ik op +steun). Men weet dat het A-- het zinnebeeld is der hoop. + +Van zijn neus een A-- maken (niet verder willen zien dan zijn neus +lang is). + +Hy is zoo vet als een Spaansch A-- (hy is zoo mager als een hout). + +Op een A-- te land komen (tegen alle verwachting te recht komen). + +De kat op het A-- zetten (zijn koetjens op 't droog zetten--omdat +een gekat A-- dubbel zeker ligt). Ook wel: (een vast besluit nemen). + +Het A-- lichten (vertrekken, zich verwijderen). + +Ergends zijn A-- laten vallen (Ergends zijn intrek nemen). + +Het A-- is doorgegaan (de grond is hem ontzonken). + +Hy slacht de A--s, die altijd te water gaan en nooit leeren zwemmen +(hy komt nooit voort, hoe gunstig de gelegenheid ook zij). + +Zijn A-- houdt niet (wordt van een klaplooper gezegd, die weggestuurd +wordt). + +Hy moet zijn A-- kappen (hy moet overhaast de vlucht nemen). + +Hy ligt voor zijn laatste A-- (het is slecht met hem gesteld). + +Hy ligt voor twee A--s (hy heeft dubbele hulp). + +Hy heeft klaar A-- (hy heeft vasten steun in zijn zaak). + +Ankeraadje, z. n. v. -- Oude benaming voor het geld, dat men aan de +havenmeesters verschuldigd was voor het werpen van de ankers. + +Ankerarmen, z. n. m., mv. -- Armen van het anker: de gedeelten, +welke van onderen, aan beide zijden van de schacht zich boogswijze +verheffen en aan hun uiteinde van een weêrhaak zijn voorzien. + +Ankerbedding, z. n. v. -- De plaats waar het anker vastzit. Een +bekwame A--. + +Ankerbladen, z. n. o., mv. -- De driehoekige bladen of lepels aan +het uiteinde der armen van het anker. + +Ankerbrug, z. n. v. -- Uittimmering tegen den boeg, over welke de +hand van het anker wordt opgehaald. + +Ankeren, o. w. -- Het anker laten vallen, ten anker komen. + +Spreekwijze: Ergends geänkerd zijn (zich ergends bevinden, waar men +zich niet gemakkelijk van daan laat brengen). + +Ankergrond, z. n. m. -- Grond, tot ankeren geschikt. Wy vonden hier +een goeden A--. + + + De minste vlieten zijn bequaem tot ankergronden. + + Antonides, Ystroom. + + +Ankerhals, z. n. v. -- De plaats waar de ankerstok door de schacht +gaat, of omgekeerd. + +Ankerhanden. Hetzelfde als Ankerbladen. Zie aldaar. + +Ankerkip, z. n. v. -- Balk of stut waarover het kiptakel heen loopt. + +Ankerkruis, z. n. o. -- Kruis van het anker en plaats waar de armen +van het anker zich met de schacht vereenigen. + +Ankermoeren, z. n. o., mv. -- Zie Ankerneuten. + +Ankerneuten, z. n. v., mv. -- Koppen of moeren. Verdikking van de +schacht, daar waar de stok door heen gaat. + +Ankeroog, z. n. o. -- Oog van het anker; gat in de schacht, waar de +ring door heen gaat. + +Ankerpeiling, z. n. v. -- Het bepalen door middel eener kruispeiling, +waar het anker ligt. + +Ankerplaats, z. n. v. -- Plaats, waar een schip ten anker ligt. Wy +vonden hier een veilige A--. + +Ankerpunt, z. n. v. -- Punt of bek van het ankerblad. + +Ankerring, z. n. m. -- Ring boven het anker, door welken het kabeltouw +wordt heengestoken. + +Ankerroering, z. n. v. -- Touw en zeildoek, ter bekleeding van den +ankerring, dienende om het stukscheuren van het touw te beletten. + +Ankerschacht, Ankerstuk, Ankerroede, z. n. v. -- De ijzeren staaf, +die het lichaam van het anker vormt. + +Ankerschoen, z. n. m. -- Een hout, dat onder de hand van een anker +gebracht wordt, by vervoer of verplaatsing. + +Ankersmedery, z. n. v. -- Werkplaats, waar ankers vervaardigd worden. + +Ankersmid, z. n. m. -- Werkbaas of werkman, die ankers smeedt. + + + Het ankersmeden zich aenmeten de Tyrrhenen. + + Vondel, Lof der Zeevaert. + + +Ankersteek, z. n. m. -- Wijze van het touw op het anker te bevestigen. + +Ankerstok, z. n. m. -- Stok, uit twee deelen zamengesteld, en die +achter by de neut van het anker gebezigd wordt om de armen beter in +den grond te doen vatten. + +Spreekwijze: Hy is zoo vet als een A-- (zoo mager als een hout). + +Ankerstokbouten, z. n. m., mv. -- Bouten, waardoor het verschuiven +van den ankerstok in de schacht belet wordt. + +Ankerstokband, z. n. m. -- IJzeren band, dienende om de twee deelen +van den ankerstok te verbinden. + +Ankertalie, z. n. v. veroud. (Zie Pentertalie, Kat). + +Ankertouw, z. n. o. -- Kabel, waaraan het anker vastzit. + +Ankervoering, z. n. v. -- IJzeren bekleedsel der ankerbrug, om deze +van beschadiging vrij te waren. + +Antwoorden, o. w. -- Antwoord geven. Wanneer men een schip ontmoet, +hijscht men de vlag, en dan wordt dat schip, door zijn vlag te +vertoonen, gezegd te A--. In eigen spraak A-- (schieten op wie eerst +geschoten heeft). + +Apostels-, z. n. m., mv. of Judas-ooren. -- Opstaande houten, die de +eerste verbreeding van den voorsteven uitmaken. + +Appointé, z. n. m. -- In oorlogstijd werden soms twee kapiteins op +hetzelfde schip geplaatst; doch de een was kommandant, de andere werd +genaamd A--. Zoo noemde men ook wel een officier, die tot een andere +equipaadje behoorde. + +Spreekwijze: Hy vaart als A-- (hy is een leêglooper, een dagdief). + +Arbeid, z. n. m., Werk. -- Aan den A--! (komm.). Zie Zorren. + +Arbeiden, o. w. (veroud.) -- Een schip wordt gezegd in zee te A-- +als het veel slingert of rolt. + +Archipel, z. n. m. -- Eilandszee. De Grieksche A--, de eilanden van +den Indischen A--. + +Ark, z. n. v. -- Soort van keg, die in de nagels geslagen wordt. + +Arm, z. n. m. -- Palm, klaauw, tak, slinker, nok, handvatsel: +uitstekend of uitspringend end, balk, staaf of bocht, voornamelijk +zoodanige, als dienen om iets aan te vatten of te hanteeren. De A-- +van een knie, de A-- van een Anker (zie Ankerarm), enz. + +Artikelbrieven, z. n. m., mv. (veroud.) -- Verzameling van reglementen +en ordonnantiën op het zeewezen. + +As, z. n. v. -- Spil, waar eenig voorwerp om heen draait. + +Assuradeur, Assurantie, Assureeren, enz. -- Zie Verzekeraar, +Verzekering, enz. + +Astragaal, z. n. v. of Kamerband. -- Ring of band tot verzekering +van een stuk geschut. + +Atlantische zee, z. n. v. -- Zie Oceaan. + +Atlas, z. n. m. -- Gebruikelijke naam voor verzameling van +waereldkaarten. Een Zee-A-- (die alleen zeekaarten bevat). Een Hand-A-- +(dien men gemakkelijk hanteeren kan). Een Zak-A-- (dien men by zich +steken kan). + +Avary, avery of havery, van 't Ital. Avaria. -- Zeeschade, op wat wijze +ook te weeg gebracht. Volgens Art. 696 van het Wetb. van Kooph. worden +onder A-- begrepen alle buitengewone onkosten, ten dienste van +het schip en de goederen, gezamentlijk of afzonderlijk gemaakt; +alle schade, die aan het schip en de goederen overkomt gedurende de +tijdruimte by het II Boek, Tit. IX, afd. III deszelfden Wetb. ten +aanzien van het beginnen en eindigen des gevaars bepaald. Voorts stelt +Art. 698 twee soorten van A--, als A-- gros, die over het schip, +de vrachtpenningen en de lading wordt omgeslagen, en Eenvoudige +of Byzondere A--, die ten laste komt van het schip of van het goed +afzonderlijk, 't welk de schade geleden of de onkosten veroorzaakt +heeft. Wat verder tot dit onderwerp betrekking heeft wordt in het II +Boek, XI Tit. Afd. I en II van gezegd Wetb., Art. 696-740, behandeld. + +Spreekwijze: daar is A-- (daar is schade geleden); doch daar-en-tegen: +daar zal A-- vallen (daar zal voordeel vallen), 't welk niet te +verwonderen is; naardien schippers by zulke gelegenheden doorgaands hun +rekening wel zoo weten op te maken, dat zy er niet by te kort komen. + +Avegaar, z. n. m. -- Soort van boor, waar groote gaten mede geboord, +en die met twee handen moet omgedraaid worden. + +Spreekwijze: Iemand met een A-- door den neus boren (iemand grovelijk +bedriegen). + +Avontuur (op), bijw. -- Zonder bepaalde bestemming, op goed geluk. Op +A-- zeilen (zich op zee begeven, zonder bepaald te weten waar, of +welke vracht men bekomen zal). + +Axiometer, z. n. m., of Verklikker. -- Een wijzer op een plaat, +die tegen het stuurrad geplaatst is, welke wijzer aanduidt hoe de +roerpen ligt, zoodat de roerganger den wachthebbenden Officier op +dat punt nimmer misleiden kan. + +Azimuth, z. n. o. -- De streek, waarin zich een hemellichaam +bevindt van het Noorden naar het Zuiden. By de op- en ondergang +der hemellichamen is het A-- dier hemellichamen het komplement der +Amplitudo. + + + + + + + +B. + + +Baai, z. n. v. -- Zeeboezem, inham van de zee in het land, doorgaands +van binnen breeder dan aan haar opening. De B-- van Napels enz. + +Baaitjen, z. n. o. -- Verkleinwoord van baai (wollen stof), +oorspronkelijk gebezigd om het wollen buisjen, de gewone kleederdracht +der matrozen, aan te duiden, en, by toepassing, de gebruikelijke +benaming van alle bovenkleeding van 't zeevolk. + +Spreekwijze: Op zijn B-- krijgen (slagen krijgen). Zy hebben op hun +B-- gehad (Zy hebben de nederlaag geleden). + +Baaivanger, z. n. m. -- Oorspronkelijk een wolkvanger van Baai. (zie +Wolkvanger) en overdrachtelijk gebezigd voor den zeeman, die hem +aantrekt. Van daar, omdat de matrozen aan wal liefhebbers van zwieren +zijn, en het daarby ruw toegaat, een zwierbol: Hy is een rechte B-- +(een doordraaier). Men placht ook den naam van B-- aan een hooggetuigd +schip te geven. + +Baak, n. v., of Baken -- is elk teeken, dat aan Loods of Schipper +het vaarwater aanwijst. Het wordt ook voor kustlicht genomen. Zie ald. + +Spreekwijzen: Een schip (of wrak) op strand, een B-- (of Baken) in +zee (de ramp of het ongeval, den eenen overkomen, is den anderen tot +waarschuwing): omdat een schip, dat gestrand is, of vastzit, bewijst, +dat te dier plaatse zich een ondiepte bevindt, en dus de Schippers, +die voorbyzeilen, waarschuwt af te houden. Zie Cats Zinnebeelden. + + + Te louver, man te roer, te louver, lieve maet! + Kijck, hoe het met schip van onzen buerman staet. + Het sit daer op een sant, gegeesselt van de stroomen: + En daer en is geen hulp, hoe fier de gasten bomen. + Dus soo er nu een wint komt dringen nae de wal, + 't Is seker dat de kiel in stucken bersten sal. + Ghy sie dan naerstigh toe en let op uwe saken, + Een schip op 't droogh gestelt dat is een seker baken, + En 't is naer mijn begrip geen onvoorsichtig man, + Die op eens anders seyl de syne toomen kan. + + +De Baken komen uit (men kan geruster doorgaan) omdat, wanneer de baken +"uitkomen", of zich duidelijk vertoonen, het schip gerust zijn weg +vervolgen kan. + +Als het tij (of de stroom) verloopt, moet men de Bakens verzetten +(by veranderde omstandigheden moeten andere maatregelen genomen +worden). Dit verzetten van bakens is daarom noodzakelijk, omdat de +verandering van het tij (de beweging van op- en afloopend water) +ten gevolge heeft, dat de bevaarbare stroom zich, door aanvoer van +zand of slijk, verplaatst, en, wat vroeger diepte was, nu ondiepte +wordt. Geestig wordt dit uitgedrukt door Cats: + + + Sie, waer ik heden stae, daer speelden eens de baren. + Daer quamen alle daegh de schepen ingevaren; + Daer sag men menig hulck, die met syn vollen last + Quam stuyven uit de zee, de vlaggen op de mast. + Nu is hier enkel sant en niet dan drooge platen, + Van slibber overgroeyt en van den vloet verlaten; + Waer eertijds was de kolck is maer een enge sloot + Men siet er niet één schip, men siet er niet één boot. + + +Vuur aan wal, altijd geen B-- (schijn bedriegt). + +Baal, z. n. v. -- Zak, die overal is dichtgenaaid. Een B-- rijst, +een B-- koffy. + +Baar, z. n. v. -- Zeebaar of golf, is eene dier oneffenheden of ruggen, +welke zich boven het woelende water vertoonen en door wind of stroom +gevormd worden. De wentelende B--en en Door de B--en overstelpt zijn. + + + Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oogh de baren + Der zee kan overzien van al mijn wedervaren. + + +zegt Badeloch by Vondel. + +Spreekwijze: Geen B-- (ook wel golf of zee) komt hem te hoog (of te na) +(niets kan hem schaden). + +Hy meent dat hem geen Baren te hoog kunnen gaan (dat hy voor niemand te +wijken of te zwichten heeft). Zoo schrijft Hooft, "dat de Bondgenooten, +wanende, dat hun geene zee te hoog mogte gaan, zich onderwonden met een +nieuwe en ongelooflijke vermetelheid, een koningsgedeelte te vergen." + +Baar, z. n. v. -- 't Fr. barre, in zijn verschillende beteekenissen +van: 1o. staaf; 2o. bank, rug in zee; 3o. dwarsbalk (in de wapenkunde). + +Baar, z. n. m. -- Zoo wordt een nieuwling aan boord genoemd. 't +Woord schijnt van Maleischen oorsprong, in welke taal Baro +"vreemdeling, nieuw aangekomene" beteekent: Zoo heet het logement +voor nieuwaangekomenen: roema baro het kantoor der O. I. Kompagnie: +kantor-baro. + +Baarhaven, z. n. v. -- Haven, die door een baar of bank wordt +afgesloten. + +Baarsch, b. n. -- Onnoozel, dom: Een B--e streek (een domme streek). + +Baartse, z. n. v. -- Een soort van oorlogschip, by onze voorouders in +gebruik. In den Gelderschen krijg werd in 1518 by die van Hoorn en de +omliggende dorpen, ter bevestiging der kust, een groote B-- gebouwd, +die zeer hoog getuigd was en boven alle andere schepen uitstak. Zy +kon met riemen geroeid worden, was licht in evenredigheid met haar +grootte en voerde veel zeil.--De Schutteryen van "de Voetboghe" en +van "de Handboghe" te Amsterdam moesten oudtijds, en ter vergelding +der hun in 1480 afgestane visschery in "'t gouden water" (de Binnen- +en Buiten Amstel zoo ver Stadsvrijheid strekte) onderhouden twee +bairdzen met hetgeen er toe behoorde ter dienste der stad. Zie den +giftbrief by Wagenaar, Amsterdam, VI D. II Boek, bylage A. + +Baas, z. n. m. -- Meester, opperhoofd B-- van een werf; TimmermansB--. + +Baggeren, b. w. -- Modder ophalen, modder visschen. + +Baggernet, z. n. o. -- Net, waarmede gebaggerd wordt. + +Baggerschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede gebaggerd wordt. + +Bagijnbras, z. n. m. -- Bras van de Bagijnra: zie ald. + +Bagijnra, z. n. v. -- De onderste Ra aan den bezaansmast. De naam van +Bagijn is vermoedelijk aan die Ra gegeven, omdat zy geen zeil draagt +en alleen dient om het bovenwerk in te houden. Zoo worden runderen, +die horenloos zijn, bagijnen genoemd. + +Bagijnzeil, z. n. o. -- Zeil, dat tegenwoordig op vele nieuwe schepen +aan de Bagijnra gevoerd wordt. + +Baidar, z. n. m. -- Met leder bekleede Schuit, by de Kamschadalen +in gebruik. + +Bak, z. n. m.-- 1o. Het voorste bovendek, voor den fokkemast. + +2o. Eetbak, schaftplaats, balie. + +3o. Scheepsafdeeling. De Equipaadje is afgedeeld in B--ken, als +BootsmansB-- SchiemansB-- KonstapelsB-- MatrozenB--, volgends Bakrol. + +Spreekwijze: Iets achterbaks houden. (iets in zijn kist houden) +verbergen, er niet mede voor den dag komen. De kist van den Baksmeester +staat achter de Bakskist: hy heeft de keus by de rantsoenverdeeling +en bergt het zijne in de kist: welk aandeel alzoo niet ter tafel +gebracht wordt, niet aan den Bak komt. + +Zie Achterbaks, waar een andere verklaring van het woord voorkomt, +zonder dat ik beslissen wil, welke de ware zij. + +Bakbeest, z. n. o. -- Bynaam, dien men aan de zware ankers geeft. Van +daar ook toegepast op elk lomp, onbehabbeld voorwerp. + +Bakboord, z. n. o. -- De linkerzijde van 't schip, wanneer men van den +achtersteven ziet. Zy draagt den naam van B--, volgends sommigen, om +dat aan die zijde de Bak of Balie plach gezet te worden als men visch +of vleesch weekte of ververschte;--volgends anderen, omdat de Stuurman, +op kleine vaartuigen, wanneer hy aan het roer stond, zijn bak met eten +aan de linkerzijde zette, ten einde de rechterhand vrij te hebben om +het roer te regeeren; waarom dan ook de rechterzijde Stuurboord genoemd +wordt. Volgends een derde, en misschien de eenvoudigste verklaring, +zoude de oorsprong dezer benaming te zoeken zijn in den tijd der eerste +uitrustingen, toen de stuurlieden, onderofficieren en roergangers ter +rechterzijde in zeildoeksche hutten, en de matroozen ter linkerzijde, +in bakken afgedeeld, logeerden. B-- aanbrassen (De brassen aan B-- +aanhalen) Aan B-- overgehaald zijn, liggen. Een eiland aan B-- +laten. Niet over B-- gieren. B-- vieren! Aan B-- het roer! B-- wat +(hoû het roer een weinig naar B-- zijde) Haal op aan B-- (haal, roei, +beter, harder aan B--). + +Spreekwijze: Iemand van B-- naar Stuurboord zenden: (iemand om een +beuzeling heen en weder sturen). + +Bakboordsbrassen, z. n. m. mv. -- De touwen, die aan Bakboordzijde +bestemd zijn tot het omhalen der raas. + +Bakboordshalzen, z. n. m. mv. -- De halzen aan Bakboord. B-- +toe! (komm.) + +Bakboordsquartier, z. n. o. -- Zie Bakboordswacht. + +Bakboordswacht, z. n. v. -- of Bakboordsquartier. Die helft van de +manschap, welke aan Bakboord huist. + +Baken, z. n. o. -- Zie Baak. In 't Fr. D. wordt bakon reeds als +lichtend teeken, en wel voor de Ster der Oostersche wijzen, gebruikt. + +Bakenen, b. w. -- Met Bakens bezetten. + +Bakening of Bebakening, z. n. v. -- Het zetten van Bakens. + +Bakengeld, z. n. o. -- Geld, dat door de Zeevarenden betaald moet +worden tot goedmaking der kosten van afbakening. + +Bakliggen, o. w. -- Tegenliggen, wordt van een schip gezegd, wanneer +zijn zeilen de werking van den wind van voren ondervinden. + +Baksen, o. w. -- Een stuk van achteren omzetten, rechts of links +by het pointeeren. Zooveel mogelijk vooruit B-- (Het geschut zoo +schuins mogelijk op een vluchtend schip uit de geschutpoorten van +den voorsteven, op een vervolgend schip uit de achterpoorten, richten). + +Baksgast, z. n. m. -- Ieder matroos noemt al wie met hem aan denzelfden +Bak schaft, zijn B--, in den zin van Baksmaat. + +Baksjongen, z. n. m. -- Hy die het eten aanbrengt en den kok helpt: +Zie Baks-Zeuntjen. + +Bakskist, z. n. v. -- Kist, waarin het rantsoen wordt bewaard en die +tot etenstafel dient. Niemand mag op de B-- gaan zitten. + +Baksmaten, z. n. m. mv. -- Die aan denzelfden (etens-) Bak aanzitten. + +Baksmeester, z. n. m. -- Die het oppertoezicht over den Bak heeft, +het rantsoen verdeelt en orde houdt aan den Bak. Hy alleen mag zitten +onder het schaften. + +Bakspier, z. n. m. -- Een der stukken hout, die uitgevoerd worden +op de hoogte van den fokkemast en dienen tot het uitvoeren van de +buitenschoot van het onderlijzeil, of, wanneer men op een reede ligt, +tot het vastmaken en van boord vrij houden van sloepen. + +Bakstag, z. n. v. -- Benaming der touwen, die den boegspriet, het +kluif- en het jaaghout zijdelings steunen, en op den Bak worden +vastgemaakt. + +Bakstags, bw. -- Breed, ruim. Een B--wind hebben (ruimhouden, +ruimschoots zeilen.) + +Bakstagswind, z. n. m. -- Een tamelijk harde wind, zoodat de Bakstag, +daar het zeil tegenkomt, stijf staat en niet labbert. + +Bakstagskraag, z. n. m. -- Kraag of strop, waarmede de Bakstag op +den boegspriet bevestigd wordt. + +Bakstent, z. n. v. -- Tent, die voor den fokkemast wordt opgeslagen. + +Bakszeuntjen of Zeuntjen, z. n. m. -- Diegene die de schaftery haalt +en na het maal het scheepsgerij in den Bak moet schoonmaken. Ieder +doet dit op zijne beurt. + +Bakzeilhalen, o. w. -- Het zeil verkeerd halen, waardoor het schip +terugdeinst. 't Is niet van Bak, maar van 't Eng. Back. + +Spreekwijze: B-- inhalen (niet volharden by zijn opzet, achteruit +krabben.) + +Balancella, z. n. v. -- Napelsche schuit met één mast voorzien, puntig +aan beide zijden uitloopende en ongeveer 18 à 20 riemen voerende. + +Balans, z. n v. -- (veroud.) Benaming, die plach gegeven te worden aan +de verklaring, welke een schipper deed van de door hem aangebrachte +goederen. + +Balanceerspanten, z. n. o. mv. -- Spanten, door het oplichten waarvan +men plach te berekenen of een schip in aanbouw behoorlijk in evenwicht +stond. + +Balansrif, z. n. o. -- Schuinsch rif in het Bezaan- of Brikzeil. + +Balie, z. n. v. -- Groote watertobbe. Voorheen plach men dagelijks +in de B-- den noodigen drank voor de manschap te gieten. KoelB-- +(die het water bevat, bestemd om gedurende den strijd het geschut +af te koelen). LoodlijnB--, DeelB-- (waarin, na het looden, de natte +loodlijn wordt ingelegd). + +Baliën, uitbaliën, o. w. -- Met een Balie water uit een open vaartuig +gieten. + +Balk, z. n. m. -- Afgehouwen en vierkant gezaagde boom. Langste +B-- (de B--, die op de grootspanten rust, en waarvan de lengte de +hoofdbreedte van het schip bepaalt). B-- van de luizeplecht (die op +de hoogte van de bovenste battery 't naast aan den boegspriet gelegd +is.) B-- van de kampanje (de bovenste B-- van den achterspiegel, +die tot steun dient van de dekplanken der kampanje.) Halve B--, +halve Dek B-- (die tegenover den rand van een luik ligt.) Last B-- +en (die tot steun van groote schepen dienen en er de koebrug van +uitmaken). Gelaschte B-- en (die wegens hun lengte uit meer dan een +stuk moeten worden samengesteld). + +Balkhaak, z. n. m. -- Houvast, duivelsklaauw, kanthaak, trekhaak. + +1o. Zware ijzeren staak, waarmede men balken toelegt. + +2o. Groote ijzeren tang, waarmede men de stukken van een mast +verplaatst of op de hoogte brengt, waar zy wezen moeten. + +Balkschaal, z. n. v. -- Zie Schaal. + +Balkweger, z. n. m. -- Weger, waar een dekbalk op rust. + +Balkwegering, z. n. v. -- Het inwendig langsscheeps verband tegen de +boorden van het schip, en waarop de Balken komen te liggen. + +Ballast, z. n. m. -- Hierdoor verstaat men het zand, de steenen, +of andere ruwe waren, die onder in het ruim gebracht worden, om +het schip dieper in het water te doen zinken, ten einde het niet +te rank worde en geen nood hebbe van om te slaan. Met B-- varen, op +zijn B-- vertrekken (zonder lading vertrekken.) IJzerenB--, SteenB--, +Vliegende B-- (vaten met B-- gevuld, die men naar verkiezing naar deze +of gene zijde van 't schip, waar meerdere zwaarte vereischt wordt, +kan vervoeren). Op zijn B-- liggen (wordt van een schip gezegd, +dat nog geen andere lading bekomen heeft. De B-- schiet (valt van +de eene plaats naar de andere.) B-- verschieten (dien van plaats +doen verwisselen.) B-- is eigenlijk slechte, niets deugende last, +gelijk baldadig, slecht-dadig, en balsturig, slecht van bestuur. + +Spreekwijze: Hy is een onnutte B-- (hy is een onnut meubel, een last +voor de waereld.) + +Die B-- is uit den weg (dat bezwaar, dat verdriet, is opgeruimd.) + +Ballasten, b. w. -- Met Ballast laden, Ballast innemen. Dat schip +is goed Geballast (De Ballast is genoegzaam voor de behoefte.) Onze +voorouders plachten, wanneer zy in de Levant zijde hadden geladen, +hun schepen met marmer te Ballasten, en van daar die ontzettende +hoeveelheid marmer, welke men, tot zelfs in geringe woningen, te +Amsterdam aantreft. + +Spreekwijze; Hy is te zwaar Geballast (hy heeft te veel gegeten.) + +Ballasting, z. n. v. -- 1o. Bewerking van Ballast. + +2o. De daad van Ballasten. + +3o. Ongelden, op het Ballasten gevallen. + +Ballastkist, z. n. v. -- Afgescheiden schot of afgesloten vak in het +ruim, waar Ballast in geladen wordt. Op een stoomboot staat een B-- +op 't bovendek en op rollen om haar recht te houden. + +Ballastkleed, z. n. o. -- Geteerde stukken zeildoeks. Zie Presenning. + +Ballastlichter, z. n. m. -- Schuit, waarmede de Ballast gelost wordt. + +Ballastpoort, z. n. v. -- Poort of opening, waar de Ballast door +geladen wordt. + +Ballastschieters, z. n. m. mv. -- Volk, dat zich met Ballasten +bezig houdt. + +Ballastschuitjens, z. n. o. mv. -- Vierkante stukken ijzer, van 12,50, +25 of 50 Ned. Po. zwaarte, dienende tot het Ballasten van oorlogs- +of andere schepen, waar de noodige ruimte in bewaard moet worden. + +Ballon, z. n. m. -- Pleizierboot te Siam, zeer verheven aan de beide +uiteinden. + +Band, z. n. m. -- Hoepel, beugel. De B--en (de ijzeren hoepels om de +masten.) Zie BorgB--, RaB--, B--en in het ruim (houten of ijzeren +B--en, die over het zaadhout of over een oploop heen gezonken en +verder op de inhouten liggen. B-- in het voor- of achterschip. (Zie +Dekbanden.) + +Spreekwijze: Door den B--. (gewoonlijk, doorloopend.) + +Banden, b. w. -- Versterken. Een zeil B--, (er kruislingsche +stootlappen op zetten.) + +Bank, z. n. m. -- Droogte, plaat, klip, blinde rots in zee. ZandB--, +KoraalB--, SchelpB--, IJsB--, De groote B--, (onderzeesche berg ten +O. van Nieuw-Foundland.) DoggersB--, (groote B-- tusschen Engeland, +Finland, en Jutland.) + +Spreekwijze: Door den B--, moet zijn Door den Band. Zie Band. + +Banken, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het op een +Bank komt om te visschen. + +Barbier, z. n. m. -- Naam, die oudtijds aan den Scheeps-Chirurgijn +gegeven werd. + +Barge, z. n. v. -- of Berge. Soort van trekschuit, dienende tot vervoer +van personen en goederen en voor de binnenlandsche vaart bestemd. 't +Is oorspronkelijk hetzelfde als Bark. De B-- van Alkmaar op den Helder, +Kadetten B--, naam, dien het scheepsvolk wel eens geeft aan het logies +der Adelborsten. + +Barghout of barrighout, z. n. o. -- Een gedeelte der buitenhuid tegen +de kimmen van het schip, tevens dienende tot verband, als het schip, +gelijk met een band of gordel, omringende. De rechte spelling van +'t woord schijnt te wezen Berghout, als dienende die houten om 't +schip te bergen of te bewaren. Linieschepen hebben een BovenB-- ter +hoogte van het kuildek, en een OnderB-- ter hoogte van het tusschendek. + +Bark, z. n. v. -- Met deze benaming wordt in 't byzonder zekere soort +van lichte Grieksche en Spaansche vaartuigen, in de Middellandsche +zee varende, bestempeld. De koopvaardyschepen, die den grooten- en +fokkemast barksgewijs getuigd hebben, en daarenboven nog een achtermast +met bezaan- en gaftopzeil zonder raas voeren, worden B--en genaamd. Ook +wordt B-- in poëzy veelal voor het min edele "schuit" gebezigd. + + + Een lichte Barck van barstigh Bocken-leder. + + +zegt Vondel in zijn Lofsangh op de Scheepsvaart. + +Barkas, z. n. v. -- De zwaarste sloep aan boord van een schip, tot +alle zwaar werk bestemd, als het lichten en uitbrengen van ankers, +enz. De B-- wordt met draaibassen gewapend. + +Barkoen, z. n. m. -- Rondhout, windboom. + +Barkschip, z. n. o. -- Schip met twee overkant getuigde masten, +terwijl de derde mast slechts een schoenerzeil voert. + +Barlaventovloot, z. n. v. -- Benaming van een Eskader kleine Spaansche +vaartuigen. + +Barnen, o. w. -- Branden, koken (van de Zee.) + +Barning, z. n. v. -- Zie Branding. + +Barometer, z. n. m. -- Weerglas, werktuig, dat de drukking van +den dampkring meet en waarop de aanwijzingen, overeenkomstig die +drukking veranderende, in verband met de weersveranderingen worden +waargenomen. Haarbuizige B--, (die minder dan een streep diameter +van binnen heeft. (De B-- staat op mooi weer, op regen.) + +Barrighout, z. n. o. -- Zie Barghouten. + +Barring, z. n. v. -- 1o. Waarloos rondhout. Verzameling van rondhouten, +ingescheept om de bestaande in geval van nood te vervangen. + +2o. De plaats van het bovendek, gemeenlijk tusschen den grooten en +fokkemast, waar de waarlooze rondhouten geborgen worden. + +Bas, z. n. v. -- Soort van klein geschut, oudtijds veel op de schepen +in gebruik. Zie Draaibas. + +Batarde, z. n. v. -- (veroud.) 1o. Soort van galei, minder groot dan +de koninklijke. + +2o. Soort van geschut. + +Battery, z. n. v. -- Geschutlaag: wordt aan boord verstaan van al de +kanonnen, die aan bak- en stuurboordzijde op een en 't zelfde dek aan +de geschutpoorten liggen. Onder B--, eerste B-- (die het dichtst by de +waterlijn is), Tusschen deksB--, OnderdeksB-- (die op het tusschendek +ligt), Bovendeks B-- (die op het bovenste dek van een driedekker +rust.) De B-- is gesjord (vastgebonden tegen 't rollen.) De B-- staat +te boord (als de trompen buiten de geschutpoorten staan.) Gladdeks B-- +(onoverdekte B--). + +Bed, z. n. o. -- of Bedding 1o. De holte waar een rivier of beek +doorstroomt. + +2o. De bodem der zee. + + + De moegerende Son zoekt de avondlegersteê + En gaêrt zich nieuwe kracht in 't koelend Bed der zee. + + Vr. K. W. Bilderdyk. + + +3o. Indruk, welken een schip achterlaat in den modder, waarin het +heeft vastgezeten. + +4o. Helling, waar een schip op gebouwd wordt. + +Bebakening, z. n. v. -- In officiëel gebruik, even als betonning. Ik +zoû 't eenvoudige Bakening verkiezen. + +Bedaren, o. w. -- Kalm worden. De storm begint te B--. + +Bedden, z. n. o. mv. -- of Beddingen. Sledebalken. + +Bedding, z. n. v. -- Zie Bed. B-- noemde men voorheen ook een +verzameling van balken, met planken belegen en dienende om geschut +op te plaatsen, zoo als by de bombardeerkorvetten.--De mortierB--en. + +Bedisselen, b. w. -- Hout met behulp van een Dissel effenen en +scherp maken. + +Spreekwijze: Een zaak B-- [of Bedistelen als men gewoon is +verkeerdelijk te zeggen] (een zaak vereffenen, in orde brengen). + + + De ouwe wijven die weten toch alle dingh te Bedisselen. + + L. Franssoons Grietjen Wouters. + + +Beeldwerk, z. n. o. -- of Tarmen. Snijwerk, cieraden aan den spiegel +van een vaartuig. + +Beeting, z. n. v. -- Zie Beting. + +Begeven, o. w. -- Losraken, stukgaan. Het B-- van een mast, huid, +plank. + +Begeving, z. n. v. -- De daad van Begeven. + +Begieten, b. w. -- Nat maken. De scheepszijden B--. + +Begroeten, b. w. -- of Salueeren. Teekenen van beleefdheid, ontzach of +eerbied geven. Het B-- geschiedt op zee door middel van kanonschoten, +altijd in oneffen getal. De oorlogschepen, die door koopvaardyschepen +begroet worden, lossen gemeenlijk het derde van het aantal schoten, +die ter hunner eer gedaan worden. Een vloot, een vlag, een citadel +B--. Met scherp B-- heeft alleen ter eere van koningen plaats. Het +B-- geschiedt ook somtijds door het strijken van de vlag, en door +het laten vallen van het marszeil. Dat de Amiraal van Gent in 1671 +goed vond het Engelsche koningsjacht de Merlijn niet op die wijs te +begroeten, gaf (onder meer) aanleiding tot oorlog met Engeland. De +zee begroet den wal, (de schepen B-- de forten.) + +Behouden, b. n. -- 1o. Gelukkig, gunstig. B-- koers, breedte, +vaart. Een B-- aankomst (aankomst met het vaartuig waarmede men is +afgereisd). Iemand B-- reis wenschen (Voorspoedige reis). + +2o. Gered, veilig. Het schip is vergaan; doch de manschap B-- aan +wal gebracht. + +Spreekwijze: Een B-- man (die uit den nood, uit den brand is). + +Behouden, b. w. -- achtereenvolgend houden, bewaren. Wy bleven +denzelfden wind gedurende veertien dagen B--. Het gelukte my, mijn +koers te B--. + +Beitel, z. n. m. -- Timmermans gereedschap, dat van onderen scherp +en van boven ingericht is om er op te kloppen. + +Spreekwijze: Kom voor den B--. (Kom voor den dag: toon, wie ge +zijt.) Een vaatjen op den B-- zetten (ten beste geven). + +Beitelaak, z. n. v. -- Zie Aak. + +Bekaaien, o. w. -- Beteekent: op de Kaai of op den wal bederven en +wordt byzonder gezegd van visch, die zoo lang aldaar gelegen heeft, +dat zy begint te sterven. + +Spreekwijze: 't Is alles Bekaaid (bedorven). + +Hy komt er Bekaaid af. (Hy heeft er schande meê behaald: omdat Bekaaide +visch als een slecht onthaal wordt aangemerkt, waar de huiswaard geen +eer mede inlegt.) Doch zie Bilderdijk Gesl. op Kade. Ook Witsen legt +het woord anders uit en beweerd, dat een stuk hout, hetwelk aan boord +nergends past of sluit, gezegd wordt Bekaaid uit te komen. + +Bekaaier, z. n. m. -- B-- van den bezaan wordt de toppenant genoemd, +die aan de bezaansra vast zit. + +Bekabbelen, b. w. -- Kabbelende schuren. + + + En IJ- en Amstelstroom bekabbelen zijn gront. + + Sylvius, Amsterdam. + + +Bekbout, z. n. m. -- Bout, die met een bek of kromming eindigt. + +Bekeuren, b. w. -- Wegens overtreding een boete of andere straf +aanzeggen. + +Bekeuring, z. n. v. -- De daad van Bekeuren. + +Bekleeden, b. w. -- Bedekken, bewoelen, verzorgen tegen schuring +of beschadiging of wrijving. Het buitenwerk van een schip B-- (het +met dunne planken bedekken, er enden touw om heen woelen of het met +leder benaaien.) + +Bekleeding, z. n. v. -- Huid, bedekking. + +Beknijpen, b. w. -- Een end touw beklemmen tot dat het op een klamp +belegd is: twee touwen, b. v. de stuurrepen, op elkander binden. + +Belabberd, b. n. -- Of Labberlottig; wordt het weer gezegd te zijn, +wanneer de wind, in plaats van frisch door te waaien, slechts +labbert en met tusschenpozen waait: ('t is 't Maleisch Palabber, +vergadering--omdat daar by hen alles langzaam toegaat.) + +Spreekwijze: Het ziet er B-- uit (ongunstig, onaangenaam uit). + +Beladen, b. n. -- Zwaar geladen. Dat schip is te sterk B--. Die boot +is met te veel goederen B--. + +Beleggen, b. w. -- Aanslaan, naaien, sjorren: ook wel een touw +aan een paal of ander voorwerp vastmaken. De schoot, de bras B-- +(die vastzetten.) + +Spreekwijze: Het was: Hou en beleg. (het was: houd het touw en maak +het ter dege vast: oneigenlijk "goede raad was duur, men had handen +vol werk".) + +Daar is geen touw aan te B-- (Er is geen touw aan te vinden: overdr.: +Die kwant stuit niet veel: met hem is niet te geworden.) + +Belegklampen, z. n. v. mv. -- Kruisklampen, bestaande uit een dwarshout +en twee halvermaanswijze daarop geplaatste stukken. Zoodanige klampen +worden tegen het binnenboord van een vaartuig gespijkerd en dienen +om er enden touw aan te bevestigen. + +Beloop, z. n. o. -- Fatsoen van een schip en, meer bepaaldelijk, +de omloop van den achtersteven. + +Beloopen, b. w. -- Bezeilen. B-- worden beteekent: "overvallen worden", +b. v. door een storm. + +Bemallen, b. w. -- Zie Mallen. + +Bemannen, b. w. -- 1o. Van manschap of volk voorzien. + +2o. Van een loods voorzien. Het schip is Bemand (er is een loods +aan boord: omdat de loods, zoo lang hy dienst doet, als de Man by +uitnemendheid beschouwd kan worden.) + +Bemanning, z. n. v. -- Het scheepsvolk, dat zich aan boord bevindt. Dat +schip had maar geringe B--. Zie Manschap, volk. + +Bemasten, b. w. -- of Masten. Van Masten voorzien. Dat schip is nog +niet Bemast. + +Benarren, b. w. -- Benaauwen. Wy zaten benard (op lager wal.) + +Beneden, bw. -- Onder, omlaag, in het beneden gedeelte van het +schip. Zend het volk B--. + +Benepen, b. n. -- (Veroud.) Werd een schip gezegd te zijn, als het niet +vlotten of niet over droogten geraken kon door schaarsheid van water. + +Bengel, z. n. m. -- De klok op een koopvaardyschip. De B-- luidt om +te schaften. Zie Klok. + +Spreekwijze: Een kwade B-- wordt van een lastigen knaap gezegd, +die ons met zijn bengelen of janken verveelt. + +Benoorden, bw. -- 't zelfde als Noordwaart, ten Noorden. Wy praaiden +dat schip N mylen B-- de linie. De wind is B-- het oost. + +Benoorden-om, bw. -- Om Engeland heen. Wanneer, in oorlogstijd, het +Kanaal onveilig was, zeilde men Engeland om, wat de reis aanmerkelijk +verlengde. Hiervan de Spreekwijze: Hy gaat B-- (hy is langzaam in +zijn doen, in zijn spreken, in zijn werken.) + +Beoosten, bw. -- 't zelfde als Oostwaart, ten Oosten. Die eilanden +liggen B-- Java. + +Bepalen, b. w. -- Naar een vaste berekening zich van iets +verzekeren. De juiste ligging eener plaats B--, den afgelegden +koers B--. + +Bepekt, of Bepikt, b. n. -- Met pek besmeerd: Vondel bezigt in zijn +Lofsangh op de Scheepsvaart de uitdrukking Bepeckte Vlercken voor +"zeilen." + +Bergen, b. w. -- 1o. Stuwen, pakken. Dit schip kan nog al wat B-- +(nog al wat goederen inhouden). + +2o. Oprollen en vastmaken (een zeil B--), het in het dichtst mogelijk +bestek ineen vouwen en op zijn ra met touwen vastbinden. + +3o. Laten vallen: een vlag B--, die nederhalen en wegsluiten. + +4o. Redden, bewaren: bepaaldelijk gespaarde personen of goederen. Het +schip is te gronde gegaan; doch men heeft de ekipaadje nog kunnen +B--. Hierover handelen art. 545 en volgg. Wetb. v. Kooph. + +Berger, z. n. m. -- Hy, die gestrande goederen helpt Bergen. + +Berghout, z. n. o. -- Zie Barghout. + +Berging, z. n. v. -- Ruimte. Er is weinig B-- in dat schip. + +Bergloon, z. n. o. -- Gelden, die uitbetaald worden, tot vergoeding der +moeite en kosten aan het Bergen van gestrande goederen besteed. Het +B-- wordt alleen toegestaan in de gevallen, by art. 562 Wetb. van +Kooph. vermeld. De B--en behooren in de eerste plaats onder de +bevoorrechte schulden, die op de opbrengst van verkochte zeeschepen +kunnen worden verhaald. Zie art. 343 Wetb. van Kooph. Vergel. voorts +art. 547, 548, 750, 757. + +Berkhout, z. n. o. -- 't zelfde als Barghout. Zie ald. + +Berkoen, z. n. m. -- 't zelfde als Barkoen. Zie ald. + +Beschadigd, b. n. -- Zoo noemt men alles wat op de eene of andere wijze +schade geleden heeft en in minder goeden staat verkeert. Verkoop van +goederen, door 't zeewater B--. + +Beschadigen, b. w. -- Schavielen, wrijven, schade aanbrengen. + +Beschieten, b. w. -- 1o. Schotten zetten. Er waren zooveel passagiers +aan boord, dat men genoodzaakt was de kerk te B--. + +2o. Met planken bekleeden. Die kajuit is geheel Beschoten. + +3o. Met geschut bevechten. + +Beschouwen, b. w. of met den deel hebben -- voor "zijn deel ontfangen" +is een uitdrukking, in gebruik op onze zeedorpen. By de terugkomst +van een visscherman heeft de reeder de helft van de netto-opbrengst, +en de andere helft wordt onder het volk verdeeld, zoodat elk zijn +aandeel Beschouwt, d. i. bekomt, naarmate hy vaart voor kwart, half, +drie kwart of volle man. + +Beslaan, b. w. -- 1o. Bedekken, bekleeden. Een plank met ijzer B--. + +2o. Al de zeilen zijn Beslagen. + +3o. In beslag nemen. Zie Beslag. + +Beslag, z. n. o. -- Verletting, op-onthoud. Dat schip werd in B-- +genomen (de schipper werd belet weg te zeilen: of wel, hy werd +gedwongen zijn schip in dienst te stellen van de in beslag nemende +Mogendheid). Zie Embargo. + +Beslagbindsel, z. n. o. -- Bindsel, waarmede men zeilen Beslaat. + +Beslagen, b. w. -- met ijzer bekleed. + +Beslaglijnen, z. n. v. mv. -- Touwen of Lijnen, waarmede men de bezaan- +en stagzeilen Beslaat. + +Beslagseizings, z. n. v. mv. -- Gevlochten enden touw, tot vasthechting +der zeilen aan de raas. + +Besloten, b. n. -- Dicht. Een B-- reê (waaruit men de volle zee niet +zien kan. + +Besmeeren, b. w. -- Insmeeren, met smeer bestrijken. + +Besneden, b. n. -- Gevormd. Een fijn B-- schip (een schip dat een +fijne Snede heeft). + +Bestek, z. n. o. -- 1o. Berekening van de plaats, waar een schip zich +bevindt, welke dagelijks wordt opgemaakt overeenkomstig de opmeting +van den weg, dien het heeft afgelegd en den koers, dien het gehouden +heeft. Met het B-- voor- of achteruit zijn, zijn B-- vooruit loopen, +achter zijn B-- zeilen, (na gedane waarnemingen ontdekken dat de +gegiste plaats van het schip meer of min verwijderd is van de plaats, +waar het zich werkelijk bevindt). Die Loods, die Stuurman heeft zich +in zijn B-- vergist. Gegist B--: bevonden B--: verbeterd B--: B-- +opmaken: B-- zetten. + +2o. In schrift opgemaakte berekening van al de deelen, waaruit een +schip zal moeten bestaan en van de aan te wenden kosten. + +Bestemd, dw. -- wordt gebezigd, om het doel te kennen te geven. Dat +schip is naar Java B-- (het moet naar Java). Die goederen zijn tot +geschenken B--. + +Bestemming of Bestemmingsplaats, z. n. v. -- Plaats, waarheen iets +Bestemd was. Dat schip heeft zijn B-- bekomen. + +Bestevenen, b. w. -- Den steven ergends heen wenden, waar men met +goeden wind en groote zee kan heenzeilen, zonder van richting te +veranderen. + +Spreekwijze: Men bezeilt niet altijd wat men Bestevend had (men bekomt +niet altijd wat men verlangd had). + +Bestier, z. n. o. -- Zie Scheepsbestier. + +Betakelen, b. w. -- Een touw aan het einde omwinden, om het rafelen +te beletten. + +Betanen, b. w. -- Tanen, met Taan bestrijken. + +Beting, z. n. v. of Betings mv. -- Naam van twee sterke staanders, +door een zwaren balk verbonden, of soort van galg, voor den fokkemast +geplaatst en dienende om 't ankertouw of ketting aan vast te leggen. 't +Woord beteekent aflating, van het oude beeten (afdalen). + +Betingsbalk, z. n. v. -- Dikke zware dwarsbalk. Zie Beting. + +Betingsbout, z. n. m. -- Een der zware ijzeren bouten, die in de +Beting geslagen worden, om het daarom gelegde touw tegen het afslippen +te bewaren. + +Betingskop, z. n. m. -- De enden van de stijlen, waar zy boven den +Betingsbalk uitsteken; ook wel Monnik of Speen genaamd. + +Betingleggen, o. w. -- De ketting of het touw om den Betingsbalk +Leggen. + +Betingsknie, z. n. v. -- De Knie, die den Betingsstijlen steun verleent +en tegen omslaan bewaart. + +Betingsslag, z. n. m. -- De Slag, dien de ketting of het touw over +de Beting neemt. + +Betingsspenen, z. n. v. mv. -- Zie Betingskop. + +Betingsspoor, z. n. o. -- Een stuk of stukken houts, waarop het +vierkant ondereinde der Betingsstijlen is ingelaten. + +Betingsstopper, z. n. m. -- De eerste Stopper, dien men achter de +Beting op de ketting zet om het uitloopen te beletten. + +Beetingsstut, z n. o. -- De recht opstaande Stut, waaraan de +Betingsbalk is verbonden, en die boven den Balk uitsteekt; hy dient +om het zwaar touw daarom te leggen. + +Betingsstijl, z. n. m. -- Zie Beting. + +Betonnen, b. w. -- Met tonnen bezetten, afbakenen. Het B-- van dat +vaarwater heeft vrij wat gekost. + +Beugel, z. n. m. -- Band, hoepel. De B-- van het kompas (koperen +ring, waar het kompas aan twee zijden in bevestigd is en zich vrij +in beweegt. + +Spreekwijze: Dat kan niet door den B-- (dat kan er niet door). + +Iemand door den B-- jagen (iemand door den mostert slepen, door naauwe +en moeilijke plaatsen heenslepen). + +Beugelarm, z. n. m. -- Bevestiging van den Beugel aan het hout. + +Beugtijd, z. n. v. -- De tijd van November tot February, wanneer +de visschers onzer zeedorpen ter schelvisch en kabeljauwvangst +uitgaan. Zie Overloopers, Schrobtijd. + +Beuling, z. n. v. -- Ronde lijst, tusschen het rahout en de zetgang. + +Beun, z. n. v. -- of Bun, is de plaats in het schip waar de visch +levendig gehouden wordt, welke daarvan B--visch genoemd wordt. + +Beurtman, z. n. m. -- Eigenlijk de schipper, die op zijn Beurt tusschen +twee plaatsen varen moet; doch overdrachtelijk voor het schip zelf +genomen. De B-- op Zwol is afgevaren. De B-- ligt aan den steiger. + +Beurtschip, z. n. o. -- Hetzelfde als Beurtman. Zie ald. + +Beurtschipper, z. n. m. -- Schipper van een Beurtschip. + +Beurs, z. n. v. -- Openbare plaats, waar kooplieden, makelaars, +reeders, enz. te samen komen om hun zaken te doen. Ter B-- komen: +Ik heb hem op de B-- gesproken. + +Spreekwijze: Hy mag er gerust mede aan de B-- komen (hy mag er gerust +mede in 't openbaar, in 't gezelschap van menschen, komen). + +Beursvaatjen, z. n. o. -- Benaming van een vaatjen met buskruit, +dat van boven met een lederen Beurs of zak wordt toegebonden, opdat +er geen vonken in zouden vallen. + +Bevaarbaar, b. n. -- Waar gevaren kan worden. Die rivier is twee +mijlen van haar monding niet langer B--. + +Bevaren, b. w. -- Al varende of zeilende over een water gaan. De zee +B-- (over zee gaan). Hy is een water ingezeild, dat voorheen door +niemand was B--. + + + Quam nu een visscher, die voor viermaelhondert jaeren + Heeft met zijn kleine boot het eenzaam Y bevaeren. + + Antonides, Ystroom. + + +Bevaren, b. n. -- Die gewoon is te varen. B-- volk. Een B-- matroos +(die zijn roergang verstaat). + +Bevrachten, b. w. -- Laden. Het woord B-- wordt echter niet gebezigd +voor de daad der inlading zelve, maar voor het zorgen voor de +Bevrachting. Het is de koopman, die het schip Bevracht, maar het +zijn waagdragers, of sjouwerlieden, die het vol laden.--Een schip, +door de Handelmaatschappy, voor byzondere rekening Bevracht. + +Bevrachter, z. n. m. -- Hy, die een schip bevracht, of huurt +om te Bevrachten--in tegenstelling van Vervrachter. Zijn +verplichtingen worden omschreven in het Wetb. van Kooph. Deel +II. Tit. V. Afd. II. art. 464-498. + +Bevrachting, z. n. v. -- De daad van Bevrachten. De overeenkomst van +B-- wordt genaamd Cherte-party. Zie ald. De bepalingen aangaande de +B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Deel II. Tit. V. Afd. I +art. 453-463 en Afd. III. art. 499-506. + +Bevrijden, b. w. -- Vrij maken. Een schip B-- (van water, of van +den vyand). + +Bewaking, z. n. v. -- Maatregel, die somtijds omtrent binnenkomende +schepen genomen wordt, wanneer men vreest, dat zy hun lading +geheel of gedeeltelijk in 't geheim en zonder aangifte zullen +lossen. Zie de bepalingen daaromtrent in de Alg. Wet van 26 +Aug. 1822. Hoofdst. XV. art 153-156. + +Bewateren, b. w. -- met water vullen. De pomp B--. + +Beweerd, bw. -- Door kwaad weer verhinderd een plaats te verlaten. De +schepen lagen daar B--. + +Beweging, z. n. v. -- Zie Manoeuvre. + +Bewesten, bw. -- 't Zelfde als westwaart, ten westen. Wy werden B-- +de Kaap van een storm overvallen. + +Bewimpelen, b. w. -- Met wimpels voorzien. By feestelijke gelegenheden +worden masten en stengen Bewimpeld. + +Spreekwijze: Zijn opzet B-- (met bedriegelijken schijn omkleeden,) +Ergends onbewimpeld voor uitkomen. (De waarheid naakt en zonder +tooisel voordragen). + +Geen koopvaarder mag een wimpel voeren: by ontmoeting van verdachte +schepen hijscht hy somtijds den wimpel om zich voor te doen als een +oorlogs- of transportschip. + +Bewindhebber, z. n. m. -- Naam, die vroeger gegeven werd aan hem, +die zitting had in het besturend lichaam der Oost- of West-Indische +maatschappy. + +Bewoelen, b. w. -- Vast en aan alle kanten omwinden: 't geen +voornamelijk met touw, werk, enz. geschiedt. + +Bewoeling, z. n. v. -- De daad van Bewoelen. + +Bezaan, z. n. v. -- 1o. Het achterste zeil van een klein vaartuig. De +B-- op haar gat zetten (de schoot der B-- sterk aanhalen). + +2o. of Bezaanzeil. Het achterste gaffelzeil aan boord van een +driemastschip. + +3o. Groote B-- die met schoon weer gebruikt wordt en van licht zeildoek +vervaardigd is. + +Bezaanmast, z. n. m. -- De achterste Mast op een driemastschip. + +Bezaansmars, z. n. v. -- Zie Mars. + +Bezaansdempgordingen, z. n. v. mv. -- Touwen, waarmede de Bezaan +wordt weggenomen en de kracht van den wind uit het zeil genomen. + +Bezaanspispotten, z n. v. mv. -- De brassen van de bezaansra, nu door +een gaffel vervangen. + +Bezaansroede, z. n. v. -- of Gaffel. (veroud.) Ra van den Bezaansmast, +die thands niet meer in gebruik is. + +Bezaansrusten, z. n. v. -- Zie Rusten. + +Bezeild, b. n. w. -- Wordt van den wind gezegd, wanneer deze voordeelig +is voor den koers. Zie Wind. + +Bezeildheid, z. n. v. -- Vaart, gang, in goeden zin genomen. Dit schip +wint in het in B-- van de meeste anderen (zet meer vaart). Het heeft +zijn B-- verloren of terug bekomen. + +Bezeilen, b. w. -- Bevaren, koershouden zonder te wenden. Wy moeten +die haven zien te B-- (al zeilende bereiken). + +Spreekwijze. Hy heeft het Bezeild (hy is de zwarigheid te boven). + +Men kan geen haven met hem B-- (men kan met hem niet te recht komen). + +Men kan niet altijd zijn koers B-- (het loopt wel eens tegen). + +Bezem, z. n. m. -- gebruikelijk in de + +Spreekwijze: den B-- in den mast voeren (de zee schoon vegen). + + + Toen 't Oosten, ziende allengs den schat van Hollant groeien, + Verraderlijk bestont haar scheepvaart te besnoeien, + Beslaet in Pomeren en Pruissen, Zont en Belt, + De korenvloot van 't Y, en rooft ze met gewelt, + Dorst Amsterdam (hoe klein 't zich toonde voor twee eeuwen) + Zich met meer koggen, dan gantsch Hollant met de Zeeuwen + Te samen rukte, in zee begeven, en het strant + Des roovers plonderen, hun vlotten in den brant + Vernielen, en gekeert met zege, en trots gewroken, + Heeft op het hoog toppet den bezem uitgestoken + Als die de ruime zee, van schuimers lang geplaeght, + Nu zagh door haren moet geveiligt en gevaegt. + + Antonides Ystroom. + + +Bezet, bw. -- Vast, ingewikkeld, verhinderd. De vloot zat in 't ijs +B--: op de kust B-- zijn: op lager wal B-- zijn. + +Bezuiden, bw. -- 't Zelfde als zuidwaarts, ten zuiden. Dat schip lag +B-- het eiland. + +Bieden, b. w. -- Vertoonen, toekeeren. Wy oordeelden gepast, den vyand +de breedzijde te B-- (om hem te beschieten namelijk). De kapitein +deed het fregat de breede zijde B-- aan het fort. + +Biezetouw, z. n. o. -- Touw van biezen gemaakt, en in de Middellandsche +zee wel gebruikelijk. + +Bil, z. n. v. -- Ronding van het achterschip. + +Billen, z. n. v. mv. -- De uitpuilende deelen van het achterschip. + +Binden, b. w. -- Vastmaken met touw of andere wringbare +zelfstandigheid. + +Spreekwijze: Aan een plaats Gebonden zijn (er niet vandaan kunnen). + +Bindgaren, z. n. o. -- Bindtouw. Zie Garen, Touw. + +Bindsel, z. n. o. -- De uitkomst van het Binden. Een B-- leggen. Zijn +voor B--. Plat B--. B-- van een ankersteel. KruisB--. NokB-- enz. + +Binnen, vz. -- 1o. wordt dikwijls als bw. gebruikt, en de plaats, +waar iets binnengekomen is, daarby stilzwijgend verstaan. De schepen +zijn B-- (zy zijn de haven binnengekomen). Haal den Loods B-- +(binnen scheepsboord). + +Spreekwijze: Hy is B-- (hy is uit den brand, hy heeft zich gedekt). De +uitdrukking wordt meest gebezigd van een speler of spekulant, die, +hoe de kans ook loope, de door hem uitgezette gelden terug heeft en +nooit meer verliezen kan. + +2o. Voor "B-- bereik van": de schepen zijn B-- Schot. + +Binnenachtersteven, z. n. m. -- Beplanking, die van Binnen aangebracht +is en tot steun dient van den achtersteven. + +Binnengaets, bw. -- Binnen de monding van een zeegat of stroom. + + + Die wel ervaren maets + En Tritons van het meir ons sturen binnen gaets. + + Vondel. + + +Binnengeschutgang, z. n. v. -- Naam, op geschutdekken, aan de +tusschenwegers gegeven. + +Binnenhaven, z. n. v. -- Haven in een meir, baai of rivier. Rotterdam +en Dordrecht zijn B--s. + +Binnenkiel, z. n. v. -- of Plaat op de kiel: het deel, dat, tot +versterking der lasschen van de kiel enz. op de kiel komt te liggen +en zich voor en achter onder de slemphouten verliest. + +Binnenkomen, b. w. -- Uit zee in de haven komen. Binnengekomen: +de vrouw Maria, uit Riga. + +Binnenlandsch, b. n. w. -- Wat zich binnen de grenzen van het Rijk +bepaalt. Hy drijft alleen B--en handel. Dit schip is alleen voor de +B--e vaart gebouwd. + +Binnenlek, z. n. v. -- Naam, door de visschers gegeven aan het gedeelte +der zee tusschen het strand en de Breêveertien. + +Binnenloods, z. n. m. -- Loods, die zijn ambacht uitoefent op de +binnenwateren. + +Binnenloodsen, b. w. -- of Inloodsen. Zie Loodsen. + +Binnenloopen, b. w. -- Inzeilen. B-- wordt meestal gezegd, wanneer +het uit nood geschied. + +Binnenrahout, z. n. o. -- of Striem. Gang, wegers, langs den bovenkant +der poorten tegen het potdeksel van het opperdek gelegd, en over de +geheele lengte van het schip doorgaande. + +Binnensteven, z. n. m. -- De binnenkant van den Steven. Zie Steven. + +Binnenvaart, z. n. m. -- De vaart op de stroomen en wateren van +het Rijk. + +Binnenvoorsteven, z. n. m. -- Het verlengde van de binnenkiel, +loopende van het slemphout tegen den voorsteven op. + +Binnenwegering, z. n. v. -- Een langsscheeps-verband, loopende tegen +de spanten van den voor- naar den achtersteven. + +Binnenzeilen, b. w. -- Uit zee binnenkomen. + +Bit, z. n. o. -- Vooreinde. De scherpte van het schip, ook snit of +snede genaamd. Zie ald. + +Bitstuk, z. n. o. -- Zie Loefhouder. + +Bitterenden of Hondenenden, z. n. o. mv. -- Enden van kabels. Deze, +als niet vast ineen gedraaid, worden afgekapt en tot schiemansgaren +gebezigd. + +Blaasbalg, z. n. m. -- Vulling van hout, die onder de slooiknieën +wordt aangebracht om de ruimte aan te vullen tusschen de benedenste +dikte dier slooiknieën en de buitenhuid, en daardoor te beletten, +dat de zee er te veel kracht op oefene. + +Blaauw inzetten, b. w. -- (veroud). IJzer in het schip zetten of slaan. + +Blaauwschuit, z. n. v. -- Oude, echt Hollandsche benaming voor +scheurbuik. Zie ald. + +Bladstil, bw. -- Geen windtjen. + +Blafteren, o. w. -- (veroud.) Een schip werd gezegd te B-- als het +met den neus in den wind stond en de zeilen los lagen of sloegen. + +Blad, z. n. o. -- Plaat, platte bekleeding. Een ijzeren B--. B-- van +een riem (het platte en breede end van een riem). B-- van een anker +(Zie Ankerblad.) + +Blaken of Blakeren, b. w. -- Wordt men gezegd een schip te doen, +wanneer men het buiten om met brandend riet zengt, om het hout van +den worm te bevrijden. + +Blakeren, -- Zie Blaken. B-- is meer in gebruik. + +Blank, b. n. w. -- Zie Zeil. + +Blakhol, z. n. o. -- 't Eng. black hole, een donkere kerker aan boord. + +Blazen, b. w. -- (veroud.) Een schip B-- noemde men, wanneer het op +zij gehaald was om te kalfaten en vervolgends dicht gestopt, er met +blaasbalgen wind in persen om te zien of het dicht was. + +Blekhel, z. n. o. -- Zie Hel. + +Blikken, o. w. -- of Blikvuren. Met vuren seinen om by matig of donker +weer van andere schepen ontdekt te worden. + +Bliksem, z. n. m. -- Elektrisch lichtverschijnsel in den dampkring. + +Blikvuur, z. n. o. -- Seinvuur. Zie Blikken. + +Blikvuren, o. w. -- Zie Blikken. + +Blind, z. n. o. -- (veroud.) Het zeil, dat of onder of boven aan +den Boegspriet en zijn steng plach te zitten: het eerste of onderste +droeg den naam van: het groote B--: het tweede of bovenste dat van: +het kleine B-- De oorsprong dier benaming wordt daarin gezocht, +dat de B-- de maats in het uitkijken zeer belemmerde, even als men +"een blinde muur" zegt, van een muur, waar geen gat of venster in is. + +Blind, b. n. w. -- Zie Klippen, Ra, Steng, enz B--e Ra (die onder +den boegspriet hangt.) + +Blinden, z. n. v. mv. -- Luiken. + +Blink, z. n. m. 1o. -- Lichte plek aan een bewolkten hemel: ook het +licht, dat een streep wolken of dampen by 't opstijgen tusschen zich +en den gezichteinder laat. + +2o. Wit, onbegroeid duin. + + + Geen duin noch witte Blinck, noch Pharos kan voorwaer + D'aenstaende zwarichheit, den noot, het leet, 't gevaer + Van 't varen overzien. + + +Bloedvlag, z. n. v. -- of roode vlag. + +1o. Vlag, waarmede het sein tot den strijd gegeven wordt. De roover +hijscht, die om te doen kennen, dat hy geen genade geeft als men zich +verweert. De zeeroover ontdekte zich door de B-- te hijschen. + + + De bloetvlag uitgesteken + Geeft aen den vloteling weêrzijts het oorlogsteeken. + + Antonides, Ystroom. + + +2o. Vlag, die by de uitvoering van een vonnis wordt geheschen. + +Blok, z. n. o. -- In 't algemeen een klompvormig stuk houts: op +schepen wordt het meer byzonder gebruikt voor: katrol en beteekent +dan zoodanig Blok, 't welk van eene of meer keepen is doorsneden, +binnen welke eene of meer schijven van pokhout of gegoten ijzer +vastzitten, die zich vrij bewegen om houten of ijzeren, door het +lichaam van het blok heen loopende spillen. Van zoodanige katrollen in +'t mv. sprekende, zegt men niet: de Blokken, maar de Bloks.--Enkel B-- +(dat maar een schijf heeft). Dubbel B-- (dat er twee nevens elkander +heeft). GeinB--, JijnB-- (groot B-- dat er onderscheidene nevens +elkander heeft). Drieschijfs B-- Drieschijfs GeinB-- Dubbele B--s +voor geschuttalies. VioolB--s (die uit twee nevens elkander geplaatste +B--s bestaan elk met maar eene schijf). MarsschootsB--s (die uit twee +boven elkander geplaatste B--s bestaan) KatB-- (dat drie schijven +heeft.) Plat B-- (waarvan het lichaam plat is: als dit het geval is +met de B--s aan de hoofden der masten, en met de hanger B--s voor +de marse-draai-reep). KinnebaksB--s (waarvan de zijde opengesneden +is om het touw te laten doorloopen, zoodat men niet noodig heeft, +om dit door een opening in de keep te brengen). Schoot B--s (die men +voor de schoot van het Blindzeil plach te gebruiken). Spoelvormige +B--s (die den vorm van een schietspoel hebben. Op den top van +de bezaan gehecht, dienen zy om de bagijns-toppenants te doen +doorloopen). WartelB--s, DraaiB--s (die, in groot aantal en vertikaal +geplaatst, horizontaal kunnen draaien, als de B--s voor de buik- +en dempgordings. VoetB--s (die alleen dienen om een gespannen touw +een andere richting te doen nemen). LeiB--s (die geplaatst zijn om +een touw zijn richting te doen bewaren). Buikgording- en geitouwB--s +(die onder of op de nok van een ra geplaatst, dienen tot doortocht +der gordings of schooten en geitouwen van een bovenzeil). KardeelB--s +(die in 't midden van een ra zijn geplaatst voor de kardeelen der +onderraas en de draaireepen der marsen). ToppenantsB--s (waar de +toppenants door moeten). StengelwindreepB--s (die men bezigt om een +mars op te brengen). StagB--s (die aan het einde der stags geplaatst +zijn). GordingB--, DraaireepB--, GeitouwB--, TalieB-- enz. TopreepB--s +(dienende om een schip dat by 't kalefateren op zijde ligt, weder op +te heffen). DrilB--s (zware en lange B--s, waarmede men de schepen +in of uit de dokken trekt). KielB--s, (dienende om de masten op een +schip te brengen). StraatB--. HaakB-- enz. (waarvan de strop met een +zweep, een haak enz. voorzien is). Men heeft Twee-, drie-, vier-, +tot achtschijfsB--s. + +Spreekwijze: Het schijfjen in 't B--jen (de zaak is in orde). + +Blokhout, z. n. o. -- Hout, waar Bloks van gezaagd worden. + +Blokkenet, z. n. o. -- Net, dat in 't kabelgat hangt tot berging van +de kleine Bloks. + +Blokschijf, z. n. v. -- Schijf, die in het Blok zit. + +Blokstrop, z. n. m. -- End touw, dat men om een Blok splitst om het +ergends aan te bevestigen. + +Blokwangen, z. n. v. mv. -- De zijden van een Blok. + +Blijven, o. w. -- Vergaan. Er zijn vrij wat schepen Gebleven in +dezen storm. + +Bocht, z. n. v. -- 1o. Rondte, kronkeling. Het touwwerk in B--en +doen opschieten. + +2o. De ronde kant van eenig voorwerp. + +3o. Inham, kreek, inwaarts gebogen reede. De B-- van Guinea, de B-- +van Frankrijk. + +4o. Plaats op de rivieren, waar de schuiten worden binnengehaald om +veilig te liggen tegen ijsgang of overstrooming en om de vaart niet +te belemmeren. Hy heeft zijn schuit uit de B-- gehaald. + +5o. of TouwB-- die, welke men voor de Beting heeft, als men ten +anker komt. + +6o. Ontuig, drek. Ik kan die B-- niet drinken. + +Spreekwijze: Een B-- achter den arm houden--'twelk een noodzakelijke +voorzorg is by het vieren--(gepaste voorzorg nemen). + +Een ander aan de B-- springen (een bekwamer man by het B-- vieren +zetten). + +Bochtsteek, z. n. m. -- of Engelsche Kink. Een soort van Steek, +gebruikelijk by het vastmaken van Bloks. + +Bodem, z. n. m. -- 1o. Grond, vloer. De B-- van de zee; de B-- van +het schip. + +2o. By toepassing het schip zelf. Zy hadden vijf B--s verloren (voor +vijf schepen) 's Lands B-- (het schip). + + + Wy zijn by een gescheept, en ons gemeene waren + Die moeten over zee op eenen bodem varen. + + Cats. Samenspr. van Ziel en Lichaam. + + +Bodemery, z. n. v. -- Overeenkomst tusschen een geldschieter en +een geldopnemer, waarby een som gelds wordt opgeschoten, met beding +van premie en onder verband van schip of goed, of van beiden, met +dat gevolg, dat, indien het verbondene geheel of gedeeltelijk door +toevallen op zee vergaat of vermindert, de geldschieter zijn recht op +de opgeschotene penningen en op de premie verliest, voor zoo verre dit +een en ander niet op hetgeen overblijft kan worden verhaald; terwijl, +wanneer het verbondene behouden ter plaatse zijner bestemming aankomt, +de hoofdsom benevens de premie betaald moet worden. + +De bepalingen omtrent B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Boek +II. Tit. VIII. art. 569-591. + +Bodemerybrief, z. n. m. -- Akte eener overeenkomst van Bodemery. Zie +daarover art. 273 Wetb. van Kooph. + +Bodemstuk, z. n. o. -- 1o. Zool van een rolpaard. + +2o. (veroud.) Benaming van het achterste der drie deelen, waaruit +vroeger een stuk geschut bestond. + +Bodemstukken, z. n. o. mv. -- of Fundatiebalken: de zware balken, +waarop het geraamte van een stoomwerktuig gesteld wordt. + +Boeg, z. n. m. -- 1o. De buiging of borst van het schip: alzoo het +voorste gedeelte van 't schip, 't Beteekent "kromming" even als boog +en buiging. Een vette, ronde, holle B--. Een magere, scherpe B--. Met +den B-- in den wal liggen. + +2o. Boord. Over beide B--en. Van B-- veranderen, (over een anderen B-- +gaan liggen (wenden)). B-- tegen B-- loopen. + +3o. 't Voorste van de kuil, onder den bak, waar de kombuis zich +bevindt, en 't welk is afgescheiden van den ziekeB--. + +Spreekwijze: Iemand dwars voor den B-- komen (iemand in zijn gang +stuiten, tegenhouden). + +Op één B-- zeilen (eene streek houden). + +Het op een anderen B-- wenden (van koers veranderen, iets op een +andere wijze doen dan te voren). + +Het moet over dien B-- gaan, of gewend worden (die streek moeten wy +houden, op dien voet moet het beproefd worden). + +Het over alle B--en wenden (alle middelen by de hand nemen). + +Wy krijgen al het geld op een B-- (gelijktijdig, niet by gedeelten). + +Een mensch met een breeden B-- (een deftig mensch). + + + Dan scheen zy met een breeden boeg + Het vlot voor uit te trekken. + + Bilderdijk. Elius. + + +Boeganker, z. n. o. -- Een der vier of vijf ankers aan boord. + +Boegband, z. n. m. -- Voornaam, binnen-scheepsverband in den Boeg, +dienende tot steun der dekken. + +Boegen, o. w. -- (veroud.) Varen, zeilen. + + + Nu boegt hy, waar de zon de Cingalezen roost. + + J. de Marre. + + +Boeghouten, z. n. o. mv. -- Die lengten van het Barghout, die niet +gebogen worden. + +Boegkruisen, o. w. -- Het water met den Boeg kruisen, alzoo +Laveeren. Zie ald. + +Boeglegger, z. n. m. -- (veroud.) De schipper of het schip, dat het +eerst na den beurtman op een gezet uur varen moet. + +Boegmal, z. n. m. -- De Mal of vorm van den Boeg. + +Boegpomp, z. n. v. -- Pomp om zout water te slaan, gebruikt by 't +schoon schip maken. + +Boegseerboot, z. n. v. -- Boot, die tot Boegseeren dient of uitgezet +wordt. + +Boegseeren, b. w. -- Met behulp van sloepen van plaats doen +veranderen. De sloepen zijn aan het B--. (zy trekken een schip aan +touwen achter zich). De schepen kunnen die haven niet binnenkomen +dan met behulp van sloepen, die hen B--. + +Spreekwijze: Hy is er binnen Geboegseerd (hy is er schuins (half +dronken) binnen gekomen). + +Boegseertros, z. n. v. -- Tros, waar de sloepen by 't Boegseeren aan +gespannen zijn. + +Boegslag, z. n. m. -- Wending van den Boeg, gang. Zie Slagboeg. + +Spreekwijze: Met een B-- (met een slingerslag, met een gelukjen.) + +Boegspriet, z. n. m. -- Spriet of lange mastboom, die voor op den +Boeg uitsteekt en waarvan de bestemming is de zeilen verder buiten +boord te kunnen brengen: ook dient hy tot voornamen steun van het +tuig: waarom hy ook wel "sleutel van het tuig" wordt geheeten. Met +den B-- over het hek liggen (wordt gezegd van een schip, welks B-- +niet verder dan het dubbel zijner lengte van den achtersteven eens +anderen vaartuigs verwijderd is). Met zijn B-- in het want van een +ander schip onklaar raken. + +Boegsprietbanden, z. n. m. mv. -- IJzeren Banden, die om den koning +en de schalen van den Boegspriet heensluiten. + +Boegsprietkam, z. n. m. -- Klampen, dienende om het verschuiven der +kragen van de fokkestags te beletten. + +Boegsprietkussen, z. n. o. -- of spoor van den Boegspriet. Zie +Boegsprietspoor. + +Boegsprietspoor, z. n. o. -- of Oven, z. n. m. -- Twee staande stukken +houts, waar het ondereinde van den Boegspriet op rust. + +Boegsprietsprong, z. n. m. -- De hoek, dien de Boegspriet met de +waterlijn maakt. + +Boegsprietstijlen, z. n. m. mv. -- De Stijlen, die tot stut van den +oven of het spoor van den Boegspriet dienen. + +Boegsprietviolen, z. n. m. mv. -- of Vioolstukken. Platte stukken +houts, tegen het vooreinde van den Boegspriet aangebracht. + +Boegsprietwoeling, z. n. v. -- Najing of Sjorring. Touw, waarmede de +Boegspriet omwoeld of verbonden is aan dat gedeelte onder de scheg, +'t welk den naam draagt van Woelingknie. + +Boegstag, z. n. o. -- Touwwerk, dienende om den Boegspriet zijdelings +te steunen. + +Boegtouw, z. n. o. -- Wanneer een schip gemeerd ligt met een anker +vóór en achter, wordt aan het voortouw de naam van B-- gegeven. + +Boei, z. n. m. -- Drijvend stuk hout of kurk, takkebos of ledige ton, +in den regel een ovaal waterdicht vat, met groote hoepels beslagen, +en dienende om de gevaarlijke plaatsen, klippen, wrakken, enz. of +de plaats, waar een anker gezonken is, aan te wijzen. Houten B--, +Kurken B--, AnkerB--, TonneB--. Klare B--, (die gereed gehouden wordt +om in 't water geworpen te worden op het oogenblik dat het anker +zinkt). ReddingB-- drijvend lichaam van kurk, wasdoek enz., dat men +aan een man, die in 't water valt, toewerpt, opdat hy het aangrijpe +en er zich mede boven houde tot dat een sloep hem hulp brengt. + +Spreekwijze: Hy heeft een kop als een B-- (een hersenloozen kop). + +Boeien, z. n. m. mv. -- De ijzers, waarin een matroos wegens misdrijf +gesloten wordt. Iemand in de B-- sluiten. + +Boeien, b. w. -- of Opboeien. Het scheepsboord met planken hooger +maken. Zie Geboeid, Opboeien. + +Boeier, z. n. m. -- Klein lastschip, dat voor en achter is Opgeboeid, +van waar het zijn naam heeft. Het komt in vele deelen met een Smak +overeen. De Hollandsche jachten zijn onder dien naam beroemd. + +Spreekwijze: Een B-- is een zeeknoeier:--om dat een B-- minder +geschikt is om zee te bevaren; maar daarentegen zeer bekwaam voor +de binnenvaart. + +Boeiketting, z. n. v. -- Ketting, die een Tonneboei aan zijn anker +verbindt. + +Boeiklamp, z. n. v. -- Plank, die op de naden van een schip gespijkerd +wordt, om het binnendringen van het water tegen te gaan. + +Boeireep, z. n. v. -- Touw, dat den Boei met het anker verbindt. Zie +Reep. + +Boeireepknoop, z. n. m. -- Knoop, waarmede de Boeireep op het anker +bevestigd wordt. + +Boeisel, z. n. o. -- Planken, waarmede een schip wordt opgeboeid. + +Boeitang, z. n. v. -- Tang, waarmede planken als aan elkander +vastgeboeid worden. + +Boekanier, z. n. m. -- Naam, die vroeger door Z. Amerikaansche +zeeroovers gedragen werd. + +Boekhouder, z. n. m. -- Naam, door de visschers onzer zeedorpen aan +den reeder gegeven, als zijnde hy het uitvoerend bewind in alle zaken, +de vangst betreffende. + +Boelijn, z. n. v. -- Lijn, dienende om het loeflijk der vierkante +zeilen meer aan den wind te halen als men by-de-wind zeilt. Men +zegt in 't mv. niet Boelijnen maar Boelijns.--LoefB-- (die aan de +windzijde staat). LyB-- (die onder den wind is). Vaste B--s (die zoo +stijf staan als zy kunnen). Haal uit de B--s! (komm.). Met de B--s +uitgehaald zeilen (scherp by-de-wind zeilen). Zie Magerman. + +Boelijnspruiten, z. n. v. mv. -- of Leuvers. Touwen, die in den vorm +van een hanepoot het loeflijk van de zeilen met de Boelijn verbinden. + +Boeri, z. n. v. -- Soort van riviervrachtschip in Bengalen. + +Boeten, b. w. -- Verbeteren, gelijk Boete "betering" beteekent. Netten +B-- (de gescheurde mazen herstellen). + +Boevenet, z. n. o. -- Vroeger heette B-- een net, van traliewerk +gemaakt, dat over de opening van een schip geplaatst werd en bestemd +om af te weeren hen die opkwamen om te enteren of met andere slechte +voornemens; thands is het een bynaam voor het Enternet, 't welk by +nacht rondom het boord van een brik of ander laag vaartuig tegen het +overrompelen geheschen wordt. + +Boezem, z. n. m. -- Zie Waterboezem, Zeeboezem. + +Boezeroen, z. n. o. -- Soort van korte zeemanskiel. + +Bogen, z. n. m. mv. -- Ronde houtjens, waarin zich gaatjens bevinden, +door welke men het touwwerk kan laten gaan. + +Bohei of Boha, z. n. o. -- Geschreeuw. B-- maken (geweld +maken). Geen B-- aan boord! (geen rumoer, geen geschreeuw!) Dit +woord is oorspronkelijk maleisch. Wanneer men, met de sloep over den +modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de roeiers er uit +om te sleepen: 't welk uithoofde der menigvuldige kaaimans, die zich +aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer nu de Javanen, +die op den modderbank visschen, een sloep zien vastzitten, roepen +zy aan de Ekipaadje toe: bohaya; 't welk in 't maleisch "Kaaiman" +beteekent, ten einde men hun de sloep doe sleepen en zy er wat aan +verdienen. Uit dat herhaald en luid geschreeuw der Javanen is ontstaan, +dat de matrozen een schreeuwer, rumoermaker een B--maker noemen. + +Bok, z. n. m. -- 1o. Vaartuig, waar men schuiten of pramen, die aan +den grond zitten, mede boven water haalt: hetwelk niet kan geschieden, +zonder dat het vooreind meer en meer naar het water zakt en den kop +buigt als een bok, die stooten wil. + +2o. Twee aan de boveneinden verbonden rondhouten, barkoenen, +windboomen, waaraan een blok hangt, en wier onderste einden ter +wederszijden op het dek rusten: dienende tot het lichten van masten +of andere zware lichamen. + +3o. Of Zagersbok. Werktuig, ten gelijken einde dienende, doch bestaande +uit drie stutten of pooten, die in een driehoek uitstaan en zich in +den top piramidaalvormig vereenigen. + +Bokkebeenen, z. n. o. mv. -- In den top vereenigde en vorksgewijze +opgerichte spieren of staken, met katrollen voorzien en dienende om +masten uit te lichten of op te zetten, of om, by den aanbouw van een +schip, de stukken op hun plaats te brengen. + +Bokshoorn, z. n. m. -- of Boksoor. Hieronder verstond men vroeger een +ijzeren haak, die ter wederzijden van de rampaarden werd vastgehecht +om de touwen daaraan te beleggen. Hy had zijn naam van zijn gedaante, +daar de pen van dit werktuig achterover lag, even als de hoorn van een +bok. Tegenwoordig zijn de B--s van voren rondgebogen ijzeren bouten +in het boord der schepen, aan welke bouten de Broekings der stukken +gebonden worden om het inspringen te beletten. Zie Hoornen. + +Boksoor, z. n. o. -- Zie Bokshoorn. + +Bolkvanger, z. n. m. -- Bolk, of bolg beteekende oudtijds bui: een B-- +was dus een kleed, dat tegen buien beschutte. Vondel noemt, in zijn Lof +der Zeevaart, de matrozen 't Bolckvangerdragend gilt. Zie Baaivanger, +Wolkvanger. In 't zelfde gedicht noemt Vondel het: + + + Een draght, die sterven zal wanneer de schipvaert sterft. + + +Bollen, b. w. -- Korten, inkorten. De bezaan B-- (het zeil van de +bezaan minderen of minder ter windvang stellen). + +Bolster, z. n. v. -- (veroud.) Klos, of kussen, waar de boegspriet +op rust. Zie Boegsprietkussen. + +Bolwerken, b. w. -- (veroud.) Men noemde Een schip in zee B-- +(de goederen op last in een schip verleggen). + +Bom, z. n. v. -- Kogel, met brandbare en tot ontploffing bestemde +bestanddeelen gevuld. + +Spreekwijze: De B-- is losgebarsten (de zaak is uitgekomen). + +Als een B-- ergends invallen (als een onwelkome gast ergends +verschijnen). + +Bom, z. n. v. -- Visschuit. + +Bombalon, z. n. m. -- Zeetrompet, by de negers in gebruik. + +Bombarde, z. n. v. -- Bombardeergaljoot, z. n. v. -- Bombardeerschip, +z. n. o. -- Vaartuig, dat voor den grooten mast een paar mortieren +voert, bestemd om een havenmond te verdedigen, een ontscheping te +beschermen of een stad van de zeezijde te Bombardeeren. + +Bombardeeren, b. w. -- Met Bommen beschieten. + +Bombardement, z. n. o. -- Het beschieten met Bommen. Het B-- van +Koppenhagen, van Algiers. + +Bonnet, z. n. v. -- Lyzeil, broodwinder. Strook zeil, die aan de +zeilen kan geregen worden om ze te verbreeden of te verlengen. De B-- +aanrijgen, de B-- ontrijgen, afdoen. + +Boog, z. n. m. -- 1o. Straal, kromming. Zie Boeg. Ook strook, +neêrbocht. + +2o. (Veroud.) Lang hout, daar men het spil mede omdraait. + +Booi, z. n. m. -- 't Eng. Boy, jongen. + +Spreekwijze: B-- is kaptein (de knecht is baas). + +Boom, z. n. m. -- 1o. Lange stok of spier, die op de binnenvaart +gebezigd wordt om de vaartuigen voort te duwen, en die zijn naam +daarvan ontleent, dat hy van een geheelen boom gemaakt wordt. + +2o. Spaak van een spil. + +3o. Spier, dienende tot het uithalen van eenig zeil. Briksboom, +kottersboom. + +4o. Sluitboom, balk, waar de havens of het vaarwater mede afgesloten +worden. Met den avond wordt de B-- gesloten. + +5o. Huisjen, waar de Beämbten zitten, die op het openen of sluiten +van den B-- of op de in- en uitgaande goederen te letten hebben. + +Boomdirk, z. n. v. -- Boomreep. Het touw, dat het achtereinde van +den Boom steunt. + +Boomen, o. w. -- Met een Boom voortduwen. + + + Hy boomde met een vlot langs d'oevers. + + Vondel. Lof der Zeevaert. + + +Boomgeld, z. n. o. -- Geld, dat aan den Boom voor 't ontsluiten +betaald wordt. Zie Havengeld, Sluisgeld. + +Boomklerk, z. n. m. -- Koopmansbediende, die voor zijn kantoor de +verklaringen voor de In- en Uitgaande Rechten der binnen- of aan den +Boom komende schepen doet. + +Boomschoot, z. n. v. -- Het touw of de takel, waarmede de Boom +bedwongen wordt. + +Boomstag, z. n. v. -- Boventouw, Loefstag, Knoopspar. Touw op groote +vaartuigen, even als de Boomschors op kleinere, tot beteugeling +dienende van den Boom. Zie Bulletouw. + +Boomtouw, z. n. o. -- Touw, dat door de gaten van de Boomen (spaken) +van het gangspil wordt rondgeschoven om ze te verbinden, en zoo te +beletten dat ze er niet uitvliegen, wanneer, door 't breken van den +pal, het spil rondvliegt. + +Boon, z. n. v. -- (veroud.) Platbodemd schuitjen; van waar het +spreekwoord dat in Spieghels Byspraex-Almanak voorkomt: + + + Bonen by de kant, Houdt het schip midden waters. + + +Boor, z. n. m. -- Houten werktuig, met een ijzeren, van onder scherpe +halve buis voorzien, welke, op een vast lichaam geplaatst en snel +omgedraaid, daarin ronde gaten maakt. + +Boord, z. n. m. -- Rand of zijde. De B--en van den Aemstel. Als +ScheepsB-- genomen is het o. Met het B-- tegen den wal liggen. -- +Het B-- wordt echter meestal genomen voor het schip zelf. Aan B-- +komen. Naar B-- gaan. Het B-- verlaten. Iemand aan B-- nemen, of +onthalen. Van B-- gaan. Over B-- vallen of, beter nog, over B-- +dwalen (in 't water vallen). Iemand aan B-- leggen (by iemand aan +boord komen). + + + Zy leggen ons aan boord, die welervaren maets. + + Vondel. Lof der Zeevaert. + + Hier gelt bulderen, noch stampen, + Noch geen borstweer van een mijl; + Rustigh boort aan boort te klampen + Is der Batavieren stijl. + + Vondel. Scheepskroon. + + +Spreekwijze: Aan hooger B-- zijn (van toestand verbeterd zijn) uit +het Fr. ontleend is, waar de capitaine de frégate tot capitaine de +haut-bord (van een linieschip) bevorderd werd. + +Zich aan hooger B-- houden (zich houden met hen, van wie men het +meeste voordeel verwacht). + +Iemand aan B-- klampen (zich aan iemand vastklampen, iemand op 't +lijf vallen). + +Iemand aan B-- komen (iemand toespreken, lastig vallen). + +Iemand met een voorstel aan B-- komen (iemand een min welkom of +althands onverwacht voorstel doen). + +Het B-- kwijt raken (zijn middel van bestaan verliezen). + +Een man over B--, een eter te minder (een verlies lijden, waar men +minder om geeft en even luchtig over denkt als sommige kapiteins over +hun matrozen). + +Daar is veel over B-- (daar is veel verloren, of in de war.) (Zie +Overstuur). + +Achter de puttings over B-- raken (Zie Puttings). + +Boorder, z. n. m. -- of Scheepboorder: de man, die met het boren +belast is. + +Boos, b. n. en bw. -- Wordt van den wind, van het weer enz. gezegd, +als het ongunstig is. Wy hebben B-- weer op reis gehad. Wy hebben +het B-- te verantwoorden gehad. Het heeft B-- gewaaid. + +Boot, z. n. v. -- Grootste roeivaartuig op een koopvaarder, dat +by gelegenheid dient om ankers op te winden of uit te brengen, +watervaten in te nemen enz. Groote B-- (Zie Barkas): deze wordt meest +op koopvaardyvaartuigen gebezigd. + +Spreekwijze: Eerst in de B-- keur van riemen (wie eerst komt, die +eerst maalt: of wie er 't spoedigst by is, mag kiezen). + +Iemand in zijn B-- krijgen (iemand in zijn belang of tot zijn denkwijze +overhalen). + +Van de B-- komt men in de schuit (men komt van kwaad tot erger, of van +'t kleine tot het groote). + +De HuwelijksB-- of 't HuwelijksB--jen (is een gewone samenstelling voor +'t Huwelijk). + +Bootklampen, z. n. v. mv. -- De mikken, waarin de Boot op het dek +staat. + +Bootkrabbers, z. n. m. mv. -- 1o. Touwen, met een haak en een kous +voorzien, en bestemd om Booten aan een vaartuig vast te maken. + +2o. Touwen, waarmede de Boot op het dek is vastgesjord. + +Bootschoen, z. n. m. -- Plaat, die buiten boord wordt gehangen, en +tegen welke de Boot rust als zy tegen het schip uit het water wordt +geheven, om gebreeuwd, geteerd enz. te worden. + +Bootsgezel, z. n. m. -- 't Zelfde als Varensgezel of Matroos: omdat +die met het roeien in de Boot belast is. + + + Kees quam uyt zee en vocht in kerk en in kapel. + Kees was eerst bootsgezel, nu is 't een boos gezel. + + Jan Vos. + + +Bootsleper, z. n. m. of -- Vanglijn. Het touw, waarmede de Boot aan +het schip bevestigd is en achteraan gesleept wordt. + +Bootsman, z. n. m. -- Ook wel Hoogbootsman genoemd: toeziener en +aanvoerder der Bootsmansgasten en wien het toezicht is opgedragen op +zeil en treil van den grooten mast. By de manoeuvres blijft hy op het +dek en wordt alzoo onder de dek-officieren geteld. Op koopvaardyschepen +is hy de aanvoerder der bemanning en hoogste onderofficier. + +Bootsmansgasten, z. n. m. mv. -- De matrozen, die onder den Bootsman +staan en met hem aan denzelfden bak eten. + +Bootsmansmaat, z. n. m. -- De onderofficier, die op den Bootsman in +rang volgt, en met het toezicht over het achterschip is belast. + +Bootsmansstoel, z. n. m. -- Een plank, die tegen den mast hangt, +en waarop een matroos zit, als hy werk aldaar te verrichten heeft. + +Bootsvolk, z. n. o. -- De Bootsgezellen in 't algemeen: oudtijds meer +bepaaldelijk de bemanning eener Boot. + +Bordig, b. n. -- (veroud.) Plat, als een Bord. B--e zeilen (platstaande +zeilen). + +Bording, z. n. v. -- Benaming van zeker Pruissisch vaartuig. + +Bordgeld, z. n. o. -- Soort van verval, dat uit de beschouwing (de +opbrengst) der vischvangst voortspruit. + +Boren. b. w. -- Een gat, een opening maken door middel van een +Boor.--'t Wordt echter ook gebruikt van openingen, door kogels +gemaakt. Een schip in den grond B-- (zoodanig beschieten dat het lek +wordt en te gronde gaat). + +Borg, b. n. -- of Loos, wordt alles genoemd, wat niet dadelijk +gebruikt wordt, maar, in geval van nood, dient om iets dat onklaar is +te vervangen, en dan als 't ware Borg blijft, dat er geen ongerief +ontstaan zal. B--schoot, B--touwen (schoot, touwen, die, nevens de +andere, die, gespannen staan of dienst doen, los hangen). + +Borrel, z. n. m. -- Letterlijk, een belletjen, dat uit den grond komt +opborrelen; doch by toepassing, een glas geestrijk vocht. + +Borst, z. n. v. -- Wordt somtijds, by toepassing, voor het voorste +gedeelte van het schip, of den boeg, genomen. + +Bos, z. n. v. -- Bus of Buis. Hout, waar op kleine vaartuigen het +gat in komt tot waterloozing, of uitwatering op den overloop en verder. + +Bosbank. -- Zie Potdeksel, Schanddek, Dolboorden. + +Bossenwerk, z. n. o. -- Gepluisd touw, dat gepikt is, en waarmede +een oud schip geblakerd wordt. + +Bot, z. n. v. -- Vooreind, 't Fr. bout. Het touw heeft geen B--. Het +touw heeft niet B--s genoeg. Men moet het touw B-- geven. B-- vieren, +(laten schieten). + + + Ja, vier uw zeilen bot, bedien u van de winden. + + +zegt Bilderdijk, in zijn Ziekte der geleerden; doch min juist; want +wanneer men de zeilen B-- viert, gaat de wind er uit. + +Spreekwijze: Zijn lusten B-- vieren (er aan toegeven). + +Bos, z. n. v. -- Vierkant stuk metaal, in de schijf van een blok +ingesloten, en waardoor de pen gaat waarop het draait. + +Boterland, z. n. o. -- Land, dat men waant te zien, doch 't welk alleen +uit een gezichtsbegoocheling ontstaat, en als wegsmelt by 't naderen. + +Botloef of Botteloef, z. n. m. -- De balk, waar de fokkehals op +vaart. Zie Loef. + +Botstouwgat, z. n. o. -- Oude benaming van het gat, waar het ankertouw +doorloopt. + +Bottelary, z. n. v. -- Plaats of vertrek, waar de Bottelier zijn +spijs bewaart en uitdeelt. + +Bottelier, z. n. m. -- Eigenlijk iemand, die gesteld is, om de bottels +of flesschen te bewaren; doch, aan boord, de man, die in 't algemeen +het toevoorzicht heeft over de eetwaren, om ze aan den kok uit te +leveren, en die ook het brood, boter, kaas enz., alsmede den drank +aan de manschap ronddeelt. + +Spreekwijze: Als de kok en de B-- kijven, dan weet men, waar de +boter blijft, (als twee schelmen, die gewoonlijk het eens zijn, +twist krijgen, dan komen hun boevestukken aan 't licht). + +Botteliersmaat, z. n. m. -- of Onderbottelier. Behulp van den +Bottelier. + +Botteloef. Zie Botloef. B--krabbers, B--Schenkel of Strontstagen +(touwen, die bestemd zijn om den B-- te steunen). + +Botter, z. n. m. -- Een vaartuig met één mast en aan zijn ronden, +Botten boeg, zijn naam ontleenende; doch van achteren als een schokker +gebouwd. + +Bout, z. n. m. -- IJzeren of koperen staaf, tot verbindingsmiddel +dienende. Stompe B--en (die geen punt hebben, als alle +spantbouten.) Blinde B--en (die van welke, na het indrijven, alleen het +einde, waartegen geslagen is, zichtbaar blijft. De B--en verschillen +hierin van de spijkers, dat zy overal even dik zijn en niet verdunnend +toeloopen. Zy worden gewoonlijk van rood koper of ijzer gemaakt: +de ijzeren van rood- of achtkant staafijzer. Zie SpantB--, NaaiB--, +KoppelB-- enz. enz. + +Boutdrevel, z. n. m. -- Bout, waarmede andere Bouten uit hun plaats +gedreven worden. + +Boutjens, z. n. o. mv. -- (veroud.) Vierkante lappen zeil, die tegen +de lijken aangezet worden, waar het zeil om de aangeslagen touwen +sterkte noodig heeft. + +Bouts, z. n. o. mv. -- (veroud.) Touwen, gebruikt om het want te +voorzien als 't verbroken is. 't Woord is 't Fr. bouts (enden). + +Boutkogels, z. n. m. mv. -- of Kneppelkogel: twee kogels, door een +Bout verbonden. + +Bouw, z. n. m. -- 1o. Maaksel. Dat schip is van zwaren B--. + +2o. Konstruktie, scheepsbouw. Zie Scheepsbouw. + +Bouwen, b. w. -- 1o. Vervaardigen, timmeren. Een schip B--. + +2o. Bebouwen, beploegen. Zoo, by toepassing, Zee B-- (de zee bevaren, +omdat men die als 't ware met het schip beploegt). Antonides noemt +in zijn Ystroom Amsterdam: + + + De grootste zeevorstin, die alle watren bout. + + Hier bout de zeeraadt om de vrye zee te bouwen. + + Jan Vos. + + +Bouwlood, z. n. o. -- Zie Lood. + +Boven, byw. -- 1o. De masten met betrekking tot hen, die zich op +het dek, en het dek met betrekking tot hen, die zich onder in 't +schip bevinden. Een jongen naar B-- zenden (in den mast). Roep den +Luitenant eens B-- (op het dek). + +2o. De oppervlakte der zee. De man was gezonken: gelukkig kwam hy +nog even B--, zoo dat men hem grijpen kon. + + + Waarom koomje boven drijven + Jonghe bliecken, kleyne vis? + Ghy mocht beter onder blijven, + Daer u eyghen wooningh is. + + Cats. Emblem. + + +Boven (te) zijn. Een hoek, klip, punt T-- B-- zeilen (die bovenwind +te loefwaarts omzeilen). + +Spreekwijze: Hy is dien klip T-- B-- (hy is dat gevaar ontkomen). + +Bovenbarghout, z. n. o. -- Zie Barghout. + +Bovenblind, z. n. o. -- (veroud.) Het zeil, dat vroeger gevoerd werd +boven de Blinde ra. + +Bovendek, z. n. o. -- Het bovenste Dek op een schip. + +Bovenhalen, b. w. -- (veroud.) Te boven zeilen. + +Bovenkajuit, z. n. v. -- De kajuit, welke de geheele breedte van het +achterschip beslaat en tusschen de kampanje en het bovendek begrepen +is. Op de koopvaardyschepen, die geen kampanje hebben, is somtijds +achterop een groote hut getimmerd, die de B-- wordt genoemd. + +Bovenkruiszeil, z. n. o. -- of Grietjen, welke laatste naam de meest +gebruikelijke is: het zeil, dat tusschen de Grietjensra en Kruisra +hangt. Zie Grietjen. + +Bovenlijk, z. n. o. -- of Ralijk, Het touw, dat aan de bovenzijde van +een zeil is vastgehecht en het door banden aan de ra verbindt. Zie +Lijk. + +Bovenrabanden, z. n. m. mv. -- Enden touw, dienende om de bovenhoeken +der zeilen aan de Raas vast te binden. Zie Nokbindsels. + +Bovenschip, z. n. o. -- Huizing of Doodwerk: het gedeelte van het +schip, dat zich boven water bevindt. + +Bovenspil, z. n. o. -- Het spil, dat op het dek staat, ter +onderscheiding van het Onderspil. Zie Spil. + +Boventuig, z. n. o. -- Tuig der Bovenmasten. + +Spreekwijze: Zijn B-- is in de war (hy is niet wel by 't hoofd). + +Bovenzeilen, z. n. o. mv. -- Zie Zeil. + +Braadspit, z. n. o. -- Rolspil, verdraagbaar windas op de +koopvaardyschepen. + +Brabbelen, b. w. -- Opborrelen, koken. De zee begint te B--. + +Brak, b, n. -- Ondrinkbaar. B-- water, (zoet water, met zout water +of andere bestanddeelen vermengd). + + + Reeds lang zagh ik myn naam en grootheit aengebeên, + Eer nog uw brakke poel van visschers wert betreên. + + +Zegt de Seine tegen 't Y in Antonides. Ystroom. + +Bram, z. n. v. -- of Bramzeil, z. n. o. -- Het zeil boven het +marszeil: vroeger het hoogste zeil op een mast, dat men by stil weer +opzette. "Daer by compt nog, dat men de schepen maekt mars boven mars, +bramseyl boven bramseyl, alles streckende alleen om syraet en oppronck, +ende nyet tot bequaemheyt, jae streckende tot groote onbequaemheyt, +alsoo hierdoor de schepen soo rank worden gemaeckt, dat het onderste +geschut nyet en kan gebruyckt worden daer mede het meeste, jae alle +het gewelt moet gedaen worden." Memorie ende Aenwysinge hoe dat +Lants schepen best souden dienen gebout om den vyant den meeste +afbreuck te doen. Men voert heden niet alleen B--zeilen, maar ook +BovenB--zeilen. De B--zeilen worden gevoerd tusschen de B--raas en de +Marseraas. Zy worden onderscheiden in 1o. Voor B--zeil, dat aan den +fokkemast, 2o. Groot B--zeil, dat aan den grooten mast, 3o. Grietjen, +dat aan den kruismast gevoerd wordt. + +Spreekwijze: Hy voert B-- boven B-- (hy maakt veel uiterlijke +vertooning). + +Hy is een rechte B-- (hy is een windmaker, een bluffert). + +Bramsteng, z. n. v. -- De mast van het Bramzeil, en alzoo verlenging +van de steng. + +Bramzaling, z. n. v. -- De mars van de steng. + +Bramzeil, z. n. o. -- Zie Bram. + +Bramzeilskoelte, z. n. v. -- Een matig windtjen, waarby de schepen +Bramzeil kunnen voeren. + +Bramzijgertjen, z. n. o. -- of Brandezijgertjen: naam, dien de +visscherslieden geven aan de fosforieke dampen, die nu en dan uit +zee opstijgen en samensmelten, en waarin de visscher, ze door zijn +verbeelding vergrootende, gestalten des duivels meent te zien. + +Brandaris, z. n. m. -- 1o. Groote lantaren, hangende onder de mars +van het Amiraalschip. + +2o. Vuurtoren. De B-- van ter Schelling. Zie Kustlicht. + +Branden, b. w. -- Een schip met brandend riet zengen om den worm +te verdrijven. + +Branden, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer zy schuimende +over droogten en klippen heenrolt. + +Brandrol, z. n. o. -- Lijst van hen, die, aan boord, tegen Brand +moeten waken. + +Brander, z. n. m. -- Een vaartuig, toegerust met buskruit en andere +ontvlambare stoffen, 't welk op de vyandelijke bodems wordt afgezonden +om die in brand te steken of te vernielen. + +Spreekwijze: Een B-- aan boord krijgen (in groot gevaar verkeeren). + +Het is een B-! hou af (laat u niet met hem in). + +Brandhaken, z. n. m. mv. -- Haken, waarmede men Branders afweert. + +Branding, z. n. v. -- of Barning. Het op- en nedergaan der woelende +golven, waar zy tegen het strand of de banken breken, en daardoor +het landen bemoeilijken. + +Spreekwijze: Hy geraakt in de B-- (in verlegenheid). B-- in +lij! (dadelijk wenden, 't gevaar ontwijken!) + +Brandstof, z. n. v. -- Al wat tot verwarming of verbranding dient. + +Brandijzer, z. n. o. -- Haardijzer, of Wolfsklaauw: IJzer, waarmede +men aan de buitenhuid van een schip, by 't Branden, haar fatsoen geeft. + +Bras, z. n. m. -- Men geeft dien naam aan twee touwen, die, elk +aan een der beide uiteinden eener ra gehecht, dienen om deze om de +masten, waar zy aan hangen, te doen draaien, ten einde aan de zeilen +zoodanige richting te geven als de omstandigheden vorderen. Groote +B--sen (der groote raas). FokkeB--, MarseB--, BramB-- enz. LoefB-- +(die aan de windzijde is) LyB-- (die aan de tegenovergestelde) +Stuurboords of BakboordsB-- (die rechts of links is. Looze B-- (die +uit voorzorg nevens een anderen gesteld wordt). Een B-- aanhalen, +vastmaken, beleggen. Den LoefB-- stijf aanhalen. + +Spreekwijze: Hy heeft er den B-- aan (Hy wil er niet meer aan +doen;--omdat als men de zeilen zoo na mogelijk by-de-wind gezet +heeft en de B--sen dus "aanstaan"; men, te dien opzichte althands, +het mogelijke verricht heeft). + +De B--sen vastzetten (In de richting blijven). + +Een wilde B-- (Een wildzang: omdat een B--, die los is, in 't wilde +hangt, en heen en weêr wappert). + +Brasklamp, z. n. m. -- Zie Stootschaal. + +Brasschenkels, z. n. m. -- Enden touw, die aan den kop van den mast +hangen en waaraan het blok is gesplitst, door 't welk Brassen loopen. + +Brassen, o. w. -- Zie Aanbrassen, Opbrassen, Breedtuigen. + +Breêboeg, z. n. m. -- (veroud.) Schip met een breeden Boeg. + +Breed, bw. -- Zijlings, van ter zijde. B-- liggen (De zijde bieden, +'t zij aan een ander schip, 't zij aan den wind). + +Breede wimpel. -- Zie Wimpel. + +Breedte, z. n. o. -- of Poolshoogte. Noorder- ZuiderBreedte. + +Breedte der kiel, z. n. v. -- De afstand tusschen de zijvlakken in +het midden der kiel. + +Breedtuigen, bw. -- Of Vierkant Brassen: De zeilen zoodanig uitzetten, +dat zy zich in 't vierkant aan den wind blootstellen. + +Breêfok, z. n. v. -- Een groot zeil van licht doek, dat, op kleine +vaartuigen, gebezigd wordt om voor-de-wind te zeilen. + +Breêgang, z. n. m. -- Dat gedeelte van de buitenhuid by linieschepen, +'t welk tusschen het bovenbarghout en onderbarghout begrepen is. + +Breekbeitel, z. n. m. -- of Steekbeitel. Een werktuig, bestaande uit +een plat, smal en gekromd ijzer, aan een staaf gehecht, en waarmede +het werk, dat vernieuwd moet worden, uit de naden der planken gekrabt +wordt. + +Breekstoppers, z. n. m. mv. -- of Springstoppers. Halfsleten Stoppers, +die by harden wind op het ankertouw worden gezet, om het geweld van +den eersten schok te breken, als het schip voor zijn anker opdraait. + +Breekwater, z. n. o. -- Waterkeering: Een hoofd, waar de golven op +breken en de sloepen dus veilig achter kunnen liggen. + +Breekijzer, z. n. o. -- Schietbeitel of Fermoirbeitel. Soort van +grooten Beitel, dienende om keepen te maken. + +Breeuwen, b. w. -- Kalefaten: De reten, naden, spleten en voegen met +werk dicht stoppen. + +Breeuwer, z. n. m. -- Die met het Breeuwen of kalfaten belast is. + +Breeuwhamer, z n. m. -- Zie Hamer. + +Breeuwstoel, z. n. m. -- Een plank, die buiten boord hangt, en waar +de Breeuwer op zit als hy zijn werk verricht. + +Breeuwijzer, z. n. o. -- Zie IJzer. + +Breken, o. w. -- Wordt van de golven gezegd, als zy tegen klippen +of rotsen stuiten en uit elkander spatten. De zee, de golven B-- +op die rots. + +Breker, z. n. m. -- voor Golf. De B--s slaan over de hooge rotsen +heen.--Een B-- aan boord krijgen. (Een golf, die boven het boord +Breekt en op het schip stort). + +Bridsen, b. w. -- of Laarzen. Iemand met een eind touw op de +natgemaakte broek kastijden. + +Brieven van schadeverhaling, z. n. m. mv. -- Brieven, waarby door den +Soeverein het recht gegeven werd, om den vyand afbreuk te doen op zee. + +Bries, z. n. v. -- Koelte, wind. Het waait een stijve B-- (Er waait +een frissche wind). + +Briesjen, z. n. o. -- Een klein windtjen. Dat B-- was juist genoeg +om ons in de haven te brengen. + +Brigantijn, z. n. m. -- Italiaansch vaartuig, oorspronkelijk een +roofvaartuig, gelijk de naam (Briganten-schip) aanduidt; doch later +voor alle kleine onoverdekte vaartuigen genomen. + +Brik, z. n. v. -- Met Brigantijn verward; doch verkeerdelijk. B-- +is van 't Fr. barrique, "last" en beduidt dus oorspronkelijk +Lastschip. Thands geeft men dien naam aan een groot vaartuig met twee +vierkant getuigde masten. Groote B--, B-- van 18 stukken. AdviesB--, +B-- van 8 stukken.--SchoenerB--, KanonneerB--, OorlogsB--, +KoopvaardyB--, KorvetB--, B-- met barkstuig. + +Brikzeil, z. n. o. -- Voornaam zeil, 't welk de Brikken en andere +vaartuigen achter den grooten mast aan een gaffel en boom voeren. + +Bril, z. n. m. -- (veroud.) Uitgesneden hout op den overloop, ter +plaatse alwaar de kolderstok droog of in den draaiklos staat: Ook +wel de klos zelf. + +Britsen, b. w. -- Zie Laarzen. + +Broek, z. n. v. -- of Twil. 1o. Stuk hout, dat de vrangen van een schip +kruist, wanneer deze uit twee tegen elkander gestelde stukken bestaan. + +2o. of Broeking. Zeildoeksche bekleeding. + +Broeking, z. n. v. -- 1o. Een zwaar touw, dienende om het terugloopen +van een stuk geschut te voorkomen. + +2o. Zware takel, met een katrol aan het einde, en in het midden +vastgehecht aan den achtersteven van een op de werf liggend schip, en +dienende om dit by 't van stapel loopen naar 't water te doen glijden. + +3o. Zeildoeksche bekleeding tegen inwatering van buiten. B-- van den +mast, van het roer, enz. + +4o. Zeildoeksche zoom, die tegen den vlaggestok aankomt, om de vlag +te versterken. + +Broekstuk, z. n. o. -- 1o. Dat gedeelte van een kanon, dat zich achter +de tappen bevindt. Zie Bodemstuk. + +2o. 't zelfde als Broek: zie ald. + +Broodkamer, z. n. v. -- Waar het scheepsbrood (de beschuit) wordt +bewaard. + +Broodwinder, z. n. m. -- Vinnetjen, achtergaffelzeil. Zeil, dat achter +de bezaan wordt geheschen. + +Bruischen, o. w. -- Geraas, dat de golven maken, wanneer zy door wind +of storm bewogen worden. + +Bugalet, z. n. o. -- Klein tweemast-vaartuig, dat op de kusten van +Finisterre de dienst van lichter en transportschip doet. Het heeft +een fok en een groot vierkant zeil, daarboven een marszeil en voert +een of twee kluivers. + +Bui, z. n. v. -- Vlaag, slecht weer. Een regenB--, een hagelB--, +een stormB--. + +Spreekwijze: Een kwade B-- hebben, (Norsch, gemelijk, driftig zijn). + +Een goede B-- hebben, (Opgeruimd vriendelijk zijn). + +Buiig, b. n. -- Ongestadig, regenachtig, winderig. 't Is B-- weer. + +Spreekwijze: B-- weer, klein zeil, (In onzekere zaken moet men niet +te veel wagen). + +Buik, z. n. v. -- Ronding. De B-- van een zeil (de bolvormige gedaante, +welke het aanneemt, wanneer het door den wind is opgezet: ook de +ophooping van een vastgemaakt zeil op het midden der ra. De B-- van een +schip (de ronding van een schip). Op zijn B-- zeilen (op zij zeilen). + +Buikdenning, z. n. v. -- Zie Weger. + +Buikgording, z. n. v. -- Gording of touw, op een derde van het lijk +vastgemaakt en dit aan de ra verbindende. + +Buikseizings, z. n. v. mv. -- Breede en platte touwen, die een +dichtgerold zeil tegen de ra vastklemmen. + +Buikstukken, z. n. o. mv. -- Naam, die op sommige plaatsen aan de +vrangen gegeven wordt. Zie Vrang. Meer algemeen echter noemt men B-- +of Oplangers die verlengstukken, welke by den aanbouw van een schip +op de uiteinden der halve vrangen geplaatst worden. Zy onderscheiden +zich in Onder en BovenB-- + +Buikweger, z. n. m. -- Zie Weger. + +Buis, z. n. v. -- 1o. Geleibuis, koker. + +2o. Kleedingstuk: rok zonder panden. Een duffelsch B--. Een matrozen +B--. + +3o. Vaartuig, dat meer in 't byzonder gebezigd wordt tot de +haringvangst. Zie Haringbuis. + +Buisch, b. n. -- Dampig, nat, en donker. B-- weer. + +Buisharing, z. n. m. -- Haring, die met buizen gevangen wordt. + +Buislichter, z. n. m. -- Groote lantaarn op het hek boven de kampanje. + +Buisman, z. n. m. -- Zeeman, die op een Buis ter haring vaart. + +Buit, z. n. m. -- Roof, op den vyand behaald. + +Spreekwijze: Of B-- of slagen. + +Buiten, bw. -- Naar buiten: in zee. De schepen zijn naar B-- +gezeild. Zij zijn B-- de haven gebracht. + +Buiten gaats, bw. -- In volle zee: het zeegat uit. De schepen zijn +B-- G--. + +Buitenkluiver, z. n. m. -- Driekant zeil, waarvan de eene zijde langs +den leier gaat, die van den kop der fokkesteng naar het kluishout +loopt. Zie Kluiver. + +Buitenloods, z. n. m. -- of Kustloods. Loods, die de schepen over de +buitenwateren brengt. Zie Loods. + +Buitensteiger, z. n. o. -- Steiger, die aan zee of aan de haven ligt. + +Buitenvertuining, z. n. v. -- Gedeelte der buitenhuid, tusschen het +potdeksel en den uitgang van het rahout. + +Bulkhoofden, z. n. o. -- (veroud.) Schotten, welke men dwarsscheeps +in het hol zette, op dat de ingeladen waren òf de ballast niet +verschieten zouden. + +Bulletouw, z. n o. -- Los end touw, van een haak voorzien, en +dienende om tijdelijk de fokkehals op den kraanbalk te bevestigen, +ook om den bezaans-brik-kotterboom, by het overslaan van het zeil, +tegen den schok te behoeden. + +Bultzak, z. n. m. -- Bed van kaf, door de zeevisschers gebruikt. + +Bun, z. n. v. -- Zie Beun. + +Bunschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede de zeevisch levend vervoerd +wordt. + +Burghaak, z. n. m. -- Soort van Stuik. Zie ald. + +Bus, z. n. v. -- 't Zelfde als Bos, Buis, Koker; doch meer +bepaaldelijk: + +1o. Een blikken doos, dienende tot bewaring van licht aan bederf +onderhevige waren, of proviand, by lange zeereizen. + +2o. De oude benaming van alle soort van schietgeweer en soms ook + +3o. Het schietgeweer zelf. + +Bushuis, z. n. o. -- (veroud.) Zeemagazijn, Arsenaal. + +Buskruit, z. n. o. -- of alleen Kruit of Buspoeder. Licht ontvlambaar +mengsel van houtskool, salpeter en zwavel, en aldus genoemd naar zijn +voormalige bestemming, om door zijn ontploffing den kogel door een +bus voor hem uit te drijven. + +Spreekwijze: Hy vliegt op als B-- (hy is licht in drift ontstoken). + +Busschieter, z. n. m. -- (veroud.) Iemand die met een Bus +schiet. Voorheen aan boord dezelfde als de Konstabelsmaat. + +By, bw. -- B-- laten komen (meer daarheen zeilen, waar de wind van +daan komt). + +By-de-wind, bw. -- Wordt gezegd, wanneer de raas gebrast en de zeilen +uitgezet zijn en met de kiel een scherpe hoek maken. Dicht B--, +scherp B-- zeilen (wanneer die hoek zoo scherp mogelijk is). B-- +brassen, opheven, opsteken. Zie Brassen, enz. + +Bydraaien, o. w. -- 1o. Onder den wind draaien, met een marszeil vol +en een tegen, ten einde het schip langzaam te doen voortgaan. + +2o. Gedwongen naderen: Wy noodzaakten hem by te draaien. Dat schip +wilde het klaringsvaartuig ontzeilen; maar een schot met los kruit +bracht hem tot andere gedachten en deed hem B--. + +3o. In 't gevecht B-- is: zich overgeven. + +Spreekwijze: Hy draait by (hy drijft zijn opzet niet door, volhardt +niet in zijn meening, geeft het op.) + +Voor de nacht B--, om den wal niet te na te komen (tijdige voorzorg +nemen). + +Byhalen, b. w. -- of Byzetten. 1o. De zeilen bybrengen en ter windvang +stellen. + +2o. Losjens overschilderen. Een sloep buiten om te laten gaan, ten +einde de kale plekken met teer of verf te laten B--. Binnen boord +der oorlogschepen is het gebruikelijk, des Saturdags aan boord de +kale plekken te laten B--, om 's Zondags mooi te zijn. + +Byhaven, z. n. v. -- Zie Haven. + +Byhouden, b. w. -- Op dezelfde hoogte blijven. Dat schip is een luie +zeiler: het kon de vloot niet B--. Ook 2o. Naderen. Een schip doen B-- +(het doen naderen). + +Bijl, z. n. m. -- Timmermansgereedschap, bestemd om er mede te +houwen en te kappen; doch ook aan boord bovendien in gebruik, zoo +als wapentuig. (Zie Enterbijl), als om, in geval van nood, en wanneer +spoed vereischt wordt, kabels, stengen of masten mede door of om te +hakken. Zie Kappen. + +Den Bijl voor den kop krijgen (afgekeurd worden). Zie Afkeuren. + +Spreekwijze: Hy hakt er met een breeden of groven B-- in (hy maakt +veel verteering: ook wel: hy snijdt geweldig op). + +Den B-- voor den kop geven (afkeuren). + +Bijl, z. n. m. of Bijltjen, z. n. o. -- Bynaam, waarmede de timmerman +aan boord door het volk wordt geroepen of aangesproken. Het Bijltjens +oproer (bekende oploop der Kattenburgers, die voornamelijk uit +scheepstimmerlieden bestonden). + +Bylander, z. n. m. -- Platboomd vaartuig, voornamelijk voor de +vrachtvaart bestemd en byna als een snaauw getuigd. + +By laten komen, b. w. -- 't Schip aan den wind laten komen. + +Bijlbrief, z. n. m. -- Zoo werd, naar het oude recht, de akte genoemd, +waarby hy, die een schip kocht, en de kooppenningen niet geheel kon +voldoen, het schip voor het overige verbond. + +Byleggen, o. w. -- Onder klein zeil met dichtgereefde zeilen en +aangebraste raas het schip zoo dicht mogelijk aan den wind houden, +om het tuig van het schip met stormweer niet te vermoeien; daar anders +het tuig van boven neder, of het schip uit elkander, zoû werken. + +Van top en takel B-- (met aangebraste raas B--). Men gaat B-- (wanneer +men het, voor-de-wind zeilende, met achteroverstaande zeeën niet meer +houden kan, of dat men het in-de-wind heeft). Voor het groote zeil +B--. Onder groot-stagzeil B--. By blijven liggen. + +Bylegger, z. n. m. -- 1o. Schip, dat bylegt. Het is een goede B-- +(het kan goed Byleggen). + +2o. Schip, naar elders bestemd, met hetwelk men uit zee binnen valt +uit nood of om te overwinteren: of ook een schip, dat geen bepaalde +bestemming heeft en waarmede men een zeehaven aandoet om nader last +te ontfangen. De bepalingen omtrent de B--s vindt men in de Alg. wet, +van 26 Aug. 1822, vierde Hoofdst. art. 25-29. + +Spreekwijze: Hy is een B-- (hy draait by. (Zie Bydraaien) ook: hy +speelt op zien komen). + +2o. Tegenwind, die belet zeil te voeren. + +Bystaan, o. w. -- Wordt van de zeilen gezegd, als zy op hun plaats +geheschen en gespannen zijn. Dat schip heeft geen enkel zeil B--. + +Bysteken, b. w. -- Het schip met den kop aan den wind laten komen om +by te draaien of by te gaan liggen. + +Bijt, z. n. v. -- Wak, opengehakte plaats in het ijs. + +Spreekwijze: Als een eend in de B-- vallen (ergends by ongeluk +inraken). + +Bijten (in of uit), b. w. -- Een schip, dat buiten of binnen de haven +in 't ijs bezet is, door het hakken van bijten of sloppen in 't ijs, +weder brengen waar het wezen moet. + +Byvieren, b. w. -- Laten schieten. Zie Vieren. + +Byvoet, z. n. m. -- (veroud.) of Smeerrak; touwrak tot onderra. + +Byzaadhout, z. n. o. -- Stukken hout, aan den voet van den grooten +mast, evenwijdig met het Zaadhout geplaatst, en dienende tot steun +voor het spoor van den grooten mast. + +Byzeilen, z. n. v. mv. -- Hulpzeilen. + +Byzetten, b. w. -- Uitspannen. Een zeil B-- (het op zijn plaats +brengen en spannen) alle zeilen B--. + +Spreekwijze: Alle zeilen B-- (spoed maken). + + + De zeeman zet gerust dan alle zeilen by + En troost zich met de gonst der winden en 't getij. + + Vondel. + + + + + + + +C. + + +Zoek de woorden met Ca, Co en Cu gespeld op Ka, Ko, Ku. + + +Chebek, z. n. m. -- Soort van vaartuig, in de Middellandsche zee in +gebruik, even als een feloek met latijnzeilen getuigd. + +Cherteparty, z. n. v. -- of vrachtbrief. Akte van overeenkomst tusschen +den vervrachter en de bevrachters opgemaakt, en waarin vermeld worden: +de naam en de grootte van het schip: de naam van schipper, vervrachter +en inlader: de plaats en de tijd, tot lading on lossing bepaald: +of het schip geheel of gedeeltelijk vervracht wordt: eindelijk, de +bedongen schadeloosstelling ter zake van vertraging. Zie art. 454, +455 Wetb. v. Kooph. + +Cirkel, z. n. m. -- Kring, koers, omtrek, door een kromme lijn +beschreven, wier punten alle even verre van het middelpunt verwijderd +zijn. + +Cingelgrond, z. n. m. -- Bodem of grond van de zee, die noch zand +noch slijk bevat, zoo als die onder den Engelschen wal by de Cingels. + + + + + + + +D. + + +Daagsch anker, z. n. o. -- Het Anker, dat het meest gebruikt +wordt. Schepen uit het Noorder kwartier, of liever, in Texel en te +Amsterdam uitgerust, hebben het aan Bakboord varen, terwijl het uit +de havens bezuiden de Maas aan Stuurboord vaart. + +Daagsch Touw, z. n. o. -- Het zware Touw, dat met het Daagsch Anker +gebruikt wordt. Zie Legger en Volger. + +Dag, z. n. m. -- 1o. Tijdverloop tusschen zons op- en ondergang. Het +heeft den gandschen D-- geregend: eerst met het opkomen der maan is +de lucht opgeklaard. + +2o. Etmaal. Men berekent de hoeveelheid van ingescheepte levensmiddelen +by D--en. Er is nog voor tien D--en water. Er is niet meer dan voor +vijf D--en proviand. Zie verder Ligdagen, Waschdagen enz. + +Dag, z. n. v. -- Wordt genomen voor het end touw, waarmede +de scheepsprovoost de misdadigers plach te kastijden. Volgends +Bilderdijk zoû 't woord verbasterd zijn van tak, en verwant aan takel, +dus werkelijk de beteekenis hebben van Touw: waarom hy er ook in zijn +Geslachtlijst het o. gesl. aan geeft. Intusschen is 't hetzelfde woord +als degen en 't werd in 't Fransch ook dague de prévôt genaamd. Men +weet dat Dag of Dagge ook ponjaart beteekent. Zie Dag. Wellicht is +de oorsprong der benaming van Dag, zoowel aan dit endtjen touw als +aan den dolk gegeven, aan die zelfde beschimpende toespraak ontleend, +waaraan die oude strijdkolven, welke men Goeden dags heette, hun naam +verschuldigd zijn. De enden touw, waarmede de strafoefening geschiedt, +heeten Handdagen. De krijgsraad heeft hem veroordeeld om met Handdagen +te worden afgestraft. + +Dagboek, z. n. o. -- Zie Dagregister. + +Dagen, o. w. -- Dag, worden, licht worden. Het begint te D-- (de +schemering breekt door). + +Dagge, z. n. v. -- (veroud.) Entertouw voor de matrozen. + +Dagregister, z. n. o. -- of Journaal. Register, hetwelk de schipper +verplicht is te houden en waarin hy dag aan dag moet opteekenen: "de +gesteldheid van weer en wind: hoeveel het schip in zijn koers gevorderd +of teruggegaan is: op welke lengte en breedte het zich bevindt: welke +onheilen en uit wat oorzaak die aan schip en lading zijn overkomen: +de gesteldheid, waarin hetgeen door ongeval, door kappen, snijden en +kerven, verloren is gegaan, zich bevond: welke koersen hy gehouden +heeft en waarom hy daarvan heeft moeten afwijken; de besluiten +in den scheepsraad genomen: de afdanking van scheepsofficieren of +scheepsgezellen en de redenen daarvan: al wat schip en lading betreft +en tot het doen van rekening of verantwoording, of tot het instellen +of afweeren van eenige vordering, aanleiding zoû kunnen geven." Zie +Wetb. v. Kooph. art. 358. + +Dagseinen, z. n. o. -- Zie Sein. + +Dagwaak slaan (de) of de Reveille slaan. -- De manschap door +trommelslag opwekken. De D-- wordt in de Dagwacht geslagen. + +Dagwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord, die van 's morgens 4 tot 8 +uur duurt. + +Daling, z. n. o. of Pompdal. -- Een koker of buis, die van boven +tot beneden langs de pomp loopt en door welke men het peilijzer laat +afzakken, om de hoogte van het water by de pomp te meten. + +Dam, z. n. m. -- 1o. Stuk houts, dat ergends in gezet wordt om iets +te stutten en naderhand weêr weggenomen wordt. + +2o. Stuk lands, dat dwars door een water gelegd wordt om het te +stuiten. 't Is in zijn oorsprong 't zelfde als Toom. Hiervan + +Damlooper, z. n. m. -- Klein Noordhollandsch vaartuig, geschikt om +over dijken, dammen en overtoomen gehaald te worden. + +Dammen, b. w. -- Met een Dam sluiten. + + + Geweld van ketenen en krammen, + Noch palen om de zee te dammen, + Noch zeekasteelen op de strand, + Vol solferblakend ingewand, + Zijn machtig om den Leeuw te temmen. + + Oudaen. De Leeuw bevredigt. + + +Damp, z. n. m. -- Alle wasem, doch in 't byzonder de rook door het +geschut veroorzaakt. + +Davids, z. n. m. mv. -- IJzeren standers aan de zijden van het +achterschip, dienende om er lichte vaartuigen aan te hangen. + +Deelen, z. n. o. mv. -- Gezaagde en alzoo gedeelde stukken hout. Deelen +van een balk zijn alzoo Planken. Zie ald. + +Deelbalie, z. n. v. -- Zie Loodlijnbalie. + +Deining, z. n. v. -- Golvende beweging die, na het ophouden van den +wind, die haar veroorzaakt heeft, het zeewater blijft beroeren. Er +staat D--. De D-- is zeer zwaar, de D-- gaat hoog. + +Deinzen, o. w. -- Afloopen, teruggaan. Het D-- der golven (het stooten +der golven omtrent de banken of rotsen) ook Tegenzee, Terugzee, +Weêrzee genoemd. Zie ald. Het D-- van het schip (het teruggaan van +het schip in de wending, als de wind vlak van voren komt en 't schip +niet doordraait). + +Spreekwijze: Wanneer het schip Deinst legt men het roer verkeerd aan +boord--draait men het op de andere zijde--(als het niet gelukken wil +wendt men het uiterste middel aan). + +Deinzig, b. n. -- Dampig, nevelachtig. Een D--e lucht. + +Dek, z. n. o. -- Scheepsvloer, eenigzins gewelfd, en uit deelen +samengesteld, die aan weerszijden op de balken rusten. Ook de +verschillende verdiepingen van het vaartuig. Het getal der D--s +wijzigt de benaming van het schip. Zoo heeft men een Tweedek, (een +schip met twee D--s): een Driedekker, (een met drie batteryen). By +koopvaardyschepen heeft men gewoonlijk twee D--s. Het aantal +D--s by oorlogschepen is verschillend. By linieschepen zijn er +ten minsten vier, als, van boven naar beneden tellende: 1o. Het +OpperD-- of BovenD-- ('t halfdek van de kajuit tot den grooten mast, +de loopplanken, den Bak); 2o. het KuilD--; 3o. het TusschenD--, die +elk een battery voeren, de zwaarste onder; 4o. de Koebrug. By gewone +oorlogsfregatten en kuilkorvetten heeft men gewoonlijk een OpperD-- +(dat boven is), een KuilD-- en een TusschenD--. Op korvetten met +gestreken D--s heeft men in stede van het gewone Opperd-- vooruit een +kort D-- tot even achter den fokkemast en achteruit een kort D-- tot +even voor den bezaansmast. Het eerste wordt de Bak, het laatste de +Kampanje genoemd. In dit geval wordt het KuilD-- OpperD--. Brikken +hebben een OpperD--, somtijds een kleine Kampanje, en verder een +TusschenD--. De kampanje wordt echter in scheepstaal niet tot de D--s +gerekend. De kapitein was niet op het D--: hy stond op de kampanje. De +helft van het KoebrugD-- wordt HalfD-- geheeten: -- Gebroken D-- +(D--, dat op zijn lengte is afgebroken). NegerD-- of SlaveD-- (D-- +waar zich op slavenhaalders de negers bevinden). GladD-- gestrekenD-- +(een D--, dat onafgebroken doorloopt). + +Spreekwijze: Dat is een Driedekker (een groot, zwaarlijvig +vrouwspersoon). De stortzeeën maken GladD-- (slaan alles van 't +D-- af). + +Dekbalken, z. n. m. mv. -- Balken, die het Dek onderschragen, en +tevens het dwarsscheepsverband uitmaken. + +Dekbalkknieën. z. n. v. mv. -- Knieën, waarop de Dekbalken rusten. Zie +Knie. + +Dekbanden, z. n. m. mv. -- Banden van het voor- en achterschip, +mede dienende tot bevestiging van het dek. + +Dekdeelen, z. n. o. mv. -- Planken van het Dek. Zie Deelen. + +Dekglas, z. n. o. -- Glazen schijf van ongemeene dikte, hoedanige men +in de Deks- of patrijspoorten plaatst om licht te geven in de lagere +gedeelten van het schip. Schroefdekglazen. Leivormige Dekglazen. + +Deklinatie, z. n. v. mv. -- De boog aan de hemelsfeer, dien de +hoeksgewijze afstand van een der hemellichten aan den equator +beschrijft. D-- van 't kompas of miswijzing. De afwijking van het +ware Noord. + +Dekofficier, z. n. m. -- De hoogste onderofficieren, als schipper, +bootsman, schieman, worden D--en genoemd, omdat zy by de manoeuvre +op het Dek blijven. + +Dekplaat, z. n. v. -- Stuk eikenhout, dat de koppen der Beting dekt. + +Deksel, z. n. o. -- Wat tot bedekking van iets dient en er tevens +een deel van uitmaakt. Zie Potdeksel. + +Dekstoppers, z. n. m. mv. -- Stoppers, die op verschillende punten +van het Dek aan ringen zijn vastgemaakt en zich alzoo voor de hand +bevinden. + +Dekstrijken, o. w. -- De planken in het Dek leggen, het Dek bevloeren. + +Dekworp, z. n. o. -- Het bovenste worp, waar het Dek op rust. + +Dekzeegt, z, n. v. -- De projektie van de lijn, volgends welke de +bovenkanten der balken tegen de binnenoppervlakte der inhouten sluiten, +op het vlak, dat door het midden van kiel en stevens gaat. Zie Zeegt. + +Dempgording, z. n. v. -- Het Touw, op het staande lijk van de zeilen +opgestoken, op de hoogte van de boelijns, dat het lijk langs de +ra haalt om het zeil te dempen of er den wind uit te nemen om het +gemakkelijker te beslaan. + +Dennen, z. n. v. mv. -- (veroud.) Het dek op een klein vaartuig, +b. v. op een Binnenvaarder, wordt meermalen aldus genoemd, naar het +hout, waarvan het vervaardigd is. + +Denning, z. n. v. -- Verouderde benaming voor "vloer." + +Derde hand, z. n. v. -- Eigenaardige benaming van een takel, of liever +van een verbinding van touwen, loopende door katrollen en geëigend +tot het oplichten van zware lichamen. + +Derde waak, z. n. m. -- Vroeger gaf men dezen naam aan de jongste +officieren op de schepen der O. I. Maatschappy. + +Deukel, z. n. m. of + +Deutel, z. n. m. -- of Slag. Pennetjen, hoedanige in de enden der +houten nagels, die doorgeslagen zijn, gevoegd worden en met hun +puntjens blijven uitsteken. + +Deutelen, b. w. -- Deutels inslaan. + +Deutelijzer, z. n. o. -- of Plugijzer. IJzer, waarmede men gaten in +de nagels slaat. + +Dicht aan-de-wind of scherp by-de-wind. byw. -- Zoo naby aan den wind +als de zeilen maar kunnen vatten. + +Spreekwijze: Niet al te D-- a. d. W-- houden, (het onderste niet uit +de kan willen). + +Dichtspijkeren, b. w. -- Met Spijkers Dichtmaken. + +Spreekwijze: Spijker de kist dicht. Wordt gezegd, wanneer een zaak +is afgedaan en er niets meer aan te doen of te verhelpen valt. In +dit gezegde wordt echter onder kist "doodkist" verstaan. + +Diep, z. n. o. -- 1o. Diepte; doch in 't byzonder waar van de zee +gesproken wordt. In 't peilloos D-- der golven. + +2. De zee zelve. Hy is in 't D-- verzonken. + + + Siet hier een versche beeck die met de soute baren + Can spelen in het diep, oock sonder eens te paren. + + Cats. Zinnebeelden. + + +Diep, b. n. -- Geeft de hoogte van een gespannen zeil te kennen. Dat +zeil is niet D-- genoeg. Dat marszeil is ... N ellen D--. + +Diepen, o. w. -- Al peilende naar land varen. Zie Aandiepen. + +Spreekwijze: Het Diept noch droogt niet, (het geeft noch neemt, +men vordert er niet mede). + +Diepgaan, o. w. -- In 't water zakken. Dat schip gaat ... N ellen +Diep, het zinkt ... N ellen in 't water. Dat schip Gaat Diep genoeg +(het gedeelte, dat beneden de waterlijn zinkt, is naar zijn grootte +en vorm evenredig aan den last, dien het dragen moet om veilig en +met goed gevolg te varen). Dieper gaan (wanneer een nieuwe last in +'t schip geladen wordt, en dit daardoor dieper zinkt.) + +Spreekwijze: Een Diepgaand schip (iemand, die veel verkwist en veel +noodig heeft:--omdat Diepgaande schepen veel werks vereischen). + +Diepgang z. n. m. of Dieptreding. -- De bepaling van het getal ellen, +welke het schip in het water zinkt. D-- voor, D-- achter, Gemiddelde +D--. Zie Stuurlast, Stuurlastigheid. + +Diepgangsmeter, z. n. m. -- Werktuig, uitgedacht om de hoegrootheid +in ellen en palmen van Diepgangen aan voor- en achtersteven tot het +best bezeild doen zijn van een schip te bepalen. + +Diepgangsmerken, z. n. o. mv. -- Schaal, in voeten en halve voeten +verdeeld en op de zijkanten van den voor- en van den achtersteven +afgebeeld, en dienende om den Diepgang van het schip te weten. + +Dieplood, z. n. o. -- Peillood, of eenvoudig Lood, welk laatste meest +gebruikelijk is. Zie Lood. + +Dieploodlijn, Dieploodworp. Zie Looding, Worp. + +Diepte, z. n. v. -- 1o. Wordt somtijds voor de zee genomen. Zie Diep. + + + Ontsiet de diepte niet, al is haer aensicht straf, + + Vondel. Lofs. op de Scheepsv. + + +2o. De bepaling van de diepte. Wy ankerden op de D-- van zes vademen. + +3o. Van een zeil. (de hoogte van een uitgesponnen zeil). + +Dieptredend, z. n. v. -- 't zelfde als Diepgaand. Een D-- schip +(waarvan de romp diep in 't water zinkt. Zie Diepgaan, Diepgang). + +Dieptreding, z. n. v. -- Zie Diepgang. + +Dikte der kiel, z. n. v. -- De afstand tusschen de onder- en +bovenkanten der kiel. + +Dinga, z. n. v. -- Kromgekield vaartuig, aan de Malabaarsche eilanden +in gebruik. + +Dinguy, z. n. m. -- Vaartuig, op den Ganges in gebruik. + +Dirk, z. n. v. -- Looper van den Gaffel, zeilbooms toppenant. + +Dissel, z. n. m. -- Grootdissel, Klosdissel. Kromme bijl, dienende +om hout te effenen en scherp te maken. In de kruitkamer gebruikt men +een koperen D--. + +Distinktievlag, z. n. v. -- Zie Vlag, Wimpel. + +Doek, z. n. o. -- Voor zeildoek, en, by de dichters, ook voor het +zeil zelf genomen. + + + De doeken hangen slap: men twijfelt of het waait. + + Vondel. Lof der Zeevaart. + + +Zie verder KarrelD--, zeilD--, vlaggeD--. + +Doeken, b. w. -- (veroud.) Zeilen aanslaan; op kleine schepen. + +Doemen, o. w. -- Zich vertoonen. Zie Opdoemen. + +Doft, z. n. v. -- Roeibank. Het woord is Deensch, en beteekent een +ledigen grond, doch in 't byzonder een zitplank in een schuit. + +Dogger, z. n. m. -- Eigenlijk zeehond (als zijnde D-- niet anders dan +"dog, hond"): van daar voor kabbeljauw genomen, en, by toepassing, +in gebruik gekomen als benaming voor een soort van vischschepen, +die naar den Doggersbank varen, om kabbeljauw te vangen. Een D-- +voert een grooten mast in 't midden en een kleinen mast van achteren, +vierkant getuigd: voorts boegspriet en fok. + +Dogschuit, z. n. v. -- Schuit, die by een Dogger behoort. + +Dok, z. n. o. of havendok. -- Deze naam werd vroeger aan een besloten +plaats gegeven, waar schepen gemaakt werden: thands verstaat men er +een kom door, van sluizen voorzien en met kaaien omringd, die tot +een veilige ligplaats strekt. D-- van aanbouw. (Zie Droogdok). + +Dokken, b. w. -- (veroud.) In een Dok het schip vast aan den grond +zetten. + +Dokkig, b. n. -- Mistig, donker: D-- weer (betrokken lucht). + +Dol, z. n. m. -- Pen of nagel, die in het boord van booten of +andere lichte vaartuigen geslagen wordt, om de riemen by 't roeien +te bedwingen. + +Zoo zingt Hooft, op den duim van 't metalen beeldt des Hertogen +van Alva. + + + Den Duim, die rechte wederhandt, + Die eertijdt, van gansch Nederlandt, + Zich kussen deed, terwijl hy 't schond, + Heeft nu matroos in zijnen mond + Oft wringt hem, wil hy, in een hol, + En bruikt den dwinger voor een dol. + + +Spreekwijze: Het zijn maar oude D--len: "maar lorren": omdat versleten +D--len weinig waard zijn;--tenzij men hier aan "oude poppen" ['t +Eng. Doll] te denken hebbe. + +Dolborden, z. n. o. mv. of Bosbank. -- Houten, aan weêrskanten eener +galei of sloep op de boorden geslagen en tusschen welke de riemen +zich bewegen. + +Dolgat, z. n. o. -- Gat, waar de Dol wordt ingestoken of geslagen. + +Spreekwijze: Had ik uw vinger in het D-- (kon ik u klemmen als een +dolpen beklemd wordt, ik zou u wel doen klappen). + +Dommekracht, z. n. v. -- Soort van werktuig, met een getand rad en +zwengel voorzien en strekkende om zware lichamen op te tillen. Het +woord is eigenaardig van uitdrukking, als zijnde het werktuig zelf +onbewust van de uitwerking, welke het te weeg brengt. + +Dompen, b. w. -- Het geschut met den tromp of 't vooreinde doen zakken +en achter oplichten, om lager te kunnen schieten zonder het stuk te +doen zinken. In een rechte lijn pointeeren, vluchten en D--. + +Dompelen, b. w. -- Frequentatievum van Dompen, en alzoo: +"herhaaldelijk, by voortduring Dompen," meer byzonder: "in het water." + + + Wanneer ik schielyk, op mijn onbedachte beê + Wiert over hals en hooft gedompelt in de zee. + + Jan Vos. + + +Spreekwijze: Hy ligt er onder Gedompeld (hy is al dood en begraven). + +Donderbus, z. n. v. -- Breed en zwaar handgeweer, in een mik draaiend, +en waarmede de marsen en barkassen gewapend worden. + +Dood, b. w. -- Voor "dicht". D-- aanslaan (dicht aanslaan). + +Doodeman, z n. m. -- Zie Snaauw. + +Doodemans-oog, z. n. v. -- (veroud.) Eenige kleine touwtjens boven +aan den bezaan, die, meer tot cieraad dan tot nut strekkende, daarvan +hun naam ontleenen. + +Doodloopen, b. w. -- Zie Doodzeilen. + +Doodshoofd, z. n. o. of Stagkous. -- Houten, byna cirkelvormig blok, +in zijn omtrek met een sleuf voorzien, waar de stagstoppen doorloopen. + +Doodstilte, z. n. v. -- Afwezigheid van alle wind, waardoor een stilte +heerscht als die des Doods. + +Doodstroom, z. n. m. -- (veroud.) Afwezigheid van den stroom, waardoor +men niet vorderen kan: stroom tusschen volle en nieuwe maan, als +'t water minst wast: ook tusschen eb en vloed. Zie Doodtij. + +Spreekwijze: 't Is er D-- (er is geen handel, geen beweging, er valt +niets voor). + +Doodtij, z. n. o. of Dood water. -- Het zwakste Tij.--Ook stil water, +stilstand tusschen eb en vloed. + +Doodwater, z. n. o. -- (veroud.) Water achter den gang van 't schip. + +Doodwerk, z. n. o. -- Zie Bovenschip. + +Doopen, b. w. -- Met dezen naam bestempelt men een oud scheepsgebruik, +om de onbevaren maats, en die hun eersten tocht deden, op zekere +plaatsen, zoo om de Noord als om de West, met zeewater te begieten. Zy, +wien het niet lustte zich te laten begieten, kochten dit met geld +af. De jongens werden in een mand gezet, en hun tobben water over +het lichaam gegoten. Zelfs schepen, die nooit de door de zeelieden +uitgekozen Doopplaatsen waren voorbygezeild, waren aan het Dooprecht +onderworpen, en de schipper gehouden, by dat voorval, de maats met een +drinkpenning te vereeren. Verzuimde hy dit, dan stond het te vreezen, +dat de snuit stilzwijgend van het schip afgezaagd of eenig scheepsdeel +verduisterd werd. + +Doorbreken, b. w. -- Doordringen, b. v. door een vyandelijke linie, +zoo dat men zijn schepen tusschen de vyandelijke vloot door laat +zeilen om zich onder-de-wind in linie te stellen en den vyand alzoo +tusschen twee vuren te brengen. Men tracht gemeenlijk de linie in +de achterhoede Door te Breken, die daardoor wordt afgesneden. Is +zulks gelukt, dan zoekt ieder schip zijn tegenparty. Het D-- van de +linie door de Engelschen deed de Hollanders den slag van Kamperduin, +de Franschen en Spanjaarts dien van Trafalgar verliezen. + +Doordreggen, o. w. -- Wordt gezegd van een anker, dat niet vatten wil +en door het schip over den bodem gesleept wordt. Het anker Dregt over +den grond, Dregt Door, is driftig. + +Doordrijven, o. w. -- 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald. + +Doorgaan, o. w. -- 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald. + +Doorgaande koelte, z. n. v. -- Stijve, gelijke koelte. + +Doorgezakt, b. n. -- of Doorgezet, wordt een schip genoemd, dat een +kromte of katterug heeft. Zie Katterug. + +Doorgezet, b. n. -- Zie Doorgezakt. + +Doorkaaien, o. w. -- Zie Gijpen. + +Doorklieven, b. w. -- Doorsnijden, doorvaren. Hy heeft lange jaren +de zee Doorkliefd (hy heeft lang gevaren). + +Doorploegen, b. w. -- Doorklieven, aanhoudend beploegen. Zie Ploegen. + + + Waerom sy of, en aen, nu uyt, en weder in, + Door-ploeghden 't vochte veld met voorspoet en gewin. + + Vondel. Lofs. op de Scheepsv. + + +Door laten staan, b. w. -- Niet zwichten, met volle zeilen +voortvaren. Hooft, Ned. Hist. blz. 53, gebruikt het oneigenlijk voor +"niet krenken." + +Doorvoer, z. n. m. -- Zie omtrent den D-- van goederen de Alg. Wet +van 26 Aug. 1822, Tiende Hoofdst. art. 75-87. + +Doorzetten, o. w. -- Een katterug krijgen. Zie Katterug. + +Doorzetting, z. n. v. -- Zie Katterug. + +Doove jut, z. n. v. -- Zie Jut. + +Dop, z. n. m. -- Een ronde houten kring, voor de gaten gespijkerd, waar +de touwen door gevierd worden. D-- van de kompasroos, hol kegeltjen, +op het spil van de kompasroos geplaatst ter bevestiging van de naald. + +Doppen, b. w. -- De schepen met een Dop of teeken merken, om te weten, +hoe veel last een schip zoû kunnen voeren, of hoeveel last een schip +groot is. + +Dorpel, z. n. m. -- Zie Drempel. + +Draad, z. n. m. -- 1o. Ineengedraaide of gevlochten vezels hennep, +ook getrokken ijzer of koper. Zie Garen. + +2o. De richting, waarmede de vezelen door het hout loopen. Het hout +met, tegen den D-- kloven, wordt gezegd op gelijke wijze als "het +vleesch met of tegen den D-- snijden." + +Spreekwijze: Er loopt een D-- door (het is niet richtig).--De oorsprong +van deze spreekwijze wordt op de volgende wijze verklaard. Toen +er in de laatste helft der achttiende eeuw oneenigheden bestonden +tusschen ons Gemeenebest en Engeland, en onze vloot langer in +Texel bleef liggen, dan met den toen zeer oorlogzuchtigen geest +van onze kooplieden strookte, werd 's Lands Regeering beschuldigd, +"dat onze schepen met Engelsche Touwen aan den wal vast lagen," met +andere woorden, dat men zich door Engelsch geld had laten omkoopen +om geen bevel tot uitzeilen te geven. Daar nu door het touwwerk der +Engelsche zeemacht een blaauwe draad tot onderscheidingsteeken loopt, +drukten de misnoegden hun kwaad vermoeden uit door deze beeldspraak: +"de schepen kunnen niet weg: zy liggen vast aan de kaai, en er loopt +een D-- door het Touw." + +Draadshout, z. n. o. -- Wordt in den scheepsbouw zoodanig hout genoemd +dat meer in de lengte dan in de breedte gebezigd wordt. + +Draadkogels, z. n. m. mv. of Boutkogels. -- Twee kogels, met een bout +verbonden: Men noemde ze vroeger kneppelkogels, ook kettingkogels, +als zy met een ketting aan elkander zaten. + +Draaibas, z. n. v. -- of Steenstuk. Soort van klein kanon, op een +staander of mik draaiende, en waarmede somtijds de oorlogsvaartuigen +gewapend zijn. + +Draaiblok, z. n. o. -- Blok met een leirol voorzien. + +Draaien, o. w. -- Van richting veranderen. De wind Draait naar +'t Oosten. + +Draaier, z. n. m. -- 1o. Stuk hout, dienende om al draaiende kracht +uit te oefenen, en gebezigd by het inbinden of stroppen van blokken, +het aanzetten van bindsels enz. + +2o. Zie Peiler. + +Draaikolk, z. n. v. -- Maalstroom of Wieling. Hevig draaiende +waterstroom, waarin de schepen verzwolgen worden. De D-- by Messina. + +Draaireep, z. n. v. -- Touwbeslag, waarvan het eene end is vastgemaakt +aan een op te heffen voorwerp, het andere aan een takel. + +Draaispant, z. n. v. -- Spant, wier armen niet loodrecht op het +middellijnig ontwerp van een schip vallen. + +Draagbalk, z. n. m. -- Zie Verbindingsklos. + +Dracht, z. n. v. -- Van een schip gezegd, beteekent de grootte of +het gewicht dat het laden kan. De zeilen staan ter D-- (zy staan zoo, +dat zy alle dragen en wind vangen). + +Dragen, o. w. -- Goed bystaan. De zeilen D-- (vatten wind).--Het +D--de houden (heen en weder zeilen op dezelfde hoogte). Wy hielden +het D--de om den wal niet te vroeg te naderen. + +Dreg, Dregge, z. n. v. -- Ronde ijzeren bout, hebbende aan het +eene uiterste vijf binnenwaarts gebogen armen en aan het andere een +ring, waar een tros of kabel wordt doorgehaald. De D--gen zijn voor +kleine vaartuigen wat de ankers voor groote zijn; doch zy hebben +geen ankerstok. + +Dreggen, o. w. -- 1o. Met een Dreg den bodem der zee bekrabben, om +de oesters, mosselen of schelpen los te maken, of de in zee gevallen +voorwerpen op te visschen. + +2o. 't Zelfde als Doordreggen. Zie ald. + +Dregtouw, z. n. o. -- Het Touw, waaraan de Dreg vast is. + +Drempel of Dorpel. -- Dik en breed stuk houts, dat den onderkant van +een geschutpoort bedekt. + +Drenkeling, z. n. -- Iemand die in het water verdronken is: by +toepassing iemand, die zoo verzopen aan boord komt, dat hy, naar allen +schijn, de reis niet voltrekken, maar onderweg sterven zal en in zee +begraven worden. Van een, die, beschonken zijnde, over boord valt, +zegt men wel: hy is geen D--; want hy is zoo vol jenever, dat er geen +zout water meer by kan loopen. + +Dreum, z. n. o. -- Zie Drom. + +Drevel, z. n. m. -- Houten pen of nagel, dienende om de beplanking +op den waterspiegel te bevestigen. + +Driedekker, z. n. m. -- Schip met drie Deks. Zie Dek. + +Driemast, Driemaster, z. n. m. -- Vaartuig met Drie Masten. + +Drift, z. n. v. -- Het dwars afdrijven van het schip, door stroom, +slechtbezeildheid of anderszins. + +Driftig, b. n. -- Al wat van zijn plaats begint te drijven, wordt +gezegd, D-- te worden. Zoo wordt een plank, zoo het ijs, D--. Een D-- +schip is een schip, dat van zijn ankers laat of waarvan het anker +doordregt. Zie Doordreggen. + + + 't Driftigh eicken huis + + +is de eigenaardige naam, dien Vondel aan het schip geeft, in zijn +Lof der Zeevaart. + +Dril, z. n. m. of Drilboor. -- ijzeren werktuig, waarmede gaten in +ijzer of andere metalen zelfstandigheden kunnen gedrild, gedraaid, +of geboord worden. + +Drillen, b. w. -- 1o. Oorspronkelijk hetzelfde als "Trillen," +heen en weder brengen, draaien; doch, by toepassing, "een vaartuig +voortwinden," omdat het touw, door het sterk aanhalen, gedurig staat +en Drilt. + +2o. Opwinden: 't schip op de helling D--. + +Drom, z. n. v. of Dreum. -- Wollen stof, waarvan de harpuiskwasten +vervaardigd worden. + +Droog, z. n. o. -- Drooge plaats, waar geen zee op staat. Het +afloopende water liet de schuit op D--. + +Spreekwijze: Zijn schaapjens (of scheepjens) op 't D-- hebben (in +behouden haven zijn, voor geen tegenspoed meer te vreezen hebben). Zie +Scheepjen. + +Op D-- varen (zich verderven). + +Dat schip houdt altijd D-- dek: er loopt geen zee overheen. (Het gaat +hem altijd voorspoedig). + +Droogdok, z. n. o. of Dok van aanbouw. -- Soort van werf, waar de +schepen in gebouwd, hersteld en vlot gemaakt kunnen worden. + +Droogen, o. w. -- Droog worden. Zie Diepen. + +Druif, z. n. v. -- 1o. Knop, die aan het eind van boomen of bootshaken +vast zit, om tegen de borst te worden gehouden en het door de hand +glippen te beletten. Zie Hooft, Ned. Hist., bl. 304. + +2o. Het bolvormige gedeelte, waar een kanon aan den kant van den +stortbodem uitloopt. + +3o. Schroot, kleine kogels, op een ronden schijf gestapeld in den +vorm van een druiventros, en door zeildoek en lijn verbonden. + +Druil, z. n. m. -- Een klein onderzeil, dat aan een mast op den +achtersteven van een klein vaartuig geheschen wordt om het beter aan +den wind te houden. + +Spreekwijze: Iets met den D-- doen (iets langzaam doen). + +Druilsra of Druilsroede, z. n. v. -- Hout of spriet, die waterpas +van den achtersteven uitsteekt en waaraan het onderlijk van den Druil +wordt uitgehaald. + +Druipen, o, w. -- Het anker zoetjens laten afzakken tot voor den boeg. + +Drukker, z. n. m. -- Een stut, waardoor de kraanbalk van onderen +gestut of gedrukt wordt. + +Drukkingspunt, z. n. o. -- Punt, waar de drukking van den wind +op werkt. + +Drijfbouten, z. n. m. mv. -- Nagels, waarmede de ijzeren banden om +de masten enz. worden vastgeklonken. + +Drijfdok, z. n. o. -- of Drijvend Dok. + +Drijfzeil, z. n. o. -- Zoo noemen sommige schrijvers een Zeil, dat +onder water uitgestrekt werd, wederzijds scherp vast aan zijn schoten, +om het schip by stilte voort te doen Drijven waar de vloed ging. 't +Verhaal klinkt echter als een sprookjen. + +Drijfzand, z. n. o. -- Zand, dat door den stroom gedreven wordt. + +Drijven, o. w. -- 1o. Zich met het water mede laten gaan, zorgende +door behulp van den wind of door brassen, eenigen stuur in het schip +te houden. Zoo wordt een schip gezegd te D-- met den vloed, met de eb, +op zijn ankers enz. + + + Af drijvend onder zeyl, dat 's mackelixt van alle. + + Huyghens. Tryntje Cornelis. + + +2o. Zich ergends heen begeven. Op de kust D--: by een ander aan +boord D--. + +3o. Van de wolken. Uit het zuiden D--, uit het noorden D--, breed, +ruim D--. De wolken D-- zuidoost. + +Spreekwijze: Het maar laten D--. Op Gods genade D-- (de zaken maar +laten loopen zoo als het valt.) Iemand op zijn eigen wieken laten D-- +(iemand aan zich zelven overlaten, zijn eigen hoofd laten volgen). Dat +schip kan zeilen noch D-- (het deugt nergens toe). + +Hy Drijft op zijn last (hy heeft een akkoord met zijn schuldeischer +aangegaan, en houdt het, even als een ontheisterd schip, niet door +zijn tuig of takelaadje, maar door zijn last of lading--het geld van +anderen--nog Drijvende). + +Drijven, b. w. -- De naden en reeten met werk vullen. + +Dubbelblok, z. n. o. -- Blok, met twee nevens elkander geplaatste +schijven. + +Dubbeling, z. n. v. -- Bekleeding of besmeering van een vaartuig met +de eene of andere stof, geschikt om het tegen bederf te bewaren. + +Duikelaar, z. n. m. -- Zie Duiker. + +Duiken, o. w. -- Zich onder water begeven. Zie dat schip eens D-- +(den boeg onder water steeken by hooge zee). + +Duiker, z. n. m. of Duikelaar. -- 1o. Iemand, die zich onder water +begeeft. + +2o. Water-verlaat. + +3o. Kleine spijker zonder kop, die alzoo in 't hout wegduikt. + +Duikersklok, z. n. v. -- Werktuig, waarin men onder water mede gaat +en het een tijd lang kan uithouden, door de lucht, welke er van boven +wordt ingepompt. Het is aldus genoemd naar zijn oorspronkelijken vorm. + +Duim, z. n. m. -- Breed en plat ijzer, regthoekig omgebogen, en +dienende om er de duimelingen in te hangen. De D--en van de roerhaken, +aldus naar de gelijkenis genoemd. + +Duimelingen, z. n. v. mv. -- (veroud). De ijzers van de achterstevens, +waar de voorhaken in hangen. + +Duin, z. n. o. of Blink. -- Heuvel van zand, en in 't byzonder van dat +zand, hetwelk door de zee wordt opgeworpen: gelijk dan ook Bilderdijk, +even waar als treffend, de D--en noemt: + + + Het bolwerk, dat de zee zichzelf ten teugel wrocht. + + +Duizendbeen, z. n. o. -- (veroud.) Lange smalle kast, die, in +verscheidene gaten of keepen, ettelijke elkander volgende schijven +bevatte. De D--en werden vertikaal vastgemaakt, ieder aan elke zijde +van den mast van den boegspriet en van de woeling van dien mast: +en zy dienden om den doortocht te bevorderen van het afdalend want. + +Duiveljagen, b. w. -- Een soort van stuwen, 'twelk daarin bestaat, +dat men zware steenen over de lading heenrolt. Ook het inperssen van +wolzakken in de schepen of het zoo genaamde Traven wordt met dien +naam bestempeld. + +Spreekwijze: Leg my zoo niet te D-- (Plaag my zoo niet, val my niet +lastig). + +Duivelsklaauw, z. n. v. -- Een soort van dubbelde haak, die over iets +heen komt en het met beide haken pakt. + +Duivels toejager, z. n. m. -- 1o. Benaming van de bout, waarop de +ankerketting gestoken wordt in de kettingbek. + +2o. Schimpnaam van ouds aan de zoodanigen gegeven, die voor de wervers +op een zieltjen uitgaan, en hun die in handen weten te spelen of toe +te jagen. + +Dukdalf, z. n. v. -- Een zwaar paalhoofd, in het water geslagen, +en dienende om er schepen aan te beleggen. Volgends Winschoten +is het woord een verbastering van "Duk d'Alva" in welk geval het +zijn oorsprong daarin zou hebben, dat dit paalwerk even hard en +onverzettelijk zoude zijn als gemelde Hertog was. Bilderdijk houdt +het echter voor 't eenvoudige dok-dolf, d. i. paal of blok in een dok. + +Durk of Dork, z. n. v. -- De plaats, waar het vuile water onder in het +schip inloopt, anders ook de Zoo genaamd. Zie Pompzoode. Waarschijnlijk +is het woord een samentrekking van de Hurk of De Urk, 'twelk een laag +vaartuig beteekent. Zie Hurk. + + + O Dorck van alle quaed, o gote van ellende! + + Joh. de Brune. Emblemata. + + +Dwaallicht, z. n. o. of Vreêvuur. -- In 't Eng. Jack with the lanthorn, +in de zuidelijke talen "het St. Elmus-vuur" genoemd, en waaronder +men zekere vlammende luchtverhevelingen verstaat, die, by duistere +nachten en stormweer langs de masttoppen en raas heen en weder dwalen. + +Dwalen, o. w. -- Zwerven, verkeerd gaan. Een D--de naald. Zie +Naald. Buiten boord D-- wordt by wijze van eufemisme gezegd voor +"buiten boord raken." + +Dwarlwind, Dwarrelwind, z. n. m. -- Wervelwind: gedurig draaiende wind. + + + Een zeestorm op d' Oostzee, neêrstortende met vlaegen, + Had in een dwarrelwint de Graenvloot omgeslagen. + + Jan Vos. + + +Dwars, bw. -- Wordt gezegd van hetgeen zoodanig geplaatst is, dat +zijn lengte niet evenwijdig loopt met die van het schip. D-- stuwen; +-- D-- liggend vaatwerk; -- D-- voor den boeg komen (Met de zijde +voor den boeg van een ander schip komen. D-- vertuien (met een anker +voor- en achteruit, zoo dat het schip niet draaien kan. Dit geschiedt +b. v. als men zich voor een vyandelijke battery plaatst). + +Dwarsdrijven, o. w. -- Dit zegt men van een schip, dat, niet naar +'t roer luisterende, zijdelings wegdrijft. + +Dwars in het vaarwater, bw. -- Wordt gezegd van een schip, dat dwars, +schuins tegen een ander aankomt. + +Dwarsdrijver, z. n. m. -- Schip, dat niet naar 't roer luistert. Van +hier de + +Spreekwijze: Hy is een D-- (hy hoort naar geen rede). + +Dwars drijven (kwellen, hinderlijk zijn,) onheil verwekken:--omdat +het dwars aan komen van een schip zeer hinderlijk is, vooral wanneer +het met voordacht geschiedt. + +Dwars liggen, o. w. -- t. w. van den stroom, van den wind, van de zee: +en dan beteekent het: aan stroom, wind of zee de breede zijde bieden. + +Dwars van, bw. -- Op de hoogte van;--doch zoodanig, dat de zijde van +het vaartuig op een loodrechte lijn staat met het voorwerp waar men +D-- v-- is. D-- v-- de haven (op een loodrechte lijn met de monding +van de haven.) + +Dwarsbalk, z. n. m. -- Dwarshout of Dwarsstuk: ieder hout, dat in +een getimmerte dwars geplaatst wordt. + +Dwarshalen, b. w. -- t. w. een schip: Het zoodanig plaatsen, dat het +de zijde aan eenig bepaald voorwerp biedt. + +Dwarsplaat, z. n. v. -- Plaat of zandbank, die Dwars voor de haven +ligt. + +Dwarsscheeps, bw. -- In een Dwarsche lijn: De Amiraal lag D-- van ons. + +Dwarsslede, z. n. v. -- Slede der scheepstimmerlieden, waarover een +vaartuig op het droog gehaald wordt. + +Dwarsstroom, z. n. m. -- Stroom, die by het land heenloopt. + +Dwarsstrooms, bw. -- Met de breede zijde in den stroom. Wy moeten +D-- ankeren. + +Dwarstouw, z. n. o. -- Touw, dat overdwars en niet langsscheeps +wordt uitgevierd. + +Dwarstij, z. n. o. -- Tij, dat zijlings invalt. + +Dwarstijs, bw. -- Met de zijde tegen het Tij. + +Dwarszalingen, z. n. v. mv. -- Dwars geplaatste zalingen. + +Dwarszees liggen, o. w. -- Met de zijde van het schip tegen den +golfslag liggen. + +Dwarszees zeilen, o. w. -- Tusschen de baren zeilen. + +Dweil, z. n. v. -- Een hoop aaneengeregen en aan een langen stok +gespijkerde lappen, waarmede een schip wordt schoongemaakt, na +eerst met water te zijn afgespoeld. 't Is hetzelfde woord als dwaal +(handdoek). + +Dweilstok, z. n. m. -- Stok, waaraan de Dweil wordt vastgemaakt. + +Dijk, z. n. m. -- Zeeweering. ZeeD--, WierD--, RietD--. + + + + + + + +E. + + +Eb of Ebbe, z. n. v. -- Het afloopen of vallen van het water, en alzoo +het tegenovergestelde van "Vloed". Daar gaat E-- (het water begint +te vallen). Een zware E-- (het afloopen heeft snel plaats). Halve E-- +(wanneer de E-- in snelheid afneemt). VoorE--, achterE-- (het begin, +het laatste van de E--). + +Spreekwijze: Gewoonlijk wordt E-- altijd voor tegenspoed, gelijk +Vloed voor voorspoed genomen, in gezegden als: Des Waerelds goed, +Is E-- en vloed.--Na hooge vloeden lage E--n. + +Eeken, z. n. o. of Ekken. -- (veroud.) Achter of voor een E-- zitten +wordt gezegd, als een schip voor of achter vast zit. + +Eendemossel, z. n. o. -- Schelpen, die zich aan den romp van een +ongekoperd vaartuig hechten. + +Eereschoten, z. n. o. mv. -- Kanonschoten, ter begroeting of ter +viering eener heuchelijke gebeurtenis gelost. + +Eerste officier aan boord, z. n. m. -- Officier, in rang op den +kapitein volgende, en aan wien het algemeen toezicht is opgedragen. Op +een linieschip volgt de E-- O-- op den Kapitein-Luitenant. + +Eerste wacht, z. n. v. -- Wacht van 8 uur tot middernacht. + +Eiland, z. n. o. -- Eivormig of rond land: t. w. dat rondom bepaald +is door de zee. SchierE-- dat met een strook aan 't vaste Land vast +is. E--en boven den wind. E--en onder den wind. + +Einde, z. n. o. -- In zeemanstaal weinig gebruikelijk. Zie End. + +Eisch (naar den) bw. -- Overeenkomstig de omstandigheden. Touw steken +N-- d-- E--, als het Eischt (het zooveel byvieren als dienstig is). + +Eischen, o. w. -- Begeeren, verlangen, vorderen. Het touw +Eischt. (t. w. gevierd, gestoken te worden) Hy (het anker) Eischt +(houdt vast in den grond). + +Ekken, z. n. o. -- Zie Eeken. + +Elkander, (in of uit) bw. -- wordt gezegd de betrekkelijke plaatsing +van twee vaste voorwerpen, die tot merken genomen worden om den koers +of afstand te bepalen, b. v. Als men den toren en den molen I-- of U-- +E-- ziet, moet men wenden. Als men de vuurbaak en het fort I-- of U-- +E-- krijgt, kan men afhouden. Wanneer men voor een schip over zeilt, +en men krijgt de masten daarvan U-- E--, dan is men er vrij van. Den +vuurtoren en 't kasteel een windboomslengte U-- E-- houdende, blijft +men in 't vaarwater. + +Emballaadje, z. n. v. -- Ingepakte balen en zulke goederen. Zie +Fustaadje. + +Embargo, z. n. o. -- Ital. woord: Verbod aan de koopvaardyschepen, +die zich in een haven of op een zee bevinden, om die zonder verlof +te verlaten: 't zij, dat de Regeering die in hare dienst wil nemen, +of dat hy die eener Natie, aan welke hy den oorlog verklaren gaat, +wil terug houden. Zie Beslag. + +Emer, z. n. m. -- (veroud.) Vaartuig, van eem (water). + +Emmer, z. n. m. of Eemer. -- Waterhaler, waterschepper. Zie +Bild. Gesll. op Eimer.--BrandE-- (lederen vat, dienende om brand +te blusschen). Zie Puts. KoelE-- (houten vat met ijzeren beslag, +waarmede gedurende het gevecht het water uit de koeltobbe geschept +wordt om het geschut koel te houden). + +Emmerzeil, z. n. o. -- Soort van vierhoekig zeil, waarvan de ra op +een derde van hare lengte door den mast wordt opgehouden. + +End, z. n. o. -- Voor "touw", en meer gebruikelijk dan einde of eind, +welk woord men nooit uit den mond eens zeemans hooren zal. E-- voor +E-- (wordt gezegd, wanneer kabels of loopende want ten einde toe +zijn uitgeloopen: hetgeen geschiedt om gemakkelijk te rijden). By +stormweer laat men de ankertouwen E-- voor E-- uitloopen. + +Spreekwijze: Ik weet niet waar het E-- vast is (ik weet den rechten +grond der zaak niet). Hy heeft het aan 't rechte E-- (hy begrijpt de +zaak goed). + +Enkhuizer, z. n. m. -- Herhaalde slag van een kabel om de beting. Een +E-- op het touw leggen. + +Enterbijl, z. n. v. -- Bijl, met een scherpe punt aan den +tegenovergestelden kant van het scherp voorzien, en alzoo geschikt om, +by 't Enteren, zoo wel te houwen en te kappen, als, wanneer het Enteren +door Chaloupen geschiedt, door het in 't hout slaan van gemelde punt, +daarby op te stijgen. + +Enterdreg, z. n. v. -- Dreg, die, in 't staande want van een vyandelijk +vaartuig geworpen, dient om de beide schepen tot elkander te halen +en alzoo by den vyand aan boord te komen. + +Enteren, b. w. -- 1o. Het vyandelijke boord beklimmen. Het woord is +waarschijnlijk verbasterd van 't Lat. intrare (binnenkomen). + +2o. Eenvoudig: "klimmen," In 't want E--. -- Enter op! (komm). + +Enterluik, z. n. o. -- (veroud.) Een luik, voor in den bak of achter +in de kajuit gemaakt, om, in geval van nood, als de vyand meester +is van het bovenschip, daardoor op den overloop te komen en hem van +onderen te keer te gaan. + +Enternet, z, n. o. -- Zie Vinkenet. + +Entrepôt, (spreek uit Antrepoo) z. n. o. -- of Stapelplaats, beteekent +oorspronkelijk een plaats of haven, waar koopmansgoederen vrij worden +toegelaten, en alzoo een vrijplaats of vrijhaven. In onze taal heeft +dit bastertwoord een meer bepaalde beteekenis verkregen. Volgends +art. 88 der Algemeene Wet van den 26 Augustus 1822 over de heffing der +regten van In- Uit- en Doorvoer enz. (Staatsbl. no. 38) verstaat men +door E--s oplagen van goederen in daartoe aangewezen bergplaatsen en +is de strekking daarvan, den eigenaren of gekonsigneerden van niet +ten invoer verboden goederen, gedurende den tijd van twee jaren na +den dag der lossing, of somtijds langer, de gelegenheid te laten, die +goederen ten verblijve binnen 's Lands of ten doorvoer aan te geven, +tegen betaling der alsdan daartoe staande rechten. Zy onderscheiden +zich in Publieke E--s, òf algemeene bewaarplaatsen onder het opzicht +van het Bestuur en wederzijdsche sluiting zoo van wege dat Bestuur +als van wege den handel: Partikulier E--, zijnde een bewaarplaats +in een door den handel aangewezen en door het Bestuur goedgekeurd +pakhuis of magazijn, mede onder wederzijdsche sluiting: Fiktief E-- +zijnde de oplage van goederen in des handelaars byzonder pakhuis of +bergplaats, onder zijn toezicht en buiten sluiting van de zijde des +Bestuurs. De wetsbepalingen, waarby het stelsel van E-- geregeld wordt, +zijn te vinden in het Elfde Hoofdstuk van gezegde Wet, art 88-107. + +Entrepôtdok, z. n. o. -- Besloten Dok, waarin die schepen liggen, +welke hun goederen in het algemeen Entrepôt lossen. + +Equipaadje, z. n. v. -- Bastertwoord voor: Bemanning, Manschap. Zie +ald. Het schip is door de E-- verlaten. De gandsche E-- is ziek +geweest. + +Equipaadjemeester, z. n. m. -- Direkteur der bewegingen en +verrichtingen op eene der Rijks werven. + +Esch, z. n. m. -- Het hout, dat op de Hollandsche schepen gezien werd, +en waar op de Leeuw rustte. + +Eskader, z. n. m. -- Zie Smaldeel. + +Etat-major, z. n. o. -- Staf van een oorlogschip, bestaande +uit den kapitein, de officieren--ook die van gezondheid en van +administratie--de adelborsten en scheepsklerken. + +Etmaal, z. n. o. -- Vier-en-twintig uur. Wy waren geen E-- in zee of +kregen tegenwind. + +Evennachtslijn, z. n. v. -- Zie Linie. + +Expediteur, z. n. m. -- Iemand, die zich met het doen vervoeren +van koopmanschappen te land of te water bezig houdt. Zijn rechten +en verplichtingen zijn omschreven in het Wetb. van Kooph. II. B. V +Tit. II. Afl. art. 86-96 en in art. 118-119 der Alg. Wet van 26 +Aug. 1822. + +Ezelshoofd, z. n. o. -- Dik met ijzer beslagen half rond plat hout, +over den top van den mast gelegd; aan het vooreinde een gat, (hommer) +hebbende, waardoor de steng loopt. Onder aan dat hout hangen de bloks +om de stengen op te hijschen of te strijken. De marszeilraas rusten +op het E-- als zy gestreken zijn. Waarschijnlijk is aan dit blok de +naam van E-- gegeven, omdat het als een kop op den mast zit, en als +een Ezel tot het dragen van lasten bestemd is. + + + + + + + +F. + + +Fajfena, z. n. v. -- Soort van kleine Japansche galei met twintig +riemen aan elke zijde. + +Fajofsnee, z. n. v. -- Japansch speelvaartuig. + +Faktory, z. n. v. -- Plaats of kantoor, waar de agenten (Faktors) +van een handelshuis zich buiten 's Lands ophouden. De naam van F-- +wordt zelden anders gegeven, dan aan dergelijke instellingen, door +Europeanen in de O. Indiën gesticht. + +Faktuur, z. n. v. -- Lijst van afgeleverde goederen. + +Fatsen, z. n. v. mv. -- Onderbonnetten, ten opzichte tot de bovenste, +waar zy aan geregen worden. + +Spreekwijze. Hy is op de F-- (hy is op de loop:)--omdat de F-- worden +aangezet om meer vaart te maken. + +Feloek, z. n. v. -- Licht, lang en smal vaartuig, meest in gebruik +op de Middellandsche zee. De koraalvisschery geschiedt met F--en. + +Figale, z. n. v. -- Oostindisch roeivaartuig. + +Fitten, o. w. -- Scheepstimmermans-uitdrukking voor: "meten, hoe diep +de gaten zijn, welke men geboord heeft," waarschijnlijk 't zelfde als +'t Eng. to fit. + +Flambeeren, b. w. -- In gebruik by 't konvooieeren. Met een sein +berispen: aan een schip, door middel van een sein en een schot, bewijs +van ontevredenheid geven, dat het zich niet op zijn post bevindt, +of van gegeven bevelen afwijkt. + +Flap, z. n. m. Of Tappen dekplaat. -- IJzeren halve band, die over de +Tappen van een stuk geschut door middel van de bekbout en de spijlbout +bevestigd wordt op het rolpaard. + +Fluit, z. n. v. of Fluitschip. -- Een transportschip, dat op alle +zeeën vaart. De reden der benaming, welke Winschoten opgeeft, als +zoude het aldus heeten naar zijn lang en smal fatsoen, waardoor het +op een fluit geleek, schijnt er met de hairen bygehaald. Veeleer +komt het my voor, dat men het aldus noemde, omdat het groot van +inhoud was in vergelijking met andere schepen, even als een F-- +(drinkglas) onder andere roemers.--Een linieschip, waaruit men de +onderste battery heeft weggenomen heet "geärmeerd en flûte." + +Fluit, z. n. v. -- Metalen buis, aan het ene end uitloopende in een +bal met een gaatjen doorboord, welke de Onderofficieren bezigen om +er bevelen mede te herhalen, gelijk de trompetters of hoornblazers +by de landtroepen. + +Fluitschip, z. n. o. -- Zie Fluit. + +Fnee, z. n. v. -- Japansch transportschip. + +Fok, z. n. v. -- Een driehoekig zeil op kleine vaartuigen, tusschen den +Fokkemast en den boegspriet geheschen: op groote schepen heet de F-- +het onderste razeil van den Fokkemast. StormF-- zeil, dat by stormweer +aan het Fokkestag gevoerd wordt: BrêeF-- breed zeil van licht doek, +dat op kotters en schoeners wanneer men voor-de-wind zeilt aan een +lichte ra aan den top van den mast, of, zoo er meer dan een mast is, +van den Fokkemast gevoerd wordt om sneller te loopen. + +Spreekwijze. De F-- opzetten (den bril opzetten), omdat deze +op den neus gezet wordt, die, als de boegspriet voor het schip, +even zoo voor het aangezicht uitsteekt; terwijl bovendien de bril +tot behulp der oogen dient, even als de F-- tot versterking der +achterzeilen.--Bilderdijk geeft in zijn Gesll. echter een andere +verklaring van dit spreekwoord. + +Fokjen, z. n. o. -- Verzameling van draden, niet meer dan een vadem +lang en dienende om ruw en uit de hand iets te beslaan. + +Fokkeboelijn, Fokkebras enz., Boelijn, Bras enz. aan den Fokkemast. Zie +ald. + +Fokkehals, z. n. m. -- Hals van den Fok. + +Spreekwijze. Hy trekt aan de F-- (hy krijgt stank voor dank):--omdat +de loos van de Fokkenhals onder 't galjoen hangt, en men aan de F-- +trekkende, wel eens iets anders dan zeewater over 't lijf krijgt. + +Fokkemast, z. n. m. -- De voorste Mast op een schip. Zie Mast. + +Fregat, z. n. o. -- Oorlogsvaartuig met een dek, en meer dan twintig +en minder dan vijftig of zestig stukken voerende, die boven op het dek +en op de halfdeks verdeeld zijn. Licht F-- (korvet). Advies F--. Zoo +snel loopen als een F-- (snel zeilen). + +Fregaton, z. n. m. -- Venetiaansch vaartuig, met een vierkanten +achtersteven, een bezaanmast, een grooten mast en een boegspriet +voerende, en tot aan de 10,000 quintalen kunnende laden. + +Fret, z. n. m. Of Fretboor. -- Zie Drilboor. + +Fustaadje, z. n. v. -- Allerlei Vaatwerk, in tegenstelling van +Pakkaadje, waarmede men kisten, enz. en Emballaadje, waarmede men +balen en dergelijke ingepakte goederen verstaat. Men voegt gemeenlijk +de woorden F-- en Emballaadje by elkander, o. a. in art. 209 en +210 der Alg. wet van 26 Aug. 1822, waarby boeten tegen den schipper +en stuurman bepaald zijn by het bevinden van een ander getal fust- +of pakgoederen dan overeenkomstig de gedane verklaring. + + + + + + + +G. + + +Gaande houden, b. w. -- 1o. Op denzelfden boeg, als men tot nog toe +gezeild heeft, voortgaan. + +2o. Aan wind of stroom een wederstand bieden, die met hun kracht gelijk +staat: Wy Hielden het beter tegen den stroom Gaande dan de Adraste. + +3o. Gelijk, even hard zeilen. Wy Hielden het met alle schepen van +ons eskader Gaande, onder onze beide marszeilen. + +4o. Niet van plaats veranderen, b. v. om een schip in te wachten. + +Spreekwijze, 't G-- H--: het zooveel mogelijk uithouden. + +Gaande raken; gaande zijn, o. w. -- Wordt van een schip gezegd, +als zijn anker aan 't glijden raakt. Ook van de goederen, die in een +storm komen overhoop te rollen, als b. v. De ballast Raakt Gaande. + +Gaande weg, bw. -- Langzamerhand. G-- W-- afhouden. (Zie Afhouden.) + +Gaandery, z. n. v. -- Zie Westergang. + +Gaarboord, z. n. o. -- De naaste plank aan de kiel, met het aanzetten +waarvan men een aanvang maakt by den bouw van het boord, zoodat men +de deelen als 't ware samen gaêrt. + +Gaard, -- Zie Geerd. + +Gaffel, z. n. m. -- Spriet, aan welken, op boeiers en smakken, het +smakzeil wordt vastgemaakt. Op de grootere schepen is het de spriet, +die met een klaauw door de kraallijn aan den bezaansmast vast is, +en waaraan het bezaanzeil is uitgehaald en opgeheschen wordt. Het +draagt den naam van G--, omdat het aan het eene einde in een G--, +vork of klaauw, uitloopt, waarmede het om den mast sluit. + +Gaffelval, -- Talie, waarmede de Gaffel geheschen wordt. + +Gaffelzeil, -- De langsscheepsche zeilen, aan Gaffels geheschen heeten, +G--en: zoo zijn b. v. de bezaan-, de bark- en schooner zeilen, G--en. + +Galeas, z. n. m. -- Groot Venetiaansch vaartuig, dat met behulp van +zeilen en riemen bestuurd werd. + + + Veneedje, laat uw Galeassen + Tot roem en eer, eeuw uit eeuw in, + De Turxsche heêrschappy verrassen. + + Antonides, Zeetriomf. + + +Galei, z. n. v. -- Lang, smal vaartuig, op de Middellandsche zee +in gebruik, zeilende met latijnzeilen, of wel door G-- slaven +of boeven geroeid. Lichte G-- (die naar den antieken vorm met +een scherpen voorsteven gebouwd is: Bastert- of gewone G--) die +van middelbare grootte is: HoofdG-- (de voornaamste G-- van een +Vorstendom). PatroonG-- (de tweede G-- van Frankrijk, Toskane en +Maltha en de derde G-- van die Zeestaten, welke nog bovendien een +Koninklijke en HoofdG-- bezitten. Koninklijke G-- (de voornaamste G-- +van een onafhankelijke Mogendheid en de voornaamste G-- van den Paus. + + + Doorluchte Waterkoningin + Venetië, die uw Galeien + Tot roem en eer eeu uit eeu in + Haer vlugge wieken uit laet spreien. + + Antonides, Ystroom. + + +Galeiroeiers, z. n. m. mv. -- Roeiers eener Galei, gewoonlijk slaven. + +Galoëtte, z. n. v. -- Klein Malabaarsch vaartuig. + +Galeiwolf, z. n. m. -- Zie Aletta. + +Galery, z. n. v. -- Buitenbetimmering tegen de achtereinden der zijden +van het schip gemaakt en een afgesloten ruimte vormende. De G--en +dienen tot het bevatten van gemakken en tot cieraad van den spiegel, +dien zy verbreeden. By linieschepen heeft men soms twee G--en boven +elkander, by gewone schepen maar eene of geene. + +Galg z. n. v. -- Houten stellingen, voor en achter in de kuil staande, +en dienende om waarlooze rondhouten op te bergen. + +Galjas, z. n. m. -- Zie Galeas. + +Galjoen, z. n. o. -- 1o. Naam, aan een soort van vrachtschepen +gegeven, die in den handel van Spanje op de West-Indiën en andere +volksplantingen gebezigd worden. + +2o. Stelling met roosterwerk, geplaatst tusschen het voorschip en +het bovenste gedeelte van de scheg, en met leuningen voorzien. + +3o. Oude benaming van de snuit of de snebbe der fregatten, pinassen +en andere zware schepen; het plach onder de straffen, op de schepen +gebruikelijk, te behooren, dat iemand op water en brood in 't G-- +werd gesloten. + +4o. Geheim gemak voor de matrozen. + +Galjoot, z. n. v. -- Soort van vrachtschip van de grootte van een +hoeker. Barbarijsche G--: kleine galei, op de Barbarijsche kust in +gebruik. BombardeerG--, stevig gebouwd vaartuig, van een of twee +mortieren voorzien en zonder fokkemast, ten einde den boeg tot +bombardeeren vrij te houden. + +Gallen, z. n. v. mv. -- Kleine holten, welke men somtijds in de +vuurmonden en in de kogels aantreft, en die, wanneer zy een bepaalde +maat te boven gaan, tot afkeuring daarvan leiden kunnen. + +Gang, z. n. v. of Vaart. -- Snelheid, waarmede een schip kan vooruit +komen in evenredigheid met de kracht van den wind en de uitgezette +zeilen. Zoo zegt men: een goede G-- hebben, weinig G-- maken (goed, +weinig vooruitkomen). + +Gang, z. n. v. of Slag. -- De weg dien een schip aflegt over denzelfden +kant, wanneer het laveert. Verscheiden G--en doen. Nog een G--etjen +en wy zijn er. G-- of slag maken, enz. + +Gang, z. n. m. 1o. -- Voortloopende beplanking langs het boord. De G-- +en de buitenhuid.--Zie Brug, Zetg-- en Geschutg--. + +2o. Plank, waarmede men uit- en in het schip gaat. + +Gang (gebroken). Zie Vertuining. + +Gangboord, z. n. o. of Gangwaring. -- Het boord, daar men op koffen, +smakken en andere kleine vaartuigen langs gaat. Zie Waring. + +Spreekwijze: Wat doe je in 't G--? (Hoe staat ge in den weg?) + +Gangmeter, z. n. m. -- Werktuig of toestel, met behulp waarvan men +de vaart van een schip kan berekenen. Zie Log. + +Gangspil, z. n. o. -- Kaapstander, aardewind, spil, windas. -- +Geknotte min of meer dikke kegel, waarvan de evenwijdige grondslagen +in diameter weinig verschillen in grootte, en die vervaardigd is om op +zijn diametrale en vertikale as rond te draaien. Windboomen of spaken, +waarvan de enden gestoken worden in gaten, welke in den kop van het +G-- zijn uitgehold, en dienen om het in de rondte te doen draaien, +en de touwen, welke men om zijn schacht slaat, aan te halen. Zie Spil. + +Ganzevleugel, z. n. m. -- Soort van schippersboom, dienende tot het +uitzetten van den schoothoorn van het zeil. + +Garen, z. n. o. -- Zie Draad. Men onderscheidt kabelG--, schiemansG--, +touwslagersG--, (met al hetwelk een zware soort van G-- bedoeld +wordt); wit, ongeteerd G-- (zoo als het van den spinner komt); bruin +of geteerd G-- (dat met teer doortrokken is); merkG--, (waar een draad +van een andere kleur doorheen loopt); zeilG-- (dat tot het naaien der +zeilen dient); lijkG--, wantG--, (dat van de dikste soort is) trosG-- +(van een mindere) en kardoesG-- (om kardoezen mede vast te maken). + +Spreekwijze: Zyn eigen G-- rokken (niemand ergends dank voor weten, +zich zelven alles toeschrijven). Een warG-- (een twistzoeker). + +Garenwinder, z. n. m. -- Stuk van een haspel, schiemans wuit. + +Garnaal, z. n. m. -- Kleine zeevisch. Spreekwijze: Een hoofd als een +G-- (een klein hoofd). + +Garnaatjens, z. n. o. mv. -- Algemeene benaming voor blokjens van +dun touwwerk. + +Garneeren, b. w. -- Bekleeden, 't Fr. garnir. Een steng of ra G-- +(er een schoot of plank op vast maken tot steun van een zwakke plaats). + +Garneering of garniering, z. n. v. -- Bekleeding. G-- van 't ruim +(bekleeding van 't ruim, b. v. met bindrottings langs het boord, +om alzoo een glad boord te krijgen tot betere, vastere opstuwing +der lading). + +Gassefat, z. n. o.-- Perzisch vaartuig. + +Gat, z. n. o.-- 1o. Elke opening of doortocht, op een schip gemaakt: +SchootG-- (waar de schoot doorloopt). Soldaten G-- (opening in de +mars gelaten en waar de soldaten doorheen klimmen, wanneer zy by +een gevecht zich naar boven moeten begeven). Spy G-- (waar het water +doorloopt), enz. + +2o. Het achterste gedeelte van het schip. Een schip op zijn G-- zetten +(het met zijn achtersteven op het droog zetten). Het schip ligt te +veel in zijn G-- (ligt achter te diep). + +3o. Voor Zeegat: open vaarwater, waardoor men in elke zee kan +komen. Het Spanjaarts G--. Het Heer Jan de Witts G--. Binnen Gaats, +Buiten Gaats (binnen of buiten). Hy is al vroeg het G-- uitgegaan +(ter zee gaan varen). + +Geboeid, b. n. -- Wordt van een schip gezegd, als het geen water genoeg +meer vindt om te drijven. Aan den grond G-- raken. Het G-- liggen. + +Geborgen, b. n. -- 1o. Gered en opgeslagen. G-- goederen. (Zie +Goederen.) + +2o. Vastgemaakt, weggenomen, gestreken. De zeilen zijn G--. + +Gebrast, b. n. -- Wordt van een schip gezegd, wanneer zijn zeilen +goed bystaan. Zeil dat scherp G-- is (dat dicht by den wind staat). + +Gebuikt, b. n. -- Het schip is G-- (te veel uitgebouwd van +zijboorden). De zeilen staan wel G-- (zijn ruim genoeg). + +Gebust, b. n. -- Wordt een blok genoemd, wanneer het gat in de schijf, +waardoor de pen loopt, in metaal is gevat. De spygaten zijn met koper +G-- voor het inwateren. + +Geer, z. n. m. -- Schuinte in een kleed, en van hier bepaaldelijk een +strook zeildoek, die aan de zeilen wordt toegevoegd om ze van onder +te verbreeden. + +Geerd of Gaard, z. n. v. -- G--en zijn touwen, waarmede men den nok +van den gaffel dwingt. + +Gei, z. n. v. -- Byspriet, is schier alleen in de samenstelling +gebruikelijk. + +Geien, o. w. -- De geitouwen van een zeil ophalen. + +Gein, z. n. o. -- Gy, Jy of Gijn. 1o. Talie van de grootste soort. + +2o. Blok met twee of drie schijven, waardoor een looper is geschoren, +dienende om groote kracht mede uit te oefenen. + +Geitouw, z. n. o. -- Algemeene naam voor elk touw, dat tot het inkorten +of gorden der zeilen gebezigd wordt. + +Geitouwblok, z. n. o. -- Blok, waar een Geitouw doorloopt. + +Gek, z. n. m. -- Werktuig, boven aan het eind van een houten pomp, +waarin de stok of het handvatsel, met hetwelk men den pompstok ophaalt, +wordt vastgehecht. + +Geklucht, b. n. -- Wordt een mast genoemd, die uit onderscheiden op +elkander geplaatste stukken is samengesteld. + +Gekstok, z. n. m. -- Stok of handvatsel van een bouten pomp. + +Geleide, z. n. o. -- Zie Konvooi. + + + Gelijck de kudden gaen by duizenden te weide, + En groeien by het gras, zoo drijft nu 't zeegeleide + Van 's lands Geleivloot al wat hongert naar gewin, + Den mond van Tessel en den Vliestroom uit en in. + + Vondel, Zeemagazijn. + + +Geleivloot, z. n. v. -- Zie Geleide, Konvooi. + +Gelijk, bw. -- 1o. In kommandoos gebruikelijk om te gelasten dat +een beweging gelijktijdig geschiede. G-- halen! G-- roeien! Haalt +G--. Roeit G--! + +2o. Voor Gelijklastig. Dat schip ligt G--, ligt op een effen kuil +(als de diepgang voor en achter dezelfde is). + +Gemeerd, b. n. -- Is het schip, achter en voor vastgemaakt aan een +kaai of dukdalven, of door een anker voor en achter. + +Geraamte, z. n. o. -- Het G-- van een schip wordt de verzameling +genoemd der nog onbeplankte en onbekleedde hoofdbalken. + +Gescheept, b. n. of Ingescheept. -- Wordt gezegd van de goederen die in +'t schip gebracht zijn: ook van de menschen. + +Spreekwijze: Met iemand G-- zijn (met iemand verlegen zijn, iemand +niet kwijt kunnen raken). Zoo zegt Hooft in zijn Geeraert van Velzen: + + + Ik ben daer mee gescheept, daer ik mee over moet. + + +Geschoofd, b. n. -- By elkander gebracht, als in Schoven vereenigd +om de minste plaats in te nemen. G--e vaten. Die lichte vaartuigen +liggen G--. + +Geschut, z. n. o. -- Oorlogstuig, waarmede geschoten wordt. Klein G-- +(snaphanen, roers, musketten, enz.) Grof G-- (kanonnen, mortieren, +bomketels, enz.) Het G-- lossen. + +Spreekwijze: Met grof G-- schieten (bulderen, razen, schelden). + +Het G-- (of het schut) te boord halen (zich vaardig maken tot den +slag). + +Geschutdek, z. n. o. -- Zie Dek. + +Geschutgang, z. n. v. -- Dat gedeelte der buitenhuid, 't welk bepaald +is tusschen den onderkant van het rahout en den bovenkant van het +barghout. + +Geschutleng, z. n. v. -- Touw met ijzeren oogen en haken voorzien, +en dienende om zware vrachten, als kanonnen enz. binnen boord te +halen. Zie Leng. + +Geschutooren, z. n. o. mv. -- De handvatsels van een stuk Geschut. + +Geschutpark, z. n. o. -- Bewaarplaats van het Geschut. + +Geschutpoort, z. n. v. -- Vierkante opening in den wand van een +vaartuig gemaakt, ten einde den doortocht aan den tromp van een stuk +geschut te verleenen. + +Geschutrol, z. n. v. -- Lijst, waarop ieders post by gelegenheid van +een zeegevecht staat opgeteekend. + +Geslurpt, b. n. -- By "Touwen" of by "End" gevoegd beteekent: puntig +uitloopend. Een Touw wordt G-- om het gemakkelijker in een katrol te +werken. De strengen van het eind der ankertouwen worden G--, om op +een ander ankertouw gesplitst te kunnen worden. + +Gesmoord, b. n. -- Wordt een schip genoemd, wanneer het, door een zware +zee zeilende, niet die snelheid kan aanwenden, welke het verkrijgen +zoû, wanneer de zee effen was. Tusschen de zeeën G-- liggen. + +Gespat, b. n. Of uitgespat, -- wordt van de hoofdtouwen gezegd, +wanneer zy met den mast een meer open hoek maken dan gewoonlijk. + +Gespekt, b. n. -- Wordt gezegd van een lap zeildoek, geheel doorregen +met stukjens kabelgaren. Zoodanige heet men dan Spekwatten en zy +dienen om daar gebonden te worden, waar schavieling of wrijving door +aanstooten wordt veroorzaakt. + +Gestopt, b. n. -- 1o. Met Stoppers voorzien: Een G-- touw, of tuig +dat door middel van Stoppers wordt gespannen gehouden. + +2o. Aangehouden. Dat schip is in Texel G--. + +Gestrand, b. n. -- Aan wal geslagen of gespoeld. Een G-- schip (dat op +'t strand zit) G--e goederen. Zie Goederen. + +Gestreken, b. n. -- 1o. Met planken beschoten. Zie Dek. + +2o. Neder gevierd. De zeilen G-- (nedergehaald). + +Gestropt, b. n. -- Met een Strop belegd. + +Getuigd, b. n. -- Wordt een schip genoemd, dat al zijn Tuig heeft. Hoog +G-- schip (dat veel bovenzeilen heeft.) Laag G-- schip, (dat zijn +tuigaadje lager heeft). G-- als een logger, brik, schoener. + +Spreekwijze: Hy is G-- als een Portugeesch schip (hy ziet er slordig +uit). + +Getij, z. n. o. -- Zie Tij. + +Spreekwijze: Ieder vischt op zijn G-- (elk let op zijn byzonder +voordeel). + +Geul, z. n. v. -- Naauwe vaart of waterloop. + +Geus, z. n. m. of Geusjen. -- Een vlag, die van den boegspriet waait, +aldus genoemd naar de Watergeuzen, die namelijk aldaar hun standaart +heschen met de kleuren des Prinsen van Oranje, en er alzoo hun +verschijning mede aankondigden. + +Geusjen, z. n. o. Zie Geus. + +Geuzen, o. w. --- Men plach te zeggen: het begint te G-- voor: +"de wind begint voordeelig te worden." Zoo zeiden de Spanjaarts +ten tijde der omwenteling in de 16de eeuw: Onze Lieve Heer Geust; +(is den Geuzen gunstig). + +Geuzestok, z. n. m. -- Stok op den boegspriet, waar de Geus van waait. + +Gewaarborgd, b. n. -- Klaar, gereed. Tegen het oploeven, tegen het +afvallen G-- zijn, (op het loeven, het vallen passen, op zijn hoede +zijn). + +Gezeegd, b. n. -- Gebogen, krom. Te sterk G--e barghouten. + +Gezicht (in 't), bw. -- Zichtbaar, dat men 't zien kan. Een schip In +'t G-. Wy leden schipbreuk in 't G-- van de haven. + +Gezond, b. n. -- Van een schip gezegd beteekent: gaaf, zonder +letsel. Zie Ongezond. + +Geswindpijpjen, z. n. o. -- Ontvlammingstoestel, in een penneschacht +geplaatst, in het zundgat gezet en aangestoken, ontsteekt het de +lading. + +Giek, z. n. v. -- Smal scheepsgebouw, roeivaartuig, waarvan de banken +maar een persoon kunnen bevatten en dat voornamelijk by hardroeierijen +gebezigd wordt. Vierriems G--, Zesriems G--. + +Giek, (of liever Gijk, als de Fransche vertaling Gui aanduidt) +z. n. v. -- is de spriet, waarvan een Latijnzeil wordt uitgezet. + +Spreekwijze: wacht u voor de G-- (wacht u voor den weêrstuit.) + +Gier, z. n. m. -- Giering of Gierslag; draai, zwenking, uitwijking, +welke een schip met goeden voor-de-wind maakt, 't zij aan bak- of +stuurboordzijde.--Een G-- doen (een geänkerd schip met behulp van +het roer doen Gieren.) + +Gieren, o. w. -- Gevolg van de werking van een sterken stroom op +een Geänkerd schip, waardoor het voorschip meer of min merkbaar van +de rechter- naar de linkerzijde, of omgekeerd, zwenkt. Op het G-- +passen (het G-- voorkomen met behulp van het roer of van een opgezet +zeil). Over bakboord, over stuurboord G--. Het schip Giert op zijn +touw. + +Giering, z. n. v. -- De daad van Gieren. Zie Gier, Gieren. + +Gieten, o. w. -- Nat maken, hozen. + +Gieter, z. n. m. -- Hoosvat, waarmede de zeilen, voornamelijk op een +klein vaartuig, worden nat gemaakt. + +Spreekwijze: Hy ziet er uit alsof hy uit een G-- gedronken en de +droppels op zijn gezicht gekregen had. (Hy is pokdalig). + +Gig, z. n. v. -- Licht Engelsch vaartuig. + +Gillen, b. w. -- Schuin afsnijden of afzagen. + +Gilling, z. n. v. -- Van Gillen, en dus oorspronkelijk een schuins +afgezaagd stuk hout. Thands echter verstaat men onder G-- den staanden +kant van het houten boord, wanneer dit niet onder de geheele lengte van +het schip doorgaat. Zoo gebeurt het b. v. dat het houten boord langs +het opperdek zich van achteren af tot by den grooten mast uitstrekt. De +plaats, waar het aan den voorkant afbreekt, is dan een G--. + +Gissing, z. n. v. -- Zie Bestek. + + + De Naelde wijckt noch wraeckt en alle Gissingh sluyt + + Huygens, Hofwyck. + + +Glas, z. n. o. -- Zandlooper, uur-, halfuur-, kwartier-, minuut +G--. De tijd wordt aan boord berekend by Glazen van een half uur. Zoo +is b. v. vier Glazen in de hondenwacht, twee uur na middernacht. Elke +wacht heeft acht Glazen, dus vier uur. + +Gods genade, (op) bw. -- Zonder te weten waarheen. Op G-- G-- drijven. + +Goederen, z. n. o. mv. -- Alle voorwerpen van handel. By art. 3 der +Algem. Wet van 26 Aug. 1822 worden daaronder begrepen alle waren en +koopmanschappen, geene uitgezonderd, benevens paarden en allerhande +vee. De bepalingen betreffende sommige verleende vrijdommen van rechten +op goederen vindt men in art. 5 dezer wet. Gestrande of geborgen G-- +(zie daaromtrent dez. wet, Vijfde Hoofdst. art. 30-36). Verboden +G--. (zie het Twaalfde Hoofdst. art. 108-117). + +Goerabe, z. n. v. -- Indiaansch vaartuig. + +Golf, z, n. v. -- Golving. Zie Baar. + +Golf, z. n. m. -- Zeeboezem, inham. Zie Bild. Gesl. in V. + +Golfslag, z. n. m. -- De kracht, welke de golven op een schip, het +strand, den oever of elk ander lichaam uitoefenen. + +Gondel, z. n. v. -- Venetiaansch vaartuig, tot overtocht en tot +vermaak gebezigd, en 't welk, in evenredigheid tot zijn breedte, +langer is dan eenig ander vaartuig van gelijke bestemming. + +Gorden, b. w. -- Ophalen van het middelste der marszeils en fok. + +Gording, z. n. v. -- Opkorting, t. w. van een zeil. In den grond één +woord met gordijn. + +Gort, z. n. v. -- Was van ouds de scheepskost en nog altijd een +geliefkoosd ontbijt voor de matrozen. + +Spreekwijze: Een G--etelder (een gierigaard, een vrek). 't Is afkomstig +uit den tijd, toen de scheepsbevelhebbers nog een hoofdgeld kregen +om de manschap te voeden, en alles op 't zeerst werd uitgezuinigd. + +Goteling, z. n. v. -- Een soort van kanon, vroeger op de schepen zeer +in gebruik, en zijn naam ontleenende van "gieten," om dat deze soort +tot de eersten behoorde, welke in haar geheel gegoten werden. + +Graad, z. n. m. -- Het 360ste gedeelte van den omtrek eens cirkels, +van 't Lat. Gradus, dat "trap" beteekent. + +Graadboog, z. n. m. Of Astrolabe. -- Werktuig, waarvan men zich plach +te bedienen, om de hoogte der zon te meten. + +Grieten, z. n. v. mv. Of zwalpen. -- Steunbogen, die de balken beletten +tot elkander te komen. + +Grietjen of Grietjen van Dijk, z. n. o. -- het Bovenkruiszeil. Volgens +de overlevering werd op zeker schip "den Eik," een der scheepsjongens, +die met het los- en vastmaken van het bovenkruiszeil belast was, +veroordeeld om met de knuttels te worden gestraft: dan toen men +hieraan zoû beginnen, ontdekte men, dat de bovenkruisraasgast een +meisjen was, Grietjen van Dijk genoemd. Haar naam werd sedert aan +dat zeil gegeven. Oude zeelieden herinneren zich nog fragmenten uit +een zeeliedtjen, dat door Janmaat op lamentabelen toon werd opgedreund: + + + Op 't schip den Eik, bequaeme + Margriet was haer naeme + + Sla my met dagjens op den huid + Maar trek mijn kleeren toch niet uit, + 'k Ben, vrouwspersoon wil weten. + Margriet ben ik geheeten. + + +Grietjenbras, z. n. m. -- Bras van het Grietjen. + +Grietjensra, z. n. v. -- of Grietjensteng, steng, waar het Grietjen +aan is vastgemaakt. + +Grietjenssteng, z. n. m. -- Zie Grietjensra. + +Gril, z. n. o. -- Woord, vroeger by de scheepstimmerlieden in gebruik +om daarmede het afscheidsel aan te duiden tusschen het pit van een +boom of balk en het binnenste, 't Is het gril, de draaijing of ronde +omtrek van een boom. + +Groenlandsvaarder, z. n. m. -- Het schip, of ook de schipper, die +naar Groenland vaart. + + + De Groenlandsvaarder tart, op saamgekleefde boomen, + In baare zee 't gewelt van stormen en van stroomen, + IJsbergen, rotsen en gedrochten. + + Antonides, Ystroom. + + +Groenlandsche sloep, z. n. v. -- Sloep, by een Groenlandsvaarder +behoorende, en door haar spitse kiel en rankheid zich snel op het water +bewegende, waarom zy by uitstek geschikt was tot de walvischvangst. + +Grond, z. n. m. -- Bodem van het water. G-- peilen (peilen hoe diep +het water is, eer men G-- voelt). Aan den G-- zitten (geboeid zitten, +stranden) Te G--e gaan (zinken, vergaan). Een schip in den G-- boren +(met kogels doorschieten, zoodat het te G-- gaat). + +Spreekwijze: Iemands G-- peilen (iemands meening zoeken). + +Ik voel G-- (ik begin te bespeuren, dat ik my niet verder wagen moet). + +Aan den G-- zitten (zich in verlegenheid bevinden). + +Iemand in den G-- helpen, te G--e richten (iemand in zulk een toestand +brengen, dat er geen redding meer voor hem op zit). + +Vuile G--en bederven de kabels (kwaad verkeer bederft de zeden). + +Stille waters hebben diepe G--en (met lieden die zich weinig uitlaten, +dient men voorzichtig te zijn). + +Alle G-- is geen ankerG--(men kan zich niet op iedereen (of op elke +onderneming) verlaten). + +Goede ankerG-- is de beste G-- (men moet zijn hoop en zijn verwachting +stellen op hetgeen vast is). + +Grondgat, z. n. o. -- Het gat, dat door het anker in den bodem +geslagen is. + +Spreekwijze: Ik moet dat G-- weten (ik moet het fijne van die zaak +leeren kennen). + +Grondschot, z. n. o. -- Schot, dat een schip onder water treft en +doet zinken wanneer het lek niet tijdig gestopt wordt. + +Spreekwijze: Dat is een G-- (een onherstelbare ramp). + +Groot, b. n. -- Wordt toegepast op voorwerpen, die betrekking hebben +tot den Grooten Mast of zich in de nabyheid daarvan bevinden. Zoo: +G-- zeil, G-- bovenbrambrassen, G-- bovenbramstengepardoens, enz, +voor zeil, bovenbrambrassen enz. van den G--en mast. Zoo G-- Luik +voor het luik voor den G--en mast. + +Guds, z. n v. -- Draaiende, holle Beitel. Timmermansbeitel, met +boogvormig lemmer. Platte G--, SteekG--, HokG--, DopG--. Het woord +schijnt zijn naam te hebben van het geluid, dat gehoord wordt als de +beitel door het hout gedrukt wordt. + +Guur, b. n. -- Streng, straf. G-- weer, Gure wind. + +Guineesvaarder, z. n. m. -- Een schip of schipper, die op de kust +van Guinee vaart. + +Gij, Gijn, Gijen enz. -- Zie op Gein, Geien. + +Gijk. -- Zie Giek. + +Gijpen, o. w. -- Doorkruizen, overgaan: het naar de andere zijde +schielijk overslaan van den bezaans brikzeilsboom. + + + En nu gy 't alles wenscht in uwen klaeu te grijpen, + Ziet licht de laege Wael 't gespannen zeil aen 't gijpen. + + Antonides, Ystroom. + + +Spreekwijze: Pas op de Gijp (wacht u voor de wisselvalligheid der +fortuin). + + + + + + + +H. + + +Haai, z. n. m. -- Verslindende visch, en benaming die dikwijls door +de matrozen aan een schuldeischer gegeven wordt. + +Spreekwijze: Hy is naar de H--en (hy is dood en weg: omdat iemand die +aan boord sterft en in zee geworpen wordt, groote kans loopt van door +die gedierten te worden verslonden.) + +Er zijn H--en op die kust (er is gevaar by.) + +Haak, z. n. m. -- Hoekig of gekromd yzer, dienende om eenig ander +voorwerp mede vast te houden, tot zich te trekken, of er nader by te +komen. Zie Bootshaak, Dreghaak, Pomphaak, Schippershaak, Taliehaak, +Wartelhaak. + +Spreekwijze: Het zijn Haken en oogen (het is een verwarde zaak: +omdat haken en oogen in elkander gehecht worden). + +Haakblok, Haakbout, enz. -- Blok, bout, enz., met een haak voorzien. + +Haaklasch, z. n. v. -- Lasch, waarby het verbindingsvlak schuins of +Haakswijs ligt. + +Haaksleuf, z. n. v. -- Yzeren of metalen Haak, die door de planken +van het scheprad eener stoomboot heenloopende, elke spaak van dat +rad omvat. + +Haaksteek, z. n. v. -- Zie Hollander. + +Haal, z. n. m. -- Beweging van een riem. Men liet de galei loeven, +goed ophalen, fiksche H--en doen. Nog een H--tjen en wy zijn er. + +Haan, z. n. m. -- Een vierkant stukjen koper, in de schijf van een +blok geslagen en waar de schijf over loopt. + +Hairbekleeding, z. n. v. -- Geteerde vermenging van koe- of ander +beestenhair met papier enz., welke men op de romp van een schip +aanbrengt, tusschen de buitenhuid en de houten dubbeling. + +Haken, b. w. -- Met een Haak tot zich trekken. + +Spreekwijzen: Ergends naar H-- (naar verlangen). Het moet vroeg +krommen, dat H-- zal. Zie Krommen. + +Haken, z n. m. mv. -- Schuine endjens van planken, waar kepen in +gemaakt worden om in elkander te sluiten. + +Hakgeld, z. n. o. -- Kosten voor het vellen, door omhakken te weeg +gebracht. + +Hakkebord, z. n. o. -- Letterlijk een Bord, waarop iets gehakt of +uitgehouwen staat: en in het bijzonder het bovendeel van den spiegel, +dat uitgehakt werd in verschillenden vorm, ten einde het schip te +onderkennen. + +Halen, b. w. -- 1o. Hijschen, trekken: Haal (d. i. trek harder). Haal +beter, al stijver! (komm.) De bocht uit een zwaar touw H--. Stijf +H--. Aan een touw H--. Op een talie H--. Aan boord H--. Haal wat aan! + +2o. Roeien. Haal op! (roei op). Haal uit! (doe je best). + +Spreekwijze: Haal je niet, zoo heb je niet (verzuim de gelegenheid +niet). + +Halfdek, z. n. o. -- Zie Dek. + +Halfsleten, b. n. -- Voor Half versleten. Een H-- zeil. + +Halfwind, z. n. w. of Dwarswind. -- Wind, die van terzijde, die dwars +komt. Met H-- zeilen. + +Hals, z. n. m. -- 1o. Een touw, dienende om, by-de-wind zeilende, +de loef-, fokke- en groote schoot, voor uit te halen. De H-- +van den bezaan en van de slagzeilen dient om het staande lijk er +van naar beneden te halen. Zwakke H-- (zie Zweeptopper). Looze H-- +(die alleen dient om een gewonen te vervangen). Tusschen twee Halzen +varen (voor-de-wind varen! omdat de H--zen of H--taliën gemeenlijk +los of open zijn.) Overdrachtelijk: de keus tusschen twee zaken, +die op 't zelfde neêrkomen. + +2o. Hoek, vereenigingsplaats. De H-- van een anker, de H-- van een +kanon. H-- van een knie. + +Halsklamp, z. n. v. -- Soort van groote klamp met een schijfrad +voorzien, die aan stuur- en aan bakboord op de buitenhuid wordt +aangelegd om er den Hals van 't groote zeil door aan te halen. + +Halvermast, Halversteng. -- Zie Mast, Steng. + +Halzen, o. w. -- Het schip by stormweer doen wenden; ook algemeen in +gebruik voor: voor-de-wind omwenden. + +Hamer, z. n. m. -- Timmermansgereedschap, waarmede geklopt +wordt. Yzeren H--. Houten H--. Kalfaat H--. + +Hamerslag, z. n. o. -- Gruizeltjens, die van het yzer afspringen +terwijl het gesmeed wordt, en die geschikt zijn om op scheepsdekken +gestrooid te worden ten einde men niet aan het pek kleve en het +houtwerk duurzamer blijve. + +Hand, z. n. v. -- Het gedeelte van het anker, dat den grond als met +een H-- vat. Zie Ankerhand. + +Handdag, z. n. m. in 't mv. handdagen. -- End touw, dat men in de +Hand houdt om er strafoefening mede te verrichten. + +Hand over hand, bw. -- Beurtlings, zonder rukken. H-- O-- H-- halen, +H-- O-- H-- inpalmen. + +Handgeld, z. n. o. -- Som, die aan de zeelieden op Hand gegeven wordt +en waarvoor zy zich verbinden, mede te varen. + +Handgift, z. n. v. -- Het eerste geld, dat men op een dag ontfangt. Ik +heb nog geen H-- van u gehad, is de gewone begroeting, waarmede een +kroeghoudster een binnenkomenden matroos toespreekt. + +Handtjen leenen, (een) o. w. -- Helpen, byspringen. + +Handplaat, z. n. v. -- Soort van vingerhoed, dien de zeilemakers met +een lederen riem aan de hand vastbinden. + +Handspaak, z. n. v. -- Spaak, die met de hand bewogen wordt, in 't +byzonder die, waarmede het braadspit wordt opgewonden. Daar de H--en +altijd voor-de-hand liggen, worden zy ook in een gevecht gereedelijk +als wapentuig gebezigd--ook om 't kanon te richten. + +Handzaam, b. n. -- Wordt de weersgesteldheid genoemd, wanneer zy alle +soort van verrichtingen toelaat. 't Is H-- weer. Een H--e wind. + +Hanepoot, z. n. v. -- Touw, waarvan men de beide enden op eenigen +afstand van elkander op of aan iets vastmaakt, b. v. aan de staande +lijnen van de marszeils. (zie Spruit) In het midden dier touwen is +een ring, waarin de boelijn gesplitst is. De H-- op den bezaansgestel +dient om dien op te hijschen: de zonnetent hangt aan een H-- onder +'t bezaansstag. + +Hang, z. n. o. -- Plaats, waar haring of bokking opgehangen en +gerookt wordt. + +Hangen, o. w. -- Nederwaarts gebogen zijn. De kiel Hangt. Het H-- +der masten, van den voorsteven, enz. + +Hanger, z. n. m. -- Oplanger, stut. Stuk hout, dat tot verlenging +dient van de spanten van het inhout. + +Hanggat, z. n. o. -- Bynaam voor een schip dat van achteren zwaar +is uitgebouwd. + +Hangkompas, z. n. o. -- Kompas, dat aan de zoldering, en dus omgekeerd, +hangt. + +Hangmat, z. n. v. -- Stuk zeildoek van ongeveer twee el lengte en +anderhalve baan breed, en hetwelk, aan beide einden door vele touwtjens +(scheerlijnen) in een ring of oog vereenigd een eivormige gedaante +krijgt. Door die ringen of oogen zijn de vierlijnen, waarmede de H-- +'t hoofdeind aan de klabaai en het voeteneinde aan een ring, die in 't +boord zit, wordt opgehangen aan de tusschendeksbalken, en de slaapstede +vormt van den matroos. Oorspronkelijk was zoodanige slaapstede van +eenvoudig Matwerk en van daar de benaming. Met de H--ten wordt het +schip verschanst. + +Hangstelling, z. n. v. -- Twee of drie planken op twee dwarsbalken +gespijkerd, en die langs de buitenzijde van het schip worden +uitgehangen om te breeuwen, te teeren, enz. + +Hardzeiler, z. n. m. -- Zie Snelzeiler. + +Hardzeilery, z. n. v. -- Watervermaak, waarby eenige vaartuigen +met elkander wedyveren, wie 't spoedigst door behulp van zeilen een +gegeven afstand zal afleggen. + +Haring, z. n. m. -- Kleine visch, die zich, in tallooze menigte, +by scholen in de omstreken van Schotland onthoudt, en waarvan de +vangst en het kaken onderhoud aan menig huisgezin verschaft. GrasH-- +(die dicht onder den wal, als 't ware in 't gras gevangen wordt en +daarom niet van de beste hoedanigheid is.) Volle H-- (die volwassen +en vol kuit en hom is). KruisH-- (die na Kruisverheffing gevangen en +met de drie Amsterdamsche kruisen op de ton gemerkt wordt). BuisH-- +(die met buizen gevangen wordt). PekelH-- (die gezouten is). ZeeH-- +(die gezoden of gekookt wordt). BraadH-- (die geweekt zijnde op den +rooster gebraden wordt). + + + O wat een gulden neeringh, + En voedsel brenght ons toe de coninghlijcke Heringh, + + +zingt Vondel in zijn Lof op de Scheepv. + +Peetjens H-- of Prezent H-- (die van de beste soort is en aan hen +gezonden wordt, die men verplichten wel). + +Spreekwijze: Ik zal daar kuit of H-- van hebben, (ik moet weten, +wat daar van is, of die zaak goed of kwaad is.--De spreekwijze is +daarvan ontleend, dat de kuit of zoogenaamde moeder visch niet voor +het gebruik deugt en niet als goede H-- gerekend wordt). + +Van Duinkerken ter H-- varen (er slecht afkomen: omdat de Duinkerkers, +wanneer zy het waagden, mede op de haringvangst uit te gaan, door de +Hollandsche visschers doorgaands mishandeld werden). + +Zoo gepakt als H-- (zeer naauw gezeten zijn: omdat de H-- in dichte +scholen zwemt, of dicht opeen getond wordt). + +Mijn H-- braadt daar niet, (ik heb daar geen vriendschap te wachten: +ik sta daar niet in de gunst). + +Hy roept van H-- voor Sint Jan (Geen hei roepen, eer men over den +dam is). + +Mooi weer en geen H-- (het innerlijke beäntwoord niet aan het +uiterlijke). + +Haringbuis, z. n. v. -- Zie Buis. + +Haringpakkery, z. n. v. -- Een plaats in de steden, waar de Haring +gepakt, dat is, in tonnen gedaan werd. + +Harpoen, z. n. m. -- Yzeren werktuig met een weêrhoek, van achteren +met een houten kruk voorzien, waaraan een touw bevestigd is, om het, +wanneer het in het lijf van een visch vast zit, terug te kunnen halen. + +Harpoender, z. n. m. -- Iemand, die zich op het Harpoenen verstaat. + +Harpoenen, b. w. -- Met een Harpoen treffen. + +Harpuis, z. n. o. -- Harstachtige stof, waarmede de huiden der schepen +bestreken en tegen het gewormte worden vrijgehouden. + +Harpuislepel, z. n. m. -- Lepel om 't Harpuis mede te scheppen. + +Harpuizen, b. w. -- Met Harpuis bestrijken. + +Hart, z. n. o. -- 1o Van een schip: dat gedeelte, waar de planken en +ribben het dikst zijn. + +2o. Van een touw. Wit gestrengeld garen, dat de binnenste ruimte vult +van een vierstrengs-touw. + +3o. Werktuig, dat in houten pompen gebruikt wordt. + +Hartbindsel, z. n. o. of Kruisbindsel -- Bindsel of sjorring, +aangeslagen op de plaats, waar twee lijnen elkander kruisen. + +Hartjen, z. n. o. -- Zie Pomphartjen. + +Haven, z. n. v. -- Plaats, waar de schepen veilig liggen +voor stormen en zeegevaren. ZeeH-- (waar de zee een inham +vormt in 't land). RivierH-- (die by de monding ligt van een +stroom). KrijgsH--, OorlogsH-- (waar 's Lands oorlogsschepen gehouden +worden). KoopvaardyH-- (waar alleen koopvaarders in liggen). Sluip- +of VerverschingsH-- (waar geen werven bestaan). OpenH-- (die men +beneden winds heeft). Besloten H-- (waar men den mond niet van ziet +wanneer men er in ligt, zoodat men er geheel beschut is tegen zee en +wind). TijH-- (waar men de werking in voelt van den vloed). VrijH-- +(waar de koopgoederen geen rechten betalen). By- of HulpH-- (van den +tweeden rang). NoodH-- (waar men uit nood binnenloopt.) + +In Rotterdam, Dordrecht enz. geeft men ook den naam van H-- aan wat +men elders "gracht" noemt. + +Spreekwijze: In behouden H-- zijn (zich buiten gevaar bevinden). + +Op een vreemde H-- geweest zijn (gemeenschap gehad hebben met een +andere dan de echte vrouw:--omdat by de matrozen vrij algemeen de +leus is: "zoo menige H--, zoo menige vrouw"). + +Daar is geen H-- mede te bezeilen (men kan met hem niet verder komen). + +Alle H--s schutten geen wind (niet alles strekt tot eer en voordeel, +waar men eer en voordeel van wacht.) + +Havenen, b. w. -- 1o. In een Haven bergen. Die goederen worden alleen +gelost om Gehavend te worden. + +2o. (veroud.) Schoonmaken. Zoo vindt men in oude +weeshuis-verordeningen: "de knechtskens en meiskens zullen eenmaal +'s weeks Gehavend worden." Hiervan is later H-- in den zin gebruikt +van "kammen, onder handen nemen." + +Havengeld, z. n. o. -- Geld, dat betaald wordt om een Haven te mogen +binnenloopen of er in te liggen. + +Havenmeester, z. n. m. -- Opzichter van een Haven, die voor de +uitdieping, de kaaien, het paalwerk, het opkorten der schepen, enz., +te zorgen heeft. + +Havery z. n. v. -- Zie Avery. + + + De scha van haverye en parken te begraven, + In 't onweêr wort met vreught van overwinst begroet. + + Vondel, Inwijding van 't stadthuis. + + +Heien, b. w. -- Palen inslaan. Roemer Visscher, 2e schok 60, bezigt het +van een schip, dat diepgaande is, en als in zee wordt ingeslagen. Zie +Stampen. + +Heiblok, z. n. o. -- Zwaar blok, dat, aan verscheiden touwen +vastzittende, op- en nedergelaten wordt om er palen mede in te slaan. + +Hek, z. n. o. -- Het slot van het achterschip. + +Hekbalk, z. n. m. -- Een gedeelte van den wand, dat de beide zijden +van het schip verbindt, aan Hek en Wulf tot grondslag strekt, en +waarop de enden der buitenboords-planken bevestigd worden. + +Hekboot, z. n v. -- De kleinste boot, die aan 't hek opgeheschen wordt. + +Hekknieën, z. n. v. mv. -- Knieën, die de hekbalken aan het schip +verbinden. + +Heksluiter, z. n. o. -- Eigenaardige naam van het laatstkomende schip +eener linie. + +Hekstut, z. n. m. -- Knievormige stut, met een papegaaisbek, op het +einde des Hekbalks geplaatst en daaraan vastgehecht. + +Hel, z. n. v. -- 1o. Benaming, die vroeger te Amsterdam werd +gegeven aan een pakhuis, waar gesloken goederen in bewaard +werden,--waarschijnlijk, om dat zy er niet licht weêr uitkwamen. + +2o. Of Blakhel. Hok omlaag op de koebrug, dienende tot berging van +onderscheidene dagelijksche behoeften, als olie, pek, enz. + +Hellen, o. w. -- Overhangen, overhalen. Dat schip helt zwaar, het +hangt veel over. + +Helling, z. n. v. -- Soort van glooiend roosterwerk op den vasten grond +aangelegd en waarop het vaartuig gebouwd of hersteld wordt. VoorH-- +(dat gedeelte der H--, dat door het water is overdekt). Overdekte H-- +(die een dak heeft). SleepH-- (om vaartuigen te herstellen). + +Spreekwijze: 't Moet op de H-- ('t heeft herstelling noodig). + +Helmstok, z. n. m. of Roerpen. -- Staaf of stok, die het roer in +beweging brengt. 't Woord is, volgends sommigen, 't zelfde als halm +(spriet) wat nog in 't Engelsch voor "roer" gebruikelijk is. Intusschen +moet men niet vergeten, dat de stokken, vooral op binnenvaartuigen, +tot knop een hoofd hadden met een Helm voorzien, waarop de stuurman +zijn hand leî. + + + 't Verstand, door 't dwalen van zijn werktuig, schokt en zwiert, + Niet anders dan het roer dat heel de hulk bestiert, + Wanneer de helmstok faalt, door stormweer weggeslagen. + + Bilderdijk, Ziekte der gel. + + +Spreekwijze: De een staat aan den H-- de ander aan den boeg, (de een +waakt op deze, de andere op gene wijze voor 't algemeen belang). + +Helpen, b. w. -- Men wordt gezegd, een schip te H--, wanneer men de +werking der zeilen by die van het roer voegt, of, by kalmte, de riemen +gebruikt, en aan de eene zijde goed, aan de andere verkeerd roeit, +om zoo te wenden. + +Hengst, z. n. m. -- Klein zeilvaartuig op onze binnenwateren in +gebruik. + +Hennegat, z. n. o -- 1o. Eivormige opening, boven den achtersteven +gemaakt, om er den kop van 't roer doorheen te brengen. + +2o. Achterste gedeelte van de sloep, afgescheiden door het hekkebord, +tot een zitplaats voor den kwartiermeester, die aan 't roer zit. + +Heude, z. n. v. -- (veroud.) soort van vrachtschip op de binnenwateren. + + + Ick laet de Binnen-vaert........ + Van Heuden, Playten, Boots, Smack-seylen ofte stevens, + + +zegt Vondel in zijn Lof op de Scheepv. + +Hiel, z. n. m. -- 1o. Hoek van den achtersteven met de kiel. + +2o. Onderste gedeelte van de steng, waarin de schijf loopt. + +Hielen, o. w. -- Met het achtereinde van het schip tegen den grond +stooten. + +Hieling, z. n. v. -- De verdubbeling onder aan de steng. + +Hielingsplaten, z. n. v. mv. -- Platen, aan weêrszijde van het +achtereinde der kiel aangebracht en door de kiel en door den steven +aan elkander gebout. + +Hielingssteek, z. n. m. -- Knoop, dienende om twee lijnen spoedig +aan elkander vast te hechten. Zie Mastwerp. + +Hobbelen, o. w. -- Freq. van "Hobben" (zich bewegen) en alzoo: "zich +herhaaldelijk, zich heen en weder bewegen." Bepaaldelijk wordt de +uitdrukking gebezigd van een vaartuig, dat in 't water ligt. + + + Daer leit de dicke romp en hobbelt zijght en stijght. + + Vondel, Scheepv. + + +Hoek, z. n. m. -- 1o. Uitstekende landpunt. De H-- van Holland. + +Spreekwijzen. Den H-- te boven zijn (de zwarigheid overwonnen hebben): +om dat H--en altijd hinderlijk zijn voor wie in-de-wind moet oplaveeren +en het rondkomen van een H-- den schipper altijd groote blijdschap +geeft. + +Het H--jen om zijn (dood zijn:--omdat men dan uit het gezicht en voor +de nablijvenden weg is). + +Uit den H-- komen, (voordeel aanbrengen. Wanneer een baak, toren, +enz., die aan de andere zijde van den H-- staat, te voorschijn of +uitkomt, dan is dit een bewijs dat men den H-- te boven is, en dus +een voordeelig teeken). + +2o. Vischangel. Hy heeft den H-- al tot de keel, (de man is al binnen). + +Hoeker, z. n. m. -- Groot Noordsch visschers- en transportvaartuig. De +H-- heeft twee masten, den eenen in 't midden, den anderen achter; +de groote mast voert een groot- en een marszeil, de achterste mast een +vierkant zeil boven een klein brikzeil. Nog voert de H-- drie groote +kluivers en een blindzeil. De naam van H-- schijnt daarvan afgeleid, +dat zoodanige vaartuigen oorspronkelijk uitgingen om met hoekwant +te visschen. + +Hoekwant, z. n. o. -- Vischwant van hoeken voorzien. + +Hoekmannen, z. n. m. mv. -- Beelden, die aan de hoeken van den spiegel +tot cieraad gesteld worden. + +Hoepel, z. n. m. -- Cirkelvormige lat of ijzeren band, tot omsluiting +dienende van eenig rond voorwerp. + +Hoezee. -- Uitroep.--Zie Houzee. + +Hofmeester, z. n. m. -- De man, die aan boord van de schepen met de +kajuitstafel is belast. Op koopvaardy- of beurtvaartuigen zorgt hy +ook voor die der passagiers. + +Hog, z. n. m. (veroud.) -- Toestel, die gebezigd werd om de buitenhuid +van een schip schoon te maken. 't Woord is Saksisch en beteekent +"varken". + +Hoggen, b. w. of Varkenen. -- Met een Hog schoon maken. + +Hol, z. n. o. of Holte. -- Het ruim van de scheepsromp: ook voor de +romp zelve gebezigd. Hy komt met het H-- boven water (het schip, +waarvan men eerst slechts de masten kon zien is zoo veel genaderd +dat men de romp kan zien). Stengen en raas in 't H-- neder strijken. + +Hol, b. n., en by. -- H--le of H--gaande zee (onstuimige zee: omdat, +hoe zwaarder de zee is, hoe grooter en dieper zich de holten tusschen +de baren vertoonen). + +Spreekwijze: Het gaat er H-- toe (men ligt er geweldig overhoop). + +Holker, z. n. m. (veroud.) -- Soort van Noordsch vaartuig. + +Hollander, z. n. m. of Haaksteek. -- Knoop, dien men met het end van +een talreep slaat om den hoek van een talie. + +Hollander (De vliegende) z. n. m. -- Spookschip, hetwelk de zeelieden +beweeren, dat zich in de Indiën beneden de Kaap onthoudt en altijd met +volle zeilen tegen den storm instevent. De ontmoeting van den V-- H-- +spelt een onvermijdelijke schipbreuk. De reden, waarom de manschap +van dit spookschip de straf zoû verdiend hebben om eeuwig over zee +te dwalen, wordt verschillend opgegeven. + +Holte, z. n. v. -- De H-- of 't Hol van een schip is de afstand, +die aanwezig is van het bovenste der kiel tot aan de rechte lijn van +het bovenend der balken van het opperdek. H-- in het ruim (de diepte +van het ruim, gemeten van boven het zaadhout loodrecht op tot onder +de hoofdbalk). + +Holtertepolter, bw. -- Door elkander verward. Zy vielen H-- (hals over +kop) naar lij. Omtrent de afkomst van dit woord wordt het volgende +verhaald. Een Zwolsche beurtman, met grasmaaiers geladen, zeilde met +een stijve koelte by-de-wind. Eenigen onder de Duitschers, die zeeziek +voor op 't dek lagen, gleden telkens naar lij. De schippersknecht, +om dit voor te komen, gelastte hun zich aan elkander, en den bovenste +loefwaarts, den bolder, daar de fokkeschoot aan belegd wordt, vast te +honden. Dit middel om niet aan lij over boord te vallen, maakten de +Duitschers aan hun landlieden bekend, en wanneer zy over de Zuiderzee +voeren en er doorgaands zeezieken onder hen waren, grepen zy elkander +aan en riepen tot den sterkste onder hen: holte Er den Polter (hou +gy den bolder vast), wat echter niet belette, dat zy nog dikwijls +door elkander tuimelden. + +Hommer, z. n. m. -- Schaal op den kop van een voorsteng of +voorbramsteng, dienende tot steun van de zalingen of touwen. + +Hommergat, z. n. o. -- Het gat in het ezelshoofd, waar de steng +doorloopt. + +Hondefok, z. n. v. -- Speeltakel of Vierlinger.--Lichte takel, dien +men ergends aan vast maakt, b. v. aan de sloep, en dienende om zware +voorwerpen op te hijschen uit het ruim. + +Hondehok, z. n. o. -- Een houten trap voor een luik, dienende om het +zeewater te keeren, en van zijn vorm zijn naam ontleenende. + +Hondenend, z. n. o. -- Het achterste end van kabeltouw, waarvan de +strengen niet ineengedraaid zijn. Zie Bitterend. + +Hondepint, z. n. o. -- Dubbel end touw, tot vastbinden gebezigd. + +Hondepunt, z. n. v. -- Vorm, dien men aan het end van een touw geeft, +om het gemakkelijker door de katrollen heen te werken. + +Hondewacht, z. n. v. -- De wacht aan boord van middernacht tot vier +ure, en aldus genoemd, omdat, op 't land althands, deze de gewone +tijd is dat ieder zich ter ruste bevindt en het bewaken van huis of +erf aan de Honden wordt overgelaten. + +Hoofd, z. n. o. -- 1o. Soort van kaai van hout of steen, die in een +zee of rivier uitsteekt, 't zij om de kracht van den stroom te keeren, +'t zij om het aanleggen gemakkelijker te maken. + +2o. Uitstek van een scheepsluik, dienende om het water te keeren. + +3o. Het bovenste; als: H-- van den mast, steng, enz. + +Hoofd. -- Beteekent in de samenstelling met andere woorden: het +voornaamste: zoo zijn de H--zeilen, de zeilen van den fokkemast +en boegspriet, H--touwen, de touwen die ter weêrszijden der masten +staan, enz. + +Hoofdtouwen, z. n. o. mv. -- Het staande want. + +Hoofdwinden, z. n. m. mv. -- De winden, die uit de vier hoofdstreken +waaien. Aldus door Antonides in zijn Ystroom geschetst: + + + Het lenteblaezend West, + Het kielverdelgend Noort en zijn verwoede buien, + Het kruitverzengend Oost en waterzuchtig Zuien. + + +Hoofdwindstreken, z. n. v. mv. -- Noord, Oost, Zuid en West. + +Hoofdzee, z. n. v. Waereldzee of Oceaan. -- Zee, die niet binnen +landen geheel of gedeeltelijk besloten is. + +Hoogaars, z. n. v. -- Zeilschuit, op Maas, Lek en Yssel in gebruik voor +de zalmvisschery. Volgens de benaming zoû zy een hoog achterste moeten +hebben; thands is het echter de boeg, die hoog uit 't water ligt. + +Hoogbootsman, z. n. m. (veroud.) -- Zoo werd de Opperbootsman +genoemd. Thands heet die "Schipper." + + + D' onwrikbre Noortstar, groote Beer, + Daar elk Hoogbootsman koers na richtte. + Is zonder glans en straalt niet meer. + + Oudaen, Zweedsche hoogmoed. + + +Hoogte, z. n. v. -- 1o. Opstand van den achtersteven, van den +voorsteven van de waterlijn van een schip, gemeten van het onderste +der kiel tot aan de uitersten dier deelen. + +2o. De verhevenheid van de zon of van elk ander gesternte boven den +horizon, op het oogenblik, dat het den meridiaan doorgaat. + +Spreekwijze: H-- nemen (onderzoeken, in 't algemeen). Ik heb van die +zaak geen H-- (zy gaat boven mijn begrip). + +3o. Nabyheid, meer bepaaldelijk gelijkheid van stelling met +betrekking tot de breedte. Op de H-- van deze of gene haven, +zeestraat, enz. gekomen zijn (zich op dezelfde breedte als gemelde +plaats bevinden). + +Hoornklamp, z. n. v. -- Zie Klamp. + +Hoos, z. n. v. -- 1o. Waterschepper, Waterstorter. Zie Hoosvat. + +2o. Waterkolom, die door een wervelwind of andere oorzaak opgetrokken, +zich in de gedaante van een omgekeerden kegel uit zee verheft en zich +oplost in een wateruitstorting of in een felle windvlaag: vandaar +WaterH--, WindH--. 't Is het oude oos, dat "water" beteekent. Wanneer +men een H-- ziet naderen, tracht men er een kanonskogel doorheen +te schieten, opdat zy zich voor 't naderen ontlade; daar het zeer +gevaarlijk is er mede in aanraking te komen. + +Hoozen, b. w. -- Met water begieten: ook voor uithoozen gebezigd. Zie +Uithoozen. + +Hoosgat, z. n. o. -- Het onderste van de kiel, waar het water +samenloopt en naar buiten wordt geloosd. Men vindt dit niet op dek- +of kuilschepen, maar alleen op kleine vaartuigjens. + +Hoosvat, z. n. o. -- Langwerpige, smalle, uitgeholde en gekromde +schepper, waarmede het water geschept en uitgeworpen wordt. + +Horizon, z. n. m. of Gezichteinder. -- Streep, die de afscheiding +maakt tusschen lucht en zee. + +Hospitaalschip, z. n. o. -- Stilliggend vaartuig, ingericht tot +verpleging van zieken. + +Houden, b. w. -- 1o. Wederstaan, volharden. Zee H-- (in zee +blijven). By-de-wind H-- (met zeilen by-de-wind zijn koers +vervolgen). Dwars; dwars zees H-- (stroom of wind de zijde bieden). De +ruimte H-- (op zekeren afstand van de kust blijven). Een zeil +levendig H-- (de wind er uit houden.) Koershouden. (in de opgegeven +streek zeilen). komm. Houdt wat ge hebt. De kust H-- (haar langs +zeilen). Zie Houzee. + +2o. Vatten, grijpen. Het anker houdt (het vat in den bodem). + + + Geen anker houdt; geen kabel doet hier baat; + + Bilderdijk, Krijgsmuzyk. + + +Spreekwijze: Het was Hou en beleg. (Zie Beleggen.) + +Hout, z. n. o. -- 1o. Al wat van boomen afkomstig is en tot de +timmeraadje dient. Goed H--, Deugdzaam H--, Vervuurd H--, Gezaagd H-- +enz. H-- voorscheen (het boord van het schip). Het schip staat vol H-- +(de kiel, stevens en inhouten zijn aangebracht en geplaatst). + +2o. Naam, die aan de rollen en planken gegeven wordt, waarop een +visschersschuit geplaatst wordt om haar in zee te brengen. De man is +op het H-- geholpen (de schuit is op rollen gezet). + +Houtverband, z. n. o. -- Verband, dat van Hout is saamgesteld. + +Houvast, z. n. m. --- Zie Balkhaak. + +Houzee, of Hoezee. -- Echte Hollandsche uitroep, doch verdrongen door +'t Hoogduitsche of liever Kozaksche Hoera, waarop het geestige vaersjen +van Staring slaat: + + + Is 't hoêra, is 't hoerá? + Brul, spreek ik, geen Kozakken na, + Als Willems batteryen spelen, + Als Fredriks oorlogstrommen slaan. + Blijve onze kreet val aan! + Als jong en oud in 't heil der overwinning deelen, + By Quatre-Bras trofee, + Blijve ons gejuich: hoezee! + + +En te recht! Hoera is een bloote schreeuw, waar zich geen denkbeeld +ter waereld aanhecht. Hou-zee daarentegen (zoo als de oude zeelui +nog roepen) geeft te kennen: "blijf in zee, al splijt de mast, al +kraakt de kiel, al scheuren de zeilen, blijf in zee, al bulderen de +orkanen, al ratelt de donder, al zocht elk de haven!"--maar ook op de +levenszee--"laat u niet afschrikken, door tegenspoeden, door onheilen, +door laster, door volksgeschreeuw--Hou-zee! hou moedig zee!" + +Huid, z. n. v. -- Zie Dubbeling. + +Huidspijkers, z. n. m. mv. -- Spijkers, die tot aanhechting der +dubbeling worden gebezigd. + +Huis, z. n. o. -- 1o. Het lichaam van een blok, waar een schijf in +besloten zit. + +2o. Het schip zelf, b. v. in de uitdrukking: het anker te H-- halen, +(het anker opwinden). + +3o. Het vaderland. Een te H-- vaarder (een schip, dat naar 't vaderland +keert.) De te H-- reis, (de reis naar 't vaderland). + +Spreekwijze: Oost, West, t' H-- best. + +Hulk, z. n. v. -- Vaartuig, by onze voorouders in gebruik, en waarvan +de gedaante nog voorkomt op het oude Amsterdamsche wapen. + + + Ten lesten ick mijn Hulk, op 't vlacke van den stroom, + Voor anker ryen zie, + + +zegt Vondel, Lof der Zeevaart. + +Hut, z. n. v. -- Vertrek tot logies der officieren: op sommige +koopvaardyschepen is er een H-- op 't bovendek, tot byeenkomst voor +de passagiers. + +Spreekwijze. Als het in de kajuit regent, druipt het in de hut, +(als meerderen er van lijden, krijgen minderen ook hun deel:--of wel: +als de kapitein bromt, knorren de mindere officieren). + +Hijschen, b. w. -- Met touwen ophalen. Een marszeil in top H--. De +sloepen H--. Met alle kracht H-- (met schokken en geweld van +handen). Langzaam, gestadig aanH--. (met levendigheid en terwijl de +handen elkander beurtlings vervangen). + + + + + + + +I. + + +In, voorz. -- Tegen. I-- de zee, in den wind. + +Inhalen, b. w. -- 1o. Naar zich toe Halen. Haal de zeilen In, (vouw +ze op.) Zie Halen. + +2o. Op zijde komen. Het kostte ons geen moeite, dat schip In te halen. + +Inham, z. n. m. of Kreek. -- Binnenwaartsche wending van de zee in +de kust. + +Inhout, z. n. o. -- Algemeene benaming, waaronder begrepen worden +alle staande Houten, die tot den bodem en de wanden, en alle liggende +Houten, die tot den bodem van een schip behooren en geen deel uitmaken +van het lange scheepsraamvormige samenstel. + +Spreekwijze. Sterk van I-- zijn, (gezond zijn, krachtig zijn.) + +Inkeeping, z. n. v. -- Insnijding, in een steen of hout gemaakt, 't +zij om een ander stuk er in te doen vatten, 't zij uit anderen hoofde. + +Inklaren, b. w. -- Op de uiterste wacht de verklaring des +gezachvoerders van een binnenkomend schip aannemen, omtrent de +goederen, welke hy aan boord heeft. + +Inkrimpen, o. w. -- Dichter samendringen. De wind Krimpt In, (de wind +gaat tegen den loop der zon, b. v. van 't Westen naar het Zuiden). + +Spreekwijze: zich I-- (zijn leeftrant verminderen). + +Inbinden, b. w. -- Naauwer binden, en alzoo verminderen. Het zeil en +reef I--. Zie Innemen. + + + Hy wist geen wind In zeil te binden. + + Bilderdijk, Zeevaart. + + +Spreekwijze: Hy moet een reef I-- (hy moet zijn staat wat +verminderen:--ook wel: hy moet zoo veel praats niet hebben). + +Inbreken, o. w. -- 1o. Geweldig instorten, b. v. van de zee in +het schip. + +2o. Bochten, rondte in een touw maken. + +Indompelen, b. w. -- In 't water zakken, diep liggen. Dat schip is +N. voet In het water Gedompeld. (Het gaat N. voet diep). Het is van +voren te veel Ingedompeld, ligt in den neus. + +Inkeepen, b. w. -- Door middel van een keep een stuk hout of steen +in een ander doen vatten. + +Inladen, b. w. -- Bevrachten. Ik heb 100 balen rijst Ingeladen. + +Inlader, z. n. m. -- Zie Bevrachter. + +Inlaten, b. w. -- 't Zelfde als Inkeepen. Zie ald. + +Inlating, z. n. v. -- 't Zelfde als Inkeeping. Zie ald. + +Inloodsen, b. w. -- Zie Binnenloodsen. + +Inloopen, b. w. -- Binnenloopen, b. v. een haven. Het water begint +In te Loopen, (de vloed komt door). + +Innemen, b. w. -- 1o. Aan boord nemen. Hy heeft tabak +ingenomen. 2o. Inbinden. Een rif I--. + +Inpalmen, b. w. -- Een touw of lijn hand over hand naar zich toehalen. + +Spreekwijze: Iets I-- (by stukjens en brokjens terug krijgen). + +Inpennen, b. w. -- Een Pen in een gat slaan. + +Inpikken, b. w. -- Inhaken. Het Kiptakel I-- (den haak van het +katloopersblok door den ankerring slaan). De slingertaliën I-- +(de haken dier taliën aan het scheepswand bevestigen om tot steun te +dienen tegen het slingeren van 't vaartuig). + +Inschepen, b. w. -- Een lading of vracht aan boord brengen. De waren +zijn ingescheept (zijn aan boord). + +Inschepen, (zich) o. w. -- Aan boord gaan met het doel om met het +schip te vertrekken. Zich I-- voor de Oost. + +Inscheping, z. n. v. -- Daad van Inschepen. Sedert onze I-- zijn wy +een maand op zee geweest. I--s troepen (troepen, bestemd om in de +Koloniën of waar ook over zee gebezigd te worden). + +Inspit, z. n. o. -- Zie Roerpen. + +Insteken, b. w. -- Induwen, doorduwen. Een kabel I-- (te weten, +door den ankerring.) Ook vastmaken: Een blok In een strop Steken +(er in vastmaken). + +Intrekken, b. w.-- Inhalen, naauwer maken. Dat schip is boven +Ingetrokken, (naauwer gemaakt). Zie Intrekking. + +Intrekking, z. n. v. of Invalling. -- Het Intrekken, of de invulling +der spanten, d. i. het verschil tusschen de grootste halve breedte +der spanten, en die, welke met de uiterste einden hunner armen +overeenstemt. De I--, het invallen der boorden van een schip, (de +hoeveelheid spanten, welke het boord vermindert van den frontdrempel +der onderbattery afgerekend). Dit schip heeft te veel of te weinig I-- +(is veel, is weinig ingebouwd). + +Invallen, o. w. -- Tegelijk halen, hijschen, enz. Val in! (komm. voor: +hijsch haal gelijk!) + +Invallen, (het) z. n. o. -- Zie Intrekking. + +Invalling, z. n. v. -- Zie Intrekking. + +Invoer, z. n. m. -- De bepalingen omtrent den I-- van goederen aan +de zeezijde zijn te vinden in de Algem. Wet van 26 Aug. 1822. Derde +Hoofdst. Art. 6-24: die omtrent den I-- langs de rivieren, in het +Zesde Hoofdst. Art. 37-51: die omtrent heimelijken of strafbaren I-- +in Art. 205, 206, 207. + +Inwateren, o. w. -- Iets, door water, dat er binnendringt of sypelt, +bederven. Dat hout is Ingewaterd (dat hout is doortrokken met water +en alzoo bedorven). + +Inwijk, z. n. v. -- (veroud.) voor Inham. + +Inzeilen, b. w. -- 1o. Al zeilende binnenkomen. Die schepen zijn +'t kanaal Ingezeild. + +2o. Achterhalen. Wy konden dat schip niet I--. + + + + + + + +J. + + +Jaaghout, z. n. o. -- Spriet, die tot verlenging dient van den +boegspriet, om dezen verder buiten den Voorsteven te doen uitspringen +en waarop de kluiver wordt uitgehaald. Zie Jager. + +Jaagpad, z. n. o. -- Plaats, welke men langs de rivieren of vaarten +laten moet om tot weg te dienen voor de menschen of paarden, die +vaartuigen voorttrekken. + +Jaagpoorten, z. n. v. mv. -- De voorste poorten van een schip. Zie +Jagen. + +Jaagschuit, z. n. v. -- Schuit, die aan een lijn wordt voorgetrokken +door een of meer paarden. + +Jacht, z. n. o. -- Vaartuig, van vorm en getuigd als een Kits, +vroeger hier te lande meer bepaald voor den oorlog bestemd en aldus +genoemd, omdat het snel door zee Joeg. Men kende op 's Lands Vloot +OorlogsJ--en, (die bepaald ten strijde waren toegerust), en AdviesJ--en +(die tijdingen en brieven overbrachten). Voorts had men SpeelJ--en, +(zoo op binnen- als buitenvaart, die alleen als vaartuigen van weelde +werden gebezigd.) Lands-, Amiraliteits-, Provinciale en Stads J--en, +die, met weelde vercierd, met beeld- en snijwerk voorzien, meestal +dienden om de Gekommitteerden van het Lichaam, waaraan zy behoorden, +op inspektiereizen of by andere gelegenheden over te brengen. By +de aanzienlijke Engelschen is de liefhebbery voor SpeelJ--en sterk +toegenomen en worden aan die vaartuigen verbazende sommen besteed. + + + Ginds spoedt een speeljacht over 't meer. + + Vondel, Rei van Eubeërs. + + +Jacht, z. n. v. -- Voor "vervolging." Hy maakte J-- op dat roofschip +(hy vervolgde het.) + +Jachthaven, z. n. v. -- Legplaats der speeljachten. De AmstelJ--. + +Jachtklub, z. n. m. -- Vereeniging van vermogende minnaars van +de zeilkunst, tot het houden van hardzeileryen en wedstrijden met +Jachten. Dergelijke vereenigingen zijn 't eerst in Engeland ontstaan, +en vervolgends elders, ook hier te lande, nagevolgd. Maar wat het +vreemdste is, en tot schande voor onze natie, is dat, terwijl men zich +in Engeland tot benoeming eener dergelijke vereeniging bediend had +van twee echt Hollandsche woorden: Jacht (van jagen) en klub (kluwen, +vereeniging), de naäpers alhier, by het noemen eener dergelijke +maatschappy, de verbasterde Engelsche spelling gevolgd, en geschreven +hebben Yacht-club, wat in 't Neêrduitsch niet te lezen is. + +Jachtschip, -- Zie Jacht. + + + Een Jachtschip, met gezwollen zeil, + Het brekend water kneedend. + + Bilderdijk, Elius. + + +Jaffa, z. n. o. -- Stad in Palestina, waar den reizigers en pelgrims +dikwijls, tot hun ongemak, by gebrek aan vaartuigen, het terugkeeren +belet werd. + +Spreekwijze. Hy komt van J-- (hy is, niemand weet waar,--hy ligt +in onmacht). + +Jagen, b. w. -- Vervolgen. + +Jagen, o. w. -- 1o. Zich haasten, met snelheid vorderen. Hy Jaagt +goed door (hy maakt veel spoed). In de samenstelling geeft J-- veelal +datgene te kennen, wat by een vervolging 't eerst te pas, of met den +vyand in betrekking komt. Zoo zijn J--hout de meest vooruitstekende +spriet, zoo J--poorten de poorten, waar het eerst uit geschoten +wordt, enz. + +2o. Op verkenning uitgaan. De Amiraal deed sein voor de Diana om te +J-- (om vooruit te zeilen in een gegeven koers). Hy deed sein voor de +Vloot om te J--, (ongeordend zoo snel mogelijk in een gegeven koers +te zeilen.) + +Jager, z. n. m. -- 1o. De man, die het paard of de paarden bestuurt, +die voor een jaagschuit gespannen zijn. + + + Men hoort den Jagerboef zijn ongemack' verfluyten, + Of koelen met een lied de bleinen die hy rijdt. + Niet nu eens, en eens flus, maar stadigh en altijd, + By doncker en by daegh. + + Huyghens, Hofwijck. + + +2o. De betrekkelijke benaming van een vaartuig, dat een ander +vervolgt. Loefwaartsche, Lywaartsche J--. + +3o. Schip, dat ter ontdekking eens vyands vooruitgaat, J-- van een +vloot. De J--s kracht van zeil doen maken. + +4o. Naam van den grooten kluiver. + +Jagers, z, n. m. mv. -- De twee stukken geschut, die op den boeg +geplaatst worden, om vooruit te schieten. + +Jagerstukken, z. n. v. mv. -- Zie Jagers. + +Jakobsladder, z. n. m. -- Touwen ladder om in het kraaienest te komen. + +Janmaat, z. n. m. -- Jan is de naam, waarmede men hier te lande in +'t algemeen iedereen noemt, wiens naam men niet kent: en J-- is +by uitnemendheid de naam, dien men aan het scheepsvolk kollektief +genomen geeft. + +Spreekwijze: Maatjan is knap, maar Janmaat is knapper. (Een matroos +is vlugger dan een tijger, die in 't maleisch matian heet). + +Jein, z. n. m. -- Zie Gein. + +Jenevertuig, z. n. o. -- Gemeenzame en zinrijke benaming van noodtuig, +hulptuig. + +Jol, z. n. v. -- Klein licht vaartuig, doorgaands van klinkwerk gebouwd +en gebezigd om boodschappen over te brengen, om in zee gemeenschap +met andere vaartuigen te hebben, drenkelingen te redden, enz. + +Jongen, z. n. m. -- 1o Knaap die dienst doet aan boord. Zie KajuitsJ--, +ScheepsJ--. + +2o. Benaming, waarmeê de matrozen somtijds worden toegesproken, +bepaaldelijk als men hen tot iets wil aansporen. Toe J--s! Wakker +aan J--s! Toont nu, dat je ferme J--s bent! enz. + +Spreekwijze: Het zijn J--s van Jan de Wit. (Het oorlogschip, dat +dien naam droeg, had in de vorige eeuw een uitmuntende bemanning, +doch die bekend was door haar guitenstreken en losbandigheid als zy +aan wal kwam). + +Jonk, z. n. v. -- Sineesch of Indiesch vaartuig. + +Journaal, z. n. o. -- Zie Dagregister. + +Judasooren, z. n. o. mv. -- Zie Apostelen. + +Juffer, z. n. v. -- 1o. Blok met gaten, beslagen met yzer, en dienende +om de hoofdtouwen van buiten aan de schepen te zetten. + +2o. Spar, balk. Vergelijk Huygens Sneld. XVIII B. no. 80 en 144. + +Jut, (doove) z. n. v. -- Stuk hout, van voren met een klaauw voorzien, +'t welk buiten de marsen wordt uitgestoken om de pardoens uit te +houden. + +Jijn, -- Zie Gein. + + + + + + + +K. + + +Kaag, z. n. v. -- Platboomd vaartuig op onze binnenwateren in +gebruik. Het heeft een enkelen schuinschen mast en een halve +boegspriet. Het voert een sprietzeil en een of twee fokkezeilen. + + + Een menigte vertrekt met Kagen, smak en jaght, + Naar 't Vlie en Tessel, waar hun de oorlogsvloot verwacht. + + Antonides, Ystroom. + + +Spreekwijze. De K-- is nog niet overgewonden--t. w. van 't eene water +in 't andere--('t gelukt nog niet.) + +Kaagman, z. n. m. of Kaagschipper. -- Schipper eener Kaag. + +Kaagschipper, z. n. m. -- Zie Kaagman. + +Kaai of Kade, z. n. v. -- Dijk, dam: oorspronkelijk een zoodanige, +die alleen gelegd werd om het zomerwater te keeren: thands meer +bepaaldelijk een steenen wal, waar schepen aanleggen. Zoo is te +Amsterdam de Geldersche K-- die, waar de schepen, uit Gelderland +komende, plachten aan te leggen. Van K-- dat "keer" beteekent, komt +bekaaid, d. i. verkeerd. + +Kaaiboef, Kaailooper, z. n. m. -- Kruier of kraankind, die aan de +Kaai zijn kost zoekt te verdienen. + +Kaaidraaien, o. w. -- Met een klein vaartuig by de schepen rond gaan +om eetwaren te verkoopen. + +Kaaidraaier, z. n. m. -- Het vaartuig, waarmede Gekaaidraaid wordt, +of de man, die het voert. + +Kaaien, b. w. -- Strijken. De raas K-- (de raas schuins overeinde +toppen, om daardoor by het verhalen in een haven niet aan scheepstuig +van een ander schip onklaar te raken). + + + Hoe grote een vlote leght daar met zijn zees Gekaait. + + Antonides, Ystroom. + + +K-- wordt ook in 't algemeen gebruikt, voor: "van richting doen +veranderen". Wanneer de bramraas opgebracht worden, staan zy overend: +op 't komm. K--! worden zy horizontaal (vierkant) gehaald. De onderraas +Gekaaid, d. i. langs scheeps liggende. + +Kaaigeld, z. n. o. -- Geld, dat betaald wordt om aan de kaai te +mogen liggen. + +Kaailooper, z. n. m. -- Zie Kaaiboef. + +Kaaimeester, z. n. m. -- Beämbte, die voor het onderhoud der Kaaien, +voor het innen van het Kaaigeld en de legplaats der schepen zorgt. + +Kaairing, z. n. m. -- Ring, aan de Kaai bevestigd, en waar de schepen +aan worden vastgesnoerd. + +Kaak, z. n. v. -- 1o. Ton; 2o. Harde wind;--doch in beide beteekenissen +verouderd. + +Kaal, b. n. -- Ontbloot. Een K--le ra (een ra zonder zeilen). Een +K--le boeg (een boeg zonder ankers), enz. + +Kaan, z. n. v. (veroud.) -- Licht vaartuig. + +Kaap, z. n. m. of Voorgebergte. -- Van 't Spaansch Cabi en dit van +'t Lat. Caput, d. i. hoofd, als zijnde een stuk lands of hoofd, +dat in zee uitsteekt. Den K-- te boven komen (hem omzeilen). + +Spreekwijze: Hy zal den K-- niet halen (hy zal van zijn ziekte niet +opkomen). Door den K-- wordt hier verstaan de K-- de Goede Hoop, +waar de schepen die naar O. Indiën varen, zich plachten te ververschen. + +Kaap, z. n. m. -- Houten gevaarte op het land, dienende tot baken +by peilingen. + +Kaap, z. n. v. -- Roof, alleen gebruikelijk in de uitdrukking ter K-- +varen (ter roof, om buit varen). + +Kaapstander, z. n. m. -- Zie Spil, gangspil, aardewind. + +Kaapvaarder, z. n. m. -- 1o. Een vaartuig dat op den Kaap de Goede +Hoop vaart. + +2o. Een vaartuig, of + +3o. De Kapitein van zoodanig vaartuig, die voor eigen rekening ter +Kaap vaart en buit gaat halen op de vyanden van den Staat. + +Kaapvaart, z. n. v. -- Koopvaardersbedrijf. Een schip ter K-- +uitrusten. De K-- drijven. + +Kaart, z. n. v. -- Van 't Ital. carta (blad) en daarom by uitnemendheid +een blad, een bord of rol papier of andere zelfstandigheid, +waarop de ligging van eenig land, zee, plaats of hemelstreek is +uitgedrukt. Zie Paskaart, Waereldkaart, Zeekaart, Platte K-- (waarop +alleen breedte is afgeteekend en die dus alleen voor de Noord-, +Oostzee, enz. dient). Ronde K-- (waarop ook lengte is afgeteekend). + +Spreekwijze: Hy heeft de K-- niet (hy mist den noodigen leiddraad of +de inlichtingen, hoe zich in die zaak te gedragen). + +Hy vaart maar op een platte K-- (zijn begrip reikt niet ver). + +Kaaskamer, z. n. v. -- Plaats, waar de kaas bewaard wordt. + +Kabas, z. n. v. (veroud.) -- Fuik. + +Kabbeljaauw, z. n. m. -- Bekende zeevisch. + +Spreekwijze: Een spiering uitwerpen, om een K-- te vangen (een klein +geschenk geven om er een grooter te bekomen: een kleinigheid wagen +om een belangrijke winst te doen, enz.). + +De spiering doet den K-- afslaan (de hoeveelheid van slechte waar +is somtijds oorzaak, dat de goede voor een spotprijs moet verkocht +worden). + +Er kan nog een K-- onderdoor (er is nog genoeg water onder de kiel; +er is nog geld, wijn enz. genoeg). + +Kabel, z. n. m. of Kabeltouw. -- Zwaar touw, uit drie ineengedraaide +touwen samengesteld, en voornamelijk strekkende om het schip aan +een uitgeworpen anker bevestigd te houden. K-- insteken (het K-- +in den ankerring vastmaken). K-- korten (het inhalen of inwinden om +het spil). K-- uitsteken (het uitvieren, bot geven). K-- om (wind het +anker!). Aan boord is echter over 't algemeen het woord zwaar Touw +meer in gebruik dan dat van K--. Volgends Bild. zou K-- van Oostersche +afkomst zijn en "Verdubbeling" beteekenen. Zie zijn Gesl. in v. + +Spreekwijzen: Zoo grof als een K-- (ruw, onbehabbeld). + +De derde streng maakt den K-- (de derde man brengt de praat aan). + +Hy heeft een K-- maar die ligt op zolder (hetgeen men noodig heeft +is niet by de hand). + +Daar is een kink in de K-- (er is een zwarigheid in den weg +gekomen). Zie Kink. + +Zich in een K-- laten beschieten (zich buiten schoots houden). + +Kabelaring, z. n. o. of Kabellarga. -- Een, van kabelslag gedraaid, +van afstand tot afstand van muizings, en aan de beide enden van oogen +voorzien touw, waarvan het middel voor tusschen de kluizen en de enden +langs stuur- en bakboordsbattery tot aan het achterspil gebracht met +drie slagen om dat spil gelegd, en dus de beide enden door die oogen +aan elkander gebonden worden; voorts met seisings op het ankertouw +vastgemaakt en dienende om het anker te lichten. Kommando: Maakt klaar +de K--! Smijt de K-- op het spil! K-- naaien! Spiltuigen. d. i. K-- +op het spil te doen. + +Kabelen, b. w. -- Aan kabels vastmaken. + + + De minder Booten + Gekabelt aen den rugh van die haer vorens gaen. + + Huyghens, Spiegel. + + +Kabelgaauw, b. n. -- Die vlug met de kabels kan omgaan. Aardig is de +woordspeling van Huygens, die in zijn Zedeprinten een matroos noemt + + + Een Kabeljauws genand, van wegen 't Kabel-gauw. + + +waaruit op nieuw bewezen wordt, wat ik elders herhaaldelijk heb +aangevoerd omtrent de immer zachte uitspraak der g bij onze vroegere +schrijvers. + +Kabelgaren, z. n. o. -- Uit het hondenend van 't zwaar of ander +dienstig touw gehaald, dient voor schiemansgaren, platting en andere +losse bindsels. + +Kabelgast, z. n. o. -- Zie Kapitein van het kot. + +Kabelgat, z. n. o. -- De scheepsruimte, waar de ankertouwen en ander +waarloos touwwerk geborgen worden. + +Spreekwijze: Hy kruipt in 't K-- (hy is een bloodaart). + +Kabelketting, z. n. v. -- Yzeren kabel. + +Kabellarga, z. n. v. -- Zie Kabelaring. + +Kabellengte, z. n. v. -- Lengte van een Kabel, of 120 vademen. Het +schip ligt op twee K--n van den wal. + +Kabelslaan, o. w. -- Een kabel vervaardigen. + +Kabelslag, z. n. o. -- Touw, waarvan de garens by 't slaan rond zijn +ineengedraaid. + +Kabeltouw, z. n. o -- Zie Kabel. + +Kade, z. n. v. -- Zie Kaai. + +Kadet, z. n. m. -- Aspirant, kweekeling, die voor Officier wordt +opgeleid. + +Kadraaier, z. n. m. -- Zie Kaaidraaier. + +Kaïck, z. n. v. -- 1o. (veroud.) Benaming, die gegeven plach te worden +aan de sloep eener galei. + +2o. Klein vaartuig, in gebruik op de Zwarte Zee. + +Kajuit, z. n. v. -- Kamer voor den Kommandeur; op schepen, die geen +westergang hebben, is zy het achterste gedeelte van het kuildek, +bevattende tot aan den bezaansmast of onder de kampanje. De Voor K-- +is op 't kuildek, van den bezaansmast tot aan het voorste van den +rooster van 't halfdek. Op de Koopvaardyschepen is zy--gelijk het +woord aanduidt--oorspronkelijk "stookplaats" van Kaîen (branden, +stooken) en meer bepaald, de stookplaats op een vaartuig. Deze werden +langzamerhand ruimer en gemakkelijker; doch de naam bleef bewaard, +en thands verstaat men door K-- een met slaapstede en andere gemakken +voorziene kamer aan boord. Groote K-- (de grootste dier kamers, waar +de hutten der Officiers of passagiers op uitkomen en het middagmaal +gehouden wordt). + +Spreekwijze: Zie Hut. + +Kajuitsjongen, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen de kajuit +en meer byzonder den Kapitein bedient. + +Kajuitswachter, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen den +Kapitein ten dienste staat. + +Kaken, b. w. -- De haring in kaken of tonnen slaan. + +Kalderstok, z. n. m. -- Zie Holderstok. + +Kalefaten, b. w. Kalfaten of Kalfateren.-- Een schip breeuwen by de +timmering. Zie Breeuwen. 't Is van 't Ital. Calfatare. + +Spreekwijze: Ik zal dat wel K-- (ik zal dat gat wel stoppen). + +Kalenboeg, z. n. m. (veroud.) -- Schip, dat zijn ankers verloren +heeft en welks boeg dus kaal is. Zie Kaal. + +Kalf, z. n. o. -- 1o. Een stop- of aanvullingsstuk; vanwaar het ook +in gebruik raakte voor kleine briefjes in grootere gestoken. Het was +zoo een K--jen, in een brief der Staten aan Neyen en Verreycken door +Oldenbarneveldt gestoken, 't welk hem later zuur opbrak. + +2o. Een inkeep in de zijplanken van de rampaarden, waar de stelhouten +op worden vastgelegd, om het geschut naar tijdsgelegenheid daarmede +te doen rijden of dompen. + +Kalfaatshamer, z. n. m. -- Hamer, waarvan men zich by 't kalfaten +bedient. + +Kalfaattang, z. n. v. -- Tang om by het zware breeuwen, het kalfaatyzer +mede vast te houden. + +Kalfaatyzer, z. n. o. -- Yzeren beitel, van onderen met een ronden +kant, waarin een sleuf is. + +Kalfateren, b. w. -- Zie Kalefaten. + +Kalfatering, z. n. v. -- Het kalfateren. + +Kaliber, z. n. o. -- Betrekkelijke zwaarte b. v. van den kogel, +die uit een stuk geschoten moet worden. Stuk van 30, van 24 ponds +K--. Een schip van het zwaarste K-- (een driedekker). + +Kalken, b. w. -- De buitenhuid van een schip (vooral in de West-Indiën) +met een dikke kalkpap besmeeren tegen den invloed van den worm in +'t aangroeien. + +Kalmte, z. n. v. -- Windstilte. + +Kam, z. n. m. -- Smalle strook houts onder aan den uitlegger, +hebbende de gedaante van een kam, en met twee gaten voorzien, die +tot het toezetten der holgen dienen. + +Kammen, z. n. m. mv. (veroud.) -- Twee lange houten met ronde gaten, +die onder de raas gespijkerd worden, om de zeilen daaraan te rijgen. + +Kameel, z. n. o. -- Groot gevaarte van byzonderen vorm, in 1698 te +Amsterdam door Bakker uitgevonden, en dienende om schepen te lichten, +om die over Pampus te brengen. + +Kamerband, z. n. m. -- Ring of astragaal van het Bodemstuk. + +Kamerstuk, z. n. o. -- Zie Steenstuk. + +Kamhout, z. n. o. -- Opvulling tusschen de slooiknieën tegen de scheg, +somtijds met snijwerk voorzien. + +Kampanje, z. n. v. -- Licht dek, dat op groote schepen gebouwd wordt +boven het halfdek en van den bezaanmast tot aan het achterschip loopt: +onder de K-- is de kajuit, doch op linieschepen, die geen westergang +hebben, zijn de hutten voor de Officieren onder de K-. Antonides +gebruikt het woord onzijdig. + + + Klim op dit schip omhoog, + Dit oorlogsslot, en laet van 't steil Kampanje 't oog + Uitstrecken over 't vlak, van daer de witte duinen + Zich schijnen in de lucht te heffen met hun kruinen. + + Antonides Ystroom. + + +Kanaal, z. n. o. -- Zeestraat, zeeëngte. Meer byzonder wordt by ons +door het K-- verstaan de zeeëngte tusschen Frankrijk en Engeland. Er +hebben veel aanzeilingen plaats in 't K--: wy werden door tegenwind +belet door 't K-- te komen. + +Kanbeitel, z. n. m. -- Soort van beitel. + +Kanetas of Kanevas, z. n. o. -- Van 't Ital. canavaccio, dat weder van +'t Lat. cannabis (hennip) afkomt. Grof doek, zeildoek. + +Kanon, z. n. o. -- 't Ital. canone, pijp, buis.--Stuk geschut. + +Kant, z. n. m. -- Zoom, zijde, byzonder van 't Land. + +Spreekwijze: Het raakt K-- noch wal (het komt er in 't geheel niet by, +het heeft zin noch slot.) + +Kant (over) b. w. -- Een schip O--K-- (over zijde) halen, om te +koperen. + +Kant zetten, b. w. -- In orde stellen: De zeilen K-- Z--, (ze stellen +gelijk ze wezen moeten). + +Spreekwijze: Kant en klaar (in behoorlijke orde). + +Kanterstok, z. n. m. -- Zie Kolderstok. + +Kanthaak, z. n. m. -- Zie Balkhaak. + +Kantimaroen, z. n. m. -- Zoo noemt men twee of drie saêmverbonden +kanoos, welke men op de kust van Koromandel tot de vischvangst bezigt. + +Kap, z. n. v. -- Beschot van lichte planken, dat aan boord van +koopvaardyschepen den achtertrap, op oorlogschepen den kop van het +roer bedekt. + +Kapen, b. w. -- Rooven. + +Kaper, z. n. m. -- Vaartuig, door byzondere personen uitgerust om +afbreuk te doen aan de vyanden van den Staat. + +Spreekwijze: Er zijn K--s op de kust, (er zijn er, die ons zouden +benadeelen). De uitdrukking wordt veelal gebezigd door een minnaar +ten opzichte van zijn medevrijers. + +Kapitein of Kaptein, z. n. m. -- 1o. De eerste gezachvoerder aan boord +van een oorlogschip. K-- van de vlag (de gezachvoerder aan boord van +het Amiraalschip.) By de manschap gaat de K-- doorgaands onder den +naam van den Ouwe door. + +2o. De gezachvoerder aan boord van elk vaartuig, 't zij +koopvaardyschip, 't zij trekschuit. In het eerste geval is de +benaming door 't gebruik gewettigd, in het laatste wordt zy alleen +beleefdheidshalve of uit scherts gegeven. + +Spreekwijze: Booi is K--; zie Booi. + +Kapitein-Luitenant, z. n. m. -- Zeeofficier, in rang volgende op den +Kapitein ter zee, en gelijkstaande in rang met den Luitenant-Kolonel +der Landtroepen. + +Kapitein ter zee, z. n. m. -- Zeeofficier, den rang voerende van +Kolonel. + +Kapitein van het kot, z. n. m., Kabelgast of man in het kabelgat. -- +Matroos, die voor de dagelijksche behoeften, als kaarsen, touwwerk, +enz., zorg draagt. + +Kaplaken, z. n. o. -- Geschenk, aan den gezachvoerder van een +koopvaardyschip verzekerd by volbrachte reis. + +Kappen, b. w. -- Doorhakken. Het anker K-- (het touw doorhakken waar +het anker aan vast is, als men geen tijd meer heeft het te winden). + + + Zy kappen d' anckers buiten hoop, + En drijven d'een op d'ander. + + Vondel, Neerlaeg der Turksche Vloot. + + +Kapseizen, o. w. -- Omslaan. Wy liepen gevaar van te K--. De +uitdrukking is zeldzaam in gebruik. + +Karak, z. n. v. -- Zie Kraak. + +Karakor, z. n. m. -- Borneoosch vaartuig. + +Karavaanschip, z. n. o. -- (veroud.) Marseljaansch vaartuig, dat van +haven tot haven met koopwaren op de Levant plach te varen. + +Karavel, z. n. v. -- Zie Karveel. + +Karbeel, z. n. v. -- Zie Karveelhout. + +Kardeel, z. n. m. of Val. -- Touw, dat gebezigd wordt om een zeil, +vlag of wimpel op de begeerde hoogte te brengen. + +Kardeelbloks, z. n. mv. -- Bloks, dienende om de onderraas op hare +plaats te hijschen en in de rakken te hangen. + +Kardoes, z. n. v. -- 1o. Zakjen van papier waarin een lading kruit voor +een vuurmond geborgen wordt. 't Woord is verbasterd van kaartedoosjen, +'t welk nog letterlijk in 't Fr cartouche gehoord wordt. De eerste +K--zen waren namelijk kokers van kaartblad, en hingen aan de +bandelieren der schutters. + +2o. Stuk hout, onder den verbindingsklos onder elken balk recht op +en neder geplaatst en van achteren tegen de wegers gesteund. + +Kardoeskist, z. n. v. -- Kist, waarin de Kardoezen bewaard worden. + +Kardoeskoker, z. n. m. -- Ronde koker van dun hout, geschikt om een +Kardoes te bevatten. + +Kardoesstok, z. n. m. -- Vorm, waar de Kardoezen, volgends de bepaalde +maat, op genaaid worden. + +Karga, z. n. v. -- Lading, vracht. + +Kargadoor, z. n. m. -- Spaansch woord, bevrachter, doch by ons ongeveer +'t zelfde als konvooilooper beteekende. Zie Konvooilooper. + +Kargalijst, z. n. v. -- Zie Ladingsbrief. + +Kargazoen, z. n. o. -- Spaansch woord, voor vracht en lading. + +Karmoezaal, z. n. m. -- Turksch koopvaardyvaartuig, met hoog +achterschip: het voert een grooten mast, een boegspriet en een +kleinen bezaan, het draagt een marszeil boven 't groote zeil, een +klein achterzeiltjen en een stagzeiltjen voor. + +Karreldoek, z. n. o. of Noyaalsch Doek. -- Soort van zeildoek, dat +voornamelijk te Noyalle, dorp in de nabyheid van Rennes in Bretanje, +gefabriekt wordt. + +Karronade, z. n. v. -- Metalen stuk geschut, aldus genoemd naar +Karron, eigenaar der gietery in Schotland, waar de eerste stukken +van die soort in 1774 gegoten werden. + +Karronadeslede, z. n. v. -- Soort van affuit. + +Kartélschip, z. n. o. -- Schip, dat gevangenen vervoert, die +uitgewisseld moeten worden. + +Kartouw of Kortouw, z. n. v. -- Zwaar stuk geschut. 't Woord beteekent +volgends Bild. kar-toge (kartrekking). Zie Bld. Gesl. in v. + + + De Sultan dondert zonder nut + Met zwangere kortouwen + + Vondel, Neerlaegh der Turksche vloot. + + +Karveel, z. n. v. of Karavel. -- 1o. Portugeesch vaartuig van +middelbare grootte, en met latijnzeilen getuigd. + +2o. Vracht of scheepslading. + +3o. (Veroud.) Soort van zwaar blok, van een koperen of palmhouten +schijf voorzien, en dienende om raas en stengen op te hijschen. + +Karveelhout, z. n. o. of Karbeel. -- Balk of stang, die tot stut of +verbinding strekt onder de ribben langs scheeps. + +Karveelnagel, z. n. m. of Knevel. -- Houten of yzeren nagel om touwwerk +aan te beleggen. + +Karveelswerk, z. n. o. -- Houtwerk, waarvan de planken of balken +met de kanten over elkander heen schieten: welke betimmering de +krapschuitsgewijze betimmering verving. + +Karveelschip, z. n. o. (veroud.) -- Benaming van schepen, waarvan +Velius gewach maakt in zijne Beschrijving van Hoorn als volgt: "In +het jaar 1460 werden hier te Hoorn de eerste Karvielschepen gemaakt, +daar men te voren niet hadde als Hulken, Razeilen en Krajers en die +altemaal gewrocht crapschuitswijze met de planken op malcander." + +Karwylnagel, z. n. m. -- 't Zelfde als Karveelnagel. Zie ald. + +Kassen, b. w. -- Elkander door het slaan van water nat maken. + +Kasteel (voor of achter) z. n. o. -- (veroud.) Getimmerte op den voor- +of achtersteven opgericht. + + + Daer praelt de goude Leeu manhaftig op 't kasteel + Van 't zware zeegevaerte. + + Antonides, IJstroom. + + +Kat, z. n. v. -- 1o. of Katankers. Werpanker, dienende om een zwaarder +anker te katten. + +Spreekwijze: Hy heeft de K-- op het anker gezet (zie Anker). + +Het Katjen van de baan (de voorste om aan te grijpen; even als de K-- +het anker 't eerst grijpt). + +2o. Anker met maar eene tand. + +3o. Geitouw onder de kraanbalk, waarmede het anker wordt voorgeheschen. + +4o. Paal of stut in 't algemeen, en in 't byzonder een paal, op de +kaai geslagen, en waar de ankerstok aan gehecht wordt. + +5o. Soort van klein vaartuig, tot lichter in de havens gebruikt. + +6o. Met negen staarten, zweep van touwen om mede te slaan. + +Kathaak, z. n. m. -- Zware ijzeren haak, dienende om den ring van +'t anker te vatten. + +Katrol, z. n. v. en o. -- Voor katte-rol: 't zelfde als Blok, doch +aan boord min gebruikelijk. Zie Blok. + +Katten, b. w. -- 1o. Twee ankers op elkander uitwerpen, ten einde +het eene by zwaren wind niet medega. + +2o. Palen slaan voor een anker, dat op den wal ligt. + +Kattekop, z. n. m. -- 1o. Houten spaak, die in de gaten van een +windas gestoken wordt, om op een klein vaartuig aan een touw tot +beting te strekken. + +2o. Korte houwitser, op kanonneer- en bombardeerbooten in gebruik. + +kattespoor, z. n. o. (veroud.) -- Spantvormig samenstel, dwars over +het zaadhout tegen de binnenoppervlakte der inhouten geplaatst en +zich tot zekere hoogte tegen het boord uitstrekkende. Het diende om +de dwarsscheepsche doorzetting tegen te gaan. + +kattestaart, z. n. m. -- 1o. Ronde vijl, in eene punt uitloopende en +dienende om gaten uit te vijlen en te verbreeden. + +2o. Wimpel van een koopvaardyvaartuig. + +3o. Losgerafeld touw. + +kavelen, b. w. -- In den vloed zeilen om de ebbe af te wachten. + + + Maar, t'wijl een ander, als hy kan; + Ook zyn gety niet t' onrecht kavelt. + + Oudaen, Zweedsche hoogmoet. + + +kayak, z. n. m. -- Esquimoosch vaartuig. + +keel, z. n. v. (veroud.) -- Smal toeloopende strook van een plank, +eigentlijk geul, (wat 't zelfde woord is, als zijnde beiden 't +Lat. gula) en aldus gesneden om beter te voegen. + +keep, z. z. m. -- Sleuf, inhaksel, sponning: in 't byzonder de sleuf, +rondom in het blok gemaakt, om den strop te laten inloopen. + +keerkringen, z. n. m. mv. -- Naam van elk der beide kleinere +kringen van den aardbol, die, evenwijdig met de middellijn, door de +zonnestanden, d. i. door punten, ongeveer 23 1/2 graad verwijderd +van de middellijn, getrokken worden, en tusschen welke kringen de +zon haar jaarlijkschen omloop heeft. + +keernagels, z. n. m. mv. -- Nagels, waarmede de kiel bevestigd wordt. + +keerring, z. n. m. -- Koker, waar de mast van een haringbuis in staat. + +keg, keggen, z. n. v. -- Houten of yzeren wig, dienende om voorwerpen +mede te splijten of te schoren. + +kelder, z. n. v. -- Bergplaats van scheepsvoorraad, doch +overdrachtelijk voor al wat beneden is, en dus voor de zee zelve. + +Spreekwijze: Naar de K-- zijn (in zee vergaan). + +kenten, z. n. m. mv. (veroud.) -- Scheepstimmermans kunstwoord, +waardoor verstaan werden eenige latten, die, ter weêrszijden van +inhouten werden gespijkerd, tot een schets om het beloop van het schip +naar aan te leggen. 't Woord is waarschijnlijk 't zelfde als kanten. + +kenteren, o. w. -- Letterlijk: herhaaldelijk op zijn Kent (kant), +draaien, en dus: omwentelen, veranderen. De stroom K-- (de stroom +is aan 't walen.) De mast K-- (rolt om.) Ook het doorkomen van eb +of vloed: + + + Zie daar een derde vloot verschenen, + Door 't reeds gekenterd tij geleid. + + V. Haren, de Geuzen. + + +kenteren, o. w. -- Omhalen. Een schip K-- (het op zijde stellen, +ten einde het te herstellen). + +Kenterhaak, z. n. v. -- Haak, gebezigd tot het Kenteren van vaartuigen. + +Kentering, z. n. v. -- Het omslaan, in 't byzonder van het tij. + +Kerfbijl, z. n. v. -- Bijl, inzonderheid tot Kerven geschikt. + +Kerk, z. n. v. -- Logies onder 't halfdek; ook vóór- of groote kajuit. + +Kerven, b. w. (veroud.) voor Kappen. + +Kesp, z. n. v. -- Recht stuk hout, waarop men in platte schuiten de +vlakgangen spijkert. + +Ketel, z. n. m. -- Groote yzeren pot, waarin de spijs voor de manschap +gekookt wordt. StoomK-- (groot vat van koper, geslagen of gegoten yzer, +waarin het water tot stoom overgaat). + +Keten, z. n. v. -- Snoer van in elkander geschakelde ringen of +slingers. Dubbele K-- (zoodanig zamengesteld, dat elke schakel twee +ringen bevat.) K-- zonder eind (zie Ketenstrop). + +Ketenstrop, z. n. m. of Keten zonder end. -- Ketting, waarvan de +ringen aan elkander geschakeld zijn, zoo dat men elken ring als den +eersten en als den laatsten van de ketting kan aanmerken. + +Ketting, z. n. v. -- Zie Keten. + +Kettingknijper, z. n. m. -- Zie Knijper. + +Kettingpomp, z. n. v. -- Zie Pomp. + +Kettingkogel, z. n. m. -- Kogel, die met een ketting aan een anderen +is vastgehecht. + +Kiel, z. n. v. -- 1o. De grondlagen van een schip, uit den grondbalk en +de daarin gewerkte ribben bestaande. 't Woord beteekent waarschijnlijk +(even als in den zin van kleed) "overtrek, huid," eens vaartuigs. + +2o. By de dichters het schip zelf: + + + Gewis hem was de ontrefbre borst + Met zevendubbeld staal beslagen, + Die 't eerst zijn kiel den golven wagen, + Zich zelf der kiel betrouwen dorst. + + Bilderdijk. Zeevaart. + + + Het steekt der Grajen niet aan tien of twintig kielen, + + +zegt Agamemnon in Vondels Palamedes. + +Spreekwijze: Kielen!--Wielen!--Rand om 't Land! (Zeeuwsche dronk, +waarmede heil gewenscht werd aan de Zeevaart, den Landbouw--men had +toen nog gewielde ploegen--en de Dijken). + +Kielen, b. w. -- Over zijde halen. Een schip K-- (een schip omwenden, +om het van onderen te timmeren, te breeuwen of de koperen huid te +herstellen). + +Kielhalen, b. w. -- Vroeger gebruikelijke straf aan boord, die +daarin bestond, dat de overtreder naakt op het boord van het schip +gezet werd, met eenige zwaarte om het lijf, ten einde te sneller te +kunnen zinken, en aan een touw gebonden, dat onder de kiel doorging: +in dien toestand werd hy over boord gesmeten en aan de andere zijde +gezwind weêr opgehaald: welk een en ander, in geval van zware misdaad, +eenige malen herhaald werd: een straf, waaraan niet weinig gevaar voor +den lijder verbonden was, die, by het minste verzuim, arm of been, +ja het leven verliezen kon: waarom het K-- dan ook als halsgerecht +werd gerekend. + +Een schip K-- (het op zijde leggen om te herstellen). + +Spreekwijze: Hy is gekielhaald (hy is door en door nat gemaakt). + +Kieling, z. n. v. -- Romp van een schip. + +Kielkram, z. n v. -- Kram, waarvan de uiteinden plat en met gaten +doorboord zijn om er spijkers in te slaan; zy is van buiten omgekruld, +ten einde het hout te vatten. + +Kiellasch, z. n. v. of Vlaamsche Lasch. -- Lasch of stuit van vijf +of zes voet lang, als die aan de kiel gebezigd worden. + +Kiellichter, z. n. m. -- Stevige schuit, plat van bodem, met schuins +oploopende zijden, een zwaren mast voerende, voorzien van vier +hoofdtouwen, een zwaar gein en twee kiptakels. De K-- dient in de +havens tot velerlei gebruik. + +Kielstopper, z. n. m. of Stopper van den loefbalk. -- Stopper, die +gebruikt wordt om een schip over zijde te winden. + +Kielstrop, z. n. m. -- Koperen Strop, dienende tot bevestiging van +een lasch. + +Kielverscherving, z. n. v. -- Verscherving van de Kiel. + +Kielwater, z. n. o. of Zog. -- Spoor, dat een schip in het Water +achterlaat. + +Spreekwijze: Blijf uit zijn K-- of gy raakt in zijn zog (volg hem +in zijn handelwijze niet na, of gy raakt in 't verderf:--omdat het +gevaarlijk is in het zog van een zinkend vaartuig te geraken, wegens +de sterke zuiging van het water, dat in de gemaakte opening weder +samen vloeit). + +Iemand in zijn K-- zeilen (hem op de hielen volgen). + +Kiezen, b. w. -- Zee K--, de ruimte K-- (zich in zee, zich in volle +zee begeven). + +Kikvorsch, z. n. v. -- Poeldier. + +Spreekwijze: Hy is overladen met geld als een K-- met veêren. + +Kil, z. n. m. -- Stroomkuil of stroomkil. + + + Ja, wat de stroomvliet met zich voert + Laat wei en akkers drooger, + Maar zinkt in d'engen stroomkil neêr + En 't water wordt steeds hooger. + + Bilderdijk. + + +Killen, o. w. -- Wordt een zeil gezegd te doen, dat zich in de luwte +van een ander bevindt, en alzoo geen wind kan vatten, maar slap langs +den mast hangt. 't Woord is afgeleid van kil (koud), het beteekent dus +oorspronkelijk "koud worden," en van daar "trillen, beven, klapperen". + +Spreekwijze: Als de zeilen K-- loopt men gevaar een uil te vangen +(den wind van voren te vangen). + +Kim, z. n. v. -- Rand, gordel, en van daar: + +1o. Gezichteinder: cirkel, die getrokken is waar hemel en aarde aan +elkander schijnen te raken en waarvan de persoon, die hem ziet, +altijd het middelpunt uitmaakt. OosterK--, WesterK-- (plaatsen, +waar de hemellichamen schijnen op en onder te gaan). + +2o. Gedeelte der buitenhuid van een schip, tusschen de kiel en +den buik. + +3o. Uiteinde van een vrang, waar zy gebogen is om in de knie te +sluiten. + +Kimbedden, z. n. o. mv. -- Houten, waar de Kim of eerste scheepsrondte +op rust. + +Kimduiking, z. n. v. -- Verschil tusschen den zichtbaren en den +wezenlijken gezichteinder. + +Kimgang, z. n. m. -- Breede planken onder aan het schip tusschen de +kiel en den buik. + +Kimlijn, z. n. v. -- Zie Waterspiegel. + +Kimschoor, z. n. m. -- Recht op en neder staande schoor, die een deel +uitmaakt van de bedding en waarvan men een aantal plaatst onder de +kiel van een schip in aanbouw, dat af moet loopen. + +Kimsent, z. n. v. -- Sent, die door het uiteinde der vrangen heen +loopt. + +Kimweger, z. n. m. -- Stevige balk, die de Kim draagt of weegt. + +Kin, z. n. v. of Kinnebak. -- Het voorste gedeelte van de kiel. + +Kink, z. n. m. -- Kreuk, bocht, die zich in een nat of te nieuw +touwwerk vormt. Volgends Bilderdijk en Weiland zoû 't woord eigenlijk +krink (d. i. kreuk) moeten luiden. 't Blijft intusschen nog de vraag +of kinkhoorn ('t geen volgends hen "geluidhoorn" wezen zoû) niet aldus +genoemd is wegends zijn bochtigen vorm, en of dus K-- niet evenzeer +"bocht" beteekent. + +Spreekwijze: Sta uit de K--en! (sta ruim! sta uit den weg! omdat hy, +die in de K--en staat van een touw, dat uitgevierd wordt, gevaar +loopt te vallen). + +Daar is een K-- in de kabels (daar is zwarigheid). + +Kinnebak, z. n. v. -- Zie Kin. + +Kinnebaksblok, z. n. o. -- Openstaand Blok, waarin men een paardelijn +of looper kan leggen om langs dek te halen. + +Kiosk, z. n. v. -- Soort van Turksch vaartuig. + +Kip, z. n. m. -- 1o. Zekere hoeveelheid. Een K-- lonten. Een K-- +stokvisch. + +2o. Blok met een haak even als het katblok, dienende om het anker +voor den boeg te halen met zijn armen. K--hoeken! kommando. + +Kippen, b. w. -- Grijpen, vatten. Een anker K-- (een anker dwars +aangrijpen en de handen langs het boord ophalen). + +Spreekwijze: Kip! ik heb je. + +Kipstut, z. n. m. -- Zie Jut (Doove). + +Kiptakel, Kiptalie. -- Zie Takel, Talie. + +Kiptaliehaak, z. n. m. of Penterhaak. -- Groote haak, waarmede het +anker, als het uit het water komt, gegrepen en binnengehaald wordt. + +Kirlanghish, z. n. v. -- Klein Turksch vaartuig, dat het Amiraalschip +vergezelt. + +Kits, z. n. v. -- Vaartuig, dat voornamelijk by de Engelschen in +gebruik is. Het is gewoonlijk vierkant van vorm, met een galjoen +versierd, en twee masten voerende. Het groot zeil heeft den vorm +van een bezaan. Boven het groot zeil voert het een marszeil en een +bramzeil, en boven het bezaan een kruiszeil. + +Klaar, b. n. -- Wordt van een schip gezegd, dat gereed is gemaakt om +te vechten; ook van ieder voorwerp, dat by de hand is om gebruikt te +worden. Als bw. komt het in verscheiden scheepskommandoos voor: K-- +om te wenden! (maakt u gereed, om het schip te doen wenden.) K-- by +het anker (om het anker te werpen.) K-- by de marszeilsvallen! K-- +by de schoten! (om daarmede het noodige te verrichten.) K-- op de +banken (plach het bevel te zijn, vroeger aan boord eener galei aan +de roeiers gegeven, om te gaan zitten.) + +Klaar staan, o. w. -- Oppassen, uitkijken, zich gereed houden. By +een schoot, by een val, by een looper K-- S--. + +Klaas, z. n. m. of Klaas Jakobsz. (veroud.) -- Een houten nijptang om +planken te buigen en te bedwingen, waarschijnlijk naar den uitvinder +aldus genoemd. Ik zoû niet durven beweeren, dat de uitdrukking Een +houten K-- aan dit woord ontleend is. + +Klaauw, z. n. v. -- Arm, hand. De K--en van een anker. De K-- van +den gaffel. + +Klaauwhamer, z. n. m. -- Hamer met gespleten pen. + +Klamaai, z. n. m. -- Recht sterk hout, dat tot steun der zwalpen +dient. In elk zijperk bezigt men drie rijen K--en, die zich van voren +naar achteren door de geheele lengte van het schip uitstrekken. De +eene rij ligt tegen den watergang, een tweede tegen den schaarstok +en de derde op de halve breedte van het zijperk. Ten dienste van het +middelperk worden langs de binnenzijden der schaarstokken twee rijen +K--en gelegd. + +Klamaaien, o. w. -- Zich van het klamaai-yzer bedienen om het werk +in de naden te drijven. + +Klamaai-yzer, z. n. o. -- Zware geribde yzeren wig, waarop men met +een moker slaat, ten einde het werk in de naden der planken te drijven. + +Klamp, z. n. m. -- Naam van verschillende houten weêrhaken, +waar touwen aan belegd worden. KruisK--en (die aan hun midden ter +geschikter plaatse tegen de wanden van een vaartuig, tegen een mast, +enz. zijn vastgespijkerd en met haar hoornen of ooren gespannen touwen +vasthouden, die er om heen gestrengeld zijn.) WantK--en (die in het +Want van een benedenmast vast zitten.) BelegK--en, LipK--en (die maar +een oor hebben en zoodanig geplaatst worden, dat zy geschikt zijn +touwen vast te houden, die, als zy gespannen staan, van beneden naar +boven trekken.) WalreepK--en (weinig uitspringende trappen, buiten +tegen 't schip gespijkerd, om er by op te klauteren.) MastK--en +(uitgesneden stukken hout, die op de zijden van den fokkemast +aangebracht worden op de hoogte der slagkragen, ten einde deze van +den mast verwijderd te houden.) SpiltK--en (stukken hout, in de +dikte aangebracht op den as van een spil.) HalsK--en (die een hals +houden.) NokK--en (die aan de uiteinden der raas vastzitten.) RaK-- +(tanden, die aan de raas vast zitten om de buitenbindsels tegen +te houden.) + +Klampen (aan boord), b. w. -- Zie Boord. + + + Hy bruist door duizent kogels voort + En klampt de Britse magt aen boord. + + Antonides. De Teems in Brant. + + +Klampspijkers, z. n. m. mv. of Knaapspijkers. -- Yzeren spijkers, +tot het vasthechten van yzeren bogen of metaalwerk gebezigd. + +Klaphuis, z. n. o. -- Kroeg op het strand, waar de visch wordt +afgeslagen, en dat den visscher is wat de beurs den koopman. + +Klaplooper, z. n. m. -- Schijfblok, dat overal gebezigd wordt waar +wat te halen (hijschen) valt. + +Spreekwijze: Hy is een K-- (hy is er overal by, waar wat te halen +valt). + +Klapmuts, z. n. v. of Bovenbovenbramzeil. -- Het hoogste zeil aan +den masttop van een groot schip, welk zeil by fraai weer nog boven +het bramzeil geheschen wordt. De oorsprong der eigenaardige benaming +is te duidelijk om verklaring te behoeven. + +Spreekwijze: Dat klinkt als een K--. + +Klaren, b. w. -- Uit de war maken. Touw K-- (de ankertouwen weder +in orde brengen, als die door 't zwaaien van 't schip in elkander +gedraaid zijn). + +Klaringsvaartuig, z. n. o. -- Vaartuig, dat ten dienste staat der +ambtenaren, met het in- en uitklaren der schepen belast. + +Klavaatshamer, z. n. m. -- Verbastering van Kalfaathamer, hamer om +te kalefaten. + +Klaver, z. n. o. (veroud.) -- Drie kringen op de klik van het roer. + +Kleed, z. n. o. -- Baan zeildoek. + +Kleeden, b. w. -- (De ankertouwen, de kluis, het want, enz.) met doek +of schiemansgaren omleggen, ten einde schomling te voorkomen. + +Kleedkuil, z. n. m. -- Hamer, tot bekleeding dienende. + +Klein, z. n. o. -- Naam, die op sommige visschersdorpen aan een +ankertjen met vier klaauwen gegeven wordt. + +Klem, z. n. v. of Klemhaak. -- Stuk hout, met een haak aan ieder end, +dienende om een gespannen touw vast te houden. + +Klemmen, o. w. -- Aan den grond raken. + +Kleuren, z. n. v. mv. -- Voor "vlag". Het schip wilde zijn K-- niet +toonen (zijn vlag niet toonen). Hy zeilde onder Engelsche K--. + +Klieven, b. w. -- Snijden. De golven K-- (er door heen varen). + +Klik, z. n. m. -- Naam van een of meer stukken greenen hout, in de +richting der schacht van het roer geplaatst en met den voorkant daar +tegen aan gevoegd. + +Klimstag, z. n. o. (veroud.) -- Stag, dienende om tegen den boegspriet +op te loopen. + +Klink, z. n. m. -- Omgeslagen end van een ijzeren bout. + +Klinkbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, die, ingeslagen zijnde, aan het +vooreind geklonken worden. + +Klinken, b. w. -- Vastslaan, door hameren een verdikking of kop +vormen. Een spijker, nagels K--. + +Klinker, z. n. m. -- Platboomd kustvaartuig, in gebruik op de +Baltische Zee. + +Klinknagel, z. n. m. -- Nagel of spijker, waarvan de enden zijn +omgeklonken. + +Klinknagelshaak, z. n. m. -- Haak van een Klinknagel. + +Klinkring, z. n. m. -- Platte ring, die voor het Klinken om de boot +wordt gelegd. + +Klinkwerk, z. n. o. -- zeer dunne, gedeeltelijk over elkander geklonken +planken, dienende tot den bouw van lichte vaartuigen. + +Klinkwerksloep, z. n. v. -- Sloep met zoom- of Klinkwerk voorzien. + +Klip, z. n. v. -- Algemeene benaming van rotsen in zee of aan de +kusten. 't Woord is waarschijnlijk 't zelfde als klif. + + + Waar drijft het nu, dit moedig schip? + Aan lager wal? of is 't gezonken? + Of stiet het op een blinde klip? + + Oudaen. Koninkl. Gedenkpenning. + + +Blinde K-- (die door het water bedekt, en dus onzichtbaar is). + + + Zy (de Almacht) deed zijn boot de blinde klippen + De rots die tot den hemel stiet, + Geveiligd langs en over glippen + En 't onweêr trof zijn stengen niet. + + Bilderdijk, Zeevaart. + + +Spreekwijzen: Tusschen de K-- door (met vermijding der gevaren, die +van meer dan eene zijde dreigen). Hy zal die K-- niet te boven komen +(hy zal dat gevaar niet ontgaan). + +Klipper, z. n. m. of Klipperschip. -- Soort van vaartuig. Zie +Tijdschrift van het Zeewezen, XI, bl. 196. + +Kloet, z. n. m. (veroud.) -- Schippersboom. + +Kloeten, o. w. (veroud.) -- Boomen, met een kloet voortduwen. + +Klok, z. n. v. -- Metalen werktuig, dienende om de uren en halve uren +te verkondigen, en het volk op de wacht of aan de schaft te roepen. + +Klokreep, z. n. v. -- Touw, waarmede de Klok geluid wordt. + +Klokkegalg, z. n. v. -- Galg of dwarshout, waar de Klok aan hangt. + +Kloot, z. n. m. -- Bal, zoo wel in 't byzonder voor Aard- of +WaereldK--, als in 't algemeen voor elken ronden knop. K-- van den +mast. K-- van den vlaggestok. + +Spreekwijze: De K-- rolt nog (de zaak is nog niet afgeloopen). + +Klopzee, z. n. v. of Stortzee. -- Hevige overstorting eener golf op +een schip by stormweer. + +Klos, z. n. v. -- Blok houts, stut: ook de bril van een Kolderstok. Zie +Bril. + +Klouwen, b. w. (veroud.) -- Eigenlijk krabben; vandaar in 't byzonder +breeuwen, kalfaten, herstellen. + +Spreekwijze: Daar valt wat aan de K-- (wat aan te doen). + +Klouwer, z. n. m. (veroud.) -- 1o. Breeuwer; 2o. Kalfaathamer. + +Spreekwijze: Dat is een K-- van een jongen, een K-- van een os (een +baas van een jongen, enz.). + +Klucht, z. n. v. -- Mast, die uit vele op elkander geplaatste stukken +is samengesteld. + +Kluchten, b. w. -- Op elkander stellen. Een gekluchte mast. (Zie +Klucht.) + +Kluft, z. n. v. -- Driehoekige uitlating in de geheele diepte van een +stuk hout gemaakt om er het uiteinde van een ander stuk in te voegen. + +Kluiffok, z. n. v. -- Zie Fok. + +Kluifhout, z. n. o. -- Boom van den Kluiver. + +Kluis, z. n. o. of Kluisgat. -- Naam van ronde, een weinig schuins +liggende openingen, rechts en links van den boeg onder het galjoen +geboord, en waardoor men de ankertouwen heenbrengt als men ten +anker gaat. + +Kluisband, z. n. m. -- Zwaar stuk hout, dat zich op de hoogte der +kluisgaten met het galjoen en de kluisplaten kruist. + +Kluisgat, z. n. o. -- Zie Kluis. + +Spreekwijze: Daar de K--en, even als de oogen in 't hoofd, vlak voor +aan staan, worden de oogen by 't zeevolk doorgaands K--en genoemd. + +Kluishout, z. n. o. of Kluisplaat. -- Stukken houts, schuins +boven elkander in den boeg gebracht, om de hoogte van het schip +te verkrijgen. + +Kluisplaat, z. n. v. -- Zie Kluishout. + +Kluisprop, z. n. v. -- Prop, waarmede een kluisgat gesloten wordt. + +Kluiszak, z. n. m. -- Lange, met werk of krullen gevulde zak, die +by zwaar weer in de Kluis gestopt wordt om het binnendringen van het +water te beletten. + +Kluiver, z. n. m. -- Driehoekig zeil, dat op het kluifhout uitgehaald +en langs den leier wordt opgeheschen. Volgends Winschoten zoû +het woord daaraan zijn naam ontleenen, dat dit zeil, by stil weer +gebruikt wordende, het minste windtjen als 't ware opslorpte of +"opkloof". Bilderdijk op Kluiffok, leidt het van luif of luifel +af.--K--bakstag (bakstag van den K--). K--ring, K--beugel (ring of +nagel, waar de K-- door loopt). + +Kluizen, o. w. (veroud.) -- Stormen. + +Klutsen, b. w. (veroud.) -- Houtwerk herstellen. + +Knaap, z. n. m. -- Klampjen, in het timmeren gebruikelijk, om iets +by voorraad vast te slaan. + +Knaapspijkers, z. n. m. mv. -- Zie Klampspijkers. + +Knecht, z. n. m. -- 1o. Soort van windas, op éénmastkustvaarders, +dienende om zeilen of goederen uit het ruim te hijschen. Groote K--, +Bezaans K--, Fokke K--. + +2o. Hout om een touw aan vast te leggen. + +Knepeling, z. n. v. (veroud.) -- Soort van geschut. + +Kneppelkogel, z. n. m. -- Zie Boutkogel. + +Knevel, z. n. m. -- Houten nagel, die, tusschen een bindsel gestoken +en rondgedraaid, dient om het nog sterker toe te halen. + +Knie, z. n. v. -- Zwaar gekromd stuk hout, dienende tot verbinding +van een balk met een vlak, of met een anderen balk. De K-- bestaat +uit twee gedeelten, waarvan het grootste het lijf, het andere de tak +genoemd wordt. De plaats, waar beide deelen zich vereenigen, heet de +Neb. Houten K--en, zie Yzeren K--en, Opgezette K--en, KunstK--en. + +Kniehals, z. n. m. -- Hoek, samenloop van twee schotten of wanden; +bocht van een Knie. + +Knikstag, z. n. o. -- Hulp- of bystag. + +Knits, z. n. v. of Knitsel. (veroud.) -- Touw, dat maar van twee +kabelgarens gevlochten is. Zie Knuttel. + +Knitsel, z. n. o. -- Zie Knits. + +Knoeien, o. w. -- Verkeerde of nuttelooze bewegingen doen. + +Knoeier, z. n. m. -- Zoo wordt een vaartuig wel genoemd, waarmede +men niets kan uitrichten. + +Spreekwijze: Een boeier is een ZeeK--, (met een boeier kan men slecht +zee bevaren). + +Knoop, z. n. m. -- 1o. Samentrekking van een of meer touwen. Platte of +ZeemansK--, door middel waarvan de enden, de rifseizings en rabanden +om een ra gehecht worden. + +2o. Uiteinde van een touw, strekkende om het doorschieten te beletten. + +3o. Knoest of slechte steê in het houtwerk. + +4o. K-- van de loglijn (dienende om den afstand te berekenen, die in +een gegeven tijd door een zeilend vaartuig wordt afgelegd). + +Spreekwijze: Een K-- draaien (met mooie praatjens bedriegen). + +Knoopen, o. en b. w. -- Een knoop leggen. + +Knoopstopper, z. n. m. -- Stopper, die den Knoop aan 't eind Stopt +(weêrhoudt) en alzoo belet door te schieten. + +Knuttel, z. n. m. -- Strafwerktuig van gedraaid touw, by de Engelschen +kat genoemd. Het wordt ook gebezigd voor "kluwen". Een K--tjen +marlingsgaren. + +Knijper, o. w. -- Wordt van een vaartuig gezegd, als het zich zoo na +mogelijk aan de windstreek opwerkt. + +Knijper, z. n. m. -- Stuk hout, dienende om iets te vatten en op zijn +plaats te houden. + +Knijper (ketting), z. n. m. -- Yzeren toestel om aan een ketting het +doorschieten te beletten. + +Koebeis, z. n. m. -- Een opgecierd vaartuig, op de rivieren van +Japan gebruikelijk. + +Koebrug, z. n. v. of Koebrugsdek. -- Soort van dek, onder het +benedendek. Het verdeelt de ruimte tusschen de onderbattery en het +scheepsdek in ongelijke deelen. In de K-- is het verblijf van de +aide-chirurgijns; ook is er de hut van den schipper en die van den +konstabel-majoor; gedurende den slag heeft men er het slagverband +voor de gekwetsten. + +2o. (Veroud.) Traliewerk boven het middelschip, bestemd om soldaten +te dragen gedurende een zeegevecht. + +Koebrugsdek, z. n. o. -- Zie Koebrug. + +Koekkoek, z. n. m. -- Soort van open luik, dienende om licht in de +hutten te geven. + +Koelbalie, z. n. m. -- Tobbe, met water gevuld, dienende om gedurende +een slag de kanonnen te begieten. + +Koelte, z. n. v. -- Wordt op zee altijd genomen in den zin van +"wind". Het waait een frissche K-- (het waait goed door). MarsK--, +stijve MarszeilsK--, gereefde MarszeilsK--, dubbel gereefde +MarszeilsK--, dicht gereefde MarszeilsK--, stijf gereefde MarszeilsK--, +BramzeilsK--, Bram- in MarszeilsK--, worden alle genomen voor min of +meer harden K--, LabberK-- voor flaauwen wind. + +Koeltjen, z. n. o. -- Windtjen, briesjen. Er stak een lief K-- op. + +Koelzeil, z. n. o. -- Groote en breede buis van zeildoek, van boven +met twee vleugels voorzien, die tot windleider dient en van het groot +stag boven het groot luik opgeheschen, hangt om aldaar verkoeling +aan te brengen. + +Koelzwabber, z. n. m. -- Zwabber, waarmede men by groote hitte de +planken vochtig houdt. + +Koeralijn, z. n. m. -- Soort van platboomde West-Indische praauw. + +Koers, z. n. m. -- Richting, weg, loop. Het schip is uit zijn K-- +geraakt (uit zijn weg). Wy moeten dien K-- houden. Zy hebben K-- +naar Engeland gezet (zy zijn naar Engeland gezeild). + + + Hy wist van koers noch streek te houden + Noch 't reven van 't gespannen doek + Maar zeilde met een blind vertrouwen. + Onwetend naar wat wareldhoek. + + Bilderdijk, Zeevaart. + + +Spreekwijze: Hy is van den K-- of hy is den K-- kwijt (hy is in de +war). Welken K-- zullen de zaken nemen? (hoe zullen zy afloopen?) + +Koevoet, z. n. v. -- Yzeren handspaak, waarvan de voet gespleten is +als de klaauw eener Koe. De K-- wordt aan boord gebruikt om zware +lasten en voornamelijk kanonnen te lichten. + +Kof, z. n. v. -- Kustvaartuig met twee masten, en somtijds met een +druil (tapecul) voorzien, getuigd met sprietzeil, mast en kluiver. + +Kogel, z. n. m. -- Gegoten yzeren bal van verschillende grootte, +waarmede een stuk geschut geladen wordt. Losse K-- (die zonder +klos in het stuk geladen wordt). Opgekloste K-- (die met een klos +er in gaat). Holle K-- (granaat, lange yzeren K--, met schroot +gevuld). Gloeiende K-- (die in 't vuur wordt heet gemaakt, voor dat +men hem afschiet. K-- in! (komm.). + +Kogelbakken, z. n. m. mv. -- Uitgeholde randen tegen boord tusschen +de kanonstukken, en waarin men kogels voor de hand heeft liggen. + +Kogeltang, z. n. m. -- Yzeren tang, dienende om gloeiende kogels mede +te dragen: kleine yzeren tang om geweerkogels af te gieten. + +Kogge, z. n. v. -- Naam van een vaartuig, by onze voorouders zeer +in gebruik, met 30 tot 32 riemen voorzien, en, wanneer het tot den +krijg gebezigd werd, ook met tinnen of houten getande beschutsels +tegen 't enteren beveiligd. 't Woord is kennelijk niets anders +dan een dialekt-verschil met kof, ofschoon dit laatste thands +alleen voor koopvaardy- en kustvaartuigen gebruikt wordt; terwijl +de K--n meest ten strijde waren uitgerust; gelijk blijkt uit den +naam der vier-noorder-koggen, die nog door een der vijf Ambachten +in West-Friesland gedragen wordt, omdat het vroeger gehouden was, +vier uitgeruste K--n aan de Graaflijkheid te leveren. + +Kognossement, z. n. o. -- Vrachtbrief, die in moet houden: + +1o. Den naam van den bevrachter of inlader. + +2o. De opgaaf van hem, aan wien de goederen verzonden worden. + +3o. Den naam en de woonplaats van den schipper. + +4o. Den naam en de soort van het schip en de plaats waar dit t'huis +behoort. + +5o. Den aart, de hoeveelheid, de merken en getallen der te vervoeren +goederen. + +6o. De plaats van afvaart en die der bestemming. + +7o. Hetgeen nopens de vracht bepaald is. + +8o. De onderteekening van schipper of inlader of van hem, die voor +de expeditie zorgt. + +Zie verder WB. van Kooph., art. 507-520. + +Koinen, z. n. m. mv. (veroud.) -- Driehoekige houtjens, die onder tegen +het vaatwerk worden aangelegd, 't Is 't fr. coin (hoek). Zie Kortjens. + +Kok, z. n. m. -- Hy, die in een schip voor de manschaps kookt. + +Spreekwijze: Die den K-- bedilt moet het rookgat uit (die 't werk +bedilt van zijn meerderen, krijgt slechten dank). + + + Als K-- en bottelier saem kijft, + Weet Janmaat waar de boter blijft. + + +Koker, z. n. m. -- Buis, waar de mast in kleine vaartuigen in vast +staat. Zie Mastkoker, Kardoesekoker. + +Koksmaat, z. n. m. -- Knaap, die den Kok tot behulp strekt. + +Kokspomp, z. n. v. -- Pomp van het vaatwerk. + +Koldergat, z. n. o. -- Verouderde benaming van het Gat, waardoor de +kap van het roer gaat. + +Kolderstok, z. n. m. of Kalderstok. (veroud.) -- Greep van de roerpen. + +Kolk, z. n. v. -- Letterlijk "kuil, diepte," van hier: vergaderplaats, +'t zij van asch, als de K-- onder den haard, 't zij van water, als +de BrouwersK-- te Haarlem, 't zij van goederen, als K-- (Tjalkschip, +in Friesland gebruikelijk) 't zij voor wieling, draaijing. + +Kolsem, z. n. m. Kolzwijn of Zaadhout. -- Tegenkiel, die binnen in +'t schip komt. + +Kom, z. n. v. -- Water, en in 't byzonder stilstaand water, dat +rondom door land is ingesloten, 't zij door de natuur, 't zij +door menschenarbeid. Men zegt echter ook: De rivier vormt te dier +plaats een K-- (neemt de gedaante eener K-- aan), zoodat men geen +afstroomend water, maar een afgesloten vijver meent te zien: als de +Rijn by St. Goar, de Vecht by Nieuwersluis. + +Kombaars, z. n. v. -- Zoo noemt men aan boord de grove wollen dekens, +ook in 't algemeen de dekens, waarin de visschers onzer zeedorpen +aan boord slapen. Ook wordt het wel eens voor hangmat gebezigd, +als b. v. in de volgende + +Spreekwijze: Hy is al lang in een K-- genaaid (hy is al lang dood), +(omdat wie op 't schip sterft, in zijn hangmat genaaid en over boord +gezet wordt). + +Kombof, z. n. n. -- Vuurhaard, van 't Ital. combachio, en dus 't +zelfde als kajuit, welk laatste woord echter een meer edele beteekenis +heeft verkregen. + +Spreekwijze: 't Rookt als in een K-- (omdat in een stookplaats op +een klein vaartuig de rook meermalen naar beneden slaat). + +Kombuis, z. n. v. van 't Lat. Combustio. -- Op groote schepen is die +onder den bak, op kleinere op het dek. 't Woord wordt dikwijls met +Kombof verwisseld. + +Spreekwijze: Als 't waait kruipt hy in de K-- (hy is een +zoetwaterzeeman, een bloodaart). + +Komen, o. w. -- Boven den wind, by-de-wind K--, aan-de-wind K--. Den +wind te boven K--. + +Kommaliebehoeften, z. n. v. mv. of Kommaliewant.--Al wat tot +schaftgerij aan boord behoort, als vorken, lepels, potten, pannen, enz. + +Kommaliewant, z. n. o. -- is 't meer gebruikelijke woord. Zie +Kommaliebehoefte. + +Kommandant, z. n. m. -- Gezachvoerder, 't zij over een smaldeel, +'t zij over een haven of inrichting. + +Kommandeur, z. n. m. -- Kapitein van den breeden wimpel, ook +Standerkapitein, volgt in rang op den Schout-by-nacht en voert een +stander in top. + +Kommando, z. n. o. -- Bevel, orde. + +Kommissaris, z. n. m. -- Hy, aan wien eenige opdracht of kommissie +gegeven is, doorgaands tot het uitoefenen van eenig opgelegd +toezicht. Zoo had men by ons vroeger K--sen van Zeezaken (die het +toezicht hadden over het zeewezen). K-- by een veer (die aangesteld +is om de verzonden goederen of brieven aan te teekenen, de klachten +der passagiers aan te hooren, enz). + +Kommissarishuisjen, z. n. o. -- Kantoortjen, nevens het veer, waar +de Kommissaris in gezeten is. + +Kommodoor, z n. m. -- Engelsche benaming voor Schout-by-nacht, +Kommandeur van den breeden wimpel. + +Kompanje, z. n. v. zie Kampanje. -- 't Woord werd oudtijds ook gebruikt +voor pakhuis, magazijn, in 't byzonder der Amiraliteiten. + +Spreekwijze: 't Was een sobere K-- ('t onthaal was schraal). + +Kompanjemeester, z. n. m. (veroud.) -- Verbastering van +Kompagnie-meester: naam van den Equipaadjemeester op de werven der +kompagnie. + +Kompas, z. n. o. -- van 't Ital. Compasso, 't welk een in streken +afgedeelden cirkel beteekent. Het K-- is een schijf van bordpapier of +andere zelfstandigheid, waarop al de windstreken zijn afgeteekend, +en uit welks midden een met zeilsteen bestreken wijzer altijd naar +het noorden draait. Verkeerd K-- (zie Hangkompas). Doorschijnend +K-- (waarvan de letters en streken van achteren verlicht +worden). Miswijzend K-- (zie Miswijzer). De wind heeft het K-- +rondgewaaid (de wind heeft gewaaid met alle streken die op het kompas +staan opgeteekend). + +Spreekwijze: Op dat K-- mag men veilig zeilen (aan die leiding mag +men zich veilig toevertrouwen). + +Zijn K-- is verdraaid (hy is van de wijs). + +Zijn K-- is van de pen (hy is dronken:--omdat een K--, dat van de +pen is, onbruikbaar is). + +Kompasbeugel, z. n. m. -- Naam van twee koncentrische ringen, dienende +om het Kompas in te hangen. Zy zijn van koper en loshangend by wijze +van een schommel, om het Kompas, in weêrwil van het slingeren van +het schip, altijd in evenwicht en waterpas te houden. De K-- wordt +uit dien hoofde ook Wieg genoemd. + +Kompasdoos, z. n. v. -- Doos of bus, waarin het Kompas besloten is. + +Kompaskwartier, z. n. v. -- Vierde deel van een Kompas. + +Kompaslamp, z. n. v. -- Lamp, die het Kompas verlicht. + +Kompasnaald, z. n. v. -- Zie Naald. + +Kompasroos, z. n. v. -- Schijf van kaarteblad, waarop de 32 windstreken +zijn afgebeeld en waarover de Kompasnaald draait. + +Kompozitiespijkers, z. n. m. mv. -- Deze zijn voornamelijk van koper +en komen met de timmerspijkers in vorm overeen: men heeft er van 0,41 +tot 0,103 en zelfs kleineren. + +Kondwachter, z. n. m. of Kouswachter. -- 1o. (Veroud.) Langwerpige +klamp, later rond schijfjen, waar de blinde schenkel werd doorgehaald, +en Stagkous of Doodshoofd genoemd. Zie ald. + +2o. Het touw, dat aan den sleper, waaraan de sloepen liggen, is +vastgemaakt en dient om ze dichter aan boord te halen. + +Koning, z. n. m. -- Staander, as. De K-- van een spil. De K-- van +het Roer. + +Konsignataris, z. n. m. -- De persoon, aan wien een vaartuig is +beschreven, 't zij om het te onttakelen of weder in zee te brengen, +'t zij om er de goederen uit te lichten, op te slaan of te verkoopen. + +Konsignatie, z. n. v. -- Verpanding, in-bewaar-geving. Die goederen +liggen daar in K-- (in bewaring). Zy zijn by N. in K--. + +Konsigneeren, b. w. -- Opzenden, ter bewaring of verkoop +toevertrouwen. Een schip K-- (het in handen van een bevrachter +stellen). Hy heeft de goederen, die aan hem Gekonsigneerd waren, +niet willen ontfangen. + +Konstabel, z. n. m. of Konstapel. -- Opzichter van het geschut. + +Konstabelmaat, z. n. m. -- Onderkonstabel. + +Konstabelskamer, z. n. v. -- Het achterste gedeelte van het +tusschendeks: daar logeeren de kadets en de stuurlieden; achter in +is aan stuurboord een hut voor een officier; aan bakboord een voor +den opperstuurman. + +Konstructie, z. n. v. -- Zie Aanbouw, Scheepsbouw, Bouw. + +Konsul, z. n. m. -- Ambtenaar, in 't Buitenland aangesteld om er +den handel en de zeevaart zijner natie te beschermen, de noodige +bewijsstukken te legalizeeren, enz. enz. K---Generaal. Vice-K--. + +Konsulaat, z. n. o. of Konsulschap. -- 1o. Betrekking van Konsul. + +2o. Woning, kantoor van den Konsul. + +Kontjens, z. n. o. mv. -- Thands in gebruik voor koinen. 't Is 't +zelfde woord, maar verkleind, en staat dus voor Kointjens. + +Kontramarsch, z. n. m. -- Beweging, waardoor onderscheidene schepen +eener oorlogsvloot, de linie, waarop zy geplaatst waren, verlaten, +om zich achtereenvolgends op een nieuwe linie te stellen. In den K-- +door-de-wind gaan (wanneer men met den wind van voren die beweging +doet). In den K-- loopen (wanneer men dit met den wind van achter +doet). + +Kontra-observatie, z. n. o. -- Tweede op- of waarneming, strekkende +om de juistheid eener vroeger genomene na te gaan. + +Kontra-orde, z. n. v. -- Bevel, waardoor een vroeger last herroepen +wordt. + +Kontra-sein, z. n. o. -- Vlaggetjen, dat geheschen wordt om aan te +toonen, dat men het sein van den Amiraal heeft gezien en begrepen. By +nacht gebruikt men daartoe een lantaren. + +Konvooi, z. n. o. -- 1o. Schip of vloot, die onder geleide van een +of meer gewapende vaartuigen vaart. De wakkere verdediging van den +bevelvoerder gaf gelegenheid aan het K-- om te ontvluchten. + +2o. Het geleide zelf. Die schepen varen onder K-- (onder geleide). + +3o. In 't mv. K--en en Licenten (veroud.), rechten op vervoer, in- +en uitvoer. + +Konvooibrief, z. n. m. -- Brief, dien de Kommandant van 't Konvooi +geeft aan de schepen, welke hy te geleiden heeft. + +Konvooilinie, z. n. v. -- Lijn, waarin de schepen van 't Konvooi +zich stellen moeten, om onder de bescherming van het geleideschip +te blijven. + +Kooi, z. n. v. -- Slaapstede aan boord, aldus genoemd, omdat zy even +als vogelK--en boven en naast elkander tegen den wand vastzitten. Ook +voor hangmat en slaapstede is 't algemeen. Naar K-- gaan (naar +bed gaan). + +Spreekwijze: De K-- lek varen (een onvoordeelige, schadelijke reis +doen). + +De schipper heeft de K-- lek gevaren (hy is ontschipperd). + +Te K-- kruipen. Voor goed naar K-- gaan (sterven, waarvan Huygens in +zyn Scheepspraat op 't overlijden van Prins Maurits aldus: + + + Mouringh was te koy ekropen + En den endeloosen slaep + Had zijn wacker oogh besloopen, + En den Leeuw gemaeckt tot Schaep.) + + +Kooken, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer zy zich +bruischende verheft. + +Koopvaarder, z. n. m. of Koopvaardyschip. -- Schip, dat ter Koopvaart +is uitgerust. + +Koopvaardy (ter), bw. -- Tot de Koopvaart. T-- K-- uitgerust--wordt +van een schip gezegd, om het van een oorlogsvaartuig te onderscheiden. + +Koopvaardyschip, z. n. o. -- Zie Koopvaarder. + +Koopvaardyvloot, z. n. m. -- Verzameling van Koopvaarders. + +Koord, z. n. v. en o. -- Lijn, touw. + +Koordaadje, z. n. v. (veroud.) -- Alle soort van touwwerk. + +Koot, z. n. v. -- Kooi of kot van den stuurman eener haringbuis. + +Kop, z. n. m. -- Het bovenste of voorste. De K-- van de spil. De K-- +van het roer. Met den K-- op de zee zeilen (den voorsteven aan de +golven bieden). Wy liepen hem met den K-- in de zijde (ons schip voer +met zijn voorsteven het andere dwars in het boord). + +Kopbout, z. n. -- 1o. Zware ring, boven elke geschutpoort der +onderbattery geplaatst. + +2o. Spant- of NaaiB--. Bout, dienende om de deelen van een affuit +aan elkander te verbinden. Platte, ronde, vierkante K--en. + +Koperen, b. w. -- Met koperen platen beleggen, 't geen ten opzichte +van schepen geschiedt om de aangroeijing van schelpen en weekdieren +af te weeren. Een Gekoperd fregatschip. + +Kophoutjen, z. n. o. -- Houtjen, dat de lijken van een kluiver +tegenhoudt. + +Koppelblad, z. n. o. -- Rechthoekige parallelogram op een blad papier +afgeteekend en afgedeeld in kleine gelijke vierkanten, door middel +van evenwijdige lijnen, die noord en zuid of oost en west loopen. Op +dit Blad vindt men onderscheiden bogen, die hun gemeenschappelijk +middelpunt hebben in den top van een der hoeken. Een en ander strekt +tot bepaling zoo na mogelijk van den afgelegden weg in lengte en +breedte, wanneer men bevorens weet hoe veel weegs men heeft afgelegd +en in welke richting. + +Koppelen, o. w. -- Koppelkoers berekenen; d.i., uit de gedurende het +etmaal gezeilde koersen en snelheid van vaart, de gegeven breedte +verkrijgen. + +Koppelbouten, z. n. m. mv., Naai- of SpantB--en. -- Bouten, die, +van achtkante staven afgehakt, aan het eene einde een geringe ronding +verkrijgen, en dienen om de twee rijen inhouten van hetzelfde spant +te verbinden. + +Koppelkompas, z. n. o. of Uurbord. -- Houten schijf, van een handvatsel +voorzien, en waarop de 32 windstreken zijn afgebeeld. Boven elke +windstreek zijn 8 gaatjens geboord om de 8 halve uren van een wacht +te verbeelden. Elk half uur slaat de voorganger een pen in boven de +windstreek, waaronder hy gestuurd heeft. Het uurbord, alzoo met den +afloop der wacht van 8 pennen voorzien, dient den roerganger om den +weg op te teekenen, dien het vaartuig gehouden heeft. + +Koppelstuk, z. n. o. -- Derde Stuk of laatste schaal, die op een balk +wordt ingelaten om dien volledig te maken. + +Koppen, z. n. m. -- 1o. Verhevenheden, gevormd door 't zeeschuim, +die zich boven de baren vertoonen, waar sterke branding gaat. + +2o. Uitspringende gedeelten van zware of donderwolken. + +3o. Mannen, personen. Dat vaartuig was met vijftig K-- bemand (had +vijftig man aan boord). + +Koprand, z. n. m. -- Deel van de galery. + +Kopstuk, z. n. o. -- Deel van de galery of buiten-betimmering. + +Koptouw, z. n. o. -- Touw, waarmede het hoofd van een kanon aan het +scheepsboord wordt vastgesjord. + +Korten, b. w. -- In den zin van "inhalen, verminderen". Een touw K--. + +Kort-jan, z. n. o. -- Zakmes. Zy haalden K-- voor den dag (zy trokken +hun mes). Daar Jan of Janmaat de algemeene benaming is voor "matroos", +zoo is door K-- het korte zijdgeweer, dat de matroos draagt, aangeduid +geworden. Zie echter Bild. Gesl. in v. + +Kortouw. -- Zie Kartouw. + +Korvet, z. n. v. -- Lands oorlogsvaartuig, dat in rang volgt op een +fregat. StoomK--, KuilK-- (die een bak en halfdek heeft). GladdeksK-- +(die geen halfdek heeft). + +Kot, z. n. v. -- Hut of slaapplaats onder de bak. + +Kou, z. n. v. -- (voor koude) Wind. Het waait een stijve K-- (een +frissche wind). + +Koubeitel, z. n. m. -- Beitel; bekwaam om gaten te maken in yzer dat +koud is. + +Kous, z. n. v. -- 1o. Koperen of yzeren ring, die de lus of het oog, +die in 't touw zijn gesplitst, open houden. De K-- van 't touw (de +binnenste, eerste bocht van het opgeschoten ankertouw). + +Spreekwijze: In de K-- van 't touw kruipen (omlaag, wegloopen, zijn +post verlaten, zich lafhartig gedragen). + +2o. (Veroud.) Zeeuwsche uitdrukking, voor: Mislukte reis. Een K-- varen +(een reis doen met verlies). Hiermede staat wellicht in verband de + +Spreekwijze: Met de K-- op het hoofd terugkeeren (met schade en +schande terugkeeren). + +Kouswachter, z. n. m. -- Zie Kondwachter. + +Kraag, z. n. v. -- Omwindsel van geteerd prezenning doek, zoo gelijk +met het dek als aan den top, om den mast geslagen. + +Kraai, z. n. m. -- Soort van Noorsch vaartuig. + +Kraaienest, z. n. o. -- Ton, vat of ander voorwerp van dien aart, +dat, aan den masttop van een Poolzeevaarder bevestigd, tot beschutting +van den uitkijk dient. + +Kraaier, z. n. m. -- Vaartuig, by onze voorouders in gebruik, en de +Oostzee bevarende. + +Kraak, z. n. v. -- Van 't Spaansch caraca. Spaansch of Portugeesch +lastschip, dat zeer zwaar en hoog uit het water plach gebouwd te +wezen. Van deze schepen werden gedurende den tachtigjarigen oorlog +vele door de onzen veroverd, en daar zy dikwijls Oost-Indische +waren en, onder anderen, uitmuntend porcelein vervoerden, verkreeg +dit buitgemaakte porcelein den naam van K--porcelein. Tegenwoordig +zijn de K--en kleiner dan voorheen en alleen op de binnenwateren in +gebruik. Vondel in zijn Lof der Zeevaart, neemt K-- eenvoudig voor +"schip", waar hy zegt: + + + Dit alles aengemerckt staet 't evenaren of + Mijn kraeck niet evenaert met eenigh keizershof. + + +Kraallijn, z. n. v. -- Lijn, waaraan houten kralen geregen zijn en +die, om den mast aan de klaauw van den gaffel vastgemaakt, dient om +deze by het ophijschen of strijken tegen den mast te houden. + +Kraalrand, z. n. m., Schrikrollen of rolrand -- Rollen, in de klampen +van den kaapstander geplaatst, om de werking te bevorderen. + +Kraalschaaf, z. n. m. -- Soort van holle schaaf, dienende om voorwerpen +een afgeronden rand te geven. + +Kraan, z. n. v. -- Groot schuins oploopend werktuig, naar zijn vorm +aldus genoemd en dienende om zware lasten op te hijschen. + +Kraanbalk, z. n. m. -- Twee groote uitspringende vierkante balken, +een aan stuur- en een aan bakboordszijde op den boeg geplaatst, +en dienende om het anker aan te hangen. + +Kraankind, z. n. o. -- Arbeider aan de Kraan. + +Kraanmeester, z. n. m. -- Opziener van de Kraan. + +Krabber, z. n. m. (veroud.) -- Soort van vischschuit, waarschijnlijk +gebezigd om krabben, oesters en garnalen te vangen, en daarna geheeten: + + + Ick laet de Buijsen staen, de Krabbers en de Booten, + Die om den Visch-vangh noch op 't zoete water vlooten. + + +zegt Vondel, Lofs. op de Scheepv. + +Kracht (met), bw. -- M-- K-- van riemen (door het krachtig bezigen +der riemen). M-- K-- van zeilen (door zoo vele zeilen mogelijk by +te zetten). + +Kraken, o. w. -- Wordt van een schip gezegd, wanneer, ten gevolge der +hevigheid van wind of zee, de deelen van de betimmering tegen elkander +schuren: ook van een mast of ra, die, zonder gebroken te zijn, niet +meer hun vorige stevigheid bezitten. + +Kram, z. n. v. -- 't Woord beteekent "grijping, omklemming," even als +de meeste woorden die met kr aanvangen, als "krijgen, krabben, krib," +enz. Een K-- bestaat uit twee evenwijdig gestelde, gelijke yzeren of +koperen spijkers, aan hun boveneind rechthoekig of met een bocht te +samen verbonden. + +Krans, z. n. v. -- Geteerd ringvormig touw. + +Krapgeslagen, b. n. -- Stijf ineengedraaid. K-- touw. + +Krapschuitsgewijze, bw. -- Met de planken schuins over elkander, +(of op de wijze als men thands "met klinkwerk" heet) -- hoedanig onze +vaartuigen oudtijds waren ingericht. + +Krasser, z. n. m. -- Yzeren schaft, vast gesoldeerd aan twee armen, +op hun uiteinde gescherpt en spiraalvormig ineengedraaid, zoodat de +punten vlak tegen elkander over staan. De K-- dient om vuurmonden +te ontladen. K-- op den wisscherhals (die bestemd is, om, na het +lossen van het stuk, de kardoesbodems, die er in gebleven zijn, +er uit te trekken). + +Kreek, z. n. v. -- Kleine inham aan een kust, en waarin vaartuigen +van middelbare grootte kunnen ankeren. + +Krengen, o. w. -- Een schip overzijde halen, door ballast of geschut +naar één kant te brengen, ten einde iets buiten boord schoon te maken +of te herstellen. Hy kreeg een schot onder water en moest K--. 't Woord +is van Kreng, omdat een dood lichaam, of kreng, in 't water geworpen, +altijd op zijde ligt. + +Kriel, z. n. m. -- Vischben of mand, die op den rug gedragen wordt. De +benaming is meest gebruikelijk in onze zeedorpen. + +Krikkemik, z. n. m. -- Werktuig van drie palen, die op den grond gezet +worden, onder wijd van elkander doch boven in een punt toeloopende, +waar men bloks in hangt om zware balken op te winden en te heffen. + +Krimp, z. n. o. -- Bekrimping. + +Spreekwijze: Daar is nog geen K-- (daar is nog geen gebrek). + +Krimpen, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, als hy minder ruim +wordt, d. i. minder toelaat om koers te zeilen. 't Is van Krimp +(gebrek). + +Kroeg, z. n. v. (veroud.) -- Vereering, welke de Reeder of Schipper +plach te geven, als een schip voltooid was, en voor welk geld, gelijk +Winschoten zich uitdrukt, "gemeenlijk geen land gekocht werd". + +Kromhout, z. n. o. -- Hout, dat een natuurlijke kromming heeft. + +Spreekwijze: Men kan alle K--en niet recht maken (men kan alles +niet verbeteren). + +Krommen, b. w. -- Krom buigen, krom slaan. + +Spreekwijze: Het moet vroeg K--, dat haken zal (men moet zich vroeg +leeren buigen, om wat te verkrijgen). + +Krommer, z. n. m., 't zelfde als Kromhout. -- K-- zonder wan of +knoesten (die volkomen gaaf is). + +Kromsteven, z. n. m. -- Vaartuig met een gebogen steven. De naam +van K-- werd oudtijds gegeven aan een bepaalde soort van schepen, +breed van voren, hoog op den boeg en met veel hout voor scheen, +die op de Maas voeren. + +Spreekwijze: Hy is een echte K-- (hy is een vreemdeling, die onze +taal niet goed kan uitspreken: omdat zijn tong--by een steven +vergeleken--krom slaat.) + +Kromwulf, z. n. m. -- Wulf achter aan het schip. Zie Wulf. + +Kronometer, z. n. m. of Tijdmeter. -- Soort van uurwerk, dienende aan +boord, om zich van den juisten tijd te vergewissen en door vergelijking +den koers te bepalen. + +Kroonbalk, z. n. m. -- Bovenste Balk tusschen de hekstukken, tot +potdeksel van het hek dienende. + +Kropwangen, z. n. v. mv. Zie Boegband. -- Zy zijn aldus genoemd naar +het zwellend vooruitspringen, waardoor zy als 't ware de wangen van +het vaartuig uitmaken. + +Kruidlezer, z. n. m. (veroud.) -- Geëmployeerde by de +O. I. Maatschappy, die de kruideryen sorteerde. + +Kruien, o. w. -- Wordt het ijs gezegd te doen, als het in de rivieren +begint los te raken en met over elkander gestapelde schotsen in +beweging te komen. 't Is eigenlijk de stroom, die 't ijs voortkruit. + +Kruimelingen, z. n. v. mv. -- Overschot van Kruimels der ingescheepte +beschuit. + +Kruisbras, Ra, Steng, enz. -- Bras, Ra, Steng enz. van den bezaansmast. + +Kruisen, o. w. -- 1o. Zich in een bepaalde streek der zee heen en weder +begeven, om aldaar de schepen af te wachten, welke men moet beschermen, +bystaan of aanvallen. Door tegenwind K-- (op en neder zeilen, zonder +van koers te veranderen, in afwachting van gunstiger wind). + +2o. Een voorwerp Kruiswijze voorbygaan. Deze touwen K-- elkander. + +Kruiser, z. n. m. -- 1o. Kruisend schip. + +2o. De gezachvoerder van zoodanig schip. + +Kruishout, z. n. o. -- 1o. Belegbalk der stijlen en knechten. + +2o. Hout tot belegging van schoten, halzen en onderbrassen. + +Kruising, z. n. v. -- End lijn, waarmede twee touwen zoo stevig aan +elkander verbonden zijn, dat zy niet van elkander kunnen losraken +noch verschuiven. + +Kruisklamp, z. n. v. -- Zie Klamp. + +Kruisklamplasch, z. n. m. -- Lasch, die uit twee Haaklasschen in +tegengestelde richting bestaat. + +Kruispeiling, z. n. v. -- Peiling van twee, op een afstand van elkander +staande, voorwerpen, b. v. den toren in het N. O. t. N. peilende +en de vuurbaak in het N. W. t. W. bepaalt men de plaats waar men +zich bevindt. + +Kruispoort, z. n. o. (veroud.) -- Achtergeschutpoort in de +Konstabelkamer. + +Kruispost, z. n. m. -- Uitgestrektheid der zee, waar men Kruisen +gaat. Er zijn zes schepen op den K-- te Malta. + +Kruisscherp, z. n. v. (veroud.) Kneppelkogels. + +Kruisverband, z. n. o. -- Verbinding tot versterking van een getimmerte +Kruiswijze aangebracht. + +Kruiszeil, z. n. o. -- Het middelste zeil van den bezaansmast. + +Kruit, z. n. o. -- Zie Buskruit. + +Kruitboot, z. n. v. -- Vaartuig, bestemd om het Kruit aan of van +boord te brengen. + +Kruitdissel, z. n. m. -- Metalen-dissel, in de Kruitkamer, voor de +vaten in gebruik. + +Kruithoorn, z. n. m. -- Lange hoorn, van boven met een plat deksel +gesloten, en dienende tot bewaring van het Buskruit, dat op het +laadgat gedaan wordt. + +Kruitkamer, z. n. m. -- Rechthoekig, afgezonderd vertrek in het voor- +en in het achterruim der schepen, waar het Buskruit in bewaard wordt. + +Kruitlantaren, z. n. v. -- Koperen Lantaren, die in het schot van de +Kruitkamer staat en achter dat schot wordt aangestoken. + +Kruitlepel, z. n. m. -- Kleine blikken of koperen scheplepel, die de +maat van het kaliber houdt en waarvan de Kanonniers zich bedienen om +Kruit in de kardoezen te doen. + +Kruitmaat, z. n. v. -- Koperen maat, welker inhoud berekend is het +gewicht te bevatten der lading voor een geweer of stuk geschut van +een bepaald kaliber. + +Kruittrechter, z. n. m. -- Koperen Trechter, waar men het Kruit +laat doorloopen. + +Kruitton, z. n. v. of Kruitvat. -- Vat of Ton, dienende om Kruit +te bewaren. + +Kruitvat, z. n. o. -- Zie Kruitton. + +Kruitzeil, z. n. o. -- Zeil, dat over het dek (vloer) van de Kruitkamer +ligt. + +Krul, z. n. v. (veroud.) -- Ombuiging van het galjoen. + +Krijg, z. n. m. -- Oorlog, gevecht. ZeeK--, WaterK--. + +Krijgen, b. w. -- Bekomen. Het in den wind K-- (tegenwind bekomen). De +loef van hem K--. Zwaar weer K--. + +Krijgsraad, z. n. m. -- 1o. Vergadering der Hoofdofficieren eener +vloot, om te beraadslagen, welke party men in een gegeven omstandigheid +te kiezen heeft. + +2o. Rechtbank van Zeeofficieren, die byeenkomt wanneer er een misdrijf +heeft plaats gehad aan boord van een Lands-vaartuig. + +Krijgsvoorraad, z. n. m. -- Voorraad van krijgsbehoeften. + +Kubboot, z. n. v. -- Boot of schuit, waarmede de visschers van Marken +en andere zeeplaatsjens aal gaan visschen. Zy wordt aldus genoemd +naar de Kub of Kubbe, een soort van fuik. + +Kuil, z. n. m. -- Dat gedeelte van het schip, 't welk van onder het +halfdek of onder de loopplanken tot onder den bak loopt. Een diepen +K--, veel boord hebben (wordt gezegd van een vaartuig, welks reehout +meer dan 1.5 el hoog is). Dit schip is zonder K--, het is een gladdeks +schip (wanneer het reehout niet meer of weinig meer dan een el boven +het dek opstaat). + +Kuildek, z. n. o. -- Dek, dat in zijn lengte gebroken is. Zie Dek. + +Kuilkorvet, z. n. v. -- Korvet van 28 stukken. Korvet met opper- +en kuildek. + +Kuilschip, z. n. o. -- Schip, waarin een Kuil is. + +Kunstknie, z. n. v. -- Knie, die niet uit een stuk gewassen is, +maar waarvan lijf en tak uit afzonderlijke stukken zijn saêmgesteld, +met yzeren plaatknieën vereenigd. + +Kusiforme, z. n. v. -- Smalle en lange roeischuit zonder dek, welke +de Japaneezen tot de watervischvangst gebruiken. + +Kust, z. n. v. -- Strook lands langs de zee. Steile K--, Lage K--, +Schoone K-- (langs welke de zee een groote diepte blijft behouden en +niet met rotsen of klippen bezet is). Vuile K-- (die gevaarlijk is). + +Kustvaarder, z. n. m. -- Vaartuig, dat zich by de kustvaart bepaalt. + +Kustvaart, z. n. v. -- Vaart langs de kust, van kaap tot kaap, van +haven tot haven. De bepalingen aangaande de K-- zijn te vinden in +art. 176 der Alg. wet van 26 Aug. 1822. + +Kustwachter, z. n. m. -- Vaartuig, dat de kust bewaakt. + +Kwadraat, z. n. o. -- Werktuig, gebezigd om aan de spil van een stuk +geschut de richting te geven, die het schot vereischt. + +Kwart, z. n. o. -- 1o. By het uitbetalen aan boord van een +oorlogsschip, wat om de drie maanden gebeurt, krijgt een matroos +het vierde gedeelte van zijn traktement; terwijl het overige door +het Gouvernement voor hem bewaard wordt tot aan het einde van zijn +diensttijd. Als de tijd nadert, waarop het K-- betaald wordt, is de +matroos onrustig, en, heeft hy het geld op zak, lastig, tot dat het +weêr verteerd is; wanneer men met hen doen kan wat men wil. + +2o. Wacht, verdeeling van 't etmaal. K-- slaan. 's Nachts als +het laatste kwartier uurs van de wacht genaderd is wordt er een +slag aan de bel gedaan en het kwartier opgepord, dat de wacht moet +aflossen. Dan wrijven zy, die op wacht zijn en naar hun kooi verlangen, +de handen, en denken: "het K-- heeft geslagen: de wacht is op een oor +na gevild". Vroeger was het een algemeen gebruik, dat een der gasten +alsdan het K--lied zong, by het einde waarvan de vervangende wacht +op het dek moest staan. Dit K--lied luidde zeer deftig, als men uit +het navolgende fragment kan oordeelen: + + + Zoo raakt ge niet over de fokkeschoot; + Want Kaïn die sloeg Abel dood, + Al met een kakebeen bequaam, + Reis uit Kwartier in Godes naam. + + +Kwartier, z. n. o. -- Wacht: de helft der manschap, die beurtelings +de wacht heeft en verdeeld wordt in stuurboords- en bakboordsK--. Van +daar het lied, dat 's avonds by 't wacht opzetten door den Provoost +wordt opgedreund: + + + Stuurboords kwartier heeft de eerste wacht, + God verleene haar goeden nacht. + + +Vroeger heetten zy Prinsen- en Graaf Maurits kwartier. + +Kwartiermeester, z. n. m. -- Jongste Onderofficier: ieder K-- heeft +het bestuur over eene der sloepen. + +Kwartiervolk, z. n. o. -- Het gedeelte der manschap, dat tot een +Kwartier behoort. + +Kwartslang, z. n. v. (veroud.) -- Soort van geschut. + +Kwast, z. n. v. -- 1o. Soort van dik penceel, waarmede men teert, +of den teer uitstrijkt op een blok, touw, of de buitenhuid. + +Spreekwijze: Hy loopt met de TeerK-- (hy is een pluimstrijker, +een vleier). + +2o. Knoop in een stuk hout. + + + + + + + +L. + + +Laadgat, z. n. o. -- Zie Zundgat. + +Laadpriem, z. n. m. -- Zie Ruimnaald. + +Laag, z. n. v. -- 1o. (veroud.) Zog, Kielwater. + +2o. De stukken geschut, die op dezelfde rij geplaatst zijn. Bovenste +GeschutL--, Onderste GeschutL--. + +3o. De schoten, uit de op een rij geplaatste stukken gelijktijdig +gelost. De volle L-- geven (uit al de stukken, die zich aan ééne zijde +bevinden, tegelijk schieten). Hy heeft een geduchte L-- ontfangen +(hy is hevig beschoten). + +Spreekwijze: Iemand de volle L-- geven (hem geducht de waarheid zeggen: +ook: hem ruw bejegenen). + +Laars, z. n. v. -- End dag, waarmede men iemand afstraft. + +Laarzen, b. w. -- De schepelingen met een end dag op de natte broek +kastijden. Volgends Bild. op Laars zoû 't woord oorspronkelijk Leerzen +zijn en beteekenen "met lederen riemen slaan". Doch Kiliaan stelt +leersen synonium met bot-aersen (met schoenen of laarzen slaan). + +Labber, b. n. -- Lui, flaauw, naar. + +Labberen, o. w. -- Fladderen, wapperen, wordt van een zeil gezegd. + +Labberkoelte, z. n. v. -- Flaauwe wind, waarby de zeilen niet gespannen +staan, maar alleen labberen en fladderen. + +Labberlot, z. n. v. -- Naam van eene der sloepen. + +Labberlottig, b. n. -- Zie Belabberd. + +Labzalven, b. w. -- Zie Lapzalven. + +Ladder, z. n. m. -- Samenstelling van planken of van touw, waarmede +men op- of afstijgt. TouwL--, ScheepsL--. + +Laden, b. w. -- Vullen, van zijn lading voorzien: en dus, zoowel +met betrekking tot de goederen, die in het schip, als tot het kruit +en lood, die in het geschut gebracht worden. Het schip is Geladen +(heeft zijn lading ontfangen). De goederen zijn Geladen (zijn binnen +boord gebracht). De kanonnen zijn Geladen (zijn gereed gemaakt om +afgeschoten te worden). Zie de bepalingen omtrent het Laden en Lossen +in de Alg. wet van 26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127-152. + +Spreekwijze: Ik heb Geladen waar ik meê over moet (ik heb my een +ongemak, een kwelling op den hals gehaald, die my zal byblijven). + +Lading, z. n. v. -- 1o. De waren, goederen, koopmanschappen, enz. welke +in een vaartuig worden overgevoerd. In L-- liggen (wordt een schip +gezegd te doen, als het klaar ligt om ingeladen te worden). L-- +stukgoederen, L-- stootgoederen. + + + Wanneer de morgenstar zal rijzen, + Zal 't licht de rijke lading wijzen. + + Van Haren, de Geuzen. + + +2o. De dracht kruit, die een vuurwapen vereischt. + +3o. De hoeveelheid kruit, kogel of kogels, enz. die te samen genomen +in een vuurmond gebracht wordt. + +4o. De daad zelve van het Laden (Gezwinde L--, L-- in 4, in 11 +tempoos). + +Lagerwal, z. n. m. -- De oever, waar de wind op staat en alzoo het +tegenovergestelde van Opperwal of Oppert. + +Spreekwijze: Aan L-- zitten, aan L-- zijn (zich in slechte +omstandigheden bevinden:--omdat een vaartuig, 't welk aan L-- ligt, +geen beschutting van de landzij hebbende, aan den wind is blootgesteld +en dikwijls gevaar loopt van stranden). + +Laken, z. n. o. (veroud.) -- Oneig. voor Zeil. Voor het L-- gaan +(voor-de-wind zeilen). + +Lampion, z. n. o. -- Blikken ring, waar binnen de pit gevat is, +wier licht het kompas beschijnt. + +Land, z. n. o. -- Ten opzichte van den zeeman, al wat geen water +is. Beneveld L-- (wat men niet goed onderscheiden kan). Groot L-- +(het vaste L-- met betrekking tot een Eiland, of een groot Eiland met +betrekking tot een kleiner). Gesloten L-- (Landpunten of Eilanden, +tusschen welke men niet doorheen kan zien, zoodat zy met elkander +verward worden). Hakkelig L-- (waarvan het bovenste gedeelte zich +dor en heuvelachtig voordoet). Hoog L-- (dat zich hoog boven de zee +verheft). Verkenbaar L-- (dat licht te kennen valt). Vast L-- (dat +tot het vaste L-- behoort). L-- dat ontvalt (kust, die zich naar de +regels der perspectief langzamerhand schijnt te verwijderen). L-- +zien, L-- hebben (in de nabyheid van het L-- zijn). Daar is +L--! L-- vooruit! L--! L-- in het gezicht! L-- te loefwaarts! L-- +aan stuurboord! L-- kraanbalksgewijze te loefwaarts! L-- dwars over +bakboord! enz. (uitroepen, door den uitkijk gedaan). Over L-- zeilen +(veroud.), (zeilen, waar men naar de gissing gemeend had L-- te moeten +vinden, ofschoon men er ver van verwijderd is). Zie Boterland. + +Spreekwijze: Ik zie L-- (de bak is byna ledig, ik zie den boôm). + +L-- voor den bak slaan (aannemen, alleen den bak ledig te eten.) + +Daar sla ik L-- voor (dat is voor my alleen.) + +Er is geen L-- met hem te bezeilen (er is geen middel om met hem te +recht te komen). + +Het zal hier op het L-- waaien (daar is wat kwaads naby). + +Hy kan wel zien, hoe na by L-- (hoe het met een zaak gelegen is). + +Hy durft niet van L-- (hy durft het niet wagen). + +Ik heb het L-- (ik ben gemelijk--als een zeeman, die zich aan wal +verveelt). + +Iemand het L-- opjagen (iemand uit zijn humeur brengen). + +Landen, o. w. -- Zich aan Land begeven, aan Land komen. Een geschikte +plaats om te L-- (om aan wal te komen). De troepen zijn Geland (zyn +aan land gekomen). + + + Zoo blinckt de zon op 't schoonst, die aanbreeckt uit den damp, + Zoo lant de vloot, na storm, gelukkigst in de haven. + + Vondel, Inw. van 't Stadthuis. + + +Landganger, z. n. m. -- Een die van scheepsboord zich aan Land +begeven heeft. + +Landing, z. n. m. -- Het aan wal gaan, byzonder met vyandelijke +inzichten. De L-- der Engelschen in Noord-Holland. Wy konden ons +voordeel niet doorzetten by gemis aan L--troepen. + +Landingboot, z. n. v. -- Boot, waarmede een Landing verricht wordt. + +Landingsplaats, z. n. m. -- Plaats, bekwaam gemaakt om er te landen: +ook eenvoudig de plaats waar men geland is, of welke men uitkiest om +er te Landen. + +Landkrab, z. n. m. -- Schimpnaam, door 't zeevolk aan de Landsoldaten +gegeven. + +Landmerk, z. n. o. -- Wordt in 't algemeen genomen voor elk vast +voorwerp, dat, op het land staande, door de richting, waarin men +het uit zee bespeurt, dienen kan om in het vaarwater te blijven, +klippen en banken te mijden, enz. + +Landontdekking, z. n. v.-- 1o. Het Ontdekken van een te voren +onbekend Land. + +2o. Verkenning van land. Op de hoogte van Mauritius gekomen, zond de +Amiraal een brik uit op L--. + +Spreekwijze: Op L-- uitgaan (zich van een zaak vergewissen). + +Landslot, z. n. o. (veroud.) -- Haven, die door bergen of hoogten +ingesloten, tegen alle winden beschut ligt. + +Landstreek, z. n. v. -- Gewest, landouw. + +Landtong, z. n. v. -- Strook Lands, die als een Tong in zee +uitsteekt. Wy liepen langs eene met boomen begroeide L-- die ons in +de rivier bracht. + +Landvalling, z. n. v. (veroud.) -- Ontdekking, opdoeming van eenig +Land. + +Landverkenning, z. n. v. -- 1o. Het verkennen, onderzoeken eener +landstreek. + +2o. Men noemt ook L--en zekere merken, als torens, molens, enz., +van welker betrekkelijke plaatsing men den ingang van een stroom of +van een haven enz. herkent. + +Landwind, z. n. m. -- Wind, die van het Land zeewaarts inwaait en op +gezette tijden, gelijk zulks in bergachtige landen zeer gewoon is. + +Landziekig, b. n. -- Door Landziekte of heimwee aangetast; van hier: +langzaam, traag, verveelend. Wy hadden een L--e reis. (wy waren +lang onderweg). + +Spreekwijze: Een L--e redevoering (die te lang duurt, verveelt). + +Landziekte, z. n. v. -- 1o. Ziekte, aan welke men onderworpen is, +wanneer men aan de luchtgesteldheid of leefregel van een vreemd land +nog ongewoon is. + +2o. Het heimwee aan boord van onbevaren matrozen, waardoor zy zich +moedeloos, traag, verveeld gevoelen, en langzaam aan het werk worden. + +Langeveld, z. n. o. of Mondstuk. -- Het gedeelte van een mortier, +van waar het topperstuk eindigt tot aan de monding. + +Langs, bw. -- Bezijden, voorby. L-- een kust heenzeilen (een kust +voorbygaan). Dicht L-- den wal loopen. Een schip, een eiland L-- +zeilen. + +Langsdennen, z. n. v. mv. of Langshouten. -- Leggers eener helling. + +Langshouten, z. n. v. mv. -- Zie Langsdennen. + +Langscheepsch, b. n. -- Van voren naar achteren. Een L-- verband +(een verband, dat zich langs het schip uitstrekt). + +Langszalings, z. n. m. mv. -- Eikenhouten dwarsbalken, twee in getal, +aan weêrskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der +topmasten geplaatst. + +Langs zijde, voorz. voor langs de zijde van. L-- de Argo. + +Laning, z. n. v. -- Planken brug, overloop. + +Lanspassaat, z. n. m. (veroud.) -- De laagste Onderofficier. 't +Woord is afgeleid van 't Ital. lancia spezzata (gebroken of geknotte +lans). In 't Groot-Placaetboek, D. V. bl. 173, vinden wy in een opgave +van krijgsonkosten den Landtspassaet tusschen den Korporaal en den +Tamboer geplaatst. Zie De Vries op Hoofts Warenar, bl. 109. + +Lantaarn, z. n. v. -- Verschillend in grootte en gebruik. Zie DieveL--, +GeschutL--, KruitL--, SeinL--. 't Woord wordt ook meer bepaald genomen +voor de met glazen voorziene kap, waardoor licht in de kajuit gegeven +wordt. + +Lantaarngat, z. n. o. -- Hok achter de kruitkamer, waarin de +kruitlantaarn wordt ontstoken. + +Lantaarnvuur, z. n. o. -- Vuurbaak, in een haven geplaatst om de +binnenkomende schepen te lichten. + +Lantaarnstander, z. n. m. -- Stijl of Stander, waar de Lantaarn +op rust. + +Lantione, z. n. v. -- Soort van Sineesche kustgalei, van een aantal +riemen voorzien. + +Lap, z. n. v. of Lap tegen den achtersteven. -- 1o. Stuk hout, dat +tegen den achterkant des achterstevens geplaatst is, en dienen moet +om voor te komen dat dit deel te veel verzwakt worde door het inlaten +der vingerlingen en het maken van de messing. + +2o. Zeil; doch meest gebruikelijk in het m. v. of als diminutief. Zie +Lapjen. + +Alle L--pen uithangen (alle zeilen byzetten). Voor de L--pen afloopen +(voor-de-wind afloopen). + +Spreekwijze: Hy laat het onder de L-- hangen (hy verteert veel geld). + +Lapjen, z. n. o. -- Zeiltjen. De wind is vlak voor 't L-- (is +voordeelig). + +Spreekwijze: Het gaat hem voor 't L-- (het gaat hem voorspoedig). + +Iemand voor 't L-- houden (iemand voor den mal houden: oorspronkelijk; +iemand gebruiken, om er zijn doel mede te bereiken). + +Lappen, b. w. -- Tijdelijk herstellen. + +Lapzalven, b. w. -- Is eigenlijk: "Lappen met zalf bestrijken," +waarom ook een heelmeester spotswijze een Lapzalver genoemd wordt. Als +scheepsterm neemt men het voor: "scheepstuig nazien en teeren". + +Lasch, z. n. m. -- Vereeniging van twee of meer in dezelfde +richting loopende stukken, zoo dat hun breedte en dikte onveranderd +blijft. Platte L-- (wanneer de enden der deelen schuins op elkander +sluiten). Zie HaakL--, TandL--, enz. + +Laschyzer, z. n. o. -- Soort van dubbele spijker, voor de +deksverbindingen in gebruik. + +Laskaar, z. n. m. -- Indiaansche matroos. + +Last, z. n. o. -- Gewicht van twee ton of 4000 Pond. Dat schip voert +N. L--. Een vaartuig van 100 L--. + +Last, z. n. m. -- 1o. Vracht, lading. Het schip heeft zijn L-- +in. Het schip is wel by L-- (is behoorlijk geladen). Zie Lastbreker. + +2o. Bevel, kommando. + +3o. In 't mv. voor "belasting." Zijn L--en opbrengen. + +Lastaadje, z. n. v. (veroud.) -- Scheepstimmerwerf of plaats, waar +die gelegen is of kan worden opgericht. Een buurt aan den IJkant te +Amsterdam plach er haar naam van te dragen. Bild. leidt den naam van +'t Deensch af: zie zijn Gesl. in v. + +Lastbalken, z. n. m. mv. of Ruimbalken (veroud.) -- Balken, die +tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek +gevormd wordt. + +Lastbreken, o. w. -- Een gedeelte van de lading lossen. + +Lastgeld, z. n. o. (veroud.) -- Tonnegeld, geld, dat in evenredigheid +der zwaarte van het schip geheven werd. + +Lastlijn, z. n. v. of Eerste Waterlijn. -- Denkbeeldige lijn, welke men +zich voorstelt langs een schip gelijk met den waterspiegel getrokken +te zijn, wanneer het zijn gewone lading in heeft en gezonken is op +de diepte welke de bouwmeester gewild heeft. + +Lat, z. n. v. -- Dun, lang en plat stuk hout of yzer. + +Laten, b. w. -- 1o. Verlaten. Zijn ankers L-- (voor achterlaten). + +2o. Hulpwerkwoord. Een schip L-- loopen (het zijn koers doen +houden). Het anker L-- vallen (het anker uitwerpen). Een onderzeil L-- +vallen (het byzetten). Een touw L-- vliegen (het in eens losgooien). + +Latijnzeil, z. n. o. of Emmerzeil. -- Driehoekig zeil, aldus genoemd, +omdat het by de Latijnsche volkeren in gebruik was. + +Laveeren, o. w. -- 1o. Een zeilend vaartuig beurtlings over den eenen +en den anderen boeg doen wenden, ten einde in den wind op te werken. + +2o. De beweging, welke alsdan het vaartuig zelf doet. + + + Hetzij wy zeilen of laveeren, + Is Godt met ons, niets kan ons deeren. + + Cats. + + +Lazaret, z. n. o. -- Gesticht in eenige havens, voornamelijk der +Middellandsche Zee, en ingericht om er lieden of goederen, die uit +besmette of verdachte havens komen, quarantaine te doen houden, +'t Woord is Ital. en beteekent Lazarushuis. + +Leeftocht, z. n. m. -- Voorraad van spijs en drank. + +Legdagen, z. n. m. mv. of, naar de hedendaagsche speling, Ligdagen. -- +Dagen, bepaald tot lading of lossing van een schip. + +Leggen, o. w. of, naar de latere spelling, Liggen, -- 't welk men +echter nooit uit den mond van een zeeman hooren zal, in uitdrukkingen +als: De wind gaat L-- (het wordt stil weer). Voor anker L--. + +Leggen, b. w. -- De kiel L-- (haar op blokken stellen). Het geschut +in de rolpaarden L-- (het op zijn plaats brengen). Het Land L-- (zich +verwijderen van het Land, zoodat het in 't water schijnt te verzinken). + +Legger, z. n. m. -- 1o. Geteerd watervat. + +2o. Stutbalk. + +3o. Vaartuig, dat men by het kielen of timmeren van een schip by de +hand heeft liggen om 't een of ander te bergen. + +4o. Waker op een ledig schip. 't Schip is opgelegd en heeft een L-- +aan boord. + +Leguaan, z. n. m. -- Bekleedsel van touw om de raas, mede dienende ter +vervanging van het bindwerk der raas. SloepsL-- (Gordel van touwwerk, +voor aan een sloep gebonden, en dienende om haar by stooten van +beschadiging vrij te waren.) + +Legwaring, z. n. v. -- Lijfhouten op het dek langs het boord. + +Leider, of meer gebruikelijk Leier, z. n. m. -- 1o. Touwwerk, +dat van den masttop naar de richting der stags getrokken wordt, en +waartegen men de voornaamste foks en middelzeilen ophaalt. Staande L-- +(zwaar touw, dat voor of tegen een schuinschen mast geplaatst wordt, +om het gebruik van een vierkant zeil gemakkelijker te maken). + +2o. Leuning. L-- van het galjoen, L-- van de verschansing, L-- rondom +het boord, L-- van de helling, L-- van de wieg. + +Leissels, z. n. o. voor Lei-zeels. -- Stroppen van de raas. + +Leizeil, z. n. o. -- Zeil, dat men by ruimen wind buiten de razeilen +uitvoert. + +Lek, b. n. en bw. -- Open, zoo dat het vocht uitloopt. Dat vat is L-- +(het houdt geen water). Met een L--ke boot is 't slecht varen. + +Lek, z. n. o. -- Toevallige opening in een vaartuig, waar het water +door binnen dringt, veroorzaakt door 't stooten op een klip, baak +of ander voorwerp, door aanzeiling, door grondschoten, door zwaar +slingeren, enz. + + + De bodem slorpte 't nat + Door 't stooten op een paal; waardoor een yeder zat + In 't water tot de knie en vreesde te versticken, + Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken. + Doch 't Leck geraeckte dicht en stopte wonderbaer + Van zelf. + + Vondel, Gijsbrecht van Aemstel. + + +Dat schip heeft een L--, Dat L-- moet gestopt. Ook opening van een +vat, kuip, enz. waar het water door weg loopt. In dat vat is een L-- +gesprongen. Cats bezigt het woord vr. + + + Ziet door een kleine lek zoo komt een schip te zinken, + Al schijnt het maar de zee by droppels in te drinken. + + +Spreekwijze: Het L-- stoppen (het verlies vergoeden). + +Lekkaadje, z. n. v. -- Wegsypeling van het vocht, gevolg van een +Lek. Er is zware L-- geweest: er moet zoo veel worden afgetrokken +voor L--. + +Lekken, o. w. -- Uitloopen, wegsypelen, ledig loopen. + +Lelie, z. n. v. -- De punt der kompasnaald, die den vorm eener +lelie heeft. + +Schoon zegt Vondel, Lof der Zeevaart: + + + De leli doelt naar d' as, en dwaalt en is ontrust + Tot dat ze Areturus vint en hem van blijschap kust. + + +Leng, z. n. o. -- Strop, dubbel geslagen touw, dienende om vaten of +andere zware voorwerpen op te hijschen. + +Lengen, b. w. -- Aaneenbinden van de netten voor de steurharingvangst +in gebruik. Doorgaands wordt het L-- van de eerste vleet (21 netten) +door vrouwen verricht. + +Lengte, z. n. v. -- 1o. Afstand tusschen den meridiaan eener plaats +en den eersten meridiaan. Die stad ligt op N. graden Wester- of +Ooster L--. + +2o. Astronomische L-- eener planeet (boog der ekliptika, begrepen +tusschen den evennachtslijn of het eerste punt van Ariës en de plaats +op de ekliptika, waarmede de planeet loodrecht overeen komt). + +3o. Geocentrische L-- (punt der ekliptika, waarop het middelpunt +eener planeet, van de aarde gezien, loodrecht neêrvalt). + +4o. Heliocentrische L-- (punt der ekliptika, waarop het middelpunt +eener planeet loodrecht zoû neêrkomen, indien zy van de zon gezien +werd). + +Lens, bw. -- Ledig. Een schip L-- pompen (het door middel van pompen +van het ingezwolgen water bevrijden). De pomp L-- pompen (pompen, +tot dat het water, dat zich in 't ruim bevindt, lager staat dan het +benedeneinde der pomp). + +Spreekwijze: De beurs is L-- (het geld is op). + +Lenspomp, z. n. v. -- Pomp, die in een stoomvaartuig door de +stoomkracht in beweging gebracht wordt, en die voornamelijk dienstig +is om het water, door lekkaadje of uit de ketels in het ruim geloopen, +weder weg te werken. + +Lens (ter) gaan, o. w. (veroud.) -- De zeilen met ruime schoten ter +windvang stellen. Thands zegt men daarvoor "van den wind loopen." + +Lenzen, o. w. -- By stormweer met weinig, of zonder zeil voor den +wind of de zee weg loopen. Het voor tip en takel L--de houden. + +Leuning, z. n. v. -- Borstweering. L-- van het galjoen. + +Leunstag, z. n. o. -- Stag, waar een schip in aanbouw op steunt. + +Leuvers, z. n. m. mv. -- Oogen met yzeren kousen in de lijken der +zeilen, waarin boelijns, gordings enz. worden vastgemaakt. + +Levendig (De zeilen) houden, b. w. -- De zeilen laten wapperen, +op den wind brassen, doen hellen. + +Licenten, z. n. v. mv. (veroud.) -- Rechten op den in- en uitvoer +gesteld. Zie Konvooien. + +Licht, z. n. o. -- Voor kunstlicht, vuurbaak. + +Licht, b. n. -- By vaartuig gevoegd, geeft daaraan doorgaands de +beteekenis van hulpvaartuig. Zoo worden onder de L--e vaartuigen +genoemd de sloepen, booten, jols, enz. die een groot vaartuig ten +dienste staan. + +Lichten, b. w. -- 1o. Ophalen. Het anker L--. + +2o. Uit zijn plaats nemen. Het roer L--. + +3o. Ontlasten, Lichter maken. Een schip L-- (er een deel der lading of +der goederen uit nemen of over boord werpen). Dit mag volgends art. 19 +der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 alleen op bepaalde lichtingsplaatsen +geschieden. + +Spreekwijze: Het anker L-- (vertrekken). + +Alle beetjens helpen, alle vrachtens L--, zeî de schipper, en hy +smeet zijn vrouw over boord. + +Lichter, z. n. m. -- Vaartuig, waarmede groote schepen gelost +worden, wanneer zy te veel diepgang hebben om met ongebroken lading +hun bestemmingsplaats te bereiken. Vóór de doorgraving van het +Noord-Hollandsch kanaal, werden de goederen uit de koopvaarders by +hun aankomst op de reede van Texel, alle door L--s naar Amsterdam +vervoerd. Zie de bepalingen, omtrent de L--s in artt. 19, 20, 21 en +22 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822. + +Spreekwijze: Een L-- aan boord krijgen (ondersteuning krijgen om door +de bezwaren heen te komen). + +Lichter, z. n. m. -- Lichtverschaffer: Hek- of Marslantaarn. + +Lichting, z. n. m. (veroud.) -- De kring of draaijing van het touw +rondom den spil. + +Lier, z. n. v. -- Horizontaal geplaatste kaapstander, dienende om +vrachtgoederen in een schip te hijschen. + +Ligdagen, Liggen, enz. -- Zie Legdagen, Leggen. + +Ligging, z. n. v. -- Gesteldheid, waar een plaats zich bevindt. + +Linie, z. n. v., Evennachtslijn of Equator. -- Cirkel om den aardbol, +die overal even ver van de beide polen verwijderd is. De L-- passeeren +(van het N. in het Z. halfrond gaan of omgekeerd). + +Spreekwijze: De L-- gepasseerd zijn (50 jaar oud zijn geworden). + +Linie, z. n. v. -- Lijn, slagorde. In L-- geschaard zijn. Gesloten L-- +(wanneer de schepen op korten afstand van elkander zijn). Loefwaartsche +L--, Lywaartsche L-- (wanneer twee vlooten zich op evenwijdige lijnen +by elkander bevinden). + +Linieschip, z. n. o. of Schip van Linie. -- Groot oorlogsvaartuig, +vroeger "Schip van oorlog" genoemd. + +Lip, z. n. v. -- Keep. + +Lipklamp, z. n. v. -- Zie Klamp. + +Loef, z. n. v., Loefboord of Loefzijde. -- 1o. In een zeilend schip, +de zijde, waar de wind op staat. Aan L-- zitten. + +2o. De benedenhoek van een groot zeil windwaarts. + +3o. Het voordeel van den wind. De L-- afwinnen (het voordeel van den +wind bekomen). De L-- houden (het voordeel van den wind bewaren). + +Spreekwijze: Iemand de L-- afsteken (voordeel op iemand behalen, +iemand voor zijn). + +Iets eens L--s doen (iets zonder beraad, zonder aarzelen doen). + +Loefbalk, z. n. m., Maststut of Mastschoor. -- Naam van zware stukken +hout, die tot stut van een benedenmast dienen, als hy in de kiel ligt. + +Loefboom, z. n. m. -- Zie Botteloef. + +Loefboord, z. n. o. -- Zie Loef. + +Loefbras, z. n. m. -- Bras aan de windzijde. + +Loefgierig, b. n. -- Zwaar op het roer. L-- schip (dat gemakkelijk +naar den wind luistert en tegen het roer in geneigd is te Loeven). + +Loefhals, z. n. m. -- Hals aan de windzijde. + +Loefhouden, o. w. -- Goed by-de-wind zeilen, zonder af te vallen. + +Loefhouder, z. n. m. -- 1o. Schip dat goed by-de-wind zeilt. + +2o. of Bitstuk. -- Strook hout, tegen den voorkant des voorstevens +aangebracht. + +Loefpardoen, z. n. o. -- Vliegend Pardoen. + +Loefschoot, z. n. v. -- Schoot aan de windzijde. + +Loefspant, z. n. v. (veroud.) -- Spant, die in verband staat met +de halsklamp. + +Loefwaart (Te), bw. -- Zie Loevert (te). + +Loefwal, z. n. m. -- Wal, kust aan de windzijde. + +Loefzijde, z. n. v. -- Zie Loef. + +Loerding, z. n. v. -- Zie Lording. + +Loet, z. n. v. -- Spaansche bezem, waarmede een schip onder water +geschrobd wordt. + +Loeven, o. w. Aanloeven of Oploeven. -- By-de-wind komen, +den voorsteven van het schip naar den wind brengen. L-- is het +tegenovergestelde van Afhouden. L--! L-- op! Houd de L--! L-- op +stijf! (houd dicht by den wind!) L-- op voor de bui! L-- voor de zee! + +Loevert (Te), bw. -- Aan de windzijde. Een schip te L-- bespeuren. + +Log, b. n. -- Bang, zwaar. L-- in het zeilen. Dat schip ligt L-- +op het water. + +Log, z. n. v. -- Werktuig, in zee gebezigd, om de voorwaartsche +snelheid van een schip te meten. + +Logboek, z. n. o. -- Dagregister, scheepsjournaal. + +Loggaten, z. n. o. (veroud.) -- Thans Vullingsgaten genoemd. Zie ald. + +Loggen, o. w. -- De Log over boord werpen. + +Logger, z. n. m. -- Klein oorlogsvaartuig, meestal met zoomwerk +voorzien. Het heeft veel diepgang achter, voert een grooten mast, +een fokkemast en een druil, en is met marszeilen getuigd. + +Logglas, z. n. o. -- Zandloopertjen, dienende om de tijdruimte te +bepalen, waarin de Loglijn loopt. + +Loglijn, z. n. v. -- Lijn, die van den overlooper af met knoopen +en halve knoopen voorzien is, de eerstgemelde op 15,5 el, +de laatstgenoemde op 7,7 el afstands. De knoop maakt het 120ste +gedeelte van het derde eener zeemijl: de tijdruimte der meting is +een halve minuut. + +Logplankjen, z. n. o. -- Driehoekig plankjen, dat aan de onderste zijde +met lood voorzien, en door een hanepoot aan de loglijn vastgemaakt, +van het achterschip in zee geworpen, overeind blijft staan, terwijl +het schip voortgaat, en alzoo dient om den afstand te meten, welken +een schip gedurende 15 à 30 seconden heeft afgelegd. + +Logrol, z. n. m. of Logwuit. -- Spil, waar de Loglijn over loopt. + +Logtafel, z. n. v. -- Zwart geschilderde plank, in kolommen afgedeeld, +en waarin met het einde van elke wacht wordt opgeteekend, wat noodig +is om te weten, ten einde den koers van het vaartuig te berekenen en +den afstand, welken het volgends de Log heeft afgelegd. + +Logwuit, z. n. v. -- Zie Logrol. + +Lokgat, z. n. o. (veroud.) -- Waterloozing. + +Lont, z. n. v. -- Gedraaid touw, dienende om het geschut te doen +ontbranden. + +Lontstok, z. n. v. -- Stok, waar de Lont aan gehecht is. + +Lontvat, z. n. o. -- Vat voor de Lonten. + +Lood, z. n. o., Diep- of Peillood. -- Langwerpig vierkant stuk +lood, van boven met een gat, waarin de strop gesplitst is, aan +welken de loodlijn vast zit, dienende om de diepte van het water +te peilen. DiepL--, ZwaarL-- (het Lood waarmede groote -), HandL--, +LichtL-- (waarmede kleine peilingen verricht worden). Aan het onderste +van 't zwaar L-- is een holte, die met talk gestopt wordt en dient om +de natuur van den bodem, b. v. zand, modder, steen- of korrelgrond, +te onderkennen. + +Looden, o. w. -- Diepte-peilen. + +Loodbalie, z. n. v. -- Tobbe, waar de natte Loodlijn by 't binnen +halen in wordt geborgen. + +Looding, z. n. v. -- Diepte-peiling. + +Loodlijn, z. n. v. -- Witte Lijn, waar het Lood aan gehecht is, +en door welke de diepte van het water gemeten wordt. + +Loodlijnblok, z. n. o. -- Blokjen, dat aan het want van een benedenmast +gehecht wordt, en waarvan men zich bedient om de Loodlijn gemakkelijker +uit de diepte op te halen. + +Loods, z. n. m. -- Iemand, die een schip in zee, of uit zee op de reede +brengt, en meer byzonder iemand, die een vaste aanstelling heeft om +zulks te verrichten. BinnenL-- (die zijn bedrijf op de binnenwateren +uitoefent). BuitenL-- (die met het buitenwater bekend is). + +Antonides noemt in zijn IJstroom, de Loodsen: + + + Een volk, in 't peilen van den gront en droogte ervaren. + + +Spreekwijze: Het zit er niet dieper, zei de L-- en hy peilde in de +vleeschbalie (op botterikken toe te passen). + +Loodsboot, z. n. v., Loodsschuit of Loodsvaartuig. -- Vaartuig, dat +den Loods ten dienste staat, om hem aan boord der schepen, aan welke +hy hulp verleenen moet, te brengen, of er hem van daan te halen. De +L-- is aan een bepaalde vlag of teeken kenbaar. + +Loodsen, b. w. -- Een schip naar binnen of naar buiten voeren, met +behulp, 't zij van theoretische, 't zij van plaatselijke kennis. InL--, +BinnenL--. + + + Nu scheen zy eens een kleene boot + In 't roeien na te bootsen + En 't vlot, by 't kronklen van den stroom + De bochten in te lootsen. + + Bilderdijk, Elius. + + +Loodsgeld, z. n. o. -- Geld, dat voor het Loodsen betaald +wordt. Ontfanger der L--en (ambtenaar, die de L--en ontvangt en aan +het Departement van Marine verantwoordt). + +Loodsman, z. n. m. -- 't Zelfde als Loods. + +Loodswezen, z. n. o. -- Al wat tot het bestuur en de inrichting van +het Loodsen betrekking heeft. + +Loog, z. n. v. -- Stukken hout, die volgends 't beloop van 't schip +moeten gebogen worden en door bevochtiging en branding krom trekken. + +Loogen, z. n. v. -- Stukken hout nat maken en buigen. + +Loom, b. n. -- Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het traag is +in zijn bewegingen. + +Loop, z. n. m. -- 1o. Richting. De L-- van een stroom. + +2o. Bus van een schietgeweer. + +3o. Het terugspringen van een losbrandend kanon. + +Loopen, o. w. -- 1o. Varen, zeilen. Dat schip Loopt snel. Zie +Binnenloopen, Uitloopen.--Achterom L-- (Engeland omzeilen, 't geen +vroeger de retoervloot in oorlogstijden dikwijls genoodzaakt was +te doen). + +2o. Zakken. Het zeil laten L-- (het zeil strijken). + +Loopend want. -- Zie Want. + +Looper, z. n. m., Uithaalder, Wipper. -- Algemeene benaming van alle +touwen, die door een blok loopen. L-- die van achteren naar voren vaart +(die, door een schijf loopende, van het achterschip naar het voorschip +gestrekt is). Doorgeschoven, geschoren L-- (die van voren naar achteren +loopt). Beknepen L-- (die tusschen de schijf en het blok vast zit). Ook +wordt veelal dat gedeelte van een touw, 't welk men by 't hijschen of +halen in handen heeft, de L-- genoemd. KardeelL--, StengewindreepsL--. + +Loopgang, z. n. m., of Loopplank. -- Het bak- en stuurboordsgedeelte +van het dek, waarmede men van het voor- naar het achterschip gaat. + +Loopgraven, z. n. v. mv., van een Brander. -- Kruitloop, in een +Brander aangebracht, om dien aan te steken. + +Loop-in-'t lijntjen, z. n. o. -- Jong matroos. + +Loopplank, z. n. v. -- Zie Loopgang. + +Loopstags, z. n. o. mv. of Leiers van den Boegspriet. -- Touwen op +gelijke hoogte evenwijdig aan weêrszijden van den boegspriet gespannen, +en tot steun dienende van de manschappen, die verplicht zijn langs +dien mast op en neder te gaan. + +Loos, z. n. v. -- Losse bocht in een touw. + +Loos, b. n. -- Alles wat men waarloos aan boord heeft. Looze stengen, +Looze zeilen: ook wat men tot sparing van het bestaande bezigt. Looze +voorsteven, Looze poorten (borden, waarmede men de geschutpoorten +sluit als het geschut te boord staat). Looze (ook Losse) kiel (die +aan de vaste kiel is gehecht van een schip, dat slecht stuurt). + +Lording, z. n. v. of Loerding. -- Driedraads geteerd garen. + +Los, bw. -- In verscheidene kommandoos gebezigd. Kluiver en +Stagzeilschoten L--, L-- overal! L-- overal in eens! + +Losgooien, b. w. -- Snel losmaken. + +Losplaats, z. n. v. -- Werf of Kaai, waar goederen gelost worden. + +Losbranden, b. w. -- Afschieten. Een roer, een kanon L--. Brandt er +op Los! (schiet af!). + +Losscherp, z. n. o. (veroud.) -- Allerlei yzerwerk, als staven, +schroot, enz. dat maar los en zonder kardoezen in 't geschut gestoken +werd. + +Lossen, o. w. -- Zich van zijn vracht ontdoen. Wy werden genoodzaakt +te L--. Reglement op het laden en L--. + +Lossen, b. w. -- 1o. Uitbrengen. Goederen L-- (ze uit het vaartuig +aan wal brengen). Zie omtrent het L-- van goederen de Alg. Wet van +26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127-152. + +2o. Afschieten. Het geschut L-- (schieten). + +3o. Bevrijden, ontslaan. + +Lossing, z. n. v. -- Ontscheping van goederen. + +Lucht, z. n. v. -- 1o. Hoofdstof, wier inademing den mensch onmisbaar +is om te leven. L-- maken (de L-- door het openen van luiken, deuren +of ramen, in een bedompte plaats doen binnen dringen). + +2o. Zwerk, uitspansel. Betrokken L--. Dikke, verstopte L--. Heldere +L--. Mistige L--. De L-- staat naar regen (er zal regen komen). + +3o. Wolk, bui. Er hangen zware L--en. + +4o. Ruimte tusschen de deelen van een scheepsromp. De L--en +opvullen. L--en tusschen de wegers. + +Luchtjen, z. n. o. -- Windtjen, koeltjen, briesjen. + +Luchtgaten, z. n. o. mv. -- Vierkante gaten beneden het kolsem +door de zitters en buikstukken, waar het pompwater doorgaat. In de +buikdenningen worden ook L-- gemaakt om het water te doen schieten +dat daar op staat. + +Luchtzeil, z. n. o. -- Zie Koelzeil. + +Lui, b. n. (veroud.) -- L--hout heette by de scheepstimmerlieden wat +niet wel gekromd of gebogen was. + +Luien, b. w. -- 1o. Wijze van lossen op koren- en steenkolenschepen. + +2o. Voor: "de klok luiden," 't geen men by mistig weer doet; ter +waarschuwing om aanzeiling te voorkomen:--alsmede om het volk tot +schaften te roepen. + +Spreekwijze: De klok L--, maar niet schoften, iets belooven, maar +niet volbrengen. + +Luik, z. n. o. -- 1o. Sluiting, bord, bepaaldelijk zulk een als +dient om een opening te Luiken of dicht te maken, en van hier, +door toepassing: + +2o. De opening zelve en wel zoodanig vierkante opening, als in de +dikte van een dek of bak gemaakt is, om de gemeenschap tusschen de +verdiepingen van een vaartuig tot stand te brengen. Zoo heeft men +aan boord van een schip het achterL--, het grootL--, het voorL--, +en andere meer, genoemd naar de plaats, waar zy heen geleiden. + +Luisteren, o. w. -- Gehoor geven. Het schip wordt gezegd naar het +roer te L--, wanneer het de beweging aanneemt, welke de roerganger +er aan wenscht mede te deelen. + + + 't Schip luistert naar geen roer, naer Stuurman noch kompas. + + Vondel. Lof der Zeevaert. + + +Luitenant-Amiraal, z. n. m. -- Zie Amiraal. + +Luitenant ter Zee, z. n. m. -- Tytel van den Officier, die op den +Kapitein-Luitenant volgt. De L-- ter zee der Eerste klasse heeft den +rang van Kapitein by de Landstroepen. 't Woord is Fransch en beteekent +letterlijk: "plaats-bekleeder", "stede-houder". + +Luiwagen, z. n. m. -- Cirkelvormig dwarshout, waar de roerpen over +heen en en weêr loopt. + +Luizeplecht, z. n. v. (veroud.) -- Verschansing op het voorkasteel. + +Lul, z. n. m. -- Stagzeil, voorzeil van een visschersvaartuig. + +Lumieren, z. n. v. mv. -- Dageraad, eerste schemering, verhollandschte +uitspraak van 't Fr. lumière. Wy moeten morgen met de L-- beginnen +(zoodra de dag aanbreekt). + +Luns, z. n. v. -- Gebogen 8vormige yzeren pen, die in de as van een +roltuig gestoken wordt om het afloopen van 't wiel te beletten. + +Lurken, o. w. -- Wordt de pomp gezegd te doen, wanneer het pomphart +geen grond raakt. + +Luwen, o. w. -- Bedaren, kalm worden. Het begint te L-- (het weer +zal bedaren). De storm is aan 't L-- (aan 't verminderen). + +Spreekwijze: Het begint te L--, zei de reiziger, en hy zat achter +een bies. + +Luwte, z. n. v. -- Kalmte, veiligheid. Wy zijn hier in de L-- +(buiten den wind). + +Lij, z. n. v. -- Van den wind, het tegenovergestelde van Loef. Wie +zich aan Loef bevindt, is aan de hoogere, wie zich aan L-- bevindt, aan +de lagere (dus lijdende) zijde van het vaartuig. Roer aan L--! (breng +het roer van den wind af). + +Spreekwijzen: Iemand in L-- brengen (hem in nood, in lijden brengen). + +Iemand in L-- houden (hem bedwingen). + +Hy ligt in L-- (hy is overwonnen). + +Zich in L-- houden (zich stil, aan lager kant houden). + +Lijboord, Lijboelijns, Lijbrassen, enz. -- Het Boord, de Boelijns, +enz. die zich aan de Lijzijde van het schip bevinden. + +Lijf, z. n. o. -- Het grootste gedeelte eener knie. + +Lijfhout, z. n. o. -- Zie Watergangen. + +Lijfknoop, z. n. m. -- Boelijnsknoop, die een man om 't lijf geslagen +en waarmede hy naar een kalen mast geheschen wordt. + +Lijfnaden, z. n. v. mv. -- Naden tusschen de watergangen. + +Lijk, z. n. o. -- De rand, of het touw, waarmede een zeil omboord +wordt; alzoo het lichaam of lijk, dat de ziel of het zeil omsluit. + +Spreekwijze: Uit de L--en geslagen ('onklaar, in de war':--omdat een +zeil, dat uit zijn L--en slaat, gescheurd en onbruikbaar raakt). + +Lijken, b. w. -- Een zeil met touwwerk omzoomen. + +Lijkgaren, z. n. o. -- Garen, tot het Lijken gebruikt. + +Lijknaald, z. n. o. -- Naald, tot het Lijken gebezigd. + +Lijn, z. n. v. -- 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van +120 vademen lengte. In de L-- loopen (een schuit trekken). Zie Loop in +'t Lijntjen. + + + Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege, + Daer 't treck-gelt op magh staen; aers moeten w'in de lijn + En halen 't met den hals; maer dat's een korte pijn. + + Huyghens, Hofwijck. + + +2o. Denkbeeldige Streep. L-- van de kim, waterL--. + +3o. Bocht, op den scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen +waar het Dek moet komen. Zie DekL--. + +Spreekwijze: Zachtjens aan, dan breekt de L-- niet (laat uw ontwerp +niet door overijling of drift mislukken). + +Trek aan dat L--tjen niet (roer die zaak niet aan). + +Eene L-- trekken (overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel +voorstaan). + +Lijnbaan, z. n. v. -- Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt: +van daar de touwslagery zelve. + +Lijst, z. n. v. of Sent. -- Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt +by den aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden. + +Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)--Touwen, daar men de bonnetten +aan de zeilen meê vast rijgt. + +Lijstnaald, z. n. v. -- Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra, +uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst. + +Lijwaart, bw. -- Van den wind af. Aan Lij. + +Lijwal, z. n. m. -- Kust, wal onder den wind. + +Lijzeil, z. n. o. Zie Broodwinder. -- BovenL-- (dat aan het +marszeil), BramL-- (dat aan het bramzeil), Groot bovenL-- (dat +aan het grootbovenbramzeil), Groot onderL-- (dat aan de groote ra), +KruisL-- (dat aan het kruiszeil), KruisbramL-- (dat aan het Grietjen), +Voor-bovenL-- (dat aan het klein marszeil), VoorbramL-- (dat aan het +voorbramzeil), VooronderL-- (dat aan het fokkezeil is bygezet). + +Lijzijde, z. n. v. -- Zijde onder den wind. + + + + + + + +M. + + +Maak vast, u. -- Kommando om te beleggen of te sjorren. M-- V-- +zonder opgaan (zonder dat het touwwerk slap wordt). + +Maalstroom, z. n. m. -- Wieling, of draaikolk, die op sommige plaatsen +zoo sterk is, dat een klein vaartuig, hetwelk er in raakt, groot +gevaar loopt van vergaan. + +Maan, z. n. v. -- Planeet, die in ongeveer 27 dagen om de aarde +wentelt, en door wier invloed ebbe en vloed geregeld wordt. Volle M-- +(als zich haar schijf geheel verlicht vertoont). Nieuwe M-- (als zy nog +moet wassen). Wassende M-- (als zy dag aan dag voller wordt). Afnemende +M-- (als haar schijf telke nacht vermindert). KwartierM-- (als zy +in haar eerste of laatste kwartier is). Pissende M-- (Halve M-- +die zich met den bovensten hoorn voorover gebogen vertoont: zy +is volgends de zeelieden een voorbode van regen). Scheppende M-- +(Halve M-- wier onderste hoorn vooruit steekt). Maandagsche M-- +(op welken dag geen visscher zoû afvaren, naar 't oude rijmpjen: + + + Een maandagsche maan, + Kan iets (een vaartuig) zonder wind of regen vergaan. + + +Maas, z. n. v. -- 1o. Knoop van een net. + +2o. Opening, tusschen de knoopen ingelaten. + +Spreekwijze: Door de Mazen kruipen (de gelegenheid waarnemen om een +gevaar te ontkomen, waar anderen licht in zouden geraken). + +Maat, z. n. m. -- 1o. Iemand, die een ander behulpzaam is of ter +zijde staat. KoksM--, BotteliersM--, BootsmansM--, SchiemansM--. + +2o. Makker, kameraad. Zie Baksmaat. + +Magazijn, z. n. o. -- Bergplaats, pakhuis. Het Oost-Indisch M--, +het West-Indisch M-- (waar Oost- of West-Indische waren werden +opgeslagen). Zie Zeemagazijn. + +Magazijnmeester, z. n. m. -- 1o. Hoofdopzichter van een Magazijn. + +2o. Viktualiemeester. + +Mager, b. n. -- Schraal, gebrekkig. M-- water (ondiep water). + +Magermannen, z. n. m. mv. -- Boelijns van de fok. + +Magneet, z. n. m. -- Zie Zeilsteen. Natuurlijke M-- (die uit zijn +aart het yzer aantrekt). KunstM-- of artificieele M-- (die met +zeilsteen bestreken is). Beslagen of geladen M-- (die met yzer bekleed +is). Mededeelzame M-- (die zijn werking gemakkelijk doet). Sterke M-- +(die in evenredigheid met zijn grootte een zwaar gewicht torscht). + +Magneetnaald, z. n. v. -- Naald, met yzer beladen of voorzien. + +Magneetsteen, z. n. m. -- Zie Zeilsteen. + +Mal, z. n. m. -- Vorm, uit dunne planken vervaardigd, hetzij +van 't geheel, of ter samenstelling van eenig onderdeel. De +scheepstimmerlieden werken naar den M--, moeten zich houden aan den +M--, den M-- minnen. 't Woord is 't zelfde als 't Fr. moule, doch +echt Hollandsch een wortel van Malen. + +Spreekwijze: Iemand voor den M-- houden (hem bezigen als een voorwerp, +waar men nut van trekt.) + +Malder, Maller, z. n. m. -- Naam, die men op de scheepstimmerwerven +geeft aan bekwame werklieden, die den Mal weten te stellen, of de +stukken er voor samen te brengen. + +Mallen, o. w. -- Naar den Mal werken. + +Malzolder, z. n. m. -- Ruim vertrek, waarvan de vloer volkomen gaaf +en horizontaal is en tot bord dient, waarop de spanten, de senten +enz. van het vaartuig, dat men bouwen wil, worden afgeteekend. + +Mamiering, z. n. v. -- Geleibuis van leder, zeildoek of andere zoo +veel mogelijk ondoordringbaar gemaakte stof, en dienende om vocht +of gas van de eene naar de andere plaats te doen wegvloeien. M-- +van de spygaten, van de pomp. + + + Kruitstampers, akerkloots, mammierings en kardeelen. + + Antonides Ystroom. + + +Man, z. n. m. -- Benaming, welke de visschers op sommige zeedorpen +aan de schuit geven. De M-- is op het hout geholpen (het vaartuig, +dat op 't zand tegen 't duin aanstond en er ingezakt was, is gelicht +en op rollen en planken gebracht om het in zee te brengen). + +Man, z. n. m. mv. -- Verkorting van Mannen. Hoe veel M-- hebt gy +aan boord? Het schip is met M-- en muis vergaan (met al wat er zich +op bevond). + +Man te roer, u. -- Kommando om den roerganger te doen vervangen. + +Mangat, z. n. o. -- Opening aan boord van een stoomvaartuig, door +welke men in den stoomketel komen kan. + +Manifest, z. n. o. -- Gewaarmerkte Vrachtlijst: een dubbel daarvan +kan volgends art. 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 voor generale +verklaring gelden. + +Mannen, b. w. -- 1o. Bemannen, van manschap voorzien. De vloot M--. + +2o. Van hand tot hand, en alzoo van Man tot Man aangeven, gelijk by +'t lossen en laden met kleine voorwerpen plaats heeft. + +Mannetjens, z. n. m. of Tarmen. -- Steunsels der regelingen van het +galjoen, tevens de zijwanden van dit laatste vormende en helpende om +de balkjens in de vloer te dragen. + +Manoeuvre, z. n. v. (bastertw.) -- Beweging, wending, verandering van +front of richting. Een fraaie M--. De M--s kommandeeren. Een stoute, +gezwinde, voordeelige M--. + +Manoeuvreeren, o. w. -- Bastertwoord, gebezigd, als men van een schip +spreekt, dat de stelling zijner zeilen verandert om de beweging te +volgen, welke het roer hen mededeelt. Dat schip kan by windstilte +niet M--. Een vloot wordt gezegd te M-- als de schepen zich, naar +de gegeven bevelen, in verschillende richtingen begeven, van linie +veranderen, enz. + +Manschap, z. n. v. -- Bemanning, Equipaadje. Wie daartoe behooren, +verhaalt Vondel in 't Lof der zeevaart. + + + 't Is koopman of kommijs, + De Schipper, Stuurmansmaet en Stuurman, die om prijs + En winningh, 't roer bewaeckt; Hoogbootsman, Schimman, Gieter, + Seilmaecker, Bottelier, Barbier, en Busseschieter, + De Wachter van 't kajuit, de Putjer, de Provoost. + En 't statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost. + De Timmerman, de Kock, die voedsel schaft om 't leven, + En op gesette tijdt elck een sijn spijs te geven. + By deze komt Matroos, doch hondert in 't getal, + Twee vanen kryghsvolck oock als 't ergens gelden sal. + + +Manschappen, z. n. v. mv. -- Mannen, Lieden tot de Manschap +behoorende. Hy zond de boot met tien M--. + +Manshoofd, z. n. o. of Manskop. (veroud.) -- 1o. Blok, om eenig touw +aan te beleggen. + +2o. Koppen aan de roers van jachten en zeilschuiten. + +Mantel, z. n. o. -- Takel in het groote en fokkewant, gebezigd om +zware lasten mede over te hijschen. + +Maren, o. w. (veroud.) -- 't Zelfde als Meeren. Zoo Vondel: + + + Matroos, gemoedigt door sijn winst, begroet alreê + Sijn jonge vrouw, die t' huis gesmoort in hartewee, + Den hemel smeekt, dat hy zoo lang de wilde baren + In toom hou, tot het schip komt voor de paelen maeren. + + +Marine, z. n. v. -- 1o. Zeemacht. Hy dient by de M--. Engeland heeft +een sterke M--. + +2o. De Administratie, het Bestuur van het Zeewezen, in welken zin +het woord altijd zonder Lidwoord wordt gebruikt. Het Ministerie, +het Departement van M--. Hy is ambtenaar by M--. + +Marinier, z. n. m. -- Zeesoldaat. Het korps M--s. Luitenant van +de M--s. + +Marlen, b. w. -- De onderlijken der zeilen omwinden met Marlijn. + +Marling, z. n. v. -- Zie Marlijn. + +Marlpriem, z. n. m. -- Yzeren of houten Priem, een weinig gebogen, +en gebezigd om de strengen te lichten van het touwwerk dat men +splitsen wil. + +Marlreep, z. n. v. -- Lichte hanepoot op het onderlijk der fok, +dienende om deze op te lichten als men er onder door wil zien. + +Marlijn, z. n. v. -- Tegenwoordige naam van Marling of Meerling, +zijnde touw, geschikt om iets te Meeren of vast te binden. + +Mars, z. n. v. -- Houten vlak, zich rondom den mast uitstrekkende, +ter plaatse waar de hoofdtouwen gespannen worden. Het vervangt de +oudtijds aldaar aanwezige Mastkorf, die aldus genaamd werd naar +de gelijkenis op de korf eens Marskramers. Beiden heetten vroeger +Mersche. Zoo zegt Pharao in Vondels Pascha: + + + Loopt met u mersche loopt, + + +waar hy op een marskraam doelt; en Cats in de Huisvader: + + + Een man, die 't seyl noyt soo en stelt, + Dat mast en mersche wordt gevelt. + + +Spreekwijze: M-- boven M-- voeren gold eertijds voor een spreekwoord, +even als Bram boven Bram. Zie Bram. Vondel bedient zich op niet +onaardige wijze van die uitdrukking in zijn Helden Godes, waar hy, +de weelde afschilderende der Jonkvrouwen in Noachs dagen, van haar +wel wat anakronistisch vertelt: + + + Haar halzen blanck als sneeuw zy preuts en opgeblazen, + Omkransten, mars op mars, met krauwels portefrazen. + + +d. i.: Zy droegen dubbele kragen, twee boven elkander. + +Marsiliaan, z. n. m. -- Soort van Venetiaansch vaartuig, byna +uitsluitend in gebruik op de Adriatische zee. Het is van voren zeer +opgezet en heeft een vierkanten spiegel. + +Marsschoot, z. n. v. -- Schoot van de Marszeilen. + +Marsval, z. n. m. -- Val van de Marszeilen. + +Marszeil, z. n. o. -- Zeil, dat op een schip zich boven de +benedenzeilen bevindt. Groot M-- (van den grooten mast). VoorM-- +(van den fokkemast). Gestreken M-- (dat niet op zijn lijken gespannen +is, daar de ra, waartoe het behoort, niet geheschen is). In top +staand, in top geheschen M-- (dat gespannen staat). Halver steng +gestreken M-- (waarvan de ra halverwege gestreken is van de steng, +die haar draagt). M-- op het ezelshoofd of den rand (dat tot op +den top van den benedenmast gestreken is). Dicht beslagen M-- +(dat geheel op de ra gevouwen is). Een M-- hijschen, byzetten +(de ra op het hoogste van de steng brengen). Vliegend, los M-- +(waarvan de schoten loshangen). Gereefd M-- (dat gedeeltelijk +op de ra is ingenomen). Volgebrast M-- (dat den wind van +achteren ontfangt). Killend M-- (waarvan de oppervlakte in +de richting van den wind is). Tegengebrast M-- (dat den wind +van voren bekomt). Dichtgereefd M-- (waarvan alle reeven zijn +ingenomen). M--skoelte (vaste wind). Gereefde M--skoelte (harde wind). + +Spreekwijze: Een vrouwenhair trekt meer dan een M-- (zal wel geen +verklaring behoeven). + +Maskuliet, z. n. v. of Mazuliet. -- Indische Sloep, die met mosch +gebreeuwd is. + +Mast, z. n. v. -- Eigenlijk "boomstam", en van daar meer bepaaldelijk +zoodanige stam, als recht op of schuins aan boord wordt gesteld, +om een of meer zeilen op te houden en de werking van den wind op die +zeilen aan het vaartuig over te brengen. Gekluchte M--, Gewangde M--, +Geschaalde M-- (die uit verscheiden deelen is saamgesteld). M-- uit +een stuk (die van een enkelen pijn of den is gevormd). Groote M-- (die +omtrent 't midden van 't schip staat). Zie verder BezaansM--, FokkeM--, +DruilsM--, PolakkeM--, SloepsM--, EenM--, TweeM--, DrieM--.--Ter halver +M-- hijschen (eenig voorwerp, b. v. een vlag, op de helft van de mast +hijschen). Den M-- laten vallen (op kleine vaartuigen, wanneer men +bruggen onder door moet, enz.) Looze M-- (dien men in voorraad heeft). + +Spreekwijzen: Hy mag zien hoe hy den M-- ophaalt (hy mag zien hoe ver +hy 't brengen kan, hoe hy aan de kost zal komen. Dit ziet daarop, dat, +op kleine vaartuigen, de M-- niet vast staat, maar, als hy neêrligt, +moet worden opgehaald, wat soms een zwaar werk is. + +Hy vaart waar de groote M-- vaart (hy volgt waar zijn meerdere hem +voorgaat, hy doet wat zijn meester wil). + +Geen twee (groote) M--en op één schip (maar één moet de baas zijn). + +Hooge M--en vangen veel wind (groote, aanzienlijke personen staan +het meest aan haat en laster bloot). Zoo zegt Pers: + + + Wat hoogh is lijdt te grooter last, + Waar 't rijsken buyght, daar schudt de Mast. + + +Hy maakt van zijn M-- een schoenpen (hy bederft iets goeds om een +beuzeling). + +Den bezem op den M-- voeren (de zee schoon veegen van zeeroovers of +vyandelijke troepen). Deze laatste spreekwijze vond haar oorsprong +in een werkelijk gebruik, ook door onze Koopvaarders gevolgd na den +oorlog tegen de Hanze-steden in 1433. Zoo zingt Vondel: + + + Dan voert hy op den mast een bezem tot een wapen. + + +Zie voorts Bezem. + +Mastband, z. n. m. -- Yzeren band om den Mast. + +Masteloos, b. n. -- Zonder Mast, of: van Mast beroofd. Het schip +dreef M-- heen. + +Mastemaker, z. n. m. -- Die Masten vervaardigt. + +Mastemakery, z. n. v. -- Plaats, werf, waar Masten vervaardigd worden. + +Masten, b. w. -- Bemasten, van Mast of Masten voorzien. + +Masthout, z. n. o. -- Hout, geschikt of gebezigd om Masten samen te +stellen of er aan gebezigd te worden. + +Mastkoker, z. n. m. -- Houtverzameling om den voet van den Mast, +hem tot steun dienende. + +Mastschaal, z. n. v. -- Zekere maat van de mastemakers. + +Mastschoor, z. n. m. -- Zie Loefbalk. + +Maststut, z. n. m. -- Zie Loefbalk. + +Mastwangen, z. n. v. mv. -- Houten, tot versterking van den Mast +aangebracht. + +Mat, z. n. v. -- Kleed of dekking van biezen, riet of bladeren +gevlochten: aan boord veelal gebezigd tot bekleeding der broodkamer of +andere plaatsen, welke men van vochtigheid wil vrij houden. Ook M-- +van zeildoek met kabelgarens doorspekt, dienende om daar gelegd of +vastgemaakt te worden, waar schavieling gevreesd wordt. + +Matroos, z. n. m. -- Zeeman, en meer bepaaldelijk een, die voor +gaadje dient. Licht M-- (die 't gewone scheepswerk doet). Vol M-- +(bekwaam voor zijn werk, able seaman). Bevaren M-- (die eenige +reizen gedaan heeft en des noods den Bootsman, enz. in sommige +zaken kan vervangen).--De oorsprong van het woord ligt nog in +'t duister. Volgends Bild. in v. is M-- 't zelfde als "matras" +of "hangmat", en overdrachtelijk op den bewoner der hangmat +toegepast. Zeker wijst de uitspraak, welke men aan 't woord geeft, +een uitheemsche afkomst aan. + +Mazuliet, z. n. v. -- Zie Maskuliet. + +Medegaan, o. w. -- Wordt het anker gezegd te doen, wanneer het over +den bodem sliert. + +Meerboei, z. n. m. of Verhaalboei. -- Groote, gedubbelde, geteerde +en goed waterdichte houten kist, hoedanige men er onderscheidene in +een haven aan ankers met kettingen vast legt en met ringen voorziet, +om er schepen aan te beleggen. + +Meeren, b. w. -- Voor- en achter vastleggen in de haven, aan palen +of dukdalven. Zie Maren. + + + Hoe bedrieght ghy dick uw weerd, + Als hy aan uw vlotgras meert. + + De Brune. Emblemeta. + + +Meerring, z. n. m. -- Ring aan een kaai, dienende om er een kabel +door te halen en daar een schip aan vast te leggen. + +Meertouw, z. n. o., Ankertouw, Vanglijn. -- Touw, waaraan een schip +is vastgelegd. + +Meesterrib, z. n. v. -- Hoofdrib of zijstuk van een vaartuig. + +Meetbrief, z. n. m. -- Verklaring, door beëedigde scheepsmeters +of andere bevoegde personen afgegeven, en inhoudende, behalve de +handteekening van den scheepsmeter of ijkmeester, en den dag der +meting of afgifte, een genoegzame omschrijving ter onderkenning van het +schip, en wijders een opgave van lengte, wijdte en holte, tonnenlast, +enz.--Zie verder de bepalingen omtrent den M-- in Tabel XVI der +Patentwet, gevoegd achter de Wet van 6 April 1823 (Staatsbl. no. 34), +en meer bepaald in § 33 en volgg. dier Tabel. + +Meeuw, z. n. m. -- Zeevogel. + +Spreekwyze: + + + Een meeuw over 't land + Is een storm voor de hand. + + +Meir, z. n. v. en o. -- Groote oppervlakte water, binnen 't land +besloten. By de dichters vindt men het ook voor "zee" genomen, welke +beteekenis het ook in de samenstelling, gelijk als in 't Fr. en +H. D. heeft behouden. + +Meirman, z. n. m. -- In de diepte der zee levende man, half mensch +half visch, hoedanige men vroeger geloofde en sommige zeelieden +wellicht nog gelooven dat daar werkelijk bestaan. + +Meirmin, z. n. v. -- Zeevrouw: 't wijfjen van een Meirman. Bekend +is het sprookjen van de M--, die door Hollandsche visschers in het +Purmermeir gevangen, na gedoopt, en onderwezen te zijn, langen tijd +nog te Haarlem geleefd zou hebben. + +Melken, b. w. (veroud.) -- Eigenaardige uitdrukking voor op- en +neêrhalen van touwwerk. + +Meridiaan, z. n. m. -- 1o. Groote denkbeeldige cirkel, getrokken +door de beide polen en door de plaats, waarvan hy de M-- +genoemd wordt, en den Equator met de daaraan evenwijdige cirkels +rechthoekig doorsnijdende. De Eerste M-- (die, waarmede men, van +'t O. naar 't W. gaande, begint te tellen). Algemeene M-- (die, +waarin men by 't berekenen der Eklipsen, onderstelt, dat de zon +vaststaat). Koperen M-- (cirkel van koper, waarin een aardkloot hangt +en ronddraait). Magnetische M-- (groote cirkel, die door de polen +van den zeilsteen heen loopt en waarin zich de magneetnaald beweegt). + +2o. Gemeene doorsnede van den M-- en van eenig opstaand, horizontaal +of schuinsch vlak. + +3o. Rechte lijn, van 't N. naar 't Z. getrokken in het vlak van den +M--, de M-- van Parijs (de lijn van het meest noordelijke tot het +meest zuidelijke punt van Frankrijk getrokken). + +4o. M-- van den middelbaren tijd (lijn, die den middelbaren middag +aanwijst op den boog, naar de tijdsequatie getrokken.) + +Merk, z. n. o. -- 1o. Herkenningsteeken, dat men aan alle voorwerpen +geeft, die tot een bepaalde instelling, of die tot het vaartuig +behooren. + +2o. Teeken op den steven, van afstand tot afstand geplaatst, om den +diepgang aan te duiden. + +Merkels, z. n. m. mv. -- 1o. Hoepels, dienende om een boven een sloep +of schuit gespannen zeil te droogen. + +2o. Staven vierkant yzer, waarop de roosters, die tot dekking van +den kuil dienen, rusten. + +3o. of Scheerstokken: houten, waar de luiken der luikgaten op rusten. + +Mes, z. n. o. -- 1o. Snijdend werktuig, 't welk de matrozen steeds +op zak hebben, en 't welk in den strijd hun geliefkoosd wapen plach +te zijn. Zie Kortjan, Opsteker. + +2o. of Messing. Benaming, somtijds aan de scherpe sneden van den lap +op den achtersteven gegeven. + +Messing, z. n. v. -- Zie Mes. + +Meten, b. w. -- Opnemen, nagaan, onderzoeken. De hoogte van de zon +of van een ander hemellichaam M--. De ruimte van een schip M--. + +Meter of Scheepsmeter. -- Beëedigde ambtenaar, met het meten der +schepen belast. Zie de Wet van 6 April 1823, Tab. XVI, § 33 en volgg. + +Middag, z. n. m. -- Middel van den dag: tijdstip, waarop zich de zon +in den meridiaan bevindt. Ware M-- (de tijd, waarop hy zich werkelijk +aldaar bevindt). Middelbare M-- (de tijd, waarop het M-- zijn zoude, +indien de zon zich regelmatig in de ekliptika bewoog, en deze met +den equator samenliep). + +Middagkring, z. n. m. -- Zie Meridiaan. + +Middaglijn, z. n. v. -- 't Zelfde als Meridiaan. + +Middelbaar, b. n. -- Zie Tijd. + +Middellijn, z. n. v. -- Lijn, die door het midden loopt. + +Middelperk, z. n. o. -- Het middelste der drie vakken waarin het +Dek in de breedte is afgedeeld en 't welk door de schaarstokken +begrensd wordt. + +Middelpunt, z. n. o. of Midden. -- Punt in een cirkel, van hetwelk +al de punten van den omtrek even ver verwijderd zijn. + +Middeltocht, z. n. m. of Centrum. -- Het gedeelte van de vloot, +dat zich by een zeeslag of by een onderneming, tusschen de voor- +en achterhoede bevindt en onder bevel van den Vlootvoogd staat. + +Middenboords, bw. -- Naar het midden van het boord of schip. + + + Het Roer light midden-boords, de Vlagghe wijst voor uyt. + + Huyghens, Hofwijck. + + +Midscheeps, bw. -- In of naar het midden van het schip. M-- het roer +(zoodat de roerpen en de steven in ééne lijn staan. Zie Middenboords. + +Mik, z. n. m. -- Staander, steunsel. 't Woord duidt oorspronkelijk +de kruk aan, waarop men de schietroers lei om te mikken, en van daar +alle dwarshout dat tot steunsel dient, alsmede dat steunsel zelf. M-- +van den zeilboom. M-- van de pomp, enz. + +Minderen, b. w. -- Verminderen. Zeil M-- (door het wegnemen of inbinden +van sommige zeilen, de vaart van het schip doen verminderen). + +Minuutglas, z. n. o. -- Zandglas, dat eene minuut loopt. Sedert lang +gebruikt men, om de snelheid van een vaartuig te meten, by de loglijn, +alleen het half en kwart Minuutglas. + +Minuutlijn, z. n. v. (veroud.) -- Benaming van de Loglijn. + +Misgissing, z. n. v. -- Verschil tusschen het waar en het gegist +bestek. + +Mist, z. n. v. -- Dikke damp, doorgaands koud, en waardoor de lucht +verduisterd wordt. + + + Ik zal u met een mist en dicken nevel decken; + + +zegt Rafaël tegen Gijsbreght in Vondels treurspel. + +Mistiek, z. n. v. -- Driemastschip, op de Middellandsche Zee in +gebruik. + +Miswijzer, z. n. m. of Miswijzend Kompas. -- Kompas, waarvan de naald +ten Oosten of ten Westen afwijkt van het ware Noord. + +Miswijzing, z. n. v. -- Hoek die de afwijking van de Magneetnaald, +'t zij ten Oosten, 't zij ten Westen van 't Noorden bepaalt. + +Mitis, z. n. v. (veroud.) -- Touwwerk aan den Mast. + +Modder, z. n. m. -- Aarde met water vermengd, en een kleevende +zelfstandigheid vormende, die zeer belemmerend is voor alle soorten +van vaartuigen. + +Modderen, o. w. -- Zich in den Modder bewegen, in den Modder, en in +'t algemeen over den grond, voortgaan. Het schip Moddert (het schuift +over den grond). + + + Te vaak bedriegt men zich in 't kiezen van zijn streek, + Verzaakt den ankergrond en moddert in een kreek. + + Bilderdijk, Ziekte der gel. + + +Moelje, z. n. v. -- Steenen hoofd, dat de kracht der golven breken en +aan de schepen een landingsplaats verschaffen moet. De M-- van Genua, +van Napels. + +Moerzee, z. n. v. -- Onstuimige zee, die tot voorbode strekt van +zwaar weer. + +Moesson, z. n. m. -- Passaatwind, die, na gedurende een bepaalden +tijd van het jaar uit denzelfden hoek gewaaid te hebben, de +tegenovergestelde zijde opwaait. OostM--, WestM--. + +Spreekwijze: Ik ben in een slechten M-- (het loopt my tegen, ik doe +niet als verliezen). + +Moer, z. n. v. -- Stuk metaal, spiraalswijze doorgestoken om er een +bout in te wringen. + +Moeren, b. w. -- 't Zelfde als Meeren, doch min gebruikelijk. Zie +Meeren. + +Moertouw, z. n. o. -- 't Zelfde als Meertouw. Zie ald. + +Moerzee, z. n. v. -- Geweldig onstuimige zee. Zie Hoofdzee. + +Moet, z. n. o. -- Rand, overblijvend merk, en wel bepaaldelijk +het slijmachtige vuil, dat het zeeschuim op het strand achterlaat: +'t wordt ook genomen voor de Waterlijn. Zie ald. + +Moeten, b. w. (veroud.) -- Een schuit M-- (een schuit zachtjens +voortduwen). Het roer M-- (het zachtjens schuiven). Waarschijnlijk is +'t woord van 't Fr. mou (week). + +Moker, z. n. m. -- Zware yzeren hamer. Zie Hooft, Geer. v. Velz. III. + + + Naeckt armde reusen + Op aenbeeld souden 't met geen logge mookers kneusen. + + +Molenaar, z. n. m. -- Yzeren bout, om wier midden men een touw +bevestigt, en die men dwars in den band van een ledig stuk plaatst, +om dit in 't ruim te hijschen. + +Mond, z. n. m. -- Opening. De M-- van een rivier. De M-- van een +baai. De M-- van een stuk geschut. Onnutte M--en (overtollige personen +aan boord, die mede eten). + +Monding, z. n. v. -- Zie Mond. + +Mondkost, z. n. v. -- Eetwaren, voorraad. + +Monnik, z. n. m. of Sissen. -- 1o. Benaming van kleine kogeltjens +buspoeder met azijn gemengd, welke men tusschendeks brandt om de +lucht te zuiveren. + +2o. (veroud.) Betingbalk. + +Monsteren, b. w. -- Het volk in oogenschouw nemen. Revue houden. + +Monstering, z. n. v. -- Het opmaken der monsterrol: 't welk ten +overstaan van een bevoegd ambtenaar geschiedt. De verplichtingen +tusschen den schipper en zijn Equipaadje beginnen eerst van het +oogenblik, dat de M-- gedaan is. Zie voorts betreffende dit onderwerp +artt. 396, 397, 399, 340, Wetboek van Koophandel. + +Monsterrol, z. n. v. -- Rol of lijst, waarop de namen staan +opgeteekend van hen, die zich aan boord bevinden, 't zij als tot +de uitrusting behoorende, 't zij als passagiers. De M-- strekt ten +bewijze van de voorwaarden der verbintenissen tusschen den schipper +en de schepelingen aangegaan. Wat de M-- moet bevatten wordt geleerd +in art. 397, Wetb. van Kooph. Zie voorts art. 396 en 393. + +Morrelen, o. w. -- Iets in het ruim of hol van het schip zonder licht +en alzoo by den tast verrichten. + +Mortepaie, z. n. v. -- 1o. Los stuk geschut. + +2o. Persoon, die zich aan boord bevindt zonder op de monsterrol +te staan. + +Mortier, z. n. o. -- Bomketel, steenstuk. + +Mosch, z. n. v. -- Gedroogde plant, die gebezigd wordt tot het stoppen +der naden aan de buitenhuid. + +Moschpapier, z. n. v. -- Soort van papier, uit Mosch vervaardigd, +en ten zelfden einde dienende. + +Moschsponning, z. n. v. -- Sleuf, die voor de helft in een stuk hout +en voor de wederhelft in het daartegen geplaatste stuk gemaakt is, +en dienende om met Mosch of moschpapier te vullen. + +Moskuil, z. n. m. -- Soort van grooten houten hamer. + + + Kardoezen, moskuils en kruitkokers wijt van keelen. + + Antonides. Ystroom. + + +Mosselman, z. n. m. -- 1o. Een vaartuig, dat Mosselen vischt. + +2o. De man, die ze verkoopt. + +Spreekwijze: Daar veel volks is, valt veel te verkoopen: dat wist de +M-- ook, en liep met mosselen de kerk binnen. + +Mosselwagen, z. n. m. -- Ruimte tusschen de twee beetings. + +Motse, z. n. v. -- Wijde schippers overbroek. + +Motten, onp. w. -- Stofregenen. Het regent niet, het mot slechts. + +Motterig hout, z. n. o. -- Eikenhout met kleine vlekjens, als de +vlerken van Motten, ongeschikt om onder water te dienen. + +Muide, z. n. v. -- Mond of monding, waarvan ons Muiden, Arnemuiden, +IJsselmuiden, de Engelsche steden Pleimuiden, Jaarmuiden, enz. + +Muis, z. n. v. -- 1o. Knoop, in een touw gelegd om het doorschieten +te beletten. + +2o. Opgeschoten touw. + +3o. Beslag van een riem. + +4o. Knoop of beslag van de kabelaring. + +Muizen, b. w. -- De kabelaring beslaan. + +Muizing, z. n. v. mv. -- Verdikkingen, die van afstand tot afstand +op de kabelaring gemaakt zijn en dienen om die door de seizing aan +het zwaar touw te doen houden tot aan het spil. + +Mulet, z. n. m. -- Soort van Portugeesch vaartuig, dat veel sprong +heeft en sterk voorover gebogen masten met latijnzeilen draagt. + +Murgpijp, z. n. v. -- Triviale benaming van de looden of houten koker, +die aan het vuil, de flesschen enz. tot doortocht naar zee strekt. + +Musket, z. n. o. -- Schietgeweer. Zie Roer. + +Mutsjen, z. n. o. -- Blikken maatjen, het zestiende deel vormende +van een pint, en het rantsoen van een man aan sterken dank voor één +maal bevattende. Een M-- jenever. Het wordt ook voor de hoeveelheid +zelve gebezigd. Ik zou nog wel een half M-- lusten. + + + + + + + +N. + + +N, z. n. v. -- Beteekent: 1o. Noord, Noorden. De wind is N. (is +noord). Texel ligt ten N. van Holland. + +2o. Een onbepaald getal. Dat schip ligt op N. mijl afstand (op een +getal mijlen, onverschillig welk). + +Na, bw. -- Dicht, naby. Het zeil staat te N-- aan den wind. Wy liggen +te N-- aan den wal. + +Naad, z. n. v. -- 1o. Afstand tusschen twee nevenplanken. Opene N-- +(verwijdering van dien afstand, ten gevolge van de droogte of van de +beweging van 't schip). + +2o. Vereeniging der banen van een zeil. Platte N-- (welke de +zeilemakers maken, wanneer zy de banen een duim over elkander doen +kruisen). Ronde N-- (eenvoudige N--, die de banen van het zeildoek +baan aan baan verbindt). + +Naadhaak, z. n. m. -- Yzeren werktuig, waarmede men het werk, dat +vernieuwd moet worden, uit de Naden der planken haalt. + +Naadprezennings, z. n. v. mv. -- Smalle strooken Prezenning, om de +Naden en luiken op kleine vaartuigen te dekken. + +Naaien, b. w. -- 1o. Met de naald vasthechten. + +2o. Aanslaan, beleggen. Een blok N--. + +Naaibouten, z. n. m. mv. -- Zie Koppelbouten. + +Naald, z. n. v. -- 1o. Puntig werktuig van een oog voorzien en dienende +om voorwerpen met een draad aan elkander te hechten. + +2o. KompasN--, MagneetN--: plat stalen lemmer, in 't midden met +een spil bevestigd op de roos van 't kompas, en de windstreken +aanwijzende. Doode N-- (die haar kracht verloren heeft). Walende N-- +(die zich niet dan langzaam richt). Zie Lelie. + + + De Naelde wijckt noch wraeckt en alle gissingh sluyt. + + Huyghens. Hofwijck. + + +Naald, z. n. v. -- Strook houts, die somtijds tusschen het rahout en +den zitgang wordt aangebracht. + +Nachtglas, z. n. o. -- Zandlooper, die acht glazen of vier volle uren +loopt eer hy ledig is. + +Nachthuisjen, z. n. o. -- Houten kast, gewoonlijk in drie nevens +elkander gestelde vakken verdeeld, waarvan het middelste een lamp +bevat, bestemd om de beide anderen, die ieder van een kompas voorzien +zijn, te verlichten. Het N-- is vlak tegenover den roerganger +geplaatst. + +Nachtschot, z. n. o. -- Schot, dat aan boord van groote schepen gelost +wordt, om aan te kondigen, dat het werk van den dag verricht is. Elken +avond te acht ure doet de vlootvoogd het N--. + +Nachtschuit, z. n. v. -- Veerschuit, die 's avonds afvaart, om 's +morgens op haar bestemmingsplaats te komen. + +Spreekwijze: Hy komt met de N-- (hy komt laat: hy brengt nieuws, +dat ieder reeds weet). + +Nachtwijzer, z. n. m. -- Werktuig, waarvan men zich aan boord plach te +bedienen, om 's nachts het uur te weten, door de hoogte der Noordster +boven den pool te meten. + +Naderen, b. en o. w. -- Naby komen. 't Is gevaarlijk, die kust te +veel te N--. Het vaste land begint reeds te N-- (wy komen reeds in +de nabyheid van het vaste land). + +Nadir, z. n. o. -- Het punt, dat loodrecht onder een aangegeven plaats +of voorwerp en alzoo tegenover het Zenith staat. + +Nagels, z. n. m. mv. -- Houten, ronde, langwerpige cylinders, +die gebezigd worden tot het vastmaken van buitenhuidsplanken. Zy +behooren gekloofd te worden uit taai hout, dat niet vatbaar is voor +zwelling. N-- over N-- schieten (werd vroeger van het vooruitsteken +van den steven gezegd). + +Nagelbank, z. n. m. -- Smalle plank, van bouten voorzien en horizontaal +in het want geplaatst om tot steunpunt by onderscheiden kleine +verrichtingen te dienen. + +Nageldraaibank, z. n. m. -- Bank, waarop Nagels vervaardigd worden. + +Nagelen, b. w. -- Een Nagel inslaan. + +Namiddagwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord van 's middags tot 4 uur +'s avonds. + +Naschip, z. n. o. of Achterblijver. -- Schip, dat trager dan de +overigen aankomt. + +Spreekwijze: Hy komt met de Naschepen (hy brengt een tijding, die +aan iedereen bekend is). + +Nasleepen, b. w. -- Op 't sleeptouw hebben, achter zich trekken. Het +fregat Sleepte de gemaakte prijzen achter zich Na. + +Nat, z. n. o. -- Wat vloeibaar is.--Door de dichters wel eens voor zee +gebezigd, doch dan immer met een b. n. Het zoute N--, het peilloos N--. + + + Langs 't golvend nat naar de Oosterkust getogen. + + K. W. Bilderdijk. + + +Spreekwijze: Geen N-- of droog hebben (niet te eten noch te drinken +hebben). + +Hy lust zijn N--jen wel (hy is een drinkebroêr). + +Nathals, z. n. m. -- Zuiplap, drinkebroêr. + +Natten, b. w. -- Nat maken. De zeilen N-- (die bevochtigen, om het +doek te doen krimpen, en, wanneer het ontplooid wordt, de spanning +te vermeerderen). Het geschut N-- (bekoelen). + +Navette, z. n. v. -- Indiaansch scheepjen. + +Navloed, z. n. m. -- Zie Achtervloed. + +Neb, Nebbe, z. b. v. -- 1o. De bovenarm van een knie, die tegen een +balk komt. + +2o. 't Zelfde als Sneb. Zie ald. + +Nebschuit, z. n. v. -- Schuit, van een Neb of snuit voorzien. + +Neer, z. n. v. -- Sterke rafeling of kabbeling in het water, +veroorzaakt door de ontmoeting van een tij met een byzonderen stroom: +en in 't algemeen de tegenstroom, die langs den wal loopt. Met de N-- +wegdrijven (van de deining gebruik maken om voort te komen). In de N-- +oproeien (uit den stroom blijven). + +Spreekwijze: Hy is in de N-- geraakt (het loopt hem tegen). + +Neêrgaan, o. w. -- Van de hoogte naar de laagte gaan. N-- noemen +onze strandbewoners "in zee steken", omdat zy hun vaartuigen van het +hoogere strand af moeten brengen. + +Neêrhalen, b. w. -- Naar beneden halen. De vlag N--. Zie Strijken. + +Neêrhaler, z. n. m. -- Touw. + +Neêrlaten, b. w. -- Laten zakken. Een mast N--, de jol N-- (in zee +strijken). + +Neêrtrekken, b. w. -- Het vlot brengen der visschuiten of bommen. + +Nering, z. n. v. -- De vrije N-- doen plach gezegd te worden voor: +"zeeschuimen, op zeeroof uitgaan." + +Net, z. n. o. -- Gebreid of geknoopt samenstel van +garen. VerschansingsN-- (dat langs het boord loopt). MarsN--ten +(die aan den achterkant der marsen zijn). Zie verder EnterN--, +VischN--. Ook N--, gebezigd om visch te vangen. De N--ten schieten +(ze uitwerpen). De N--ten boeten (ze herstellen). + + + Ziet dat gy hierop naarstig let, + De groote visschen scheuren 't net. + + Cats. + + +Spreekwijzen: Achter het N-- visschen (te laat komen om zijn voordeel +te doen). + +Iemand in 't N-- krijgen (iemand verschalken). + +Iemand het N-- over 't hoofd halen (hem met geweld verongelijken). + +N--jens droogen (zijn uitgaven bekrimpen:--omdat de visscher, door +zijn N--ten te droogen, zich voorbereidt om later daarmede voordeel +te behalen). + +Neus, z. n. m. -- Benaming, die aan de meest vooruitstekende punt +van den voorsteven gegeven wordt. Hy haalt zijn N-- lustig onder. Hy +spoelt lustig zijn N-- (van een schip gezegd, dat met den boeg diep +onder water gaat). Den N-- in den wind steken (den boeg naar den +wind wenden). + +Spreekwijze: Zijn N-- in den wind steken (onderzoeken). + +Neuskijker, z. n. m. -- Jongen, of bootsgezel, die voor op den boeg +op den uitkijk staat. + +Neut, z. n. v. -- Houten of holle gegoten yzeren rol, dienende +om het verschuiven van twee op elkander geplaatste stukken hout te +beletten. Yzeren N--en. Pokhouten N--en. N-- van de ankerschacht. (Zie +Ankerneut) + +Spreekwijze: Heeft hy N--jens, hy zal wel doppen maken (hy zal van +hetgeen hy bekomt wel party trekken). + +Een oude N-- (een oude vrijster). + +Voor doove N--en zitten (zonder voordeel ergends zitten). + +Nevel, z. n. m. -- Damp, mist. + +Nevenschip, z. n. o. -- Het schip, dat men, in breede linie zeilende, +nevens zich moet houden. + +Nippertjen, z. n. o. -- Eigenlijk Nijpertjen, als komende van +Nijpen. Dat was op het N-- (dat scheelde weinig). Een plaats op het +N--af, by het einde van een gang, te boven zeilen. + +N. O., bw. -- Noord-Oost. N. O. ten N. (Noord-Oost ten Noorden). + +Nok, z. n. v. -- Uiterste punt of spits; in 't byzonder van een ra +of zeil. + +Nokbindsel, z. n. o. -- Bindsel, waarmede het zeil aan de Nok van de +ra wordt vastgemaakt. + +Nokgording, z. n. v. -- Gording van de Nok. Zie Dempgording. + +Nokken, b. w. (veroud) -- De nokbindsels leggen: de razeilen vastmaken. + +Nokleuver, z. n. m. -- Boven- of buitenhoek van een vierkant zeil, +dat aan een ra is vastgebonden. + +Nokooren, z. n. o. mv. (veroud.) -- Stevige, wel met marlijn voorziene +oogen, aan de benedenhoeken der vierkante zeilen, waardoor de schoten +loopen. + +Nood, z. n. m. -- Dit woord duidt in de samenstelling een voorwerp aan, +dat bewaard wordt om, in tijd van N-- het ontbrekende of onklare te +vervangen. Zoo zegt men N--anker, N--gordingen, N--mast, N--talie, +N--want, enz. Zie Borg. Zie Stomp. + +Spreekwijze: Die N-- heeft, moet pompen (zie Pompen). + +Noodschot, z. n. m. -- Kanonschot, hetwelk, op zee gelost, aankondigt, +dat men redding of hulp verlangt. + +Spreekwijze: Het is een N-- (het is een laatst, doch veelal hopeloos +middel, waartoe men zijn toevlucht neemt). + +Noodsein, z. n. o. -- Teeken, waarmede een vaartuig, 't zij door +schoten, 't zij door 't hijschen van een vlag, 't zij op andere wijze, +te kennen geeft, dat het zich in nood bevindt. + +Noord, bw. -- Duidt een strekking aan van of naar de noordzij. De +wind is N-- (het waait uit het noorden). Wy moeten N-- houden (wy +moeten naar de noordzij koers houden). + +Spreekwijze: De wind is N-- (hy is in een kwade luim). + +Noord (de), z. n. v. -- 1o. De noordelijk gelegen landen, als +Noorwegen, IJsland, enz. Om de N-- varen (het Noorden omvaren). + +2o. Wat noordelijk gelegen is. Om de N-- houden (Noordelijk opvaren). + +Noordelijk, b. n. -- Wat zich ten Noorden bevindt. + +Noordelijken, o. w. -- Wordt van den wind gezegd, als hy naar 't +Noorden loopt. + +Noorden, z. n o. -- 1o. Het gedeelte der waereld, dat tegen over het +zuiden ligt. + +2o. Streek, die Noordelijk gelegen is van de plaats waar men zich +bevindt. Het waait uit het N--. + +Noorden (ten), bw. -- Noordelijk, aan den Noordkant. Denemarken is +T--N-- van Duitschland gelegen. + +Noorderbreedte, z. n. v. -- Afstand eener plaats van den Equator +Noordelijk op gerekend. Calais ligt op 51 graden N-- (Calais ligt op +51 graden noordelijk van den Equator). + +Noorderlicht, z. n. o. -- Lichtverheveling by nacht, welke om de +Noord dikwijls zeer sterk is. + +Noorderzon, z. n. v. -- Ontstentenis der zon, omdat, voor de bewoners +van 't Noordelijk halfrond, zich de zon nooit aan 't Noorden vertoont: +alzoo 't zelfde als "stikdonker". + +Spreekwijze: Met de N-- vertrekken (zich by duisternis, in 't geheim, +wegpakken). + +Noordewind, z. n. m. -- Wind, die van de Noordzijde waait. + +Noordnoordoost, z. n. o. -- Windstreek, tusschen het Noord en +Noordoost. N-- ten N. N-- ten Z. (windstreken tusschen N-- en het +N. of Z. gelegen).--Tevens bywoord. + +Noordnoordwest, z. n. o. -- Windstreek, tusschen het Noord en +Noordwest. N-- ten N. N-- ten Z. (windstreken, tusschen het N-- +en het N. of Z. gelegen).--Tevens bywoord. + +Noordoost, z. n. o. of ten Noordoosten. -- Windstreek, midden tusschen +het Noord en Oost gelegen.--Tevens bywoord. + +Spreekwijze: Ik gaf hem een opzetter dat hy N-- lag (dat hy niet wist, +waar hy te land kwam). + +Noordoosten (ten), bw. -- Zie Noordoost. + +Noordoosteren, o. w. -- Naar 't N. O. loopen. De wind is aan 't N--. + +Noordoostering, z. n. v. -- Afwijking der kompasnaald van 't N. naar +'t N. O. + +Noordpool, z. n. m. -- Zie Pool. + +Noordsch, b. n. -- Wat uit het Noorden, bepaaldelijk uit Noorwegen +of Zweden komt. N-- hout. N-e Deelen. + +Spreekwijze: Hy heeft N--e buien (hy is gemelijk, knorrig:--omdat N-- +en norsch woorden zijn van eene beteekenis). + +Noordstar, z. n. v. -- Star, die in 't N. staat en tot een baak aan +de zeevarenden strekt. + + + De Noortstar streckt aldus by nacht op zee + Een heldre baeck voor die de zee bevaren: + Zy wijst de streeck, de haven, en de reê + En baent den wegh in spoorelooze baren. + + Vondel. Danckoffer aan Christine. + + +Spreekwijze: Hy is de N-- waarop ik my richt (hy is mijn gids, +mijn leidsman). + +Noordwest, z. n. o. of Noordwesten. -- De windstreek tusschen het +Noorden en 't Westen. + +Noordwest, bw. -- Wat zich ten N. W. bevindt. + +Noordwesten, z. n. o. -- Zie Noordwest. + +Noordwesteren, o. w. -- Naar 't N. W. loopen. De wind is aan 't N--. + +Noordwestering, z. n. v. -- Afwijking der kompasnaald van 't N. naar +'t N. W. + +N. W., z. n. o. -- Beteekent Noord-West. + +Nijptang, z. n. v. -- Tang, waarmede spijkers worden uitgehaald. + + + + + + + +O. + + +O., z. n. v. -- Voor Oost, Oostwaarts; ten O. (voor ten Oosten). + +Oceaan, z. n. m. -- Waereldzee. De Atlantische O--. By de dichters +wordt O-- in 't algemeen voor alle groote zeeën genomen. + +Odief, z. n. m. (veroud.) -- Benaming eener soort van schaaf. + +Oefening, z. n. v. -- Meer gewoon is, waar het bewegingen van schepen +geldt, het uitheemsche woord manoeuvre. + +Oever, z. n. m. -- Strand, kust, zee- of rivierkant. + + + In de engte, die Calais gescheiden houdt van Doever, + Laveerde een Spaansche vloot, die wederzijds den oever + Met duizend kielen schuurde. + + S. Styl. + + +Spreekwijze: Aan den O-- van 't verderf, aan den O-- van 't graf +(aan den rand van 't verderf, enz.). + +Officier, z. n. m. -- In 't algemeen ieder, die eenig officie of +bediening bekleedt. Zie DekO--, VlagO--, enz. + +Om, bw. -- 1o. Voor: over, voorby. De tijd is O--. De nacht is O--. + +2o. Veranderd: De wind is O--. + +Ombaksen, b. w. -- Zijdelings richten, t. w. een stuk geschut. Zie +Baksen. + +Ombrassen, b. w. -- De zeilen van richting doen veranderen. + +Omgorden, b. w. -- t. w. een schip, waarvan de inhouten dreigen los +te gaan, met kabels beleggen om de losse deelen by elkander te houden. + +Omhalen, b. w. -- Een andere richting geven. De voorzeilen O-- +(de voorraas over de andere zijde brengen, zoodat de wind in het +fokkezeil vat). + +Omhalzen, b. w. -- Met storm byleggende, voor-de-wind om, over den +anderen boeg gaan byleggen. + +Omkenteren, o. w. -- Omkantelen, 't onderst boven keeren. Het O-- +van een sloep. + +Omlaag, bw. -- Onder het dek; gebruikelijk in komms. O-- allen! + +Omleggen, b. w. -- 1o. Op zijde leggen. Een hout O--. + +2o. Vastmaken, een ring, een oog, een omgeslagen touw in eenig +voorwerp haken. Een slag O-- (het omslaan en vastmaken van een touw +om een kruishout, dukdalf, paal, enz). + +Omloopen, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy verandert. + +Omscheren, b. w. -- Ververschen. Touwwerk O-- (het van plaats doen +veranderen om het niet bestendig aan dezelfde wrijving bloot te +stellen). + +Omschieten, b. w. -- Omslaan. Een touw O-- (een touw ergends om +heen slaan). + +Omslaan, b. w. -- Omverwerpen. De wind Sloeg het schip Om. + +Omslaan, o. w. -- Omvallen. Het schip Sloeg Om. + +Omslag, z. n. m. -- Handvatsel. De O-- van een boor. + +Omslooien, b. w. (veroud.) -- Omzwikken, omhalen. + +Omsmakken, b. w. -- Omgooien, naar een andere zijde brengen, b. v. in +het nu verouderd komm. Smak het zeil Om. + +Omspant, z. n. v. -- Afmeting, vorm. O-- van een schip. + +Omwaaien, o. w. -- Door de werking van den wind omver gaan. + +Omwenden, o. en b. w. -- Thands wordt meer gewoonlijk Wenden +gezegd. Zie aldaar. + +Omzeilen, b. w. -- Om heen zeilen. Een hoek O--. + +Omzwaaien, o. w. -- Zie Zwaaien. + +Omzwalpen, b. w. -- Zie Zwalpen. + + + Geen aardrijk kan zijn kreits bepalen, + Geen arm van aard-omzwalpend zout. + + Bilderdijk. Ode aan Napoleon. + + +Onbemand, b. n. -- Zonder bemanning. Het schip is nog O--. + +Onbevaren, b. n. -- Ongeöefend, ongewoon aan boord. Het is slecht +zeilen met O-- manschap. + +Onder, voorz. -- Beneden. O-- de lij, O-- den wind van een ander schip +(wordt een schip gezegd te zijn, wanneer de wind komt van de zijde waar +dat andere schip ligt.) O-- de kust, O-- den wal (wordt een vaartuig +gezegd te zijn wanneer het zich op weinig afstands van die kust of +dien wal bevindt.) O-- zeil gaan (wegzeilen.) O-- Engelsche vlag (een +Engelsche vlag voerende.) O-- die zeilen, O-- dat zeil loopen (alleen +die of dat bepaalde zeil voeren.) O-- den wind laten loopen (afhouden, +zoo dat de wind dwars in de zijde komt.) O-- zee gelegd zijn (door +een zeeslag op zijde gesmeten en overdekt zijn). O-- water.--Zie Boven. + +Onderbarghout, z. n. o. -- Zie Barghout. + +Onderdompelen, b. w. -- Geheel onder water brengen. Het Ondergedompeld +gedeelte van een schip (dat gedeelte, 't welk onder water is). + +Onderdompeling, z. n. v. -- Overstrooming. De geheele O-- van een +sloep. + +Onderdoorrijden, Onderrijden, o. w. -- Wordt het schip gezegd te doen, +als het, voor anker liggende, door hooge zeeën overstelpt, zinkt. + +Onderlegger, z. n. m. -- Zie Kiellichter. + +Onderloop, z. n. m. -- Zie Voorstuk en Knie. + +Onderlijk, z. n. o. -- Onderste gedeelte van een zeil. Dat zeil heeft +veel breedte in zijn O--. + +Onderlijzeil, z. n. o. -- Het Onderste Lijzeil, als dat van de +groote fokkera. + +Onderofficier, z. n. m. -- Officier van minderen rang. + +Ondernoktaliestopper, z. n. m.--Kleine Stopper, die, op een galei, +aan den voet van den mast was gestoken op den strop van den Ondernok, +en dezen vasthield. + +Onderra, z. n. v. -- Benedenra. + +Onderruim, z. n. o. -- Diepste van het ruim. + +Onderrijden, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het +door hevige stortzeeën overstelpt wordt. + +Onderschip, z. n. o. -- Benedengedeelte van een schip. + +Onderschoren, b. w. -- Met schoren of stutten ophouden. + + + De vlietgodinnen zien ontelbare oorloghskielen + En schepen toegerust en onderschooren 't vlot. + + Vondel. Verovering van Grol. + + +Onderschoring, z. n. v. -- Hetgeen onder een schip op de helling of +onder eenig ander werk op den grond is geplaatst om het te stutten. + +Onderstrijken, b. w. (veroud.) -- Met planken van onderen bestrijken +of beschieten. + +Onderstut, z. n. m. -- Zie Stut, Noodstut. + +Onderstutten, b. w. -- b. v. een schip; wanneer het op strand ligt +en men er stutten onder zet om het omslaan te beletten. + +Onderstuurman, z. n. m. of Stuurmansmaat. + +Onderwant, z. n. o. -- Want, dat lager zit. + +Onderzeil, z. n. o. -- De Fok en het Grootzeil worden de O--en +genoemd. Regel je aan de halzen en schoten van de O--en! O--shalzen +toe! Geitouwen en gordings van de O--en inhouden! O--en geien en +gorden! (kommandoos). Benedenzeil of benedenste gedeelte van een zeil. + +Onder zeil, bw. -- Zeilend. Het schip is O-- Z-- (het zeilt). + +Spreekwijze: O-- Z-- gaan (in slaap vallen),--omdat men dan als +'t ware het gezelschap verlaat en zich naar een andere waereld begeeft. + +Ondiep, b. n. -- Wat laag of niet Diep is. + +Ondiepte, z. n. v. -- Plaats, waar minder water staat, terwijl het +in den omtrek diep is. + +Ongeboeid, b. n. -- Nog niet beplankt. + +Ongelden, z n. o. mv. -- Kleine averyen. + +Ongemak, z. n. o. -- Schade, avery. + +Ongemanierd, b. n. -- Wordt een schip genoemd, dat zijn bewegingen +niet naar behooren volbrengt. + +Ongestadig, b. n. -- Veranderlijk. Het weer blijft O--. Wy hadden +O--en wind. + +Ongestuim, Ongestuimig, b. n. -- Dichterl. voor Onstuimig. Zie ald. + +Ongeteerd, b. n. -- Niet met teer besmeerd. + +Ongezond, b. n. (veroud.) -- Wordt een schip genoemd, waarvan de +inhouten vervuurd zijn. + +Onklaar, b. n. -- Verward, verwikkeld. O-- anker (roept men, als het +anker boven komt met een of meer slagen van de ketting of het touw +om den stok of de hand). Dat touw is O-- (dat touw is in een ander +verward, is geknoopt). + +Spreekwijze: 't Is O-- (de zaak is in de war). + +Onlandbaar, b. n. -- Waar men niet Landen kan. Een O--e kust. + +Onoverdekt, b. n. -- Zonder Dek. Hy heeft de reis met een O-- +vaartuig gedaan. + +Onstuim, b. n. -- Zie Onstuimig. + + + Door barreningen en onstuime wintervlagen, + + Antonides IJstroom. + + +Onstuimig, b. n. -- Ongestuimig, Ongestuim of Onstuim (wild, buijig, +stormig). + +Ontballasten, b. w. -- Van ballast ontladen. + +Ontbinden, b. w. -- Losmaken. + +Ontdekken, b. w. -- Bespieden, zien. Land O-- (Land zien, dat men te +voren niet bespeurd had). + +Ontdekking, z. n. o. -- Onderzoek. Op O-- uitgaan (zich op weg begeven, +om b. v. een bosch of landstreek te onderzoeken). + +Ontdubbelen, b. w. -- Van dubbeling ontdoen. + +Ontkleeden, b. w. -- De bekleeding, b. v. van een touw, wegnemen. + +Ontklinken, b. w. -- Het zoom- of klinkwerk van een vaartuig wegnemen. + +Ontkuipt, b. n. -- Van banden ontbloot. O--e marsen, masten, enz. + +Ontladen, b. w. -- De Lading uitnemen, 't zij van een vaartuig, +'t zij van een stuk geschut. + +Ontlading, z. n. v. -- De daad van Ontladen. + +Ontlijken, b. w. -- De lijken van een zeil afnemen. + +Ontmast, b. n. -- Van mast beroofd. + +Ontmasten, b. w. -- Van masten ontdoen. + +Ontmeeren, b. w. -- Losmaken. + + + Ontmeert d' ondanckbre vloot om door ons' zee te gaan, + + +zegt Vondel in de Amst. Hekuba. + +Ontnemen, b. w. -- Afnemen. Het bevel aan een Officier O--, den wind +aan een ander schip O--. + +Ontplanken, b. w. -- Van Planken ontdoen. Het scheepsboord O--. + +Ontrakken, b. w. -- De Rakken losmaken. + +Ontredderd, b. n. -- Buiten staat om zich te weeren of om behoorlijke +bewegingen te maken. De schepen waren O--, waren in O--en staat +aangekomen. + +Ontroeien, b. w. -- Door kracht van riemen iets, b. v. een gevaar, +ontkomen. + +Ontrollen, b. w. -- Open rollen. De vlag O--. + +Ontschepen, b. w. -- Uit het schip nemen of zetten. Hy liet de lading +O--, hy liet de manschap O--. Er werden 1000 man landingstroepen +Ontscheept. Ontscheept zijn (niet langer aan boord gehouden worden). + +Ontschipperen, b. w. -- Het bevel van het Schip ontnemen. + +Ontslaan, b. w. -- Wegzenden, uit de dienst zenden, afdanken. + +Ontslag, z. n. o. -- Afscheid, afdanking. Die lieden hebben eervol O-- +bekomen. Hy heeft O-- van dat schip. + +Ontsluiten, b. w. -- Weder open stellen. Er is bevel gegeven, die +haven weder te O--. + +Ontsluiter, z. n. m. -- Overdrachtelijk gebezigd door Vondel, in zijn +grafschrift op Kortenaar. + + + De Groote Kortenaer, de schrick van 's vyants vlooten, + D' ontsluiter van de Sont ligt in dit graf besloten. + + +Onttakelen, o. w. -- Zijn tuig kwijt raken. Het schip Onttakelt. + +Onttakelen, o. w. -- Van takels en want ontdoen, aftuigen. Dat schip +onttakelt zijn stengen (men neemt de ra en 't want van de stengen af). + +Onttakeling, z. n. v. -- De daad van Onttakelen. + +Onttuid, b. n. -- Wordt gezegd van een schip, dat zijn tuiankers +binnen heeft. + +Onttuien, b. w. -- Het tuianker binnen halen. + +Ontvallen, o. w. -- Verdwijnen: uit het gezicht raken. Het land +Ontvalt om de noord of de zuid. + +Ontwapenen, b. w. -- 1o. Van geschut ontblooten. + +2o. Opleggen, de tuigaadje ontnemen. + +Ontwerp, z. n. o. -- Schets, plan. + +Ontzeilen, b. w. -- Door kracht van Zeilen ontkomen. + +Ontzet, b. n. -- Beschadigd. Een O-- schip (een schip, waarvan eenige +deelen hebben losgelaten, ten gevolge van zwaar weer). + +Ontzetten, b. w. -- Verlossen, uit den nood helpen. De Atalante stond +op het punt genomen te worden, toen de Iris haar kwam O--. + +Ontzetten, o. w. -- Inzakken. Dat schip begint te O--. + +Ontzetting, z. n. v. -- Nederzakking, inzakking. + +Onweer, z. n. o. -- Donder en bliksem. Er broeit een O--, er is O-- +op handen. + + + 't Vervaarlijk onweer loeit met weerlicht, blixem, donder + En donderkloot, en roert, al buldrend, 't opperste onder. + Een donkre orkaan rammeit en snort met slag op slag, + Als of weêr de aardkloot in een nieuwen baiert lag. + + Antonides. IJstroom. + + + Wat Onweer datter ruyscht of watter ommegaet, + Ziet dat ghy nemmermeer uw eygen post verlaet. + + Cats. + + +Spreekwijze: Er is O-- aan de lucht (er zal braaf gescholden of +geroerd worden). + +Onweersbui, z. n. v. -- Zie Bui. + +Oog, z. n. o. -- Gezicht. Een O-- in 't zeil houden (op alles acht +slaan). In het Grafschrift op Kortenaar noemt Vondel dien held: + + + Verminkt aan Oog en rechter hant + En 't echter 't Oog van 't roer. + + +Oog, z. n. o. -- Opening of gat, aan de kanten van een zeil, aan +een strop, of in een bout, en dienende om er iets door te halen en +daardoor het voorwerp aan een ander te bevestigen. + +Oogbout, z. n. v. -- Bout, met een Oog voorzien. + +Ooren, z. n. o. mv. -- Zie Judasooren. + +Oorlam, z. n. o. -- 1o. Benaming van een ervaren zeeman; het woord is +afkomstig van 't Maleische Orang lama (ervaren, handig, bekwaam man). + +2o. Rantsoen van jenever, borrel, slok. + +Oorliëtblok, z. n. o. -- Blok, dat als een oorhanger of oorliët aan +het einde van de ra hangt. + +Oorlogschip, z. n. o. -- Zie Schip. + +Oorlogsvloot, z. n. v. -- Vloot, die, onder het bevel van een Amiraal, +ten Oorloge is uitgerust. + +Oor over oor, bw. (veroud.) -- In de spreekwijze O-- o-- O-- bouwen +(het schip boven wijd uitbouwen, waardoor het zeer geschikt wordt om +te slaan, maar wat rank om goed zee te bouwen). + +Ooryzers, z. n. o. mv. -- Yzers ter zijde aan de rampaarden, om die +te bestieren en te bedwingen. + +Oost, bw. -- Oostelijk, tusschen Noord en Zuid. De wind is O-- +(komt van de Oostzijde). + +Oost, z. n. v. -- De Oostindische bezittingen. Hy vaart op de O--. Hy +heeft zijn fortuin in de O-- gemaakt. + +Spreekwijze: O-- west, t'huis best (men moge de O-- en de West bezocht +en het er goed gehad hebben, men zal zich nergends beter bevinden +dan in het moederland). + +Oostelijk, b. n. en bw. -- Wat ten Oosten is. + +Oosten, z. n. o. -- De Levant. Die schepen komen uit het O--. + +Oosterzon, z. n. v. -- De Zon, als zy zich in 't Oosten bevindt. Hy is +van de O-- geroost (hij heeft in Oostindiën een bruine kleur opgedaan.) + +Oostindiën, z. n. o. -- De eilanden in de Indische Zee. + +Spreekwijze: Men ziet op geen aap, als men uit O-- komt (men kan +gemakkelijk wat weggeven als men 't ruim heeft:--omdat hy, die +vermogend uit de Oost terug komt, gemakkelijk een aap kan prezent +doen). + +Oostindische kompagnie of Maatschappy. -- Maatschappy, die voorheen +het bewind voerde over de volkplantingen in den Indischen Archipel. + +Oostindievaarder, z. n. m. -- Schip, dat op de Oost vaart. + +Oost ten Noorden, Oost-Noord-Oost, Oost ten Zuiden, Oost-Zuid-Oost, +bw. -- Windstreken aan de Oostzijde, elkander van het Noorden naar +het Zuiden opvolgende. + +Oostwaart, bw. -- Naar de Oostzijde. + +Op-allens, t. w. -- Komm. voor: "alle man boven", verbasterd van +'t Eng. up all hands! + +Op en neêr, bw. -- Wordt een schip gezegd te zijn, als zijn +voorsteven zich vlak boven het uitgeworpen anker bevindt: en ter +zelver gelegenheid van het touw. Het touw wijst O--. Het schip is O-- +(is gereed om onder zeil te gaan.) De wind is O-- (er is niet genoeg +wind om den windwijzer te doen draaien). + +Opboeien, b. w. -- De staande boorden van een vaartuig verhoogen. + +Opboeisel, z. n. o. -- Vloer, looze stelling, zetplank. + +Opborrelen, o. w. -- Koken, brabbelen. Zie ald. + +Opbrassen, o. w. -- De raas meer vierkant aanhalen. De wind is +ruimer. Wy moeten O--. + +Opbreken, b. w. -- De kabelaring dwingen te rijzen. + +Opbreker, z. n. m. -- 1o. Houten keg om de kabelaring Op te breken. + +2o. Yzeren helling met metalen rollen. + +Opbrengen, b. w. -- 1o. Optuigen, b. v. de bramraas. + +2o. In een haven brengen. Een prijs O-- (een prijs gemaakt schip in +een haven brengen). + +Opdoeken, b. w. -- Samenvouwen. De zeilen O--. + +Opdoemen, o. w. -- Zich twijfelachtig aan den horizont vertoonen. Wy +zagen de kust uit zee O--. + +Opdoen (zich), ww. -- Zich vertoonen. De rots aan den mond van Rio +Janeiro Doet Zich Op als een suikerbrood. + +Opdoening, z. n. v. -- Aanzicht. De O-- van het land. + +Opdokken, o. w. -- Het dok ontsluiten, zoodat het schip in de vaart +komt. + +Spreekwijze: Hy moet O-- (hy moet zijn beurs ontsluiten). + +Opdraaien, b. w. -- Naar omhoog draaien. + +Opdraaien, o. w. -- Zich Draaiend bewegen. Voor het anker O--. Van +hier--omdat men met Draaien niet vordert--mislukking in zijn +poging. Wy dachten in de bocht van Anjer te loopen, maar Draaiden +voor de Marakbaai O--. Parker dacht onze koopvaardyschepen te nemen, +maar Draaide voor Zoutman op. + +Spreekwijze: Hy is er voor Opgedraaid (hy heeft het niet kunnen +gedaan krijgen). + +Opdrijven, o. w. -- Wordt een vaartuig gezegd te doen, wanneer het +met den vloed drijft, in tegenstelling van afdrijven, als het met de +ebbe drijft. + +Opdwarsen, b. w. -- Opknappen, afschrappen. + +Open, b. n. -- O-- wal (dien men vrijelijk kan naderen.) O-- zee +(buiten de banken.) O-- wind (waar men een plaats meê bezeilen kan). + +Openen, b. w. -- 1o. Open maken. De kluizen O--, de luiken O--. + +2o. Uitbreken. De buitenhuid O--. + +Openhouden, b. w. -- (veroud.) Men wordt gezegd een schip Open te +houden, als men te loevert of boven den wind er van is en blijft, om +het althands te kunnen bezeilen: zoo ook een haven, ree, rivier O--, +als men er bovenwinds van komt om er te kunnen binnenzeilen. + +2o. Voor: uit elkander houden t. w. de landmerken. Den molen en den +toren O-- (zoodanigen koers te houden, dat men uit het schip tusschen +die beide voorwerpen doorzeilt). + +Op-enteren, o. w. -- Opklimmen, in het want langs de stormladders, +tegen de puttings. Enter Op! (komm). + +Openzeilen, b. w. -- Uit elkander zeilen. + +Opgaan, o. w. -- 1o. Aan het spil O-- (het touw om het spil vieren). + +2o. Oprijzen. Het O-- van de zon. + +Opgeärmd, b. n. -- (veroud.) Werd gezegd van bezaan en fok, als zy +op een ongewone wijze ter windvang staan, het eene als men bylegt, +het andere, als men voor-de-wind zeilt. + +Opgegeid, b. n. -- Hetzelfde als Gegeid; het zeil is O-- wanneer zijn +schooten door de geitouwen naar binnen zijn opgehaald, zoodat de wind +er uit is. + +Opgeien, bw. -- 't Zelfde als Geien. Vlak voor-de-wind zeilende met +alle zeilen bygezet, geit men het grootzeil, om den wind niet te +benemen aan het fokkezeil. + +Ophalen, b. w. -- 1o. Oplichten, naar boven halen. Een bocht van een +touw O--. Het roer O--. De riemen O--. + +2o. Met laveeren vooruit komen, als men door terug zeilen te laag +vervallen is, of als men door misgissing in de verkeerde passaat is +gekomen. Het onder de kust van Sumatra O--. Het by de boelijn O-- +(scherp by-de-wind). Het onder den wal in de neer O-- (oproeien). + +Ophaler, z. n. m. of Kraallijn. -- Lijn, dienende om de halzen der +noktakels Op te Halen. + +Ophielen, b. w. -- Twee touwen door lusknoopen verbinden. + +Ophouder, z. n. m. -- Touw, dienende om eenig blok (by voorbeeld van de +noktakels, zoolang die niet gebruikt worden) tegen de ra aan te houden. + +Ophijschen, b. w. -- Met touwen of kabels een voorwerp loodrecht +ophalen. + +Opkatten, b. w. -- Onder de kraanbalk halen, t. w. een anker. + +Opkikken, b. w. -- Zie Kikken. + +Opklaren, o. w. -- Helder worden; wordt het weer of de lucht gezegd +te doen. + +Opknappen, b. w. -- Redderen, schoonmaken. + +Opknijpen, o. w. -- Zijn best doen om by-de-wind zoo veel mogelijk +op te werken. + +Opkomen, o. w. -- Verschijnen, opgaan. Het O-- van de maan. + +Oplanger, z. n. m. -- Stut der kattesporen, hanger boven de poort. Naam +van de verlengstukken der inhouten. + +Oplaveeren, o. w. -- Al laveerende vooruit komen. + +Opleggen, b. w. -- 1o. Bezeilen: Een punt bereiken of een hoek omzeilen +zonder laveeren. + +2o. Ontwapenen en buiten gebruik stellen. Dat schip is oud: men moet +het O--. + +Oploeven, o. w. -- Zie Aanloeven. + +Oploopen, b. w. -- Inhalen. Wy liepen dat schip hand over hand Op. (Wy +naderden dat schip, als of het aan een lijn vast zat, welke wy hand +over hand inpalmden). Land O-- (het land naderen). + +Oploopen, z. n. m. mv. -- Voortzettingen van het zaadhout, die +gewoonlijk voor, onder een dekband, en, achter, met den achtersteven +eindigen. + +Opnemen, b. w. -- Onderzoeken. Een kust O--, een baai O--. + +Opper. -- Beteekent in de samenstelling Opperste of hoofd. O-- +stuurman, O-- smid (eerste stuurman, eerste smid). + +Opper, z. n. m. -- Oppert, of Oppertjen. Schuilplaats, luwste. Wy +hebben daar een O-- (wy liggen tegen den wind beschut). + +Oppert, z. n. m. -- Zie Opper. + +Opperwal, z. n. m. -- Wal aan de zijde van den wind. + +Oproeien, o. w. -- Tegen stroom of wind Roeien. + +Opschieten, b. w. -- 1o. Voort doen draaien. Tegen zon O-- (van de +linker- naar de rechterzijde). Met zon O-- (anders om). Touw O-- +(het loopende want op een hoop brengen, in een kring opleggen.) Een +looper op het dek in de hand O--. Eenige bochten van een looper in +de hand O--. + +Opschieten, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, als het begint +vooruit te gaan. Hy Schiet Op. In de wind doen O-- (den steven recht +in-de-wind brengen.) + +Opschorting, z. n. v. -- De verenging en snijding van het +achter-onderschip. + +Opseisen, b. w. -- De kabelaring door de seisings aan het zwaar touw +vast maken. + +Opslaan, b. w. -- Opzetten, opstellen. Een schot O--, omslaan. Een +derde hand O-- (een lichten talie ergends op vast maken, om te +hijschen.) Uit kabelgarens touw vervaardigen. + +Opslechten, b. w. -- Opknappen, voorzien. + +Opspitsen, b. w. -- Zie Splitsen. + +Opsluiting, z. n. v. -- Keg of wig, die tusschen het handvatsel en +den hame gestoken wordt, om dezen te doen vastzitten. + +Opsteken, b. w. -- 1o. Sterker worden, wordt vooral van den wind +gezegd, als b. v. by Vondel: + + + De wind steeckt op: men hoort hem in de vlammen bruisen. + + +2o. Oploeven, by-de-wind opkomen. + +3o. In-de-wind opkomen. + +Opsteken, b. w. -- 1o. Oplichten. De halzen O--, om hoog steken. Een +katterug O--, Trossen op elkander Steken. + +2o. Losmaken, losgooien. Steek Op (maak los) de fokkehals, de +marszeilsschoten (komm.). + +Opstellen, b. w. -- Opzetten, b. v. de spanten van een schip. + +Opstooten, b. w. -- Een luien matroos tegen zijn zin doen werken. + +Opstutten, b. w. -- Stutten op- of aanbrengen. + +Optakelen, b. w. -- Hetzelfde als Optuigen. + +Optoppen, b. w. -- Ophalen. De ra O--. (de ra aan eene zijde ophalen). + +Optornen, b. w. -- Van het Eng. to turn. Voor Opdraaien. Het schip +Tornt Op (het anker houdt, ligt vast). + +Spreekwijze: Ergends voor O--. (Zie Opdraaien). + +Optuigen, b. w. -- Van tuigaadje voorzien. + +Optuiger, z. n. m. of Takelaar. -- Die een schip takelt of Optuigt. + +Opvangen, b. w. -- 1o. of Ondervangen. Het eene touw met het andere +vangen. + +2o. Ophangen. De kabelaring O-- (die tusschen deks Ophangen). + +Opvaren, b. w. -- Van buiten naar binnen varen. Een rivier O--. + +Opwerken, b. w. -- 1o. Met behulp van sloepen of andere hulpmiddelen +een rivier opvaren, enz. + +2o. Met kleine slagen vorderen. Wy zullen by-de-wind O--. + +Opwerpen, o. w. -- Opvaren met behulp van werpankers. + +Opwerping, z. n. v. -- Aanspoeling. O-- van de zee. + +Opzeilen, b. w. -- Met kracht van zeilen opvaren, b. v. een rivier. + +Opzetten, b. w. of Stellen. -- Op zijn plaats brengen. Een anker O--, +stengen, raas O--. Hoog of laag Opgezet dek (een dek dat meer of +minder rijst). + +Opzetting, z. n. v. -- Aanstuwing, toevloejing, t. w. van het water +in een haven, rivier, enz. + +Opzingen, o. w. -- Geluiden of kreten aanheffen, die by het verrichten +van zwaar werk het sein geven om krachtsinspanning te gebruiken. + +Opzinger, z. n. m. -- Hy die door Opzingen het sein geeft. + +Opzwaaien, o. w. -- Van een vast punt door stroom of wind Zwaaien. De +vloed komt door: de schepen Zwaaien Op. Meer bepaald, wordt een schip +gezegd Op te zwaaien, als men b. v. by het opzeilen eener enge rivier +te na aan den wal komt en er door den wind niet kunnende afgebracht +worden, een anker vooruitwerpt en door middel daarvan zich naar het +midden opwerkt. + +Opzwellen, o. w. -- Zie Zwellen. + +Orde, z. n. v. -- Rang, regeling. Zie Zeilorde. + +Order, z. n. v. -- Bevel, lastgeving. + +Orkaan, z. n. m. -- Draaiende stormwind, die met groote hevigheid +woedt, en dikwerf meer of min plotseling verandert, zoodat hy +b. v. in weinige uren het halve of het geheele kompas rondloopt. 't +Woord is byna in elke levende taal 't zelfde en waarschijnlijk een +klanknabootsing. + +Ossenoog, z. n. o. -- Lichte plek aan 't zwerk, die aanduidt, dat de +wind van dien kant zal komen. + +Ouderdom van de maan, z. n. m. -- Het getal dagen, sedert de nieuwe +maan verloopen, met inbegrip van den dag der nieuwe maan. + +Ouwe, (de) z. n. m. -- Naam, waar aan boord de kapitein meê bedoeld +wordt. Is de O-- welgehumeurd van daag? Is het waar, dat de O-- +bevorderd is? + +Over, z. n. m. -- Spoor van den boegspriet. + +Over, vz. -- Zie Boeg, Land. + +Overal, t. w. -- is ieder morgen de reveille: 's nachts is het: al +het volk doen opkomen. O-- maken. (komm). O-- houden (in de nacht, +de geheele Equipaadje op het dek doen blijven.) + +Overal maken, b. w. -- van klaar, gereed maken. + +Overboord, bw. -- Van het schip. O-- vallen. O-- werpen: 't Is O-- +('t is zoek, 't is verloren). + +Overdwars, bw. -- O-- liggen. (Dwars tegen over liggen). + +Overdekt, b. n. -- Met een Dek voorzien. Een O-- vaartuig. + +Over eb en vloed liggen, o. w. -- Vertuid liggen voor eb en vloed. + +Over- en weêr houden, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer +het, met zware zee en tegenwind, verplicht is met klein zeil te +laveeren en zonder in eenige dagen vooruit te komen of den omtrek te +verlaten. Ook: met korte gangen laveeren, op dezelfde hoogte blijven, +het zij in zee om een schip af te wachten, het zij by nacht voor een +haven, om den dag af te wachten. + +Overgaan, o. w. -- Het, door zwaar slingeren of zeilen, naar eene +zijde overzakken van de lading, of den ballast. + +Overgang, z. n. v. -- Verplaatsing. + +Overgeven, b. w. -- Geen wind O-- (geen wind verliezen). + +Overgeven, (zich) w. w. -- Zich overwonnen bekennen, de vlag strijken. + +Overhalen, o. w. -- voor Overhellen. Dat schip haalt erg over (ligt +erg op zijde). + +Overhalen, b. w. -- 1o zie Afschaken: De tent O-- (de tent spreiden). + +2o. Van de overzijde halen, als in 't oude liedtjen + + + Met mijn schuitjen zal ik je Overhalen. + + +Overhangen, o. w. -- Het O-- der achter- en voorsteven (de sprong of +valling der achter- en voorsteven). + +Overhellen, o. w. -- Naar de zijde buigen, op een zijde liggen. De +wind deed het schip sterk O--. + +Overladen, b. n. -- Te zwaar beladen. + +Overladen, b. w. -- In een ander schip overbrengen, t. w. de lading. + +Overland zeilen, o. w. -- Wordt gezegd, als men, naar het bestek, +het land reeds meent bereikt te hebben en er nog ver van af is, zoodat +men dan niet over 't werkelijke, maar over 't gegiste land zeilt. + +Overlast, z. n. m. -- Alle overtollige of overkompleete zaken, die +zich in een schip bevinden. + +Overlating, z. n. v. -- Akte, waarby men aan den Verzekeraar het +verlies van een vaartuig of van goederen, welke hy verzekerd heeft, +en welke men hem Overlaat, aankondigt, met sommatie om er de waarde +van te voldoen. Zie Wetb. van Kooph. art. 663 en volgg. + +Overleggen, b. w. -- t. w. het roer. Zie Omleggen. + +Overliggen, o. w. -- te weten op een anderen boeg. Zie Boeg. + +Overloopen, (het) z. n. o. -- Benaming der steurharingvangst op +de kusten van Engeland en Schotland (van half September tot half +December). + +Overmast, b. n. -- Te hoog van mast. + +Overnemen, b. w. -- Aan boord nemen: Wy kregen een kaag op zijde +met 24 soldaten, 1 koebeest, 6 schapen, 3 varkens; namen al het vee +over. In een enger beteekenis heet O--: het volk van een gegeven +prijs aan boord nemen. + +Overschepen, b. w. -- Van het eene vaartuig in 't andere brengen. + +Overschieten, b. w. -- t. w. den ballast, voor "doen overgaan." + +Overstag gaan, o. w. -- Wenden, over een anderen boeg gaan. + +Oversteken, b. w. -- Een rivier, een zee O-- (van den een naar den +anderen oever gaan). + +Oversteken, o. w. -- Zich naar de overzijde begeven. Wy moeten naar +Engeland O-- (van hier naar Engeland gaan). + +Overstrijken, b. w. -- Van boven met planken beleggen. Het Dek O-- +(nieuwe planken over de oude heenleggen). + +Overstuur, bw. -- Over een anderen boeg. O-- leggen. Spreekwijze: +'t Is O-- (de boel loopt verkeerd). + +Overtent, z. n. v. -- Zie Touw, Zeil, Tegenzeil. + +Overvallen, b. n. -- Verrast. Wy werden door een bui, door storm O--. + +Overwenden, o. w. -- Weder, op nieuw, nog eens wenden. + +Overwinteren, o. w. -- In winterlaag liggen. Wy hebben in die haven +Overwinterd. + +Overtijden, b. w. -- Het schip met de meest dienstige stroomen voort +laten drijven en het in het tegentij stoppen of voor anker leggen. + +Overzeilen, b. w. -- Op een vaartuig aanzeilen, zoo dat het te gronde +gaat. Zie omtrent de gevolgen, welke dit voor den Overzeiler hebben +kan, Wetb. van Kooph. art. 534 en volgg. + +Overzeiler, z. n. m. -- Hy die de Overzeiling doet. + +Overzeiler, z. n. m. -- Zeefakkel, zeespiegel, zeeboek, graadboek: +Werk, dat de wegen, de kapen, ankerplaatsen enz. aanwijst. De O-- +der Middellandsche zee.--De groote O-- (groote kaart van den Oceaan). + +Overzeiling, z. n. v. -- Het ongeval van Overzeilen. + +Overzetten, (goederen) b. w. -- Zie Lichten. + +Overzwalpen, b. w. -- Zie Zwalpen, + + + Wanneer d'oploopenheit van vader Oceaan, + Met lossen toom, alreê te hoogh aen 't overvloeien + De weiden overzwalpt en stulp en dorp en koeien + En vee en velt verdrinckt. + + Vondel. Zeemagazijn. + + + + + + + +P. + + +Paai, z. n. m. -- Hy, die belast is met het beheer en de afgifte +van sommige benoodigdheden tot het scheepwerk. P-- van 't kabelgat +(voor alle touwwerk). P-- van de zeilkooi (voor de zeilen) enz. + +Paaiskist, z. n. v. -- Kist, die naby den mast staat en waarin de +Paai zijn gereedschappen bewaart, die by den mast benoodigd zijn. + +Paal, z. n. m. -- Houten mast, in den grond of in den bodem van het +water geheid, om, 't zij tot ondersteuning, 't zij tot afsluiting, +b. v. van een haven, te dienen. Buiten de P-- en binnen de P-- liggen +(buiten of binnen de haven liggen). + + + Quam nu een visscher; die voor viermaelhondert jaeren + Heeft met zijn kleine boot het eenzaem IJ bevaeren, + Terwijl 't nog ongetemt langs grasige oevers schoot, + En op geen breydel beet van paelen, 't nat uit noot + Gewrongen in den mont, toen Amsterdam aen 't groeien, + Dien onbepaelden loop en hoogmoet moest besnoeien. + + Vondel. + + +Spreekwijze: zoo vast als een P-- (omdat een P--, geheid zijnde, +niet gemakkelijk van zijn plaats te brengen is). + +Paalhoofd, z. n. o. -- Hoofd, uit aan elkander verbonden Palen +saamgesteld. + +Paalkist, z. n. v. -- Verzameling van Palen, een kisting van zand +of steenen omsluitende en dienende om het geweld van den golfslag +te keeren. + +Paalsteek, z. n. v. -- Zie Ankersteek. + +Paard, z. n. o. -- 1o. Rijbalken, onder het midden van het onderste +of op een na onderste dek geplaatst. + +2o. Touw, dat in een bocht onder de raas hangt en den matrozen +dient om er op te staan by het aanslaan, reeven, vast maken van de +zeilen.--Zie Springpaard. + +Paardelijn, z. n. v. -- Lijn, die het midden houdt tusschen een +tros en een kabel. Fransche P-- (veroud.) touwwerk, dat buiten boord +wordt gehangen, om hun, die gedurende een gevecht over boord vallen, +gelegenheid te geven, zich te redden. + +Pagaai, z. n. v. -- Korte riem, met een kruk tot handvat, waarvan +zich de Indianen bedienen, om hun praauwen in beweging te brengen, +doch die evenzeer op oorlogsloepen gebezigd wordt, wanneer deze te vol +zijn dan dat de manschappen zich van hun riemen zouden kunnen bedienen. + +Pagaaien, o. w. -- Met een Pagaai roeien. + +Paketboot, z. n. v. -- Snelzeilend vaartuig, dat op gezette tijden +de brieven-maal overbrengt, en mede is ingericht tot het vervoeren +van passagiers. De P--en zijn schier overal door stoombooten vervangen. + +Pal, z. n. m. -- Eikenhouten pen, aan het eene uiteinde met een +cirkelboog voorzien, en met het andere op het dek vastgebout en +dienende om een kaapstander het omzwaaien te beletten. De P--len +inzetten (hun uiteinden tusschen de tanden van een kaapstander +steken). Yzeren P--, spilP--, yzeren spil, tot een gelijk einde +dienende. + +Spreekwijze: P-- staan (vast staan). + + + De Haas, een fiere leeuw in 't Britsche zeegevecht, + Stond pal, in't midde der gepreste waterhonden. + + Brandt, Grafschrift op den kommandeur de Haas. + + +Iemand P-- zetten (iemand vastzetten, hem tot zwijgen brengen). + +Paling, z. n. v. -- Riviervisch. + +Spreekwijze: Dek de Pan toe: daar is P-- in en maak dat het kind tait +zeit. (ziet op bedrogen vrijsters). + +Palklamp, z. n. v. -- Klamp, die een Pal van achteren steunt. + +Palle, z. n. v. -- Soort van Amerikaansch vaartuig. + +Palm, z. n. m. -- Maat, volgends welke in de Zeehavens de diameter +van het masthout wordt berekend. Mast van 20, van 30 P-- omtrek. + +Palma, z. n. v. -- Oostindisch vaartuig. De P-- heeft een zeer lagen, +verlengden voorsteven en een hoogen achtersteven: zy voert een grooten +mast op het derde van haar lengte, van den voorsteven af gerekend, +en een kleinen achtermast. + +Pampera, z. n. m. -- Snel opkomende wind op de Z. Amerikaansche kust, +in den zomer doorgaands hevig waaiende, 's winters korter van duur. Hy +wordt veelal door Z. O. stormen of buijig weer gevolgd. + +Panje, z. n. v. -- Beteerd stuk zeildoek, dat de visschers op den +rug dragen, wanneer zy een schuit op het hout helpen. Zet je P-- reê +(maak je klaar). + +Pankong, z. n. v. -- Sineesch vaartuig. + +Papegaaistok, z. n. m. -- Spier, uit den achtersteven van de sloep +stekende om er de druil op uit te halen. + +Papenaad, z. n. v. -- Naad tusschen de zeilen. + +Papier, z. n. o. -- Graauw P--, geteerd P-- of Huid P-- wordt tusschen +de voegen van stukken getimmerte of onder de koperen verdubbeling +geplaatst. + +Pappen, b. w. -- Het hair of papier onder het koper leggen. + +Pardoen, z. n. v. -- Lang touw, dat van den masttop loopt naar het +want, waarop het bevestigd is. Stenge-P--, Bramstenge-P--. Groote, +fokke- of voorstengsP--, SlingerP--s, ZijP--s (die tot vervanging +van andere dienen). + +Spreekwijze: Een Sinees by zijn slingerP-- trekken (by zijn staart, +die even als een slingerP-- hem van het hoofd hangt). + +Parool, z. n. o. -- Zie Wachtwoord. + +Part, z. n. v. -- Loshangend touw. Loopende P--, P-- van een +boelijnspruit, van een spinnekop, enz. + +Partuurlijn, z. n. v. -- Zie Portuurlijn. + +Pas, z. n. v. -- 1o. Paspoort. Zie Turksche Pas. + +2o. Naauwe doortocht. + +Paskaart, z. n. v. -- Zeekaart, kaart die de Passen of doortochten +aanwijst, en waarop de afgelegde mijlen en koersen worden afgepast. + +Passaat, Passaatwind, z. n. m. -- Wind, die op bepaalde tijden tusschen +de keerkringen van 't Oosten naar 't Westen blaast. OostP--, WestP--, +Malle P-- (aan de Linie). + +Passagiegeld, z. n. o. -- Zie Vervoergeld. + +Passagier, z. n. m. -- Die op een vaartuig medereist, zijn overvaart +betaalt, en geen deel van de manschap uitmaakt. Het schip had weinig +P--s aan boord. Blinde P-- (die geen vracht betaalt). De bepalingen +betreffende het vervoergeld, de rechten en verplichtingen eens P--s +zijn te vinden in de vijfde Afdeel. den vijfden Titel van het Tweede +Boek des Wetboeks van Kooph. art. 521-533. + +Passagieren, o. w. -- Zoo noemt men het voor een dag aan wal gaan. + +Passeeren, o. w. -- Overgaan, doorgaan, voorbygaan. De Linie P-- +(de linie overtrekken). Niets Gepasseerd (zeetijding, voor: niets +voorbygegaan). + +Patas, z. n. v. -- Uitlegger, klein vaartuig, dat tot de dienst van +groote schepen gebezigd wordt, of brieven over en weder brengt, of +wel gewapend aan den ingang van rivieren en baaien ligt en met het +onderzoek der inkomende schepen belast is. + +Patent, z. n. o. -- Open brief of bewijsstuk, afgegeven door +het Bestuur, en waarvan elk binnenlandsch vaartuig--op weinige +uitzonderingen na--moet voorzien zijn. De bepalingen omtrent het +recht van P--, waaraan de eigenaars dier vaartuigen onderworpen zijn, +worden gevonden in art. 12 der wet van 6 April 1823 (Staatsbl. no. 14) +en in de daarby gevoegde Tabel no. 16. + +Patrijsbalk, z. n. m. -- Balk, die de benedenste fries van het hek +ondersteunt. + +Patrijspoort, z. n. v. -- Kleine poort in de batterijspoorten +aangebracht, zoowel om licht en lucht tusschendeks te brengen; als om, +by het laden van het geschut, wanneer de batterijspoorten dicht zijn, +den touwen wisser en aanzetter te bezigen. + +Paviljoen, z. n. o. -- Eigenlijk "tent," van 't Lat. papilio, en +gebezigd voor de tentvormige en fraai vercierde achterkajuit van +stoombooten en andere dergelijke vaartuigen, welke tot het gemak van +vermogende passagiers is ingericht. + +Peil, z. n. o. -- Watermerk; gewone waterstand. Het water is boven +P-- gerezen (het is boven zijn gemiddelde hoogte), Amsterdamsch P--, +(gewone stand van het water te Amsterdam). + +Peilen, b. w. -- Onderzoeken, hoogte nemen. Den grond P-- (zich +door het uitwerpen van het Peillood, van de diepte des waters +verzekeren). Wy Peilden Kijkduin N. O. van ons. + + + Men moet op 's waerelts stroom met grooten aandacht seylen, + Want by een harde kust, daer mach men dikwyls peilen. + + Cats. + + +De zon P-- (hoogte nemen van den stand der zon). Den wind P-- +(onderzoeken). + +Spreekwijze: Iemands grond P-- (achter iemands meening of geheim +komen). + +Peiler, z. n. m.-- Zie Draaier. + +Peiling, z. n. v. -- De daad van Peilen. + +Pek of Pik, z. n. o. -- Teer, harpuis, lijmige zelfstandigheid +uit de pijn- en dennenboomen gevloeid, die, gesmolten zijnde, op de +gekalfaterde naden der planken wordt gegoten tegen het inwateren. Vette +P-- (samenmenging van P-- met vette bestanddeelen, als kaarsvet enz., +tot een vloeibare massa gesmolten). + +Spreekwijze: Wie met P-- omgaat wordt er meê besmet (kwade +gezelschappen bederven goede zeden). + + + Noyt speelde er ymand met het peck + Of hy behielt een vuyle vleck. + + Cats. + + +Pekbroek of Pikbroek, z. n. m. -- Zoo noemt men een matroos, die op +het dek blijft zitten, zoo dat het Pek aan zijn Broek kleeft, alzoo +een luiaart. In het tuig zijnde, wordt men wel met teer, maar nooit +met Pek besmet. + +Pekel, z. n. o. -- Beteekent het water, waar in gezout wordt. In +de samenstelling met baren, nat, veld, vloed, enz. wordt het by de +dichters voor zeewater genomen. + + + De Maeght van Amsterdam volgt Tromp in 't pekelnat. + + Antonides, Nederl. Zeetriumf. + + +Pekketel, z. n. m. -- Ketel, waarin het Pek bewaard of gekookt wordt. + +Peklepel, z. n. m. -- Lepel, waarmede het Pek geschept wordt. + +Pen, z. n. v. -- Gedeelte van een stuk hout, dat versneden is om in een +keep in te laten. P-- van een mast. P-- van een steker van een broek +of twil.--Yzeren P-- (P-- die van yzer gemaakt is, als de roeiP--nen.) + +Penterhaak, z. n. m. -- Zware yzeren haak aan het katblok, waarmede +men den ring van het anker vat, als dat uit het water komt, om het +onder den kraanbalk te brengen. + +Pentertalie, z. n. v. -- Talie, om ankers te verwerken. + +Pente, z. n. v. -- Venetiaansch licht vaartuig. + +Peperdoos, z. n. v. -- Naam, dien Huygens aan de Oostindievaarders +geeft, als keerende die doorgaands met Peper en kruideryen terug: + + + Siet watter volck van kruyd wil blosen + Hier en heel verr' van hier omtrent: + Men moet het laden, sou men 't losen, + Voor soo veel keelen, soo gewent, + Zijn wy niet qualick uitgekosen, + Tot sulcke taflen sonder end + Behooren sulcke Peperdoosen. + + +Peperland, z. n. o. -- Benaming, die men aan de Oost plach te geven. + +Spreekwijzen: Iemand naar het P-- zenden; iemand om Peper zenden +(iemand naar de Oost, of ver van huis zenden. Ik wou dat hy was, +waar de Peper groeit (is een verwensching en een vérwensching). + +Perken en Vakken, z. n. o. mv. -- Tusschenruimten, luchten in het +schip. + +Perm, z. n. -- Klein Turksch vaartuig. + +Piadet, z. n. v. -- Turksche sloep, in de Dardanellen gebezigd. + +Piakiep, z. n. v. -- Groot rooversvaartuig, in de Molukken gebezigd. + +Piek, z. n. m. -- 't Zelfde als Gaffel, zie ald. + +Piekeval, z. n. m. -- Touw, dienende om de Piek op te houden of +te strijken: men geeft de benaming ook aan een touw, dat, aan het +bovenste uiteinde van den gaffel vastgemaakt, achtereenvolgends +loopt door een dubbeld blok, vastgemaakt op het bezaansezelshoofd, +en door twee enkele bloks, op den gaffel geslagen. Het dient om aan +den gaffel zijn richting te geven en hem daarin te bewaren. + +Pik, z. n. m. -- Zie Pek enz. + +Piloot, z. n. m. -- Fr. woord voor Loods of Stuurman: ook by ons +vroeger veel in gebruik. + + + Het schip moet op het strant of op de klippen drijven, + Als schipper en piloot sich stellen om te kijven. + + Cats. + + +Pimpeltjen, b. w. -- Maatjen drank. Van waar Pimpelen voor: "met +kleine teugjens drinken." + +Pinas, z. n. v. -- Soort van kleine galei, als een sloep, en somtijds +als een schoener, getuigd. + + + Niet minder is 't gevaer, wanneer mijn Zeepinas + Nu in den ofgront stort, nu slaet de Noorderas. + + Vondel. Lof der Zeevaart. + + +Pink, z. n. v. -- Groote vischschuit; ongeveer als een kaagschip +getuigd. + +Pinters, (ronde) z. n. v. mv. -- Zie Stopper. + +Pipris, z. n. v. -- Sloep van de negers aan de kust van Guinea en +Cabo-Verde. + +Pispotten, z. n. v. mv. -- De brassen van de Bezaansroede. + +Pitsjaar, z. n. m. -- Witte seinvlag. 't Is 't Eng. pitch-yard +(uitgestoken steng). Sein, om het volk of de passagiers, die aan den +wal zijn; aan boord te roepen. Ook, om de sloep naar boord terug te +doen keeren. + +Pitsjaren, o. w. -- Hetzelfde als Passagieren. 't Woord is uit het +Maleisch, en beduidt daarin: wandelen. + +Plaat, z. n. v. -- 1o. Bank, zandbank. Drooge P-- (die zich boven de +zee vertoont). ZandP--. + + + Nu is hier enkel sant en niet als dorre platen, + Van slibber overgroeyt en van den vloet verlaten. + + Cats. Emblem. + + +2o. Regel, bodemplank. + +Plaatknie, z. n. v. -- Yzeren plaat, tot de verbinding eener kunstknie +gebezigd. + +Plaat op de kiel, z. n. v. -- Zie Binnenkiel. + +Plank, z. n. v. -- Lang, dun, en smal in evenredigheid zijner lengte +gezaagd deel van een balk. Zie BoeiP--, BoordP--, LoopP-- enz. + +Plas, z. n. m. -- Wordt somtijds, vooral by de dichters, als synoniem +van "zee" gebezigd. Zoo zegt Vondel: + + + Tot daer de snelle Don stort in d'Euxijnsche plassen. + + +Platboômd, b. n. -- Plat van bodem. Zie Schip. + +Platlood, z. n. o. -- Lood, waarmede het zinkgat van 't kanon wordt +gedekt. + +Platluis, z. n. v. (veroud.)--Benaming, welke aan sommige lage Friesche +turfschepen gegeven werd. + +Platting, z. n. v. -- Platte streng, welke men uit de hand maakt van +draden, altijd in oneffen getal. + +Platvoet, z. n. m. -- Gemeenzame benaming van de wacht van 's namiddags +4 tot 6 uur. + +Spreekwijze: Een buitengewonen P-- doen (een buitengewone wacht +houden). + +Platvoeten, o. w. -- Op en neder gaan, vooral wanneer zulks tegen +iemands zin geschiedt. De geheele nacht staan P--. + +Platvoetwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord van 4 tot 8 uur 's avonds. + +Plecht, z. n. v. -- 1o. Het dek, dat voor en achter op een klein +vaartuig is, van waar de voorP-- en de achterP-- of stuurP--:--nu +meer bepaaldelijk: klein planken afschutsel voor of achter op een +licht vaartuig, dienende om eenige voorwerpen in te bergen. VoorP--, +AchterP--. + +Spreekwijze: De P-- is van 't schip (hetgeen plecht te geschieden +behoeft niet meer te gebeuren). + +Van de P-- rollen (zijn ambt verliezen, zijn plaats kwijt raken). + +2o. (veroud.)--Verbintenis van het schip tot borg voor gedane onkosten +buiten 's lands.--Zie Bodemery. + +Plechtanker, z. n. o. -- Noodanker: Anker, dat men op de Plecht zet, +om het als laatste behulp by de hand te hebben. + +Spreekwijze: Het is zijn P-- (het is zijn eenigste, zijn laatste +vertrouwen.) + +Plechtgaard, z. n. v. -- Roede of boom, waarmede de bodem gepeild +wordt. + +Plei, z. n. v. -- Vooruitstekende landpunt, aan weêrskanten waarvan +zich een rivier in twee armen verdeelt. + +Pleit, z. n. v. (veroud.) -- Klein vaartuig; op de binnenwateren in +gebruik. Zie Heude. + +Plemp, z. n. m. (veroud.) -- Visschers-schuitjen, voorheen op het +Haarlemmermeir in gebruik en waarvan het beroemde geslacht der Plempen +zijn naam ontleende. + +Ploeg, z. n. v. -- 1o. Verzameling of afdeeling van werklieden, +die onder het zelfde opzicht staan en tot denzelfden arbeid gebezigd +worden. Een P-- arbeiders, timmerlieden, kalfaters. + +2o. Soort van schaaf. Veerp-- (uit twee stukken samengesteld), +MessingP-- (bekleedde P--.) VastP--, VaarP-- (met een wig voorzien), +GroevingP--, MeersP-- (gekeepte P--). + +Ploegen, b. w. -- Beploegen, doorploegen, 't zelfde als klieven, +wordt het varend schip gelijkenderwijze gezegd de zee te doen: + + + Toen zag de gave zee zich 't eerst de rug doorploegen + En onder 't nieuw gevaart haar blaauwe golven zwoegen. + + Bilderdijk. Bruiloft van Peleus. + + +Plof, z. n. m. -- Dof geluid, hetwelk een vallend lichaam maakt. Een +P-- in het water. + +Ploffen, o. w. -- Met een dof geluid vallen. In het water P--. + +Plompen, o. w. -- Met een plof in 't water storten: + + + Daer valt de zwaerte en plompt en rijt een kuil in 't water. + + Vondel. + + +Plug, z. n. v. of Pen. -- Kleine prop of pen, die in den kop der +houten nagels gedreven wordt. + +Plugyzer, z. n. o. -- Zie Deutelyzer. + +Pluimgraaf, z. n. m. -- De man, die aan boord met de zorg voor het +pluimgedierte is belast. + +Pluis, z. n. o. -- Gepluisd touw, werk. + +Pluizen, b. w. -- Rafelen, uithalen. Wordt meer bepaald van touwwerk +gezegd. + +Spreekwijze: Hy is niet Pluis (hy deugt niet veel, er valt niet aan +hem te P--). + +Plunje, z. n. v. -- Scheepskleeding. Berg de P-- (pas op uw kleêren). + +Poddingzak, z. n. m. of Wrijfworst. -- Benaming van zakken met +kabelgarens gevuld, aan de buitenzijde van een schip afgehangen, +om de gevolgen van een schok te voorkomen. + +Poespas, z. n. m. -- Soep, dooreen gekookte spijs. + +Polakker, z. n. m. -- Naam van een vrachtvaartuig op de Middellandsche +zee: het voert drie P--masten en vierkante zeilen. Sommige P--s zijn +getuigd als Chebeks, andere voeren sprieten met een sprietzeil. + +Polakkermast, z. n. m. -- Mast, uit drie afzonderlijke masten +samengesteld, die op elkander vastgebonden zijn, zoo dat zy echter +kunnen gescheiden worden. Deze soort van Masten is echter alleen op +de Middellandsche zee in gebruik. + +Polis, z. n. v. -- Benaming der Akte, waarby de overeenkomst wegens +Verzekering wordt bevestigd. De bepaling wat zoodanige P-- meest +bevat wordt gevonden in art. 256 en 592 van het Wetb. van Kooph. + +Pomp, z. n. v. -- Toestel, dienende om het water uit het ruim op +te voeren. ZuigP--, SlagP--, Aan de P-- (komm. om zich by de P-- te +begeven en die te doen werken). P-- met dubbelen Zuiger (in gebruik +op groote schepen). KettingP-- (die in zich metalen platen bevat, +van afstand tot afstand aan een rondloopende ketting vast en in de +P--buis sluitende, door welke het water naar boven wordt opgevoerd) +StevenP--, SpoelP--, kromme, gebogen P-- van het ruim, RuimP--, +HandP--, PersP--. De P-- geeft water. De P-- is lens (ledig). De P-- +is onklaar, is lek, is verstopt. Volk aan de P-- zetten. + +Spreekwijze: Brui naar de P--. (Loop hier van daan en bemoei u met +uw werk). + +Pompen, o. w. -- De Pomp in beweging brengen. Het schip lens P-- +(van water bevrijden). + +Spreekwijze: Loop P-- (ga heen en doe uw werk). + +'t Is P-- of verzuipen. ('t Is een hachelijke omstandigheid, waarin +men de laatste middelen tot redding by de hand moet nemen). + +Het met P-- boven houden (het ter naauwer nood ophouden). + +Laatze P-- die kou hebben (die niet beter geleerd hebben). + +Alles komt af behalve P-- (men wordt van alles, behalve van één last, +ontslagen). + +Die nood heeft moet P-- (die in slechte omstandigheden is, moet +werken). + +Pompbout, z. n. m. -- Soort van houten vierkante pen, die tot sleutel +van de Pomp dient. + +Pompdaal, z. n. v. -- Kleine buis op het dek, die het water ontfangt. + +Pompemmer, z. n. m. -- Emmer, die in de Pomp hangt. + +Pompgat, z. n. o. -- Gat, aan de zijde der Pomp aangebracht, en +waaruit het water door een arm in het spygat wegloopt. + +Pompgek, z. n. m. -- Hefboom, die de Pomp doet werken. + +Pomphartjen, z. n. o. -- Houtjen aan den pompstok, dat de gedaante +heeft van een Hartjen. + +Pompketel, z. n. m. -- Looden bak, met verscheiden gaten doorboord +en aan den voet van de Pomp vastgespijkerd, om te beletten, dat de +vuilnis uit het ruim er in kome. + +Pompkleed, z. n. o. -- Bekleeding van de Pomp. + +Pompkrabber, z. n. m. of Pompschraper. -- Soort van Krabber aan een +steel, dienende om de Pomp van binnen schoon te maken. + +Pompschraper, z. n. m. -- Zie Pompkrabber. + +Pompslag, z. n. m. -- Het water, dat by elken slag de Pomp uitloopt. + +Pompstang, z. n. v. -- Yzeren stang, waar de Pomp mede in beweging +wordt gebracht. + +Pompstok, z. n. m. -- Het op en neder halen van den Pompstok. + +Pompstok, z. n. m. -- Houten Pompsteng. + +Pompzoode, z. n. v. -- Houten schotwerk, geplaatst in de kiel van +een schip, om den voet van den grooten mast en om de Pompen, om ze +te beveiligen tegen het stooten van ingestuwde voorwerpen. + +Pompzuiger, z. n. m. -- Cylindrische holle doos, die in de buis der +pomp sluit en dan boven met een klep voorzien is, die zich opent om +het water te laten rijzen als men den Zuiger nederdrukt en zich sluit +om het te houden wanneer de Zuiger rijst. + +Pont, z. n. v. of Schouw. -- Platte opene schuit, langs een touw heen +en weder loopende en dienende om rijtuigen en paarden enz. van de eene +naar de andere zijde van een rivier of vaart te vervoeren. Een TurfP-- +(een plat turfschip): + + + Flucx slaet de trommel: men bevraght platboômde Ponten + En schepen met geschut, met krijghstuigh, kruit en lonten. + + Vondel. Verovering van Grol. + + +Pontons, z. n. v. mv. -- 1o. Groote en zware Ponten, die men in de +legers gewoon is tot schipbruggen te gebruiken. + +2o. Onttakelde schepen, tot bewaring van krijgsgevangenen ingericht. + +Pool, z. n. v. -- 1o. Aspunt: ieder der beide uiteinden van de as, +waarom de hemelsfeer in 24 uren schijnt te draaien, alsmede ieder der +beide aspunten van den aardbol. De P-- en der waereld. De NoordP-- +(die aan de noordzijde). De ZuidP-- (die tegen de NoordP-- overstaat). + +2o. Punt, waar de zeil steen het sterkst aantrekt. Magnetische P--en. + +Poolshoogte, z. n. v. -- De boog van den meridiaan begrepen tusschen +den naasten hemelpool en den horizon der plaats waar men zich +bevindt. Zie Hoogte. P--nemen (de breedte onderzoeken). + +Spreekwijze: Hy neemt P-- (hy doet onderzoek, hoe 't met de zaak +gelegen is). + +Poort, z. n. v. -- Vierkante opening in 't scheepsboord. Zie +Ballastpoort, Geschutpoort. + +Poortdrempel, z. n. m. -- Zie Drempel. + +Poortgat, z. n. o. -- Zie Geschutpoort. + +Poortklep, z. n. m. -- Klep, die op en neder valt en dient om een +Geschutpoort af te sluiten. + +Poortlaken, z. n. o. -- Friesch of duffelsch goed, dat door de +kalefaten gebezigd wordt; ook bepaaldelijk dient om de Poorten dicht +te stoppen. + +Poorttalie, z. n. v. -- Talie, waarmede de Poorten geopend worden. + +Poorttalieblok, z. n. o. -- Blok, waardoor de Poorttalie loopt. + +Pop, z. n. v. -- 1o. Stuk leder of met leder bekleed zeildoek, om +het eind van een touw gebonden, tegen het inwateren en uitrafelen. + +2o. De punt van het zeil, waarmede het in 't midden by het vastmaken +wordt opgehaald, zoo dat het glad vast zit. Het zeil in een P-- +vastmaken. + +Poplijn, z. n. v. -- De lijn, waarmede het zeil by 't vastmaken in +'t midden wordt opgehaald. + +Porren, b. w. -- De wacht oproepen. + +Portuurlijn of Partuurlijn, z. n. v. -- Lang touw, dat door de +kraanbalk heenloopt, boven welke het met een knoop wordt vastgehouden, +en dat het anker als het uit het water oprijst, of geworpen zal worden, +by den ring vasthoudt. + +Post, z. n. m. -- 1o. (veroud.) of Schacht n. l. van het roer. + +2o. Plaats. Ieder op zijn P-- (komm.). + +Potdek, z. n. o. -- Zie Boeiplank, Schanddek. + +Potdeksel, z. n. o. -- Planken bedekking van de koppen der inhouten, +dienende om de inwatering te voorkomen, en veelal tevens een gewichtig +langsscheeps verbanddeel uitmakende. + +Pothuis, z. n. o. -- (veroud.) voor Plecht. + +Praaibeurt, z. n. v. -- Ieder ter reede liggend oorlogsvaartuig is +op zijne beurt met het Praaien belast. + +Praaien, b. w. -- 1o. In zee ontmoeten en toespreken. (Het schip +heeft de Ceres op de hoogte van St. Helena Gepraaid). + +2o. De bestemming, herkomst, lading, natie enz. van een uitgaand of +binnenkomend koopvaardyschip afvragen, wat door een oorlogsvaartuig +geschiedt. + +Spreekwijze: Iemand P-- (iemand tegen 't lijf loopen, ontmoeten, +toespreken). + +Praam, z. n. v. -- 1o. Schouw, plat vaartuig. Een MestP--, een +ModderP--. + +Spreekwijze: Een mannetjen om in een P-- te zetten (een ventjen, +dat niet veel te beduiden heeft). + +2o. Pladbodems kustvaartuig, met acht tot tien stuks geschut gewapend. + +Praauw, z. n. v. -- Indisch platboômsvaartuig, waarmede de lading wordt +gelost of aan boord gebracht. RooversP-- (groot zeil- en roeivaartuig, +waarvan zich de Indische zeeroovers bedienen.) De grootste P--en zijn +opgehoogd met zoomwerk. De zwakste voeren uitleggers, die ze beletten +om te slaan. + + + En Tarter en Sinees, en wie, verhit op buit, + Met oorlogsjonk en praeu op 't water rooft en ruit. + + Antonides. IJstroom. + + +Prangen, o. w. of Knijpen. -- By harden wind onder zeil blijven, +om boven een punt te geraken. + +Prezenning, z. n. v. -- Dekkleeden van geteerd zeildoek, die men over +de luiken of goederen werpt om ze tegen instortend water te beveiligen. + +Spreekwijze: Hy is zoo vlug als een spin op een P--. (Hy is langzaam +in zijn beweging). + +Pressen, b. w. -- By letterkeer, 't zelfde als Perssen: alzoo: iemand +tegen wil en dank doen voortgaan: van hier: iemand dwingen dienst te +nemen, gelijk dit in Engeland geschiedt in tijd van oorlog. Volk P--. + +Priel, z. n. m. -- Naauwe doortocht. + +Priem, z. n. m. -- Puntig yzer. LaadP-- Yzer, waarmede de kardoezen +door het laadgat worden opengeboord om te ontbranden wanneer het +laadkruid wordt aangestoken.--Marl P-- die tot het splitsen van touw +gebruikt wordt. + +Prop, z. n. m. -- Stop van werk, hooi, stroo, smeer, hout of andere +zelfstandigheid, waarmede een opening wordt gedicht.--van kabelgarens, +(waarmede de lading in het kanon wordt aangezet). + +Provoost, z. n. m. -- Hy, die aan boord belast is met de bediening +van rollezer, stille ronde, lantaarnwachter by de kruitkamer, cipier, +stokkeknecht, bekeuring-aanzegger, scherprechter enz. + +Provoostlantaren, z. n. v. of Dievelantaren. -- Lantaren, waarvan het +licht verborgen is: aldus genoemd, om dat de Provoost er zijn stille +ronde meê doet. + +Prijs, z. n. m. of Prijsschip. -- Buitgemaakt schip. Een schip P-- +verklaren (er metterdaad bezit van nemen). Een P-- bemannen (er volk +op overbrengen). Een P-- verbranden, in den grond boren, in een haven +binnen brengen. + +Spreekwijze: 't Is P-- ('t is binnen, 't is genomen). + +Prijsgeld, z. n. o. -- Aandeel in de opbrengst van den buit. + +Prijsrechter, z. n. m. -- Hy, die de verdeeling van het Prijsgeld +bepaalt. + +Pul, z. n. v. -- Aarden of metalen kan, waarin de drank aan boord +bewaard wordt. + +Put, z. n. v. -- Oude benaming van de Pompzoode of Durk. + +Putger, z. n. m. (veroud.) -- Lager officier op een schip. Mesonauta, +minister abjectus in navi wordt hy by Kiliaan genoemd. + + + De wachter van 't kajuit, de Putjer, de Provoost, + + +zegt Vondel, Lof der Zeevaart.--En in zijn Harpoen: + + + Had hy niet reê geweest voor putjer en koksjongen. + + +Waarschijnlijk is 't woord van Puts afgeleid en beteekent den man, +die 't schip schoon maakt. + +Puts, z. v. v. -- Brandputs, emmer, brandbalie. Lederen emmer, zwart +geverwd met een geel nummer, en dienende om by brand water aan te +brengen.--Slag P-- zeildoeken P-- tot schoonmaken van 't dek. + +Puttings, z. n. v. mv. -- of Puttingwant. Touwen, die, aan de +Puttingyzers vastgemaakt, van onder de mars schuins afdalen, en, +door het onderwant gaande, aan den mast bevestigd zijn. Zy dienen om +het stengewant te zetten. + +Spreekwijze: Uit de achterste P-- vallen (reddeloos verloren zijn, +omdat men als dan terstond achter het schip is). + +Puttingwant, z. n. o. -- Zie Puttings. + +Puttingwerk, z. n. o. -- Zie Puttingyzers. + +Puttingyzers, z. n. o. mv. of Puttingwerk. -- Platte yzers, aan de +zijwanden van de mars staande, boven aan met juffers (doodshoofden) +en onder aan met oogen voorzien, dienende op het stengewant boven en +het Puttingwant onder, vast te maken. + +Pijlstaart, z. n. o. -- Naam van een schip of vaartuig, 't welk breed +van voren en achter smal is. + + + + + + + +Q. + + +Quarantaine, z. n. v. -- Gedwongen verblijf, 't welk schepen, personen +of goederen, die van een besmette of van besmetting verdachte plaats +komen, voor een langen of korten tijd genoodzaakt zijn op een bepaalde +plaats te houden. + + + + + + + +R. + + +Ra, z. n. v. -- Lange, ronde spier, aan een mast of steng +hangende en dienende om een zeil op te houden, welks bovenzijde +er aan verbonden wordt. Groote R--, Fokke R--, Groot MarszeilsR--, +VoormarszeilsR--, VoormarseR--, BramzeilsR--, BramR--, KruiszeilsR--, +KruisR--, BagijnR--, (waaraan geen zeil hangt), KruisbovenbramsR--, +BovengrietjensR--, Blinde R-- (die onder den boegspriet geheschen +wordt om het want der lijzeilspieren van de kluivers op te houden) +enz. Van de R-- vallen (plach een straf aan boord te zijn). + +Raam van kiel en stevens, z. n. o. -- Het langsscheeps raamvormig +samenstel, dat den grondslag uitmaakt der samenstelling van een schip. + +Raband, z. n. m. -- Kort touw, dienende om voorwerpen samen te +binden. R--en, waarmede een zeil wordt aangeslagen (waarmede het aan +de ra wordt vastgemaakt). + +Rabatschaaf, z. n. m. -- Soort van schaaf. + +Rabatten, b. w. -- Dichtschaven. + +Rabatyzer, z. n. o. -- Spijkeryzer, dat in plaats van snede een half +cirkelvormige keep heeft. + +Rad, z. n. o. -- Wiel, dienende om het roer te besturen. + +Raderboot, z. n. v. -- Boot of schuit, die door middel van raderen +in beweging wordt gebracht. + +Raderkast, z. n. v. -- Half cylindrisch getimmerte, met geverwde +planken bekleed, en de raderen eener stoomboot boven de waterlijn +overdekkende. + +Rafeling, z. n. v. -- Kabbeling of brabbeling in het water. De klip is +alleen kenbaar aan een geringe R--. StroomR-- die by 't kenteren van +'t tij plaats heeft. + +Rafian, z. n. v. -- Klein vaartuig, met een enkel latijnzeil, op de +Middellandsche zee in gebruik. + +Rahout, z. n. o. -- Sent van de gilling, sent die het scheepsboord +op de hoogte der loopgangen sluit, en op groote schepen als een soort +van Barghout kan worden aangemerkt. + +Rak, z. n. o. -- 1o. Met leder bekleed touw, waarmede de ra tegen +den mast of steng wordt gehouden: het is met vet besmeerd, om het by +'t ophijschen of strijken van de ra, om den mast of steng te doen +glijden: kleine vaartuigen hebben voor hun lichte razeilen een soort +van kraag, bestaande uit houte ballen, aan een lijn geregen. Fokke, +groot- en groot MarseR--, BramR--. De kluiverbeugel dient tot R--. + +2o. Zeegat. + + + Hier keert hy z'achter 't rif van Schagen, + Daar in het Amelandsche rak. + + Oudaan. Zweedse Hoogmoed. + + +3o. End zees of weegs, dat men nog te zeilen heeft. + +Spreekwijze: Daar is een R--jen in den wind (daar is eenige hapering +of tegenspoed). + +Raketting, z. n. v. -- Ketting, die de Ra vasthoudt. + +Rakketalie, z. n. v. -- Talie, waarmede de Rakken worden vastgezet, +ten einde het stooten van de ra te beletten, of bygevierd zijnde +ruimte geven om de ra by-de-wind te brassen. + +Rakketros, z. n. m. -- Tros of lijn, die het Rak ophoudt. + +Rakring, z. n. m. -- Yzeren ring, die tot Rak dient aan de kleine Raas. + +Ralijk, z. n. o. -- Bovenlijk van een zeil, dat aan de Ra vastzit. + +Ram, z. n. m. of Ramblok. -- Kort, zwaar en vierkant stuk hout, dat, +door vele lieden in beweging gebracht, dient om op wiggen te bonzen, +die een schip in beweging moeten brengen om het van stapel te doen +loopen. + +Ramhout, z. n. o. -- Werktuig, by het mastemaken in gebruik. + +Rammen, b. w. -- Wegbonzen, als met de palen by 't afloopen der +schepen geschiedt. + +Rampaard, z. n. o. of Rolpaard. -- Scheepsaffuit. In de oude +ordonnantiën staat veelal Rappaert. + +Rand, z. n. m. -- Wordt voor den Top van een mast genomen b. v. in +de uitdrukking De zeils op den R-- laten loopen (de marszeils neer +te stijken). + +Randgaar, z. n. v. -- Buitenverband. De R-- van een boot. + +Rank, b. n. -- Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het, by geringen +wind, sterk overhelt. + +Rantsoen, z. n. o. -- 1o. Hoeveelheid brood, mondkost, drank enz. die +aan de manschap wordt uitgedeeld. Anderhalf R-- (onderofficiers +R--.) Enkel R-- (matrozen R--). + +2o. Voor Rantsoenhouten. + + + De ronde kimmen en rantsoenen zijn beloopen + Van schuim, door zulk een slagh oprijzende uit den grondt. + + Antonides. IJstroom. + + +Rantsoenhouten, z. n. o. mv. -- Twee overhellende en vereenigde stukken +hout die op den achtersteven dragen en naar de hoogste spanten van +den achterboeg oprijzende, een deel uitmaken van den spiegel. + +Randsoenkist, z. n. v. -- Aan ieder bak is een R--, die tot berging +van 't Rantsoen en tevens tot etenstafel dient. + +Rappaerd. -- Zie Rampaard. + +Ras, z. n. v. -- Wiel, draaikolk. Daar gaat een tij als een R-- +(een gevaarlijk tij.) De R--sen van Portland, van de Saintes. + +Raschip, z. n. o. -- Vierkant, of met Razeilen getuigd schip. Men +zegt een R-- in tegenstelling van een smakschip. + +Razeil, z. n. o. -- Zeil, dat aan de Ra is vastgemaakt. Het R-- +nae den wint opgehaelt hebbende, hielden sy het nae den oever +toe. Handel. XXVII. 40. + +Recherche-vaartuig, z. n. o. -- Vaartuig met Rijks ambtenaren aan +boord, dat zich aan de zeegaten en op de groote binnenwateren ophoudt, +om de schepen te onderzoeken, en tegen alle soorten van sluikery +te waken. + +Recht, z. n. o. -- Belasting. In- en Uitgaande R--en (Rechten op +sommige, het Rijk binnenkomende en uitgaande goederen) R--en van In-, +Uit- en doorvoer (de heffing daarvan is geregeld en de bepalingen +tot die heffing betrekkelijk zijn te vinden in de Algemeene Wet +van 26 Augustus 1822). Zie verder: AfscheidsR--, StrandR--, ZeeR--, +ZeilR--, WaterR--. + + + Tot hem een kogel heeft vooruit naar God gezonden, + Om wraak te eischen voor 't geschonden waterrecht. + + Brandt, Grafschrift op de Haas. + + +Recht, bw. -- 1o. Het tegenovergestelde van scheef. R-- liggen, +R-- zijn, wordt van een schip gezegd, wanneer het aan geene zijde +overhelt. Het schip R-- leggen, R-- stuwen (het in evenwicht brengen). + +2o. Rechtstreeks, in een rechte lijn, langs den kortsten weg. Wy +varen R-- op de haven aan: Wy zetten R-- door naar Sina koers. + +Spreekwijze: R-- door zee (zonder omwegen, op eerlijke wijs). + +Recht van onderzoek. -- Recht om alle schepen in zee te onderzoeken, +ten gevolge het traktaat op 23 December 1841 tusschen de Groote +Mogendheden ter krachtige beteugeling van den slavenhandel gesloten. + +Rechten, b. w. of Richten. -- Recht-op zetten, b. v. een schip, +dat helt. + +Rechtwijzend, b. n. o. -- Zie Kompas. + +Reddeloos, b. n. -- Zwaar beschadigd. Dat schip is R-- geschoten +(is door het vyandelijk geschut van zijn tuigaadje beroofd, zoo dat +het onbekwaam is tot zeilen.) + +Reddingboei, z. n. v. -- Groote drijvende ring of worst, van kurk +of andere zelfstandigheid met wasdoek overtrokken, en welke men aan +iemand, die in zee gevallen is, toewerpt, ten einde hy zich met behulp +daarvan zoo lang boven water houde, tot men hem te hulp kan komen. + +Reddingboot, z. n. v. -- Boot, ingericht om door de hoogste branding +in zee te gaan ter redding van schipbreukelingen. + +Reede, Reê, z. n. v. -- Zee, gedeeltelijk door land ingesloten, en +aan de vaartuigen een ligplaats verschaffende, waar zy min of meer +tegen wind en stroom beveiligd liggen. Besloten R-- (die geheel beschut +is.) Open R-- (die gedeeltelijk aan den zeewind is blootgesteld.) Op de +R-- brengen, op de R-- gaan liggen (een haven verlaten om het anker te +werpen op de R--.) Een schip op de R-- halen. Ter R-- liggen. De R-- +van Texel, van 't Vlie. + + + Eerst keek ik door een kleine ruit, + Naar oost en west en noord en zuid, + Nu kijk ik door een grooter glas, + Maar zie de ree van Texel pas. + + C. Loots. 't Prinsenhof. + + +Somtijds wordt ook de stad zelve, waar de R-- aan gelegen is, met +dien naam bestempeld. Zoo zegt Vondel in zijn Lof der scheepvaart. + + + Elck deser steden was een wijdvermaarde Reede. + + +En de stad Goedereede of Goeree heeft er haar naam van. + +Reeder, z. n. m. -- Hy, die een vaartuig uitrust of helpt uitrusten ter +kaap- of koopvaart. De rechten en verplichtingen der R--s onderling +tot den schipper, enz. zijn bepaald in het Wetb. van Kooph. II B II +T. art. 320-340. + +Reeden, b. w. -- Uitrusten, gereed maken. + +Reedery, z. n. v. -- Maatschap van Reeders. Zie Reeder. + +Reef, z. n. v. -- Smalle strook zeils. Zie Rif. + +Reeling, z. n. v. -- Samengetr. uit Regeling. Het dek tot aan de R--s +vol water. + +Reep, z. n. v. -- End touw. Zie DraaiR--, KlokR--, ValR-- enz. + +Reeven, o. w. -- Reven innemen, insteken; de zeilen inkorten. Dicht +Gereefde zeilen (alle zwevende zeilen vastgemaakt, verkort). Voor +Gereefde fok lenzen voor 't Gereefd grootzeil byleggen. + + + Reef, o reef en plooi somwijlen + Het al te zwellend zeil en schroom het overijlen. + + Bilderdijk. Ziekte der geleerden. + + +Regalen, z. n. o. mv. -- Stukgoederen, niet tot de lading behoorende. + +Regatta, z. n. v. -- Zeiloefening te Venetiën. + +Regelingen, z. n. v. mv. -- Kromme en met snijwerk voorziene lijsten, +die den zwanenhals zijdelings schoren, de wanden van het galjoen +helpen vormen, en tot steun dienen van den botteloef. + +Regen, z. n. m. -- Water, dat in druppelen uit den hemel valt. + +Spreekwijze: + + + R-- breekt geen masten + Maar maakt slappe gasten. + + +Na R-- komt zonneschijn (voorspoed volgt op tegenspoed). + +Reggen, b. w. -- De masten in lichte vaartuigen leggen: een mast op +zijn Reg of rug leggen. + +Reilen, o. w. -- Thands buiten gebruik; maar dat, even als 't +Eng. reel, "draaien" beteekend moet hebben. Het is alleen nog gebleven +in de + +Spreekwijze: Zoo als het Reilt en zeilt (zoo als het daar is: met al +zijn toebehooren):--ten zij men hier Treilt en zeilt moet lezen. (Zie +Treil). + +Reiltop, z. n. m. -- Vlaggestok. + +Reis, z. n. v. -- Tocht. De schepen hebben een voorspoedige R-- +gemaakt. Wy hebben zwaar weer op R-- gehad. De terugR-- was beter +dan de heenR--. De R-- aannemen (vertrekken). + +Spreekwijze: De groote R-- aannemen (sterven). + +Retoer, z. n. v. -- 1o. Retoervracht, teruglading. Goederen, die +een schip voor zijn terugreis inlaadt en ruilt tegen die welke het +heeft aangebracht. + +2o. De voordeelen dier terugvracht. De R--en zijn niet voordeelig +geweest (De terugvracht heeft slechte rekening gegeven). + +Retoerschip, z. n. o. -- Schip, dat terugkeert. In de oorlogen met +Engeland werden veel Retoerschepen door den vyand genomen. + +Retoervloot, z. n. v. -- Naam, welken men plach te geven aan de +vloot der Kompagnie, die uit de volkplantingen naar 't moederland +terugkeerde. De O. I. R--. De W. I. R--. + +Retoervracht, z. n. v. -- Zie Retoer. + +Reveille, z. n. v. -- Trommelgeroffel, dat met het krieken van den +dag plaats plaats heeft om het volk aan boord te wekken. + +Rib, z. n. v. -- Strook houts, of balk, waarvan de verzameling +het geraamte van een schip uitmaakt even als de R--ben dat eens +menschenlichaams. + + + Ja, dan stoven balk en ribben uit de slingerende kiel. + + K. W. Bilderdijk. Ralowsburg. + + +Ribbetjen, z. n. o. -- Kleine Rib. Het R-- van een luik; het R-- +onder den bovensten spiegelboog. + +Richten, b. w. -- Rechten, stellen. Zie Rechten. Het Geschut +R-- (pointeeren). Op het kernschot R--, recht vooruit R-- (het +mikpunt horizontaal nemen en het stuk in het midden van de poort +stellen). Schuins R--, baksen (de monding van het stuk naar den kant +van het voor- of van het achterschip wenden). Op het vaste boord, op +den romp R-- (het mikpunt op het midden der hoogte van het vyandelyk +schip nemen, in de richting van den grooten mast.) Op een grondschot +R--, dompen (het mikpunt beneden de waterlijn nemen.) Dat tuig is goed +Gericht, d. i. de raas zijn vierkant en waterpas gebrast en getopt. + +Riem, z. n. m. of Roeispaan: -- min of meer lange spaan, tegen het +uiteinde waarvan een platte lepel of blad vastgespijkerd is, en +met behulp waarvan men het water terugdrijft en een vaartuig doet +voortgaan. Met een R-- sturen (door middel van een R-- in plaats +van roer, het vaartuig in zijn richting houden.) RoeiR--, StuurR--, +met kracht van R--en. Dubbele R--en (korte R--en, wier lengte twee +roeiers op denzelfden bank gedoogt). Enkele R--en (waarvan het end +binnen boords belet, dat er meer dan een roeier gezeten zij op elken +bank.) ScheepsR--en (zeer lange R--en, welke men door de geschutpoorten +van het achterschip brengt om brikken en lage vaartuigen by groote +stilte in beweging te brengen.) R--en snijden (met het vlak boven water +houden.) Vaartuig van N R--en (zoodanig ingericht, dat men N R--en kan +gebruiken om het voort te roeien.) Twintig R--en te water! (komm. om +20 R--en uit te brengen.) R--en op! R-- te boord (komm.). + +Spreekwijze: Eerst in de boot, keus van R--en (wie eerst komt, die +eerst maalt). + +Men moet roeien met de R--en die men heeft (men moet zich van de +bestaande middelen of werktuigen bedienen, al zijn zy de beste niet). + +Hy roeit met zijn eigen R--en (hy beproeft zijn eigen krachten). + +Iemand op zijn eigen R--en laten drijven (niet naar hem omzien, +hem laten voortsukkelen). + +Een R-- onder 't zeil steken (met een R-- aan den lijkant roeien, +om het vaartuig meer aan-de-wind te houden: alzoo: meer kracht of +vaart aan de zaak byzetten). + +De R--en binnenhalen (de zaak laten varen). + + + De siel is als een boot, die met ons gants vermogen + Wort tegen stroom geroeit en krachtig opgetogen + Gewis soo ons de riem maar eenmaal stille staat + Is 't zeker, dat de schuit in haast te rugge gaat. + + Cats. + + +Riemblad, z. n. o. -- Het blad, of plat van een Riem, waarmede het +water in 't roeien geschept wordt. + +Riet, z. n. o. -- Biezen, gewas, dat zich in de binnenwateren en ook +aan den mond der rivieren veelvuldig voordoet. + +Spreekwijze: De boot in 't R-- sturen (iets in de war sturen: omdat een +schipper, zijn vaartuig in 't R-- sturende, zeker is, vast te raken). + +Rietpark, z. m. o. -- Weer, vischput: soort van omtuining, met staken +enz. aan den oever der zee gemaakt, om visch te vangen en te bewaren. + +Rif, z. n. o. of Reef, beide in 't mv. Reven. -- 1o. Gedeelte of strook +van een zeil, die by te sterken wind moet worden ingenomen. Een R-- +insteken, innemen (het zeil in zijn hoogte inkorten). Een R-- uitsteken +(de seizings, die het op de ra vasthielden, weder los maken.) Aan +het laatste R-- zijn al de Reven inhebben. + +Spreekwijze: Een Reefjen inbinden (zijn staat verminderen). Een +Reefjen losmaken (als men zich vol gegeten of gedronken heeft, een +broek- of vestknoop losmaken, om wat luchtiger te zijn). + +2o. In 't mv. Rifs, Riffen: Rei van klippen, koraalbanken, enz., de +gedaante hebbende van een Rib, welk woord oorspronkelijk dezelfde +beteekenis had als R--. Het Schager R-- (een plaat aan den mond +der Oostzee). + + + Hier keert hy ze achter 't rif van Schagen + Daar in het Amelandsche rak. + + Oudaan. Zweedse hoogmoed. + + +Rifband, z. n. m. -- Zie Seizing. + +Rifleuvers, z. n. m. mv. -- Zie Leuvers. + +Riflijn, z. n. v. -- End touw, dat in het rif van het onderzeil +gestoken wordt om het op het onderlijk te reeven. + +Riftalie, z. n. v. -- Touw, waarmede het zeil by het reeven aan de +nok van de ra wordt uitgehaald. + +Riggel, z. n. m. -- Regel, lat; strook houts, die op de naden tusschen +de planken gespijkerd wordt. + +Ring, z. n. m. -- Cirkel van yzer, hout of koord. Zie AnkerR--, +RaR-- enz. + +Ringbout, z. n. n. -- Yzeren of metalen bout, met een ring er aan, +in het boord gedreven en dienende om de rolpaarden tegen boord te +halen en vast te maken: ook midscheeps in het dek om het geschut +achteruit te halen. + +Rob, z. n. v. -- De maag van groote visschen. + +Spreekwijze: Hy slokt het al in zijn R-- (hy haalt alles naar zich +toe). + +Roede, z. n. v. -- Ra, die in schuinsche richting aan den bezaansmast +hangt en dient om de bezaan op te houden. + +Roef, z. n. v. -- Overdekte plaats in post- of trekschuiten, en andere +kleine binnenvaartuigen, waarin zich gewoonlijk de passagiers bevinden +of waarin men by slecht weer gaat schuilen. De ingang tot de R-- +bevindt zich gewoonlijk tegen over den stuurstoel. + +Roei, z. n. m. -- voor Roede (veroud.) voor Riem. + +Roeidol, z. n. -- Opstaande pen in het boord van een roeivaartuig +geslagen om de riemen tegen te houden. + +Roeien, o. en b. w. -- Een vaartuig door middel van Roeien, of +Riemen besturen. Met lange slagen R--, overlangs R-- (zoo dat elke +riemslag een gelijken cirkel beschrijft en met kracht aangehaald +wordt.) In-de-wind R--, op het zeetjen R-- (tegen wind, tegen stroom +R--.) Stuurboord, bakboord R-- (zich alleen bedienen van de riemen, +die rechts of links geplaatst zijn.) Gelijk R-- (van beide zijden +R--en.) R-- die klaar is, ophalen (de eenige riemen, die gereed zijn, +gebruiken). Met hangende bladen R-- (R-- zonder het water te doen +opspatten.) Komm. Geroeid! (uitscheiden, ophouden met roeien). + +Spreekwijze: Men moet R-- met de riemen die men heeft (men moet zich +weten te behelpen). + +Tegen den stroom is 't kwaad R-- (het is moeilijk, zich tegen de +openbare meening, de omstandigheden, of een overmachtigen invloed, +te verzetten). + +Hy Roeit er aan of onder (hy heeft er de hand in). + +Onder het staande zeil is goed R-- (het gaat gemakkelijk als men rijk +is, of als men krachtige hulp heeft). + + + Onder 't zeyltjen is goed roeyen, + Want 't sal niemant light vermoeyen. + + Cats. + + +Met tien riemen naar lager wal R--. (Den boel opmaken, zoo dat men +'t verderf te gemoet gaat). + +Roeier, z. n. m. -- Hy die roeit. Een handig R--. Een sloep met tien +R--s bemand. + +Roeiklamp, z. n. v. -- Klamp, op het dolboord geplaatst om steun aan +den riem te geven. + +Roeistrop, z. n. m. -- Strop, aan den roeidol vastgemaakt, dienende +om er een riem door te steken. + +Roeper, z. n. m. -- of Scheepsroeper. Blikken of koperen +spreektrompet, met behulp waarvan men zich op verren afstand kan +laten hooren. Enkele R--. SchuifR--. Groote R-- (die ingeschoven kan +worden.) GevechtsR--. BatteryR-- (die recht op en neêr de bevelen, +die boven gegeven worden, in de batteryen doet verstaan). + +Roer, z. n. o. -- Getimmerte, waarvan de beide zijden evenwijdig +uitgestrekt en gelijk zijn, terwijl haar dikte onbeteekenend is in +verhouding tot haar overige uitgebreidheid. Het R-- is onmisbaar aan +elk zeevaartuig, om de werking, welke het ontfangt, daaraan mede te +deelen, en er een horizontale wending aan te geven, waartoe zijn +stelling aan het achterschip het in staat stelt. Hoek van het R-- +(hoek, welken het R-- beschrijft, en die nooit grooter wezen kan dan +34 graden.) Het R-- over een ander boord leggen (de tegenzijde van +het R-- aan den aandrang van het water blootstellen.) Het R-- verkeerd +aan boord leggen (als het schip deinst of achteruitzet.) Uit zijn R-- +loopen (als door hooge zee het R-- uit het water komt.) Goed naar het +R-- luisteren, scherp op zijn R-- zijn (wordt een schip gezegd te doen, +wanneer het gemakkelijk de werking van het R-- volgt.) Aan het R-- +staan (sturen.) Te R-- staan. + + + En zoo lang om Noord en Zuyen + By den baas te roer gestaen. + + Huyghens. + + + Het grootst gewelt, de grootste kraght + Wort in den haast tot niet gebraght, + Ten zy dat wysheit voor en na, + Ten zy beleid te roere sta. + + Cats. + + +Spreekwijze: Het R-- in handen hebben (de zaak besturen). + +Het R-- van Staat (de regeering, het hoofdbewind). + +Hy is aan 't R-- gekomen (aan 't gezach). + +Hou uw R-- recht (val niet, waggel niet). + +Het R-- is van 't schip (er is geen orde of tucht). + +Het R-- ligt er naar (het moet er mede door). + +Zijn poos te R-- staan (zijn beurt hebben). + +Hy houdt het R-- in het water (hy houdt de zaak aan den gang). + +Men luistert niet naar het R-- (men is ongehoorzaam). + +Hy steekt het R-- in de heg (hy scheidt uit met varen, hy blijft +aan land). + +Hy hangt het roer aan de scheg (hy werkt geheel verkeerd). + +'t R-- aan boord leggen, en vast zetten (binden); dit geschiedt als +men voor storm bygedraaid is.--(Men heeft in tegenspoed alles gedaan +wat men konde doen, en moet nu op beter hopen.) + +Het hoofd is het R-- van 't schip. + + + 't Verstand, door 't dwalen van zijn werktuig, schokt en zwiert + Niet anders dan het roer dat heel de hulk bestiert. + + Bilderdijk, Ziekte der Gel. + + +Roerband, z. n. m. -- Yzeren band, waarmede het Roer bedwongen +wordt. Ende als sy de anckers opgehaelt hadden, gaven sy het schip +de zee over, met eenen de R--en losmakende. Handel. XXVII: 40. + +Roerganger, z. n. m. -- Man, die aan 't Roer staat. + +Roerhaken, z. n. v. mv. -- Haken, aan het Roer van een schip gehecht, +met pennen voorzien, die in de openingen van de vingerlingen komen. + +Roering, z. n. v. -- Bewoelingsbekleeding van den ring van het +Anker. Zie Ankerroering. + +Roerklomp, z. n. m. -- Zogklomp, hak, klik van 't Roer. Stukken +eikenhout, aan de schacht vastgeklonken en het buitenste, uitspringende +gedeelte van het Roer vormende. + +Roerpen, z. n. v. of Inspit. -- Hefboom, die met het eene einde in +de schacht vastzit, en met behulp waarvan men het Roer wendt. + +Roersleuf, z. n. v. -- Sleuf, welke men gewoonlijk vindt op den +smalsten rand van het Roer. + +Roerstel, z. n. m. -- Toestel, waarmede het Roer aan het schip hangt +en waardoor het draaien kan. + +Roertalie, z. n. v. -- Talie, met metalen kettingen aan het Roer +bevestigd en dienende om het vast te zetten. Ook Noodtalie genaamd, +omdat men er, wanneer de roerpen gebroken is, het roer door moet +besturen. + +Roezemoezig, b. n. -- Wild, onstuimig. R-- weer.--'t Ziet er R-- uit. + +Roezemoezen, z. n. m. mv. -- Yzeren of gegoten banden, die den +voorsteven aan de kiel vastbinden. + +Roffel, z. n. m. -- Soort van schaaf, waar het ruigste van de deelen +of planken meê wordt afgeschaafd. + +Spreekwijze: Hy loopt er maar met den R-- over (maar los over heen). + +Rog, z. n. v. -- Min geachte zeevisch. + +Spreekwijze: Was er slimmer R-- aan zee, die zoû my aan boord komen +(slechter kon ik het niet treffen). + +Rok, z. n. v. -- Lap prezenning, die ergends over getrokken is. + +Spreekwijze: Zijn R-- keeren (zijn huik naar den wind hangen). + +Rol, z. n. v. of Monsterrol. -- Algemeene lijst der namen en +hoedanigheden van al de personen aan boord, 't zij in dienst van 't +schip, 't zij passagiers. Geschutrol, waarby de manschappen aan de +batteryen zijn geplaatst. Zeilrol, waarby zy aan de onderscheidene +zeilen zijn verdeeld. Allarmrol, waarby ieder zijn plaats in 't +gevecht is aangewezen. Baksrol, waarby het volk in bakken is verdeeld. + +Roller, z. n. m. -- Zware golf. Er loopt een geweldige zee, met +gevaarlijke R--s recht de baai in. + +Rolling, z. n. v. -- Beweging van het water. Het rif is noch door R--, +noch door waterverkleuring op eenigen afstand zichtbaar. + +Rolpaard, z. n. o. -- Scheepsaffuit. + +Rolrand, z. n. m. -- Zie Kraalrand. + +Romp, z. n. m. -- Het lichaam van een schip, van mastwiek en tuigaadje +ontbloot. + +Ronde, z. n. v. -- Bezoek, 't welk een officier, 't zij aan boord, +'t zij in een haven, doet, om te zien of alles in orde is. + +Rondgat, z. n. o. -- Schip, waarvan de achtersteven Rond is. + +Rondhout, z. n. o. -- Hout, dat rond is, als masten, stengen enz. Al +zijn R-- is hem afgeschoten. + +Roos, z. n. v. -- 1o of Kompasroos. + +Spreekwijze: Onder de R-- (in 't geheim, omdat in de kajuit een kompas +van de zoldering plach te hangen en hetgeen daar gesproken werd dus +onder de kompasR-- verhandeld werd). + +2o. Zie Rozebouten. + +Rooster, z. n. m. -- 1o. of Roosterwerk. Verzameling houten, die +elkander rechthoekig kruisen en tot grondslag dienen voor een schip +in aanbouw. + +2o. Zware latten, in 't vierkant gekruist, die voor luiken op de +openingen van het dek gelegd worden en licht en lucht binnenlaten. Den +R-- klaar maken. De door den krijgsraad veroordeelde, wordt aan een +staanden R-- gebonden en met handdagen (zie Dag) afgestraft. + +Rosbank, z. n. m. -- Zie Dolbank. + +Rots, z. n. v. -- Steenen klip. De St. Paulus R--. Wy stooten op +een R--. + +Rozebouten, z. n. m. mv. -- Bouten van rond yzer, aan het achtereind +met een kop voorzien, en aan het vooreinde gedeeltelijk plat, met +dien verstande, dat er eenige dammetjens of neuten, Rozen genaamd, +aan gespaard zijn. In het gebruik verschillen zy van de Voorbouten, +dat er geen spijkers, maar vierkanten krammen over geslagen worden, +waartegen de Rozen steunen. + +Rug, z. n. v. -- Wordt het schip gezegd te hebben, of op te steken, +als het doorzet. + +Ruggeton, z. n. o. (veroud.) -- Net bewerkte inschuifplank, tot +ruggesteun dienende aan een officier, die achter in een sloep gezeten +is, en hem afscheidende van den man, die aan 't roer zit; thands: +Hekkebord. + +Ruggegraat, z. n. m. -- Zie Zwanenhals. + +Ruggepaarden, z. n. m. -- Touwen, gespannen tot steun van de Rug, +en om 't vallen te beletten. + +Ruilhandel, z. n. m. -- Handel, waarby koopwaren tegen goederen +verwisseld worden. De R-- wordt nog inzonderheid op de kusten +van Afrika gedreven, waar men, voor de aangebrachte goederen, +olifantstanden, stofgoud, gom, enz. in Ruil aanneemt. + +Ruim, b. n. -- By zee of sop gevoegd, heeft R-- de beteekenis van +"open, vol." Wy voeren het R--e sop in (de volle zee in). De R--e +zee kiezen (zich van de kusten verwijderen). + +Ruim, z. n. o. -- Binnenste diepte van een schip, van 't eene einde +tot het andere, onder het koebrugdek, of wanneer dit niet bestaat, +onder het tusschendek;--of gedeelte daarvan, als VoorR--, AchterR--, +WaterR--, WijnR--. + +Ruimbalken, z. n. m. mv. -- Zie Lastbalken. + +Ruimen, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy, eerst +minder gunstig zijnde, uit een meer voordeeligen hoek begint te waaien. + +Ruimen, b. w. -- Verlaten. De zee R-- (zich uit zee begeven). + +Ruimgast, z. n. m. -- Matroos, bekwaam om by laden en ontladen in +het Ruim te werken. + +Ruimschoots, bw. -- Den wind meer achterlijk dan dwars. Zie Schoot. R-- +zeilen. + +Ruimte, z. n. v. -- Voor: "de Ruime Zee" De R-- kiezen (zich in volle +zee begeven, ook: zich verwijderen uit gevaar). + +Ruischen, o. w. -- Bruischen: dof geluid, dat de wind of de zee +maakt. Hoort gy de golven R--? + +Ruitsgewijs, bw. -- Zie Orde. + +Rukwind, z. n. m. -- Wind, die plotslings en met felheid waait, +zoodat hy verhevenheden omver Rukt. + +Rusten, z. n. v. mv. -- Zware breede met yzeren band beslagen planken, +die, in hare breedte vlak liggende, aan het buitenboord ter hoogte +van het bovendek bevestigd zijn. Aan hare buitenzijde bevinden zich +de Rustyzers, die, schuins afloopende, in het boord zijn gehecht en +aan wier bovenkant de juffers (doodshoofden) vast zijn, waaraan het +staande want door de talreepen wordt vastgemaakt. De R-- dienen ook +om aan de onderwanden breeder te doen uitstaan en dus aan de masten +meer steun te geven. + +Rustyzer, z. n. o. -- Zie Rusten. + +Rustlijn, z. n. v. -- Touw, of keten, die het anker ophoudt als het +op den boeg ligt. + +Ruw, b. n. -- Onstuimig, wild. R--weer. + +Ry, z. n. v. -- Rang, gelid. Die schepen lagen in de eerste R--. + +Rijbed, z. n. o. -- Schaal, die het voorste van een ondermast bedekt. + +Rijden, o. w. -- Een schip wordt gezegd te R--, wanneer het voor +anker liggende vaartuig op en neder geslingerd wordt als een paard +dat galopeert. Hy is achter zijn anker ondergereden (gezonken). + + + Wat schaedt een ancker quyt, + Soo langh het schip in zee noch op een ander rijdt. + + Huyghens, Mengelingen. + + +Rijgen, b. w. -- Vereenigen, door een klein touw of een raband te halen +door gaten, langs de lijken, welke men wil te samen voegen. Een zeil, +een lijzeil, bonnet R--. + +Rijzen, o. w. -- Zich verheffen, overheengaan. Gemakkelijk op de zee +R-- (gemakkelijk over een golf heenglijden). + + + + + + + +S. + + +Saaiem, z. n. o. -- Zeer naauw gebreid net, gebruikelijk voor de +garnalenvisschery. + +Saiek, z. n. v. -- Soort van Levantijner vaartuig, met twee masten +voorzien en geen bramzeil voerende. + + + Welaen dan, zeit den Turk, met Saiken en Tartanen + En Roofgaleien, trots beschaduwt met zijn manen. + + Antonides, Bell. aen bant. + + +Salueeren, b. w. -- Zie Begroeten. Met het geschut S--. + +Saluut, z. n. o. -- Begroeting, eerbewijs, welke vaartuigen of vloten +elkander doen. Zie Begroeten. Het S-- weigeren. Het S-- beäntwoorden. + +Saluutschot, z. n. o. -- Schot, dat als groet of eerbewijs gelost +wordt. + +Samenvloeing, z. n. v. -- Plek, waar twee rivieren in elkander vloeien. + +Samoreus, z. n. v. -- Groote aak, aldus genoemd omdat zy oorspronkelijk +op de Sambre en Maas voeren, zijnde S-- een samentrekking van +Sambre et Meuse.--Het afkomen in grooten getale van dergelijke +vaartuigen te Amsterdam deed aan de groote brug over den Amstel +(den zoogen. Hoogesluis) waar zy onder door kwamen, den naam geven +van Samoreuzenbrug, 't welk in den Franschen tijd door misverstand +vertaald werd met le pont des amoureux. + +Samkyd, z. n. m. -- Turksch kustvaartuig. + +Sampan, z. n. m. -- Klein Sineesch of Japansch kustvaartuig, zonder +spijkers of bouten, en alleen met houten nagels vastgezet. + +Sandaal, z. n. m. -- Lichterschuit aan de noordkust van Afrika. + +Sas, z. n. v. -- Kom of bassin, in de lengte van een vaart uitgegraven, +om er het water in te vergaderen, dat men naar vereischten door de +sluis, boven welke het gebouwd is, laat afloopen. S-- van Gent. + +Satie, z. n. v. -- Soort van Levantijnsch vaartuigjen. + +Schaaf, z. n. m. -- Werktuig dienende om de oppervlakte van het +hout gelijk te maken. Met den S-- over een plank gaan.--De S-- bijt +niet. Het huis, het blok van den S--, BoogS--, BoorS--, PlatS--, +RondS--, VlakS-- enz. + +Schaal, z. n. v. -- 1o. Lijn, die in deelen wordt afgedeeld, +waarmede strepen, ellen, roeden, graden, minuten, mijlen, enz. worden +voorgesteld, en die op een plan of teekening gesteld, dient om de +betrekking der afstanden en hoegrootheden, op de kaart ons aangewezen, +met de wezenlijke afstanden en hoegrootheden aan te duiden, 't Woord +is van 't Lat. of Ital. scala (ladder, trap) en geheel iets anders als +scala, waar 't "schotel of schedel" beteekent. S-- van tien uur gaans, +S-- van tien mijlen. S-- van een lijn op de roede, van een Ned. duim +op de Ned. el. Die kaart is op een groote, op een middelbare, op een +kleine S-- vervaardigd. + +2o. Hier 't zelfde als schedel of Wang.--Stuk hout, van meerdere +of mindere lengte, een weinig hol aan de eene en bol aan de andere +zijde, en dat men tegen een ander aanbrengt om dit laatste te +versterken. BalkS-- (op een balk.) Waarlooze S--en (die aan boord zijn +om in geval van nood te dienen.) ZijS--en (die tot de samenstelling van +een mast dienen.) Hoofd-- (stuk hout, dat, op het achterste gedeelte +eener onderra gewangd, strekt om het verwijderd te houden van den mast, +waar het aan hangt). + +3o. De eerste en de laatste plank, die uit een ruwen balk gezaagd +wordt. + +Schaar, z. n. v. -- Snijdend werktuig, dienende om iets af te knippen +of van een te scheuren. De tongen van dien bank steken uit als een +geöpende S--. + +Schaarstokken, z. n. m. mv. -- Boordplanken, die hooger dan de overige +planken van het dek en op de balken gekeept zijn; zy begrenzen het +middel perk. + +Schacht, z. n. v. of Stander. -- Spier, steng. S-- (of koning) van +het roer (zwaar stuk hout, dat zich uitstrekt van den boven- tot den +onderkant van het roer en gelijk met den onderkant der kiel eindigt). + +Schade, z. n. v. -- Zie Zeeschade. + +Schadeloos, Schaêloos, b. n. -- Beteekent niet "zonder schade," +als men uit de gewone beteekenis van 't woord loos zou opmaken, +maar "met groote schade". Die schepen zijn S-- geschoten, zijn S-- +binnengeloopen, (zoo, dat zy geen schade meer kunnen doen). + +Schaffen, b. w. -- Opdisschen. Wat Schaft de kok van daag? + +Schafmeester, z. n. m. -- Die gesteld is, om voor de proviand te +zorgen. + +Schakel, z. n. m. of Schalm. -- Ring van een ketting. + +Schaken, b. w. -- Vieren, botvieren. Zie Afschaken. + +Schalen, b. w. -- Met Schalen voorzien, sjorren. + +Schalm, z. n. m. -- Ring van een ketting. Ketting van 100 S--en. + +Schalmen, b. w. -- Men noemt: De luiken S-- (de prezennings, waarmede +men die by ruw weer overdekt, met latten vastmaken). + +Schampdek, z. n. o. -- Zie Schandek. + +Schampen, o. w. -- Affluiten. Zie Afschampen. + +Schampscheut, z. n. o. -- Schot, dat afschampt. + +Spreekwijze: Het is maar een schampscheut. (Het heeft niet veel +te beduiden). + +Schandek, z. n. o. -- Ook wel schampdek genoemd, doch waarschijnlijk +Schansdek, als zijnde het Dek nevens de Schans of verschansing. + +Schans, z. n. v. of Verschansing. -- Het dek van het staande boord +des voorstevens wordt ook wel S-- genoemd. + +Schanskleed, z. n. o. -- Gekleurde strook laken, waarmede men de +schepen by feestgelegenheden bekleedt. In de masten zijn aan de +achterzijde twee yzeren staanders, waardoor een yzeren leider loopt, +aan welken de S--en gespannen zijn. + +Schanskleed, z. n. m. of Schanslooper (veroud.) -- Roerkleed, dat hy +aandoet, die by nacht of guur weer, de verschansing op en neder gaat. + +Schanslooper, z. n. m. -- zie Schanskleed. + +Schansnet, z. n. o. -- Net van lijnen, 't welk men aan boord van +oorlogschepen op yzeren leiders, die op staanders met dubbele armen +rusten, langs het staande boord spant en waartusschen zich geteerd +zeildoek bevindt. Daarin worden de kooien (hangmatten) gestuwd om +zich tegen het geweervuur van een vyandelijk schip te verschansen. + +Schaven, b. w. -- Met een schaaf arbeiden, Effenen. + +Schavielen, o. w. -- 1o. of Stukschavielen. Door gestadige wrijving +of schaving slijten en bederven. Dat touw begint te S--. 't Woord is +waarschijnlijk afkomstig van Schaven. + +2o. Het S-- van den wind (het langzamerhand veranderen van den wind). + +Scheep, bw. -- voor te scheep op of naar het schip. S--gaan, S--komen. + + + Scheep! Scheep! nu zijt getroost mijn lief! de tijt is kort, + + +zegt Gijsbreght tegen Badeloch. + +Spreekwijze: Die voor hond S-- komt, moet knoken eten (men wordt +geëerd al naar dat men zich voordoet). 't Zelfde beteekent: + +Daar men voor S-- komt moet men voor varen. + +Ga niet S-- zonder beschuit (neem by het aanvangen uwer onderneming +de behoorlijke voorzorgen in acht). + +Scheepjen, z. n. o. -- Klein Schip. Een net gebouwd S--. + +Spreekwijze: Op het wel afloopen van 't S-- (is een oud Hollandsche +dronk, ingesteld op de voorspoedige bevalling eener aanstaande +kraamvrouw). + +Zijn S--s op het drooge hebben (wat waarschijnlijk de oorspronkelijke +lezing is van het spreekwoord, in plaats van schaapjens, en met de +oude uitspraak van laatstgemeld woord overeenkomt). Zie Droog. + +Scheeprijk, z. n. v. -- Rijk aan Schepen. Een S--e Haven (een haven, +waar zich veel Schepen bevinden). + + + Waarby den welstant groeyt van de Scheeprijcke steden, + + +zegt Vondel in zijn Lofzangh op de Scheepvaart. + +Scheepsbehoeften, z. n. v. mv. -- Al wat tot de uitrusting van een +schip behoort. + +Scheepsbeschuit, z. n. v. -- Soort van harde Beschuit, die lang bewaard +kan worden, en daarom inzonderheid voor zeereizen wordt medegenomen. + +Scheepsbestier, z. n. o. -- 1o. Bestier over een Schip. + +2o. Bekwaamheid om een Schip te bestieren. + +Scheepsboord, z. n. o. -- Boord van het schip. + +Scheepsbouw, z. n. m. -- Kunst om Schepen te bouwen of het bouwen +zelf. De S-- heeft aanmerkelijke vorderingen gemaakt. Die stad heeft +haar meeste vertier van den S--. + +Scheepsch, bw. -- Is naauwelijks meer in gebruik dan in de volgende + +Spreekwijzen: Geen S-- verstaan (de taal der zeelieden niet verstaan: +overdrachtelijk: geen kennis van de scheepvaart hebben). + +Op zijn groot S-- (op zijn rijke-luis). + +Scheepsgebruik, z. n. o. -- Gewoonte aan boord der schepen heerschende. + +Scheepsgelegenheid, z. n. v. -- Gelegenheid om met een schip te +gaan. Hy is met S-- vertrokken. Hy moet aldaar lang verwijlen, by +gebrek aan S--. + +Scheepsgevecht, z. n. o. -- Gevecht tusschen schepen. + +Scheepsgezellen, z. n. m. mv. -- Manschappen. Hun rechten en +verplichtingen zijn vervat in het Wetb. van Kooph. Boek II Tit. IV, +art. 394-452. + +Scheepsjongen, z. n. m. -- Knaap, die aan boord het geringe werk +verricht. + +Scheepskist, z. n. v. -- Kist, die men aan boord noodig heeft. + +Scheepskok, z. n. m. -- Kok van een schip. + +Scheepskroon, z. n. v. -- Kroon van scheepssnebben, die by de Romeinen +vereerd werd aan den vlootvoogd na 't behalen van een zeetriomf, +en hoedanige in de allegorische voorstellingen op grafsteden van +zeehelden, op platen enz. veelvuldig voorkomen. + + + De zee Alciden, die zich wenschen in den brant + Te smoren, of bekranst met scheepskroon en laurieren, + In 't aanzien van de nijt, te helpen zegevieren, + + Antonides Bellone a. B. + + +Scheepslengte, z. n. v. -- Lengte van het schip als afstandsbepaling +gebezigd. Wy liepen hem twee S--n afstand vooruit. De sloep was, toen +zy zonk, naauwlijks eene S-- van ons af. Men moet die twee werken +een S-- uit elkaêr zeilen. + +Scheepsmakelaar, z. n. m. -- Makelaar, die zich met het bezorgen van +schepen, bevrachting enz. bezig houdt. + +Scheepsofficieren, z. n. m. mv.--Benaming van hen, die, op een +koopvaardyschip, onder den schipper met eenig bevel of toezicht +belast zijn, als de Stuurlieden, Bootslieden enz. Lees hun rechten +en verplichtingen in het Wetb. van Kooph. Boek II Tit. IV, art 394-452. + +Scheepsraad, z. n. m. -- Krijgsraad, die aan boord van een schip +belegd wordt. Wy moeten S-- beleggen. + +Scheepsrecht, z. n. o. -- Recht, aan boord van een schip gedaan. + +Spreekwijze: Drie maal is S-- (alle goede zaken bestaan in drieën): +het gezegde is daarvan herkomstig, dat aan boord vele zaken in drieën +gedaan worden. Zoo hoort men by het strakzetten van stag en want Een, +twee, drie! Zet aan! Zoo wordt een Hoezee driewerf aangeheven. Zoo, +wanneer een lijk, dat in zee begraven zal worden, op een plank aan +de valreep gelegd is, wordt het met een: een, twee, drie, in Gods +naam, over boord gezet. Een onbetamelijkheid gedurende het schaften +wordt met drie slagen gestraft: by welke gelegenheid hy die met de +kastijding belast is, de volgende formule opzegt: + +"Dat 's voor de bak" (meteen een slag op de bakskist gevende). + +"Dat 's voor je g--t." + +"Dat 's voor je kwaad doen." + +"En dat 's op dat je 't niet weer zult doen." + +Verspreekt hy zich, dan moet hy de kastijding zelf ondergaan. Deze +straf, waarby vooral zout op de bakskist moet gestrooid zijn, wordt +genaamd: "een kapjen." + +Scheepstimmerman, z. n. m. -- Handwerksman, die 't zij schepen bouwt, +'t zij masten, raas, of andere scheepstoebehooren vervaardigt. De +Oppertimmerman behoort aan boord tot de scheepsofficieren. + +Scheepstoebehooren, z. n. o. -- Masten, raas, enz. al wat tot de +tuigaadje van een schip behoort. + +Scheepstriomf, z. n. m. -- Overwinning, door Schepen behaald. + +Scheepstuig, z. n. o. -- 't Zelfde als Scheepstoebehooren. + +Scheepsvaarwater, z. n. o. -- Zie Vaarwater. + +Scheepsvolk, z. n. o. -- Zy die dienst doen aan boord van schepen. Zie +Manschap, Zeevolk. + +Scheepswerk, z. n. o. -- Werk, dat aan boord verricht wordt. S-- doen. + +Scheepvaart, z. n. v. of Zeevaart. -- De vaart met schepen. Handel +en S-- waren van ouds de bronnen onzer welvaart. Binnenlandsche S-- +(die op de binnenwateren wordt uitgeöefend). + +Scheer, z. n. v. -- of Schaar. Zoo worden die banken genaamd die in +twee verreuitstekende punten even als een geöpende schaar, uitloopen; +deze zijn daardoor gevaarlijker, dewijl men zich in een dier punten +kan vergissen. + + + Gesloopt, verzant, gestrant, op riffen en op scheeren. + + Vondel, het lof der Zeevaart. + + +Scheerbout, z. n. m. of Spiebout. -- Bout, die tot scheer of spijl +dient. + +Scheergang, z. n. v. of Sent. -- Zie ald. + +Scheerhaak, z. n. m. -- Benaming voor het hout, de lat, den afstand +bevattende van het Scheren der Wevelingen (zie Wevelingen). + +Scheerlijn, z. n. v. of Zwichtlijn. -- Zie ald. + +Scheerstokken, z. n. m. mv. -- Zie Schaarstokken. + +Schef, z. n. m. (veroud.) -- Lange stok, gelijk een ragebol gebezigd +om te duiveljagen, of te traven. + +Scheg, z. n. v. -- Getimmerte, dat voor den voorsteven uitspringt, +en tot steunpunt strekt voor de waterstags en de woeling van den +boegspriet. + +Scheggelood, z. n. o. -- Strook Lood, die langs den voorkant der +Scheggen van het bitstuk wordt gelegd, en zich van den bovenkant der +dubbeling tot onder de kiel uitstrekt. + +Schelp, z. n. v. -- Zie Schulp. + +Schenen, z. n. v. mv. -- Yzeren plaat, waarmede de inlating van een +roer of van een kaapstander bekleed wordt. + +Spreekwijze: Iets voor de S-- hebben (iets hebben, waar men op +steunen kan). Iemand iets voor de S-- smijten (hem een onaangenaam +verwijt doen). + +Schenkel, z. n. m. -- Zie Schinkel. + +Schepeling, z. n. m. -- Al wie zich aan boord bevindt, met uitzondering +van de passagiers. + +Schepen, b. w. voor Inschepen. -- Zelden meer in gebruik, dan in +zijn afleidingen en samenstellingen. Zie Gescheept, Inschepen, +Uitschepen enz. + +Schepnet, z. n. o. -- Net, waar visch mede geschept wordt. + +Scheppen, b. w. -- Eig.: Water putten met een Schepper of +lepel.--Oneig. inademen, tot zich nemen. Lucht S--. Een zeil laten S-- +(het den wind half laten vatten). + +Spreekwijze: Men Schept het hier uit geen sloot ('t is hier zoo +ruim niet). + +Schepper, z. n. m. -- Hoosvat, lepel, waar men mede Schept. + +Scheren, b. w.--De touwen zoodanig stellen, dat zy heen schieten door +de bloks en langs de richtingen, welke zy moeten doorloopen. Die looper +is goed Geschoren (hy komt waar hy wezen moet). De kabelaring S-- +(die om het spil leggen). + +Scherp, b. n.--Snijdend, hoekig. Een S--e kant, S--e rotsen. 't Is +een S--e wind (een wind die iemand als in 't gezicht snijdt). Een +S--e zeiler (die de golven met snelheid klieft). + +Scherp, b. w. -- 1o. Snijdend, S--e zeilen. Het waait S--. + +2o. Hevig. Er werd S-- gevochten. Het ging er S-- toe. + +3o. Bekrompen, als 't ware S-- afgemeten. Wy hadden S-- half wind. Wy +kwamen S-- dien hoek om. + +4o. Dicht S-- aan-den-wind zeilen. + +Scherp, z. n. o. -- Alle yzerwerk aan boord, 't zij kogels, bouten, +schroot enz. Met S-- schieten (in tegenoverstelling van "met los +kruid") Zet er dubbel S-- op (laadt dubbel). + +Scherpen, o. w. -- Tegen loopen. De wind begint te S-- (uit een +verkeerden hoek te waaien). + +Schets, z. n. v. -- Afteekening, plan. De S-- van een schip. + +Scheur, z. n. v. -- Opening, spleet, loslating der deelen. Er is een +S-- in 't hout. Er is een S-- in die wolk.--(veroud.) Bui. + +Scheurbuik, z. n. v. -- Ziekte, waaraan de zeevarenden by verre tochten +zijn blootgesteld, en die zich openbaart door het zwellen en bloeden +van het tandvleesch. + +Scheut, z. n. v. -- 't Zelfde als Schot of Schoot. + +Spreekwijze: Een S-- onder water krijgen. (Een zet of verwijt krijgen, +dat die het treft, zeer goed voelt, ofschoon de omstanders 't niet +merken). + +Scheut geven, b. w. -- Bot geven, Vieren. + +Schieman, z. n. m. -- Onderofficier aan boord, die met het opzicht +over de tuigaadje enz. van het voorschip belast is. + +Volgends Winschoten zoû het woord eigenlijk Schimman moeten luiden en +zoo veel beteekenen als Schim of schaduw van den Hoogbootsman. Volgends +Bilderdijk zoû 't Schuimman zijn, omdat hy, toen de schepen lager en +kleiner waren, altijd in het schuim stond. Beide afleidingen komen +my even gedrongen voor. Waarom behoeven wy zoo ver te zoeken wat, +dunkt my, zich als van zelf voordoet. Schiën beteekent volgends +Bilderdijk zelf (zie zijn Gesl. in v. Schip) "voortstreven," waarvan +Schieten een frequent is. Kan dus niet Schieman eenvoudig "voorganger" +beteekenen, 't zij om dat hy de bootslieden voorgaat, 't zy om dat +hy zijn werk op de voorplecht verricht? Even zoo beteekent S-- een +"voortschietende schuit." + +Schiemannen, b. w. -- Opredderen, bepaaldelijk: het tuig. + +Schiemansgaren, z. n. o. -- Zie Garen. + +Schiemansgasten, z. n. m. mv. -- Matrozen van het voorschip. + +Schiemansmaat, z. n. m. -- Hulp, adjunkt van den Schieman. + +Schieschuit, z. n. v. -- Soort van trekschuit. Zie Schieman. + +Schietbout, z. n. m. -- Yzeren Bout, dienende om het kanon te laden. + +Schieten, o. w. -- 1o. Geschut of vuurwapenen lossen. Met gloeiende +kogels, met los kruit, met scherp, met kogels, met een blikken doos +S--. In het volle hout, in den romp van een schip S--. Met opene +geschutpoorten S--. + +Spreekwijze: Met spek S--. (Dit werd oudtijds gedaan om schepen +in brand te schieten: by goede voorzorgen deed het echter weinig +uitwerking, maar gaf des te meer stank. Hiervan werd aan de uitdrukking +langzamerhand de beteekenis gehecht van: "iets zeggen, dat heel wat +klinkt (riekt) maar in den grond weinig te beduiden heeft." + +2o. Zich met snelheid bewegen. De visch Schoot als een pijl door de +baren. Een schip voorby S--. + +3o. Zich vrij bewegen. Laat dat touw wat S--. (Laat het wat minder +gespannen staan). + +4o. Van zijn plaats gaan. De ballast Schiet. Zie Ballast. + +Schieten, b. w. -- 1o. Uitwerpen, omwerpen, byvieren, losgaan. Een touw +rondS-- (een touw in de rondte op den grond oprollen). De netten S-- +(uitwerpen). Een steng S-- (laten zakken). Ballast S-- (verwerken). + +2o. Treffen. Een walvisch S-- (hem met een harpoen treffen). Een +schip reddeloos S--. + +3o. Waarnemen. De zon S--, een ster S--. + + + Gelijk mijn zanggodin, hier eindlijk meê gelant + Geen maghtiger gestarnt kan met haar graadboog schieten + Als 't geen de heirbaan wijst aan alle zeen en vlieten. + + Antonides, IJstroom. + + +Schietgat, z. n. o. -- Opening, waardoor geschoten wordt; min +gebruikelijk dan Geschutpoort. + +Schietgeweer, z. n. o. of Vuurwapen. -- Geweer, waarmede geschoten +wordt. + +Schietschuit, z. n. v. of beter nog Schieschuit. -- Soort van markt- +of trekschuit, wellicht dus genoemd, omdat zy door de vaart Schiet. + +Schild, z. n. o. -- Wapenbord, dat op den spiegel van jachten en +andere schepen prijkt. + +Schildbank, z. n. m. -- Zware plank, tot steun dienende aan de enden +van het braadspit. + +Schildhoofd, z. n. o. -- Hout, dat de gedaante van een Hoofd heeft, +dienende eensdeels tot cieraad, anderdeels om touwen aan te beleggen. + +Schildknoop, z. n. m. -- Knoop, in een touw, die als een Schild dient +om het doorschieten van het touw tegen te gaan. + +Schildpad, z. n. v. of Schootbos. -- Plat blok, langer dan de gewone, +en voorzien met een yzeren hoekstrop, ten einde er een touw in te +doen keeren. De strop kan met een scharnier geöpend en gesloten worden. + +Schinkel, z. n. m. of Schenkel. Zie Draairing. -- Kort en dik +touw om een mastkop en waarvan de enden op het want hangen. S-- +van het sloeptakel. S-- van een bras, brasS--. S--s voor de +onderlijzeilsvallen. RiftalieS--. PoortS--. (Touw waarvan de beide +enden door 't scheepsboord heenloopen en vast gemaakt zijn aan +de ringen van de geschutpoortluiken, welke daarmede kunnen worden +opengehaald en opengehouden). + +Schinkelhaken, z. n. v. mv. -- Strop of leng, met een Haak aan ieder +end voorzien en dienende om vaten mede op te hijschen. + +Schip, z. n. o. -- Algemeene benaming van alle groote vaartuigen, +die in zee gaan. OorlogS--. LinieS-- (die ten oorloge uitgerust +zijn). AmiraalS-- (dat de Amiraalvlag voert). VlaggeS-- (dat een +kommandant aan boord heeft.) S-- van den eersten rang (dat 120 +stukken voert.) S-- van den tweeden rang (van 100 stukken.) S-- +van den derden rang (van 90 stukken.) S-- van den vierden rang +(van 80 stukken.) VrachtS--, BeurtS--, VeerS--, StoomS-- enz. S-- +dat in lading ligt. S-- dat voor anker, dat op de reede ligt. S-- +dat onder zeil is. Opgelegd S--. Gehavend, ontredderd S--. Gerazeerd +S-- (linieschip, waarvan het bovenste is afgezaagd.) Blank S--, (dat +schoon gespoeld is.) Het S-- Argo, Pallas. De zee maakte schoon S-- +(spoelde alles van het dek af.) Het gaat over S-- en goed. (De schade +raakt niet alleen de reeders, maar ook de eigenaars der ingeladen +goederen.) Vrij S-- vrij goed. + +Spreekwijze: Dure Schepen blijven aan wal. (Juffers, die haar waar +te veel op prijs houden, komen niet aan den man). + +Hy reedt mede aan dat S-- (hy is mede in de zaak betrokken). + +Het is een diepgaand S-- (hy heeft veel noodig om zijn uitgaven +te dekken). + +Groot S-- groot Water (hoe meer uitgaven men doet, hoe meer men +noodig heeft). + +Het S-- aan de zee overgeven (iemand aan zijn lot overlaten, de handen +van hem aftrekken). + +Het is een S-- daar men de hand aan moet houden (het is iemand, +dien men niet veronachtzamen moet). + +Het is tusschen Kaai en S-- gevallen (het is weggeraakt). + +Het S-- moet op de helling. Zie Helling. + +Een S-- op strand, een baken in zee. Zie Baken. + +Daar komen zoo groote Schepen aan als er afvaren (er zal zich nog +wel een gelegenheid opdoen--meestal tot vertroosting aangewend, +als een huwelijk afraakt). + +Oude Schepen blijven aan land (oude vrijsters vinden geen man). + +Schoon S-- maken (zijn maag van het overtollige ontlasten). + +Klein S--, klein zeil (kleine huishouding, kleine zorgen). + +Het kan beter van een S-- dan van een schuit (rijken kunnen het beter +missen dan behoeftigen). + +Het S-- dragende houden (zich in denzelfde staat houden). + +Zie verder Scheep, Scheepsch, Scheepjen, Zeeschip, enz. + +Schipbreuk, z. n. v. -- Verlies van een Schip dat strandt of +vergaat. Het woord wordt zelden anders gebezigd dan als onderwerp van +het w. w. lijden of ondergaan. Zy hebben op een bank S-- geleden. De +bepalingen van hetgeen by S-- in acht genomen moet worden zijn te +vinden in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, Art. 545-568. + +Spreekwijze: S-- lijden. (Missen, of verliezen wat men beöogd of +gewenscht had). Zoo: S-- lijden in zijn verwachting.--Zijn uitzichten +leden S-- op den tegenzin des mans, van wien de vervulling daarvan +afhing. + +Schipbrug, z. n. v. -- Brug, over een rivier, uit nevens elkander +liggende platboomsschuiten met planken belegd samengesteld. + +Schipper, z. n. v. -- Gezachvoerder op een koopvaardy- of ander schip, +dat niet ten oorloge is uitgerust. Ook aan hem, die een schuit voert, +wordt de naam van S-- toegekend. BeurtS--, VeerS--, TurfS--, S-- op +een trekschuit. Aan boord van een oorlogschip, is de S--, de hoogste +dekofficier, belast met het bestier van alle scheepswerk, en het beheer +der scheepsbehoeften. Zie Ouwe (de). De rechten en verplichtingen +van den S-- zijn aangewezen in het Wetb. van Kooph. Boek I, Tit. V., +Afd. III, Art. 91-98, en Boek II, Tit. III, IV Art. 341-452 en in +Art. 8, 9, 10, 12, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 37, 38, 54, 55, +59, 60, 61, 62, 69, 153, 205, 209, 210, 211, 212, 221 en 231 der +Alg. Wet van 26 Aug. 1802. + +Spreekwijze: Hy is S-- te voet geraakt (hy is afgezet, van zijn +bediening ontslagen). + +Hy is S-- en stuurman tevens. (Hy neemt de besluiten en voert ze +uit. Zoo zegt Hooft van Prins Willem I "dat Godt hem wijsheid en +wakkerheid verleende, om als Schipper en stuurman tevens, in d' +uiterste raet, zoowel heilsame order te geven, als gedurighlijck aen +'t roer te staen.") + +S--s pozen niet wanneer zy onder zeil zijn. (Knappe lieden laten een +zaak niet varen die zy begonnen hebben.) + +Schipperen, b. w. -- Uitvoeren, verrichten: alleen gebruikelijk in de + +Spreekwijzen: Iets S-- (iets klaren, beredderen.) + +Ik zal dat wel S-- (wel zorgen, dat de zaak te recht kome). + +Schippersboek, z. n. o. -- Inventaris van aan boord zijnde +scheepsbehoeften. + +Schippershut, z. n. v. -- Hut op de koebrug, tot logies voor den +Schipper. + +Schoen, z. n. m. -- Zie Smeerhouten. + +Schoener, z. n. m. -- Zie Schooner. + +Schoffels, z. n. m. mv. (veroud.) -- Golven, baren, als over elkander +Schoffelende of schuivende. + +Schoft, z. n. v. -- Werktijd. Hoeveel S-- heeft dat werk geduurd? + +Schok, z. n. o. -- Een twintig- of zestig tal. Een S-- bloks. Een +S-- klaphout. + +Schokken, o. w. -- Stooten, aanstooten. De ra Schokt tegen den mast. + +Schol, z. n. m. -- Zekere zeevisch. + +Spreekwijze: Hy droomt van S-- en hy eet platvisch (hy stelt zich +vrij wat voor; maar het komt sober uit.) + +"Wat breeder dingen zijn dat?" vroeg Jan Oom, en hy zag drie S--len +in een schotel liggen (ziet op de dwaze verwondering, die sommigen +over de meest gewone zaken aan den dag leggen). + +Schol, z. n. v. -- 't Zelfde als Schor, maar meer bepaaldelijk voor +ijsklomp genomen. + +Scholen, o. w. -- Zich in groote menigte verzamelen: wordt van visschen +gezegd. De haringen S-- omtrent die kust. + +Scholken, o.w. (veroud.) -- Hol gaan. De baren beginnen te S-- +(onstuimig te worden). + +Schommel, z. n. m. of Wipper. -- Hangend touw, waar een matroos in +zit of hangt als hy aan 't werk is. + +Schommelen, o. w. -- Heen en weder slingeren. Het S-- van een schip. + +Schoof, z. n. v. -- 1o. Verzameling van al de deelen, waaruit een +sloep is samengesteld, en welke men somtijds in een schip brengt, +om ze, wanneer het noodig is, weder in elkander te zetten. + +2o. Duigen tot vaatwerk. + +School, z. n. v. -- Verzameling. Een S-- visschen. De haringen zwemmen +by S--en. + +Schoon, b. n. -- Fraai, rein, helder. Van de zee gezegd, beduidt het: +zonder klippen. De zeestraat is vrij breed en volmaakt S--. + +Spreekwijze: S-- schip maken. Zie Schip. + +Schooner, z. n. m. -- Klein tweemastvaartuig. KoopvaardyS--, +OorlogsS--; S--brik (brik van zes tot acht stukken). + +Schoor, z. n. m. -- Stijl, stut: meer bepaaldelijk stuk houts, +dienende 1o. tot ondersteuning of stut van een schip, dat in aanbouw +is of hersteld wordt. + +2o. Tot vorming van kruisverbanden. + +Schooren, b. w. -- Stutten, onderschragen. + +Schoot, z. n. m. -- Touw, aan den benedenhoek van ieder zeil +vastgemaakt en dienende om het te spannen. De S--en zijn van +elkander onderscheiden door de namen der zeilen, waar zy aan vast +zitten. Groote S-- (van het grootzeil.) Bezaan-, marszeil-, bramzeil-, +kluiverS--. Aangehaalde S-- (die zoo strak mogelijk staat.) Tusschen +twee S--en zeilen (voor de wind zeilen.) Op de S-- halen, de S--en +voorhalen (ze stijf halen.) Den S-- geheel op zijn gat aanhalen +(dien geheel toehalen.) Zie Ruimschoots. + +Spreekwijze: Met vaste S-- in zeilen (volharden in vooruitstreving). De +S-- in tijds los gooien (zich tijdig voor gevaar hoeden). Hy is S-- +gegaan (hy is weggeloopen). + +Schootblok, z. n. o. -- Het Blok van den Schoot. + +Schoothoorn, z. n. m. -- Onderste hoek van een zeil, waar de Schoot +aan vast zit. + +Schootknechten, z. n. m. mv. -- Het hout, waar de Schoten aan +verbonden worden. + +Schor, z. n. v. -- Droogte, zandbank, buitendijks gelegen strand. + +Schorten, b. w. -- Ophouden, in elkander sluiten. Dat schip is wel +Geschort (het zit van achteren goed in een). + +Schot, z. n. o. of Beschot. -- Planken afsluiting in een schip, +waardoor de bestaande ruimte wordt afgedeeld. Los S--, loos S-- +(dat weggenomen kan worden.) Vast S-- (dat niet te bewegen is). Men +begint de S--en van dat schip te zetten. + +Spreekwijze: Ik zal daar wel een S--jen voor zetten (ik zal dat +wel beletten). + +Schot, z. n. o. -- Voortgang. S-- geven (bot geven, laten schieten). + +Schot, z. n. o. -- De daad van schieten, de ontploffing, de lading, +en het gevolg van het schieten. Daar valt een S-- (daar wordt +geschoten). Het eerste S-- trof den mast van het vyandelijk schip. Hy +kreeg het geheele schot in zijn borst. Hy is aan dat S-- bezweken. Zie +voorts DagS--, AvondS--, NachtS--, SaluutS--, SeinS--, NoodS--. + +Schot, z. n. m. -- Voortgang. Wy raakten door dien S-- vrij van +het havenhoofd. + +Spreekwijze: Er is geen S-- in 't werk (het gaat niet vooruit). + +Schotbout, z. n. v. -- Gekromd yzeren werktuig, dienende om planken +te buigen en te voegen. Een plank door middel van S--n aanbrengen. + +Schots, z. n. v. -- Drijvende ijsklomp. + +Schotsch, bw. -- Scheef, verkeerd. + + + En hoe het S-- of scheef moog gaan, + + +zegt Bild. ergends. + +Schotspijker, z. n. m. -- Soort van Spijker met een ronden kop, +00,54 el lang. + +Spreekwijze: Er een handvol S--s onder smijten (beuzelingen in 't +gesprek mengen.) + +Schout by nacht, z. n. m. -- Hoofdofficier by de Marine, in rang +volgende op den Vice-Amiraal. Schout komt van schouwen, toezien, +in 't oog houden, en zoo was de S-- oudtijds de bevelhebber, wiens +plicht het was, by nacht toe te zien;--gelijk de Vlootvoogd zulks +by dag deed. De S--b--N-- beveelt de voorhoede en geleidt de vloot +in de opgegeven koers. Hy voert by nacht een lantaarnlicht onder de +kruismars. Het oude scheepsrijmpjen zegt, van den S--b--N-- sprekende: + + + Om by nacht goed vloot te houen. + Moet ge 't licht vooruit beschouwen. + + +De naam van S--b--N-- werd vroeger schertsender wijze ook wel aan +vroedvrouwen gegeven. + +Schout by nachtschip, z. n. o. -- Schip, dat den Schout by Nacht aan +boord heeft. Hy diende op het S--. + +Schout by nachtsvlag, z. n. v. -- Wordt aan de kruissteng gevoerd. + +Schouw, z. n. v. -- Bak, hengst, pont of praam. Eigenlijk open bak, +die over 't water geschouwd, d. i. "getrokken" wordt. Haagsche S-- +(benaming eener plaats aan den Rijn, waar vroeger een overhaal of S-- +was). Later gebezigd voor allerlei kleine open schuiten. ModderS--, +MistS--, MolenS--. + +Schraag, z. n. v. -- Stut, steun. + +Schraal, b. n. -- Sober, weinig bevorderlijk, en van daar: ongunstig, +bar, guur. De wind was maar S-- (was niet zeer gunstig). 't Is S-- +weer ('t is bar, guur weer). + +Schraapyzer, z. n. o. -- Zie Schraper. + +Schragen, b. w. -- Stutten, steunen. + +Schralen, o. w. -- Inkrimpen: wordt de wind gezegd te doen, als hy +minder gunstig begint te waaien ter bevordering van den koers van +het vaartuig. De wind begon merkelijk te S--. + +Schrapen, b. w. of Schrappen. -- Afkrabben: met een krabber of Schraper +schoon maken. + +Spreekwijze: Alles naar zich toe S-- (alles tot zich halen, zonder +op de middelen te letten). + +Schraper, z. n. m. -- Schrapper of schraapyzer, krabber. Klein +driehoekig, dun en overal scherp yzer, waarmede het pik van de schepen +wordt afgehaald. + +Schrappen, b. w. -- Zie Schrapen. + +Schrapper, z. n. m. -- Zie Schraper. + +Schrikken, b. w. -- Byvieren, een gespannen touw voorzichtig vieren. De +kabelaring S-- (haar ophouden, ten einde die los te krijgen wanneer een +bocht daarvan om het spil onder de andere bocht is vastgemaakt). Vier +een el of wat by! S--! steek een el of vier! S--! laat gaan en +stop! (kommandoos). + +Schrikrollen, z. n. v. mv. -- Rollen, in de klampen van den kaapstander +geplaatst. + +Schrobben, b. w. -- Van vuiligheid bevrijden. Een schip S-- (de +buitenkant ontlasten van het vuil, dat er is aangegroeid). + +Schrobber, z. n. m. -- Werktuig, waarmede geschrobd wordt. + +Schrobnet, z. n. o. -- Soort van vischnet, waarmede de zee als +geschrobd wordt. + +Schrobtijd, z. n. m. -- De tijd van February tot September, wanneer +de tarbot en schol gevangen wordt, waartoe men zich van Schrobnetten +bediende. Zie Overloopen. + +Schrobvisschery, z. n. v. of Korde-Visschery. -- Visschery, die met +Schrobnetten geschiedt, en uithoofde zy het voortteelen van den visch +belemmert, by herhaalde plakkaten verboden is. + +Schrobzaag, z. n. m. -- Soort van handzaag met een recht handvatsel, +by de scheepstimmerlieden en kuipers in gebruik om ronden te zagen. + +Schroef, z. n. m. -- Houten of metalen staafjen, spiraalswijze gesleufd +en dienende om in een op gelijke wijze gesleufd gat of moer te worden +ingelaten. + +Schroefbouten, z. n. v. mv. -- Bouten, aan het vooreind met een +schroefdraad voorzien, waarop een moer geschroefd wordt. + +Schrooien, b. w. -- Slieren, ergends over heen halen. Weinig meer +gebezigd dan in + +Schrooitouw, z. n. o. -- Touw, gebezigd om een vat of ander cylindrisch +gevormd lichaam over een helling te doen rollen. + +Schroot, z. n. o. -- Allerlei brokken oud yzer, dat in blikken bussen +in 't kanon geladen wordt. Met S-- laden. + +Schrijver, z. n. m. -- Beämbte aan boord, die met het houden der +registers, enz. belast is. + +Schuifblinde, z. n. o. -- Byzonder soort van zeil, dat op den kluiffok +gezet en binnen het vaartuig geborgen wordt. + +Schuifknoop, z. n. m. -- Zie Slipsteek. + +Schuim, z. n. o. -- Zie Zeeschuim. By de dichters ook wel voor de +zee zelve genomen. + +Schuimen, z. n. o. -- Schuim opwerpen. De zee is hevig aan 't S--. + +Schuinsch, b. n. -- 't Zelfde als Dwarsch. Zie ald. S--e linie: +(wanneer ieder schip van een eskader gelijk met de loefbil van het +voorschip zeilt). + +Schuit, z. n. v. -- Algemeene benaming van alle kleine vaartuigen. Zie +BunS--, VischS--, TrekS--, enz. Een open S--. Een lekke S. De Leydsche +S-- (de veerS--, die op Leyden vaart). + +Spreekwijze: Het kan beter van een Schip dan van een S--. Zie Schip. + +Ga uit mijn S-- gy bederft de vracht (verlaat mijn gezelschap; want +gy bederft mijn genoegen, of mijn voordeel). + +Ontzeg geen vracht, eer de S-- vol is (sla geen voordeelige kansen af, +zoo lang gy niet van uw fortuin verzekerd zijt). + +De S-- lek varen. Zie Kooi. + +Als de bruid is in de S-- dan zijn de mooie praatjes uit (als de bruid +getrouwd [in de huwelijksS--] is, dan houden de komplimenten op: of, +overdrachtelijk: als men eens zijn zin heeft verkregen, steurt men +zich aan geen beloften meer). + +Van de boot komt men in de S--. Zie Boot. + +Hy komt in mijn S-- (hy wordt mijn meening, mijn stelsel toegedaan). + +Geen S-- zoo dicht, of er komt wel een lek in (het is moeilijk een +geheim te bewaren). + +Schuitevoerder, z. n. m. -- Schipper, bestuurder van een Schuit. + +Schuitjen, z. n. o. -- Kleine Schuit. + +Spreekwijze: Wy zijn in het S-- en moeten meêvaren (wy hebben de zaak +eens begonnen, en kunnen nu niet terug). + +Hy vaart met my in eene S-- (hy is met my van 't zelfde gevoelen). + +Hy houdt zich of hy gek was en laat zijn S-- vol loopen (hy slaat +als zonder erg den drank naar binnen). + +Schuiven, o. w. -- Als met moeite over iets heen gaan. Met het schip +over den grond S--. + +Schulpen, z. n. v. mv. of Schelpen. -- Schaaldieren, die zich aan de +buitenhuid der schepen vasthechten. + +Spreekwijze: De S-- wassen op zijn neus (hy heeft lang ter zee +gevaren). + +Schulpzaag, z. n. v. -- Soort van Zaag, dienende om balken in 't lang +te zagen. + +Schuren, b. w. -- Wordt het stroomend water gezegd den oever te doen, +als het daar met kracht langs gedreven wordt. + + + D'Eufrates zeker, schoon hy sneller voort komt breken + Uit Nisus bergspelonk en schuurt de vruchtbre streken + Van 't rijke Armenië. + + Antonides, IJstroom. + + +Schuring, z. n. v. -- De daad, of de uitwerking van het Schuren. + + + De vogelwijk, de schrik der schelmen, recht in d' oogen + Der stad gelegen, heeft op 't water meê vermogen, + Dat hier in naauwer kreek geschoten en geparst, + Met grooter schuuring weêr in ruimen boezem barst. + + Antonides, IJstroom. + + +Schut, z. n. o. -- voor Geschut. Zoo zingt Huyghens: + + + Kijck, de takels en de touwen + En de vlaggen en het Schutt + Staan en pruylen in den rouwen. + + +Schutschepen, z. n. o. mv. -- Schepen, die Geschut waren (veroud.). Wy +vinden die gesteld tegen over "ongemonteerde" in de "ordonnantie der +Staten van Holland en Westfriesland, dienende tot versekering van de +schepen uyt dese landen de do 6 Maart 1602?" + +Schutsluis, z. n. v. -- Sluis, waardoor het water Geschut wordt. + +Schutten, b. w. -- Afweeren, stuiten: het water beletten verder +te gaan. + +Spreekwijze: Dat Schut ik (dat zal ik tegenhouden, zoo lang ik kan). + + + Dutten; sprak mooi Heintje, dutten! + Stilte maats, een poosje min. + Dutten! neen, dat moet ik schutten, + Bin ik anders die ik bin. + + Huyghens. + + +Schijf, z. n. v. of Blokschijf. -- Houten of yzeren ronde en +cylindrische plaat, met een sleuf in haar omtrek, dienende om er +een touw in te bergen, wanneer zy binnen een blok vast zit of los +draait om een spil, die door haar middelpunt loopt. Pokhouten S--, +metalen S--, gegoten yzeren S--. + +Spreekwijze: Het loopt over veel Schijven (het is onverschillig wat het +kost, dewijl zoo velen er aan betalen:--om dat een touw, dat door veel +bloks, en dus over vele Schijven loopt, gemakkelijker te hanteeren is. + +Zijn gat gaat op Schijven (hy leeft als een heertjen). + +Het S--jen is in 't blokjen (de zaak is in orde). + +Sein, z. n. o. -- Teeken, dat in zee of van de kusten gegeven wordt, +om bevelen te geven of waarschuwingen te doen of te beäntwoorden. De +S--en worden gedaan, 't zij met enkele, 't zij met boven elkander +geplaatste vlaggen, 't zij met lantarens, vuurpijlen, schoten, of +zelfs met zeilen op een byzondere wijze gesteld. DagS--en (die met +vlaggen, wimpels, enz. gedaan worden.) NachtS--en (die met lantarens, +vuren, enz. gedaan worden.) MistS--en (die met het lossen van geschut, +klokgelui enz. gedaan worden.) Een S-- geven, dat men in nood is. Zie +NoodS--, S--toren. + +Seinboek, z. n. o. -- Register, waarin alle dag- en nachtSeinen +staan opgeteekend. + +Seinen, o. en b. w. -- Seinen doen, teekens geven. Een kust, een klip +S-- (door teekens te kennen geven, dat men die heeft ontdekt). Onze +voorzeilers Seinden den vyand des morgens ten acht ure. + +Seinschip, z. n. o. (veroud.) -- Adviesjacht, snelzeilend vaartuig, +dat teekens of lasten overbrengt. + +Seinschot, z. n. o. -- Schot, dat tot Sein dient. + +Seintoren, z. n. m. -- De torens zijn ook meermalen gebruikt, +om daarvan Seinen te geven. Zoo lezen wy o. a. in de Resol. van +HEd. Gr. Mog. in do 3 Aug. 1673: "Wanneer eenighe vyandlijcke scheepen +voor de wal gesien werden, zal van den toren worden geseint, by nacht +met een vuur, by dagh met een mande; ende by dagh soowel als by nacht, +vier quartier uurs aan den anderen, een schot geschoten worden enz." + +Seinvlag, z. n. v. -- Vlag, waarmede Sein gedaan wordt. + +Seinwachter, z. n. m. -- Wachter hoedanige er, van afstand tot afstand +op de kusten geplaatst, van de hoogten uitzien wat in zee voorvalt +en daarvan bericht geven. + +Seizen, b. w. -- Aangrijpen, vatten 't Eng. to seize, 't +Fr. saisir. Meer bepaald 't vast maken van touwen. De kabelaring S-- +(die door Seizings by de muizingen aan het ankertouw vastmaken). + +Seizing, z. n. v. -- Min of meer breede, platte, met een punt +uitloopende streng, dienende om eenig voorwerp te Seizen of te +vatten. RifS--s, (die dienen om de plooien van een gegrid zeil op +de ra te bevestigen. KabelaringS--s (die overal van gelijke dikte +zijn en dienen om een ankertouw samen te houden). S--s aanbrengen, +aanleggen (er de kabels mede omwinden). + +Sent, z. n. v. of Lijst. -- Gording, tijdelijk dienende op het +geraamte van een schip in aanbouw, om de spanten op hun plaats te +houden. S--en van den aanbouw (algemeene benaming van al die S--en, +wier bestemming het is, den omtrek der aanvullingsspanten aan te +wijzen en de zeegt zoo van het barghout als van de beplanking, +'t zij der kiel, 't zij van het bovenschip, te bepalen--en die +weggenomen worden naar mate de beplanking vordert.) S--en aan boord, +SpanS--en:--S--en op de mal, malS--en. KimS--, SnijS-- (die, door de +uitersten der vrangen loopt). VlakS--, vloerS-- (tusschen de kims- +en de kiel geplaatst). ScheerS--. S-- der grootste wijdte (die +zich op de grootste wijdte van het schip aansluit) 2e, 3e, 4e S-- +(die tusschen de scheer- en kimS-- geplaatst zijn). S--en van het +levend gedeelte, verschansingS--en, bovenS--en (die dat gedeelte +van een schip omlijsten, 't welk nimmer onder water komt). TopS-- +(de bovenste dier S--en). S-- van de gilling, (zie Rahout). Bovenste +S--, S-- van het potdeksel. VertuiningS--en, S--en van den bak, +van het half dek en de kampanje.--TusschenS--en. Vlakke S--, S-- +van enkele kromming. S--en scheren, omscheren, vastmaken, aanspijkeren. + +Serving, z. n. v. -- Bekleeding, van strengen gevlochten. 't Woord +is van 't Eng. to serve, bewaren. + +Sim, z. n. v. -- Touw, snoer:--ook de top van de kurk, die boven den +hoek van een hengelsnoer op het water drijft. + +Spreekwijze: Iemand onder de S-- hebben: (hem in zijn macht, in zijn +bedwang houden). + +Simplankjen, z. n. o. -- Plankjen, dat tot klos dient en waar men +garen om heen wint om netten te breien. + +Sisser, v. n. m. -- Zie Monnik. + +Sjampan, z. n. v. -- Klein Sineesch roeivaartuig met een zeil. + +Sjappen, b. w. -- Merken, teekenen, b. v. te vellen hout. + +Sjorren, b. w. -- Met trossen of lijnen vastbinden. + +Spreekwijze: Ergends mee Gesjord zetten (ergends aan vast zijn, +op een lastige wijze ergends toe verbonden zijn). + +Sjorring, z. n. v. -- Band, vastnajing: daad, of gevolg van het binden, +samentrekking van twee kabels door middel van een dunner touw. Gewone +S-- van het geschut. S-- van het geschut op dubbele talies.--S-- +der stukken met koptouwen en krabbers.--S-- langs boord.--S-- met de +keerbroeking of looze broeking, S-- der karronaden, S-- der hangmatten. + +Sjort. -- (komm.) t. w., als er vastgemaakt is en men alles een tijd +lang stijf moet houden. + +Sjortouw, z. n. o. -- Touw, tot Sjorren gebezigd. + +Sjouw, z. n. m. -- Ruk, Rol. Vlag in S-. Zie Vlag. + +Spreekwijze: Aan de S-- zijn (aan de rol zijn, zwieren). + +Sjouwen, o. en b. w. -- Rukken, trekken, zwaar werk doen. Wy moeten +dat pak hier heen S--. Er viel wat aan te S--. + +Sjouwer, sjouwerman, z. n. m. -- Man, die voor weinig loon, allerlei +werk doet. S--s. (Manschappen, die men in daggeld, by 't optuigen, +laden of ontladen aan boord neemt, en die niet tot de equipaadje +behooren.) + +Spreekwijze: 't Is een S-- ('t is een sukkel: ook: 't is een +liederlijke vent). + +Skoridor, z. n. m. -- Italiaansch vaartuigjen, dat maar een mast en +een zeer groot zeil voert. + +Slaags, bw. -- 1o. Aan 't vechten. Zy raakten S-- op de hoogte van +Kamperduin (zy kwamen in 't gevecht voor Kamperduin). + +2o. Klaar, zeilreê. Door de naauwte van het vaarwater kan men te dier +plaatse by westelijke winden niet S-- geraken. + +Slaak, z. n. o. -- 1o. Stroom, kil. De slag op het S--. + +2o. Plaats, waar de zee by onstuimig weer stil en effen is. + +Slaan, b. w. -- 1o. Slag leveren, verslaan. Den vyand op de vlucht +S--. Die Amiraal heeft zich laten S--. + +2o. Roeren, aanraken. De zeilen S-- tegen de mast. Het water Slaat +tegen den voorsteven. De trom S-- (de trom roeren, trommelen.) Allarm +S-- (door een herhaald geroffel 't volk te wapen roepen.) Appèl S-- +(de manschappen doen opkomen.) De veldmarsch, de generale marsch, +de stormmarsch S--. De reveille S--. + +3o. Omleggen, vastmaken. Een touw om een hout S--. + +4o. Vervaardigen. Touw S-- (touw maken). + +5o. Geluid geven. De klok Slaat. + +Spreekwijzen: Zijn tong Slaat dubbel, of Slaat yzer (men kan aan zijn +praat wel hooren, dat hy beschonken is). + +Hy heeft de klok hooren S--, (hy heeft er iets van vernomen). + +Slabber, z. n. m. (veroud.) -- Buisjen. + +Slabbing, z. n. v. of Woeling. -- Bewindsel der kabels in de kluizen. + +Slag, z. n. m. -- 1o. Stoot, schok. De S-- van het water (het slaan +van het water tegen 't schip of eenig ander voorwerp). Een S-- aan +bakboord doen (aan bakboord op roeien). + +2o. Strijd, gevecht. Zy zijn aan den S-- geweest. Zie Zeeslag. + +3o. Touwbelegging. Ronde S-- (wanneer men een touw om het een of +ander heenslaat, zonder het verder vast te maken). Beting S--, S-- +om de beting (wanneer men een ankertouw om de beting slaat, ten einde +het schip met het anker te verbinden). S-- in het touw (wanneer twee +ankertouwen in elkander verward raken). + +Spreekwijze: Ergends een S-- in slaan (er naar raden). + +Ergends S-- van hebben (iets met handigheid doen, ergends bekwaam +toe zijn). + +4o. of Gang. Korte, lange S--en doen. Een S-- voortzetten. Zie Gang. + +Slagbed, z. n. o. -- Bedding, gelegd of geslagen voor een schip, +dat af zal loopen. + + + De scheepsboukonstenaer helpt dus het oorlogsvlot + Eerst aen 't bewegen, viert weerzijts het slagbed bot. + + Antonides. IJstroom. + + +Slagboog, z. n. m. of Slag, gang. -- Een goeden S-- doen (by +'t laveeren.) + +Slagvaardig, b. n. -- Gereed tot het gevecht. + +Slagverband, z. n. m. -- Plaats op de Koebrug, waar de gekwetsten +worden verbonden. + +Slagwater, z. n. o. -- Zogwater, opborreling. + +Slagwind, z. n. m. -- Schrale, onbestendige wind. + +Slagzij, z. n. v. -- De zwakke zijde van een schip: de zijde, waar het +zonder bepaalde aanleiding, naar overhelt. Dat schip heeft een S--, +dat schip loopt scheef. + +Slaken, b. w. -- Losmaken, lossen. De zeilen S--. Het geschut S-- +(veroud.). + +Slang, z. n. v. -- 1o. Soort van geschut. + +2o. Zeildoeksche of lederen buis tot waterleiding voor de pomp, +den brandspuit, enz. + +Slap, b. n. -- Wordt een schip genoemd als het niet luistert naar den +wind,--een touw, als het niet gespannen is,--en een wind, die zwak +is. Dit schip is S-- op zijn roer (is lafwindig.) Dat touw hangt S-- +(los.) De wind is S-- (waait niet door). + +Slapers, z. n. m. -- Stukken hout, die met hun lengte min of meer +langsscheeps en in de voor- en achtervoegen tegen de binnenoppervlakte +der inhouten geplaatst worden. By het stampen, doen zy de dienst van +bogen, door de indrukken der achterbogen tegen te gaan. Men kan aan +elke zijde des stevens twee, drie of meer S-- plaatsen, die aan de +deelen, waarop zy liggen, worden vastgebout. Ook de stutten van de +beting, en die van 't braadspil worden S-- genoemd. Oorspronklijk +is Slaper de eigenaardige benaming van hetgeen alleen in tijd van +nood dient en behulp kan verleenen. Zoo wordt een binnendijk een S-- +genoemd; om dat hy, zoo lang de buitendijken de zee af keeren, van +geen dienst is en eerst dan van nut is, of als 't ware wakker wordt, +wanneer het water door de buitendijken heen gedrongen is. + +Slapping, z. n. v. -- Oud touwwerk, dienende tot bekleeding van kabels. + +Slavenhaler, z. n. m. -- Schip, dat ingericht en bestemd is om Slaven +van de Westkust van Afrika af te Halen en naar de Slavenmarkten +te vervoeren. + +Slecht, b. n. -- Glad, effen, waarvan Slechten, S-- water (effen +water). + +Slechten, o. w. -- Vlak, effen worden. De zee wordt gezegd te S--, +wanneer zy valt en de windstreek volgt. + +Slechten, b. w. -- Effenen, gladmaken. Een plaat S--. Den ballast S-- +(dien gelijk pakken). + +Slechtjen, z. n. o. -- Tusschenpozing tusschen zee en wind. Wy zullen +van het S-- gebruik maken. + +Slede, z. n. v. -- Werktuig, waarmede of waarvan iets gesleept +wordt. KaronnadeS--, S-- waarop een schip afloopt. Zie Bedding. + +Sleepboot, z. n. v. of stoomsleeper. -- Stoomboot, tot het in- of +uitboegseeren van vaartuigen dienende. + +Sleepen, b. w. -- Trekken, op 't sleeptouw nemen. Die schepen konden +niet verder komen. Zy moesten zich laten S--. + +Sleeper, z. n. m. -- Benaming, die aan de waterschepen en aan de +schippers daarvan gegeven plach te worden, omdat zy doorgaands +elkander voortsleepten. + +Sleephelling. Helling, waar de schepen worden opgesleept tot +herstelling. + +Sleeptouw, z. n. o. -- Touw, waarmede Gesleept wordt. Een vaartuig +op het S-- hebben (het aan een kabel voorttrekken). + +Spreekwijze: Iemand op 't S-- hebben (met zich mede voeren). + +De zaken op 't S-- houden (ze slepende houden, ze onafgedaan laten). + +Sleeptros, z. n. m. -- Sleeptouw, boegseertouw. Wy vierden een end +met een boei af om den S-- aan onzen prijs te geven. + +Sleetsch, b. n. -- Wat versleten of wrak is. Dat touw is half-S--. + +Slemphout, z. n. o. -- Opstapeling van hout, aan den voor- en +achtersteven, dienende tot vulling der hoeken, door kiel en steven +gevormd, en tot verband van beiden. VoorS--. AchterS--. + +Sleng, z. n. v. -- Koromandelsch vaartuig. + +Sleuf, z. n. v. -- Smalle gootswijze loopende inkeeping. S-- van het +roer, S-- van de hieling van een steng. + +Steutelstuk, z. n. o. -- Wigvormig aanvullingsstuk, dat met kracht +tusschen de vrangen der verschillende spanten zoo in 't midden als +aan de uiteinden wordt ingedreven, om ze op vereischten afstand te +houden. S--ken op de vergaring der vrang. Kalven, S--ken van de kiel +(veroud.). De S--ken vormen ook een deel van sommige kruisverbanden. + +Sleutel van het tuig, z. n. m. -- Naam, die zeer eigenaardig aan den +boegspriet gegeven wordt. + +Slib, z. n. v. -- Kroos, modder. + +Spreekwijze: S-- vangen: (niets vangen, zijn oogmerk niet beschieten, +een verkeerde uitkomst hebben). + + + En krijge we dun slip + En wroete leegh naar huys, dat moete we verdrage. + + Huyghens, Hofwijck. + + +Slieren, o. w. -- Doorslieren, wegglijden, doorglijden. Het touw +Sliert door de seizings. + +Sliersteek, z. n. m. -- Zie Slipsteek. + +Slimmering, z. n. v. -- Bederf of vermindering van koopwaren. + +Slingeren, o. w. -- Zich beurtelings over bak- en stuurboord bewegen, +ten gevolge der persing van de golven tegen het scheepsboord. + + + En recht gelijk een schip op 't water, door 't vergissen + Des stuurmans, heen en weer geslingerd wordt. + + Vondel, Faëton. + + +Slingeren, b. w. -- Smijten, slaan. Het schip werd door de golven +tegen de rots Geslingerd. + +Slingerpardoen, z. n. v. -- Zie Pardoen. + +Slingerslag, z. n. m. -- Wijze om een touw of looper om den mast +of om een kruishout zoodanig vast te houden, dat men het door een +Slinger los kan gooien. + +Slippen, o. w. -- Wegglijden, doorglijden. Zy lieten het touw S--. Zy +lieten het uit het kluisgat wegglijden: 't geen gebeurt, wanneer men, +een goed heenkomen zoekende, geen tijd heeft om het anker te winden +en liever het touw laat S-- om los te komen. + +Spreekwijze: Iets laten S-- (iets opgeven, er van afkomen). + +Slipper, z. n. m. -- Gebezigd in de uitdrukking een S-- maken +(laten slippen). + +Spreekwijze: Hy maakt een S-- (hy maakt zich ongemerkt uit de voeten). + +Slipsteek, z. n. m. -- Sliersteek, Schuifknoop: Soort van open strik, +gebezigd om een voorwerp onder water te vatten. Met een S-- naar het +anker visschen. + +Sloep, z. n. v. -- 1o. Oorlogsvaartuig met +schoenertuig. 2o. Roeivaartuig, dat aan boord gehouden wordt, ter +dienste van het schip op zee of op de reede. Groote S--, WeikS--. De +S-- in orde brengen. De S-- strijken (haar te water laten). De S-- +aan boord halen. Een Groenlandsche S--. Sloep uit! (komm. om die uit +te zetten). S-- in! (om ze binnen te halen). + +Sloeproeier, z. n. m. -- Matroos, die by de bemanning eener Sloep +behoort. + +Sloeren, b. w. -- Meten. + +Spreekwijze: Het moet zoo wat heen S-- (het moet zoo maar wat gaan). + +Slof, z. n. v -- Stuk onder tegen de klit van 't roer aangebracht. + +Slofstukken, z. n. o. mv. -- Rechthoekige eikenhouten stukken plank, +die somtijds onder de wielen der rolpaarden worden ingelaten, om te +voorkomen dat by slijting het geheele dek vernieuwd moest worden. + +Slooien, o. w. -- Zijdelings van het schip afwijken. + +Slooiknieën, z. n. v. mv. -- Lange hoekige en gekromde stukken hout, +dienende om het galjoen aan den voorsteven te verbinden, en aan de +scheg het Slooien te beletten. + +Sloot, z. n. v. -- Watertjen, dat het eene land van het andere scheidt +en dus afsluit. + +Spreekwijze: Iemand van den wal in de S-- helpen (hem geheel verkeerden +raad geven). + +Sloopen, b. w. -- Uit elkander nemen, van stuk tot stuk losmaken. Een +schip S-- (het afbreken). + +Slotgang, z. n. m. -- Zie Scheerstok. + +Slotgat, z. n. o. -- Opening in de hieling van den steng, waar het +Slothout doorgaat. + +Slothout, z. n. o. -- Vierkante yzeren bout, die door het lichaam +van een steng gaat om deze op de langzalings staande te houden. Een +steng wordt gezegd, het S-- in te hebben voor: zijn hoogte te hebben, +te staan. De naam van S-- wordt schimpenderwijze aan de soldaten +gegeven, om dat deze niet langs de pattings, maar door de zwierlings +(ook "'t soldaten-gat" genoemd) in de mars klimmen. + +Sluiken, o. w. -- De belastingen ontduiken. + +Sluiker, z. n. m. of Smokkelaar. -- Die verboden waren invoert of op +andere wijze de belastingen ontduikt. + +Sluikery, z. n. v. of Smokkelhandel. -- Handel in verboden goederen, +of verboden handel. + +Sluiper, z. n. m. -- Soort van spijker. + +Sluiphaven, z. n. v. -- Door rotsen en geboomte bedekte Haven, +waar zeeroovers of sluikers zich bergen. Wy verbrandden eenige +rooversprauwen, die wy in een S-- ontdekten. + +Sluis, z. n. v. -- Sluiting, ophouding van het water. Een steenen S--, +de S-- openen. De schepen liggen voor de S--. + +Sluitbout, z. n. m. -- Bout, dienende om iets af-, in- of vast +te sluiten. + +Sluiten, b. w. -- 1o. Met een slot verzekeren, ook eenvoudig: dicht +maken. De geschutspoorten S--. Het luik S--. De haven S--. + +2o. Besluiten, beëindigen. De laatste plank, rib of balk, ergends +invoegen. + +Sluiten, o. w. -- Zich met iets vereenigen. Die houten S-- in elkaâr: +de planken doen S--. Dat luik wil niet S-- (de kanten vereenigen zich +niet met de randen om de opening). + +Spreekwijze: Dat Sluit als een tang op een varken (dat sluit niet). + +Sluithout, z. n. v. -- Knie, geplaatst in den hoek, gevormd door het +achterslemphout en den achtersteven. + +Sluitplank, z. n. v. -- Plank, waarmede de laatste opening gedicht +wordt. + +Sluitstuk, z. n. o. -- Sluiting, vullingstuk. Stuk, dat volkomen +ergends in past. + +Sluittuig, z. n. n. v. -- Zie Sluitstuk. + +Slurp, z. n. m. -- Ineengedraaide punt. De strengen van het zwaar +(anker) touw worden aan het einde er van losgedraaid en afgepluisd, +zóó dat ze spits toeloopen, dit dient om de zware touwen op elkander te +kunnen splissen. De S-- van het daagschtouw, van het Tuittouw. Ook de +loopers worden Geslurpt, om die gemakkelijker in de blokken te steken. + +Slurpen, b. w. -- Een Slurp leggen. + +Slijtaadje, z. n. v. -- Al wat door 't gebruik Slijt. Men moet zoo veel +afrekenen voor S-- (voor 't geen door 't gebruik in waarde vermindert). + +Smak, z. n. v. of Smakschip. -- Vaartuig, dat zich in de Noordzee +met de kustvaart en vischvangst bezig houdt. In een S-- wordt alles +ingeladen, wat te gering is voor groote scheepsbevrachting. Wanneer +het een marszeil voert, haalt het dit aan op het dek: het heeft geen +onderra. Bild. in V. leidt het woord van Som-aak, d. i. "vrachtaak" +af. Winschoten van Smakken, als zijnde het een vaartuig, waarop het +zeil van het eene boord naar 't ander gesmakt wordt. Men kieze. + +Smakken. b. w. -- Smijten, werpen. Iets Buiten boord S--. + + + Men smack' hem buiten boort + Die de gezelligheit der sterfelicken stoort. + + Vondel. + + + Smack dan het tou af, Kees. + + Huyghens. + + +S-- wordt ook genomen in den zin van Schoiren. Zie ald. + +Smakker, z. n. m. -- 't Zelfde als Sukkelaar. + +Spreekwijze: Hy is een rechte S-- (hy neemt alles aan, alles is +hem goed). + +Smakschip, z. n. o. Zie Smak. + +Smakzeil, z. n. o. -- Zeil van een Smak. + +Smal, z. n. o. -- Dun, rank. Dat schip is te S-- van onderen. + +Smaldeel, z. n. o. of Eskader. -- Gedeelte eener vloot: of +getal schepen, onder het bevel van een Vice Amiraal of minderen +hoofdofficier. + +Smaldeelen, b. w. -- Verdeelen. De vloot moet Gesmaldeeld worden: +(in Smaldeelen verdeeld). + +Spreekwijze: Daar veel kinderen zijn, daar Smaldeelt het zoo (daar +wordt de erfportie geringer). + +Smaldoek, z. n. o. -- Doek, dat Smaller is dan zeildoek, en tot +bekleeding der naden van de luiken dient. + +Spreekwijze: Meenje dat het S-- is? (dat het uit een bekrompen beurs +is gedaan?) + +Smarten, b. w. -- Met zeildoek bekleeden. + +Smarting, z. n. v. -- Geteerd zeildoek, waarmede men een kabel of het +rondhout bekleedt om schavieling te voorkomen, S-- op het zwaar touw +in de kluis. + +Smeeren, b. w. -- Met Smeer bestrijken. + +Smeergording, z. n. v. -- Looze Gording, dienende om het onderlijk +van een zeil te beslaan, en om de gewone gordings by sterken wind te +steunen in het ophalen van het zeil naar het midden van de ra. Een +zeil met de S--s geien (dichthalen). + +Smeerhouten, z. n. o. of Schoen. -- Stukken dennenhout, die hol aan +de oppervlakte zijn en waar men een mast op legt, om dien te vervoeren. + +Smeerlap, z. n. v. -- Lap, waarmede gesmeerd wordt: overdr. gebezigd: +matroos, of, in 't algemeen al wie er Smeerig uitziet. De arme +Duitsche voetreizigers wikkelen zich een lap met kaarssmeer om de +voeten, tegen het doorgaan; dit werd dan ook zoo bevonden by eenige +tot scheepssoldaat verronselde mofjens; van daar is het aan boord +een scheepsnaam gebleven. + +Smeerplank, z. n v. -- Plank, waar de lijken worden gelegd om ze, +daarvan af, in zee te doen glijden. + +Smeerprop, z. n. m. -- Zware gelijkvormige Prop van dennenhout, +gewikkeld in werk, dat met kaarsvet besmeerd is, welke Prop dient +om gaten te stoppen, die door een kogel of op andere wijze in het +scheepsboord gemaakt zijn. Een schip met S--pen dicht maken. S--pen +inslaan, insteken. + +Smeerrak, z. n. o. -- Zie Byvoet. + +Smeersel, z. n. o. -- Mengel van harpuis, zwavel en kaarsvet, dat men +heet maakt en waar men de buitenhuid van een schip mede insmeert. S-- +voor zeeschepen. S-- voor opgelegde schepen. + +Smetsen, b. w. -- Eten, schranssen. Van het leven aan boord sprekende, +zegt Vondel, Lof der Zeevaart: + + + Men smetst er viermael daeghs. + + +Smokkelaar, z. n. m. -- Zie Sluiker. + +Smokkelen, o. w. -- Zie Sluiken. + +Smokkelhandel, z. n. m. -- Zie Sluikhandel. + +Smooren, o. w. -- Diep in de golven duiken, waardoor de vaart wordt +belet. Het schip is achter zijn ankers Gesmoord (in den grond gereden, +gezonken). + +Smijten, b. w. -- Wenden. Wy moeten het over een anderen boeg S--. + +Spreekwijze: Hy smijt het over een anderen boeg (hy verandert van +maatregel, van verdediging, van gedrag enz.) + +Smijter, z. n. m. (veroud.). -- Zie Hals. + +Snaauw, z. n. v. of Snaauwschip. -- Groot tweemastschip. Het voert +een kleinen mast, die achter en evenwijdig met den grooten mast onder +diens mars staat. Deze kleine mast, die S-- of Doodeman genoemd wordt, +voert een gaffel en een zeil, dat S--zeil heet. Een S-- voert 180 a +260 en meer ton. + +Snaphaan, z. n. m. -- 1o. Knietjen onder de mars. + +2o. Schietgeweer. + +Spreekwijze: Hy kan beter met de handspaak dan met den S-- te +recht. (hy is beter matroos dan soldaat.) + +Sneb, snebbe, z. n. v. -- Neb, snuit. Zie Neb. + +Snebschuit, z. n. v. -- Schuit met een Sneb, gelijk de warmoeziers- +en boereschuiten. + +Snede, z. n. v. of Bit. -- Scherpte aan den boeg. + +Snedig, b. w. -- Scherp. Dat schip is S-- in 't zeilen (het zeilt +scherp). + +Snees, z. n. m. -- 1o. Verkorting van Sinees: werd aan boord genomen +voor: "schacheraar." + +2o. Visschers-woord, waardoor het getal van twintig wordt +uitgedrukt. Hoeveel het S--schelvisch? + +Sneeuw, z. n. v. -- Tot week ijs gekristalliseerde regen. + +Spreekwijze: Hy kijkt op als of hy S-- ziet branden (hy kijkt +vreemd op). + +Sneezen, o. w. -- Schacheren. + +Snel, b. n. -- By Rif gevoegd, brengt de beteekenis mede van +"half."--Een S--rif in een marszeil. + +Snelzeiler, z. n. m. of Hardzeiler. -- Goed bezeild schip, vaartuig, +dat, met gelijken wind en zeilaadje, meerdere snelheid ontwikkelt +dan gewone schepen onder dezelfde omstandigheden zouden doen. + +Snert, z. n. v. -- Groenerwtensoep: zeer gewone scheepskost. + +Snit, z. n. m. -- Soort van kerfbijl. + +Snit der zeilen, z. n. v. -- Kunst om aan de zeilen het vereischt +fatsoen te geven, zoo dat zy gemakkelijk te ontplooien, te richten +en uit te spreiden zijn. + +Snoek, z. n. m. -- Riviervisch. + +Spreekwijze: S-- vangen (in het water vallen). + +Hy is bedreven als een S-- op zolder (hy heeft er geen verstand van). + +Snoeping, z. n. v. (veroud.) -- Spleet of naad tusschen de planken. + +Snoer, z. n. m. en o. -- Rijgdraad, of het daaraan geregene. + +Spreekwijze: Iemand aan zijn S-- hebben (tot zijn party). Zie Lijn. + +Snoeren, b. w. -- Vasthechten, met een Snoer verbinden. + +Snuit, z. n. v. -- 't Zelfde als Neb en Sneb. + + + Een oorlogstroep, gereet, met afgebroke snuiten + En lange riemen van verongelukte schuiten. + + Antonides, IJstroom. + + +Snuiten, b. w. -- Iemand te veel geld afnemen, oplichten. Zy hebben +ons Gesnoten (zy hebben ons by den neus gehad). + +Snijden, b. w. -- In den zin van klieven. Zie ald.--De riemen S-- +wordt gezegd, wanneer de riemen by 't uithalen en voor dat men een +volgenden slag doet, op hun plat en evenwijdig met het water liggen. + +Snijveld, z. n. o. -- Plek, waar op het erf der droogers de visch +gekorven wordt. + +Snijwater, z. n. o. -- 1o. Looze boeg, die door het Water Snijdt. + +2o. Het water zelf, dat door den boeg Gesneden wordt. + +Soen, z. n. m. -- Sineesch oorlogs- of koopvaardyschip. + +Soldaat, z. n. m. -- Zie Zeesoldaat. + +Soldatengat, z. n. o. -- Opening in de marsen gelaten, om er den +top en het want van een benedenmast door te laten. Het draagt zijn +naam daarvan, dat de Soldaten aan boord, als zy naar boven moeten, +om uit de masten te vuren, liever dien korteren weg nemen dan buiten +om te klouteren. + +Soldy, z. n. v. -- Gaadje, huur. + +Sommer, z. n. m. -- Zware eiken balk. + +Sop, z. n. o. -- Nat. 't Ruime S-- (de zee). + + + Duikt niet de zon in 't ruime Sop? + Zoekt niet de maan den plas? + + +zingt Tollens in eene zijner Balladen. + +Sorlen, o. w. (veroud.) -- Vlieden, zich wegmaken. + +Sorteeren, b. w. -- Uitzoeken, ziften. Een lading S-- (wat beschadigd +of bedorven is uitwerpen en het minst beschadigde gedeelte in goeden +staat brengen.) + +Spaak, z. n. v. -- Stok, spaan. De S--en van een rad. Zie Hand-S--. + +Spreekwijze: Een S-- in 't wiel steken (iets verhinderen). + +Spaan, z. n. v. -- Stok, met een blad of lepel voorzien. Zie RoeiS--. + +Spaanders, z. n. m. mv. -- Splinters, afgebroken stukjens hout. + +Spreekwijze: Daar zullen S-- vallen (daar zullen wonden geslagen +worden). + +Spaandershaak, z. n. m. -- Haak, waarmede op de scheepstimmerwerven +de Spaanders worden weggeschoffeld. + +Spaansch spil. -- Zie Spil. + +Span, z. n. o. voor Gespan. -- 1o. Twee of meer paarden nevens +elkander, die een schip of schuit voorttrekken. + +2o. Verdeeling van het staande want; twee hoofdtouwen maken een +S-- uit. + +3o. Maat, welke men tusschen den duim en middelvinger bevatten kan. + +Spannen, b. w. -- Stijf uitzetten, stellen. + + + Gezellen, zoo gy wenscht van druck te zijn bevrijt, + Gebruikt een maatigh net en spant het niet te wijt. + + Cats. + + +Spant, z. n. o. -- Naam der dikke en dubbele zijstukken, waaruit het +geraamte van een schip bestaat. OprichtingsS--en (waarvan de bocht +bepaald wordt naar de raamteekening van het schip.) AanvullingsS--en +(die tusschen de oprichtingsS--en geplaatst worden.) VoorS--en, +achterS--en (volgends hun betrekkelijke plaats dus genoemd.) GrootS-- +(dat met den hoofdbalk overeenkomt.) EvenwichtS--en, balanceerS-- +(waarvan de opening berekend is de deelen van het voor- en achterschip +in zekere verhouding te brengen.) DraaiS-- (welks armen niet loodrecht +staan op het dwarsvlak van het schip.) RechtS--, achterraaiS--, +loodrechtS--. + +Spantbouten, z. n. m. mv. -- Zie Koppelbouten. + +Spantstut, z. n. o. -- Oplanger. + +Spantvullingen, z. n. o. mv. -- 't Zelfde als Aanvullings-spanten. Zie +Spant. + +Spanwant, z. n o. -- Bestaat uit twee hoofdtouwen, in het want. + +Spanzaag, z. n. v. -- Soort van Zaag. + +Spar, z. n. v. -- Spier, rechte boomstam; hoedanige tot kleine masten, +raas of stengen gebezigd worden. + +Spartelen, o. w. -- Handen en voeten bewegen in het water, als men +niet kan zwemmen. + +Spatpennetjens, z. n. o. -- Pennetjens, waarmede men de houten stutten +in het dek vastmaakt. + +Spatting, z. n. v. -- Wijdte, breedte. S-- van een anker (afstand +tusschen de beide bladen van een anker.) S-- der touwen (min of meer +open hoek, dien de hoofdtouwen met den mast vormen). + +Speeljacht, z. n. o. -- Jacht, dat tot vermaak gehouden wordt. S-- +staat in tegenstelling van oorlogsjacht. + + + Ginds spoedt een speeljaght over 't meir. + + Vondel, Palamedes. + + +Speelschuit, z. n. v. -- Schuit, welke tot vermaak gehouden wordt. + +Speelvaart, z. n. v. -- Vaart, tocht, die met geen ander doel gedaan +wordt dan om zich te vermaken. + +Speelvaartuig, z. n. o. -- Vaartuig, dat tot vermaak gehouden wordt. + +Speen, z. n. v. of Monnik, (veroud.). -- Benaming van de betingstijlen. + +Spei, Speil, (veroud.). -- Zie Spij, Spijl. + +Spek, z. n. o. -- Vettigheid, van varkens--en ook van walvischvleesch. + +Spreekwijze: Met S-- schieten. Zie Schieten. + +Spekjan, z. n. o. -- Scheldnaam, dien de zeelieden den Portugeezen +en Spanjaarts plachten te geven. + +Spekken, b. w. -- Korte kabelgarens dicht by elkander door een stuk +zeildoek steken, zoo dat het een ruige mat gelijk wordt. In 't algemeen +"voorzien." De bonnetten S--, een mat S-- (met werk besteken). + +Speksnijder, z. n. m. -- De man, die den walvisch aan stukken snijdt. + +Spelen, o. w. -- Iets tot zijn vermaak of genoegen verrichten. Van +hier: iets uitrichten, dat geen opzettelijk nuttig doel heeft. De +wind Speelt in de touwen (hy beweegt de touwen, doch zonder dat dit +eenig rezultaat te weeg brengt.) De mast Speelt (hy beweegt zich). + +Spelevaren, o. w. -- Uit Spelen, (dat is, "voor vermaak") uit rijden +of uit Varen gaan. 't Woord was oorspr. gescheiden, zoo als by Vondel, +Lofz. op de Scheepsv. + + + 't Zy als hy spelen vaert met zijn beschildert jacht. + + +Speling, z. n. v. -- Ruimte om zich te bewegen. De mast staat los, +heeft S-- in de vissing. Wy bemerkten, dat er overal S-- in het +schip kwam. + +Speronare, z. n. v. -- Malthezer vaartuig met een mast op het voorschip +en een sprietzeil. + +Spie, z. n. v. -- Spei of Spy.--Yzeren werktuig, dat in de enden van +yzeren bouten gestoken wordt. + +Spiebout, z. n. v. -- Zie Scheerbout. + +Spiegat, z. n. o. -- Zie Spygat. + +Spiegel, z. n. m. of Achterspiegel. -- Het achterwerk van een schip. De +naam is daarvan afkomstig, dat dit gedeelte, met glasruiten bezet, +en met lijstwerk opgecierd, op een afstand volkomen de gedaante eens +grooten S--s vertoonde. + +Spiegelbalken, z. n. m. -- Balken tusschen de hekstukken. De onderste +daarvan wordt wolfbalk, de bovenste krombalk genoemd. + +Spiegelboog, z. n. m. -- Bovenlijst van het hakkebord. + +Spiegelschip, z. n. v. -- Schip met een vierkanten achtersteven. + +Spier, z, n. m. -- Stok, steng; gijk. Zie LijzeilsS--en, BakS--en. + +Spierbeugel, z. n. m. -- Yzeren beugel, die den lijzeilspieren tot +steun strekt. LijzeilsS--s op de onderraas. LijzeilsS--s der marseraas. + +Spiering, z. n. v. -- Kleine vischsoort. + +Spreekwijze: Een S-- uitwerpen om een kabbeljauw te vangen. (Zie +Kabbeljauw). + +De Spiering doet de kabbeljauw afslaan. (Zie Kabbeljauw). + +Spil, z. n. o. -- Zie Gangspil, Kaapstander, Aardewind.--Enkel S--, +dubbel S--. Het S-- klaarmaken (de kabelaring er om heen leggen +en de windboomen er insteken.) Het S-- aftuigen (het tegendeel +verrichten). Voor het S-- gebonden worden (t. w. een scheepsjongen om +er zekere kastijding te ontvangen.) Aan het S-- winden. Spaansch S--, +rond stuk hout, dat de matrozen gebruiken by het stroppen van blokken +en het inbinden van kousen. + +Spilbed, z. n. o. of spilspoor. -- Getimmerte, waar het Spil op rust. + +Spilgat, spilkop enz. -- Zie Gat, enz. + +Spilspoor, z. n. o. -- Zie Spilbed. + +Spinnekop, z. n. m. -- Opgestoken lijn, door onderscheiden gaten +gestoken en loopende in een doodshoofd, dat met een strop op de +mars zit. + +Spit, z. n. o. -- Zie Braadspit. + +Spits, z. n. v. en o. -- Top, punt. De S-- van den mast. Het S-- +bieden, afbijten (de punt bieden, afbijten). + +Splinter, z. n. m. -- Spaander, afgebroken dunne houtnaald of +spat. Onze boot werd tegen de rots aan S--s geslagen. + +Splitbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, die aan 't vooreind gespleten +zijn. Na het indrijven van den bout worden de beide helften van het +vooreind omgeslagen. Deze Bouten komen op groote schepen weinig voor. + +Splitsen, b. w. -- 1o. Splijten, losmaken, scheiden. (Touw S--) een +end touw splijten en, dewijl dit geschiedt met het doel van het weder +te vlechten, + +2o. Aan een hechten. Dat touw is Gesplitst, die enden zijn Gesplitst. + +Spreekwijze: Men moet S-- en knoopen (Men moet zuinig zijn). + +Splitsgang, z. n. m. -- Gespleten gang of plank. + +Spitshamer, z. n. m. -- Hamer om te splitsen. + +Splitshoorn, z. n. m. -- Zie Marlpriem. + +Splitsing, z. n. v. -- Het losmaken van het einde van een +driestrengstouw, om dat te slurpen. Korte S--. Lange S--: de +laatstgenoemde wordt in het loopend touwwerk gebezigd. + +Splitstong, z. n. v. -- De gespleten enden van een wimpel. + +Spoelen, b. w. -- Schoon schip maken: het zeewater over de deks +en beplankingen van een schip gooien om het schoon te houden, en +te beletten, dat er door de warmte spleten in komen. De voeten S-- +(iemand buiten boord werpen: gelijk oudtijds by de Duinkerkers, en, +uit weêrwraak, by de Zeeuwen ten opzichte van Spanjaarts en zeeroovers +gebruikelijk was). + +Spong, z n. v. -- Sponning, groef, keep, opening, die in de dikte +van het hout gemaakt wordt, om er een balk, plank of ander houtwerk +in te brengen. + +Spoor, z. n. o. of Spoorbalk. -- Getimmerte, waarin het een of ander +rust of vaststaat. Zie MastS--, SpilS--. + +Spoorbalk, z. n. m. -- Zie Spoor. + +Spoorstok, z. n. m. -- Dwarshout op den bodem der lichte vaartuigen, +tot steunpunt dienende aan de voeten der roeiers. + +Sporten, z. n. v. mv. -- Houten klampen in een stormladder, met wier +dubbele latten de zeilkooi, de walegang enz. zijn afgesloten. + + + Hy is een yzren sport in 't hek van 't Vaderland, + + +zegt Huyghens. + +Spreektrompet, z. n. v. Zie Roeper. + +Spreeworst, z. n. v. (veroud.). -- Zie Zwichtingbouten. + +Spreiden, b. w. -- Zie Gillen. + +Spreiding, z. n. v. -- Meerdere of mindere lengte, waarover de +hoofdtouwen langs het boord verdeeld zijn. + +Spreidsel, z. n. o. -- Dun gezaagd hout, zoomwerk. + +Sprenkel, z. n. m. -- Zie Spring. + +Spriet, z. n. m. -- Lange mastboom. Zie BoegS--, Met een loopenden S-- +varen, met een geschoten S-- varen. + +Spreekwijze: + + + Hy zeilt met een loopenden S--. + Een klein windeken deert hem niet. + + +(omdat, als men den S-- uitzet, men voor geen gevaar beducht is); + +Daar en tegen + +Met een geschoten S-- varen (zwichten). + +Sprietbeugel, z. n. m. -- Soort van leguaan, om een mast geslagen, +en tot steun strekkende aan den Spriet, waarmede een zeil wordt +uitgespannen. + +Sprietzeil, z. n. o. -- Zie Zeil. + +Spring, z. n. m. of Sprenkel. -- Lijn of kabel, gebezigd om een schip +dwars te halen, 't zij dat die op hetzelfde anker gestoken worde als +een der kabels, 't zij dat die op een kleinen afstand omgeslagen +zij. Een S-- opsteken.--Met een S-- op het touw ten anker komen +(het anker uitwerpen, nadat men daar te voren een S-- op gestoken +heeft). Met een S-- op het touw onder zeil gaan. (Een S-- steken met +geen ander doel dan om by 't onder-zeil-gaan te wenden). + +Springen, o. w. -- 1o. Losraken. Het anker staat op S-- (is op 't +punt van los te raken). De grondt houdt zoo vast, dat men moeite +heeft zijn anker te doen S--. + +2o. Splijten, barsten. De mast is Gesprongen:--Het kanon is +Gesprongen:--Het touw is Gesprongen. + +3o. Uit elkander vliegen. Hy deed met zijn eigen buskruit het schip +in de lucht S--. + +Springpaard, z. n. o. -- 1o. Strop van het Paard: lijn, waarvan de +twee enden aan de ra vastzitten, en het dubbel tot kous verstrekt +aan een strop, waar het Paard in hangt. + +2o. Het buitenste Paard, tot aan de nok van de ra, dienende voor den +man, die, by reeven, de steekbout moet leggen. + +Springstopper, z. n. m. -- Zie Breekstopper. + +Springton, z. n. v. -- Ton, hoedanige (naar sommigen beweeren) op +de kampanjes en hoofddekken der schepen, waar men een entering op +vreesde, plachten geplaatst te worden, en welke men in de lucht kon +doen springen. + +Springtij, z. n. o. -- De hoogste Tijen by nieuwe en volle maan. Wy +hebben de S--en, wy zijn in de S--en. + + + Vloed en Springty moog wat rijzen + Boven zijn gewonen peil, + Boom en heide en veld vergrijzen + En het noord zijn kracht bewijzen + Aan het uitgespannen zeil. + + Bilderdijk. + + +Springvloed, z. n. m. -- Hooge vloed. + + + Gelijck een waterstroom geweld baert op een sluys + En elx gehoor verdooft door 't vreesselijck gedruysch. + De deuren kanten sich geweldigh tegen 't wringen + Des springhvloets, voor een wijl, tot dat sy openspringhen, + En geven 't water ruymt', den springhvloet vrijen toom. + Die wint dan velt en ruckt de wortels met den boom + En huys en hof omveer en zet de laege landen + In eene baere zee met groene en nieuwe stranden. + + Vondel, Gysbr. v. Aemstel. + + +Sprong, z. n. m. -- Zeegt, rondte: Dat schip heeft te veel S--. + +Spruit, z. n. o. -- Uitschietend touw. Zie BoelijnS--. + +Spruitblok, z. n. o. -- Blok, waar een Spruit doorloopt. + +Spui of Spei, z. n. o. -- Kolk, watervloeing, verlaat. + +Spuien, b. w. -- 1o. Doortocht geven, 't zij aan 't water, 't zij +aan de lucht. Het overtollige water S-- (het weg laten loopen). Wy +mochten wel eens S-- (lucht maken). + +2o. Het uitdiepen van een haven, door middel van sluizen. + +Spuidok, z. n. o. -- Kom, die by hoog tij vol loopt en, by laag tij met +kracht ledig loopende, het zand, dat voor een haven ligt, medevoert. + +Spuigat, z. n. o. -- Zie Spijgat. + +Spij, Spei of Spie. -- Yzeren werktuig, dat in de enden van een bout +gestoken wordt. + +Spijbout, z. n. m. -- Bout, die in de lengte doorboord is om een pen +te ontfangen. + +Spijgat, Spiegat of Spuigat, z. n. o. -- Van Spyen (spouwen) of wel +van Spuien, (loozen). Looden of houten buis, boven de waaiers in +het scheepsboord aangebracht en dienende om het water, waarmede de +schepen worden schoongemaakt, of dat door een regenvlaag of door de +golven op het dek komt, weder weg te laten loopen. + +Spreekwijze: Het loopt de S--en uit (het gaat al te grof:--om dat +het by een scheepsgevecht al zeer hevig moet toegaan als het bloed +der gekwetsten langs het dek stroomt en de S--en uitloopt). + +Spijgatklep, z. n. v. -- Sterk stuk leder, dat op de Spijgaten van +de eerste battery wordt gespijkerd. + +Spijker, z. n. m. -- Stuk gepunt yzer, doorgaands van boven met een kop +voorzien, en dienende om voorwerpen op elkander te bevestigen. SchotS-- +(met een langen kop, die in het hout wegzinkt.) BoutS-- (die in +stede van met een kop, met een bout is voorzien.) IJsS-- (die een +speervormigen kop heeft.) Platkop, MamieringS-- (die een platten kop +en 2 1/2 duim lengte heeft.) PompS-- (die een vierkanten kop en 2 duim +lengte heeft.) ZestigpondsS-- (die 6 duim lengte heeft.) SchietS-- (die +een vierkanten kop en 4 duim lengte heeft.) SchotS-- (die een ronden +kop en 54 streep lengte heeft.) DuimS--, TimmerS--, KlampS--, KnaapS--; +DiamantS-- (die een pyramidaalvormigen kop heeft.) RoerS--, BoersS-- +(korte en dikke S--.) SchroefS-- (die van onderen kan ingeschroefd +worden.) DubbelingS--s, dubbelS--s (die voor de dubbeling gebruikt +worden.) Een S-- indrijven, inslaan. Een S-- uithalen, klinken. Een +S-- omslaan (zoo dat die zich in 't hout verliest.) Zie verder +Timmerspijkers, Nagel, Duiker. + +Spreekwijze: Den S-- op zijn kop slaan (de zaak recht beoordeelen). + + + Hy (Justinianus), koning met of zonder kop + Hy sloeg den spijker op zijn kop. + + Bilderdijk. + + +Weet ik een S--, hy weet een gat (hy heeft altijd een uitvlucht; +ik kan hem niet pal zetten). + +S--s op laag water zoeken (met nietige vitteryen voor den dag komen, +onbeduidende gronden voorbrengen; ook: iets voorwenden om een kwade +zaak te verheelen). Bilderdijk in zijn Gesl. op 't woord Spei geeft +van dit spreekwoord, een verklaring, welke ik twijfel dat aan eenig +zeeman voldoen zal en die bovendien niet met de beteekenis van 't +spreekwoord rijmt. Hy wil namelijk een schip, dat aan den grond zit, +weder vlot maken, door 't water, dat zich in 't scheepsruim bevindt, +door de spijgaten weg te laten loopen--!--en beweert, dat men, op laag +water zittende, zijn toevlucht dus neemt tot de spijen,--welk woord +wederom in spijkers zoû zijn veranderd.--!--Ik waag het, een andere +verklaring voor te stellen. Het is alleen als 't water laag is, dat +men de gezonken waren en kostbaarheden, die uit een gestrand schip +te gronde zijn gegaan, op den bodem gaat zoeken. Maar wie daarvoor +duikt en zijn leven waagt, brengt gaarne iets boven, dat waarde heeft, +en laat de gezonken spijkers liggen. Die dus, op laag water, beweert, +S--s te zoeken, is of een dwaas, of iemand, die zijn wezenlijk doel +verbergen wil. + +Spijkeren, b. w. -- Met Spijkers beslaan. + +Spijkerhuid, z. n. v. -- Buitenhuid van het schip, die, zoo ver zy in +'t water komt, geheel met breedkoppige Spijkers beslagen is, om haar +tegen den worm vrij te waren. + +Spijkyzer, z. n. v. -- Yzer, dienende om Spijkers om te klinken. + +Spijl, z. n. m. -- Pen, spie. + +Spijlbouten, z. n. m. mv. -- Bouten met een gat aan 't vooreinde, +waardoor een spijl gestoken wordt. + +Staaf, z. n. m. -- Baar, metalen strook. + +Staal, o. w. of Staalgrond (veroud.) -- Plaats, die met bagger of +modder is opgehoogd. + +Spreekwijze: Noch Grond noch S-- (noch vleesch, noch visch). + +Staan, o. w. -- Zich bevinden, in een bepaalden toestand zijn. De +golven S-- hoog:--Aan het roer S--:--De zeilen S-- goed:--Het glas +laten S-- (zonder het te ledigen). + +Staand, deelw. -- Wat vast staat. S-- en loopend want:--Een S--e wind +(die uit een vasten hoek blijft waaien. + +Staander, z. n. m. -- Koning, as, stijl. S-- van een kraan, van +een spil. + +Staart, z n. m. -- Achterste gedeelte. S-- van een kraanbalk (het +gedeelte, waarmede die in het schip is vastgemaakt). + +Staartblok, z. n. o. -- Balk, waaraan een eind oud touw is gesplitst +om het ergends mede aan vast te maken. + +Staartstoppers, z. n. m. mv. of Zwiepingstoppers. -- Naam van twee +zware Stoppers, die het dichtst achter aan de betings zijn aan +bakboord- en stuurboordzijde. + +Staat, z. n. m. -- 1o. Rol, lijst, inventaris. S-- van bouw, +uitrusting en wapening (geschrift, dat de byzonderheden bevat van al +wat betrekking heeft tot den aanbouw, de tuigaadje, enz. van een uit te +rusten schip). S-- der mondbehoeften (geschrift, waarop de hoeveelheid +en hoedanigheid van den ingescheepten leeftocht vermeld wordt). S-- +van kosten, van uitgaven, enz. en S-- van dienst, (waarop iemands +ouderdom, rang, diensttijd, enz. vermeld staan). + +2o. Houding, toestand. Het schip is in goeden S--:--Wy zijn door den +toevoer van nieuwen voorraad, weder in S-- eenige dagen zee te houden. + +Stadig, b. n. -- Langzamerhand, loopsgewijze S-- aanstrijken, hand over +hand bijvieren (een gespannen koord langzamerhand laten doorschieten). + +Staf, z. n. m. -- Benaming, die in 't algemeen gegeven wordt aan +officieren en onderofficieren zonder troepen:--somtijds ook de +hoofdofficieren van een korps aanduidt. Generale S-- (het lichaam der +Hoofdofficieren). Chef van den S-- (officier, belast met het uitdeelen +van al de bevelen, het verslag geven der militaire operatiën, enz.) Zie +Etat-major. Op een oorlogschip bestaat de S-- uit den Amiraal, den +Vlagkapitein (die het Amiraalschip kommandeert) en de Adjudanten. + +Stafofficier, z. n. m. -- Kolonel, Luitenantkolonel en alzoo: +Kapitein-ter-zee, Kapitein Luitenant. De Subalternen, die by den Staf +dienen, heeten: "Officier naby den Staf." + +Stag, z. n. v. -- Staand touw, dienende om een mast te steunen +en te beletten achterover te slaan. Groot S-- (van den grooten +mast.) FokkeS-- (van den fokkemast.) Looze S-- (die nevens een ander +geplaatst is en weêrstand bieden moet, als deze breekt.) StangeS-- +(zwaar touw, waarmede, by slecht weer, de fok geschoord wordt.) Zie +BakS--. Spaansche S-- (daar de ra van het blind mede vast gehouden +wordt.) Over S-- smijten (schielijk wenden.) Over S-- loopen (buiten +nood de hoogte zoeken of loeven). + +Spreekwijze: Iemand over S-- werpen (iemand van zijn stuk brengen, +iemand overreden). + + + Zy smeken even graegh + En smijten endlijck hem gezeghlijck over staegh. + + Vondel. Verovering van Grol. + + +Stagkraag, z. n. m. -- Kraag van een Stag. + +Stagzeil, z. n. o. -- Zie Zeil. + +Stagzeilringen, z. n. m. mv. -- Ringen, door de oogen van het Stagzeil +gehaald. + +Stampen, o. w. of Heien. -- Een schip wordt gezegd te S-- wanneer de +boeg diep in zee steekt. + +Stampen, b. w. -- Indrukken, inpressen, stuwen. Waren in een ton +S--. Het kruid in den mond van een stuk geschut S--. + +Stamper, z. m. m. -- Werktuig, waarmede een lading wordt aangestampt. + +Stampstag, z. n. m. -- Zie Stag. + +Stampsteven, z. n. m. (veroud.) -- Breede Steven. + +Stampstooten, o. w. -- 't Zelfde als Stampen. + +Stampsel, z. n. v. -- Zware baar of golf, die tegen den boeg aanslaat. + +Stand, z. n. m. -- Vaste plaats. Vaste S-- van een mast, goede S--, +goede richting van een mast. + +Standert of Standaart, z. n. m. -- 1o. Vlag eener galei. Koninklijke +S-- (die van de hoofd- of koninklijke galei, breede wimpel, gevoerd +door een kapitein, die schepen onder zijn bevelen heeft). + +2o. 't Zelfde als Staander, met de versterkende t. + +Stang, z. n. v. -- Zie Steng. + +Stapel, z. n. m. -- 1o. Naam der vereeniging van stijlen, waar een +schip in aanbouw op rust. Het schip staat op S--. Een schip op S-- +laten zetten. + +Spreekwijze: Daar is wat op S-- (daar is wat gaande, gewoonlijk: +daar is een kleintjen te verwachten). + +2o. of Stapelplaats. Marktplaats, vereenigingspunt, waar goederen +worden heengebracht. De S-- van het koren is van deze naar gene +plaatse verlegd. + +Stapelbocht, z. n. v. -- Bocht, welke men aan een scheepswerf geeft, +om die aan de kiel van een schip in aanbouw mede te deelen. + +Stapelen, b. w. -- Stuwen, ophoogen, op Stapel zetten. + +Stapelplaats, z. n. v. -- Zie Stapel. + +Stapelrecht, z. n. o. -- Recht, aan deze of gene plaats toegekend, +om er een bepaald getal goederen te mogen opstapelen. + +Station, z. n. o. -- Standplaats, post, kruispad, ligplaats: streek, +aan een of meer oorlogschepen aangewezen, waar zy belast zijn, voor +de veiligheid der koopvaardyschepen hunner natie te waken, of de +onderdanen dier natie te beschermen. Op S-- zijn. Het S-- aflossen. + +Steek, z. n. m. -- 1o. Vereeniging van twee saamgevlochten touwen. + +2o. End van een kabel, dat door den ring van een ankeroog gestoken +wordt. + +3o. Staketsel van palen, waardoor de zalmen, steuren enz. gestuit en +in de fuiken gedrongen worden. + +Steekspeen, z. n. v. -- Sprong van de beting. + +Steel, z. n. m. -- Handvatsel, van een bijl, hamer enz. + +Spreekwijze: Hy wint op een eerlijke wijze met S--en de kost (hy is +een handwerksman). + +Steengrond, z. n. m. of Steenrif. -- Rif, uit steenachtige +zelfstandigheid bestaande. + +Steenrif, z. n. o. -- Zie Steengrond. + +Steiger, z. n. m. -- Houten getimmerte langs den oever, dat tot +aanlegplaats dient aan de vaartuigen. Het schip ligt aan den S--. Men +heeft aan den S-- gelost.--Hooft noemt in zijn Ned. Hist. Calais den +ZeeS-- van Frankrijk. + +Steigeren, o. w. -- Een Steiger maken. + +Spreekwijze: Ik heb zoo veel van S-- als van metselen (ik heb zoo +veel van 't een te doen als van 't ander). + +Steigerschuit, z. n. v. -- Schuit, die gewoon is van denzelfden +Steiger af te varen. + +Steil, b. n. -- 1o. Recht opstaande: Een S--e kust. + +2o. Strak, scherp. Een S--e wind. + +Steken, b. w. -- Een Steek doen, of geven. Een knoop S-- (een knoop +leggen.) In zee S-- (t. w. het schip); voor: zich in zee begeven, +uitloopen De zware touwen S-- (Die uit de kluis steken). + +Steker, z. n. m. -- Vorkvormige vrang. + +Stel, z. n. o. -- 1o. Volledige verzameling. Een S-- zeilen: een S-- +vlaggen: een S-- riemen. + +2o. Voor Stal. Op S-- zijn (gereed zijn, klaar zijn). + +Stelen, b. w. -- Benemen. Het land Steelt den wind van dat schip. + +Stelhout, z. n. o. -- Stelling, dienende om een kanon in goede richting +te houden. + +Stellaadje, z. n. v. of Stelling. -- Opgerichte planken, op palen +rustende en dienende om de bedden te dragen by het bouwen of +vertimmeren. + +Stellen, b. w. -- Richten. Een stuk geschut S--. + +Stelling, z. n. v. -- Zie Stellaadje. S-- van windboomen (driehoek, +gevormd van drie met de uiteinden in een punt saamgebrachte boomen, +uit welk punt zy hun kracht uitoefenen). + +Stelpnet, z. n. o. -- Soort van bun, in den vorm van een kippehok, +waarmede men den visch overdekt, die men onder in 't water ziet. Met +het S-- visschen. + +Stelsel, z. n. o. -- Yzerwerk van het roer. + +Stempelbout, z. n. m. -- Zie Drevel, Drijfbout. + +Stempelen, b. w. -- Uitdrijven, uitjagen. Een bout S--. + +Steng, z. n. v. of Stang. -- Bovenmast. Blinde S--, BoegS-- (mast +van den boegspriet.) Groote BramS--, KruisS--, Groote MarsS-- +enz. (Stengen, waar het Bram-, Kruis- of Marszeil enz. aan vast +zijn.) De vlag ter halver S-- laten zakken (ten bewijs van rouw.) De +S-- schieten, (laten zakken.) De S-- om hoog winden (ze op haar plaats +brengen.) Met een geschoten S-- varen (voor den storm vluchten). + +Steun, z. n. m. of Steunder. -- Stut, schoor. + +Steunders, z. n. m. mv. -- Verbindingsstukken in sommige +kruisverbanden. Zie Trekkers. + +Steunstuk, z. n. o. -- Rechthoekig stuk hout naast elke poort tegen +de inhouten geplaatst en zich van den balkweger tot den zetweger +uitstrekkende, tegen de doorzetting dienende. + +Steunwegers, z. n. m. mv. -- Zware wegers, omstreeks de kim en waar +de Steunders op rusten. + +Steven, z. n. m. -- De stijving of sterkte van 't schip, waar de deelen +zich tot een punt vereenigen. Zie VoorS--, Achter S--, BinnenS-- +of looze S--. Den S-- ergends heen wenden (ergends heen varen.) Het +schip schiet over S-- (het gaat vooruit.) Wy liepen den vyand op S-- +(wy ontmoetten den vyand.) Met den S-- in den wal (naar het land +toe leggende). + +Stevenen, o. w. -- Den Steven wenden. Wy moeten naar huis S--. + +Stevenkroon, z. n. v. -- 't Lat. corona rostralis. Zie Scheepskroon. + +Stevig, b. n. en bw. -- Sterk, kras. Een S--en voor-de-wind hebben. Dat +schip gaat S-- voor den wind. + +Stikgrond, z. n. m. -- Bodem van zware klei. + +Stiklijn, z. n. v. (veroud.) -- Beslagseizing, zesdraadslijn. + +Stil, b. n. -- Wordt de zee genoemd, wanneer zy noch wassende noch +afnemende, of tusschen eb en vloed is. Wy gingen met S-- water onder +zeil, om van de eb gebruik te maken. + +Stillen, o. w. -- Bedaard worden. De wind begint te S--. + +Stilstaand, b. n. -- Dat zich niet van zelf beweegt. S-- water (dat +geen stroom heeft). + +Stilte, z. n. v. -- Kalmte, rust. Wy hadden vier dagen S-- van wind +(vier dagen, dat het niet woei). S-- overal! (komm.) + +Stinkpot, z. n. v. -- Vuurpot, vuurdrager. De S--ten plachten in +zeeslagen gebruikt te worden, om, by het enteren, den vyand uit +de hut, kajuit of andere voordeelige stellingen, door den stank te +doen verhuizen. + +Stoel, z. n. m. -- Rustplaats. De S-- van den vlaggestut, of het hout, +waar de vlaggespil in staat of rust. + +Stofregen, z. n. m. of Motregen. -- Fijne regen. + +Stok, z. n. m. -- Dun en lang hout. Zie AanzettersS--, HelmS--, +KolderS--, LontS--, PompS--, VlaggeS-- enz. + +Stokken, b. w. -- Van een Stok voorzien. Een Anker S--. + +Stokvisch, z. n. m. -- Gedroogde en gebeukte Kabeljauw. + +Spreekwijze: Een drooge S-- (een houten klaas, een stijve hark van +een vent). + +Iemand op S-- zonder boter onthalen (hem slagen geven). + +Stomp, z. n. v. -- Kleine mast of brok van een mast. + +Stooken, o. w. (veroud.) -- Hard waaien. + + + Als door 't langdurigh stoocken + 't Plechtancker naulycx vat. + + Vondel. Lof der Zeevaart. + + +Stooker, z. n. m. -- Harde wind. 't Woei een fikschen S--. + + + Daer nochtans een eyke stam + Die hier aen den Hemel quam, + Licht ter aerden wort geruckt, + Licht ter neder wort gedruckt, + Licht daer henen wort gedrayt, + Alser maer een stooker waayt. + + Cats. + + +Stoomboot, z. n. o. -- Zee- of Rivier-Vaartuig, dat door Stoom wordt +voortgedreven. De S-- op Londen. De S-- op Alkmaar. + +Stoomjacht, z. n. o. -- Jacht, dat door Stoom gedreven wordt. + +Stoompaket, z. n. o. -- Stoomvaartuig, dat met het overbrengen der +maal belast is en op vaste beurten vaart. + +Stoomschip, z. n. o. of Stoomvaartuig. -- Vaartuig, dat door Stoom +gedreven wordt. + +Stoomsleeper, z. n. m. -- Zie Sleepboot. + +Stoomvaartuig, z. n. o. -- Zie Stoomschip. + +Stooten, o. w. -- 1o. Stampen, bonzen. Dit vaartuig Stoot geweldig +(men ondervindt, daarin gezeten, een S--de beweging). + +2o. Raken, tegenkomen. Het schip heeft op de Haaks gestooten. + + + De bodem slorpte 't nat + Door 't stooten op een pael, + + +zegt Vosmeer in den Gysbreght. + +Stootgaren, z. n. o. -- Wanneer men de beslagbanden van de marszeils +losmaakt, en deze alleen met kabelgarens op de ra samenbindt, zoo +dat die maar los te snijden--of als 't ware te Stooten--zijn, noemt +men dit: de zeilen op S-- zetten. + +Stootkeggen, z. n. v. mv. -- Keggen, op de werven in gebruik. + +Stootklamp, z. n. m. -- Klamp, die onder een schoor of stut gezet +wordt. + +Stootlap, z. n. m. -- Lap of oordubbeling, op een zeil tot versterking +aangebracht. + +Stootmat, z. n. m. -- Matwerk, ter afweering van 't een of ander +ingericht. + +Stootschaal, z. n. v. of Brasklamp. -- Zie Schaal. + +Stoottalie, z. n. v. -- Zie Talie. + +Stop, z. n. m. -- 1o. Tap, deuvik, kurk. + +2o. Tonnetjen proviand op de vischschuiten. + +Stoppegeld, z. n. o. -- Geld voor proviand. + +Stoppen, b. w. -- 1o. Doen ophouden. De vaart van een Schip +S--. Stop! Stop dat! (komm.). + +2o. Tegenstand bieden, gaande houden. Wy wierpen het anker om het tij +te S-- (om te beletten, dat wy door het tij uit onzen koers gedreven +werden). De vyand bevond zich te loefwaart van ons, hetgeen onzen +Amiraal deed besluiten om elke eb tij te S--. De zeilen tegenbrassen +om vaart te S--. + +3o. Stoppers opzetten, opvangen. S-- om touw te steken wordt gezegd +wanneer men de lengte vermeerderen wil van het touw, dat van de +beting naar een gezonken anker loopt. Men Stopt alsdan dat touw voor +de beting, waardoor het gemakkelijk valt, het ankertouw om de beting +te slaan. Het komm. luidt: Stopt en legt beting! + +4o. Dicht maken. Een lek S--. + +Spreekwijze: Dit lek is niet te S-- (die schuld is te groot dan dat +er aan te helpen valt). + +Stopper, z. n. m. -- Min of meer kort en stevig touwwerk, dat, met het +eene end aan eenig steunpunt verbonden, om een kabel of ander tuig +met herhaalde en stijf toegehaalde slagen gewonden wordt, ten einde +het gespannen te houden. S-- met een zwieping (S-- die het touw vat, +wanneer het schip ten anker ligt). + +Stopstuk, z. n. o. -- Stuk, dat in het boord van een schip wordt +aangebracht om een gat te stoppen, 't welk men tot het laatste toe +open houdt om er de groote stukken door te laten gaan. + +Storm, z. n. m. of Stormwind. -- Hevige beweging van de lucht, +doorgaands vergezeld van regen, hagel, onweer enz. Schepen, door den +S-- geslingerd. De Schepen zijn door S-- beloopen, overvallen. Het +woei een zwaren S-- uit het N. W. + +Stormgolf, z. n. m. -- Een massa water van meer of minder +uitgebreidheid, naarmate van den stroom, opgeheven boven de gewone +vlakte des Oceaans door de verminderde dampkringsdrukking en wellicht +door andere oorzaken, in haar geheel door den Storm voortgedreven en by +het bereiken van baaien, riviermonden en andere engten, door de rijzing +ten gevolge der samenpersing, vreeslijke overstroomingen veroorzakende. + +Stormfok, z. n. m. -- Voorstagzeil. + +Stormhoek, z. n. m. of Stormkaap. -- Landhoek of kaap, waar gewoonlijk +zware stormen waaien. + +Stormkaap, z. n. m. -- Zie Stormhoek. + +Stormkluiver, z. n. m. -- Voorstengestagzeil. + +Stormladder, z. n. m. -- Touwladders, die achter over het hek hangen. + +Stormstroom, z. n. m. -- Cirkelvormige Stroom in den omtrek van een +cirkelvormigen Storm. + +Stormweer, z. n. m. -- Harde wind, wiens richting gedurende eenige +dagen, ja weken, dezelfde blijft. + +Stormwind, z. n. m. -- Zie Storm. + +Stormzeil, z. n. o. -- Zie Zeil. + +Storten, o. w, -- Nedergaan. De baren S-- (als zy hoog geweest zijn +en weder dalen). + +Stortgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen of waren, die niet ingepakt +worden, als b. v. granen, zout, enz. Met S-- laden. De bepalingen +omtrent S--, waarvan by invoer de hoeveelheid in vreemde maat of +gewicht is uitgedrukt, zijn te vinden in art. 16 der Alg. Wet van 22 +Aug. 1820. + +Stortregen, z. n. m. -- Zie Plasregen. + +Stortvloed, z. n. m. -- Ondiepe, maar hevige stroom, waarin zich +gewoonlijk een schuit niet durft wagen. + +Stortzee, z. n. v. -- Hooge zee, die, boven het schip brekende en er +op neêrstortende, alles wegspoelt. + +Stouwen, b. w. of Stuwen. -- Goederen in het ruim pakken, dicht op +elkander drukken. Die kapitein verstaat zich op het S--. + +Spreekwijze: Hy kan wat S-- (hy kan wat in zijn maag stoppen). + +Straat, z. n. v. of Zeestraat. -- Zeeëngte tusschen twee landen. De +S-- van Gibraltar: de S-- van Babelmandeb. + +Strand, z. n. o. -- De oever die zich langs de zee strekt. Een effen +S--. Een zandig S--. De scheepjens steken van 't S-- af. Een schip +van het S-- halen. Hy zit met zijn vaartuig op 't S--. + +Stranddief, z. n. m. -- Die op het Strand geredde goederen steelt. + +Stranden, o. w. -- Op het Strand geraken. Wy vonden een op de kust +gestranden walvisch. Ook, eenvoudig, stooten, vastraken. Het fregat +Strandde op een rots. + +Stranding, z. n. v. -- De daad van stranden. Zie Schipbreuk. + +Strandjut of Strandjutter, z. n. m. -- voor Stranddief. + +Strandrecht, z. n. o. -- Recht van den eigenaar der kust op gestrande +wrakken of goederen. + +Strandvonden, z. n. m. mv. -- Aan Strand gespoelde goederen. + +Strandvonder, z. n. m. -- Ambtenaar, belast met het beheer der +aangespoelde of geborgen goederen uit een gestrand schip. + +Strandvondery, z. n. v. -- Het beheer of bestier van den Strandvonder. + +Streek, z. n. v. mv. -- 1o. Windstreek, kompasstreek. Eene der +tweeendertig afdeelingen, waarin het zwerk wordt verondersteld te zijn +afgedeeld, en het kompas werkelijk afgedeeld is. Dat schip zeilt op +zes S--en (er zijn maar zes windstreken tusschen de richting van den +wind en die van het schip.) + +Spreekwijze: Dat (het kompas) houdt geen S-- (dat gaat niet door, +dat is niet juist). + + + Dat woort moet weer berijmt zijn + Of 't streeck houdt of geen streeck of 't dicht soud ongelijmt + zijn. + + Huyghens. Hofwijck. + + +Hy is van zijn S-- (hy is ongesteld). + +Hy heeft werk om weder op zijn S-- te komen (om weder te herstellen). + +RechtS--s (recht door zee). + +2o. Plaats, uitgestrektheid, omtrek. Wy hebben in die geheele S-- +geen schip ontmoet. Die S-- wordt door zeeroovery onveilig gemaakt. + +3o. Luchtstreek. Wy komen weldra in een heeter S--. + +Streektafels, z. n. v. mv. -- Tafels, die het verschil van breedte +en omtrek aanwijzen. + +Strekken, o. w. -- Zich richten. Die kust Strekt 4 mijlen zuidwaarts +heen. + +Strekking, z. n. v. -- Richting, wending, ligging. De S-- eener kust. + +Streng, z. n. v. -- Lang verbindsel van in elkander gewerkte draden, +geschikt om met dergelijke verbindsels gestrengeld te worden en een +dik touw of kabel te vormen. Drie S--s-touwwerk. Vier S--s-touwwerk. + +Spreekwijze: De derde S-- maakt den kabel (Zie Kabel). + +Striem, z. n. m. -- Zie Binnenrahout. + +Strik, z. n. m. -- Zie Strop. + +Strook, z. n. m. -- 1o. Smalle band of baan. Een S-- zeildoeks. + +2o. Smal vooruitstekend stuk lands. + +Strooken, o. w. -- 1o. Zich voordoen. Dat schip Strookt wel. + +2o. Overeenkomen. Dit bevel Strookt niet met de gegevene +instruktie. Die bepaling van lengte en breedte, waarop die klip is +gezien, Strookt niet met die van den kapitein N. + +Strooking, z. n. v. -- Vorm, voorkomen. De S-- van een schip. + +Stroom, z. n. m. -- 1o. Hoeveelheid water, die zich met meer of mindere +snelheid in een bepaalde richting beweegt. Geregelde S--en (die door +de beweging des aardbols, of door de bewerking van regelmatige winden, +of door de zon ontstaan.) Veranderlijke S--en (die aan wisselingen +onderhevig zijn.) Tegen den S--en op- of ingaan. Het bed, de bedding +van een S-- (de ruimte, door welke hy gewoonlijk vloeit.) Door den +S-- medegevoerd worden, afdrijven. Die S-- loopt N. knoopen (heeft +de snelheid van N.) Op S-- liggen. + + + Die tegen stroom zijn schuitje roeit + Dient nimmermeer te zijn vermoeid. + + Cats. + + +2o. Vloed, rivier, die in zee uitloopt. De RijnS--; e GangesS-- +(de Rijn, de Ganges). De uitleggers zijn gelegd op alle onze S--en. + +3o. S--en voor: "de zee." De zilte S--en. + +Spreekwijze: Den S-- volgen (denken of handelen gelijk de menigte +doet). + +'t Is doodS-- (er is geen handel, geen bedrijvigheid: om dat een +doode S-- gelijk staat met een stilstaand water). Zoo zegt Hooft: + + + De winden zonder toom + Aan 't rennen schut ik kort en maak een dooden stroom. + + +Stroomen, o. w. -- Met kracht vloeien. + +Strop, z. n. m. -- Touw, waarvan de enden aan elkander zijn gesplitst +en 't welk men om een blok of kous bindt. S-- met een kous, (om een +haakblok in te hangen.) Enkele S-- (die ergends omheen wordt geslagen, +om het op te hijschen, strak te zetten enz.) Yzeren S--, (yzeren band, +die om het blok is geslagen.) Zoo RoeiS--, RoerS--, WantS--. + +Stroppen, b. w. -- Een Strop omleggen. Een blok, een kous, een +juffer S--. + +Strijken, b. w. -- Neêrhalen, doen zakken. Een ra S-- (een ra langs +den mast doen zakken.) Een vlag S-- (de lijn, waar de vlag aan vast +zit, om laag halen.) De vlag S-- (zich overgeven, om dat een schip, +dat voor zijn vyand de vlag strijkt, daarmede sein doet, dat het +zich overgeeft.) + + + Ter zee is dit gebruik, daer moet de minder strijcken, + Te lant is 't even zoo, daer moet de minder wijcken. + + Cats. + + +Dikwijls wordt het voorwerp verzwegen en er by verstaan: Geheel +S--. S-- overal, (al de zeilen in eens bergen) of, om by 't in- of +uithijschen, de takels tegelijk te vieren. Een schip doen S-- (een +schip tot de overgave dwingen.) Met de riemen S--: S-- stuurboord! het +tegenovergestelde van roeien, (komm.) + +Wy vinden strijken onz. genomen by Cats in 't navolgende gedicht: + + + Hy is een pijl, die nimmer wijckt, + Hy is een zeil, dat nimmer strijkt; + Hy is een rots, die nimmer beeft, + Wie recht en rond daarhenen leeft. + + +Stuik, z. n. m. -- Vergaring van een oplanger. Eind, waarin een stuk +hout in een ander sluit. Een S-- oprichten. S-- van een lasch, (het +schuins gesneden end eener lasch, dat de richting volgt van het stuk, +waarin het sluiten moet). + +Stuinder, z. n. m. -- Zie Staander. + +Stuiten, b. w. -- Stoppen, ophouden. De vaart van een schip S--. + +Stuitklamp, z. n. v. -- Driehoekig stuk hout, 't welk men achter de +wielen van een rolpaard plaatst, om, by het slingeren van het schip, +het kanon vast te zetten. + +Stuitwind, z. n. m. -- Zoo noemt men die windvlagen, welke in de +Japansche zee tegen de opkomende stormwolken waaien. + +Stuk, z. n. o. -- Stuk geschut. Dat schip voert 100 S--ken. De S--ken +zijn aan boord gebracht. De S--ken zijn gesjord. + +Stukgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen, die Stuk voor Stuk worden +ingeladen. Hy heeft een lading S-- aan boord. Ook wordt met S-- +laden gezegd, wanneer verschillende afzenders goederen afzonderlijk +laden. De bepalingen tot invoer omtrent onbekende S-- worden gevonden +in art. 15 der Alg. Wet van 26 Aug. 1827. + +Stukschavielen, o. w. -- Zie Schavielen. + +Stulpluik, z. n. v. -- Luik, dat over een gat heengestolpt wordt. + +Sturen, b. w. -- Een schip of schuit, 't zij volgends theoretische of +praktische ervarenis, 't zij alleen met lokale kennis, geleiden. Het +schip in behouden haven S--. + +Sturen, o. w. -- Het roer besturen. Het is zijn beurt te S--, (aan +'t roer te staan.) Er is verkeerd Gestuurd. N. S--, op N. streken +S--, (aan een schip een zekeren afstand doen afleggen, evenredig +aan zijn snelheid op een gegeven windstreek.) By-de-wind S--, +(het schip zoodanig richten, dat de wind, er voorlijk inschietende, +met het schip van een hoek 46° tot 34° make.) In den koers S--, op +de zee, op 't zeetjen S--, (den voorsteven zoo keeren, dat hy zoo +min mogelijk de werking der golven ondervinde.) In het kielwater van +een ander schip S--, (het schip in het zog van een voorgaand schip +doen volgen.) Met een stuurrad, met een rad S-- (het roer door middel +van een rad in beweging brengen.) Met een inspit, met de roerpen S-- +(het roer door middel der handen in beweging brengen). + +Sturen, b. w. -- Door stuurmanskunst geleiden. Hy nam de taak op sich, +het schip in behouden haven te S--. + +Spreekwijze: Een zaak verkeerd S--, in de war S--, (voor: haar verkeerd +leiden, in de war brengen). + +Het schuitjen in 't riet S-- (de zaak verknoeien). + +Iemand om een boodschap naar een ander toe S-- (voor: zenden: omdat +men hem als 't ware den koers voorhoudt, opgeeft, dien hy volgen moet). + +Stut, z. n. m. -- Hout, balk, stijl, die een voorwerp Stut of +schoort. S-- aan den mast, verkeerde S--, (kromme rib aan het +achterschip). + +Stutten, b. w. -- Ondersteunen. Stut zoo! Stut voor vallen, (komm. aan +den stuurman, om niet voor den wind te laten vallen). + +Stuur, z. n. o. -- Hetzelfde als Roer. S-- hebben, S-- in het schip +hebben, (gang hebben, zoo, dat het schip naar al de bewegingen van +het roer luistert). + +Spreekwijzen: Hy is het S-- kwijt, (hy weet zich niet meer te helpen). + +Hy raakt over S-- (hy raakt achteruit, in de war). + +Er is niets over S-- (er is niets aan verbeurd). + +Stuurboord, z. n. o. -- Het rechter boord van het schip, wanneer men +van den achtersteven naar voren ziet. Over S-- liggen. S--s halsen +toe hebben, (met de zeilen op het rechter boord liggen.) Over S-- met +bakboordshalzen toe liggen, (over S-- by-de-wind zeilen.) Dat schip +ligt over S--, (het helt naar de rechterzijde over.) S-- het roer, +of eenvoudig S--: (komm. aan den roerganger, om de roerpen rechts te +draaien.) Zie voorts Bakboord. + +Spreekwijze: Iemand van S-- naar Bakboord zenden. (Zie Bakboord.) + +Stuurboordswacht, z. n. v. -- Zie Wacht. + +Stuurlast, z. n. m. of Stuurlastigheid. -- Het verschil in diepgang +van den voor- met den achtersteven van het schip. Op zijn S-- gebracht +worden, (wanneer de S-- overeenkomstig de berekeningen des bouwmeesters +wordt aangebracht, om het schip wel naar het roer te doen luisteren). + +Stuurlastig, b. n. -- Geeft het verschil van den Stuurlast te +kennen. Dat schip is S--. De diepte is van achteren grooter. + +Stuurman, z. n. m. -- Oorspronkelijk de man die Stuurde, in welken +zin thands het woord Roerganger gebezigd wordt: vervolgends hy, +die met het toezicht over het Sturen belast was. Thands verstaat +men door S-- den persoon, die, op koopvaardyschepen, onmiddellijk +in rang volgt op den schipper of kapitein. Eerste S--, tweede S--, +derde S--. Bepalingen aangaande de verplichtingen des S--s vinden wij +in art. 398, 406, 407, 408 en 409 Wetb. v. Kooph. In sommige zaken +rust de verantwoordelijkheid des kapiteins mede op den S--. Zoo is hy +volgends art. 210 der algemeene Wet van 16 Augustus 1822 voor een derde +boetschuldig in geval van ontdekte overtredingen, en aan de meeste +der verplichtingen, op den schipper rustende, mede onderworpen. Zie +art. 8, 10, 12, 16 en 59 der voormelde wet. + +Van de taak, aan dezen betrouwd, gewaagt Vondel in zijn Lof der +zeevaart op navolgende wijze: + + + Wat sterfelijcke lippen + Oit melden stuurmans zorgh, de blinde en ziende klippen, + De staerten, hard van steen, de bancken onder zee, + Daer menigh eicken zwaert zijn bodem stoot aan twee, + Charybden, Scylles, die nu braecken, dan weêr slorpen, + Afgronden, die geen loot kan peilen noch beworpen, + En platen, stijf van rugh, draeistroomen diep van kolck, + En rotsen, dick ontzien van 't zeebevaren volck. + Der winden dwarrelingh, de blixems, donderslagen, + Onmatigheit van hitte, en koude, en wintervlagen, + De naerheit van de nacht, langdurigh, zonder licht + Van sterren, zon van maen, den nevel, die 't gezicht + Der baecken hem beneemt, het waken en het braken, + Des waters vochtigheit, het klocken en het kraken, + Der golven tuimeling, de broosheit van het hout + Daer hy zijn leven op onzeker heeft vertrout, + De veerheit van de reis, van magen afgescheiden, + Van vrou en kinders, die met wenschen hem geleiden, + Nootdruftigheit van kost, van takel en van tou, + Het spillen van zijn volck door ongemack en kou, + Weerbarstigheit van weer, des roovers dreigementen + En wat angstvallig brein kan schrick en vrees inprenten. + + +Aan boord van een oorlogschip is de S-- een dekofficier, belast met +het waarnemen van lengte en breedte, met het houden van den koers, +met het peilen van de diepte, het berekenen van vooruitgaan, het +opmaken van 't bestek, het naauwkeurig houden van 't journaal, enz. + +Spreekwijze: De beste Stuurlui staan aan wal, (het valt gemakkelijk +de daden van anderen te beoordeelen, wanneer men zelf niet in hun +plaats verkeert). + +Zoo zegt Cats: + + + Voorwaer het is so licht geseyt: + De lieden hebben geen beleyt + De schipper of de man te roer, + Dat is voorwaer een rechte loer, + Wis, soo ick stuurman wesen mocht, + Ick stierd het schip in gene bocht, + Ick stierd het schip in genen kolck, + Soo hield ick 't schip en al het volck. + + +Stuurrad, z. n. o. -- Rad, dienende om de roerpen, 't zij rechts, +'t zij links te bewegen. + +Stuurreep, z. n. v. -- Lijn, waarvan het middelste gedeelte om het +stuurrad gerold is; terwijl de beide enden door touwhozen heenloopen +naar de boorden van het schip boven het tusschendek, om op het uiteinde +van de roerpen tot elkander te komen. Op schepen, waar de roerpen op +het bovendek is, loopen de S--en door bloks, die ter wederzijden aan +het staande boord bevestigd zijn. + +Stuurriem, z. n. m. -- of Wrikriem. Riem, die, in een ronde keep +achter aan een licht vaartuig geplaatst, gebezigd wordt om dat vaartuig +voort te krijgen of te besturen. + +Stuurstoel, z. n. m. -- Bank, waarin de schipper eener trekschuit +gezeten is en waar de roerpen overloopt. + +Stuwaadje, z. n. v. -- Lading, en al wat verder in het ruim van een +schip is samengestouwd. + +Stuwen, b. w. -- Samenpakken, bergen. Die lading valt zwaar te S--. Een +goed Gestuwd schip. Meer gebruikelijk is Stouwen. Zie ald. + +Stijfhalen, b. w. -- Strak aanhalen. De loosbrassen S--.--Een slap +geworden touw weêr S--.--In de broekings S--. + +Stijl, z. n. m. -- Zie Stut. + +Superkarga, z. n. m. -- Opzichter eener lading: zaakgelastigde des +bevrachters, die met de koopwaren medereist en zich met den verkoop +belast. + +Sultane, z. n. v. -- Soort van Turksche galei. + + + + + + + +T. + + +Taan, z. n. v. -- Verwstof, van run of eiken schors gekookt, en +waarmede de zeilen geel geverwd worden. + +Spreekwijze: Hy ziet zoo geel als T--. + +Tafelgeld, z. n. o. -- Geld, dat aan de zeeofficieren wordt uitbetaald +boven hun wedde, om er zich levensmiddelen voor te verschaffen. + +Tak, z. n. m. -- Het kleinste gedeelte van een knie. + +Takbout, z. n. m. -- Bout met een weêrhaak, zoodat die, eens ingedreven +zijnde, niet weêr kan worden uitgehaald. + +Takel, z. n. m. -- Talie, derde hand, vierlooper. Verzameling +van touwen en katrollen, wier samenstel dient, om met geringe +krachtsaanwending groote zwaarten op te tillen. GaardT-- (die gebezigd +wordt om den bezaansgaffel van plaats te doen veranderen.) MantelT-- +(die een mantel of schenkel heeft). NokT--s (die aan de nokken der +onderraas vast zitten en dienen om vrachten binnen het schip te +brengen.) Voor-zij-T--, zij- en kipT-- (die aan de toppen der lage +masten hangen.) SpilT--, stagT-- (die boven het grootluik overhangt). + + + De takels hijssen uit de schepen + Al wat haar ruimte houdt begrepen + Of tusschen dekken zich bevindt. + + van Haren, de Geuzen. + + +Zie verder Touw, Tip. + +Takbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, aan hun vooreinde met een scherp in +doorsnede vierkante punt voorzien. Deze wordt op de hoeken ingehakt, +zoodat er scherpe uitstaande punten of Takken ontstaan, die als +weêrhaken werken. + +Takelaar, z. n. m. -- Matroos, die zich binnen 's lands verhuurt, +om het schip op te tuigen. + +Takelen, b. w. -- Het end van een loopend touw met Takelgaren bewinden +tegen 't uitrafelen. + +Takelgaren, z. n. o. -- Garen, waar een Takel mede bewoeld wordt. + +Takeling, z. n. v. -- (veroud.) Alles wat tot de uitrusting van een +schip behoort. Overdrachtelijk bezigt het Huyghens in zijn Sneldichten. + + + En all'de takelingh van zenuwen en leden + + +en nog eens: + + + Een Haegsche joffers hoofd, dry uren langh gehult, + Ten breedsten uytgestelt, gevlochten en gekrult + Schijnt by een zeilend schip niet kwalick vergeleken + Met touw en takelingh en vlaggen uytgestreken. + + +Takelloods, z. n. v. -- Loods, waar, op 's Rijks werven, alles wordt +gereed gemaakt tot het optuigen der schepen. + +Tal, z. n. o. -- 200 stuks. De haring brengt na Paschen niet meer op +dan 20 Cts. het T--. + +Talie, z. n. v. -- Zie Takel.--Van Talen (trekken) dus eigenl.: +trektouw. AchterT--s, InhaalT-- (die gebezigd worden om het geschut +uit de geschutpoorten te halen.)--ZijT--s (die tot het vastsjorren +der stukken gebezigd worden.) Enkele T-- of klaplooper. Dubbele +T--:--RifT-- (die tot reeven dient.) StagT-- (die aan de stags +der lage masten gehecht is en tot het oplichten van kleine lasten +dient.) WantT--s (die dienen om het want aan te halen.) HalsT--, +RakkeT--, T-- van de topreep, BakstagT--s. T-- van den boom (die dienen +om een zeil, een rak, enz. aan te halen.) Losse T--s (die geen vaste +plaats hebben.) StortT-- op de marsera, SlingerT-- (die de raas by +het slingeren voor een schip in haar stand moeten houden.) PenterT-- +(die tot het openen en sluiten der geschutspoorten dient.) HaakT-- +(die met een haak voorzien is.) Yzeren T--, KettingT-- (die met een +ketting voorzien is). + +Taliën, b. w. -- Optaliën, aan een Talie of Takel ophijschen. + +Taliereep, z. n. v. -- Zie Talreep. + +Talreep, z. n. v. -- Klein touw, dat, door twee stagkousen of +doodshoofden loopende, dient om deze tot elkander te brengen en +daardoor een zwaarder touw aan te halen, dat door een dier stagkousen +of doodshoofden loopt. T--en van het want, T-- van de pardoens, +enz. De T--, die door de doodshoofden van de puttingyzers en van het +staande want loopt, dient om het onder- en staggewant vast te zetten. + +Tanden, b. w. -- Met yzeren haken omhalen. Een schuit T--. + +Tandlasch, z. n. m. -- Haaklasch, waarvan het schuine vlak als met +Tanden voorzien is om in keepen te sluiten. + +Tanen, b. w. -- Met Taan verwen. Een Getaand zeil. + +Tang, z. n. v. -- Nijptang. + +Spreekwijze: Het sluit als een T-- op een varken (het sluit niet). + +Tap, z. n. m. -- 1o. Plaats waar men Tapt. + +Spreekwijze: Hy zal beteren, als Scharrebier op den T-- (hy zal nog +slimmer worden). + +2o. Korte ronde metalen of yzeren klos, aan de zijde van het kanon +uitstekende, waarmede het in het rolpaard ligt. + +Tapbeugel, z. n. m. -- Yzeren beugel op het rolpaard, die over den +Tap sluit. + +Tapbout, z. n. m. of Draaibout. -- Bout, die in de karronade steunt. + +Tarm, z. n. m. -- Staanman. Naam der stutten, die boven de boorden +van een schip uitsteken. 't Is 't Lat. terminus (paal). + +Tartaan, z. n. v. -- Vrachtschip op de Middellandsche zee. Het draagt +maar een mast met een latijnzeil, en is als een galei getuigd. Saïken +en Tartanen zegt Antonides. Zie Saïck. + +Tasse, z. n. v. (veroud.). -- Aangevoegde verbreeding op de +waterdracht. + +Tchichernee, z. n. v. -- Turksch vrachtschip, op de Zwarte zee varende. + +Teeken, z. n. o. -- Aanwijzing. Zeezwaluwen in 't kielwater is een +T--, dat de harde wind zal aanhouden. Den Albatros te zien vliegen, +is een T--, dat men de Kaap nadert. + +Teekenen, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer het water, +met de eb vallende, een vochtig merk op het strand achterlaat, dat +aantoont, hoe ver het is afgeloopen sedert het hoog water was. Het +water Teekent: men moet met het afloopen beginnen. + +Teer, z. n. m. -- Zwarte, lijmachtige zelfstandigheid, die uit +den pijnboom vloeit, wanneer deze aan de werking van 't vuur wordt +blootgesteld. KoolT-- (die uit steenkolen getrokken wordt). In den T-- +zetten (beteeren). + +Teeren, b. w. -- Met Teer besmeeren. + +Spreekwijze: T-- en smeeren (slempen en brassen). + +Teerketel, z. n. m. -- Ketel, waarin Teer gekookt wordt, waarvan nog +te Amsterdam de T--steeg haar naam draagt. + +Teerkwast, z. n. v. -- Kwast, tot het Teeren gebruikt. + +Teerling, z. n. m. -- Neut aan den Top. Zie Neut. + +Teers, z. n. m. -- Groote houten marlpriem, met yzer beslagen. + +Teerstoof, z. n. v. -- Werkplaats, waar Teer bereid wordt. + +Teerton, z. n. v. -- Ton met Teer. + +Teertuin, z. n. v. -- Omheinde plaats, binnen welke Teer gesmolten +en bereid wordt. Een buurt te Amsterdam heet nog de T--en. + +Tegen, voorz. -- Tegenover. T-- elkander in liggen (wanneer schepen +in tegenovergestelde richting varen). + +Tegen, bw. -- Onvoordeelig. Wind en stroom waren ons T--. + +Tegenbrassen, b. w. -- T-- om hoogte te nemen. De zeilen T-- (de +zeilen tegen den wind inbrengen, ten einde het vaartuig te doen +bydraaien of zijn vaart te stoppen). + +Tegenliggen, o. w. -- Wordt van de zeilen gezegd, als zy den wind +van voren ontfangen, zoo dat zy tegen den mast drukken. Een T--d +marszeil. Dat zeil Ligt Tegen. + +Tegenloopen, o. w. -- Schralen: wordt de wind gezegd te doen, wanneer +hy een by-de-wind zeilend schip niet langer dient. De wind Loopt +Tegen voor het schip: hy Loopt N. streken Tegen. + +Tegenstroom, z. n. m. -- Stroom, die Tegen is. + +Tegenwind, z. n. m. -- Wind, die noodzaakt scherp by-de-wind te +houden en gangen te doen, om zooveel mogelijk den koers te bewaren, +dien men volgen wil. + +Tegenzee, z. n. v. of Weerzee. -- Terugdeinzing van den golf, die +Tegen een rots of hoogte geslagen heeft. + +Teisteren, b. w. -- Sterk bewegen, niet zonder schade aan te +brengen. De wind Teisterde ons schip. Het schip werd zwaar Geteisterd +door den storm. + +Spreekwijze: Iemand T-- (hem kwellen). + +Tengel, z. n. m. -- Strook hout of lat, tusschen verschillende stukken +getimmerten gesteld, die aan elkander behoorden te sluiten en het +niet volkomen doen. + +Tent, z. n. v. -- Linnen scherm, horizontaal geplaatst, en 't welk men +over de dekken of de kampanje van een schip op geringe hoogte spant om +zich tegen den regen of de zon te beschutten. Zie ZonneT--. SloepT-- +(tent met yzeren schepters over de zeet van een sloep). + +Term, z. n. m. -- Zie Tarm. + +Terugvloeien, o. w. -- Rugwaartsche beweging van vloeibare stoffen. Als +de zee zich verheft, Vloeien de rivieren Terug. + +Tieren, z. n. m. mv. -- Open ruimten tusschen de ingescheepte vaten. + +Tillen, o. w. -- By de scheepstimmerlieden in gebruik voor: smal en +scherp van onderen oprijzen. + +Timmeren, o. en b. w. -- In 't algemeen: van hout iets vervaardigen; +meer bepaaldelijk: een vaartuig bouwen. Ik laat op die werf T--. Ik +Timmer op deze werf. + +Timmerman, z. n. m. -- Zie Scheepstimmerman. + +Timmerspijkers, z. n. m. mv -- Gewone benaming der spijkers, tot den +aanbouw van een schip gebezigd: zy worden onderscheiden in dunne en +dikke: de dikke van 0,10 tot 0,31: de dikke van 0,10 tot 0,41 lang. + +Timmerwerf, z. n. v. -- Zie Werf. + +Tip, (end) In de spreekwijze Tip en Takel. Voor T-- en Takel +lenzen. Zie Top. + +Tjalk, z. n. v. of Tjalkschip. -- Friesch vaartuig. + +Tobbe, z. n. v. -- Zie Balie, Koelbalie. + +Tocht, z. n. m. -- Beweging, trek, van daar ook reis. Zie Zeetocht. De +T-- naar de Noordpool. Dat schip heeft al menigen T-- gedaan. + +Tochtjen, z. n. o. -- Luchtjen, windtjen, briesjen. Dat laatste T-- +bracht ons de haven binnen. + +Tochtschuit, z. n. v. -- 't Zelfde als Trekschuit. Schuit, die gebruikt +wordt, om door Tochtslooten of binnenvaarten te gaan. + + + Sloepen, booten + En speeljacht, toghtschuit, kogge en ponten. + + Antonides. IJstroom. + + +Tochtsloot, z. n. v. -- Breede sloot, waar men een vrijen doortocht +heeft. + +Toe, bw. -- 1o. Dicht, gesloten. De luiken zijn T--. De haven ligt T-- +(het water in de haven is bevroren). Halzen T-- (komm.). + +2o. Heen. Waar is de reis naar T--? + +Toehakking, z. n. v. -- Het naderen der voor- en achtereinden van +de kiel. + +Toeleggen, b. w. -- Op stapel zetten. + +Toerusten, b. w. -- Uitrusten, voorzien. Die schepen zijn van alles +Toegerust (van al het noodige voorzien). + +Toetakelen, b. w. -- Van de noodige takelaadje voorzien. Die schepen +zijn behoorlijk Toegetakeld. + + + Zy taeklen vloot op vloot in alle havens toe. + + Antonides, Bellone. + + +Spreekwijze: Hy is zonderling Toegetakeld (vreemd opgeschikt). + +Iemand deerlijk T-- (hem afranselen, dat hy blond en blaauw ziet). + +Toetuigen, b. w. -- Zie Optuigen. + +Toewater, z. n. o. -- Water, dat bevroren is, zoo dat de vaart +belemmerd is. Het was T--, men was genoodzaakt, de vaartuigen uit +te ijzen. + +Tol, z. n. m. -- Geld, dat aan sommige plaatsen voor den vrijen +doortocht betaald moet worden. De T-- aan de Sond. + +Tolk, z. n. m. -- Staafjen om boutgaten mede te meten. + +Ton, z. n. v. -- 1o. Inhoudsmaat van een schip, die 1000 kilo +weegt. Een schip van 600 T-- (dat 600 maal 1000 kilo voeren kan.) Dat +schip heeft 800 T-- belastbare ruimte. + +2o. Tonvormige boei, hoedanige men aan den ingang van de stroomen +en zeegaten of aan wederszijden van naauwe vaarwaters plaatst, om +de vaart af te bakenen. De T--nen zijn van onderen spits toeloopende +en beschilderd, aan elke zijde des vaarwaters met een verschillende +kleur. Wy zijn de laatste T-- nog niet voorby (van 't strand komende, +dus: nog niet in volle zee). + +Tong, z. n. v. -- 1o. Split van een standaart. + +2o. Uitstekende punt van een strook land, zandbank, enz. + +Tonie, z. n. v. -- Soort van Indiaansche schuit. + +Tonneboei, z. n. m. -- Boei, uit duigen vervaardigd. + +Tonnegeld, z. n. o. -- Belasting, welke geheven wordt naar het aantal +Tonnen, 't welk de inhoud van een schip bevatten kan. Deze belasting +was by ons geregeld geworden by de Algemeene Wet van 26 Augustus 1822 +(Stbl. no. 38) Hoofdst. 25, art. 292-310; doch is in 1855 afgeschaft. + +Toonen, b. w. -- In de samenstelling: een vlag T--, kleuren T-- +(zich door het hijschen der vlag doen kennen). Zie Vlag. + + + Zy naadren zonder vlag te toonen, + Maar ras ontdekt zich wie ze zendt. + + Van Haren, de Geuzen. + + +Top, z. n. m. -- Het bovenste en naakte gedeelte van den mast of de +stengen. T-- van den mast. T-- van den bramsteng of bovenbramsteng. De +vlag in T-- hijschen (de vlag naar den T-- van den mast hijschen.) Het +zeil in T-- halen (het zoo hoog mogelijk brengen). + + + Het zeil te trekken in den top + Dat rijst veel uit een lossen kop. + + Cats. + + +Voor T-- en takel (d. i. zonder eenig zeil) voor-de-wind afloopen. + +Spreekwijze: Het zeil in T-- voeren (een hooger staat voeren). + +Top (van) te weten, "van den masttop," bw. V-- T-- was niets van de +eilanden meer te zien. + +Topbocht, z. n. v. -- De hoogste bocht of zeegt van een schip. + +Toppen, b. w. of Optoppen. -- In een rechte lijn opzetten. De ra +T--. In rouw T-- (de raas in den vorm van een Sint Andrieskruis T--). + +Toppenant, z. n. m. -- samengetr. uit Toppen-want (want dat aan de +toppen zit.) Touw, dat, ter weêrszijde aan de nokken van de ra vast +gemaakt, dient om deze te Toppen. Enkele T-- (die door een strop of +ring loopt.) Dubbele T-- (die door een blok loopt.) BovenbramT--, +MarsT--, Groote T--, enz. Looze T--, T-- der bezaansra (Zie Bekaaier). + +Toppet, z. n. o. (veroud.). -- Verkleinwoord van Top, gelijk banket +van bank, klinket van klink, parket van park enz. + + + Heeft op het hoog Toppet den bezem uitgestoken, + + +zegt Antonides. + +Topreep, z. n. v. -- Toppardoen, hanger van den grooten- en fokkemast. + +Topsenten, z. n. m. mv. -- De bovenste Senten. + +Topstander, z. n. m. -- Vlag, die van de bovenste steng waait. + + + Wat waepens brommen hier, in wimpels, toppestanders + En sluiers, fijn van draet! + + +zegt Vondel in het Lof der Zeevaart. + +Topzeil, z. n. o. -- Bovenste zeil op een vaartuig met een mast. + +Toren, z. n. m. -- Zie Vuurtoren. + +Tornen, b. w. -- Wederhouden. Een schip T-- (beletten, dat het te +snel afloopt). + +Spreekwijze: Er valt wat aan te T-- (er is veel aan vast). + +Torntouw, z. n. o. -- Touw, tot Tornen gebezigd. + +Totebel, z. n. v. -- Kruisnet zonder handvatsel, dat als een weegschaal +hangt en met een houten vork wordt opgehaald. + +Touw, z. n. o. -- 1o. Algemeene benaming van saamgevlochten +draadwerk. T-- slaan (T-- vervaardigen). + +2o. Kortheidshalve voor KabelT--, AnkerT--, BootsT--, GeiT--, +HaakT--, PoortT-- enz. T-- dat op en neêr staat (dat strak staat +op het anker.) T-- dat op zijn end is (dat alleen met het end op +de betings vast zit.) Het T-- staat recht vooruit (het maakt in de +richting van het kluisgat tot het anker een rechte lijn uit.) Het T-- +kappen (door midden kappen en met het anker prijs geven.) Het T-- +slippen (het met het anker laten varen met een boei om het terug te +vinden.) T-- steken (het los laten en laten zakken.) T-- opschieten +(het hoepelsgewijze laten zakken.) Een slag in het T-- hebben (wanneer +twee kabels ten gevolge van de bewegingen van het schip in elkander +verward raken.) T-- klaren (de slagen uit een T-- draaien.) Het T-- is +onklaar (het is verward.) T-- en Takel worden veel samen gebezigd als: + + + Men recht er boomen op met takelen en touwen. + + Vondel. Lof der Zeevaart. + + + Gelyck men niet en kan in een groot schip aanschouwen + Noch taekels zonder nut, noch bruykeloose touwen. + + De Groot. Bewijs van den Waren Godsdienst. + + +Spreekwijze: Aan een T-- vastzitten (in zijn handelingen niet vrij +zijn). + +Daar is geen T-- aan te beleggen. Zie Beleggen. + +Touwladder, z. n. m. -- Ladder, geheel of hoofdzakelijk van Touw +vervaardigd. + +Touwstopper, z. n. m. -- Touw, waarmede een kabel omwonden en +stijfgehouden wordt. + +Touwstrop, z. n. m. -- Zie Strop. + +Touwtjen, z. n. o. -- Dun Touw, als marling, enz. + +Spreekwijze: Hy heeft het T-- aan zijn been (hy zit er aan vast). + +Men moet het T-- wat vieren (men moet iets toegeven). + +Trek niet aan dat T-- (roer die zaak niet aan). + +Touwwerk, z. n. o. -- Benaming van de Touwen, die tot optuiging +van een schip dienen. Zwaar, dik T--. Licht T--. Geteerd T--. Wit +T--. T-- van de eerste, van de tweede soort. Ndraads T-- (uit N draden +samengesteld.) Nstrengs-T-- (uit N strengen samengesteld.) Opgeslagen +T-- (vervaardigd uit touw, dat reeds gediend heeft). + +Trabacolo, z. n. m. -- Soort van koopvaardyschip, in gebruik op de +Adriatische zee. Het voert twee masten en twee loggerzeilen. + +Tramontane, z. n. v. -- Italiaansche benaming der poolster, die men, +op de Middellandsche zee zijnde, boven de Alpen ziet en dus stella +tramontana (de ster aan gene zijde der bergen) noemt. + +Spreekwijze: De T-- kwijt zijn (zijn koers kwijt zijn, in de war +zijn: om dat voor de uitvinding van het kompas, een schipper, die +ster uit het oog verliezende, waar hy zich op richtte, gevaar liep, +zijn koers kwijt te raken). + +Transport, z. n. o. -- Vracht. + +Transportschip, z. n. o. -- Schip, dat tot vervoer van krijgsvolk, van +gevangenen, van veroordeelden, van landverhuizers, enz. gebezigd wordt. + +Trap, z. n. m. of Ladder. -- Algemeene benaming van de treden, +langs welke men zoo binnen als buiten het schip op- en afklimt. T-- +van het grootluik (langs welken men van het bovendek op het halfdek +komt.) T-- van het voorluik van het volk (die naar het verblijf der +matrozen geleidt.) ValreepT--. TusschendeksT--pen (die zich tusschen +de dekken bevinden.) T--pen, opgangen van de kampanje (waarmede men +van het opperdek naar de kampanje klimt.) Groote T-- buiten boord +(die, als het schip ter reede ligt, op eene der zijden midscheeps +wordt uitgehangen). + +Travaat, z. n. m. -- Korte, doch hevige bui, met stortregen. + +Traven, b. w. -- Een soort van stouwen. Zie Duiveljagen. + +Trebizonde, z. n. v. -- Turksch vaartuig, op de kusten der Zwarte +zee in gebruik. Het draagt een vierkant zeil op een grooten mast. + +Trechter, z. n. m. -- Buis, door welke men iets laat heen loopen, +om het van het eene bevattingsvoorwerp in 't andere over te gieten +of te storten. KruitT--, Zeildoeksche T--. + +Treil, z. n. o. -- Oorspronkelijk 't zelfde als treklijn: zoo +dat de uitdrukking: ik koop uw schuit met zeil en T-- beteekende: +"uw schuit, met al haar toebehooren". In vervolg van tijd is door +verloop der beteekenis, het woord overgebracht op al wat tot de +beweging van een schip even onmisbaar is als de zeilen en het want, +zoo als: de kaapstanders, het roer, de ankers enz. Door Zeil en T-- +wordt alzoo nu het geheele tuig van een schip verstaan. + +Treis, z. n. m. -- Bras van de blinde en schuifblinde ra. + +Treisblok, z. n. o. -- Blok, waar iets door Getreisd wordt. + +Treissen, b. w. -- Iets door middel van touw en blok ophalen. + +Trek, z. n. m. -- Haal: het woord wordt inzonderheid op de vischvangst +met netten toegepast. Zy vingen een goede zoo visch met den eersten +T--. + +Trekhaak, z. n. m. -- Zie Balkhaak. + +Trekken, b. w. -- Voorthalen, bepaaldelijk aan een lijn of touw. + +Trekkers, z. n. m. of Steunders. -- Kruisverbanden, die zich van +de kimwegers tot de verbindingsklossen van het laagste geschutdek +uitstrekken en naar het midden vallen. + +Treklijn, z. n. v. -- Zie Jaaglijn. + +Trekschuit, z. n. v. of Jaagschuit. -- Schuit, die door de +binnenwateren aan een lijn wordt voortgetrokken. + +Trekzaag, z. n. m. -- Soort van Zaag. + +Trensen, b. w. -- De ruimte opvullen tusschen de touwen, waaruit een +stag is samengesteld. + +Trensing, z. n. v. -- De daad of de uitslag van het Trensen. + +Troebel, b. n. -- Bastertwoord, voor bewogen, versteurd, beroerd. + +Spreekwijze: In T-- water is goed visschen (wanneer er oneenigheid +heerscht trekken listige lieden er partij van). + + + Troebel water, 's visschers zin: + Want daar ligt zijn voordeel in. + + Cats. + + +Trommel, z. n. m. -- Losse kast, die het stuurrad overdekt. + +Trommelrand, z. n. m. -- Ondergedeelte der galery. + +Tromp, z. n. v. -- Het mondstuk van 't kanon. + + + Tromp die trompte met zijn trompen + Op 's vyands vloot. + Dat men brein en bloed zag pompen + Terwijl hy schoot. + + Brandt. + + +Trompstuk, z. n. o. -- Cirkelvormig stuk hout, op den tweeden +gangbalkweger van een schip gespijkerd, en tegen hetwelk men een +gedeelte der monding van een stuk geschut doet steunen, wanneer men +dit aan den weger vastsjort. + +Tros, z. n. m. -- Lijn, uit drie of vier strengen gevlochten. + +Trotseering, z. n. v. -- Naam, die aan de schuinte van een helling +gegeven wordt. + +Tuianker, z. n. o. -- Anker, waaraan het schip voor ebbe vast ligt. + +Tuig, z. n. o. -- Al wat er noodig is om een mast, een ra, enz. in +behoorlijken staat te brengen. Een mast van zijn T-- voorzien (van +blok, touwwerk, enz.) Die mast heeft zijn T-- verloren. Waarloos T-- +(dat in rezerve, dat ongebruikt is). + +Tuigaadje, z. n. v. -- Wat tot de optuiging behoort. Het schip is +van zijn T-- voorzien. + +Tuigen, b. w. -- Optuigen, van Tuig voorzien. Een hooggetuigd schip. + +Tuimelbank, z. n. m -- Bank, waarvan de ruggesteun kan omgezet, +of omgetuimeld worden. + +Tuipoel, z. n. m. -- Zie Drijfkist, Meerpoel. + +Tuits, (een) z. n. o. -- Touw van het Tuianker, ook een tot verbranden +klein gekapt touw. + +Turken, z. n. m. mv. -- Benaming, aan stelbouten gegeven. + +Turksche pas, z. n. m. -- Soort van zeebrief of vrijgeleide, waarvan +de schepen, die de Middellandsche zee bevoeren, zich voorzagen om +geen overlast te hebben van de Barbarijsche zeeroovers. + +Tusschenwegers, z. n. m. mv. -- Langsscheeps geplaatste planken, die +de ruimte vullen tusschen den balkweger en zetweger. Op geschutdekken +dragen zy den naam van Binnengeschutgang. + +Tweemast, Tweemaster, z. n. m. -- Schip met twee masten. + +Twil, z. n. m. -- Zie Broek. + +Tij, z. n. o. voor Getij. -- Tijd, welken de zee bezig is om op +te komen en af te loopen; duur van eb en vloed. Het T-- heeft twee +malen plaats in een etmaal, met een verloop van 48 min. telken dage; +ieder vloed en ieder ebbe duurt zes uur en 12 min. Opkomend T-- +(wassend water.) Afgaand T-- (vallend water.) Laag T-- (wanneer de +eb ophoudt en de vloed gereed staat op te zetten.) Hevig, zwaar T-- +(wanneer de stroom snel loopt) Het T-- loopt met den wind (d. i. in +de richting van den wind.) Hoog T-- (wanneer de vloed op het hoogste +staat: dat by sommige gelegenheden, als by nieuwe en volle maan, +plaats heeft.) Afgaand T-- (staartjen van eb of vloed.) DoodT-- +(wanneer het water maar flaauw opkomt, als by kwartiermaan.) Tij +stoppen (Zie Stoppen.) T-- kavelen. Het T-- breekt den hals (het +verzwakt.) Het T-- vergast (is te gast, er is geen T--). + +Spreekwijze: Hy laat het T-- verloopen (hy laat de gelegenheid +voorbygaan). + +Het T-- wacht naar niemand (liet de schipper aan Keizer Karel V +weten, toen deze, na den afstand der Nederlanden, van Vlissingen zoû +uitzeilen, en niet spoedig genoeg aan boord kwam: en de spreekwijze +strekt om te herinneren, dat men de gelegenheid behoort waar te nemen). + +'t Is Dood T-- (er is geen handel). Zie Stroom. + +Hy weet wel T-- te kavelen (zijn slag waar te nemen). + +Als het T-- verloopt, verzet men de bakens (Zie Baken). + +Tijdmeter, z. n. m. -- Zie Kronometer. + + + + + + + +U. + + +Uil (een) vangen, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer +de roerganger en wachthebbende officier onoplettend zijn geweest +en het schip by-de-wind zeilende in-de-wind hebben laten loopen, +zoo dat het door-de-wind gaat en men de raas om moet brassen. + +Uitboegseeren, b. w. -- Uitsleepen. Wy hebben ons door den stoomsleeper +laten U--. + +Uitbouwen b. w. -- Het bovenst gedeelte van het schip breed naar +buiten uitbouwen (dat schip is sterk uitgebouwd.) + +Uitbreken, b. w. -- Sloopen. Men is bezig dit schip Uit te Breken +(er het yzerwerk af te halen of ook hout of touw, door wrijving +beschadigd). + +Uitbrengen, b. w. -- Klaarmaken, gereed houden, buiten boord brengen, +om elders vast te maken. Een kabel, een anker U-- om daarop te +verhalen, enz. Een touw op den wal U-- (waarvan het eene end aan het +vaartuig vastblijft en het andere aan wal wordt vastgemaakt). + +Uitbijten, b. w. -- Een schip uit het ijs brengen door het hakken +van bijten. + +Uitdiepen, b. w. -- Dieper maken, door uitbaggering enz. Een haven U--. + +Uitdroogen, o. w. -- Wordt een vaartuig gezegd te doen, wanneer de +boorden door de hitte open naden bekomen. De hitte heeft dit schip +doen U--. + +Uitdrijven, o. w. -- Zich door den stroom naar buiten laten drijven. De +haven U--. Het zeegat U--. + +Uitenteren, o. w. -- Op de paarden langs de ra klimmen: op den +boegspriet, op den gaffel U--. + +Uitgespat, b. n. -- Zie Gespat. + +Uitgilling, z. n. v. -- Halvemaanswijze uitsnijding der zeilen, +hoedanige vroeger meer algemeen in zwang was, maar thands alleen by +de winterbramzeilen wordt aangewend. + +Uithalen, o. w. -- Harder roeien. + +Spreekwijze: Hy haalt uit (hy maakt groote cier). + +Uithalen, b. w. -- Uittrekken. Een schip U-- (het van de werf en uit +het dok in 't vaarwater brengen). De boelijns U-- (die stijf zetten). + +Uithangen, o. w. -- Wordt het houtwerk gezegd te doen, dat buiten +boord steekt en over 't water hangt. + +Uithangen, b. w. -- Buiten boord Hangen; b. v., een stelling, om iets +aan de buitenhuid te verrichten. + +Uithoek, z. n. m. -- Kaap, landpunt, landtong. + +Uithouder, z. n. m. -- Reep, die gebruikt wordt om het takel terug +te trekken en schade by 't hijschen te verhoeden. + +Uithozen, b. w. -- Het water uit de sloep werken. + +Uithijschen, b. w. -- Door middel van een touw of ketting goederen +ophalen uit de plaats, waar zy zich bevonden. + +Uitkaauwen, o. w. -- Wordt een vaartuig gezegd te doen wanneer het, +ten gevolge 't zij van een gebrek in den bouw, 't zij van niet goed +gebreeuwd te zijn, by ruw weer, het werk uit zijn naden loslaat. + +Uitkijk, z. n. m. -- Man of jongen, die in den top van een mast de +wacht houdt om uit te zien naar den vyand, naar de kust of naar elk +ander voorwerp, dat men zoekt of dat men ontwijken wil. Zie Neuskijker. + +Uitladen, b. w. -- Hetzelfde als Lossen. + +Uitlegger, z. n. m. -- 1o. Wachtschip, dat op stroom gelegd wordt +buiten de havens en zeegaten. + +2o. Lange rib of balk, die zich uitstrekt van het begin tot aan het +end van 't galjoen. + +Uitleggershoofd, z. n. o. -- De uiterste knop, die voor aan 't +galjoen komt. + +Uitloodsen, b. w. -- Het schip buiten de tonnen brengen. + +Uitloopen, o. w. -- Buiten de haven loopen, en alzoo: onder zeil +gaan. Door den tegenwind kunnen de schepen niet U--. + +Uitluien, b. w. -- Stortgoederen met een blok uit de schepen hijschen. + +Uitpikken, b. w. -- Een haakblok uit de kous of den strop halen, +waarin het hing. + +Uitreeden, b. w. -- Reede maken, bevrachten, van het noodige +voorzien. Zie Uitrusten. + +Uitroeien, b. w. -- Met de sloep uitbrengen. Wy deden een jaagtros +naar het in lij geraakte schip U--. + +Uitrusten, b. w. -- In staat stellen om zee te bouwen en verder van +al het noodige en nuttige voorzien. Een vloot U--. Kapers U--. Een +oorlogschip als transport U-- (het geschikt maken om als vrachtschip +dienst te doen). + +Uitrusting, z. n. v. -- De daad of de uitkomst van het Uitrusten. + +Uitscheren, b. w. -- Van een touw sprekende, bedoelt men door U--, +het uit de opening halen, waar het ingestoken was. + +Uitschieten, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy van +'t N. naar 't O. enz. met de zon omloopt. + +Uitspatting, z. n. v. -- Zie Spatting. + +Uitsteken, b. w. -- Aan iets een buitenwaardsche beweging laten +doen. De reeven U--. De touwen U--. Het touw op zijn end U-- (het end +over end laten schieten.) U-- (een boom of roede buiten boord steken, +om grond te peilen). + +Uitvieren, b. w. -- Naar buiten vieren. + +Uitvoer, z. n. m. -- De bepalingen op den U-- van goederen +ter zee zijn te vinden in de Alg. Wet van 26 Aug, 1822, Zevende +Hoofdst. art. 52-62; die omtrent den U-- langs de rivieren in het +Achtste Hoofdst. art. 63-66; en die omtrent den U-- van accijnsgoederen +in 't algemeen in het Negende Hoofdst. art. 67-74. + +Uitvoeren, b. w. -- 't Zelfde als Uitbrengen. De lijzeilspieren U--. + +Uitwaaien, o. w. -- Wapperen, heen en weêr waaien. Zy lieten de +vlaggen en wimpels U--. Een vlag, die in sjouw was, geheel doen U--. + + + Waait uit dan, vlaggen van Oranje! + + Van Haren, de Geuzen. + + +Uitwaaien, onp. w. -- Eindigen met Waaien. Het heeft nog niet +Uitgewaaid. + +Uitwateren, o. w. -- Zijn water kwijt worden. Hier is de zij waar de +polder op Uitwatert. Een U--de sluis (een sluis, die het overtollige +water uitlaat). + +Uitwerken, o. w. -- Tegen stroom of wind uitlaveeren. + +Uitwerken, (voor het tij) o. w. -- Wordt een vaartuig gezegd te doen, +wanneer het zich in beweging stelt, voor dat eb of vloed zich doen +gevoelen. + +Uitwerpen, o. w. -- U-- door middel van werpankers uit de haven. + +Uitwerpen, b. w. -- 1o. Over boord gooien. Een tros U--. Zie +Uitbrengen, Verhalen, Werpen. Vroeger ook gebruikt voor Uitsteken. Een +vlag U--. + +2o. Uithalen, door middel van 't werpanker. + +Uitwinden, b. w. -- Met een tros op de kat Uit de haven Winden. + +Uitwippen, b. w. -- Met het wiptakel over boord zetten. + +Uitwisschen, b. w. -- Het kanon met den wisscher schoon maken. + +Uitworp, z. n. m. -- Over-boord-werping. Ende also wy van 't onweder +geweldiglijck geslingert wierden, deden wy den volgenden daags' +eenen U--. + +Handel. XXVII, 18. + +Uitijzen, b. w. -- Uit het IJs losmaken. Een slop door 't ijs hakken +om een vaartuig door te brengen. + +Uitzeilen, o. w. -- Een haven of reede verlaten. Wy Zeilden Uit met +alle zeilen in top. Met dezen wind zijn vrij wat schepen Uitgezeild. + +Uitzeilen, b. w. -- 1o. Voorbyzeilen. Een merk aan den wal U--. Een +schip U--. + +2o. Vrij van elkander zeilen: den toren Uit den vuurbaak Zeilen +(zoo zeilen dat men die beiden vrij van elkander ziet). + +Uitzetten, b. w. -- Van boord laten gaan. Ik verzocht den schipper, +dat hy my hier zoû U--. + +Uitzetten, (zich) w. w. -- Zwellen;--wordt vooral van houtwerk +gebezigd. + +Uurbord, z. n. o. -- Houten kompas, met 8 gaten op elke windstreek. Na +het afloopen van elk halfuur steekt de stuurman een pen in een der +gaten van de windstreek volgends welke hy gestuurd heeft, zoo dat, +na afloop van elke wacht, het U-- met 8 pennetjes is voorzien en hem +dient om den gehouden koers op te teekenen. + +Uurhoek (den) berekenen. -- Den tijd op zee berekenen. + + + + + + + +V. + + +Vaan, z. n. v. -- Windwijzer. + +Vaarder, z. n. m. -- Is alleen in de samenstelling in gebruik, als +in KustV--, GroenlandsV--, StraatdavisV-- enz. + +Vaardig, b. n. -- Reê, handig. Dat schip is V-- in 't zeilen. + +Vaart, z. n. m. -- 1o. Voortgaande beweging. Er is veel V-- in dat +schip. Wy moeten onzen V-- verminderen. Den V-- van een schip stoppen, +stremmen. Een schip V-- doen zetten. V-- maken. Den V-- gissen. + +Spreekwijze: V-- achter iets zetten (haast maken.) + +2o. Het Varen zelf. De V-- vermindert. + +Spreekwijze: Het zal zulk een V-- niet loopen (het zal zoo erg +niet gaan). + +Vaart, z. n. v. -- 1o. De wijze van gemeenschap met een over zee +gelegen plaats of streek. De V-- op Oostindiën. De V-- op Bordeaux. + +2o. Een Trekvaart of gegraven water om de gemeenschap tusschen twee +plaatsen tot stand te brengen. De V-- tusschen Amsterdam en Haarlem. De +Leydsche V--. + +3o. Het Vaarwater. Er zijn dit jaar weinig schepen in de V--. + + + Het is een schippers woort, het is een oude leer, + Al waer geen Vaert en is, en hoeft geen baken meer. + + Cats, Emblem. + + +Vaartgeven, o. w. -- Wordt men gezegd te doen, als men by flaauwe +koelte wat ruimer stuurt eer men gaat wenden. + +Vaartuig, z. n. m. -- Algemeene benaming voor elk zeeschip of +zeeschuit. ZeilV--, RoeiV--, OorlogsV--, DriemastV--. Dat V-- is een +der grootste onzer vloot. Lichte V--en (sloepen, booten, jols enz.). + +Vaarwater, z. n. o. -- Waterweg, welken de vaartuigen gewoonlijk +volgen. Het Groot Scheeps V--. Een naauw V--. + +Spreekwijze: Blijf in dat V-- (volhard in dat gedrag). + +Uit het V-- geraken (van zijn onderwerp afdwalen). + +Hij zeilt een verkeerd V-- (hy handelt verkeerd). + +Het is een gevaarlijk V-- (het is een netelige zaak). + +Hy ligt dwars in 't V-- (hy belet den voortgang der zaak). + +Blijf uit mijn V-- (wees my niet in den weg). + +Elkander in 't V-- zitten (elkander hinderlijk zijn). + +Iemand uit zijn eigen V-- dringen (van zijn eigendom berooven). + +Vaatjen, z. n. o. -- Klein tonnetjen. Een V-- buskruit. + +Vaatwerk, z. n. o. -- Tonnen, kuipen, enz. Wy stuwden het V--. + +Vaas, z. n. v. -- Draad, vezel. De benaming Vazen duidde aan boord +zoodanig gerafeld touwwerk aan, dat hier en daar gelegd werd om +'t schuren te beletten. + +Spreekwijze: Het zijn maar vieze Vazen (maar snorrepijpen, maar +onbeduidende zaken). + +Vadem, z. n. m. -- Maat, waarby al de lijnen by het zeewezen in gebruik +gemeten worden. Twintig V--en touw. Op die plaats is de diepte twintig +a dertig V--en. Groote V-- (van 1.884 el), Middelbare V-- (van 1.698 +el), Kleine V-- (van 1.570 el), Fransche V-- (van 1.624 el), Deensche +V-- (van 1.884 el), Grieksche V-- (van 1.758 el), Engelsche V-- (van +1.829 el), Zweedsche V-- (van 1.782 el), Spaansche V-- (van 1.674 +el), Portugeesche V-- (van 1.627 el), Napelsche V-- (van 1.624 el), +Russische V-- (van 1.832 el). Ende het dieploot uytgeworpen hebbende, +vonden sy twintich V--en. Handel. XXVII, 28. De diepte op alle +vaarwaters is bij V--en afgeteekend. Aldaar de wal tot op acht V-- +aanloopende, moeten wy wenden. + +Val, z. n. m of Kardeel. -- Lijn, die gebezigd wordt om een gaffel, een +ra, een zeil, enz. op te hijschen. KluiverV--len, StagzeilV--len. V-- +der bonnetten, LijzeilV--len (zie Piekeval). GrootmarszeilV--, +KruiszeilV--len, BramV--len, MarseV--len.--DobbelV--len (looze V--len, +dienende om andere in geval van nood te vervangen.) VlaggeV--, +WimpelV--. + +Vallen, o. w. -- Dalen, gaan liggen. Het water is aan 't V-- (aan +'t ebben.) De wind is aan 't V-- (waait minder hard.) Over boord V-- +(in 't water V--.) Het schip wil niet V-- (niet van-de-wind gaan.) Van +de ra laten V-- (zie Ra.) In de boot V-- (in de boot springen). + +Valling, z. n. v. -- Het overvallen, overhangen, vooruitsteken. De V-- +van een mast. Dat schip heeft weinig V--. (De punt van den steven +springt niet ver vooruit). V-- der achtersteven (de hellende stand +van dat deel). + +Valluik, z. n. o. -- Luik, dat door hengsels op en neder bewogen wordt. + +Valpoort, z. n. v. -- Luik, dat de geschutpoorten eener scheepsbattery +sluit. Losse, looze V--. Dubbele, halve, halfopenstaande V--en. + +Valreep, z. n. v. -- 1o. Touw, van het scheepboord afhangende op +de plaats, waar men van boord op- en afstijgt, en dienende om hem, +die den trap opkomt of afgaat te helpen:--van daar + +2o. Die plaats zelve. + +Spreekwijze: Een glaasjen op de V-- (een glaasjen tot afscheid). + +Valwind, z. n. m. -- Wind, die van over een berg of klip invalt. By +'t inloopen van Porto Prayo, kregen wy een V-- van over de bergen, +waardoor het voorbramzeil uit de lijken woei. + +Vangen, b. w. -- Grijpen, onderscheppen. De boei V--. De onderraas +met kettingen V-- (ze er in hangen.) Een zeil V-- (Zie Zeil). + +Vanglijn, z. n. v. -- Meertouw, touw, daar een vaartuig aan vast ligt. + +Varen, o. w. -- 1o. Oorspronkelijk: Met de trekschuit V--. Schuitjen +V--. + + + D'uitheemsche, die al dat gewoel ziet op de baren, + Meent Amsterdam is van dien avont leegh gevaeren. + + Antonides. IJstroom. + + +2o. Een betrekking aan boord bekleeden. Hy Vaart als schipper, als +schieman, als licht matroos. Ten oorlog, ten koopvaardij V--. + +3o. Strekken, geplaatst zijn, wanneer men van het loopend tuig +spreekt. De bagijnebras Vaart langs het grootwant. De Marszeilvallen +Varen langs de masten, enz. + +4o. 't woord wordt somwijlen bedr. gebezigd, wanneer men de gevolgen +van 't V-- aanduidt: hy heeft zich rijk Gevaren; hy heeft zijn schuit +lek Gevaren. + +Spreekwijzen: Hoe Vaart gy? (De vraag naar iemands welstand is aan +het in Holland oudtijds meest gewoon bedrijf ontleend). + +Voor wind en stroom V-- (voorspoedig zijn). + +Hy vaart tegen den stroom op (hy biedt alle hindernissen het hoofd). + +In een anders zog V-- (een ander navolgen). + +By den wal langs V-- (zich niet bloot geven, niets wagen). + +Met dubbele passen V--. Zie Pas. + +Hy tuigt vroeg en hy Vaart laat (hy maakt veel omslag, hy is niet +klaar). + +Hy roept: lui! en hy Vaart morgen eerst (hy maakt veel leven over +niets). + +Hy Vaart, zoo als de groote mast vaart. (Hy is en blijft even dom). + +Zy V-- in ééne beurs (zy handelen voor gemeene rekening). + +Wie in de schuit is moet meêV--. Zie Schuit. + +Waar men voor scheep komt, daar moet men voor V--. Zie Scheep. + +Hy heeft de kooi lek Gevaren. Zie Kooi. + +Het is kwalijk met hem Gevaren (slecht met hem afgeloopen). + +Van Duinkerken ter haring V--. Zie Haring. + +Varensgezel, z. n. m. of Varensman. -- Iemand, die zijn beroep van +de zeevaart maakt. + +Varensman, z. n. m. -- Zie Varensgezel. + +Varken, z. n. o. -- 1o. Legger, watervat. + +2o. Werktuig, met onderscheiden schrobbers of borstels voorzien. + +Varkenen, b. w. -- Een schip met Varkens schoonmaken. + +Varsebalie, z. n. v. -- 1o. Kuip, tobbe of Balie, waarin vleesch, +spek, visch enz. ververscht wordt. + +2o. Hy, die zich met dat bedrijf bezig houdt. Hy vaart voor V--. + +Vast, t. w. -- V--draaien! V--halen! (komm. van uit te scheiden, +op te houden). + +Vasteland, z. n. o. -- Het land, dat tot een der waerelddeelen behoort. + +Vaste wal, z. n. m. -- Benaming van het land, in tegenoverstelling van +de zee. Hy is aan den V--n Wal gebleven (hy is aan land gebleven). Hy +is behouden aan W--. + +Vastkeggen, b. w. -- Met keggen vastzetten. + +Vastliggen, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het, +door de kracht van den wind op de zeilen, gebogen ligt en niet kan +slingeren. + +Vastmaken zonder opgaan, o. w. -- Een gespannen touw vastmaken, +zonder dat het minder strak staat. + +Vastraken, o. w. -- Stooten, stranden, aan den grond raken. Wy Raakten +op een zandbank Vast. + +Vastspijkeren, b. w. -- Met Spijkers Vastzetten. + +Vastwerken, b. w. -- Op het drooge Werken. Pas op, dat gy ons niet op +het land Vastwerkt. Wy raakten by het inkomen van de haven Vastgewerkt. + +Vastzetten, b. w. -- Stijf vastmaken. De brassen V--, vóór dat 't +volk op de raas uitentert. Het roer V-- (de roertalies stijfhalen, +op het drooge werken.) De onhandige schipper Zette zijn schuit op +het zand Vast. + +Vastzitten, o. w. -- Aan den grond zitten. + +Vat, z. n. o. -- Ton. Zie HoosV--, KruitV--. + +Vatten, b. w. -- Grijpen, vangen, houden. Dit zeil wil geen wind V-- +(de wind waait er langs, zonder het op te doen zwellen.) Het anker +heeft eindelijk Gevat (een zijner armen heeft den grond geraakt). + +Vechten, o. w. -- Slaan, strijden. + +Vechtvlag, z. n. v. -- Zie Strijdvlag. + +Veer, z. n. o. -- Plaats, waar een beurtschip of schuit afvaart en +aanlegt, en waar de boodschappen en goederen besteld en afgeleverd +worden. Het Leydsche V--, het Goudsche V-. Kommissaris van het V-- +(die de goederen aanneemt, bestelt, enz.). + +Spreekwijze: Over de V--en gaan (overal aanleggen). + +Veer, z. n. m. -- Zie Veerbouten. + +Veerbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, aan het achtereind met een kop +en aan het vooreinde met een gedeelte dat plat uitgesmeed is en Veer +genoemd wordt. De Veer is met eenige in de lengte naast elkander +geplaatste spijkergaten voorzien. De V-- worden van rond yzer gemaakt +en komen met het ronde gedeelte in een geboord gat in vol hout. De +Veer komt tegen een platte oppervlakte van eenig ander houten deel +aan en dus in het gezicht. Door de spijkergaten slaat men taaie nagels +of bandnagels. + +Veerhuis, z. n. o. -- Huisjen, waar de kommissaris van 't Veer zijn +kantoor houdt. + +Veerman, z. n. m. -- Hy, die met een pont of schouw de lieden overzet. + +Veerschip, z. n. o. -- Schip, dat aan een gezet Veer vaart. + +Veerschipper, z. n. m. -- Schipper eener beurt- of Veerschuit. Zie +Beurtschipper. + +Veerschuit, z. n. v. -- Schuit, die aan een vast Veer behoort. + +Vegen, o. en b. w. -- Wordt overdrachtelijk in verschillende +beteekenissen gebezigd. De lucht is van wolken schoon Geveegd: Dat +schip Veegt er goed door (maakt veel gang.) Een Geveegd schip (een +schip, dat van onder scherp toeloopt.) De zee schoon V-- (vyanden en +roovers uit zee jagen). + + + Was nu de Straet geveeght van hun die luttel stuyten. + + +zegt Vondel in zijn klinkd. op het III Deel van 't Licht der Zeevaart. + +Vellen, b. w. -- 1o. Omhakken, slechten, kappen. De masten +Vellen. Kosten van het V--. Zie Hakgeld. + +2o. De fok V-- (veroud.) (die scherp in den windvang stellen). + +Velling, z. n. v. -- Omhakking, slechting: de daad van Vellen. + +Vendumeester, z. n. m. -- Beämbte, aan wien het toevoorzicht over +den verkoop van goederen is opgedragen. + +Ventjager, z. n. m. -- Vaartuig 't welk, langs de schepen varende, +eetwaren, drank, enz. uitvent, en dikwijls gestolen touw, yzer, +zeildoek in betaling neemt. + +Ventjagery, z. n. v. -- Het bedrijf der Ventjagers. + +Veranderen, o. w. -- Van zeilen V-- (die, welke hangen, tegen andere +verwisselen.) Van koers V-- (een anderen koers nemen.) Van boeg V-- +(wenden.) Van kwartier V-- (de wacht aflossen.) De wind verandert +(loopt om). + + + De droogte duurt; de lucht weet nog van geen Veranderen, + + +zegt Abjathar in Vondels Gebroeders. + +Verband, z. n. o. -- Samenvoeging der deelen. Het V-- van een schip. + +Verbeteren, b. w. -- Fouten herstellen, zich vergewissen. Het bestek, +den koers van een schip V--. De miswijzing V--. Volgends het uurbord +V-- (een en ander namelijk ten gevolge van gemaakte berekeningen). + +Verbinden, b. w. -- 1o. Weder aanhalen, weder stijfhalen. Het want V-- +(de belegtouwen aanhalen om het weder strak te doen staan). + +2o. Een schip V-- (veroud.) Het, door het verstuwen van eenige +ingeladen goederen of ook wel door het verzetten van eenige vaste +scheepsdeelen, hoog zeilende maken. + +Verbindingsklos, z. n. m. of Draagbalk. -- Boordstuk, op, en tegen +hetwelk een balk komt te leggen. + +Verboden goederen. -- Zie Goederen. + +Verbreedingstukken, z. n. o. mv. -- Twee planken, tijdelijk op de +beide zijden van het achterstuk van het roer gespijkerd, om, in enge +doortochten, een spoediger werking voort te brengen. + +Verdek, z. n. o. -- Naam, dien sommige Romanschrijvers en +Schoolmeesters (maar nimmer een Zeeman) aan het Dek geven. Zie Dek. + +Verdrinken, b. w. -- Te laag by het water brengen. De battery V-- +(de battery, door overlading van het schip, zoo dicht by de waterlijn +brengen, dat men de geschutpoorten niet zonder gevaar kan openen.) De +grootste wijdte van het schip V-- (het schip zoodanig door zijn +dracht laden, dat het in 't midden op zijn grootste wijdte beneden +de waterlijn komt.) + +Verdrinken, o. w. -- In 't water omkomen. + +Spreekwijze: V-- eer men water gezien heeft (zich zedelijk of +lichamelijk bederven zonder er genot van te hebben gehad). + +Verdubbelen, b. w. -- Een dubbele huid om een schip spijkeren. + +Verdubbeling, z. n. v. -- 1o. Daad van Verdubbelen. + +2o. De omgelegde huid zelve. + +Vereenigingsbout, z. n. m. -- Zie Knevel. + +Vergaan, o. w. -- Te gronde gaan, zinken. Er zijn met den laatsten +storm vele schepen V--. Met man en muis V--. + + + Zoo 't al moest zinken en Vergaan, + Waar bleef de zwaan? + + +Vraagt de Rei van Staatjufferen in Vondels Noach. + +Vergadering, z. n. v. -- Het tegen elkander komen van twee stukken +van inhouten. V-- van een korte vrang en een onderbuikstuk. De V--en +worden loodrecht op het inhout gericht. + +Vergasten, o. w. (veroud.) -- Veranderen van richting, als een gast +die vertrekt. Het tij Vergast. + +Verhalen, o. w. -- Van ligplaats veranderen, in een dok of haven +liggende. Wy Verhaalden naar het havenhoofd en brachten een werp op +stroom om uit te halen. + +Verkennen, b. w. -- Onderzoeken. Land V--. Een baai V--. Verkend raken +(bemerken, waar men is). + +Verkenning, z. n. v. -- Onderzoek. Er werden eenige schepen op V-- +vooruitgezonden. + +Verklaring (generale), z. n. v. -- Aangifte der lading, door de +binnenkomende schippers en stuurlieden by 't binnenkomen aan de +uiterste wacht gedaan. De bepalingen, daaromtrent te volgen, zijn te +vinden in art. 8, 9, 10, 11 en 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822. + +Verklikker, z. n. m. -- 1o. of Spaansche waker: kleine windwijzer, +gevormd van een draad, waaraan een kurk, met veêren bestoken. + +2o. of Asciometer. Zie ald. + +Verlaat, z. n. o. -- Sluis, uitwatering. + +Verlaten, o. w. -- Afwijken. De klamp V-- (wijkt af.) + +Verlating, z. n. v. -- Zie Afstand. + +Verlegen weer, z. n. o. (veroud.) -- Zeer boos weer op zee. + +Verlengen, b. w. -- Rekken, uitbrengen. + +Verloop, z. n. m. -- 1o. Verandering, teruggang. Het V-- van het tij: +het V-- van stroomen en zeegaten. + +2o. Hevige windvlaag met regen. + +Spreekwijze: V-- van jaren. V-- van zaken. + +Verloopen, o. w. -- Wegloopen, wegvloeien. Het getij Verloopt. + +Spreekwijze: De neering is V-- (is achter uit, is te niet gegaan). + +Verloren, b. n. -- 1o. Te loor gegaan. Een V-- reis (een reis, +die niets heeft opgebracht.) Er zijn vele schepen V-- geraakt +(vermist.) Een V-- lip (een lip, waarvan de wedergaê niet te vinden +is, en die dus verder van geen dienst kan zijn). + +2o. Fluitwijze gewerkt. V-- lip (die aan het eene end als een fluit +eindigt). + +Vernaaien, b. w. -- De Naaisels van blokken, proppen, enz. vernieuwen. + +Vernagelen, b. w. -- Met Nagels dichtslaan. Het geschut V-- (het, +door 't in het zinkgat inslaan van Nagels, onbruikbaar maken). + +Vernietigen, b. w. -- Te niet doen. Een sein V-- (door middel van +een sein tegenbevel geven). + +Vernieuwen, b. w. -- Het gesletene vervangen. + +Verongelukken, o. w. -- Schipbreuk lijden, stranden, vergaan. Op een +kust, op een klip V--. + +Verpoozen, b. w. -- Aflossen. Iemand van zijn vracht V--. + +Verrekijker, z. n. m. -- Koperen of houten uitschuivende buis met +geslepen glazen voorzien, waardoor men verwijderde voorwerpen, welke +met het bloote oog niet te bereiken zijn, kan waarnemen. + +Versche schoot, z. n. m. (veroud.) -- Strook zoet water, die onvermengd +een eind in zee loopt. + +Verscheren, o. w. 1o. (veroud.) -- Voorbyschieten: wordt van balken en +planken gezegd, die door elkander heenslaan. Hoe meer de buikstukken +en knieën V--, hoe sterker het schip is. + +2o. Het loopend touwwerk in de bloks veranderen. + +Verscherven, o. w. -- Het voorby elkander schieten der verschillende +lengten, die tot een verbinding dienen. + +Verschansen, b. w. -- Het gedeelte van een schip, dat boven water +komt, afwerken. + +Verschansing, z. n. v. -- Schans, bovenwerk van een schip. + +Verschieten, b. w. -- Van plaats doen veranderen. Den ballast V--. + +Verschil, z. n. o. -- Onderscheid. V-- in capaciteit, in +waterverplaatsing en in gewicht van het voor- en achterschip +(onderscheid tusschen het gewicht van het voorschip of van de vloeibare +stof, welke het al drijvende verplaatst, en dat van het gewicht waters, +door het achterschip verplaatst.) V-- in zee tusschen de gissing +en de waarneming ('t welk plaats heeft, wanneer, by 't opmaken van +'t bestek, de lengte en breedte niet overeenkomen met de waarnemingen). + +Versebalie, z. n. v. -- Zie Varsebalie. + +Versteken, b. w. -- Van plaats doen veranderen. Zie Ververschen. + +Versteken, b. n. (veroud.) -- Een V-- schip (een schip, dat zijn +reisgenoot kwijt is, of dat zelf zijn reis niet volvoeren kan). + +Versterking, z. n. v. -- Hulp, bystand. + +Verstikt, b. n. -- Zie Touw. + +Verstoppen, b. w. -- Lucht- of waterdicht maken. Het zand heeft de +pomp Verstopt. De ballast Verstopt de loggaten. + +Verstouwen of Verstuwen. -- De Stuwaadje van plaats doen +veranderen. Het ruim opbreken om te V--. + +Verstuwen, b. w. -- Zie Verstouwen. + +Verteeren, b. w. (veroud.) -- Breken, scheuren. De masten zijn +Verteerd. + +Vertieren, o. w. -- Achteruitgaan. Een schip dat veel +Vertiert. Oudtijds werd het voor "voortgaan" genomen. + +Vertimmeren, b. w. -- Herstellen, op nieuw timmeren. + +Vertimmering, z. n. v. -- De daad van Vertimmeren. + +Vertooien, o. w. -- Zie Zorren. + +Vertuien, b. w. -- Het Tuianker uitwerpen. Een schip V-- (een schip +tusschen twee ankers vast leggen, het daagsch anker voor den vloed, +het tuianker voor de Ebbe.) Langsstrooms V-- (een anker recht voor- +en een ander recht achteruit leggen: wat geschiedt wanneer men vreest +aan wal te drijven.) Te stijf Vertuid liggen (als de touwen te stijf +gewonden zijn, zoo dat men niet kan zwaaien.) Ergends Vertuid liggen +(zich ergends bevinden, waar men door eigen schuld niet gemakkelijk +van daan kan raken). + +Vertuind, b. n. -- Van een Vertuining voorzien. + +Vertuining, z. n. v. of Gebroken Gang. -- Gedeelte van het +scheepsboord, dat over den bak of door de kampanje heenloopt. + +Vertuiningsplanken, z. n. v. mv. (veroud.) -- Planken van het +achterkasteel. + +Verval van het water, z. n. o. -- Het verschil van diepte by vloed en +ebbe. Er is hier een groot V-- van water. -- Op die reede is een V-- +van water van drie tot vier vadem. + +Vervallen, o. w. -- Op een plaats komen waar men niet wezen wil. Op +de kust V--. In een engte V--. Onder den wind V--. + +Vervaren, b. w. -- 1o. Afschaken, uitschaken: den afstand +vermeerderen. De kabelaring schrikken, V-- aan het spil (beletten, +dat de bochten zich by 't ronddraaien kruissen). Een talie V--. + +2o. Veranderen. Met stenge en raas Vervaard liggen (met gestreken +stengen en de onderraas langsscheeps). + +Ververschen, b. w. -- Men wordt gezegd het touw enz. te V--, wanneer +men het zoodanig omhaalt, dat niet langer dezelfde plekken aan dezelfde +wrijving, schuring enz. blijven blootgesteld. + +Vervuren, o. w. -- Inwendig vergaan. Vervuurd hout. + +Vervrachter, z. n. m. -- Hy, die een schip verhuurt om bevracht te +worden. Zie Bevrachter. + +Vervrachting, z. n. v. -- De daad van Vervrachten. Zie Bevrachting. + +Verwaaid, b. n. -- Door den wind verhinderd. Zy lagen daar eenige +dagen V-- (door tegenwind belet hun reis voort te zetten). + +Verwateren, b. w. -- Wateren, met water vullen. Het vaatwerk V-- +(het met zout water vullen, ten einde het voor uitdroogen en bersten +te behoeden. + +Verwerken, b. w. -- Omwerken, overpakken. Goederen V--, naar een +andere legplaats V--. + +Verwisselen, b. w. -- Aflossen, De wacht V--, de strengen V--. + +Verzanden, o. w. -- Stroomen, baaien, havens, enz. worden gezegd +te V--, wanneer zy door het in verloop van tijd aangespoelde Zand, +in diepte verminderen en eindelijk onbruikbaar worden. + +Verzegeling, z. n. v. -- Zie de bepalingen omtrent de V-- van geladen +schepen in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art. 153-156. + +Verzeilen, o. w. -- 1o. Te land komen waar men niet wezen wil. Wy +raakten op een koraalklip Verzeild. + +2o. Van ligplaats veranderen. Wy verzeilden naar den zuidwal. + +Verzeilen, b. w. -- Verliezen. Een schip V--. + +Verzeisen, o. w. (veroud.) -- Veranderen, verschieten. De wind wordt +gezegd te V--, 't zij hy goed of slecht wordt. + +Verzekeraar, z. n. m. -- Hy die tegen schade verzekert. + + + Men hoeft geen zee-verzekeraer + Nu alle watren zijn geveilight voor gevaer. + + Vondel, Zeemagazijn. + + + Hy wenscht ons toe alreede, en blijft verzekeraer + Te vrijen onze kiel van schipbreuk en gevaer. + + Vondel, Lof der Zeevaert. + + +Verzekeren, b. w. -- Aannemen, de schade, die schip of lading mocht +lijden, te vergoeden. Men vindt de bepalingen betreffende V-- tegen +zeegevaren in het Wetb. van Kooph. B II, Titel IX, art. 592-683 en +die betreffende het V-- tegen de gevaren op binnenwateren in den +volgenden Titel, art. 686-695. + +Verzekeren, (de battery). Het kanon met den tromp tegen boord gevlucht +met dubbele sjorrings voorzien, wat by hevig en langdurig slingeren +van het schip geschiedt. + +Verzekeren, (de vlag). By 't ophalen der vlag een schot doen. + + + Zoo werd der Geuzen vlag verheven; + 't Geschut verzekert dese vlag. + + Van Haren, de Geuzen. + + +Verzekering, z. n. v. of Assurantie. -- De daad of overeenkomst van +Verzekeren. Polis van V-- (zie Polis). + +Verzinken, o. w. -- Geheel zinken, te gronde gaan. + +Verzoeken, b. w. (veroud.) -- Onderzoeken, nazien. Het schip V-- +(de naden en openingen nazien, om ze te herstellen en te vullen). + +Verzuipen, o. w. -- 't Zelfde als verdrinken, doch plat. Vondel echter +veredelt het in zijn Lof der Scheepvaart: + + + Wanhopigen, die hulp in 't uiterste begeeren, + En hangen aan een rots, of zwemmen op een planck, + d'Een levend, d'ander doot, verzopen, flaeu en kranck. + + +Vice-Amiraal, z. n. m. -- Zie Amiraal. + +Vice-Konsul, z. n. m. -- Zie Konsul. + +Vierbot, z. n. v. -- Verbasterde, op onze zeedorpen gebruikelijke +benaming van Vuurbaak. + +Vieren, o. w. of Vuren. -- Vuren opsteken, lantarens uithangen, +illumineeren. De wind Viert (plach men te zeggen, als de lucht rood +werd aan de zij van waar men wind verwachtte). + + + En Swanenburregh viert, + + +zegt Egmond in Vondels Gysbrecht. + +Vieren, b. w. -- Bot geven, uitpalmen. Een touw V--, stadig aan V--, +afschrikken. + + + Men viert het armdick touw zomwijl tweehondert vadem. + + Vondel, Lof der Zeevaart. + + +Spreekwijze: Iemand V-- (iemand zijn zin laten doen, zijn gemak +laten nemen). + +Vierkant, b. n. -- Dat Vier zijden heeft. V-- wulf (de plaats daar +het wapen achter tegen aan staat). + +Vierkant, bw. -- Voor: in 't vierkant. Een schip, dat V-- getuigd is +(waarvan de zeilen V-- staan). V-- brassen (zie Brassen). + +Vierlooper, z. n. m. -- Takel met twee dubbele haakbloks. + +Viktualie, z. n. v. -- Mondbehoefte, levensmiddelen. V-- voor een +zeetocht. De V-- is nog niet aan boord. + +Viktualiemeester, z. n. m. of Spijsverzorger. -- Beämbte, die gesteld +is, om de mondbehoeften te bezorgen. + +Viktualiewant, z. n. o. -- Ketels, pannen, lepels, bakken enz. Zie +Kommaliewant. + +Vilhout, z. n. o. -- Schippers boom. + +Vin, z. n. o. (veroud.) -- Druil. Zie ald. + +Vingerling, z. n. m. -- Benaming van zware poorthengsels, wier armen, +op den achtersteven vastgenageld, zich over het barghout uitstrekken, +en een deel van het roerstel uitmaken. Zy zijn voorzien met boven +elkander geplaatste oogen, om de pennen der roerhaken te ontfangen. + +Vinkenet, z. n. o. -- Zie Boevenet. + +Vioolblok, z. n. o. -- Langwerpig dubbel blok. + +Vioolstukken, z. n. o. mv. -- Zware beplankingen, welke men tegen +den kop van den boegspriet van een groot vaartuig aanspijkert, om, +des gevorderd, den kluiver te steunen. + +Visch, z. n. m. -- Vliegende V--. + +Spreekwijze: Zoo gezond als een V-- (om dat een V-- zelden van koorts +of rhumatiek schijnt te weten). + +Groote Visschen eten de kleine (de grooten verdrukken de geringen). + +Groote V--en scheuren het net en springen uit den ketel. (De grooten +verbreken de wetten en ontkomen aan de straf). + +Hoe meer V-- hoe droever water (hoe meer volk hoe minder de bedeeling). + +V-- laat den mensch zoo als hy is (V-- is niet voedzaam). + +Vischben, z. n. v. -- Zie Vischkorf. + +Spreekwijze: Zoo rein als een V--. + +Vischjen, z. n. v. -- Kleine Visch. + +Spreekwijze: Een klein V-- een zoet V-- (men moet een kleinigheid +niet verwerpen). + +Die een goê V-- heeft, mag het wel in den ketel houden (men moet een +verkregen voordeel niet rond kraaien). + +V-- spring in (man, wees welkom)! + +Vischkaar, z. n. v. -- Kaar, waarin men den Visch bergt. + +Vischkorf, z. n. m. of Vischben. -- Korf of mand, waarin de Visch +wordt gedragen en gevent. + +Vischnet, z. n. o. -- Net, tot de vischvangst gebezigd. + +Vischperk, z. n. o. -- Zie Rietpark. + +Vischschuit, z. n. v. of Visscherman. -- Schuit, die ter Vischvangst +uitgaat. + +Vischstaart, z. n. m. -- Bosch hout, met snijwerk voorzien en dienende +om de galery tegen den aanslag van 't water te beschermen. + +Vischvangst, z. n. v. -- De daad of de uitkomst van het Visschen. + +Visschen, o. w. -- 1o. Visch vangen. + + + Recht op luim en tij te gissen + Voegt in 't vrijen en in 't visschen. + + Oudaan. + + +Spreekwijze: Achter het net V-- (slib vangen, te laat komen). + +Met een zilveren hengel V-- (door geld tot zijn doel komen). + +Voor eens visschers deur V-- (vergeefsche moeite doen). + +In troebel water is goed V-- (in tijden van omwenteling is het +gemakkelijk vooruit te komen). + +Elk Vischt op zijn getij (ieder zoekt op zijne wijze vooruit te komen). + +2o. Eenig voorwerp in het water opzoeken. Naar het anker V--. Naar +een touw V--. + +Visscher, z. n. m. -- Hy, die zijn kostwinning van het visschen +maakt. Een OesterV--. Een PaerelV--. + +Spreekwijze: zie Visschen. + +Visschers, z. n. m. mv. -- Zware balken, in het dek, waar de mast +doorgaat. + +Visschersman, z. n. m. -- Zie Visschschuit. + +Visschery, z. n. v. -- De uitoefening der vischkunst. De +KoraalV--. De PaerelV--. De Groote V-- (de HaringV--). De kleine V-- +(de WalvischV--). De binnenkomende schepen der groote V-- zijn niet +aan inklaring onderworpen. Zie art. 24 A. W. 26 Aug. 1822. + +Vissing, z. n. v. -- Ronde of eironde opening in de dekken gemaakt, +om er masten of kaapstanders door te laten gaan. + +Visiteur, z. n. m. -- Beämbte der In- en Uitgaande rechten, die +byzonder belast is met schepen in- en uit- te klaren of te onderzoeken. + +Vlaag, z. n. v. -- Bui, wind, die kort duurt. By V--en (by buien). Een +zomerV-- (een bui, die spoedig over is). Een onweersV--. Een regenV--. + +Spreekwijze: Heer! hoe wonderlijk vallen de V--en (zei de man, die +by mooi weer bezopen in de sloot geraakt was, en voor zijn vrouw niet +weten wilde hoe hy zoo nat kwam). + +Vlag, z. n. v. -- 1o. Langwerpig vierkante banier, die tot +herkenningsteeken dient. Vroeger was de V-- niet anders dan het +blazoen van hem, aan wien het schip behoorde of die er op streed; +en voerde elk vaartuig de V-- van den Soeverein, van de Stad, van de +Amiraliteit, van den Edelman of van den Reeder, ten wiens koste het +was uitgerust. Zoo had men de KoningsV--, de PrinceV--, de StatenV--, +de AmiraliteitsV--, de V-- van Amsterdam, enz. In vervolg van tijd +diende de V-- ook om de Smaldeelen of Eskaders hunner vloot te +onderscheiden: zoo had men, in Engeland: de Amiraals van de blauwe +V--, van de roode V-- enz. Sedert den oorlog tusschen Engeland en zijn +Amerikaansche Koloniën, en toen deze, zich onafhankelijk verklarende, +een eigen V-- aannamen, begon men ook te spreken van een Nationale V--, +welke uitdrukking zich hooren laat, daar, waar de Natie soeverein is; +doch louter wartaal is wanneer zy toegepast wordt op de V-- van een +Land, waar een Vorst regeert, en aan het hoofd der zee- en landmacht +staat. By het op die wijze verwarren van gezonde begrippen, dient, +sedert de omwentelingen in 't laatst der vorige eeuw, de V-- meer +algemeen om te onderscheiden, tot welke natie een schip behoort. Zoo +spreekt men van: de Fransche V--, de Belgische V-- enz. Echter heeft +men ook V--gen, die de rangen der scheepsbevelhebbers onderscheiden, +als: de AmiraalsV--, die van den grooten top, de Vice-AmiraalsV--, +die aan den voortop, de Schout-by-NachtsV--, die aan den kruistop wordt +gevoerd op de schepen, waarop die Hoofdofficieren zich bevinden. Voorts +de Onzijdige of neutrale V-- (in oorlogstijden door de schepen der +neutrale natie gevoerd.) LoodsV-- (die op de loodsschuit gevoerd +wordt.) SeinV-- (zie ald.) Witte V-- of VredeV-- (uitgestoken aan +boord van een schip, dat met krijgsgevangenen of andere vredelievende +bedoelingen tot den vyand gezonden wordt.) OorlogsV--, strijdV--, +bloedV-- (waarmede het teeken tot den aanval gegeven wordt.) Roode +V--, (die aan den voortop geheschen en door een schot verzekerd, +het sein is tot het houden van krijgsraad.) De V-- hijschen, in +top halen. De V-- strijken, neêrhalen.--Zijn V-- verzekeren (onder +'t ophalen der V-- een stuk geschut lossen.) De V-- dekt de lading +(de handel der onzijdige natiën moet door de krijgvoerende Natiën +geëerbiedigd worden.) Handel drijven onder N-- sche V--. + +2o. De zeemacht zelve. De Britsche V-- heerscht niet langer over alle +zeeën. Die Amiraal heeft de eer onzer V-- gehandhaafd. + +Spreekwijze: Hy voert de V-- (hy is de baas). + +Hy voert de groote V-- (hy voert het hoogste woord). + +Hy laat zijn V-- geweldig waaien, of hy wil de V-- overal voeren +(hy wil overal den baas spelen). + +Onder iemands V-- varen (onder iemands bescherming staan). + +Het met V-- en wimpel winnen (met glans winnen). + +Dat staat als een V-- op een modderschuit (die opschik komt niet met +de rest overeen). + +Veel V--gen, luttel boters (het innerlijke beäntwoordt niet aan +het uiterlijke). + +De V-- strijken. Zie Strijken. + +Men kan aan de V-- zien, hoe de wind waait, of, als Huygens zegt: + + + Scheepsvlagghe wijst den wint geduurigh waar hy draayt + En elcke kabel dient? Wat doen ons jonge Heeren? + Met linten op den broek en op den hoet met veeren? + Die vlagghe wijst den wint, die in haar hoofden waayt. + + +Wat voert hy in zijn V-- of in zijn schild--namelijk welk blazoen? (Wat +is zijn bedoeling? Welk een man is hy)? + +V--en en geen schip (veel geschreeuw, en weinig wols). + +Vlaggedoek, z. n. o. of Dundoek. -- Stof, waar Vlaggen van vervaardigd +worden. + +Vlaggejongen, z. n. m. -- Algemeene naam voor scheepsjongen, +ten oorlog. + +Vlaggejonker, z. n. o. -- Oude benaming van den oudsten Adelborst +aan boord. + +Vlaggekaart, z. n. v. -- Kaart, waarop de Vlaggen der onderscheiden +Mogendheden zijn afgebeeld. + +Vlaggekapitein, z. n. m. -- Kapitein, die het Amiraalschip kommandeert. + +Vlaggekist, z. n. v. -- Kist, waarin de Vlaggen geborgen worden. + +Vlaggelijn, z. n. m. -- Lijn, waarmede de Vlag wordt geheschen. + +Vlaggen, o. w. -- Alle Vlaggen uitsteken. Het is heden Konings +verjaardag: alle schepen zullen V--. + +Vlaggestok, z. n. m. -- Stok van de Vlag, die midden boven 't hakkebord +geplaatst is. + +Vlak, z. n. o. -- 1o. Kim, buik, denning van een schip. Dat schip +heeft een fraai V-- (een fraai beloop onder de kim). Het heeft een +scherp, een plat V-- (heeft veel, heeft weinig opneming in de kim). + +2o. Voor "vlakte, watervlak." Het V-- der zee. + +Vlak, b. n. -- Effen. De zee is V--. Die kust is V--. V-- water. + +Vlak, bw. -- Volkomen, ten eene male. Wy hebben den wind V-- tegen. V-- +voor 't lapjen. Zie Lapjen. + +Vlakgang, z. n. v. -- Beplanking der kim. + +Vlakwegers, z. n. m. -- Zie Weger. + +Vleet, z. n. v. -- 1o. Mast- en tuigwerk. Verloren V-- (verloren +masten en tuigaadje). + +2o. De haringnetten, als zy in zee liggen. + +3o. Een net vol, en van daar de ongetelde menigte, waarby de kleine +visch wordt verkocht. + +Spreekwijze: Garnaal is in geen tel, die koopt men by de V--. (Iemand +wiens oordeel weinig opmerking verdient.) + +4o. of Vlet, kleine schuit. + + + Rondom hen op den grond van 't enge slaapvertrek, + Lag al het tuig door een, waarmeê hun vlijt zich voedde, + Als zetkorf, schakelnet, en riet en angelroede, + Met koord en garen, grom en zeegras, boei en fuik + En oude vletschuit, lek en niet meer in gebruik. + + Bilderdijk, de Visschers. + + +Vlerk, z. n. m. -- Dat gedeelte van een scheepswand, 'twelk aan den +voorkant door de windveeren en aan den achterkant door de hekstutten +wordt bepaald. + +Vlerken, b. w. -- De boegplanken op kleine vaartuigen over elkander +slaan. + +Vlet, z. n. v. of Vleet. -- Kleine schuit of schouw. + +Vleugel, z. n. m. -- 1o. Windwijzer of kleine gesplitste vlag op +een mast. + +2o. Afdeeling eener vloot in slagorde. De rechter V--, de linker V--. + +Vlieboot, z. n. v. (veroud.) -- Oorspr. een zeeschuit, die de wateren +van 't Vlie bevaarde. Later werd de benaming gegeven aan de vaartuigen +der Watergeuzen, die niet veel beter of grooter waren. + +Vliegen, (laten) b. w. -- In eens losgooien. De bui was zoo hevig, +dat wy, om het schip te helpen, genoodzaakt waren, den grooten Schoot +te L-- V--. + +Vliegend, b. n. -- 1o. Wordt gezegd van de zeilen, waarvan de schoten +niet zijn aangehaald. + +2o. Is somtijds gelijkluidend met "geweldig." Een V--e storm (een +geweldige storm). + +Vlieger, z. n. m. -- Zie Middelstagzeil. + +Vliet, z. n. m. -- Vloeiend of stroomend water. + +Vlieten, o. w. -- Vloeien, stroomen. + +Vloed, z. n. m. -- Stroom, en, in 't byzonder, wassend tij. De V-- +duurt doorgaands 6 uur 12 min. en voert de hoogte van het water +op sommige plaatsen tot 48 voet op. De schepen kwamen met den V-- +opzetten. VoorV-- (het begin van den V--). Zie Eb. + +Spreekwijze: By hooge V--en, lage Ebben (Zie Ebben). + + + Al wat men qualyck won of tegen reden nam + Dat is maar eb en vloet, het gaat gelyck het quam. + + Cats. + + +Vloot, z. n. v. -- Scheepsmacht, verzameling van schepen, doorgaands +van oorlogschepen, die onder het bevel eens Amiraals staan. Al de +schepen van de V--. De Engelsche V-- is uitgezeild. De onverwinlijke +V-- (die welke in 1588 door Filips II tegen Engeland uitgezonden +en byna geheel vernield werd). Zie verder HaringV--, KoopvaardyV--, +RetoerV--. + +Vlooteling, z. n. m. -- Die tot de Vloot behoort. + +Vloothouder, z. n. m. -- Vaartuig, dat, ofschoon geen eerste zeiler, +toch by de Vloot kan blijven, en de andere niet noodzaakt zeil te +minderen om het in te wachten. + +Vlootleider, z. n. m. -- Het schip dat voorzeilt en waarop de overige +zich richten. + +Vlootvoogd, z. n. m. -- Amiraal, hoofdbevelhebber eener Vloot. + +Vlot, b. n. -- Drijvend. Wordt van een schip gezegd, dat, na vast +gezeten te hebben, weêr los komt. Wy zijn met het opkomend tij weder +V-- geworden, weder V-- geraakt. + +Vlot, z. n. o. -- Verzameling van verbonden balken, die een soort +van vloer vormen, somtijds dienende om menschen, paarden en goederen +te vervoeren. De schipbreukelingen hebben een V-- gemaakt, waarop +zy zich gered hebben. Men noemt ook V-- een vereeniging van balken +timmer- of brandhout, welke men de rivieren laat afzakken. Een V-- +rondhouten, een V-- masten, een V-- scheepstimmerhout. + +Vlotgaand, b. n. -- Een V-- schip, dat weinig diepte van water +noodig heeft. + +Vlotgras, z. n. o. -- Zeegras, of Wier, dat met den vloed rijst, +en met de eb daalt. Zie Wier. + +Spreekwijze: Ontgaat u de wal, hou u aan 't V-- (verliest gy den +sterken steun waar gy op rekenen mocht, klem u aan een geringeren +vast). + +Vlotten, o. w. -- Drijven. + +Spreekwijze: Het wil niet V-- (er is geen voortgang by de zaak). + +Vlucht, z. n. v. -- Zie Zeegt. + +Spreekwijze: In de V-- zijn (verlegen, bedremmeld zijn). + +Vluchten, b. w. -- Om hoog pointeeren. Het kanon V--. + +Voeg, z. n. v. -- Voeging, verbinding, lasch, verband, klinkwerk. + +Voer, z. n. o. -- Wat mede gevoerd wordt. + +Spreekwijze: Het is bootsgezels V-- zijn eigen koopmansgoed mede +te brengen. + +Voeren, b. w. -- Dragen, houden, laden, opsteken. Dat schip kan zijn +heele lading niet V--. Dat oorlogschip is gebouwd om 100 stukken te +V--. Dat schip Voert slecht zeil (de zeilen staan slecht by). Twee +reeven in de marszeils V--. De Amiraalsvlag V--. + +Spreekwijze: Een groot schip V-- (een zaak van gewicht by de hand +hebben.) + +Voering, z. n. v. (veroud.) -- 1o. Kleine koopmanschap, welke aan de +manschappen vergund wordt mede aan boord te nemen, ook garniering. + +2o. Voor Voeding. In de oude ordonnantiën komt het woord dikwijls voor, +b. v. Drye man voor huyr en V--. + +Voert, z. n. v. (veroud.) -- Inham of zeeboezem. + +Voet, z. n. o. -- Onderend van een mast, schoor, stut of stijl. + +Voetblok, z. n. o. -- Blok, dat omlaag is vastgemaakt. + +Voetstuk, z. n. o. -- Benedenste rand der galerij. + +Voetyzer, z. n. o. -- Krom kalfaatyzer. + +Vol, b. n. en bw. -- 1o. Gevuld. Met V--le zeilen (gevulde, gepannen +zeilen). Het schip slaat V-- hout. Zie Hout. + +2o. Open. De V--le zee (de open zee). De hoogste vloed. + +Volbrassen, b. w. of Afbrassen. -- De Brassen aanhalen om de zeilen +te doen Volstaan. + +Vol-en-by, bw. -- Niet te scherp aan-de-wind. V-- en B-- zeilen. + +Volhandig weer, z. n. o. -- Weer, dat de Handen Vol geeft. + +Volhouden, o. w. -- Vol-en-Byhouden: ook, na bygedraaid te zijn, +weder koers zeilen (houden). + +Spreekwijze: Men moet V-- (volharden, het niet opgeven). + +Volstaan, o. w. -- Wordt een zeil gezegd te doen, wanneer het de Volle +werking van den wind ondervindt. Dat zeil Staat Vol, Staat goed Vol, +Staat geheel Vol. De zeilen staan Vol. + +Spreekwijze: Laat dat V-- (laat het zijn gang gaan). + +Voor, bw. -- 1o. Voor den boeg van het schip. Het anker is V-- +(het hangt V-- den boeg). + +2o. Het voorste gedeelte van 't schip, de bak (Wenk aan V--, (fokke +hals opsteken, losgooien). + +Voor en achter dicht, bw. Alle zeilen dicht gereefd. + +Voorbyloopen, o. w. -- Voorby zeilen, varen. Een haven V-- (wanneer +men die wil ingaan, doch by ongeluk, of ten gevolge eener verkeerde +beweging, er voorby vaart.) Een schip V-- (een schip, dat gelijken +koers houdt, inhalen en vooruitkomen. + +Voor-de-wind, bw. -- Den wind recht van achteren. + +Spreekwijze: Het gaat hem V-- (het gaat hem voordeelig). + +Voor-de-wind, z. n. m. of Voorwind. -- Voordeelige wind. Met een +frisschen V-- zeilen. + + + Hunlieden niets gebrack als voorwind en ghetij, + + Vondel, Lofz. op de Scheepsv. + + + Wat vint men hier een maght die op haar ankers draeit + En wacht een voordewint om voort in zee te steken. + + Vondel. + + +Voordwarstouw, z. n. o. -- Touw, waarmede het schip van voren aan +eene der zijden is vastgemaakt. + +Vooreb, z. n. v. -- Zie Eb. + +Voorganger, z. n. m. -- Het voorste end van het touw, 't geen aan +het anker vast is. + +Voorhoede, z. n. v. -- Zie Voortocht. + +Voorkasteel, z. n. o. -- Zie Kasteel. + +Voorland, z. n. o. -- Land, 't welk men bezeilen wil. + +Spreekwijze: Dat is uw V-- (dat is de omstandigheid, waar toe gy +'t eerst vervallen zult). + +Voorlast, z. n. m. of Voorlastigheid. -- 't Zelfde als Achter- of +Stuurlast, maar met betrekking tot het voorschip. + +Voorlastig, b. n. -- Voor te veel Last hebbende: het tegenovergestelde +van achter- of stuurlastig. + +Voorlooper, z. n. m. -- Klein stuk vlaggedoek, in de draden der +loglijn gestoken op een afstand gelijk aan dien van het vaartuig. + +Voorluik, z. n. o. -- Luik aan het Voorschip. + +Voorlijk, z. n. o. -- Zie Lijk. + +Voorman, z. n. m. -- Die de Voorste roeit, enz. + +Voormarszeil, z. n. o. -- Zie Marszeil. + +Spreekwijze: Met het V-- betalen (zijn schuldenaars ontloopen). + +Voormiddagwacht, z. n. v. -- Wacht van 8 uur tot aan den middag. + +Vooronder, z. n. o. -- Kleine kombuis of keukentjen voor in een schuit +of binnenschip. + +Vooroverloopen, o. w. -- Voorby den boeg van een schip heenzeilen: een +manoeuvre in 't gevecht, om den vyand de laag langsscheeps te geven. + +Voorraad, z. n. o. -- Scheepsbehoeften. + +Voorscheen, b. w. -- Zie Klimmen. + +Voorschip, z. n. o. -- 1o. Voorste gedeelte van het schip, van den +fokkemast tot aan 't galjoen. + +2o. Het schip, dat vooruitzeilt. Zich op zijn V-- richten. + +Voorslemphout, z. n. o. -- Zie Slemphout. + +Voorsteven, z. n. m. -- Verzameling der kromme stukken, die het +Voorste gedeelte van een schip uitmaken. + +Voortent, z. n. v. -- Tent, die Voor den fokkemast wordt opgeheschen. + +Voortocht, z. n. m. of Voorhoede. -- Het Smaldeel eener vloot, +dat Vooruitzeilt, en doorgaands onder 't bevel staat van den +Hoofd-Officier, die op den Vlootvoogd in rang volgt. + +Vooruit, bw. -- Waarmede de betrekkelijke stelling van een persoon +of van een vaartuig wordt aangeduid. V-- zijn (zich op de voorhelft +van een schip, of eener vloot bevinden). + +Voorvloed, z. n. m. -- Zie Vloed. + +Voorvoet, z. n. m. (veroud.) -- Voorrang. Den V-- hebben (vooruit +zijn). + +Voorwaarts, t. w. komm. -- Om Vooruit te gaan. + +Voorwind, z. n. m. -- Zie Voor-de-wind. + + + Voor-wind maeckt rechte streken. + + Huyghens. Hofwijck. + + +Voorzeiler, z. n. m. -- Schip, dat vooruitzeilt, dat de overigen +geleidt. Zoo de Loodsboot, of ander vaartuig, dat, by het in- of +uitloopen van een naauwen doortocht voorzeilt. + +Voorzien, b. w. -- Helpen, steunen, beschutten. Een touw V-- (het +bekleeden). De booten van roeiers V-- (bemannen). + +Vracht, z. n. v. -- 1o. Lading: goederen, welke het schip bestemd +is over te brengen. Op V-- varen (varen, om lading, om V-- te +bekomen). Een schip, dat V-- zoekt. + +2o. Hetgeen voor de overvaart, 't zij van goederen of personen, +betaald wordt. Voor halve V-- meêvaren. Hoe veel is de V--? + +Spreekwijze: Hy heeft de vracht beet (hy heeft geld gewonnen). + +Hy heeft de vracht in (hy is dronken). + +Alle vrachtjens helpen (veel kleintjens maken een groot). + +Vrachtbrief, z. n. m. -- Zie Cherteparty. + +Vrachtlijst, z. n. v. -- Lijst, waarop de ingeladen goederen staan +vermeld. + +Vrachtschip, z. n. o. of Vrachtvaarder. -- Schip, dat goederen +overbrengt. + +Vrachtvaarder, z. n. m. -- Zie Vrachtschip. + +Vrachtvaart, z. n. v. -- De vaart met Vrachtschepen. De V-- op dat +land is zeer uitgebreid. + +Vrang, z. n. v. -- Het middel- of buikstuk van elk spant, dat +in de kiel en binnenkiel rechthoekig sluit. Halve V-- van het +groot spant. De voet, hiel, onderkant van een scherpe V--. Vlakke, +platte, scherpe V--en. Half scherpe V--en, ingetrokken V--en. V--en +van het vlak, middelV--en. V--en van een kattespoor. Halve V-- der +kattesporen. Gemaakte halve of heele V--. Gelaschte halve of heele V-- +(die uit twee stukken is saêmgesteld). + +Vredevlag, z. n. v. -- Zie Vlag. + +Vreetschepen, z. n. o. mv. -- Eigenaardige benaming, welke men aan +de konvooischepen plach te geven. + +Vreevuur, z. n. o. -- Zie Dwaallicht. + +Vriezen, o. w. -- Tot ijs stollen. + +Vroegkost, z. n. v. -- Ontbijt. + +Vrijbuiten, o. w. -- Op roof uitgaan. + + + De Britten afgericht op rooven en vrybuiten, + Braveerden lang ter zee met zwakke leere schuiten. + + Vondel, Zeevaert. + + +Vrijbuiter, Zeevrijbuiter, z. n. m. -- Zeeroover. Antonides bezigt +in zijn IJstroom den min gewonen vorm: Vrijbuitenaar: + + + De zeevrybuitenaars verdelgende in hun vlucht. + + +Vrijhouden, b. w. -- Ontslaan, ontdoen, vrijwaren. Een schip van +water V--. Zie Lens. Een anker V-- (beletten dat het, by 't ophalen, +tegen het schip stoote). + +Vrijzetten, b. w. -- Nagenoeg 't zelfde als Vrijhouden. + +Vuil, b. n. -- Wordt een schip genoemd, als zijn kiel met schelpen of +andere onreinheden begroeid is, die zijn loop vertragen: of een kust, +die met verborgen klippen is bezet. + +Spreekwijze: V--e gronden bederven de kabels. Zie Kabel. + +Vuilebras. z. n. v. (veroud). -- De tobbe of kuip, waar de varsebalie +het vleesch in plach te ververschen. + +Spreekwijze: Hy trekt aan de V-- (hy werkt door, of verkeerd, tot +eigen schade)--om dat, wie aan de V--B trok, het vuile water over +'t lijf kreeg. + +Vuilen, z. n. m. mv. -- Vuile gronden, gevaarlijk om over te zeilen, +of waarin het anker niet houdt. + +Vuil water maken, o. w. -- Door den modder zeilen zonder vast te raken. + +Vuist, z. n. v. -- Zware hamer, by 't scheepssmidgereedschap. + +Vulhout, z. n. o. -- Hout, gebezigd om de luchten te vullen. + +Vullen, b. w. -- De wind wordt gezegd de zeilen te V-- als hy die +doet volstaan. + +Vullingsgaten, z. n. o. mv. of Walmgaten. -- Zoggaten, sleuven langs +al de spanten van den binnenkant der karkas van een schip loopende, +en tot galei dienende, langs welke het water van de uiteinden des +vaartuigs naar de pompen loopt. + +Vullingsplank, z. n. v. -- Plank, waarin de Vullingsgaten zijn +aangebracht. + +Vullings, z. n. v. mv. -- Openingen, die by het bouwen van een schip +langs de binnenhuid worden gelaten om doortocht te verschaffen aan +lucht of aan water. + +Vuren, o. w. -- 1o. Vuur geven, schieten. Zy hielden niet op met +V--. Vuur bakboord, Vuur stuurboord (lost het geschut van bakboord, +van stuurboordzijde). + +2o. Lichten. Het water wordt gezegd te V--, wanneer de zee 's nachts +by elke beweging glanst als Vuur: de branding op de klippen doet zich +daardoor op een afstand kennen. + +Vuur, z. n. o. -- 1o. Baak, kustlicht. Wy hebben het V-- van Marken +in 't gezicht (het licht van den Vuurtoren.) Op dien kaap is een +draaiend V-- geplaatst (een kustlicht, waarvan de glazen beweegbaar +zijn, zoodat het licht schijnt te draaien.) Drijvend V-- (vuurschip, +dat tot baken dient.) Rood, oranjegeel V-- (gekleurd licht). + +2o. Schot. V-- geven (schoten doen.) Over beide boorden V-- geven +(het geschut van wederszijden van het schip lossen.) Wy dwongen +den vyand zijn V-- te staken (met schieten op te houden.) Een goed +onderhouden V--. + +3o. Branding. Zie Vuren. Een V-- in lij! + +4o. St. Elmus V-- elektrieke vlammen, die zich by stormweer op de +nokken en toppen vertoonen. + +5o. In zijn gewone beteekenis: Als de wacht opgezeten, moet V--, +licht en pijpjens uit, was de oude consigne aan boord. + +6o. Kanker, die het hout wegvreet. Zie Vervuren. + +Vuurbaak, z. n. v. -- Zie Baak. + +Vuurblaas, z. n. m. -- Benaming, welke men oudtijds aan een schip +van Vuren hout plach te geven. + +Vuurflesch, z. n. v. (veroud.) -- Flesch met buskruit gevuld, en van +een lont voorzien, hoedanige men onder het gevecht op vyandelijke +schepen plach te werpen. + +Vuurkleeden, z. n. o. mv. (veroud.) -- Natte huiden, waarmede men de +barrings tegen 't werpen van granaten plach te bedekken. + +Vuurschip, z. n. o. -- Schip, dat tot kustlicht dient. + +Vuurtoren, z. n. m. -- Vuurbaak, brandaris, toren, aan den ingang +van een haven of elders geplaatst en op wiens top Vuren of lichten +branden, om aan de schepen tot baak te dienen. + +Vijgetouw, z. n. o. -- Biezetouw, dat in de Middellandsche zee veel +gebruikt wordt. Touw, van den bast des Vijgebooms geslagen werd +vroeger zeer algemeen gebezigd. + +Vijstingen, z. n. v. mv. (veroud.) -- Bouten, met yzeren banden +doornageld, dienende om de masten steun te geven en recht in het +spoor te houden. + + + + + + + +W. + + +W, b. n. -- West. De wind is W. + +Waaien, onp. w. -- 1o. Blazen, wind maken. Het Woei een stijve koû. Het +zal van nacht fiks W--. Het Waait een vliegenden storm. + + + Men ziet de winden vaak van alle kanten Waaien, + + +zegt Phenix in Huydecopers Achilles. + + + 't Mag waaien, stil staan, vloeien of ebben, + Wie niet waagt die zal niet hebben. + + Cats. + + +Spreekwijze: Met alle winden W-- (zich aan elke bovendrijvende party +aansluiten). + + + Die met elken wind wil Waaien, + Die onthoude bovenal, + Dat de wind somtijds kan draaien, + Niet altijd bestendig wezen zal. + Hy blijv', heeft hy dit vergeten, + Voor een wissen val beducht: + Hy ligt, eer hy 't zelf kan weten, + Met de beenen in de lucht, + + +zingt Maria in 't Dorp aan de Grenzen. + +Ik acht het zoo veel als den wind die daar Waait (ik acht het niets). + +Het zal er W-- (er zal braaf geraasd worden). + +Het is hem door 't hoofd Gewaaid (hy heeft het vergeten). + +2o. Wapperen, uitwaaien. De vlaggen W--, of, als het oude liedtjen +zegt: + + + Zy zeggen: daar is er geen Prins in 't Land + En de vlaggen die Waaien van allen kant. + + +Waak, z. n. m. -- Waking, wacht, kwartier. Ende omtrent de vierde +Wake des nachts quam hy tot haar, wandelende op de zee. Markus VI. 48. + +Waak (derde) z. n. m. -- Vroeger werd een Onderluitenant by de +O. I. Kompagnie zoo genoemd. + +Waal, z. n. m. -- Kolk, walende stroom, waarvan zoowel de rivier, +als eenige der stadsgrachten te Amsterdam haar naam ontleenen. + + + De scheepshof van de Waelen + Met voorraet opgepropt van schepen klein en groot. + + Antonides, IJstroom. + + +Waan (in) houden, o. w. (veroud.) -- Eenig timmerwerk te scheep naar +den eisch houden, zoo dat het niet verzet. + +Waarachtige grond, (veroud.) -- Steenachtige grond. + +Waarloos, b. n. -- Al wat ingescheept wordt om een voorwerp van +gelijken aart te vervangen. W-- rondhout, touw. W--e bloks, zeilen enz. + +Waarnemen, b. w. -- Nagaan, beschouwen, opmeten. Den stand van een +hemellicht W--. + +2o. Aanvatten. Neem Waar dat end (grijp dat touw). + +Waauw, b. n. -- Voordeelig. De wind is W--. Zie Wieuw. + +Wacht, z. n. v. -- 1o. Daad van waken, t. w. voor de veiligheid van +'t schip. Men moet goede W-- aan boord houden. Zijn W-- staan (de +Wacht op zijn beurt hebben). + + + Een ieder staat zijn Wacht, + + +zegt Vondel, Lof der Zeevaart. + +2o. Kwartier, tijd, dat het waken duurt. Eerste W-- (van 8 uur +tot middernacht). HondeW-- (van middernacht tot 4 uur). DagW-- +(van 4 tot 8 uur 's morgens.) VoormiddagW-- (van 8 uur tot den +middag.) NamiddagW-- (van den middag tot 4 uur.) PlatvoetW-- (van 4 +tot 8 uur 's avonds.) BakboordsW--, StuurboordsW--. + +3o. De personen, die waken. De gandsche W-- kwam er aan te pas. + +Wachtrol, z. n. v. -- Lijst, waarop de indeeling der Wachten is +opgeteekend. + +Wachtschip, z. n. o. -- 1o. Schip, dat in den mond van een stroom of +haven ligt, om die te beschermen. + +2o. Ontwapend schip, tot berging van rekruten. + +Wachtwoord, z. n. o. of Parool. -- Afwisselend herkenningswoord, door +den Kommandant gegeven, en aan hen, die op wachten of posten staan, +of die rondes doen, medegedeeld. Het W-- gaan halen. + +Wadde, z. n. v. -- Droogten, ondiepte. + +Waden, o. w. -- Door 't water gaan. + +Wagenschot, z. n. o. -- Dunne beplanking. + +Wagenweg, z. n. m. -- Op de kaarten van de O. I. Kompagnie waren twee +lijnen afgeteekend, waartusschen de schepen gehouden waren te zeilen, +immers tot door de Linie. Die tusschenruimte werd W-- genoemd. + +Wak, z. n. o. -- Zwakke stede, open plek in het ijs. + +Waken, o. w. -- Bovendrijven: wordt gezegd van een rots, klip of ander +voorwerp, dat met het afloopen van het water zichtbaar wordt. Die bank +Waakt met de eb (laat zich zien met de eb). Een W--de boei (een boei, +die aanwijst, waar het anker ligt). + +Waker, z. n. m. -- 1o. Windwijzer op een masttop. + +2o. Lont, die brandend gehouden wordt in de lontbalie. + +3o. Ambtenaar, die van wege het Bestuur van 's Lands middelen aan boord +van een schip wordt gezonden om toe te zien, dat geene goederen van +boord worden afgeleverd, of dat een gedane verzegeling ongeschonden +blijve. Dat schip heeft W--s aan boord gekregen. + +Wakker, b. n. -- Vlug, bekwaam. + + + Wie roergang, splisse, en knoopen kan; + Dat is aan boord een wakker man. + + Scheeps rijmpjen. + + +Wakkeren, o. w. -- In kracht toenemen. De wind begint te W--. Zie +Aanwakkeren. + + + De wakkerende wind in 't Westen + Geeft hun getal der zee ten besten. + + Van Haren, de Geuzen. + + +Wal, z. n. m. -- 1o. Waterkant; vooral een zoodanige, die van hout- +of metselwerk voorzien is. De stads W--len. OpperW-- (waar de wind +van de landzijde komt). Lager W-- (waar de wind op de kust staat). + + + Hy zwiert al waar het water wil, + En wort zoo, door een snellen val, + Gedreven tegen lager Wal. + + Cats. + + +2o. Algemeene benaming voor land. Aan W-- gaan. Aan W-- blijven +(aan land blijven). Van W-- steken (afzeilen, afvaren). Zie Hooger +W--. Vaste W--. + +Spreekwijze: Iemand van den W-- in de sloot helpen. Zie Sloot. + +Ontgaat u de W-- hou u aan 't vlotgras. Zie Vlotgras. + +Het raakt kant noch W--. Zie Kant. + +Aan lager W-- zijn (zich in slechten finantieelen toestand bevinden). + +By den W-- langs, zoo vaart men zeker (als men zich verdacht houdt +heeft men geen gevaar te vreezen). + +De beste loodsen staan aan W-- (die buiten de zaak zijn, hebben +doorgaands 't meest er over te zeggen, weten 't altijd beter). + +Walen, o. w. -- Draaien. Een W--de naald (een kompasnaald, die niet +dan langzaam en als aarzelende haar richting neemt). + + + Daer waelt de lely van 't kompas, + + +zegt Vondel in zijn Lijkdicht op zijn kleindochtertjen. + +Walengang, z. n. v. -- Gang, op groote schepen, die op het koebrugdek +tegen boord het schip rond loopt, als 't ware rond-waalt, en dient +om den timmerman by een gevecht de grondschoten te doen stoppen. + +Walmgat, z. n. o. -- 1o. Het hol gedeelte, voor aan de schacht van +het roer onder elken vingerling gemaakt, om vrijen doortocht te laten +aan die van den voorsteven. + +2o. Zie Vullinggat. + +Wambuis, z. n. o. of Wammes. -- Baaitjen. + +Spreekwijze: Op zijn Wammes krijgen (er slecht afkomen). + +Wamen, o. w. -- Den modder op doen wellen, 't welk by den stroom +geschiedt. Het tij Waamt. + +Wan, z. n. o. -- 1o. Lek; lekkaadje. + +2o. Holte in het hout, welke niet kan weggenomen worden zonder het +hout in omtrek te doen verliezen. + +3o. Een yzer, waaraan in 't midden een lijn is vastgemaakt, dienende +om in het spongat voor ledige vaten te steken en die daarmede op +te hijschen. + +Wand, z. n. m. -- Binnenzijde van een schip. + +Wang, z. n. v. of Schaal. -- Zijstuk, klamp, die tegen een mast +geslagen wordt om dien te stutten. + +Wangen, b. w. -- Met Wangen of schalen voorzien: met klampen +vastzetten. + +Wanhout, z. n. o. -- Wankantig hout: hout, waarvan de oppervlakte +niet gaaf, maar met Wannen bezet is. + +Wankant, z. n. o. -- De ruwe zijde van het hout. + +Wankantig, b. n. -- Zie Wanhout. + +Wankoers, z. n. m. -- Verkeerde Koers, afwijkende Koers. + +Want, z. n. o. -- Oorspronkelijk: netwerk, waarvan Vondel, in zijn +Lofz. op de Scheepvaart: + + + Zoo langhe tot sy 't Want optrocken met de visch, + + +en van daar: al het Touwwerk aan boord; Staand en loopend W-- (het +vaste en losse touwwerk aan boord). Het W-- zwichten (by slecht weer +in geval het tuig los of gerekt is, het W-- over en weêr vastrijgen). + +Spreekwijze: Zijn staand en loopend W-- in orde brengen (zijn kleeding +in orde schikken). + +Die geen W-- heeft naar het schip, moet te gronde gaan (die geen +vrouw heeft, die hem past). + +Te veel W--s overhoop halen (te veel omslag maken). + +Hy is vierkant onder zijn staand en loopend W--. (Hy is in alles even +knap, van alle markten thuis). + +Wanten, b. w. -- Het Want in orde brengen, is niet in gebruik, dan +in de volgende + +Spreekwijze: Hy weet van W-- (hy verstaat de zaak). + +Wanten, z. n. v.-- Wollen handschoenen zonder vingers, by de visschers +in gebruik. + +Wanthaak, wantknoop, z. n. m. -- Zie Haak, Knoop, enz. + +Wantslag, z. n. m. -- Touwwerk, samengesteld uit touwen, die reeds +afzonderlijk waren gestrengeld geweest. + +Wantij, z. n. o. -- Draaijing, tegenstroom. + +Wanvangst, z. n. v. -- Gebrekkige, slechte Vangst, of geheel geen +Vangst. + +Wanzij, z. n. v. -- Zie Wankant. + +Wapenbord, z. n. o. of Naambord. -- Bord, waarop de naam van het +schip geschreven staat. + +Wapperen, o. w. -- Heen en weder waaien. De zeilen W--. Hy liet zyn +wimpel W--. + +Waring, z. n. v. -- Overloop op kleine vaartuigen. Zie Gangwaring. + +Warlen, o. w. -- Heen en weêr slingeren, draaien. In de War raken, +verwarren. Een W--de zee, (golven die tegen elkander opstaan). + +Wartel, z. n. m. -- Soort van kleine ketting of haak, draaiende op het +end van een ketting, en waarvan men by 't spinnen van schiemansgaren +gebruik maakt. + +Wartelblok, z. n. o. -- Zie Blok. + +Wartelhaak, z. n. m. -- Taliehaak, waarvan de kop uit een zeer +sterke yzeren plaat bestaat, op welke hy draait, en waarvan de beide +zijden zich sluiten over elkander als een beugel, waarin men een kous +vastklinkt om den strop te ontfangen van het blok, voor 't welk hy +dienen moet, om de daardoor loopende touwen, uit elkander te houden. + +Wasschen, b. w. -- Spoelen, schoonmaken. De zee Wiesch het dek schoon, +(de golven sloegen alles van 't dek, spoelden alles weg). + +Wassen, o. w. -- Rijzen, opstijgen, aanvoeren. W--d water (water, +dat met den vloed rijst), in tegenstelling van: vallend water. Een +W--de maan (als de maan in omtrek schijnbaar toeneemt). + +Water, z. n. o. -- Doorschijnende vloeibare zelfstandigheid, die door +de koude stolt, en door de hitte wegdampt. ZeeW--, RivierW--, BronW--, +WelW--, PompW-- enz. Zout W-- (dat der zee.) Zoet W-- (dat drinkbaar +is.) Brak W-- (dat met onzuivere bestanddeelen vermengd is.) Loopend, +stroomend W--. Woelend W--. Slecht W-- (dat stil is.) Ondiep W--. Hoog +W-- (volle vloed.) Stil W-- (tusschen vloed en ebbe.) Laag W-- +(afloopende ebbe.) W-- halen, zich van W-- voorzien (van zoet W--.) In +diep W-- zijn (in volle zee zijn.) Het W-- wast, het W-- valt (het +vloeit, het ebt.) Open W-- (dat niet bevroren is.) ToeW--, besloten W-- +(bevroren water.) VaarW-- (watering.) Een schip te W-- brengen (het af +laten loopen.) In 't mv. wordt het voor zee-, rivier- of stroomvaart, +in 't kort voor al wat zich bevaren laat, genomen. De breede W--en. De +binnenW--en (die binnen de grenzen liggen), ook voor golven, stroomen. + + + Hier barst hy (de Nijl) eindlijk uit met neergestorte Wateren. + + Antonides Ystroom. + + +Spreekwijze: Stille W--s hebben diepe gronden (zy die de minste praat +hebben, zijn dikwijls de knapsten). + +W-- in zijn wijn doen (zich een weinig temperen). + +Hy is verdronken eer hy W-- gezien had. Zie Verdrinken. + +Gods W-- over Gods akker laten loopen (fioolen laten zorgen, zich +nergends over bekommeren). + +Boven W-- zijn (geen vrees voor schade meer hebben). + +Tusschen W-- en wind zijn (weifelen, geen party kiezen). + +In zulke W--s vangt men zulke visschen (van zulk slach van volk moet +men zulke dingen verwachten). + +Onder W-- zijn (dronken zijn). + +Veel W-- vuil maken (veel onnoodigen omslag maken). + +Het is laag W-- aan boord (men heeft gedaan met schaften). + +Waar de dijk 't laagst is, loopt het W-- 't eerst over (rampen treffen +arme lieden 't eerst). + + + Die Water deert + Water weert. + + Cats. + + +In die W--en treft men veel N. Wind. (Kruisen zeeroovers). + +Waterborden, z. n. o. mv. (veroud.) -- Planken, die op het scheepsboord +gezet, en afgenomen kunnen worden. + +Waterdicht, b. n. -- Ondoordringbaar voor het water. Het eerste +vereischte van een vaartuig is, dat het W-- zij. + +Waterdracht, z. n. v. -- 't Zelfde als Diepgang. Zie ald. + +Wateren, b. w. -- Uit het oog verliezen, ten gevolge van de rondte +des aardbols. Een schip W--. Een eiland W--. + +Wateren, o. w. -- Uit het gezicht verdwijnen. Ziedaar een schip, +dat gedeeltelijk Watert (dat gedeeltelijk in 't water schijnt weg te +zinken, waarvan men alleen de masten ziet). + +Wateren, z. n. o. mv. -- Kogels, die in en uit het water springen. + +Watergang, z. n. m. -- Dikke plank, die aan weêrszijden van het dek is +aangebracht, tot hetwelk zy mede behoort. De W-- rust op den dekbalk, +ligt op eenigen afstand uit het boord en strekt zich over de geheele +lengte van het schip uit. + +Watergeus, z. n. m. -- Zie Geus. + +Waterhoos, z. n. v. -- Zie Hoos. + +Waterkant, z. n. m. -- Wal, Kant van het Water. + +Waterlanders, z. n. m. mv. -- Inwoners van Waterland. + +Spreekwijze: Daar komen de Waterlanders, t. w. op den dijk (daar komen +de tranen in de oogen, om dat de Waterlanders niet op den dijk komen, +ten zij er gevaar is). + +Waterlegger, z. n. m. -- Vat, waarin zoet Water aan boord bewaard +wordt. + +Waterloopsklos, z. n. m. -- Gedeelte van de bevloering der dekbalken, +'t welk zich op het uiteinde daarvan tegen boord bevindt, en als den +rand van het dek vormt. + +Waterlijn, z. n. v. -- Zie Kimlijn. + +Watermolen, z. n. m. -- Molen, dienende om het Water uit een polder +te malen. + +Waterruim, z. n. o. -- Gedeelte van het Ruim, waarin het Water +bewaard wordt. + +Waterpas, b. n. -- Horizontaal. + +Waterrecht, z. n. o. -- Door de zeevarende Mogendheden erkend zeerecht. + + + Tot hem een kogel heeft vooruit naar God gezonden + Om wraak te vergen voor 't geschonden Waterrecht. + + Brandt, Grafschrift op de Haas. + + +Waterschip, z. n. o. -- Schip, dienende om Water aan te voeren. + +Spreekwijze: Het doet er weinig toe al krijgt een W-- een gat meer +(om dat er het Water toch weêr inloopt). + +Waterschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede drinkwater wordt aangevoerd. + +Waterspiegel, z. n. m. -- 1o. De oppervlakte van het Water. + +2o. De Watergordel, die een drijvend schip omvangt. + +Watertreder, z. n. m. -- Dichterlijke naam voor "Schip." + + + Gelijck een vogel, als de dagh begint te kriecken, + Ter vlught zich rust en vecht en wackert zijne wiecken, + Zoo doet mijn zeilbaer vlot, mijn Watertreder mee, + Hy spant zijn vleugels uit, en maakt zijn zeilen ree, + + +zegt Vondel, Lof der Zeevaart. + +Watertocht, z. n. m. -- Tocht, reis, door 't Water. + + + Zoo trotst men Jazons Watertoghten + En zijn vermeetlen heldenlof. + + Antonides. + + +Waterrot, z. n. m. -- Bynaam voor een zeevarende. + +Waterval, z. n. m. -- Water, dat zich van een hoogte nederstort. + +Waterverkleuring. -- Verandering in de kleuren van het Water, welke +op zee doorgaands wordt waargenomen op sommige breedten of boven een +rif of bank. Het rif is noch door rollers noch door W-- kenbaar op +eenigen afstand. + +Waterverplaatsing, z. n. v. -- De plaats, welke de kiel van een schip +in het water beslaat. + +Waterverval, z. n. m. -- Verschil van diepte by hoog of laag Water. + +Watervloed, z. n. m. -- Overstrooming. + +Waterzeilen, z. n. o. mv. (veroud.) -- Zeilen, die men achter tegen +het schip, tot onder aan het water toe, hing, by het lensen. + +Web, z. n. v. -- De scheepstimmerlieden noemen een W-- scheren, +wanneer zy de latten spijkeren, naar welke het beloop van een schip +moet gemaakt worden. + +Wederzee, z. n. v. -- 't Zelfde als Tegenzee. Zie ald. + +Weekbak, z. n. m. (veroud.) -- Groote bak op den overloop, waar de +varsebalie zijn water in draagt en de spijs in weekt en reinigt. + +Weer, z. n. m. -- Zie Rietpark. + +Weêr of weer, (naarmate men dit woord als samentrekking van weder--wat +niemand ooit zegt--of van geweer, van weeren [waaien], beschouwt) +z. n. o. Luchtgesteldheid. Zwaar W-- (storm.) Gemeen W--, roezemoezig, +buiig W--. Het W-- klaart op. Het W-- is bestendig. Helder W--. Dik +W--. Donker W--. Handzaam W--. Deinzig W--. NoodW--. + +Spreekwijze: Mooi W-- en geen haring (het doet zich goed voor; maar +men heeft er niet aan). + +W-- en wind dienen hem (het gaat hem naar wensch). + +Mooi W-- spelen (den boel er doorbrassen). + +'s Avonds rood, morgen goed W-- aan boord. + +Weêr aan of weêr an, t. w. Goed zoo: toe maar: + + + Weer an: riepen de Matroosen: + 't Is een man, oft Mouringh waer, + + +zingt Huyghens in zijn Scheepvaart op 't overlijden van Prins Maurits. + +Weergal, z. n. m. -- Rood wolkjen, dat doorgaands buiig weer +aankondigt. + +Weerlicht, z. n. o. -- Ontvlamming van elektrieke dampen. + +Weêrstroom, z. n. m. -- Keerende stroom. Zie Neer. + +Weêrvloed, z. n. m. -- Keerende vloed. + +Weerswijs, b. n. -- Die zich verstaat op Weersvoorspellingen. + +Wegdrijven, o. w. -- Afdrijven, heendrijven. Met den stroom W--. 't +Wordt ook gezegd van een schip dat niet goed by-de-wind zeilt. Hij +drijft te veel weg (d. i. naar tij toe). + +Weger, z. n. m. -- Plank of plaat, tegen het binnen-oppervlak der +inhouten geplaatst, in de richting van voren naar achter. KimW-- (die +door de uiteinden der vrangen van elk spant heenloopt.) VlakW---, +BuikW-- (die tusschen de KimW--s en de W--s van het zaadhout +aangebracht worden.) TusschenkimW--s (die over de uiteinden der halve +vrangen en de ondereinden der onderbuikstukken liggen.) SteunW--, +BovenkimW-- (die boven de KimW--s zijn.) DostW--s (op de dikte waarvan, +in een schuit, de uiteinden der roeibanken gelegd worden). + +Wegeren, b. w. -- Wegers aanbrengen, een schip van binnen +beplanken. VolW-- (geen ruimte tusschen de Wegers laten.) Half vol, +met luchten W-- (tusschenruimten openlaten). + +Wegering, z. n. v. -- Vereeniging van al de Wegers of planken, +waarmede de romp van een schip van binnen is bekleed. + +Wegwijzer, z. n. m. -- Rat, Duizendbeen. Zie ald. Zoo heet ook een +boeksken voor koffen en smakken die het Katterak en Schagerrak bevaren. + +Wegzeilen, o. w. -- Zich zeilende verwijderen. + +Weigeren, b. w. -- Haperen, nalaten. Het schip Weigert in het wenden. + +Weischuit, z. n. v. -- Lichte schuit, die over de Weiden heen gedragen +kan worden. + +Wel, b. n. -- Goed, in orde, gezond. Alles W-- aan boord. + +Welbezeildheid, z. n. v. -- Snelheid, hoedanigheid van zeilen. De +schepen zullen zich naar hun W-- rangschikken. + +Welboot, z. n. v. -- Soort van Hollandsche boot. + +Welvaart, z. n. v. -- 's Lands W-- is 't gevolg van 't Wel-varen +der ingezetenen, en dit weder van de voordeelige Vaarten, die men +deed. Die zoo wel 't etymologisch als het moreel verband niet inziet, +weet niet, wat de taal is als uitdrukking van het volkswezen. + +Welzand, z. n. o. -- Land, waaruit het water opwelt of opborrelt en +waarin alles weg zinkt. + +Wenden, o. w. -- Over een anderen boeg gaan liggen; by- of voor-de-wind +over stag gaan: beweging, welke men aan een schip laat doen, om het +boord, dat vroeger van den wind was, tegen den wind in te brengen. De +vloot Wendt. De Amiraal deed sein, om door een contra marsch te W--. + +Wenken, b. w. (veroud.) -- 1o. Het eerste windvangen der zeilen als +een schip overstag wendt. + +2o. Los gooien. In 't komm. Wenk aan voor! (gooi de boelijns van het +voormarszeil en voorbramzeil en fok los). + +Werf, z. n. v. -- Ruimte of werkplaats, bestemd tot aanbouw van +vaartuigen. ScheepstimmerW--, GeschutsW--. + +Werfbrief, z. n. m. -- Register of bewijs van verbintenis, waarby +iemand dienst heeft genomen. + +Werfhuis, z. n. o. -- Huis, waar volk voor de dienst geworven wordt, +en dat doorgaands door het uitsteken van een vlag onderscheiden wordt. + +Werfofficier, z. n. m. -- Officier, met het aannemen van volk belast. + +Werk, z. n. o. -- Gepluisd touwwerk, dienende om de naden en voegen +der planken te breeuwen. + +Werken, o. w. of Kraken. -- Wordt het schip gezegd te doen, wanneer +zijn onderscheiden deelen ten gevolge van de beweging der zee hoorbaar +tegen elkander wrijven. Men zegt ook van masten of raas, dat zy +W--, wanneer hun gekraak aanduidt, dat zy in stevigheid beginnen +te verminderen. In 't algemeen beduidt het het hevig slingeren en +stampen van het schip. + +Werp, z. n. o. -- By een woord gevoegd, duidt aan, dat men iets +uitbrengt om zich te verhalen of uit te werken. Een W--anker, een +W--tros. Zie Anker, Tros, enz. W-- wordt ook wel by verkorting voor +Werpanker gebezigd. Een W-- uitbrengen. + +Werpanker, z. n. o. -- Anker, dat uitgevoerd wordt om een schip daarby +voort te halen. + +Werpen, b. w. -- of Uitwerpen, Een schip, door behulp van ankers of +trossen, uitwerken: komm. Werp (Werp het dieplood uit). + +Werplijn, werptros, enz. -- Zie Lijn, Tros, enz. + +Werrie, z. n. v. -- Engelsch roeivaartuigjen. + +Wervelwind, z. n. m. -- Dwarrelwind; draaiende Wind, die met hevigheid +waait. + + + 't Gegter der Wervelwinden + Die eik en ceder knakken, + Rukt broederlijke takken, + Scheurt teere hartevrinden, + In 't stormgewoel van een. + + Bilderdijk. + + +Werven, b. w. -- Aannemen, in dienst nemen. Manschappen W--, +Matrozen W--. + +Werver. Die het volk tot de dienst ten oorlog aanbrengt. De matrozen +noemen zulk een: zielverkooper. + +West, bw. -- Ten Westen, uit het Westen, aan den Westkant. De wind +is W-- (waait uit het Westen.) Wy zagen een schip W-- van ons af. + +West, (de) z. n. v. -- De Westindische Koloniën. Hy vaart op de +W--. Hy heeft zijn fortuin in de W-- gemaakt. + +Westelijk, b. n. -- Wat zich ten Westen bevindt. + +Westelijken, o. w. -- Zich naar het Westen begeven. De wind begint +te W--. + +Westen, (het) -- Het Westelijk land. + +Westen, (ten) b. w. -- Aan de Westzijde. Zie West. + +Westergang, z. n. m. -- Gang, die, zich langs den spiegel van stuur- +naar bakboord uitstrekkende, aan de eene zijde door den spiegel en +aan de andere door een leuning bepaald wordt. + +Westerkim, z. n. v. -- De gezichteinder ten Westen. Zie Westkim. + +Westerzon, z. n. v. -- Avondzon. + +Westewind, z. n. m. -- Wind, die uit het Westen waait. + +Westkim, z. n. v. -- 't Zelfde als Westerkim. + + + Hy had den avond en de Westkim reeds gewonnen + + Vondel, Faeton. + + +West ten noorden, west ten zuiden. -- Windstreken. Zie Windstreken. + +Westwaart, b. w. -- Naar de Westzijde toe. Wy zeilen W-- (het +Westen in). + +Westzijde, z. n. v. -- De zijde, in het Westen gelegen. + +Wevelingen, z. n. v. mv. -- Touwtjens, tusschen de hoofdtouwen +gespannen, en den bootsgezellen dienende om naar de mars en bramzaling +te klimmen. + +Weven, b. w. -- De Wevelingen scheren. + +Wiegen, b. w. -- De scheepstimmerlieden noemen een schip W--, wanneer +zij het, by 't afloopen, los wrikken en aan 't glijden helpen. + +Wiel, z. n. o. -- Het rad van een rampaard. + +Wieling, z. n. v. -- Draaikolk. + + + Wat Wieling dan, wat golving spoelt en drijft + En slingert u, onwetend waar gy blijft? + + Bilderdijk. + + +Wieltros, z. n. m. -- Dunne troslijn. + +Wier, z. n. o. -- Zeegras, dat, gedroogd, tot het maken van dijken +gebezigd wordt. Zie Dijk. + + + Een hand vol zeewier dreef door 't nat, + Ten spel van wind en golven, + Nu, 't moedig hoofd om hoog gebeurd, + En dan, in 't schuim bedolven. + + Bilderdijk. + + +Van dit gras heeft het eiland Wieringen zijn naam. + +Spreekwijze: Hy kijkt of hy Wieringen in wou (hy kijkt zuur: om dat +de doortocht tusschen Wieringen en den vasten wal smal is). + +Men moet soms hard prangen om Wieringen te krijgen (men heeft veel +gevaar door te staan eer men in veilige haven komt: men moet soms +hard werken aleer men tot rust komt). + +Wieuw, b. n. (veroud.) -- Ongunstig. De wind is W-- (het tegendeel +van Waauw). + +Wig, z. n. v. -- Prisma van hout of yzer, dienende om hout te splijten, +of eenig voorwerp te schoren. + +Wik, b. n. -- Ter naauwer nood. + +Spreekwijze: Het is W-- of Wak (het is zus of zoo). Zie Wak. + +Wikken. Bezien, doelen. + + + En driemaal wikte van zijn oortip, driemaal mikte: + Zóó vreeselijk, dat zelfs de hemelschutter schrikte. + + Vondel, Faeton. + + +Spreekwijze: Men moet W-- en wegen. (Men moet bezien en overleggen). + +Wildebras, z. n. m. -- Zie Bras. + +Willen, z. n. m. mv. -- 1o. Enden dik touw, die, in de plaats van +een wrijfhout, voor den boeg van een klein vaartuig gehangen worden. + +2o. Platte schijven van platting gemaakt, die over het buitenboord +van de sloepen gehangen worden tegen het stooten. + +Wimpel, z. n. m. -- Lange, smalle strook vlaggedoek, meestal in twee +punten uitloopende. Koninklijke W-- (die alleen van den grooten mast +der oorlogsvaartuigen geheschen wordt en de kleur der vlag heeft.) De +W--, boven de vlag van top gevoerd, dient tot teeken, dat de hoogste +macht, de Koning of diens vertegenwoordiger, aan boord is. Kommandeur +van den breeden W-- (tytel van een Hoofdofficier in rang volgende +op den Schout-by-Nacht). Met Vlaggen en W--s liep het schip de +haven binnen. + + + Een gloeiend paviljoen + Van Wimpels, geschakeert tot een triomffestoen, + Verlicht door duizenden van vieren, langs de stangen + En marssen vastgehecht, terwijl kortouw en slangen + Matroos verquikten met hun dreunende muzijk. + + Antonides, IJstroom. + + +Spreekwijze: Hy wint het met Vlaggen en W--s. Zie Vlag. + +Wimpelman, z. n. m. -- Scheepsjongen, die op den Wimpel moet toezien. + +Wimpelstok, z. n. m. -- Stok of standert van den Wimpel. + +Wind, z. n. m. -- Beweging van de dampkringslucht. Sterke W--, +Scherpe W--, Koude W--, Harde W--, + + + Boghtig yzer kan men rechten; + Maar geen harden Wint bevechten. + + Cats. + + +ZeeW-- (die uit zee waait.) LandW-- (die van de landzijde +komt.) By-de-W-- (als de W-- voorlijker dan dwars inkomt.) Voor-de-W-- +(van achteren inkomende W--.) Bezeilde W-- (dien men voor zijn +koers behoeft.) De W-- op het zeil (tegen-W--.) De W-- in het zeil +(voordeelige W--.) Onder den W-- van iemand zijn (te lijwaart van hem +zijn.) Slecht by-de-W-- zeilen (lafwindig zijn.) W-- en stroom mede +hebben. Naar den W-- zeilen. Door de W-- gaan (wenden.) De W-- is +Wieuw: De W-- is Waauw. Zie Wieuw, Waauw. Boven den W-- zijn, beneden +den W-- zijn (te loef of te lijwaart zijn.) De W-- is op en neêr +(er is geen W--.) Geen W-- overgeven (van elk zuchtjen gebruik maken). + +Spreekwijzen: Het gaat hem voor-de-W-- (het gaat hem voorspoedig). + +Er waait geen W-- of hy is iemand dienstig (elke zaak heeft hare +goede zijde). + +Hy ziet in den W-- (hy geeft acht op hetgeen gebeuren kan). Zoo +schrijft Hooft: "Hoewel de ontsteltenissen, die 't genaaken onzer +ellenden beteekenen, van heeden nocht gisteren begost zijn, zoo hebben +wy 't al een wyle laaten heenen gaan op toeverlaat, dat de Mooghenste +Heeren en Staaten der Gewesten in den wind zouden zien, en uwe Hoogheit +het opsteekend en nu over 't hooft hangend onweeder aanwijzen." + +Iemand den W-- afnemen (hem van zijn voordeel berooven). Zoo zegt +Hooft: "Dit was de wegh, om dien van Guise, die door den twist in +'t geloove hunnen aanhang stijfden, t'onderscheppen ende den windt +af te neemen." + +Wind breken, Wind maken (snoeven, pochen, onnoodige drukte +maken). "d'onzekerheid van den oirsprong des Nyls, daer d'Egyptische +neuswijzen zoo veel wints om breecken," zegt Vondel in de Opdraght +van zijn Sofompaneas. + +Door-de-W--gaan (met een nat zeil loopen, beschonken zijnde, om +verre vallen). + +In-de- W-- gaan (gaan zwieren). + +Tegen W-- en stroom is 't kwaad zeilen. Zie Stroom. + +Er is een rakjen in den W--. Zie Rakjen. + +Hy waait met alle W--en (hy praat ieder naar den mond). + +Alle havens schutten geen W--. Zie Haven. + +Iets in den W-- slaan (zich er niet aan stooren). + + + De booswicht slaet haer klaght en woorden in de wint. + + Vondel. + + + Die zeilt boven wint, + Die zie wat hy vindt. + + Cats. + + +(te hoog zeilen baart ongemak). + +Hy heeft den W-- in 't hoofd (hy is wild en woest). + +Daar is W-- aan de lucht (men is braaf aan 't pochen). + +Men kan van den W-- niet leven. + +Een schipper mag geen W-- verleggen (men moet geen gelegenheid +verzuimen). + +In die Waters heeft men veel Noorde-W--. Zie Water. + +Windas, z. n. v. -- Verzetbaar draaispil, waar iets aan wordt +opgewonden. + +Windboom, z. n. m. -- Vierkante boom, dien men in 't spil steekt om +het rond te draaien. + +Windbui, z. n. v. of Windvlaag. -- Gewaai uit dezelfde streek, dat +korter of langer duurt. + +Winden, b. w. -- Den kaapstander, het spil draaien, om het anker te +lichten, in het spil loopen. Op en neder W-- (het spil W--, tot dat +het touw reeds op en neder boven het gezonken anker staat). + +Windgeld, z. n. o. (veroud.) -- Geld, dat den schipper werd toegelegd +voor het slijten van takels, enz. by 't lossen en laden. + +Windhoek, z. n. m. -- Hoek, streek, van waar de Wind komt. + +Windhoos, z. n. v. Zie Hoos. + +Windmeter, z. n. m. -- Werktuig, waarmede de kracht van den wind +aangetoond en gemeten wordt. + +Windreep, z. n. v. -- Touw, looper, dienende om de stengen te hijschen +of de bovenste masten op te strijken. + +Windroos, z. n. v. -- Benaming van de lelie op 't kompas. + +Windspaak, z. n. m. -- 't Zelfde als Windboom. Zie ald. + +Windstreken, z. n. v. -- Deze zijn 32 in getal, te weten: + + + Noord. Zuid. + Noord ten Oosten. Zuid ten Westen. + Noord Noord Oost. Zuid Zuid West. + Noord Oost ten Noorden. Zuid West ten Zuiden. + Noord Oost. Zuid West. + Noord Oost ten Oosten. Zuid West ten Westen. + Oost Noord Oost. West Zuid West. + Oost ten Noorden. West ten Zuiden. + Oost. West. + Oost ten Zuiden. West ten Noorden. + Oost Zuid Oost. West Noord West. + Zuid Oost ten Oosten. Noord West ten Westen. + Zuid Oost. Noord West. + Zuid Oost ten Zuiden. Noord West ten Noorden. + Zuid Zuid Oost. Noord Noord West. + Zuid ten Oosten. Noord ten Westen. + + +Windvang, z. n. v. -- Het opvangen van den Wind. Een zeil ter W-- +stellen (het aan den Wind bloot stellen). + +Windveër, z. n. m. -- Streep in de lucht, wind voorspellende. + +Windvieren, z. n. v. mv. -- Verlenging van de rantsoenhouten. + +Windwijzer, z. n. m. -- Lap of strook, aan een stok gehecht, en op +'t boord gezet, dienende om de richting van den wind aan te toonen +by flaauwe koelte. + +Windzak, z. n. m. -- Bynaam van het koelzeil. + +Spreekwijze: Hy is een W-- (een opgeblazen vent). + +Winkelen, b. w. (veroud.) -- Winkelhaaks zetten. + +Winnen, b. w. -- 1o. Voordeel behalen. Op een ander schip W-- (het +naderen, met kans om het vooruit te komen). + +2o. 't Net ophalen als men vischt: 't zelfde als winden, even als +men ook vinnen voor vinden zei. + +Winterbramstengen, z. n. m. mv. -- Bramstengen met korte toppen. + +Winterlaag, z. n. v. -- Reede, waar de schepen gedurende den winter +veilig liggen. + +Wipper, z. n. m. -- Talie, dienende om iets te hijschen, of neder te +laten. W-- van de zonnetent. Zie Uithaalder, looper. + +Wippertjen, z. n. o. -- Slok, in der haast gedronken. + +Wisschersklos, z. n. m. -- Gedraaid stuk hout, op een roede van +esschen hout of op een touw gezet, en met schaapshuid of varkenshair +bekleed, en dienende om den loop van een stuk geschut schoon te maken +na het schot. + +Woeling, z. n. v. -- Naaiing van gebruikt touw of ketting, die om +den boegspriet in de Woelingknie komt en dient om den eerste, die +met recht den naam van Sleutel van het tuig draagt, neêr te houden. + +Woelingknie, z. n. v. -- Hoekige Knie, die de scheg aan den voorsteven +vastbindt: de eene arm is op den steven, de andere aan de scheg +vastgebonden. Zy dient om den laatste het opwerken en oplichten +te beletten. + +Woelwater, z. n. o. -- Woelend water. + +Spreekwijze: Een W-- (een woelig mensch of kind). + +Wol (in het) hakken (veroud.) -- In de gezaagde planken hakken, die, +om beter te buigen, in het vuur gelegd zijn. + +Wolf, z. n. v. -- Draaikuil. + +Wolk, z. n. v. -- Vergadering van dampen in de lucht, die in mist, +regen, sneeuw of hagel nederdalen. RegenW--, SneeuwW--, OnweersW--, +Drijvende W--en. Er hangen zware W--en. + +Wolkdrijvend, b. n. -- Zoo noemt men in de scheepsjournalen het weer, +als er Wolken door de lucht Drijven. + +Wolkvanger, z. n. m. -- Pij van prezenning, waarmede zich de zeelieden +tegen boos weer beschutten. Zie Bolkvanger, Baaivanger. + +Wolkveger, z. n. m. -- Wind, die de lucht van Wolken schoon veegt. + +Worm, z. n. v. -- Ongedierte, dat het hout doorknaagt. HoutW--, +PaalW--. Het hout is van de W-- doorvreten. + +Wormgaten, z. n. o. mv. -- Gaten, door de Wormen uitgevreten. + +Wormstekig, b. n. -- Door de Worm bedorven of althands aangetast. + +Wormvrij, b. n. -- Tegen de Worm beveiligd. + +Worpen, z. n. o. mv. -- Zware balken, die de uiterste spanten van +het achterschip van binnen krui-en. + +Worst, z. n. v. -- 1o. End oud touw om tot kabelgarens te worden +uitgedraaid. + +2o. Enden afgekapt zwaar touw, buiten boord gehangen om 't schuren +te beletten. + +3o. Grof doek, met zand gevuld, en in 't rond gevouwen, 't welk men, +by zware beweging van 't schip, bezigt, om te beletten, dat de schotels +van tafel rollen. + +Woutermannetjens, z. n. o. mv. -- 1o. Strookjens hout, waarvan er +doorgaands vier op het zaadhout onder een stijl gezet worden om het +uitglijden van dezen te beletten. + +2o. Kleine blokjens zonder schijven, voor dunne lijnen. + +Wouwestaart, z. n. m. -- Oude benaming van het roer, om zijn vorm. + + + Die maeckt den Wouwe-steert, het roer, van achter vast. + + Vondel, Lof der Zeevaart. + + +Wraak, z. n. v. -- Drift, hoek van afdrijving. Dwarsgang van het schip, +by-de-wind zeilende, waardoor men in den koers verliest en beneden het +voorgestelde punt geraakt. Het is een gebrek van het schip, wanneer +het veel W-- heeft. Afdrijven is winnen, zegt men, wanneer het schip, +bygedraaid liggende, van zelf drijft naar den kant waar men heen wil. + +Wraaklijn, z. n. v. -- De streep, welke het kielwater te loefwaart +op beschrijft, en die de afdrijving van het zeilend schip aanwijst. + +Wrak, b. n. -- In slechten staat, beschadigd. Een W--ke lading, +een W-- tuig. + +Wrak, z. n. o. -- Stukken van een gestrand schip. 't Woord heeft, +met betrekking tot een schip dezelfde beteekenis als dat van ruïne, +met betrekking tot een gebouw. + +Wraken, o. w. -- Afdrijven, van streek gaan. Het schip Wraakt of +heeft Wraak. + +Wrakton, z. n. v. -- Ton, die aanwijst, dat een schip gezonken is. + +Wreed, b. n. (veroud.) -- Werd een schip gezegd te zijn, wanneer het, +zwaar op het water liggende, in een onweer te veel slingerde. + +Wrikken, b. w. -- Een Wrik- of stuurriem, aan het achtereind van een +roeivaartuig uitgebracht, met beide handen rechts en links brengen, +zoo dat hy by elke slingering een halven cirkel beschrijft en zoo +vooruit doet gaan. + +Wrikriem, z. n. m. -- Zie Stuurriem. + +Wrijfhouten, z. n. o. mv. -- Houten, op de buitenzijde van een schip +gespijkerd om de wrijving en schokking van andere vaartuigen of +voorwerpen te verminderen. + +Wrijfworst, z. n. v. -- Zie Poddingzak, Worst. + +Wuit, z. n. v. -- Soort van haspel, waarop men te scheep het +schiemansgaren vervaardigt. LogW-- (W--, waar men de loglijn van +af windt). + +Wuiten, z. n. o. mv. (veroud.) -- Houten, met gaten doorboord, om +den kabel van het spil af te houden, als hy beslijkt is. + +Wuiven, b. w. -- Heen en weder zwaaien, toewenken. Met den hoed W--, +Het afscheid W--. Begroeten, by het roepen van hou zee! + +Spreekwijze: Ik weet uw W-- wel, zoo als de vrouw zei, toen zy haar +man aan de galg zag slingeren. + +Wulf, z. n. o. -- Boog, gewelfde zoldering. Het W-- boven den watergang +van een linieschip. + +Wulfbalk. z. n. m. -- Onderste balk tusschen de hekstukken. + +Wulfhout, z. n. o. -- Stut of oplanger van het Wulf. + +Wurm, wurmgaten, enz. -- Zie Worm, Wormgaten, enz. + +Wy, p. voorn. -- In 't algemeen gebruikelijk voor "ons schip." W-- +zijn aan lij. Hy is te loefwaart van Ons. Wy moeten ten anker. Wy +loopen drie mylen. + +Wijzen, o. w. -- Zich vertoonen, zich voordoen. Het touw Wijst recht +vooruit (staat recht vooruit). Het touw Wijst met een hoek naar het +anker (staat in een hoek tusschen het schip en het anker). Het kompas +Wijst. Zie Miswijzing. + + + + + + + +Y, IJ. + + +IJs, z. n. o. -- Bevroren water. De schepen raakten in 't IJ-- +bezet. DrijfIJ--. GrondIJ--. + +Spreekwijze: Op oud IJ-- vriest het licht. (Een oude hebbelijkheid +wordt spoedig tot een ondeugd). + +IJsbank, z. n. m. -- of IJsklip. Vaste IJsmassa. + +IJsbreker, z. n. m. -- IJsbord, IJsplank: houten bekleedsel, dienende +om een schip tegen de schuring van het IJs te beveiligen. + +IJsbord, z. n. o. -- Zie IJsbreker. + +IJsgang, z. n. m. -- Sterker drift van het IJs, dat door een stroom +wordt voortgedreven. Daar gaat een zware IJ--. De dijk is voor den +IJ-- bezweken. + +IJsklip, z. n. m. -- Zie IJsbank. + +IJsschol, z. n. v. -- Los ijsveld, oppervlakte, drijfijs. + +IJsveld, z. n. o. -- Zee, die tot IJs gestold is. + +IJszee, z. n. v. -- Zee aan de Noord- en Zuidpool, met IJs bezet. + +Yzer, z. n. o. -- Voor: kogels en schroot. + + + Heemskerck, die dwars door ijs en yzer heen dorst streven. + + Grafschrift op Heemskerk. + + +Yzers, z. n. o. mv. -- Boeien. Hy werd tot de Y-- veroordeeld. Hy +zit in de Y--. + +Yzeren knie, z. n. v. -- Knie, uit Yzer vervaardigd. + +Yzertros, z. n. m. -- Tros van de beste hoedanigheid. + +Yzervast, bw. -- Een tros, looper, bras, Y-- binden (voor goed +beleggen, vastzetten). + +Yzerziek, b. n. -- Wordt een schip genoemd, waarvan het Yzerwerk oud +is en los zit. + + + + + + + +Z. + + +Zaadhout, z. n. o. -- Benaming van een rij dikke balken, die, de +een aan den anderen, in de richting der kiel en daarboven geplaatst, +zich kruissen met al de spanten van een schip, door over 't midden +der vrangen heen te loopen. Het Z-- dient tot versterking voor het +raam en tot gelijker verdeeling van het gewicht des masten. + +Zaag, z. n. m. -- Lange platte yzeren strook, waarvan de eene zijde +getand is, en dienende om voorwerpen van hout of steen zuiver te +verdeelen. Zie HandZ--, SpanZ--, KraanZ--, RaamZ--, SchrobZ--, +TrekZ--. Volgends het sprookjen hadden de schepen der kruisvaarders +(waarvan de afbeeldsels nog in de groote kerk te Haarlem hangen) +Z--en aan den boeg, waarmede zij de kettingen, by Damiate gespannen, +afzaagden. + +Zagen, b. w. -- Door middel van een Zaag verdeelen. + +Zagersbok, z. n. m. -- Zie Bok. + +Zakken, o. w. -- 1o. Achteruitblijven. Wy lieten ons Z-- (wy bleven +met ons schip achteruit). + +2o. Nederdalen (Die bui is gezakt). + + + Dauw en donker zyn aan 't zakken. + + Huighens. + + +Zaling, z. n. v. -- Dwarshout aan den top van een mast, dienende om +een mars te steunen. Zie BramZ--, LangsZ--, enz. + +Zand, z. n. o. -- Soort van lichte, fijne, geelachtige aarde, met +keizels of schulpen vermengd. Grof Z--, Fijn Z--, ZeeZ--, RivierZ--, +SchelpZ--, Modderig Z--, DriftZ--, WelZ--, DuinZ--. Zie Verzanden. In +'t Z-- vastwoelen. + + + Bedolven in 't Javaansche Zand. + + O. Z. Van Haren. + + +Spreekwijze: Wacht u voor Z-- en stranden. + +Hy ligt in 't Z-- (hy is dood). + +Zandbaai, z. n. v. -- Verzande baai. + +Zandgrond, z. n. m. -- Zanderige bodem. + +Zandlooper, z. n. m. -- Werktuig, uit twee fleschjens bestaande, +in een open buis gevat en met de halzen op elkander geplaatst. Het +bovenste fleschjen is gevuld met Zand, 'twelk door een doorprikte kurk +in het onderste nedervalt, zoo dat het bovenste fleschjen juist ledig +is in een vooraf berekenden tijd, b. v. van een uur, een half uur, +een minuut, al naar de hoeveelheid Zand en de snelheid, waarmede +het valt. Men keert alsdan den Z-- om en dezelfde operatie wordt +herhaald. Zie Uurglas, Minuutglas. + +Zandplaat, z. n. v. -- Schor, drooge plaat in zee. + +Zandstrook, z. n. v. -- Breede gang, die in de sponning van de kiel +schiet, en zich van den voor- naar den achtersteven uitstrekt. + +Zee, z. n. v. -- 1o. of Waereldzee. De uitgestrektheid zout water, +die al de deelen des aardrijks bespoelt. + +2o. Elk afzonderlijk uitgestrekt deel der Waereldzee, 't welk dan +wordt onderscheiden door een bepaalde benaming, aan de plaatselijke +gesteldheid of kleur ontleend. Zoo: de Middellandsche Z--, De +Atlantische Z--, de NoordZ--, de stille ZuidZ--, enz. + +3o. Het water der Zee. Hooge, lage Z--, (hoog of laag water, ten +gevolge van vloed of eb.) Wassende, opkomende Z-- (gedurende den +vloed.) Afloopende Z--, (gedurende de eb.) De Z-- loopt hoog op, +(de stroom is hoog.) In Z-- loopen, Z-- kiezen, (uitzeilen.) De Z-- +oversteken, (zich naar een kust over Z-- begeven.) In Z--, op Z-- +zijn.--Een vloot op Z-- brengen, (haar uit de haven of van de reede +de volle Z-- doen inzeilen.) De Z-- houden, (in Z-- blijven.) Een +sloep in Z-- zetten, (een sloep uitzetten.) Een zware Z--. (waarvan +de golven hoog staan.) Een hoog aanschietende, hoog oploopende Z--, +(als de golven zich by uitstek hoog verheffen). De Z-- schuimt, krult +om, (wanneer de golven zich al wentelende met schuim bedekken.) Er +gaat veel Z--, (sterke stroom.) Lange Z--, korte Z--, (waarvan de +golven lang of kort zijn.) De Z-- kabbelt, (de golven zijn kort en +tegen elkander invallend). De Z-- breekt, (de golven storten kort +neder, breken boven het boord.) Het schip krijgt de Z-- voor in, +op den kop, dwars in, achter in, (de golven stooten zich op den +voor- of achtersteven, of tegen een der boorden.) De Z-- is slecht, +(is kalm, effen.) Staande Z--, (waar weinig eb en vloed gaat.) De +Z-- loopt den wind op, (de wind blaast van den kant, waar de Z-- +heen stroomt.) Daar staat Z--, (de Z-- is onstuimig.) Daar staat +geen Z-- meer, (zy is kalm). De ruime Z-- kiezen, (zich in de ruimte +begeven.) Het schip heeft de Z-- op den kop, houdt den kop op de Z--, +(de Z-- komt vlak op den voorsteven aanzetten.) Z-- en lucht zijn aan +elkander, (het is boos weer.) Ter Z-- varen. Zie Varen. Z-- winnen, +(zeewaarts in zeilen.) De zon duikt in Z--, (gaat onder.) De zon +rijst uit Z--, (gaat op). + + + De gouden Titan rijst alree + Met blaeuwe paerden uyt de zee + + Vondel. Palamedes. + + +4o. Golf, baar. Er kwam een Z-- die het schip overdekte.--Er gaan +korte Z--en.--De Z-- loopt om de Zuid. + +Spreekwijze: Zee voor Levenszee, waarvan van Alphen zingt: + + + De ontroerde zee, der golven hol geklots, + Stuurt ons van lieverlee ter haven in. + + +Z-- voor menigte, overvloed. Een Z-- van rampen, (een menigte +rampen). Zoo zegt Badeloch: + + + Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oog de baren + Der zee kan overzien van al mijn wedervaren. + + +Hy heeft een Z-- van geld, (overvloed van geld). + +Het is koel op Z--, (het gaat er stil toe). + +Water in Z-- dragen, (iets geven aan iemand, die er reeds overvloedig +mede bedeeld is). + +In Z-- gaan, (een onderneming wagen). + +Recht door Z--, (zonder omwegen). + +De Z-- is zonder water, (rijke lieden klagen alsof zy gebrek hadden). + +Wat zal de Z-- al opwerpen? (wat zal er al voor den dag komen?) + +Daar verdrinken er meer in een wijnglas dan in de Z--. + +De Z-- maakt gedwee (zeedienst temt den wilden bras). + +Zeearm, z. n. m. -- Die de Eilanden omvat. + +Zee-atlas, z. n. m. -- Verzameling van Zeekaarten. + +Zeebedding, z. n. m. -- Zandrug, door de Zee op 't strand geworpen. + +Zeebeer, z. n. m. -- Muur by een haven, om den golfslag te breken. + +Zeeberoering, z. n. v. -- Door aardbeving veroorzaakt. + +Zeebrak, z. n. o. -- Zeewater aan de kust. + +Zeeboezem, z. n. m. -- of Zeebaai. Zie Golf, Baai. + +Zeebocht, z. n. v. -- Zie Zeeboezem. + +Zeebonk, z. n. m. -- of Zeerob; bevaren zeeman, zeeman, die van niets +dan van zijn beroep weet. + +Zeebrief, z. n. m. -- Paspoort, door het gouvernement aan de +koopvaardyschippers afgegeven. + +Zeedagen, z. n. m. mv. -- Dagen op reis, buiten 't verblijf in havens +of op reede. + +Zeedamp, z. n. v. -- Die uit zee opkomt en zich over het land +verspreidt. + +Zeeduivel, z. n. m. -- Groote visch met horens: bynaam, wel aan een +galei gegeven. + +Zeedijk, z. n. v. -- Dijk, tegen de zee opgeworpen. + +Zeedienst, z. n. v. -- Dienst by het zeewezen. Hy is in 's Lands Z--. + +Zeeëngte, z. n. v. -- of Zeestrand, of Straat. Zie Straat. + +Zeefakkel, z. n. v. -- Tytel van een verzameling van kaarten en +landverkenningen met opgaven en opmerkingen verrijkt. + +Zeegat, z. n. o. -- Monding der stroomen, waar zy in Zee vallen, +of plaatsen, waar de Zeeën gemeenschap hebben met elkander. Het Z-- +van Terschelling, van Texel. De Z--en behooren wel voorzien te zijn. + +Spreekwijze: Hy moet het Z-- uit, (hy moet ter zee varen). + +Zeegast, z. n. m. -- Zeevarende. Matroos. + +Zeegevaar, z. n. o. -- Zie Assurantie. + +Zeegevecht, z. n. o. -- Zeestrijd, Zeeslag. Gevecht op Zee. + +Zeegewest, z. n. o. -- Streek of gewest, aan Zee gelegen. + +Zeegewas, z. n. o. -- Gewassen, die in Zee groeien. + +Zeegolf, z. n. m. -- Golf, baai van de Zee. + +Zeegt, z. n. v. -- Rondte. De Z-- van een schip, zijn bocht in +'t lang. De Z-- des dekken, der barghouten;--opstaande Z-- van een +plank. Het schip een Z-- geven. + +Zeehaven, z. n. v. -- Haven, die aan Zee ligt. + +Zeehanden en -voeten hebben, o. w. -- Op Zee t'huis zijn. + +Zeehout, z. n. o. -- of Hout voor scheen. Boord van het schip; hout +boven den overloop aan de scheepszijde. + +Zeekaart, z. n. v. -- Kaart, waarop de Zeeën, windstreken, enz. zijn +aangewezen. Het is noodzakelijk, goede Z--en aan boord te hebben. + +Zeekasteel, z. n. o. -- Dichterlijke benaming voor "schip." + + + Die zeekasteelen en zeereuzen, die ontaert + De starren dreigen met hun steil en trots gevaert. + + Vondel. Lof der Zeevaert. + + +Zeekraal, z. n. v. -- Groente aan de Zeeuwsche kust gevischt. Zeer +gezond voedsel. + +Zeekust, z. n. v. -- De kust, die zich langs de zee strekt. + +Zeeland, z. n. o. -- Land, aan of in Zee gelegen, en van daar ook +synomien met "eiland", voor welk laatste woord het in de gewone +beteekenis heeft plaats gemaakt om alleen als eigen naam in gebruik +te blijven voor twee gewesten, een in Denemarken en een in Nederland. + +Zeelieden, Zeelui, z. n. m. mv. -- Zeevolk, matrozen. + +Zeelingzaad, z. n. o. -- (veroud.) Kuil, dien een schip in den weeken +bodem waar het in gezeten heeft, achterlaat. + +Zeelucht, z. n. v. -- De lucht, die op of uit zee waait. Aan 't strand +een Z--jen scheppen. De Z-- zal u goed doen. + + + Wonder is 't dat sterfelijcke menschen + Noch smalen op den ploegh, en om een zeelucht wenschen. + + Vondel. Lof der Zeevaert. + + +Zeemaat, z. n. m. -- 't zelfde als Jan-maat. + + + Ons Zeemaets vliegen met de vlagge op by den mast. + + Vondel, Henriette Marie. + + +Zeemacht, z. n. v. -- 1o. Het getal oorlogschepen, die een Staat in +zee kan brengen. Engeland heeft er zich steeds op toegelegd zijn Z-- +te vergrooten. + +2o. Vloot. Onze Z-- wordt door een wakkeren vlootvoogd aangevoerd. + +Zeeman, z. n. m. -- Iemand, wiens beroep het is, ter Zee te +varen. Varensgast, varensgezel. Een bevaren Z-- (die op zee goed +t'huis is). + +Spreekwijze: Z-- geen man, (klacht van een t'huis gebleven vrouw). + +Een goed Z-- wordt ook wel eens nat, (een sober mensch drinkt ook +wel eens een glaasjen meer dan hem voegt). + +Zeemanschap, z. n. o. -- Eigenlijk: kennis van de Zeevaartkunde, +met overleg gepaard. Z-- gebruiken, (geven en nemen: by voorvallende +gelegenheden, van weer, wind of vyandelijke ontmoeting, naar de +omstandigheden handelen, en daarby, somtijds, tegen gewoonte, bericht +of instruktiën te werk gaan). + +Zeemanschap, z. n. v. -- Zeevaartkunde; overleg aan kennis gepaard. + +Spreekwijze: Men moet Z-- gebruiken, (men moet met overleg handelen, +geven en nemen). + +Zeemanshuis: z. n. v. -- 1o. Toevluchtsoord voor Zeelieden. Het Z-- +te Rotterdam. + +2o. Zeemanswoning; welbezeild, dicht schip, zoo zegt het oude rijmpjen: + + + Koffen en smakken + Zijn waterbakken. + Hoeken en buizen + Zijn Zeemanshuizen. + + +Zeemanstaal, z. n. v. -- By de Zeelieden in gebruik. Wie die niet +verstaat, is een onbevarene (baar). + +Zeemakelaar, z. n. m. -- Makelaar in schepen en Zeezaken. + +Zeemogendheid, z. n. v. -- Mogendheid, die een vloot van den Staat +bezit, Z-- van den eersten, tweeden, derden rang. + +Zeekoningen, z. n. m. mv. -- Naam, die aan de aanvoerders der Noorsche +en Deensche roofschepen in de negende en tiende eeuw gegeven werd. + +Zeemijl, z. n. o. -- Afstandsmaat. De Fransche Z-- is het twintigste +gedeelte van een graad des meridiaans. + +Zeenat, z. n. m. -- Zeewater. + +Zeenatie, z. n. v. -- Natie, byzonder tot de Zeevaart geschikt. + +Zeerafeling, z. n. v. -- Kabbeling in Zee, door invallenden stroom, +of langs de banken. + +Zeeofficier, z. n. m. -- Officier by 's Lands Zeemacht. + +Zeeoorlog, z. n. o. -- Oorlog, die op Zee gevoerd wordt. + +Zeeraad, z. n. m. -- Raad, die over Zeezaken oordeelt. + +Zeerecht, z. n. o. -- 1o. Recht, waarby de Zeevaart en Zeehandel +geregeld worden. Het Wisbysche Z--. Het Hanzesche Z--. Het Genueesche +Z--. + +2o. Rechten, die betaald worden wegens al wat tot de scheepvaart +betrekking heeft. Kantoor van het Z--. + +Zeeregister, z. n. o. -- Dagboek, journaal. + +Zeereis, z. n. v. -- Reis over Zee. + +Zeerob, z. n. m. -- Zeeman: Dus genoemd, omdat hy ruw als een rob +is. Zie Zeebonk. + +Zeeroof, z. n. m. -- Roof, aan een schip op Zee gepleegd. + +Zeerol, z. n. v. -- Zie Rol. + +Zeeroover, z. n. m. -- Zeeschuimer, die op Zee met een vaartuig kruist, +om andere vaartuigen te beRooven. Z-- wordt genomen zoo voor den +bevelvoerder, als voor elk, die tot de bemanning van het roofschip +behoort; ook wel voor het roofschip zelf. Hariadan Barbarossa was +een beroemd Z--. Hy is in de handen van Z--s gevallen. Dat vaartuig +schijnt wel een Z--. + +Zeeschade, z. n. v. -- Zie Avary. + +Zeeschender, z. n. m. -- Iemand, die op Zee schade aanbrengt. Antonides +bezigt in zijn IJstroom het woord Zeeschendenaer: + + + Zeeschendenaers ontzien in 't blinkende geweer + Te vliegen. + + +Zeeschip, z. n. o. mv. -- Zeebouwend schip. Zie de bepalingen, +de Zeeschepen betreffende, in het Wetb. v. Kooph. Boek II, Tit. I, +art. 309-319. + +Spreekwijze, Een lastig, ongemakkelijk Z-- (een lastig, ongemakkelijk +mensch). + +Zeeschuim, z. n. o. -- Witte bellen en mosch, die zich boven de +oppervlakte der zee vertoonen, wanneer de golven tegen eenig beletsel +of tegen elkander aan klotsen. + + + Meldt vry van Cypris, hoe zy Cypers kon bekooren: + Ick weet, dat dees Godin uit Zeeschuim is geboren, + + +zegt Vondel van Venus. + +Zeeschuimer, z. n. m. -- Zie Zeeroover. + +Zeeslag, z. n. o. -- Gevecht op Zee. De Z-- van Duins is het beroemdste +feit, dat ooit op Zee bedreven is. + +Zeeslot, z. n. o. -- 't Zelfde als Zeekasteel, doch min gebruikelijk. + + + Karel, die de trotse schepen + Zaeght verbranden in uw nest, + En uw Zeeslot, 's nabuurs pest, + Met een klaeu naar Tessel sleepen, + Zeg me, o scherpe waterroê + Hoe was toen uw hart te moe? + + Vondel, De Zeeleeu op de Teems. + + +Zeesoldaat, z. n. m. -- Zie Marinier. + +Zeestad, z. n. v. -- Stad, aan Zee gelegen. + +Zeestoel, z. n. m. -- (Veroud.) Stoel, die aan de tafel vast was, +en even als deze, door zwaar er aangehangen lood, in balans werd +gehouden tegen 't slingeren van 't schip. + +Zeestrand, z. n. o. -- Strand der Zee. + +Zeestrijd, z. n. m. -- Zie Zeegevecht. + +Zeetaktiek, z. n. v. -- Krijgskunst, toegepast op den oorlog ter Zee. + +Zeetocht, z. n. m. -- Tocht, op Zee ondernomen. + +Zeeton, z. n. v. -- Ton, die in de Zeegaten ligt, by de ondiepten. + +Zeetriomf, z. n. m. -- Zegepraal, op Zee behaald. + +Zeevader, z. n. m. -- De officier, die den adelborst in de manoeuvre, +de stuurman, die den leerling in 't cyferen, de onderofficier, die +den jongen in 't scheepswerk onderricht. + +Zeevaarder, z. n. m. -- Zeeman, doch meer bepaaldelijk een, die +groote of hachelijke reizen ondernomen heeft. De latere zeelieden +zijn grooter Z--s geweest dan die der ouden: Die zeeman is een by +uitstek bekwaam Z--. + +Zeevaardy, z. n. v. -- 't Zelfde als Zeevaart, doch minder in gebruik. + + + Op dezen voet beschermt de Zeevaerdy haer eer. + + Antonides, IJstroom. + + +Zeevaart, z. n. v. -- De Vaart op Zee. Handel en Z-- waren van ouds +de hoofdbronnen onzer welvaart. + +Zeevaartkunde, z. n. v. -- Kennis van al wat tot de Zeevaart behoort. + +Zeevak, z. n. o. -- 't Zelfde als Zeevaartkunde. Hy is knap in het Z-- +(hy is in Zeevaartkunde ervaren). + +Zeevast, b. n. -- Wat zoodanig is Vastgesjord, dat het door de beweging +der Zee niet kan heen en weêr gaan. Zet die koffers Z--. + +Zeeverzekeraar, z. n. m. -- Verzekeraar tegen schade op Zee. + + + Men hoeft geen Zeeverzekeraar + Nu alle watren rijn geveyligt voor gevaer. + + Vondel, Zeemagazijn. + + +Zeevoeten, z. n. m. mv. -- Voeten, die gewend zijn op het dek te loopen +Hy heeft Z-- (hy wandelt het dek op en neêr, zonder de slingeringen +van het schip te tellen). + +Zeevolk, z. n. o. -- Matrozen, Zeelieden. + +Zeevonden, z. n. m. mv. -- Uit Zee gespoelde goederen. Zie de +bepalingen daaromtrent in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, +art. 545-568. + +Zeevrijbuiter, z. n. m. -- Zie Vrijbuiter. + +Zeewaardig, b. n. -- Wordt een schip gezegd te zijn, als het in +behoorlijken staat gebracht is om uit te zeilen, als het "van zessen +klaar" is, gelijk men van harddravers zeggen zoû. + +Zeewaart, bw. -- Naar zee toe. + + + Stout verweerer, trots bevechter + Bey te zeewaart en te velt, + + +noemt Huyghens Prins Maurits. + +Zeewater, z. n. o. -- 1o. Water uit de zee. Goederen, door 't Z-- +beschadigd. + +Spreekwijze: Dat zal al het Z-- niet afwisschen (iemands slechten +naam). + +2o. voor Golf, in de + +Spreekwijze: Hem is al menig Z-- over 't hoofd gegaan. + +Zeewacht, z. n. v. -- Zie Kwartier, Wacht. + +Zeeweering, z. n. v. -- Dijkwerken tegen het inbreken van de Zee, +langs de bedreigde kusten, b. v. aan den hoek van Holland. + +Zeewetten, z. n. v. -- Wetten op de Zeevaart. + +Zeewier, z. n. o. -- Zie Wier. + +Zeewezen, z. n. o. -- Al wat tot de Zeevaart en Zeedienst betrekking +heeft. Tijdschrift voor het Z--. Jan de Witt heeft het Z-- in een +uitmuntenden staat gebracht. De verdiensten van Hiob De Wildt omtrent +het Z-- worden niet genoeg erkend. + +Zeewind, z. n. m. -- Zie Wind. + +Zeezaken, z. n. v. mv. -- Zaken, die tot het Zeewezen betrekking +hebben. De Kamer van Z-- (Amiraliteit). + +Zeeziek, b. n. -- Aangetast door Zeeziekte. + +Zeeziekte, z. n. v. -- Onaangename gewaarwording, met misselijkheid +en veelal met braking vergezeld, die hen kwelt, die de Zee niet +gewend zijn. + +Zeil, z. n. o. -- 1o. Vereeniging van een zeker getal linnen banen, +wier randen naar vaste berekeningen op elkander genaaid zijn, zoo dat +zy een min of meer groote oppervlakte vormen, bestemd om den wind op +te vangen. Zie Vierkant Z--, LatijnZ--, GrootZ--, FokkeZ--, BezaanZ--, +StagZ--, BovenZ--en, Groot StagZ--, Groot StengestagZ--, AchterZ--en, +VoorZ--en, LijZ--en, MarsZ--en, enz. Storm-- (dichtgereefde, gezwichte +fok.) Waarlooze Z--en, Z-- dat tegen, dat op den mast ligt (dat geen +wind vangt.) Z-- maken, Z-- byzetten, Z-- minderen, Z--en aanslaan +(tuigen.) Onder Z-- gaan (wegzeilen.) Vondel zegt in dezen zin: +Te Z-- gaan: + + + Triomftorts over de neêrlaegh des Koninklijke vlote. + 't Gewapend Schelt ging t' Zeil. + + +De Z--en bepalen (hoeveel Z--en de schepen eener vloot moeten voeren om +haar byeen te houden.) Met klein Z-- varen (weinig Z--en voeren). De +Z--en liggen blind (worden door andere belet wind te vangen.) De +Z--en scheppen (zy beginnen wind te vangen). + +Spreekwijze: Het waait hem in zijn Z-- (het gelukt hem). + +Een oog in 't Z-- houden (toezien). + +Met de Z--en tegen den mast liggen (in onmacht liggen). + +Met een opgezet Z-- komen (met een grammen moed). + +Dat is geen Z-- voor dat schip (die vrouw deugt voor dien man niet). + +Als het Z-- scheurt, dan heeft het een gat (die dan leeft, die +dan zorgt). + +Met de Z--en voor den mast liggen (met het beginnen gereed zijn). + +Met een nat Z-- loopen (beschonken zijn). + +Ergends Z-- op maken (iets bejagen). + +Onder Z-- gaan (inslapen). + +Met de laatste schepen onder Z-- gaan (laat heen gaan). + +Het Z-- inbinden (zijn staat verminderen). + +Alle Z--en byzetten (alle moeite doen). + +Stijf onder 't Z-- zijn (in staat, iets te kunnen verdragen). + +Met een opgezet Z-- aankomen (met drift of geweld aankomen). + +Met een staand Z-- is 't goed roeien (als men een goede zaak heeft +kan men er licht een nevenzaak by waarnemen). + +Alle Z--en blank spelen (er alles op wagen). + +Schippers pozen niet wanneer zy onder Z-- zijn. (Zie Schipper). Zie +verder Zeilen, Zeiltjen, enz. + +2o. Het schip zelf. Een vloot van N. Z--en (van N. schepen). Een Z-- +ontdekken. + +Zeilaadje, z. n. v. -- Vaart, loop van een schip. Dit schip is op Z-- +gebouwd (is op snellen vaart gebouwd). + +Zeilboom, z. n. o. -- Lange spar, op binnenvaartuigen, om het Zeil +by het voor-de-wind zeilen uit te houden. + +Zeilbaar, b. n.--Geschikt om te Zeilen. + + + Zoo doet mijn Zeilbaar schip, + + +zegt Vondel, Lof der Zeevaart. + +Zeildoek, z. n. o.--Grof en stevig doek, waar Zeilen van vervaardigd +worden. + +Zeilgaren, z. n. o. -- Garen, tot het naaien van de zeilen. + +Zeilemaker. z. n. m. -- Die Zeilen vervaardigt of laat vervaardigen. + +Zeilemakery, z. n. v. -- Plaats, waar Zeilen vervaardigd worden. + +Zeilen, o. w. -- Met behulp van Zeilen over 't water gaan. Het schip +kan Z-- noch drijven (het is loom, het wil niet voort.) Op zijn +buik Z-- (op zij liggende voortZ--.) Ruimschoots Z-- (met goeden +wind Z--.) Slag-over-slag Z-- (met korte gangen laveeren.) De Z-- +op stootgaren zetten (die nog slechts door eenig kabelgaren aan de ra +houden, zoo dat men ze op 't spoedigst kan byzetten.) (Deze uitroep +beduidt, dat de looper, waarmede geheschen werd, is vastgelegd). + +Spreekwijze: Men moet Z-- terwijl de wind waait (men moet de +gelegenheid waarnemen). + +De kooi lek Z--. Zie Kooi. + +Ruimschoots Z-- (het zoo naauw niet nemen). + +Hard achteruit Z-- (arm worden). + +Het walletjen langs Z--. Zie Wal. + +Iemand in de zijde Z-- (iemand benadeelen). + +Z-- of verzuipen (er alles op wagen). + +Men moet Z-- terwijl de wind dient (de gelegenheid waarnemen). + +Als het maar met een halven wind wil Z-- (als het maar half wil +gelukken). + +Zeilnaald, z. n. m. -- Naald, waarmede de Zeilen genaaid worden. + +Zeil-en-treil. -- Zie Treil. + +Zeiler, z. n. m. -- Zeilend schip. Dat schip is een goede, is een +slechte, is een luie Z--. + +Zeilkooi, z. n. v. -- Bergplaats voor de Zeilen. + +Zeilorde, z. n. v. -- Orde, waarin men Zeilt. + +Zeilpunt. z. n. o. -- Het Punt, waarop een loodrechte lijn, staande +op het zwaartepunt der waterlijn van een schip, de richting der +werking van het water op den voorsteven ontmoet. Het is op dit +Punt dat zich de werking van den wind op de Zeilen richten moet, +ten einde het schip noch naar boven, noch naar achteren overhelle: +men noemt ook Z-- het zwaartepunt der zeilen. + +Zeilreê, b. n. of Zeilvaardig. -- Klaar om uit te Zeilen. Dat schip +ligt Z--. + +Zeilsteen, z. n. m. -- Noordsteen, Magneet: Steen, die de eigenschap +heeft van het yzer aan te trekken. Zie Kompas. + +Zeiltjen, z. n. o. -- Klein Zeil. + +Spreekwijze: Het Z-- strijken (van zich zelven vallen). + +Zeilvaardig, b. n. -- Zie Zeilreê. + +Zeilrol, z. n. m. -- Rol, waarby de manschappen by de zeilen verdeeld +zijn. + +Zeilpriem, z. n. m. -- Priem, waarmede de gaten voor de beslagbanden +en rifseizing in de Zeilen worden geboord. + +Zeinschip, z. n. o. (veroud.) -- Soort van schepen, in oude tijden hier +in gebruik, open, zonder vast roer of mast, welke beiden zy opzetteden +als zy in zee gingen. Smal voor zoo wel als achter, en spits toegaande, +waarvan zy wellicht hun naam van Zein (zen of seis)-schip ontleenden; +voerden zy niet meer dan drie man en een jongen en zeilden wonder snel. + +Zel, z. n. m. of Zelling. -- Plaats in de engte, waar een anker heeft +vast gezeten. Daar gaat een stroom als van een Z--. + +Zelling, z. n. v. -- Zie Zel. + +Zeng, z. n. v. -- Plotslinge en kortstondige vermeerdering van den +heerschenden wind. Met Z--en waaien:--op de Z--en passen. + +Zetborden, z. n. o. mv. -- Klein schotwerk, dat in sleuven langs +de boorden eener sloep gezet wordt, om die te verhoogen en het +binnendringen van 't water te beletten. + +Zetgang, z. n. m. -- 1o. Losse plank, die men op lage vaartuigen +boven langs 't boord inzet. + +2o. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte +der inhouten wordt geplaatst. + +Zet gang, komm. -- Draai het spil harder om! + +Zetschipper, z. n. m. -- Persoon, die aangesteld wordt om een Schipper +tijdelijk te vervangen. + +Spreekwijze: Hy is Z-- (hy is tijdelijk met de zaak belast). + +Zetten, b. w. -- B. v. op het droog, aan den grond. De kapitein verkoos +zich liever op het strand te Z-- dan zich over te geven.--De loods +Zette het schip op het drooge.--Zet aan!--Zet vrij!--Zet af!--(komm. om +het vaartuig te doen by-, vrij- of afhouden). + +Zetjen, z. n. o. -- Ruk. komm. nog een Z-- (nog een ruk). + +Spreekwijze: Een Z-- helpt, en alle vrachtjens lichten, zei de +schipper, zette zyn hond aan 't roer, en smeet zijn vrouw over boord. + +Zetweger, z. n. m. -- Benaming van de zware beplankingen, die, op elk +dek, de binnenhuid van het schip bekleeden van den watergang tot aan +den onderkant der geschutponten. + +Zeuntjen, z. n. o. -- Zie Baksjongen. + +Ziekeboeg, z. n. m. of Ziekegrens. -- Plaats aan boord, waar de zieken +worden nedergelegd. + +Ziekegrens, z. n. v. -- Zie Ziekeboeg. + +Zieketrooster, z. n. m. -- Of, als Vondel hem in 't Lof der Zeevaart +noemt, + + + Het statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost. + + +Soort van Kathecheseermeester, die aan boord van elk zeeschip plach te +zijn om gebeden te lezen, de kranken te bezoeken en ander stichtelijk +werk te doen. + +Ziekevader, z. n. m. -- Oppasser in den Ziekeboeg. + +Zielverkooper, z. n. m. -- Zie Werver. + +Zilt, b. n. -- Zie Zout. De Z--e stroomen. (De zee). + +Zinken, o. w. -- Te gronde gaan. Dat schip gaat Z--. Een schip doen +Z--. Tot Z--s toe geladen zijn. + +Zitten, o. w. -- Gestrand zijn, onbewegelijk zijn. Het schip Zit op +het droog. Wy Zitten hier veilig. + +Spreekwijze: Ergends mede aan den grond Z-- (mede verlegen zijn). + +Zitters, z. n. m. mv. (veroud.) -- 1o. Balken, bezijden de buikstukken +op den bodem van het schip gelegd. + +2o. Benaming, op sommige plaatsen aan de buikstukken zelve gegeven. + +Zoeken, b. w. -- 1o. Naar iets Zoeken, Onderzoeken. Grond Z-- +(door het werpen van het lood). Het land Z-- (wanneer men meent, +het in de nabyheid te hebben, moeite doen om het te ontdekken). + +2o. Zich ergends heen begeven. Een haven Z--. Een opper, de luwte Z--: +De naald Zoekt het Noorden. + +Zoeker, z. n. m. -- Voorste gedeelte van een Z--bout, 't welk eerst +door het yzer gaat en na het indrijven van den bout wordt afgehakt. + +Zoekerbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, die twee of meer palmen langer +gekort worden dan zy varen moeten. Het overzijnde gedeelte van de +lengte wordt dun uitgehaald en vormt den Zoeker. + +Zoen, z. n. m. -- Verbetering, (veroud.) Het biedt geen Z-- (de +onstuimigheid der lucht stilt niet: het weer wil niet bedaren). + +Zoet, b. n. -- Drinkbaar. Z-- water. Er is gebrek aan Z-- water. + +Zog, z. n. o. -- Spoor, dat het schip in het opborrelend water +achterlaat. + +Spreekwijze: In iemands Z-- varen (hem volgen). + + + Daar is een kunst van voorbereiden, + Die tot des Dichters kunst behoort: + Men moet de ziel des hoorders leiden, + Of anders stuit hem ieder woord. + Men dient hem gants in 't Zog te slepen, + En, deze kunstgreep wel begrepen, + Dan doet men met hem wat men wil: + Dan zal hy, by een matig roeien, + Gewillig met de vaerzen vloeien, + En zwijgen als een stokvisch stil. + + Bilderdijk. + + +Zoggat, z. n. o. -- Zie Vullingsgat: ook wel genomen voor een hok, +achter de konstabelskamer, waar scherp in geborgen werd. + +Zogstukken, z. n. o. mv. -- Houten gaffels, die voor en achter tegen +den steven aankomen, in stede van gescheiden inhouten. + +Zogwater, z. n. o. -- Het water, dat achter het schip opborrelt. Het +is gevaarlijk in het Z-- eener stoomboot te komen. + +Zon, z. n. v. -- Lichtgevende, vaste ster, om welke de aarde +draait. De Z-- rijst, daalt, gaat onder:--De Z-- schieten (haar hoogte +berekenen.) De Z-- staat. De wind loopt voor de Z--. + +Spreekwijze: De Zon tot God gaat (verouderde uitdrukking der +visscherslieden, voor: "de Zon gaat onder"). + +Zondag, z. n. m. -- Scheur, vlek, plek in de kiel of in eenig ander +gedeelte van het schip, die verweloos geworden is. + +Zonsazimuth, z. n. o. -- Rechte standplaats der Zon by haar ondergang. + +Zonsdeclinatie, z. n. v. -- Hare afwijking van de linie. + +Zoneclips, z. n. v. -- Hare verduistering door den doorgang van +een planeet. + +Zonshoogte, z. n. v. -- Hare hoogte op den middag, waardoor de breedte +wordt aangewezen. + +Zonnetent, z. n. v. -- Tent, over het dek gespannen. + +Zoode, z. n. v. -- Zie Pompzoode, Durk. + +Zoomwerk, z. n. o. -- Zie Klinkwerk. + +Zorgband, z. n. m. -- Strop, aan den achterkant met klinkbouten +aan het roer geslagen, ten einde zich tegen het verlies daarvan te +verzekeren. Deze strop is aan de hoeken met oogen voorzien, aan elk +waarvan een Zorgketting vaart. + +Zorglijn, z. n. v. -- Lijn, die de blokken van de noodtakels tegen +de ra houdt. + +Zorgketting, z. n. v. -- Ketting, die door een oog van den Zorgband +loopt, zich van het roer naar boord uitstrekt en buiten om tegen de +huid wordt opgehangen. + +Zout, b. n. of Zilt. -- Verkrijgt, door zijn byvoeging aan sommige +woorden, de beteekenis van "Zee," of "Zeewater." De Z--e baren, +De Z--e plas, Het Zee-nat (de Zee). + + + En ghy . . . . . . die op de winden zwiert, + En vant lasurigh velt de Soute toomen stiert, + + +zegt Vondel in zijn Lofsangh op de Scheepvaart. + +Zout, z. n. o. -- Voor Zee genomen. + +Zuchtjen, z. n. o. -- Klein windtjen. Wy moeten van het minste Z-- +gebruik maken. + +Zuid, b. n. -- Ten Zuiden, van de Zuidzij. De wind is Z-- (waait van +de Zuidzij.) Wy hebben het land Z-- van ons. + +Zuid, (de) z. n. v. -- Zuidwaart gelegen streek. Zy voeren om de Z--. + +Zuidelijk, b. n. en bw. -- Wat zich ten Zuiden bevindt. + +Zuidelijken, o. w. -- Naar 't Zuiden schieten. Het begint te Z-- +(de wind loopt Zuid). + +Zuiden, (ten) b. w. -- Aan de Zuidkant. Spanje ligt T-- Z-- van +Frankrijk. + +Zuiden, (het) z. n. o. -- Het Zuidelijk gelegen land. Het onbekende +Z--. + + + 'k Heb zoo lang om Noord en Zuien + By de baas te roer gestaan + En voor niet, niet zooveel buien + Over deze muts zien gaan. + + Huighens. + + +Zuidewind, z. n. m. -- Zie Wind. + + + Kom zachte Zuidewindeken + Kom wieg het kleine kindeken! + Ons Rozalijntje is moé. + 't Verveelt haar, meer te luisteren: + De dag is aan 't verduisteren: + Haar oogjens vallen toe, + + +luidde een oud liedtjen, waar ik als kind mede in slaap werd gezongen. + +Zuid oost, bw. -- Windstreek midden tusschen O. en Z. + +Zuidwaart, bw. -- Naar het Zuiden. Zy zeilden Z--. + +Zuidwest, bw. -- Windstreek midden tusschen Z. en W. + +Zuidwester, z. n. m. -- Breedgerande hoed of kap met wasdoek of +geölied linnen overtrokken, en den zeeman tot bescherming dienende +tegen regen en wind. + +Zuidzeevaarders, z. n. m. -- Schepen, die om de Zuid ter walvischvangst +varen. + +Zuiger, z. n. m. -- 1o. Mastring, mastband, beugel. Yzeren ring, die, +op een sloep of klein vaartuig, aan een zeil vastzittende, en om een +mast of spriet geslagen, dient, om dat zeil langs dien mast of spier +te doen rijzen of zakken. + +2o. Van de Pomp. Zie Pompzuiger. + +Zuiver, b. n. en bw. -- Zonder gevaar. Een Z-- alleen staande klip +of rots (by welke men ten anker kan gaan liggen.) Een Z--e haven +(die men gemakkelijk kan inzeilen.) De kust is Z-- (er zijn klippen +noch banken). + +Zwaaien, b. w. -- Voor anker liggende, van stelling veranderen +door de werking van wind of stroom. Op den wind Z-- (den voorsteven +naar den wind keeren.) Op het tij Z-- (den voorsteven naar het tij +keeren.) Onder den wind met den stroom onder de lij Z-- (wanneer de +eene zijde aan den wind, de andere aan den stroom is blootgesteld.) Hy +Zwaait klaar, hy Zwaait voor klare kluizen (hy kruist zijn kabels +niet by 't omzwaaien.) In die haven is geen ruimte genoeg voor groote +schepen om te Z--. + +Zwaar, b. n. -- Groot, plomp, wijd. Z-- schip (wijd schip, schip van +grooten omvang.) Z-- weer (stormweer.) Z--e bui (hevige wind.) Z--e +zee (hooge zee.) Dat schip rijst Z--, valt Z-- in zee (verheft +zich moeilijk uit de zee) Z--e battery (van Z-- kaliber). Het Z-- +(anker)touw, Een Z-- anker. + +Zwaard, z. n. o. -- Verzameling van planken, in den vorm van een +schuinsch ovaal, die aan de zijde van een klein vaartuig ligt, en +dient om het afdrijven te beletten. + +Zwaartepunt, z. n. o. -- Het punt, aan weerskanten van 't welk de +deelen van een lichaam gelijke zwaarte hebben. Het algemeen Z-- +van een schip bevindt zich gewoonlijk binnen de lijn, welke het in +twee gelijke deelen scheidt. Het Z-- der waterverplaatsing van het +ondergedompeld gedeelte van het schip, of drukkingspunt, bevindt zich +binnen de vertikale lijn, die de romp in twee gelijke deelen scheidt. + +Zwabber, z. n. m. -- Dweil, uit kabelgaren of lappen aan een steel +gebonden en dienende om schepen en schuiten schoon te houden. + +Zwabberen, o. w. -- Met een Zwabber schoonmaken. + +Zwabberhalen. -- Spotroep der matrozen, wanneer een onbevarene door +het slingeren van het schip omverre valt, om de plaats waar de baar +(onbevarene) gelegen heeft, weder schoon te maken. + +Zwabberpaai of Zwabberkaptein. -- Een, die den Zwabber moet uitspoelen +en droogwringen. Hier wordt doorgaands de minst bekwame matroos +voor genomen. + +Zwakke-hals, z. n. m. -- Soort van stopper, dienende om by ruw weer +de belegtouwen te stoppen. + +Zwalpen, o. w. -- Zich golvend verheffen. Woord, zelden anders dan +in poëzy gebruikelijk. + +Zwalpen, z. n. m. mv. -- Stukken van greenen ribben, in de klamaaien +rustende en dienende om de dekdeelen te steunen. + +Zwaluwstaart, z. n. -- Stuik, die den vorm heeft van een Z--. + +Zwanehals, z. n. m. (veroud.) -- 1o. Drager van de roerpen. Zware +gebogene yzeren dekplaat, waarvan de grootste arm op het end der +roerpen sluit. + +2o. of Ruggegraat (om dat het beeld er met zijn rug tegen aan +staat). Vooruitspringend verbindingstuk van de scheg, door een +haaklasch aan de woelingsknie verbonden en daarmede als 't ware een +geheel uitmakende. + +3o. De gebogen yzeren stangen buiten boord, waar een sloep in hangt, +worden ook Z--en genoemd. + +Zweepstopper, z. n. m. -- Stopper, waarvan het end in een gedraaid +is en met een punt uitloopt. + +Zweeten, o. w. -- Wordt het eiken hout gezegd te doen, wanneer het +vochtig wordt en uitslaat, als dikwijls het geval is op nieuwe schepen, +by heet weer. Het Z-- van het hout heeft al onze beschuit bedorven. + +Zwei, z. n. v. -- Beweegbare Winkelhaak. + +Zwellen, o. w. -- Vermeerderen, vol worden, zich uitbreiden. De +wateren Z--. De wind doet de zeilen Z--. + +Zwemmen, o. w. -- Zich in 't water bewegen zonder te zinken. + +Zwengel, z. n. m. -- Arm van de pomp. + +Zwichten, b. w. -- De hoofdtouwen van het onderwant van stuur- en +bakboord door touwen onder de mars naar elkander halen. De fok Z-- +(die by stormweer inkorten, door servings). + +Zwichtingbouten, z. n. m. mv. -- Kleine ronde yzeren staven, met +geteerde servings bekleed: zy kruisen het lage want aan bak- en +stuurboord op de hoogte van den voet der klampen. + +Zwichtserving, z. n. v. -- Zwaar en breed gevlochten touw, waarmede +de fok gezwicht wordt. + +Zwiepend, b. n. -- Los, veerkrachtig Korte masten en lange stangen +maakt Z-- tuig. + +Zwieping, z. n. v.-- Planken, die men op verschillende hoogten en +op bepaalde punten der armen van een spant spijkert, ten einde die +armen de richting te doen bewaren, waarin men die houden wil. + +Zwin, z. n. o. -- Wad, droogte tusschen het water. + +Zijde, z. n. v. -- Boord, rechter- of linkerkant van een schip. De +vyand de breede Z-- bieden (hem uit de bak- of stuurboords-battery +beschieten.) Een schip op Z-- leggen (om het te kalfaten.) Haal de +sloep op Z-- (langs boord.) "Kregen de viktualiekaag op Z--, met +twee soldaten, vier varkens en vier schapen, heschen al het vee over" +(oud Rapport). + +Zijperken, z. n. mv. -- De beide vakken van het Dek aan weerszijde +van het middelpunt. Het eene Zijperk ligt tusschen den schaarstok en +waterloopsklos aan stuurboord--het andere tusschen de genoemde deelen +aan bakboordzijde. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Ik schrijf woordeboek, geen woordenboek, om redenen die ik +elders heb ontwikkeld. 't Is geen "boek van woorden" maar een "boek +met woorden," of "tot verklaring van woorden dienende."--Hooft, die +'t woord het eerst gebezigd heeft, noemt het dan ook: Woordtboek. "Ik +heb," schrijft hy van Justus Baak (183) "mijn voornaamst Woordtboek +oft Woordenaar hoe men op 't Duits heeten wil, niet hier." + +[2] De volledige tytel is: Handleiding tot de kennis van onze +Vaderlandsche Spreekwoorden en Spreekwoordelijke zegswijzen, bijzonder +van de Scheepvaart en het Scheepsleven ontleend, door J. P. Sprenger +van Eyk, Predikant te Rotterdam. Te Rotterdam, by Mensing en van +Westreenen 1835--en: Nalezingen en Vervolg op de Vaderlandsche +Spreekwoorden enz.--1836. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Zeemans-Woordeboek, by J. van Lennep + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 40417 *** |
